summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/67307-0.txt8997
-rw-r--r--old/67307-0.zipbin154103 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h.zipbin553541 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/67307-h.htm8847
-rw-r--r--old/67307-h/images/bottom1.pngbin1088 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/bottom2.pngbin1527 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/bottom3.pngbin2031 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/bottom4.pngbin3140 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/bottom5.pngbin2829 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/bottom6.pngbin3938 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/bottom7.pngbin4858 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/bottom8.pngbin5361 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/new-cover.jpgbin164769 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/titlepage.pngbin15891 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/top1.pngbin29965 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/top2.pngbin51334 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/top3.pngbin30228 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/top4.pngbin33292 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67307-h/images/top5.pngbin28866 -> 0 bytes
22 files changed, 17 insertions, 17844 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..a273fa6
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #67307 (https://www.gutenberg.org/ebooks/67307)
diff --git a/old/67307-0.txt b/old/67307-0.txt
deleted file mode 100644
index 8543137..0000000
--- a/old/67307-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,8997 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Aboe Bakar, by Paulus Adrianus Daum
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Aboe Bakar
- Indische Roman
-
-Author: Paulus Adrianus Daum
-
-Release Date: February 3, 2022 [eBook #67307]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net (This book was produced from
- scanned images of public domain material from the Google
- Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ABOE BAKAR ***
-
-
-
-
-
- ABOE BAKAR
- INDISCHE ROMAN
-
- DOOR
- MAURITS
-
- BATAVIA ’S-GRAVENHAGE
- G. KOLFF & Co. LOMAN & FUNKE
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- EERSTE DEEL
-
- Hoofdstuk. Bladz.
-
- I. Kennismaking met een onaangenaam mensch 1
- II. Een jaloersch heer 10
- III. Een treurig voorval 20
- IV. Niet zonder reden jaloersch 31
- V. De in ongenade gevallen president 39
- VI. Het vierde kind 45
- VII. Adam wordt een knappe jongen 52
- VIII. De knaap vertrekt naar Batavia 61
- IX. Laaghartige wraakzucht 70
- X. Teleurgestelde verwachtingen 80
- XI. Onaangename brieven uit Holland 91
- XII. Een mislukt jongmensch 103
- XIII. Een voorzichtige moeder 113
- XIV. Een onaangename verrassing 122
- XV. Een declaratie in optima forma 132
- XVI. Aan boord van een mailstoomer 143
- XVII. In Indië terug, maar.... aan een sterfbed 152
- XVIII. Het gevonden portret 164
- XIX. Een nieuwe vlam 174
- XX. Onterfd 182
- XXI. Vergeefsche moeite 192
- XXII. Adam is ontevreden 201
- XXIII. Moederliefde 210
-
-
- TWEEDE DEEL
-
- I. Vervlogen hoop en een nieuwe verbintenis 1
- II. Ik wil niet gelijk gesteld worden 9
- III. Het Europeesch vernis verdwijnt 20
- IV. Opnieuw verloofd en getrouwd 28
- V. Onaangename ontmoeting en wroeging 36
- VI. Aboe Bakars teleurstelling 44
- VII. Een beschaafd Mohammedaan 53
- VIII. Ongelukkige familieberichten 63
- IX. Schoonmoeder en schoondochter 73
- X. Een trouweloos Mohammedaan 82
- XI. Hoe zal ik sterk zijn? 91
- XII. Zonderlinge ontmoeting 98
- XIII. Aboe Bakar kiest zich een tweede vrouw 107
- XIV. Geldelijke verwikkelingen 115
- XV. Men kan geen priester en koopman zijn 124
- XVI. Een listig mensch 131
- XVII. Wacht u voor zulke vrienden 137
- XVIII. Toenadering tusschen de vrouwen 147
- XIX. Minah op een verboden weg 156
- XX. Aboe Bakars ondergang voorbereid 166
- XXI. Een dubbel offer gebracht 174
- XXII. Dailah ontdekt het gevaar 186
- XXIII. „Ze hebben hem vermoord.” 196
- XXIV. Besluit 210
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE DEEL.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-KENNISMAKING MET EEN ONAANGENAAM MENSCH.
-
-
-Het parelgrijs van den jongen dag bij zwaar bedekte lucht, gaf het
-Indisch landschap een westersche tint. Er ontbrak iets aan: de groote,
-gloeiende vuurbol wierp er zijn heete gouden lichtbundels niet over;
-hulde niet alles in het zware oostersche geel, met omhoog het
-scherp-blauw gewelf, beneden de hevige luchttrillingen boven den bodem.
-Nu lag alles in een heiïgen toon als in Zondagsrust.
-
-Ver over de alluviale vlakte gingen de weidegronden, door leidingen
-gedeeld in breede strooken; bont en lakenveldsch vee in afwisselend
-grillig robe-dessin, wierp grazend de koppen naar rechts en links,
-zoekend de fijne beetjes in den groenen voêrbodem; en had niet hier en
-daar een groepje palmen de kronen van groote bladerrissen hoog
-opgestoken boven de dunne gladde basten,—men had zich kunnen verbeelden
-een stukje Holland te zien.
-
-In de lekkere stille koelte kwam maar heel even de zeewind over, met
-kleine beweginkjes in de bladeren, een ideetje van fluisterend geluid
-door den grooten bloementuin; niet eens sterk genoeg om er de
-overstaande rozen te ontblaren.
-
-Behoedzaam liep John Silver tusschen de struiken door, op het gelaat
-den grooten ernst van heel gewone menschen bij geringe bezigheden; dat
-was zijn liefhebberij, zijn eenige; dit vroegere stuk weide had hij
-herschapen in zoo’n mooien grooten hof; de oppervlakkig waarneembare
-geschiedenis van elke plant kende hij; zijn lust in bloemkweeken had
-hem tot leeren aangespoord, en zijn dagelijksche zorg had hem het
-egoïstisch individueel „verstand” ervan doen krijgen, niet vatbaar voor
-overdracht.
-
-Hij keek, toen hij klaar was, nog eens om, als voor een generale
-inspectie; van de houten trap zijner ruime paalwoning over de groote
-variëteit van kleurvlekjes, in het à jour groen langs de paggers en in
-de perken. En zijn bruine kop knikte goedkeurend, de blauwige lippen
-wegtrekkend in een breeden tevreden glimlach, toonend twee rijen mooie
-sterke manstanden.
-
-Er was gedekt binnen met grof, groezelig tafelgoed, een gebarsten bord
-van aardewerk en tinnen tafelgerei. Een pisangblad, dichtgespeld met
-een lidi, lag in het midden. John nam het, liet zich neer op een laag
-kinderstoeltje en at, ’t geopend blad op de scherp opstekende
-beenknieën, de rijst eruit met de vingers, die stijf in de massa gingen
-en het dus uitgewigde langs in den mond werkten; zóó dejeuneerde hij
-lekker met een glas schoon water erbij; een strootje als
-after-breakfast sigaar.
-
-Dan slofte hij langzaam door een gangetje tusschen de zijkamer naar
-voren, waar hij ver over ’t vlakke strand uitkeek in de groote Indische
-zee, die, door duizenden eilandjes gebroken, in korten golfslag
-aanbolde met bij oostersche langzaamheid onharmonische drift. John
-greep een kijker, die aan een touwtje hing boven de balustrade en
-loerde in de verte of hij ook een schip zag, gelijk hij wel twintigmaal
-op ’n dag deed, na het tuinonderhoud, zijn belangrijkste bezigheid. Er
-was niets te zien dien ochtend; inlandsch getuigd klein goed
-balanceerde gemoedelijk op het water, binnenvallend na slechte
-vischvangst door de wolkenlucht. Geen rookzuiltje van een stoomer,
-nergens het zeilentuig van een ranken klipper; zelfs geen schoenertje
-onder den wal; alles „flauwe kul” dien ochtend, dacht hij.
-
-Een span batakkertjes vloog voorbij; een hand met ’n zakdoek en een
-andere wuifden op onder het rijden, en Silver handzwaaide en boog met
-groot vertoon van vriendelijkheid terug. Maar toen ze uit ’t gezicht
-waren, schudde hij er het hoofd over. Zoo’n gekke vent! Was hij niet
-een njo, net als hij zelf?
-
-De omstandigheden van dien Verlande waren heel erg gelijk aan de zijne!
-Allebei hadden ze fortuin, in huizen, in perken op de eilanden en in
-goede papieren; allebei konden ze het stellen buiten den arbeid, geld
-overhoudend bij hun geringe behoeften.
-
-Daar had nu die malle vent, die Verlande, een pur-sang vrouwtje
-getrouwd en .... uit was het met zijn goede leven; nu moest hij gekleed
-en wel met haar toeren, met haar visites maken en de lieden
-recepieeren. En dan de soesah in huis, met die Hollandsche wrijf- en
-poets-dames, die geen bedienden kunnen houden, zich dood ergeren aan
-vlekjes en stofjes, en altijd aan klimaat-ziektetjes sukkelen. Wat ’n
-leven! Verbeel je dat hij ....
-
-John Silver moest erom lachen. Neen, zoo „stom” was hij waarachtig niet
-en zou hij ook nooit worden!
-
-Hij hield zich maar aan zijn gewone njai; zij had al drie kinderen met
-hem en dreigde met het vierde.
-
-Soedah, wat kon ’t hem schelen! Hij had er geen last van; ze leefden in
-de bijgebouwen bij hun moeder; ze kostten haast niks; veel minder dan
-hun moeder door een stillen handel in batiks en diamanten verdiende; ze
-stonden op zijn naam en hij zond ze naar de gouvernementsschool. Habis
-perkara! Voor de rest geen bemoeienis. Als het meisje niets leerde dan
-kwee-kwee maken, zou ze toch wel trouwen want ze was knap en ze had
-geld; als de jongens dom bleven, dan maar het land op.
-
-En zoo’n Verlande nu, met een Hollandsche vrouw, de opvoeding later van
-die totok kinderen, die natuurlijk allemaal in Holland moesten
-studeeren om geleerden te worden .... Nu die zou er pleizier van
-hebben!
-
-Plotseling trok zijn gezicht, uit de plooien van vroolijke
-zelfgenoegzaamheid glad, met een uitdrukking van groote verbazing de
-wenkbrauwen op. Wat zag hij daar? Bukkend doorgaand onder het atappen
-overdek der gangetjes langs de bijgebouwen, kwam rechtop in het licht,
-vlak vóór hem de groote figuur van een arabier, den kleurigen tulband
-’n beetje scheef op den mooien van gitzwart krulhaar ombaarden kop;
-helder wit fladderde zijn lang onderkleed, tusschen de opening van zijn
-ruischend gewaad van hemelsblauwe zijde; onderdanig groetend, maar
-rustig, in groote gemak-stappen, ging hij heen, over de grind met het
-dof geglinster van de verlakte lage schoenen om zijn bloote bruine
-voeten.
-
-Maar Silver had niet teruggegroet; het lichtte rood op in zijn
-diepliggende zwarte oogen. Zoo’n gladakker! zoo’n brutale hadramautsche
-smeerlap! En dat terwijl hij, honderdmaal was maar eens, zijn
-huishoudster had gezegd, dat er nooit of nimmer een arabier op zijn erf
-of in zijn huis mocht komen! Met driftige stappen, het hoofd gebogen
-over de weinig ontwikkelde ingevallen borstkast, liep hij naar omlaag,
-in zijn haast met zijn gezicht tegen een lijntje, wat hem boozer
-maakte, en hij stoof de kamer in van zijn njai, juist, de armen omhoog,
-bezig te verwisselen van baadje.
-
-Ook dàt stemde hem niet beter; hij vloekte en schold en dreigde, razend
-van opgewondenheid, al maar herhalend, dat hij „het” niet hebben wilde;
-zij zweeg, en toen hij uitgeraasd had, wees ze naar een doos op de
-tafel. „Ik kan geen zaken doen en geen geld verdienen, als ik met de
-menschen niet praten mag.”
-
-Hij had de doos wel gezien, en door al zijn schelden heen, was hij er
-nieuwsgierig naar geweest. Nu nam hij haar op en haalde er de dikke
-opgerolde lapjes uit, waarin diamanten haarspelden geprikt zaten; hij
-ging bij het open venstertje staan en liet het invallend licht door de
-steenen spelen, scherp oplettend, het hoofd ook mee bewegend bij het
-bespieden van straalbreking en kleurwisseling.
-
-„Prullen zijn het, die de smeerlap brengt. Dáár, dáár!” riep hij luid,
-smadelijk haar de steenen vlak voor het gezicht houdend, en aanwijzend
-met de knokkelvingers, „die heeft een vlek; die ook; dat is een erge
-gele; dat ook! en ik geloof waarachtig dat er foelie achter zit.
-Prullen, anders niet!”
-
-Met groot vertoon van geringschatting, wierp hij de steenen terug in de
-doos.
-
-„Dàt zeg ik je: als ik den smeerlap ooit weer zie op mijn erf, hem of
-een zijner vuile Arabische kontjo’s, jaag ik ze een schot ganzenhagel
-in hun bast. Ik zal m’n geweer naast m’n stoel zetten in de galerij; ik
-schiet ze dood. Ziedaar!”
-
-En onder die bedreiging had hij, grimmig, haar herhaaldelijk geslagen
-op de dikke schouders en armen; tot ze ook woedend adoe! had geroepen,
-minder als een klagelijken uitroep van pijn, dan alsof ze ermeê
-terugschold.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-EEN JALOERSCH HEER.
-
-
-’t Had Silver heelemaal zenuwachtig gemaakt; hij greep, boven, ’n volle
-gendie, schonk zich ’n groot glas water en dronk het achtereen uit;
-maar kwaad bleef hij; zachtjes door razend, in woeste jaloerschheid;
-telkens eraan denkend, dat ze van baadje had verwisseld; zich opnieuw
-opwindend als hij begon te bedaren.
-
-Eindelijk wilde hij weer standjes gaan maken en slofte driftig de trap
-af, maar een inlander, buigend, de rechterhand steunend met de linker,
-gaf hem een brief. Dat leidde hem af. Het was „van wege” de societeit,
-zijn grootsten trots. Men had hem tot president „gebombardeerd,” zooals
-de jongelui zeiden.
-
-Hij was op de plaats gevestigd; hij had geld en niets te doen,—zoo’n
-man moet „maar” president van het kleine clubje zijn, dat eens in de
-week, Zaterdagsavonds, in ’t gebouwtje met steenen buitenmuur en
-bamboezen binnenwanden, de societeit Belvedère, bijeenkwam. Dáárom
-hadden zij het hem gemaakt.
-
-John Silver zette zijn gouden bril op en ging met presidiale
-waardigheid aan zijn schrijftafel zitten. Er was een „voorstel”
-ingekomen, natuurlijk voor een pretje, andere voorstellen kwamen er
-nooit in, en de secretaris, die den brief geschreven had, meende dat
-over dit voorstel moest vergaderd worden; hij was het eens daarmee,
-geheel eens, en hij zette zich aan het pennen van het antwoord, ernstig
-met een business-gezicht; en hij snauwde een bediende af, die hem iets
-kwam vragen, met een: „Zie je niet, dat ik zit te werken?”
-
-Daar men reeds dienzelfden avond een prealabele bestuursvergadering zou
-houden, hield hem dat ’t verdere van den dag bezig; maar hij vergat den
-schilderachtigen arabier niet, den „stinkert” zooals hij zei; den
-„woestijnschurk,” den hadramautschen roover, en hij bleef ongenaakbaar,
-de honden schoppend, die jankend naar buiten vlogen, schreeuwend tegen
-de kinderen en bedienden, in groot bangmakerig vertoon met zijn geladen
-geweer, dat, als hij het hard neerzette op den houten vloer der
-paalwoning, ondanks de fijne matbedekking een daverend geweld
-veroorzaakte.
-
-’s Avonds voor hij heenging, haalde hij er zijn njai nog eens bij, en
-hield een quasi-gemoedelijke speech in het Maleisch; zij zag daar nu
-het geweer staan, en hij zwoer bij God en bij de graven zijner ouders,
-dat hij elken arabier, die ooit of immer op zijn erf mocht komen, zou
-neerschieten als een hond en den kerel van dien ochtend,—ja, als hij
-dien onder schot kreeg ...! Haar kalm gezicht van rustige, welgedane
-inlandsche trouw, vertrok er geen spier bij.
-
-„Ik zou het geweer maar in de kamer zetten,” zei ze. „Er zou nog
-ongeluk van kunnen komen.”
-
-Eigenlijk vond hij dat ook; hij voelde zich niet zoo veilig tegenover
-een geweer, als hij deed voorkomen. Uit zijn verhalen wist ieder die
-hem kende, dat hij een Nimrod was. Zoodra het jagen ter sprake kwam,
-raakte hij in extase; dan vertelde hij van jachten op tijgers,
-bantengs, rhinocerossen en wilde varkens; van ongelooflijke
-hoeveelheden snippen en wilde duiven, gevallen door zijn moordend lood.
-En men geloofde het wel niet, zooals hij het zat op te snijden, maar
-hield hem toch voor een jager. Nu, dat was hij in ’t geheel niet. Zijn
-eerste stuk wild moest hij nog schieten. Zijn geweren waren goed
-onderhouden en een enkele maal schoot hij ze door voor het onderhoud,
-eigenlijk blij, als dat was afgeloopen; hij hield er niet van.
-
-Maar nu zou hij, omdat zij zoo bang was en omdat zij het verzocht, voor
-ditmaal het geweer terugzetten in het rek; doch indien ooit van z’n
-leven.... en nogmaals volgde de geheele serie scheldwoorden tegen
-arabieren en de vreeselijke bedreigingen, die hij casu quo ten uitvoer
-zou brengen. Zij zou, meende hij, nu wel bang genoeg wezen.
-
-De waarheid was, dat zij hem uitlachte in haar hart, wetende welk een
-druktemaker hij was, en hoe bitter weinig er stak achter zijn praatjes;
-maar zij was wel zoo slim het door niets te laten merken, en zij ging
-zwijgend, stilletjes weg, terug naar haar gewoon dagverblijf in de
-bijgebouwen, hem in den waan latend, dat hij door zijn demonstratie met
-het geweer grooten indruk had gemaakt.
-
-In de bestuursvergadering van de societeit hield hij zijn waardigheid
-hoog op; hij sprak er met bombastische boekenwoorden en termen uit
-ambtsbrieven, over de geringste dingen, wenkbrauwfronsend achter den
-gouden bril, afgepast in zijn bewegingen, een dikke gouden
-horlogeketting bungelend op een wit piqué vest; vreeselijk royaal, maar
-altijd even deftig, in het volle gevoel van zijn presidiale positie;
-hij vroeg dadelijk aan „de heeren” hem het genoegen te doen „iets te
-gebruiken.” En oplettend sloeg hij onder het vergaderen de vorderingen
-der heeren gade in het rooken en drinken, altijd op het juiste moment
-bij de hand met zijn sigarenkoker en de gebruikspropositie.
-
-Het liep dien avond alweêr af naar wensch; over het ingekomen
-„voorstel” werd veel gepraat, tot men het na „ampele discussie” eens
-werd over het pretje. Men zat nog een uurtje rustig bijeen in de
-achtergalerij, aan een zwarte ronde tafel met een ijzeren rand eronder,
-voor het opzetten van de voeten; en boven, aan een lat van de
-dakbedekking, een slechte petroleumlamp met dunne roodachtige vlam.
-
-Daarbuiten over de groote zee lag alles in het zachte glimlicht der
-maan, zoo mooi weerspiegeld bij het zacht bewegen van het water. Maar
-de menschen gaven er de voorkeur aan in huis te zitten bij leelijk
-lamplicht.
-
-„Wat heb je toch kranige kerels onder die arabieren,” zei, onder het
-napraten, een jong officier, ook ’n bestuurslid.
-
-Het gezicht van John Silver betrok; de opmerking, dat zag hij, was
-rechtstreeks tot hem gericht, en hij zei: „Ja,” niet voornemens verder
-iets te zeggen.
-
-„Ik zag er van morgen één bij u het erf afkomen,” ging de luitenant
-voort, „’n mooie kerel, een kranig type. Jongens, ’n bataljon van zulke
-kerels, dat moet ’n gezicht wezen.”
-
-„Hij had zaken met me gedaan,” zei Silver haastig. „Zulke kerels komen
-nooit in mijn huis of zij moeten zaken hebben met mij persoonlijk. Het
-is gemeen volk.”
-
-„Och, waarom zouden ze gemeener zijn, door de bank, dan ander volk?”
-
-„’t Zijn bedriegers en oplichters.”
-
-„En dan,” viel de postcommies in, „zijn ze gevaarlijk bij inlandsche
-vrouwen; met hun praatjes en hun mooie kleêren en hun gescharrel in
-preciosa, hebben ze al menigeen ’n koopje gegeven. Neen, ik ben het met
-mijnheer Silver heelemaal eens.”
-
-Maar de luitenant was een aanhouder.
-
-„’t Is beroerd voor wien het treft; maar de inlandsche vrouwen kan ik
-waarachtig geen ongelijk geven.”
-
-Silver en de postcommies, beiden indo’s, zwegen daarop; het was een
-gedachtengang, waarin ze niet treden konden; beiden hadden belangen te
-verdedigen, waarbij van onpartijdigheid of objectiviteit geen sprake
-kon zijn; het ontbrak er nog maar aan, dat zij die smerige kerels
-gingen voorspreken, hun gedrag vergoelijken; de njai’s, die hun
-meesters bedrogen, rechtvaardigen;—zij zwegen in stille
-verontwaardiging over zooveel onzin.
-
-Inwendig was Silver woedend. „Kom,” zei hij, zijn cognacje leeg
-nippend, „het is alweer tijd.”
-
-De anderen vonden dat niet; zij beproefden hem te „lijmen,” maar het
-ging niet; hij voelde zich, zei hij, niet erg „lekker,” en met zijn
-sluippasjes scharrelde hij den strandweg op naar huis, geplaagd
-onderweg, door het denken aan dien Arabier, die hem nu weer even erg
-als ’s ochtends door het hoofd maalde.
-
-Vlak bij zijn huis kreeg hij een schok van schrik; het scheen hem, dat
-hij een groote, in de schaduw wegsluipende gedaante had gezien.
-Spiedend stond hij een oogenblik stil, deed zijn schoenen uit, nam ze
-in de hand en ging toen zachtjes, op de teenen loopend naar boven;
-zonder geluid kwam hij het huis en z’n slaapkamer binnen, greep met
-bevende hand het geladen geweer en ging ermee naar buiten.
-
-Zijn njai, die op een baleh-baleh lag te slapen, was even wakker
-geworden; zij zag hem in het maanschijnsel de kamer uitgaan, het geweer
-in de hand. Met een ruk keerde zij zich op haar andere zijde; in een
-geeuwtje als ’n zucht, zei ze zacht: orang gila, en sliep weer rustig
-in.
-
-Wezenlijk spookte het John Silver allervreemdst in het hoofd; zijn
-woest jaloersche aard, het fantastisch licht der omgeving, op een uur
-dat hem anders reeds lang slapend vond; de cognacjes, die hij
-„welstaanshalve” had gedronken, maar waartegen zijn teatotalers gestel
-in ’t geheel niet kon, dàt, en een ongeregelde verbeelding, nimmer
-ingetoomd door opvoeding en onderricht, speelden hem parten. Met het
-geweer in de hand ging hij voorzichtig en stil naar beneden,
-rondsluipend, loerend, telkens aanleggend en op het punt te vuren, als
-hij meende iets te zien in de slagschaduwen der overstekende daken.
-Maar telkens was het niets of iets heel gewoons, dat voor ’n moment
-schaamte over hem komen deed.
-
-Tot hij weer naar boven sloop om over de balustrade van de voorgalerij
-te loeren naar het niets, dat, als een realiteit in zijn hoofd gevaren,
-voor hem gelijk iets was; maar de terugwerking kwam; zijn hoofd zonk op
-den breeden houten rand, en hij sliep in, het geladen geweer tegen de
-stoelleuning.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-EEN TREURIG VOORVAL.
-
-
-Huiverend werd hij wakker; de sterke uitstraling van den drogen bodem
-had de temperatuur doen dalen, en als indo beter kunnend tegen warmte,
-dan tegen ook slechts betrekkelijke kou, ging hij slaapdronken en zich
-schurkend in zijn kleeren naar bed en sliep er behagelijk den
-achterstand bij, van een half doorwaakten nacht.
-
-Die was nog niet geheel voorbij, toen er al beweging kwam in huis. De
-huishoudster, die den algemeenen bijnaam had op het plaatsje van njai
-Peraq, stond als elke inlandsche vrouw, vroeg op; de kinderen dwaalden
-dan al lang door het huis en op het erf rond, in het duister nog,
-badend aan den put, of sufferig ergens neerzittend, kijkend den
-aanlichtenden dag tegemoet.
-
-Ditmaal had een hunner een merkwaardige ontdekking gedaan, en met hun
-drieën liepen ze zachtjes, om hun vader niet te storen, naar voren en
-gingen om het jachtgeweer staan, vol bewondering elkaar lachend
-aankijkend en toefluisterend nu en dan, de oogen vol van een tot
-beweging sporenden jool, die hen dan eens deed inzinken op de hurken,
-dan met een sprongetje omhoog gaan; den geweerloop aaiend en rakend aan
-den trekker, aarzelend en eenigszins bang eerst, maar telkens
-familiaarder met het heerlijke ding, het geweer.
-
-Ze namen het met moeite op en vonden het zwaar; de kleinste, ’n meisje,
-kon ’t niet beuren. Maar de grootste kreeg het op den schouder, en met
-z’n bloote voeten marcheerde hij in nagebootste soldatenhouding ermee
-op en neer, nagekeken door zijn broer, vol afgunst en bewondering; toen
-die op zijn beurt ’t mooie wapen wilde hebben, kregen ze ruzie, stil,
-om pa niet wakker te maken, maar toch woedenden twist met
-scheldwoorden, trappen en stompen, en trekken en rukken vooral aan ’t
-geweer, dat toen afging met ’n harden slag en hun uit de handen viel.
-En dan een verschrikkelijk geschreeuw van het zusje, dat bloedend op
-den grond lag. De jongens weg, de trap af, woest door de bloemstruiken,
-over de pagger, het veld in, voortvliegend, weg, weg....
-
-Het was een heel gedoe! ’t Plaatsje was er vol van. De moeder, het
-eerst bij het gewonde kind, had het in haar armen genomen en was hard
-den grooten weg opgeloopen, naar den dokter; John Silver, in ’t eerste
-oogenblik van schrik-ontwaken als verlamd, rechtop in z’n bed, kwam,
-toen ze al het erf afliep. En hij aarzelde een oogenblik, wel
-begrijpend dat er iets akeligs gebeurd was, maar zich niet precies
-kunnende voorstellen wat; ook niet geneigd op den publieken weg het
-spektakel te vertoonen, van zijn huishoudster met het getroffen kind in
-de armen voorop en hij haar achterna. Maar hij moest iets doen, en
-schreeuwend tegen een baboe, vroeg hij haar, wat er gaande was. De
-sinjo’s hadden met het geweer gespeeld, het was afgegaan en nonni was
-gewond. Waar waren de sinjo’s? Ja, dat wist ze niet. Nou, hij zou ze
-dan wel vinden, die smeerlappen! En, zich opwindend in die richting,
-haalde hij een rotan uit zijn kamer, doorzocht het huis, de bijgebouwen
-en den tuin, waar hij aan de vernieling van eenige mooie opkomende
-planten zag, dat ze waren weggeloopen. De handen boven de oogen, keek
-hij over de weidevelden; nergens zag hij het wit van hun baadjes.
-
-En dreigend de rotan schuddend, vloekte hij, en zwoer dat hij ze dood
-zou ranselen, als ze terugkwamen. Maar nu moest hij wel naar den
-dokter; hij kon niet wegblijven; en hij kleedde zich, zonder haast,
-verlegen en beroerd over het heele geval; in zich zelven scheldend op
-die vervloekte ondeugende jongens, die hem nu weer zoo’n geweldig
-koopje gaven.
-
-Toen hij aankwam aan het doktershuis en met een vertoon van drukte en
-veel praatjes binnentrad, werd hem eenvoudig door een: stt! het zwijgen
-opgelegd.
-
-De controleur was er ook; zijn njai stond huilend bij het bed, waar de
-geneesheer het werk deed; er waren nog een paar heeren van de plaats;
-Verlande ook met diens vrouw, die hielp het gewonde kind zoo te houden
-als voor de behandeling noodig was, en tusschen de stilte in de
-schreeuwen van het kind, als de pijn hevig stak.
-
-„’t Zal alles wel losloopen,” zei de dokter, opkomend uit zijn voorover
-buigen, „maar het ééne oog is ze kwijt. Daar helpt niets aan.”
-
-Men vond het verschrikkelijk; de dokter ook; heel onvriendelijk keek
-hij Silver aan.
-
-„Hoe is het mogelijk,” zei hij, „dat iemand zoo onverantwoordelijk
-onvoorzichtig kan zijn.”
-
-„Ik was in slaap gevallen,” zei John.
-
-„Maar wie zit nu ’s avonds in de voorgalerij met ’n geladen geweer.”
-
-„Ik wou.... kalongs schieten.”
-
-„Kalongs schieten!” riep minachtend en ongeloovig tevens de controleur.
-„Iets voor aankomende jongens.”
-
-„Hoe dan ook, het is meer dan erg,” zei de dokter weer, „iemand, die
-kinderen heeft, mag een geladen geweer niet onbeheerd ergens in zijn
-huis laten.”
-
-Dàt was iedereen met hem eens; John Silver kreeg den wind van voren op
-een gruwelijke manier; hij voelde, dat zijn „prestige” erg geschokt
-werd, toch blij, dat hij er nog zóó afkwam. Met een arme
-zondaarsgezicht liet hij de „standjes” langs zijn koude kleeren gaan;
-het kind was niet dood; men geloofde ten naasten bij aan de
-kalongs,—het viel betrekkelijk alles nog mee.
-
-Aan zijn huishoudster had hij verder heelemaal niet gedacht; men houdt
-daar zoo geen rekening mee; en niets verbaasde hem meer, dan de
-schrikkelijke manier waarop ze hem aanviel, toen ze, het kind bij den
-dokter latend, terugkwamen thuis.
-
-Zij schold en hoonde hem; zij maakte hem in het maleisch uit voor al
-wat leelijk was.
-
-Verstomd had hij in het eerst naast haar voortgeloopen, totaal in de
-war over het ongelooflijke feit, dat zij zoo tegen hem, haar heer en
-meester, te keer durfde gaan.
-
-Ze was in hooge mate zenuwachtig en opgewonden. Toen, gaande met haar
-langs de bijgebouwen, terwijl ze scheldwoorden als ’t ware vallen liet
-uit haar mond, hij, kwaad, een bezemstok greep, dreigende haar te
-slaan, vloog ze als razend de keuken in, nam er een mes en kwam op hem
-af.
-
-John Silver sloeg vastberaden op de vlucht en sloot de deur zijner
-kamer achter zich; orang takoetan! schold zij hem na.—
-
-Hij bekwam er niet van; de toestand drong niet tot hem door. Twaalf
-jaren had hij die vrouw in huis; altijd was ze rustig geweest,
-gewillig, onderworpen; hij had haar, als hij boos was, aller lei
-leelijks naar het hoofd gegooid, zonder dat ze ooit veel weerwerk gaf;
-hij had haar gestompt en geslagen, zonder dat ze in al die jaren aan
-verzet had gedacht; en nu er een „ongeluk” was gebeurd, nu was ze zoo
-„recalcitrant!” Ze zou hem dat mes tusschen de ribben hebben gestoken,
-hij had het duidelijk gezien aan haar gezicht; een angstig gevoel kwam
-over hem, als hij er aan dacht.
-
-Zij was gek, dacht hij; het ongeluk met het kind had haar gek gemaakt.
-
-Een oogenblik pikirde hij erover haar weg te jagen, een oogenblik
-slechts; wat zou er van zijn huishouden worden? en dan de kinderen,
-en.... de menschen?
-
-Zijn bekrompenheid zag alles in een onzuiver licht. Hoe de haat der
-inlandsche vrouw zoo tegen hem was uitgeslagen, bevroedde hij in het
-minst niet.
-
-’s Middags ging hij bij den dokter informeeren naar het kind, dat
-redelijk wel was en maar weinig koorts had; en hij deed zijn beklag;
-die vrouw had hem willen doodsteken, wat moest hij doen?
-
-„Wel niks,” zei de dokter. „Ik vind het zeer natuurlijk.”
-
-„Natuurlijk?”
-
-„Zeker, U zult niet ontkennen, dat u de hoofdoorzaak bent van het
-gebeurde.”
-
-„Wat deden de kwajongens eraan?”
-
-„U hadt het wapen moeten meenemen en opbergen. Kinderen zijn kinderen;
-niet waar? Dus nog eens, u bent de oorzaak.”
-
-„In Godsnaam dan,” zuchtte John Silver, vol gebrek aan schuldbesef.
-
-„De vrouw mag een inlandsche zijn, zij is in de eerste plaats moeder.”
-
-„En ik vader.”
-
-„Het kan zijn, maar dat is niet hetzelfde; u hebt haar kind een ongeluk
-bezorgd; daarvoor zou ze u kunnen vermoorden.”
-
-Maar John Silver begreep er niets van, dan dit ééne: dat de dokter
-blijkbaar twijfelde aan zijn vaderschap! Zou hij misschien iets weten
-of.... vermoeden?
-
-„Ik geloof,” zei hij, „dat ze altijd een brave vrouw is geweest.”
-
-De ander haalde de schouders op, niet meer denkend aan het losgelaten
-woord buiten den gesprekszin.
-
-„U zei,” ging John Silver voort, „het kan zijn. Wat bedoelde u daarmeê?
-Weet u ook soms iets.... iets....”
-
-Hij vulde het aan met de uitdrukking van z’n gezicht, die den dokter
-even duidelijk was, als ’t hem walgde dat zoo’n man, in plaats van
-eenig gevoel te toonen voor de verwonding van zijn kind, of begrip van
-de rechtmatige grief der vrouw, als een klis bleef hangen aan zoo’n
-idee.
-
-„Ik weet in ’t geheel niets,” zei hij norsch, kortaf en boos. „Ik weet
-alleen, dat het mijn tijd wordt voor de inspectie in het hospitaal.
-Adieu!”
-
-Het was een formeel congé, dat John Silver erg hinderde; men had op de
-plaats niet de gewoonte hem zoo cavalièrement en uit de hoogte te
-bejegenen; hij werd nogal ontzien om zijn geld; en na dit gevalletje
-was iedereen tegen hem in ’t harnas. Onder het naar huis gaan pikirde
-hij daarover, en hij begreep er niets van, totaal niets. „Wat hebben ze
-toch tegen mij?” vroeg hij zich zuchtend af.
-
-Het zou nog erger worden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-NIET ZONDER REDEN JALOERSCH.
-
-
-’t Werd avond en de weggeloopen jongens kwamen niet terug. Naar alle
-kanten werden inlanders uitgezonden om hen te zoeken, doch allen
-keerden onverrichterzake terug. John Silver leefde nu werkelijk in
-doodelijken angst; hij wist niet meer wat hij deed, bingoeng van al wat
-hem in ’t laatste etmaal overkwam; hij lette nergens op, geheel zijn
-kleine gedachten geconcentreerd op die beroerde jongens, die „weg”
-waren: het trof hem niet, dat zijn huishoudster geen woord meer zei en
-in haar kamer bleef, gemoedelijk, als ging haar ’t geval niet aan.
-
-Zij had er pleizier van en lachte hem uit.
-
-In den loop van den dag had ze bezoek gehad van een neef, die tien
-palen het binnenland in woonde; hij had den afstand te paard gedaan; de
-jongens waren bij hem aan huis, bij zijn vader, haar oom. Zij had hem
-verboden iets ervan aan de bedienden of wie ook te zeggen, en hem met
-een cadeautje en eenig geld gauw weggestuurd. Nu genoot ze van haar
-doen; nu lachte ze John Silver uit in stilte, en verkneuterde zich
-achter de stores, toen ze hem in zijn tentwagentje zag wegrijden om de
-hulp in te roepen van den controleur.
-
-Die werd hem niet onthouden, maar de ontvangst was onvriendelijk. Het
-„ongeluk” bij Silver aan huis was des morgens de plat du jour geweest;
-iedereen had erover gepraat, tot men door de bedienden uit te hooren,
-achter de geheele waarheid kwam; niet uit jachtlust maar uit
-jaloerschheid had hij met een geladen geweer op de loer gelegen, en
-niet om kalongs te schieten, maar Arabieren.
-
-Het was schandelijk,—zóó luidde de algemeene opinie.
-
-Dat iemand er een huishoudster op nahield, kon er nog door, maar dat
-hij jaloersch op haar was, kon er niet meê door; en dan zóó erg, dat er
-moord en doodslag uit kon voortkomen, zelfs reeds een onschuldig kind
-als slachtoffer was gevallen.....
-
-De controleur zei ’t hem ronduit.
-
-„Ik zal uw kinderen laten zoeken,” was het ten slotte, „maar ik zal ook
-op u het oog laten houden. En bij ’t minste dat er gebeurt, zal ik
-genoodzaakt zijn strenge maatregelen te nemen.”
-
-Wezenloos zat Silver onder het naar huis rijden te kijken, langs den
-schouder van den koetsier; hij lette niet op den weg; hij merkte niet
-dat hij alweer thuis was vóór het rijtuig stilhield. Maar bij het
-uitstappen schrikte hij hevig en werd krijtwit. Daar stond de
-„smeerlap” weer in het galerijtje langs de bijgebouwen te praten met de
-huishoudster.
-
-Driftig liep Silver er naar toe, den wandelstok omkneld.
-
-De groote arabier zag hem aan met rustigen glimlach en groette deftig
-buigend, de doos toonend, die hij in de hand hield.
-
-„De njonja kan ze niet voor mij verkoopen,” zei hij.
-
-„Ik wil niet hebben, dat er hier buiten mijn tegenwoordigheid handel
-wordt gedreven. Ga maar heen.”
-
-„Kunnen wij geen zaken doen. Waarom zouden mijnheer en ik twisten. Het
-is beter geld te verdienen.”
-
-„Misschien later.... nu niet. Ga nu weg, zeg ik, en gauw ook.”
-
-Silver raakte buiten zichzelven; maar ineens schoten hem de woorden te
-binnen van den controleur: „bij ’t minste dat er gebeurt....”
-
-„Zal ik dan eens terugkomen? Over een paar dagen? over een week?”
-
-Hij knikte maar, om van den vent af te komen; de arabier groette, even
-rustig en beleefd als toen hij gekomen was, Silver, diens huishoudster
-ook met een kalmen blik vlak in haar oogen; zij deed hetzelfde, en ze
-hadden daarmee een hartelijk afscheid van elkaar genomen, dat door geen
-demonstratie inniger had kunnen zijn.
-
-Want het was veel erger, dan de jaloezie van Silver het zich
-voorstelde; werkelijk had die groote, breede arabier een relatie met
-njai Peraq, en die dateerde al van maanden; hij reisde de streek af met
-dure handelswaren, en was slechts nu en dan op de plaats; dan kwam ze
-bij hem in z’n tokootje, en niemand had ooit iets daarin gezien, want
-iedereen wist dat zij handel dreef. Het zou alles zijn geweest en
-gebleven, alsof er niets bijzonders aan was, als hij dien ochtend niet
-bij haar was gekomen en John Silver hem bij het weggaan niet had
-gesnapt.
-
-Nu wilde zij zich niet meer geneeren; zij voelde zich heel anders dan
-vroeger, veel meer „baas” in huis en tegenover John; dien had ze thans
-eronder, dat wist en wilde zij; het mes was het middel.
-
-„Ik ben bij den controleur geweest,” zei hij, toen de arabier het erf
-af was, „hij zal die rakkers laten zoeken.”
-
-„Het is niet noodig.”
-
-„Zijn ze dan terug?”
-
-„Nog niet; ik heb een soeroean gehad van mijn oom; daar zijn ze en ze
-kunnen er wel blijven tot morgen.”
-
-Het was een pak van zijn hart; haastig ging hij naar boven en schreef
-een briefje aan den controleur, die hem zoo’n standje had gemaakt; een
-beleefd briefje tot onderdanigheid toe; een kniebuiging op ’t papier.
-
-Doch het hielp niet.
-
-In de societeit aan de kletstafel kwam het nog eens tot in alle
-bijzonderheden ter sprake! De controleur vertelde met ophef, met zijn
-rijzweep op de tafel slaande, hoe hij dien „vent” à faire had genomen.
-
-En men was het algemeen dáárover eens: hij kon niet langer president
-blijven. ’t Was al te gek, vooral tegenover de dames. Er moest iets op
-gevonden worden om hem eruit te krijgen; zoo mogelijk goedschiks, en
-anders met kracht van algemeene stemmen.
-
-’t „Goedschiksche” was, dat de postcommies, die kasian met hem had, en
-ook zoo’n arabieren-fresser was, Silver zou bewerken om z’n ontslag te
-nemen.
-
-Toen hij hem opzocht, waren juist de weggeloopen jongens terug.
-
-De moeder nam een rotan en sloeg maar raak; daarop hadden de jongens
-vooraf gerekend; na de eerste klappen zwegen ze, tot het te erg werd en
-zij hun adoes uitbrulden; dan hield zij even op en scheen het uit te
-zijn; maar ineens begon het opnieuw met de rotan; zóó ging het voort
-alsof ze telkens uitrusten moest. En Silver stond er maar bij, vloekend
-en scheldend op de delinquenten, met de vreeselijkste straffen en
-kwellingen dreigend. Hij zou hun een arm uit het lijf draaien, hij zou
-hun de beenen kapot slaan. En dat was nog het minste van wat hij hun
-wilde doen.
-
-„O.... Meier.... pardon.... Ik had je niet gezien.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-DE IN ONGENADE GEVALLEN PRESIDENT.
-
-
-Silver was erg verlegen toen hij den postcommies zag, wiens binnenkomen
-ze door het rumoer met de kinderen niet hadden gehoord; de njai ging in
-haar kamer en bergde de rotan op; de jongens veegden met de
-baadjesmouwen hun behuilde gezichten af, daarna nieuwsgierig kijkend
-naar het gewonde zusje, dat, een verband om het gezicht, met haar ééne
-oog had toegekeken bij de strafoefening.
-
-„Ik had je even alleen willen spreken.”
-
-„Uitstekend. Kom binnen,” en toen de bezoeker in de voorgalerij was
-gaan zitten, ging Silver voort: „Een sigaar?... Niet... ’n sigaret
-dan... iets gebruiken? ’n glas bier?... ’n brandy soda?...”
-
-Maar Meier wou niet rooken en niet drinken. John had wel dadelijk aan
-z’n gezicht gezien, dat het weer iets beroerds gold, en hij zuchtte
-diep, toen zijn offerten niet werden aangenomen.
-
-„Er is over die perkara veel gesproken.”
-
-„Ja, veel te veel! Mijn God, kan ik het helpen? Ik ga hier zitten, hier
-meneer!” riep Silver op de leuning van z’n stoel slaande, alsof dit nu
-juist zoo’n merkwaardige bijzonderheid was. „Nou, zie je,—ik val in
-slaap, natuurlijk! Als je een uur zit te loeren... wat? één uur?...
-twee en een half uur; soengoe mati, ’t was half drie. Wa-blief?”
-
-John stak zijn kop vooruit tot vlak bij ’t gezicht van den postcommies,
-uitdagend, als wilde hij hem een bijzondere goedkeuring afdwingen.
-
-„Het is ’n heele tijd. Maar weet je wel zeker, dat het kalongs waren?”
-
-„Ik heb er geen onder schot kunnen krijgen; de rakkers vreten mijn
-djamboes op.”
-
-Meier keek eens rond; op ’t voorerf was geen djamboe te zien.
-
-„Men zegt, dat je op ander wild loerde.”
-
-John bedacht zich even. Het was beter, dat hij ’t Meier maar ronduit
-zei; die begreep hem immers. Hij deed het.
-
-„’t Spijt me voor jou, Silver; ik kan er wel in komen, maar de anderen
-niet; zij vinden het schandalig, en ze willen je niet meer hebben als
-president; je moet eruit; het beste is, dat je je ontslag neemt, dan
-hou je de eer aan je zelven.”
-
-John voelde het diep; ’t was de grootste wond hem ooit geslagen: die
-zijner ijdelheid toegebracht. Hij wilde eerst protesteeren en praatjes
-maken, maar Meier zei, dat men stond zoo goed als voor een fait
-accompli, en ofschoon hij de woorden niet verstond, hij kende er de
-beteekenis van; zelf had hij, zeer ad rem, als president wel eens
-gesproken van zoo’n verschrikkelijke „vette compli.”
-
-Ineens viel hij, zenuwachtig, in een anderen toon.
-
-„God, zie je, ’t is mij onverschillig. Ze motten niet denken... Nou
-hoor, dank je! Niet of graag, zeg! Wel zeker! Ik vraag mijn ontslag
-niet; ik neem het; vandaag nog.”
-
-Maar toen Meier, tevreden over ’t resultaat, weg was, en John voor zijn
-lessenaar ging zitten om den fameusen brief te schrijven, toen stond ’t
-huilen hem nader dan het lachen. Dat presidentschap, waarover achter
-zijn rug onder totoks dikwijls werd gelachen, was voor hem een zaak van
-’t grootste gewicht; zijn eenige sociale raison d’être. En daarvan
-moest hij nu afstand doen, alleen ter wille van zoo’n smerigen hond van
-Hadramaut!
-
-Hij kon niet schrijven; hij stond op, razend en tierend bij zichzelven
-en weer moorddadige plannen met het geweer koesterend, tot hij,
-uitgeraasd, den noodlottigen brief verzond.
-
-Het was als een openbare aankondiging van zijn val.
-
-Van dien dag scheen hij geschrapt te zijn uit de lijst der ingezetenen.
-In de societeit kwam hij niet meer, en bezoeken kreeg en ontving hij
-niet. En naarmate hij van zijn Europeesche mede-ingezetenen
-vervreemdde, trok hij zich meer in zijn huis terug, het leven als
-begrensd door de pagger van zijn tuin.
-
-De gewone mutaties hadden na korten tijd een geheele verandering
-gebracht; de controleur, de luitenant, de postcommies en meer anderen
-waren overgeplaatst en vervangen; niemand wist ten slotte precies meer,
-wat vroeger met John Silver was gebeurd, maar iedereen had nog zoo den
-indruk, dat hij ’n gemeene kerel wezen moest.
-
-Hijzelf had zich met veel verzoend; de arabier kwam nu dikwijls bij hem
-en hij participeerde in diens handel, al kon hij soms nog opstuiven bij
-het idee, dat hij bedrogen werd; maar dan was de groote mond, dien njai
-Peraq tegen hem opzette, voldoende om hem tot bedaren te krijgen. Na,
-wat hij zijn „val” noemde, zat hij onder de pantoffel zijner
-huishoudster.
-
-En hij gewende eraan. Nu het vierde kind toch spoedig volgen zou, had
-hij zijn huishoudster een assistente toegevoegd, een goed uitziend
-inlandsch meisje. Alle partijen hadden zich zoodoende geschikt, en al
-kon hij ook buien krijgen van zwaarmoedigheid en zenuwachtig
-worden,—het ging gauw over. Als hij het dochtertje zag met het stuk
-geschoten oog, of hij hoorde de stem van njai Peraq, die nu altijd
-brutaal en bevelend door het huis klonk, zonk zijn stemming terug.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-HET VIERDE KIND.
-
-
-De geboorte van dat vierde kind was een zware slag voor hem. Niet om
-het feit zelf, maar door het resultaat. Eerst had hij in ’t half
-duister, waar hij, zelfs met zijn bril op, maar slecht zag, even
-gekeken zonder belangstelling; hij had ook nu gehoord, als meermalen
-vroeger, dat het een kloek kind was, een jongen. Dàt vond hij
-voorloopig welletjes.
-
-Nu de baboe hem in het vensterlicht het kind liet zien, slapend op een
-kussentje, dat ze droeg op haar armen, stond hij verstomd te kijken,
-zijn hoofd over den schouder van de meid, als verdiept in een stille
-studie. Met een zwaren zucht richtte hij zich op. Hoe was het in
-godsnaam mogelijk? ’t Leek wel een kind van drie maanden, zoo groot en
-dik! En dan die schrikkelijke haargroei op het hoofd vol pikzwart
-wollig dons, doorgroeiend langs de oortjes tot op de blanke wangen!
-Zijn hand gleed over z’n eigen bruin gezicht zonder knevel of baard, en
-als vragend keek hij de baboe aan, die met een klein glimlachje de
-oogen neersloeg, denkend haar eigen gedachten.
-
-„Seperti monjet,” zei hij eindelijk zacht.
-
-De meid was er verontwaardigd over; zij vond het een mooi kind; vrij
-wat flinker, dan de andere vier scharminkels, die op hem leeken; met
-een boozen blik keerde zij zich om en lei het kind in ’t bed, terwijl
-Silver de deur uitging, verbluft door wat hij gezien had.
-
-Want met al zijn vroegere jaloerschheid had hij het nooit recht goed
-geloofd; nu was het voor hem een uitgemaakte zaak: van dat harige
-apenkind met breeden kop en grof beendergestel kon hij toch onmogelijk
-de vader zijn. Hij trachtte niettemin zich de mogelijkheid op te
-dringen; hij diepte uit zijn herinnering allerlei dingen op, die hij
-vroeger wel eens in kranten of tijdschriften had gelezen over
-„spelingen der natuur;” het kon ook zijn, dat zijn njai zich had
-„verkeken,” en toen hij wel een uur tusschen twee prachtig bloeiende
-rozenstruiken op een bankje in den tuin had zitten pikiren, gelijk aan
-een waardelooze prent in ’n mooie lijst, keerde hij terug naar de kamer
-en ging kijken bij het ledikant, aandachtig turend, het hoofd schuddend
-nu en dan. Opeens trok het kind ’n leelijk gezicht, bewoog heftig armen
-en beenen en begon te schreeuwen, hard, zwaar en dringend; de meid
-schoot toe; John Silver stond op en ging heen.
-
-Neen, dat kon niet zijn! Hij had z’n best gedaan om zichzelf de
-mogelijkheid aan te denken, en meende daartoe ’n beetje op weg te zijn
-gekomen: maar de manier, waarop dat „jong” een keel opzette, had al z’n
-pogingen tot zelfovertuiging ineens doen mislukken. Hij beproefde het
-niet meer met redeneering; het was thans voor hem een uitgemaakte zaak.
-
-De pijnlijke zekerheid vervolgde hem den heelen dag; hij verzorgde zijn
-bloemen uit gewoonte, maar gaf er haast geen acht op, telkens
-stilstaand of ergens gaande zitten, om na te denken over wat hem te
-doen stond. De vrouw interesseerde hem niet meer, en zou dat
-waarschijnlijk toch nooit meer gedaan hebben, nu de andere in huis was;
-dàt was het niet; haar wegjagen ging niet, tenzij hij de kinderen naar
-Holland zond, wat hem veel te duur was; en dan het huishouden! Maar hij
-wilde ook geen schandaal; hij vreesde voor praatjes en opspraak, die
-hem nu nog maar belachelijk zouden maken, zooals ze hem reeds vernederd
-hadden. Van dat alles niets dus; maar wreken moest hij zich op de een
-of andere manier; deugdelijk, blijvend en afdoende.
-
-Schuin gleed het roodvergulde licht der in zee gaande zon onder den
-rand van zijn stroohoed in zijn gezicht; het sloeg bij dofglinsterende
-stukken en strepen in het woelige water der wijde, bewegende vlakte;
-achter, ver boven de weiden, donkerde de avond aan, en staken de
-palmboomen ruischend op in een al somberder wordend halflicht; John
-Silver zag het niet; hij zag niets, geheel bezig met zijn gedachten op
-het ééne punt: hoe moest hij handelen, nu hij zoo bedrogen was?
-
-Ineens wist hij het. Het was zóó eenvoudig, te eenvoudig naar zijn zin;
-hij had gewenscht, dat het moeielijker ware geweest en meer
-gecompliceerd; hij begreep niet hoe hij nog zoolang erover had moeten
-pikiren; maar gevonden was het, en zoo het nog niet ingewikkeld was,
-hij zou het dat wel maken. Door zijn trouvaille kwam hij weer
-eenigszins tot zichzelven; hij lachte erom; het lachte hem toe; zoo het
-niet spoedig zou werken, zeker was het, en dat moest hem voldoende
-zijn. En als goedkeurend knikkend tegen z’n eigen idée, nam hij uit
-zijn soepelen rieten sigarenkoker een strootje; en de lucifer hoog
-opvlammend bij de paar trekken, weerkaatste hel in zijn glinsterende
-oogen.
-
-Dat Silver een kind meer had gekregen, was op het plaatsje geen
-onderwerp van discours. Ja, als hij wettig gehuwd was geweest, met een
-ook maar eenigszins presentable vrouw.... Nu niet.
-
-Slechts door één werd hem over dat kind gesproken; ’t was door den
-dominé, die op een rondreis hem bezocht en het wilde doopen, zooals hij
-de andere kinderen vroeger had gedaan; nu ging hij heel boos weg omdat
-Silver beslist weigerde.
-
-Met moeite had hij een naam voor ’t kind gevonden; het mocht er geen
-zijn uit de familie; dàt nooit; eerst dacht hij aan eenigszins dwaze en
-bespottelijke namen, maar dat verwierp hij toch ook; toen, beginnend
-bij het begin, was hij dadelijk klaar: Adam.
-
-En zóó bleef het.
-
-Hij maakte anders weinig verschil; sprak en deed tegen den kleinen Adam
-als tegen de andere kinderen; het eenige was, dat hij hem nooit
-aanraakte, als hij het kon vermijden; maar daarentegen kon hij met de
-grootste attentie naar ’t kind zitten kijken vele minuten achtereen;
-hij zag het opgroeien onder zijn oogen, hij zag het een levenskracht
-ontwikkelen zóó sterk, als geen der andere ooit had bezeten.
-
-Over zijn eigen hoofd gingen de jaren zonder spoor achter te laten; hij
-verouderde niet in zijn uiterlijk; zooals hij eruit zag, had men hem
-twintig jaren vroeger reeds gekend; en in zijn onveranderlijke
-magerheid was hij een tegenstelling met het forsche kind, dat met den
-dag anders, grooter en kloeker werd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-ADAM WORDT EEN KNAPPE JONGEN.
-
-
-Door de eenvormigheid en het eentonige van het Indische leven stapte de
-Tijd met groote, snelle schreden. Adam Silver werd ’n jongen van zes,
-zeven jaar; een mooie jongen, slank en sterk gebouwd, met iets ernstigs
-door het groote voorhoofd, de zware wenkbrauwen en de dikke lange
-wimpers; njai Peraq was erg oud geworden de laatste jaren; de arabier
-had zijn handel naar elders verplaatst, Silver liet haar voor wat zij
-was; dus, als vrouw verwaarloosd, deed zij dat ook haar zelve; zij zag
-er nu leelijk en vervallen uit; een goede menagère bleef zij; het kon
-in een huis niet zuiniger en geregelder toegaan dan in dat van John
-Silver; en zij maakte ook geen onderscheid in de behandeling harer
-kinderen; Adam scheen voor haar evenveel of weinig als de rest.
-
-Maar hij moest schoolgaan, zei ze, zooals de andere jongens en daar kon
-Silver niets tegen inbrengen.
-
-„Waarom stuur je hem er niet heen?” vroeg zij.
-
-Hij dacht een oogenblik na.
-
-„Ik wou hem graag meer laten leeren.”
-
-Verwonderd keek ze op.
-
-„Waarom? Is het niet genoeg? De jongens schrijven mooi. Al kan ik het
-niet zelf, ik zie het toch wel. Zij kunnen heel goed rekenen; als ik
-hun vraag de rente uit te rekenen van geld, dat ik heb geleend, kunnen
-ze het dadelijk; zoo gauw, zoo gauw op hun lei,—haast net zoo gauw als
-een chinees met de balletjes.”
-
-Maar hij glimlachte over haar domheid en schudde het hoofd.
-
-„Het is niet genoeg, tegenwoordig; de menschen worden zoo knap; het is
-voor Adam niet genoeg.”
-
-„Waarom voor hem niet?”
-
-„Hij is erg pienter.”
-
-Ja; dat vond zij ook; hij kon soms heel wijs praten voor een kleinen
-jongen.
-
-„Wat wou je dan?”
-
-„Hier niet; hier is het maar een kleine plaats. Ik meen te Batavia.”
-
-Het beviel haar niet. Was Silver gek geworden? Zij wist wel, dat
-residenten en rijke planters hun kinderen naar die scholen te Batavia
-zenden; maar hij, die zoo zuinig was,—en dan zij zelf, vooral niet
-minder dan hij op de penning....
-
-„Je wilt hem daar toch niet heen zenden?”
-
-Silver knikte van ja, nadenkend voor zich heen kijkend, de kin steunend
-op de handpalm, in gedachten voortwerkend aan zijn plannen.
-
-„Het gaat niet,” zei ze, „het zou te veel kosten.”
-
-„Wat te veel kosten?” viel hij met zijn oude zenuwachtigheid ineens
-uit. „Heb ik geen geld genoeg? Zou ik geen jongen...” Een oogenblik
-hield hij stil; hij had willen zeggen in zijn driftig spreken: „een
-jongen van me,” maar dat wilde er niet uit... „Zou ik geen jongen naar
-Batavia kunnen sturen? Wel, dat is mooi!”
-
-„Mooi... niet mooi... Het kost veel geld.”
-
-„Soedahlah! Wat komt het erop aan. Hij zal wel knap worden, denk ik;
-hij heeft al ’n beetje lezen geleerd, nu, heelemaal uit zichzelven.”
-
-Dat was waar: zij wist het en had er tegen bedienden en andere
-inlanders al dikwijls op gebluft; als het geld haar niet zoo na aan het
-hart had gelegen, door haar pure liefde voor het geld, zou zij dadelijk
-hebben toegegeven. Nu praatten zij er nog dikwijls over; zij, altijd
-met hetzelfde bezwaar, wetend, dat het ook een zwak punt van hem was;
-maar hij, tot haar verwondering, ineens zoo scheutig met geld voor
-Adam’s opvoeding.
-
-Zonder iets te zeggen, had hij al geschreven naar een ouden sobat te
-Batavia; twee dagen had hij over den brief gesteld, met de
-zweetdroppels van geestelijke inspanning op het voorhoofd; ten slotte
-was hij zeer tevreden over zijn werk en vond zich pienter. Er moest,
-had hij geschreven, „een kleine jongen” op school worden gedaan, en de
-vriend werd verzocht ervoor te zorgen; de „kleine jongen” moest op de
-beste school; hij moest van alles leeren, goed gekleed gaan, en zoo
-Europeesch mogelijk worden opgevoed; wat het kostte deed er niet toe.
-
-Toen het antwoord kwam, dat voor alles zou gezorgd worden, mits hij
-maar doewit zond, ging Silver weer aan het schrijven; de regeling der
-geldzaak was zijn minste zorg, die was met een paar korte briefjes, nog
-denzelfden dag, dien van aankomst en sluiting der mail, in orde.
-
-En eerst daarna zei hij aan njai Peraq, dat alles beslist was; dat Adam
-met de volgende mail naar Batavia werd verzonden, en de oude mandoer
-Kasim hem maar moest brengen. Zij vroeg wat het kostte, hij loog de
-helft goedkooper. Toch stak ze de dikke bruine armen verschrikt omhoog:
-
-„Waah! zooveel geld voor zoo’n klein kind. Het tractement van een
-opziener blanda.”
-
-„Als hij knap is naderhand, verdient hij het honderdmaal terug.”
-
-Zij ging heen, hoofdschuddend en ongeloovig. Om die knapheid moest zij
-lachen. Daar waren de europeanen zoo dol mee! Hij anders niet,—nu
-ineens wèl voor Adam. En ’t mocht wat! Zij was maar een domme
-inlandsche vrouw, maar hoeveel verdiende zij niet! Het gaf alles niets
-dan soesah; hoe knapper, hoe meer soesah!
-
-Zoo mopperde zij door, in de goedang en in de keuken, hardop, meteen
-vertellend het geval aan de nieuwsgierig luisterende bedienden; die, in
-stilte staanden, de koetsier bij zijn emmers om de gabah te ontvangen,
-kokki bij haar kommen en bakjes voor rijst, olie en boemboe, een luie
-baboe tegen een deurpost,—die dachten allen éénzelfde gedachte: waarom
-was toean toch zóó gesteld op dien sinjo Adam? Waarom wou hij dàt kind,
-dat het zijne niet was, dus bevoorrechten boven de anderen, en er
-zooveel geld aan ten koste leggen, terwijl zijn eigen jongens haast
-geen fatsoenlijk baadje aan het lijf hadden.
-
-Njai Peraq zelf dacht daar heelemaal niet aan; haar gemoedelijke
-onverschilligheid tegenwoordig voor alles wat geen geld was, wischte
-veel uit haar herinnering; zij had zich afgewend, ook in haar
-gedachten, oude koeien uit de sloot te halen; het gaf niets; het bracht
-niets op; de kinderen waren de kinderen en daarmee uit. Ze ging weer
-terug naar Silver.
-
-„Hoe moet het met zijn pakéan?”
-
-Hij had er niet aan gedacht, ’t kon hem ook niet schelen.
-
-„Dat komt terecht.”
-
-„Ik moet toch iets hebben om hem aan te kleeden, hij kan toch zóó niet
-aan boord.”
-
-„Zanik niet!” riep Silver barsch; „doe maar zooals je wilt.
-Traperdoeli, maar zanik niet.”
-
-De waarheid was, dat zij hem stoorde in het zoeken naar een akal; hij
-moest er iets op verzinnen, om weg te komen vóór het vertrek van de
-mailboot.
-
-Op een avond schudde hij haar wakker.
-
-„Ik heb een brief gekregen. Sta op.”
-
-Slaapdronken en geeuwend streek zij met beide handen de grove zwarte
-haren zich uit het gezicht, en haar: apa lagi? klonk als een:
-vervelende vent, wat mot-je nou weer?
-
-Hij hoorde het wel, maar ging op zijn druktetoon voort:
-
-„Heb-je ’t niet gehoord? Ik heb een brief gekregen. Er is op de perken
-een ongeluk gebeurd. Onze administrateur ligt te sterven. Ik moet er
-dadelijk heen.”
-
-’t Kon haar wezenlijk niet schelen; als zoo’n man dood ging, nam men
-een ander! Doch ze wist wel, dat andere menschen drukte maakten over
-zulke dingen.
-
-„Maak me gauw wat eten en drinken klaar voor onderweg; ik heb al ’n
-boodschap gestuurd om ’n prauw.”
-
-Een half uur later was hij weg met het inlandsch vaartuig onder goeden
-wind; en hij lachte tevreden in den mooien sterrennacht, wiegelend op
-de zachte golfjes, achterover in een langen stoel den rook van zijn
-strootje omhoog blazend. Zij had er niets van gesnapt, dacht hij, en
-dat had ze ook niet. Op de pasar vertelde zij luid, dat mijnheer Silver
-plotseling naar de perken had moeten gaan, wijl de administrateur heel
-ziek was.
-
-Wie is het? vroegen de europeanen, toen de bedienden met het nieuwtje
-thuis kwamen; maar men kende hem niet; het was een nieuwe van de andere
-zijde der eilanden; wat gaf men om een onbekenden man?
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-DE KNAAP VERTREKT NAAR BATAVIA.
-
-
-Toen njai Peraq haar zoontje aan boord bracht, zag zij ook mijnheer
-Verlande, die met vrouw en kinderen, naar Batavia ging; zij wist wel,
-dat hij daar ging wonen en zaken doen. De eenige bagage van den kleinen
-Adam bestond uit een boenkoesan katoenen goed in een oude sarong
-geknoopt; verder had njai Peraq hem netjes aangekleed met een vuurrood
-kieltje aan, een meisjes stroohoed op met groene en gele bloemen
-gegarneerd en een kort broekje met een sarongstrook eraan; de mooi
-gebouwde jongen had onder dezen door alle inlanders zeer bewonderden
-opschik, meer van een grooten kermisaap, dan van een kind: de
-Europeesche passagiers lachten erom.
-
-„Laat hem maar bij mij blijven,” zei mevrouw Verlande goedig; „ik zal
-onderweg wel voor hem zorgen.”
-
-En wijl nu dadelijk daarop de niet-passagiers van boord moesten, sloeg
-njai Peraq ineens over tot een woest vertoon van droefheid, dat de
-Europeanen ontroerde, en hun de menschkundige opmerking ontlokte, dat
-een moeder toch een moeder blijft.
-
-Mevrouw Verlande was Adam’s moeder niet, maar meer en beter in dit
-geval; het eerste, wat zij deed, toen de boot onder stoom liep, was den
-jongen meenemen naar haar hut, hem ’t apenpakje uit, en ’n proper
-broek-en-baadje aandoen. En zij bleef voor hem zorgen, tot groote
-vreugde van den mandoer Kasim, die met andere inlandsche mannen en
-vrouwen een gezelligen dobbelkring vormde op het luik van het laadruim,
-zonder zich ooit over den sinjo te bekommeren.
-
-En zoo Adam wel eens dacht in zijn gewoon kinderleven,—hier in deze
-nieuwe omgeving, waar alles zoo vreemd was en zoo mooi, had hij daar
-geen tijd voor, de aandacht heelemaal in beslag genomen door de zee,
-het schip, de beweging. Met de jongens van Verlande had hij een nooit
-gekend pleizier; hij dacht aan niemand; niets hinderde hem; eten,
-slapen, pret maken!
-
-Op de school te Batavia was dat anders. Daar leefde het kind
-aanvankelijk als in een roes; de orde en gelijkmatigheid in dit bestaan
-biologeerden den aan haast volkomen vrijheid gewonen knaap. Maar hij
-verlangde niet terug naar huis; zijn sterk lichaam en aan physieke
-ontwikkeling hard werkende organisatie, eischten veel en goed eten;
-meer dan de rijst en een kleinigheid, die thuis zijn rantsoen waren;
-hij verslond het vele en krachtige voedsel, waarvoor anderen dikwijls
-den neus optrokken, niet omdat hij ’t lekker vond, maar uit aandrift
-door behoefte.
-
-Er kwamen berichten over Adam bij John Silver, geregelde korte
-mededeelingen van den directeur der school; ongeregelde maar uitvoerig
-van mevrouw Verlande, die van den jongen was gaan houden, en hem op
-vrije dagen bij haar aan huis liet komen om te spelen met de kinderen.
-Silver beantwoordde de eerste een enkele maal; hij vond, dat ze als
-„dienst” vielen te beschouwen; maar om te toonen, dat hij „beleefd”
-was, schreef hij altijd dadelijk aan mevrouw Verlande, met
-dankbetuiging voor haar vriendelijkheid ten opzichte van „den kleinen
-jongen” of van „Adam,” dàt wisselde hij zoowat om en om.
-
-In gewone omstandigheden waren de berichten niet bepaald gunstig; zoo
-hij een vroolijk klein kind was geweest in de oogen van John en njai
-Peraq,—hij was geen „knappe jongen” voor zijn onderwijzers; van een
-bijzonderen aanleg bleek niets en lust tot studie ontbrak haast geheel;
-alleen was hij goed van aard; niet lastig of slecht van karakter;
-vooral was hij gezond; koorts en cholera-epidemieën hadden gewoed en de
-school kreeg haar onvermijdelijk deel,—maar wie ook ziek werd, Adam
-Silver niet; hij groeide tegen alle invloeden rustig en lustig op tot
-een grooten sterken boy, met op z’n twaalfde jaar de eerste
-geprononceerde beginselen van een knevel, wat hem van vele
-medescholieren de achting en de gunst bezorgde.
-
-Het was John een raadsel. Hoe kon een jongen, die uit zichzelven lezen
-had geleerd, zoo’n stommeling zijn als de directeur schreef en mevrouw
-Verlande bevestigde? Deze vraag had John zich wel honderdmalen gesteld.
-
-En het trof zoo eigenaardig, vond hij, dat z’n andere jongens precies
-zulke stommelingen waren, als die vervloekte Adam.
-
-Indien ’t kind nu toch eens van hem was geweest en niet van dien
-hadramautschen hond?
-
-Hij had er lang over gepikird; hij had boeken laten komen, waarin hij
-weer dacht de natuur op bijzondere „spelingen” te betrappen; het hielp
-niet; òf de natuur speelde er niet meer mee, òf hij, Silver, begreep
-het niet... Hij beproefde een gesprek over zulke dingen met njai Peraq,
-maar die keek hem erg dom aan, metterdaad volstrekt niet begrijpend,
-wat hij bedoelde, en zich bepalend tot een herhaald en alles afdoend:
-barang kali. Het duurde tot in een harer brieven mevrouw Verlande
-gekscherend melding maakte van Adam’s aankomenden knevel. Daar schrok
-hij van! Voor een der verweerde spiegels in zijn voorgalerij bekeek hij
-door zijn bril aandachtig zijn gezicht; en toen een van z’n jongens—de
-oudste werkte al „op” de perken—met hem rijst zat te eten, lette hij
-ook aandachtig op diens bovenlip; maar het mocht wat! Geen spoor!
-
-Neen, die gebaarde duivel zou nooit, zoolang hij, Silver, leefde, zijn
-huis als zijn zoon betreden! Mevrouw Verlande hield zooveel van hem en
-zij schreef erover, dat ze met haar man naar Holland ging,—wel, ze
-moesten dien vervloekeling dan maar meenemen. Het ging hem wel aan ’t
-hart, want het zou een „hoop” geld kosten, maar aan den anderen kant
-was het toch ook aardig en speelde het geheel in ’t spel, dat hij nu al
-jaren geduldig volgde, en waarvan hij zelf wel niet zeker was de
-resultaten te zullen zien, maar waarvan hij dan toch zoo goed als de
-zekerheid had, dat het doel zou treffen.
-
-Hij schreef een vriendelijken en onderworpen brief aan mevrouw
-Verlande; hij beklaagde zich over de slechte tijden; hij bezwoer haar,
-dat, zoo Verlande al goede zaken maakte met zijn aandeelen in
-landelijke ondernemingen, hij, Silver, niets dan tegenspoed ondervond;
-maar hij zou alles willen opofferen om Adam een goede opvoeding te
-geven.
-
-En mevrouw Verlande, het alles opnemend voor goede munt, was er
-ontroerd door. „Het is toch heel mooi van zoo’n man,” zei ze tot
-Verlande.
-
-Maar Silver kon hem, wat de dubbeltjes betrof, niets wijs maken.
-
-„Nou ja,” zei hij, „’t is heel wel, dat hij den jongen naar Europa wil
-zenden, maar om het geld behoeft hij het evenmin te laten als ik.”
-
-Er tegen had Verlande overigens niets. Hij schreef Silver om het geld
-te zenden en eenige stukken; het geld alleen volgde, en daar dit de
-hoofdzaak was, liet men het erbij. Maar John Silver waren die twee
-duizend gulden als van ’t hart gescheurd. Met den leeftijd werd hij
-gieriger. Als hij nu nog had moeten beginnen met zijn plannen van
-vroeger,—hij zou het niet hebben gedaan; hij zou Adam precies hebben
-behandeld als de andere kinderen. Het kostte hem wat, toen hij nu erop
-uit moest met de kostelijke twee mille in den zak, om er een
-gouvernementswisseltje voor te koopen!
-
-Voor geen geld zou hij het njai Peraq hebben verteld; het huis zou een
-hel zijn geweest, dag in dag uit.
-
-Nu, echter, kon hij niet meer terug. En de ambtenaren op het kantoor
-hadden hem geprezen; geen sterveling was meer op de plaats van hen, die
-er twaalf jaren vroeger waren; niemand wist iets van de oude, bij slot
-van rekening toch onbeduidende perkara. Alleen stond Silver bekend als
-een woekeraar, die geld schoot aan europeanen, arabieren en inlanders,
-tegen fabelachtige rente, of met knoeierijen van koop en verkoop van
-huisjes met recht van wederinkoop. Nu, dàt deed hij. De termijnsgewijze
-terugbetaling van het geleende geld heette de uitoefening van dat
-recht; maar, bij één termijn verzuim verviel het, en dàt was, vooral
-bij inlanders, de speculatie; zij verzuimden ten slotte toch altijd wel
-eens te betalen, en dan waren Silver of zijn njai erbij als de kippen
-om de levering te eischen van het aan hen „verkochte” huis. Dit alles
-was bekend, maar toch vond men het mooi van „zoo’n man,” dat hij
-zooveel over had voor de opvoeding van een zijner zonen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-LAAGHARTIGE WRAAKZUCHT.
-
-
-„Wij vertrekken morgen met de Conrad,” schreef mevrouw Verlande later,
-„en wij zullen goed voor A. zorgen; hij zal ons geen last aandoen, want
-hij is een beste jongen. Ik denk wel, dat het in Holland met het leeren
-beter zal gaan, dan hier; het klimaat eigent zich daar meer tot werken.
-Hierbij A’s portret; wij doen u daar zeker genoegen mee; we hebben ook
-onze kinderen laten photographeeren, afzonderlijk en in een groep met
-A.; wij noemen hem altijd enkel A. en laten dat „dam” maar weg. Van de
-groep sturen wij eveneens een exemplaar hierbij. Vele groeten ook van
-Verlande: wij hopen, dat gij A. als een in alle opzichten flink jonkman
-na zijn leertijd in Indië zult terugzien.”
-
-Wat liep het toch raar in de wereld! vond Silver. Voor jaren had hij
-dien Verlande zoo’n stommeling gevonden, omdat hij die pur sang
-Europeesche vrouw had getrouwd. Zonder er zich rekenschap van te geven,
-was zijn opinie veranderd. Nu had hij een groot respect, voor haar
-eenvoudig maar altijd handelend en goed optreden. De enkele maal, dat
-hij sprak met europeanen, had hij het altijd over haar; dan blufte hij
-er op, dat hij met haar briefwisseling voerde; dan betoogde hij met een
-gewichtig gezicht, dat zij een buitengewone vrouw was; dan zou hij
-iemand voor stapelgek hebben gehouden, die over zulk een „dame”, zooals
-hij zich bij voorkeur uitdrukte, en over een inlandsche huishoudster in
-één adem sprak.
-
-De mooie photographieën bekeek hij lang, en hij zuchtte er diep bij:
-welk een kerel voor 12 jaar was dat hondenkind! En dat stond daar, zoo
-netjes aangekleed—voor zijn, Silver’s, duiten,—met een rustige, breede
-bazigheid en brutale aankijkers van oogen, alsof-ie ik weet niet wat
-was! De latente haat giste op in John Silver’s hoofd, beliep zijn
-oogenwit met gloeiig rood en fonkelde in de lichtende zwarte pupillen;
-hij nam van de schrijftafel, waaraan hij zat, een pennemes en stak in
-het portret, een kwaadaardigen glimlach om den breeden mond. Daar!
-daar! Hij stak in de oogen, in het hart, overal! En eindelijk, toen er
-geen herkenbare figuur meer te zien was, lei hij de photographie over
-een aschbakje, hield er ’n brandenden lucifer onder en bleef er bij
-zitten, telkens met nieuwe lucifers de verkoling doorzettend, tot
-Adam’s vernietiging in effigie voltrokken was.
-
-Toen ging hij met de groep in de hand naar de kamer van njai Peraq in
-de bijgebouwen; hij moest erom lachen: het „jong” was al lang aan boord
-en zij wist nog nergens van! Vol zenuwachtige drukte, maleisch
-rabbelend buiten al, met den deurknop in de hand, ging hij de kamer
-binnen.
-
-„Dat is wat moois, hoor! Die lui doen maar wat ze willen. Heb ik
-heelemaal niks meer te zeggen? Ik moet het immers betalen!”
-
-„Apa, toch?” vroeg zij, opkijkend van haar naaiwerk over de dik in
-zilver gevatte brilleglazen.
-
-„Wel, de Verlandes hebben Adam meegenomen naar Holland.”
-
-Het liet haar koud. Over de zee, was over de zee. Of het Java heette of
-Holland,—’t was volgens haar geographisch begrip alles sama djoega. Was
-John weer gek, dat hij daar nu zoo’n leven om maakte?
-
-Hij zag, dat ’t haar heelemaal onverschillig was, en dat hinderde hem;
-hij had ’t voor haar verzwegen omdat hij geen ruzie over de onkosten
-wou hebben, maar toch ook ’n beetje, wijl hij vreesde, dat zij Adam
-vóór zijn vertrek naar Europa, dat hem, die de reis nooit gedaan had
-een kolossale onderneming toescheen, zou willen zien; bij al zijn
-omgang met inlanders van allerlei soort, mannen en vrouwen, was hij
-geen menschenkenner genoeg om ooit anders te oordeelen, dan naar eigen
-conventioneel indo-europeesch begrip; en zoo had hij nu ook niet
-ingezien, dat voor een inlandsche vrouw, die nooit van de kust was
-geweest, waarop ze geboren werd, over de zee, over de zee was.
-
-„Naar Holland,” riep hij met een dringerig stemgeluid, dat moest
-aanvullen wat er ontbrak aan woordbeteekenis.
-
-„Soedah, naar Holland; ik hoor het wel; wat maakt het uit, als hij toch
-zoover weg is om knap te worden? Ik heb hem niet meer gezien, sinds den
-dag, dat ik hem op de boot bracht in zijn mooi rood kieltje. Kasian,
-wat weet ik van hem.”
-
-John Silver was achter haar gaan staan; hij kreeg er nu pleizier in;
-ja, dat hoorde hij wel aan den toon, waarop ze sprak: ze had op haar
-manier er een stil verdriet over. Het was voor het eerst, dat hem dit
-opviel, en voor geen geld, hoe lief dat ook was, had hij deze
-gelegenheid verzuimd. En hoe het hem ook tegen de borst stuitte een
-goed woord te spreken over het „hondenkind,” zoodat hij haast misselijk
-werd van zijn eigen woorden, zei hij:
-
-„’t Was een mooi kind, die Adam; hij zal nu wel een knappe jongen
-zijn.”
-
-Njai Peraq zei niets; haar bruine door de jaren al slapvleezig wordende
-handen, lagen stil in haar schoot op de blauwe en roodachtige
-kainfiguren, in de eene het half afgezoomde baadje, in de ander de
-naald en draad en glinsterend aan den wijsvinger de zilveren vingerhoed
-met aan den top een doorschijnend rooden steen, waarin zacht en doffig
-het zonlicht speelde; het was zoo rustig en haast geruischloos in ’t
-kamertje, met de gekke spitsneuzige wajangfiguren en de grillige
-Japansche strooken aan den wand; met tot achtergrond de groezelig witte
-klamboe; met het kleine driftig tikkende amerikaansche klokje op de
-tafel, dat de aandacht bezig hield van den grooten zwarten kater, die
-onbeweeglijk ernaar zat te kijken, óók op het tafeltje, voor njai
-Peraq.
-
-Silver zei eerst niets en begon op zijn matten sloffen heen en weer te
-loopen over den roodsteenen vloer.
-
-„Ze hebben me uit Batavia een portret gestuurd van de Verlandes en hun
-kinderen; daar staat Adam ook bij; kan je hem herkennen?”
-
-Hij lei de groep voor haar neer, en zij keek ernaar. „Itoe dia,” zei
-ze, wijzend met de naald in haar hand. Het kind had ze niet zoozeer
-herkend; tusschen het „roode kieltje,” dat ze, nu haast zeven jaren
-geleden, had weggebracht naar den stoomer en de beeltenis van dien
-grooten sinjo, in een openstaand buisje met ’n vest eronder en ’n lange
-witte pantalon, bestond geen verband; maar de kalme somberheid van den
-kop en de boeddhistische rustigheid der figuur had, zonder dat ze ’t
-zich eerst bewust was, de herinnering tot haar doen spreken aan den
-vader.
-
-En naarmate ze langer keek, drong het begrip der gelijkenis meer tot
-haar door; het verteederde haar; het deed haar zuchten keer op keer;
-het wekte in haar een groot gevoel van teederheid en van verlangen om
-dien jongen eens te zien, hem te hooren spreken; en hem te bedienen;
-dat laatste vooral.
-
-Terwijl John Silver een nieuw strootje opstak, zag hij, dat ze ontroerd
-was, dat er tranen stonden in haar oogen en de blauwige lippen van den
-grooten mond strak naar binnen trokken.
-
-„Ja,” zei hij, inwendig genietend, „het is zoo ver naar Holland; zoo
-erg ver. Als hij te Batavia was gebleven, hadden we hem nog eens hier
-kunnen laten komen. Nou hebben ze hem mee naar Europa, en komt daar
-niks meer van.”
-
-„Hoe?” vroeg njai Peraq, die maar half geluisterd had.
-
-„Wel, dat gaat niet. Hij moet daar in Holland leeren.... God weet
-hoelang.... Je kunt zoo’n jongen niet eventjes naar hier laten komen.”
-
-„Als wij willen.”
-
-„Hè? Wat willen?”
-
-„Ik zeg: als wij willen. Daarvoor hebben wij toch wel geld genoeg.”
-
-„Je begrijpt niks; je bent maar een dom mensch; al had je een huis vol
-goud, zou het nog gekkenwerk wezen.”
-
-„Zullen we dan Adam nooit terugzien?”
-
-„Dat zeg ik niet; misschien wel; als wij niet gauw dood gaan en als hij
-met leeren klaar is.”
-
-„Hoe lang?”
-
-„Dat weet ik niet, dat hangt van hemzelf af; als hij goed leert, dan
-misschien maar kort, en anders lang.”
-
-„Mag ik het portret houden?”
-
-Een oogenblik aarzelde hij; het was wel aardig om het in een lijstje te
-zetten en op te hangen aan den wand, wijl mevrouw Verlande erop stond,
-en hij dan bij gelegenheid dadelijk het bewijs kon leveren voor de
-goede verstandhouding, waarop hij altijd blufte, tusschen hem en de
-familie. Maar het vooruitzicht altijd het gezicht van dat „hondenkind”
-voor den neus te hebben, was te erg.
-
-„Och,” zei hij, „als je ’t graag hebt...”
-
-Alsof ze bang was, dat hij van besluit veranderen zou, bergde ze het
-portret haastig weg in de groote, groen geverfde ijzeren trommel met
-roode banden, waarin achter een chubb-slot meer waardvolle dingen
-verborgen werden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-TELEURGESTELDE VERWACHTINGEN.
-
-
-Een lage bierkelder, waarin een lang man niet rechtop kon gaan; een
-warme broeiige temperatuur, hoog door veel gasvlammen aan den wand; een
-benauwende nevelatmosfeer van vervluchtigenden tabaksrook; aan kleine
-tafeltjes tegen de witte welvende muren, door aankomende schilders met
-schetsachtige teekeningetjes beklad, de gasten, de dampende sigaren
-onder de knevels uit, de klepglazen met bier voor hen; tusschen de
-rijen in, haastig heen en weer, twee zwarte Jan’s-figuren, de leeren
-geldtaschjes om het midden door de witte sloven; nu en dan, als er een
-gast kwam of ging, een koele luchtstroom uit de opening der groene
-zwaarwollen tochtdeur naar binnen; het ineenloopend geluid van stemmen,
-allerlei dooreen, tusschen het drinken; het flauw worden van het
-drinken; het brood met Duitsche worst eten, het daarvan dorstig worden
-en weer drinken; en boven alle geluid aanhoudend het gemaniereerd
-geroep der kellners: één heel, twee half, één knak, een cervelaat,
-half!
-
-Doch bij dat alles erg rustig onder Hollanders; half zooveel Franschen
-hadden tweemaal zooveel drukte en geluid gemaakt.
-
-De rustigheid werd plotseling gestoord door heftig rumoer boven aan de
-trap; gestommel en stokgetik op de steenen treden en tegen den muur;
-een luidruchtig troepje opgewonden, jolig jong volk, met roode
-gezichten en schitter-oogen van congestie, kwam met een bons de groene
-deur binnen.
-
-De kalme gasten keken hen eens aan, denkend dat het studenten waren,
-uit Leiden naar Den Haag verdwaald, maar dat waren het niet; een paar
-waren wel te Delft, maar de anderen nog van gewone scholen, enkel wat
-achterlijk in hun studie, maar vooral met niet minder allures en
-brutaal optreden en met geld in den zak; de meesten uit Indië, donker
-van tint, met een groot vertoon van levendigheid en opgewekt zijn.
-
-Zij waren nu heel erg uit op hun manier; ze bleven later dan hun
-permissie; ze zaten een uur heel hard dooreen te schreeuwen in den
-bierkelder, de dikke stokken omhoog, de kleine hoeden achter op de
-hoofden; en ze goten zich het bier in uit de groote glazen, met airs
-van beproefde kneipers, schots en scheef op de stoeltjes, de buiken
-vooruit, de vesten ’n beetje opgestroopt, stukken overhemd er tusschen
-uit over den broekband.
-
-De bedaardste aanvankelijk was Adam Silver; hij deed wel mee, maar
-zonder enthousiasme; het hinderde hem nog, dat hij op dien tijd niet
-was, waar hij moest wezen: het instituut, waar hij interne was.
-
-Want de Verlandes hadden hem wel eerst bij hen aan huis genomen, maar
-zij zagen zich in één verwachting teleurgesteld: het koel klimaat van
-het Westen hielp Adam zoo min aan vlugheid en aanleg, als aan lust tot
-hard werken; hij kwam wel wat vooruit, maar heel, heel langzaam; elk
-jaar minstens doubleerend. Alsof het bij wijze van compensatie was, zoo
-ontwikkelde hij physiek; het ging niet, dien grooten, zwaren kerel,
-lichamelijk met zijn zestiende jaar heelemaal een man, op de banken te
-laten zitten der gewone bijzondere scholen, tusschen jongetjes van
-tien, elf jaren. Verlande wanhoopte aan hem en was telkens boos;
-mevrouw had kasian maar toch ook een zwaar hoofd in de toekomst.
-
-Hij moest weg naar een onderwijsinrichting met internaat; dan waren zij
-van een even noodelooze als vrijwillige verantwoordelijkheid af. Maar
-ze aarzelden, want ze hielden van hem om zijn goedheid en meegaand
-karakter. Tot één omstandigheid besliste. Adam had het werkmeisje tot
-„speelmakkertje” gekozen, en daar kon de familie niet tegen!
-
-Zóó was hij dan nu op een soort kostschool; had, omdat hij al „zoo’n
-kerel” was, verlof gekregen tot negen uren uit te gaan, en zat, veel
-later al, in ’n bierkelder met ’n troepje jongelui; zijn wroeging
-verdronk in het bier, dat hem naar het hoofd steeg; hij werd óók
-luidruchtig; zij liepen den kelder uit, naar café’s toe, grog
-inslikkend na het bier; en eindelijk, toen ze allerlei gelegenheden
-bezocht hadden, dronken en opgewonden, kwamen zij „in aanraking” met de
-politie.
-
-Adam werd ’s morgens door het hoofd van het instituut afgehaald om zijn
-eersten jeugdigen kater thuis te brengen; hij kreeg straf en een
-boetpreek, en daarmee was het op school wel uit, maar niet in zijn
-hart, dat hunkerde naar meer uitgaan en „jool” hebben. De herinnering
-deed hem bij zichzelf glimlachen; hij moest daar meer van hebben; en
-wel wist hij niet hoe dat aan te leggen, eerst, maar bij het wederzien
-van ’t vroolijke clubje, bracht men hem dat wel aan ’t niet vlugge
-verstand.
-
-Zij vonden, dat hij zich moest laten gelden, dat hij meer
-zelfstandigheid aan den dag moest leggen; „wâ-bliksem,” hij was geen
-kind! En zij vloekten erg flink, als vertoon van eigen groote
-zelfstandigheid. Hij moest niet schrijven naar Indië; hij moest maar
-„beren” maken, die zouden zelf wel aan „de-n-ouwe” schrijven om duiten.
-Adam vond dat wezenlijk goed gedacht; hijzelf, van nature zonder
-streken of listen, zou nooit op zoo iets zijn gekomen; uit den mond
-zijner vrienden klonk het hem als bezonken geleerdheid; hij zou toch
-niet tot een universiteit toegelaten worden en promoveeren; hij zou
-nooit aan de Delftsche academie komen en ’t groot ambtenaarsexamen
-doen; ook zou hij zelfs nimmer op een hoogere burgerschool of een
-gymnasium gaan en eenig eindexamen doen. Och, wat was dat nu? Er kon,
-dat besefte hij, geen quaestie van zijn, dat hij ooit eenig examen deed
-of daar moesten er worden ingevoerd in het bier drinken, rooken en de
-meisjes naloopen. Dàt kon hij uitstekend.
-
-Hij trok het zich niet aan, overtuigd dat hij ’t niet helpen kon. Het
-was nu eenmaal zoo. En dan, hij zou immers op het land gaan werken,
-zooals zijn broers deden; keerde hij terug naar Indië, dan behoefde hij
-niet bepaald „een betrekking” te hebben. Zijn vader was rijk, dat
-hadden de Verlandes gezegd. Nu moest hij nog praten met den directeur
-der school: hij moest meer vrijheid hebben. En toen hij daarmee
-aankwam, keek die hem eens aan, en schudde het hoofd; och, hij mocht
-hem wel; precies als iedereen, omdat het zoo’n goeie, aardige vent was;
-ook had hij het indische geld zoo lief als een Nederlander het slechts
-hebben kan; maar de reputatie van zijn instituut was hem nòg liever, en
-hij zag heel goed in, dat die bij Adam Silver niets te winnen had.
-
-„Heb je daar al over gesproken met meneer Verlande?”
-
-„Neen,” zei Adam. „Ik dacht niet dat het noodig was.”
-
-„Dan zal ik het wel doen.”
-
-De directeur deed het, maar heel anders; hij proponeerde voor Adam
-ergens bij een familie een kamer met pension te huren en hem dan
-privaatlessen te laten nemen in het instituut.
-
-Verlande dacht erover na.
-
-„Zou er iets van hem terechtkomen?”
-
-„Bedoelt u door studie?”
-
-„Ja, natuurlijk!”
-
-„Zoo heel natuurlijk vind ik dat niet; mijn knapste leerlingen kwamen
-niet het best terecht. Maar als u bedoelt of hij door studie in de
-gelegenheid zal komen carrière te maken, dan: neen, stellig niet!”
-
-Daar Verlande’s jongens het heel goed maakten, vond hij het
-verschrikkelijk.
-
-„Zijn ouders zijn immers zeer gefortuneerd?”
-
-„Dat wel. John Silver heeft aardig geld.... Bovendien, Adam kan op het
-land werken.”
-
-„Zoo heb ik ook gedacht. Al maakt hij hier dus een beetje pret, dan kan
-dat geen kwaad; hij is physiek zoo sterk als hij intellectueel zwak is
-en toch heeft hij een goed verstand; geen vlug, geen geoefend.... Ik,
-die zooveel en zoo verscheiden jongens onderhanden krijg, heb over dien
-Adam nagedacht. Weet u wat ik zou zeggen?”
-
-„En?”
-
-„Dat hem zekere erfelijke aanleg ontbreekt, zooals dat met kinderen het
-geval moet zijn uit geslachten, die nooit iets aan leeren of studeeren
-hebben gedaan.”
-
-Verlande, die de geschiedenis kende, dacht aan njai Peraq, van huis uit
-houdster van ’n warongje in de kampong, en aan den grooten arabier, die
-niets kende dan ’n paar koranspreuken en deftig buigen. Zelf een njo
-werd hij gauw wantrouwend tegenover pur sang europeanen, en hij dacht
-eerst, dat die „schoolmeester” de klok had hooren luiden en nu eens
-wilde vernemen waar de klepel hing, maar hij zag wel dadelijk aan de
-heele gezichtsuitdrukking, dat hij zich vergiste.
-
-„Weet u een geschikte gelegenheid voor hem?”
-
-Doch ook die verantwoordelijkheid werd niet geaccepteerd.
-
-„Het beste zou zijn.... een advertentie.”
-
-’t Was erg gauw in orde!
-
-Toen Adam het hoorde was hij dolblij. Van den kostjongen werd hij nu
-ineens een soort van student, een heer, want hij en al z’n vrienden
-waren het daarover eens, dat ’n jongmensch op kamers wonend en buitenaf
-les krijgend een heer en een student was; ’n universiteit, nu ja, dat
-was eigenlijk maar ’n bijzaak, waar men, om student te zijn, best
-buiten kon.
-
-Hij „betrok” zijn kwartier, een eenigszins ouderwetsch met second
-hand’s goed gemeubelde kamer, in een prettige buurt en bij vriendelijke
-menschen, wier eenig doel al spoedig bleek hem lang te houden, omdat er
-zoo goed voor hem werd betaald. Wat hèm ’t best beviel, was de
-vrijheid; de groote vrijheid van te gaan hoe en waar-je-wil en te doen
-op je eigen kamer, wat-je-wil.
-
-Het was wel koud, maar hij schoof een der ramen hoog open, en ging
-ervoor zitten, de armen op de vensterbank, een lange sigarenpijp voor
-hem uit buiten het raam, loerend naar de vensters aan den overkant, of
-er ook meisjes waren tusschen de schuine overgordijnen en achter de
-horretjes, boven of in de benedenhuizen, bij de étalages van mode- en
-toiletartikelen, pleizierig gestemd de drukke buurt overziend; het
-gejaag van bezige menschen met haast langs den weg; het hard trappelen
-van mooie glimmende equipage-paarden en het sleurig opbonken van doffe
-vigelantenknollen. Het was heerlijk, vond hij, dat alles te zien van
-zijn eigen „kast,” en niet meer in die ellendige kamer met vier bedden
-in het instituut als gevangen te zitten met drie kwajongens, die haast
-al hun vrijen tijd doorbrachten met den neus in de boeken; niet meer te
-hebben, dat voor hem èlken dag wederkeerend pijn-in-den-buikachtig
-gevoel van een les overhoord te zullen worden, die men niet kent, van
-vragen te zullen hooren, die men niet kan beantwoorden; van werk te
-moeten meemaken, dat men niet begrijpt en dus onvermijdelijk fout
-maakt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-ONAANGENAME BRIEVEN UIT HOLLAND.
-
-
-De mail had drie brieven meegebracht voor John Silver; het waren er
-twee meer, dan hij ooit uit Holland had ontvangen. Wel ontving hij
-„kabar” van de Verlande’s zoo nu en dan, en hij wist dus ook welke
-maatregelen zij hadden genomen,—nu, dàt was hem onverschillig,—maar met
-andere menschen in het Westen briefwisselde hij niet. En daar lagen nu
-vóór hem twee dikke brieven, geen prijscouranten of prospectussen, want
-die waren in open couverts en met drukwerk-postzegels er op; neen, ze
-waren goed dicht en met briefport gefrankeerd.
-
-Het waren Adam’s beren, die voor de eerste maal bescheiden en
-beleefdelijk brulden in het Oosten.
-
-In het eerst snapte John het niet; hij zat eenigszins sufferig te
-kijken op die groote enkel-vellen papier, en las de reusachtige hoofden
-met afdrukken van koninklijke wapens in het midden, zag de groote
-versierde aanvangsletters der firma-namen, en aan beide hoeken
-opsomming van alles wat in de magazijnen te krijgen was, en dan op een
-regel in geschreven schrift „WelEdelGeboren Heer; en vervolgens de
-mededeeling, dat zekere WelEdelGeboren Heer Silver te ’s Gravenhage
-debet was aan.... wegens aan ZWEdG. geleverd als volgt...”
-
-Nog nooit had John Silver zoo iets gezien; wat hij noodig had, kocht
-hij al z’n leven lang op de plaats zelf in de eenige Europeesche toko
-of bij den chinees, en daarvoor kreeg hij eens in de maand een rekening
-op ’n gewoon velletje blauw gelijnd papier, met twee roode dwarslijnen
-voor de guldens en de centen. Welk een geurmakerij zoo’n Haagsche
-rekening! En dan die „WelEdelGeboren Heer”; dat was Adam!.... Adam!...
-
-Toen zijn eerste verbazing over was, schoot hij in een lach!
-
-Wel gévédé! dat was toch sterk! Adam, dat „hondenkind”!
-
-Maar hij nam de rekeningen weer op, en keek ze door, bedaard en
-ernstig. Het was onmogelijk; in zijn heele leven had hij, John Silver,
-zooveel jassen, broeken en vesten niet gehad, als die Adam in een paar
-jaren; en dan die andere, de groote, voor wijnen, dranken, sigaren,....
-er stonden zelfs woorden op die hij niet kon uitspreken of begrijpen!
-
-Ja, de begeleidende briefjes—nu, dàt snapte hij gemakkelijk genoeg; men
-maande den Hoog WelGeboren Heer John Silver aan om het debet van den
-heer Adam Silver te voldoen. Ten naasten bij twee duizend gulden!
-Brutaalweg de mededeeling erbij, dat als niet binnen zes maanden de
-rekening was voldaan, de kerels rente gingen berekenen.
-
-Dan sprak men nog van woekeraars in Indië! Als hij ’n jas noodig had,
-kocht hij ’n stuk wit of ander goed en liet het maken bij den chinees;
-en daar stonden op die rekeningen enkele jassen tot prijzen, waarvoor
-hij er een dozijn had!
-
-Wat een afzettersboel toch in dat Holland! Bij de tweeduizend pop!
-
-„Kom eens hier!” riep hij hoog en scherp tegen zijn huishoudster, die
-hij hoorde op de galerij. En toen zij binnenkwam: „Dat is me een
-gladakker, die meneer Adam! Dat is me een toean besar, hoor! Wel
-gévédé!”
-
-Zij schrikte ervan; in lang had ze weer niets van den jongen gehoord en
-ze dacht voortdurend aan hem, hoe langer hoe meer, maar ze durfde niet
-vragen; ze had wel gevoeld, dat er iets niet in den haak was, dat
-Silver iets in z’n schild voerde en veel te bijzonder was ten opzichte
-van dat kind. Nu scheen hij weer heelemaal gek geworden; nu schold hij
-hem voor een „gladakker” en noemde hem tevens een groot heer.
-
-„Wat is er?” vroeg ze.
-
-„Wat er is: hier, hier!” riep hij, haar de rekeningen met de eene hand
-voor het gezicht houdend en met de andere erop slaande, dat het velijn
-papier trilde en knetterde: „Hij maakt schulden! Dat draagt jassen, ja,
-van tachtig gulden; dat drinkt fijnen wijn en rookt havanah sigaren;
-dat speelt in Holland den toean besar. En mij sturen ze hier in Indië
-de rekeningen om te betalen. Zoo’n satansch honden....”
-
-Silver schrikte van zijn eigen vervoering, ineens ophoudend.
-
-„Is hij gezond?” vroeg njai Peraq.
-
-Daar stond Silver van te kijken. Zij, zij, die het geld zóó liefhad,
-die zoo gierig was, dat hij zelfs nooit had durven zeggen, wat hij
-maandelijks uitgaf voor dien Adam,—zij maakte geen misbaar, toen hij
-het groote bedrag genoemd had; het was alsof het niets was.
-
-„Stik!” zei hij in ’t Hollandsch en ging de kamer uit.
-
-Het was waarachtig te erg! Onderaan de rekeningen was met een slordig
-schrift iets gekrabbeld; als men goed keek; zag men, dat het een
-voor-accoord-verklaring was, onderteekend: A. Silver. Wat ’n gemeen
-schrift! De minste djoeroe-toelis kon het netter. En dat had zooveel
-geld gekost! Enfin,—’t kwam wel alles terecht; hoe meer hij nu genoot,
-des te beter.
-
-Toen hij zich dáármee had verzoend, kwamen andere overwegingen. Want
-hij had nu wel opgespeeld over het geld, en zijn haat eens gelucht—maar
-het zou hem nu niet hinderen, al betaalde hij het nog tienmaal; het
-liep financieel toch alles mee in den laatsten tijd.
-
-Er was iets aardigs in, vond hij; iets aardigs, dat die Haagsche
-tokohouders hem voor zoo’n groot heer hielden en hem zoo hoog
-betitelden. Het streelde zijn ijdelheid. Dat pleizier had hij er dus
-bovendien nog van! Natuurlijk zou hij de duiten sturen; niet om dat
-„hondenkind”, maar om zijn naam; die daar zoo’n goed figuur maakte
-achter het klinkend praedicaat.
-
-„Ik wou wat zeggen,” zei njai Peraq bij hem komende.
-
-„Wat is het?” vroeg hij norsch.
-
-„Als je het geld voor Adam misschien liever niet betaalt, zal ik ’t wel
-geven van het mijne.”
-
-„Wat jij? wat jij?” riep hij kwaad. „Denk je, dat ik zelf niet kan
-betalen? Daar heb ik jou niet noodig voor.”
-
-Zij sloeg, nu ook uitvallend in toorn; met de hand op de tafel.
-
-„Wel, schreeuw dan zoo niet? Ben je een gek? Ben je een beest? Maakt
-een mensch zulk een leven als hij moet betalen voor zijn eigen
-kinderen?”
-
-Zij bemerkte niet in haar opkomende boosheid, wat zij trotseerde; haast
-werd het hem te machtig; het was de vrees voor haar, die ten slotte
-sterker was dan zijn opwellende drift; dáárom zweeg hij, schoon zijn
-ingevallen borst van groote aandoening zwoegde.
-
-Kort en daardoor uit de hoogte, waren zijn briefjes aan Adam’s
-crediteuren; maar de wissels staken erin en hij schreef erover aan de
-Verlande’s, want op den brief van Adam wilde hij niet antwoorden; hij
-had dien al met tegenzin geopend en met diepe minachting voor het
-slordige adres; de aanhef: „Waarde vader” bracht hem geheel uit den
-koers; hij dacht een beroerte te krijgen van kwaadheid; hij verscheurde
-den brief ongelezen; neen,—betalen zou hij, maar daarmee uit; zich door
-dien welp van zoo’n smerigen arabier, „vader” te hooren noemen, en
-diens brieven te lezen, dàt was hem te machtig; dàt verdroeg hij niet.
-
-„Heeft het kind niet geschreven?” vroeg zijn huishoudster.
-
-„Het kind... het kind... ’t is waarachtig een lief kind!”
-
-Zij schudde er het hoofd over. „Ik kan hem niet anders voor mijn oogen
-krijgen, dan als een kind.”
-
-„Nou, maar ik dan wèl, hoor, en voor mijn portemonnaie ook!”
-
-„Schrijft hij nooit?”
-
-John Silver lachte hoonend.
-
-„Ja hij zal nog schrijven!” loog hij ontwijkend. „Denk maar niet, dat
-je ooit een brief van hem zult krijgen.”
-
-„Ik niet. Wat zou ik er aan hebben? Ik kan het immers toch niet lezen.
-Maar waarom schrijft hij niet aan jou? Doet hij het niet? De mandoer,
-die naar het postkantoor is geweest, zei, dat er drie brieven uit
-Holland waren; de rekeningen waren maar twee....”
-
-„Een was van mevrouw Verlande,” loog hij.
-
-„Vertelde zij niets over hem? Je was kwaad, toen ik vroeg of hij gezond
-was. Mag een moeder niet meer vragen of haar kind wèl is? Begrijp je
-dat niet?”
-
-„Ik was kwaad om dat geld. Zeur toch niet, hè? Is het misschien nog
-niet genoeg, dat die rakker me zooveel duiten kost? Moet jij me nu nog
-vervelen met je gezanik?”
-
-„Ik vraag enkel maar of hij gezond is en je wilt me niet antwoorden; je
-zegt maar zoowat... zoowat... je spreekt altijd maar kwaad van hem...
-Wat is een vader; die zijn eigen kind haat?”
-
-Zij speelde hoog spel; ze was zich daarvan volkomen bewust; ze wilde
-eindelijk weten of haar vrees gegrond was; ze had hem straks
-aangekeken, toen ze nadruk lei op het anaknja sendiri, en zij had
-zekerheid! nu was het haar volkomen helder, nu wist ze, dat hij
-vermoeden had van de waarheid.
-
-Want toen ze hem die woorden als in het gezicht wierp; haar groote
-goedige oogen recht op de zijne en haar gelaat rustig, onverstoorbaar
-in het volle licht, de trekken onbewogen als een Vishnoe; was het hem
-of hij het ondersteboven ging; hij voelde, dat hij hevig ontstelde en
-dit te zien moest wezen aan z’n gezicht; hij stamelde een paar losse
-woorden, die hij zich een minuut later niet meer herinnerde; hij
-trachtte minachting te veinzen voor haar gepraat, en ging heen, den
-tuin in, als een dronken man.
-
-Het was verschrikkelijk! Had zij zóó kunnen wezen, als het waar was,
-wat hij nu al zooveel jaren vast geloofde? Kon zoo’n gewone inlandsche
-vrouw zóó brutaal, zoo verregaand, zoo onovertroffen listig en
-bedriegelijk zijn, als zij had moeten wezen om hem met zulk een gezicht
-en op zulk een toon dat „eigen kind” naar ’t hoofd te gooien? En
-toch... Neen, het was geen zoon van hem; het kon er geen zijn! Dáár,
-dáár kwam er een aan, van het land, op z’n bloote voeten, de slaapbroek
-opgestroopt, en ja, dat was nu een dikke vette kerel geworden net als
-njai Peraq met heel veel in figuur en gezicht van de moeder, maar toch
-zag men in één oogopslag, dat het ’n kind was van hem, John Silver.
-Daaraan viel niet te twijfelen.
-
-Maar ’t hielp niet of hij al redeneerde,—hij kon de manier niet
-vergeten, waarop ze hem dàt had gezegd; het was terlaloe! En elk
-oogenblik van den nacht en den dag, zag hij haar weer in die groote
-kalmte, die geloof opdringt.
-
-Het werd een idée fixe; uren kon hij voortaan stil zitten pikiren, met
-de hardnekkigheid van een lijder, die denkt aan zijn ongeneeslijke
-kwaal, die geheel erdoor wordt in beslag genomen en ten slotte over
-niets anders haast meer denken kan, dan zijn kansen van levensduur.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-EEN MISLUKT JONGMENSCH.
-
-
-Adam pikirde niet. Binnen de drie maanden had hij al beleefde brieven
-van zijn leveranciers, dat zijn papa geremitteerd had; zij waren erover
-uit; zij recommandeerden zich. Crediet? Wel als ’t ware ongelimiteerd!
-Juist dat korte briefje van John Silver had zoo’n effect gemaakt samen
-met het geld. Het leek zoo uit de hoogte en dat had imponeerend
-gewerkt. En Adam, die wel ’n beetje bang was geweest al dien tijd,
-leefde heelemaal op. Dien dag gaf hij er de privaatlessen aan, waarvan
-hij toch al zoo weinig profiteerde, bestelde hij van alles wat hij
-noodig had, niet mondjesmaat, maar op de royaalste manier, onthaalde
-zijn vrienden op zijn kamer, tot ze in gloeiende toasten het bewijs van
-hun lichtbewogenheid gaven, en nam zich voor Nora Tiele serieus het hof
-te maken. Nu „de oude” zich zóó royaal toonde en zelfs niet mopperde,
-was het toch waar, wat hij al zoo dikwijls van anderen had gehoord; dat
-de Silvers wezenlijk gefortuneerd waren.
-
-Welk bezwaar had het dan in, dat hij Nora vroeg, den een of anderen
-dag? Een positie... neen, zelfs geen idée van ’n kans daarop. Maar
-waartoe ook? Een fortuin was beter. Wie dàt kon aanbieden, zou men toch
-zeker niet naar een armzalig „baantje” vragen!
-
-Den ochtend na zijn feestje, dat hij de eerste overwinning zijner beren
-noemde, werd hij zeer berooid wakker; bij het kwartlicht van een
-donkeren regenochtend, zag hij hoe beestachtig zijn kamer er uitzag,
-hoe wanhopig zijn oppasser het stond aan te zien; hoorde hij hoe
-kijvend de stem van zijn hospita op het portaal klonk, waar zij stond
-uit te cijferen, wat Adam haar moest betalen voor het bederven van
-karpetten, tafelkleeden en gordijnen door wijn- en andere vlekken.
-
-Het leek hem alles met een grauwgrijs overgoten, wat hij hoorde als wat
-hij zag; in zijn warm hoofd bonsde het met groote regelmatigheid; droge
-mond en rauwe keel eischten water en lucht; zoo guur als het was,
-gooide hij de ramen open en hield zijn gezicht wel een minuut lang in
-het water van een lampetkom; de oppasser was intusschen bezig met het
-opruimen van glazen, flesschen en de rest.
-
-Langzamerhand kwam er weer orde en frissche lucht in de kamer en
-grooter genietbaarheid over den persoon van Adam. Wel zagen zijn oogen
-rood en was zijn gezicht wit toen hij geeuwend, huiverend en rekkerig
-voor het open venster ging zitten, geheel gekleed nu; wèl smaakte hem
-de sigaar niet, en wierp hij die weg, op de straat,—maar hij knapte
-toch op, en genoot van zijn kop thee, toen het binnentreden van een
-dame hem verschrikt deed opstaan; het was mevrouw Verlande.
-
-Zij zag er nog heel goed uit, al was ze de veertig voorbij; zoo goed
-geconserveerd, zoo vlug en veerkrachtig, met frissche blozende kleur,
-relief gevend aan het blauw en blond van oogen en haar, dat ze had
-kunnen doorgaan voor tien jaren en meer, jonger. En hij, Adam,
-opstaande tegenover haar, in de vroegrijpheid zijner physiek, een
-volwassen man.... Mevrouw Verlande snapte ineens de nooit gedachte
-mogelijkheid, dat er voor de wereld iets geks kon zijn in een
-ochtendbezoek van haar aan Adam Silver; aan den kleinen A. het
-roodkieltje!
-
-Eenigszins bedremmeld keek zij rond, ruikend de alles doortrokken
-hebbende kroeglucht van sigaren en wijn; aan den wand floretten, sabels
-en schermmaskers; op de tafel en den schoorsteenmantel portretten van
-min of meer gekleede „tingeltangelinnen”; de penantspiegel geflankeerd
-met duitsche pijpen,—en tegenover haar die groote, zware kerel met z’n
-donker uiterlijk en aankomend baardje. Was het mogelijk?
-
-„Hoe maakt u het?” vroeg hij goedig en eenigszins onthutst een stoel
-aanschuivend: „Gaat u zitten.”
-
-„Heel goed, dank je... Neen, ik ga niet zitten... Ik moet weer dadelijk
-heen. Je pa heeft geschreven.”
-
-Daar zweeg hij op, knikkend enkel met het hoofd.
-
-„Dat gaat zoo niet.”
-
-„Waarom niet?” vroeg Adam glimlachend.
-
-„Wat moet er op zoo’n manier van je worden A.? Je leert haast niets
-meer, en... en eigenlijk weet je nog niks.”
-
-„Pa is immers rijk. Laat mij nu maar wat pret hebben hier, zoolang het
-duurt.”
-
-„Zoolang tot het je pa verveelt, en wat dan?”
-
-„Dan ga ik naar Indië, werken op het land.”
-
-„Het is wat moois! Dáárvoor heb je dan zooveel geld gekost en een
-opvoeding in Holland genoten.”
-
-„Ik kan ’t niet helpen, mevrouw; ik geloof niet, dat ik zooveel dommer
-ben als de rest, maar ik kan niet leeren, niet onthouden, dàt is het.”
-
-„Malligheid, je geeft je geen moeite, je bent lui.”
-
-„Ja,” zei hij met overweldigende openhartigheid. „Dat is waar, ik ben
-lui, het is ongelukkig.”
-
-„Als een jongmensch zich beteren wil, dan kan hij ook.”
-
-„Dáárvan niet, mevrouw. Geloof me, ik wilde wel, dat het anders was;
-maar als ik een boek in handen neem en ik span me vijf minuten in...
-in...”
-
-„Dan?”
-
-„Dan val ik in slaap.”
-
-Zij moest erom lachen. Neen, ze wist het wel van vroeger, dáár was
-niets tegen te doen! En ze nam hem nog eens op, dien brute, van top tot
-teen, wiens stoffelijk bestaan zulk een scherpe tegenstelling vormde
-met zijn geestelijk. Maar tegelijk dacht ze eraan, dat ze niet langer
-kon blijven.
-
-„Probeer het, A., en maak geen schulden; dàt is altijd slecht; het
-behoeft immers niet, want je hebt zonder dat van alles voldoende; meer
-dan de meeste andere jongelui.”
-
-Hij beloofde zijn best te zullen doen, wijl zij het graag had; maar hij
-dacht er in ’t geheel niet bij, meer beziggehouden door het geklop in
-z’n hoofd, dat opnieuw en erger was begonnen.
-
-Toen ze hem de hand reikte, nam hij die, en wou, net als hij van ouds
-gewoon was, toen zij hem als kind met de andere kinderen te bed lei,
-haar ook een zoen geven. Maar zij trok zich snel terug en liet haar
-voile neer, niet willende laten zien, dat ze een kleur kreeg. Drommels
-neen, dat ging niet, vond mevrouw Verlande; zij was niet oud genoeg om
-zich door zulk een jongen man op diens kamer te laten kussen, al had ze
-hem ook als kind op den schoot gehad.
-
-Hij zag het en lachte erom, tevreden over het effect van zijn persoon.
-In al zulke zaken was hij in ’t geheel niet dom; niet traag van begrip.
-Integendeel, daar had hij een scherp oog voor, als iets hem zelf
-betrof, want nog meer dan van Nora Tiele, die hij ’t hof wou maken en
-ten huwelijk vragen, hield hij van zijn eigen persoonlijkheid.
-
-Zich beteren! Als hij het goed inzag, viel er in ’t geheel niets te
-beteren. Nu ja, schulden maken is niet goed, voor wie geen vader heeft,
-die ’t betalen kan en wil. Maar zoo gelukkig was hij immers! En in den
-loop van den dag verdween met den kater, het weinige effect der
-vermaning van mevrouw Verlande.
-
-Toen hij zoo, goed gekleed, het Noordeinde inliep, ’s middags tusschen
-de talrijke flaneurs, had hij volkomen het air van een deftig jonkman,
-door zijn ernstig, donker gezicht den indruk makend van iemand, die
-iets omhanden heeft bij de diplomatie of zoo. Hij overwoog wat en hoe
-hij doen zou met Nora Tiele.
-
-Dat ze van hem hield, wist hij; trouwens, dat wist hij van zooveel
-meisjes uit de kringen, die de Verlande’s frequenteerden, en waartoe
-ook sommige vrienden behoorden: deftige menschen met mooie
-betrekkingen, maar levend boven hun krachten meest; de gewone
-geschiedenis. Hij kon in die kringen meisjes à prendre vinden bij
-dozijnen: hij had de reputatie van een millionnairszoon te wezen;
-dáárom was hij voor de meesten onweerstaanbaar; maar er waren er ook;
-die hem bijzonder graag mochten om zijn persoon. En dan, hij was niet
-zoo wijs. Hij vond het gewone jongedames-conversatie-peil niet beneden
-zich, en dat was het ook niet. Als er jongelui in gezelschap waren, die
-hun beetje geleerdheid te luchten hingen, zweeg hij maar en keek enkel
-met zijn goedige zwarte oogen naar de meisjes, die dan toch nog meer
-naar hem keken, dan ze luisterden naar de praters; doch als het niet
-gevaarlijk was en zijn onwetendheid niet dreigde hem koopjes te geven;
-als er werd gesproken over de kennissen, over uitgaan en pret maken of
-de geschiedenisjes van den dag, dan sprak hij heel gezellig mee.
-
-Zou hij zich nu ineens en officieel aan Nora Tiele binden en haar zóó
-het hof maken, dat hij fatsoenshalve niet anders doen kon dan haar hand
-vragen aan haar vader? Zij trok hem aan, heel sterk; hij verlangde er
-dol naar, haar in de armen te nemen, te kussen..... och, dat laatste
-niet zoozeer; daar hield hij eigenlijk in ’t geheel niet van; enkel uit
-gewoonte en vriendschappelijk, vond hij, kon het erdoor; als
-liefdebetoon niet; dat eischte bij hem iets anders. En als hij zoo
-pikirde meende hij, dat het verkeerd was zich te haasten, hij kon het
-wel plan-plan aanleggen, en een heel stil vrijagetje met haar beginnen;
-dat zou best gaan; dan bleef hij vrij, en er waren honderd redenen voor
-één, die hij kon aanvoeren.... Hij drukte op den belknop in de
-deurpost, en hij werd hartelijk ontvangen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-EEN VOORZICHTIGE MOEDER.
-
-
-De oude heer Tiele, recht en mager als een liniaal, de grijze
-bakkebaarden in punten omlaag, den grooten smallen neus op het wijkend
-gezicht, heelemaal geen face haast, met overdadig profiel als een
-vogel, keek hem uit kleine blauwe kraaloogjes vriendelijk aan, ’n
-welwillend glimlachje om de dunne lippen; zijn famielje had altijd
-behoord tot den eersten burgerstand; zij hadden altijd hun hoogst
-respectabele maatschappelijke positie gehandhaafd, maar daar hadden ze
-dan ook voor gestreden; geworsteld letterlijk. Nooit was er ook maar
-eenig kapitaal gekomen; in vier, vijf geslachten achtereen was het
-altijd door zuinigheid met zelfbedwang voor en na geweest, en nu was
-over Tiele op z’n gevorderden leeftijd als ’n gouddorst gekomen. Die
-Adam Silver, die werk maakte van Nora, mocht dan een Indische jongen
-zijn, het kind eener inlandsche vrouw, er mocht aan zijn fortuin „een
-luchtje” zijn, zooals naar goed-hollandsche begrippen aan alles is wat
-uit Indië komt; hij was de zoon van een rijken vader; hij zou zelf
-eenmaal rijk zijn.
-
-En hij was zoo dom en zoo goed, dat de heele familie Tiele eigenlijk
-dat fortuin zou trouwen... Dat dit alles zoo uitgemaakt was, vermoedde
-Adam in de verste verte niet, dat hij bij de Tiele’s reeds als
-toekomstig schoonzoon was ingelijfd, en in zekeren zin de grondslag
-was, waarop de familie haar geldelijke toekomst bouwde,—het kwam niet
-bij hem op.
-
-Hij dronk ’n kopje thee mee in het minder modern dan gezellig salon, te
-klein voor het huisgezin, en te vol met pouffes en andere zitjes, met
-tafeltjes en overladen hoekjes en étagèretjes, meest het resultaat van
-de huisvlijt der dochters, die met tapisserie, of smaak- en
-schilderwerkjes wonderen deden, de onoogelijkste houten geraamten
-omzettend in wezenlijk smaakvolle voorwerpjes door het overtrekken met
-zijde en satijn; door goudborduursel en miniatuur aquarelletjes. Alles
-lief, aardig, honneponnig, snoezig!
-
-Tusschen de blonde, blanke slankheid der jonge Tiele’s en de magerheid
-der ouderen, waarvan de booze Haagsche mindere wereld zei: dat men hen
-kon hooren rammelen,—zat Adam Silver in het koude licht van den
-zonloozen herfstnamiddag als een pagode, moeilijk met zijn breedte op
-een klein stoelzittinkje, den wandelstok onder de hand, den hoed op een
-voetenbankje vóór hem, een goedig lachje om de lippen, pratend met de
-meisjes Tiele het onnoozel geleuter van den dag. En nu hij weer zoo
-dicht bij Nora zat, en in haar mooi-blanken hals keek of naar haar
-vriendelijke oogen of smalle sneeuwwitte handjes, raakte hij erger op
-haar verliefd; zou hij in staat zijn geweest het dadelijk ernstig te
-meenen, zonder reserves, met gereede plannen.
-
-Maar heel even had hij gelegenheid haar alleen te spreken; hij vroeg
-haar uur en plaats, en zij gaf het hem voor den volgenden dag, op het
-gewone wandelterrein van iedereen. Adam kon niet zeggen, dat ’t hem
-meeviel; het zou dus dadelijk zich afficheeren wezen, en al aarzelde
-hij voor niets tegenover haar bekoorlijkheden,—als hij alleen was,
-dacht hij weer anders.
-
-Het kwam niet bij hem op weg te blijven, al betreurde hij zijn
-voorbarigheid.
-
-’t Viel hem erg mee, dat Nora niet alleen, maar met een der jongere
-meisjes liep; ’t was juist zóó vol dien dag en net of alle vrienden en
-kennissen elkaar rendez-vous hadden gegeven.
-
-Maar nu er iemand bij haar was, hinderde dat niet; nu kon hij haar
-veilig aanspreken en mee opwandelen; anders alleen met haar, zou
-dadelijk een praatje van „engagement” de ronde hebben gedaan.
-
-Nu kwamen er ook heel gauw meer jongelui bij, groetend en pratend, even
-stilstaand voor de winkelétalages, sommigen een eind mee opwandelend.
-Zelfs de oude mevrouw Tiele sloot zich aan en op een gegeven moment kon
-Adam nog enkel goeden dag zeggen en heengaan, wijl de familie
-huiswaarts keerde.
-
-Hij wist nu niet meer of hij blij wezen zou of er spijt van hebben, dat
-het zoo gek gegaan was. Wel had hij Nora dikwijls aangekeken en zij
-hem, buitengewoon lief en aanmoedigend;—maar dàt was toch de bedoeling
-niet geweest. Toen hij haar vroeg: waar en wanneer, dacht hij aan heel
-iets anders, dan een ontmoeting, die zonder afspraak, precies eender
-had kunnen zijn.
