summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/67499-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 04:09:01 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 04:09:01 -0800
commitd5662adf59f11649415602316a8ce5cdf5191b37 (patch)
tree292da1b9b72ea22dfda45bb7b383983f5097b9e8 /old/67499-0.txt
parent8b7888d2d597b93d239d182cded0180f42fc1629 (diff)
NormalizeHEADmain
Diffstat (limited to 'old/67499-0.txt')
-rw-r--r--old/67499-0.txt15851
1 files changed, 0 insertions, 15851 deletions
diff --git a/old/67499-0.txt b/old/67499-0.txt
deleted file mode 100644
index cbe5151..0000000
--- a/old/67499-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,15851 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Kennisleer contra Materie-Realisme, by
-Leo Polak
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Kennisleer contra Materie-Realisme
- Bijdrage tot „Kritiek” en KANTbegrip
-
-Author: Leo Polak
-
-Release Date: February 25, 2022 [eBook #67499]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This
- file was produced from images generously made available by
- The Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KENNISLEER CONTRA
-MATERIE-REALISME ***
-
-
-
-
-
- KENNISLEER CONTRA MATERIE-REALISME
- Bijdrage tot „Kritiek” en KANTbegrip
-
-
- DOOR
- LEO POLAK
-
-
- AMSTERDAM—1912—W. VERSLUYS
-
-
-
-
-
-
-
-
- „Soviel ist gewiss: wer einmal Kritik gekostet hat, den ekelt auf
- immer alles dogmatische Gewäsche, womit er vorher aus Not vorlieb
- nahm, weil seine Vernunft etwas bedurfte und nichts besseres zu
- ihrer Unterhaltung finden konnte. Die Kritik verhält sich zur
- gewöhnlichen Schulmetaphysik gerade wie Chemie zur Alchimie, oder
- wie Astronomie zur wahrsagenden Astrologie.”
-
- „Alle Metaphysiker sind demnach von ihren Geschäften feierlich und
- gesetzmässig so lange suspendiert, bis sie die Frage: Wie sind
- synthetische Erkenntnisse a priori möglich? gnugthuend werden
- beantwortet haben.”
-
- Kant, Prolegomena.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
-Hoofdst. Bladz.
-
- Voorrede XI–XVI
-
-I. Inleiding. De betekenis van het probleem der kennisleer:
- Hoe zijn synthetiese oordelen a priori mogelik? en het
- vergezicht van Kant’s „copernicaans” antwoord 1–24
-
-II. De dogmatiese verdubbeling van de gewaarwordingsinhoud 25–52
-
- § 1. Het subject van individueel bewustzijn 25–29
- § 2. De „secundaire” en de „primaire” eigenschappen hebben
- gelijke subjectieve oorsprong en zijn gelijkelik
- objectief 29–38
- § 3. De objecten als „phaenomena”, afhankelik van het
- subject der natuur, zijn als zodanig „immanent” en
- reiken niet tot het „An-sich”, zijn niet oorzaken,
- maar derivaten van gewaarwording 38–44
- § 4. Het transobjectieve („An-sich”) als oorzaak van
- gewaarwording kan niet gekend, maar moet als
- werkelikheid gedacht worden 44–52
-
-III. De dogmatiese verdubbeling van de gewaarwordingsvorm 53–68
-
- § 1. De ruimte als „vorm” van de bewegingszin (Heymans)—en
- vergelijking met de „vorm” van toongewaarwordingen 53–62
- § 2. Kant als geestelik Copernicus: „vorm” niet
- „phaenomenal” maar „ideal”, dus uitsluitend
- subjectief-, niet transcendent-bepaald.
- Trendelenburg’s „derde mogelikheid” onmogelik 62–68
-
-IV. Het Transobjectieve („An-sich”) in zijn tweeledige
- kennistheoretiese functie: substraat der phaenomena en
- gewaarwordingsoorzaak. 69–92
-
- § 1. Kant’s tweeërlei „An-sich”: de tijd als „vorm” van
- bewustzijn 69–75
- § 2. Het reale of substratum der natuur en de causaliteit.
- Het psychiese en de ruimte 75–81
- § 3. Het An-sich-loos immanent „idealisme” als terugval in
- realisties physicisme. De goede Berkeley, hallucinaties
- en na-Kantiaanse „ongerijmdheid” 81–92
-
-V. Kant’s waarnemingsleer en haar moderne realisties-
- dogmatiese misvatting 93–162
-
- § 1. Één ruimte, één tijd, één „Erfahrung” 93–96
- § 2. Kant’s ruimteleer en Hartmann’s (benevens Külpe’s en
- Bolland’s) misverstand 96–141
- § 3. Dogmatiese Kantverhegeling 141–162
-
-VI. Resultaten. De verhouding van geest en natuur, lichaam
- en ziel 163–246
-
- § 1. Zeg mij hoe gij waarneemt en ik zal u zeggen wie
- gij zijt. Dogmaties realisme van pragmatismen en
- „idealismen” 163–182
- § 2. De strijd tussen dualisme en materialisme—een
- hopeloos dilemma 182–197
- § 3. De verlossing. De ware krities-monistiese
- „heterogeneïteit” en „identiteit”, waardoor de leer
- van overgang (causalisme, „Wechselwirkung”) vervallen
- is en de leer van denkbeeldige samengang (ideëel
- parallelisme) zegeviert. Besluit 197–246
-
- Opmerkingen tot toelichting en bevestiging 247–429
-
- Naamregister 431–434
-
-
-
-
-N.B.
-
-In citaten duidt spatiëring authentieke, cursivering mijn onderstreping
-aan, terwijl tussenvoegsels binnen ( ) authentiek, binnen [ ] van mij
-zijn.
-
-De vetgedrukte sijfers verwijzen naar de „Opmerkingen”.
-
-Al heb ik een Litteratuurlijst ten slotte toch maar achterwege gelaten,
-daar de tekst zelf omtrent de verwerkte, behandelde en te vergelijken
-litteratuur voldoende oriënteert, de verkorte boekaanduidingen hier en
-daar vindt men in het verloop van het werk wel verklaard; Heymans’ C. =
-„Schets eener critische geschiedenis van het Causaliteitsbegrip in de
-nieuwere wijsbegeerte”.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VERZOEKE VOORAF TE CORRIGEREN:
-
-
- p. 72 r. 14 v. b. staat: het 2°. lees: 2°.
- ,, 108 ,, 6 ,, ,,   ,,   dat  ,,   om dat
- ,, 110 ,, 12 ,, o.   ,,   matter  ,,   matters
- ,, 114 ,, 1 ,, ,,   ,,   was  ,,   wat
- ,, 174 ,, 11 ,, b.   ,,   i.c.  ,,   i.e.
- ,, 217 ,, 15 ,, o.   ,,   to  ,,   tot
- ,, 236 ,, 1 ,, ,,   ,,   57.  ,,   57
-
-
-
-
-NAAMREGISTER.
-
- Bellaar Spruyt XV wordt XVI
- Berkeley XII V.  ,,   XIII
- Hume XII  ,,   XIII
- Vauvenargues XIV  ,,   XV
-
-
-
-
-
-
-
-
- AAN MIJN OUDERS
- IN DIEPE VERERING EN TOT DANK
- VOOR HET VOORRECHT VAN „VRIJE STUDIE”.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORREDE.
-
-
-De énige fout van het materialisme, waarmee het staat en valt, is het
-materie-realisme, een fout, die het met zijn dualistiese bedillers
-gemeen heeft. Die blijven meestal even ver beneden het materialisme als
-zij zich verheven wanen boven deze „denkwijze van oppervlakkige en
-vulgaire geesten”. Immers zij missen dan onder meer het wetenschappelik
-inzicht der materialisten, dat er voor de geest, voor het
-bewustzijnsleven als zodanig, in de ruimtewereld geen plaats en geen
-taak te denken valt, een inzicht, dat tot de wanhopigste pogingen
-leidt, de geest bij de natuur in te lijven en daardoor, naar een
-gelukkige woordspeling van Prof. Bolland, te verzaken. Terwijl het
-realisties dualisme dan vergeefs worstelt met de onmogelikheden der
-wederzijds-causale verhouding, „Wechselwirkung”, tussen psyche en
-physis, en aan natuurwetenschappelike beginselen als de „gesloten
-natuurcausaliteit” en het „behoud van energie” langs velerlei
-sluikwegen tracht te ontsnappen, blijft het psychophysies parallelisme
-zijner „monisties”-gezinde tegenstanders bevangen in een
-epiphaenomenalisme, dat geen raad weet met zijn eigen, trouwens zelden
-doordachte, consequenties: enerzijds de invloedloosheid van alle
-bewustzijn, van heel de kultuur, van het Denken, het Gemoedsleven en
-het Willen op alle wereldgebeuren, zelfs op de objectieve
-voortbrengselen—naar men moest menen—van wetenschap en kunst
-(wiskunde-boeken zonder kennis of besef en schilderstukken zonder
-zinnen of gevoel ontstaan!) en anderzijds de onverklaarbaarheid en
-tegenstrijdigheid van een blijkbaar evolutie-produkt zonder mogelike
-selectoriese waardij!—Uit al deze aporieën en antinomieën over en weer
-bevrijdt volkomen en uitsluitend de kennisleer, wier „kritiek” het
-materie-realisme als onbewust dogmatisme kenmerkt en uitdrijft.
-
-De zuiver theoretiese kennisleer, die niet preekt en niet schimpt, niet
-verlokt noch verdicht, maar betoogt en bewijst.
-
-Hoe triest is zelfs die agnosticistiese blijmoedigheid van een Lange,
-die zich met het surrogaat der „Dichtung” moet behelpen in de „gemeine
-Wirklichkeit” van zijn ruimtelik „Heelal”, waaruit hij geen Ueberweg,
-geen Strauss terecht kan helpen; die zich zelf aan materialisme en
-fatalisme moet overgeven, zolang hij „nur Wirkliches gelten lasst”.
-Onze anti-realistiese kritiek daarentegen behoeft slechts te laten
-gelden wat werkelik is—om ook Lange’s „idealisties” psychophysies
-materialisme te boven te komen.—Juist de „Wirklichkeitserkenntnis nach
-den kausalen Relationen”, door Dilthey’s naturalisme-tegen-wil-en-dank
-ter hantering afgezonderd voor de materialisten, voor Comte en
-Avenarius, overwint het materialisme, overwint Comte en Avenarius.
-
-„Kritiek contra Materie-realisme” is een species van het genus kritiek
-contra dogma. En zolang die twee tegenover elkander staan als vuur en
-water, zolang waar en onwaar, echt en vals elkaar uitsluiten, zolang
-zal de wijsbegeerte de moed en de kracht moeten hebben, de blaam der
-„eenzijdigheid” te trotseren. Onverdraagzaamheid is de oude zonde van
-bekrompen zielen.... jegens mensen, dragers van ideeën;
-verdraagzaamheid is de moderne zonde van ruime geesten.... jegens
-ideeën zelf.
-
-Tegenover het materie-realisme wordt hier de verdediging ondernomen
-„der grössten Narrheit, die je ein Menschenhirn ausgebrütet hat, des
-philosophischen Idealismus, der die Existenz der materiellen Welt
-leugnet”, dus van het „immaterialisme” van Berkeley, dat slechts daarom
-zo „onwederlegbaar” is, als Hume en de beste kritiese denkers het
-hebben bevonden, wijl het.... gelijk heeft. Wij „loochenen” dus het
-„bestaan” van de materie, van de natuur, ons eigen lichaam incluis, si
-quis unquam philosophus. Maar wacht nog even met uw spot. Ten volle
-geldt, wat Berkeley’s uitgever Fraser in zijn Preface voor de „Three
-Dialogues between Hylas en Philonous” van 1713, „the gem of British
-metaphysical literature”, omtrent B.’s waarnemings- en materie-leer
-opmerkt: „The history of objections to the doctrine is very much a
-history of its misconception”. Sinds Kant zelf Berkeley miskend heeft,
-pleegt Kant-orthodoxie de neus op te halen voor „de goede bisschop”.
-Daarom acht ik het eer en plicht nu eens juist op de overeenstemming
-tussen Berkeley en Kant, trots alle verschil, de volle nadruk te
-leggen. Want Berkeley blijft, boven alle quasi-Kantiaanse
-„Ansich”-verzakers, de grote bereiker der object-immanentie, aanvaard
-en verdiept door het „vorm”-idealisme van Kant, op zijn beurt element
-van het zuiver psychisme van Heymans.
-
-Op Kant’s eigen waarnemingsleer is Fraser’s woord zeker niet minder
-toepasselik.—Die kritiserende Kant-misvatting, speciaal van het moderne
-realisme, als zodanig te onthullen en uit de weg te ruimen, zal een
-aanmerkelik deel zijn van mijn taak.
-
-Geen nieuwverzonnen filosofies stelsel, geen nieuwbedachte
-kennistheorie wordt hier geboden. Dat hoorde bij de tijden, toen er
-filosofen waren bij de vleet (en men filosofieën voor ’t „kiezen” had),
-maar de filosofie niet bestond.
-
-Nu, dank zij de kennisleer, ook de wijsbegeerte methodies zich heeft
-opgewerkt tot exacte wetenschap, mag zich voorlopig tevreden stellen
-wie het inzicht, tot dusver door de mensheid in haar beste denkers en
-vorsers bereikt, nu juist niet reeds te boven gaat, maar slechts
-verworven heeft, om het te bezitten. Groot en heerlik is deze
-geestelike verworvenheid, te danken aan de kennisleer als wetenschap
-der wetenschappen, als zelfbesef der waarheidsvorsing, aan niets en
-niemand rekenschap schuldig dan aan zich zelf, autonoom en soeverein.
-Beati possidentes—maar hoe gering is tot nog toe hun getal. Zo goed als
-ieder zijn proza spreekt, zo goed heeft ieder zijn kennistheoreties en
-metaphysies standpunt. Toch zijn er leken in kennisleer en wijsbegeerte
-in ’t algemeen, als in elke andere wetenschap. Zelfs zijn het niet maar
-de eerste de beste, doch ook de eerste en beste geesten,.... op eigen
-gebied, bij voorkeur dat der natuurwetenschappen of van de
-godgeleerdheid,.... die in volkomen „naiveteit”, als volslagen leken,
-het onvervaard opnemen tegen de dwaasheden der grootmeesters zelf, die
-toch ook specialiteiten zijn, zij het dan ook van het niet-speciale.
-Pour savoir une chose il faut l’avoir apprise, al heeft de
-wijsbegeerte, als elke wetenschap, misschien zelfs boven elke
-wetenschap, haar ontdekkers, genieën die vinden, wat de mensheid sinds
-heeft te leren, en al is hier misschien meer dan elders het weten
-niets, het begrijpen alles. Met dien verstande, dat er veel besefloos
-weten is—„In einen hohlen Kopf geht das meiste Wissen”—maar geen
-onwetend begrijpen. Zonder kennis geen begrip. Maar is dan in deze zin
-de wijsbegeerte leerbaar, begrijpbaar voor een „gewoon mens”? Zij mag
-haar graden kennen van aanleg en begaafdheid—ik geloof inderdaad, dat
-de duisterheid minder eigen is aan de filosofie dan aan de filosofen.
-Duisterheid en diepzinnigheid zijn twee. Menig brakke sloot schijnt
-bodemloos diep omdat hij troebel is—menig diepe beek is doorzichtig tot
-op de bodem. En nog heden leeft Schopenhauer’s inktvis, die zich in een
-wolk van zelfgeschapen duisternis hult onder de leuze: mea caligine
-tutus. „Frauen sind abweisend, um anzuziehen, Philosophen dunkel, um
-erklärt zu werden,” luidt § 133 van Paul Rée’s grimmige „Eitelkeit” en
-§ 83: „Den Philosophen ist weniger daran gelegen, verstanden als
-bewundert zu werden. So erklärt sich ihre Dunkelheit.” Hoe aanvechtbaar
-deze „verklaring” ook zijn mag, die stellig heel wat onmacht stempelt
-tot kwade trouw, zij bevat het element van waarheid, door Vauvenargues
-gevoeld: „La clarté est la bonne foi des philosophes”. Het armzaligste
-heuveltje, mits maar steil genoeg, is te verheven voor de voetganger,
-die langs ’t glooiend bergpad de hoogste toppen bereikt. Zulke paden
-naar boven te wijzen en te banen zal mijn doel zijn.
-
-Het subjekt der natuur bestaat evenzeer, dus evenmin, als de natuur.
-Ziedaar een slotsom van materie-kritiek, zoals ik die ergens in mijn
-vertoog heb geformuleerd, die zonder toelichting zeker door de meeste
-lezers evenmin zou worden begrepen als aanvaard. Mijn eerzucht
-hieromtrent zal echter juist en eerst dan ten volle bevredigd zijn, als
-mijn uiteenzettingen en verklaringen ieder hunner van deze tweeledige
-waarheid hebben doordrongen. Dan heeft mijn geschrift het zijne gedaan,
-om wat tot nog toe de dwaasheid van enkelen was, te maken tot de
-wijsheid van allen, d.w.z. van alle ernstige, redelike zoekers der
-waarheid.
-
-Dus niets nieuws? Misschien toch wel. Zij het ook minder nova dan wel
-nove. Nieuw licht op oude waarheid.... en op nieuwe dwaling. En
-wellicht de eerste poging, altans ten onzent [1], om de „gemiddelde
-ontwikkelde leek” met voldoende wijsgerige belangstelling niet alleen
-door leringen te wekken, maar tevens door voorbeelden te trekken uit de
-„dogmatischen Schlummer” en krities te oriënteren.
-
-
-
-Oorspronkelik was mijn verhandeling bedoeld als kennistheoretiese
-inleiding tot een eerlang gereed rechtsgeleerd proefschrift over de
-Grondslagen van het Strafrecht, speciaal over de Vergelding. Maar toen
-ze ging uitdijen tot de onderhavige, didakties-polemiese kritiek, die
-tot het recht in weinig nauwer verband staat dan tot de
-geesteswetenschappen als zodanig, besloot ik tot afzonderlike uitgave.
-Zo zij die ontstaanswijs mede verontschuldiging voor het rhapsodiese
-van de bijgevoegde Opmerkingen, waarvan het materiaal systematieser
-verwerking en uitwerking vraagt, maar ook in deze vorm tot nader
-oriëntering dienstig moge blijken.
-
-Al mag ik van geen hoogleraar der wijsbegeerte mij leerling noemen
-(slechts van Prof. Bellaar Spruyt heb ik enkele colleges kunnen
-bijwonen, waarvan de waarde mij destijds door nog onvoldoende
-voorbereiding wel grotendeels moest ontgaan) en al vindt ook een
-„leerling” zijn weg in de wijsbegeerte niet dan zover hij „autodidakt”
-is,—wie ik als meesters dankbaar vereer moge mijn werk getuigen.
-
-Door dicht kreupelhout van misvatting en verwarring hebben wij ons
-opwaarts pad te zoeken; soms moeten wortelen van eerbiedwaardige
-woudreuzen uit de weg gehakt, ook al is hun schoonheid ons niet ontgaan
-of al is ’t voor nòg zo velen in hun schaduw zoet rusten. En van
-vergezichten zullen we weinig genieten onderweg, maar eenmaal boven
-wellicht des te meer.
-
-Mijn kritiek zal helaas Hartmann zelf niet meer bereiken. Of ze hem van
-ongelijk had overtuigd? In elk geval, zijn werk met z’n geweldige
-werfkracht leeft voort, en mocht niet onbestreden blijven. Maar laat ik
-hier in mijn eerste geschrift het slotwoord der voorrede uit zijn
-eerstelingswerk tot het mijne mogen maken: „Wem die Resultate der
-vorliegenden Arbeit anmassend erscheinen möchten den erinnere ich
-daran, dass es keine andere Pietät gegen die Heroen der Wissenschaft
-gibt als die, ihre Erzeugnisse sorgfältiger als die jedes andern zu
-prüfen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.—INLEIDING.
-
-DE BETEKENIS VAN HET PROBLEEM DER KENNISLEER: HOE ZIJN SYNTHETIESE
-OORDELEN A PRIORI MOGELIK? EN HET VERGEZICHT VAN KANT’S „COPERNICAANS”
-ANTWOORD.
-
-
-Men kan het geheel met Dr. Jelgersma eens zijn, „dat het Kantianisme
-een groote hinderpaal is geweest en nog is voor de vrije en
-onbelemmerde ontwikkeling van het wijsgeerig denken, en dat de
-vooruitgang der moderne wijsbegeerte voor een groot deel afhangt
-hiervan, òf en in welke mate zij er in zal slagen dezen hinderpaal uit
-den weg te ruimen”—en toch daarnaast van oordeel zijn, dat inderdaad
-„de philosophie van Kant niet alleen voor de geschiedenis der
-wijsbegeerte van zeer groot belang is geweest, maar ook voor de moderne
-wijsbegeerte nog van zoo groot belang is, dat de positie van ieder
-wijsgeer wordt bepaald door zijn verhouding tot haar”. [2]
-
-Nu bloeit er een verheerlikende Kant-mythologie (op de wijze van een
-Chamberlain [3] of Woltmann, of zelfs enkelen van het Marburger gilde)
-even verblind voor zijn grootste tekortkomingen als Rée’s cyniese
-qualificatie: „Unklar und unehrlich” blind is voor Kant’s ware
-grootheid, maar anderzijds dient tegenover alle Kant„weerlegging” à la
-Haeckel of Pesch, Ziehen of Dietzgen (om Nederlanders weer ongenoemd te
-laten) eerbiedig erkend en gehandhaafd, dat Kant het grondprobleem
-aller kennisleer, en mitsdien aller exakte wijsbegeerte, heeft ontdekt
-[4] en de oplossing zo al niet geheel dan toch voor een deel heeft
-gegeven of altans gewezen.
-
-Ik noem het probleem der mogelikheid van „synthetische Urteile a
-priori” [5]—van samenvoegende oordelen bij voorbaat.
-
-Dit is hèt „kritiese” probleem. En niets is verwonderliker dan de
-misvatting en miskenning, zowel van dit probleem als van Kant’s geniale
-oplossing, nog heden, een eeuw na zijn dood, in een tijd, die met recht
-en reden prat gaat op zijn Empirie. Toch heeft alleen een empiricus dit
-probleem kunnen stellen, deze oplossing kunnen wijzen. Immers, vertalen
-we de vraagstelling—herleiden we haar tot de eenvoudigste vorm, dan
-moet ze luiden: Hoe kunnen we meer weten, dan ons de ervaring, de
-inductie heeft kunnen leren, ja hoe is zelfs een conclusie uit inductie
-of enige inductieve wetenschap mogelik, d.w.z. logieserwijze
-mogelik?—Hume was de eerste geweest, die gemerkt had, dat de inductieve
-wetenschap zelf een probleem is, behoort te zijn voor een denkend
-empiricus. [6]
-
-„De Ervaring is onze beste Leermeesteres”—deze waarheid bevat voor een
-redelik denkende geest de weerlegging van het Empirisme!—Dit moet leren
-inzien wie Kant wil begrijpen. Uit geen enkel eindig getal gevallen hoe
-groot, hoe onmetelik het ook zij—volgt logies ook maar iets, ook maar
-de geringste waarschijnlikheid zelfs, voor enig nieuw geval. [7]
-
-Wie door ervaring wijzer wordt—moet al wijzer zijn dan hij door
-ervaring worden kan.
-
-Wat kan, principieel, ervaring [8] ons leveren? Nooit iets anders dan
-„comparatieve algemeenheid”... dat b.v. tot dusverre zo en zoveel
-malen, in verband met deze bepaalde plaats, een zekere waarheid heeft
-gegolden. Nooit dat deze waarheid overal, ten allen tijde, dus ook
-morgen nog, zal gelden, dat haar niet-gelden onmogelik is.—„Erfahrung
-lehrt uns zwar, dass etwas so oder so beschaffen sei, aber nicht, dass
-es nicht anders sein könne. Findet sich also erstlich ein Satz, der
-zugleich mit seiner Nothwendigkeit gedacht wird, so ist er ein Urtheil
-a priori... Zweitens: Erfahrung gibt niemals ihren Urtheilen wahre oder
-strenge, sondern nur angenommene und comparative Allgemeinheit (durch
-Induction), so dass es eigentlich heissen muss: so viel wir bisher
-wahrgenommen haben, findet sich von dieser oder jener Regel keine
-Ausnahme. Wird also ein Urtheil in strenger Allgemeinheit gedacht, d.i.
-so, dass gar keine Ausnahme als möglich verstattet wird, so ist es
-nicht von der Erfahrung abgeleitet, sondern schlechterdings a priori
-gültig.”...
-
-Kant besluit dan: „Nothwendigkeit und strenge Allgemeinheit sind also
-sichere Kennzeichen einer Erkenntniss a priori,”... terwijl eigenlik al
-van deze beide criteria „jedes für sich unfehlbar” is. [9] (K. d. r. V.
-p. 649).
-
-Nu heeft zelfs in onze tijd nog een terecht beroemde
-filosofen-richting, of -school, zo men wil, die van Wundt, willen
-ontkennen dat ervaring nimmer algemeen-geldige, apodiktiese oordelen
-kan opleveren.
-
-Zo zegt Wundt in z’n Logik: „dem Satz, dass Erfahrungsinhalte niemals
-einen apodiktischen Charakter besitzen, fehlt die Begründung.” En zelfs
-zijn eminente leerling Eisler zegt het hem na, „Dass die Erfahrung uns
-keine unbedingte Allgemeingültigkeit der Erkenntnis verschaffen kann,
-das hat Kant mehr behauptet oder angenommen als kritisch dargetan.”
-Einführung in die Erkenntnistheorie, p. 139. En: „Kant hätte wohl vor
-Aufstellung seines Apriorismus gründlicher dartun sollen, inwiefern und
-warum die Allgemeingültigkeit und Notwendigkeit der Axiome nicht aus
-der Erfahrung in deren Bearbeitung durch das Denken entspringen könne.”
-
-Nu komt dit bijvoegsel: „in deren Bearbeitung durch das Denken” niet te
-pas,—want het geldt hier juist de „Erfahrung” zonder „Bearbeitung”,—het
-zuiver gegevene.—En het lijkt mij niet voor tegenspraak vatbaar, dat
-deze ervaring 1o. slechts feiten kan leveren, nooit noodwendigheid en
-2o. slechts biezondere feiten, zij ’t ook ontelbaar vele, of
-algemeenheid („Konstanz”) in alle tot dusver voorgekomen en bekende
-gevallen, nimmer dus de volstrekte algemeenheid, waaruit kan worden
-geconcludeerd ten opzichte van een nietgegeven geval.—We begrijpen nu
-ook, dat de onderscheiding tussen apriori en aposteriori betrekking
-heeft op het ontstaan onzer overtuigingen, onzer zekerheden.
-Aposteriori, „achteraf”, weten we àl wat ons „gegeven” wordt, wat we
-waarnemen en beleven,—„was wir durch Eindrücke empfangen”,—zodra echter
-zou blijken, dat we „noodwendige” of „algemeen geldige” wetenschap
-bezitten, dus ons bevinden op terrein, verder en hoger gelegen dan
-„ervaring”, waarneming, reikt, (het zgn. logiese apriori, het apriori
-t.o.v. het gelden der oordelen: voor alle mogelike gevallen noodwendig)
-en in déze zin „onafhankelik van ervaring” (= apriori) zijn,—weten we
-tevens zeker dat... ervaring ons daar niet heeft kunnen brengen, dat
-deze zekerheid precies zover zij logies apriori is... ook „geneties”
-apriori moet zijn. Hoe zou de waarneming meer kunnen geven—dan ze
-heeft, hoe zou er meer uit te halen zijn—dan er in ligt? [10] Die
-splitsing der „onafhankelikheid van ervaring” in een genetiese, naar ’t
-ontstaan onzer zekerheid,—en een logiese, naar de grenzen, de
-strekking, het „gelden” onzer zekerheid,—is dus kennistheoreties
-irrelevant, altans het heeft geen zin, er Kant een verwijt van te
-maken, dat hij tussen die twee niet „einen scharfen, überall
-erkennbaren Unterschied” heeft gemaakt.—Beide vallen samen en het
-logiese apriori is volstrekt afhankelik van het genetiese. Bij Kant
-bestond daarover volkomen klaarheid. Men leze slechts K. d. r. V.
-Einleitung I en II. En als Vaihinger er op wijst, dat de genetiese
-onafhankelikheid van ervaring ook, behalve het niet-afgeleid-zijn uit
-de waarneming, zou kunnen betekenen: niet ontstaan naar aanleiding van
-waarnemingen, belevenissen, dan is de opmerking juist, maar ook al weer
-irrelevant, daar niemand met meer nadruk de ervaring als conditio sine
-qua non al onzer kennis heeft aangewezen, dan juist Kant: „Dass all
-unsere Erkenntniss mit der Erfahrung anfange, daran ist gar kein
-Zweifel” enz. Het is dus nauweliks te begrijpen en geenszins te
-verontschuldigen, dat zelfs denkende koppen altijd nog maar weer het
-Kantse apriori tijdelik opvatten, trots Kant’s uitdrukkelike verklaring:
-„Der Zeit nach geht also keine Erkenntniss in uns vor der Erfahrung
-vorher, und mit dieser fängt alle an.” (aanhef der Einleitung K. d. r.
-V.²) of zelfs als „aangeboren” duiden, trots de precies even stellige
-uitspraak: „Die Kritik erlaubt schlechterdings keine angebornen
-Vorstellungen; alle insgesammt, sie mögen zur Anschauung, oder zu
-Verstandesbegriffen gehören, nimmt sie als erworben an.” [11]—Nunquam
-satis dicitur, quod nunquam satis discitur: niet vaak genoeg kan de
-aandacht gevestigd worden op de beroemde, ook methodologies zo
-belangrijke, verklaring uit de inaugurele rede van 1770 („de mundi
-sensibilis atque intelligibilis forma et principiis”): „Cum itaque in
-Metaphysica non reperiantur principia empirica; conceptus in ipsa obvii
-non quaerendi sunt in sensibus, sed in ipsa natura intellectus puri,
-non tanquam conceptus connati, sed e legibus menti insitis (attendendo
-ad ejus actiones occasione experientiae) abstracti, adeoque acquisiti.”
-(Uitg. Rosenkr. I : 313).
-
-A priori betekent derhalve evenmin „vóór” als „zonder” ervaring — en
-wanneer Prof. Ziehen in zijn „Psychophysiologische Erkenntnistheorie”²
-(p. 60) zegt bij wijze van Kant-polemiek: „Bekanntlich ist das Wort a
-priori doppelsinnig: eine Vorstellung ist a priori, insofern sie vor
-der Erfahrung vorhergeht; ein Satz ist a priori, insofern er ohne
-Erfahrung gilt (Beyersdorff, Vaihinger u. a.). Legt man diese
-Definitionen zugrunde und versteht man unter Erfahrung Empfindungen, so
-gibt es für die hier entwickelte Erkenntnistheorie weder apriorische
-Vorstellungen noch apriorische Sätze.”, dan zal hij mij waarschijnlik
-nauweliks geloven, als ik hem antwoord.... „so gibt es für die
-Kantische Erkenntnistheorie weder apriorische Vorstellungen noch
-apriorische Sätze!” [12]
-
-Laat ons nu nog even nauwkeurig bepalen, wat dat „syntheties” betekent,
-om elke misvatting van het grondprobleem te voorkomen. [13] Het staat
-tegenover „analyties”. Beide zijn hier eigenschappen van oordelen, niet
-van begrippen. Een oordeel bestaat uit onderwerp (subject) en gezegde
-(praedicaat) en beide worden bepaald door begrippen, het
-onderwerp-begrip en ’t gezegde-begrip. Elk begrip bestaat weer uit
-voorstellingen, de „kenmerken” van het begrip, wier opsomming de
-„definitie” van het begrip heet. De „analyse” van een begrip is het
-„ontleden”, splitsen in kenmerken, de „synthese” het „samenstellen” uit
-de kenmerkende voorstellingen. Een analyties oordeel is een zodanig,
-welks gezegde-begrip verkregen is door ontleding, analyse, van het
-subject-begrip. [14] Alle andere heten syntheties. [15]
-
-„Die ersteren könnte man auch Erläuterungs-, die anderen
-Erweiterungs-Urtheile heissen, weil jene durch das Prädicat nichts zum
-Begriff des Subjects hinzuthun, sondern diesen nur durch Zergliederung
-in seine Theilbegriffe zerfällen, die in selbigen schon (obschon
-verworren) gedacht waren: dahingegen die letzteren zu dem Begriffe des
-Subjects ein Prädicat hinzuthun, welches in jenem gar nicht gedacht war
-und durch keine Zergliederung desselben hätte können herausgezogen
-werden” (K. d. r. V. p. 39). Men lette er wel op, dat ’t er dus alléén
-op aankomt, hoe een oordeel tot stand is gekomen. Daarmee vervalt de
-tegenwerping tegen Kant’s fundamentele onderscheiding, als zou deze
-onzeker, onbruikbaar moeten heten, daar sommige oordelen voor den één
-analyties, voor den ander syntheties kunnen zijn. Zo vooral de
-Kant-verzakende theoloog Schleiermacher. Zo juist als de praemisse is,
-zo averechts is de gevolgtrekking. Immers er volgt alleen uit, dat we
-aan de symbolen, waarin een oordeel is belichaamd (klanken of
-lettertekens), niet zo maar kunnen zien, of het bedoelde oordeel
-analyties is. Maar dit neemt niet weg, dat elk concreet werkelik
-oordeel als psychiese realiteit, als overtuiging van een denkend
-subject, slechts òf ’t een òf ’t ander kan zijn—immers slechts òf op
-deze òf op gene wijze kan zijn tot stand gekomen en dat we bovendien
-bij de oordelen der wetenschappen, waaromtrent de vraag analyties of
-syntheties gesteld wordt, uit het verband nagenoeg altijd de wijze van
-ontstaan kunnen opmaken.—(cf. Heymans, G. u. El. p. 107).
-
-Men ziet nu gemakkelik in, dat alle analytiese oordelen onafhankelik
-van ervaring uit het gegeven subjekt-begrip worden afgeleid, dus in
-Kant’s termen a priori zijn [16]. (Ook zijn deze alle apodikties).
-„Denn es wäre ungereimt, ein analytisches Urtheil auf Erfahrung zu
-gründen, weil ich aus meinem Begriffe gar nicht herausgehen darf
-[oud-duits, betekent: hoef] um das Urtheil abzufassen, und also kein
-Zeugniss der Erfahrung dazu nöthig habe.” Bij synthetiese oordelen is
-het mogelik, dat ik het praedicaat eenvoudig uit ervaring haal; dit
-zijn de zgn. „empiriese” oordelen (Kant zegt echter ook
-„Erfahrungsurtheile”). „Erfahrungsurtheile, als solche, sind insgesammt
-synthetisch”. Dit zijn dus synthetiese oordelen a posteriori. En alle
-oordelen nu, die èn syntheties zijn, èn apodikties of volstrekt
-algemeen, bewijzen daardoor te zijn: synthetiese oordelen a priori.
-
-Wat heeft nu de wetenschap met „synthetiese oordelen a priori” te
-maken? Want het spreekt van zelf, waren zij een uitvindsel, een geloof
-of dogma van zekere Immanuel Kant, zij verdienden deswege weinig meer
-aandacht dan enig ander geestelik maaksel of partikulier dogma van wie
-ook. Maar hoe, wanneer eens bleek, dat zij niet uitvinding doch
-ontdekking waren, dat zij niet alleen bestanddeel maar zelfs grondslag
-waren van.... alle exakte wetenschap? Hoe, wanneer eens bleek, dat de
-„axioma’s” der wiskunde nòch willekeurige „vrije” (op „conventions”
-berustende) definities, nòch ’t zij „denknoodwendigheden” (wier
-ongeldigheid een contradictie zou opleveren), ’t zij ervaarbaarheden
-zijn (in hun absoluut exakte geldigheid, voor alle tijd en alle ruimte)
-en dat de induktieve wetenschap geen stap kan doen zonder te staan op
-de bodem van een syntheties oordeel a priori?
-
-Men moet wel erkennen, dat alsdan de vraag naar de „mogelikheid”, dus
-de logiese fundering, de rechtvaardiging, de waarheidswaarde en de
-betrouwbaarheid dier oordelen zou inhouden de vraag naar het goed
-recht, de mensen-mogelikheid en de waarheidswaarde der wetenschap
-zelve! Niet meer of minder.—Men hore nu weer Kant: „In allen
-theoretischen Wissenschaften der Vernunft sind synthetische Urtheile a
-priori als Principien enthalten.” (K. d. r. V. 2de dr. Abschn. 5, p.
-650). Daar is vooreerst de wiskunde en wel speciaal de meetkunde. Nog
-Leibniz, gelijk vóór Kant alle filosofen, achtte haar analyties. Kant
-was hier de geniale ontdekker van haar synthetiese natuur. „Dass die
-gerade Linie zwischen zwei Punkten die kürzeste sei, ist ein
-synthetischer Satz. Denn mein Begriff vom Geraden enthält nichts von
-Grösse, sondern nur eine Qualität. Der Begriff des kürzesten kommt also
-gänzlich hinzu, und kann durch keine Zergliederug aus dem Begriffe der
-geraden Linie gezogen werden.” [17] Hetzelfde geldt van het axioma der
-// lijnen.
-
-Hoe komt dan de meetkunde bij deze wetenschap.... hoe weet ieder uwer,
-dat de ruimte onbegrensd, oneindig groot is? „Dat spreekt van zelf”?
-Zeker—maar voor de kennis-kritiek spreekt alles van zelf—behalve juist
-alles wat „van zelf spreekt”. [18] En niets is, sinds Kant,
-schitterender, onomstoteliker bewezen, door de onderzoekingen der
-„metageometrie”, door Lobatsjefski, Riemann en Helmholtz, dan dat
-inderdaad onze meetkunde syntheties, dus niet „denknoodwendig”
-(Dietzgen) is. (2) Toch heeft de Euklidiese meetkunde niets van haar
-„selbstverständliche Gültigkeit” verloren. Toch verricht zij nergens of
-nooit nauwkeurige metingen, of haar volkomen exakte stellingen wel
-inderdaad gelden... of wel een vlakke driehoek werkelik precies 180°
-heeft!
-
-„Warum fordern wir bei einer mathematischen Beweisführung nicht jene
-peinliche Sorgfalt der Messungsmethoden, jene gewissenhafte
-Ausschliessung störender Umstände, ohne welche keine physikalische
-Beweisführung uns überzeugen kann? Warum darf die exacteste
-Wissenschaft, ohne etwas von ihrer Exactheit einzubüssen, mit dem
-rohesten Materiale arbeiten?” (Heymans, G. u. El. p. 142).
-
-„Naturwissenschaft (Physica) enthält synthetische Urtheile a priori als
-Principien in sich. Ich will nur ein Paar Sätze zum Beispiel anführen,
-als den Satz: dass in allen Veränderungen der körperlichen Welt die
-Quantität der Materie unverändert bleibe, oder dass in aller
-Mittheilung der Bewegung Wirkung und Gegenwirkung jederzeit einander
-gleich sein müssen. An beiden ist nicht allein die Nothwendigkeit,
-mithin ihr Ursprung [19] a priori, sondern auch, dass sie synthetische
-Sätze sind, klar.” (3) (K. d. r. V. pag. 653).
-
-Hoe kan, hoe wil de natuurkunde, die fiere, exakte, zegevierende
-wetenschap, deze haar grondstellingen, en vooral het
-causaliteitsbeginsel, dit fundament aller inductie, zonder ’t welk zij
-geen stap zou kunnen doen, rechtvaardigen? [20] Door inductie? Maar de
-mogelikheid aller inductie berust op de causaliteit. Ook onze met de
-mond anti-causalistiese empiristen en positivisten geven aan het a
-priori alleen een andere naam: „Gelijkvormigheid van het
-Natuurverloop”, „functionele afhankelikheid”... en menen, dat het dan
-verdwenen is. Zij noemen de grond waarop zij gaan „lucht”... en wanen
-te vliegen!—Zij allen zijn overtuigd, gelijk elk van u, m’n lezers...
-dat geen enkele verandering geschiedt—zonder oorzaak,—zonder iets
-voorafgaands, waarop ze noodwendig volgt. En dat geen waarneming, nog
-zo vaak herhaald, ons ooit „causaal verband”, noodwendig samengaan,
-levert, daaraan twijfelt, al sinds Hume, toch wel geen denkende geest
-meer. [21]
-
-Maar nemen wij andere voorbeelden dan het nog altijd bestredene der
-causaliteit.—Daar is het logiese probleem... ieder uwer weet, dat er in
-’t heelal nergens of nooit logiese tegenspraak kan zijn [22]; dat nooit
-iets enige eigenschap tegelijk zowel kan hebben als niet hebben, dat
-elk ding elke eigenschap of heeft of niet heeft... „tertium non datur”
-(4)... dat uw logiese gevolgtrekkingen uit juiste, ware praemissen...
-ook eeuwig gelden voor heel de werkelikheid, juist, waar zijn, moeten
-zijn.
-
-Ieder uwer weet (zelfs wie ’t niet mag of wil weten), dat de tijd
-nimmer een begin kan hebben gehad, of nooit een einde kàn hebben, zelfs
-al zou ook alles in de tijd ontstaan („geschapen”) zijn of te niet
-gaan... Maar zelfs weet ieder uwer, en mogen wij als grondslag van heel
-het causale denken en vorsen beschouwen, dat niets uit niets kan zijn
-ontstaan.—„Gigni De nihilo nihil, in nihilum nil posse reverti”.—Hoe
-weet gij dat alles... en hoe weet de „Bewegingsleer” haar axioma’s van
-tijd en ruimte? Al deze bestaande exakte wetenschappen: wiskunde,
-natuurkunde, logica zijn als zodanig gegeven feiten, al zouden, des
-neen, nòg zoveel enkelingen de waarde, de waarheid er van loochenen of
-betwijfelen.
-
-Vast staat, dat niets van dit alles uit waarneming (die immers slechts
-feitelike, nooit noodwendige waarheid levert), uit inductie, kan zijn
-ontstaan [23]; vast staat ook, dat we ons zelf te goed kennen als
-redelik denkende wezens, om niet te weten, dat we onze overtuigingen
-niet uit niets kunnen scheppen, dat er een grond, een „voldoende grond”
-voor moet zijn.
-
-Waar halen wij in al deze gevallen dan het praedicaat vandaan (5),
-indien noch uit ervaring, noch uit het subjektbegrip? [24]
-
-Waar is die verborgen, maar levende bron onzer kennis? of moeten wij
-ons met een kluitje van zgn. „openbaring” laten sturen in het riet van
-redeverzakend geloof, van zuiver dogmatiese „πιστις”? „Wenn ich ausser
-dem Begriffe A hinausgehen soll um einen andern B, als damit verbunden
-zu erkennen, was ist das, worauf ich mich stütze und wodurch die
-Synthesis möglich wird, da ich hier den Vortheil nicht habe, mich im
-Felde der Erfahrung danach umzusehen?”.... „Es liegt also hier ein
-gewisses Geheimniss verborgen.” Het gaat er dus om, „mit gehöriger
-Allgemeinheit den Grund der Möglichkeit synthetischer Urtheile a priori
-aufzudecken, die Bedingungen, die eine jede Art derselben möglich
-machen, einzusehen, und diese ganze Erkenntniss (die ihre eigene
-Gattung ausmacht) in einem System nach ihren ursprünglichen Quellen,
-Abtheilungen, Umfang und Grenzen, nicht durch einen flüchtigen Umkreis
-zu bezeichnen, sondern vollständig und zu jedem Gebrauch hinreichend zu
-bestimmen.” (K. d. r. V. p. 41 s.).
-
-Ziedaar het probleem en het program. [25]
-
-Wel mocht Kant in een noot schrijven: „Wäre es einem von den Alten
-eingefallen, auch nur diese Frage aufzuwerfen, so würde diese allein
-allen Systemen der reinen Vernunft bis auf unsere Zeit mächtig
-widerstanden haben, und hätte so viele eitele Versuche erspart, die,
-ohne zu wissen, womit man eigentlich zu thun hat, blindlings
-unternommen worden.”
-
-Want zijn probleemstelling alleen reeds scheidt twee werelden—„Dogma”
-en „Kritiek”.
-
-Een nieuwe wetenschap was geboren—de exaktheidswijsbegeerte, wier
-materiaal het feit der exakte wetenschappen zelf is, de kennisleer, de
-„Transcendental-philosophie”, die de Souvereine, de Richteres zou
-worden van alle andere. (6)
-
-En Kant is de geniale denker geweest, die het probleem niet alleen
-heeft gesteld, maar—altans in beginsel—tevens opgelost.
-
-Ziedaar zijn geweldige, zijn onvergankelike grootheid. En de grootsheid
-dier oplossing was het probleem, dit grootste, algemeenste aller
-wetenschap, waardig. Het was zijn geestelike Copernicus-daad, zijn
-Revolutie. Ik noemde zijn vorm-idealisme [26]. Wie dat begrip „vorm”
-eenmaal begrepen heeft, als verklarings-hypothese aller synthesis a
-priori—en een andere is er niet alleen nimmer voor gegeven, maar zelfs
-nauweliks als mogelik denkbaar!—die weet, waarom waarlik hier de zgn.
-„Subjectiviteit” tevens louter Subjectiviteit betekent en
-tegelijkertijd „Objectiviteit” in de strengste zin van volstrekte
-noodwendigheid (apodicticiteit) en daarop berustende algemeenheid,—dat
-inderdaad de mogelikheid van formeel of „transcendentaal realisme”,
-(Hartmann) niet is in te zien, en het „objectief phaenomenalisme” van
-Kant, in plaats van in strijd met zijn leer, [27] juist de onmiddellike
-konsekwentie daarvan is, en wel verre van een „negatief dogmatisme” of
-zelfs een „falsche Anwendung vom Satz des ausgeschlossenen Dritten” te
-zijn (Hartmann!), juist deze „kritiek” of „weerlegging” tot positief
-dogmatisme en louter wanbegrip stempelt.
-
-Wat zal ons door het „Kriticisme” en zijn vorm-idealiteit bereikt
-blijken? Niets meer of minder dan:
-
-I. De weerlegging in beginsel van alle dogmatisme (7), ergo:
-
-1. De weerlegging eens en voor altijd van alle ontologisme (Hegel)
-[28].
-
-2. De weerlegging, eens en voor altijd, van alle object- of
-ruimte-realisme, dus zowel van alle dualistiese kerk- en
-vulgus-metaphysica, als van elk materialisme (en spiritisme, zo dit nog
-de eer verdient, hier genoemd te worden) [29].
-
-3. Weerlegging van alle „Empirisme” en „Rationalisme”.
-
-II. De grondvesting en verklaring (in beginsel altans) van de axioma’s,
-de grondbeginselen der wetenschappen, speciaal van de „exakte”: de
-wiskunde zowel als de natuurkunde.
-
-III. De kennistheoretiese begrenzing van „Natuur” en „Natuurwetenschap”
-en mitsdien:
-
-De mogelikheid, later door Wundt, Heymans, Riehl en Eisler
-verwezenlikt, der „verzoening” van Geestes- en Natuurwetenschappen,
-door enerzijds de bevrijding dus der Psychologie en Sociologie van alle
-Naturalisme (biologie, „organiese” theorieën, hersenphysiologie) en
-anderzijds de verlossing der Natuurwetenschappen (de physiologie
-vooral!) van alle Psychisme (dualisties ingrijpen van „ziel”,
-teleologies vitalisme, etc.) [30]
-
-Ziedaar het „Ergebnis” van Kant’s wijsbegeerte, Kant’s „Bedeutung für
-die Gegenwart” (8)... en voor de Toekomst!—Ziedaar het „Acquisit der
-Philosophie”, dank zij Kant. De rest is voor een te groot deel niet
-waarheidsdienst, maar apologie, met al de slangekronkelingen waartoe
-deze helaas de Rede zelfs van de besten verlaagt.
-
-Ik durf gerust beweren, dat Kant z’n roem grotendeels aan z’n fouten
-heeft te danken.
-
-Niet aan z’n kritiek, z’n Bathos der „Ervaring” [31], maar aan z’n
-dogma, z’n Pathos der „Ideeën”, zijn „Praktiese Postulaten”, zijn
-„Primaat” der „Praktiese Rede” waardoor en de zedeleer en het
-theoreties geweten, vooral in Duitsland, nu reeds een eeuw lang
-bezoedeld en vergiftigd zijn. O wondere ironie der waarheid! Het was
-Kant inderdaad eigenlik niet om de rechtvaardiging der synthetiese
-oordelen a priori in de wetenschappen te doen, maar om die biezondere
-synthetiese oordelen a priori, welke de dogmatiese zgn. Metaphysica,
-„het Geloof”, vergt... welke nodig zijn om de alle ervaringsmogelikheid
-overschrijdende (dus aprioriese) oordelen over „God, vrijheid en
-onsterfelikheid”... te „redden”.—Quo semel est imbuta recens servabit
-odorem Testa diu.
-
-Maar zie—voor de mogelikheid van alle synthetiese oordelen a priori gaf
-Kant’s ontdekking, Kant’s revolutie, de grondvesting, de oplossing...
-behalve juist voor die der Metaphysica [32]. Ja, zij bewees zelfs eens
-en vooral, de principiële onmogelikheid van „wetenschap” omtrent die
-naar hij waande onontbeerlike Geloofsartikelen! Chronos had z’n eigen
-kinderen verslonden.
-
-
-
-Het gaat er dus nu om, Kant’s begrip „vorm” te begrijpen. Voor ons
-onderwerp behoeven we ons in hoofdzaak slechts met de eerste zijner
-beide zgn. „Anschauungsformen”, Ruimte en Tijd, bezig te houden, al
-blijkt deze in werkelikheid niet, gelijk Kant meende, de „vorm” aller
-zinnen, maar waarschijnlik de vorm van slechts één enkele „zin” [33],
-terwijl de tweede het best de „vorm” van alle bewustzijn genoemd wordt.
-
-Ik zal dus een deel van Kant’s „Transcendentale Aesthetik” behandelen,
-inderdaad „die best fundierte von Kants Aufstellungen”. Ik ben het met
-Schopenhauer eens, dat deze alleen voldoende was geweest, om Kant
-onsterfelik te maken, ja Kant was er mij niet minder om geweest, hadde
-hij àl wat daarna van hem verschenen is nooit geschreven. De sofismen
-van zijn „transcendentale Analytik”, de fantasmen van zijn
-„Schematismus”, z’n moraal-theologiserende „Ideeën” leer, de
-systeemmakerij en parodiërende analogiezoekerij van zijn andere
-„Kritik” en.... hij was dan tenminste vrij gebleven van meer dan één
-zonde tegen de Heilige Geest der Waarheid.
-
-Deze „Aesthetik” (n.b. = leer der waarneming, αἴσθησις) alleen en
-daarvan weer alléén Kant’s ruimteleer [34] is voldoende, maar ook
-nodig... om alle ruimtedogmatiek, daarmee alle object-realisme, daarmee
-alle kerkelik dualisme („spiritualisme” noemen het de franse
-anti-materialisten) zowel als alle materialisme te fnuiken,—daarmee
-salva scientia naturali, met volkomen eerbiediging van natuurwetenschap
-en natuur, zonder enige dualistiese en anti-mechanistiese inmenging, de
-geest te bevrijden van de „natuur”, van de „stof”, die te voren reeds
-alles onwrikbaar beschikt en beslist heeft—over ons, in ons,.... maar
-zonder ons!—wij de ziende, de willende marionetten dier blinde willoze
-macht—, aldus de geesteswetenschap te verlossen van het naturalisme, en
-daarmee ook het Recht, en speciaal het Strafrecht [35], mogelik te
-maken!
-
-En dat alles uit de simpele leer der zintuigelike, beter zinnelike,
-waarneming, uit de elementaire kenniskritiek! Lijkt het niet een
-sprookje, wonderlike fantasterij?
-
-Niet alleen dus de mogelikheid der meetkunde, maar zelfs de mogelikheid
-van het recht... afhankelik, hoe middellik dan ook, van... de „vorm”
-leer van gewaarwordingen?
-
-Het antwoord luidt nu eenmaal: Inderdaad—we moeten de ruimte
-opheffen—om voor de geest... ruimte te krijgen! [36]
-
-En ik wilde, dat ik mijn lezers, zover ze nog ruimte-dogmatici zijn,
-dus bijna allen,—maar iets kon geven, kon doen voelen, van die heerlike
-vrijheid, waarin het Ik, het willende, denkende subjekt, met zijn
-instinkten en hartstochten, zijn beginselen en overtuigingen, zijn
-aandoeningen en ontroeringen, zijn haat en zijn geestdrift zich
-hervindt en herwint als een werkelike, invloedrijke, doelstellende en
-verantwoordelike macht.
-
-Maar—al genoeg, of te veel, tot lof van de waarheid. Want het is de
-waarheid.
-
-
-
-Laat ons na deze inleiding nu de gang van ons werk overzien.
-
-De strekking der kritiek is in heel haar wezen anti-dogmaties: Elk
-syntheties oordeel dat a priori wil gelden, moet rekenschap geven van
-zijn „mogelikheid”, zijn goed recht, zijn kennisbron.
-
-Anti-dogmaties mitsdien in tweeërlei zin:
-
-1. Elk syntheties oordeel a priori, dat „onmogelik”, zonder mogelike
-kennisbron, blijkt, wordt als „dogma” afgewezen en verworpen.
-
-2. Elk syntheties oordeel a priori, waarvoor de mogelike kennisbron
-wordt aangewezen, houdt op „dogma” te zijn.
-
-Het eerste deel van dit werk der kritiek is dus zuiver negatief, het
-tweede deel positief, zover het de s. o. a pr. der „ervaring”, der
-objectieve wetenschappen, en daardoor deze zelf, grondvest. Het heeft
-echter tevens middellik weer een niet minder belangrijke negatieve
-strekking, die wij zo aanstonds zullen aanwijzen. Kant heeft namelik
-een principieel mogelike kennisbron voor s. o. a pr. ontdekt in de
-kennisvorm, de geesteswettelikheid van het kennisvermogen zelf, die
-alle „kennen”, berustend op waarnemen en denken, dus alle „Erfahrung”
-(= „ervaringswetenschap”) eerst mogelik maakt. De daarop steunende
-synthetiese oordelen gelden dan echter eo ipso wel a priori, bij
-voorbaat, maar uitsluitend ten aanzien van alle betrokken kennisinhoud,
-van „mögliche Erfahrung”. [37] Indirekt verkrijgt dan dit positieve
-deel, dat als grondvesting der wetenschappen van eminent
-kennistheoreties belang is, weer deze voor de metaphysica
-allergewichtigste strekking, als „formeel” of „transcendentaal”
-idealisme de afwijzing mee te brengen van dogmaties-verdubbelend
-vorm-realisme, daardoor de weerlegging te leveren van het
-„transcendentaal realisme”.
-
-Dit alles zal u in de loop van mijn betoog volkomen duidelik worden.
-
-In hoofdstuk II zullen wij nu eerst ten aanzien van de
-waarnemingsinhoud doen zien, hoe synthetiese oordelen a priori niet
-mogelik zijn; heeft men eenmaal de realistiese transcendente
-verdubbeling van die inhoud als dogmaties leren zien en verwerpen, dan
-zal het begrijpen van hoofdstuk III te gemakkeliker vallen, waar nu
-eerst positief wordt aangewezen, hoe synth. oordelen a priori wel
-mogelik zijn,—om dan onmiddellik daaruit te besluiten, dat een
-kennistheoretiese „vorm” transcendentaal (= a priori ten aanzien van
-alle mogelike betrokken inhoud) moet, maar transcendent niet kan
-gelden, dat dus de transcendente verdubbeling van zulk een „vorm” zowel
-zinledig als dogmaties is en mitsdien te verwerpen.
-
-In hoofdstuk IV zullen wij dan de metaphysiese resultaten der
-waarnemingskritiek nader in ogenschouw nemen, speciaal ten aanzien van
-het Transobjectieve, in zijn kennistheoretiese verhouding tot natuur en
-bewustzijn, waarbij wij zullen aantonen dat en waarom Kant’s „An-sich”
-een noodzakelik complement is van zijn krities Phaenomenalisme.
-
-Aldus voorbereid en toegerust, handhaven wij in hoofdstuk V Kant’s
-waarnemingsleer en zijn „krities idealisme” tegen de moderne
-bestrijding, waardoor wij de gelegenheid krijgen, heel wat realisties
-misverstand en dogmatisme uit de weg te ruimen.
-
-Een slothoofdstuk vergewist zich in een samenvattend overzicht van de
-voornaamste gewonnen resultaten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-DE DOGMATIESE VERDUBBELING VAN DE GEWAARWORDINGSINHOUD.
-
-
-1. HET SUBJECT VAN INDIVIDUEEL BEWUSTZIJN.
-
-Ik ga dus nu het „naief” object-realisme van ongeveer ieder van mijn
-lezers weerleggen, door te bewijzen, dat het onbewust dogmaties is.
-[38] En ik zeg hem erbij, als mij deze weerlegging niet lukt, ligt dat
-alléén aan mij, niet aan de zaak zelve. [39]—Ook reken ik er op, dat ge
-realisties en wetenschappelik genoeg gevoelt om een instinktieve afkeer
-van, een hekel aan, deze Kantse leer te hebben, die u het tastbaarste,
-het zekerste, uw eigen ervaring en die der hele natuurkunde, schijnt te
-willen wegredeneren, om er iets geheel onervaarbaars, „buitenissigs”,
-voor in de plaats te stellen. [40] Want het is waar, wij willen
-aantonen, bewijzen, dat er zonder subject... evenmin vorm of grootte of
-beweging, stof of kracht met heel de ruimte daarbij, bestaat, als kleur
-of klank! Heel de natuur, en heel haar ruimte, heel de ruimtelike,
-zinnelike wereld, dus het onmetelik heelal der astronomie... in de
-letterlikste zin slechts een produkt van subjectiviteit, van waarnemen
-en denken!—Is er iets absurders denkbaar? We zullen zien. Gij zijt,
-hoop ik, genoeg natuurwetenschappelik „gevormd” om te weten, „dat er
-geen kleuren of klanken bestaan”,... dat kleuren „eigenlik”
-aethertrillingen „zijn” van bepaalde, precies berekende snelheid en
-lengte,... en klanken niets dan luchttrillingen. [41]
-
-Het is een feit, dat deze orakeltaal: kleur, licht „is”
-aethertrilling... (of: is een „beeld” of „gevolg” van aethertrilling,
-of deze „wordt waargenomen als” licht, kleur, enz.) al heel wat arme
-pro- en contra-naturalistiese geesten van de wijs heeft gebracht. Laat
-ons dan eens zien, wat we daarvan al of niet hebben te aanvaarden.
-
-Wat een kleur-gewaarwording is, rood, wit, groen, weet gij allen
-precies en volkomen uit onmiddellike ervaring... tenzij gij
-ongelukkigerwijs „kleurzin” mist... en dan is geen nòg zo diep denken,
-geen nòg zo scherpe definitie, geen nòg zo duidelike, beeldende
-beschrijving, laat staan een aethertrilling-formule, in staat, u ook
-maar een zweem van een voorstelling te geven van wat met „kleur”
-bedoeld wordt.—Rood enz. is inhoud van een zgn. „gewaarwording”, iets
-wat ervaren wordt,—iets „psychies”, iets „bewusts”. Met een
-gewaarwording bedoelen wij eo ipso iemands („mijn” of „uw” of eens
-anders) gewaarwording. Hij die gewaar wordt, die de gewaarwording
-„krijgt” of „heeft”, heet het Subject der gewaarwording. Dus: geen
-gewaarwording zonder Subject. Dat is wat wij bedoelen met het
-„psychiese”, dat het de belevenissen van een „Subject” zijn: gedachten,
-gemoedsaandoeningen, waarnemingen,—ze zijn absoluut zinledig zonder
-denkend, lijdend of zichverheugend, waarnemend Subject. [42] Met
-Subject vrijwel synoniem in deze zin is: geest, zelf, ziel, bewustzijn,
-ik [43], maar daar deze alle in velerlei afwijkende zin worden
-gebruikt, houd ik mij aan ’t woord Subject, daar dit uitsluitend en
-afdoende de biezondere betrekking aanduidt van het bewuste, geestelike,
-psychiese tot eigen „inhoud”. Dit subject nu heeft belevenissen,
-ervaringen, [44] en deze zijn „psychies”, individueel en worden als
-zodanig door niemand anders of ervaren of gekend, en door het Subject
-onmiddellik zó gekend, zó ervaren als ze zijn, daar ze ex hypothesi,
-per definitionem, niets zijn dàn deze z’n ervaringen. [45]
-
-Dit zijn (of schijnen altans) allerelementairste waarheden, uit wier
-miskenning, verwaarlozing of zelfs loochening niettemin enige der
-belangrijkste filosofenrichtingen van onze tijd leven!
-
-Wat kunnen we nu beleven, onmiddellik ervaren? Ieder subject
-uitsluitend zijn eigen belevenissen. [46] Dit is het énig ons
-„gegevene”, het uitgangspunt van alle wijsbegeerte, alle
-wereldbeschouwing, alle wetenschap. Op het vervolg vooruitlopend zou ik
-hier reeds kunnen inlassen, dat geen Subject ooit iets ànders ervaart
-dan zijn eigen belevenissen,—dat wij kennistheoreties (wat nog niet wil
-zeggen: ontologies) in de volste zin van ’t woord: vensterloze monaden
-zijn. Dit geniale woord van Leibniz behoeft slechts uit het
-metaphysiese, transcendente rijk van het Zijn in het kennistheoretiese,
-immanente rijk van het Bewustzijn te worden overgebracht—om de kiem te
-worden van heel de waarnemingskritiek; een kritiek, die negatief
-neerkomt op deze grondgedachte: Waarneming is nimmer reproductief. [47]
-
-
-
-
-2. DE „SECUNDAIRE” EN DE „PRIMAIRE” EIGENSCHAPPEN HEBBEN GELIJKE
-SUBJECTIEVE OORSPRONG EN ZIJN GELIJKELIK OBJECTIEF.
-
-Zijn dus eigen belevenissen het énige „gegevene”, evenwel beschouwt
-ieder onzer, filosoof of niet, een gedeelte daarvan als doorgaans
-veroorzaakt door iets ànders dan hij zelf is, door een niet-ik. [48]
-Welk gedeelte? De gewaarwordingen, al wat onze zgn. „zinnen” ons
-leveren: geluid-, licht-, kleur-, reuk-, tast-, smaakgewaarwordingen,
-ja, het naieve denken beschouwt de zinnen als de „vensters”, waardoor
-men onmiddellik uit kan kijken in de wereld rondom, in het niet-ik,
-neemt aan, dat ons „waarnemen” een reproductie, een afbeelding is van
-iets anders, dat onafhankelik van ’t waarnemend Subject bestaat.
-
-De inhoud der gewaarwording (rood, rond, zoet, geurig) wordt als trouwe
-reproductie, als welgelijkend portret, als kopie beschouwd van een
-eigenschap, die tot het niet-ik, de „buitenwereld”, behoort—en waaraan
-ons gewaarworden niets of zo weinig mogelik verandert.
-
-Wat bedoelt nu de natuurkunde, als zij met Locke de zgn. secundaire
-qualiteiten „subjectief” noemt in tegenstelling tot ’t „objectieve”?
-Haar leer, dat er geen kleuren, geen licht of duister (11), geluid noch
-stilte, geen zoet of bitter of warm of geurig bestaat buiten ons,
-onafhankelik van het gewaarwordend Subject, wil dan zeggen, dat dit
-alles uitsluitend gewaarwordingsinhoud is,—dus niet reproductie door
-het Ik van wat reeds kleur of geur of klank enz. wàs, maar ... produkt
-van de Geest, van het Subject;—dat het uitsluitend voor en door een
-gewaarwordend Subject ontstaat en bestaat.
-
-Men drukt dit vaak onnauwkeurig en verwarrend aldus uit: zonder oog
-geen licht, zonder oor geen geluid, enz.—Die schijnbaar nietige, maar
-echt naturalistiese, fout heeft al heel wat verwarring en onheil
-aangericht. Immers, dat oog kijkt niet, een oor, dat zou moeten horen
-heeft (in dubbele zin) geen zin,—zien, horen, proeven, in één woord:
-„gewaarworden” is slechts eigen aan, een „functie”, een verrichting,
-een belevenis van ... een Subject, dat weten we nu ééns en voor goed—al
-waren er honderd ogen en geen ziend Subject,—er ware geen licht enz.
-(12)—Dus: zonder Subject noch licht noch duister, klank noch kleur of
-geur. Dit alles „weet” tegenwoordig iedereen, maar is ook ieder zich
-daarvan bewust, doordrongen van de strekking en betekenis? Heeft men
-wel ooit overwogen, dat dus het gezichtsvermogen alléén alle lichten
-van hemel en aarde ontsteekt, dat alléén de gehoorzin al luisterend de
-wereld vervult van geluid? Dat er in concreto, in werkelikheid, geen
-ongezien licht bestaat? Was ik het eerstgeborene Subject, dan zou er
-vóór mij noch duisternis noch licht, geen kleur noch toon ter wereld
-hebben bestaan. [49] Maar—zo denkt de door natuurwetenschap verlichte
-lezer ... zo er al geen „licht” was, er was toch de „oorzaak” aller
-lichtgewaarwordingen,—er was toch trillende aether,—en zo al geen
-klank, dan toch golvende lucht,—de „materie”, de stof, met haar
-onvergankelike kleinste deeltjes wentelde, wervelde, wemelde van
-eeuwigheid her in de eindeloze Ruimte.
-
-Maar daar staat nu de kenniskritiek en spreekt: Gij hebt gehoord, dat
-tot de ouden gezegd is—er is slechts stof en kracht in de ruimte, maar
-ik zegge u: ook stof èn kracht èn ruimte zijn ganselik niet—dan binnen
-in u!
-
-Wederom dus: ons bewustzijn alléén heeft alle stof en alle kracht en de
-ruimte met heel haar oneindigheid,—héél de zinnelike wereld geschapen.
-Was ik het eerstgeboren Subject, dan zou er vóór mij evenmin stof of
-beweging of ruimte bestaan hebben—als licht of duisternis. [50]
-
-Ziedaar de geweldige leer der „phaenomenaliteit” van de materiële
-wereld. Met één slag wordt het „naief realisme”, de physica-metaphysica
-van kerk en volk en „wetenschap” geveld,—weggevaagd heel de wereld
-waarop zij stonden ’t zij tot supra-naturalistiese „negatie”, ’t zij
-tot naturalistiese „affirmatie”.
-
-De geest is van de Natuur niet alleen de wetgever, zoals Kant zeide,
-maar zelfs de „formele” schepper, de subjectieve bestaansgrond, de
-conditio sine qua non, het Prius. En dit is de bescheidenste
-formulering, die ooit van het wezen onzer waarneming kan worden
-gegeven.
-
-Stel u gerust, ontstelde lezer. De paradoxale schijn berust geheel op
-een misverstand, en wel: uw realistiese opvatting van het begrip
-„Natuur”. Onze geest is geen Zeus of Jahweh redivivus. Hij schept geen
-nieuwe werkelikheden, geen „zelfstandige dingen” ... die kent hij zelfs
-niet eens—het enige nieuwe, dat hij „schept” [51], „produceert”, „te
-voorschijn brengt” („setzt” zegt de Duitse kennisleer),—is de wijze,
-waarop hij zelf reageert op de werking der werkelikheid, zijn de
-veranderingen, „modificaties”, die hij zelf ondergaat, ervaart,
-beleeft.—Het waarnemend Subject kan nergens en nooit buiten zich zelven
-treden of kijken, zich „te buiten gaan”,—het ervaart, aanschouwt nooit
-iets anders dan eigen belevenis,—en niets anders, niets van enig
-niet-ik kan ooit het Subject binnendringen. [52] Wij behoeven vooreerst
-niets te doen, dan dezelfde gedachtengang, die de natuurwetenschap
-sinds lang heeft aanvaard voor Locke’s zgn. „secundaire eigenschappen”,
-konsekwent te volgen, ook voor de zgn. „primaire”,—ook voor massa,
-gestalte, grootte, beweging (kracht), voor alle meetkundig-mechaniese
-eigenschappen. [53] Wij zullen gaan aantonen, dat ze precies even
-„secundair” zijn, even ... subjectief (of „objectief”) en op dezelfde
-gronden als kleur en temperatuur en geluid. Op dit punt altans zijn
-Kant en Berkeley het volkomen eens. [54]
-
-Het enige, wat we ooit van enig niet-ik kunnen bemerken, zijn onze
-„gewaarwordingen”, de enige belevenissen, die we op rekening stellen
-van een niet-ik. De enige „eigenschap”, die we dus ooit aan enig
-niet-ik door waarneming kunnen leren kennen,—is deze relatieve: het
-vermogen, een subject zekere gewaarwordingen te verschaffen, dus tot
-het produceren van bepaalde gewaarwordingen te dwingen. Als voorbeelden
-zullen we nemen kleur en gestalte,—b.v. van „een rode bal”, van 1 dM.
-middellijn, die vóór mij op tafel ligt. Wat bedoelt nu iedereen, als
-hij zegt dat zulk een voorwerp „rood” is? Niets anders, dan dat elk
-Subject (met normale kleurzin) onder bepaalde omstandigheden (als hij
-er naar kijkt) een roodgewaarwording krijgt. Ook de kennisleer bedoelt
-niets anders, en ontkent niet dat er in deze zin objectief „rode
-dingen” zijn. [55] Wat zij ontkent en weerlegt is slechts dat deze
-„dingen” of „objecten”, i.c. de rode bal, de oorzaak zouden zijn van
-onze (rood-rond-)gewaarwordingen, en dus als zodanig, vóór en
-onafhankelik van de gewaarwordingen, zouden bestaan of die
-gewaarwordings-inhoud tot eigenschap hebben.
-
-Het verschil tussen het realisme en de kritiek heeft betrekking op dat
-„krijgen” der gewaarwording, op aard en wezen van de oorzaak
-onafhankelik van ons, die ons die gewaarwording en haar bepaalde inhoud
-„geeft”. Want aan elke gewaarwording valt een gewaarwordings-inhoud te
-onderscheiden. Deze is hier: rood, het rode.—Hoe is nu deze inhoud te
-verklaren? Hoe kom ik aan deze bewustzijnsinhoud?—Het „naief realisme”
-van elk onbevangene, van elk, die nimmer van natuurkunde heeft
-vernomen, antwoordt: doordat er een ding daarbuiten bestaat, dat een
-eigenschap heeft (onverschillig of ’t wordt waargenomen of niet), gelijk
-aan de inhoud mijner gewaarwording—zodat ik eenvoudig deze eigenschap,
-dit „roodzijn”—waarneem, bemerk. Mijn gewaarwordingsinhoud „rood” is
-een ongeveer volkomen gelijkend spiegelbeeld of portret van deze
-eigenschap „rood”! (13)—De kritiek daarentegen antwoordt: Ik krijg die
-bepaalde gewaarwordingsinhoud niet, doordat een ding („de rode bal”)
-met reeds zinnelike eigenschappen (rood, rond, enz.) deze eigenschappen
-in mij reproduceert, of hoe dan ook overbrengt,—maar doordat iets
-niet-zinneliks (het „reale” van de rode bal—verklaring zie beneden pag.
-75 ss.) die waarnemingsinhoud in mij produceert en door deze betrekking
-tot mij en andere soortgelijke subjecten eerst zinnelike eigenschappen
-krijgt.
-
-Er is maar heel weinig nadenken en in ’t geheel geen
-zintuig-physiologie voor nodig, om de onhoudbaarheid van eerstgenoemde
-verdubbelende „reproductie”-, „kopie”- of „spiegel”-theorie in te zien
-(14) en toch is het nog de algemene opvatting, voor de „secundaire”
-eigenschappen van heel de massa, voor wie de natuurkunde niet bestaat,
-en voor de „primaire” qualiteiten... zelfs van ongeveer alle
-natuurkundigen en physiologen er bij—ja zelfs van kennistheoretici
-[56]. Twee overwegingen, reeds in extenso gegeven door Berkeley [57],
-weerleggen deze leer volkomen:
-
-1°. Al had het niet-ik onafhankelik van de gewaarwording reeds een
-eigenschap gelijk aan, of ook maar gelijkend op, overeenkomstig met, de
-gewaarwordingsinhoud (kleur, beweging, gestalte) ... dan zou nog niet
-één enkel subject daar ook maar ’t minste of geringste van kunnen te
-weten komen—nooit is iets anders gegeven dan gewaarwording (ook bij ’t
-„diepste”, „innerlikste” onderzoek, van scheikunde of mikroskopie)—en
-met de werkelikheid onafhankelik van deze is dus elke vergelijking
-absoluut uitgesloten [58]. (15) Wij hebben hier dus het voorbeeld van
-een syntheties oordeel a priori zonder denkbare kennisbron—dus van een
-als zodanig verwerpelik... „dogma”!
-
-2°. Deze gelijkheid, die dus volgens de eerste overweging enkel
-„dogmaties”, geheel willekeurig, zonder enige redelike grond, kan
-worden aangenomen, en een wonderlike, onbegrijpelike harmonia
-praestabilita benevens een geheel onnodige verdubbeling zou vergen,—is
-bovendien nog onmogelik, ondenkbaar, een zinledigheid. Want wat ons
-enkel bekend is als een psychiese waarde, als een aandoening,
-belevenis, modificatie van een Subjekt, als Bewustzijnsbiezonderheid
-(zie p. 27), hoe zou datzelfde „rood” b.v. denkbaar zijn ... zonder
-Subjekt, zonder Bewustzijn! Men begrijpt dus zonder moeite, dat in deze
-zin het Bewustzijn het prius is (natuurlik dus niet in tijdelike zin van
-iets dat „voorafgaat”, maar in de logiese zin van iets dat
-voorondersteld, noodwendig inbegrepen is, als mogelikheidsvoorwaarde)
-[59] niet alleen van alle gewaarwordingen als zodanig, maar ook van
-alle gewaarwordings- of zinnelike eigenschappen, dus ... van heel de
-materie, daar deze, als zodanig, geen andere dan zinnelike, i.e. op de
-zinnen, de waarneming betrokken, eigenschappen heeft.
-
-Zoveel staat ons dus nu reeds vast: de inhoud der gewaarwording kan
-niet een afbeelding, overname, zijn van eigenschappen van het niet-ik,
-die onafhankelik van alle waarneming toch met die inhoud zouden
-overéénkomen. Het niet-ik heeft dus al deze (zinnelike) eigenschappen,
-de kleur, de vorm, uitsluitend aan mogelike waarneming te danken,
-zonder deze kan het geen „kleur” hebben—maar evenmin vorm of grootte.
-Het eerste geeft zelfs het naturalisme toe, het laatste niet.—Maar deze
-algemene overwegingen zijn toch reeds voldoende om enige van de ergste
-misvattingen van het phaenomenalisme uit de weg te ruimen.
-
-Laten we dus tot goed begrip ons bij dat eerste bepalen. Vóór ons ligt
-nog de rode bal. De kleur heeft hij te danken aan de kleurzin. Maar is
-en blijft die bal dan niet rood, ook al wordt hij door geen sterveling
-ooit gezien, evenals ’t een of ander rood gesteente, dat onontdekt
-ergens in de aardkorst schuilt? Zeer zeker. Maar wat betekent dat „rood
-zijn”? Niets anders dan dit: àls een subjekt met bepaald soort
-(„normale”) kleurzin er naar kijkt, ondergaat het een verandering,
-genaamd: het „krijgen” van een roodgewaarwording,—het wordt m.a.w.
-genoopt, genoodzaakt, de gewaarwordingsinhoud „rood” te produceren
-[60].
-
-De subjectiviteit der kleuren wil dus noch voor de natuurwetenschap
-(voor wie het An-sich, de „oorzaak” in het niet-ik, aethertrillingen
-zijn, die ze onafhankelik van waarnemende Subjecten acht, evenals de
-niet-natuurkundigen ’t doen met de kleuren!) noch voor Kant zeggen, dat
-het van ons willen en believen of alleen van onze geest zou afhangen,
-b.v. rood of blauw, donker of licht te zien, of dat er geen verschil
-zou bestaan tussen kleur-, klank-, bewegings- enz. hallucinatie en
--waarneming. [61] Deze tegenwerping ligt toch zo voor de hand: voor de
-naieve opvatting is de waarneming reproductie,—de hallucinatie
-productie, en zo is ’t een aardige naief-gedachte formulering, als
-Taine, tot het inzicht gekomen dat de waarneming nooit reproduceert,
-haar een „ware hallucinatie” noemt!
-
-
-
-
-3. DE OBJECTEN ALS „PHAENOMENA”, AFHANKELIK VAN HET SUBJECT DER NATUUR,
-ZIJN ALS ZODANIG „IMMANENT” EN REIKEN NIET TOT HET „AN-SICH”, ZIJN NIET
-OORZAKEN, MAAR DERIVATEN VAN GEWAARWORDING.
-
-Wat betekent nu „objectief” (b.v. objectief wit krijt!) en wat is de
-kennistheoretiese betekenis der objecten (de ruimtelike „dingen”,
-„voorwerpen” als tafels, bergen, planten, mens- en dierlijven, dus de
-objecten aller natuurwetenschappen, de natuur)? Te zeggen is het met
-één enkel woord: ze zijn „Erscheinungen”, „Phaenomena” [62] (17). De
-duidelike omschrijving, de nauwkeurige formulering is minder
-gemakkelik. We kunnen zeggen: een object is een denkbeeldig (dus
-abstract) (18) samenstel („systeem”, „synthese”) van mogelike
-gewaarwordingsinhouden, mogelik (resp. noodwendig, bij vervulling der
-waarnemingsvoorwaarden) voor een denkbeeldig universeel subject met
-soortgelijke (doch ideaal ontwikkelde) zinnen als de onze, mogelik dus
-ten dele (resp. noodwendig op bepaalde voorwaarden) voor elk subject
-als gij en ik.
-
-Het plasties zien [63] en de daarmee geassocieerde herinnering aan
-eventuele tast- en bewegingsgewaarwordingen, helpen onze
-verbeeldingskracht deze objecten, geheel abstracte systemen van
-mogelikheden als zij zijn, hypostaseren, verzelfstandigen voor onze
-geest tot de ruimtelike concreet „voorgestelde” zicht- en tastbare
-„dingen”.
-
-De (objectieve) „natuur” is niets anders dan het geheel dezer objecten
-of ruimtedingen of phaenomena,—in hun onderling verband van samenzijn
-en veranderen, gelijk dit als gevolg der werking van onderstelde
-„natuurkrachten” begrijpbaar wordt gemaakt en wiskundig geformuleerd in
-de zgn. „natuurwetten”; ook deze „krachten” en „wetten” zijn dus,
-kennistheoreties gesproken, zuiver „immanent” of „phaenomenaal”, gelden
-slechts ten aanzien van phaenomena, zijn dus afhankelik van
-vooronderstelde waarnemingsmogelikheid oftewel subjectiviteit en staan
-als zodanig tegenover Kant’s An-sich, tegenover de metaphysiese of
-transcendente werkelikheid. (19)
-
-Het is dus louter verbeelding (in dubbele zin) dat aanschouwing zonder
-meer ons reeds objecten zou leveren (Schopenhauer) in plaats van
-individuele waarnemingen. Het denken alleen echter (Cohen) brengt het
-te minder tot objecten, waar het zelfs de simpele gewaarwording niet
-verschaffen kan. Uit denken en waarnemen samen componeert de geest zijn
-voorwerpen, gebonden aan, bepaald door, eigen wettelikheid („vormen”)
-en door ervaring gegeven „inhoud”.
-
-Uit de inhoud van onze werkelike gewaarwordingen componeren wij (van
-„synthese” spreekt het Kantisme) zuiver hypotheties de voor ons ten
-allen tijde en voor alle normale subjecten [64] geldige
-gewaarwordingsmogelikheden, en onze geest beeldt heel zo’n eindeloze
-reeks eventualiteiten met zijn taal door een enkel woord („een rode
-bal”), een wonder van geniale ekonomie, als alleen de selectie der
-aeonen kan voortbrengen. Zo „objectiveren” wij de inhouden onzer
-gewaarwordingen, een gissen [65], waarbij altijd ver-gissen mogelik is
-(hallucinaties, illusies, zgn. „zinsbedrog” in dromen, hypnose enz.),
-maar wij blijven daarbij geheel binnen het gebied van mogelike
-gewaarwordingen en waarnemingen, van „mogelike ervaring”, van
-bewustzijnswaarden, van slechts voor (en door) een waarnemend Subject
-bestaande werkelikheid, van het „Immanente”. Het Subjekt, de
-subjectiviteit, het „Bewusstsein überhaupt” is het prius, de conditio
-sine qua non, van heel deze „empiriese realiteit”.
-
-Haar „eigenschappen” zijn louter betrekkingen tot dat Subject—denkt men
-dit weg—dan is heel die wereld mee verdwenen (cum grano salis: „ohne
-Gedanken kein Phosphor”). Wat de zon is voor de jaargetijden, dat is dus
-de geest voor de stof. Denken wij ons nu, gelijk wij allen doen zonder
-uitzondering, van kind tot Kant, en van Hegel tot Ziehen—(zelfs Fichte
-of Berkeley dacht niet anders!) onze gewaarwordingen veroorzaakt door
-een Niet-Ik,—dus als een verandering die ons Ik ondergaat, dank zij de
-inwerking van iets anders, van de werkelikheid, van het van de geest
-onafhankelik-gedacht bestaande of zijnde, van het „Ding-an-sich” [66],
-dan is het dus ook duidelik, dat we door al onze „ervaring”, door alle
-waarnemen, door welk nog zo diep of inwendig onderzoek ook (20), zij
-het met behulp van mikrotoom en mikroskoop, met chemie, met
-spectraalanalyse, nooit van dat An-sich, van enige eigenschap, die iets
-„op zich zelf” heeft (onafhankelik van waarneming) ook maar een zweem
-leren kennen,—zelfs van een naderen of benaderen van het An-sich (zoals
-enige Kant’s „An-sich” verdonkeremanende „Neo-Kantianen”, als Cohen en
-Windelband en vooral Natorp en König willen) kan dus voor Kant en voor
-ons geen sprake zijn:
-
-(K. d. r. V. p. 67) „Wenn wir diese unsere Anschauung auch zum höchsten
-Grade der Deutlichkeit bringen könnten, so würden wir dadurch der
-Beschaffenheit der Gegenstände an sich selbst nicht näher kommen. Denn
-wir würden auf allen Fall doch nur unsere Art der Anschauung, d.i.
-unsere Sinnlichkeit vollständig erkennen,... was die Gegenstände an
-sich selbst sein mögen, würde uns durch die aufgeklärteste Erkenntniss
-der Erscheinung derselben, die uns allein gegeben ist, doch niemals
-bekannt werden.”
-
-(p. 68)... „so dass wir durch die erstere [sc. die Sinnlichkeit = het
-waarnemingsvermogen] die Beschaffenheit der Dinge an sich selbst... gar
-nicht erkennen, und, sobald wir unsere subjective Beschaffenheit
-wegnehmen, das vorgestellte Object mit den Eigenschaften, die ihm die
-sinnliche Anschauung beilegte, überall [oud voor überhaupt] nirgends
-anzutreffen ist, noch angetroffen werden kann”. [67]
-
-Wat wij dus kunnen „waarnemen”, „kennen” van het niet-ik, van het
-Zijnde onafhankelik van ons Zelf, zijn alleen de wijzigingen, die een
-Subject bij ’t gewaarworden ondergaat, doordat het zijn zinnen
-„afficirt” [68] en zover wij onze gewaarwordingen als door dat niet-ik
-veroorzaakt beschouwen, levert hun inhoud dus niets van de werkelikheid
-zelve, maar slechts een heterosubjectieve functie (in mathematiese zin)
-van de werkelikheid. Heel de ruimtelike wereld, het objectief Heelal,
-is dus niets dan een ondersteld, fictief, potentieel, abstract systeem
-van subjectieve werkingen van het Zijnde, een „attribuut” der
-„Substantie”, gelijk zij er oneindig, immers willekeurig, vele heeft,
-grover gezegd: de vertolking van het Zijnde in de taal der zinnen [69]
-(ik zeg hier overal opzettelik „zin” en niet „zintuig”, want dit
-laatste is alweer „object”, lichaamsdeel, ruimteding, dus phaenomeen,
-terwijl de zin als geestesvermogen, geestelike functie, tot het prius
-aller objecten behoort, deze pas „mogelik maakt”) en wij weten zeker
-dat dit Zijnde zelf, als transobjectieve, dus in die zin transcendente
-oorzaak (21) onzer gewaarwordingen, op zichzelf geen enkele eigenschap,
-aan de gewaarwordingsinhoud ontleend, kan hebben. (22)
-
-
-
-
-4. HET TRANSOBJECTIEVE („AN-SICH”) ALS OORZAAK VAN GEWAARWORDING KAN
-NIET GEKEND, MAAR MOET ALS WERKELIKHEID GEDACHT WORDEN.
-
-Wel echter spreekt het vanzelf dat ook voor Kant de aard onzer
-gewaarwordingen mede bepaald wordt door het transobjectief „afficirend”
-An-sich (de bovengenoemde An-sich-loochenaars laten ons door de
-immanente „objecten” affizieren, de objecten die als zodanig aan dat
-Affizieren.... hun ontstaan te danken hebben!). Wat zou Kant zich
-verbaasd hebben over de voortwoekering van het misverstand, als zou de
-aanname van een Ding-an-sich een „inconsequentie” geweest zijn...
-immers hij zelf had het transcendent „gebruik” der Kategorieën
-„verboden”, onmogelik gemaakt, dus ook die der „werkelikheid” en
-„causaliteit” bij ’t „Affizieren”. Zo Hartmann b.v. e tutti quanti! Ook
-Windelband en heel ’t teleologies apriorisme (Rickert vooral)—bij ons
-te lande wijlen Prof. Bellaar Spruyt en een enkele zijner
-leerlingen—menen ’t An-sich te moeten laten vallen! Zij allen vergeten
-het fundamentele verschil, door Kant gemaakt tussen waarnemen, beleven
-(= „erkennen”) en denken (= „erwägen”). Denken kan ik zonder zweem van
-de befaamde, door Maimon uitgevonden, contradictie (zolang ik maar
-zonder contradictie blijf, „wenn ich mir nur nicht selbst widerspreche”
-K. d. r. V. Vorr. z. 2. Ausg.), „was ich will”—zo goed het niet- als
-het ongekend-bestaande, goden en duivels, het niets, het An-sich, eens
-anders bewustzijn zo goed als het onbewuste, √-2, etc. etc. Maar
-kennen, beleven, waarnemen (of weten als mogelike ervaring) kan ik
-alléén het aan zinnen en verstand „gegevene”, de werkelike (of
-mogelike) „Modificationen des Gemüts” (23). Een Ander-Ik b.v., een
-geest, is wonderwel te denken, maar onmogelik waar te nemen (—wat
-jammer is voor de clairvoyante geestenzieners als Leadbeater c.s.
-[70]—). Ja zelfs noemt Kant de niet-kenbare dingen terecht slechts
-denkbaar, „intelligibilia”, elders „Gegenstände des Denkens”.
-
-Ieder uwer heeft zonder moeite een „Ander-ik” gedacht, nu ik het noemde
-(b.v. een van zijn kennissen) en daarbij geenszins de zonderlinge waan
-gehad, dat het bestaan van dit andere Subjekt afhankelik zou zijn
-van... dit gedacht worden door u of mij!—’t Wordt waarlik tijd, dat die
-diepzinnige Fichteaanse vraag, „of iets dat niet gedacht is, iets
-anders dan een gedachte, gedacht kan worden”... uit de
-kennisleerbetogen verdwijne.—Ze berust geheel op de dubbelzinnigheid
-van „iets denken”... waar „iets” 1°. prolepties de gedachte zelf kan
-betekenen, 2°. het in overweging genomen „bedoelde”, „voorgestelde”
-„voorwerp” of „onderwerp” van ’t denken. Dit „bedoelen” of „meinen” is
-dus volstrekt geen nieuwe vinding, die Kant „verbetert” (aldus Thiele
-c.s.) maar zuiver Kants.—En wie ook de gewaarwordingen zelf, het
-waarnemingsmateriaal, tot „gedachten” maakt en de waarnemingsvormen (de
-ruimte b.v.) tot „kategorieën” (Cohen) heeft met dit Intellectualisme
-Kant’s leer ten grondigste bedorven. [71]
-
-Toegegeven dient, dat bij Kant de juiste opvatting, dat kategorieën,
-als denk „vormen”, eo ipso moeten gelden ten aanzien van al wat gedacht
-wordt, dus zin, betekenis houden ten aanzien van het transcendente, het
-„intelligibele”, zodat dit kategorieel kan worden gedacht, gekruist
-wordt door een andere leer, die de kategorieën, juist wijl zij, bij
-Kant, geen zuivere denkvormen zijn in de hun toebedeelde objektvormende
-functie, ten aanzien van het transcendente zinledig acht, hun èlk
-„gebruik” (ook tot „denken”, niet slechts tot „kennen”), elke betekenis
-dienaangaande ontzegt.
-
-Naar eerstgenoemd redebeleid luidt § 22 (van de Transcendentale
-Deduction der reinen Verstandesbegriffe): „Die Kategorie hat keinen
-andern Gebrauch zum Erkenntnisse der Dinge, als ihre Anwendung auf
-Gegenstände der Erfahrung.” en waarschuwt Kant uitdrukkelik bij § 27,
-als hij zijn resultaat aldus formuleert: „Folglich ist uns keine
-Erkenntniss a priori möglich als lediglich von Gegenständen möglicher
-Erfahrung.” in een noot: „Damit man sich nicht voreiliger Weise an den
-besorglichen nachtheiligen Folgen dieses Satzes stosse, will ich nur in
-Erinnerung bringen, dass die Kategorien im Denken durch die Bedingungen
-unserer sinnlichen Anschauung nicht eingeschränkt sind, sondern ein
-unbegrenztes Feld haben, und nur das Erkennen dessen, was wir uns
-denken, das Bestimmen des Objects, Anschauung bedürfe, wo, beim Mangel
-der letzteren, der Gedanke vom Objecte übrigens noch immer seine wahren
-und nützlichen Folgen auf den Vernunftgebrauch des Subjects haben
-kann”... In dezelfde sfeer ontwikkelt zich dan heel zijn „intelligibele
-Causalität”, met haar „praktiese” uitwassen, en haar zuivere
-theoretiese kiem, te vinden in het hoofdstuk over de onderscheiding van
-Phainomena en Nooemena [72] (p. 226): „Vom Begriffe der Ursache würde
-ich, (wenn ich die Zeit weglasse, in der etwas auf etwas Anderes nach
-einer Regel folgt) in der reinen Kategorie nichts weiter finden, als
-dass es so etwas sei, woraus sich auf das Dasein eines Andern
-schliessen lässt”.
-
-De tweede opvatting vindt men in hetzelfde hoofdstuk in de 2e druk
-aldus geformuleerd: „Wo diese Zeiteinheit nicht angetroffen werden
-kann, mithin beim Noumenon, da hört der ganze Gebrauch, ja selbst alle
-Bedeutung der Kategorien völlig auf” (p. 685). [73]
-
-Wij kunnen ons echter met Kant’s kategorieënleer hier niet langer
-ophouden, [74] maar hebben, nu wij weten, hoe het transobjectieve
-krities denkbaar is, nog op deze twee vragen te antwoorden:
-
-Moogt gij met Kant het An-sich, toegegeven dat het zonder
-zelfweerspreking wordt gedàcht, ook als werkelik aannemen, als
-transobjectieve oorzaak onzer gewaarwordingen? Is dit niet in strijd
-met Kant’s causaliteitsleer—en afgezien van deze meer historiese
-kwestie—hebt gij kenniskrities het recht, met het causaliteitsbeginsel
-alle grenzen van mogelike ervaring te overschrijden, door een
-transobjectief niet-ik voor onze gewaarwordingen verantwoordelik te
-stellen?
-
-Deze laatste vraag is natuurlik belangrijker dan die omtrent Kant. Maar
-wij behoeven er in deze verhandeling slechts tweeërlei op te
-antwoorden:
-
-1°. Ieder, filosoof of niet, hij zij Berkeley of Hegel, Hume of Fichte,
-elk positivist en elk scepticus, ook de felste, principieelste
-anti-metaphysicus, ja zelfs elk zgn. „solipsist” als v.
-Schubert-Soldern, hoe „immanent” hij zich ook wane, ieder is
-klaar-blijkelik overtuigd, dat de inhoud van zijn gewaarwordingen niet
-uitsluitend door hemzelf wordt bepaald, zo min van zijn denken of
-gevoelen als van zijn willen alleen afhankelik is—en ieder acht
-mitsdien zijn gewaarwordingen mede veroorzaakt door een niet-ik.
-Verschil en strijd blijkt metterdaad slechts hierover te bestaan: moet
-dit niet-gegeven, ondersteld, oorzakelik niet-ik objectief, materieel,
-ruimtelik, dan wel transobjectief, immaterieel, onruimtelik worden
-gedacht. „Assepoes”! denkt Dr. Dèr Mouw. Ten onrechte. Immers:
-
-2°. Het goed recht, de logiese rechtvaardiging van deze causale,
-ik-overschrijdende overtuiging, met haar aanname van een werkelik
-niet-ik als concrete oorzaak onzer gewaarwordingen,—is een uitgemaakte
-zaak. Ik acht het verspilde moeite, weer als kwestie te behandelen, wat
-een Heymans m.i. „endgültig erledigt” heeft. Ik verwijs dus naar zijn
-„Einführung in die Metaphysik” § 30 („Die Berechtigung zur Annahme
-einer Aussenwelt”) en zijn „Gesetze und Elemente des wissenschaftlichen
-Denkens” § 99.
-
-En daar nu de objecten, als phaenomena, naar boven is betoogd en nog
-nader zal worden uitgewerkt en toegelicht, die concrete oorzaak niet
-kunnen zijn, zo moet iets transobjectiefs als werkelik en oorzakelik
-worden aanvaard. Hoe en in welke zin het daarbij tevens zijn functie
-als reale of substratum der „phaenomena” krijgt, als „dasjenige was den
-Erscheinungen zu Grunde liegt”, zullen wij straks zien, in hoofdstuk
-IV.
-
-Wat nu die eerste vraag betreft, aangaande Kant, ook hieromtrent zij
-tweeërlei opgemerkt (gericht tot wie die vraag stellen!):
-
-1°. Ook al zou Kant’s „immanente”, „empiriese” causaliteit het
-transobjectieve niet kunnen bereiken, wij voor ons zijn noch aan Kant’s
-kategorieënleer in ’t algemeen, noch aan zijn causaliteitsleer in ’t
-biezonder gebonden. Zijn „Beweis” of wel bewijzen voor zijn tweede
-„Analogie der Erfahrung” acht ook ik een mislukking, evenwel niet
-geheel Kant „onwaardig”, integendeel, ook in haar schijnbare
-ongerijmdheid geheel liggend in de lijn van Kant’s denken: Het door
-Kant weerlegd dogmaties realisme maakt de objekten tot oorzaak der
-gewaarwordingen, objectieve volgorde tot oorzaak van noodwendige
-waarnemingsvolgorde. Nu is omgekeerd het objekt produkt, afhankelik van
-gewaarwording, gewaarwording prius van objekt,—evenzo, redeneert Kant,
-is noodwendige waarnemingsvolgorde prius van objectieve volgorde in
-plaats van omgekeerd. Ergo, concludeert Kant, zonder causaliteit geen
-objectieve tijdverhoudingen. De conclusie nochtans berust op de
-onjuiste vereenzelviging der noodwendigheid (Nötigung; onafhankelikheid
-van individuele willekeur; Succession „nach einer Regel”, die bindt)
-van bepaalde waarnemingsvolgorde, en daaruit afgeleide objectiviteit
-van opeenvolging, met causaalverband, een begrip veel rijker van
-inhoud, zodat objectief tijdverschil tussen 2 gebeurtenissen „nach
-einer Regel” mogelik en kenbaar is, zonder onderling causaalverband
-(b.v. twee horloges, zo geregeld, dat zij 5 minuten of zo weinig men
-wil blijven verschillen), zonder dat het volgende „uit” het voorgaande
-hoeft te volgen, of „aequivalent” met zijn oorzaak hoeft te zijn enz.,
-en zonder samenhang met de geldigheid van het causaliteitsbeginsel
-zelf, dat elke verandering haar oorzaak moet hebben, waaruit zij
-noodwendig volgt. Hoeveel intuïtieve wijsheid er moge schuilen in
-Kant’s aanduiding, dat er tussen ons apriories weten omtrent de tijd en
-ons apriories weten omtrent de causaliteit verband moet zijn,—zo min
-als objectief ruimte-verschil causaalverband onderstelt, trots alle van
-willekeur onafhankelike noodwendigheid en „Regelmässigkeit” der
-ruimtebepaling, evenmin het objectief tijdverschil. En al zou beiderlei
-objectivering, zover zij berust op inductie, op het
-causaliteitsbeginsel steunen, zij zou nog geenszins de geldigheid van
-het causaliteitsbeginsel bewijzen.
-
-Ook hier zij verder verwezen naar de Kantweerlegging ter zake door
-Heymans in zijn „Schets eener kritische Geschiedenis van het
-Causaliteitsbegrip in de nieuwere wijsbegeerte”, 1890.
-
-2°. Zelfs met aanvaarding van Kant’s causaliteitsleer is een
-transobjectieve, transmateriële gewaarwordingsoorzaak niet in strijd.
-Want zijn „immanente” causaliteit geldt geenszins, als naar Hartmann’s
-misvatting (af te handelen in hoofdstuk V), slechts individueel
-(„subjectief”), zelfs niet uitsluitend physies, voor het veld der
-„äussere Erfahrung”, maar voor heel het gebied van Kant’s „Erfahrung”,
-heel zijn „natuur”, die àl het tijdelike, het terrein van physica èn
-psychologie (Kant’s „Physiologie der Seele”) omvat, zodat het
-transobjectieve in de zin van het transphysiese, transmateriële,
-causaal (tijdelik) kan zijn, ons „afficiren” kan bij het „geven” der
-gewaarwording, zonder enige zelfweerspreking van Kant. Kant noemt nu
-zowel dit transphysiese, tijdelike, van mogelike (uitwendige)
-waarneming onafhankelike, als het transpsychiese, transtijdelike, van
-mogelik bewustzijn onafhankelike, „An-sich”. Deze onderscheiding van
-tweeërlei „An-sich” bij Kant, die heel wat misverstand en schijnbare
-zelfweerspreking uit de weg ruimt, zal ik nader bespreken bij de
-behandeling van het Transobjectieve, dus in hoofdstuk IV. Als nu deze
-wat lange § en z’n belang de geduldige lezer niet volkomen duidelik
-mocht zijn geworden, dan beloof ik, dat de volgende hoofdstukken er het
-nodige licht wel op zullen werpen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-DE DOGMATIESE VERDUBBELING VAN DE GEWAARWORDINGSVORM.
-
-
-1. DE RUIMTE ALS „VORM” VAN DE BEWEGINGSZIN (HEYMANS)—EN VERGELIJKING
-MET DE „VORM” VAN TOONGEWAARWORDINGEN.
-
-Wat is nu een kennis„vorm”, in tegenstelling tot de betrokken
-kennis„inhoud”?
-
-We herinneren ons, dat deze onderscheiding dient ter verklaring van de
-raadselige „mogelikheid” der onloochenbare synthetiese oordelen a
-priori van de wetenschappen, in casu (want wij bepalen ons tot de leer
-der waarnemingen) van de meetkunde en de bewegingsleer, gebouwd op ons
-apodicties syntheties weten omtrent tijd en ruimte.
-
-Indien nu onze waarnemingen gevolg zijn van de inwerking van het van
-ons onafhankelik Zijnde op onze geest, dan zal hun aard, hun
-hoedanigheid mede door de aard van onze geest worden bepaald, i.c. van
-ons waarnemingsvermogen („Sinnlichkeit”). „Wanneer, zooals wij moeten
-aannemen, onze ervaring een product is van de inwerking der dingen [75]
-op onzen geest, dan ligt het in den aard der zaak, dat haar inhoud
-wordt bepaald door de eigenschappen van de dingen en van den geest
-gezamenlijk. Of, nog wat nauwkeuriger, haar algemeen karakter zal van
-de eigenschappen van den geest, hare concreete bepaaldheid in ieder
-bizonder geval van die der dingen afhankelijk zijn. Noemen wij nu, naar
-eene voor de hand liggende analogie met vorm en inhoud der in een vat
-besloten vloeistof, het eerste den vorm, het tweede den inhoud der
-ervaring, dan moet blijkbaar de aanwezigheid der vormbepalende factoren
-in den geest aan die der ervaringsgegevens voorafgaan, wanneer ook de
-eerste niet dan naar aanleiding van de tweede tot bewustzijn komen.”
-Heymans, C. p. 185.
-
-„Wenn sich aber die Sache so verhält, so muss sich offenbar für jede
-Wahrnehmung die allgemeine, nur in der Organisation des Subjekts
-begründete Form derselben aus ihrem spezifischen, von dem einwirkenden
-Objekte mitbestimmten Inhalte ausscheiden lassen. Ich sehe eine grüne
-Wiese: dass ich überhaupt Farbe sehe, gehört in dieser Wahrnehmung
-offenbar zur Form, denn es hängt ausschliesslich von der eigentümlichen
-Affizierbarkeit des Gesichtssinnes ab; dass ich aber diese bestimmte
-grüne Farbe in diesem bestimmten Teile des Sehfeldes wahrnehme, das ist
-der Inhalt der Wahrnehmung, der von objektiven Faktoren mitbestimmt
-wird.” Heymans, G. u. El. p. 182.
-
-Het is duidelik, dat deze onderscheiding van vorm en inhoud ons altans
-een mogelikheid levert van synthetiese oordelen a priori. „Immers het
-ligt in den aard der zaak, dat de formeele elementen door den geest in
-de gewaarwordingen gelegd, in geene enkele gewaarwording kunnen
-ontbreken, en dus ook met volkomen zekerheid in toekomstige
-gewaarwordingen kunnen worden voorspeld.” Heymans, C. p. 186. En „welke
-meer afdoende verklaring zou er voor de bevestiging der axioma’s door
-de ervaring gegeven kunnen worden dan deze, dat die axioma’s door
-logische redeneering uit de elementen zelve, die aan de ervaring te
-gronde liggen, verkregen zijn?”
-
-Kant heeft met zijn „formeel Idealisme” een nieuwe bron van waarheid
-ontdekt in het kennende Subjekt. Zo behoort tans tot de zekerste
-verworvenheden der wetenschap, de subjectiviteit der Ruimte—als „Vorm”
-van waarneming. Maar de verwinning van het ruimte-realisme en
--empirisme schijnt wel tot de moeilikste verrichtingen van het denken
-te behoren. Zelfs voor zéér scherpzinnige, voor gróte denkers, voor
-„metaphysici van professie”, om van „filosofie-professoren” maar te
-zwijgen, stond hier tot op deze dag veelal een: „Tot hiertoe en niet
-verder”. Ik ben niet naief genoeg, te wanen, dat ik al m’n lezers in
-enige pagina’s zou kunnen overtuigen van een leer, die inderdaad ons in
-een heel nieuw milieu, een heel nieuwe werkelikheid verplaatst, waarin
-men zich niet dan na tijden-lang en ingespannen denken oriënteert.
-
-De grondoorzaak echter van alle verzet tegen Kant’s ruimteleer ligt in
-de talloze misverstanden (ten dele te wijten aan Kant zelf), die zijn
-begrip „vorm” pleegt te verwekken,—en de zonderlinge, dwaze,
-onaannemelike consequenties, die dat misverstand aan die
-ruimte-idealiteit wel moet toeschrijven.
-
-Dit altans kan ik hier voor de verspreiding van deze waarheid doen,
-enige stenen des aanstoots uit de weg ruimen, waarover bovenbedoelden
-gevallen zijn. De paar bladzijden, waarin Kant zijn ruimte-leer
-uitéénzet (K. d. r. V. pp. 50–54) behoef ik hier waarlik niet over te
-schrijven, ik reken dat ieder uwer deze gelezen en overdacht heeft,
-gelijk ook de „Einleitung” en de gehele „Transcendentale Aesthetik”,
-dus tot en met p. 75 van de K. d. r. V. [76].
-
-Om de ruimte als „vorm” van waarneming te doen begrijpen begin ik maar
-weer met vergelijking uit het gebied der kleuren en klanken, daar hier
-tenminste de „subjectiviteit” (het bestaan uitsluitend door en voor de
-waarneming) sinds lang (in theorie altans!) gemeen-goed is van
-wetenschap en beschaving [77]. Ik begin met deze vergelijking o.a.
-omdat Kant haar uitdrukkelik ongeoorloofd verklaart, p. 56, en om dus
-meteen eventuele vrees voor slaafse Kant-napraterij te sussen. En
-Kantmisduiding is hier niet in ’t spel. Immers, Kant’s verbod is een
-(volkomen verklaarbare) vergissing gebleken [78] (vgl. Heymans, G. u.
-El. p. 226), gelijk de psychologie sinds ook heeft bewezen, dat de
-ruimte geenszins „vorm” van heel ons waarnemingsvermogen, als zodanig,
-maar enkel van één (volgens anderen twee) bepaalde zin(nen) kan zijn.
-Het is waar,—gelocaliseerd, ruimtelik, is de inhoud al onzer
-gewaarwordingen, maar we weten tans dat b.v. smaak, geur, geluid, ja
-zelfs—naar de grote ontdekking van de geniale jonge Berkeley in zijn
-„New Theory of Vision”—al wat we zien,—oorspronkelik onruimtelik is,
-slechts met behulp van qualitatieve verschillen, die we als
-ruimtelikheids-symbolen („locaaltekens”) leren duiden, wordt
-gelocaliseerd [79]. De ruimte kan dus in elk geval slechts de vorm zijn
-van de ruimtezin(nen), welke dat dan ook zij(n).
-
-Wat hangt nu, bij ’t horen van klanken b.v., uitsluitend van ’t Subject
-af, en wat mede van het niet-ik? Of ik een a of een c hoor, en welke c,
-b.v. groot, klein of eengestreept enz., ik hoor, dat hangt niet van
-mij, van de geest af, (noch voor de klank-naiveteit, noch voor de
-natuurwetenschap, noch voor Kant!). Dus: noch welke, noch wat voor
-soort tonen (a, c; orgel-muziek, zang etc.), noch hoe vaak, of hoe lang
-ik die tonen hoor, noch welke tonen ik samen hoor. Dat alles behoort
-dus tot de inhoud (de „materie”) der klankgewaarwordingen. Ik kan
-daaromtrent ook niets weten, dan ’t bij „ervaring” gegevene.
-
-Maar wat ik wel van te voren [80] met absolute zekerheid kan weten, dat
-is de verhouding, waarin alle a’s en c’s en e’s enz., waar en wanneer
-ik ze ook te horen krijg, tot elkander zullen moeten staan. Ik weet,
-dat elke a, c, enz. z’n vaste plaats in het toonladderstelsel moet
-hebben, waardoor z’n interval, z’n verwantschap, z’n con- en
-dissonantie met elke andere wordt bepaald, zodat de toonladder—met al
-z’n „trappen” en drieklanken, en de daardoor alleen reeds gegeven, van
-alle willekeur onafhankelike wetten van harmonie en modulatie
-(25)—vaststaat als een heel stelsel van synthetiese oordelen a priori,
-van „wetten” waaraan alle mogelike, verleden en toekomstige,
-toonreeksen en toonverbindingen onderworpen zijn,—omdat en zolang het
-zijn de zuiver subjectieve, psychiese „natuur-wetten” van het horen en
-voelen, van de muzikale ontvankelikheid of apperceptie. Al deze wetten
-hebben betrekking op de eigenschappen van het toonstelsel, het door ons
-geabstraheerd en geconstrueerd schema aller mogelike
-toongewaarwordingen. Deze eendimensionele (sc. in éen afmeting: van
-laag tot hoog, zich uitstrekkende) schaal, dit schema, waarop elke ooit
-te horen toon a priori z’n plaats heeft, is de „vorm” onzer
-toongewaarwordingen.
-
-Dit schema „bestaat” natuurlik niet anders, dan als een „Gedankending”,
-z’n „waarheid” bestaat enkel hierin, dat het de werkelike wijze is,
-waarop („vorm”, „waarin”) een Subjekt alle tonen moet ordenen,
-„localiseren”.—Elke toon heeft daar z’n bepaalde plaats—welke dat is,
-hangt natuurlik van de „gegeven” toon af, behoort tot de „inhoud” der
-ervaring.—De toetsenreeks van een piano geeft ons een niet onaardig
-aanschouwelik beeld van het tonenschema, maar natuurlik bezit dit zelf
-geen andere werkelikheid, dan elke andere abstrakte formulering van een
-geheel van mogelikheden, dan b.v. elke „natuurwet”.
-
-Ook is het een materialisties (of zo men wil, naturalisties)
-vooroordeel, te menen, dat de eigenschappen van die vorm
-natuurwetenschappelik „verklaard” zouden kunnen worden, dat de physica
-er iets mee te maken had, dat b.v. gegevens omtrent luchttrillingen ons
-exactheid, wiskunde, in de harmonieleer zouden kunnen brengen [81], wat
-Vischer aardig noemt de „Mathematisirung des Schönen” [82]. Die
-trillingsgetallen hebben hoegenaamd niets met de kenmerken, de
-qualiteiten van ons toonladderstelsel te maken.
-
-Ten opzichte van 3 n trillingen per seconde bestaat tussen 4 n, 5 n of
-6 n trillingen per seconde geen ander dan dit quantiteitsverschil. Dat
-ik bij 6 n „precies dezelfde toon, maar een octaaf hoger” hoor als bij
-3 n, daarentegen bij 4 n een heel andere toon, nl. een die met de
-oorspronkelike „een reine quart” vormt en met die „zelfde hogere” „een
-reine quint”... en bij 5 n trillingen weer een die met de beide
-eerstgenoemde een grote sext en een kleine terts tot interval heeft,
-enz.—, heel die qualitatieve periodiciteit (telkens van n tot 2 n), die
-samenrijging van „octaven”, waarbinnen telkens alle mogelike
-verschillende tonen besloten liggen,—het berust uitsluitend op de
-inrichting van onze klankzin,—(weer niet te verwarren met het zintuig
-of het hersencentrum voor geluid),—absoluut niets daarvan is
-„mechanies”, quantitatief, te „verklaren”, daar quantiteit evenmin, ’t
-zij logies, ’t zij ontologies, ooit in qualiteit „omslaat” [83] als
-hersencelbeweging of welk objekt ook kan worden „omgezet” in, of
-„overgaat” tot... bewustzijn.
-
-Bij de kleuren hebben we precies hetzelfde. Het éne, zuiver subjectieve
-kleurenschema, de „vorm” van de kleurzin, geldt noodwendig voor alle
-kleuren die we ooit te zien kunnen krijgen, waar en wanneer ook. Altijd
-moet voor ons een verzadigd geel veel meer op wit gelijken dan een
-verzadigd blauw of rood; zo lijkt vol blauw meer op zwart dan vol rood;
-zo is ons „wit” een precies even enkelvoudige gewaarwording als „groen”
-of geel of zwart enz.—En dit alles heeft weer alleen betrekking op onze
-kleurenzin,—zelfs volkomen kennis omtrent aethertrillingsverschillen
-kan ons absoluut niets daaromtrent leren.—En het kleurenschema bevindt
-zich evenmin ergens buiten ons als dat der tonen.
-
-Men zal nu geen moeite hebben om te begrijpen, wat de bedoeling is, als
-we de ruimte noemen de „vorm” van een bepaald soort
-gewaarwordingen—waarschijnlik (naar ik tegenover Riehl, Liebmann en
-Wundt c.s. [84], mèt Heymans [85] aanneem) die van de bewegingszin. Dat
-betekent dan dat de ruimte slechts het schema is onzer mogelike
-bewegingsgewaarwordingen; deze kunnen we willekeurig teweegbrengen,
-maar altijd slechts in 3 onderling onafhankelik veranderlike
-qualiteiten [86], en elke gewaarwording zal ten opzichte van elk dezer
-3 volkomen bepaald zijn, een „plaats” moeten hebben in onze
-drie-dimensionele bewegings „vorm”, gelijk elke toon z’n „plaats” heeft
-op de één-dimensionele toonschaal. De ruimte „dingen” zijn dan niets
-dan voorshands onbekende, maar nooit ruimtelik te denken, oorzaken, die
-bewegingsgewaarwordingen op van onze willekeur onafhankelike wijze
-belemmeren, en hun ruimtelike eigenschappen bestaan enkel in hun
-bepaalde verhouding tot, hun mogelike verhindering van, onze mogelike
-bewegingsgewaarwordingen [87].
-
-Ons schema is dus weer de vorm, waarnaar we deze eigenschappen bepalen;
-en in deze onze ruimte heeft dus elk ding z’n precies bepaalde plaats,
-voor Berkeley noch Kant, voor Heymans noch voor een onzer,
-anti-realisten, hangt het van willekeur, van een individu af, of iets
-ook maar een duizendste millimeter langer of korter is [88], verderaf
-of dichterbij zich bevindt dan iets anders [89] enz...—maar al deze hun
-ruimtelike eigenschappen, plaats, vorm, grootte, beweging, krijgen de
-dingen pas met, en uitsluitend met betrekking tot, dit ons
-waarnemingsschema, zij hebben enkel zin als inhoud van deze vorm, zijn
-zonder deze als hun prius in ’t geheel niet mogelik of denkbaar. (27)
-
-
-
-
-2. KANT ALS GEESTELIK COPERNICUS: „VORM” NIET „PHAENOMENAL”, MAAR
-„IDEAL”, DUS UITSLUITEND SUBJECTIEF-, NIET TRANSCENDENT-BEPAALD.
-TRENDELENBURG’S „DERDE MOGELIKHEID” ONMOGELIK.
-
-Tans zijn we dan gekomen aan het belangrijk inzicht in de „idealiteit”
-van een kennisvorm, als de subjectieve voorwaarde voor de mogelikheid
-van alle desbetreffende kennisinhoud en daaruit afgeleide „phaenomena”,
-als schema, wet of regel, waarnaar zich alle mogelike inhoud noodwendig
-heeft te schikken, zodat zijn aan die „vorm” te danken eigenschappen
-bij voorbaat (a priori) te kennen, met zekerheid te voorspellen zijn.
-
-Het spreekt immers vanzelf,—wat maar altijd weer zelfs door een Wundt
-c.s. (Külpe vooral!) gelijk door Hartmann, Paulsen e.a. en een Adickes
-voorwaar nog mede, wordt miskend, of misvat—, dat een waarnemingsvorm,
-ook uitsluitend subjectief bepaald moet zijn, dat het geen zin heeft
-„den Fall zu setzen” (die door Kant übersehen zou zijn! Trendelenburg’s
-befaamde „Lücke”) „dass die Realitäten selbst jenen Formen unseres
-Anschauens und Denkens entsprechen, ihnen gleichen.” (Külpe, „I. Kant”,
-p. 75). Ik zie niet in, wat het zou moeten betekenen zelfs, dat een
-abstrakt schema van alle mogelike gewaarwordingen van een bepaalde
-soort, dus de formulering, de wet van een bepaalde
-bewustzijnsreactie... „tevens” eigen zou zijn aan de „transcendente”
-dingen, de werkelikheid.
-
-„Was ist denn aber unter einer subjectiven Form zu denken, die zugleich
-objectiv sein soll? Sollen etwa auch die Objecte [lees: die Dinge an
-sich] ‚aufnehmende’ Formen haben?” vraag ik met Hermann Cohen (Kants
-Theorie der Erfahrung² p. 162).
-
-Reeds van de „materie” der gewaarwordingen (hard, groen, zoet enz.) is
-het naar wij boven hebben bewezen een dogma zonder grond en zonder zin,
-dat zij tevens onafhankelik van de gewaarwordingen, als „eigenschap”
-op-zich-zelve zoude bestaan; hoeveel te meer van een „vorm”, sc. een
-schema, een verhoudingswet van mogelike gewaarwordingen, die in ’t
-geheel niet van het gewaargewordene, maar uitsluitend van de
-gewaarwordende geest afhankelik kan worden gedacht. Deze „vorm” kàn
-alleen „subjectief” gedacht worden, en geldt dùs, krachtens deze
-subjectiviteit, noodwendig en algemeen voor alle desbetreffende inhoud,
-is dus daardoor „objectief” in de strengste zin van het woord... [90]
-
-Juist dit is Kant’s Copernicaanse revolutie: Het gekende, de natuur
-(„die Erfahrungswelt”) heeft de algemene eigenschappen ruimtelikheid en
-tijdelikheid niet te danken aan onbekende, transcendente, algemene
-eigenschappen van het An-sich, het onafhankelik-van-kennen-Zijnde (deze
-worden ons dus niet als algemene „inhoud” der „ervaring” door het
-An-sich, door een transcendente ruimte en een transcendente tijd,
-gegeven;—zo ja, dan ware die algemeenheid slechts een voorlopige
-veronderstelling van op z’n hoogst feitelike, nooit noodwendige
-geldigheid, zodat onze axioma’s omtrent de oneindigheden tijd en ruimte
-met al hun apodictiese overschrijding aller ervaringsmogelikheid,
-gelijk de daarop gebouwde volkomen exacte wetenschappen meetkunde en
-phoronomie, louter zelfbedrog en dogma zouden zijn), maar aan
-ruimtelik- en tijdelikmakende eigenschappen van de kennende
-subjectiviteit; worden dus als „vorm” der ervaring door het Subject aan
-het gekende verleend en hun algemeenheid is eo ipso noodwendig en die
-noodwendigheid verklaard [91]. Ruimte en tijd zijn dus, Kantiaans
-gesproken, niet „phaenomenal”, maar „ideal”—zijn niet phaenomena („bene
-fundata”), maar functies van het „transcendentale” subject, van het
-geestelik prius der phaenomena. Dàt is hun „subjectiviteit”.
-
-Subjectiviteiten zijn nu eenmaal niet denkbaar zonder subject. [92] Een
-Anschauungsform ohne (= onafhankelik van) Anschauung, is even
-ondenkbaar als... een Denkform (zo de negatie) ohne Denken!
-
-Zo min als iets negatiefs als zodanig (niet-rood, niet-stoffelik)
-bestaanbaar te denken is onafhankelik van het denken, zo min kan iets
-ruimteliks als zodanig bestaanbaar worden gedacht onafhankelik van het
-waarnemen. Geen wonder dus dat Kant die onmogelike „dritte Möglichkeit”
-van Trendelenburg (waarop straks zo waar Hartmann z’n hele
-„transcendentale realisme” bouwt, en waarop trouwens reeds heel Hegel’s
-„eenheid van zijn en denken” rust, heel de Duitse zgn.
-Identitätsphilosophie) ausser acht gelassen—geen overweging waardig
-heeft gekeurd, als zijnde „zinledig”.
-
-„Ich möchte gerne wissen, wie denn meine Behauptungen beschaffen sein
-müssten, damit sie nicht einen Idealismus enthielten. Ohne Zweifel
-müsste ich sagen, dass die Vorstellung vom Raume nicht bloss dem
-Verhältnisse, was unsre Sinnlichkeit zu den Objekten hat, volkommen
-gemäss sei, denn das habe ich gesagt, sondern dass sie sogar dem Objekt
-völlig ähnlich sei; eine Behauptung, mit der ich keinen Sinn verbinden
-kann, so wenig, als dass die Empfindung des Roten mit der Eigenschaft
-des Zinnobers, der [?] diese Empfindung in mir erregt, eine Ähnlichkeit
-habe.” (Prol. p. 68). [93]
-
-Maar gesteld al, deze zinledigheid hadde zin, ware mogelik (des neen),
-dan zou zij nog, evenals wij boven voor de gewaarwordingsinhoud
-betoogden:
-
-1°. Absoluut onmerkbaar, onverifieerbaar zijn; [94] haar aan te nemen
-ware dus dogmatisme van ’t zuiverste water, waarvoor geen enkele grond
-ooit kan worden gegeven of gedacht zelfs. Want wij hebben nooit met iets
-anders te maken, dan met „onze” „empiriese” „objectieve” ruimte, en de
-daarin zich bevindende, daarvan „afhankelike” ruimtedingen... (dat
-Hartmann met het naturalisties realisme die objectieve natuur voor
-„transcendent” houdt, is geen fout van Kant).
-
-2°. Zou deze overeenstemming of „gelijkheid” zelf... een grondeloos
-wonder, zuivere toverij [95] zijn en anders niet. Tussen ons bewustzijn
-en het bewustzijnstranscendente als zodanig bestaat zelfs geen denkbare
-gemeenschap... en toch zouden we er iets van bezitten, van „kennen”...
-ja zelfs het als „gelijkend op” (?) het kenbare... kennen!
-
-Wie ter zake niet ondeskundig is, begrijpt, dat de aanhangers van deze
-leer zelf hun bedoeling misduiden. Ze bedoelen de éne objectieve ruimte
-en haar „natuur”. Ze zijn aanhangers van een „empiries realisme” ... en
-menen transcendentaal-realisten te zijn. Zeker is het bevreemdend, dat
-een zo scherp en nuchter denker als Dr. Dèr Mouw ten deze diep genoeg
-onder Hartmann’s invloed staat, om zelfs te wanen, dat Heymans hier
-door Hartmann zou kunnen of moeten worden verbeterd, dat in Hartmann de
-gedachten van Kant „tot rustige volwassenheid zijn gekomen”.
-
-Hartmann’s heldere, zakelike, zelfverzekerde, gezondverstandelike
-betoogtrant werkt dan ook zo overredend, dat niet alleen de vele
-wetenschappelik-ontwikkelde leken, voor wie Kant ontoegankelik blijft,
-terwijl de filosoof van het Onbewuste hun vertrouwde leidsman is
-geworden omtrent „Philosophische Fragen der Gegenwart” en „Moderne
-Probleme”, maar ook schrijvers van naam [96] Kant’s „transcendentaal
-idealisme”, zijn waarnemingsleer in ’t biezonder, door Hartmann’s zgn.
-„transcendentaal realisme” weerlegd en afgedaan achten. Inderdaad
-formuleert H. zó zuiver de tegenwerpingen, die ieder „onbevangene”
-voelt en denkt, dat het mij van groot belang toeschijnt, juist deze
-representatieve Kantmisvatting te niet te doen. Maar eer ik daartoe
-overga, zullen wij ons nader vergewissen van de daartoe benodigde,
-merendeels reeds boven gewonnen, kennistheoretiese resultaten der
-kritiek, daarbij speciaal het Transobjectieve behandelend in zijn
-verhouding tot het objectieve en het individuele. Immers, de kritiek
-heeft aan het Objekt twee functies ontnomen, die beide onmisbaar zijn:
-die van gewaarwordingsoorzaak, en die van concrete werkelikheid,
-onafhankelik van mogelike waarneming. Deze haar ontkenning verwijst dus
-onmiddellik, positief, naar de Drager dier functies—naar het
-Transobjectieve, dat ten aanzien van mogelike waarneming „an-sich” of
-„transcendent” moet heten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-HET TRANSOBJECTIEVE („AN-SICH”). ZIJN TWEELEDIGE KENNISTHEORETIESE
-FUNCTIE: METAPHYSIES SUBSTRAAT DER PHAENOMENA EN GEWAARWORDINGSOORZAAK.
-
-
-1. KANT’S TWEEËRLEI „AN-SICH”. DE TIJD ALS „VORM” VAN „INNERLIKE
-WAARNEMING” (BEWUSTZIJN).
-
-Wij kennen en onderscheiden nu, met Kant, deze drieërlei
-kennistheoretiese waarde:
-
-1°. De gewaarwording en de voorstelling of gedachte, het
-individueel-psychiese, onruimtelike, wel tijdelike, concrete,
-werkelike, onmiddellik gekende, „gegevene” van eigen beleving.
-
-2°. De „natuur” (die Welt der Erscheinungen, Gegenstände der Erfahrung,
-empirische Realität, empirischen Objecte);—zij is niets dan het
-abstract geheel of systeem aller mogelike gewaarwordingsinhouden,
-waarvan dus de inhouden van werkelike gewaarwordingen niet gevolg zijn,
-maar gedeeltelike concrete verwezenliking (29), actualisering
-(Apprehension zegt Kant wel); zij ontleent aan vorm en inhoud van
-gewaarwordingen haar „eigenschappen”; bestaat uit ruimtelike, rode,
-ronde, geurige enz. dingen. Het is een systeem, betrokken niet op u of
-mij, maar op „das Bewusstsein überhaupt”, niet op enig subject, maar op
-de subjectiviteit—een uitstekend woord, om zowel het onpersoonlike uit
-te drukken, als gedachten aan een concrete Algeest enz. uit te sluiten.
-[97]
-
-3°. De oorzaak der gewaarwordingen, het
-mogelike-waarneming-overschrijdende, transcendente, het An-sich. Kant
-kent tweeërlei An-sich:
-
-Één in de minder strenge zin van: het van mogelike waarneming
-onafhankelik bestaande, b.v. een ander-ik; dus het alléén voor Kant’s
-„innere Sinn” bestaande: Zo, waar Kant zegt: (p. 306) „Dadurch würde
-der Ausdruck wegfallen dass nur Seelen (als besondere Arten von
-Substanzen) denken, es würde vielmehr wie gewöhnlich heissen, dass
-Menschen denken, d.i. eben dasselbe was als äussere Erscheinung
-ausgedehnt ist, innerlich (an sich selbst) ein Subject sei, was nicht
-zusammengesetzt, sondern einfach ist und denkt.” In diezelfde
-gedachtengang volgt even daarna een alinea, die tot motto zou kunnen
-strekken aan het psychomonisme, en waarnaar alle realistiese dogmatici
-niet dringend genoeg verwezen kunnen worden: „Vergleichen wir aber das
-denkende Ich nicht mit der Materie sondern mit dem Intelligibelen,
-welches der äusseren Erscheinung, die wir Materie nennen, zum Grunde
-liegt: so können wir, weil wir vom letzteren gar nichts wissen, auch
-nicht sagen: dass die Seele sich von diesem irgend worin innerlich
-unterscheide.” [98]
-
-Het tweede „An-sich”, in de strenge eigenlike betekenis sc.:
-onafhankelik van alle verhouding tot enig bewustzijn, dus niet alléén
-van onze „zinnen” naar het gewone spraakgebruik (dus van de waarneming
-en haar vormen), maar ook van de „innere Sinn” en haar tijdvorm;
-onafhankelik van heel onze „Sinnlichkeit” in Kant’s zin.
-
-Overduidelik en herhaaldelik definieert en verklaart Kant zelf dit
-An-sich:
-
-P. 56: „die Idealität des Raums in Ansehung der Dinge, wenn sie durch
-die Vernunft an sich selbst [sie an sich selbst!] erwogen werden, d.i.
-ohne Rücksicht auf die Beschaffenheit unserer Sinnlichkeit zu nehmen”
-(Deze woorden gelden onveranderd voor het An-sich in de 1ste gelijk in
-de 2de zin, zo men onder „Sinnlichkeit” dan maar voor ’t 1ste geval de
-zinnen verstaat in de gewone betekenis, in ’t 2de geval er Kant’s
-„innere Sinn” = „das Anschauen unserer Selbst und unsres innern
-Zustandes” (p. 60) onder begrijpt.). „Wenn wir von unserer Art, uns
-selbst innerlich anzuschauen und vermittelst dieser Anschauung auch
-alle äusseren Anschauungen in der Vorstellungskraft zu befassen,
-abstrahiren, und mithin die Gegenstande nehmen, so wie sie an sich
-selbst sein mögen, so ist die Zeit nichts.” (p. 61).
-
-P. 62: de werkelikheid „an sich selbst (ohne ihr Verhältniss auf unsere
-Anschauung)”.
-
-P. 143: „Dinge an sich (ohne Rücksicht, ob, und wie sie uns gegeben
-werden mögen)”, welk begrip „gegeben” op zijn beurt nog eens nauwkeurig
-wordt omschreven: „dass ferner die einzige Art, wie uns Gegenstände
-gegeben werden, die Modification unserer Sinnlichkeit sei”. Evenzo in
-de aanhef p. 48: „diese [Anschauung] findet aber nur Statt, sofern uns
-der Gegenstand gegeben wird; dieses aber ist wiederum nur dadurch
-möglich, dass er das Gemüth [wij zeggen tegenwoordig: de psyche] auf
-gewisse Weise afficire. Die Fähigkeit (Receptivität), Vorstellungen
-durch die Art, wie wir vor Gegenständen afficirt werden, zu bekommen,
-heisst Sinnlichkeit”. [99]
-
-Al de zelftegenspraak, die men Kant ten aanzien van het An-sich
-verweten heeft, vindt haar verklaring, zover zij onloochenbaar is, in
-die tweeërlei zin van het An-sich. Alle tegenstrijdigheden verdwijnen,
-indien men slechts die beide uitéén houdt: 1°. het meta-physies =
-psychies An-sich [100], dat causaal kan zijn, ons „afficirt”, en zelf
-weer afhankelik is van 2°. het meta-psychies An-sich. Al wat van het
-eerste gezegd wordt is dus in de grond slechts het in de
-bewustzijnssfeer getransponeerde symbool van het tweede, eigenlike, van
-alle bewustzijn onafhankelike An-sich. We kunnen dus ook zeggen: men
-moet onderscheiden het An-sich an-und-für-sich en de „Erscheinung” van
-dit „An-sich” voor de „innere Sinn”, dus z’n vertijdeliking (heel het
-bewustzijnsleven, het psychiese als zodanig). Terwijl dan deze
-tijdelike (en a.z. „phaenomenale”) wereld nog weer door haar verhouding
-tot het waarnemingsvermogen, tot de uitwendige zinnelikheid, haar
-ruimtelik, in engere zin „zinnelik”, stoffelik, „physies”
-wereldphaenomeen meebrengt en daarvan het An-sich, de „grond”, kan
-worden genoemd. Wij behoeven bij elke plaats slechts te vragen: staan
-wij hier achter ruimte- en tijd-kritiek of achter de 1ste, maar nog
-vóór deze laatste.
-
-Het An-sich als „afficirend”, als „oorzaak” (30) van gewaarwording, als
-gelijktijdig met zijn Erscheinung, is tijdelik gedacht, maar
-onruimtelik, onstoffelik. Het kan dus b.v. „denkend subject” zijn,
-gelijk in het Psychomonisme.
-
-Deze hele conceptie staat dus, en is ook bij Kant stellig ontstaan,
-vóór zijn tijdkritiek, die hij zonder twijfel na en naar analogie van
-zijn ruimtekritiek heeft ontdekt, [101] gelijk die analogie de grote
-drijfkracht van Kant’s hele systeem is geweest. [102] Opmerkelik is
-b.v. hoe pas in de Prolegomena (§ 10) de arithmetica in dezelfde
-verhouding tot de tijdkritiek komt te staan, als de meetkunde tot de
-ruimteleer, terwijl van die rekenkunde in de Aesthetik zelve... niet
-gerept wordt... terecht. Want deze analogie, hoe voor de hand liggend
-en verleidelik ook, is fout en waardeloos, al wordt die fout ook door
-nòg zoveel Kant-discipelen gelovig nagepraat: Cohen, Natorp, Stammler
-en zelfs de zelfstandige Schopenhauer en Riehl. [103] Heymans heeft
-gelijk, dat hij ze nauweliks een enkel zinnetje van weerlegging waardig
-keurt (G. u. E. § 35).
-
-Kant’s geniale ruimte-vondst, die hem verhief boven heel de zinnelike
-wereld, die heel de natuur in haar gewaande zelfstandigheid voor hem
-terug deed deinzen en verzinken, bracht hem tot de vermetelste, meest
-„widersinnische”, aller wijsgerige hypothesen: ook de tijd is slechts
-„vorm”, geldt slechts „transcendentaal”, en heel onze bewustzijnswereld
-is dus phaenomeen, nièt in die banale positivistiese zin, waarin met en
-na Comte elk „wetenschappelik” schrijver, elk materialist, spreekt van
-de physiese en de psychiese „verschijnselen”, waarmee hij dan de
-geweldige waarheid te verstaan wil geven, dat al onze kennis
-„menselike”, „relatieve” kennis is („phénomènes” bij Bergson,
-Lévy-Bruhl en tal van anderen), maar in die diepe kritiese betekenis
-van het woord, die, elke voorstellingsmogelikheid overschrijdend, de
-geest nog enkel de negatie overlaat ter bereiking van het begrip der
-meta-psychiese ontijdelikheid. Van dit tijdloos, tijdstellend An-sich
-is alle wetenschap ons ontzegd; hier is de grens, niet van ons denken,
-wel van ons kennen bereikt, hier had Kant’s geprangde geloof eindelik
-de ruimte gevonden, waar het weer vrij kon ademen. Hier begint de
-metaphysica in de niet-wetenschappelike zin, die eigenlik metapsychica
-diende te heten;—bij Kant de moraaltheologie, bij zijn dogmatiese
-epigonen het stelsel. Hier kan, dat spreekt vanzelf, van „causaliteit”,
-zover deze tijd, immers verandering, onderstelt, geen sprake meer zijn.
-Hier resten ons slechts door analogie verworven, negatieve
-„grensbegrippen”: gelijk het ruimtelik heelal slechts een
-gewaarwordingsfunctie is van de ruimtestellende, onruimtelike psychiese
-werkelikheid, zo is deze zelf slechts een bewustzijnsfunctie van het
-tijdfunderend, ontijdelik „An-sich”, dat als zodanig eo ipso,
-onafhankelik van en transcendent voor alle mogelike bewustzijn,
-volstrekt onkenbaar en slechts per negationem denkbaar, maar tevens,
-bij aanvaarding der nooit weerlegde, waarschijnlik wel nimmer te
-weerleggen, tijdkritiek, onloochenbaar is... en de diepste grond van
-ons eigen wezen. Slechts de dogmadodende kenniskritiek kan deze grens
-aller mogelike kennis stellen—slechts het dogma kan haar loochenen (het
-tijd-realisme) of wanen haar te overschrijden (het „speculatief
-idealisme”). En met de éne eeuwige waarheid in haar niet-tijdelik
-onveranderbaar niet-bestaan verwarre toch niemand langer het An-sich in
-zijn tijdloos wijl tijdstellend zijn. Want de waarheid is, als geheel
-aller mogelike ware oordelen, een functie van het oordeelvermogen, dus
-van denkbeeldig bewustzijn, terwijl het An-sich niet alleen niet
-afhangt van het bewustzijn, maar juist omgekeerd alle bewustzijn als
-z’n tijdfunctie eerst mogelik maakt.
-
-Zonder bewustzijn geen waarheid, niet omgekeerd; zonder An-sich geen
-bewustzijn, niet omgekeerd!—De geest, immers het denkbeeldig subject
-der mogelike ware oordelen, is het prius der waarheid, het An-sich is
-het prius van zijn vertijdeliking, van de geest.
-
-
-
-
-2. HET REALE OF SUBSTRATUM DER NATUUR EN DE CAUSALITEIT. HET PSYCHIESE
-EN DE RUIMTE.
-
-De verhouding van grond tot phaenomeen een „causale” te noemen is
-altijd onzuiver, ja zelfs kortweg onjuist, onverschillig of men ’t
-begrip causaliteit reserveert uitsluitend voor de tevens ruimtelike
-phaenomenale verhouding van zgn. „oorzaak en gevolg” in de physica
-(„pseudo-causaliteit” van Heymans) of wel het uitstrekt over het
-terrein van het psychies gebeuren. In geen der beide gevallen behoeven
-wij de door Ziehen’s realisties misverstand ons aangewreven „dubbele
-causaliteit” [104] voor onze rekening te nemen. Want naar de
-eerstgenoemde terminologie heeft elke beweging haar „oorzaak”
-uitsluitend in voorafgaande beweging, naar het andere zuiverder
-woordgebruik is het (vermoedelik psychies) reale, waarvan de beweging
-phaenomeen is, wel oorzaak van elke concrete psychiese
-bewegingsgewaarwording, niet echter van het abstract systeem van
-bepaalde mogelike gewaarwordingsinhouden, geformuleerd tot een bepaalde
-„beweging”. Ik acht het dus aanbevelenswaardig, vooral tegenover
-realisties misverstand, voor deze specifieke verhouding van Reale tot
-Phaenomeen de kennistheor. naam „Grond” (in de zin van hetgeen „ten
-grondslag ligt”) of reëel „Substraat” te behouden. [105] Het
-„phaenomeen” van een „reale” is het geheel der phaenomenale (op het
-universeel subject betrokken) eigenschappen van dit reale, een
-niet-tijdelike verhouding dus, in tegenstelling tot de causale.
-
-Een voorbeeld zal dit betoog volkomen duidelik maken: Naar het
-psychomonisme is de psyche substratum, reale, van het phaenomeen
-hersenen, terwijl we niet kunnen zeggen: de psyche is oorzaak van de
-hersenen; oorzaak echter is de psyche actueel van alle concrete en
-potentieel van alle mogelike hersengewaarwordingen, [106] door haar
-zuiver causale inwerking op („Afficirung” van) het waarnemingsvermogen
-van een andere psyche. Het physies phaenomeen van deze zuiver psychiese
-reële inwerking van de ene psyche op de andere is de ruimtelike
-(pseudo-)inwerking van het ene brein op het andere. Van deze physiese
-breinverandering is dus het psychiese nimmer „oorzaak”, alleen weer
-reëel „substraat”.
-
-Terwijl het dus naar het realisme van elk allooi hersenen zijn, die ons
-de hersengewaarwordingen geven (= hun eigenschappen doen reproduceren)
-is het voor de kennis-kritiek het niet-ruimtelik reale der hersenen
-(b.v. naar het monisme iets psychies), dat ons de hersengewaarwordingen
-geeft (= de herseneigenschappen doet produceren). Het reale is dus niet
-oorzaak van de natuur, maar zou oorzaak zijn van de gewaarwordingen van
-het subject der natuur, indien dit bestond (in plaats van te zijn
-slechts gedacht prius, „hypothesis”, van een slechts gedacht
-betrekkingstelsel).
-
-Ziedaar (voor ’t eerst zover ik weet, en zo exakt mogelik) causaal
-ontleed de betekenis van de kennis-theoretiese stelling: het reale (=
-„Ding an sich” = „transcendent[aal] Object” = „Sache” = „Gegenstand
-überhaupt” enz.) is substratum (= „das wahre Korrelatum”, „der
-transcendente Grund”) der natuur.
-
-Moge na deze toelichting voor geen van mijn lezers meer onduidelik zijn
-het verschil tussen 1: reële individuele gewaarwordingen, 2:
-phenomenale objecten (het ruimtelike heelal), 3: het reële substratum
-van 2, van de objectieve wereld. (31) Vragen we naar het ontstaan, de
-herkomst onzer gewaarwordingen, dan hebben wij met 2 niets te maken,
-enkel met concrete realiteit. Niet het objekt, maar zijn reëel
-substraat veroorzaakt onze gewaarwording. „Aethertrillingen” zijn dus
-nimmer oorzaak van maar zijn integendeel afleidsel uit gewaarwordingen.
-
-Onze kleurgewaarwordingen „zijn” dus niet alleen geen aethertrillingen,
-maar evenmin „gevolg” van aethertrillingen; de kennistheoreties-zuivere
-verhouding van beide is deze: het reëel substratum der aethertrillingen
-veroorzaakt (indirect) onze kleurgewaarwordingen; nader uitgewerkt:
-dezelfde onruimtelike realiteit die op onze kleurzin zodanig inwerkt,
-dat onze geest de rood-gewaarwording produceert (i.e. dat wij een
-kleur, i.c. rood, waarnemen) zou op onze bewegingszin, indien deze
-(benevens onze tijdzin) maar fijn genoeg ontwikkeld ware, zodanig
-inwerken, dat een bepaalde, door ons geproduceerde
-bewegings-gewaarwording 400 billioen maal per seconde zou worden
-geremd, dat wij 400 billioen trillingen per seconde zouden
-waarnemen.—Ander voorbeeld: Als wij een tafel zien, worden onze
-vorm-kleur-grootte-gewaarwordingen niet veroorzaakt door een
-niet-gegeven, reële, concrete tafel (die bestaat niet), noch door die
-objectieve tafel, die we zeggen „waar te nemen” (d.w.z. die we ons
-voorstellen naar aanleiding van onze gewaarwordingen, en waarop we deze
-betrekken), maar door het reële, en als zodanig vorm-, kleur-,
-grootte-loze substratum van ’t objekt tafel. Doet die tafel dan niets
-in dit werkelik proces? Neen. Als we vragen naar de invloed van die
-tafel stellen we ons op phaenomenaal, ruimtelik standpunt; ergo, die
-tafel werkt uitsluitend in op onze hersenen via lucht, aether,
-zintuigen; we zijn op het gebied der bewegingen, der „natuur”, der
-zinnelike „ervaring”. We houden ons bezig met de wereld der ruimte—en
-daar mogen al of niet gekleurde, klinkende, geurige, of enkel bewegende
-voorwerpen zijn (al naar we ons het voorondersteld subjekt met kleur-,
-geluids- enz. -zin, of enkel met bewegingszin wensen te denken),—ook
-mensen-lichamen, zintuigen, hersenen,—nooit, al doorkruisen we
-(„physiologies gesproken”!) die éne oneindige ruimte der éne eindige
-natuur in alle richtingen, nooit of nergens zullen we daar ook maar
-iets psychies, een gedachte, een gewaarwording als zodanig, een
-verlangen, een herinnering aantreffen,—geen subject, geen „geest” is
-daar, in de ruimte, te vinden. Dat weten we met absolute analytiese
-zekerheid. [107] Als b.v. de heer F. van Eeden met het Spiritisme (32)
-zegt (De Blijde Wereld, 1903, pag. 80), dat in deze kamer zich misschien
-wie weet hoeveel geesten bevinden, [108]—dan kunnen we met de
-apodiktiese aprioriese stelligheid der kennisleer antwoorden: geen
-enkele! In deze kamer kan zich ex hypothesi niets anders bevinden
-dan... materie. Maar wijzelf dan, ik ben toch hier in deze kamer, en ik
-ben toch een geest? hoor ik de heer v. Eeden, en niet hem alleen, [109]
-antwoorden.—Ook gijzelf, als geest, bevindt u niet in deze kamer. [110]
-Waar precies zou uw geest dan zijn? In uw lichaam, uw hersenen, soms?
-Welke plaats, welke vorm heeft uw geest daar? (33) Wat zich in de
-ruimte, „in de kamer”, bevindt is enkel en alleen... uw lichaam,
-alias... materie. En zo gij uw eigen geest zoekt, wilt localiseren, „in
-de kamer”,—gij zult nergens anders terecht komen dan bij uw...
-brein.—Maar „ik”, het Subject, ben toch „hier”. Zeker, doch dit „hier”
-is, zo zagen we juist boven, een zuiver individueel psychies,
-onruimtelik begrip. Probeer maar, het te objectiveren, te plaatsen in
-de ene ruimte... en op hetzelfde ogenblik zijt ge weer in de stoffelike
-wereld terecht gekomen, is uw ik vervangen door uw brein. (34) Wij
-weten nu immers, dat zich onmogelik in de ruimte kan bevinden, wat zelf
-die ruimte „stelt”.—Op Kant’s wijs gezegd: De geest is niet in de
-ruimte, maar de ruimte is in de geest. (35)—Dit geldt n.b. ook van elke
-individuele geest, al stelt deze niet de éne universele ruimte, maar de
-ruimtelikheid zijner gewaarwordingsinhouden. Tegenover het neo-realisme
-der zgn. Neo-Kantianen kan dit niet scherp genoeg gehandhaafd worden.
-Zo lezen wij op p. 565 van Bellaar Spruyt’s Geschiedenis der
-Wijsbegeerte: „Wat wij van onze jeugd af beschouwen als onafhankelijk
-van ons bestaande zijn zekere dingen in de ruimte; maar ruimte en al
-wat daarin is, is afhankelijk van ons kenvermogen [tot zover heel goed]
-d.w.z. natuurlijk niet van ons individu, dat zelf ruimte inneemt, maar
-van het synthetisch element in ons kenvermogen, dat in alle menschen
-voorkomt en waaraan ruimte haar bestaan dankt.” Het door mij
-gecursiveerde mag alleen geschreven worden door... een materialist
-d.w.z. iemand, voor wie „het individu” betekent... stof.
-
-
-
-
-3. HET AN-SICH-LOOS IMMANENT „IDEALISME” ALS TERUGVAL IN REALISTIES
-PHYSICISME. DE GOEDE BERKELEY, HALLUCINATIES EN NA-KANTIAANSE
-„ONGERIJMDHEID”.
-
-Trouwens, heel dat An-sich-loochenend ethiserend irrealisme, deze
-Kantverzaking in naam van Kant, waarvan in Duitsland Windelband,
-Rickert, Natorp de hoofdvertegenwoordigers zijn en dat hier te lande
-een echo gevonden heeft in Bellaar Spruyt, Kohnstamm en Dr. Ovink,
-berust in de grond op het oude, door Kant vernietigde, object-realisme,
-op physicisme (om de tegenstelling tegen het psychisme scherper te doen
-uitkomen dan met het woord naturalisme, daar „natuur” juist bij deze
-richting al het causaal-verbondene, heel de wereld in tijd en ruimte,
-heel Kant’s Erfahrungswelt, dus in elk geval ook het psychiese omvat).
-Zij allen moeten Kant’s leer verlaten reeds bij die fundamentele vraag:
-hoe komen we aan onze gewaarwordingen? Zij loochenen het An-sich dat
-ons voor Kant [111] en in waarheid de gewaarwordingen geeft,—voor hun
-is „het begrip ‚gegeven zijn’ (is) het allerlastigste van de geheele
-Erkenntniskritik”, zoals Dr. Ovink (Twm. Ts. 1897, p. 554) het
-uitdrukt,—natuurlik, want nu blijft hun als oorzaak onzer gewaarwording
-alleen... het object over! En hoezeer men nu dit object ook
-„idealiseren” moge—het is en blijft een gewaarwordings-derivaat, een
-ruimtelik iets. (36)
-
-Bij ons polemiseert Dr. Ovink (Kant’s Transcendentale Methode, Twm. Ts.
-1897, p. 366) aldus: „En dan die zoogenaamde subjectiviteit der
-zinnelijke gewaarwordingen! Deze moeten in de ziel veroorzaakt zijn
-door de dingen, die dan natuurlijk als reeds existeerende gedacht
-worden. En existeeren doen ze dan even natuurlijk in de ruimte; dus die
-ruimte is er al.”—„Even natuurlijk” ... slechts voor Dr. Ovink’s
-naturalisme.—Want die „dingen” zijn natuurlik niet de natuurdingen; en
-existeren doen ze dus even natuurlik... niet in de ruimte.—Dr. Ovink’s
-irrealisme, dat Kant’s phaenomenaal object als „handeling” en het
-Ding-an-sich als „taak” wil opvatten („Deze uitdrukking heeft het
-voordeel, dat zij radicaal het quasi van zelfsprekend begrip ‚zijn’ en
-‚existeeren’ opheft”!), vervalt dan ook radicaal in materie-realisme:
-„een individueele ziel,... op een bijzondere [?] wijze gebonden aan een
-levend stoffelijk lichaam, dat weer [weer? dus „gebonden aan” wil bij u
-zeggen: „afhankelijk van”?!] van andere niet-levende stoffelijke
-lichamen afhankelijk is,”... (p. 366). Dr. O. acht dan ook mogelik, nog
-wel „binnen het terrein der empirische wetenschap”,.. „het construeeren
-eener causale betrekking tusschen die twee”, sc. de „zich bewegende
-lichamenwereld” en „de zinnelijke gewaarwordingen als bloote toestanden
-van het constante Ik.” „Zoowel het zoogenaamde subject als het
-zoogenaamde object zijn voor de Erkenntnistheorie twee provinciën van
-het ééne rijk der phaenomenen. En het is de taak der empirische
-wetenschap de betrekking tusschen die twee te ontdekken.”
-
-Wij hebben in het voorgaande aangetoond, 1°. waarom die betrekking geen
-causale kan zijn, tussen onruimtelike bewustzijnstoestanden zelf, en de
-ruimtelike kennistheoretiese functie van het bewustzijn, genaamd
-natuur, en 2°. dat noch voor de physica (die van bewustzijnstoestanden
-als zodanig opzettelik abstraheert) noch voor de psychologie (die zich
-uitsluitend met deze bemoeit) die betrekking naar haar ontologies
-werkelike wezen een voorwerp van onderzoek kan zijn. Ik zou dus niet
-weten, welke „empirische wetenschap” deze betrekking zou kunnen
-onderzoeken, aangezien de psychophysica bij de door ervaring gegeven,
-ten onrechte dus genaamde, „paralleliteit” alias gelijktijdigheid van
-beide blijft staan, zonder de verklaring daarvan zelfs maar te
-vragen.—Zonder kennisleer en metaphysica, die wel voor ons „empirische
-wetenschap” mogen heten, maar juist voor Dr. Ovink’s
-„transcendentalisme” met z’n normatieve methode als tegenstelling tegen
-de empiriese wetenschap worden geponeerd, komt men hier geen stap
-verder dan het... psychophysies materialisme, waarin dan ook, hoezeer
-zij het in phaenomenologiese termen transponeren, èn Münsterberg, èn
-Natorp èn Rickert, èn (ten onzent) Ovink èn Spruyt zijn blijven steken.
-
-Zo noemt Spruyt-Kohnstamm op pag. 436 de „natuurdingen” „de uitwendige
-oorzaken van het ontstaan der gewaarwording”. Pag. 541: „De werkelijke
-eik is de inhoud eener voorstelling van den volmaakten geest, die
-onberispelijk en volledig denkt wat er van een eik kan en moet gedacht
-worden. Mijn voorstelling is dus de zeer gebrekkige opvatting, die ik
-van den inhoud dier goddelijke voorstelling heb kunnen verwerven”. Dit
-zogenaamd „objectief idealisme” staat lijnrecht tegenover Kant’s
-krities idealisme:
-
-„Kan en moet gedacht worden” ... op welke grond? En hoe wilt gij weten,
-dat uw voorstelling de „opvatting” van de „inhoud” van een „goddelijke
-voorstelling” is?! Gij maakt van het kennistheoreties subject der
-natuur, dat natuurlik slechts de subjectieve functie, het „phaenomeen”
-der werkelikheid „kent”, en dat van het begrip natuur het onontbeerlik
-prius is, een metaphysies en metapsychies God, een ondenkbaar, altans
-wetenschappelik onbruikbaar, subjekt der werkelikheid, dat een bepaald
-systeem van oordelen er op na houdt, en ’t geen daarmee strijdt
-verwerpt,... alleen omdat hij dat zo wil (of „moet” ook hij?) zonder
-enige werkelikheidsgrond, zonder andere „werkelikheid” dan die deze god
-belieft voor te stellen (of te scheppen?), terwijl het onbegrijpbaar
-blijft, hoe wij van de voorstellingen van deze god ooit enig vermoeden
-zouden kunnen krijgen! En dat zou „immanente” wijsbegeerte zijn! Zo zet
-men Kant aan kant! Dat deze goddelike geest „moet” kan voor u zelf geen
-zin hebben, noch ethies, noch causaal! Immers: wij moeten, volgens u
-ethies, omdat wij aan hem als criterium gebonden zijn, maar wat kan hèm
-binden?
-
-Pag. 569: „Wij zien den sinaasappel, het voorwerp, als het model aan,
-den maatstaf, waarnaar zich onze voorstelling moet richten”. N.b. die
-sinaasappel, die pas ontstaat door onze „voorstelling” [112],—die al
-z’n eigenschappen te danken heeft aan de waarnemende geest! En hoe kent
-gij dan uw model? Hoe wilt gij vergelijken met uw model? Dat model,
-waarvan ge zelf beweert, dat het niet gegeven, maar tot taak gesteld
-(„aufgegeben”) is!—Pag. 500: „De conclusie ligt voor de hand [gegeven:
-wij kennen aan onze ruimtelike kennis ’t zelfde karakter van
-algemeenheid en noodzakelike waarheid toe als aan de logica], dat ook
-de ruimtelike waarheden niets anders zijn dan regels, die ons zeggen
-hoe wij verplicht zijn [sic!] de dingen te aanschouwen.” Het behoeft
-nauweliks gezegd, dat in heel Kant’s „Aesthetik” dat woord „verplicht
-zijn” niet voorkomt, zo min als het begrip. We beleven echter in dit
-werk het genoegen, dat Spruyt’s onkants en onjuist ethicisme zowel ten
-aanzien van de ruimte als ten aanzien van de logica capituleert voor de
-werkelike Kantiaanse (natuur)wettelikheid van onze denkende en
-aanschouwende geest:—wat de ruimte betreft p. 563 reeds:
-
-„Ons kenvermogen oordeelt in die [sc. meetkundige] stellingen alleen
-over de wetten waarop het van nature de gewaarwordingen tot
-ruimtebetrekkingen verbindt.” Rectissime!—Evenzo in zake logica: op
-pag. 590 s. wil B. Spruyt eerst het „absoluut recht” afleiden uit ’t
-feit, dat ook een „positivist” „recht meent te hebben op een billijke
-critiek”. Nochtans, een „billijke” critiek (zoals we in ’t verloop van
-ons werk [113] nader zullen zien) wil zeggen: een kritiek, die het
-beoordeelde noch beter noch slechter maakt, dan het is, noch meer noch
-minder lof of blaam geeft, dan er aan „toekomt”, dan het „verdient” of
-„waard is”, kortom waarheid bij de beoordeling, i.e.: zich stipt houden
-aan de werkelikheid [114]. Ook hier dus slechts éne waarheid (in
-beoordeling), gegrond op de éne werkelikheid (des positivists werkelike
-opvatting).—Zo funderen wij dus ook hier de „Idee der waarheid” zonder
-enige onbehoorlike „behoorlijkheid” [115]. Even zo met die plicht tot
-logies denken, die wij loochenen, aangezien wij de mogelikheid van
-onlogies denken ontkennen.—Pag. 591: „Maar hiermede is tevens dat
-onvoorwaardelijk karakter van den plicht erkend. De eisch van logisch
-te denken kan alleen toegegeven worden door iemand, die erkent, dat het
-niet van ons persoonlijk goedvinden afhangt, hoe wij leven zullen, maar
-dat wij gebonden zijn, zekere gedragslijn te volgen. Deed hij het niet,
-hij zou zich uit elk dispuut kunnen redden door te verklaren: ‚Het lust
-mij heden niet, normaal te denken, vandaag zie ik geen bezwaren in ’t
-aannemen van tegenstrijdigheden.’” Wel, de schrijver dier regelen zou
-zo iemand niets geldigs kunnen antwoorden. Wij echter wel. Wij zouden
-hem verwijzen naar diezelfde schrijver op p. 392, waar hij zou lezen:
-„Wanneer ik den maior en den minor van een syllogisme mij duidelijk
-voorstel, ben ik volstrekt niet meer vrij, zus of zoo te oordeelen. Wat
-willekeurig is, is alleen het uitspreken van het oordeel in woorden; de
-vorming van het oordeel gaat buiten onzen wil om.” Dit is volkomen
-juist—al heeft Spruyt’s teleologisme daarmee zich zelven weerlegd.—Heel
-die ontkenning ener „werkelikheid” als prius en norm van het zuiver
-theoreties begrip „waarheid”, zowel bij het zogenaamde „pragmatisme”
-als bij dit ethicisme is zonder dogmaties object-realisme dan ook
-nauweliks denkbaar. En de bovengenoemde schrijvers bevestigen dit
-verband ten volle. Zo vinden we nog bij Spruyt, behalve het reeds
-genoemde, op p. 82 de gewaarwording als het „psychische gevolg van
-zintuigsprikkeling”! en op p. 86 wordt gewaagd van „betrouwbare
-waarnemingen, die ons toonen, hoe de werkelijke stoffelijke [sic!]
-wereld verschijnt aan menschen met normale zinnen en normaal verstand.”!
-
-Ditzelfde, zij ’t ook nog zo anti-naturalisties „... naturalisme”
-sijpelt door op p. 566 b.v., waar bedoeld wordt: „de bestanddeelen der
-stoffelijke wereld” en dan staat: „de bestanddeelen der werkelijkheid”
-„zijn de inhoud van ideale voorstellingen van ‚het Subject’”! Omtrent
-die grote vraag: hoe komen we aan onze gewaarwordingen, en wat is hun
-betekenis t.o.v. object en An-sich, vinden we dan ook louter
-onklaarheid en Kant-verzaking.
-
-Nemen we een sinaasappel waar, dan is de gewaarwordingsinhoud (oranje,
-rond enz.) bij Kant oorspronkelike, d.w.z. (niet re-)productieve
-reactie van de geest (in eigen oorspronkelike „vorm”) op de inwerking
-van qualitatief onbekende werkelikheid (zodat de inhoud enkel effect,
-nooit kopie is en de vorm noch ’t een, noch ’t ander); bij Spruyt, die
-geen andere „werkelikheid” heeft dan de objecten, is de kleur,
-gedaante, enz. „copie” van een „werkelijke” objekteigenschap, d.w.z.
-van de inhoud van een „goddelijke” voorstelling.—Voor Kant (en Berkeley
-en Heymans) maakt de waarneming het object mogelik,—voor Spruyt (en
-alle realisten) maakt het object de waarneming mogelik. [116] Maakt het
-krities enig verschil of men van Gods sinaasappel (het goddelik object
-van ’t „objectief idealisme”) dan wel van niemands sinaasappel (het
-subjectloos An-sich van het dogmaties realisme) de kopie meent te
-hebben?—Berkeley, „de goede Berkeley”, was nog een stuk kritieser en
-redeliker en... kantiaanser, trots Kant! Die maakte tenminste niet het
-goddelik objekt, maar God zelf tot bron onzer gewaarwordingen, niet het
-produkt, maar het onkenbare transcendente producens—evenals, in de
-grond, Kant.—Spruyt’s kritiek op Berkeley is dan ook even realisties
-als onjuist. Berkeley zou moeten zeggen: de sinaasappel bestaat niet
-als ik er niet naar kijk. Dit zou juist zijn indien... „ik” het
-kennistheoreties subject van „de sinaasappel” ware, i.p.v. enkel van
-mijn sinaasappelgewaarwordingen. Deze fout heeft Berkeley echter nooit
-begaan! Dat het bestaan van de sinaasappel slechts van (zij het ook
-denkbeeldige) waarneming afhangt, dit hééft Berkeley gezegd: zonder
-percipi geen esse! en het is èn Kantiaans èn juist!—„Berkeley heeft
-niet opgemerkt, dat het verschil tusschen ware denkbeelden eenerzijds
-en onware denkbeelden, hallucinaties en illusies anderzijds wegvalt,
-als ieder ondersteld wordt alleen zijn eigen zielstoestanden te
-kennen.” Terecht heeft Berkeley dat „niet opgemerkt”. Want het is
-onjuist.—Natuurlik kent ieder alleen zijn eigen zielstoestanden, in de
-strenge zin van het woord „kennen” [117]. Maar een „objectief” oordeel:
-„dáár, op zóveel m.M. afstand van die tafelrand, ligt een sinaasappel
-van zóveel gram enz.”, is er een over mogelike (inbegrepen: onder
-bepaalde omstandigheden noodwendige) zielstoestanden van alle mogelike
-subjecten van bepaalde soort. Dit oordeel is al of niet waar.
-„Percipitur Chimaera, ergo est” houdt Spruyt aan Berkeley voor.
-Natuurlik, est Ch., sc. als gewaarwordingsgroep of gedachte. Maar niet
-objectief, als voorwerp in de ruimte. Immers voor het Subject der
-natuur en derhalve voor alle mogelike individuele subjecten, als
-coenosubjectieve waarnemingsmogelikheid, bestaat zij niet. Berkeley had
-dus misschien wat voorzichtiger zijn bedoeling uitgedrukt door van de
-natuurdingen (niet van de subjecten! n.b.) te zeggen, in pl. v. esse =
-percipi, esse = percipi posse, een amendement (later verwezenlikt door
-de „permanent possibilities of sensation” van zijn landgenoot Stuart
-Mill), door B. zelf... uit voorzichtigheid afgewezen [118]. Spruyt zelf
-geeft een alles behalve „immanente” eigen opvatting van het verschil:
-„Hallucinaties bestaan, maar zijn geen ware voorstellingen, omdat zij
-niet overeenstemmen met de werkelijkheid.” Dat is een waarheid als ...
-een zeker levend objekt,—ook voor Berkeley! De enige vraag is maar: Wat
-betekent hier „werkelijkheid”? „geeft men het geloof aan die
-werkelijkheid op” ... Aan welke werkelikheid? Aan een bestaan,
-onafhankelik van waarnemende subjectiviteit? Die „werkelikheid”
-loochent Berkeley... terecht. Of aan een bestaan voor elk normaal
-waarnemend subject? Die aanvaardt B.... terecht. [119]
-
-Het zij mij vergund Berkeley’s eigen woorden hier aan te halen (Pr. of
-H. K. sect. 6 p. 158):
-
-„Some truths there are so near and obvious to the mind, that a man need
-only open his eyes to see them. Such I take this important one, viz.
-that all the choir of heaven and furniture of the earth, in a word all
-those bodies which compose the mighty frame of the world, have not any
-subsistence without a mind, that their being is to be perceived or
-known; that consequently so long as they are not actually perceived by
-me, or do not exist in my mind or that of any other created spirit,
-they must either have no existence at all, or else subsist in the mind
-of some Eternal Spirit—it being perfectly unintelligible, and involving
-all the absurdity of abstraction, to attribute to any single part of
-them an existence independent of a spirit. To be convinced of which,
-the reader need only reflect, and try to separate in his own thoughts
-the being of a sensible thing from its being perceived.”
-
-Op smetteloos immanente wijze spreekt Berkeley over de onderscheiding
-tussen objektieve werkelikheid en chimera: Dial. III, p. 330: Phil. tot
-Hylas, na de voornaamste onderscheidings-criteria genoemd te hebben:
-„In short, by whatever method you distinguish things from chimeras on
-your scheme, the same, it is evident, will hold upon mine. For, it must
-be, I presume, by some perceived difference; and I am not for depriving
-you of any one thing that you perceive.”
-
-Berkeley denkt er dus niet aan, de objekten, de phaenomena, te
-loochenen, integendeel; hij ontdekt en betoogt juist hun immanentie,
-geheel in overeenstemming met Kant, al is bij hem van Kant’s
-kriticistiese onderscheiding tussen vorm en inhoud nog geen sprake.
-[120] Maar wat Berkeley altans schijnbaar, en naar Kant’s misduiding
-(38), die hem Kant’s verwijt van „mystischen und schwärmerischen
-Idealismus” heeft op de hals gehaald, loochent, zijn ... dezelfde
-„Sachen an sich selbst”, die ... Bellaar Spruyt ontkent, die „Sachen”
-(Dinge an sich), waarvan Kant zei: „die zu bezweifeln ist mir niemals
-in den Sinn gekommen”.
-
-Als Kant zelf in § 57 van zijn Prolegomena als „Beschluss” de summa
-geeft van heel zijn kenniskritiek, zijn „Grenzbestimmung der reinen
-Vernunft”, zegt hij:
-
-„Nach den allerklarsten Beweisen, die wir oben gegeben haben, würde es
-Ungereimtheit sein, wenn wir von irgend einem Gegenstande mehr zu
-erkennen hofften, als zur möglichen Erfahrung desselben gehört, oder
-auch von irgend einem Dinge, wovon wir annehmen, es sei nicht ein
-Gegenstand möglicher Erfahrung, nur auf das mindeste Erkenntnis
-Anspruch machten, es nach seiner Beschaffenheit, wie es an sich selbst
-ist, zu bestimmen”...
-
-Kant’s hele leer scherpt in: Het is ongerijmd, te menen dat de objekten
-die wij kennen Dinge an sich zijn.
-
-Maar dan: „Es würde aber andererseits eine noch grössere Ungereimtheit
-sein, wenn wir gar keine Dinge an sich selbst einräumen ... wollten”!
-
-Men ziet nu, hoeveel meer recht de „idealistiese” verdedigers dezer
-laatste post-kantiaanse „ongerijmdheid” hebben, zich (neo-)Kantianen te
-noemen, dan de gewone „realistiese” aanhangers der prae-kantiaanse
-„ongerijmdheid”! [121]
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-KANT’S WAARNEMINGSLEER EN HAAR MODERNE REALISTIES-DOGMATIESE
-MISVATTING.
-
-
-1. ÉÉN RUIMTE, ÉÉN TIJD, ÉÉN „ERFAHRUNG”.
-
-Tans gaan wij over tot de verdediging van Kant’s „Aesthetik” tegen
-Hartmann’s misverstand, in zijn „Kritische Grundlegung des
-Transcendentalen Realismus” en „Das Grundproblem der
-Erkenntnisstheorie” [122].—Ter oriëntering ga nog deze korte § vooraf.
-
-Niemand zou zich meer verwonderd hebben dan Kant, had hij kunnen lezen,
-hoe hier een filosoof z’n uiterste best doet om te bewijzen dat de éne
-oneindige ruimte een... transindividuele, vermakelikerwijze
-„transcendent” genaamde, betekenis heeft, en dat b.v. de atomen der
-natuurwetenschap ruimtelik moeten worden gedacht! En die n.b. Kant
-daarmede waant te bestrijden!—En die zich uitput in betogen voor het
-transindividueel bestaan der ... natuurobjecten, door hem in onschuld
-Dinge-an-sich genoemd! Die, om tot Kant’s „empirische Realität” te
-komen, hele hoofdstukken nodig heeft en dan deze noemt—tegen
-Kant—„transcendentale Realität”! Die in de ondertitel van zijn
-„Kritische Grundlegung des transcendentalen Realismus” „Fortbildung der
-erkenntnisstheoretischen Principien Kant’s” noemt, wat deze slechts
-derzelver „Fortschaffung” zou hebben bevonden!
-
-Het zij hier dan nog, tegenover zulke bergen van wanbegrip, nadrukkelik
-geconstateerd, dat ook voor Kant slechts éne objectieve oneindige
-Ruimte bestaat, gelijk er slechts éne Erfahrung is, m.a.w., dat Kant er
-nimmer de onmogelike, zonderlinge mening op na heeft gehouden, als zou
-van de éne ruimte der wiskunde of der natuurkunde, of van het éne
-ruimtelike Heelal... enig individu het subjekt, het
-bewustzijnsbetrekkingspunt zijn, een misverstand waarvan wij straks
-(opm. 39) bij Paul Rée de koddige consequenties zullen behandelen. Het
-spreekt van zelf, dat het ’t éne Universalsubject aller mogelike
-gewaarwordingen (en voor de „innere Erfahrung” tevens aller mogelike
-andere belevenissen) is, dat als prius moet worden gedacht van de
-wereld der Erfahrung, van de natuur [123].—„Die Bedingungen a priori
-einer möglichen Erfahrung überhaupt sind zugleich Bedingungen der
-Möglichkeit der Gegenstände der Erfahrung.” (K. d. r. V. p. 124, cf. p.
-156), vertaald: Het éne Subjekt en Prius der Natuurwetenschap is tevens
-het Subject en Prius der Natuur.
-
-Op p. 123 K. d. r. V. zegt K. uitdrukkelik:
-
-„Es ist nur eine Erfahrung, in welcher alle Wahrnehmungen als im
-durchgängigen und gesetzmässigen Zusammenhange vorgestellet werden;
-eben so wie nur ein Raum und eine Zeit ist, in welcher alle Formen der
-Erscheinung und alles Verhältniss des Seins oder Nichtseins Statt
-finden. Wenn man von verschiedenen Erfahrungen spricht, so sind es nur
-so viel Wahrnehmungen, sofern solche zu einer und derselben allgemeinen
-Erfahrung gehören.” enz.... Op p. 125: „Alle möglichen Erscheinungen
-gehören, als Vorstellungen, zu dem ganzen möglichen
-Selbstbewusstsein.”... Dat er slechts éne Wereldruimte, slechts éne
-Natuur bestaat weten we dus weer met de zekerheid van ... een analyties
-oordeel. Immers deze materiële (inhoudelike) éénheid is het onmiddellik
-gevolg van de „formele” éénheid van hun universeel Subjekt [124]. Dit
-is Kant’s „Einheit der Apperception”, voor hem „der transcendentale
-Grund der nothwendigen Gesetzmässigkeit aller Erscheinungen in einer
-Erfahrung.” (p. 135).
-
-
-
-
-2. KANT’S RUIMTELEER EN HARTMANN’S (BENEVENS KÜLPE’S EN BOLLAND’S)
-MISVERSTAND.
-
-a. Het eerste argument.
-
-Handhaven wij tans Kant’s ruimteleer tegen de realistiese bestrijding
-van Hartmann (Külpe, Bolland) [125].
-
-Kant’s argumenten voor het formeel karakter, „de transcendentale
-Idealität”, van de ruimte zijn gelijk bekend is de volgende:
-
-1. De ruimtelike waarneming is niet kenbron der ruimte, maar omgekeerd,
-vooronderstelt reeds de ruimte, wordt door deze pas mogelik gemaakt. De
-ruimte is niet een begrip, uit ruimtelike, gelocaliseerde gegevens
-afgeleid, maar omgekeerd, alle localisering geschiedt in de éne ruimte
-als haar prius en onderstelt deze dus reeds. Alle biezondere, bepaalde
-ruimtelikheid betekent slechts: bepaalde verhouding tot, gedeeltelike
-vervulling van, de ene gehele ruimte met haar driedimensionele
-oneindigheid.
-
-Tegen dit voor mij onweerlegbaar argument voert nu Hartmann aan [126]:
-
-„Mag der Raum schon vor der Erfahrung vorhanden sein oder nicht, so ist
-er doch vor der fertigen Erfahrung keinesfalls im Bewusstsein
-vorhanden; das Bewusstsein lernt den Raum nicht früher als die
-Erfahrung, sondern erst an und in dieser kennen” (p. 119). Wel, dit
-tweede zindeel bevat ongeveer Kant’s eigen woorden en in elk geval
-Kant’s eigen mening. Nog ééns: „Der Zeit nach geht also keine
-Erkenntniss in uns vor der Erfahrung vorher und mit dieser fängt alle
-an.” Dat ik dus, zodra mij ervaring gegeven is, i.c. ruimtelike
-ervaring, zodra ik een kamer met huisraad erin heb leren kennen, pas
-door abstractie, denkend, kan scheiden: de ruimtelike dingen en de
-ruimte waarin zij zich bevinden benevens hun ruimtelikheid zuiver als
-zodanig, dat wil Kant waarlik niet loochenen. De polemiek ten deze van
-Hartmann schermt in de lucht. K.’s bedoeling is slechts: Als wij nu
-deze ruimte zuiver overhouden, dan hebben wij ons tot bewustzijn
-gebracht de wijze waarop wij van meet af zinnelik gereageerd,
-waargenomen hebben, zij ’t ook onbewust, dank zij de natuur, de
-wettelikheid van onze eigen geest (niet van ons denken!).—Laten we ’t
-vergelijken met de logica, waar iets soortgelijks geldt: De negatie is
-geen uit het onderscheiden van biezondere tegendelen geabstraheerd
-begrip; maar integendeel, om te kunnen denken of ervaren, om iets, wat
-ook maar, in concreto te kunnen onderscheiden van iets „anders”, moet
-al de geest over de negatie beschikken, moet reeds voor de geest elk
-zó-zijn betekenen: niet anders-zijn, en elk anders-zijn: niet
-zó-zijn.—Aphoristies: de negatie is niet uit onderscheiding, maar alle
-onderscheiding uit negatie. Kantiaans: De negatie is niet
-ervaringsbegrip maar kategorie.—Toch zijn we ons pas zeer laat, en door
-logiese abstractie, van deze oorspronkelike, zuiver subjectieve, zuiver
-formele wettelikheid van ons denken bewust geworden. Die abstractie
-geeft ons dus niet pas die wettelikheid, maar toont ons eerst wat we
-reeds bezitten, en wel het deel, dat we niet van buiten af, uit
-ervaring, hebben gekregen, maar dat we tot de ervaring uit ons zelven
-hebben bijgedragen. Precies zo bij de ruimte. Alleen hebben we hier
-natuurlik niet een denkvorm [127]. maar een waarnemings-(volgens
-hedendaagse boven aanvaarde theorie gewaarwordings-)vorm. Daarom
-beweegt zich hier het empirisme, evenals bij de logica, noodwendig in
-een circulus vitiosus. Het kan ruimte en negatie alleen halen uit
-gegevens die ... pas door ruimte en negatie mogelik zijn geworden.
-[128]
-
-Voor het „formeel” karakter nu van een kennis-element is dit juist één
-der zuiver kennistheoretiese kenmerken, naar Kant fijn en diepzinnig
-bespeurd heeft. Horen we nu Hartmann, p. 120:
-
-Hij citeert eerst van Kant: „So wenn ich von der Vorstellung eines
-Körpers das, was der Verstand davon denkt, als Substanz, Kraft,
-Theilbarkeit etc, ingleichen, was davon zur Empfindung gehört, als
-Undurchdringlichkeit, Härte, Farbe etc. absondere, so bleibt mir aus
-dieser empirischen Anschauung noch etwas übrig, nämlich Ausdehnung und
-Gestalt”... Niemand zal willen betwijfelen dat dit abstracta zijn, en
-„Die Räumlichkeit ist [aan beide gemeen en] also eine Abstraction aus
-Ausdehnung und Gestalt, d.h. eine Abstraction zweiter Ordnung”....
-„Wenn also Kant es behufs der Begründung der Apriorität in Abrede zu
-stellen wagt, dass die Räumlichkeit uns gar nicht anders als durch
-Abstraction aus der Erfahrung gegeben sein könne, so widerspricht er
-seinem eigenen besseren Wissen.” Van durven gesproken! „Was diese
-formale Seite der räumlichen Anschauung vor der Entstehung der
-Erfahrung... sei, und ob dieselbe durch den Stoff der Empfindung als
-solchen empirisch gegeben, oder im Gegensatz zu derselben subjective
-Zuthat sei, darüber kann keine rein psychologische Speculation jemals
-Aufklärung bringen, sondern nur eine psychophysische [!] Betrachtung.
-So viel steht fest, dass der von Kant angenommene Gegensatz in der
-Entstehung der Materie und der Form der Anschauung grundfalsch und
-durch keinen Unterschied der inneren Wahrnehmung begründet ist” [zoveel
-staat altans vast, dat deze tegenstelling en haar kennis-theoretiese
-betekenis aan Hartmann is ontgaan]; „denn der concrete
-Empfindungsinhalt und die concrete Form der Anschauung [bedoeld: die
-concrete Betätigung der Form der Anschauung] drängen sich beide mit
-gleich unwiderstehlicher Gewalt dem Bewusstsein als fertig gegebene und
-nicht willkürlich zu ändernde auf; beide sind Producte der Seele, also
-in ihrer specifischen Natur und Qualität (z.B. Farbe, Räumlichkeit)
-rein subjectiv..., beide aber auch in ihrer concreten Bestimmtheit
-(diese Farbe, diese Gestalt) von aussen, d.h. transcendent, bedingt.”
-Het zou mij tegenvallen als ik voor mijn lezers hier nog moest
-bijvoegen: Precies zo wil het Kant; slechts misverstand dicht hem een
-„willkürlich zu ändernde” vorm of vormvulling toe.
-
-Nu wij eenmaal „er in” zijn, behandel ik tegelijkertijd de kritiek van
-Oswald Külpe, filosofie-prof. te Würzburg (tans in Bonn), tegen dat
-1ste argument in zijn „Immanuel Kant, Darstellung und Würdigung” 1907.
-(41)
-
-Deze voert drieërlei aan:
-
-1°.: Niet alle gewaarwordingen, maar alleen die van gezichts- en
-tast-zin worden onmiddellik gelocaliseerd. Op de vraag „warum diese
-Zutat unseres Erkenntnisvermögens bloss diesen beiden Sinnen
-unmittelbar zuteil geworden sei”... „kann Kant von seinem Standpunkte
-aus keine befriedigende Antwort geben.” Dit is, naar men weet, de
-voorstelling van Wundt. Heymans echter heeft mij overtuigd, dat zelfs
-niet eens door een psychiese „schöpferische Synthese” (door Riehl, Kr.
-I 304/5, met Kant’s Synthesis a priori schromelik verward) de
-ruimtelikheid ontstaat, maar slechts eigen is aan één enkele, de
-bewegings-zin, zodat de localisering der gezichts-gewaarwordingen
-slechts een uit „locaal-tekens” afgeleide, associatieve is. [129] Had
-Kant van de psychologiese onderzoekingen, waarop zowel de ene als de
-andere theorie steunt, kennis kunnen nemen, hij zou enkel geantwoord
-hebben: Goed,... dan is de ruimte niet „vorm” of schema des äusseren
-Sinnes überhaupt maar... „Form” jener beiden Sinne, of jenes einzigen
-Sinnes.—En hij zou er bij hebben kunnen voegen, dat het voor de
-beantwoording van bovenstaande vraag geen verschil maakt of men de
-ruimte als „vorm” dan wel als „materie” der gewaarwording beschouwt,
-immers waarom stelt slechts één zin geluiden of kleuren?—en dat in dit
-laatste geval het „realisme” dat de geachte vrager hier in petto
-schijnt te houden altans geen enkele beantwoordingsmogelikheid op het
-„idealisme” vóór zou hebben.
-
-Külpe’s 2de tegenwerping luidt: „Für die unmittelbare Raumauffassung im
-Gebiete des Tast- und Gesichtssinnes dagegen ist das Gebundensein an
-die räumliche Form auch dann verständlich, wenn sie mit den
-Empfindungen dieser Sinne jederzeit gegeben ist, zu deren Eigenschaften
-gehört, wie die Tonhöhe als eine solche der Tonempfindungen oder die
-Farbe als eine solche der Farbenempfindungen gilt.” Vooreerst zou Kant
-dit voor de ruimtelikheid in tegenstelling tot de „ruimte” vermoedelik
-volkomen met Külpe eens zijn geweest. Men heeft dan de keuze tussen
-Kant’s copernicaanse, de algemeenheid als noodwendig verklarende,
-centraal-bepalende „vorm” of Külpe’s anti-copernicaanse, de (slechts
-voorlopig geldige) algemeenheid slechts als onverklaarbaar, toevallig
-feit constaterende, peripheries-bepaalde „materie”. „Die
-Raumbestimmungen würden dann nicht erst durch uns in eine an sich
-raumlose Masse von Empfindungen hineingetragen, sondern ebenso
-unmittelbar in und mit den Empfindungen vorgestellt werden, wie deren
-Stärke oder Qualität.” Külpe zal toch niet het misverstand delen, dat
-we de ruimtelike gewaarwordingen volgens Kant eerst „an-sich”
-„ruimteloos” zouden krijgen en er dan Raumbestimmungen zouden
-hineintragen? Ten overvloede zij dan nogmaals herhaald, dat ook voor
-Kant de gewaarwordingen van de zin(nen) wiens (wier) „vorm” de ruimte
-is, eo ipso onmiddellik ruimtelik zijn, op een bepaalde, van willekeur
-onafhankelike, wijs. We hebben daarmee tevens Külpe’s
-
-3de tegenwerping beantwoord: „wie es möglich sei, dass die Eindrücke
-dieser Sinne in einer ganz bestimmten nicht willkürlich von uns
-abzuändernden Form wahrgenommen, oder an einen bestimmten, nicht
-beliebig zu wählenden Ort verlegt werden.” Antwoord, m.i. afdoende:
-Doordat de (onruimtelike) werkelikheid in een bepaalde, niet naar
-willekeur te wijzigen, verhouding staat tot de ruimtezin(-nen). Külpe
-antwoordt realisties: „Wir müssen hiernach zum mindesten verlangen,
-dass etwas Raumähnliches [130], der räumlichen Ordnung unserer
-Sinneseindrücke Entsprechendes, auch den die Sinnlichkeit affizierenden
-Dingen zukomme, dass den so gesetzmässig auftretenden Unterschieden in
-den sinnlichen Wirkungen eine Gesetzmässigkeit der sie hervorrufenden
-Ursachen korrespondiert.”... Jammer, dat Külpe zijn terecht
-geliefkoosde vergelijking met de kleuren enz. juist hier geheel
-vergeet: tegen die Gesetzmässigkeit heeft Kant, dunkt mij, geen
-bezwaar, maar zelfs al ware de ruimte „materieel” i.p.v. „formeel”,
-moet de oorzaak onzer kleurgewaarwordingen „etwas Farbenähnliches”
-hebben? „Diese Schwierigkeit hat Kant nirgends berücksichtigt
-geschweige denn beseitigt.” Wie struikelt over een strootje wijte dat
-niet aan de wegbereider.
-
-
-
-b. Het tweede argument.
-
-We gaan over tot Kant’s 2de argument: „Der Raum ist eine nothwendige
-Vorstellung, a priori, die allen äusseren Anschauungen zum Grunde
-liegt. Man kann sich niemals eine Vorstellung davon machen, dass kein
-Raum sei, ob man sich gleich ganz wohl denken kann, dass keine
-Gegenstände darin angetroffen werden.” Ruimtelike dingen onderstellen
-altijd, brengen van zelf mee, heel de ruimte, terwijl deze volstrekt
-geen „vulling” onderstelt, nodig heeft, maar „ledig” kan worden
-gedacht. De ruimte is dus het prius der materie, niet omgekeerd.
-
-Horen wij hiertegen weer eerst Hartmann: „Gesetzt den Fall, man könnte
-den Raum nicht wegdenken und sähe ihn als apriorische Bedingung der
-Möglichkeit der Erscheinungen an, so würde daraus nur folgen, dass wir
-nicht im Stande sind, eine andere Möglichkeit des Verhältnisses
-zwischen Objecten und Raum uns vorzustellen, keineswegs aber, dass es
-auch das Wahre sei, so wie wir die Sache ansehen.” Daar deze skepsis
-andere ruimte en andere objekten onderstelt dan de gegevene, kunnen we
-ze hier als uiting van een voor ons niet meer geldend dogmatisme ter
-zijde stellen... „Indessen ist diese Bemerkung überflüssig, da die von
-Kant behauptete Unmöglichkeit gar nicht besteht. Kant selbst liefert
-den besten Beweis davon, denn er behauptet, dass die reale Welt (d.h.
-die Welt der Dinge an sich und der Ich’s an sich) unräumlich sei. Wäre
-es nun unmöglich, die Räumlichkeit und den Raum von den Dingen
-wegzudenken, so wäre die Behauptung Kant’s eine der Einrichtung des
-menschlichen Vorstellungsvermögens widersprechende, also unvollziehbare
-und damit wissenschaftlich gerichtete. Jeder, der seine Seele, sein
-Ich, unräumlich denkt, beweist dadurch die Möglichkeit, vom Raum zu
-abstrahiren, d.h. den Raum von den Dingen wegzudenken.”
-
-Niet alleen „die reale Welt” maar zelfs reeds die Welt der „inneren
-Erfahrung” is voor Kant, gelijk van zelf spreekt, onruimtelik. Vrage:
-hoe onnozel moet men Kant achten om juist hem de bewering toe te
-dichten, dat wij niet zouden vermogen „vom Raum zu abstrahiren, d.h.
-den Raum von den Dingen [!] wegzudenken”! [131] En dat naar aanleiding
-van Kant’s even simpele als onbetwistbare opmerking, dat wij de
-„äussere Erscheinungen” dus het physiese, de natuurdingen (in
-tegenstelling met de zgn. „innere Erscheinungen”, het psychiese) niet
-zonder ruimte kunnen denken, wel omgekeerd de ruimte zonder
-lichamen.—Toch heeft niemand fijner dan Kant ingezien, hoe elk der
-helften dezer eenvoudige waarheid het realisme in de grootste
-verlegenheid moest brengen.—Nemen we de 1ste helft: waren de lichamen
-(de atomen, de velden, de huizen, de planeten, de zonnestelsels)
-werkelik bestaande, concrete substanties, dan was dus de ruimte, deze
-bestaansvoorwaarde zowel van lichamelikheid als van beweging,—ook de
-bestaansvoorwaarde van substanties, een werkelik iets dus, dat zelf
-noch substantie noch eigenschap van substanties zou kunnen zijn, en
-toch—als bestaansvoorwaarde, op z’n minst zelf zou moeten bestaan! Als
-wat? Immers, volgens de 2e helft kan het nòch zelf lichaam
-(„subsistirend” zegt Kant), nòch eigenschap of verhouding van lichamen
-(„inhärirend”) zijn, want... het zou immers blijven bestaan,
-overblijven, al dachten we alle lichamen er uit weg. En zonder dat het
-dan, naar ieder onbevangene moet toegeven, als eindig zou kunnen worden
-gedacht. [132]
-
-O wonderlik, ’t zij eindig of oneindig, altijd even onmogelik onding!
-Zijt ge oneindig, dus niet „inhärirend” maar „subsistirend”, dan tòch
-zonder afmetingen—immers het prius gij aller afmeting; zonder kracht,
-zonder zwaarte, zonder weerstand, zonder beweging, zonder één enkele
-physiese eigenschap—immers de vóóronderstelling aller beweging, aller
-physica! En wie, welk „eindig”, tijdelik wezen, heeft u dan uitgemeten
-of gepeild, dat wij zeker zijn van uw oneindigheid?
-
-Zo heeft dan ook het realisme en empirisme zich, consequent, genoopt
-gezien, u voor „inhärirend” te verklaren,—niet meer beweging en atomen
-afhankelik van de ruimte, maar omgekeerd, horribile dictu, de ruimte
-afhankelik van beweging (Trendelenburg [133], Wartenberg (42)) of
-lichamen (Hartmann)!—En zo moeten dan deze zich zelf wat wijs makende
-geesten beweren, dat voor hun de „werkelike” ruimte... eindig is, wat
-Wartenberg aldus, kostelik zich zelf weerleggend, uitspreekt: „die
-Welt, als in sich geschlossenes Ganze, schliesst auch den Raum ein und
-begrenzt sich selbst; was jenseits [!] dieser Grenzen liegt, das wissen
-wir nicht; wir wissen nur, das es dort [!] keinen Raum mehr giebt.”
-(Das Problem des Wirkens und die monistische Weltanschauung, p. 150).
-(43)
-
-De specifiek anti-realistiese strekking van Kant’s 2e argument is dus
-deze: de éne oneindige ruimte is bestaansvoorwaarde, vóór-onderstelling
-voor lichamen en beweging („nothwendige Vorstellung a priori, die allen
-äusseren Anschauungen zum Grunde liegt”). Waren nu deze reëel, dan zou
-ook de ruimte reëel, een werkelik „onding”, moeten zijn.
-
-Külpe heeft dit argument weer evenmin begrepen als Hartmann.—Volgens
-Külpe „ist hier die Notwendigkeit der Raumanschauung als solche,
-unabhängig von ihrer Benutzung zu einzelnen räumlichen Bestimmungen,
-der Nerv des Beweises. Im ersten Argument wird uns gesagt: die
-Raumbestimmung geschieht nur auf Grund einer schon a priori gegebenen
-Raumvorstellung [?!]; hier wird erklärt: eine Anwendung unserer
-Raumanschauung auf Gegenstände ist gar nicht erforderlich, wir können
-sie [?!] auch ohne solche haben, in uns tragen.”, bedoeld is „der
-Nachweis einer selbständig [!] für sich bestehenden, sich selbst
-genügenden Raumanschauung”. We kunnen nu reeds verwachten, dat zijn 3
-„Einwände” tegen het aldus geduid argument Kant weinig zullen deren:
-
-1°. „Nicht frei und selbständig, sondern an die Erfahrung gebunden sind
-wir, wenn wir nur bestimmte Sinneseindrücke räumlich unmittelbar
-auffassen, wenn wir dem Tisch und dem Stuhl, den Gestirnen und den
-Tieren besondere Formen beilegen und bestimmte Lagen anweisen.”
-
-Külpe denkt dus dat we volgens Kant „frei und selbständig” (naar
-believen? naar scheppersluim? maar een waarbij zich de mensheid van
-alle landen en tijden, zo ’t schijnt, in een wonderbaarlike harmonia
-praestabilita mag verheugen) aan de dieren des velds hun gestalten, aan
-de gesternten hun plaats zouden aanwijzen?
-
-Dat we ons de ledige ruimte wel kunnen „denken”, niet „voorstellen”,
-bewijst noch iets voor het empirisme (Berkeley) tegenover het
-apriorisme (Kant)—immers dat de éne ruimte zelf nog iets anders is dan
-het begrip „ruimte” geven ook de empiristen toe—, noch voor het
-realisme (Locke, Hegel, Comte, Hartmann, Külpe) tegenover het idealisme
-(Berkeley, Kant, Schopenhauer, Heymans)—want ook of juist ten aanzien
-van de wèl-voorstelbare „materie” der gewaarwordingen zijn er
-idealisten!
-
-2°. „Da die unmittelbare Raumanschauung auf zwei Sinne beschränkt ist,
-so gibt es auch raumlose Vorstellungen”... „Von der Notwendigkeit einer
-auf sich selbst gestellten Raumanschauung könnte daher bei einem ohne
-Gesichts- und Tastsinn geborenen Individuum gar nicht geredet werden.”
-
-Hiertegen zij opgemerkt: Kant noemt de ruimte niet voorwaarde van
-„voorstellingen” maar van „äusseren Erscheinungen” i.e. lichamen,
-ruimtedingen.—Kant zou dus antwoorden: indien inderdaad de ruimte
-slechts vorm is van die beide zinnen, dan kan er voor zulk een
-Individuum evenmin een ruimtewereld, lichamelikheid, als ruimte
-bestaan! En mij dunkt, Külpe zal de eerste zijn, dat toe te geven.—Laat
-mij Külpe eraan herinneren, dat de ruimte voor Kant, in plaats van „auf
-sich selbst gestellt”, juist slechts is Form der Sinnlichkeit, van het
-waarnemingsvermogen, en dus: ohne Sinnlichkeit, ohne Sinne, ohne
-Anschauung... kein Raum!—Kant zegt enkel: Wie ruimtelikheden,
-ruimtelike dingen stelt, heeft heel de ruimte reeds voorondersteld;
-hieruit volgt alleen: wie dit laatste niet zou vermogen, wie dus, ’t
-zij zonder waarnemingsvermogen of zonder ruimtezin(nen) geboren is,
-voor hem zouden geen lichamen, geen natuurdingen, noch afstanden, noch
-bewegingen, noch gestalten, noch groot of klein, kortom niets van heel
-de ruimtelike ordening der dingen, bestaan of denkbaar zijn.
-
-Dat de ruimte echter onafhankelik van ons waarnemingsvermogen „niets”
-is, dat zegt de ruimte-idealist Kant, zo goed als Berkeley,
-ondubbelzinnig en overvloediglik. Eén plaats voor alle: p. 56: „Wir
-behaupten also die empirische Realität des Raumes (in Ansehung aller
-möglichen äusseren Erfahrung) ob zwar zugleich die transcendentale
-Idealität desselben, d.i., dass er nichts sei, so bald wir die
-Bedingung der Möglichkeit aller Erfahrung weglassen, und ihn als etwas,
-was den Dingen an sich selbst zum Grunde liegt, annehmen.”; dit laatste
-op dezelfde pag. te voren nog precies omschreven: „die Idealität des
-Raums in Ansehung der Dinge, wenn sie durch die Vernunft an sich selbst
-erwogen werden, d.i. ohne Rücksicht auf die Beschaffenheit unserer
-Sinnlichkeit zu nehmen.”
-
-3°. „Dass die Naturwissenschaft ihren Gegenständen räumliche
-Eigenschaften und Beziehungen zuschreibt, beruht darauf, dass diese zu
-dem von uns unabhängig Gegebenen gehören, das eine durch das Individuum
-nicht willkürlich zu beeinflussende Gesetzmässigkeit aufweist. Dabei
-wird durch Messung und Berechnung dafür gesorgt, dass unsere
-Raumvorstellung keinen modifizierenden Einfluss auf die objektive
-Raumbestimmung gewinnt, dass also die zahlreichen Täuschungen, denen
-wir bei der unmittelbaren räumlichen Auffassung unterliegen, nicht auf
-die Objekte der Naturerkenntnis übertragen werden. Daraus ergibt sich
-die Unterscheidung eines subjektiven und eines objektiven Raumes, und
-die Einsicht, dass unsere subjektive Raumvorstellung mit
-Eigentümlichkeiten individueller Art behaftet ist, die ihre Bedeutung
-für eine allgemeingültige und notwendige [?] Raumbestimmung wesentlich
-einschränken. Wäre der Raum lediglich eine Form unserer Sinnlichkeit,
-so würde die Möglichkeit einer Geometrie ebensowenig verständlich sein,
-wie diejenige einer Naturwissenschaft.”
-
-En dit alles tegen Kant! Zou deze Newtoniaan niet onderscheiden hebben
-de „subjectieve”, lees individuele, ruimtevoorstellingen, en de
-„objectieve” (dus van het subject aller mogelike gewaarwordingen
-afhankelike) ruimte der natuurwetenschap? Kant, wiens ruimteleer juist
-de vooralsnog énige verklaring van de Möglichkeit niet einer, maar der
-Geometrie, en niet einer, maar der Naturwissenschaft gegeven heeft!—Of
-zouden soms voor Külpe de kleuren in de natuur, in de plantenwereld
-b.v., niet „zu dem von uns unabhängig Gegebenen gehören, das eine durch
-das Individuum nicht willkürlich zu beeinflussende Gesetzmässigkeit
-aufweist”?
-
-Voor de verwarring van kennistheoretiese subjectiviteit met „willekeur”
-of individuele afhankelikheid, waartegen reeds Collier en Berkeley voor
-twee eeuwen zich afdoende verweerd hebben, zou men toch hedendaagse
-Professoren als Wundt, Külpe, Adickes te goed hebben geacht, en zoveel
-anderen, die in naam van de natuurwetenschap tegen Kant’s ruimteleer
-opkomen. [134]
-
-
-
-c. Hartmann tegen het derde en vierde argument; „reine Anschauung” en
-de phychologie; Wundt’s „Form”.
-
-Kant’s 3de Ruimte-argument luidt (2de dr.): „Der Raum ist kein
-discursiver, oder, wie man sagt, allgemeiner Begriff von Verhältnissen
-der Dinge überhaupt, sondern eine reine Anschauung.”
-
-Niets wellicht heeft in de geschiedenis der wijsbegeerte meer
-misverstand gewekt dan de naam „reine Anschauung” door Kant aan ruimte
-en tijd gegeven. Vertaal dat toch eens in begrijpelike psychologiese
-termen, vraagt men dan ook onwillekeurig; wij weten wat gewaarwordingen
-zijn, wat voorstellingen, wat begrippen, maar wat is nu een „reine
-Anschauung”? Want „rein” betekent naar Kant’s eigen definitie: vrij van
-elk „empiries” element, i.c.: vrij van al „was zur Empfindung gehört”.
-Dus noch gewaarwording, noch begrip, maar voorstelling zonder
-gewaarwordingselement? Kant’s onderscheiding tussen „vorm” en „inhoud”
-van ons waarnemingsvermogen heb ik in hoofdstuk III uitvoerig
-toegelicht.—Kant ging uit van het ervaringsfeit, „dass das
-Mannichfaltige der Erscheinung in gewissen Verhältnissen geordnet,
-angeschauet wird” (2de druk: „in gewissen Verhältnissen geordnet werden
-kann”), nl. in ruimte en in tijd; zo pleegt ook de moderne psychologie,
-b.v. Wundt en de zijnen, te onderscheiden „Stoff” en „Form” der
-waarneming, nl. de gewaarwordingsinhoud (kleuren, geluiden enz.) en hun
-ruimtelik-tijdelike ordening.
-
-Nu is de „Form” voor Kant niet, als bij Wundt, deze ordening zelve,
-maar de subjectieve Bedingung der Möglichkeit dezer ordening; met
-Kant’s eigen woorden: „dasjenige...., welches macht, dass das
-Mannichfaltige der Erscheinung in gewissen Verhältnissen geordnet,
-angeschauet wird, nenne ich die Form der Erscheinung.”
-
-Deze „vorm”, die een bepaald soort ordening van gewaarwordingen mogelik
-maakt, kan niet zelf weer gewaarwording zijn: „Da das, worinnen sich
-die Empfindungen allein ordnen und in gewisse Form gestellt werden
-können, nicht selbst wiederum Empfindung sein kann, so ist uns zwar die
-Materie aller Erscheinung nur a posteriori gegeben, die Form derselben
-aber muss zu ihnen insgesammt im Gemüthe a priori bereit liegen, und
-dahero abgesondert von aller Empfindung können betrachtet werden.”—Wat
-de betekenis van dit a priori is, en hoe wij tot ’t bewustzijn van deze
-„vorm” komen, is boven uiteengezet.—Ieder zal nu inzien, dat deze
-„vorm” iets anders is dan ’n „begrip”: dat hij tot de „Sinnlichkeit”
-behoort, die ons „Anschauungen liefert”—niet tot het „verstand”,
-waaruit „Begriffe entspringen”. (44) Deze „vorm” niet te bezitten zou
-een gebrek zijn van het waarnemingsvermogen, van de zinnen, niet van
-het verstand (45), naar de scherpe onderscheiding tussen beide, reeds
-door Berkeley in overeenstemming met Kant—en in tegenstelling tot het
-intellectualisme van Leibniz en Hegel c.s. [135]—gemaakt: „To perceive
-is one thing, to judge is another” ... „Things are suggested and
-perceived by sense. We make judgements and inferences by the
-understanding.” [136]
-
-Voor deze „vorm” zelf, noch voor onze wetenschap daaromtrent, is dus
-een zuiver psychologiese term te vinden, omdat het een onbewuste
-functie of wettelikheid is van ons waarnemingsvermogen, die wel is waar
-uitsluitend zich doet gelden, in werking treedt („Statt findet”) „bij
-gelegenheid van” waarnemingen—maar toch geenszins door of uit deze
-ontstaat, in tegendeel, deze ordent, bepaalt, voor zover dit van het
-waarnemend subject afhangt, terwijl alle concrete bepaaldheden dezer
-ordening (dus wat Wundt de „Form” noemt)—afhangen van de op het subjekt
-inwerkende werkelikheid. [137]
-
-Nu heeft Kant deze functie, deze vorm, die dus niet „empirisch” maar
-„rein” is (en bovendien „transcendental” in de zin van: het empiriese
-subjectief bepalend), zelf ook „Anschauung” genoemd: „Diese reine Form
-der Sinnlichkeit wird auch selber reine Anschauung heissen.” Deze
-inderdaad wat willekeurige naamgeving heeft ontzaglik veel misverstand
-en verwarring gewekt [138] en is toch zo begrijpelik: Wij brengen ons
-deze „vorm” tot bewustzijn—door te abstraheren, een zinnelik voorwerp,
-een lichaam dus, in gedachten nemend, eerst van ’t geen hier enkel
-gedachte, begrip, verstandswerk is: substantie, kracht enz., dan van
-wat gewaarwordingsinhoud is: kleur, hardheid etc.—en zeg ik nu, dat
-deze laatste elementen uitmaken de waarnemings-inhoud, alias de
-„empirische Anschauung”, dan zal het overblijvende, de ruimtelikheid,
-behoren tot de waarnemings„vorm”: „reine Anschauung”.
-
-Ziedaar Kant’s gedachtengang, tans in z’n eigen woorden: „So, wenn ich
-von der Vorstellung eines Körpers das, was der Verstand davon denkt,
-als Substanz, Kraft, Theilbarkeit etc., imgleichen, was davon zur
-Empfindung gehört, als Undurchdringlichkeit, Härte, Farbe etc.
-absondere, so bleibt mir aus dieser empirischen Anschauung noch etwas
-übrig, nämlich Ausdehnung und Gestalt. Diese gehören zur reinen
-Anschauung, die a priori, auch ohne einen wirklichen Gegenstand der
-Sinne oder Empfindung als eine blosse Form der Sinnlichkeit im Gemüthe
-[= in de geest] Statt findet.”
-
-Dit is nu nog maar naamgeving; zakelik is het een vooruitlopen op ’t
-geen de Aesthetik zelf zal bewijzen, dat nl. werkelik de ruimte en de
-tijd niet tot de „materie” behoren—’t geen ruimte-empirisme zou
-impliceren en wat b.v. van Berkeley en Collier de mening was, en het
-nòg is van Mach c.s., die „Räume” evenals „Farben” en „Töne”
-Empfindungen noemen,—maar tot de „vorm”, een theorie, waardoor het
-feitelik, wetenschappelik ruimte- en tijd-apriorisme geïmpliceerd en
-geëxpliceerd (gegeven en verklaard) zou zijn.
-
-Van de Aesthetik is dan ook dit „Formalisme” („vorm”leer tegenover
-„Materialisme” als „inhouds”leer) de hoofdzaak, al brengt het tevens
-„Idealisme” mee, aangezien de „vorm”, in tegenstelling tot de „materie”
-(Cap. III § 2), uitsluitend subjectief bepaald is. We begrijpen
-nu—terloops—het misverstand van Wundt c.s., die de „vorm” tevens
-objectief bepaald willen hebben, tegenover Kant’s „extremen
-Subjectivismus”... dat komt doordat Wundt de ruimtelike (of tijdelike)
-ordening zelve „vorm” noemt, in plaats van datgene wat deze ordening
-subjectief mogelik maakt. Ruimte-realisten moeten dan ook in ’t geheel
-niet van „Anschauungsformen” spreken, aangezien zij die noch kennen,
-noch erkennen. Voor hun wordt niets dan een gedachteloos en
-onrechtmatig overgenomen woord, wat metterdaad heel een
-wereldbeschouwing insluit. (46)
-
-Kant drukt dus door die keuze van de naam „Anschauung” zo plasties
-mogelik uit, dat voor hem de ruimte behoort tot onze Sinnlichkeit, tot
-het waarnemings-, niet tot het denkvermogen. [139] Natuurlik is het
-nooit in Kant opgekomen, het begrip „ruimte” te loochenen, Kant die
-eerst geeft z’n „Erörterung dieses Begriffes”, dan z’n „Transcendentale
-Erörterung des Begriffs vom Raume”. Dit is toevoegsel van de 2de druk.
-Goed, maar in de 1ste gelijk in de 2de vinden we b.v. (pag. 104/5 K. d.
-r. V.):
-
-„Wir haben jetzt schon zweierlei Begriffe von ganz verschiedener Art,
-die doch darin mit einander übereinkommen, dass sie beiderseits völlig
-a priori sich auf Gegenstände beziehen, nämlich, die Begriffe des
-Raumes und der Zeit, als Formen der Sinnlichkeit, und die Kategorien,
-als Begriffe des Verstandes” ... „Wir haben oben die Begriffe des
-Raumes und der Zeit, vermittelst einer transcendentalen Deduction [t.
-D. betekent: rechtvaardiging van het gebruik a priori] zu ihren Quellen
-verfolgt”...
-
-Maar het begrip ruimte is iets anders dan de ruimte zelf, gelijk het
-begrip „paard” iets anders is dan een paard. [140] Volgens de
-empiristen nu is het begrip ruimte op dezelfde wijze ontstaan als b.v.
-het begrip paard, nl. door generalisering en abstrahering, een logiese,
-„discursieve” (= van ’t biezondere trapsgewijs voortschrijdend tot het
-algemenere) verwerking van het onmiddellik (intuïtief) gegeven
-biezondere. Dit biezondere verschaft ons dus eerst het algemenere.—Zo
-zouden ook de biezondere ruimten ons tot de algemene ruimte hebben
-gebracht.
-
-Dit nu is onmogelik, zegt Kant, om drie redenen (de 3de vormt het
-laatste ruimteargument):
-
-1º. de ruimte zelf is... iets biezonders, een singulare, in de taal der
-logica: heel de omvang van het begrip ruimte bestaat uit één
-exemplaar—ergo kan het geen „discursief” of „algemeen” begrip zijn, als
-paard, met zijn omvang van talloze exemplaren. Het biezondere,
-singulare nu, kan alléén onmiddellik, niet door afleiding, worden
-gekend, intuïtief dus of door „aanschouwing”. Alle zogenaamde
-biezondere „ruimten” zijn slechts delen van de éne ruimte. [141]
-
-2º. Deze delen zijn enkel denkbaar als delen, „Einschränkungen”, van de
-gehele ruimte zelf, deze laatste is het prius, is voorondersteld, in
-tegenstelling tot de exemplaren van ’n algemeen begrip als paard [142],
-die zelf ’t begrip eerst mogelik maken. [143]
-
-Daaruit volgt voor Kant weer, als bij de vorige argumenten, de
-aprioriese natuur van de ruimte, terwijl dan gewezen wordt op de
-evenzeer aanschouwelike als aprioriese, apodiktiese natuur van de
-meetkundige bewijsvoering. [144]
-
-3°. De ruimte wordt als een grootheid, zij ’t ook een oneindige
-grootheid, gedacht. Dat is alleen bij een Einzelding, een singulare,
-mogelik—niet bij een algemeen begrip, als „paard” (wel bij een bepaald
-paard), terwijl een algemeen begrip, iets wat aan voet en el en elk
-lengteding, elke grootheid, gemeen is, niet een biezonder soort
-grootheid (oneindig groot) kan zijn; een begrip kan wel aan een
-oneindig aantal te denken voorstellingen gemeen zijn: mens en de
-individuen in ’t oneindige, maar kan nooit een oneindig getal
-voorstellingen in zich bevatten, zo als alle delen der ruimte en alle
-ruimtedingen tegelijk zich in de ruimte bevinden. [145]
-
-Ziehier dus Kant’s bedoeling, wanneer hij de ruimte als „reine
-Anschauung” stelt tegenover een discursief begrip.
-
-Zien wij nu Hartmann’s begrip hieromtrent. Het is een summum! Hij
-begint met Kant’s tegenstelling Anschauung-Begriff voor „ganz verkehrt”
-te verklaren. „Die Anschauung im engeren Sinne ist nur ein Begriff von
-niedrigerer Abstractions-(und Combinations-)Stufe, der Bergriff
-[drukfout] ist nur eine Anschauung von höherer Abstractions-(und
-Combinations-)Stufe.” Deze definitie schenken we H. graag. Hij
-onderstreept dan: „es giebt für das Bewusstsein keine reinen, d.h.
-anschauungsfreien, Begriffe”—(dat klinkt als een echo van Kant’s eigen
-uitspraak: „Begriffe ohne Anschauung sind leer”!)—en of er nu al of
-niet een „reine Anschauung” „für das Bewusstsein zu gewinnen” zij,
-„immer wird sie durch den Abstractionsprocess ihrer Gewinnung zum
-discursiven oder allgemeinen Begriff gestempelt, ohne das dies ihrem
-Charakter als reine Anschauungsform den geringsten Eintrag thut.”
-
-Hartmann vindt het dus, waar Kant’s argument de „Identität” tussen
-algemeen begrip en „reine Anschauung” „zum Gegensatz verdreht”,
-„Komisch... welche Mühe sich Kant giebt, zu beweisen, dass derselbe
-Anschauung sei, als ob dadurch irgend etwas gegen seine begriffliche
-Natur und gegen sein Abstrahirtsein aus Erfahrungen bewiesen wäre.”
-
-Ik hoop dat nu de lezer het „komische” van Hartmann’s vermaak inziet.
-We hebben zowel die „abstractie uit ervaring” als het aanschouwen van
-het singulare nu duidelik genoeg verklaard.
-
-Het gaat nog „komischer” worden:
-
-„Der erste Satz, dass man nur einen einigen Raum vorstellen könne, ist
-richtig für den Standpunkt des transcendentalen Realismus, aber falsch
-für den Kantischen Standpunkt des transcendentalen Idealismus. Denn der
-transcendentale Realist bezieht seinen Vorstellungsraum auf ein
-transcendentes Correlat welches letztere schlechthin nur Eines, und
-zwar für alle Bewusstseine numerisch Identisches, also objectiv
-Einziges ist; der transcendentale Idealist hingegen läugnet ein solches
-numerisch identisches Correlat aller subjectiven Vorstellungsräume, für
-ihn hat der Raum keine höhere als subjective Realität, und da alle
-Subjecte gleiche Berechtigung haben, so haben auch alle subjectiven
-Vorstellungsräume gleiche Berechtigung; er ist also logisch gezwungen,
-so viel Räume vorzustellen, als er Subjecte vorstellt.”
-
-We zien dus—Kant’s transcendentaal idealisme kent, naar boven (Cap. V §
-1 p. 93 ss.) precies is uiteengezet, slechts één Ruimte, één Tijd, één
-Ervaring, één ruimtelik-tijdelike phaenomenale Wereld. Maar naar
-Hartmann’s opvatting van Kant’s „Standpunkt des transcendentalen
-Idealismus” zouden er volgens die leer slechts individuele „ruimten”,
-„tijden” enz. zijn. Ergo .... is „der Kantische Standpunkt des
-transcendentalen Idealismus” niet gesnapt door .... Kant! Aldus
-Hartmann. [146]—H. doet dan nog even een ontdekking, waarover hij zelf
-„höchlich erstaunt” is (waarover echter haar weerlegger, reeds voor 2
-eeuwen,... weer de goede Berkeley, höchst erstaunt zou zijn geweest),
-nl. dat zelfs t.a.v. een individu „die Behauptung der Singularität für
-den Standpunkt des transcendentalen Idealismus falsch” is. „Rein
-subjectiv betrachtet besitzen wir” namelik „zwei ganz getrennte
-Wahrnehmungsräume, den Gesichtsraum und den Tastraum”, maar we merken
-daar nooit wat van, omdat „der Instinct” .... beide „instinctiv
-[allicht] sofort und immer auf ihr transcendentes Correlat bezieht,
-welches der Verstand als Eines weiss”.—O kennisleer der instinctieve
-wetenschap van het transcendente!—Hartmann’s paganisme hier één met Dr.
-Kuyper’s instinctief materialisme van „momenten” en „relaties”.
-
-„Kant’s Prämisse von der Einzigkeit des Raumes ist also für seinen
-Standpunkt in jeder Hinsicht unhaltbar. Die Art der daraus gezogenen
-Schlüsse ist es nicht weniger.”
-
-Wiens Prämisse en wiens Schlüsse hier in jeder Beziehung unhaltbar
-zijn? Sapienti sat.—Alleen wil ik nog even aanstippen hoe Hartmann de
-heerlike gelegenheid tot misverstanden, die Kant’s „als unendliche
-Grösse gegeben vorgestellt” biedt, niet ongebruikt laat.—Ik zal daar
-niet verder op ingaan, alleen nog in ’t voorbijgaan opmerken, dat
-Hartmann zich genoodzaakt ziet, zijn „realen Raum”.... „begrifflich als
-jederzeit endlich zu supponiren, da er nicht weiter reicht als die
-materiellen Dinge an sich [!], deren Daseinsform [!] er ist”. [147]
-
-Opmerkelik dan: „Was die Behauptung der actuellen Endlichkeit des
-realen Raumes paradox erscheinen lässt, ist nur der Umstand dass der
-Gedanke stets zur Ueberschreitung einer eventuellen Grenze sich gereizt
-fühlt, und dabei vergisst, dass er, als bewusster Gedanke, auf den
-realen Raum gar nicht influirt. Dasselbe gilt von der subjectiv-idealen
-und der realen Zeit [dus ook deze eindig!], wo die Paradoxie des realen
-Zeitendes und Zeitanfanges übrigens leichter überwunden zu werden
-pflegt.” Hartmann geeft dan verder zijn eigen metaphysica van tijd en
-ruimte, waarin deze „nicht Subsistenz formen, sondern Existenz formen”
-worden, naar zijn onderscheiding van „Wesen” en „Dasein” enz., waarmee
-wij ons hier niet zullen ophouden.
-
-
-
-d. Külpe tegen het derde en vierde argument.
-
-We richten ons nu weer tot Külpe’s bedenkingen tegen het voorlaatste en
-laatste argument.
-
-Tegen het 3e de drie volgende:
-
-1°. „So richtig es ist, dass der allumfassende Raum sich zu den
-einzelnen Räumen nicht verhält, wie ein Begriff zu seinen Exemplaren
-oder ein Gattungsbegriff zu seinen Arten, so folgt daraus doch nur,
-dass dieser allumfassende Raum zur Wahrnehmung, genauer zur
-Gesichtswahrnehmung, als eine Bestimmtheit derselben gehört.” Deze
-opmerking, wil zij zin hebben, verwart ruimtelikheid en ruimte, en
-bedoelt dan dat de eerste tot de inhoud, materie, van het gegevene
-behoort,—een „spezifische Eigenschaft der Gesichtswahrnehmung oder
--vorstellung” is. Afgezien van de psychologiese onhoudbaarheid dezer
-ook door bij geopereerde blindgeborenen geconstateerde feiten weerlegde
-optiese ruimteleer [148], is ’t moeilik te vatten, hoe de ene
-alomvattende ruimte eigenschap van enige waarneming zou kunnen
-zijn.—Kant’s betoog van de zinnelikheid der als eenheid, intuïtief,
-gekende ruimte, in tegenstelling tot haar verstandelikheid, blijft hier
-ongerept. „Zugleich ist auch die hier bezeichnete Eigentümlichkeit der
-optischen Raumauffassung durchaus zu dem Gegebenen, Vorgefundenen zu
-rechnen, das eine ähnliche subjektiv-objektive Natur verrät, wie sie
-den Farben, den Tönen und anderen Bestandteilen unserer
-Sinneswahrnehmung allgemein zugestanden wird.” Hier spreekt weer
-dezelfde Wundtiaanse verhaspeling van de bepaalde ruimtelike ordening
-der dingen met de ruimte zelf, en dezelfde daaruit voortspruitende
-Kant-misduiding, als reeds vroeger is gesignaleerd en enige bladzijden
-verder zich aldus uit (p. 59): „Die transzendentale Aesthetik hat von
-Kants bedeutenden Nachfolgern nur Schopenhauer einfach angenommen. Zwar
-hat man auch nachher die Apriorität des Raumes und der Zeit im Sinne
-der Subjektivität vertreten. Aber [!] indem die Kenntnis bestimmter
-Lagen, Entfernungen und Grössen als eine empirisch erworbene galt, und
-indem den Richtungsunterschieden und Abständen, kurz der räumlichen und
-zeitlichen Ordnung eine objektive Gesetzmässigkeit gegenübergestellt
-wurde, ist der Kantische Standpunkt des Phänomenalismus tatsächlich
-aufgegeben worden.” Integendeel, daarbij zou men zuiver Kantiaan kunnen
-blijven, zolang men zich niet aan dogmatiese, transcendente tijd of
-ruimte zou bezondigen. Immers, ook voor Kant heeft elke bepaalde
-ruimtelikheid dezelfde „subjektiv-objektive” natuur als elke bepaalde
-kleur of toon. Alle drie zijn dus uitsluitend subjectief, maar in hun
-biezonderheid mede bepaald door van ons en onze waarneming onafhankelik
-bestaande oorzaken der aandoeningen, der wijzigingen van ons
-waarnemingsvermogen, die zelf als zodanig noch kleurig, noch klinkend,
-noch ruimtelik zijn. Maar de ene ruimte staat niet gelijk met kleur of
-klank, maar met het ene kleurenschema, de ene toonschaal, waarop elke
-mogelike kleur of klank even zo haar plaats aangewezen vindt als elk
-lichaam in de ruimte—gelijk boven uitvoerig is betoogd.
-
-2°. „Daneben darf man nicht übersehen, dass es sehr wohl auch einen
-Begriff vom Raume geben kann, der nicht auf Einschränkungen der
-Raumanschauung beruht.” Wat men niet mag over ’t hoofd zien—is 1°., dat
-Kant zelf wel enige notie van het begrip ruimte heeft verraden, 2°.,
-dat echter Kant nergens dit begrip laat berusten op „Einschränkungen
-der Raumanschauung”, een fundering, waarvan mij de zin zelfs ontgaat.
-[149] „Wird etwa der Raum als eine Mannigfaltigkeit von drei
-Dimensionen definiert, so ist damit ein Raumbegriff aufgestellt, der
-mit unserer Raumanschauung nicht identisch ist.” Indien hier met
-Dimension, naar ik wil aannemen, niets specifiek ruimteliks is bedoeld
-en dus niet een vicieuse cirkeldefinitie is gegeven (indien dus „von
-drei Dimensionen” wil zeggen: „drievoudig, i.e. door drie onafhankelik
-veranderliken bepaald”), dan zou naar deze definitie van Külpe b.v. het
-parallelogram, of het geluid (1: intensiteit, 2: toonhoogte, 3:
-klankkleur)... de ruimte zijn!
-
-De juiste definitie van de ruimte als „Grundbegriff der Geometrie” kan
-Külpe vinden in de „Gesetze und Elemente” van Heymans, de aanhanger en
-bevestiger van Kant’s Aesthetik, van zijn kritiese,
-formeel-aprioristiese oplossing van het probleem der synthetiese
-oordelen a priori ten aanzien van ruimte en tijd in meetkunde en
-wiskundige bewegingsleer.
-
-3°. „Dass endlich die geometrischen Sätze des Euklid nicht aus
-allgemeinen Begriffen, sondern aus der Anschauung abgeleitet werden,
-kann man zugeben ohne damit die Unmöglichkeit eines Raumbegriffes
-selbständiger, von dem anschaulichen Charakter des Raumes unabhängiger
-Art anerkennen zu müssen.” Deze „Unmöglichkeit eines Raumbegriffes
-selbständiger Art enz.” te erkennen, heeft Kant nimmer
-geboden.—„Seitdem eine Nicht-Euklidische Geometrie existiert, gibt es
-geometrische Sätze, die nicht aus unserer optischen Raumanschauung
-abgeleitet werden.” De niet-Euklidiese meetkunde is meermalen tegen
-Kant aangevoerd, maar in dit verband vermoedelik nooit.—Immers, voor de
-verdediging van „begrip” tegenover „aanschouwing” had Külpe eenvoudig
-naar de analytiese meetkunde kunnen verwijzen—die echter allicht niet
-onbekend is gebleven aan Kant.
-
-Tegen Kant’s slotargument (zie bl. 117) voert Külpe aan:
-
-1°. „Als eine unendliche gegebene Grösse kann der Raum nicht angeschaut
-werden. Jede Raumanschauung ist als solche begrenzt und somit endlich.”
-Dit is eenvoudig een woord-misvatting, gevolg van Kant’s
-taalslordigheid. Met „vorgestellt” bedoelt Kant hier niet „angeschaut”
-maar „gedacht”. Dat spreekt van zelf. Maar ten overvloede zegt Kant het
-enige regels verder zelf: „Gleichwol wird der Raum so gedacht”!—Külpe
-zegt dan nog van deze „oneindigheid”: „Es ist dadurch m.a.W. nur zum
-Ausdruck gebracht, dass wir uns jenseits aller einen bestimmten Raum
-begrenzenden Flächen immer wieder Räumliches vorstellen können [op deze
-grond mag alleen een Kantiaan, niet enig realist, naar Hartmann zelf
-volkomen juist heeft opgemerkt, de ruimte voor oneindig verklaren], und
-dass alle bisherigen Versuche, die Grössen und Entfernungen des
-Weltenraumes [!] abzumessen, kein definitives Ziel gefunden haben.” Dit
-is weer een van die wonderlike vergissingen, waarvan de Kantbestrijding
-het geheim bezit. Gesteld al—des neen—, dat men op enige astronomiese
-„meting” zou moeten of kunnen wachten om in of ook buiten de meetkunde
-de ruimte „definitief” voor oneindig te houden, zou Külpe zelf niet
-onmiddellik toegeven, dat wat „gemeten” wordt—slechts de ruimte wereld
-is, nimmer de wereldruimte? En gesteld eens, dat wèl een „definitives
-Ziel” bereikt, en de meting aller „Grössen und Entfernungen” van het
-ruimtelik heelal voltooid ware, zou dan iemand ter wereld ophouden, het
-Euklidies axioma der rechte lijn te aanvaarden of zich die nauwkeurig
-gemeten en begrensde wereldstelsels te denken anders dan in ... de
-oneindige ruimte?—„Die anschauliche Natur des Raumes kann daher gerade
-durch das Merkmal der Unendlichkeit nicht nachgewiesen werden.” Het
-begrip ruimte is toch niet bij geval oneindig?—En van een oneindig
-groot ding, het „onding” ruimte, wil en kan Külpe zelf niets
-weten,—zodat hem alleen het reeds weerlegd, zich zelf weerleggend
-„oneindig groot abstractum” rest, waarmee wij Külpe ... aan Kant mogen
-zetten.
-
-2°. „Dass aber der Raum eine unendliche Menge von Vorstellungen in sich
-enthält, hat mit seiner Unendlichkeit nichts zu tun. Denn jeder
-endliche Raumteil kann infolge seiner stetigen Erstreckung nach allen
-Richtungen ohne angebbare Grenze zerlegt und geteilt werden.”
-
-Deze waarheid heeft met Kant’s oneindigheid weer nichts zu tun. Want
-niet maar een oneindig aantal oneindig kleine delen, doch juist een
-oneindig aantal delen van eindige willekeurige grootte bevat
-merkwaardigerwijze de ruimte.
-
-
-
-e. Hartmann’s veelzijdigheid ter zake van Kant’s transcendentale
-Erörterung (meetkundefundering).
-
-Zowel Hartmann als Külpe richt zich ten slotte tegen Kant’s
-„Transcendentale Erörterung des Begriffes vom Raume”,—dus tegen zijn
-verklaring, fundering der meetkunde.—Immers, naar Kant zelf definieert,
-bedoelt hij met die „Transcendentale Erörterung”: „die Erklärung eines
-Begriffs als eines Princips, woraus die Möglichkeit anderer
-synthetischer Erkentnisse a priori eingesehen werden kann.” Ten deze
-geldt het „die apodiktische Gewissheit aller geometrischen Grundsätze
-und die Möglichkeit ihrer Constructionen a priori.”
-
-Over Kant’s verhouding tot de meetkunde heb ik boven gesproken. Hoe de
-door Kant’s genie ontdekte, nog tamelik „ledige” mogelikheid van een
-verklaring en logiese rechtvaardiging van de meetkunde als synthetiese
-en aprioriese wetenschap, tans tot vervulde werkelikheid is geworden,
-kan de belangstellende weder nalezen in Heymans’ „Gesetze und
-Elemente”, die Geometrie, speciaal § 51 en § 57. Daar zal hij tevens de
-afdoende weerlegging vinden van het meetkunde-empirisme (§§ 49 en 50),
-zodat het geheel overbodig werk zou zijn een Hartmann en Külpe nog eens
-expliciet te gaan bestrijden.
-
-Het enige nieuwe toch, wat Hartmann hier brengt, is de veelzijdigheid
-van zijn verwarring. Tweeërlei houding toch is tegenover Kant’s
-meetkunde-kritiek logies mogelik, tenzij men het
-syntheties-aprioristies karakter van de meetkunde erkent: men kan òf
-bestrijden, dat de meetkundige axioma’s synthetiese oordelen zijn, dus
-haar analyties karakter willen volhouden (dan blijft zij natuurlik in
-Kant’s zin „a priori”), òf hem de synthetiese natuur toegeven, maar de
-aprioristiese aard loochenen, dus trachten uit ervaring de axioma’s af
-te leiden.—Hartmann echter ziet kans, alle drie tegelijk te doen: haar
-zowel voor analyties als syntheties (47) te verklaren en dit laatste
-zowel a posteriori als a priori,—en nog bovendien haar, wat de
-„toepasselikheid” betreft, op ... „Dinge an sich”(!) te betrekken,
-waaromtrent de ervaring (!) ons bij inductie het Euklidies karakter zou
-hebben geleerd! Dit alléén zou voldoende zijn om H. voorgoed te doen
-schrappen van de lijst der kritiese denkers, indien niet zijn bedoeling
-tenminste nog een weinig onschuldiger ware dan zijn uiting, aangezien
-hij alleen maar, in z’n dogmatiese verblinding, constant, zo hier als
-elders, voor „Dinge an sich” houdt, wat enkel ... natuur-objecten zijn.
-Van dit alles slechts enkele staaltjes; wie er belang in stelt leze het
-geheel zelf even door, pp. 131–136.
-
-Hij begint met de opmerking à la Stuart Mill: „Es handelt sich hier um
-zwei völlig von einander zu trennende Probleme, nämlich um das, was die
-Geometrie für Figuren unserer Einbildungskraft, und um das, was sie für
-Figuren der Wahrnehmung ist.” In de eerstgenoemde kies ik de stof
-willekeurig, maar volg „meiner subjectiven Nothwendigkeit in der Form
-der Verknüpfung”, in laatstgenoemde is elke willekeur buitengesloten,
-„und es spielt dafür eine äussere oder transcendente Nothwendigkeit mit
-einer inneren oder subjectiven durcheinander. Denn wenn ich an das Ding
-an sich einer Tafel herantrete [48], und fühle mich von derselben so
-afficirt, dass ich auf meiner Wahrnehmung [!] der Tafel die Zeichnung
-eines Dreiecks vorfinde, so ist dabei keine Willkür meinerseits im
-Spiele; es hängt nicht von mir ab ob ich ein Dreieck oder ein Viereck
-wahrnehme, sondern von der durch den Zeichner vorher bedingten
-Beschaffenheit des Dinges an sich der Tafel [bedoeld is natuurlik
-eenvoudig het bord zelf]. Die geometrischen Gesetze meiner Wahrnehmung
-stimmen aber mit denen meiner Einbildungskraft völlig überein, obwohl
-die ersteren für mich a posteriori, die letzteren a priori bedingt
-sind. Man denke sich z.B. die Tafel verhüllt, so dass mir successive
-eine Ecke nach der anderen aufgedeckt wird, aber immer nur eine auf
-einmal. Obwohl ich hierbei niemals die Anschauung eines Dreiecks
-bekomme, ergiebt doch die successive empirische Messung der drei Winkel
-eine Summe von 180°.”
-
-Ik veroorloof mij over deze miraculeuse harmonia praestabilita, deze
-„auffallende Analogie” (p. 132), vier opmerkingen:
-
-1°. Noch gij, noch iemand anders heeft ooit die meting geprobeerd.
-
-2°. Meet honderd keer, mits met de nodige nauwkeurigheid, en dan
-garandeer ik u, dat ge niet één enkele maal precies 180° 0′ 0″ zult
-vinden.
-
-3°. Ge zult desniettemin met geen enkele nòg zo minimale afwijking van
-180° 0′ 0″ genoegen nemen, maar elk meer of minder aan
-onnauwkeurigheid, van uw instrumenten of uw meet-methode, toeschrijven.
-Er is dus geen sprake van, dat we hier zouden afwachten, wat ons de
-„ervaring”, de inductie leert.
-
-4°. Ge zult bij al uw meten uitsluitend met gewaarwordingen en met
-combinaties en vergelijking van gewaarwordingsinhouden te doen hebben,
-die u dus omtrent het transcendente hoegenaamd niets leren, ook al
-droomt ge nog voort in de naieve of dogmatiese waan, dat uw
-waarnemingen het An sich... reproduceren, of hoe dan ook weergeven.
-
-En nu weer Hartmann aan ’t woord: Na z’n meting, die hem precies 180°
-opleverde, profeteerde hij vóór de onthulling der figuur: de benen van
-die drie hoeken vormen een △! En zie: „Indem ich nun die Verhüllung von
-der Tafel ganz wegnehme und die Wahrnehmung des stückweise gemessenen
-Dreiecks als einheitliche Anschauung empfange, finde ich meinen
-Schluss, und damit die Voraussetzung, auf welche sich derselbe stützte
-[sc. volgens H.: als het „An sich” mij iets laat zien wat aan mijn
-meetkunde-wetten van een △ beantwoordt, dan moet ’t mij ook ’n hele △
-vertonen] empirisch bestätigt. Diese Uebereinstimmung ist aber nur dann
-möglich, wenn in dem Ding an sich der Zeichnung zwischen den realen
-Correlaten dessen, was in der Anschauung die Seiten und Winkel sind,
-analoge gesetzmässige Verhältnisse bestehen, wie zwischen den Seiten
-und Winkeln der Anschauung, wenn also, allgemein gesprochen, in den
-Dingen an sich Gesetze walten, welche eine auffallende Analogie mit den
-Gesetzen der subjectiven Geometrie haben, und nur insofern von dieser
-sich unterscheiden können, als eine anderweitige (nicht räumliche)
-Daseinsform des Dinges an sich eine Modification in ihnen bedingt.
-Falls hingegen die Räumlichkeit und Zeitlichkeit selbst Daseinsformen
-der Dinge an sich sind, so sind die mathematischen Gesetze für das
-Dasein der Dinge an sich und für das Denken identisch; dann gewinnt die
-Erklärung der fraglichen Uebereinstimmung die höchste Einfachheit. Dass
-eine solche Uebereinstimmung statt findet, wissen wir nur aus
-Erfahrung, und hat diese Annahme den höch[s]ten Grad von
-Wahrscheinlichkeit, den die Induction nur verleihen kann, da noch nie
-ein Fall constatirt ist, wo auf die Combination stückweiser
-Wahrnehmungen die Gesetze der subjectiven Mathematik nicht hätten
-passen wollen, wo also eine Incongruenz der formalen Daseinsgesetze und
-der formalen Denkgesetze entdeckt worden wäre.”
-
-Zoveel zinnen, zoveel fouten. Voor de éne werkelike meetkunde, die met
-denkwetten evenmin iets te maken heeft als met bestaanswetten van Dinge
-an sich, maar èn syntheties, dus niet denkwettelik maar aanschouwelik,
-is èn a priori geldt ten aanzien van mogelike (immanente) ruimtedingen,
-[150] treden bij Hartmann twee niet-bestaande „meetkundes”, twee
-ondingen in de plaats, de eerste een analytiese, immers uitvloeisel
-„unseres eigenen Denkvermogens”, ergo a priori geldig, en de tweede een
-synthetiese, a posteriori geldend t.a.v. het Transcendente..... en die
-beide zijn dan weer.... „identisch”!.... een identiteit, die dan gekend
-wordt.... bij ervaring, „ervaring” t.a.v. Dinge an sich!
-
-Maar met deze meetkunde-wijsheid is Hartmann’s maat nog niet
-volgemeten. Immers, nadat hij op pag. 134 en 135 nog heeft uitgeweid
-over „der subjectiven Denknothwendigkeit”.... „der logischen
-Unmöglichkeit anders zu denken” van de mathematischen Gesetze (een
-Denknothwendigkeit, die zowel door Kant als door de metageometrie
-weerlegd is) en Kant door de heer v. Kirchmann mores heeft laten leren:
-„Ausserdem aber gilt das empirische Urtheil nur für das singuläre
-Object, während das formal-logische mathematische Urtheil für eine
-ganze Gattung von Objecten gilt, eine Allgemeinheit, deren Grund Kant
-in keiner Weise geahnt hat [kostelik], den vielmehr v. Kirchmann in der
-Stetigkeit, der die möglichen zu einem Begriff gehörigen Figuren
-durchlaufenden Gedankenbewegung nachgewiesen hat, und vor ihm Beneke”
-en hij tot de slotsom kwam: „A priori ist also das mathematische
-Urtheil nicht wegen seiner doch nur sehr cum grano salis zu
-verstehenden apodictischen Gewissheit, sondern wegen seiner rein
-logischen Formalität.”, wordt op dezelfde pag. doodleuk toegegeven
-(blijkbaar weet H. niet wat hij zegt) het „feit”, dat „das
-mathematische Urtheil” (dus ook het rekenkundige!) syntheties a priori
-is! Maar men hore met welk aan eens Hartmann’s onbevangenheid
-voorbehouden... voorbehoud: (p. 135 s.) „Räume ich Kant nun auch willig
-die Thatsache ein, dass das mathematische Urtheil ein synthesisches
-[drukfout] Urtheil a priori ist, so kann ich doch nicht zugeben, dass
-diese Synthesen nicht auf allen Gebieten der Mathematik so sehr in ihre
-Elemente zerlegt werden könnten, dass man zuletzt alle mathematischen
-Synthesen aus Minimalschritten, wie z.B. wiederholten Anwendungen des
-Satzes vom Widerspruch, erbauen könnte.... Es liegt nur ein solches
-Bedürfniss für die ersten Anfänge der Mathematik nicht vor, weil dort
-das Material einfach [!] genug ist, um auch ungeübten Köpfen logische
-Synthesen von etwas grösserer Spurweite zumuthen zu können. Doch dies
-nur beiläufig.”
-
-Beiläufig bewijst hier Hartmann afdoende, dat hij van heel Kant’s boven
-toegelichte tegenstelling syntheties (= niet logies of analyties
-afleidbaar, d.w.z. niet uit wiederholten Anwendungen des Satzes vom
-Widerspruch) en analyties (= uitsluitend door die logiese deductie te
-verkrijgen), dus van de grondslag van heel Kant’s kritiek en heel de
-kenniskritiese wijsbegeerte, tittel noch jota begrepen heeft.
-
-„Wir sind mit unserer Kritik zu Ende”, zegt p. 136. „Von allen Gründen
-Kant’s hat auch nicht einer sich bewährt”. Zo is het—mits men voor Kant
-leze Hartmann.
-
-
-
-We hebben nu gezien, dat Hartmann behoort tot degenen, die wijzer doen,
-te zwijgen dan te spreken over Kant.—Kant’s kriticisme heeft hij op
-niet één enkel punt bereikt, allerminst in zijn waarnemingsleer, zijn
-„Aesthetik”. Hartmann en zijn stelsel vertegenwoordigen juist op de
-universeelste wijs het onbewuste dogma. Maar Hartmann verkeert nog
-bovendien in de goedige waan, dat hij, wijl eigenlik zelf tot Kant’s
-waarnemingsinzicht, Kant’s „waarheid” gekomen, zij het dan langs betere
-weg, „toegeeflik” kan zijn voor Kant’s goedbedoelde dolingen, voor de
-transcendentale Aesthetik!
-
-„Es wird daher Alles darauf ankommen, zu untersuchen ob die
-transcendentale Aesthetik der gewöhnlichen Behauptung der Kantianer
-gemäss einen grundlegenden Beweis für die Kant’schen Grundsätze zu
-liefern vermag.
-
-„Schopenhauer sagt über diesen Abschnitt der Kr. d. r. V.: ‚Die
-transcendentale Aesthetik ist ein so überaus verdienstvolles Werk, dass
-es allein hinreichen könnte, Kant’s Namen zu verewigen [Ik hoop, dat
-ook mijn lezers dit tans met S. eens zijn.]. Ihre Beweise haben so
-volle Ueberzeugungskraft, dass ich die Lehrsätze derselben den
-unumstösslichen Wahrheiten beizähle’.... Ich bin so ketzerisch, zu
-bemerken, dass ich bei wiederholtem Studium der transcendentalen
-Aesthetik in verschiedenen Perioden niemals das Geringste von der
-Ueberzeugungskraft dieser Beweise verspürt habe, dass ich vielmehr erst
-dann Nachsicht gegen diesen Theil der Kant-Schopenhauer’schen
-Philosophie üben lernte, als ich auf ganz andersartigem Wege zu jener
-Wahrheit gelangt war, welcher diese Beweise dienen sollen.”
-
-Het is jammer, maar Kant heeft de eer van deze Hartmann’s „Nachsicht”
-niet verdiend.... de infra-kritiese „waarheid”, door Hartmann bereikt,
-heeft niets gemeen met Kant’s waarheid, Kant’s verheven-geniale
-kritiek; toegeeflikheid op grond van eens-gezindheid blijft dus
-buitengesloten—van weerszijden!
-
-
-
-f. Bolland aan de hand van Hartmann.
-
-Zo is dus met Hartmann’s „realisme” en zijn kritiek op Kant’s
-„idealisme” voldoende afgerekend. En een Hartmann is waarlik nog het
-groene hout van het realisties verweer tegen Kant!—De massa, die tot
-Kant niet komt, pleegt in hem diens „weerlegger” te huldigen en na te
-praten. En ook daarom moest eens scherp met deze schijnkritiek
-afgerekend, omdat heel het realisties dogmatisme, dat onder het
-patronaat van Hegel en Hartmann hier te lande zoveel anti-realisties
-gerucht maakt, diezelfde fouten door z’n voormannen en nog zoveel erger
-dwaasheden door de dii minorum gentium laat rondbazuinen en aldus z’n
-best doet, het krities idealisme bij bezonnen maar oningewijde
-waarheidzoekers voorgoed te blameren. Vóór allen verdient hier Prof.
-Bolland te worden genoemd. Gelijk Hartmann vóór en beneden Berkeley,
-dus verre vóór en beneden Kant, is blijven staan, zo heeft Prof.
-Bolland het kennis-theoreties nimmer verder gebracht dan tot Hartmann,
-„den grootsten en veelzijdigsten wijsgeerigen denker onzer dagen”, den
-„Meester der huidige metaphysica”, van zijn „Het Wereldraadsel” af, aan
-welks inhoud hij zijn professoraat te danken had, tot zijn „Het Boek
-der Spreuken” toe, uit 1909, en wat hij sinds nog geschreven heeft,
-laatstelik b.v. „De Logica”, 1911.
-
-
- „Kein tolleres Versehen kann sein
- Gibst einem ein Fest und lädst ihn nicht ein.”
-
-
-Nog één „tolleres Versehen” kan er zijn: iemand (niet, gelijk in
-voorouderlike tijden, als schim, maar in levenden lijve) te doen
-aanzitten bij z’n eigen... begrafenismaal. Aldus geschiedt in Het
-Wereldraadsel met het dogmaties materie-realisme. Aan elke pagina merkt
-men het helaas, dat de heer Bolland „aan de hand van Ed. v. Hartmann
-zijne eerste schreden op het moerassig pad der wijsbegeerte gezet
-heeft”. En niet alleen zijn eerste!
-
-Deze zich noemende „Kriton” is zelf, jammer genoeg, een.... „Hylas”
-gebleven.
-
-Reeds in „Natuurwetenschap en Wijsbegeerte” pp. 33–82 vinden wij de
-„alzijdige en beginselvaste diepzinnigheid van eenen Eduard von
-Hartmann” (p. 80) in het op p. 39 (gelijk op p. 213) tot Kant gericht
-verwijt van „negatief dogmatisme” en waar de heer B. zich „met E. v.
-Hartmann lijnrecht tegenover Kant” wil stellen door.... „het menschelijk
-weten eene meer dan illusorische beteekenis” te geven. Dit is het
-zuiver dogmaties begrip van „weten” en „kennen” (cf. p. 269 o. c.), dat
-Kant’s leer als een soort „agnosticisme” opvat (zie p. 213 en „Zuivere
-Rede” p. 29/30, beneden behandeld), wijl het, niet de onmogelikheid van
-het kennen, integendeel, maar de onmogelikheid van een dogmaties,
-reproductief kennen, bewijst en verklaart.—Juist omdat door heel dit
-anti-realisme (men hore de titels der artikelen: „Het objectivisme en
-zijne eenzijdigheid”.... „De lichamelijke verschijnselen en hunne gewaande
-zelfstandigheid”!) het grote allesbeheersende verschilpunt tussen
-realisties dogmatisme en kriticisme niet genoemd noch gekend wordt: de
-reproductieve, reflectieve, in pl. v. de productieve kennisopvatting
-(gelijk ik dat boven in den brede behandeld heb), omdat het zelf geheel
-in deze reflectieleer verstrikt is gebleven, daarom leeft het zelf uit
-en in de fout waartegen het zich wil keren, spottet seiner selbst und
-weiss nicht wie.
-
-„In onze geestelijke gewaarwordingen reflecteeren [!] wij de
-bewegingsverschijnselen der zicht- en tastbare voorwerpen” (p. 83)....
-één zo’n zinnetje is afdoende. Men leze heel dat artikel „De
-lichamelijke verschijnselen enz.” pp. 126–177, men vindt er al die
-realistiese fouten bijéén:
-
-„Gevolgelijk bepalen zich alle gegevens, waardoor ik tot kennis der
-buitenwereld geraak, tot de gewaarwordingen mijner zenuwen”! ’t Zij
-„mijner zenuwen” hier genitiv. obj. of genit. subj. is, de dwaasheid
-wordt er nauweliks groter of kleiner door. Nog op dezelfde pagina (137)
-heten die gegevens:... „die poovere zenuwprikkelingen”! [151]
-
-Op pag. 149, over het kijken door een gaatje in een schijf: „Maar het
-feitelijk beeld, dat ons dit reusachtig vergezicht verschaft, kan toch
-niet grooter zijn dan het schijfjen, waardoor wij dat alles
-aanschouwen, en de grootere afmetingen der perspectivisch voorhandene
-buitenwereld moet dus eene projectie onzer verbeelding zijn.” Een
-gegeven ruimtelik iets, van bepaalde grootte,... dat wij slechts
-vergroten! Ook hier, als bij die zenuwprikkelingen, maakt onze geest
-van kleine ruimte grote ruimte, dus bij wijze van wat de psychologie
-„illusie” noemt (in tegenstelling tot de „hallucinatie”). [152] „Alle
-gezichtswaarneming is bijgevolg eene soort van phantasie of fata
-morgana, een imaginair voortbrengsel van onzen geest”... (p. 149), nog
-één stap verder en we bereiken het heerlik machtwoord van een dier
-hegelianiserende dii minores (Dr. J. D. Bierens de Haan): „Zien is een
-gezichtsbedrog.” (p. 128 „De Weg tot het Inzicht”), de ruimtelikheid is
-„eene inbeelding” (p. 202), de „ruimtevoorstelling” een... „algemeen
-noodzakelijke illusie onzes bewustzijns”! (p. 207).—Mij lijkt niet ons
-goede zien, maar wel het inzicht des Heren Dr. J. D. B. d. H...
-gezichtsbedrog. Hij had het altans moeilik tegelijkertijd dogmatieser
-[153] en verkeerder kunnen zeggen dan hij deed. [154]
-
-Doch tot de Heer Bolland zelf terugkerend, signaleren wij in hetzelfde
-art. de bovenweerlegde individueel-subjectieve misvatting van het
-„phaenomenon”: p. 132, „het inzicht... dat de lichamelijke wereld
-slechts eene soort van inbeelding [!] is”.... „en de geheele door ons
-aanschouwde buitenwereld slechts een onwezenlijk [!] en individueel [!]
-phainomenon mag heten”... Geen wonder dat aldus volgens de wijsgeer „de
-lichamelijkheid der Natuur [?] zich voor het geoefend denken
-vervluchtigt” (!) en dat we na des Heren Deussen’s overgenomen
-diepzinnigheid, als zoude de wereld in tijd en ruimte „mij als zoodanig
-alleen door mijn verstand bekend” en „met haar zelfs mijn eigen
-lichaam... verder niets dan mijne [!] voorstelling” zijn, ook weder aan
-Kant toegeschreven zien „het inzicht in de zuivere immanentie onzer
-waarnemingen en gedachten”, welk „inzicht” (!) door Kant tot die, door
-Hartmann uitgevonden, „negatieve dogmatiek” zou zijn misbruikt. De
-lezer weet nu dat Kant’s inzicht enkel geldt de zuivere immanentie...
-der objecten, der éne objectieve, van elk individu onafhankelike,
-natuur, welk inzicht door Hartmann noch Bolland ooit is bereikt.—Zo
-lezen wij op p. 155: „Een en dezelfde galvanische stroom wordt door de
-tong waargenomen als zure smaak, door het oog als blauwe lichtstreep,
-door de huidzenuw als kitteling en door het gehoor als geluid.”! (49)
-Men ziet, het zuiver Lockiaans, naief-realisties aperçu: een beweging
-wordt „waargenomen als” licht of geluid enz. Pag. 156 maakt het nòg
-erger, daar komt zowaar de materialistiese „introjectie”: „de
-tonen,—hier de in hare hoedanigheid onderscheidene
-gewaarwordingen,—ontstaan dan in ons eigen zenuwstelsel”! er is een
-„gewaarwordingsvermogen der getroffene zintuigen”... „het kleurig vlak”
-dat „het oog zelf ons feitelijk mededeelt” „ligt binnen, niet buiten
-ons” ... (de zelfweerlegging vindt men op p. 158) en zo vraagt p. 163:
-„waar wordt men de stereometrische tastbaarheid gewaar: binnen zijne
-huid of er buiten!” (50) Aangezien we hier toch eenmaal de
-„introjectie” hadden, krijgen we nu ook billikerwijs, om de dingen weer
-op hun plaats te brengen, een ejectie, genaamd „projectie”:
-
-„Men bedenke... dat het dus physiologisch vast staat dat alle
-tastbaarheid ons slechts bewust kan worden in eene intuïtieve projectie
-van het middelpunt der gevoelszenuwen [155] naar den buitenkant des
-lichaams”! Geniale intuïtie inderdaad!—Bolland bereikt op deze wijze,
-pag. 166/7, slechts een Leibniz-Hartmanniaans, maar ante- en
-anti-Kantiaans realisties dynamisme: „Alle werkelijkheid als zoodanig is
-kracht.” [156] Dit is, wijl dogmaties-realisties, ook goed
-Spenceriaans. Zo wordt (p. 168/9) „afstooting en aantrekking in
-natuurkundigen zin”, de objectieve opvatting van hetzelfde reële
-„Streefvermogen”, dat subjectief als „haat en liefde” wordt opgevat...
-Op p. 170 drukt de Heer B. „Met eene bewuste en dus geestelijke kracht
-of inspanning” (zelfs deze dualistiese zonde tegen de physica!) tegen
-de werkelikheid, die hij als tafel ziet, en dit reale van het
-phaenomeen tafel... drukt tegen hem terug met evenredige sterkte! Heel
-de phaenomenaliteit van dit ruimtelike drukken zelf wordt... over ’t
-hoofd gezien, en dus ook de kleinigheid, dat hier reële ruimte
-voorondersteld wordt!—Wij staan hier eenvoudig voor de hollandse
-vertaling van gindse Hartmann, die „an das Ding an sich einer Tafel
-herantritt” om Kant’s meetkundeleer te weerleggen!—
-
-Hoe weinig Bolland’s wild „idealisme” met Kant’s voorzichtige kritiek
-te maken heeft, blijkt even duidelik uit het volgend artikel, „De
-ruimtevoorstellingen” (pp. 177–228). Op p. 193 lezen we van „de ons
-eigene voorstellingsvormen [!] van ruimte, tijd, beweging [!], getal en
-oorzaak!” Étonnés de se trouver ensemble!
-
-Vergelijk daarmee een Kant: „Dass schliesslich die transcendentale
-Aesthetik nicht mehr, als diese zwei Elemente, nämlich Raum und Zeit
-enthalten könne, ist daraus klar, weil alle anderen zur Sinnlichkeit
-gehörigen Begriffe, selbst der der Bewegung, welcher beide Stücke
-vereinigt, etwas Empirisches voraussetzen. Denn diese setzt die
-Wahrnehmung von etwas Beweglichem voraus. Im Raum, an sich selbst
-betrachtet, ist aber nichts Bewegliches: daher das Bewegliche etwas
-sein muss, was im Raume nur durch Erfahrung gefunden wird, mithin ein
-empirisches Datum.” (K. d. r. V. p. 65/6). (51)
-
-In dezelfde onbehouwen geest p. 225: „In alle denkfunctiën en te allen
-tijde is tweemaal twee vier; eene dergelijke ubiquiteit [!] en
-tijdeloosheid van logische waarheden, wijst op de ruimteloosheid en
-eeuwigheid van het logisch-dynamische [door Hartmann bedachte] Wezen,
-dat in zijne functiën slechts tot eene intuïtie geraakt van eene in
-tijd en ruimte geordende toestandenreeks.”
-
-Hoeveel sneller bereikt zulk een geniale greep de idealiteit van tijd
-en ruimte, dan moeizame Kantiaanse transcendentale kritiek! Jammer, dat
-slechts hyper-dogmatiese geesten er genoegen mee nemen.—Op p. 226
-worden dan zelfs de vragen: relatief of absoluut en ideëel of reëel
-t.a.v. beweging... eenvoudig verhaspeld [157]; beweging zou niet reëel,
-geen „wezenlijke verplaatsing” kunnen zijn, „wijl zij een systeem van
-vaste wereldassen insluit en deze laatste niet te fixeeren zijn.”
-Waartoe dus nog heel Kant’s kritiek en heel het onderzoek van
-immaterialisten als Heymans over het begrip „absolute beweging”?!
-
-Duideliker nog blijkt de algehele misvatting der kritiek in zake de
-tijd, behandeld in de intreerede, bij de aanvaarding van het
-hoogleraarsambt, „Verandering en Tijd”, pp. 228–277. Hier volsta daarvan
-een enkel staaltje (vgk. boven bl. 21 noot 1):
-
-Volgens Kant is het An-sich niet-tijdelik, is de tijd slechts „vorm”
-van de innere Sinn. Aldus nu daaromtrent B. p. 254/5: „Men bedenke wat
-dit zeggen wil. Ontdaan van alle nevelen eener schoolsche taal, wordt
-hiermede bedoeld, dat er geen verleden is of toekomst dan in zooverre
-wij ons dat inbeelden [!], dat er in geenen zin te gelooven valt aan
-eene werkelijkheid buiten het bewuste denken [n.b.!]. Geen kosmische
-perioden hebben voor en afgescheiden van mijn [!] bewustzijn hun
-verloop gehad; voorouders, die ik [onderstreping van Prof. B.] mij
-nooit heb voorgesteld, hebben in geenen zin ook ooit bestaan. Ons
-denken [!] van volgorde heeft geene vertegenwoordigende waarde ten
-aanzien van een veranderingsverloop dat ons ook in bewusteloozen staat
-omsloten houdt, wij worden en vergaan niet in den Tijd, maar hebben
-dien slechts in onszelven, en reeds onze overgrootouders zijn niet dan
-onze eigene denkbaarheden [!], in dezer voege, dat zoo wij de rij van
-voor ons staande zielebeelden aan den leiddraad van het wortelbegrip
-der veroorzaking achterwaarts doorloopen, wij tot het bedenken [!] van
-zulke bestaansoorzaken geraken in onze bewuste verbeelding [!]. De zin
-der Kantische tijdshypothese is dat er eigenlijk niets gebeurt.”
-
-En Prof. Bolland ontzegt ons het recht, „om de onredelijkheid, dat er
-iets gebeurt, onszelven in ons eigen streven, voelen en denken te
-verloochenen” (p. 263), immers, daardoor „cijferen [wij] al het
-gegevene zelf weg, eene machtelooze machtspreuk” enz.....(52). Wanneer
-dan nog op p. 427 wordt gewaagd van „den denkvorm [!] ‚tijd’, dat
-lastigste aller metaphysische problemen”—en in één adem van „de
-tijdsintuïtie in hypostatischen, dat is transegoïstischen [!] en
-universeelen, zin” of te wel „eene absolute [!] of ons ik [!]
-overschrijdende beteekenis van den tijd” ... dan moeten we het de Heer
-Bolland nazeggen: „de verwarring is verbijsterend, maar exemplair”.
-
-Immers: ook voor Kant’s tijdidealisme is de éne objectieve universele
-„interindividueele en kosmische” tijd onafhankelik van wat de heer
-Bolland of enig ander „ik” denkt of droomt of zich inbeeldt omtrent de
-tijd, heeft heel het wereldgebeuren met verleden en toekomst zijn
-bepaaldheid en werkelikheid onafhankelik van wat de heer Bolland of
-enig ander „ik” denkt of droomt of zich inbeeldt omtrent het
-wereldgebeuren; zijn de individuele tijds voorstellingen even
-„repraesentatief” ten aanzien van de eigen tijdservaringen en van de
-éne werkelike tijdelikheid, als de ruimtevoorstellingen ten aanzien der
-eigen ruimtelike gewaarwordingen en der éne werkelike ruimtelikheid,
-als de kleurvoorstellingen ten aanzien der eigen kleurgewaarwordingen
-en der objectieve kleuren. Maar evenals de éne oneindige ruimte, waarin
-zich heel de „natuur” bevindt, niet is de concrete onafhankelik
-bestaande oorzaak van reproducerend ruimtebewustzijn (gelijk het
-dogmaties realisme gelooft), maar integendeel abstract product uit
-ruimtestellende bewustzijnsfactoren, zo is de éne oneindige tijd waarin
-àlles geschiedt, niet de concrete, onafhankelik bestaande oorzaak van
-reproducerend tijdbewustzijn (gelijk het dogmaties, met onbewuste
-intuïtie toverend realisme van Hartmann en Bolland gelooft), maar
-integendeel abstract product uit tijdstellende subjectiviteit. En zomin
-als het subject der ruimte een concreet individu is, mens of godheid,
-evenmin is het subject van de tijd de Heer Bolland of welk nog zo
-„absoluut” ontologies Wezen, maar integendeel weder die slechts door
-foutieve „Subreption” „gehypostaseerde” (53), dus niet metaphysiese,
-maar zuiver kennistheoretiese, dus in concreto niet bestaande „Formale
-Einheit des transcendentalen Bewusstseins”. (54)
-
-
-
-
-3. DOGMATIESE KANTVERHEGELING.
-
-Was „Het Wereldraadsel” van de Hartmanniaan Bolland in begrijpen en
-bezonnenheid verre vóór Kant’s kritiek blijven staan—ook de „Zuivere
-Rede” van de Hegeliaanse Prof. Bolland heeft het eo ipso slechts tot
-zuiver misverstand van Kant gebracht: We krijgen tans Hartmann’s voor
-een deel reeds aan Hegel ontleende fouten opgedist in het methodies
-dialekt van Hegel’s „dialektiese methode”. Ook hier dus die
-tegenstelling van het „ding voor mij” en het „ding op zichzelf”, dat
-als... voorwerp in de ruimte wordt gedacht, terwijl het ene tot het
-andere („van zichzelf”) staat als... uitwerksel tot oorzaak, als
-„uiting” tot... „kracht”, als „verschijnsel van het voorwerp” tot „het
-wezen van het zakelijke”:
-
-„In zooverre nu echter bij vooronderstelling van bestaanbare
-zakelijkheid en zakelijke bestaanbaarheid zonder tegenstrijdigheid
-veeleenige waarneembaarheid als een zich weersprekend ding voor mij
-slechts een schijn voor mij zal heeten, zonder dat toch de
-waarneembaarheid gedacht worde buiten betrekking tot de werkelijkheid
-van een ding [B. bedoelt: zonder Hartmann’s Traum-illusionismus!] tot
-een ding in de werkelijkheid, is het ding voor mij het van het ding op
-zichzelf [!] verschillende voorwerp; als schijn van het voorwerp, dat
-geacht wordt aan het ding op zichzelf zijne waarheid te hebben, heet de
-schijn [bij Bolland’s misverstand] ook weer geen (wezenlooze) schijn,
-maar (wezenlijk) verschijnsel, het verschijnsel van het voorwerp [een
-„verschijnsel van het voorwerp” in pl. v. het voorwerp zelf
-„verschijnsel”!], dat zich verhoudt [=?] tot het ding op zichzelf als
-tot zijn eigenlijk [!] wezen. Zoo bestaat het ding op zichzelf
-eigenlijk [sc. voor B.’s misvatting] ook weer niet op zichzelf;
-weloverwogen is het dan ook niets anders dan het onondervondene en
-algemeene wezen van het zakelijke gegeven, de ononderscheidenheid van
-het zijn des veeleenigen dings” en wat dies meer zij....
-
-... „Het wezen van het voorwerpelijke zijn, dat als onbekend gesteld
-wordt, is uiteraard alleronzakelijkst.—Doch onbekend is het eigenlijk
-niet. Want het voorwerpelijke zijn zonder meer is als zoodanig of in
-zijn wezen een zijn in de ruimte”... (p. 23 ss.).
-
-Ziedaar dan uw „wezenlijke” bedoeling, uw Hartmanniaans
-materie-realisme, uitgewerkt op p. 27:
-
-„En gaat het ding in het verstand uiteen tot een ding voor mij en een
-ding op zichzelf, die zich als uitwerksel en oorzaak verhouden [n.b.],
-dan verhoudt het zich tot het andere van zichzelf meteen als de uiting
-tot de kracht. Want ‚kracht’ is de naam voor de oorzaak van het als
-uiting (of veruitwendiging) aangemerkte verschijnsel, voor de
-werkelijkheid, die achter het verschijnsel onwaarneembaar werkzaam
-wordt geacht.”
-
-Van de phaenomenale zin dier „krachten”, in tegenstelling tot Kant’s
-„op zichzelf” mist Prof. Bolland dus elk begrip. En aan zijn
-Hartmanniaanse, dogmatiese tegenstelling tussen het „ding voor mij”,
-alias de individuele gewaarwordings- of voorstellings-inhoud van wat
-Bolland noemt het „empirisme”, en het ding op zichzelf, alias het
-natuurobject, als voorwerp van zgn. „metaphysica” (een waarlik even
-Hegeliaanse als materialistiese eenheid van metaphysica en ...
-physica!)... wordt nu door Bolland’s kritiekloosheid zijn (?)
-„geestelijke vader” Kant opgehangen!
-
-Men hore:
-
-„het [sc. wetenschappelijke verklaren willen] zegt zich niet, dat het
-wezen van het verschijnsel het verschijnsel zelf is, in eigene
-idealiteit, maar stelt op half doordachte wijze een dubbel (of
-ondervonden en onondervonden) bestaan van het ding, dat eigenlijk een
-dubbelzien van het uiteendenkend bewustzijn zelf zoude kunnen heeten.
-
-„Als standpunt van wijsbegeerte ligt zulk [!] eene voorloopige en half
-doordachte vereeniging van empirisme [!] en metaphysica in de
-geschiedenis voor ons als het onmiddellijk en voorshands
-subjectivistische kriticisme van Kant.”!