-
-Thuis bij de Tiele’s had Nora ’s avonds te voren haar mama verteld, wat
-Adam Silver haar gevraagd, en wat zij geantwoord had. En mama keek
-bedenkelijk.
-
-„’t Is wat haastig,” zei ze.
-
-Nora vond dat eigenlijk ook.
-
-„Het is me ontsnapt, hij vroeg het zoo opeens, en zoo ronduit....”
-
-„Je hadt voorzichtiger moeten zijn. Hij is nog niet serieus genoeg.”
-
-Daar lachte Nora luid om op. „Verbeel-je, dat die goeie Adam Silver
-„serieus” moest worden!”
-
-„Je begrijpt me niet,” zei haar moeder, „ik ben een beetje bang voor
-hem.”
-
-„Maar ma!”
-
-„Zeker. Met al z’n goedigheid en weinige kennis, heeft hij iets over
-hem... Ik weet het niet, maar zoo koel, zoo cynisch zou ik haast
-zeggen.”
-
-„Hij is niet demonstratief...., dat mag ik juist in hem.”
-
-„Het is alles goed en wel, maar zoo er met den tijd veel
-verandert,—verliefde jongelui blijven altijd dezelfden; men kan het hun
-aanzien; aan hem merkt men haast niets.”
-
-„Nu,” zei Nora, „ik ben blij, dat hij niet zoo’n aansteller is; niets
-is akeliger dan een „verliefd jongmensch” zooals u het bedoelt. Zoo
-jong als hij is, is hij daar teveel man voor.”
-
-„Teveel man, dàt geloof ik ook; dat is het juist, waarvoor ik bang ben.
-Er is zoo’n tegenstrijdigheid in hem. Wij weten heel goed, dat hij
-weinig heeft geleerd; zóó weinig, dat het beschamend is; hij heeft
-zelfs nooit admissie-examen kunnen doen. En als hij u aanziet met zijn
-groote oogen en over de banaalste dingen praat met goedigen ernst, dan
-maakt hij een oppervlakkigen indruk van superioriteit.”
-
-„Het is waar,” erkende Nora, eenigszins verwonderd, nu haar eigen
-indruk door haar scherpzinniger moeder zoo duidelijk werd weergegeven.
-„Het is waar, ma; God, wat hebt u hem geobserveerd.”
-
-„Dan zit hij daar,” ging mevrouw Tiele voort, het bleeke magere gezicht
-steunend met de beenige hand, „als een oudere onder de jongeren,
-vrijmoedig, kalm, als met een vorstelijke waardigheid. En het is geen
-poseeren van hem, dat in ’t geheel niet; het is de aard van zijn heele
-wezen. Dan zou men hem, zoo op het oog, voor een diepzinnig jongmensch
-houden, en als men hem kent, zooals wij hem kennen, is dat zoo
-dwaas.... Ik kan er niet overheen komen.”
-
-„Het is waar, ma; het is waar, doch het doet er immers niet toe. Beter
-zoo, dan dat hij er een onnoozel uiterlijk bij had.”
-
-„Maar hij is niet onnoozel, Nora; geloof me, ten minste niet zooals wij
-dat hier begrijpen, hij heeft een je ne sais quoi...”
-
-„Dat niet in zijn nadeel is.”
-
-„Neen, maar dat ik wantrouw. Dáárom blijf ik erbij: je bent te haastig
-geweest.”
-
-„Afwijzen kon ik hem toch niet; ik wilde het ook niet. Ik houd van hem,
-meer, veel meer, dan van de anderen, misschien juist om wat u daareven
-zei.”
-
-„Natuurlijk niet. Maar je moet hem nog zelfs den vinger niet geven,
-laat staan de hand.”
-
-Zoo kwam het, dat Adam in zijn verwachtingen werd teleurgesteld; wèl
-had ’t hem genoegen gedaan, dat hij zich nu niet had moeten
-„afficheeren,” maar het rendez-vous, dus verloopen, had toch zijn
-ijdelheid gekwetst, en zeer onvoldaan over het eindresultaat ervan,
-ging hij een restaurant binnen en bestelde er een eenvoudig maal,
-zooals hij in het eten altijd matig en slechts in het drinken onmatig
-was onder vrienden, en als hij „meedeed” met de zucht om vooral niet
-onder te doen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-EEN ONAANGENAME VERRASSING.
-
-
-Het kwam er weer toe, dien avond; nauw ’n half uur later, zat men om de
-tafel, waar hij alleen was gaan zitten, met z’n vieren; het diner werd
-uitgebreid; goede wijn volgde, en het ging er later, op los, tot hij ’s
-nachts thuis kwam en uit gewoonte zijn kamer en zijn bed vond, moê en
-duizelig, slapend bijna voor hij zich had ontkleed.
-
-En toen hij ontwaakte, den volgenden ochtend, zag hij eerst, dat op
-zijn toilet een brief uit Indië lag, niet van „den ouden,” want die
-schreef altijd keurig, maar met een slordige ruwe hand aan hem
-geadresseerd.
-
-Het bovenschrift: „Waarde Adam,” leerde hem niets, maar de
-handteekening: „Bram Silver” wees hem den weg. Het was dus een brief
-van zijn broer, den eersten, dien hij ooit in z’n leven had ontvangen.
-Hij deed z’n best zich iets te herinneren van z’n broer of z’n ouders,
-maar vruchteloos. Met moeite las hij het schrift, door de ruwe halen
-onduidelijker dan het scheen. „Op last van moeder schrijf ik u. De oude
-heer is al lang erg zenuwachtig, maar in den laatsten tijd nam die
-ziekte zóó toe, dat hij er suf en malende van geworden is. De dokter
-zegt, dat pa een idée fixe heeft, en er iets is, waarover hij altijd
-tobt, doch dat hij uit gewoonte verzwijgt. Het eenige wat hij
-uitspreekt, soms in dagen achtereen, is uw naam. Dan loopt hij maar
-door het huis, praat tegen niemand, maar schudt telkens het hoofd en
-zegt: Adam, Adam! Deze omstandigheid en de toenemende zwakte van pa,
-brachten den dokter op het idee, dat het misschien goed kon zijn, als
-jij hier waart. Daar je toch in Holland niets omhanden hebt en dus best
-komen kunt, heeft moeder mij opgedragen je te schrijven met de eerste
-boot passage naar hier te nemen. Ik heb ook moeten schrijven aan
-mijnheer Verlande, die voor het geld en zoo zorgen zal.
-
-Voor de rest gaat hier alles tamelijk wel; alleen zijn de perken erg
-achteruit gegaan en heeft pa dit jaar met andere dingen veel geld
-verloren. Enfin, dat komt terecht. Hopende je spoedig hier te zien.
-
-
- Je toegenegen broer
- Bram Silver.”
-
-
-Zoo suf kon John Silver niet wezen als Adam, nadat hij dien brief
-gelezen had, op den rand van zijn bed zat te kijken. Wel, hij had
-altijd geweten, dat hij naar Indië moest; dat er een eind zou komen aan
-het lui en lekker leventje in Den Haag; hij had daar zelfs meer dan
-eens over gesproken, zoo, ter loops, als het in de rede te pas kwam; nu
-bleek het ermee ernst te zijn als met den dood, die ook iedereen weet,
-dat onvermijdelijk komen moet, maar op wien niemand, als hij komt, ook
-maar in het minst is voorbereid.
-
-Naar Indië! Weer trachtte hij zich iets te herinneren, maar het ging
-niet; hij kwam niet verder dan de kostschool te Batavia, en dat zei hem
-eigenlijk niets. Van vader, moeder, broers, zusters, eigen woning aan
-de kust van een ander groot eiland dan Java,—niets, niets! Het lachte
-hem niet toe; in ’t geheel niet! Hij was in het Europeesche leven
-heelemaal ingegroeid, en hij had daar veel mee op; Indische menschen
-beschouwde hij, een echten totoh gelijk, eigenlijk als een graadje
-minder; zij trokken hem niet aan, en als hij er nu en dan een ontmoette
-bij de Verlande’s, hield hij zich op een afstand en had nimmer gevolg
-gegeven aan invitaties om ’reis ’n visite te komen maken en de
-kennismaking voort te zetten.
-
-Die gedachten kwamen zoo allemaal bij hem op en voor zijn doen was dat
-overweldigend veel. Met diepe rimpels in zijn voorhoofd van dat
-moeilijke en hem hoe langer hoe ongewoner wordend denkwerk, kleedde hij
-zich, ontbeet als machinaal, en ging de deur uit, regelrecht naar de
-Verlande’s.
-
-Ja, die hadden hun brief van Bram ook ontvangen, daags te voren in den
-namiddag, en ze hadden Adam eigenlijk ’s avonds al verwacht.
-
-„Ik heb je passage direct besproken; over acht dagen moet je aan boord
-zijn.”
-
-En toen Adam hem zoo onnoozel aankeek, alsof hij van ’t heele geval
-niets begreep, en tegelijk zoo bedroefd, als iemand, die gevonnisd
-wordt, moest hij in zichzelf lachen, en deed met opgetrokken
-wenkbrauwen een langen haal aan z’n sigaar.
-
-„Ja, beste jongen, het was toch altijd je voorland; dat wist je.”
-
-„En Indië is een goed land,” bevestigde mevrouw Verlande met nadruk.
-
-Nu lachte haar man luid en spottend; hij, een njo, was nergens liever
-dan in Europa; hij kon zich maar niet begrijpen, dat zoo’n pur sang
-Hollandsche als zijne vrouw, altijd zooveel goeds zei van Indië.
-
-„Zeker,” zei ze, „ik heb altijd veel van Indië gehouden, en dat doe ik
-nog.”
-
-„Ik heb liever een broodje met kaas,” spotte hij voort... „Maar laat
-ons geen gekheid maken; het is kort dag voor Adam, hij moet zijn
-uitrusting hebben.”
-
-Dáárvoor zou mevrouw zorgen; Adam had niets te doen, dan bij den
-leverancier zich de maat te laten nemen, zei ze. Maar toen Verlande hem
-meenam naar het kantoor, bleek het, dat er nog dozijnen dingen waren,
-die hij noodig had en zich moest aanschaffen; Verlande maakte er een
-lange lijst van en gaf Adam geld om zich alles aan te schaffen; doch
-hoe gemakkelijk en eenvoudig dat leek, het gaf Adam een gevoel van
-ongewone drukte, dat hem bingoeng maakte.
-
-En dan Nora Tiele! Hij kon, meende hij, nu in allen ernst, niet zóó
-maar weg gaan; hij voelde ineens meer voor haar dan ooit vroeger,
-buiten haar tegenwoordigheid; hij had de sterke overtuiging, dat hij
-zich aan haar declareeren moest en er ook over spreken met haar vader.
-Wel had hij geen vaag idée van wat hij moest uitvoeren, in Indië en bij
-zijn ouders,—maar hij dacht dat dit vanzelf wel terechtkwam, en zij,
-Nora, dan over een jaar of wat, zou kunnen „uitkomen” als zijn vrouw.
-
-Hij moest haar schrijven, kort en bondig; een onderhoud vragen onder
-vier oogen en met de mededeeling erbij, van zijn aanstaand gedwongen
-vertrek.
-
-’t Was bij de Tiele’s ’n heele consternatie; een donderslag bij heldere
-lucht; het speet mama nu geweldig dat zij „politiek” had willen zijn,
-en niet maar liever de eerste gelegenheid de beste had aangegrepen.
-Nora was erg ontsteld, met een gevoel nu, dat zij doodelijk was van
-Adam Silver. De oude heer keek ook zeer bezorgd, knorrig over de
-„flauwe kunsten” zijner vrouw, die hij eerst zoo verstandig had
-gevonden.
-
-Maar dáárover waren allen het eens: er moest op afdoende wijze voldaan
-worden aan Adam’s verzoek; het was een drang in die richting, als wilde
-men hem met Nora een apartje geven in haar slaapkamer. Zóóver kwam het
-wel niet, maar toch zou de heele famielje gaan wandelen en een uurtje
-weg blijven; als ze terugkwamen zou dan, naar zij hoopte en vertrouwde,
-„de kogel wel door de kerk” zijn.
-
-En Nora, die had opgemerkt, wat Adam bijzonder mooi aan haar vond en
-wat hij, in verband daarmee, haar goed vond staan, kleedde zich
-daarnaar, zoodat van haar blanken hals veel te zien was; van voren
-vooral.
-
-Toen ze hem ontving, zoo alleen, was ze werkelijk verlegen en ontroerd;
-hij ook; de omstandigheden hadden hem overrompeld; hij had er zijn
-gewone, rustige kalmte glad bij ingeschoten, en nu vooral, nu hij zulk
-een stouten stap ging doen, was hij zenuwachtig. Nora merkte het aan
-zijn handen, anders altijd warm als bij gezonde sanguinische naturen,
-nu koud en klam; het stelde haar gerust; zij had er hem te liever om;
-zij had het akelig gevonden, als hij nu zoo gemoedelijk was geweest als
-altijd anders.
-
-„Je neemt me niet kwalijk?” vroeg hij, om wat te zeggen.
-
-Nora schudde zacht het blonde hoofd.
-
-„Neen,” zei ze.
-
-„Je zult wel begrepen hebben, dat ik niet heen kon gaan, zonder eerst
-met je te hebben gesproken.”
-
-„Ja,” zei ze.
-
-Hij haalde diep adem; hij had nooit eenig examen gedaan; dat kon, dacht
-hij, niet moeilijker wezen.
-
-„Hier is de brief.”
-
-Hij gebruikte dien brief, als een reddingsplank, wezenlijk niet
-wetende, wat hij verder nog zeggen zou; en zij nam dien aan, wijl ze
-met haar antwoorden zat te houden en het toch te gek was, dat een
-meisje, steeds zoo goed bij het woord als zij, nu niets anders had
-kunnen zeggen, dan „neen” en „ja.” Onder het lezen klom hare
-belangstelling; zij zag daar veel meer in dan Adam en de Verlande’s;
-zij maakte eruit op, dat die vader in Indië, die voor dezen éénen zoon
-zooveel geld had uitgegeven om hem in Holland te laten grootbrengen, en
-nu, als in een droom, telkens diens naam uitsprak, groote plannen had
-met Adam, plannen om hem veel geld te vermaken of landgoederen te
-geven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-EEN DECLARATIE IN OPTIMA FORMA.
-
-
-De bleeke straal van een ondergaande na-herfstzon gleed bescheiden
-tusschen de bruine staatsiegordijnen door op de twee jonge menschen;
-het was een knap paartje, zooals het daar zat op de chaise longue; mooi
-in de groote tegenstelling van haar blond-blank en figuur-fijnheid,
-tegenover zijn donker robust.
-
-„Heb je geen herinnering aan je pa?”
-
-„Niet de minste.”
-
-„God geef, dat je hem nog levend vindt.”
-
-„Ik hoop het; ik denk het wel; men zegt, dat sleepende kwalen meest
-lang duren in Indië.”
-
-„Er is dan misschien nog kans, dat hij beter wordt?”
-
-„Wellicht,” zei Adam, zonder overtuiging of hartelijkheid.
-
-„Dan kon je misschien weer terugkomen naar hier.”
-
-Maar daar had hij voor zichzelf geen de minste hoop op en hij wilde
-haar niet bedriegen.
-
-„Er zal wel geen kans op zijn; dat denken de Verlande’s ook.”
-
-Verwonderd keek ze hem aan.
-
-„Pa zal mij zeker op een onderneming plaatsen, of, als hij mocht
-sterven, zal ik er wel voor de zaken moeten blijven.”
-
-„En dan?”
-
-„Je weet Nora, hoeveel ik van je hou.”
-
-Nu hij zoo eenvoudig en oprecht van wal stak, moest zij lachen.
-
-„Ik geloof er niets van.”
-
-„Plaag me niet; je weet het al lang, ik wou vragen of je je met me wilt
-engageeren. Ik zal vandaag nog aanzoek doen bij je pa, en dadelijk in
-Indië zal ik er thuis werk van maken.”
-
-„Maar mijn goede, beste Adam, geef me nu eens duidelijk en verder
-antwoord op mijn vraag: en dan?”
-
-Zij had haar hand vertrouwelijk op de zijne gelegd, en keek hem aan met
-een lief, vriendelijk gezicht. Hij, nog geheel onder den invloed van
-zijn sentiment, lette niet op haar andere schoonheden, en zij dacht
-daar zelf volstrekt niet aan; zij had heel goed hoog en stijf gekleed
-kunnen zijn; het was alles hetzelfde geweest.
-
-Adam sloeg zijn arm om haar heen, trok haar zacht tegen zijn breede
-borst en kuste haar; zij gaf hem volkomen argeloos en zonder iets
-anders dan een diep gevoel van onschuldige genegenheid, dien eersten
-kus terug; ze waren allebei beter en reiner mensch nu, dan ze zelf
-vroeger hadden geweten of gedacht.
-
-En hij vertelde zijn plan; om als alles daarginds in orde was, haar te
-trouwen bij volmacht en haar dan uit te laten komen naar Indië, waar
-zij een heerlijk leven zou hebben; zoo goed als gefortuneerde lui in de
-binnenlanden, waarover zij in Den Haag zooveel had hooren spreken, het
-maar hebben kunnen.
-
-De terugkomst der familie verraste hen; zou hen altijd verrast hebben,
-al was zij uren later thuis gekomen.
-
-Men hield zich goed; men veinsde de gewone verwondering over een
-onverwacht bezoek. Een kwartier later kwam het toevallig zoo uit, dat
-hij met den ouden heer alleen zat.
-
-„Voor ik naar Indië ga, had ik graag nog eens met u gesproken over
-mijzelven en over Nora.”
-
-Tiele keek met een effen gezicht langs z’n grooten neus naar buiten,
-het hoofd langzaam op en neer, als ’n Chineesch beeldje.
-
-„Zoo, zoo!”
-
-„Ik wou u verzoeken mij toe te staan met mijn vader te spreken en
-daarna een aanzoek...”
-
-„Ja. Hoe oud is je vader?”
-
-Het was voor Adam een slim geval. Vooreerst bracht hem die onverwachte
-vraag van z’n stuk, dat toch al niet erg stevig was; maar bovendien:
-hij wist het niet.
-
-„Heel precies kan ik het niet zeggen... om en bij de zestig.”
-
-Wat ’n raar slag van volk toch, dacht Tiele, die Indische lui! Zoo’n
-jonge man wist niet eens hoe oud z’n eigen vader was! Hij, Tiele, kende
-de geboortejaren van al zijn bloedverwanten, zelfs van overledenen.
-
-„Hoeveel broers en zusters heb je?”
-
-Toen Adam peinzend opzag naar het plafond, als berekende hij in
-gedachten het aantal, keek de oude heer hem in bange verwachting aan.
-Welk een oostersch reproductievermogen zou hij hier ontdekken? Welk een
-ongelooflijk aantal varkens zou deze spoeling dun maken?
-
-„Wij zijn met ons vieren, thans; daar zijn er dood.”
-
-„Met je hoeveel?”
-
-„Vier.”
-
-Het was sterk, meende Tiele; daar had zoo’n kerel voor gekeken als
-werkte hij uit het hoofd een rekenkunstig vraagstuk uit. Neen, als hij
-niet erg gefortuneerd was, zou Adam nooit voor schoonzoon in aanmerking
-zijn gekomen. Aan een departement had hij het in een heel menschenleven
-niet verder gebracht dan adjunct-commies, en misschien zelfs dàt niet.
-De waarheid was, dat Adam ook het gevraagde aantal niet goed wist; hij
-had zich nooit met die broers en die zusters beziggehouden, en zij
-evenmin met hem; hij had zijn jeugd doorgebracht met de Verlande’s, en
-met hun kinderen onbezorgd meegeleefd. Hoe oud zij waren, wanneer ze
-hun verjaardagen vierden en al zulke kleine levensbijzonderheden meer,
-wist hij precies.
-
-„Op hoeveel taxeer je den ouden heer?”
-
-Adam Silver begon te transpireeren; het scheen hem toe, dat Nora’s
-vader nu ook in ’t geheel geen vraag kon doen, die hij bij machte was
-te beantwoorden. Wat wist hij van de fortuin zijns vaders?
-
-„Een millioen,” zei hij in zijn angst.
-
-Tiele dacht na. Een millioen, dat was op zichzelf heel mooi; en ze
-waren met hun vieren slechts. Dat was voor Nora een toekomst van twee
-en een halve ton. Heel mooi! Maar..... een Indisch millioen was altijd
-précair. Vandaag heette het, dat de menschen puissant rijk waren, en
-een paar maanden later, na een flinke daling in den marktprijs van een
-of ander product, waren ze veel minder; moesten ze hun equipages
-wegdoen en uit hun groote huizen trekken.
-
-„Weet je misschien, waaruit dat millioen bestaat?”
-
-„Pa heeft aandeelen in perken en landgoederen.”
-
-Hm! Daar had-je ’t al!
-
-„Suiker?”
-
-Nu moest Adam lachen. Suiker in perken! Daar was hij ineens à cheval,
-want bij de Verlande’s had hij altijd veel gehoord over de perken; zij
-zaten met het grootste deel van hun geld daar ook in. En om den
-lastigen ouden heer in het doen van verdere vragen zooveel mogelijk
-tegen te houden, putte hij al de wijsheid uit, die hij over dit
-onderwerp bij de Verlande’s had opgedaan, en gaf in haar geheel de
-beschrijvingen, welke hij dozijnen maal bij stukken en brokken daar had
-gehoord. Beter dan hij dacht, was de indruk, dien hij daarbij maakte;
-het was, vond Tiele, verduiveld mooi, en hij had nooit gedacht, dat die
-Adam daar zooveel van wist. Er scheen ten slotte in dat jongmensch toch
-meer te steken, dan men zoo oppervlakkig zou vermoeden, als er maar
-iemand den slag had het eruit te krijgen; het streelde hem, dat hijzelf
-dien slag bleek te hebben, en aandachtig luisterde hij naar de breede
-uitweiding, nu en dan door een enkel woord of heel gewone vraag toonend
-hoe goed hij bij de zaak was.
-
-„Kijk,” zei hij, „ik heb persoonlijk niets tegen je. Je bent nog wat
-jong, maar dat betert vanzelf. Als je nu in Indië bent, en je hebt met
-je vader gesproken, dan moet je het zóó regelen, dat hij het aanzoek
-voor je doet aan mij, en dat hij daarbij nauwkeurig opgeeft wat en hoe
-je financieele positie is, want je hebt geen betrekking; niet bij het
-gouvernement en niet particulier. Dus is dat noodzakelijk. Begrepen? En
-als dat in orde is, zal ik mij niet tegen uw geluk en dat van Nora
-verzetten, en mevrouw Tiele, daar ben ik zeker van, zal dat evenmin.”
-
-Mevrouw Tiele dacht daar reeds nu niet over. Zij had een der meisjes
-als het ware uitgehuwelijkt en een rijken schoonzoon in ’t zicht; zij
-dacht niet aan broers en zusters, of aan de onvastheid van suiker in of
-buiten perken; zij vond Adam voor Nora als geknipt, ware het slechts
-omdat hij door zijn zachten aard en goedigheid het ’t meisje
-gemakkelijker zou maken, dan zijzelf het in haar huwelijk had gehad.
-
-En Adam, die geïnviteerd werd om te blijven eten, wijl daarop vooraf
-was gerekend, voelde zich geheel tehuis en volmaakt gelukkig; hij en
-Nora gedroegen zich nu en dan, alsof ze al betoel geëngageerd waren, en
-de familieleden deden maar alsof ze dat niet zagen, drinkend met
-vriendelijke gezichten en stille verstandhouding op de gezondheid, den
-voorspoed, het geluk en nog veel meer, van Adam en zijn familie in
-Indië, denkend daarbij aan de eigen dito’s, nu de toekomst zich zoo
-prettig liet aanzien.
-
-In één roes ging het door, de weinige dagen, die hem nog overbleven,
-een droom gelijk. Den laatsten avond zou hij bij de Tiele’s
-doorbrengen; de familie Verlande kwam daar ook nu, en zijn vrienden,
-enkelen bij wie Adam wel aan huis kwam, met hun families. Het was een
-rustig praatavondje eerst, met daarna een innig en hartelijk slot van
-tranen, kussen en zenuwachtige handdrukken; van allerlei beloften en
-toezeggingen: van niet vergeten, brieven schrijven, dikwijls aan
-denken, portretten zenden, groeten overbrengen,—tot hij eindelijk
-alleen met Nora op den corridor stond, suf gepraat en misselijk
-gezoend. De Tiele’s hadden dit laatste apartje maar stil toegelaten.
-
-En het duurde heel lang, zoo lang, dat de oude heer er ongedurig van
-werd en in den salon op en neer ging loopen, hemmend en kuchend, om den
-indruk te geven, dat hij elk oogenblik naar buiten kon komen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESTIENDE HOOFDSTUK.
-
-AAN BOORD VAN DEN MAILSTOOMER.
-
-
-Toen het afscheid eindelijk genomen was, Nora schreiend naar haar kamer
-ging en Adam in den kouden nacht op het trottoir stond, beheerschte hem
-één groot, overweldigend gevoel: hij had zoo’n verschrikkelijken dorst.
-En hij overlegde bij zichzelven naar welk bierhuis hij gaan zou. Zijn
-vrienden wou hij niet ontmoeten, want dan werd het weer zoo laat, en al
-om zes uren den volgenden ochtend zou Verlande hem komen halen met een
-rijtuig. Daarom liep hij maar ergens heen, waar ze zelden kwamen en
-schoof achter het groene gordijn, in het midden van het lokaal, dat dit
-donker liet aan de straatzijde, als een dief naar binnen. Welk een
-goddelijk bier! Bij den tweeden Seidel kon hij weer geregeld denken, en
-hij dacht aan de lieve Nora, die hij zoo pas had verlaten, en aan dien
-heelen avond; aan Nora met een gevoel van teederheid, aan de anderen
-zonder gevoel. En daarna pikirde hij langzaam over het leven, dat hij
-in Holland had geleid, en over de vermoedelijke toekomst; het eerste
-was in den laatsten tijd onbetaalbaar geweest; ’t ging hem aan het
-hart, dat ’t nu zoo heelemaal uit was; het andere,—nu ja, dat mocht
-zijn wat het wilde!
-
-Hij bestelde nog een glas bier en stak ’n sigaar aan; de vlam van den
-lucifer ging hoog op, zijn donker gezicht verlichtend, en tegelijk
-hielden twee jongelui op het trottoir aan den overkant op met loopen.
-
-„Daar zit waarachtig Adam Silver,” zei de een.
-
-„Wel verdomd,” riep de ander.
-
-In een oogenblik zaten ze naast hem, den Seidel hoog; het was typisch,
-vonden ze, hem hier te vinden; het was kranig, dat iemand, die den
-volgenden dag naar Indië ging, nog zijn „afscheidspotje” ging halen in
-de kroeg. En het was zóó typisch en zóó kranig, dat toen Verlande ’s
-morgens vroeg Adam met een rijtuig kwam afhalen om hem naar ’t spoor te
-brengen,—de juffrouw hoofdschuddend verklaarde, dat meneer nog in ’t
-geheel niet thuis was geweest.
-
-Juist kwam meneer aan, zeer berooid, maar met nog vrij veel besef van
-z’n toestand; genoeg althans om er verlegen over te zijn en zijn
-excuses te stamelen.
-
-„Ik ben dadelijk klaar,” verzekerde hij.
-
-Verlande zei maar niks; hij was boos, maar wat hielp het, boos te zijn
-onder zulke omstandigheden.
-
-„Haast je maar wat,” zei hij kortaf.
-
-Nu, dat ging wonderwel, terwijl Verlande toezag; het koude water deed
-op het sterk gestel wonderen, en een kwartier later reden ze door de
-nog eenzame, grijze straten, voorbij de dichte vensters der gesloten
-huizen.
-
-Ze spraken geen woord. Adam te suf haast om iets te zeggen, worstelend
-tegen zichzelf, Verlande uit het portierraampje kijkend, nog altijd te
-nijdig om vriendelijk te wezen.
-
-Aan het station was hij weer in een vergevensgezinde stemming geraakt,
-maar toen hij een drietal rumoerige en dronken jongelui zag staan op
-het perron, die een hoeraatje aanhieven bij Adam’s komst, werd hij
-bleek.
-
-„Ik wil je groeten, en goede reis verder.”
-
-Daarmee ging Verlande weer terug naar de vigilante, die hem gebracht
-had, en reed weg. En in de wachtkamer hield de oude heer Tiele zich
-schuil. Hij had een bewijs van hartelijkheid willen geven, en was naar
-het station gekomen om een laatste afscheid te nemen, maar toen hij het
-drietal had gezien, en uit hun luidruchtig gepraat had gehoord,
-waarvoor zij daar waren, kwam het zijn eer als hoofdambtenaar te na,
-zich te vertoonen voor hetzelfde doel.
-
-Adam Silver dankte God, dat de trein afreed; nog nooit had hij zóó het
-land gehad aan zichzelven; hij had kunnen huilen.
-
-In die stemming kwam hij aan boord van den mailstoomer, en vroeg enkele
-inlichtingen; hij had een hut achteruit, zoo goed als boven de schroef;
-een hut met couchetten, welke hij deelde met een ander passagier, die
-daar nu zelf niet was, tot zijn vreugde; die nu waarschijnlijk boven
-stond, afscheid nemend van ontroerde bloedverwanten, zelf ontroerd bij
-het verlaten van z’n vaderland.
-
-Adam dacht er niet aan, hij dacht in het geheel niet; hij had het niet
-kunnen doen; hij was òp van het feestvieren de laatste dagen en
-nachten; op den rand zijner couchette, zat hij zijn bottines uit te
-trekken en onder de hand vielen z’n oogen dicht van overweldigenden
-slaap.
-
-Den volgenden dag ontwaakte hij, ’s ochtends heel vroeg, verbaasd en
-met geen idee van tijd, maar volkomen uitgesoesd en opgefrischt,—wat
-dat laatste aangaat door en door koud zelfs; een lang en rauw geluid
-deed hem naar den anderen kant kijken over den rand zijner couchette en
-in het flauwe lichtschijnsel zag hij boven den rand der
-tegenoverliggende slaapplaats een bleek stuk gezicht met zweetdroppels
-erop, akelig om te zien; en zich eenigszins opheffend, begon hij nu ook
-te ontwaren, hoe zijn hutgenoot op gruwelijke wijze tol had betaald aan
-de groote zee, zonder dat hij er iets van had bespeurd.
-
-Met eenige moeite, door de beweging van den stoomer, stond hij op.
-
-„Willen we eens kennis maken?” vroeg Adam den anderen jonkman.
-
-Maar die, hem met een paar bleeke landerige oogen aankijkend, joeg zijn
-hoofd met een plotse hevige beweging buiten de couchette, en, na de
-akelige evolutie achterover vallend, zuchtte hij enkel:
-
-„O God, ik ben zoo beroerd!”
-
-Adam haastte zich zoo gauw mogelijk weg te komen uit de benauwde
-ruimte, naar het salon, waar de passagiers, voorzoover die present
-waren, hem met verwonderingsgezichten aankeken; hij groette met een
-hoofdknik in het rond, zichzelf geheel meester, met zijn gewone rustige
-kalmte, ontbeet stevig, en zocht, uit een gevoel, dat het zoo behoorde,
-den commandant op om zich voor te stellen.
-
-Die nam hem eens op met een stil glimlachje:
-
-„Goed geslapen, meneer Silver?”
-
-„Dank u, uitstekend.”
-
-„Al ontbeten?”
-
-„O ja en perfect. Ik had een kolossalen honger.”
-
-„Dat kan ik begrijpen. Geen last van zeeziekte?”
-
-„Ik... ik geloof het niet.”
-
-„Nu, dan zal het wel schikken. Ik wou, dat al m’n passagiers bij het
-begin van de reis zoo’n rustige vier en twintig uren doormaakten als u
-hebt gedaan. ’t Zou de meesten te pas komen.”
-
-Maar in dien tusschentijd was aan boord de reputatie van Adam
-gevestigd, als de totaal mislukte zoon van rijke indische ouders, die
-nog vóór z’n terugkeer uit Holland zoo had gesjouwd, dat hij als het
-ware slapende in z’n kooi was neergevallen. Het was in dezen kring een
-zeer ongunstige reputatie; de jongeren, die voor het eerst naar Indië
-gingen, de ouderen, die erheen terugkeerden,—ze waren allen
-werkmenschen, die door arbeid hun toekomst en hun bestaan moesten
-verdienen; en dien éénen fainéant, als vreemde eend in de bijt, haatten
-ze, nog vóór ze hem hadden gezien; zijn „rijkdom” hem benijdend;
-zichzelven en elkaar verheffend door laag neer te zien op zijn gebrek
-aan kennis en geleerdheid; de ouderen onder hen, den vader beklagend,
-die zoo’n presentje weer op z’n dak kreeg.
-
-Het viel Adam op, dat men onvriendelijk tegen hem was, en dit hem
-belette zich bij de lui aan te sluiten; toen men de Engelsche kust
-naderde, stond hij bij een paar jonge ingenieurs en zei ’n enkel woord
-tusschen hun gesprek; zij keken elkaar eens aan; zijn uiterlijk en zijn
-kalme fatsoenlijke manieren waren hun meegevallen; een hunner vroeg:
-
-„Gaat u in gouvernementsdienst naar Indië?” terwijl hij heel goed wist,
-dat dit niet zoo was.
-
-„Neen. Ik ben naar Indië ontboden door mijn familie om de ziekte van
-papa.”
-
-„Nu ja! wat veel...?”
-
-„Dat zou het niet geweest zijn. Het ging van begin af niet best. In het
-begin gaf ik me moeite; naderhand niet meer. Waartoe ook? Als ambtenaar
-zou ik maar de plaats innemen van een ander die er meer behoefte aan
-had.”
-
-Het was zijn verdedigingsphrase, en zij viel in goede aarde. De
-jongelui keken elkaar nog eens aan, alsof ze wilden zeggen, dat hij
-eigenlijk gelijk had. Zij lachten er hartelijk om, en waren nu ook
-toeschietelijker. Toen volgden de anderen, en voor Marseille nog, waren
-ze het volmaakt erover eens, dat die Adam Silver een nette en goede
-jongen was, en het er voor zoo’n toekomstigen richard toch ook
-eigenlijk niets toe deed of hij ’n baantje had of niet.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
-
-IN INDIË TERUG, MAAR... AAN EEN STERFBED.
-
-
-Het was een aangename reis; de jongeren vooral, vol hoop en illusiën
-een nieuw leven in een ander deel der wereld tegemoet gaande, leefden
-in de kalmer wateren van het zuiden en onder den invloed van het al
-zachter wordende klimaat, op in de levenskracht en de frischheid hunner
-volle jeugd; van alles verzinnend om het scheepsleven gezellig en
-vroolijk te maken.
-
-Toen men in de tropische luchtstreek kwam, veranderde er veel, wat de
-meesten niet opviel, voor sommigen toch zeer opmerkelijk was.
-
-Adam onderging die verandering ook, zonder er veel van te merken; wel
-zeurde hij met de anderen mee over de warmte, maar hij meende daar
-niets van; hij voelde zich veel prettiger dan bij zomerwarmte in
-Europa; hij at de niet zeer smakelijke rijsttafel aan boord met het
-grootste genoegen; hij liep in slaapbroek en kabaai rond ’s morgens, of
-hij ’t zijn leven lang had gedaan; en daar de in Indië geborenen bij de
-nadering van Poeloe Pisang als door een tooverslag weer minder correct
-Hollandsch gingen spreken, dan ze het eerste deel der reis deden, was
-Adam in één dag geheel onwillekeurig daar ook mee op—eigenlijk
-van—streek.
-
-Toen hij, na een lange vervelende kustreis in het huis kwam, dat... hij
-eens met ’n rood kieltje aan had verlaten, had hij zoodoende al meer
-„Indische” levensvormen overgenomen, dan ’n gewoon Europeesch baar in
-een jaar; maar toch herkende hem niemand; gelijk ook hij niets
-herkende.
-
-Hij liep het erf op en zag boven in de binnen-voorgalerij jonge mannen
-in witte kabaai, een oude inlandsche vrouw, een jonge bijna inlandsche
-vrouw; en zij verdwenen, naar achteren wijkend, toen ze hem zagen.
-
-Een jonge man kwam beneden in het huis naar voren; hij was mager en
-beenig, met ingevallen borst en zwaar zwart haar; zonder baard of
-knevel, de gladde huid als gespannen over de kaak-beenderen,—John
-Silver uit diens jeugd.
-
-Min of meer verlegen trad hij met kleine dribbelpasjes op den breeden
-kolossus toe, een soort van onderdanige beleefdheid in zijn houding:
-
-„Met wien heb ik de eer?” En de andere, ook door deze ontmoeting
-bedremmeld en verlegen:
-
-„Ik ben Adam.”
-
-„Allah! ik ben Bram.” Zij monsterden elkaar eens goed, een oogenblik
-verwonderd over de tegenstelling.
-
-„Hoe is het mogelijk,” zei Bram. „Hoe ben je zóó?”
-
-„Ja,” antwoordde Adam met zijn goedigen glimlach, „dat dacht ik ook.”
-
-„Stil; weet je; Pa is zwaar ziek; laat ons naar achter gaan, naar het
-oudje; ik wil het haar eerst zeggen; ze zou anders schrikken.”
-
-Een paar minuten later haalden ze hem af met groote hartelijkheid, de
-broers met hun beiden nu, zijn dikke handen fideel drukkend in hun
-magere knokken, de zuster met het eene oog hem kussend, dat het klapte:
-njai Peraq stil en ontdaan hem maar aankijkend door haar bril met een
-uitdrukking op haar gezicht of ze versuft was; niets zeggend, zonder
-eenig vertoon van genegenheid, toen hij haar, bewogen zelf nu, een kus
-gaf.
-
-Ze brachten hem zacht in de ziekenkamer; John Silver was al twee dagen
-niet meer bij kennis en stervende; zóó mager lag hij daar, dat het
-haast ongelooflijk was.
-
-„Hij spreekt al in langen tijd niet meer,” fluisterde Bram. „De dokter
-zegt, dat hij nog dagen zoo kan liggen, maar dat het ook ineens gedaan
-kan zijn.”
-
-Adam voelde niets voor het wezen, dat daar op het bed lag, langzaam
-ademhalend, de oogen dicht, wezenloos en buiten kennis. Toen ze een
-tijd hadden staan fluisteren, kreeg zijn zuster een ingeving; zij had
-altijd het meest van den vader gehouden; zij huilde bij zijn sterfbed;
-zij had nog zoo graag zijn stem eens gehoord, zijn oogen eens zien
-opengaan.
-
-Zij boog zich over haar vader; met haar gezicht vlak bij het zijne en
-den mond aan zijn oor, zei ze dringend:
-
-„Pa, paatje, daar is Adam.”
-
-En de oogen gingen open, wel een oogenblik dwalend, den blik over de
-groep voor het bed; dan stil op de breede figuur in grijs complet,
-tusschen de witte kabaja’s.
-
-Er kwam geen woord, al leefde het heele gezicht plotseling op met
-gloed.
-
-Adam, ontsteld, ging op den stoel zitten naast het bed, nam de hand,
-die op de sprei lag, in de zijne en zei:
-
-„Dag pa, hoe is het met u?”
-
-Om de blauwige lippen van den breeden mond gleed een grijns als ’n
-spotlach; de gloed in het gezicht nam af; het licht der oogen werd dof
-en mat; een halve minuut duurde het misschien en zij waren er allen zóó
-door getroffen; dat ze niet spreken, zich niet bewegen konden.
-
-Toen kwam het reutelend geluid diep en langzaam wegstervend; de
-verstijving der trekken, het heelemaal verdwijnen van den blik in de
-oogen, die gericht bleven op het gezicht van Adam.
-
-John Silver was dood.
-
-Alleen Lucie nam jammerend het lichte kleine hoofd in haar armen, en
-riep haar vader toe met lieve namen, en huilde haar leed door het huis.
-
-„Het is gelukkig, dat je hem nog even hebt gezien,” zei Bram.
-
-„Ja, dat is het,” gaf Adam maar willig toe, gedachtenloos, overvallen
-door dien zonderlingen terugkeer in een omgeving, hem heelemaal vreemd.
-
-„Kasian, hij heeft in den laatsten tijd veel over je gepikird.”
-
-„Ik heb ’t uit je brief gezien. Het spijt me dat ik niet eer gekomen
-ben.”
-
-„Waarom kwam je niet eer?”
-
-„Ik wist het niet; er is mij niets van geschreven.”
-
-Bram dacht een oogenblik na; hij wou iets weten, maar hij durfde ’t
-haast niet vragen.
-
-„Kon je niet vroeger komen uit jezelven?”
-
-„Waarom zou ik het gedaan hebben? Ik had een goed en pleizierig leven
-in Holland.”
-
-„En wat heb je er uitgevoerd?”
-
-„Pret gemaakt en.... ’n beetje geleerd. Maar niet veel!”
-
-Goedig en vriendelijk keek Bram hem aan; hij was bang geweest voor de
-komst van dien jongsten broer; hij wist wel, dat het geen hoogvlieger
-was, maar toch.... ’n jongen, die zoo lang in Europa was geweest, zou
-hem met geleerdheid en groote woorden zeker overdonderen. In plaats
-daarvan was Adam de eenvoud en de gewoonheid zelf in zijn manier van
-spreken.
-
-„Wat ga je nu doen?” vroeg Bram.
-
-Adam voelde zich verlegen met de zaak. Hij had z’n hoofd niet goed bij
-elkaar; hij was daar zóó van de reis, bij ’n sterfbed neergezet; en nog
-heelemaal onder den indruk van het geval, moest hij plannen voor de
-toekomst blootleggen, die hij niet had gevormd.
-
-„Zeg jij het maar.”
-
-Daar keek Bram weer vreemd van op; dat was, meende hij, ’n leuke kerel,
-of hij had het mis!
-
-„Op het land, dat zal het beste wezen.”
-
-’t Was juist wat Adam altijd had gedacht; het ging voor hem op, als een
-licht, en tevreden knikte hij.
-
-„Juist; op een der ondernemingen van den ouden heer.”
-
-„Ondernemingen van den ouden heer?”
-
-„Nu ja,” verbeterde Adam, meenend verbaal ’n bok te hebben geschoten,
-„van ons dan, na zijn dood!”
-
-„Van ons?” vroeg Bram in de hoogste verbazing.
-
-„Ja... wat anders?”
-
-„Maar beste jongen, wie heeft je ooit van die dingen gesproken?”
-
-Het was een pijnlijke vraag. Ja, de Verlande’s hadden altijd gezegd,
-dat zijn vader wel zou zorgen, dat hij op een land kwam, maar hij
-alleen had daar als vanzelf sprekend uit afgeleid, dat het poenja was,
-en op die gedachte was hij steeds doorgegaan.
-
-„Dat weet ik niet meer, ik heb het me altijd zoo voorgesteld.”
-
-„Nu, maar dat is dan heel verkeerd geweest, hoor!”
-
-Daar schoot hem iets te binnen.
-
-„De perken!” zei hij triomfantelijk.
-
-„Het aandeel daarin, bedoel je. Dàt is al ’n paar jaren lang naar de
-maan, beste jongen; dat heeft pa moeten afstaan voor andere beren.”
-
-„Beren!” riep Adam in de hoogste verwondering. „Kom, je fopt me.”
-
-„Waarachtig niet, wat zou ik daaraan hebben. Betoel, hoor! beren bij de
-Bank.”
-
-„O zoo, bij de Bank. Maar pa was toch rijk.”
-
-„Ben je wel heelemaal dwaas! Jongen, ik zie wel, dat jij leelijk in de
-war bent. Wat er van den boel hier terechtkomt, kan ik haast op duizend
-gulden nagaan; als we elk twintig mille voor ons erfdeel maken, zal het
-heel mooi zijn.”
-
-In Adam rees een gevoel van wantrouwen op; het kon niet waar zijn; het
-was zeker de inleiding tot een plan om hem te misleiden en te
-bedriegen; daarom gaf hij geen antwoord, en de andere, die daar eenig
-besef van had, ging voort.
-
-„Enfin, je zult het zien. Jij bent de eenige minderjarige nog, en
-daarom zal de Weeskamer er wel bij komen. Dan zal je het ondervinden.
-En als je verstandig wilt zijn, ga dan zoodra alles is afgeloopen, stil
-als opziener dienen; ik weet; er is iets open, tachtig pop in de maand,
-vrije woning, rijst, olie en brandhout. Dat kan ik je wel bezorgen. En
-zet dan je erfportie secuur in deposito. Naderhand, als je kennis van
-zaken hier hebt gekregen, kan ’t geld je te pas komen.”
-
-Het was wel verstandig geredeneerd, maar sterker geesten dan Adam
-zouden duizelig zijn geworden door zulk een val. Daar zonk alles onder
-hem weg! Een handvol geld, en verder niets.... Van den goeden raad
-begreep hij de helft niet... Vrij rijst, olie en brandhout.... dat zou
-hij krijgen; hij, Adam Silver, die er zoo goed en zoo netjes als
-millionnairs-zoon van geleefd had in Den Haag!... Van alles wat Bram
-hem daar had gezegd, klonk hem niets zoo onmogelijk, zoo min en
-vernederend in de ooren als die vrije olie en die rijst.
-
-„En moeder?” vroeg hij om toch iets te zeggen.
-
-„Het oudje? O, die komt terecht; die heeft haar eigen duitjes,
-vermoedelijk meer dan wij; zij heeft haar heele leven geld geleend
-tegen mooie rente. Anderhalf soms twee percent in de maand. Dàt kan ze
-uitstekend. Maar daar moet iemand ondervinding en slag van hebben,
-anders loopt hij er geducht in.”
-
-Zijn moeder een inlandsche vrouw en een woekeraarster; het was, meende
-Adam Silver een comble; wat kon hem nu nog overkomen?
-
-„Zeg,” ging Bram voort, „wil je de koffers niet ontpakken.”
-
-Hij had een stille hoop, dat er toch wel iets voor hem en de anderen in
-zou zitten, een cadeautje uit Holland; de een of andere aardige
-kleinigheid. En zij gingen samen naar de kamer voor Adam ingericht. De
-tweede broer moest maar zorgen voor de toebereidselen tot de
-begrafenis.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
-
-HET GEVONDEN PORTRET.
-
-
-Bram had het niet mis, schoon Adam part noch deel had aan de attentie;
-die was het werk geweest van de Verlande’s; zij hadden wat snuisterijen
-gekocht, ingepakt en geadresseerd; aardige kleinigheden uit
-galanteriewinkels, in Holland goedkoop, in Indië op kleine plaatsen en
-buitenposten, duur en zelfs niet verkrijgbaar. En allen vergaten er den
-dooden vader om; kinderlijk blij, opgetogen van pleizier over de
-„cadeautjes”, met een groot gevoel van genegenheid nu voor Adam, die
-dat alles hoorde en aanzag, in het geheel niets begrijpend van deze
-nieuwe omgeving.
-
-Den volgenden ochtend zou John Silver worden begraven; een paar oude
-baboes hadden het lijk „afgelegd”; een oude mandoer zou er bij waken;
-het scheen voor de familie een „zaak”, die haar weinig of niet
-regardeerde; alles liep over mandoers en baboes en een inlandschen
-opziener der begraafplaats. Maar de deelneming, voor zoover die bestond
-in het volgen van het lijk naar het kerkhof, was, buiten evenredigheid
-tot wijlen John Silvers populariteit, groot; men mocht hem genegeerd
-hebben bij zijn leven,—nu hij dood was, moest men hem toch geven, wat
-men meende verplicht te zijn aan een „Europeesch ingezetene.”
-
-Adam had het zich in zijn kamer zoo aangenaam mogelijk gemaakt, en was,
-toen hij de formaliteit der begrafenis mede had vervuld, op z’n bed
-gaan liggen. Het zag, vond hij, er gek voor hem uit; de omstandigheden
-hadden hem heelemaal overrompeld; een beeld van zijn eigen toestand was
-hij nog niet bij machte geweest zich te vormen. Niet aan
-herseninspanning gewoon, schenen hem dit alles hoogst ingewikkelde
-complicaties. Zou hij met z’n geld naar Europa teruggaan? In gedachten
-zag hij het strak gezicht van den ouden heer Tiele, met de kleine
-sleufoogjes voor zich uitstarend langs den grooten beenneus; hij hoorde
-weer het categorisch verhoor en de aanbeveling om toch vooral secure
-opgaven mee te zenden over zijn, Adam’s, financieelen toestand; hij
-herinnerde zich, hoe hij te goeder trouw had gebluft met dat millioen,
-waaraan hij geloofde, maar dat er niet was.
-
-En als hij daar dan aankwam met die twintig mille of wat ervan
-overschoot..... Neen, dàt kon niet. Hij moest Nora Tiele opgeven,
-daartegen was niets te doen. Die gedachte deed hem verdriet. Hij hield
-al heel veel van haar, toen hij uit Holland ging, en sedert was die
-genegenheid zoo ver gegaan als zijn aard en karakter toelieten; hij had
-te Marseille brieven van haar gekregen, zoo innig lief, zoo hartelijk
-en vriendelijk, dat het beetje poëzie zijner eigenaardige jeugd erdoor
-hoog werd opgevoerd; hij had die brieven gelezen met een groot gevoel
-van teederheid, er zoo goed hij kon in denzelfden geest op geantwoord,
-en zoodoende zijn liefde voor Nora gevoed en opgekweekt tot wat die nu
-was, met al de illusiën voor de toekomst.
-
-Ineens was dat uit; hij kon er geen minuut aan denken; hij nam haar
-portret in de hand en bekeek het, zielsbedroefd, maar met de
-overtuiging, dat de omstandigheden het uit hadden gemaakt tusschen hem
-en haar. Geen oogenblik kwam bij hem de gedachte op van strijd tegen
-die omstandigheden en van overwinning aan het einde. Wat dat aanging,
-was hij zich instinctmatig zijner onmacht bewust.
-
-Hij had wel eens gelezen van menschen, die met een kleinigheid begonnen
-en door hun energie fortuin hadden gemaakt, maar dat hield hij voor
-fabeltjes; hij had altijd geleefd in een atmosfeer van knapheid, waarin
-hij dom werd genoemd, omdat hij zoo moeilijk leeren kon; hij was
-doordrongen van het geloof, dat men zonder veel geleerd te hebben door
-zichzelf tot niets kon komen; dat dus alle pogingen, die hij deed,
-eenvoudig tot niets zouden leiden.
-
-Hoe hij zich ook inspande, het hielp hem niet; hij zag nergens een
-uitweg, en moe van het pikiren, na den zeer overvloedigen maaltijd,
-sliep hij in, en lag daar groot, zwaar en breed, in een rustige
-digestie.
-
-Njai Peraq kwam zacht de kamer binnen, gevolgd door Bram, en stil keken
-zij beiden toe, door het zachte licht, in het wit omklamboede bed.
-
-„Allah, welk een man,” zei ze zacht in het Maleisch.
-
-Bram, glimlachend, schudde het hoofd tegenover dit raadselachtig wezen,
-dat daar zwaar sliep, met een lange krachtige ademhaling; hij had hem
-aldoor met verwondering aanschouwd, vooral aan tafel; en zijn zuster
-met haar ééne oog, had hem aangekeken vol stomme verbazing over de
-hoeveelheid eten, die Adam rustig verwerkte.
-
-„Weet-je,” fluisterde Bram tegen njai Peraq terug; „hij is net als
-sommige perceelen; die moeten ook altijd zwaar bemest worden en ze
-produceeren toch zoo goed als niets.”
-
-Zij antwoordde niet; ’t was de vraag, of ze wel eens naar Bram had
-geluisterd; ze ging naar het ledikant, boog zich over hem heen en trok
-zacht en voorzichtig het portret van Nora onder zijn eenen arm uit, die
-erop lag; zoo zacht en voorzichtig als een inlandsche vrouw dat kan,
-zoodat er geen vlieg door van z’n plaats zou gaan, laat staan een
-mensch door ontwaken.
-
-Bram ging heen, toen hij even had meegekeken. ’t Was hem niet
-aangenaam, dat Adam verliefd was; zoo’n europeesche vrouw in de
-familie, daar zag hij erg tegen op; hij deed net zooals zijn vader had
-gedaan en voelde zich wèl daarbij; hij had een inlandsche huishoudster
-en die deed op de onderneming, waar hij opziener was, wat njai Peraq
-altijd gedaan had in het vaderlijk huis; zij hield er een warong bij,
-waar het volk, dat van haar geld leende en altijd door bij haar in het
-krijt stond, wel koopen moest. Zoo sneed het mes van twee kanten!
-
-De moeder dacht daar ook zoo over; het liep haar koud langs den rug,
-bij het zien van het portret van dat bleeke meisje, zoo onbegrijpelijk
-raar gekleed. Moest dàt haar menantoe worden? God in den hemel, zuchtte
-zij, het was onmogelijk! Zij zou het niet gedoogen. Al zou het haar nog
-zooveel geld kosten aan toovermiddelen en goena-goena, zij zou het
-ervoor over hebben! Een knappe, aardige, inlandsche vrouw, waar zij,
-njai Peraq, op haar ouden dag iets aan had, die moest hij hebben; en
-hij zou een beste kunnen krijgen, omdat hij zoo’n mooie jongen was, en
-omdat zijzelf er wel een voor hem zoeken zou.
-
-Stil sloop zij de kamer uit, het portret van Nora Tiele onder haar
-baadje. Buiten ging Bram haar achterna, de oude kamer binnen, die zij
-al zooveel jaren bewoonde in de bijgebouwen, en in dezelfde groote
-trommel, waar het portret van Adam, dat zij van John Silver gekregen
-had, was geborgen, legde zij het andere, dat zij nu had weggenomen.
-
-„Wat doe je, ma?”
-
-„Ik berg het weg, Bram; hij mag het niet houden.”
-
-„Hij is geen kind meer, ma; ik denk dat hij kwaad zal zijn.”
-
-„Waarom kwaad? Op wie?”
-
-„Wel op een van ons beiden, ma, maar niet op mij.”
-
-„Hij zal het niet weten, Bram. Zou jij zoo’n mal bleek mensch hier in
-huis willen zien?”
-
-Bram lachte hard en krakend; net het geluid van z’n vader in vroeger
-tijd.
-
-„Neen, niet graag,” bekende hij openhartig; „maar mal zijn die totohs
-niet, ma; zij zijn heel wat slimmer dan wij.”
-
-„Het kan mij niet schelen en het is niet waar ook; ja, zij kunnen
-allerlei maken van ijzer, hout en steen, en zij kunnen sopi drinken en
-brendy, maar pinter zijn ze niet.”
-
-„Soedah! Ik weet het beter. Maar het is waar, ik zou zoo’n schoonzusje
-niet graag hebben. Doch daarom zou ik het portret niet stelen.”
-
-„Als hij het ziet, denkt hij aan haar.”
-
-„Laat hem denken.”
-
-„Dan wil hij haar trouwen.”
-
-Bram lachte weer.
-
-„Je wordt oud; je bent zelf niet zoo pinter meer als vroeger. Allah,
-toch ma! hij is een Indische jongen. Laat hem maar eerst ’n week of wat
-hier zijn, dan is hij gewend.”
-
-„En dan?”
-
-„O, welk een garnalenhoofd!” riep Bram zonder eenig respect voor de
-moederlijke waardigheid van njai Peraq. „Dan geef ik hem een aardig
-meisje om hem te pidjit.”
-
-Daar moest nu de oude vrouw om lachen, het dom vindend van haarzelf,
-dat zij dááraan niet had gedacht.
-
-„Geef mij dus het portret terug,” ging Bram voort, „dan zal ik het in
-z’n kamer leggen; het is beter.”
-
-Maar zij was bang.
-
-„Neen, ik doe het niet, Bram, ik doe het niet.”
-
-„Geef het nou, zeg ik. Hij moet ons niet gaan wantrouwen; en als hij
-dat ding mist, zal hij u of mij natuurlijk verdenken.”
-
-Maar het was preeken voor doovemans ooren; aan zoo’n photographisch
-portret schreef njai Peraq een buitengewonen invloed toe, had zij dien
-niet zelf ondervonden en gevoeld, toen ze dat van Adam zag en ineens
-voor haar oogen een beeld oprees, dat ze al lang was vergeten; en zoo
-duidelijk, dat zij ervan schrikte? Neen, dat nooit!
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
-
-EEN NIEUWE VLAM.
-
-
-Adam rekte zich uit, dat de ledikantstijlen ervan kraakten. Hij had
-heerlijk geslapen en de muizenissen waren hem uit het hoofd gegaan, aan
-het portret dacht hij zoo dadelijk niet en miste het dus evenmin; hij
-ging baden om wat op te frisschen, en deed ’n wandeling daarna met
-Bram, die druk bezig was in den tuin.
-
-„Het ziet er niet netjes uit,” excuseerde zich Bram, die dezelfde
-liefhebberij in bloemkweeken had als z’n vader. „Het is in den laatsten
-tijd erg verwaarloosd door de ziekte van den ouwen.”
-
-„Het gaat nogal,” meende Adam met ’n onverschilligen blik over de
-rozestruiken en de veelkleurige planten.
-
-„Neen, waarachtig niet. Maar da’s niks; ik zal het wel weer gauw in
-orde krijgen. Hou jij van bloemen?”
-
-Bram zat op z’n hurken, met vette aardkluitjes aan en een groote kromme
-schaar in z’n handen, en hoog boven hem uit stak het groote breede
-lijf, dat in de witte kabaai nog forscher leek, van den jongeren broer.
-Toen Bram geen antwoord kreeg, zag hij op naar den jeugdigen gebaarden
-kop boven hem, en hij volgde tusschen de struiken de richting van den
-blik, die er bovenuit keek.
-
-„Aardig, ja?” vroeg Bram.
-
-Langzaam knikte Adam van ja; zijn zwarte oogen, glinsterend als
-karbonkels, boorden door de lichte gele zonnelucht over den pagger naar
-het weggetje daar langs, en Bram lachte genoeglijk; dááraan herkende
-hij ten minste zijn bloed bij dien vreemdsoortigen broer; die rare eend
-in de familiebijt.
-
-„Ja, ze ziet er goed uit,” vervolgde Bram; „zij is de dochter van een
-mantri van de gevangenis; ze zal moeilijk te krijgen zijn.”
-
-Adam oogde nog de slanke figuur na in het gebloemd katoenen baadje,
-dat, strak gespannen, van onder haast vastgedrukt tegen de mede
-engsluitend aangehaalde in bruin gewerkte sarong, de fijne ronde vormen
-onberispelijk teekende, evenals de met die tengerheid van bouw
-contrasteerende, sterke buste-ontwikkeling in conische vormen
-vooruitspringend.
-
-Het was ’n mooi gezicht vond Adam; hij had, toen ze voorbijging,
-gekeken in haar vroolijke, ronde oogen, die hem toelachten gelijk het
-meisjesoogen mooie jongens doen; zijn blik was gegaan over den
-weelderigen schat van in een groote wrong gedraaid hoofdhaar, waarin ’n
-wit bloempje stak, als hield dat die massa bijeen; en het aardig
-ensemble had hem diep geïmpressionneerd; een stil vuur was langzaam als
-door hem heengegaan van top tot teen, een gloeiende lavastroom, die hem
-op zijn groote voeten deed staan trillen van begeerte.
-
-Dat was hem nog nooit overkomen, zóó nog nooit! Bij de boemelpartijen
-met zijn vrienden in Holland had hij meegedaan aan alles, maar zonder
-veel opgewektheid; altijd met het indolente en onverschillige, dat hem
-zoo typeerde in uiterlijk en manieren. Hij gaf zich geen rekenschap van
-het andere, dat hem nu bezielde; hij vond het vreemd en keek er een
-oogenblik later verwonderd over naar Bram, die opgestaan was, als moest
-deze het raadsel oplossen. Of het kwam door het klimaat of door zijn
-oostersche afkomst;—dat waren quaesties, die niet eens in zijn
-gedachten oprezen.
-
-Werktuiglijk vroeg hij:
-
-„Zou het niet gaan?”
-
-„Ik denk het niet,” zei Bram, „of je moest het heel stil behandelen.”
-
-„Hoe bedoel-je?” vroeg Adam, die wezenlijk niet op de hoogte was, en
-deze conversatie, welke hem geheel au fait vooronderstelde en in kwart
-en halve phrasen werd gevoerd, nauwlijks volgen kon.
-
-„Wel, dan naderhand met geld; een flinke som. Zie je, zoo’n kerel is
-nauwelijks bij het gouvernement of van tweeën één: zijn dochter moet
-huishoudster worden bij een Europeesch ambtenaar, die hem vooruit kan
-helpen, of zij moet trouwen met een inlandsch ambtenaar; maar een
-ambtenaar moet het zijn; dáár heeft zoo’n vent nu eenmaal zijn zinnen
-op gezet, en hij gaat er niet af.”
-
-„Ik kan nog niet eens met haar praten,” zei Adam met een spijtigen
-glimlach.
-
-„Och, dat is niks. Integendeel.”
-
-„Hoezoo?”
-
-„Wel, des te gauwer leer je de taal van het land.”
-
-„Ja, dat zal wel waar zijn.”
-
-„Nou,” zei Bram zacht en vertrouwelijk, „ik zal eens poolshoogte voor
-je nemen. Loop je nog door?”
-
-En toen Adam dat nog doen wilde:
-
-„Dan groet ik je, want ik moet even met de ouwe vrouw praten.”
-
-In het kamertje op het achtererf ging hij bij njai Peraq zitten en stak
-een strootje op, z’n magere beenen in de lucht wippend en kruiselings
-weer inhalend met groote lenigheid over elkaar tot ver achter het
-kniegewricht.
-
-Telkens luid op lachend, vertelde hij in het maleisch hoe Adam het
-inlandsche meisje had aan- en nagekeken; dat hij al zoo goed als
-verliefd was op het eerste gezicht; dat het dus alles maar onzin was
-met dat totohmeisje, en Adam als hij eenmaal Minah van den mantri had,
-voorgoed van die gekheid af zou zijn.
-
-Ernstig en stil overwoog njai Peraq; de mantri stond bij haar in de
-schuld; hij was achterstallig en zij kon hem in moeilijkheden brengen,
-want hij knoeide met leveranciers; dàt kon ze bewijzen; het meisje was
-wel een beetje koket en keek veel te veel de mannen in de oogen, maar
-ze was werkzaam en bij de hand, en had ze eenmaal een laki als Adam,
-dan zou zij zich heel gemakkelijk tot deugden schikken.
-
-„Het kan misschien wel,” meende zij.
-
-„Hm! Heb je hem vast?”
-
-„Ja; maar hij kan me ontgaan, als er anderen zijn, die hem helpen.”
-
-„Nou ja! Ik zou er gauw werk van maken. Loop er eens langs en vraag
-haar mee te gaan om koffie te drinken en kwee-kwee te eten.”
-
-„Wat zou dat helpen?” vroeg njai Peraq.
-
-Zij had andere inzichten; zij kon niet afdalen tot het standpunt van
-vernedering, vanwaar Bram het artikel vrouw beschouwde.
-
-„Wat het helpen zou? Wel, als ze eenmaal hier is, komt ze ook wel eens
-alleen met Adam. Dan moet hij maar zelf weten, wat hem te doen staat.”
-
-Maar njai Peraq fronste de wenkbrauwen en schudde in korte nijdige
-bewegingen het hoofd.
-
-„Terlaloe, Bram. Het is gemeen, en zóó zal het niet gebeuren. Ik weet
-wel beter en fatsoenlijker. Hij hoeft geen beest te zijn om haar te
-krijgen.”
-
-Bram lachte erom, zoo gek vond hij haar uitval, en stak, terwijl hij
-zijn knokkelvingers luid en knappend liet kraken, zijn magere beenen
-weer in de lucht. „Ouwe sok!” zei hij in ’t Hollandsch.
-
-Zij kende het woord, als een uitdrukking, die John Silver vroeger
-altijd veel in den mond had; maar zij begreep er niets van en liet het
-erbij. En toen Bram uitgelachen had, spraken ze er ook niet verder
-over, denkend ieder hun eigen gedachten.
-
-Tot Bram opschrikte toen een baboe kwam zeggen, dat er bezoek was; de
-meneer had een kaartje afgegeven, er stond op, dat hij agent was van de
-Weeskamer.
-
-Met een nijdig gezicht ging hij het huis in; dat was waar ook: de
-vervelende Weeskamer zou zich er nu mee bemoeien, want Adam was
-minderjarig.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
-
-ONTERFD.
-
-
-Toen hij binnenkwam waren er twee personen, de agent van de Weeskamer
-en een ander ambtenaar; en deze laatste was eigenlijk de woordvoerder;
-daar er op de plaats geen notaris was, en die ook niet te bereiken
-viel, had John Silver in zijn tegenwoordigheid een testament gemaakt
-onder getuigen en eigenhandig, en dat had hij bij hem in bewaring
-gelaten; de familie moest den volgenden dag maar op ’t kantoor komen.
-
-Intusschen deed de ambtenaar van de Weeskamer verder zijn plicht en
-alles werd opgeschreven en het gaf, vonden njai Peraq en de verdere
-familieleden, een gezanik, om ziek van te worden.
-
-Toen des anderen daags de voorlezing van het testament was afgeloopen,
-keken ze elkaar aan, zóó vol verbazing, dat het was, als hadden ze hun
-verstand verloren.
-
-„De oude was gek,” zei Bram.
-
-Daartegen protesteerde de openbare ambtenaar; John Silver was volkomen
-bij z’n verstand geweest; dat konden de getuigen verklaren.
-
-„Maar moeder dan?”
-
-Njai Peraq kwam in het testament niet voor.
-
-„Het is te mal, het is nonsense,” hield Bram vol...
-
-„Daar!” riep hij opgewonden, „het bewijs heb ik!”
-
-„Welk?” vroeg de agent.
-
-„Wel, dat pa niet bij zijn positieven was. Hij heeft mijn broer Adam
-vergeten.”
-
-„Ja, dat heeft hij,” gaf de Weeskamer toe.
-
-Maar de openbare ambtenaar niet; die streek eenigszins verlegen over
-z’n gezicht, en schudde langzaam, ontkennend, het hoofd.
-
-„Dat heeft hij niet.”
-
-„Het is wèl waar; hij komt er in ’t geheel niet in voor.”
-
-„Toen uw vader het testament maakte, heb ik zijn aandacht er ook op
-gevestigd, ik wist... ik meende te weten, dat hij nog een zoon in
-Europa had.”
-
-„Ja, natuurlijk.”
-
-„Het was mijn plicht hem erop te wijzen.”
-
-„Ja, en wat zei hij?”
-
-„Hij zeide... dat hij geen andere kinderen had erkend, dan die hij in
-het testament had genoemd.”
-
-„Hoe bedoelt u dat?” vroeg Adam bleek en met groote ontstelde oogen,
-geïmpressionneerd, zooals hij ’t nog nooit was geweest.
-
-„Wijlen de heer Silver was niet getrouwd voor de burgerlijke wet met
-deze inlandsche vrouw; om de bij haar verwekte kinderen als de zijne
-ingeschreven te krijgen in de registers van den Burgerlijken Stand,
-moest hij ze erkennen.”
-
-„En heeft hij dat niet gedaan?”
-
-„Voor de anderen wel; voor u niet.”
-
-„Dus... dus ben ik...?”
-
-„Ja,” zei de ambtenaar, met wezenlijk medelijden tegenover dien
-volkomen zuiver Hollandsch sprekenden en modern Europeesch gekleeden
-jongen man, „het is een hoogst onaangenaam geval, maar het is heusch
-niet anders. U bent niet ingeschreven en dus alleen de zoon van de
-inlandsche vrouw, hier bekend onder den naam van njai Peraq.”
-
-De broers en de eenoogige zuster protesteerden. Het was onmogelijk, het
-leek naar niets en het rijmde zich met niets; hun vader zou dat niet
-gedaan hebben, terwijl hij juist zoo’n voorkeur aan Adam had
-geschonken, dat hij hem met uitsluiting van de anderen, een kostbare
-Europeesche opvoeding had laten geven; en de ambtenaren gaven toe, dat
-het onbegrijpelijk was; zij zouden waarlijk nu tot de meening zijn
-overgeheld, dat iemand, die zulke dingen doet, niet geacht kan worden
-bij zijn verstand te zijn.
-
-„Maar al betwistte je het testament; dan zouden jullie daar wel nadeel,
-maar geen voordeel bij kunnen hebben, en je broer evenmin.”
-
-„Dan is toch uitgemaakt...” begon Bram, maar hij bleef erin steken; hij
-wist eigenlijk in het geheel niet, wat zou zijn uitgemaakt.
-
-„Het baat niets. Als jullie aan je broer een erfportie wilt afstaan en
-aan je moeder ook, dan staat dat ieder vrij.”
-
-Ja, dat wilden ze, er was geen quaestie van, dat ze zouden willen
-bezitten, wat hun moeder en hun broer toekwam; Bram vooral was zeer
-opgewonden, de tranen stonden hem in de oogen.
-
-En njai Peraq, die ze alles hadden uitgelegd, beet even met een
-zenuwachtig mondtrillen op haar onderlip. „Bangsat,” dacht ze; maar ze
-zei het niet.
-
-De eenparige hartelijkheid zijner broers en zuster trof Adam; hem stond
-voor het oogenblik de maatschappelijke kant niet zoo helder voor oogen,
-als de financieele.
-
-„Ik wil jullie niet van je geld berooven,” zei hij pijnlijk, „het komt
-me immers niet rechtmatig toe.”
-
-Maar nu dreigde het een strijd van edelmoedigheid te worden, waarbij
-Bram het hoogste woord voerde, en dien njai Peraq zich liet verklaren
-door haar dochter.
-
-„Het kan me niet schelen,” hield Bram vol, „wat pa gedaan heeft en
-wáárom hij zoo heeft gedaan; dat gaat me niet aan en ik wil er niet aan
-denken; maar jij bent mijn eigen broer, en al waren we niet van een en
-denzelfden vader....”
-
-Het hooge woord, het woord waaraan gedacht werd door de vreemden en
-door de moeder, maar dat zij niet durfden en wilden uitspreken, was
-eruit. De twee ambtenaren keken elkaar aan; Bram begon te stotteren,
-toen hij de gezichten zag van zijn broer en zuster, die hem verslagen
-aankeken.
-
-Njai Peraq zette haar bril recht en stond op.
-
-„Het is alles een vergissing,” zei ze. „Wij zullen naar huis gaan. Ik
-heb genoeg geld om Adam zooveel te geven, als jullie elk krijgt. Er
-behoeft geen twist over te komen.”
-
-Maar Bram wilde niet weg; hij was altijd nogal breedsprakig; wanneer
-hij zich had opgewonden en vond, dat hij gelijk had en hij deed zooals
-behoorde, maakte dit hem sentimenteel; dan was hij niet van het woord
-te slaan.
-
-„Zou er niks aan te doen zijn?” vroeg hij de ambtenaren.
-
-„Waaraan?”
-
-„Wel, dat het geredresseerd wordt; dat hij nog als mijn broer en als
-Europeaan wordt erkend.”
-
-In hun hart betwijfelden zij het, maar om hem niet te verdrieten, zei
-de een:
-
-„Misschien wel.”
-
-„Wat moeten we dan doen? Als er met geld iets te beginnen is, dan zijn
-we graag bereid....”
-
-„Neen, dat niet; daaraan moet u niet denken.... Misschien een
-collectief request....”
-
-„Wat voor request?”
-
-„Ik bedoel, dat door de erkende kinderen gezamenlijk wordt
-onderteekend.”
-
-Ze vonden eerst het idée uitstekend, en praatten er heen en weer over,
-tot ze het verwierpen, en besloten dat eerst Adam zelf het verzoek
-moest doen; de Weeskamer-agent zou het voor hem opmaken.
-
-Toen ze hiermede hun ongerustheid hadden bedaard en naar huis reden,
-zwegen zij, geheel onder den indruk; ieder ging stil naar zijn kamer,
-heelemaal vervuld van het zonderling geval.
-
-Wie het hardste erover tobde, was Bram. Hij vond het, in één woord, het
-verschrikkelijkste wat iemand kon overkomen; hij had wel een inlandsche
-vrouw tot moeder, en hij dicteerde in zijn uiterlijk veel meer den
-maleier, dan den westerling, maar dat belette hem niet zijn
-maatschappelijken stand als Europeaan zeer hoog te schatten en laag
-neer te zien op den inlander; had men hem de keuze gegeven tusschen
-gelijkstelling met dezen en den dood, hij zou aan den laatsten de
-voorkeur hebben gegeven.
-
-En hij bedacht terdege, dat het voor Adam, die zoolang in Holland was
-geweest en die zoo heelemaal een totoh was geworden; nog erger wezen
-moest, dan voor hem.
-
-Dat er ergens iets aan gehaperd had en wat het was, kon hij wel nagaan,
-en als het waar was, moest dat voor zijn vader, zoo redeneerde hij,
-onaangenaam zijn geweest. Hij dacht zichzelf in het geval. Wel, als hij
-z’n huishoudster snapte, zou hij haar eenvoudig de deur uitschoppen, al
-had ze een dozijn kinderen met hem. Men wist toch met een inlandsche
-vrouw altijd wel, dat men zulke gevaren liep. Van den twijfel, dien
-John Silver bij z’n leven haast gek had gemaakt en in den vorm van een
-idée fixe hoogstwaarschijnlijk dat leven had verkort, wist hij niets en
-kon hij zich geen voorstelling maken.
-
-De oude had indertijd iets ontdekt, iets geweten, en hij had niettemin
-toch zijn huishoudster gehouden, maar zich gewroken door het kind een
-Europeesche opvoeding te doen geven om hem later des te meer te
-„donderen.”
-
-„God in den hemel,” riep hij zenuwachtig de kamer op en neer loopend,
-in uiterlijk en manieren nu het sprekend evenbeeld van wijlen John,
-„wat is dat ’n gemeene streek geweest, tegenover dien armen jongen, die
-er toch dood onschuldig aan is.”
-
-Hij kon het niet houden, liep naar Adam en keek er gek van op, dat die
-rustig een deuntje floot. En direct klom nog zijn medelijden: „de
-jongen begrijpt het niet,” dacht hij; „hij ziet niet eens in, hoe
-ernstig het is.”
-
-Het was ook zoo, althans betrekkelijk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
-
-VERGEEFSCHE MOEITE.
-
-
-Adam had direct vertrouwen gekregen in het fameuse request aan de
-Regeering; immers, dacht hij, wat kon het haar schelen, of hij in die
-registers stond geschreven? Daar had zij, meende hij, geen voor- of
-nadeel van, en er was dus geen reden, waarom ze het, als hij het vroeg,
-zou weigeren. Het was heel vreemd van zijn vader geweest, dat vond hij
-ook; maar het kon toch alles niet anders dan op een misverstand
-berusten. En daar het met het geld vanzelf terecht zou komen, was Adam
-heelemaal gerustgesteld en trok er zich verder niets van aan.
-
-Het gaf, toen hij zich zoo gemoedelijk erover uitliet, aan Bram een
-gevoel van meerderheid, dat hem streelde, hij, die nooit in Europa was
-geweest, was toch veel pinterder. En het verhoogde nog zijn sympathie
-voor den jongeren broer.
-
-Maar zijn geringe opvoeding bracht niet mee nu ook kiesch genoeg te
-zijn erover te zwijgen. Waarom zou men dat doen, als iets nu eenmaal
-zóó was en niet anders?
-
-Daarom schudde hij ’t hoofd met een bedenkelijk gezicht.
-
-„Ik geloof niet, dat je erop mag rekenen.”
-
-„Waarom niet?” vroeg Adam zeer verwonderd.
-
-„Ja, zie je, dat weet ik niet; die lui zijn zoo raar.”
-
-„Ik begrijp niet wat het hen schelen kan. Het kost immers niets en het
-geeft geen moeite.”
-
-„Dat doet het ook niet.”
-
-„Waarom zouden ze het dan weigeren? Iedereen kan het toch getuigen.”
-
-„Wat getuigen.”
-
-„Wel,” zei Adam met zijn goedigen lach, „dat ik de zoon ben van mijn
-vader.”
-
-Het werd nu, zelfs voor Bram, een moeilijk terrein.
-
-„Ik geloof niet, dat het dáár zit, A. Ze hebben het erg op die
-registers van den Burgerlijken Stand; wanneer je daar per abuis in
-staat als iemand van het vrouwelijk geslacht, en je bent een man...”
-
-„Nou, wat dan?”
-
-„Dan ben je toch een vrouw!”
-
-Adam lachte zoo hartelijk, als hij het in lang niet gedaan had; en Bram
-kon er ook niet ernstig bij blijven, schoon hij volstrekt niet de
-bedoeling had gehad een aardigheid of iets mals te zeggen.
-
-„Je gelooft het niet—het is toch zooals ik zeg.”
-
-„Laat je niks wijs maken,” zei Adam. „Het is zoo erg niet, hoor! De
-menschen zijn niet stapelgek. Het kost wel wat moeite, maar veranderd
-wordt het toch.”
-
-„Ik mag het lijden voor jou; maar ik zie het nog niet gebeuren.”
-
-„En wat dan?”
-
-„Ja, dat mag je wel zeggen.”
-
-„Ze spraken nog van een ander request, een gezamenlijk van jullie.”
-
-„Weet je wat ik geloof?” vroeg Bram met een hoogwijs gezicht.
-
-En toen Adam dat niet wist:
-
-„Dat we daarmee hadden moeten beginnen.”
-
-„Men moet niet al het kruit ineens verschieten.”
-
-„Gekheid? Als ze het wilden toestaan, zou het dan zeker zijn gebeurd.”
-
-„A propos,” zei Adam, „heb je ook ergens een portret gezien?”
-
-Bram begreep het wel, maar hij vroeg:
-
-„Een portret van jou?”
-
-„Neen; van een jonge dame.”
-
-„Zoo! Niet bij mijn weten. Ben je er een kwijt?”
-
-„Ja, en ik heb er overal vruchteloos naar gezocht. Ik had het, herinner
-ik me, ’s middags bekeken.”
-
-„Waar?”
-
-„Hier in de kamer, op mijn bed.”
-
-„Een liefje van je?”
-
-Adam aarzelde een oogenblik.
-
-„Ja. Ik had de toestemming van papa willen vragen haar te trouwen.”
-
-„Dat is dan een gedane zaak, hè?”
-
-„Hoezoo?”
-
-„Wel, vooreerst had de-n-ouwe je zien aankomen! Maar soedah, hij is
-dood, en nu een van tweeën: je wordt nog erkend als Europeaan, en dan
-heb je aan ’t geld nauwelijks genoeg voor je zelven.”...
-
-„Als ik op een land ben...”
-
-„Beste jongen, als ik mij niet vergis, zijn jij en een land er twee. En
-een Haagsch dametje op een land, dat geeft ook niets! En als je niet
-wordt erkend, dan is het heelemaal uit.”
-
-Adam rookte zijn strootje en keek met een bedrukt gezicht naar buiten.
-Zoo zaten ze beiden wel tien minuten lang.
-
-„Trek het je niet aan, A.,” zei Bram, die weer heel veel kasian had.
-„Als ik jou was en het liep heelemaal scheef, ging ik naar Australië of
-Amerika en ik liet me naturaliseeren.”
-
-Maar Adam weerde het denkbeeld af met ’n handbeweging.
-
-„Dat verdom ik,” riep hij boos, „dat doe ik m’n leven niet.”
-
-De waarheid was, dat hij er altijd vreeselijk tegenop had gezien met
-vreemden te spreken; hij had zoo bitter weinig genoten van het
-onderricht in talen!
-
-„Het is goed en wel, maar wat zou je anders te doen staan?”
-
-„Ik weet het niet.”
-
-„In elk geval zou ik mijn idée maar niet langer op een Haagsch dametje
-zetten, dáár kan toch niets van komen.”
-
-„Dat vrees ik nu ook,” zuchtte Adam.
-
-„En je behoeft er waarachtig niet om te zuchten. Er zijn mooie meisjes
-genoeg, ook hier, onder de inlandsche.”
-
-„Ja,” gaf Adam na eenige aarzeling toe, „dat is waar; die ééne laatst,
-toen we in den tuin waren...”
-
-„Welnu, neem haar.”
-
-„Neem haar, neem haar...! ’t is wat moois; alsof ik haar voor het nemen
-heb.”
-
-„Een kerel als jij!” riep Bram met afgunst zijn broer monsterend van
-het hoofd tot de voeten. „Een kerel als jij.”
-
-„Het is heel mooi, waarachtig! Ik kan me niet eens behoorlijk
-verstaanbaar maken.”
-
-„Dat duurt ook geen veertien dagen meer; ik heb je hooren praten tegen
-den mandoer en ik stond verbaasd; het is of ’t je is aangewaaid.”
-
-Het streelde Adam meer, dan de ander kon vermoeden; nog nooit in zijn
-leven had hij een compliment gehad over zijn vlug aanleeren van het een
-of ander. En nu verklaarde een deskundige als Bram, dat hij zulke
-snelle vorderingen had gemaakt in de landstaal; het leek hem een
-wonder!
-
-Het kwam precies uit zooals Bram het had voorspeld. Van een
-boedelscheiding wilde niemand hooren, vóórdat de moeilijkheid met Adam
-uit den weg was geruimd. Bram, in het testament als executeur
-aangewezen, deed zooals vroeger zijn vader had gedaan met het beheer
-van het geld en het huishouden; de andere broer ging naar de
-onderneming, waar hij werkte. Of John Silver er niet meer was en of er
-een Adam zonder naam was bijgekomen, het maakte in het gewone gangetje
-des huiselijken levens maar weinig verschil.
-
-Njai Peraq kwam zelden in het hoofdgebouw; het was haar gewoonte niet.
-De „kinderen” dronken ’s morgens koffie in de achtergalerij en aten
-rijst; dan ging Bram aan de bloemkweekerij; de zuster zorgde voor de
-keuken en Adam doodde zijn tijd zoo goed en kwaad het ging; en
-eigenlijk ging dat bij zijn natuurlijken aanleg heel goed. De mooie
-Minah van den mantri had hij tot „erkende” huishoudster; zij woonde in
-een kamertje naast dat van haar „schoonmoeder.” Adam amuseerde zich
-perfect met haar en sprak nu maleisch, alsof hij ’t zijn leven lang
-gedaan had. En de jonge inlandsche vrouw hield heel veel van hem; zij
-maakte zich „mooi” voor hem; zij staarde met bewondering naar zijn echt
-oosterschen kop; zij kipaste hem als hij sliep en putte zich uit in
-lekkere sambals en kwee-kwee, die haar vergolden werden door een
-genadigen glimlach van haar heer en meester, wat haar gelukkig maakte;
-door levendige loftuitingen van Bram, waarvoor ze volmaakt
-onverschillig was.
-
-En dan had Bram pleizier. Hij wist nu al vrij precies, wat hij had aan
-den broer, tegen wiens Europeesche wijsheid en kennis hij vroeger, toen
-Adam nog in Holland was, zoo had opgezien in z’n verbeelding.
-
-Dat die broer niet knap en ook niet pinter was, verheugde hem; maar als
-hij dan het stille air van superioriteit zag, dat Adam zich niet
-kunstmatig gaf, maar van nature had, stond hij verbaasd; dan kon hij
-zoo en passant al lachend tegen zijn zuster zeggen: „Die vent heeft,
-gévédé, iets over zich... Het is om je dood te lachen!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
-
-ADAM IS ONTEVREDEN.
-
-
-De brieven van Nora Tiele, werden al opgewondener; de afwezigheid van
-Adam scheen haar liefde voor hem te doen toenemen; zij schreef, wat zij
-nooit gezegd zou hebben: hoe zij over hem dacht, wat zij voor hem
-gevoelde, hoezeer ze naar hem verlangde. En zijn metterdaad
-verminderend gevoel voor haar, werd telkens weer door die brieven
-opgewekt en gevoed. Dan had hij schrikkelijk het land om het zoek raken
-van haar portret, dat alle navraag niet terecht had gebracht; dan
-herinnerde hij zich weer zijn avondje met haar,—den laatsten vooral, en
-dan kon hij er niet toe komen haar ook maar ’t gedeelte der waarheid te
-schrijven, dat zij weten mocht.
-
-Den dood zijns vaders had hij haar medegedeeld, en dat hij door zijn
-familie zoo vriendelijk was ontvangen; aan de Verlande’s schreef hij in
-’t geheel niet; hij miste er den moed toe.
-
-Zoo ging het door een paar maanden, tot de beschikking kwam op zijn
-request: gehoord, gezien en overwogen; het verzoek van den zich
-noemenden Adam Silver was gewezen van de hand.
-
-Dat het hem erg schokte, zag Bram, en ofschoon hij het resultaat van
-den begin af had voorspeld, ging hij nu ineens overstag, met een
-voorgewend onwankelbaar vertrouwen op het collectief adres van de
-wettige erven.
-
-Daar moest „spoed” achter gezet worden; daar had men mee moeten
-beginnen; dat zou ’n heel ander effect maken; men zou begrijpen, dat
-hij geen indringer was; dat alles neerkwam op een verzuim uit
-nalatigheid.
-
-Voor zichzelf had hij de overtuiging, dat het „mis” was; ver ging zijn
-kennis niet, ook niet in zulke zaken; maar dat de beslissing der
-Regeering op zoo’n verzoek niet afhankelijk was van den persoon, die
-het deed,—dàt begreep hij toch wel.
-
-Adam, die leukweg voortlevend maar, in den dagelijkschen omgang onder
-den invloed was gekomen van Bram’s grootere scherpzinnigheid en
-slimheid, geloofde het. Hij hield nu ook zijn eigen verzoek voor een
-ondoordachte handeling, zich geruststellend met de redeneeringen van
-Bram; vertrouwend op wat hij wenschte en tegelijk zoo heel natuurlijk
-vond.
-
-
-
-Het was een vroegen ochtend, toen Adam in de voorgalerij zat en met den
-ouden kijker uitzag in zee; de mailboot stoomde op aan den
-gezichteinder, het was alles haast onveranderd zooals het tien, twintig
-jaar vroeger was geweest.
-
-Bram was op de varkensjacht; njai Peraq en haar dochter naar de pasar;
-Adam had het rijk in huis alleen met Minah, die ziek was, zei ze, en er
-lang zoo netjes en fleurig niet uitzag, als toen zij pas bij hem kwam;
-in het besef eener inlandsche vrouw, dat, in haar „omstandigheden” het
-niet behoorlijk was zich aan te stellen.
-
-Hij verveelde zich; hij had in den laatsten tijd ’n hekel gekregen aan
-dit eentonig bestaan; de stilte, de gelijkvormigheid van het leven
-elken dag; de ongestoorde rust en het eeuwige nietsdoen,—het had hem
-alles eenigszins geoefend in wat hem vroeger te midden van het drukke
-vermakenleven in een groote westersche stad vreemd was gebleven:
-geoefend in het denken. Het had zijn geest verruimd, zijn hoofd
-helderder gemaakt, zijn oordeel gescherpt. En dat alles bijeen, deed
-een behoefte ontstaan, die hem altijd onbekend was geweest; hij wilde
-iets doen. In zijn omgeving had hij rondgezien naar dat „iets,” maar
-hij had het niet gevonden; een drukkend gevoel was over hem gekomen;
-een van groote ontevredenheid, en lusteloos hing hij over de
-balustrade, droomerig en somber starend over het groote onrustige veld
-der zee.
-
-Als hij naging, hoelang het had geduurd vóór de afwijzende beschikking
-op zijn request gekomen was, dan werd het nu zoowat tijd, dat op het
-collectief adres van de „erven Silver” een beslissing kon verwacht
-worden.
-
-Als dàt óók werd afgewezen, wat dan? Zou hij dan.... inlander worden?
-Ineens stond het hem voor oogen, dat hij eigenlijk niets behoefde te
-doen of te worden; dat hij vanzelf inlander was.
-
-En hoezeer hij zich in die weinige maanden ook „verinlandscht” had; hoe
-goed en gemakkelijk hij zich had gewend aan de rijstvoeding, aan het
-loopen op bloote voeten in nachtbroek en kabaai; aan het leven met een
-inlandsche vrouw,—kortom aan de eigenaardigheden, ook de minder
-smakelijke, van dàt leven,—de gedachte aan wat zijn wettigen en
-werkelijken toestand dreigde te worden en te blijven, deed hem zeer;
-nu, meer dan dat vroeger het geval zou geweest zijn.
-
-Terwijl hij zich eerst had gevleid met de hoop, dat het request zou
-baten,—scheen hem dit nu, hij wist niet waarom, onwaarschijnlijk. Als
-een voorgevoel kwam het over hem; het zal wel weer worden afgewezen.
-
-Wat dan, wat dan?
-
-In de kampong gaan wonen? Och, dáár zou hij op zichzelf zoo niet tegen
-hebben opgezien. Maar hij had in het kantoor van wijlen John Silver,
-zijn vader, zooals hij hem in gedachten betitelde, een wetboek
-gevonden, en daarin gebladerd; hij had ’s morgens de gestraften langs
-den weg zien werken in de indigo-blauwige katoenen gevangenisliverei;
-hij had uit dat wetboekje gezien, hoe bitter weinig overtreding er
-noodig is voor een inlander om die straf te beloopen; hij had gehoord
-en gezien hoezeer het overheerschte ras tot door den geringsten
-Europeaan of „daarmee gelijkgestelde” uit de hoogte werd behandeld; hoe
-er haast nimmer tegen den inlander werd gesproken, dan snauwend en
-bevelend; en dat alles had hem zoo diep geïmpressionneerd, als waarvoor
-zijn natuur vatbaar was; het had hem geslagen met vrees en schrik.
-
-Aan dat alles dacht hij, doelloos starend uren achtereen in de
-onmetelijke ruimte; en hij schrikte van het geluid achter hem, dat Bram
-maakte, die was binnengekomen.
-
-„De boot is aan,” zei deze.
-
-Adam knikte: dat kon hij nagaan. Langzaam richtte hij zich op, stijf in
-de lenden van den gebogen houding zoolang achtereen.
-
-„En, wat nieuws?”
-
-Hij kreeg geen antwoord.
-
-Bram had zich afgewend met zijn rug naar hem toe; maar Adam zag toch
-wel, dat hij huilde.
-
-„Is het ook weer afgewezen?” vroeg hij zacht.
-
-„Ja.”
-
-„Ik dacht het wel; ik had het verwacht.”
-
-Een oogenblik meende Bram, dat hij het opvatte met onverschilligheid;
-dat het hem niet kon schelen. Toen zag hij het erg bleeke gezicht in
-den jongen zwarten baard, die het omlijstte, en het leed, dat sprak uit
-de groote goedige oogen.
-
-„Verdomme, kerel!” zei hij met bevende stem. „Het doet me zoo’n zeer.
-Hoe kon de-n-ouwe toch ook zoo wezen!”
-
-Adam moest het stuk zien; het was haast precies als het vorige; geen
-discussie, geen argumenten: gezien, gehoord en overwogen, en....
-gewezen van de hand.
-
-Hij zei niets meer en ging naar zijn kamer.
-
-Bram liet hem gaan; hij had hem willen troosten of moed inspreken, maar
-hij wist niet, wat hij zeggen zou, zoo’n verschrikkelijk geval was het.
-Hij hoorde, dat Adam, zoo onvriendelijk als hij ’t nog nooit had
-gedaan, Minah de kamer uitzond.
-
-„Wat is er toch, mijnheer?” vroeg zij aan Bram, verwonderd en ontsteld
-over zulk een ongewone behandeling.
-
-„Er is niets; ga jij maar naar achteren bij ma. Adam is ontevreden.”
-
-„Ik heb toch niets gedaan,” ging zij voort, meer uit nieuwsgierigheid.
-
-„Soedah, ga nu maar, en praat niet verder.”
-
-Hijzelf liep den tuin in, werktuiglijk de snoeischaar meenemend, als
-hier of daar iets weg te knippen viel, uit gewoonte, zooals zijn vader
-had gedaan, maar met zijn gedachten voortdurend bij dien onaangenamen,
-dien wreeden toestand in zijn familie.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
-
-MOEDERLIEFDE.
-
-
-Nu het een feit was, kon Adam niet denken; hij viel op een stoel neer,
-sloeg de handen voor het gezicht en trachtte vruchteloos zich een
-voorstelling te maken van hetgeen zijn positie worden moest; hij kwam
-er niet toe. Hij hoorde den schuivenden voetstap van njai Peraq op de
-houten vloer der galerij; zij kwam zacht de kamer binnen, maar hij keek
-niet op; zij hurkte neer voor zijn voeten op den grond, en hij voelde,
-dat zij haar hand lei, heel even, op zijn breede knie.
-
-Hij hoorde haar stem, zacht en gedempt, als van iemand, die veraf
-staat; maar duidelijk verstaanbaar, woord voor woord: „Kind van mijn
-hart, wees niet bedroefd. Als gij zijn moet wat uw moeder is, dan heeft
-de Heer God het zoo gewild, en gij zult er niet minder om zijn. Ik zal
-u dienen, als waart gij een koningszoon, en al wat ik bezit is voor u
-en van u. Gij zijt een sterke man en uw hart is eenvoudig en goed.
-Waarom zult gij bedroefd zijn, als zij u verstooten? Zijn zij zoo goed?
-Ik heb er zooveel zien komen en gaan; de meesten vloeken, eten onrein
-vleesch en drinken sterken drank. Zij zeggen een geloof te hebben en
-een God; zij leven alsof het niet zoo was. Zij hebben veel akals om te
-maken van allerlei, dat een mensch niet noodig heeft, maar zij zijn ruw
-en kasar, zij haten en benijden elkaar. Zult gij, die jong en sterk en
-schoon zijt, en die geld hebt, bedroefd zijn om menschen, die u
-uitstooten, wijl een ander u niet liet opschrijven in een boek? Ik ben
-een oude, domme vrouw, en ik heb niets gezien van de landen achter de
-zee, maar ik zeg u, dat bij mij en de mijnen een goed mensch meer is,
-dan al het geschrijf in papieren boeken.”
-
-Hij hoorde het stil aan; hij had de sensatie, dat het geen redeneering
-was die sloot; het was als gleed een spiegelbeeld der westersche
-beschaving langs hem heen, bij wijze van tegenstelling tot wat de oude
-vrouw sprak: de gecompliceerde samenleving; de groote resultaten van
-wetenschap en kunst voet voor voet veroverd, in een eeuwenlangen
-ontwikkelingsgang van scherpzinnigheid en vlijt,—het was niet heel
-duidelijk, dat beeld, voor zijn geringe kennis en ontwikkeling; hij had
-het niet in woorden kunnen brengen; hij voelde het als de opgeroepen
-geest van een groot en omvangrijk zijn, waarin hij zorgeloos en
-onwetend had meegeleefd, met in zijn hersens enkel een machinalen
-ervaringsindruk, maar die hem nooit verlaten zou. En tusschen dat
-gewirrewar in zijn hoofd, dat hij niet grijpen kon met zijn gedachten,
-toonde de stem door van njai Peraq, hoog inzettend een zin, dalend in
-het midden, met een klein klankslingertje omhoog weer aan het slot:
-„Wij zijn slecht voor den Heer God en wij leven niet gelijk de koran
-wil. Maar in de kleinste kampong is een plaats, waar de mannen kunnen
-bidden en dikir, en de kinderen hebben wat de ouders hebben, en de
-ouders leven met de kinderen, tot zij slapen gaan onder de kambodja.
-Wij weten, dat de Blanda’s sterker zijn dan wij en prentah geven om te
-doen gelijk zij het willen, de een zóó en wat later een ander weer
-heelemaal anders. Soedah, dat heeft de Heer God zoo gewild; hij zal hun
-prentahs laten geven hier, en prentahs daar, en altijd maar prentahs,
-zoolang Hij wil. Maar een bedehuis hebben zij niet op deze plaats; wèl
-een huis waar zij samenkomen om te drinken, dikwijls tot zij dronken
-zijn. En de ouders sturen de kinderen weg om opgevoed te worden in
-verre landen door anderen; en later zien de kinderen niet om naar de
-ouders. De macht der prentahs hebben zij gekregen van den Heer God: het
-is onze straf; het is ook hun straf, kind van mijn hart, want wat ons
-vernedert, ontneemt hun het geluk; het is de vloek, die op hen rust; de
-prentahs bidden zij aan, de prentah is hun God, en wie de meeste
-prentahs geven mag is zijn profeet; daarom zijn zij kafirs.”
-
-Eenigszins verschrikt trok Adam de handen weg van voor het gezicht, en
-hief het hoofd op; njai Peraq was zacht blijven spreken, niet harder
-eindigend, dan zij begon; maar er waren groote nadruk en een vreemde
-bijklank gekomen in haar stem; een intonatie van diep gewortelde
-verachting en haat; en toen hij haar in het gezicht keek, was het niet
-meer het onverstoorbare masker, glad en zonder plooi als van een
-hindoesch afgodsbeeld, maar een gezicht vol trekken en leven, met oogen
-erin niet mat-zwart als altijd, maar helbruin, glinsterend als van een
-jonge vrouw. Het viel dadelijk weg, toen hij haar zoo aankeek; zij
-schaamde zich voor haar opgewondenheid, en hij zag, hoe het hevige
-leven weer verdween uit het gezicht en het licht weer uitging in de
-oogen, die hem nu zoo dof en gelijkmoedig aankeken als altijd.
-
-„Geloof mij Adam,” zei ze, op haar gewonen toon, langzaam opstaande;
-„zij zijn niet waard, dat een mensch zich om hen bedroefd maakt; het is
-alles valsch, het is alles schijn; zij willen maar geld en
-betrekkingen, niet om er mee zaken te doen of om er geacht door te
-worden, maar om te schijnen wat zij door hun zelven niet zijn; om veel
-vertoon te maken; om zich ziek te eten en te drinken, en om veel
-prentahs te kunnen geven. Zij weten niet wat het geluk is, dat een
-mensch kan hebben van de jaren, die hij leven mag. Gij zult het hebben,
-kind van mijn hart, en gij zult beter en tevredener zijn.”
-
-Verstomd keek hij haar na. Van wat hij ook had kunnen droomen, dien
-ochtend,—niet van zulk een flux de bouche, van zulk een beredeneerdheid
-dier stille bejaarde vrouw, die zoo weinig meetelde in de familie, al
-was zij dan ook onbetwist aller moeder. Maar het had hem, vond hij,
-veel goed gedaan. Onder haar praten was het beeld der machtige
-tegenstelling afgeflauwd; het had geen steun gevonden in een krachtigen
-eigen geest, en was door de activiteit der werkelijkheid verdrongen.
-
-Hij dacht nu, dat het waar was, wat njai Peraq had gezegd, en het
-scheen hem, dat hij bij dien gedachtengang weinig moeite zou hebben om
-over het denkbeeld heen te komen.
-
-„Dat was een lang bezoek van het oudje,” zei Bram, als met de deur in
-de kamer vallende.
-
-Adam knikte zwijgend, en stond op van z’n stoel; de ander ging voort:
-
-„Zij heeft een heele speech gehouden.”
-
-„Heb je het gehoord?”
-
-„Ja, ik heb geluisterd aan de deur.”
-
-„Aan de deur?” vroeg Adam, verwonderd en eenigszins geërgerd.
-
-„Zeker. Als ik binnengekomen was, zou zij gezwegen hebben; ik wilde
-weten, wat zij te zeggen had. Ik moet zeggen, dat ik wel zoo iets van
-haar verwachtte.”
-
-„Wat voor iets?”
-
-„Wel, dat ze er lekker mee zijn zou; zij houdt op haar manier heel veel
-van jou; meer dan van ons, dat heb ik al lang in de gaten.”
-
-En toen Adam daartegen wilde protesteeren:
-
-„Zanik niet A.; het is zoo, en mij kan het waarachtig niet schelen. Zij
-heeft bliksems mooi gepraat, dat erken ik. Nooit in mijn leven heb ik
-zoo iets van haar gehoord. Het is gedeeltelijk nonsense, maar er is
-toch veel van waar. In elk geval ben jij haar lieveling, en zij zou er
-voor sterven om jou hadji te zien worden.”
-
-„Mij... hadji!” herhaalde Adam, wien dit gezichtspunt geheel vreemd
-was.
-
-„Zeker. En als kandjeng Gouvernement nu toch je niet wil opnemen onder
-de Europeanen, dan is het misschien nog het verstandigste, wat je doen
-kunt.”
-
-„Mij... hadji!” zei Adam nog eens, zacht, het idée vervolgend, zonder
-te luisteren naar wat de andere verder zei.
-
-„Ja; je kent mijn opinie; in jouw plaats ging ik er van door naar
-Amerika of Australië.”
-
-„Nooit! Dat doe ik van m’n leven niet.”
-
-„Nou, dan zit er ook niets anders op.”
-
-„Het is me onbegrijpelijk.”
-
-„Mij ook. Ik kan me heelemaal niet in jouw toestand verplaatsen, want
-als ik er niet van door ging in zoo’n geval...”
-
-„Wat dan?”
-
-„Dan schoot ik me dood.”
-
-Adam dacht erover na, of, althans, hij scheen dat te doen. In
-werkelijkheid zou hij nooit de hand durven slaan aan zichzelven.
-
-„Omdat je dáár ook geen zin in hebt, is er voor jou geen andere
-uitweg.”
-
-„Ik moet over alles eerst nadenken.”
-
-„Ga gerust je gang A. Je zit hier niemand in den weg, hoor! Ik zei het
-maar, omdat je ten slotte toch een partij zult moeten kiezen. En wat
-het geld van de-n-ouwen betreft,—daar krijg je je portie van, zoo goed
-als een onzer; met twintig mille in den zak, sta je dan toch vooreerst
-niet op straat, hoe je landaard ook zijn mag.”
-
-„Ik moet mevrouw Verlande schrijven.”
-
-„Weet zij er nog niets van?”
-
-„Neen, ik hoopte....”
-
-„Ja, dat begrijp ik. Maar doe het nou ook, nou de kogel door de kerk
-is.”
-
-’s Avonds deed Adam het; rustig en kalm stelde hij een langen brief op,
-waarin hij eenvoudig en juist de toedracht meedeelde van alles wat
-gebeurd was sedert hij in Indië aankwam; ook over Minah schreef hij;
-waarom zou hij daar doekjes om winden? „Gij zult hieruit zien, lieve
-mevrouw,” zoo eindigde hij, „dat alles voorbij is; dat ik voor vroegere
-bekenden en vrienden zoo goed als dood ben. Ik dank u wel, voor al de
-vriendelijkheid, die ik van u en van mijnheer Verlande zoo dikwijls heb
-ondervonden, en die ik niet waard was. Mijn laatste verzoek is of u
-juffrouw Nora Tiele alles wat ik u hier schrijf wilt vertellen. Er
-behoeft niets bijgevoegd te worden, geloof ik; haar lieve brieven heb
-ik verbrand; ik hoop dat zij het mijn brieven ook zal doen; het is
-beter.”
-
-
- EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE DEEL.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-VERVLOGEN HOOP EN EEN NIEUWE VERBINTENIS.
-
-
-De Verlande’s, die nog altijd in Den Haag woonden, hadden al dikwijls
-over Adams gruwelijke ondankbaarheid gesproken. Zoo’n jongen, dien ze
-altijd hadden bejegend als hun eigen kind, schreef hun geen enkelen
-regel. Ze waren er boos om.
-
-Maar toen ze dien brief hadden gelezen, zaten ze elkaar verslagen aan
-te zien, mevrouw met tranen in de nog altijd mooie blauwe oogen.
-
-„Mijn God!” riep zij het eerst, „dat is nu toch al te gek.”
-
-„Ja, gek of niet, het is zoo en niet anders.”
-
-„Maar zou daar hier in Den Haag niets tegen te doen zijn?”
-
-„Hoe meen je dat?”
-
-„Wel... bij het Ministerie; bij de Kamers.”
-
-„Ik vrees van neen.”
-
-„Toe, Lande, probeer het, ja? Het is zoo’n vreeselijk geval... Wat kan
-dien Silver toch indertijd bezield hebben...!”
-
-Verlande ging naar het Ministerie, waar men zeide, dat Adam feitelijk
-een inlander was, en over het geval dus niet verder viel te redeneeren.
-Dat hij in Europa was geweest... ja! Dat hij Hollandsch sprak... ja!
-Maar hij was de zoon van een inlandsche vrouw, dat stond vast; wie zijn
-vader was, kon zelfs niet onderzocht worden; een Christen was hij, als
-ongedoopt en niet-lidmaat, ook al niet.... Er was dus in Indië goed
-gezien, goed gehoord en goed overwogen; aan de zaak viel niets te
-veranderen.
-
-Tegen het bezoek aan Nora Tiele, dat nu volgen moest, had mevrouw
-Verlande zeer opgezien; maar zij was een kloeke vrouw, die iets niet
-uitstelde, omdat het onaangenaam was.
-
-Het gaf in de familie Tiele een oogenblik van hevige consternatie. Zij
-hadden zich het idée, een kwart millionnair als aanstaand familielid te
-hebben, nu al zóólang eigen gemaakt; zij hoopten hem spoedig met zijn
-groot erfdeel te zien aankomen; en daar verdween dat kapitaal
-plotseling in het baadje van een inlander!
-
-Nora was erg bedroefd eerst; doch toen zij hoorde hoezeer de erfenis
-was tegengevallen, bedaarde zij. Dàt zou immers toch onmogelijk zijn
-geweest. Men kon geen man zonder positie of talent trouwen, enkel om
-zoo’n beetje geld.
-
-De oude Tiele keek grimmig langs zijn grooten beenigen neus; hij had
-een gevoel of hij opgelicht en bestolen was; en terwijl de anderen, ook
-Nora, den armen Adam ten minste beklaagden,—kon bij Tiele geen woord
-van compassie ertusschen.
-
-„Hij had mij dadelijk moeten kennis geven,” zei hij.
-
-„’t Was zoo’n treurig geval voor hem,” pleitte mevrouw Verlande.
-„Bovendien hij had nog hoop.”
-
-„Het doet er niet toe. Als fatsoenlijk mensch had hij mij dadelijk
-moeten schrijven.”
-
-En ofschoon niet bleek, dat dit ergens toe zou gediend hebben, vooral
-wijl Nora geen spoor van een partij door het langer uitblijven der
-tijding had misgeloopen, bleef de oude Tiele hardnekkig bij zijn
-bewering, als een gloeiend verwijt tegen Adam Silver.
-
-Maar dáárover waren allen het volkomen eens: men moest het in Den Haag
-stil houden. Het was wel geen bepaald schandaal, maar haast net zoo
-erg; in zoover zelfs erger, dat het Nora en de familie belachelijk zou
-maken. Koud liep het den ouden Tiele langs den rug: de Hagenaars zouden
-hem uitlachen! Dàt was om niet te overleven!
-
-Mevrouw Verlande moest wel zesmaal beloven, dat zij er met niemand over
-zou spreken, wat zij met genoegen deed. Zij dacht daarbij niet aan haar
-man; en zij schrikte toen ze, er ’s middags met hem over sprekend,
-hoorde, dat hij het al in den loop van den dag, als een extra pikant
-nieuwtje, aan eenige oud-gasten had verteld.
-
-„Die dragen het den heelen Haag door,” zuchtte zij.
-
-„Daar hebben ze groot gelijk aan; het doet er immers niets toe.”
-
-„Ik heb het de Tiele’s zóó beloofd.”
-
-„Dat wist ik niet; je hadt het niet moeten beloven.”
-
-„Kon ik anders?”
-
-„Wel zeker, ik wist het immers.”
-
-„Daar kunnen ze nog plezier van hebben.”
-
-Verlande lachte.
-
-„Dat gun ik ze van harte,” zei hij, „eigenlijk ben ik blij, dat ik het
-al verteld heb; natuurlijk zou ik ’t nagelaten hebben, had ik geweten,
-dat jij je woord had gepasseerd; nu is er niets meer aan te doen.”
-
-„Kan je de anderen niet vragen het te verzwijgen.”
-
-„Die is naïef! Vooreerst hebben ze het rondgebazuind en in de tweede
-plaats zouden ze dat toch doen, al hadden ze honderdmaal het tegendeel
-beloofd; bedenk toch, kind, dat het allen menschen zijn, die niets om
-handen hebben!”
-
-
-
-Adam Silver was op een goeden dag met Minah uit het oude huis
-verdwenen; hij had tegen niemand iets gezegd; hij had niemand gegroet.
-Alles, wat hij had meegebracht, uit Europa, had hij achtergelaten.
-Avonden achtereen had te voren zijn „schoonvader”, de mantri van de
-gevangenis, bij hem gezeten met den penghoeloe, en de laatste was dan
-aan het woord geweest; hij had gepraat van onderwerping en berusting in
-den wil van God, en altijd maar weer van berusting en onderwerping tot
-Adam er door gehypnotiseerd was; zijn goedige meegaande natuur, zijn
-trage geest,—het werkte er alles toe mee om hem al doende te brengen
-tot het geloof: God is alles, de mensch is niets, laat hem dus niet te
-veel beproeven, niet te veel willen weten,—het baat toch niet; verder
-de vredelievendheid en zachtzinnigheid onder elkaar; het ideaal van
-rust, kalmte, onopgewondenheid. Ook dàt strookte zoo wonderwel met het
-indolente van zijn karakter, dat hij gemakkelijk ervoor te vinden was.
-Wel had ook hier weer het beeld zich opgedrongen aan zijn geest, van
-het rusteloos, opgewekt, ijverig en beweeglijk leven der westerlingen,
-in wier midden hij zoolang had gewoond,—maar het verdween weer gauw,
-nog gauwer weggepraat door den penghoeloe nu, als vroeger dat van het
-begrip wetenschap door njai Peraq. Want hij had wel geleefd te midden
-van die bedrijvigheid, maar zonder zelf ooit eraan mee te doen, gelijk
-hij de wetenschap en kunst van niet meer kende dan hooren zeggen en
-oppervlakkig zien.
-
-Het was dus geen moeilijk spel, dat zij met hem hadden, en het streelde
-zijn ijdelheid; want niet enkel behandelden de twee inlanders hem met
-onderscheiding, maar zijn moeder en Minah, ja zelfs de eenoogige
-zuster, die door geboorte en opvoeding tienmaal meer inlandsch was, dan
-europeesch, zagen nu tegen hem op met ontzag. De broers hadden besloten
-niet in huis te komen vóór alles was afgeloopen; zij konden het
-eenvoudig niet aanzien, hadden ze gezegd.
-
-Tot op een avond de penghoeloe en de mantri vonden, dat Adam genoeg
-voorbereid was; zij zaten in de kamer alle drie op de mat op den vloer,
-de beenen onder het lijf gekruist, de kleine petroleumlamp op de tafel.
-De priester zei een lang gebed, met koranspreuken in het Arabisch
-ertusschen, die hij zelf niet verstond; in het gesloten vertrek klonk
-de prevelende stem zacht en eentonig; door het zitten op den grond kwam
-alles anders uit in het gele licht; de schaduwen der meubels teekenden,
-dus gezien, vreemde figuren op het grauwe matwerk; het zag er alles
-droevig eentonig uit in kleur en licht, maar rustig, oneindig rustig;
-om bij in te slapen! En de waarheid was, dat Adam moeite genoeg had om
-z’n oogen open te houden; de mantri, onbeweeglijk, staarde maar recht
-voor zich uit, als had hij een visioen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-IK WIL NIET GELIJK GESTELD WORDEN.
-
-
-Toen de priester met bidden gereed was, begon de mantri te spreken, ’n
-beetje verlegen eerst, draaiend met het bovenlijf in ’t nauwe zwarte
-dienstbaadje; met den wijsvinger trekkend over de mat, net als iemand,
-die figuren teekent in ’t zand, en met het hoofd den loop der
-denkbeeldige lijnen volgend als in een reflex-beweging;—zij hadden dan
-gemeend, zei hij, dat er voorloopig genoeg was gesproken, en Adam nu
-ook wel wijs was geworden; zij hadden gemeend, dat hij nu niet langer
-kon blijven zooals hij was en in dàt huis; zij hadden gemeend, dat het
-welvoeglijk was, als hij in het huis kwam van zijn schoonouders,
-levende als een gewoon orang islam en zich kleedend naar landsgebruik;
-zij hadden gemeend, dat hij alles moest achterlaten, zonder iets mee te
-nemen, want wat hij noodig had, brachten zij; zij hadden dat alles
-gemeend en nog veel meer, en nu wilden zij vragen, wat hij daarvan
-dacht.
-
-Knarsend draaide het ijzer van de deurkruk; Adam rees snel op van den
-grond; het was Bram Silver.
-
-Met een nijdig gezicht keek hij naar de twee inlanders, die hem
-groetten en de oogen neersloegen beiden bevreesd, de lange magere
-penghoeloe in zijn wit kleed, zoowel als de kleine bejaarde mantri;
-want Bram was de oudste zoon en dus de heer des huizes; hij hield niet
-van familiariteit met inlanders; dàt wisten zij evengoed, als zij hem
-kenden van zijn jeugd; als zij hem in vrijheid hadden zien opgroeien,
-een „brandal” van de ergste soort!
-
-„Zeg,” zei hij tot Adam. „Er is nog een kans voor je.”
-
-„Wat voor kans?”
-
-„Ik heb er met den assistent-resident over gesproken. Je kunt gelijk
-gesteld worden.”
-
-Adam haalde de schouders op en glimlachte verlegen.
-
-„Ik begrijp het niet.”
-
-„Er is een bepaling.... ergens in de wet.... enfin dat doet er niet
-toe.... en die zegt, dat als je het vraagt aan de Regeering, je met
-Europeanen kunt worden gelijk gesteld.”
-
-„O, is het dat? Daar heb ik iets over gelezen in het wetboekje van den
-ouden heer.”
-
-„Precies; nou, zie je, je moet Hollandsch spreken en schrijven,—dat doe
-je; je moet in Europeesche begrippen zijn opgeleid,—dat ben je; je moet
-christen zijn,—nou, dat zeg je maar en dan is het voldoende; en een
-geslachtsnaam krijg je dan, den onzen natuurlijk.”
-
-„En dan?”
-
-„De assistent zegt, dat het altijd wordt toegestaan in zoo’n geval.
-Welnu, dan ben je gelijk gesteld met europeanen. Dat is net zoo goed.”
-
-Adam gaf geen antwoord en stond een oogenblik stil voor zich heen
-kijkend, tot hij langzaam het hoofd schudde.
-
-De „zuurdeesem” werkte reeds in zijn gemoed; het praten van njai Peraq
-en van den priester had effect; hij zag geen heil meer in de
-Europeesche samenleving. Nu hij wekenlang alleen omgang had gehad met
-inlanders, was zelfs de toon, waarop Bram sprak, hem een walg; en wat
-hem niet minder had geërgerd was de minachting, die zijn broer bij het
-binnenkomen had betoond voor den penghoeloe en den mantri.
-
-„Ik wil niet gelijk gesteld worden,” zei hij.
-
-„Waarom niet? Ik zeg immers,” riep Bram, zich opwindend, „dat het
-precies ’t zelfde is: rechten, lasten, verplichtingen....”
-
-„Het kan me niet schelen, ik verlang geen andere rechten en
-verplichtingen, dan die thans de mijne zijn; ik wil niet worden „gelijk
-gesteld.””
-
-Een oogenblik keek Bram hem aan, verbluft over zijn vasten toon, niet
-gewoon hem zoo beslist te hooren spreken; toen voer hij, woedend, uit,
-en het was of de krakende stem van John Silver nog door de houten
-woning schetterde:
-
-„Het is de schuld van dat vee, waarmee je je ophoudt, het....”
-
-„Het zijn fatsoenlijke lieden,” viel Adam hem geërgerd in de rede.
-
-„Fatsoenlijk? Gladakkers zijn het, ja! Fatsoenlijk? Als de oude vrouw
-dien vader van Minah niet geholpen had door hem geld te leenen, was hij
-al meer dan eens in de gevangenis gedwaald, waar hij beambte is.
-Fatsoenlijk? Die smerige il-Allah roeper van een penghoeloe. Er is hier
-op de plaats geen enkele knoeierij gebeurd of hij had er de hand in.”
-
-De twee waren zeer bleek geworden; zij verstonden weinig van het
-Hollandsch, maar dàt hadden zij in hoofdzaak zeer goed begrepen; het
-was waar en zij wisten het.
-
-„Ik heb er tot nu toe niets van gezegd,” ging Bram heftig voort, „maar
-nou jij met die kerels koketteeren gaat, nou verveelt het me bliksems,
-hoor! Ik heb me nooit met dat tuig afgegeven.”
-
-„Je zult na vandaag geen last meer van hen hebben.”
-
-„Het is ten slotte hier mijn huis, en ik verdraag niet, dat die
-smeerlappen hier komen voor proselitenmakerij en om jou in hun vuilen
-boel te halen. Wie belet me, gévédé, hun mijn stok over de gemeene
-tronies te halen?”
-
-„Ik,” zei Adam.
-
-Bram in zijn opgewondenheid, had werkelijk den knoestigen koffiestok
-hoog opgeheven en een schrede gedaan in de richting van den mantri en
-den penghoeloe, die achteruit geweken waren naar een hoek. Toen Adam
-zijn breede figuur schoof tusschen hen en zijn broer, en vastberaden
-zijn „ik” uitte, liet Bram verbluft den stok zakken en keek in het
-donker dreigend gezicht, dat iets had van een boozen bulhond, vond hij.
-
-Het leed geen twijfel of hij zou hem beletten, die inlanders af te
-ranselen; hij zou hem ongetwijfeld over zijn eigen balustrade gezet
-hebben.
-
-„Kom A.,” zei hij ineens bedaard, „wees nu toch zoo gek niet om je door
-dat armzalige vee te laten meeslepen. Het zijn me kerels, waarachtig!
-jaag hen de deur uit, en ga met me mee, dan laten we het request
-schrijven.”
-
-„Ik wil niet,” hield Adam vol met zachte stem; „ik wil niet met anderen
-worden „gelijk” gesteld.”
-
-„Loop dan naar de hel,” schreeuwde Bram woest, keerde zich om en vloog
-naar achter, om zijn vertoornd gemoed verder te koelen tegen njai
-Peraq, die hem liet uitrazen met een onverstoorbaar gezicht.
-
-Maar nog gaf hij het niet op; ’t denkbeeld, dat Adam door „die kerels”
-beheerscht werd, hinderde hem al te zeer. Hij ging weer terug.
-
-„Geloof me,” zei hij, „het is zooals ik zeg. Iemand die als jij geen
-ervaring van inlanders heeft, laat zich lijmen door de praatjes van die
-kerels, want dat lijkt heel wat. Wie hen kent als ik, weet, dat er geen
-verband bestaat tusschen wat ze zeggen en wat ze doen. Zelfs de oude
-vrouw, die laatst zoo mooi zat te schelden op Europeanen, heeft haar
-leven lang gewoekerd, wat de koran dan toch verbiedt, dat weet ik
-zeker. En een inlander maakt, als hij wat geld heeft, het liefst zoo
-gauw mogelijk op, want anders is er toch altijd een andere inlander,
-die het hem ontsteelt. Het zijn dieven en schurken, geloof me, lui en
-smerig bovendien. Voor menschen in Europa en voor baren mogen hun
-praatjes erg gemoedelijk en mooi lijken,—wie het volk kent als ik, die
-eronder ben opgegroeid, zal er niet inloopen.”
-
-„Zij zijn een arm en onderdrukt volk, Bram; ik heb in een boek van den
-ouden heer een vers gelezen, waarin stond, dat zij nooit hun eigen
-meester zijn geweest. Zij moeten altijd werken voor anderen; en
-iedereen spreekt altijd kwaad van hen. Zij worden altijd behandeld als
-honden, en niemand vraagt ernaar, wat hem het recht geeft hen zoo te
-behandelen; zij moeten altijd beleefd en onderdanig zijn, en iedereen
-is onbeschoft tegen hen; zij moeten altijd tevreden zijn met heel
-weinig en nog veel daarvan afgeven; de minste Europeaan neemt tegenover
-hen de houding aan van een meester; zij moeten onderdanig zijn en zijn
-ze dat niet genoeg, dan heet het meer als schande, zoo onbeschoft ze
-zijn.”
-
-Verbaasd en geërgerd keek Bram hem aan. Zooveel woorden achtereen had
-hij hem nog nooit hooren zeggen.
-
-„Hebben die twee je dat voorgepraat?”
-
-„Neen, niemand. Ik heb het gehoord en gezien, sinds ik te Batavia aan
-den wal kwam; en elken dag hier op de plaats en overal en van iedereen;
-van jou ook. Je zoudt in Holland eens moeten probeeren een bedelaar toe
-te spreken, zooals men het hier een inlandsch werkman doet.”
-
-„Enfin,” zei Bram zuchtend en niet bij machte iets tegen deze
-allervreemdste redeneering in te brengen, „je moet het zelf maar weten.
-Ik zie nu wel, dat je er niet af te houden bent. Het spijt me wel,
-Adam, maar ik heb mijn plicht als broer gedaan, en ik zal dien blijven
-doen.”
-
-„Ik dank je ervoor, Bram. Jullie bent heel goed voor me geweest. God
-zegen je!”