-
-Men begrijpt, hoe krities nu dit „kriticisme” behandeld wordt [158]:
-
-„Kantische grondstelling is de opmerking, dat er onderscheid is in het
-wezen tusschen het ding voor mij en het ding op zichzelf...” [159]
-louter wanbegrip; over „wezen” spreekt Kant niet; en zijn tegenstelling
-is: ding voor (i.e. afhankelik van, in verhouding tot) algemeen
-denkbeeldig waarnemingsvermogen a.z. of zelfs Bewusstsein überhaupt, en
-ding, onafhankelik van elk waarnemingsvermogen of zelfs elk bewustzijn;
-„en het ware is zoo voor hem eigenlijk de ononderscheidene duisternis,
-die door een valsch licht van subjectief gekleurde of onware kennis
-beschenen, doch nooit doorschenen wordt”... dat valse licht werpt gij
-op Kant; [160] dit „valse” „onware” van onze „kennis” is zuiver
-dogmaties (reproductief) gedacht, voor Kant is onze kennis juist zuiver
-en waar en objectief (i.e. voor elk subject noodwendig geldig), omdat
-en zover ze alleen een betrekking, alleen phaenomena mitsgaders hun
-„wezen” geldt; en ten aanzien van het An sich als zodanig is er geen
-„valse”, maar in ’t geheel geen „kennis” zelfs denkbaar. Nu krijgen we
-dus bij Bolland het echte vulgaire misverstand: phaenomeen = schijn =
-onwaarheid: „de kennis der Kantische stelling heet niet zelve weder
-kennis van een slechts [!] subjectief bepaald verschijnsel, maar
-algemeen geldige kennis van het noodzakelijk wezen aller menschelijke
-kennis op en voor zich zelve. Terwijl Kant de kenbaarheid eener boven
-subjectiviteit [!] uitgaande waarheid loochent [een onwaarheid: over de
-kenbaarheid van waarheden heeft Kant het absoluut niet, als hij van
-„Erkenntniss” spreekt, en altans loochent hij die niet, maar verklaart
-en grondvest haar juist, sc. de redelike mogelikheid van
-algemeen-geldige, noodwendige en toch niet-analytiese waarheden] wil
-hij de bekendheid met zulk eene waarheid aan hare loochening verwekken
-[161] [Kant verbollandst tot een goochelaar met „eenheid van
-tegendeelen”!]; terwijl hij het weten tot iets onwezenlijks maakt [hij!
-die het weten tot rede, de rede tot weten heeft gebracht!] moet het
-weten, waarin de kenbaarheid van onwaarheden en de onwaarheid van
-onkenbaarheden beseft wordt....” enz. enz. „Zoo geraakt de Kantisch
-kritische rede met zichzelve in eenen strijd waardoor zij boven haar
-subjectief [!] idealisme wordt uitgedreven tot het ‚absoluut
-idealistische’ besef, dat het tot zichzelf komende ware uit zichzelf
-idee, dat het op zichzelf en voor zichzelf sub- en objectief, objectief
-en subjectief in eenen... is.” enz. enz. Zo gaat het naar „de, door het
-Kantische kriticisme henen tot ‚absoluut idealisme’ verhelderde
-zienswijze van Hegel.” (Z. R. p. 167, 2e dr. p. 207 [162]).
-
-Deze fundamentele misvatting van heel Kant’s kennisleer, die waan, dat
-voor het „denken”, voor „waarheden” zou gelden, wat alleen—en in heel
-andere zin [163]—op het „kennen”, op „werkelikheid” betrekking heeft,
-is echt Hegeliaans. Wat Prof. Bolland ons hier voorzet is slechts de
-hollandse, verdunde oplossing van Hegel’s geconcentreerde
-Kantmisduiding: „Nach Kant ist dagegen dasjenige, was wir denken,
-falsch, darum weil wir es denken.” (Hegel, Kl. Logik, § 60 Zus.) [164].
-
-Laat ons hierop zeggen: „Eere, wien eere toekomt. Groot is de geest van
-Hegel, maar in 1900–1910 spreekt zuivere rede Hollandsch en
-Bollandsch.” [165]. Zeker is, dat Prof. Bolland een groot
-kennistheoreticus zoude zijn, indien denken (te zijn) en zijn één
-waren. „Hegel en zijn volgelingen daarentegen” (tegenover „den
-philosophie-professor onzer dagen”), zegt Prof. Bolland, „hebben, om te
-beginnen, de theorie der kennis van Kant’s Redecritiek altoos
-behoorlijk in aanmerking genomen, en zij hebben geweten wat zij er aan
-hadden ook”... (Z. R. p. 209, 2e dr. p. 244). Behoorlik? misschien in
-zoverre zij gedaan hebben wat ze konden;—en te goeder trouw zullen zij
-verklaren, er nooit veel aan te hebben gehad, want men heeft nu eenmaal
-niet veel aan wat men niet vat. „Is eene theorie der kennis denkleer of
-zijnsleer?” vraagt p. 210. Geen van beide—immers kennisleer, die noch
-met de denkleer („logica”) noch met de zijnsleer („ontologie”) te
-vereenzelvigen valt, maar beide vooronderstelt, zo ver zij beide tot
-voorwerp van onderzoek en kritiek neemt. En in elk geval is het de
-theorie, die haar adepten eens en voor al afleert, te verkondigen „eene
-zich subjectiveerende voorwerpelijkheid” (p. 204, 2e dr. p. 239) of de
-leer „van het geest worden, van de zelfvergeestelijking, der natuur”,
-van „natuurlijkheid, die zich vergeestelijkt” (p. 216, 2e dr. p. 250),
-aangezien de „voorwerpelijkheid” uiteraard geen „zich” heeft, dat
-subjectiveren kan, en er, hadde het een zich, niets meer te
-subjectiveren zou zijn; aangezien de natuur, gedacht als iets anders
-dan (dialecties: „het andere van”) de geest, geen „zelf” ter
-„vergeestelijking” heeft, en een „zelf” ... reeds niets meer te
-„vergeestelijken” vindt. Het is de theorie, die uiteenzet, dat en
-waarom de Natuur een abstractum is, dat, zelf van geest afhankelik,
-nooit een concretum, dus nooit enig subject, onafhankelik bovendien van
-alle ruimtelikheid, kan voortbrengen. Het is de theorie, die dus eens
-en voor al weerlegt het natuurrealisme, dat bij Hegel en Prof. Bolland
-gelooft aan „de in de natuur slapende en in aanleg aanwezige geest”,
-meent dat „het leven des geestes” zich „in en uit de natuur
-ontwikkelen” zoude, dat de geest „de natuur tot vooronderstelling” zou
-hebben. (55) Het is de theorie, die doet begrijpen, dat en waarom beide
-delen fout zijn van de uitspraak: „en het is natuur, die aanschouwt,
-zoowel als natuur aanschouwd wordt” (Z. R. p. 247, 2e dr. 277), het
-eerste, wijl de natuur nu eenmaal geen subject is noch worden kan, het
-tweede, wijl dit sensualisme voorbijziet, dat de aanschouwing, als
-verrichting der zinnen, niet reikt tot het gebied van het abstraherend
-verstand, als hoedanig de natuur in waarheid heeft te gelden. [166] Het
-is de theorie, die ons haarzelve doet missen in heel het dogmatisme
-[167] van „Zuivere Rede” gelijk zij het ons leert begrijpen uit de
-naief-realistiese sprong van beweging en leven in ziel en geest op p.
-280 (2e dr. 391) s., waar men ruimtelik leven, immers leven als
-stofwisseling en vormbestendiging, wil verkeren in.... bezieldheid: „de
-door zichzelve teweeggebrachte uitkomst, het eene, dat zich in het
-andere verkeert, om er zich in te vooronderstellen en te herstellen. En
-in die zelfverkeering van het leven, in dat leven der zelfverkeering is
-het, dat de natuurlijke werkelijkheid de werkelijkheid is der
-bezieldheid.” [168] Het is de theorie wier materie-kritiek de beide
-tegengestelde realistiese fouten aangaande de verhouding van lichaam en
-geest leert begrijpen en vermijden, samengevoegd in één Erdmanniaanse
-zin van Z. R. op p. 286 (2e dr. 396), waar het levende lichaam „het
-orgaan der ziel” wordt genoemd (in dualisme) „evenals de ziel van het
-levende lichaam de functie” (in materialisme).
-
-Het is ten slotte de theorie, die met haar kriticistiese
-antinomieën-oplossing voor Hegeliaanse „Zuivere Rede” geen treffender
-oordeel zou kunnen vinden, dan er ligt in deze paar woorden van p. 498
-(2e dr. 561): „eene als zoodanig onnadenkende eenheid van tegendeelen”.
-„Eene als zoodanig onnadenkende eenheid van tegendeelen”!.... zijn ooit
-wijzer, verstandiger woorden aan de Meester dezer onnadenkendheid
-ontglipt? [169] Horen wij hier niet Prof. Bolland’s „Leitmotiv”? Zijn
-spreuk 131 luidt: „Het groote gebrek van de theorie der kennis is haar
-gewaande verstandigheid.”.... ik heb getracht te doen zien, dat Prof.
-Bolland’s gewaande meer-dan-verstandigheid slechts is.... zijn groot
-gebrek aan theorie der kennis. Zijn deel zij de kennis der
-Begripsleer—begrip der Kennisleer bleef hem onthouden.... tot dusverre.
-
-
-
-We hebben nu gezien, in tekst en Opmerkingen, wat Kant, wat de
-kennisleer voor Hegel betekent en voor een Hegeliaan als Prof. Bolland.
-Hoe hoog Kant en zijn kriticisme boven het bereik van Hegeliaans begrip
-ligt zij ten slotte ook nog aan Prof. Bolland’s „oudere broeder in
-Hegel” en volgens Prof. B. van Hegel een „baanbrekend exegeet”
-gedemonstreerd,—aan James Hutchison Stirling LL.D.
-
-Stirling is een van die hegelérende hogere theologen, wier dogmaties
-(deels physies deels religieus-metaphysies) realisme („Nature” en
-„God”; „the finite” en „the infinite” etc.) voortfilosofeert als had er
-geen kritiek, geen Berkeley, Hume of Kant, ooit bestaan, die dit
-anti-dogmatisme wel kent, maar er tegenover blijft staan met een soort
-„Die Botschaft hör’ ich wohl. Allein mir bleibt der Glaube”—en die dan
-ook Kant verhegelt, o.a. op de wijze, reeds in Opm. 17 gewraakt, door
-diens „Unity of Apperception” te vereenzelvigen (o coincidentia
-oppositorum!) met zijn „Thought” als „the all and [!] the prius” („The
-Secret of Hegel”, p. 58), met zijn „self-consciousness” welks
-„subject”.... „God” is, zijn „Ego”, „Ego as Ego”, „I-Me”, „I AM THAT I
-AM”, zijn „Self-Create and First”, „Infinite”, „Unconditioned”,
-„eternal Reality”, „the everlasting God”, „the concrete”, het enige
-„eteon” „that ὄντως Is—EI’MI′”, „the absolute Ratio”, kortom „alpha and
-omega, the first and the last, Dynamis, Energeia, Entelecheia” etc.
-etc.—in één woord Hegel’s „Begriff”: „Kant’s Reine Apperception,
-cleared into Fichte’s Ego, is Hegel’s Begriff.”.... „Hegel’s Begriff
-(Notion) is the Immanent Dialectic of the Ego’s own self.” („What is
-Thought?”, aanhef van Chapter XIV, over Hegel). Zo levert dan „the
-Notion as Ego, or the Ego as Notion” ook hier het even simpel als
-Hegeliaans-vanzelfsprekend antwoord op Kant’s kritiese grondvraag, dat
-ik reeds, opm. 47, in Prof. Bolland’s vertaling heb gegeven: „the
-answer to Kant’s cardinal question, ‚How are synthetic judgments à
-priori possible?’ is this ‚They are possible through the original
-absolute identity of differents’—and that is simply the Ego.” (ib. p.
-344.)—Zelfs leraart The Secret of Hegel, p. 190: „The notion is [sic]
-the à priori synthetic judgment.”!
-
-Deze Stirling nu wijdt speciaal aan Kant Hoofdstuk X (pp. 109–214) van
-zijn „What is Thought?”, getiteld: „The German Reference—Kant”,
-natuurlik slechts als voorbereiding van XI: Fichte, XII en XIII:
-Schelling en eindelik XIV (pp. 327–415): Hegel. En voor dit X verzoekt
-de schrijver nadrukkelik de aandacht: „As simply the key to all
-philosophy as such at present, attention is specially invited to this
-chapter.”
-
-Wij aanvaarden die uitnodiging, al kunnen of willen wij hier niet in
-biezonderheden zijn drieledige, drieledig-mislukte pogingen volgen en
-uitpluizen, „to criticise Kant” en daartoe „fully to consider” (vgk. p.
-144):
-
-1: Kant’s „doctrine of the categories”. Hieromtrent verraadt Stirling
-zijn Kant-inzicht niet minder, positief, door zijn ongeschokt
-empirisme, als, negatief, door zijn merkwaardig soort Kant-afwijzing.
-In § 22 toch lezen wij (p. 169 s.): „Now we assert at once here: We
-have not an understanding that, as Kant supposes, thinks, in à priori
-pigeon-holes of its own, the connections of things. Such pigeon-holes,
-under the name of the categories, Kant would fain believe to exist in
-each of us; but such physiological endowment of the brain is but a
-crude invention [volkomen juist, but a crude invention.... maar niet
-van Kant, heer Stirling!], let it be worked out with what fond faith,
-with what interminable pains of ingenuity, it may. Physiological
-pigeon-holes of such a quality, no man has any [dit kon Kant’s antwoord
-zijn, al zou de reden bij Kant een ietwat andere wezen, dan die hier
-Stirling gaat geven!]. For as to what they are, the categories: they
-are but so many, generalisations from experience [denk slechts aan
-negatie en noodwendigheid!]; they are but so many common
-notions—generalised notions.” En wat verderop, over de quantiteit in
-het axioma van de rechte lijn: „Have I really passed the line through
-any pigeon-hole of my brain whatever, in order to make it, as it were,
-fire-proof, objectively valid?” en (p. 171): „But so, we can ask of
-Quality as we asked of Quantity: in what pigeon-hole of my brain, then,
-does Reality lie, or Negation lie, or Limitation lie?”.... „in short,
-there is not one of these twelve categories of Kant that does not lie
-in experience and may not be perfectly well generalised, necessity [!]
-and all, from experience. The innocence of Kant here is quite touching
-at times....” The innocence.... of Kant?!
-
-2: Kant’s „doctrine of objects” (§ 20 vv.). Wat Stirling daarvan maakt,
-zijn hegeliaans begrip van de phaenomena en van het Ding an sich—dit
-kritieke punt voor ieder Hegeling (sinds Hegel zelf!), die qua
-objekt-realist, evenzeer de Dinge an sich loochent als de objekten voor
-Dinge an sich laat fungeren, dus beiderlei „Ungereimtheit” (zie het
-slot van mijn Hoofdstuk IV, p. 92) heeft te torsen—daarop moet ik hier
-het volle licht laten vallen, terwijl wij omtrent zijn behandeling van
-
-3: Kant’s „doctrine of experience”, o.a. in § 24 en § 25 kunnen
-volstaan met het signaleren van de verwarring (zo op p. 196) van Kant’s
-objectieve „Erfahrung” met individuele ondervinding, waaromtrent de
-lezer zich o. m. mijn noot bij bl. 4 en bij bl. 19 moge herinneren.
-[170]
-
-Tans volge dus Stirling’s begrip van Kant’s „Erscheinung” en „Ding an
-sich” en beider verhouding. Ik wil u speciaal § 20, getiteld:
-„Philosophy Strange at Times” en § 21 „Time and Space” laten zien en
-proeven.
-
-Een voorspel, dat § 14 („Kant on Hume”) levert, hoort er nog even bij.
-Wij hebben in de loop van ons vertoog meermalen naar behoren gehekeld
-het realisties aperçu, dat beweging laat „waargenomen worden als”,
-„verschijnen als” kleur, geluid enz., dat deze laatste houdt voor
-verschijningswijze van (hersen)beweging. Het is dus niet zonder enige
-verbazing, dat we zien, hoe Stirling dit soort „apparition” houdt voor
-Kant’s „Erscheinung”, dus een Hobbes zalft tot Kant-antecipator! Aldus:
-„The date of Hobbes’s dedication in his Tripos is ‚May 9, 1640’. From
-p. 5 there we extract this: ‚Image or colour is but an apparition unto
-us of the motion which the object worketh in the brain. As in vision,
-so also in conceptions that arise from the other senses, the subject of
-their inherence is not the object [zoals voor Kant en de kritiek, voor
-wie de roodheid eigenschap is en blijft van het objekt, de roos, niet
-van hersenen of waarnemer], but the sentient.’ That is sixty-nine years
-before Berkeley, and more than twice as many before Kant, and it is not
-a doctrine peculiar to them [integendeel! peculiar to realists!]. We
-still have it, or something like it [juist], in such sensationists as
-Mill, Bain, Lewes, to leave out all reference [precies!] to idealism,
-ancient or modern.” In diezelfde verblinding gaat dan § 19, p. 157
-aldus door: „That we know not things, but only the impressions of
-things—what he [Kant] calls Erscheinungen, which we may translate
-Appearances, reminding that we saw Hobbes name them [!]
-‚Apparitions’,—this shall be the bed-rock on which his whole
-stratification shall rest.”
-
-Wie aldus Kant materie-realisties verhobbest en dan, als Stirling in §
-20 en overal, het Phaenomenon als „schijn” beschouwt, een „mere
-seeming” en dus waant, dat een „grondige” behandeling, een „inwendig”,
-„in’s Innere der Natur” doordringend onderzoek ons het „werkelike”
-Ding-an-sich wel zou leren kennen, als het bestond, als het „in” of
-„achter” of wie weet „waar ergens in de buurt” van het natuurding
-verscholen stak, zodat dus het natuuronderzoek zelf bewijst,.... dat de
-zichtbare, tastbare dingen-zelf.... geen spooksels of schimmen van
-onzichtbare Dingen-zelf, maar.... de dingen-zelf zijn (à la Haeckel’s
-of Engels’ of Plechanow’s scheikundige weerlegging van Kant’s
-Ding-an-sich!) en dat er dus geen onzichtbaar Ding-an-sich bestaat....
-zo iemand kan wel een baanbrekend exegeet van Hegel zijn, ja zelfs voor
-een Hegeliaan „der Nestor gesunder Philosophie im vereinigten
-Königreiche” (Prof. Bolland in „Alte Vernunft und neuer Verstand”, p.
-27)—van Kant en kritiese wijsbegeerte heeft hij zelfs het abc niet
-begrepen.
-
-Laat ik u tans enige pagina’s van Stirling zelf aanbieden ten bewijze.
-Ik stel mij daarbij voor, dat ik mijn lezer, die het tot hiertoe met
-mij heeft volgehouden, enige voldoening, een soort eigen oogst,
-verschaf, wanneer hij bemerkt, hoe hij nu heel deze, toch in z’n soort
-superieure, misvatting doorziet en te boven is, zodat ik slechts zijn
-aandacht hoef te vragen en zelf geen of weinig commentaar meer te
-geven.
-
-Met de volgende overgang tot § 20 eindigt § 19: „That constitutes the
-whole of Kant’s doctrine so far: That we have no knowledge, namely, but
-what regards experience; and that we have no knowledge of any objects
-in experience, but what are mere appearances, apparitions,
-Erscheinungen, of sense. That, however, relatively determines all; for
-that, in Kant’s regard, is his πρωτον ψεῦδος. Things are not in any
-respect the ghosts which Kant would make of them.”
-
-Nu komt § 20: „Philosophy Strange at Times”:
-
-„There have been so many strange things from time to time said in what
-is called philosophy, that the public, possibly, is not always so much
-in fault when it is heard to mutter that so-called great philosophers
-are to common folk, now and then, also great fools. And, certainly, the
-idea of making all these common things we see, touch, and handle, to be
-only ghosts of certain invisible other things within them, or under
-them, or Heaven knows where else in their neighbourhood, is about the
-most foolish of all ideas which have been ever, at any time, anywhere,
-or by anybody, broached. [Voorwaar!] That shoe on your foot, or that
-hat on your head, is not the real shoe on your foot or the real hat on
-your head; the latter is but the ghost of the true hat, as the former
-is but the ghost of the true shoe. Of either hat or shoe we know the
-ghost only: what the true hat may be, or what the true shoe may be, we
-know not. We know this only: That it is the culmination and perfection
-of knowledge itself to know only what we know not at all. What is the
-Thing-in-Itself of that boy’s marble, or of this pebble I pick up?
-
-„What can be the Thing-in-Itself of this mere seeming that drops from
-my pen into this blot on the paper? Nay, of the paper itself, what can
-be the thing-in-itself? The lint has been sown, and grown, and pulled,
-and steeped, and skutched, and hackled, and spun, and woven, and
-bleached, and calendered, and boiled, and starched, and blued, and
-beetled, and lapped, and pressed, and made a shirt of, and worn by a
-man into a rag, and ground into pulp, and sieved, and actually
-converted into this bit of paper which we now touch,—and yet, for all
-that, the thing-in-itself, stubborn through all these processes and a
-thousand more, has never once, even for a moment, allowed itself to
-come to the surface, but, in very truth, has always instead only given
-its ghost up,—its Erscheinung,—its apparition!”
-
-Op deze wijze draaft de tekst door, tot we de conclusie krijgen: „All
-that is very sorry stuff, poor skimble-skamble stuff, all that that
-poses and proses about the impossibility of knowing what substance is
-[171]. Of course, even as used, substance has a meaning, and, of
-course, even as used, thing-in-itself has a meaning; but the true
-meaning of either the one or the other that is common to the whole of
-us as ordinary human beings, it would seem impossible for us as
-philosophers at all to recognise! Now, why should we feign, and figure,
-and invent all this difficulty? The simple truth [simpel wel, waarheid
-neen] of the matter is this, that there are subjects and that there are
-objects....” Halt een ogenblikje! Om te letten op dit gewoon-dogmatiese
-tweetal: subject en objekt—en de kennis niets dan de verhouding tussen
-die twee! Zo bij elk materie-realist, terwijl krities als konkrete
-werkelikheid niet subjekt en objekt, maar subjekt en het
-transobjektieve tegenover elkaar staan en uit de causale verhouding van
-die twee pas de gewaarwording, waarneming, kennis ontstaat, die de
-objekten niet afbeeldt, maar stelt, produceert, mogelik maakt, in
-plaats van omgekeerd de objekten de waarneming. Reeds dus wie de
-kennisleer opvat als de vraag naar de verhouding tussen subjekt en
-objekt toont zich.... objekt-realist, alias dogmaticus! Aldus niet
-alleen heel de Hegelarij (ook o.a. de „Neohegeliaan” Prof. Dr. Jos.
-Kohler, het geleerdste aller filosofiese zwets-genieën (56) in zijn
-„ungeheuerliche” Rechtsphilosophie) maar ook b.v. nog de Berlijnse
-Prof. G. Simmel [172], terecht een „Meister denkerischer Verfeinerung”
-genoemd, al filosofeert hij meer dan hij filosoof is. Maar keren we
-terug tot onze Stirling. Hij zeide dus: „The simple truth of the matter
-is this, that there are subjects and that there are objects, and that
-subjects as subjects know and must know objects, and that objects as
-objects are known and must be known by subjects. These things that we
-see, and touch, and handle are really, and in very truth, the things in
-themselves, and the only things in themselves, that we can ever see, or
-touch, or handle, that we need ever see, or touch, or handle, that we
-shall ever see, or touch, or handle. [Eensdeels allemanswijsheid: de
-waarneembare dingen zijn de énige waarneembare dingen; anderdeels
-allemansonwijsheid: objekten zijn Dinge-an-sich]. In one word, these
-things are the things in themselves; and so much are they the things in
-themselves, that they do act on each other, and do substantially act on
-each other. They are not appearances; they are things. Were things
-really only Erscheinungen, only appearances, only, as said, butterflies
-on my white sheet within, they would indeed be irrespective the one of
-the other; and any action that might be simulated between them would be
-only an action at second hand [uitnemend beeld voor de phaenomenale
-causaliteit, de „pseudo-causaliteit”!], only an action of the subject
-[mis; of juist.... in de etymologiese zin: van het substratum!], and so
-only an action borrowed.” enz. Maar kom, § 20 van Stirling heeft ons al
-wel voldoende overtuigd van zijn „Philosophy Strange at Times”.... laat
-ons „Time and Space”, die ons resten, nog aan de dusnamige § 21
-afstaan:
-
-„As Kant rules, Time and Space are from our birth general mental forms
-of body [?!], general à priori forms of the à posteriori, within us.
-And his arguments in proof are excellent—so much so that it would be
-difficult to match them, as arguments, anywhere else.
-
-„As we saw then of things that they are mere appearances, so we are to
-understand now of Time and Space that they are but appearances also
-[men herinnere zich mijn Hoofdstuk III, § 2]. Will anybody in this
-world believe that [neen, vermoedelik], unless some German philosophers
-and a few Hindoos? However it was to Kant or may be to these, it is
-certain, quite as much to all true [„gesund” zegt Prof. Bolland]
-philosophy as to common sense, that Time and Space are actual entities
-[meer dan een eeuw na Kant tijd en ruimte nog actual entities!]
-without, even as the coat on my back or the shoes on my feet are; and
-that, were the race to vanish from the earth, an actual space and an
-actual time would remain behind, even as these articles of my attire,
-were I dead to-morrow, would have other people to dispose of them. Kant
-has an utter horror of Hirngespinnste—meaning what shall happen to
-every man who will think in independence of the Critical machinery; but
-were there ever more genuine Hirngespinnste (brain-weavings) than that
-spectral [!] space and that spectral time in the head [!] of Kant
-himself?” Daarmee is § 21 uit.
-
-Waarlik, dat geven we Stirling gaarne gewonnen, die Tijd en Ruimte, als
-Hobbiaanse appearances, als hersenschimmen spokend in Kant’s hoofd, ze
-zijn niet minder „but a crude invention” dan de kategorieën als
-„physiological endowment of the brain”!
-
-Van Stirling mogen wij echter geen afscheid nemen, eer wij het beeld
-hebben gezien, dat voor zijn deels weer individualiserende, deels
-immers transcenderende misvatting der natuurimmanentie Kant’s idealisme
-symboliseert: de molen van § 25: „Kant’s Theory again—the Mill”:
-
-„The matter, the substance of the things in this universe [!] is, in
-series, (1) but so much inward Sensation in my [!] own subject; (2)
-Categories that throw these sensations of my own out into Time and
-Space—categories, too, that are as ideal spiders in pigeon-holes of my
-own, ideal also and private [!]; lastly, (3) Time and Space, themselves
-as much my own, and as much mere subjectivities within as the
-sensations, and the categories, and the pigeon-holes, and my very
-subject itself. Nay, God himself is relegated to a pigeon-hole not a
-bit bigger [schande!] than the others! In short, how is this to be
-imaged but by—say, a little wooden mill, dipped into a stream that sets
-its wheels agoing, the motion of which wheels of its own it is that
-seems, but only seems, to throw up around it this vast universe; and
-all the time the stream, which alone moves it, is unseen, unknown, and
-no more than—philosophically—at the best dreamed of!”
-
-Was ooit—om op mijn manier ook eens hegeliaans te spreken—vergelijking
-erger verongelijking?
-
-De Conclusion van deze Hegeliaan (Chapter XV) komt neer op „No return
-to Kant” .... voorbeeldig gegrond als volgt (p. 422/3):
-
-„Can we return to this, for example, that any ordinary thing—a shoe—has
-an extraordinary unseen double of itself in a—Thing-in-Itself? Or that
-the time that the one-o’clock gun fires in, and the space André’s
-balloon mounts in, are, neither the one nor the other of them, there
-where we think they are, outside of us, but both, on the contrary,
-inside? Or that cause, with each of its other fellow-categories, is
-not, by any means, a something on his own account without, but, really,
-a simple secretion of the cells or pigeon-holes of our own brains? Or
-that the I—whatever I may possibly think the I I am—I am not at all
-that I—hardly even an i—only the dot on it?”
-
-M.a.w.: al is voor een Hegeliaan „The Secret of Hegel”, dialekties,
-geworden tot een niet-geheim, het geheim van Kant blijft voor hem,
-logies, wat het was—een geheim.
-
-En erger, ergerliker Kant-verhegeling, dan al wat ik u van Stirling tot
-hiertoe liet zien, heeft tans te volgen:
-
-„I have talked of the world elsewhere as having been ‚befooled’ by the
-system of Kant, and have asked, ‚Where, according to this system, is
-there a single truth in the whole huge universe?’ I am still of the
-same mind as to what in that reference is concerned.... Kant’s world is
-but a soap-bubble a between an x and a y.—Nevertheless, I say, too,
-that the whole of philosophy that deserves the name since Kant is so
-absolutely due to Kant that it can properly and comprehensively receive
-no other name than his. Fichte has worked, Schelling has worked, Hegel
-has worked—each of them has worked, no one of them has worked but—in
-the quarry of Kant. There is no product in Fichte, there is no product
-in Schelling, there is no product in Hegel, that is not to be
-named—Kantian. Fichte’s philosophy, Schelling’s philosophy, Hegel’s
-philosophy—each of these, in accurate and precise name, is Kantian
-philosophy. And with Kant and these we have in modern times all—all
-that is capital;—gratefully counting in, as well, an introductory few,
-and leaving prattle individually to the irresponsible rest.” (o. c. p.
-39/40).
-
-Hoeveel smadeliker is voor Kant deze Hegeliaanse lof, dan alle
-Hegeliaanse blaam! Maar, gelukkig, precies even onverdiend! Hoe
-„Kantiaans” een Hegeling zich ook noemen en wanen moge, Kant kan alle
-schuld, alle verantwoordelikheid voor zulk een „Kantiaan” afwijzen met
-een
-
- „Du gleichst dem Geist, den du begreifst,
- Nicht mir!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-RESULTATEN. DE VERHOUDING VAN GEEST EN NATUUR, LICHAAM EN ZIEL.
-
-
-1. ZEG MIJ HOE GIJ WAARNEEMT EN IK ZAL U ZEGGEN WIE GIJ ZIJT. DOGMATIES
-REALISME VAN PRAGMATISMEN EN „IDEALISMEN”.
-
-Niet aan een terugblik over ’t afgelegde pad zal dit slothoofdstuk
-gewijd zijn. Wie onze weg wil overzien, ook eer hij hem gaat, zij
-verwezen naar Voorrede, Inleiding en Inhoudsopgaaf. Wij willen nu
-genieten van het nieuw-gewonnen uitzicht, met krities oog een weinig om
-ons heen kijken op landschappen, heuvels en torens in ’t rond.
-
-Wij zijn dus het materie-realisme kenniskrities te boven, weten en
-begrijpen, in welke zin en op welke gronden de werkelikheid van de
-stof, de natuur, moet worden geloochend. De wortel van het
-materie-realisme bleek ons de dogmatiese, verdubbelende,
-waarnemingsleer, die de natuurdingen of objekten door prikkels via
-zintuigen en hersenen tot oorzaken onzer gewaarwordingen maakt. Dat
-dogmatisme, gemeen aan anti-theologies materialisme en
-anti-materialisties dualisme van volks- en kerk-metaphysica hebben wij
-uitgeroeid, de objekt-immanentie, dus ook Berkeley’s immaterialisme,
-bereikt, en Berkeley zelf, wiens „idealisme” sinds Kant door heel het
-koor van veilig zich voelende napraters zonder begrip voor „dogmaties”
-is uitgemaakt, de hem toekomende ere teruggegeven. Daar wij ons echter
-van meet af georiënteerd hebben aan de kritiese grondvraag der
-kennisleer konden wij, dank zij Kant, ons natuur-phaenomenalisme
-bevestigen, zuiveren, verdiepen door het ruimte-idealisme. Zo is de weg
-gebaand tot zuiver krities Immaterialisme, dat als zodanig, negatief,
-dualisme en materialisme waarlik te boven is en positief zijn voorlopig
-waarschijnlikste wijl best gefundeerde verwezenliking vindt in een
-monisties Psychisme. Dit zuiver Psychisme—een naam m.i. verre te
-verkiezen boven „psychies [173] monisme” als klare tegenstelling tot
-zijn antipode, het Materialisme, zowèl als tot het Dualisme—kan door
-geen realist, hij zij materialist (die als zodanig kleur bekenne, zich
-niet langer achter het pseudonym „monist” verschuile!) of dualist, door
-geen waarnemingsdogmaticus worden bereikt [174]. Pas achter de berg van
-het waarnemingsdogmatisme begint het pad naar het Psychisme.—Zo is de
-waarnemingsleer een sjibboleth van elke wijsbegeerte. Want
-waarnemingsleer is begin en beginsel van kennisleer, kennisleer
-grondslag en richtsnoer van zijnsleer en waardeleer, dus van
-wijsbegeerte in haar geheel.—Daarom opent de „transcendentale
-Aesthetik” de „Kritik der reinen Vernunft”, daarom werd handhaving,
-verdediging en toelichting van Kant’s waarnemingsleer zulk een
-integrerend deel van mijn kritiese taak. Geef mij uw waarnemingsleer,
-en ik zal u zeggen, wie gij in philosophicis zijt, trots al wat ge
-wenst of schijnt, denkt of zegt te zijn. Zeg mij, hoe ge uw
-eenvoudigste gewaarwording krijgt, hoe gij het lezen van één regeltje
-druks verklaart en begrijpt en ik ken uw plaats in zake dat centrale
-wijsbegeerte-probleem, de verhouding van lichaam en geest, ik weet in
-hoeverre gij dogmaticus of criticus zijt ten aanzien van ruimte en
-materie, van meetkunde en natuurwetenschap, in hoeverre Kant en
-kennisleer tot u en gij tot deze zijt doorgedrongen, voor welke
-moeilikheden gij staat, bewust of onbewust, en welke gij te boven zijt.
-
-Zulk een toetssteen is ons tans één enkele regel [175], soms één enkel
-beeld [176] in zake waarneming!
-
-Daar hebt ge b.v. Bergson. In zijn „Essai sur les Données immédiates de
-la Conscience” lezen wij op bl. 99: „De même que la durée fuyante de
-notre moi se fixe par sa projection dans l’espace homogène, ainsi nos
-impressions sans cesse changeantes, s’enroulant autour de l’objet
-extérieur [de huizen van een stad zijn hier bedoeld] qui en est cause,
-en adoptent les contours précis et l’immobilité.”—Zijn ze niet heerlik,
-die enfants terribles van zulk soort tussenzinnetjes midden in die
-diepzinnige grotemensendeftigheden? Zo gewaagde reeds bl. 65 van
-„sensations dont la cause est évidemment située dans l’espace”—non,
-évidemment!
-
-En nu 3 zinnen waarnemingsleer uit zijn „Matière et Mémoire”:
-
-1: „Les ébranlements des centres.... sont donc moins [niet zozeer!] la
-cause réelle de la sensation que la marque de sa puissance et la
-condition de son efficacité.”
-
-Juist dit „moins” is karakteristiek voor Bergson’s denktrant, voor zijn
-exaktheid, dat kenmerk van intellektuele reinheid. In gelijke geest
-toch durft hij „établir positivement que le processus cérébral ne
-répond qu’à une très faible partie de la mémoire, qu’il en est l’effet
-plus encore que la cause”.... etc.
-
-2: „Il [l’état cérébral] n’en [de la perception] est ni la cause ni
-l’effet, ni, en aucun sens, le duplicat; il la continue simplement, la
-perception étant notre [?] [177] action virtuelle et l’état cérébral
-notre action commencée.” (p. 260).
-
-3: Slotzin en slotsom van zijn boek: „L’esprit emprunte à la matière
-les perceptions d’où il tire sa nourriture, et les lui rend sous forme
-de mouvement, où il a imprimé sa liberté.”
-
-Voor ons heeft daarmee Bergson vrijwel afgedaan. Wij weten nu, dat zijn
-„Matière et Mémoire” reeds honderd jaren vóór z’n verschijnen verouderd
-en weerlegd was, dat deze grote franse mode-wijsgeer [178] een
-materie-realist is zonder kennis-kritiek en, om op zijn manier te
-spreken, minder een materialist dan wel een dualist. Zijn juiste
-qualificatie zou zijn, daar hij à la Ziehen’s „Empfindung” „image” voor
-stof èn voor gewaarwording gebruikt, op analoge wijze
-gewaarwordingsinhoud tot gewaarwordings eigenschap (ruimtelikheid b.v.)
-verhaspelt en à la Mach gewaagt van „le tableau [sc. d’images!] dans
-son ensemble, c’est-à-dire l’univers”—een imaginair-materialisties
-dualist, met een „corps” dat „éprouve des sensations” en een „mémoire
-du corps” welks „existence” voor een deel „jouée” is en voor een deel
-„rêvée”! Geheel mijn indruk. Want van dat „corps” is voor hem de
-„fonction essentielle de limiter, en vue de l’action, la vie de
-l’esprit”! „Le rôle du corps n’est pas d’emmagasiner les souvenirs [dat
-zou materialisme zijn, foei], mais simplement [ziet hoe simpel] de
-choisir, pour l’amener à la conscience distincte par l’efficacité qu’il
-lui confère, le souvenir utile”.... Zo verschillen lichaam en geest,
-corps et esprit, voor hem „niet ruimtelik maar tijdelik”, of liever,
-daar voor hem het tijdelik-geestelike „gradueel overgaat” in het
-ruimtelik-stoffelike, „niet zozeer” ruimtelik „als wel” tijdelik: „A
-une distinction spatiale nous substituons une distinction temporelle”
-met een.... „passage graduel des souvenirs aux mouvements”, gelijk de
-ware qualitatieve tijd, welks delen niet „juxtaposés” zijn, maar „se
-pénètrent” en het „innerlik” leven met z’n „durée réelle et concrète,
-hétérogène,—la durée vivante”.... door telling, quantificering,
-wetenschappelike materialisering „pour ainsi dire”.... ruimtelik wordt:
-
-„Il y a un espace réel, sans durée”....
-
-„Il y a une durée réelle, dont les moments hétérogènes se pénètrent....
-le trait d’union entre ces deux termes, espace et durée, est la
-simultanéité, qu’on pourrait définir l’intersection du temps avec
-l’espace.”!
-
-Men begrijpt, dat deze eigen wijsheid aangaande tijd en ruimte van
-Kant’s tijd- en ruimte-kritiek niets moet hebben: „On aboutit à
-déclarer matière et esprit également inconnaissables”! Dat soort
-matière, dat soort esprit voor Kant onkenbaar! Neen, onkenbaar is Kant
-voor Bergson’s geest, die zijn begrip van de kantiaanse „mogelikheid”
-toont, door, diep-quasi-krities, de hersenbewegingen (zelf dus mogelike
-waarnemingsinhoud) te noemen: „ma perception possible de certains
-mouvements cérébraux”, op dezelfde pagina (M. et M. p. 253), waar hij
-„l’idéalisme kantien” wil laten spreken door de overgang van
-gewaarwording naar natuurding, objekt, te noemen: „le passage de la
-sensibilité à l’entendement”! Voor Kant’s idealisme physica contra
-sensibilité! Op pag. 256 wordt dan dat „possible” van Kant’s „mogelike
-ervaring” (waarvan zin noch subjekt voor ons tans meer toelichting
-behoeft) als volgt misduid: „tous les états de conscience....
-possibles” zou nog maar een klein deel zijn van „la réalité matérielle,
-parce que les images [wiens images?] débordent la perception de toutes
-parts”! Zo zijn dan eens weer (p. 257) het Kantiaanse „phénomène” en
-„chose” voor Bergson.... gewaarwording en natuurding. Hij moest eens
-weten, dat juist zijn „chose” voor l’idéalisme kantien.... het
-phénomène is! En als B. in zijn „Essai” (p. 72) van „l’intuition ou
-plutôt.... la conception d’un milieu vide homogène” beweert: „cet acte
-sui generis ressemble assez à ce que Kant appelait une forme a priori
-de la sensibilité”—dan komt het mij voor, dat hij zelf ressemble assez
-à zeker ook ver buiten Frankrijk beroemd geworden kikkertje.
-
-Maar ik zou daar bijna weer polemies worden! En zijn dan niet zijn
-perception en mémoire „pures”, zijn „phénomène d’endosmose”, zijn
-„en-soi” wanneer hij leraart: „la lumière rouge.... accomplit....
-correspond, en-soi, à.... des vibrations” even wijsgerig als geleerd?
-En imponeert mij niet die kracht en stof, gematerialiseerde kracht en
-geïdealiseerde stof van deze ziener: „Nous voyons la force se
-matérialiser, l’atome s’idéaliser”? Of die vrijheidsleer, die wel niet
-zo zuiver historiseert als Rickert of zo principieel subjectiveert als
-Münsterberg of zo empiries psychologiseert als Wundt, maar toch met
-haar origineel uitgewerkte tegenstelling:
-ruimte—homogeenheid—wettelikheid—praktiese, mechaniserende,
-veruiterlikende wetenschap enerzijds en
-tijd—heterogeenheid—uniekheid—instinkt en intuïtie—„l’évolution
-créatrice” anderzijds, met haar waarschuwing tegen „ces apparences
-trompeuses” van gedetermineerdheid, waaronder „une psychologie plus
-attentive nous révèle parfois des effets qui précèdent leurs causes”,
-met haar tot de slotzin toe volhardend verzet tegen verwarring: „on
-confond succession et simultanéité, durée et étendue, qualité et
-quantité” en met haar originele vraagstelling: „le temps est-il de
-l’espace?” of ook „le temps peut-il se représenter adéquatement par de
-l’espace?” en het nog origineler antwoord: „oui, s’il s’agit du temps
-écoulé; non, si vous parlez du temps qui s’écoule. Or l’acte libre se
-produit dans le temps qui s’écoule et non pas dans le temps écoulé.”?
-En is het niet eigenlik een wreed vermaak, ja heiligschennis of op z’n
-zachtst Droogstoppelarij, om daar Bergson’s nieuwe fraaie franse
-teder-intuïtief-realisties-pragmatisties-idealisties-glanzende
-zeepbellen, die zo hoog en ver vliegen, dat ze zelfs in het land der
-dichters en denkers al en vogue komen (maar ook die denkers hebben wel
-eens te veel gedicht.... en die dichters te veel gedacht) zo maar met
-nuchtere kritiese vingers aan te raken en uitéén te doen spatten?
-
-Neen.
-
-Mais revenons à nos moutons:
-
-De dogmatiese waarnemingsleer, prius en posterius van materie-realisme,
-leidt bij voldoende doordenken onvermijdelik tot skeptiese bedenkingen,
-tot relativismen en subjectivismen, die op miskenning der objectieve,
-evenmin transcendente als individuele, waarheid berusten en wier
-moderne biologiserende uiting het pragmatisme vormt. Let maar op hun
-waarnemingsleer—en ge zult bij al die pragmatisten van diverse
-pluimage, bij Poincaré als bij Bergson, bij James c.s., bij Simmel en
-Jerusalem en Ostwald het materie-realisme ontdekken. Bij voorbeeld:
-
-Poincaré: „La Valeur de la Science” gewaagt telkens ten aanzien der
-sensations van l’objet qui les cause en bedoelt daarmee het natuurding;
-zo p. 129: „des mouvements qui permettraient d’atteindre l’objet qui
-les cause”, insgelijks p. 263 en p. 270.—Zo dringt dan ook Poincaré’s
-meetkunde-logica niet door tot die onbewuste maar subjectief-formele
-bron der synthesis a priori, die wij in Kant’s „vorm” hebben leren
-kennen en die wel ter dege de „règle générale”, de „règle rigoureuse”
-stelt in de plaats van Poincaré’s pragmatisties surrogaat der „raisons
-de commodité et de simplicité” en de werkelike bron der axioma’s
-tegenover P.’s pragmatistiese verklaring (p. 58): „toutes ces règles,
-toutes ces définitions ne sont que le fruit d’un opportunisme
-inconscient.” Trouwens, Poincaré’s pragmatisme is van hoog
-intellectualisties gehalte. Mooi zegt hij op p. 166: „je ne dis pas: la
-Science est utile parce qu’elle nous apprend à construire des machines;
-je dis: les machines sont utiles, parce qu’en travaillant pour nous
-elles nous laisseront un jour plus de temps pour faire de la science.”
-en van de wetenschap zelf (p. 217): „elle sera intellectualiste ou elle
-ne sera pas” of op p. 275: „Ce n’est que par la Science et par l’Art
-que valent les civilisations” [179]—ja, ook bij hem schijnt even het
-dieper besef op te doemen, dat eigenlik heel die commodité op....
-waarheid berust en niet omgekeerd! Immers (ook in andere zin
-transpragmatisties, zie mijn noot 2 bij bl. 13) verklaart hij op bl.
-271 aangaande de wetenschap: „Mais il est vrai qu’elle est commode, il
-est vrai qu’elle l’est non seulement pour moi, mais pour tous les
-hommes, il est vrai qu’elle restera commode pour nos descendents; il
-est vrai enfin que cela ne peut pas être par hasard.” Het is waar, voeg
-ik er bij, geen toeval is het, waarop dat exakt voorspelbaar
-onveranderlik nut, die ware waarde der wetenschap berust, het is haar
-waarheid!
-
-Georg Simmel: In zijn nòg meer zwaarlijvige dan zwaargeestelike
-„Philosophie des Geldes” zien wij in ’t duidelikst en kortst bestek die
-gang: realisme wegens dogmatiese waarnemingsleer—relativisme—pragmatisme
-vóór ons, hoe krities en kantiaans Simmel zich ook pleegt voor te doen,
-zodat men weinig vat op hem heeft.—Op p. 9 dan lezen wij aangaande de
-„Sinneseindrücke”: „Wahrend diese aber, wenn auch in weiterem Sinne als
-subjectiv zu bezeichnen, doch auf Rechnung des Objekts selbst
-geschrieben werden—indem einerseits gewisse Bewegungen des Objekts
-selbst sie hervorrufen, und sie andrerseits auf dieses als seine
-Eigenschaften projiziert werden”—meer hebben we hier niet nodig [180].—
-Op p. 64/5 wordt dan betoogd, hoe insekten, arenden en wij mensen er
-allen onderling verschillende „Weltbilder” op na houden, „woraus
-unmittelbar zu schliessen ist, dass keines derselben den
-ausserpsychischen Weltinhalt in seiner an sich seienden Objectivität
-nachzeichnet”.... maar zie, een „höchst auffallende Thatsache”.... op
-grond van „ware” voorstellingen handelt elke soort tot z’n behoud, op
-grond van verkeerde, „‚falsche’”, tot z’n schade, als bestond er
-„Kenntnis jener objektiven Verhältnisse, wie sie an sich wären”.... en
-toch.... is er geen „mechanische [maar een niet-mechaniese?]
-Abspiegelung”, geen „sich mit der absoluten [?] Objectivität
-decken”....! Ra ra hoe kan dat? Men vat het reeds—„waar” betekent
-biologies nuttig en „falsch” schadelik!
-
-Aan Kant ook gij, Prof. Simmel! U ontgaat met uw realisme eenvoudig
-weer het verschil tussen de kritiese waarheid van het al of niet juist
-objectiveren (= al of niet juist oordelen over mogelike ervaring) en uw
-dogmaties begrip „waarheid” (= „overeenstemming” van waarnemingsinhoud
-en An-sich, „Kenntnis” van het transcendente als zodanig). Voilà tout!
-
-Zo ontwikkelt zich (p. 68) Simmel’s „Relativismus in Hinsicht der
-Erkenntnisprinzipien” veridealiseerd met Kant’s befaamde tegenstelling
-konstitutief-regulatief („als ob”!) aldus: „dass die Konstitutiven, das
-Wesen der Dinge ein-für-allemal ausdrückenden [!]. Grundsätze [z.B.?]
-in regulative übergehen, die nur Augenpunkte für das fortschreitende
-Erkennen sind.” „An die Stelle der Behauptung: so und so verhalten sich
-die Dinge—hat in Hinsicht der äussersten und allgemeinsten Ansichten
-vielmehr die zu treten: unser Erkennen hat so zu verfahren als ob sich
-die Dinge so und so verhielten.”—Dit heet dan (p. 69) „die Verwandlung
-der Dogmatik in Heuristik”.... en dezelve „gestattet.... offenbar eine
-gleichzeitige Gültigkeit entgegengesetzter Prinzipien.”
-
-Gelukkig zijn we hier nog niet zo ver gekomen als dat jongste
-realisties-pragmatistiese, quasi-idealistiese, zich zelf voor
-„idealistischer Positivismus” of zo men wil „positivistischer
-Idealismus” uitgevende ontaardingsprodukt van het Kantisme (meer
-speciaal van Kant’s Ideeën-leer), dat nu pas onder de auspiciën van
-niemand minder dan Vaihinger als „Die Philosophie des Als Ob” („System
-der theoretischen, praktischen und religiösen Fiktionen der Menschheit
-auf Grund eines idealistischen Positivismus”) in plaats van de oude,
-kritiese, vraag deze nieuwe, kritieke, vraag aan de orde wil stellen:
-„Wie kommt es, dass wir mit bewusstfalschen Vorstellungen doch
-Richtiges erreichen?”
-
-Zó ver heeft tot dusverre geen pragmatisme het gebracht, om een met de
-pragmatiese strijdige theoretiese waarheid te erkennen.... en opzettelik
-te verloochenen—in bewust zelfbedrog, wijl men de leugen niet missen
-kan, niet missen wil! Derhalve lijkt het mij een, ditmaal onbewust,
-zelfbedrog en voor de verschillende met name genoemde „Hauptströmungen
-der Philosophie der Gegenwart” (Voluntarisme, biologiese Kennisleer,
-Nietzsche c.s., Pragmatisme, natuurwetenschappelike Kenniskritiek enz.)
-een onverdiende smaad, dat deze „Philosophie des Als-Ob” hun „als
-Konzentrationspunkt dienen” kan door haar gewaande Erkenntnis, „dass
-ein gemeinsames Band die Differentiale der Mathematik, die Atome der
-Naturwissenschaft, die Ideen der Philosophie und sogar die Dogmen der
-Religion umschlingt—die Einsicht in die Notwendigkeit bewusster
-Fiktionen als unentbehrlicher Grundlagen unseres wissenschaftlichen
-Forschens, unseres ästhetischen Geniessens, unseres praktischen
-Handelns.” Twee voorbeelden lichten van meet af toe, waarop de
-vraagstelling steunt en doelt: 1o. de atomen en 2o. de vrije wil,
-voorbeelden zo ongelukkig mis als de vraagstelling zelf:
-
-Ad 1um: „Wir operieren mit ‚Atomen’, obgleich wir wissen, dass unser
-Atombegriff willkürlich und falsch ist, und, was eben das Merkwürdigste
-ist, wir operieren glücklich und erfolgreich mit diesem falschen
-Begriffe: wir kämen ohne ihn nicht so gut, ja überhaupt nicht zum
-Ziele.”
-
-Het is mij als immaterialist een waar ironies genoegen, het voor onze
-goede, veelbelasterde atomen op te nemen en er nadrukkelik op te
-wijzen, dat en waarom ons natuurkundig juist atoombegrip noch
-willekeurig is noch foutief, immers het bestaan der atomen, zover zij
-kunnen bestaan, evenzeer van individuele willekeur onafhankelik als van
-onwaarheid gespeend is. Uit het antwoord, zo-even omtrent de kritiese
-waarheid aan Prof. Simmel gegeven, blijkt reeds waar de schoen wringt.
-Atomen behoren al of niet tot het rijk van „mogelike ervaring”, van
-„phaenomena”—oordelen daaromtrent zijn al of niet juist, i.c. al of
-niet waar [181]. Atomen zijn dus in elk geval even „denkbeeldig” als
-alle andere natuurdingen, boeken en bergen of wat ook, hebben met deze
-het ideële subjekt gemeen. Maar of de natuurwetenschappelike
-„hypothese” of onderstelling van atomen al of niet juist is, heeft de
-natuurwetenschap, de „ervaring”, zelf te beslissen. Al worden ze nòg zo
-„idealisties” uitgemaakt voor „abstrakte begripsdingen”,
-„Gedankendinge”, „Rechenmarken”, „Lückenbüsser des Verstandes” enz.
-enz., zij hebben, is de atoomhypothese juist, kennistheoreties precies
-dezelfde werkelikheidswaarde als tafels en hersenen en cellen en alle
-andere objekten of ruimtedingen [182]: die van ideëel mogelike
-waarnemingsinhouden. Wij moeten dus wel onderscheiden de
-kennistheoretiese betekenis van „hypotheties” („heel de natuur bestaat
-slechts hypotheties” d.w.z. slechts indien het subjekt der natuur
-vóórondersteld wordt, slechts als functie, afhankelike, van mogelike
-waarneming, in tegenstelling tot het bestaan „op zich zelf”,
-„absoluut”) van de natuurwetenschappelike zin van „hypotheties” („de
-atomen, ionen, ether enz. bestaan slechts hypotheties”, d.w.z. het is
-niet zeker, maar slechts meer of minder waarschijnlik, onderstelling,
-dat deze dingen tot de ruimtewereld, tot het geheel der ideëel mogelike
-ervaring op bepaalde wijze behoren, dat de éne waarnemingsfunctie der
-éne werkelikheid ook deze dingen bevat.) [183]—Waar wij het op z’n tijd
-bij ongeveer alle partijen moeten verkerven, is het wel aangenaam, in
-de strijd tussen de „abstrakte”, mechaniese, atomistiese, natuur en de
-zgn. „konkrete”, levende, bonte, klankrijke natuur van Mach c.s. ook
-eens aan beide partijen gelijk te kunnen geven: kennistheoreties
-bestaan beide gelijkelik.... phaenomenaal en zij verschillen alleen in
-subjekt: het subjekt van Mach’s natuur heeft soortelik alle zinnen, dat
-der mechanies-atomistiese natuur alleen de bewegingszin. Denkbeeldig—in
-die zin dus „fiktief”—is alle natuur als haar subjekt, niet meer en
-niet minder dan alle waarheid, als abstractum, in tegenstelling tot de
-werkelikheid, il concreto.
-
-Ad 2um: „die Annahme der Willensfreiheit ist die notwendige Grundlage
-unserer sozialen und juristischen Ordnungen [inderdaad, als èn
-oorzakelik bepalende èn oorzakelik bepaalde, dus deterministiese
-vrijwilligheid, tegenover wilbeheersende dwang en wiluitschakelend
-fatalisme], und doch sagt uns unser logisches Gewissen, dass die
-Annahme der Willensfreiheit ein logischer Nonsens ist [sc. in de zin
-van een indeterministies, dus ongedetermineerd, niet oorzakelik bepaald
-willen]. Aber darum geben wir jene [eerstbedoelde] Vorstellung doch
-nicht auf: denn sie ist nützlich ja unentbehrlich [en wat meer zegt—in
-overeenstemming met de waarheid,—logies en empiries gegrond!].”
-
-Zo hebben wij ook dit 2e voorbeeld onmiddellik door de nodige
-onderscheiding, om het pragmaties te zeggen, „onschadelik” gemaakt, ook
-dit punt in ’t reine gebracht en afgedaan.
-
-De wis- en schei-kundigen, rechts- en god-geleerden mogen de rest (die
-ik niet gelezen heb) voor hun rekening nemen.
-
-Van „bezoedeling en vergiftiging” van het theoreties geweten in
-Duitsland heb ik in Hoofdstuk I gesproken als een noodlottig en niet
-alléén aan Kantverploerting te danken gevolg van Kant’s „Primat der
-praktischen Vernunft”. Maar even onschuldig als de al dan niet
-„historiese” Jezus of de dichters der bijbelse verhalen zijn aan de
-kerkelike dogmastelsels of aan de gruwelen van Roomse, Spaanse of
-Russiese Inquisities, even weinig schuldig is Kant aan deze
-anti-logiese „Nonsens”, deze heilloze Quasi-wijsheid, deze hopeloze
-zelf-begoochelings-dogmatiek, die, zo zij in waarheid meent—en niet als
-„bewusstfalsche Vorstellung” fingeert—, „dass hier ein System der
-Erkenntnistheorie geboten wird”, ja zelfs „dass hierin auch die Keime
-zu einer vollbefriedigenden Welt- und Lebensanschauung enthalten sind”,
-zich zelf zéker zal bedriegen, immers zich zelf zéker niet bedriegen
-zal. Want al wijzigt het realisme, naar een woord van Guyau, zijn
-„ignorabimus” in.... „illudemur”, men kan ieder ten slotte willens en
-wetens knollen voor citroenen verkopen—behalve zich zelf!
-
-Ten aanzien van de nieuwe quasi-kenniskritiese „vraag” gaan wij dus in
-naam van Kant vooralsnog over tot de orde van de dag.
-
-Ook op het pragmatisme zelf hoeft hier niet dieper ingegaan—als uiting
-van skepticisme vooronderstelt het onbewuste kennis-dogmatiek,
-realisme;—voor ons is het voldoende, de dogmatiese waarnemingsleer als
-zijn prius bij enkele van zijn voormannen in het licht der kritiek te
-hebben gesteld.
-
-Want de kritiek is de rots in de branding der hedendaagse filosofieën
-en quasi-filosofieën. Daar boven zien wij, hoe die moderne
-pragmatismen, ethicismen en aestheticismen, die tot waarheid dogmaties
-niet meer willen en krities nog niet kunnen komen, van de nood een
-deugd maken door de wijsbegeerte van waarheidsvorsing te verlagen tot
-levensbroodwinning, braafheidsdienst of kunstvermaak, door het nuttige,
-het zedelike of het schone uit te geven voor het ware. En ook de
-wemeling van „idealismen” en „monismen” heden ten dage wordt door de
-kritiek onverbiddelik op hun kennistheoreties, al of niet
-dogmaties-realisties gehalte gekeurd—en de waarnemingsleer alleen reeds
-openbaart het materie-realisme zowel in Hartmanniaans „konkreet
-monisme” als in Hegeliaans „absoluut idealisme”, in het „ethies
-idealisme” van Münsterberg en Rickert c.s. als in het „objectief
-idealisme” van Eucken en Bergmann, evenzeer in het „kennistheoreties
-monisme” van de „empiriocritici” of de Immanenzphilosophen (met hun
-voorstellings- of gewaarwordingsnaturalisme) als in het „monisties
-spiritualisme” van dualisten (t.a.v. natuur en geest) als Lotze en
-Busse, of zelfs in het „psycho-monisme” of „pan-psychisme” [184] van
-een Verworn of een Forel.
-
-Ten onzent heeft Dr. R. A. Reddingius in een opstel „Geest en Stof”
-(Vragen des Tijds, 1907, II:197–228) gemeend „de grondgedachte van het
-psychisch monisme van Fechner” weer te geven en toe te passen in een
-uiteenzetting, die aldus begint: „Wat op ons, onze zintuigen, inwerkt,
-kan door ons waargenomen worden; wij noemen het lichaam of ding.”
-terwijl bl. 202 aldus vervolgt: „Uit ontelbare waarnemingen blijkt ons
-dan reeds dadelijk, dat stoffelijke gebeurtenissen in onze hersenen en
-geestelijke gebeurtenissen op dezelfde plaats [!] en op hetzelfde
-tijdstip voorvallen. Maar wat op dezelfde plaats en op hetzelfde
-tijdstip voorvalt noemen wij een eenheid.” Zo is in 2 zinnen het
-„monisme”—wel te verstaan materialisme—bereikt, met
-„prikkelingscomplexen, die men voorstellingen noemt” en met de zuiver
-materialistiese konsekwenties van pp. 210 ss., eindigend in een typies
-materialisties-empiristies citaat uit Kassowitz’ „Allgemeine Biologie”:
-„Der moderne Mensch tut das Gute.... weil ihm die ethischen Grundsätze
-durch Erziehung und Beispiel sozusagen zur zweiten Natur oder, wie wir
-uns ausdrücken müssen, zum gesicherten Besitzstande seiner
-Reflexapparate geworden sind.”
-
-Maar zelfs de eerbiedwaardige Fechner zelf, hoe diep en fijn een geest
-ook, is door onvoldoende waarnemingskritiek (trillingen oorzaak van
-gewaarwording, Zend-Avesta II p. 332/3 en passim) zijns ondanks diep in
-een materie-realisme blijven steken, waarvoor het materiële „die Basis,
-die Unterlage, den Sitz” van het psychiese vormt, dat door de stof
-„getragen” wordt, er op „rust” (ib.), zodat „aller Geist von etwas
-Leiblichem getragen wird und nur auf Grund dieses Trägers besteht”
-(III: 273) en met de geest als „zelf-waarneming”, „zelf”-phaenomeen van
-de hersenen. Reeds het beeld, waarmee zijn leer aangaande de verhouding
-van lichaam en geest (Z.-A. II: 312–387) aanheft bevat die realistiese
-onjuistheid:
-
-„Um mit einem Bilde zu beginnen, so ist das Leibliche oder Körperliche
-gleich einer Schrift, das Geistige, Psychische.... wie der zugehörige
-Sinn der Schrift, in solcher Weise aber, dass die, als lebendig zu
-fassende Schrift sich selbst nur unter der Form ihres Sinnes, Andern
-nur unter der Form der äusseren Zeichen erscheinen kann.” (p. 313).
-
-Die „lebendige Schrift”, die „sich selbst als Sinn erscheint”, dat zijn
-de zich zelf als geest waarnemende hersenen van het psycho-physies
-materialisme. Ergo: „Ihm [sc. „der, welcher denkt, empfindet”]
-erscheint Gehirn und Nerv mit den darin vorgehenden Bewegungen als
-Gedanke, Empfindung, weil er selbst Gehirn und Nerv ist, einem andern
-als Materie und Bewegung, weil er ihnen gegenübersteht.” (p. 317). Als
-nu zijn voorstelling „für den ersten Anblick ganz materialistisch”
-mocht lijken, verweert Fechner zich met.... „materiellen Bewegungen,
-welche Gedanken zu tragen vermogen”! En zo kan een ander van het
-hersenproces, als hij het „von aussen ansieht” (!).... natuurlik „nicht
-dieselbe Erscheinung davon [!] haben.... als das Gehirn unmittelbar von
-sich selbst auf seinem innern centralen Standpunct hat”! Zo blijkt
-Fechner’s tegenstelling van „äussern und innern Standpunct der
-Betrachtung” ruimtelik (dus ruimte-realisties) gedacht, in plaats van
-kennistheoreties, altans wat dat „äussere” betreft. En zo vervalt hij
-telkens in het bekende vermaterialiseerde Spinozisme: één zelfde
-„Wesen” met „zwei Seiten”.... en dat Wezen, die Substantia dan als
-ruimtelike, stoffelike werkelikheid gedacht. Vgk. pp. 324 ss. [185]—Wij
-vinden bij Fechner dan ook voortdurend een zien „van” of „met” het oog,
-een luisterend oor enz. (het lichaam dualisties als „orgaan” der ziel)
-een opvatting, die hij gebruikt en nodig heeft voor zijn analogie van
-de aarde, die „met” ons, mensen, kijkt, hoort enz. en waardoor hij
-(III: 112–4) tot (kras-materialistiese) passages komt als: „Es ist an
-sich sonderbar zu glauben, dass das Sehen erst hinter dem Auge beginne;
-und man mag immerhin sagen, das Gehirn sieht, aber es sieht durch das
-Auge, wie das höhere Wesen, dem wir angehören, durch uns sieht” etc. en
-„dass, was im Auge vorgeht durch seine Fortwirkungen sich wirklich im
-Gehirn auch wiederspiegeln kann”!—Slechts even nu en dan breekt de zon
-van het zuiver psychisme door de wolken van het materie-realisme: II:
-348: „denn für sich existirt gar nichts Materielles, es hat als solches
-eine Existenz blos für den Geist gegenüber, als Ausdruck von etwas sich
-geistig selbst Erscheinenden für anderen Geist; ist in sofern ganz
-Function des Geistigen und Verhältnisses von Geist zu Geist.” Dat is
-stralend juist. Maar—reeds weer op p. 349 keren de „Bewegungsprocesse”
-terug „wie sie sich geistig selbst erscheinen”, gelijk het III: 276
-luidt: „der Fluss des Geistigen ist ja nur die Selbsterscheinung des
-leiblichen Flusses”. Zo geeft Fechner (III: 118) de juiste
-zelf-qualificering aan zijn leer: „Begeistung der Materie”. Inderdaad,
-het blijft materie-realistiese „bezieling” van de stof (i.c. van de
-„hele wereld” sc. ruimtewereld!), de „zelfverinwendiging der natuur”
-van Prof. Bolland c.s., streng te scheiden en te onderscheiden van het
-krities psychisme. [186]
-
-Van Prof. Bolland’s „absoluut idealisme” moge hier na al het voorgaande
-nog één zin waarnemingsleer volgen: Spreuk 472: „Tusschen de wereld
-[sc. de onbezielde ruimtewereld, de natuur!] en haar bezielde
-verenkeling bemiddelen de zinnen in verscheidenheid van
-ontvankelijkheid.” Al kunnen wij die „ontvankelijkheid” met geven en
-nemen laten gelden, wij weten nu, dat het in elk geval moet zijn:
-tussen de (onruimtelike) werkelikheid en haar (niet als stof bezielde
-maar zelf zielse [187]) verenkeling. Klaagt dus Dr. Dèr Mouw (Kritische
-Studies, p. 212/3), na gewaagd te hebben van „één Zon, één Maan, die
-afgespiegeld [!] of gesymboliseerd worden door de vele, juist hierdoor
-van droomen verschillende, bewustzijnstoestanden” en van „de vele
-zonnen in de vele bewustzijnswerelden” tegenover een „Ding-an-sich
-Zon”: „Met een bollandist zal men, zooals ik zei, niet vaak zoover
-komen, dat hij het secundaire, het reproductie-karakter van
-waarnemingen zoowel als van begrippen inziet. Het symbolische van alle
-kennis, het sphingische van de Natuur—daar wil hij niet aan.” dan
-moeten wij daartegen opmerken: het ongeluk is juist, dat de
-bollandisten de dogmatiese reproductie-leer der waarneming zonder
-bedenking delen. [188]
-
-De sprekendste proeve van zulk bollandisties-realisties
-waarnemingsdogmatisme levert ons de „Natuurfilosofie” van Dr. J. Clay.
-Deze onderscheidt (Tijdschr. v. Wijsbeg. I: 500–514: „De Natuur”) met de
-termen, die ook een zekere Spinoza heeft gebruikt—zij het ook in ietwat
-andere, nl. wijsgerige, zin—de „natura naturata” (bij Spinoza: de
-natuur, als „attribuut” der „substantie”) van de natura naturans (bij
-Spinoza: deus sive substantia, het An-sich of reale, de zijnsgrond of
-„causa libera” der natuur) als volgt:
-
-„natura naturata”: „het voortgebrachte zakelijke, het bestaande”
-(n.b.!) oftewel „het gezamenlijke der bijzondere verschijnselen, die
-bestaan en gebeuren en die [nu komt het] de oorzaak zijn van onze
-gewaarwordingen”. Dr. Clay voegt er bij: zo wist het reeds „het
-speculatieve denken der Ouden”....
-
-„natura naturans”: „het voortbrengende onzakelijke, het werkzame, het
-ideëele” oftewel „het algemeene overal werkende en scheppende
-beginsel”.
-
-Mocht u nu dit natuur-realisme bij geval nog niet duidelik genoeg zijn
-gebleken, of mocht gij in het „scheppend beginsel” van Dr. Clay’s
-„natura naturans” toch nog iets van Spinoza’s diepte vermoeden, dan
-worde door een voorbeeld van elk, dat Dr. Clay zelf ter beschikking
-stelt, uw twijfel weggevaagd:
-
-„natura naturans”: de „wet” van het behoud van „arbeidsvermogen” (een
-scheppend beginsel!),
-
-„natura naturata”: (dus oorzaak van gewaarwordingen!) een „lichaam
-ergens op zeker oogenblik in beweging”!
-
-Sapienti sat.
-
-
-
-
-2. DE STRIJD TUSSEN DUALISME EN MATERIALISME—EEN HOPELOOS DILEMMA.
-
-Zo hebben wij dan nu, met behulp van Kant, dank zij de kritiese
-waarnemingsleer als integrerend deel van de kenniskritiek, het
-materie-realisme [189] weerlegd, als dogmaties afgedaan en zo zijn wij
-dualisme en materialisme gelijkelik en in énen te boven door ons
-immaterialisme en in die zin idealisme, waarvan zowel het
-niet-realisties, anti-naturalisties monisme van b.v. Riehl, als het
-psychisme een verwezenliking is.
-
-Ziedaar dan een van de grote resultaten der kennisleer met haar
-„kritiek” ten aanzien van dat centrale levensprobleem der wijsbegeerte,
-de verhouding van natuur en geest, van lichaam en ziel, waarvan Stumpf
-terecht verklaart: „Darin gipfelt doch das Bestreben jeder Epoche, dass
-sie zu dieser für die ganze Weltanschauung massgebenden Frage eine
-befriedigendere Stellung gewinne.”
-
-Geest, bewustzijn is het prius der materie. Materie is noch het geheel
-der werkelikheid (materialisme) noch zelfs een deel (dualisme), maar,
-als mogelike bewustzijnsinhoud, objectief phaenomeen der
-werkelikheid—zo luidt de kritiese weerlegging van materialisme en
-dualisme te gader.
-
-Wij behoeven dus, zomin als Kant, enig dualist of materialist nog
-afzonderlik te gaan bestrijden—want allen, de doden en de levenden,
-maar evenzeer de nog komenden zijn ééns en voor al, principieel, a
-priori, weerlegd in hun dogmatiese conditio sine qua non—het
-materie-realisme.
-
-Zonder de kritiek blijft men binnen dat realisme, waar zonder einde de
-strijd woedt tussen anti-theologiese naturalisten en anti- of
-supranaturalistiese theologen. Gemeenlik blijven beiden even diep
-beneden de wijsbegeerte. Met dit verschil, dat het gros der theologen
-alles, het gros der naturalisten niets van haar wil weten. Maar alles
-beter weten willen beiden. Ongelooflik laag is dan ook het algemene
-peil van die strijd, inzonderheid waar het gaat tegen het materialisme.
-Hoe minder de weerlegging van het materialisme lukt, des te beter de
-verachting en beschimping. Dat het onzedelik en verderfelik is spreekt
-dus van zelf. Maar het is erger. Het is „vulgair”, het
-is—anti-materialisties theologenwoord bij uitnemendheid—„oppervlakkig”.
-Dat kunt ge horen in alle toonsoorten en klankkleuren uit de
-dualistiese boeken en boekjes—en naarmate de snaren kleiner worden, des
-te hoger hun toon. Daarom kan het geen kwaad—al blijft de kennisleer
-buiten, immers boven, heel deze strijd—er eens uitdrukkelik op te
-wijzen, dat binnen het realisme, dus in de ruimtewereld, het
-materialisme tegenover het dualisme op nagenoeg alle punten gelijk
-heeft. In de wereldruimte zijn zielen noch geesten, ook is er geen
-zetel, geen woonplaats der ziel, noch in de hersenen of elders in het
-lichaam, noch daarbuiten in heel de nooitgemeten oneindige ruimte des
-heelals; de ziel denkt evenmin zonder hersenen als zij waarneemt zonder
-zintuigen (al denkt zij, voegt de kennisleer er bij, evenmin „met” de
-hersenen, qua orgaan, als zij waarneemt door middel van de
-zintuigen)—de nauwste afhankelikheidsbetrekkingen tussen gezond of ziek
-geestesleven enerzijds en normale of gestoorde hersenfunctie anderzijds
-worden door de dagelikse feiten en proeven van physiologie en
-pathologie onomstotelik bewezen; dat het beginsel van het behoud van
-arbeidsvermogen voor de levende organismen, voor hersenen of
-zenuwstelsels geen uitzondering maakt, is kennistheoreties a priori
-even zeker, methodologies even onaantastbaar, als de algemeengeldigheid
-van het causaliteitsbeginsel, waarvan het een corollarium vormt, en is
-door de bekende proeven van Atwater en Rubner a posteriori bevestigd;
-voor de ziel blijft in de ruimtewereld evenmin een mogelike taak als
-een mogelike plaats over, zodat haar zelfs Lotze’s stoute
-trouvaille-ten-haren-behoeve niet zou helpen (Mikrokosmus I: 3:2: p.
-329): iets werkt niet, waar het is, maar „es sei da, wo es
-wirke”—immers elke beweging is door de beide elementen snelheid en
-richting volkomen bepaald en elke bepaalde wijziging van één dezer
-beide elementen vereist een bepaalde, exakt te berekenen, „kracht”, die
-op een bepaald punt „aangrijpt” en die er volkomen rekenschap van
-geeft, in die zin, dat zonder deze ruimtelike kracht die wijziging
-onmogelik en met die kracht onuitblijfbaar noodwendig is, zodat alle
-wensen, begeerten, overtuigingen, wil of gevoel, beraad of doelstelling
-zonder deze physieke kracht ten aanzien van beweging niets vermogen,
-niets verklaren en met deze voor de natuurwetenschap, voor physiologie
-en physica, een overbodigheid zijn zonder invloed of gevolg, een
-toegift, een „surajouté”, een „epiphaenomeen”; de ruimtewereld is het
-rijk van de mechanica, van de astronomiese wettelikheid, van het
-fatalisme; de oude materialist Feuerbach heeft hier gelijk: de geest is
-„das Nichts der Physiologie”! En daarbij is de monistiese, alle
-organismen, het menselike niet uitgezonderd, omvattende
-ontwikkelingsleer, met haar onafwijsbaar-logies grondbeginsel van
-zuiver immanent-oorzakelike verklaring van organiese en correlatieve
-kosmiese doeltreffendheid, door zulk een overstelpend, overweldigend
-feitelik bewijsmateriaal uit de verschillendste wetenschappen (plant-
-en dierkunde, anatomie, embryologie, palaeontologie) gestaafd, dat
-tegenstanders nog slechts degenen zijn, die niet beter weten of niet
-beter mogen of willen weten en dat het begriploos wonder van een
-mythologiese, dualistiese „creatie” uit niets of uit geesteloze stof of
-stoffeloze geest, als tegenstelling tot de „evolutie”, nog slechts en
-ternauwernood geloofd kan worden door wie zulk een redeloos
-transcendent dogma moeten geloven.
-
-Bijgevolg—al weet tegenwoordig elk respektabel theoloog, „dat het
-materialisme het bewustzijn niet kan verklaren”—ik vrees, dat er nog
-zijn, die met de mond vol tanden zouden staan, als men hun vroeg: „kunt
-gij het bewustzijn dan wèl of beter verklaren?” en dan niet eens zouden
-vatten, waarom zij zelf niet verplicht zijn tot wat zij van het
-materialisme vergen—en zeker niet, dat het psycho-physies
-materialisme.... evenmin verplicht is „het bewustzijn te verklaren”,
-evenmin tracht, het bewustzijn uit materie „af te leiden”, als enig
-dualist.... zodat het dan ook zelf per slot van rekening.... even
-dualisties blijft; en al weet tegenwoordig elk respektabel theoloog,
-dat geest en stof zó „heterogeen” zijn, dat geest nooit uit stof of
-beweging kan worden afgeleid, kan zijn voortgekomen.... ik vrees, dat
-een enkele nog ietwat verlegen zou staan, als hij moest opgeven, waarom
-dan wèl, trots die heerlike „heterogeneïteit”, stof en beweging uit
-geest kan voortkomen of „geschapen” worden en waarom dan licht en
-warmte wel uit beweging kan ontstaan (daar hoort men nooit van die
-heterogeneïteit!), of waarom dan die heterogeneïteit geen beletsel is
-voor „Wechselwirkung”, wederkerige causaliteit tussen geest en stof,
-geen beletsel.... aangezien nu eenmaal voor het gros der dualisten heel
-die heterogeneïteit niet veel meer is dan een gretig nagepraat
-dogma—niet zelden zó goed begrepen, dat het tevens verloochend wordt
-door het even dierbaar-klinkend, maar helaas materialisme-belijdend....
-„ignorabimus”; en al weet tegenwoordig elk respektabel theoloog, dat
-het materialisme „wetenschappelik heeft uitgediend” [190], dat het
-„dood” is—„il y a des morts qu’il faut qu’on tue”, want het leeft, niet
-in die oude, dode, paradetrits der theologen: Büchner-Vogt-Moleschott
-(van deze laatste vooral zouden ze nog veel kunnen leren, als ze hem
-lazen in plaats van hem eeuwig te doden), niet in die oude
-edel-redelike David Friedrich Strauss, die zo onverbloemd en onvervaard
-de konsekwenties van het wetenschappelik, maar helaas nog realisties,
-denken heeft getrokken, als wellicht geen theoloog vóór en nauweliks
-één na hem, maar het leeft, het leeft sterker en vuriger en machtiger
-dan ooit, in natuurvorsers, biologen, physiologen en pathologen als
-Flechsig en Meynert, Loeb en Ramon y Cajal, Verworn en Zander, Forel en
-Benedict en Cramer, Pikler en Kroell en Jäger en Rau, Kassowitz en
-Schneider, in de „positivistiese” maar naturalistiese volgelingen van
-Spencer en Comte, in Bain en Lewes en Huxley en Maudsley, in Paulhan en
-Ribot en Le Dantec en Sollier en Grasset en Delbet, of Winkler en
-Jelgersma ten onzent, in veldwinnende sensualistiese filosofenscholen,
-het „empiriokriticisme” van Avenarius c.s., in Mach en Petzoldt en
-Ziehen, in het energetisme van Ostwald als in het anti-energetisme van
-Boltzmann, in de psychologie van Münsterberg c.s., in de via Feuerbach
-van Hegel afstammende Carneri en Dietzgen c.s., in sociologen en ethici
-als Gumplowicz en Durkheim en Ratzenhofer en Kautsky c.s., Cresson en
-Bayet, in ongeveer heel de criminele anthropologie en -sociologie, van
-de prima tot en met de terza scuola, Aschaffenburg zo goed als Ferri,
-Vargha, Laurent, Garofalo, als Bleuler en Hamon e tutti quanti, ten
-onzent b.v. Aletrino, Wijnaendts Francken en Steinmetz, het leeft en
-bloeit, niet alleen in al die bekende en de duizenden minder of niet
-bekende mannen der wetenschap, maar evenzeer in de steeds wijder
-kringen en lagen, die aan het kerkelik dualisme, maar niet aan het
-realisme ontwassen, natuurlikerwijze openstaan en opengaan voor een
-„natuurwetenschappelike wereld- en levens-beschouwing”, voor een
-beweging, die weliswaar nog niet adogmaties of zuiver anti-dogmaties
-kan denken, maar toch reeds anti-dogmaties en zonder dogma denken wil
-als b.v. de Monistenbund, voor de populair-wetenschappelike
-materialismen van Haeckel, van Clouston (met een tiental onderling
-strijdige realistiese theorieën over de verhouding van lichaam en
-geest), van Paul Dubois, van Duncan (de niet ongewone verbinding van
-materialisme met deïsme, die trouwens aan zijn geheel buitengewone
-leerrijkheid ten aanzien der nieuwe natuurwetenschap, The new
-Knowledge, geen afbreuk doet) en van de spring-levende kerngezonde
-bezield-naturalistiese Bölsche, of ten onzent van Dr. Buekers (met zijn
-even dogmaties als dilettanties „monisme”) en Dr. Snijders, ja, het
-bloeit zelfs in het anti-naturalisme van natura-listen-huns-ondanks als
-Dilthey [191] en Eucken [192] of ten onzent van Embden [193], het leeft
-en bloeit niet alleen, dat „dode” materialisme, maar wat meer zegt, het
-heeft nog een grote, een grootse taak—de ruimtewereld van alle
-dualistiese smetten, van al wat ziel of zielachtig („Psychoid”) is, te
-helpen zuiveren en verlossen. Daarna pas kan en zal het zelf ter ziele
-gaan. Want het materialisme is de eerste helft van de grote
-kennistheoretiese waarheid wier tweede helft de dood is van het
-materialisme: de geest is niet in de ruimtewereld, maar de ruimtewereld
-in de geest.—Al hebben dus dualisme en materialisme het
-materie-realisme gemeen en zijn zij in zoverre voor de kenniskritiek
-lood om oud ijzer, zelfs kennistheoreties, methodologies heeft het
-materialisme nog op het dualisme wat voor, gelijk het dit veelal
-overtreft in anti-dogmatiese gezindheid. En wanneer dit dualisme, als
-in onze dagen—met behulp van „terug-gevonden” zieltjes, die als
-geleerde physiologiese bolletjes in de ruimte (van hun atoom-woninkjes,
-hun cellen en hun zenuwbanen!) hun weg kunnen en willen vinden en hun
-taak en „plicht” van „gidsen, telefonisten, chefs” volbrengen met de
-waarlik bovenmenselike knapheid, ordelikheid en liefheid van de
-spiritistiese gedachtestof (zie Meyer, Opm. 32)—zijn even blinde maar
-toch allicht minder bijgelovige, meer wetenschappelike mede-realisten
-van de materialistiese wal in een dualistiese moddersloot tracht te
-helpen, dan heeft het van de kenniskritiek slechts de materialistiese
-hoon te verwachten, die zulk verderfelik pogen verdient.—Zònder
-materie-kritiek is datzelfde materialisme onweerlegbaar, dat mèt de
-materie-kritiek weerlegd is. Zo blijft elke realistiese, dus
-dualistiese, „weerlegging” van het materialisme een machteloos,
-hopeloos pogen, van te voren tot mislukking gedoemd. Zelfs de meer dan
-40 bladzijden door heel Busse’s denken en weten daaraan gewijd, zijn
-verloren, verspilde moeite, die slechts bewijst, dat uit „materie”
-alleen niets ziels is „af te leiden” of te „verklaren”, dat iets
-anders, geesteliks, naast de materie dient aanvaard, dus oud nieuws,
-door niemand gereder toegegeven dan door het psycho-physies
-materialisme, dat dan ook door Busse met de naam van
-„Pseudomaterialismus” wordt vereerd en later als „Automatentheorie”
-voor zijn realisme optreedt als de onhoudbare afschrikwekkende
-konsekwentie van het.... niet-realisties parallelisme van Wundt of
-Heymans, die er juist de principieelste bestrijders en weerleggers van
-zijn. Trouwens, wij zullen straks nog nader zien, hoe ook Busse’s
-dualisme, als dat van zijn meester Lotze (een dualist, voor wie qua
-denker mijn eerbied zeker niet geringer is, dan b.v. voor Fechner), al
-wil het tenslotte een „idealistisch-spiritualistischer Monismus” zijn,
-het oude verloochende materie-realisme in zich draagt als de parasiet,
-die het ten dode doemt.
-
-Hoezeer dus het dualisme ook te kort schiet in de strijd tegen het
-materialisme, dat van de kritiek zijn volle recht krijgt tot leven en
-sterven, er is anderzijds toch ook weer niemand, die dat
-anti-materialisties dualisme, zelfs in zijn onwetenschappelikste, ja
-anti-wetenschappelikste uitingen, zo goed kan begrijpen en waarderen
-als juist de criticus, die inziet voor welk een taak het dualisme zich
-op zijn beurt gesteld ziet: de „verloren” geest te heroveren op de
-natuur, wat vrijheid, wat leven, wat armslag, wat invloed te redden
-voor rede, wil en gemoed, te herwinnen op het noodlottig, benauwend,
-almachtig, onverbiddelik mechanisme der materie. Het voelt diep de
-ondragelikheid en onmogelikheid der fatalistiese konsekwentie: wij zijn
-de „marionetten”, de slaven en onschuldige slachtoffers onzer hersenen,
-ons werk is hun werk, wij hebben het toekijken en meedraaien als
-bewuste weerhanen, die de winden der bewegingswerkelikheid niet
-„constitueren” maar „constateren”, heel ons bewustzijnsleven, ons
-denken en dichten, willen en wensen is de „reflex”, de „Abglanz”, de
-„innere Spiegelung”, de „schaduw” van de werkende, werkelike toestanden
-en wijzigingen van ons brein, ons centraal zenuwstelsel, ons
-lijf-organisme; zonder de al- of niet-welwillende medewerking van ons
-bewustzijn, zonder ons geestesleven, dus zonder gezicht en gehoor en
-geheugen en kennis, zonder behoeften en begeerten, gevoelens en begrip
-(mits maar met dezelfde ogen- en oren- en hersenbeweging enz.), zouden
-alle dingen.... precies zo hun gang gaan als nu, de „grote”
-wereldbollen en de „kleine” cel- en atoom-werelden verder wentelen niet
-alleen, maar dezelfde boeken geschreven en gedrukt en gekocht en ter
-hand genomen (zij het ook niet gelezen of begrepen), dezelfde scholen
-en kerken en laboratoria gebouwd en bevolkt (zij het ook zonder geloof
-en wetenschap), dezelfde concerten gegeven en bezocht (maar niet
-gehoord), dezelfde werken van beeldende kunst voortgebracht (maar niet
-gezien noch bewonderd) worden, post- en telegraaf- en spoorwegverkeer,
-staatsinrichting en rechtspleging, volkshuishouding en gezinsleven
-blijven, wat ze voor de waarneming zijn.... ziedaar het
-„epiphaenomenalisme” van de geest met zijn universele onoorzakelikheid,
-met „l’universelle irresponsabilité”, de „Nuovi Orizzonti” voor recht
-en zedeleer....
-
-Absurd? Paradox? Een gevaar, een pest, de dood der kultuur? Alles wat
-ge wilt—maar als het waar is? Vivat veritas, pereat mundus.
-
-En daar staat nu het arme dualisme, ziet zijn heiligste have onteigend,
-zijn hoogste waarden ontwerkelikt en ontwijd—heel de kultuur
-ontmenselikt, verzaakt en ontzield.
-
-Hoe begrijpen en eerbiedigen wij zijn „je maintiendrai”!
-
-En welk een tragiek in deze worsteling, van te voren verloren!
-
-Want àl wat het dualisme toekent aan de geest, moet het
-anti-natuurwetenschappelik ontnemen aan de natuurwettelikheid, aan het
-brein, gelijk omgekeerd, al wat de hersenphysiologie voor de wording
-onzer daden, onzer levensactie verovert, gaat ten koste van de
-dualistiese ziel!
-
-Zo wordt dan voor het realisme elke geestesvrijheid een
-indeterministiese inbreuk op de natuurcausaliteit [194], elke
-geestesoorzakelikheid een vitalisties ingrijpen in het
-natuurmechanisme. Ja, wij mogen zelfs zeggen: In de wijsbegeerte [195]
-is het indeterminisme de fatalismevrees van het realisme—en even zo:
-het vitalisme is de automatismevrees van het realisme.
-
-Zo blijft de tweespalt woeden tussen gemoed en verstand, tussen
-„geloof” en „wetenschap”, tussen natuur (des geestes) en leer (der
-natuur), waarbij men van weerskanten gewoonlik een eerbiedwaardig
-ongelijk en een laakbaar gelijk heeft.
-
-En zie—niet alleen het dualisme komt in opstand tegen de
-„Automatentheorie”—het materialisme zelf verloochent deze zijn
-fatalistiese konsekwentie op twee punten: 1o. Ten aanzien der
-betekenis, die het zelf aan de geest zijns ondanks metterdaad toekent.
-2o. Ten aanzien der ontwikkelingsleer, der biologiese nutteloosheid van
-het bewustzijnsleven.
-
-Wat het 1e punt betreft kan ik mij bepalen tot een aanhaling van een
-anti-materialist als Busse, die op p. 33/4 waar en waardig van de
-materialistiese filosofen getuigt: „Praktisch werten sie das Geistige
-ganz anders, als sie es ihren Theorien zufolge werten müssten. An
-Idealismus der Gesinnung, an idealistischer Denkweise beschämen
-sie—viele von ihnen wenigstens—manchen Vertreter idealistischer
-Weltanschauung. Selbstlos stellen sie sich in den Dienst der Wahrheit,
-deren Erforschung sie ihr Leben gewidmet haben; tief eingewurzelt ist
-ihnen die Verehrung, die unbedingte Achtung vor der Wahrheit. Frei und
-offen, mutig und entschlossen treten sie für ihre Überzeugungen ein und
-geben lieber irdische Vorteile aller Art auf, als dass sie ihnen untreu
-werden. Unbekümmert um alle Verlockungen, Drohungen, Verleumdungen und
-Vorurteile halten sie treu zu der Fahne, zu der sie geschworen, halten
-sie fest an dem, was sie als wahr erkannt haben. Begeistert stellen sie
-sich in den Dienst der Menschheit, arbeiten sie an der Vervollkommnung
-und Veredlung des Menschengeschlechts, voller Enthusiasmus kämpfen sie
-für Aufklärung und Geistesfreiheit, leidenschaftlich eifern sie gegen
-Gewissenszwang und Knechtung des Geistes.” etc. En ik zou er willen
-bijvoegen: heel die zgn. „stofverering” [196] van het materialisme is
-ten slotte—wijl het aan zijn „materie” alle geestesfuncties, ook de
-hoogste van gevoel en begrip, alle schatten van schoonheid, goedheid en
-waarheid, toeschrijft—en wijl bovendien de geest toch ook van zijn
-materie het prius is en blijft—niets dan middellike verering van de
-geest!
-
-2o. Slechts bij hoge uitzondering denkt en voelt een materialist niet
-„monisties” genoeg, om niet een aanhanger der ontwikkelingsleer, we
-kunnen met een „Schlagwort” zeggen, om niet Darwinist te zijn, in die
-ruime zin, waarin ook b.v. Hugo de Vries trots en vanwege zijn
-mutatie-leer, een echte Darwinist is.—Welnu, het materialisme is als
-epiphaenomenalisme onverenigbaar met het Darwinisme—zonder een
-nauweliks noemenswaard maar toch straks even aan te stippen
-wondergeloof. Want een onoorzakelik „begeleidingsverschijnsel” is ook
-biologies zonder nut, een overtollige toegift. Waardeloos is in de
-struggle for life heel het voelen, willen en denken, waardeloos zijn de
-begeerten en behoeften, honger en geslachtsdrift, waardeloos de sociale
-instinkten, moed en haat en meegevoel, waardeloos geheugen en
-denkvermogen.... en bijgevolg door geen selectie, geen natuurlike
-teeltkeus tot ontwikkeling te brengen, noch te verklaren noch te
-begrijpen, dan alleen als uitbroedsels van een harmonia praestabilita
-(naar Heymans opmerkt) gelijk er door geen wondergeloof, geen
-Als-Ob-filosofie onwaarschijnliker kon worden bedacht, immers een
-harmonia praestabilita van twee reeksen, door geen denkbaar, laat staan
-verklaarbaar verband in tijd aan elkander gepaard, waarvan de éne
-slechts ruimtelik-organiese elementen bevat in een werkelike evolutie,
-die geen enkele begrijpelike evolutie-faktor meer heeft overgehouden—en
-de andere bestaat uit een niet-causale opeenvolging van steeds
-bewuster, rijker en voller, „ontwikkelder” psychies, geestelik
-leven.... als louter overdaad, grondeloze luxe, die biologies recht
-noch reden van bestaan heeft en toch.... zózeer juist al datgene bevat,
-wat evolutie, ook die der eerste reeks, der organismen, begrijpbaar zou
-maken, zózeer de schijn wekt „als-of” het zelf evolutie-faktor en
-evolutie-produkt ware, dat.... de materialistiese biologen zelf hun
-materialisme voor deze schijn in de steek laten, die schijn voor
-werkelikheid nemen en hun eigen parallelisme door zielig causalisme
-breken. [197] Immers—aan de ijzeren logica der evolutie-leer is geen
-ontkomen: wat geen gevolg heeft, heeft geen nut, wat niet door waarde,
-niet teleologies verklaard kan worden, is niet oorzakelik te verklaren,
-ergo: wat geen evolutionair gevolg heeft, kan geen evolutionair gevolg
-zijn.
-
-Zo moet ook het materialisme zelf aan de geest, aan het
-bewustzijnsleven toekennen, wat het niet kan en mag, immers aan de
-hersenen, aan het organisme te kort moet doen.
-
-Het materialisme kan zijn materie even min vrij houden van dualistiese
-smetten en buitensporigheden als het dualisme zijn ziel voor
-materialistiese afhankelikheden en beperkingen vrijwaren kan.
-
-
-
-
-3. DE VERLOSSING. DE WARE KRITIES-MONISTIESE „HETEROGENEÏTEIT” EN
-„IDENTITEIT”, WAARDOOR DE LEER VAN OVERGANG (CAUSALISME,
-„WECHSELWIRKUNG”), VERVALLEN IS EN DE LEER VAN DENKBEELDIGE SAMENGANG
-(IDEËEL PARALLELISME) ZEGEVIERT. BESLUIT.
-
-Tot dan de Kritiek aan heel dat hopeloos antagonisme tussen geest en
-natuur, lichaam en ziel een eind maakt door beider echte
-kennistheoretiese „heterogeneïteit”—en daardoor het „Kunststück”
-volbrengt, aan elk van beide.... alles te geven, alles, wat zij maar
-kunnen verlangen en krijgen: heel de werkelikheid aan de geest—heel de
-ruimtewereld aan het lichaam! Elk krijgt op zijn beurt het rijk alléén,
-maar ook alléén zijn eigen rijk, de geest dat der konkrete
-onafhankelike werkelikheid zelf, de natuur dat der abstrakte,
-objectieve phaenomenaliteit, [198] afhankelik van haar denkbeeldig
-subjekt. Met deze kritiese heterogeneïteit, hebben wij tevens een
-tweede belangrijk resultaat bereikt ten aanzien der verhouding van
-geest en natuur, lichaam en ziel. Het geldt de grote tegenstelling
-causalisme (naam, die ik voorstel voor het Duitse Wechselwirkungslehre)
-of parallelisme [199]—wil men betere, misschien minder beeldende, maar
-altans begrippelik-zuivere hollandse termen, dan zou ik voorstellen:
-Overgangsleer of Samengangsleer.
-
-De kritiese heterogeneïteit nu betekent de principiële,
-kennistheoretiese weerlegging ééns en voor altijd van het causalisme.
-Mèt het materie-realisme staat en valt zelfs de mogelikheid, de
-denkbaarheid van de Wechselwirkung, van de wederkerige causaliteit, dus
-van het causalisme, van de overgangsleer. Want causaal-zijn, oorzaak
-zijn, kan alleen wat werkzaam, dus wat werkelik is, in causaal verband
-staan kunnen (en moeten) dus alleen delen der werkelikheid. De natuur
-of ruimtewereld, de natuurwetenschappelike kosmos, de stof of materie
-nu is „phaenomeen”—is dus niet een deel van de werkelikheid (als bij
-het dualisme—Busse [200] b.v.) laat staan de gehele werkelikheid (als
-bij het naturalisme), maar is een bepaalde verhouding der werkelikheid.
-Maar dan toch een werkelike verhouding? Zelfs dat niet. Immers een
-denkbeeldige verhouding, de verhouding van de werkelikheid niet tot
-iets werkeliks, maar tot denkbeeldige denkend-waarnemende
-subjectiviteit. Dus een abstraktie. Maar geen willekeurige, immers een
-volkomen („eindeutig”) bepaalde, dus in die zin (wacht u voor
-Hegeliaanse misduiding) konkrete abstraktie. Onbegrijpbaar, logies
-ondoorzichtelik, was het causalisme, was de „Wechselwirkung” tussen
-„denkende” en „ruimtelike” substantie reeds bij de realistiese
-„heterogeneïteit” van Descartes c.s. waaruit het „occasionalisme”
-voortkwam en het dieper monisme van Spinoza. Maar deze
-onbegrijpelikheid moge voor een rationalisties verleden onaannemelik
-geweest zijn, bij het positivisties heden vindt zij weinig bedenking.
-Onmogelik echter, ondenkbaar, is het causalisme pas geworden door de
-kenniskritiese heterogeneïteit tussen materie en bewustzijn als
-phaenomeen en reale.—Vervallen, weerlegd, is dus in één slag heel het
-tweede deel van Busse’s „Geist und Körper”: „Die psychophysische
-Wechselwirkungstheorie”, zowel het eerste hoofdstuk: „Die Vorteile der
-Theorie” als het tweede: „Die Schwierigkeiten”. Met geen van beide
-hoeven wij ons dus meer in te laten. En evenals wij te voren de
-loochening van het An-sich, van het reale, het substratum der materie
-als betrouwbaar kenmerk van materie-realisme [201] hebben leren kennen,
-zo hebben wij tans een tweede zeker symptoom van materie-realisme in de
-Wechselwirkungstheorie, in de overgangsleer. [202]
-
-„Eine solche vorgegebene Gemeinschaft zwischen zween Arten von
-Substanzen, der denkenden und der ausgedehnten, legt einen groben
-Dualism zum Grunde und macht die letztere, die doch nichts als blosse
-Vorstellungen des denkenden Subjects [gewaarwordingsinhouden, niet van
-een enkeling!] sind, zu Dingen, die für sich bestehen.” (K. d. r. V. p.
-329/30).
-
-Mèt het materie-realisme zijn dan ook al die zwarigheden aangaande de
-samenhang van geest en materie verdwenen, want even onmogelik als de
-causaliteit is tussen een reale als de geest en een phaenomeen als de
-materie, even bezwaarloos is de causaliteit, en anderdeels zelfs de
-identiteit tussen geest en het reale van materie! Want dit reale, dat
-zeker onstoffelik en onruimtelik is, hoeft overigens in geen enkel
-opzicht soortelik van de ons bekende geestelike, zielse, subjectieve
-werkelikheid te verschillen, kan daarmee volkomen homogeen en voor een
-deel identiek zijn. „Wetenschap” daaromtrent, een kennen van dat reale,
-van dat An-sich is onmogelik: „Da nun Niemand mit Grund vorgeben kann,
-etwas von der transscendentalen Ursache unserer Vorstellungen äusserer
-Sinne zu kennen” (K. d. r. V. p. 328). Onderstelling, hypothese blijft
-dit psychisties Monisme, dat zo al niet zijn leven, dan toch zijn
-levenskracht te danken heeft aan Kant. Dies wil ik u en mij het
-voorrecht niet onthouden, in onze tans bereikte resultaten letterlik op
-te kunnen nemen de paar bladzijden zelf van Kant, die hier mogen
-volgen:
-
-„Denn alle Schwierigkeiten, welche die Verbindung der denkenden Natur
-mit der Materie treffen, entspringen ohne Ausnahme lediglich aus jener
-erschlichenen dualistischen Vorstellung: dass Materie, als solche,
-nicht Erscheinung, d.i. blosse Vorstellung des Gemüths, der ein
-unbekannter Gegenstand entspricht, sondern der Gegenstand an sich
-selbst sei, so wie er ausser uns unabhängig von aller Sinnlichkeit
-existirt.” (p. 329).
-
-„Bedenkt man aber, dass beiderlei Art von Gegenständen hierin sich
-nicht innerlich, sondern nur, sofern eines dem andern [let wel: der
-Gegenstand äusserer Sinne erscheint dem Gegenstand des inneren Sinnes,
-der Seele] äusserlich erscheint, von einander unterscheiden, mithin
-das, was der Erscheinung der Materie, als Ding an sich selbst, zum
-Grunde liegt, vielleicht so ungleichartig nicht sein dürfte, so
-verschwindet diese Schwierigkeit, und es bleibt keine andere übrig, als
-die [onoplosbare], wie überhaupt eine Gemeinschaft von Substanzen
-möglich sei” (p. 699/700 uit de 2e druk!).
-
-Na de plaats, in de noot bij mijn tekst bl. 78 geciteerd en hier te
-vergelijken, schrijft Kant:
-
-„Ob nun aber gleich die Ausdehnung, die Undurchdringlichkeit,
-Zusammenhang und Bewegung, kurz alles, was uns äussere Sinne nur
-liefern können, nicht Gedanken, Gefühl, Neigung oder Entschliessung
-sein oder solche enthalten werden, als die überall [= überhaupt] keine
-Gegenstände äusserer Anschauung sind, so könnte doch wohl dasjenige
-Etwas, welches den äusseren Erscheinungen zum Grunde liegt, was unseren
-Sinn so afficirt, dass er die Vorstellungen von Raum, Materie, Gestalt
-etc. bekommt, dieses Etwas, als Noumenon (oder besser, als
-transscendentaler Gegenstand) betrachtet, könnte doch auch zugleich das
-Subject der Gedanken sein, wiewohl wir durch die Art, wie unser
-äusserer Sinn dadurch afficirt wird, keine Anschauung von
-Vorstellungen, Willen etc, sondern bloss vom Raum und dessen
-Bestimmungen bekommen. [203] Dieses Etwas aber ist nicht ausgedehnt,
-nicht undurchdringlich, nicht zusammengesetzt, weil alle diese
-Prädicate nur die Sinnlichkeit und deren Anschauung angehen, sofern wir
-von dergleichen (uns übrigens unbekannten) Objecten afficirt werden.
-Diese Ausdrücke aber geben gar nicht zu erkennen, was für ein
-Gegenstand es sei, sondern nur: dass ihm, als einem solchen, der ohne
-Beziehung auf äussere Sinne an sich selbst betrachtet wird, diese
-Prädicate äusserer Erscheinungen nicht beigelegt werden können. Allein
-die Prädicate des innern Sinnes, Vorstellungen und Denken,
-widersprechen ihm nicht. Demnach ist selbst durch die eingeräumte
-Einfachheit der Natur die menschliche Seele von der Materie, wenn man
-sie (wie man soll) bloss als Erscheinung betrachtet, in Ansehung des
-Substrati derselben gar nicht hinreichend unterschieden.
-
-„Wäre Materie ein Ding an sich selbst, so würde sie als ein
-zusammengesetztes Wesen von der Seele, als einem einfachen, sich ganz
-und gar unterscheiden. Nun ist sie aber bloss äussere Erscheinung,
-deren Substratum durch gar keine anzugebende Prädicate erkannt wird;
-mithin kann ich von diesem wohl annehmen, dass es an sich einfach sei,
-ob es zwar in der Art, wie es unsere Sinne afficirt, in uns die
-Anschauung des Ausgedehnten und mithin Zusammengesetzten hervorbringt,
-[204] und dass also der Substanz, der in Ansehung unseres äusseren
-Sinnes Ausdehnung zukommt, an sich selbst Gedanken beiwohnen, die durch
-ihren eigenen inneren Sinn mit Bewusstsein vorgestellt werden können.
-Auf solche Weise würde eben dasselbe, was in einer Beziehung körperlich
-heisst, in einer andern zugleich ein denkend Wesen sein, dessen
-Gedanken wir zwar nicht, aber doch die Zeichen derselben in der
-Erscheinung, anschauen können. Dadurch würde der Ausdruck wegfallen,
-dass nur Seelen (als besondere Arten von Substanzen) denken; es würde
-vielmehr wie gewöhnlich heissen, dass Menschen denken, d.i. eben
-dasselbe was, als äussere Erscheinung, ausgedehnt ist, innerlich (an
-sich selbst) ein Subject sei, was nicht zusammengesetzt, sondern
-einfach ist und denkt.” (305/6).
-
-Volgt op dezelfde bladzij de plaats, waarop ik reeds, in de tekst bl.
-70, de volle aandacht gevestigd heb:
-
-Het onkenbaar intelligibele substraat der materie behoeft in niets van
-de ziel te verschillen.
-
-Ja, in de 2e druk geeft Kant zelfs in een onbewaakt en weinig opgemerkt
-[205] ogenblik zijn behoedzame onthouding ten aanzien van deze en
-dergelijke hypothesen prijs en zegt positief: „Also bleibt die
-Beharrlichkeit der Seele, als bloss Gegenstandes des inneren Sinnes,
-unbewiesen, und selbst unerweislich, obgleich ihre Beharrlichkeit im
-Leben, da das denkende Wesen (als Mensch [206]) sich zugleich ein
-Gegenstand äusserer Sinne ist, für sich klar ist.” (p. 692).
-
-Zo levert Kant ons een voorbeeld van onze waarheid: wie het
-materie-realisme te boven is, kàn geen causalist meer zijn, geen
-aanhanger der „Wechselwirkungslehre”, kan geen overgang tussen geest en
-stof meer voor mogelik houden.
-
-Bijgevolg is hij parallelist.
-
-Tertium non datur.
-
-Zo hebben wij, uitsluitend op grond van het materie-phenomenalisme en
-de daaruit voortvloeiende kennistheoretiese heterogeneïteit van geest
-en natuur, die wederkerige werking uitsluit, ons krities,
-niet-realisties parallelisme bereikt. Gelijk dus de „nadelen” van de
-overgangsleer vanzelf voor ons verdwenen zijn, zo vallen ons niet
-alleen „Die Vorteile des Parallelismus”, die ook Busse (G. u. K.
-119–129) moet erkennen, vanzelf in de schoot [207]: „die Möglichkeit,
-die Ansprüche idealer Weltauffassung mit der Forderung
-materialistischer [lees mechanistischer] Naturerklärung zu vereinigen”
-en de „Verträglichkeit mit den Prinzipien der Geschlossenheit der
-Naturkausalität und der Erhaltung der Energie”, maar bovendien zijn al
-„Die Nachteile des Parallelismus” (niet minder dan pp. 129–379!)
-tegelijk met het realisme verdwenen en in evenzoveel „Vorteile”
-verkeerd.
-
-Dat zij hier ten slotte nog even aangetoond (voorzover niet reeds een
-Heymans of een Eisler het hebben gedaan), waardoor tevens te beter zal
-uitkomen, hoe wij al die ellende, waarin wij dualisme en materialisme
-zagen blijven steken, tans waarlik achter en onder ons weten.
-
-Busse behandelt die „Nachteile des Parallelismus” in 3en: 1. „Der
-metaphysische Unterbau”, 2. „Die Künstlichkeit”, 3. „Die Konsequenzen
-und ihre Undurchführbarkeit”.
-
-1. „Der metaphysische Unterbau” (129–183). Busse onderscheidt:
-
-a. Der realistisch-monistische Parallelismus (Neo-Spinozismus,
-Identitätsphilosophie),
-
-b. Der idealistisch-monistische Parallelismus.
-
-a. Elk realisties parallelisme „bleibt tatsächlich im Dualismus
-stecken”—trots alle nog zo verleidelike, nog zo „monistiese”
-beeldspraak, van binnen- en buiten-kant, concaaf—convex (hol en bol),
-wezen en schijn, centrum of inwendigheid en peripherie of
-oppervlakkigheid—dat behoeft voor ons geen betoog meer en wordt des te
-gretiger toegegeven, wijl het immaterialisme voortdurend met
-realistiese identiteits-theorieën en -beelden verward en bestookt
-wordt.... o.a. door Busse.
-
-b. Ten aanzien der echte „idealistisch-monistische” Identiteitsleer
-faalt echter Busse, faalt elk realist, ten enenmale met die toch
-volkomen begrijpelike vraag, die ik hier afdoende wil beantwoorden:
-Voor u, idealisten, monisten, is het causalisme, de overgangsleer eo
-ipso vervallen, omdat de twee-heid vervallen is, omdat van uw causale
-werkelikheid de natuur geen deel uitmaakt—maar is dan niet meteen om
-dezelfde reden het parallelisme, de samengangsleer vervallen, die
-immers ook een tweeheid, twee reeksen, dus o. i. een dualisme,
-onderstelt; en zo gij een parallelisme behoudt, verloochent gij niet uw
-monisme, daar uw éne immateriële werkelikheid dan toch samengaat met
-iets anders, de natuur?
-
-Ziedaar de grote voordehandliggende vraag der realisten (Busse,
-Erhardt, Stumpf, Bolland e tutti quanti).
-
-En ziehier het afdoend antwoord, toegelicht door uiteenzetting en
-verduideliking van de „idealisties-monistiese” samengangsleer:
-
-Het krities, immaterialisties parallelisme tussen werkelikheid en
-natuur onderstelt inderdaad tweeërlei, twee reeksen, maar slechts één
-werkelike reeks, de immateriële werkelikheid zelf, en één phaenomenale,
-dus denkbeeldige reeks, de materiële natuur.
-
-De éne tijdelike werkelikheid heeft natuurlik tal van variabele
-afhankeliken, van functies, in wiskundige zin, immers tal van werkelike
-of denkbeeldige verhoudingswijzen. Zo het geheel, de reeks van haar
-geschiedkundige jaartallen in de geschiedboeken of van haar
-duizenderlei mogelike statistieke jaarcijfers. Die jaartallen b.v. „gaan
-samen” met, parallel aan, het werkelik gebeuren, als een bepaalde
-denkbeeldige doorlopende wettelike tijdfunctie, zonder „overgang”,
-zonder invloed op dat gebeuren, een samengang, volkomen verklaarbaar en
-doorzichtig, niet berustend op toeval, of willekeur of wonderbaarlike
-harmonia praestabilita, maar op eigen innerlike, wettelik bepaalde,
-noodwendige samenhang.
-
-Precies zo met de natuur, die doorlopende, bepaalde, denkbeeldige
-waarnemingsfunctie van de werkelikheid, dat geheel van al de inhouden
-der gewaarwordingen, die de werkelikheid veroorzaken kan. Ook hier een
-samengang, een parallelisme, berustend op de nauwst denkbare samenhang,
-die van substraat en phaenomeen, hier nog eens zonder beeldspraak,
-zonder holheid of bolheid, binnen- of buiten-kant, maar ook zonder mijn
-„jaartallen” of „statistieken”, exakt causaal te formuleren als volgt:
-het substraat (dus de onstoffelike, waarschijnlik in haar geheel zielse
-werkelikheid) is de oorzaak van de gewaarwordingen aan wier inhoud het
-phaenomeen (dus de natuur, de stoffelike voorwerpenwereld) zijn (ergo
-„zinnelike”) eigenschappen ontleent.—Maar ook het bovengebruikte beeld
-kan ons nog verder van dienst zijn, gelijk de analogie nog verder gaat:
-evenals het denkbeeldig jaartallenstelsel aan een bepaalde eigenschap
-of biezonderheid van de werkelikheid zijn bestaan te danken heeft, nl.
-de tijdelikheid, zonder zelf eigenschap of deel der werkelikheid te
-zijn, evenals elke denkbeeldige statistiek aan een bepaalde,
-geabstraheerde eigenschap of zijde of biezonderheid van de werkelikheid
-ontleend is (sterfelikheid, geslachtsverschil, misdaad,
-behoeftebevrediging enz. enz.), zonder zelf zulk een zijde der
-werkelikheid te zijn, zó heeft de natuur aan een bepaalde eigenschap
-der werkelikheid haar bestaan te danken—aan het vermogen,
-gewaarwordingen te veroorzaken—, zonder zelf werkelik of gewaarwording
-te zijn.—Jaartallen en statistieken hebben een grote symboliese waarde,
-kennis-waarde: zij wijzen op werkelikheid, maar wijzigen haar niet. Alzo
-de natuur, alzo het phaenomeen ten aanzien van zijn substraat en naar
-het psychisme de hersenen t.a.v. de geest.—Ook met de waarheid, in
-tegenstelling tot de werkelikheid, heeft de bestaanswijze der natuur
-haar overeenkomst: Gelijk de natuur het denkbeeldig geheel aller
-mogelike waarnemingsinhouden is, zo de waarheid het denkbeeldig geheel
-aller mogelike ware oordelen. Beide zijn gelijkelik een functie der
-werkelikheid in haar verhouding tot een denkbeeldig universeel subjekt.
-En evenmin als de onwerkelikheid van de waarheid iets aan haar waarde,
-haar algemeengeldigheid, haar objectiviteit te kort doet, of de
-verloochening of vervluchtiging van de waarheid betekent, evenmin doet
-de phaenomenaliteit der natuur afbreuk aan haar waarde, haar
-objectiviteit, die noch verloochend noch vervluchtigd wordt, zo min als
-de natuurwetenschap er iets van haar belangrijkheid, waarheid of
-exaktheid bij inschiet. Want de natuur moge dan niet zelf werkelikheid
-zijn, zij is die functie der werkelikheid, op wier kennis heel onze
-gemeenschap met medemens en buitenwereld, de mogelikheid dus van leven
-en samenleven, van doelstelling en doelbereiking berust. Ja, nog een
-dieper zin dan voorheen krijgt de natuur, krijgt elk natuurlik gebeuren
-als phaenomeen, door onmiddellik symbool te zijn van de transobjectieve
-onstoffelike werkelikheid zelve, waarin en waaruit wij zelf worden en
-werken als geestelik, denkend en willend, wezen. [208] En gelijk de
-waarheid eeuwig één en dezelfde zou blijven, al zou er geen oordelend
-enkeling zijn en geen mens die haar kende, zo zou de natuur dezelfde
-blijven die zij is, al was er geen waarnemend individu en geen kennis
-of begrip der natuur, geen natuurwetenschap.
-
-De werkelikheid is het prius van jaartallenstelsel en statistiek en
-waarheid—zo ook van de natuur. En gelijk het jaartallenstelsel zijn
-eigen rekenkundig verband en zijn diskreetheid heeft, terwijl de
-werkelikheid een qualitatief continuüm is en blijft, zo heeft de natuur
-haar eigen mechaniese wettelikheid en haar atomisme, zonder invloed of
-inbreuk op de éénheid, de geestelike zelfstandigheid en
-eigenwettelikheid der werkelikheid.—Zo zijn geest en natuur dus waarlik
-„ongescheiden onderscheiden”. Zij zijn en blijven „heterogeen”—de
-tegenstelling „psychies” en „physies” blijft behouden, wordt zuiverder,
-gaver, exakter dan ooit te voren, zodat zelfs voor het Panpsychisme
-„psychies” geen zinledig woord wordt, doordat het correlatieve
-„physies” zou vervallen: het physiese zelf wordt niet psychies, blijft
-superindividueel, en het psychiese, individuele, niet physies, ook de
-waarnemingen en voorstellingen behoren uitsluitend tot de psychiese,
-nooit tot de physiese reeks, die niet eens werkelike, slechts
-denkbeeldige waarnemingsinhouden bevat. „Identiteit” tussen geest en
-stof blijft even zinledig als altijd. Identiteit is alléén mogelik en
-waarschijnlik geworden tussen geest en het zeker immaterieel substraat,
-het reale der stof. Ziedaar de kritiese „Identiteitsleer”. [209]
-
-En een soort „epiphaenomenalisme” is het ook—maar precies het
-omgekeerde van het realistiese: De natuur niet feitelik maar ideëel
-epiphaenomeen van de werkelikheid, die haar ontologies prius, haar
-conditio sine qua non, haar grond is. Dùs, hoor ik vragen, ook dezelfde
-tegenwerping in omgekeerde zin: de werkelikheid zou zonder natuur,
-zonder organismen, zonder hersenen precies zo haar gang gaan? Neen,
-niet dezelfde tegenwerping, want de werkelikheid gaat reeds nu evenzo
-zonder (medewerkende, „werkelike”) natuur haar gang als zonder
-(medewerkend, „werkelik”) jaartallenstelsel,—maar geen enkele wijziging
-van de natuur, is denkbaar, die niet afhankelik zou zijn van, wijzen
-op, haar werkelikheidsgrond hebben in, een wijziging, een anders-zijn
-van het substraat, het reale.... de onstoffelike, waarschijnlik
-psychiese werkelikheid zelf. [210] De betrekkelike zelfstandigheid
-(zonder inmenging of overgang) van elk der beide reeksen berust dus
-voor de werkelike, zielse reeks op haar echte zelfstandigheid en
-volkomen onafhankelikheid van de natuur, voor de stoffelike,
-phaenomenale reeks echter uitsluitend op haar functionele bepaaldheid,
-op éénzelvigheid, konsekwentie van abstraktie-beginsel: in het geheel
-aller mogelike jaartallen of statistieken der levende werkelikheid zal
-nooit iets anders dan jaartal of statistiek voorkomen—in het
-denkbeeldig geheel aller mogelike waarnemingsinhouden nooit iets anders
-dan natuur, ruimteding, objekt. Ziedaar de kenniskritiese zuiverheid
-der phaenomenale natuur, die haar voor elke zielsinmenging, voor alle
-psychovitalisme, alle mogelike of liever onmogelike „Seelenkräfte”, ’t
-zij een „Psychoid” van Driesch (die met deze zijn „Seele als
-elementarer Naturfaktor” Wundt’s zielse natuur-„entelechie” profaneert)
-of Reinke’s dualistiese „Dominanten” („eine Art von Beseelung, von
-Durchgeistigung der materiellen Substanz”) principieel en a priori
-vrijwaart en elk niet-realist als Wundt of Heymans of Eisler of Riehl
-eo ipso ten aanzien der natuur tot een anti-teleologies,
-anti-vitalisties mechanist maakt, daar het voor hem 1o. onmogelik is,
-de ziel te vernaturen tot „Naturfaktor”, aangezien dit een verzaking,
-een verontwerkeliking zou zijn van de ziel en aangezien onder het
-denkbeeldig geheel van mogelike bewustzijnsinhouden geen bewustzijn
-zelf kan voorkomen, onder phaenomena geen reale, onder objekten geen
-subjekt, zo min als de wereld-voorvallen zelf onder de jaartallen en
-2o. onnodig, het zielse bij de natuur in te lijven, aangezien de
-doelstellende, willende, bewust of onbewust leidende geest, om werkzaam
-en werkelik te zijn niet die bekrompen beperkte gebonden invloed nodig
-heeft, die de dualismen en vitalismen nog in de natuur aan de
-natuurkrachten, aan „potentiële” en „actuele” energie pogen te
-ontfutselen, maar juist voor hem de enige bekende, wellicht de enige
-bestaande, oorzakelike werkelikheidsmacht is, de van natuur
-onafhankelike, voor natuur onbereikbare [211] macht, waar heel de
-natuur aan ontbloeid is.
-
-En nu terug tot Busse om de vruchten te plukken van ons betoog.
-
-„Da ist nun zunächst zu bemerken,”, aldus p. 145 o. c., „dass wir, wenn
-wir uns auf den Boden idealistisch-spiritualistischer Weltanschauung
-stellen, im eigentlichen und strengen Verstande natürlich einen
-psychophysischen Parallelismus nicht vertreten und festhalten können.
-Ist die Welt ihrer wahren und wirklichen Beschaffenheit nach nur
-psychisch, so gibt es in ihr auch nur psychische Vorgänge und einen
-psychischen Zusammenhang. Die physische Reihe, die der Reihe der
-psychischen Prozesse parallel gehen soll, verschwindet als solche auf
-diesem Standpunkte, ihre Glieder werden zu Bestandteilen der
-psychischen Reihe selbst.” Boven weerlegd—het physiese verdwijnt niet
-als zodanig en wordt niet psychies („die physische Seite” is niet „ja
-in Wahrheit auch eine psychische”, p. 146), niet „Vorstellung”. „Die
-Vorstellungen der Körper und ihrer Aktionen sind selbst
-Bewusstseinsinhalte, gehören also der psychischen Reihe an.” Zeker,
-maar wij onderscheiden die voorstellingen van phaenomena zuiver van de
-phaenomena zelf. Erscheinungen zijn geen Vorstellungen, als op p. 149.
-
-Belangrijk, omdat er de grondfout van heel Busse’s boek, zijn
-realisties „standpunt” in wordt blootgelegd, is de noot op bl. 159,
-waar hij schrijft: „Es ist wichtig, diese Tatsache: dass wir von der
-idealistischen Konstruktion und dem mit ihr gegebenen
-Kausalzusammenhang zur parallelistischen Konstruktion und der Negierung
-psychophysischer Kausalität nur gelangen können, wenn wir den
-Wahrnehmungen der physischen Dinge und Vorgänge im realistischen [!]
-Sinne wirkliche Dinge und Vorstellungen [wel schrijffout, lees
-Vorgänge] gegenüber stellen, also uns auf den Standpunkt des naiven
-Realismus stellen, schon hier mit aller Entschiedenheit zu betonen und
-festzuhalten. Dieser Standpunkt ist die Voraussetzung sowohl des
-Parallelismus als der ihm entgegengesetzten Annahme psychophysischer
-Wechselwirkung. Nur auf diesem Standpunkt sind beide und ihr Gegensatz
-möglich, auf idealistischer Basis verschwindet sowohl der
-psycho-physische Parallelismus als die psycho-physische Wechselwirkung.
-Auf dieser realistischen Grundlage muss daher auch der Streit zwischen
-Parallelismus und Wechselwirkungslehre ausgefochten werden. Es ist ganz
-unzulässig, Nachteile, die einer dieser beiden Theorien auf derselben
-etwa erwachsen und sie der anderen gegenüber ungünstiger erscheinen
-lassen, dadurch gegenstandslos machen zu wollen, dass man sich, in die
-Enge getrieben, auf die idealistisch-metaphysische Auffassung, also auf
-einen Standpunkt zurückzieht, auf dem es weder psychophysischen
-Parallelismus noch psychophysische Wechselwirkung mehr gibt. Diese
-Bemerkung wird später sich als wichtig erweisen.” [212]
-
-Wij weten en begrijpen nu, hoe en waarom „auf idealistischer Basis” wel
-de psycho-physiese Wechselwirkung, niet het ps.-ph. parallelisme
-verdwijnt; dat en waarom wij tegenover „den Wahrnehmungen der
-physischen Dinge und Vorgänge” niet „im realistischen Sinne” „wirkliche
-Dinge und Vorgänge” stellen, maar im idealistischen Sinne phaenomenale,
-dus immanent-objectieve Dinge und Vorgänge. En „ganz unzulässig” is
-het, om de nadelen, die uitsluitend gelden op Busse’s „Standpunkt des
-naiven Realismus” (en dan ook uitsluitend aan „naiven Realismus” te
-wijten zijn) aan het krities parallelisme in de schoenen te schuiven.
-[213] Immers het krities idealisme is geen „standpunt” waarop men zich
-naar believen al of niet zou kunnen of mogen stellen (Busse passim,
-b.v. p. 259/60); men is nog realist (als Busse) en is het dan tegen
-heug en meug ook ten aanzien der verhouding van lichaam en geest, òf
-men is het niet meer en kàn het dus evenmin zijn in zake de verhouding
-van lichaam en geest als t.a.v. het lichaam op zich zelf. Zo zal dus
-geen idealist zich van zijn stuk laten brengen, laten neertrekken op
-realisties terrein. Wie een idealist ontmoeten wil en uit het veld
-slaan, die moet eerst zien zijn veld te bereiken, zich op de hoogte te
-stellen van zijn idealisme.
-
-Omtrent de Identiteit schrijft nu Busse op p. 146: „Versucht man nun
-aber, den Parallelismus.... auf der Grundlage
-idealistisch-spiritualistischer Weltanschauung wirklich durchzuführen,
-so muss man sich vor allem klar machen, dass man man auf dieser
-Grundlage wie das psychophysische, so auch das Prinzip der Identität
-der beiden Reihen, die Zweiseitentheorie, fallen lassen muss.” Juist,
-zo min het een als het ander. „Es hat auf idealistischem Standpunkt
-keinen Sinn mehr, zu sagen, die beiden Reihen, die Vorstellungen der
-körperlichen Phänomene und die innen in demselben oder in einem anderen
-Individuum entsprechenden psychischen Vorgänge, seien identisch, zwei
-Seiten einer und derselben Sache.” [214] Dat zeggen wij ook niet. We
-zeggen met Busse (149): „Eine derartige Identität lässt sich nun aber
-gar nicht behaupten und wird auch von der Identitätsphilosophie nicht
-behauptet.” Maar als hij dan Heymans zelf als volgt misduidt: „dass
-aber, wie uns hier zwar nicht explicite, wohl [evenmin] aber implicite
-zugemutet wird, ein Gehirnprozess und die Vorstellung, die ein ihn
-beobachtendes Subjekt von ihm hat, identisch, zwei Seiten einer und
-derselben Sache seien, ist eine Behauptung, die im Ernst doch niemand,
-der sich, wenn auch nur vorübergehend einmal auf den Boden
-realistischer Anschauungsweise stellt, wird verfechten wollen. Damit
-ist nun allerdings aber dieser ganzen Identitätslehre das Urteil
-gesprochen.”, dan antwoorden wij, dat men zich zelfs niet
-„vorübergehend” „einmal auf den Boden realistischer Anschauungsweise”
-hoeft te stellen, om zulk een „Identitätslehre” voor onzin te
-verklaren, dat echter voor het idealisme, voor Heymans (als voor
-Ebbinghaus, maar deze houdt zich lang niet altijd vrij van realistiese
-onzuiverheden) nooit een waarneming of voorstelling met een
-hersenproces „identiek” is, maar altijd en uitsluitend met het reale
-van een hersenproces; zo is dus b.v. B’s waarneming (b.v. van C’s
-hersenproces) het reale van een hersenproces van B, dat weer door A
-b.v. wordt waargenomen. Heymans bedoelt dus: wat realiter waarneming
-van B is en als zodanig uitsluitend tot de werkelike zielse reeks
-behoort, kan zonder strijdigheid of vereenzelviging van
-ongelijksoortigs phaenomenaliter hersenproces van B zijn, maar behoort
-als zodanig uitsluitend tot de natuurreeks. Gelijk men nu tot een goed
-verstaander kan zeggen, al is het ietwat onnauwkeurig, de werkelikheid
-is in bepaald opzicht (nl. voor en door denkbeeldige waarneming)
-natuur, zo kan men ook zeggen: het ziels gebeuren is in zeker opzicht
-hersenproces. En zo ontstaat dan de zeker niet aanbevelenswaardige,
-realisten van de wijs brengende uitspraak: „hetzelfde” behoort zowel
-tot de ene reeks als tot de andere! Men herleze nu Busse’s wonderlike
-realistiese Heymans-misvatting (147–151), waarnaar de „schliesslich zu
-Grunde liegenden psychischen Originalvorgänge, auf welche doch alles
-ankommt”.... „in diesem Parallelismus überhaupt keine Rolle” zouden
-spelen, „ausserhalb des Parallelismus selbst” zouden staan, en
-„Schliesslich bedeutet doch die Behauptung Heymans, dass eine
-identische Bewusstseinserscheinung sowohl als der einen wie als der
-anderen Reihe zugehörig betrachtet werden kann, bei Lichte [?] besehen
-nichts anderes, als dass wir an jeder Vorstellung den Akt des
-Vorstellens und den vorgestellten Inhalt unterscheiden können und dass
-beide doch eine untrennbare Einheit bilden. Das wusste man nun freilich
-schon lange: um das zu wissen brauchte man nicht erst die Theorie des
-psychophysischen Parallelismus aufzustellen. Was aber hat diese
-Identität der Vorstellung und des Vorstellungsinhalts zu tun mit der,
-welche der Parallelismus behauptet, der Identität zweier Reihen?”
-(150). Die laatste vraag kon Heymans’ antwoord zijn op deze
-Heymans-duiding.
-
-Zoveel over de identiteit. Op bl. 151 vervolgt dan Busse: „Aber wir
-mussen noch weiter gehen, nicht nur die Identität, auch die
-Parallelität der beiden Reihen muss auf idealistischem Boden aufgegeben
-werden. Um sie festzuhalten, müssten wir eine völlig rätselhafte,
-unerklärliche und unbegreifliche prästabilierte Harmonie der beiden
-Reihen, der physischen und der psychischen, voraussetzen.” Voor ons een
-afgedaan punt, vgk. boven bl. 207 en de noot bij bl. 199. Ook weten we
-nu, waarom wij inderdaad „a limine” [p. 166] mogen en moeten afwijzen
-„die Möglichkeit, dass in die physische Reihe auch unter Umständen
-ein.... psychisches Glied eintreten könne”. Wij zeggen niet „es passt
-eine solche Annahme nicht in den Parallelismus hinein und deshalb ist
-sie zu verwerfen!”, maar: „es passt eine solche Annahme bloss in den
-‚naiven Realismus’ hinein, und deshalb ist sie zu verwerfen!”
-
-2. Wij hebben daarmee Busse principieel afgedaan tot bl. 183—en zullen
-aan het tweede „nadeel”: „Die Künstlichkeit der parallelistischen
-Theorie” (183–208), speciaal ten aanzien van het causaliteitsbeginsel,
-niet al te veel aandacht wijden. Is de theorie waar, is het causalisme
-onmogelik juist dewijl alleen werkelikheid werkend, een reale causaal
-kan zijn, dan zijn wij geen „Naturalisten der reinen Vernunft”, die
-niet de „natuurlike”, voor de hand liggende („nächstliegende” zegt B.