-
-Hij reikte hem zijn groote vleezige hand, die Bram zwijgend en
-zenuwachtig tusschen zijn magere knokkels drukte. Het was, dat voelden
-beiden, als een afscheidsgroet voor langen tijd. Bij hun uiteenloopende
-karakters en de tegenstelling, die zij opleverden in alles, hielden zij
-van elkaar, elk op zijn manier. En terwijl Bram, zenuwachtig en
-gevoelig, had kunnen huilen, zóó hinderde het hem, gleed over het breed
-gelaat van Adam een stille bleekheid, die er een lijdenstrek aan gaf.
-
-„Adieu,” zei Bram, heengaande. „Onthoud, wat ik je zeg: vroeg of laat
-zal je hun dupe worden. Op den duur worden ze dat allen van elkaar, en
-als er een vreemde eend in de bijt komt,—des te erger.”
-
-Toen Bram weg was, hurkten ze alle drie weer neer op de mat, en de
-mantri ging verder op zijn teemerigen toon:
-
-„Het is beter bij ons te komen en hier alles te laten, zooals het is;
-het is niet goed iets mee te nemen, en het is niet noodig; er is immers
-geld om te koopen, wat noodig is. Dáárom vraag ik: laat het Europeesche
-goed achter en ook den naam, en blijf enkel Adam tot het tijd is een
-goeden naam aan te nemen, zooals een mensch dien behoort te hebben.”
-
-En hij praatte nog lang voort, telkens in herhalingen vallend; altijd
-neerkomend op hetzelfde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-HET EUROPEESCH VERNIS VERDWIJNT.
-
-
-Adam Silver keek stil vóór zich, nu en dan knikkend met het hoofd, als
-toestemming; zichzelven aandenkend, dat het wezenlijk beter was, zooals
-hij dien avond al meer had gedaan. Hij zag den mantri een dichtgeknepen
-doek openmaken, met een mooie donkere sarong erin, een eenvoudig
-katoenen baadje en een hoofddoek; het was alles zeer goed van qualiteit
-en netjes afgewerkt; njai Peraq en Minah hadden eraan gewerkt met al de
-liefde, die zij voor Adam koesterden, en de mantri spreidde het uit met
-welbehagen, zoo senang vond hij het.
-
-Een half uur later wandelden zij met hun drieën den weg op, Adam ook,
-als inlander, een hoofddoek, een sarong en een baadje dragende, met een
-gek gevoel over zich, daar zoo te loopen als een gecostumeerde;
-onwillekeurig denkend nu en dan, aan den betrekkelijk nog zoo kort
-geleden tijd, toen hij in Den Haag flaneerde met jongelui van zijn
-kennis; in het duister van den avond glimlachend bij zichzelven om deze
-vreemdsoortige metamorphose, doch zonder eenig gevoel van spijt of
-leedwezen daarover. Het was nu eenmaal zoo, en het moest dus wel waar
-zijn, wat de penghoeloe had gezegd: gelijk God het wil, zal het een
-mensch overkomen. Dááraan was absoluut niets te veranderen!
-
-Bijzonder vreemd was het leven, dat nu volgde, niet voor hem; de menage
-thuis had heel veel inlandsch. Enkel hinderde hem de weinige
-lichaamsbeweging, want op den weg wilde hij zich niet vertoonen in zijn
-inlandsche kleeding, die, vond hij, toch erg leuk en gemakkelijk was;
-en het erfje van den mantri was zeer klein. Het deed echter zijn
-robuste gezondheid geen nadeel; hij volgde de lessen van den
-penghoeloe, leerde koranspreuken uit het hoofd en kwam tot de
-allergewichtigste besnijdenis, waartegen hij zeer opzag en waarvan hij
-zich volstrekt geen voorstelling kon maken.
-
-Maar hoe bang hij er ook voor geweest was,—de werkelijkheid viel nog
-erg tegen. Hij had het kunnen uitbrullen van pijn bij de operatie, maar
-hij behield zijn van nature kalm zelfbedwang; zijn ijskoude handen
-bewogen zich niet; de bleeke lippen op elkaar geklemd, keken de oogen
-dof van smart recht omhoog; geen enkele kreet ontsnapte hem.
-
-En daar allen zijn kloekheid bewonderden en beschouwden als een gunstig
-voorteeken, ving dadelijk het feest weer aan der vele genoodigden,
-neergehurkt in de pendoppo.
-
-Doch het hielp niet, dat hij zich goed had gehouden; de operatie op een
-volwassen forschen jongen man, naar de gebrekkige inlandsche manier had
-hevige wondkoortsen ten gevolge. Twee dagen later lag de nu Aboe Bakar
-geworden Adam Silver, doodziek achter de groezelige klamboe van het
-ledikant, dat de mantri voor hem had gekocht op een vendutie, en,
-zooals het was, in gebruik had gesteld.
-
-In de kamer zaten de penghoeloe en de mantri op den grond neergehurkt,
-en de broeder van den mantri en een zoon van dien broeder en een zwager
-van dien zoon en de vader van dien zwager,—allen goedgeloovige
-Mohammedanen.
-
-Want er moest dikir worden; het ijlen dat Adam deed, was het werk van
-den duivel; het was de setan der christenen, die hem betwistte aan den
-God van den Islam; maar hun stem zou krachtiger zijn, dan die van den
-booze; ze zouden hem overschreeuwen en zóó verjagen.
-
-Uit het bed, waaroverheen njai Peraq en Minah gebogen stonden om
-zooveel mogelijk de bewegingen van den zieke te beletten en zijn
-brandend hoofd te verfrisschen, kwam het geluid van een zware jonge
-basstem, die in het Hollandsch sprak met allerlei denkbeeldige
-menschen; die vloekte en lachte, en als uitbarstend in een bui van
-gloeiende kroegjool Fransche café-chantant liedjes zong van: Vive le
-vin le jeu et le tabac en Chantez, ma belle. En in het halfduister der
-door een hanglampje slecht verlichte kamer ging met hooge keelklanken,
-telkens na een enkelen regel recitatief door den penghoeloe, het
-gillend al-illah-Allah op, met heftig bewegen der bovenlichamen voor-
-en achterwaarts op de daaronder gekruiste beenen; naarmate de
-koortsvisioenen en het woeste ijlen van den lijder heftiger werden,
-klonken heviger en opgewondener de aanroepingen van de in een cirkel
-zittenden, zoodat het was of zij hun verstand verloren, zoo had het
-slingeren der lichamen en het geschreeuw hen in een staat van geweldige
-overspanning gebracht.
-
-Tot Aboe Bakar, uitgeput in slaap was gevallen, het droogheete der
-koorts afnam, en de geregeld wordende ademhaling aantoonde, dat de
-bloedsomloop zich voor het oogenblik had hersteld.
-
-De twee vrouwen zaten naast het bed, de armen lam van inspanning; het
-zweet met groote kralen op de voorhoofden, die ze nu en dan zuchtend
-afveegden met de slendangs.
-
-Het al-illah-Allah had opgehouden, maar nog lang prevelde de penghoeloe
-zijn gebeden met een zacht stemgemurmel, dat als eentonig gefluister
-door het somber vertrek ging, omhoog langs de slecht gewitte houten
-wanden, zich verliezend in het laag afschuinend atappen dak; tot de
-mannen eindelijk opstonden, stil naar voren gingen, afgebeuld van
-overspanning, en in de pendoppo een strootje opstaken, weder
-neerzittend, deze op den enkelen wankelen stoel, gene op den rand van
-het lage balustradetje, een ander op de boventrede van het trapje, dat
-naar beneden leidde.
-
-Zoo zaten ze nog een heelen tijd bijeen, zonder iets te gebruiken,
-ernstig, in wat zij een gesprek van aanbelang noemden, nu en dan een
-paar woorden, dan een lange stilte, daarna weer een enkel woord; alles
-neerkomend op de herhaalde bevestiging, dat zij erin geslaagd waren,
-den duivel, die den Islam zijn nieuwen aanhanger betwistte, uit het
-lichaam van den patiënt te verbannen.
-
-Aboe Bakar herstelde heel langzaam; toen de wonde geheeld was en de
-koorts hem had verlaten, scheen hij in uiterlijk niet de helft van wat
-hij geweest was. Hij kon zich niet in den spiegel zien, want daar was
-er geen; wel bezat Minah een slecht stukje spiegelglas in een prullig
-lijstje—de goedkoope waar van een klontong—maar Aboe Bakar wilde er
-niet naar vragen; hij wilde zijn gezicht niet zien; hij zag wel aan
-zijn magere handen, en toen hij zich voor het eerst aan den put ging
-baden, aan zijn knokkig lichaam, hoe het met hem gesteld was.
-
-„Het is alles gelukkig afgeloopen,” zei hem zijn moeder.
-
-„Wat?” vroeg hij, het voorhoofd fronsend met moeite om aan iets
-bepaalds te denken.
-
-„Met het geld en het goed. Het huis en de meubelen zijn verkocht en het
-geld is verdeeld.”
-
-„O, zoo! Nu, dat is goed.”
-
-Zij keek hem aan, verwonderd, dat hij in dat alles zoo weinig belang
-stelde.
-
-„Bram heeft me je geld gegeven; net zooveel als de anderen; het is
-braaf van hem, dat hij zóó gedaan heeft. Je kunt het krijgen, als je
-wilt.”
-
-Maar hij maakte een afwijzend gebaar.
-
-„Later, later; nu niet.”
-
-„Het is beter ook,” zei njai Peraq zacht, denkend aan de financieele
-omstandigheden van den mantri.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-OPNIEUW VERLOOFD EN GETROUWD.
-
-
-Bij de Tiele’s werd al lang niet meer gesproken over Adam Silver, en
-mevrouw Verlande, die het heel dikwijls over hem had met haar man, vond
-dat vreemd. Want de families kwamen in den laatsten tijd nogal bij
-elkaar; mevrouw Verlande maakte zulke overheerlijke sandwiches bij de
-thee en al de Tiele’s waren daar dol op.
-
-„Ik vind het onhartelijk.”
-
-„Maar kindlief, het is immers beter zóó. Het was een hoogst onaangename
-verrassing.”
-
-„Kasian, hij was zoo’n goeje jongen, en hij kon er toch niets aan
-doen.”
-
-„Dat maakt het voor hen niet anders.”
-
-„Nu maar, de eerste maal, dat ik bij hen kom, begin ik erover.”
-
-„Doe het niet. On ne parle pas corde dans la maison d’un pendu. Het zou
-een hatelijkheid lijken.”
-
-„Laat het. Zij, Nora, heeft, geloof ik, in ’t geheel niet van hem
-gehouden. Verleden week, toen ze hier gewhist hebben, zat ze met
-kapitein Slaters aan een tafeltje... En een koketteeren!”
-
-Verlande lachte luid,
-
-„Welnu, wat zou het? Kan je niet zien, dat de zon in het water schijnt?
-Ze is jong.”
-
-„Tamelijk; maar hij niet.”
-
-„Wel, hij is ’n goed geconserveerde veertiger. Dat is niet precies
-jong, maar nog erg..... huwbaar.”
-
-„Huwbaar!” herhaalde zij met een gemaakte verontwaardiging over zoo’n
-uitdrukking; maar ze kon zich niet goed houden en ze lachten nu beiden
-om het idée.
-
-„En dan,” ging Verlande voort, „zou hij ’n goede partij zijn voor
-Nora.”
-
-„’n Kapiteins tractement is ook zoo schitterend niet.”
-
-„Best, maar hij kan, hoor ik, zeker zijn van den gouden kraag, en hij
-is net een man om generaal te worden.”
-
-Het was een sterk argument; als elke vrouw vond mevrouw Verlande de
-afgedragenste generaals-uniform nog een ideaal, waartegen een dozijn
-van de zwartste zwarte rokken niet opgewassen waren.
-
-De generaal der toekomst, voor het oogenblik kapitein der infanterie
-bij het Indische leger, met verlof in Nederland, stond wezenlijk zoo
-goed aangeschreven als Verlande zei; hij was geen man met een martiaal
-uiterlijk: blond en fijn gebouwd, met een dun kneveltje en een zachte
-stem; wat alles niet belette, dat hij zoowel een dapper
-troepenaanvoerder als een kundig man gebleken was, die te velde zijn
-Willemsorde dubbel en dwars had verdiend. Sedert de Tiele’s veel bij de
-Verlande’s kwamen, hadden zij Indische kennissen gemaakt, en ofschoon
-de oude Tiele daar altijd erg bang voor was geweest, en na zijn
-ervaring met Adam Silver er meer dan ooit voor vreesde, behaalden de
-sandwiches toch de overwinning.
-
-Ten slotte was het een kansje om van de meisjes af te komen, die
-meerendeels al ’n beetje op den achtergrond raakten in de vroegere
-kringetjes, waar nu jonge dames waren, die nog onder de kinderen
-telden, toen de meisjes Tiele al uitgingen. Bij de Verlande’s en zoo
-waren ze in elk geval nog vrij versch.
-
-Wat mevrouw Verlande het „koketteeren” van Nora had genoemd, bleek in
-elk geval succes te hebben. Dat zag zij aan ’t gezicht van het meisje,
-toen Nora ’s middags bij haar kwam.
-
-„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.
-
-Verwonderd keek Nora haar aan.
-
-„U weet ervan.”
-
-„Heusch niet. Ik weet nergens van.”
-
-„Ja, dan zoudt u zoo niet vragen wat er gebeurd was.”
-
-„Is er dan iets gebeurd?”
-
-„Och kom, houd u nu maar niet zoo onwetend!”
-
-„Wezenlijk, Nora, ik weet van niets. Ik vond alleen.... iets vreemds in
-je gezicht. Iets, alsof je een gewichtige tijding kwam brengen.”
-
-„Voor mij heel gewichtig. Ik ben geëngageerd.”
-
-„Met kapitein Slaters?”
-
-„Zie je wel, dat u ervan weet.”
-
-„Maar beste Nora, ik ben niet blind. Als wij bij elkaar zijn en twee
-wisselen met elkaar zulke lieve blikken als jullie deedt.”
-
-„Foei.... dat is niet waar. Dat deden we niet.....”
-
-Mevrouw Verlande werd er in haar oprechtheid een beetje akelig van. Zij
-had om het meisje niet te grieven, nu niet eens gezegd, dat de „lieve
-blikken” eigenlijk door haar alleen werden geworpen.
-
-„In elk geval, ik feliciteer je. En dat geeft zeker gauw trouwen.”
-
-„Ja, het is fameus. Binnen een half jaar moeten we in Indië zijn.”
-
-„Als alles goed had gegaan met Adam Silver, zou je daar al geweest
-zijn.”
-
-Het was de eerste maal, dat zij na den fameusen dag, dien naam tegen
-Nora uitsprak, en het deed haar plezier, dat het meisje ontstelde; zij
-dacht, dat ze dan toch wel wat voor dien armen jongen gevoeld moest
-hebben, wijl ze zoo van kleur verschoot bij het hooren van dien naam.
-
-„God, mevrouw!” zei Nora zacht en vertrouwelijk, „zouden we hem in
-Indië ontmoeten?”
-
-„Ben je daar zoo bang voor?”
-
-„Verbeeld je.... ja, dat ben ik zeker. Ik heb van die heele akelige
-zaak niets aan Slaters gezegd. Pa zei, het was niet de moeite waard. Er
-was feitelijk niets gebeurd, zei hij.”
-
-Dus was het dàt alleen, dacht mevrouw Verlande, en een beetje bits
-antwoordde zij:
-
-„Dat moet je zelf weten; dáárin geef ik liever geen raad. En wat dat
-ontmoeten betreft,—er bestaat even weinig kans op, als hier in Den Haag
-iemand te ontmoeten, die in Denemarken woont. Waar jij komt, daar komt
-hij niet.”
-
-Een oogenblik keek Nora haar verwonderd aan; zij begreep het niet;
-verschil van grootte en afstanden stond haar niet voor den geest; men
-ging, meende zij, in zekeren zin naar Indië, zooals men naar Rotterdam
-ging, waar de menschen, bij al de drukte, toch onwillekeurig elkaar
-ontmoeten, ware het slechts op straat.
-
-„Je gaat naar Batavia, niet waar?”
-
-„Ten minste rechtstreeks; Slaters zegt, dat we er wel zullen blijven
-vooreerst.”
-
-„Nu, de plaats waar Adam Silver woont ligt ongeveer zoover van Batavia
-als Den Haag van... wat denk je?”
-
-Het moest een heel eind zijn, dacht Nora, en op goed geluk af zei ze:
-
-„Brussel.”
-
-Mevrouw Verlande begon te lachen.
-
-„Neen kind, Petersburg of daaromtrent; met het verschil, dat je van
-hier veel gauwer te Petersburg bent.”
-
-Het meisje geloofde het niet; zij vroeg het haar vader, die het
-bevestigde en zij vroeg het ook, als een bloote nieuwsgierigheid, wijl,
-zei ze, het zoo moeilijk was zich eenig begrip van afstanden eigen te
-maken, aan den kapitein. Nu, toen die het bevestigde, was haar hart
-gerust.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-ONAANGENAME ONTMOETING EN WROEGING.
-
-
-Een maand of vijf later aan boord, na een in alle opzichten welgeslaagd
-huwelijksreisje te land, dacht Nora Slaters aan den heelen Adam Silver
-niet meer; geen oogenblik. De herinnering aan hem was nu niets meer dan
-een flauwe kinderachtigheid.
-
-Toen zij te Tandjong Priok kwamen, nam de drukte hen erg in beslag,
-maar toch niet zóó, of Nora zag wel op de kade een groot gewoel van
-inlanders, dat haar eigenlijk meer vrees aanjoeg dan belangstelling
-inboezemde.
-
-Het was ’n aardig gezicht, die honderden mannen, vrouwen en kinderen,
-allen in hun mooiste, kleurigste oostersche kleederdracht, met profusie
-van helrood, hemelsblauw, grasgroen en wit, als domineerende kleuren,
-en een mengeling van geel en bruin en Perzisch bont, in kleinere
-kleurstukken daartusschen, in een langzaam gewriemel van overgangen bij
-het rustig voortschrijden, zonder gedruisch.
-
-„Als dat eens allen Europeanen waren,” zei kapitein Slaters, „dan zou
-je een ander leven hooren.”
-
-„Is het hier altijd zoo?” vroeg Nora.
-
-„Wel neen; gewoonlijk is het erg kalm op de kade; er gaat zeker weer
-een lading Mekkagangers.”
-
-„Wat zijn dat?”
-
-„Pelgrims, die naar Mekka gaan, naar het graf van Mohammed. Ze hebben
-nu geld en zijn niets; als ze terugkomen, zijn ze straatarm, maar
-hadji.”
-
-Het jonge vrouwtje wist niet wat een hadji was; zij vroeg er ook niet
-naar; met een strak gezicht en saamgeknepen lippen keek zij naar den
-walkant; daar stond een inlander, groot en zwaar, met een zwarten
-baard, het hoofd en de breede schouders uitstekend boven zijn omgeving,
-en blank te midden van al dat bruine; veel blanker, dan Adam Silver
-geschenen had in Holland.
-
-Het was Aboe Bakar, die met Minah en haar zuigeling naar Mekka ging;
-toen de boot met kleine voor- en achterwaartsche bewegingen aan den wal
-meerde, had hij, den blik latende gaan langs de reizigers, die over de
-reeling van het achterdek leunden, Nora herkend; onwillekeurig was hij
-blijven staan en had haar aangekeken, strak maar kalm; verwonderd, niet
-ontroerd. Haar was het, als werd zij plotseling aangegrepen door een
-geweldige lamheid in de leden; zij keek naar de groote glinsterende
-zwarte oogen, als trokken die haar aan met onweerstaanbaar magnetische
-kracht; zij had geen woord kunnen zeggen; geen voet kunnen verzetten.
-
-De eenige gedachte in haar hoofd was: van Den Haag naar
-Petersburg,—zóóver moest hij van haar af zijn, en daar stond hij op
-geen tien passen afstand.
-
-Langzaam keerde Aboe Bakar zich om en wandelde op naar de noordzijde.
-Zij zag hem verdwijnen in een opening tusschen twee loodsen en keek nog
-strak naar die plek, toen hij al weg was.
-
-„Hoe is het?” vroeg haar man lachend. „Droom-je?”
-
-Zij streek met een rillinkje in haar hoofd strak de fijne handen langs
-de oogen, zoodat die er rood van zagen.
-
-„Het is me alles zoo vreemd, hier, ik kan er niet genoeg naar kijken.”
-
-Ze werden gestoord door medepassagiers en de hurry van binnendringende
-verwanten of familieleden van passagiers, die verwelkomden en van boord
-kwamen halen; door opdringende koelies, zich meester makend van
-gereedstaande kisten en koffers, om ze naar buiten te sjouwen; het was
-onder den hellen gloed der zon een verwarring, waaruit men zou gedacht
-hebben, met zijn persoon en zijn goed nooit terecht te komen, maar die
-zich vrij spoedig en heel goed in een ordelijken exodus naar het
-spoorwegstation oploste.
-
-Bij al de onvermijdelijke drukte in het hotel; het uitpakken van
-koffers; het uitzoeken van het goed voor den waschman en het hulpeloos
-getob met onverstaanbare bedienden, dacht Nora den heelen dag telkens
-weer aan die vreemde ontmoeting, niet als aan iets aangenaams voor haar
-gevoel, noch als aan iets nadeeligs voor haar nieuwe maatschappelijke
-positie, maar als aan iets, dat haar persoonlijk schrik en ontzetting
-inboezemde, en dat haar in ongeluk en ellende zou kunnen brengen, zoo
-het haar ooit overkwam. En toen zij ’s avonds, moe, voor het eerst na
-een lange zeereis, zich weer eens uitstrekte in een ruim bed, kwamen de
-groote, zwarte oogen als glimmend metaal weer voor haar verbeelding,
-tot zij met een angstigen zucht strak in het nachtlichtje ging kijken
-om van dat benauwend visioen ontslagen te zijn.
-
-Het was een zware tocht voor Aboe Bakar, en wat hem het meeste leed
-deed was, dat hij vrouw en kind daaraan had blootgesteld. De
-scheepsruimte was voor het aantal pelgrims veel te klein; de boot, een
-gewone stoomer, voor zulk een transport niet ingericht. Heel gauw na de
-afvaart begon de zeeziekte; en wat dat opleverde aan tooneelen vol
-ellende en walgelijkheid!
-
-Aboe Bakar hoorde het Hollandsche scheepsvolk spreken over hem en zijn
-geloofsgenooten, mede Mekkagangers, met een minachting, zóó diep, dat
-hij ervan rilde. Ja, zooals ze daar lagen, waren zij een troep beesten
-gelijk; minder zelfs, want met de onverschilligheid der wanhoop ronkten
-de meesten in eigen en andermans vuil. Nu en dan werd door het
-scheepsvolk beproefd alles eens goed schoon te maken, maar het ging
-niet. En voor de reis had haast geen pelgrim voldoende verschooning.
-
-Naast dat beeld van vuile misère, doemde dan telkens in zijn geest op
-dat der reis naar Indië als Adam Silver; de aangename, beschaafde
-conversatie, de keurige rijk voorziene disch, de groote blinkende
-zindelijkheid, en al het comfort ook in het uiterlijk. Dan was het of
-een groot gewicht hem op de borst drukte; dan kreeg hij het gevoel van
-een verbazend dommen streek te hebben gedaan, zóó groot, dat zelfmoord
-er haast niets bij was; en dan bestreed hij dat ongelukkig gevoel:
-trachtte het weg te werken, en eindigde met te zoeken of hij ergens op
-het dek een plaatsje kon vinden, waar hij stil, voorovergebogen, het
-hoofd in de handen, al maar bidden en bidden kon, hetzelfde
-gebedsformulier, tot hij het overweldigend gevoel van jammer als het
-ware had weggehypnotiseerd.
-
-Tot zij te Djedda aan wal kwamen, gelukkig, dat de reis ten einde was;
-blij aan het einddoel te zijn en den vasten grond van het heilige land
-onder zich te voelen; maar om spoedig te ontwaren, dat zij gekomen
-waren van den regen in den drop; dat zij in dit gezegende oord werden
-behandeld als honden en geplukt als kippen.
-
-Zij beklaagden zich bij Aboe Bakar; zijn persoonlijkheid, zijn kalme en
-deftige manieren, zijn vele bidden en zijn welgesteldheid, hadden hem
-reeds aan boord een soort van superioriteit gegeven tegenover de
-anderen; hij hielp hen, zooveel hij kon; het enkele woord Engelsch, dat
-hem van school was bijgebleven, kwam hem te pas; hij parlementeerde
-voor hen; en het hielp ’n beetje, al was het niet veel. Ook hier had
-hij zijn van de anderen zoo verschillende persoonlijkheid en manieren
-vóór; men keek hem wel wat wantrouwend aan, maar liet toch eenigszins
-af van de ontzettende afzetterij, welke de Maleiers en Javaantjes een
-kwartje deed betalen voor elken pisang.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-ABOE BAKARS TELEURSTELLING.
-
-
-Het viel Aboe Bakar alles bitter tegen; de tocht naar Mekka en de
-heilige stad zelf. Was dat nu de plaats, waarvan hij had gehoord, dat
-uit alle deelen der mohammedaansche wereld talrijke karavanen er hun
-kostbare gaven offerden? Hij had er gebeden in de groote moskee, lang,
-met goed geloof en volgens het gebruik; hij had met diepen eerbied den
-zwarten steen in de Kaäba gekust, en het had hem met een gevoel van
-zaligheid vervuld, omdat hij zich voor een goed mohammedaan hield; maar
-overigens trof het hem, dat Mekka, de heilige stad, een ellendig nest
-was; een groote warong met het aanzien van een gevangenis, een
-roovershol metterdaad. Toch had hij minder last van de vele
-ongerechtigheden, dan de anderen; hij werd blijkbaar ook hier aangezien
-voor meer dan een gewone inlander van Java of Sumatra; maar met een
-wantrouwen toch, zóó groot, dat hij er haast in moeilijkheden door
-kwam, toen Minah zich had verpraat en verteld, dat haar man vroeger
-christen was geweest; voor een priester moest hij zijn waren staat van
-mohammedaan bewijzen; en... dat kon hij.
-
-Maar hier kreeg hij zijn afkeer beet tegen de Arabieren, en hij vond er
-onder de vreemde pelgrims die ze met hem deelden. Het waren lieden uit
-Achter-Indië, die ook, door hun handel op de kust, het gewone
-strandmaleisch spraken; door hun meerdere ontwikkeling en gegoedheid
-hadden zij zich bij hem aangesloten, en zij spraken veel over den
-godsdienst, over den profeet, diens levensgeschiedenis, en ook over het
-christendom. En toen een hunner het plan vormde met een karavaan langs
-de kust der Roode Zee naar Jeruzalem te gaan, waren ze daar allen voor;
-Aboe Bakar blij, dat hij niet met hetzelfde zoodje terugging, waarmee
-hij was gekomen.
-
-Ook al geen illusie! Niet zulk een afzetterij als te Djedda en te
-Mekka; wèl groote hotels en villa’s, maar voor de bevolking in de
-eigenlijke binnenstad, alles nauw, somber, vuil.
-
-Aboe Bakar dankte God, dat hij dien pelgrimstocht, die hem zooveel geld
-had gekost, zoo erg was tegengevallen en zooveel moeite en ellende had
-bezorgd, achter den rug had, en hij op een boot met minder Mekkagangers
-kon terugkeeren. Op het zindelijke dek, waar nu alles geregeld en goed
-kon verzorgd worden, was het behaaglijk; het eten was eenvoudig
-inlandsch maar behoorlijk; de behandeling goed. En de gesprekken liepen
-over wat men had gezien en ondervonden, het geleden leed week met elken
-dag meer op den achtergrond; de trots, dat men den tocht had gedaan
-naar het graf van den profeet, kwam boven; nog vóór de boot straat
-Soenda binnenstoomde, was er geen, die voor nog zooveel had gewild, dat
-hij den pelgrimstocht niet had gemaakt. Aboe Bakar en Minah, die nu
-reeds het gezicht halverwege bedekt droeg, allerminst.
-
-Weer was de kade van Tandjong Priok vol verwelkomende bloedverwanten,
-maar de familie Aboe Bakar werd niet afgehaald. Hem kon ’t niet
-schelen, Minah hinderde het zeer, zij zag er, vond ze, zoo deftig uit
-met den tullen doek met gouden sterretjes voor het onderste gedeelte
-van het gelaat, dat het jammer was aan den wal geen bekenden te zien;
-het les amis de nos amis sont nos amis vonden zij bewaarheid bij de
-orang selam, vooral tegenover uit Mekka terugkeerenden. Daar waren er
-die present waren geweest bij hun vertrek, die hem herkenden en
-uitnoodigden.
-
-Al pratende informeerde Aboe Bakar eens, en hij koos de gastvrijheid
-van een mandoer, die in de stad Batavia werkte en daar woonde ook; dàt
-trok hem het meeste aan, die oude stad! Hij deed er zijn intocht in de
-kampong met een vertoon van waardigheid, dat hem daar hoog in de
-algemeene schatting deed stijgen.
-
-En ’s avonds bij het feest, toen ze allen met veel genoodigden in een
-grooten kring op den grond zaten, limonadestroop drinkend en strootjes
-rookend, vertelde Aboe Bakar langzaam en deftig van de Heilige Stad; en
-hij loog, dat het een aard had, zonder zelf te snappen, dat hij zoo
-loog; hij vertelde niet wat hij, Minah en de anderen, werkelijk hadden
-gezien en ondervonden, maar wat zij van hun reis gemaakt hadden, nadat
-zij haar al pratend zooveel dagen aan boord omgeven hadden met een
-aureool van heerlijkheid.
-
-Het was heel laat in den nacht toen de gasten heengingen met een hoog
-idée van den Saïd Aboe Bakar, die met zijn gastheer nu zitten bleef op
-de twee onvermijdelijke wipstoelen, die in het voorgalerijtje een
-kleine ronde tafel flankeerden.
-
-„Wat zal ik doen?” vroeg Aboe Bakar. Zijn heele preferentie om bij den
-mandoer te logeeren zat eigenlijk in het feit, dat hij deze vraag
-iemand wilde stellen, die ze hem waarschijnlijk goed beantwoorden kon.
-
-„Hebt ge geld?” vroeg de andere.
-
-En toen het antwoord bevestigend was:
-
-„Hoeveel?”
-
-Aboe Bakar aarzelde; hij wist zelf niet precies hoeveel hij bezat; njai
-Peraq had hem gezegd, dat hij over al het hare kon beschikken; hoeveel
-dat was, wist hij niet; zelf had hij nog achttien mille; hij wilde
-voorzichtig wezen en niet het heele bedrag ineens noemen.
-
-„Tien duizend,” zei hij.
-
-„Het is niet genoeg en wel genoeg.”
-
-Daar begreep Aboe Bakar niets van.
-
-„Hoe kan iets tegelijk niet en wel wezen?”
-
-„Het is genoeg om vrij te zijn, als je wilt doe ik er wat bij, dan
-behoeven wij nooit geld vooruit te vragen.”
-
-„Maar waarvoor eigenlijk?”
-
-„Wees niet ongeduldig, Saïd Aboe Bakar.”
-
-„Neen, ik vraag maar wat wij dan zouden doen.”
-
-„Handel drijven.”
-
-„Waarin? Ik heb er geen verstand van; ik heb het nooit gedaan.”
-
-„Het verstand heb ik,” zei de mandoer met zekere plechtigheid. „Dat
-komt er niet op aan. Ik heb het meer gedaan.”
-
-Een fragment van wat hij in Holland wel eens had gehoord in gesprek,
-schoot Aboe Bakar door het hoofd; Verlande zei, als hij van zaken en
-compagnon-zijn sprak, altijd: dat als één er verstand van had en de
-ander had het geld, dan na eenige jaren de ander ook het verstand
-kreeg, maar zijn geld bij den een was. Met een effen gezicht zei hij:
-
-„Ik dacht niet, dat de handel zoo gemakkelijk was.”
-
-„Het is niet zulk een moeilijke handel als van de Europeanen en de
-Chineezen, het is handel in vee.”
-
-Dat kwam Aboe Bakar wel aantrekkelijk voor, en hij ging er meer op in.
-Het was half vijf reeds toen ze besloten hadden, dat hij zich zou
-vestigen als veehandelaar voor gezamenlijke rekening. Een koele wind
-streek door de kampong en ruischte in de groote, rafelige en gescheurde
-pisangblaren; huiverend trok de mandoer zijn baadje over zijn naakte
-lichaam dichter aan; in een klapperboom sloeg een voorbarige koetjitja
-een paar heldere tonen in den nog donkeren nacht; de lampen waren
-uitgegaan, en een klein petroleumnachtlampje lichtte nog slechts
-binnen; achter het gordijn, dat in de diepte der woning de slaapplaats
-en het verblijf der vrouwen afsloot, kwam het gestommel van uitgeslapen
-menschen, die haast willen opstaan.
-
-„Ik ben koud!” zei de mandoer.
-
-„Ja, het is frisch.”
-
-„Als ik zoo koud ben, vrees ik altijd ziek te worden; de nachtlucht is
-zoo ongezond.”
-
-„Ja,” bevestigde Aboe Bakar machinaal.
-
-„Daar neem ik altijd wat obat voor, wil ik je ook wat geven.”
-
-„Is het erg leelijk?”
-
-„In het geheel niet; het smaakt goed.”
-
-De mandoer haalde in den schemerdonker een flesch uit een kastje,
-waarvan hij den sleutel in zijn buikband droeg; hij schonk twee glazen
-vol, loerend erdoor heen tegen het nachtlichtje om niet te morsen; toen
-nam hij er een en goot het in z’n mond. Aboe Bakar had het dadelijk
-geroken: het was cognac.
-
-En begeerig stak hij, zonder een woord te spreken, de hand uit, het
-glas ad fundum ledigend.
-
-„Is het geen goede obat?” vroeg de mandoer.
-
-„Uitstekend,” bevestigde de pas van Mekka teruggekeerde Mohammedaan.
-
-Hij had het goed getroffen; niet alleen bleek zijn compagnon op de
-hoogte van den veehandel te zijn, maar ook eerlijk onder
-geloofsgenooten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-EEN BESCHAAFD MOHAMMEDAAN.
-
-
-Naast de woning van Pa Djalil, den mandoer, had Aboe Bakar er een
-gehuurd, ’n heele mooie voor een inlander in de kampong. Hij voelde
-zich nu zeer tevreden en gelukkig in zijn lot; als Europeaan was hij
-een domoor geweest; een good-for-nothing; een, waarmee men niet wist
-wat aan te vangen; een zelfs niet erkend in de boeken;—als inlander was
-hij een gerespecteerd man, een vat vol wijsheid, een welvarend
-handelaar, die goede zaken deed.
-
-En hij was inderdaad geacht bij de inlandsche gemeente, die vooral hoog
-tegen hem opzag, wijl hij altijd zoo kalm en deftig was, nooit
-perkara’s had en streng volgens den koran leefde; maar de Arabieren
-mochten hem niet; de haat tusschen hem en hen was wederkeerig; hij
-imponeerde hen en zij behandelden hem met onderscheiding, maar men
-bleef op een afstand zoo in als buiten den missigit, en Aboe Bakar liet
-er zich openlijk over uit, dat hij hun haat tegen de christenen niet
-deelde, juist omdat hij een goed Mohammedaan was; hij haalde er de
-hoofdstukken en verzen bij aan uit den koran, die het wee! uitspreekt
-over hen, die zich vergrijpen aan de christenen, en slechts aan God de
-uitspraak overlaat tusschen christenen, joden en Mohammedanen op den
-dag der opstanding.
-
-Zoo leefde hij rustig door, zonder haast ooit eenigen omgang met
-Europeanen; met Bram hield hij nu en dan briefwisseling, dàt was het
-eenige. En Bram was nu een big boy geworden, zoo schreef hijzelf; hij
-had een aandeel in een land, en men maakte groote zaken; hij had het
-oude huis der Silvers weer teruggekocht, en voor den grond laten
-gooien; op de plek stond nu een mooie villa; de plaats zelf was door de
-welvaart der planters zeer vooruitgegaan; hij blufte in zijn brieven,
-dat het een aard had, zonder dat Aboe Bakar dit begreep; die las het
-alles steeds met de grootste bewondering en vertelde het Minah, die na
-haar eerste kind geen verderen reproductieven aanleg ontwikkeld had,
-zoodat het dáárbij scheen te zullen blijven.
-
-De oude moeder, nu weer in het kamertje in de bijgebouwen, waar ze
-zooveel jaren had gewoond, wilde niet naar Batavia komen, hoe graag zij
-ook bij den liefsten zoon had gewoond; en op haar erfje stonden
-klapperboomen, die ze zelf had geplant, en ook andere soorten groot en
-schoon, die ze gekend had nietig en klein; dat gold ook heel zwaar.
-
-Nu hun zaken zich na ’n jaar of zes zeer hadden uitgebreid, was Pa
-Djalil geen mandoer gebleven; hij en Aboe Bakar waren voor die zaken
-dringend noodig; zij reisden er vaak voor langs de kust, met prauwen en
-ook wel, als er haast bij was, met stoomers. Dan ging Aboe Bakar meest,
-die om zijn uiterlijk en deftigheid, om zijn fraaien witten tulband in
-lang met gouddraad gestikte kleurrijke overkleeren meer in aanzien was,
-en vormelijker behandeld werd. Dan nam hij een tweede klasse biljet, om
-meer te kunnen gaan waar hij wilde; als er niets was, voegde hij zich
-bij de inlandsche dekpassagiers, gedachtig aan de koraänische belofte,
-dat de nederigen het eeuwige leven beërven; maar als er veel
-Europeesche militairen op het dek waren, en zij vloekten en waren ruw,
-dan kon hij met zijn biljet zich terugtrekken.
-
-Hij had dat juist gedaan, en stond nu midscheeps op het tweede klasse
-dek in zee te kijken, naar het gewriemel en gewoel, het opkomen en
-vervloeien, het dansen en klotsen en schuins opspatten van de groote
-watermassa, door het gele zonlicht in scherpe nuances getint.
-
-Toen hij zich omkeerde, de oogen duizelig van het helle glanzen, week
-een baboe eerbiedig voor hem uit, buigend voor den mooien toean saïd;
-hij knikte goedig, en zijn groote hand uitstekend naar een blond
-kindje, dat bij haar was, vroeg hij:
-
-„Vindt njotje het pleizierig aan boord?”
-
-De meid en het kind keken hem aan met stomme verbazing.
-
-„Hij spreekt Hollandsch,” zei het kind in het maleisch: „Is hij gek?”
-vroeg het met de volkomen oneerbiedigheid voor volwassen oosterlingen,
-eigen aan kindertjes van Europeanen in Indië.
-
-Aboe Bakar schaamde zich, het was hem wezenlijk ontsnapt tegenover dit
-blonde kind; hij had Hollandsch gesproken zonder er verder bij te
-denken; het kind had gelijk; het was heel gek. En nog gekker vond hij
-het, toen een onderofficier, op ’n wipstoel een pijpje rookend, lachend
-tegen een ander de opmerking maakte, dat de „Arabier” het kind in ’t
-Hollandsch aansprak en die jeugdige blonde bataaf zelf niet anders
-kende dan maleisch.
-
-De baboe ging met het kind naar het achterdek, verlegen over de brutale
-vraag; en daar vertelde zij het aan ’t groepje dames, dat handwerkjes
-deed of ’n romannetje las, terwijl de heeren aan de andere zijde hun
-partijtje maakten. Het was mevrouw Slaters, die erbij zat, of haar hart
-werd dichtgeknepen, zoo’n benauwend gevoel kwam over haar. Dat moest
-Adam Silver zijn; dat wist zij ineens zeker. Zij hoorde de beschrijving
-door de meid van het uiterlijk van den toean saïd,—het kon onmogelijk
-iemand anders wezen.
-
-„Laten we hem eens gaan zien,” zei een der dames. En de anderen, die
-zich mee verveelden, allen getrouwde dames, vonden dat ook. Maar de
-vrouw van den majoor Slaters—de gouden kraag was er al!—wilde niet.
-
-„Gut, hoe flauw!” meende een.
-
-„Je bent toch niet bang op hem te verlieven?” vroeg een ander.
-
-En men lachte haar uit, eigenlijk een beetje boos, dat zij ’t
-kinderachtig excursietje niet mee wilde maken. Zij weigerde hardnekkig;
-zij had nu al een gevoel, alsof de idée zijner aanwezigheid op
-hetzelfde schip haar hypnotiseerde; zij wist, of had althans de
-overtuiging, dat als ze hem zag, weer dat vreemde gevoel van strakheid
-en van niet te kunnen denken over haar komen zou.
-
-Een oogenblik hadden de andere dames geaarzeld, maar de lust om haar
-zelfstandigheid te toonen, hield de overhand; lachend en fluisterend
-omdat ze een mooien Arabier gingen zien, die Hollandsch sprak, liepen
-ze de kajuittrap af en naar voren. En ze stootten elkaar aan met de
-ellebogen, wisselend schuinoogende blikken: „Daar staat-ie!”
-
-Toen ze voorbijkwamen richtte Aboe Bakar, die over de reeling leunde,
-zich op, in een beleefdheidshouding om haar te laten voorbijgaan; ze
-keken niet direct naar hem, maar zagen hem toch zoo nauwkeurig als een
-staaltje van een modestof; de jongste, een levendig opgewekt vrouwtje,
-keerde zich ineens tot hem:
-
-„Is het waar, dat u Hollandsch spreekt?”
-
-De anderen stikten haast van den lach; een beetje verlegen, niettemin,
-om wat zij een enorme brutaliteit vonden.
-
-Maar zoo de dames nu een beetje verlegen waren met haar figuur,—Aboe
-Bakar niet; een glimlachje ging over zijn rustig gezicht:
-
-„Ja, mevrouw.”
-
-„Hoe is het mogelijk?”
-
-„Ik heb het geleerd.”
-
-Nu lachten ze allen luid. Wat had zij daar een gekke vraag gedaan, en
-wat gaf hij daar een leuk antwoord op. Nu, die was goed! „Pour savoir
-une chose,” riep een harer onder het lachen.
-
-„Zeker,” zei Aboe Bakar zacht, „il faut l’avoir appris.”
-
-Nu werd het nog gekker; het maakte de dames ernstig; ze wisten nu geen
-van allen wat te zeggen; de jongste keek hem voortdurend strak aan, de
-lippen op elkaar. Welk een schilderij van ’n man!
-
-„U woont zeker in Indië?” vroeg ze.
-
-„Te Batavia. Ik reis voor zaken... als koopman. Mijn naam is Aboe
-Bakar.”
-
-Zij voelden, dat ze daar niet langer konden blijven staan; ze hadden
-ook niet geweten, wat te zeggen. Hij had zich voorgesteld, eenvoudig,
-gewoon, als een man van de wereld, met het sierlijk en beleefd gebaar
-van een beschaafd oosterling; zij knikten en zeiden „Goeden dag,”
-zonder meer; men kon toch tegen zoo’n man geen „meneer” zeggen als
-Europeesche dame!
-
-Haastig liepen ze de trap weer op naar het achterdek, pratend over het
-bijzonder voorval, en mevrouw Slaters aanvallend met den uitroep: „Nou,
-je hebt iets gemist, hoor!”
-
-Het heldenstuk van het „aanspreken” werd verteld; Aboe Bakar werd
-beschreven van top tot teen; en wat hij aan had, en hoe hij eruit zag,
-en wat hij zei.
-
-Nora was het, als had zij erbij gestaan.
-
-Zij was uiterlijk veel veranderd; het Indisch klimaat had haar goed
-gedaan; ze had gevulder vormen gekregen, en dat stond haar
-voortreffelijk; van een gewoon blondinetje om niets van te zeggen, was
-zij geworden wat men een „knappe” vrouw noemt.
-
-Het verhaal der reisgenooten maakte haar stil; zij dacht er haast den
-heelen dag aan, onwillekeurig. Naast haar vrees voor een ontmoeting,
-kwam een geweldige nieuwsgierigheid om hem toch eens te zien, zooals de
-anderen hem hadden beschreven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTSTE HOOFDSTUK.
-
-ONGELUKKIGE FAMILIEBERICHTEN.
-
-
-Het was avond en ’n mooi tropisch nachtgezicht op het onbegrensde
-zeevlak, helder in het maanlicht, vol schemerige effecten van licht en
-wisselend halfdonker; de heeren zaten alweer aan het partijtje, in de
-rookkamer nu; enkelen liepen heen en weer te digereeren op het
-achterdek; de meeste dames waren al naar beneden in de cabines.
-
-Nora was opgebleven.
-
-„Een heerlijke avond, mevrouw,” zei de kapitein haar passeerend.
-
-Zij kreeg een idée.
-
-„Het moet nu prachtig wezen op de brug.”
-
-„Zoudt u eens willen zien?”
-
-„Heel graag,” en tot het slanke jonge vrouwtje, dat Aboe Bakar ’s
-morgens had aangesproken, „ga je ook mee?”
-
-Ze volgden den gezagvoerder, en het was heerlijk, het uitzicht van de
-brug op de groote schitterend geïllumineerde zee; maar na een
-plichtmatige betuiging van het verrassend schoone, effectvolle, gingen
-haar oogen onderzoekend over het voordek. De andere kneep haar stijf in
-den arm: Aboe Bakar zat er, achterover geleund op een bank, denkend aan
-zijn zaken en hoe hij die zou afhandelen op de kust; een strootje
-rookend voor tijdpasseering.
-
-„Daar zit-ie,” fluisterde zij Nora in het oor. „Wat ’n pracht van ’n
-man, hè! Om alles voor te vergeten.”
-
-Maar Nora schudde heftig het hoofd. Foei, neen! Zij voelde niets voor
-hem; niets! Zij hield eerlijk veel van haar eigen man; zij was enkel
-bang; wezenlijk heel bang voor een ontmoeting met dien Adam Silver als
-Mohammedaan en hadji; zij vond hem, wat hij was: een physiek knap man;
-overigens niets, en dat ze zoo ellendig werd, nu ook weer, toen ze hem
-zag, was enkel uit vrees, dat er ooit iets zou uitkomen, van wat
-vroeger was voorgevallen, en dat ze voor Slaters verzwegen had.
-
-Zooals Aboe Bakar het zich in dien mooien maanavond aan boord zat voor
-te stellen, gebeurde het ook; de soort van handel, dien hij dreef, was
-eenvoudig en secuur; zonder veel risico en agitatie; juist zooals bij
-zijn aard paste.
-
-Kalm en welgemoed zou hij dan ook te Priok aan wal zijn gestapt, als
-hem daar niet iets heel zonderlings had gewacht. Het waren Bram, van
-wien hij in den laatsten tijd niets had gehoord, zijn moeder en zijn
-zuster. Van boord af zag hij het troepje op de kade staan, Bram
-magerder en ingebogener van borstkast dan ooit te voren; maar in zijn
-gezicht niets veranderd; njai Peraq wit van haar geworden, maar dikjes
-en vetjes, een Schotschen omslagdoek over het baadje geslagen en een
-groote pajoeng in de hand; de eenoogige zuster met een slecht gemaakte
-japon aan, waaronder de witte rok uitkwam en waarvan het split open
-stond, en met een allergekst zwart stroohoedje op met ’n lange heen en
-weer waaiende enkele veer.
-
-In stomme verbazing stond Aboe Bakar het troepje te beschouwen, zonder
-leed of vreugde; met enkel de vraag in het hoofd: wat in Mohammeds naam
-komen die doen?
-
-Maar hij was heel hartelijk, al bracht zijn positie zekere
-vormelijkheid mee; zijn moeder kuste hem eerbiedig de vingertoppen; de
-broer en zuster schudden hem de hand. En op zijn vragenden blik,
-antwoordde Bram:
-
-„Ja, kerel, ’t is een bedonderde perkara.”
-
-„Is er iets gebeurd?”
-
-„Of er iets gebeurd is? Ik ben blut, man; totaal geflaconneerd,”—en
-zich over den knokkigen handrug blazend: „pfft! zóó kaal ben ik!”
-
-„Ik dacht, dat het je goed ging.”
-
-„Dat ging het ook, maar we hebben te veel hooi op onze vork genomen.”
-
-Aboe Bakar, nog een en al verbazing, haalde de schouders op.
-
-„Ik begrijp het niet.”
-
-„Van de koffie; je weet toch wel van dat onverwachte kelderen van de
-koffie?”
-
-„Neen,” hij moest erkennen, dat hij daarvan onkundig was, hij begreep
-de uitdrukking niet eens.
-
-„Ik handel in vee,” zei hij.
-
-„Enfin, we hadden breed opgezet, en ineens: bom! daar lag de boel. Tot
-overmaat van ramp waren we borg voor achttien mille en werden
-aangesproken.”
-
-„Maar het geld van moeder?”
-
-„De heele rataplan, zeg ik je! Wij zaten er in met alles, wat we
-hadden: ik, de oude vrouw en—met z’n duim naar de zuster wijzende—zij
-ook.”
-
-„En nu?”
-
-„Ja, zie je, in het landelijke gaat het niet meer; ik kan nu niet meer
-opzienertje gaan spelen.... als je zelf baas bent geweest.... Ik zal
-zien, dat ik hier een baantje vind.”
-
-„Wie is hij?” vroeg Aboe Bakar, doelend op een kleinen indo, die achter
-hen aan liep, blijkbaar eenigszins met z’n figuur verlegen.
-
-„O! da’s waar ook; dat is onze zwager Boudrin de Chatonville. Zeg,
-Josep, kom eens naar voren. Onze broer Ad....”
-
-„Aboe Bakar,” viel de dus voorgestelde snel in de rede; en toen
-zachtjes tegen Bram: „Heet hij werkelijk zoo?”
-
-„Of hij Boudrin de Chatonville heet? Neen maar, dàt zal waar zijn. Hij
-is van adellijke afkomst.”
-
-Aboe Bakar vond, dat zijn zoo bij verrassing ontdekte zwager er niet
-naar uitzag.
-
-„Jullie hebt me niet eens kennis gegeven van haar huwelijk,” zei hij
-verwijtend.
-
-„Och, zie je, zóó ver is het om je de waarheid te zeggen nog niet; dat
-zullen we hier wel in orde maken.”
-
-„Zijn ze dan niet....”
-
-„Niet voor de wet. Ze scharrelden zoo wat samen, weet je, en als je
-goed kijkt dan kan je dat ook wel zien. Nou, ik heb gedacht dat ’t maar
-het beste was hem mee te nemen en ze dan hier te laten trouwen.”
-
-„Wat doet hij?”
-
-„Eigenlijk niets; hij zoekt een betrekking, hij verkeert in ’t zelfde
-geval als ik: aardig geld gehad, maar alles weg.”
-
-Ze waren opgewandeld tot het station. Bram en Aboe Bakar voorop; de
-anderen in een ganzenrijtje erachter aan; ze togen in een derde klasse
-waggon en onder het rijden hoorde Aboe Bakar meer bijzonderheden over
-het „ongeluk,” dat zijn familie had getroffen; de jongste broer had
-niet mee gewild naar Batavia, maar was weer gaan werken als
-opzienertje; die was, zei Bram, heelemaal verwilderd; net ’n
-boschmensch.
-
-En bij het aanhooren dier bijzonderheden, die hem geen belangstelling
-inboezemden, dacht Aboe Bakar na over hetgeen hem te doen stond.
-
-„Ga jij nu met haar en dien Chatonville naar een logement...”
-
-„Wel, neen, wij logeeren bij kennissen van hem, daar ergens achter
-Molenvliet; als ik geweten had waar jij woonde...”
-
-„Hier in de stad in de kampong. Ik heb nu zaken en wou enkel de oude
-vrouw mee naar mijn huis nemen. Natuurlijk zal ik jullie helpen;
-daarvoor behoef je niet bang te zijn...”
-
-„Dat ben ik ook niet,” zei Bram.
-
-„Goed, schrijf me dan je adres op; ik kom van avond bij je. Heb je nu
-iets noodig?”
-
-„Neen, zóó is het niet, dat ik geen cent in mijn zak heb. Maar meer dan
-’n paar honderd pop, alles samen genomen, zit er niet aan.”
-
-Met zijn moeder reed Aboe Bakar naar zijn woning.
-
-„Ik heb zonde gedaan voor God,” zeide ze onder het rijden, „ik had het
-geld moeten bewaren voor u, het hem niet moeten afstaan; ik meende, dat
-hij in die zaken pinter was.”
-
-Maar Aboe Bakar was het niet met haar eens:
-
-„Het is heel goed zoo, moeder; het was het geld van... den ouden heer
-Silver; ’t was dus dat van Bram ook.”
-
-„Ik had het verdiend.”
-
-„God vernietigt den woeker en vermenigvuldigt met woeker den prijs der
-aalmoezen.”
-
-Daar zweeg njai Peraq op; en een oogenblik reden ze stil voort, in het
-op de slappe veeren slingerende karretje, tot zij weer zei:
-
-„Het is zonde van het geld, waarvoor ik zooveel jaren heb gewerkt.”
-
-„Ik had het toch niet mogen aannemen,” troostte haar Aboe Bakar met
-islamitische onverbiddelijkheid. „De koran zegt, dat er geen zegen is
-bij het geld van den woeker; ik had het uwe niet willen hebben in mijn
-zaken; zij zouden er door vernietigd zijn, gelijk die van Bram en de
-uwe zelf.”
-
-Met al haar eerbied voor den in haar oogen zoo heiligen en geleerden
-zoon, vond njai Peraq het niets prettig dus de les te worden gelezen,
-en dat nog wel nu zij haar geld kwijt was; daarom zei ze in het geheel
-niets meer, ook niet toen het karretje op een hobbeligen smallen
-kampongweg stilhield, en Aboe Bakar haar eruit hielp.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENDE HOOFDSTUK.
-
-SCHOONMOEDER EN SCHOONDOCHTER.
-
-
-Njai Peraq liep regelrecht naar achter, de scheidinggordijn wegslaande,
-en daar stond ze tegenover Minah, die ervan schrikte. Het was geen
-aangename ontmoeting. Bij Minah streden de vrees voor de schoonmoeder
-en de zucht zich in haar eigen huis niet de wet te laten stellen om de
-overhand; njai Peraq was woedend. Aboe Bakar, die de bekende trommel
-zijner moeder in de voorgalerij had laten zetten, ging daar zitten op
-een wipstoel naast het tafeltje in het midden. De eerste plicht der
-gastvrijheid werd stil vervuld, de moeder ging op de „eeremat” zitten,
-dronk een kop koffie en at met de vingers wat rijst uit een pisangblad.
-Minah rammelde in het maleisch over de buurt-perkaras; maar toen njai
-Peraq, die niets gezegd had, met eten en drinken klaar was, sloeg zij
-van haar kaïn de korrels rijst, die dadelijk door een grooten haan met
-harde tikken van den houten vloer werden opgepikt, zette haar bril op
-en zei langzaam:
-
-„Het is een vuile boel in het huis van mijn zoon.”
-
-Daar had je ’t al, dacht Minah, en zich tot verweer gereed makende.
-
-„Wij zijn tevreden.”
-
-„Een man let daar niet op, hij ziet het niet, hij gewent eraan, een
-vuile vrouw maakt een vuilen man.”
-
-„Het is hier niet vuiler dan elders.”
-
-„Bij mij aan huis was het zoo niet, bij den mantri, uw vader, ook
-niet.”
-
-En toen Minah, inwendig kokend van woede, zweeg, ging de oude voort.
-
-„Wat doe je den heelen dag? Moet ik het nog vragen? Je doet niets; als
-een lui beest lig je daar tusschen vuile bantals, die nooit gelucht
-worden. Je moest de vrouw zijn van een koeli, dan zou die je slaan met
-de rotan.”
-
-„Ik behoef immers niets te doen! Aboe Bakar is rijk, ik kan alles laten
-doen als ik het wil.”
-
-„Maar je bent zelfs te lui om te laten werken. Wat ben je? Ik heb je
-opgeraapt van den weg; je vader stond te krakal als een kettingganger,
-wanneer ik hem niet geholpen had. Goed, ik zou je danken met mijn hart,
-als ik zag, dat je een goeje vrouw voor mijn zoon was. Je bent vuil en
-lui. En je hebt maar één kind.”
-
-„Het is mijn schuld niet.”
-
-„Traperdoelie, het is niet zooals het behoort. Ik had gedacht hier te
-komen in een nette woning, met een goede flinke vrouw; ik kom in een
-varkenshok met een slechte zeug.”
-
-Dàt was te veel voor Minah; zij verschoot van grijs in zwart en
-omgekeerd in het bruin der huid.
-
-„Het is zijn schuld.”
-
-„Het is nooit de schuld van den man.”
-
-„Het is goed praten, als je van een ouden leelijken Europeaan de njai
-geweest ben, en grapjes had met Arabieren; dan kan men dat van zoo’n
-kerel verdragen. Ik ben een fatsoenlijke getrouwde vrouw, en ik kan me
-niet zóó laten behandelen; ik hield van hem en hij behandelt me als een
-hondenkind.”
-
-Gelukkig schoof Aboe Bakar de gordijn op zij en kwam binnen; hij had
-geluisterd, en vreezend dat njai Peraq handtastelijk zou worden—wat zij
-al was—trad hij tusschenbeiden.
-
-„Wat wil je zeggen?” vroeg hij Minah, die met een boozen trek om den
-mond en de oogen neergeslagen tegen den wand stond.
-
-„Ik wil hebben, dat je antwoordt,” herhaalde hij.
-
-En toen ze nog altijd zweeg:
-
-„Voor de derde maal: zal je antwoorden?”
-
-Het was de eerste keer in zijn leven, dat hij de hand uitstak naar een
-vrouw, maar hij moest het doen; moest hij, levend naar den koran, de
-ongehoorzame vrouw niet slaan?
-
-Daarom liet hij zijn zware vuist een paar malen neerkomen op haar
-schouders, greep haar in de kondé en slingerde haar door een achterdeur
-het binnenplaatsje op, waar ze neerviel bij den put, een paar gendies
-brekend bij het vallen.
-
-Wat had hij daar een berouw van!
-
-Minah zette een keel op, die de heele kampong deed uitloopen.
-
-Verschrikt stapte Aboe Bakar naar voren en ging met ’n kleur van
-schaamte weer naast het tafeltje zitten. Wat was zij toch een brutaal
-beest!
-
-Het kamponghoofd kwam zijn erfje op, met een vriendelijk gezicht,
-plichtshalve.
-
-„Ada apa, toean saïd.”
-
-Hij haalde de breede schouders op, reikte den inlander de vingertoppen,
-en zei lachend:
-
-„Ah, gila behasa; trada ada apa apa.”
-
-Njai Peraq had het zóó niet bedoeld; zij had nooit slaag gehad van John
-Silver op die manier; nu en dan had hij in een stadium van erge
-opgewondenheid, zich verstout haar met zijn magere knokkels op het
-dikke vleesch der bovenarmen te stompen, maar zoo’n pak was haar te
-erg; zij zou het ook niet hebben verdragen.
-
-Zij trachtte nu Minah te troosten, die vastbesloten scheen te blijven
-doorjammeren bij den put.
-
-„Slaat hij wel meer?” vroeg ze.
-
-„Het is de eerste maal; ik dacht wel dat het komen zou; hij zal me nu
-wel meer slaan; hij heeft maar een voorwendsel gezocht; ik begrijp het
-wel; maar ik wil niet; het zal niet gebeuren; hij mag me dood slaan;
-laat hij mij maar dood slaan, dat kan me niet schelen; hij heeft me
-geslagen; hij zal me nu altijd slaan.”
-
-Zoo brulde zij voort, den arm opgestoken tegen de bamboezen heining,
-het hoofd heen en weer rollend over den arm.
-
-En toen ze eindelijk bedaard was, kwam het hooge woord eruit:
-
-„Hij wil er nog een vrouw bijnemen.”
-
-Dat keurde njai Peraq af, maar zij wilde toch haar zoon verdedigen, en
-met een schijn van onverschilligheid zei ze:
-
-„Wat zou het?”
-
-Minah keek haar strak in het gezicht.
-
-„Ik zou u wel eens hebben willen zien, als....”
-
-Maar dat liet geen vergelijking toe.
-
-„Meneer Silver was een Europeaan en ik was niet met hem getrouwd
-volgens de adat; als hij mij had willen wegzenden, zou hij dat gedaan
-hebben; als hij een ander had genomen, zou ik zijn huis hebben
-verlaten. Hoe heb ik zijn huishouding bestuurd? Hoe heb ik hem geholpen
-met alles? Had hij niet drie zonen....”
-
-Hier lachte Minah schamper.
-
-„Iedereen zei, dat hij er maar twee had.”
-
-„De menschen zijn kwaadsprekers en jij praat hen na,” zei njai Peraq
-kalm.
-
-„Waarom kon Aboe Bakar dan geen Europeaan blijven?”
-
-Een oogenblik dacht de oude na; dan zei ze onverstoorbaar kalm:
-
-„Toewan Allah heeft het zoo gewild; hij heeft Silver doen vergeten, dat
-kind te laten opschrijven in het boek der blanda’s; het is een wonder.”
-
-Minah trok de wenkbrauwen op, diep en hoorbaar ademhalend door den
-neus; nu, vond ze, dàt wonder, dáár was een luchtje aan!
-
-„Hoe het ook zij, het zal niet gebeuren,” herhaalde ze, toen
-terugkomend op de hoofdzaak.
-
-„Heeft hij erover gesproken?”
-
-„Hij is begonnen met praatjes; het werk in huis was me te zwaar.”
-
-„Daar heeft hij gelijk aan; dat kan men dadelijk merken.”
-
-„De zorg voor onzen zoon Amat eischte meer van mij.”
-
-„Dat is ook waar; ik heb den jongen daar straks op het voorerf gezien;
-hij liep haast naakt en speelde in de goot; het is een schande.”
-
-„Ik moest meer rust nemen en iemand in huis hebben, jonger en sterker
-om mij te helpen.”
-
-„Astage!” riep njai Peraq uit, „wat ben je voor een schepsel! Dat alles
-heeft hij je gezegd, en in plaats van nu je best te gaan doen; te
-zorgen voor de huishouding en je kind, ben je dezelfde luie slons
-gebleven, die je geworden waart. En je durft me zeggen, dat het niet
-zal gebeuren; dat hij geen tweede vrouw mag nemen, terwijl jij niet
-meer deugt en niet eens wilt deugen. Wil ik je iets zeggen: mijn zoon
-is veel te goed voor je.”
-
-Het kijven begon nu opnieuw tot ergernis van Aboe Bakar, die naar
-achter moest komen om stilte te gebieden.
-
-Van zijn idée om zijn moeder bij zich te houden, zag hij nu af; dàt zou
-geen leven zijn; die twee zouden elken dag standjes hebben; daar moest
-hij iets anders op vinden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TIENDE HOOFDSTUK.
-
-EEN TROUWELOOS MOHAMMEDAAN.
-
-
-’s Avonds bij Pa Djalil, zijn compagnon, vertelde Aboe Bakar wat er
-gebeurd was; zij zaten op een bamboezen bank onder een mangaboom, in
-den donkeren avond op het kleine erfje; armoedig en eentonig schemerden
-hier en daar kleine petroleumlichtjes door de paggers en het groen; in
-de verte op den grooten weg ratelden langzaam aankomende karren; een
-enkele maal klonk ’t hoog geluid van een, zijn warong langs den weg
-pikoelenden Chinees; maar anders was het stil.
-
-„Ik ben het verplicht,” zei Aboe Bakar.
-
-„Zeker; men moet zijn ouders helpen en zijn broers en zijn zusters.”
-
-„Maar het zal veel geld kosten.”
-
-„Wat gebeuren moet, dat moet gebeuren,” zei de oude Djalil. „Ook kan je
-het doen. Als je het niet deedt, zou het een vloek zijn op onzen
-handel.”
-
-Geen oogenblik had Aboe Bakar er aan gedacht zijn noodlijdende familie
-niet te helpen; hij had er alleen behoefte aan het goedgekeurd te
-hooren door een ander. En nu begon hij langzaam zijn plannen te
-bespreken, tot de oude het als naar gewoonte ’s avonds laat te koud
-kreeg, en zij samen obat namen. Wel verweet zich Aboe Bakar soms, dat
-hij daar verkeerd aan deed, maar goed beschouwd vond hij de zonde tegen
-den koran zoo groot niet; en nu hij eraan gewoon was ’s avonds zijn
-glas cognac te drinken, kon hij het niet meer laten.
-
-Zooals hij het met Pa Djalil had vastgesteld, voerde hij het ook uit.
-Hij betaalde de onkosten van het huwelijk zijner zuster, gaf haar en
-Bram elk een maandelijksche toelage en een extra aan zijn moeder, die
-weer bij Bram haar intrek nam. En toen dat alles geschikt was en
-geregeld, volgde de eene maand na de andere, zóó, dat het was of er
-voor hun veehandel een gouden tijd aanbrak; alles liep even gelukkig
-af; alles gaf beter winsten dan ooit, en bij Aboe Bakar stond het vast,
-dat dit door hoogere macht zoo in zijn voordeel was geordend.
-
-Aboe Bakar kreeg zoo’n surplus van geld, dat hij er geen raad mee wist.
-
-„Waarom leen-je het niet uit, zooals ik?” had al meer dan eens Pa
-Djalil gevraagd.
-
-Maar dan schudde hij het hoofd, onverzettelijk.
-
-„Het is in strijd met den koran, die verbiedt het leenen tegen rente op
-straf van Gods toorn.”
-
-„Een mensch kan te veel uit de heilige boeken leeren,” had dan Pa
-Djalil met een leuk lachje opgemerkt.
-
-„Nooit,” pleitte Aboe Bakar. „Ik ben geen heilig man, maar ik zou voor
-alles ter wereld niet handelen tegen het boek in zoo iets belangrijks.”
-
-„Allah is groot,” zuchtte Pa Djalil met zachte ironie in zijn stem.
-„Mijn vader was een braaf man; hij deed het ook.”
-
-Nu wist Aboe Bakar, dat, als een maleier zóó redeneert, geen
-voorschrift uit den koran hem van zijn stuk brengt.
-
-Hij zweeg erop, en ten slotte, bij wijze van advies, eindigde Pa Djalil
-met te zeggen:
-
-„Koop dan huizen voor je geld.”
-
-Hij was daar wat lui voor; bovendien moest hij dan in het publiek
-komen, ook het Europeesche, op het vendukantoor en bij het kadaster;
-dat deed hij liefst zoo zelden mogelijk. Doch ten slotte werd het al te
-dwaas; zijn groote kist raakte vol geld, meest zware rijksdaalders; het
-was een mooi gezicht, maar het kon zóó niet blijven; hij dorst haast
-niet meer uit te gaan, uit vrees bij zijn afwezigheid bestolen te
-worden.
-
-Hij kocht een huis op een mooien stand, en hij liep op den langen
-cementvloer der voorgalerij met het pleizierig gevoel, dat hij hier
-baas en meester was; dan in de kamers met de hooge muren, beneden
-geteerd met rouwranden boven het doffe rood der vloersteenen; door de
-open vensters weerglom het licht van het pas geverfd grijs der
-zoldering; hij liep het door ’t leeg staan slecht onderhouden, dicht
-begroeide erf op, waar van de bijgebouwen heele stukken kalk waren
-afgevallen, door de open plekken den baksteen toonend van een rood als
-oude niet geheelde wonden. Nu ja, dàt zou men alles in orde maken,
-dacht hij, weer binnengaande; dat kwam terecht; en hij gaf maar
-dadelijk last aan een ouden inlander, die dag en nacht het leege huis
-bewaakte, met als eenig meubilair een baleh-baleh in een der
-vertrekken, en de man, diep gebogen voor den rijken deftigen toean
-saïd, den eigenaar, sloop dadelijk weg om een toekang batoe te halen,
-maar stond voor het huis verwonderd stil, toen een deelemankar het erf
-opreed.
-
-„Kom eens hier,” riep een heldere vrouwenstem tegen den bewaker. „Is
-het te huur?”
-
-„Belon priksa,” antwoordde hij ontwijkend, en met den duim over z’n
-schouder naar achter wijzend: „De eigenaar is er.”
-
-De man ging zijn boodschap doen; de dame, met een sprongetje uit haar
-klein rijtuig, liep de paar treden van het huis op, keek eens rond in
-de voorgalerij, ging dan vlug naar binnen en stond er tegenover Aboe
-Bakar, die had hooren rijden op het erf, en ook eens kijken kwam.
-
-„Allemachtig!” riep zij verwonderd en half verschrikt uit, een kleur
-krijgend als een kers. „U bent dezelfde, die... de Arabier van boord!”
-
-Hij knikte kalmpjes glimlachend, haar vlak in de oogen kijkend.
-
-„...Die Hollandsch spreekt. Ja, mevrouw.”
-
-„Gut, dat is al heel toevallig.”
-
-„Bergen en dalen ontmoeten elkaar niet, de menschen wel.”
-
-„U kent onze spreekwoorden ook al!” riep ze lachend. „Nu, dat is mooi
-hoor! Is het uw huis?”
-
-En ze keek weer naar hem net als zij gedaan had aan boord, toen ze
-tegen mevrouw Slaters zeide, dat hij een man was „om alles voor te
-vergeten.”
-
-„Ik heb het pas gekocht.”
-
-„Mag ik het zien? Ik zoek een huis.”
-
-Toen de inlander terugkwam met den toekang batoe, vond hij de voordeur
-gesloten; zacht sloop hij naar achter, maar daar was ’t zelfde. En de
-deelemankar wachtte nog...
-
-„Kang,” zei hij zachtkens tegen den ouden metselaar, dien hij had
-meegebracht, „we moeten nog wat wachten op den toean saïd; ga maar mee
-naar den warong, dan kunnen we een strootje rooken.”
-
-Ze kwamen eerst terug toen de deeleman wegreed; verstrooid gaf de toean
-saïd zijn orders; hij dacht niet meer aan zijn nieuwe positie van
-huiseigenaar; hij was verstrooid en uit zijn humeur; hij had zich laten
-meesleepen door dien ouden Europeaan, die in hem was gebleven uit den
-offertijd aan „wijntje en Trijntje” in een groote westersche stad door
-een bemiddeld jongmensch.
-
-Was dat handelen als een braaf volgeling van den grooten profeet! Hij,
-die zooveel ophad met den koran,—hij dronk dagelijks den drank, welke
-een gruwel was door satan uitgevonden, en hij had de honderd
-zweepslagen op het overspel verdiend....!
-
-Aboe Bakar stapte haastig den eindeloozen Molenvliet langs; de zon
-brandde op zijn lang rood overkleed; het stof opgeworpen door de
-voertuigen, voortgezweept door den heeten wind, dwarrelde om zijn
-grooten sneeuwwitten tulband; voerders van leege karretjes riepen hem
-aan,—hij lette op niets, zóó bezig was hij met zichzelven, zóó beklemd
-door het gevoel, dat hij een slecht Mohammedaan was; dat hij dus
-handelend nooit het beloofde Paradijs zou beërven, waar de maagden met
-groote zwarte oogen en met zwellenden boezem bestemd zijn voor de
-gelukzaligen, voor de geloovigen zonder smet! En als hij daartusschen
-door dacht aan het wezenlijk avontuur van zooeven, dan zonk het
-toekomst-Paradijs met de zwartoogige maagden ineens weer in het niet.
-
-Een oogenblik stond hij stil, en wischte zich het gelaat af; maakte
-zijn handen nat aan een artesischen put, bevochtigde zijn vermoeide
-oogen, en steeg zuchtend in een dos-à-dos, die met hem wegsnelde naar
-zijn kampong.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ELFDE HOOFDSTUK.
-
-HOE ZAL IK STERK ZIJN?
-
-
-Het was of hij dien dag geen rust zou hebben van de vrouwen. Toen hij
-uitgestapt was en betaald had voor het weggetje door zijn kampong, en
-nog altijd over zijn eigen zonden dacht, kwamen een man en een meisje,
-een kind nog haast, hem op ’t smalle pad tegemoet; de man stil
-mompelend, het meisje, dat huilend zich verzette, voortduwend.
-
-„Toean,” riep zij, „help mij! Hij wil mij verkoopen...”
-
-De inlander, verlegen en woedend, sloeg haar met de vlakke hand ruw op
-den mond.
-
-„Zij is mijn dochter en zij is ondeugend.”
-
-Aboe Bakar gaf hem een gevoeligen tik op de hand met den beenen knop
-van zijn wandelstok.
-
-„Hij wil mij verkoopen,” riep het meisje weer, nu dapper door den
-bijstand; „hij wil mij verkoopen aan een Chinees.”
-
-Zwijgend, de oogen neergeslagen, bang voor den invloedrijken hadji, zoo
-groot, zoo sterk en zoo rijk, stond de inlander zijn hand te wrijven,
-zich dicht in de groene levende pagger dringend.
-
-„Diam!” gelastte Aboe Bakar het meisje, dat niet zoo mocht spreken
-tegen haar vader. „Is het waar?” vroeg hij dezen.
-
-In een nu loskomenden woordenstroom, verdronk de man de gedachte; hij
-had zoo’n roegi gehad met dit en met dat; hij kon zijn belasting niet
-betalen en hij had geen goed om te beleenen; dus zou hij in de
-gevangenis komen. Wat hij deed, hadden al zoovelen gedaan en mocht hij
-doen...
-
-„Je moogt het niet!”
-
-„Nu dan, het is toch adat.”
-
-„Toean,” smeekte het meisje zacht. „Help mij! Ik wil niet bij een
-Chinees; ik wil bij een orang selam, niet bij een vuilen kafir.”
-
-Hij glimlachte tegen haar; zooals ze daar stond, zag ze er wel aardig
-uit, en haar gezicht zei zoo duidelijk als woorden het slechts konden
-doen, dat ze met veel genoegen zich verkocht zou zien aan den mooien
-toean saïd.
-
-„Volg me,” gelastte hij den inlander; en zoo gingen ze verder, achter
-elkaar. In zijn woning sprak hij erover; zij werden het eens wat den
-prijs aangaat, terwijl het meisje op den dorpel zat, blij, dat ze niet
-naar den Chinees behoefde; kalm, nu, afwachtend wat volgen zou, toen
-haar vader heenging, diep boog voor den toean saïd wiens hand hij aan
-z’n lippen bracht, zonder haar met een groet of een blik te
-verwaardigen.
-
-Aboe Bakar wenkte haar naar zich toe en zij volgde hem naar achter.
-Minah schrok ervan. Daar zou je het hebben!
-
-„Ik heb dit kind van haar vader gekocht,” zei hij zacht, poseerend, met
-groote waardigheid. „Haar vader wilde haar verkoopen aan een
-ongeloovige.”
-
-En toen Minah niets zei, maar met booze oogen naar het slachtoffer zag,
-dat bij haar neerhurkte en haar hand kuste, ging Aboe Bakar voort met
-de zalving van een volleerd penghoeloe:
-
-„Zij kan u dienen, tot een goed Mohammedaan haar als vrouw verlangt,
-behandel haar goed en het zal ons voordeel aanbrengen.”
-
-Het was Minah een pak van het hart; zij zag op naar haar man met groote
-verwonderde oogen. Ook het meisje begreep er niets van, zij keek in
-stomme verbazing door een gordijnkier den grooten breeden man na, die
-zooveel licht wegnam in het gangetje, dat hij langzaam doorstapte.
-
-Het viel haar bitter tegen! Had die zooveel geld aan haar vader
-betaald, om het genoegen haar cadeau te doen aan zijn vrouw, die veel
-goedkooper een beter meisje als baboe krijgen kon?
-
-Minah, die het evenmin begreep, wantrouwde de zaak. Wat kon het zijn?
-Zij wist, dat hij geen voorwendsels zou zoeken, en niet een meisje als
-bediende zou binnensmokkelen, dat hij van plan was tot zijn vrouw te
-maken. Neen, dan zou hij komen met groote deftigheid in houding en
-gebaar; zijn zware hand zou hij dan leggen op haar schouder en haar
-zeggen: dit is mijn tweede vrouw; wees goed voor haar of gij zult mij
-zijn als de rug mijner moeder.
-
-Habis perkara.
-
-Zij hoorde het meisje uit, maar dat kon niet anders dan gewoon
-vertellen wat er gebeurd was. Het maakte beiden niet wijzer.
-
-Zij zagen door een venstertje Aboe Bakar buiten achter den hoogen
-pagger gaan en hoorden hem baden aan den put; Minah luisterde
-aandachtig; de wijze, waarop hij blijkbaar zich baadde, beviel haar
-niet; zij hoorde hem er den naam van Allah bij aanroepen, en alles
-driemaal.... Wat was er dan toch gebeurd?
-
-Aboe Bakar daarentegen voelde zich zoo plezierig als was er niets
-onbehoorlijks voorgevallen. Hij had berouw gevoeld over zijn daden, en
-door een Mohammedaansche vrouw van de ongeloovigen af te houden met
-opoffering van geld, had hij een goed werk gedaan, waarvoor God zijn
-slechte daden ook in goede zou veranderen.
-
-Doch hoe niet meer te zondigen? O, hij was nu op ’t moment heel sterk.
-Hoe echter zou het zijn, als hij weer eens samen was met dat opgewonden
-gekkinnetje, dat zoo verliefd op hem was, en zijn huis had gehuurd?
-
-Hoe, als hij bij Pa Djalil zat en die nam obat tegen de avondlucht?
-
-Wat moest hij doen om daar af te komen?
-
-Zijn compagnon maakte het hem niet moeilijk.
-
-Een beetje geraakt over de koranwijsheid van Aboe Bakar, nam Pa Djalil,
-toen ze ’s avonds weer hadden gepraat over hun zaken, stil zijn obat
-alleen, en presenteerde hem niets. Hij rook den lekkeren cognacgeur en
-watertandde ervan; hij zag den ouden langzaam het glas ledigen, en zich
-onder ’t baadje over den buik strijken, hij hoorde hem zacht smakken
-met een klein gesteun van genot.
-
-En Aboe Bakar zuchtte diep, met innig verlangen; en hij vond het veel
-moeilijker over een aangewende kleinigheid heen te komen in het leven,
-dan op een gegeven moment een groot besluit te nemen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWAALFDE HOOFDSTUK.
-
-ZONDERLINGE ONTMOETING.
-
-
-De eenige malen, dat de Verlande’s iets hoorden van hun vroegeren
-pleegzoon, was uit de brieven van Nora, die nu en dan schreef. Eerst
-was het een brief vol jeremiaden. Met haar komen in Indië, was alle
-vroegere Hollandsche misère weg; vergeten waren de jaren van verdriet
-en teleurstelling over haar langdurig jongedochterschap, dat zich al
-begon te teekenen op haar lief gezichtje in fijne, scherpe trekjes, die
-er nu door het huwelijk voor vele jaren van weggevaagd waren; vergeten
-was de deftige en daarom dubbel pijnlijke beperktheid van middelen in
-het ouderlijk huis; vergeten waren ook de bitse en verdrietige
-humeur-scènes tusschen de met den oudevrijsterstaat bedreigde zusters;
-vergeten waren narigheden en bekrompenheden, waaruit het huwelijk met
-een hoogst fashionable man, die een goede toekomst had, haar letterlijk
-had gered.
-
-Het maakte Verlande, die met den leeftijd ’n beetje knorrig begon te
-worden, woedend. De brieven van Nora gaven den indruk, alsof zij een
-paradijs had verlaten, om in de hel te komen, en de doorloopende
-gedachte was: wat is dat Indië een akelig land!
-
-Terwijl haar middelen haar nimmer veroorloofd hadden een druk gebruik
-te maken in Den Haag van opera’s en concerten, klaagde zij nu steen en
-been, dat men zoo weinig kunstgenot kon smaken te Batavia; terwijl zij
-in Holland haar ouders een nieuwe japon als het ware van het hart moest
-scheuren, en den hemel danken mocht, als ze kreeg wat men wilde
-geven,—vond zij het „zoo onaangenaam,” dat men in de toko’s te Batavia
-nooit precies kon krijgen, wat men wilde.
-
-Het was in die periode, dat zij ook schreef over haar eerste ontmoeting
-met den gewezen Adam Silver; iets, waaraan de Verlande’s niet hadden
-geloofd, denkende dat zij zich in het uiterlijk had vergist.
-
-Later kon Verlande meer vrede hebben met Nora’s geschrijf; ze kreeg,
-door het gewoon meeleven in Indië, meer kennis van wat haar omringde;
-daarmee kwam vanzelf de belangstelling; juistere schatting en, in menig
-opzicht, waardeering, volgden.
-
-„Ze wordt ’n boel genietbaarder,” meende Verlande.
-
-„Het is ’n gewone geschiedenis,” meende zijn vrouw.
-
-„Toch niet....”
-
-„Zeker, de mijne ook. Je hebt mijn brieven uit dien tijd naar Holland
-niet gelezen.”
-
-Eindelijk, na jaren, kwam Nora weer op Adam Silver terug, met het
-verhaal van de stoomboot. Zij was nu zeer ongerust en moest en zou ten
-slotte met hem spreken, want zij was soms in doodelijken angst, dat
-haar man er iets van vernemen zou.
-
-Doch de Verlande’s trachtten haar gerust te stellen. Hoe kon zij zich
-nu nog muizenissen in het hoofd halen om die oude, onschuldige tjerita,
-schreven ze. Die moest ze vergeten, negeeren, beschouwen als nooit
-gebeurd.
-
-En Nora deed er haar uiterste best voor, maar het was er zoo ingeroest,
-dat ze toch altijd schrikte als ze een rijzigen Arabier zag of een
-hadji, en het was haar op een goeden dag of ze verstijfde van het hoofd
-tot de voeten, toen Aboe Bakar haar erf opkwam, in zijn kleurig gewaad,
-groot en breed tusschen het bontgroen der rijen crotons door.
-
-De Slaters woonden in een huurhuis, wijl er van gouvernementswege geen
-hoofdofficierswoning open was; ze hadden er niet op gelet, dat het huis
-ten publieken verkoop was geannonceerd. En Aboe Bakar, die het geld,
-dat hij overhield, nu voortdurend in huizen bleef beleggen, had ook
-niet geweten wie de huurders waren. Hij had het huis gekocht, eenvoudig
-op de omschrijving en het advies van een inlandsch beambte bij ’t
-kadaster, en nu kwam hij zich eenvoudig als de nieuwe eigenaar
-aanmelden bij den huurder.
-
-Het trof hem zeer; ook dat ze zoo knap was geworden in haar huwelijk;
-maar hij had zich heel gauw vermand en groette haar als een vreemde, en
-sprak haar aan in het maleisch:
-
-„Ik vraag verschooning, dat ik u kom lastig vallen, mevrouw. Ik kom
-alleen u zeggen, dat ik dit huis heb gekocht.”
-
-Zij keek hem aan, verwezen; en toen ze niet antwoordde, ging hij door
-in ’t maleisch:
-
-„Het is niet, dat u moet verhuizen, volstrekt niet; u kunt blijven
-wonen zoolang u wilt; het is enkel als er iets is over reparatie of
-zoo....”
-
-Dat was dan geworden van dien netten jongen, dien ze in haar
-meisjesjaren had liefgehad; dàt was dan de naar de laatste mode
-gekleede mooie jeugdige oosterling, dien ze gekend had in Den Haag! Zij
-had de niet beredeneerde maar traditioneele minachting van den
-Hollander in Indië voor al wat hadji is. En zoo stond hij daar nu
-tegenover haar, maleisch sprekend; bescheiden, als een mindere; den
-trek van onderworpenheid, die bij den oosterling tot de beleefdheid
-behoort, op den fraaien mannenkop. Een groot gevoel van compassie kwam
-over haar; het deed haar aan; ze moest opstaan en naar binnen gaan om
-niet te laten zien, dat van tranen haar de oogen vol schoten.
-
-Aboe Bakar zag het natuurlijk wel, maar begreep er niets van. In dien
-gedachtengang had hij zich niet kunnen verplaatsen; dàt was hem nu zoo
-vreemd. En hij had toch niets verkeerds gedaan! Integendeel; hij had,
-vond hij, het haar zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt; zij had hem kunnen
-antwoorden in het maleisch en hem behandelen, als had zij hem nooit
-gezien; enkel als de huisbaas.
-
-Nu ging zij schreiende naar binnen!
-
-Hij had nog niet uitgepikird, toen zij terugkwam en hem wenkte in de
-binnengalerij.
-
-„Ik heb u een verzoek te doen!” zei ze zenuwachtig, toen hij
-binnentrad.
-
-Zwijgend boog hij, den blik latende gaan over het glinsterend marmer en
-het glimmend gecireerd der nette meubels, meteen het huis, dat hij
-gekocht had, eens opnemend.
-
-„Het is: nooit te spreken, nooit en met niemand over ons.... onze....
-verhouding in Holland.”
-
-Een spottende glimlach ging over zijn gezicht, en hij liet den
-golvenden zwarten baard door de zware hand glijden. Wat was dat nu? Wat
-verbeeldde zich zoo’n Europeesch vrouwtje, dat een man, een Mohammedaan
-als hij, zou spreken over haar!
-
-„Ik heb het nooit gedaan,” zei hij.
-
-„Beloof me, dat het nooit zal gebeuren.”
-
-Zij was zoo dicht bij hem komen staan, zij zag hem zoo vlak in het
-gezicht, en hij had zulk een eigenaardige ervaring opgedaan met een
-andere, ook zoo blond en blank, dat hij dacht aan een grapje; zijn
-donker gezicht kleurde op, en hij boog zich voorover tot zij met een
-rilling van schrik zijn baard voelde tegen haar wang.
-
-„En dan mijn belooning?”
-
-Nora was woedend; hij zag haar bleek worden als het steenen tafelblad,
-zoodat hij ervan schrok; de uitdrukking van minachting trof hem zoo,
-dat hij de hand op z’n borst lei en een stap terugging.
-
-„Ik wist niet, dat je zoo’n gemeene kerel waart geworden.”
-
-„Dat ben ik niet,” protesteerde hij met ongewone levendigheid. „Ik ben
-geen gemeene kerel.”
-
-„Dat ben je wel.... Mijn huis uit! Het uwe zal ik ook verlaten.”
-
-Een oogenblik stond hij sprakeloos; verstomd zóó te worden weggejaagd,
-als een hond, juist nu hij meende heel slim te zijn en iets bijzonder
-goed te begrijpen.
-
-„Als ik u beleedigd heb....”
-
-„Dat weet je heel goed.”
-
-„Ik vraag er vergeving voor.... Wij, Mohammedanen, moeten deugdzame
-vrouwen eerbiedigen, en dat doen wij ook.... Ik meende...”
-
-„Van mij?”
-
-„Ik weet het niet. Met uw soort menschen houd ik geen omgang, al vele
-jaren niet. Maar één heb ik ontmoet.”
-
-„En die ééne?”
-
-Hij maakte een afwerend gebaar met de hand, den linkerarm uitgestrekt.
-
-„Ik mag geen kwaad spreken. Vergeef het mij. Voortaan zal ik hier niet
-meer komen. En ik zal er nooit over spreken; ik zweer het u bij den
-koran.”
-
-Aboe Bakar groette haar eerbiedig; zij stak onwillekeurig de hand uit,
-getroffen door zijn oprechte spijt; doch hij deed, als zag hij het
-niet, boog in, op oostersche wijze, en ging heen, bedaard en rustig in
-houding en gang.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-ABOE BAKAR KIEST ZICH EEN TWEEDE VROUW.
-
-
-Mevrouw Slaters was er heelemaal door gekalmeerd; zij had nu de
-volkomen zekerheid, dat hij nooit reppen zou over hun vroegeren omgang,
-en tegelijk zag ze in, dat ze zich eigenlijk noodeloos ongerust had
-gemaakt.
-
-Maar die ééne... ja, dat kon haast niemand wezen, dan dat aardige
-levendige vrouwtje, dat ze nu nog wel eens ontmoette op ’n partij in de
-societeit of in private gezelschap. Zij dacht eraan haar uit te hooren,
-overtuigd, dat het jong en overmoedig schepseltje al heel gauw zou
-laten doorschemeren, wat ervan was; maar het boezemde haar te veel
-afkeer in; c’était fini nu, dacht ze, en onwillekeurig zuchtte ze diep,
-het was nu zóó goed, dat niets bedorven mocht worden.
-
-Aboe Bakar, zeer ontevreden over zichzelven, nam onder het naar huis
-gaan ook een besluit. Eerst had hij zoo lang gedraald om een tweede
-vrouw te nemen bij Minah, wijl hij bang was voor scènes; nu had in den
-laatsten tijd die zondige en met het heilige boek geheel strijdige
-relatie hem ook al van dat plan teruggehouden,—hij had nu, dacht hij,
-een goed voorbeeld in het flink gedrag van Nora; hij zou die relatie
-afbreken en een mooie jonge, inlandsche vrouw erbij nemen.
-
-Als hij eens informeerde bij de inlandsche ambtenaren en hij gaf er
-flink geld voor, dan zou er wel gauw een te vinden zijn; hij zou het
-dan maar dadelijk doen, en hij nam er een rijtuig voor; geen gewoon
-karretje of een dos-à-dos, maar een mylord.
-
-Het was in ’t geheel niet moeilijk; de eerste de beste, die hem met
-veel betoon van hartelijkheid en onderscheiding ontving, kende er wel
-een, die een mooie dochter had en haar graag als vrouw aan den rijken
-hadji wilde afstaan.
-
-Maar eerst moest hij haar zien.
-
-Zij was niet, als Minah in vroeger jaren, een kind van het binnenland,
-donker, sterk, in volheid van lucht en licht opgewassen, met hard,
-veerkrachtig vleesch,—zij was meer een kasplant, heel licht van huid,
-bij blank af, zacht en poezelig; met iets kwijnends in de oogen en
-sentimenteels in het gezichtje; maar zoo mooi van vormen en begeerlijk
-van persoon in haar wiegelenden gang, lengang-lengang door het huis,
-dat het Aboe Bakar voor de oogen schemerde.
-
-Zeker, hij wilde haar hebben, heel graag!
-
-Maar het zou niet behoorlijk zijn geweest, als hij iets van zijn
-begeerte had doen blijken; langzaam ging hij heen, uitgeleid door den
-vader, die hem voorstelde over deze „zaak” nog eens te komen praten.
-
-En als altijd bij zijn persoonlijke aangelegenheden, praatte hij er ’s
-avonds over met zijn compagnon op het bankje voor diens huis.
-
-„Ik ben bang, dat ik te veel van haar zal houden,” zei Aboe Bakar.
-
-„Men kan nooit te veel van een vrouw houden,” meende Pa Djalil.
-
-„Niet? waarom niet?”
-
-„Het wordt vanzelf wel minder; ten slotte gaat het heelemaal over.”
-
-Maar Aboe Bakar schudde het hoofd; neen, dat was het niet; hij wist
-heel goed, dat het niet altijd was als in het begin; neen, dat bedoelde
-hij niet.
-
-„Wij mogen meer dan één vrouw hebben.”
-
-Pa Djalil, die den nadruk op mogen niet snapte, glimlachte om het
-onnoozele gezegde; alsof een kind niet wist, dat een orang selam dat
-mag! Wat leuterde Aboe Bakar hem, ouden man, nu aan de ooren?
-
-„Maar wij mogen de een niet meer liefhebben dan de andere.”
-
-„Waarom niet?”
-
-„De koran verbiedt het.”
-
-„Och kom,” zei Pa Djalil ’n beetje knorrig, nu zijn compagnon weer kwam
-aandragen met den koran. „Het is niet mogelijk.”
-
-„Betoel, het staat er,” verzekerde Aboe Bakar met den grootsten ernst;
-„wie zijn eene vrouw liefheeft boven de andere, zal op den dag der
-opstanding met ongelijke billen verschijnen.”
-
-Pa Djalil keek hem aan met wijdopen oogen; een oogenblik verstomd; toen
-riep hij met een hooge stem:
-
-„Bilang apa?”
-
-En toen Aboe Bakar het had herhaald, sloeg hij met een harde klets de
-vlakke handen op de knieën, en schoot in een luiden lach, zooals ’t hem
-in jaren niet was overkomen, met daar tusschen een herhaald, terlaloe,
-terlaloe, pantatnja tida rasa; en dan lachte hij weer voort, tot hij
-met de punt van zijn baadje zich de tranen van ’t gezicht veegde.
-
-Aboe Bakar lachte niet mee; hij ergerde zich, en ook was, vond hij,
-luid lachen ongepast, als men ernstig sprak over het heilige boek.
-
-„Het is Soerah IV....” begon hij weer met overtuiging.
-
-Maar de oude liet hem niet uitspreken.
-
-„Schei uit,” riep hij, „ik wil er nu niets meer van hooren; ik zeg u,
-laat dat alles loopen en doe wat ieder onzer doet en door iedereen
-wordt goedgevonden. Er zijn geleerde menschen, die alles in den koran
-napluizen, dat weet ik al veel jaren; de één zegt het is zus en de
-ander het is zóó, maar het verandert niets aan wat wij allen, goede
-Mohammedanen, doen, en wat onze vaders en grootvaders hebben gedaan.
-Laat de geleerden twisten, zeg ik u; wij handelen in koeien en
-schapen.”
-
-„Ik ga naar huis,” zei Aboe Bakar, „het mag wezen, dat je volgens de
-menschen gelijk hebt, maar het staat duidelijk in het boek; ik kan het
-laten zien.”
-
-„Ik wil het niet zien.”
-
-Zoo scheidden zij zonder boosheid; Aboe Bakar een weinig gekrenkt,
-omdat het beetje koran-wijsheid, dat hij van den penghoeloe had, die
-hem leerde vóór zijn tocht naar Mekka, dus werd miskend door een niet
-onderwezen man; Pa Djalil ernstig ongerust over den geestestoestand van
-zijn compagnon; daar pikirde hij nog lang over; hij had het in zijn
-leven meer bijgewoond, dat een mensch gek werd door te veel te denken
-over den godsdienst, en hij vreesde, dat Aboe Bakar al een aardig eind
-op weg was. Dat kwam, dacht Pa Djalil, van dat veranderen van
-godsdienst. Als men in een religie was geboren, gelijk hij zelf, nam
-men al die dingen zoo zwaar niet op; men deed gelijk zijn vrienden en
-familieleden en bemoeide zich niet met de rest. Maar zij, die
-overgingen van het een op het ander, maakten zich noodeloos druk over
-dingen, waaraan een ander nooit dacht, en zij wilden van alles het
-fijne weten. Nu, wanneer die Aboe Bakar eens gek werd, als hij op reis
-was om vee te koopen met een groote som geld, wat dan?
-
-Dan was het geld weg!
-
-Pa Djalil zuchtte diep bij de enkele gedachte aan zoo iets, en daar het
-koel werd in de avondlucht, trok hij z’n baadje dichter om zich heen en
-nam wat obat.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VEERTIENDE HOOFDSTUK.
-
-GELDELIJKE VERWIKKELINGEN.
-
-
-Het was een lange conferentie, die Aboe Bakar had met de mannelijke
-familieleden van zijn aanstaande tweede vrouw.
-
-Over het godsdienstig bezwaar had hij zich heengewerkt; er stond toch
-ook in den koran, dat men alleen dan geen tweede vrouw moest nemen, als
-men vreesde onrechtvaardig te zullen zijn; nu, dat zou hij niet wezen
-tegenover Minah; zij was wel een erg onsmakelijk mensch geworden, en
-dat werd erger met den dag, nu ze wist wat er gebeuren zou en zich er
-aan doodergerde,—maar hij zou ’t haar nooit aan iets laten ontbreken en
-haar nooit anders slaan, dan wanneer ze het overeenkomstig den koran
-verdiende.
-
-En verder zou hij een grooter huis betrekken met betere, mooier
-gekleurde kelamboes voor deurgordijnen en nieuwe van kant voor de
-bedden; en hij zou ’n paar zindelijke dienstboden zoeken om voor alles
-te zorgen; en nieuwe fijne matten voor den vloer; andere tafels met
-marmer; mooie gebeeldhouwde stoelen; nieuwe kussens en bultzakken; ook
-zou hij veel reukwerk koopen om te branden, en voor het haar.
-
-Dat alles nam hij zich voor te doen,—maar onrechtvaardig wezen
-tegenover de moeder van zijn zoon,—neen, dat niet.
-
-Op die lange conferentie werd niet veel gesproken. In het midden der
-pendoppo zaten ze bijeen, ieder op een mat, de beenen gekruist onder
-het lijf, het rookgerei in waterglazen om hen heen; en nu en dan werd
-er iets gezegd over de huwelijksgift, die Aboe Bakar zou schenken aan
-zijn tweede vrouw in den zak haars vaders.
-
-Het bedrag werd, meende de patiënt, akelig hoog opgevoerd; de honderd
-dinars uit den koran, haalden er, dacht hij, volstrekt niet bij; maar
-telkens als hij lang aarzelde, zag hij toevallig rechtuit in een
-vertrek, waartegenover hij zat, de jonge mooie aanstaande, hetzij komen
-of gaan; en dat maakte hem dan weer williger.
-
-Toch was het niet zoozeer de hooge huwelijksgift, waarover zij het dien
-avond eens werden, die diep in Aboe Bakar’s geldkist greep; het was ’t
-nieuwe voornamere leven, dat hij tegemoet ging.
-
-Minah was, meende hij, nu in het geheel niet meer te vertrouwen, en
-daar hij, ondanks de dreigende ongelijkheid, heel veel gevoelde voor
-Dailah, zijn tweede vrouw, hield hij ze zooveel mogelijk van elkaar af;
-en hij kreeg er ook tal van inlandsche familieleden bij, deftig
-ambtelijk, maar altijd arm. Wat niet wegnam, dat hij nog in aanzien
-steeg door bezoeken van aangetrouwde ooms en neven, die achter zich
-oppassers hadden, pajongs dragend met een vergulden rand.
-
-Hij was in die rol al heel gauw thuis, hen met buigingen en
-beleefdheden ontvangend, maar direct klagend over den slechten tijd en
-de weinige winsten, die hij maakte; want hij wist wel, dat ze altijd
-geld kwamen leenen, en wanneer zag men dat terug!
-
-De waarheid was, dat hij, ondanks zijn tweede huwelijk, dubbele
-huishouding en arme aanverwanten, met den veehandel gelukkiger was dan
-ooit.
-
-Njai Peraq kwam nooit in zijn huis; de zuster was getrouwd en de in het
-geheel niet adellijk uitziende Boudrin de Chatonville wilde, nu hij een
-betrekking had, van geen ondersteuning door den islamitischen zwager
-meer weten.
-
-Bram was een Pechvogel; hij verdiende geld genoeg met een
-karrenverhuurderij en met allerlei knoeierij voor inlanders, maar hij
-was „een minnaar van het spel, voornamelijk van de kaart,” en dat
-bracht hem vaak in ongelegenheid.
-
-Hij werd, net als wijlen John Silver, zenuwachtiger met den leeftijd;
-Aboe Bakar stiller, teruggetrokkener, devoter. Door zijn schoonvader
-was hij in aanraking gekomen met een priester uit het binnenland, en
-die bezocht hem vaak.
-
-Dan hielden zij lange gesprekken over den koran, en Aboe Bakar schokte
-dat meer en meer in zijn oude stellingen; langzamerhand begon hij in te
-zien, dat er geen andere uitverkorenen konden zijn, dan de ware
-geloovigen; dat alle anderen kafirs waren.
-
-Zacht sprekend, den tasbih door de hand latende glijden, zaten ze weer
-bijeen, in de ruime houten voorgalerij van Aboe Bakar’s nieuwe huis, op
-een lage bank in een hoek bij ’n klein tafeltje; het lamplicht brandde
-rossig flauw; de scherpe lijnen op het gezicht van den penghoeloe in
-een lijst van aan de wangen kort geknipt wit haar, puntig uitloopend
-aan de kin, krompen of zetten uit in het dringend betoogen; de slimme
-kleine oogjes blonken lichtend onder de ruige grijze wenkbrauw; de
-groote gladgeschoren bovenlip met den haviksneus erover en de mond,
-ingevallen eronder als een groef met verticale rimpels daarop, door de
-leegte van tandeloosheid eronder, gaven iets diabolieks aan het masker,
-tegenover het goedig donker gezicht in een profusie van grof blauwzwart
-haar tegenover hem.
-
-Een driftige hand lichtte de neergelaten keré op.
-
-„O, heb je gezelschap,” zei Bram, zich vlug tusschen de opening naar
-binnen werkend. „Het is anders maar een oogenblik.”
-
-Aboe Bakar liet niet blijken, dat hem dit bezoek onaangenaam verraste.
-
-Hij stond op, en stelde met groote deftigheid de „heeren” aan elkaar
-voor; met een vertoon van vriendelijkheid gaven Bram en de priester
-elkaar de hand; zij zagen elkaar even maar in de magere tronies en
-kregen geen van beiden een pleizierigen indruk.
-
-Bram kwam spreken over paarden; hij had een prachtig span bijeen
-gekregen, heel toevallig en erg goedkoop.
-
-„Je kunt het krijgen voor wat ze mij kosten,” zei hij tegen Aboe Bakar,
-„het is te geef.”
-
-En hij beschreef de paarden en hun teekens. Maar Aboe Bakar had er geen
-zin in.
-
-„Mag ik ze eens komen zien?” vroeg de penghoeloe, een groot liefhebber.
-
-„Zeker; maar u kunt ze voor dien prijs niet krijgen; met hem is dat wat
-anders; aan hem zou ik niet willen verdienen.”
-
-„Laat ze den penghoeloe zien,” zei Aboe Bakar zacht, „en geef ze hem
-voor wat hij wil betalen.”
-
-Daar had Bram verduiveld weinig lust in, maar weigeren kon hij niet;
-hij knikte dus toestemmend, grimmig schuinoogend naar den vreemden
-bezoeker.
-
-„Ik wou je nog wel even apart spreken,” zei hij.
-
-En toen Aboe Bakar, na een excuus aan den penghoeloe, met hem buiten
-was, zei hij:
-
-„Ik moet je voor dien kerel waarschuwen, Adam. Hij is een echte patser,
-en bij het bestuur vertrouwen ze hem ook niet.”
-
-„Hij is een braaf godvreezend imam, en als men kwaad van hem spreekt,
-geloof ik, dat men lastert.”
-
-„Wees nu niet gek,” hernam Bram kwaadaardig; „ik zeg je, dat hij een
-gemeene vent is. Je hebt trouwens zijn tronie maar aan te zien.”
-
-„Ik zeg je,” en ditmaal was Aboe Bakar werkelijk zeer boos, „dat hij
-een goed mensch is.”
-
-„Nu,” hernam Bram, ook erg uit zijn humeur, „ik herhaal, wat ik je
-jaren geleden al heb gezegd: vroeg of laat zal je hun dupe worden.
-Bonsoir!”
-
-Toen hij nijdig wegliep, verdwijnend in het avondduister, waarin het
-erf wegzonk, keerde Aboe Bakar zich zuchtend om en stapte het
-galerijtje op.
-
-„Is hij uw oudere broeder?” vroeg de penghoeloe.
-
-Toen Aboe Bakar toestemmend antwoordde, streek de oude zich met een
-bedenkelijk gezicht over het voorhoofd en zei toen met een sinister
-lachje: „Men mag geen kwaad spreken, maar in den koran staat, dat er
-vroolijke en bedroefde aangezichten zullen zijn den dag der
-opstanding.”
-
-Ofschoon Aboe Bakar wel begreep wat de priester wilde zeggen, gaf hij
-er geen weerwerk op. Hoe konden toch, dacht hij, goede menschen op het
-eerste gezicht zóó tegen elkaar zijn ingenomen! Want Bram was goed en
-hij hield van hem; en de penghoeloe was een hoog en heilig man; aan den
-een dankte hij zijn geld, aan den ander de toenemende onderscheiding,
-waarmee hem de menschen tegenwoordig behandelden; hij kon het zien op
-straat, als ze hem groetten, in ’t voorbijgaan, en diep inbogen om zijn
-hand te kussen; ook werd hij genaakbaarder voor de Arabieren, sedert
-hij zooveel omging met den penghoeloe...
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
-
-MEN KAN GEEN PRIESTER EN KOOPMAN ZIJN.
-
-
-Het deed Aboe Bakar leed, dat Pa Djalil met den dag minder
-vriendschappelijk werd. Wel ging hij nog ’s avonds met den oude over
-zaken spreken, maar het vlotte niet zoo goed, en Djalil had allerlei
-aanmerkingen. Eens had hij beproefd te reageeren op de gewoonte van
-zijn compagnon ’s avonds obat te nemen,—hij dacht daar, voor zichzelf,
-allang niet meer aan, en schaamde zich de herinnering—maar dat was hem
-slecht bekomen. Nu had hij zorgen over dit alles en hij stortte zijn
-hart uit voor den penghoeloe, die heel lang zweeg, nadat Aboe Bakar had
-uitgepraat. Eindelijk zei hij:
-
-„Pa Djalil is zwak; hij is geloovig, maar onwetend; daarom zal hem
-wellicht vergeven worden, dat hij zondigt tegen den koran. Gij hebt hem
-vermaand en uw plicht gedaan; tracht geen macht over hem uit te
-oefenen; zoo hij volhardt, wend u van hem af.”
-
-„Ik kan niet; wij hebben samen een belangrijken handel.”
-
-„Dat weet ik. Misschien kunt gij het eene doen zonder het andere na te
-laten.”
-
-Aboe Bakar begreep het niet, en toen de priester dat uit zijn
-stilzwijgen afleidde, ging hij voort:
-
-„Het is niet goed, dat gij dien handel drijft, zooals gij doet. Het is
-geen werk voor u, die de schriften beoefent en wellicht een
-uitverkorene...”
-
-En op het nederig gebaar vol bescheidenheid van den ander:
-
-„Ik zeg niet dat het gebeuren zal; maar de werken zijn het water, dat
-de plant doet groeien.”
-
-„Als ik wist hoe ik doen moest.... Het is zoo moeilijk.... Hij houdt
-onze boeken.... Hoe krijgt men zulke zaken uit elkaar!”
-
-„Niet noodig. Gij drijf een handel in vee; gij kunt u neerzetten in de
-binnenlanden en daar koopen en naar hier zenden. Een ander zou hier uw
-werk kunnen doen.”
-
-Het was een goed idée, vond Aboe Bakar; wel had hij geld genoeg om van
-te leven, meer zelfs dan hij noodig had; maar hij durfde eigenlijk met
-een voorstel om zich terug te trekken niet bij zijn ouden compagnon
-aankomen.
-
-„Er zijn,” ging de penghoeloe voort, „bij ons in de buurt kleine
-landerijen, mooi gelegen, waarop men een goede woning kan laten bouwen;
-het hout is goed en goedkoop, de bamboe en de atap ook, de menschen
-kunnen beter huizen maken dan hier.”
-
-„Als ik zoo iets gedaan kon krijgen, zou ik graag willen.”
-
-„Langzaam aan; men moet zich niet haasten. Spreek er over met dien
-Djalil. Hij zal wel willen.”
-
-Ze gingen er verder over door op die manier, en bij Aboe Bakar was het
-reeds gerijpt tot een bepaald plan; het lachte hem toe, daar in de
-binnenlanden rustig te leven; niet van huis te moeten voor zaken, en
-zich ’t hoofd daarmee niet te moeten breken; voortdurend om te gaan met
-den penghoeloe, om een man te worden als hij, vroom en geleerd in den
-koran.
-
-„Nog iets moet ik u zeggen,” zei de penghoeloe bij het scheiden. „Wees
-voorzichtig voor uzelven tegenover uw vrouw Dailah.”
-
-Aboe Bakar schrikte.
-
-„Voor Dailah?”
-
-„Ik vrees dat ge te veel van haar houdt; men moet zijn hartstochten
-bedwingen; zich geen afgod maken van eene vrouw.”
-
-Verlegen keek Aboe Bakar voor zich: het was waar; hij was dol van zijn
-tweede vrouw, en hij keek in ’t geheel niet om naar Minah, die voor
-weinig meer telde in het huis, dan een noodzakelijk kwaad; voor minder
-dan een slavin. Zij had haar partij gekozen, naar het scheen, en leefde
-haar eigen leven in luiheid en buurtpraatjes.
-
-In stilte bewonderde Aboe Bakar den priester, die dat alles scheen te
-begrijpen en te doorzien.
-
-Tot laat in den nacht bleef hij bidden. Wat was het toch moeilijk zóó
-te leven, als men moest! Maar hij zou het in dit opzicht beproeven; dàt
-nam hij zich ernstig voor. Ook met Pa Djalil zou hij spreken over zijn
-plan om Batavia te verlaten; te gaan wonen in de binnenlanden en
-niettemin te blijven in de zaken.
-
-Den volgenden avond, toen ze afgedaan hadden met hun loopenden handel,
-zittend op het bankje, begon hij erover; de oude liet hem uitpraten.
-
-„Ik moet daarover denken,” zei hij, en een minuut of wat later: „Ik
-geloof niet dat het gaan zal.”
-
-„Waarom niet?”
-
-„Men kan geen twee dingen tegelijk doen. Wie handelaar is, moet dat ook
-zijn zonder iets anders. Ik heb allang begrepen, waarheen ge wilt. Ga
-uw gang, het is misschien beter voor u. Voor mij is het wat anders;
-voor mij is het niet beter een compagnon te hebben op die manier.”
-
-„Wel,” hernam Aboe Bakar, „als wij van elkaar af kunnen.”
-
-„Waarom zouden wij niet? Ik heb de boeken duidelijk gehouden en bij tot
-vandaag. Het is gemakkelijk te zien, wat wij in de zaak hebben op het
-oogenblik, de eene helft is mijn aandeel, de andere het uwe.”
-
-Het griefde Aboe Bakar toch dat de oude blijkbaar zoo weinig prijs op
-zijn medewerking stelde, en Djalil, toen hij dat hoorde aan het zwijgen
-van zijn compagnon, zei goedig:
-
-„Het spijt me dat het zóó loopt, maar het is niet anders. Ge spreekt
-tegenwoordig altijd over den koran en ik weet er maar weinig van, doch
-er staat toch ook in, dat niemand twee meesters kan dienen...”
-
-„Soerah XXXIX...” begon Aboe Bakar onwillekeurig.
-
-„Het kan me niet schelen; ik weet van geen soerah,” viel Pa Djalil hem
-in de rede, „maar je hadt moeten begrijpen, dat men geen priester en
-koopman kan zijn tegelijk; men doet dan toean Allah te kort of zijn
-deelgenoot.... Voor mijzelven zou het minder zijn, maar als goed
-Mohammedaan mag ik het eerste niet toestaan.”
-
-Van den spot, van het sarcasme voelde Aboe Bakar niets; hij was zoo
-vlug niet van geest; niet slim genoeg daarvoor; hij had een waarheid
-gehoord, en erkende die; alleen: de penghoeloe had het mogelijk
-gevonden, en die kon het in zulke dingen toch niet mis hebben.
-
-„Dus je wilt niet,” zei Pa Djalil met een zucht, „het is zooals ik
-gezegd heb en niet anders.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESTIENDE HOOFDSTUK.
-
-EEN LISTIG MENSCH.
-
-
-In de oogen van den penghoeloe lichtte het kwaadaardig op, toen Aboe
-Bakar hem vertelde, hoe het verloopen was bij Djalil. Hij kende dat
-volkje! Met een eerlijk maar dom individu, dat wat overhelde naar den
-fanatieken kant, kon men doen wat men wilde; dat was een werktuig in de
-hand van een man als hij. Maar zoo’n oude geslepen patser, als die
-Djalil, liep er niet gemakkelijk in; met zóó een moet men voorzichtig
-zijn.
-
-En òf hij reden had tot voorzichtigheid! Hij stond aan het hoofd van
-een uitgebreid geheim genootschap; zij hielden vergaderingen in
-missigits, zelfs in de bosschen ’s nachts; zij hadden bergplaatsen van
-wapenen en oorlogsgewaden; zij hadden al lang den „heiligen oorlog”
-gezworen tegen de kafirs; maar het was alles nog onrijp, hoofdzakelijk
-wijl ze geen geld hadden. Een enkele onvoorzichtigheid en alles zou
-hier verloren gaan.
-
-„Indien het Gods wil is,” fluisterde de priester op zachten onderworpen
-toon, „zal het Pa Djalil wèl gaan.”
-
-„Ik hoop het,” zei Aboe Bakar, „hij is altijd eerlijk en trouw geweest
-in onze zaken.”
-
-„Dan zal zijn belooning ook niet verloren raken. Ik vertrek met den
-eersten trein morgenochtend. Zal ik ginder een woning voor u zoeken?”
-
-„Heel graag. Ik reken dezer dagen met Djalil af; dan heb ik nog enkel
-mijn huizen.”
-
-„Verkoop ze; trek u terug uit al die nietige dingen. Wat baten zij u?
-God zal hem beloonen, die het land verlaat om zijn zaak te omhelzen.”
-
-Aboe Bakar mocht den penghoeloe naar het station brengen. Tusschen de
-bedrijvigheid der beambten, zaten de inlanders, die op reis moesten, op
-hun barang of stonden ernaast op den gelen cementvloer van het perron;
-droomerig in den nog vroegen morgen, keken zij voor zich uit met
-onverschillige gezichten, naar het rangeeren van den trein; het haastig
-heen en weer gevlieg van de daarbij dienstdoende machine, wier drukte
-en snelle geluiden zoo afstaken bij de algemeene kalmte der oostersche
-omgeving.
-
-De penghoeloe en Aboe Bakar verschenen in hun Arabische kleeding, en al
-de aandacht van het inlandsch publiek was voor die statige mannen, zoo
-mooi gekleed en die in hun langzaam en deftig opwandelen, veel hoogere
-wezens schenen, dan de weinige Europeanen in hun witte jasjes hier en
-daar met elkaar pratend in nonchalante houding.
-
-Niemand had daar zoo’n sentiment voor, als Aboe Bakar; dàt deed hem
-zoo’n genoegen, die soort van grootheid; dáár behoefde ’n mensch geen
-vreemde talen en geen wis- of andere kunde’s voor te leeren op de
-schoolbanken; dáár had je maar voor naar Mekka te gaan, wat uit den
-koran te leeren, en zich te kleeden. Maar daarvoor moest je hebben die
-rustige deftigheid en die aangeboren superioriteit in houding en
-manieren, die hijzelf vond, dat hij in hooge mate bezat. Behaaglijk zag
-hij rond over de hoofden, onder het praten met den priester.
-
-„Dat de ijdelheid ons niet omtrent God bedriege; laat ons enkel
-dankbaar zijn,” zeide deze.
-
-Daar had-je het weer! Wat was het toch een wonder! Het was, dacht Aboe
-Bakar, of de priester iemands gedachten raadde. Het stemde hem
-onderworpen; hij nam afscheid met de grootste eerbieds- en
-onderdanigheids-betuigingen, die de aandacht trokken der inlanders en
-hen op een afstand even deden wachten, tot de heilige mannen gereed
-waren.
-
-Hij kreeg het druk na dien tijd; de afrekening met Djalil viel hem zeer
-mee, maar duurde toch nogal lang; want die moest geld opnemen; hij had
-wel altijd veel verdiend, zoo goed als Aboe Bakar, maar hij had een
-menigte dochters, en die hadden weer veel zoons en dochters, en zij
-leefden allen van hem!
-
-Zijn huizen verkocht Aboe Bakar prachtig; voor veel meer, dan ze hem
-hadden gekost. Maar met zijn pogingen om geld uit te geven, lukte het
-minder goed. Hij wou zijn zoon bij een Europeesche familie in den kost
-doen, want dàt was nu eenmaal zijn idée: men moest Hollandsch kunnen
-spreken, en dat kon men niet leeren, zooals het hoort, dan in het huis
-van pur sang Hollanders; maar de families, bij welke hij deed navragen,
-hadden bezwaren; zij wilden hun eigen kinderen niet blootstellen aan
-het zedenbederf door zoo’n inlandschen jongen, met wien ze als met ’n
-broer zouden omgaan; en de families die ervan gehoord hadden en Aboe
-Bakar, den rijken hadji, lieten polsen, die stonden hem niet aan.
-
-Dus vorderde hij niet.
-
-Voor Bram wou hij een aandeel koopen in een bestaande goede zaak, wat
-hij dacht dat met geld altijd te doen was; maar de goede zaken
-bedankten er tot zijn groote verwondering voor, wijl ze nooit, op zulk
-een manier, iemand verlangden als deelgenoot, die volstrekt geen
-verstand van het vak had en weinig of geen administratieve kennis; en
-van de zaken, die dat wèl wilden, die zelfs met brieven en bezoeken er
-bij hem op aandrongen, zei Djalil, van al die dingen bijzonder op de
-hoogte, dat ze boesoek waren. Wat was dat lastig!
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
-
-WACHT U VOOR ZULKE VRIENDEN.
-
-
-Met groote stappen liep Aboe Bakar een zonnig pad op, parallel met den
-grooten weg naar de bovenstad; in de verte zag hij de woning van Bram;
-het nieuwe lichtroode pannendak op het houten huis, hel in de zon
-afstekend tegen het dichte donkere groen van groote mangaboomen op het
-erfje. Toen hij het hekje binnenstapte, zaten ze daar allen op
-wipstoelen; Bram in slaapbroek en kabaai in een luierstoel. Een kapotte
-dos-à-dos scheef overhellend stond terzij van het voorerf; het was de
-eenige stoffeering.
-
-Njai Peraq zag hem niet; een oogziekte had haar ’t gezicht benomen; zij
-zat nu maar stil op de mat in het galerijtje over dag, een enkel maal
-naar achter scharrelend, als ze wat eten wou of zoo.
-
-„Bonjour!” riep Bram al uit de verte. „Hoe gaat het? Huizen verkocht,
-hè? Bom duiten verdiend, ja? Je bent toch ’n gelukkige pisang! Ik wou,
-dat ik ook maar Mohammedaan was geworden!”
-
-„Het is nog niet te laat!”
-
-„Juist wel!”
-
-„Nooit, dan op het sterfbed,” zei Aboe Bakar met overtuiging.
-
-„Dat denk-je maar,” spotte Bram. „Neen, amice, daar komt nu niets meer
-van; toen was toen en nu is nu.”
-
-„Weet-je, dat ik een landje heb gekocht?”
-
-„Dat heb ik gehoord.”
-
-„Ik ga er rustig wonen; uit de zaken heb ik me ook teruggetrokken.”
-
-Bram knikte; Pa Djalil had hem er alles van verteld.
-
-„Het geld voor moeder en voor jou heb ik in de bank gebracht.”
-
-„Waarom niet hier?” vroeg Bram, eenigszins geraakt door het onverholen
-wantrouwen.
-
-„Omdat het beter is; het is voor een jaar; elke maand kan-je het
-ontvangen voor moeder en voor jou. Hoe gaat het in den laatsten tijd?”
-
-„Och, là là! Smerig volk, die dos-à-dos-voerders. Kerels zetten me
-geregeld af. Brengen nooit thuis wat ze schuldig zijn. Altijd dit of
-dat.”
-
-„Hoeveel dos-à-dos heb-je nu?”
-
-„Drie, en twee karretjes; tien paarden in ’t geheel, als er een ziek is
-of een kerel niet binnen, staat één voertuig stil.”
-
-„Ja... Dat heb je me onlangs ook geschreven... Er is dezer dagen
-paardenvendutie... Koop er ’n paar bij.”
-
-„Kan niet, heb geen crediet,” riep Bram lachend; hij had zich die
-manier van spreken tegenwoordig aangewend. „Als ik bied, zij roepen:
-„kontan!”
-
-„Koop maar op mijn naam; ik zal een qualificatie geven.”
-
-„En de duiten?”
-
-Aboe Bakar lachte goedig.
-
-„Maak je niet bezorgd; wij zijn nog lang niet quite.”
-
-Daar zweeg Bram op; hij vond het altijd een pijnlijk onderwerp; het
-stond nu eenmaal bij hem vast, dat het met de verdeeling der erfenis
-niet anders dan plichtmatig was toegegaan onder hen als broers en
-zusters, dat Aboe Bakar hem nu hielp, vond hij heel natuurlijk, hij zou
-het immers ook gedaan hebben, als de toestand andersom was geweest.
-Maar wat hem hinderde was, dat Aboe Bakar volhardde in het idée bij die
-verdeeling een aalmoes te hebben gekregen, welke hij nu moest
-teruggeven; dat hij hem, Bram, meer beschouwde als een crediteur, dan
-als een broer.
-
-„Ik hoop, dat het je hier bevalt,” ging Aboe Bakar voort.
-
-„Hier in deze tampat? Wis en waarachtig bevalt het me. Goeie boel hier.
-Lekker wonen, frisch en droog.”
-
-„Dat doet me pleizier. Ik bedacht te laat, dat ik had vergeten daar
-eerst naar te informeeren. Het was dom van me.”
-
-„Wat informeeren?” vroeg Bram verwonderd. „Waarom?”
-
-„Ik heb ’t huisje en erf voor je gekocht.”
-
-„Voor mij gekocht?” vroegen Bram en diens inlandsche vrouw in één adem,
-maar in diverse talen.
-
-Aboe Bakar knikte en stond op.
-
-„De akte van overdracht en de andere stukken krijg je morgen. Ik moet
-nu weg, want ik heb meer te doen. Voor ik heenga, kom ik nog goeien dag
-zeggen. Ik hoop, dat je veel geluk hier hebben mag. Slamat tinggal.”
-
-Bram greep de zware hand in zijn magere knokken en kneep haar met
-kracht; ontroerd, de tranen in de oogen, bleek en zenuwachtig.
-
-„Adam,” zei hij dringend, „geloof me, blijf hier; ga niet naar boven,
-ga niet naar dat vervloekte land; ik heb een voorgevoel.”
-
-Maar Aboe Bakar schudde het donker baardig hoofd, gekroond met den
-grooten witten tulband.
-
-„Gij wilt het goede beletten Bram, door kwaad te denken en te spreken
-van hen, die ge niet eens kent. Als Mohammedaan zoudt ge het niet
-doen.”
-
-„Niet ken!” riep Bram opgewonden uit. „Of ik hem ken, dien...”
-
-Met de hand hield Aboe Bakar als het ware het scheldwoord terug, dat
-hij verwachtte aan het adres van den penghoeloe; hij vergiste zich in
-zoover, dat het geen banaal scheldwoord zou geweest zijn, doch iets
-heel anders.
-
-Bram zelf schrikte ervan; bijna had hij iets verklapt, dat hij geheim
-moest houden. De waarheid was, dat hij niet alleen een
-dos-à-dos-verhuurderij hield, maar soms ook als spion in dienst was der
-politie; en nu was deze er juist achtergekomen, dat er iets heel
-leelijks broeide in de streek, waar de penghoeloe woonde, en dat die
-daarbij was betrokken, ja eigenlijk zoo wat aan het hoofd moest staan.
-Hoever het zich uitstrekte wist het Bestuur nog niet, maar aan Bram was
-ook iets ter onderzoek opgedragen, en daardoor was hij achter meer
-gekomen.
-
-„Enfin,” zei hij met een zucht, „ik hoop er voor jou het beste van; ik
-dank-je voor je goedheid, en ik wensch je veel geluk.”
-
-Eerbiedig groetend boog Aboe Bakar voor zijn blinde moeder, en lang zat
-hij dichtbij haar neergehurkt op de mat, zacht met haar sprekend, haar
-oude hand in de zijne, terwijl de inlandsche wederhelft van Bram door
-allerlei joolgezichten tegen hem te trekken, stil haar vreugde
-vertolkte over het nu in eigendom hebben van hun huisje.
-
-Toen hij naar huis terugliep, denzelfden weg dien hij vroeger was
-gegaan, had hij een groot verlangen; hij wou, dat hij al buiten zat,
-uit de soesah van het opbreken en verhuizen; hij moest erkennen, dat
-Minah, zoo slordig en vuil ze geworden was, goede diensten deed;
-Dailah.... kasian, dacht hij. Neen, zij werkte niet; daar was geen
-quaestie van; hij had het ook niet willen hebben; de penghoeloe had hem
-wel gewaarschuwd niet toe te geven aan zijn groote liefde voor zijn
-tweede vrouw; en hij had ook wel getracht matiger te zijn—maar dan kon
-zij hem met haar groote zwarte oogen zoo vreemd aankijken; eens zelfs
-had ze gepruild, als een kind; en gezegd, dat hij niet meer van haar
-hield, dat hij maar naar Minah moest gaan of een andere vrouw nemen;
-toen was hij bij haar gaan zitten, den arm om haar zacht, lenig
-lichaam; zijn oogen had hij laten gaan langs de zachtgolvende lijn van
-haar mooien haast blanken hals naar de fijne schoudertjes en de
-opglooiende buste; zijn krachtig lichaam, trillend van begeerte, was
-tegenover zijn zwak willen direct de baas geworden en.... gebleven.
-
-Neen, Dailah moest niet arbeiden; zich niet vermoeien. Hij zocht geen
-andere aardsche genietingen; hij kon, zoo dacht hij, leven in matigheid
-en zonder buitensporigheden, zich wijdend, zooals hij tot nu toe deed,
-aan zijn zaken en den godsdienst, of wel, zooals hij nu voornemens was,
-aan den godsdienst alleen; maar die eenige, hem dan toch wettig
-geoorloofde levensvreugd kon hij niet ontberen; dàt zou hem te machtig
-zijn.
-
-Thuis vond hij tot zijn verwondering Djalil bezig den boel te
-beredderen, alsof het voor hemzelf was; hij had een soort inventaris
-gemaakt van de meubelen.
-
-„Laten we het maar taxeeren,” zei hij, „dan neem ik het van je over.”
-
-„Wat wil je ermee doen?”
-
-„Och, er zijn er bij mij zooveel, die van alles noodig hebben, en er
-komen er altijd bij. Nu gaat weer een kleinzoon van me trouwen.”
-
-„Heel graag; taxeer ’t maar zelf; zooals je doet is het goed.”
-
-„Ik heb leege kisten laten brengen en ben aan het pakken gegaan; jullie
-schoot niet op.”
-
-De oude mandoer was bij den veekooper weer bovengekomen; hij kon het
-niet aanzien, dat er zoo op de inlandsche manier met den boel werd
-omgesprongen; dáárvoor had hij te lang in een Europeesche toko gewerkt.
-
-Aboe Bakar stond er werkeloos bij, met verbazing toeziende, hoe netjes
-Djalil alles boenkoesde; met hoeveel tact hij de kisten pakte, zoodat
-er niets kon schudden of breken. En verlegen met zijn eigen
-hulpeloosheid, liep Aboe Bakar telkens eens links en rechts, als een
-August de Domme aandragend, wat voor ’t moment niet noodig was, uit de
-enkele zucht om er niet zoo heelemaal voor niets bij te staan.
-
-Het was een nare tijd; hij dankte God, toen er een eind aan was, en hij
-uit de voorgalerij zijner nieuwe landelijke woning, die voor zijn
-rekening de penghoeloe heel aardig had ingericht, op de balustrade
-leunend genoot van het frissche berggezicht vol schilderachtige
-afwisseling.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
-
-TOENADERING TUSSCHEN DE VROUWEN.
-
-
-Zacht ruischte de rivier aan in een klein grijs gewriemel van golfjes,
-brekend op, glijdend over de uit haar ondiepe bedding opstekende
-rolsteenen; de oever omzoomd met het groote donkergroene blad der lage
-pisangs, het bruinig grauw der atappen daken er doorheen kijkend, de
-slanke gladde stammen der klapperboomen erboven uit, zwaaiend in den
-wind het hard geglinster hunner bladkronen; en daarachter tegen het
-sterk ophellend terrein, een dicht bosch van allerlei boomen, aanplant
-en wild hout, in veelvuldige nuances van eenzelfde kleur,—een
-reusachtige symfonie van groen; hier en daar, als ertusschen geslagen,
-stukjes bibit-sawah, heel teer, bij geel af; en op den achtergrond de
-zware donkere massa van het gebergte, te veraf al voor het merken van
-schakeeringen; te dichtbij voor het blauwschijnen; een sombere muur van
-grillig dessin met opkomende en verdwijnende strepen invallend licht;
-de breede kroonlijst van toppen in massale slingerlijnen, als gesneden
-uit de blauwe lucht.
-
-Aboe Bakar zag het zoo niet; hij onderging alleen de stemming van het
-geheel en dat, vond hij, deed hem goed, maakte hem zoo rustig en kalm,
-als hij bij voorkeur was; dreef elke gedachte aan zaken en gewone
-dingen weg uit zijn hoofd; het weinigje leven en bedrijf der inlanders
-in de rivier hinderde hem haast; dat was weer het alledaagsche
-mierenwerk; de mannen, drie, vier achtereen, langzaam en voorzichtig,
-voetje voor voetje goederen pikollend van den eenen oever naar den
-anderen, de vrouwen kleeren wasschend, het natte goed slaande op de
-rolsteenen; mannen, vrouwen en kinderen zich badend en hun behoefte
-doende alles in denzelfden stroom levend water; hier en daar een
-kleurige kain, als de eenige brekende punten in de groote omgeving van
-zachte tinten.
-
-Een hooge gil, hevig uit boven alles, de lucht vullend met schel
-geluid, in echo’s teruggeworpen door het gebergte, deed Aboe Bakar
-opschrikken uit zijn droomerig soesen; in de richting, die hij uitkeek,
-pluimde een driftig wolkje op boven het gebladerte, snel vervliegend;
-een witte wegwaaiende veer; door de openingen in het groen flikkerde,
-voortschietend, het blinkend koper der machine, de glimmende
-verfstrepen der wagens; grommend en brommend als een vertoornd dier,
-joeg in groote bochten de trein over de kronkelende berglijn.
-
-Om den hoek zijner nieuwe woning over het smalle omloopende pad kwam
-hem de penghoeloe verwelkomen; hij stond ook even stil, omkijkend naar
-den trein.
-
-„Het is toch mooi,” zei Aboe Bakar, hier ineens getroffen door iets,
-wat hij altijd had gehouden voor de meest eenvoudige en alledaagsche
-zaak ter wereld.
-
-De penghoeloe knikte.
-
-„Ja, het is heel mooi,” gaf hij toe; „maar toen het er niet was, en dàt
-ook niet,” wijzend op de telegraafdraden, „vond ik het er niet minder
-om.”
-
-Aboe Bakar begreep het niet. Waarom was het evengoed zonder spoorweg en
-telegraaf als met? Maar hij vroeg er niet naar, en de penghoeloe zei
-niets; daar had hij zijn goede redenen voor; hij toch schreef het toe
-aan dien spoorweg en die telegraaf, dat de onderdanigheid bij den
-inlander eruit ging, en dat niets meer geheim bleef; hij had in
-doodsangst gezeten, toen hij gehoord had, dat het door hem op touw
-gezette complot zoo wat ontdekt was; hij had bespeurd, dat men er hem
-op aankeek op „het kantoor,”—dat alles deden die spoorweg en die
-telegraaf. Mocht Allah hen vernietigen!
-
-Hij gaf zijn plan niet op; een jaartje uitstel was geen afstel. Daarbij
-moest hij geld hebben, en dat had hij niet. Dat was ook al de schuld
-van die nieuwigheden; opkoopers van nog te veld staand gewas
-scharrelden overal rond, en nauwelijks was de padi van het veld, of
-rrrt! weg was het grootste deel; vroeger was er voor een man als hij
-nog altijd wat te halen bij de bevolking,—tegenwoordig zat er geen wol
-meer aan; men kon even goed probeeren een klapperdop te scheren!
-
-Zoo dacht hij, langzaam voortschrijdend, over die zegeningen der
-beschaving, en nog, toen Aboe Bakar hem begroette, en ook terwijl deze
-hem vertelde van zijn laatste dagen te Batavia, zijn vertrek en de
-reis, luisterde hij maar met ’n half oor.
-
-Toen schudde de penghoeloe het hoofd met ’n paar rukjes, als om zich
-van zijn eigen gedachten te bevrijden, en levendig begon hij mee te
-praten over zaken; stukje voor beetje haalde hij eruit, wat hij hebben
-wilde, en toen hij van zijn stoel opstond, wist hij ten naasten bij,
-hoe zwaar Aboe Bakar woog.
-
-„De zon staat reeds hoog,” zei hij, opziende naar de lucht, deels
-bedekt met kleine witte wolkjes, die zich om den bergkam vereenigden
-tot een vervaarlijk groote dampkroon.
-
-„Wij moeten denken aan het gebed; het wordt tijd voor den tlohor.”
-
-„Waar?” vroeg Aboe Bakar.
-
-De penghoeloe strekte den langen, mageren arm uit:
-
-„Ginder achter die klappers in mijn kleine missigit. Ga mee.”
-
-Niets deed Aboe Bakar liever; hij zou heel druk naar het bedehuis gaan,
-stelde hij zich voor, dan zou hij spoedig een geloovige zijn, zooals
-hij wenschte er een te worden; hij was reeds aan zijn voorhoofd
-geteekend, door de aanraking in ’t gebed met den grond. En deze zijn
-lust was koren op des penghoeloe’s molen; hij nam hem mee naar zijn
-huis, of hij bezocht hem, en dan baden zij samen en zaten tot laat in
-den nacht zacht en met overtuiging te spreken over den koran, de
-soerah’s, de ajats en de djoet; en de heilige nachten brachten zij met
-modins en anderen heelemaal biddende door.
-
-Het hypnotiseerde Aboe Bakar meer en meer; hij veranderde van
-gewoonten; at en dronk weinig; werd magerder, sprak minder, was meer in
-zichzelven gekeerd, bemoeide zich minder met zijn huisgezin. En wat het
-sterkste was: er kwam verkoeling in zijn liefde voor Dailah; zij, den
-ganschen dag luierend binnenshuis in haar eigen vertrekken; zag met
-verbazing, hoe zich bij Aboe Bakar een metamorphose ontwikkelde, niet
-bevorderlijk voor haar huwelijksgeluk; zijn huid werd geler en tanig,
-en hij had zijn baard kort geknipt met een langen sik, wat hem
-foeileelijk stond.
-
-Er kwam ’n beetje toenadering tusschen haar en Minah; die had Dailah
-ook zeer verbaasd; die was integendeel heelemaal opgeknapt in het
-binnenland, en scheen nu niet meer zulk een hekel te hebben aan haar
-opvolgster.
-
-„Waarom ga je ook de deur niet eens uit?” vroeg Minah op een ochtend.
-
-„Ik ben het niet gewoon.”
-
-„Het is lekker buiten.”
-
-„Koud, ja?”
-
-„Gekheid; het is heel lekker. En dan, het is gezellig; je ziet nog wat,
-en je ontmoet menschen.”
-
-„Spreek je met anderen?” vroeg Dailah nieuwsgierig. Zij had sedert ze
-Aboe Bakar’s vrouw was, nog met geen enkelen vreemden man gesproken.
-
-Minah lachte hoonend.
-
-„Natuurlijk; waarom niet? Ik kan dat best doen; ik ben oud en leelijk.”
-
-Oplettend keek Dailah haar aan.
-
-„Je bent niet oud en je bent niet leelijk.”
-
-„Ouah!” riep Minah hoog uit, met een blijkbaar pleizier.
-
-„Betoel niet; de lucht hier is zeker goed voor je; ik vind je met elken
-dag jonger en knapper.”
-
-De dochter van den mantri op een kustplaats buiten, richtte zich op;
-zij was flink gebouwd en sterk; de zorg, die ze in den laatsten tijd
-aan haar toilet besteedde en haar reinheid nu, ineens, zoo afstekend
-tegenover haar vuilheid der laatste jaren, hadden haar opgeknapt; het
-dikke zwarte haar zat onberispelijk; zij was goed gewasschen met zeep;
-zij droeg propere en net gemaakte baadjes en mooie kains; zij zag neer
-op de andere, die achterover lag op de slaapmat, ongebaad nog en
-ongekamd, met verveling en vermoeidheid in de trekken en gemis aan
-kracht in de weeke blankheid van haar slap vleesch.
-
-En, als vrouwen, voelden ze heel goed, dat er iets was, waardoor de een
-er nu weer bovenop kwam, terwijl de andere bezig was onder te gaan.
-
-„Ik zie hem tegenwoordig maar zelden,” zei Dailah landerig.
-
-„Sta op, ga baden, kleed-je aan, en ga met me mee naar de passar,”
-drong Minah aan.
-
-Maar Dailah wou niet.
-
-„Ik ben te lui,” zei ze.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
-
-MINAH OP EEN VERBODEN WEG.
-
-
-Minah drong niet verder aan dien dag; zij ging alleen naar den passar,
-die vrij druk was; zij bekeek van alles, bevoelde alle kains en batiks,
-nam alle galanterie-waren in de hand, rook aan alle vruchten om zich te
-overtuigen, dat ze gerijpt waren aan den boom; snoepte gesuikerde
-tamarinde; dronk een glas stroop met selassie; zond haar dienstbode
-naar huis met wat zij gekocht had en liep zelf den anderen kant uit.
-
-Door een deurtje in een hooge pagger kwam ze op een achtererf vol van
-allerlei bamboezen opstandjes met atap gedekt; de weinige
-tusschenruimte door pisangboomen nog grootendeels versperd; hanen en
-kippen kakelden er in koor; een jonge geit rukkend aan het touw,
-waarmee ze was vastgebonden, blaatte aanhoudend in klagelijk schel
-timbre; een dik erg bruin kind, met niets aan dan bloedkoralen
-armbandjes, zat, verlaten, op een baleh-baleh allerjammerlijkst te
-schreeuwen, tot de adem stokte, het een oogenblik stil was, en daarna
-opnieuw begon; een lauwe geur van plantaardigen afval steeg op uit de
-in den grond gegraven geulen tot waterafvoer: ’t was het achtererf van
-den penghoeloe.
-
-Minah liep over de smalle wegjes naar het hoofdgebouw; aan dien kant
-waren de vrouwenvertrekken; het houten huis, oud, bruinrood geverfd,
-aangedonkerd door den tijd, met zwarte lijsten om deur en vensters,
-grijs van stof en spinneweb, had iets sombers, door de onzindelijkheid
-verhoogd. De meubels waren ook zoo. Voor de deuropening, dicht, een
-donkerrood, helgeel gebloemd gordijn, frisch en nieuw uitziend, scherp
-afstekend bij het geheel; tafel, stoelen, banken en kasten oud, donker
-van vroeger japansch lakwerk, vol vegen en plekken van afgebrokkeld
-belegsel, de eens vergulde randjes in flauwe grijsgele streepjes nog
-maar zichtbaar hier en daar; verder eraf; de overtrekken der divans met
-vlekken en scheuren, verschoten en vies.
-
-Maar er werd gelachen; er was vroolijkheid; de vrouwen deden wat zij
-wilden; ze waren opgewekt; ze hielden van een pretje; en de penghoeloe
-had er zelfs niets tegen, dat mindere priesters en jonge santri’s een
-praatje kwamen maken in de vrouwenvertrekken, mits zij van de familie
-waren, en dat waren ze allicht, als het goed werd uitgerekend.
-
-Minah had er haar eerste bezoek gebracht, en de vrouwen waren ook eens
-bij haar geweest. Sedert kwam zij er geregeld, bracht gewoonlijk wat
-lekkers te snoepen mee, en was eerst wel verwonderd over de mate van
-vrijheid en zelfs van zekere ongegeneerdheid in de woning van den
-buitenshuis zoo ongenaakbaren, heiligen man, maar vond het heel
-pleizierig; veel te aangenaam om er iets van te zeggen.
-
-Zij was al heel gauw een vriendin geworden; zij had er een jongen man
-ontmoet, heel fijn van uiterlijk, met een klein zwart kneveltje en een
-scherp belijnd adellijk javaansch profiel; van de familie van den
-penghoeloe; hij had haar aardigheden gezegd, niet banaal zoo maar, maar
-in een bloementaal, die eigenlijk vruchtentaal was, want hij had
-allerlei vleiende zinspelingen gemaakt op heerlijk ooft. Zij had hem
-dan aangekeken met blikken van: hou-je-me-voor-den-mal, of:
-wat-denk-je-wel-van-me; maar ze was er erg gelukkig mee, niet verwend
-in haar huwelijk!
-
-Nu was ze betoel verliefd, en het speet haar erg, dat de jonge man niet
-present was.
-
-„Komt die andere niet eens mee?” vroeg een der vrouwen, bezig een
-kindermond te vullen met groote proppen rijst met pisang en die met den
-duim verder naar binnen te werken, het keelgat door.
-
-„Ze zegt dat ze te lui is,” zei Minah.
-
-Daar moesten ze om lachen.
-
-„Is ze vervelend?”
-
-Minah haalde de schouders op.
-
-„Wij spreken niet veel.”
-
-„Neen, dat zei je laatst. Hoe is het mogelijk, dat vrouwen van één man
-niet met elkaar omgaan! Met wie moet men anders omgaan.”
-
-„Ja, ik zie het ook in nu. Ik ben wel gek geweest.... soedah.”
-
-„Was het jouw schuld.”
-
-„Dat was het. Verbeeld-je, dat ik boos was, omdat er een bijkwam!”
-
-Het was, vonden ze, een gek idée; een tweede vrouw beteekende in een
-Mohammedaansch gezin voor de eerste gezelschap, aanspraak en hulp
-desnoods; bovendien nog ontheffing van veel verplichtingen tegenover
-een meestal reeds vervelend geworden man.
-
-„Het zal wel niet zoo blijven,” meende een der vrouwen met een wijs
-gezicht.
-
-„Het is al niet meer zoo.”
-
-„Al lang?”
-
-Aarzelend zei Minah:
-
-„’n Beetje lang, ’n beetje kort.... Ik behandel haar goed, maar ze is
-boos op hem; hij schijnt haar te vergeten tegenwoordig.”
-
-„En u?”
-
-„O mij.... het is om te lachen. Ik geloof, dat hij mijn broer is.”
-
-Ze schaterden het ook werkelijk uit van den lach; de moeder, die haar
-kind volpropte, rolde over den ouden divan van pleizier, de sarong hoog
-op, wat Minah hinderlijk ongepast vond. Zij wist wel, dat men hier zoo
-nauw niet keek. Nu praatten ze verder over den passar, en wat verder
-onbeduidend was, met groot maleisch gerabbel, keelgeluid en heel veel
-mimiek en gestes, de monden onder het praten wijd open, rood van binnen
-door de sirih, die als omdroop tusschen de afgevijlde zwart gemaakte
-tanden.
-
-Toen het gordijn werd weggeschoven en de jonge man, die Minah het hof
-had gemaakt, met een zacht salam binnenkwam, zwegen ze ineens, veegden
-de monden af aan de slendangs; de plooien der kains neerslaand met de
-hand, de baadjes recht trekkend.
-
-Hij had het heel gauw weer uitsluitend tegen Minah, die allerlei kleine
-airtjes aannam en zich zooveel mogelijk aanstelde als een preutsch jong
-meisje, dat ’t hof wordt gemaakt; de vrouwen van den penghoeloe vonden
-het bespottelijk; zij knepen elkaar in de dijen van pleizier over zoo’n
-gekkin!
-
-„Hij is aardig, ja?” vroeg de een, toen de aanbidder weg was.
-
-Minah glimlachte even, de oogen neergeslagen; ze zei eerst niets;
-daarop werd haar gezicht heel donker.
-
-„Wat kan het mij schelen; ik ben immers de vrouw van....”
-
-„De zuster,” verbeterde de andere lachend, en Minah, denkend aan wat ze
-zelf had gezegd, lachte mee tegen wil en dank.
-
-„Kan je niet weg van Aboe Bakar?”
-
-„Hoe zou ik kunnen.”
-
-„Maak ruzie; scheld hem uit en de andere ook.”
-
-„Dan slaat hij.”
-
-„O zoo, slaat hij dan; neen, dat is iets anders. Wil ik....”
-
-De vrouw keek haar lotgenoot in den priesterlijken echt eens aan, en
-krabde zich het hoofd; de andere scheen haar gedachten te raden; zij
-knikte langzaam en herhaaldelijk.
-
-„Ik geloof, dat het goed is.”
-
-„Wat?” vroeg Minah, nieuwsgierig.
-
-„Als wij er den penghoeloe eens over spraken.”
-
-„Zou je dat durven?” vroeg Minah, vervuld van ontzag en vrees voor den
-heiligen man.
-
-Daar moesten ze weer om lachen. Het was ook wat! Ze durfden wel heel
-andere dingen.
-
-De penghoeloe was eerst heel nijdig, toen ze hem erover spraken; in
-zijn kamer, waar alles even oud en vuil was als bij de vrouwen, werd
-toch nog min of meer de hand gehouden aan eenig vertoon door mooie
-matten en ander vlechtwerk, door heel aardige snuisterijen in hard
-donker palmboomenhout met lichte vlekjes en streepjes als amandelkoek
-van binnen. Hij bad machinaal en hanteerde de tasbih als een oude
-Europeesche vrouw de breikous, zonder eraan te denken; dan pikirde hij
-over heel andere wereldsche dingen, daarbij naar het uiterlijk
-verzonken in het gebed; en dan had hij altijd het land en was boos, als
-ze hem kwamen storen. Ze deden het toch; zij trokken zich niet veel aan
-van het humeur van den ouden geitensik!
-
-Ditmaal wekte het zijn hooge belangstelling. Hij had Aboe Bakar al
-aardig bewerkt; die was nu vroom tot vervelens toe; ook voor hem; die
-had zelfs erover gesproken niet meer naar de missigit te gaan, maar
-altijd liever hetzij in afzondering, dan wel met den penghoeloe samen
-te bidden. Het oogenblik om hem terdege te bewerken naderde.
-
-„Ik zal zien, ik zal zien,” zei hij tegen zijn vrouwen. „Ga nu heen, ik
-moet er toch nog over denken.”
-
-„Doe je het gauw?” vroeg de een.
-
-„Dat weet ik niet; het hangt ervan af; misschien heb ik de vrouw nog
-noodig en jullie ook; er is geen haast bij; in het geheel niet; alles
-moet wachten tot ik gereed ben.”
-
-Toen ze weg waren, glimlachte hij; het was reeds een groote stap, dat
-die door Aboe Bakar als het ware verlaten vrouw, die in huis werd
-geduld omdat het niet anders ging, maar waarmee hij geen omgang had
-hoegenaamd, erin was geloopen en grifweg verliefd raakte op den
-persoon, dien de penghoeloe op haar had afgezonden. Niet dat hij eraan
-had getwijfeld,—maar het was toch altijd goed zekerheid te hebben.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
-
-ABOE BAKARS ONDERGANG VOORBEREID.
-
-
-Het was Vrijdag toen de penghoeloe met Aboe Bakar uit de missigit kwam;
-hij was de talrijke en fanatieke mannen, die in hun beste plunje
-gestoken, het bijna te kleine bedehuis vulden, vóórgegaan in het gebed;
-hij had heel mooi gepreekt over de rijkdommen, die de menschen slechts
-in verzoeking brengen; die men niet mag begeeren; die tot hoogmoed
-brengen en waarvan het bezit niet zoo goed en voordeelig is, als de
-genade en de barmhartigheid van toean Allah; hij had betoogd, dat men
-zijn rijkdommen moest besteden op den weg Gods, om te worden gelijk een
-graankorrel, die zeven halmen voortbrengt, waarvan ieder honderd
-korrels bevat.....
-
-De mannen hadden aandachtig geluisterd, schoon het in geen hunner ook
-maar één oogenblik was opgekomen nu iets anders te doen met zijn geld,
-dan wat hij totnogtoe er altijd mee had gedaan. Op Aboe Bakar had het
-een diepen indruk gemaakt.
-
-„Ik begrijp niet hoe men doen moet,” zei hij, toen ze het met
-vruchtboomen beschaduwde koele pad afliepen naar den zonnigen weg vol
-grijs stof.
-
-„Men moet erover nadenken,” antwoordde de penghoeloe, die zich vooral
-niet wilde overhaasten.
-
-Na een oogenblik zwijgend te hebben doorgestapt onder het gefladder
-hunner lange gewaden in den wind, de penghoeloe in zwart met
-donkerrood, de andere in blauw met wit gevoerd en afgezet, vroeg Aboe
-Bakar:
-
-„Wat hebt gij gedaan?”
-
-„Ik deed wat wij, priesters, allen doen, en wat ook veel andere vrome
-menschen doen: ik heb mijn geld gestort bij de djakat en de pitra en de
-andere opbrengsten der geestelijkheid.”
-
-„Kan ik het ook doen?”
-
-„Het kan; waarom zou het niet?”
-
-Onder de neergeslagen oogleden en de borstelige wenkbrauwen van den
-penghoeloe schitterden de oogen van vreugde. Het ging zoo mooi! En
-juist nu hij zooveel noodig had, terwijl de priesterkas zoo leeg was
-als een uitgeholde klapperdop!
-
-’s Nachts kon Aboe Bakar zijn gedachten niet wegwerken; hij ging naar
-buiten, naar de rivier, waar hij een klein houten paviljoentje had
-laten bouwen, om in volkomen afzondering te bidden; hij boog zich neer
-op de knieën, het voorhoofd op den grond, de handen uitgestrekt; hij
-bad alleen en vurig tegen de inblazing der duivelen; tegen de booze
-geesten.
-
-Het hielp niet; telkens als hij weer zijn conscientie onderzocht, vond
-hij vrees en wantrouwen op den bodem zijner gedachten; het was als
-woeien zij op in zijn hoofd.
-
-Dàt was de duivel in hem, dacht hij; de oude aan het persoonlijk bezit
-van geld en goed gehechte mensch; de Adam, die hij eens geweest was.
-
-Hij moest zijn geld storten in de penghoeloe-kas, dus trachtte hij zich
-te suggereeren; hij moest het afgeven zonder eenig bewijs van
-ontvangst, geheel te goeder trouw; hij moest het daar gedeponeerd
-laten, behoudens, dat hij er altijd van kon nemen, wat hij noodig had
-voor zijn behoeften of zijn genoegens. Maar of hij zich dit al opdrong,
-en of hij al trachtte zich tegen zichzelven op te hitsen en zich een
-nietswaardige te schelden,—het baatte niet; HET wilde hem niet
-verlaten; HET zat hem in de keel als een brok, dien hij niet kon
-doorslikken; HET behaalde voor dien nacht de overwinning.
-
-Mistroostig en ontstemd, moede en slaperig ging hij naar huis, toen
-reeds de koetjitja haar eerste tonen opzond in den aanbrekenden dag;
-zacht sloop hij binnen; alles sliep nog in luie onverschilligheid. Hij
-opende zijn groote geldkist; het zware ijzeren deksel opbeurend tot de
-steunveeren uitsprongen; daar lagen zijn schatten; daar lagen de pakjes
-bankpapier, de zakken sovereigns, gouden tientjes, rijksdaalders en
-guldens.
-
-En dat moest hij afgeven aan een ander, om het nimmermeer zóó in zijn
-schoon geheel terug te zien.... Zuchtend sloot hij de kist met de drie
-sleutels, die hij in een afzonderlijken ring aan den gordel droeg. Wat
-had een mensch toch zwaren strijd!
-
-Het viel den penghoeloe tegen, dat Aboe Bakar niet weer begon over het
-geld; hij wilde niets vragen; dàt was de verkeerde weg; dàt zou den
-patiënt wellicht wantrouwend maken en afschrikken; die was wel een dom
-koebeest, dacht de priester, maar hij had toch lang onder de blanda’s
-verkeerd; was zelf er een geweest en in sommige opzichten wellicht
-pinterder, dan men zou vermoeden.
-
-Thuis liep hij ’t vrouwenkwartier binnen.
-
-„Komt Aboe Bakar’s vrouw vandaag?”
-
-„Misschien,” zei een der zijne.
-
-„Speelt zij met jullie?”
-
-Algemeen protest. Neen, zij speelden nooit. Dàt moest hij niet van haar
-denken. Brani soempah, geen kaartspel.
-
-Hij moest erom lachen. Wat konden die vrouwen toch prachtig liegen!
-Maar hij trok een boos gezicht en riep luid, stampend met den voet op
-den vloer:
-
-„Dat de leugenaars vergaan! Het is slecht elkaars bezittingen af te
-nemen door woeker en dobbelspel; het is altijd slecht te liegen. Als
-vrouwen voornamelijk spelen voor haar genoegen, waarvoor moeten zij dan
-liegen tegen haar man?”
-
-Hij had er haar dozijnen standjes over gemaakt vroeger, als zij door
-het dobbelen in schulden waren geraakt. Nu hij zoo veranderd scheen,
-begrepen zij dat de wind uit een anderen hoek woei.
-
-„Maar wij hebben toch nooit kaart gespeeld met Minah van Aboe Bakar.”
-
-„Doe het dan.”
-
-„Als zij wil.”
-
-Hij grinnikte, trekkend aan zijn sik.
-
-„Heeft een mensch een wil? En wat zal een vrouw hebben?”
-
-„Nu, en als zij dan wil.”
-
-„Vraag het haar; het is een verstrooiing. Laat zij de tweede vrouw ook
-meebrengen.”
-
-„Hier in huis?” vroegen beiden verbaasd.
-
-Daar werd hij betoel boos om.
-
-„Jullie bent gek. Mijn huis is dat van een imaam en geen speelhol. Gaat
-met die vrouwen, waar je altijd gaat. Laat haar winnen een paar dagen.”
-
-Nu begrepen zij het; dáár had de oude iets mee voor; maar zij dachten
-er niet aan er verder naar te vragen. Wat kon het haar schelen! Zij
-hadden nu de vrijheid bij een inlandsche vrouw, die stilletjes een
-dobbelhuis hield, te gaan spelen. Dàt was al pleizier genoeg.
-
-Met Minah ging het erg gemakkelijk. Toen ze ’s middags na het eerste
-partijtje vrij laat thuis kwam, had ze gewonnen; zij liet het geld zien
-aan Dailah, die ze nog altijd vruchteloos getracht had over te halen
-met haar mee te gaan.
-
-„Ga je morgen weer?” vroeg deze.
-
-„Betoel. Als het kan ga ik elken dag.”
-
-„Elken dag!” zuchtte Dailah, het hoofd op haar bantal neerlatend, de
-mooi gevormde witgele armen omhoog, gekruist over het blauwzwarte haar.
-„Hoe is het mogelijk?”
-
-„Wat?”
-
-„Elken dag uitgaan en zich opwinden. Welk een soesah!”
-
-Het ging goed een paar dagen, zooals de penghoeloe had gecommandeerd,
-maar het partijtje kwam, waarop Minah, veel minder goed spelend dan
-haar partners, die nog valsche kaarten gebruikten bovendien, begon te
-verliezen. Alles wat zij ruilde, kwam averechts uit.
-
-„Ouah!” riep zij dan teleurgesteld. „Ik ruil sajoer, ik krijg lodeh!”
-
-Maar ze zei er niets van aan Dailah, toen ze thuis kwam. Enkel, dat ze
-zoowat gelijk gespeeld had, daarbij hoog opgevend van het vermaak, dat
-ze dien ochtend had genoten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
-
-EEN DUBBEL OFFER GEBRACHT.
-
-
-De penghoeloe had gepreekt over het vuur, en somber had zijn stem
-geklonken tusschen de troosteloos kale wanden van de missigit, slecht
-verlicht door het weinige, dat de brandende soemboes, drijvend op de
-klapperolie, verspreidden; daar waren, zei hij, geloovigen, wier hart
-zoo aan aardsche dingen was gehecht, dat zij daardoor God andere goden
-ter zijde stelden. Het vuur zou hun woning zijn! Zij waren als de
-ongeloovigen, die het vuur ontsteken en de oogen sluiten voor het
-licht. Zij waren gelijk aan de afgodendienaars boven wier hoofden en
-onder wier voeten een hel van vuur zal zijn op den dag der opstanding.
-
-Zoo ging hij voort, herhalend, aanvullend, aantoonend hoe uiterlijke
-belijdenis of het omhelzen van den islam nog geen bewijs is van geloof;
-dat wie zegt te gelooven op de proef moet gesteld worden, en dus ook
-zichzelven op de proef moest stellen.
-
-Voor Aboe Bakar klonk het als een strafpredikatie, schoon de toon
-gemoedelijk was, zonder stemverheffing of intonatie, langzaam,
-gelijkmatig, indringend. Hij herhaalde de woorden in zijn gedachten. De
-penghoeloe had gelijk. Als hij naging welk een invloed het zien van
-zijn geld op hem uitoefende, moest hij erkennen, dat het een macht was,
-sterker dan zijn godsdienstig gevoel.
-
-Daar moest hij overheen komen.
-
-Hij zou een ongeloovige gelijk zijn, hij, Aboe Bakar! Hij, die zoo
-innig bad en zoo trouw den koran volgde, zou enkel een mensch van
-uiterlijk vertoon en formaliteit zijn, zonder wezenlijken godsdienst!
-Dat zou men zien!
-
-Hij groette den penghoeloe, kuste hem de hand en verdween in den
-donkeren avond, niet wachtend, als anders, tot de priester ook
-heenging, om samen op te loopen.
-
-Het was stikdonker, en Aboe Bakar kon slechts zóó zeker en met zulke
-flinke secure stappen voortloopen, omdat hij dien weg zoo goed kende
-als zijn voorgalerij; intens zwart hing de wolkenzee over het dal; de
-anders frissche berglucht drukte neer, zwaar als lood, lauw, zwoel.
-Ineens een helle geel-streep, lang rechtuit, mooi zichtbaar, dan
-afwijkend in kort zig-zag, flikkerend door de wolkenpartij, zich
-dadelijk weer oplossend in de dichte duisternis. Een oogenblik ’n
-brommig drenzen bij den berg; dan een vreeselijke ontlading, knetterend
-slaande in korte venijnige patsen, als moest er telkens iets overwonnen
-worden; een doortocht met hindernissen. Hard tikten groote
-regendroppels op de bladeren; het onweer hief aan, uitbarstend met
-woeste windvlagen.
-
-Zijn pajong in beide handen, worstelend tegen aanvliegende lucht en
-water, werkte Aboe Bakar zich naar zijn woning.
-
-Achter de neergelaten krees, lichtte droevig een eenvoudig
-petroleumlampje, de gele vlam inbruinend de tinten van het djatihout
-der wanden; somber, melancholiek.
-
-Dailah riep hem uit haar kamer.
-
-Hij ging ’t donker gangetje in naar achter, en een kier makend in het
-gordijn, vroeg hij zacht:
-
-„Wat is er?”
-
-„Welk een weer! Ik ben zoo bang.”
-
-Hij wilde antwoorden: zeg den tasbih, maar het was waar, dien kende zij
-niet; dáárom zei hij weer zacht en geruststellend:
-
-„De donder wordt voortgebracht door een engel. Waarom zoudt ge
-vreezen?”
-
-Dailah was dicht bij het gordijn komen staan; hij voelde erdoor heen
-haar lichaam tegen het zijne; hij zag, door den kier, haar zwarte oogen
-schitteren.
-
-„Kom hier,” fluisterde zij, „kom bij me binnen, ik ben zoo bang.”
-
-De zachte warmte, de lieve klank der stem, de herinnering aan uren van
-genot, alles en nog meer, deden de begeerte in hem opvlammen.
-
-Hij aarzelde.
-
-Zóó was hij tehuis gekomen van de godsdienstoefening, vol vrome
-denkbeelden en voornemens, en daar stond hij nu, door slechts een
-enkele, zeer wereldsche gedachte als beheerscht!
-
-Een oogenblik beproefde hij te strijden.
-
-„Ya, A. kamarinja?” klonk het vleemend met Dailahs lokstemmetje achter
-het gordijn.
-
-En Aboe Bakar ging naar binnen.
-
-Als pijpestelen zoo aaneen vielen de regenstralen, kletsend
-uiteenspattend op het dak; het onweer daverde nog door het dal, als van
-den eenen bergtop geworpen naar den anderen, titanenspel; helle lichten
-vlogen langs de lucht, door de boomgroepen, in de huizen, alles een
-deel van ’n seconde in lichtelaaie zettend; dan een niets van donkerte.
-
-Aboe Bakar hoorde en zag het niet; zijn sterke physiek zoolang
-onderdrukt door de opgedrongen idée fixe van bidden en vasten, en
-vasten en bidden, en leeren uit den koran en zich verdiepen in
-commentaren, hernam ineens en volop haar recht; zij barstte los met
-ontoombaar geweld, gelijk het zware onweer daarboven in de lucht.
-
-In de duisternis op den divan glimlachte Dailah als tegen haar eigen
-gedachten; zij was niet bang meer.
-
-Een uur later stond in de door het onweer gezuiverde lekker koele
-lucht, Aboe Bakar buiten, ook opgefrischt van geest. In het ijskoude
-bergwater uit de pantjoeran achter zijn huis, in vollen straal
-doorstroomend, altijd voort, een perpetuum mobile, had hij gebaad,
-zorgvuldig overeenkomstig den koran. Eerst was hij boos geweest op
-zichzelven, doch nu was er rust en vrede over zijn geest gekomen; hij
-had toch niet gezondigd, want zij was zijn eigen, wettige vrouw. En als
-er nog iets mocht haperen aan zijn hoedanigheid van verdienstelijk
-geloovig Mohammedaan, dan zou hij nu denzelfden avond toonen wie hij
-was.
-
-Hij had een brief geschreven aan den penghoeloe; hij wilde zijn
-vermogen storten in de priesterkas bij de djakat en de pitra en de
-andere vermogens der heilige mannen, welke meende hij zeer groot
-moesten zijn.
-
-Er kwam geen antwoord dien avond. De penghoeloe was een man van
-zelfbedwang, hij haastte zich niet.
-
-Het maakte Aboe Bakar onrustig. Zou men hem versmaden? Zou men hem
-willen straffen, om het slechte werk van zijn hart?
-
-Kort na het bidden van de tsoeboe, kleedde hij zich en ging naar de
-woning van den penghoeloe; de ketib, die in de voorgalerij op den grond
-zat, hield hem terug; hij mocht niet binnengaan; de penghoeloe bad.
-
-En het duurde heel lang vóór de heilige man gereed was, naar buiten
-kwam en zich eerbiedig liet begroeten.
-
-„Ja, hij had dien brief ontvangen.”
-
-„En wanneer zal het u behagen?” vroeg Aboe Bakar ootmoedig.
-
-De penghoeloe fronste het voorhoofd, als dacht hij na.
-
-„Hedenavond na de Ijaa.”
-
-„Hoe laat?”
-
-„Dat weet ik nu niet; zoodra ik gereed ben; misschien al vroeg,
-misschien laat.”
-
-En toen Aboe Bakar boog, als ten teeken van onderwerping, gleed een
-vriendelijke glimlach over de magere tronie van den ouden.
-
-„Mijn vrienden zijn,” zeide hij, „God, zijn apostel en de geloovigen,
-die met stiptheid het gebed verrichten, aalmoezen geven en zich voor
-God buigen. Aboe Bakar, gij zijt mijn vriend.”
-
-Terwijl deze zich van dankbaarheid doordrongen voelde over de
-verklaarde vriendschap van den priester, zat Minah in de
-vrouwenvertrekken van hetzelfde huis heel onaangenaam gestemd; zij had
-vrij veel verloren en stak in schulden.
-
-De vrouwen hadden van haar vromen echtgenoot prentah, om de
-duimschroeven een beetje aan te zetten, en dat deden zij.
-
-„Vraag het je man,” zei de een.
-
-„Wel ja, waarom niet? Hij is immers zoo rijk!”
-
-Maar Minah schudde het hoofd, de tranen in de oogen.
-
-„Durf je niet?”
-
-„Waarom zou ik niet durven? Ik ben nu niet meer bang voor hem. Ik haat
-hem. Ik zou hem dood kunnen maken. Zoo’n man vraag ik niet om geld.”
-
-„Het is ook wat!”
-
-„Ik wil niet; nog liever steel ik het.”
-
-„Van hem?” vroeg een der vrouwen lachend. „Dan vroeg ik het hem toch
-nog liever.”
-
-„Leen het van je aanbidder,” schertste de andere.
-
-Daar werden zij ineens alle drie erg stil door; het was eigenlijk het
-denkbeeld, dat in haar hoofden voortdurend present was geweest; de
-vrouwen moesten haar in die richting drijven, en Minah had er ook al
-aan gedacht.
-
-Als zij eens naar hem toeging? Zij wist, wat hij haar vragen zou, en
-eigenlijk verlangde zij niets liever. Alleen de schaamte en de vrees
-hielden haar terug.
-
-„Het kwam maar zoo in mij op,” ging de andere voort, „maar het is toch
-nog het eenige, als je het Aboe Bakar....”
-
-„Neen, ik wil niet,” riep Minah boos.
-
-„Dan is er ook niets aan te doen. Als je het aan je man niet vragen
-wilt, wie anders zal het je dan geven, wanneer je het vraagt, dan
-die... neef van ons.”
-
-Zij had zoo gauw niet geweten, welken graad van bloedverwantschap moest
-worden genomen.
-
-Minah bloosde zwart op.
-
-„Ik ben verlegen.”
-
-„Och ja, dat kan ik begrijpen; ik heb dat ook onderv.....”
-
-Midden in het woord hield de vrouw op, zelf verlegen thans, dat zij
-zich zoo iets liet ontvallen.
-
-„Heb je?” vroeg Minah verwonderd.
-
-Ze keken elkaar een oogenblik aan en lachten luid; toen gingen ze weer
-voort in zacht gepraat; zij zouden eerst erover spreken; als Minah dan
-des anderen daags ging, wist hij er alles van en zij was zeker het geld
-te krijgen; de creditricen zouden dan welwillend nog een etmaal
-wachten.
-
-Het zware pak was daarmee weggenomen van Minah’s hart; de slotsom was,
-dat ze weer met haar drieën over het achtererf verdwenen en ergens in
-een dobbelhuis in de kampong hun partijtje gingen maken, dat Minah nog
-dieper in de schuld deed komen dan ze al zat; maar ze was er blij om;
-zij had nu niet willen winnen, nu ze haar zoo bereidwillig gingen
-helpen om... twee vliegen te slaan in één klap.
-
-Toen ze weer thuis waren, hadden ze er pleizier over. Welk een dom
-garnalenhoofd! Die... neef was zoo arm als een kerkrot! Maar de oude
-had gezegd, dat het zóó moest gaan, en het grappig spelletje brak de
-eentonigheid van haar leven!
-
-
-
-Op de blokken in de wachthuisjes sloeg het elf uur, toen zachtkens en
-gedruischloos de penghoeloe met vier van zijn trawanten in het huis van
-Aboe Bakar slopen.
-
-Het wachten had hem niet lang gevallen; hij had al maar gebeden om
-bevrijd te worden van het loodzwaar gewicht, dat hem als het ware op de
-borst drukte; hij ontving hen deftig, bedaard, vriendelijk, en om
-direct door den zuren appel heen te bijten, ontsloot hij maar dadelijk
-zijn geldkist met de drie sleutels. De bankbiljetten en het geld werden
-eruit gehaald; alles moest, zei de penghoeloe, zorgvuldig nageteld en
-opgeteekend worden; niet omdat men Aboe Bakar mistrouwde,—volstrekt
-niet; maar die wist ook wel, dat het zoo hoorde bij een goede
-administratie, en dat men nauwkeurig wezen moest om verantwoord te zijn
-tegenover zichzelven. Aboe Bakar toonde zijn vertrouwen te stellen op
-God, en daar deed hij goed aan, als braaf geloovige; maar er was een
-wet in het land en een penghoeloe stond voor het gouvernement
-daaronder.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
-
-DAILAH ONTDEKT HET GEVAAR.
-
-
-Terwijl in haar kamer Minah in diepen slaap lag, vermoeid van de
-inspanning van het spel, dat haast den heelen dag had geduurd,—lag
-Dailah wakker; zij kon niet slapen; zij had zoo weinig lichaamsbeweging
-en zij sliep zoo lang elken namiddag! Daar hoorde zij het geschuifel
-van voeten over de mat in de gang, en verschrikt, denkend aan dieven,
-stond ze op van den bultzak en loerde, bevend van het hoofd tot de
-voeten, door het gordijn.
-
-Het was, dacht ze, toen ze het bekende gezicht van den penghoeloe zag,
-toch te erg, zóó te schrikken; gevaar vreesde zij nu niet langer, maar
-niettemin stemde dat bezoek van al die priesters haar hoogst
-onaangenaam. Waar bemoeide Aboe zich toch mee? Zij had voor dien
-penghoeloe en zijn trawanten zoo’n respect niet; zij was uit een
-Mohammedaansche familie geboren, en had al in haar jeugd veel gehoord
-van die soort menschen, zoodat de reuk van heiligheid er al lang af
-was. Ze kwamen vroeger vaak in haar eigen vaders huis, toen ze nog een
-jong meisje was, en dan zag zij wel aan hun oogen, wat ze bedoelden! Nu
-haatte zij dien geitensik! Wat deed hij Aboe van haar weg te halen en
-te vervreemden? Waarom liet hij hem niet met rust, maar stelde hij zich
-tusschen Aboe en haar?
-
-Van het natuurlijke der neiging van Aboe Bakar begreep zij niets; zij
-had nooit iets geleerd, dan wat op sexueel verkeer, inlandsche kleeding
-en snoeperij betrekking had. Wat wist zij van den aanleg tot fanatisme
-eens renegaats, die nog diepen eerbied koestert voor wat, bij de
-geloovigen van huis uit, geen grooter waarde heeft behouden, dan die
-eener formaliteit?
-
-Zij voelde alleen van dien kant het gevaar komen; het gevaar dat haar
-laki voor haar verloren zou gaan.
-
-Het gerammel van het goud deed haar verbaasd stilstaan, toen ze reeds
-weer naar haar bed wou gaan. Wat was dat? Ging hij die kerels nu geld
-leenen? Pindjem oewang,—daar dacht ze aan; het idée: geld geven kwam
-zelfs niet bij haar op.
-
-Zij keerde terug. Het was brutaal en ongepast voor een vrouw, dàt wist
-ze; ze wist ook, dat Aboe Bakar, zoo hij haar snapte, woedend zou zijn,
-en haar misschien slaan zou, al had hij dat tot nog toe enkel Minah
-gedaan nu en dan.
-
-De nieuwsgierigheid was te groot. Zacht sloop ze door de gang naar
-achter; zij zag de geldkist met de drie sloten wijd open staan; zij zag
-de tafel vol bankbiljetten en goud; zij zag de priesters er als het
-ware in grabbelen met welbehagen en alles tellen, terwijl Aboe Bakar
-erbij stond, onverschillig; als ging de zaak hem in ’t geheel niet
-aan.... Zij ontstelde er zóó van, dat haar handen ijskoud werden.
-
-Was Aboe Bakar gek geworden? Wie liet nu vreemden dus den baas spelen
-over zijn schatten?
-
-Maar hij stond er zoo ernstig en kalm bij.... het was onmogelijk.
-
-Toch had ze wel naar binnen willen vliegen, en hem bidden, die kerels
-weg te jagen en zijn goddelijke geld weer weg te sluiten in de kist met
-drie sloten; ze had het hem toe willen schreeuwen en dan hard wegloopen
-naar haar kamer.
-
-Dailah durfde het niet; zij stond als verlamd met loodzware beenen, al
-maar turend naar de bankbiljetten en het goud uit de kist op de tafel,
-van de tafel in de kist.
-
-Toen daarin weer alles verdwenen was, ging ze rillend of ze koorts had,
-terug naar haar kamer, en wachtte angstig, met een voorgevoel van
-tjelaka; ze hoorde gestommel, zwaar geschuif, gestamp van voeten, die
-meer moeten dragen dan het gewone lijf erboven, en die hard neerkomen
-op den vloer; ze zag, loerend achter haar gordijn, de priesters
-aansjouwen met de zware kist, Aboe Bakar zelf meehelpend, allen
-zuchtend onder de zware vracht voor menschen die nooit werkten. Zij
-spraken geen woord. Dailah hoorde een oogenblik later karwielen krakend
-rijden over het weinige grint op den weg; daarna hoorde zij enkel nu en
-dan het Allah en Allahoe akbaroe overluid uitspreken in de voorgalerij;
-het was Aboe Bakar die bad.
-
-In diepe verslagenheid ging ze zitten op den rand der baleh-baleh, de
-armen machteloos slap langs het lijf, starend in het weinige schijnsel
-van het lampje in de gang, door de gordijnkieren vallend in ’t vertrek;
-trachtend haar zwakke gedachten te verzamelen om te begrijpen, wat er
-dan toch eigenlijk was gebeurd; tot ze het niet langer kon uithouden en
-losbrak in luidruchtig geschrei.
-
-„Wat is er, Dah?” hoorde zij Aboe Bakars zware basstem buiten, in de
-gang.
-
-Zij gaf geen antwoord.
-
-„Ben je ziek?” vroeg hij binnentredend nu, en in het duister tastend,
-de hand strijkend over haar overvloed van loshangend haar.
-
-„Ik ben niet ziek, er is tjelaka, dat is het. Ze hebben je bestolen.”
-
-Aboe Bakar trok zijn hand terug.
-
-„Er is niemand die mij bestolen heeft. Het is alles goed, zooals het
-is. Vrouwen hebben daar geen verstand van.”
-
-Maar zij hield vol.
-
-„Zij hebben je bestolen.”
-
-„Ook past het een vrouw niet haar man te bespieden.”
-
-„Kan ik het helpen; ik sliep niet; ik hoorde die lieden....”
-
-„Spreek over hen met eerbied!” zei Aboe Bakar boos.
-
-„Ik wil niet,” riep zij nu op haar beurt woedend en brutaal, met den
-voet stampend op den grond, „ik wil niet. Zij hebben het geld van mijn
-oom ook weggehaald en niet teruggegeven aan zijn kinderen toen hij dood
-was; het zijn dieven, zeg ik.”
-
-Hij liep de kamer uit, bleek van schrik; eerst had hij in de duisternis
-al de zware hand opgeheven om haar te slaan, maar op dat zeggen van
-dien oom, ontstelde hij zoo, dat hij vluchtte, naar buiten.
-
-Toen hij haar niet meer hoorde schreien, ging hij terug in de kamer;
-zij snikte nog bij tusschenpoozen, het hoofd op haar bantal. „Net ’n
-kind,” dacht-ie, en een groote teergevoeligheid kwam over hem; hij nam
-haar hand, die afhing van het bed.
-
-„Ik wilde je nog wat vragen, Dah.”
-
-En toen zij geen antwoord gaf:
-
-„Je hebt daareven iets heel leelijks gezegd, maar erbij gevoegd, dat
-een oom van je ook zijn geld had gestort in de priesterkas. Wat is
-daarvan?”
-
-„Vader sprak er dikwijls over.”
-
-„Zoo; en wat zei hij dan?”
-
-„Dat hij het zeker wist; het geld was door dat volk....”
-
-„Dailah!”
-
-„Door... de penghoeloes in bewaring genomen; toen oom stierf, beweerden
-zij het nooit te hebben ontvangen.”
-
-„Kan je oom het niet vóór zijn dood hebben opgevraagd en uitgegeven?”
-
-In zijn ijver om de priesters te verontschuldigen, speelde zijn geringe
-intelligentie hem een poets.
-
-„Loh!” riep Dailah zich oprichtend. „En zij beweerden, dat zij nooit
-iets van hem ontvangen hadden!”
-
-Hij kreeg het land, dat hij er dus was ingeloopen.
-
-„In elk geval,” zei hij, „kon je vader zich vergist hebben. Maar al had
-hij het bij ’t rechte eind, Dah, wat geldt dit voor de vrome mannen
-hier? Ieder mensch, zegt de koran, zal slechts voor zijn eigen
-handelingen beloond of gestraft worden en het oordeel behoort aan God;
-ook is een geloovig mensch verplicht alle zaken te beoordeelen naar
-haar innerlijke hoedanigheden. Wat weet je daarvan? Is het goed iets af
-te keuren, omdat het vroeger en elders en met andere menschen misschien
-wel eens verkeerd is geloopen?”
-
-Een droevige trek kwam over het mooie gezichtje der jonge vrouw,
-terwijl zij hem daar hoorde met z’n zachte, goedigvolle stem, fraaie
-theorieën uit den koran opdisschend met hoogen ernst. „Net ’n kind,”
-dacht ze, medelijdend.
-
-Den volgenden ochtend was Minah al vóór het dag werd op de been; zij
-zag wel ’n beetje op tegen dat bezoek, en toen ze naar haar vriendinnen
-ging, was het met looden schreden.
-
-Maar alles was reeds klaar.
-
-Het geld, dat zij schuldig was, had de penghoeloe al genomen uit de
-kist van Aboe Bakar; door de handen der vrouwen was het gegaan naar het
-huis van den mooien Javaanschen „neef,” die het leenen zou aan Minah,
-die het als speelschuld zou betalen aan de vrouwen van den penghoeloe,
-die het weer ter hand zouden stellen aan haar vromen echtgenoot, die
-het terug zou deponeeren in de kist van Aboe Bakar!
-
-Zóó bleef alles intact, behalve Minah, die heel goed begreep, wat het
-haar kosten zou, als ze het geld in leen kreeg, en die niets liever
-deed, dan op die manier de onkosten betalen.
-
-Toen ze aan het huis van den penghoeloe kwam, zei ze verlegen:
-
-„Ik durf niet, ik ben niet brani.”
-
-Maar de anderen werden onvriendelijk.
-
-„Dan moet je maar brani zijn,” was het antwoord kortaf. „Wij moeten
-vandaag ons geld hebben. Wij hebben het noodig, en het was vooruit
-afgesproken.”
-
-Zooals zij er tegen had opgezien, zoo viel het haar mee; opgetogen kwam
-zij terug bij haar vriendinnen, die de grootste moeite hadden om zich
-ernstig te houden; alles wat gebeurd was, kon men haar zóó erg aanzien,
-dat de penghoeloe-vrouwen eigenlijk het land erover kregen; ’t was
-terlaloe op die manier! Dáárom, toen ze het geld terug hadden, spraken
-ze maar over het geval heen, en namen haar mee naar het speelhuis, waar
-Minah won tot groote woede harer partners.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
-
-„ZE HEBBEN HEM VERMOORD.”
-
-
-In het niet te druk kampongleventje fleurde Bram ’n beetje op.
-
-Ondanks de soesah met zieke paarden en luie koetsiers ging zijn
-verhuurderij tamelijk goed; nu en dan gaf hem zijn spionnenbaantje wat
-eigenaardig werk, dat hij met groote verliefde voorliefde deed.
-Overigens zat hij maar liefst in nachtbroek en kabaai ’n strootje te
-rooken in een luierstoel, met heel veel praats over alles; zich daar
-soms bij opwindend, net als vroeger zijn vader, dat het scheen alsof
-hij dronken was, terwijl hij haast nooit sterken drank gebruikte.
-
-Toen een oppas van ’t postkantoor hem een maleischen brief bracht,
-zette hij eerst nog een drukken boom op met den man, daarbij mopperend
-over den postdienst, dien hij vond, dat veel te langzaam ging; maar
-nanti doeloe! hij, Bram Silver, zou daar wel een eind aan maken; hij
-zou wel dit en hij zou wel dat; en de Regeering moest zus en de
-Regeering moest zóó.
-
-Eindelijk liet hij den armen oppas, die nog meer brieven te bezorgen
-had, los en scheurde de enveloppe open.
-
-Het was of hij een beroerte kreeg.
-
-Achter zijn bril met gouden rand—een gedachtenis aan den ouden
-John—puilden de oogen hem haast uit het hoofd; zijn gezicht werd als
-het ware achter het geel der huidskleur, doodsbleek; met de bevende
-magere hand greep hij om zich staande te houden de zwakke ronde tafel,
-die met hem mee waggelde; zóó stond hij ’n oogenblik te kijken als
-krankzinnig; versuft, verslagen, niet in staat te denken. Dan ging hij
-zitten op den luierstoel en las nog eens en nog eens den niet
-onderteekenden maleischen brief, tot hij eindelijk opstond en trillend
-van ’t hoofd tot de voeten, naar achter liep, naar njai Peraq, de
-blinde moeder, die met den dag dikker van lichaam en minder helder van
-hoofd wordende, op den grond zat.
-
-Met zijn knokkelvingers greep hij haar in de vleeschmassa van den
-schouder.
-
-„Mâ, mâ, hoor-je me?”
-
-„Saya Bram; ada apa?” zei ze onverschillig.
-
-„Mâ, ze hebben Adam vermoord, mâ! Hij is dood, hij is dood!”
-
-Zij deed alsof ze naar hem keek.
-
-„Wie is er dood?”
-
-„Adam, onze Adam,” zei Bram erg ontroerd, haast snikkende.
-
-Maar njai Peraq schudde het grijze hoofd.
-
-„Ik weet van geen Adam; die is al lang dood. Er was een kind van mijn
-hart, dat een groote saïd is geworden. Aboe Bakar...”
-
-„Ze hebben hem vermoord,” schreeuwde Bram, en toen, met al het
-theatraal vertoon van wijlen den ouden John, liep hij woedend het
-galerijtje op en neer, de vuisten gebald omhoog stekend, zwerend, dat
-hij zijn broer zou wreken; dat hij de moordenaars verpletteren zou; dat
-hij hen ten eeuwigen dage zou vervolgen; dat hel en duivel hem niet
-beletten konden, bloedige wraak te nemen, en andere groote woorden
-meer, terwijl njai Peraq onbeweeglijk op den grond zat, als starend met
-de blinde oogen op één punt, en al maar bij zichzelf herhalend: „Zij
-hebben mijn zoon Aboe Bakar vermoord.”
-
-Toen hij uitgeraasd had, nam Bram, altijd door zenuwachtig en
-opgewonden, zijn besluit. Hij zou erheen gaan en onderzoeken. Dàt wist
-hij als spion der politie; alles moest eerst onderzocht worden.
-
-Doch over dat ééne brak hij zich in den trein voortdurend en
-vruchteloos het hoofd; wie kon hem dien brief geschreven hebben?
-
-Hoe kon hij het ook weten? Wat wist hij van Aboe Bakar’s leven in den
-laatsten tijd?
-
-En er was niet veel bijzonders geweest aan dat leven. Aboe Bakar bad
-veel, studeerde ijverig in den koran, sprak nu en dan met Dailah, die
-zich gruwelijk verveelde, terwijl Minah elken dag ging dobbelen en de
-rest.
-
-Zóó ging het door, week in, week uit, tot Minah, bewerkt door haar
-relaties, vertrouwd was geraakt met het denkbeeld, dat Aboe Bakar, dien
-zij nu innig haatte, haar geluk in den weg stond en verdwijnen moest.
-
-’s Avonds had haar Javaansche minnaar het haar gebracht in een heel
-klein hoornen doosje; hij kwam achter aan de pagger, toen het donker
-was, en zij had het van hem aangenomen, en beloofd den inhoud ’s
-morgens te roeren door de koffie van haar man.
-
-Zonder te aarzelen had zij dat beloofd; zij stak het doosje tusschen
-den sarongband, onverschillig, zonder beven; zij ging naar haar kamer
-en naaide er een baadje af, waarvoor zij het goed pas had gekocht; dan
-blies ze de lamp uit en strekte zich geeuwend uit op haar bed; een
-oogenblik later sliep ze; ze droomde geen akelige droomen, en ’s
-morgens werd ze vroeg wakker, opgefrischt, heelemaal net als anders.
-Toen ze in een groote wijde kom de gekookte ongefiltreerde koffie met
-suiker zonder melk had ingeschonken, keek ze even rond. Ja, aan den
-ingang van het keukentje zat een kind van een bediende, de ongekamde
-haren over het gezicht, slaperig en soezerig.
-
-Zij gaf het een gobang en stuurde het naar de warong om wat rijst te
-koopen.
-
-Nu was er betoel niemand meer.
-
-Voorzichtig strooide zij het poeder in de koffie, nam een lepeltje van
-arènhout en roerde het goed door.
-
-Zij bracht als elken ochtend Aboe Bakar zijn koffie, terwijl hij de
-tsoeboe bad.
-
-Hij was juist gereed en stak dadelijk de hand uit, begeerig naar den
-gewonen morgendrank.
-
-Geen woord werd tusschen hen gewisseld; dàt was al sedert lang niet het
-geval. Hij zou haar niet wegzenden, zoolang hij zich niet over haar te
-beklagen had; dat was alles, wat hij nog voor haar gevoelde.
-
-’s Middags greep het hem aan, plotseling, met groote benauwdheid. Hij
-was altijd zóó kerngezond en zóó sterk. Wat was dat nu? Hoe kwam hij
-aan dat gevoel van pijn en overvol-zijn in de maag en op de borst? Hij
-zou, zooals de koran het voorschrijft, God aanroepen, en, zich bukkende
-voor de houding van het gebed, ontvlood een volle, warme, haastige
-stroom zijn mond; een oogenblik had hij gedacht aan onpasselijkheid,
-maar helrood kleurden zich zijn baard en kleeren, de mat, de heele
-omgeving....
-
-Een groote vrees bekroop hem; hij kon niet roepen, niet denken, niets,
-en ineenzakkend, steunend tegen den wand, met een inwendig gevoel van
-hevigen brand, sloot hij de oogen.
-
-Had een voorbijgaand inlander hem niet gezien, hij had daar een groot
-deel van den dag kunnen liggen.
-
-Dailah, ontsteld en hulpeloos, buiten, zonder buren, liet volk halen
-uit de naaste kampong; men droeg Aboe Bakar in bed, en waschte hem; een
-dokter-djawa kwam, die in ’t geheel niets van het geval scheen te
-begrijpen; de penghoeloe las onbewogen met zachte stem soerah XXXVI.
-Minah had de mat uitgewasschen en liet den vloer dweilen in de
-voorgalerij; ’t leek wel, vond ze, of er een karbouw was geslacht!
-
-Het was geen halve maatregel geweest.
-
-Dailah schrikte toen ze Aboe Bakar zag den volgenden ochtend, zoo bleek
-en ingezonken was hij. Ze verzorgde hem, zoo goed haar eigen
-onbeholpenheid het toeliet, altijd onder den verschrikkelijken indruk
-van den bloedstroom, dien ze gezien had, en bang haast van het
-doodsbleek gezicht, dat tusschen den zwarten baard uitkwam, en de doffe
-diepliggende oogen.
-
-Het duurde eenige dagen, vóór Aboe Bakar weer op de been was, maar het
-had hem vreeselijk aangepakt; zwak, mager, bleek lag hij in een
-luierstoel in de voorgalerij, de oogen dicht, de rozenkrans langzaam
-glijdend door de vingers; hij had van den penghoeloe verlof zóó te
-bidden en niet in de voorgeschreven houding.
-
-Minah was er verwonderd over; zij had eigenlijk gedacht, dat hij
-dadelijk dood zou wezen; toen zij na de bloedspuwing de voorgalerij had
-schoongemaakt, was het, dacht ze, of alles nu eigenlijk heelemaal
-voorbij was. Nu werd hij beter. Nog een week of wat misschien, en het
-zou zijn, of er niets was gebeurd. Zij sprak er haar minnaar over, maar
-die hield zich tegen haar of hij bezwaren had; het was altijd
-gevaarlijk; daarbij was ’t vergif moeilijk te krijgen en zoo meer.
-
-Het maakte Minah driftig; zij had zulk een a niet gezegd om er de b
-niet aan toe te voegen; zij drong er opaan, en eindelijk, een week
-later, kreeg zij het.
-
-Zij was er blij mee; dat moest een voldoende portie wezen, had men haar
-gezegd, en het verheugde haar. Alles had zij liever, dan het voortduren
-van dien toestand en het aanhooren van de kasianpraatjes van Dailah,
-die meer dan ooit van Aboe Bakar hield en minder dan ooit geneigd was
-met Minah uitstapjes te maken.
-
-Koffie mocht de patiënt niet drinken; hij mocht slechts koud water
-hebben en wat zacht gekookte rijst; het witte poeder zou het water
-troebel maken, maar in de boeboer merkte het niemand. En met dezelfde
-kalmte als vroeger roerde zij het er door.
-
-Dien avond, toen zich de aanval, nog heviger dan den eersten keer, had
-herhaald, was Aboe Bakar zoo goed als stervende. Stil, onbeweeglijk lag
-hij op het bed, ’t hoofd terug, schuin tegen het kussen.
-
-Van het leven voelde hij nog enkel de schroeiende pijn in zijn maag en
-ingewanden. En zijn gedachten leefden. Maar die waren ver weg; zij
-waren in Nederland, bij de vrienden zijner jeugd, bij de Verlande’s en
-de Tiele’s; zij vervolgden naar den eersten tijd in Indië, waar zijn
-leven zoo onverwacht was gesplitst; en de kleinste bijzonderheden van
-dien tijd, waaraan hij nooit weer had gedacht, kwamen er nu bij: de
-strijd met zichzelven, de aandrang zijner moeder, de tegenstand van
-Bram.... „Vroeg of laat zal je hun dupe worden!”
-
-Hoe kwam het, dat hem ineens die woorden nu voor den geest stonden?
-
-Zóó werkte het voort in zijn hoofd, langzaam, maar ordelijk, als een
-uurwerk, dat geregeld afloopt.
-
-Was hij hun dupe?
-
-Aboe Bakar sloeg een blik op naar Dailah, die bij het bed zat, de oogen
-rood van ’t schreien, macht- en willoos, zonder hoop. Met een korte
-handbeweging beduidde hij haar dichtbij te komen, tot haar oor vlak bij
-zijn mond was; hij wist wel van den dokter-djawa, dat hij in ’t geheel
-niet spreken mocht, maar nu wilde en kon hij ’t niet laten.
-
-„Zou ik iets hebben ingekregen, Dah?”
-
-„Zwijg in Godsnaam!” zei ze. „Ik geloof het Aboe. Maar spreek nu niet.
-Van nu af zal je niets gebruiken, dat ik niet zelf heb klaargemaakt.”
-
-Hij glimlachte en sloot weer de oogen. Wat zou zij klaarmaken! Zij kon
-het immers niet; zij had het nooit gedaan, nergens geleerd!
-
-En dan, het zou wel te laat zijn; hij zou wel sterven. Daar was hij nu
-niet meer bang voor. God doet immers sterven en herleven! Wie Hem
-liefheeft moet zich verheugen in den dood, in het uur, dat God zijn
-ziel ontvangt om bij hem te worden verzameld. Zóó ging het rustig voort
-in zijn hoofd: de beelden uit de werkelijkheid oprijzend in zijn
-gedachten, bleven wortelen in het Europeesch deel van zijn leven; de
-abstracte begrippen waren die uit den koran.
-
-Langzaam kropen de uren voort; Minah had gevraagd, welstaanshalve, of
-ze Dailah niet eens zou aflossen bij het oppassen van den zieke; maar
-ze was erg blij, dat de jonge vrouw het weigerde.
-
-Niet om haar geweten—dáár wist ze niet van,—ze vond het enkel
-vervelend.
-
-Reeds kraaiden de hanen in de dessas der vallei hooguit den opkomenden
-dag tegemoet, toen Aboe Bakar ontwaakte uit een langen slaap van eenige
-uren, die hem niet had verkwikt.
-
-Integendeel, hij voelde het weer aankomen, en het angstzweet brak uit
-op zijn voorhoofd, met koude droppels afloopend langs zijn zware
-wenkbrauwen.
-
-Den mond gesloten, benauwd en kort ademend door den neus, keek hij naar
-Dailah, die op haar stoel was ingedut van vermoeienis.
-
-Met een hevigen schok richtte zijn lichaam zich ineens op; Dailah
-schrikte wakker en sloeg haar arm om hem heen tot steun.
-
-Dáár was het weer, schoon slechts weinig in hoeveelheid.
-
-Maar het lichaam, terugvallend achterover in het kussen, rekte zich;
-het doffe licht uit de groote zwarte oogen verdween; de trekken spanden
-scherp.
-
-Een harde gil klonk door het huis; Dailah zag hem sterven; haar hoofd
-viel naast dat van Aboe Bakar op het kussen neer, en haar weeklagen
-vulde het huis.
-
-Minah was er ook wakker van geworden. Zij hoorde Dailah schreien en
-luid praten; zij verstond de woorden, en een doodschrik drong door haar
-hersens, afrillend langs de ruggegraat; zij had het woord memboenoeh
-gehoord!
-
-Snel trok zij een ander baadje aan, en liep de achterdeur uit, den weg
-op.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
-
-BESLUIT.
-
-
-De penghoeloe, door Minah’s tusschenkomst gewaarschuwd, kwam in den
-loop van den ochtend met zijn volgelingen; hij was kort en bevelend,
-alsof hij de baas was in het huis; niemand durfde zich tegen iets
-verzetten.
-
-Dailah, nu half suf van emotie, minder dan iemand anders: allen
-eigenlijk blij, dat er één was, die de soesah op zich nam.
-
-Maar toen de begrafenis plaats had en zij met de bedienden alleen in
-het huis bleef, liet zij een ouden klerk roepen, die vroeger wel eens
-daar aan huis was geweest, en die schreef voor haar den brief aan Bram.
-
-En toen hij kwam en met haar had gesproken, hij hoogst zenuwachtig, zij
-erg bedroefd, maar kalm en gelaten,—toen ging hij naar voren, zitten op
-den stoel waarop Aboe Bakar zoo dikwijls had gezeten; zijn ongeregelde
-verbeelding en overprikkeld zenuwgestel, deden hem de meest
-gecompliceerde en gruwelijkste wraakplannen vormen; hij zou, en hij
-zou; hij kon er niet stil van blijven zitten; hij stond op, liep heen
-en weer en bewoog handen en armen, alsof hij kneep, worgde,
-verscheurde. O, die smeerlap, dacht hij, als die nu eens hier was! Maar
-de penghoeloe, dien hij bedoelde, kwam niet; liet in ’t geheel niets
-van zich hooren.
-
-Bram schreef hem en verzocht dadelijke afrekening van het geld, dat
-wijlen zijn broeder Aboe Bakar gestort had in de penghoeloekas; er
-volgde niet eens antwoord.
-
-Ten slotte kwamen al de gewelddadigheden, die Bram zich voorgenomen had
-te bedrijven tegen de dieven en moordenaars, hierop neer, dat hij
-eindigde met wat hij had moeten beginnen: hij ging naar het Europeesch
-bestuur en diende een aanklacht in.
-
-Hij was zeer bespraakt; hij kwam niet uit eigenbelang; wijlen de saïd
-was zijn bloedeigen broer geweest, verklaarde hij, en het was niet om
-iets van diens nalatenschap, dat hij zich het schandelijk misdrijf
-aantrok. Hij wilde het geld, Aboe Bakar’s eigen geld, terug, voor diens
-zoon, die—dat vergat hij erbij te voegen—tot een nietsdoener en een
-leeglooper was opgegroeid, met groote kans een vagebond te worden.
-
-Voor het familiezwak van den Europeeschen oom voelden de ambtenaren
-iets, schoon zij zich bij voorkeur niet inlieten met zulke „vuile
-inlandsche perkara’s.”
-
-Zij zouden „een onderzoek instellen.”
-
-Terug in ’t huis vond Bram zijn oudste schoonzuster Minah; zij pakte
-haar barang; met veel drukte was zij bezig haar sarongs en baadjes,
-heele stapels, haar menigte doosjes en doekjes in trommels te bergen en
-in kains te knoopen.
-
-„Laat dat nu maar wachten,” zei Bram gebiedend. „Luister naar mij.”
-
-Minah stond op het punt een brutaal antwoord te geven; maar zij zag aan
-Bram, dat hij heel nijdig was; daarom ging zij stil op een bankje
-zitten, de handen op de knieën.
-
-„Waar is het geld van A. gebleven?”
-
-Zij haalde de schouders op.
-
-„Hoe kan ik het weten; hij zei nooit iets tegen mij.”
-
-„Daar stond zijn geldkist, daar in dien hoek, dat wist je toch.”
-
-„Ik? Wist ik dat? Ik weet niet wat een geldkist anders is dan een
-gewone kist....”
-
-„Dailah zegt....”
-
-„Wel ja,” viel zij boosaardig uit, „daar heb je ’t al! Vraag het
-Dailah, die zal het wel weten. Ik niet; ik was maar zoowat de
-dienstmeid hier, en ik weet van geen kist, ik heb mij niet bemoeid met
-zijn barang, waarom zou ik me ermee bemoeid hebben?”
-
-„Om uw zoon.”
-
-„Om mijn zoon? Wat heeft hij zich ingelaten met zijn kind? Even weinig
-als met mij. De eenige met wie hij sprak was Dah; voor de rest zat hij
-ginds in het bidhuisje en in de missigit, altijd maar in het boek te
-lezen en te bidden.”
-
-Dat was Bram bekend, en toen nu Minah, die zich over zichzelve had
-verteederd, haar geheime angst tot zenuwachtigheid meewerkend, aanving
-zacht in haar slendang te schreien, kreeg Bram kasian, en daarmee
-verdween zijn boos vermoeden, dat Minah aan de misdaad medeplichtig
-was.
-
-„Wat ga je doen?” vroeg hij.
-
-„Ik weet het niet. Vooreerst ga ik bij een vrouw in de kampong wonen,
-tot hier den boel geregeld is.”
-
-„En dan?”
-
-„Ik weet het niet. Misschien zoek ik werk als baboe bij blandas.”
-
-Een oogenblik dacht Bram na. Het ging niet aan, haar terug te zenden
-naar het land, waar ze vandaan kwam; zelf haar in huis te
-nemen,—daarvan kon niets komen. Dailah zou weer teruggaan in haars
-vaders huis.
-
-„Goed,” zei hij, „je moet natuurlijk doen, wat je wilt. Ik zal je zoon
-meenemen. Wat het mijne is, kan ook het zijne wezen.”
-
-Voor haar was dat een ware uitkomst; zij was van den lastigen jongen
-kerel af; van een moederschap dat haar oud maakte, zoo goed als
-ontslagen, in een tijd dat haar belang vorderde jong te schijnen.
-
-„Gij zijt zijn oudste oom,” zei ze op een toon van berusting.
-
-En alles was naar beider begrip daarmee gezegd.
-
-Het onderzoek naar den dood, dat zelfs een gerechtelijk werd, leidde
-tot geen uitkomst; ’t was koerang terang.
-
-Toen de tweede maan scheen op het graf van Aboe Bakar, het stille
-plekje in het binnenland, waar een groep kambodja’s de doordringende
-geuren harer witte bloemen over de sawahvlakte verspreidden,—toen reed
-zijn eenige zoon te Batavia langs den Molenvliet als koetsier op een
-huurdos-à-dos van oom Bram.
-
-Oom Bram had veel last met hem; hij durfde ’s avonds niet naar bed gaan
-vóór zijn neef weer goed en wel thuis was, zoo vreesde hij altijd, dat
-er ’t een of ander met den bedorven jongen zou gebeuren.
-
-Als die eindelijk, laat in den nacht soms, de dos-à-dos het erf opreed,
-en Bram dan niet half zooveel huur kreeg als hij berekenen kon, dat
-verdiend was, keek hij door den gouden bril zijns vaders weleens
-beurtelings naar het onbeschaamde jonge gezicht voor hem en naar het
-oude van njai Peraq, die op haar baleh-baleh rustig sliep.
-
-En dan vond hij, dat, als iemand weinig uit een schipbreuk was
-overgebleven, het dan hem, Bram Silver, was.—
-
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ABOE BAKAR ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/67307-0.zip b/old/67307-0.zip
deleted file mode 100644
index 79d5be8..0000000
--- a/old/67307-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h.zip b/old/67307-h.zip
deleted file mode 100644
index fa054f6..0000000
--- a/old/67307-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/67307-h.htm b/old/67307-h/67307-h.htm
deleted file mode 100644
index 1e4dd4d..0000000
--- a/old/67307-h/67307-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,8847 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2022-02-03T15:34:40Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Aboe Bakar: Indische Roman</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Paulus Adrianus Daum (1850–1898)">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Paulus Adrianus Daum (1850–1898)">
-<meta name="DC.Title" content="Aboe Bakar: Indische Roman">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-margin-left: -0.1em;
-margin-top: 0.9em;
-min-width: 1.0em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-.apparatusnote:target, .fndiv:target {
-background-color: #eaf3ff;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.splitListTable td {
-vertical-align: top;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 8.4pt;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-letter-spacing: normal;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
-#blue {
-color: blue;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:480px;
-}
-.xd31e101 {
-text-align:center; font-size:large;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:431px;
-}
-.xd31e130 {
-text-align:center; font-size:small;
-}
-.xd31e139 {
-font-size:small;
-}
-.o009width {
-width:92px;
-}
-.o019width {
-width:65px;
-}
-.o030width {
-width:131px;
-}
-.o038width {
-width:130px;
-}
-.o044width {
-width:129px;
-}
-.o051width {
-width:130px;
-}
-.o060width {
-width:131px;
-}
-.o069width {
-width:65px;
-}
-.o079width {
-width:130px;
-}
-.o102width {
-width:129px;
-}
-.o112width {
-width:65px;
-}
-.o121width {
-width:130px;
-}
-.indentxd31e2023 {
-padding-left: 2em;
-}
-.o131width {
-width:130px;
-}
-.o142width {
-width:131px;
-}
-.o151width {
-width:55px;
-}
-.o163width {
-width:129px;
-}
-.o173width {
-width:130px;
-}
-.o181width {
-width:65px;
-}
-.o191width {
-width:92px;
-}
-.o209width {
-width:66px;
-}
-.xd31e3237 {
-text-align:center;
-}
-.o2\.019width {
-width:129px;
-}
-.o2\.027width {
-width:131px;
-}
-.o2\.035width {
-width:130px;
-}
-.o2\.043width {
-width:92px;
-}
-.o2\.052width {
-width:55px;
-}
-.o2\.062width {
-width:93px;
-}
-.o2\.072width {
-width:131px;
-}
-.o2\.081width {
-width:55px;
-}
-.o2\.090width {
-width:129px;
-}
-.o2\.097width {
-width:92px;
-}
-.o2\.106width {
-width:55px;
-}
-.o2\.114width {
-width:130px;
-}
-.o2\.123width {
-width:92px;
-}
-.o2\.130width {
-width:93px;
-}
-.o2\.136width {
-width:93px;
-}
-.o2\.146width {
-width:93px;
-}
-.o2\.155width {
-width:55px;
-}
-.o2\.165width {
-width:55px;
-}
-.o2\.209width {
-width:92px;
-}
-@media handheld {
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-<div lang='en'>
-<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl'>Aboe Bakar</span>, by Paulus Adrianus Daum</p>
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl'>Aboe Bakar</span></p>
-<p style='display:block; margin-left:2em; text-indent:0; margin-top:0; margin-bottom:1em;'><span lang='nl'>Indische Roman</span></p>
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Paulus Adrianus Daum</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: February 3, 2022 [eBook #67307]</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p>
- <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</p>
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl'>ABOE BAKAR</span> ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e99">[<a href="#xd31e99">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd31e101">ABOE BAKAR
-<span class="pageNum" id="xd31e103">[<a href="#xd31e103">3</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="431" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">ABOE BAKAR</div>
-<div class="subTitle">INDISCHE ROMAN</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR<br>
-<span class="docAuthor">MAURITS</span></div>
-<div class="docImprint">BATAVIA<br>
-G. KOLFF &amp; Co.
-<br>
-’S-GRAVENHAGE<br>
-LOMAN &amp; FUNKE</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="xd31e128">[<a href="#xd31e128">4</a>]</span></p>
-<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd31e130">GEDRUKT BIJ H.&nbsp;C.&nbsp;A. THIEME, NIJMEGEN.
-<span class="pageNum" id="xd31e132">[<a href="#xd31e132">5</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">INHOUD.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">EERSTE DEEL
-</p>
-<table class="tocList">
-<tr>
-<td class="tocDivNum xd31e139">Hoofdstuk.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7">
-</td>
-<td class="tocPageNum xd31e139">Bladz.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">I.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch1" id="xd31e149">Kennismaking met een onaangenaam mensch</a> </td>
-<td class="tocPageNum">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">II.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2" id="xd31e158">Een jaloersch heer</a> </td>
-<td class="tocPageNum">10</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">III.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch3" id="xd31e167">Een treurig voorval</a> </td>
-<td class="tocPageNum">20</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch4" id="xd31e176">Niet zonder reden jaloersch</a> </td>
-<td class="tocPageNum">31</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">V.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch5" id="xd31e185">De in ongenade gevallen president</a> </td>
-<td class="tocPageNum">39</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch6" id="xd31e194">Het vierde kind</a> </td>
-<td class="tocPageNum">45</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch7" id="xd31e203">Adam wordt een knappe jongen</a> </td>
-<td class="tocPageNum">52</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch8" id="xd31e212">De knaap vertrekt naar Batavia</a> </td>
-<td class="tocPageNum">61</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch9" id="xd31e221">Laaghartige wraakzucht</a> </td>
-<td class="tocPageNum">70</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">X.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch10" id="xd31e230">Teleurgestelde verwachtingen</a> </td>
-<td class="tocPageNum">80</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch11" id="xd31e240">Onaangename brieven uit Holland</a> </td>
-<td class="tocPageNum">91</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch12" id="xd31e249">Een mislukt jongmensch</a> </td>
-<td class="tocPageNum">103</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch13" id="xd31e258">Een voorzichtige moeder</a> </td>
-<td class="tocPageNum">113</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch14" id="xd31e267">Een onaangename verrassing</a> </td>
-<td class="tocPageNum">122</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch15" id="xd31e276">Een declaratie in optima forma</a> <span class="pageNum" id="xd31e281">[<a href="#xd31e281">6</a>]</span></td>
-<td class="tocPageNum">132</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch16" id="xd31e286">Aan boord van een mailstoomer</a> </td>
-<td class="tocPageNum">143</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch17" id="xd31e295">In Indië terug, maar.… aan een sterfbed</a> </td>
-<td class="tocPageNum">152</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch18" id="xd31e304">Het gevonden portret</a> </td>
-<td class="tocPageNum">164</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch19" id="xd31e313">Een nieuwe vlam</a> </td>
-<td class="tocPageNum">174</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch20" id="xd31e322">Onterfd</a> </td>
-<td class="tocPageNum">182</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch21" id="xd31e331">Vergeefsche moeite</a> </td>
-<td class="tocPageNum">192</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch22" id="xd31e341">Adam is ontevreden</a> </td>
-<td class="tocPageNum">201</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch23" id="xd31e350">Moederliefde</a> </td>
-<td class="tocPageNum">210</td>
-</tr>
-</table><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e356">[<a href="#xd31e356">230</a>]</span>
-</p>
-<p>TWEEDE DEEL
-</p>
-<table class="tocList">
-<tr>
-<td class="tocDivNum xd31e139">Hoofdstuk.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7">
-</td>
-<td class="tocPageNum xd31e139">Bladz<span class="corr" id="xd31e367" title="Niet in bron">.</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">I.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.1" id="xd31e373">Vervlogen hoop en een nieuwe verbintenis</a> </td>
-<td class="tocPageNum">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">II.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.2" id="xd31e382">Ik wil niet gelijk gesteld worden</a> </td>
-<td class="tocPageNum">9</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">III.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.3" id="xd31e391">Het Europeesch vernis verdwijnt</a> </td>
-<td class="tocPageNum">20</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.4" id="xd31e400">Opnieuw verloofd en getrouwd</a> </td>
-<td class="tocPageNum">28</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">V.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.5" id="xd31e409">Onaangename ontmoeting en wroeging</a> </td>
-<td class="tocPageNum">36</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.6" id="xd31e418">Aboe Bakars teleurstelling</a> </td>
-<td class="tocPageNum">44</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.7" id="xd31e427">Een beschaafd Mohammedaan</a> </td>
-<td class="tocPageNum">53</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.8" id="xd31e436">Ongelukkige familieberichten</a> </td>
-<td class="tocPageNum">63</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.9" id="xd31e445">Schoonmoeder en schoondochter</a> </td>
-<td class="tocPageNum">73</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">X.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.10" id="xd31e454">Een trouweloos Mohammedaan</a> </td>
-<td class="tocPageNum">82</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.11" id="xd31e464">Hoe zal ik sterk zijn?</a> </td>
-<td class="tocPageNum">91</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.12" id="xd31e473">Zonderlinge ontmoeting</a> </td>
-<td class="tocPageNum">98</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.13" id="xd31e482">Aboe Bakar kiest zich een tweede vrouw</a> </td>
-<td class="tocPageNum">107</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.14" id="xd31e491">Geldelijke verwikkelingen</a> </td>
-<td class="tocPageNum">115</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.15" id="xd31e500">Men kan geen priester en koopman zijn</a> <span class="pageNum" id="xd31e505">[<a href="#xd31e505">231</a>]</span></td>
-<td class="tocPageNum">124</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.16" id="xd31e510">Een listig mensch</a> </td>
-<td class="tocPageNum">131</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.17" id="xd31e519">Wacht u voor zulke vrienden</a> </td>
-<td class="tocPageNum">137</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.18" id="xd31e528">Toenadering tusschen de vrouwen</a> </td>
-<td class="tocPageNum">147</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.19" id="xd31e537">Minah op een verboden weg</a> </td>
-<td class="tocPageNum">156</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.20" id="xd31e546">Aboe Bakars ondergang voorbereid</a> </td>
-<td class="tocPageNum">166</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.21" id="xd31e555">Een dubbel offer gebracht</a> </td>
-<td class="tocPageNum">174</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.22" id="xd31e565">Dailah ontdekt het gevaar</a> </td>
-<td class="tocPageNum">186</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.23" id="xd31e574">„Ze hebben hem vermoord.”</a> </td>
-<td class="tocPageNum">196</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2.24" id="xd31e583">Besluit</a> </td>
-<td class="tocPageNum">210</td>
-</tr>
-</table><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e589">[<a href="#xd31e589">7</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div class="div0 volume">
-<h2 class="main">EERSTE DEEL.</h2>
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e149">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top2.png" alt="EERSTE HOOFDSTUK." width="541" height="95"></div>
-<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Kennismaking met een onaangenaam mensch.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het parelgrijs van den jongen dag bij zwaar bedekte lucht, gaf het Indisch landschap
-een westersche tint. Er ontbrak iets aan: de groote, gloeiende vuurbol wierp er zijn
-heete gouden lichtbundels niet over; hulde niet alles in het zware oostersche geel,
-met omhoog het scherp-blauw gewelf, beneden de hevige luchttrillingen boven den bodem.
-Nu lag alles in een heiïgen toon als in Zondagsrust.
-</p>
-<p>Ver over de alluviale vlakte gingen de weidegronden, door leidingen gedeeld in breede
-strooken; bont en lakenveldsch vee in afwisselend grillig robe-dessin, <span class="pageNum" id="xd31e600">[<a href="#xd31e600">8</a>]</span>wierp grazend de koppen naar rechts en links, zoekend de fijne beetjes in den groenen
-voêrbodem; en had niet hier en daar een groepje palmen de kronen van groote bladerrissen
-hoog opgestoken boven de dunne gladde basten,—men had zich kunnen verbeelden een stukje
-Holland te zien.
-</p>
-<p>In de lekkere stille koelte kwam maar heel even de zeewind over, met kleine beweginkjes
-in de bladeren, een ideetje van fluisterend geluid door den grooten bloementuin; niet
-eens sterk genoeg om er de overstaande rozen te ontblaren.
-</p>
-<p>Behoedzaam liep John Silver tusschen de struiken door, op het gelaat den grooten ernst
-van heel gewone menschen bij geringe bezigheden; dat was zijn liefhebberij, zijn eenige;
-dit vroegere stuk weide had hij herschapen in zoo’n mooien grooten hof; de oppervlakkig
-waarneembare geschiedenis van elke plant kende hij; zijn lust in bloemkweeken had
-hem tot leeren aangespoord, en zijn dagelijksche zorg had hem het egoïstisch individueel
-<span class="pageNum" id="xd31e605">[<a href="#xd31e605">9</a>]</span>„verstand” ervan doen krijgen, niet vatbaar voor overdracht.
-</p>
-<p>Hij keek, toen hij klaar was, nog eens om, als voor een generale inspectie; van de
-houten trap zijner ruime paalwoning over de groote variëteit van kleurvlekjes, in
-het <i lang="fr">à jour</i> groen langs de paggers en in de perken. En zijn bruine kop knikte goedkeurend, de
-blauwige lippen wegtrekkend in een breeden tevreden glimlach, toonend twee rijen mooie
-sterke manstanden.
-</p>
-<p>Er was gedekt binnen met grof, groezelig tafelgoed, een gebarsten bord van aardewerk
-en tinnen tafelgerei. Een pisangblad, dichtgespeld met een <i lang="ms">lidi</i>, lag in het midden. John nam het, liet zich neer op een laag kinderstoeltje en at,
-’t geopend blad op de scherp opstekende beenknieën, de rijst eruit met de vingers,
-die stijf in de massa gingen en het dus uitgewigde langs in den mond werkten; zóó
-dejeuneerde hij lekker met een glas schoon water erbij; een strootje als <i lang="en">after-breakfast</i> sigaar.
-</p>
-<p>Dan slofte hij langzaam door een gangetje tusschen <span class="pageNum" id="xd31e622">[<a href="#xd31e622">10</a>]</span>de zijkamer naar voren, waar hij ver over ’t vlakke strand uitkeek in de groote Indische
-zee, die, door duizenden eilandjes gebroken, in korten golfslag aanbolde met bij oostersche
-langzaamheid onharmonische drift. John greep een kijker, die aan een touwtje hing
-boven de balustrade en loerde in de verte of hij ook een schip zag, gelijk hij wel
-twintigmaal op ’n dag deed, na het tuinonderhoud, zijn belangrijkste bezigheid. Er
-was niets te zien dien ochtend; inlandsch getuigd klein goed balanceerde gemoedelijk
-op het water, binnenvallend na slechte vischvangst door de wolkenlucht. Geen rookzuiltje
-van een stoomer, nergens het zeilentuig van een ranken klipper; zelfs geen schoenertje
-onder den wal; alles „flauwe kul” dien ochtend, dacht hij.
-</p>
-<p>Een span batakkertjes vloog voorbij; een hand met ’n zakdoek en een andere wuifden
-op onder het rijden, en Silver handzwaaide en boog met groot vertoon van vriendelijkheid
-terug. Maar toen ze uit ’t gezicht waren, schudde hij er het hoofd over. Zoo’n gekke
-vent! Was hij niet een <i lang="ms">njo</i>, net als hij zelf?
-<span class="pageNum" id="xd31e629">[<a href="#xd31e629">11</a>]</span></p>
-<p>De omstandigheden van dien Verlande waren heel erg gelijk aan de zijne! Allebei hadden
-ze fortuin, in huizen, in perken op de eilanden en in goede papieren; allebei konden
-ze het stellen buiten den arbeid, geld overhoudend bij hun geringe behoeften.
-</p>
-<p>Daar had nu die malle vent, die Verlande, een <i lang="fr">pur-sang</i> vrouwtje getrouwd en .… uit was het met zijn goede leven; nu moest hij gekleed en
-wel met haar toeren, met haar visites maken en de lieden recepieeren. En dan de <i lang="ms">soesah</i> in huis, met die Hollandsche wrijf- en poets-dames, die geen bedienden kunnen houden,
-zich dood ergeren aan vlekjes en stofjes, en altijd aan klimaat-ziektetjes sukkelen.
-Wat ’n leven! Verbeel je dat hij .…
-</p>
-<p>John Silver moest erom lachen. Neen, zoo „stom” was hij waarachtig niet en zou hij
-ook nooit worden!
-</p>
-<p>Hij hield zich maar aan zijn gewone <i lang="ms">njai</i>; zij had al drie kinderen met hem en dreigde met het vierde.
-<span class="pageNum" id="xd31e646">[<a href="#xd31e646">12</a>]</span></p>
-<p><i lang="ms">Soedah</i>, wat kon ’t hem schelen! Hij had er geen last van; ze leefden in de bijgebouwen bij
-hun moeder; ze kostten haast niks; veel minder dan hun moeder door een stillen handel
-in <i lang="ms">batiks</i> en diamanten verdiende; ze stonden op zijn naam en hij zond ze naar de gouvernementsschool.
-<i lang="ms">Habis perkara!</i> Voor de rest geen bemoeienis. Als het meisje niets leerde dan <i lang="ms">kwee-kwee</i> maken, zou ze toch wel trouwen want ze was knap en ze had geld; als de jongens dom
-bleven, dan maar het land op.
-</p>
-<p>En zoo’n Verlande nu, met een Hollandsche vrouw, de opvoeding later van die <i lang="ms">totok</i> kinderen, die natuurlijk allemaal in Holland moesten studeeren om geleerden te worden
-.… Nu <i>die</i> zou er pleizier van hebben!
-</p>
-<p>Plotseling trok zijn gezicht, uit de plooien van vroolijke zelfgenoegzaamheid glad,
-met een uitdrukking van groote verbazing de wenkbrauwen op. Wat zag hij daar? Bukkend
-doorgaand onder het atappen overdek der gangetjes langs de bijgebouwen, <span class="pageNum" id="xd31e669">[<a href="#xd31e669">13</a>]</span>kwam rechtop in het licht, vlak vóór hem de groote figuur van een arabier, den kleurigen
-tulband ’n beetje scheef op den mooien van gitzwart krulhaar ombaarden kop; helder
-wit fladderde zijn lang onderkleed, tusschen de opening van zijn ruischend gewaad
-van hemelsblauwe zijde; onderdanig groetend, maar rustig, in groote gemak-stappen,
-ging hij heen, over de grind met het dof geglinster van de verlakte lage schoenen
-om zijn bloote bruine voeten.
-</p>
-<p>Maar Silver had niet teruggegroet; het lichtte rood op in zijn diepliggende zwarte
-oogen. Zoo’n gladakker! zoo’n brutale hadramautsche smeerlap! En dat terwijl hij,
-honderdmaal was maar eens, zijn huishoudster had gezegd, dat er nooit of nimmer een
-arabier op zijn erf of in zijn huis mocht komen! Met driftige stappen, het hoofd gebogen
-over de weinig ontwikkelde ingevallen borstkast, liep hij naar omlaag, in zijn haast
-met zijn gezicht tegen een lijntje, wat hem boozer maakte, en hij stoof de kamer in
-van zijn <i lang="ms">njai</i>, juist, de <span class="pageNum" id="xd31e676">[<a href="#xd31e676">14</a>]</span>armen omhoog, bezig te verwisselen van baadje.
-</p>
-<p>Ook dàt stemde hem niet beter; hij vloekte en schold en dreigde, razend van opgewondenheid,
-al maar herhalend, dat hij „het” niet hebben wilde; zij zweeg, en toen hij uitgeraasd
-had, wees ze naar een doos op de tafel. „Ik kan geen zaken doen en geen geld verdienen,
-als ik met de menschen niet praten mag.”
-</p>
-<p>Hij had de doos wel gezien, en door al zijn schelden heen, was hij er nieuwsgierig
-naar geweest. Nu nam hij haar op en haalde er de dikke opgerolde lapjes uit, waarin
-diamanten haarspelden geprikt zaten; hij ging bij het open venstertje staan en liet
-het invallend licht door de steenen spelen, scherp oplettend, het hoofd ook mee bewegend
-bij het bespieden van straalbreking en kleurwisseling.
-</p>
-<p>„Prullen zijn het, die de smeerlap brengt. Dáár, dáár!” riep hij luid, smadelijk haar
-de steenen vlak voor het gezicht houdend, en aanwijzend met de knokkelvingers, „die
-heeft een vlek; die ook; dat is een erge gele; dat ook! en ik geloof waarachtig <span class="pageNum" id="xd31e682">[<a href="#xd31e682">15</a>]</span>dat er foelie achter zit. Prullen, anders niet!”
-</p>
-<p>Met groot vertoon van geringschatting, wierp hij de steenen terug in de doos.
-</p>
-<p>„Dàt zeg ik je: als ik den smeerlap ooit weer zie op mijn erf, hem of een zijner vuile
-Arabische kontjo’s, jaag ik ze een schot ganzenhagel in hun bast. Ik zal m’n geweer
-naast m’n stoel zetten in de galerij; ik schiet ze dood. Ziedaar!”
-</p>
-<p>En onder die bedreiging had hij, grimmig, haar herhaaldelijk geslagen op de dikke
-schouders en armen; tot ze ook woedend <i lang="ms">adoe!</i> had geroepen, minder als een klagelijken uitroep van pijn, dan alsof ze ermeê terugschold.
-</p>
-<div class="figure o009width"><img src="images/bottom5.png" alt="Ornament." width="92" height="54"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e695">[<a href="#xd31e695">16</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e158">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top2.png" alt="TWEEDE HOOFDSTUK." width="541" height="95"></div>
-<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Een jaloersch heer.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">’t Had Silver heelemaal zenuwachtig gemaakt; hij greep, boven, ’n volle <i lang="ms">gendie</i>, schonk zich ’n groot glas water en dronk het achtereen uit; maar kwaad bleef hij;
-zachtjes door razend, in woeste jaloerschheid; telkens eraan denkend, dat ze van baadje
-had verwisseld; zich opnieuw opwindend als hij begon te bedaren.
-</p>
-<p>Eindelijk wilde hij weer standjes gaan maken en slofte driftig de trap af, maar een
-inlander, buigend, de rechterhand steunend met de linker, gaf hem een brief. Dat leidde
-hem af. Het was „van wege” de societeit, zijn grootsten trots. Men <span class="pageNum" id="xd31e707">[<a href="#xd31e707">17</a>]</span>had hem tot president „gebombardeerd,” zooals de jongelui zeiden.
-</p>
-<p>Hij was op de plaats gevestigd; hij had geld en niets te doen,—zoo’n man moet „maar”
-president van het kleine clubje zijn, dat eens in de week, Zaterdagsavonds, in ’t
-gebouwtje met steenen buitenmuur en bamboezen binnenwanden, de societeit <i>Belvedère</i>, bijeenkwam. Dáárom hadden zij het hem gemaakt.
-</p>
-<p>John Silver zette zijn gouden bril op en ging met presidiale waardigheid aan zijn
-schrijftafel zitten. Er was een „voorstel” ingekomen, natuurlijk voor een pretje,
-andere voorstellen kwamen er nooit in, en de secretaris, die den brief geschreven
-had, meende dat over dit voorstel moest vergaderd worden; hij was het eens daarmee,
-geheel eens, en hij zette zich aan het pennen van het antwoord, ernstig met een <i>business</i>-gezicht; en hij snauwde een bediende af, die hem iets kwam vragen, met een: „Zie
-je niet, dat ik zit te werken?”
-</p>
-<p>Daar men reeds dienzelfden avond een prealabele <span class="pageNum" id="xd31e719">[<a href="#xd31e719">18</a>]</span>bestuursvergadering zou houden, hield hem dat ’t verdere van den dag bezig; maar hij
-vergat den schilderachtigen arabier niet, den „stinkert” zooals hij zei; den „woestijnschurk,”
-den hadramautschen roover, en hij bleef ongenaakbaar, de honden schoppend, die jankend
-naar buiten vlogen, schreeuwend tegen de kinderen en bedienden, in groot bangmakerig
-vertoon met zijn geladen geweer, dat, als hij het hard neerzette op den houten vloer
-der paalwoning, ondanks de fijne matbedekking een daverend geweld veroorzaakte.
-</p>
-<p>’s Avonds voor hij heenging, haalde hij er zijn <i lang="ms">njai</i> nog eens bij, en hield een quasi-gemoedelijke speech in het Maleisch; zij zag daar
-nu het geweer staan, en hij zwoer bij God en bij de graven zijner ouders, dat hij
-elken arabier, die ooit of immer op zijn erf mocht komen, zou neerschieten als een
-hond en den kerel van dien ochtend,—ja, als hij dien onder schot kreeg …! Haar kalm
-gezicht van rustige, welgedane inlandsche trouw, vertrok er geen spier bij.
-<span class="pageNum" id="xd31e726">[<a href="#xd31e726">19</a>]</span></p>
-<p>„Ik zou het geweer maar in de kamer zetten,” zei ze. „Er zou nog ongeluk van kunnen
-komen.”
-</p>
-<p>Eigenlijk vond hij dat ook; hij voelde zich niet zoo veilig tegenover een geweer,
-als hij deed voorkomen. Uit zijn verhalen wist ieder die hem kende, dat hij een Nimrod
-was. Zoodra het jagen ter sprake kwam, raakte hij in extase; dan vertelde hij van
-jachten op tijgers, <i lang="ms">bantengs</i>, rhinocerossen en wilde varkens; van ongelooflijke hoeveelheden snippen en wilde
-duiven, gevallen door zijn moordend lood. En men geloofde het wel niet, zooals hij
-het zat op te snijden, maar hield hem toch voor een jager. Nu, dat was hij in ’t geheel
-niet. Zijn eerste stuk wild moest hij nog schieten. Zijn geweren waren goed onderhouden
-en een enkele maal schoot hij ze door voor het onderhoud, eigenlijk blij, als dat
-was afgeloopen; hij hield er niet van.
-</p>
-<p>Maar nu zou hij, omdat <i>zij</i> zoo bang was en omdat <i>zij</i> het verzocht, voor ditmaal het geweer terugzetten in het rek; doch indien ooit van
-z’n <span class="pageNum" id="xd31e739">[<a href="#xd31e739">20</a>]</span>leven.… en nogmaals volgde de geheele serie scheldwoorden tegen arabieren en de vreeselijke
-bedreigingen, die hij <i lang="la">casu quo</i> ten uitvoer zou brengen. Zij zou, meende hij, nu wel bang genoeg wezen.
-</p>
-<p>De waarheid was, dat zij hem uitlachte in haar hart, wetende welk een druktemaker
-hij was, en hoe bitter weinig er stak achter zijn praatjes; maar zij was wel zoo slim
-het door niets te laten merken, en zij ging zwijgend, stilletjes weg, terug naar haar
-gewoon dagverblijf in de bijgebouwen, hem in den waan latend, dat hij door zijn demonstratie
-met het geweer grooten indruk had gemaakt.
-</p>
-<p>In de bestuursvergadering van de societeit hield hij zijn waardigheid hoog op; hij
-sprak er met bombastische boekenwoorden en termen uit ambtsbrieven, over de geringste
-dingen, wenkbrauwfronsend achter den gouden bril, afgepast in zijn bewegingen, een
-dikke gouden horlogeketting bungelend op een wit piqué vest; vreeselijk royaal, maar
-altijd even deftig, in het volle gevoel van zijn <span class="pageNum" id="xd31e748">[<a href="#xd31e748">21</a>]</span>presidiale positie; hij vroeg dadelijk aan „de heeren” hem het genoegen te doen „iets
-te gebruiken.” En oplettend sloeg hij onder het vergaderen de vorderingen der heeren
-gade in het rooken en drinken, altijd op het juiste moment bij de hand met zijn sigarenkoker
-en de gebruikspropositie.
-</p>
-<p>Het liep dien avond alweêr af naar wensch; over het ingekomen „voorstel” werd veel
-gepraat, tot men het na „ampele discussie” eens werd over het pretje. Men zat nog
-een uurtje rustig bijeen in de achtergalerij, aan een zwarte ronde tafel met een ijzeren
-rand eronder, voor het opzetten van de voeten; en boven, aan een lat van de dakbedekking,
-een slechte petroleumlamp met dunne roodachtige vlam.
-</p>
-<p>Daarbuiten over de groote zee lag alles in het zachte glimlicht der maan, zoo mooi
-weerspiegeld bij het zacht bewegen van het water. Maar de menschen gaven er de voorkeur
-aan in huis te zitten bij leelijk lamplicht.
-</p>
-<p>„Wat heb je toch kranige kerels onder die <span class="pageNum" id="xd31e754">[<a href="#xd31e754">22</a>]</span>arabieren,” zei, onder het napraten, een jong officier, ook ’n bestuurslid.
-</p>
-<p>Het gezicht van John Silver betrok; de opmerking, dat zag hij, was rechtstreeks tot
-hem gericht, en hij zei: „Ja,” niet voornemens verder iets te zeggen.
-</p>
-<p>„Ik zag er van morgen één bij u het erf afkomen,” ging de luitenant voort, „’n mooie
-kerel, een kranig type. Jongens, ’n bataljon van zulke kerels, dat moet ’n gezicht
-wezen.”
-</p>
-<p>„Hij had zaken met me gedaan,” zei Silver haastig. „Zulke kerels komen nooit in mijn
-huis of zij moeten zaken hebben met mij persoonlijk. Het is gemeen volk.”
-</p>
-<p>„Och, waarom zouden ze gemeener zijn, door de bank, dan ander volk?”
-</p>
-<p>„’t Zijn bedriegers en oplichters.”
-</p>
-<p>„En dan,” viel de postcommies in, „zijn ze gevaarlijk bij inlandsche vrouwen; met
-hun praatjes en hun mooie kleêren en hun gescharrel in preciosa, hebben ze al menigeen
-’n koopje gegeven. <span class="pageNum" id="xd31e763">[<a href="#xd31e763">23</a>]</span>Neen, ik ben het met mijnheer Silver heelemaal eens.”
-</p>
-<p>Maar de luitenant was een aanhouder.
-</p>
-<p>„’t Is beroerd voor wien het treft; maar de inlandsche vrouwen kan ik waarachtig geen
-ongelijk geven.”
-</p>
-<p>Silver en de postcommies, beiden indo’s, zwegen daarop; het was een gedachtengang,
-waarin ze niet treden konden; beiden hadden belangen te verdedigen, waarbij van onpartijdigheid
-of objectiviteit geen sprake kon zijn; het ontbrak er nog maar aan, dat zij die smerige
-kerels gingen voorspreken, hun gedrag vergoelijken; de <i lang="ms">njai’s</i>, die hun meesters bedrogen, rechtvaardigen;—zij zwegen in stille verontwaardiging
-over zooveel onzin.
-</p>
-<p>Inwendig was Silver woedend. „Kom,” zei hij, zijn cognacje leeg nippend, „het is alweer
-tijd.”
-</p>
-<p>De anderen vonden dat niet; zij beproefden hem te „lijmen,” maar het ging niet; hij
-voelde zich, zei hij, niet erg „lekker,” en met zijn sluippasjes scharrelde hij den
-strandweg op naar huis, geplaagd <span class="pageNum" id="xd31e776">[<a href="#xd31e776">24</a>]</span>onderweg, door het denken aan dien Arabier, die hem nu weer even erg als ’s ochtends
-door het hoofd maalde.
-</p>
-<p>Vlak bij zijn huis kreeg hij een schok van schrik; het scheen hem, dat hij een groote,
-in de schaduw wegsluipende gedaante had gezien. Spiedend stond hij een oogenblik stil,
-deed zijn schoenen uit, nam ze in de hand en ging toen zachtjes, op de teenen loopend
-naar boven; zonder geluid kwam hij het huis en z’n slaapkamer binnen, greep met bevende
-hand het geladen geweer en ging ermee naar buiten.
-</p>
-<p>Zijn <i lang="ms">njai</i>, die op een <i lang="ms">baleh-baleh</i> lag te slapen, was even wakker geworden; zij zag hem in het maanschijnsel de kamer
-uitgaan, het geweer in de hand. Met een ruk keerde zij zich op haar andere zijde;
-in een geeuwtje als ’n zucht, zei ze zacht: <i lang="ms">orang gila</i>, en sliep weer rustig in.
-</p>
-<p>Wezenlijk spookte het John Silver allervreemdst in het hoofd; zijn woest jaloersche
-aard, het fantastisch licht der omgeving, op een uur dat hem <span class="pageNum" id="xd31e792">[<a href="#xd31e792">25</a>]</span>anders reeds lang slapend vond; de cognacjes, die hij „welstaanshalve” had gedronken,
-maar waartegen zijn <i>teatotalers</i> gestel in ’t geheel niet kon, dàt, en een ongeregelde verbeelding, nimmer ingetoomd
-door opvoeding en onderricht, speelden hem parten. Met het geweer in de hand ging
-hij voorzichtig en stil naar beneden, rondsluipend, loerend, telkens aanleggend en
-op het punt te vuren, als hij meende iets te zien in de slagschaduwen der overstekende
-daken. Maar telkens was het niets of iets heel gewoons, dat voor ’n moment schaamte
-over hem komen deed.
-</p>
-<p>Tot hij weer naar boven sloop om over de balustrade van de voorgalerij te loeren naar
-het niets, dat, als een realiteit in zijn hoofd gevaren, voor hem gelijk iets was;
-maar de terugwerking kwam; zijn hoofd zonk op den breeden houten rand, en hij sliep
-in, het geladen geweer tegen de stoelleuning.
-</p>
-<div class="figure o019width"><img src="images/bottom2.png" alt="Ornament." width="65" height="41"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e801">[<a href="#xd31e801">26</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e167">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="DERDE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Een treurig voorval.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Huiverend werd hij wakker; de sterke uitstraling van den drogen bodem had de temperatuur
-doen dalen, en als <i>indo</i> beter kunnend tegen warmte, dan tegen ook slechts betrekkelijke kou, ging hij slaapdronken
-en zich schurkend in zijn kleeren naar bed en sliep er behagelijk den achterstand
-bij, van een half doorwaakten nacht.
-</p>
-<p>Die was nog niet geheel voorbij, toen er al beweging kwam in huis. De huishoudster,
-die den algemeenen bijnaam had op het plaatsje van <i lang="ms"><span class="corr" id="xd31e813" title="Bron: njai-Peraq">njai Peraq</span></i>, stond als elke inlandsche vrouw, vroeg op; de kinderen dwaalden dan al lang door
-het huis <span class="pageNum" id="xd31e816">[<a href="#xd31e816">27</a>]</span>en op het erf rond, in het duister nog, badend aan den put, of sufferig ergens neerzittend,
-kijkend den aanlichtenden dag tegemoet.
-</p>
-<p>Ditmaal had een hunner een merkwaardige ontdekking gedaan, en met hun drieën liepen
-ze zachtjes, om hun vader niet te storen, naar voren en gingen om het jachtgeweer
-staan, vol bewondering elkaar lachend aankijkend en toefluisterend nu en dan, de oogen
-vol van een tot beweging sporenden jool, die hen dan eens deed inzinken op de hurken,
-dan met een sprongetje omhoog gaan; den geweerloop aaiend en rakend aan den trekker,
-aarzelend en eenigszins bang eerst, maar telkens familiaarder met het heerlijke ding,
-het geweer.
-</p>
-<p>Ze namen het met moeite op en vonden het zwaar; de kleinste, ’n meisje, kon ’t niet
-beuren. Maar de grootste kreeg het op den schouder, en met z’n bloote voeten marcheerde
-hij in nagebootste soldatenhouding ermee op en neer, nagekeken door zijn broer, vol
-afgunst en bewondering; <span class="pageNum" id="xd31e821">[<a href="#xd31e821">28</a>]</span>toen die op zijn beurt ’t mooie wapen wilde hebben, kregen ze ruzie, stil, om pa niet
-wakker te maken, maar toch woedenden twist met scheldwoorden, trappen en stompen,
-en trekken en rukken vooral aan ’t geweer, dat toen afging met ’n harden slag en hun
-uit de handen viel. En dan een verschrikkelijk geschreeuw van het zusje, dat bloedend
-op den grond lag. De jongens weg, de trap af, woest door de bloemstruiken, over de
-pagger, het veld in, voortvliegend, weg, weg.…
-</p>
-<p>Het was een heel gedoe! ’t Plaatsje was er vol van. De moeder, het eerst bij het gewonde
-kind, had het in haar armen genomen en was hard den grooten weg opgeloopen, naar den
-dokter; John Silver, in ’t eerste oogenblik van schrik-ontwaken als verlamd, rechtop
-in z’n bed, kwam, toen ze al het erf afliep. En hij aarzelde een oogenblik, wel begrijpend
-dat er iets akeligs gebeurd was, maar zich niet precies kunnende voorstellen wat;
-ook niet geneigd op den publieken weg het spektakel te vertoonen, van zijn huishoudster
-<span class="pageNum" id="xd31e825">[<a href="#xd31e825">29</a>]</span>met het getroffen kind in de armen voorop en hij haar achterna. Maar hij moest iets
-doen, en schreeuwend tegen een <i lang="ms">baboe</i>, vroeg hij haar, wat er gaande was. De <i>sinjo’s</i> hadden met het geweer gespeeld, het was afgegaan en <i lang="ms">nonni</i> was gewond. Waar waren de <i>sinjo’s</i>? Ja, dat wist ze niet. Nou, hij zou ze dan wel vinden, die smeerlappen! En, zich
-opwindend in die richting, haalde hij een <i>rotan</i> uit zijn kamer, doorzocht het huis, de bijgebouwen en den tuin, waar hij aan de vernieling
-van eenige mooie opkomende planten zag, dat ze waren weggeloopen. De handen boven
-de oogen, keek hij over de weidevelden; nergens zag hij het wit van hun baadjes.
-</p>
-<p>En dreigend de <i>rotan</i> schuddend, vloekte hij, en zwoer dat hij ze dood zou ranselen, als ze terugkwamen.
-Maar nu moest hij wel naar den dokter; hij <i>kon</i> niet wegblijven; en hij kleedde zich, zonder haast, verlegen en beroerd over het
-heele geval; in zich zelven scheldend op die vervloekte ondeugende jongens, die hem
-nu weer zoo’n geweldig koopje gaven.
-<span class="pageNum" id="xd31e846">[<a href="#xd31e846">30</a>]</span></p>
-<p>Toen hij aankwam aan het doktershuis en met een vertoon van drukte en veel praatjes
-binnentrad, werd hem eenvoudig door een: stt! het zwijgen opgelegd.
-</p>
-<p>De controleur was er ook; zijn <i lang="ms">njai</i> stond huilend bij het bed, waar de geneesheer het werk deed; er waren nog een paar
-heeren van de plaats; Verlande ook met diens vrouw, die hielp het gewonde kind zoo
-te houden als voor de behandeling noodig was, en tusschen de stilte in de schreeuwen
-van het kind, als de pijn hevig stak.
-</p>
-<p>„’t Zal alles wel losloopen,” zei de dokter, opkomend uit zijn voorover buigen, „maar
-het ééne oog is ze kwijt. Daar helpt niets aan.”
-</p>
-<p>Men vond het verschrikkelijk; de dokter ook; heel onvriendelijk keek hij Silver aan.
-</p>
-<p>„Hoe is het mogelijk,” zei hij, „dat iemand zoo onverantwoordelijk onvoorzichtig kan
-zijn.”
-</p>
-<p>„Ik was in slaap gevallen,” zei John.
-</p>
-<p>„Maar wie zit nu ’s avonds in de voorgalerij met ’n geladen geweer.”
-<span class="pageNum" id="xd31e860">[<a href="#xd31e860">31</a>]</span></p>
-<p>„Ik wou.… <i lang="ms">kalongs</i> schieten.”
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Kalongs</i> schieten!” riep minachtend en ongeloovig tevens de controleur. „Iets voor aankomende
-jongens.”
-</p>
-<p>„Hoe dan ook, het is meer dan erg,” zei de dokter weer, „iemand, die kinderen heeft,
-mag een geladen geweer niet onbeheerd ergens in zijn huis laten.”
-</p>
-<p>Dàt was iedereen met hem eens; John Silver kreeg den wind van voren op een gruwelijke
-manier; hij voelde, dat zijn „prestige” erg geschokt werd, toch blij, dat hij er nog
-zóó afkwam. Met een arme zondaarsgezicht liet hij de „standjes” langs zijn koude kleeren
-gaan; het kind was niet dood; men geloofde ten naasten bij aan de <i lang="ms">kalongs</i>,—het viel betrekkelijk alles nog mee.
-</p>
-<p>Aan zijn huishoudster had hij verder heelemaal niet gedacht; men houdt daar zoo geen
-rekening mee; en niets verbaasde hem meer, dan de schrikkelijke manier waarop ze hem
-aanviel, toen ze, het kind bij den dokter latend, terugkwamen thuis.
-<span class="pageNum" id="xd31e879">[<a href="#xd31e879">32</a>]</span></p>
-<p>Zij schold en hoonde hem; zij maakte hem in het maleisch uit voor al wat leelijk was.
-</p>
-<p>Verstomd had hij in het eerst naast haar voortgeloopen, totaal in de war over het
-ongelooflijke feit, dat zij zoo tegen hem, haar heer en meester, te keer durfde gaan.
-</p>
-<p>Ze was in hooge mate zenuwachtig en opgewonden. Toen, gaande met haar langs de bijgebouwen,
-terwijl ze scheldwoorden als ’t ware vallen liet uit haar mond, hij, kwaad, een bezemstok
-greep, dreigende haar te slaan, vloog ze als razend de keuken in, nam er een mes en
-kwam op hem af.
-</p>
-<p>John Silver sloeg vastberaden op de vlucht en sloot de deur zijner kamer achter zich;
-<i lang="ms">orang takoetan!</i> schold zij hem na.—
-</p>
-<p>Hij bekwam er niet van; de toestand drong niet tot hem door. Twaalf jaren had hij
-die vrouw in huis; altijd was ze rustig geweest, gewillig, onderworpen; hij had haar,
-als hij boos was, aller lei leelijks naar het hoofd gegooid, zonder dat ze <span class="pageNum" id="xd31e891">[<a href="#xd31e891">33</a>]</span>ooit veel weerwerk gaf; hij had haar gestompt en geslagen, zonder dat ze in al die
-jaren aan verzet had gedacht; en nu er een „ongeluk” was gebeurd, nu was ze zoo „recalcitrant!”
-Ze zou hem dat mes tusschen de ribben hebben gestoken, hij had het duidelijk gezien
-aan haar gezicht; een angstig gevoel kwam over hem, als hij er aan dacht.
-</p>
-<p>Zij was gek, dacht hij; het ongeluk met het kind had haar gek gemaakt.
-</p>
-<p>Een oogenblik pikirde hij erover haar weg te jagen, een oogenblik slechts; wat zou
-er van zijn huishouden worden? en dan de kinderen, en.… de menschen?
-</p>
-<p>Zijn bekrompenheid zag alles in een onzuiver licht. Hoe de haat der inlandsche vrouw
-zoo tegen hem was uitgeslagen, bevroedde hij in het minst niet.
-</p>
-<p>’s Middags ging hij bij den dokter informeeren naar het kind, dat redelijk wel was
-en maar weinig koorts had; en hij deed zijn beklag; <i>die</i> vrouw <span class="pageNum" id="xd31e900">[<a href="#xd31e900">34</a>]</span>had hem willen doodsteken, wat moest hij doen?
-</p>
-<p>„Wel niks,” zei de dokter. „Ik vind het zeer natuurlijk.”
-</p>
-<p>„Natuurlijk?”
-</p>
-<p>„Zeker, U zult niet ontkennen, dat u de hoofdoorzaak bent van het gebeurde.”