-p. 188).... dwaling zouden opgeven voor een desnoods „ziemlich
-gekünstelte” waarheid. Al bedenken ook wij bij tijd en wijle, dat
-eenvoud het kenmerk van het ware, simplex veri sigillum is, bij tijd en
-wijle vergeten wij daarom niet de nauwe verwantschap tussen simplex en
-simpel, eenvoud en Einfalt.—Maar.... zelfs die „Künstlichkeit” valt
-mee, want die ondoorzichtigheid berust weer, als zo dikwels, op
-doorzichtloosheid, te weten op realistiese verwarring met de
-„Automatentheorie”, waartegen Busse zich richt met zijn: „Kausalität
-und physische Kausalität sind keine identischen Begriffe”. Het krities
-parallelisme zou wel waarlik gekunsteld zijn, ja lijnrecht in strijd
-met het causaliteitsbeginsel, als het, naar realisties misverstand, een
-deel der werkelikheid aan de causaliteit onttrok. Maar juist het
-inzicht dat niet alleen al wat werkelik is, maar ook alléén wat
-werkelik is, causaal kan zijn, maakt de psycho-physiese
-Wechselwirkungslehre onmogelik. Dus niet alleen „Die
-Wechselwirkungslehre”, maar evenzeer het monisties parallelisme „setzt
-alles Wirkliche in durchgängige Beziehung zueinander und lässt das
-Kausalitätsprinzip nirgends abbrechen; sie [auch er] statuiert einen
-lückenlosen universellen Weltzusammenhang.” (p. 207) [215]. „Der
-psychophysische Parallelismus dagegen teilt die Welt in zwei
-beziehungslos nebeneinander herlaufende Welten und sucht das Wunder
-ihres durchgängigen Parallelgehens durch das noch grössere Wunder ihrer
-heimlichen Identität zu erklären.” Wonder en heimelikheid vervallen met
-die „zwei Welten”—en hoe „beziehungslos” reale en phaenomeen, geest en
-natuur wel zijn, hebben wij met beeld en begrip verklaard en
-opgehelderd. En is eenvoudiger, doorzichtiger verklaring denkbaar van
-het ervaringsverband tussen geestesleven en hersenproces, verstands- en
-hersenontwikkeling, zielsziekte en hersenstoring, dan deze, dat het
-tweede phaenomeen is van het eerste, het eerste reale van het tweede?
-[216]
-
-Nog één realistiese moeilikheid, die we te boven zijn, dient hier onder
-2 aangestipt: hoe wij nu de schijnbare „Wechselwirkung” of overgang
-verklaren bij de waarneming der natuur zonder inwerking van de natuur
-(objekt, zintuig, hersenen) op de geest en bij de willekeurige beweging
-(schrijven b.v.) zonder inwerking van de wil op die beweging, of om met
-onze typies-realistiese tegenstander Stumpf te spreken (Leib und Seele,
-p. 20/1): „die missliche Frage, was denn nun eigentlich die Wirkung des
-Willensentschlusses zur Körperbewegung ist, wenn nicht die Bewegung,
-und was denn eigentlich die Ursache der Empfindung ist, wenn nicht die
-Nervenreizung.”
-
-Antwoord: Geen objekt, natuurding, zenuwprikkeling is oorzaak der
-gewaarwording (gelijk voor de dogmatiese waarnemingsleer, ook van u en
-de uwen), maar het reale van objekt en zenuwprikkeling; niet de
-beweging, maar het reale der beweging is het werkelik gevolg van het
-wilsbesluit—de beweging is het phaenomeen, dat in dit reale en
-middellik dus in dat willen zijn conditio sine qua non heeft! [217]
-
-’t Is waarlik, eens begrepen, zo kinderlik eenvoudig, haast groots van
-eenvoud!
-
-Daar zegt b.v. nog v. Hartmann in zijn „Kategorien-lehre” (p. 397):
-„Die Erfahrung zeigt, dass unser Geist fortwährend von den Dingen
-beeinflusst wird und seinerseits sie durch ihr [lees sein] Handeln und
-Wirken beeinflusst, dass der bewusste Geist ganz und gar abhängig von
-seinem Leibe, der Leib aber wiederum in vieler Hinsicht abhängig von
-der Willkür des Geistes ist. Diese Erfahrung muss erst dadurch
-beseitigt werden, dass sie für einen falschen, trügerischen Schein
-erklärt wird; dann erst wird die Bahn frei für die Behauptung, dass
-heterogene Kausalität in diesem engeren Sinne des Wortes unmöglich sei.
-Es bleibt dann aber die Aufgabe bestehen, zu zeigen, wie ohne
-heterogene Kausalität dieser Schein entstehen könne, und an der Lösung
-dieser Aufgabe sind noch alle Systeme gescheitert, die die heterogene
-Kausalität geleugnet haben.”
-
-De „Lösung dieser Aufgabe” bieden wij in één zinnetje: die schijnbare
-causaliteitservaring ontstaat, doordat men, als v. Hartmann, realisties
-het (phaenomenale) lichaam voor een reale houdt—en doordat inderdaad
-onze geest voortdurend door het niet-stoffelik reale van de
-(natuur)dingen beïnvloed wordt en dit zijnerzijds door zijn actie en
-inwerking beïnvloedt; doordat de bewuste geest dualisties-idealisties
-geheel en al afhankelik is van en monisties-idealisties zelfs identiek
-is met, het reale van zijn lichaam, dit echter wederom in menig opzicht
-afhankelik is van de willekeur van de geest!
-
-Ziedaar, wat er aan is van die zgn. „Erfahrung” die wij volgens
-Hartmann „künstlich umdeuten” moeten. En hiermee is tevens Busse’s
-thema „die Deutung der Tatsache, dass zwischen psychischen und
-physischen Vorgängen ein Verhältnis wechselseitiger Abhängigkeit
-besteht” zo ongekunsteld mogelik afgehandeld. Wij zijn genaderd tot
-
-3. „Die Konsequenzen des [realistisch verkannten!] psychophysischen
-Parallelismus und ihre Undurchführbarkeit” (208–378).
-
-Ook dit hele boekdeel is weerlegd, door de opmerking, dat Busse
-volkomen gelijk heeft omdat en zolang hij zich tegen de realistiese
-duiding van het parallelisme richt, die hij begrijpt en kent—en
-volkomen ongelijk tegenover het idealisties parallelisme, behalve
-tegenover dat van een Spinozist zonder materie-realisme als Riehl,
-wiens „kritischer Monismus”, de leer, dat het psychiese evenzeer
-slechts phaenomeen is en wel van hetzelfde causale reale als waarvan de
-natuur het is, „wezenlik” faalt en „wezenlik” falen moet in zijn
-pogingen, het geestelike, de zielse reeks, toch causaal te maken ten
-aanzien van de natuur-reeks, van bewegingen, al noemt hij het nog zo
-zeer „wesentlich” ’t zij voor het reale ’t zij voor de beweging, dus
-b.v. „Vorstellung und Wille an der Bewegung, d.i. [?] an dem Vorgang,
-der den objectiven Sinnen als Bewegung erscheint, wesentlich
-betheiligt” (K. III, p. 183). [218] Hier heeft Busse gelijk (p. 265):
-„Empfindung und Vorstellung aber haben an der Hervorbringung des realen
-Vorganges, der uns als Bewegung erscheint, keinen Anteil, da sie ja
-[volgens Riehl] nur Erscheinungen sind und Erscheinungen doch nicht
-Dinge an sich produzieren können.” Maar op deze grond heeft dan ook
-Heymans reeds „Die Lehre vom unbekannten Anderen” in zijn „Einführung”
-bestreden. En Busse’s gelijk is hiermee uitgeput. Dat zullen wij nu
-zien:
-
-a. Wat punt a betreft, in hoeverre het niet-realisties parallelisme al
-of niet verplicht is, „zu allen psychischen Eigentümlichkeiten die
-physischen Analoga [?] anzugeben” (208–229), daarover is bij Wundt en
-Eisler al het nodige te vinden en het volgt uit wat wij zelf reeds
-hebben betoogd. Zo doet „der auf psychischer Seite verbleibende Rest”,
-de éénheid en de „Synthesen” van het bewustzijn, die in de natuurreeks
-evenzeer ontbreken als... het bewustzijn zelf, evenmin iets te kort aan
-het parallelisme (of omgekeerd), als de „rest”, die de levende continu
-verlopende werkelikheid op de dode diskrete jaartallen vóór heeft.
-
-b. En wat het tweede punt betreft, „Die Geschlossenheit des psychischen
-und des physischen Geschehens” (230–321), alleen ten aanzien van dit
-laatste, van de natuur heeft Busse bezwaren, gericht tegen wat James’
-realisme noemt de „automaton-theory”, in waarheid dus de leer, die uit
-de natuur, ook met betrekking tot alle levende wezens, dier en mens, al
-het zielse, geestelike streng methodies en principieel uitschakelt....
-zodat de natuur even zuiver mechanies verloopt als zij.... zuiver
-phaenomenaal en zuiver ruimtelik is. Al wat des geestes is, alle
-bewustzijn, alle denken, voelen en willen, blijft dus krities,
-methodologies-noodwendig uitgeschakeld, niet omdat het onwerkelik en
-werkeloos zou zijn—maar juist omdat het alléén werkelik en werkend is.
-De methodiese zuivering der natuur van alle psychismen betekent juist
-en berust op de methodiese vrijwaring van de geest, van de
-werkelikheid. voor alle mogelike naturalismen en mechanismen. Het
-mechanisme der natuur kan evenmin de werkelikheid mechaniseren,
-automaties maken, als de ruimte der natuur de werkelikheid ruimtelik of
-de stoffelikheid der natuur de geest tot stof maakt, of evenmin als de
-sijferende statistiek de werkelikheid zelf maakt tot een sijferstelsel.
-Daarmee zijn weer Busse, pp. 230–321, en al de zijnen afgedaan—immers
-mèt het natuur-realisme is het naturalisme vervallen. Al wat
-phaenomenaal is kan slechts phaenomenaal en phaeno-causaal, al wat
-lichaam en beweging is slechts mechanies werken en gewerkt worden,
-verklaren en worden verklaard—zo dus ook leven en ontwikkeling der
-organismen, ’t zij mens of dier, zover zij zich bewegen, ruimteding,
-natuur zijn. In de natuur moet eo ipso elk element, elke wet, elke
-verklaring natuurlik zijn, van heel de natuur en elk element en elke
-wet echter ligt oorsprong, grond en verklaring, „verklaring” dus in de
-diepere, ontologiese, reële zin, uitsluitend in het reale der natuur,
-in de werkelikheid, waartoe de geest, waartoe begrip en gevoel,
-gedachten en begeerten behoren. Zonder deze werkelikheid zou heel die
-natuur er niet zijn. Geen manuskript b.v.—hoewel als zinledig
-molekulen- en atomen- of elektronen-stelsel natuurkundig, mechanies, af
-te leiden uit het even geesteloos molekulen- of elektronen-spel van
-bepaalde hersenen—zonder zijn reale en zonder zijn auctor
-intellectualis et realis, de denkende geest, wiens wil en werk op de
-betekenis, de zin van het manuskript gericht was en daarom en daardoor
-de werkelikheid zódanig beïnvloed en gewijzigd heeft, dat tot haar
-phaenomena dit manuskript kwam te behoren. Zo vervalt voor al deze en
-dergelijke gevallen (het telegram, Luther, „Austerlitz” etc.) alle
-„paradoxie”, waar Busse c.s. zich voor gesteld zien (p. 256/7): „Mag
-auch immerhin der Geist eines Kant oder Newton das dem Manuskript der
-Kritik der reinen Vernunft oder der mathematischen Prinzipien der
-Naturphilosophie zu Grunde liegende intelligibele Ding verursacht
-haben: das Manuskript selbst ist und bleibt [zover het betekenisloze
-scheikundig-natuurwetenschappelike stof is] das zufällige [geenszins
-toevallig, maar wettelik, op boven-omschreven diep, werkelik, geestelik
-verband berustend] Produkt des Spiels einer Anzahl von Gehirnmolekülen,
-und diese Ansicht bleibt [?] so paradox, wie zuvor.”
-
-Precies zo gaat het nu ook met die „paradoxie” in „Biologie” en
-„Kulturgeschichte”, waaromtrent men b.v. Eisler’s uitnemend betoog in
-zijn „Leib und Seele” vergelijke.
-
-De werkelike Evolutie, de werkelike „struggle for life” is natuurlik
-weer zuiver onstoffelik, een strijd om behoeftebevrediging,
-begeertevervulling, waarbij dus gevoelens, neigingen, instinkten,
-voorkeur en tegenzin, waarnemingsvermogen der onderscheiden zinnen,
-pijn en genot, geheugen, overleg en begrip de grote faktoren,
-voorwaarden en wapenen zijn, terwijl de parallele phaenomenale
-ontwikkeling der organismen en organen even vanzelfsprekend zuiver
-stoffelik is en blijft. En zo behoeft het nauweliks nog vermelding, dat
-dan ook nooit evolutie uit stof geest kan voortbrengen, uit een
-phaenomeen een subjekt of een reale, een kennistheoreties of ontologies
-prius van een phaenomeen [219], zo min als uit geest stof kan ontstaan,
-maar dat, zuiver monisties, heel de werkelike ontwikkeling onruimtelik,
-immaterieel, ’t zij ten dele ’t zij geheel psychies moet worden
-gedacht, van de primitieve, blind-instinktieve, onder- of on-bewuste,
-vage, niet- of nauweliks-onderscheidbare kiemen, elementen en faktoren
-van het zielse leven, door specialisering, individualisering,
-concentrering, organisering, intensificering tot de verheldering,
-verruiming, verrijking, verdieping van bewustzijnsleven, tot de volle
-ontplooiing van heel ons menselik, persoonlik en gemeenschappelik
-begrips- en gemoeds-leven, een ontwikkeling tot steeds machtiger
-beheersing der subjektieve en objektieve voorwaarden van geluk, een
-ontwikkeling waaraan al de geestelike verworvenheden onzer kultuur,
-wijsheid en kunsten en wetenschappen en de vooruitzichten op een
-rechtelik en zedelik geordende maatschappelike samenleving, op een
-Blijde Wereld, ontbloeid zijn.
-
-c. Ten slotte behandelt Busse’s parallelisme-kritiek Die
-psychologischen Konsequenzen des Parallelismus (322–378), die 3erlei
-zouden zijn:
-
-α: „Die pluralistische Seelenlehre”, „die subjektlose Psychologie”,
-
-β: „Die psychologische Atomistik (Mind-Stuff-Theorie)” en
-
-γ: „Die mechanistische Psychologie” („Association contra
-Apperception”).
-
-Weer in één zinnetje af te doen, gelijk mijn geduldige lezer reeds zal
-hebben gedaan: Realisties als hij denkt heeft Busse gelijk, ook dus
-t.a.v. Ziehen en derg.—maar van het niet-realisties,
-krities-idealisties parallelisme is de enige psychologische Konsequenz,
-dat het geen „psychologische Konsequenzen” heeft!
-
-Want volstrekt onafhankelik als de werkelike reeks, waartoe al het
-psychiese behoort, is van de phaenomenale reeks, de natuur, heeft en
-houdt zij, of liever krijgt juist, haar volle vrije zelfstandige eigen
-wettelikheid, psychologies, logies of ethies en haar van alle
-physiologismen en naturalismen principieel gezuiverde psychologie,
-onverschillig of men het apperceptieve, actualistiese voluntarisme
-zonder wil van Wundt of het meer substantialistiese van Eisler’s
-„organisch-teleologische” psychologie aanvaardt, dan wel b.v. de
-„beschreibende und zergliedernde” psychologie van Dilthey of
-daartegenover Ebbinghaus’ psychologie van Einfachste seelische Gebilde
-en Allgemeinste Gesetze des Seelenlebens, of wel Fouillée’s Psychologie
-des Idées-forces of zijn en anderer „speciale” psychologie of
-characterologie („éthologie”) of b.v. Heymans’ logica-psychologie. Zo
-volgt, om dit voorbeeld te noemen, het denken zijn eigen logiese
-wettelikheid, zonder dat het parallele hersenmechanisme iets te
-„verlangen” of te „erzeugen”, te verhinderen of te veroorzaken heeft
-(Busse, p. 359 en daarvóór), trots Liebmann’s realistiese „Antinomie”
-en Busse’s physiologiserend anti-psychologisme dat (niet zonder
-realistiese reden) „weitere Antinomien ethischer Natur” voorziet. Maar
-hier doemen problemen op, die tot een ander gebied behoren en niet
-afhankelik zijn van de tegenstelling idealisme—realisme of
-parallelisme—causalisme, dus basta. Zo verenigt het idealisties
-parallelisme zonder „doppelte Wahrheit” [220], die het met Busse kan
-verfoeien, zonder zelfweerspreking, het psychologies determinisme ten
-aanzien der werkelikheid, waarin karakter en overtuiging, wilskracht en
-hartstocht, verstand en gemoed, beraad en gezindheid oorzakelike
-determinerende machten kunnen zijn, met het fatalisme ten aanzien der
-natuur, waarin van wil of weten, van ziel of instinkt of gevoel geen
-sprake kan wezen, zo min als in de werkelikheid van zulk „mechanisme”.
-Als dan ook Prof. Bruining in zijn bovenvermeld Gids opstel (zie
-tekstbl. 219 noot 1) beweert (p. 492/3): „In beide [materialisme en
-monisties psychisme] is de wereldorde in haar geheel een reusachtig
-mechanisme, de handelende persoonlijkheid eenvoudig een automaat”....
-dan antwoorden wij: voor het materialisme hebt ge met uw „reusachtig
-mechanisme” gelijk, zover dat materialisme altans een eindige massa
-aanvaardt, (neemt het zijn materie oneindig, dan wordt ook het
-mechanisme niet reusachtig, maar oneindig groot), doch voor het
-psychisme is niet precies „de wereldorde in haar geheel” maar.... haar
-phaenomeen „een reusachtig mechanisme” en niet precies „de handelende
-persoonlikheid” maar z’n phaenomeen, z’n lichaam, „eenvoudig een
-automaat”. En voor de wereldorde, de werkelikheid zelf van het
-psychisme is „reusachtig” even zinledig als „klein” of „groot” of elke
-andere afmeting, daar het psychiese nu eenmaal geen afmetingen heeft.
-En een „mechanisme”? Tweeërlei betekenis heeft mechanies: 1o. de
-eigenlike, ruimtelike, physiese zin: „werktuigelik” zich bewegend,
-volgens de wetten der „mechanica” of bewegingsleer en 2o. de
-overdrachtelike onruimtelike psychiese zin: „werktuigelik”,
-„machinaal”, d.w.z. zonder medewerking van wil en bewustzijn, willoos,
-gedachteloos, als een automaat. Welnu, van het 1e kan moeilik sprake
-zijn in een onruimtelike wereldorde en van het tweede evenmin in een
-wereldorde, waar wil en bewustzijn, gemoeds- en denkleven, subjekt en
-persoonlikheid, in plaats van te worden uitgeschakeld of zelfs maar
-dualisties gebonden [221] aan enige „werkelike” stof of
-natuurwettelikheid, integendeel juist tot het wellicht enig werkelike,
-tot het zéker enig kenbare werkelike verheven is! Daarom behoeft geen
-idealist zijn intellektueel geweten geweld aan te doen door
-indeterminisme om aan het fatalisme te ontkomen (gelijk realisten als
-Prof. Bruining) en daarom is dan ook geen enkel krities idealist, zover
-ik weet, psychologies indeterminist. [222] Dat is een heugelik
-resultaat te meer van de kritiek! En Prof. Bruining’s redenering (ib.):
-„Hebben wij, naar de grondgedachte van psychisch monisme, aan te nemen,
-dat de waargenomen—door den ‚idealen Beobachter’ waar te
-nemen—hersenprocessen, die, zooals er uitdrukkelijk wordt bijgevoegd
-‚durchweg[s] den mechanischen Gesetzen sich unterordnen’, eenvoudig de
-eigenaardige vorm zijn, waarin het in iemand plaats grijpend psychisch
-proces zich in het bewustzijn van den waarnemer voordoet, dan ligt
-daarin onmiddellijk opgesloten, dat dit psychisch proces zelf volgens
-de wetten der mechanica verloopt” is een redenering van hetzelfde
-kennistheoreties gehalte als deze zou zijn: „Hebben wij, naar de
-grondgedachte van psychies monisme, aan te nemen, dat de waargenomen
-hersenprocessen, die, zoals er uitdrukkelik worde bijgevoegd, geheel en
-al stoffelik zijn en in de ruimte blijven, eenvoudig de eigenaardige
-vorm zijn, waarin het in iemand plaats grijpend psychies proces zich in
-het bewustzijn van de waarnemer voordoet, dan ligt daarin onmiddellik
-opgesloten, dat dit psychies proces zelf geheel en al stoffelik is en
-in de ruimte zich afspeelt”!
-
-Geen wonder voorwaar, dat de sterkste, de principieelste tegenstanders
-van elke mind-stuff-theorie, van elke materialiserende
-associatie-psychologie.... de krities-idealistiese parallelisten zijn,
-hoe monadologies zij dan ook veelal mogen denken.
-
-En noch voor Kant (naar wij boven zagen, bl. 204) noch voor enig
-niet-realist geldt tegen de leer, die de hersenprocessen voor
-phaenomeen van het zieleleven houdt, het bezwaar (van realisten als
-Busse en Becher) van de samengesteldheid, de atomistiese struktuur
-[223] der materie, van de „Vielheit abtrennbarer, selbständiger
-materieller Teile” (Becher, Gehirn und Seele, p. 357) tegenover de
-éénheid of de continuïteit van het reale. Want niet alleen kan de éne
-continu verlopende werkelikheid haar vele velerlei diskrete
-statistieken hebben, niet alleen heeft de gedachte die één en
-ondeelbaar is haar vele gescheiden klanken in de taal en haar nog
-talrijker „abtrennbare”, „selbständige” letters in het schrift, maar
-bovendien is ook het geestesleven, de menselike ziel b.v., niet één en
-ondeelbaar als een meetkundig punt of als het dogmatiese zieleding van
-het oude dualistiese „spiritualisme”, maar—onverschillig of
-aktualisties dan wel substantialisties gedacht—in elk geval een produkt
-van honderd- en duizendvoudige geestelike „synthese”, die wel geen
-samen-stelling, maar toch een „versmelting”, een éénwording onderstelt
-van wat een veelheid te voren was en zelfs als „element” of „factor”
-tot ander zielsverband, andere individualiteit kan hebben behoord. Zó
-alleen zijn meta-physies, psychisties, geboorte, erfelikheid en
-bevruchting (éénwording van twee individuele geestelike kiemwerelden,
-de substrata van spermatozoön en eicel), het sterven als ont-binding en
-die ondoorgrondelike assimilatie-processen der voeding altans
-enigermate te begrijpen [224], terwijl b.v. nog Busse zowel als Lotze
-in het begriploos creatianisme zijn blijven steken.
-
-We mogen nu de lezer verzoeken, de kritiese slotsom aangaande het
-parallelisme zelf op te maken en die te vergelijken met Busse’s
-„Gesamtergebnis der [helaas niet in kennistheoretiese zin] kritischen
-Untersuchung des psycho-physischen Parallelismus” (p. 378/9) en daarmee
-afscheid nemen van Busse’s boek, het beste, grondigste, dat er ten
-gunste der overgangsleer, der „Wechselwirkung” en tegen de
-samengangsleer geschreven is.
-
-Eer ik nu tot slot nog zal laten zien, wat er waar is van de
-„Verzoening” tussen beide, die in het jongste wetenschappelike werk
-over lichaam en geest, Becher’s Gehirn und Seele, aan de orde wordt
-gesteld, neem ik nog even de uitgegeven en herdrukte rede onder handen
-van Prof. Dr. Carl Stumpf over Leib und Seele, waarmee hij als
-voorzitter het internationale congres voor psychologie te München in
-1896 (en heel wat twistgeschrijf) geopend heeft en die vermoedelik aan
-haar common-sense-realisme soortgelijke tweederangs-beroemdheid te
-danken heeft als Du Bois-Reymond’s materialistiese ignorabimus-rede.
-Aanleiding is mij het feit, dat Stumpf’s rede ten onzent b.v. vertaald
-is opgenomen in Mr. Levy’s „Indeterminisme” en haar weerklank tans nog
-vindt in de „Zuivere Rede” van Prof. Bolland. [225]
-
-Ook Stumpf dan gaat het parallelisme bestrijden. Maar het ongeluk wil,
-dat deze typiese realist, wiens „missliche Frage” wij reeds boven op
-bl. 219 beantwoord hebben, van het parallelisme slechts twee
-realistiese vormen kent [226] (p. 19), nl. 1o: het epiphaenomenalisties
-psycho-physies materialisme en 2o: de dualistiese leer, dat „auch das
-Psychische” een eigen gesloten causale reeks vormt (dat is voor zijn
-realisties denken „Panpsychismus”—het echte kritiese psychisme,
-waarvoor alléén het psychiese werkelik en causaal is, bestaat voor hem
-niet eens). Zo is het dus volkomen verklaarbaar (nl. uit gebrek aan
-kritiek en begrip), dat hij moet getuigen (p. 21):
-
-„Aber ich kann in der Parallelitätslehre überhaupt statt des
-gepriesenen Monismus nur einen Dualismus finden, wie er krasser noch
-niemals aufgetreten ist. Die Ungleichartigkeit der Gebiete ist
-beibehalten, die Wechselwirkung geleugnet, von der einheitlichen
-Substanz, die ohnedies nur ein Scheinbehelf war, ist nicht mehr die
-Rede, und so erscheint auch das Parallellaufen der zwei Welten
-unfasslicher als selbst nach der verrufenen Lehre der Geulincx und
-Malebranche.” Hoe unfasslich die paralleliteit in waarheid is, zal
-boven wel gebleken zijn. „Zur Sache selbst müssen wir uns die Frage
-vorlegen, ob nicht die Konsequenz der Naturforschung, insbesondere der
-Entwicklungslehre, selbst wenn wir die Philosophie beiseite lassen
-[neen, dan niet!], dahin drängt, die Welt in allen ihren Teilen als ein
-kausal zusammenhängendes Ganzes aufzufassen, worin jedes Wirkliche
-seine Arbeit leistet, keines von der allgemeinen Wechselwirkung
-ausgeschlossen ist; und—wenn dies jeder bejahen wird [juist, allereerst
-en op goede grond de criticus!]—die andere Frage, ob die Gründe, nach
-denen die gesamte Welt des Psychischen [n.b.!] von der Wirklichkeit in
-diesem Sinne oder von der allgemeinen Wechselwirkung ausgeschlossen
-sein soll, so zwingend sind, wie sie vielen erscheinen.” (p. 21/2). Dat
-het juist die gesamte Welt des Physischen is, die „von der Wirklichkeit
-in diesem Sinne oder von der allgemeinen Wechselwirkung” moet
-uitgesloten zijn—ontgaat een Stumpf (als straks een Bolland) natuurlik
-volkomen.
-
-Ook over de heterogeneïteit oreert nu Stumpf, die, naar wij op bl. 225
-gezien hebben, zo min als enig materialist tegen het ontstaan van geest
-uit stof bezwaar zou hebben of weten, als volgt: „Die Ungleichartigkeit
-wird nach den Untersuchungen Humes kein Einsichtiger mehr als
-ernsthaftes Argument gelten lassen [zolang hij realist blijft]. Ursache
-und Wirkung brauchen nicht gleichartig zu sein. Nur die Erfahrung kann
-lehren, was als Ursache und Wirkung zu einander gehört. Am wenigsten
-sollte derjenige die Wechselwirkung des Heterogenen beanstanden, der
-seine substanzielle Einheit lehrt: denn die substanzielle Verbindung
-der beiden Welten soll doch eine noch innigere sein als die bloss
-kausale.”—Dat inderdaad de verhouding van grond en phaenomeen nog
-„inniger” is, dan „die bloss kausale” (immers het reale hoeft niet eens
-feitelik in een bepaald geval causaal te zijn om toch zijn bepaald,
-denkbeeldig, phaenomeen te hebben) en dat de Wechselwirkung niettemin
-onmogelik en ondenkbaar blijft, behoeven wij er tans nog één woord aan
-te verspillen? Stumpf’s vernuftige pogingen om dan het psychiese
-causaal te maken in de natuurreeks kunnen wij met het stilzwijgen dat
-ze voor ons verdienen voorbijgaan. Eerst op bl. 29/31 wordt ook enige
-realistiese rhetoriek gewijd aan „der sogenannte idealistische, besser
-psychistische Monismus, der sich gleichfalls als eine Überwindung oder
-höhere Fassung der alten Parallelitätslehre gibt”, maar hem toeschijnt,
-„in Wahrheit nicht über die Schwierigkeiten hinauszuführen, sondern nur
-darüber hinwegzutäuschen.”, rhetoriek van het volgend allooi (ik geef
-al wat Stumpf er tegen in te brengen heeft):
-
-„Nun sollte man denken: da, wo Kausalität ist, ist auch Realität; und
-solange wir nicht imstande sind, das Fallgesetz als Gesetz von
-Willenstätigkeiten zu verstehen und an beobachtbaren Willenstätigkeiten
-zu verifizieren, solange muss es eben als Gesetz einer nichtpsychischen
-Realität angesehen werden. Aber lassen wir diese Bedenken. Was ist denn
-eigentlich für die Beseitigung des bösen Dualismus gewonnen, wenn man
-die physischen Dinge als blosse Erscheinungen definiert? Kann man das
-Körperliche dadurch überhaupt wegdekretieren? Sind Erscheinungen ein
-absolutes Nichts, sind Ausdehnung, Gestalt, Farbe nun wirklich ganz aus
-der Welt verschwunden? Wenn nicht, wo bleibt der Monismus? Und wird
-nicht auch gerade die Verschiedenheit und der Gegensatz, indem man sie
-als Erscheinungen mit dem Wesen kontrastiert, erst recht betont? Und
-sind wir [?] uns, aufrichtig gesprochen, über das Verhältnis jetzt
-klarer wie vorher? Warum muss denn das Wesen überhaupt erscheinen und
-so verschieden von sich selbst erscheinen?
-
-„Mir wenigstens bleibt es unfassbar, wie geistreiche [!] Männer nur
-einen Augenblick sich darüber täuschen können, dass mit solchen
-Redewendungen das Problem, welches man damit [!] wegzuschaffen meint,
-erst anfängt, und dass sie, selbst als Redewendungen betrachtet, einen
-Rückschritt gegen die fruchtbaren Fragestellungen bedeuten, zu denen
-wir in dieser Angelegenheit von andern Standpunkten aus bereits geführt
-sind: weil sie eben verleiten, sich bei der bequemen [voor u toch te
-moeilike] Distinktion Wesen—Erscheinung zu beruhigen und das Verhältnis
-der beiden zu einander als etwas Bekanntes, durch sich Klares, keiner
-[!] Erörterung Bedürftiges hinzunehmen.” [227]
-
-Elk nader commentaar zou geringschatting van mijn lezers zijn—slechts
-wil ik u tans nog van Stumpf’s rede de Nederlandse echo laten horen uit
-Prof. Bolland’s
-
-„Zuivere Rede” (p. 431/3): „Kinderlijk is ook de theorie van de
-psycho-physische ‚evenwijdigheid’, waarin op grond van het zoogenoemde
-axioom der geslotene natuurcausaliteit [zie boven bl. 205] eene
-natuurlijk geestelijke en geestelijk natuurlijke wederkeerigheid van
-werking wordt verloochend; dit ‚parallelisme’ vooronderstelt eene
-mechanistisch atomistische wereldopvatting [zolang men vóór de
-kennisleer staat—niet als men er „achter” is], door onzen landgenoot
-Heymans o.a. [o.a.!] wel eens in uiterst bedenkelijk klinkende zinnen
-begunstigd [alléén naar Prof. Bolland c.s.’ grove misvatting] en tot op
-heden nog altoos uitdrukkelijk te verloochenen [een onwaarheid; heel
-Heymans’ wijsbegeerte, niet alleen zijn groot kennistheoreties
-hoofdwerk, maar speciaal zijn Einführung is een uitdrukkelike
-verloochening niet alleen, maar de kritiese weerlegging bovendien....
-edoch natuurlik uitsluitend voor wie „begrip heeft om te begrijpen” en
-voor wie derhalve zulk een „uitdrukkelike” verloochening even
-belachelik als overbodig zou zijn, terwijl de anderen.... rustig mogen
-doorgaan, Heymans te eren met hun smaad]. Intusschen laat deze de
-stoffelijke reeks alleen gelden als subjectief [!] ideëele
-verschijnselen in bewustheden en hij beschouwt het tweevoud der
-evenwijdigheden als eenen schijn [!], waarboven een universeel
-bewustzijn [integendeel, ieder begrijper!] zoude verheven zijn; hoewel
-hij zelf van zijn psychisch monisme, zijne zielige [bollands-hollands]
-aleenheidsleer, spreekt, is zijne ‚metaphysica op grondslag der
-ondervinding’ dus een universeel bewustzijnsspiritualisme, waarin hij
-de evenwijdigheden laat gelden als eenen ‚schijn voor—God’ [dat deze
-god schijn zowel als deze schijn god slechts op Prof. Bolland’s
-dogmatiese „waan en inbeelding” berust, begrijpt nu na mijn kritiek
-hoop ik elk van mijn lezers]. Een beletsel voor een ‚minder’ dan
-universeel bewustzijn, ook zonder ondergrond van ondervinding het
-stijve [i.p.v. slappe?] psycho-physische parallelisme voor waan en
-inbeelding te houden, is die [?] theorie van onzen
-proefondervindelijken zielkundige [228] niet [voor wie er niet bij
-kan]. In eene openingsrede voor het psychologische congres van 1896
-heeft Carl Stumpf de ‚zielig-natuurlijke (of natuurlijk-zielige)
-evenwijdigheidsleer’ terecht [cf.!] als een ‚dualisme’, eene leer van
-tweespalt gequalificeerd, die onbegrijpelijker blijft dan zelfs het
-oude onverhelderde occasionalisme, waarin voor het ob- en subjectieve
-correspondeeren de almachtige God aansprakelijk werd gesteld, en hij
-heeft gewezen op de noodzakelijkheid, den samenhang der wereld
-[precies!] ‚in allen deele’ te erkennen als eene algemeene
-wederkeerigheid van werkzaamheid, waarvan ook het psychische [zie bij
-Stumpf!] niet is uitgesloten.” „Zuivere Rede” vervolgt op bl. 433: „de
-‚psycho-physische parallelisten’ of zielig natuurlijke
-evenwijdigheidsmannen voegen daaraan [aan de „ondoordachtheid” van „de
-mechanistische opvatting van warmte niet als warmte maar als beweging”;
-ondoordacht is hier alleen dat bollandse „niet als—maar als”] dan de
-ondoordachtheid toe, ‚omzetting’ van warmte in beweging natuurlijk,
-doch verkeering of omkeering van wenschen in bewegingen onmogelijk te
-achten [natuurlik onmogelik, maar weer alléén voor voldoende
-kennisleerbegrip, even onmogelik als de verkering van lichtbronnen in
-hun eigen schaduwbeelden of, zuiverder nog, van tijdvakken in hun eigen
-jaartallen!]. Maar [kostelik, dit „maar”!] de werkelijkheid zelve en
-als zoodanig is meer dan werkeloosheid [o uil in Athene], zij is als
-zoodanig de werkzaamheid zelve, en werkzaam zijn is verkeeren, omkeeren
-of omzetten [betrekkelik!], hetzij men dit begrijpelijk vindt of niet.”
-Maar.... dat juist tot deze werkelike werkzaamheid van werkzame
-werkelikheid.... de natuur, de physiese kosmos, niet behoort dan voor
-kritiekloos dogmatisme, dat is juist het voorondersteld inzicht der
-kritiek, waardoor zij alle zuivere rederijkerij, ’t zij die van de
-duitse Prof. Stumpf of van de nederlandse Prof. Bolland, te boven is.
-En het blijkt nu eenmaal Prof. Bolland’s noodlot, dat hij zelf nergens
-zieliger is, in de ware zin des woords, dan waar hij tegen Heymans en
-diens zogenoemde „zieligheid” zich keert en te keer gaat.
-
-
-
-En nu nog Prof. Erich Becher’s „Gehirn und Seele” en zijn „Versöhnung
-von Parallelismus und Wechselwirkungshypothese”.
-
-Dit leerrijk boek toch bewijst ons in elk geval één ding—dat men over
-heel de wetenschap der hersenphysiologie van onze tijd kan beschikken
-(indien altans die kennis eens „lebendigen und wirren Meinungskampfes”,
-die verzameling van jammerlik-weinig zékere feiten en experimenten en
-erbarmelik-veel meer of minder interessante, aannemelike, mogelike,
-denkbare duidingen, opvattingen, meningen, voorstellingen,
-beschouwingen, onderstellingen, theorieën en stelsels [229] reeds
-wetenschap mag heten) en toch nog achterblijven bij begrip en inzicht
-ten aanzien van wel en niet mogelike verhouding tussen hersenen en
-geest, voor meer dan een eeuw zonder die hersenphysiologie door Kant al
-bereikt.
-
-Zó overwegend, zo albeheersend is ten deze de materie-kritiek.
-
-In het 3e deel nu, „Das Leib-Seele-Problem” (328–396; zie over 1 en 2
-de laatste noot) lezen wij aangaande de heterogeneïteit tussen lichaam
-en geest op bl. 365: „Da wird im Anschluss an alte
-metaphysisch-erkenntnistheoretische Vorstellungen gesagt, Seelisches
-und Körperliches könnten nicht aufeinander wirken, weil sie so völlig
-verschieden seien. Dies zu Descartes’ Zeiten gewichtige Argument ist
-freilich in unseren Tagen zurückgetreten; das hängt mit dem Wandel der
-Kausalauffassung zusammen.” Volkomen juist—zolang de materie een reale
-blijft. Maar als Becher op p. 366 dan vraagt: „Wer sagt uns, dass
-dagegen Seelisches und Körperliches wegen ihrer Verschiedenheit nicht
-aufeinanderwirken können, wo wir gegenseitige Beeinflussung
-verschiedener Realitäten doch sonst überall sehen? Nur die Erfahrung
-könnte uns belehren, dass zwischen Seelischem und Körperlichem ein
-Wirkungszusammenhang unmöglich ist.”, dan moet het antwoord luiden: De
-kenniskritiek, die ons leert, dat en waarom het lichamelike niet tot de
-„Realitäten” behoort, dat en waarom „einordnen” van „das Seelische” „in
-den Naturzusammenhang” (p. 380) even onnodig als onmogelik en
-ondenkbaar is, gelijk diezelfde kenniskritiek de onmogelikheid leert
-van Becher’s „Möglichkeit eines Zusammenwirkens körperlicher und
-seelischer Faktoren im Gehirn” (327) en wederom de kenniskritiek het
-als een illusie van Becher moet kenschetsen, als hij meent (366): „Wird
-eine spiritualistische Deutung der physischen Erscheinungen anerkannt,
-so kommen sich der parallelistische Monismus und die
-Wechselwirkungslehre so nahe, dass eine Aussöhnung der Gegner nicht
-unmöglich erscheint.” Van die „Versöhnung von Parallelismus und
-Wechselwirkungshypothese” toch kan geen sprake zijn—zolang wederkerige
-causaliteit, Wechselwirkung, tussen geest en stof onmogelik blijft.
-Ja—als de „Wechselwirkungslehre” deze zou laten vallen.... als zij „die
-Materie spiritualistisch deutet” en dus haar Wechselwirkung tussen
-geest en stof vervangt door die tussen geest en het onstoffelik reale
-der stof, als zij gaat zeggen (367): „Das uns bekannte Seelenleben
-steht.... in Kausalbeziehung zu jenem Seelischen, das nicht in unserem
-Bewusstsein gegeben ist, das physischen Erscheinungen zugrunde
-liegt.”—dan is zij op hetzelfde ogenblik, niet het parallelisme
-genaderd, maar.... parallelisme geworden! En zelfs al neemt gij nu,
-zuiver dogmaties, „materielle [?] Dinge-an-sich”, „Atome-an-sich” aan
-(373) [230] en Wechselwirkung tussen deze en ons zieleleven (374), dan
-nòg houdt ge een zuiver parallelisme t.a.v. zieleleven en stof (die
-geen Ding-an-sich, maar „Erscheinung” is.... en blijft), tenzij ge de
-natuurwetenschappelike „stof” zelf voor dat Ding-an-sich houdt, maar
-dan zijt ge wederom zuiver realisties overgangsman, causalist,
-Wechselwirkungstheoretiker. En daar dit wel uw bedoeling zal zijn (vgk.
-de laatste noot), staat dan inderdaad uw „Auffassung der
-Wechselwirkungslehre wohl näher als dem Parallelismus.” Schrijft gij
-echter (374/5): „Mit den materiellen Dingen-an-sich, dem Seelenleben,
-und den in diesem enthaltenen Sinneswahrnehmungen eines Teiles der
-materiellen Dinge-an-sich kommen wir in der Wissenschaft durchweg aus.”
-en meent gij: „Statt von einer Versöhnung des Parallelismus mit der
-Wechselwirkungslehre könnte man also vielleicht besser von einer
-Überführung des ersteren in die letztere sprechen.”, dan vergeet gij
-tweeërlei:
-
-1o: Wechselwirkung wordt niet, wordt nooit bestreden door enig krities
-parallelist (naar ook Erhardt waant in zijn „Psycho-physischer
-Parallelismus und erkenntnistheoretischer Idealismus”) tussen geest en
-het onstoffelik reale der stof, maar uitsluitend tussen geest en stof.
-
-2o: Geen wetenschap, allerminst natuurwetenschap of physiologie,
-bekreunt zich om uw dogmatiese „materielle Dinge-an-sich”.
-Natuurwetenschap bemoeit zich uitsluitend met de natuur, d.w.z. met de
-materie, het phaenomeen, de waarneembare wereld zelf en niet, nooit of
-nergens met haar onwaarneembaar reale of substraat.
-
-
-
-
-
-
-
-
-BESLUIT.
-
-
-Hiermee is dan de taak, die ik mij met „Kennisleer contra
-Materie-realisme” als Bijdrage tot „Kritiek” en Kant-begrip gesteld
-heb, ten einde gebracht en heb ik de beloften van de Voorrede naar
-vermogen vervuld.
-
-„Kritiek” is al zó dikwels voorgezegd (en nagezegd).... zonder
-resultaat, dat ik eens gepoogd heb, tegelijkertijd „kritiek” voor te
-doen, dus te geven, inzonderheid ook in de Opmerkingen, la critique en
-action. Al was die last mijn lust, daardoor heb ik meer dan mij lief
-was, naar inhoud en stijl, moeten schoolmeesteren—hier docerend en
-corrigerend daar—tot verontwaardiging van die specialiteiten, die ge
-persoonlik beledigt in hun leer—en tot geringschatting van die hogere
-middelmatigheid, die slechts respekteert, wat haar begrip te boven gaat
-en allang en beter wist, wat ge haar leert. [231] Maar daardoor mag ik
-hopen, voor menigeen begrijpelik te hebben gemaakt, wat hem tot dusver
-onbegrijpbaar was voorgekomen. Om te begrijpen zal de lezer ook hier
-nog de moeite van aandachtige studie, van eigen nadenken zich moeten
-getroosten, maar daarvoor zal hem dan ook in betrekkelik korte tijd de
-vrucht ten deel kunnen vallen van die andere moeite, waaraan de
-schrijver zelf tal van zijn beste jaren met graagte gegeven heeft. Men
-kan met de kennisleerproblemen, als met alles, zijn spel drijven. Maar
-alleen wie er mee geworsteld en voor zijn deel overwonnen heeft, geniet
-het voorrecht ook anderen over hun zelfde moeilikheden heen te kunnen
-helpen. En altijd zullen er blijven, voor wie die moeilikheden
-onoverkomelik zijn. Maar het is, naar Kant’s woord uit de Einleitung
-van zijn Prolegomena ook „eben nicht nötig, dass jedermann Metaphysik
-studiere”, in de wetenschappelike zin der kritiek. Want van de kunst
-moge de bekende versregel gelden: „La critique est aisée et l’art est
-difficile”—in metaphysicis geldt veeleer omgekeerd: „Est difficile la
-critique et l’art aisé”.
-
-En wanneer ik nu zie, welke nooit-vermoede zeer- en hooggeleerde, wel-
-en zeer-eerwaarde misvattingen een kristalhelder denker en schrijver
-als Heymans nog te verduren krijgt, dan moet ik wel zonder valse
-bescheidenheid meer blaam of lof dan begrip verwachten en de meeste
-voldoening zoeken in die stille dank of ondank, die mij deels in ’t
-geheel niet, deels uit de feitelike resultaten zal blijken, uit wat de
-toekomst ten onzent in philosophicis zal opleveren, uit wat er voortaan
-zal worden gedacht en gedrukt en inzonderheid.... niet meer gedrukt.
-Daaraan zal ik merken, of mij de kritiese oriëntering van mijn lezers,
-zoals ik mij die blijkens de Voorrede heb voorgesteld, al dan niet,
-meer of minder gelukt is. Want één ding zal wel voor ieder gebleken
-zijn: de kritiek laat niet „alles beim alten” (Messer, Stumpf)—zij
-schept een Umwertung der Werte van filosofen en filosofemen. „Dass sie,
-als blosse Speculation, mehr dazu dient, Irrthümer abzuhalten, als
-Erkenntniss zu erweitern, thut ihrem Werthe keinen Abbruch, sondern
-gibt ihr vielmehr Würde und Ansehen durch das Censoramt, welches die
-allgemeine Ordnung und Eintracht, ja den Wohlstand des
-wissenschaftlichen gemeinen Wesens sichert” zegt Kant’s idealisme
-terecht (K. d. r. V. p. 641).
-
-Zo is dan de „Kritiek” en haar dogmadodende, dogmavrije methode, door
-Oudheid noch Middeleeuwen noch, zover wij weten, door Oosterse Wijsheid
-bereikt, grond en glorie van de nieuwe wijsbegeerte—en behoort haar
-overwinning van het dogmatisme als zodanig en van het materie-realisme
-in ’t biezonder, tot de hoogste intellektuele zegeningen, die een mens
-deelachtig kan worden. Dies zij mijn besluit, wat heel dit werk
-getuigen moge: Wilt gij waarheid en klaarheid, zoek eerst de kennisleer
-en haar kritiek—en al het andere zal u toegeworpen worden.
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-OPMERKINGEN TOT TOELICHTING EN BEVESTIGING. [232]
-
- „Du choc des opinions jaillit la vérité.”
-
-
-1 : p. 11. Voor de tegenstelling vergelijke men Hegel, Kl. Logik, p.
-333: „Im Vorbeigehen kann bemerkt werden, dass es ein sonderbarer
-Einfall Kants war, zu behaupten, die Definition der geraden Linie, dass
-sie der kürzeste Weg zwischen zwei Punkten sei, sei ein synthetischer
-Satz, denn mein Begriff vom Geraden enthalte nichts von Grösse, sondern
-nur eine Qualität. In diesem Sinne ist jede Definition ein
-synthetischer Satz” ... „Dass aber jene Definition analytisch ist,
-erhellt leicht, indem die gerade Linie sich auf die Einfachheit der
-Richtung reduciert, die Einfachheit aber in Beziehung auf Menge
-genommen die Bestimmung der geringsten Menge, hier des kürzesten Weges,
-giebt.”
-
-In ’t voorbijgaan ... demonstreert zich hier de „Verlosser der
-Gedachte” zelf ... aan Kant. Vgk. K. d. r. V. p. 557: „Die
-Gründlichkeit der Mathematik beruht auf Definitionen, Axiomen,
-Demonstrationen. Ich werde mich damit begnügen, zu zeigen: dass keines
-dieser Stücke in dem Sinne, darin sie der Mathematiker nimmt, von der
-Philosophie könne geleistet, noch nachgeahmet werden, dass der
-Messkünstler, nach seiner Methode, in der Philosophie nichts als
-Kartengebäude zu Stande bringe, der Philosoph nach der seinigen in dem
-Antheil der Mathematik nur ein Geschwätz erregen könne, wiewol eben
-darin Philosophie besteht, seine Grenzen zu kennen”...
-
-Zelfs de Hegeliaan J. Hutchison Stirling moet Kant tegenover Hegel ten
-deze gelijk geven, „What is Thought?” (1900), p. 194: „Nevertheless,
-the truth is rather with Kant”...
-
-Vgk. verder Opm. 45.
-
-
-
-2 : p. 12. Niemand minder dan Helmholtz zelf meende door zijn
-onderzoekingen tevens Kant weerlegd te hebben... ook àndere dan de
-Euklidiese meetkunde bleek denkbaar en zelfs... voorstelbaar! Moest dus
-niet de meetkunde eenvoudig ervaringswetenschap zijn?—Zeer zeker is de
-aanschouwelikheid van niet-Euklidiese meetkunde een argument tegen
-Kant—niet echter tegen de verbetering en uitwerking van Kant’s
-ruimte-leer (door Riehl-Heymans), volgens welke de ruimte niet van alle
-zinnelike waarneming als zodanig, maar alléén van een speciale zin, de
-bewegingszin, de „vorm”, het schema is,—zodat de aanschouwelikheid
-t.o.v. de gezichtszin, door Helmholtz aangevoerd, niets meer vermag
-tegenover de niet-voorstelbaarheid der metageometrie t.a.v. de
-bewegingszin. (Zie Heymans’ G. u. E. § 59 jo. 54).
-
-Ware door Helmholtz’ vondst de meetkunde ervaringswetenschap gebleken,
-dan had zij van ’t ogenblik dier ontdekking af moeten ophouden...
-wiskunde te zijn. Het tijdperk van... meetkunde-metingen en geometriese
-„proeven” zou zijn aangebroken! Ik vrees geen ogenblik, dat ons huidig
-positief empirisme deze positieve consequentie zal aanvaarden. Zelfs de
-grote Ostwald, de wiskunde-empirist, die in de „Kultur der Gegenwart”,
-dit machtig encyclopaedies werk, I : VI (Systematische Philosophie),
-art. „Naturphilosophie”, de „juistheid” der Euklidiese meetkunde
-tegenover de metageometrie experimenteel bewezen wil zien (p. 150: „ob
-die eine oder die andere ‚richtig’ ist, kann nicht anders entschieden
-werden, als durch eine entsprechende experimentelle Untersuchung”...),
-dus b.v. of wel alle „werkelike” △ △ absoluut-nauwkeuriglik 180°
-hebben,—zelfs hij is inconsequent en inexact genoeg, om de tot dusver
-genomen (?!) proeven... afdoende te noemen: „Wenn eine Abweichung
-vorhanden ist, so muss sie bei sehr grossen Dreiecken am leichtesten zu
-entdecken sein. Man hat bisher keine gefunden [ben trovato!] und muss
-somit die Euklidische Geometrie für richtig halten.” Maar wie weet,
-empiristies gesproken, of niet toch nog ergens bij een „enorme” △ die
-180° niet volkomen blijken uit te komen! Ik durf zelfs stellen, dat
-nooit en nergens die 180° precies zijn uitgekomen, „gemeten” of
-„gevonden”... trots Ostwald’s bewering: „Die sogenannte absolute
-Genauigkeit der mathematischen Gesetze ist daher nur eine Annahme, die
-sich bisher bei allen Prüfungen bewährt hat.”... Ja, wie weet, of niet
-op een goeie dag 5 × 7 ergens een ietsje meer of minder blijkt dan 35!
-Want hoe ongelooflik het klinken moge, op p. 147/8 wordt, in enkele
-alinea’s, ook even het empiries en syntheties karakter der rekenkunde
-„bewezen”!—Heel Ostwald’s behandeling van deze problemen blijft ver
-beneden het peil dier problemen zelf, is in meer dan één betekenis des
-woords beneden kritiek, en beschamend voor de „Kultur der Gegenwart” in
-Duitsland zelf, meer dan een eeuw na Kant. Want wat Kant eigenlik
-gezocht en gevonden heeft, hoe en in welke zin een wetenschappelik man
-nog anti-empirist, nog apriorist kan zijn (om niet te zeggen: moet
-zijn), het ligt alles volkomen buiten zijn gezichtskring (vgk. b.v.
-aang. de mechanica p. 160), al wordt Kant gemoedelik genoemd „der
-scharfsinnigste Philosoph, den das Deutsche Volk hervorgebracht
-hat”.—Hier blijkt dat een zgn. „natuurfilosoof”, zelfs al behoort hij
-tot de allergrootsten, nog lang geen natuur-filosoof behoeft te zijn en
-dat er tussen wetenschappelike, kenniskritiese, natuurfilosofie en
-natuurwetenschap een ander verschil bestaat, dan dat van „weniger und
-mehr Sicherheit” der door een alles behalve exacte inductie per
-„Analogieschluss” gewonnen „naturwissenschaftlichen Aussagen”! (Vgk.
-over Ostwald opm. 46).
-
-Heeft dus de Euclidiese meetkunde van experimenterend positivisme
-blijkbaar weinig gevaar te duchten, ook de spoken van het spiritisme
-zullen zich nog lang moeten oefenen en ontwikkelen, niet alleen
-prakties, maar vooral ook theoreties, eer zij de wetenschap zullen
-nopen, hen (of haar?) in een „4e dimensie” onder dak te brengen (vgk.
-Wundt, „Der Spiritismus, eine sogenannte wissenschaftliche Frage”).
-
-Prof. L. Boltzmann, de geniale physicus en felle mechanistiese
-tegenstander van Ostwald’s energetisme, de man, die echter bij ongeluk
-ook geroepen is om filosofiese colleges te geven, zij ’t ook over
-„Naturphilosophie”, en die nu als een heerlike volmaakte Caliban op het
-terrein der wijsgerige problemen rondspringt, die zich zelf daar dan
-ook, met zijn oude „Widerwille, ja Hass gegen die Philosophie” voelt
-als „den Bock zum Gärtner gemacht”, de arme kerel, die met.... Hegel is
-begonnen (o onbegonnen begin), wiens „Unstern” hem toen naar
-Schopenhauer en Herbart bracht en zo tot onbegrepen brokken Kant, deze
-ronde Condillac der 20e eeuw (zie zijn art. „Ueber die Frage nach der
-objectiven Existenz der Vorgänge in der unbelebten Natur” van 1897,
-opgenomen in zijn „Populäre Schriften”, 1905, p. 162), de
-naief-dogmatiese metaphysicus, die de metaphysica een „geistige
-Migräne” scheldt, wijl hij zelf aan de hemicrania van het materialisme
-laboreert (Geist und Wille „komplizierte Wirkungen von Teilen der
-Materie”, Vorstellung, Wille und Selbstbewusstsein „Entwicklungsstufen”
-van „physikalisch-chemischen Kräften der Materie”, terwijl elders weer,
-nog op dezelfde bladzij 396 o. c., dualisties, „mit jeder Wahrnehmung,
-auch mit jeder Willensentschliessung, rein mechanische Vorgänge
-verbunden sind”) en dan in metaphysiese zelfverloochening zich
-vernedert tot de verklaring van p. 324: „Ich wäre der letzte der die
-vorgebrachten Ansichten aufstellte, wenn sie irgend eine Gefahr für die
-Religion bergen würden”, de kriticus, die eerst Schopenhauer eventjes
-afmaakt met geweldige stompen.... in de lucht, en er dan leukweg
-bijvoegt: „Ebenso unhaltbar wie sich die Schopenhauerschen Gedanken
-erwiesen, scheinen mir nun auch die der sämtlichen anderen Philosophen
-in ihrem eigentlichen Kerne, inklusive Kant, zu sein, was zu erweisen
-mir freilich jetzt die Zeit fehlt.”, die Berkeley eert als „der
-Erfinder der grössten Narrheit.... die je ein Menschenhirn ausgebrütet
-hat, des philosophischen Idealismus, der die Existenz der materiellen
-Welt leugnet”,—welnu, deze onvervaarde Prof. Boltzmann waagt zich ook
-aan kennistheoretiese problemen, speciaal het apriorisme in wiskunde en
-logica:
-
-Als behoedzaam empirist wil hij zelfs de rekenkunde, al doet ze zich
-ook aan hem voor als „a priori richtig”, van tijd tot tijd eens aan de
-tand voelen, eens.... na-rekenen („Freilich, wenn sich einmal eine
-Methode, zu schliessen, durch Jahrtausende erprobt und vererbt hat,
-scheint sie uns a priori richtig, und wir können oft lange mit ihr ohne
-praktische Erprobung weiter arbeiten, z.B. wenn wir vertrauen, dass uns
-die Rechnung richtiges ergibt; allein einmal muss sie durch Taten
-erprobt worden sein, und von Zeit zu Zeit muss sie wieder erprobt
-werden.” p. 394/5).
-
-Over de ruimte luidt het dan, p. 388: „Überhaupt war Schopenhauer in
-dem, was er als aprioristisch bezeichnete, keineswegs besonders
-glücklich. So bezeichnete er es als aprioristisch klar, dass der Raum
-drei Ausdehnungen hat. Heute wissen die Forscher, dass ‚a priori’ ein
-mehr als drei dimensionaler Raum denkbar, dass auch ein nicht
-Euklidischer Raum nicht undenkbar ist.” (p. 388). Als nu zulk een
-huidig vorser maar niet vergeet, dat juist Kant die denkbaarheid van
-een metageometrie niet alleen reeds wist, maar zelfs.... ontdekt heeft.
-
-Ten aanzien van de denkwetten moet Kant het aldus ontgelden: „Man kann
-diese Denkgesetze aprioristisch nennen, weil sie durch die
-vieltausendjährige Erfahrung der Gattung dem Individuum angeboren sind.
-Jedoch es scheint nur ein logischer Schnitzer von Kant zu sein, dass er
-daraus auch auf ihre Unfehlbarkeit in allen Fällen schliesst.
-
-„Nach der Darwinschen Theorie ist dieser Schnitzer vollkommen
-erklärlich. Nur das, was sicher war, hat sich vererbt. Was unrichtig
-war, ist abgestossen worden. So erhielten diese Denkgesetze einen
-derartigen Anschein von Unfehlbarkeit, dass man sogar die Erfahrung vor
-ihren Richterstuhl stellen zu dürfen glaubte. Da sie nun aprioristisch
-genannt wurden, schloss man, dass alles aprioristische unfehlbar,
-vollkommen sei.” enz.—(Vgk. nog pag. 399, hoe voor hem de kennistheor.
-begrippen „eigentlich nur leere Worte sind”, wijl hem heel de
-„Bedeutung der Fragestellung” blijkbaar ontgaat.).
-
-Een al of niet feilbare, min of meer juiste, denkwet... dat is de
-nieuwste empiristiese ontdekking of liever uitvinding. Maar Prof. B.
-zal veel vergeven worden; want hij weet niet wat hij doet, in
-gnoseologicis; en aan zulk een reus op eigen gebied zij het wonderlik
-vermaak in potsierlike bokkesprongen op terra incognita gaarne gegund.
-
-Dr. Richard Wahle (destijds, 1894, privaatdocent voor filosofie aan de
-Univ. te Weenen; zal als braaf schrijver inmiddels wel Professor zijn
-geworden), die zowel in de inhoud als in de titel van zijn dik boek
-„Das Ganze der Philosophie und ihr Ende” de vergissing begaat, zijn zgn.
-filosofie voor de filosofie te houden; wiens physiologisties
-phaenomenalisme tussen theologie en physiologie, indeterminisme en
-fatalisme, „Extensivismus” en „Agnosticismus” heen en weer waggelt; die
-in zijn „Abschluss” tot interessante conclusies komt als de volgende
-(p. 537): „Unsere Kritik aller Daten, die viel schärfer als die
-Kant’sche sein musste, ist das Grab jeder Speculation und Hypothese”
-(lees weer „meiner” i.p.v. „jeder”); „die Kritik unseres Wissens wurde
-hier weiter hinausgeführt, als es von den kritischesten Denkern sonst
-geschehen ist.” (ja, ganz hinausgeführt!) en op de slotpagina 539: „Ist
-das, was hier geboten wurde, nichts—gut, so ist es alles, was Menschen
-in dem Streben nach Orientierung im Ganzen je wissen werden.” (weer dat
-bovengenoemd foutje—de heer Wahle ziet zich voor de mensheid of de
-wijsbegeerte aan; overigens heeft hij gelijk—het is niets—en alles wat
-Wahle’s ooit zullen weten.); van zulk een Ueber-Kant verwondert het ons
-niet, op p. 44 te lezen:
-
-„Doch jener Begriff der a priorischen Raumanschauung ist so gar nicht
-fundiert, dass es ihm schon zu viel Ehre anthun heisst, wenn man die
-metamathematischen [n.b.] Betrachtungen gegen ihn in’s Treffen
-führt.”... „Damit hatte jedoch Kant anderseits recht, dass die
-geometrischen Sätze irgend etwas absolut Denknothwendiges [sic] sind.
-Nur [!] seine Auffassung und Erklärung ihrer Natur ist falsch.”
-Sapienti sat.
-
-De meetkundestellingen berusten dan voor hem weer eens op
-definities—van wier onvrijheid zijn naief realisme niets beseft, terwijl
-het de meta-geometrie alleen... physies, niet-meetkundig, kan
-begrijpen, en daarmee zijns ondanks (zo op p. 51) de ruimte-aprioriteit
-bevestigt. Zelf gaat hij de axioma’s... bewijzen. Wie zich daarvoor
-interesseert, zij naar het boek zelf verwezen.
-
-Met genoegen citeer ik hier ten slotte Stelling XIV uit het
-proefschrift van Ph. A. Kohnstamm (1901): „Terwijl Riemann en Helmholtz
-meenen, dat zij de onhoudbaarheid van Kant’s opvatting omtrent het
-aprioristisch karakter der geometrische axioma’s hebben bewezen, hebben
-zij inderdaad slechts de juistheid nader aangetoond van een van Kant’s
-premissen, den synthetischen aard dier axioma’s.”
-
-
-
-3 : p. 13. Ter waarschuwing wil ik er hier op wijzen, dat de
-voorbeelden, die Dr. de Hartog geeft in zijn „Kant” fout zijn, zowel
-dat uit de wiskunde „het geheel is grooter dan het deel”, een analyties
-oordeel (cf. explicite Kant K. d. r. V. p. 652: „Einige wenige
-Grundsätze” enz.), als in de natuurwetenschap: „iedere werking moet een
-oorzaak hebben”,... een analyties oordeel uit het begrip „werking”
-(vergelijk over deze tautologiese formulering, ook bij Mr. Levy, Het
-Indeterminisme, p. 182, 188, Träger, Wille, Determinismus und
-Strafrecht, p. 70 s. en Busse, Philosophie und Erkenntnistheorie, p.
-187).
-
-Als note gaie voeg ik hier bij, hoe op de volgende pagina genoemde Heer
-Kant corrigeert: Kant had de term syntheties oordeel a priori moeten
-vervangen „door de eenvoudige opmerking, dat ware kennis onzen
-gezichtskring aangaande de verschijnselen [!] moet uitbreiden en dat
-[?] wel algemeen en noodzakelijk.”
-
-Jammer, dat Kant deze voorlichting zelf niet heeft mogen beleven; het
-had hem de moeite van ’t Kantisme bespaard.
-
-Over Dr. de Hartog’s Kant-begrip vergelijk pag. 115 noot 1.
-
-
-
-4 : p. 14. Als Hegel en zijn karremannen aan komen dragen met de
-„tegenstelling” + A en -A, waartussen A ligt, bewijzen zij enkel ’t
-verschil tussen de logiese („contradictore”) tegenstelling (+ A en niet
-+ A, links en niet-links) en de („contraire”) tegenoverstellingen
-(links-rechts, goed-slecht, zwart-wit, oud-jong enz.) niet te kunnen of
-anders niet te willen begrijpen. Zo b.v. J. E. Erdmann (niet te
-verwarren met de huidige Prof. B. Erdmann, Paulsen’s opvolger in
-Berlijn) in zijn Grundriss der Logik und Metaphysik, § 97: „‚Alles ist
-ein Entgegengesetztes’, oder A muss entweder + A oder - A sein, tertium
-non datur (ist nur Schein), ist ein Satz, der völlig mit dem Satze
-streitet, dass A eben nur A (d.h. weder + noch -) sein solle.”
-
-„A muss entweder + A oder - A sein, tertium non datur” is uitsluitend
-Hegeliaanse, letterlik Hegel nagewauwelde (Enc. § 119) vervalsing der
-denkwet: „Etwas muss entweder A oder nicht A sein, t. n. d.”, een
-vervalsing, die men bij geen enkel „verstandig” logicus zal vinden en
-die pour besoin de la cause is uitgevonden.
-
-Vergelijk hiervoor reeds de juiste opmerking van Land, Inleiding tot de
-Wijsbegeerte, p. 162 s.
-
-Ook Prof. Bolland geeft van het principium exclusi tertii (b.v. Coll.
-Log. p. 572 ss.) een valse voorstelling, te weten: „A is òf B òf C”.
-Het verstand neemt deze onnozelheid niet voor zijn rekening en de
-dialektiek heeft gemakkelik spel tegen deze papieren vijand. Waarom zou
-A niet precies even goed D, E, F, enz. kunnen zijn als B of C, of B en
-C enz. tegelijk (b.v. A is òf B òf C òf D, een Duits lidwoord is òf
-mannelik òf vrouwelik òf onzijdig; A is B en C en D: een magneet heeft
-een noordpool, een midden en een zuidpool)?
-
-In waarheid zegt de denkwet dan ook niets anders dan: A is àl of niet
-B, of zo men wil: A is òf B òf niet B. Van onverschillig welk
-denkvoorwerp geldt al of niet onverschillig welk gezegde. Al wat
-gedacht kan worden heeft elke denkbare eigenschap òf wel òf niet.
-
-Men kan het zelfs met één letter afdoen: Al wat denkbaar is (in Prof.
-B.’s dialekt: elke mogelike denkbaarheid), is àl of niet A.
-
-Deze bedoeling mag men dan gerust aldus formuleren: „iets is òf A òf
-niet A” (p. 476), maar nooit „A is òf A òf niet A” (zo laatstelik nog
-weer in De Logica, 1911) en nooit „A is òf B òf C”. Dit is onverstand
-en niet een kant van het verstandig denken. Wat A is kan niet niet A
-zijn en wat niet niet A is moet A zijn. Alles samengevat in de ene
-omkeerbare vergelijking: A = niet niet A. In woorden: Bevestiging is
-uitsluiting van ontkenning, ontkenning van ontkenning is bevestiging.
-Bevestiging en ontkenning kunnen derhalve nòch beide waar, nòch beide
-onwaar zijn.
-
-Onjuist is de uitvlucht van Prof. Bolland (Eenheid van Tegendeelen, p.
-18) dat „zich niet (laat) opgeven, waaraan contraire en contradictoire
-bepalingen te onderkennen zijn”. Immers de laatstgenoemde aan de
-zuivere ontkenning zonder meer. Twee op zich zelf gelijkelik positieve
-begrippen vormen dus als zodanig nooit een contradictie, b.v. vierkant
-en rond, zwart en wit. Wat dus niet vierkant is behoeft niet rond te
-zijn, al kan het niet wèl vierkant zijn. Of ze elkander desniettemin ja
-dan neen uitsluiten, kan eerst door begripsontleding blijken, naar
-gelang er al of niet contradictore elementen te voorschijn komen, hier
-b.v. hoekig en niet-hoekig, met en zonder rechte zijden.
-
-Hoezeer men echter op z’n hoede heeft te zijn voor misleidende klank en
-schijn van contradictie, mogen voorbeelden als de volgende tonen: een
-niet-veranderende verandering is niet een weerspreking! (Contradictoor,
-dus zinledig, ware slechts een geen-verandering-zijnde verandering!).
-Want niet-veranderend wordt dan gedacht in de zin van sich nicht
-ändernd, en een verandering behoeft niet een verandering van
-verandering, een verandering in de tweede macht te zijn; zij kan
-zichzelf gelijk blijven, zonder enige zelfweerspreking (Voorbeeld: een
-eenparige beweging, een gelijkmatig verlopend „zich zelf gelijk
-blijvend” proces. Daartegenover staat dan een eenparig versnelde
-beweging, als verandering in de 2e macht, als een gelijkelik of
-niet-veranderend veranderende verandering. Volgt een versnellend
-versnelde beweging en zo in infinitum.). Een verandering in zeker
-opzicht kan dus, verstandig gesproken, zeer goed niet-verandering
-zijn... in ander opzicht: beweging is als zodanig verandering van
-plaats en kan dus niet-verandering zijn van snelheid. Ook hier dus geen
-ontkenning en bevestiging van „hetzelfde in hetzelfde opzicht”.
-Gelijkerwijs is dus ook een niet-vermeerderende (of zelfs
-verminderende) vermeerdering geen contradictio in adjecto.
-
-Niets van dit alles gaat het verstand, het zichzelf beheersend en zich
-niet te buiten gaand verstand, te boven. Maar zo ver, tot het inzicht
-dezer niet-weerspreking, wil of kan „zuivere rede” niet doordenken. Zij
-is dan ook met haar bestendige verandering, haar volstrekte
-betrekkelikheid, haar algemene biezonderheden en biezondere
-algemeenheden, haar veelheid bevattende eenheid... verstandiger (of op
-haar manier dus „dommer”) dan zij zelf wel weet of wil weten.
-
-Hoe redelik en billik het verstand behandeld wordt door Zuivere Rede,
-toont p. 86 (2e dr. 126): „dat de waan, alsof nu de roos òf wit òf
-zwart zoude moeten blijken, eene onnoozelheid mag heeten.... komt aan
-het verstandige denken al weer niet tot bewustzijn.” Zou Prof. B.
-inderdaad van „het verstandige denken” zo weinig verstand hebben?
-
-„A = A zegt het verstand in stellenden trant op beslisten toon, alles
-gelijkt op.... zichzelf” (p. 83, 2e dr. 123) (Herhaling van p. 12,
-Eenheid van Tegendeelen).
-
-Dit laatste zegt alleen onverstandige zgn. „rede”—en alleen het
-verstand begrijpt, wat Prof. Bolland miskent, welke waarheid er
-verborgen ligt achter de òf onbewust òf tendentieus onverstandige
-formulering A = A. In één zinnetje wordt dan (p. 85, 2e dr. 125) de
-denkwetvervalsing „A is niet B” gelijk gesteld met het logiese „A is
-niet niet A”, als „de bedoeling van het zoogen. principe der
-contradictie”! Pp. 85–87 bevatten dan ook louter misverstand, dat
-verstand van verstand blijkt te missen. Afdoende is p. 91 (131): „en
-zal nu bij slot van rekening de grondstelling van het uitgesloten
-midden haren zin niettemin behouden in de verplichting [Heymans, Wundt,
-Lipps, B. Erdmann weerleggen dit logica-ethicisme] der gedachte, om
-eene niet eenhoevige eenhoevigheid, eene niet gele geelheid of onnutte
-nuttigheid af te weren, dan wordt het de vraag, of ‚de denkwet’ zich
-niet aan eigene zinledigheid opheft.” Prof B. acht hier zinledig, iets
-waarvan hem slechts de zin ontgaat. „Mais on fera ce jugement”, zegt
-Leibniz (te weten „que toutes vérités identiques ne servent de rien”),
-„faute d’avoir assez médité sur ces matières”. Die zin is deze, dat
-bedoelde wet het prius is, de vooronderstelling en het fundament van
-elke redelike gevolgtrekking (vergelijk Ges. und El. § 19 en K. d. r.
-V. p. 151: „Daher müssen wir auch den Satz des Widerspruchs, als das
-allgemeine und völlig hinreichende Principium aller analytischen
-Erkenntniss gelten lassen”). „Ce qui fait voir que les propositions
-identiques les plus pures et qui paraissent les plus inutiles sont d’un
-usage considérable dans l’abstrait et général; et cela nous peut
-apprendre qu’on ne doit mépriser aucune vérité”, zegt Leibniz in zijn
-Nouveaux Essais sur l’Entendement, uitg. Janet, I, p. 328. Uw smalen op
-„het nog niet tot rede gebrachte verstand” bewijst dus slechts dat uw
-„rede” het nog niet tot verstand gebracht heeft. Toch zien wij in
-„Aanschouwing en Verstand” p. 61 erkend, dat heel de rekenkunde
-uitsluitend op de denkwet van de tegenstrijdigheid berust: „Meetkundige
-waarheden berusten nu eenmaal niet, gelijk de getallenleer, uitsluitend
-op de denkwet der tegenstrijdigheid.” En van deze denkwet levert p. 80
-de zuivere formulering: „A is niet non A”.
-
-De erkenning, „zonder meer”, van de „éénzijdige”, „verstandige”
-denkwettelikheid (dus: niet niet A = A), geeft Prof. Bolland zelf b.v.
-in no. 119 van zijn 1001 spreuken: „Het absoluut negatieve en het
-relatief positieve zijn ongescheiden onderscheiden; ontkenning van
-ontkenning is bepaalde bevestiging.” Hij geeft hier echter tevens een
-sprekende proeve van gedachteloze klank-associatie, waar ontkenning van
-ontkenning dienst moet doen als.... „het absoluut negatieve”! Klonk
-daar niet twee maal „ontkenning”?! Vergelijk ook no. 392. Evenzo Z. R.
-p. 52 (92), waar „Negatie van negatie, absolute negativiteit” optreedt
-als „identiteit van het contraire”—dus niet van het contradictore!
-Bedenkt men nu, dat „identiteit” („eenheid”) in Hegeliaans dialekt
-gebruikt wordt in de zin van: denkbaar („redelik”) verband, en
-„tegendeelen” wordt genomen voor wat onderling verschilt (Cohen raak:
-„der Widerspruch muss sich die Abplattung in den Gegensatz gefallen
-lassen”), dan ziet men, hoe zorgzaam hier de schijn van contradictie
-gecultiveerd wordt op de bodem van een banale „verstandigheid”. Zo
-vernedert men zich voor het gemeen begrip, door het te boven te willen
-gaan. Heel dit odi profanum vulgus et arceo is dialecties op zijne
-wijze.... vulgusdienst.
-
-
-
-5 : p. 15. Men misvatte deze kenniskritiese vraag niet als een alogies
-„psychologisme”. Natuurlik is de bedoeling niet: hoe komen wij, gij en
-ik, psychologies aan dat praedicaat, door welke toevallige associaties
-enz., maar: hoe komen wij als denkende, logiese wezens, bij de
-voorwáárhouding van deze praedicaatstoekenning—hoe is deze logies te
-„rechtvaardigen”?
-
-Heel dat veelal onverkwikkelik gehaspel over „transcendentalisme” en
-„psychologisme”, waarbij men ’t over en weer veel meer ééns is, dan men
-zelf vermoedt (immers nòch loochenen de ernstige anti-psychologisten de
-bewustzijns-natuur aller wetenschap, [233] al zijn er velen, die het
-onpersoonlik subjekt der wetenschap en der waarheid over ’t hoofd zien,
-nòch loochenen de bezonnen „psychologisten” de kritiese, logiese en
-teleologiese natuur van „het probleem der ervaring”), vervalt voor het
-inzicht, dat de kritiese rechtvaardiging en de genetiese verklaring
-voor elk element van de wetenschap zouden samenvallen in de gegevenheid
-van de gezochte logiese praemissen, die tegelijkertijd oorzaak en
-rechtvaardiging („toereikende grond”) der aan kritiek onderworpen
-overtuiging of waarheid zijn.
-
-De logiese „mogelikheid” van een overtuiging (i.c. van de synthetiese
-oordelen a priori) is tevens genetiese mogelikheid voor een logies
-denkend subjekt—en omgekeerd.
-
-En zonder voorondersteld logies subjekt vervalt—zo hier als ginds—het
-hele probleem der „wetenschap”, zowel het probleem der mathesis als dat
-der inductie.
-
-Ieder derhalve, voor wie deze problemen bestaan, weet zich met absolute
-zekerheid een logies denkend subjekt.
-
-Hume heeft dus eigenlik reeds door zijn probleemstelling zelve zijn
-eigen alogies, psychologies antwoord, en het empirisme, van te voren
-weerlegd.
-
-Kant’s principiële vraagstelling: „Hoe zijn synthet. oordelen a priori
-mogelik?” wil dan ook in de grond niets anders zeggen dan: Hoe is een
-oordeel over wat niet gegeven schijnt te kunnen zijn (b.v.
-tijdoneindigheid: toekomst en verleden; ruimte-oneindigheid: axioma van
-de rechte lijn) in overeenstemming te brengen met het kennis-axioma:
-dat wij niets kunnen weten zonder voldoende gegevens. Kant betekent dus
-niet, naar ondeskundige empiristen wel moeten wanen, de verzaking, maar
-juist de handhaving van dit axioma.
-
-Heymans’ vroeger-kantiaans „psychologisme” staat krities boven het
-later-kantiaans „transcendentalisme” van „Die Philosophie im Beginn des
-zwanzigsten Jahrhunderts”, boven het normatief neo-kantisme van
-Windelband en de zijnen, door het inzicht, dat alle „waarde” fundering
-behoeft en verkrijgt, niet door een rationialisties bedacht systeem van
-doeleinden („Reich der Zwecke”), maar door de „werkelikheid” der
-empiries te vinden wetten van oordelende subjectiviteit. Voor deze
-feitelike geesteswettelikheid, wier ontdekking de taak is der
-„analytiese methode”, waaraan het empirisme zijn empiriese weerlegging
-te danken heeft, vervalt de befaamde „antinomie tussen natuurwet en
-norm”. Heymans zoekt en vindt het Sein, waarop alle Sollen berust (i.
-pl. v. omgekeerd, als bij Lotze c.s.), niet in het geleende maanlicht
-van een Platonies transcendent absolutum („das Heilige” waarin de
-„Präludien” zich oplossen of de „heilige wirkende Realität”, waar
-Rickert’s „Grenzen” op uitlopen, p. 736 ss.), maar in de eigen zon der
-zuiver immanente, transcendentale autonomie.
-
-Vgk. ook Dr. Max Adler, Kausalität und Teleologie im Streite um die
-Wissenschaft (Marx-Studien I, pp. 193–433), goed pp. 356 ss. over de
-Denknotwendigkeit als „ganz einfach eine bestehende Gesetzlichkeit” (p.
-360) en over „die Tatsächlichkeit der formalen Aktionsbeschaffenheit
-des Bewusstseins” (p. 400 s.).
-
-
-
-6 : p. 16. Tegen het Kriticisme is sinds Hegel (§ 10 Kl. Log.)
-herhaaldelik aangevoerd: het zou de onderneming zijn van wie wil leren
-zwemmen eer hij te water gaat...: wie anders zal de rede kritiseren,
-dan... de rede zelf,—wier kritiek dus alleen waarde heeft... als we
-uitgaan van de onaantastbaarheid van de kritiserende Rede. Zo zouden we
-aan een petitio principii, een cirkelredenering ons schuldig maken. En
-overbekend is Lotze’s woord: „Da mithin dieser Cirkel unvermeidlich
-ist, so soll man ihn reinlich begehen.” Negamus. De zaak is, dat we
-niets anders zoeken dan een rechtvaardiging van de wetenschap voor...
-het Forum der Rede, niet voor een onmogelik, ondenkbaar, „absoluut”
-Forum. Met een redelike rechtvaardiging van ons weten zijn we vooreerst
-volkomen tevreden—en we zien niet in, welke zin „rechtvaardiging” nog
-zou hebben—zonder de eisen der rede. Aldus Riehl en Heymans.
-
-Wie „het bovenmenschelijke en volstrekte, dat ons ideaal blijft” nog
-zoekt (vergelijk Bolland, Tweemaand. Tijdschr. 1898, p. 48, en p. 56:
-„‚Voorzeker’, zeggen wij met Prof. W. Windelband, ‚de poging van Hegel
-is... mislukt’”), voor hem bestaat de kenniskritiek niet.
-
-Geen wonder, dat een dogmaticus als de Heer Christian Pesch S. J.
-schrijft in een artikel over „Unser heiliger katholischer Glaube”
-(Stimmen aus Maria-Laach 77: pp. 473–490), waarin naar r. k. opvatting
-het al of niet r. k. geloven tot een kwestie van goed- of
-kwaadwilligheid wordt gemaakt: „Die Katholiken glauben also weil sie
-glauben wollen? Allerdings! wie auch die Ungläubigen nicht glauben weil
-sie nicht glauben wollen”... „Glauben ist die Erfüllung einer Pflicht.
-Darum wird der Glaube von Gott belohnt, der Unglaube bestraft.” (nog
-loon ook voor ’t vervullen van die plicht—dus „befooide
-gehoorzaamheid”!), geen wonder, dat een Jezuïet als hij zijn lezers
-voorhoudt: „Was ist das für eine Wissenschaft, die alle
-Errungenschaften menschlichen Denkens und Forschens vor ihren
-Richterstuhl zieht und an dem läuternden Feuer ihres Zweifels und ihrer
-Kritik prüft? Es giebt keine solche Wissenschaft.” Eppur...!
-
-Op p. 488 staat dan over Kant: „Er hat seine Anhänger in eine Skepsis
-hineingeführt, aus der sie trotz alles heissen Bemühens den Ausweg noch
-nicht wiedergefunden haben. Hier liegt eine grosse Versündigung an der
-Wahrhaftigkeit vor, nicht aber in der Ausschliessung des freiwilligen
-Zweifels gegenüber sicher verbürgten Wahrheiten.”
-
-Voorwaar—, hier liegt eine grosse Versündigung an der Wahrhaftigkeit
-vor!
-
-In dezelfde geest schrijft in hetzelfde tijdschrift een ander Jezuïet,
-de heer Konstantin Kempf, als een nieuwe Brunetière, eerst over „Der
-Bankrott der modernen Erkenntnislehre” (VII: 146 vv.) om vervolgens in
-„Endstationen der modernen Philosophie” het uitvoerig weergegeven
-Illusionisme van Prof. L. Stein... aan Kant (blijkbaar een goede
-bekende van lezers en schrijver) in de schoenen te schuiven:
-
-VIII: 281: „Also Ideale, d.h. nach Stein vererbte Illusionen, sind die
-‚Tragepfeiler und Querbalken’ der modernen Weltanschauung. Kann man
-deutlicher die Haltlosigkeit und den Bankrott derselben eingestehen,
-kann man sich und seine Wissenschaft mehr blamieren, als es Stein tut?
-Schwerlich. Wir haben ihn deshalb so ausführlich zitiert, weil er
-erstens deutlich zeigt, wohin eine konsequente Weiterentwickelung der
-von Kant angebahnten Philosophie führt. Der Kantsche Grundsatz: ‚Unsere
-Erkenntnis richtet sich nicht nach den Dingen, sondern die Dinge
-richten sich nach unserer Erkenntnis’, ist der Hauptscheidepunkt der
-philosophischen Systeme, und der Weg, auf den jener Grundsatz hinweist,
-führt unfehlbar zum jähen Absturz in die bodenlose Tiefe des
-Skeptizismus. Je weiter man von da voranschreitet, um so dunkler und
-nebelhafter wird alles, so dass man schliesslich auf alles keine andere
-Antwort mehr weiss als: Es ist eine Illusion.”
-
-Ik hoop elk van m’n lezers altans zó ver te brengen, dat hij de illusie
-van dit soort wijsgeren (waartoe ook de ten onzent veel nageschreven
-geleerde Cathrein behoort en speciaal Leslie J. Walker in zijn
-„Theories of Knowledge”) omtrent zulk een „Hauptscheidepunkt” en Kant’s
-„Grundsatz” doorziet en begrijpt, dat Kant nooit bedoeld heeft, zo min
-als énig mij bekend wijsgerig stelsel, de dogmatiese dwaasheid te
-verkondigen, dat de werkelikheid naar de pijpen van onze kennis zou
-dansen [234], maar wel de kennis-kritiese waarheid, dat de
-natuurdingen, de objekten, slechts zijn en zó-zijn bij de gratie der
-kennende subjectiviteit,—een inzicht, dat niet alleen dezer heren
-dogmaties realisme en dualisme weerlegt, maar juist ook alle
-natuurwetenschappelik skepticisme en individualisme vernietigt.
-
-’t Is al weer Berkeley, bij wie zij reeds uitnemend betoogd kunnen
-vinden (P. of H. K. s. 86 vv.), hoe juist hun dogmatiese verdubbeling
-„by supposing a two-fold existence of the objects of sense—the one
-intelligible or in the mind [wij zouden zeggen: immanent], the other
-real and without the mind” [alias transcendent]... „a most groundless
-and absurd notion, is the very root of Scepticism”. Immers, werkten de
-zinnen afbeeldend, naar enig model, in plaats van origineel-scheppend,
-dan zouden ze ons best kunnen bedriegen en heel andere dan de
-„werkelike” eigenschappen van de dingen kunnen vertonen. „So that, for
-aught we know, all we see, hear and feel, may be only phantom and vain
-chimera, and not at all agree with the real things existing in rerum
-natura. All this sceptical cant follows from our supposing a difference
-between things and ideas, and that the former have a subsistence
-without the mind and unperceived”.
-
-Wat Kant zelf betreft, in de tekst zetten wij uiteen, hoe juist en
-alleen zijn kriticisme algemeen-geldige niet-analytiese waarheden
-redelikerwijze grondvest, zodat Kant het recht heeft, te verklaren: „Die
-Kritik der Vernunft führt also zuletzt nothwendig zur Wissenschaft; der
-dogmatische Gebrauch derselben ohne Kritik dagegen auf grundlose
-Behauptungen, denen man eben so scheinbare entgegensetzen kann, mithin
-zum Skeptizismus.”
-
-Natuurlik behandelt, ten onzent, ook de r. k. dogmaticus Dr. J. Th.
-Beysens, hoogleraar in de wijsbegeerte bij de rijksuniversiteit te
-Utrecht, die tot „de Leuvensche school” behoort, waartegenover dan nog
-een „ultradogmatische” richting staat als „de gangbare”, in zijn
-„Criteriologie” (2e dr. 1911), geënt op de „Critériologie Générale” van
-zijn Leuvense autoriteit kardinaal Mercier (wiens Kantbesef uit enkele
-zinnetjes, door zijn volgeling met instemming overgenomen, reeds
-afdoende blijkt: „Dira-’t-on que la science est un roman, les
-mathématiques une poésie? Il faut pourtant en venir là, lorsqu’on
-prétend que tout objet de représentation intellectuelle n’est que
-phénoménal.” of elders: „Si je ne connais que le mode d’apparition des
-objets [!] à ma [!] pensée [!], τὸ Φαινόμενον [!], le réel empirique
-m’échappe aussi bien que le réel métempirique.” en „rien ne m’empêche
-de passer de la certitude des noumènes d’expérience [het staat er] à la
-certitude des noumènes métaphysiques”), Kant onder het hoofd: „De
-hoofdvormen van het sceptisch subjectivisme” (sc. „Het
-Transcendentalisme” en „Het Empirisme”!).—Zelfs al wilde men voor een
-ogenblik afzien van de waarheid, die ook voor het bereiken van het
-kriticisme geldt: ne peut qui ne veut,—dan nog staat deze
-Kant-„weerlegging” m.i. te ver beneden Kant-begrip om als
-wetenschappelike Kantbestrijding in aanmerking te komen. Maar ook hier
-blijve mijn oordeel niet zonder z’n summiere staving.
-
-Reeds hoe Kant’s leer wordt weergegeven is de moeite van ’t citeren
-waard: Als Prof. Beysens om te beginnen (aanhef Hoofdstuk III, p. 154)
-de definitie geeft van „het Criticisme van I. Kant c.s., dat hier beter
-[altans liever] met den naam van Transcendentalisme wordt aangeduid”
-maakt hij er al dadelik juist datgene van, wat Kant.... het felst en
-principieelst heeft bestreden, te weten: denk-rationalisme: „Alle
-algemeene en noodzakelijke kennis is volgens hen a priori d.i.
-onafhankelijk van alle ervaring door het denkend verstand uit eigen
-denkaanleg opgebouwd.”! „Der Grundsatz, der meinen Idealismus
-durchgängig regiert und bestimmt, ist dagegen: ‚Alles Erkenntnis von
-Dingen, aus blossem reinen Verstande oder reiner Vernunft, ist nichts
-als lauter Schein, und nur in der Erfahrung ist Wahrheit.’—Das ist ja
-aber gerade das Gegenteil....” zo antwoordde Kant zelf (Proleg. p.
-165)!—
-
-Aldus voorbereid krijgt de lezer van Prof. Beysens nu eerst een
-overeenkomstige „Uiteenzetting van het Systeem”, § 1 en dan de
-bijbehorende § 2: „De Fouten van het Transcendentalisme”.
-
-—De eerste pagina de beste (155) van deze § 1 vertoont al een begrip à
-la Mercier van de Kantse phaenomena: „de gegevens der zinnen zijn louter
-verschijnselen, indrukken, phoenomena.”, gelijk elders (no. 83) die
-„verschijnselen” „de veelvuldige phoenomenale indrukken” heten (die oe
-staat er, telkens! wat moet men van schrijver en zijn publiek denken,
-dat zulk een barbarisme kan worden volgehouden in zodanig werk, 2e
-druk?) en p. 156: „als indrukken zijn zij volkomen afhankelijk van den
-bouw der organen en zelfs van hun oogenblikkelijken individueelen
-toestand.”! En „dit subjectivistisch phoenomenalisme”, met hetzelfde
-door Prof. Beysens’ naïveteit niet eens gemerkte
-dogmaties-verdubbelende prikkel- en orgaan-realisme, dat hem te voren
-al, b.v. in zijn § over de „Objectieve realiteit der gewaarwordingen”
-(no. 68) evenals in no. 60, „Kritiek der sceptische redegronden”, heel
-het idealisme-probleem doet misvatten en vermaterialiseren tot de
-kennistheoreties irrelevante vraag van p. 149 (vgk. ook no. 56) „of de
-gewaarwordingen (naar haar voorwerpelijken inhoud) van den aard van
-prikkel en zintuigen beide afhankelijk zijn, dan wel een zuiver
-subjectieven oorsprong hebben en dus louter bewustzijnstoestand of
-louter eigen aandoeningen zijn.” (irrelevant, aangezien elk
-kenniskrities „idealist” of „subjectivist” of „phaenomenalist” of
-„relativist”—Prof. Beysens kieze welke lelike naam hij wil—erkent, dat
-physiologies elke gewaarwordingsbepaaldheid een functie is van
-objectieve prikkel èn organisme gezamenlik, terwijl deze
-gewaarwordingsbepaaldheid als psychiese realiteit causaal evenmin van
-prikkels als van de physiese organisatie afhangt, immers niet van
-phaenomena, objekten, maar van hun realia, i.c. de subjectieve
-psychiese organisatie en het transobjectieve substraat van de prikkels,
-terwijl die qualiteit als geestesprodukt, bewustzijnsbiezonderheid,
-nòch overdraagsel van „elders” nòch afbeeldsel van iets buiten-psychies
-kàn zijn; aan het werkelik kenniskrities „idealisme” probleem komt dus
-Prof. Beysens zelfs daar, waar hij waant het te behandelen, niet eens
-toe!), dit even onkants als onkrities, realisties „subjectivistisch
-phoenomenalisme” zou de leer van Kant zijn!
-
-Voor het gelden a priori (algemeen en noodzakelik ten aanzien van
-objekten) van synthetiese oordelen de rechtvaardiging, de „mogelikheid”
-te vinden, dat was Kant’s grote probleem, naar ik in de tekst
-uiteenzet. Volgens Prof. Beysens nu vindt Kant die rechtvaardiging in,
-lach niet,.... hun aprioriteit zelf! Ziehier (p. 158/9): „Hoe dan de
-objectieve geldigheid van deze algemeene en noodzakelijke oordeelen,
-daar zij immers a priori zijn, te rechtvaardigen? Juist door hun
-aprioriteit, luidt het antwoord.” Hoe komt Prof. B. aan deze
-enormiteit? Wel, de definitie, die hij van a priori geeft....
-verhaspelt eenvoudig Kant’s „subjectivistische” oplossing met het
-probleem zelf! Aldus: „Want wat a priori d.i. in den aanleg of de
-natuur van het denkend subject gegeven is, wordt van zelf noodzakelijk
-gedacht.”—Diezelfde bladzij refereert dan nog als volgt: „het is de wet
-van ons denkleven [!], dat wij ons zelven de ervaringsdingen a priori
-construeeren door de ‚denk- en aanschouwingsvormen a priori van onzen
-geest’ [ge raadt het nooit] te objectiveeren, en zóó uit ons zelven
-door synthese a priori de wereld onzer kennis in elkander te zetten.”!
-Geobjectiveerde kennisvormen! Even Kants als „de aprioristische of
-denkwettelijke natuur der begrippen” van diezelfde pagina. Het wordt
-nog fraaier op p. 161/2: „Zóó is het begrip (en het ervaringsoordeel)
-niet zelf de vrucht van ervaring, maar de voorwaarde-a-priori van
-mogelijke ervaring.”! Stel u voor, het begrip, dus ook een empiries
-begrip, en zelfs een ervaringsoordeel, niet meer element van
-„ervaring”, maar ervaringsgrond en transcendentaal! Weet Prof. Beysens
-wel wat hij zegt? Kan Kant erger verstoethaspeld worden? Ja, blijkbaar
-wel. Want Prof. Beysens’ Kantbegriploosheid gaat zo ver, dat hij a
-priori en transcendentaal eenvoudig gelijkstelt, vereenzelvigt, en op
-p. 168 laat drukken: „Voor Kant c.s. echter is alle kennis, de
-objectief geldige niet uitgezonderd [dus ook de niet objectief geldige
-„kennis” transcendentaal?!], transcendentaal of a priori”. Welk een
-dubbele onwaarheid hier gedebiteerd wordt beseft ieder ingewijde, die
-weet, dat a priori een zuiver feitelik begrip is, dat uitsluitend
-tegenover a posteriori staat, transcendentaal daarentegen een zuiver
-theoreties begrip, voor al wat synthetiese oordelen a priori (en dus
-„Erfahrung”, wetenschap, zie mijn noot 1 bl. 19) mogelik maakt en
-rechtvaardigt („begründet”), door Kant dus gebruikt zowel voor het
-„transcendentale Object” enerzijds en anderzijds speciaal de „formele”
-kenniselementen, als voor heel het onderzoek der „Kritik”, de
-„kritiese” methode, zelf en staande evenzeer tegenover het
-transcendente, terrein van oordelen a priori, als tegenover het
-empiriese. „Transcendentaal” is dus niet eens „de objectief geldige
-kennis”, de „Erfahrung”, zelf, maar wat deze.... mogelik maakt. En welk
-een onschuldige dwaas zou „Kant c.s.” zijn, in plaats van de geweldige
-dogmadoder die hij welbegrepen blijkt en meer en meer voor alle
-toekomst zal blijken, als hij de kennis a posteriori, die
-vooronderstelling van zijn leer, zou loochenen of miskennen!
-
-—Genoeg van Prof. Beysens’ „Uiteenzetting” van Kant. Wij zijn aangeland
-bij § 2, over „De fouten van het Transcendentalisme”, een §, die zich
-waardig bij haar voorgangster aansluit en wier ietwat te bescheiden
-titel verdient te worden aangevuld tot: De fouten van het
-„Transcendentalisme” van Prof. Beysens. Ook daarvan dienen nu nog enige
-proeven in ’t licht gesteld om te tonen, hoe ver Prof. B. beneden Kant,
-beneden de kenniskritiek, blijft.
-
-Dat Kant volgens Prof. B. (no. 77, p. 168) „In de metaphysische
-deductie tracht”, „het aprioristisch of [!] transcendentaal karakter
-onzer schijnbaar [!] objectieve kennis.... aan te toonen” behoeft tans
-geen verder commentaar. Maar de cardo rei voor ons komt in no. 99 ss.
-(p. 170 ss.), waar men tracht, de lastige synthetiese oordelen a
-priori, dat feitelik uitgangspunt van heel de kenniskritiek, „dat
-tusschending”, zoals Prof. B. zegt, tussen analytiese en
-ervaringsoordelen, kwijt te raken, door Kant’s fundamentele
-oordeelsonderscheiding, waarvan hij met gerechtvaardigde trots kon
-verklaren: „Diese Einteilung ist in Ansehung der Kritik des
-menschlichen Verstandes unentbehrlich und verdient daher in ihr
-klassisch zu sein”, te vervangen (als niet „juist” en niet „logisch”!)
-door een andere, vóórkritiese, als volgt: „De bewering omtrent het
-synthetisch aprioristisch karakter van vele algemeene ideëele [?]
-oordeelen berust op eene onzuivere begripsbepaling der [!] analytische
-en synthetische oordeelen. Kant beperkt eerstgenoemde willekeurig [„en
-geheel onlogisch”] tot die, welker praedicaat vormelijk [Kant gebruikt
-dit scholastieke woordje niet] tot den inhoud van het subject
-behoort.”.... „Het [!] analytisch oordeel heeft een veel ruimere
-beteekenis dan die, welke Kant er aan geeft. Het oordeel is blijkbaar
-[?] dàn analytisch geldig [een nieuw begrip! alsof „analyties” en
-„syntheties” een geldigheidsoort i.p.v. een ontstaanswijs van oordelen
-betrof!], als de uitspraak of de verbinding der termen berust op
-zuivere begripsontleding en vergelijking. Zoo [?] staan de analytische
-oordeelen tegenover de ervaringsoordeelen of tegenover dezulke, waarin
-het verband der termen door ervaring wordt gekend.” En
-oordeels-verdeling, zegt Prof. Beysens terecht, behoort de
-oordeels-vorming te gelden, de wijze waarop wij het verband der termen
-te weten komen, niet de begripsvorming der termen zelf. „Vandaar dan
-ook, dat de verdeeling van Kant, die zich eigenlijk afvroeg, of wij het
-begrip P. onder de vormelijke kenmerken van S. terugvinden, ja dan
-neen, den naam van oordeels-verdeeling niet verdient; vandaar ook dat
-hij stootte op dat tusschending, dat hij als synthetisch-aprioristisch
-oordeel doopte.” Hier is Prof. B. de tolk van een Kantmisduiding, zó
-verregaand als ik niet voor mogelik had gehouden. Maar ab esse ad posse
-valet illatio—dies maak ik dankbaar van deze door Prof. B. mij
-verschafte gelegenheid gebruik om de aanleiding tot dusdanige
-misvatting weg te nemen, die ook mijn definitie van een analyties
-oordeel (zie bl. 9) aan een slecht verstaander (die ook maar een half
-woord nodig heeft) zou kunnen geven. Men lasse dus in mijn definitie:
-„Een analyties oordeel is een zodanig, welks gezegde-begrip verkregen
-is door ontleding, analyse, van het subject-begrip” achter
-„gezegde-begrip” in: „qua talis”. Want dat dit begrip in het gezegde,
-en dat dus het oordeel zelf, is verkregen door ontleding van het
-subjektbegrip, maakt het oordeel analyties. Ja, al had Kant het niet
-uitdrukkelik („vormelijk”) zelf gezegd, dan nog sprak het vanzelf, voor
-wie hem begrijpt, dat zijn verdeling uitsluitend het verband der termen
-betreft en het ook voor Kant „volmaakt onverschillig” is, „hoe wij in
-het bezit der termen kwamen”, als begrippen op zich zelf beschouwd, dat
-hij niet vraagt, hoe wij komen bij de kennis van het praedicaatsbegrip
-als begrip, maar bij het oordeel, dus het praedicaatsbegrip in het
-oordeel, bij de toekenning van het praedicaat aan het subjekt, bij de
-wetenschap omtrent het verband, de verhouding tussen beide. Welnu, Kant
-begint zelfs zijn inleidende Afdeling: „Von dem Unterschiede
-analytischer und synthetischer Urtheile” aldus: „In allen Urtheilen,
-worinnen das Verhältniss eines Subjects zum Prädicat gedacht wird,....
-ist dieses Verhältniss auf zweierlei Art möglich. Entweder das Prädicat
-B gehöret zum Subject A als etwas, was in diesem Begriffe A
-(versteckter Weise) enthalten ist; oder B liegt ganz ausser dem Begriff
-A, ob es zwar mit demselben in Verknüpfung steht. Im ersten Fall nenne
-ich das Urtheil analytisch, im andern synthetisch. Analytische
-Urtheile.... sind also diejenigen, in welchen die Verknüpfung des
-Prädicats mit dem Subject durch Identität, diejenigen aber, in denen
-diese Verknüpfung ohne Identität gedacht wird, sollen synthetische
-Urtheile heissen”. Blijkt dus Prof. Beysens’ subtiele aanmerking op
-Kant’s oordeelsverdeling, gelijk zijn verklaring, hoe Kant „stootte op
-dat tusschending”, te berusten op niets dan grove Kantmisduiding,
-hoeveel te erger nog is de bewering, waaraan Prof. Beysens zich zowel
-in no. 78 als in no. 80 bezondigt, dat Kant zelf deze Kantmisduiding,
-die Kant’s kritiese onderscheiding verdoezelt, ja uitwist, voor zijn
-rekening zou hebben genomen! Ziehier: „De analytische oordeelen in den
-zin van Kant begrepen.... zijn volgens hem eigenlijk evenzeer
-synthetisch a priori, omdat zij een voorafgaande synthese a priori van
-het begrip, hetwelk zij ontleden, veronderstellen. Deze bewering nu
-staat....”! Deze bewering nu staat.... niet bij Kant, zover ik weet.
-Zou Prof. Beysens zo goed willen zijn, mij één plaats aan te wijzen,
-waar Kant beweert, dat de analytiese oordelen synthetiese oordelen,
-„evenzeer synthetisch a priori” zouden zijn? Zo lang hij dat niet kan,
-blijf ik er bij, dat Prof. Beysens’ „leer der waarheid” ook hier lelik
-onwaarheid spreekt. Des te leliker, wijl Kant, zij het ten overvloede,
-uitdrukkelik het tegendeel zegt, nl., dat de wijze, hoe we aan de
-betrokken begrippen komen, er niets toe doet, dat de begrippen b.v.
-zuiver empiries (syntheties) kunnen zijn in een oordeel, dat analyties,
-dus a priori, is en blijft: „Alle analytischen Urteile beruhen gänzlich
-auf dem Satze des Widerspruchs und sind ihrer Natur nach Erkenntnisse a
-priori, die Begriffe, die ihnen zur Materie dienen, mögen empirisch
-sein, oder nicht.”.... „Eben darum sind auch alle analytischen Sätze
-Urteile a priori, wenngleich ihre Begriffe empirisch sind”. Van déze
-analytiese oordelen a priori zou dus Prof. Beysens’ Kant (gezuiverd dan
-nog van die andere hem aangewreven dwaasheid, de loochening der
-empiriese, door abstractie en synthese a posteriori samengestelde
-begrippen) zelfs synthetiese oordelen a posteriori maken! Men vat dus,
-hoeveel Prof. Beysens’ Kant lijkt op de wijsgeer Kant!
-
-Verdient dus Kant’s oordeelsonderscheiding haar naam in dubbele zin,
-n’en déplaise Prof. Beysens c.s., zij is bovendien even ondubbelzinnig
-en grondvestend voor de kenniskritiek, als die van Prof. B. c.s.
-verwarrend en kenniskrities irrelevant, onbruikbaar blijkt. Immers, elk
-oordeel is àl of niet analyties, àl of niet verkregen door, berustend
-op, de ontleding van het subjektbegrip, zonder andere kennisbron, ’t
-zij empiries of transcendentaal, te behoeven (vgk. mijn tekst, bl. 9 en
-10) en uitsluitend de analytiese oordelen (naar Kant’s zuiver
-indelingsbeginsel) zijn „denknoodwendig”—in die zin, dat hun ontkenning
-een logiese contradictie bevat, wat bij de synthetiese, ’t zij a
-posteriori ’t zij a priori, nooit het geval is. „Das gemeinschaftliche
-Prinzip aller analytischen Urteile ist der Satz des Widerspruchs.”
-„Synthetische Urteile bedürfen ein anderes Prinzip, als den Satz des
-Widerspruchs.” We weten dus a priori, dat slechts sofismen uit „zuivere
-begripsontleding” synthetiese oordelen kunnen halen als het
-causaliteitsbeginsel of het axioma der rechte lijn (de
-ruimte-oneindigheid) of enige afgeleide meetkundestelling. A posteriori
-bevestigt het ons Prof. Beysens’ voorbeeld. Zo ten aanzien der
-causaliteit in no. 48 (bl. 101 vv.) en no. 80 (bl. 177 vv.). „Als
-voorbeeld kan dienen de boven gegeven (bl. 105) bezinning op het
-oorzakelijkheidsbeginsel.” zegt Prof. B. terecht op p. 172. Aldaar, in
-no. 48, wil Prof. B. (nog wel ter „Verificatie der objectivistische
-hypothese”, waartoe zelfs het geleverd bewijs, ware het leverbaar,
-niets zou bijdragen zonder de waan: „die openbaring van het verband der
-begrippen in en door de ontvouwing of verduidelijking van hun inhoud,
-is niets anders dan de objectieve klaarblijkelijkheid der
-voorwerpelijke waarheid.”, een waan, die vergeet, dat een analyties
-oordeel—uit begripsontleding b.v. van een der R. K. of Zarathustriese
-Duivels of Godpersonen—slechts omtrent kenmerken van het subjektbegrip
-iets leert, maar niets hoegenaamd omtrent de objectiviteit, het al of
-niet bestaan, van het subjekt!) analyties bewijzen, dat „krachtens zijn
-eigen begripsinhoud” „ieder willekeurig worden een oorzaak hebben
-moet”, dus veroorzaakt-worden is! „Want het gebeuren is krachtens eigen
-begrip iets gevolgelijks, juist omdat het ‚komt’ tot bestaan.” Ziehier
-al dadelik de petitio principii, de binnensmokkeling van het
-synthetiese oordeel a priori, dat elk gebeuren „gevolg” moet zijn van
-iets, waardoor het gebeurt, dus een „grond” moet hebben! De misleidende
-schijn van een analyties oordeel berust hier op een quaternio
-terminorum: de argeloze lezer misvat allicht de bedoeling van het
-onhollandse „iets gevolgelijks” in die zin, waarin het inderdaad in het
-„gebeuren”, „komen” ligt opgesloten, van iets dat volgt, „komt” na
-iets, als sequens, maar deze tijdelike zin wordt door Prof. B. juist
-uitdrukkelik (p. 178) uitgesloten; hij bedoelt het ontijdelik, logies,
-als iets dat volgt uit iets, als consequens, als „gevolg” van iets,
-waardoor het „komt” (in het Duits zou dat nog makkeliker gaan, waar
-„Folge” zowel sequens als consequens betekent!), terwijl het woord
-„gevolg” dan nog op de koop toe logies en causaal verband
-verraderlikerwijze vereenzelvigt!—Is aldus de noodzakelikheid van een
-„grond” binnengesmokkeld, dan vervolgt Prof. B.: „Maar niets is geen
-grond, juist omdat het niets is. Worden door niets is dus gelijkluidend
-met niet-worden; uit niets wordt niets.” Gelijkluidend? Integendeel.
-Met de syntheties-aprioriese petitio principii, dat elk worden een
-„grond” moet hebben, waardoor, waaruit het wordt, staat en valt het
-betoog, dat slechts daardoor nog iemand vangt, wijl, naar Kant opmerkt,
-de „Satz des zureichenden Grundes” nu eenmaal tot die „synthetische
-Sätze” behoort, „die ihr niemals aus blosser Vernunft, mithin, wie doch
-eure Pflicht war, a priori bewiesen habt, die man euch aber doch gerne
-einräumt”!—Op overeenkomstige wijs gaat het in no. 80 (p. 178/9):
-„Immers wat bestaat, en den voldoenden grond van dat bestaan niet in
-zich zelven heeft, moet den grond van zijn bestaan in een ander
-[import!] hebben. Anders zou het ding bestaan zonder voldoenden grond
-[welnu, wat zou dat? Bestaan zonder voldoende grond is nu eenmaal geen
-logiese contradictie!]; of ook bestaan.... en niet bestaan tegelijk”.
-De petitio principii is hier weer: „Bestaan zonder voldoende grond is
-niet bestaan.” Wat daarvan te zeggen? 1o: Daar zelfs voor Prof. B. het
-beginsel van voldoende grond en dat der tegenspraak onderscheiden zijn,
-is de bewering letterlik een klaarblijkelike vormelike onwaarheid. 2o:
-Betekent hier „grond” de ratio, als logiese grond, dus wat de
-praemissen voor een conclusie zijn, dan is het een bewering van
-hetzelfde allooi als deze: „een bewering zonder voldoende grond is geen
-bewering”! Uit deze mijn vergelijking zou Prof. B.’s
-oorzaak-rationalisme kunnen leren onderscheiden tussen gegrondheid en
-veroorzaaktzijn! 3o: Verstaat men onder „grond” een soort begrip, dat
-ook de oorzaak als bestaansgrond (beter ontstaansgrond) bevat en
-bedoelt men: „Bestaan zonder grond bestaat niet, komt niet voor”, dan
-moge de bewering juist zijn—ze is het alleen als syntheties oordeel a
-priori, waarvoor in het begrip bestaan geen zweem van een „grond” te
-vinden valt!—De „grond”fout dus (in dubbele zin), het πρωτον ψευδος
-waaruit Prof. Beysens’ petitiones principii voortkomen, is de
-„dogmatische Schlummer” van het scholastieke rationalisme, dat in de
-„ratio” (vertaling van αὶτικ) kengrond en oorzaak samenvat, immers de
-oorzaak, die ontstaansvoorwaarde van verandering, gemaakt tot
-bestaansgrond van „contingente” wezens, nog houdt voor een bepaald
-geval van de logiese „grond”—een dwaling, inmiddels weerlegd, al sinds
-de voorvorige eeuw, door de ontdekkingen en resultaten der
-wetenschappelike causaliteitskritiek, geïnaugureerd door een Hume en
-een Kant—weerlegd dus op soortgelijke wijs als de bodem van alle
-dogmaties bijbelgeloof ondermijnd is door de ontdekkingen en resultaten
-van de wetenschappelike bijbelkritiek der laatste eeuwen, geïnaugureerd
-door een Spinoza. Al zullen en scholastiek en bijbels dogmatisme hun
-triest bestaan als volgehouden onwaarheid nog wel een poosje, misschien
-een eeuw of wat, voortslepen .... magna est veritas et praevalebit.
-
-Nu ik de logiese fouten van Prof. Beysens c.s.’ schijnbewijzen voor het
-causaliteitsbeginsel heb gedemonstreerd [235] kan ik over de rest des
-te korter zijn. Ik wijs er dus slechts met een enkel woord op, dat de
-„analytiese” natuur van het axioma der rechte lijn, weerlegd door de
-metageometrie (om Kant er hier buiten te laten), „bewezen” wordt op p.
-176 door een enthymema met de verzwegen onjuiste praemissa maior: een
-„som van.... afstandsverhoudingen” is groter dan „ééne
-afstandsverhouding”! Zo verkondigt p. 172 nog dat „uit het wezen van
-den driehoek als zoodanig.... de gelijkheid zijner hoeken met twee
-rechte volgt.” (evenals uit het „wezen” van de mens qua „geest” zijn
-onsterfelikheid „volgt”, of uit het wezen van de R. K. Kerk haar
-onfeilbaarheid en de waarheid van alle R. K. dogmata benevens de
-verplichting van een iegelik onzer, zo nodig tegen eigen overtuiging
-in, onze rede gevangen te geven aan het R. K. geloof, tegenwoordig nog
-slechts op straffe van verdoeming, aangezien geen „wereldlike arm” meer
-„ad extirpanda”, tot verbranding etc, ter beschikking staat) als hadden
-Riemann en Helmholtz niet sinds lang onwederlegbaar („endgültig”)
-bewezen, dat die gevolgtrekking twee synthetiese oordelen a priori
-onderstelt, te weten: het axioma van de rechte lijn en het axioma der
-// lijnen, zodat men slechts dit laatste behoeft op te geven, wat
-zonder enige zelfweerspreking doenlik is, om een △, kleiner dan 180°,
-en beide axioma’s, om zonder contradictie een △ van meer dan 180°
-mogelik te maken!—Dan noemt bl. 176 nog „ongetwijfeld synthetisch,
-d.w.z. [!] aan de ervaring ontleend of liever daarop gegrond”: „De wet
-van het behoud der stof en energie, en evenzoo die van de gelijkheid der
-werking en tegenwerking”, dus die beginselen van de natuurwetenschap
-(iets heel anders dan wetten als b.v. de gravitatiewet), die
-ongetwijfeld syntheties zijn, d.w.z. „de gegeven begrippen bevatten
-niet de reden van het oordeel”, maar even ongetwijfeld apriories,
-nademaal hun absoluut exakte geldigheid en zekerheid ook voor het
-tijdelik (toekomst en verleden) en ruimtelik (de andere zonnestelsels)
-onbereikbare, alle menselike ervaringsmogelikheid overschrijdt. Ze
-worden dan ook niet als toevallig voorlopig resultaat, maar als
-richtsnoer en grondslag van het natuurwetenschappelik onderzoek
-gehanteerd (b.v. in de scheikunde), als „postulaten” of „axioma’s”,
-corollaria [236] die ze zijn van het postulaat van Hamilton: de
-onmogelikheid van ontstaan en te niet gaan. Huber is dan ook onbevangen
-genoeg om ze met een olike contradictio in adjecto „empirische Axiome”
-te noemen, „d.h. Sätze, die aus der Erfahrung stammen, aber doch in der
-Wissenschaft allgemeine Bedeutung haben” (Noëtik oder Kritik, p. 138)!
-Hoe dat mogelik is, daar vraagt dit dogmatisme niet naar—alléén voor
-het kriticisme worden zulke „axioma’s”, als alle andere, tot probleem!
-
-Zoveel over Prof. Beysens c.s.’ verweer tegen de synthetiese oordelen a
-priori en het krities probleem. Wat in no. 82 nu nog tegen „de leer der
-begripsvorming a priori” wordt te berde gebracht culmineert in
-kardinaal Mercier’s bovengenoemde misvatting die de wetenschap tot een
-roman, de wiskunde tot een poëzie laat maken door „le même pouvoir
-créateur du sujet pensant”, die dus Kant niet raakt, terwijl Prof.
-Beysens op diezelfde bl. 183 nog toont, zich Kant’s geesteswettelikheid
-als bron van objectief apriories-syntheties weten niet anders dan
-dogmaties-verdubbelend te kunnen denken, immers als „de inrichting
-onzer natuur, wier wet overeenkomstig den aard der gegeven [!] objecten
-is ingericht”. Over de wijze waarop in no. 83 een bladzij of 5 Kant’s
-leer van tijd en ruimte moet te niet doen, volsta de vermelding, dat
-tegen het apriories karakter van ons ruimtelik weten o.a. op „het
-empirisch psychophysiologisch onderzoek” een beroep wordt gedaan en
-verwezen naar „de kritiek van Ziehen” („Psychophysiologische
-Erkenntnistheorie”), gelijk er voor Prof. Beysens op p. 186: „Als a
-priori of zuiver-subjectief gegeven” niets anders overblijft dan wat
-„Helmholtz een ‚physiologischen Mechanismus der Nerven’ noemt”! Een
-heerlik a priori! Geen wonder, dat tegen Kant’s „phoenomenalisme”,
-behalve b.v. Messer (zie opm. 41), ook het Lockiaans materialisme van
-een Ostwald te hulp wordt geroepen (no. 68), want het materialisties
-ongeloof van de Ostwalds of Ziehens en het dualisties geloof van de
-Beysens c.s. is in verhouding tot Kant één pot nat: het exact weerlegd
-„dogmatische Gewäsche” van het materie-realisme. (Vgk. voor deze
-verwantschap ook opm. 15)—
-
-Wat verder de §§ 83–85 nog aan vergissingen brengen laten we welwillend
-in de „duisternis” (vgk. p. 191), waarin ze zelf t.a.v. „het
-Transcendentalisme” wel moeten blijven.
-
-En hiermede basta. Al waardeer ik, blijkens het onevenredig tal
-bladzijden, aan Prof. Beysens’ Kantbehandeling hier gewijd, diens
-ernstig bedoelde pogingen, zich met het kriticisme te meten, het was
-mijn plicht, te tonen, wat daarvan terechtbrengt wie, met al zijn
-geestesscherpte, met al zijn scholastieke geoefendheid, voor de
-soevereine kenniskritiek de ogen niet mag en niet wil openen, dus haar
-problemen, dus de synth. oordelen a priori, moet loochenen en
-verdonkeremanen, omdat zijn „wijsbegeerte” slechts de „ancilla
-theologiae”, de dienstmeid, neen, slavin van het dogmatisme mag zijn
-en, hoe stakkerig ongerijmd [237] het ook zij, aan die (R. K.)
-theologie zich heeft te „orientieren und korrigieren”!
-
-Arme slavin van koninkliken huize—tot welke drogredenen moet gij u
-lenen, gij, gevangen, „in domo petri”! Maar ook voor u geldt het woord:
-de waarheid zal u vrij maken!
-
-
-
-7 : p. 17. Dogmatisme, dogma. Een op het eerste gehoor verbijsterende
-paradox als die van de befaamde Thomist Huber in zijn Grundzüge der
-Logik und Noëtik, p. 107: „Der einzige zulässige Standpunkt der Kritik
-ist der Dogmatismus” toont wel, hoe nodig het is, precies te definiëren
-en toe te lichten, wat met het door de „kritiek” weerlegde „dogmatisme”
-bedoeld wordt. Want gold het slechts „die Anerkennung von Dogmen, d.h.
-von feststehenden Warhrheiten” (ibid.), welk logicus zou dan geen
-„dogmaticus” zijn?—De kenniskritiese definitie dan luidt: een dogma is
-een onmogelik syntheties oordeel a priori, d.w.z. een s. o. a pr.
-zonder mogelike redelike rechtvaardiging („transcendentale deductie”),
-een s. o. a pr. zonder mogelike kenbron; en in ietwat wijdere zin: elk
-s. o. a pr., zonder (voldoende) grond aanvaard, of populair uitgedrukt:
-een bewering, waarvan men geen redelike rekenschap kan geven: „denn
-eben darin besteht Vernunft, dass wir von allen unseren Begriffen,
-Meinungen und Behauptungen, es sei aus objectiven, oder wenn sie
-blosser Schein sind, aus subjectiven Gründen, Rechenschaft geben
-können.” (K. d. r. V. p. 483). Dogmatisme heet elke leer of richting,
-gegrond of steunend op enig dogma.—Over de specifiek anti-dogmatiese
-strekking nu van Kant’s „kritiese” („transcendentale”) vraag en het
-kriticisties („transcendentalisties”) antwoord zal mijn vertoog zelf
-wel alle verlangde licht verspreiden (vgk. ook het overzicht van pp.
-22–24) en dus duidelik maken, in hoeverre het ontologisme en het
-ruimte- en materie-realisme dogmaties zijn. Het dogma b.v., waarop
-laatstgenoemde leer berust, is de stelling, dat de dingen ook
-onafhankelik van mogelike waarneming, ook buiten betrekking tot het
-subjekt der natuur, zinnelike eigenschappen hebben, ruimtelik zijn,
-zich bewegen enz., een vooreerst syntheties en vervolgens, wijl alle
-ervaringsmogelikheid overschrijdend, apriories oordeel.... zonder
-mogelike kennisbron.—Empirisme en rationalisme kunnen in dit geschrift
-slechts terloops besproken worden. Dogmaties is het eerste, wijl het
-synth. oordelen a pr., zonder ze als zodanig te kennen of te erkennen,
-zijns ondanks aanvaardt en hanteert, dus a fortiori zonder van hun
-mogelikheid rekenschap te vragen, laat staan te geven. Het houdt synth.
-oordelen a priori voor s. o. a posteriori. Het wil uit „ervaring” meer
-halen dan er in ligt, houdt dus een logies ongedekt, dogmaties, saldo
-over, precies zover zijn synthetiese oordelen apriories zijn. Het
-rationalisme is dogmaties, wijl het op zijn beurt z’n synth. oordelen a
-pr. wil halen uit de „rede”, uit een bron, die alleen voor analytiese
-oordelen toereikend is. Het houdt synth. oordelen a pr. voor analyties,
-en heeft dus een logies ongedekt, dogmaties, saldo precies zover zijn
-aprioriese oordelen syntheties blijken.
-
-Welk een vlijmscherp wapen die kritiese, transcendentale, vraagstelling
-is, zal elk lezer ondervinden, zodra hij het zelf gaat hanteren—en zich
-geen enkel oordeel meer laat opdringen, zonder het eerst te keuren op
-zijn kennistheoreties gehalte: al of niet syntheties, a priori of a
-posteriori, en het af te wijzen indien het dogmaties blijkt.—Hij kan
-zich dan het ironies genoegen verschaffen, hele lijsten van dogma’s aan
-te leggen uit de meest anti-dogmatiese schrijvers, als de positivisten
-(Comte c.s., of Laas of Petzoldt enz.) ten aanzien van logica, wiskunde
-en inductie (b.v. Comte’s „invariabilité des relations réelles
-subjectives et objectives” of Petzoldt’s „Voraussetzung vollkommener
-Bestimmheit.... vollkommener Eindeutigkeit alles Geschehens”, die op
-niets anders berust dan op zijn „overwonnen spook” der.... substantie,
-en heel zijn „Relativismus” van „Elemente” à la Mach, van betrekkingen
-zonder betrokkenheden, die over ’t hoofd ziet, hoe elke relatie....
-reeds twee betrekkelike absoluta onderstelt, [238] en dat op de keper
-beschouwd slechts een zichzelf en z’n prius verloochenend materialisme
-blijkt,—of het empiristies-miskend a priori in Laas’ Idealismus und
-Positivismus, zijn „wohlbegründeten Gesetze” b.v. van III p. 243,
-gelijk zijn „Uniformität des Naturlaufs” etc.) en de materialisten als
-Haeckel met zijn reële oneindigheden: materie, aether, ruimte,
-tijd.—Hegel’s bladzijden wemelen van dogmatiese synth. oordelen a
-priori, verscholen meestal achter een „also”, „demnach”, „somit” enz.,
-maar ook Kant zelf heeft er zich niet van bevrijd, b.v. Proleg. p. 151:
-„weil alles, was in der Natur liegt, doch auf irgend eine nützliche
-Absicht ursprünglich angelegt sein muss” of K. d. r. V. p. 615: „Daher
-auch Jedermann die moralischen Gesetze als Gebote ansieht, welches sie
-aber nicht sein könnten, wenn sie nicht a priori angemessene Folgen mit
-ihrer Regel verknüpften und also Verheissungen und Drohungen bei sich
-führten.”, een merkwaardige plaats, door Schopenhauer klaarblijkelik
-niet gekend, waar Kant al van meet af, m.i. ten onrechte, capituleert
-voor Schopenhauer’s kritiek op de „contradictio in adjecto” van een
-„absolutem Sollen”, van „unbedingter Pflicht”, van een „kategorischem
-Gebote”: „Jedes Soll hat allen Sinn und Bedeutung schlechterdings nur
-in Beziehung auf angedrohte Strafe, oder verheissene Belohnung.”
-Daaruit volgt voor Schopenhauer, dat elk Sollen „in Kants Sprache zu
-reden, wesentlich und unausweichbar hypothetisch und niemals, wie er
-behauptet, kategorisch” is, ergo „Die völlige Undenkbarkeit und
-Widersinnigkeit dieses der Ethik Kants zum Grunde liegenden Begriffs
-eines unbedingten Sollens” (III p. 503)!—Zo is Kant’s beruchte leer der
-vergelding, der talio, als inhoud van een kategoriese imperativus een
-door Kant’s eigen kritiek onmogelik gemaakt, met zijn kennisleer en
-zijn ethica strijdig niet-formeel syntheties oordeel a priori of
-dogma!—
-
-Zo berust, om ten slotte nog enkele voorbeelden te nemen uit heel
-andere sferen, de methode der ekonomistiese geschiedenisbeschouwing,
-die de misleidende naam draagt van „histories materialisme”, op het
-dogma (een synth. o. a pr. zonder andere kennisbron dan ervaring), dat
-de maatschappelike oorzaken uitsluitend of „in laatste instantie”
-ekonomiese oorzaken zijn.
-
-Evenzo berust alle zgn. „ervaring” van „inspiratie”, of elk zgn.
-„constateren” van een „wonder” op onmogelike synthetiese oordelen a
-priori, daar èn transcendente causaliteit èn inbreuk op de
-natuurwettelikheid principieel onervaarbaar, onkenbaar zijn. Een
-„wonder” is dus nooit meer dan een verklaringshypothese voor
-ervaringsfeiten en van alle denkbare hypothesen uiteraard (anders was
-’t geen wonder) de onwaarschijnlikste, die dus altijd het laatst, ergo
-nooit, in aanmerking komt. In Hume’s geest („If the falsehood of his
-testimony would be more miraculous than the event which he relates,
-then, and not but then, can he pretend to command my belief or
-opinion.”) zou men het, scherper, aldus kunnen formuleren: Het wonder
-draagt principieel de bewijslast—en moet daarbij principieel falen.—
-
-
-
-8: p. 19. Zo luidt een geschrift van Prof. Dr. Wilhelm Jerusalem,
-filosofie-professor te Wenen. Men walgt van de Kanthielelikkerij van
-deze en dergelijke empiristen, die van Kant’s kennisleer geen besef
-hebben [239]; die hier en daar Cohen’s transcendentalisme napraten,
-Kant-woorden begriploos opzeggen: „Die Funktionen des Verstandes aber
-werden nur durch sinnliche Anschauung in Aktion gesetzt und können
-daher nur für Gegenstande möglicher Anschauung Geltung haben” (daher!
-is ’t niet een trouvaille?); die zijn wereldverwinnende leer van ruimte
-en tijd, zijn grootste daad, waardoor hij waarlik alléén boven al die
-kruipende, maar naief „kritiserende” realistiese vleiertjes als een
-reus verheven staat, natuurlik weerlegd achten door „die moderne
-Sinnesphysiologie”—; voor wie Kant’s hele kenniskritiek niet bestaan
-heeft en die haar dus als volgt formuleren: „In der Erkenntnistheorie
-hat uns Kant für alle Zeiten gelehrt, dass unser Ichbewusstsein unsere
-Sinneseindrücke gestalten muss, damit sie für uns Wirklichkeit
-bekommen” (zinloze praat) en die dan vaderlik gewagen van Kant’s „so
-genial angelegte Einsicht in den Prozess des Erkennens”, dewelke „wir”
-„wirklich fördern können”, door.... „das a priori und das
-Transzendentale Kants eine entsprechende [sc. biologisch-genetische!]
-Umwandlung” te doen „erfahren”:
-
-„An Stelle der angeborenen [!] Stammfunktionen des Verstandes dürften
-solche treten, die sich aus [!] einer von allen Menschen in gleicher
-Weise erlebten Erfahrung bei allen in gleicher Weise entwickeln. Indem
-wir so den haltbaren Unterbau [!] von Kants Erkenntnistheorie
-blosslegen und da weiter zu bauen suchen”.... etc. En dat smaalt dan
-nog van een ander, hij moge „sich äusserlich an Kant anlehnen, den
-tiefen Sinn von Kants Erkenntnistheorie hat er nicht erfasst.” Dit zal
-wel een echo zijn van wat hem vaak moet hebben toegeklonken, helaas
-nooit uit hem zelf.
-
-Jerusalem—gij zijt een vreemdeling in Jeruzalem!
-
-En zo iemand knielt dan natuurlik voor Kant’s ethica, voor de
-Kategoriese Imperativus, die paradeknol van de Kant-karremannen, en
-vereert devoot Kant’s quasi-metaphysica, zijn Teleologie en zijn
-Religionsphilosophie. „Wie Christus mit dem Rufe: ‚Seid vollkommen, wie
-euer Vater im Himmel’ Unmögliches von den Menschen fordert um ihre
-Kräfte aufs höchste zu spannen, so verlangt Kant Unerfüllbares, um uns
-mit ewigem Vorwärtsstreben zu erfüllen.” (p. 32)!
-
-Aldus behandelt deze realist en empirist gebleven filosofie-professor
-Kant! En schrijft zijn „Einleitung in die Philosophie”....
-
-Waar blijft een tweede Schopenhauer?
-
-
-
-9: p. 22. Mr. J. A. Levy waarschuwt op p. 267 van zijn „Het
-Indeterminisme” „den argeloozen lezer”, dat Riehl tot de
-„erkenningstheoretische [!] sensualisten, korter materialisten”
-behoort.
-
-Ik zou de bestudering van Riehl aan elk wetenschappelik denker
-aanraden, die zowel sensualisme als materialisme te boven wil komen.
-Men kan bij hem de onbarmhartig Kantiaanse weerlegging vinden, zowel
-van het skepties materialisme van een Du Bois-Reymond (zie b.v. D.
-Philos. Krit. III, p. 184), als van het energeties materialisme van een
-Ostwald, Stumpf en derg., dat zelfs door „Kantianen” als „Die
-Ueberwindung des wissenschaftlichen Materialismus”, gelijk het zich
-zelf noemt, is begroet. Vernamen niet de geesteswetenschappen, door het
-materialisme „verlaagd tot werking van de stof” „thans de erkenning van
-haren rang, als uitvloeisel van de energie”?! Was het niet „der
-Elektricitätslehre beschieden” „durch die Verwandlung der Materie in
-die Kraft den Sieg des Idealismus herbeizuführen”?! Uitnemend daartegen
-Riehl in zijn lezingen ter inleiding in de Philosophie der Gegenwart,
-V: Naturwissenschaftlicher und philosophischer Monismus, speciaal pp.
-166–9. „Das psychische Geschehen ist das nichtenergetische Geschehen in
-der Natur.”