-</p>
-<p>„Wat deden de kwajongens eraan?”
-</p>
-<p>„U hadt het wapen moeten meenemen en opbergen. Kinderen zijn kinderen; niet waar?
-Dus nog eens, <i>u bent de oorzaak</i>.”
-</p>
-<p>„In Godsnaam dan,” zuchtte John Silver, vol gebrek aan schuldbesef.
-</p>
-<p>„De vrouw mag een inlandsche zijn, zij is in de eerste plaats <i>moeder</i>.”
-</p>
-<p>„En ik <i>vader</i>.”
-</p>
-<p>„Het kan zijn, maar dat is niet hetzelfde; u hebt haar kind een ongeluk bezorgd; daarvoor
-zou ze u kunnen vermoorden.”
-</p>
-<p>Maar John Silver begreep er niets van, dan dit ééne: dat de dokter blijkbaar twijfelde
-aan zijn vaderschap! Zou hij misschien iets weten of.… vermoeden?
-<span class="pageNum" id="xd31e923">[<a href="#xd31e923">35</a>]</span></p>
-<p>„Ik geloof,” zei hij, „dat ze altijd een brave vrouw is geweest.”
-</p>
-<p>De ander haalde de schouders op, niet meer denkend aan het losgelaten woord buiten
-den gesprekszin.
-</p>
-<p>„U zei,” ging John Silver voort, „het kan zijn.<span id="xd31e928"></span> Wat bedoelde u daarmeê? Weet u ook soms iets.… iets.…”
-</p>
-<p>Hij vulde het aan met de uitdrukking van z’n gezicht, die den dokter even duidelijk
-was, als ’t hem walgde dat zoo’n man, in plaats van eenig gevoel te toonen voor de
-verwonding van zijn kind, of begrip van de rechtmatige grief der vrouw, als een klis
-bleef hangen aan zoo’n idee.
-</p>
-<p>„Ik weet in ’t geheel niets,” zei hij norsch, kortaf en boos. „Ik weet alleen, dat
-het mijn tijd wordt voor de inspectie in het hospitaal. Adieu!”
-</p>
-<p>Het was een formeel congé, dat John Silver erg hinderde; men had op de plaats niet
-de gewoonte hem zoo <i>cavalièrement</i> en uit de hoogte te bejegenen; hij werd nogal ontzien om zijn geld; en na <span class="pageNum" id="xd31e937">[<a href="#xd31e937">36</a>]</span>dit gevalletje was iedereen tegen hem in ’t harnas. Onder het naar huis gaan pikirde
-hij daarover, en hij begreep er niets van, totaal niets. „Wat hebben ze toch tegen
-mij?” vroeg hij zich zuchtend af.
-</p>
-<p>Het zou nog erger worden.
-</p>
-<div class="figure o030width"><img src="images/bottom7.png" alt="Ornament." width="131" height="65"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e944">[<a href="#xd31e944">37</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e176">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="VIERDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Niet zonder reden jaloersch.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">’t Werd avond en de weggeloopen jongens kwamen niet terug. Naar alle kanten werden
-inlanders uitgezonden om hen te zoeken, doch allen keerden onverrichterzake terug.
-John Silver leefde nu werkelijk in doodelijken angst; hij wist niet meer wat hij deed,
-<i lang="ms">bingoeng</i> van al wat hem in ’t laatste etmaal overkwam; hij lette nergens op, geheel zijn kleine
-gedachten geconcentreerd op die beroerde jongens, die „weg” waren: het trof hem niet,
-dat zijn huishoudster geen woord meer zei en in haar kamer bleef, gemoedelijk, als
-ging haar ’t geval niet aan.
-<span class="pageNum" id="xd31e954">[<a href="#xd31e954">38</a>]</span></p>
-<p>Zij had er pleizier van en lachte hem uit.
-</p>
-<p>In den loop van den dag had ze bezoek gehad van een neef, die tien palen het binnenland
-in woonde; hij had den afstand te paard gedaan; de jongens waren bij hem aan huis,
-bij zijn vader, haar oom. Zij had hem verboden iets ervan aan de bedienden of wie
-ook te zeggen, en hem met een cadeautje en eenig geld gauw weggestuurd. Nu genoot
-ze van haar doen; nu lachte ze John Silver uit in stilte, en verkneuterde zich achter
-de <i>stores</i>, toen ze hem in zijn tentwagentje zag wegrijden om de hulp in te roepen van den controleur.
-</p>
-<p>Die werd hem niet onthouden, maar de ontvangst was onvriendelijk. Het „ongeluk” bij
-Silver aan huis was des morgens de <i lang="fr">plat du jour</i> geweest; iedereen had erover gepraat, tot men door de bedienden uit te hooren, achter
-de geheele waarheid kwam; niet uit jachtlust maar uit jaloerschheid had hij met een
-geladen geweer op de loer gelegen, en niet om <i lang="ms">kalongs</i> te schieten, maar Arabieren.
-<span class="pageNum" id="xd31e968">[<a href="#xd31e968">39</a>]</span></p>
-<p>Het was schandelijk,—zóó luidde de algemeene opinie.
-</p>
-<p>Dat iemand er een huishoudster op nahield, kon er nog door, maar dat hij jaloersch
-op haar was, kon er <i>niet</i> meê door; en dan zóó erg, dat er moord en doodslag uit kon voortkomen, zelfs reeds
-een onschuldig kind als slachtoffer was gevallen.….
-</p>
-<p>De controleur zei ’t hem ronduit.
-</p>
-<p>„Ik zal uw kinderen laten zoeken,” was het ten slotte, „maar ik zal ook op u het oog
-laten houden. En bij ’t minste dat er gebeurt, zal ik genoodzaakt zijn strenge maatregelen
-te nemen.”
-</p>
-<p>Wezenloos zat Silver onder het naar huis rijden te kijken, langs den schouder van
-den koetsier; hij lette niet op den weg; hij merkte niet dat hij alweer thuis was
-vóór het rijtuig stilhield. Maar bij het uitstappen schrikte hij hevig en werd krijtwit.
-Daar stond de „smeerlap” weer in het galerijtje langs de bijgebouwen te praten met
-de huishoudster.
-<span class="pageNum" id="xd31e978">[<a href="#xd31e978">40</a>]</span></p>
-<p>Driftig liep Silver er naar toe, den wandelstok omkneld.
-</p>
-<p>De groote arabier zag hem aan met rustigen glimlach en groette deftig buigend, de
-doos toonend, die hij in de hand hield.
-</p>
-<p>„De njonja kan ze niet voor mij verkoopen,” zei hij.
-</p>
-<p>„Ik wil niet hebben, dat er hier buiten mijn tegenwoordigheid handel wordt gedreven.
-Ga maar heen.”
-</p>
-<p>„Kunnen wij geen zaken doen. Waarom zouden mijnheer en ik twisten. Het is beter geld
-te verdienen.”
-</p>
-<p>„Misschien later.… nu niet. Ga nu weg, zeg ik, en gauw ook.”
-</p>
-<p>Silver raakte buiten zichzelven; maar ineens schoten hem de woorden te binnen van
-den controleur: „bij ’t minste dat er gebeurt.…”
-</p>
-<p>„Zal ik dan eens terugkomen? Over een paar dagen? over een week?”
-</p>
-<p>Hij knikte maar, om van den vent af te komen; <span class="pageNum" id="xd31e990">[<a href="#xd31e990">41</a>]</span>de arabier groette, even rustig en beleefd als toen hij gekomen was, Silver, diens
-huishoudster ook met een kalmen blik vlak in haar oogen; zij deed hetzelfde, en ze
-hadden daarmee een hartelijk afscheid van elkaar genomen, dat door geen demonstratie
-inniger had kunnen zijn.
-</p>
-<p>Want het was veel erger, dan de jaloezie van Silver het zich voorstelde; werkelijk
-had die groote, breede arabier een relatie met <i lang="ms">njai Peraq</i>, en die dateerde al van maanden; hij reisde de streek af met dure handelswaren, en
-was slechts nu en dan op de plaats; dan kwam ze bij hem in z’n tokootje, en niemand
-had ooit iets daarin gezien, want iedereen wist dat zij handel dreef. Het zou alles
-zijn geweest en gebleven, alsof er niets bijzonders aan was, als hij dien ochtend
-niet bij haar was gekomen en John Silver hem bij het weggaan niet had gesnapt.
-</p>
-<p>Nu <i>wilde</i> zij zich niet meer geneeren; zij voelde zich heel anders dan vroeger, veel meer „baas”
-in huis en tegenover John; dien had ze thans <span class="pageNum" id="xd31e1001">[<a href="#xd31e1001">42</a>]</span>eronder, dat wist en wilde zij; het mes was het middel.
-</p>
-<p>„Ik ben bij den controleur geweest,” zei hij, toen de arabier het erf af was, „hij
-zal die rakkers laten zoeken.”
-</p>
-<p>„Het is niet noodig.”
-</p>
-<p>„Zijn ze dan terug?”
-</p>
-<p>„Nog niet; ik heb een <i lang="ms">soeroean</i> gehad van mijn oom; daar zijn ze en ze kunnen er wel blijven tot morgen.”
-</p>
-<p>Het was een pak van zijn hart; haastig ging hij naar boven en schreef een briefje
-aan den controleur, die hem zoo’n standje had gemaakt; een beleefd briefje tot onderdanigheid
-toe; een kniebuiging op ’t papier.
-</p>
-<p>Doch het hielp niet.
-</p>
-<p>In de societeit aan de kletstafel kwam het nog eens tot in alle bijzonderheden ter
-sprake! De controleur vertelde met ophef, met zijn rijzweep op de tafel slaande, hoe
-hij dien „vent” <i lang="fr">à faire</i> had genomen.
-<span class="pageNum" id="xd31e1019">[<a href="#xd31e1019">43</a>]</span></p>
-<p>En men was het algemeen dáárover eens: hij kon niet langer president blijven. ’t Was
-al te gek, vooral tegenover de dames. Er moest iets op gevonden worden om hem eruit
-te krijgen; zoo mogelijk goedschiks, en anders met kracht van algemeene stemmen.
-</p>
-<p>’t „Goedschiksche” was, dat de postcommies, die <i lang="ms">kasian</i> met hem had, en ook zoo’n arabieren-<i lang="de">fresser</i> was, Silver zou bewerken om z’n ontslag te nemen.
-</p>
-<p>Toen hij hem opzocht, waren juist de weggeloopen jongens terug.
-</p>
-<p>De moeder nam een <i lang="ms">rotan</i> en sloeg maar raak; daarop hadden de jongens vooraf gerekend; na de eerste klappen
-zwegen ze, tot het te erg werd en zij hun <i lang="ms">adoes</i> uitbrulden; dan hield zij even op en scheen het uit te zijn; maar ineens begon het
-opnieuw met de <i>rotan</i>; zóó ging het voort alsof ze telkens uitrusten moest. En Silver stond er maar bij,
-vloekend en scheldend op de delinquenten, met de vreeselijkste straffen en kwellingen
-dreigend. <span class="pageNum" id="xd31e1040">[<a href="#xd31e1040">44</a>]</span>Hij zou hun een arm uit het lijf draaien, hij zou hun de beenen kapot slaan. En dat
-was nog het minste van wat hij hun wilde doen.
-</p>
-<p>„O.… Meier.… pardon.… Ik had je niet gezien.”
-</p>
-<div class="figure o038width"><img src="images/bottom8.png" alt="Ornament." width="130" height="68"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e1048">[<a href="#xd31e1048">45</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e185">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="VIJFDE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">De in ongenade gevallen president.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Silver was erg verlegen toen hij den postcommies zag, wiens binnenkomen ze door het
-rumoer met de kinderen niet hadden gehoord; de <i lang="ms">njai</i> ging in haar kamer en bergde de <i>rotan</i> op; de jongens veegden met de baadjesmouwen hun behuilde gezichten af, daarna nieuwsgierig
-kijkend naar het gewonde zusje, dat, een verband om het gezicht, met haar ééne oog
-had toegekeken bij de strafoefening.
-</p>
-<p>„Ik had je even alleen willen spreken.”
-</p>
-<p>„Uitstekend. Kom binnen,” en toen de bezoeker in de voorgalerij was gaan zitten, ging
-Silver voort: <span class="pageNum" id="xd31e1063">[<a href="#xd31e1063">46</a>]</span>„Een sigaar?… Niet … ’n sigaret dan … iets gebruiken? ’n glas bier?… ’n brandy soda?…”
-</p>
-<p>Maar Meier wou niet rooken en niet drinken. John had wel dadelijk aan z’n gezicht
-gezien, dat het weer iets beroerds gold, en hij zuchtte diep, toen zijn offerten niet
-werden aangenomen.
-</p>
-<p>„Er is over die <i lang="ms">perkara</i> veel gesproken.”
-</p>
-<p>„Ja, veel te veel! Mijn God, kan ik het helpen? Ik ga hier zitten, <i>hier</i> meneer!” riep Silver op de leuning van z’n stoel slaande, alsof dit nu juist zoo’n
-merkwaardige bijzonderheid was. „Nou, zie je,—ik val in slaap, natuurlijk! Als je
-een uur zit te loeren … wat? één uur?… twee en een half uur; <i lang="ms">soengoe mati</i>, ’t was half drie. Wa-blief?”
-</p>
-<p>John stak zijn kop vooruit tot vlak bij ’t gezicht van den postcommies, uitdagend,
-als wilde hij hem een bijzondere goedkeuring afdwingen.
-</p>
-<p>„Het is ’n heele tijd. Maar weet je wel zeker, dat het <i lang="ms">kalongs</i> waren?”
-</p>
-<p>„Ik heb er geen onder schot kunnen krijgen; de rakkers vreten mijn djamboes op.”
-<span class="pageNum" id="xd31e1086">[<a href="#xd31e1086">47</a>]</span></p>
-<p>Meier keek eens rond; op ’t voorerf was geen djamboe te zien.
-</p>
-<p>„Men zegt, dat je op ander wild loerde.”
-</p>
-<p>John bedacht zich even. Het was beter, dat hij ’t Meier maar ronduit zei; die begreep
-hem immers. Hij deed het.
-</p>
-<p>„’t Spijt me voor jou, Silver; ik kan er wel in komen, maar de anderen niet; zij vinden
-het schandalig, en ze willen je niet meer hebben als president; je moet eruit; het
-beste is, dat je je ontslag neemt, dan hou je de eer aan je zelven.”
-</p>
-<p>John voelde het diep; ’t was de grootste wond hem ooit geslagen: die zijner ijdelheid
-toegebracht. Hij wilde eerst protesteeren en praatjes maken, maar Meier zei, dat men
-stond zoo goed als voor een <i lang="fr">fait accompli</i>, en ofschoon hij de woorden niet verstond, hij kende er de beteekenis van; zelf had
-hij, zeer <i lang="la">ad rem</i>, als president wel eens gesproken van zoo’n verschrikkelijke „vette compli.”
-</p>
-<p>Ineens viel hij, zenuwachtig, in een anderen toon.
-<span class="pageNum" id="xd31e1102">[<a href="#xd31e1102">48</a>]</span></p>
-<p>„God, zie je, ’t is mij onverschillig. Ze motten niet denken … Nou hoor, dank je!
-Niet of graag, zeg! Wel zeker! Ik vraag mijn ontslag niet; ik <i>neem</i> het; vandaag nog.”
-</p>
-<p>Maar toen Meier, tevreden over ’t resultaat, weg was, en John voor zijn lessenaar
-ging zitten om den fameusen brief te schrijven, toen stond ’t huilen hem nader dan
-het lachen. Dat presidentschap, waarover achter zijn rug onder <i lang="ms">totoks</i> dikwijls werd gelachen, was voor hem een zaak van ’t grootste gewicht; zijn eenige
-sociale <i lang="fr">raison d’être</i>. En daarvan moest hij nu afstand doen, alleen ter wille van zoo’n smerigen hond van
-Hadramaut!
-</p>
-<p>Hij kon niet schrijven; hij stond op, razend en tierend bij zichzelven en weer moorddadige
-plannen met het geweer koesterend, tot hij, uitgeraasd, den noodlottigen brief verzond.
-</p>
-<p>Het was als een openbare aankondiging van zijn val.
-</p>
-<p>Van dien dag scheen hij geschrapt te zijn uit de lijst der ingezetenen. In de societeit
-kwam hij <span class="pageNum" id="xd31e1119">[<a href="#xd31e1119">49</a>]</span>niet meer, en bezoeken kreeg en ontving hij niet. En naarmate hij van zijn Europeesche
-mede-ingezetenen vervreemdde, trok hij zich meer in zijn huis terug, het leven als
-begrensd door de pagger van zijn tuin.
-</p>
-<p>De gewone mutaties hadden na korten tijd een geheele verandering gebracht; de controleur,
-de luitenant, de postcommies en meer anderen waren overgeplaatst en vervangen; niemand
-wist ten slotte precies meer, wat vroeger met John Silver was gebeurd, maar iedereen
-had nog zoo den indruk, dat hij ’n gemeene kerel wezen moest.
-</p>
-<p>Hijzelf had zich met veel verzoend; de arabier kwam nu dikwijls bij hem en hij participeerde
-in diens handel, al kon hij soms nog opstuiven bij het idee, dat hij bedrogen werd;
-maar dan was de groote mond, dien <i lang="ms">njai Peraq</i> tegen hem opzette, voldoende om hem tot bedaren te krijgen. Na, wat hij zijn „val”
-noemde, zat hij onder de pantoffel zijner huishoudster.
-</p>
-<p>En hij gewende eraan. Nu het vierde kind toch <span class="pageNum" id="xd31e1130">[<a href="#xd31e1130">50</a>]</span>spoedig volgen zou, had hij zijn huishoudster een assistente toegevoegd, een goed
-uitziend inlandsch meisje. Alle partijen hadden zich zoodoende geschikt, en al kon
-hij ook buien krijgen van zwaarmoedigheid en zenuwachtig worden,—het ging gauw over.
-Als hij het dochtertje zag met het stuk geschoten oog, of hij hoorde de stem van <i lang="ms">njai Peraq</i>, die nu altijd brutaal en bevelend door het huis klonk, zonk zijn stemming terug.
-</p>
-<div class="figure o044width"><img src="images/bottom6.png" alt="Ornament." width="129" height="64"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e1138">[<a href="#xd31e1138">51</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e194">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="ZESDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Het vierde kind.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De geboorte van dat vierde kind was een zware slag voor hem. Niet om het feit zelf,
-maar door het resultaat. Eerst had hij in ’t half duister, waar hij, zelfs met zijn
-bril op, maar slecht zag, even gekeken zonder belangstelling; hij had ook nu gehoord,
-als meermalen vroeger, dat het een kloek kind was, een jongen. Dàt vond hij voorloopig
-welletjes.
-</p>
-<p>Nu de <i lang="ms">baboe</i> hem in het vensterlicht het kind liet zien, slapend op een kussentje, dat ze droeg
-op haar armen, stond hij verstomd te kijken, zijn hoofd over den schouder van de meid,
-als verdiept <span class="pageNum" id="xd31e1149">[<a href="#xd31e1149">52</a>]</span>in een stille studie. Met een zwaren zucht richtte hij zich op. Hoe was het in godsnaam
-mogelijk? ’t Leek wel een kind van drie maanden, zoo groot en dik! En dan die schrikkelijke
-haargroei op het hoofd vol pikzwart wollig dons, doorgroeiend langs de oortjes tot
-op de blanke wangen! Zijn hand gleed over z’n eigen bruin gezicht zonder knevel of
-baard, en als vragend keek hij de <i lang="ms">baboe</i> aan, die met een klein glimlachje de oogen neersloeg, denkend haar eigen gedachten.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Seperti monjet</i>,” zei hij eindelijk zacht.
-</p>
-<p>De meid was er verontwaardigd over; zij vond het een mooi kind; vrij wat flinker,
-dan de andere vier scharminkels, die op hem leeken; met een boozen blik keerde zij
-zich om en lei het kind in ’t bed, terwijl Silver de deur uitging, verbluft door wat
-hij gezien had.
-</p>
-<p>Want met al zijn vroegere jaloerschheid had hij het nooit recht goed geloofd; nu was
-het voor hem een uitgemaakte zaak: van dat harige apenkind met breeden kop en grof
-beendergestel kon <span class="pageNum" id="xd31e1162">[<a href="#xd31e1162">53</a>]</span>hij toch onmogelijk de vader zijn. Hij trachtte niettemin zich de mogelijkheid op
-te dringen; hij diepte uit zijn herinnering allerlei dingen op, die hij vroeger wel
-eens in kranten of tijdschriften had gelezen over „spelingen der natuur;” het kon
-ook zijn, dat zijn <i lang="ms">njai</i> zich had „verkeken,” en toen hij wel een uur tusschen twee prachtig bloeiende rozenstruiken
-op een bankje in den tuin had zitten <i lang="ms">pikiren</i>, gelijk aan een waardelooze prent in ’n mooie lijst, keerde hij terug naar de kamer
-en ging kijken bij het ledikant, aandachtig turend, het hoofd schuddend nu en dan.
-Opeens trok het kind ’n leelijk gezicht, bewoog heftig armen en beenen en begon te
-schreeuwen, hard, zwaar en dringend; de meid schoot toe; John Silver stond op en ging
-heen.
-</p>
-<p>Neen, dat kon niet zijn! Hij had z’n best gedaan om zichzelf de mogelijkheid aan te
-denken, en meende daartoe ’n beetje op weg te zijn gekomen: maar de manier, waarop
-dat „jong” een keel opzette, had al z’n pogingen tot zelfovertuiging <span class="pageNum" id="xd31e1172">[<a href="#xd31e1172">54</a>]</span>ineens doen mislukken. Hij beproefde het niet meer met redeneering; het was thans
-voor hem een uitgemaakte zaak.
-</p>
-<p>De pijnlijke zekerheid vervolgde hem den heelen dag; hij verzorgde zijn bloemen uit
-gewoonte, maar gaf er haast geen acht op, telkens stilstaand of ergens gaande zitten,
-om na te denken over wat hem te doen stond. De vrouw interesseerde hem niet meer,
-en zou dat waarschijnlijk toch nooit meer gedaan hebben, nu de andere in huis was;
-dàt was het niet; haar wegjagen ging niet, tenzij hij de kinderen naar Holland zond,
-wat hem veel te duur was; en dan het huishouden! Maar hij wilde ook geen schandaal;
-hij vreesde voor praatjes en opspraak, die hem nu nog maar belachelijk zouden maken,
-zooals ze hem reeds vernederd hadden. Van dat alles niets dus; maar wreken <i>moest</i> hij zich op de een of andere manier; deugdelijk, blijvend en afdoende.
-</p>
-<p>Schuin gleed het roodvergulde licht der in zee gaande zon onder den rand van zijn
-stroohoed in <span class="pageNum" id="xd31e1180">[<a href="#xd31e1180">55</a>]</span>zijn gezicht; het sloeg bij dofglinsterende stukken en strepen in het woelige water
-der wijde, bewegende vlakte; achter, ver boven de weiden, donkerde de avond aan, en
-staken de palmboomen ruischend op in een al somberder wordend halflicht; John Silver
-zag het niet; hij zag niets, geheel bezig met zijn gedachten op het ééne punt: hoe
-moest hij handelen, nu hij zoo bedrogen was?
-</p>
-<p>Ineens wist hij het. Het was zóó eenvoudig, <i>te</i> eenvoudig naar zijn zin; hij had gewenscht, dat het moeielijker ware geweest en meer
-gecompliceerd; hij begreep niet hoe hij nog zoolang erover had moeten <i lang="ms">pikiren</i>; maar gevonden was het, en zoo het nog niet ingewikkeld was, hij zou het dat wel
-maken. Door zijn <i lang="fr">trouvaille</i> kwam hij weer eenigszins tot zichzelven; hij lachte erom; het lachte hem toe; zoo
-het niet spoedig zou werken, zeker was het, en dat moest hem voldoende zijn. En als
-goedkeurend knikkend tegen z’n eigen idée, nam hij uit zijn soepelen rieten sigarenkoker
-een strootje; en de lucifer hoog opvlammend bij de paar trekken, <span class="pageNum" id="xd31e1192">[<a href="#xd31e1192">56</a>]</span>weerkaatste hel in zijn glinsterende oogen.
-</p>
-<p>Dat Silver een kind meer had gekregen, was op het plaatsje geen onderwerp van discours.
-Ja, als hij wettig gehuwd was geweest, met een ook maar eenigszins presentable vrouw.…
-Nu niet.
-</p>
-<p>Slechts door één werd hem over dat kind gesproken; ’t was door den dominé, die op
-een rondreis hem bezocht en het wilde doopen, zooals hij de andere kinderen vroeger
-had gedaan; nu ging hij heel boos weg omdat Silver beslist weigerde.
-</p>
-<p>Met moeite had hij een naam voor ’t kind gevonden; het mocht er geen zijn uit de familie;
-dàt nooit; eerst dacht hij aan eenigszins dwaze en bespottelijke namen, maar dat verwierp
-hij toch ook; toen, beginnend bij het begin, was hij dadelijk klaar: Adam.
-</p>
-<p>En zóó bleef het.
-</p>
-<p>Hij maakte anders weinig verschil; sprak en deed tegen den kleinen Adam als tegen
-de andere kinderen; het eenige was, dat hij hem nooit aanraakte, <span class="pageNum" id="xd31e1201">[<a href="#xd31e1201">57</a>]</span>als hij het kon vermijden; maar daarentegen kon hij met de grootste attentie naar
-’t kind zitten kijken vele minuten achtereen; hij zag het opgroeien onder zijn oogen,
-hij zag het een levenskracht ontwikkelen zóó sterk, als geen der andere ooit had bezeten.
-</p>
-<p>Over zijn eigen hoofd gingen de jaren zonder spoor achter te laten; hij verouderde
-niet in zijn uiterlijk; zooals hij eruit zag, had men hem twintig jaren vroeger reeds
-gekend; en in zijn onveranderlijke magerheid was hij een tegenstelling met het forsche
-kind, dat met den dag anders, grooter en kloeker werd.
-</p>
-<div class="figure o051width"><img src="images/bottom8.png" alt="Ornament." width="130" height="68"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e1208">[<a href="#xd31e1208">58</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e203">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="ZEVENDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Adam wordt een knappe jongen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Door de eenvormigheid en het eentonige van het Indische leven stapte de Tijd met groote,
-snelle schreden. Adam Silver werd ’n jongen van zes, zeven jaar; een mooie jongen,
-slank en sterk gebouwd, met iets ernstigs door het groote voorhoofd, de zware wenkbrauwen
-en de dikke lange wimpers; <i lang="ms">njai Peraq</i> was erg oud geworden de laatste jaren; de arabier had zijn handel naar elders verplaatst,
-Silver liet haar voor wat zij was; dus, als vrouw verwaarloosd, deed zij dat ook haar
-zelve; zij zag er nu leelijk en vervallen uit; een goede menagère bleef zij; het kon
-in een huis niet zuiniger en <span class="pageNum" id="xd31e1218">[<a href="#xd31e1218">59</a>]</span>geregelder toegaan dan in dat van John Silver; en zij maakte ook geen onderscheid
-in de behandeling harer kinderen; Adam scheen voor haar evenveel of weinig als de
-rest.
-</p>
-<p>Maar hij moest schoolgaan, zei ze, zooals de andere jongens en daar kon Silver niets
-tegen inbrengen.
-</p>
-<p>„Waarom stuur je hem er niet heen?” vroeg zij.
-</p>
-<p>Hij dacht een oogenblik na.
-</p>
-<p>„Ik wou hem graag meer laten leeren.”
-</p>
-<p>Verwonderd keek ze op.
-</p>
-<p>„Waarom? Is het niet genoeg? De jongens schrijven mooi. Al kan ik het niet zelf, ik
-zie het toch wel. Zij kunnen heel goed rekenen; als ik hun vraag de rente uit te rekenen
-van geld, dat ik heb geleend, kunnen ze het dadelijk; zoo gauw, zoo gauw op hun lei,—haast
-net zoo gauw als een chinees met de balletjes.”
-</p>
-<p>Maar hij glimlachte over haar domheid en schudde het hoofd.
-</p>
-<p>„Het is niet genoeg, tegenwoordig; de menschen <span class="pageNum" id="xd31e1229">[<a href="#xd31e1229">60</a>]</span>worden zoo knap; het is voor Adam niet genoeg.”
-</p>
-<p>„Waarom voor hem niet?”
-</p>
-<p>„Hij is erg <i>pienter</i>.”
-</p>
-<p>Ja; dat vond zij ook; hij kon soms heel wijs praten voor een kleinen jongen.
-</p>
-<p>„Wat wou je dan?”
-</p>
-<p>„Hier niet; hier is het maar een kleine plaats. Ik meen te Batavia.”
-</p>
-<p>Het beviel haar niet. Was Silver gek geworden? Zij wist wel, dat residenten en rijke
-planters hun kinderen naar die scholen te Batavia zenden; maar hij, die zoo zuinig
-was,—en dan zij zelf, vooral niet minder dan hij op de penning.…
-</p>
-<p>„Je wilt hem daar toch niet heen zenden?”
-</p>
-<p>Silver knikte van ja, nadenkend voor zich heen kijkend, de kin steunend op de handpalm,
-in gedachten voortwerkend aan zijn plannen.
-</p>
-<p>„Het gaat niet,” zei ze, „het zou te veel kosten.”
-</p>
-<p>„Wat te veel kosten?” viel hij met zijn oude zenuwachtigheid ineens uit. „Heb ik geen
-geld genoeg? Zou ik geen jongen …” Een oogenblik <span class="pageNum" id="xd31e1246">[<a href="#xd31e1246">61</a>]</span>hield hij stil; hij had willen zeggen in zijn driftig spreken: „een jongen van me,”
-maar dat wilde er niet uit … „Zou ik geen jongen naar Batavia kunnen sturen? Wel,
-dat is mooi!”
-</p>
-<p>„Mooi … niet mooi … Het kost veel geld.”
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Soedahlah!</i> Wat komt het erop aan. Hij zal wel knap worden, denk ik; hij heeft al ’n beetje lezen
-geleerd, nu, heelemaal uit zichzelven.”
-</p>
-<p>Dat was waar: zij wist het en had er tegen bedienden en andere inlanders al dikwijls
-op gebluft; als het geld haar niet zoo na aan het hart had gelegen, door haar pure
-liefde voor het geld, zou zij dadelijk hebben toegegeven. Nu praatten zij er nog dikwijls
-over; zij, altijd met hetzelfde bezwaar, wetend, dat het ook een zwak punt van hem
-was; maar hij, tot haar verwondering, ineens zoo scheutig met geld voor Adam’s opvoeding.
-</p>
-<p>Zonder iets te zeggen, had hij al geschreven naar een ouden <i lang="ms">sobat</i> te Batavia; twee dagen had hij over den brief gesteld, met de zweetdroppels van geestelijke
-inspanning op het voorhoofd; ten <span class="pageNum" id="xd31e1261">[<a href="#xd31e1261">62</a>]</span>slotte was hij zeer tevreden over zijn werk en vond zich <i>pienter</i>. Er moest, had hij geschreven, „een kleine jongen” op school worden gedaan, en de
-vriend werd verzocht ervoor te zorgen; de „kleine jongen” moest op de beste school;
-hij moest van alles leeren, goed gekleed gaan, en zoo Europeesch mogelijk worden opgevoed;
-wat het kostte deed er niet toe.
-</p>
-<p>Toen het antwoord kwam, dat voor alles zou gezorgd worden, mits hij maar <i lang="ms">doewit</i> zond, ging Silver weer aan het schrijven; de regeling der geldzaak was zijn minste
-zorg, die was met een paar korte briefjes, nog denzelfden dag, dien van aankomst en
-sluiting der mail, in orde.
-</p>
-<p>En eerst daarna zei hij aan <i lang="ms">njai Peraq</i>, dat alles beslist was; dat Adam met de volgende mail naar Batavia werd verzonden,
-en de oude mandoer Kasim hem maar moest brengen. Zij vroeg wat het kostte, hij loog
-de helft goedkooper. Toch stak ze de dikke bruine armen verschrikt omhoog:
-<span class="pageNum" id="xd31e1275">[<a href="#xd31e1275">63</a>]</span></p>
-<p>„<i>Waah!</i> zooveel geld voor zoo’n klein kind. Het tractement van een opziener <i lang="ms">blanda</i>.”
-</p>
-<p>„Als hij knap is naderhand, verdient hij het honderdmaal terug.”
-</p>
-<p>Zij ging heen, hoofdschuddend en ongeloovig. Om die knapheid moest zij lachen. Daar
-waren de europeanen zoo dol mee! Hij anders niet,—nu ineens wèl voor Adam. En ’t mocht
-wat! Zij was maar een domme inlandsche vrouw, maar hoeveel verdiende zij niet! Het
-gaf alles niets dan <i lang="ms">soesah</i>; hoe knapper, hoe meer <i lang="ms">soesah</i>!
-</p>
-<p>Zoo mopperde zij door, in de <i lang="ms">goedang</i> en in de keuken, hardop, meteen vertellend het geval aan de nieuwsgierig luisterende
-bedienden; die, in stilte staanden, de koetsier bij zijn emmers om de <i lang="ms">gabah</i> te ontvangen, <i lang="ms">kokki</i> bij haar kommen en bakjes voor rijst, olie en <i lang="ms">boemboe</i>, een luie <i lang="ms">baboe</i> tegen een deurpost,—die dachten allen éénzelfde gedachte: waarom was <i lang="ms">toean</i> toch zóó gesteld op dien <i lang="ms">sinjo</i> Adam? Waarom wou hij dàt kind, dat het zijne niet was, dus bevoorrechten boven de
-<span class="pageNum" id="xd31e1316">[<a href="#xd31e1316">64</a>]</span>anderen, en er zooveel geld aan ten koste leggen, terwijl zijn eigen jongens haast
-geen fatsoenlijk baadje aan het lijf hadden.<span id="xd31e1318"></span>
-</p>
-<p><i lang="ms">Njai Peraq</i> zelf dacht daar heelemaal niet aan; haar gemoedelijke onverschilligheid tegenwoordig
-voor alles wat geen geld was, wischte veel uit haar herinnering; zij had zich afgewend,
-ook in haar gedachten, oude koeien uit de sloot te halen; het gaf niets; het bracht
-niets op; de kinderen waren de kinderen en daarmee uit. Ze ging weer terug naar Silver.
-</p>
-<p>„Hoe moet het met zijn <i lang="ms">pakéan</i>?”
-</p>
-<p>Hij had er niet aan gedacht, ’t kon hem ook niet schelen.
-</p>
-<p>„Dat komt terecht.”
-</p>
-<p>„Ik moet toch iets hebben om hem aan te kleeden, hij kan toch zóó niet aan boord.”
-</p>
-<p>„Zanik niet!” riep Silver barsch; „doe maar zooals je wilt. <i lang="ms">Traperdoeli</i>, maar zanik niet.”
-</p>
-<p>De waarheid was, dat zij hem stoorde in het zoeken naar een <i lang="ms">akal</i>; hij moest er iets op verzinnen, <span class="pageNum" id="xd31e1343">[<a href="#xd31e1343">65</a>]</span>om weg te komen vóór het vertrek van de mailboot.
-</p>
-<p>Op een avond schudde hij haar wakker.
-</p>
-<p>„Ik heb een brief gekregen. Sta op.”
-</p>
-<p>Slaapdronken en geeuwend streek zij met beide handen de grove zwarte haren zich uit
-het gezicht, en haar: <i lang="ms">apa lagi</i>? klonk als een: vervelende vent, wat mot-je nou weer?
-</p>
-<p>Hij hoorde het wel, maar ging op zijn druktetoon voort:
-</p>
-<p>„Heb-je ’t niet gehoord? Ik heb een brief gekregen. Er is op de perken een ongeluk
-gebeurd. Onze administrateur ligt te sterven. Ik moet er dadelijk heen.”
-</p>
-<p>’t Kon haar wezenlijk niet schelen; als zoo’n man dood ging, nam men een ander! Doch
-ze wist wel, dat andere menschen drukte maakten over zulke dingen.
-</p>
-<p>„Maak me gauw wat eten en drinken klaar voor onderweg; ik heb al ’n boodschap gestuurd
-om ’n prauw.”
-<span class="pageNum" id="xd31e1358">[<a href="#xd31e1358">66</a>]</span></p>
-<p>Een half uur later was hij weg met het inlandsch vaartuig onder goeden wind; en hij
-lachte tevreden in den mooien sterrennacht, wiegelend op de zachte golfjes, achterover
-in een langen stoel den rook van zijn strootje omhoog blazend. Zij had er <i>niets</i> van gesnapt, dacht hij, en dat had ze ook niet. Op de <i lang="ms">pasar</i> vertelde zij luid, dat mijnheer Silver plotseling naar de perken had moeten gaan,
-wijl de administrateur heel ziek was.
-</p>
-<p>Wie is het? vroegen de europeanen, toen de bedienden met het nieuwtje thuis kwamen;
-maar men kende hem niet; het was een nieuwe van de andere zijde der eilanden; wat
-gaf men om een onbekenden man?
-</p>
-<div class="figure o060width"><img src="images/bottom7.png" alt="Ornament." width="131" height="65"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e1371">[<a href="#xd31e1371">67</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e212">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="ACHTSTE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">ACHTSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">De knaap vertrekt naar Batavia.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen <i lang="ms">njai Peraq</i> haar zoontje aan boord bracht, zag zij ook mijnheer Verlande, die met vrouw en kinderen,
-naar Batavia ging; zij wist wel, dat hij daar ging wonen en zaken doen. De eenige
-bagage van den kleinen Adam bestond uit een <i lang="ms">boenkoesan</i> katoenen goed in een oude <i lang="ms">sarong</i> geknoopt; verder had <i lang="ms">njai Peraq</i> hem netjes aangekleed met een vuurrood kieltje aan, een meisjes stroohoed op met
-groene en gele bloemen gegarneerd en een kort broekje met een sarongstrook eraan;
-de mooi gebouwde jongen had onder dezen door alle inlanders zeer bewonderden opschik,
-meer van een <span class="pageNum" id="xd31e1390">[<a href="#xd31e1390">68</a>]</span>grooten kermisaap, dan van een kind: de Europeesche passagiers lachten erom.
-</p>
-<p>„Laat hem maar bij mij blijven,” zei mevrouw Verlande goedig; „ik zal onderweg wel
-voor hem zorgen.”
-</p>
-<p>En wijl nu dadelijk daarop de niet-passagiers van boord moesten, sloeg <i lang="ms">njai Peraq</i> ineens over tot een woest vertoon van droefheid, dat de Europeanen ontroerde, en
-hun de menschkundige opmerking ontlokte, dat een moeder toch een moeder blijft.
-</p>
-<p>Mevrouw Verlande was Adam’s moeder niet, maar meer en beter in dit geval; het eerste,
-wat zij deed, toen de boot onder stoom liep, was den jongen meenemen naar haar hut,
-hem ’t apenpakje uit, en ’n proper broek-en-baadje aandoen. En zij bleef voor hem
-zorgen, tot groote vreugde van den mandoer Kasim, die met andere inlandsche mannen
-en vrouwen een gezelligen dobbelkring vormde op het luik van het laadruim, zonder
-zich ooit over den <i lang="ms">sinjo</i> te bekommeren.
-<span class="pageNum" id="xd31e1403">[<a href="#xd31e1403">69</a>]</span></p>
-<p>En zoo Adam wel eens dacht in zijn gewoon kinderleven,—hier in deze nieuwe omgeving,
-waar alles zoo vreemd was en zoo mooi, had hij daar geen tijd voor, de aandacht heelemaal
-in beslag genomen door de zee, het schip, de beweging. Met de jongens van Verlande
-had hij een nooit gekend pleizier; hij dacht aan niemand; niets hinderde hem; eten,
-slapen, pret maken!
-</p>
-<p>Op de school te Batavia was dat anders. Daar leefde het kind aanvankelijk als in een
-roes; de orde en gelijkmatigheid in dit bestaan biologeerden den aan haast volkomen
-vrijheid gewonen knaap. Maar hij verlangde niet terug naar huis; zijn sterk lichaam
-en aan physieke ontwikkeling hard werkende organisatie, eischten veel en goed eten;
-meer dan de rijst en een kleinigheid, die thuis zijn rantsoen waren; hij verslond
-het vele en krachtige voedsel, waarvoor anderen dikwijls den neus optrokken, niet
-omdat hij ’t lekker vond, maar uit aandrift door behoefte.
-</p>
-<p>Er kwamen berichten over Adam bij John Silver, <span class="pageNum" id="xd31e1408">[<a href="#xd31e1408">70</a>]</span>geregelde korte mededeelingen van den directeur der school; ongeregelde maar uitvoerig
-van mevrouw Verlande, die van den jongen was gaan houden, en hem op vrije dagen bij
-haar aan huis liet komen om te spelen met de kinderen. Silver beantwoordde de eerste
-een enkele maal; hij vond, dat ze als „dienst” vielen te beschouwen; maar om te toonen,
-dat hij „beleefd” was, schreef hij altijd dadelijk aan mevrouw Verlande, met dankbetuiging
-voor haar vriendelijkheid ten opzichte van „den kleinen jongen” of van „Adam,” dàt
-wisselde hij zoowat om en om.
-</p>
-<p>In gewone omstandigheden waren de berichten niet bepaald gunstig; zoo hij een vroolijk
-klein kind was geweest in de oogen van John en <i lang="ms">njai Peraq</i>,—hij was geen „knappe jongen” voor zijn onderwijzers; van een bijzonderen aanleg
-bleek niets en lust tot studie ontbrak haast geheel; alleen was hij goed van aard;
-niet lastig of slecht van karakter; vooral was hij gezond; koorts en cholera-epidemieën
-hadden gewoed en de school <span class="pageNum" id="xd31e1415">[<a href="#xd31e1415">71</a>]</span>kreeg haar onvermijdelijk deel,—maar wie ook ziek werd, Adam Silver niet; hij groeide
-tegen alle invloeden rustig en lustig op tot een grooten sterken <i lang="en">boy</i>, met op z’n twaalfde jaar de eerste geprononceerde beginselen van een knevel, wat
-hem van vele medescholieren de achting en de gunst bezorgde.
-</p>
-<p>Het was John een raadsel. Hoe kon een jongen, die uit zichzelven lezen had geleerd,
-zoo’n stommeling zijn als de directeur schreef en mevrouw Verlande bevestigde? Deze
-vraag had John zich wel honderdmalen gesteld.
-</p>
-<p>En het trof zoo eigenaardig, vond hij, dat z’n andere jongens precies zulke stommelingen
-waren, als die vervloekte Adam.
-</p>
-<p>Indien ’t kind nu toch eens van <i>hem</i> was geweest en niet van dien hadramautschen hond?
-</p>
-<p>Hij had er lang over <i>gepikird</i>; hij had boeken laten komen, waarin hij weer dacht de natuur op bijzondere „spelingen”
-te betrappen; het hielp niet; òf de natuur speelde er niet meer mee, òf hij, <span class="pageNum" id="xd31e1431">[<a href="#xd31e1431">72</a>]</span>Silver, begreep het niet … Hij beproefde een gesprek over zulke dingen met <i lang="ms">njai Peraq</i>, maar die keek hem erg dom aan, metterdaad volstrekt niet begrijpend, wat hij bedoelde,
-en zich bepalend tot een herhaald en alles afdoend: <i lang="ms">barang kali</i>. Het duurde tot in een harer brieven mevrouw Verlande gekscherend melding maakte
-van Adam’s aankomenden knevel. Daar schrok hij van! Voor een der verweerde spiegels
-in zijn voorgalerij bekeek hij door zijn bril aandachtig zijn gezicht; en toen een
-van z’n jongens—de oudste werkte al „op” de perken—met hem rijst zat te eten, lette
-hij ook aandachtig op diens bovenlip; maar het mocht wat! Geen spoor!
-</p>
-<p>Neen, die gebaarde duivel zou nooit, zoolang hij, Silver, leefde, zijn huis als zijn
-zoon betreden! Mevrouw Verlande hield zooveel van hem en zij schreef erover, dat ze
-met haar man naar Holland ging,—wel, ze moesten dien vervloekeling dan maar meenemen.
-Het ging hem wel aan ’t hart, want het zou een „hoop” geld <span class="pageNum" id="xd31e1441">[<a href="#xd31e1441">73</a>]</span>kosten, maar aan den anderen kant was het toch ook aardig en speelde het geheel in
-’t spel, dat hij nu al jaren geduldig volgde, en waarvan hij zelf wel niet zeker was
-de resultaten te zullen zien, maar waarvan hij dan toch zoo goed als de zekerheid
-had, dat het doel zou treffen.
-</p>
-<p>Hij schreef een vriendelijken en onderworpen brief aan mevrouw Verlande; hij beklaagde
-zich over de slechte tijden; hij bezwoer haar, dat, zoo Verlande al goede zaken maakte
-met zijn aandeelen in landelijke ondernemingen, hij, Silver, niets dan tegenspoed
-ondervond; maar hij zou alles willen opofferen om Adam een goede opvoeding te geven.
-</p>
-<p>En mevrouw Verlande, het alles opnemend voor goede munt, was er ontroerd door. „Het
-is toch heel mooi van zoo’n man,” zei ze tot Verlande.
-</p>
-<p>Maar Silver kon <i>hem</i>, wat de dubbeltjes betrof, niets wijs maken.
-</p>
-<p>„Nou ja,” zei hij, „’t is heel wel, dat hij den jongen naar Europa wil zenden, maar
-om het geld behoeft hij het evenmin te laten als ik.”
-<span class="pageNum" id="xd31e1451">[<a href="#xd31e1451">74</a>]</span></p>
-<p>Er tegen had Verlande overigens niets. Hij schreef Silver om het geld te zenden en
-eenige stukken; het geld alleen volgde, en daar dit de hoofdzaak was, liet men het
-erbij. Maar John Silver waren die twee duizend gulden als van ’t hart gescheurd. Met
-den leeftijd werd hij gieriger. Als hij nu nog had moeten beginnen met zijn plannen
-van vroeger,—hij zou het niet hebben gedaan; hij zou Adam precies hebben behandeld
-als de andere kinderen. Het kostte hem wat, toen hij nu erop uit moest met de kostelijke
-twee mille in den zak, om er een gouvernementswisseltje voor te koopen!
-</p>
-<p>Voor geen geld zou hij het <i lang="ms">njai Peraq</i> hebben verteld; het huis zou een hel zijn geweest, dag in dag uit.
-</p>
-<p>Nu, echter, kon hij niet meer terug. En de ambtenaren op het kantoor hadden hem geprezen;
-geen sterveling was meer op de plaats van hen, die er twaalf jaren vroeger waren;
-niemand wist iets van de oude, bij slot van rekening toch onbeduidende <i lang="ms">perkara</i>. Alleen stond Silver bekend als <span class="pageNum" id="xd31e1463">[<a href="#xd31e1463">75</a>]</span>een woekeraar, die geld schoot aan europeanen, arabieren en inlanders, tegen fabelachtige
-rente, of met knoeierijen van koop en verkoop van huisjes met recht van wederinkoop.
-Nu, dàt deed hij. De termijnsgewijze terugbetaling van het geleende geld heette de
-uitoefening van dat recht; maar, bij één termijn verzuim verviel het, en dàt was,
-vooral bij inlanders, de speculatie; zij verzuimden ten slotte toch altijd wel eens
-te betalen, en dan waren Silver of zijn <i lang="ms">njai</i> erbij als de kippen om de levering te eischen van het aan hen „verkochte” huis. Dit
-alles was bekend, maar toch vond men het mooi van „zoo’n man,” dat hij zooveel over
-had voor de opvoeding van een zijner zonen.
-</p>
-<div class="figure o069width"><img src="images/bottom2.png" alt="Ornament." width="65" height="41"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e1471">[<a href="#xd31e1471">76</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e221">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="NEGENDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">NEGENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Laaghartige wraakzucht.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„Wij vertrekken morgen met de <i>Conrad</i>,” schreef mevrouw Verlande later, „en wij zullen goed voor A. zorgen; hij zal ons
-geen last aandoen, want hij is een beste jongen. Ik denk wel, dat het in Holland met
-het leeren beter zal gaan, dan hier; het klimaat eigent zich daar meer tot werken.
-Hierbij A’s portret; wij doen u daar zeker genoegen mee; we hebben ook onze kinderen
-laten photographeeren, afzonderlijk en in een groep met A.; wij noemen hem altijd
-enkel A. en laten dat „dam” maar weg. Van de groep sturen wij eveneens een exemplaar
-hierbij. Vele groeten ook van Verlande: wij hopen, <span class="pageNum" id="xd31e1480">[<a href="#xd31e1480">77</a>]</span>dat gij A. als een in alle opzichten flink jonkman na zijn leertijd in Indië zult
-terugzien.”
-</p>
-<p>Wat liep het toch raar in de wereld! vond Silver. Voor jaren had hij dien Verlande
-zoo’n stommeling gevonden, omdat hij die <i lang="fr">pur sang</i> Europeesche vrouw had getrouwd. Zonder er zich rekenschap van te geven, was zijn
-opinie veranderd. Nu had hij een groot respect, voor haar eenvoudig maar altijd handelend
-en goed optreden. De enkele maal, dat hij sprak met europeanen, had hij het altijd
-over haar; dan blufte hij er op, dat hij met haar briefwisseling voerde; dan betoogde
-hij met een gewichtig gezicht, dat zij een buitengewone vrouw was; dan zou hij iemand
-voor stapelgek hebben gehouden, die over zulk een „dame”, zooals hij zich bij voorkeur
-uitdrukte, en over een inlandsche huishoudster in één adem sprak.
-</p>
-<p>De mooie photographieën bekeek hij lang, en hij zuchtte er diep bij: welk een kerel
-voor 12 jaar was dat hondenkind! En dat stond daar, zoo netjes aangekleed—voor <i>zijn</i>, Silver’s, duiten,—met <span class="pageNum" id="xd31e1491">[<a href="#xd31e1491">78</a>]</span>een rustige, breede bazigheid en brutale aankijkers van oogen, alsof-ie ik weet niet
-wat was! De latente haat giste op in John Silver’s hoofd, beliep zijn oogenwit met
-gloeiig rood en fonkelde in de lichtende zwarte pupillen; hij nam van de schrijftafel,
-waaraan hij zat, een pennemes en stak in het portret, een kwaadaardigen glimlach om
-den breeden mond. Daar! daar! Hij stak in de oogen, in het hart, overal! En eindelijk,
-toen er geen herkenbare figuur meer te zien was, lei hij de photographie over een
-aschbakje, hield er ’n brandenden lucifer onder en bleef er bij zitten, telkens met
-nieuwe lucifers de verkoling doorzettend, tot Adam’s vernietiging <i lang="fr">in effigie</i> voltrokken was.
-</p>
-<p>Toen ging hij met de groep in de hand naar de kamer van <i lang="ms">njai Peraq</i> in de bijgebouwen; hij moest erom lachen: het „jong” was al lang aan boord en zij
-wist nog nergens van! Vol zenuwachtige drukte, maleisch rabbelend buiten al, met den
-deurknop in de hand, ging hij de kamer binnen.
-<span class="pageNum" id="xd31e1501">[<a href="#xd31e1501">79</a>]</span></p>
-<p>„Dat is wat moois, hoor! Die lui doen maar wat ze willen. Heb ik heelemaal niks meer
-te zeggen? Ik moet het immers betalen!”
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Apa</i>, toch?” vroeg zij, opkijkend van haar naaiwerk over de dik in zilver gevatte brilleglazen.
-</p>
-<p>„Wel, de Verlandes hebben Adam meegenomen naar Holland.”
-</p>
-<p>Het liet haar koud. Over de zee, was over de zee. Of het Java heette of Holland,—’t
-was volgens haar geographisch begrip alles <i lang="ms">sama djoega</i>. Was John weer gek, dat hij daar nu zoo’n leven om maakte?
-</p>
-<p>Hij zag, dat ’t haar heelemaal onverschillig was, en dat hinderde hem; hij had ’t
-voor haar verzwegen omdat hij geen ruzie over de onkosten wou hebben, maar toch ook
-’n beetje, wijl hij vreesde, dat zij Adam vóór zijn vertrek naar Europa, dat hem,
-die de reis nooit gedaan had een kolossale onderneming toescheen, zou willen zien;
-bij al zijn omgang met inlanders van allerlei soort, mannen <span class="pageNum" id="xd31e1516">[<a href="#xd31e1516">80</a>]</span>en vrouwen, was hij geen menschenkenner genoeg om ooit anders te oordeelen, dan naar
-eigen conventioneel indo-europeesch begrip; en zoo had hij nu ook niet ingezien, dat
-voor een inlandsche vrouw, die nooit van de kust was geweest, waarop ze geboren werd,
-over de zee, over de zee was.
-</p>
-<p>„Naar Holland,” riep hij met een dringerig stemgeluid, dat moest aanvullen wat er
-ontbrak aan woordbeteekenis.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Soedah</i>, naar Holland; ik hoor het wel; wat maakt het uit, als hij toch zoover weg is om
-knap te worden? Ik heb hem niet meer gezien, sinds den dag, dat ik hem op de boot
-bracht in zijn mooi rood kieltje. <i lang="ms">Kasian</i>, wat weet ik van hem.”
-</p>
-<p>John Silver was achter haar gaan staan; hij kreeg er nu pleizier in; ja, dat hoorde
-hij wel aan den toon, waarop ze sprak: ze had op haar manier er een stil verdriet
-over. Het was voor het eerst, dat hem dit opviel, en voor geen geld, hoe lief dat
-ook was, had hij deze gelegenheid verzuimd. En hoe het hem ook tegen de borst <span class="pageNum" id="xd31e1530">[<a href="#xd31e1530">81</a>]</span>stuitte een goed woord te spreken over het „hondenkind,” zoodat hij haast misselijk
-werd van zijn eigen woorden, zei hij:
-</p>
-<p>„’t Was een mooi kind, die Adam; hij zal nu wel een knappe jongen zijn.”
-</p>
-<p><i lang="ms">Njai Peraq</i> zei niets; haar bruine door de jaren al slapvleezig wordende handen, lagen stil in
-haar schoot op de blauwe en roodachtige kainfiguren, in de eene het half afgezoomde
-baadje, in de ander de naald en draad en glinsterend aan den wijsvinger de zilveren
-vingerhoed met aan den top een doorschijnend rooden steen, waarin zacht en doffig
-het zonlicht speelde; het was zoo rustig en haast geruischloos in ’t kamertje, met
-de gekke spitsneuzige wajangfiguren en de grillige Japansche strooken aan den wand;
-met tot achtergrond de groezelig witte klamboe; met het kleine driftig tikkende amerikaansche
-klokje op de tafel, dat de aandacht bezig hield van den grooten zwarten kater, die
-onbeweeglijk ernaar zat te kijken, óók op het tafeltje, voor <i lang="ms">njai Peraq</i>.
-<span class="pageNum" id="xd31e1540">[<a href="#xd31e1540">82</a>]</span></p>
-<p>Silver zei eerst niets en begon op zijn matten sloffen heen en weer te loopen over
-den roodsteenen vloer.
-</p>
-<p>„Ze hebben me uit Batavia een portret gestuurd van de Verlandes en hun kinderen; daar
-staat Adam ook bij; kan je hem herkennen?”
-</p>
-<p>Hij lei de groep voor haar neer, en zij keek ernaar. „<i lang="ms">Itoe dia</i>,” zei ze, wijzend met de naald in haar hand. Het kind had ze niet zoozeer herkend;
-tusschen het „roode kieltje,” dat ze, nu haast zeven jaren geleden, had weggebracht
-naar den stoomer en de beeltenis van dien grooten <i lang="ms">sinjo</i>, in een openstaand buisje met ’n vest eronder en ’n lange witte pantalon, bestond
-geen verband; maar de kalme somberheid van den kop en de boeddhistische rustigheid
-der figuur had, zonder dat ze ’t zich eerst bewust was, de herinnering tot haar doen
-spreken aan den vader.
-</p>
-<p>En naarmate ze langer keek, drong het begrip der gelijkenis meer tot haar door; het
-verteederde <span class="pageNum" id="xd31e1553">[<a href="#xd31e1553">83</a>]</span>haar; het deed haar zuchten keer op keer; het wekte in haar een groot gevoel van teederheid
-en van verlangen om dien jongen eens te zien, hem te hooren spreken; en hem te bedienen;
-dat laatste vooral.
-</p>
-<p>Terwijl John Silver een nieuw strootje opstak, zag hij, dat ze ontroerd was, dat er
-tranen stonden in haar oogen en de blauwige lippen van den grooten mond strak naar
-binnen trokken.
-</p>
-<p>„Ja,” zei hij, inwendig genietend, „het is zoo ver naar Holland; zoo erg ver. Als
-hij te Batavia was gebleven, hadden we hem nog eens hier kunnen laten komen. Nou hebben
-ze hem mee naar Europa, en komt daar niks meer van.”
-</p>
-<p>„Hoe?” vroeg <i lang="ms">njai Peraq</i>, die maar half geluisterd had.
-</p>
-<p>„Wel, dat gaat niet. Hij moet daar in Holland leeren.… God weet hoelang.… Je kunt
-zoo’n jongen niet eventjes naar hier laten komen.”
-</p>
-<p>„Als wij willen.”
-</p>
-<p>„Hè? Wat willen?”
-<span class="pageNum" id="xd31e1567">[<a href="#xd31e1567">84</a>]</span></p>
-<p>„Ik zeg: als wij willen. Daarvoor hebben wij toch wel geld genoeg.”
-</p>
-<p>„Je begrijpt niks; je bent maar een dom mensch; al had je een huis vol goud, zou het
-nog gekkenwerk wezen.”
-</p>
-<p>„Zullen we dan Adam nooit terugzien?”
-</p>
-<p>„Dat zeg ik niet; misschien wel; als wij niet gauw dood gaan en als hij met leeren
-klaar is.”
-</p>
-<p>„Hoe lang?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet, dat hangt van hemzelf af; als hij goed leert, dan misschien maar
-kort, en anders lang.”
-</p>
-<p>„Mag ik het portret houden?”
-</p>
-<p>Een oogenblik aarzelde hij; het was wel aardig om het in een lijstje te zetten en
-op te hangen aan den wand, wijl mevrouw Verlande erop stond, en hij dan bij gelegenheid
-dadelijk het bewijs kon leveren voor de goede verstandhouding, waarop hij altijd blufte,
-tusschen hem en de familie. Maar het vooruitzicht altijd het gezicht van dat „hondenkind”
-voor den neus te hebben, was te erg.
-<span class="pageNum" id="xd31e1578">[<a href="#xd31e1578">85</a>]</span></p>
-<p>„Och,” zei hij, „als je ’t graag hebt …”
-</p>
-<p>Alsof ze bang was, dat hij van besluit veranderen zou, bergde ze het portret haastig
-weg in de groote, groen geverfde ijzeren trommel met roode banden, waarin achter een
-chubb-slot meer waardvolle dingen verborgen werden.
-</p>
-<div class="figure o079width"><img src="images/bottom8.png" alt="Ornament." width="130" height="68"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e1585">[<a href="#xd31e1585">86</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e230">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="TIENDE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">TIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Teleurgestelde verwachtingen<span class="corr" id="xd31e1591" title="Bron: ,">.</span></h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een lage bierkelder, waarin een lang man niet rechtop kon gaan; een warme broeiige
-temperatuur, hoog door veel gasvlammen aan den wand; een benauwende nevelatmosfeer
-van vervluchtigenden tabaksrook; aan kleine tafeltjes tegen de witte welvende muren,
-door aankomende schilders met schetsachtige teekeningetjes beklad, de gasten, de dampende
-sigaren onder de knevels uit, de klepglazen met bier voor hen; tusschen de rijen in,
-haastig heen en weer, twee zwarte Jan’s-figuren, de leeren geldtaschjes om het midden
-door de witte sloven; nu en dan, als er een gast kwam <span class="pageNum" id="xd31e1595">[<a href="#xd31e1595">87</a>]</span>of ging, een koele luchtstroom uit de opening der groene zwaarwollen tochtdeur naar
-binnen; het ineenloopend geluid van stemmen, allerlei dooreen, tusschen het drinken;
-het flauw worden van het drinken; het brood met Duitsche worst eten, het daarvan dorstig
-worden en weer drinken; en boven alle geluid aanhoudend het gemaniereerd geroep der
-kellners: één heel, twee half, één knak, een cervelaat, half!
-</p>
-<p>Doch bij dat alles erg rustig onder Hollanders; half zooveel Franschen hadden tweemaal
-zooveel drukte en geluid gemaakt.
-</p>
-<p>De rustigheid werd plotseling gestoord door heftig rumoer boven aan de trap; gestommel
-en stokgetik op de steenen treden en tegen den muur; een luidruchtig troepje opgewonden,
-jolig jong volk, met roode gezichten en schitter-oogen van congestie, kwam met een
-bons de groene deur binnen.
-</p>
-<p>De kalme gasten keken hen eens aan, denkend dat het studenten waren, uit Leiden naar
-Den Haag verdwaald, maar dat waren het niet; een paar <span class="pageNum" id="xd31e1601">[<a href="#xd31e1601">88</a>]</span>waren wel te Delft, maar de anderen nog van gewone scholen, enkel wat achterlijk in
-hun studie, maar vooral met niet minder allures en brutaal optreden en met geld in
-den zak; de meesten uit Indië, donker van tint, met een groot vertoon van levendigheid
-en opgewekt zijn.
-</p>
-<p>Zij waren nu heel erg uit op hun manier; ze bleven later dan hun permissie; ze zaten
-een uur heel hard dooreen te schreeuwen in den bierkelder, de dikke stokken omhoog,
-de kleine hoeden achter op de hoofden; en ze goten zich het bier in uit de groote
-glazen, met airs van beproefde kneipers, schots en scheef op de stoeltjes, de buiken
-vooruit, de vesten ’n beetje opgestroopt, stukken overhemd er tusschen uit over den
-broekband.
-</p>
-<p>De bedaardste aanvankelijk was Adam Silver; hij deed wel mee, maar zonder enthousiasme;
-het hinderde hem nog, dat hij op dien tijd niet was, waar hij moest wezen: het instituut,
-waar hij interne was.
-</p>
-<p>Want de Verlandes hadden hem wel eerst bij <span class="pageNum" id="xd31e1607">[<a href="#xd31e1607">89</a>]</span>hen aan huis genomen, maar zij zagen zich in één verwachting teleurgesteld: het koel
-klimaat van het Westen hielp Adam zoo min aan vlugheid en aanleg, als aan lust tot
-hard werken; hij kwam wel wat vooruit, maar heel, heel langzaam; elk jaar minstens
-doubleerend. Alsof het bij wijze van compensatie was, zoo ontwikkelde hij physiek;
-het ging niet, dien grooten, zwaren kerel, lichamelijk met zijn zestiende jaar heelemaal
-een man, op de banken te laten zitten der gewone bijzondere scholen, tusschen jongetjes
-van tien, elf jaren. Verlande wanhoopte aan hem en was telkens boos; mevrouw had <i lang="ms">kasian</i> maar toch ook een zwaar hoofd in de toekomst.
-</p>
-<p>Hij moest weg naar een onderwijsinrichting met internaat; dan waren zij van een even
-noodelooze als vrijwillige verantwoordelijkheid af. Maar ze aarzelden, want ze hielden
-van hem om zijn goedheid en meegaand karakter. Tot één omstandigheid besliste. Adam
-had het werkmeisje tot „speelmakkertje” gekozen, en daar kon de familie niet tegen!
-<span class="pageNum" id="xd31e1614">[<a href="#xd31e1614">90</a>]</span></p>
-<p>Zóó was hij dan nu op een soort kostschool; had, omdat hij al „zoo’n kerel” was, verlof
-gekregen tot negen uren uit te gaan, en zat, veel later al, in ’n bierkelder met ’n
-troepje jongelui; zijn wroeging verdronk in het bier, dat hem naar het hoofd steeg;
-hij werd óók luidruchtig; zij liepen den kelder uit, naar café’s toe, grog inslikkend
-na het bier; en eindelijk, toen ze allerlei gelegenheden bezocht hadden, dronken en
-opgewonden, kwamen zij „in aanraking” met de politie.
-</p>
-<p>Adam werd ’s morgens door het hoofd van het instituut afgehaald om zijn eersten jeugdigen
-kater thuis te brengen; hij kreeg straf en een boetpreek, en daarmee was het op school
-wel uit, maar niet in zijn hart, dat hunkerde naar meer uitgaan en „jool” hebben.
-De herinnering deed hem bij zichzelf glimlachen; hij moest daar meer van hebben; en
-wel wist hij niet hoe dat aan te leggen, eerst, maar bij het wederzien van ’t vroolijke
-clubje, bracht men hem dat wel aan ’t niet vlugge verstand.
-<span class="pageNum" id="xd31e1619">[<a href="#xd31e1619">91</a>]</span></p>
-<p>Zij vonden, dat hij zich moest laten gelden, dat hij meer zelfstandigheid aan den
-dag moest leggen; „wâ-bliksem,” hij was geen kind! En zij vloekten erg flink, als
-vertoon van eigen groote zelfstandigheid. Hij moest niet schrijven naar Indië; hij
-moest maar „beren” maken, die zouden zelf wel aan „de-n-ouwe” schrijven om duiten.
-Adam vond dat wezenlijk goed gedacht; hijzelf, van nature zonder streken of listen,
-zou nooit op zoo iets zijn gekomen; uit den mond zijner vrienden klonk het hem als
-bezonken geleerdheid; hij zou toch niet tot een universiteit toegelaten worden en
-promoveeren; hij zou nooit aan de Delftsche academie komen en ’t groot ambtenaarsexamen
-doen; ook zou hij zelfs nimmer op een hoogere burgerschool of een gymnasium gaan en
-eenig eindexamen doen. Och, wat was dat nu? Er kon, dat besefte hij, geen quaestie
-van zijn, dat hij ooit eenig examen deed of daar moesten er worden ingevoerd in het
-bier drinken, rooken en de meisjes naloopen. Dàt kon hij uitstekend.
-<span class="pageNum" id="xd31e1622">[<a href="#xd31e1622">92</a>]</span></p>
-<p>Hij trok het zich niet aan, overtuigd dat hij ’t niet helpen kon. Het was nu eenmaal
-zoo. En dan, hij zou immers op het land gaan werken, zooals zijn broers deden; keerde
-hij terug naar Indië, dan behoefde hij niet bepaald „een betrekking” te hebben. Zijn
-vader was rijk, dat hadden de Verlandes gezegd. Nu moest hij nog praten met den directeur
-der school: hij moest meer vrijheid hebben. En toen hij daarmee aankwam, keek die
-hem eens aan, en schudde het hoofd; och, hij mocht hem wel; precies als iedereen,
-omdat het zoo’n goeie, aardige vent was; ook had hij het indische geld zoo lief als
-een Nederlander het slechts hebben kan; maar de reputatie van zijn instituut was hem
-nòg liever, en hij zag heel goed in, dat die bij Adam Silver niets te winnen had.
-</p>
-<p>„Heb je daar al over gesproken met meneer Verlande?”
-</p>
-<p>„Neen,” zei Adam. „Ik dacht niet dat het noodig was.”
-</p>
-<p>„Dan zal ik het wel doen.”
-<span class="pageNum" id="xd31e1628">[<a href="#xd31e1628">93</a>]</span></p>
-<p>De directeur deed het, maar heel anders; hij proponeerde voor Adam ergens bij een
-familie een kamer met <i>pension</i> te huren en hem dan privaatlessen te laten nemen in het instituut.
-</p>
-<p>Verlande dacht erover na.
-</p>
-<p>„Zou er iets van hem terechtkomen?”
-</p>
-<p>„Bedoelt u door studie?”
-</p>
-<p>„Ja, natuurlijk!”
-</p>
-<p>„Zoo heel natuurlijk vind ik dat niet; mijn knapste leerlingen kwamen niet het best
-terecht. Maar als u bedoelt of hij door studie in de gelegenheid zal komen carrière
-te maken, dan: neen, stellig niet!”
-</p>
-<p>Daar Verlande’s jongens het heel goed maakten, vond hij het verschrikkelijk.
-</p>
-<p>„Zijn ouders zijn immers zeer gefortuneerd?”
-</p>
-<p>„Dat wel. John Silver heeft aardig geld.… Bovendien, Adam kan op het land werken.”
-</p>
-<p>„Zoo heb ik ook gedacht. Al maakt hij hier dus een beetje pret, dan kan dat geen kwaad;
-hij is physiek zoo sterk als hij intellectueel zwak is en toch heeft hij een goed
-verstand; geen vlug, <span class="pageNum" id="xd31e1644">[<a href="#xd31e1644">94</a>]</span>geen geoefend.… Ik, die zooveel en zoo verscheiden jongens onderhanden krijg, heb
-over dien Adam nagedacht. Weet u wat ik zou zeggen?”
-</p>
-<p>„En?”
-</p>
-<p>„Dat hem zekere erfelijke aanleg ontbreekt, zooals dat met kinderen het geval moet
-zijn uit geslachten, die nooit iets aan leeren of studeeren hebben gedaan.”
-</p>
-<p>Verlande, die de geschiedenis kende, dacht aan <i lang="ms">njai Peraq</i>, van huis uit houdster van ’n <i lang="ms">warongje</i> in de kampong, en aan den grooten arabier, die niets kende dan ’n paar koranspreuken
-en deftig buigen. Zelf een <i lang="ms">njo</i> werd hij gauw wantrouwend tegenover <i lang="la">pur sang</i> europeanen, en hij dacht eerst, dat die „schoolmeester” de klok had hooren luiden
-en nu eens wilde vernemen waar de klepel hing, maar hij zag wel dadelijk aan de heele
-gezichtsuitdrukking, dat hij zich vergiste.
-</p>
-<p>„Weet u een geschikte gelegenheid voor hem?”
-</p>
-<p>Doch ook die verantwoordelijkheid werd niet geaccepteerd.
-<span class="pageNum" id="xd31e1665">[<a href="#xd31e1665">95</a>]</span></p>
-<p>„Het beste zou zijn.… een advertentie.”
-</p>
-<p>’t Was erg gauw in orde!
-</p>
-<p>Toen Adam het hoorde was hij dolblij. Van den kostjongen werd hij nu ineens een soort
-van student, een heer, want hij en al z’n vrienden waren het daarover eens, dat ’n
-jongmensch op kamers wonend en buitenaf les krijgend een heer en een student was;
-’n universiteit, nu ja, dat was eigenlijk maar ’n bijzaak, waar men, om student te
-zijn, best buiten kon.
-</p>
-<p>Hij „betrok” zijn kwartier, een eenigszins ouderwetsch met <i lang="en">second hand’s</i> goed gemeubelde kamer, in een prettige buurt en bij vriendelijke menschen, wier eenig
-doel al spoedig bleek hem lang te houden, omdat er zoo goed voor hem werd betaald.
-Wat hèm ’t best beviel, was de vrijheid; de groote vrijheid van te gaan hoe en waar-je-wil
-en te doen op je eigen kamer, wat-je-wil.
-</p>
-<p>Het was wel koud, maar hij schoof een der ramen hoog open, en ging ervoor zitten,
-de armen op de vensterbank, een lange sigarenpijp voor hem <span class="pageNum" id="xd31e1677">[<a href="#xd31e1677">96</a>]</span>uit buiten het raam, loerend naar de vensters aan den overkant, of er ook meisjes
-waren tusschen de schuine overgordijnen en achter de horretjes, boven of in de benedenhuizen,
-bij de étalages van mode- en toiletartikelen, pleizierig gestemd de drukke buurt overziend;
-het gejaag van bezige menschen met haast langs den weg; het hard trappelen van mooie
-glimmende equipage-paarden en het sleurig opbonken van doffe vigelantenknollen. Het
-was heerlijk, vond hij, dat alles te zien van zijn eigen „kast,” en niet meer in die
-ellendige kamer met vier bedden in het instituut als gevangen te zitten met drie <span class="corr" id="xd31e1679" title="Bron: kwa-jongens">kwajongens</span>, die haast al hun vrijen tijd doorbrachten met den neus in de boeken; niet meer te
-hebben, dat voor hem èlken dag wederkeerend pijn-in-den-buikachtig gevoel van een
-les overhoord te zullen worden, die men niet kent, van vragen te zullen hooren, die
-men niet kan beantwoorden; van werk te moeten meemaken, dat men niet begrijpt en dus
-onvermijdelijk fout maakt.
-<span class="pageNum" id="xd31e1682">[<a href="#xd31e1682">97</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e240">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="ELFDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">ELFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Onaangename brieven uit Holland.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De mail had drie brieven meegebracht voor John Silver; het waren er twee meer, dan
-hij ooit uit Holland had ontvangen. Wel ontving hij „<i lang="ms">kabar</i>” van de Verlande’s zoo nu en dan, en hij wist dus ook welke maatregelen zij hadden
-genomen,—nu, dàt was hem onverschillig,—maar met andere menschen in het Westen briefwisselde
-hij niet. En daar lagen nu vóór hem twee dikke brieven, geen prijscouranten of prospectussen,
-want die waren in open couverts en met drukwerk-postzegels er op; neen, ze waren goed
-dicht en met briefport gefrankeerd.
-<span class="pageNum" id="xd31e1693">[<a href="#xd31e1693">98</a>]</span></p>
-<p>Het waren Adam’s beren, die voor de eerste maal bescheiden en beleefdelijk brulden
-in het Oosten.
-</p>
-<p>In het eerst snapte John het niet; hij zat eenigszins sufferig te kijken op die groote
-enkel-vellen papier, en las de reusachtige hoofden met afdrukken van koninklijke wapens
-in het midden, zag de groote versierde aanvangsletters der firma-namen, en aan beide
-hoeken opsomming van alles wat in de magazijnen te krijgen was, en dan op een regel
-in geschreven schrift „WelEdelGeboren Heer; en vervolgens de mededeeling, dat zekere
-WelEdelGeboren Heer Silver te ’s Gravenhage <i>debet</i> was aan.… wegens aan ZWEdG. geleverd als volgt …<span class="corr" id="xd31e1699" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Nog nooit had John Silver zoo iets gezien; wat hij noodig had, kocht hij al z’n leven
-lang op de plaats zelf in de eenige Europeesche toko of bij den chinees, en daarvoor
-kreeg hij eens in de maand een rekening op ’n gewoon velletje blauw gelijnd papier,
-met twee roode dwarslijnen voor de guldens en de centen. Welk een geurmakerij zoo’n
-Haagsche <span class="pageNum" id="xd31e1703">[<a href="#xd31e1703">99</a>]</span>rekening! En dan die „WelEdelGeboren Heer”; dat was Adam!.… Adam!…
-</p>
-<p>Toen zijn eerste verbazing over was, schoot hij in een lach!
-</p>
-<p>Wel gévédé! dat was toch sterk! Adam, dat „hondenkind”!
-</p>
-<p>Maar hij nam de rekeningen weer op, en keek ze door, bedaard en ernstig. Het was onmogelijk;
-in zijn heele leven had hij, John Silver, zooveel jassen, broeken en vesten niet gehad,
-als die Adam in een paar jaren; en dan die andere, de groote, voor wijnen, dranken,
-sigaren,.… er stonden zelfs woorden op die hij niet kon uitspreken of begrijpen!
-</p>
-<p>Ja, de begeleidende briefjes—nu, dàt snapte hij gemakkelijk genoeg; men maande den
-Hoog WelGeboren Heer John Silver aan om het debet van den heer Adam Silver te voldoen.
-Ten naasten bij twee duizend gulden! Brutaalweg de mededeeling erbij, dat als niet
-binnen zes maanden de rekening was voldaan, de kerels rente gingen berekenen.
-</p>
-<p>Dan sprak men nog van woekeraars in Indië! <span class="pageNum" id="xd31e1711">[<a href="#xd31e1711">100</a>]</span>Als hij ’n jas noodig had, kocht hij ’n stuk wit of ander goed en liet het maken bij
-den chinees; en daar stonden op die rekeningen enkele jassen tot prijzen, waarvoor
-hij er een dozijn had!
-</p>
-<p>Wat een afzettersboel toch in dat Holland! Bij de tweeduizend pop!
-</p>
-<p>„Kom eens hier!” riep hij hoog en scherp tegen zijn huishoudster, die hij hoorde op
-de galerij. En toen zij binnenkwam: „Dat is me een gladakker, die meneer Adam! Dat
-is me een <i lang="ms">toean besar</i>, hoor! Wel gévédé!”
-</p>
-<p>Zij schrikte ervan; in lang had ze weer niets van den jongen gehoord en ze dacht voortdurend
-aan hem, hoe langer hoe meer, maar ze durfde niet vragen; ze had wel gevoeld, dat
-er iets niet in den haak was, dat Silver iets in z’n schild voerde en veel te bijzonder
-was ten opzichte van dat kind. Nu scheen hij weer heelemaal gek geworden; nu schold
-hij hem voor een „gladakker” en noemde hem tevens een groot heer.
-</p>
-<p>„Wat is er?” vroeg ze.
-<span class="pageNum" id="xd31e1723">[<a href="#xd31e1723">101</a>]</span></p>
-<p>„Wat er is: hier, hier!” riep hij, haar de rekeningen met de eene hand voor het gezicht
-houdend en met de andere erop slaande, dat het velijn papier trilde en knetterde:
-„Hij maakt schulden! Dat draagt jassen, ja, van tachtig gulden; dat drinkt fijnen
-wijn en rookt havanah sigaren; dat speelt in Holland den <i lang="ms">toean besar</i>. En mij sturen ze hier in Indië de rekeningen om te betalen. Zoo’n satansch honden.…”
-</p>
-<p>Silver schrikte van zijn eigen vervoering, ineens ophoudend.
-</p>
-<p>„Is hij gezond?” vroeg <i lang="ms">njai Peraq</i>.
-</p>
-<p>Daar stond Silver van te kijken. Zij, zij, die het geld zóó liefhad, die zoo gierig
-was, dat hij zelfs nooit had durven zeggen, wat hij maandelijks uitgaf voor dien Adam,—zij
-maakte geen misbaar, toen hij het groote bedrag genoemd had; het was alsof het niets
-was.
-</p>
-<p>„Stik!” zei hij in ’t Hollandsch en ging de kamer uit.
-</p>
-<p>Het was waarachtig te erg! Onderaan de rekeningen <span class="pageNum" id="xd31e1739">[<a href="#xd31e1739">102</a>]</span>was met een slordig schrift iets gekrabbeld; als men goed keek; zag men, dat het een
-voor-accoord-verklaring was, onderteekend: A. Silver. Wat ’n gemeen schrift! De minste
-<i lang="ms">djoeroe-toelis</i> kon het netter. En dat had zooveel geld gekost! <i>Enfin</i>,—’t kwam wel alles terecht; hoe meer hij nu genoot, des te beter.
-</p>
-<p>Toen hij zich dáármee had verzoend, kwamen andere overwegingen. Want hij had nu wel
-opgespeeld over het geld, en zijn haat eens gelucht—maar het zou hem nu niet hinderen,
-al betaalde hij het nog tienmaal; het liep financieel toch alles mee in den laatsten
-tijd.
-</p>
-<p>Er was iets aardigs in, vond hij; iets aardigs, dat die Haagsche tokohouders hem voor
-zoo’n groot heer hielden en hem zoo hoog betitelden. Het streelde zijn ijdelheid.
-Dat pleizier had hij er dus bovendien nog van! Natuurlijk zou hij de duiten sturen;
-niet om dat „hondenkind”, maar om zijn naam; die daar zoo’n goed figuur maakte achter
-het klinkend praedicaat.
-<span class="pageNum" id="xd31e1750">[<a href="#xd31e1750">103</a>]</span></p>
-<p>„Ik wou wat zeggen,” zei <i lang="ms">njai Peraq</i> bij hem komende.
-</p>
-<p>„Wat is het?” vroeg hij norsch.
-</p>
-<p>„Als je het geld voor Adam misschien liever niet betaalt, zal ik ’t wel geven van
-het mijne.”
-</p>
-<p>„Wat jij? wat jij?” riep hij kwaad. „Denk je, dat ik zelf niet kan betalen? Daar heb
-ik jou niet noodig voor.”
-</p>
-<p>Zij sloeg, nu ook uitvallend in toorn; met de hand op de tafel.
-</p>
-<p>„Wel, schreeuw dan zoo niet? Ben je een gek? Ben je een beest? Maakt een mensch zulk
-een leven als hij moet betalen voor zijn eigen kinderen?”
-</p>
-<p>Zij bemerkte niet in haar opkomende boosheid, wat zij trotseerde; haast werd het hem
-te machtig; het was de vrees voor haar, die ten slotte sterker was dan zijn opwellende
-drift; dáárom zweeg hij, schoon zijn ingevallen borst van groote aandoening zwoegde.
-</p>
-<p>Kort en daardoor uit de hoogte, waren zijn briefjes <span class="pageNum" id="xd31e1764">[<a href="#xd31e1764">104</a>]</span>aan Adam’s crediteuren; maar de wissels staken erin en hij schreef erover aan de Verlande’s,
-want op den brief van Adam wilde hij niet antwoorden; hij had dien al met tegenzin
-geopend en met diepe minachting voor het slordige adres; de aanhef: „Waarde vader”
-bracht hem geheel uit den koers; hij dacht een beroerte te krijgen van kwaadheid;
-hij verscheurde den brief ongelezen; neen,—betalen zou hij, maar daarmee uit; zich
-door dien welp van zoo’n smerigen arabier, „vader” te hooren noemen, en diens brieven
-te lezen, dàt was hem te machtig; dàt verdroeg hij niet.
-</p>
-<p>„Heeft het kind niet geschreven?” vroeg zijn huishoudster.<span id="xd31e1768"></span>
-</p>
-<p>„Het kind … het kind … ’t is waarachtig een lief kind!”
-</p>
-<p>Zij schudde er het hoofd over. „Ik kan hem niet anders voor mijn oogen krijgen, dan
-als een kind.”
-</p>
-<p>„Nou, maar <i>ik</i> dan wèl, hoor, en voor mijn portemonnaie ook!”
-<span class="pageNum" id="xd31e1777">[<a href="#xd31e1777">105</a>]</span></p>
-<p>„Schrijft hij nooit?”
-</p>
-<p>John Silver lachte hoonend.
-</p>
-<p>„Ja hij zal nog schrijven!” loog hij ontwijkend. „Denk maar niet, dat je ooit een
-brief van hem zult krijgen.”
-</p>
-<p>„Ik niet. Wat zou ik er aan hebben? Ik kan het immers toch niet lezen. Maar waarom
-schrijft hij niet aan jou? Doet hij het niet? De mandoer, die naar het postkantoor
-is geweest, zei, dat er drie brieven uit Holland waren; de rekeningen waren maar twee.…”
-</p>
-<p>„Een was van mevrouw Verlande,” loog hij.
-</p>
-<p>„Vertelde zij niets over hem? Je was kwaad, toen ik vroeg of hij gezond was. Mag een
-moeder niet meer vragen of haar kind wèl is? Begrijp je dat niet?”
-</p>
-<p>„Ik was kwaad om dat geld. Zeur toch niet, hè? Is het misschien nog niet genoeg, dat
-die rakker me zooveel duiten kost? Moet jij me nu nog vervelen met je gezanik?”
-</p>
-<p>„Ik vraag enkel maar of hij gezond is en je <span class="pageNum" id="xd31e1787">[<a href="#xd31e1787">106</a>]</span>wilt me niet antwoorden; je zegt maar zoowat … zoowat … je spreekt altijd maar kwaad
-van hem … Wat is een vader; die <i>zijn eigen kind</i> haat?”
-</p>
-<p>Zij speelde hoog spel; ze was zich daarvan volkomen bewust; ze wilde eindelijk weten
-of haar vrees gegrond was; ze had hem straks aangekeken, toen ze nadruk lei op het
-<i lang="ms">anaknja sendiri</i>, en zij <i>had</i> zekerheid! <i>nu</i> was het haar volkomen helder, nu wist ze, dat hij vermoeden had van de waarheid.
-</p>
-<p>Want toen ze hem die woorden als in het gezicht wierp; haar groote goedige oogen recht
-op de zijne en haar gelaat rustig, onverstoorbaar in het volle licht, de trekken onbewogen
-als een Vishnoe; was het hem of hij het ondersteboven ging; hij voelde, dat hij hevig
-ontstelde en dit te zien moest wezen aan z’n gezicht; hij stamelde een paar losse
-woorden, die hij zich een minuut later niet meer herinnerde; hij trachtte minachting
-te veinzen voor haar gepraat, en ging heen, den tuin in, als een dronken man.
-<span class="pageNum" id="xd31e1803">[<a href="#xd31e1803">107</a>]</span></p>
-<p>Het was verschrikkelijk! Had zij zóó kunnen wezen, als het waar was, wat hij nu al
-zooveel jaren vast geloofde? Kon zoo’n gewone inlandsche vrouw zóó brutaal, zoo verregaand,
-zoo onovertroffen listig en bedriegelijk zijn, als zij had moeten wezen om hem met
-zulk een gezicht en op zulk een toon dat „eigen kind” naar ’t hoofd te gooien? En
-toch … Neen, het was geen zoon van hem; het <i>kon</i> er geen zijn! Dáár, dáár kwam er een aan, van het land, op z’n bloote voeten, de
-slaapbroek opgestroopt, en ja, dat was nu een dikke vette kerel geworden net als <i lang="ms">njai Peraq</i> met heel veel in figuur en gezicht van de moeder, maar toch zag men in één oogopslag,
-dat het ’n kind was van hem, John Silver. Daaraan viel niet te twijfelen.
-</p>
-<p>Maar ’t hielp niet of hij al redeneerde,—hij kon de manier niet vergeten, waarop ze
-hem dàt had gezegd; het was <i lang="ms">terlaloe</i>! En elk oogenblik van den nacht en den dag, zag hij haar weer in die groote kalmte,
-die geloof opdringt.
-<span class="pageNum" id="xd31e1816">[<a href="#xd31e1816">108</a>]</span></p>
-<p>Het werd een <i lang="fr">idée fixe</i>; uren kon hij voortaan stil zitten <i>pikiren</i>, met de hardnekkigheid van een lijder, die denkt aan zijn ongeneeslijke kwaal, die
-geheel erdoor wordt in beslag genomen en ten slotte over niets anders haast meer denken
-kan, dan zijn kansen van levensduur.
-</p>
-<div class="figure o102width"><img src="images/bottom6.png" alt="Ornament." width="129" height="64"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e1827">[<a href="#xd31e1827">109</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e249">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="TWAALFDE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">TWAALFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Een mislukt jongmensch.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Adam <i>pikirde</i> niet. Binnen de drie maanden had hij al beleefde brieven van zijn leveranciers, dat
-zijn papa geremitteerd had; zij waren erover uit; zij recommandeerden zich. Crediet?
-Wel als ’t ware ongelimiteerd! Juist dat korte briefje van John Silver had zoo’n effect
-gemaakt samen met het geld. Het leek zoo uit de hoogte en dat had imponeerend gewerkt.
-En Adam, die wel ’n beetje bang was geweest al dien tijd, leefde heelemaal op. Dien
-dag gaf hij er de privaatlessen aan, waarvan hij toch al zoo weinig profiteerde, bestelde
-hij van alles wat hij noodig had, niet mondjesmaat, maar op de royaalste <span class="pageNum" id="xd31e1836">[<a href="#xd31e1836">110</a>]</span>manier, onthaalde zijn vrienden op zijn kamer, tot ze in gloeiende toasten het bewijs
-van hun lichtbewogenheid gaven, en nam zich voor Nora Tiele serieus het hof te maken.
-Nu „de oude” zich zóó royaal toonde en zelfs niet mopperde, was het toch waar, wat
-hij al zoo dikwijls van anderen had gehoord; dat de Silvers wezenlijk gefortuneerd
-waren.
-</p>
-<p>Welk bezwaar had het dan in, dat hij Nora vroeg, den een of anderen dag? Een positie …
-neen, zelfs geen idée van ’n kans daarop. Maar waartoe ook? Een fortuin was beter.
-Wie dàt kon aanbieden, zou men toch zeker niet naar een armzalig „baantje” vragen!
-</p>
-<p>Den ochtend na zijn feestje, dat hij de eerste overwinning zijner beren noemde, werd
-hij zeer berooid wakker; bij het kwartlicht van een donkeren regenochtend, zag hij
-hoe beestachtig zijn kamer er uitzag, hoe wanhopig zijn oppasser het stond aan te
-zien; hoorde hij hoe kijvend de stem van zijn hospita op het portaal klonk, waar zij
-stond <span class="pageNum" id="xd31e1841">[<a href="#xd31e1841">111</a>]</span>uit te cijferen, wat Adam haar moest betalen voor het bederven van karpetten, tafelkleeden
-en gordijnen door wijn- en andere vlekken.
-</p>
-<p>Het leek hem alles met een grauwgrijs overgoten, wat hij hoorde als wat hij zag; in
-zijn warm hoofd bonsde het met groote regelmatigheid; droge mond en rauwe keel eischten
-water en lucht; zoo guur als het was, gooide hij de ramen open en hield zijn gezicht
-wel een minuut lang in het water van een lampetkom; de oppasser was intusschen bezig
-met het opruimen van glazen, flesschen en de rest.
-</p>
-<p>Langzamerhand kwam er weer orde en frissche lucht in de kamer en grooter genietbaarheid
-over den persoon van Adam. Wel zagen zijn oogen rood en was zijn gezicht wit toen
-hij geeuwend, huiverend en rekkerig voor het open venster ging zitten, geheel gekleed
-nu; wèl smaakte hem de sigaar niet, en wierp hij die weg, op de straat,—maar hij knapte
-toch op, en genoot van zijn kop thee, toen het binnentreden van een dame hem <span class="pageNum" id="xd31e1846">[<a href="#xd31e1846">112</a>]</span>verschrikt deed opstaan; het was mevrouw Verlande.
-</p>
-<p>Zij zag er nog heel goed uit, al was ze de veertig voorbij; zoo goed geconserveerd,
-zoo vlug en veerkrachtig, met frissche blozende kleur, <i>relief</i> gevend aan het blauw en blond van oogen en haar, dat ze had kunnen doorgaan voor
-tien jaren en meer, jonger. En hij, Adam, opstaande tegenover haar, in de vroegrijpheid
-zijner physiek, een volwassen man.… Mevrouw Verlande snapte ineens de nooit gedachte
-mogelijkheid, dat er voor de wereld iets geks kon zijn in een ochtendbezoek van haar
-aan Adam Silver; aan den kleinen A. het roodkieltje!
-</p>
-<p>Eenigszins bedremmeld keek zij rond, ruikend de alles doortrokken hebbende kroeglucht
-van sigaren en wijn; aan den wand floretten, sabels en schermmaskers; op de tafel
-en den schoorsteenmantel portretten van min of meer gekleede „tingeltangelinnen”;
-de penantspiegel geflankeerd met duitsche pijpen,—en tegenover haar die groote, zware
-<span class="pageNum" id="xd31e1854">[<a href="#xd31e1854">113</a>]</span>kerel met z’n donker uiterlijk en aankomend baardje. Was het mogelijk?
-</p>
-<p>„Hoe maakt u het?” vroeg hij goedig en eenigszins onthutst een stoel aanschuivend:
-„Gaat u zitten.”
-</p>
-<p>„Heel goed, dank je … Neen, ik ga niet zitten … Ik moet weer dadelijk heen. Je pa
-heeft geschreven.”
-</p>
-<p>Daar zweeg hij op, knikkend enkel met het hoofd.
-</p>
-<p>„Dat gaat zoo niet.”
-</p>
-<p>„Waarom niet?” vroeg Adam glimlachend.
-</p>
-<p>„Wat moet er op zoo’n manier van je worden A.? Je leert haast niets meer, en … en
-eigenlijk weet je nog niks.”
-</p>
-<p>„Pa is immers rijk. Laat mij nu maar wat pret hebben hier, zoolang het duurt.”
-</p>
-<p>„Zoolang tot het je pa verveelt, en wat dan?”
-</p>
-<p>„Dan ga ik naar Indië, werken op het land.”
-</p>
-<p>„Het is wat moois! Dáárvoor heb je dan zooveel geld gekost en een opvoeding in Holland
-genoten.”
-</p>
-<p>„Ik kan ’t niet helpen, mevrouw; ik geloof niet, <span class="pageNum" id="xd31e1869">[<a href="#xd31e1869">114</a>]</span>dat ik zooveel dommer ben als de rest, maar ik kan niet leeren, niet onthouden, dàt
-is het.”
-</p>
-<p>„Malligheid, je geeft je geen moeite, je bent lui.”
-</p>
-<p>„Ja,” zei hij met overweldigende openhartigheid. „Dat is waar, ik ben lui, het is
-ongelukkig.”
-</p>
-<p>„Als een jongmensch zich beteren wil, dan kan hij ook.”
-</p>
-<p>„Dáárvan niet, mevrouw. Geloof me, ik wilde wel, dat het anders was; maar als ik een
-boek in handen neem en ik span me vijf minuten in … in …”
-</p>
-<p>„Dan?”
-</p>
-<p>„Dan val ik in slaap.”
-</p>
-<p>Zij moest erom lachen. Neen, ze wist het wel van vroeger, dáár was niets tegen te
-doen! En ze nam hem nog eens op, dien <i>brute</i>, van top tot teen, wiens stoffelijk bestaan zulk een scherpe tegenstelling vormde
-met zijn geestelijk. Maar tegelijk dacht ze eraan, dat ze niet langer kon blijven.
-</p>
-<p>„Probeer het, A., en maak geen schulden; dàt <span class="pageNum" id="xd31e1884">[<a href="#xd31e1884">115</a>]</span>is altijd slecht; het behoeft immers niet, want je hebt zonder dat van alles voldoende;
-meer dan de meeste andere jongelui.”
-</p>
-<p>Hij beloofde zijn best te zullen doen, wijl zij het graag had; maar hij dacht er in
-’t geheel niet bij, meer beziggehouden door het geklop in z’n hoofd, dat opnieuw en
-erger was begonnen.
-</p>
-<p>Toen ze hem de hand reikte, nam hij die, en wou, net als hij van ouds gewoon was,
-toen zij hem als kind met de andere kinderen te bed lei, haar ook een zoen geven.
-Maar zij trok zich snel terug en liet haar voile neer, niet willende laten zien, dat
-ze een kleur kreeg. Drommels neen, dat ging niet, vond mevrouw Verlande; zij was niet
-oud genoeg om zich door zulk een jongen man op diens kamer te laten kussen, al had
-ze hem ook als kind op den schoot gehad.
-</p>
-<p>Hij zag het en lachte erom, tevreden over het effect van zijn persoon. In al <i>zulke</i> zaken was hij in ’t geheel niet dom; niet traag van begrip. Integendeel, daar had
-hij een scherp oog voor, als <span class="pageNum" id="xd31e1892">[<a href="#xd31e1892">116</a>]</span>iets hem zelf betrof, want nog meer dan van Nora Tiele, die hij ’t hof wou maken en
-ten huwelijk vragen, hield hij van zijn eigen persoonlijkheid.
-</p>
-<p>Zich beteren! Als hij het goed inzag, viel er in ’t geheel niets te beteren. Nu ja,
-schulden maken is niet goed, voor wie geen vader heeft, die ’t betalen kan en wil.
-Maar zoo gelukkig <i>was</i> hij immers! En in den loop van den dag verdween met den kater, het weinige effect
-der vermaning van mevrouw Verlande.
-</p>
-<p>Toen hij zoo, goed gekleed, het Noordeinde inliep, ’s middags tusschen de talrijke
-flaneurs, had hij volkomen het <i>air</i> van een deftig jonkman, door zijn ernstig, donker gezicht den indruk makend van iemand,
-die iets omhanden heeft bij de diplomatie of zoo. Hij overwoog wat en hoe hij doen
-zou met Nora Tiele.
-</p>
-<p>Dat ze van hem hield, wist hij; trouwens, dat wist hij van zooveel meisjes uit de
-kringen, die de Verlande’s frequenteerden, en waartoe ook sommige vrienden behoorden:
-deftige menschen <span class="pageNum" id="xd31e1905">[<a href="#xd31e1905">117</a>]</span>met mooie betrekkingen, maar levend boven hun krachten meest; de gewone geschiedenis.
-Hij kon in die kringen meisjes <i lang="fr">à prendre</i> vinden bij dozijnen: hij had de reputatie van een millionnairszoon te wezen; dáárom
-was hij voor de meesten onweerstaanbaar; maar er waren er ook; die hem bijzonder graag
-mochten om zijn persoon. En dan, hij was niet zoo wijs. Hij vond het gewone jongedames-conversatie-peil
-niet beneden zich, en dat was het ook niet. Als er jongelui in gezelschap waren, die
-hun beetje geleerdheid te luchten hingen, zweeg hij maar en keek enkel met zijn goedige
-zwarte oogen naar de meisjes, die dan toch nog meer naar hem keken, dan ze luisterden
-naar de praters; doch als het niet gevaarlijk was en zijn onwetendheid niet dreigde
-hem koopjes te geven; als er werd gesproken over de kennissen, over uitgaan en pret
-maken of de geschiedenisjes van den dag, dan sprak hij heel gezellig mee.
-</p>
-<p>Zou hij zich nu ineens en officieel aan Nora Tiele binden en haar zóó het hof maken,
-dat hij <span class="pageNum" id="xd31e1912">[<a href="#xd31e1912">118</a>]</span>fatsoenshalve niet anders doen kon dan haar hand vragen aan haar vader? Zij trok hem
-aan, heel sterk; hij verlangde er dol naar, haar in de armen te nemen, te kussen.….
-och, dat laatste niet zoozeer; daar hield hij eigenlijk in ’t geheel niet van; enkel
-uit gewoonte en vriendschappelijk, vond hij, kon het erdoor; als liefdebetoon niet;
-dat eischte bij hem iets anders. En als hij zoo pikirde meende hij, dat het verkeerd
-was zich te haasten, hij kon het wel <i>plan-plan</i> aanleggen, en een heel stil vrijagetje met haar beginnen; dat zou best gaan; dan
-bleef hij vrij, en er waren honderd redenen voor één, die hij kon aanvoeren.… Hij
-drukte op den belknop in de deurpost, en hij werd hartelijk ontvangen.
-</p>
-<div class="figure o112width"><img src="images/bottom2.png" alt="Ornament." width="65" height="41"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e1919">[<a href="#xd31e1919">119</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e258">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="DERTIENDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">DERTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Een voorzichtige moeder.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De oude heer Tiele, recht en mager als een liniaal, de grijze bakkebaarden in punten
-omlaag, den grooten smallen neus op het wijkend gezicht, heelemaal geen face haast,
-met overdadig profiel als een vogel, keek hem uit kleine blauwe kraaloogjes vriendelijk
-aan, ’n welwillend glimlachje om de dunne lippen; zijn famielje had altijd behoord
-tot den eersten burgerstand; zij hadden altijd hun hoogst respectabele maatschappelijke
-positie gehandhaafd, maar daar hadden ze dan ook voor gestreden; geworsteld letterlijk.
-Nooit was er ook maar eenig kapitaal gekomen; in vier, vijf geslachten <span class="pageNum" id="xd31e1926">[<a href="#xd31e1926">120</a>]</span>achtereen was het altijd door zuinigheid met zelfbedwang voor en na geweest, en nu
-was over Tiele op z’n gevorderden leeftijd als ’n gouddorst gekomen. Die Adam Silver,
-die werk maakte van Nora, mocht dan een Indische jongen zijn, het kind eener inlandsche
-vrouw, er mocht aan zijn fortuin „een luchtje” zijn, zooals naar goed-hollandsche
-begrippen aan alles is wat uit Indië komt; hij was de zoon van een rijken vader; hij
-zou zelf eenmaal <i>rijk</i> zijn.
-</p>
-<p>En hij was zoo dom en zoo goed, dat de heele familie Tiele eigenlijk dat fortuin zou
-trouwen … Dat dit alles zoo uitgemaakt was, vermoedde Adam in de verste verte niet,
-dat hij bij de Tiele’s reeds als toekomstig schoonzoon was ingelijfd, en in zekeren
-zin de grondslag was, waarop de familie haar geldelijke toekomst bouwde,—het kwam
-niet bij hem op.
-</p>
-<p>Hij dronk ’n kopje thee mee in het minder modern dan gezellig salon, te klein voor
-het huisgezin, en te vol met pouffes en andere zitjes, met <span class="pageNum" id="xd31e1933">[<a href="#xd31e1933">121</a>]</span>tafeltjes en overladen hoekjes en étagèretjes, meest het resultaat van de huisvlijt
-der dochters, die met tapisserie, of smaak- en schilderwerkjes wonderen deden, de
-onoogelijkste houten geraamten omzettend in wezenlijk smaakvolle voorwerpjes door
-het overtrekken met zijde en satijn; door goudborduursel en miniatuur aquarelletjes.
-Alles lief, aardig, honneponnig, snoezig!
-</p>
-<p>Tusschen de blonde, blanke slankheid der jonge Tiele’s en de magerheid der ouderen,
-waarvan de booze Haagsche mindere wereld zei: dat men hen kon hooren rammelen,—zat
-Adam Silver in het koude licht van den zonloozen herfstnamiddag als een <i>pagode</i>, moeilijk met zijn breedte op een klein stoelzittinkje, den wandelstok onder de hand,
-den hoed op een voetenbankje vóór hem, een goedig lachje om de lippen, pratend met
-de meisjes Tiele het onnoozel geleuter van den dag. En nu hij weer zoo dicht bij Nora
-zat, en in haar mooi-blanken hals keek of naar haar vriendelijke oogen of smalle sneeuwwitte
-handjes, raakte hij erger op haar verliefd; <span class="pageNum" id="xd31e1939">[<a href="#xd31e1939">122</a>]</span>zou hij in staat zijn geweest het dadelijk ernstig te meenen, zonder reserves, met
-gereede plannen.
-</p>
-<p>Maar heel even had hij gelegenheid haar alleen te spreken; hij vroeg haar uur en plaats,
-en zij gaf het hem voor den volgenden dag, op het gewone wandelterrein van iedereen.
-Adam kon niet zeggen, dat ’t hem meeviel; het zou dus dadelijk zich afficheeren wezen,
-en al aarzelde hij voor niets tegenover haar bekoorlijkheden,—als hij alleen was,
-dacht hij weer anders.
-</p>
-<p>Het kwam niet bij hem op weg te blijven, al betreurde hij zijn voorbarigheid.
-</p>
-<p>’t Viel hem erg mee, dat Nora niet alleen, maar met een der jongere meisjes liep;
-’t was juist zóó vol dien dag en net of alle vrienden en kennissen elkaar <i lang="fr">rendez-vous</i> hadden gegeven.
-</p>
-<p>Maar nu er iemand bij haar was, hinderde dat niet; nu kon hij haar veilig aanspreken
-en mee opwandelen; anders alleen met haar, zou dadelijk een praatje van „engagement”
-de ronde hebben gedaan.
-<span class="pageNum" id="xd31e1950">[<a href="#xd31e1950">123</a>]</span></p>
-<p>Nu kwamen er ook heel gauw meer jongelui bij, groetend en pratend, even stilstaand
-voor de winkelétalages, sommigen een eind mee opwandelend. Zelfs de oude mevrouw Tiele
-sloot zich aan en op een gegeven moment kon Adam nog enkel goeden dag zeggen en heengaan,
-wijl de familie huiswaarts keerde.
-</p>
-<p>Hij wist nu niet meer of hij blij wezen zou of er spijt van hebben, dat het zoo gek
-gegaan was. Wel had hij Nora dikwijls aangekeken en zij hem, buitengewoon lief en
-aanmoedigend;—maar dàt was toch de bedoeling niet geweest. Toen hij haar vroeg: waar
-en wanneer, dacht hij aan heel iets anders, dan een ontmoeting, die zonder afspraak,
-precies eender had kunnen zijn.
-</p>
-<p>Thuis bij de Tiele’s had Nora ’s avonds te voren haar mama verteld, wat Adam Silver
-haar gevraagd, en wat zij geantwoord had. En mama keek bedenkelijk.
-</p>
-<p>„’t Is wat haastig,” zei ze.
-</p>
-<p>Nora vond dat eigenlijk ook.
-<span class="pageNum" id="xd31e1958">[<a href="#xd31e1958">124</a>]</span></p>
-<p>„Het is me ontsnapt, hij vroeg het zoo opeens, en zoo ronduit.…”
-</p>
-<p>„Je hadt voorzichtiger moeten zijn. Hij is nog niet serieus genoeg.”
-</p>
-<p>Daar lachte Nora luid om op. „Verbeel-je, dat die goeie Adam Silver „serieus” moest
-worden!”
-</p>
-<p>„Je begrijpt me niet,” zei haar moeder, „ik ben een beetje bang voor hem.”
-</p>
-<p>„Maar ma!”
-</p>
-<p>„Zeker. Met al z’n goedigheid en weinige kennis, heeft hij iets over hem … Ik weet
-het niet, maar zoo koel, zoo cynisch zou ik haast zeggen.”
-</p>
-<p>„Hij is niet demonstratief.…, dat mag ik juist in hem.”
-</p>
-<p>„Het is alles goed en wel, maar zoo er met den tijd veel verandert,—verliefde jongelui
-blijven altijd dezelfden; men kan het hun aanzien; aan hem merkt men haast niets.”
-</p>
-<p>„Nu,” zei Nora, „ik ben blij, dat hij niet zoo’n aansteller is; niets is akeliger
-dan een „verliefd jongmensch” zooals u het bedoelt. Zoo <span class="pageNum" id="xd31e1970">[<a href="#xd31e1970">125</a>]</span>jong als hij is, is hij daar teveel man voor.”
-</p>
-<p>„Teveel man, dàt geloof ik ook; dat is het juist, waarvoor ik bang ben. Er is zoo’n
-tegenstrijdigheid in hem. Wij weten heel goed, dat hij weinig heeft geleerd; zóó weinig,
-dat het beschamend is; hij heeft zelfs nooit admissie-examen kunnen doen. En als hij
-u aanziet met zijn groote oogen en over de banaalste dingen praat met goedigen ernst,
-dan maakt hij een oppervlakkigen indruk van superioriteit.”
-</p>
-<p>„Het is waar,” erkende Nora, eenigszins verwonderd, nu haar eigen indruk door haar
-scherpzinniger moeder zoo duidelijk werd weergegeven. „Het is waar, ma; God, wat hebt
-u hem geobserveerd.”
-</p>
-<p>„Dan zit hij daar,” ging mevrouw Tiele voort, het bleeke magere gezicht steunend met
-de beenige hand, „als een oudere onder de jongeren, vrijmoedig, kalm, als met een
-vorstelijke waardigheid. En het is geen poseeren van hem, dat in ’t geheel niet; het
-is de aard van zijn heele wezen. Dan <span class="pageNum" id="xd31e1976">[<a href="#xd31e1976">126</a>]</span>zou men hem, zoo op het oog, voor een diepzinnig jongmensch houden, en als men hem
-kent, zooals wij hem kennen, is dat zoo dwaas.… Ik kan er niet overheen komen.”
-</p>
-<p>„Het is waar, ma; het is waar, doch het doet er immers niet toe. Beter zoo, dan dat
-hij er een onnoozel uiterlijk bij had.”
-</p>
-<p>„Maar hij <i>is</i> niet onnoozel, Nora; geloof me, ten minste niet zooals wij dat hier begrijpen, hij
-heeft een <i lang="fr">je ne sais quoi</i>…”
-</p>
-<p>„Dat niet in zijn nadeel is.”
-</p>
-<p>„Neen, maar dat ik wantrouw. Dáárom blijf ik erbij: je bent te haastig geweest.”
-</p>
-<p>„Afwijzen kon ik hem toch niet; ik <i>wilde</i> het ook niet. Ik houd van hem, meer, veel meer, dan van de anderen, misschien juist
-om wat u daareven zei.”
-</p>
-<p>„Natuurlijk niet. Maar je moet hem nog zelfs den vinger niet geven, laat staan de
-hand.”
-</p>
-<p>Zoo kwam het, dat Adam in zijn verwachtingen werd teleurgesteld; wèl had ’t hem genoegen
-gedaan, dat hij zich nu niet had moeten „afficheeren,” <span class="pageNum" id="xd31e1996">[<a href="#xd31e1996">127</a>]</span>maar het <i lang="fr">rendez-vous</i>, dus verloopen, had toch zijn ijdelheid gekwetst, en zeer onvoldaan over het eindresultaat
-ervan, ging hij een restaurant binnen en bestelde er een eenvoudig maal, zooals hij
-in het eten altijd matig en slechts in het drinken onmatig was onder vrienden, en
-als hij „meedeed” met de zucht om vooral niet onder te doen.
-</p>
-<div class="figure o121width"><img src="images/bottom8.png" alt="Ornament." width="130" height="68"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e2004">[<a href="#xd31e2004">128</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e267">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="VEERTIENDE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">VEERTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Een onaangename verrassing.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het kwam er weer toe, dien avond; nauw ’n half uur later, zat men om de tafel, waar
-hij alleen was gaan zitten, met z’n vieren; het diner werd uitgebreid; goede wijn
-volgde, en het ging er later, op los, tot hij ’s nachts thuis kwam en uit gewoonte
-zijn kamer en zijn bed vond, moê en duizelig, slapend bijna voor hij zich had ontkleed.
-</p>
-<p>En toen hij ontwaakte, den volgenden ochtend, zag hij eerst, dat op zijn toilet een
-brief uit Indië lag, niet van „den ouden,” want die schreef altijd keurig, maar met
-een slordige ruwe hand aan hem geadresseerd.
-<span class="pageNum" id="xd31e2012">[<a href="#xd31e2012">129</a>]</span></p>
-<p>Het bovenschrift: „Waarde Adam,” leerde hem niets, maar de handteekening: „Bram Silver”
-wees hem den weg. Het was dus een brief van zijn broer, den eersten, dien hij ooit
-in z’n leven had ontvangen. Hij deed z’n best zich iets te herinneren van z’n broer
-of z’n ouders, maar vruchteloos. Met moeite las hij het schrift, door de ruwe halen
-onduidelijker dan het scheen. „Op last van moeder schrijf ik u. De oude heer is al
-lang erg zenuwachtig, maar in den laatsten tijd nam die ziekte zóó toe, dat hij er
-suf en malende van geworden is. De dokter zegt, dat pa een <i lang="fr">idée fixe</i> heeft, en er iets is, waarover hij altijd tobt, doch dat hij uit gewoonte verzwijgt.
-Het eenige wat hij uitspreekt, soms in dagen achtereen, is uw naam. Dan loopt hij
-maar door het huis, praat tegen niemand, maar schudt telkens het hoofd en zegt: Adam,
-Adam! Deze omstandigheid en de toenemende zwakte van pa, brachten den dokter op het
-idee, dat het misschien goed kon zijn, als jij hier waart. Daar je toch in Holland
-niets omhanden <span class="pageNum" id="xd31e2018">[<a href="#xd31e2018">130</a>]</span>hebt en dus best komen kunt, heeft moeder mij opgedragen je te schrijven met de eerste
-boot passage naar hier te nemen. Ik heb ook moeten schrijven aan mijnheer Verlande,
-die voor het geld en zoo zorgen zal.
-</p>
-<p>Voor de rest gaat hier alles tamelijk wel; alleen zijn de perken erg achteruit gegaan
-en heeft pa dit jaar met andere dingen veel geld verloren. Enfin, dat komt terecht.
-Hopende je spoedig hier te zien.
-</p>
-<p class="signed">Je toegenegen broer
-<br><span class="indentxd31e2023"></span><span class="sc">Bram Silver</span>.”
-</p>
-<p>Zoo suf kon John Silver niet wezen als Adam, nadat hij dien brief gelezen had, op
-den rand van zijn bed zat te kijken. Wel, hij had altijd geweten, dat hij naar Indië
-moest; dat er een eind zou komen aan het lui en lekker leventje in Den Haag; hij had
-daar zelfs meer dan eens over gesproken, zoo, ter loops, als het in de rede te pas
-kwam; nu bleek het ermee ernst te zijn als met den <span class="pageNum" id="xd31e2029">[<a href="#xd31e2029">131</a>]</span>dood, die ook iedereen weet, dat onvermijdelijk komen moet, maar op wien niemand,
-als hij komt, ook maar in het minst is voorbereid.
-</p>
-<p>Naar Indië! Weer trachtte hij zich iets te herinneren, maar het ging niet; hij kwam
-niet verder dan de kostschool te Batavia, en dat zei hem eigenlijk niets. Van vader,
-moeder, broers, zusters, eigen woning aan de kust van een ander groot eiland dan Java,—niets,
-niets! Het lachte hem niet toe; in ’t geheel niet! Hij was in het Europeesche leven
-heelemaal ingegroeid, en hij had daar veel mee op; Indische menschen beschouwde hij,
-een echten <i lang="ms">totoh</i> gelijk, eigenlijk als een graadje minder; zij trokken hem niet aan, en als hij er
-nu en dan een ontmoette bij de Verlande’s, hield hij zich op een afstand en had nimmer
-gevolg gegeven aan invitaties om ’reis ’n visite te komen maken en de kennismaking
-voort te zetten.
-</p>
-<p>Die gedachten kwamen zoo allemaal bij hem op en voor zijn doen was dat overweldigend
-veel. Met diepe rimpels in zijn voorhoofd van dat moeilijke <span class="pageNum" id="xd31e2038">[<a href="#xd31e2038">132</a>]</span>en hem hoe langer hoe ongewoner wordend denkwerk, kleedde hij zich, ontbeet als machinaal,
-en ging de deur uit, regelrecht naar de Verlande’s.
-</p>
-<p>Ja, die hadden hun brief van Bram ook ontvangen, daags te voren in den namiddag, en
-ze hadden Adam eigenlijk ’s avonds al verwacht.
-</p>
-<p>„Ik heb je passage direct besproken; over acht dagen moet je aan boord zijn.”
-</p>
-<p>En toen Adam hem zoo onnoozel aankeek, alsof hij van ’t heele geval niets begreep,
-en tegelijk zoo bedroefd, als iemand, die gevonnisd wordt, moest hij in zichzelf lachen,
-en deed met opgetrokken wenkbrauwen een langen haal aan z’n sigaar.
-</p>
-<p>„Ja, beste jongen, het was toch altijd je voorland; dat wist je.”
-</p>
-<p>„En Indië is een <i>goed</i> land,” bevestigde mevrouw Verlande met nadruk.
-</p>
-<p>Nu lachte haar man luid en spottend; hij, een <i lang="ms">njo</i>, was nergens liever dan in Europa; hij kon zich maar niet begrijpen, dat zoo’n <i lang="fr">pur sang</i> Hollandsche als zijne vrouw, altijd zooveel goeds zei van Indië.
-<span class="pageNum" id="xd31e2057">[<a href="#xd31e2057">133</a>]</span></p>
-<p>„Zeker,” zei ze, „ik heb altijd veel van Indië gehouden, en dat doe ik nog.”
-</p>
-<p>„Ik heb liever een broodje met kaas,” spotte hij voort … „Maar laat ons geen gekheid
-maken; het is kort dag voor Adam, hij moet zijn uitrusting hebben.”
-</p>
-<p>Dáárvoor zou mevrouw zorgen; Adam had niets te doen, dan bij den leverancier zich
-de maat te laten nemen, zei ze. Maar toen Verlande hem meenam naar het kantoor, bleek
-het, dat er nog dozijnen dingen waren, die hij noodig had en zich moest aanschaffen;
-Verlande maakte er een lange lijst van en gaf Adam geld om zich alles aan te schaffen;
-doch hoe gemakkelijk en eenvoudig dat leek, het gaf Adam een gevoel van ongewone drukte,
-dat hem <i lang="ms">bingoeng</i> maakte.
-</p>
-<p>En dan Nora Tiele! Hij kon, meende hij, nu in allen ernst, niet zóó maar weg gaan;
-hij voelde ineens meer voor haar dan ooit vroeger, buiten haar tegenwoordigheid; hij
-had de sterke overtuiging, dat hij zich aan haar declareeren moest en <span class="pageNum" id="xd31e2067">[<a href="#xd31e2067">134</a>]</span>er ook over spreken met haar vader. Wel had hij geen vaag idée van wat hij moest uitvoeren,
-in Indië en bij zijn ouders,—maar hij dacht dat dit vanzelf wel terechtkwam, en zij,
-Nora, dan over een jaar of wat, zou kunnen „uitkomen” als zijn vrouw.
-</p>
-<p>Hij moest haar schrijven, kort en bondig; een onderhoud vragen onder vier oogen en
-met de mededeeling erbij, van zijn aanstaand gedwongen vertrek.
-</p>
-<p>’t Was bij de Tiele’s ’n heele consternatie; een donderslag bij heldere lucht; het
-speet mama nu geweldig dat zij „politiek” had willen zijn, en niet maar liever de
-eerste gelegenheid de beste had aangegrepen. Nora was erg ontsteld, met een gevoel
-nu, dat zij doodelijk was van Adam Silver. De oude heer keek ook zeer bezorgd, knorrig
-over de „flauwe kunsten” zijner vrouw, die hij eerst zoo verstandig had gevonden.
-</p>
-<p>Maar dáárover waren allen het eens: er moest op afdoende wijze voldaan worden aan
-Adam’s verzoek; <span class="pageNum" id="xd31e2074">[<a href="#xd31e2074">135</a>]</span>het was een drang in die richting, als wilde men hem met Nora een apartje geven in
-haar slaapkamer. Zóóver kwam het wel niet, maar toch zou de heele famielje gaan wandelen
-en een uurtje weg blijven; als ze terugkwamen zou dan, naar zij hoopte en vertrouwde,
-„de kogel wel door de kerk” zijn.
-</p>
-<p>En Nora, die had opgemerkt, wat Adam bijzonder mooi aan haar vond en wat hij, in verband
-daarmee, haar goed vond staan, kleedde zich daarnaar, zoodat van haar blanken hals
-veel te zien was; van voren vooral.
-</p>
-<p>Toen ze hem ontving, zoo alleen, was ze werkelijk verlegen en ontroerd; hij ook; de
-omstandigheden hadden hem overrompeld; hij had er zijn gewone, rustige kalmte glad
-bij ingeschoten, en nu vooral, nu hij zulk een stouten stap ging doen, was hij zenuwachtig.
-Nora merkte het aan zijn handen, anders altijd warm als bij gezonde sanguinische naturen,
-nu koud en klam; het stelde haar gerust; zij had er hem te liever om; zij had <span class="pageNum" id="xd31e2079">[<a href="#xd31e2079">136</a>]</span>het akelig gevonden, als hij nu zoo gemoedelijk was geweest als altijd anders.
-</p>
-<p>„Je neemt me niet kwalijk?” vroeg hij, om wat te zeggen.
-</p>
-<p>Nora schudde zacht het blonde hoofd.
-</p>
-<p>„Neen,” zei ze.
-</p>
-<p>„Je zult wel begrepen hebben, dat ik niet heen kon gaan, zonder eerst met je te hebben
-gesproken.”
-</p>
-<p>„Ja,” zei ze.
-</p>
-<p>Hij haalde diep adem; hij had nooit eenig examen gedaan; dat kon, dacht hij, niet
-moeilijker wezen.
-</p>
-<p>„Hier is de brief.”
-</p>
-<p>Hij gebruikte dien brief, als een reddingsplank, wezenlijk niet wetende, wat hij verder
-nog zeggen zou; en zij nam dien aan, wijl ze met haar antwoorden zat te houden en
-het toch te gek was, dat een meisje, steeds zoo goed bij het woord als zij, nu niets
-anders had kunnen zeggen, dan „neen” en „ja.” Onder het lezen klom hare belangstelling;
-zij zag daar veel meer in dan Adam en de Verlande’s; <span class="pageNum" id="xd31e2090">[<a href="#xd31e2090">137</a>]</span>zij maakte eruit op, dat die vader in Indië, die voor dezen éénen zoon zooveel geld
-had uitgegeven om hem in Holland te laten grootbrengen, en nu, als in een droom, telkens
-diens naam uitsprak, groote plannen had met Adam, plannen om hem veel geld te vermaken
-of landgoederen te geven.
-</p>
-<div class="figure o131width"><img src="images/bottom8.png" alt="Ornament." width="130" height="68"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e2095">[<a href="#xd31e2095">138</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e276">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="VIJFTIENDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">VIJFTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Een declaratie in optima forma.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De bleeke straal van een ondergaande na-herfstzon gleed bescheiden tusschen de bruine
-staatsiegordijnen door op de twee jonge menschen; het was een knap paartje, zooals
-het daar zat op de <i lang="fr">chaise longue</i>; mooi in de groote tegenstelling van haar blond-blank en figuur-fijnheid, tegenover
-zijn donker robust.
-</p>
-<p>„Heb je geen herinnering aan je pa?”
-</p>
-<p>„Niet de minste.”
-</p>
-<p>„God geef, dat je hem nog levend vindt.”
-</p>
-<p>„Ik hoop het; ik denk het wel; men zegt, dat sleepende kwalen meest lang duren in
-Indië.”
-<span class="pageNum" id="xd31e2110">[<a href="#xd31e2110">139</a>]</span></p>
-<p>„Er is dan misschien nog kans, dat hij beter wordt?”
-</p>
-<p>„Wellicht,” zei Adam, zonder overtuiging of hartelijkheid.
-</p>
-<p>„Dan kon je misschien weer terugkomen naar hier.”
-</p>
-<p>Maar daar had hij voor zichzelf geen de minste hoop op en hij wilde haar niet bedriegen.
-</p>
-<p>„Er zal wel geen kans op zijn; dat denken de Verlande’s ook.”
-</p>
-<p>Verwonderd keek ze hem aan.
-</p>
-<p>„Pa zal mij zeker op een onderneming plaatsen, of, als hij mocht sterven, zal ik er
-wel voor de zaken moeten blijven.”
-</p>
-<p>„En dan?”
-</p>
-<p>„Je weet Nora, hoeveel ik van je hou.”
-</p>
-<p>Nu hij zoo eenvoudig en oprecht van wal stak, moest zij lachen.
-</p>
-<p>„Ik geloof er niets van.”
-</p>
-<p>„Plaag me niet; je weet het al lang, ik wou vragen of je je met me wilt engageeren.
-Ik zal <span class="pageNum" id="xd31e2125">[<a href="#xd31e2125">140</a>]</span>vandaag nog aanzoek doen bij je pa, en dadelijk in Indië zal ik er thuis werk van
-maken.”
-</p>
-<p>„Maar mijn goede, beste Adam, geef me nu eens duidelijk en verder antwoord op mijn
-vraag: en dan?”
-</p>
-<p>Zij had haar hand vertrouwelijk op de zijne gelegd, en keek hem aan met een lief,
-vriendelijk gezicht. Hij, nog geheel onder den invloed van zijn sentiment, lette niet
-op haar andere schoonheden, en zij dacht daar zelf volstrekt niet aan; zij had heel
-goed hoog en stijf gekleed kunnen zijn; het was alles hetzelfde geweest.
-</p>
-<p>Adam sloeg zijn arm om haar heen, trok haar zacht tegen zijn breede borst en kuste
-haar; zij gaf hem volkomen argeloos en zonder iets anders dan een diep gevoel van
-onschuldige genegenheid, dien eersten kus terug; ze waren allebei beter en reiner
-mensch nu, dan ze zelf vroeger hadden geweten of gedacht.
-</p>
-<p>En hij vertelde zijn plan; om als alles daarginds in orde was, haar te trouwen bij
-volmacht <span class="pageNum" id="xd31e2133">[<a href="#xd31e2133">141</a>]</span>en haar dan uit te laten komen naar Indië, waar zij een heerlijk leven zou hebben;
-zoo goed als gefortuneerde lui in de binnenlanden, waarover zij in Den Haag zooveel
-had hooren spreken, het maar hebben kunnen.
-</p>
-<p>De terugkomst der familie verraste hen; zou hen altijd verrast hebben, al was zij
-uren later thuis gekomen.
-</p>
-<p>Men hield zich goed; men veinsde de gewone verwondering over een onverwacht bezoek.
-Een kwartier later kwam het toevallig zoo uit, dat hij met den ouden heer alleen zat.
-</p>
-<p>„Voor ik naar Indië ga, had ik graag nog eens met u gesproken over mijzelven en over
-Nora.”
-</p>
-<p>Tiele keek met een effen gezicht langs z’n grooten neus naar buiten, het hoofd langzaam
-op en neer, als ’n Chineesch beeldje.
-</p>
-<p>„Zoo, zoo!”
-</p>
-<p>„Ik wou u verzoeken mij toe te staan met mijn vader te spreken en daarna een aanzoek …”
-</p>
-<p>„Ja. Hoe oud is je vader?”
-<span class="pageNum" id="xd31e2143">[<a href="#xd31e2143">142</a>]</span></p>
-<p>Het was voor Adam een slim geval. Vooreerst bracht hem die onverwachte vraag van z’n
-stuk, dat toch al niet erg stevig was; maar bovendien: hij wist het niet.
-</p>
-<p>„Heel precies kan ik het niet zeggen … om en bij de zestig.”
-</p>
-<p>Wat ’n raar slag van volk toch, dacht Tiele, die Indische lui! Zoo’n jonge man wist
-niet eens hoe oud z’n eigen vader was! Hij, Tiele, kende de geboortejaren van al zijn
-bloedverwanten, zelfs van overledenen.
-</p>
-<p>„Hoeveel broers en zusters heb je?”
-</p>
-<p>Toen Adam peinzend opzag naar het plafond, als berekende hij in gedachten het aantal,
-keek de oude heer hem in bange verwachting aan. Welk een oostersch reproductievermogen
-zou hij hier ontdekken? Welk een ongelooflijk aantal varkens zou deze spoeling dun
-maken?
-</p>
-<p>„Wij zijn met ons vieren, thans; daar zijn er dood.”
-</p>
-<p>„Met je hoeveel?”
-</p>
-<p>„Vier.”
-<span class="pageNum" id="xd31e2154">[<a href="#xd31e2154">143</a>]</span></p>
-<p>Het was sterk, meende Tiele; daar had zoo’n kerel voor gekeken als werkte hij uit
-het hoofd een rekenkunstig vraagstuk uit. Neen, als hij niet erg gefortuneerd was,
-zou Adam nooit voor schoonzoon in aanmerking zijn gekomen. Aan een departement had
-hij het in een heel menschenleven niet verder gebracht dan adjunct-commies, en misschien
-zelfs dàt niet. De waarheid was, dat Adam ook het gevraagde aantal niet goed wist;
-hij had zich nooit met die broers en die zusters beziggehouden, en zij evenmin met
-hem; hij had zijn jeugd doorgebracht met de Verlande’s, en met hun kinderen onbezorgd
-meegeleefd. Hoe oud <i>zij</i> waren, wanneer ze hun verjaardagen vierden en al zulke kleine levensbijzonderheden
-meer, wist hij precies.
-</p>
-<p>„Op hoeveel taxeer je den ouden heer?”
-</p>
-<p>Adam Silver begon te transpireeren; het scheen hem toe, dat Nora’s vader nu ook in
-’t geheel geen vraag kon doen, die hij bij machte was te beantwoorden. Wat wist hij
-van de fortuin zijns vaders?
-<span class="pageNum" id="xd31e2162">[<a href="#xd31e2162">144</a>]</span></p>
-<p>„Een millioen,” zei hij in zijn angst.
-</p>
-<p>Tiele dacht na. Een millioen, dat was op zichzelf heel mooi; en ze waren met hun vieren
-slechts. Dat was voor Nora een toekomst van twee en een halve ton. Heel mooi! Maar.….
-een Indisch millioen was altijd précair. Vandaag heette het, dat de menschen <i>puissant</i> rijk waren, en een paar maanden later, na een flinke daling in den marktprijs van
-een of ander product, waren ze veel minder; moesten ze hun equipages wegdoen en uit
-hun groote huizen trekken.
-</p>
-<p>„Weet je misschien, waaruit dat millioen bestaat?”
-</p>
-<p>„Pa heeft aandeelen in perken en landgoederen.”
-</p>
-<p>Hm! Daar had-je ’t al!
-</p>
-<p>„Suiker?”
-</p>
-<p>Nu moest Adam lachen. Suiker in perken! Daar was hij ineens <i lang="fr">à cheval</i>, want bij de Verlande’s had hij altijd veel gehoord over de perken; zij zaten met
-het grootste deel van hun geld daar ook in. En om den lastigen ouden heer in het doen
-van <span class="pageNum" id="xd31e2178">[<a href="#xd31e2178">145</a>]</span>verdere vragen zooveel mogelijk tegen te houden, putte hij al de wijsheid uit, die
-hij over dit onderwerp bij de Verlande’s had opgedaan, en gaf in haar geheel de beschrijvingen,
-welke hij dozijnen maal bij stukken en brokken daar had gehoord. Beter dan hij dacht,
-was de indruk, dien hij daarbij maakte; het was, vond Tiele, verduiveld mooi, en hij
-had nooit gedacht, dat die Adam daar zooveel van wist. Er scheen ten slotte in dat
-jongmensch toch meer te steken, dan men zoo oppervlakkig zou vermoeden, als er maar
-iemand den slag had het eruit te krijgen; het streelde hem, dat hijzelf dien slag
-bleek te hebben, en aandachtig luisterde hij naar de breede uitweiding, nu en dan
-door een enkel woord of heel gewone vraag toonend hoe goed hij bij de zaak was.
-</p>
-<p>„Kijk,” zei hij, „ik heb persoonlijk niets tegen je. Je bent nog wat jong, maar dat
-betert vanzelf. Als je nu in Indië bent, en je hebt met je vader gesproken, dan moet
-je het zóó regelen, dat hij het aanzoek voor je doet aan mij, en dat hij daarbij <span class="pageNum" id="xd31e2182">[<a href="#xd31e2182">146</a>]</span>nauwkeurig opgeeft wat en hoe je financieele positie is, want je hebt geen betrekking;
-niet bij het gouvernement en niet particulier. Dus is dat noodzakelijk. Begrepen?
-En als dat in orde is, zal ik mij niet tegen uw geluk en dat van Nora verzetten, en
-mevrouw Tiele, daar ben ik zeker van, zal dat evenmin.”
-</p>
-<p>Mevrouw Tiele dacht daar reeds nu niet over. Zij had een der meisjes als het ware
-uitgehuwelijkt en een rijken schoonzoon in ’t zicht; zij dacht niet aan broers en
-zusters, of aan de onvastheid van suiker in of buiten perken; zij vond Adam voor Nora
-als geknipt, ware het slechts omdat hij door zijn zachten aard en goedigheid het ’t
-meisje gemakkelijker zou maken, dan zijzelf het in haar huwelijk had gehad.
-</p>
-<p>En Adam, die geïnviteerd werd om te blijven eten, wijl daarop vooraf was gerekend,
-voelde zich geheel tehuis en volmaakt gelukkig; hij en Nora gedroegen zich nu en dan,
-alsof ze al <i lang="ms">betoel</i> geëngageerd waren, en de familieleden deden maar <span class="pageNum" id="xd31e2190">[<a href="#xd31e2190">147</a>]</span>alsof ze dat niet zagen, drinkend met vriendelijke gezichten en stille verstandhouding
-op de gezondheid, den voorspoed, het geluk en nog veel meer, van Adam en zijn familie
-in Indië, denkend daarbij aan de eigen dito’s, nu de toekomst zich zoo prettig liet
-aanzien.
-</p>
-<p>In één roes ging het door, de weinige dagen, die hem nog overbleven, een droom gelijk.
-Den laatsten avond zou hij bij de Tiele’s doorbrengen; de familie Verlande kwam daar
-ook nu, en zijn vrienden, enkelen bij wie Adam wel aan huis kwam, met hun families.
-Het was een rustig praatavondje eerst, met daarna een innig en hartelijk slot van
-tranen, kussen en zenuwachtige handdrukken; van allerlei beloften en toezeggingen:
-van niet vergeten, brieven schrijven, dikwijls aan denken, portretten zenden, groeten
-overbrengen,—tot hij eindelijk alleen met Nora op den corridor stond, suf gepraat
-en misselijk gezoend. De Tiele’s hadden dit laatste apartje maar stil toegelaten.
-<span class="pageNum" id="xd31e2194">[<a href="#xd31e2194">148</a>]</span></p>
-<p>En het duurde heel lang, zoo lang, dat de oude heer er ongedurig van werd en in den
-salon op en neer ging loopen, hemmend en kuchend, om den indruk te geven, dat hij
-elk oogenblik naar buiten kon komen.
-</p>
-<div class="figure o142width"><img src="images/bottom7.png" alt="Ornament." width="131" height="65"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e2200">[<a href="#xd31e2200">149</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e286">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="ZESTIENDE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">ZESTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Aan boord van den mailstoomer.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen het afscheid eindelijk genomen was, Nora schreiend naar haar kamer ging en Adam
-in den kouden nacht op het trottoir stond, beheerschte hem één groot, overweldigend
-gevoel: hij had zoo’n verschrikkelijken dorst. En hij overlegde bij zichzelven naar
-welk bierhuis hij gaan zou. Zijn vrienden wou hij niet ontmoeten, want dan werd het
-weer zoo laat, en al om zes uren den volgenden ochtend zou Verlande hem komen halen
-met een rijtuig. Daarom liep hij maar ergens heen, waar ze zelden kwamen en schoof
-achter het groene gordijn, in het midden van het lokaal, dat dit <span class="pageNum" id="xd31e2207">[<a href="#xd31e2207">150</a>]</span>donker liet aan de straatzijde, als een dief naar binnen. Welk een goddelijk bier!
-Bij den tweeden <i>Seidel</i> kon hij weer geregeld denken, en hij dacht aan de lieve Nora, die hij zoo pas had
-verlaten, en aan dien heelen avond; aan Nora met een gevoel van teederheid, aan de
-anderen zonder gevoel. En daarna <i>pikirde</i> hij langzaam over het leven, dat hij in Holland had geleid, en over de vermoedelijke
-toekomst; het eerste was in den laatsten tijd onbetaalbaar geweest; ’t ging hem aan
-het hart, dat ’t nu zoo heelemaal uit was; het andere,—nu ja, dat mocht zijn wat het
-wilde!
-</p>
-<p>Hij bestelde nog een glas bier en stak ’n sigaar aan; de vlam van den lucifer ging
-hoog op, zijn donker gezicht verlichtend, en tegelijk hielden twee jongelui op het
-trottoir aan den overkant op met loopen.
-</p>
-<p>„Daar zit waarachtig Adam Silver,” zei de een.
-</p>
-<p>„Wel verdomd,” riep de ander.
-</p>
-<p>In een oogenblik zaten ze naast hem, den <i>Seidel</i> hoog; het was typisch, vonden ze, hem <i>hier</i> te <span class="pageNum" id="xd31e2222">[<a href="#xd31e2222">151</a>]</span>vinden; het was kranig, dat iemand, die den volgenden dag naar Indië ging, nog zijn
-„afscheidspotje” ging halen in de kroeg. En het was zóó typisch en zóó kranig, dat
-toen Verlande ’s morgens vroeg Adam met een rijtuig kwam afhalen om hem naar ’t spoor
-te brengen,—de juffrouw hoofdschuddend verklaarde, dat meneer nog in ’t geheel niet
-thuis was geweest.
-</p>
-<p>Juist kwam meneer aan, zeer berooid, maar met nog vrij veel besef van z’n toestand;
-genoeg althans om er verlegen over te zijn en zijn excuses te stamelen.
-</p>
-<p>„Ik ben dadelijk klaar,” verzekerde hij.
-</p>
-<p>Verlande zei maar niks; hij was boos, maar wat hielp het, boos te zijn onder zulke
-omstandigheden.
-</p>
-<p>„Haast je maar wat,” zei hij kortaf.
-</p>
-<p>Nu, dat ging wonderwel, terwijl Verlande toezag; het koude water deed op het sterk
-gestel wonderen, en een kwartier later reden ze door de nog eenzame, grijze straten,
-voorbij de dichte vensters der gesloten huizen.
-<span class="pageNum" id="xd31e2231">[<a href="#xd31e2231">152</a>]</span></p>
-<p>Ze spraken geen woord. Adam te suf haast om iets te zeggen, worstelend tegen zichzelf,
-Verlande uit het portierraampje kijkend, nog altijd te nijdig om vriendelijk te wezen.
-</p>
-<p>Aan het station was hij weer in een vergevensgezinde stemming geraakt, maar toen hij
-een drietal rumoerige en dronken jongelui zag staan op het perron, die een hoeraatje
-aanhieven bij Adam’s komst, werd hij bleek.
-</p>
-<p>„Ik wil je groeten, en goede reis verder.”
-</p>
-<p>Daarmee ging Verlande weer terug naar de vigilante, die hem gebracht had, en reed
-weg. En in de wachtkamer hield de oude heer Tiele zich schuil. Hij had een bewijs
-van hartelijkheid willen geven, en was naar het station gekomen om een laatste afscheid
-te nemen, maar toen hij het drietal had gezien, en uit hun luidruchtig gepraat had
-gehoord, waarvoor zij daar waren, kwam het zijn eer als hoofdambtenaar te na, zich
-te vertoonen voor hetzelfde doel.
-</p>
-<p>Adam Silver dankte God, dat de trein afreed; <span class="pageNum" id="xd31e2238">[<a href="#xd31e2238">153</a>]</span>nog nooit had hij zóó het land gehad aan zichzelven; hij had kunnen huilen.
-</p>
-<p>In die stemming kwam hij aan boord van den mailstoomer, en vroeg enkele inlichtingen;
-hij had een hut achteruit, zoo goed als boven de schroef; een hut met couchetten,
-welke hij deelde met een ander passagier, die daar nu zelf niet was, tot zijn vreugde;
-die nu waarschijnlijk boven stond, afscheid nemend van ontroerde bloedverwanten, zelf
-ontroerd bij het verlaten van z’n vaderland.
-</p>
-<p>Adam dacht er niet aan, hij dacht in het geheel niet; hij had het niet kunnen doen;
-hij was òp van het feestvieren de laatste dagen en nachten; op den rand zijner couchette,
-zat hij zijn <i>bottines</i> uit te trekken en onder de hand vielen z’n oogen dicht van overweldigenden slaap.
-</p>
-<p>Den volgenden dag ontwaakte hij, ’s ochtends heel vroeg, verbaasd en met geen idee
-van tijd, maar volkomen uitgesoesd en opgefrischt,—wat dat laatste aangaat door en
-door koud zelfs; een lang en rauw geluid deed hem naar den anderen <span class="pageNum" id="xd31e2247">[<a href="#xd31e2247">154</a>]</span>kant kijken over den rand zijner couchette en in het flauwe lichtschijnsel zag hij
-boven den rand der tegenoverliggende slaapplaats een bleek stuk gezicht met zweetdroppels
-erop, akelig om te zien; en zich eenigszins opheffend, begon hij nu ook te ontwaren,
-hoe zijn hutgenoot op gruwelijke wijze tol had betaald aan de groote zee, zonder dat
-hij er iets van had bespeurd.
-</p>
-<p>Met eenige moeite, door de beweging van den stoomer, stond hij op.
-</p>
-<p>„Willen we eens kennis maken?” vroeg Adam den anderen jonkman.
-</p>
-<p>Maar die, hem met een paar bleeke landerige oogen aankijkend, joeg zijn hoofd met
-een plotse hevige beweging buiten de couchette, en, na de akelige evolutie achterover
-vallend, zuchtte hij enkel:
-</p>
-<p>„O God, ik ben zoo beroerd!”
-</p>
-<p>Adam haastte zich zoo gauw mogelijk weg te komen uit de benauwde ruimte, naar het
-salon, waar de passagiers, voorzoover die present waren, <span class="pageNum" id="xd31e2256">[<a href="#xd31e2256">155</a>]</span>hem met verwonderingsgezichten aankeken; hij groette met een hoofdknik in het rond,
-zichzelf geheel meester, met zijn gewone rustige kalmte, ontbeet stevig, en zocht,
-uit een gevoel, dat het zoo behoorde, den commandant op om zich voor te stellen.
-</p>
-<p>Die nam hem eens op met een stil glimlachje:
-</p>
-<p>„Goed geslapen, meneer Silver?”
-</p>
-<p>„Dank u, uitstekend.”
-</p>
-<p>„Al ontbeten?”
-</p>
-<p>„O ja en perfect. Ik had een kolossalen honger.”
-</p>
-<p>„Dat kan ik begrijpen. Geen last van zeeziekte?”
-</p>
-<p>„Ik … ik geloof het niet.”
-</p>
-<p>„Nu, dan zal het wel schikken. Ik wou, dat al m’n passagiers bij het begin van de
-reis zoo’n rustige vier en twintig uren doormaakten als u hebt gedaan. ’t Zou de meesten
-te pas komen.”
-</p>
-<p>Maar in dien tusschentijd was aan boord de reputatie van Adam gevestigd, als de totaal
-mislukte zoon van rijke indische ouders, die nog vóór z’n terugkeer uit Holland zoo
-had gesjouwd, dat hij <span class="pageNum" id="xd31e2269">[<a href="#xd31e2269">156</a>]</span>als het ware slapende in z’n kooi was neergevallen. Het was in dezen kring een zeer
-ongunstige reputatie; de jongeren, die voor het eerst naar Indië gingen, de ouderen,
-die erheen terugkeerden,—ze waren allen werkmenschen, die door arbeid hun toekomst
-en hun bestaan moesten verdienen; en dien éénen <i lang="fr">fainéant</i>, als vreemde eend in de bijt, haatten ze, nog vóór ze hem hadden gezien; zijn „rijkdom”
-hem benijdend; zichzelven en elkaar verheffend door laag neer te zien op zijn gebrek
-aan kennis en geleerdheid; de ouderen onder hen, den vader beklagend, die zoo’n presentje
-weer op z’n dak kreeg.
-</p>
-<p>Het viel Adam op, dat men onvriendelijk tegen hem was, en dit hem belette zich bij
-de lui aan te sluiten; toen men de Engelsche kust naderde, stond hij bij een paar
-jonge ingenieurs en zei ’n enkel woord tusschen hun gesprek; zij keken elkaar eens
-aan; zijn uiterlijk en zijn kalme fatsoenlijke manieren waren hun meegevallen; een
-hunner vroeg:
-</p>
-<p>„Gaat u in gouvernementsdienst naar Indië?” <span class="pageNum" id="xd31e2277">[<a href="#xd31e2277">157</a>]</span>terwijl hij heel goed wist, dat dit niet zoo was.
-</p>
-<p>„Neen. Ik ben naar Indië ontboden door mijn familie om de ziekte van papa.”
-</p>
-<p>„Nu ja! wat veel …?”
-</p>
-<p>„Dat zou het niet geweest zijn. Het ging van begin af niet best. In het begin gaf
-ik me moeite; naderhand niet meer. Waartoe ook? Als ambtenaar zou ik maar de plaats
-innemen van een ander die er meer behoefte aan had.”
-</p>
-<p>Het was zijn verdedigingsphrase, en zij viel in goede aarde. De jongelui keken elkaar
-nog eens aan, alsof ze wilden zeggen, dat hij eigenlijk gelijk had. Zij lachten er
-hartelijk om, en waren nu ook toeschietelijker. Toen volgden de anderen, en voor Marseille
-nog, waren ze het volmaakt erover eens, dat die Adam Silver een nette en goede jongen
-was, en het er voor zoo’n toekomstigen <i>richard</i> toch ook eigenlijk niets toe deed of hij ’n baantje had of niet.
-</p>
-<div class="figure o151width"><img src="images/bottom1.png" alt="Ornament." width="55" height="30"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e2289">[<a href="#xd31e2289">158</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e295">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="ZEVENTIENDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">In Indië terug, maar … aan een sterfbed.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was een aangename reis; de jongeren vooral, vol hoop en illusiën een nieuw leven
-in een ander deel der wereld tegemoet gaande, leefden in de kalmer wateren van het
-zuiden en onder den invloed van het al zachter wordende klimaat, op in de levenskracht
-en de frischheid hunner volle jeugd; van alles verzinnend om het scheepsleven gezellig
-en vroolijk te maken.
-</p>
-<p>Toen men in de tropische luchtstreek kwam, veranderde er veel, wat de meesten niet
-opviel, voor sommigen toch zeer opmerkelijk was.
-</p>
-<p>Adam onderging die verandering ook, zonder er <span class="pageNum" id="xd31e2298">[<a href="#xd31e2298">159</a>]</span>veel van te merken; wel zeurde hij met de anderen mee over de warmte, maar hij meende
-daar niets van; hij voelde zich veel prettiger dan bij zomerwarmte in Europa; hij
-at de niet zeer smakelijke rijsttafel aan boord met het grootste genoegen; hij liep
-in slaapbroek en kabaai rond ’s morgens, of hij ’t zijn leven lang had gedaan; en
-daar de in Indië geborenen bij de nadering van Poeloe Pisang als door een tooverslag
-weer minder correct Hollandsch gingen spreken, dan ze het eerste deel der reis deden,
-was Adam in één dag geheel onwillekeurig daar ook mee op—eigenlijk van—streek.
-</p>
-<p>Toen hij, na een lange vervelende kustreis in het huis kwam, dat … hij eens met ’n
-rood kieltje aan had verlaten, had hij zoodoende al meer „Indische” levensvormen overgenomen,
-dan ’n gewoon Europeesch baar in een jaar; maar toch herkende hem niemand; gelijk
-ook hij <span class="corr" id="xd31e2302" title="Bron: iets">niets</span> herkende.
-</p>
-<p>Hij liep het erf op en zag boven in de binnen-voorgalerij jonge mannen in witte kabaai,
-een oude inlandsche vrouw, een jonge <i>bijna</i> inlandsche vrouw; <span class="pageNum" id="xd31e2309">[<a href="#xd31e2309">160</a>]</span>en zij verdwenen, naar achteren wijkend, toen ze hem zagen.
-</p>
-<p>Een jonge man kwam beneden in het huis naar voren; hij was mager en beenig, met ingevallen
-borst en zwaar zwart haar; zonder baard of knevel, de gladde huid als gespannen over
-de kaak-beenderen,—John Silver uit diens jeugd.
-</p>
-<p>Min of meer verlegen trad hij met kleine dribbelpasjes op den breeden kolossus toe,
-een soort van onderdanige beleefdheid in zijn houding:
-</p>
-<p>„Met wien heb ik de eer?” En de andere, ook door deze ontmoeting bedremmeld en verlegen:
-</p>
-<p>„Ik ben Adam.”
-</p>
-<p>„<i>Allah</i>! ik ben Bram.” Zij monsterden elkaar eens goed, een oogenblik verwonderd over de
-tegenstelling.
-</p>
-<p>„Hoe is het mogelijk,” zei Bram. „Hoe ben je zóó?”
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde Adam met zijn goedigen glimlach, „dat dacht ik ook.”
-</p>
-<p>„Stil; weet je; Pa is zwaar ziek; laat ons naar <span class="pageNum" id="xd31e2324">[<a href="#xd31e2324">161</a>]</span>achter gaan, naar het oudje; ik wil het haar eerst zeggen; ze zou anders schrikken.”
-</p>
-<p>Een paar minuten later haalden ze hem af met groote hartelijkheid, de broers met hun
-beiden nu, zijn dikke handen fideel drukkend in hun magere knokken, de zuster met
-het eene oog hem kussend, dat het klapte: <i lang="ms">njai Peraq</i> stil en ontdaan hem maar aankijkend door haar bril met een uitdrukking op haar gezicht
-of ze versuft was; niets zeggend, zonder eenig vertoon van genegenheid, toen hij haar,
-bewogen zelf nu, een kus gaf.
-</p>
-<p>Ze brachten hem zacht in de ziekenkamer; John Silver was al twee dagen niet meer bij
-kennis en stervende; zóó mager lag hij daar, dat het haast ongelooflijk was.
-</p>
-<p>„Hij spreekt al in langen tijd niet meer,” fluisterde Bram. „De dokter zegt, dat hij
-nog dagen zoo kan liggen, maar dat het ook ineens gedaan kan zijn.”
-</p>
-<p>Adam voelde niets voor het wezen, dat daar op het bed lag, langzaam ademhalend, de
-oogen dicht, wezenloos en buiten kennis. Toen ze een tijd hadden <span class="pageNum" id="xd31e2335">[<a href="#xd31e2335">162</a>]</span>staan fluisteren, kreeg zijn zuster een ingeving; zij had altijd het meest van den
-vader gehouden; zij huilde bij zijn sterfbed; zij had nog zoo graag zijn stem eens
-gehoord, zijn oogen eens zien opengaan.
-</p>
-<p>Zij boog zich over haar vader; met haar gezicht vlak bij het zijne en den mond aan
-zijn oor, zei ze dringend:
-</p>
-<p>„Pa, paatje, daar is Adam.”
-</p>
-<p>En de oogen gingen open, wel een oogenblik dwalend, den blik over de groep voor het
-bed; dan stil op de breede figuur in grijs <i>complet</i>, tusschen de witte kabaja’s.
-</p>
-<p>Er kwam geen woord, al leefde het heele gezicht plotseling op met gloed.
-</p>
-<p>Adam, ontsteld, ging op den stoel zitten naast het bed, nam de hand, die op de sprei
-lag, in de zijne en zei:
-</p>
-<p>„Dag pa, hoe is het met u?”
-</p>
-<p>Om de blauwige lippen van den breeden mond gleed een grijns als ’n spotlach; de gloed
-in het <span class="pageNum" id="xd31e2349">[<a href="#xd31e2349">163</a>]</span>gezicht nam af; het licht der oogen werd dof en mat; een halve minuut duurde het misschien
-en zij waren er allen zóó door getroffen; dat ze niet spreken, zich niet bewegen konden.
-</p>
-<p>Toen kwam het reutelend geluid diep en langzaam wegstervend; de verstijving der trekken,
-het heelemaal verdwijnen van den blik in de oogen, die gericht bleven op het gezicht
-van Adam.
-</p>
-<p>John Silver was dood.
-</p>
-<p>Alleen Lucie nam jammerend het lichte kleine hoofd in haar armen, en riep haar vader
-toe met lieve namen, en huilde haar leed door het huis.
-</p>
-<p>„Het is gelukkig, dat je hem nog even hebt gezien,” zei Bram.
-</p>
-<p>„Ja, dat is het,” gaf Adam maar willig toe, gedachtenloos, overvallen door dien zonderlingen
-terugkeer in een omgeving, hem heelemaal vreemd.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Kasian</i>, hij heeft in den laatsten tijd veel over je <i>gepikird</i>.”
-</p>
-<p>„Ik heb ’t uit je brief gezien. Het spijt me dat ik niet eer gekomen ben.”
-<span class="pageNum" id="xd31e2365">[<a href="#xd31e2365">164</a>]</span></p>
-<p>„Waarom kwam je niet eer?”
-</p>
-<p>„Ik wist het niet; er is mij niets van geschreven.”
-</p>
-<p>Bram dacht een oogenblik na; hij wou iets weten, maar hij durfde ’t haast niet vragen.
-</p>
-<p>„Kon je niet vroeger komen uit jezelven?”
-</p>
-<p>„Waarom zou ik het gedaan hebben? Ik had een goed en pleizierig leven in Holland.”
-</p>
-<p>„En wat heb je er uitgevoerd?”
-</p>
-<p>„Pret gemaakt en.… ’n beetje geleerd. Maar niet veel!”
-</p>
-<p>Goedig en vriendelijk keek Bram hem aan; hij was bang geweest voor de komst van dien
-jongsten broer; hij wist wel, dat het geen hoogvlieger was, maar toch.… ’n jongen,
-die zoo lang in Europa was geweest, zou hem met geleerdheid en groote woorden zeker
-overdonderen. In plaats daarvan was Adam de eenvoud en de gewoonheid zelf in zijn
-manier van spreken.
-</p>
-<p>„Wat ga je nu doen?” vroeg Bram.
-</p>
-<p>Adam voelde zich verlegen met de zaak. Hij had z’n hoofd niet goed bij elkaar; hij
-was daar <span class="pageNum" id="xd31e2378">[<a href="#xd31e2378">165</a>]</span>zóó van de reis, bij ’n sterfbed neergezet; en nog heelemaal onder den indruk van
-het geval, moest hij plannen voor de toekomst blootleggen, die hij <i>niet</i> had gevormd.
-</p>
-<p>„Zeg jij het maar.”
-</p>
-<p>Daar keek Bram weer vreemd van op; dat was, meende hij, ’n leuke kerel, of hij had
-het mis!
-</p>
-<p>„Op het land, dat zal het beste wezen.”
-</p>
-<p>’t Was juist wat Adam altijd had gedacht; het ging voor hem op, als een licht, en
-tevreden knikte hij.
-</p>
-<p>„Juist; op een der ondernemingen van den ouden heer.”
-</p>
-<p>„Ondernemingen van den ouden heer?”
-</p>
-<p>„Nu ja,” verbeterde Adam, meenend verbaal ’n bok te hebben geschoten, „van <i>ons</i> dan, na zijn dood!”
-</p>
-<p>„Van <i>ons</i>?” vroeg Bram in de hoogste verbazing.
-</p>
-<p>„Ja … wat anders?”
-</p>
-<p>„Maar beste jongen, wie heeft je ooit van die dingen gesproken?”
-<span class="pageNum" id="xd31e2400">[<a href="#xd31e2400">166</a>]</span></p>
-<p>Het was een pijnlijke vraag. Ja, de Verlande’s hadden altijd gezegd, dat zijn vader
-wel zou zorgen, dat hij op een land kwam, maar hij alleen had daar als vanzelf sprekend
-uit afgeleid, dat het <i lang="ms">poenja</i> was, en op die gedachte was hij steeds doorgegaan.
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet meer, ik heb het me altijd zoo voorgesteld.”
-</p>
-<p>„Nu, maar dat is dan heel verkeerd geweest, hoor!”
-</p>
-<p>Daar schoot hem iets te binnen.
-</p>
-<p>„De perken!” zei hij triomfantelijk.
-</p>
-<p>„Het aandeel daarin, bedoel je. Dàt is al ’n paar jaren lang naar de maan, beste jongen;
-dat heeft pa moeten afstaan voor andere beren.”
-</p>
-<p>„Beren!” riep Adam in de hoogste verwondering. „Kom, je fopt me.”
-</p>
-<p>„Waarachtig niet, wat zou ik daaraan hebben. <i lang="ms">Betoel</i>, hoor! beren bij de Bank.”
-</p>
-<p>„O zoo, bij de Bank. Maar pa was toch rijk.”
-</p>
-<p>„Ben je wel heelemaal dwaas! Jongen, ik zie <span class="pageNum" id="xd31e2421">[<a href="#xd31e2421">167</a>]</span>wel, dat jij leelijk in de war bent. Wat er van den boel hier terechtkomt, kan ik
-haast op duizend gulden nagaan; als we elk twintig mille voor ons erfdeel maken, zal
-het heel mooi zijn.”
-</p>
-<p>In Adam rees een gevoel van wantrouwen op; het <i>kon</i> niet waar zijn; het was zeker de inleiding tot een plan om hem te misleiden en te
-bedriegen; daarom gaf hij geen antwoord, en de andere, die daar eenig besef van had,
-ging voort.
-</p>
-<p>„<i>Enfin</i>, je zult het zien. Jij bent de eenige minderjarige nog, en daarom zal de Weeskamer
-er wel bij komen. Dan zal je het ondervinden. En als je verstandig wilt zijn, ga dan
-zoodra alles is afgeloopen, stil als opziener dienen; ik weet; er is iets open, tachtig
-pop in de maand, vrije woning, rijst, olie en brandhout. Dat kan ik je wel bezorgen.
-En zet dan je erfportie secuur in deposito. Naderhand, als je kennis van zaken hier
-hebt gekregen, kan ’t geld je te pas komen.”
-</p>
-<p>Het was wel verstandig geredeneerd, maar sterker geesten dan Adam zouden duizelig
-zijn geworden <span class="pageNum" id="xd31e2433">[<a href="#xd31e2433">168</a>]</span>door zulk een val. Daar zonk alles onder hem weg! Een handvol geld, en verder niets.…
-Van den goeden raad begreep hij de helft niet … Vrij rijst, olie en brandhout.… dat
-zou hij krijgen; hij, Adam Silver, die er zoo goed en zoo netjes als millionnairs-zoon
-van geleefd had in Den Haag!… Van alles wat Bram hem daar had gezegd, klonk hem niets
-zoo onmogelijk, zoo min en vernederend in de ooren als die vrije olie en die rijst.
-</p>
-<p>„En moeder?” vroeg hij om toch iets te zeggen.
-</p>
-<p>„Het oudje? O, die komt terecht; die heeft haar eigen duitjes, vermoedelijk meer dan
-wij; zij heeft haar heele leven geld geleend tegen mooie rente. Anderhalf soms twee
-percent in de maand. Dàt kan ze uitstekend. Maar daar moet iemand ondervinding en
-slag van hebben, anders loopt hij er geducht in.”
-</p>
-<p>Zijn moeder een inlandsche vrouw en een woekeraarster; het was, meende Adam Silver
-een <i>comble</i>; wat kon hem nu nog overkomen?
-<span class="pageNum" id="xd31e2442">[<a href="#xd31e2442">169</a>]</span></p>
-<p>„Zeg,” ging Bram voort, „wil je de koffers niet ontpakken.”
-</p>
-<p>Hij had een stille hoop, dat er toch wel iets voor hem en de anderen in zou zitten,
-een cadeautje uit Holland; de een of andere aardige kleinigheid. En zij gingen samen
-naar de kamer voor Adam ingericht. De tweede broer moest maar zorgen voor de toebereidselen
-tot de begrafenis.
-</p>
-<div class="figure o163width"><img src="images/bottom6.png" alt="Ornament." width="129" height="64"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e2449">[<a href="#xd31e2449">170</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e304">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="ACHTTIENDE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">ACHTTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Het gevonden portret.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Bram had het niet mis, schoon Adam part noch deel had aan de attentie; die was het
-werk geweest van de Verlande’s; zij hadden wat snuisterijen gekocht, ingepakt en geadresseerd;
-aardige kleinigheden uit galanteriewinkels, in Holland goedkoop, in Indië op kleine
-plaatsen en buitenposten, duur en zelfs niet verkrijgbaar. En allen vergaten er den
-dooden vader om; kinderlijk blij, opgetogen van pleizier over de „cadeautjes”, met
-een groot gevoel van genegenheid nu voor Adam, die dat alles hoorde en aanzag, in
-het geheel niets begrijpend van deze nieuwe omgeving.
-<span class="pageNum" id="xd31e2456">[<a href="#xd31e2456">171</a>]</span></p>
-<p>Den volgenden ochtend zou John Silver worden begraven; een paar oude <i lang="ms">baboes</i> hadden het lijk „afgelegd”; een oude mandoer zou er bij waken; het scheen voor de
-familie een „zaak”, die haar weinig of niet regardeerde; alles liep over mandoers
-en baboes en een inlandschen opziener der begraafplaats. Maar de deelneming, voor
-zoover die bestond in het volgen van het lijk naar het kerkhof, was, buiten evenredigheid
-tot wijlen John Silvers populariteit, groot; men mocht hem genegeerd hebben bij zijn
-leven,—nu hij dood was, moest men hem toch geven, wat men meende verplicht te zijn
-aan een „Europeesch ingezetene.”
-</p>
-<p>Adam had het zich in zijn kamer zoo aangenaam mogelijk gemaakt, en was, toen hij de
-formaliteit der begrafenis mede had vervuld, op z’n bed gaan liggen. Het zag, vond
-hij, er gek voor hem uit; de omstandigheden hadden hem heelemaal overrompeld; een
-beeld van zijn eigen toestand was hij nog niet bij machte geweest zich te vormen.
-Niet aan herseninspanning gewoon, <span class="pageNum" id="xd31e2464">[<a href="#xd31e2464">172</a>]</span>schenen hem dit alles hoogst ingewikkelde complicaties. Zou hij met z’n geld naar
-Europa teruggaan? In gedachten zag hij het strak gezicht van den ouden heer Tiele,
-met de kleine sleufoogjes voor zich uitstarend langs den grooten beenneus; hij hoorde
-weer het categorisch verhoor en de aanbeveling om toch vooral secure opgaven mee te
-zenden over zijn, Adam’s, financieelen toestand; hij herinnerde zich, hoe hij te goeder
-trouw had gebluft met dat millioen, waaraan hij geloofde, maar dat er niet was.
-</p>
-<p>En als hij daar dan aankwam met die twintig mille of wat ervan overschoot.…. Neen,
-dàt kon niet. Hij moest Nora Tiele opgeven, daartegen was niets te doen. Die gedachte
-deed hem verdriet. Hij hield al heel veel van haar, toen hij uit Holland ging, en
-sedert was die genegenheid zoo ver gegaan als zijn aard en karakter toelieten; hij
-had te Marseille brieven van haar gekregen, zoo innig lief, zoo hartelijk en vriendelijk,
-dat het beetje poëzie zijner eigenaardige jeugd erdoor hoog werd <span class="pageNum" id="xd31e2468">[<a href="#xd31e2468">173</a>]</span>opgevoerd; hij had die brieven gelezen met een groot gevoel van teederheid, er zoo
-goed hij kon in denzelfden geest op geantwoord, en zoodoende zijn liefde voor Nora
-gevoed en opgekweekt tot wat die nu was, met al de illusiën voor de toekomst.
-</p>
-<p>Ineens was dat uit; hij kon er geen minuut aan denken; hij nam haar portret in de
-hand en bekeek het, zielsbedroefd, maar met de overtuiging, dat de omstandigheden
-het uit hadden gemaakt tusschen hem en haar. Geen oogenblik kwam bij hem de gedachte
-op van strijd tegen die omstandigheden en van overwinning aan het einde. Wat dat aanging,
-was hij zich instinctmatig zijner onmacht bewust.
-</p>
-<p>Hij had wel eens gelezen van menschen, die met een kleinigheid begonnen en door hun
-energie fortuin hadden gemaakt, maar dat hield hij voor fabeltjes; hij had altijd
-geleefd in een atmosfeer van knapheid, waarin hij dom werd genoemd, omdat hij zoo
-moeilijk leeren kon; hij was doordrongen <span class="pageNum" id="xd31e2473">[<a href="#xd31e2473">174</a>]</span>van het geloof, dat men zonder veel geleerd te hebben door zichzelf tot niets kon
-komen; dat dus alle pogingen, die <i>hij</i> deed, eenvoudig tot niets zouden leiden.
-</p>
-<p>Hoe hij zich ook inspande, het hielp hem niet; hij zag nergens een uitweg, en moe
-van het <i>pikiren</i>, na den zeer overvloedigen maaltijd, sliep hij in, en lag daar groot, zwaar en breed,
-in een rustige digestie.
-</p>
-<p><i lang="ms">Njai Peraq</i> kwam zacht de kamer binnen, gevolgd door Bram, en stil keken zij beiden toe, door
-het zachte licht, in het wit omklamboede bed.
-</p>
-<p>„<i>Allah</i>, welk een man,” zei ze zacht in het Maleisch.
-</p>
-<p>Bram, glimlachend, schudde het hoofd tegenover dit raadselachtig wezen, dat daar zwaar
-sliep, met een lange krachtige ademhaling; hij had hem aldoor met verwondering aanschouwd,
-vooral aan tafel; en zijn zuster met haar ééne oog, had hem aangekeken vol stomme
-verbazing over de hoeveelheid eten, die Adam rustig verwerkte.
-<span class="pageNum" id="xd31e2492">[<a href="#xd31e2492">175</a>]</span></p>
-<p>„Weet-je,” fluisterde Bram tegen <i lang="ms">njai Peraq</i> terug; „hij is net als sommige perceelen; die moeten ook altijd zwaar bemest worden
-en ze produceeren toch zoo goed als niets.”
-</p>
-<p>Zij antwoordde niet; ’t was de vraag, of ze wel eens naar Bram had geluisterd; ze
-ging naar het ledikant, boog zich over hem heen en trok zacht en voorzichtig het portret
-van Nora onder zijn eenen arm uit, die erop lag; zoo zacht en voorzichtig als een
-inlandsche vrouw dat kan, zoodat er geen vlieg door van z’n plaats zou gaan, laat
-staan een mensch door ontwaken.
-</p>
-<p>Bram ging heen, toen hij even had meegekeken. ’t Was hem niet aangenaam, dat Adam
-verliefd was; zoo’n europeesche vrouw in de familie, daar zag hij erg tegen op; hij
-deed net zooals zijn vader had gedaan en voelde zich wèl daarbij; hij had een inlandsche
-huishoudster en die deed op de onderneming, waar hij opziener was, wat <i lang="ms">njai Peraq</i> altijd gedaan had in het vaderlijk huis; zij hield er een <i lang="ms">warong</i> bij, waar het volk, dat van <span class="pageNum" id="xd31e2507">[<a href="#xd31e2507">176</a>]</span>haar geld leende en altijd door bij haar in het krijt stond, wel koopen <i>moest</i>. Zoo sneed het mes van twee kanten!
-</p>
-<p>De moeder dacht daar ook zoo over; het liep haar koud langs den rug, bij het zien
-van het portret van dat bleeke meisje, zoo onbegrijpelijk raar gekleed. Moest dàt
-haar <i lang="ms">menantoe</i> worden? God in den hemel, zuchtte zij, het was onmogelijk! Zij zou het niet gedoogen.
-Al zou het haar nog zooveel geld kosten aan toovermiddelen en <i lang="ms">goena-goena</i>, zij zou het ervoor over hebben! Een knappe, aardige, inlandsche vrouw, waar zij,
-<i lang="ms">njai Peraq</i>, op haar ouden dag iets aan had, <i>die</i> moest hij hebben; en hij zou een beste kunnen krijgen, omdat hij zoo’n mooie jongen
-was, en omdat zijzelf er wel een voor hem zoeken zou.
-</p>
-<p>Stil sloop zij de kamer uit, het portret van Nora Tiele onder haar baadje. Buiten
-ging Bram haar achterna, de oude kamer binnen, die zij al zooveel jaren bewoonde in
-de bijgebouwen, en in dezelfde groote trommel, waar het portret van <span class="pageNum" id="xd31e2526">[<a href="#xd31e2526">177</a>]</span>Adam, dat zij van John Silver gekregen had, was geborgen, legde zij het andere, dat
-zij nu had weggenomen.
-</p>
-<p>„Wat doe je, <i>ma</i>?”
-</p>
-<p>„Ik berg het weg, Bram; hij mag het niet houden.”
-</p>
-<p>„Hij is geen kind meer, <i>ma</i>; ik denk dat hij kwaad zal zijn.”
-</p>
-<p>„Waarom kwaad? Op wie?”
-</p>
-<p>„Wel op een van ons beiden, <i>ma</i>, maar niet op mij.”
-</p>
-<p>„Hij zal het niet weten, Bram. Zou jij zoo’n mal bleek mensch hier in huis willen
-zien?”
-</p>
-<p>Bram lachte hard en krakend; net het geluid van z’n vader in vroeger tijd.
-</p>
-<p>„Neen, niet graag,” bekende hij openhartig; „maar mal zijn die <i lang="ms">totohs</i> niet, <i>ma</i>; zij zijn heel wat slimmer dan wij.”
-</p>
-<p>„Het kan mij niet schelen en het is niet waar ook; ja, zij kunnen allerlei maken van
-ijzer, hout en steen, en zij kunnen <i lang="ms">sopi</i> drinken en <i lang="ms">brendy</i>, maar <i lang="ms">pinter</i> zijn ze niet.”
-<span class="pageNum" id="xd31e2563">[<a href="#xd31e2563">178</a>]</span></p>
-<p>„<i lang="ms">Soedah!</i> Ik weet het beter. Maar het is waar, ik zou zoo’n schoonzusje niet graag hebben.
-Doch daarom zou ik het portret niet stelen.”
-</p>
-<p>„Als hij het ziet, denkt hij aan haar.”
-</p>
-<p>„Laat hem denken.”
-</p>
-<p>„Dan wil hij haar trouwen.”
-</p>
-<p>Bram lachte weer.
-</p>
-<p>„Je wordt oud; je bent zelf niet zoo <i lang="ms">pinter</i> meer als vroeger. <i>Allah</i>, toch <i>ma</i>! hij is een Indische jongen. Laat hem maar eerst ’n week of wat hier zijn, dan is
-hij gewend.”
-</p>
-<p>„En dan?”
-</p>
-<p>„O, welk een garnalenhoofd!” riep Bram zonder eenig respect voor de moederlijke waardigheid
-van <i lang="ms">njai Peraq</i>. „Dan geef ik hem een aardig meisje om hem te <i lang="ms">pidjit</i>.”
-</p>
-<p>Daar moest nu de oude vrouw om lachen, het dom vindend van haarzelf, dat zij dááraan
-niet had gedacht.
-</p>
-<p>„Geef mij dus het portret terug,” ging Bram voort, „dan zal ik het in z’n kamer leggen;
-het is beter.”
-<span class="pageNum" id="xd31e2595">[<a href="#xd31e2595">179</a>]</span></p>
-<p>Maar zij was bang.
-</p>
-<p>„Neen, ik doe het niet, Bram, ik doe het niet.”
-</p>
-<p>„Geef het nou, zeg ik. Hij moet ons niet gaan wantrouwen; en als hij dat ding mist,
-zal hij u of mij natuurlijk verdenken.”
-</p>
-<p>Maar het was preeken voor doovemans ooren; aan zoo’n photographisch portret schreef
-<i lang="ms">njai Peraq</i> een buitengewonen invloed toe, had zij dien niet zelf ondervonden en gevoeld, toen
-ze dat van Adam zag en ineens voor haar oogen een beeld oprees, dat ze al lang was
-vergeten; en zoo duidelijk, dat zij ervan schrikte? Neen, dat nooit!
-</p>
-<div class="figure o173width"><img src="images/bottom8.png" alt="Ornament." width="130" height="68"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e2607">[<a href="#xd31e2607">180</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e313">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="NEGENTIENDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">NEGENTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Een nieuwe vlam.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Adam rekte zich uit, dat de ledikantstijlen ervan kraakten. Hij had heerlijk geslapen
-en de muizenissen waren hem uit het hoofd gegaan, aan het portret dacht hij zoo dadelijk
-niet en miste het dus evenmin; hij ging baden om wat op te frisschen, en deed ’n wandeling
-daarna met Bram, die druk bezig was in den tuin.
-</p>
-<p>„Het ziet er niet netjes uit,” excuseerde zich Bram, die dezelfde <span class="corr" id="xd31e2615" title="Bron: liefbebberij">liefhebberij</span> in bloemkweeken had als z’n vader. „Het is in den laatsten tijd erg verwaarloosd
-door de ziekte van den ouwen.”
-</p>
-<p>„Het gaat nogal,” meende Adam met ’n onverschilligen <span class="pageNum" id="xd31e2620">[<a href="#xd31e2620">181</a>]</span>blik over de rozestruiken en de veelkleurige planten.
-</p>
-<p>„Neen, waarachtig niet. Maar da’s niks; ik zal het wel weer gauw in orde krijgen.
-Hou jij van bloemen?”
-</p>
-<p>Bram zat op z’n hurken, met vette aardkluitjes aan en een groote kromme schaar in
-z’n handen, en hoog boven hem uit stak het groote breede lijf, dat in de witte kabaai
-nog forscher leek, van den jongeren broer. Toen Bram geen antwoord kreeg, zag hij
-op naar den jeugdigen gebaarden kop boven hem, en hij volgde tusschen de struiken
-de richting van den blik, die er bovenuit keek.
-</p>
-<p>„Aardig, ja?” vroeg Bram.
-</p>
-<p>Langzaam knikte Adam van ja; zijn zwarte oogen, glinsterend als karbonkels, boorden
-door de lichte gele zonnelucht over den pagger naar het weggetje daar langs, en Bram
-lachte genoeglijk; dááraan herkende hij ten minste zijn bloed bij dien vreemdsoortigen
-broer; die rare eend in de familiebijt.
-<span class="pageNum" id="xd31e2627">[<a href="#xd31e2627">182</a>]</span></p>
-<p>„Ja, ze ziet er goed uit,” vervolgde Bram; „zij is de dochter van een <i lang="ms">mantri</i> van de gevangenis; ze zal moeilijk te krijgen zijn.”
-</p>
-<p>Adam oogde nog de slanke figuur na in het gebloemd katoenen baadje, dat, strak gespannen,
-van onder haast vastgedrukt tegen de mede engsluitend aangehaalde in bruin gewerkte
-sarong, de fijne ronde vormen onberispelijk teekende, evenals de met die tengerheid
-van bouw contrasteerende, sterke buste-ontwikkeling in conische vormen vooruitspringend.
-</p>
-<p>Het was ’n mooi gezicht vond Adam; hij had, toen ze voorbijging, gekeken in haar vroolijke,
-ronde oogen, die hem toelachten gelijk het meisjesoogen mooie jongens doen; zijn blik
-was gegaan over den weelderigen schat van in een groote wrong gedraaid hoofdhaar,
-waarin ’n wit bloempje stak, als hield dat die massa bijeen; en het aardig <i lang="fr">ensemble</i> had hem diep geïmpressionneerd; een stil vuur was langzaam als door hem heengegaan
-van top tot teen, een gloeiende lavastroom, <span class="pageNum" id="xd31e2640">[<a href="#xd31e2640">183</a>]</span>die hem op zijn groote voeten deed staan trillen van begeerte.
-</p>
-<p>Dat was hem nog nooit overkomen, zóó nog nooit! Bij de boemelpartijen met zijn vrienden
-in Holland had hij meegedaan aan alles, maar zonder veel opgewektheid; altijd met
-het indolente en onverschillige, dat hem zoo typeerde in uiterlijk en manieren. Hij
-gaf zich geen rekenschap van het andere, dat hem nu bezielde; hij vond het vreemd
-en keek er een oogenblik later verwonderd over naar Bram, die opgestaan was, als moest
-deze het raadsel oplossen. Of het kwam door het klimaat of door zijn oostersche afkomst;—dat
-waren quaesties, die niet eens in zijn gedachten oprezen.
-</p>
-<p>Werktuiglijk vroeg hij:
-</p>
-<p>„Zou het niet gaan?”
-</p>
-<p>„Ik denk het niet,” zei Bram, „of je moest het heel stil behandelen.”
-</p>
-<p>„Hoe bedoel-je?” vroeg Adam, die wezenlijk niet op de hoogte was, en deze conversatie,
-welke hem geheel <i lang="fr">au fait</i> vooronderstelde en in kwart <span class="pageNum" id="xd31e2651">[<a href="#xd31e2651">184</a>]</span>en halve phrasen werd gevoerd, nauwlijks volgen kon.
-</p>
-<p>„Wel, dan naderhand met geld; een flinke som. Zie je, zoo’n kerel is nauwelijks bij
-het gouvernement of van tweeën één: zijn dochter moet huishoudster worden bij een
-Europeesch ambtenaar, die hem vooruit kan helpen, of zij moet trouwen met een inlandsch
-ambtenaar; maar een ambtenaar moet het zijn; dáár heeft zoo’n vent nu eenmaal zijn
-zinnen op gezet, en hij gaat er niet af.”
-</p>
-<p>„Ik kan nog niet eens met haar praten,” zei Adam met een spijtigen glimlach.
-</p>
-<p>„Och, dat is niks. Integendeel.”
-</p>
-<p>„Hoezoo?”
-</p>
-<p>„Wel, des te gauwer leer je de taal van het land.”
-</p>
-<p>„Ja, dat zal wel waar zijn.”
-</p>
-<p>„Nou,” zei Bram zacht en vertrouwelijk, „ik zal eens poolshoogte voor je nemen. Loop
-je nog door?”
-</p>
-<p>En toen Adam dat nog doen wilde:
-<span class="pageNum" id="xd31e2663">[<a href="#xd31e2663">185</a>]</span></p>
-<p>„Dan groet ik je, want ik moet even met de ouwe vrouw praten.”
-</p>
-<p>In het kamertje op het achtererf ging hij bij <i lang="ms">njai Peraq</i> zitten en stak een strootje op, z’n magere beenen in de lucht wippend en kruiselings
-weer inhalend met groote lenigheid over elkaar tot ver achter het kniegewricht.
-</p>
-<p>Telkens luid op lachend, vertelde hij in het maleisch hoe Adam het inlandsche meisje
-had aan- en nagekeken; dat hij al zoo goed als verliefd was op het eerste gezicht;
-dat het dus alles maar onzin was met dat <i lang="ms">totoh</i>meisje, en Adam als hij eenmaal Minah van den <i lang="ms">mantri</i> had, voorgoed van die gekheid af zou zijn.
-</p>
-<p>Ernstig en stil overwoog <i lang="ms">njai Peraq</i>; de mantri stond bij haar in de schuld; hij was achterstallig en zij kon hem in moeilijkheden
-brengen, want hij knoeide met leveranciers; dàt kon ze bewijzen; het meisje was wel
-een beetje koket en keek veel te veel de mannen in de oogen, maar ze was werkzaam
-en bij de hand, en had ze eenmaal een <span class="pageNum" id="xd31e2683">[<a href="#xd31e2683">186</a>]</span><i lang="ms">laki</i> als Adam, dan zou zij zich heel gemakkelijk tot deugden schikken.
-</p>
-<p>„Het kan misschien wel,” meende zij.
-</p>
-<p>„Hm! Heb je hem vast?”
-</p>
-<p>„Ja; maar hij kan me ontgaan, als er anderen zijn, die hem helpen.”
-</p>
-<p>„Nou ja! Ik zou er gauw werk van maken. Loop er eens langs en vraag haar mee te gaan
-om koffie te drinken en <i lang="ms">kwee-kwee</i> te eten.”
-</p>
-<p>„Wat zou dat helpen?” vroeg <i lang="ms">njai Peraq</i>.
-</p>
-<p>Zij had andere inzichten; zij kon niet afdalen tot het standpunt van vernedering,
-vanwaar Bram het artikel vrouw beschouwde.
-</p>
-<p>„Wat het helpen zou? Wel, als ze eenmaal hier is, komt ze ook wel eens alleen met
-Adam. Dan moet hij maar zelf weten, wat hem te doen staat.”
-</p>
-<p>Maar <i lang="ms">njai Peraq</i> fronste de wenkbrauwen en schudde in korte nijdige bewegingen het hoofd.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Terlaloe</i>, Bram. Het is gemeen, en zóó zal het niet gebeuren. Ik weet wel beter en fatsoenlijker.
-<span class="pageNum" id="xd31e2713">[<a href="#xd31e2713">187</a>]</span>Hij hoeft geen beest te zijn om haar te krijgen.”
-</p>
-<p>Bram lachte erom, zoo gek vond hij haar uitval, en stak, terwijl hij zijn knokkelvingers
-luid en knappend liet kraken, zijn magere beenen weer in de lucht. „Ouwe sok!” zei
-hij in ’t Hollandsch.
-</p>
-<p>Zij kende het woord, als een uitdrukking, die John Silver vroeger altijd veel in den
-mond had; maar zij begreep er niets van en liet het erbij. En toen Bram uitgelachen
-had, spraken ze er ook niet verder over, denkend ieder hun eigen gedachten.
-</p>
-<p>Tot Bram opschrikte toen een <i lang="ms">baboe</i> kwam zeggen, dat er bezoek was; de meneer had een kaartje afgegeven, er stond op,
-dat hij agent was van de Weeskamer.
-</p>
-<p>Met een nijdig gezicht ging hij het huis in; dat was waar ook: de vervelende Weeskamer
-zou zich er nu mee bemoeien, want Adam was minderjarig.
-</p>
-<div class="figure o181width"><img src="images/bottom2.png" alt="Ornament." width="65" height="41"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e2727">[<a href="#xd31e2727">188</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e322">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="TWINTIGSTE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Onterfd.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen hij binnenkwam waren er twee personen, de agent van de Weeskamer en een ander
-ambtenaar; en deze laatste was eigenlijk de woordvoerder; daar er op de plaats geen
-notaris was, en die ook niet te bereiken viel, had John Silver in zijn tegenwoordigheid
-een testament gemaakt onder getuigen en eigenhandig, en dat had hij bij hem in bewaring
-gelaten; de familie moest den volgenden dag maar op ’t kantoor komen.
-</p>
-<p>Intusschen deed de ambtenaar van de Weeskamer verder zijn plicht en alles werd opgeschreven
-en het gaf, vonden <i lang="ms">njai Peraq</i> en de verdere familieleden, <span class="pageNum" id="xd31e2738">[<a href="#xd31e2738">189</a>]</span>een gezanik, om ziek van te worden.
-</p>
-<p>Toen des anderen daags de voorlezing van het testament was afgeloopen, keken ze elkaar
-aan, zóó vol verbazing, dat het was, als hadden ze hun verstand verloren.
-</p>
-<p>„De oude was gek,” zei Bram.
-</p>
-<p>Daartegen protesteerde de openbare ambtenaar; John Silver was volkomen bij z’n verstand
-geweest; dat konden de getuigen verklaren.
-</p>
-<p>„Maar moeder dan?”
-</p>
-<p><i lang="ms">Njai Peraq</i> kwam in het testament niet voor.
-</p>
-<p>„Het is te mal, het is <i>nonsense</i>,” hield Bram vol …
-</p>
-<p>„Daar!” riep hij opgewonden, „het bewijs heb ik!”
-</p>
-<p>„Welk?” vroeg de agent.
-</p>
-<p>„Wel, dat pa niet bij zijn positieven was. Hij heeft mijn broer Adam vergeten.”
-</p>
-<p>„Ja, dat heeft hij,” gaf de Weeskamer toe.
-</p>
-<p>Maar de openbare ambtenaar niet; die streek eenigszins verlegen over z’n gezicht,
-en schudde langzaam, ontkennend, het hoofd.
-<span class="pageNum" id="xd31e2759">[<a href="#xd31e2759">190</a>]</span></p>
-<p>„Dat heeft hij niet.”
-</p>
-<p>„Het is wèl waar; hij komt er in ’t geheel niet in voor.”
-</p>
-<p>„Toen uw vader het testament maakte, heb ik zijn aandacht er ook op gevestigd, ik
-wist … ik meende te weten, dat hij nog een zoon in Europa had.”
-</p>
-<p>„Ja, natuurlijk.”
-</p>
-<p>„Het was mijn plicht hem erop te wijzen.”
-</p>
-<p>„Ja, en wat zei hij?”
-</p>
-<p>„Hij zeide … dat hij geen andere kinderen had erkend, dan die hij in het testament
-had genoemd.”
-</p>
-<p>„Hoe bedoelt u dat?” vroeg Adam bleek en met groote ontstelde oogen, geïmpressionneerd,
-zooals hij ’t nog nooit was geweest.
-</p>
-<p>„Wijlen de heer Silver was niet getrouwd voor de burgerlijke wet met deze inlandsche
-vrouw; om de bij haar verwekte kinderen als de zijne ingeschreven te krijgen in de
-registers van den Burgerlijken Stand, moest hij ze erkennen.”
-</p>
-<p>„En heeft hij dat niet gedaan?”
-</p>
-<p>„Voor de anderen wel; voor u niet.”
-<span class="pageNum" id="xd31e2773">[<a href="#xd31e2773">191</a>]</span></p>
-<p>„Dus … dus ben ik …?”
-</p>
-<p>„Ja,” zei de ambtenaar, met wezenlijk medelijden tegenover dien volkomen zuiver Hollandsch
-sprekenden en modern Europeesch gekleeden jongen man, „het is een hoogst onaangenaam
-geval, maar het is heusch niet anders. U bent niet ingeschreven en dus alleen de zoon
-van de inlandsche vrouw, hier bekend onder den naam van <i lang="ms">njai Peraq</i>.”
-</p>
-<p>De broers en de eenoogige zuster protesteerden. Het was onmogelijk, het leek naar
-niets en het rijmde zich met niets; hun vader zou dat niet gedaan hebben, terwijl
-hij juist zoo’n voorkeur aan Adam had geschonken, dat hij hem met uitsluiting van
-de anderen, een kostbare Europeesche opvoeding had laten geven; en de ambtenaren gaven
-toe, dat het onbegrijpelijk was; zij zouden waarlijk nu tot de meening zijn overgeheld,
-dat iemand, die zulke dingen doet, niet geacht kan worden bij zijn verstand te zijn.
-</p>
-<p>„Maar al betwistte je het testament; dan zouden jullie daar wel nadeel, maar geen
-voordeel <span class="pageNum" id="xd31e2783">[<a href="#xd31e2783">192</a>]</span>bij kunnen hebben, en je broer evenmin.”
-</p>
-<p>„Dan is toch uitgemaakt …” begon Bram, maar hij bleef erin steken; hij wist eigenlijk
-in het geheel niet, wat zou zijn uitgemaakt.
-</p>
-<p>„Het baat niets. Als jullie aan je broer een erfportie wilt afstaan en aan je moeder
-ook, dan staat dat ieder vrij.”
-</p>
-<p>Ja, dat wilden ze, er was geen quaestie van, dat ze zouden willen bezitten, wat hun
-moeder en hun broer toekwam; Bram vooral was zeer opgewonden, de tranen stonden hem
-in de oogen.
-</p>
-<p>En <i lang="ms">njai Peraq</i>, die ze alles hadden uitgelegd, beet even met een zenuwachtig mondtrillen op haar
-onderlip. „<i lang="ms">Bangsat</i>,” dacht ze; maar ze zei het niet.
-</p>
-<p>De eenparige hartelijkheid zijner broers en zuster trof Adam; hem stond voor het oogenblik
-de maatschappelijke kant niet zoo helder voor oogen, als de financieele.
-</p>
-<p>„Ik wil jullie niet van je geld berooven,” zei hij pijnlijk, „het komt me immers niet
-rechtmatig toe.”
-<span class="pageNum" id="xd31e2800">[<a href="#xd31e2800">193</a>]</span></p>
-<p>Maar nu dreigde het een strijd van edelmoedigheid te worden, waarbij Bram het hoogste
-woord voerde, en dien <i lang="ms">njai Peraq</i> zich liet verklaren door haar dochter.
-</p>
-<p>„Het kan me niet schelen,” hield Bram vol, „wat pa gedaan heeft en wáárom hij zoo
-heeft gedaan; dat gaat me niet aan en ik wil er niet aan denken; maar jij bent mijn
-eigen broer, en al waren we niet van een en denzelfden vader.…”
-</p>
-<p>Het hooge woord, het woord waaraan gedacht werd door de vreemden en door de moeder,
-maar dat zij niet durfden en wilden uitspreken, was eruit. De twee ambtenaren keken
-elkaar aan; Bram begon te stotteren, toen hij de gezichten zag van zijn broer en zuster,
-die hem verslagen aankeken.
-</p>
-<p><i lang="ms">Njai Peraq</i> zette haar bril recht en stond op.
-</p>
-<p>„Het is alles een vergissing,” zei ze. „Wij zullen naar huis gaan. Ik heb genoeg geld
-om Adam zooveel te geven, als jullie elk krijgt. Er behoeft geen twist over te komen.”
-</p>
-<p>Maar Bram wilde niet weg; hij was altijd nogal <span class="pageNum" id="xd31e2815">[<a href="#xd31e2815">194</a>]</span>breedsprakig; wanneer hij zich had opgewonden en vond, dat hij gelijk had en hij deed
-zooals behoorde, maakte dit hem sentimenteel; dan was hij niet van het woord te slaan.
-</p>
-<p>„Zou er niks aan te doen zijn?” vroeg hij de ambtenaren.
-</p>
-<p>„Waaraan?”
-</p>
-<p>„Wel, dat het geredresseerd wordt; dat hij nog als mijn broer en als Europeaan wordt
-erkend.”
-</p>
-<p>In hun hart betwijfelden zij het, maar om hem niet te verdrieten, zei de een:
-</p>
-<p>„Misschien wel.”
-</p>
-<p>„Wat moeten we dan doen? Als er met geld iets te beginnen is, dan zijn we graag bereid.…”
-</p>
-<p>„Neen, dat niet; daaraan moet u niet denken.… Misschien een collectief request.…”
-</p>
-<p>„Wat voor request?”
-</p>
-<p>„Ik bedoel, dat door de erkende kinderen gezamenlijk wordt onderteekend.”
-</p>
-<p>Ze vonden eerst het idée uitstekend, en praatten er heen en weer over, tot ze het
-verwierpen, en <span class="pageNum" id="xd31e2829">[<a href="#xd31e2829">195</a>]</span>besloten dat eerst Adam zelf het verzoek moest doen; de Weeskamer-agent zou het voor
-hem opmaken.
-</p>
-<p>Toen ze hiermede hun ongerustheid hadden bedaard en naar huis reden, zwegen zij, geheel
-onder den indruk; ieder ging stil naar zijn kamer, heelemaal vervuld van het zonderling
-geval.
-</p>
-<p>Wie het hardste erover tobde, was Bram. Hij vond het, in één woord, het verschrikkelijkste
-wat iemand kon overkomen; hij had wel een inlandsche vrouw tot moeder, en hij dicteerde
-in zijn uiterlijk veel meer den maleier, dan den westerling, maar dat belette hem
-niet zijn maatschappelijken stand als Europeaan zeer hoog te schatten en laag neer
-te zien op den inlander; had men hem de keuze gegeven tusschen gelijkstelling met
-dezen en den dood, hij zou aan den laatsten de voorkeur hebben gegeven.
-</p>
-<p>En hij bedacht terdege, dat het voor Adam, die zoolang in Holland was geweest en die
-zoo heelemaal een <i lang="ms">totoh</i> was geworden; nog erger wezen moest, dan voor hem.
-<span class="pageNum" id="xd31e2838">[<a href="#xd31e2838">196</a>]</span></p>
-<p>Dat er ergens iets aan gehaperd had en wat het was, kon hij wel nagaan, en <i>als</i> het waar was, moest dat voor zijn vader, zoo redeneerde hij, onaangenaam zijn geweest.
-Hij dacht zichzelf in het geval. Wel, als <i>hij</i> z’n huishoudster snapte, zou hij haar eenvoudig de deur uitschoppen, al had ze een
-dozijn kinderen met hem. Men wist toch met een inlandsche vrouw altijd wel, dat men
-zulke gevaren liep. Van den <i>twijfel</i>, dien John Silver bij z’n leven haast gek had gemaakt en in den vorm van een <i lang="fr">idée fixe</i> hoogstwaarschijnlijk dat leven had verkort, wist hij niets en kon hij zich geen voorstelling
-maken.
-</p>
-<p>De oude had indertijd iets ontdekt, iets geweten, en hij had niettemin toch zijn huishoudster
-gehouden, maar zich gewroken door het kind een Europeesche opvoeding te doen geven
-om hem later des te meer te „donderen.”
-</p>
-<p>„God in den hemel,” riep hij zenuwachtig de kamer op en neer loopend, in uiterlijk
-en manieren nu het sprekend evenbeeld van wijlen John, „wat <span class="pageNum" id="xd31e2854">[<a href="#xd31e2854">197</a>]</span>is dat ’n gemeene streek geweest, tegenover dien armen jongen, die er toch dood onschuldig
-aan is.”
-</p>
-<p>Hij kon het niet houden, liep naar Adam en keek er gek van op, dat die rustig een
-deuntje floot. En direct klom nog zijn medelijden: „de jongen begrijpt het niet,”
-dacht hij; „hij ziet niet eens in, hoe ernstig het is.”
-</p>
-<p>Het was ook zoo, althans betrekkelijk.
-</p>
-<div class="figure o191width"><img src="images/bottom5.png" alt="Ornament." width="92" height="54"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e2862">[<a href="#xd31e2862">198</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e331">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Vergeefsche moeite.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Adam had direct vertrouwen gekregen in het fameuse request aan de Regeering; immers,
-dacht hij, wat kon het haar schelen, of hij in die registers stond geschreven? Daar
-had zij, meende hij, geen voor- of nadeel van, en er was dus geen reden, waarom ze
-het, als hij het vroeg, zou weigeren. Het was heel vreemd van zijn vader geweest,
-dat vond hij ook; maar het kon toch alles niet anders dan op een misverstand berusten.
-En daar het met het geld vanzelf terecht zou komen, was Adam heelemaal gerustgesteld
-en trok er zich verder niets van aan.
-<span class="pageNum" id="xd31e2869">[<a href="#xd31e2869">199</a>]</span></p>
-<p>Het gaf, toen hij zich zoo gemoedelijk erover uitliet, aan Bram een gevoel van meerderheid,
-dat hem streelde, <i>hij</i>, die nooit in Europa was geweest, was toch veel <i>pinterder</i>. En het verhoogde nog zijn sympathie voor den jongeren broer.
-</p>
-<p>Maar zijn geringe opvoeding bracht niet mee nu ook kiesch genoeg te zijn erover te
-zwijgen. Waarom zou men dat doen, als iets nu eenmaal zóó was en niet anders?
-</p>
-<p>Daarom schudde hij ’t hoofd met een bedenkelijk gezicht.
-</p>
-<p>„Ik geloof niet, dat je erop mag rekenen.”
-</p>
-<p>„Waarom niet?” vroeg Adam zeer verwonderd.
-</p>
-<p>„Ja, zie je, dat weet ik niet; die lui zijn zoo raar.”
-</p>
-<p>„Ik begrijp niet wat het hen schelen kan. Het kost immers niets en het geeft geen
-moeite.”
-</p>
-<p>„Dat doet het ook niet.”
-</p>
-<p>„Waarom zouden ze het dan weigeren? Iedereen kan het toch getuigen.”
-</p>
-<p>„Wat getuigen.”
-<span class="pageNum" id="xd31e2887">[<a href="#xd31e2887">200</a>]</span></p>
-<p>„Wel,” zei Adam met zijn goedigen lach, „dat ik de zoon ben van mijn vader.”
-</p>
-<p>Het werd nu, zelfs voor Bram, een moeilijk terrein.
-</p>
-<p>„Ik geloof niet, dat het dáár zit, A. Ze hebben het erg op die registers van den Burgerlijken
-Stand; wanneer je daar per abuis in staat als iemand van het vrouwelijk geslacht,
-en je bent een man …”
-</p>
-<p>„Nou, wat dan?”
-</p>
-<p>„Dan ben je toch een vrouw!”
-</p>
-<p>Adam lachte zoo hartelijk, als hij het in lang niet gedaan had; en Bram kon er ook
-niet ernstig bij blijven, schoon hij volstrekt niet de bedoeling had gehad een aardigheid
-of iets mals te zeggen.
-</p>
-<p>„Je gelooft het niet—het is toch zooals ik zeg.”
-</p>
-<p>„Laat je niks wijs maken,” zei Adam. „Het is zoo erg niet, hoor! De menschen zijn
-niet stapelgek. Het kost wel wat moeite, maar veranderd wordt het toch.”
-<span class="pageNum" id="xd31e2897">[<a href="#xd31e2897">201</a>]</span></p>
-<p>„Ik mag het lijden voor jou; maar ik zie het nog niet gebeuren.”
-</p>
-<p>„En wat dan?”
-</p>
-<p>„Ja, dat mag je wel zeggen.”
-</p>
-<p>„Ze spraken nog van een ander request, een gezamenlijk van jullie.”
-</p>
-<p>„Weet je wat ik geloof?” vroeg Bram met een hoogwijs gezicht.
-</p>
-<p>En toen Adam dat niet wist:
-</p>
-<p>„Dat we daarmee hadden moeten beginnen.”
-</p>
-<p>„Men moet niet al het kruit ineens verschieten.”
-</p>
-<p>„Gekheid? Als ze het wilden toestaan, zou het dan zeker zijn gebeurd.”
-</p>
-<p>„A propos,” zei Adam, „heb je ook ergens een portret gezien?”
-</p>
-<p>Bram begreep het wel, maar hij vroeg:
-</p>
-<p>„Een portret van jou?”
-</p>
-<p>„Neen; van een jonge dame.”
-</p>
-<p>„Zoo! Niet bij mijn weten. Ben je er een kwijt?”
-</p>
-<p>„Ja, en ik heb er overal vruchteloos naar gezocht. Ik had het, herinner ik me, ’s
-middags bekeken.”
-<span class="pageNum" id="xd31e2916">[<a href="#xd31e2916">202</a>]</span></p>
-<p>„Waar?”
-</p>
-<p>„Hier in de kamer, op mijn bed.”
-</p>
-<p>„Een liefje van je?”
-</p>
-<p>Adam aarzelde een oogenblik.
-</p>
-<p>„Ja. Ik had de toestemming van papa willen vragen haar te trouwen.”
-</p>
-<p>„Dat is dan een gedane zaak, hè?”
-</p>
-<p>„Hoezoo?”
-</p>
-<p>„Wel, vooreerst had de-n-ouwe je zien aankomen! Maar <i lang="ms">soedah</i>, hij is dood, en nu een van tweeën: je wordt nog erkend als Europeaan, en dan heb
-je aan ’t geld nauwelijks genoeg voor je zelven.”…
-</p>
-<p>„Als ik op een land ben …”
-</p>
-<p>„Beste jongen, als ik mij niet vergis, zijn jij en een land er twee. En een Haagsch
-dametje op een land, dat geeft ook niets! En als je niet wordt erkend, dan is het
-heelemaal uit.”
-</p>
-<p>Adam rookte zijn strootje en keek met een bedrukt gezicht naar buiten. Zoo zaten ze
-beiden wel tien minuten lang.
-<span class="pageNum" id="xd31e2934">[<a href="#xd31e2934">203</a>]</span></p>
-<p>„Trek het je niet aan, A.,” zei Bram, die weer heel veel <i lang="ms">kasian</i> had. „Als ik jou was en het liep heelemaal scheef, ging ik naar Australië of Amerika
-en ik liet me naturaliseeren.”
-</p>
-<p>Maar Adam weerde het denkbeeld af met ’n handbeweging.
-</p>
-<p>„Dat verdom ik,” riep hij boos, „dat doe ik m’n leven niet.”
-</p>
-<p>De waarheid was, dat hij er altijd vreeselijk tegenop had gezien met vreemden te spreken;
-hij had zoo bitter weinig genoten van het onderricht in talen!
-</p>
-<p>„Het is goed en wel, maar wat zou je anders te doen staan?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet.”
-</p>
-<p>„In elk geval zou ik mijn idée maar niet langer op een Haagsch dametje zetten, dáár
-kan toch niets van komen.”
-</p>
-<p>„Dat vrees ik nu ook,” zuchtte Adam.
-</p>
-<p>„En je behoeft er waarachtig niet om te zuchten. Er zijn mooie meisjes genoeg, ook
-hier, onder de inlandsche.”
-<span class="pageNum" id="xd31e2950">[<a href="#xd31e2950">204</a>]</span></p>
-<p>„Ja,” gaf Adam na eenige aarzeling toe, „dat is waar; die ééne laatst, toen we in
-den tuin waren …”
-</p>
-<p>„Welnu, neem haar.”
-</p>
-<p>„Neem haar, neem haar …! ’t is wat moois; alsof ik haar voor het nemen heb.”
-</p>
-<p>„Een kerel als jij!” riep Bram met afgunst zijn broer monsterend van het hoofd tot
-de voeten. „Een kerel als jij.”
-</p>
-<p>„Het is heel mooi, waarachtig! Ik kan me niet eens behoorlijk verstaanbaar maken.”
-</p>
-<p>„Dat duurt ook geen veertien dagen meer; ik heb je hooren praten tegen den mandoer
-en ik stond verbaasd; het is of ’t je is aangewaaid.”
-</p>
-<p>Het streelde Adam meer, dan de ander kon vermoeden; nog nooit in zijn leven had hij
-een compliment gehad over zijn vlug aanleeren van het een of ander. En nu verklaarde
-een deskundige als Bram, dat hij zulke snelle vorderingen had gemaakt in de landstaal;
-het leek hem een wonder!
-</p>
-<p>Het kwam precies uit zooals Bram het had voorspeld. <span class="pageNum" id="xd31e2960">[<a href="#xd31e2960">205</a>]</span>Van een boedelscheiding wilde niemand hooren, vóórdat de moeilijkheid met Adam uit
-den weg was geruimd. Bram, in het testament als executeur aangewezen, deed zooals
-vroeger zijn vader had gedaan met het beheer van het geld en het huishouden; de andere
-broer ging naar de onderneming, waar hij werkte. Of John Silver er niet meer was en
-of er een Adam zonder naam was bijgekomen, het maakte in het gewone gangetje des huiselijken
-levens maar weinig verschil.
-</p>
-<p><i lang="ms">Njai Peraq</i> kwam zelden in het hoofdgebouw; het was haar gewoonte niet. De „kinderen” dronken
-’s morgens koffie in de achtergalerij en aten rijst; dan ging Bram aan de bloemkweekerij;
-de zuster zorgde voor de keuken en Adam doodde zijn tijd zoo goed en kwaad het ging;
-en eigenlijk ging dat bij zijn natuurlijken aanleg heel goed. De mooie Minah van den
-mantri had hij tot „erkende” huishoudster; zij woonde in een kamertje naast dat van
-haar „schoonmoeder.” Adam amuseerde zich perfect met haar en sprak nu maleisch, alsof
-<span class="pageNum" id="xd31e2966">[<a href="#xd31e2966">206</a>]</span>hij ’t zijn leven lang gedaan had. En de jonge inlandsche vrouw hield heel veel van
-hem; zij maakte zich „mooi” voor hem; zij staarde met bewondering naar zijn echt oosterschen
-kop; zij <i>kipaste</i> hem als hij sliep en putte zich uit in lekkere <i lang="ms">sambals</i> en <i lang="ms">kwee-kwee</i>, die haar vergolden werden door een genadigen glimlach van haar heer en meester,
-wat haar gelukkig maakte; door levendige loftuitingen van Bram, waarvoor ze volmaakt
-onverschillig was.
-</p>
-<p>En dan had Bram pleizier. Hij wist nu al vrij precies, wat hij had aan den broer,
-tegen wiens Europeesche wijsheid en kennis hij vroeger, toen Adam nog in Holland was,
-zoo had opgezien in z’n verbeelding.
-</p>
-<p>Dat die broer niet knap en ook niet <i lang="ms">pinter</i> was, verheugde hem; maar als hij dan het stille <i>air</i> van superioriteit zag, dat Adam zich niet kunstmatig gaf, maar van nature had, stond
-hij verbaasd; dan kon hij zoo <i lang="fr">en passant</i> al lachend tegen zijn zuster zeggen: „Die vent heeft, gévédé, iets over zich … Het
-is om je dood te lachen!”
-<span class="pageNum" id="xd31e2988">[<a href="#xd31e2988">207</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e341">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Adam is ontevreden.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De brieven van Nora Tiele, werden al opgewondener; de afwezigheid van Adam scheen
-haar liefde voor hem te doen toenemen; zij schreef, wat zij nooit gezegd zou hebben:
-hoe zij over hem dacht, wat zij voor hem gevoelde, hoezeer ze naar hem verlangde.
-En zijn metterdaad verminderend gevoel voor haar, werd telkens weer door die brieven
-opgewekt en gevoed. Dan had hij schrikkelijk het land om het zoek raken van haar portret,
-dat alle navraag niet terecht had gebracht; dan herinnerde hij zich weer zijn avondje
-met haar,—den laatsten vooral, en dan kon hij er niet toe komen <span class="pageNum" id="xd31e2996">[<a href="#xd31e2996">208</a>]</span>haar ook maar ’t gedeelte der waarheid te schrijven, dat zij weten mocht.
-</p>
-<p>Den dood zijns vaders had hij haar medegedeeld, en dat hij door zijn familie zoo vriendelijk
-was ontvangen; aan de Verlande’s schreef hij in ’t geheel niet; hij miste er den moed
-toe.
-</p>
-<p>Zoo ging het door een paar maanden, tot de beschikking kwam op zijn request: gehoord,
-gezien en overwogen; het verzoek van den <i>zich noemenden</i> Adam Silver was gewezen van de hand.
-</p>
-<p>Dat het hem erg schokte, zag Bram, en ofschoon hij het resultaat van den begin af
-had voorspeld, ging hij nu ineens overstag, met een voorgewend onwankelbaar vertrouwen
-op het collectief adres van de wettige erven.
-</p>
-<p>Daar moest „spoed” achter gezet worden; daar had men mee moeten beginnen; dat zou
-’n heel ander effect maken; men zou begrijpen, dat hij geen indringer was; dat alles
-neerkwam op een verzuim uit nalatigheid.
-</p>
-<p>Voor zichzelf had hij de overtuiging, dat het <span class="pageNum" id="xd31e3007">[<a href="#xd31e3007">209</a>]</span>„mis” was; ver ging zijn kennis niet, ook niet in zulke zaken; maar dat de beslissing
-der Regeering op zoo’n verzoek niet afhankelijk was van den persoon, die het deed,—dàt
-begreep hij toch wel.
-</p>
-<p>Adam, die leukweg voortlevend maar, in den dagelijkschen omgang onder den invloed
-was gekomen van Bram’s grootere scherpzinnigheid en slimheid, geloofde het. Hij hield
-nu ook zijn eigen verzoek voor een ondoordachte handeling, zich geruststellend met
-de redeneeringen van Bram; vertrouwend op wat hij wenschte en tegelijk zoo heel natuurlijk
-vond.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Het was een vroegen ochtend, toen Adam in de voorgalerij zat en met den ouden kijker
-uitzag in zee; de mailboot stoomde op aan den gezichteinder, het was alles haast onveranderd
-zooals het tien, twintig jaar vroeger was geweest.
-</p>
-<p>Bram was op de varkensjacht; <i lang="ms">njai Peraq</i> en haar dochter naar de pasar; Adam had het rijk in huis alleen met Minah, die ziek
-was, zei ze, en <span class="pageNum" id="xd31e3019">[<a href="#xd31e3019">210</a>]</span>er lang zoo netjes en fleurig niet uitzag, als toen zij pas bij hem kwam; in het besef
-eener inlandsche vrouw, dat, in haar „omstandigheden” het niet behoorlijk was zich
-aan te stellen.
-</p>
-<p>Hij verveelde zich; hij had in den laatsten tijd ’n hekel gekregen aan dit eentonig
-bestaan; de stilte, de gelijkvormigheid van het leven elken dag; de ongestoorde rust
-en het eeuwige nietsdoen,—het had hem alles eenigszins geoefend in wat hem vroeger
-te midden van het drukke vermakenleven in een groote westersche stad vreemd was gebleven:
-geoefend in het denken. Het had zijn geest verruimd, zijn hoofd helderder gemaakt,
-zijn oordeel gescherpt. En dat alles bijeen, deed een behoefte ontstaan, die hem altijd
-onbekend was geweest; hij wilde <i>iets doen</i>. In zijn omgeving had hij rondgezien naar dat „iets,” maar hij had het niet gevonden;
-een drukkend gevoel was over hem gekomen; een van groote ontevredenheid, en lusteloos
-hing hij over de balustrade, droomerig en somber starend over het groote onrustige
-veld der zee.
-<span class="pageNum" id="xd31e3026">[<a href="#xd31e3026">211</a>]</span></p>
-<p>Als hij naging, hoelang het had geduurd vóór de afwijzende beschikking op zijn request
-gekomen was, dan werd het nu zoowat tijd, dat op het collectief adres van de „erven
-Silver” een beslissing kon verwacht worden.
-</p>
-<p>Als dàt óók werd afgewezen, wat dan? Zou hij dan.… inlander worden? Ineens stond het
-hem voor oogen, dat hij eigenlijk niets behoefde te doen of te worden; dat hij vanzelf
-inlander was.
-</p>
-<p>En hoezeer hij zich in die weinige maanden ook „verinlandscht” had; hoe goed en gemakkelijk
-hij zich had gewend aan de rijstvoeding, aan het loopen op bloote voeten in nachtbroek
-en kabaai; aan het leven met een inlandsche vrouw,—kortom aan de eigenaardigheden,
-ook de minder smakelijke, van dàt leven,—de gedachte aan wat zijn wettigen en werkelijken
-toestand dreigde te worden en te blijven, deed hem zeer; nu, meer dan dat vroeger
-het geval zou geweest zijn.
-</p>
-<p>Terwijl hij zich eerst had gevleid met de hoop, dat het request zou baten,—scheen
-hem dit nu, <span class="pageNum" id="xd31e3032">[<a href="#xd31e3032">212</a>]</span>hij wist niet waarom, onwaarschijnlijk. Als een voorgevoel kwam het over hem; het
-zal wel weer worden afgewezen.
-</p>
-<p>Wat dan, wat dan?
-</p>
-<p>In de kampong gaan wonen? Och, dáár zou hij op zichzelf zoo niet tegen hebben opgezien.
-Maar hij had in het kantoor van wijlen John Silver, zijn vader, zooals hij hem in
-gedachten betitelde, een wetboek gevonden, en daarin gebladerd; hij had ’s morgens
-de gestraften langs den weg zien werken in de indigo-blauwige katoenen gevangenisliverei;
-hij had uit dat wetboekje gezien, hoe bitter weinig overtreding er noodig is voor
-een inlander om die straf te beloopen; hij had gehoord en gezien hoezeer het overheerschte
-ras tot door den geringsten Europeaan of „daarmee gelijkgestelde” uit de hoogte werd
-behandeld; hoe er haast nimmer tegen den inlander werd gesproken, dan snauwend en
-bevelend; en dat alles had hem zoo diep geïmpressionneerd, als waarvoor zijn natuur
-vatbaar was; het had hem geslagen met vrees en schrik.
-<span class="pageNum" id="xd31e3037">[<a href="#xd31e3037">213</a>]</span></p>
-<p>Aan dat alles dacht hij, doelloos starend uren achtereen in de onmetelijke ruimte;
-en hij schrikte van het geluid achter hem, dat Bram maakte, die was binnengekomen.
-</p>
-<p>„De boot is aan,” zei deze.
-</p>
-<p>Adam knikte: dat kon hij nagaan. Langzaam richtte hij zich op, stijf in de lenden
-van den gebogen houding zoolang achtereen.
-</p>
-<p>„En, wat nieuws?”
-</p>
-<p>Hij kreeg geen antwoord.
-</p>
-<p>Bram had zich afgewend met zijn rug naar hem toe; maar Adam zag toch wel, dat hij
-huilde.
-</p>
-<p>„Is het ook weer afgewezen?” vroeg hij zacht.
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>„Ik dacht het wel; ik had het verwacht.”
-</p>
-<p><span id="xd31e3049"></span>Een oogenblik meende Bram, dat hij het opvatte met onverschilligheid; dat het hem
-niet kon schelen. Toen zag hij het erg bleeke gezicht in den jongen zwarten baard,
-die het omlijstte, en het leed, dat sprak uit de groote goedige oogen.
-</p>
-<p>„Verdomme, kerel!” zei hij met bevende stem. <span class="pageNum" id="xd31e3053">[<a href="#xd31e3053">214</a>]</span>„Het doet me zoo’n zeer. Hoe kon de-n-ouwe toch ook zoo wezen!”
-</p>
-<p>Adam moest het stuk zien; het was haast precies als het vorige; geen discussie, geen
-argumenten: gezien, gehoord en overwogen, en.… gewezen van de hand.
-</p>
-<p>Hij zei niets meer en ging naar zijn kamer.
-</p>
-<p>Bram liet hem gaan; hij had hem willen troosten of moed inspreken, maar hij wist niet,
-wat hij zeggen zou, zoo’n verschrikkelijk geval was het. Hij hoorde, dat Adam, zoo
-onvriendelijk als hij ’t nog nooit had gedaan, Minah de kamer uitzond.
-</p>
-<p>„Wat is er toch, mijnheer?” vroeg zij aan Bram, verwonderd en ontsteld over zulk een
-ongewone behandeling.
-</p>
-<p>„Er is niets; ga jij maar naar achteren bij <i>ma</i>. Adam is ontevreden.”
-</p>
-<p>„Ik heb toch niets gedaan,” ging zij voort, meer uit nieuwsgierigheid.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Soedah</i>, ga nu maar, en praat niet verder.”
-<span class="pageNum" id="xd31e3070">[<a href="#xd31e3070">215</a>]</span></p>
-<p>Hijzelf liep den tuin in, werktuiglijk de snoeischaar meenemend, als hier of daar
-iets weg te knippen viel, uit gewoonte, zooals zijn vader had gedaan, maar met zijn
-gedachten voortdurend bij dien onaangenamen, dien wreeden toestand in zijn familie.
-</p>
-<div class="figure o209width"><img src="images/bottom3.png" alt="Ornament." width="66" height="53"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e3076">[<a href="#xd31e3076">216</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e350">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top3.png" alt="DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK." width="547" height="82"></div>
-<h2 class="label">DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Moederliefde.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Nu het een feit was, kon Adam niet denken; hij viel op een stoel neer, sloeg de handen
-voor het gezicht en trachtte vruchteloos zich een voorstelling te maken van hetgeen
-zijn positie worden moest; hij kwam er niet toe. Hij hoorde den schuivenden voetstap
-van <i lang="ms">njai Peraq</i> op de houten vloer der galerij; zij kwam zacht de kamer binnen, maar hij keek niet
-op; zij hurkte neer voor zijn voeten op den grond, en hij voelde, dat zij haar hand
-lei, heel even, op zijn breede knie.
-</p>
-<p>Hij hoorde haar stem, zacht en gedempt, als van iemand, die veraf staat; maar duidelijk
-verstaanbaar, <span class="pageNum" id="xd31e3088">[<a href="#xd31e3088">217</a>]</span>woord voor woord: „Kind van mijn hart, wees niet bedroefd. Als gij zijn moet wat uw
-moeder is, dan heeft de Heer God het zoo gewild, en gij zult er niet minder om zijn.
-Ik zal u dienen, als waart gij een koningszoon, en al wat ik bezit is voor u en van
-u. Gij zijt een sterke man en uw hart is eenvoudig en goed. Waarom zult gij bedroefd
-zijn, als zij u verstooten? Zijn <i>zij</i> zoo goed? Ik heb er zooveel zien komen en gaan; de meesten vloeken, eten onrein vleesch
-en drinken sterken drank. Zij zeggen een geloof te hebben en een God; zij leven alsof
-het niet zoo was. Zij hebben veel <i lang="ms">akals</i> om te maken van allerlei, dat een mensch niet noodig heeft, maar zij zijn ruw en
-<i lang="ms">kasar</i>, zij haten en benijden elkaar. Zult gij, die jong en sterk en schoon zijt, en die
-geld hebt, bedroefd zijn om menschen, die u uitstooten, wijl een ander u niet liet
-opschrijven in een boek? Ik ben een oude, domme vrouw, en ik heb niets gezien van
-de landen achter de zee, maar ik zeg u, dat bij mij en de mijnen een goed <span class="pageNum" id="xd31e3098">[<a href="#xd31e3098">218</a>]</span>mensch meer is, dan al het geschrijf in papieren boeken.”
-</p>
-<p>Hij hoorde het stil aan; hij had de sensatie, dat het geen redeneering was die sloot;
-het was als gleed een spiegelbeeld der westersche beschaving langs hem heen, bij wijze
-van tegenstelling tot wat de oude vrouw sprak: de gecompliceerde samenleving; de groote
-resultaten van wetenschap en kunst voet voor voet veroverd, in een eeuwenlangen ontwikkelingsgang
-van scherpzinnigheid en vlijt,—het was niet heel duidelijk, dat beeld, voor zijn geringe
-kennis en ontwikkeling; hij had het niet in woorden kunnen brengen; hij voelde het
-als de opgeroepen geest van een groot en omvangrijk <i>zijn</i>, waarin hij zorgeloos en onwetend had meegeleefd, met in zijn hersens enkel een machinalen
-ervaringsindruk, maar die hem nooit verlaten zou. En tusschen dat gewirrewar in zijn
-hoofd, dat hij niet grijpen kon met zijn gedachten, toonde de stem door van <i lang="ms">njai Peraq</i>, hoog inzettend een zin, dalend in het midden, met een klein <span class="pageNum" id="xd31e3107">[<a href="#xd31e3107">219</a>]</span>klankslingertje omhoog weer aan het slot: „Wij zijn slecht voor den Heer God en wij
-leven niet gelijk de koran wil. Maar in de kleinste kampong is een plaats, waar de
-mannen kunnen bidden en <i lang="ms">dikir</i>, en de kinderen hebben wat de ouders hebben, en de ouders leven met de kinderen,
-tot zij slapen gaan onder de <i lang="ms">kambodja</i>. Wij weten, dat de <i lang="ms">Blanda’s</i> sterker zijn dan wij en <i lang="ms">prentah</i> geven om te doen gelijk zij het willen, de een zóó en wat later een ander weer heelemaal
-anders. <i lang="ms">Soedah</i>, dat heeft de Heer God zoo gewild; hij zal hun <i lang="ms">prentahs</i> laten geven hier, en <i lang="ms">prentahs</i> daar, en altijd maar <i lang="ms">prentahs</i>, zoolang Hij wil. Maar een bedehuis hebben zij niet op deze plaats; wèl een huis
-waar zij samenkomen om te drinken, dikwijls tot zij dronken zijn. En de ouders sturen
-de kinderen weg om opgevoed te worden in verre landen door anderen; en later zien
-de kinderen niet om naar de ouders. De macht der <i lang="ms">prentahs</i> hebben zij gekregen van den Heer God: het is onze straf; het is ook hun straf, kind
-van mijn hart, want wat ons vernedert, <span class="pageNum" id="xd31e3138">[<a href="#xd31e3138">220</a>]</span>ontneemt hun het geluk; het is de vloek, die op hen rust; de <i lang="ms">prentahs</i> bidden zij aan, de <i lang="ms">prentah</i> is hun God, en wie de meeste <i lang="ms">prentahs</i> geven mag is zijn profeet; daarom zijn zij <i lang="ms">kafirs</i>.”
-</p>
-<p>Eenigszins verschrikt trok Adam de handen weg van voor het gezicht, en hief het hoofd
-op; <i lang="ms">njai Peraq</i> was zacht blijven spreken, niet harder eindigend, dan zij begon; maar er waren groote
-nadruk en een vreemde bijklank gekomen in haar stem; een intonatie van diep gewortelde
-verachting en haat; en toen hij haar in het gezicht keek, was het niet meer het onverstoorbare
-masker, glad en zonder plooi als van een hindoesch afgodsbeeld, maar een gezicht vol
-trekken en leven, met oogen erin niet mat-zwart als altijd, maar helbruin, glinsterend
-als van een jonge vrouw. Het viel dadelijk weg, toen hij haar zoo aankeek; zij schaamde
-zich voor haar opgewondenheid, en hij zag, hoe het hevige leven weer verdween uit
-het gezicht en het licht weer uitging in de oogen, die hem nu zoo dof en gelijkmoedig
-aankeken als altijd.
-<span class="pageNum" id="xd31e3157">[<a href="#xd31e3157">221</a>]</span></p>
-<p>„Geloof mij Adam,” zei ze, op haar gewonen toon, langzaam opstaande; „zij zijn niet
-waard, dat een mensch zich om hen bedroefd maakt; het is alles valsch, het is alles
-schijn; zij willen maar geld en betrekkingen, niet om er mee zaken te doen of om er
-geacht door te worden, maar om te schijnen wat zij door hun zelven niet zijn; om veel
-vertoon te maken; om zich ziek te eten en te drinken, en om veel <i lang="ms">prentahs</i> te kunnen geven. Zij weten niet wat het geluk is, dat een mensch kan hebben van de
-jaren, die hij leven mag. Gij zult het hebben, kind van mijn hart, en gij zult beter
-en tevredener zijn.”
-</p>
-<p>Verstomd keek hij haar na. Van wat hij ook had kunnen droomen, dien ochtend,—niet
-van zulk een <i lang="fr">flux de bouche</i>, van zulk een beredeneerdheid dier stille bejaarde vrouw, die zoo weinig meetelde
-in de familie, al was zij dan ook onbetwist aller moeder. Maar het had hem, vond hij,
-veel goed gedaan. Onder haar praten was het beeld der machtige tegenstelling afgeflauwd;
-het had geen <span class="pageNum" id="xd31e3168">[<a href="#xd31e3168">222</a>]</span>steun gevonden in een krachtigen eigen geest, en was door de activiteit der werkelijkheid
-verdrongen.
-</p>
-<p>Hij dacht nu, dat het waar was, wat <i lang="ms">njai Peraq</i> had gezegd, en het scheen hem, dat hij bij dien gedachtengang weinig moeite zou hebben
-om over het denkbeeld heen te komen.
-</p>
-<p>„Dat was een lang bezoek van het oudje,” zei Bram, als met de deur in de kamer vallende.
-</p>
-<p>Adam knikte zwijgend, en stond op van z’n stoel; de ander ging voort:
-</p>
-<p>„Zij heeft een heele <i lang="en">speech</i> gehouden.”
-</p>
-<p>„Heb je het gehoord?”
-</p>
-<p>„Ja, ik heb geluisterd aan de deur.”
-</p>
-<p>„Aan de deur?” vroeg Adam, verwonderd en eenigszins geërgerd.
-</p>
-<p>„Zeker. Als ik binnengekomen was, zou zij gezwegen hebben; ik wilde weten, wat zij
-te zeggen had. Ik moet zeggen, dat ik wel zoo iets van haar verwachtte.”
-</p>
-<p>„Wat voor iets?”
-</p>
-<p>„Wel, dat ze er lekker mee zijn zou; zij houdt <span class="pageNum" id="xd31e3190">[<a href="#xd31e3190">223</a>]</span>op haar manier heel veel van jou; meer dan van ons, dat heb ik al lang in de gaten.”
-</p>
-<p>En toen Adam daartegen wilde protesteeren:
-</p>
-<p>„Zanik niet A.; het is zoo, en mij kan het waarachtig niet schelen. Zij heeft bliksems
-mooi gepraat, dat erken ik. Nooit in mijn leven heb ik zoo iets van haar gehoord.
-Het is gedeeltelijk <i>nonsense</i>, maar er is toch veel van waar. In elk geval ben jij haar lieveling, en zij zou er
-voor sterven om jou <i lang="ms">hadji</i> te zien worden.”
-</p>
-<p>„Mij … <i lang="ms">hadji</i>!” herhaalde Adam, wien dit gezichtspunt geheel vreemd was.
-</p>
-<p>„Zeker. En als <i lang="ms">kandjeng</i> Gouvernement nu toch je niet wil opnemen onder de Europeanen, dan is het misschien
-nog het verstandigste, wat je doen kunt.”
-</p>
-<p>„Mij … <i lang="ms">hadji</i>!” zei Adam nog eens, zacht, het idée vervolgend, zonder te luisteren naar wat de
-andere verder zei.
-</p>
-<p>„Ja; je kent mijn opinie; in jouw plaats ging ik er van door naar Amerika of Australië.”
-</p>
-<p>„Nooit! Dat doe ik van m’n leven niet.”
-<span class="pageNum" id="xd31e3219">[<a href="#xd31e3219">224</a>]</span></p>
-<p>„Nou, dan zit er ook niets anders op.”
-</p>
-<p>„Het is me onbegrijpelijk.”
-</p>
-<p>„Mij ook. Ik kan me heelemaal niet in jouw toestand verplaatsen, want als ik er niet
-van door ging in zoo’n geval …”
-</p>
-<p>„Wat dan?”
-</p>
-<p>„Dan schoot ik me dood.”
-</p>
-<p>Adam dacht erover na, of, althans, hij scheen dat te doen. In werkelijkheid zou hij
-nooit de hand durven slaan aan zichzelven.
-</p>
-<p>„Omdat je dáár ook geen zin in hebt, is er voor jou geen andere uitweg.”
-</p>
-<p>„Ik moet over alles eerst nadenken.”
-</p>
-<p>„Ga gerust je gang A. Je zit hier niemand in den weg, hoor! Ik zei het maar, omdat
-je ten slotte toch een partij zult moeten kiezen. En wat het geld van de-n-ouwen betreft,—daar
-krijg je je portie van, zoo goed als een onzer; met twintig mille in den zak, sta
-je dan toch vooreerst niet op straat, hoe je landaard ook zijn mag.”
-</p>
-<p>„Ik moet mevrouw Verlande schrijven.”
-<span class="pageNum" id="xd31e3232">[<a href="#xd31e3232">225</a>]</span></p>
-<p>„Weet zij er nog niets van?”
-</p>
-<p>„Neen, ik hoopte.…”
-</p>
-<p>„Ja, dat begrijp ik. Maar doe het nou ook, nou de kogel door de kerk is.”
-</p>
-<p>’s Avonds deed Adam het; rustig en kalm stelde hij een langen brief op, waarin hij
-eenvoudig en juist de toedracht meedeelde van alles wat gebeurd was sedert hij in
-Indië aankwam; ook over Minah schreef hij; waarom zou hij daar doekjes om winden?
-„Gij zult hieruit zien, lieve mevrouw,” zoo eindigde hij, „dat alles voorbij is; dat
-ik voor vroegere bekenden en vrienden zoo goed als dood ben. Ik dank u wel, voor al
-de vriendelijkheid, die ik van u en van mijnheer Verlande zoo dikwijls heb ondervonden,
-en die ik niet waard was. Mijn laatste verzoek is of u juffrouw Nora Tiele alles wat
-ik u hier schrijf wilt vertellen. Er behoeft niets bijgevoegd te worden, geloof ik;
-haar lieve brieven heb ik verbrand; ik hoop dat zij het mijn brieven ook zal doen;
-het is beter.”
-</p>
-<p class="trailer xd31e3237">EINDE VAN HET EERSTE DEEL.</p>
-<p><span class="pageNum" id="xd31e3239">[<a href="#xd31e3239">232</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="div0 volume">
-<h2 class="main">TWEEDE DEEL.</h2>
-<div id="ch2.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e373">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="EERSTE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Vervlogen hoop en een nieuwe verbintenis.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De Verlande’s, die nog altijd in Den Haag woonden, hadden al dikwijls over Adams gruwelijke
-ondankbaarheid gesproken. Zoo’n jongen, dien ze altijd hadden bejegend als hun eigen
-kind, schreef hun geen enkelen regel. Ze waren er boos om.
-</p>
-<p>Maar toen ze <i>dien</i> brief hadden gelezen, zaten ze elkaar verslagen aan te zien, mevrouw met tranen in
-de nog altijd mooie blauwe oogen.
-</p>
-<p>„Mijn God!” riep zij het eerst, „dat is nu toch al te gek.”
-</p>
-<p>„Ja, gek of niet, het is zoo en niet anders.”
-<span class="pageNum" id="xd31e3254">[<a href="#xd31e3254">233</a>]</span></p>
-<p>„Maar zou daar hier in Den Haag niets tegen te doen zijn?”
-</p>
-<p>„Hoe meen je dat?”
-</p>
-<p>„Wel … bij het Ministerie; bij de Kamers.”
-</p>
-<p>„Ik vrees van neen.”
-</p>
-<p>„Toe, Lande, probeer het, ja? Het is zoo’n vreeselijk geval … Wat kan dien Silver
-toch indertijd bezield hebben …!”
-</p>
-<p>Verlande ging naar het Ministerie, waar men zeide, dat Adam feitelijk een inlander
-was, en over het geval dus niet verder viel te redeneeren. Dat hij in Europa was geweest …
-ja! Dat hij Hollandsch sprak … ja! Maar hij was de zoon van een inlandsche vrouw,
-dat stond vast; wie zijn vader was, kon zelfs niet onderzocht worden; een Christen
-was hij, als ongedoopt en niet-lidmaat, ook al niet.… Er was dus in Indië goed gezien,
-goed gehoord en goed overwogen; aan de zaak viel niets te veranderen.
-</p>
-<p>Tegen het bezoek aan Nora Tiele, dat nu volgen moest, had mevrouw Verlande zeer opgezien;
-<span class="pageNum" id="xd31e3264">[<a href="#xd31e3264">234</a>]</span>maar zij was een kloeke vrouw, die iets niet uitstelde, omdat het onaangenaam was.
-</p>
-<p>Het gaf in de familie Tiele een oogenblik van hevige consternatie. Zij hadden zich
-het idée, een kwart millionnair als aanstaand familielid te hebben, nu al zóólang
-eigen gemaakt; zij hoopten hem spoedig met zijn groot erfdeel te zien aankomen; en
-daar verdween dat kapitaal plotseling in het baadje van een inlander!
-</p>
-<p>Nora was erg bedroefd eerst; doch toen zij hoorde hoezeer de erfenis was tegengevallen,
-bedaarde zij. Dàt zou immers toch onmogelijk zijn geweest. Men kon geen man zonder
-positie of talent trouwen, enkel om zoo’n beetje geld.
-</p>
-<p>De oude Tiele keek grimmig langs zijn grooten beenigen neus; hij had een gevoel of
-hij opgelicht en bestolen was; en terwijl de anderen, ook Nora, den armen Adam ten
-minste beklaagden,—kon bij Tiele geen woord van compassie ertusschen.
-</p>
-<p>„Hij had mij dadelijk moeten kennis geven,” zei hij.
-<span class="pageNum" id="xd31e3271">[<a href="#xd31e3271">235</a>]</span></p>
-<p>„’t Was zoo’n treurig geval voor hem,” pleitte mevrouw Verlande. „Bovendien hij had
-nog hoop.”
-</p>
-<p>„Het doet er niet toe. Als fatsoenlijk mensch had hij mij dadelijk moeten schrijven.”
-</p>
-<p>En ofschoon niet bleek, dat dit ergens toe zou gediend hebben, vooral wijl Nora geen
-spoor van een partij door het langer uitblijven der tijding had misgeloopen, bleef
-de oude Tiele hardnekkig bij zijn bewering, als een gloeiend verwijt tegen Adam Silver.
-</p>
-<p>Maar dáárover waren allen het volkomen eens: men moest het in Den Haag <i>stil</i> houden. Het was wel geen bepaald schandaal, maar haast net zoo erg; in zoover zelfs
-erger, dat het Nora en de familie belachelijk zou maken. Koud liep het den ouden Tiele
-langs den rug: de Hagenaars zouden hem uitlachen! Dàt was om niet te overleven!
-</p>
-<p>Mevrouw Verlande moest wel zesmaal beloven, dat zij er met niemand over zou spreken,
-wat zij met genoegen deed. Zij dacht daarbij niet aan haar man; en zij schrikte toen
-ze, er ’s middags met <span class="pageNum" id="xd31e3281">[<a href="#xd31e3281">236</a>]</span>hem over sprekend, hoorde, dat hij het al in den loop van den dag, als een extra pikant
-nieuwtje, aan eenige oud-gasten had verteld.
-</p>
-<p>„Die dragen het den heelen Haag door,” zuchtte zij.
-</p>
-<p>„Daar hebben ze groot gelijk aan; het doet er immers niets toe.”
-</p>
-<p>„Ik heb het de Tiele’s zóó beloofd.”
-</p>
-<p>„Dat wist <i>ik</i> niet; je hadt het niet moeten beloven.”
-</p>
-<p>„Kon ik anders?”
-</p>
-<p>„Wel zeker, ik wist het immers.”
-</p>
-<p>„Daar kunnen ze nog plezier van hebben.”
-</p>
-<p>Verlande lachte.
-</p>
-<p>„Dat gun ik ze van harte,” zei hij, „eigenlijk ben ik blij, dat ik het al verteld
-heb; natuurlijk zou ik ’t nagelaten hebben, had ik geweten, dat jij je woord had gepasseerd;
-nu is er niets meer aan te doen.”
-</p>
-<p>„Kan je de anderen niet vragen het te verzwijgen.”
-</p>
-<p>„Die is naïef! Vooreerst hebben ze het rondgebazuind <span class="pageNum" id="xd31e3299">[<a href="#xd31e3299">237</a>]</span>en in de tweede plaats zouden ze dat toch doen, al hadden ze honderdmaal het tegendeel
-beloofd; bedenk toch, kind, dat het allen menschen zijn, die niets om handen hebben!”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Adam Silver was op een goeden dag met Minah uit het oude huis verdwenen; hij had tegen
-niemand iets gezegd; hij had niemand gegroet. Alles, wat hij had meegebracht, uit
-Europa, had hij achtergelaten. Avonden achtereen had te voren zijn „schoonvader”,
-de mantri van de gevangenis, bij hem gezeten met den <i lang="ms">penghoeloe</i>, en de laatste was dan aan het woord geweest; hij had gepraat van onderwerping en
-berusting in den wil van God, en altijd maar weer van berusting en onderwerping tot
-Adam er door gehypnotiseerd was; zijn goedige meegaande natuur, zijn trage geest,—het
-werkte er alles toe mee om hem al doende te brengen tot het geloof: God is alles,
-de mensch is niets, laat hem dus niet te veel beproeven, niet te veel willen weten,—het
-baat toch niet; verder de <span class="pageNum" id="xd31e3309">[<a href="#xd31e3309">238</a>]</span>vredelievendheid en zachtzinnigheid onder elkaar; het ideaal van rust, kalmte, onopgewondenheid.
-Ook dàt strookte zoo wonderwel met het indolente van zijn karakter, dat hij gemakkelijk
-ervoor te vinden was. Wel had ook hier weer het beeld zich opgedrongen aan zijn geest,
-van het rusteloos, opgewekt, ijverig en beweeglijk leven der westerlingen, in wier
-midden hij zoolang had gewoond,—maar het verdween weer gauw, nog gauwer weggepraat
-door den <i lang="ms">penghoeloe</i> nu, als vroeger dat van het begrip wetenschap door <i lang="ms">njai Peraq</i>. Want hij had wel geleefd te midden van die bedrijvigheid, maar zonder zelf ooit
-eraan mee te doen, gelijk hij de wetenschap en kunst van niet meer kende dan hooren
-zeggen en oppervlakkig zien.
-</p>
-<p>Het was dus geen moeilijk spel, dat zij met hem hadden, en het streelde zijn ijdelheid;
-want niet enkel behandelden de twee inlanders hem met onderscheiding, maar zijn moeder
-en Minah, ja zelfs de eenoogige zuster, die door geboorte en opvoeding tienmaal meer
-inlandsch was, dan europeesch, <span class="pageNum" id="xd31e3319">[<a href="#xd31e3319">239</a>]</span>zagen nu tegen hem op met ontzag. De broers hadden besloten niet in huis te komen
-vóór alles was afgeloopen; zij konden het eenvoudig niet aanzien, hadden ze gezegd.
-</p>
-<p>Tot op een avond de <i lang="ms">penghoeloe</i> en de <i lang="ms">mantri</i> vonden, dat Adam genoeg voorbereid was; zij zaten in de kamer alle drie op de mat
-op den vloer, de beenen onder het lijf gekruist, de kleine petroleumlamp op de tafel.
-De priester zei een lang gebed, met koranspreuken in het Arabisch ertusschen, die
-hij zelf niet verstond; in het gesloten vertrek klonk de prevelende stem zacht en
-eentonig; door het zitten op den grond kwam alles anders uit in het gele licht; de
-schaduwen der meubels teekenden, dus gezien, vreemde figuren op het grauwe matwerk;
-het zag er alles droevig eentonig uit in kleur en licht, maar rustig, oneindig rustig;
-om bij in te slapen! En de waarheid was, dat Adam moeite genoeg had om z’n oogen open
-te houden; de <i lang="ms">mantri</i>, onbeweeglijk, staarde maar recht voor zich uit, als had hij een visioen.
-<span class="pageNum" id="xd31e3332">[<a href="#xd31e3332">240</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e382">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="TWEEDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Ik wil niet gelijk gesteld worden.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen de priester met bidden gereed was, begon de mantri te spreken, ’n beetje verlegen
-eerst, draaiend met het bovenlijf in ’t nauwe zwarte dienstbaadje; met den wijsvinger
-trekkend over de mat, net als iemand, die figuren teekent in ’t zand, en met het hoofd
-den loop der denkbeeldige lijnen volgend als in een reflex-beweging;—zij hadden dan
-gemeend, zei hij, dat er voorloopig genoeg was gesproken, en Adam nu ook wel wijs
-was geworden; zij hadden gemeend, dat hij nu niet langer kon blijven zooals hij was
-en in dàt huis; zij hadden gemeend, dat het welvoeglijk was, als <span class="pageNum" id="xd31e3339">[<a href="#xd31e3339">241</a>]</span>hij in het huis kwam van zijn schoonouders, levende als een gewoon <i lang="ms">orang islam</i> en zich kleedend naar landsgebruik; zij hadden gemeend, dat hij alles moest achterlaten,
-zonder iets mee te nemen, want wat hij noodig had, brachten zij; zij hadden dat alles
-gemeend en nog veel meer, en nu wilden zij vragen, wat hij daarvan dacht.
-</p>
-<p>Knarsend draaide het ijzer van de deurkruk; Adam rees snel op van den grond; het was
-Bram Silver.
-</p>
-<p>Met een nijdig gezicht keek hij naar de twee inlanders, die hem groetten en de oogen
-neersloegen beiden bevreesd, de lange magere <i lang="ms">penghoeloe</i> in zijn wit kleed, zoowel als de kleine bejaarde <i lang="ms">mantri</i>; want Bram was de oudste zoon en dus de heer des huizes; hij hield niet van familiariteit
-met inlanders; dàt wisten zij evengoed, als zij hem kenden van zijn jeugd; als zij
-hem in vrijheid hadden zien opgroeien, een „brandal” van de ergste soort!
-</p>
-<p>„Zeg,” zei hij tot Adam. „Er is nog een kans voor je.”
-<span class="pageNum" id="xd31e3355">[<a href="#xd31e3355">242</a>]</span></p>
-<p>„Wat voor kans?”
-</p>
-<p>„Ik heb er met den assistent-resident over gesproken. Je kunt gelijk gesteld worden.”
-</p>
-<p>Adam haalde de schouders op en glimlachte verlegen.
-</p>
-<p>„Ik begrijp het niet.”
-</p>
-<p>„Er is een bepaling.… ergens in de wet.… <i>enfin</i> dat doet er niet toe.… en die zegt, dat als je het vraagt aan de Regeering, je met
-Europeanen kunt worden gelijk gesteld.”
-</p>
-<p>„O, is het dat? Daar heb ik iets over gelezen in het wetboekje van den ouden heer.”
-</p>
-<p>„Precies; nou, zie je, je moet Hollandsch spreken en schrijven,—dat doe je; je moet
-in Europeesche begrippen zijn opgeleid,—dat ben je; je moet christen zijn,—nou, dat
-zeg je maar en dan is het voldoende; en een geslachtsnaam krijg je dan, den onzen
-natuurlijk.”
-</p>
-<p>„En dan?”
-</p>
-<p>„De assistent zegt, dat het altijd wordt toegestaan in zoo’n geval. Welnu, dan ben
-je gelijk <span class="pageNum" id="xd31e3370">[<a href="#xd31e3370">243</a>]</span>gesteld met europeanen. Dat is net zoo goed.”
-</p>
-<p>Adam gaf geen antwoord en stond een oogenblik stil voor zich heen kijkend, tot hij
-langzaam het hoofd schudde.
-</p>
-<p>De „zuurdeesem” werkte reeds in zijn gemoed; het praten van <i lang="ms">njai Peraq</i> en van den priester had effect; hij zag geen heil meer in de Europeesche samenleving.
-Nu hij wekenlang alleen omgang had gehad met inlanders, was zelfs de toon, waarop
-Bram sprak, hem een walg; en wat hem niet minder had geërgerd was de minachting, die
-zijn broer bij het binnenkomen had betoond voor den <i lang="ms">penghoeloe</i> en den <i lang="ms">mantri</i>.
-</p>
-<p>„Ik wil niet gelijk gesteld worden,” zei hij.
-</p>
-<p>„Waarom niet? Ik zeg immers,” riep Bram, zich opwindend, „dat het precies ’t zelfde
-is: rechten, lasten, verplichtingen.…”
-</p>
-<p>„Het kan me niet schelen, ik verlang geen andere rechten en verplichtingen, dan die
-thans de mijne zijn; ik wil niet worden „gelijk gesteld.””
-</p>
-<p>Een oogenblik keek Bram hem aan, verbluft <span class="pageNum" id="xd31e3389">[<a href="#xd31e3389">244</a>]</span>over zijn vasten toon, niet gewoon hem zoo beslist te hooren spreken; toen voer hij,
-woedend, uit, en het was of de krakende stem van John Silver nog door de houten woning
-schetterde:
-</p>
-<p>„Het is de schuld van dat vee, waarmee je je ophoudt, het.…”
-</p>
-<p>„Het zijn fatsoenlijke lieden,” viel Adam hem geërgerd in de rede.
-</p>
-<p>„Fatsoenlijk? Gladakkers zijn het, ja! Fatsoenlijk? Als de oude vrouw dien vader van
-Minah niet geholpen had door hem geld te leenen, was hij al meer dan eens in de gevangenis
-gedwaald, waar hij beambte is. Fatsoenlijk? Die smerige <i lang="ms">il-Allah</i> roeper van een <i lang="ms">penghoeloe</i>.<span id="xd31e3402"></span> Er is hier op de plaats geen enkele knoeierij gebeurd of hij had er de hand in.”
-</p>
-<p>De twee waren zeer bleek geworden; zij verstonden weinig van het Hollandsch, maar
-dàt hadden zij in hoofdzaak zeer goed begrepen; het was waar en zij wisten het.
-</p>
-<p>„Ik heb er tot nu toe niets van gezegd,” ging <span class="pageNum" id="xd31e3407">[<a href="#xd31e3407">245</a>]</span>Bram heftig voort, „maar nou jij met die kerels koketteeren gaat, nou verveelt het
-me bliksems, hoor! Ik heb me nooit met dat tuig afgegeven.”
-</p>
-<p>„Je zult na vandaag geen last meer van hen hebben.”
-</p>
-<p>„Het is ten slotte hier <i>mijn</i> huis, en ik verdraag niet, dat die smeerlappen hier komen voor proselitenmakerij
-en om jou in hun vuilen boel te halen. Wie belet me, gévédé, hun mijn stok over de
-gemeene tronies te halen?”
-</p>
-<p>„Ik,” zei Adam.
-</p>
-<p>Bram in zijn opgewondenheid, had werkelijk den knoestigen koffiestok hoog opgeheven
-en een schrede gedaan in de richting van den <i lang="ms">mantri</i> en den <i lang="ms">penghoeloe</i>, die achteruit geweken waren naar een hoek. Toen Adam zijn breede figuur schoof tusschen
-hen en zijn broer, en vastberaden zijn „ik” uitte, liet Bram verbluft den stok zakken
-en keek in het donker dreigend gezicht, dat iets had van een boozen bulhond, vond
-hij.
-</p>
-<p>Het leed geen twijfel of <i>hij</i> zou hem beletten, <span class="pageNum" id="xd31e3427">[<a href="#xd31e3427">246</a>]</span>die inlanders af te ranselen; <i>hij</i> zou hem ongetwijfeld over zijn eigen balustrade gezet hebben.