-
-De „materialist” Riehl, deze mijn hoogvereerde geestverwante
-tegenstander, immers antipsychologist en zuiver vertegenwoordiger van
-de leer van „het onbekende andere” (gelijk hij naar Heymans’
-terminologie zou moeten heten), staat ver boven het niveau van al de
-half-materialistiese, half-dualistiese materie-realisten, die Mr. Levy
-in zijn „Rechter en Wet” I als de „bevoegde deskundigen” tegen Prof.
-Hamaker (en Prof. Winkler) oproept om het materialisme te
-„ontmaskeren”, als daar zijn:
-
-
-Johannes : dualist; ’t is de eigenschap der hersenen, bewust
-Müller te worden.
-Horwicz : zoekt naar de „zetel” der ziel, die hij
- „immaterieel”, maar toch „uitgebreid” mogelik acht.
-Donders : dualist en materie-realist.
-Virchow : dito (vandaar de materialistiese „onwetendheid over
- het wezen des bewustzijns”).
-Huxley : psycho-physies materialist.
-Tyndall : dualisties materie-realist (2 reële reeksen,
- verband onkenbaar).
-Bain : dito.
-Bastian : materialist; met metaphysies-agnosticistiese
- „vrijheid”. („Das Gehirn als Organ des Geistes”).
-Domrich : een oude dogmaticus der „Wechselwirkung”.
-Flügel : zielesubstantie + materie.
-Stumpf : Van deze materie-realist ter plaatse slechts een
- stukje citaat, dat buiten de kwestie om, geheel op
- het terrein der psychologie zich beweegt.
-Spiller : materie-realist.
-Claude : „le cerveau est l’organe de l’intelligence au même
-Bernard titre que le cœur est l’organe de la circulation”!
- een materialist met een „modalité spéciale” en met
- een „déterminisme”, zonder... cause!
-Richet : materialist; le cerveau „appareil de mémoire”, „le
- cerveau exécute sa fonction en ayant quelque
- connaissance du mécanisme qui l’anime” (terwijl
- „l’automate accomplit ses mouvements sans
- conscience”)! Knap cerveau! Ja zelfs „C’est en cela
- que l’acte cérébral est vraiment unique et sans
- analogue dans l’univers.”! Immers „le cerveau est
- une force qui se connaît”, wat we niet eens van
- Richet’s materialisme kunnen zeggen!—Voorts
- realistiese twijfel aan de „loi de la conservation
- de l’énergie”. Vermoedelik daarom opgenomen. Mr.
- Levy onderscheidt nl. niet de kritiese
- inhouds-begrenzing van de dualistiese
- omvangs-beperking dezer „wet”.
-J. R. Mayer : met zijn „drieërlei categorieën van bestaande
- zaken: 1) de materie, 2) de kracht en 3) de ziel of
- het geestelijk beginsel.”!
-Wagner : met realistiese Wechselwirkung.
-Rokitansky : de naief-materialistiese anti-materialist, voor wie
- als voor Meynert de wereld afhankelik is van de
- hersenen, dewijl onze kennis.... hersenwerk is!
-Schaller : materie-realist („Het lichaam, of de hersens, of
- dat deel der hersens, dat gewaarwordt”).
-J. E. Erdmann : ziel functie van lichaam; lichaam orgaan van ziel.
-E. Pfleiderer : dualist (dus materie-realist), volgt Lotze.
-Fick : materie-realist.
-Ulrici : dualist, met een anti-materialisties drogredentje.
- (Vgk. ook zijn „Der sogenannte Spiritismus, eine
- wissenschaftliche Frage” en het echt Wundtse
- antwoord: „Der Spiritismus, eine sogenannte
- wissenschaftliche Frage”.)
-Carriere : „de ziel vormt zich de hersens tot orgaan”, in de
- vierheuvels „houdt de fantasie huis”... Ook elders,
- blijkbaar, houdt de fantasie huis!
-Schultze : „ervaring, als zeker gegeven”, „dat het psychische
- en het lichamelijke.... wederkeerig van elkander
- afhangen”.
-Hyrtll : het naief dilemma: materialisme of dualisme, met
- overeenkomstige Wechselwirkung en niet minder
- naieve „aangeboren zedelijke of aesthetische
- ideeën.” Hyrtll moge het materialisme „knodsslagen”
- geven, volgens Mr. Levy,—kritiek, weerlegging geeft
- hij niet.
-Ruete : in dezelfde dualistiese geest, „zielssubstantie” en
- materie, het „zinsorgaan [lees: zintuig] levert de
- grondstof, de ziel schept zich daaruit [!].... de
- gewaarwordingen”.
-Schroeder van : dito—„Ziel en Lichaam”; peil: „onze aardsche grove
-der Kolk stof” naast de lichtaether, die „niet tot onze
- aarde” behoort, maar „eene zelfstandigheid van het
- heelal” is.
-Piderit : (wordt als Kantiaan geïntroduceerd)—waarneming o.
- m. uit krachte van de inrichting van onze hersenen,
- zinsorganen [lees zintuigen], die als „media” ons
- „eigenschappen der dingen” „toevoeren”!
- „In gelijken geest” (zegt Mr. L.) nog de volgende
- materialisten:
-Meynert : met zijn onmogelike „hersenverrichting” à la
- Rokitansky.
-Forel : die inderdaad als anti-materialist optreedt (geeft
- niet Carneri aan Büchner en Dr. Wijnaendts Francken
- aan Haeckel de materialistentrap?) en hier zelfs
- als een soort Kantiaan fungeert (in zoverre hij
- „begint met een erkenningstheoretischen grondslag,
- woordelijk van Kant overgenomen”), maar wiens
- „panpsychisme” ik nu eens zou willen „ontmaskeren”:
-
-
-Zijn „Gehirn und Geist” dient de bekende hutspot op van
-causatief-materialisme, identiteits-materialisme en vermaterialiseerd
-Spinozisme:
-
-—„Alles was mir bewusst wird rechne ich naiv [?] als meinem Ich
-zugehörig, gleichgültig ob sinnliche Wahrnehmung der Aussenwelt,
-inneren Schmerz, Gefühl, Gedanke oder Entschluss. In [!] jedem
-psychischen Geschehen liegen jedoch [!] wie alle Analysen [?!]
-konsequent beweisen, zwei, zwar ein unzerlegbares Ding darstellende,
-jedoch an sich von je einer verschiedenen Seite allein zugängliche
-Erscheinungen vor:
-
-„1. eine nur indirekt von aussen feststellbare Gehirntätigkeit oder
-Energie;
-
-„2. ihr direkt von uns [=?!] beobachteter, subjektierter Reflex (ihr
-Bewusstsein). Der Inhalt des Bewusstseins, seine Qualität und
-Intensität, wird von 1, d.h. von der Hirntätigkeit, bedingt.”
-
-—„Nun beachte man, dass sich [!] im Bewusstsein innere Vorgänge unseres
-Hirnes,... in Form von Erinnerungen, Gefühlen, Wollen, Denken u.s.w.,
-spiegeln.”!
-
-—„Hirnstörungen verursachen Seelen- oder Nerven-störungen”...!
-
-—„Intelligenz, Phantasie, Ethik, Aesthetik, sind ‚bedingt’ und von der
-Gehirntätigkeit abhängig, denn [!] sie sind auch Gehirntätigkeit.”
-
-—Het bewustzijn is „Wirkung der Nervenwelle”, het Gehirn „Organ” der
-Seele!
-
-—„Die Empfindung findet im Grosshirn statt.”
-
-—„Bewusstsein und Gehirntätigkeit sind Erscheinungsformen eines und
-desselben Dinges.”
-
-Ergo: „Da wir nun Energie und Bewusstsein nicht für verschiedene Dinge,
-sondern für Erscheinungen gleicher Realitäten (in unserem Gehirn [!]
-als Neurokym und [!] Introspektion) halten, wird bei dieser Anschauung
-der ewige dualistische Streit zwischen Materialisten und Spiritualisten
-absolut gegenstandslos. Alles ist Seele, so gut wie Energie.
-Ursprünglicher oder höher ist keiner dieser untrennbaren Begriffe, da
-sie eins sind.”!—Après cela tirons l’échelle!...
-
-Dat was dus de Kantiaanse Forel, en nu verschijnen o.a. nog:
-
-
-Flechsig : bekend psycho-physies materialist, met zijn „bewustzijn
- als begeleidend verschijnsel van biophysische voorvallen”
- (maar ook ziel functie van lichaam en denken „in de
- hersens”!), volgens Mr. L. „van het materialisme naar
- het schijnt afkeerig” omdat er volgt.... „volstrekt
- echter hiermede niet, zonder meer, als eene resultante
- dier voorvallen in mechanischen zin”! en
-von Voit : (met „hersenen,.... waar [!] na al de zuiver physische
- bewegingsvoorvallen een nieuw verschijnsel,.... de
- gewaarwording, wordt losgemaakt [!]”) en, als
- materialist last not least,
-Kramar : met zijn „stoute hypothese”, de voor Mr. L.
- „belangwekkende hypothese”.... ontvouwt „Volkomen in
- aansluiting aan Kant’s aether-theorie”.... de
- hypothese.... dat „het wezen der ziel met dat van den
- wereld-aether”.... identiek is, die aether „is juist de
- ziel”!
-
-
-—Eén ademtocht van Riehl’s kriticisme... en heel die bent met
-aanvoerder en al is weggeblazen.
-
-
-
-10 : p. 25. Als dus een materie-realist aan Marx en Engels
-naief-realisme verwijt op gezag van de kenniskritiek, verwijt hij hun
-bij ongeluk niets anders dan z’n eigen Lockiaanse „naieviteit”...
-gelijk omgekeerd een Marxist met zijn bewering: „Marx en vooral
-Dietzgen waren alles behalve naief-realist” etc.... alleen bewijst, in
-deze van gelijke beweging te zijn als zijn bourgeois-tegenstander.
-
-Volgens Prof. A. Dorner in zijn „Encyklopädie der Philosophie” 1910, p.
-7 is „seit Kant der Standpunkt des naiven Realismus unmöglich geworden,
-d.h. die Meinung, dass unsere unmittelbare Wahrnehmung die Dinge
-objectiv zu erfassen vermöge”. Deze dualist beseft allerminst, dat het
-door Kant onmogelik geworden „naief-realisme” de leer is, dat de
-natuurdingen de oorzaken van onze gewaarwordingen zouden zijn, van welk
-„naief-realisme” aanhanger is... Prof. Dorner.
-
-
-
-11 : p. 30. Hoe vaak en hoe kortzichtiglik wordt dit, door mij
-gespatieerde, deel van de waarheid vergeten! Men gewaagt dan van de
-eeuwige nacht,—de nooit verstoorde stilte, (of met Franse wending:
-„silence de mort”: Binet) van het mechanies, natuurkundig Heelal...
-
-Zo Du Bois-Reymond in zijn befaamde Leipziger Rede van 1872 „Über die
-Grenzen des Naturerkennens”:
-
-„Stumm und finster an sich, d.h. eigenschaftslos, wie sie aus der
-subjectiven Zergliederung hervorgeht, ist die Welt auch für die durch
-objective Betrachtung gewonnene mechanische Anschauung, welche statt
-Schalles und Lichtes [maar evenzeer statt Stille und Finsternis!] nur
-Schwingungen eines eigenschaftslosen, dort zur wägbaren, hier zur
-unwägbaren Materie gewordenen Urstoffes kennt.”
-
-Evenzo b.v. de meer ethicist dan kriticist gebleven Louis Liard,
-Science positive et Métaphysique, II: I.
-
-O duistere „Nachtansicht”... die Nacht is enkel Ansicht van U!—Kant
-wijst er ergens terloops even op, dat een blindgeborene nooit enige
-voorstelling kan krijgen van ... de duisternis!—(p. 456 K. d. r. V.:
-„Der Blindgeborne kann sich nicht die mindeste Vorstellung von
-Finsterniss machen, weil er keine vom Lichte hat”...).—Goed Lotze,
-Mikrokosmus I: p. 390, over „die mechanische Naturansicht”: „Weder
-finster noch hell, weder laut noch still, vielmehr völlig beziehungslos
-zu Licht und Klang liege die Welt um uns her” etc.
-
-
-
-12 : p. 30. Het is dan ook een merkwaardig „dichotomistisch” of te wel
-dualisties naief dogma bij theologen als ten onzent Dr. Kuyper (b.v.
-Encyclopaedie der heilige Godgeleerdheid II, pp. 26 en 35) e tutti
-quanti en Prof. de Groot (b.v. Denkers van onzen Tijd, p. 127) c.s., dat
-’t zien „somatischer” zou zijn dan ’t denken, ja geheel op ons σωμα
-berusten zou! Dat is niet alleen infra-Kantiaans, maar zelfs
-infra-Cartesiaans oud-roest, al vinden we het nog terug bij een
-Dietzgen (Das Wesen der menschlichen Kopfarbeit, p. 64). Descartes
-heeft het reeds in de 2de van zijn Meditationes de prima philosophia
-van 1641 voor altijd weerlegd.—„Waarnemen” en „denken” zijn enerzijds,
-als geestesverrichtingen, gelijkelik en geheel onlichamelik, anderzijds
-evenzeer, voor de physiologie, geheel en al „somaties”, daar het
-„denken” in soortgelijke verhouding staat tot het centraal zenuwstelsel
-als het „waarnemen” tot zintuigen en hersenen beide.
-
-
-
-13: p. 34. De zgn. Immanenz-philosophie geeft van het naief realisme de
-m.i. volkomen verkeerde voorstelling, als zou het z’n gewaarwordingen
-niet een afbeelding achten van de eigenschappen der dingen, maar met
-deze... veréénzelvigen [240].
-
-De „gewone” mensen zouden dus denken, gelijk altans deze
-„empirio-kritici” doen (naar zij voorgeven), dat hun gewaarwordingen
-zelf... zich in de ruimte bevinden, dus als ik b.v. de maan zie, is
-mijn maangewaarwording op datzelfde moment naar de maan. Dat wil ik nog
-aannemen. Maar waar bevindt zich, op ’t ogenblik van mijn
-gewaarwording, mijn Sirius-gewaarwording, of de lichtgewaarwording van
-een b.v. 3000 licht-jaren verwijderde ster, die ter plaatse b.v. 2000
-jaren lang niet meer bestaat nu ik hem waarneem?—En waar bevinden zich
-mijn gewaarwordingen van wat ik achter een spiegel even „veraf” zie als
-de dingen zich er vóór bevinden?! De oplossing is eenvoudig genoeg:
-mijn gewaarwording is nooit ergens anders dan... „hier”, d.w.z. „in”
-mij, als Subject, en dit „hier” heeft een zuiver psychiese betekenis,
-die als zodanig noch met „hersenen”, noch met ruimtelike „introjectie”
-iets te maken heeft. [241] Mijn maangewaarwordingen zijn precies
-evenmin op de maan als in mijn hersenen,—Paulsen heeft gelijk, ’t ene
-is precies even absurd als ’t andere, al maken Ziehen c.s. zich zelf
-het eerste wijs en alle gewoon-materialistiese physiologen (Sollier,
-Forel, Haeckel, Rée) het laatste. Zo belachelik als hun elk de mening
-van de tegenpartij voorkomt, zo lachwekkend is voor ons... ’t een mèt
-het ander. De gewaarwordingen zijn (in tegenstelling met de
-waarnemingsinhouden) onruimtelik, uitsluitend toestanden van („in”) het
-niet zelf ruimtelik (= in de ruimte zich bevindend) maar ruimtestellend
-(raumsetzend) Subject—en slechts het heterosubjectief phaenomeen van
-die gewaarwordingen a.z. is waarschijnlik ... een hersentoestand!—En
-inderdaad heb ik dus mijn gewaarwording pas op ’t ogenblik, dat in de
-phaenomenale mechaniese wereld het gezichtscentrum van „mijn”
-zenuwstelsel beïnvloed wordt door de gevolgen van de aethertrillingen,
-die mijn netvlies troffen.
-
-In dat centrum ontstaat dan een bewegingswijziging en niets anders.
-Natuurlik neem ik nu niet op de een of andere mysterieuze,
-bewusteloos-clairvoyante wijze die bewegingstoestand waar, of „zet”
-deze zich „om” in gewaarwording (Hartmann) of wordt (door wie?)
-overgezet in een andere vorm, zodat ik mij „hem” bewust zou worden (v.
-d. Bergh v. Eysinga) [242] of begaan de hersenen een „Rückwirkung”
-(Ziehen)... die gewaarwording zou geven. Niets van dat alles.—Maar die
-hersenwijziging is (naar de waarschijnlikste, eenvoudigste hypothese,
-weer door Kant ’t eerst gesteld) zelf niets anders dan... ’t
-(heterosubjectief) phaenomeen, het zinnelik (of waarnemings-)symptoom
-(in meer dan één zin) van... mijn gewaarwording!
-
-Ons zgn. „parallelisme” (een slecht gekozen naam, want hij kan enkel op
-gelijktijdigheid doelen, daar ruimtelike „paralleliteit” tussen stof en
-geest een woord zou zijn zonder zin!), dat slechts in richting van
-abstractie, in methode van wetenschappelik onderzoek („methodologisch”,
-„heuristisch”) streng dualisties is (niet één enkele „overgang” of
-„inschakeling” of „veroorzaking” over en weer tussen physis en psyche),
-vindt dus z’n eenvoudige, monistiese oplossing in een sym-ptomatisme:
-de physiese reeks slechts een abstrakt, denkbeeldig, op een universeel
-subject betrokken, dus objectief, symptomensysteem van... de concrete
-psychiese Werkelikheid, of zo men wil subjectiviteit, die zelf dus
-weer, als rijk van het Bewustzijn „phaenomeen” kan zijn van het voor
-ons geheel onvoorstelbaar tijdloos, tijdstellend „An sich”.
-
-
-
-14: p. 34. Merkwaardige formulering van het dogmaties (realisties)
-kennisbeeld „spiegel” bij Herbart, S. W. VIII (Kehrbach ’93) p. 187,
-Allgem. Methaphysik, II: IV: § 293: „Man denke sich also ein geistiges
-Wesen, eine Intelligenz, lediglich als einen reinen Spiegel für
-mehrere, von einander sowohl, wie von dem Spiegel unabhängige Objecte.
-Wir fragen hier noch gar nicht, wie das Verhältniss, vermöge dessen die
-Spiegelung erfolgt, möglich sey, wir erinnern uns aber, dass zur wahren
-und vollkommenen Erkenntniss ein solches Verhältniss muss angenommen
-werden, und bemerken leicht, dass eben hier, in der Metaphysik, falls
-sie Wahrheit gewährt, wir selbst dergleichen Spiegel seyn mussen.”
-
-Cf. echter § 327 (p. 235): „Wie die Körper ursprünglich aus Elementen
-bestehen, die nichts weniger als körperlich sind: so besteht das Wissen
-[dat dus afbeeldt?!] aus Anfängen, die mit einem Abbilden nichts gemein
-haben. Es besteht aus Empfindungen; die keineswegs etwas Äusseres
-abspiegeln, denn sie sind lediglich Selbsterhaltungen der Seele.”
-
-De „Form des Wissens” schijnt door H. „abbildend” gedacht, cf. § 299,
-jo. 399, over de „sinnliche” en de „intelligibele Raum”.
-
-Ten onzent kan men de „spiegel”-leer nog zuiver geformuleerd vinden in
-het naief dualisties idee- en materie-realisme van Dr. A. Kuyper’s zgn.
-„Theorie der Kennisse”, b.v. Enc. II, p. 29: „Aldus opgevat komt dus
-‚de wetenschap’ voor ons te staan, als een te zijner tijd met
-noodzakelijkheid opgekomene, en steeds voortgaande, drang in den
-menschelijken geest, om den kosmos, waarmee hij in organische
-verwantschap staat, plastisch naar zijn momenten in ons af te spiegelen,
-en logisch in zijne relatiën door te denken.” (Vgk. ook p. 365: „Het is
-dus in den spiegel van ons menschelijk bewustzijn, dat de realiteit
-haar beeld afspiegelt” enz.; p. 559, p. 102, p. 59, en heel schrijvers
-vóór-kritiese waarnemingsleer passim). Gelukkig geeft de geleerde
-schrijver authentieke uitleg van de duistere terminologie: p. 26: „Een
-atoom en de beweging van dit atoom onderscheidt zuiver het moment en de
-relatio.”!
-
-Mr. Dr. Gewin, „Beginselen van Strafrecht”, heeft mijn aandacht op deze
-Dr. K.’s „Wissenschaftslehre” gevestigd, daar ik nauwkeurig wenste te
-weten, op welke gronden deze heren nog heden de wetenschap zouden
-willen „vastleggen” aan zekere dogmata van een bepaalde kerkleer. Wel
-mogen we dankbaar zijn, dat de wetenschap zelf in onze tijd naar haar
-kluisteraars niet meer behoeft om te zien. Misschien echter vind ik
-aanleiding, het wetenschappelik-wijsgerig peil van Dr. Kuyper’s werk
-nog eens in een afzonderlike kritiese verhandeling (reeds manuskript)
-in het licht te stellen, opdat blijke, wie die man is, die zijn vingers
-uitsteekt, niet alleen naar „von Schopenhauer”, „von Nietzsche”, „von
-Ritschl”, maar ook naar een Spinoza en een Kant.
-
-
-
-15: p. 35. Reeds physiologies kan dit zonder enige geleerdheid in
-enkele regels ook aan niet-geschoold intellekt worden duidelik gemaakt:
-Nemen we maar het zien van b.v. een rood gebonden, met goudletters
-bedrukt boek. Wat is physiologies dit hele zien? Aethertrillingen
-(billioenen per sekonde!) bereiken en veranderen (scheikundig
-waarschijnlik) de millioenen staafjes en kegeltjes der beide
-netvliezen. (Daarop zouden nog, van buiten af, 2 onderling
-verschillende omgekeerde gekleurde vlakke beeldjes te zien zijn, maar
-zelf plegen wij onze netvliezen niet aldus te bezien!). Nu ontstaan in
-de gezichtszenuwen, met hun vezel- en cellen-werelden, twee onderling
-verschillende, onvoorstelbaar samengestelde (chemiese of elektriese of
-wat voor) bewegingsprocessen, die van kleur noch boek- of lettervorm
-ook maar een spoor of zweem „bewaard” kunnen hebben. Geen licht of
-kleur noch lettervorm dringt in der eeuwigheid van buiten door die
-zenuwen heen. Nog is er geen gewaarwording. Deze ontstaat niet, eer (na
-de bekende splitsing en kruising van de gezichtszenuwen) de
-zenuwprocessen een wederom chemiese of elektriese of hoe dan ook
-mechaniese wijziging van bepaalde hersengedeelten hebben
-teweeggebracht. Op dat ogenblik pas is aan het subject (onverschillig
-wat dit physiologies moge zijn of niet-zijn) iets „gegeven” (het geheel
-van gewaarwordingen, waardoor hij de rode band met de gouden letters
-ziet), dus nooit iets anders, dan wat physiologies (in de wereld van de
-ruimtedingen) een hersenproces zou blijken, als zodanig voor het
-subject zelf onwaarneembaar, maar bovendien onbelicht en evenmin op
-boek- of lettervorm als op het rood of goud ook maar in de verste verte
-gelijkend en alleen reeds door die eeuwig ondoorzichtelike zenuwmuur van
-alle daarachter eventueel aanwezige licht, kleuren en gestalten
-gescheiden! En nu zouden de kleuren en vormen, die wij zien,
-overeenkomen (of zelfs één zijn!) met, of maar gelijken op, kleuren en
-vormen, die zich achter die muur, in de „buitenwereld” zouden bevinden?
-O wonderbaarlike toverij! En nog groter toverij, dat wij van die
-overeenstemming of gelijkenis ooit zouden weten, want hoe willen we
-„vergelijken”, controleren met die „werkelike” kleuren en gestalten,
-waar wij evenmin ooit door die lichtloze muur kunnen heendringen naar
-„buiten” (want al onze physiologiese „gegevens” zijn binnenmuurs!) als
-achtermuurse letters of kleuren kunnen doordringen naar „binnen”! [243]
-
-Overweeg aandachtig dit eenvoudige betoog, dat gelijkelik geldt voor
-alle zintuigen, en met Leibniz’ inzicht in onze „vensterloosheid” zal u
-plotseling het besef opgaan, hoe naïef-dogmaties elke natuurrealistiese
-gewaarwordingsinhoud-verdubbelende waarnemingsleer moet zijn, waarin
-toch dualisme en materialisme gelijkelik bevangen blijven, Ziehen, met
-zijn ruimtelike cerebrale „Reihenfolge der Empfindungen” of derzelver
-„Lage im Gehirn”, die „unserem Bewusstsein” of zelfs „unserem Gehirn”
-„gegeben” zou zijn, zo goed als Thomas van Aquino, wiens leer de hier
-weerlegde fout aldus formuleert: „Want zien gebeurt alleen dan, als het
-voorwerp, dat waargenomen wordt, op eene of andere wijze aanwezig is in
-het wezen dat ziet.” „Het zintuig neemt den vorm van het stoffelijke
-wezen in zich op, maar niet de stof zelf, gelijk in het was de vorm van
-een ring wordt afgedrukt, maar niet het ijzer of goud, waaruit de ring
-bestaat.” [244] of zijn hedendaagse volgelingen als b.v. Prof. Dr.
-Sebastian Huber, die in zijn gebeeldhouwde zgn. „Noëtik oder Kritik”
-nog botweg het realisties dogma stelt (§ 22): „Keine Erkenntnis kommt
-zustande ohne Vereiniging [!] von Subjekt und Gegenstand der
-Erkenntnis.”.... „So ist daran fest zu halten: sowohl die relativen als
-die absoluten Qualitäten der Sinneswahrnehmung sind objektiv real.”....
-„Die Existenz der Aussenwelt ist demnach eine unmittelbare Wahrheit,
-welche eines Beweises nicht bedarf.”
-
-Wanneer mijn lezer nu die schellen der dogmatiese naiveteit van de ogen
-zijn gevallen, dan zal hij mij zeker niet, op grond van deze mijn wat
-grof-plastiese maar duidelike muurvoorstelling, de nog naiever mening
-toedichten, dat we zonder die „muur”—dus zonder gezichtszenuwen—wèl of
-beter ... de „werkelike” vormen of kleuren zouden kunnen „zien”! Maar
-men kan nooit weten, waartoe de naiveteit in staat is. Zegt niet Alfred
-Binet in zijn „L’Ame et le Corps”, 1905, in volle ernst,—vooraf gaat,
-dat de lichamen, die de gewaarwordingen veroorzaken (!) ons slechts
-door „l’intermédiaire de notre système nerveux” bekend zijn en dit zelf
-weer alleen bij wijze van sensation ... dat ’t licht „ne brille que
-dans notre cerveau” (p. 23), dat dáár alleen „le bruit se produit; en
-dehors, règne un silence de mort”,—op p. 24: „En résumé, notre système
-nerveux qui nous sert à entrer en communication avec les objets [typies
-realisties gedacht], nous empêche, d’autre part, de connaître leur
-nature. Il est un organe de relation avec le monde extérieur; il est
-aussi, pour nous, une cause d’isolement. Nous ne sortons jamais de
-nous-mêmes. Nous sommes des emmurés.”
-
-Men moet een Fransman zijn om met zoveel bon sens over dit onderwerp in
-deze tijd aldus te kunnen filosoferen,—om kennistheoretiese waarheden
-zo ongemerkt te verkeren in hun dogmaties tegendeel.
-
-In elk geval is deze bon sens heel wat sympathieker, dan de verfransing
-van Kantisme zonder bon sens bij Renouvier c.s., even onfrans als
-onkrities.
-
-
-
-16: p. 39. Dr. C. J. Wijnaendts Francken, die krachtens intellekt en
-geestesallure een van onze eerbiedwaardigste, consequentste
-materialisten zou kunnen zijn, schijnt zich zelf te willen doemen tot
-een allesbehalve benijdenswaardige positie in de wijsbegeerte ten
-onzent: door zijn materialistiese geestverwanten als „dualist” of
-„idealist” te worden verdacht—terwijl psychisme en dualisme hem
-niettemin als materialist moeten afwijzen, zodat hij met al zijn weten
-en kunnen „hier und dort verloren” is, als de vleermuis, muis noch
-vogel.
-
-Wie tot waarnemingsleer die van Locke heeft (het in de tekst weerlegd
-„spiegel”-dogmatisme, met „een physiek-materieele wereld als oorzaak”
-van de gewaarwordingen; aldus b.v. in de Psychologische Omtrekken II §
-2, over het „Phaenomenaal karakter onzer kennis”) en als metaphysica
-het (ten onrechte) anti-metaphysies wijl (deels terecht)
-anti-dualisties naturalisme—die is materialist—in z’n goede consequente
-ogenblikken „epiphaenomenalist”—en die moet de Paulsens of Adickes geen
-„weerlegging van het materialisme” en deszelfs „gebrekkigen,
-‚erkenntnisstheoretischen’ grondslag”, ja zelf geen trap aan Haeckel,
-gaan nadoen. Want hoe onverdiend-zacht Dr. W. F.’s oordeel ook zij:
-„Trouwens in wijsgeerig doorzicht ligt niet Haeckel’s grootste kracht”,
-het lokt de opmerking uit, dat altans Dr. W. F. geen enkel wijsgerig
-inzicht op Haeckel vóór heeft, wèl in zoverre beneden hem blijft, als
-Haeckel een apostel is van zijn materialistiese overtuiging (al
-verkiest ook hij het geüsurpeerde materialistiese modewoord „monisme”
-[245] boven het veelgesmade „materialisme”) en Dr. W. F. een
-verloochenaar.
-
-Dr. W. F. is geen empirist of materialist sans phrase, hij is een
-wèl-empirist-maar, een wèl-materialist-maar. Ik geef twee zinnetjes,
-die deze zijn houding typeren: „Wel kan men de waarheid der
-causaliteitswet willen bewijzen uit de ervaring [wel!]; maar het zoeken
-naar zulke empirische gegevens gaat alreeds uit van de aanwezigheid van
-een vast causaal verband, en veronderstelt reeds het bestaan van
-regelmaat en wet.” (Inleiding tot de Wijsbegeerte, p. 83.—Dr. W. F. ziet
-hier het apriori natuurlik even helder in, als wie ’t hieruit zou
-moeten leren. Hij geeft dan ook over het apriorisme zowel in deze
-„Inleiding”, p. 76 ss., als elders, b.v. Psychologische Omtrekken, p.
-61 ss., slechts de bekende vermaterialisering en verSpencerisering ten
-beste, met een ruimtelik zenuwstelsel als prius van ruimtevoorstelling
-en met „typische denkvormen”, die op de „oneindige reeks” ervaringen
-van het mensengeslacht.... „berusten”!) en: „De psychische
-verschijnselen dragen een bizonder karakter, dat ze niet zonder meer
-vergelijkbaar maakt met physische. Wèl kan men hun kenmerkend
-bestanddeel, het bewustzijn, een functie [c [246]] van de
-hersenwerkzaamheid noemen, een functioneelen verschijningsvorm [a] van
-bepaalde stoffelijke processen onder bepaalde omstandigheden en
-voorwaarden. Maar hoe het daaruit geboren wordt [b], blijft ons
-volkomen duister, aangezien voor onze voorstelling die beide grootheden
-zóó verschillend zijn van karakter, dat wij de klove tusschen haar niet
-kunnen overbruggen.” (Inlg. p. 113/4). Stel u voor, het bewustzijn
-geboren uit processen,... wier logies prius het bewustzijn is! Men
-ziet, hoe goed Dr. W. Fr. heeft opgestoken, dat psyche en physis
-kennistheoreties „heterogeen” zijn! Maar tegenover het dogmaties
-agnosticisme van zijn echt materialisties „Ignorabimus”, sc. hoe,
-hebben wij de kritiese zekerheid te stellen van ons echt
-phaenomenalisties „Negamus”, sc. dat!—
-
-Zo goed en zo kwaad als bij Haeckel, waren bij Dr. W. F. allerlei (op
-z’n minst [247] 4) variëteiten van materialisme dooréén: (a) het
-aequatief of identiteitsmaterialisme: bewustzijn bestaat in, is een
-verschijningsvorm van, hersenprocessen, deze „worden bewust”; daar naast
-(b) het causatief materialisme: bewustzijn is een gevolg van
-hersenprocessen; (c) het attributief materialisme: bewustzijn is een
-eigenschap of toestand of „functie” van hersenprocessen; en als variant
-daarvan (d) het parallelisties (en wijl realisties steeds min of meer
-dualisties: de physiese reeks reëel, terwijl aan de psychiese toch ook
-een zekere realiteit moeilik kan worden ontzegd!) psycho-physies
-materialisme: bewustzijn gepaard met, begeleidingsverschijnsel van,
-hersenprocessen.
-
-Al deze vormen van materialisme (de voorbeelden volgen onmiddellik)
-hebben de kennistheoretiese grondslag gemeen, nl. dat het stoffelike,
-het hersenproces, [248] gedacht wordt als het primaire, causale, reale,
-als een soort „substraat”, „achtergrond”, „bestaansvoorwaarde” voor het
-geestelike, dat als secundair, onwerkzaam („duister”!) bij-produkt of
-bij-verschijnsel optreedt. Dus precies het omgekeerde van de waarheid,
-die de kennistheorie leert en ook dit mijn geschrift duidelik tracht te
-maken.
-
-Nu toon ik u bij Dr. W. F. eerst deze materialistiese wortel en
-vervolgens zijn bont materialisties gewas, waarbij b.v. identiteit (a)
-en causaliteit (b) beurtelings ontkend en verondersteld worden, en de
-„functie” van c een vage, ruime „afhankelikheid” aanduidt, die ook voor
-b en d moet fungeren. We hebben nl. bij Dr. W. F. niet alleen
-l’embarras du choix, maar evenzeer le choix des embarras!
-
-Als volgt: „Alle geesteswerkzaamheid gaat gepaard met [d] zekere
-processen in het centrale zenuwstelsel; alle psychische verschijnselen
-veronderstellen een physischen achtergrond. Zij zijn een functioneele
-uiting [c?] van bepaalde wijzigingen in een stoffelijk substraat, van
-zekere ons in haar wezen onbekende bewegingen en omzettingen[?] in die
-materie, die een psychisch karakter verkrijgen [a of c], doordat zij
-met bewustzijn gepaard gaan [d]. Dit wil evenwel geenszins zeggen, dat
-stoffelijke en geestelijke verschijnselen geheel [!] samenvallen en,
-naar sommige materialistische schrijvers beweerd hebben, geheel [dus
-ten dele?] te vereenzelvigen zijn. Want het is duidelijk, dat bij een
-dergelijke opvatting de begrippen causaliteit [dus b!] en identiteit
-ten eenenmale met elkander verward worden. Wel zijn de
-bewustzijnsverschijnselen functies [c] van bepaalde materieele
-veranderingen in de georganiseerde substantie; maar de betrekking
-tusschen die beide is niet eenvoudig zonder meer eene van oorzaak en
-gevolg [dus niet b .... n.b. wijl .... niet a!], aangezien het
-materieele en het psychische in wezen verschillend [„heterogeen”, zie
-boven!] en dus niet onmiddellijk met elkander vergelijkbaar zijn in
-dien zin, dat het eene zou kunnen verklaard worden als eene omzetting
-[dat zou a zijn] van het andere.” (P.O. p. 22). Brr.... „Elke
-psychische werkzaamheid veronderstelt zekere physische verandering,
-maar niet omgekeerd.” (kennistheoreties alléén omgekeerd!). „De
-bewustzijnsverschijnselen treden slechts op bij bepaalde materieele
-processen, waarmede zij in vaste regelmatigheid verbonden zijn [d].
-Psychisch kennen wij alleen een reeks afzonderlijke verschijnselen, die
-ieder op zichzelf langs physischen weg zijn te voorschijn geroepen [b],
-daar ieder van hen zekeren physischen achtergrond tot voorwaarde
-heeft.” (ib. p. 25). Zo schrijft Dr. W. F. in zijn § over „Het verband
-tusschen lichaam en zielsverschijnselen”! Soortgelijk ellendig geknoei
-in de Inlg. p. 109: „Elke psychische werkzaamheid veronderstelt zekere
-physische veranderingen, maar niet omgekeerd” en p. 111, zijn
-geamendeerd Haeckelisme: „De stoffelijke hersenprocessen zijn niet
-zoozeer te beschouwen [niet zoozeer!] als de onmiddellijke oorzaak der
-psychische [hersenprocessen?!], dan wel als de onmisbare voorwaarde
-daarvan, gebonden als deze zijn aan [d] bepaalde physische bewegingen
-en omzettingen [a?].” Op bl. 112 volgt dan: „Want al die feiten
-bewijzen wel de onmiskenbare afhankelijkheid der psychische
-verschijnselen van physische toestanden”.... maar „Een
-afhankelijkheidsbetrekking is een veel ruimer begrip dan een causale
-betrekking”.... en Dr. W. F.’s begrippen moeten „ruim” genoeg zijn om
-het materialisme van a, b, c en d tegelijk te omvatten! Immers, tans
-volgt pagina 113/4, boven geciteerd, waar bewustzijn uit hersenprocessen
-geboren wordt! Maar nademaal Dr. W. F. meer dan één krities klokje
-heeft horen luiden over het materialisme, geeft hij er na zoveel moois
-ook nog deze draai aan op p. 115:.... „al moge het als
-wereldbeschouwing niet voldoen,.... toch als werkhypothese bij het
-natuurwetenschappelijk onderzoek”.... enz. En deze zijn § 5, aan de
-weerlegging van „de materialistische theorie” gewijd, eindigt nu
-symbolies met Forel’s „Gehirn und Seele” (vgk. opm. 9), terwijl elders
-de fatale (immers hersenfatalistiese) slotsom luidt: „Uit al het
-voorgaande volgt, dat het wilsgevoel slechts een begeleidend
-verschijnsel is, maar dat de eigenlijke oorzaak van ons handelend
-optreden te zoeken is in processen van het centrale zenuwstelsel”....
-(P.O. p. 105; vgk. ook Sociale Ethiek, p. 117).
-
-Op deze gemene materialistiese wortel nu stoelen de navolgende
-materialistiese stammen:
-
-a (aequatief materialisme): „Slechts een zeer gering deel der processen
-die zich in ons centrale zenuwstelsel afspelen, wordt ons [?!] bewust”
-(P.O. p. 32). Evenzo: „Het bewustzijn alzoo is te beschouwen als een
-functie [c] of begeleidend verschijnsel [d] van een klein gedeelte der
-stoffelijke processen die zich in het organisme afspelen. Wij nemen
-waar dat bepaalde processen gepaard gaan met [d] bewustzijn, alhoewel
-het ons alsnog onmogelijk is aan te geven, waarvan het afhangt of dit
-al dan niet het geval is, m.a.w. of een werkzaamheid van het centrale
-zenuwstelsel ons [?] al dan niet bewust wordt [a].” (ib. p. 36). [249]
-Eindelik p. 59: „en zoo moet men wel met Maudsley tot de slotsom komen,
-dat een groot deel van ons denken bestaat in onbewuste
-hersenwerkzaamheid.”
-
-b (causatief materialisme): In zijn „Sociale Vertoogen” schrijft Dr. W.
-F., nog wel onmiddellik na een zuiver krities citaat van Heymans, op p.
-244: „Maar overigens [!] is het duidelijk, dat de moreele degeneratie
-van den misdadiger slechts het gevolg kan zijn van moleculaire
-afwijkingen in het centrale zenuwstelsel, al onttrekken die zich nog
-ten eenenmale aan onze zintuigelijke waarneming” en op p. 254: „Want,
-gelijk reeds boven opgemerkt, elke moreele degeneratie kan in laatste
-instantie slechts het gevolg zijn van afwijkingen in het centrale
-zenuwstelsel, al onttrekken deze zich ten eenenmale aan onze
-zintuigelijke waarneming. Immers wij mogen van de veronderstelling
-uitgaan, dat aan alle psychische verschijnselen een physisch correlaat,
-d.i. een stoffelijk substraat ten grondslag ligt, en dus ook dat alle
-zielkundige afwijkingen ten slotte wijzen op zekere somatische
-wijzigingen.”
-
-Op zulke plaatsen betrappen wij een schrijver en négligé, zien wij zijn
-materialisme en action, niet wat hij er voorzichtiglik van zegt, maar
-wat hij er feitelik en wezenlik van blijkt te denken. Achter „correlaat”
-en „substraat”, achter „functie” en „verschijningsvorm” en al dat
-fraais meer, maskeert Dr. W. F. dus eigenlik ook slechts het wegens een
-zekere welgeaccrediteerde „heterogeneïteit” zo braaf verloochende
-b!—Maar gaan we verder:
-
-„Want niet de waargenomen stoffelijke wereld buiten ons, maar de
-psychische gewaarwordingen binnenin ons zijn het primaire en
-onmiddellijk empirisch gegevene; [was dit maar tot Dr. W. F.
-doorgedrongen, doch de zin is helaas nog niet uit:] en het is slechts
-een hypothese, wanneer wij daarnevens nog een physiek-materieele wereld
-als oorzaak dier psychische verschijnselen aannemen....” (P.O. p. 28)!
-En op p. 66: „Onder de zoo straks genoemde materieele sporen, die den
-grondslag vormen van het geheugen, verstaan wij de bizondere
-praedispositie van het zenuwstelsel om bij voorkeur dezelfde
-associatiebanen te laten inslaan en dezelfde psychische produkten te
-leveren als vroeger.” Hoofdstuk V, over de gemoedsaandoeningen, eindigt
-aldus: „Ongetwijfeld bestaat er een nauw verband tusschen de
-gemoedsbewegingen en de innervatieprocessen, die inwendig tot
-bewustzijn komen [a]; maar er bestaat daarom nog geen voldoende grond
-om nu ook aan te nemen, dat deze laatsten de uitsluitende [?] oorzaak
-[dus niet b?] der eersten zijn, en om beiden zonder meer tot een
-psycho-physische identiteit te verklaren [dus niet a? of niet d?]. Hoe
-ze in werkelijkheid oorzakelijk samenhangen [weer terecht bij b!]
-blijft alsnog een open vraag, wier volledige oplossing aan de toekomst
-blijft voorbehouden.”! Hier wordt dus zelfs het „Ignorabimus” (zie
-boven) nog weer verloochend en overtroefd door een Haeckeliaanse wissel
-op de toekomst!—Eindelik nog uit het slothoofdstuk, p. 117, waar „wij
-omtrent de ware physiologische oorzaken en juiste verklaring dezer
-psychische verscheidenheden nog zoo in het duister rondtasten.” Ook
-zulk een zinnetje speaks volumes.
-
-c (attributief materialisme): „Het [geheugen] is niet een aanhangsel,
-maar een integreerend [?] bestanddeel van bepaalde toestanden der
-zenuwelementen.... Het herinneringsvermogen berust op een organischen
-grondslag, d.w.z. op inhaerente [?] eigenschappen der levende materie.”
-(P.O. p. 64). Of, zonder omwegen: „Het geheugen toch is een eigenschap
-der hersensubstantie....” (P.O. p. 68).
-
-d (psycho-physies materialisme): P.O. p. 25 (boven geciteerd), p. 34/5:
-„Het bewustzijn op zichzelf is van niets de oorzaak;.... en veelal
-[n.b., soms dus niet?!] blijft het volkomen duister, waarom het zich
-paart aan physiologische verrichtingen, die evengoed ook zonder dien
-zouden plaats grijpen.” Evenzo p. 36: „Wij nemen waar” dat
-hersenprocessen „gepaard gaan met” bewustzijn (zie boven), of p. 105,
-reeds geciteerd en b.v. tot slot Inlg. p. 101/2, waar we nog eens al
-dit knoeierig materialisme-tegen-wil-en-dank bijéén hebben: „Het
-bewustzijn is zeer zeker moeilijk [dus niet onmogelik!] [a] te
-verklaren als bewegingsverschijnsel, noch vertegenwoordigt het een
-bizondere kracht. Het wijst slechts op een toestand [c?]: beweging gaat
-niet over of zet zich niet om in bewustzijn, wat onmogelijk ware omdat
-beide heterogene begrippen zijn [warmte en beweging dan?]; maar
-bepaalde bewegingsverschijnselen in het centrale zenuwstelsel verwekken
-[b?] processen, die gepaard gaan met [d] bewustzijn. Het bewustzijn is
-dus te beschouwen als een functie [a of b of c] of [men mag kiezen! ’t
-is bij Dr. W. F. toch alles één materialistiese pot nat] begeleidend
-verschijnsel [d] van een klein gedeelte der stoffelijke processen die
-zich in het organisme afspelen, hoewel wij nog hoegenaamd niet in staat
-zijn aan te geven waarvan het afhangt of deze al dan niet met
-bewustzijn gepaard [d] gaan.”— —Het ligt geheel in de lijn van al deze
-verwarde contradictore halfslachtigheden en ondoordachtheden, dat nu
-ook nog een inconsequente μεταβασις εἰς ἀλλο γενος, de dualistiese
-„Wechselwirkung”, telkens dit epiphaenomenalisme komt doorbreken.
-Evenals bij de waarneming volgens Dr. W. F. stof, causaal, inwerkt op
-geest, zo beïnvloedt omgekeerd het psychiese ongegeneerd de physiese
-reeks: P.O. p. 42, waar „aandachtsvestiging den bloedtoevoer naar de
-hersenen verhoogt”, p. 51 omtrent de verbeeldingskracht: „Hoe
-ingrijpend die kan inwerken ook op de physieke verschijnselen des
-lichaams”, p. 81 ss.: „welk een grooten onwillekeurigen invloed de
-affecten oefenen op tal van physiologische processen die in het lichaam
-plaats grijpen” en de voorbeelden aldaar, gelijk op p. 82/3: „Zoo
-vinden tal van pathologische toestanden van het zenuwstelsel.... hun
-primaire [n.b.!] oorzaak in stoornissen van het gemoedsleven.—Maar ook
-omgekeerd kunnen physieke veranderingen in het organisme sterke
-wijzigingen in het gevoelsleven wakker roepen.”! Hiertoe behoren ook de
-selectie-dualismen, aangewezen in opm. 33, die men wel wil vergelijken.
-
-Holderdebolder dogmatiseert, oreert en doceert Dr. W. F. er op los,
-zonder zweem van kritiese bezinning, onverschillig of hij zijn
-materialisme „critisch realisme” noemt (Inlg. p. 64), dan wel „critisch
-idealisme” (P.O. p. 28)—het is alles, behalve „critisch” in de
-kenniskritiese, kantiaanse zin van transcendentaal (vgk. hierover opm.
-6 en 7 en bl. 22–24 tekst), het staat er, als onbewust dogmatisme,
-juist lijnrecht tegenover—wat Dr. W. F. in even onbewuste zelfkritiek
-onovertrefbaar juist en scherp formuleert, als hij het noemt: een „niet
-transcendentaal, maar critisch idealisme”! [250]
-
-En van de ontwikkeling of verdieping, die Prof. v. d. Wyck onlangs naar
-ik meen bij Dr. W. F. heeft bespeurd, vermag ik kennistheoreties geen
-spoor te vinden. Integendeel—ook zijn jongste produkt, het najaar 1911
-verschenen geschrift over Het Bewustzijn, hult in gewaad van
-anti-metaphysies agnosticisme louter slechte, dogmatiese,
-materialistiese metaphysica—die nu de welwillende lezer er zelf uit
-moge halen.
-
-Ik kom tans op mijn aanhef terug: Blijkt Dr. W. F. ook na deze zo
-ontoegankelik voor de wijsgerige kritiek als Haeckel, dan bestaat er
-voor hem slechts één weg, om altans de eerbied zich te redden, die een
-oprecht, gaaf naturalist verdient: „Be nothing which thou art not”
-(Poe), of, positief: „To thine own self be true”!
-
-
-
-17: p. 39. Phaenomeen. Wij hebben geen Hollands woord daarvoor:
-„verschijning” (= komst) en „verschijnsel” worden in een heel andere
-zin gebruikt. Ons taaleigen gedoogt feitelik niet, een zgn. „ding”: een
-boek, een astronomies lichaam als zon of aardbol, een scheikundig
-element, „verschijnsel” te noemen. [251]
-
-Men spreekt van de sterren als „verschijnselen aan de sterrenhemel”,
-tegenover de astronomiese werkelikheid—de kennisleer noemt juist dit
-astronomies ruimtelik „Heelal” Phaenomeen der werkelikheid of de
-phaenomenale wereld, en bedoelt daarmee, dat het een denkbeeldig geheel
-is van algemeen mogelike waarnemingsinhouden, in tegenstelling
-enerzijds tot de individuele (lichtpunt-)gewaarwordingen en anderzijds
-tot de van mogelike waarneming onafhankelike werkelikheid zelf, wier
-inwerking op onze geest oorzaak is van die gewaarwordingen en die als
-zodanig het „reale” of „substraat” of „An-sich” heet van die
-phaenomenale objectenwereld.
-
-De eenheid, waarin de afzonderlike waarnemingsinhouden groepsgewijs
-worden samengevat tot de „dingen”, die deze inhoud als „eigenschappen”
-„dragen”, vindt dus z’n grond en verklaring enerzijds in de eenheid van
-het denkend en waarnemend bewustzijn, dat als subject het
-kennistheoretiese prius is van deze objecten, anderzijds in de eenheid
-van het (vermoedelik evenzeer subjectief, psychies) reale, dat als
-substratum het metaphysiese prius der voorwerpen vormt.
-
-Is dit inzicht eenmaal bereikt, dan zal de lezer mij gaarne Kant’s
-terminologie schenken, in casu zijn „transcendentale synthetische
-Einheit der Apperception” als „formaler, subjectiver Grund” der
-„empirischen Einheit der objectiven Erscheinung”. Wie deze Kantiaanse
-„apperceptie”, in haar kennis-theoretiese zuiverheid, dus vrij van
-ontologiese, substantiële dogmasmetten, begrepen heeft, is daardoor
-alleen reeds... Hegel te boven gekomen, en kan nog slechts glimlachen
-als Hegel’s „begrip” zich uitgeeft voor een synthese van Spinoza’s
-substantie (transcendent, dus slechts door wanbegrip te vergeesteliken)
-en Kant’s apperceptie (transcendentaal, dus slechts door onkritiese
-„Subreption” te verwezenliken).
-
-„Verschijnsel” voor phaenomeen heeft ook nog dit tegen, dat het aan
-iets vergankeliks doet denken, en dus de niet-kritiese Hegeliaanse en
-Bollandistiese tegenstelling met het „wezen” als het onvergankelike
-bestendigt (vgk. b.v. Coll. Log. pp. 538–550: „Stof is de naam van de
-wezenlijkheid in het verschijnsel” enz., het „wezen” „als blijvende
-eenheid of idealiteit van eigen vergankelijke realiteit” en laatstelik
-De Logica, p. 22: „het ding als verschijnsel, heeft de eigenschap der
-vergankelijkheid” enz.). Juist in Kant’s „substantia phainomenon”,
-Newton’s materie en de quantitas materiae (massa) hebben we klassieke
-voorbeelden van een onvergankelik, onveranderlik phaenomeen, terwijl
-enerzijds het ding-op-zich-zelf evenmin onvergankelik als vergankelik
-mag heten, zover het als ontijdelik moet worden gedacht, en anderzijds
-het werkelik bewustzijnsleven, waarvan een levend organisme naar de
-psychies-monistiese leer het phaenomeen is, de tijdelikheid en
-vergankelikheid met dit laatste gemeen heeft.
-
-
-
-18: p. 39. Daarmee is weerlegd Schopenhauer’s kritiek (I, p. 562/3) op
-Kant zover zij de gewaande tegenstrijdigheid betreft, dat Kant eerst
-(terecht!) zegt: het verstand kan slechts denken, niet „aanschouwen”,
-„Anschauung, Wahrnehmung, Perceptio gehören bloss den Sinnen an, und
-die Anschauung bedarf der Funktion des Denkens auf keine Weise.”—en
-later toch voor de natuur, voor het samenstellen van objecten, het
-verstand nodig heeft, voor het object dus „das doch wohl ein
-Anschauliches und kein Abstraktum ist”, zegt Schopenhauer... ten
-onrechte. „Nun ist aber die Natur doch wohl ein Anschauliches und kein
-Abstraktum” ... integendeel!
-
-„Ich fordere Jeden, der mit mir die Verehrung gegen Kant theilt, auf,
-diese Widersprüche zu vereinigen, und zu zeigen, dass Kant bei seiner
-Lehre vom Objekt der Erfahrung und der Art, wie es durch die Thätigkeit
-des Verstandes und seiner zwölf Funktionen bestimmt wird, etwas ganz
-Deutliches und Bestimmtes gedacht habe.” (p. 563/4).
-
-Ik kan zonder die 12 Funktionen te verdedigen aan die Aufforderung
-voldoen: alle aanschouwing is, voor Kant, belevenis, individueel (al
-geschiedt ze niet dan in de aanschouwingsvormen, òf tijd en ruimte, òf
-tijd alléén)—en de „objecten”, al het objectief „Bestimmte” ... heel de
-natuur, geldt transindividueel, met betrekking tot „ein Bewusstsein
-überhaupt”, is dus nooit onmiddellik belevenis, „intuïtieve”
-werkelikheid, maar abstrakt, door diskursief denken omtrent gegeven
-belevenissen (die altijd nodig en vóórondersteld zijn) opgebouwd
-intersubjectief geldig systeem.
-
-Niet alleen dus het (transcendentale, en geenszins empiriese) „Objekt”
-waardoor ons de aanschouwing gegeven wordt, het Ding an sich, is van de
-aanschouwing verschillend, maar zelfs ook het immanente Objekt, dat uit
-aanschouwing, uit gewaarwordingen in aanschouwingsvormen, denkend wordt
-gecomponeerd.
-
-„Unvorstellbar” of „sonderbare Voraussetzung” is dus dat immanent
-Object, dat natuurding, geenszins. Integendeel, het bestaat juist
-alléén in onze wetenschappelike voorstelling!
-
-Te zeggen: onze Anschauung („waarneming”) is als zodanig reeds „sofort
-objectiv” (p. 565) heeft enerzijds geen zin (want niet de waarneming,
-maar haar inhoud wordt geobjectiveerd), is anderzijds onjuist
-(vergelijk droom, hallucinatie enz.) en is 3o. niet ter zake tegen
-Kant, want die toekenning van het praedicaat objectief is zuiver
-verstandswerk—, de zinnen weten niets hoegenaamd van al of niet
-„objectief”.
-
-Wundt’s tegenstelling tussen de „concrete”, „zinnelike” natuurobjekten
-en de „abstrakte” „begripsdingen” (atomen etc.) der natuurwetenschap,
-vergeet tweeërlei: dat de eerste evenzeer reeds abstrakt—en de tweede
-evenzeer nog zinnelik zijn!
-
-
-
-19: p. 40. Heel de Hegeliaanse tegenstellingenreeks van schijn of
-verschijnsel en wezen of waarheid of werkelikheid, van uiting en
-kracht, geval en wet, blijft dan ook (als in z’n geheel immanent)
-beneden het niveau van Kant’s kennistheoretiese („transcendentale”)
-tegenstellingen: al of niet immanent en al of niet a priori.
-
-Zo is het louter machteloze misvattingspolemiek, als Prof. Bolland in
-„Zuivere Rede” (p. 32, 33, 2e dr. 75) van de „wét” als „het blijvende
-ware aan de verschijnselen”, „blijvende eenheid van de kracht en haar
-uiting”, aldus oreert: „De werkelijke wet is als wet der (ware of
-geheele) werkelijkheid even weinig enkel buiten als alleen binnen, even
-weinig eenzijdig van voren [!] als blootelijk van achteren [!] en niet
-òf subjectieve òf objectieve maar absolute wet, die zich als zoodanig
-in al het relatieve wedervindt; de ware wet of wet van het ware is
-zonder eenzijdigheid achter, in en voor [n.b.] al het verschijnende het
-begrijpelijk geldige en zoo op hare wijze het werkelijke, ware en
-redelijke zelf.”
-
-Nog afgezien van de ondoordachte vereenzelviging van waarheid en
-werkelikheid, staat dus zelfs deze „wet” ... tegenover Kant’s An sich,
-als een wet, slechts van phaenomenen, een slechts phaenomenale, zuiver
-immanente, dus als zodanig evenzeer objectieve als subjectieve wet.
-Vgk. verder van hetzelfde gehalte de herhalingen van pp. 122–128 Z. R.
-
-
-
-20: p. 42. Het doet vermakelik aan, een dogmaties realist als b.v.
-Dietzgen te horen vertellen (Streifzüge, p. 60 ss.): „Von der
-gegenwärtig grassierenden erbärmlichen philosophischen Kritik wird der
-Menschenverstand als armer Schlucker dargestellt, der nur die
-oberflächlichen Erscheinungen der Dinge erklären [!] könne” ...
-Natuurlik is dat „Oberflächliche” alléén van Dietzgen, niet van de
-„Kritik”.
-
-Van Hegel tot Dietzgen weet men aardig beter dan Kant wat de verhouding
-van werkelikheid, wezen, tot „Erscheinung” eigenlik is: Gelijk Hegel
-gewaagt van dingen, die „nicht nur für uns sondern an sich blosse
-Erscheinungen sind” (Busse, Geist und Körper, p. 29, terecht:
-„Erscheinung an sich... eine contradictio in adjecto”), zo expliceert
-Dietzgen nader als volgt: „Alle Erscheinungen macht der Intellekt zu
-Wesen und erkennt alle Wesen als Erscheinungen des grossen [!]
-allgemeinen Naturwesens. Der Widerspruch zwischen Erscheinung und Wesen
-ist kein Widerspruch, sondern eine logische Operation, eine
-dialektische Formalität [!]. Das Wesen des Universums ist Erscheinung
-[!] und seine Erscheinungen sind wesenhaft... Und unsere Kritik sagt:
-Das Was, welches erscheint, ist selbst Erscheinung [wel, wel!], Subjekt
-und Prädikat ist von einer Art.” Of elders: „Das Wesen der Welt ist
-absolute Veränderlichkeit. Erscheinungen erscheinen—voilà tout.” (Das
-Wesen der menschlichen Kopfarbeit, p. 72).
-
-Nu weten we ’t—wezenlik!
-
-Voorwaar, voor zulk een wijsgeer moeten wel de Kantianen, „die
-zeitgenössischen Philosophen mit dem Geschichtsschreiber des
-Materialismus an der Spitze” ... „entweder Schelme oder Narren” zijn...
-„welche mit sämtlichen Körnern eines Sandhaufens sich nicht begnügen
-wollen sondern hinter [!] allen Körnern extra noch einen körnerlosen
-Sandhaufen [!] suchen.”!—Waarlik een schelm of een nar, wie op
-Dietzgen’s... zandhoop bouwt!
-
-Komt ééns het proletariaat ook aan wijsbegeerte toe (mocht ik het
-beleven—er altans het mijne toe bijdragen)—dan zal het zelf wel richten
-over deze profeet van het „dialekties” „materialisme”. Tot zolang mag
-hij blijven „der Philosoph des Proletariats”. Tot zolang mag „die
-Denkmethode und Weltanschauung des Proletariats” heten, wat „mit dem
-Masse der unreifen bürgerlichen Erkenntnistheorie gemessen” (om met
-Dietzgen’s waardige paladijn Dr. A. Pannekoek te spreken, die zich en
-de zijnen reeds tans in staat verklaart, „die bürgerliche Philosophie
-denkend zu überwinden”) een waardeloos samenraapsel blijkt van
-materialistiese („Aus einem immateriellen, unfassbaren Wesen wird
-nunmehr der Geist zu einer körperlichen Tätigkeit.—Denken ist eine
-Tätigkeit des Gehirns, wie Gehen eine Tätigkeit der Beine.”) en
-dualistiese („Nun aber besteht die ganze Welt aus Atomen und
-Bewusstsein, aus Materie und Geist”) afval [252]. Tot zolang viere de
-Heer Pannekoek gerust als „Vollender des Werkes.... von Hume und Kant
-begonnen” de verwatenste fraseur, die ooit geposeerd heeft en geponeerd
-is als kennistheoreticus, de Ueber-Kant, die met zijn „abermalige
-[neen, aberwitzige] Kritik der reinen und praktischen Vernunft” zóveel
-van die Kritiek begrepen heeft, van het kennis-probleem, de synth.
-oordelen a priori, dat hij.... de analysis als tegeninstantie, als....
-„nicht so wunderbar” (p. 84) aanvoert, de Hyper-Spinoza (hoort, hoe
-deze Dietzgen Spinoza de les leest, Streifzüge p. 17: „Das ist gefehlt
-etc..... das Absolute oder die Natur.... dehnt sich endlos aus, im
-Raume und in der Zeit”.... etc), die eens even het „Denk-Instrument”
-zelf „in unserm Kopfe”, „das geistige Organ, welches dem Menschen von
-Natur im Kopf angewachsen ist” verbeteren zal („Schon der berühmte
-Spinoza hat uns ein leider unvollendetes Werkchen ‚über die
-Verbesserung des Verstandes’ hinterlassen, und es ist nichts Geringeres
-als die Verbesserung dieses Instruments, was wir mit diesen
-‚Streifzügen in das Gebiet der Erkenntnistheorie’ bezwecken.”)! Enfin,
-es muss auch solche Käuze geben. En mocht gij u ergeren aan die
-zwetsende zelfweersprekingen, waarvan zijn werk wemelt, bedenk dan met
-Dr. Pannekoek, dat gij „die dialektische Denkweise”, „die Erkenntnis,
-dass der Widerspruch die wahre Natur aller Dinge ist” nog niet hebt
-bereikt, of neen, laat u liever verzoenen door de aardige, voor
-Dietzgen zo karakteristieke anekdote, die zijn zoon vertelt: „Als ein
-Bekannter ihn an Versprochenes erinnerte, antwortete er: ‚Bitte, mich
-nie beim Worte zu nehmen, sondern nur alles quecksilberig zu
-verstenen.’” of door een waarlik wijs en beminnelik woord van Dietzgen:
-„auch der Bösewicht ist ein guter Kerl und der Gerechte sündigt des
-Tages siebenmal.”
-
-
-
-21: p. 44. De Duitse kennisleer zegt hier gewoonlik „Grund” (ofschoon
-Kant herhaaldelik eenvoudig van „Ursache” spreekt, vgk. opm. 30), ter
-onderscheiding van de ruimtelike, phaenomenale „causaliteit” der
-natuur; terwijl Heymans, zuiverder, (maar in strijd met het als altijd
-uit naiveteit geboren spraakgebruik) spreekt van causaliteit en
-„pseudo-causaliteit”.
-
-Een bezwaar daartegen schijnt mij, dat we dan ook van pseudo-dingen en
-pseudo-substantie en pseudo-realiteit zouden moeten spreken, waardoor
-bestendiging der verwarring van „schijn” en „verschijnsel” te duchten
-valt. Misschien ware dan phaeno- nog beter dan pseudo-.
-
-Zelfs Kant kon bij ’t redigeren van de beruchte 2de druk van zijn
-Kritik der reinen Vernunft niet meer ’t verschil duidelik maken tussen
-de „schijn” (wat niet geobjectiveerd mag worden, omdat het individueel
-is: hallucinatie-inhoud, of verkeerd geobjectiveerd wordt, omdat met
-perspectief, nabeelden enz. geen rekening wordt gehouden, het zg.
-„zinsbedrog”: „die zwei Henkel, die man anfänglich dem Saturn
-beilegte”) en het „verschijnsel” (dat niet getranscendeerd mag worden,
-omdat het objectief is: de roodheid van de roos, die wel aan ’t object
-„roos”, maar niet aan het An-sich der roos, aan de oorzaak der
-roodgewaarwording eigen is). Kant verhaspelt in de noot bij p. 73 o. c.
-deze twee geheel verschillende dingen: de „schijn” der verkeerde, wijl
-realistiese transcendering en de „schijn” der verkeerde, maar
-goed-immanente objectivering. Zolang u deze samenvoeging: „immanente
-objectivering” als een contradictie klinkt, hebt ge ’t Kantisme nog
-onvoldoende begrepen. Dat is juist de tegenstelling van ’t dogmaties
-realisme (b.v. dat van Hartmann) met Kant, dat voor ’t eerste
-objectivering transcendering betekent,—terwijl Kant bewees: heel de
-objectivering der natuurwetenschap—heel de „natuur” is ... immanent.
-Natuurlik gelden deze termen: immanent en transcendent dus niet,—zoals
-Hartmann met het naief realisme ze misvat—, ten opzichte van een
-individu, maar ten opzichte van ’t Bewusstsein überhaupt, de kennende
-subjectiviteit als zodanig.
-
-
-
-22: p. 44. Het realisme zal onder ’t lezen van dit, gelijk van elk
-anti-realisties betoog, reeds voortdurend de gemenelike kanttekening
-hebben gezet: maar ik bedoel met b.v. „die rode bal” volstrekt niet een
-systeem van mogelike gewaarwordingsinhouden, maar juist de
-transcendente oorzaak van mijn en anderer gewaarwordingen, met hun
-bepaalde inhouden. Juist—maar van tweeën één: òf gij bedoelt inderdaad
-deze (transcendente) oorzaak,—maar dan moogt gij haar, als zodanig,
-geen enkele der „zinnelike” eigenschappen toeschrijven [253]: die
-werkelike oorzaak is noch rood noch rond, zelfs niet eens ruimtelik
-enz.—òf gij bedoelt iets roods en ronds, maar dan hebt ge weer een uit
-werkelike en mogelike gewaarwordingsinhouden samengesteld abstractum,
-een product uit, in plaats van een oorzaak van waarnemingsinhouden.
-
-Mach, Beiträge zur Analyse der Empfindungen, p. 20 heeft hier vrijwel
-gelijk: „nicht die Körper erzeugen Empfindungen, sondern
-Empfindungskomplexe bilden Körper”, wel te verstaan: aus
-Empfindungskomplexen bildet der denkende Geist Körper (Tussen haakjes:
-Wat zou Mach moeten antwoorden op de vraag: wat dan wèl de oorzaken der
-gewaarwordingen zijn?).
-
-Gij hebt tot dusver b.v. aethertrillingen als de (van bewustzijn
-onafhankelik bestaande) werkelikheid beschouwd, die „oorzaak” is van
-onze licht- en kleurgewaarwordingen—maar gij zult tans of straks wel
-gaan inzien, dat precies zoals de kleuren een vertolking van de
-werkelikheid in de taal van de kleurzin, evenzo de bewegingen
-(trillingen, heel de „mechaniese” wereld) ook slechts een bewustzijns-
-(waarnemings-)afhankelike zijn ... niet de werkelikheid zelf, maar haar
-vertolking in de taal van ... de bewegingszin (Uitstekend, Riehl, Der
-Philos. Krit. II, p. 27). „Kracht” en „stof” bestaan slechts objectief,
-niet van-bewustzijn-onafhankelik of „an sich”, zelfs niet eens
-onafhankelik van mogelike waarneming.
-
-
-
-23: p. 45. Hier zij er op gewezen, dat ook Kant’s aan Locke c.s.
-ontleende, even veel gesmade als weinig begrepen „innere Sinn” een ...
-goede zin heeft. Want b.v. eens anders gemoedsaandoeningen, angsten,
-begeerten enz. kan ik enkel mij „denken”, „voorstellen”,
-„erwägen”,—maar beleven, „hebben”, ervaren, en in die zin „kennen” kan
-ik alléén eigen bewustzijnstoestanden. Alléén door dat „beleven”,
-„ervaren” (Kant spreekt naar Locke’s voorbeeld van „innerlik
-waarnemen”, „innere Anschauung”) worden deze voor ons tot
-werkelikheden, bepaalde („bestimmte”) realiteiten, nog lang niet door
-ze enkel te „denken”,—de „Anschauung” is onontbeerlik—en dus ook ... de
-„vorm” van alle bewustzijns-belevenissen ... de „tijd”. Iets
-ontijdeliks kan ik zeer goed denken, tot onderwerp van overweging, van
-nadenken, tot subjekt van oordelen maken, „kennen” echter, of zelfs mij
-voorstellen—nooit!—(Vgk. Hoofdst. IV, § 1).
-
-De „innere Sinn” is synoniem met de „empirische Apperception”, „das
-empirische Bewusstsein meiner selbst”, „vermittelst dessen das Gemüth
-sich selbst oder seinen inneren Zustand anschaut”. Zo wordt door Kant
-meteen elk intellektualisme en ontologisme onmogelik gemaakt.—Onze
-innerlike ervaring is niet intellektueel: louter „denken” of „rede” zou
-ons geen enkel gevoel, geen enkele gewaarwording kunnen leveren—en het
-denken moet zelf als psychiese realiteit (dus in de tijd!) „gegeven”
-zijn ... om te bestaan. Vgk. hierover speciaal K. d. r. V. § 22, p. 668
-s.: „Sich einen Gegenstand denken, und einen Gegenstand erkennen, ist
-also nicht einerlei” enz.; p. 675: „Ich, als Intelligenz und denkend
-Subject, erkenne mich selbst als gedachtes Object, sofern ich mir noch
-über das [behalve ’t gedacht zijn] in der Anschauung gegeben bin, nur,
-gleich andern Phänomenen” etc. en vooral § 25, p. 676/7: „So wie zum
-Erkenntnisse” etc.
-
-De polemiek van Palagyi tegen de „innere Sinn” berust uitsluitend op de
-misvatting van „Sinn” ... in de gewone zin van ’t woord. Kant’s „i. S.”
-heeft met een zien van het zien, een „Tasten des Tastens”, kortom, een
-gewaarwording van een gewaarwording niets hoegenaamd uit te staan—en
-even veel met Thomas van Aquino’s lichamelike „sensus communis”—(cf.
-Palagyi, Der Streit der Psychologisten und der Formalisten in der
-modernen Logik, 1902).
-
-Ook Paulsen geeft in „Die Zukunftsaufgaben der Philosophie” nog een
-machteloos-dogmaties verweer tegen Kant’s „inneren Sinn”, waarin hij
-zelfs schrijft: „Es bleibt kein dunkler, undurchdringlicher Gegenstand
-hinter der Szene, von dem wir im Selbstbewusstsein bloss eine
-‚Erscheinung’, eine getrübte oder gefälschte Spiegelung hätten.” De
-kenniskritiek moet weer antwoorden: Kennis, onverschillig of zij ons
-zelf geldt dan wel iets anders, dat „erscheint”, is in ’t geheel geen
-„Spiegelung”, laat staan dus „eine getrübte oder gefälschte
-Spiegelung”! Voor Kant sluit dan ook de „innere Sinn” geenszins uit,
-maar eer juist in, uw psychistiese „Erweiterung des Realismus auf die
-Aussenwelt”, terwijl het tijdeloos An-sich niets hoegenaamd gemeen
-heeft met een „blosser schattenhafter Doppelgänger der Materie” en
-slechts in zoverre een „ens rationis” mag heten, als de ratio, de
-redelike tijdkritiek, tot dit ens moet besluiten.
-
-
-
-24: p. 57. Speciaal bij het ruimteprobleem verwarre men niet de
-kennistheoretiese tegenstelling: empirisme en apriorisme (al naar de
-ruimte ’t zij als a posteriori gegeven kennisinhoud wordt beschouwd ’t
-zij als kennisvorm, geldig a priori ten aanzien van alle mogelike
-desbetreffende inhoud) met de voor ons weinig belangrijke psychologiese
-tegenstelling van (door Helmholtz dus genaamd) nativisme en empirisme
-ten aanzien van bepaalde zinnen, naar gelang men aanneemt, dat deze òf
-krachtens aangeboren eigenschappen oorspronkelik onmiddellik-ruimtelike
-gegevens bieden, òf wel slechts onruimtelike „locaaltekens”, die dus
-slechts middellik, met behulp van „ervaring”, d.w.z. door associatie
-met ruimtelike gegevens, hun ruimtelike betekenis krijgen (Wundt stelt
-tegenover de „nativistiese” de „genetiese” theorieën, onder welke
-laatste dan behalve de hier genoemde empiristiese leer ook zijn eigen
-„praeëmpiristiese” versmeltingstheorie valt, vgk. b.v. zijn Grundriss
-der Psychologie § 10).
-
-Zo zijn naar de kennistheoretiese tegenstelling b.v. Berkeley en Mach
-en alle „positivisten” empirist, Kant en Heymans apriorist, naar de
-psychologiese tegenstelling echter is Berkeley nativist t.a.v. de
-tastzin, empirist t.a.v. de gezichtszin (waaromtrent Hering b.v.
-nativist was), terwijl Helmholtz en Heymans empirist zijn t.a.v. beide,
-maar Heymans nativist t.a.v. de bewegingszin, natuurlik zonder dat aan
-„aangeboren kennis” bij dit „nativisme” mag worden gedacht.
-
-
-
-25: p. 58. Het voor velen zo „moeilike” moduleren b.v. (gelijk het
-begeleiden, harmoniseren van melodieën)—behoeft dan ook niet geleerd te
-worden—een muzikale geest kan het zelf vinden, van ’t begin tot het
-eind—gelijk een mathematies genie—de meetkunde zelf zou kunnen vinden,
-die uit de axioma’s volgt, zonder dat er enige verdere „ervaring” toe
-nodig is, dan die onze eigen voorstelling ons levert. Ook de wetten van
-de logica kan ieder „vinden”—in z’n eigen denken—en ieder denkend
-subject past ze toe—omdat het de zuiver subjectieve, formele
-natuurwetten van het denken zijn; wie niet reeds denken kon, zou ze
-evenmin kunnen leren als begrijpen. En hun slechts subjectief, formeel
-karakter verklaart tevens hun apodikties gelden voor alle „materie”,
-alle denkbare werkelikheid. Ik misken niet dit verschil, dat de
-muzikale wetten geen denk- maar gevoelswetten, wetten van aesthesis,
-van aesthetica zijn, maar het zijn ook weer de natuurwetten van het
-muzikale voelen, dat de een tot in de fijnste ontwikkeling, de ander
-slechts in primitiefste aanleg bezit.—Het is een eigenaardig genot, ook
-hier, als bij de logica, de meetkunde, de mechanica, de gelijkheid, de
-éénheid aller subjekten, dus de dááruit alléén voortkomende
-„algemeen-geldigheid” van de muziekleer te bemerken.—De oudste en de
-nieuwste muziek, de Aziatiese of Afrikaanse evengoed als de Europese,
-kan naar onze zelfde regelen worden ontleed en begrepen. Alle nationale
-muziek, alle zang van volkeren en rassen, is slechts één machtig „thema
-met variaties”: een variantenspel van de éne muziek der
-Mensheid.—Uitnemende bijdragen tot dit weten zijn ten onzent geleverd
-door Prof. Land (over de Arabiese en Javaanse toonstelsels) en door de
-onlangs overleden Rotterdamse muziekkenner A. J. Polak (de
-harmonisering van Turkse en Japanse melodieën).
-
-Maar een kritiese muziekleer, een „Kritik des reinen Musikempfindens”,
-die de „Gesetze und Elemente” van de muziek zou hebben gevonden en
-verklaard—gelijk logica en meetkunde door Kant-Heymans verklaard
-zijn—bestaat nog niet, zover ik weet.—Liebmann spreekt terecht, zij het
-in andere zin, van „ein ästhetisches Apriori, dem logischen Apriori
-völlig parallel, aber viel schwieriger zu entdecken.” (Anal. der W.² p.
-606). Musici zijn slechts bij uitzondering denkers. Zij aanvaarden hun
-eigen kunst in gelovige heteronomie, als ondoorgrondelik, boven begrip
-verheven, en de wijzen hebben in levenloos intellectualisme, met een
-Hegel gedoceerd: „das Unsagbare, Gefühl, Empfindung, ist nicht das
-Vortrefflichste, Wahrste, sondern das Unbedeutendste, Unwahrste.” En
-Hegel heeft gelijk, de muziek is de „subjectiefste” kunst. Maar—zeg ik
-in Kant’s zin—zij zal juist doordat zij een zuiver subjectieve, zuiver
-„formele” kunst is ... het objectiefst van alle blijken.
-
-
-
-26: p. 59. Zo lezen we bij Liebmann, Z. Anal. der W.² p. 589: „nirgends
-tritt.... die sogut wie unbedingte Abhängigkeit des ästhetischen
-Wohlgefallens von rein quantitativen Proportionen entschiedener zu Tage
-als in der Musik.” en in dezelfde geest p. 623: „sie wirkt durch den
-vibrirenden Sinnesnerven” etc..... „Jenes erregbare Etwas [waardoor die
-rhythmischen Erzitterungen ons niet koud laten] steckt noch hinter der
-specifischen Energie des Gehörsinns, welche den Schwingungsprocess in
-die Tonqualität übersetzt” (!) en evenzo p. 625: „Unser Ohr mit der in
-seiner innersten Tiefe verborgenen, zarten Nervenclaviatur und seinen
-specifischen Energieen verwandelt [sic] die Lufterschütterungen in ein
-Neues, Qualitatives.... in Töne.”! [254]
-
-Tot m’n verwondering begaat Theodor Lipps, Aesthetik (Kult. d. Gegenw.
-1, VI: p. 354/5) nog deze fout op materialistiese basis, trots z’n
-„absoluter Idealismus” die b.v. in zijn lezenswaard „Naturwissenschaft
-und Weltanschauung” stellig de allures aanneemt van een monisties
-psychisme, al blijkt reeds hier onklaarheid omtrent de
-kennistheoretiese betekenis van het natuurwetenschappelik „Ersetzen
-aller spezifisch sinnlichen Qualitäten, der Farbe, des Tons, des
-Geruches, des Geschmackes, u.s.w. durch blosse raumzeitliche und
-Zahlbestimmungen” ..: dit laatste heet een „geistige” tegenover „jene
-sinnliche Erscheinungsweise” ..; tot de ruimtelike, zinnelike wereld
-der natuurwetenschap zou „obzwar in eigentümlich indirekter Weise” ook
-het bewustzijn behoren (als prius voorwaar in „eigentümlicher” Weise!)
-en wel zodanig, dat (p. 33) „da und dort in der objectiv wirklichen
-Welt, oder dass an dieser und jener Stelle der Aussenwelt Bewusstsein
-vorkomme”, [255] terwijl van juist inzicht weer getuigt p. 39: „Aller
-Glaube an die Materie ist in sich selbst dualistisch. Neben der Materie
-bleibt für ihn jederzeit als ein damit Unvergleichbares, weil keinen
-Raumbegriffen zugänglich, der Geist. Materialistischer Monismus ist ein
-Widerspruch in sich selbst. Nur wenn auch das als Materie betrachtete
-[?] an sich Geist ist, schwindet der Dualismus.” (in dezelfde geest
-Naturphilosophie² p. 178).
-
-Hoe verbaasd moet men nu zijn, in z’n Aesthetik een materialistiese
-„verklaring” van de consonantie te vinden, waarbij de tonen gedacht
-worden als een soort „beeld” of te wel verkeerde waarneming ... neen
-niet van physiese trillingen, maar van zekere hypothetiese psychiese
-„Erregungen oder Bewegungen” die weer op hun beurt veroorzaakt zijn door
-physiese trillingen!
-
-P. 353: „Zunächst konstatieren [?] wir: jeder einzelne Ton schliesst
-einen bestimmten Rhythmus in sich. Genauer gesagt: die seelische
-Erregung oder Bewegung, die in uns sich vollzieht, wenn wir einen
-einzelnen Ton hören, muss gedacht werden als eine rhythmische Erregung
-oder Bewegung. Es muss angenommen werden, dass sie einen Rhythmus in
-sich trage, der dem Rhythmus derjenigen regelmässigen Folge der
-physikalischen Schwingungen entspricht oder irgendwie analog ist, aus
-der die fragliche seelische Erregung sich ergibt.”
-
-„Sind nun Töne konsonant, so sind jene physikalischen Schwingungsfolgen
-rhythmisch verwandt. D.h. sie haben einen Grundrhythmus gemein, und
-sind einfache Differenzierungen dieses Grundrhythmus. Und entsprechend
-und im gleichen Sinne müssen nun auch die Empfindungen konsonanter
-Töne, d.h. die seelischen Erregungen oder Erregungszustände, die uns in
-den akustischen Bildern der Töne zum Bewusstsein kommen oder ihnen
-zugrunde liegen, als rhythmisch verwandt gedacht werden. Eben diese
-rhythmische Verwandtschaft macht das Wesen der Konsonanz aus.”
-
-De gewaarwording is hier dus subjectief „beeld” of verkeerde waarneming
-niet van materiebeweging, maar van zieletrillingen, die weer op hun
-beurt door physiese trillingen... veroorzaakt zijn. Dus een indirekt,
-metapsychies getrapt materialisme.
-
-Op deze voos-metaphysiese grondslag wordt nu een overeenkomstige
-tonen-aesthetica gebouwd:
-
-„Dazu ist aber gleich hinzufügen: Die Differenzierung nach dem Prinzip
-der Zweizahl oder der Potenzen der Zweizahl, ist die einfachste
-Differenzierung. Aus diesem Grunde bezeichnet ein Ton, der sich zu
-einem andern verhält wie eine Potenz von zwei zu drei, fünf, sieben
-etc., in Vergleich mit diesen letzteren einen Ziel- oder Ruhepunkt. So
-ist ein beliebiger Ton für seine Quinte, in minderem Grade für seine
-grosse Terz, und in noch minderem für seine grosse Sekunde oder
-Septime, Ziel- oder Ruhepunkt. Dies besagt zugleich jedesmal, dass die
-letzteren Töne in höherem oder geringerem Grade auf jenen Ton, ihren
-‚Grundton’ hinweisen oder hindrängen. Bei den zuletzt genannten Tönen
-tritt zu diesem Hinweis die Nachbarschaft zum Grundton ergänzend hinzu
-und gibt ihnen den Charakter von ‚Leittönen’ nach dem Grundton hin.”
-
-Welk een warboel! Experimenteel te weerleggen als volgt: neem een kring
-of rij van slingers van verschillende lengten, die met analoge
-snelheden slingeren: 1 : 2 : 3 : 4 : 5 : 6 : 7 : 20 etc. ’k Ben
-benieuwd, hoeveel gij nu merken zult van een „Ziel- oder Ruhepunkt”...
-van enig „hinweisen oder hindrängen” (van 3 n naar 4 n trillingen!)...
-van die „Nachbarschaft” (van 15 n en 16 n of 10 n en 9 n, 9 n en 8 n!),
-die ’t karakter geeft van „Leittönen”!—Vergeet daarbij niet de uiterst
-gecompliceerde verhoudingen bij zeer geringe ontstemming, terwijl de
-tonen wel nooit absoluut zuiver zijn, en bovendien nog „getempereerd”
-worden!
-
-Maar zelfs daarvan afgezien—haal eens één van uw muzikale waarheden...
-uit de slingergetallen! B.v. „Die Quint hat unmittelbar die Tonika zum
-Zielton, weist also unmittelbar auf diese als ihren Zielpunkt hin [...
-3n : 4 n!]. Die Quart dagegen stellt sich der Tonika selbständig
-gegenüber [... 2 n : 3 n dagegen!], ja sie beansprucht ihrerseits
-Zielpunkt der Tonika und damit aller Töne der Leiter zu sein.” (p.
-354/5).
-
-De hegeliaanse vertaling van deze dogmatiese, materierealistiese fout
-van Lipps, tans dus gepotentieerd in „oneindige” macht, is te vinden in
-een bij „Die Natur der Harmonik und Metrik” van Hauptmann zich
-aansluitend opstel van Mej. E. Vas Nunes, Tijdschr. v. Wijsb., Maart
-1909. Alleen zal een wetenschappelik man als Lipps zich wel hoeden voor
-physiologies gekwakzalver van het volgend allooi:
-
-„... in elken toon, ja in elke trilling, waarvan een hooge toon vele
-duizenden per seconde volbrengt, die even zoovele herhalingen van
-denzelfden toon zijn [sic]. Dien toon nu doet het geluidgevende lichaam
-hooren niet wanneer zijn deelen in den evenwichtstoestand zijn—het
-lichaam als zoodanig is slechts mogelijkheid, potentialiteit van zijn
-geluid: zakelijkheid die hare onzakelijkheid, realiteit die hare
-idealiteit te openbaren hééft [n.b. het zakelike als realiteit,
-tegenover het geluid als haar ideële openbaring!]—en evenmin etc....:
-Wat wij als toon gewaarworden, is [!] het overgaan van den eenen
-toestand in den anderen, het worden van het zijn en het niet-zijn.” (p.
-104 l. c).
-
-Wie Berkeley’s ironie, noot 2) p. 26, gesavoureerd heeft, zal ook de
-soortgelijke, maar ditmaal onbewuste, ironie genieten van dat „ziet” in
-het volgende zinnetje:
-
-„De qualitatief verschillende verhoudingen tusschen den grondtoon en
-zijne drie intervallen ziet Hauptmann reeds schuilen in de verhoudingen
-der trillende quanta.”
-
-Wes Geistes Kind hier aan het woord is hoeft men niet te vragen. Het
-„Tijdschrift voor Wijsbegeerte” druipt van dusdanig
-leerling-bollandisme.—Quousque tandem?—(Inmiddels ten goede gekeerd!)
-
-
-
-27: p. 62. De onlangs (1908) jong overleden uiterst scherpzinnige
-denker en geleerde Ludwig Busse, schrijver van het dualistiese
-standaardwerk: „Geist und Körper, Seele und Leib”, 1903, dat zijn
-monistiese, kenniskritiese tegenhanger heeft gevonden in Rudolph
-Eisler’s voortreffelik „Leib und Seele” 1906, meent tegen Kant „dass
-wenn wir die Dinge ihrer Form nach a priori bestimmen und deshalb a
-priori sie erkennen, dann auch die bestimmte räumlich-zeitliche
-Anordnung der Dinge und die bestimmten einzelnen Kausalbeziehungen von
-uns gänzlich a priori müssten erkannt werden können.” Hoe is ’t
-mogelik, zùlk verregaand misverstand. „Kant hat aber die erstere ausser
-Betracht gelassen [spreekt van zelf] und von den letzteren, den
-empirischen Naturgesetzen, sogar ausdrücklich erklärt [ten
-overvloede!], dass wir sie nur durch Erfahrung kennen lernten. Damit
-behält Hume in der Hauptsache recht; alle Anwendung des
-Kausalitätsprinzips hängt von der Erfahrung ab.” (cf. Busse,
-Philosophie u. Erkenntnistheorie, 1899, p. 182–211) „Die
-Weltanschauungen der grossen Philosophen der Neuzeit”, p. 105.
-
-Aldus Busse in gelijke geest als Paulsen. Wat moet men toch voor
-denkbeeld van Kant hebben, om hem, tegenover Hume, zulk soort
-denkbeelden toe te dichten! Ook Herbart, Allg. Metaph. II, § 320 (S. W.
-VIII, p. 224) schreef reeds: „Nach ihm [dem Kantischen Idealismus]
-sollen zwar die Empfindungen von aussen kommen; auch müssen sie sich
-selbst die Formen ihrer Verbindungen gleichsam auswählen; denn in Kants
-Lehre liegt, wie wir oft erinnert haben, kein Grund für die bestimmten
-Gestalten in welchen das Empfundene zusammentritt”!
-
-
-
-28: p. 62. Elke „clairvoyante” overwinning der objectieve afstanden en
-tijdverschillen wordt dus door Kant’s leer van tijd en ruimte weerlegd
-in plaats van mogelik gemaakt, gelijk spiritisten en consorten de goede
-menigte herhaaldelik pogen wijs te maken. Vgk. Opm. 32.
-
-Slechts kwakzalverij (al heeft een denker als Schopenhauer er zijn naam
-aan verbonden, dank zij z’n leer van het „principium individuationis”)
-wil veraf tot nabij of toekomst (en verleden?) tot heden maken, terwijl
-immers in het onruimtelike (geest b.v.) beide leden van de ruimtelike
-tegenstelling gelijkelik zijn opgeheven, zoals in het tijdeloze toekomst
-en verleden evenmin tot een „heden” „samenvallen” als het heden er
-„uitéénvalt” of enig „heden” er denkbaar, laat staan kenbaar, blijft.
-
-Ook de Heer F. van Eeden (helaas dezelfde als de wijze, fijnzinnige
-poëet van „De kleine Johannes”), die zich in „De Blijde Wereld” (1903)
-verbeeldt, dat hij op zijn vijftiende jaar... materialist was („onder
-invloed van geschriften van Strausz, Heine en Multatuli—volbloed
-vrijdenker, atheïst en materialist” p. 61) en zich sinds „het
-materialisme lang ontgroeid” waant (p. 65), maar wiens
-materie-realisties dilemma: „Doode materie—of een liefhebbend Al-vader”
-(p. 68, à la James’ tegenstelling Materialism—Theism), gepaard aan zijn
-Lockiaans-materialistiese waarnemingsleer (p. 79, of in zijn andere
-werken, de „Studies” b.v., passim: de gewaarwording als „gebrekkige
-afspiegeling” van iets werkeliks en de natuur, de ruimtewereld als
-„vooronderstelde oorzaak onzer gewaarwordingen”!) in zijn betoog „Over
-de hoovaardij der materialisten” afdoende bewijst, dat hij ’t nimmer
-tot zuiver materialisme heeft gebracht en wel nooit zal brengen ook,
-deze wondergelovende dogmaticus misbruikt en misduidt „het
-betrekkelijke van tijd en ruimte”, vereenzelvigd met Kant’s tijd- en
-ruimtekritiek („wie Kant heeft gelezen weet dat ruimte en tijd
-betrekkelijk zijn” p. 88) in deze redeschennende zin (pp. 86/7): „Te
-denken, dat het verschil tusschen hier en ginder, tusschen gisteren en
-morgen zou kunnen worden opgeheven” brengt hem tot wat „in ons begrip
-onlogisch, ongerijmd, absurd” is: „Voor de ondenkbaarheid van deze
-gevolgtrekking verdwijnt het hoovaardig betrouwen op onze rede. Wij
-kunnen niet meer zeggen, dat iets niet bestaan kan omdat het ons
-ongerijmd en onlogisch lijkt. Want het allerongerijmdste, dat
-‚gisteren’ gelijk ‚morgen’ zou zijn, moeten wij aannemen als
-bestaanbaar.” Wij?! Voor „ons” blijft, als voor Kant, de rede de
-„oberste Gerichtshof aller Rechte und Ansprüche unserer Speculation.”
-Wij handhaven Kant’s even anti-skepties als krities „rationalisme”:
-„Nehmt an, was euch nach sorgfältiger und aufrichtiger Prüfung am
-glaubwürdigsten scheint, es mögen nun Fakta, es mögen Vernunftgründe
-sein; nur streitet der Vernunft nicht das, was sie zum höchsten Gut auf
-Erden macht, nämlich das Vorrecht ab, der letzte Probierstein der
-Wahrheit zu sein. Widrigenfalls werdet ihr, dieser Freiheit unwürdig,
-sie auch sicherlich einbüssen.”
-
-
-
-29: p. 69. Deze verhouding tussen phaenomeen of object en gewaarwording
-wordt zeer goed uiteengezet door H. Cornelius in z’n „Einleitung in die
-Philosophie” § 28, maar met deze, beginners totaal van de wijs
-brengende, terminologiese enormiteit, dat de gewaarwordingen heten...
-Erscheinungen, Φαινόμενα (p. 263) en de phaenomena... νοούμενα! Ergo:
-„die Erscheinungen sind die einzelnen Fälle der in dem νοούμενον
-gegebenen, allgemeinen Regel.” Natuurlik is zulk een terminologie niet
-toeval maar precies als bij v. Hartmann en ten onzent b.v. bij Dr. A.
-Kuyper (Enc. p. 80) gevolg van Naturalisme, dat enkel objecten kent en
-deze ten slotte weer tot Dinge an sich maakt. Trots bovengenoemd
-immanent inzicht worden later weer zuiver dogmaties-naturalisties de
-objecten (samen met het zenuwstelsel, natuurlik!) oorzaak der
-gewaarwordingen! p. 308: „die Dinge zusammen mit den entsprechenden
-Teilen unseres Nervenapparates ‚bewirken’ [elders „bedingen”] jene
-Empfindungen.”
-
-Het psychiese, de waarneming, wordt weer „Erscheinung” van ’t
-Ding-an-sich materie i.p.v. omgekeerd: „Unsere Sinnesapparate sind die
-Dinge, durch welche alle Erscheinungen [bedoeld: Wahrnehmungen] der
-betreffenden Sinnesgebiete mitbedingt sind... Daher sprechen wir
-nirgends davon, dass wir in einer dieser Erscheinungen [dito] den
-betreffenden Sinnesapparat wahrnehmen, obgleich wir thatsächlich in
-jeder Wahrnehmung, die wir einem unserer Sinnesorgane verdanken,
-zugleich eine Erscheinungsweise dieses Organes selbst vor uns haben.”
-
-Zo wordt immers ook bij Sollier en Boltzmann en heel het materialisme
-de geest miskende onbewuste waarneming van hersenbeweging en bij
-Cornelius „liegt” (p. 318 en passim) het physiese aan het psychiese „zu
-Grunde” i.p.v. omgekeerd.
-
-De overgang van laatstgenoemd juist inzicht tot laatstgeciteerd
-dogmatisme is op heterdaad te betrappen in dit zinnetje, p. 310:
-
-„weil wir die sinnlichen Wahrnehmungen den Begriffen physischer
-Zusammenhänge einordnen, erscheinen rückwärts jene Wahrnehmungen durch
-diese physischen Thatsachen bedingt.”: omdat de gewaarwordingen het
-prius zijn der objecten, daarom zijn omgekeerd de objecten het prius
-der gewaarwordingen!!
-
-
-
-30: p. 73. Uitdrukkelik op tal van plaatsen, i.p.v. het tevens
-tijd-kritiese „Grund”: voorbeelden uit K. d. r. V.:
-
-P. 315: „Nun kann man zwar einräumen: dass von unseren äusseren
-Anschauungen etwas, was im transscendentalen Verstande ausser uns sein
-mag, die Ursache sei, aber dieses ist nicht der Gegenstand, den wir
-unter den Vorstellungen der Materie und körperlicher Dinge verstehen;
-denn diese sind lediglich Erscheinungen”...
-
-P. 325/6: „dass nicht die Körper Gegenstände an sich sind, die uns
-gegenwärtig sind, sondern eine blosse Erscheinung wer weiss, welches
-unbekannten Gegenstandes, dass die Bewegung nicht die Wirkung dieser
-unbekannten Ursache, sondern bloss die Erscheinung ihres Einflusses auf
-unsere Sinne sei”...
-
-... „indem wir die Erscheinungen einer unbekannten Ursache für die
-Ursache ausser uns nehmen, welches nichts als Verwirrung veranlassen
-kann.”
-
-P. 328: „Da nun Niemand mit Grund vorgeben kann, etwas von der
-transscendentalen Ursache unserer Vorstellungen äusserer Sinne zu
-kennen”...
-
-P. 329: „dass der unbekannte Gegenstand unserer Sinnlichkeit nicht die
-Ursache der Vorstellungen in uns sein könne, welches aber vorzugeben
-ihn nicht das mindeste berechtigt”...
-
-P. 330: „... die äussern Erscheinungen einem transscendentalen
-Gegenstande zuschreibt, welcher die Ursache dieser Art Vorstellungen
-ist”...
-
-P. 331: „... von der absoluten und inneren Ursache äusserer und
-körperlicher Erscheinungen”.
-
-Dit alles, wel te verstaan, uit de 1ste, „idealistiese” druk.
-
-Uit de 2de druk b.v. p. 251:
-
-„... Erscheinungen aufzufinden, deren nichtsinnliche Ursache wir doch
-gern erforschen wollten.”
-
-
-
-31: p. 77. Onze zuivere onderscheiding, enerzijds der phaenomena zowel
-van individuele bewustzijnsinhouden als van de transobjectieve
-werkelikheid, en anderzijds der verhouding tussen oorzaak en gevolg van
-die tussen Reale („Grund”) en Phaenomeen, gelijk wij een en ander tans
-hebben toegelicht, weerlegt dus Schuppe c.s. ten deze, b.v. § 20 van
-zijn „Grundriss der Erkenntnistheorie und Logik”² 1910, waar wij o.a.
-lezen: „so geraten diese Erscheinungen in eine Mittelstellung zwischen
-innerseelischem Gebilde und ausserseelischer Wirklichkeit, welche jedes
-Begriffes spottet...” (juist ware slechts „meines” i. pl. v. „jedes”!).
-Schuppe acht alsdan „absolut nicht zu ersehen”—wat wij tans hebben
-ingezien—„welchen Sinn das ‚Erscheinen und Zugrundeliegen’ haben kann,
-wenn nicht den einfachen der Verursachung. Aber wer letzteres meint,
-wird jene Ausdrücke, welche noch mehr und anderes zu sagen scheinen,
-nicht brauchen.” Omgekeerd zal, wie die andere, kennistheoretiese,
-verhouding bedoelt, goed doen, de speciale termen daarvoor te
-handhaven.
-
-
-
-32: p. 79. Wie het Spiritisme begrijpt als schimmel woekerend op de
-bodem van het ruimterealisme (’t zij bij de dualistiese massa, ’t zij
-bij de materialistiese enkelingen), wie zich bij ongeluk af heeft
-moeten geven met de boeken van een Allan Kardec, een Dr. du Prel of
-hedendaagse Amerikaanse of Nederlandse spiritistengeschriften, wie
-ziet, hoe deze „wetenschap” zich werpt, niet alleen op de gemoedsrust
-van gelovige stumpers, maar ook, als een geestelike hyena, op de
-weerloze nagedachtenis van grote doden (door b.v. Darwin’s of
-Ingersoll’s „geest” als een bigot „zondaar” zijn anti-bijbelse
-„dwalingen” te laten „herroepen” en derg.), die zal er de kritiek te
-dankbaarder voor zijn, dat zij alle „geesten”-in-de-ruimte,
-onverschillig of ze zich zelf dan wel tafels of pennen bewegen, alle
-tele-pathie, ziels-verhuizing, psycho-grafie etc. etc. als zodanig
-heeft opgeheven... tot de sfeer van vierkante cirkels of houten ijzer.
-
-Natuurlik loochent de kritiek geen enkel „feit”—al behoudt zij zich het
-recht voor, uitsluitend gewaarwording als feit te erkennen, waaromtrent
-een betrouwbaar mens dus vertrouwen verdient, en waarneming reeds als
-hypothese te keuren. Het niet-meer-feitelike begint dus reeds bij de
-objectivering van de gewaarwordingsinhoud (vgk. II § 3) en niet pas bij
-de vraag naar de oorzaak der gewaarwordingen. Is ten aanzien dier
-objectivering eenmaal wetenschappelik-voldoende zekerheid (waarover
-straks nader) bereikt, is b.v. de aanwezigheid van een lichaam, een
-bepaalde objectieve beweging(swijziging) geconstateerd, dan staan twee
-dingen kennistheoreties en natuurwetenschappelik vast:
-
-1o. Er moet voor die aanwezigheid, die beweging(swijziging) een
-objectieve, ruimtelike oorzaak zijn, die er volkomen rekenschap van
-geeft. Het nauwkeurig berekenen en bepalen zowel van dat lichaam zelf
-(en welk physicus of chemicus zou zich daarbij laten afschepen met
-een... camera obscura?) als van deze physiese, ’t zij bekende dan wel
-onbekende, „kracht”, is dus het eerste (en voorlopig enige)
-interessante, derhalve juist wat het spiritisme bij voorkeur
-verwaarloost.
-
-2o. Dat physieke lichaam of krachtenstelsel moet zijn niet-zinnelik,
-transphysies (waarschijnlik geestelik) reale hebben, zo goed als elk
-ander „phaenomeen”.
-
-De „spiritistiese” rest is waan: Elke realistiese „geesten-hypothese”,
-met iets geesteliks in de ruimte, iets psychies als bewegingsoorzaak,
-met haar tweeërlei substantie-dogma: een niet-bestaande materialistiese
-„stof” en een niet-bestaande spiritualistiese „ziel”, gelijk elke
-dualistiese „stofbezieling” (’t zij het barbaars animisme ’t zij het
-gecultiveerd hylozoïsme) en a fortiori elke geestwording van stof of
-stofwording van geest, is een exakt te weerleggen, met kennisleer (de
-onruimtelikheid van het geestelike, de idealiteit van de ruimte, de
-immanentie der objecten) en de kennistheoreties gefundeerde
-onschendbaarheid van natuurwetenschappelike beginselen (de gesloten
-natuurcausaliteit, het behoud van arbeidsvermogen) strijdige dogmatiese
-bijgelovigheid („der Tod aller Naturphilosophie”), zo goed als die
-ruimtelik-werkende, ergens zich bevindende engelen en demonen zelf,
-voor wier erkenning theologen als Dr. A. Kuyper tegenover „de
-kortzichtige pretentie der exacte wetenschap” heil verwachten van de
-„spiritistische verschijnselen” („De geestenwereld, waarmee men in
-rapport komt, ontsluit vanzelf den weg, om te gelooven aan het bestaan
-van eene geestelijke wereld”...! p. 202, Pro Rege, 1911), gelijk andere
-bekende theologen een (en wat voor een!) „onsterfelijkheid der ziel”
-daardoor „feitelijk bewezen” hopen te krijgen. Tekenende
-kultuurresultaten van Bijbelgeloof. Men vergeet het tegenwoordig maar
-al te zeer: elk orthodox protestant of jood, elk Grieks- of
-Rooms-katholiek moet nu eenmaal aan de zgn. „middeleeuwse”
-spookwereld—duivels, engelen, heksen, tovenaars, dodenvragers,
-bezweringen en geestverschijningen, mirakelen in soorten, guichelarij
-en waarzeggerij en hoe al die „gruwelen” verder mogen heten—blijven
-geloven. [256] Dit alles is evenzeer geloof van de „verlichte”,
-„wetenschappelike”, „wijsgerige” twintigste eeuw, als geloof van het
-jaar nul. Het spiritisme heeft niets „moderns”, dan z’n terminologie,
-en de futloze weeë banaliteit van zijn „geesten” en derzelver
-melodramatiese „openbaringen” (in de eigen woorden van de wel
-deskundigste spiritist Aksakow: „die Abgeschmacktheit der
-Kommunikationen, die Armut ihres intellektuellen Inhalts, selbst wenn
-es keine Gemeinplätze sind, der ersichtlich mystifizierende und
-lügenhafte Charakter des grössten Teils der Manifestationen.”). Habeant
-sibi!
-
-Maar wat ten slotte die objectivering van de gewaarwordingsfeiten tot
-waarnemingen betreft, welke eisen van wetenschappelik-voldoende
-zekerheid daaromtrent zijn te stellen, kan alleen hij beseffen, die de
-psychologie van het mono-ideïsme, van de bewustzijnsvernauwing, heeft
-bestudeerd, speciaal wie, als schrijver dezes, door eigen experimenten
-de hypnose kent met haar huiveringwekkende macht van te suggereren
-hallucinaties, illusies en geheugenafwijkingen, experimenten, die hem
-hebben geleerd, hoe weinig er onder bepaalde omstandigheden toe nodig
-is (veel minder, dan de meeste „séances” bieden), om die algehele
-desoriëntering te bereiken ten aanzien van waarneming, fantasie en
-herinnering, die van een normaal nuchter denkend mens, en in een
-minimum van tijd, een kritiekloos, redeloos droomwandelaar maakt of
-naar believen ook een ontoerekenbaar kind (niet alleen met kindergeest,
-maar zelfs met echt kinderschrift!). Zo is dus de kennis der hypnose,
-hoe vaak ook verkwakzalverd tot „wilsoverdracht”, „gedachtentransport”
-en dergelijke toneel- en romanstoffering, juist van datzelfde
-spiritisme, waarmee lekenwaan en spiritistenbelang haar in één adem
-pleegt te noemen en te vermaagschappen of te verhaspelen, het tegengif
-bij uitnemendheid.
-
-Ten slotte zij hier nog opgemerkt: Op dezelfde dogmaties-realistiese
-bodem als het spiritisme, tiert het onkruid van bijgeloof en
-zelfbedrog, dat als „Ancient Wisdom”, „Secret Doctrine” en wat dies
-meer zij, met zijn zoete geuren van wijsheid en vroomheid de lucht
-onzer huidige „beschaving” helpt verontreinigen.
-
-Naschrift:
-
-Daar juist (zomer 1911) heeft de spiritistiese „Levensleer” van de Heer
-Grotegast, besproken in de noot bij bl. 45, een broertje gekregen: „Het
-Nieuwe Leven” van de Heer C. Meyer, dat zichzelf aankondigt als „een
-monistische, op het modern wetenschappelijk en wijsgeerig inzicht
-gebaseerde wereld- en levensbeschouwing.”
-
-Het zou mij niets verwonderen, als deze smakelik en stijlvol opgediste
-„zeitgemässe” compote van materialisties en spiritisties dualisme,
-pantheïsme, Dietzgen-hegelisme en mysticisme door hedendaags publiek
-gretig geslikt werd.
-
-Dies zij altans te dezer plaatse nog even gewaarschuwd tegen de
-du-Prelse spiritistenzwendel, die ook hier weer gedreven wordt met
-Kant’s leer van tijd en ruimte, tans door iemand, die, geen letter van
-Kant kennend, dan via du Prel (mijn „clairvoyance” ziet zelfs het
-boekje, waaruit de heer Meyer zijn Kant-lesje en het Kant-citaat, p.
-30, heeft gehaald—benevens zijn hele „monisme” met de schone trits
-„stof—geest—ziel”, zijn „Duitsch verhaaltje” enz. enz.), maar
-gewoonweg, mir nichts dir nichts, doceert, dat tijd en ruimte „immers”
-„slechts de vormen van onze aanschouwing” zijn (gelijk hij zelfs van de
-causaliteit als „denkvorm” gewaagt!), om „den onsterfelijken mensch het
-buiten-tijdelijk wezen: wezen buiten tijd en ruimte” te noemen (p. 28)....
-en die dan zich ontpopt als een wasecht-dogmaties ruimte- en
-materie-realist!
-
-Ziehier enkele specimina:
-
-a) Volgens p. 108 „is de ruimte te verklaren uit den tijd” (de ene
-„aanschouwingsvorm” uit de andere?) en p. 113 vertelt dan „tijd en
-ruimte zijn ontstaan” (zou ons deze weter niet misschien meteen even
-kunnen vertellen, wanneer de tijd ontstaan is?) en op p. 148 is God...
-„tijd en ruimte scheppend.”
-
-b) Ik heb te veel eerbied voor het materialisme om dit boek, met zijn
-infra-materialistiese dualismen, „materialisties” te noemen, evenwel
-bevat het een materialisme van het allernaiefste vóórwetenschappelik
-allooi, met zichtbare gedachten, gedachten, die „reëel” blijken.... wijl
-zichtbaar (p. 34: „ook onze minder heldere, met minder levenskracht
-geladene gedachten zijn blijkbaar iets reëels, zichtbaar voor het in
-slaap gebracht sujet”); ja, zelfs heet de gedachte „een ding, een ijler
-stoffelijkheid” (p. 71: „De gedachte is een ding, een ijler
-stoffelijkheid. In bepaalde omstandigheden, bij zg. ‚verschijningen’,
-voor een gehypnotiseerde, wordt ze zichtbaar. Aldus, naar ’t schijnt,
-heeft ze een vorm, een lichaam, een op haar eigen gebied objectief en
-reëel bestaan.”). Natuurlik kan nu zo’n ijl stoffelik ding als de
-gedachte zich ook met gemak door de ruimte bewegen, waarin het als stof
-zich eenmaal bevindt (p. 69: „de gedachte plant zich voort [door de
-ruimte!].... de denker kan haar richten [?], uitzenden naar een doel.”
-en p. 71: „Geen afstand is er voor zulk een snellen dienaar, die den
-weg vindt tot zijn [?] doel, wáár op de wijde wereld ook hij zich
-bevinde, aan wien zijn boodschap is gericht.” Wel een gelukkig bezit,
-zo’n knappe reiziger, voor een patroon, die hem immers moet „richten”,
-„uitzenden”.... zonder zelf de weg tot of de plaats van het „doel” te
-weten!).
-
-c) Nu enige proeven van het waardig dualisties complement dezer
-materialistiese „eenzijdigheid” (p. V): iemand als de Heer Meyer denkt
-zich onze geestelike vermogens normaliter, zo al niet stoffelik, dan
-toch zeker van de stof afhankelik, aan het lichaam gekluisterd, door de
-„zware” stof „beperkt”, maar „Bij het kunstmatig verleggen van den
-bewustzijnsdrempel, bv. bij gehypnotiseerden in somnabulistischen
-toestand, verschijnen van onze physieke organisatie onafhankelijke
-vermogens.” (p. 33; een zinnetje dus, waaruit normaal materialisme met
-abnormaal dualisme verbonden blijkt). „Het sujet slaapt, maar er is
-iets in hem, dat zonder oogen zien kan, waarneemt op verren afstand
-soms [heerlike leer van ruimtelike waarneming!] en tijding brengt van
-daar.”.... Ergo „Blijkt uit dit helderzien en zien in de verte, dat dit
-onbewuste wezen onafhankelijk van ons lichaam is....” Dualisties
-spreekt het voorts van zelf, niet waar, dat „onze [reële!] hersenen
-slechts het instrument zijn, waardoor de denker in ons denkt.” (p. 85).
-
-Hebben we nu nog geciteerd, hoe in het opstel over Onsterfelijkheid het
-oude (vooral weer door Fechner en Bruno Wille gelanceerde) beeld van de
-rups, die „sterft” in de pop, om te „herleven” in de kapel, [257] deze
-nieuwe dualistiese duiding krijgt: „De pop brak, het aardsch bewustzijn
-is vergaan, een andere wereld opent zich. Hier is de ziel in een ander
-lijf gekleed. Een andere aanschouwing [!] is dit leven, een andere [!]
-tijd-ruimtelijkheid [!]. Een andere stoffelijkheid, nieuwe
-beperking....”! en hoe daarbij wordt opgemerkt: „Een—naar onzen
-maatstaf—oneindig [!] langer leven, een, zij ’t ook ander, lichter [!]
-sterven, ware in overeenstemming met een ijler [!] stoffelijkheid, een
-mindere beperking [!] van het leven.”, dan nemen we voorgoed afscheid
-van dit „Nieuwe Leven”.... R. I. P. [258].
-
-
-
-33: p. 80. Hoe kan een ruimterealist ooit uit de zielsverlegenheid
-komen, waarin die vragen als: „waar bevinden zich mijn gedachten, mijn
-gewaarwordingen, waar ben ik zelf, waar is mijn wil, mijn overtuiging?”
-enz. hem brengen? Het inzicht, dat dit alles nergens is, nergens kan
-zijn, verbijstert hem. Moet, wat is, niet èrgens zijn, in de éne
-werkelike ruimte? Hoe zou het daarbuiten kunnen vallen? Een elders is
-er zéker niet. Een „ziel” die niet „hier” en niet „elders” is? wel, van
-Binet’s bedenking „mon âme, si j’en ai une,” tot de loochening sans
-phrase, is maar één schrede. Als de ruimtewereld de wereld is, dan
-bestaat niet, wat daar niet bestaat.—Voeg daar nog bij de overweging
-dat alle gebeuren ruimtelik dus eigenlik „beweging” is, met het (ook
-voor ons onaantastbaar) beginsel der gesloten natuurcausaliteit,—dus de
-principiële uitschakeling van het psychiese als bewegingsoorzaak—en ge
-hebt het materialisties, mechanisties fatalisme, dat dan weer voor het
-onoplosbaar raadsel komt te staan van een evolutieproduct zonder enig
-(nuttig) effekt, van een „epiphaenomeen”, gelijk het bewustzijnsleven
-dan zoude zijn, zonder recht of reden van bestaan! Een impasse (Riehl’s
-„physiologische Antinomie”) waaruit alléén de kenniskritiek, maar deze
-ook geheel en voorgoed, u weer verlost. Een eerste schrede op deze weg
-is reeds het inzicht in die physiologiese overtolligheid, irrelevantie,
-van het bewustzijn, b.v. bij Prof. Winkler, wiens glimlach, of
-grimlach, ik meen te zien, wanneer Mr. Levy hem voorhoudt, hoe Prof.
-Ziehen zijn vraag naar het nut van het bewustzijn „volledig
-beantwoordt”! De meeste psycho-physiese materialisten (= realistiese
-parallelisten) zien niet eens de naief-dualistiese zelfweerspreking,
-wanneer zij aan bewustzijnsfaktoren als zodanig, aan gewaarwordingen,
-begeerten en overwegingen selectoriese waarde, nuttigheid toekennen...
-als regulatoren van... bewegingen, van daden! Zo b.v. Prof. Ziehen in
-zijn Leitfaden der physiologischen Psychologie7 p. 16 jo. p. 36 (121,
-123, 170 en passim). Zo Dr. Wijnaendts Francken, Psychologische
-Omtrekken, p. 34–35 jo. p. 91; pp. 105 ss. jis. pp. 108 ss. Zo K.
-Kautsky in zijn Ethik und materialistische Geschichtsauffassung, IV :
-2: Eigenbewegung und Erkenntnisvermögen. Kostelik zijn deze bladzijden
-vol dualistiese, natuur-wetenschap-honende zelfbespotting, die de
-selectoriese apologie van het bewustzijn, van het kenvermogen
-leveren... ten aanzien van de bewegingswereld! „Eigenbewegung und Geist
-gehören also notwendigerweise zusammen, eines ohne das andere ist
-nutzlos”!—En onbetaalbaar is dan de slottirade, die van de verdelging
-„der dualistischen Philosophie, der Philosophie des reinen Erkennens”
-gewaagt en zelfs van „den Aufgaben einer Kritik der menschlichen
-Erkenntnis”!
-
-
-
-34: p. 81. Tot welk een materialistiese absurditeit men komt, door dit
-individuele „hier” te gaan objectiveren (localiseren, in casu „im
-Kopf”) toont Liebmann, Anal. der W. p. 184: „Das optische Ich sitzt,
-mit dem logischen zusammenfallend, im Kopf”! en p. 183: „Wir finden
-darin die phänomenale Coincidenz des optischen mit dem logischen Ich
-ausgesprochen”! Deze zelfde fout, de objectivering van
-individueel-psychies „hier” en „daar” heeft er toe meegewerkt om de
-z.g. „Immanenz-philosophen” tot materialisten te maken.—Ze doet b.v.
-Mach zeggen: Anal. der Empfgn. p. 9: „Dementsprechend kann das Ich so
-erweitert werden, dass es schliesslich die ganze Welt umfasst.” (en dan
-in een noot) „Wenn ich sage, der Fisch, der Baum u.s.w. sind meine
-Empfindungen, so liegt darin der Vorstellung des gemeinen Mannes
-gegenüber, eine wirkliche Erweiterung des Ichs.”!
-
-Op deze wijs is de averechtse identificering bij Avenarius van Ik en
-Hersenen („System C”), bij Ziehen c.s. van objectieve (= op het
-niet-bestaand subject der natuur betrokken) ruimtedingen en subjectieve
-(= individuele) gewaarwordingen tot stand gekomen; kortom heel dat
-phaenomenalisties schijnmonisme.
-
-Bij Bergson als bij Ziehen is het een materialisme (waarnemend
-zenuwstelsel + prikkelende buitenwereld), dat zijn materie „image” of
-„(gereduceerde) gewaarwording” noemt, wijl het inziet, dat de materie
-uit bewustzijnswaarden bestaat. Het ruimtelik realisties wereldbeeld
-blijft er hetzelfde om—, alleen is ’t nu de hele „bonte”, „klinkende”
-natuur geworden, i. pl. v. de „duistere”, „stille”, mechaniese wereld.
-
-Hoe onjuist het is, materie („een boom” b.v.) „gewaarwording” te
-noemen, betoogt de tekst. Nog afgezien van het kenniskrities verschil,
-is de materie ruimtelik, zwaar, ondoordringbaar, heeft kleur, gestalte,
-grootte, terwijl een gewaarwording geen dezer eigenschappen heeft... ze
-bevindt zich nergens, heeft geen vorm, geen gewicht, is onzichtbaar,
-ontastbaar enz. Kenniskrities komt er dan bij: de materie (boom)
-bestaat slechts phaenomenaal, is ’n abstractum, de gewaarwording
-bestaat reëel, in concreto; bij ’n gewaarwording kan men vragen wiens
-gewaarwording, bij de materie is de kennis-vraag „wiens” materie
-zinledig, niet omdat ze subjektloos zou zijn, maar omdat haar subjekt
-één en ondeelbaar, hyperindividueel, slechts gedacht is, dus voor
-altijd één en hetzelfde,—terwijl het subjekt van een gewaarwording een
-levend, werkelik individu is.
-
-Niet uit gewaarwordingen, maar uit de inhoud van gewaarwordingen wordt
-de materie opgebouwd.
-
-Als honderd mensen naar één boom kijken zijn er 100 verschillende,
-onmeetbare, onweegbare boomgewaarwordingen—terwijl er slechts één en
-dezelfde oorzaak is van deze boomgewaarwordingen, het niet-stoffelike
-reale van de boom, en slechts één en hetzelfde phaenomeen boom,
-weegbaar, meetbaar enz., van een bepaalde („objectieve”) lengte, die
-niet kleiner of groter wordt, al naar die kijkenden zich verwijderen of
-nabij komen.
-
-Dieper op deze richting in te gaan blijve voor een afzonderlike
-verhandeling voorbehouden. Vgk. ook opm. 13.
-
-
-
-35: p. 81. Op p. 16 van Prof. Bolland’s Eenheid van Tegendeelen lezen
-wij: „Wij leven met bewustzijn in de Ruimte en den Tijd, en tevens zijn
-de Ruimte en de Tijd in ons; wat buiten is, is binnen, en wat binnen
-is, is buiten” en wederom in Z. R. p. 130 (bijna letterlik = E. v. T.
-p. 35): „Alles is buiten, alles is binnen, al naar men het neemt; heet
-het dat wij in het binnenste der dingen niet doordringen, zoodat dit
-binnenste ... buiten ons bewustzijn blijft, dan dient reeds de vraag,
-of wij in tijd en ruimte, dan wel tijd en ruimte in ons zijn, het besef
-te wekken, dat het eene zoo waar is en daarom zoo onwaar als het andere
-heeft te heeten.” Het voor „éénzijdig” gescholden verstand beantwoordt
-de verwarrende, wijl verwarde vraag (en weerlegt de schijnbare
-tegenstrijdigheid) met een onderscheiding: Ten aanzien van de ruimte
-aldus:—Entweder oder, bedoelt gij met „ons”, naar gezuiverd
-spraakgebruik, subjecten, dus bewustzijn a.z., dan is de ruimte „in”
-ons, in het bewustzijn en het bewustzijn is niet in de ruimte; bedoelt
-gij, naar meer vulgaire trant, met „ons” de levende lichamen a.z. dan
-zijn „wij” in de ruimte, en is dus zowel het omgekeerde als het
-tegendeel onwaar.—Bedoelt gij echter lichaam en geest „in énen”... dan
-ligt de tegenstrijdigheid, hier als overal, uitsluitend in het
-subjectbegrip, gelijk een „zijn”, dat niet een „iet(s) zijn” is en dus
-een „niet(s) zijn” zou wezen... slechts het zijn is van... de absolute
-copula, het ongekoppeld koppelwoord, de volstrekte relatie of
-betrekking zonder betrokkenheden, en wie zo „iets” denkt, heeft naar
-een waar woord van Kant (zie opm. 45) eigenlik „niets” gedacht!
-
-Hier zij nog opgemerkt dat van „zijn” en „niet-zijn” zuiver
-„analytisch” nimmer een „worden” te bereiken valt, daar dit een niet
-meer en een nog niet, dus tijd, onderstelt. En zelfs al ware het
-„worden” bereikt, dan nòg slechts wederom... het ongekoppeld
-koppelwoord „worden”—en van dit worden, dat weer niet een iet(s) worden
-is en dus, dialekties, op z’n best een niet(s) worden zou mogen heten,
-leidt slechts „Erschleichung” (de echte „subreptio” der
-„hypostasering”) tot... „Dasein”.
-
-Und dieses Wegs lässt redliches, vernünftiges Denken sich nicht...
-„mitnehmen”!
-
-Dat reeds de schrede van „zijn” tot „niet-zijn” heel de
-„verstandslogica”, immers de denkwet der ontkenning, steelsgewijs
-binnensmokkelt, willen haar laatdunkende verloochenaars niet weten. Wel
-geeft Prof. Bolland zonder schroom toe, dat de Hegeliaanse „overgangen”
-niet analyties zijn, maar „tevens” (?) syntheties (cf. C. L. passim, p.
-590 ss. „wat eruit komt komt erbij” etc, p. 676 ss., 866 ss.). Dus is
-ook alle „afleiding” uit het „begin”, uit het telkens voorafgaande,
-slechts voorgewend, een valse schijn van „zuivere” logiciteit, en dus
-heeft de „buitenstaander” niet alleen het recht, maar zelfs de plicht,
-dit „binnensmokkelen” te wraken, zolang de dialectiek in gebreke
-blijft, een geldig, objectief, criterium aan te wijzen, of ook maar in
-te houden, voor de „eenzijdige” keus van haar „bijbrengsels” en
-samenvoegsels. Hoe vindt zij van en aan „iets”, niet iets anders, maar
-juist eenzijdiglik „het andere”?
-
-Prof. Bolland antwoordt met tweeërlei onjuistheid.
-
-Vooreerst: „door de ondervinding”! Maar dan heeft hij niet doordacht of
-vergeten, dat juist iets anders a.z. en in de 2e macht het andere tot
-de weinige niet-empiriese begrippen behoort; het zijn begrippen van
-negéring („niet-hetzelfde”), van uitsluiting (niet het àndere andere)
-en deze, zomin als enig negativum, levert ons ooit de ondervinding; het
-is zuiver verstandswerk, een oordeel en functie van het denken.
-„Ondervinding” blijkt hier slechts een euphemisme voor „willekeur”.
-
-De tweede fout is deze: gesteld al, ondervinding leerde ons, wat van
-iets „het andere” mag heten (des nimmer), dan begrijpt toch wel elk van
-m’n getrouwe lezers, dat noch ondervinding, noch „analysis der
-ondervinding” ooit een synthesis a priori kan leveren en dat het dus
-slechts een schijnkrities en ietwat blasphemies schermen met Kant’s
-kennistheoretiese woorden is, als p. 866 C. L. verkondigt: „Wanneer ik
-‚het tegendeel’ [te weten, van het subjectieve, dat hier aan de beurt
-is] het ‚objectieve’ tegendeel noem, dan spreek ik synthetisch uit,
-wat... bij het subjectieve hóórde en ons bij ondervinding als zoodanig
-bekend is, wat ieder uwer uit z’n eigen kennis dan ook halen kon,
-zoodat om zoo te zeggen de synthesis hier a priori gerechtvaardigd was
-[!], juist omdat de analysis de analysis was van eigen ondervinding.
-Zoo blijkt het denken in zuivere rede a priori analytisch en a
-posteriori synthetisch en het blijkt a priori synthetisch of analytisch
-a posteriori [n.b.], al naar men het neemt” enz.—Voor deze biezondere
-overgang komt er nog een derde fout bij. Immers, eeuwig vergeefs blijft
-elk beroep op persoonlike ondervinding, juist ter bereiking van... het
-objectieve. Prof. schijnt zelf te beseffen, dat het met deze „overgang”
-„niet pluis” is, want trots die allemanservaring, en ofschoon die
-objectiviteit zelfs... „van zelf spreekt” (p. 868) blijft het „een
-moeilijk punt”! [259]—Dus noch gevolgtrekking, noch ervaring. Wat er
-dan overblijft toont een verklaring als van p. 680:
-
-„Bij wat we hebben vragen we: wat lijkt hier onmiddellijk op, waar is
-hetzelfde... ánders? In dien zin is telkens onze overgang een overgang
-tot hetgeen ligt ‚naast’ datgene wat we wenschen te buiten te gaan.”
-
-Nog duideliker blijkt de zelfbegoocheling van gewaande ervaring uit
-verklaringen als van p. 684: „En als in het geval van tegendeelen de
-stelbaarheden wederkeerig kengrond zijn, dan beteekent dit, dat wanneer
-u niet eenvoudig wilt vervluchtigen noch verstijven op één punt, maar
-verder wilt, u van zelf [!] aan het punt, dat u verlaten wilt, een
-soort van lokkenden weerschijn bespeurt van datgene waar het héén moet.
-Wilt u verzaken zoo, dat u ergens héén wilt: de eene denkbaarheid
-spiegelt zich aan de andere, zoodat zij die andere niet alleen afwijst,
-maar meteen áánwijst en kénbaar maakt.” Korter gezegd: de wens is de
-vader van de gedachte.
-
-Wie het nu de moeite waard acht, kan van elke gewenste „overgang” (men
-kent de formules: „dan wordt daarin als vanzelf meegebracht”—„hierin is
-dan meteen begrepen”—„en wij voor ons zien hier alvast aankomen”—„ziet
-dat is weer een schimmige manier, om vóóruit te begrijpen”—„zoo brengt
-de ontkenning in stilte eigenlijk wat anders mee”—„dan moet U weer wat
-zien aankomen, wat hier nog niet zoo helder uitkomt, maar achterna het
-ware blijken zal”—enz.) exakt gaan schiften, welke elementen „afgeleid”
-zijn en welke „binnengeleid”. Van deze laatste bepaalt dan de kenbron
-de waarheidswaarde, resp. waardeloosheid, mede van het geheel.
-
-Hier volsta de slotsom: de dialektiek blijkt slechts te komen, waar ze
-van te voren wezen wilde, wetenschappelike methode wil van te voren
-slechts zijn, waar ze zal blijken te komen.
-
-In algemene zin geldt dan ook van Hegel’s dialektiek zijn
-zelfqualificatie ten aanzien van het door Kant weerlegde dogma, dat
-„das Objekt, was es an sich ist, so sei, wie es als Gedachtes ist”,
-luidend als volgt: „Die [sc. Hegel’s] Philosophie stellt somit nichts
-Neues auf; was wir hier durch unsere Reflexion herausgebracht, ist
-schon das unmittelbare Vorurteil eines Jeden.” (Kl. Logik, § 22 Zus.).
-
-Natuurlik loochent geen enkel verstandig logicus, dat er correlatieve
-tegenstellingen zijn, die bijéénhoren en elkander over en weer
-onderstellen en begrijpelik maken; wat b.v. „discursief” betekent wordt
-slechts waarlik beseft aan de tegenstelling „intuïtief”. Hetzelfde
-geldt van begripsparen als: subjectief—objectief,
-immanent—transcendent, absoluut—relatief of zelfs: groot—klein,
-man—vrouw, enz. Zij hebben de indelingsgrond gemeen. Zo betekent
-„dogmaties” als tegenstelling tot „krities” (als in deze verhandeling)
-heel iets anders dan hetzelfde woord tegenover „empiries” (b.v. in
-Meijers’ „Dogmatische Rechtswetenschap”). Zo vergelijke men over het
-begrip „natuur” in zijn verscheidenheid van tegenstellingen (geest,
-kunst, kultuur, zedelikheid, god, geschiedenis), Rickert, Die Grenzen
-der naturwissenschaftlichen Begriffsbildung, p. 210 ss. en 226 ss.
-
-In die zin kan men dus met Aristoteles en Thomas van Aquino zeggen (C.
-L. p. 684) „dat in het geval van tegendeelen het eene voor of van het
-andere kéngrond is”. Maar wat heeft deze „eenheid van tegendeelen” voor
-bovenverstandeliks? Met „dialektiek” heeft ze zo min wat te maken als
-ooit een objekt zich „verkeert” tot subjekt, of het immanente zou
-kunnen „overgaan” in wat transcendent is,—of zomin als de begrippen
-groot en klein ooit in ander dan star-contrair verband tot elkander
-zullen staan, al worden ook nog zoveel grote dingen middelmatig of
-klein en kleine groot.
-
-Het onveranderlik verband van eenheid en tegenstelling tussen de
-begrippen (man en vrouw) is nu eenmaal niet „identiek” met de talloze
-wisselvallige, vergankelike verhoudingen tussen de voorwerpen of
-werkelikheden der begrippen (man en vrouw). Al verleidt de verhouding
-der begrippen recht en plicht Prof. Bolland c.s. tot hun dogma: „geén
-‚recht’ zonder ‚plicht’”, het recht geeft niettemin aan zuigeling en
-waanzinnige, ja zelfs aan ongeborenen en overledenen, rechten zonder
-plichten.
-
-
-
-36: p. 82. Terecht schrijft Kinkel, wanneer hij p. 64 o. c. van Cohen,
-Stadler, Windelband, Liebmann, de verloochening van Kant’s An-sich
-behandelt: („Auch Stadler bezeichnet das Ding an sich als eine Illusion
-und Windelband kommt sogar zu dem Resultat: ‚Die Unterscheidung von
-Ding an sich und Erscheinung ist unhaltbar’. Ähnlich auch Liebmann in
-seiner Schrift: ‚Kant und die Epigonen’.”) „Warum diese Forscher so
-einstimmig dem Ding an sich den Krieg machen glaube ich zu sehen, und
-will darauf später zurückkommen [Kinkel doelt hier in hoofdzaak op de
-door mij reeds boven, zie bl. 45 vv., gesignaleerde niet-onderscheiding
-van „denken” en „kennen”]. Dennoch kann ich ihnen nicht beistimmen.
-Wenn man, wie diese Gelehrten das müssen, die Erscheinungen als die
-Ursache unserer Empfindungen auffasst, sollte man doch bedenken, dass
-ja die Erscheinung ihrerseits erst durch die Empfindung (wenigstens dem
-Stoffe nach) möglich ist.” Voorts p. 81/2:
-
-„Die Dinge an sich bilden eine notwendige Voraussetzung der
-Erkenntnistheorie, denn ohne ihre Annahme stehen wir vor der
-Alternative,
-
-„1. entweder den Idealismus aufzugeben, oder
-
-„2. ihn in Solipsismus zu verkehren.
-
-„Auf die Frage: woher stammt die Empfindung? bleibt, wenn man die
-Antwort: ‚aus der Affection unserer Sinnlichkeit durch Dinge an sich’
-verschmäht, nur die Wahl zwischen folgenden Antworten:
-
-„1. die Empfindungen sind alle (oder zum Teil) Eigenschaften
-wirklicher, unabhängig vom Subject existirender Dinge (also dieses
-Blatt ist weiss, auch wenn kein Mensch und überhaupt kein erkennender
-Geist es sieht); dann haben wir die Frage nach der Empfindung nicht
-mehr als Idealisten, sondern als Realisten beantwortet. Auch wenn man
-den Standpunkt Lockes einnimmt und zwischen primären und secundären
-Qualitäten unterscheidet (also alle quantitativen Eigenschaften den
-Dingen, alle rein qualitativen dem Subject zuschreibt) ist man Realist;
-und die Unhaltbarkeit dieses Standpunktes ist wohl von Kant zur Genüge
-dargethan; oder
-
-„2. man leitet nicht nur die Form, sondern auch den Stoff der
-Erkenntnis aus dem Subject ab: dann ist man auf dem
-Fichte-Berkeleyschen [?!] Standpunkte des Solipsismus angelangt, für
-den eigentlich die ganze Erkenntnistheorie gar keinen Sinn hat: denn es
-ist ja ausser dem erkennenden Subject gar nichts da, was erkannt werden
-könnte.
-
-„Beide Fälle scheinen noch eine dritte Ansicht zuzulassen, die z.B.
-Falckenberg vertritt (als die eigentliche Meinung Kants). Dieser beruft
-sich auf das transcendentale Bewusstsein oder die menschliche
-Gattungsvernunft und sagt: es giebt
-
-„1. das Ding an sich ausserhalb jeglichen Bewusstseins,
-
-„2. die Erscheinung ausserhalb des individuellen, aber innerhalb des
-transcendentalen Bewusstseins,
-
-„3. die Vorstellung der Erscheinung innerhalb des individuellen
-Bewusstseins.”
-
-Dit laatste komt vrijwel overeen met onze onderscheiding: 1. het
-An-sich, 2. het objectieve-physiese, 3. het individueel-psychiese.
-
-Evenwel, ook voor deze opvatting (p. 83:) „bleibt doch die Frage nach
-dem ‚Stoff’ aller Erkenntnis bestehen. Man kann den Stoff aller
-Erkenntnis nicht aus der Vernunft ableiten, weder aus der
-individuellen, noch aus der Gattungsvernunft.”
-
-
-
-37: p. 88. Zie opm. 50, hoe Schopenhauer’s Intellekts-materialisme, die
-jammerlike uitwas van zijn eerbiedwaardige Wilsmetaphysica, naast het
-juiste kritiese inzicht: „zonder subjekt geen objekt”—stelt het
-alleszins verkeerde: „zonder objekt geen subjekt”; cf. II p. 23, waar
-hij niet méér demonstreert dan: zonder voorstelling of kennis geen
-subject van voorstelling of kennis!
-
-Dezelfde materialistiese fout is bij Prof. Bolland gevolg en bewijs van
-het feit, dat voor zijn Hartmann-Hegeliaanse misvatting (in individuele
-zin) van de Kantiaanse subjectiviteit (vergelijk daarover opm. 48 en
-Hoofdstuk V) de kennisleer steriel is gebleven:
-
-„De omhaal van woorden, waarmede in het sterile gezanik der
-‚kennistheorie’ betoogd wordt, dat de voorwerpen onzer waarneming
-subjectief en individueel [n.b.] bepaalde denkbaarheden zijn, is
-slechts breedsprakigheid voor het eenvoudige besef, dat de
-waarneembaarheid denkbaarheid is, dat het subject in het object is
-voorondersteld en dit zonder het subject niet is te denken. Een A = B,
-dat zoo op zichzelf en zonder meer genomen van zelf eene eenzijdigheid
-blijkt. Want omgekeerd vooronderstelt ook de denkbaarheid
-waarneembaarheid [!] en het subject het object; in de veeleenige
-werkelijkheid is bepaling en bepaaldheid wederkeerig.” (Denken en
-Werkelijkheid, p. 14/15). In waarheid daarentegen vooronderstelt het
-subject geenszins het (waarnemings)object; het subject wordt reeds in
-de logica zonder, en onafhankelik van, het object gedacht, en een
-subject zonder gewaarwordingsvermogen (doof, blind, anaestheties enz.)
-is een subject zonder object, al blijft het, op de zintuigen na, even
-„lichamelik” als elk ander subject.
-
-
-
-38: p. 91. De „uitleggers”, de speculatieve en neo-kantiaanse
-„idealisten” zowel als de realisten sans phrase, hebben aan Kant ten
-deze rijkelik vergolden wat hij aan Berkeley heeft
-misdreven!—Waarschijnlik ging hij af op de Duitse uitgaaf van 1756 als
-deel der: „Sammlung der vornehmsten Schriftsteller, die die
-Wirklichkeit ihres eigenen Körpers und der ganzen Körperwelt leugnen”!
-
-Zo heeft Dr. Edm. Koenig nog in onze dagen („Die Entwickelung des
-Causalproblems von Cartesius bis Kant”, Leipzig 1888) Berkeley
-professoraal bekritikasterd, zonder blijk, van B. zelf een letter
-gelezen te hebben dan alleen realist Kirchmann’s vertaling van één
-geschrift, de P. of H. K.—Van B.’s geniale natuur-immanentie heeft
-Koenig dan ook geen letter begrepen.—Zie p. 198 ss.—Wat B. van de
-natuur denkt, heet „für den Phänomenalisten... die oberste und einzige
-Annahme über die Wirklichkeit”!
-
-Gelijksoortige Berkeley-miskenning bij Hegel, Geschichte der
-Philosophie (Uitg. Bolland) pp. 947–51: „Berkeley trug einen Idealismus
-vor, der dem Malebranche’schen sehr nahe kam. Der Verstandesmetaphysik
-gegenüber tritt die Ansicht auf, dass alles Seiende und dessen
-Bestimmungen ein Empfundenes und vom Selbstbewusstsein Gebildetes
-sind.” En „jene abstracte Form, dass alles ‚nur Wahrnehmungen’
-sind”!—Insgelijks bij Windelband, „Geschichte der Philosophie”, p.
-384/6. Het ten deze kenschetsend-realisties verwijt van „Einseitigkeit”
-op p. 389. En op p. 385 weer vereenzelviging met Malebranche t.a.v. de
-betekenis der afzonderlike (stoffelike) dingen en krachten, waarvan B.
-zelf reeds zegt, Dial. II, p. 306:
-
-„Phil.: ‚Few men think, yet all have opinions. Hence men’s opinions are
-superficial and should never the less be confounded with each other by
-those who do not consider them attentively. I shall not therefore be
-surprised if some men imagine that I run into the enthusiasm of
-Malebranche; though in truth I am very remote from it. He builds on the
-most abstract general ideas, which I entirely disdain. He asserts an
-absolute external world, which I deny. He maintains that we are
-deceived by our senses, and know not the real natures or the true forms
-and figures of extended beings; of all which I hold the direct
-contrary. So that upon the whole there are no principles more
-fundamentally opposite than his and mine.’”...
-
-Ook O. Liebmann mishandelt Berkeley op de gewone individualistiese,
-solipsistiese voorstellingswijze van allen die zijn object-immanentie
-niet hebben bereikt (Zie A. d. W. „Idealismus und Realismus” spec. pp.
-26–30 en andere artikelen passim).
-
-Uit Berkeley’s krities inzicht: „wat immanent is (de objectenwereld:
-tafel, berg, enz.) kan slechts immanent zijn en nooit transcendent, en
-kan even min op iets transcendents gelijken,... trouwens gij realisten
-bedoelt met uw „absolute” tafels enz. voorstelbaarheden, kenbaarheden,
-dus klaarblijkelik iets immanents, immers iets transcendents ware eo
-ipso volstrekt onkenbaar en onvergelijkbaar”... hieruit maakt Liebmann
-(vgk. insgelijks Rickert, Der Gegenstand der Erkenntniss, p. 18 en
-Volkelt, Die Quellen der menschlichen Gewissheit, p.38) weer de
-solipsistiese drogreden: wat gedacht (voorgesteld) wordt (de
-objectenwereld, tafel, berg, enz.) bestaat slechts als gedachte
-(voorstelling) en de gedachte kan geen beeld zijn van een werkelik
-object.
-
-Ziedaar de quintessens van Liebmann’s (en in ’t algemeen van de
-realistiese) polemiek tegen Berkeley op p. 25 tot 29, waarbij „die
-handgreiflichsten Fehlschlüsse und durchsichtigsten Sophismen”, zowel
-als de „Scheindemonstration” niet aan de echte Berkeley, maar slechts
-aan diens caricatuur, „der vortreffliche Bischof” van Liebmann te
-danken zijn. „Aufrichtig; wäre es dem Philosophen nicht so bitter
-Ernst, man wäre versucht zu glauben, er wolle den Leser zum Besten
-haben” zegt Liebmann, p. 27, van Berkeley, zeg ik van Liebmann. En
-evenals Hartmann het Kant als een inconsequentie aanwrijft, wanneer hij
-bij Kant de consequentie vergeefs zoekt van... Hartmann’s
-Kantmisvatting, precies zo schrijft Liebmann, p. 29:
-
-„Nun aber weiter! Da einmal der Schlussfehler begangen ist [zie boven,
-door wie], welches Resultat sollte man bei Berkeley erwarten? Offenbar
-den echten und rechten, in seiner ganzen widernatürlichen
-Ungeheuerlichkeit doch mindestens consequenten Solipsismus. Also ein
-einziges vorstellendes Subject, aus dessen Vorstellungen das Weltall
-besteht. Aber weit gefehlt!”
-
-Inderdaad,... weit gefehlt!
-
-Wijl Liebmann op de volgende pagg. al evenmin begrijpt, dat, voor
-Berkeley gelijk in waarheid, de objecten alleszins, de subjecten echter
-geenszins immanent, van mogelike waarneming afhankelik, bestaan, waant
-Liebmann, dat Berkeley evenals de objecten, ook de (andere) subjecten
-immanent had moeten achten, slechts zijn „voorstelling”, „ein
-subjectives Gedankengespinnst, eine Chimäre.” [260]
-
-Dit wanbegrip geeft echter een Liebmann niet het recht tot de
-schandelike insinuatie tegen de filosoof Berkeley, op p. 30 en 31, als
-zoude theologiese „Absicht” hem tot zijn gewaande „inconsequentie”
-hebben geleid: „Aber diese Consequenz scheut unser Bischof wohl weniger
-aus logischen als aus theologischen Bedenken. Deshalb umgeht er sie;
-deshalb verstopft er die Lücken seiner Philosophie mit einigen
-Reminiscenzen seines gesunden Menschenverstandes und der landesüblichen
-Religion.” Berkeley, die het verschil zo scherp mogelik formuleert en
-demonstreert, in één zinnetje reeds, waarin heel de kennistheoretiese
-weerlegging van het materialisme (speciaal het „immanente” van
-Ziehen-Avenarius, Wahle, Bergson c.s.) ligt opgesloten:
-
-S. 135: „that a spirit has been shewn to be the only substance or
-support wherein unthinking beings or ideas can exist; but that this
-substance, which supports or perceives ideas should itself be an idea
-or like an idea is evidently absurd.”
-
-De „Three Dialogues” geven de afdoende weerlegging van de (door Hylas
-aan Philonous verweten) Subjekten-loochening, p. 328/9. Men leze zelf
-dit betoog, dat eindigt met de conclusie: „There is therefore upon the
-whole no parity of case between Spirit and Matter.”
-
-Wanneer nu Liebmann, met zijn „anthropologischen (empirischen)
-Materialismus”—„das Bewusstsein... die specifische Energie des
-Denkorgans” noemt in „Gehirn und Geist”, een van a tot z realisties
-artikel, dat zelfs de mogelikheid openhoudt (p. 526) als zoude das
-Gehirn... Ding an sich zijn van de geest als Erscheinung—i. pl. v.
-omgekeerd—en op p. 551 schrijft: „Die Natur hat sich im menschlichen
-Gehirn ein automaton materiale logicum erzeugt. Von selbst, d.h. mit
-causaler Naturnothwendigkeit, hat sich innerhalb unseres Schädels als
-physische Gedankenfabrik jenes räthselhaftcomplicirte System
-mikroskopisch feiner, zahlloser Nervenzellen, Knoten und Fasern
-entwickelt” ... enz. enz., kortom, in zijn metaphysica de kritiek als
-een soort paradepaard op stal zet (zie het krities-bedoeld „voorbehoud”
-van p. 266), om rustig een realisties muildier te gaan berijden en dan
-ook Du Bois-Reymond’s en Griesinger’s zuiver materialisties ignorabimus
-aanvaardt (pp. 464 en 533, 536), wanneer deze geenszins geringe maar
-allerminst geniale denker, deze Schopenhauer in ’t klein, durft spotten
-van „den brittischen Philosophen” dat „deren Denken ja meistentheils
-nur für die zwei Dimensionen der Länge und Breite Sinn zu haben pflegt,
-während ihnen die dritte Denkdimension, nämlich die Höhe oder Tiefe, in
-der Regel unzugänglich bleibt”, dan is dit slechts een der vele tegen
-Liebmann pleitende gevolgen van het feit, dat een Berkeley en een Hume
-voor hem in hun eigenlike hoogte of diepte ontoegankelik zijn gebleven.
-
-
-
-39: p. 94 en p. 96. Het schijnt mij, achteraf, onnodig, Rée nog in
-extenso te behandelen. Men leze hem zelf—bij wijze van vuurproef.
-
-De p. 94 bedoelde „consequenties” vindt men §§ 38–40 en heel caput III
-„Die Philosophie Kants”.
-
-Pas wie tegen dit eerlik, nuchter, geestig en cynies gezond-verstand,
-vrij van alle phraseologie, van alle vertoon van diepzinnigheid of
-geleerdheid, bestand is gebleken, kan zich waarlik het materie-realisme
-en empirisme te boven weten.
-
-Hoeveel sympathieker en groter is hij, die de dwaasheid van onbegrepen
-wijsheid zonder vrees of blaam bestrijdt als dwaasheid, dan wie ze
-zonder zelfrespekt inhaalt en viert als wijsheid. Had deze scherpe,
-rücksichtslose anti-dogmaticus, met zijn mooie brutale oprechtheid maar
-de voorlichting gevonden die hem geholpen had uit zijn
-naief-realistiese „regressus in infinitum” (§§ 6, 8 en 9 van zijn
-„Materie”), uit zijn waarlik „traurige Konsequenz” van het „Idealisme”,
-uit zijn „Antinomie” (§9 van zijn „Erkenntnistheorie”)!—Zijn
-Ré(e)alisme moest precies zó te keer gaan tegen Kant („Kant war kein
-Denker”), tegen Spinoza (zijn God „nicht ernst gemeint”), tegen
-Schopenhauer (vgk. § 118 „Das intellektuelle Gewissen”).—En hoeveel
-zedeliker is zijn anti-zedelikheid, hoeveel edeler dat opstandig
-penetrant pessimisme,—soms heerlik raak, soms heerlik mis—, dan al dat
-kwispelstaartende zalvende kanseloptimisme.
-
-Wat Erich Adickes betreft (zie bl. 96), zijn krities vertoog „Kant
-contra Haeckel, Erkenntnistheorie gegen naturwissenschaftlichen
-Dogmatismus” verdient een amenderend aanhangsel: „Kant contra Adickes”!
-Want precies zo ver Adickes van Kant afwijkt, deels onbewust (in zijn
-resten van Lockianisme gelijk in zijn individualiserend
-voorstellings-idealisme, dat niet inziet, hoe juist Kant’s éne
-empiriese ruimte identiek is met de ruimte der natuurwetenschap en van
-de natuurwetenschappelike kosmos) deels bewust (waar dit misverstand
-hem noopt tot het geloof aan een oneindige „transcendente ruimte”, met
-een „oneindig aantal” transcendente „krachtcentra”), precies zo ver
-denkt hij zelf dogmaties en precies zo ver blijft zijn „Widerlegung des
-Materialismus” (Hoofdstuk II, te voren in de „Kantstudien” verschenen)
-materialisties en zijn „Der wahre Monismus” (III) dualisties, trots de
-onomwonden monistiese belijdenis van zijn voorrede: „Ich kann
-ebensowenig wie er [Haeckel] an einen persönlichen ausserweltlichen
-Gott, an eine Schöpfung der Welt durch ihn, an ein vom Körper
-getrenntes immaterielles Seelenwesen glauben; ich nehme wie Haeckel
-einen lückenlosen allumfassenden Kausalzusammenhang, auch auf geistigem
-Gebiet, und eine natürliche ununterbrochene Entwicklung von der
-anorganischen Welt zur organischen und in dieser hinauf bis zum
-Menschen (diesen eingerechnet!) an. Auch ich behaupte, dass die
-Philosophie nicht gegen die Thatsachen der Naturwissenschaft verstossen
-darf, sondern dieselben, ohne an ihnen zu drehn oder zu deuteln, ihren
-Systemen zu Grunde legen muss.”
-
-Wat nu „Kant contra Adickes” nog in’t midden zou moeten brengen? In
-korte trekken het volgende. Van de „Widerlegung des Materialismus” zal
-noch de eerste Abschnitt: „Unfähigkeit des Materialismus, die Existenz
-des Psychischen zu erklären”, noch de tweede: „Absurdität des
-Materialismus, da die Materie nur unsere Vorstellung ist” veel
-materialisten bekeren. De eerste niet, wijl deze faalt tegenover het
-psycho-physies materialisme (het materie-realisties parallelisme), ook
-bij Haeckel telkens opduikend, de leer der stofbezieling, die
-bewustzijn („Gedächtnis”) als algemene oorspronkelike eigenschap of
-„Funktion” aan de (al of niet georganiseerde) materie toekent. Want dit
-epiphaenomenalisme hoeft geen enkele dualistiese inbreuk op „das
-Energiegesetz” (p. 32 ss.) toe te laten, noch „die Existenz des
-Psychischen zu erklären”. Haeckel en de zijnen kunnen en zullen zich
-dus daarachter verschansen en zijn het geheel met Adickes (p. 8) eens:
-„Der materialistische Standpunkt wird erst da verlassen (dann aber auch
-sofort und grundsätzlich), wo die Materie als denkend oder empfindend
-gedacht wird oder wenigstens als mit Innenzuständen versehn, die sich
-in allmählicher gesetzmässiger Entwicklung zum Empfinden und Denken
-erheben.” Daartegenover zou Kant moeten opmerken, dat „denkende of
-gewaarwordende materie” juist typies-materialisties gedacht is, [261]
-niets minder materialisties en niets minder zinrijk dan het omgekeerde,
-b.v. een weegbare gewaarwording of een gele gedachte. Zo zullen dan
-Haeckel en de zijnen hun eigen waarnemingsleer bij Adickes herkennen:
-Aetherschwingungen „erscheinen in unserm Bewusstsein als Leuchten” (p.
-25), het bewustzijn „spiegelt” Molekularbewegungen „nicht als
-Bewegungen, sondern als Wärmeempfindungen ab” (p. 33) en als Adickes
-zegt op p. 30: „Wie es möglich ist, dass die vom Phosphor ausgestrahlte
-Bewegung mir als Leuchten, d.h. als Bewusstseinszustand, als Empfindung
-erscheint: das will ich ja gerade wissen.”, zullen zij volmondig
-antwoorden: „Ich auch!” Zo zal bij pp. 31–33 de psycho-physiese
-materialist eensdeels kunnen toegeven, dat physies en psychies „etwas
-toto genere [elders „toto coelo”] Verschiedenes” zijn en anderdeels,
-wijl de kenniskritiese fundering van het verschil hier ontbreekt, dit
-voelen als een dualisties dogma, waartegen zijn monisties instinkt zich
-niet zonder recht verzet.—Maar dan komt die 2e Abschnitt, die ’t reeds
-door bovengeciteerd opschrift verbruit bij materialist en.... idealist,
-want de materie is nu eenmaal niet „nur unsere Vorstellung”, laat
-staan, als op p. 37, „nur in meinem Bewusstsein” of „nur meine
-Vorstellung”, zo min als voor Kant ruimte en tijd „blosse
-Vorstellungsformen” zijn (p. 37) en even onjuist en verwarrend is „die
-neue These”: „die Materie.... existiert nur als Bewusstseinszustand”
-(p. 35), aangezien de materie in ’t geheel geen bewustzijnstoestand is
-(iets konkreets, onruimteliks), maar abstrakt geheel van mogelike
-bewustzijnsinhouden, mogelik, niet voor enig individu, maar voor het
-universele subjekt der natuur. En deze echte, Kantiaanse, immanentie
-der materie, der objecten, hun afhankelikheid van vooronderstelde
-subjectiviteit, is nu weer geenszins „das Grunddogma des Idealismus”
-(p. 37), immers in ’t geheel geen „dogma”, maar exakt te bewijzen
-kennistheoreties feit.—Zo komt dan Adickes er toe, bevangen gebleven in
-de oude, speciaal bij Hartmann door mij in de tekst afgewezen
-infra-kantiaanse tegenstelling: individueel—transcendent, te zeggen op
-p. 38: „Dies Ding an sich ist räumlich und zeitlich bestimmt; Raum,
-Zeit und Bewegung sind also nicht nur unsere Vorstellungsweisen,
-sondern haben auch transcendente Gültigkeit: darin weiche ich von Kant
-ab und nähere mich dem naturwissenschaftlichen Realismus.” Ergo blijft
-Adickes zelf steken in de verdubbeling van het ruimte-dogmatisme, de
-„Meinung, dass unsere räumliche Welt die Rekonstruktion einer
-extramentalen räumlichen Welt ist, keine völlige Neuschöpfung.” (p.
-43), voor ons even zinledig als de mening, dat unsere Farbenwelt die
-Rekonstruktion einer extramentalen Farbenwelt zou zijn. Is reeds deze
-„extramentale”, sc. transcendente, „Raum” een onding, door Adickes ten
-onrechte aanvaard „weil das so entstehende Weltbild mir weniger
-Schwierigkeiten zu bieten scheint als die andern” (p. 46), hoe
-verderfelik dit misverstandsdogmatisme werkt, blijkt al op p. 47, waar
-Adickes zegt, fest te glauben „dass im extramentalen Raum an derselben
-Stelle [n.b.!], an welche in meinem Bewusstseinsraum die Bank von mir
-gesetzt wurde, ein ihr entsprechendes [?!] Ding an sich vorhanden war”,
-een verdubbeling, in z’n onmogelikheid door mijn geschrift naar ik hoop
-voldoende gedemonstreerd en in Adickes’ metaphysica ad absurdum geleid
-door z’n eigen consequentie, een soort psycho-physies
-kracht-materialisme (of energetisme) à la v. Nägeli, met een
-„Innenseite” en een „Aussenseite” van een niet nader aan te geven
-„Ding” of „Vorgang” à la Spencer’s „inner and outer faces of the same
-change” en een „Weltbild” als volgt (p. 62): „Der unendliche Raum [door
-Kant weerlegd onding] ist erfüllt von unendlich vielen [ook al door
-Kant weerlegd; een oneindig aantal dingen is onbestaanbaar, want een
-oneindig aantal is groter dan elk bepaald aantal, vgk. daarover,
-voortreffelik, „Geist und Materie” II pp. 221–230, van Thiele’s
-degelik-populaire warmovertuigde propagator Paul Apel. [262]]
-Kraftcentren”, die „Träger von Innenzuständen” zijn—en aangezien nu die
-Kraftcentren ruimtelik zijn gedacht, krijgen we hier ook plaatselike
-(?) Innenzustände! Wat al onklaarheid, culminerend op bl. 67 in „eine
-doppelte Reihe von Vorgängen” (het realisme t.a.v. ruimtedingen blijft
-altijd min of meer dualisties: dat de Innenseite „das eigentlich
-Bedeutungsvolle”, „das tiefste Wesen der Welt” is, berust op
-subjectieve waardering, niet op het kennistheoreties bewijs, dat alleen
-het geestelike konkreet bestaat), waarbij in de physiese reeks telkens
-de hersenen, en alleen deze (niet der Hörapparat, die motorischen
-Nerven, Muskelgruppen, Bewegungsvorgänge, etc. etc), vervangen worden
-door.... „das Ding an sich des Gehirns”! Een waarlik ongehoorde
-μεταβασις εἰς ἀλλο γενος! En hoe denkt Adickes zich eigenlik die
-verhouding van het psychiese tot die transcendente ruimte, in verband
-met de bij ervaring gegeven, door Adickes zelf op bl. 44 uitgesproken
-(„Denn wie könnte etwas Psychisches ausgedehnt, im Raum neben einander
-sein!”) onruimtelikheid van het geestelike? Want zijn half
-materialisties, half Spinozisties „monisme” heeft alvast drieërlei:
-„Krachtcentra” in een transcendente ruimte met een Aussenseite in de
-empiriese ruimte (Körper) en een Innenseite van deze
-transcendent-ruimtelike dingen, die niettemin.... geheel onruimtelik
-blijkt! Verbijsterend wordt die onklaarheid, als op bl. 94 zulk een
-Kraftcentrum „sich an irgend einer Stelle des Gehirns befindet, einen
-Teil der materiellen Erscheinungswelt bildet”!—Voorwaar, zolang Kant’s
-kenniskritiek blijft leven zullen ook die vermetele mannen van bl. 88
-niet uitsterven, die niet alleen „meinen”, maar zelfs tonen, „allen
-Schwierigkeiten am besten zu entgehn [ik zou zeggen zu entkommen],
-indem sie der nicht-geistigen Welt einfach [?] das selbständige Dasein
-absprechen”, d.w.z. abdemonstrieren. Maar tot dit zuiver
-immaterialisties monisme dringt Adickes niet door en tegenover Haeckel
-wordt hij op bl. 95 zelfs de mindere, waar hij schrijft: „Haeckel
-bedarf des Glaubens an Unsterblichkeit nicht, sein Gemüt stellt
-Forderungen anderer Art. Gut! mag er seine Wege gehn; aber warum will
-er andere abhalten, die ihren zu wandeln? Was hat ihn zum
-Glaubensrichter und Seelsorger gesetzt?” etc. Want voor Haeckel is zijn
-waarheidsdrang afdoende verklaring en rechtvaardiging: immers voor hem
-is de onsterfelikheid nu eenmaal niet, of eerst indirekt, een kwestie
-van Herz en Gemüt, een (al of niet!) „schöner Traum”, gelijk voor
-Adickes, maar allereerst zaak van verstandelike mogelikheids- en
-werkelikheidsoverweging; hij bestrijdt ze dus, om met Adickes te
-spreken (p. 97), „in der besten Absicht und in der festen Überzeugung,
-dass die ganze Wahrheit auf seiner Seite ist.”
-
-In deze geest ongeveer zou „Kant contra Adickes” zich moeten keren
-tegen Adickes’ „Kant contra Haeckel”.
-
-
-
-40: p. 99. Het gaat trouwens precies zo met de empiristiese (iets
-anders dan empiriese) „verklaring” van het zedelike, van het
-plichts-besef. Voor alle specifiek-zedelik-bedoelde qualificatie:
-edel—gemeen (en alle varianten en graden) is weer het zedelik
-bewustzijn het logiese prius, dat noch uit z’n toepassing, noch uit
-niet-zedelike „ervaring” kan worden „afgeleid”. Al heeft zich dus het
-autonome zedelik oordeel nòg zo heteronoom „ontwikkeld” uit
-maatschappelik-nuttige dwang en drang en goden-geboden en
-„associaties”, verworven, geërfd en instinctief-kategories geworden in
-de gemeenschaps-struggle for life (zie Rée’s Entstehung des Gewissens)
-en al zijn de woorden van het „zedelike” ook oorspronkelik alle
-niet-zedelik geweest, klassewoorden als bovengenoemde, of aesthetiese,
-zinnelike of utilitaire termen (een heerlike bron van diepe
-volkskarakterkunde wordt hier de Taal!)—zonder specifieke zedelikheid
-als prius kan daaruit geen greintje „zedelik” gevoel, tegenover
-zichzelf en anderen, met z’n eigen reacties: „slecht” en „goed”,
-(„schunnig”, „ordinair”, „vies”, „karakterloos” en „waardig”,
-„heldhaftig”, „grootmoedig” enz.) noch ontstaan noch zich handhaven
-tegen wil en dank, tegen de theoretiese bewering in, dat dit alles zou
-moeten verdwijnen, wanneer het klare weten van utilitaire „oorsprong”
-en „strekking” en van „natuurnoodwendigheid” de „illusie” van plicht en
-verantwoordelikheid maar eenmaal hebben gebroken,... zich handhaven ook
-bij een Rée en een Nietzsche zelf,—die zich wel terdege „autonoom”, en
-niet anoom, gebonden, bleven voelen,—dat spreekt op elk van hun
-eerlike, fiere, karaktervaste bladzijden—, aan hun eigen zedelik
-oordeel en plichtsbesef, dat hen veile zelfverzaking doet verafschuwen
-en ver „beneden” zich weten trots al haar mogelike „nuttigheid”, ’t zij
-bij eigen gevaarlike waarheden (gesteld eens dat deze buiten kijf
-waren), ’t zij bij anderer verderfelike dogma’s—en ook voor hen
-overtuigingstrouw intra en extra muros maakt tot onontkoombare,
-zelfopgelegde, als vanzelfsprekend aanvaarde, plicht, waarvan wij niet
-willen afwijken, neen, maar ook niet mogen afwijken per nos ipsos,
-„van” eigen zedelik oordeel, tegenover de vele morele adiaphora,
-waarvan wij eveneens niet willen afwijken, al voelen wij terdege, dit
-wel van ons zelf te mogen, d.w.z. dit te kunnen doen zonder afkeuring,
-verachting of verontwaardiging van ons zelf jegens ons zelf te duchten
-te hebben.
-
-Is het niet aldus, bij u allen, gij relativisten, utilisten, marxisten,
-amoralisten, evolutionisten en ook gij, principiële dogmatici en
-heteronome theologen (maar alle heteronomie is verkapte, getrapte
-autonomie) en hoe gij u verder moogt noemen, zonder nochtans op te
-houden, eenvoudig zedelike wezens te zijn: onderworpen aan de ene
-eeuwige algemene geesteswettelikheid van het zedelik reageervermogen,
-zo goed als van het logies denken en het ruimtelik waarnemen, het
-muzikaal of, algemeen, kunstzinnig gevoel, en het tijdelik bewustzijn.
-
-Ginds en dan wordt als doodzonde beschouwd, of doemwaardige leugen, of
-verfoeilike gruwel, wat hier en tans als heilige plicht, of hoogste
-waarheid, of opperste schoonheid geldt.
-
-In concretis oneindige verscheidenheid van tegenstelling en
-ontwikkeling alom, alles nochtans beheerst door één en hetzelfde nooit
-geworden, nooit zich wijzigend Stelsel van Wetten. Παντα ῥει, παν
-μενει.
-
-(Mooi en juist Riehl, D. ph. Krit. II p. 13 en III p. 75).
-
-De sociologie moge dan ook de belangrijkste hulpwetenschap der ethica
-zijn, de ethica zelf is evenmin sociologie als de logica; zij is
-evenmin „science des moeurs” (Lévy-Bruhl c.s.) als de logica kennis der
-wetenschappen is, en heeft evenveel met klassemoraal te maken als de
-logica met klassewetenschap. Anderzijds wil zij evenmin „eine
-Richtschnur für das Handeln liefern” (Bruno Bauch, Ethik, p. 215, 241)
-als de logica een richtsnoer voor het denken; zij zou tevreden zijn als
-zij de wetten van het zedelik bewustzijn had gevonden, gelijk de logica
-de wetten van het denken.—De zuivere ethica is even vrij van
-naturalismen en supra-naturalismen, even exakt, empiries, algemeen
-geldig en autonoom als de zuivere logica. Haar enig gebrek is, dat zij
-nog niet bestaat. „Die Gesetze und Elemente des sittlichen
-Bewusstseins” wachten nog op hun schrijver.
-
-(Grondvestend Heymans, Die Methode der Ethik, in Vjschr. f. wissensch.
-Philosophie IV).
-
-
-
-41: p. 100. Daar juist (inmiddels ruim een jaar geleden) is verschenen:
-„Erkenntnistheorie und Naturwissenschaft”, de lezing, door Osw. Külpe
-gehouden op 19 Sept. 1910 ter 82e Versammlung Deutscher Naturforscher
-und Aerzte in Königsberg, een zeer „zeitgemässe” principiële
-verklaring, die ongetwijfeld de belangstelling zal vinden, die ze als
-zodanig verdient, al interesseert ons heel die „Kontroverse” tussen
-Külpe’s realisme en het in de grond niet minder realistiese „idealisme”
-waartegen het niet zonder recht zich keert, slechts voor zoverre de
-leer van een Kant of een Berkeley (van weerszijden) daarin betrokken
-wordt.
-
-Uitstekend is, wat hij schrijft over „die transzendentale Methode der
-Erkenntnistheorie”; zo op p. 40, dat voor haar Voraussetzung is, „was
-sich in der Wissenschaft selbst als grundlegend erweist” en op p. 7,
-hoe haar taak bestaat „in der systematischen Herauslösung der
-unentbehrlichen Voraussetzungen aus der Wissenschaft, in der sie
-wirksam sind.” Dus: „eine unmittelbare Analyse des wissenschaftlichen
-Tatbestandes” is nodig „um die in der Wissenschaft geltenden Prinzipien
-zu entdecken.” Dat hij echter op diezelfde bladzij zegt: „Aber ein
-solches aufsteigendes Verfahren der transzendentalen Methode entbehrt
-noch immer der umfassenderen Begründung und spezielleren Durchbildung.”
-is slechts een bewijs te meer, dat Heymans’ „Gesetze und Elemente”,
-diens („analytische”) methode en diens resultaten, hem onbekend zijn
-gebleven.
-
-Ten aanzien van Kant’s „Phaenomenalismus” is hij ook hier nog bevangen
-in een algehele misvatting, die georiënteerd is aan, en zich terecht
-richt tegen, het gewaarwordings „idealisme” der
-bewustzijnsmaterialisten:
-
-Zijn „Setzung von Realem” is op de keper beschouwd niets anders dan
-Objectivering en zijn „naturwissenschaftlicher Realismus” niets dan
-Kant’s... „empirischer Realismus”, waarbij Külpe echter het subjekt der
-natuur, en dus de immanentie juist der objekten, miskent:
-
-„Der Phänomenalismus, in klassischer Form durch Kant vertreten, lehnt
-eine positive Beantwortung der beiden letzten Fragen ab” te weten: „Wie
-ist die Setzung von Realem möglich?” en „Ist eine Bestimmung von Realem
-zulässig?” (pp. 10–11). Hier zijn we reeds midden in Külpe’s
-verwarring. Want Kant fundeert en bepaalt juist de objectieve
-realiteit, in plaats van die te loochenen of te betwijfelen! En zelfs
-de „Darlegung der Kriterien, welche die realen Objekte auszeichnen”,
-door Külpe van de toekomst gevraagd, is reeds geleverd door Kant in
-zijn „Bedingungen möglicher Erfahrung”!
-
-Külpe’s objektivering zoekt, wat onafhankelik is „von uns”, „von dem
-ganzen erfahrenden Subjekt” (p. 13), een vage, van ’t spoor brengende
-term, die tot de subjectiviteit a.z., het Bewusstsein überhaupt, niet
-blijkt te reiken. Dat verwarrende woordgebruik! „Erfahrung ist in
-keinem ihrer für sich gegebenen Bestandteile etwas schlechthin Reales”
-zegt p. 20, en bedoelt de onloochenbare (Kantiaanse) waarheid:
-individueel beleven is niet (Kantiaanse) „Erfahrung”, is niet... iets
-objectiefs.—Het éne grote Kantiaanse begrip, dat Külpe ontbreekt (en
-dat wel blijkens de negéring of zelfs bespotting, die het gewoonlik
-ondervindt, héél moeilik schijnt te zijn), is dat van de
-kennistheoretiese „mogelikheid”: („mögliche Erfahrung”)—en haar
-subjekt! [263]
-
-Külpe heeft groot gelijk (pp. 20/21) „die empirischen
-Gesetzmässigkeiten der Naturwissenschaft”... „sind keine Beziehungen
-zwischen Sinnesinhalten”, „Sinnesinhalte haben keine meilenweiten
-Abstände und keine Lichtgeschwindigkeit, sie atmen und wachsen nicht”
-enz. enz. Of op p. 9: „Die Planeten sind keine Empfindungen oder
-Komplexe von solchen und die chemischen Elemente lassen sich
-ebensowenig mit den Inhalten unserer Sinneswahrnehmung zur Deckung
-bringen.”—Het is zelfs jammer, dat er nog „idealisten” zijn, tot wie de
-Külpe’s zulke dingen kunnen en moeten zeggen en die zich niet ontzien,
-„das grosse Wort von der Welt als unserer Vorstellung gelassen
-auszusprechen” (p. 37).—Met Külpe, zij het op andere (immers niet
-alleen empiries-realistiese, maar ook transcendentaal-idealistiese)
-gronden, kom ik op tegen het ijdel schermen met dit grote woord. Als
-het schijn-idealisties imitatorum pecus (ook ten onzent) Schopenhauer
-napapegaait: „Die Welt ist meine Vorstellung”, zondigt het 3 maal in
-énen tegen de kenniskritiek en tegen Schopenhauer’s wijsgerige
-bedoeling:
-
-1. Die „Welt” is niet de wereld (niet de werkelikheid, maar haar
-phaenomeen, de natuur);
-
-2. die „Vorstellung” is geen voorstelling (heeft met wiens voorstelling
-ook omtrent de wereld niets te maken, maar is mogelike waarnemings- of
-kennis-inhoud);
-
-3. dat „meine” is niet van mij (of u; noch ik noch énig individu is
-subjekt der natuur).
-
-Ik heb in de tekst uitvoerig—en zo duidelik mogelik—uitééngezet, dat de
-objekten geenszins individuele bewustzijnstoestanden zijn, maar
-mogelijke waarnemingsinhouden („Sinnesinhalte”); dat de objectieve,
-ruimtelike wereld „eine von Sinneswahrnehmung und Verstandestätigkeit
-unabhängig bestehende Welt” (p. 39) is, als men bedoelt, de
-Sinneswahrnehmung und Verstandestätigkeit van welk individu ook, maar
-dat deze wereld (dus ook die der „Energie”, der „Elektronen und
-Moleküle”, het heelal der astronomie zowel als het rijk der chemie)
-geheel en al afhankelik is van möglicher „Sinneswahrnehmung und
-Verstandestätigkeit”, louter een systeem van betrokkenheden op het
-subjekt der natuur.—Besluit dus p. 34: „dass hier [in den
-Realwissenschaften] eine grosse Mannigfaltigkeit von Realisierungen
-ausgeübt wird, die die phänomenalistischen Schranken rücksichtslos
-durchbrechen”, dan begrijpen wij tans, dat hier nergens de echte
-phänomenalistischen Schranken doorbroken worden. Uw „realiseren” en dat
-der ervaringswetenschappen, is slechts objectiveren, nooit en nergens
-transcenderen.—En objectiveren doet elk verstandig, altans elk
-Kantiaans, phaenomenalist.—„Nur wer an die Bestimmbarkeit einer realen
-Natur glaubt” (p. 38)... maar bij u wil „real” zeggen „objectiv”... en
-wie gelooft daaraan dan niet?
-
-„Der Konszientialismus und Phänomenalismus haben ihre Mission mehr als
-erfüllt”, zegt p. 39. Külpe zelf is een sprekend bewijs van het
-tegendeel.—Want ook zijn natuur-realisme blijft een
-dogmaties-metaphysies objectivisme, reeds wijl het objectieve voor hem
-de werkelikheid betekent—en dus... dit objectieve weer als de
-(transcendente) oorzaak der gewaarwordingen moet worden gedacht—al
-mijdt Külpe, nourri dans le sérail, behoedzaam deze term, en naar hij
-wil doen voorkomen zelfs deze opvatting, die de schijn zou wekken „als
-wenn sich aus den subjectiven Wirkungen auf die Beschaffenheit der
-objektiven Ursachen schliessen liesse” (p. 24). Dies spreekt hij zelf
-van „die erzwingenden Faktoren” (der „erzwungenen Relationen der
-Sinnesinhalte”) en van (de „Naturobjekte” als) „die Existenzbedingungen
-für die realisierten Beziehungen, die aufgenötigten Veränderungen in
-der Bewusstseinswirklichkeit.” „Das ist es, was wir meinen, wenn wir
-sie als deren Träger bezeichnen.”! (pp. 27–28). Voortaan gewaagt hij
-dus van „adäquaten Trägern” ... als hij die bovengenoemde „objektiven
-Ursachen” der individuele ervaringen bedoelt!—Deze nu hebben als
-zodanig voor hem de physiese (objectieve) eigenschappen.—Maar er
-„bleibt freilich ein Spielraum für die Bestimmung dieser Träger”, we
-hebben geen volledige objektenkennis, zodat „das Ziel der Realisierung
-in der Unendlichkeit liegt” (p. 28) en dus... mag de metaphysica op die
-Spielraum zich vermaken! Dat de echte metaphysica juist van de
-objektseigenschappen en van heel het terrein der natuurobjekten heeft
-af te blijven, uitsluitend geldt voor en zich bezig houdt met, het
-transobjektieve, met het Reale of Substratum der objekten, met de
-oorzaken dus en niet met de derivaten onzer gewaarwordingen, en dat dan
-ook een metaphysiese theorie als b.v. het Psychisme, ’t zij van Fechner
-of Berkeley, van Schopenhauer of van Heymans, heel iets anders is dan
-uw naturalistiese Lückenbüsser, dan uw nog-niet-natuurwetenschappelik
-asylum ignorantiae,—van dat alles zou uw Naturalisme alleen door
-kennisleerverdieping begrip en inzicht kunnen krijgen.—Mocht het Külpe
-alsnog gelukken, het terrein der kennisleer zelf even goed te leren
-kennen, als hij het mooi heeft afgebakend van dat der natuurwetenschap,
-zo in zijn slotzin, die ik met instemming citeer:
-
-„Dort ist die Natur der Gegenstand, hier die Wissenschaft von ihr;
-Erkenntnis wird dort geschaffen, hier bloss begriffen.”
-
-Aan Külpe na verwant is de hem opgedragen „Einführung in die
-Erkenntnistheorie” van Prof. Dr. August Messer, wiens zich „Kritischer
-Realismus” noemend materie-realisme niet inziet, hoe het onverbiddelik,
-juist ten aanzien van die „objectiven Reize” (p. 58), als een „das
-Bewusstsein selbst Bedingendes” (Stumpf), impliceert „die naive
-Ansicht, dass die Wahrnehmung ein lediglich passives Aufnehmen und
-Abspiegeln der Dinge sei”, trots de „gewisse Aktivität”, die aan de
-gewaarwording wordt toegekend, noch inziet hoe de ware
-tegenstelling—productie of reproductie—miskend wordt door de bejegening
-van het „rein subjectiv” der Idealisten met een „Es liegt ja doch nicht
-in unserem Belieben....” etc. (p. 59).—Zo strijdt hij tegen de
-windmolens van „Der subjective Idealismus” (Hoofdstuk 5), een leer, die
-geen objekten, maar slechts voorstellingen van objekten zou erkennen
-(staaltje: „Es existiert nicht Sonne und Mond, nicht Deutschland und
-Amerika, nicht Kaiser und Papst, auch nicht das Papier, auf dem ich
-hier schreibe, und nicht meine Hand, die da schreibt, sondern nur meine
-Vorstellung von allem dem ist wirklich.” p. 67. Zulk een rampzalig
-„idealist”, als Messer en consorten telkens te pakken hebben, kan ik
-maar nooit te zien krijgen) en dicht aan de werkelike, echte
-bewustzijnsimmanentie van al het gegevene, aan het „innerhalb unseres
-Bewusstseins” (p. 74) de fout toe, „dass wir uns das Bewusstsein als
-räumliche Sphäre versinnlichten”, al krabbelt hij weer half terug door
-later (p. 84) te gewagen van „jener sozusagen [!] räumlichen Auffassung
-des Bewusstseins”!—Ook door Messer wordt het „Bewusstsein überhaupt”
-evenmin begrepen, als de daarvan afhankelike kennistheoretiese
-„mogelikheid”; het wordt misduid tot subjekt van „alles, was Gegenstand
-unseres Denkens und Wissens werden kann” (p. 80), waardoor elk inzicht
-onmogelik wordt, hoe wèl de natuur, maar geenszins de geest afhankelik
-is van het subject van mogelike waarneming, zodat wij t.o.v. „den
-Unterschied zwischen Psychischem und Physischem” (ibid.) het dualisties
-of materialisties realisme van een Messer of een Stumpf minder „gelijk
-geven” dan wel weerleggen en daarmee verstoren Messer’s vredige waan,
-dat trots die „subjectiviteit” der objecten, die afhankelikheid van het
-„Bewusstsein überhaupt” .... „im Grunde alles beim alten bleibt; denn
-im wirklichen Denken werden wir jenes ‚Vorzeichen’, da es ja allen
-Gegenständen zukommen soll und mithin zu ihrer Unterscheidung nichts
-beiträgt, einfach weglassen, und wir sind dann wieder beim Realismus.”
-(p. 80/81). Denk- en voorstellings-„idealisten” moeten zich dat „wir”
-laten welgevallen, Rickert en Münsterberg en Natorp, zo goed als heel
-het idealisties-vertaalde, zich „immanent” of „empiriokrities” (bij
-Verworn zelfs „Psychomonismus”!) noemende materialisme,—wij blijven er
-buiten!
-
-Een mislukking, soortgelijk en geestverwant aan die van Külpe, is ook
-Messer’s kritiek op Kant, zijn „Kritik des Phänomenalismus” (Hoofdstuk
-6, § 2) en daarbij zijn aanval op Kant’s „Problemstellung selbst”,
-waaromtrent hier de vermelding volsta, dat de meetkunde voor Messer
-weer eens analyties is, op vrije definities berust: „In letzter Linie
-gründet sie also doch auf dem Satz des Widerspruchs”!
-
-En wat ten slotte de laatst-behandelde richting betreft, „Der
-transzendental-logische Idealismus” (Hoofdstuk 7) speciaal van Cohen,
-Messer voelt zelf blijkbaar (p. 112/3 jo. 195) wel, dat deze eigenlik
-buiten zijn denkbereik ligt. Op p. 111 b.v. vergeet hij al na enkele
-regels, dat het subjekt der natuur een (inderdaad even „abstrakt” als
-„onwerkelik”) „unpersönliches Bewusstsein” is, in plaats van „die
-ionischen Naturphilosophen und Aristoteles, Ptolemäus und Kopernikus,
-Galilei und Newton”, het universele subjekt immers van die onhandelbare
-„waarnemingsmogelikheden”, waartoe Röntgenstralen en radium wel ter
-dege behoorden, ook „ehe sie entdeckt wurden” (p. 112), dit subjekt,
-dat het logiese prius is en blijft van de natuurdingen, die dus evenmin
-„Begriffe” zijn (wat we hartgrondig „toegeven”) als „an sich
-existierende Realitäten” (p. 112), onverschillig of „die Denkweise
-unserer Naturforscher” dat „transcendentale” prius van hun objekten en
-derzelver immanentie bij uitzondering eens bereikt en belijdt dan wel
-naar de trant verwaarloost en verloochent.
-
-Messer kan dus evenmin zijn lezers als zich zelf het dogmaties realisme
-te boven brengen. Ja, het fundamentele kennisleer-probleem, de
-anti-dogmatiese vraag naar recht en oorsprong juist van de synthetiese
-„Voraussetzungen” aller wetenschap, wordt door Messer’s vrijwel
-vóórkantiese onverdrotenheid totaal verdonkeremaand (vgk. nog pp.
-36–39, b.v. dat onvergeeflike „nur eine Voraussetzung” van p. 38 en
-„Wir mussen darum voraussetzen....” van p. 130!). Zulk een „Inleiding”
-(in de Vjschr. f. wissensch. Philosophie u. Soziologie geprezen als
-„die beste einführende Schrift in die Erkenntnistheorie, die Ref.
-kennt”) is dan ook gevaarliker dan geen inleiding, te meer wanneer „sie
-noch durch grosse Klarheit und Übersichtlichkeit hervorragt” en door
-echt-wetenschappelike eenvoud en waarheidsliefde sympathie wekt.
-
-
-
-42: p. 106. „Das Problem des Wirkens und die monistische
-Weltanschauung.”.
-
-W. is een type van het dualisties realisme, dat gedoemd is vóór Kant te
-blijven staan,—met al de problemen en onoplosbaarheden van een
-filosoferend niet-filosoof. Tegen psychisme en monisme (en dus tegen de
-krities-parallelistiese bestrijding van de Wechselwirkung, van
-„influxus” tussen physis en psyche), vooral tegen de object-immanentie,
-vinden we hier het kenmerkend common-sense-misverstand. (Vgk. de noot,
-p. 63 en 64:... „dass die Naturwissenschaft sich bloss [!] mit
-Erscheinungen im Kantischen Sinne beschäftige” ... „diese
-Interpretation ist eine gänzlich irrige; sie ist eine Verdrehung des
-wahren Sinnes der naturwissenschaftlichen Forschung” ... „Denn die
-Atome und ihre Bewegungen, die der Naturforscher den Erscheinungen als
-ihre [!] Ursache zu Grunde legt, sind ja keine [!] Erscheinungen, keine
-Thatsachen der Erfahrung, sondern gehören zur transcendenten, in der
-Erfahrung nicht gegebenen, sondern mit ihr kausal zusammenhängenden
-Sphäre des unabhängig vom Bewusstsein Seienden.” enz. enz., met
-passende verwijzing naar Hartmann’s Kategorienlehre).
-
-Er zijn 2 soort substanties, atomen en zielen.
-Verhouding?—„Wechselwirkung” ... met ongeldigheid van het Prinzip der
-Erhaltung der Energie... en „intensives” (statt „extensives”) Wirken
-der Atome... („die Intensivität ist jedem Wirken” ... ook „als” het
-extensieve er „bij komt” ... „eigentümlich”) ... een soort
-„Innerlichkeit”, die toch zuiver ruimtelik, plaatselik in die
-atoomsystemen gedacht is: (p. 143) „Auf Grund dieser Beziehung [sc.
-rein intensiver Natur, van ziel tot hersenen] wird im betreffenden
-dynamischen System der Atome ... eine bestimmte Veränderung
-hervorgerufen, welche nunmehr durch die Wechselwirkung der Atome... in
-der Form einer bestimmt gearteten Bewegung sich weiter fortsetzt.”
-
-Al uw intensiteit helpt u dus geen zier. En de atomen zijn „die
-materielle Grundlage” für das Seelenleben!—En die psychiese Substantie
-ontstaat en vergaat, en leeft „in innigem Zusammenhang mit dem
-organischen Körper” (wiens atomen onvergankelik zijn), welk ontstaan en
-te niet gaan hem een van zijn talrijke, dogmatiese, „ignorabimus”
-ontlokt.
-
-Dualisties vitalisme naast en tegenover realisties mechanisme: p. 168:
-„dass das Wesen der Lebensprocesse nicht auf mechanisch wirkenden,
-sondern auf zweckwirkenden, planmässig ordnenden und gestaltenden
-organischen Kräften beruht.”
-
-Het is een ware verademing over al de zodanige „Unbegreiflichkeiten”
-heen te zijn,... uitsluitend door die eenvoudige natuur- en
-ruimte-kritiek. Zonder deze gaat het, zoals de onlangs overleden Möbius
-ergens terecht opmerkt: „Zwischen der Absurdität des Materialismus
-einerseits und der Absurdität des influxus physicus andererseits
-schwankt heute die Masse der Gebildeten hin und her.”
-
-
-
-43: p. 106. Van zijn ruimteleer volgen hier nog enkele specimina: p.
-146 ss.: „Es giebt zwar in Wirklichkeit Körper, als räumlich
-ausgedehnte Massen, aber diese Körper sind nicht Substanzen, im wahren,
-ontologischen Sinne des Begriffs, sondern—was [?!] schon Leibniz gegen
-Descartes vollkommen richtig betont hat—aus Substanzen, d.h. [?!] aus
-Atomen, bestehende und zusammengesetzte Composita, und die Ausdehnung,
-die Räumlichkeit ist nicht ein Attribut, eine dauernde Bestimmtheit
-dieser Composita, sondern das Produkt aus den dynamischen
-Wechselbeziehungen zwischen den Substanzen, welche die Körper
-zusammensetzen, das Ergebnis der Relationen zwischen den bewegenden
-Kräften der Atome. Den Atomen selbst, als den elementaren Bestandteilen
-der Materie, kommt die Extension, die Räumlichkeit, nicht als
-Bestimmung zu: die Atome sind unräumliche [!] Zentren bewegender Kräfte
-und haben als Substanzen, als reale Mittelpunkte ein- und ausgehender
-Wirkungen, mit dem Raume nichts zu thun.”
-
-W. kan zich hier de portée van zijn eigen woorden niet bewust zijn.
-Immers, òf hij bedoelt de atomen der natuurwetenschap, die, zelfs al
-waren zij mathematiese punten, des neen, nog ruimtelik zouden zijn,
-hoeveel te meer, nu zij afmetingen hebben, en die in elk geval ergens,
-dus plaatselik, in de ruimte, worden gedacht, ook, zijns ondanks, door
-W.—òf hij bedoelt iets als Leibniz’ monaden; die zijn onruimtelik,—maar
-precies even on-physies, en nimmer elementen der.... materie.
-
-W. bedoelt echter de gewone, zich bewegende, ergo ruimtelike atomen:
-„Indem die Atome einander gegenseitig anziehen bezw. abstossen, also
-sich bewegen, erzeugen sie durch diese gegenseitige Anziehung bezw.
-Abstossung, also durch ihre Bewegung, die Extension, die Räumlichkeit,
-als eine der beiden Formen, in welchen die Bewegung sich vollzieht. Aus
-[!] der Wechselwirkung zwischen den bewegenden Kräften der Atome, aus
-der gegenseitigen Attraktion bezw. Repulsion derselben, resultiert [!]
-die Ausdehnung, der Raum. Denken wir uns, dass in Wirklichkeit nur ein
-einziges Atom existiert, und denken wir uns dieses Atom als in Bewegung
-begriffen [een kluifje voor een bewegingsrelativist! [264]],—eine
-offenbare Fiktion, weil etwas derartiges in Wirklichkeit nicht
-vorkommt—: so würde aus der Bewegung dieses Atoms kein wirklicher Raum
-entstehen.”
-
-Een beweging dus ... zonder ruimte, zonder plaatsverschil ... wie dat
-denken kan, staat boven mijn bereik. Jammer dat W. ons de definitie van
-deze „beweging” heeft onthouden.
-
-Het wordt echter nog fraaier: er moeten, behalve afstotende ook
-aantrekkende krachten zijn; immers anders „würden die Atome absolut
-auseinanderfallen, ins Unendliche sich verflüchtigen, woraus kein
-wirklicher Raum sich ergeben könnte, weil diese absolute Zerstreuung
-seiender Substanzen einen offenbaren Widersinn bedeutet und in
-Wirklichkeit gar nicht stattfinden kann.”
-
-Einen offenbaren Widersinn zie ik alleen in een ruimteloos
-„auseinanderfallen”.
-
-... „Der wirkliche Raum ist nämlich ein erfüllter Raum; der leere Raum
-ist nur eine Abstraktion und bedeutet nichts Wirkliches”. Dat de ledige
-ruimte „nichts Wirkliches bedeutet”, voelt dus zelfs een ruimterealist.
-Maar wie van een „gevulde ruimte” gewaagt, onderscheidt reeds eo ipso
-het vulsel van ... de (ledige) ruimte! Maar van deze laatste wil nu
-eenmaal dit realisme niet weten—omdat het er geen weg mee weet.
-
-„Wo die Welt aufhört, wo es keine Substanzen giebt, die durch
-Beziehungen zwischen ihren bewegenden Kräften die Extension erzeugen,
-da hört auch der wirkliche Raum auf. Der leere Raum ist Nichts”...
-
-Men erkent enkel „ruimtelikheid” als (reële) eigenschap van (reële)
-beweging of lichamen, verhaspelt die met de ruimte zelf, van welke men
-niet wil weten, vergetend dat deze, naar Kant’s 1e argument, reeds de
-vooronderstelling, de bestaansvoorwaarde is van gene (zie boven de
-tekst hieromtrent).
-
-Dezelfde fout maakt de infra-Leibniziaanse (p. 79)
-diepzinnig-materialistiese (pp. 94/5, 122/3, 125/6) quasi-criticus
-Lachelier „Du Fondement de l’Induction” (voor wie, goeddogmaties, ’t
-licht een duistere waarneming van beweging is! p. 57/8) op pp. 46 en
-84, in „des termes ... empruntés à la langue de Kant”! (p. 82), het
-enige helaas, wat hij van Kant geleend en geleerd heeft. De 3e afmeting
-is „un produit spontané de notre pensée” ... „nous ne percevons ni
-directement, ni indirectement, la profondeur: nous croyons simplement
-qu’elle existe!” Grond? „parce que nous attribuons aux objets
-extérieurs une existence absolue et indépendante de la nôtre.” (p.
-152/3).
-
-Dit geloof is z’n fundering waard.
-
-Zijn „dialectique vivante” komt via idée, beauté, volonté, liberté,
-l’être absolu, force, raison, spontanéité absolue, forme, finalité,
-profondément, principes, déduction, définies à priori, acte absolu, la
-pensée en elle-même, la vérité en soi,—le spiritualisme, la
-métaphysique, la conscience intellectuelle, en soi et aux yeux de la
-pure raison, causes finales, harmonie ... etc., tot een soort van „pure
-affirmation de soi” ... en geeft op de koop toe „l’intuition des choses
-en soi”! Een en ander, wel te verstaan, „à proprement parler”, „en
-quelque sorte”, „pour ainsi parler”, „par manière de dire”! Vroom en
-diep, om zo te zeggen, dat zoeken en tasten, als het ware! Maar ik haat
-zulk zeggend niet-zeggen. Het ware heeft geen gevaarliker vijand dan
-als het ware.
-
-
-
-44: p. 111. Deze mijn uiteenzetting der laatste en volgende bladzijden
-richt zich dus tevens, zover nodig, tegen Dr. Felix Gross, „‚Form’ und
-‚Materie’ der transcendentalen Aesthetik” 1910, die, m.i. ten onrechte,
-Kant denkt te verbeteren door specifieke ruimte- en tijdgewaarwordingen
-aan te nemen, die tot de „Materie” des Erkennens zouden behoren,
-terwijl de „Form” uitsluitend verstandswerk zou zijn (vgk. de volgende
-noot aang. Hegel over Kant) en die, zeer zeker zonder recht, zijn
-opvatting van de ruimte als zelve gewaarwording, ja zelfs gewaarwording
-van ... beweging of van met beweging verbonden apperceptie,...
-vereenzelvigt met Heymans’ leer van de ruimte als „vorm” van de
-bewegingszin: p. 64/65:
-
-... „die Raum- und Zeitempfindungen. Wir definierten sie oben als
-unmittelbare Empfindungen einer physischen und psychischen Tätigkeit
-des Verstandes. Alle Empfindungen und Gefühle werden vom Verstande
-durch seine Apperzeption zu einer Anschauung verbunden; das Empfinden
-dieser Apperzeptionstätigkeit ist die Zeit. Alle äusseren
-Sinnesempfindungen werden vom Verstande durch eine Apperzeption zur
-Anschauung verbunden, welche mit gewissen Muskelbewegungen verbunden
-ist, die notwendig sind, diese Empfindungen zu ‚durchlaufen’ (man denke
-nur an die Blickbewegungen!); die Empfindung dieser mit
-Muskelbewegungen verbundenen Apperzeptionstätigkeit ist der Raum.” Op
-p. 48/49 zelfs: „Wie die Raumempfindungen ein unmittelbares (wir wissen
-noch nicht wie physiologisch vermitteltes) Gewahrwerden der
-körperlichen (Bewegungs) Tätigkeit, so ist die Zeitempfindung ein
-unmittelbares Gewahrwerden der geistigen Tätigkeit.”
-
-Wanneer deze Dr. Gross nu op p. 50 verklaart: „Heymans steht in der
-Frage des Raumes ganz dort wo ich stehe, in der Frage der Zeit scheint
-er meine Theorie zu verlangen, ohne sie noch geben zu können”, dan
-lijkt mij ook de eerste helft van deze zin ijdel... Gross-sprecherei.
-
-
-
-45: p. 111. Reeds uit één zinnetje van de §§, die Hegel aan de
-„Kritische Philosophie” wijdt, valt op te maken, hoeveel Hegel van
-deze, dus van Kant, begrepen heeft: § 42 Zus. 3: „Seine [Kant’s]
-Philosophie ist subjectiver Idealismus, insofern Ich (das erkennende
-Subjekt) sowohl die Form als auch den Stoff des Erkennens liefere—jene
-als denkend und diesen als empfindend!”
-
-De volgende zin oordeelt nu: „Nach dem Inhalt dieses subjektiven
-Idealismus ist in der That nicht die Hand umzukehren.” Blijkbaar kende
-Hegel die „inhoud” slechts in even triviale misvatting als hij had van
-Kant’s „subjectief idealisme”.
-
-In § 48 wordt zelfs Kant’s even geniale als kritiese
-antinomie-oplossing tot een trivialiteit verhegeld: „So tief dieser
-Gesichtspunkt ist [sc. naar Hegel Kant „vertaalt” „dass der
-Widerspruch, der am Vernünftigen durch die Verstandesbestimmungen
-gesetzt wird, wesentlich und notwendig ist”], so trivial ist die
-Auflösung; sie besteht nur in einer Zärtlichkeit für die weltlichen
-Dinge. Das weltliche Wesen soll es nicht sein, welches den Makel des
-Widerspruchs an ihm habe, sondern derselbe nur der denkenden Vernunft,
-dem Wesen des Geistes zukommen.”
-
-In welke verhouding Hegel tot Kant staat en Hegelarij tot Kriticisme,
-speciaal ten aanzien der „antinomie”, het punctum saliens der
-„dialektiek”, daarover te gelegener tijd zo nodig nader.
-
-Hier volsta het volgende: Wanneer men weet, dat voor Kant alle
-antinomie a.z. berust op de geldigheid van het principium
-contradictionis et exclusi tertii, dat het bewijs, zowel van thesis als
-van anti-thesis op dat beginsel gegrond is, dat de „Dialektik” voor
-Kant dan ook, terecht, niets anders is dan een onvermijdelike maar
-bedrieglike schijn, die hij als zodanig kenniskrities ontmaskert, om „zu
-verhüten, dass er nicht betrüge” (een schijn dus, in z’n
-onophefbaarheid en bedrieglikheid, maar theoretiese verklaarbaarheid
-volkomen analoog aan de ruimte-illusie van een spiegelbeeld), een
-schijn immers, „der selbst, wenn man nicht mehr durch ihn hintergangen
-wird, noch immer täuscht, obschon nicht betrügt, und also zwar
-unschädlich gemacht, aber niemals vertilgt werden kann.” (K. d. r. V.
-p. 350);—wanneer men nagaat hoe voor Kant de „Ideen der reinen
-Vernunft” „nur durch Missverstand und Unbehutsamkeit dialektisch
-werden” (K. d. r. V. p. 527) en leest: „Denn darin besteht eben das
-logische Merkmal der Unmöglichkeit eines Begriffs, dass unter desselben
-Voraussetzung zwei widersprechende Sätze zugleich falsch [of waar] sein
-würden, mithin, weil kein drittes zwischen ihnen gedacht werden kann,
-durch jenen Begriff gar nichts gedacht wird.” (Proleg. § 52b) en
-vervolgens (K. d. r. V. p. 412): „dass die obigen Beweise der
-vierfachen Antinomie nicht Blendwerke, sondern gründlich waren, unter
-der Voraussetzung nämlich: dass Erscheinungen oder eine Sinnenwelt die
-sie insgesammt in sich begreift, Dinge an sich selbst wären. Der
-Widerstreit der daraus gezogenen Sätze entdeckt aber, dass in der
-Voraussetzung eine Falschheit liege”, zodat de antinomie tot indirect
-bewijs en bevestiging wordt van de object-immanentie: „Man kann... aus
-dieser Antinomie einen wahren... kritischen und doctrinalen Nutzen
-ziehen: nämlich die transcendentale Idealität der Erscheinungen dadurch
-indirect zu beweisen, wenn Jemand etwa an dem directen Beweise in der
-transcendentalen Aesthetik nicht genug hätte”;—wanneer men dit alles
-weet en bedenkt, dan begrijpt men, hoeveel Hegel’s bovengeciteerde
-trivialiteit met Kant te maken heeft; hoeveel van Kant begrepen heeft,
-wie schrijven durft (in diezelfde § 48, Zus.) „Gleichwohl [al zijn
-Kant’s bewijzen „blosse Scheinbeweise”!] besitzt die Aufstellung dieser
-Antinomien in sofern immer ein sehr wichtiges und anerkennenswertes
-Resultat der kritischen Philosophie, als dadurch (wenn auch zunächst
-nur subjectiv und unmittelbar) die thatsächliche Einheit jener
-Bestimmungen ausgesprochen ist, welche vom Verstand in ihrer Trennung
-festgehalten werden. So ist z.B. in der ersten der vorher erwähnten
-kosmologischen Antinomien dies enthalten, dass der Raum und die Zeit
-nicht nur als kontinuierlich, sondern auch als diskret zu betrachten
-sind...” (natuurlik zijn ruimte en tijd voor Kant, als voor ieder
-redelik mens, „quanta continua” en dus niet diskreet, vgk. K. d. r. V.
-p. 165); dan vat men hoeveel Unverfrorenheit er nodig is om (in § 81
-Zus. 1) leukweg op te merken: „In der neueren Zeit ist es vornehmlich
-Kant gewesen, der die Dialektik wieder in Erinnerung gebracht und
-dieselbe aufs Neue in ihre Würde eingesetzt hat, und zwar durch die
-bereits (§ 48) besprochene Durchführung der sogenannten Antinomien der
-Vernunft” ... en met hoeveel recht ten slotte zich op een Kant beroept,
-wie die „bedrieglike schijn” voor de waarheid uitgeeft en de dialektiek
-of „Logik des Scheins” als „methode” „gleichsam wie ein Organon zur
-wirklichen Hervorbringung wenigstens des Blendwerks von objectiven
-Behauptungen gebraucht”, een onderneming, waarvan ten volle geldt, wat
-Kant opmerkt van de door hem gewraakte „dialektiek”, zij moet „auf
-nichts als Geschwätzigkeit hinauslaufen, alles, was man will mit
-einigem Schein zu behaupten, oder auch nach Belieben anzufechten.” (K.
-d. r. V. p. 84).
-
-Hier volge tevens een enkele opmerking over de bladzijden (988–1030),
-die Kant zich moet laten welgevallen in Hegel’s Geschichte der
-Philosophie (uitg. Bolland), bladzijden, die in schaamteloosheid van
-oordeel zonder begrip zelfs bij Hegel—en dat wil wat zeggen, om met
-Schopenhauer te spreken—hun weerga moeten zoeken, bladzijden waarover
-zelfs een Hegel—a. b.—zich diep zou schamen, kon hij ze lezen.... in
-het licht van Kantse kritiek.—Het lust mij niet, er meer dan de nodige
-proefjes van te geven:
-
-Beginnen we met de synth. oordelen a priori. Hegel ziet hier het
-Kantisme als volgt (991): We „verlangen” algemeenheid en
-noodwendigheid. Maar ze zijn „nicht in der ‚Wahrnehmung’ anzutreffen”,
-niet „in den äusseren Dingen selbst ‚vorhanden’”. „Aber wenn nun
-Allgemeinheit und Notwendigkeit nicht in den äusseren Dingen sind, so
-ist die Frage: Wo sind sie zu finden? Hier sagt Kant dann gegen Hume,
-sie müssen ‚a priori’ sein, d.h. [sic!] in der Vernunft selbst liegen,
-in dem Denken [!] als selbstbewusster Vernunft; ihre Quelle sei das
-Subject, ‚Ich’ in meinem Selbstbewusstsein”.—Zo is dan het objectieve
-dogmatisme „der Verstandesmetaphysik” „nur in einen subjectiven
-Dogmatismus, d.h. in ein Bewusstsein, in welchem dieselben endlichen
-Verstandesbestimmungen bestehen, übersetzt”. En zo leutert dan p. 993:
-„Das Denken nennt [!] Kant.... die synthesierende Tätigkeit, und er
-stellt die Frage der Philosophie daher [!] auch so: ‚Wie sind
-synthetische Urteile a priori möglich?’”... [let nu wel:] „Synthetische
-Urteile a priori sind nichts anderes als ein ‚Zusammenhang des
-Entgegengesetzten durch sich selbst’ [!], oder der absolute Begriff
-[!], d.h. nicht durch Erfahrung, sondern durch das Denken [!] gegebene
-‚Beziehungen unterschiedener Bestimmungen’, wie ‚Ursach und Wirkung’ u.
-s. f. Ebenso [!] sind Raum und Zeit das Verbindende; sie sind also [!]
-‚a priori’, d.h. [!] im Selbstbewusstsein.” Ge moet Kant en de
-betekenis van zijn kritiese vraagstelling en oplossing begrijpen om te
-beseffen, wat voor „kaf en draf” Hegel’s voorstelling maakt van Kant’s
-wijsheid. Daar zegt hij dan van op de volgende pagina: „Die Idee, die
-darin liegt, ist gross [zó groot, dat ze niet alleen Hegel’s bevatting,
-maar heel de Hegelarij te boven gaat], erhält aber andererseits [van de
-kant van Hegel nl.] wieder einen ganz gemeinen Sinn, denn die
-Ausführung selbst bleibt innerhalb ganz roher, empirischer Ansichten
-und kann auf nichts weniger Anspruch machen als auf
-Wissenschaftlichkeit [!] der Form. Es ist ein Mangel an philosophischer
-[!] Abstraction in der Darstellung vorhanden und in gemeinster Weise
-gesprochen [volkomen juist], und von der barbarischen Terminologie
-nicht weiter zu sprechen, bleibt Kant innerhalb der [!]
-‚psychologischen’ Ansicht und ‚empirischen’ Manier [foei]
-eingeschlossen.”
-
-Op Kant’s door mij in de tekst verklaarde fijnkritiese opmerking „Der
-Raum ist kein ‚empirischer Begriff’, der von äusseren Erfahrungen
-abgezogen worden” antwoordt Hegel (997) plompverloren: „Ueberhaupt ist
-aber der [!], ‚Begriff’ nichts ‚Empirisches’; in solchen barbarischen
-Formen spricht Kant jedoch beständig.”—Wat volgt is van even hoog
-gehalte, gelijk p. 958 van de meetkunde-axioma’s zowel als van de
-rekenkundige stellingen doceert: „Alle diese Sätze sind jedoch ‚sehr
-[meer of minder!] analytisch’[!]”. Echt-hegeliaans, dus echt-dogmaties,
-methodies-onwetenschappelik, is dan het bekende verwijt op bl. 1001:
-„Kant nimmt also die Kategorien empirisch auf, ohne daran zu denken,
-aus der Einheit diese Unterschiede mit Notwendigkeit zu entwickeln.
-Ebensowenig deduciert [!] Kant Raum und Zeit [zoals Hegel b.v. de 3
-afmetingen der ruimte „aus der Natur des Begriffs” „deduciert” al is de
-ruimte „seinem Begriffe nicht angemessen”, zodat „der Begriff des
-Raumes selbst”.... „in der Materie sich Existenz verschafft”, gelijk
-ook de beweging der planeten aldus „dialektisch” te deduceren is: „Ein
-Planet steht jetzt an diesem Ort, ist aber an sich, dies auch an einem
-anderen Ort zu sein, und bringt dies sein Anderssein zur Existenz
-dadurch, dass er sich bewegt.” Dat is eerst het ware, wijze
-bovenondervindelike „Verfahren”!]: sie sind gleichfalls aus der
-Erfahrung ‚aufgenommen’—ein ganz unphilosophisches, unberechtigtes
-Verfahren.” Onwijsgerige methode? Niet eens wijsbegeerte... die van
-Kant, met haar „philisterhafte Vorstellung” (bl. 1028) die „von
-‚unserem menschlichen’ Erkenntnisvermögen ausgeht”.... en met haar „Wir
-erlernen nur Erscheinungen”, waardoor „unter den Menschen eitel Freude
-gewesen, weil die Faulheit der Vernunft, gottlob, von allen
-Anforderungen des Nachdenkens sich entbunden meinte, und nun, da das
-Insichgehen, das in die Tiefe der Natur und des Geistes Steigen erspart
-war [sic], es sich wohl sein lassen konnte.” Kortom.... „Trostlose Zeit
-für dir Wahrheit, wo vorbei ist alle Metaphysik, und nur eine
-Philosophie gilt, die keine ist!”—Maar het wordt nòg erger. Immers,
-naar Prof. Hegel’s begrip bedeelt Kant’s filosofie, die geen filosofie
-is, de geest, het hoogste, met.... „Zerrüttung, Verrücktheit in sich
-selbst”! Gelooft gij ’t niet? Lees dan bl. 1011, over Kant’s
-antinomie-oplossing (en zo voltooien wij de kringloop van deze
-Opmerking over Hegel’s Kant-begrip!): „Kant zeigt hier jedoch zu viel
-‚Zärtlichkeit’ für die—Dinge: es wäre ‚Schade’, wenn ‚sie’ sich
-widersprächen; dass aber der Geist, das Höchste, der Widerspruch ist,
-das soll ‚kein’ Schade sein. Der Widerspruch ist also von Kant gar
-nicht aufgelöst, und da der Geist ihn auf sich nimmt, das
-Widersprechende aber sich zerstört [juist], so ist der Geist
-Zerrüttung, Verrücktheit in sich selbst.”
-
-Na deze taal van Zerrüttung en Verrücktheit de „Widerspruch” van Kant’s
-geest, Kant’s zuivere rede: „Die Ideen der reinen Vernunft können
-nimmermehr an sich selbst dialektisch sein, sondern ihr blosser
-Missbrauch muss es allein machen, dass uns von ihnen ein trüglicher
-Schein entspringt; denn sie sind uns durch die Natur unserer Vernunft
-aufgegeben und dieser oberste Gerichtshof aller Rechte und Ansprüche
-unserer Speculation kann unmöglich selbst ursprüngliche Täuschungen und
-Blendwerke enthalten.” (K. d. r. V. p. 520).
-
-En hoffelik laat Kant aan zijn referent en docent Hegel het laatste
-woord: „Die Pflicht, das Geschwätz zurückzuhalten, kann man überhaupt
-sagen, ist eine wesentliche Bedingung für jede Bildung und jedes
-Lernen; man muss damit anfangen, Gedanken Anderer auffassen zu können
-und auf eigene Vorstellungen Verzicht zu leisten.” (Gesch. d. Philos.,
-p. 157).
-
-
-
-46: p. 114. Zo vindt men tegenwoordig soms in elementaire
-natuurkundeboekjes ruimte en tijd eenvoudig even gedefinieerd als Form
-des äusseren und des inneren Sinnes! De schrijver moest eens weten, wat
-hij met deze termen (vooral die „innere Sinn”!) belijdt!
-
-Een heerlik voorbeeld is de voorzichtige Prof. Felix Auerbach in z’n
-keurig-oriënterend geschrift: „Die Grundbegriffe der modernen
-Naturlehre” Hij is niet zo „radikal”, de vlinders der „sogenannten
-Geisteswissenschaft” onder de hoed der „natuurwetenschap” te willen
-vangen. Waarom niet?... omdat het „geradezu schädlich ist, Gebiete zu
-annektieren, die man nicht mit Erfolg bewirtschaften kann, weil sie zu
-weit abseits liegen oder weil man sich auf ihrem Boden nicht heimisch
-fühlt... So wollen wir... uns beschränken auf die eigentliche... auf
-die exakte Naturwissenschaft, d.h. auf dasjenige Gebiet resp.
-diejenigen Erscheinungsformen, die auf einem sicheren Grunde ruhen [!],
-deren treibende Prinzipien man exakt d.h. begriffsicher und
-zahlenmässig angeben kann.”
-
-Na deze van beschränkte exaktheid getuigende exakte Beschränkung (cf.
-b.v. logica en wiskunde),—die op pag. 100 nog even dienst doet om met
-kritiese (of kritieke?) voorzichtigheid de vóórmiddeleeuwse mogelikheid
-open te houden van uit-niets-ontstaan en te-niet-gaan van materie: „Der
-Satz von der Erhaltung des Stoffes... besagt: Vorgänge, bei denen etwa
-Materie erschaffen oder vernichtet wird, gehören nicht in das Gebiet
-der Naturwissenschaft...”! „Für den Naturforscher besteht sonach die
-Welt [!] von jeher, sie wird stets bestehen bleiben immer mit derselben
-Gesamtsumme von Materie; eine etwa früher [!] stattgehabte Erschaffung
-der Welt und ebenso ein etwa bevorstehender Weltuntergang liegen
-ausserhalb seines Arbeitsgebietes.”—na deze gebiedsafbakening dan zegt
-Prof. op p. 3 met het onschuldigste gezicht van de wereld: „Unter allen
-im Laufe der Jahrtausende von Philosophen gegebenen Definitionen von
-Raum und Zeit sind für den Naturforscher zweifellos am brauchbarsten
-[ik cursiveer voor de grap] diejenigen, welche von dem grossen
-Königsberger Philosophen Immanuel Kant vor fast anderthalb
-Jahrhunderten aufgestellt worden sind und welche lauten: Der Raum ist
-die Form unserer äusseren Anschauung, die Zeit die Form unserer inneren
-Anschauung [dus niet der äusseren?!]. Damit haben wir zwei unserer
-fundamentalen Begriffe gewonnen: Raum und Zeit”...
-
-„Damit” hebt ge alleen getoond, dat zelfs de wijsgerige termen behoren
-tot die terreinen, waarvan uw woorden gelden „dass es nicht nur nutzlos
-sondern geradezu schädlich ist, Gebiete zu annektieren, die man nicht
-mit Erfolg bewirtschaften kann, weil sie zu weit abseits liegen oder
-weil man sich auf ihrem Boden nicht heimisch fühlt”!
-
-Ik ontken niet, en dat klokje zal Prof. hebben horen luiden, dat Kant’s
-ruimteleer (de tijdkritiek staat boven deze kwestie) voor de
-natuurwetenschap de bruikbaarste is... maar, o ironie, juist omdat zij
-elke dualistiese inbreuk op natuurwetenschappelike beginselen (als de
-behouds„wetten”) en dus heel Prof. Auerbach’s theologiserende
-„voorzichtigheid” even onnodig als onmogelik maakt.
-
-Hier verdient ook Ostwald’s Grundriss der Naturphilosophie, 1908, nog
-een plaatsje, met zijn Tijd, „welche sachgemäss [prachtig!] als die
-Anschauungsform des inneren Sinnes bezeichnet worden ist” (p. 85).
-
-Hoe „sachgemäss” Ostwald’s begrip hier is, mogen de zinnen bewijzen,
-die hij laat volgen: „Dass alle unsere Erlebnisse in der Zeit erfolgen,
-ist ein Satz, welcher dasselbe besagt, wie dass unsere Denkvorgänge
-eine linear geordnete Gruppe darstellen. Wie aus den oben gemachten
-Bemerkungen hervorgeht, handelt es sich hier keineswegs um eine Form,
-die absolut und für alle Zukunft unveränderlich ist; vielmehr haben
-sich einige besonders hochentwickelte Menschen von ihr bereits frei zu
-machen begonnen.” De tijd als een „vorm”, die verandert (in de tijd!),
-en waarvan de „ontwikkeling” (in de tijd!)... bevrijdt,—kon ooit de
-schrijver van een „Allgemeine Erkenntnistheorie” zich deerliker
-blameren?
-
-De auteur van dit in zijn soort—een deplorabel soort—verdienstelike
-boekje kan uit zijn coma dogmaticum ten aanzien van causaliteit en
-inductie door geen Hume, geen Kant worden gewekt, de man, die op p. 36
-schrijft: „Die Hervorrufung und somit Begründung dieser Erwartung [sc:
-„wenn A erlebt wird, so wird auch das Erleben von B erwartet”] liegt in
-der Erinnerung an das Zusammenvorkommen beider Begriffe in früheren
-Erlebnissen”..., die op p. 53 Kant’s kritiese vraag aldus
-interpreteert, na gewaagd te hebben van de „Eindruck, als könnte man
-aus einer Prämisse unbegrenzt viele unabhängige Resultate ableiten”:
-„Kant hat die Sonderbarkeit einer solchen [?] Ansicht, die wesentlich
-durch Euklids Darstellung der Geometrie ungemein verbreitet war,
-lebhaft empfunden, und sie [!] in der berühmten Frage: wie sind
-synthetische Urteile a priori möglich? zum Ausdrucke gebracht. Wir
-haben gesehen, dass es sich überall nicht um Urteile a priori, sondern
-um inductive Schlüsse mit deduktiver Anwendung und Prüfung handelt.”
-Ten aanzien van logica en wiskunde vinden we dan ook hier slechts een
-mengsel van sensualisme en empirisme, en ten aanzien van het geestelike
-zijn bekend anti-mechanisties materialisme, dat hem, zich kerend tegen
-de pogingen om „die geistige Welt der mechanischen anzuschliessen”, tot
-deze blunder verleidt: „Von den verschiedenen Wendungen hat sich in
-unserer Zeit vorwiegend die von Leibniz vorgeschlagene der
-prästabilierten Harmonie erhalten, die [!] man gegenwärtig die Theorie
-des psychophysischen Parallelismus nennt” (waarvoor Ostwald „den
-Geschmack” zegt te missen!) en dat tussen het identiteitsmaterialisme
-(p. 182: „Anpassung oder Erinnerung”, p. 188: „Dies nennen wir
-bewusstes Denken, Wollen und Handeln”) en het psychophysies
-materialisme blindelings heen en weer slingert, zelfs in één en
-hetzelfde zinnetje, p. 188: „Denn wenn auch die Unmöglichkeit zugegeben
-werden muss, das Denken mechanisch zu fassen, so besteht doch keine
-Schwierigkeit, es energetisch zu fassen, zumal Denkarbeit bekanntlich
-ebenso mit Energieverbrauch und Ermüdung verbunden ist, wie physische
-Arbeit.”—Voor ons dus Ostwald ad acta.
-
-
-
-47: 126. Dezelfde Hartmann, die de meetkunde-oordelen èn analyties èn
-syntheties a posteriori èn syntheties a priori noemt.... bereidt ons
-nog de verrassing, in z’n „Kategorienlehre” (pp. 238 ss.) en laatstelik
-in de „Grundriss der Erkenntnislehre” („System der Philosophie im
-Grundriss” I) van 1906 te laten drukken, p. 39: „Es gibt keinerlei
-Urteile a priori, weder analytische noch synthetische; erstere nicht,
-weil es keine Begriffe a priori gibt, aus deren Analyse sie deduziert
-werden könnten [vgk. mijn bespreking van dit misverstand in opm. 6
-tegenover Prof. Beysens], letztere schon darum nicht, weil es überhaupt
-keine synthetischen Urteile gibt, weder apriorische noch
-aposteriorische.”!
-
-Hoe smaakt u die? zou Burgerhartje vragen. Nu nog op dit potje z’n
-dekseltje: „Ein sogenanntes synthetisches Urteil ist ein solches, das
-die Unvollständigkeit des mitgebrachten Subjektbegriffes durch
-Hinzufügung des Prädikats vervollständigt und seine Unwahrheit [n.b.]
-berichtigt; wahr ist ein solches Urteil nur in bezug auf den
-vervollständigten Subjektbegriff, also [sic] als analytisches Urteil,
-während es in bezug auf den mitgebrachten Subjektbegriff sich selbst
-widerspricht [!], also als vermeintlich [!] synthetisches Urteil unwahr
-[!] ist.”
-
-De meetkunde-oordelen zijn dus vooreerst èn analyties èn syntheties a
-posteriori èn synth. a priori, vervolgens nòch synth. a posteriori nòch
-synth. of analyties a priori! Ze zijn mitsdien, o driedubbel
-overgehaalde eenheid van tegendelen, behalve dit alles, eindelik,
-horribile dictu, analyties a posteriori! Hartmann overtreft en
-overtroeft dus nog in „redelikheid” zijn oud-leerling Bolland, die op
-pp. 73/74 van „Het Verstand” (de plaats, waar hij Kant „ex professo”
-behandelt, volgens z’n eigen Coll. Logic. p. 67) verkondigt, dat Kant
-nooit heeft doorgedacht tot de voorgegeven (p. 62 ss.) diepten van
-Bollandiaans „bedenksel”, „laat staan, dat hij helder zoude beseft
-hebben, hoe het wezen van het oordeel zonder meer het wezen van het
-synthetische oordeel blijkt, het ware oordeel a priori tevens het ware
-oordeel a posteriori moet zijn” enz. Al kent men dat refrein, nochtans
-verbijstert bijkans, zelfs van Bolland, de wijze waarop hij
-Hegeliaans-blasphemiese wartaal ten beste geeft over Kant’s
-tegenstellingen analyties—syntheties en apriori—aposteriori. Hij
-vertelt dat Kant „eene ‚synthesis a posteriori’ eene zelfweerspreking
-in de bewoordingen [had] kunnen noemen” (p. 64). [265] „En zijne [sc.
-Kant’s!] opvatting der ‚synthetische oordeelen a priori’ is even
-ondoordacht gebleven” (p. 65). Met even wijs als diep sensualisme wordt
-tegen Kant als nieuw logies subject bedacht... de tastzin: „Het (voor
-den tastzin betrekkelijk synthetische!) oordeel, dat een lichaam a.z.
-uitgebreidheid heeft en deelbaar is” (p. 66–67)... „het (voor den
-tastzin betrekkelijk analytische!) oordeel, dat een lichaam zwaarte
-heeft” (p. 67)... „zelfs” de „Hegelbestrijder Trendelenburg” mag hier
-meespreken tegen Kant: ‚Ieder oordeel is analytisch, doch ieder oordeel
-is evenzeer synthetisch’ (p. 68)... „hoewel het Kantische denken nooit
-heeft uitgesproken, of dan de aprioriteit in hare waarheid...
-aposterioriteit moet heeten” (p. 67), enz. tot: „Zoover heeft Kant
-nooit doorgedacht” enz.
-
-Hier als in de eindeloze herhalingen in Coll. Log. is een waardig
-leerling aan het woord van de Meester die zelf op de grote kritiese
-vraag, Kant’s formidabele, onsterfelike vraag: hoe zijn synthetiese
-oordelen a priori mogelik? het voor een Hegel vanzelfsprekend antwoord
-gaf: „Synthetische oordeelen a priori... zijn door vanzelfsprekende
-eenheid van ongelijkheden mogelijk”. Ça va sans dire. Ça ira, Ça ira!
-
-Laat ons hier echter eens één dier sluikredenen van Prof. Bolland ter
-verduistering van het onderscheid („den mächtigen Unterschied” zegt
-Kant terecht) tussen synthetiese en analytiese oordelen betrappen op
-heterdaad: Op p. 173 Coll. Log. lezen we: „wat ik a priori zeg, haal ik
-uit het subject zelf [de vondst van Kant’s als „subjectivisme” gesmaad
-en versmaad vorm-idealisme!]; dat is, het wordt analytisch gedacht.”
-Dat is... voorbeeldige verhaspeling van subject (niet eens des
-oordeels, maar des oordelens) en subjectbegrip. Immers, geenszins een
-oordeel, dat ik uit het subject, uit subjectieve gegevens afleid, maar
-uitsluitend een zodanig, welks gezegdebegrip ik uit het subjectbegrip
-afleid, is in waarheid—naar kennistheoreties, en Kantiaans,
-redebeleid—een analyties oordeel. Toch klonk het zo overtuigend, zo
-vanzelfsprekend voor argeloos publiek, dat uit die „zelfontleding van
-het subject” „het analytische van ons oordeelen” had te „blijken”!
-
-Moraal: Keur de Hegelaars aan Kant.
-
-
-
-48: p. 127. De lezer verbaze zich niet te zeer over deze
-an-sich-naiveteit, van een beweging-an-sich, in een ruimte-an-sich naar
-een bord-an-sich.—We weten nu eenmaal dat Hartmann het transindividuele
-„transcendent” noemt, naar hij uitdrukkelik in z’n „Vorwort” tot het
-„Grundproblem” zelf definieert:
-
-„In terminologischer Hinsicht bemerke ich, dass ‚immanent’ hier nur
-bedeutet: innerhalb der Sphäre meines Bewusstseins belegen,
-‚transcendent’: jenseits der Sphäre meines Bewusstseins belegen,
-‚transcendental’: auf ein Transcendentes bezogen, also ‚transcendentale
-Idealität oder Realität’: Idealität oder Realität des Immanenten in
-transcendentaler Hinsicht oder in Bezug auf das Transcendente
-genommen.”
-
-„Transcendental” wordt dus een vijgeblaadje voor „Transcendent”. Zo in
-de „Terminologischen Vorbemerkungen” van de „Kritische Grundlegung” p.
-12:
-
-„Man kann allenfalls den Ausdruck objective Realität durch
-transcendentale (oder transcendente) Realität ersetzen” enz.!
-„Transcendenter Realismus” aldus had Hartmann zijn standpunt moeten
-durven noemen—en hij had dan toch maar bedoeld Kant’s... „empirischer
-Realismus”.
-
-Maar met dit onderscheid, dat ook door Hartmann weer, als door elk
-ander kennis-dogmaticus de ruimtedingen, de objecten als Dinge-an-sich
-worden beschouwd, te weten: als oorzaak van gewaarwordingen! Zó naief
-is Hartmann ten deze, dat hij zijn eigen dogmatisme vereenzelvigt met
-de filosofie, niet eens kan denken, dat enig filosoof niet dezelfde
-fout zou maken en met hem het objectieve houden voor het An-sich. Zo
-zegt het „voorbeeldig geschrift”: „Das Grundproblem der
-Erkenntnisstheorie” op p. 10/1:
-
-„Der Philosoph, dem seine Frau die Suppe aufthut, zweifelt nicht daran,
-dass es das Ding an sich seiner Frau sei, welches ihm das Ding an sich
-der Suppe aufthut, und dadurch das Ding an sich seines Magens sättigt.
-Der Philosoph, der einen stechenden Floh fängt und knickt, zweifelt
-nicht daran, dass es das Ding an sich des Flohes sei, welches in das
-Ding an sich seines Beines gestochen habe, und von dem Ding an sich
-seiner Hand gefangen und zerdrückt sei. Beide sind überzeugt, dass es
-kausale Beziehungen zwischen Dingen an sich sind, welche von innen
-wahrgenommen werden; wenigstens handeln beide so, als ob sie diesen
-Glauben hätten, auch wenn sie auf dem Katheder, oder in ihren Schriften
-diesen Glauben verläugnen.”
-
-Sinds Berkeley en Collier, Hume en Kant mogen we zeggen, dat in plaats
-van elk filosoof geen filosoof deze praekritiese overtuiging meer heeft
-gehad.
-
-Juist deze overtuiging is een der eerste criteria, die dogmaticus en
-filosoof scheidt. Van Berkeley’s en Kant’s grote kennistheoretiese
-ontdekking, dat de transindividuele (Hartmann spreekt van
-„transsubjective”) objecten niet transcendent (i.e. onafhankelik van
-„mogelike waarneming”, iets anders dan Hartmann’s individuele
-voorstelling!) zijn, maar immanent (i.e. een functie van en betrekking
-tot het waarnemingsvermogen, geenszins naar de misvatting van Hartmann
-en de Nederlandse Hartmannetjes: iets „individueels”, slechts
-„voorstelling”!)—hiervan heeft Hartmann’s denken hoegenaamd niets
-begrepen, zomin als ons Hegeliaans „idealisme”. Voor „immanent” in deze
-zuiver kritiese zin zetten Kant c.s. ook „subjectiv” (= van
-subjectiviteit, het „Subject überhaupt” afhankelik, geenszins =
-individueel!) of „empirisch” of „objectiv” of „phaenomenal”, Hartmann
-en dergelijken echter kennen en begrijpen dat „subjectieve”, de
-„Erscheinung” slechts als iets individueels, dat staat tegenover het
-objectieve! [266]
-
-Als Hartmann dan behandelt „die subjective Erscheinung” van Kant,
-betekent dit voor Kant „het transindividuele Object”, voor Hartmann:
-„de individuele voorstelling”! (Het ongeluk wil, dat Kant zelf soms van
-„Vorstellung” spreekt, in de ruime zin echter van de oude psychologie,
-waarin het tevens gewaarwording en waarneming omvat!).
-
-De „subjective Realität” van de tijd, de ruimte enz. betekent dus voor
-Kant hun transindividuele realiteit! Zo komt Hartmann in de
-grappig-droevige waan, dat Kant zou staan (p. 18 Kr. Grlg.) „auf dem
-Boden einer naiv-realistischen Confusion von subjectiver [dus =
-individueller] Vorstellungsrealität und transsubjectiver [bedoeld:
-transindividueller] oder [!] transcendenter Seinsrealität.”
-
-Al die resten „naief realisme” van... Kant staan dan weer, natuurlik,
-„sämmtlich im eclatanten Widerspruch” tot Kant’s „idealistischen
-Grundgedanken”. Maar deze „Widerspruch” komt weer alleen van Hartmann’s
-illusionair-individualistiese misvatting van het „Idealisme” (een
-„Idealisme”, waarvan Kant zelf de „Widerlegung” ondernomen heeft... en
-dat door Berkeley bestreden en genoemd wordt... sceptical cant!),
-waarvan Hartmann maakt een „idealistisch umgekrempelten naiven
-Realismus” wijl het de gewaande consequentie van Solipsisme zou
-verzaken voor de „naiven Glauben an eine mehr als subjective Realität
-der subjectiven [lees: individuellen] Erscheinungen [lees:
-Vorstellungen]” (p. 20).
-
-Welneen, doceert Hartmann,... „da die anschaulichen wie die
-begrifflichen Elemente der Erscheinung ebenso subjectiv sind wie die
-Gesetze ihrer Verknüpfung, so ist und bleibt das ganze Gebiet der
-Erscheinung subjectiv..., und jede Bemühung, ihm unmittelbar eine
-darüber hinausgehende Realität zu sichern, ist ein stehen gebliebener
-Rest von jenem Hypostasiren der Erscheinungen, das für den naiven
-Realismus deshalb verzeihlich war” ... enz.... (p. 26).
-
-„das ganze Gebiet der Erscheinung subjectiv”:
-
-betekent dit (als bij Hartm.): das ganze Gebiet der individuellen
-Vorstellung individuell, im einzelnen Subject, dan is het juist—zij ’t
-ook een waarheid niet zozeer van Kant als wel van Monsieur de la
-Palisse;
-
-betekent het: das Gebiet der Objekte, der Natur, individuell, im
-einzelnen Subjekt, dan is het fout en onkantiaans;
-
-betekent het: das Gebiet der Objekte, der Natur, bedingt vom Subjekt
-überhaupt (von der Subjektivität) dan is het juist en specifiek
-Kantiaans en boven Hartmann’s begrip.
-
-„Hypostasiren der Erscheinungen”:
-
-betekent dit (als bij Hartmann): transcendent achten van
-voorstellingen, dan fout en onkants;
-
-transcendent achten van objecten, dan fout en onkants (en
-Hartmanniaans);
-
-objectiveren van voorstellingen, dan juist en Kantiaans;
-
-objectiveren van objecten, dan zonder zin.
-
-Zo moet men bij Hartmann altijd zijn Kanttermen vertalen in Kanttaal!
-
-Nog één, voor H. vernietigend staaltje van dezelfde bladzij 26:
-
-„Trotz des Misslingens aller unmittelbar gemeinten Versuche, eine mehr
-als subjective [H. bedoelt: individuelle] Realität für die Erscheinung
-[H. bedoelt de individuele gewaarwordingen] und ihre Formen
-nachzuweisen, thut Kant aber doch immer so, als wenn dieselbe entweder
-bewiesen wäre, oder aber sich von selbst verstände [Kant denkt zelfs
-niet aan zo iets zinledigs]; denn die empirische Realität, welche er
-von Zeit und Raum behauptet, will entschieden mehr sein als subjective
-Realität (im Vorstellungsact), was solange ganz unzulässig ist, als
-nicht die Möglichkeit eines transcendenten, nicht subjectiven [vertaal:
-nicht individuellen], d.h. vom [individuellen!] Subject unabhängigen
-Dinges (an sich) und einer nothwendigen, zugleich real seienden und
-bewussten, Beziehung der Vorstellung auf dieses transcendente Ding
-nachgewiesen ist...”
-
-Kant’s leer van tijd en ruimte betekent nu juist de overwinning van
-Hartmann’s tegenstelling: transcendent—individueel-subjectief. Tijd en
-ruimte gelden transindividueel (Hartmann zegt: transsubjectief), voor
-de wereld der objecten, die in haar geheel echter ... immanent is, en
-functie van het waarnemingsvermogen met de bewustzijns„vormen” tijd en
-ruimte, in z’n verhouding tot het transcendente, dat de
-waarnemingsinhoud, de gewaarwordingen, bepaalt. Niets daarvan, noch
-„vorm” noch „inhoud”, is als zodanig transcendent, d.i. onafhankelik
-van mogelik denken en waarnemen. Dus Kant „wint” de objectieve, voor
-elk subject noodwendig geldende realiteit van tijd en ruimte juist met
-en door ... de immanentie der objectieve wereld.
-
-Dit is de betekenis van het krities „idealisme” tegenover elk dogmaties
-„realisme”. Maar hiervan mist Hartmann elk besef. Voor hem betekent het
-„idealisme” in de grond alleen: misduiding der Binsenwahrheit, [267]
-dat voorstellingen en denkbeelden individueel zijn en blijven, tot de
-phrase der speculatief-„idealistiese” wanbegrijpers, dat de objectieve
-wereld of zelfs het An-sich „slechts voorstelling” zou zijn! En dit
-„idealisme” dan Kant aangewreven! Zo p. 36: „Diese einfache Wahrheit,
-dass Alles, was ich vorzustellen vermag, durchaus nichts Anderes als
-meine Vorstellung, was ich zu denken vermag, durchaus nichts Anderes
-als mein Gedanke sein kann,—diese einfache Wahrheit ist der Urquell
-alles subjectiven Idealismus; alle Begründungen für denselben sind
-Firlefanzerei, ausser in soweit dieses Argument offener oder
-versteckter in ihnen durchspielt und sie aus ihm ihre Kraft saugen.
-Letzteres ist auch bei Kant’s Begründung der[!] Idealität von Raum,
-Zeit und Kategorien der Fall; aber er ist fern davon, die ganze
-Tragweite und die unerbittliche Consequenz dieses Princips einzusehen,
-die ja noch heute viele seiner Anhänger nicht begreifen.” enz.
-
-Voorts p.58: „Kant vergisst dies häufig [dat de
-waarnemingstranscendente oorzaak der gewaarwordingen niet identiek is
-met het immanent object,—dat vergeet Kant nooit, maar Hartmann kent het
-verschil niet eens], und verwirrt beide, indem er behauptet, das
-transcendentale Object [juist; maar dit betekent bij Hartmann ’t zelfde
-als: das empirische Object; bij Kant lijkt het er niet op, betekent het
-Ding an sich] sei selbst die intelligible Ursache der Erscheinung...,
-während er doch, wie oben dargethan, selbst nachweist, dass niemals ein
-Object [juist, in de echte immanente zin] Ursache der Erscheinung sein
-könne, weil jedes Object (auch das transcendentale) [integendeel, heer
-Hartmann, dit juist allerminst] nur Vorstellung ist [zeker, het
-immanente Objekt is Vorstellung in de overruime zin van: complex van
-mogelike gewaarwordingsinhouden], welche Empfindung schon voraussetzt.
-Kant wird zu dieser Verwechselung einerseits durch seine stereotype
-Verwirrung des Transcendenten und Transcendentalen [alleen in de
-woorden, nooit als bij u, in het denken], und andererseits durch den
-Irrthum getrieben, als ob dem empirischen Object ein transcendentales
-Object zum Grunde läge (also eine Vorstellung der anderen)”... enz.
-enz.
-
-Dit „also” verraadt weer heel uw besefloosheid.
-
-Kant bedoelt nu eenmaal met „transcendentales Object” niet wat gij met
-uw „empirisches oder transcendentales Object” bedoelt, nl. iets
-individueel-subjectiefs, en evenmin wat gij met uw transcendente dingen
-bedoelt, nl. de natuur, maar juist het volstrekt onkenbare, niet alleen
-niet voorgestelde, maar zelfs eeuwig onvoorstelbare Ding-an-sich. En
-dat noemt een Hartmann ... Vorstellung! „Ondenkbaar” echter is dit
-An-sich allerminst, integendeel, het is slechts denkbaar—en moet zelfs
-worden gedacht, vandaar: „Intelligibile”.
-
-Bij Kant verward woordgebruik, maar een correcte diepzinnige geest, bij
-Hartmann correcte terminologie, maar verward banaal wanbegrip. Vandaar
-Hartmann’s even gruwelik als consequent Kantkoeterwaals, dat hem zijn
-individuele voorstellingen „transcendentale Objecte” doet noemen (p. 64
-b.v.), terwijl ze nog niet eens empirische of Wahrnehmungsobjecte zijn,
-of elders „subjective Erscheinung”, terwijl hij van het
-kennistheoreties begrip „Erscheinung” = Object, dan zo weinig begrip
-heeft dat hij ’t opvat als (p. 81 van Das Grundproblem) „die
-hypostasierte und ins Jenseits des [!] Bewusstseins hinausprojicirte
-subjektive Erscheinung”.... „ein geformtes Ding an sich [!] zwischen
-dem formlosen Ding an sich und dem Bewusstseinsinhalt.”
-
-„Wir [?] haben also zwei begrifflich verschiedene Erscheinungen, die
-doch inhaltlich gleich sind und im Akt des Bewusstwerdens auch
-numerisch identisch sind; wir haben zwei Dinge an sich statt eines”
-enz., terwijl n.b. ’t ene, Hartmann’s „subjective Erscheinung” niets
-dan een individuele bewustzijnsmodificatie, iets psychies is, en ’t
-andere daarmee geen enkele eigenschap gemeen heeft (’t is
-transindividueel, ruimtelik, physies, abstract) laat staan „numerisch
-identisch” is, en van een Ding an sich hoegenaamd niets heeft, immers
-geheel en al waarnemings- of bewustzijnsfunctie, dus immanent is, niet
-in Hartmann’s lekenzin van „slechts voorstelling”, iets individueels,
-of „van al of niet gedacht worden afhankelik”, of zelfs: „bloss
-eingebildet” (p. 44 Kr. Glg.), of wat „nur zu sein scheint, aber nicht
-ist” (p. 72), of „nur meine Hallucinationen”! (Grundprobl. p. 94), maar
-in de kritiese zin van: betrokken op een subjekt-in-’t-algemeen.
-
-Dat Hartmann van het „idealisme” hoegenaamd niets begrepen heeft,
-blijkt op bijna elke bladzij, maar zij nog geïllustreerd met één enkel
-zinnetje, p. 83 K. Glg.:
-
-„Nach dem Idealismus lehrt uns die Naturwissenschaft nicht etwa, dass
-das Ding an sich des Atoms A das Ding an sich des Atoms B im
-quadratischen Verhältniss der Entfernung anziehe, sondern sie lehrt uns
-nur, dass mein Begriff des Atoms A meinen Begriff des Atoms B im
-quadratischen Verhältniss der Entfernung anziehe.”
-
-Dat de natuurwetenschap, naar zuiver idealisties, zowel Berkeleyaans
-als Kantiaans inzicht, precies evenmin met Hartmann’s of iemands
-„begrip” van atomen, als met het An sich van atomen iets te maken
-heeft, behoeft nu voor geen van mijn lezers meer enig betoog. Men
-geniete de ironie van het zinnetje, dat Hartmann laat volgen: „Die
-Naturforscher sind zu naive Denker, um solche Verhöhnung ihrer
-Wissenschaft von Seiten einer verbohrten idealistischen Philosophie
-auch nur für möglich zu halten, und verstehen deshalb [?] gar nicht,
-was die [?] betreffenden Philosophen mit ihren idealistischen
-Auseinandersetzungen eigentlich sagen wollen” ... Gelukkig zijn er, die
-het altans beter verstaan dan Hartmann, wiens begrip van het idealisme
-slechts geëvenaard wordt door het inzicht in z’n eigen waarde: (p. 94
-Glg.) „Um ungestraft in die ganze Tiefe des Idealismus hinabzutauchen,
-ohne für eine vernünftige Auffassung des Realen verloren zu gehen, dazu
-gehört freilich, dass man die Zauberformel zur Ueberwindung des ganzen
-idealistischen und illusionistischen Spuks besitze, und weil niemand
-vor mir sich dieser klar bewusst war, darum konnte es bisher nur blinde
-Realisten oder halbe Idealisten oder unklare Gemische beider
-Standpunkte geben.”!
-
-En ook hier is het weer de dogmatiese, dus reproductieve,
-waarnemingsleer, die hem blind maakt voor het kriticisme.
-
-Zo vinden we ten aanzien van de logica de dogmatiese verdubbeling in
-Hoofdstuk VI (Grlg.) „Die Kategorien als Formen [!] des Dinges an
-sich”; zo wordt b.v. p. 102 beweerd „dass die Dinge an sich in
-denselben logischen Formen existiren, wie die Objecte gedacht werden”,
-m.a.w. „die Conformität des Immanenten und Transcendenten hinsichtlich
-der logischen Formen des Denkens und Daseins.” Vgk. in dezelfde geest
-b.v. zijn „Grundriss der Erkenntnislehre” pp. 9, 116/7 en 192.
-
-Daartegenover staat het krities inzicht, dat denkvormen, dus werkelike
-„kategorieën” (Hartmann’s „Kategorienlehre” leeft uit een merkwaardige,
-afzonderlik te behandelen, miskenning van heel dit begrip), als de
-negatie, op geen denkbare wijze kunnen existiren—zonder denken.
-Hartmann bedoelt hier ook eigenlik weer niets dan: overeenstemming
-tussen de transindividuele (immanente) objekten en ... onze denkbeelden
-omtrent deze objekten, een overeenstemming, die het kriticisme
-natuurlik niet loochent, in tegendeel, juist fundeert!
-
-In hoofdstuk VII komt dan de reproductieve dogmatiese waarnemingsleer
-met haar „Räumlichkeit und Zeitlichkeit als Formen [!] des Dinges an
-sich.”
-
-Ik zie er hier nog van af, dat overal de ruimte, schoon in navolging
-van Kant „Anschauungsform” genoemd, als (p. 111) „intellectuelle
-Zuthat”, als „durch einen unbewussten Gedankenprocess hinzugedacht” (p.
-109) wordt beschouwd, dus heel Kant’s inzicht in haar
-niet-intellectuele natuur gemist wordt, de algemene fout der
-Kant-verzakende Kant-epigonen. Op p. 112 houden wij „instinctiv”
-„unsere Vorstellung für ein (im stereometrischen Sinne) ähnliches
-Ebenbild der Dinge an sich” en „behält der Instinct Recht, dass die
-Vorstellungsobjecte in räumlicher Hinsicht ähnliche Abbilder der Dinge
-an sich sind.” „Hätte Kant mit der Unräumlichkeit der Dinge an sich
-Recht, so wäre der äussere Sinn auf keinen Fall eine
-Erkenntnissquelle.” [268]
-
-Ziedaar weer ’t echt dogmaties begrip van „kennis”! Wij antwoorden:
-Genau so viel, wie all unsre Sinne Erkenntnissquellen sind: der
-Farbensinn, der Lautsinn, der Geruchssinn, der Geschmackssinn, der
-Tastsinn, alles ohne... Farben an sich, Töne an sich, Weichheit an
-sich.
-
-Welneen, zegt Hartmann, „Auch dieser Einwand fällt bei näherer Prüfung
-in sich zusammen.”
-
-Immers... onze „kennis” van iets roods, b.v. het in philosophicis
-veelverspreide zwavelkwik, bestaat niet in de wetenschap dat het rood
-is, maar dat ’t als Ding an sich [!] een zekere Molecularbeschaffenheit
-heeft, die [!] de transcendente oorzaak is onzer roodgewaarwordingen!
-
-Heerlike petitio principii—met uw ongeëvenaard materie-dogmatisme:
-„Denn neben der instinctiven Anschauung des rothen Zinnobers haben wir
-nicht nur die unbestimmte Vorstellung von der correspondirenden,
-ursächlichen Beschaffenheit in dem Ding an sich des Zinnobers, sondern
-wir haben die ganz bestimmte Vorstellung, worin diese ursprüngliche
-Beschaffenheit besteht, nämlich in einer solchen molecularen
-Schichtung, dass nur Aetherwellen von etwa 0,0007mm Wellenlänge
-reflectirt werden. Hierin ganz allein besteht unsere Erkenntniss von
-dem Dinge, nicht darin, dass wir wissen, dass es uns roth erscheint,
-ohne dabei etwas von den Ursachen dieser Wirkung zu ahnen.” (p. 113).
-
-Men ziet, Hartmann’s „kennis” is er ene van hetzelfde wetenschappelik
-allooi als van de „savants”, die de geest voor een zelfmiskenning der
-hersenen houden!
-
-En deze star dogmatiese reproductieleer—waarbij een ruimtelike
-wereld-an-sich „in von uns a priori anzugebenden formal-logischen
-Beziehungen sich bewegt” en „theilweise vermittelst der
-Sinnesempfindung in unserem Intellect ein ihr mehr oder minder
-stereometrisch ähnliches Abbild [269] hervorruft” (p. 137)—, die nog
-niet in de schaduw kan staan van Berkeley’s kritiek, geeft zich zelf
-hier uit voor „die besonnene kritische Forschung”, „Eine Sichtung und
-Fortbildung der erkenntnisstheoretischen Principien Kant’s.” In zijn
-„Phänomenologische Durchwanderung der möglichen
-erkenntnisstheoretischen Standpunkte” in de 2e (der 3) Afdeling(en),
-waarin „Der transcendentale Idealismus” in dezelfde
-Hartmann-caricaturen wordt vertoond en gehoond, lezen we op p. 72, na
-de bekende deun „der transcendentale Idealismus lehrt uns, dass wir im
-Leben nicht wachen, sondern träumen” [270] (inderdaad, wel moogt ge
-spreken van „Traumillusionismus”!):
-
-„Wenn wir die Gesichts- oder Tast-empfindungen wegen der
-zweidimensionalen stetigen Abstufung ihrer Lokalzeichen räumlich
-ausbreiten, so thun wir das nicht, um mit Raumanschauungen ohne
-transcendentale Realität zu spielen, sondern in der instinktiven
-Zuversicht, so die räumlichen Lagenverhältnisse der uns afficirenden
-Theile des Dinges an sich abbildlich zu reproduciren und repräsentativ
-zu erfassen. Wenn wir die Flächenanschauung in die dritte Dimension
-hinausprojiciren, so thun wir dies abermals durchaus in der Zuversicht,
-die räumliche Stellung des uns afficirenden Dinges an sich zu dem Ding
-an sich unsres Leibes durch ein adäquates Bewusstseinsabbild zu
-begreifen.”
-
-Precies,... evenals wij de kleuren produceren om de Farben-an-sich
-„abbildlich zu reproduciren und repräsentativ zu erfassen”!
-
-Zo culmineert zijn „transcendentaler Realismus” op p. 121 „in der
-Aehnlichkeit, welche die raumzeitliche Reproduktion für’s Bewusstsein
-mit dem raumzeitlichen Ding an sich erlangt”!
-
-In twee woorden: Vóórkrities dogmatisme.
-
-
-
-49: p. 136. Vergelijk O. Liebmann, Zur Analysis der Wirklichkeit, p. 41
-(in het artikel dat de reeds onkantse titel draagt: „Phaenomenalität
-des Raumes”): „Derselbe galvanische Strom wird durch die Zunge als
-saurer Geschmack, durch das Auge als rother oder blauer Lichtstreifen,
-durch die Hautnerven als Kitzel, durch das Gehör als Schall
-empfunden.”!
-
-Niet alleen dit ongelukkige zinnetje, maar (onder meer) heel deze
-passus pp. 154–156 van de Heer Bolland is voor eigen werk uitgegeven
-vertaalsel, nagenoeg letterlik plagiaat van Liebmann, wiens
-Spinozisties getinte „empirischer Materialismus” ook elders dezelfde
-fouten begaat (zie onder en opm. 38):
-
-
-Bolland, p. 154 ss: Liebmann, p. 40 ss:
-
-... „de uitkomsten der natuurkunde „Das physiologische Complement,
-die zooals men weet [altans weten dieser physikalischen Lehren
-kan met Liebmann in de hand] haar bildet Johannes Müllers berühmtes
-physiologisch complement vinden in Theorem von den specifischen
-het theorema van Johannes Müller Energieen der Sinne, welches auf
-aangaande de specifieke vermogens dem festen Boden vielfältiger
-der zintuigen. Op den vasten bodem physiologischer Experimente und
-van talrijke physiologische pathologischer Erfahrungen
-proeven en pathologische beruhend, durch vollständige
-waarnemingen constateert men in Induction gewonnen, die Wahrheit
-dit theorema het volgende als jener Cartesianischen und
-inductief-empirisch verworvene Lockeschen Behauptung über jeden
-uitkomst. Ten eerste worden geheel Zweifel erhebt. Zweierlei nämlich
-verschillende werkingen op de ist empirisch constatirt. Erstens,
-zintuigen enz.... dass völlig disparate Sinnesreize
- etc....
-„Zoo bespeurt men ...
- „So empfindet man ...
-„Desgelijks bespeurt ...
- „Ebenso empfindet ...
-„Van den anderen kant ...
- „Auf der andern Seite ...
-„Een en dezelfde galvanische
-stroom ... „Derselbe galvanische Strom ...
-
-„Onze gezamenlijke zintuigen „Die Gesammtheit unsrer Sinne ist
-vormen om zoo te zeggen eene soort gleichsam die Claviatur, auf der
-van klavier, waarop door de die Aussenwelt spielt ... etc.”
-buitenwereld wordt gespeeld ...
-enz.”
-
-
-Vgk. ook Dr. H. W. Ph. E. v. d. Bergh van Eysinga in zijn
-„Levensbeschouwing” p. 49: „Een elektrische stroom is licht voor ’t
-oog, pijn voor de huid, geluid voor ’t oor, smaak voor de tong, en kan
-nooit voor die verschillende zintuigen iets anders zijn.”!—Zo wordt het
-naief realisme t.a.v. Locke’s „secundaire” hoedanigheden bestreden door
-... Locke’s naief realisme omtrent de „primaire” eigenschappen van een
-gewaarwordingveroorzakend ... natuurding! Bij Liebmann zelf vinden we
-nog (op p. 528, noot, „Z. A. d. W.”): „Das Denken äussert sich hier als
-ein gleichzeitig materieller und psychologischer Vorgang. Vielleicht
-ist es seinem Wesen nach etwas Neutrales, das in doppelter
-Erscheinungsweise auftritt; etwa so, wie dieselben Aetherschwingungen
-einerseits dem Auge als Licht, andrerseits dem Tastsinn als Wärme
-erscheinen.”
-
-Prof. M. Verworn, een van die moderne gewaarwordings„monisten” als
-Ziehen, Petzoldt, Mach, wiens half materialistiese, half dualistiese
-waarnemingsleer in de hersenen blijft steken, laat in zijn „Mechanik
-des Geisteslebens” diezelfde bovenbesproken elektriese stroom optreden
-als Proteus der zintuigen, om te bewijzen dat voor zijn „konditionale
-Betrachtungsweise der Dinge” de werkelikheid slechts uit betrekkingen
-bestaat... zonder betrokkenheden! Via Verworn (hem en heel die
-belangrijke moderne positivistenrichting behandel ik in een afzonderlik
-geschrift wel nader) is diezelfde elektriese stroom nu pas weder ons
-land binnengeleid door § 4 der „Hoofdtrekken eener filosofie van het
-menschelijk kenvermogen” van M. Greeve (p. 348 van Toekomst-Moraal,
-1910).
-
-
-
-50: p. 137. ’t Is telkens als een echo van Schopenhauer’s
-Kantvermaterialisering, die de „Kritik der Vernunft” noemt de „Kritik
-der Gehirnfunktionen”, de „Erfahrungswelt”, de natuur, een:
-„Gehirnphänomen” (dat wordt dus een Phänomen-phänomen!), evenzo van
-„Gehirnanschauung” spreekt, en op p. 66, Satz vom Grunde (Grisebach
-III), dan ook schrijft: „Denn die Empfindung jeder Art ist und bleibt
-ein Vorgang im Organismus selbst, als solcher aber auf das Gebiet
-unterhalb der Haut beschränkt” enz. (cf. p. 114 en passim; speciaal §
-22, heel Schopenhauer’s realistiese conceptie van het lichaam als
-„unmittelbares Object”, ten onzent terug te vinden in de
-waarnemingsleer van P. Bierens de Haan’s naargeestig-dogmatiese
-Hoofdlijnen eener Psychologie met metaphysischen grondslag, 1898, p. 16
-ss.). Zo beroemt er zich S. op: „Ich habe demgemäss es geradezu
-ausgesprochen, [!] dass jene Formen der Antheil des Gehirns an der
-Anschauung sind, wie die specifischen Sinnesempfindungen der der
-respectiven Sinnesorgane” (IV. p. 107) en in de noot aldaar: „Wie unser
-Auge es ist, welches Grün, Roth und Blau hervorbringt, so ist es unser
-Gehirn, welches Zeit, Raum und Kausalität, (deren objectivirtes
-Abstraktum die Materie ist) hervorbringt.—Meine Anschauung eines
-Körpers im Raum ist das Produkt meiner Sinnes- und Gehirn-Funktion mit
-x”.
-
-Dat wie—so wordt dus voor ons: Zo min (het een)—als (het ander). Evenzo
-passim b.v. Kritik der Kantischen Philosophie, p. 535, V p. 155; of II
-p.222: „Was ist Vorstellung? Ein sehr komplicirter physiologischer
-Vorgang im Gehirne eines Thieres, dessen Resultat das Bewusstsein eines
-Bildes ebendaselbst ist” of p. 232 „Denn der Intellekt ist so
-vergänglich wie das Gehirn, dessen Produkt oder vielmehr Aktion er
-ist.”
-
-Ook elders (p. 245, 247) heet het intellect „nur eine somatische
-Funktion”, „ein Secundäres und Physisches” „der Vis inertiae
-unterworfen” [!]. IV, p. 63 „dass jedes Denken eine physiologische
-Funktion des Gehirns ist, eben wie das Verdauen eine des Magens”, of II
-p. 287 „wie das Greifen Funktion der Hand”!
-
-Verbijsterend wordt de verwarring op een p. 303, waar het lichaam
-alleen ... in de hersenen bestaat „als ein räumlich Ausgedehntes und
-sich in der Zeit Bewegendes nur mittelst der Funktionen des Gehirns,
-also nur in diesem, existirt. Was hingegen erkennt, was jene
-Vorstellung hat, ist das Gehirn, welches jedoch sich selbst nicht
-erkennt, sondern nur [!] als Intellekt, d.h. als Erkennendes, also nur
-subjectiv sich [!] seiner [!] bewusst wird.”
-
-De hersenen kennen! zich! als ... intellect!
-
-Terwijl het intellect, het kennend subject, op p. 325 „im Grunde
-tertiär” heet „weil es den Organismus voraussetzt [i. pl. v.
-omgekeerd!], dieser aber den Willen”—is weer op p. 334 het Gehirn
-Erscheinung van het intellekt: en elders weer (b.v. p. 303) van de wil
-zelf, sc. „der Wille zu erkennen, objektiv angeschaut, ist das Gehirn.”
-Die 3 concepties warren bij Schopenhauer dooréén, al blijft wel z’n
-grondgedachte: hersenen objectiteit (= phaenomeen) van intellect, zie
-II c. 22; c. 20, p. 286, in strijd met p. 287 „Objective Ansicht des
-Intellekts.” „Physiologies gesproken” (een geliefd stopwoord van
-realisten die het niet willen zijn) is er nu eenmaal nòch subject nòch
-intellect, en Kant heeft er zich wel voor gehoed, wanneer hij
-kennistheoretiese waarden bedoelt,... physiologies te spreken! Immers
-alleen daardoor ontstaat die onzinnige „introjectie”: heel de
-ruimtewereld, met de oneindige wereldruimte erbij, bevindt zich in...
-de hersenen; of is een ... hersenprodukt!; evenzo Schopenhauer’s waan,
-„dass man berechtigt ist, zu behaupten, die ganze objective Welt, so
-gränzenlos im Raum, so unendlich in der Zeit,... sei eigentlich nur
-eine gewisse Bewegung oder Affektion der Breimasse im Hirnschädel” (II,
-p. 319) of p. 322: dat das Gehirn... „die Form des Raumes
-hervorbringt”! of ibid., wel is de voorstelling prius van de physis
-(het lichaam), maar „andererseits setzt die Vorstellung eben so sehr
-den Leib voraus, da sie nur durch die Funktion eines Organs desselben
-entsteht.” Zo p. 323: Ook het Selbstbewusstsein „durch das Gehirn und
-seine Funktionen bedingt”, zelfs: p. 324 „Dieser Brennpunkt der
-gesammten Gehirnthätigkeit ist [!] Das, was Kant die synthetische
-Einheit der Apperception nannte,” een „untheilbarer Punkt”!
-
-Dan p. 334: „So hat Kant ... Raum, Zeit und Kausalität, als
-Gehirnfunktion nachgewiesen; wenngleich er dieses physiologischen
-Ausdrucks sich enthalten hat” ... und dieses physiologischen
-Ungedankens!
-
-Zo II, 16 („Zur idealistischen Grundansicht”) „dies [!] hat Kant
-ausführlich und gründlich dargethan; nur [!] dass er nicht das Gehirn
-nennt, sondern sagt ‚das Erkenntnissvermögen’.” Nur!—Kant heeft evenmin
-gedacht als gezegd: „Es ist eben so wahr, dass das Erkennende ein
-Produkt der Materie sei, als dass die Materie eine blosse Vorstellung
-des Erkennenden sei, aber es ist auch eben so einseitig.” Vergelijk in
-dezelfde geest: II p. 21 of p. 23, „dass auch das Subjekt als solches
-durch das Objekt bedingt ist” of p. 25.
-
-Volgens V, p. 53 zouden zelfs „die so genauen und richtig zutreffenden
-astronomischen Berechnungen” „nur dadurch möglich” zijn „dass der Raum
-eigentlich in unserm Kopf ist” en luidt het van hem, die deze wereld
-als „ein blosses Gehirnphänomen [!] auffasst”: „Dass der Kopf im Raume
-sei, hält ihn nicht ab, einzusehn, dass der Raum doch nur im Kopfe
-ist.”!
-
-Op Schopenhauer’s physiologies vooroordeel berust ook zijn foutief
-gebruik van het woord „cerebraal” voor intellectueel, verstandelik (dat
-ook in de Nederlandse kunstkritiek gaat binnendringen), cf. IV 260
-„intellektual, d.h. (objectiv ausgedrückt) cerebral”. Een vooroordeel,
-immers gemoedsleven, gevoel en geniale intuïtie, zijn physiologies even
-„cerebraal” als ... het bewuste denken.
-
-
-
-51: p. 138. Vergelijk nog Bolland, Wereldraadsel, p. 259 (Intreerede):
-„Verandering is en blijft voor ons het volstrekte Apriori”! met Kant te
-dezer plaatse:
-
-„Ebenso kann die transcendentale Aesthetik nicht den Begriff der
-Veränderung unter ihre Data apriori zählen: denn die Zeit selbst
-verändert sich nicht, sondern etwas das in der Zeit ist. Also wird dazu
-die Wahrnehmung von irgend einem Dasein, und der Succession seiner
-Bestimmungen, mithin Erfahrung erfordert.”
-
-Welk een verschil in ernst en bezonnenheid!
-
-Het is dan ook niet te dulden, dat juist deze doldrieste dogmaticus
-zich in deze zelfde rede, op p. 268 in een noot de volgende aanmerking
-veroorlooft op een kriticus, zó schroomvol (Windelband zou met Liebmann
-zeggen „keusch”) als Prof. Heymans:
-
-„Onvoorzichtig daarom en vol aanleiding tot misverstand is de volgende
-uitspraak van mijn hooggeachten ambtgenoot te Groningen: ‚Het is in
-hooge mate waarschijnlijk, dat zich alle natuurverschijnselen,
-physiologische, chemische en physische, tot mechanische laten
-terugbrengen’ (Prof. G. Heymans, ‚De Gids’ van April 1896, blz. 94).
-Zelfs objective is dit niet eens toe te geven; vgl. bijv. W. Ostwald
-over ‚die Ueberwindung des wissenschaftlichen Materialismus’ (Leipzig
-1895)”.
-
-Dit staat als noot bij Prof. Bolland’s zinsnede:
-
-„Het leven der Natuur is echter rijker dan de objectief visionaire
-puntenwarreling, waarin velen nog het Al zouden willen zien, doch
-waarin alles tot uitwendige verhouding is geworden, zonder gevoel of
-innerlijkheid; heeft de mechanistische natuuropvatting als methóde haar
-goed recht van bestaan, als theorie is zij eene bekrompene, eene plat
-eenzijdige dwaasheid.”
-
-Aan „eene bekrompene enz. dwaasheid”, Prof. Bolland, maakt zich in deze
-slechts hij schuldig, die als gij, met natuur (of zelfs Natuur) bedoelt
-een deel der concrete Werkelikheid, niet hij, die, als Prof. Heymans,
-begrijpt dat de Natuur, het object van physiologie en physica, slechts
-Phaenomeen is en de concrete Werkelikheid evenmin mechanies als
-ruimtelik!
-
-Heerlike ironie, dat Prof. Bolland in deze quasi-anti-materialistiese,
-maar zijns ondanks juist naturalistiese passus, de immaterialist
-Heymans verwijst naar ... de materialist Ostwald!
-
-In zijn zg. „Zuivere Rede” (en nogmaals Coll. Log. pp. 880–885)
-herhaalt Prof. B. (p. 186, 2e dr. 224) dezelfde aanmerking. Prof. B. is
-in 1904 (1909) nog ten deze niet wijzer, wel grover geworden, laat nu
-zijn „vrienden der wijsheid” verbaasd staan, dat „Het dogma van de
-‚mechanische verklaarbaarheid’ der werkelijkheid [n.b.]” wordt
-verkondigd door „de hoogleeraar der... wijsbegeerte Heymans”. De
-stippels zijn van Prof. Bolland. Rideamus! [271]
-
-Prof. B. is goedig genoeg om op p. 9 (52) letterlik te verklaren, dat
-voor hem Heymans’ „alle natuurverschijnselen” betekent: „alles,
-letterlijk alles”. Waarvan akte.
-
-Deze tegen Heymans gerichte pagina’s (8 en vv., 2e dr. 51 ss.) bewijzen
-slechts dat ook Heymans, als Kant, hoog boven Prof. Bolland’s bereik en
-begrip staat. Ze zijn, weloverwogen, niets dan een armzalig poginkje,
-tegen Heymans’ superioriteit, bij oningewijde dus argeloze lezers de
-schijn van „dogmatisme”, „ondoordachtheid”, „bevooroordeeldheid” te
-wekken, door een uit z’n verband gerukt of zelfs een vervalst citaatje.
-De aard dezer vervalsing verdient nadere toelichting:
-
-Prof. Bolland citeert, p. 8 (52), uit Heymans’ „Gesetze u. Elemente des
-wissenschaftlichen Denkens”: „De apodicticiteit der logische wetten, in
-den zin, waarin zij daaraan feitelijk wordt toegeschreven, levert geen
-nieuw probleem op.” En in een noot op die „apodicticiteit” voegt hij er
-bij: „‚Apodeixis’ beteekent bewijs, doch bedoeld is hier eene
-‚volstrekte’ geldigheid van algemeene bijzonderheden of
-‚betrekkelijkheden’, waartegen geen verstandig bezwaar kan rijzen in
-logisch ... dogmatisme.”