-</p>
-<p>„Kom A.,” zei hij ineens bedaard, „wees nu toch zoo gek niet om je door dat armzalige
-vee te laten meeslepen. Het zijn me kerels, waarachtig! jaag hen de deur uit, en ga
-met me mee, dan laten we het request schrijven.”
-</p>
-<p>„Ik <i>wil</i> niet,” hield Adam vol met zachte stem; „ik <i>wil</i> niet met anderen worden „gelijk” gesteld.”
-</p>
-<p>„Loop dan naar de hel,” schreeuwde Bram woest, keerde zich om en vloog naar achter,
-om zijn vertoornd gemoed verder te koelen tegen <i lang="ms">njai Peraq</i>, die hem liet uitrazen met een onverstoorbaar gezicht.
-</p>
-<p>Maar nog gaf hij het niet op; ’t denkbeeld, dat Adam door „die kerels” beheerscht
-werd, hinderde hem al te zeer. Hij ging weer terug.
-</p>
-<p>„Geloof me,” zei hij, „het is zooals ik zeg. Iemand die als jij geen ervaring van
-inlanders heeft, laat zich lijmen door de praatjes van die kerels, want dat lijkt
-heel wat. Wie hen kent als ik, weet, dat <span class="pageNum" id="xd31e3447">[<a href="#xd31e3447">247</a>]</span>er geen verband bestaat tusschen wat ze zeggen en wat ze doen. Zelfs de oude vrouw,
-die laatst zoo mooi zat te schelden op Europeanen, heeft haar leven lang gewoekerd,
-wat de <i>koran</i> dan toch verbiedt, dat weet ik zeker. En een inlander maakt, als hij wat geld heeft,
-het liefst zoo gauw mogelijk op, want anders is er toch altijd een andere inlander,
-die het hem ontsteelt. Het zijn dieven en schurken, geloof me, lui en smerig bovendien.
-Voor menschen in Europa en voor <i>baren</i> mogen hun praatjes erg gemoedelijk en mooi lijken,—wie het volk kent als ik, die
-eronder ben opgegroeid, zal er niet inloopen.”
-</p>
-<p>„Zij zijn een arm en onderdrukt volk, Bram; ik heb in een boek van den ouden heer
-een vers gelezen, waarin stond, dat zij nooit hun eigen meester zijn geweest. Zij
-moeten altijd werken voor anderen; en iedereen spreekt altijd kwaad van hen. Zij worden
-altijd behandeld als honden, en niemand vraagt ernaar, wat hem het recht geeft hen
-zoo te behandelen; zij moeten altijd beleefd <span class="pageNum" id="xd31e3455">[<a href="#xd31e3455">248</a>]</span>en onderdanig zijn, en iedereen is onbeschoft tegen hen; zij moeten altijd tevreden
-zijn met heel weinig en nog veel daarvan afgeven; de minste Europeaan neemt tegenover
-hen de houding aan van een meester; zij moeten onderdanig zijn en zijn ze dat niet
-genoeg, dan heet het meer als schande, zoo onbeschoft ze zijn.”
-</p>
-<p>Verbaasd en geërgerd keek Bram hem aan. Zooveel woorden achtereen had hij hem nog
-nooit hooren zeggen.
-</p>
-<p>„Hebben die twee je dat voorgepraat?”
-</p>
-<p>„Neen, niemand. Ik heb het gehoord en gezien, sinds ik te Batavia aan den wal kwam;
-en elken dag hier op de plaats en overal en van iedereen; van jou ook. Je zoudt in
-Holland eens moeten probeeren een bedelaar toe te spreken, zooals men het hier een
-inlandsch werkman doet.”
-</p>
-<p>„<i>Enfin</i>,” zei Bram zuchtend en niet bij machte iets tegen deze allervreemdste redeneering
-in te brengen, „je moet het zelf maar weten. Ik zie nu wel, dat je er niet af te houden
-bent. Het spijt <span class="pageNum" id="xd31e3464">[<a href="#xd31e3464">249</a>]</span>me wel, Adam, maar ik heb mijn plicht als broer gedaan, en ik zal dien blijven doen.”
-</p>
-<p>„Ik dank je ervoor, Bram. Jullie bent heel goed voor me geweest. God zegen je!”
-</p>
-<p>Hij reikte hem zijn groote vleezige hand, die Bram zwijgend en zenuwachtig tusschen
-zijn magere knokkels drukte. Het was, dat voelden beiden, als een afscheidsgroet voor
-langen tijd. Bij hun uiteenloopende karakters en de tegenstelling, die zij opleverden
-in alles, hielden zij van elkaar, elk op zijn manier. En terwijl Bram, zenuwachtig
-en gevoelig, had kunnen huilen, zóó hinderde het hem, gleed over het breed gelaat
-van Adam een stille bleekheid, die er een lijdenstrek aan gaf.
-</p>
-<p>„Adieu,” zei Bram, heengaande. „Onthoud, wat ik je zeg: vroeg of laat zal je hun dupe
-worden. Op den duur worden ze dat allen van elkaar, en als er een vreemde eend in
-de bijt komt,—des te erger.”
-</p>
-<p>Toen Bram weg was, hurkten ze alle drie weer neer op de mat, en de <i lang="ms">mantri</i> ging verder op zijn teemerigen toon:
-<span class="pageNum" id="xd31e3475">[<a href="#xd31e3475">250</a>]</span></p>
-<p>„Het is beter bij ons te komen en hier alles te laten, zooals het is; het is niet
-goed iets mee te nemen, en het is niet noodig; er is immers geld om te koopen, wat
-noodig is. Dáárom vraag ik: laat het Europeesche goed achter en ook den naam, en blijf
-enkel Adam tot het tijd is een goeden naam aan te nemen, zooals een mensch dien behoort
-te hebben.”
-</p>
-<p>En hij praatte nog lang voort, telkens in herhalingen vallend; altijd neerkomend op
-hetzelfde.
-</p>
-<div class="figure o2.019width"><img src="images/bottom6.png" alt="Ornament." width="129" height="64"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e3482">[<a href="#xd31e3482">251</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e391">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="DERDE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Het Europeesch vernis verdwijnt.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Adam Silver keek stil vóór zich, nu en dan knikkend met het hoofd, als toestemming;
-zichzelven aandenkend, dat het wezenlijk beter was, zooals hij dien avond al meer
-had gedaan. Hij zag den <i lang="ms">mantri</i> een dichtgeknepen doek openmaken, met een mooie donkere sarong erin, een eenvoudig
-katoenen baadje en een hoofddoek; het was alles zeer goed van qualiteit en netjes
-afgewerkt; <i lang="ms">njai Peraq</i> en Minah hadden eraan gewerkt met al de liefde, die zij voor Adam koesterden, en
-de <i lang="ms">mantri</i> spreidde het uit met welbehagen, zoo <i lang="ms">senang</i> vond hij het.
-<span class="pageNum" id="xd31e3501">[<a href="#xd31e3501">252</a>]</span></p>
-<p>Een half uur later wandelden zij met hun drieën den weg op, Adam ook, als inlander,
-een hoofddoek, een <i lang="ms">sarong</i> en een baadje dragende, met een gek gevoel over zich, daar zoo te loopen als een
-gecostumeerde; onwillekeurig denkend nu en dan, aan den betrekkelijk nog zoo kort
-geleden tijd, toen hij in Den Haag flaneerde met jongelui van zijn kennis; in het
-duister van den avond glimlachend bij zichzelven om deze vreemdsoortige metamorphose,
-doch zonder eenig gevoel van spijt of leedwezen daarover. Het was nu eenmaal zoo,
-en het moest dus wel waar zijn, wat de <i lang="ms">penghoeloe</i> had gezegd: gelijk God het wil, zal het een mensch overkomen. Dááraan was absoluut
-niets te veranderen!
-</p>
-<p>Bijzonder vreemd was het leven, dat nu volgde, niet voor hem; de menage thuis had
-heel veel inlandsch. Enkel hinderde hem de weinige lichaamsbeweging, want op den weg
-wilde hij zich niet vertoonen in zijn inlandsche kleeding, die, vond hij, toch erg
-leuk en gemakkelijk was; en het erfje <span class="pageNum" id="xd31e3512">[<a href="#xd31e3512">253</a>]</span>van den <i lang="ms">mantri</i> was zeer klein. Het deed echter zijn robuste gezondheid geen nadeel; hij volgde de
-lessen van den <i lang="ms">penghoeloe</i>, leerde koranspreuken uit het hoofd en kwam tot de allergewichtigste besnijdenis,
-waartegen hij zeer opzag en waarvan hij zich volstrekt geen voorstelling kon maken.
-</p>
-<p>Maar hoe bang hij er ook voor geweest was,—de werkelijkheid viel nog erg tegen. Hij
-had het kunnen uitbrullen van pijn bij de operatie, maar hij behield zijn van nature
-kalm zelfbedwang; zijn ijskoude handen bewogen zich niet; de bleeke lippen op elkaar
-geklemd, keken de oogen dof van smart recht omhoog; geen enkele kreet ontsnapte hem.
-</p>
-<p>En daar allen zijn kloekheid bewonderden en beschouwden als een gunstig voorteeken,
-ving dadelijk het feest weer aan der vele genoodigden, neergehurkt in de <i lang="ms">pendoppo</i>.
-</p>
-<p>Doch het hielp niet, dat hij zich goed had gehouden; de operatie op een volwassen
-forschen jongen man, naar de gebrekkige inlandsche manier<span id="xd31e3528"></span> <span class="pageNum" id="xd31e3530">[<a href="#xd31e3530">254</a>]</span>had hevige wondkoortsen ten gevolge. Twee dagen later lag de nu Aboe Bakar geworden
-Adam Silver, doodziek achter de groezelige <i lang="ms">klamboe</i> van het ledikant, dat de <i lang="ms">mantri</i> voor hem had gekocht op een vendutie, en, zooals het was, in gebruik had gesteld.
-</p>
-<p>In de kamer zaten de <i lang="ms">penghoeloe</i> en de <i lang="ms">mantri</i> op den grond neergehurkt, en de broeder van den <i lang="ms">mantri</i> en een zoon van dien broeder en een zwager van dien zoon en de vader van dien zwager,—allen
-goedgeloovige Mohammedanen.
-</p>
-<p>Want er moest <i lang="ms">dikir</i> worden; het ijlen dat Adam deed, was het werk van den duivel; het was de <i lang="ms">setan</i> der christenen, die hem betwistte aan den God van den Islam; maar hun stem zou krachtiger
-zijn, dan die van den booze; ze zouden hem overschreeuwen en zóó verjagen.
-</p>
-<p>Uit het bed, waaroverheen <i lang="ms">njai Peraq</i> en Minah gebogen stonden om zooveel mogelijk de bewegingen van den zieke te beletten
-en zijn brandend hoofd te verfrisschen, kwam het geluid van een <span class="pageNum" id="xd31e3562">[<a href="#xd31e3562">255</a>]</span>zware jonge basstem, die in het Hollandsch sprak met allerlei denkbeeldige menschen;
-die vloekte en lachte, en als uitbarstend in een bui van gloeiende kroegjool Fransche
-café-chantant liedjes zong van: <i lang="fr">Vive le vin le jeu et le tabac</i> en <i lang="fr">Chantez, ma belle</i>. En in het halfduister der door een hanglampje slecht verlichte kamer ging met hooge
-keelklanken, telkens na een enkelen regel recitatief door den <i lang="ms">penghoeloe</i>, het gillend <i lang="ms">al-illah-Allah</i> op, met heftig bewegen der bovenlichamen voor- en achterwaarts op de daaronder gekruiste
-beenen; naarmate de koortsvisioenen en het woeste ijlen van den lijder heftiger werden,
-klonken heviger en opgewondener de aanroepingen van de in een cirkel zittenden, zoodat
-het was of zij hun verstand verloren, zoo had het slingeren der lichamen en het geschreeuw
-hen in een staat van geweldige overspanning gebracht.
-</p>
-<p>Tot Aboe Bakar, uitgeput in slaap was gevallen, het droogheete der koorts afnam, en
-de geregeld wordende ademhaling aantoonde, dat de bloedsomloop <span class="pageNum" id="xd31e3580">[<a href="#xd31e3580">256</a>]</span>zich voor het oogenblik had hersteld.
-</p>
-<p>De twee vrouwen zaten naast het bed, de armen lam van inspanning; het zweet met groote
-kralen op de voorhoofden, die ze nu en dan zuchtend afveegden met de <i lang="ms">slendangs</i>.
-</p>
-<p>Het <i lang="ms"><span class="corr" id="xd31e3590" title="Bron: alillah-Allah">al-illah-Allah</span></i> had opgehouden, maar nog lang prevelde de <i lang="ms">penghoeloe</i> zijn gebeden met een zacht stemgemurmel, dat als eentonig gefluister door het somber
-vertrek ging, omhoog langs de slecht gewitte houten wanden, zich verliezend in het
-laag afschuinend atappen dak; tot de mannen eindelijk opstonden, stil naar voren gingen,
-afgebeuld van overspanning, en in de <i lang="ms">pendoppo</i> een strootje opstaken, weder neerzittend, deze op den enkelen wankelen stoel, gene
-op den rand van het lage balustradetje, een ander op de boventrede van het trapje,
-dat naar beneden leidde.
-</p>
-<p>Zoo zaten ze nog een heelen tijd bijeen, zonder iets te gebruiken, ernstig, in wat
-zij een gesprek van aanbelang noemden, nu en dan een paar woorden, dan een lange stilte,
-daarna weer een <span class="pageNum" id="xd31e3601">[<a href="#xd31e3601">257</a>]</span>enkel woord; alles neerkomend op de herhaalde bevestiging, dat zij erin geslaagd waren,
-den duivel, die den Islam zijn nieuwen aanhanger betwistte, uit het lichaam van den
-patiënt te verbannen.
-</p>
-<p>Aboe Bakar herstelde heel langzaam; toen de wonde geheeld was en de koorts hem had
-verlaten, scheen hij in uiterlijk niet de helft van wat hij geweest was. Hij kon zich
-niet in den spiegel zien, want daar was er geen; wel bezat Minah een slecht stukje
-spiegelglas in een prullig lijstje—de goedkoope waar van een <i lang="ms">klontong</i>—maar Aboe Bakar wilde er niet naar vragen; hij wilde zijn gezicht niet zien; hij
-zag wel aan zijn magere handen, en toen hij zich voor het eerst aan den put ging baden,
-aan zijn knokkig lichaam, hoe het met hem gesteld was.
-</p>
-<p>„Het is alles gelukkig afgeloopen,” zei hem zijn moeder.
-</p>
-<p>„Wat?” vroeg hij, het voorhoofd fronsend met moeite om aan iets bepaalds te denken.
-<span class="pageNum" id="xd31e3611">[<a href="#xd31e3611">258</a>]</span></p>
-<p>„Met het geld en het goed. Het huis en de meubelen zijn verkocht en het geld is verdeeld.”
-</p>
-<p>„O, zoo! Nu, dat is goed.”
-</p>
-<p>Zij keek hem aan, verwonderd, dat hij in dat alles zoo weinig belang stelde.
-</p>
-<p>„Bram heeft me je geld gegeven; net zooveel als de anderen; het is braaf van hem,
-dat hij zóó gedaan heeft. Je kunt het krijgen, als je wilt.”
-</p>
-<p>Maar hij maakte een afwijzend gebaar.
-</p>
-<p>„Later, later; nu niet.”
-</p>
-<p>„Het is beter ook,” zei <i lang="ms">njai Peraq</i> zacht, denkend aan de financieele omstandigheden van den <i lang="ms">mantri</i>.<span id="xd31e3627"></span>
-</p>
-<div class="figure o2.027width"><img src="images/bottom7.png" alt="Ornament." width="131" height="65"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e3632">[<a href="#xd31e3632">259</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e400">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="VIERDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Opnieuw verloofd en getrouwd.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Bij de Tiele’s werd al lang niet meer gesproken over Adam Silver, en mevrouw Verlande,
-die het heel dikwijls over hem had met haar man, vond dat vreemd. Want de families
-kwamen in den laatsten tijd nogal bij elkaar; mevrouw Verlande maakte zulke overheerlijke
-sandwiches bij de thee en al de Tiele’s waren daar dol op.
-</p>
-<p>„Ik vind het onhartelijk.”
-</p>
-<p>„Maar kindlief, het is immers beter zóó. Het was een hoogst onaangename verrassing.”
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Kasian</i>, hij was zoo’n goeje jongen, en hij kon er toch niets aan doen.”
-<span class="pageNum" id="xd31e3645">[<a href="#xd31e3645">260</a>]</span></p>
-<p>„Dat maakt het voor hen niet anders.”
-</p>
-<p>„Nu maar, de eerste maal, dat ik bij hen kom, begin ik erover.”
-</p>
-<p>„Doe het niet. <i lang="fr">On ne parle pas corde dans la maison d’un pendu.</i> Het zou een hatelijkheid lijken.”
-</p>
-<p>„Laat het. Zij, Nora, heeft, geloof ik, in ’t geheel niet van hem gehouden. Verleden
-week, toen ze hier gewhist hebben, zat ze met kapitein Slaters aan een tafeltje …
-En een koketteeren!”
-</p>
-<p>Verlande lachte luid,
-</p>
-<p>„Welnu, wat zou het? Kan je niet zien, dat de zon in het water schijnt? Ze is jong.”
-</p>
-<p>„Tamelijk; maar hij niet.”
-</p>
-<p>„Wel, hij is ’n goed geconserveerde veertiger. Dat is niet precies jong, maar nog
-erg.…. huwbaar.”
-</p>
-<p>„Huwbaar!” herhaalde zij met een gemaakte verontwaardiging over zoo’n uitdrukking;
-maar ze kon zich niet goed houden en ze lachten nu beiden om het idée.
-<span class="pageNum" id="xd31e3661">[<a href="#xd31e3661">261</a>]</span></p>
-<p>„En dan,” ging Verlande voort, „zou hij ’n goede partij zijn voor Nora.”
-</p>
-<p>„’n Kapiteins tractement is ook zoo schitterend niet.”
-</p>
-<p>„Best, maar hij kan, hoor ik, zeker zijn van den gouden kraag, en hij is net een man
-om generaal te worden.”
-</p>
-<p>Het was een sterk argument; als elke vrouw vond mevrouw Verlande de afgedragenste
-generaals-uniform nog een ideaal, waartegen een dozijn van de zwartste zwarte rokken
-niet opgewassen waren.
-</p>
-<p>De generaal der toekomst, voor het oogenblik kapitein der infanterie bij het Indische
-leger, met verlof in Nederland, stond wezenlijk zoo goed aangeschreven als Verlande
-zei; hij was geen man met een martiaal uiterlijk: blond en fijn gebouwd, met een dun
-kneveltje en een zachte stem; wat alles niet belette, dat hij zoowel een dapper troepenaanvoerder
-als een kundig man gebleken was, die te velde zijn Willemsorde dubbel en dwars <span class="pageNum" id="xd31e3668">[<a href="#xd31e3668">262</a>]</span>had verdiend. Sedert de Tiele’s veel bij de Verlande’s kwamen, hadden zij Indische
-kennissen gemaakt, en ofschoon de oude Tiele daar altijd erg bang voor was geweest,
-en na zijn ervaring met Adam Silver er meer dan ooit voor vreesde, behaalden de sandwiches
-toch de overwinning.
-</p>
-<p>Ten slotte was het een kansje om van de meisjes af te komen, die meerendeels al ’n
-beetje op den achtergrond raakten in de vroegere kringetjes, waar nu jonge dames waren,
-die nog onder de kinderen telden, toen de meisjes Tiele al uitgingen. Bij de Verlande’s
-en zoo waren ze in elk geval nog vrij versch.
-</p>
-<p>Wat mevrouw Verlande het „koketteeren” van Nora had genoemd, bleek in elk geval succes
-te hebben. Dat zag zij aan ’t gezicht van het meisje, toen Nora ’s middags bij haar
-kwam.
-</p>
-<p>„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.
-</p>
-<p>Verwonderd keek Nora haar aan.
-</p>
-<p>„U weet ervan.”
-</p>
-<p>„Heusch niet. Ik weet nergens van.”
-<span class="pageNum" id="xd31e3678">[<a href="#xd31e3678">263</a>]</span></p>
-<p>„Ja, dan zoudt u zoo niet vragen wat er gebeurd was.”
-</p>
-<p>„<i>Is</i> er dan iets gebeurd?”
-</p>
-<p>„Och kom, houd u nu maar niet zoo onwetend!”
-</p>
-<p>„Wezenlijk, Nora, ik weet van niets. Ik vond alleen.… iets vreemds in je gezicht.
-Iets, alsof je een gewichtige tijding kwam brengen.”
-</p>
-<p>„Voor mij heel gewichtig. Ik ben geëngageerd.”
-</p>
-<p>„Met kapitein Slaters?”
-</p>
-<p>„Zie je wel, dat u ervan weet.”
-</p>
-<p>„Maar beste Nora, ik ben niet blind. Als wij bij elkaar zijn en twee wisselen met
-elkaar zulke lieve blikken als jullie deedt.”
-</p>
-<p>„Foei.… dat is niet waar. Dat deden we niet.….”
-</p>
-<p>Mevrouw Verlande werd er in haar oprechtheid een beetje akelig van. Zij had om het
-meisje niet te grieven, nu niet eens gezegd, dat de „lieve blikken” eigenlijk door
-haar alleen werden geworpen.
-<span class="pageNum" id="xd31e3694">[<a href="#xd31e3694">264</a>]</span></p>
-<p>„In elk geval, ik feliciteer je. En dat geeft zeker gauw trouwen.”
-</p>
-<p>„Ja, het is fameus. Binnen een half jaar moeten we in Indië zijn.”
-</p>
-<p>„Als alles goed had gegaan met Adam Silver, zou je daar al geweest zijn.”
-</p>
-<p>Het was de eerste maal, dat zij na den fameusen dag, dien naam tegen Nora uitsprak,
-en het deed haar plezier, dat het meisje ontstelde; zij dacht, dat ze dan toch wel
-wat voor dien armen jongen gevoeld moest hebben, wijl ze zoo van kleur verschoot bij
-het hooren van dien naam.
-</p>
-<p>„God, mevrouw!” zei Nora zacht en vertrouwelijk, „zouden we hem in Indië ontmoeten?”
-</p>
-<p>„Ben je daar zoo bang voor?”
-</p>
-<p>„Verbeeld je.… ja, dat ben ik zeker. Ik heb van die heele akelige zaak niets aan Slaters
-gezegd. Pa zei, het was niet de moeite waard. Er was feitelijk niets gebeurd, zei
-hij.”
-</p>
-<p>Dus was het dàt alleen, dacht mevrouw Verlande, en een beetje bits antwoordde zij:
-<span class="pageNum" id="xd31e3704">[<a href="#xd31e3704">265</a>]</span></p>
-<p>„Dat moet je zelf weten; dáárin geef <i>ik</i> liever geen raad. En wat dat ontmoeten betreft,—er bestaat even weinig kans op, als
-hier in Den Haag iemand te ontmoeten, die in Denemarken woont. Waar jij komt, daar
-komt hij niet.”
-</p>
-<p>Een oogenblik keek Nora haar verwonderd aan; zij begreep het niet; verschil van grootte
-en afstanden stond haar niet voor den geest; men ging, meende zij, in zekeren zin
-naar Indië, zooals men naar Rotterdam ging, waar de menschen, bij al de drukte, toch
-onwillekeurig elkaar ontmoeten, ware het slechts op straat.
-</p>
-<p>„Je gaat naar Batavia, niet waar?”
-</p>
-<p>„Ten minste rechtstreeks; Slaters zegt, dat we er wel zullen blijven vooreerst.”
-</p>
-<p>„Nu, de plaats waar Adam Silver woont ligt ongeveer zoover van Batavia als Den Haag
-van … wat denk je?”
-</p>
-<p>Het moest een heel eind zijn, dacht Nora, en op goed geluk af zei ze:
-</p>
-<p>„Brussel.”
-<span class="pageNum" id="xd31e3717">[<a href="#xd31e3717">266</a>]</span></p>
-<p>Mevrouw Verlande begon te lachen.
-</p>
-<p>„Neen kind, Petersburg of daaromtrent; met het verschil, dat je van hier veel gauwer
-te Petersburg bent.”
-</p>
-<p>Het meisje geloofde het niet; zij vroeg het haar vader, die het bevestigde en zij
-vroeg het ook, als een bloote nieuwsgierigheid, wijl, zei ze, het zoo moeilijk was
-zich eenig begrip van afstanden eigen te maken, aan den kapitein. Nu, toen die het
-bevestigde, was haar hart gerust.
-</p>
-<div class="figure o2.035width"><img src="images/bottom8.png" alt="Ornament." width="130" height="68"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e3725">[<a href="#xd31e3725">267</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e409">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="VIJFDE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Onaangename ontmoeting en wroeging.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een maand of vijf later aan boord, na een in alle opzichten welgeslaagd huwelijksreisje
-te land, dacht Nora Slaters aan den heelen Adam Silver niet meer; geen oogenblik.
-De herinnering aan hem was nu niets meer dan een flauwe kinderachtigheid.
-</p>
-<p>Toen zij te Tandjong Priok kwamen, nam de drukte hen erg in beslag, maar toch niet
-zóó, of Nora zag wel op de kade een groot gewoel van inlanders, dat haar eigenlijk
-meer vrees aanjoeg dan belangstelling inboezemde.
-</p>
-<p>Het was ’n aardig gezicht, die honderden mannen, <span class="pageNum" id="xd31e3734">[<a href="#xd31e3734">268</a>]</span>vrouwen en kinderen, allen in hun mooiste, kleurigste oostersche kleederdracht, met
-profusie van helrood, hemelsblauw, grasgroen en wit, als domineerende kleuren, en
-een mengeling van geel en bruin en Perzisch bont, in kleinere kleurstukken daartusschen,
-in een langzaam gewriemel van overgangen bij het rustig voortschrijden, zonder gedruisch.
-</p>
-<p>„Als dat eens allen Europeanen waren,” zei kapitein Slaters, „dan zou je een ander
-leven hooren.”
-</p>
-<p>„Is het hier altijd zoo?” vroeg Nora.
-</p>
-<p>„Wel neen; gewoonlijk is het erg kalm op de kade; er gaat zeker weer een lading Mekkagangers.”
-</p>
-<p>„Wat zijn dat?”
-</p>
-<p>„Pelgrims, die naar Mekka gaan, naar het graf van Mohammed. Ze hebben nu geld en zijn
-niets; als ze terugkomen, zijn ze straatarm, maar <i lang="ms">hadji</i>.”
-</p>
-<p>Het jonge vrouwtje wist niet wat een <i lang="ms">hadji</i> was; zij vroeg er ook niet naar; met een strak gezicht en saamgeknepen lippen keek
-zij naar den <span class="pageNum" id="xd31e3750">[<a href="#xd31e3750">269</a>]</span>walkant; daar stond een inlander, groot en zwaar, met een zwarten baard, het hoofd
-en de breede schouders uitstekend boven zijn omgeving, en blank te midden van al dat
-bruine; veel blanker, dan Adam Silver geschenen had in Holland.
-</p>
-<p>Het was Aboe Bakar, die met Minah en haar zuigeling naar Mekka ging; toen de boot
-met kleine voor- en achterwaartsche bewegingen aan den wal meerde, had hij, den blik
-latende gaan langs de reizigers, die over de reeling van het achterdek leunden, Nora
-herkend; onwillekeurig was hij blijven staan en had haar aangekeken, strak maar kalm;
-verwonderd, niet ontroerd. Haar was het, als werd zij plotseling aangegrepen door
-een geweldige lamheid in de leden; zij keek naar de groote glinsterende zwarte oogen,
-als trokken die haar aan met onweerstaanbaar magnetische kracht; zij had geen woord
-kunnen zeggen; geen voet kunnen verzetten.
-</p>
-<p>De eenige gedachte in haar hoofd was: van Den Haag naar Petersburg,—zóóver moest hij
-van <span class="pageNum" id="xd31e3756">[<a href="#xd31e3756">270</a>]</span>haar af zijn, en daar stond hij op geen tien passen afstand.
-</p>
-<p>Langzaam keerde Aboe Bakar zich om en wandelde op naar de noordzijde. Zij zag hem
-verdwijnen in een opening tusschen twee loodsen en keek nog strak naar die plek, toen
-hij al weg was.
-</p>
-<p>„Hoe is het?” vroeg haar man lachend. „Droom-je?”
-</p>
-<p>Zij streek met een rillinkje in haar hoofd strak de fijne handen langs de oogen, zoodat
-die er rood van zagen.
-</p>
-<p>„Het is me alles zoo vreemd, hier, ik kan er niet genoeg naar kijken.”
-</p>
-<p>Ze werden gestoord door medepassagiers en de <i lang="en">hurry</i> van binnendringende verwanten of familieleden van passagiers, die verwelkomden en
-van boord kwamen halen; door opdringende koelies, zich meester makend van gereedstaande
-kisten en koffers, om ze naar buiten te sjouwen; het was onder den hellen gloed der
-zon een verwarring, waaruit men zou gedacht hebben, met zijn persoon en zijn goed
-nooit terecht te komen, maar die <span class="pageNum" id="xd31e3767">[<a href="#xd31e3767">271</a>]</span>zich vrij spoedig en heel goed in een ordelijken <i>exodus</i> naar het spoorwegstation oploste.
-</p>
-<p>Bij al de onvermijdelijke drukte in het hotel; het uitpakken van koffers; het uitzoeken
-van het goed voor den waschman en het hulpeloos getob met onverstaanbare bedienden,
-dacht Nora den heelen dag telkens weer aan die vreemde ontmoeting, niet als aan iets
-aangenaams voor haar gevoel, noch als aan iets nadeeligs voor haar nieuwe maatschappelijke
-positie, maar als aan iets, dat haar persoonlijk schrik en ontzetting inboezemde,
-en dat haar in ongeluk en ellende zou kunnen brengen, zoo het haar ooit overkwam.
-En toen zij ’s avonds, moe, voor het eerst na een lange zeereis, zich weer eens uitstrekte
-in een ruim bed, kwamen de groote, zwarte oogen als glimmend metaal weer voor haar
-verbeelding, tot zij met een angstigen zucht strak in het nachtlichtje ging kijken
-om van dat benauwend visioen ontslagen te zijn.
-</p>
-<p>Het was een zware tocht voor Aboe Bakar, en <span class="pageNum" id="xd31e3774">[<a href="#xd31e3774">272</a>]</span>wat hem het meeste leed deed was, dat hij vrouw en kind daaraan had blootgesteld.
-De scheepsruimte was voor het aantal pelgrims veel te klein; de boot, een gewone stoomer,
-voor zulk een transport niet ingericht. Heel gauw na de afvaart begon de zeeziekte;
-en wat dat opleverde aan tooneelen vol ellende en walgelijkheid!
-</p>
-<p>Aboe Bakar hoorde het Hollandsche scheepsvolk spreken over hem en zijn geloofsgenooten,
-mede Mekkagangers, met een minachting, zóó diep, dat hij ervan rilde. Ja, zooals ze
-daar lagen, waren zij een troep beesten gelijk; minder zelfs, want met de onverschilligheid
-der wanhoop ronkten de meesten in eigen en andermans vuil. Nu en dan werd door het
-scheepsvolk beproefd alles eens goed schoon te maken, maar het ging niet. En voor
-de reis had haast geen pelgrim voldoende verschooning.
-</p>
-<p>Naast dat beeld van vuile <i>misère</i>, doemde dan telkens in zijn geest op dat der reis naar Indië als Adam Silver; de
-aangename, beschaafde conversatie, de keurige rijk voorziene disch, de groote <span class="pageNum" id="xd31e3781">[<a href="#xd31e3781">273</a>]</span>blinkende zindelijkheid, en al het comfort ook in het uiterlijk. Dan was het of een
-groot gewicht hem op de borst drukte; dan kreeg hij het gevoel van een verbazend dommen
-streek te hebben gedaan, zóó groot, dat zelfmoord er haast niets bij was; en dan bestreed
-hij dat ongelukkig gevoel: trachtte het weg te werken, en eindigde met te zoeken of
-hij ergens op het dek een plaatsje kon vinden, waar hij stil, voorovergebogen, het
-hoofd in de handen, al maar bidden en bidden kon, hetzelfde gebedsformulier, tot hij
-het overweldigend gevoel van jammer als het ware had weggehypnotiseerd.
-</p>
-<p>Tot zij te Djedda aan wal kwamen, gelukkig, dat de reis ten einde was; blij aan het
-einddoel te zijn en den vasten grond van het heilige land onder zich te voelen; maar
-om spoedig te ontwaren, dat zij gekomen waren van den regen in den drop; dat zij in
-dit gezegende oord werden behandeld als honden en geplukt als kippen.
-</p>
-<p>Zij beklaagden zich bij Aboe Bakar; zijn persoonlijkheid, <span class="pageNum" id="xd31e3787">[<a href="#xd31e3787">274</a>]</span>zijn kalme en deftige manieren, zijn vele bidden en zijn welgesteldheid, hadden hem
-reeds aan boord een soort van superioriteit gegeven tegenover de anderen; hij hielp
-hen, zooveel hij kon; het enkele woord Engelsch, dat hem van school was bijgebleven,
-kwam hem te pas; hij parlementeerde voor hen; en het hielp ’n beetje, al was het niet
-veel. Ook hier had hij zijn van de anderen zoo verschillende persoonlijkheid en manieren
-vóór; men keek hem wel wat wantrouwend aan, maar liet toch eenigszins af van de ontzettende
-afzetterij, welke de Maleiers en Javaantjes een kwartje deed betalen voor elken pisang.
-</p>
-<div class="figure o2.043width"><img src="images/bottom5.png" alt="Ornament." width="92" height="54"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e3792">[<a href="#xd31e3792">275</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e418">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="ZESDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Aboe Bakars teleurstelling.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het viel Aboe Bakar alles bitter tegen; de tocht naar Mekka en de heilige stad zelf.
-Was dat nu de plaats, waarvan hij had gehoord, dat uit alle deelen der mohammedaansche
-wereld talrijke karavanen er hun kostbare gaven offerden? Hij had er gebeden in de
-groote moskee, lang, met goed geloof en volgens het gebruik; hij had met diepen eerbied
-den zwarten steen in de Kaäba gekust, en het had hem met een gevoel van zaligheid
-vervuld, omdat hij zich voor een goed mohammedaan hield; maar overigens trof het hem,
-dat Mekka, de heilige stad, een ellendig nest was; een groote <i lang="ms">warong</i> <span class="pageNum" id="xd31e3802">[<a href="#xd31e3802">276</a>]</span>met het aanzien van een gevangenis, een roovershol metterdaad. Toch had hij minder
-last van de vele ongerechtigheden, dan de anderen; hij werd blijkbaar ook hier aangezien
-voor meer dan een gewone inlander van Java of Sumatra; maar met een wantrouwen toch,
-zóó groot, dat hij er haast in moeilijkheden door kwam, toen Minah zich had verpraat
-en verteld, dat haar man vroeger christen was geweest; voor een priester moest hij
-zijn waren staat van mohammedaan bewijzen; en … dat kon hij.
-</p>
-<p>Maar hier kreeg hij zijn afkeer beet tegen de Arabieren, en hij vond er onder de vreemde
-pelgrims die ze met hem deelden. Het waren lieden uit Achter-Indië, die ook, door
-hun handel op de kust, het gewone strandmaleisch spraken; door hun meerdere ontwikkeling
-en gegoedheid hadden zij zich bij hem aangesloten, en zij spraken veel over den godsdienst,
-over den profeet, diens levensgeschiedenis, en ook over het christendom. En toen een
-hunner het plan vormde met een karavaan <span class="pageNum" id="xd31e3806">[<a href="#xd31e3806">277</a>]</span>langs de kust der Roode Zee naar Jeruzalem te gaan, waren ze daar allen voor; Aboe
-Bakar blij, dat hij niet met hetzelfde zoodje terugging, waarmee hij was gekomen.
-</p>
-<p>Ook al geen illusie! Niet zulk een afzetterij als te Djedda en te Mekka; wèl groote
-hotels en villa’s, maar voor de bevolking in de eigenlijke binnenstad, alles nauw,
-somber, vuil.
-</p>
-<p>Aboe Bakar dankte God, dat hij dien pelgrimstocht, die hem zooveel geld had gekost,
-zoo erg was tegengevallen en zooveel moeite en ellende had bezorgd, achter den rug
-had, en hij op een boot met minder Mekkagangers kon terugkeeren. Op het zindelijke
-dek, waar nu alles geregeld en goed kon verzorgd worden, was het behaaglijk; het eten
-was eenvoudig inlandsch maar behoorlijk; de behandeling goed. En de gesprekken liepen
-over wat men had gezien en ondervonden, het geleden leed week met elken dag meer op
-den achtergrond; de trots, dat men den tocht had gedaan naar het graf van den profeet,
-kwam boven; nog vóór de <span class="pageNum" id="xd31e3811">[<a href="#xd31e3811">278</a>]</span>boot straat Soenda binnenstoomde, was er geen, die voor nog zooveel had gewild, dat
-hij den pelgrimstocht niet had gemaakt. Aboe Bakar en Minah, die nu reeds het gezicht
-halverwege bedekt droeg, allerminst.
-</p>
-<p>Weer was de kade van Tandjong Priok vol verwelkomende bloedverwanten, maar de familie
-Aboe Bakar werd niet afgehaald. Hem kon ’t niet schelen, Minah hinderde het zeer,
-zij zag er, vond ze, zoo deftig uit met den tullen doek met gouden sterretjes voor
-het onderste gedeelte van het gelaat, dat het jammer was aan den wal geen bekenden
-te zien; het <i lang="fr">les amis de nos amis sont nos amis</i> vonden zij bewaarheid bij de <i lang="ms"><span class="corr" id="xd31e3819" title="Bron: orang-selam">orang selam</span></i>, vooral tegenover uit Mekka terugkeerenden. Daar waren er die present waren geweest
-bij hun vertrek, die hem herkenden en uitnoodigden.
-</p>
-<p>Al pratende informeerde Aboe Bakar eens, en hij koos de gastvrijheid van een mandoer,
-die in de stad Batavia werkte en daar woonde ook; dàt trok hem het meeste aan, die
-oude stad! Hij deed <span class="pageNum" id="xd31e3824">[<a href="#xd31e3824">279</a>]</span>er zijn intocht in de kampong met een vertoon van waardigheid, dat hem daar hoog in
-de algemeene schatting deed stijgen.
-</p>
-<p>En ’s avonds bij het feest, toen ze allen met veel genoodigden in een grooten kring
-op den grond zaten, limonadestroop drinkend en strootjes rookend, vertelde Aboe Bakar
-langzaam en deftig van de Heilige Stad; en hij loog, dat het een aard had, zonder
-zelf te snappen, dat hij zoo loog; hij vertelde niet wat hij, Minah en de anderen,
-werkelijk hadden gezien en ondervonden, maar wat zij van hun reis gemaakt hadden,
-nadat zij haar al pratend zooveel dagen aan boord omgeven hadden met een aureool van
-heerlijkheid.
-</p>
-<p>Het was heel laat in den nacht toen de gasten heengingen met een hoog idée van den
-<i>Saïd</i> Aboe Bakar, die met zijn gastheer nu zitten bleef op de twee onvermijdelijke wipstoelen,
-die in het voorgalerijtje een kleine ronde tafel flankeerden.
-</p>
-<p>„Wat zal ik doen?” vroeg Aboe Bakar. Zijn heele preferentie om bij den mandoer te
-logeeren <span class="pageNum" id="xd31e3833">[<a href="#xd31e3833">280</a>]</span>zat eigenlijk in het feit, dat hij <i>deze</i> vraag iemand wilde stellen, die ze hem waarschijnlijk goed beantwoorden kon.
-</p>
-<p>„Hebt ge geld?” vroeg de andere.
-</p>
-<p>En toen het antwoord bevestigend was:
-</p>
-<p>„Hoeveel?”
-</p>
-<p>Aboe Bakar aarzelde; hij wist zelf niet precies hoeveel hij bezat; <i lang="ms">njai Peraq</i> had hem gezegd, dat hij over al het hare kon beschikken; hoeveel dat was, wist hij
-niet; zelf had hij nog achttien <i lang="fr">mille</i>; hij wilde voorzichtig wezen en niet het heele bedrag ineens noemen.
-</p>
-<p>„Tien duizend,” zei hij.
-</p>
-<p>„Het is <i>niet</i> genoeg en <i>wel</i> genoeg.”
-</p>
-<p>Daar begreep Aboe Bakar niets van.
-</p>
-<p>„Hoe kan iets tegelijk niet en wel wezen?”
-</p>
-<p>„Het is genoeg om vrij te zijn, als je wilt doe ik er wat bij, dan behoeven wij nooit
-geld vooruit te vragen.”
-</p>
-<p>„Maar waarvoor eigenlijk?”
-</p>
-<p>„Wees niet ongeduldig, Saïd Aboe Bakar.”
-<span class="pageNum" id="xd31e3862">[<a href="#xd31e3862">281</a>]</span></p>
-<p>„Neen, ik vraag maar wat wij dan zouden doen.”
-</p>
-<p>„Handel drijven.”
-</p>
-<p>„Waarin? Ik heb er geen verstand van; ik heb het nooit gedaan.”
-</p>
-<p>„Het verstand heb ik,” zei de mandoer met zekere plechtigheid. „Dat komt er niet op
-aan. Ik heb het meer gedaan.”
-</p>
-<p>Een fragment van wat hij in Holland wel eens had gehoord in gesprek, schoot Aboe Bakar
-door het hoofd; Verlande zei, als hij van zaken en compagnon-zijn sprak, altijd: dat
-als één er verstand van had en de ander had het geld, dan na eenige jaren de ander
-ook het verstand kreeg, maar zijn geld bij den een was. Met een effen gezicht zei
-hij:
-</p>
-<p>„Ik dacht niet, dat de handel zoo gemakkelijk was.”
-</p>
-<p>„Het is niet zulk een moeilijke handel als van de Europeanen en de Chineezen, het
-is handel in vee.”
-<span class="pageNum" id="xd31e3872">[<a href="#xd31e3872">282</a>]</span></p>
-<p>Dat kwam Aboe Bakar wel aantrekkelijk voor, en hij ging er meer op in. Het was half
-vijf reeds toen ze besloten hadden, dat hij zich zou vestigen als veehandelaar voor
-gezamenlijke rekening. Een koele wind streek door de kampong en ruischte in de groote,
-rafelige en gescheurde pisangblaren; huiverend trok de mandoer zijn baadje over zijn
-naakte lichaam dichter aan; in een klapperboom sloeg een voorbarige <i lang="ms">koetjitja</i> een paar heldere tonen in den nog donkeren nacht; de lampen waren uitgegaan, en een
-klein petroleumnachtlampje lichtte nog slechts binnen; achter het gordijn, dat in
-de diepte der woning de slaapplaats en het verblijf der vrouwen afsloot, kwam het
-gestommel van uitgeslapen menschen, die haast willen opstaan.
-</p>
-<p>„Ik ben koud!” zei de mandoer.
-</p>
-<p>„Ja, het is frisch.”
-</p>
-<p>„Als ik zoo koud ben, vrees ik altijd ziek te worden; de nachtlucht is zoo ongezond.”
-</p>
-<p>„Ja,” bevestigde Aboe Bakar machinaal.
-<span class="pageNum" id="xd31e3884">[<a href="#xd31e3884">283</a>]</span></p>
-<p>„Daar neem ik altijd wat <i lang="ms">obat</i> voor, wil ik je ook wat geven.”
-</p>
-<p>„Is het erg leelijk?”
-</p>
-<p>„In het geheel niet; het smaakt goed.”
-</p>
-<p>De mandoer haalde in den schemerdonker een flesch uit een kastje, waarvan hij den
-sleutel in zijn buikband droeg; hij schonk twee glazen vol, loerend erdoor heen tegen
-het nachtlichtje om niet te morsen; toen nam hij er een en goot het in z’n mond. Aboe
-Bakar had het dadelijk geroken: het was cognac.
-</p>
-<p>En begeerig stak hij, zonder een woord te spreken, de hand uit, het glas <i lang="la">ad fundum</i> ledigend.
-</p>
-<p>„Is het geen goede <i lang="ms">obat</i>?” vroeg de mandoer.
-</p>
-<p>„Uitstekend,” bevestigde de pas van Mekka teruggekeerde Mohammedaan.
-</p>
-<p>Hij had het goed getroffen; niet alleen bleek zijn compagnon op de hoogte van den
-veehandel te zijn, maar ook eerlijk onder geloofsgenooten.
-</p>
-<div class="figure o2.052width"><img src="images/bottom1.png" alt="Ornament." width="55" height="30"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e3909">[<a href="#xd31e3909">284</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e427">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="ZEVENDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Een beschaafd Mohammedaan.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Naast de woning van Pa Djalil, den mandoer, had Aboe Bakar er een gehuurd, ’n heele
-mooie voor een inlander in de kampong. Hij voelde zich nu zeer tevreden en gelukkig
-in zijn lot; als Europeaan was hij een domoor geweest; een <i lang="en">good-for-nothing</i>; een, waarmee men niet wist wat aan te vangen; een zelfs niet erkend in de boeken;—als
-inlander was hij een gerespecteerd man, een vat vol wijsheid, een welvarend handelaar,
-die goede zaken deed.
-</p>
-<p>En hij <i>was</i> inderdaad geacht bij de inlandsche gemeente, die vooral hoog tegen hem opzag, wijl
-<span class="pageNum" id="xd31e3923">[<a href="#xd31e3923">285</a>]</span>hij altijd zoo kalm en deftig was, nooit <i lang="ms">perkara’s</i> had en streng volgens den <i>koran</i> leefde; maar de Arabieren mochten hem niet; de haat tusschen hem en hen was wederkeerig;
-hij imponeerde hen en zij behandelden hem met onderscheiding, maar men bleef op een
-afstand zoo in als buiten den <i lang="ms">missigit</i>, en Aboe Bakar liet er zich openlijk over uit, dat hij hun haat tegen de christenen
-niet deelde, juist omdat hij een goed Mohammedaan was; hij haalde er de hoofdstukken
-en verzen bij aan uit den <i>koran</i>, die het wee! uitspreekt over hen, die zich vergrijpen aan de christenen, en slechts
-aan God de uitspraak overlaat tusschen christenen, joden en Mohammedanen op den dag
-der opstanding.
-</p>
-<p>Zoo leefde hij rustig door, zonder haast ooit eenigen omgang met Europeanen; met Bram
-hield hij nu en dan briefwisseling, dàt was het eenige. En Bram was nu een <i lang="en">big boy</i> geworden, zoo schreef hijzelf; hij had een aandeel in een land, en men maakte groote
-zaken; hij had het oude huis der <span class="pageNum" id="xd31e3941">[<a href="#xd31e3941">286</a>]</span>Silvers weer teruggekocht, en voor den grond laten gooien; op de plek stond nu een
-mooie villa; de plaats zelf was door de welvaart der planters zeer vooruitgegaan;
-hij blufte in zijn brieven, dat het een aard had, zonder dat Aboe Bakar dit begreep;
-die las het alles steeds met de grootste bewondering en vertelde het Minah, die na
-haar eerste kind geen verderen reproductieven aanleg ontwikkeld had, zoodat het dáárbij
-scheen te zullen blijven.
-</p>
-<p>De oude moeder, nu weer in het kamertje in de bijgebouwen, waar ze zooveel jaren had
-gewoond, wilde niet naar Batavia komen, hoe graag zij ook bij den liefsten zoon had
-gewoond; en op haar erfje stonden klapperboomen, die ze zelf had geplant, en ook andere
-soorten groot en schoon, die ze gekend had nietig en klein; dat gold ook heel zwaar.
-</p>
-<p>Nu hun zaken zich na ’n jaar of zes zeer hadden uitgebreid, was Pa Djalil geen mandoer
-gebleven; hij en Aboe Bakar waren voor die zaken dringend <span class="pageNum" id="xd31e3946">[<a href="#xd31e3946">287</a>]</span>noodig; zij reisden er vaak voor langs de kust, met prauwen en ook wel, als er haast
-bij was, met stoomers. Dan ging Aboe Bakar meest, die om zijn uiterlijk en deftigheid,
-om zijn fraaien witten tulband in lang met gouddraad gestikte kleurrijke overkleeren
-meer in aanzien was, en vormelijker behandeld werd. Dan nam hij een tweede klasse
-biljet, om meer te kunnen gaan waar hij wilde; als er niets was, voegde hij zich bij
-de inlandsche dekpassagiers, gedachtig aan de koraänische belofte, dat de nederigen
-het eeuwige leven beërven; maar als er veel Europeesche militairen op het dek waren,
-en zij vloekten en waren ruw, dan kon hij met zijn biljet zich terugtrekken.
-</p>
-<p>Hij had dat juist gedaan, en stond nu midscheeps op het tweede klasse dek in zee te
-kijken, naar het gewriemel en gewoel, het opkomen en vervloeien, het dansen en klotsen
-en schuins opspatten van de groote watermassa, door het gele zonlicht in scherpe nuances
-getint.
-</p>
-<p>Toen hij zich omkeerde, de oogen duizelig van <span class="pageNum" id="xd31e3951">[<a href="#xd31e3951">288</a>]</span>het helle glanzen, week een <i lang="ms">baboe</i> eerbiedig voor hem uit, buigend voor den mooien <i lang="ms">toean saïd</i>; hij knikte goedig, en zijn groote hand uitstekend naar een blond kindje, dat bij
-haar was, vroeg hij:
-</p>
-<p>„Vindt njotje het pleizierig aan boord?”
-</p>
-<p>De meid en het kind keken hem aan met stomme verbazing.
-</p>
-<p>„Hij spreekt Hollandsch,” zei het kind in het maleisch: „Is hij gek?” vroeg het met
-de volkomen oneerbiedigheid voor volwassen oosterlingen, eigen aan kindertjes van
-Europeanen in Indië.
-</p>
-<p>Aboe Bakar schaamde zich, het was hem wezenlijk ontsnapt tegenover dit blonde kind;
-hij had Hollandsch gesproken zonder er verder bij te denken; het kind had gelijk;
-het was heel gek. En nog gekker vond hij het, toen een onderofficier, op ’n wipstoel
-een pijpje rookend, lachend tegen een ander de opmerking maakte, dat de „Arabier”
-het kind in ’t Hollandsch aansprak en die jeugdige blonde bataaf zelf niet anders
-kende dan maleisch.
-</p>
-<p>De <i lang="ms">baboe</i> ging met het kind naar het achterdek, <span class="pageNum" id="xd31e3969">[<a href="#xd31e3969">289</a>]</span>verlegen over de brutale vraag; en daar vertelde zij het aan ’t groepje dames, dat
-handwerkjes deed of ’n romannetje las, terwijl de heeren aan de andere zijde hun partijtje
-maakten. Het was mevrouw Slaters, die erbij zat, of haar hart werd dichtgeknepen,
-zoo’n benauwend gevoel kwam over haar. Dat moest Adam Silver zijn; dat wist zij ineens
-zeker. Zij hoorde de beschrijving door de meid van het uiterlijk van den <i lang="ms">toean saïd</i>,—het kon onmogelijk iemand anders wezen.
-</p>
-<p>„Laten we hem eens gaan zien,” zei een der dames. En de anderen, die zich mee verveelden,
-allen getrouwde dames, vonden dat ook. Maar de vrouw van den majoor Slaters—de gouden
-kraag was er al!—wilde niet.
-</p>
-<p>„Gut, hoe flauw!” meende een.
-</p>
-<p>„Je bent toch niet bang op hem te verlieven?” vroeg een ander.
-</p>
-<p>En men lachte haar uit, eigenlijk een beetje boos, dat zij ’t kinderachtig excursietje
-niet mee wilde maken. Zij weigerde hardnekkig; zij had nu al <span class="pageNum" id="xd31e3979">[<a href="#xd31e3979">290</a>]</span>een gevoel, alsof de idée zijner aanwezigheid op hetzelfde schip haar hypnotiseerde;
-zij wist, of had althans de overtuiging, dat als ze hem zag, weer dat vreemde gevoel
-van strakheid en van niet te kunnen denken over haar komen zou.
-</p>
-<p>Een oogenblik hadden de andere dames geaarzeld, maar de lust om haar zelfstandigheid
-te toonen, hield de overhand; lachend en fluisterend omdat ze een mooien Arabier gingen
-zien, die Hollandsch sprak, liepen ze de kajuittrap af en naar voren. En ze stootten
-elkaar aan met de ellebogen, wisselend schuinoogende blikken: „Daar staat-ie!”
-</p>
-<p>Toen ze voorbijkwamen richtte Aboe Bakar, die over de <i>reeling</i> leunde, zich op, in een beleefdheidshouding om haar te laten voorbijgaan; ze keken
-niet direct naar hem, maar zagen hem toch zoo nauwkeurig als een staaltje van een
-modestof; de jongste, een levendig opgewekt vrouwtje, keerde zich ineens tot hem:
-</p>
-<p>„Is het waar, dat u Hollandsch spreekt?”
-<span class="pageNum" id="xd31e3988">[<a href="#xd31e3988">291</a>]</span></p>
-<p>De anderen stikten haast van den lach; een beetje verlegen, niettemin, om wat zij
-een enorme brutaliteit vonden.
-</p>
-<p>Maar zoo de dames nu een beetje verlegen waren met haar figuur,—Aboe Bakar niet; een
-glimlachje ging over zijn rustig gezicht:
-</p>
-<p>„Ja, mevrouw.”
-</p>
-<p>„Hoe is het mogelijk?”
-</p>
-<p>„Ik heb het geleerd.”
-</p>
-<p>Nu lachten ze allen luid. Wat had zij daar een gekke vraag gedaan, en wat gaf hij
-daar een leuk antwoord op. Nu, die was goed! „<i lang="fr">Pour savoir une chose</i>,” riep een harer onder het lachen.
-</p>
-<p>„Zeker,” zei Aboe Bakar zacht, „<i lang="fr">il faut l’avoir appris</i>.”
-</p>
-<p>Nu werd het nog gekker; het maakte de dames ernstig; ze wisten nu geen van allen wat
-te zeggen; de jongste keek hem voortdurend strak aan, de lippen op elkaar. Welk een
-schilderij van ’n man!
-</p>
-<p>„U woont zeker in Indië?” vroeg ze.
-<span class="pageNum" id="xd31e4008">[<a href="#xd31e4008">292</a>]</span></p>
-<p>„Te Batavia. Ik reis voor zaken … als koopman. Mijn naam is Aboe Bakar.”
-</p>
-<p>Zij voelden, dat ze daar niet langer konden blijven staan; ze hadden ook niet geweten,
-wat te zeggen. <i>Hij</i> had zich voorgesteld, eenvoudig, gewoon, als een man van de wereld, met het sierlijk
-en beleefd gebaar van een beschaafd oosterling; zij knikten en zeiden „Goeden dag,”
-zonder meer; men kon toch tegen zoo’n man geen „meneer” zeggen als Europeesche dame!
-</p>
-<p>Haastig liepen ze de trap weer op naar het achterdek, pratend over het bijzonder voorval,
-en mevrouw Slaters aanvallend met den uitroep: „Nou, je hebt iets gemist, hoor!”
-</p>
-<p>Het heldenstuk van het „aanspreken” werd verteld; Aboe Bakar werd beschreven van top
-tot teen; en wat hij aan had, en hoe hij eruit zag, en wat hij zei.
-</p>
-<p>Nora was het, als had zij erbij gestaan.
-</p>
-<p>Zij was uiterlijk veel veranderd; het Indisch klimaat had haar goed gedaan; ze had
-gevulder <span class="pageNum" id="xd31e4020">[<a href="#xd31e4020">293</a>]</span>vormen gekregen, en dat stond haar voortreffelijk; van een gewoon blondinetje om niets
-van te zeggen, was zij geworden wat men een „knappe” vrouw noemt.
-</p>
-<p>Het verhaal der reisgenooten maakte haar stil; zij dacht er haast den heelen dag aan,
-onwillekeurig. Naast haar vrees voor een ontmoeting, kwam een geweldige nieuwsgierigheid
-om hem toch eens te zien, zooals de anderen hem hadden beschreven.
-</p>
-<div class="figure o2.062width"><img src="images/bottom4.png" alt="Ornament." width="93" height="53"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e4027">[<a href="#xd31e4027">294</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e436">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="ACHTSTE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">ACHTSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Ongelukkige familieberichten.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was avond en ’n mooi tropisch nachtgezicht op het onbegrensde zeevlak, helder
-in het maanlicht, vol schemerige effecten van licht en wisselend halfdonker; de heeren
-zaten alweer aan het partijtje, in de rookkamer nu; enkelen liepen heen en weer te
-digereeren op het achterdek; de meeste dames waren al naar beneden in de <i>cabines</i>.
-</p>
-<p>Nora was opgebleven.
-</p>
-<p>„Een heerlijke avond, mevrouw,” zei de kapitein haar passeerend.
-</p>
-<p>Zij kreeg een idée.
-</p>
-<p>„Het moet nu prachtig wezen op de brug.”
-<span class="pageNum" id="xd31e4041">[<a href="#xd31e4041">295</a>]</span></p>
-<p>„Zoudt u eens willen zien?”
-</p>
-<p>„Heel graag,” en tot het slanke jonge vrouwtje, dat Aboe Bakar ’s morgens had aangesproken,
-„ga je ook mee?”
-</p>
-<p>Ze volgden den gezagvoerder, en het <i>was</i> heerlijk, het uitzicht van de brug op de groote schitterend geïllumineerde zee; maar
-na een plichtmatige betuiging van het verrassend schoone, effectvolle, gingen haar
-oogen onderzoekend over het voordek. De andere kneep haar stijf in den arm: Aboe Bakar
-zat er, achterover geleund op een bank, denkend aan zijn zaken en hoe hij die zou
-afhandelen op de kust; een strootje rookend voor tijdpasseering.
-</p>
-<p>„Daar zit-ie,” fluisterde zij Nora in het oor. „Wat ’n pracht van ’n man, hè! Om alles
-voor te vergeten.”
-</p>
-<p>Maar Nora schudde heftig het hoofd. Foei, neen! Zij voelde niets voor hem; niets!
-Zij hield eerlijk veel van haar eigen man; zij was enkel bang; wezenlijk heel bang
-voor een ontmoeting met dien Adam <span class="pageNum" id="xd31e4052">[<a href="#xd31e4052">296</a>]</span>Silver als Mohammedaan en <i lang="ms">hadji</i>; zij vond hem, wat hij was: een physiek knap man; overigens niets, en dat ze zoo
-ellendig werd, nu ook weer, toen ze hem zag, was enkel uit vrees, dat er ooit iets
-zou uitkomen, van wat vroeger was voorgevallen, en dat ze voor Slaters verzwegen had.
-</p>
-<p>Zooals Aboe Bakar het zich in dien mooien maanavond aan boord zat voor te stellen,
-gebeurde het ook; de soort van handel, dien hij dreef, was eenvoudig en secuur; zonder
-veel risico en agitatie; juist zooals bij zijn aard paste.
-</p>
-<p>Kalm en welgemoed zou hij dan ook te Priok aan wal zijn gestapt, als hem daar niet
-iets heel zonderlings had gewacht. Het waren Bram, van wien hij in den laatsten tijd
-niets had gehoord, zijn moeder en zijn zuster. Van boord af zag hij het troepje op
-de kade staan, Bram magerder en ingebogener van borstkast dan ooit te voren; maar
-in zijn gezicht niets veranderd; <i lang="ms">njai Peraq</i> wit van haar geworden, maar dikjes en vetjes, een Schotschen <span class="pageNum" id="xd31e4063">[<a href="#xd31e4063">297</a>]</span>omslagdoek over het baadje geslagen en een groote <i lang="ms">pajoeng</i> in de hand; de eenoogige zuster met een slecht gemaakte japon aan, waaronder de witte
-rok uitkwam en waarvan het split open stond, en met een allergekst zwart stroohoedje
-op met ’n lange heen en weer waaiende enkele veer.
-</p>
-<p>In stomme verbazing stond Aboe Bakar het troepje te beschouwen, zonder leed of vreugde;
-met enkel de vraag in het hoofd: wat in Mohammeds naam komen <i>die</i> doen?
-</p>
-<p>Maar hij was heel hartelijk, al bracht zijn positie zekere vormelijkheid mee; zijn
-moeder kuste hem eerbiedig de vingertoppen; de broer en zuster schudden hem de hand.
-En op zijn vragenden blik, antwoordde Bram:
-</p>
-<p>„Ja, kerel, ’t is een bedonderde <i lang="ms">perkara</i>.”
-</p>
-<p>„Is er iets gebeurd?”
-</p>
-<p>„Of er iets gebeurd is? Ik ben blut, man; totaal geflaconneerd,”—en zich over den
-knokkigen handrug blazend: „pfft! zóó kaal ben ik!”
-</p>
-<p>„Ik dacht, dat het je goed ging.”
-<span class="pageNum" id="xd31e4082">[<a href="#xd31e4082">298</a>]</span></p>
-<p>„Dat ging het ook, maar we hebben te veel hooi op onze vork genomen.”
-</p>
-<p>Aboe Bakar, nog een en al verbazing, haalde de schouders op.
-</p>
-<p>„Ik begrijp het niet.”
-</p>
-<p>„Van de koffie; je weet toch wel van dat onverwachte kelderen van de koffie?”
-</p>
-<p>„Neen,” hij moest erkennen, dat hij daarvan onkundig was, hij begreep de uitdrukking
-niet eens.
-</p>
-<p>„Ik handel in vee,” zei hij.
-</p>
-<p>„Enfin, we hadden breed opgezet, en ineens: bom! daar lag de boel. Tot overmaat van
-ramp waren we borg voor achttien mille en werden aangesproken.”
-</p>
-<p>„Maar het geld van moeder?”
-</p>
-<p>„De heele <i>rataplan</i>, zeg ik je! Wij zaten er in met alles, wat we hadden: ik, de oude vrouw en—met z’n
-duim naar de zuster wijzende—zij ook.”
-</p>
-<p>„En nu?”
-</p>
-<p>„Ja, zie je, in het landelijke gaat het niet meer; ik kan nu niet meer opzienertje
-gaan spelen.… <span class="pageNum" id="xd31e4099">[<a href="#xd31e4099">299</a>]</span>als je zelf baas bent geweest.… Ik zal zien, dat ik hier een baantje vind.”
-</p>
-<p>„Wie is hij?” vroeg Aboe Bakar, doelend op een kleinen indo, die achter hen aan liep,
-blijkbaar eenigszins met z’n figuur verlegen.
-</p>
-<p>„O! da’s waar ook; dat is onze zwager Boudrin de Chatonville. Zeg, Josep, kom eens
-naar voren. Onze broer Ad.…”
-</p>
-<p>„Aboe Bakar,” viel de dus voorgestelde snel in de rede; en toen zachtjes tegen Bram:
-„Heet hij werkelijk zoo?”
-</p>
-<p>„Of hij Boudrin de Chatonville heet? Neen maar, dàt zal waar zijn. Hij is van adellijke
-afkomst.”
-</p>
-<p>Aboe Bakar vond, dat zijn zoo bij verrassing ontdekte zwager er niet naar uitzag.
-</p>
-<p>„Jullie hebt me niet eens kennis gegeven van haar huwelijk,” zei hij verwijtend.
-</p>
-<p>„Och, zie je, zóó ver is het om je de waarheid te zeggen nog niet; dat zullen we hier
-wel in orde maken.”
-<span class="pageNum" id="xd31e4110">[<a href="#xd31e4110">300</a>]</span></p>
-<p>„Zijn ze dan niet.…”
-</p>
-<p>„Niet voor de wet. Ze scharrelden zoo wat samen, weet je, en als je goed kijkt dan
-kan je dat ook wel zien. Nou, ik heb gedacht dat ’t maar het beste was hem mee te
-nemen en ze dan hier te laten trouwen.”
-</p>
-<p>„Wat doet hij?”
-</p>
-<p>„Eigenlijk niets; hij <i>zoekt</i> een betrekking, hij verkeert in ’t zelfde geval als ik: aardig geld gehad, maar alles
-weg.”
-</p>
-<p>Ze waren opgewandeld tot het station. Bram en Aboe Bakar voorop; de anderen in een
-ganzenrijtje erachter aan; ze togen in een derde klasse waggon en onder het rijden
-hoorde Aboe Bakar meer bijzonderheden over het „ongeluk,” dat zijn familie had getroffen;
-de jongste broer had niet mee gewild naar Batavia, maar was weer gaan werken als opzienertje;
-die was, zei Bram, heelemaal verwilderd; net ’n boschmensch.
-</p>
-<p>En bij het aanhooren dier bijzonderheden, die <span class="pageNum" id="xd31e4121">[<a href="#xd31e4121">301</a>]</span>hem geen belangstelling inboezemden, dacht Aboe Bakar na over hetgeen hem te doen
-stond.
-</p>
-<p>„Ga jij nu met haar en dien Chatonville naar een logement …”
-</p>
-<p>„Wel, neen, wij logeeren bij kennissen van hem, daar ergens achter Molenvliet; als
-ik geweten had waar jij woonde …”
-</p>
-<p>„Hier in de stad in de kampong. Ik heb nu zaken en wou enkel de oude vrouw mee naar
-mijn huis nemen. Natuurlijk zal ik jullie helpen; daarvoor behoef je niet bang te
-zijn …”
-</p>
-<p>„Dat ben ik ook niet,” zei Bram.
-</p>
-<p>„Goed, schrijf me dan je adres op; ik kom van avond bij je. Heb je nu iets noodig?”
-</p>
-<p>„Neen, zóó is het niet, dat ik geen cent in mijn zak heb. Maar meer dan ’n paar honderd
-pop, alles samen genomen, zit er niet aan.”
-</p>
-<p>Met zijn moeder reed Aboe Bakar naar zijn woning.
-</p>
-<p>„Ik heb zonde gedaan voor God,” zeide ze onder het rijden, „ik had het geld moeten
-bewaren voor <span class="pageNum" id="xd31e4133">[<a href="#xd31e4133">302</a>]</span>u, het hem niet moeten afstaan; ik meende, dat hij in die zaken <i lang="ms">pinter</i> was.”
-</p>
-<p>Maar Aboe Bakar was het niet met haar eens:
-</p>
-<p>„Het is heel goed zoo, moeder; het was het geld van … den ouden heer Silver; ’t was
-dus dat van Bram ook.”
-</p>
-<p>„Ik had het verdiend.”
-</p>
-<p>„God vernietigt den woeker en vermenigvuldigt met woeker den prijs der aalmoezen.”
-</p>
-<p>Daar zweeg <i lang="ms">njai Peraq</i> op; en een oogenblik reden ze stil voort, in het op de slappe veeren slingerende
-karretje, tot zij weer zei:
-</p>
-<p>„Het is zonde van het geld, waarvoor ik zooveel jaren heb gewerkt.”
-</p>
-<p>„Ik had het toch niet mogen aannemen,” troostte haar Aboe Bakar met islamitische onverbiddelijkheid.
-„De <i>koran</i> zegt, dat er geen zegen is bij het geld van den woeker; ik had het uwe niet willen
-hebben in mijn zaken; zij zouden er door vernietigd zijn, gelijk die van Bram en de
-uwe zelf.”
-</p>
-<p>Met al haar eerbied voor den in haar oogen zoo <span class="pageNum" id="xd31e4155">[<a href="#xd31e4155">303</a>]</span>heiligen en geleerden zoon, vond <i lang="ms">njai Peraq</i> het niets prettig dus de les te worden gelezen, en dat nog wel nu zij haar geld kwijt
-was; daarom zei ze in het geheel niets meer, ook niet toen het karretje op een hobbeligen
-smallen kampongweg stilhield, en Aboe Bakar haar eruit hielp.
-</p>
-<div class="figure o2.072width"><img src="images/bottom7.png" alt="Ornament." width="131" height="65"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e4163">[<a href="#xd31e4163">304</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e445">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top3.png" alt="NEGENDE HOOFDSTUK." width="547" height="82"></div>
-<h2 class="label">NEGENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Schoonmoeder en schoondochter.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first"><i lang="ms">Njai Peraq</i> liep regelrecht naar achter, de scheidinggordijn wegslaande, en daar stond ze tegenover
-Minah, die ervan schrikte. Het was geen aangename ontmoeting. Bij Minah streden de
-vrees voor de schoonmoeder en de zucht zich in haar eigen huis niet de wet te laten
-stellen om de overhand; <i lang="ms">njai Peraq</i> was woedend. Aboe Bakar, die de bekende trommel zijner moeder in de voorgalerij had
-laten zetten, ging daar zitten op een wipstoel naast het tafeltje in het midden. De
-eerste plicht der gastvrijheid werd stil vervuld, de moeder ging op de „eeremat” zitten,
-dronk een kop <span class="pageNum" id="xd31e4175">[<a href="#xd31e4175">305</a>]</span>koffie en at met de vingers wat rijst uit een pisangblad. Minah rammelde in het maleisch
-over de buurt-<i lang="ms">perkaras</i>; maar toen <i lang="ms">njai Peraq</i>, die niets gezegd had, met eten en drinken klaar was, sloeg zij van haar <i>kaïn</i> de korrels rijst, die dadelijk door een grooten haan met harde tikken van den houten
-vloer werden opgepikt, zette haar bril op en zei langzaam:
-</p>
-<p>„Het is een vuile boel in het huis van mijn zoon.”
-</p>
-<p>Daar had je ’t al, dacht Minah, en zich tot verweer gereed makende.
-</p>
-<p>„Wij zijn tevreden.”
-</p>
-<p>„Een man let daar niet op, hij ziet het niet, hij gewent eraan, een vuile vrouw maakt
-een vuilen man.”
-</p>
-<p>„Het is hier niet vuiler dan elders.”
-</p>
-<p>„Bij mij aan huis was het zoo niet, bij den <i lang="ms">mantri</i>, uw vader, ook niet.”
-</p>
-<p>En toen Minah, inwendig kokend van woede, zweeg, ging de oude voort.
-<span class="pageNum" id="xd31e4197">[<a href="#xd31e4197">306</a>]</span></p>
-<p>„Wat doe je den heelen dag? Moet ik het nog vragen? Je doet <i>niets</i>; als een lui beest lig je daar tusschen vuile <i lang="ms">bantals</i>, die nooit gelucht worden. Je moest de vrouw zijn van een koeli, dan zou die je slaan
-met de <i>rotan</i>.”
-</p>
-<p>„Ik behoef immers niets te doen! Aboe Bakar is rijk, ik kan alles laten doen als ik
-het wil.”
-</p>
-<p>„Maar je bent zelfs te lui om te laten werken. Wat ben je? Ik heb je opgeraapt van
-den weg; je vader stond te <i lang="ms">krakal</i> als een kettingganger, wanneer ik hem niet geholpen had. Goed, ik zou je danken met
-mijn hart, als ik zag, dat je een goeje vrouw voor mijn zoon was. Je bent vuil en
-lui. En je hebt maar één kind.”
-</p>
-<p>„Het is mijn schuld niet.”
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Traperdoelie</i>, het is niet zooals het behoort. Ik had gedacht hier te komen in een nette woning,
-met een goede flinke vrouw; ik kom in een varkenshok met een slechte zeug.”
-</p>
-<p>Dàt was te veel voor Minah; zij verschoot van grijs in zwart en omgekeerd in het bruin
-der huid.
-<span class="pageNum" id="xd31e4222">[<a href="#xd31e4222">307</a>]</span></p>
-<p>„Het is <i>zijn</i> schuld.”
-</p>
-<p>„Het is nooit de schuld van den man.”
-</p>
-<p>„Het is goed praten, als je van een ouden leelijken Europeaan de <i lang="ms">njai</i> geweest ben, en grapjes had met Arabieren; dan kan men dat van zoo’n kerel verdragen.
-Ik ben een fatsoenlijke getrouwde vrouw, en ik kan me niet zóó laten behandelen; ik
-hield van hem en hij behandelt me als een hondenkind.”
-</p>
-<p>Gelukkig schoof Aboe Bakar de gordijn op zij en kwam binnen; hij had geluisterd, en
-vreezend dat <i lang="ms">njai Peraq</i> handtastelijk zou worden—wat zij al was—trad hij tusschenbeiden.
-</p>
-<p>„Wat wil je zeggen?” vroeg hij Minah, die met een boozen trek om den mond en de oogen
-neergeslagen tegen den wand stond.
-</p>
-<p>„Ik wil hebben, dat je antwoordt,” herhaalde hij.
-</p>
-<p>En toen ze nog altijd zweeg:
-</p>
-<p>„Voor de derde maal: zal je antwoorden?”
-</p>
-<p>Het was de eerste keer in zijn leven, dat hij de hand uitstak naar een vrouw, maar
-hij moest <span class="pageNum" id="xd31e4245">[<a href="#xd31e4245">308</a>]</span>het doen; moest hij, levend naar den <i>koran</i>, de ongehoorzame vrouw niet slaan?
-</p>
-<p>Daarom liet hij zijn zware vuist een paar malen neerkomen op haar schouders, greep
-haar in de <i>kondé</i> en slingerde haar door een achterdeur het binnenplaatsje op, waar ze neerviel bij
-den put, een paar <i lang="ms">gendies</i> brekend bij het vallen.
-</p>
-<p>Wat had hij daar een berouw van!
-</p>
-<p>Minah zette een keel op, die de heele kampong deed uitloopen.
-</p>
-<p>Verschrikt stapte Aboe Bakar naar voren en ging met ’n kleur van schaamte weer naast
-het tafeltje zitten. Wat was zij toch een brutaal beest!
-</p>
-<p>Het kamponghoofd kwam zijn erfje op, met een vriendelijk gezicht, plichtshalve.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Ada apa, toean saïd.</i>”
-</p>
-<p>Hij haalde de breede schouders op, reikte den inlander de vingertoppen, en zei lachend:
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Ah, gila behasa; trada ada apa apa.</i>”
-</p>
-<p><i lang="ms">Njai Peraq</i> had het zóó niet bedoeld; zij had <span class="pageNum" id="xd31e4276">[<a href="#xd31e4276">309</a>]</span>nooit slaag gehad van John Silver op die manier; nu en dan had hij in een <i>stadium</i> van erge opgewondenheid, zich verstout haar met zijn magere knokkels op het dikke
-vleesch der bovenarmen te stompen, maar zoo’n pak was haar te erg; zij zou het ook
-niet hebben verdragen.
-</p>
-<p>Zij trachtte nu Minah te troosten, die vastbesloten scheen te blijven doorjammeren
-bij den put.
-</p>
-<p>„Slaat hij wel meer?” vroeg ze.
-</p>
-<p>„Het is de eerste maal; ik dacht wel dat het komen zou; hij zal me nu wel meer slaan;
-hij heeft maar een voorwendsel gezocht; ik begrijp het wel; maar ik <i>wil</i> niet; het <i>zal</i> niet gebeuren; hij mag me dood slaan; laat hij mij maar dood slaan, dat kan me niet
-schelen; hij heeft me geslagen; hij zal me nu altijd slaan.”
-</p>
-<p>Zoo brulde zij voort, den arm opgestoken tegen de bamboezen heining, het hoofd heen
-en weer rollend over den arm.
-</p>
-<p>En toen ze eindelijk bedaard was, kwam het hooge woord eruit:
-<span class="pageNum" id="xd31e4291">[<a href="#xd31e4291">310</a>]</span></p>
-<p>„Hij wil er nog een vrouw bijnemen.”
-</p>
-<p>Dat keurde <i lang="ms">njai Peraq</i> af, maar zij wilde toch haar zoon verdedigen, en met een schijn van onverschilligheid
-zei ze:
-</p>
-<p>„Wat zou het?”
-</p>
-<p>Minah keek haar strak in het gezicht.
-</p>
-<p>„Ik zou u wel eens hebben willen zien, als.…”
-</p>
-<p>Maar dat liet geen vergelijking toe.
-</p>
-<p>„Meneer Silver was een Europeaan en ik was niet met hem getrouwd volgens de <i lang="ms">adat</i>; als hij mij had willen wegzenden, zou hij dat gedaan hebben; als hij een ander had
-genomen, zou ik zijn huis hebben verlaten. Hoe heb ik zijn huishouding bestuurd? Hoe
-heb ik hem geholpen met alles? Had hij niet drie zonen.…”
-</p>
-<p>Hier lachte Minah schamper.
-</p>
-<p>„Iedereen zei, dat hij er maar twee had.”
-</p>
-<p>„De menschen zijn kwaadsprekers en jij praat hen na,” zei <i lang="ms">njai Peraq</i> kalm.
-</p>
-<p>„Waarom kon Aboe Bakar dan geen Europeaan blijven?”
-<span class="pageNum" id="xd31e4317">[<a href="#xd31e4317">311</a>]</span></p>
-<p>Een oogenblik dacht de oude na; dan zei ze onverstoorbaar kalm:
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Toewan Allah</i> heeft het zoo gewild; hij heeft Silver doen vergeten, dat kind te laten opschrijven
-in het boek der <i lang="ms">blanda’s</i>; het is een wonder.”
-</p>
-<p>Minah trok de wenkbrauwen op, diep en hoorbaar ademhalend door den neus; nu, vond
-ze, dàt wonder, dáár was een luchtje aan!
-</p>
-<p>„Hoe het ook zij, het zal niet gebeuren,” herhaalde ze, toen terugkomend op de hoofdzaak.
-</p>
-<p>„Heeft hij erover gesproken?”
-</p>
-<p>„Hij is begonnen met praatjes; het werk in huis was me te zwaar.”
-</p>
-<p>„Daar heeft hij gelijk aan; dat kan men dadelijk merken.”
-</p>
-<p>„De zorg voor onzen zoon Amat eischte meer van mij.”
-</p>
-<p>„Dat is ook waar; ik heb den jongen daar straks op het voorerf gezien; hij liep haast
-naakt en speelde in de goot; het is een schande.”
-</p>
-<p>„Ik moest meer rust nemen en iemand in huis <span class="pageNum" id="xd31e4337">[<a href="#xd31e4337">312</a>]</span>hebben, jonger en sterker om mij te helpen.”
-</p>
-<p>„<i>Astage!</i>” riep <i lang="ms">njai Peraq</i> uit, „wat ben je voor een schepsel! Dat alles heeft hij je gezegd, en in plaats van
-nu je best te gaan doen; te zorgen voor de huishouding en je kind, ben je dezelfde
-luie slons gebleven, die je geworden waart. En je durft me zeggen, dat het niet zal
-gebeuren; dat hij geen tweede vrouw mag nemen, terwijl jij niet meer deugt en niet
-eens wilt deugen. Wil ik je iets zeggen: mijn zoon is veel te goed voor je.”
-</p>
-<p>Het kijven begon nu opnieuw tot ergernis van Aboe Bakar, die naar achter moest komen
-om stilte te gebieden.
-</p>
-<p>Van zijn idée om zijn moeder bij zich te houden, zag hij nu af; dàt zou geen leven
-zijn; die twee zouden elken dag standjes hebben; daar moest hij iets anders op vinden.
-</p>
-<div class="figure o2.081width"><img src="images/bottom1.png" alt="Ornament." width="55" height="30"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e4352">[<a href="#xd31e4352">313</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e454">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top3.png" alt="TIENDE HOOFDSTUK." width="547" height="82"></div>
-<h2 class="label">TIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Een trouweloos Mohammedaan.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">’s Avonds bij Pa Djalil, zijn compagnon, vertelde Aboe Bakar wat er gebeurd was; zij
-zaten op een bamboezen bank onder een mangaboom, in den donkeren avond op het kleine
-erfje; armoedig en eentonig schemerden hier en daar kleine petroleumlichtjes door
-de paggers en het groen; in de verte op den grooten weg ratelden langzaam aankomende
-karren; een enkele maal klonk ’t hoog geluid van een, zijn warong langs den weg pikoelenden
-Chinees; maar anders was het stil.
-</p>
-<p>„Ik ben het verplicht,” zei Aboe Bakar.
-<span class="pageNum" id="xd31e4360">[<a href="#xd31e4360">314</a>]</span></p>
-<p>„Zeker; men moet zijn ouders helpen en zijn broers en zijn zusters.”
-</p>
-<p>„Maar het zal veel geld kosten.”
-</p>
-<p>„Wat gebeuren moet, dat moet gebeuren,” zei de oude Djalil. „Ook kan je het doen.
-Als je het niet deedt, zou het een vloek zijn op onzen handel.”
-</p>
-<p>Geen oogenblik had Aboe Bakar er aan gedacht zijn noodlijdende familie <i>niet</i> te helpen; hij had er alleen behoefte aan het goedgekeurd te hooren door een ander.
-En nu begon hij langzaam zijn plannen te bespreken, tot de oude het als naar gewoonte
-’s avonds laat te koud kreeg, en zij samen <i lang="ms">obat</i> namen. Wel verweet zich Aboe Bakar soms, dat hij daar verkeerd aan deed, maar goed
-beschouwd vond hij de zonde tegen den <i>koran</i> zoo groot niet; en nu hij eraan gewoon was ’s avonds zijn glas cognac te drinken,
-kon hij het niet meer laten.
-</p>
-<p>Zooals hij het met Pa Djalil had vastgesteld, voerde hij het ook uit. Hij betaalde
-de onkosten van het huwelijk zijner zuster, gaf haar en Bram <span class="pageNum" id="xd31e4375">[<a href="#xd31e4375">315</a>]</span>elk een maandelijksche toelage en een extra aan zijn moeder, die weer bij Bram haar
-intrek nam. En toen dat alles geschikt was en geregeld, volgde de eene maand na de
-andere, zóó, dat het was of er voor hun veehandel een gouden tijd aanbrak; alles liep
-even gelukkig af; alles gaf beter winsten dan ooit, en bij Aboe Bakar stond het vast,
-dat dit door hoogere macht zoo in zijn voordeel was geordend.
-</p>
-<p>Aboe Bakar kreeg zoo’n surplus van geld, dat hij er geen raad mee wist.
-</p>
-<p>„Waarom leen-je het niet uit, zooals ik?” had al meer dan eens Pa Djalil gevraagd.
-</p>
-<p>Maar dan schudde hij het hoofd, onverzettelijk.
-</p>
-<p>„Het is in strijd met den <i>koran</i>, die verbiedt het leenen tegen rente op straf van Gods toorn.”
-</p>
-<p>„Een mensch kan te veel uit de heilige boeken leeren,” had dan Pa Djalil met een leuk
-lachje opgemerkt.
-</p>
-<p>„Nooit,” pleitte Aboe Bakar. „Ik ben geen heilig man, maar ik zou voor alles ter wereld
-niet handelen <span class="pageNum" id="xd31e4388">[<a href="#xd31e4388">316</a>]</span>tegen het boek in zoo iets belangrijks.”
-</p>
-<p>„<i>Allah</i> is groot,” zuchtte Pa Djalil met zachte ironie in zijn stem. „Mijn vader was een
-braaf man; hij deed het ook.”
-</p>
-<p>Nu wist Aboe Bakar, dat, als een maleier zóó redeneert, geen voorschrift uit den <i>koran</i> hem van zijn stuk brengt.
-</p>
-<p>Hij zweeg erop, en ten slotte, bij wijze van advies, eindigde Pa Djalil met te zeggen:
-</p>
-<p>„Koop dan huizen voor je geld.”
-</p>
-<p>Hij was daar wat lui voor; bovendien moest hij dan in het publiek komen, ook het Europeesche,
-op het vendukantoor en bij het kadaster; dat deed hij liefst zoo zelden mogelijk.
-Doch ten slotte werd het al te dwaas; zijn groote kist raakte vol geld, meest zware
-rijksdaalders; het was een mooi gezicht, maar het kon zóó niet blijven; hij dorst
-haast niet meer uit te gaan, uit vrees bij zijn afwezigheid bestolen te worden.
-</p>
-<p>Hij kocht een huis op een mooien stand, en hij liep op den langen cementvloer der
-voorgalerij met <span class="pageNum" id="xd31e4403">[<a href="#xd31e4403">317</a>]</span>het pleizierig gevoel, dat hij hier baas en meester was; dan in de kamers met de hooge
-muren, beneden geteerd met rouwranden boven het doffe rood der vloersteenen; door
-de open vensters weerglom het licht van het pas geverfd grijs der zoldering; hij liep
-het door ’t leeg staan slecht onderhouden, dicht begroeide erf op, waar van de bijgebouwen
-heele stukken kalk waren afgevallen, door de open plekken den baksteen toonend van
-een rood als oude niet geheelde wonden. Nu ja, dàt zou men alles in orde maken, dacht
-hij, weer binnengaande; dat kwam terecht; en hij gaf maar dadelijk last aan een ouden
-inlander, die dag en nacht het leege huis bewaakte, met als eenig meubilair een <i lang="ms">baleh-baleh</i> in een der vertrekken, en de man, diep gebogen voor den rijken deftigen <i lang="ms">toean saïd</i>, den eigenaar, sloop dadelijk weg om een <i lang="ms">toekang batoe</i> te halen, maar stond voor het huis verwonderd stil, toen een deelemankar het erf
-opreed.
-</p>
-<p>„Kom eens hier,” riep een heldere vrouwenstem tegen den bewaker. „Is het te huur?”
-<span class="pageNum" id="xd31e4416">[<a href="#xd31e4416">318</a>]</span></p>
-<p>„<i lang="ms">Belon priksa</i>,” antwoordde hij ontwijkend, en met den duim over z’n schouder naar achter wijzend:
-„De eigenaar is er.”
-</p>
-<p>De man ging zijn boodschap doen; de dame, met een sprongetje uit haar klein rijtuig,
-liep de paar treden van het huis op, keek eens rond in de voorgalerij, ging dan vlug
-naar binnen en stond er tegenover Aboe Bakar, die had hooren rijden op het erf, en
-ook eens kijken kwam.
-</p>
-<p>„Allemachtig!” riep zij verwonderd en half verschrikt uit, een kleur krijgend als
-een kers. „U bent dezelfde, die … de Arabier van boord!”
-</p>
-<p>Hij knikte kalmpjes glimlachend, haar vlak in de oogen kijkend.
-</p>
-<p>„… Die Hollandsch spreekt. Ja, mevrouw.”
-</p>
-<p>„Gut, dat is al heel toevallig.”
-</p>
-<p>„Bergen en dalen ontmoeten elkaar niet, de menschen wel.”
-</p>
-<p>„U kent onze spreekwoorden ook al!” riep ze lachend. „Nu, dat is mooi hoor! Is het
-uw huis?”
-</p>
-<p>En ze keek weer naar hem net als zij gedaan <span class="pageNum" id="xd31e4432">[<a href="#xd31e4432">319</a>]</span>had aan boord, toen ze tegen mevrouw Slaters zeide, dat hij een man was „om alles
-voor te vergeten.”
-</p>
-<p>„Ik heb het pas gekocht.”
-</p>
-<p>„Mag ik het zien? Ik zoek een huis.”
-</p>
-<p>Toen de inlander terugkwam met den <i lang="ms">toekang batoe</i>, vond hij de voordeur gesloten; zacht sloop hij naar achter, maar daar was ’t zelfde.
-En de deelemankar wachtte nog …
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Kang</i>,” zei hij zachtkens tegen den ouden metselaar, dien hij had meegebracht, „we moeten
-nog wat wachten op den <i lang="ms">toean saïd</i>; ga maar mee naar den warong, dan kunnen we een strootje rooken.”
-</p>
-<p>Ze kwamen eerst terug toen de deeleman wegreed; verstrooid gaf de <i lang="ms">toean saïd</i> zijn orders; hij dacht niet meer aan zijn nieuwe positie van huiseigenaar; hij was
-verstrooid en uit zijn humeur; hij had zich laten meesleepen door dien ouden Europeaan,
-die in hem was gebleven uit den offertijd aan „wijntje en Trijntje” in een groote
-westersche <span class="pageNum" id="xd31e4455">[<a href="#xd31e4455">320</a>]</span>stad door een bemiddeld jongmensch.
-</p>
-<p>Was dat handelen als een braaf volgeling van den grooten profeet! Hij, die zooveel
-ophad met den <i>koran</i>,—hij dronk dagelijks den drank, welke een gruwel was door satan uitgevonden, en hij
-had de honderd zweepslagen op het overspel verdiend.…!
-</p>
-<p>Aboe Bakar stapte haastig den eindeloozen Molenvliet langs; de zon brandde op zijn
-lang rood overkleed; het stof opgeworpen door de voertuigen, voortgezweept door den
-heeten wind, dwarrelde om zijn grooten sneeuwwitten tulband; voerders van leege karretjes
-riepen hem aan,—hij lette op niets, zóó bezig was hij met zichzelven, zóó beklemd
-door het gevoel, dat hij een slecht Mohammedaan was; dat hij dus handelend nooit het
-beloofde Paradijs zou beërven, waar de maagden met groote zwarte oogen en met zwellenden
-boezem bestemd zijn voor de gelukzaligen, voor de geloovigen zonder smet! En als hij
-daartusschen door dacht aan het wezenlijk avontuur <span class="pageNum" id="xd31e4463">[<a href="#xd31e4463">321</a>]</span>van zooeven, dan zonk het toekomst-Paradijs met de zwartoogige maagden ineens weer
-in het niet.
-</p>
-<p>Een oogenblik stond hij stil, en wischte zich het gelaat af; maakte zijn handen nat
-aan een artesischen put, bevochtigde zijn vermoeide oogen, en steeg zuchtend in een
-dos-à-dos, die met hem wegsnelde naar zijn kampong.
-</p>
-<div class="figure o2.090width"><img src="images/bottom6.png" alt="Ornament." width="129" height="64"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e4470">[<a href="#xd31e4470">322</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e464">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="ELFDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">ELFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Hoe zal ik sterk zijn?</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was of hij dien dag geen rust zou hebben van de vrouwen. Toen hij uitgestapt was
-en betaald had voor het weggetje door zijn kampong, en nog altijd over zijn eigen
-zonden dacht, kwamen een man en een meisje, een kind nog haast, hem op ’t smalle pad
-tegemoet; de man stil mompelend, het meisje, dat huilend zich verzette, voortduwend.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Toean</i>,” riep zij, „help mij! Hij wil mij verkoopen …”
-</p>
-<p>De inlander, verlegen en woedend, sloeg haar met de vlakke hand ruw op den mond.
-<span class="pageNum" id="xd31e4484">[<a href="#xd31e4484">323</a>]</span></p>
-<p>„Zij is mijn dochter en zij is ondeugend.”
-</p>
-<p>Aboe Bakar gaf hem een gevoeligen tik op de hand met den beenen knop van zijn wandelstok.
-</p>
-<p>„Hij wil mij verkoopen,” riep het meisje weer, nu dapper door den bijstand; „hij wil
-mij verkoopen aan een Chinees.”
-</p>
-<p>Zwijgend, de oogen neergeslagen, bang voor den invloedrijken <i lang="ms">hadji</i>, zoo groot, zoo sterk en zoo rijk, stond de inlander zijn hand te wrijven, zich dicht
-in de groene levende pagger dringend.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Diam!</i>” gelastte Aboe Bakar het meisje, dat niet zoo mocht spreken tegen haar vader. „Is
-het waar?” vroeg hij dezen.
-</p>
-<p>In een nu loskomenden woordenstroom, verdronk de man de gedachte; hij had zoo’n <i lang="ms">roegi</i> gehad met dit en met dat; hij kon zijn belasting niet betalen en hij had geen goed
-om te beleenen; dus zou hij in de gevangenis komen. Wat hij deed, hadden al zoovelen
-gedaan en mocht hij doen …
-</p>
-<p>„Je moogt het niet!”
-</p>
-<p>„Nu dan, het is toch <i lang="ms">adat</i>.”
-<span class="pageNum" id="xd31e4510">[<a href="#xd31e4510">324</a>]</span></p>
-<p>„<i lang="ms">Toean</i>,” smeekte het meisje zacht. „Help mij! Ik wil niet bij een Chinees; ik wil bij een
-<i lang="ms">orang selam</i>, niet bij een vuilen <i>kafir</i>.”
-</p>
-<p>Hij glimlachte tegen haar; zooals ze daar stond, zag ze er wel aardig uit, en haar
-gezicht zei zoo duidelijk als woorden het slechts konden doen, dat ze met veel genoegen
-zich verkocht zou zien aan den mooien <i lang="ms">toean saïd</i>.
-</p>
-<p>„Volg me,” gelastte hij den inlander; en zoo gingen ze verder, achter elkaar. In zijn
-woning sprak hij erover; zij werden het eens wat den prijs aangaat, terwijl het meisje
-op den dorpel zat, blij, dat ze niet naar den Chinees behoefde; kalm, nu, afwachtend
-wat volgen zou, toen haar vader heenging, diep boog voor den <i lang="ms">toean saïd</i> wiens hand hij aan z’n lippen bracht, zonder haar met een groet of een blik te verwaardigen.
-</p>
-<p>Aboe Bakar wenkte haar naar zich toe en zij volgde hem naar achter. Minah schrok ervan.
-Daar zou je het hebben!
-</p>
-<p>„Ik heb dit kind van haar vader gekocht,” zei <span class="pageNum" id="xd31e4534">[<a href="#xd31e4534">325</a>]</span>hij zacht, poseerend, met groote waardigheid. „Haar vader wilde haar verkoopen aan
-een ongeloovige.”
-</p>
-<p>En toen Minah niets zei, maar met booze oogen naar het slachtoffer zag, dat bij haar
-neerhurkte en haar hand kuste, ging Aboe Bakar voort met de zalving van een volleerd
-<i lang="ms">penghoeloe</i>:
-</p>
-<p>„Zij kan u dienen, tot een goed Mohammedaan haar als vrouw verlangt, behandel haar
-goed en het zal ons voordeel aanbrengen.”
-</p>
-<p>Het was Minah een pak van het hart; zij zag op naar haar man met groote verwonderde
-oogen. Ook het meisje begreep er niets van, zij keek in stomme verbazing door een
-gordijnkier den grooten breeden man na, die zooveel licht wegnam in het gangetje,
-dat hij langzaam doorstapte.
-</p>
-<p>Het viel haar bitter tegen! Had die zooveel geld aan haar vader betaald, om het genoegen
-haar cadeau te doen aan zijn vrouw, die veel goedkooper een beter meisje als baboe
-krijgen kon?
-</p>
-<p>Minah, die het evenmin begreep, wantrouwde de zaak. Wat kon het zijn? Zij wist, dat
-hij geen <span class="pageNum" id="xd31e4547">[<a href="#xd31e4547">326</a>]</span>voorwendsels zou zoeken, en niet een meisje als bediende zou binnensmokkelen, dat
-hij van plan was tot zijn vrouw te maken. Neen, dan zou hij komen met groote deftigheid
-in houding en gebaar; zijn zware hand zou hij dan leggen op haar schouder en haar
-zeggen: dit is mijn tweede vrouw; wees goed voor haar of gij zult mij zijn als de
-rug mijner moeder.
-</p>
-<p><i lang="ms">Habis perkara.</i>
-</p>
-<p>Zij hoorde het meisje uit, maar dat kon niet anders dan gewoon vertellen wat er gebeurd
-was. Het maakte beiden niet wijzer.
-</p>
-<p>Zij zagen door een venstertje Aboe Bakar buiten achter den hoogen pagger gaan en hoorden
-hem baden aan den put; Minah luisterde aandachtig; de wijze, waarop hij blijkbaar
-zich baadde, beviel haar niet; zij hoorde hem er den naam van <i>Allah</i> bij aanroepen, en alles driemaal.… Wat was er dan toch gebeurd?
-</p>
-<p>Aboe Bakar daarentegen voelde zich zoo plezierig als was er niets onbehoorlijks voorgevallen.
-<span class="pageNum" id="xd31e4560">[<a href="#xd31e4560">327</a>]</span>Hij had berouw gevoeld over zijn daden, en door een Mohammedaansche vrouw van de ongeloovigen
-af te houden met opoffering van geld, had hij een goed werk gedaan, waarvoor God zijn
-slechte daden ook in goede zou veranderen.
-</p>
-<p>Doch hoe niet meer te zondigen? O, hij was nu op ’t moment heel sterk. Hoe echter
-zou het zijn, als hij weer eens samen was met dat opgewonden gekkinnetje, dat zoo
-verliefd op hem was, en zijn huis had gehuurd?
-</p>
-<p>Hoe, als hij bij Pa Djalil zat en die nam <i lang="ms">obat</i> tegen de avondlucht?
-</p>
-<p>Wat moest hij doen om daar af te komen?
-</p>
-<p>Zijn compagnon maakte het hem niet moeilijk.
-</p>
-<p>Een beetje geraakt over de koranwijsheid van Aboe Bakar, nam Pa Djalil, toen ze ’s
-avonds weer hadden gepraat over hun zaken, stil zijn <i lang="ms">obat</i> alleen, en presenteerde hem niets. Hij rook den lekkeren cognacgeur en watertandde
-ervan; hij zag den ouden langzaam het glas ledigen, en zich onder ’t baadje over den
-buik strijken, hij hoorde hem <span class="pageNum" id="xd31e4575">[<a href="#xd31e4575">328</a>]</span>zacht smakken met een klein gesteun van genot.
-</p>
-<p>En Aboe Bakar zuchtte diep, met innig verlangen; en hij vond het veel moeilijker over
-een aangewende kleinigheid heen te komen in het leven, dan op een gegeven moment een
-groot besluit te nemen.
-</p>
-<div class="figure o2.097width"><img src="images/bottom5.png" alt="Ornament." width="92" height="54"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e4582">[<a href="#xd31e4582">329</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e473">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="TWAALFDE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">TWAALFDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Zonderlinge ontmoeting.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De eenige malen, dat de Verlande’s iets hoorden van hun vroegeren pleegzoon, was uit
-de brieven van Nora, die nu en dan schreef. Eerst was het een brief vol jeremiaden.
-Met haar komen in Indië, was alle vroegere Hollandsche <i lang="fr">misère</i> weg; vergeten waren de jaren van verdriet en teleurstelling over haar langdurig jongedochterschap,
-dat zich al begon te teekenen op haar lief gezichtje in fijne, scherpe trekjes, die
-er nu door het huwelijk voor vele jaren van weggevaagd waren; vergeten was de deftige
-en daarom dubbel pijnlijke beperktheid van middelen in het ouderlijk huis; vergeten
-waren <span class="pageNum" id="xd31e4592">[<a href="#xd31e4592">330</a>]</span>ook de bitse en verdrietige humeur-scènes tusschen de met den oudevrijsterstaat bedreigde
-zusters; vergeten waren narigheden en bekrompenheden, waaruit het huwelijk met een
-hoogst <i lang="en">fashionable</i> man, die een goede toekomst had, haar letterlijk had gered.
-</p>
-<p>Het maakte Verlande, die met den leeftijd ’n beetje knorrig begon te worden, woedend.
-De brieven van Nora gaven den indruk, alsof zij een paradijs had verlaten, om in de
-hel te komen, en de doorloopende gedachte was: wat is dat Indië een akelig land!
-</p>
-<p>Terwijl haar middelen haar nimmer veroorloofd hadden een druk gebruik te maken in
-Den Haag van opera’s en concerten, klaagde zij nu steen en been, dat men zoo weinig
-kunstgenot kon smaken te Batavia; terwijl zij in Holland haar ouders een nieuwe japon
-als het ware van het hart moest scheuren, en den hemel danken mocht, als ze kreeg
-wat men wilde geven,—vond zij het „zoo onaangenaam,” dat men in de toko’s te <span class="pageNum" id="xd31e4600">[<a href="#xd31e4600">331</a>]</span>Batavia nooit <i>precies</i> kon krijgen, wat men wilde.
-</p>
-<p>Het was in die periode, dat zij ook schreef over haar eerste ontmoeting met den gewezen
-Adam Silver; iets, waaraan de Verlande’s niet hadden geloofd, denkende dat zij zich
-in het uiterlijk had vergist.
-</p>
-<p>Later kon Verlande meer vrede hebben met Nora’s geschrijf; ze kreeg, door het gewoon
-meeleven in Indië, meer kennis van wat haar omringde; daarmee kwam vanzelf de belangstelling;
-juistere schatting en, in menig opzicht, waardeering, volgden.
-</p>
-<p>„Ze wordt ’n boel genietbaarder,” meende Verlande.
-</p>
-<p>„Het is ’n gewone geschiedenis,” meende zijn vrouw.
-</p>
-<p>„Toch niet.…”
-</p>
-<p>„Zeker, de mijne ook. Je hebt <i>mijn</i> brieven uit dien tijd naar Holland niet gelezen.”
-</p>
-<p>Eindelijk, na jaren, kwam Nora weer op Adam Silver terug, met het verhaal van de stoomboot.
-Zij was nu zeer ongerust en moest en zou ten <span class="pageNum" id="xd31e4616">[<a href="#xd31e4616">332</a>]</span>slotte met hem spreken, want zij was soms in doodelijken angst, dat haar man er iets
-van vernemen zou.
-</p>
-<p>Doch de Verlande’s trachtten haar gerust te stellen. Hoe kon zij zich nu nog muizenissen
-in het hoofd halen om die oude, onschuldige <i lang="ms">tjerita</i>, schreven ze. Die moest ze vergeten, negeeren, beschouwen als nooit gebeurd.
-</p>
-<p>En Nora deed er haar uiterste best voor, maar het was er zoo ingeroest, dat ze toch
-altijd schrikte als ze een rijzigen Arabier zag of een <i lang="ms">hadji</i>, en het was haar op een goeden dag of ze verstijfde van het hoofd tot de voeten,
-toen Aboe Bakar haar erf opkwam, in zijn kleurig gewaad, groot en breed tusschen het
-bontgroen der rijen crotons door.
-</p>
-<p>De Slaters woonden in een huurhuis, wijl er van gouvernementswege geen hoofdofficierswoning
-open was; ze hadden er niet op gelet, dat het huis ten publieken verkoop was geannonceerd.
-En Aboe Bakar, die het geld, dat hij overhield, nu voortdurend <span class="pageNum" id="xd31e4630">[<a href="#xd31e4630">333</a>]</span>in huizen bleef beleggen, had ook niet geweten wie de huurders waren. Hij had het
-huis gekocht, eenvoudig op de omschrijving en het advies van een inlandsch beambte
-bij ’t kadaster, en nu kwam hij zich eenvoudig als de nieuwe eigenaar aanmelden bij
-den huurder.
-</p>
-<p>Het trof hem zeer; ook dat ze zoo knap was geworden in haar huwelijk; maar hij had
-zich heel gauw vermand en groette haar als een vreemde, en sprak haar aan in het maleisch:
-</p>
-<p>„Ik vraag verschooning, dat ik u kom lastig vallen, mevrouw. Ik kom alleen u zeggen,
-dat ik dit huis heb gekocht.”
-</p>
-<p>Zij keek hem aan, verwezen; en toen ze niet antwoordde, ging hij door in ’t maleisch:
-</p>
-<p>„Het is niet, dat u moet verhuizen, volstrekt niet; u kunt blijven wonen zoolang u
-wilt; het is enkel als er iets is over reparatie of zoo.…”
-</p>
-<p>Dat was dan geworden van dien netten jongen, dien ze in haar meisjesjaren had liefgehad;
-dàt was dan de naar de laatste mode gekleede mooie <span class="pageNum" id="xd31e4638">[<a href="#xd31e4638">334</a>]</span>jeugdige oosterling, dien ze gekend had in Den Haag! Zij had de niet beredeneerde
-maar traditioneele minachting van den Hollander in Indië voor al wat <i lang="ms">hadji</i> is. En zoo stond hij daar nu tegenover haar, maleisch sprekend; bescheiden, als een
-mindere; den trek van onderworpenheid, die bij den oosterling tot de beleefdheid behoort,
-op den fraaien mannenkop. Een groot gevoel van compassie kwam over haar; het deed
-haar aan; ze moest opstaan en naar binnen gaan om niet te laten zien, dat van tranen
-haar de oogen vol schoten.
-</p>
-<p>Aboe Bakar zag het natuurlijk wel, maar begreep er niets van. In <i>dien</i> gedachtengang had hij zich niet <i>kunnen</i> verplaatsen; dàt was hem nu zoo vreemd. En hij had toch niets verkeerds gedaan! Integendeel;
-hij had, vond hij, het haar zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt; zij had hem kunnen antwoorden
-in het maleisch en hem behandelen, als had zij hem nooit gezien; enkel als de huisbaas.
-</p>
-<p>Nu ging zij schreiende naar binnen!
-<span class="pageNum" id="xd31e4651">[<a href="#xd31e4651">335</a>]</span></p>
-<p>Hij had nog niet uitgepikird, toen zij terugkwam en hem wenkte in de binnengalerij.
-</p>
-<p>„Ik heb u een verzoek te doen!” zei ze zenuwachtig, toen hij binnentrad.
-</p>
-<p>Zwijgend boog hij, den blik latende gaan over het glinsterend marmer en het glimmend
-gecireerd der nette meubels, meteen het huis, dat hij gekocht had, eens opnemend.
-</p>
-<p>„Het is: nooit te spreken, nooit en met niemand over ons.… onze.… verhouding in Holland.”
-</p>
-<p>Een spottende glimlach ging over zijn gezicht, en hij liet den golvenden zwarten baard
-door de zware hand glijden. Wat was dat nu? Wat verbeeldde zich zoo’n Europeesch vrouwtje,
-dat een man, een Mohammedaan als hij, zou spreken over haar!
-</p>
-<p>„Ik heb het nooit gedaan,” zei hij.
-</p>
-<p>„Beloof me, dat het nooit zal gebeuren.”
-</p>
-<p>Zij was zoo dicht bij hem komen staan, zij zag hem zoo vlak in het gezicht, en hij
-had zulk een eigenaardige ervaring opgedaan met een andere, <span class="pageNum" id="xd31e4662">[<a href="#xd31e4662">336</a>]</span>ook zoo blond en blank, dat hij dacht aan een grapje; zijn donker gezicht kleurde
-op, en hij boog zich voorover tot zij met een rilling van schrik zijn baard voelde
-tegen haar wang.
-</p>
-<p>„En dan mijn belooning?”
-</p>
-<p>Nora was woedend; hij zag haar bleek worden als het steenen tafelblad, zoodat hij
-ervan schrok; de uitdrukking van minachting trof hem zoo, dat hij de hand op z’n borst
-lei en een stap terugging.
-</p>
-<p>„Ik wist niet, dat je zoo’n gemeene kerel waart geworden.”
-</p>
-<p>„Dat ben ik niet,” protesteerde hij met ongewone levendigheid. „Ik ben geen gemeene
-kerel.”
-</p>
-<p>„Dat ben je wel.… Mijn huis uit! Het uwe zal ik ook verlaten.”
-</p>
-<p>Een oogenblik stond hij sprakeloos; verstomd zóó te worden weggejaagd, als een hond,
-juist nu hij meende heel slim te zijn en iets bijzonder goed te begrijpen.
-</p>
-<p>„Als ik u beleedigd heb.…”
-</p>
-<p>„Dat weet je heel goed.”
-<span class="pageNum" id="xd31e4674">[<a href="#xd31e4674">337</a>]</span></p>
-<p>„Ik vraag er vergeving voor.… Wij, Mohammedanen, moeten deugdzame vrouwen eerbiedigen,
-en dat doen wij ook.… Ik meende …”
-</p>
-<p>„Van mij?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet. Met uw soort menschen houd ik geen omgang, al vele jaren niet.
-Maar één heb ik ontmoet.”
-</p>
-<p>„En die ééne?”
-</p>
-<p>Hij maakte een afwerend gebaar met de hand, den linkerarm uitgestrekt.
-</p>
-<p>„Ik mag geen kwaad spreken. Vergeef het mij. Voortaan zal ik hier niet meer komen.
-En ik zal er nooit over spreken; ik zweer het u bij den <i>koran</i>.”
-</p>
-<p>Aboe Bakar groette haar eerbiedig; zij stak onwillekeurig de hand uit, getroffen door
-zijn oprechte spijt; doch hij deed, als zag hij het niet, boog in, op oostersche wijze,
-en ging heen, bedaard en rustig in houding en gang.
-</p>
-<div class="figure o2.106width"><img src="images/bottom1.png" alt="Ornament." width="55" height="30"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e4690">[<a href="#xd31e4690">338</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e482">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="DERTIENDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">DERTIENDE HOOFDSTUK<span class="corr" id="xd31e4694" title="Niet in bron">.</span></h2>
-<h2 class="main">Aboe Bakar kiest zich een tweede vrouw.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Mevrouw Slaters was er heelemaal door gekalmeerd; zij had nu de volkomen zekerheid,
-dat hij nooit reppen zou over hun vroegeren omgang, en tegelijk zag ze in, dat ze
-zich eigenlijk noodeloos ongerust had gemaakt.
-</p>
-<p>Maar die ééne … ja, dat kon haast niemand wezen, dan dat aardige levendige vrouwtje,
-dat ze nu nog wel eens ontmoette op ’n partij in de societeit of in <i lang="en">private</i> gezelschap. Zij dacht eraan haar uit te hooren, overtuigd, dat het jong en overmoedig
-schepseltje al heel gauw zou laten doorschemeren, wat ervan was; maar het boezemde
-<span class="pageNum" id="xd31e4702">[<a href="#xd31e4702">339</a>]</span>haar te veel afkeer in; <i lang="fr">c’était fini</i> nu, dacht ze, en onwillekeurig zuchtte ze diep, het was nu zóó goed, dat niets bedorven
-mocht worden.
-</p>
-<p>Aboe Bakar, zeer ontevreden over zichzelven, nam onder het naar huis gaan ook een
-besluit. Eerst had hij zoo lang gedraald om een tweede vrouw te nemen bij Minah, wijl
-hij bang was voor scènes; nu had in den laatsten tijd die zondige en met het heilige
-boek geheel strijdige relatie hem ook al van dat plan teruggehouden,—hij had nu, dacht
-hij, een goed voorbeeld in het flink gedrag van Nora; hij zou die relatie afbreken
-en een mooie jonge, inlandsche vrouw erbij nemen.
-</p>
-<p>Als hij eens informeerde bij de inlandsche ambtenaren en hij gaf er flink geld voor,
-dan zou er wel gauw een te vinden zijn; hij zou het dan maar dadelijk doen, en hij
-nam er een rijtuig voor; geen gewoon karretje of een dos-à-dos, maar een mylord.
-</p>
-<p>Het was in ’t geheel niet moeilijk; de eerste de beste, die hem met veel betoon van
-hartelijkheid en <span class="pageNum" id="xd31e4711">[<a href="#xd31e4711">340</a>]</span>onderscheiding ontving, kende er wel een, die een mooie dochter had en haar graag
-als vrouw aan den rijken <i lang="ms">hadji</i> wilde afstaan.
-</p>
-<p>Maar eerst moest hij haar zien.
-</p>
-<p>Zij was niet, als Minah in vroeger jaren, een kind van het binnenland, donker, sterk,
-in volheid van lucht en licht opgewassen, met hard, veerkrachtig vleesch,—zij was
-meer een kasplant, heel licht van huid, bij blank af, zacht en poezelig; met iets
-kwijnends in de oogen en sentimenteels in het gezichtje; maar zoo mooi van vormen
-en begeerlijk van persoon in haar wiegelenden gang, <i lang="ms">lengang-lengang</i> door het huis, dat het Aboe Bakar voor de oogen schemerde.
-</p>
-<p>Zeker, hij wilde haar hebben, heel graag!
-</p>
-<p>Maar het zou niet behoorlijk zijn geweest, als hij iets van zijn begeerte had doen
-blijken; langzaam ging hij heen, uitgeleid door den vader, die hem voorstelde over
-deze „zaak” nog eens te komen praten.
-</p>
-<p>En als altijd bij zijn persoonlijke aangelegenheden, <span class="pageNum" id="xd31e4727">[<a href="#xd31e4727">341</a>]</span>praatte hij er ’s avonds over met zijn compagnon op het bankje voor diens huis.
-</p>
-<p>„Ik ben bang, dat ik te veel van haar zal houden,” zei Aboe Bakar.
-</p>
-<p>„Men kan nooit te veel van een vrouw houden,” meende Pa Djalil.
-</p>
-<p>„Niet? waarom niet?”
-</p>
-<p>„Het wordt vanzelf wel minder; ten slotte gaat het heelemaal over.”
-</p>
-<p>Maar Aboe Bakar schudde het hoofd; neen, dat was het niet; hij wist heel goed, dat
-het niet altijd was als in het begin; neen, dat bedoelde hij niet.
-</p>
-<p>„Wij <i>mogen</i> meer dan één vrouw hebben.”
-</p>
-<p>Pa Djalil, die den nadruk op mogen niet snapte, glimlachte om het onnoozele gezegde;
-alsof een kind niet wist, dat een <i lang="ms">orang selam</i> dat mag! Wat leuterde Aboe Bakar hem, ouden man, nu aan de ooren?
-</p>
-<p>„Maar wij mogen de een niet meer liefhebben dan de andere.”
-<span class="pageNum" id="xd31e4745">[<a href="#xd31e4745">342</a>]</span></p>
-<p>„Waarom niet?”
-</p>
-<p>„De <i>koran</i> verbiedt het.”
-</p>
-<p>„Och kom,” zei Pa Djalil ’n beetje knorrig, nu zijn compagnon weer kwam aandragen
-met den <i>koran</i>. „Het is niet mogelijk.”
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Betoel</i>, het staat er,” verzekerde Aboe Bakar met den grootsten ernst; „wie zijn eene vrouw
-liefheeft boven de andere, zal op den dag der opstanding met ongelijke billen verschijnen.”
-</p>
-<p>Pa Djalil keek hem aan met wijdopen oogen; een oogenblik verstomd; toen riep hij met
-een hooge stem:
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Bilang apa?</i>”
-</p>
-<p>En toen Aboe Bakar het had herhaald, sloeg hij met een harde klets de vlakke handen
-op de knieën, en schoot in een luiden lach, zooals ’t hem in jaren niet was overkomen,
-met daar tusschen een herhaald, <i lang="ms">terlaloe, terlaloe, pantatnja tida rasa</i>; en dan lachte hij weer voort, tot hij met de punt van zijn baadje zich de tranen
-van ’t gezicht veegde.
-<span class="pageNum" id="xd31e4772">[<a href="#xd31e4772">343</a>]</span></p>
-<p>Aboe Bakar lachte niet mee; hij ergerde zich, en ook was, vond hij, luid lachen ongepast,
-als men ernstig sprak over het heilige boek.
-</p>
-<p>„Het is <i lang="ms">Soerah</i> IV.…” begon hij weer met overtuiging.
-</p>
-<p>Maar de oude liet hem niet uitspreken.
-</p>
-<p>„Schei uit,” riep hij, „ik wil er nu niets meer van hooren; ik zeg u, laat dat alles
-loopen en doe wat ieder onzer doet en door iedereen wordt goedgevonden. Er zijn geleerde
-menschen, die alles in den <i>koran</i> napluizen, dat weet ik al veel jaren; de één zegt het is zus en de ander het is zóó,
-maar het verandert niets aan wat wij allen, goede Mohammedanen, doen, en wat onze
-vaders en grootvaders hebben gedaan. Laat de geleerden twisten, zeg ik u; wij handelen
-in koeien en schapen.”
-</p>
-<p>„Ik ga naar huis,” zei Aboe Bakar, „het mag wezen, dat je volgens de menschen gelijk
-hebt, maar het staat duidelijk in het boek; ik kan het laten zien.”
-</p>
-<p>„Ik wil het niet zien.”
-<span class="pageNum" id="xd31e4787">[<a href="#xd31e4787">344</a>]</span></p>
-<p>Zoo scheidden zij zonder boosheid; Aboe Bakar een weinig gekrenkt, omdat het beetje
-koran-wijsheid, dat hij van den <i lang="ms">penghoeloe</i> had, die hem leerde vóór zijn tocht naar Mekka, dus werd miskend door een niet onderwezen
-man; Pa Djalil ernstig ongerust over den geestestoestand van zijn compagnon; daar
-<i>pikirde</i> hij nog lang over; hij had het in zijn leven meer bijgewoond, dat een mensch gek
-werd door te veel te denken over den godsdienst, en hij vreesde, dat Aboe Bakar al
-een aardig eind op weg was. Dat kwam, dacht Pa Djalil, van dat veranderen van godsdienst.
-Als men in een religie was geboren, gelijk hij zelf, nam men al die dingen zoo zwaar
-niet op; men deed gelijk zijn vrienden en familieleden en bemoeide zich niet met de
-rest. Maar zij, die overgingen van het een op het ander, maakten zich noodeloos druk
-over dingen, waaraan een ander nooit dacht, en zij wilden van alles het fijne weten.
-Nu, wanneer die Aboe Bakar eens gek werd, als hij op reis was om vee te koopen met
-een groote som geld, wat dan?
-<span class="pageNum" id="xd31e4796">[<a href="#xd31e4796">345</a>]</span></p>
-<p>Dan was het geld weg!
-</p>
-<p>Pa Djalil zuchtte diep bij de enkele gedachte aan zoo iets, en daar het koel werd
-in de avondlucht, trok hij z’n baadje dichter om zich heen en nam wat <i lang="ms">obat</i>.
-</p>
-<div class="figure o2.114width"><img src="images/bottom8.png" alt="Ornament." width="130" height="68"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e4806">[<a href="#xd31e4806">346</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e491">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top3.png" alt="VEERTIENDE HOOFDSTUK." width="547" height="82"></div>
-<h2 class="label">VEERTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Geldelijke verwikkelingen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was een lange conferentie, die Aboe Bakar had met de mannelijke familieleden van
-zijn aanstaande tweede vrouw.
-</p>
-<p>Over het godsdienstig bezwaar had hij zich heengewerkt; er stond toch ook in den <i>koran</i>, dat men alleen dan geen tweede vrouw moest nemen, als men vreesde onrechtvaardig
-te zullen zijn; nu, dat zou hij niet wezen tegenover Minah; zij was wel een erg onsmakelijk
-mensch geworden, en dat werd erger met den dag, nu ze wist wat er gebeuren zou en
-zich er aan doodergerde,—maar hij zou ’t haar nooit aan iets laten ontbreken en <span class="pageNum" id="xd31e4816">[<a href="#xd31e4816">347</a>]</span>haar nooit anders slaan, dan wanneer ze het overeenkomstig den <i>koran</i> verdiende.
-</p>
-<p>En verder zou hij een grooter huis betrekken met betere, mooier gekleurde <i lang="ms">kelamboes</i> voor deurgordijnen en nieuwe van kant voor de bedden; en hij zou ’n paar zindelijke
-dienstboden zoeken om voor alles te zorgen; en nieuwe fijne matten voor den vloer;
-andere tafels met marmer; mooie gebeeldhouwde stoelen; nieuwe kussens en bultzakken;
-ook zou hij veel reukwerk koopen om te branden, en voor het haar.
-</p>
-<p>Dat alles nam hij zich voor te doen,—maar onrechtvaardig wezen tegenover de moeder
-van zijn zoon,—neen, dat niet.
-</p>
-<p>Op die lange conferentie werd niet veel gesproken. In het midden der <i lang="ms">pendoppo</i> zaten ze bijeen, ieder op een mat, de beenen gekruist onder het lijf, het rookgerei
-in waterglazen om hen heen; en nu en dan werd er iets gezegd over de huwelijksgift,
-die Aboe Bakar zou schenken aan zijn tweede vrouw in den zak haars vaders.
-<span class="pageNum" id="xd31e4831">[<a href="#xd31e4831">348</a>]</span></p>
-<p>Het bedrag werd, meende de patiënt, akelig hoog opgevoerd; de honderd <i>dinars</i> uit den <i>koran</i>, haalden er, dacht hij, volstrekt niet bij; maar telkens als hij lang aarzelde, zag
-hij toevallig rechtuit in een vertrek, waartegenover hij zat, de jonge mooie aanstaande,
-hetzij komen of gaan; en dat maakte hem dan weer williger.
-</p>
-<p>Toch was het niet zoozeer de hooge huwelijksgift, waarover zij het dien avond eens
-werden, die diep in Aboe Bakar’s geldkist greep; het was ’t nieuwe voornamere leven,
-dat hij tegemoet ging.
-</p>
-<p>Minah was, meende hij, nu in het geheel niet meer te vertrouwen, en daar hij, ondanks
-de dreigende ongelijkheid, heel veel gevoelde voor Dailah, zijn tweede vrouw, hield
-hij ze zooveel mogelijk van elkaar af; en hij kreeg er ook tal van inlandsche familieleden
-bij, deftig ambtelijk, maar altijd arm. Wat niet wegnam, dat hij nog in aanzien steeg
-door bezoeken van aangetrouwde ooms en neven, die achter zich oppassers hadden, pajongs
-dragend met een vergulden rand.
-<span class="pageNum" id="xd31e4841">[<a href="#xd31e4841">349</a>]</span></p>
-<p>Hij was in die rol al heel gauw thuis, hen met buigingen en beleefdheden ontvangend,
-maar direct klagend over den slechten tijd en de weinige winsten, die hij maakte;
-want hij wist wel, dat ze altijd geld kwamen leenen, en wanneer zag men dat terug!
-</p>
-<p>De waarheid was, dat hij, ondanks zijn tweede huwelijk, dubbele huishouding en arme
-aanverwanten, met den veehandel gelukkiger was dan ooit.
-</p>
-<p><i lang="ms">Njai Peraq</i> kwam nooit in zijn huis; de zuster was getrouwd en de in het geheel niet adellijk
-uitziende Boudrin de Chatonville wilde, nu hij een betrekking had, van geen ondersteuning
-door den islamitischen zwager meer weten.