-
-Reeds deze noot geeft een even ware als waardige voorstelling voor
-ieder die weet, dat Heymans met apodicticiteit niets anders bedoelt,
-dan enerzijds een feit, een gegeven psychies en psychologies feit van
-het denken, dus „nicht etwas zu Beweisendes, sondern Gegenstand der
-unmittelbarsten, inneren Wahrnehmung” (men bestudere § 22) en
-anderzijds een probleem, waarvan de zuiver logiese oplossing wordt
-gezocht (men bestudere heel Heymans’ meesterwerk).
-
-De geciteerde zin zelf echter luidt bij Heymans als volgt, op p. 101:
-
-„Die Apodiktizität der logischen Gesetze in dem Sinne, in welchem sie
-denselben tatsächlich zugeschrieben wird, bietet also [ik cursiveer wat
-Bolland schrapte] kein neues Problem”...
-
-Also... want deze zin is de slotsom, de conclusie, van heel een §,
-genaamd „Die apodiktische Gewissheit der logischen Gesetze”, gewijd
-speciaal aan de vraag, of deze nog een nieuw probleem oplevert, nadat
-het logiese probleem (sc. de geldigheid a-priori der denkwetten, dus
-van het principium contradictionis en exclusi tertii, voor alle
-mogelike werkelikheid) is opgelost; diezelfde zin luidt dan ook verder:
-„sie ist in der Anwendung der logischen Gesetze auf die Wirklichkeit,
-welche wir im vorigen Paragraphen zu erklären versucht haben, mit
-einbegriffen”! Aan het logiese probleem zelf, waarom alles „niet iets
-anders” is dan wat het is, zijn dan reeds, voorzover het de feiten van
-het denken betreft, de §§ 14–20 en voor de verklaring dier feiten de
-niet minder magistrale §§ 21–24 gewijd, welke laatste § „die Lösung des
-Problems” heeft geboden.
-
-Maar Prof. Bolland zegt op p. 9 (53): „Zoo is ook bij Prof. Heymans om
-te beginnen alles datgene wat het is, en niet iets anders, wat zoozeer
-in de rede heet te liggen, dat het niet eens problemen medebrengt” ...
-hier gaat de vervalsing nog een graad verder: Van de conclusie „also
-kein neues Problem” werd op p. 8 (evenals explicite op p. 32 van „Het
-Verstand”) gemaakt de bewering zonder meer: „geen nieuw probleem”, en
-op pag. 9 reeds het dogma: „niet eens problemen”...
-
-Zo is op p. 11 (55) ridder Bolland waar hij wezen wilde: „Wie met
-vooropgestelde ‚waarheden’ begint, waarheden, die op hare wijze niet
-eens problemen medebrengen, begint met eene zekerheid zonder twijfel,
-die niet de zekerheid is der doordachtheid en wijsheid; wie met
-‚axiomen’ begint, begint met vooronderstellingen, die als vóóroordeelen
-van vooróórdeelen ongescheiden onderscheiden zijn.” enz. enz.
-
-Verslagen ligt Heymans en zijn werk van ± 500 gedegen pagina’s,
-uitsluitend gewijd aan... de kritiek der wetenschappelike axioma’s en
-hun apodicticiteit; bladzijden, die elk zonder onderscheid kritieser
-bezinning, dieper inzicht, bezonkener wijsheid, zuiverder begrip en
-vromer waarheidszin bevatten, dan voor enig Hegeliaan als zodanig ooit
-bereikbaar is, laat staan voor zulk een Hegeliaan.
-
-En in 1910 heeft Prof. Bolland in een pamflet blijkbaar niets beters
-tegen Heymans’ boek en deszelfs „betrekkelijke onbenulligheid” aan te
-voeren dan ... Prof. Bolland’s vervalsing, voor hem van genoeg belang
-om ze te herhalen op pag. 20/21 van „Het Antwoord”: „evidentie van
-datgene, welks ‚apodicticiteit’ bij Heymans elders geen probleem heet
-op te leveren”!
-
-Ik vermoed dat Heymans zelf, in zijn serene redelikheid, voor dit soort
-Bollandistiese polemiek zelfs geen woord van afkeuring overheeft—enkel
-zwijgende verontwaardiging en wat meewarig begrijpen. Maar ik voor mij
-achtte het nodig, hier eens dit proefje „Zuivere Rede” in ’t licht te
-stellen, niet om Heymans, maar terwille van de vele kritiekloze
-slachtoffers van Professor Bolland’s waarlik weergaloze „geoefendheid”,
-die hun de weg tot Kant-Heymans verspert.
-
-„Toch wel berekend en listig, maar valsch en bekrompen”—deze giftige
-pijl door Prof. Bolland op Heymans gemikt in zijn schotschrift, stuit
-af op Heymans’ integriteit, om slechts zijn schutter te treffen.
-
-Aangaande Heymans’ dialektiek-dodend meesterwerk, dat Prof. Bolland
-evenmin kan „laten gelden”, als hij er ook maar één §, één bewijs van
-kan weerleggen, omdat het nu eenmaal zijn „begrip” te boven gaat, en
-waaraan hij zich dan ook wijselik niet waagt, wordt de jongelui evenwel
-op college (Coll. Log. p. 274) de goedkope stoutigheid voorgezet: „een
-uur lang zouden wij het hier kunnen hebben over de ondoordachtheid,
-waarmee de schrijver z’n pen heeft bestuurd, toen hij schreef over
-‚wetten en elementen van het wetenschappelijke denken’.” De paar
-vittend bedoelde „vragen”, die dan daaromtrent volgen, getuigen van, of
-wenden voor, een onnozelheid, die zelfs de titel niet begrepen
-heeft,—te weten het verschil tussen „wet” en „element” [272], en de
-„transcendentale” zin van de titelkeus „wetenschappelik denken” ter
-aanduiding van de kennisleer als kritiek der wetenschappen.
-
-In hetzelfde zinnetje van p. 9 (53) wordt nog even Heymans’ bedoeling
-in zake de mechaniese natuurbeschouwing verhegeld oftewel verdraaid
-aldus: „de gegevens van physiologie, chemie en physica [zijn] geen van
-allen wat zij zijn, maar ‚hoogst waarschijnlijk’ wat anders.” De
-weerlegging van dit mechanisties-verkeerde „zijn” geeft o.a. § 25 van
-Heymans’ „Einführung in die Metaphysik”, getiteld „der Erkenntniswert
-der mechanischen Naturauffassung”, terwijl in hetzelfde zonneheldere
-standaardwerk [273] die algemene fout haar formulering vindt in de
-termen der logica: Men vat de „aequipollentie” (omvangsgelijkheid) der
-betrokken begrippen verkeerdelik op als „identiteit”
-(inhoudsgelijkheid). Op p. 189 (227) van „Zuivere Rede” vraagt Prof.
-Bolland met betrekking tot de aethertrilling-hypothese van het licht:
-
-„Laat zich iets aan deze verklaring van het bekende uit het onbekende
-voorstellen, laat er zich iets aan begrijpen? Wat moet eigenlijk der
-heeren ‚mechanisch verklaren’ heelemaal?”—Dat Prof. Bolland dat niet
-begrijpt, kan hem niet euvel worden geduid. Wel, dat hij Prof. Heymans
-op deze vraag, hier en elders, slechts laat antwoorden met een zinnetje
-uit een tijdschriftartikel dat, „zonder meer”, in ’t geheel niet ter
-zake is, te weten: „Das letzte Ziel alles Erklärens ist nichts Anderes
-als empirisch gegebene Zusammenhänge logisch zu durchleuchten.”
-
-Zulk soort schijnpolemiek tegen een meerdere als Heymans, ten
-aanschouwe van een publiek op welks licht te verbijsteren
-begriploosheid deze „geoefendheid” van meet af (zie Prof.’s voorrede)
-speculeert, is even ridderlik als redelik.
-
-Men behoeft Heymans slechts te kennen en te begrijpen om eens en voor
-al te weten, dat hij uitsluitend van de natuur, van het gebied der
-physica en physiologie, de mechaniese verklaarbaarheid of
-herleidbaarheid mogelik of zelfs waarschijnlik kan noemen, en dat voor
-hem dus al het geestelike, heel het terrein der psychologie en der
-geesteswetenschappen als zodanig, daarvan eo ipso en principieel, op
-kenniskritiese grond, is uitgesloten. Maar Prof. Bolland durft in 1910
-in zijn uitval tegen Heymans, getiteld: „Nieuwe Kennis en oude Wijsheid,
-eene poging tot voorlichting”, op p. 55 s., op dezelfde pagina, waar
-hij een Heymans toevoegt: „En in alles eerlijkheid en rondheid” ...
-deze zin laten drukken: „Ook zoude het der ervarenheid te Groningen eer
-aandoen, rondborstig evenzeer te erkennen, dat men eene misvatting uit,
-wanneer men de opvatting uit, dat geest en ziel, met al hetgeen daar
-niet aan toekomt [?!] zich nog eens zullen laten herleiden tot
-levenlooze en zelfs onqualificeerbare werktuigelijkheid” ...! Dit is
-weliswaar laster (evenals de smetten van pragmatisme en
-theosofen-kwakzalverij, die Prof. Bolland’s waan een theoreticus van ’t
-zuiverste water als Heymans tracht aan te wrijven), maar Prof. Bolland
-wist, begreep, nu eenmaal niet beter, naar ik wil aannemen. Ik ben
-alleen benieuwd, of hij, na deze mijn „poging tot voorlichting”, nu hem
-altans zijn algehele misvatting ten deze gewezen is, met „eerlijkheid”
-en „rondborstig” onmiddellik zijn laster zal erkennen en herroepen en
-voortaan zal trachten, van Heymans tenminste zoveel te leren kennen en
-begrijpen als nodig is, om enigszins weer goed te maken, wat hij in
-onwetendheid en wanbegrip aan hem en de waarheid misdreven heeft.
-
-Een Heymans zou onderschrijven, evenals een Eisler, een Wundt, de
-geniale „onvoorzichtigheden” van niemand minder dan Leibniz: „Tout ce
-qui se fait dans le corps de l’homme et de tout animal est aussi
-mécanique que se qui se fait dans une montre” en „Recte constitutum
-est, nihil in corpore fieri, quod non mechanicis, i.e. intelligibilibus
-rationibus constet.”—Voor hun als voor Leibniz geldt daarbij, zonder
-zweem van zelfweerspreking: „la Perception, et ce qui en dépend, est
-inexplicable par des raisons mécaniques, c’est-à-dire par les figures
-et par les mouvements.” (Monadologie, thèse 17, cf. thèses 79 et 81).
-Immers zij allen zijn zuivere parallelisten: „Tout se fait
-mécaniquement et métaphysiquement en même temps.”, voor wie de
-mechaniese natuur slechts phaenomeen is van de metaphysiese
-werkelikheid: „La source de la mécanique est dans la métaphysique”, een
-uitspraak, door de heer Bolland zelf indertijd geciteerd, maar wel
-kwalik begrepen.
-
-
-
-52: p. 140. In dezelfde zin p. 548/9: (Die Lebenserscheinungen) „Zwar
-könnten an sich die Finalität und Causalität, welche ich als Kehrseiten
-[?] meines zeitlichen Denkens vorfinde, die doppelseitige menschliche
-Auseinanderziehung [een aan de gelijktijdigheidsfout ontleend beeld]
-einer rein unzeitlichen Logik sein, so dass Zweck und Ursache nur
-illusorisch [!] gefasste logische Notwendigkeiten wären. In gewissem
-[?] Sinne mag dies ja auch immerhin der Fall sein, allein in seiner
-Strenge ist mir dieser zeitleugnende Gedanke unerträglich; in meinem
-Gefühl eines Bedürfnisses nach Erlösung von Unvernunft, Bosheit und
-Elend empfinde ich es als eine Verhöhnung des persönlich und etwa auch
-kosmisch empfundenen Uebels, mein Fühlen und Wünschen und Wirken als
-etwas schlechthin Zeitloses zu denken, so, dass mein Willensact sowie
-der demselben entgegengesetzte Widerstand eine reine Illusion, ein
-nicht einmal geträumter Traum wären.” Waar gemoedsaandoeningen en
-wensen spreken verwijst de wijsbegeerte met een zwijgend „Non
-ragioniam”... of desnoods met een uitgesproken „πρωτον μεν ἀληθεια”
-naar kerkleer en dergelijke—en speciaal de tijdkritiek lacht om deze
-illusionaire, dromende vrees, dat zij de heer Bolland zou dwingen, zijn
-gemoeds- en geestesleven, zijn levensactie, „als etwas schlechthin
-Zeitloses zu denken”. Juist wanneer en dewijl de tijd bewustzijns„vorm”
-is—blijft een niet-tijdelik bewustzijnsleven een zelfweerspreking, een
-onmogelikheid, van dezelfde kennistheoretiese soort als een
-niet-ruimtelike bewegingswereld.
-
-
-
-53: p. 141. Op p. 266 (Wereldraadsel) maakt Bolland’s Hartmanniaans
-dogmatiese „Mystiek” van het subject der interindividuele tijdelikheid
-„eenen alles omvattenden absoluten Géést.”
-
-Interessant is het te zien hoe ook Poincaré in „La Valeur de la
-Science” worstelt met het algemeen subject van de Tijd in ontologiese
-bevangenheid. Hij ziet wel in, alle affirmations over (objectieve)
-gelijktijdigheid en opeenvolging zijn zinledig zonder gemeenschappelik
-subjekt, „n’ont par elles-mêmes aucun sens” (p. 46; vergelijk ook
-Kinkel tegen Riehl, p. 25 o. c.). Hij zou dan wel willen concevoir „une
-sorte de grande [!] conscience, qui verrait tout et qui classerait tout
-dans son temps”, maar heeft toch bezwaren tegen zo’n „demi-dieu”, die
-met onvolkomen geheugen zou moeten worden gedacht, „puisque sans cela
-tous les souvenirs lui seraient également présents et qu’il n’y aurait
-pas de temps pour elle” (deze subtiliteit vergeet echter dat ook voor
-ons oorspronkelik alleen le présent de tijdbron kan zijn). „Et
-cependant, quand nous parlons du temps, pour tout ce qui se passe en
-dehors de nous, n’adoptons-nous pas inconsciemment cette hypothèse; ne
-nous mettons-nous pas a la place de ce dieu imparfait; et les athées
-eux-mêmes ne se mettent-ils pas à la place où serait Dieu, s’il
-existait?” Hij acht dan deze „hypothèse” toch onvoldoende „puisque
-cette intelligence hypothétique, si même elle existait, serait
-impénétrable pour nous.” Dit inzicht verheft Poincaré altans boven
-Hartmann c.s. Maar wij weten nu dat zulk een „transcendentaal” subjekt
-geen „hypothèse” is, geen als „bestaand” te veronderstellen wezen, maar
-hypothesis in oorspronkeliker dieper zin van het woord. Wie mij tot
-dusver gevolgd heeft zal mij begrijpen, wanneer ik z’n ontologiese
-gesteldheid aldus formuleer: Het subjekt der natuur bestaat evenmin,
-dus evenzeer, als de natuur.
-
-
-
-54: p. 141. Dr. J. D. Bierens de Haan stelt de verbijsterende vraag:
-„Maar waar vinden wij dit subject?”! (p. 227 van „De Weg tot het
-Inzicht”). [274] Kennistheoretiese subjekten, als het subjekt der
-natuur of het subjekt der waarheid zijn nu eenmaal geen „wezens”, die
-men tegen ’t lijf loopt.
-
-Zelf maakt hij er op zijn wijze een ens metaphysicum van, p. 185: „Want
-het voorwerp met zijn ding-schijn bestaat niet als subjekt tegenover
-het kennend bewustzijn als zodanig (in welk geval het toch een
-zinnelijk ding ware)—maar het bestaat in de synthetische handeling van
-een universeel bewustzijn zelf. Het universeele bewustzijn is het
-Eeuwige Denken [!], de wereldgrond zelf, het wereldcentrum”!
-
-Deze „Subreption” leidt op p. 187 tot het volgende dubbelgebeide
-dogmatisme: „Het ding-karakter is dus niet stoffelijk substantieel,
-maar iets geestelijks; de kracht der Idee, die de voorwerpen stelt, is
-een denkkracht, zoodat zij bestaan als handelingen der Idée zelve.
-
-„Onze aanschouwing van het voorwerpelijke is nu een herhaling [n.b.!]
-waarbij ons individueel bewustzijn deze hoogere [!] synthetische
-handeling weerspiegelt [!]. Waarneming is reconstructie [!] van binnen
-uit”!
-
-Dit is de „höherer Idealismus” waarmee Kant’s verontwaardiging zo
-meesterlik de spot drijft (zie Proleg. p. 164).
-
-Ditzelfde Hartmannisme bij Bolland (W. p. 316):
-
-„Is er waarheid in het menschelijk denken, dan bestaat die in de
-bewuste reproductie van den inhoud eener Wereldidée” enz.
-
-Ook het „objectief idealisme” van Bergmann, Eucken, Lipps e.a. begaat
-de reeds bij Berkeley te vinden fout, van het kennistheoreties Subjekt
-van Natuur en Tijd, eenmaal als Vóóronderstelsel ontdekt en begrepen,
-een werkelik bestaand Wezen, een soort Algeest te maken, even onkants
-als ongerechtvaardigd.—Wel vindt men bij Kant zelf reeds misstappen in
-diezelfde richting. Vgk. daaromtrent Windelband, Die Erneuerung des
-Hegelianismus, 1910, p. 14: „Nun hatte schon Kant alle Mühe, dieses
-‚Bewusstsein überhaupt’ vor der metaphysischen Ausdeutung zu schützen,
-die ihm sein eigenes persönliches Weltanschauungsbedürfnis nahelegte.
-Der zunächst hypothetisch eingeführte ‚intuitive Verstand’, der
-intellectus archetypus, dann—nach den Postulaten der praktischen
-Vernunft—in der Kritik der Urteilskraft das ‚übersinnliche Substrat der
-Menschheit’, das alles waren schüchterne Ansätze zur Metaphysizierung
-des ‚Bewusstseins überhaupt’, denen Hegel nur den rechten Namen gab,
-wenn er es Gott nannte.”
-
-Ten slotte zij hier nog gewaarschuwd tegen de verhaspeling van het
-subjekt der kennis, dus het subjekt van phaenomenale werkelikheid, met
-het subjekt der waarheid, „das urtheilende Bewusstsein überhaupt” van
-Rickert, dat bij deze dan ook wordt tot subjekt van het zijnde a.z.,
-aldus ten onrechte in z’n „zijn” van mogelik oordeel afhankelik
-gemaakt, een soort „Immanenz”, die dus niets te maken heeft met de
-phaenomenaliteit, de Kantiaanse afhankelikheid van mogelik kennen.
-Rickert kent of erkent zo min ons krities subjekt der natuur als de
-phaenomenaliteit der ruimte-dingen. Voor zijn objekt-realisme zijn
-psychies en physies even „reële”, kennistheoreties-gelijkwaardige delen
-der „empirische Wirklichkeit” („Das Physische und das Psychische sind,
-wie man sie auch sonst definiren mag, jedenfalls beide gleich
-unmittelbar gegeben.” Die Grenzen, p. 175; „Wir finden unmittelbar vor
-eine Welt, die aus Körpern besteht und aus anderen Gebilden, die wir
-psychisch nennen.” „Wir wissen, dass das Psychische ein Theil der
-empirischen Wirklichkeit ist, so gut wie die Körper.” ibid. p. 180).
-
-Aan Rickert zien wij dus, hoe men kan komen tot een „Bewusstsein
-überhaupt” en daarvan afhankelike „immanente objekten” (vgk. ook de
-noot bij bl. 390), zonder de kritiese objekt-immanentie en haar subjekt
-ook maar van verre te hebben bereikt.
-
-Rickert’s grondfout, waarmee heel zijn „idealisme” staat en valt, te
-weten: dat het al of niet toekennen van waarheid, het zus of zó
-„oordelen”, afhankelik zou zijn van het willen en dus de
-„Urtheilsnothwendigkeit” in plaats van een causale (re vera!) een soort
-teleologiese zou zijn en mitsdien elk oordeel een transcendent „Sollen”
-zou impliceren (Hoofdst. XIV, Sein und Sollen, van Der Gegenstand der
-Erkenntniss: „jedes Urtheil erkennt ein Sollen an, die Urtheile die
-Thatsachen constatiren, sind unbezweifelbar, also ist auch die
-Urtheilsnothwendigkeit vor jedem Zweifel geschützt.”) en een „waarde”
-„anerkennen” („dass sogar die Konstatirung einer Thatsache die
-Anerkennung eines Werthes einschliesst”, Die Grenzen p. 707), zodat
-„Sollen” prius zou zijn van „Sein” (C. XVII van Der Gegenstand, „dass
-das Sollen begrifflich früher ist als das Sein”) en de zekerheid zou
-verschaffen van een transcendente waarde („Wir dagegen finden, dass
-auch in den scheinbar nicht über Bewusstseinsthatsachen hinausgehenden
-und daher absolut unbezweifelbaren Urtheilen ein transcendenter Werth
-mitbehauptet wird und daher können wir von einem Wissen von diesem
-transcendenten Werthe reden.”), waarbij dan de waarheid zelf, als al
-wat men „verplicht” is te „bejahen”, fungeert als „Gegenstand der
-Erkenntniss” („Der Gegenstand der Erkenntniss ist ja nichts anderes als
-der Inbegriff der zu bejahenden Wahrheitswerthe.”)—deze grondfout is
-boven behandeld in Hoofdstuk IV § 3, speciaal p. 85/6 en in opmerking
-5.
-
-Even juist als scherp formuleert Rickert, hoe deze (onjuiste) leer
-(vgk. ook Bauch in de noot bij bl. 86) de bekende zelfweerspreking der
-waarheidsloochening in het ethiese transponeert: „Wo man den
-Pflichtbegriff als ethischen Begriff bekämpft, wird es dem Menschen zur
-Pflicht gemacht, keine Pflicht anzuerkennen.” (Die Grenzen p. 713).
-Maar onze zuiver theoretiese geesteswettelikheid mag en moet ook dit
-antiscepticum versmaden!—
-
-
-
-55: p. 148. Si duo idem dicunt, non est idem. Ook Wundt c.s. (Eisler en
-alle krities-monistiese evolutionisten) noemen „die Natur Vorstufe des
-Geistes”, zeggen „dass der Geist aus der Natur sich entwickelt”. Met
-hen zijn wij het daaromtrent volkomen eens. Het onderscheid met
-Hegeliaanse gelijkklinkende uitspraken is niet meer of minder, dan dat
-Wundt het natuur-idealisties en oorzakelik bedoelt, en de Hegelarij
-natuur-realisties en dialekties i.e. anticausaal (Hartmann en Eucken
-weer natuur-realisties en causaal). Bij Wundt, zuiver parallelist als
-Heymans, is nooit het psychiese uit het physiese, het geestelike uit
-het stoffelike voortgekomen, maar wel menselik geestesleven, kultuur,
-uit kultuurloze „natuurlike” dierlikheid.
-
-Uitstekend Eisler, Geschichte des Monismus, p. 169:
-
-„‚Natur’ und ‚Geist’ zeigen sich uns somit nicht als absolute
-Gegensätze, sondern sie sind, im weitesten Sinne, nur die beiden Seiten
-oder Betrachtungsweisen einer einheitlichen Wirklichkeit; im engeren
-Sinne aber ist Natur die niedere Stufe des Seins, das auf einer
-höheren, aktiveren und bewussteren ‚Geist’ (im Unterschiede vom
-psychischen Innensein überhaupt), und in der Gesamtheit von dessen
-Gebilden Kultur ist. Natur als Objektivation des Geistes und Natur als
-Vorstufe des Geistes sind also wohl zu unterscheiden. Der Geist im
-engeren Sinne steht über der Natur, während er im weiteren Sinne in der
-Natur selbst und deren Entwicklung zum Ausdruck, zur Erscheinung
-gelangt. Die Natur als Körperwelt ist die äussere Hülle, der Leib des
-Geistes.”
-
-Van de natuurwetenschappelike evolutie-leer is Hegel de vijand en
-verachter, ze is voor hem „völlig leer”, „grassiert noch” enz., zie §
-249 Kl. L. Inderdaad, de evolutie-leer „grassiert noch” in ironie van
-tegenstelling tot Hegeliaanse „Naturphilosophie”.—Van de wonderlike
-waan, als zoude Hegel „ein genialer Vorläufer der Darwinschen
-Entwicklungslehre” zijn en Darwin zelfs „ein genialer Ausarbeiter der
-Hegelschen Erkenntnistheorie” (frazen van Dietzgen over „Darwin und
-Hegel”), zou een blik in deze § 249 al kunnen genezen. Voor hem zijn
-„Gattungen” even duurzaam als „Gesetze”.—„So erkennt man z.B. in der
-Natur die Güte Gottes darin, dass die verschiedenen Klassen und
-Gattungen, sowohl der Tiere als auch der Pflanzen mit allem versehen
-sind, dessen sie bedürfen, um sich zu erhalten und zu gedeihen. Eben so
-verhält es sich dann auch mit dem Menschen, mit den Individuen und mit
-ganzen Völkern....” etc., aldus Hegel, waar hij op zijn manier
-„verstandig” wilde zijn (§ 80, Kl. Log., Zus.).
-
-
-
-56: p. 158. Prof. Dr. Jos. Kohler. Mijn qualificatie en de positie van
-deze roemruchte nestor van het volkerenrecht en veelzijdig
-rechtsgeleerde grootwaardigheidsbekleder der Berlijnse Universiteit,
-maar in philosophicis een des te gevaarliker even autoritair als
-bombasties idee-dilettant, vergt dat ik enige van die in de tekst
-bedoelde Ungeheuerlichkeiten aanwijs, al is het eigenlik jammer van de
-benodigde ruimte. In zijn „Lehrbuch der Rechtsphilosophie” (1909) volgt
-op de Inleiding (I) van het 1e Boek (Die Rechtsphilosophie und ihre
-Bedeutung) een hoofdstuk II: Philosophie und Rechtsphilosophie, waar te
-lezen staat (p. 7):
-
-„Vor allem kommt hier in Betracht die Erkenntnistheorie, d.h. die Frage
-über das Verhältnis zwischen Subjekt und Objekt [dus het in de tekst
-aangewezen objekt-realisme] und die Frage ob unseren Vorstellungen [!]
-von der Welt eine Welt in Wirklichkeit zu Grunde liegt und wie sich
-diese Wirklichkeit zu unseren Vorstellungen verhält. Das ist die
-ungeheuere Frage des kritischen Realismus.... Die Annahme, dass es
-überhaupt unmöglich sei, in das Ding an sich einzudringen, sodass [!]
-wir auf das Gebiet unserer Vorstellungen [!] zurückgeworfen waren,
-beruht auf dem falschen Dualismus [!] Kantschen Angedenkens: dieser
-Dualismus mit seiner ständigen Skeptik und dem ‚Ignoramus’ in bezug auf
-die Aussenwelt [!] ist längst überwunden. Überwunden ist auch die
-Annahme, dass Zeit und Raum nur auf unserer Vorstellung [!] beruhten
-und eine Zutat unseres Geistes wären.
-
-„Vielmehr ist zu sagen, dass das Ich und das Nichtich alles zu einem
-grossen [!] Weltganzen gehört und darum notwendig eine Zusammenstimmung
-[!] stattfinden muss, namentlich auch in der Richtung, dass Zeit und
-Ausdehnung, wie wir sie schon seit Aeonen in unseren Geist aufgenommen
-[!] haben, unserer Empfindung von Zeit und Raum entsprechen, da [!] der
-menschliche Geist und schon was dem Menschen an Geschöpfen
-vorhergegangen ist, aus der Zeit und dem Raum die ständige Vorstellung
-überkommen [!] haben.”
-
-Over Tijd en Ruimte vergelijke men dan § 3 van zijn „Das Problem der
-Rechtsphilosophie” in zijn Moderne Rechtsprobleme: „Die
-Entwicklungslehre [die van K.] setzt daher zwar die Wirklichkeit der
-Zeit voraus, allein sie beruht andererseits auf der Erkenntnis, dass
-das Zeitliche auf einem Ausserzeitlichen und Ausserräumlichen beruht
-und dass über Raum und Zeit eine höhere Wesenheit schwebt.... Die
-Ansicht, alsob sie [„Raum und Zeit”] nur subjektive Zutat unseres
-Geistes waren, ist irrig. Ihre Wirklichkeit wird nicht nur durch die
-Sinnfälligkeit unserer Beobachtung dargelegt, sondern auch durch unsere
-Körperlichkeit inmitten des gleichzeitigen oder verschiedenzeitigen
-Andersseins.... Wir [?] nehmen Zeit und Raum an, und ebenso nehmen wir
-eine Einheit und Vielheit der Wesen an.... Aber wir glauben an alles
-dieses in relativer Weise” etc.
-
-Maar horen wij nu verder (p. 8) Prof. Kohler tegen Kant’s „Dualismus”:
-„Jener ganze Dualismus ist so ungeheuerlich und haltlos, dass er vor
-energischen Denkern sofort zusammenfallen musste. Fichte und Schelling
-suchten ihn zu stürzen, und Hegel hat ihn vollkommen zertrümmert
-(Identitätsphilosophie)....” „Der Hauptirrtum der Kantschen Philosophie
-besteht darin, dass der Unterschied zwischen Subjekt und Objekt ins
-Ungeheuerliche übertrieben ist”.... Volgt een „Vorstellung” van Kant’s
-kennisleer: „Nach der Kantschen Erkenntnistheorie steht auf der einen
-Seite das Subjekt ganz allein im Theaterraum [!] und vor ihm ist die
-ungeheuerliche Bühne der Theatervorstellung [!], welche die Welt
-bedeutet. Zwischen diesen beiden Dingen sollte nun eine Vermittelung
-sein, aber fern davon: dasjenige, was wir wahrnehmen ist nur ein
-Phänomen, eine Folge von Erscheinungen, und alles, was hinter dem
-Phänomen liegt, ist uns ewig verborgen, denn all unsere geistigen
-Kräfte können sich nur auf die Erscheinungen beziehen.” [Natuurlik is
-juist die waarneming zelf de en de enige „Vermittelung” tussen Subjekt
-en Niet-ik. Juist door de Beziehung van onze „geistigen Kräfte” op dat
-Niet-ik ontstaat de „Erscheinung”!] „Diese ganze Vorstellung ist schon
-darum verfehlt [inderdaad verfehlt], weil sie zwischen dem einen [!]
-erbärmlichen Ich und der ganzen Welt einen solchen Unterschied macht,
-dass hier eine ungeheuere Kluft gähnt; das ist doch kaum der Mühe wert,
-wegen des einen Menschen solches Wesen zu machen! Wie verhält es sich
-denn mit der ungeheueren Menge der weiteren Ichs, die doch ebenfalls in
-die Welt hineinstarren?” (p. 9:).... „während unser ganzer Leib mit all
-seinen [?] Leiden und Schmerzen nur ebenfalls ein Phänomen ist, und in
-der Tat in den Wolken steckt [goed gelocaliseerd], die das Ding an sich
-umgeben.”....
-
-Na deze even individuele als individualistiese Kant-voorstelling levert
-nu p. 9 de volgende gewoon-realistiese „Spiegelung”- en
-„Aetherschwingungen”-dogmatiek:
-
-„Der Gedanke von dem Ding an sich ist insofern zutreffend, als
-natürlich jede Spiegelung [!], jedes Einwirken in eine Subjectivität
-nur so aufgefasst werden kann, dass das Ding an sich nicht in das
-Subjekt eingeht, sondern einen Eindruck macht, und dieser Eindruck ist
-es, den wir als das Bild der Welt erschauen. Insofern kann zwischen
-Eindruck und Welt natürlich nie volle Gleichheit bestehen, ebensowenig
-wie eine Gleichheit bestehen kann zwischen der Matrize [!] und dem aus
-der Matrize hervorgehenden Bilde [!]. Aber immerhin muss es
-verstandesmässig möglich sein, zwar nicht ein Abbild der Matrize zu
-geben, wohl aber zu sagen, inwieweit unser Eindruck zur Matrize stimmt
-und inwiefern bei diesem Eindruck subjektive Momente im Spiel sind.
-[Alsof Kant’s leer iets anders deed! Maar eilieve.... hoe vergelijkt
-een Kohler beeld en.... matrijs?! zie:] Dazu ist aber unser Verstand
-fähig, denn er kann unsere Organe [!] und die Wirksamkeiten dieser
-Organe erfassen und mithin auch darstellen, wie sie sich betätigen,
-wenn ein Eindruck von aussen [!] kommt”.... [Dat die organen.... zelf
-slechts kennisprodukten zijn.... wie op zulk een kleinigheid let, is
-een kniesoor.... en dat ook dit „aussen”, dit „kommen” zowel als dit
-„sich betätigen” tot de phaenomenenwereld behoren.... zover reikt de
-Kohlerkritiek niet. Hij bedoelt het zuiver physiek:] „Auch bei anderen
-Wesen finden wir ähnliche Organe, und wir können prüfen, wie sie wirken
-und wie sie durch die ‚Matrize’ von aussen beeinflusst werden. Weiter
-können wir natürlich nicht kommen” [Neen, natuurlik kunt gijlieden
-nooit verder komen]. „Es ist aber auch nicht nötig, denn diese
-Erkenntnis ist vollkommen. Kein Wesen kann sagen, welches Bild [!] das
-Weltall gibt, wenn man das beobachtende Wesen wegdenkt, denn dann ist
-eben ein Bild überhaupt unmöglich [K. zelf onderstreepte deze
-wijsheid]. Wir können nur sagen: im Weltalle ist eine Fülle
-verschiedener Objektivitäten [!], die [!] auf unsere Subjektivität
-wirken und bei deren Wirkung unsere Subjektivität die Tafel [!]
-darstellt, auf der die Bilder [!] erscheinen, welche Tafel an sich eine
-bestimmte Beschaffenheit hat, sodass wir [we „kennen” immers die Tafel
-„an sich”!] dasjenige abziehen können was subjektiv ist. [En nu een
-voorbeeld!:] Wir wissen z.B., wenn wir rot und gelb sehen, dass die
-Eigenart der Farbe eine Zutat unserer Sehorgane [!] und unseres Denkens
-[!!] ist, aber ebenso ist es sicher, dass dieser verschiedenen Art der
-Farbe eine Verschiedenheit im Objekt zugrunde liegen muss, von der wir
-nichts weiter wissen, als dass hierbei [!] Ätherschwingungen eine Rolle
-spielen.”
-
-En deze hooggeleerde lekepraat tegen Kant’s kritiek! Het
-„overeenstemmingsprobleem” der waarneming ontgaat deze naieve
-dogmaticus [275] natuurlik geheel, maar het probleem van de
-overeenstemming der resultaten van juist denken met de werkelikheid
-lost hij (p. 11) makkelik op (natuurlik dogmaties-verdubbelend): „Das
-ist nicht etwa eine ‚prästabilierte Harmonie’, es ist nicht eine
-Zufälligkeit, sondern es beruht darauf, dass wir eben ein Teil des
-grossen Ganzen sind”.... simple comme bonjour! En „van zelf” zijn
-meteen even de synthet. oordelen a priori verklaard: het Geheel „ist
-ein Räderwerk, von dem wir einen Teil bilden”.... „Damit erklärt sich
-von selber [aseitas] die Richtigkeit der Axiome in der Mathematik; es
-erklärt sich das Zusammentreffen des Kausalitätsgesetzes in uns und
-ausser uns, es erklärt sich [!] die ganze Kantsche Kategorientafel”.
-Mein Liebchen, was willst du noch mehr? Van Prof. Kohler krijgt ge dan
-nog het bekende stuk misverstand toe over Kant’s „verbod” tot
-transcendent kategorieëngebruik.... „Ist das Metaphysische unserer
-Anschauung nicht zugänglich, so ist es zugänglich unserem Denken”....
-Juist, zou Kant zeggen, das ist ja die ständige Behauptung der
-Kritik!... „Es ist eine bare Willkür zu behaupten, dass der Satz von
-der Identität und dem Widerspruch nur im Kreise der Anschauung [?!]
-bezeugt wäre.”... wie beweert dat bij geval?—Volgt de conclusie: „Somit
-[!] ist das ganze Kantsche Gedankensystem, so ungeheuere Kräfte auch
-darauf verwendet worden sind, ein Irrgang” en daarom „ist es verlorene
-Mühe”. Voor u altans is alle „ungeheuere” kracht, er op besteed,...
-verloren moeite. Zorg gij maar (p. 12) „die Hegelsche Philosophie
-zeitgemäss umzubilden” en laat het anderen over, „sich an den
-Akrobatenkünsten Kantscher Gedankengymnastik zu erbauen”. Blijf gij
-maar (p. 13) bij Hegel-Hartmann’s „Logik der Weltgeschichte.... mit
-sehr vieler Unlogik verbunden.” Aangezien Kohler’s „Richtung” (?)
-echter Hegel’s Dialektiek „ablehnt” (p. 14) blijft er van Philosophie
-niets anders over dan de fraze der „Kulturentwicklung” met, als „Das
-letzte Ziel” (titel van Boek II): „Alles erkennen und alles können und
-damit die Natur bemeistern.” Dit heet „Neuhegelianismus.” In de
-„Moderne Rechtsprobleme” (p. 9) nader omschreven: „Unrichtig war es
-allerdings von Hegel, anzunehmen, dass die grosse Welt mit ihrem Werden
-und Vergehen sich nach einer bestimmten Begriffsschablone abspiele. Wir
-haben uns daran gewöhnt, die in der vernünftigen Entwicklung
-enthaltenen, ausserordentlich mannigfaltigen Lebenskeime nicht
-apriorisch zu betrachten, sondern die ungeheure Gestaltung der Tat in
-ihrer Wirklichkeit zu erkennen: die ihr entsprechende Vernünftigkeit
-ist eben ihr metaphysischer Hintergrund. Dem Wollen und Walten des
-Lebens ist ein ungeheurer Freipass gegeben, und nicht ‚jeden Wochentag
-macht Gott die Zeche’. Nur in grösseren Zwischenräumen lässt sich die
-Gesetzlichkeit des Vernünftigen verstehen. Dies begreift der
-Neuhegelianismus: er weiss, dass eine unendliche Fülle von Einzelheiten
-die Weltgeschichte ausmacht, er sucht sie zu erkennen und erhebt sie
-zum Gegenstand seines Studiums; er weiss aber auch, dass hinter ihnen
-ein grosses [ungeheuer gross!] Ganzes steht: das Ganze ist die
-menschliche Kultur, die sich nach festen Gesetzen entwickeln muss.—So
-wird die Hegelsche Vernunft zur menschlichen Kultur, und statt der
-dialektischen Bewegung haben wir die Kulturgeschichte”...!
-
-Ik gewaagde boven van het idee-dilettantisme van deze meester der
-rechtsvergelijking. Dit ten besluite (p. 11): „Wenn man geltend gemacht
-hat, dass in unserem System ein Widerspruch bestehe zwischen der realen
-rechtsvergleichenden und universalrechtsgeschichtlichen Wissenschaft
-einerseits und der Ideenlehre andererseits, die uns aus Hegels
-Philosophie erwächst, so ist dies ein kurzsichtiger Irrtum; denn gerade
-in der Versöhnung der rationellen [?] Idee mit der Wirklichkeit liegt
-das Grosse der heutigen Forschung; wir dürfen in der Fülle der
-Einzelheiten das Gesamte der Idee nicht vergessen [klinkt goed], wir
-müssen in ihr die Ausflüsse des grossen Gottesgedankens erkennen; das
-ist das Wesen des Neuhegelianismus: was wir im Einzelnen entdecken,
-schliesst sich zum grossen Ganzen.”... (p. 12): „Fortschritt ist das
-Wesen der Welt. Eben weil das Ewige sich im Zeitenschosse zutage ringt,
-so muss eine Entwicklung walten; denn sonst wäre der ganze Prozess kein
-Entwicklungsprozess”.... ontegenzeggelik! „Das hat allerdings Spinoza
-noch unvollkommen erkannt [de stakkerd]: allein Spinoza ist auch nicht
-das Musterbild unseres Pantheismus, sondern nur ein unvollständiger
-Vertreter; unser Pantheismus reicht in die geweihten Zeiten der grossen
-indischen Philosophie hinein und berührt sich mit den Ideen der
-Sufiten, des Averroes und des Mystikers Ekkehard!” Zoveel ter
-oriëntering, hoe Prof. Kohler filosofeert.
-
-Daar ik de dogmatiese diepzinnigheden van een Kohler’s (en evenzo b.v.
-een Berolzheimer’s) „metaphysische Ideen” voor eer en invloed van de
-wijsbegeerte, en speciaal de rechtsfilosofie, heel wat heillozer acht,
-dan alle „Plattheiten”, „Seichtigkeiten”, „Flachheiten” etc. (men kent
-die phraseologie der diepe heren), die hij positivisme en materialisme,
-of ook een Jhering en een Stahl naar ’t hoofd slingert, als had hij
-zelf deel aan „die ungeheure Tat der deutschen Philosophie”—daarom wil
-en moet ik er op wijzen, hoe ontoegankelik zulk een geest is voor
-kritiese wijsbegeerte en hoe gering mitsdien het verschil tussen
-Kohler- en... Köhlerglauben.
-
-
-
-57: p. 236. Gelijksoortige realistiese zelfbespotting zie ik daar juist
-in de „Grundriss einer Philosophie des Schaffens als Kulturphilosophie,
-Einführung in die Philosophie als Weltanschauungslehre”, 1912, van Dr.
-Otto Braun, waar deze gewaagt van „die vom Idealismus vertretene
-Weltverdoppelung”.... nademaal hij het idealisme als volgt begrijpt:
-„Warum soll dieser Tisch hier denn durchaus nicht [n.b.] dieser Tisch,
-sondern irgend ein X sein?”.... „Was hätte es denn für einen Sinn, wenn
-neben einer objectiven Welt [van tafels etc] noch eine ihr ganz
-heterogene der Erscheinungen existierte?” (p. 42/3).
-
-Deze Privatdozent der Philosophie, die reeds als zodanig in 1912 toch
-wel diende te weten, dat voor het idealisme juist zijn objective Welt
-(van tafels etc.).... die (dus daaraan niet precies heterogene) Welt
-der Erscheinungen is.... en die zijn eigen Hartmanniaans realisme
-„realistischer Idealismus” noemt—dus met zijn „vom Idealismus
-vertretene Weltverdoppelung” naar letter en geest zich zelf bespot und
-weiss nicht wie—levert ons dan meteen nog een in dit verband niet
-onvermakelik voorbeeld van de toon, die zulk een, op zijn manier
-godsdienstig (zie zijn Slothoofdstuk X: „Vom gotterlebenden und
-gottdarstellenden Schaffen”), dualist tegen zijn materialistiese
-tegenstanders en mederealisten pleegt aan te slaan (vgk. mijn tekst bl.
-184), waar hij over de leden en bloc van de Monistenbund als volgt
-vonnis velt: „Doch kommen die Angehörigen dieser Vereinigung infolge
-ihres disziplinlosen Philosophierens kaum in Betracht; sie verstehen
-sich selbst nicht.” (p. 51).
-
-Moraal: γνωθι σεαυτον! We zouden ook tegen al zulk materie- of
-objektrealisme met een andere moraal kunnen eindigen, die zich niet
-uitsluitend maar inzonderheid ook ten aanzien van Objekt of Erscheinung
-en Ding an sich keert tegen het niettemin grote stuk werk van de
-25-jarige Liebmann, door, even zuiver Kantiaans als zuiver ironies, met
-de woorden zelf van diens Kant tot het ongerijmde (vgk. mijn tekst bl.
-92) herleidend refrein, te concluderen: „Also muss auf Kant
-zurückgegangen werden.”
-
-En wij handhaven deze moraal, trots de zo juist verschenen
-„Cellular-Ethik als moderne Nachfolge Christi, Grundlinien eines neuen
-Lebensinhaltes” door Wilhelm Kleinsorgen, 1912, opgedragen aan „Meinem
-hochverehrten Lehrer Seiner Exzellenz dem Wirklichen Geheimen Rat
-Professor Dr. Ernst Haeckel” en bevattend een Haeckelomane
-Haeckel-humbug, waarvoor zelfs een filosofaster als Haeckel toch
-eigenlik nog te goed, te trouwhartig is, een Cellular-Ethik dan, die
-ons op p. 24, waar schrijver het over „das Erkenntnisproblem” heet te
-hebben, aldus inlicht: „Der auf Descartes, Spinoza, Leibniz, Wolff und
-als ‚Kritizismus’ auf Kant zurückgehende Rationalismus und Apriorismus,
-der lange Zeit die philosophische Erkenntnislehre beherrscht hat und
-auch heute noch von vielen Philosophen als massgebend angesehen wird,
-ist abgesehen von den älteren Arbeiten Lockes, Humes, Condillacs und
-Mills in neuester Zeit vor allem durch die bahnbrechenden
-zellular-psychologischen Untersuchungen Ernst Haeckels ad absurdum
-geführt worden.” etc.
-
-Door Haeckel „ad absurdum geführt” worden inderdaad niet
-weinigen—immers in de logiese zin des woords al die dualisten, die het
-tegen zijn altans nooit opzettelik-dogmaties naturalisme moeten
-afleggen (b.v. apologeten als een Dennert, een Bettex en consorten, aan
-wie ik helaas pour acquit de conscience ook nog een deel van mijn tijd
-heb moeten geven) en in de letterlike zin al zijn volgelingen, die hem
-voor een wijsgeer verslijten—dus altijd en alléén dezulken, voor wie
-het kriticisme niet bestaat, zo min als voor Haeckel.
-
-Waar Haeckel eindigt, begint de kennisleer. Waar de kennisleer
-verschijnt, is het uit met dualisme en materialisme, uit met bewust en
-onbewust dogma, uit met orthodoxie en met Haeckel. Zeker, evenzeer Kant
-contra Thomas, Calvijn en zo voort, als Kant contra Haeckel, Ostwald,
-Bergson, Ziehen en zo voort, of als Kant contra Hegel en Kant contra
-Hartmann. Alles samengevat: Kriticisme contra Dogmatisme. En voor ons
-deel: Kennisleer contra Materie-realisme.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NAAMREGISTER.
-
-
-Adickes, 63, 96, 109, 300, 354–60.
-
-Adler, 261.
-
-Aksakow, 335.
-
-Aletrino, 188.
-
-Apel, 70, 358.
-
-Aristoteles, 236, 338, 346, 370.
-
-Atwater, 184.
-
-Auerbach, 382, 384.
-
-Avenarius XII, 56, 187, 341, 353.
-
-Averroes, 426.
-
-
-Bain, 155, 187, 285.
-
-Bastian, 285.
-
-Bauch, 86, 309, 362, 418.
-
-Bayet, 188.
-
-Becher, 201, 231–3, 239, 241 v.
-
-Bellaar Spruyt XV, 45, 74, 81, 83–89, 91.
-
-Benedict, 187.
-
-Bergh van Eysinga, v. d., 25, 294, 402.
-
-Bergmann, 14, 177, 416.
-
-Bergson, 74, 166–70, 201, 341, 353, 429.
-
-Berkeley XII, v., 22, 26–9, 33, 35, 38–40, 42, 49, 56 v., 61 v., 65 v.,
-87–91, 94, 100, 103, 107–9, 111, 114, 118, 121, 132, 139, 151, 155,
-163, 165, 251, 264, 292, 318, 322, 327, 350–2, 354, 363, 368, 373, 389,
-391, 399, 416.
-
-Bernard, 286.
-
-Berolzheimer, 426.
-
-Bettex, 428.
-
-Beyersdorff, 8.
-
-Beysens, 265–75, 277 v., 386, 393.
-
-Bierens de Haan, J. D., 25, 135, 174, 188, 294, 415.
-
-Bierens de Haan, P., 74, 403.
-
-Binet, 80, 290, 299, 339.
-
-Blavatsky, 164.
-
-Bleuler, 188.
-
-Boer, de, 407.
-
-Bolland XI, 14, 18, 35, 60, 72, 96, 112, 132 v., 136–49, 151 v, 154,
-156, 160, 164, 180 v., 183, 201, 203, 205, 207, 233, 235, 237, 239,
-255–8, 262, 310, 313, 342–4, 347, 349 v., 356, 379, 386 v., 398, 400
-v., 405–14, 416.
-
-Bölsche, 188.
-
-Boltzmann, 187, 250–2, 302, 331.
-
-Bolzano, 260.
-
-Braun, 427.
-
-Brentano, 102.
-
-Bruining, 219, 227–9.
-
-Brunetière, 263.
-
-Büchner, 164, 187, 203, 288.
-
-Buekers, 188.
-
-Busse, 177, 191, 194, 198–201, 205–7, 212–18, 221–7, 231–3, 254, 314,
-328, 393, 398.
-
-
-Calvijn, 428.
-
-Carneri, 36, 187, 288, 305.
-
-Carriere, 287.
-
-Cathrein, 263.
-
-Chamberlain, 2, 16.
-
-Clarke, 35, 79.
-
-Clay, 181 v.
-
-Clouston, 188.
-
-Cohen, 40, 43, 46, 57, 63, 73, 259, 283, 347, 370.
-
-Collier, 25, 27, 56, 109, 114, 293, 389.
-
-Comte XII, 74, 107, 187, 280.
-
-Condillac, 250, 428.
-
-Copernicus, 17, 370.
-
-Cornelius, 87, 330 v.
-
-Cramer, 187.
-
-Cresson, 187.
-
-
-Dante, 338.
-
-Darwin, 252, 309, 333, 419.
-
-Delbet, 187.
-
-Dennert, 428.
-
-Dèr Mouw, 39, 49, 61, 67, 181.
-
-Descartes, 167, 200, 291, 372, 428.
-
-Deussen, 136.
-
-Dietzgen, 2, 12, 34, 46, 144, 146, 187, 290 v., 314–7, 336, 419.
-
-Dilthey XII, 188, 226, 390.
-
-Domela Nieuwenhuis, 300.
-
-Domrich, 285.
-
-Donders, 285.
-
-Dorner, 290.
-
-Driesch, 211.
-
-Dubois, 188.
-
-Du Bois-Reymond, 2, 233, 284, 290, 353.
-
-Dunan, 61.
-
-Duncan, 188.
-
-Du Prel, 46, 309, 333, 336.
-
-Durkheim, 187.
-
-
-Ebbinghaus, 199, 216, 226.
-
-Eberhard, 8.
-
-Eeden, v. 78, 80, 329.
-
-Ekkehard, 426.
-
-Embden, v. 36, 189.
-
-Engels, 156, 290.
-
-Erdmann, B., 254, 258.
-
-Erdmann, J. E., 254, 287.
-
-Erhardt, 135, 201, 207, 243.
-
-Eucken, 177, 188 v., 416, 418.
-
-Euler, 59.
-
-
-Falckenberg, 348.
-
-Fechner, 177–80, 191, 338, 368.
-
-Ferri, 188.
-
-Feuerbach, 185, 187, 232.
-
-Fichte, 42, 49, 152, 162, 421.
-
-Fick, 287.
-
-Fischer, 4, 87, 92, 324.
-
-Flechsig, 187, 289.
-
-Flügel, 285.
-
-Forel, 177, 187, 288 v., 293.
-
-Fouillée, 226, 415.
-
-Fraser XIII, 29.
-
-
-Galileï, 370.
-
-Garofalo, 188.
-
-Geulincx, 234.
-
-Gewin, 296.
-
-Goethe, 179.
-
-Gorter, 146.
-
-Grasset, 187.
-
-Greeve, 402.
-
-Griesinger, 353.
-
-Grisebach, 403.
-
-Groot, de, 291.
-
-Gross, 375 v.
-
-Grotegast, 45, 336.
-
-Gumplowicz, 187.
-
-Guyau, 98, 176, 415.
-
-
-Häberlin, 26.
-
-Haeckel, 2, 96, 149 v., 156 v., 186–8, 196, 229, 281, 288, 293, 300 v.,
-305, 310, 354–6, 360, 428 v.
-
-Hamaker, 285.
-
-Hamilton, 277.
-
-Hamon, 188.
-
-Hanslick, 324.
-
-Hartmann XVI, 17, 19, 39, 43, 45, 51,57, 63, 65–7, 72, 93, 96 v., 99,
-103 v., 106 v., 110, 116, 118, 120, 124–6, 128–33, 136, 138, 141, 143,
-150, 181, 201, 220 v., 294, 318, 330, 352, 357, 371, 385 v., 388–99,
-415, 418, 424, 429.
-
-Hartog, de, 115, 134, 254.
-
-Hauptmann, 327.
-
-Hegel, 14, 17, 37, 42, 46, 49, 65, 107, 111–4, 132, 141, 145–9, 151–4,
-156, 162, 187, 203, 247, 250, 254, 261 v., 281, 311, 314, 323, 346,
-350, 356, 359, 375–82, 387, 416, 419, 421, 424–6, 429.
-
-Helmholtz, 12, 120, 248, 254, 276, 278, 321 v.
-
-Herbart, 115, 135, 250, 295, 328.
-
-Herckenrath, 59.
-
-Hering, 322.
-
-Hermann, 309.
-
-Heymans XIII, 10–12, 18 v., 29, 39, 42, 44, 49, 51, 54 v., 57, 61 v.,
-67, 70, 74 v., 87, 100, 107, 121, 123, 126, 139, 145 v., 149, 164, 191,
-195, 199, 204, 206, 211, 215–7, 219 v., 222, 226, 229, 233, 237, 239,
-245, 248, 258 v., 261 v., 285, 305, 317, 322 v., 362 v., 368, 375 v.,
-406–12, 418.
-
-Hobbes, 155.
-
-Horn, 67.
-
-Horwicz, 285.
-
-Huber, 275, 277, 279, 298.
-
-Hugenholtz, 98.
-
-Hume XII, 3, 13, 49, 151, 154, 235, 260, 275 v., 282, 316, 328, 354,
-389, 428.
-
-Huxley, 187, 285.
-
-Hyrtll, 287.
-
-
-Ingersoll, 333.
-
-
-Jäger, 187.
-
-James, 170, 201, 223, 329.
-
-Janet, 35, 79, 258.
-
-Jelgersma, D. G., 1.
-
-Jelgersma, G., 187.
-
-Jerusalem, 13, 170, 201, 282–4.
-
-Jezus (Christus), 176, 284, 428.
-
-Jhering, 426.
-
-
-Kant, passim.
-
-Kardec, 333.
-
-Kassowitz, 178, 187.
-
-Kautsky, 187, 340.
-
-Kehrbach, 56.
-
-Kempf, 263.
-
-Kinkel, 32, 76, 113, 347, 414.
-
-Kirchmann, 130, 350.
-
-Kleinpeter, 15.
-
-Kleinsorgen, 428.
-
-Koenig, 1, 43, 119, 350.
-
-Kohler, 158, 398, 420–6.
-
-Kohnstamm, 81, 83, 253, 259.
-
-Koster, 233.
-
-Kraft, 193.
-
-Kramar, 289.
-
-Kroell, 187.
-
-Külpe, 17, 63, 96, 100–3, 106–9, 121, 123–6, 362–9.
-
-Kuyper, 120, 291, 295 v., 309, 330, 334.
-
-
-Laas, 280 v.
-
-Lachelier, 374.
-
-Land, 255, 323.
-
-Lange XII, 18, 43.
-
-Laurent, 188.
-
-Leadbeater, 45.
-
-Le Dantec, 187.
-
-Leibniz, 11, 29, 35, 59, 79, 80, 111, 229, 258, 260, 297, 372 v., 385,
-413, 428.
-
-Levy, 98, 228–31, 233, 254, 284–9, 305, 309, 340.
-
-Lévy-Bruhl, 74, 362.
-
-Lewes, 155, 187.
-
-Liard, 291.
-
-Liebmann, 12, 56, 61, 64, 226, 323 v., 340, 347, 351–4, 400–2, 406,
-427.
-
-Lipps, 18, 258, 324, 327, 416.
-
-Lobatsjefski, 12.
-
-Locke, 30, 32, 165, 300, 319, 402, 428.
-
-Loeb, 187.
-
-Loewenfeld, 218.
-
-Lotze, 70, 165, 184, 191, 200, 212, 232, 261 v., 287, 291, 297.
-
-Luther, 224.
-
-
-Mach, 57, 114, 167, 175, 187, 233, 319, 322, 341, 402.
-
-Maimon, 45.
-
-Malebranche, 234, 350.
-
-Marx, 119, 261, 290.
-
-Maudsley, 187, 305.
-
-Mayer, 286.
-
-Meijers, 346.
-
-Mercier, 265 v., 277.
-
-Messer, 245, 278, 368–70.
-
-Meyer, 190, 336–8.
-
-Meynert, 187, 286, 288.
-
-Mill, 89, 126, 155, 428.
-
-Möbius, 372.
-
-Moleschott, 187.
-
-Müller, 285, 401.
-
-Münsterberg, 18, 83, 169, 177, 187, 229–31, 238, 369.
-
-
-Nägeli, 358, 407.
-
-Natorp, 18, 43, 47, 73, 81, 83, 369.
-
-Newton, 57, 139, 224, 311, 370.
-
-Nietzsche, 173, 296, 361.
-
-
-Opzoomer, 13.
-
-Ossip-Lourié, 244.
-
-Ostwald, 16, 137, 170, 187, 233, 249 v., 278, 284, 302, 309, 384 v.,
-406 v., 429.
-
-Ovink, 81–3.
-
-
-Palagyi, 260, 320.
-
-Pannekoek, 315, 317.
-
-Paulhan, 187.
-
-Paulsen, 63, 199, 229, 254, 293, 300, 320, 328.
-
-Pesch, 2, 262.
-
-Petzoldt, 187, 280, 402.
-
-Pfleiderer, 287.
-
-Piderit, 287.
-
-Pierson, 35, 42.
-
-Pikler, 187.
-
-Plechanow, 156.
-
-Poincaré, 136, 170, 414 v.
-
-Polak, 323.
-
-Ptolemaeus, 370.
-
-
-Ramon y Cajal, 187.
-
-Ratzenhofer, 187.
-
-Rau, 177, 187.
-
-Reclam, 56.
-
-Reddingius, 177.
-
-Rée XIV, 2, 56, 94, 96, 150, 293, 354, 360 v.
-
-Rehmke, 201.
-
-Reinke, 211.
-
-Renouvier, 299.
-
-Ribot, 187.
-
-Richet, 286.
-
-Rickert, 45, 81, 83, 169, 177, 201, 231, 261, 346, 351, 369, 390,
-416–8.
-
-Riehl, 5, 18 v., 22, 33, 40, 61 v., 74, 100, 157, 211, 221 v., 226,
-248, 262, 281, 284 v., 290, 319, 339, 362, 414.
-
-Riemann, 12, 120, 254, 276.
-
-Ritschl, 296.
-
-Ritter, 42.
-
-Rokitansky, 286, 288.
-
-Rosenkranz, 8.
-
-Rousseau, 26.
-
-Rubner, 184.
-
-Ruete, 287.
-
-Rumford, 407.
-
-
-Schaller, 287.
-
-Schelling, 152, 162, 421.
-
-Schleiermacher, 10.
-
-Schneider, 187, 196 v.
-
-Schopenhauer, 18–20, 40, 56, 62, 73 v., 92, 107, 112, 122, 135, 211,
-250 v., 281, 284, 296, 312, 324, 329, 349, 353 v., 366, 368, 379,
-402–5.
-
-Schroeder v. d. Kolk, 287.
-
-Schubert, 8.
-
-Schubert-Soldern, 49.
-
-Schultze, 287.
-
-Schuppe, 332.
-
-Simmel, 158, 170–4.
-
-Snijders, 188, 302.
-
-Sollier, 187, 293, 331.
-
-Spencer, 187, 358.
-
-Spiller, 286.
-
-Spinoza, 179, 181 v., 186, 200, 275, 294, 296, 311, 316, 354, 426, 428.
-
-Stadler, 347.
-
-Stahl, 426.
-
-Stammler, 74.
-
-Stein, 263.
-
-Steinmetz, 188, 190.
-
-Stirling, 151–6, 159 v., 162, 248.
-
-Strauss XII, 187.
-
-Stumpf, 164, 183, 201, 207, 219, 225, 233, 235–9, 245, 284, 286, 368 v.
-
-
-Taine, 38, 135.
-
-Thiele, 19, 46, 70, 358.
-
-Thomas v. Aquino, 298, 320, 346, 428.
-
-Träger, 254.
-
-Trendelenburg, 63, 65 v., 106, 387.
-
-Tyndall, 285.
-
-
-Überweg, XII, 102.
-
-Ulrici, 287.
-
-
-Vaihinger, 7 v., 173.
-
-Vargha, 188.
-
-Vas Nunes, 327.
-
-Vauvenargues, XIV.
-
-Verworn, 177, 187, 369, 402.
-
-Virchow, 285.
-
-Vischer, 59.
-
-Vogt, 187.
-
-Voit, 289.
-
-Volkelt, 351 v., 364 v.
-
-Vries, de, 195.
-
-
-Wagner, 286.
-
-Wahle, 103, 252 v., 353.
-
-Walker, 264.
-
-Wartenberg, 106, 201, 371–4.
-
-Weinstein, 186 v.
-
-Wijnaendts Francken, 4, 25, 38, 98, 188, 288, 299–301, 303–6, 308–10,
-340.
-
-Wille, 209, 338.
-
-Windelband, 12, 43, 45, 81, 261 v., 324, 347, 350, 406, 416.
-
-Winkler, 187, 285, 340.
-
-Wolff, 428.
-
-Woltmann, 2.
-
-Wundt, 5 v., 8, 18 v., 39 v., 61, 63, 100, 109–11, 114, 169, 191, 204,
-211, 222, 226, 228–31, 250, 258, 305, 313, 321, 412, 418.
-
-Wyck, v. d., 310.
-
-
-Zander, 187.
-
-Ziehen, 2, 8, 42, 76, 167, 177, 187, 226, 233, 278, 292, 294, 298, 305,
-340 v., 353., 402, 429.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Ik mag hier wel een woord van dank en waardering wijden aan de
-uitgever, die in ons kleine land deze uitgave heeft aangedurfd niet
-alleen, maar ook zo royaal en keurig doen verzorgen, als de schrijver
-het maar heeft kunnen wensen.
-
-[2] Dr. D. G. Jelgersma, Immanuel Kant als Philosoof, p. 1; cf. Dr.
-Edm. König, Die Entwicklung des Causalproblems von Cartesius bis Kant
-(Leipzig 1888): „Kein Denker kann in unserem Jahrhundert den Anspruch
-erheben, die philosophische Gedankenbewegung in irgend eine neue
-Richtung leiten zu wollen, der nicht mit Kant sich in ähnlicher Weise
-abgefunden hat, wie dieser seinerzeit mit Hume; so ist in der That
-alles Philosophiren seit Kant mehr oder weniger von einer Kritik
-desselben ausgegangen.” Helaas bewijst ook een Koenig zelf, gelijk heel
-het epigonengeschrijf—maar vooral zijn zich „transcendentalisme”
-noemende richting, dat met de kritiese termen van Kant nog niet zijn
-kritiese zin is overgenomen.
-
-[3] „er, der Erste—und bisher der Einzige—ist es, er allein der gelehrt
-und bewiesen hat: alles Wissen stammt aus der Erfahrung” etc.; „die
-vieltönige Skala des schnöde verkannten kategorischen Imperativs, des
-erhabensten Gedankens, der jemals—seit Christi Erdentagen—von einem
-Menschen gedacht wurde” etc.; zelfs heeft Kant „tiefer als irgend ein
-Mensch das Wesen des Schönen und das Wesen der schöpferischen Kunst
-ergründet” etc. „Schon die blosse Berührung dieses Geistes läutert und
-stärkt und heilt” etc. Vgk. noot 1, p. 16.
-
-[4] „Es ist schon ein grosser und nöthiger Beweis der Klugheit und der
-Einsicht, zu wissen, was man vernünftiger Weise fragen solle. Denn wenn
-die Frage an sich ungereimt ist, und unnöthige Antworten verlangt, so
-hat sie, ausser der Beschämung dessen, der sie aufwirft, bisweilen noch
-den Nachtheil, den unbehutsamen Anhörer derselben zu ungereimten
-Antworten zu verleiten, und den belachenswerthen Anblick zu geben, dass
-Einer (wie die Alten sagten) den Bock melkt, der Andere ein Sieb
-unterhält.”
-
-Du Bois-Reymond’s „Wereldraadselen” en Haeckel’s antwoord.
-
-[5] Voor de techniese termen schrikke de lezer niet—ik beloof hem
-straks Kantisme te geven zonder één enkele niet-vertaalde Kant-term.
-
-Maar gelijk Edelweiss, slechts op eigen alp te plukken, zo is een term
-als b.v. „transcendentaal” slechts te begrijpen op de hoogte van het
-transcendentaal-probleem, dat geen ander is dan bovengenoemd probleem
-der mogelikheid van synthetiese oordelen a priori, aan welks
-uiteenzetting mijn inleiding is gewijd.
-
-[6] Hume ontdekte een deel van „het kritiese probleem”—Kant het geheel,
-en bovendien een deel van de kritiese oplossing. Kant, door Hume gewekt
-uit „den dogmatischen Schlummer”, waarin heel de wijsbegeerte bevangen
-was gebleven, eer uit Engeland die dageraadsbazuin had geklonken—en
-waarin zo ’t schijnt nog eeuwen na Hume en Kant zelfs de meeste
-beoefenaren der wijsbegeerte en bestudeerders van Hume en Kant zullen
-blijven voortdommelen.
-
-[7] Voorbeeld: gegeven is alleen: 10 billioen korrels van een stof
-bevinden zich in zeker vat. Wat weet gij dan omtrent de plaats van de
-10 billioen + 2- of + nde korrel?! Het antwoord kan slechts zijn....
-absoluut niets. Zelfs geen zweem van waarschijnlikheid kan hier
-logieserwijze ontstaan!—Vgk. nu die „dogmatischen Schlummer” uit de
-vorige noot b.v. bij Dr. Wijnaendts Francken, Psychologische Omtrekken,
-1900, p. 61: „alhoewel feitelijk de ervaringsgewoonte logisch tot niets
-anders voeren kan dan tot een hooge mate van waarschijnlijkheid, terwijl
-een absolute algemeen-geldigheid slechts te bereiken is langs een
-metaphysisch-speculatieven weg, die zich verwijdert van de zuivere
-empirie.” Van ’t zelfde allooi Inleiding tot de Wijsbegeerte, 1905, p.
-81.
-
-[8] „Ervaring” hier in de gewone zin (waarvoor Kant bij voorkeur
-„Empirie” gebruikt) van waarneming, ondervinding, belevenis, kortom:
-het „gegevene”, streng te scheiden van het specifiek Kantse begrip
-„Erfahrung” sc. „het geheel der ervaringswetenschappen”, speciaal de
-natuurwetenschappen, nog specialer de mathematiese natuurwetenschappen.
-Sommige quasi-kantianen scheppen er blijkbaar een behagen in, de
-desonkundige menigte te overbluffen met het orakelspreukige: „De
-ervaring is slechts de helft der ervaring”, ’t welk overgezet zijnde
-dus niets anders betekent dan: Ervaring, waarneming is slechts de helft
-der exacte wetenschap. Deze helft is te danken aan de „Sinnlichkeit” =
-het waarnemingsvermogen. De andere helft levert het „verstand”, dat de
-gegevens der zinnen logies en causaal („kategorieel”) hanteert en
-verwerkt.—Op de vereenzelviging van Kant’s „Erfahrung” als objectieve
-natuurwetenschap en „Erfahrung” als individuele waarneming berust Kuno
-Fischer’s even onkantse als onjuiste onderscheiding tussen een a
-posteriori, dat wel, en een, dat niet „empirisch” zou mogen worden
-genoemd, en zijn pseudo-kantiaans verbod, de „stof” der „ervaring”, de
-gewaarwordingen, als „empirisch gegeben” te beschouwen. Zie zijn
-Philosophische Schriften, II, Kritik der Kantischen Philosophie, pp.
-166/7: „Empirisch, was uns durch Erfahrung [= indiv. waarneming]
-gegeben wird. Nun sind die Empfindungen das Material der Erfahrung [=
-natuurwetenschap, objectieve kennis], also zu derselben, nicht durch
-sie gegeben; daher sind sie wohl a posteriori, aber nicht
-empirisch.”—„Kant soll widersinniger Weise gelehrt haben, dass der
-Stoff zur Erfahrung [= obj. wetensch.] durch Erfahrung [= indiv.
-gewaarwording] gegeben sei!” Vgk. noot 1, pag. 19.
-
-[9] Geheel en al on-Kants dus bepaalt Riehl (Der philosophische
-Kriticismus, I 326–7) zowel het onderscheid tussen syntheties en
-analyties als het verschil tussen apriori en aposteriori: „Es wird
-nicht aus der Allgemeinheit auf die Apriorität geschlossen, sondern
-umgekehrt aus dem Beweise und der Rechtfertigung der Apriorität auf die
-Allgemeinheit.”
-
-Natuurlik wordt door Kant de aprioriteit (in zoverre heeft Riehl, p.
-327, gelijk) niet „gerechtvaardigd” met „algemeenheid en
-noodwendigheid”, maar enkel er uit gekend („Kennzeichen”); algemeenheid
-en noodwendigheid beantwoorden niet de quaestio juris, maar de quaestio
-facti; in het jargon van Kant: algemeenheid en noodwendigheid dienen
-slechts voor „metaphysische Erörterung”, niet voor „transcendentale
-Deduction”.
-
-[10] Kant heeft gelijk—dat ware een soort „generatio aequivoca”—in de
-zin van een ontstaan uit niets (K. d. r. V. p. 682).
-
-[11] Uit Kant’s geschrift van 1790 tegen Eberhard: „Ueber eine
-Entdeckung, nach der alle neue Kritik der reinen Vernunft durch eine
-ältere entbehrlich gemacht werden soll”, uitg. Rosenkranz en Schubert I
-: 444.
-
-[12] Dat trouwens Ziehen’s polemiek tegen Kant (gelijk ook tegen Wundt)
-van a tot z misverstand is, hoop ik in extenso aan te tonen.
-
-[13] De „weters” mogen m’n elementaire verklaringen overslaan, die niet
-voor hun geschreven zijn—doch ik merk maar al te zeer, hoe weinig de
-kennisleer in ’t algemeen en Kant in ’t biezonder begrepen en gekend
-wordt, dank zij vooral de duistere vaktermen, sfinxen, die
-schijnraadsels opgeven en de poorten tot de werkelike wijsgerige
-problemen versperren.
-
-[14] Eenvoudige voorbeelden: (uit de scheikunde) „goud is een geel
-metaal”; (uit de meetkunde): „een trapezium heeft 2 // zijden”; „elk
-gevolg onderstelt een oorzaak”; „3 + 2 = 5”.
-
-[15] Voorbeelden dus voor ’t grijpen: „elke verandering heeft een
-oorzaak”; „de ruimte is oneindig, de wereldmassa eindig”; alle
-bestaansoordelen: „er zijn (geen) goden, atomen, synthetiese oordelen a
-priori” enz.; alle geschiedkundige uitspraken enz. enz.
-
-[16] Heymans formuleert nog ietwat zuiverder: deze oordelen hebben geen
-betrekking op ervaring—de tegenstelling a priori en a posteriori
-vervalt hier dus.
-
-[17] Vgl. Heymans, G. u. El. ², p. 154–155. Zie voorts Opm. 1.
-
-[18] Vgl. Windelband, Präludien, „Immanuel Kant”, p. 131: „Dies
-Selbstverständliche nicht zu sehen, ist die Kurzsichtigkeit des
-Positivismus: Philosophie im Kantischen Sinne ist die Lehre von eben
-diesem Selbstverständlichen.”
-
-Liebmann, Zur A. der W. ², 1880, p. 65: „Wer irgend etwas ohne Weiteres
-für selbstverständlich hält, ist kein Philosoph.”
-
-[19] Men lette vooral op dat „mithin ihr Ursprung a priori”. Hier
-blijkt zo duidelik, dat uit de noodwendigheid, dus het „gelden” a
-priori, voor Kant, terecht, onmiddellik het zgn. „geneties” a priori
-volgt.
-
-[20] „Door de resultaten”—roept het huidig Pragmatisme mij zelfbewust
-toe. Edoch—de vraag doelt op de toekomst en het antwoord betreft
-uitsluitend het verleden! „Maar we verwachten en mogen verwachten...”
-Rectissime! Het feit èn het goed recht dier verwachting,—de overtuiging
-dat zij gegrond is èn de tot dusver algemene feitelike bevestiging dier
-overtuiging— in nuce het psychologiese èn het filosofiese...
-causaliteitsprobleem.
-
-Wil nu het pragmatisme zijn verwachtingen op resultaten bouwen, dan
-moet het beschikken over... toekomstresultaten—m.a.w. zijn schuld
-dekken met... nieuwe schuld!—Exit pragmatismus.
-
-[21] Een „kriticus” als Jerusalem gelooft nog van wel (zie opm. 8),
-evenals ten onzent indertijd het empirisme van Opzoomer.
-
-[22] Dat inderdaad dus in een zin, lijnrecht tegengesteld aan die van
-Hegel, geldt „Alles Wirkliche ist vernünftig.”—Vgk. mijn antwoord aan
-Prof. Bolland, p. 18.
-
-[23] Reeds methodologies schijnt het mij stellig ongeoorloofd, het
-feitelik gegevenzijn der synthet. oordelen a priori (in de
-wetenschappen) te loochenen, omdat ze een raadsel, een „onmogelikheid”
-zouden zijn, en te zeggen, als Bergmann (Untersuchungen über
-Hauptpunkte der Philosophie, p. 91 ss.): wat èn a priori is èn
-werkelike kennis (niet tautologie), b.v. de meetkundige waarheden,...
-moet eo ipso niet-syntheties,—analyties zijn! „Aber eben desshalb, weil
-ich sie [sc. „die mathematischen Wahrheiten und das Princip der
-Causalität”] für a priori und für wirkliche Erkenntnisse halte, kann
-ich sie nicht mit Kant für synthetisch halten.” (p. 95, Ueber den Satz
-des zureichenden Grundes). Voor wie zó schrijft (vgk. ook p. 25) heeft
-Kant vergeefs geleefd. Hij erkent dan ook zelf, dat hem K.’s oplossing,
-te weten het begrip „Form” met z’n geldigheid a priori voor alle
-mogelike inhoud of „Materie”, „völlig unverständlich” is gebleven (p.
-94). Daar het B. „vollkommen evident” toeschijnt (p. 101), „dass die
-Erkenntnis des dreifachen Raumes analytisch ist”,... zou volgens hem
-het begrip „vierdimensionele ruimte” een contradictio in adjecto zijn
-en zouden de metageometriese axioma’s, als contradictoor aan de Euklid.
-grondwaarheden, tegenstrijdigheden moeten opleveren.
-
-[24] Vgl. nu b.v. Kleinpeter, Die Erkenntnistheorie der Naturforschung
-der Gegenwart, p. 11: „Wir wissen heute, dass die Wahrheiten der ganzen
-Physik und der Geometrie empirische sind” enz. Vgk. p. 8, waar de
-„Aufstellung” van de Voraussetzungen (Axiomen, Postulaten,
-Definitionen) der Geometrie „der Willkür unterliegt”, mits ze zich maar
-„praktisch brauchbar erweisen”!
-
-[25] Reeds hier vat men, hoeveel van Kant’s anti-dogmaties denken
-begrepen heeft en begrijpelik kan maken, wie als het universeelgenie
-Houston Stuart Chamberlain in een boek van meer dan 900 bladzijden
-„nicht die Gedanken sondern das Denken” van Kant den volke wil
-verkondigen, en aan de vraag hoe synthetiese oordelen a priori mogelik
-zijn slechts in ’t voorbijgaan (tegenover Ostwald’s loochening der
-synth. oordelen a priori) enige regels wijdt, die nog bovendien
-bewijzen, dat strekking en draagwijdte van de vraag zelf, gelijk a
-fortiori van Kant’s krities antwoord, deze Kant-gids verborgen zijn
-gebleven.
-
-[26] Kant zegt ook Transcendental-Idealismus, formaler Idealismus. Dat
-zijn specifiek Kantse termen, die dus vertaling behoeven, wil een
-oningewijde er iets van begrijpen. Ook „idealisme” heeft hier
-hoegenaamd niets met aanvaarding van, geestdrift voor, „idealen” of het
-„ideële” te maken. Het staat eenvoudig tegenover „realisme”.
-
-[27] „Hat er aber gemeint, dass die Realitäten von den subjectiven
-Erkenntnisformen wesentlich verschieden seien, so hat er den Beweis
-dafür gerade als Phänomenalist schuldig bleiben müssen.” Külpe als één
-voor velen.
-
-[28] De negatie alléén negeert heel het Hegelisme. De negatie is
-denkvorm, kategorie—zonder denken dus geen negatie. De stelling: „dat
-de waarheid zich weerspreekt” is enkel... dogmaties-verdubbelend
-Logos-realisme.
-
-Prof. Bolland vraagt in „Aanschouwing en Verstand” p. 110: „Waarom is
-de tegenstrijdigheid in eene onafhankelijk van ons bestaande of
-verloopende werkelijkheid even onbestaanbaar als in het verstandige
-denken, indien ‚raison’ nièt alles is ter wereld, zoo dingen geene
-gedachten zijn en reeds gedachten zelve, gelijk verschijnselen, met
-onredelijkheden zijn behept?”
-
-Antwoord: Tegenstrijdigheid is in een onafhankelik van ons bestaande of
-verlopende werkelikheid even onbestaanbaar als in het verstandige
-denken, omdat onafhankelik van het denken geen negatie, en zonder
-negatie geen „tegenstrijdigheid” mogelik is.—Hiermee is elke leer van
-tegenstrijdige werkelikheid of werkelike tegenstrijdigheid a priori
-weerlegd, „voor wie nu begrip heeft om te begrijpen”.
-
-[29] Zie Opm. 32.
-
-[30] Het eerste, de zelfstandigheid van het psychiese, vindt z’n
-kampioenen in Wundt en onze zoveel zuiverder Kantiaan Heymans (Lipps,
-Eisler, etc.), tegenover de afdwalingen van Kantianen als Schopenhauer
-en Münsterberg, Lange en Natorp, het tweede, wederom tegenover
-Schopenhauer en Thiele, Hartmann, etc., wordt eveneens vooral door de
-phaenomenalisten Wundt, Heymans, Eisler, Riehl zegevierend gehandhaafd.
-
-[31] Als Kant het probleem der kennisleer ook aldus stelt: „Wie ist
-Erfahrung möglich?” bedoelt hij allerminst de diepzinnige lekenvraag:
-„Hoe is waarneming, individuele ondervinding, mogelik?”, maar niets
-meer en niets minder dan zijn kritiese grondvraag zelf: „Hoe zijn
-synthetiese oordelen a priori mogelik?”, aangezien de „Erfahrung”, wel
-te verstaan: de algemeen-geldige „objectieve” wetenschap, slechts
-drieërlei oordelen bevat: de analytiese, de synthetiese a posteriori en
-de synthetiese a priori, waarvan uitsluitend de laatste het
-kennistheoreties probleem opleveren, immers de vraag uitlokken, op
-welke mogelike gegevens zij logieserwijze berusten, daar, per
-definitionem, de oordelen a posteriori zich houden aan het gegevene,
-het onmiddellik „ervarene”, „empiriese”, en de analytiese niets meer
-bevatten, dan wat in het gegevene logies ligt opgesloten.—Vgk. Proleg.
-§ 5 en noot 1, p. 4.
-
-[32] Metaphysica hier in Kant’s strenge zin van leer aangaande het
-An-sich, niet als het waarnemings-, maar het bewustzijnstranscendente,
-dus niet omtrent het ruimte-stellende onruimtelike (Ik—ander
-Ik—Psyche), maar het tijd-stellende ontijdelike, dus het
-„bovenzinnelike”, indien ook een „innerer Sinn” met tijdvorm wordt
-aangenomen.
-
-[33] Ik verwaarloos hier voorshands tot beter begrip, om in
-overeenstemming te blijven met het gewone spraakgebruik, de Kantse
-betekenis van „Sinne” met haar onderscheiding in „äussere Sinne” = wat
-ieder „de zinnen” noemt, het korrelaat der zintuigen, en de éne „innere
-Sinn” met zijn tijd „vorm”.
-
-[34] Van de tijd zal ik hier dan ook alleen spreken, zo ver dat dienstig
-blijkt ter vergelijking, om de algemeenste en belangrijkste
-misverstanden omtrent de Kantiaanse „idealiteit” van tijd en ruimte te
-demonstreren (b.v. aan Hartmannisme en Hegelisme) en uit de weg te
-ruimen.
-
-[35] Zie Voorrede.
-
-[36] Cf. uitnemend Riehl (9), Philosophie der Gegenwart, p. 24. Strikt
-genomen volstaat ten deze reeds Berkeley’s „idealisme”, dat het begrip
-„vorm” nog mist. Maar na Kant is een weerlegging van het ruimterealisme
-niet wel meer mogelik, zonder Berkeley’s phaenomenalisme te zuiveren en
-op te heffen tot Kant’s „vorm”-kriticisme.
-
-[37] Dit is het „transcendentale” of „formale” of „kritiese” a priori,
-in tegenstelling tot het transcendente, dogmatiese,—termen, die ons
-langzamerhand volkomen duidelik zullen worden.
-
-[38] Men moet zich daarbij niet al te zeer stoten aan ’t woord „naief”
-(„naief realisme”), een moeilik misbare techniese term, de
-tegenstelling met „krities” in de zin der „kenniskritiek”. Hier zij al
-dadelik gezegd, dat, sinds Kant, met „naief realisme” niet zozeer
-bedoeld wordt de leer, die aanneemt, dat de werkelikheid „an-sich” is,
-gelijk zij wordt waargenomen (kleurig enz.), (vgk. Wijnaendts Francken,
-Inleiding, p. 54), als wel speciaal de Lockese kennisleer, dus het
-materie-realisme van materialisten en dualisten, dat „beweging” laat
-waargenomen worden als kleur en klank enz., dat beweging, naar wij
-zullen zien, een gewaarwordingsderivaat, tot oorzaak van
-gewaarwordingen maakt (ten onzent b.v. Dr. J. D. Bierens de Haan, Dr.
-H. W. Ph. E. v. d. Bergh van Eysinga e tutti quanti). (10)
-
-[39] Reeds Collier gaf typies uiting aan zijn verzekerdheid, dat het
-door ons bestreden realisme dogmaties is, en dus alleen vooroordeel of
-misverstand zich tegen de materie-kritiek verzetten kan, in deze
-woorden van zijn „Introduction to the Clavis Universalis” (1713): ...
-„I shall or can have no other adversary but prejudice”... Zo zegt Kant
-van zijn krities onderzoek: „Widerlegt zu werden ist in diesem Falle
-keine Gefahr, wohl aber, nicht verstanden zu werden.”
-
-[40] Rousseau: „C’est une manie commune aux philosophes de tous les
-âges de nier ce qui est et de prouver ce qui n’est pas.”
-
-[41] Met fijne ironie laat Berkeley in de eerste van zijn Three
-Dialogues between Hylas and Philonous, p. 273, zijn Hylas tegenover de:
-„sound in the common acceptation of the word” gewagen van „sound in the
-real and philosophic sense”, te weten: luchttrilling! Waarop de leuke
-vraag van Philonous volgt: „‚Tell me, Hylas, to which of the senses,
-think you, the idea of motion belongs? to the hearing?’
-
-„Hyl.: ‚No, certainly; but to the sight and touch.’
-
-„Phil.: ‚Should follow then, that, according to you, real sounds may
-possibly be seen or felt, but never heard.’”
-
-(Als Hylas spreekt in 1910 Dr. P. Häberlin, Wissenschaft und
-Philosophie, I: 337).
-
-Het valt moeilik, hier met citeren op te houden. Mocht toch „de goede
-Berkeley” gelezen en begrepen, dus genoten en bereikt worden, in plaats
-van beschoolmeesterd,—naar de karikaturen, die de traditionele
-filosofiegeschiedenissen, even hoog zich boven Berkeley verheven
-wanend, als diep beneden hem blijvend, plegen te geven uit de zoveelste
-hand.
-
-Berkeley blijft met Collier (die niet eens bespot, enkel doodgezwegen
-wordt) de ontdekker en betoger der object-immanentie. Zij hebben het
-materie-realisme, gemeen aan dualistiese theologen en antitheologiese
-materialisten, eerst levensgevaarlik gewond. Kant geeft het de
-genadeslag.
-
-[42] Ze onderstellen niet alleen ’n Subject, maar ook slechts één
-Subject, ze zijn individueel. Mijn gewaarwordingen a.z. „heeft”
-(beleeft, ervaart) geen enkel ander Subject, want welke gewaarwording
-hij ook hebbe, het is eo ipso zijn gewaarwording. Mijn gedachten, mijn
-vreugde, mijn verlangens heb ik alléén. Eens anders in plaats van eigen
-gewaarwordingen gewaarworden, gedachten denken is voor ons eenvoudig
-een absoluut-zinledige contradictio in adjecto. Geen „almacht” zelfs
-zou met dit vermogen kunnen worden gedacht. In hoeverre desniettemin
-individueel bewustzijnsleven al of niet als element of factor behoren
-kan en in medewerkend verband staan tot een meer-omvattend bewustzijn,
-tot een algemener geestelike eenheid, behoort tot problemen, die hier
-onbesproken moeten blijven.
-
-[43] „This perceiving, active being is what I call mind, spirit, soul
-or myself.” (Berkeley, Treatise on the Principles of Human Knowledge,
-p. 156).
-
-[44] De ontologiese verhouding van een Subject tot zijn belevenissen,
-de subjectieve, geestelike, psychiese processen, doet hier niet ter
-zake.
-
-[45] Hier is ook het terrein van volstrekte („absolute”) zekerheid—hier
-is geen gissen, dus geen ver-gissen,—of ik droom, hallucineer of
-„waarneem”, mijn gewaarwording als zodanig, mijn belevenis is
-onbetwijfelbaar, mijn oordeel (weten) daaromtrent een onmiddellike,
-enkelvoudige waarheid,—waarvan ik zeker ben. Er bestaat dan ook geen
-„zinsbedrog”—enkel verstandsbedrog: Berkeley, Dial. III, p. 334: „But
-his mistake lies not in what he perceives immediately and at present
-(it being a manifest contradiction to suppose he should err in respect
-of that), but in the wrong judgments he makes concerning the ideas he
-apprehends to be connected with those immediately perceived.”—en
-vergelijk Kant, K. d. r. V., p. 261.
-
-[46] En we kunnen zeggen: deze zijn in het Subject, in het Ik, met welk
-„in” natuurlik absoluut niets ruimteliks bedoeld wordt; het duidt
-alleen dat „individuele”, eigene, exclusieve aan, wat ’t geen „in mij”
-is heeft voor mij, zodat het voor niemand anders kenbaar is, aan elk
-ander „vreemd” blijft, mijn „eigen” gedachten, enz.
-
-[47] Zo vat A. C. Fraser heel goed Berkeley’s waarnemingsleer samen, p.
-125: „Imagination is the only representative faculty. A representative
-sense-perception is an absurdity.”
-
-[48] De gronden dezer overtuiging kunnen hier niet worden uiteengezet.
-Men raadplege de desbetreffende filosofiese litteratuur. Het solipsisme
-is speciaal in de strijd vóór of tegen positivisme en skepsis algemeen
-bediskuteerd. Het beste en zuiverste m.i. ook weer daarover Heymans, G.
-und E. en Einführung.
-
-[49] Verderop zullen we zien en begrijpen: Dit is niet alleszins juist.
-Qua abstracta, die slechts betrekking hebben op het denkbeeldig
-(slechts gnoseologies) subject der natuur, bestaan kleuren en tonen
-onafhankelik van werkelike, concrete (ontologiese) subjecten.
-
-[50] Zie vorige noot.
-
-[51] Vgk. W. Kinkel, Beiträge zur Erkenntniskritik, p. 83: „Wir
-schaffen die Dinge der Erkenntnis nach, nicht dem Sein nach.”
-
-[52] K. d. r. V., p. 320.
-
-[53] Cf. Prolegomena, p. 67.
-
-[54] Cf. ook Riehl, Kr. III, p. 292: „Das wesentliche Ergebniss” enz.
-
-[55] K. d. r. V., p. 73, noot: „Die Prädicate der Erscheinung können
-dem Objecte selbst beigelegt werden, in Verhältniss auf unseren Sinn,
-z.B. der Rose die rothe Farbe, oder der Geruch”.—Cf. uitdrukkelik ook
-Berkeley, s. 99., p. 206, tegen die „odd paradoxes”.
-
-[56] Dietzgen, Streifzüge eines Sozialisten in das Gebiet der
-Erkenntnistheorie (Berlin 1905), p. 15: „Welches Bild stimmte nicht
-annähernd mit seinem Gegenstande? Mehr oder minder treffend ist doch
-jedes Porträt.” Treffend!—p. 31: „Darauf läuft denn die
-materialistische Erkenntnistheorie hinaus, zu konstatieren, dass das
-menschliche Erkenntnisorgan keine metaphysische Erleuchtung ausstrahlt,
-sondern ein Naturstück ist, welches andre Naturstücke konterfeit.”
-Evenzo p. 45 ons „Erkenntnisvermögen” als „ein spiegelartiges
-Instrument” „welches die Dinge der Welt oder die Natur reflektiert.”
-Cf. ook Bolland, Het Wereldraadsel, 1896, p. 83 (Het Objectivisme en
-zijne Eenzijdigheid): „In onze geestelijke gewaarwordingen reflecteeren
-wij de bewegingsverschijnselen der zicht- en tastbare voorwerpen”.
-Insgelijks A. Pierson, Eene Levensbeschouwing, I p. 69.
-
-[57] Uitstekend tegen de „picture”- of „image or representation”
--opvatting der waarneming, tegen „real things” als „archetypes or
-originals”: Three Dial., p. 294 s. en cf. P. of H. K. s. 8: „But, say
-you, though the ideas themselves do not exist without the mind, yet
-there may be things like them, where of they are copies or
-resemblances, which things exist without the mind in an unthinking
-substance. I answer, an idea can be like nothing but an idea; a colour
-or figure can be like nothing but another colour or figure”.... „Again,
-I ask whether those supposed originals or external things, of which our
-ideas are the pictures or representations, be themselves perceivable or
-no? If they are, then they are ideas and we have gained our point; but
-if you say they are not, I appeal to anyone whether it be sense to
-assert a colour is like something which is invisible; hard or soft,
-like something which is intangible; and so of the rest.”
-
-[58] „Da ihre Eigenschaften nicht in meine Vorstellungskraft
-hinüberwandern können”, zegt Kant, Prolegomena, § 9, p. 59. Vgk. reeds
-Leibniz tot Clarke (Uitg. Janet I, p. 786): „Je ne demeure point
-d’accord des notions vulgaires, comme si les images des choses étaient
-transportées (conveyed) par les organes jusqu’à l’âme. Car il n’est
-point concevable par quelle ouverture ou par quelle voiture ce
-transport des images depuis l’organe jusque dans l’âme se peut faire”
-etc.
-
-[59] Zo is eigendom het prius van diefstal, evenals de causaliteit het
-prius der inductie is, en wie dus de causaliteit uit inductie,
-„ervaring”, afleidt, begaat eenzelfde zinledigheid als wie zegt: La
-propriété c’est le vol.—Zo is het prius der selectie mooi principieel
-aangewezen door D. v. Embden in zijn Darwinisme en Democratie, p. 97
-(„veelheid van individuen” enz.). Dit kan dus zelf nooit door selectie
-zijn ontstaan! Evenmin de geest uit gewaarwordingen of „ervaringen”
-(Carneri!) enz.!
-
-[60] De Duitse kennisleer zegt voor dit specifiek begrip van
-„produceren” veelal „setzen”, stellen. Het dageliks leven spreekt van
-„krijgen”, een woord uit de naieve opvatting voortgekomen, maar
-waartegen voor de rest geen bezwaar bestaat, als men maar waakt tegen
-verkeerde gevolgtrekkingen. Kant spreekt ook gewoon van het „gegevene”,
-hoewel met het gewone „geven”, in de zin van „overdragen”, niet de
-minste gelijkenis bestaat. Ook dat „krijgen” is dus niet een
-overkrijgen van elders, doch uit zichzelf te voorschijn brengen, bij de
-gewaarwording (in tegenstelling tot b.v. de hallucinatie) als gevolg
-der beïnvloeding door het andere, dat „geeft”.
-
-Ook het woord „waarnemen”, „percipere”, (naast woorden als
-onderscheiden, κρίνειν, cernere, ‏כק‎, ‏חזה‎, videre, ‏ידע‎) is geboren
-uit de naieve opvatting, als had de waarneming de dingen met hun
-waarnemingseigenschappen slechts te nemen, op te nemen, zoals ze zijn,
-zonder er zelf iets aan te veranderen, af- of bij te doen, terwijl naar
-het krities, antidogmaties inzicht het bewustzijn de
-waarnemingseigenschappen niet neemt van, maar geeft aan de dingen.
-
-Dat oerdogmatisme vindt men in gecultiveerde staat terug in Hegel’s
-Phänomenologie des Geistes (Berlin 1841), p. 86: „So ist nun das Ding
-der Wahrnehmung beschaffen; und das Bewusstsein ist als Wahrnehmendes
-bestimmt, insofern dies Ding sein Gegenstand ist; es hat ihn nur zu
-nehmen, und sich als reines Auffassen zu verhalten; was sich ihm
-dadurch ergiebt ist das Wahre. Wenn es selbst bei diesem Nehmen etwas
-thäte, würde es durch solches Hinzusetzen oder Weglassen die Wahrheit
-verändern.”
-
-[61] Zo b.v. nog typies Dr. Wijnaendts Francken tegen Berkeley,
-Inleiding tot de Wijsbegeerte, 1905, p. 63: „Ware Berkeley’s bewering
-juist, dan zou het onderscheid tusschen ware voorstellingen en
-hallucinaties wegvallen, en men zou het recht missen laatstgenoemden
-als onwaar te verwerpen. Voor ons bewustzijn zijn onze gewaarwordingen
-de weerspiegeling [n.b.] van een bestaande werkelijkheid buiten ons,
-hoe onvolkomen [!] die weerspiegeling ook zijn moge.” (16)—Vgk. over
-deze „weerspiegeling” bl. 34, opm. 14 en Berkeley’s eigen weerlegging
-P. of H. K. sect. 33.
-
-In diezelfde geest gewaagt Dr. Dèr Mouw, nog verwijlend bij Hartmann,
-maar op weg, dunkt mij, naar Kant—Heymans, van „het inzicht in de
-hallucinatie-natuur, het droomstofweefsel van het eigen lichaam”, p.
-109 van Het absoluut Idealisme.
-
-[62] Zo noemde ze reeds Berkeley, Dial. III, p. 154.
-
-[63] Zelf een produkt van geestelike associatie of „synthese” (Wundt)
-uit de beide niet-plastiese onderling verschillende gezichtsbeelden.
-
-[64] Dit is het „sociale” element der objectivatie, waarop Wundt c.s.
-en Riehl de aandacht vestigen.
-
-[65] Het inzicht, dat het objectieve immanent, niet transcendent is,
-verleidt gemakkelik tot een soort individualistiese overschatting dier
-„immanentie”, tot de waan nl., dat het objectieve reeds onmiddellik
-binnen het bereik van individueel bewustzijn zou liggen, in plaats van
-verstandelike gevolgtrekking te behoeven, als onderstelling. Bij
-Berkeley komt dit herhaaldelik voor, bij Kant zo kras mogelik, op een
-plaats in de 1e uitgave van zijn K. d. r. V., die hij gelukkig zelf
-geheel geschrapt heeft, p. 313 ss.: „Nun sind aber äussere Gegenstände
-(die Körper) bloss Erscheinungen, mithin auch nichts Anders, als eine
-Art meiner [!] Vorstellungen, deren Gegenstände nur durch diese
-Vorstellungen etwas sind, von ihnen abgesondert aber nichts sind. Also
-existiren eben sowol äussere Dinge, als ich Selbst existire und zwar
-beide auf das unmittelbare Zeugniss meines Selbstbewusstseins, nur mit
-dem Unterschiede: dass die Vorstellung meiner Selbst, als des denkenden
-Subjects, bloss auf den innern, die Vorstellungen aber, welche
-ausgedehnte Wesen bezeichnen, auch auf den äussern Sinn bezogen werden.
-Ich habe in Absicht auf die Wirklichkeit äusserer Gegenstände eben so
-wenig nöthig zu schliessen, als in Ansehung der Wirklichkeit des
-Gegenstandes meines innern Sinnes, (meiner Gedanken), denn sie sind
-beiderseitig nichts als Vorstellungen, deren unmittelbare Wahrnehmung
-(Bewusstsein) zugleich ein genugsamer Beweis ihrer Wirklichkeit
-ist.”—Vergelijk reeds het inzicht van p. 318, over de verhouding van
-waarneming en daaruit af te leiden objectieve werkelikheid en de, zij
-het ook juiste, petitio principii, „dass ohne Wahrnehmung selbst die
-Erdichtung und der Traum nicht möglich sind.” In plaats van het
-teruggenomene brengt dan de 2e druk in de zgn. „Widerlegung des
-Idealismus”, en de daarbij behorende noot der voorrede, wanhopige
-pogingen, om te „bewijzen”, „dass äussere Erfahrung eigentlich
-unmittelbar sei”. Kant bedoelt te bewijzen, dat we „äusseren Sinn”,
-„äussere Wahrnehmung” hebben en niet „bloss äussere Einbildungskraft”.
-Evenwel: „Ob diese oder jene vermeinte Erfahrung nicht blosse
-Einbildung sei, muss nach den besondern Bestimmungen derselben und
-durch Zusammenhaltung mit den Kriterien aller wirklichen Erfahrung,
-ausgemittelt werden.” This is all that I contended for.
-
-[66] „Ding” of „Sache” is hier een door Kant al even ongelukkig gekozen
-woord als: „Object-an-sich” of zelfs „transcendentales Object”; wel
-sluiten deze woorden aan bij het gewone naieve spraakgebruik, dat ook
-met de wereld der „dingen”, der „objecten”, bedoelt het van de geest
-onafhankelik gedacht bestaande. De inhoud dier begrippen komt dus vrij
-wel overeen, bij Kant en bij het naief (transcendentaal) realisme, maar
-heel de omvang, die ze hier hebben, wordt door Kant, door de kritiek,
-terecht buitengesloten. Vandaar een hopeloze verwarring. Want bij
-„ding” en „objekt” stelt nu eenmaal ieder zich de „empiriese realiteit”
-met haar phaenomenale eigenschappen voor!—Zo wordt dan ook heel Kant’s
-kennisleer voortdurend vermaterialiseerd doordat men van de
-„Gegenstände, die unsere Sinne rühren”... stoffelike voorwerpen
-maakt... en dan van de zinnen... zintuigen. Voorbeeld ten onzent A.
-Pierson, Wijsgeerig Onderzoek, 1882, p. 48 s. „‚Die Gegenstände rühren
-unsere Sinne’. Het is natuurlijk [!] een geheel materieele schok, dien
-de zintuigen—Kant schrijft: zinnen—ondervinden, want hij, die de
-zintuigen heeft, weet nog niet, dat het voorwerpen zijn [later zegt P.
-uitdrukkelik: „stoffelijke voorwerpen”!], die zijne organen op
-eenigerlei wijze aandoen.” (Overgenomen, zonder kritiek, door Dr. P. H.
-Ritter in zijn m.i. mislukte Heymans-imitatie, de „Schets eener
-critische [?] geschiedenis van het Substantiebegrip in de nieuwere
-wijsbegeerte” p. 265 s.).
-
-[67] Als had Kant deze „neokantiaanse” misvatting voorzien, zo weert
-hij die expressis verbis af:
-
-Proleg. p. 139—140, vooral: „Es ist also kein kontinuierlicher Fortgang
-und Annäherung zu diesen Wissenschaften und gleichsam ein Punkt oder
-Linie der Berührung. Naturwissenschaft wird uns niemals das Innere der
-Dinge, d.i. dasjenige, was nicht Erscheinung ist, aber doch zum
-obersten Erklärungsgrunde der Erscheinungen dienen kann, entdecken;
-aber sie braucht dieses auch nicht zu ihren physischen Erklärungen; ja,
-wenn ihr auch dergleichen anderweitig angeboten würde (z.B. Einfluss
-immaterieller Wesen), so soll sie es doch ausschlagen und gar nicht in
-den Fortgang ihrer Erklärungen bringen, sondern diese jederzeit nur auf
-das gründen, was als Gegenstand der Sinne zu Erfahrung gehören und mit
-unsern wirklichen Wahrnehmungen nach Erfahrungsgesetzen in Zusammenhang
-gebracht werden kann.” Gulden woorden, die een Hartmann c.s. implicite
-nog strenger afstraffen ten deze dan Lange het in Kant’s zin explicite
-heeft gedaan.
-
-[68] In de objecten wereld wordt waarschijnlik deze werkelikheid
-gesymboliseerd tot de phaenomenale beïnvloeding van een centraal
-zenuwstelsel door de ruimtedingen rondom,—de „buitenwereld”.
-
-[69] Heymans (p. 199 Einf.): „die Gesamtheit der möglichen sinnlichen
-Wirkungen unbekannter Weltprozesse ins Bewusstsein eines idealen
-Beobachters”.
-
-[70] Ten onzent schrijft b.v. de heer P. J. Grotegast, Levensleer 1906,
-p. 70: „Het is een feit van waarneming dat de ziel met een ijlen
-subtielen band aan het slapende lichaam verbonden blijft”.—Deze
-spiritistiese heer praat ook van de „aangeboren [!] denkvormen [!]
-Ruimte en Tijd”, van „uit het stofkleed gescheiden zielen”, die zich
-naar „eene Denkwereld” oftewel „de intelligibele sfeer, het
-transcendente gebied”, alias „een Schimmenrijk” begeven, ja van „dit
-kortstondig leven als slechts eene episode van het veel grootere
-onbegrensde transcendentale [sic] leven”, van „het droomende wezen,
-waar de categorieën buiten werking zijn gesteld” enz. Arme Kant, die
-zijn termen aan zulk een milieu, aan zulk een zaak moet lenen, sinds
-een du Prel zijn „transcendentale Physik” en „transcendentale
-Psychologie”, ja zelfs zijn „transcendentaal Darwinisme” heeft
-uitgevonden, met een „intelligibele [d.w.z. spiritistiese!] Welt” en
-„transcendentale” Subjecten. Op p. 74 staat: „Voorbeelden dat paarden
-en honden spoken en verschijningen zien zijn er te over”! En dan zijn
-er nog mensen, die spokenwaarneming durven loochenen! Vgk. opm. 32.
-
-[71] Natuurlik weet Hegel, op de nodige afstand zich houdend van Kant
-en van kenniskritiek, uit „der Natur des Begriffs” zu deducieren „die
-Notwendigkeit, dass der Raum gerade drei Dimensionen hat”, en gewagen
-dus ook nu nog zijn ’tzij idealistiese, ’tzij materialistiese napraters
-(Dietzgen b.v.) van de „Denknotwendigkeit” der meetkunde, trots Kant’s
-weerlegging nu ja, maar ook trots heel de metageometrie!
-
-Vgk. bij Natorp, Logik, p. 46, „die volle Konsequenz aus den Prämissen
-Kants” en p. 49 de Kant toegedichte „Rest von Empirismus”.
-
-[72] Een wellicht uit de door buitenlanders verkeerd gelezen
-verduitsing (No-umena) in het Frans en Nederlands overgegane fout is de
-uitspraak noemena—in pl. v. no-oemena of, verlatijnst, noümena.
-
-[73] Zo heten Begriffe ohne Anschauung „leer”; zo zegt p. 143, dat
-zodanige „Begriffe ganz unmöglich sind, noch irgend einige Bedeutung
-haben können”, zo krijgen die „reinen Verstandesbegriffe” „eine
-Beziehung auf Objecte, mithin Bedeutung” (p. 148).
-
-[74] Ter afwijzing van een veel verspreid misverstand zij hier alleen
-nog opgemerkt, dat de „werkelikheid”, aan het An-sich toe te kennen
-(„absolute Position”), volstrekt geen „kategorie” is, hoegenaamd niets
-met de „Realität” (= realitas sensatio phaenomenon; „Realität ist im
-reinen Verstandesbegriffe das, was einer Empfindung überhaupt
-correspondiert; dasjenige also, dessen Begriff an sich selbst ein Sein
-(in der Zeit) anzeigt”) of het „Dasein” („in einer bestimmten Zeit”)
-van zijn „Kategorientafel” te maken heeft.
-
-[75] Onder „dingen” versta men hier dus vooral niet de
-ruimte„dingen”—de „voorwerpen” der natuur, maar Kant’s „afficirende”
-„Dinge an sich”,—de van waarneming onafhankelik bestaande
-werkelikheden.—Ook Kant dacht hier, naar ik uit tal van plaatsen zou
-kunnen bewijzen (vgk. opm. 30), aan tijdelike, en wel met eigen
-phaenomenaliteit gelijktijdige, subjectieve, niet-ruimtelike,
-niet-materiële werkelikheid, dus het An-sich wel als
-van-waarneming-onafhankelik, niet als van-bewustzijn-onafhankelik, dus
-niet in de strenge zin van het onvoorstelbaar grensbegrip, waaraan geen
-enkel praedicaat meer kan worden toegekend tenzij door negatieve
-analogie. Dit is de verklaring van het anders onoplosbaar raadsel, dat
-Kant van die beroemde „Widerspruch” van een „affizierendes Ding an
-sich” niets gemerkt heeft.—Zie daarover de tekst p. 70 ss.
-
-[76] Men schafte zich uit Reclam’s Universal-Bibliothek de handige
-Kehrbach-ed. aan.
-
-[77] Over de zinledige naief-realistiese formulering dezer
-subjectiviteit als volgt:
-
-„1. Der Ton ist im Gehirn. 2. Der Ton scheint ausserhalb des Gehirnes
-zu sein.”
-
-„1. Das Licht ist im Gehirn. 2. Das Licht scheint ausserhalb des
-Gehirnes zu sein.” enz. (Rée) zal ik straks nader spreken. Hoe
-gerechtvaardigd is het verzet van Avenarius c.s. tegen deze als tegen
-elke materialistiese „Introjectie”! Ook tegen die van Schopenhauer (zie
-opm. 50) en dienovereenkomstig Liebmann, Anal. der W.², p. 184: „Die
-Sinnesempfindungen... entstehen... erst im centralen Nervenapparat des
-Gehirns” en (ibid.): „der Ort des Empfindens (im Centralorgan)”.
-
-Merkwaardig, hoe reeds Collier, Berkeley’s antirealistiese tijdgenoot
-en geestverwant, zich in de Introduction van zijn Clavis Universalis
-weert tegen dit misverstand: „When I affirm that all matter exists
-dependently on mind, I am sure my reader will allow me to say, I do not
-mean by this that matter or bodies exist in bodies,” enz... „I must
-needs desire to have this remembered, because experience has taught me
-how apt persons are, or will be, to mistake me in this particular!”
-
-Een profeties woord!
-
-[78] De oorzaak, dat Kant de „vormen” dier biezondere zinnen over ’t
-hoofd heeft gezien, lijkt mij vooral het feit, dat de daarop gebaseerde
-synthetiese oordelen a priori van zo weinig wetenschappelik belang
-zijn,—en altans in Newton’s mechaniese natuurwetenschap niet voorkomen.
-Ik zie daarin dus nog een gevolg van hetzelfde mechanicisme, waartegen
-Mach c.s. in onze dagen met reden zich verzetten, dat door Prof.
-Heymans principieel is weerlegd, en dat ook b.v. Cohen’s filosoferen
-nog geheel overheerst.
-
-[79] Men verwarre niet de zuiver phaenomenalistiese
-locaalteken-theorie, te weten, dat de geest eenvoudig de
-niet-ruimtelike gegevens als locaalteken leert gebruiken, d.w.z. op de
-gegevens van een oorspronkelik ruimtestellende zin zonder transcendente
-ruimte betrekt, met de koddige realistiese „locaalteken”-wijsheid van
-Hartmann, die ons uit onruimtelike „tekens” met verstand en fantasie de
-„subjectiven Gesammtraum” laat afleiden..., die nu... een „adaequaat
-Repräsentant” is van de... onafhankelik van de geest... bestaande
-ruimte! De transcendente „kleuren” veroorzaken kleurloze „kleurtekens”
-in onze geest, die daaruit de psychiese kleuren afleidt... welke nu...
-„adaequate Repräsentanten” zijn van de transcendente kleuren!! Ziedaar
-in beeld Hartmann’s ruimte-kennisleer, Hartmann’s
-„transcendentaal-(ruimte-)realisme”, bedoeld als Kant-verbetering!—Ware
-Philosophie des Unbewussten! Zie Hartm., Grundproblem, p. 106–107. (24)
-
-[80] Natuurlik betekent dit „van te voren” niet: vóór dat ik ooit tonen
-gehoord heb; uitsluitend en alleen bij „gelegenheid” van toon-ervaring,
-van ervaringsgegevens, kunnen mij de formele elementen (dus nooit vóór,
-wel pas na ’t gegeven-zijn van „materie”) tot bewustzijn komen. Ik moet
-ze abstraheren uit ’t ervaringsgeheel.—Vgk. p. 8 Kant’s uitspraak. Het
-verdient dus wel aanbeveling, de term „van te voren” (voor a priori) te
-vervangen door „bij voorbaat”.
-
-[81] Zo b.v. Euler (Tentamen Novae Theoriae Musicae, Petropolis, 1739)
-en tans o.a. Herckenrath, Problèmes d’Esthétique et de Morale, p. 57
-ss.—p. 61.
-
-[82] Ook Leibniz nog b.v.: La musique nous charme, quoique sa beauté ne
-consiste que dans les convenances des nombres etc. (Principes de la
-nature et de la grâce). (26)
-
-[83] Bolland, Tweem. Ts. ’98, p. 72: „Op geene wijze qualiteit
-afleidbaar en begrijpelijk uit de quantiteit.”
-
-[84] Ook tegenover Charles Dunan, Théorie psychologique de l’Espace,
-Paris 1895, wiens bestrijding van Berkeley en de école anglaise
-contemporaine ons niet deert, wiens betoog voor de ruimte als objet de
-perception visuelle niet overtuigt (een en ander op ev. elders uiteen
-te zetten gronden) en wiens verzet tegen Kant’s ruimteleer (Chap. VII)
-op misverstand berust, daar Kant’s, volgens D. strijdige, „deux
-manières de concevoir l’espace a priori” (p. 138 ss.) één blijken, als
-men niet het a priori „devançant l’expérience, sinon chronologiquement,
-du moins logiquement” evenwel chronologiquement misvat, gelijk D. doet:
-„nous nous représenterions d’abord l’espace, et ensuite les phénomènes
-dans et par l’espace.”
-
-[85] Zie G. und E. § 55 en Einführung § 23.
-
-[86] Overeenkomstig de drieërlei bewegingsrichting: op-neer,
-rechts-links, voorwaarts-achterwaarts.—Is elke bewegingsgewaarwording
-een functie van deze 3 soortverschillen, dan is ook elke beweging een
-functie van deze 3 richtingen,—en de ruimte „driedimensioneel”.
-
-[87] De ruimtelikheid der dingen is dus een verhouding tot, een functie
-van, onze bewegingszin: het produceren van bewegingsgewaarwordingen
-wordt op bepaalde wijze verhinderd. Van een „Hemmungssinn” is hier dus
-geen sprake. Aldus vervalt m.i. het door Dr. Dèr Mouw op p. 28 van zijn
-„Kritische Studies” geopperd bezwaar.
-
-[88] Nog na 1900 is in ons land een wijsgerig-bedoeld theologies
-proefschrift verschenen, waarin te lezen staat: „Kant b.v. betoogt, dat
-ruimte en tijd de vormen zijn van ons verstand [?], maar niet de dingen
-werkelijk eigen zijn”... „Kant echter meent, dat, wanneer wij na
-zorgvuldig onderzoek tot de slotsom zijn gekomen, dat een voorwerp een
-meter lang is, dit in werkelijkheid zeer goed twee meter zou kunnen
-zijn. Door deze onderstelling wordt alle zekerheid weggenomen” enz.
-
-De schrijver verdient, wegens een sympathiek en verdienstelik werk,
-later geschreven, dat ik zijn naam hier onvermeld laat.
-
-[89] Elke kennis a priori omtrent die inhoud der ervaring is dus voor
-de kritiek principieel onmogelik.
-
-Men geniete de onbewuste ironie der tegenstelling in het volgende
-zinnetje van Schopenhauer, V, p. 52: „Dass Zeit und Raum ihrer [?] Form
-nach a priori angeschaut werden, hat Kant gelehrt; dass es aber auch
-ihrem Inhalt nach geschehen kann, lehrt der hellsehende
-Somnambulismus.” (cf. Riehl, Philosophie der Gegenwart, „die Grundlagen
-der Erkenntnis”, p. 133). (28)
-
-[90] Wanneer dus Kant de aprioriteit van tijd en ruimte ook
-subjectiviteit noemt, dan moge waar zijn, wat Liebmann beweert („Z. A.
-d. W.”³ p. 98), dat daardoor „unzählige Missverständnisse seiner Lehre
-veranlasst worden sind”, het is nochtans van Liebmann zelf een
-misverstand, dat daarin „sogar ein theilweises Sichselbstmissverstehen
-liegt.” Het is wonderlik, hoe spoedig men gereed is, telkens als men
-bij Kant iets vindt, strijdig met eigen Kantopvatting, te geloven dat
-Kant misvat is... door Kant.
-
-[91] Cf. Proleg. p. 165/6.
-
-[92] Cf. Berkeley, P. of H. K. s. 22: „a downright contradiction”, s.
-23: „a manifest repugnancy”, en s. 90.
-
-[93] Dit laatste had „de goede Berkeley” al driekwart eeuw vroeger
-gezegd, o.a.: sect. 8, Pr. of H. K. (Zie boven p. 35 noot 1).
-
-[94] Uitstekend al ten aanzien der objekten Berkeley, s. 18: „But
-though it were possible that solid, figured, moveable substances may
-exist without the mind, corresponding to the ideas we have of bodies,
-yet how is it possible for us to know this? Either we must know it by
-sense or by reason”.—Er volgt betoog der onmogelikheid van elk van
-beide. De 3e „mogelikheid”, Hartmann c.s.’ „onbewuste” toverij, heeft
-Berkeley „voorbijgezien”, evenals Kant de door Trendelenburg ontdekte
-„Lücke”.
-
-[95] Hartmann noemt deze toverij: „Intuition” van de „unbewusste
-Vernunft”—Krit. Grundlegung, p. 111: „Erwägt man nun, dass die Dinge an
-sich doch nur realisirte Intuitionen der unbewussten Vernunft sind, und
-dass es ebenfalls die unbewusste Vernunft ist, welche in unbewusster
-intuitiver Weise die Sinnesempfindung nach Maassgabe der in ihr
-gegebenen Merkmale zur räumlichen Anschauung formirt (die nun erst
-bewusst wird), dann liegt der Gedanke sehr nahe, dass die unbewusste
-Vernunft in beiden Fällen sich ein und derselben Intuitionsform
-bedienen werde. Es wäre nicht abzusehen, was sie hindern sollte, die
-unbewusste schöpferische Intuitionsform des Dinges an sich in der
-unbewussten nachschaffenden Intuitionsform der zu bildenden Anschauung
-zu wiederholen, oder was sie hindern sollte, die für unsere
-Sinnlichkeit intendirte Form des Raumes auch vorweg zur schöpferischen
-Intuition zu verwenden.”
-
-[96] Vgk. b.v. Rich. Horn, Der Causalitätsbegriff in der Philosophie
-und im Strafrechte, I: C, getiteld: „Kants transcendentaler Idealismus
-von Hartmann... widerlegt”.
-
-[97] We weten nu: slechts dogmaties realisme waant deze „natuur”, van
-bewustzijn afhankelik als zij is,... de oorzaak van bewustzijn, van
-gewaarwordingen, noemt b.v. de rode appel of de beweging van stofdelen
-de oorzaak van m’n gewaarwording, terwijl mijn gewaarwording tot die
-beweging staat niet als gevolg, maar als een werkelik geval van een
-oneindige reeks denkbeeldige, mogelike gevallen. Zie voor het verschil
-tussen 1 en 2 vooral b.v. K. d. r. V. p. 182 ss.: „subjective
-Apprehension” en „objective Erscheinung”.
-
-[98] Een gedachte van onschatbare waarde in de strijd tegen het
-immaterialisties dualisme van Lotze, Thiele, Apel c.s., vóór het
-soortgelijk monisme van Kant, Heymans, Eisler c.s. Want is eenmaal het
-dogmaties materie-realisme overwonnen, dan gaat de strijd nog
-uitsluitend om de vraag: is de natuur Erscheinung van het ons bekende
-psychiese, van geestelike werkelikheid, gelijksoortig aan, en aan
-soortgelijke wetten onderworpen als, het ons bekende psychiese leven,
-of nog van iets anders, heterogeens, waarvan ons dus elke
-voorstellingsmogelikheid ontzegd is.
-
-[99] Wie meer plaatsen voor het „An-sich” wil hebben zoeke op: p. 321:
-„an sich selbst d.i. ohne alle Beziehung auf die Sinne...”; p. 233;
-vooral Proleg. § 13 Anm. II, al. 3 en 4 en § 57.
-
-[100] Vergelijk voor deze onderscheiding wat Bolland noemt: ein Ding an
-sich erster Instanz, of te wel „das erkenntnistheoretisch
-Transcendente” (voorbeeld: für einen jeden alle andern Ich) tegenover
-„das Ding an sich in zweiter Instanz, das Ding an sich im ontologischen
-Verstande. In erkenntnistheoretischer Hinsicht giebt es ‚Dinge an
-sich’, in ontologischer Beziehung dürfen wir nur von einem einzigen
-Ding an sich reden, wobei denn freilich der Begriff Ding oder Substanz
-in den des Wesens, der Essenz, umschlägt.” (Wereldraadsel, p. 502). Het
-verschil is echter, dat dit „An sich in 2de instantie” voor
-Hartmann-Bolland als ontologies dogma staat tegenover het kenniskrities
-An-sich. Voor Kant is het daarentegen een zuiver kenniskritiese
-hypothese, ter oplossing van het raadsel van een bepaald soort
-synthetiese oordelen a priori.
-
-[101] Dat zal ook wel een reden mee zijn, waarom hij dergelijke
-gedeelten uit de 2de druk heeft verwijderd;—het tijd-idealisme zag geen
-kans, ze te laten staan. In zoverre is dan ook, lijnrecht in
-tegenstelling met Schopenhauer’s gangbaar oordeel, de 2de druk juist
-idealistieser dan de 1ste.
-
-[102] Een zinnetje als het volgende uit de 1e druk K. d. r. V. acht ik
-tekenend voor Kant’s oorspronkelike gedachtengang: „Nun behaupte ich:
-die eben angeführten Kategorien sind nichts Anders, als die Bedingungen
-des Denkens zu einer möglichen Erfahrung, so wie Raum und Zeit die
-Bedingungen der Anschauung zu eben derselben enthalten.” (p. 124).
-
-[103] Dit levert stellig een ernstig te behartigen bijdrage tot de
-psychologie van het gezag bij de meest krities-aangelegde geesten! Ten
-onzent hebben o.a. Dr. Bellaar Spruyt en de heer P. Bierens de Haan die
-fout overgenomen.
-
-[104] Zie Leitf. der phys. Psychologie⁴, p. 265.
-
-[105] Kant zelf noemt nu en dan (b.v. K. d. r. V. p. 258) ’t An-sich
-„Ursache der Erscheinung”, evenals hij „Erscheinung” soms neemt niet in
-objectieve maar in individuele zin, voor „Vorstellung” of
-„Wahrnehmung”.
-
-[106] Heel goed Kinkel, o. c. p. 64.
-
-[107] K. d. r. V. (p. 304): „Wir haben in der transscendentalen
-Aesthetik unleugbar bewiesen: dass Körper blosse Erscheinungen unseres
-äusseren Sinnes und nicht Dinge an sich selbst sind. Diesem gemäss
-können wir mit Recht sagen: dass unser denkendes Subject nicht
-körperlich sei, das heisst: dass, da es als Gegenstand des inneren
-Sinnes von uns vorgestellet wird, es, insofern als es denkt, kein
-Gegenstand äusserer Sinne, d.i. keine Erscheinung im Raume sein könne.
-Dieses will nun so viel sagen: es können uns niemals unter äusseren
-Erscheinungen denkende Wesen, als solche, vorkommen, oder, wir können
-ihre Gedanken, ihr Bewusstsein, ihre Begierden etc. nicht äusserlich
-anschauen; denn dieses gehört alles vor den innern Sinn.”
-
-[108] „Als men hem [„de materialist”] namelijk vraagt of hij het
-mogelijk houdt dat in ditzelfde vertrek op ditzelfde oogenblik een
-oneindige verscheidenheid van hoog en laag georganiseerde wezens,
-engelen, demonen, geesten of hoe men ze noemen wil, vertoeft, dan zal
-hij dit bij voorbaat ten stelligste ontkennen en al die ideeën
-toeschrijven aan mystiekerij, bijgeloof en bakerpraatjes.”
-
-Vermoedelik zal „de materialist” te krities zijn voor zo krities een
-ontkenning, want hij is zich allicht niet bewust van voldoende grond
-voor zekerheid a priori hieromtrent, te danken aan de machthebbende
-kenniskritiek.
-
-Laten wij ons hier vermeien in Leibniz’ ironies antwoord aan Clarke
-(die in een brief gelijksoortig vermoeden geopperd had voor het onding
-der „ledige ruimte”: „Dieu est certainement présent dans tout l’espace
-vide; et peut-être qu’il y a aussi dans cet espace plusieurs autres
-substances, qui ne sont pas matérielles, et qui par conséquent ne
-peuvent être tangibles, ni aperçues par aucun de nos sens.”):
-
-„Au reste, si l’espace vide de corps (qu’on s’imagine) n’est pas vide
-tout à fait, de quoi est-il donc plein? Y a-t-il peut-être des esprits
-étendus ou des substances immatérielles, capables de s’étendre et de se
-resserrer, qui s’y promènent et qui se pénètrent sans s’incommoder,
-comme les ombres de deux corps se pénètrent sur la surface d’une
-muraille?” etc... „N’est-ce pas renverser les notions des choses,
-donner à Dieu des parties, donner de l’étendue aux esprits? Le seul
-principe du besoin de la raison suffisante fait disparaître tous ces
-spectres d’imagination. Les hommes se font aisément des fictions, faute
-de bien employer ce grand principe.” (Uitg. Janet, I p. 778).
-
-Het is een hoog intellectueel genot, uit de lectuur van Leibniz te
-beseffen, over welke verlegenheden en afdwalingen van deze zijn geniale
-voorganger Kant ons heen heeft geholpen, en hier de voorbereiding van
-problemen en termen van Kant gade te slaan.
-
-[109] Cf. Alfred Binet, L’Ame et le Corps, p. 157: „A ce raisonnement
-théorique on pourrait déjà objecter qu’en fait, dans notre vie vécue,
-nous ne cessons pas de localiser dans l’espace, quoiqu’un peu
-vaguement, notre pensée, notre moi, notre ensemble intellectuel. En ce
-moment je me considère moi-même et je me prends comme exemple. J’écris
-ces lignes dans mon cabinet de travail, et il n’y a pas de raisonnement
-métaphysique qui puisse me faire abandonner cette conviction intime que
-mon tout intellectuel est dans cette chambre, du deuxième étage de ma
-maison de Meudon. Je suis ici et non ailleurs. Mon corps est ici, et
-mon âme, si j’en ai une, est ici. Je suis où est mon corps, je crois
-même que je suis dans mon corps.”
-
-Interessante belijdenis van een geloof, dat niet gedacht, van een
-gedachte, die niet geloofd kan worden!
-
-[110] De heer v. Eeden zij hier herinnerd aan zijn eigen „Studies” III,
-Redekunstige Grondslag van Verstandhouding, § 125, waar hij zijn
-mystiek, onveranderlik, „absoluut” („absoluter dan de tijd zelve”) „Ik”
-eveneens onruimtelik maakt.
-
-[111] Duidelik vooral Prol. § 32: „Erscheinung d.i. die Art wie unsere
-Sinne von diesem unbekannten Etwas afficirt werden”, spec. p. 64:
-
-„Erscheinungen deren Möglichkeit auf dem Verhältnisse gewisser an sich
-unbekannter Dinge zu etwas Anderem nämlich unserer Sinnlichkeit
-beruht.”
-
-[112] Tenzij gij met „voorstelling” werkelik niets dan individuele
-voorstelling bedoelt, „denkbeeld” dus. Dan hebt ge in zover gelijk:
-onze denkbeelden („voorstellingen”) omtrent de (immanente) objekten
-moeten zich naar die objekten zelf richten... willen zij juist zijn.
-
-[113] Tans waarschijnlik in een afzonderlike rechtsverhandeling (zie
-voorrede).
-
-[114] Cf. Russ. Prawda = waarheid = recht; „richtig”, „recht haben”;
-juist = juste.
-
-[115] Vergelijk ten deze de onverbeterlike wijze, waarop de Neokantiaan
-Bruno Bauch, Ethik, p. 253 s. (Die Philosophie im Beginn des
-zwanzigsten Jahrhunderts²) waarheid en zedelikheid (behoorlikheid)
-verhaspelt, om te bewijzen, dat de loochening van het behoren
-soortgelijke zelfweerspreking zou bevatten als de waarheidsontkenning.
-Zijn sofisme berust op de dubbelzinnigheid van „verantwortlich
-bewerten”, „dagegen Stellung nehmen”, gebruikt gelijkelik voor
-ontkenning van juistheid, en voor ontzegging van zedelike waarde.—Hier
-wordt zowel de logica verethiseerd, als de ethica verlogiseerd.
-
-[116] Het is alleen aan een krities genie als H. Cornelius gegeven,
-beide tegelijk aan te nemen, het één op grond van het ander, in één
-zelfde zinnetje, zie opm. 29. Uitnemend Kuno Fischer, Kritik der
-Kantischen Philosophie, p. 266: „Da die Erscheinungen aus den
-Eindrücken oder Empfindungen der sinnlichen Vernunft als ihrem Stoffe
-hervorgehen, so können diese unmöglich aus jenen erklärt werden, denn
-unser Philosoph war nicht der Ansicht, dass die Erde auf dem grossen
-Elephanten ruht und der grosse Elephant auf der Erde.” In dezelfde zin
-p. 179: „Da sie [die Empfindungen] den Stoff aller Erscheinungen
-ausmachen, so können wir sie nicht aus den letzteren herleiten, ohne in
-den fehlerhaften Zirkel zu gerathen, erst die Erscheinungen aus den
-Eindrücken und dann diese aus jenen entstehen zu lassen; sie können
-nicht aus der Sinnenwelt entspringen, da vielmehr die Sinnenwelt aus
-ihnen entspringt.” (37)
-
-[117] De enige zin, waarin Berkeley die onderstelling voor zijn
-rekening zou hebben genomen, aangezien hij evenmin de transcendente,
-niet-zinnelike, oorzaak onzer gewaarwordingen loochent als het bestaan
-van andere a.z. onwaarneembare subjecten.
-
-[118] Zeer opmerkelik is de plaats waar, en de licht te bevroeden reden
-waarom, Berkeley zelf zich uitdrukkelik verzet tegen „perceivable”
-i.p.v. „actually perceived”: Dial. III, p. 329: Daar laat hij Hylas
-opperen: „Yes, Philonous, I grant the existence of a sensible thing
-consists in being perceivable, but not in being actually perceived”. Nu
-voelt Ph. (Berkeley), dat dit „perceivable” realisties gedacht kan
-zijn, immers kan betekenen: wat een waarnemingsinhoud kan geven,
-evenzeer als, idealisties, wat een waarnemingsinhoud kan worden. Hij
-wil nu, natuurlik, alleen dit laatste doen gelden en antwoordt dus:
-„And what is perceivable but an idea? And can an idea exist without
-being actually perceived?”.
-
-[119] De loochening van de „rerum natura”, van de objecten wereld als
-zodanig, noemt Berkeley zelfs „sceptical cant” en hij zelf definieert
-nauwkeurig ’t verschil tussen natuurdingen, „real things”, en „chimeras
-or ideas of our own framing”, Pr. of H. K. sectt. 27, 30 en 33.
-
-[120] B. is dus nog ruimte-empirist. Het verschil en de overeenkomst
-wordt door Kant zelf duidelik geformuleerd: Proleg. p. 165:
-
-„Raum und Zeit, samt allem, was sie in sich enthalten, sind nicht die
-Dinge oder deren Eigenschaften an sich selbst, sondern gehören bloss zu
-Erscheinungen derselben; bis dahin bin ich mit jenen Idealisten auf
-einem Bekenntnisse. Allein diese, und unter ihnen vornämlich Berkeley
-sahen den Raum für eine blosse empirische Vorstellung an, die ebenso,
-wie die Erscheinungen in ihm, uns nur vermittelst der Erfahrung oder
-Wahrnehmung, zusamt allen seinen Bestimmungen bekannt würde; ich
-dagegen zeige zuerst: dass der Raum (und ebenso die Zeit, auf welche
-Berkeley nicht acht hatte) samt allen seinen Bestimmungen a priori von
-uns erkannt werden könne, weil er sowohl, als die Zeit uns vor aller
-Wahrnehmung oder Erfahrung, als reine Form unserer Sinnlichkeit
-beiwohnt, und alle Anschauung derselben, mithin auch alle Erscheinungen
-möglich macht.”
-
-[121] Terecht Kuno Fischer, Kritik der Kantischen Philosophie, (Philos.
-Schriften II, p. 185) aldus: „Es heisst die Fundamente der kritischen
-Philosophie erschüttern, sobald die Anerkennung der Dinge an sich und
-ihre Unterscheidung von den Erscheinungen entweder verneint wird oder
-auf unrichtige Art stattfindet.” en in aansluiting bij Schopenhauer, p.
-243: „es heisst die gesammte kantische Lehre verneinen oder von Grund
-aus verkennen, wenn das Ding an sich überhaupt abgeleugnet oder
-demselben die Realität, d.h. der Charakter des Urseienden abgesprochen
-wird.” Vgl. ook p. 258 ald.
-
-[122] Deze beide zuiver kennistheoretiese geschriften zijn voor
-Hartmann massgebend: al zijn verder werk rust er op en verwijst er
-naar, zonder ooit dieper inzicht in Kant en het kritiese probleem te
-bereiken, speciaal niet in het speciale „Kants Erkenntnistheorie und
-Metaphysik in den vier Perioden ihrer Entwickelung”, 1894.—Enkele
-zinnen mogen Hartmann’s verhouding tot Kant in dit werk kenschetsen:
-„Man sieht, dass das Problem, mit dem Kant sich beschäftigt, von dem
-Unterschiede der analytischen und synthetischen Urteile ganz unabhängig
-ist, dass er es mit Unrecht auf die letzteren beschränkt und duren die
-Zugrundelegung dieses Gegensatzes nur verwirrt und gestört hat.” (p.
-87); „der ganze Boden, auf dem die Kantsche Transcendentalphilosophie
-runt, ist deshalb für unsere Zeit gar nicht mehr vorhanden.” (p. 92);
-„Die ganze Aufgabe und Arbeit der Kantschen Vernunftkritik hat daher
-für uns gar keinen Sinn mehr.” (p. 93)!—Kant’s „vierte Periode”
-(1789–1790) echter, zijn „Kritik der Urteilskraft” vindt biezondere
-genade in Hartmann’s ogen: Kant „ahnt selber nicht, wie weit er durch
-die genialen Konzeptionen seiner vie[r]ten Periode über den formalen
-Idealismus der zweiten und dritten hinausgeschritten ist.” (p. 256).
-
-[123] Zelfs Berkeley heeft dit reeds, zij ’t ook niet klaar doordacht,
-gevonden en aangeduid:
-
-„Wherever bodies are said to have no existence without the mind, I
-would not be understood to mean this or that particular mind but all
-minds whatsoever.” (Hier doemt reeds Kant’s „Bewusstsein überhaupt”
-op.). „It does not therefore follow from the foregoing principles that
-bodies are annihilated and created every moment or exist not at all
-during the interval of our perception of them.” (P. of H. K. s. 48).
-
-[124] Deze éne objectieve (coeno-subjectieve) ruimte is dus volstrekt
-niet een dier „vele wonderen”, die een „harmonia praestabilita” ter
-„verklaring” behoeven. Hier als elders is zulk een harmonia
-praestabilita slechts een dogmaties antwoord op slechts dogmatiese
-probleemstelling. Men make zich de zaak niet moeiliker dan zij is. De
-éne objectieve ruimte staat tot de vele individuele ruimtelike
-gewaarwordingen en ruimtevoorstellingen en -begrippen precies zo als
-één bepaald objekt, b.v. een knikker met z’n éne kleur en z’n éne
-bolvorm, tot de vele individuele knikkergewaarwordingen en
--voorstellingen of -begrippen.—Voor elk dogmaties realisme nl. als
-transcendente oorzaak tot gevolg, voor de kritiek met haar
-objectimmanentie als ’t zij schema voor, ’t zij systeem van, universeel
-mogelike gewaarwordingsinhouden tot werkelike gewaarwording van ’n
-individueel subjekt, als abstrakt geheel van mogelikheden tot concrete
-gedeeltelike verwezenliking.
-
-[125] Mijn plan was, ook die van Rée en Adickes explicite te
-weerleggen. Het komt mij achteraf echter voldoende voor, het implicite
-te hebben gedaan.—Belangstellende lezers mogen zelf de proef op de som
-nemen, b.v. met Rée’s „Philosophie” of het verdienstelike, schoon zeer
-infra-kantiaanse boekje van Adickes: Kant contra Haeckel, of zij deze
-en dergelijke realistiese bezwaren tans te boven zijn. Zo niet, dan zou
-ik toch mijn doel bij hun waarschijnlik nooit vermogen te bereiken. Zie
-verder opm. 39.
-
-[126] K. G. VIII, Kritik der transcendentalen Aesthetik, pp. 118–138.
-
-[127] Aldus b.v. Mr. J. A. Levy, Het Indeterminisme, p. 217, Dr.
-Wijnaendts Francken, Inleiding t. d. Wijsbeg., p. 78 (vgk. p. 53: „de
-aanschouwingsvormen waarin ons denken zich beweegt”) en de heer P. H.
-Hugenholtz jr., Ethisch Pantheïsme, p. 180.
-
-In „Rechter en Wet”, p. 342, luidt het, aangaande Kant, zelfs: „de
-denkwetten tijd en ruimte”!
-
-[128] Nog duideliker is dit bij de tijd. Onze kenbron van de tijd is
-niet abstractie uit velerlei tijdelike ervaring—immers om tijdeliks te
-kunnen beleven, ervaren, om „gelijktijdigheid” van tijdelike
-opeenvolging te onderscheiden, om van gelijk blijven of veranderen te
-kunnen merken en gewagen, moeten we reeds de tijdzin onderstellen,—al
-krijgen we het begrip „tijd” door denkend abstraheren uit het in tijd
-(al of niet gelijktijdig enz.) gegevene, i.e. uit getemporaliseerde
-ervaring.
-
-Kant zelf zegt het weer zo exact mogelik, hoe ’t met dit „abstraheren
-uit de ervaring” staat: p. 186, K. d. r. V.:
-
-„Es gehet aber hiemit so, wie mit anderen reinen Vorstellungen a
-priori, (z.B. Raum und Zeit), die wir darum allein aus der Erfahrung
-als klare Begriffe herausziehen können, weil wir sie in die Erfahrung
-gelegt hatten, und diese daher duren jene allererst zu Stande
-brachten.” (Vgk. ook het Kant-citaat van p. 8).
-
-Zo kan, om een voorbeeld te geven, het tijd-empirisme van de edele
-Franse peinzer Guyau (wiens werken, schoon ontoereikend in ethicis als
-in metaphysicis, stralen van wijsheid en schoonheid), in zijn „La
-Genèse de l’Idée de Temps”² 1902, de tijd slechts afleiden uit
-gegevens, wier prius ... de tijd is: „Selon nous, le temps n’est qu’une
-des formes de l’évolution; au lieu de la produire, il en [!] sort. Le
-temps, en effet, est une conséquence du passage [!] de l’homogène a
-l’hétérogène”... (p. 119). Evenzeer onjuist is dan de aanvullende
-stelling van p. 120: „la variété engendre la durée”: Ook het
-onveranderlike, denkbaar en voorstelbaar, heeft zijn nauwkeurig te
-bepalen duur.—En „effort” zowel als „intention”, „désirs” en
-„souvenirs” vooronderstellen de tijd in plaats van omgekeerd. (40)
-
-[129] Dit laatste was reeds de leer van de jonge Berkeley in zijn Essay
-towards a new Theory of Vision, zuiverder nog van alle ruimte-realisme
-gereinigd in zijn Principles of H. K. b.v. sect. 44 (p. 177): „The
-ideas of sight and touch make two species entirely distinct and
-heterogeneous. The former are marks and prognostics of the latter”....
-
-„So that in strict truth the ideas of sight, when we apprehend by them
-distance and things placed at a distance, do not suggest or mark out to
-us things actually existing at a distance, but only admonish us what
-ideas of touch will be imprinted in our minds at such and such
-distances of time, and in consequence of such and such actions”.
-
-Tegenwoordig echter is voor de psychologie de secundaire betekenis ook
-van de tastzin t.a.v. de ruimte wel een uitgemaakte zaak.
-
-[130] In Brentano’s Psychologie vom empirischen Standpunkt, I, 1874,
-vinden we diezelfde „Raumähnlichkeit”, zo waar p. 128 gewaagt van de
-„Naturwissenschaft” als zij, die „die Aufeinanderfolge der physischen
-Phänomene normaler und reiner... Sensationen auf Grund der Annahme der
-Einwirkung einer raumähnlich in drei Dimensionen ausgebreiteten und
-zeitähnlich [!] in einer Richtung verlaufenden Welt auf unsere
-Sinnesorgane zu erklären suche”. En Ueberweg (System der Logik) „hat...
-Unrecht, wenn er die Welt der äusseren Ursachen start raumähnlich
-geradezu räumlich, statt zeitähnlich geradezu zeitlich sich erstreckend
-denkt.”!
-
-1°. heeft de natuurwetenschap met geen metaphysiese „Annahme” te maken.
-
-2°. is haar wereld juist de ruimtelike!
-
-Vergelijk nog Wahle, o. c. p. 70.
-
-Elk soort gelijkheid of gelijkenis is reeds afdoende weerlegd door
-Berkeley, P. of H. K. s. 8, boven geciteerd op p. 35 („an idea can be
-like nothing but an idea”).
-
-[131] Voor deze fantastiese „Irrthum” van Kant geeft Hartmann dan de
-niet minder fantastiese psychophysiologiese „verklaring”, die ik m’n
-lezers niet wil onthouden: Kant was een „visueel” type, „Er stellt sich
-die materielle Welt in ihrer subjectiven Erscheinung [?] hauptsächlich
-vermittelst des Gesichtssinnes vor; indem er nun die Gegenstände aus
-dem Gesichtsfelde hinauswirft, bleibt ihm die Anschauung [?] des leeren
-Gesichtsfeldes übrig. Diese Anschauung ist aber eine positive
-Empfindung; denn bekanntlich ist selbst das Schwarz eine positive
-Empfindung des Sehnerven [!], um wie viel mehr das gewöhnlich zu einem
-matten Grau oder auch zu einem gelbroth oder blau angehauchten Grau
-subjectiv erhellte leere Gesichtsfeld der Phantasie.” enz... „Dieses
-Eindringen der Empfindung wird aber von der Seele sofort auf die
-festgehaltene Ortsvorstellung des innern Sehorgans [!] bezogen und so
-stellt sich das eben mühsam vernichtete Gesichtsfeld als scheinbar von
-dem örtlichen [!] Ich ausstrahlend wieder her. Diese Selbstbeobachtung
-scheint mir die Grundlage des Kantischen Irrthums. Um aber den Raum
-ganz wegzudenken hat man nur nöthig, gleichzeitig das sphärische
-Phantasiegesichtsfeld und das örtlich gefasste Sehorgan wegzudenken”...
-
-[132] Vgk. K. d. r. V. blz. 64 en 65.
-
-[133] Logische Untersuchungen, D1. I. Geen wonder dat een geest die uit
-beweging de ruimte en zelfs de tijd te voorschijn wil halen ook nog
-even—de geest zelf tot produkt van beweging maakt.—Il n’y a que le
-premier pas qui coûte.
-
-[134] Hoe scherp juist Kant onderscheiden heeft tussen de „subjektieve”
-wetenschappen, die haar objekten, haar materiaal uit het Subjekt, uit
-de denkende en aanschouwende geest zelf deduceren (het terrein der
-„relations of ideas”), als de zuivere wiskunde en de logica enerzijds
-en de „objektieve” (ervarings)wetenschappen als juist de „natuurkunde”
-(„matter of fact”) anderzijds, weet elk ingewijde. Interessant, vooral
-tegenover het verwijt van „subjektief idealisme” of ervaringverachtend
-„rationalisme” en tegenover de misvatting van Kant’s natuur-immanentie
-in ’t algemeen, is b.v. een plaats als K. d. r. V. p. 394, waar Kant
-van de natuurdingen zegt: „Dagegen gibt es in der Naturkunde eine
-Unendlichkeit von Vermuthungen, in Ansehung deren niemals Gewissheit
-erwartet werden kann, weil die Naturerscheinungen Gegenstände sind, die
-uns unabhängig von unseren Begriffen gegeben werden, zu denen also der
-Schlüssel nicht in uns und unserem reinen Denken, sondern ausser uns
-liegt und eben darum in vielen Fällen nicht aufgefunden, mithin kein
-sicherer Aufschluss erwartet werden kann.”
-
-[135] Schopenhauer wijkt van Kant’s juist inzicht af in de
-tegenovergestelde sensualistiese zin, door de „Anschauung” intellectual
-te noemen en te bedoelen, dat het intellekt „aanschouwing” vermag te
-geven; zie zijn Kritik der Kantischen Philosophie, I pp. 558–568 en
-mijn weerlegging, opm. 18.
-
-[136] „The Theory of Vision Vindicated and Explained” (1733) sect. 42.
-
-[137] Een onzer Bolland-discipelen toont zijn begrip van Kant’s „vorm”
-aldus: „Nu moet dus het algemeene ervaringsmateriaal (wat Kant de
-‚vorm’ daarvan [?] noemt p. 32) [bedoeld is ed. Ros.] worden geschift
-en moet er worden onderzocht, wat er beantwoordt aan de beide
-vooronderstellingen [!] aangaande het objectieve en het subjectieve in
-die ervaring. Het subjectieve gaat bij Kant geheel weg” etc.!—Had niet
-Hegel in § 42, Kl. Logik, gewaagd van Kant’s: „Formen (das Allgemeine)
-des Anschauens”?
-
-Dezelfde schrijver legt een bladzij vroeger Kant’s (transcendentaal)
-„idealisme” gepaard met „empirisch realisme” aldus uit, dat „het
-nadenken noch mag besluiten, dat de dingen alleen geestesspinnewebben
-zijn, noch dat zij zoo maar voor zich, onafhankelijk van het bewustzijn
-bestaan, maar beide moet aannemen [sic!] als keerzijden van dezelfde
-intellectueele aanschouwing.”!
-
-Zijn „de dingen” hier de „voorwerpen aller waarneming” (waarvan het
-verband en de schrijver zelf spreekt) dan weet nu mijn aandachtige
-lezer, dat men naar Kant’s leer in pl. v. „beide moet” juist geen van
-beide mag aannemen, nòch dat zij geestesspinnewebben zijn, nòch dat zij
-onafhankelik van het bewustzijn bestaan.
-
-Zijn het, bij geval, de transcendente dingen, ook dan zijn ze naar Kant
-niet geestesspinnewebben, maar bestaan wel onafhankelik van het
-bewustzijn.
-
-Zo illustreert deze exegeet de woorden, die hij terecht op de
-geciteerde laat volgen: „Het is minder makkelijk, Kant te begrijpen dan
-te banaliseeren!”
-
-[138] Terecht merkt W. Kinkel op (Beiträge zur Erkenntniskritik, p.
-19): „Es wäre vielleicht vorsichtiger gewesen und hätte auf alle Fälle
-vielen Missverständnissen und Streitigkeiten vorgebeugt, wenn Kant
-überhaupt statt von den ‚reinen Anschauungen des Raumes und der Zeit’
-nur von den ‚reinen Anschauungsformen des Raumes und der Zeit’
-gesprochen hätte.”
-
-[139] Voor de niet-onvermakelike tegenstelling vergelijke men de
-„Aesthetik” van Hegel, met zijn geestige „sinnliche Unsinnlichkeit” en
-„unsinnliche Sinnlichkeit” en wat dies meer zij.
-
-[140] Onze exegeet der „Groote Denkers”, Dr. A. H. de Hartog, schrijft,
-„Kant” p. 13: „Het begrip koe b.v. komt met het begrip paard in
-zooverre overeen, dat beide zoogdieren zijn” ...! Begrippen, zo
-vervolgt het betoog, komen onderling deels overeen, deels verschillen
-ze. Tijd en ruimte „verschillen slechts” ... zijn dus geen begrippen!
-Ziedaar hoe Dr. de Hartog Kant ... vertaalt. Traduttore—traditore.—Men
-bewijst zulk een Kant-voorstelling misschien nog te veel eer door de
-terechtwijzende opmerking: Evenals paard en koe beide zoogdieren zijn,
-precies zo zijn voor Kant tijd en ruimte beide „Anschauungsformen”,—en
-evenals de begrippen paard en koe species zijn van het begrip zoogdier,
-precies zo zijn voor Kant de begrippen tijd en ruimte gesubsumeerd
-onder het genus-begrip Anschauungsform.—Terloops: juist Kant heeft de
-verhaspeling van het subject eens oordeels en het subject-begrip,
-waaruit alle ontologisme leeft, zowel de vóór-Kantiaanse wereldwijsheid
-als het Hegelisme, principieel vernietigd: „bestaan is een eigenschap
-niet van het subjectbegrip, maar van het subject” ... deze éne zin
-stoot niet alleen elk „ontologies bewijs” omver, maar tevens elke
-speculatieve „rationele” metaphysica. Herbart vond hier naar men weet
-Kant’s hoofdverdienste!
-
-[141] „Der Raum ist kein diskursiver oder, wie man sagt, allgemeiner
-Begriff von Verhältnissen der Dinge überhaupt, sondern eine reine
-Anschauung. Denn erstlich kann man sich nur einen einigen Raum
-vorstellen, und wenn man von vielen Räumen redet, so verstehet man
-darunter nur Theile eines und desselben alleinigen Raumes.”
-
-[142] In tegenstelling ook met de door Hartmann’s scherpzinnigheid hier
-vergeefs tegen Kant’s genialiteit aangevoerde alomvattende begrippen:
-Universum oder Weltall, das Absolute, p. 128 Kr. Glg. en de noot
-aldaar! ’t Verschil is maar dat ieders bewustzijn Kant’s opmerking bij
-enige bezinning als juist moet erkennen, de door Hartmann daar
-tegenover gestelde bewering als een absurditeit. Immers, elk ruimteding
-heeft z’n plaats in, vooronderstelt, de hele éne oneindige ruimte, maar
-vooronderstelt in geen enkel opzicht het bestaande Universum!
-
-[143] „Diese Theile können auch nicht vor dem einigen allbefassenden
-Raume gleichsam als dessen Bestandtheile, (daraus seine Zusammensetzung
-möglich sei), vorhergehen, sondern nur in ihm gedacht werden. Er ist
-wesentlich einig, das Mannichfaltige in ihm, mithin auch der allgemeine
-Begriff von Räumen überhaupt beruht lediglich auf Einschränkungen.”
-
-[144] „Hieraus folgt, dass in Ansehung seiner eine Anschauung a priori,
-(die nicht empirisch ist), allen Begriffen von denselben [lees:
-demselben] zum Grunde liege. So werden auch alle geometrischen
-Grundsätze, z.B. dass in einem Triangel zwei Seiten zusammen grösser
-seien als die dritte, niemals aus allgemeinen Begriffen von Linie und
-Triangel, sondern aus der Anschauung und zwar a priori mit
-apodiktischer Gewissheit abgeleitet.”
-
-[145] „Der Raum wird als eine unendliche Grösse gegeben vorgestellt.
-Ein allgemeiner Begriff vom Raum (der sowohl einem Fusse, als einer
-Elle gemein ist) kann in Ansehung der Grösse nichts bestimmen.” (1e
-dr.). „Nun muss man zwar einen jeden Begriff als eine Vorstellung
-denken, die in einer unendlichen Menge von verschiedenen möglichen
-Vorstellungen (als ihr gemeinschaftliches Merkmal) enthalten ist,
-mithin diese unter sich enthält; aber kein Begriff, als ein solcher,
-kann so gedacht werden, als ob er eine unendliche Menge von
-Vorstellungen in sich enthielte. Gleichwohl wird der Raum so gedacht
-(denn alle Theile des Raums ins Unendliche sind zugleich). Also ist die
-ursprüngliche Vorstellung vom Raume Anschauung a priori und nicht
-Begriff.” (2e dr.).
-
-[146] Deze redenering tegenover Kant, hoe verbijsterend ook, is in de
-Duitse filosofie niets ongewoons. Zo constateert het Kant aangewreven
-Ding-an-sich-loos en Subject-loos „Transcendentalisme” van Edm. König
-(Die Entwickelung des Causalproblems) enerzijds, waar het met Kant’s
-psychologies Subject geen weg weet, „auf jeder Seite der Kritik” (p.
-29) van Kant ... verloochening van Kant’s Transcendentalisme, terwijl
-dan nog anderzijds Kant’s Ding-an-sich „nur einen unwillkürlichen
-Rückfall in den naiven Realismus bezeichnet” (p. 333), niets is, dan
-„eine absichtliche oder unabsichtliche Anpassung an die naiven
-Vorstellungsweisen” (p. 335) van „den undurchführbaren dogmatischen
-Standpunkt”... Ergo dient men ongeveer elke bladzij van Kant ...
-„schlechterdings als unkantisch zu verwerfen” (p. 297)! Tot zulke
-Kantianen zou Kant (naar het bekende: „Ich bin kein Marxist” van Marx)
-nederig moeten erkennen: „Ich bin kein Kantianer”.
-
-[147] Dat reeds, naar Riemann en Helmholtz hebben bewezen, in het
-axioma der rechte lijn:—tussen 2 punten in de ruimte is slechts éne
-rechte lijn mogelik—, de oneindigheid der ruimte analyties ligt
-opgesloten, is door onze realisten, die aan de eindigheid der ruimte
-huns ondanks wel moeten (trachten te) geloven, stellig over ’t hoofd
-gezien; zij hadden anders wel de moed der consequentie gehad, ook dit
-axioma te loochenen!
-
-[148] Vergelijk hierover Berkeley’s New Theory of Vision en Principles
-of Human Knowledge passim; voorts Heymans’ Gesetze und Elemente § 55 en
-de daar geciteerde plaatsen van Helmholtz.
-
-[149] Wel berust voor Kant de veelheid der bepaalde ruimte-delen
-slechts op „Einschränkungen” van de vooronderstelde hele éne ruimte,
-zie noot 3 bij bl. 116 en Kant’s 5e tijd-argument.
-
-[150] Dit strekt dus nog verder dan de werkelike, immanente,
-ruimtedingen: „ob es Dinge gebe, die in dieser Form angeschaut werden
-müssen, bleibt doch dabei unausgemacht”, een plaats van Kant, die door
-Hartmann heerlikerwijze op dezelfde pag. misduid wordt als K.’s énige
-„Ahnung” van H.’s „Einsicht”, dat „die Gültigkeit der mathematischen
-Gesetze für die Dinge an sich” (!) zou zijn „nur Hypothese, keineswegs
-apodictische Gewissheit”, n.b. meetkunde t.a.v. Kant’s ruimteloze Dinge
-an sich!!
-
-[151] „Alzoo moet al het andere, alles wat de ruime, voor mijn blikken
-zich uitspreidende Natuur met haren onmetelijken inhoud van die poovere
-zenuwprikkelingen onderscheidt, van binnen (ik bedoel uit mijn eigen
-gemoed) afkomstig wezen.” Het materialisties aperçu: wat „eigenlik”
-zenuwprikkeling (of liever hersenbeweging)... is, daar maken we de
-„grote” gewaarwordingswereld van! (vgk. ook de volgende noot).
-
-[152] Een aardige illustratie levert hier Dr. de Hartog’s „Kant”, p.
-16/17: „Als we ons b.v. een lijn mathematisch voorstellen, dan is onze
-geest hierbij niet allereerst receptief maar spontaan werkzaam. Ook op
-een andere wijze kunnen wij dit nog, zij het al niet in den zin van
-Kant, aantoonen. Wanneer ik een voorwerp buiten mij, b.v. een stoel
-waarneem, dan wordt dit gezichtsbeeld in mijn geest gewekt, doordat
-lichttrillingen, door dien stoel teruggeworpen, op het netvlies van
-mijn oog treffen, vandaar door de gezichtszenuw tot de hersenen worden
-voortgeleid om in de hersenmassa moleculentrillingen te wekken. Bij dit
-proces hebben we dus als eindresultaat niets dan intensieve [?!]
-moleculen-trillingen der hersenen binnen de kleine ruimte van de
-schedel te constateeren. Hoe komt het nu dat wij naar aanleiding [?!]
-van die intensieve beweging der hersendeeltjes extensief, uitgebreid
-naar de ruimte, dien stoel in zijn volle breedte en hoogte, als buiten
-ons plaatsen? Dit kan alleen geschieden, doordat onze geest spontaan,
-naar aanleiding van de intensieve trillingen, den stoel, in den
-aanschouwingsvorm der ruimte, extensief buiten zich zet. Hier blijkt
-derhalve in onzen geest spontaan (de extensieve ruimte tengevolge van
-de intensieve trillingen) iets nieuws geboren te worden.”
-
-Dit soort ruimte-realisme ter bestrijding van het ruimte-realisme
-levert dus, naar analogie van Taine’s „ware hallucinatie” een... ware
-illusie!
-
-[153] Dogmaties, immers berustend op de gedachte: het zien zou niet
-bedriegelik zijn, indien wij iets konden zien (?) zo als het is,
-onafhankelik van het gezichtsvermogen,... indien het zien eenvoudig was
-een reproduceren, een weergeven zonder meer.
-
-[154] Het is een soortgelijke dogmatiese gedachte, „vormen” onzer
-kennis (als tijd en ruimte) te beschouwen als „Schranken” onzer kennis;
-zo Herbart hier en daar, Schopenhauer passim en Erhardt (Metaphysik I,
-Erkenntnistheorie, p. 426); of te spreken van „une forme imposée à
-notre sensibilité” als van „la prison dans laquelle cette sensibilité
-est enfermée” (Poincaré, La Valeur de la Science, p. 66).
-
-Evenals ons eigen karakter het tegendeel is van een kerker onzer
-vrijheid, immers de voorwaarde zelf aller vrijheid, zo is het eigen
-schema, de eigen wettelikheid van ons kennen het tegendeel van een
-beperking, immers „Bedingung” zelve der kennis.
-
-[155] Cf. p. 352 (Het Godsbegrip): „de stoffelijke omgeving, waarin wij
-ons schijnen te bevinden, is slechts eene onbewuste objectivatie onzer
-eigene, in zich zelve ruimtelooze zenuwaandoeningen”...!
-
-[156] In dezelfde geest, vol van alle boven behandelde fouten, Zuivere
-Rede, p. 27, „En gaat het ding enz.” en passim.
-
-Bij een Ostwald heet dit „energetisme” en is weer het onvervalste
-materialisme.
-
-[157] Dezelfde fout die Berkeley tegen Newton begaat ss. 111–118 van
-zijn Pr. of H. K. Merkwaardig, hoe consequent Berkeley ook weer in z’n
-relativisme blijft, 112: „Hence, if there was only one body in being,
-it could not possibly be moved.”
-
-[158] Prof. Bolland getuigt van zichzelf ergens tot zijn collegianten,
-dat hij niet bij Hartmann is gebleven, o.a. omdat hij „leerde zien,
-waar hij het vandaan had”... „en dan vooral: ik had een te ‚Kantisch’
-kritischen geest.”
-
-[159] Dezelfde foutieve onkantse tegenstelling tussen Ding-an-sich en
-„een subjectieven schijn, waarin we nooit eigen ikheid te buiten gaan”
-wordt Kant aangewreven Coll. Logicum, p. 61, p. 75 enz.; ook de andere
-misvattingen omtrent Kant en zijn gewaand „subjectivisme”, in de tekst
-naar verdienste behandeld, kan men alle herhaald vinden in dit werk (p.
-63 ss.).
-
-Men ziet reeds de trots waarmee de jongelui naar huis gaan, als ze op
-college gehoord hebben, na de bekende tiraden „dat het ware dit is,
-zich in zichzelf te onderscheiden” enz.: „als u dat hebt begrepen, dan
-bent u verre uit boven de vraag: hoe zijn synthetische oordeelen a
-priori mogelijk?” (p. 144). De stakkers! Voorwaar, „daarbij mogen wij
-dan wel meteen met een glimlach zeggen, dat men zich ook wel kan
-verbéélden, boven iets uit te zijn, wanneer men er eigenlijk beneden is
-gedaald.” (p. 144/5).
-
-Het is niet zonder diezelfde glimlach dat schrijver dezes leest hoe
-Prof. Bolland tot z’n studenten getuigt: „Ik moet zeggen, dat het mij
-haast niet meer doenlijk is, Kant te lezen. Want ik lees bij hem haast
-geen regel, of ik zie een geval van achtenswaardige ondoordachtheden.”
-
-[160] In dezelfde geest en analoog aan het reeds gewraakte
-„gezichtsbedrog” spreekt ook een Dietzgen van „trügerische Erscheinung”
-(Das Wesen der menschlichen Kopfarbeit, p. 44).
-
-[161] „Als men daarin geen zelfweerspreking bespeurt dan is men bot in
-het opmerken van zoo iets” zegt Coll. Log. p. 70/1 te dezer zake
-aangaande Kant! Zulk soort botte zelfweerspreking echter is niets voor
-Kant, maar is juist goed genoeg voor.... Prof. Bolland („Spreuken”,
-100): „Niets is waar op zichzelf—en dat is nu op zichzelf het ware.”
-
-[162] Voor de 2e druk telle men bij bovenvermelde, reeds afgedrukte,
-paginacijfers ± 42 op.—In zijn zielig hervat gesputter tegen Heymans
-(bl. 40 vv.) toont Prof. Bolland weer eens (even als in de minne noot
-bij bl. 943 van zijn Uitg. v. Hegel’s Gesch. d. Philos.—een typiese
-uiting van „gehässige Dummheit”, s. v. v. bollandico) niet alleen
-(Heymans’) empirie niet eens kennistheoreties te kunnen onderscheiden
-van..... (door Heymans weerlegd) empirisme (Heymans „moet”
-derhalve—synth. oordeel a priori van Prof. Bolland!—„een blind en
-verblindend leidsman blijken”!), maar zelfs diep genoeg beneden begrip
-van Heymans te blijven, om hem de averechtse domheid toe te dichten
-(bl. 44), beweging tot prius van de ruimte te maken door „het zoeken
-van een verklaringsbeginsel voor de ruimte in de beweging” (sic!).
-Zóveel begrijpt deze albegrijper, deze voorlichter en albediller, van
-de ruimte als vorm van de bewegingszin en van een denker als Heymans!
-
-Maar mij dunkt, zó oppervlakkig en onnozel zou Prof. Bolland’s oordeel
-toch niet hoeven te zijn bij minder vluchtigheid en vooringenomenheid.
-Hij leest te veel en te weinig; hoe meer hij leest, des te minder leest
-hij; en zulke lezers begrijpen te veel (multa) om veel (multum) te
-begrijpen. Sie verbreiten sich über alles und jedes, statt sich drin zu
-vertiefen.
-
-[163] Kant zelf noemt het „ein aus unverzeihlicher und beinahe
-vorsätzlicher Missdeutung entspringender Einwurf, als wenn mein
-Lehrbegriff alle Dinge der Sinnenwelt in lauter Schein verwandelte.”
-(Proleg. p. 68/9). Zijn leer geeft hij dan ook terecht de naam van
-„empirischer Realismus”—de van alle individuele waarneming of
-voorstelling, verbeelding of gedachte onafhankelike voorwerpen der
-ervaring, de natuurdingen, worden door Kant niet geloochend, maar
-integendeel in hun immanent blijkende „realiteit” voorgoed bevestigd.
-
-[164] Men vindt deze Kantschennis dan ook bij heel de Hegelbent en via
-Dietzgen is die b.v. ten onzent doorgesijpeld in een artikel van Dr.
-Gorter, De Nieuwe Tijd, VIII (1903), pp. 484–6.
-
-In Kl. Logik §28 Zus. stelt Hegel, dat naar het resultaat der
-„kritische Philosophie” „der Mensch bloss auf Spreu und Träbern würde
-angewiesen sein.” Kaf en draf—het is inderdaad al wat er van de
-„kritische Philosophie” overblijft... in Hegel’s geest. Vgk. opm. 45.
-
-[165] Prof. Bolland, Het Boek der (1001) Spreuken, „spreuk” 180.
-
-(Hoe onhollands ook dit „Hollandsch” „zich verhoudt”, zodat er
-Germanismen aan „toekomen”, waarin het „zich verenkelt” en soms zelfs
-„zich verliest”, „laat zich denken”).
-
-„Spreuk” 182 luidt: „Het nageslacht zal weten, dat Neerlands meester
-van zuivere rede door zijne land- en ambtgenooten naar eisch is
-behandeld: dat hij geen ‚doctor’ is geweest en geen ‚academicus’, geen
-‚geridderde’, noch lid van dit of dat,—en dat hij naar behooren
-verguisd is.” Het nageslacht zal uit dit zelfbeklag eens „verguisden”
-zeker niet vatten, dat het afkomstig was van een ... Hoogleraar der
-Wijsbegeerte aan Leiden’s Universiteit! En heeft het heugenis genoeg,
-dan zal het slechts betreuren, dat deze even dogmatiese als
-anti-dogmatiese geweldenaar ook nog met het gezag en de macht van dit
-zijn hoogleraarschap tal van kritiekloze jonge broekjes (en rokjes) tot
-de Hegeliaantjes heeft mogen opkweken, die in het begin van de 20e eeuw
-in Nederland van hun meester de wijsheid in pacht hadden,—nademaal hun
-in het Collegium Logicum sacramenteel was ingeprent: „Extra logicam
-Hegelianam sapientia nulla est”, ja zelfs als een nieuw soort
-syntheties oordeel a priori: „Dat de geest van Hegel, die nu al
-voldoende in U, naar ik hopen wil, gevaren is, als de geest van zuivere
-rede zich alleen door den geest der domheid laat aanvallen, dat er
-buiten de Hegelarij slechts Ezelarij is, dat neet U daarbij vooruit.”
-(C. L. p. 378).
-
-[166] Ten bewijze, dat in deze „Zuivere Rede” met „natuur” inderdaad
-niets anders dan „natuur”, dan ruimtewereld of „voorwerpelijkheid”
-bedoeld wordt, in tegenstelling tot het geestelike, dat dus onze
-kritiek niet maar een naam doch de wezenlike bedoeling treft, diene
-voor ingewijden b.v.: „Dat de Idee zich als Natuur laat gáán, wil
-zeggen dat zij hier voorloopig van zichzelve afziet en de Natuur,
-ofschoon van de Idee niet af te scheiden, voorshands zonder leven, ziel
-of geest is te denken als ruimtelijke zelfstandigheid zonder meer. Zoo
-zonder geest heeft dan de Natuur geene waarheid, een besef waarin het
-stelselmatige denken later uit het tweede in het derde deel der
-encyclopaedische begripsleer overgaat.” (p. 252, 2e dr. 281). In de
-tekst wordt aangetoond, hoe vergeefs de Hegeliaanse pogingen zijn, het
-dogmatiese van deze „overgang” aan „verstandig misverstand” oftewel
-wanbegrip ... der tegenstanders toe te schrijven.
-
-[167] Natuurlik is dit „dogmatisme” zich zelf als zodanig niet bewust.
-De bedoeling van een Bolland en de Hegelarij, daaraan zij geen twijfel,
-is even zuiver anti-dogmaties, als van een Haeckel en het materialisme
-zonder meer. Zo wordt van de Geest van Hegel gezegd (in een rede van
-Prof. Bolland), dat die „eenvoudig de geest is van het nagaan der
-gedachte door de gedachte, die geest van bezinning, van methodisch
-streven naar zelfordening in alle redelijkheid.” Juist dit alles,
-waarvan het Hegelisme oreert zonder het te geven, dat geeft een Heymans
-zonder er over te oreren.
-
-Bij Hegel zelf ligt er een grote tragiek in de verhevenheid van zijn
-zuiver waarheidwillend bedoelen tegenover de bevangenheid van zijn
-dogmaties vertroebeld denken.
-
-Zo schrijft hij zelf in de mooie „Zusatz” tot § 31 Kl. L.:
-
-„Diese Metaphysik war kein freies und objectives Denken; da sie das
-Objekt sich nicht frei aus sich selbst bestimmen liess, sondern
-dasselbe als fertig voraussetzte.—Was das freie Denken anbetrifft, so
-dachte die griechische Philosophie frei, die Scholastik aber nicht, da
-diese ihren Inhalt gleichfalls als einen gegebenen und zwar von der
-Kirche gegebenen aufnahm.—Wir Modernen sind durch unsere ganze Bildung
-in Vorstellungen eingeweiht, welche zu überschreiten höchst schwierig
-ist, da diese Vorstellungen den tiefsten Inhalt haben. Unter den alten
-Philosophen müssen wir uns Menschen vorstellen, die ganz in sinnlicher
-Anschauung stehen und weiter keine Voraussetzung haben als den Himmel
-droben und die Erde umher, denn die mythologischen Vorstellungen waren
-auf die Seite geworfen. Der Gedanke ist in dieser sachlichen Umgebung
-frei und in sich zurückgezogen, frei von allem Stoff, rein bei sich.
-Dieses reine Beisichsein gehört zum freien Denken, dem in’s Freie
-Ausschiffen, wo nichts unter uns und über uns ist, und wir in der
-Einsamkeit mit uns allein dastehen.”
-
-Reeds § 36 vernemen wij dan:
-
-„Das Denken aber hat sich frei in sich zu bewegen, wobei jedoch
-sogleich zu bemerken ist, dass das Resultat des freien Denkens mit dem
-Inhalte der christlichen Religion übereinstimmt, da diese Offenbarung
-der Vernunft ist.”
-
-Het is dezelfde soort van tragiek die ook ligt in de figuren van een
-Haeckel, een Rée en een Hartmann.
-
-[168] Vergelijk 2e dr. bl. 356 nog de volgende varianten: „Juist hierom
-is de zelfverlevendiging der natuur eene halve of ‚zielige’
-zelfvergeestelijking.... die in hare ‚bezieldheid’ weer niet alles is”
-en „het leven is als het bezielende het zielige zelf, of liever gezegd
-de zieligheid is weer het leven in zijne bezielde verenkeling, in zijne
-verbijzondering en bepaaldheid.” Alles variaties op het oeroude
-realisties-dogmatiese, dus voor een wijsgeer waarlik „zielige” deuntje
-der stofbezieling!
-
-[169] Naar ik vermoed hebben wij deze ironiese zelf-kritiek gedeeltelik
-aan een slordigheidje te danken—de bedoeling zal in het verband wel
-geweest zijn, in plaats van „eene als zoodanig”, „als zoodanig eene”...
-
-[170] In die noot bij bl. 19 (en bij bl. 4) en passim heb ik
-uiteengezet (nunquam satis dicitur quod nunquam satis discitur), dat en
-waarom Kant’s „Transcendentalproblem”: „Wie ist Erfahrung möglich?” ten
-slotte niets anders betekent dan het kritiese probleem zelf van de
-kennisleer: „Hoe zijn synthetiese oordelen a priori mogelik?” en niets
-te maken heeft met de „diepzinnige lekenvraag”: „hoe is ondervinding,
-waarneming, belevenis mogelik?”, waartoe de Kant-begriploosheid Kant’s
-vraag pleegt te herleiden.
-
-Als sprekend voorbeeld diene hier nog Prof. Bolland, die op Kant’s, nu
-voor ieder uwer volkomen begrijpelik woord: „Die höchste Aufgabe der
-Transcendentalphilosophie ist also: wie ist Erfahrung möglich?” laat
-volgen: „Das heisst am Ende, wie ist die Möglichkeit [!] der
-Wahrnehmung, der sinnliche Eindruck und die Empfindung, die einzelne
-und die wiederholte Wahrnehmung, bzw. die Beobachtung, die
-Zusammenfügung der Wahrnehmungen und das Erleben, eines Systems der
-Erkenntnis möglich?”—Heel deze, weer individueel-subjectiverende,
-breedsprakigheid vermag dus evenmin Kant’s objectief begrip „Erfahrung”
-(in tegenstelling tot zijn subjectieve „Erfahrung”, als „Synthesis” der
-Wahrnehmungen, Locke’s experience, waarmee alle kennis.... begint, en
-waarop het empirisme alle kennis grondvest!) als begrip van de
-kenniskritiek te bereiken. (Zie nu deze plaats van Prof. Bolland, Uitg.
-Hegel’s Gesch. d. Philos. p. 906 in heel z’n compromitterend verband!).
-
-[171] Dus Kant bedacht met zo iets als Haeckel’s Substanz-Problem!
-Daartegen (implicite) Riehl, Kritizismus III p. 27, uitnemend en zuiver
-Kantiaans: „Was die Substanz an sich oder ihrem Wesen nach sei, muss
-deshalb vollständig zu erkennen sein, weil ihr Begriff gänzlich im
-Verstande erzeugt wird. Etwas, z.B. den Körper als Substanz denken,
-heisst den Begriff dieses Etwas als Subject aller darauf bezüglichen
-Urtheile gebrauchen, es seinem Dasein nach von unserer Vorstellung
-unabhängig erklären und in Rücksicht auf die veränderlichen Umstände in
-die es eintritt oder eintreten kann, als beharrlich und mit sich selbst
-einerlei voraussetzen. In diesen Verhältnissbestimmungen besteht das
-ganze Wesen des Begriffs, den wir als Substanz bezeichnen.”
-
-[172] Laatstelik b.v. in „Hauptprobleme der Philosophie”, Kap. III:
-„Vom Subjekt und Objekt”, vgk. speciaal p. 86: „Ich und die
-Welt”—tegenover „einem Subjekt ein Reichtum von Objekten” en p. 104:
-„Durch das Auseinandertreten von Subjekt und Objekt wird das Sein in
-zwei Reiche geschieden, deren Qualitäten oder Funktionen ganz
-unvergleichbar sind. Aber die Beziehung zwischen ihnen, die wir
-Erkenntnis nennen, ist dadurch möglich, dass” etc.
-
-[173] Beter m.i. ware nog „psychisties” (zo ook Stumpf) i.p.v.
-„psychies”, 1o. wijl elk monisme qua leer „psychies” is en 2o. als
-tegenstelling tot „materialisties” (niet materieel) monisme.
-
-[174] Zelfs het begrijpen lukt een realist trots al zijn schranderheid
-en hooggeleerdheid ongeveer nooit. Zo verwart b.v. Prof. Bolland
-Heymans’ geestelik substraat, zijnsgrond of reale van de hemellichamen,
-als éénheid gedacht („aardgeest” enz.) met de sterreleidende spoken van
-een Mevrouw Blavatsky, die „óók” (sic) gewaagt van „celestial bodies
-propelled and guided by intelligences”! Stel u voor, lezer, een
-psychist, die lichamen (nog wel reële lichamen) zou laten voortdrijven
-door geesten (nog wel geesten in de ruimte)! Vgk. bl. 203 noot 1), hoe
-Prof. Bolland in dezelfde geest Kant’s beroemde aanduiding der
-mogelikheid van monisties psychisme: identiteit van subjekt en reale
-der materie, profaneert met Büchner’s materialistiese identiteit van
-„geest” en „natuur”, alias „kracht” en „stof”.
-
-[175] Wie b.v. schrijft: „Onze zintuigelijke indrukken worden ontvangen
-door den geest. Zij gaan daarmede over in gewaarwordingen”.... is op
-z’n best Lockiaan, al lanceert hij tegen Locke de wijsheid, dat ook de
-primaire eigenschappen „subjectief” zijn, immers: „Ook de grootte,
-primaire qualiteit, verandert door veranderd standpunt van den
-waarnemer”! Ik zie de glimlach, waarmee Locke zijn docent zou gevraagd
-hebben: „Dus u ontkent de objectieve grootte van b.v. een meter?” En ik
-vrees, dat zelfs de goede Berkeley zijn lachen niet had kunnen laten op
-de vraag van deze criticus: „En zijn er geen dingen buiten ons, waar
-zijn dan de geesten, door Berkeley met nadruk van de voorstellingen
-onderscheiden”!
-
-[176] In verband met Opm. 15 verschaffe men zich nu zelf eens het hoge
-kritiese genot, de ingewikkelde knoop van onmogelikheden te ontwarren,
-waarin Lotze’s realisme (Mikrokosmus I: 3:1: Der Zusammenhang zwischen
-Leib und Seele, p. 349) zich verstrikt met zijn „Localzeichen” als
-etiket of stempel: Ik (de ziel) kan een onbekende bibliotheek-ordening
-(de „werkelike” ruimtewereld) al zijn mij de boeken in koffers
-doorééngepakt toegezonden (zenuwbeweging, hersencellen) precies
-reconstrueren (ruimtewereld-waarneming) als ik maar de geletterde
-etiketten op de boeken (onruimtelike „Localzeichen”).... kan lezen
-en.... vertalen! „So packt man viele Briefe zusammen, und am
-Empfangsort lässt sich der Ort ihres Abganges aus dem aufgedrückten
-Stempel gleich gut erkennen, welches auch die Art ihrer Beförderung
-gewesen sein mag.”
-
-Elders, zonder beeld: „Überall wird das Extensive in Intensives
-verwandelt, und aus diesem erst muss die Seele eine neue innerliche
-Raumwelt konstruieren.”
-
-[177] Bergson gewaagt van „notre corps” als van „notre esprit”. Nous,
-corps, esprit—drie, twee of één? B. zelf noemt z’n boek tans (1911):
-„nettement dualiste. Mais....”. Tekenend!
-
-[178] In „Les grands Philosophes français et étrangers”, VIII (1911)
-heet Bergson „le seul philosophe de premier ordre qu’aient eu la France
-depuis Descartes et l’Europe depuis Kant”.
-
-[179] Noemt men het zedelike „prakties”, dan zou men deze uitspraak
-zelfs niet „pragmatisties” genoeg moeten achten!
-
-[180] Zo ligt heel Simmel’s realisme in deze 8 woorden van zijn
-Hauptprobleme der Philosophie (p. 113): „Seele und Welt und deren
-Abbild im Erkennen”—ja, feitelik reeds in de 3 woorden van zijn
-werkelikheid: „Subjekt und Objekt”, vgk. boven bl. 158 en noot ¹) ald.
-
-[181] De tegenstelling tussen juist en waar, o.a. bij Dr. J. D. Bierens
-de Haan, vinde hier slechts pro memorie vermelding.
-
-[182] De elektronenleer maakt er immers reeds hele werelden van, zodat
-de natuurwetenschap al weer te rekenen krijgt met andere—monades
-physicae. Deze laatste zijn niet verdwenen—en zullen nooit verdwijnen.
-
-[183] In weer andere zin noemt men ook wel het bestaan van elk ander ik
-slechts „hypothese”, d.w.z.: een ander ik behoort principieel niet tot
-de wereld der mogelike ervaring, kan dus nooit door waarneming bewezen
-worden.
-
-[184] Hoogst vermakelik is het, hoe de materialist A. Rau met „Der
-moderne Panpsychismus” bedoelt en bestrijdt.... Ziehen’s onbegrepen
-bewustzijns-materialisme! Tussen materialist en materialist blijkt dan
-toch ook nog een verschil, trots alle verwantschap, als tussen broeder
-en broeder!
-
-[185] Ver beneden Spinoza blijft Fechner, waar hij hem zijn zuiver
-parallelisme wil verwijten (dat geen teleologies ingrijpen in de natuur
-toelaat) omdat men toch „beliebig von Standpunct wechseln” kan. Daar
-als elders (vooral in het einddeel III: 356 tot het slot van zijn
-Zend-Avesta, zijn kerkelik-klinkende 12 stukken des geloofs,
-bijbeluitleg en woordenkeus, waarmee hij voor een orthodox christen
-toch de wijsgerige heiden blijft, die uit hem als uit Goethe gegroeid
-is, en voor een heiden de christen, die nog in hem steekt) blijft hij
-de halve theoloog tegenover de hele filosoof Spinoza, die niet (als
-Fechner) „zwischen beiden hin und her schlingt”—immers juist zulk „heen
-en weer slingeren”,—‏זלל‎—. wel voorvaderlik zal hebben veracht.
-
-[186] Over Fechner’s belangwekkende onsterfelikheidsleer, gelijk over
-zijn originele vergeldingsvoorstelling hoop ik elders het mijne te
-berde te brengen.
-
-[187] Wij missen een Hollands woord voor psychies, seelisch, dat tot
-ziel staat, als geestelik (niet geestig!) tot geest, stoffelik (niet
-stoffig!) tot stof. Zulk een woord hebben wij nodig, nog afgezien van
-het „zielig” misbruik, dat Prof. Bolland maakt van dat gemis.—Ik vorm
-dus een nieuw woord daarvoor. De keus gaat tussen zielelik (à la
-geestelik) en ziels, oude spelling zielsch, à la aards van aarde, hoofs
-(tegenover hoffelik) van hof. Ik kies ziels en zal dat voortaan
-gebruiken en dus b.v. bij het parallelisme van de stoffelike en de
-zielse reeks spreken.
-
-[188] Zoekt dan Dr. Dèr Mouw zelf (p. 238) „een uitweg uit Hartmann’s
-aporien”—wij bieden hem die, maar het is meteen een uitweg uit....
-Hartmann en „niet met behulp van Hegel”, integendeel, met behulp van
-Kant.
-
-[189] Wil men Nederlandse woorden, dan zou men deze alomgeldige
-Latijns-Frans-Engelse term moeten vervangen door het heel wat minder
-doorzichtige: stofwerkelikheidsgeloof, of door een omschrijving als:
-leer, die de stof voor werkelikheid (realitas) houdt, die onafhankelik
-van mogelik waarnemen en denken bestaat.
-
-Zo hebben wij ook in die term „materie-realisme” onze goede grond om
-het werkelike als substratum te blijven noemen het reale van zijn
-phaenomeen, dus te spreken van het onstoffelik reale der materie, al
-gebruikt b.v. Prof. Bolland dit woord naar zijn etymologie voor het
-„zakelike”, stoffelike, in tegenstelling tot het „werkelike” (van b.v.
-zijn „wezen” of „begrip”). Zo is dus het materie-realisme de leer, die
-de materie voor realiteit, voor een reale houdt.... en die dus een
-reale (= substraat) der materie loochent.
-
-[190] Zo toont Prof. Dr. Max B. Weinstein, hoe degelik hij georiënteerd
-is omtrent „Welt- und Lebensanschauungen”, waar hij in deze trant
-besluit (p. 484): „Die rein materialistische [Anschauung] mag schon
-kein Mensch mehr.”
-
-Volgens Prof. zal het met de „energetische”, „so bestechend sie ist”,
-wel net zo gaan. Wat dan? „Spinozas Anschauung in Verbindung mit Kants
-Transzendentalismus scheint mir allem am besten gerecht zu werden”....
-Voortreffelik—maar.... voorzichtig een weinig, zelfs met een
-supra-materialistiese Spinozist-Kantiaan: „Sie bietet noch den
-ungeheuren Vorteil, dass wir sie so leicht fortführen und erweitern
-können, wie [schrik niet] Haeckels Beispiel zeigt. In der Tat [let nu
-op] müssen wir jetzt schon sagen, dass der allgemeinen Substanz für
-unsere Welt mindestens drei Attribute zukommen: Geist, Energie, Materie
-(oder was für Materie stehen kann). Die allgemeine Substanz soll ja
-unendlich viele Attribute haben. So ist es durch nichts ausgeschlossen,
-dass unsere Welt in der Tat diese drei oder vielleicht noch mehr [wel
-ja, waarom niet] Attribute ausmacht [?].”
-
-Prof. Dr. Max B. Weinstein is dus gelukkig aangeland bij Haeckel’s
-jongste drieéénheid, zijn trialisme van „Psychom”, Stof en Kracht (uit
-zijn „Lebenswunder”—een soort amendement op de „Welträtsel”, waar de
-„kracht” nog als geest moet fungeren.... maar avec Haeckel il y a des
-accommodements), alias bij.... een unrein materialistische Anschauung.
-
-[191] Vgk. de voorrede en b.v. Dilthey’s Das Wesen der Philosophie (in
-de Kultur der Gegenwart).
-
-[192] Hegeliaans-theologies natuurrealisme met „Natur” als „Vorstufe”
-van „Geist” en „das seelische Leben.... bis dahin ein blosser Anhang
-des Naturprozesses”. Zijn anti-naturalisme dan ook, als bij de meeste
-realisten (vgk. ten onzent Dr. J. D. Bierens de Haan) ethiese
-appreciatie i.p.v. kennistheoretiese demonstratie. Als theoloog noemt
-hij het anti-relativisme, objectivisme, eenvoudig.... religie, en
-omgekeerd het anti-religieuse even eenvoudig.... relativisme,
-individualisme, subjectivisme.
-
-Ziehier de synthese van Eucken’s werkelikheidsleer en
-geschiedenisfilosofie in 3 trekken:
-
-niet enkel beweging (tijd—„Bloss-menschliches”—relativisme enz.),
-
-niet enkel zijn (eeuwigheid—„Geist”—religie enz.),
-
-maar tijdelike, menselike verwerkeliking van het eeuwige, goddelike:
-„Aktivismus”—„ethischer Charakter der Geschichte”.
-
-Op deze „verwerkeliking” (in de ware zin van „ver-”) van geestelike
-waarden, van idealen als „de waarheid” en derg. staat Eucken’s
-„objectief idealisme”—en ligt er mee omver. Onze natuur- en
-geesteswettelikheid daarentegen stelt „der blossen Bewegung und ihrem
-zerstörenden Relativismus” de zuiver empiriese, niet ideologiese,
-weerlegging in de weg.
-
-Over Eucken spreken we nader.
-
-[193] Stelt in „Darwinisme en Democratie” een uitnemende
-geestelik-maatschappelike selectieleer naast en tegenover de
-natuurlik-organiese.... maar definieert de ziel zelf—„dat netelige
-begrip”—zuiver naturalisties als „reactie der (levende) stof op
-prikkels” (p. 193 als p. 34), zodat het physieke wezen een ziel „heeft”
-(vgk. p. 193: „Hoe meer ziel een wezen rijk is”.... 199: „geestelijk
-nieuw bezit wordt door het fysieke individu verkregen”....) en nog wel
-verkregen, verworven heeft.... selectories, door een ontwikkeling uit
-het „onbezielde molecuul” van p. 212, dus dank zij allerlei influxus
-psychicus (vgk. p. 196, 211 etc.), dank zij een dualisme met
-anti-natuurwetenschappelike „Wechselwirkung” van „beide evoluties”, „de
-fysieke en de geestelijke” (191): „Het natuurwetenschappelijke en
-geestelijke proces zijn daardoor in voortdurende wisselwerking.”
-Immers—„fysieke en geestelijke evolutie [van de mens] loopen....
-verward dooreen”—altans in dit boek. Want zonder deze zijn dualistiese
-inkonsekwentie zou dit monisties-gezind realisme, met zijn
-„subjectivistisch weten” van „objectivistische” verschijnselen en
-eigenschappen (pp. 34, 53, 192, 422 etc.), met zijn „geestelijke zijde”
-van het „stoffelijk materiaal” (p. 38) of zijn „geestelijke zijde van
-sommige aangeboren psycho-physieke bezittingen” (255), met zijn
-stoffelik „substraat”: „zielswerking zit slechts in zintuigelijk
-waarneembare voorwerpen” (35), en ideeën „in hoofden” (hun „stoffelijk
-hulsel”), als „inhoud van hersencellen”, „stevig in heur zenuwcellen
-vastgelegd”, met zijn „evolutie van aangeboren geestelijke
-eigenschappen” en „van de haar begeleidende basis of beter: van heur
-ander uiterlijk: zenuwstof”.... tot konsekwent psychophysies
-materialisme vervallen, gelijk het nu reeds op bl. 300 Steinmetz moet
-toegeven: „Het denkbeeld kan juist zijn”....
-
-Zo lijdt dit mooie boek, dat overvloeit van jonge wijsheid en van (les
-défauts de ses qualités) bekoorlik-vermetele jeugdzonden tegen ethica
-en kennisleer, aan een realisme, dat zijn eigen monisties parallelisme
-moet breken, op straffe van ongewild materialisme, door het ongewild
-dualisme van zijn „Wechselwirkung”, waarmee heel zijn selectore
-geestesinvloed staat en valt; zo zou het zijn tweeledig doel: enerzijds
-de sociologie in ’t algemeen en zijn sociologiese selectie-leer in ’t
-biezonder van alle naturalisme zuiver te houden, anderzijds echter ook
-„het vurig begeerde monisme”, dat evenmin aan de natuurwetenschap als
-aan zich zelf dualistiese stenen des aanstoots in de weg wil leggen,
-slechts en in énen bereiken, als het zijn realisme krities overwon.
-
-[194] Treffend karakteriseert één zinnetje heel dit realisties dilemma,
-waarop de jongste „Theorie” (verwant met het begrip „Methode” der
-Neo-kantianen), die van Dr. Viktor Kraft, Weltbegriff und
-Erkenntnisbegriff, Eine erkenntnistheoretische Untersuchung (1912),
-neerkomt (p. 229): „Allerdings in welcher Weise sich das Seelische dem
-System der Natur anfügt oder einfügt, das ergibt eine eigene Frage und
-eine neue, spezifische Aufgabe des Realismus. Eine materialistische
-Abhängigkeit von Vorgängen der körperlichen Welt und eine
-indeterministische Selbständigkeit des Seelenlebens sind die
-Gegensätze, zwischen denen man dann zu entscheiden hat.”
-
-Vgk. ook p. 72/3 over geest en natuur: „Sie bilden dann zwei nicht nur
-verschiedenartige, sondern auch selbständige Gebiete der Wirklichkeit,
-von denen jedes seine eigene Art von Geschehensbestimmtheit hat: ein
-Reich der Ursachen und ein Reich der Motive, ein Reich der absoluten
-Notwendigkeit und ein Reich wenigstens einer relativen Freiheit,
-relativ—denn die Bestimmtheit des Seelischer. durch körperliches
-Geschehen [let wel] in der Wahrnehmung bleibt ja doch immer bestehen.”
-
-[195] In de theologie is het indeterminisme ook de ministeriële
-verantwoordelikheid van de mens voor een onschendbare Soeverein. The
-King can do no.... wrong!
-
-[196] Antimaterialistiese eigengerechtigheid geeft graag aan voorkeur
-voor „stoffelike” goederen, „zinnelike” genietingen enz. boven
-„geestelike” waarden de fraaie naam „zedelik materialisme”. Natuurlik
-heeft dit met de tegenstelling dualisme—materialisme of
-idealisme—materie-realisme niets te maken. Intra muros peccatur et
-extra. Wel zijn er, meen ik, nog oorden en kringen, waar een
-materialistiese belijdenis reeds heel wat meer zedelik „idealisme”
-vergt, dan de meest „idealistiese” kerkelike confessie.
-
-[197] Vgk. Opm. 33 en b.v. Schneider’s bekende werken „Der thierische
-Wille” en „Der menschliche Wille”. Volgens deze materialist zijn het
-„die psychischen [alias: „durch Bewusstseinserscheinungen bestimmten”!]
-Bewegungen”, die „das Thier von dem Vegetabil unterscheiden”. Evenwel
-„sind auch die psychischen Bewegungen so gut wie die rein
-physiologischen durch die materielle Organisation, durch histologische
-und physiologische Verhältnisse bedingt, sie wären nicht möglich, wenn
-der betreffende Nervenmechanismus nicht gegeben wäre”. Maar ze zijn
-toch „auch” door Bewusstseinserscheinungen „bedingt” en immers
-„bestimmt”! Ja, zelfs „e[n]tweder ganz” [sic!] „oder doch zum Theile”!
-Zo spreekt hij van „das psychische Nervensystem”, terwijl een „Körper
-Gefühl besitzt”, het Gefühl komt „durch Verbindungen der Stoffe zu
-Stande”, i.p.v. „Eigenschaft der Materie überhaupt” of „jedes Atoms” te
-zijn. Aldus ontstaat zijn materialisties „probleem” en het bijbehorend
-„ignorabimus”: „Wie es möglich ist, dass eine chemische Verbindung
-fühlen kann, ist uns in jedem Fall ebenso unbegreiflich, als das Dasein
-der Materie.” (à la Haeckel’s „Substanz-problem”!). Trouwens, met
-„letzten Ursachen” moet „reale Wissenschaft” zich niet ophouden,
-slechts met „erkennbaren Bedingungen”, ergo: „Das Gefühl hat seine
-Ursache in der Organisation resp. im Blut, oder allgemeiner, im
-thierischen Lebensprocess.” „Wir wissen nur und können nur sagen, dass
-das Bewusstseins- resp. Gefühlsvermögen eine Eigenschaft des
-Nervensystems,.... dass es eine Eigenschaft des thierischen
-Lebensprocesses ist.” of „Dass die verschiedenen Gefühle und Triebe in
-der Thätigkeit des Gehirnes ihren Grund haben”. Hoe zou anders
-Vererbung der Gefühle und Triebe mogelik zijn?—Welnu, zulk een fühlende
-chemiese verbinding is dan „einfach aus der natürlichen Zuchtwahl
-hervorgegangen” als „zweckmässig” enz. enz. en de betekenis,
-noodzakelikheid en waarde van de verschillende Gefühle en Triebe wordt
-dan uitvoerig en veelal voortreffelik behandeld.
-
-Aan een leek als Schneider gunnen wij dan de spot met denkers over
-oordelen a priori, vooral wanneer hij er zelf bij vertelt: „Die Welt
-hat keinen Anfang und kein Ende. Jeder Vorgang hat immer wieder einen
-neuen Vorgang zur Folge, und das geht ins Unendliche.”
-
-[198] Tot mijn „resultaten” behoort hoop-ik ook, dat ik nu zonder
-uitleg toch zonder vrees voor misverstand gebruik kan maken van de
-kennisleer-termen als substraat en phaenomeen, immanent en
-transcendent, dogmaties en transcendentaal.
-
-Wij onderscheiden dus nu de éne natuur als objectief phaenomeen zuiver
-zowel van het individuele („subjectieve”), van alle voorstellingen
-aangaande de natuur, als van de éne werkelikheid, il concreto, zoals
-het Italiaans zegt, gelijk wij dienovereenkomstig het éne subjekt der
-natuur zuiver onderscheiden zowel van elk mens-individu als van enige
-konkrete Al-geest.—We zullen dus Busse’s beide realistiese misvattingen
-vermijden, die voor Die Nachteile des Parallelismus mede
-verantwoordelik zijn in zijn G. u. K., p. 158: „Verwandeln sich auf
-idealistischem Boden die realen physischen Prozesse in Vorstellungen
-solcher Prozesse....” en p. 164: „Streng genommen dürfen wir von dem
-physischen Kosmos im Singular überhaupt nicht sprechen, sondern er ist
-so oftmals vorhanden, als Bewusstseine vorhanden sind, welche sinnliche
-Wahrnehmungen haben und sie objektivieren können.”
-
-[199] Al een heel ongelukkige naam, daar juist elke ruimtelike
-verhouding, elke „evenwijdigheid” is uitgesloten. Maar de naam drukt nu
-eenmaal door een aanschouwelik beeld de uitsluiting van elke overgang
-uit, van elke „influxus”, elke μεταβασις εἰς ἀλλο γενος.
-
-[200] G. u K. p. 402: „Die Natur ist schliesslich nicht das Weltganze,
-sondern nur ein Teil desselben, der der Ergänzung durch einen anderen
-Teil—die seelische Welt—bedarf.”
-
-Ziedaar de realistiese grondfout waarmee Busse’s boek staat en valt.
-Busse’s „idealisme” is dan ook het realistiese voorstellings-idealisme,
-meermalen in mijn werk aan- en afgewezen, dat „die ganze Körperwelt
-Erscheinung für mein sie vorstellendes Bewusstsein” noemt (p. 18 en
-evenzo p. 20) en waant, dat het „standpunt” der
-„idealistisch-spiritualistischen Weltanschauung” de lichamen door
-voorstellingen van de lichamen vervangt (p. 145 en p. 158 en passim,
-vgk. noot ¹) bij vor. bl.) en aldus van de physieke reeks (de
-phaenomena) maakt: „die Vorstellungen der körperlichen Phänomene” (p.
-146) en van de hersenen „die Vorstellungen der Gehirnprozesse” (147),
-zodat die physische Seite „ja in Wahrheit auch eine psychische ist”
-(146), het fundamentele misverstand, waarop heel zijn betoog tegen „Der
-idealistisch-monistische Parallelismus” (144–174), tegen Paulsen,
-Ebbinghaus en Heymans steunt en in ’t niet zinkt, waardoor zijn
-polemiek speciaal Heymans niet eens bereikt, laat staan weerlegt,
-waarbij dan nog komt, dat het begrip van de materie als mogelike
-waarnemingsinhoud van een immers slechts denkbeeldig universeel subjekt
-ontbreekt, een gebrek, waaraan Busse zijn 2 foutieve argumenten
-ontleent tegen het parallelisme van psychiese realiteit en physies
-phaenomeen: 1o. de onvolledigheid der physiese reeks (zo deze nl. van
-werkelike subjekten, werkelike waarneming afhankelik wordt gedacht),
-2o. de niet-gelijktijdigheid van reale en phaenomeen (zo dit laatste
-nl. als werkelike waarneming i.p.v. als ideële mogelike
-waarnemingsinhoud wordt geduid). Zo blijft voor hem het parallelisme op
-z’n best een hylozoïsme, realistiese stofbezieling (366–368, 379)—en
-treft zijn verweer en zijn oordeel alleen dit laatste—zonder het
-niet-realisties, krities parallelisme te deren of zelfs maar te
-zien.—Heel het boek is dogmaties-realisties, dus causalisties gebleven,
-trots de hoffelike buiging, waarmee de kritiek, het idealisme, z’n
-afscheid krijgt, van meet af, als te moeilik en diepgaand, te
-gecompliceerd en te abstrakt enz. („wissenschaftlich unanfechtbar aber
-schwer anwendbar” enz.—zie 18–21—en hoe wij juist al die zwarigheden en
-Einwände, die Busse laat staan, hebben aangepakt en opgeheven) en trots
-de „idealistisch-spiritualistische” toegift der paar bladzijden
-Schlussbetrachtung, die een los aanhangsel blijft, dat niets meer kan
-goed maken. Zo blijft Busse ten einde toe een trouw discipel van zijn
-meester Lotze, wie soortgelijk verwijt treft t.a.v. zijn Mikrokosmus.
-Ook daar komt de ruimte- en materie-kritiek te laat, eerst in deel III,
-boek IX, hoofdstuk II, bl. 489 vv., nadat reeds in I: III: I bl. 314
-vv. Der Zusammenhang zwischen Leib und Seele.... realisties, dus
-dogmaties, dus causalisties behandeld is en zonder dat ze meer terug
-kan werken op Lotze’s realistiese waarnemingsleer, reeds in boek II
-gegeven, bl. 182, 193, 357, 412.—Is de kritiek niet de zuurdesem, die
-heel het denken doortrekt, dan is ze niets dan een lafgeworden zout.
-
-[201] Het is dus niet „idealistieser” (naar een veelverspreid
-misverstand b.v. bij Busse, G. u. K. p. 4/5), maar juist
-„materie-realisme”, de natuur uitsluitend als phaenomeen voor haar
-subjekt, dus als mogelike waarnemingsinhoud, te beschouwen, in plaats
-van daardoor tevens als phaenomeen van haar reale, dat die waarnemingen
-veroorzaakt! Deze opmerking geldt zowel het Marburger Neo-kantisme als
-het gewaarwordingsmaterialisme.
-
-[202] Materie-realist zijn dus b.v. Hartmann, Busse, Wartenberg,
-Rickert, Jerusalem, Bolland, Bergson, Stumpf, James, Rehmke, Erhardt,
-Becher.
-
-[203] Prof. Bolland’s begrip brengt door zijn noot op bl. 507, uitg.
-Hegel’s Geschichte der Philosophie, deze Kant’s immaterialistiese
-identiteit van geest en substratum der materie in het compromitterend
-gezelschap enerzijds van Büchner’s materialistiese „identiteit” van
-Geist und Natur, Logik und Mechanismus, Kraft und Stoff (met de
-„Vernunft oder Geistestätigkeit” als „Spiegel, welcher das All
-zurückwirft”!) en anderzijds van Aristoteliaans-Hegeliaanse
-waarnemingsdogmatiek, die de gewaarwording passief en aktief in énen
-noemt, passief als „Einwirkung von aussen” en aktief door „die
-Tätigkeit.... diesen passiven Inhalt zum Seinigen zu machen”!
-
-[204] Zo vervalt ook voor Kant als voor Wundt en Heymans en elk
-niet-realist het befaamd argument tegen het lichaam als phaenomeen van
-de geest: de samengesteldheid van het organisme tegenover de eenheid
-van het bewustzijn.
-
-[205] Altans ook door Busse niet in zijn Kant-duiding, G. u. K. p. 110
-ss., speciaal p. 116 over de 2e druk: „Hier ist aber auch nicht die
-schwächste Spur einer Hinneigung zur Identitätslehre mehr vorhanden”!
-
-[206] Bij Kant wil „als Mensch” zeggen: als niet alleen denkend, maar
-tevens lichamelik wezen.
-
-[207] Deze laatste zinnen zijn mede tegen prof. Bolland gericht, zie
-beneden, bl. 237.
-
-[208] Daarentegen hoedt het krities idealisme zich natuurlik wèl voor
-de wilde natuur-romantiek van een Bruno Wille, wanneer hij b.v.
-(„Offenbarungen eines Wachholderbaums”) de gemoedsstemming, door een
-landschap gewekt, toeschrijft aan een „Landschaftsseele”, in de natuur
-hineindeutet als eigen aan haar reale; wat mij ongeveer even verstandig
-voorkomt, als ging men de gedachten, in een boek vervat of de
-gemoedsaandoening, door het lezen gewekt, houden voor denkbeelden of
-gevoelens van het reale van die bedrukte papierbundel, van een
-boekeziel, of de schoonheid, de idee, de voorstelling van een
-schilderij toedichten aan het reale van de verf en het linnen.
-
-[209] Zelfs het identiteits-materialisme zou zeker niet zoveel goede
-kritiese geesten gevangen houden, als het zo „einfach absurd”, zulk een
-„vollendeter Blödsinn” was, als materialistendoders plegen te denken.
-Ook de materialisten bedoelen niet: geest en stof is hetzelfde, maar is
-„eigenlik”, „in wezen”, „substantieel”, „realiter” hetzelfde, exakt
-geformuleerd: identiek zijn niet stof en geest, maar (als een reale
-gedachte) stof en het (als stoffelik gedacht) reale van de („slechts”
-subjectieve) geest.
-
-Natuurlik blijft dit materie-realisme daarom even dogmaties en
-bovendien dit geest-phaenomenalisme zinledig, daar de werkelikheid van
-de geest nu eenmaal onloochenbaar is—en een phaenomeen.... een subjekt
-als prius onderstelt.
-
-[210] Geen physies gebeuren derhalve zonder zijn meta-physiese
-betekenis en grond. Vandaar onjuist een redenering als deze van
-Schopenhauer (II: 287): „Denn der Wille hat seinen Sitz nicht im
-Gehirn, und überdies ist er, als das Metaphysische, das prius des
-Gehirns, wie des ganzen Leibes, daher nicht durch Verletzungen des
-Gehirns veränderlich.”
-
-[211] Vraagt dus b.v. Lotze (Mikrokosmus I: 3:1: Der Zusammenhang
-zwischen Leib und Seele, p. 314/5):
-
-„In der That warum sollten wir uns versagen, von dem Druck und dem
-Stoss der Massen auf die Seele, von der Anziehung und Abstossung beider
-durch einander zu sprechen, sobald diese Ausdrücke, obwohl sie keine
-Aufklärung enthalten, doch dazu dienen, unsere Vorstellungen des
-Sachverhaltes bequem und anschaulich abzukürzen?”
-
-„Warum also sollte nicht ein Atom des Nervensystems ebenso auf die
-Seele oder sie auf jenes stossen und drücken können....?”
-
-dan moet ons antwoord luiden: enerzijds omdat „Druck” en „Stoss” alléén
-ruimtelike zin en aanschouwelikheid heeft en in de ruimte van een ziel
-geen zweem of spoor is te denken of voor te stellen, anderzijds omdat
-atomen als ruimtedingen de zielewereld evenmin vermogen te bereiken of
-te raken als de letters van een boek de gedachten, die er door zijn
-uitgedrukt.
-
-[212] Vgk. p. 257: „Wenn wir uns auf die idealistisch-spiritualistische
-Basis zurückziehen, so geben wir damit eben den Parallelismus, den wir
-durch diesen Schachzug [!] seiner Paradoxität entkleiden wollten, auf.”
-
-[213] Busse weet en erkent tenminste nog, dat heel zijn argumentatie
-zich op dit naief-realisties standpunt stelt, maar de Bussetjes van
-heden en morgen, die hun wapens uit dit arsenaal komen halen? Ze lopen
-er in - gelijk wij dat reeds, ook ten onzent, konden gadeslaan.
-
-[214] „Vielmehr haben wir nun zwei völlig getrennte Reihen psychischer
-Vorgänge [mis], Dualität, nicht Identität. Das wird vielfach übersehen,
-in den Idealismus versucht man die Identitätsphilosophie mit
-hinüberzunehmen, die dort keinen Platz finden kann.” Dat ze slechts
-dort Platz finden kann, en welke plaats, dat hebben wij boven gezien
-bij Kant.
-
-[215] Zo schrijft Busse, bij de „Vorteile” der Wechselwirkungstheorie,
-p. 380: „Indem sie alle Dinge in der Welt aufeinander wirken lässt,
-kommt sie dem logischen Bedürfnis des Denkens nach einheitlicher, die
-Welt als ein einheitliches Ganze auffassender Betrachtung mehr
-entgegen.” Me dunkt, ook hier is het prae boven de dualistiese overgang
-weer aan de monistiese samengang!
-
-[216] Dr. L. Loewenfeld schrijft in zijn boek Ueber die Dummheit
-(1909), aangaande „Dummheit und Gehirn”, „Die organische Grundlage der
-Dummheit”, p. 74: „Dass die geistige Beschränktheit ebenso wie
-hervorragende Intelligenz ihren Grund in der Gehirnbeschaffenheit hat,
-ist eine Tatsache welche niemand bezweifeln kann, der einen
-gesetzmässigen Zusammenhang der geistigen Verrichtungen mit der
-Tätigkeit unseres Gehirns zugibt.”
-
-Juist zulk een uitspraak, die voor (nog wel onbetwijfelbare!)
-„Tatsache” neemt wat slechts een dogmatiese physies-metaphysiese
-duiding is van die gesetzmässige Zusammenhang tussen geestesverrichting
-en hersenwerk, moet in philosophicis.... domheid heten.
-
-[217] Hoe vreemd een realist tegen kritiese wijsbegeerte kan blijven
-aan kijken bewijst Prof. Bruining in zijn merkwaardige Gids-bespreking
-van Heymans’ metaphysica (1905, „Wetenschappelijke Metaphysica” p.
-490/1), waar hij b.v. vraagt: „Wanneer wij.... uitgaan van de
-onderstelling, dat hetgeen op de wilswerking volgt inderdaad is wat het
-in de waarneming zich voordoet te zijn, een het wilsbesluit
-verwezenlijkende beweging—hebben wij hier niet het op dit standpunt
-onverklaarbare feit, dat hier bij uitzondering de inhoud der waarneming
-de afspiegeling is van haar object?”
-
-Allerminst. Elk phaenomeen is inderdaad, wat het in de (normale)
-waarneming zich voordoet te zijn—en elk phaenomeen heeft zijn reale. Zo
-dus elke beweging, ook die volgt op een wilsbesluit.
-
-Heymans’ onderscheiding tussen „inhoud” en „voorwerp” („Gegenstand”)
-der waarneming echter bedoelt Gegenstand in de transobjectieve,
-transmateriële zin van reale, van werkelikheid, die de waarneming
-veroorzaakt en geenszins in die immanente zin, waarin wij een beweging
-of een tafel „voorwerp”, „objekt” van waarneming noemen, daarmee het
-verband uitdrukkend van onze afzonderlike waarneming tot een bepaald
-geheel van mogelike waarnemingsinhouden.
-
-[218] Vgk. p. 193: „Und doch kann der Wille wesentlich zu einem
-bestimmten Bewegungsvorgang gehören.” „Mit anderen Worten.... er wäre
-ohne den Willen nicht mehr derselbe Vorgang”.... Evenzo p. 199 en
-Philos. d. Gegenw. p. 176.—Maar deze „wezenlikheid” is toch slechts....
-onwezenlik surrogaat van invloed! Het blijft epiphaenomenalisme. Al
-zegt p. 199: „Es ist also ebenso wahr, dass der Wille den Arm bewegt,
-als es wahr ist, dass die centrale Innervation diese Bewegung
-auslöst.”—voor Riehl is noch het een noch het ander causaal, tenzij hij
-zijn leer opgeeft voor zuiver psychisme. Dan mag hij schrijven (p.
-200): „Hat der Wille Einfluss auf die Vorstellung der Bewegung, was
-nicht bestritten werden kann, so hat er eben damit auch Einfluss auf
-die Bewegung selbst. Denn die Vorstellung ist zugleich ein realer
-Process, eine Aenderung der Vorstellung folglich zugleich eine
-Modification dieses Processes.... Der Wille wirkt auf das
-Intelligibele, das Ding an sich der Materie und ändert dadurch die
-Erscheinung desselben für die äussere Anschauung.” Perfekt, maar naar
-Riehl’s leer zou niet de wil, doch das Intelligibele, das Ding an sich
-des Willens causaal zijn en de wil zo irrelevant als de materie. Al wat
-op p. 201 ss. dan ook volgt over de „functionelle Bedeutung” van het
-bewustzijn als „Mittel.... Anpassungsbewegungen hervorzurufen”, tot
-„Regelung und Beherrschung der Bewegung”, en dus als evolutie-faktor,
-is geüsurpeerd psychisme.
-
-[219] Vgk. nu b.v. de realist Stumpf, Leib und Seele, p. 33: „Ich würde
-auch in der Annahme keine ernstliche Schwierigkeit finden, dass
-psychisches Leben (Seele) durch organische Prozesse (organische
-Materie) in bestimmten Stadien ihrer Entwicklung erzeugt wurde und noch
-jetzt bei der Entwicklung jedes Individuums erzeugt wird.”!
-
-[220] Vroeger sprak men wel in afkeurende zin van „doppelte
-Buchführung”, blijkbaar uit onbekendheid met „dubbel boekhouden”. Want
-voor de twee-zijden-theorie (van Riehl b.v.) is juist die dubbele
-boekhouding een alleraardigst onschuldig beeld: elke werkelike post
-heeft van zelf zijn debet- en zijn credit-zijde, zodat een fraai
-functioneel parallelisme ontstaat zonder strijdigheden.
-
-[221] Dualisties is geest aan stof, ziel aan lichaam „gebonden”. Daar
-een phaenomeen niets is dan een ideëel produkt uit mogelike inwerkingen
-van zijn reale, betekent het missen van een phaenomeen, het missen van
-bepaald inwerkingsvermogen, van een bepaalde eigenschap. Een geest dus,
-die „zuiver immaterieel” gedacht wordt in de oude spiritualistiese zin
-is dus niet „volkomener”, „bevrijd” van een „stoffelike kluister” of
-een „hoger” soort wezen, maar integendeel alleen onvolkomener dan
-dezelfde geest met parallel phaenomenaal lichaam.
-
-[222] Op het determinisme-probleem zal ik met betrekking tot het
-strafrecht nader ingaan. Maar hier zij er reeds op gewezen, dat Wundt
-determinist is, dus, als psychist, natuurlik psychies determinist.
-Zelfs zijn, als voor misvatting geschapen „schöpferische Synthese”,
-zijn „novum” is.... causaal gedetermineerd. Wie Wundt en zijn
-„psychiese causaliteit” voor enig „Indeterminisme” misbruikt, voor
-enige inbreuk op het causaliteitsbeginsel met zijn inhaerente
-noodwendigheid, gelijk b.v. in „Het Indeterminisme (De psychische
-causaliteit)” ten onzent Mr. Levy (zie p. 189 over Wundt’s
-„indeterministisch element”, p. 260 en p. 269: „alleen op a niet op b
-acht Wundt de causaliteitswet toepasselijk”)—voor hem is Wundt’s geest
-een gesloten boek gebleven.—Op mijn verzoek tot Wundt, al die
-indeterministiese misduiding door een kategories authentiek woord eens
-voorgoed de kop in te drukken en daardoor mijn bewering te staven,
-„dass Ihre psychische Kausalität zwar anti-fatalistisch, aber durchaus
-deterministisch ist, dass sogar jedes ‚Novum’ als Ergebnis der
-schöpferischen Synthese vollständig ursächlich bedingt ist und Sie kein
-undeterminiertes, also kein ‚indeterministisches Element’ zulassen”
-mocht ik het volgend afdoend antwoord ontvangen: „.... dass ich an
-Missverständnisse und oberflächliche Missdeutungen meiner Ansichten zu
-sehr gewöhnt bin, um zu hoffen, sie überhaupt aus der Welt zu schaffen.
-Aber ich stehe nicht an, Ihnen zu bestätigen, dass ich auf psychischem
-Gebiete jede neue Erscheinung für psychisch determiniert halte und den
-Indeterminismus als eine meist auf unwissenschaftlicher Vermengung
-psychologischer und metaphysischer Begriffe beruhende unhaltbare
-Hypothese zurückweise.”
-
-Het is mij een voldoening, deze onvoorwaardelike afwijzing van het
-indeterminisme door Wundt zelf te hebben uitgelokt, waarvoor met mij
-zeker menig discipel van deze machtige denker, vorser en geleerde, deze
-„Leibniz van onze tijd” en „mancher aufrichtige Freund einer
- materialistisch
-rein-wissenschaftlichen, methodisch-empirischen, von ---------------
- dualistisch
-metaphysischen Einschlägen freien Psychologie” hem dank zal weten.
-
-Het wil mij voorkomen, dat Mr. Levy’s „brandende schaamte”, van Paulsen
-geleend uit verfijnd verantwoordelikheidsgevoel wegens
-Haeckel-verering, voor het aangezicht van Wundt (gelijk van Kant of
-Heymans of Münsterberg) niet misplaatst zou zijn. Trouwens Mr. Levy zou
-wel van Wundt’s psychiese causaliteit zijn afgebleven, had hij bedacht
-of begrepen, dat de psychist Wundt (in tegenstelling tot Mr. Levy), zo
-goed als Heymans, qua mechanist en verdediger der „gesloten
-natuurcausaliteit” zoowel anti-energist als anti-vitalist is en dat
-heel zijn psychiese causaliteit, met apperceptie en al,.... voor de
-dieren-ziel in beginsel evenzeer geldt als t.a.v. de mens, die voor de
-monistiese evolutionist Wundt.... zich ontwikkeld heeft uit het
-dierenrijk! „Da nun die associativen in die apperceptiven Processe
-continuirlich übergehen, und da Anfänge der letzteren, einfache active
-Aufmerksamkeits- und Wahlacte, bei den höheren Thieren zweifellos
-vorkommen, so ist übrigens auch diese Differenz schliesslich mehr als
-eine solche des Grades und der Zusammensetzung denn als eine solche der
-Art der psychischen Processe aufzufassen.” en: „Ist es nach den
-Gesetzen der physischen Entwicklung zweifellos, dass der Mensch von
-niedrigeren Lebensformen aus allmählich zu der ihm eigenen
-Organisationsstufe gelangt ist, so erscheint das nämliche nach den
-Gesetzen der psychischen Entwicklung mindestens im höchsten Masse
-wahrscheinlich.” Aldus een Wundt. Anders Mr. Levy: „Daar ligt een
-scheidslijn, neen, een klove, neen, een afgrond tùsschen de met rede
-begaafde en de redelooze wezens. Dit fundamenteel verschil.... is de
-bewuste voorstelling (de apperceptie), waartoe eerstgemelde wezens in,
-laatstgemelde wezens buiten staat zijn..... Indeterminisme dáár,
-determinisme hier.”
-
-Arme anti-Haeckelomaan Mr. Levy! Que diable allait-il faire dans cette
-galère?
-
-Zo zou ik, indien nog nodig, in extenso kunnen aantonen, hoe Mr. Levy’s
-„Indeterminisme” Münsterberg’s ontijdelike Fichteaans-teleologiese
-„apperceptie”, die niet tot de wereld van het zijn of gebeuren, maar tot
-het rijk der geldende waarden behoort, ergo buiten alle psychologie en
-natuurwetenschap valt, dus eo ipso buiten alle (psychiese of physiese)
-causaliteit en die derhalve zomin oorzaak als gevolg kan zijn,—zo
-mogelik nòg fundamenteler, nòg gruweliker misvat, dan hij ’t Wundt’s
-psychologiese „apperceptie” doet,—door ze kwansuis te plaatsen.... in
-het (tijdelik) bewustzijnsproces, het bewustzijnsverloop, als „bewuste
-voorstelling”! De haren zouden Münsterberg te berge rijzen als hij
-moest zien „welke ontzettend gewichtige, welke albeheerschende plaats”
-déze zijn apperceptie dáár, als zódanig, „inneemt” en van welk
-„wetenschappelijk indeterminisme” zij als „het steunpunt en het
-plechtanker” moet fungeren! Vooreerst, wat zegt de psycholoog
-Münsterberg. (Mr. L. houdt hem voor „den wellicht grootsten
-psycholoog”) van de apperceptie in het bewustzijnsverloop? Niets meer of
-minder dan dat „Wille, Aufmerksamkeit und Apperception psychologisch
-einem Zusammenhange angehören, der durch den physischen Kausalbegriff
-beherrscht wird”! En dàn de „vorpsychische” „freie Apperception” van
-een antipsychologist als de teleoloog Münsterberg door het slijk
-gesleurd van Mr. Levy’s bewustzijnsverloop, Mr. Levy’s
-dualisties-bovendierlik „indeterminisme”! Münsterberg: „Wir haben
-keinen Grund, solche Betrachtungsweise auf die menschlichen Subjekte zu
-beschränken, da wir zweifellos auch bei der Berührung mit der Tierwelt
-zum Glauben an stellungnehmende Subjekte [dus „Wertung”,
-„Behauptung”—Mr. Levy’s inzicht zou, naar bl. 174 van zeker boek,
-vertalen: „bewering”!—„Aktualität”, dus.... „freie Apperception”!]
-gedrängt sind.” Wederom: Arme Mr. Levy!
-
-De kennistheoretiese betekenis van Wundt en Münsterberg (geestverwant
-van Rickert) en hun onderlinge verhouding in psychologie en
-wijsbegeerte hoop ik na de voltooiing van mijn op stapel staand werk
-uitvoerig in het licht te stellen, dat beide verdienen, al zal dan
-Münsterberg niet alleen met zijn psycho-physies materialisme, dat aan
-lichaam en ziel weer gelijke ontologiese waarde, i.c. onwaarde, moet
-toekennen, maar evenzeer met zijn door reactie tegen dit fatalisme
-geboden meta-psychies ethicisme wellicht een van onze principieelste
-tegenvoeters blijken in het rijk der gedachte.
-
-[223] Ten aanzien der materie heeft het idealisme eer gronden voor, dan
-reden van verzet tegen het „atomisme” (in ruime zin), waaromtrent
-trouwens de natuurwetenschap haar eigen rechten heeft. Vgk. boven bl.
-174.
-
-[224] Feuerbach’s „Der Mensch ist, was er isst” kan dus alleen het
-phaenomeen, het lichaam van de mens gelden (al is dan nog het prius van
-’t eten, de begincel, vergeten) en daar de mens nu eenmaal niet zijn
-phaenomeen „is”, leert het ons aangaande de mens wat hij wèl is,
-omtrent het wezen van de mens, ongeveer even veel als omtrent een
-symphonie de lijst van haar luchttrillingsgetallen kan leren aan een
-dove. Feuerbach zelf heeft het trouwens heel anders, min of meer
-„histories-materialisties” bedoeld.
-
-[225] Gelijk ook in enige van de geschriften van wijlen Prof. Dr. W.
-Koster, die getuigen, hoe ernstig deze natuurkundige oud-hoogleraar met
-de kennisleer-problemen, met Mach en Ostwald en Ziehen („De Ontkenning
-van het bestaan der Materie en de moderne physiologische Psychologie”),
-met Kant („Kant’s Noumenale Wereld en de zinnelijke Waarnemingen”) en
-met Heymans („Subjekt en Objekt bij zintuigelijke Waarneming”) is gaan
-worstelen, te laat helaas, om nog tot klaarheid en het materie-realisme
-te boven te komen.
-
-[226] Ook in een andere uitgegeven rede, over „Der Entwicklungsgedanke
-in der modernen Philosophie”, toont Stumpf van geen ander „idealisme”
-kennis of begrip te hebben, dan van de realistiese stofbezieling, het
-hylozoïsme, of „des sog. Idealismus” van de bewustzijnsmaterialisten,
-die de materiële processen eenvoudig „als Bewusstseinsinhalte
-definieren”. „Aber wer sieht nicht,... dass überhaupt diese ganze
-Umdeutung der Materie ein blosses Spiel mit Worten ist?” (p. 53/5).
-
-[227] Van een onnavolgbare zelfbespotting is bl. 32, waar Stumpf, de
-realist, aan de samengangsleer—dus ook aan de
-krities-idealistiese!—verwijt, „dass sie die Welt unnötig verdopple”
-(„wie seinerzeit die platonische Ideen- und Zahlenlehre”, aldus onze
-moderne Aristoteles) en dus (wat inderdaad het parallelisties
-materialisme aardig typeert) „die Welt durch das blosse
-Nebeneinanderbestehen zweier Welten zusammenhanglos werde wie eine
-schlechte Tragödie.” (57.)
-
-[228] Wie heeft het ook weer over de vrijheidsleer van de „psycholoog”
-Münsterberg?
-
-[229] Ik overdrijf niet. Reeds het eerste positieve, feitelike deel van
-het boek: „Das Nervensystem” (5–160) moet in strijdende
-localisatie-theorieën verlopen: „Wir mussen uns darauf beschränken,
-Denkmöglichkeiten anzudeuten”.... zegt reeds p. 151. Maar het tweede
-deel: „Physiologische Erklärungen psychischer Erscheinungen” (161–327)
-kan slechts een warwinkel van hypothesen bieden, waaronder wel
-kenniskritiese oriëntering wat opruiming zou kunnen houden (b.v. p.
-167: „Es herrscht fast völlige Übereinstimmung darüber, dass das
-Gedächtnis eine Fähigkeit des Körpers darstelle”—vgk. de kwestie van
-pp. 292–7: „Psychophysische Gedächtnishypothese”, of Becher’s slotsom
-op p. 327: „Wie man sich aber auch zu dieser Frage stellen mag, die
-Möglichkeit eines Zusammenwirkens körperlicher und seelischer Faktoren
-im Gehirn (!) wird nicht [?] auszuschliessen sein.”!), maar in welks
-duisternis de physiologie nog niet veel licht kan brengen: „So lange
-das Wesen der nervösen Erregung, wie so vieler Lebensvorgänge, in
-Dunkel gehüllt bleibt, scheint ein Gleiches für das Residuum und die
-Ausschleifung gelten zu müssen. Immerhin kann man versuchen, durch
-Analogien einiges Licht über die in Frage stehenden Annahmen zu
-verbreiten.” (p. 175). Zij moet dan ook aanhoudend spreken als volgt:
-„Vorher aber mag, da wir einmal auf durchaus hypothetischem Gebiete uns
-bewegen, eine Möglichkeit angedeutet werden”.... „Es erscheint nicht
-undenkbar”.... „Wir nehmen nun—um eine aus mehreren
-Vorstellungsmöglichkeiten herauszugreifen—an, dass”.... (alles op p.
-187). „Doch ist die Voraussetzung, dass.... nicht unmöglich. Es ist
-nicht auszuschliessen, dass”.... „Wir haben Hypothesen auf Hypothesen
-gebaut, um die physiologische Auffassung des Gedächtnisses gegen
-Einwürfe zu schützen. Dabei haben wir uns weit vom festen Fundamente
-der Erfahrungstatsachen entfernt, so weit, dass einem vorsichtig
-Denkenden leicht die Geduld bei so unsicheren Spekulationen ausgehen
-mag. Die herangezogenen Hilfshypothesen vermögen aber immer noch nicht
-allen Einwänden gerecht zu werden.” (p. 188). „Hier sind neue Annahmen
-vonnöten. Zunächst könnte man auf den Gedanken verfallen”.... „Wenn man
-vor kühnen Annahmen nicht zurückscheut, wird man vielleicht einen
-Ausweg in der Möglichkeit.... sehen wollen”.... (alles p. 190). „Auch
-den Gedanken, dass.... könnte man vielleicht durchführen wollen”....
-(191) enz. enz. Zo p. 262: „Das sind Forderungen, die im Sinne der
-physiologischen Gedächtnisauffassung zu stellen wären; von einer
-Erfüllung derselben durch eine befriedigende Hypothese kann nicht die
-Rede sein.” In dezelfde geest p. 292, of p. 273: „Es gibt keine
-physiologische Hypothese, die die Entstehung und Bedeutung der
-zeitlichen Formen im Seelenleben erklären könnte, ja die auch nur
-irgendwie die Möglichkeit einer Erklärung anzudeuten vermöchte.” of p.
-303: „Solange die physiologische Gedächtnishypothese auf so schwachen
-Füssen steht, kann eine physiologische Hypothese des Urteilens bzw.
-Denkens kaum ernsthaft versucht werden.” Men moet de wetenschappelike
-nauwgezetheid bewonderen, die Becher in deze trant deed schrijven, naar
-de belofte van zijn „Vorwort”: „Diesen Stand der Forschung unter
-kritischer Zurückhaltung dem Leser zu verdeutlichen, den Eindruck der
-Klarheit, Sicherheit und Vollendung aber zu vermeiden, wo er der
-wissenschaftlichen Sachlage nicht entspricht, war überall mein
-Bestreben.” Wat volkomen gelukt mag heten.
-
-[230] In Becher’s Meinung „dass diese Welt ‚materieller’ Dinge-an-sich
-in der Tat in vieler (insbesondere formaler) Hinsicht mit der
-Vorstellung des Physikers von der physikalisch-chemischen Aussenwelt
-wesentlich übereinstimmt” proeven wij weer het echte
-verdubbelingsdogmatisme, welks weerlegging de taak was onzer kritiek.
-
-[231] „Les hommes médiocres veulent toujours avoir l’air de savoir
-mieux que vous ce que vous allez leur dire, quand ils prennent la
-parole à leur tour, ils vous répètent avec beaucoup de confiance, comme
-ci c’était de leur cru, ce qu’ils vous ont entendu dire à vous-même.”
-zegt Ossip-Lourié, Le Bonheur et l’Intelligence.
-
-[232] De hier opgenomen kenniskritiese beschouwingen en polemieken
-zullen, inzover ze het in de tekst betoogde vooronderstellen, voor een
-deel van mijn lezers wel pas achteraf tot hun recht en hun doel kunnen
-komen. Bij het slothoofdstuk kon soortgelijke stof in de noten zelf
-reeds gegeven worden.
-
-[233] Vgk. Herm. Cohen, Kants Theorie der Erfahrung², pp. 144, 72, 73,
-69, 197. „Zeker, wetenschappelijke overtuigingen zijn
-bewustzijnsverschijnselen evenals toorn, begeerte, of de gewaarwording
-van rood”: Prof. Kohnstamm, Psychologie en Logica, T. v. Wijsb. 1:4: p.
-399. (Over K.’s bezwaren tegen Heymans, m.i. reeds door de „Gesetze u.
-Elemente” en explicite door H.’s antwoord gerescontreerd en weerlegd,
-ev. nader). Een „waarheid” is een mogelik waar oordeel, gelijk een
-objekt een geheel van mogelike gewaarwordingsinhouden is. Terecht wijst
-Bolzano op Leibniz’: „propositio, cogitatio possibilis” (cf. Palagyi,
-Der Streit der Psychologisten und der Formalisten in der modernen
-Logik, p. 19).
-
-De „antinomie”, die Palagyi (o. c.) bij Bolzano meent te ontdekken,
-waar deze de waarheden-an-sich, door niemand gekend, tevens als
-waarheden-voor-God beschouwt, is makkelik op te lossen: zij berust op
-de hypostasering („God”) van het kennistheoreties subjekt van de
-waarheid.
-
-Onjuist Pal. zelf p. 28. Zijn behandeling blijft beneden het onderwerp.
-
-[234] Cf. Proleg. § 14, speciaal: „Mein Verstand... schreibt den Dingen
-selbst keine Regel vor; diese richten sich nicht nach meinem Verstande,
-sondern mein Verstand müsste sich nach ihnen richten” etc.
-
-[235] Zijn minder omzichtige collega, de bekende Dr. Huber, geeft in 3
-regels de „weerlegging” „der oberflächlichen Kritik Humes” van het
-causaliteitsbeginsel aldus: „Ist es ja im wahren Sinn ein analytisches
-Prinzip, principium per se notum, erkannt aus dem Begriffe der Wirkung
-[sic], welche notwendig die Abhängigkeit von einer Ursache
-einschliesst.”
-
-Als had een Hume het truism geloochend, dat een „gevolg”.... een
-„oorzaak” onderstelt! Van oppervlakkig gesproken....!
-
-[236] Ik mag er hier een Nederlands filosoferend rechtsgeleerde wel
-even op attent maken, dat hij corollaria vermoedelik met correlata
-contamineert tot de hem eigen.... corrolaria!
-
-[237] „Denn es ist sehr was Ungereimtes, von der Vernunft Aufklärung zu
-erwarten und ihr doch vorher vorzuschreiben, auf welche Seite sie
-nothwendig ausfallen müsse.” (K. d. r. V. p. 571).
-
-[238] „Schon der Satz Kants: ‚dass Verhältnissbegriffe doch schlechthin
-gegebene Dinge voraussetzen und ohne diese nicht möglich sind’, macht
-diesem Spiel mit Relationen ein Einde” zegt even scherp als juist
-Riehl, Kriticismus III, p. 150 tegen Laas.
-
-[239] Zo durft Jerusalem tans nog beweren: „die Wechselwirkung zwischen
-psychischen und physischen Vorgängen ist die erste und einzige Form der
-Causalität, die wir wirklich erleben”. „Würden wir diese Causalität
-nicht unmittelbar erleben, dann könnten wir in der Natur keine
-bemerken”. „Diese Wechselwirkung ist darum nicht minder begreiflich,
-weil sie mehr als begreiflich ist. Sie ist aber mehr als begreiflich,
-weil sie unmittelbar erlebt wird, und somit auch die Quelle alles
-Begreifens ist.” (Die Urteilsfunction, 1895, p. 260/2). Vgk. mijn
-Slothoofdstuk.
-
-J. leidt ook nog de negatie uit de ervaring af!
-
-[240] Ook Berkeley uit zich reeds in die geest. Hij acht zich te recht
-meer in overeenstemming met „Common Sense” dan de Lockianen, maar als
-hij the vulgar gelijk geeft in hun opinion: „that those things, which
-they immediately perceive are the real things” (p. 359) vergeet hij,
-wat hij elders (zie Dial. p. 295 ss.) zo duidelik uitéénzette, dat „the
-vulgar” hier dat „perceive” van „things” neemt in de dogmatiese zin van
-„image, copy, picture, representation”.
-
-Als hij dus, op de wijze van Ziehen c.s., zijn leer noemt: „this revolt
-from metaphysical notions, to the plain dictates of nature and common
-sense”, dan heeft hij gelijk, in zoverre „men” met de natuurdingen
-niets anders kan bedoelen dan mogelike gewaarwordingsinhouden
-(„ideas”), maar geenszins, voor zover „men” 1o. het subject over ’t
-hoofd ziet en derhalve hun „subjectiviteit” en 2o. ze beschouwt als
-oorzaken van reproductieve gewaarwordingen. Juist wijl dat „perceive”,
-of sensible things, voor Hylas afbeelding, reproductie, is van iets wat
-er al was, voor Philonous niet, verwijten zij elkaar over en weer
-„scepticism”, aantasting van de betrouwbaarheid der zintuigelike
-waarneming!
-
-[241] Reeds Philonous heeft tegen Hylas’ vraag: (p. 348. Dial. III.)
-„Explain to me now, o Philonous! how it is possible there should be
-room for all those trees and houses to exist in your mind. Can extended
-things be contained in that which is unextended? Or, are we to imagine
-impressions made on a thing void of all solidity?”... enz. zich aldus
-verweerd: „Look you, Hylas, when I speak of objects as existing in the
-mind, or imprinted on the senses, I would not be understood in the
-gross literal sense—as when bodies are said to exist in a place, or a
-seal to make an impression upon a wax. My meaning is only that the mind
-comprehends or perceives them; and that it is affected from without, or
-by some being distinct from itself.”
-
-Cf. ook Collier (o. c. p. 441), geciteerd op bl. 56 noot 2.
-
-[242] Dr. H. W. Ph. L. van den Bergh van Eysinga, Wijsgeerige Bladen I,
-Lichaam en Ziel, p. 51. In dezelfde geest Dr. J. D. Bierens de Haan,
-over Spinoza, Tweem. Tijdschr. 1897, p. 164 (een indrukkencomplex in de
-hersenen wordt tot beeld omgezet door bewustheid) en „De Weg tot het
-Inzicht” p. 119 („de omzetting van het hersenvoorval tot
-gewaarwording”). Het achterdeurtje door schrijver open gehouden op p.
-118: „Wanneer wij nu het argument [sc. „het fysisch argument” tegen het
-realisme] ontwikkelen, dan houden wij ons tijdelijk als realisten en
-nemen het onafhankelijk bestaan van een objectieve buitengeestelijke
-buitenwereld aan, en beschouwen de geheele toedracht gelijk dit in de
-natuurwetenschap gebruikelijk is”, laat helaas die „omzetting” niet
-door.
-
-[243] Over Lotze’s leesbare ruimte-tekens op die (helaas niet
-zichtbare) muur vergelijke men noot 2 bij bl. 165.
-
-[244] Summa Theologiae Ia Qu. 12 art. 2: „Non enim fit visio in actu,
-nisi per hoc quod res visa quodammodo est in vidente. Et in rebus
-quidem corporalibus apparet quod res visa non potest esse in vidente
-per suam essentiam, sed solum per suam similitudinem. Sicut similitudo
-lapidis est in oculo”.... (cf. art. 4 ad 3um; Qu. 56 art. 3; Opusculum
-49); De Anima II l. 24: „Sensus est susceptivus specierum sine materia,
-sicut caera recipit signum anuli sine ferro, et auro.”.... „omne enim
-patiens recipit aliquid ab agente secundum quod est agens.”....
-„Assimilatur enim caera aurea sigillo quantum ad imaginem, sed non in
-quantum est aurum aut aes.”.... „Et similiter sensus patitur a
-sensibili habente colorem, aut humorem, idest saporem, aut sonum.”....
-
-[245] Zo praat ook onze Haeckeliaan Domela Nieuwenhuis van „Het Monisme
-of de Eenheidsleer” als hij met materialisme bedoelt: „Wij moeten ons
-niet schamen materialist te heeten, alsof dit iets minderwaardigs is,
-al verkiezen wij met Häckel den naam van Monist.” (p. 32). Maar schamen
-moest gij u, dan toch te „verkiezen” zulk varen onder misleidende vlag,
-gij die op p. 15 zelf schrijft: „Wil men een nieuw woord: Monisme, mij
-goed, ofschoon ik het nut er niet van inzie en vrees dat het de
-verwarring vermeerdert, maar laat men eens en vooral duidelijk en klaar
-zeggen, dat het Monisme van Häckel, enz. en het Materialisme van
-anderen precies hetzelfde zijn en alleen verschillen in naam.”
-
-[246] Verklaring van deze letters z.o.z.
-
-[247] Van elk dezer 4 kan men bij de materialisten in doorsnee nog weer
-twee (of drie) nuancen onderscheiden, al naar de geest in aequatieve
-(a), consecutieve (b), attributieve, functionele (c), of begeleidende
-(d) verhouding gedacht wordt tot stof dan wel tot beweging (of tot
-„kracht”, „energie”). Maar onze kritiek gunne hier grootmoedig aan het
-materialisme de verwaarlozing dezer onderscheiding, waar zij het toch
-reeds met zoveel meer ... onderscheiding bejegent, dan het zich zelf
-waardig pleegt te keuren.
-
-[248] Of dit hersenproces door de physica van de materialist atomisties
-(als bij Boltzmann) dan wel energeties (als bij Ostwald) wordt opgevat,
-is voor de kennistheoretiese waardering van zijn materialisme qua
-materialisme natuurlik volmaakt onverschillig.
-
-Voor Dr. Snijders e.a. zou „de zuiver energetische physica” „eene brug
-kunnen slaan tusschen het stoffelijke en het bewust-psychische.” Die
-brug zou slechts een .... ezelsbrug kunnen zijn.
-
-[249] Deze zelfde § misduidt op de volgende bladzijden Wundt à la
-Ziehen, Mr. Levy, Haeckel, Carneri etc. aldus: „De apperceptieleer laat
-alzoo den bewusten wil of aandacht ingrijpen in het physiologisch
-gegeven verloop der materieele hersenprocessen, zonder zelf in zijn
-bestaan aan iets materieels gebonden te zijn. Alle pogingen toch om het
-apperceptievermogen te localiseeren in eenig bepaald deel van het
-centrale zenuwstelsel leden ten eenenmale schipbreuk.”
-
-Vooreerst grijpt de apperceptie, bij een zuiver parallelisties
-phaenomenalist als Wundt, nooit in enig physiologies, materieel proces
-in, maar uitsluitend in psychologiese processen, secundo is de „bewuste
-wil” enz. voor Wundt natuurlik precies zo in de hersenen
-„gelocaliseerd” als elk ander psychies proces en is dus evenmin als
-enig ander psychies proces „in zijn bestaan aan iets materieels
-gebonden”!—Een materialist of dualist doet wijs, van Wundt af te
-blijven. Vgk. noot 2 bij bl. 228.
-
-[250] Over ons Kantiaanse „transcendentaal” en dit soort misduiding tot
-het tegendeel schrijft daarjuist (1911) terecht Bruno Bauch in zijn
-„Immanuel Kant” (p. 42): „Es mag innerhalb des Gesamtbereichs der
-philosophischen Terminologie wenig Worte geben, deren begrifflicher
-Sinn, deren logische Bedeutung in so schwerer und verhängnisvoller
-Weise missverstanden worden wäre, wie der Sinn und die Bedeutung des
-Wortes ‚transzendental’. Dabei ist die Bedeutung des von ihm
-bezeichneten Begriffes so wichtig, dass, wenn er einmal missverstanden
-ist, auch das Verständnis der ganzen Vernunftkritik vereitelt ist.”
-Striemend is dan zijn spot van bl. 43 met dat vulgaire Missverständnis
-„im Sinne des Überschwenglichen”, „allem Irdischen Entrückten”,
-„metaphysischer, über alle Erfahrung hinausliegender geheimnisvoller
-Dinge”, dat in Duitsland doet gewagen van de „transzendentalen Akkorden
-Beethovens” of zelfs van de „transzendentalen Magie des Novalis”
-(vergelijk ook mijn noot bij bl. 45, hoe du Prel c.s. het
-transcendentale hanteren!), dat een Prof. Hermann in zijn Lehrbuch der
-Physiologie doet schrijven: „Durch einen höchst glücklichen Gedanken
-Charles Darwin’s ist diese Zweckmässigkeit ihres transcendentalen
-Charakters entkleidet und auf ein Gesetz zurückgeführt worden”, gelijk
-het ten onzent Dr. Kuyper in de 2de Kamer de dragers van rode (dus voor
-Dr. K. blauwe) idealen „transcendentale idealisten” doet noemen of Mr.
-Levy doet schrijven (Het Indeterminisme, p. 27): „Niet langer zal men
-deze leer [van „den Koningsberger”] transcendentaal heeten, nu, met
-streng natuurwetenschappelijke gegevens, zij [n.b.!] opgenomen,
-geverifieerd, en als grondwet eener nieuwe wereldbeschouwing,
-afgekondigd wordt.” (Deze heerlike zin kan eerst ten volle genoten
-worden, wanneer men er nog bij weet, dat die „nieuwe
-wereldbeschouwing”, waaraan Kant’s niet langer transcendentaal
-transcendentalisme deze nog wel natuurwetenschappelike glorificatie te
-danken heeft, is.... ik geef het u te raden.... Ostwald’s „Energetiek”,
-alias het energeties materialisme! Vgk. Opmm. 2, 46 en 9).
-
-[251] Van „vertooning” (Bolland) zullen wij maar in ’t geheel niet
-gewagen, laat staan van „schijnvertooning” (B.).
-
-[252] En van naief-empiristiese en -relativistiese petitiones en
-repetitiones principii.
-
-Staaltjes van denk-trant (b.v. uit de Kopfarbeit): „Mit dem Leibe
-können wir nur das Leibliche, mit dem Geiste nur das Geistige
-ergreifen. Also auch die Dinge besitzen Geist. Der Geist ist dinglich,
-und die Dinge sind geistig. Geist und Dinge sind nur in Relationen
-wirklich.” (p. 57). „Das Produkt, der Gedanke ist ein Kind, welches von
-der Hirnfunktion in Gemeinschaft mit irgend einem Objekt gezeugt ist.”
-(ib.). Op bl. 63: „das Ohr nimmt das Hörbare und unser Gehirn das
-Allgemeine, das ist das Wiss- oder Erkennbare, wahr.” Op de volgende
-bladzij: „Denken ist eine leibliche Arbeit.... Geist ist ein Produkt
-der Materie, die Materie jedoch ist mehr als ein Produkt des Geistes,
-sie kommt auch noch durch die fünf Sinne uns nahe, sie ist zugleich
-Produkt unserer Sinnestätigkeit. Nur solche Produkte, welche uns durch
-Sinn und Geist zugleich offenbart sind, nennen wir wirkliche, objektive
-Produkte, Dinge ‚ansich’.”—Nu nog p. 79: „Das Allgemeine ist die
-Wahrheit. Das Allgemeine ist das, was allgemein ist, das heisst Dasein,
-Sinnlichkeit.... Wahrheit und Irrtum sind wie.... alle Dinge der
-Welt.... nur dem Masse, dem Volumen oder Grade nach verschieden.
-Selbstverständlich sind doch alle Dinge der Welt weltlich”.... etc.
-etc.
-
-Dat is op en top Dietzgen, Dietzgen zoals hij reilt en zeilt. Hier hebt
-ge maat en peil van zijn kennisleer en zijn metaphysica!
-
-[253] Vgk. Berkeley, Dial. p. 282: „But the causes of our sensations
-are not things immediately perceived, and therefore not sensible” en
-Kant, K. d. r. V. p. 315: „Nun kann man zwar einräumen: dass von
-unseren äusseren Anschauungen etwas, was im transscendentalen Verstande
-[wil zeggen: niet in ruimtelike, maar kennistheor. zin: onafhankelik
-van ons bewustzijn, het niet-ik] ausser uns sein mag, die Ursache sei,
-aber dieses ist nicht der Gegenstand, den wir unter den Vorstellungen
-der Materie und körperlicher Dinge verstehen; denn” ... etc.
-
-[254] Natuurlik kan op muziek-aesthetiese problemen, als de vraag of de
-muziek àl (Schopenhauer, Liebmann) dan niet (Hanslick) μιμησις,
-„Darstellung”, is van gemoedsaandoeningen, hier niet worden ingegaan.
-
-[255] Zuiver daartegenover in zijn Naturphilosophie (Die Philosophie im
-Beginn des zwanzigsten Jahrhunderts, Festschrift für Kuno Fischer, door
-Windelband c.s., ² 1907) p. 139: „Bewusstseinserlebnisse sind nun
-einmal nicht irgendwo, können also auch nicht räumlich mit
-Gehirnprozessen zusammen sein.”
-
-Heel goed ook en lezenswaard zijn de dan volgende bladzijden over het
-physiese als „Repräsentant” en „Symbol” van het psychiese.
-„Gehirnvorgänge verhalten sich zum Bewusstsein wie die Notenzeichen zur
-Musik.” (141). Maar zeer bedenkelik is weer de wijze, waarop dan (154
-vv.) „die Anschauungsform des Raumes” beschouwd wordt als „eine
-Erscheinungsweise” en jammerlik onjuist de reeds Berkeleyaanse
-vereenzelviging van het superindividuele subjekt der waarheid,
-enerzijds met de rede als „gesetzgebendes Ich”, anderzijds met de
-transcendente werkelikheid, gedacht als Welt-Ich.
-
-[256] „Haeresis est maxima, opera maleficarum non credere”! Des te
-gelukkiger, dat de zegevierende ontkerkeliking het levend verbranden
-zowel van ketters als van heksen onmogelik heeft gemaakt en het smaden
-der „Aufklärung” tot onschuldige mode van ieder die z’n diepzinnigheid
-respecteert.
-
-[257] Bij de ouden (Aristoteles) was de ziel de vlinder (ψυχη), vgk.
-Dante, Purgatorio X: 124–126:
-
-
- Non v’accorgete voi, che noi siam vermi
- Nati a formar l’angelica farfalla,
- Che vola alla giustizia senza schermi?
-
-
-[258] Natuurlik geldt mijn oordeel, hier als elders, uitsluitend het
-wetenschappelik-wijsgerig peil en waarheidsgehalte, geenszins ev.
-aesthetiese of andere waarden.
-
-[259] Vergelijk dan ook, hoe aan het slot van „De Logica” in 1911 de
-idee zich „natuurlijkerwijze” in de natuur verkeert, aldus: „idee van
-wording” is... in het latijn verkeerd: „idea naturae”: eeuwig verkeert
-zich het „Logische in het Andere, eeuwig is het idee van wording, ‚idea
-naturae’. En zoo [!] is de zelfverkeering der Idee natuurlijkerwijze de
-Natuur” enz.
-
-[260] Volkomen analoog en even kras is de behandeling van Berkeley en
-deze zijn „inconsequentie” door Volkelt’s Erfahrung und Denken, p. 121
-ss.
-
-[261] „Die Nerven empfinden Muskelbewegung” zegt b.v. nog Prof.
-Bolland, uitg. Hegel’s Geschichte der Philosophie, p. 442, cf. p. 453,
-waar B. gewaagt van „der leiblichen Empfänglichkeit für unkörperliche
-Erlebnisse, welche sich unmittelbar am Nervensystem denken lassen”!
-
-[262] In deze zijn „Allgemeinverständliche Einführung in die
-philosophischen Probleme”, uitnemend geschikt om voor de wijsgerige
-problemen de ogen te openen en tot zelfstandig denken te prikkelen,
-levert P. Apel een gedegen verdediging van Thiele’s dualisme ten
-aanzien van substantieel Ik en Hersenreale, met religieus-monistiese
-ondergrond, „Urgrund”, van één „absolute Substanz” als „Welten-Ich”,
-een „Philosophie des Selbstbewusstseins”, diep-doordacht, maar helaas
-weer gebaseerd op een Kant niet bereikende in pl. van over hem
-„hinausgehende” kennisleer, een voorstellings- en denk-idealisme nl.,
-dat ten onrechte al ons oordelen tot een „Meinen”, bedoelen, van iets
-ànders maakt, op het transcendente laat slaan, doordat het evenzeer
-Kant’s tegenstelling tussen kennen en denken miskent, als subjekt en
-wezen van Kant’s transindividuele objektieve phaenomenaliteit, die door
-ons kennen èn bereikt èn bedoeld wordt—een kennisleer, die dan ook met
-haar „kategorie”-gebruik en haar „relatieve waarheid” even veel van
-Kant zich verwijdert als ze nadert tot Hegel.
-
-[263] Vgk. b.v. niemand minder dan de Leipziger Professor Johannes
-Volkelt, ten deze met Külpe verwant, over „den Unfug, den gewisse
-Richtungen mit den Empfindungs- und Wahrnehmungsmöglichkeiten treiben”
-(„Die Quellen der menschlichen Gewissheit” 1906 p. 51). Zijn verzet (p.
-56 ss.) berust uitsluitend op de miskenning van het onpersoonlik
-subjekt dier mogelikheden en deert slechts dat onzinnig
-misvattingsprodukt van een voorstellings-„idealisme” (p. 58). Juist
-Volkelt’s „kontinuierliche”, „gesetzmässig verknüpfte” „transsubjective
-Wesenheiten” der „einmaligen Sinnenwelt” (b.v. de zon), gelijk zijn
-„jenseits aller Wahrnehmbarkeit für Menschen” gelegen bewegingen, ja
-zelfs die nooit door „ein menschliches Auge” geziene „Gruppierungen und
-Umlagerungen von Atomen” zijn kenniskrities niets anders dan zulke
-„waarnemingsmogelikheden”, in plaats van „Dinge an sich” („Sonne ‚an
-sich’” zegt p. 49) louter immanente objekten, immers in het geheel
-hunner eigenschappen afhankelik van vooronderstelde mogelike
-waarneming, „mogelik” niet voor enig individu, maar voor het subjekt
-der natuur.
-
-Zo vormen niet „die Wahrnehmungsmöglichkeiten”, maar veeleer de
-weerleggingen van Volkelt c.s. „eine der gröbsten Selbsttäuschungen,
-die es je in der Philosophie gegeben hat.” (p. 60).
-
-Volkelt heeft echter anderzijds gelijk, p. 61: „Auch für den, der in
-den physikalisch-chemischen Gesetzen nur sinnbildliche Bezeichnungen
-für eine im letzten Grunde geistige Weltgesetzlichkeit erblickt,
-besteht die jetzt behandelte Seite des transsubjektiven Minimums
-[zeker, in transindividuele maar immanente zin!]. Nur wäre für ihn der
-Naturzusammenhang selbst wieder bloss eine Oberfläche [een lelik beeld
-voor het kennistheoreties begrip Phaenomeen], die auf ein
-metaphysisch-geistiges Geschehen hinwiese.”
-
-Onjuist dan ook p. 108: „Die Vorstellung z.B., dass das Seelische als
-ein rein Innerliches, Ausdehnungsloses sich räumlich äussern und
-verwirklichen soll, erscheint uns wie ein Widerspruch”, al is het maar
-„ein logisch erträglicher Widerspruch”. Vooreerst: het is evenmin een
-„Widerspruch”, dat iets onruimteliks eerst in verhouding tot het
-waarnemingsvermogen, i.c. de bewegingszin, ruimtelik wordt, als dat
-iets ongekleurds eerst aan de mogelike reactie van een kleurzin, waarop
-het inwerkt, zijn kleur te danken heeft, en secundo: de énige logisch
-erträgliche Widerspruch is deze, dat een „logisch erträglicher
-Widerspruch” een logisch unerträglicher Widerspruch is!
-
-[264] Dan was Berkeley consequenter: P. of H. K. s. 112: „I must
-confess it does not appear to me that there can be any motion other
-than relative; so that to conceive motion there must be at least
-conceived two bodies, whereof the distance or position in regard to
-each other is varied. Hence, if there was one only body in being it
-could not possibly be moved.”
-
-[265] Vergelijk de geleerde (de zetter make van de r geen n)
-citatennoot bij deze pagina over de chronologie van „a priori” vóór
-Kant, met het art. „a priori” van Eisler’s ontzaglik werk „Wörterbuch
-der philosophischen Begriffe”.
-
-[266] Ook Rickert’s objekt-realisme („Die Wirklichkeit wird
-Bewusstseinsinhalt genannt, sie bleibt aber nach wie vor die bekannte
-Welt, die aus körperlichen und geistigen Vorgängen besteht.”, vgk. ook
-opm. 54) definieert in § II van zijn Habilitationsschrift, gewijd aan
-het Problem der philosophischen Transcendenz: „Mein Bewusstsein und
-sein Inhalt ist also in diesem Falle das Subjekt, und Objekt ist Alles,
-was nicht mein Bewusstseinsinhalt oder mein Bewusstsein selbst ist. Wir
-werden diesen Gegensatz des Subjekts zum Objekt mit den Ausdrücken der
-immanenten und der transcendenten Welt bezeichnen, besonders das Objekt
-in diesem Sinne stets das transcendente Objekt nennen.”
-
-Dienovereenkomstig besluit dan § III: „Es ergiebt sich der ‚Satz der
-[?!] Phänomenalität’, wie Dilthey ihn genannt nat, wonach Alles, was
-für mich da ist, unter der allgemeinsten Bedingung steht, Thatsache
-meines Bewusstseins zu sein.”
-
-Met Kant’s tegenstelling immanent—transcendent en Kant’s Phänomenalität
-hebben deze van Rickert dus evenmin iets gemeen als zijn „Bewusstsein
-überhaupt”, dat denkt („oordeelt”) over „zijnde” werkelikheid (en dat
-dus vooronderstelde individuele subjekten en ruimtedingen tot
-„immanente Objekte” maakt!) met Kant’s „Bewusstsein überhaupt”, dat
-„phaenomenale” werkelikheid (de immanente objektwereld) stelt en
-„kent”. Vgk. opm. 54.
-
-[267] Voor Busse, Philosophie und Erkenntnistheorie, p. 258, wordt deze
-„Binsenwahrheit” zelfs de enige inhoud, die hij aan „die Kritische
-Erkenntnistheorie” zou kunnen toestaan, waarvan hij dan ook terecht
-belijdt: „Ich weiss in der That mit ihr nichts anzufangen.” Zo
-verklaart hij op p. 154: „Synthetische Urtheile a priori sind, weil in
-sich widerspruchsvoll, unmöglich.” Natuurlik, wanneer men onder a
-priori verstaat... „denknotwendig”, dus... analytisch!—Even kategories
-als p. 149 de synth. oordelen a priori verloochent, even kategories
-bevestigt p. 189: „die Zeit aber ist unendlich und hört nie auf”, ja
-zelfs: „Die Endlosigkeit der Zeit schliesst die Möglichkeit eines
-Aufhören des Seins und Eintreten des Nichts ebenso aus, als sie die
-Möglichkeit eines Anfangs des Seins und Aufhören des Nichts
-ausschloss.” De fijne sofismen, waarmee deze bladzijden (187 vv.) op de
-wijze der scholastiek het causaliteitsbeginsel analyties pogen te
-bewijzen, moge de lezer zelf savoureren, na mijn behandeling van Prof.
-Beysens ter zake (in opm. 6).
-
-[268] Vgk. Kategorienlehre p. 135: „Nach der
-transcendental-idealistischen Ansicht ist aber die intellektuelle [!]
-Zuthat [!] der räumlichen Ausbreitung eine solche, durch die das Bild
-[!] der transcendenten Realität bloss noch mehr entstellt und
-verfälscht, also der Erkenntnisdrang irre geleitet und gefoppt
-wird”.... Zie over dit dogmaties begrip „falsch”, nog bij Prof. Bolland
-e.a. (ook Busse b.v., Philosophie und Erkenntnistheorie I p. 27, of
-Prof. Kohler met zijn realisties dilemma: „in gleicher Weise auch” dan
-wel „Trug” en „Fälschung”, in zijn „Moderne Rechtsprobleme” I § 2), bl.
-144 tekst.
-
-[269] De lezer vergelijke tans omtrent al de hier behandelde punten
-zelf Hartmann’s Kategorienlehre, t.a.v. de ruimte pp. 107–172, ten deze
-b.v. p. 129, waar de twee „formell ähnliche [?], aber inhaltlich
-heterogene Anschauungen” van gezichts- en tastzin „beide als das
-formell ähnliche Abbild eines und desselben räumlichen Dinges an sich
-gelten”! Vgk. mijn tekst, bl. 57.
-
-[270] Nooit is Hartmann uit de droom geholpen t.a.v. het
-transcendentaal idealisme. Eén staaltje uit zijn Kategorienlehre (pp.
-88–90): „Der transcendentale Idealist weiss wohl, dass seine
-Vorstellungen [!] von seiner Frau und seinen Kindern in seinem
-Bewusstsein in einer bestimmten Succession (erste Bekanntschaft,
-Hochzeit, Reihe der Entbindungen) aufgetaucht sind; dass aber zwischen
-seinem Bewusstseinsinhalt und dem seiner Frau und seiner Kinder irgend
-welches zeitliches Verhältnis von Simultaneïtät und Succession bestehe,
-muss er als eine allerdings unausweichliche illusion [!] bezeichnen....
-Es ist nicht abzusehen, was es unter dieser Voraussetzung für einen
-Wert und für eine Bedeutung hat, dass die zeitliche und sachliche
-Uebereinstimmung aufrecht erhalten wird. Für das Einzelbewusstsein, das
-von seiner Frau und seinen Kindern doch nur träumend durch magische
-Inspiration [!] etwas erfährt, ist es ja ganz gleichgültig, ob diese
-gleichzeitig mit ihm die entsprechenden Lebensläufe träumen, oder ob
-sie sie vor hundert Millionen Lichtjahren [een duistere lengte.... van
-tijd!] geträumt haben oder nach solchen träumen werden.”
-
-Ter zake vergelijke men mijn antwoord aan Prof. Bolland, gegeven in de
-tekst bl. 140. Het tijdprobleem kan hier evenwel slechts terloops en in
-beginsel besproken worden, vgk. noot 1 bij bl. 21.
-
-[271] Van Prof. Bolland schijnt niets te min om ten onzent school te
-kunnen maken: in de Gids van Aug. 1911 zie ik daar zowaar Dr. Julius de
-Boer datzelfde zinnetje van Heymans misbruiken tot... illustratie van
-een materialisties „Wij zullen weten” (van Nägeli), die bekende
-dogmatiese overtroeving van het reeds materialisties „Ignorabimus”!
-
-Men kan Dr. Julius de Boer niets beters gunnen, dan dat hij nog eens
-zelf tot het besef moge komen, welk een onnozel mal à propos hij begaan
-heeft met dat simpele Heymans-nootje, zo ad hominem als ad rem!
-
-Laat mij toch Prof. Bolland en zijn trawanten een nog veel krasser,
-bruikbaarder zinnetje van Heymans om op te azen aanbieden: „Gelijk
-herleiding van alle denkovergangen tot logische processen een postulaat
-is van de theorie van het denken, zoo is herleiding van alle
-natuurverschijnselen tot mechanische processen een postulaat der
-natuurwetenschap.” (Causaliteitsbegrip, p. 130) met de overeenkomstige
-door Heymans overgenomen uitspraak van een physicus als Rumford: „pour
-qu’une hypothèse en physique soit admissible, il faut qu’elle soit
-fondée sur la supposition d’une opération mécanique concevable”.
-Habetis reum confitentem! Niet alleen „in hooge mate waarschijnlijk”
-maar zelfs „postulaat”! Natuurlik geeft Heymans van dat postulaat als
-van elk ander de rechtvaardiging, d.w.z. de kennistheoretiese gronden
-waarop het berust, met alle vereiste hem eigen exaktheid.
-
-[272] Cf. Kant, die „in der reinen Vernunft selbst forschte, und in
-dieser Quelle selbst die Elemente sowohl, als auch die Gesetze ihres
-reinen Gebrauchs nach Prinzipien zu bestimmen suchte.” (Proleg. § 4).
-
-[273] Het is in dubbele zin waar: „een ‚Einführung in die Metaphysik’
-zal door geen Hegeling geschreven worden.” (Coll. Log. p. 549).
-
-[274] De vraag van Dr. B. d. H. doet denken aan de volkomen analoge
-vraag van A. Fouillée in zijn Introduction (Théorie expérimentale et
-théorie Kantienne) op Guyau’s Genèse de l’idée de Temps, waarin Kant’s
-tijdsleer, altans wat Fouillée daarvoor aanziet, weerlegd wordt, p.
-XXI: „Mais où est donc ce seul objet dont nous aurions l’intuition et
-qui serait le temps?” Volgens F. houdt nl. Kant de tijd voor een...
-„objet transcendental” (p. XXIV)!
-
-[275] Zijn materie-realisme maakt in § 11, Probleme des Strafrechts,
-van het Empfindungsleben „etwas, was auf physiologischer Basis ruht” en
-dan „wieder Bewegungsvorgänge erzeugen” kan. Ook brengt hem „die
-Erforschung dieser Empfindungstätigkeiten zur Annahme freier
-Willensentschliessungen”. Maar daarover elders.
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KENNISLEER CONTRA
-MATERIE-REALISME ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.