-</p>
-<p>Bram was een <i>Pechvogel</i>; hij verdiende geld genoeg met een karrenverhuurderij en met allerlei knoeierij voor
-inlanders, maar hij was „een minnaar van het spel, voornamelijk van de kaart,” en
-dat bracht hem vaak in ongelegenheid.
-</p>
-<p>Hij werd, net als wijlen John Silver, zenuwachtiger met den leeftijd; Aboe Bakar stiller,
-teruggetrokkener, <span class="pageNum" id="xd31e4855">[<a href="#xd31e4855">350</a>]</span>devoter. Door zijn schoonvader was hij in aanraking gekomen met een priester uit het
-binnenland, en die bezocht hem vaak.
-</p>
-<p>Dan hielden zij lange gesprekken over den <i>koran</i>, en Aboe Bakar schokte dat meer en meer in zijn oude stellingen; langzamerhand begon
-hij in te zien, dat er geen andere uitverkorenen konden zijn, dan de ware geloovigen;
-dat alle anderen <i>kafirs</i> waren.
-</p>
-<p>Zacht sprekend, den <i lang="ms">tasbih</i> door de hand latende glijden, zaten ze weer bijeen, in de ruime houten voorgalerij
-van Aboe Bakar’s nieuwe huis, op een lage bank in een hoek bij ’n klein tafeltje;
-het lamplicht brandde rossig flauw; de scherpe lijnen op het gezicht van den <i lang="ms">penghoeloe</i> in een lijst van aan de wangen kort geknipt wit haar, puntig uitloopend aan de kin,
-krompen of zetten uit in het dringend betoogen; de slimme kleine oogjes blonken lichtend
-onder de ruige grijze wenkbrauw; de groote gladgeschoren bovenlip met den haviksneus
-erover en de mond, ingevallen eronder als een <span class="pageNum" id="xd31e4871">[<a href="#xd31e4871">351</a>]</span>groef met verticale rimpels daarop, door de leegte van tandeloosheid eronder, gaven
-iets diabolieks aan het masker, tegenover het goedig donker gezicht in een profusie
-van grof blauwzwart haar tegenover hem.
-</p>
-<p>Een driftige hand lichtte de neergelaten <i lang="ms">keré</i> op.
-</p>
-<p>„O, heb je gezelschap,” zei Bram, zich vlug tusschen de opening naar binnen werkend.
-„Het is anders maar een oogenblik.”
-</p>
-<p>Aboe Bakar liet niet blijken, dat hem dit bezoek onaangenaam verraste.
-</p>
-<p>Hij stond op, en stelde met groote deftigheid de „heeren” aan elkaar voor; met een
-vertoon van vriendelijkheid gaven Bram en de priester elkaar de hand; zij zagen elkaar
-even maar in de magere tronies en kregen geen van beiden een pleizierigen indruk.
-</p>
-<p>Bram kwam spreken over paarden; hij had een prachtig span bijeen gekregen, heel toevallig
-en erg goedkoop.
-</p>
-<p>„Je kunt het krijgen voor wat ze mij kosten,” zei hij tegen Aboe Bakar, „het is te
-geef.”
-<span class="pageNum" id="xd31e4885">[<a href="#xd31e4885">352</a>]</span></p>
-<p>En hij beschreef de paarden en hun teekens. Maar Aboe Bakar had er geen zin in.
-</p>
-<p>„Mag ik ze eens komen zien?” vroeg de <i lang="ms">penghoeloe</i>, een groot liefhebber.
-</p>
-<p>„Zeker; maar u kunt ze voor dien prijs niet krijgen; met hem is dat wat anders; aan
-hem zou ik niet willen verdienen.”
-</p>
-<p>„Laat ze den <i lang="ms">penghoeloe</i> zien,” zei Aboe Bakar zacht, „en geef ze hem voor wat hij wil betalen.”
-</p>
-<p>Daar had Bram verduiveld weinig lust in, maar weigeren kon hij niet; hij knikte dus
-toestemmend, grimmig schuinoogend naar den vreemden bezoeker.
-</p>
-<p>„Ik wou je nog wel even apart spreken,” zei hij.
-</p>
-<p>En toen Aboe Bakar, na een excuus aan den <i lang="ms">penghoeloe</i>, met hem buiten was, zei hij:
-</p>
-<p>„Ik moet je voor dien kerel waarschuwen, Adam. Hij is een echte patser, en bij het
-bestuur vertrouwen ze hem ook niet.”
-</p>
-<p>„Hij is een braaf godvreezend <i lang="ms">imam</i>, en als men kwaad van hem spreekt, geloof ik, dat men lastert.”
-<span class="pageNum" id="xd31e4911">[<a href="#xd31e4911">353</a>]</span></p>
-<p>„Wees nu niet gek,” hernam Bram kwaadaardig; „ik zeg je, dat hij een gemeene vent
-is. Je hebt trouwens zijn tronie maar aan te zien.”
-</p>
-<p>„Ik zeg je,” en ditmaal was Aboe Bakar werkelijk zeer boos, „dat hij een goed mensch
-is.”
-</p>
-<p>„Nu,” hernam Bram, ook erg uit zijn humeur, „ik herhaal, wat ik je jaren geleden al
-heb gezegd: vroeg of laat zal je hun dupe worden. <span lang="fr">Bonsoir!</span>”
-</p>
-<p>Toen hij nijdig wegliep, verdwijnend in het avondduister, waarin het erf wegzonk,
-keerde Aboe Bakar zich zuchtend om en stapte het galerijtje op.
-</p>
-<p>„Is hij uw oudere broeder?” vroeg de <i lang="ms">penghoeloe</i>.
-</p>
-<p>Toen Aboe Bakar toestemmend antwoordde, streek de oude zich met een bedenkelijk gezicht
-over het voorhoofd en zei toen met een sinister lachje: „Men mag geen kwaad spreken,
-maar in den <i>koran</i> staat, dat er vroolijke en bedroefde aangezichten zullen zijn den dag der opstanding.”
-</p>
-<p>Ofschoon Aboe Bakar wel begreep wat de priester <span class="pageNum" id="xd31e4932">[<a href="#xd31e4932">354</a>]</span>wilde zeggen, gaf hij er geen weerwerk op. Hoe konden toch, dacht hij, goede menschen
-op het eerste gezicht zóó tegen elkaar zijn ingenomen! Want Bram was goed en hij hield
-van hem; en de <i lang="ms">penghoeloe</i> was een hoog en heilig man; aan den een dankte hij zijn geld, aan den ander de toenemende
-onderscheiding, waarmee hem de menschen tegenwoordig behandelden; hij kon het zien
-op straat, als ze hem groetten, in ’t voorbijgaan, en diep inbogen om zijn hand te
-kussen; ook werd hij genaakbaarder voor de Arabieren, sedert hij zooveel omging met
-den <i lang="ms">penghoeloe</i>…
-</p>
-<div class="figure o2.123width"><img src="images/bottom5.png" alt="Ornament." width="92" height="54"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e4943">[<a href="#xd31e4943">355</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e500">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top3.png" alt="VIJFTIENDE HOOFDSTUK." width="547" height="82"></div>
-<h2 class="label">VIJFTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Men kan geen priester en koopman zijn.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het deed Aboe Bakar leed, dat Pa Djalil met den dag minder vriendschappelijk werd.
-Wel ging hij nog ’s avonds met den oude over zaken spreken, maar het vlotte niet zoo
-goed, en Djalil had allerlei aanmerkingen. Eens had hij beproefd te reageeren op de
-gewoonte van zijn compagnon ’s avonds <i lang="ms"><span class="corr" id="xd31e4951" title="Bron: sobat">obat</span></i> te nemen,—hij dacht daar, voor zichzelf, allang niet meer aan, en schaamde zich de
-herinnering—maar dat was hem slecht bekomen. Nu had hij zorgen over dit alles en hij
-stortte zijn hart uit voor den <i lang="ms">penghoeloe</i>, die heel lang zweeg, nadat Aboe Bakar had uitgepraat. Eindelijk zei hij:
-<span class="pageNum" id="xd31e4957">[<a href="#xd31e4957">356</a>]</span></p>
-<p>„Pa Djalil is zwak; hij is geloovig, maar onwetend; daarom zal hem wellicht vergeven
-worden, dat hij zondigt tegen den <i>koran</i>. Gij hebt hem vermaand en uw plicht gedaan; tracht geen macht over hem uit te oefenen;
-zoo hij volhardt, wend u van hem af.”
-</p>
-<p>„Ik kan niet; wij hebben samen een belangrijken handel.”
-</p>
-<p>„Dat weet ik. Misschien kunt gij het eene doen zonder het andere na te laten.”
-</p>
-<p>Aboe Bakar begreep het niet, en toen de priester dat uit zijn stilzwijgen afleidde,
-ging hij voort:
-</p>
-<p>„Het is niet goed, dat gij dien handel drijft, zooals gij doet. Het is geen werk voor
-u, die de schriften beoefent en wellicht een uitverkorene …”
-</p>
-<p>En op het nederig gebaar vol bescheidenheid van den ander:
-</p>
-<p>„Ik zeg niet dat het gebeuren zal; maar de werken zijn het water, dat de plant doet
-groeien.”
-</p>
-<p>„Als ik wist hoe ik doen moest.… Het is <span class="pageNum" id="xd31e4970">[<a href="#xd31e4970">357</a>]</span>zoo moeilijk.… Hij houdt onze boeken.… Hoe krijgt men zulke zaken uit elkaar!”
-</p>
-<p>„Niet noodig. Gij drijf een handel in vee; gij kunt u neerzetten in de binnenlanden
-en daar koopen en naar hier zenden. Een ander zou hier uw werk kunnen doen.”
-</p>
-<p>Het was een goed idée, vond Aboe Bakar; wel had hij geld genoeg om van te leven, meer
-zelfs dan hij noodig had; maar hij durfde eigenlijk met een voorstel om zich terug
-te trekken niet bij zijn ouden compagnon aankomen.
-</p>
-<p>„Er zijn,” ging de <i lang="ms">penghoeloe</i> voort, „bij ons in de buurt kleine landerijen, mooi gelegen, waarop men een goede
-woning kan laten bouwen; het hout is goed en goedkoop, de <i lang="ms">bamboe</i> en de <i lang="ms">atap</i> ook, de menschen kunnen beter huizen maken dan hier.”
-</p>
-<p>„Als ik zoo iets gedaan kon krijgen, zou ik graag willen.”
-</p>
-<p>„Langzaam aan; men moet zich niet haasten. Spreek er over met dien Djalil. Hij zal
-wel willen.”
-<span class="pageNum" id="xd31e4989">[<a href="#xd31e4989">358</a>]</span></p>
-<p>Ze gingen er verder over door op die manier, en bij Aboe Bakar was het reeds gerijpt
-tot een bepaald plan; het lachte hem toe, daar in de binnenlanden rustig te leven;
-niet van huis te moeten voor zaken, en zich ’t hoofd daarmee niet te moeten breken;
-voortdurend om te gaan met den <i lang="ms">penghoeloe</i>, om een man te worden als hij, vroom en geleerd in den <i>koran</i>.
-</p>
-<p>„Nog iets moet ik u zeggen,” zei de <i lang="ms">penghoeloe</i> bij het scheiden. „Wees voorzichtig voor uzelven tegenover uw vrouw Dailah.”
-</p>
-<p>Aboe Bakar schrikte.
-</p>
-<p>„Voor Dailah?”
-</p>
-<p>„Ik vrees dat ge te veel van haar houdt; men moet zijn hartstochten bedwingen; zich
-geen afgod maken van eene vrouw.”
-</p>
-<p>Verlegen keek Aboe Bakar voor zich: het was waar; hij was dol van zijn tweede vrouw,
-en hij keek in ’t geheel niet om naar Minah, die voor weinig meer telde in het huis,
-dan een noodzakelijk kwaad; voor minder dan een slavin. Zij had <span class="pageNum" id="xd31e5007">[<a href="#xd31e5007">359</a>]</span>haar partij gekozen, naar het scheen, en leefde haar eigen leven in luiheid en buurtpraatjes.
-</p>
-<p>In stilte bewonderde Aboe Bakar den priester, die dat alles scheen te begrijpen en
-te doorzien.
-</p>
-<p>Tot laat in den nacht bleef hij bidden. Wat was het toch moeilijk zóó te leven, als
-men moest! Maar hij zou het in dit opzicht beproeven; dàt nam hij zich ernstig voor.
-Ook met Pa Djalil zou hij spreken over zijn plan om Batavia te verlaten; te gaan wonen
-in de binnenlanden en niettemin te blijven in de zaken.
-</p>
-<p>Den volgenden avond, toen ze afgedaan hadden met hun loopenden handel, zittend op
-het bankje, begon hij erover; de oude liet hem uitpraten.
-</p>
-<p>„Ik moet daarover denken,” zei hij, en een minuut of wat later: „Ik geloof niet dat
-het gaan zal.”
-</p>
-<p>„Waarom niet?”
-</p>
-<p>„Men kan geen twee dingen tegelijk doen. Wie handelaar is, moet dat ook zijn zonder
-iets anders. Ik heb allang begrepen, waarheen ge wilt. Ga uw gang, het is misschien
-beter voor u. Voor mij is <span class="pageNum" id="xd31e5017">[<a href="#xd31e5017">360</a>]</span>het wat anders; voor mij is het <i>niet</i> beter een compagnon te hebben op die manier.”
-</p>
-<p>„Wel,” hernam Aboe Bakar, „als wij van elkaar af kunnen.”
-</p>
-<p>„Waarom zouden wij niet? Ik heb de boeken duidelijk gehouden en bij tot vandaag. Het
-is gemakkelijk te zien, wat wij in de zaak hebben op het oogenblik, de eene helft
-is mijn aandeel, de andere het uwe.”
-</p>
-<p>Het griefde Aboe Bakar toch dat de oude blijkbaar zoo weinig prijs op zijn medewerking
-stelde, en Djalil, toen hij dat hoorde aan het zwijgen van zijn compagnon, zei goedig:
-</p>
-<p>„Het spijt me dat het zóó loopt, maar het is niet anders. Ge spreekt tegenwoordig
-altijd over den <i>koran</i> en ik weet er maar weinig van, doch er staat toch ook in, dat niemand twee meesters
-kan dienen …”
-</p>
-<p>„Soerah XXXIX …” begon Aboe Bakar onwillekeurig.
-</p>
-<p>„Het kan me niet schelen; ik weet van geen <span class="pageNum" id="xd31e5032">[<a href="#xd31e5032">361</a>]</span><i lang="ms">soerah</i>,” viel Pa Djalil hem in de rede, „maar je hadt moeten begrijpen, dat men geen priester
-en koopman kan zijn tegelijk; men doet dan <i lang="ms">toean Allah</i> te kort of zijn deelgenoot.… Voor mijzelven zou het minder zijn, maar als goed Mohammedaan
-mag ik het eerste niet toestaan.”
-</p>
-<p>Van den spot, van het sarcasme voelde Aboe Bakar niets; hij was zoo vlug niet van
-geest; niet slim genoeg daarvoor; hij had een waarheid gehoord, en erkende die; alleen:
-de <i lang="ms">penghoeloe</i> had het mogelijk gevonden, en <i>die</i> kon het in zulke dingen toch niet mis hebben.
-</p>
-<p>„Dus je wilt niet,” zei Pa Djalil met een zucht, „het is zooals ik gezegd heb en niet
-anders.”
-</p>
-<div class="figure o2.130width"><img src="images/bottom4.png" alt="Ornament." width="93" height="53"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e5051">[<a href="#xd31e5051">362</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e510">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="ZESTIENDE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">ZESTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Een listig mensch.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In de oogen van den <i lang="ms">penghoeloe</i> lichtte het kwaadaardig op, toen Aboe Bakar hem vertelde, hoe het verloopen was bij
-Djalil. Hij kende dat volkje! Met een eerlijk maar dom individu, dat wat overhelde
-naar den fanatieken kant, kon men doen wat men wilde; dat was een werktuig in de hand
-van een man als hij. Maar zoo’n oude geslepen patser, als die Djalil, liep er niet
-gemakkelijk in; met zóó een moet men voorzichtig zijn.
-</p>
-<p>En òf hij reden had tot voorzichtigheid! Hij stond aan het hoofd van een uitgebreid
-geheim genootschap; zij hielden vergaderingen in <i lang="ms">missigits</i>, zelfs <span class="pageNum" id="xd31e5066">[<a href="#xd31e5066">363</a>]</span>in de bosschen ’s nachts; zij hadden bergplaatsen van wapenen en oorlogsgewaden; zij
-hadden al lang den „heiligen oorlog” gezworen tegen de <i>kafirs</i>; maar het was alles nog onrijp, hoofdzakelijk wijl ze geen geld hadden. Een enkele
-onvoorzichtigheid en alles zou hier verloren gaan.
-</p>
-<p>„Indien het Gods wil is,” fluisterde de priester op zachten onderworpen toon, „zal
-het Pa Djalil wèl gaan.”
-</p>
-<p>„Ik hoop het,” zei Aboe Bakar, „hij is altijd eerlijk en trouw geweest in onze zaken.”
-</p>
-<p>„Dan zal zijn belooning ook niet verloren raken. Ik vertrek met den eersten trein
-morgenochtend. Zal ik ginder een woning voor u zoeken?”
-</p>
-<p>„Heel graag. Ik reken dezer dagen met Djalil af; dan heb ik nog enkel mijn huizen.”
-</p>
-<p>„Verkoop ze; trek u terug uit al die nietige dingen. Wat baten zij u? God zal hem
-beloonen, die het land verlaat om <i>zijn</i> zaak te omhelzen.”
-</p>
-<p>Aboe Bakar mocht den <i lang="ms">penghoeloe</i> naar het station brengen. Tusschen de bedrijvigheid der beambten, <span class="pageNum" id="xd31e5083">[<a href="#xd31e5083">364</a>]</span>zaten de inlanders, die op reis moesten, op hun <i lang="ms">barang</i> of stonden ernaast op den gelen cementvloer van het perron; droomerig in den nog
-vroegen morgen, keken zij voor zich uit met onverschillige gezichten, naar het rangeeren
-van den trein; het haastig heen en weer gevlieg van de daarbij dienstdoende machine,
-wier drukte en snelle geluiden zoo afstaken bij de algemeene kalmte der oostersche
-omgeving.
-</p>
-<p>De <i lang="ms">penghoeloe</i> en Aboe Bakar verschenen in hun Arabische kleeding, en al de aandacht van het inlandsch
-publiek was voor die statige mannen, zoo mooi gekleed en die in hun langzaam en deftig
-opwandelen, veel hoogere wezens schenen, dan de weinige Europeanen in hun witte jasjes
-hier en daar met elkaar pratend in nonchalante houding.
-</p>
-<p>Niemand had daar zoo’n sentiment voor, als Aboe Bakar; dàt deed hem zoo’n genoegen,
-<i>die</i> soort van grootheid; dáár behoefde ’n mensch geen vreemde talen en geen wis- of andere
-kunde’s voor te leeren op de schoolbanken; dáár had je <span class="pageNum" id="xd31e5098">[<a href="#xd31e5098">365</a>]</span>maar voor naar Mekka te gaan, wat uit den <i>koran</i> te leeren, en zich te kleeden. Maar daarvoor moest je hebben die rustige deftigheid
-en die aangeboren superioriteit in houding en manieren, die hijzelf vond, dat hij
-in hooge mate bezat. Behaaglijk zag hij rond over de hoofden, onder het praten met
-den priester.
-</p>
-<p>„Dat de ijdelheid ons niet omtrent God bedriege; laat ons enkel dankbaar zijn,” zeide
-deze.
-</p>
-<p>Daar had-je het weer! Wat was het toch een wonder! Het was, dacht Aboe Bakar, of de
-priester iemands gedachten raadde. Het stemde hem onderworpen; hij nam afscheid met
-de grootste eerbieds- en onderdanigheids-betuigingen, die de aandacht trokken der
-inlanders en hen op een afstand even deden wachten, tot de heilige mannen gereed waren.
-</p>
-<p>Hij kreeg het druk na dien tijd; de afrekening met Djalil viel hem zeer mee, maar
-duurde toch nogal lang; want die moest geld opnemen; hij had wel altijd veel verdiend,
-zoo goed als Aboe Bakar, maar hij had een menigte dochters, en die <span class="pageNum" id="xd31e5106">[<a href="#xd31e5106">366</a>]</span>hadden weer veel zoons en dochters, en zij leefden allen van hem!
-</p>
-<p>Zijn huizen verkocht Aboe Bakar prachtig; voor veel meer, dan ze hem hadden gekost.
-Maar met zijn pogingen om geld uit te geven, lukte het minder goed. Hij wou zijn zoon
-bij een Europeesche familie in den kost doen, want dàt was nu eenmaal zijn idée: men
-moest Hollandsch kunnen spreken, en dat kon men niet leeren, zooals het hoort, dan
-in het huis van <i lang="fr">pur sang</i> Hollanders; maar de families, bij welke hij deed navragen, hadden bezwaren; zij wilden
-hun eigen kinderen niet blootstellen aan het zedenbederf door zoo’n inlandschen jongen,
-met wien ze als met ’n broer zouden omgaan; en de families die ervan gehoord hadden
-en Aboe Bakar, den rijken <i lang="ms">hadji</i>, lieten polsen, die stonden hem niet aan.
-</p>
-<p>Dus vorderde hij niet.
-</p>
-<p>Voor Bram wou hij een aandeel koopen in een bestaande goede zaak, wat hij dacht dat
-met geld altijd te doen was; maar de goede zaken bedankten <span class="pageNum" id="xd31e5119">[<a href="#xd31e5119">367</a>]</span>er tot zijn groote verwondering voor, wijl ze nooit, op zulk een manier, iemand verlangden
-als deelgenoot, die volstrekt geen verstand van het vak had en weinig of geen administratieve
-kennis; en van de zaken, die dat wèl wilden, die zelfs met brieven en bezoeken er
-bij hem op aandrongen, zei Djalil, van al die dingen bijzonder op de hoogte, dat ze
-<i lang="ms">boesoek</i> waren. Wat was dat lastig!
-</p>
-<div class="figure o2.136width"><img src="images/bottom4.png" alt="Ornament." width="93" height="53"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e5127">[<a href="#xd31e5127">368</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e519">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="ZEVENTIENDE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Wacht u voor zulke vrienden.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Met groote stappen liep Aboe Bakar een zonnig pad op, parallel met den grooten weg
-naar de bovenstad; in de verte zag hij de woning van Bram; het nieuwe lichtroode pannendak
-op het houten huis, hel in de zon afstekend tegen het dichte donkere groen van groote
-mangaboomen op het erfje. Toen hij het hekje binnenstapte, zaten ze daar allen op
-wipstoelen; Bram in slaapbroek en kabaai in een luierstoel. Een kapotte dos-à-dos
-scheef overhellend stond terzij van het voorerf; het was de eenige stoffeering.
-</p>
-<p><i lang="ms">Njai Peraq</i> zag hem niet; een oogziekte had <span class="pageNum" id="xd31e5137">[<a href="#xd31e5137">369</a>]</span>haar ’t gezicht benomen; zij zat nu maar stil op de mat in het galerijtje over dag,
-een enkel maal naar achter scharrelend, als ze wat eten wou of zoo.
-</p>
-<p>„<i lang="fr">Bonjour!</i>” riep Bram al uit de verte. „Hoe gaat het? Huizen verkocht, hè? Bom duiten verdiend,
-ja? Je bent toch ’n gelukkige pisang! Ik wou, dat ik ook maar Mohammedaan was geworden!”
-</p>
-<p>„Het is nog niet te laat!”
-</p>
-<p>„Juist wel!”
-</p>
-<p>„Nooit, dan op het sterfbed,” zei Aboe Bakar met overtuiging.
-</p>
-<p>„Dat denk-je maar,” spotte Bram. „Neen, amice, daar komt nu niets meer van; toen was
-toen en nu is nu.”
-</p>
-<p>„Weet-je, dat ik een landje heb gekocht?”
-</p>
-<p>„Dat heb ik gehoord.”
-</p>
-<p>„Ik ga er rustig wonen; uit de zaken heb ik me ook teruggetrokken.”
-</p>
-<p>Bram knikte; Pa Djalil had hem er alles van verteld.
-</p>
-<p>„Het geld voor moeder en voor jou heb ik in de bank gebracht.”
-<span class="pageNum" id="xd31e5155">[<a href="#xd31e5155">370</a>]</span></p>
-<p>„Waarom niet hier?” vroeg Bram, eenigszins geraakt door het onverholen wantrouwen.
-</p>
-<p>„Omdat het beter is; het is voor een jaar; elke maand kan-je het ontvangen voor moeder
-en voor jou. Hoe gaat het in den laatsten tijd?”
-</p>
-<p>„Och, là là! Smerig volk, die dos-à-dos-voerders. Kerels zetten me geregeld af. Brengen
-nooit thuis wat ze schuldig zijn. Altijd dit of dat.”
-</p>
-<p>„Hoeveel dos-à-dos heb-je nu?”
-</p>
-<p>„Drie, en twee karretjes; tien paarden in ’t geheel, als er een ziek is of een kerel
-niet binnen, staat één voertuig stil.”
-</p>
-<p>„Ja … Dat heb je me onlangs ook geschreven … Er is dezer dagen paardenvendutie … Koop
-er ’n paar bij.”
-</p>
-<p>„Kan niet, heb geen crediet,” riep Bram lachend; hij had zich die manier van spreken
-tegenwoordig aangewend. „Als ik bied, zij roepen: „<i lang="ms">kontan</i>!”
-</p>
-<p>„Koop maar op mijn naam; ik zal een qualificatie geven.”
-</p>
-<p>„En de duiten?”
-<span class="pageNum" id="xd31e5171">[<a href="#xd31e5171">371</a>]</span></p>
-<p>Aboe Bakar lachte goedig.
-</p>
-<p>„Maak je niet bezorgd; wij zijn nog lang niet <i>quite</i>.”
-</p>
-<p>Daar zweeg Bram op; hij vond het altijd een pijnlijk onderwerp; het stond nu eenmaal
-bij hem vast, dat het met de verdeeling der erfenis niet anders dan plichtmatig was
-toegegaan onder hen als broers en zusters, dat Aboe Bakar hem nu hielp, vond hij heel
-natuurlijk, hij zou het immers ook gedaan hebben, als de toestand andersom was geweest.
-Maar wat hem hinderde was, dat Aboe Bakar volhardde in het idée bij die verdeeling
-een aalmoes te hebben gekregen, welke hij nu moest teruggeven; dat hij hem, Bram,
-meer beschouwde als een crediteur, dan als een broer.
-</p>
-<p>„Ik hoop, dat het je hier bevalt,” ging Aboe Bakar voort.
-</p>
-<p>„Hier in deze <i lang="ms">tampat</i>? Wis en waarachtig bevalt het me. Goeie boel hier. Lekker wonen, frisch en droog.”
-</p>
-<p>„Dat doet me pleizier. Ik bedacht te laat, dat ik <span class="pageNum" id="xd31e5186">[<a href="#xd31e5186">372</a>]</span>had vergeten daar eerst naar te informeeren. Het was dom van me.”
-</p>
-<p>„Wat informeeren?” vroeg Bram verwonderd. „Waarom?”
-</p>
-<p>„Ik heb ’t huisje en erf voor je gekocht.”
-</p>
-<p>„Voor mij gekocht?” vroegen Bram en diens inlandsche vrouw in één adem, maar in diverse
-talen.
-</p>
-<p>Aboe Bakar knikte en stond op.
-</p>
-<p>„De akte van overdracht en de andere stukken krijg je morgen. Ik moet nu weg, want
-ik heb meer te doen. Voor ik heenga, kom ik nog goeien dag zeggen. Ik hoop, dat je
-veel geluk hier hebben mag. <i lang="ms">Slamat tinggal.</i>”
-</p>
-<p>Bram greep de zware hand in zijn magere knokken en kneep haar met kracht; ontroerd,
-de tranen in de oogen, bleek en zenuwachtig.
-</p>
-<p>„Adam,” zei hij dringend, „geloof me, blijf hier; ga niet naar boven, ga niet naar
-dat vervloekte land; ik heb een voorgevoel.”
-</p>
-<p>Maar Aboe Bakar schudde het donker baardig <span class="pageNum" id="xd31e5202">[<a href="#xd31e5202">373</a>]</span>hoofd, gekroond met den grooten witten tulband.
-</p>
-<p>„Gij wilt het goede beletten Bram, door kwaad te denken en te spreken van hen, die
-ge niet eens kent. Als Mohammedaan zoudt ge het niet doen.”
-</p>
-<p>„Niet ken!” riep Bram opgewonden uit. „<i>Of</i> ik hem ken, dien …”
-</p>
-<p>Met de hand hield Aboe Bakar als het ware het scheldwoord terug, dat hij verwachtte
-aan het adres van den <i lang="ms">penghoeloe</i>; hij vergiste zich in zoover, dat het geen banaal scheldwoord zou geweest zijn, doch
-iets heel anders.
-</p>
-<p>Bram zelf schrikte ervan; bijna had hij iets verklapt, dat hij geheim moest houden.
-De waarheid was, dat hij niet alleen een dos-à-dos-verhuurderij hield, maar soms ook
-als spion in dienst was der politie; en nu was deze er juist achtergekomen, dat er
-iets heel leelijks broeide in de streek, waar de <i lang="ms">penghoeloe</i> woonde, en dat die daarbij was betrokken, ja eigenlijk zoo wat aan het hoofd moest
-staan. Hoever het zich uitstrekte wist het Bestuur nog niet, maar aan Bram was <span class="pageNum" id="xd31e5219">[<a href="#xd31e5219">374</a>]</span>ook iets ter onderzoek opgedragen, en daardoor was hij achter meer gekomen.
-</p>
-<p>„Enfin,” zei hij met een zucht, „ik hoop er voor jou het beste van; ik dank-je voor
-je goedheid, en ik wensch je veel geluk.”
-</p>
-<p>Eerbiedig groetend boog Aboe Bakar voor zijn blinde moeder, en lang zat hij dichtbij
-haar neergehurkt op de mat, zacht met haar sprekend, haar oude hand in de zijne, terwijl
-de inlandsche wederhelft van Bram door allerlei joolgezichten tegen hem te trekken,
-stil haar vreugde vertolkte over het nu in eigendom hebben van hun huisje.
-</p>
-<p>Toen hij naar huis terugliep, denzelfden weg dien hij vroeger was gegaan, had hij
-een groot verlangen; hij wou, dat hij al buiten zat, uit de <i lang="ms">soesah</i> van het opbreken en verhuizen; hij moest erkennen, dat Minah, zoo slordig en vuil
-ze geworden was, goede diensten deed; Dailah.… <i lang="ms">kasian</i>, dacht hij. Neen, zij werkte niet; daar was geen quaestie van; hij had het ook niet
-willen hebben; de <i lang="ms">penghoeloe</i> had hem wel gewaarschuwd niet toe <span class="pageNum" id="xd31e5234">[<a href="#xd31e5234">375</a>]</span>te geven aan zijn groote liefde voor zijn tweede vrouw; en hij had ook wel getracht
-matiger te zijn—maar dan kon zij hem met haar groote zwarte oogen zoo vreemd aankijken;
-eens zelfs had ze gepruild, als een kind; en gezegd, dat hij niet meer van haar hield,
-dat hij maar naar Minah moest gaan of een andere vrouw nemen; toen was hij bij haar
-gaan zitten, den arm om haar zacht, lenig lichaam; zijn oogen had hij laten gaan langs
-de zachtgolvende lijn van haar mooien haast blanken hals naar de fijne schoudertjes
-en de opglooiende buste; zijn krachtig lichaam, trillend van begeerte, was tegenover
-zijn zwak willen direct de baas geworden en.… gebleven.
-</p>
-<p><span id="xd31e5238"></span>Neen, Dailah moest niet arbeiden; zich niet vermoeien. Hij zocht geen andere aardsche
-genietingen; hij kon, zoo dacht hij, leven in matigheid en zonder buitensporigheden,
-zich wijdend, zooals hij tot nu toe deed, aan zijn zaken en den godsdienst, of wel,
-zooals hij nu voornemens was, aan den godsdienst alleen; maar die eenige, hem dan
-<span class="pageNum" id="xd31e5240">[<a href="#xd31e5240">376</a>]</span>toch wettig geoorloofde levensvreugd kon hij niet ontberen; dàt zou hem te machtig
-zijn.
-</p>
-<p>Thuis vond hij tot zijn verwondering Djalil bezig den boel te beredderen, alsof het
-voor hemzelf was; hij had een soort inventaris gemaakt van de meubelen.
-</p>
-<p>„Laten we het maar taxeeren,” zei hij, „dan neem ik het van je over.”
-</p>
-<p>„Wat wil je ermee doen?”
-</p>
-<p>„Och, er zijn er bij mij zooveel, die van alles noodig hebben, en er komen er altijd
-bij. Nu gaat weer een kleinzoon van me trouwen.”
-</p>
-<p>„Heel graag; taxeer ’t maar zelf; zooals je doet is het goed.”
-</p>
-<p>„Ik heb leege kisten laten brengen en ben aan het pakken gegaan; jullie schoot niet
-op.”
-</p>
-<p>De oude mandoer was bij den veekooper weer bovengekomen; hij kon het niet aanzien,
-dat er zoo op de inlandsche manier met den boel werd omgesprongen; dáárvoor had hij
-te lang in een Europeesche toko gewerkt.
-<span class="pageNum" id="xd31e5250">[<a href="#xd31e5250">377</a>]</span></p>
-<p>Aboe Bakar stond er werkeloos bij, met verbazing toeziende, hoe netjes Djalil alles
-<i>boenkoesde</i>; met hoeveel tact hij de kisten pakte, zoodat er niets kon schudden of breken. En
-verlegen met zijn eigen hulpeloosheid, liep Aboe Bakar telkens eens links en rechts,
-als een August de Domme aandragend, wat voor ’t moment niet noodig was, uit de enkele
-zucht om er niet zoo heelemaal voor niets bij te staan.
-</p>
-<p>Het was een nare tijd; hij dankte God, toen er een eind aan was, en hij uit de voorgalerij
-zijner nieuwe landelijke woning, die voor zijn rekening de <i lang="ms">penghoeloe</i> heel aardig had ingericht, op de balustrade leunend genoot van het frissche berggezicht
-vol schilderachtige afwisseling.
-</p>
-<div class="figure o2.146width"><img src="images/bottom4.png" alt="Ornament." width="93" height="53"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e5263">[<a href="#xd31e5263">378</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e528">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top1.png" alt="ACHTTIENDE HOOFDSTUK." width="544" height="82"></div>
-<h2 class="label">ACHTTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Toenadering tusschen de vrouwen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Zacht ruischte de rivier aan in een klein grijs gewriemel van golfjes, brekend op,
-glijdend over de uit haar ondiepe bedding opstekende rolsteenen; de oever omzoomd
-met het groote donkergroene blad der lage pisangs, het bruinig grauw der atappen daken
-er doorheen kijkend, de slanke gladde stammen der klapperboomen erboven uit, zwaaiend
-in den wind het hard geglinster hunner bladkronen; en daarachter tegen het sterk ophellend
-terrein, een dicht bosch van allerlei boomen, aanplant en wild hout, in veelvuldige
-nuances van eenzelfde kleur,—een reusachtige symfonie van groen; <span class="pageNum" id="xd31e5270">[<a href="#xd31e5270">379</a>]</span>hier en daar, als ertusschen geslagen, stukjes <i lang="ms">bibit-sawah</i>, heel teer, bij geel af; en op den achtergrond de zware donkere massa van het gebergte,
-te veraf al voor het merken van schakeeringen; te dichtbij voor het blauwschijnen;
-een sombere muur van grillig dessin met opkomende en verdwijnende strepen invallend
-licht; de breede kroonlijst van toppen in massale slingerlijnen, als gesneden uit
-de blauwe lucht.
-</p>
-<p>Aboe Bakar zag het zoo niet; hij onderging alleen de stemming van het geheel en dat,
-vond hij, deed hem goed, maakte hem zoo rustig en kalm, als hij bij voorkeur was;
-dreef elke gedachte aan zaken en gewone dingen weg uit zijn hoofd; het weinigje leven
-en bedrijf der inlanders in de rivier hinderde hem haast; dat was weer het alledaagsche
-mierenwerk; de mannen, drie, vier achtereen, langzaam en voorzichtig, voetje voor
-voetje goederen pikollend van den eenen oever naar den anderen, de vrouwen kleeren
-wasschend, het natte goed slaande op de rolsteenen; mannen, vrouwen <span class="pageNum" id="xd31e5277">[<a href="#xd31e5277">380</a>]</span>en kinderen zich badend en hun behoefte doende alles in denzelfden stroom levend water;
-hier en daar een kleurige <i lang="ms">kain</i>, als de eenige brekende punten in de groote omgeving van zachte tinten.
-</p>
-<p>Een hooge gil, hevig uit boven alles, de lucht vullend met schel geluid, in echo’s
-teruggeworpen door het gebergte, deed Aboe Bakar opschrikken uit zijn droomerig soesen;
-in de richting, die hij uitkeek, pluimde een driftig wolkje op boven het gebladerte,
-snel vervliegend; een witte wegwaaiende veer; door de openingen in het groen flikkerde,
-voortschietend, het blinkend koper der machine, de glimmende verfstrepen der wagens;
-grommend en brommend als een vertoornd dier, joeg in groote bochten de trein over
-de kronkelende berglijn.
-</p>
-<p>Om den hoek zijner nieuwe woning over het smalle omloopende pad kwam hem de <i lang="ms">penghoeloe</i> verwelkomen; hij stond ook even stil, omkijkend naar den trein.
-</p>
-<p>„Het is toch mooi,” zei Aboe Bakar, hier ineens <span class="pageNum" id="xd31e5290">[<a href="#xd31e5290">381</a>]</span>getroffen door iets, wat hij altijd had gehouden voor de meest eenvoudige en alledaagsche
-zaak ter wereld.
-</p>
-<p>De <i lang="ms">penghoeloe</i> knikte.
-</p>
-<p>„Ja, het <i>is</i> heel mooi,” gaf hij toe; „maar toen het er niet was, en dàt ook niet,” wijzend op
-de telegraafdraden, „vond <i>ik</i> het er niet minder om.”
-</p>
-<p>Aboe Bakar begreep het niet. Waarom was het evengoed zonder spoorweg en telegraaf
-als met? Maar hij vroeg er niet naar, en de <i lang="ms">penghoeloe</i> zei niets; daar had hij zijn goede redenen voor; hij toch schreef het toe aan dien
-spoorweg en die telegraaf, dat de onderdanigheid bij den inlander eruit ging, en dat
-niets meer geheim bleef; hij had in doodsangst gezeten, toen hij gehoord had, dat
-het door hem op touw gezette complot zoo wat ontdekt was; hij had bespeurd, dat men
-er hem op aankeek op „het kantoor,”—dat alles deden die spoorweg en die telegraaf.
-Mocht Allah hen vernietigen!
-</p>
-<p>Hij gaf zijn plan niet op; een jaartje uitstel was <span class="pageNum" id="xd31e5310">[<a href="#xd31e5310">382</a>]</span>geen afstel. Daarbij moest hij geld hebben, en dat had hij niet. Dat was ook al de
-schuld van die nieuwigheden; opkoopers van nog te veld staand gewas scharrelden overal
-rond, en nauwelijks was de <i lang="ms">padi</i> van het veld, of <i>rrrt</i>! weg was het grootste deel; vroeger was er voor een man als hij nog altijd wat te
-halen bij de bevolking,—tegenwoordig zat er geen wol meer aan; men kon even goed probeeren
-een klapperdop te scheren!
-</p>
-<p>Zoo dacht hij, langzaam voortschrijdend, over die zegeningen der beschaving, en nog,
-toen Aboe Bakar hem begroette, en ook terwijl deze hem vertelde van zijn laatste dagen
-te Batavia, zijn vertrek en de reis, luisterde hij maar met ’n half oor.
-</p>
-<p>Toen schudde de <i lang="ms">penghoeloe</i> het hoofd met ’n paar rukjes, als om zich van zijn eigen gedachten te bevrijden,
-en levendig begon hij mee te praten over zaken; stukje voor beetje haalde hij eruit,
-wat hij hebben wilde, en toen hij van zijn stoel opstond, wist hij ten naasten bij,
-hoe zwaar Aboe Bakar woog.
-<span class="pageNum" id="xd31e5324">[<a href="#xd31e5324">383</a>]</span></p>
-<p>„De zon staat reeds hoog,” zei hij, opziende naar de lucht, deels bedekt met kleine
-witte wolkjes, die zich om den bergkam vereenigden tot een vervaarlijk groote dampkroon.
-</p>
-<p>„Wij moeten denken aan het gebed; het wordt tijd voor den <i lang="ms">tlohor</i>.”
-</p>
-<p>„Waar?” vroeg Aboe Bakar.
-</p>
-<p>De <i lang="ms">penghoeloe</i> strekte den langen, mageren arm uit:
-</p>
-<p>„Ginder achter die klappers in mijn kleine <i lang="ms">missigit</i>. Ga mee.”
-</p>
-<p>Niets deed Aboe Bakar liever; hij zou heel druk naar het bedehuis gaan, stelde hij
-zich voor, dan zou hij spoedig een geloovige zijn, zooals hij wenschte er een te worden;
-hij was reeds aan zijn voorhoofd geteekend, door de aanraking in ’t gebed met den
-grond. En deze zijn lust was koren op des <i lang="ms">penghoeloe’s</i> molen; hij nam hem mee naar zijn huis, of hij bezocht hem, en dan baden zij samen
-en zaten tot laat in den nacht zacht en met overtuiging te spreken over den <i>koran</i>, de <i lang="ms">soerah’s</i>, de <span class="pageNum" id="xd31e5352">[<a href="#xd31e5352">384</a>]</span><i lang="ms">ajats</i> en de <i lang="ms">djoet</i>; en de heilige nachten brachten zij met <i lang="ms">modins</i> en anderen heelemaal biddende door.
-</p>
-<p>Het hypnotiseerde Aboe Bakar meer en meer; hij veranderde van gewoonten; at en dronk
-weinig; werd magerder, sprak minder, was meer in zichzelven gekeerd, bemoeide zich
-minder met zijn huisgezin. En wat het sterkste was: er kwam verkoeling in zijn liefde
-voor Dailah; zij, den ganschen dag luierend binnenshuis in haar eigen vertrekken;
-zag met verbazing, hoe zich bij Aboe Bakar een metamorphose ontwikkelde, niet bevorderlijk
-voor haar huwelijksgeluk; zijn huid werd geler en tanig, en hij had zijn baard kort
-geknipt met een langen sik, wat hem foeileelijk stond<span class="corr" id="xd31e5365" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>Er kwam ’n beetje toenadering tusschen haar en Minah; die had Dailah ook zeer verbaasd;
-die was integendeel heelemaal opgeknapt in het binnenland, en scheen nu niet meer
-zulk een hekel te hebben aan haar opvolgster.
-</p>
-<p>„Waarom ga je ook de deur niet eens uit?” vroeg Minah op een ochtend.
-<span class="pageNum" id="xd31e5370">[<a href="#xd31e5370">385</a>]</span></p>
-<p>„Ik ben het niet gewoon.”
-</p>
-<p>„Het is lekker buiten.”
-</p>
-<p>„Koud, ja?”
-</p>
-<p>„Gekheid; het is heel lekker. En dan, het is gezellig; je ziet nog wat, en je ontmoet
-menschen.”
-</p>
-<p>„Spreek je met anderen?” vroeg Dailah nieuwsgierig. Zij had sedert ze Aboe Bakar’s
-vrouw was, nog met geen enkelen vreemden man gesproken.
-</p>
-<p>Minah lachte hoonend.
-</p>
-<p>„Natuurlijk; waarom niet? <i>Ik</i> kan dat best doen; ik ben oud en leelijk.”
-</p>
-<p>Oplettend keek Dailah haar aan.
-</p>
-<p>„Je bent niet oud en je bent niet leelijk.”
-</p>
-<p>„<i>Ouah!</i>” riep Minah hoog uit, met een blijkbaar pleizier.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Betoel</i> niet; de lucht hier is zeker goed voor je; ik vind je met elken dag jonger en knapper.”
-</p>
-<p>De dochter van den <i lang="ms">mantri</i> op een kustplaats buiten, richtte zich op; zij was flink gebouwd en sterk; de zorg,
-die ze in den laatsten tijd aan haar toilet besteedde en haar reinheid nu, ineens,
-<span class="pageNum" id="xd31e5399">[<a href="#xd31e5399">386</a>]</span>zoo afstekend tegenover haar vuilheid der laatste jaren, hadden haar opgeknapt; het
-dikke zwarte haar zat onberispelijk; zij was goed gewasschen met zeep; zij droeg propere
-en net gemaakte baadjes en mooie <i lang="ms">kains</i>; zij zag neer op de andere, die achterover lag op de slaapmat, ongebaad nog en ongekamd,
-met verveling en vermoeidheid in de trekken en gemis aan kracht in de weeke blankheid
-van haar slap vleesch.
-</p>
-<p>En, als vrouwen, voelden ze heel goed, dat er iets was, waardoor de een er nu weer
-bovenop kwam, terwijl de andere bezig was onder te gaan.
-</p>
-<p>„Ik zie hem tegenwoordig maar zelden,” zei Dailah landerig.
-</p>
-<p>„Sta op, ga baden, kleed-je aan, en ga met me mee naar de <i lang="ms">passar</i>,” drong Minah aan.
-</p>
-<p>Maar Dailah wou niet.
-</p>
-<p>„Ik ben te lui,” zei ze.
-</p>
-<div class="figure o2.155width"><img src="images/bottom1.png" alt="Ornament." width="55" height="30"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e5417">[<a href="#xd31e5417">387</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.19" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e537">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top1.png" alt="NEGENTIENDE HOOFDSTUK." width="544" height="82"></div>
-<h2 class="label">NEGENTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Minah op een verboden weg.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Minah drong niet verder aan dien dag; zij ging alleen naar den <i lang="ms">passar</i>, die vrij druk was; zij bekeek van alles, bevoelde alle <i lang="ms">kains</i> en <i lang="ms">batiks</i>, nam alle galanterie-waren in de hand, rook aan alle vruchten om zich te overtuigen,
-dat ze gerijpt waren aan den boom; snoepte gesuikerde tamarinde; dronk een glas stroop
-met <i lang="ms">selassie</i>; zond haar dienstbode naar huis met wat zij gekocht had en liep zelf den anderen
-kant uit.
-</p>
-<p>Door een deurtje in een hooge pagger kwam ze op een achtererf vol van allerlei bamboezen
-opstandjes met <i lang="ms">atap</i> gedekt; de weinige tusschenruimte <span class="pageNum" id="xd31e5441">[<a href="#xd31e5441">388</a>]</span>door pisangboomen nog grootendeels versperd; hanen en kippen kakelden er in koor;
-een jonge geit rukkend aan het touw, waarmee ze was vastgebonden, blaatte aanhoudend
-in klagelijk schel <i lang="fr">timbre</i>; een dik erg bruin kind, met niets aan dan bloedkoralen armbandjes, zat, verlaten,
-op een <i lang="ms">baleh-baleh</i> allerjammerlijkst te schreeuwen, tot de adem stokte, het een oogenblik stil was,
-en daarna opnieuw begon; een lauwe geur van plantaardigen afval steeg op uit de in
-den grond gegraven geulen tot waterafvoer: ’t was het achtererf van den <i lang="ms">penghoeloe</i>.
-</p>
-<p>Minah liep over de smalle wegjes naar het hoofdgebouw; aan dien kant waren de vrouwenvertrekken;
-het houten huis, oud, bruinrood geverfd, aangedonkerd door den tijd, met zwarte lijsten
-om deur en vensters, grijs van stof en spinneweb, had iets sombers, door de onzindelijkheid
-verhoogd. De meubels waren ook zoo. Voor de deuropening, dicht, een donkerrood, helgeel
-gebloemd gordijn, frisch en nieuw uitziend, scherp <span class="pageNum" id="xd31e5454">[<a href="#xd31e5454">389</a>]</span>afstekend bij het geheel; tafel, stoelen, banken en kasten oud, donker van vroeger
-japansch lakwerk, vol vegen en plekken van afgebrokkeld belegsel, de eens vergulde
-randjes in flauwe grijsgele streepjes nog maar zichtbaar hier en daar; verder eraf;
-de overtrekken der divans met vlekken en scheuren, verschoten en vies.
-</p>
-<p>Maar er werd gelachen; er was vroolijkheid; de vrouwen deden wat zij wilden; ze waren
-opgewekt; ze hielden van een pretje; en de <i lang="ms">penghoeloe</i> had er zelfs niets tegen, dat mindere priesters en jonge <i lang="ms">santri’s</i> een praatje kwamen maken in de vrouwenvertrekken, mits zij van de familie waren,
-en dat waren ze allicht, als het goed werd uitgerekend.
-</p>
-<p>Minah had er haar eerste bezoek gebracht, en de vrouwen waren ook eens bij haar geweest.
-Sedert kwam zij er geregeld, bracht gewoonlijk wat lekkers te snoepen mee, en was
-eerst wel verwonderd over de mate van vrijheid en zelfs van zekere ongegeneerdheid
-in de woning van den <span class="pageNum" id="xd31e5466">[<a href="#xd31e5466">390</a>]</span>buitenshuis zoo ongenaakbaren, heiligen man, maar vond het heel pleizierig; veel te
-aangenaam om er iets van te zeggen.
-</p>
-<p>Zij was al heel gauw een vriendin geworden; zij had er een jongen man ontmoet, heel
-fijn van uiterlijk, met een klein zwart kneveltje en een scherp belijnd adellijk javaansch
-profiel; van de familie van den <i lang="ms">penghoeloe</i>; hij had haar aardigheden gezegd, niet banaal zoo maar, maar in een bloementaal,
-die eigenlijk vruchtentaal was, want hij had allerlei vleiende zinspelingen gemaakt
-op heerlijk ooft. Zij had hem dan aangekeken met blikken van: hou-je-me-voor-den-mal,
-of: wat-denk-je-wel-van-me; maar ze was er erg gelukkig mee, niet verwend in haar
-huwelijk!
-</p>
-<p>Nu was ze <i lang="ms">betoel</i> verliefd, en het speet haar erg, dat de jonge man niet present was.
-</p>
-<p>„Komt die andere niet eens mee?” vroeg een der vrouwen, bezig een kindermond te vullen
-met groote proppen rijst met pisang en die met den duim verder naar binnen te werken,
-het keelgat door.
-<span class="pageNum" id="xd31e5480">[<a href="#xd31e5480">391</a>]</span></p>
-<p>„Ze zegt dat ze te lui is,” zei Minah.
-</p>
-<p>Daar moesten ze om lachen.
-</p>
-<p>„Is ze vervelend?”
-</p>
-<p>Minah haalde de schouders op.
-</p>
-<p>„Wij spreken niet veel.”
-</p>
-<p>„Neen, dat zei je laatst. Hoe is het mogelijk, dat vrouwen van één man niet met elkaar
-omgaan! Met wie moet men anders omgaan.”
-</p>
-<p>„Ja, ik zie het ook in nu. Ik ben wel gek geweest.… <i lang="ms">soedah</i>.”
-</p>
-<p>„Was het jouw schuld.”
-</p>
-<p>„Dat was het. Verbeeld-je, dat ik boos was, omdat er een bijkwam!”
-</p>
-<p>Het was, vonden ze, een gek idée; een tweede vrouw beteekende in een Mohammedaansch
-gezin voor de eerste gezelschap, aanspraak en hulp desnoods; bovendien nog ontheffing
-van veel verplichtingen tegenover een meestal reeds vervelend geworden man.
-</p>
-<p>„Het zal wel niet zoo blijven,” meende een der vrouwen met een wijs gezicht.
-<span class="pageNum" id="xd31e5498">[<a href="#xd31e5498">392</a>]</span></p>
-<p>„Het is al niet meer zoo.”
-</p>
-<p>„Al lang?”
-</p>
-<p>Aarzelend zei Minah:
-</p>
-<p>„’n Beetje lang, ’n beetje kort.… Ik behandel haar goed, maar ze is boos op <i>hem</i>; hij schijnt haar te vergeten tegenwoordig.”
-</p>
-<p>„En u?”
-</p>
-<p>„O mij.… het is om te lachen. Ik geloof, dat hij mijn broer is.”
-</p>
-<p>Ze schaterden het ook werkelijk uit van den lach; de moeder, die haar kind volpropte,
-rolde over den ouden divan van pleizier, de sarong hoog op, wat Minah hinderlijk ongepast
-vond. Zij wist wel, dat men hier zoo nauw niet keek. Nu praatten ze verder over den
-<i lang="ms">passar</i>, en wat verder onbeduidend was, met groot maleisch gerabbel, keelgeluid en heel veel
-mimiek en gestes, de monden onder het praten wijd open, rood van binnen door de <i lang="ms">sirih</i>, die als omdroop tusschen de afgevijlde zwart gemaakte tanden.
-</p>
-<p>Toen het gordijn werd weggeschoven en de jonge <span class="pageNum" id="xd31e5519">[<a href="#xd31e5519">393</a>]</span>man, die Minah het hof had gemaakt, met een zacht <i lang="ms">salam</i> binnenkwam, zwegen ze ineens, veegden de monden af aan de <i lang="ms">slendangs</i>; de plooien der <i lang="ms">kains</i> neerslaand met de hand, de baadjes recht trekkend.
-</p>
-<p>Hij had het heel gauw weer uitsluitend tegen Minah, die allerlei kleine airtjes aannam
-en zich zooveel mogelijk aanstelde als een preutsch jong meisje, dat ’t hof wordt
-gemaakt; de vrouwen van den <i lang="ms">penghoeloe</i> vonden het bespottelijk; zij knepen elkaar in de dijen van pleizier over zoo’n gekkin!
-</p>
-<p>„Hij is aardig, ja?” vroeg de een, toen de aanbidder weg was.
-</p>
-<p>Minah glimlachte even, de oogen neergeslagen; ze zei eerst niets; daarop werd haar
-gezicht heel donker.
-</p>
-<p>„Wat kan het mij schelen; ik ben immers de vrouw van.…”
-</p>
-<p>„De zuster,” verbeterde de andere lachend, en Minah, denkend aan wat ze zelf had gezegd,
-lachte mee tegen wil en dank.
-<span class="pageNum" id="xd31e5541">[<a href="#xd31e5541">394</a>]</span></p>
-<p>„Kan je niet weg van Aboe Bakar?”
-</p>
-<p>„Hoe zou ik kunnen.”
-</p>
-<p>„Maak ruzie; scheld hem uit en de andere ook.”
-</p>
-<p>„Dan slaat hij.”
-</p>
-<p>„O zoo, slaat hij dan; neen, dat is iets anders. Wil ik.…”
-</p>
-<p>De vrouw keek haar lotgenoot in den priesterlijken echt eens aan, en krabde zich het
-hoofd; de andere scheen haar gedachten te raden; zij knikte langzaam en herhaaldelijk.
-</p>
-<p>„Ik geloof, dat het goed is.”
-</p>
-<p>„Wat?” vroeg Minah, nieuwsgierig.
-</p>
-<p>„Als wij er den <i lang="ms">penghoeloe</i> eens over spraken.”
-</p>
-<p>„Zou je dat durven?” vroeg Minah, vervuld van ontzag en vrees voor den heiligen man.
-</p>
-<p>Daar moesten ze weer om lachen. Het was ook wat! Ze durfden wel heel andere dingen.
-</p>
-<p>De <i lang="ms">penghoeloe</i> was eerst heel nijdig, toen ze hem erover spraken; in zijn kamer, waar alles even
-oud en vuil was als bij de vrouwen, werd toch <span class="pageNum" id="xd31e5563">[<a href="#xd31e5563">395</a>]</span>nog min of meer de hand gehouden aan eenig vertoon door mooie matten en ander vlechtwerk,
-door heel aardige snuisterijen in hard donker palmboomenhout met lichte vlekjes en
-streepjes als amandelkoek van binnen. Hij bad machinaal en hanteerde de <i lang="ms">tasbih</i> als een oude Europeesche vrouw de breikous, zonder eraan te denken; dan <i>pikirde</i> hij over heel andere wereldsche dingen, daarbij naar het uiterlijk verzonken in het
-gebed; en dan had hij altijd het land en was boos, als ze hem kwamen storen. Ze deden
-het toch; zij trokken zich niet veel aan van het humeur van den ouden geitensik!
-</p>
-<p>Ditmaal wekte het zijn hooge belangstelling. Hij had Aboe Bakar al aardig bewerkt;
-die was nu vroom tot vervelens toe; ook voor hem; die had zelfs erover gesproken niet
-meer naar de <i lang="ms">missigit</i> te gaan, maar altijd liever hetzij in afzondering, dan wel met den <i lang="ms">penghoeloe</i> samen te bidden. Het oogenblik om hem terdege te bewerken naderde.
-<span class="pageNum" id="xd31e5578">[<a href="#xd31e5578">396</a>]</span></p>
-<p>„Ik zal zien, ik zal zien,” zei hij tegen zijn vrouwen. „Ga nu heen, ik moet er toch
-nog over denken.”
-</p>
-<p>„Doe je het gauw?” vroeg de een.
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet; het hangt ervan af; misschien heb ik de vrouw nog noodig en jullie
-ook; er is geen haast bij; in het geheel niet; alles moet wachten tot ik gereed ben.”
-</p>
-<p>Toen ze weg waren, glimlachte hij; het was reeds een groote stap, dat die door Aboe
-Bakar als het ware verlaten vrouw, die in huis werd geduld omdat het niet anders ging,
-maar waarmee hij geen omgang had hoegenaamd, erin was geloopen en grifweg verliefd
-raakte op den persoon, dien de <i lang="ms">penghoeloe</i> op haar had afgezonden. Niet dat hij eraan had getwijfeld,—maar het was toch altijd
-goed zekerheid te hebben.
-</p>
-<div class="figure o2.165width"><img src="images/bottom1.png" alt="Ornament." width="55" height="30"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e5590">[<a href="#xd31e5590">397</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.20" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e546">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top3.png" alt="TWINTIGSTE HOOFDSTUK." width="547" height="82"></div>
-<h2 class="label">TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Aboe Bakars ondergang voorbereid.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was Vrijdag toen de <i lang="ms">penghoeloe</i> met Aboe Bakar uit de <i lang="ms">missigit</i> kwam; hij was de talrijke en fanatieke mannen, die in hun beste plunje gestoken,
-het bijna te kleine bedehuis vulden, vóórgegaan in het gebed; hij had heel mooi gepreekt
-over de rijkdommen, die de menschen slechts in verzoeking brengen; die men niet mag
-begeeren; die tot hoogmoed brengen en waarvan het bezit niet zoo goed en voordeelig
-is, als de genade en de barmhartigheid van <i lang="ms">toean Allah</i>; hij had betoogd, dat men zijn rijkdommen moest besteden op den weg Gods, om te worden
-gelijk een graankorrel, <span class="pageNum" id="xd31e5606">[<a href="#xd31e5606">398</a>]</span>die zeven halmen voortbrengt, waarvan ieder honderd korrels bevat.….
-</p>
-<p>De mannen hadden aandachtig geluisterd, schoon het in geen hunner ook maar één oogenblik
-was opgekomen nu iets anders te doen met zijn geld, dan wat hij totnogtoe er altijd
-mee had gedaan. Op Aboe Bakar had het een diepen indruk gemaakt.
-</p>
-<p>„Ik begrijp niet hoe men doen moet,” zei hij, toen ze het met vruchtboomen beschaduwde
-koele pad afliepen naar den zonnigen weg vol grijs stof.
-</p>
-<p>„Men moet erover nadenken,” antwoordde de <i lang="ms">penghoeloe</i>, die zich vooral niet wilde overhaasten.
-</p>
-<p>Na een oogenblik zwijgend te hebben doorgestapt onder het gefladder hunner lange gewaden
-in den wind, de <i lang="ms">penghoeloe</i> in zwart met donkerrood, de andere in blauw met wit gevoerd en afgezet, vroeg Aboe
-Bakar:
-</p>
-<p>„Wat hebt <i>gij</i> gedaan?”
-</p>
-<p>„Ik deed wat wij, priesters, allen doen, en wat ook veel andere vrome menschen doen:
-ik heb <span class="pageNum" id="xd31e5626">[<a href="#xd31e5626">399</a>]</span>mijn geld gestort bij de <i lang="ms">djakat</i> en de <i lang="ms">pitra</i> en de andere opbrengsten der geestelijkheid.”
-</p>
-<p>„Kan ik het ook doen?”
-</p>
-<p>„Het kan; waarom zou het niet?”
-</p>
-<p>Onder de neergeslagen oogleden en de borstelige wenkbrauwen van den <i lang="ms">penghoeloe</i> schitterden de oogen van vreugde. Het ging zoo mooi! En juist nu hij zooveel noodig
-had, terwijl de priesterkas zoo leeg was als een uitgeholde klapperdop!
-</p>
-<p>’s Nachts kon Aboe Bakar zijn gedachten niet wegwerken; hij ging naar buiten, naar
-de rivier, waar hij een klein houten paviljoentje had laten bouwen, om in volkomen
-afzondering te bidden; hij boog zich neer op de knieën, het voorhoofd op den grond,
-de handen uitgestrekt; hij bad alleen en vurig tegen de inblazing der duivelen; tegen
-de booze geesten.
-</p>
-<p>Het hielp niet; telkens als hij weer zijn conscientie onderzocht, vond hij vrees en
-wantrouwen op den bodem zijner gedachten; het was als woeien zij op in zijn hoofd.
-<span class="pageNum" id="xd31e5645">[<a href="#xd31e5645">400</a>]</span></p>
-<p>Dàt was de duivel in hem, dacht hij; de oude aan het persoonlijk bezit van geld en
-goed gehechte mensch; de Adam, die hij eens geweest was.
-</p>
-<p>Hij moest zijn geld storten in de <span class="corr" id="xd31e5649" title="Bron: penghoeloekas"><i lang="ms">penghoeloe</i>-kas</span>, dus trachtte hij zich te suggereeren; hij <i>moest</i> het afgeven zonder eenig bewijs van ontvangst, geheel te goeder trouw; hij <i>moest</i> het daar gedeponeerd laten, behoudens, dat hij er altijd van kon nemen, wat hij noodig
-had voor zijn behoeften of zijn genoegens. Maar of hij zich dit al opdrong, en of
-hij al trachtte zich tegen zichzelven op te hitsen en zich een nietswaardige te schelden,—het
-baatte niet; <span class="asc">HET</span> wilde hem niet verlaten; <span class="asc">HET</span> zat hem in de keel als een brok, dien hij niet kon doorslikken; <span class="asc">HET</span> behaalde voor dien nacht de overwinning.
-</p>
-<p>Mistroostig en ontstemd, moede en slaperig ging hij naar huis, toen reeds de <i lang="ms">koetjitja</i> haar eerste tonen opzond in den aanbrekenden dag; zacht sloop hij binnen; alles sliep
-nog in luie onverschilligheid. Hij opende zijn groote geldkist; het <span class="pageNum" id="xd31e5678">[<a href="#xd31e5678">401</a>]</span>zware ijzeren deksel opbeurend tot de steunveeren uitsprongen; daar lagen zijn schatten;
-daar lagen de pakjes bankpapier, de zakken sovereigns, gouden tientjes, rijksdaalders
-en guldens.
-</p>
-<p>En dat <i>moest</i> hij afgeven aan een ander, om het nimmermeer zóó in zijn schoon geheel terug te zien.…
-Zuchtend sloot hij de kist met de drie sleutels, die hij in een afzonderlijken ring
-aan den gordel droeg. Wat had een mensch toch zwaren strijd!
-</p>
-<p>Het viel den <i lang="ms">penghoeloe</i> tegen, dat Aboe Bakar niet weer begon over het geld; hij wilde niets vragen; dàt
-was de verkeerde weg; dàt zou den patiënt wellicht wantrouwend maken en afschrikken;
-die was wel een dom koebeest, dacht de priester, maar hij had toch lang onder de <i lang="ms">blanda’s</i> verkeerd; was zelf er een geweest en in sommige opzichten wellicht <i>pinterder</i>, dan men zou vermoeden.
-</p>
-<p>Thuis liep hij ’t vrouwenkwartier binnen.
-</p>
-<p>„Komt Aboe Bakar’s vrouw vandaag?”
-</p>
-<p>„Misschien,” zei een der zijne.
-<span class="pageNum" id="xd31e5698">[<a href="#xd31e5698">402</a>]</span></p>
-<p>„Speelt zij met jullie?”
-</p>
-<p>Algemeen protest. Neen, zij speelden nooit. Dàt moest hij niet van haar denken. <i lang="ms">Brani soempah</i>, geen kaartspel.
-</p>
-<p>Hij moest erom lachen. Wat konden die vrouwen toch prachtig liegen! Maar hij trok
-een boos gezicht en riep luid, stampend met den voet op den vloer:
-</p>
-<p>„Dat de leugenaars vergaan! Het is slecht elkaars bezittingen af te nemen door woeker
-en dobbelspel; het is altijd slecht te liegen. Als vrouwen voornamelijk spelen voor
-haar genoegen, waarvoor moeten zij dan liegen tegen haar man?”
-</p>
-<p>Hij had er haar dozijnen standjes over gemaakt vroeger, als zij door het dobbelen
-in schulden waren geraakt. Nu hij zoo veranderd scheen, begrepen zij dat de wind uit
-een anderen hoek woei.
-</p>
-<p>„Maar wij hebben toch nooit kaart gespeeld met Minah van Aboe Bakar.”
-</p>
-<p>„Doe het dan.”
-</p>
-<p>„Als zij wil.”
-</p>
-<p>Hij grinnikte, trekkend aan zijn sik.
-<span class="pageNum" id="xd31e5714">[<a href="#xd31e5714">403</a>]</span></p>
-<p>„Heeft een mensch een wil? En wat zal een vrouw hebben?”
-</p>
-<p>„Nu, en <i>als</i> zij dan wil.”
-</p>
-<p>„Vraag het haar; het is een verstrooiing. Laat zij de tweede vrouw ook meebrengen.”
-</p>
-<p>„Hier in huis?” vroegen beiden verbaasd.
-</p>
-<p>Daar werd hij <i lang="ms">betoel</i> boos om.
-</p>
-<p>„Jullie bent gek. Mijn huis is dat van een <i lang="ms">imaam</i> en geen speelhol. Gaat met die vrouwen, waar je altijd gaat. Laat haar winnen een
-paar dagen.”
-</p>
-<p>Nu begrepen zij het; dáár had de oude iets mee voor; maar zij dachten er niet aan
-er verder naar te vragen. Wat kon het haar schelen! Zij hadden nu de vrijheid bij
-een inlandsche vrouw, die stilletjes een dobbelhuis hield, te gaan spelen. Dàt was
-al pleizier genoeg.
-</p>
-<p>Met Minah ging het erg gemakkelijk. Toen ze ’s middags na het eerste partijtje vrij
-laat thuis kwam, had ze gewonnen; zij liet het geld zien aan Dailah, die ze nog altijd
-vruchteloos getracht had over te halen met haar mee te gaan.
-<span class="pageNum" id="xd31e5736">[<a href="#xd31e5736">404</a>]</span></p>
-<p>„Ga je morgen weer?” vroeg deze.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Betoel.</i> Als het kan ga ik elken dag.”
-</p>
-<p>„Elken dag!” zuchtte Dailah, het hoofd op haar <i lang="ms">bantal</i> neerlatend, de mooi gevormde witgele armen omhoog, gekruist over het blauwzwarte
-haar. „Hoe is het mogelijk?”
-</p>
-<p>„Wat?”
-</p>
-<p>„Elken dag uitgaan en zich opwinden. Welk een <i lang="ms">soesah</i>!”
-</p>
-<p>Het ging goed een paar dagen, zooals de <i lang="ms">penghoeloe</i> had gecommandeerd, maar het partijtje kwam, waarop Minah, veel minder goed spelend
-dan haar partners, die nog valsche kaarten gebruikten bovendien, begon te verliezen.
-Alles wat zij ruilde, kwam averechts uit.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Ouah!</i>” riep zij dan teleurgesteld. „Ik ruil <i lang="ms">sajoer</i>, ik krijg <i lang="ms">lodeh</i>!”
-</p>
-<p>Maar ze zei er niets van aan Dailah, toen ze thuis kwam. Enkel, dat ze zoowat gelijk
-gespeeld had, daarbij hoog opgevend van het vermaak, dat ze dien ochtend had genoten.
-<span class="pageNum" id="xd31e5773">[<a href="#xd31e5773">405</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.21" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e555">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top3.png" alt="EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK." width="547" height="82"></div>
-<h2 class="label">EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Een dubbel offer gebracht.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De <i lang="ms">penghoeloe</i> had gepreekt over het vuur, en somber had zijn stem geklonken tusschen de troosteloos
-kale wanden van de <i lang="ms">missigit</i>, slecht verlicht door het weinige, dat de brandende <i lang="ms">soemboes</i>, drijvend op de klapperolie, verspreidden; daar waren, zei hij, geloovigen, wier
-hart zoo aan aardsche dingen was gehecht, dat zij daardoor God andere goden ter zijde
-stelden. Het vuur zou hun woning zijn! Zij waren als de ongeloovigen, die het vuur
-ontsteken en de oogen sluiten voor het licht. Zij waren gelijk aan de afgodendienaars
-boven wier hoofden en onder wier voeten een <span class="pageNum" id="xd31e5789">[<a href="#xd31e5789">406</a>]</span>hel van vuur zal zijn op den dag der opstanding.
-</p>
-<p>Zoo ging hij voort, herhalend, aanvullend, aantoonend hoe uiterlijke belijdenis of
-het omhelzen van den <i>islam</i> nog geen bewijs is van geloof; dat wie zegt te gelooven op de proef moet gesteld
-worden, en dus ook zichzelven op de proef moest stellen.
-</p>
-<p>Voor Aboe Bakar klonk het als een strafpredikatie, schoon de toon gemoedelijk was,
-zonder stemverheffing of intonatie, langzaam, gelijkmatig, indringend. Hij herhaalde
-de woorden in zijn gedachten. De <i lang="ms">penghoeloe</i> had gelijk. Als hij naging welk een invloed het zien van zijn geld op hem uitoefende,
-moest hij erkennen, dat het een macht was, sterker dan zijn godsdienstig gevoel.
-</p>
-<p>Daar moest hij overheen komen.
-</p>
-<p><i>Hij</i> zou een ongeloovige gelijk zijn, hij, Aboe Bakar! Hij, die zoo innig bad en zoo trouw
-den <i>koran</i> volgde, zou enkel een mensch van uiterlijk vertoon en formaliteit zijn, zonder wezenlijken
-godsdienst! Dat zou men zien!
-<span class="pageNum" id="xd31e5806">[<a href="#xd31e5806">407</a>]</span></p>
-<p>Hij groette den <i lang="ms">penghoeloe</i>, kuste hem de hand en verdween in den donkeren avond, niet wachtend, als anders,
-tot de priester ook heenging, om samen op te loopen.
-</p>
-<p>Het was stikdonker, en Aboe Bakar kon slechts zóó zeker en met zulke flinke <span class="corr" id="xd31e5814" title="Bron: sekure">secure</span> stappen voortloopen, omdat hij dien weg zoo goed kende als zijn voorgalerij; intens
-zwart hing de wolkenzee over het dal; de anders frissche berglucht drukte neer, zwaar
-als lood, lauw, zwoel. Ineens een helle geel-streep, lang rechtuit, mooi zichtbaar,
-dan afwijkend in kort zig-zag, flikkerend door de wolkenpartij, zich dadelijk weer
-oplossend in de dichte duisternis. Een oogenblik ’n brommig drenzen bij den berg;
-dan een vreeselijke ontlading, knetterend slaande in korte venijnige patsen, als moest
-er telkens iets overwonnen worden; een doortocht met hindernissen. Hard tikten groote
-regendroppels op de bladeren; het onweer hief aan, uitbarstend met woeste windvlagen.
-</p>
-<p>Zijn <i lang="ms">pajong</i> in beide handen, worstelend tegen <span class="pageNum" id="xd31e5822">[<a href="#xd31e5822">408</a>]</span>aanvliegende lucht en water, werkte Aboe Bakar zich naar zijn woning.
-</p>
-<p>Achter de neergelaten krees, lichtte droevig een eenvoudig petroleumlampje, de gele
-vlam inbruinend de tinten van het djatihout der wanden; somber, melancholiek.
-</p>
-<p>Dailah riep hem uit haar kamer.
-</p>
-<p>Hij ging ’t donker gangetje in naar achter, en een kier makend in het gordijn, vroeg
-hij zacht:
-</p>
-<p>„Wat is er?”
-</p>
-<p>„Welk een weer! Ik ben zoo bang.”
-</p>
-<p>Hij wilde antwoorden: zeg den <i lang="ms">tasbih</i>, maar het was waar, dien kende zij niet; dáárom zei hij weer zacht en geruststellend:
-</p>
-<p>„De donder wordt voortgebracht door een engel. Waarom zoudt ge vreezen?”
-</p>
-<p>Dailah was dicht bij het gordijn komen staan; hij voelde erdoor heen haar lichaam
-tegen het zijne; hij zag, door den kier, haar zwarte oogen schitteren.
-</p>
-<p>„Kom hier,” fluisterde zij, „kom bij me binnen, ik ben zoo bang.”
-<span class="pageNum" id="xd31e5839">[<a href="#xd31e5839">409</a>]</span></p>
-<p>De zachte warmte, de lieve klank der stem, de herinnering aan uren van genot, alles
-en nog meer, deden de begeerte in hem opvlammen.
-</p>
-<p>Hij aarzelde.
-</p>
-<p>Zóó was hij tehuis gekomen van de godsdienstoefening, vol vrome denkbeelden en voornemens,
-en daar stond hij nu, door slechts een enkele, zeer wereldsche gedachte als beheerscht!
-</p>
-<p>Een oogenblik beproefde hij te strijden.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Ya, A. kamarinja?</i>” klonk het vleemend met Dailahs lokstemmetje achter het gordijn.
-</p>
-<p>En Aboe Bakar ging naar binnen.
-</p>
-<p>Als pijpestelen zoo aaneen vielen de regenstralen, kletsend uiteenspattend op het
-dak; het onweer daverde nog door het dal, als van den eenen bergtop geworpen naar
-den anderen, titanenspel; helle lichten vlogen langs de lucht, door de boomgroepen,
-in de huizen, alles een deel van ’n seconde in lichtelaaie zettend; dan een niets
-van donkerte.
-</p>
-<p>Aboe Bakar hoorde en zag het niet; zijn sterke <span class="pageNum" id="xd31e5854">[<a href="#xd31e5854">410</a>]</span>physiek zoolang onderdrukt door de opgedrongen <i lang="fr">idée fixe</i> van bidden en vasten, en vasten en bidden, en leeren uit den <i>koran</i> en zich verdiepen in commentaren, hernam ineens en volop haar recht; zij <span class="corr" id="xd31e5861" title="Bron: barste">barstte</span> los met ontoombaar geweld, gelijk het zware onweer daarboven in de lucht.
-</p>
-<p>In de duisternis op den divan glimlachte Dailah als tegen haar eigen gedachten; zij
-was niet bang meer.
-</p>
-<p>Een uur later stond in de door het onweer gezuiverde lekker koele lucht, Aboe Bakar
-buiten, ook opgefrischt van geest. In het ijskoude bergwater uit de <i lang="ms">pantjoeran</i> achter zijn huis, in vollen straal doorstroomend, altijd voort, een <i lang="la">perpetuum mobile</i>, had hij gebaad, zorgvuldig overeenkomstig den <i>koran</i>. Eerst was hij boos geweest op zichzelven, doch nu was er rust en vrede over zijn
-geest gekomen; hij had toch niet gezondigd, want zij was zijn eigen, wettige vrouw.
-En als er nog iets mocht haperen aan zijn hoedanigheid van verdienstelijk geloovig
-Mohammedaan, dan zou hij nu denzelfden avond toonen wie hij was.
-<span class="pageNum" id="xd31e5875">[<a href="#xd31e5875">411</a>]</span></p>
-<p>Hij had een brief geschreven aan den <i lang="ms">penghoeloe</i>; hij wilde zijn vermogen storten in de priesterkas bij de <i lang="ms">djakat</i> en de <i lang="ms">pitra</i> en de andere vermogens der heilige mannen, welke meende hij zeer groot moesten zijn.
-</p>
-<p>Er kwam geen antwoord dien avond. De <i lang="ms">penghoeloe</i> was een man van zelfbedwang, hij haastte zich niet.
-</p>
-<p>Het maakte Aboe Bakar onrustig. Zou men hem versmaden? Zou men hem willen straffen,
-om het slechte werk van zijn hart?
-</p>
-<p>Kort na het bidden van de <i lang="ms">tsoeboe</i>, kleedde hij zich en ging naar de woning van den <i lang="ms">penghoeloe</i>; de <i lang="ms">ketib</i>, die in de voorgalerij op den grond zat, hield hem terug; hij mocht niet binnengaan;
-de <i lang="ms">penghoeloe</i> bad.
-</p>
-<p>En het duurde heel lang vóór de heilige man gereed was, naar buiten kwam en zich eerbiedig
-liet begroeten.
-</p>
-<p>„Ja, hij had dien brief ontvangen.”
-</p>
-<p>„En wanneer zal het u behagen?” vroeg Aboe Bakar ootmoedig.
-<span class="pageNum" id="xd31e5912">[<a href="#xd31e5912">412</a>]</span></p>
-<p>De <i lang="ms">penghoeloe</i> fronste het voorhoofd, als dacht hij na.
-</p>
-<p>„Hedenavond na de <i lang="ms">Ijaa</i>.”
-</p>
-<p>„Hoe laat?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik nu niet; zoodra ik gereed ben; misschien al vroeg, misschien laat.”
-</p>
-<p>En toen Aboe Bakar boog, als ten teeken van onderwerping, gleed een vriendelijke glimlach
-over de magere tronie van den ouden.
-</p>
-<p>„Mijn vrienden zijn,” zeide hij, „God, zijn apostel en de geloovigen, die met stiptheid
-het gebed verrichten, aalmoezen geven en zich voor God buigen. Aboe Bakar, gij zijt
-mijn vriend.”
-</p>
-<p>Terwijl deze zich van dankbaarheid doordrongen voelde over de verklaarde vriendschap
-van den priester, zat Minah in de vrouwenvertrekken van hetzelfde huis heel onaangenaam
-gestemd; zij had vrij veel verloren en stak in schulden.
-</p>
-<p>De vrouwen hadden van haar vromen echtgenoot <i lang="ms">prentah</i>, om de duimschroeven een beetje aan te zetten, en dat deden zij.
-<span class="pageNum" id="xd31e5933">[<a href="#xd31e5933">413</a>]</span></p>
-<p>„Vraag het je man,” zei de een.
-</p>
-<p>„Wel ja, waarom niet? Hij is immers zoo rijk!”
-</p>
-<p>Maar Minah schudde het hoofd, de tranen in de oogen.
-</p>
-<p>„Durf je niet?”
-</p>
-<p>„Waarom zou ik niet durven? Ik ben nu niet meer bang voor hem. Ik haat hem. Ik zou
-hem dood kunnen maken. Zoo’n man vraag ik niet om geld.”
-</p>
-<p>„Het is ook wat!”
-</p>
-<p>„Ik wil niet; nog liever steel ik het.”
-</p>
-<p>„Van hem?” vroeg een der vrouwen lachend. „Dan vroeg ik het hem toch nog liever.”
-</p>
-<p>„Leen het van je aanbidder,” schertste de andere.
-</p>
-<p>Daar werden zij ineens alle drie erg stil door; het was eigenlijk het denkbeeld, dat
-in haar hoofden voortdurend present was geweest; de vrouwen moesten haar in die richting
-drijven, en Minah had er ook al aan gedacht.
-</p>
-<p>Als zij eens naar hem toeging? Zij wist, wat <span class="pageNum" id="xd31e5947">[<a href="#xd31e5947">414</a>]</span>hij haar vragen zou, en eigenlijk verlangde zij niets liever. Alleen de schaamte en
-de vrees hielden haar terug.
-</p>
-<p>„Het kwam maar zoo in mij op,” ging de andere voort, „maar het is toch nog het eenige,
-als je het Aboe Bakar.…”
-</p>
-<p>„Neen, ik <i>wil</i> niet,” riep Minah boos.
-</p>
-<p>„Dan is er ook <i>niets</i> aan te doen. Als je het aan je man niet vragen wilt, wie anders zal het je dan geven,
-wanneer je het vraagt, dan die … neef van ons.”
-</p>
-<p>Zij had zoo gauw niet geweten, welken graad van bloedverwantschap moest worden genomen.
-</p>
-<p>Minah bloosde zwart op.
-</p>
-<p>„Ik ben verlegen.”
-</p>
-<p>„Och ja, dat kan ik begrijpen; ik heb dat ook onderv.….”
-</p>
-<p>Midden in het woord hield de vrouw op, zelf verlegen thans, dat zij zich zoo iets
-liet ontvallen.
-</p>
-<p>„Heb je?” vroeg Minah verwonderd.
-</p>
-<p>Ze keken elkaar een oogenblik aan en lachten <span class="pageNum" id="xd31e5967">[<a href="#xd31e5967">415</a>]</span>luid; toen gingen ze weer voort in zacht gepraat; <i>zij</i> zouden eerst erover spreken; als Minah dan des anderen daags ging, wist hij er alles
-van en zij was zeker het geld te krijgen; de creditricen zouden dan welwillend nog
-een etmaal wachten.
-</p>
-<p>Het zware pak was daarmee weggenomen van Minah’s hart; de slotsom was, dat ze weer
-met haar drieën over het achtererf verdwenen en ergens in een dobbelhuis in de kampong
-hun partijtje gingen maken, dat Minah nog dieper in de schuld deed komen dan ze al
-zat; maar ze was er blij om; zij had nu niet willen winnen, nu ze haar zoo bereidwillig
-gingen helpen om … twee vliegen te slaan in één klap.
-</p>
-<p>Toen ze weer thuis waren, hadden ze er pleizier over. Welk een dom garnalenhoofd!
-Die … neef was zoo arm als een kerkrot! Maar de oude had gezegd, dat het zóó moest
-gaan, en het grappig spelletje brak de eentonigheid van haar leven!
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Op de blokken in de wachthuisjes sloeg het elf <span class="pageNum" id="xd31e5979">[<a href="#xd31e5979">416</a>]</span>uur, toen zachtkens en gedruischloos de <i lang="ms">penghoeloe</i> met vier van zijn trawanten in het huis van Aboe Bakar slopen.
-</p>
-<p>Het wachten had hem niet lang gevallen; hij had al maar gebeden om bevrijd te worden
-van het loodzwaar gewicht, dat hem als het ware op de borst drukte; hij ontving hen
-deftig, bedaard, vriendelijk, en om direct door den zuren appel heen te bijten, ontsloot
-hij maar dadelijk zijn geldkist met de drie sleutels. De bankbiljetten en het geld
-werden eruit gehaald; alles moest, zei de <i lang="ms">penghoeloe</i>, zorgvuldig nageteld en opgeteekend worden; niet omdat men Aboe Bakar mistrouwde,—volstrekt
-niet; maar die wist ook wel, dat het zoo hoorde bij een goede administratie, en dat
-men nauwkeurig wezen moest om verantwoord te zijn tegenover zichzelven. Aboe Bakar
-toonde zijn vertrouwen te stellen op God, en daar deed hij goed aan, als braaf geloovige;
-maar er was een wet in het land en een <i lang="ms">penghoeloe</i> stond voor het gouvernement daaronder.
-<span class="pageNum" id="xd31e5992">[<a href="#xd31e5992">417</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.22" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e565">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top4.png" alt="TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK." width="545" height="83"></div>
-<h2 class="label">TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Dailah ontdekt het gevaar.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Terwijl in haar kamer Minah in diepen slaap lag, vermoeid van de inspanning van het
-spel, dat haast den heelen dag had geduurd,—lag Dailah wakker; zij kon niet slapen;
-zij had zoo weinig lichaamsbeweging en zij sliep zoo lang elken namiddag! Daar hoorde
-zij het geschuifel van voeten over de mat in de gang, en verschrikt, denkend aan dieven,
-stond ze op van den bultzak en loerde, bevend van het hoofd tot de voeten, door het
-gordijn.
-</p>
-<p>Het was, dacht ze, toen ze het bekende gezicht van den <i lang="ms">penghoeloe</i> zag, toch te erg, zóó te schrikken; <span class="pageNum" id="xd31e6004">[<a href="#xd31e6004">418</a>]</span>gevaar vreesde zij nu niet langer, maar niettemin stemde dat bezoek van al die priesters
-haar hoogst onaangenaam. Waar bemoeide Aboe zich toch mee? <i>Zij</i> had voor dien <i lang="ms">penghoeloe</i> en zijn trawanten zoo’n respect niet; zij was uit een Mohammedaansche familie geboren,
-en had al in haar jeugd veel gehoord van die soort menschen, zoodat de reuk van heiligheid
-er al lang af was. Ze kwamen vroeger vaak in haar eigen vaders huis, toen ze nog een
-jong meisje was, en dan zag zij wel aan hun oogen, wat ze bedoelden! Nu haatte zij
-dien geitensik! Wat deed hij Aboe van haar weg te halen en te vervreemden? Waarom
-liet hij hem niet met rust, maar stelde hij zich tusschen Aboe en haar?
-</p>
-<p>Van het natuurlijke der neiging van Aboe Bakar begreep zij niets; zij had nooit iets
-geleerd, dan wat op sexueel verkeer, inlandsche kleeding en snoeperij betrekking had.
-Wat wist zij van den aanleg tot fanatisme eens renegaats, die nog diepen eerbied koestert
-voor wat, bij de geloovigen van <span class="pageNum" id="xd31e6013">[<a href="#xd31e6013">419</a>]</span>huis uit, geen grooter waarde heeft behouden, dan die eener formaliteit?
-</p>
-<p>Zij voelde alleen van dien kant het gevaar komen; het gevaar dat haar <i lang="ms">laki</i> voor haar verloren zou gaan.
-</p>
-<p>Het gerammel van het goud deed haar verbaasd stilstaan, toen ze reeds weer naar haar
-bed wou gaan. Wat was dat? Ging hij die kerels nu geld leenen? <i lang="ms">Pindjem oewang</i>,—daar dacht ze aan; het idée: geld <i>geven</i> kwam zelfs niet bij haar op.
-</p>
-<p>Zij keerde terug. Het was brutaal en ongepast voor een vrouw, dàt wist ze; ze wist
-ook, dat Aboe Bakar, zoo hij haar snapte, woedend zou zijn, en haar misschien slaan
-zou, al had hij dat tot nog toe enkel Minah gedaan nu en dan.
-</p>
-<p>De nieuwsgierigheid was te groot. Zacht sloop ze door de gang naar achter; zij zag
-de geldkist met de drie sloten wijd open staan; zij zag de tafel vol bankbiljetten
-en goud; zij zag de priesters er als het ware in grabbelen met welbehagen en alles
-tellen, terwijl Aboe Bakar erbij stond, <span class="pageNum" id="xd31e6030">[<a href="#xd31e6030">420</a>]</span>onverschillig; als ging de zaak hem in ’t geheel niet aan.… Zij ontstelde er zóó van,
-dat haar handen ijskoud werden.
-</p>
-<p>Was Aboe Bakar gek geworden? Wie liet nu vreemden dus den baas spelen over zijn schatten?
-</p>
-<p>Maar hij stond er zoo ernstig en kalm bij.… het was onmogelijk.
-</p>
-<p>Toch had ze wel naar binnen willen vliegen, en hem bidden, die kerels weg te jagen
-en zijn goddelijke geld weer weg te sluiten in de kist met drie sloten; ze had het
-hem toe willen schreeuwen en dan hard wegloopen naar haar kamer.
-</p>
-<p>Dailah durfde het niet; zij stond als verlamd met loodzware beenen, al maar turend
-naar de bankbiljetten en het goud uit de kist op de tafel, van de tafel in de kist.
-</p>
-<p>Toen daarin weer alles verdwenen was, ging ze rillend of ze koorts had, terug naar
-haar kamer, en wachtte angstig, met een voorgevoel van <i lang="ms">tjelaka</i>; ze hoorde gestommel, zwaar geschuif, gestamp van voeten, die meer moeten dragen
-dan <span class="pageNum" id="xd31e6042">[<a href="#xd31e6042">421</a>]</span>het gewone lijf erboven, en die hard neerkomen op den vloer; ze zag, loerend achter
-haar gordijn, de priesters aansjouwen met de zware kist, Aboe Bakar zelf meehelpend,
-allen zuchtend onder de zware vracht voor menschen die nooit werkten. Zij spraken
-geen woord. Dailah hoorde een oogenblik later karwielen krakend rijden over het weinige
-grint op den weg; daarna hoorde zij enkel nu en dan het <i>Allah</i> en <i lang="ms">Allahoe akbaroe</i> overluid uitspreken in de voorgalerij; het was Aboe Bakar die bad.
-</p>
-<p>In diepe verslagenheid ging ze zitten op den rand der <i lang="ms">baleh-baleh</i>, de armen machteloos slap langs het lijf, starend in het weinige schijnsel van het
-lampje in de gang, door de gordijnkieren vallend in ’t vertrek; trachtend haar zwakke
-gedachten te verzamelen om te begrijpen, wat er dan toch eigenlijk was gebeurd; tot
-ze het niet langer kon uithouden en losbrak in luidruchtig geschrei.
-</p>
-<p>„Wat is er, Dah?” hoorde zij Aboe Bakars zware basstem buiten, in de gang.
-<span class="pageNum" id="xd31e6056">[<a href="#xd31e6056">422</a>]</span></p>
-<p>Zij gaf geen antwoord.
-</p>
-<p>„Ben je ziek?” vroeg hij binnentredend nu, en in het duister tastend, de hand strijkend
-over haar overvloed van loshangend haar.
-</p>
-<p>„Ik ben niet ziek, er is <i lang="ms">tjelaka</i>, dat is het. Ze hebben je bestolen.”
-</p>
-<p>Aboe Bakar trok zijn hand terug.
-</p>
-<p>„Er is niemand die mij bestolen heeft. Het is alles goed, zooals het is. Vrouwen hebben
-daar geen verstand van.”
-</p>
-<p>Maar zij hield vol.
-</p>
-<p>„Zij hebben je bestolen.”
-</p>
-<p>„Ook past het een vrouw niet haar man te bespieden.”
-</p>
-<p>„Kan ik het helpen; ik sliep niet; ik hoorde die lieden.…”
-</p>
-<p>„Spreek over hen met eerbied!” zei Aboe Bakar boos.
-</p>
-<p>„Ik <i>wil</i> niet,” riep zij nu op haar beurt woedend en brutaal, met den voet stampend op den
-grond, „ik <i>wil</i> niet. Zij hebben het geld van mijn <span class="pageNum" id="xd31e6078">[<a href="#xd31e6078">423</a>]</span>oom ook weggehaald en niet teruggegeven aan zijn kinderen toen hij dood was; het zijn
-dieven, zeg ik.”
-</p>
-<p>Hij liep de kamer uit, bleek van schrik; eerst had hij in de duisternis al de zware
-hand opgeheven om haar te slaan, maar op dat zeggen van dien oom, ontstelde hij zoo,
-dat hij vluchtte, naar buiten.
-</p>
-<p>Toen hij haar niet meer hoorde schreien, ging hij terug in de kamer; zij snikte nog
-bij tusschenpoozen, het hoofd op haar <i lang="ms">bantal</i>. „Net ’n kind,” dacht-ie, en een groote teergevoeligheid kwam over hem; hij nam haar
-hand, die afhing van het bed.
-</p>
-<p>„Ik wilde je nog wat vragen, Dah.”
-</p>
-<p>En toen zij geen antwoord gaf:
-</p>
-<p>„Je hebt daareven iets heel leelijks gezegd, maar erbij gevoegd, dat een oom van je
-ook zijn geld had gestort in de priesterkas. Wat is daarvan?”
-</p>
-<p>„Vader sprak er dikwijls over.”
-</p>
-<p>„Zoo; en wat zei hij dan?”
-</p>
-<p>„Dat hij het <i>zeker</i> wist; het geld was door dat volk.…”
-<span class="pageNum" id="xd31e6096">[<a href="#xd31e6096">424</a>]</span></p>
-<p>„Dailah!”
-</p>
-<p>„Door … de <i lang="ms">penghoeloes</i> in bewaring genomen; toen oom stierf, beweerden zij het nooit te hebben ontvangen.”
-</p>
-<p>„Kan je oom het niet vóór zijn dood hebben opgevraagd en uitgegeven?”
-</p>
-<p>In zijn ijver om de priesters te verontschuldigen, speelde zijn geringe intelligentie
-hem een poets.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Loh!</i>” riep Dailah zich oprichtend. „En <i>zij</i> beweerden, dat zij nooit iets van hem ontvangen hadden!”
-</p>
-<p>Hij kreeg het land, dat hij er dus was ingeloopen.
-</p>
-<p>„In elk geval,” zei hij, „kon je vader zich vergist hebben. Maar al had hij het bij
-’t rechte eind, Dah, wat geldt dit voor de vrome mannen hier? Ieder mensch, zegt de
-<i>koran</i>, zal slechts voor zijn eigen handelingen beloond of gestraft worden en het oordeel
-behoort aan God; ook is een geloovig mensch verplicht alle zaken te beoordeelen naar
-haar innerlijke hoedanigheden. Wat weet je daarvan? Is het goed iets af te keuren,
-omdat het <span class="pageNum" id="xd31e6117">[<a href="#xd31e6117">425</a>]</span>vroeger en elders en met andere menschen misschien wel eens verkeerd is geloopen?”
-</p>
-<p>Een droevige trek kwam over het mooie gezichtje der jonge vrouw, terwijl zij hem daar
-hoorde met z’n zachte, goedigvolle stem, fraaie theorieën uit den <i>koran</i> opdisschend met hoogen ernst. „Net ’n kind,” dacht ze, medelijdend.
-</p>
-<p>Den volgenden ochtend was Minah al vóór het dag werd op de been; zij zag wel ’n beetje
-op tegen dat bezoek, en toen ze naar haar vriendinnen ging, was het met looden schreden.
-</p>
-<p>Maar alles was reeds klaar.
-</p>
-<p>Het geld, dat zij schuldig was, had de <i lang="ms">penghoeloe</i> al genomen uit de kist van Aboe Bakar; door de handen der vrouwen was het gegaan
-naar het huis van den mooien Javaanschen „neef,” die het leenen zou aan Minah, die
-het als speelschuld zou betalen aan de vrouwen van den <i lang="ms">penghoeloe</i>, die het weer ter hand zouden stellen aan haar vromen echtgenoot, die het terug zou
-deponeeren in de kist van Aboe Bakar!
-<span class="pageNum" id="xd31e6134">[<a href="#xd31e6134">426</a>]</span></p>
-<p>Zóó bleef alles intact, behalve Minah, die heel goed begreep, wat het haar kosten
-zou, als ze het geld in leen kreeg, en die niets liever deed, dan op die manier de
-onkosten betalen.
-</p>
-<p>Toen ze aan het huis van den <i lang="ms">penghoeloe</i> kwam, zei ze verlegen:
-</p>
-<p>„Ik durf niet, ik ben niet <i lang="ms">brani</i>.”
-</p>
-<p>Maar de anderen werden onvriendelijk.
-</p>
-<p>„Dan <i>moet</i> je maar <i lang="ms">brani</i> zijn,” was het antwoord kortaf. „Wij <i>moeten</i> vandaag ons geld hebben. Wij hebben het noodig, en het was vooruit afgesproken.”
-</p>
-<p>Zooals zij er tegen had opgezien, zoo viel het haar mee; opgetogen kwam zij terug
-bij haar vriendinnen, die de grootste moeite hadden om zich ernstig te houden; alles
-wat gebeurd was, kon men haar zóó erg aanzien, dat de <i lang="ms">penghoeloe</i>-vrouwen eigenlijk het land erover kregen; ’t was <i lang="ms">terlaloe</i> op die manier! Dáárom, toen ze het geld terug hadden, spraken ze maar over het geval
-heen, en namen haar mee naar het speelhuis, waar Minah won tot groote woede harer
-partners.
-<span class="pageNum" id="xd31e6164">[<a href="#xd31e6164">427</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.23" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e574">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top5.png" alt="DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK." width="542" height="82"></div>
-<h2 class="label">DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">„Ze hebben hem vermoord.”</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In het niet te druk kampongleventje fleurde Bram ’n beetje op.
-</p>
-<p>Ondanks de <i lang="ms">soesah</i> met zieke paarden en luie koetsiers ging zijn verhuurderij tamelijk goed; nu en dan
-gaf hem zijn spionnenbaantje wat eigenaardig werk, dat hij met groote verliefde voorliefde
-deed. Overigens zat hij maar liefst in nachtbroek en kabaai ’n strootje te rooken
-in een luierstoel, met heel veel praats over alles; zich daar soms bij opwindend,
-net als vroeger zijn vader, dat het scheen alsof hij dronken was, terwijl hij haast
-nooit sterken drank gebruikte.
-<span class="pageNum" id="xd31e6175">[<a href="#xd31e6175">428</a>]</span></p>
-<p>Toen een <i>oppas</i> van ’t postkantoor hem een maleischen brief bracht, zette hij eerst nog een drukken
-boom op met den man, daarbij mopperend over den postdienst, dien hij vond, dat veel
-te langzaam ging; maar <i lang="ms">nanti doeloe</i>! hij, Bram Silver, zou daar wel een eind aan maken; hij zou wel dit en hij zou wel
-dat; en de Regeering moest zus en de Regeering moest zóó.
-</p>
-<p>Eindelijk liet hij den armen <i>oppas</i>, die nog meer brieven te bezorgen had, los en scheurde de enveloppe open.
-</p>
-<p>Het was of hij een beroerte kreeg.
-</p>
-<p>Achter zijn bril met gouden rand—een gedachtenis aan den ouden John—puilden de oogen
-hem haast uit het hoofd; zijn gezicht werd als het ware achter het geel der huidskleur,
-doodsbleek; met de bevende magere hand greep hij om zich staande te houden de zwakke
-ronde tafel, die met hem mee waggelde; zóó stond hij ’n oogenblik te kijken als krankzinnig;
-versuft, verslagen, niet in staat te denken. Dan ging hij zitten op <span class="pageNum" id="xd31e6190">[<a href="#xd31e6190">429</a>]</span>den luierstoel en las nog eens en nog eens den niet onderteekenden maleischen brief,
-tot hij eindelijk opstond en trillend van ’t hoofd tot de voeten, naar achter liep,
-naar <i lang="ms">njai Peraq</i>, de blinde moeder, die met den dag dikker van lichaam en minder helder van hoofd
-wordende, op den grond zat.
-</p>
-<p>Met zijn knokkelvingers greep hij haar in de vleeschmassa van den schouder.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Mâ, mâ</i>, hoor-je me?”
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Saya Bram; ada apa?</i>” zei ze onverschillig.
-</p>
-<p>„<i lang="ms">Mâ</i>, ze hebben Adam vermoord, <i lang="ms">mâ</i>! Hij is dood, hij is dood!”
-</p>
-<p>Zij deed alsof ze naar hem keek.
-</p>
-<p>„Wie is er dood?”
-</p>
-<p>„Adam, <i>onze</i> Adam,” zei Bram erg ontroerd, haast snikkende.
-</p>
-<p>Maar <i lang="ms">njai Peraq</i> schudde het grijze hoofd.
-</p>
-<p>„Ik weet van geen Adam; <i>die</i> is al lang dood. Er was een kind van mijn hart, dat een groote <i lang="ms">saïd</i> is geworden. Aboe Bakar …”
-</p>
-<p>„Ze hebben hem vermoord,” schreeuwde Bram, <span class="pageNum" id="xd31e6235">[<a href="#xd31e6235">430</a>]</span>en toen, met al het theatraal vertoon van wijlen den ouden John, liep hij woedend
-het galerijtje op en neer, de vuisten gebald omhoog stekend, zwerend, dat hij zijn
-broer zou wreken; dat hij de moordenaars verpletteren zou; dat hij hen ten eeuwigen
-dage zou vervolgen; dat hel en duivel hem niet beletten konden, bloedige wraak te
-nemen, en andere groote woorden meer, terwijl <i lang="ms">njai Peraq</i> onbeweeglijk op den grond zat, als starend met de blinde oogen op één punt, en al
-maar bij zichzelf herhalend: „Zij hebben mijn zoon Aboe Bakar vermoord.”
-</p>
-<p>Toen hij uitgeraasd had, nam Bram, altijd door zenuwachtig en opgewonden, zijn besluit.
-Hij zou erheen gaan en onderzoeken. Dàt wist hij als spion der politie; <i>alles</i> moest eerst onderzocht worden.
-</p>
-<p>Doch over dat ééne brak hij zich in den trein voortdurend en vruchteloos het hoofd;
-wie kon hem dien brief geschreven hebben?
-</p>
-<p>Hoe kon hij het ook weten? Wat wist hij van Aboe Bakar’s leven in den laatsten tijd?
-<span class="pageNum" id="xd31e6247">[<a href="#xd31e6247">431</a>]</span></p>
-<p>En er was niet veel bijzonders geweest aan dat leven. Aboe Bakar bad veel, studeerde
-ijverig in den <i>koran</i>, sprak nu en dan met Dailah, die zich gruwelijk verveelde, terwijl Minah elken dag
-ging dobbelen en de rest.
-</p>
-<p>Zóó ging het door, week in, week uit, tot Minah, bewerkt door haar relaties, vertrouwd
-was geraakt met het denkbeeld, dat Aboe Bakar, dien zij nu innig haatte, haar geluk
-in den weg stond en verdwijnen moest.
-</p>
-<p>’s Avonds had haar Javaansche minnaar het haar gebracht in een heel klein hoornen
-doosje; hij kwam achter aan de pagger, toen het donker was, en zij had het van hem
-aangenomen, en beloofd den inhoud ’s morgens te roeren door de koffie van haar man.
-</p>
-<p>Zonder te aarzelen had zij dat beloofd; zij stak het doosje tusschen den sarongband,
-onverschillig, zonder beven; zij ging naar haar kamer en naaide er een baadje af,
-waarvoor zij het goed pas had gekocht; dan blies ze de lamp uit en strekte zich <span class="pageNum" id="xd31e6257">[<a href="#xd31e6257">432</a>]</span>geeuwend uit op haar bed; een oogenblik later sliep ze; ze droomde geen akelige droomen,
-en ’s morgens werd ze vroeg wakker, opgefrischt, heelemaal net als anders. Toen ze
-in een groote wijde kom de gekookte ongefiltreerde koffie met suiker zonder melk had
-ingeschonken, keek ze even rond. Ja, aan den ingang van het keukentje zat een kind
-van een bediende, de ongekamde haren over het gezicht, slaperig en soezerig.
-</p>
-<p>Zij gaf het een <i lang="ms">gobang</i> en stuurde het naar de <i lang="ms">warong</i> om wat rijst te koopen.
-</p>
-<p>Nu was er <i lang="ms">betoel</i> niemand meer.
-</p>
-<p>Voorzichtig strooide zij het poeder in de koffie, nam een lepeltje van arènhout en
-roerde het goed door.
-</p>
-<p>Zij bracht als elken ochtend Aboe Bakar zijn koffie, terwijl hij de <i lang="ms">tsoeboe</i> bad.
-</p>
-<p>Hij was juist gereed en stak dadelijk de hand uit, begeerig naar den gewonen morgendrank.
-</p>
-<p>Geen woord werd tusschen hen gewisseld; dàt was al sedert lang niet het geval. Hij
-zou haar <span class="pageNum" id="xd31e6281">[<a href="#xd31e6281">433</a>]</span>niet wegzenden, zoolang hij zich niet over haar te beklagen had; dat was alles, wat
-hij nog voor haar gevoelde.
-</p>
-<p>’s Middags greep het hem aan, plotseling, met groote benauwdheid. Hij was altijd zóó
-kerngezond en zóó sterk. Wat was dat nu? Hoe kwam hij aan dat gevoel van pijn en overvol-zijn
-in de maag en op de borst? Hij zou, zooals de <i>koran</i> het voorschrijft, God aanroepen, en, zich bukkende voor de houding van het gebed,
-ontvlood een volle, warme, haastige stroom zijn mond; een oogenblik had hij gedacht
-aan onpasselijkheid, maar helrood kleurden zich zijn baard en kleeren, de mat, de
-heele omgeving.…
-</p>
-<p>Een groote vrees bekroop hem; hij kon niet roepen, niet denken, niets, en ineenzakkend,
-steunend tegen den wand, met een inwendig gevoel van hevigen brand, sloot hij de oogen.
-</p>
-<p>Had een voorbijgaand inlander hem niet gezien, hij had daar een groot deel van den
-dag kunnen liggen.
-<span class="pageNum" id="xd31e6291">[<a href="#xd31e6291">434</a>]</span></p>
-<p>Dailah, ontsteld en hulpeloos, buiten, zonder buren, liet volk halen uit de naaste
-kampong; men droeg Aboe Bakar in bed, en waschte hem; een dokter-djawa kwam, die in
-’t geheel niets van het geval scheen te begrijpen; de <i lang="ms">penghoeloe</i> las onbewogen met zachte stem <i lang="ms">soerah</i> XXXVI. Minah had de mat uitgewasschen en liet den vloer dweilen in de voorgalerij;
-’t leek wel, vond ze, of er een karbouw was geslacht!
-</p>
-<p>Het was geen halve maatregel geweest.
-</p>
-<p>Dailah schrikte toen ze Aboe Bakar zag den volgenden ochtend, zoo bleek en ingezonken
-was hij. Ze verzorgde hem, zoo goed haar eigen onbeholpenheid het toeliet, altijd
-onder den verschrikkelijken indruk van den bloedstroom, dien ze gezien had, en bang
-haast van het doodsbleek gezicht, dat tusschen den zwarten baard uitkwam, en de doffe
-diepliggende oogen.
-</p>
-<p>Het duurde eenige dagen, vóór Aboe Bakar weer op de been was, maar het had hem vreeselijk
-aangepakt; zwak, mager, bleek lag hij in een <span class="pageNum" id="xd31e6304">[<a href="#xd31e6304">435</a>]</span>luierstoel in de voorgalerij, de oogen dicht, de rozenkrans langzaam glijdend door
-de vingers; hij had van den <i lang="ms">penghoeloe</i> verlof zóó te bidden en niet in de voorgeschreven houding.
-</p>
-<p>Minah was er verwonderd over; zij had eigenlijk gedacht, dat hij dadelijk dood zou
-wezen; toen zij na de bloedspuwing de voorgalerij had schoongemaakt, was het, dacht
-ze, of alles nu eigenlijk heelemaal voorbij was. Nu werd hij beter. Nog een week of
-wat misschien, en het zou zijn, of er niets was gebeurd. Zij sprak er haar minnaar
-over, maar die hield zich tegen haar of hij bezwaren had; het was altijd gevaarlijk;
-daarbij was ’t vergif moeilijk te krijgen en zoo meer.
-</p>
-<p>Het maakte Minah driftig; zij had zulk een <i>a</i> niet gezegd om er de <i>b</i> niet aan toe te voegen; zij drong er opaan, en eindelijk, een week later, kreeg zij
-het.
-</p>
-<p>Zij was er blij mee; dat <i>moest</i> een voldoende portie wezen, had men haar gezegd, en het verheugde haar. Alles had
-zij liever, dan het voortduren <span class="pageNum" id="xd31e6320">[<a href="#xd31e6320">436</a>]</span>van dien toestand en het aanhooren van de kasianpraatjes van Dailah, die meer dan
-ooit van Aboe Bakar hield en minder dan ooit geneigd was met Minah uitstapjes te maken.
-</p>
-<p>Koffie mocht de patiënt niet drinken; hij mocht slechts koud water hebben en wat zacht
-gekookte rijst; het witte poeder zou het water troebel maken, maar in de <i lang="ms">boeboer</i> merkte het niemand. En met dezelfde kalmte als vroeger roerde zij het er door.
-</p>
-<p>Dien avond, toen zich de aanval, nog heviger dan den eersten keer, had herhaald, was
-Aboe Bakar zoo goed als stervende. Stil, onbeweeglijk lag hij op het bed, ’t hoofd
-terug, schuin tegen het kussen.
-</p>
-<p>Van het leven voelde hij nog enkel de schroeiende pijn in zijn maag en ingewanden.
-En zijn gedachten leefden. Maar die waren ver weg; zij waren in Nederland, bij de
-vrienden zijner jeugd, bij de Verlande’s en de Tiele’s; zij vervolgden naar den eersten
-tijd in Indië, waar zijn leven <span class="pageNum" id="xd31e6330">[<a href="#xd31e6330">437</a>]</span>zoo onverwacht was gesplitst; en de kleinste bijzonderheden van dien tijd, waaraan
-hij nooit weer had gedacht, kwamen er nu bij: de strijd met zichzelven, de aandrang
-zijner moeder, de tegenstand van Bram.… „<span class="ex"><i>Vroeg of laat zal je hun dupe worden!</i></span>”
-</p>
-<p>Hoe kwam het, dat hem ineens die woorden nu voor den geest stonden?
-</p>
-<p>Zóó werkte het voort in zijn hoofd, langzaam, maar ordelijk, als een uurwerk, dat
-geregeld afloopt.
-</p>
-<p>Was hij hun dupe?
-</p>
-<p>Aboe Bakar sloeg een blik op naar Dailah, die bij het bed zat, de oogen rood van ’t
-schreien, macht- en willoos, zonder hoop. Met een korte handbeweging beduidde hij
-haar dichtbij te komen, tot haar oor vlak bij zijn mond was; hij wist wel van den
-dokter-djawa, dat hij in ’t geheel niet spreken mocht, maar nu wilde en kon hij ’t
-niet laten.
-</p>
-<p>„Zou ik iets hebben ingekregen, Dah?”
-</p>
-<p>„Zwijg in Godsnaam!” zei ze. „Ik geloof het <span class="pageNum" id="xd31e6343">[<a href="#xd31e6343">438</a>]</span>Aboe. Maar spreek nu niet. Van nu af zal je niets gebruiken, dat ik niet zelf heb
-klaargemaakt.”
-</p>
-<p>Hij glimlachte en sloot weer de oogen. Wat zou zij klaarmaken! Zij kon het immers
-niet; zij had het nooit gedaan, nergens geleerd!
-</p>
-<p>En dan, het zou wel te laat zijn; hij zou wel sterven. Daar was hij nu niet meer bang
-voor. God doet immers sterven en herleven! Wie Hem liefheeft moet zich verheugen in
-den dood, in het uur, dat God zijn ziel ontvangt om bij hem te worden verzameld. Zóó
-ging het rustig voort in zijn hoofd: de beelden uit de werkelijkheid oprijzend in
-zijn gedachten, bleven wortelen in het Europeesch deel van zijn leven; de abstracte
-begrippen waren die uit den <i>koran</i>.
-</p>
-<p>Langzaam kropen de uren voort; Minah had gevraagd, welstaanshalve, of ze Dailah niet
-eens zou aflossen bij het oppassen van den zieke; maar ze was erg blij, dat de jonge
-vrouw het weigerde.
-</p>
-<p>Niet om haar geweten—dáár wist ze niet van,—ze vond het enkel vervelend.
-<span class="pageNum" id="xd31e6353">[<a href="#xd31e6353">439</a>]</span></p>
-<p>Reeds kraaiden de hanen in de dessas der vallei hooguit den opkomenden dag tegemoet,
-toen Aboe Bakar ontwaakte uit een langen slaap van eenige uren, die hem niet had verkwikt.
-</p>
-<p>Integendeel, hij voelde het weer aankomen, en het angstzweet brak uit op zijn voorhoofd,
-met koude droppels afloopend langs zijn zware wenkbrauwen.
-</p>
-<p>Den mond gesloten, benauwd en kort ademend door den neus, keek hij naar Dailah, die
-op haar stoel was ingedut van vermoeienis.
-</p>
-<p>Met een hevigen schok richtte zijn lichaam zich ineens op; Dailah schrikte wakker
-en sloeg haar arm om hem heen tot steun.
-</p>
-<p>Dáár was het weer, schoon slechts weinig in hoeveelheid.
-</p>
-<p>Maar het lichaam, terugvallend achterover in het kussen, rekte zich; het doffe licht
-uit de groote zwarte oogen verdween; de trekken spanden scherp.
-</p>
-<p>Een harde gil klonk door het huis; Dailah zag hem sterven; haar hoofd viel naast dat
-van Aboe <span class="pageNum" id="xd31e6363">[<a href="#xd31e6363">440</a>]</span>Bakar op het kussen neer, en haar weeklagen vulde het huis.
-</p>
-<p>Minah was er ook wakker van geworden. Zij hoorde Dailah schreien en luid praten; zij
-verstond de woorden, en een doodschrik drong door haar hersens, afrillend langs de
-ruggegraat; zij had het woord <i lang="ms">memboenoeh</i> gehoord!
-</p>
-<p>Snel trok zij een ander baadje aan, en liep de achterdeur uit, den weg op.
-</p>
-<div class="figure o2.209width"><img src="images/bottom5.png" alt="Ornament." width="92" height="54"></div><p>
-<span class="pageNum" id="xd31e6375">[<a href="#xd31e6375">441</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2.24" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd31e583">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/top3.png" alt="VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK." width="547" height="82"></div>
-<h2 class="label">VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
-<h2 class="main">Besluit.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De <i lang="ms">penghoeloe</i>, door Minah’s tusschenkomst gewaarschuwd, kwam in den loop van den ochtend met zijn
-volgelingen; hij was kort en bevelend, alsof hij de baas was in het huis; niemand
-durfde zich tegen iets verzetten.
-</p>
-<p>Dailah, nu half suf van emotie, minder dan iemand anders: allen eigenlijk blij, dat
-er één was, die de <i lang="ms">soesah</i> op zich nam.
-</p>
-<p>Maar toen de begrafenis plaats had en zij met de bedienden alleen in het huis bleef,
-liet zij een ouden klerk roepen, die vroeger wel eens daar aan huis was geweest, en
-die schreef voor haar den brief aan Bram.
-<span class="pageNum" id="xd31e6392">[<a href="#xd31e6392">442</a>]</span></p>
-<p>En toen hij kwam en met haar had gesproken, hij hoogst zenuwachtig, zij erg bedroefd,
-maar kalm en gelaten,—toen ging hij naar voren, zitten op den stoel waarop Aboe Bakar
-zoo dikwijls had gezeten; zijn ongeregelde verbeelding en overprikkeld zenuwgestel,
-deden hem de meest gecompliceerde en gruwelijkste wraakplannen vormen; hij zou, en
-hij zou; hij kon er niet stil van blijven zitten; hij stond op, liep heen en weer
-en bewoog handen en armen, alsof hij kneep, worgde, verscheurde. O, die smeerlap,
-dacht hij, als <i>die</i> nu eens hier was! Maar de <i lang="ms">penghoeloe</i>, dien hij bedoelde, kwam niet; liet in ’t geheel niets van zich hooren.
-</p>
-<p>Bram schreef hem en verzocht dadelijke afrekening van het geld, dat wijlen zijn broeder
-Aboe Bakar gestort had in de penghoeloekas; er volgde niet eens antwoord.
-</p>
-<p>Ten slotte kwamen al de gewelddadigheden, die Bram zich voorgenomen had te bedrijven
-tegen de dieven en moordenaars, hierop neer, dat hij eindigde met wat hij had moeten
-beginnen: hij <span class="pageNum" id="xd31e6403">[<a href="#xd31e6403">443</a>]</span>ging naar het Europeesch bestuur en diende een aanklacht in.
-</p>
-<p>Hij was zeer bespraakt; hij kwam niet uit eigenbelang; wijlen de <i lang="ms">saïd</i> was zijn bloedeigen broer geweest, verklaarde hij, en het was niet om iets van diens
-nalatenschap, dat hij zich het schandelijk misdrijf aantrok. Hij wilde het geld, Aboe
-Bakar’s eigen geld, terug, voor diens zoon, die—dat vergat hij erbij te voegen—tot
-een nietsdoener en een leeglooper was opgegroeid, met groote kans een vagebond te
-worden.
-</p>
-<p>Voor het familiezwak van den Europeeschen oom voelden de ambtenaren iets, schoon zij
-zich bij voorkeur niet inlieten met zulke „vuile inlandsche <i lang="ms">perkara’s</i>.”
-</p>
-<p>Zij zouden „een onderzoek instellen.”
-</p>
-<p>Terug in ’t huis vond Bram zijn oudste schoonzuster Minah; zij pakte haar <i lang="ms">barang</i>; met veel drukte was zij bezig haar <i lang="ms">sarongs</i> en baadjes, heele stapels, haar menigte doosjes en doekjes in trommels te bergen
-en in <i lang="ms">kains</i> te knoopen.
-<span class="pageNum" id="xd31e6428">[<a href="#xd31e6428">444</a>]</span></p>
-<p>„Laat dat nu maar wachten,” zei Bram gebiedend. „Luister naar mij.”
-</p>
-<p>Minah stond op het punt een brutaal antwoord te geven; maar zij zag aan Bram, dat
-hij heel nijdig was; daarom ging zij stil op een bankje zitten, de handen op de knieën.
-</p>
-<p>„Waar is het geld van A. gebleven?”
-</p>
-<p>Zij haalde de schouders op.
-</p>
-<p>„Hoe kan ik het weten; hij zei nooit iets tegen mij.”
-</p>
-<p>„Daar stond zijn geldkist, daar in dien hoek, dat wist je toch.”
-</p>
-<p>„Ik? Wist <i>ik</i> dat? Ik weet niet wat een geldkist anders is dan een gewone kist.…”
-</p>
-<p>„Dailah zegt.…”
-</p>
-<p>„Wel ja,” viel zij boosaardig uit, „daar heb je ’t al! Vraag het Dailah, die zal het
-wel weten. Ik niet; ik was maar zoowat de dienstmeid hier, en ik weet van geen kist,
-ik heb mij niet bemoeid met zijn <i lang="ms">barang</i>, waarom zou ik me ermee bemoeid hebben?”
-<span class="pageNum" id="xd31e6445">[<a href="#xd31e6445">445</a>]</span></p>
-<p>„Om uw zoon.”
-</p>
-<p>„Om mijn zoon? Wat heeft hij zich ingelaten met zijn kind? Even weinig als met mij.
-De eenige met wie hij sprak was Dah; voor de rest zat hij ginds in het bidhuisje en
-in de <i lang="ms">missigit</i>, altijd maar in het boek te lezen en te bidden.”
-</p>
-<p>Dat was Bram bekend, en toen nu Minah, die zich over zichzelve had verteederd, haar
-geheime angst tot zenuwachtigheid meewerkend, aanving zacht in haar <i lang="ms">slendang</i> te schreien, kreeg Bram <i lang="ms">kasian</i>, en daarmee verdween zijn boos vermoeden, dat Minah aan de misdaad medeplichtig was.
-</p>
-<p>„Wat ga je doen?” vroeg hij.
-</p>
-<p>„Ik weet het niet. Vooreerst ga ik bij een vrouw in de kampong wonen, tot hier den
-boel geregeld is<span class="corr" id="xd31e6464" title="Bron: ?">.</span>”
-</p>
-<p>„En dan?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet. Misschien zoek ik werk als <i lang="ms">baboe</i> bij <i lang="ms">blandas</i>.”
-</p>
-<p>Een oogenblik dacht Bram na. Het ging niet aan, haar terug te zenden naar het land,
-waar ze <span class="pageNum" id="xd31e6478">[<a href="#xd31e6478">446</a>]</span>vandaan kwam; zelf haar in huis te nemen,—daarvan kon niets komen. Dailah zou weer
-teruggaan in haars vaders huis.
-</p>
-<p>„Goed,” zei hij, „je moet natuurlijk doen, wat je wilt. Ik zal je zoon meenemen. Wat
-het mijne is, kan ook het zijne wezen.”
-</p>
-<p>Voor haar was dat een ware uitkomst; zij was van den lastigen jongen kerel af; van
-een moederschap dat haar oud maakte, zoo goed als ontslagen, in een tijd dat haar
-belang vorderde jong te schijnen.
-</p>
-<p>„Gij zijt zijn oudste oom,” zei ze op een toon van berusting.
-</p>
-<p>En alles was naar beider begrip daarmee gezegd.
-</p>
-<p>Het onderzoek naar den dood, dat zelfs een gerechtelijk werd, leidde tot geen uitkomst;
-’t was <i lang="ms">koerang terang</i>.
-</p>
-<p>Toen de tweede maan scheen op het graf van Aboe Bakar, het stille plekje in het binnenland,
-waar een groep <i lang="ms">kambodja’s</i> de doordringende geuren harer witte bloemen over de sawahvlakte verspreidden,<span class="pageNum" id="xd31e6495">[<a href="#xd31e6495">447</a>]</span>—toen reed zijn eenige zoon te Batavia langs den Molenvliet als koetsier op een huurdos-à-dos
-van oom Bram.
-</p>
-<p>Oom Bram had veel last met hem; hij durfde ’s avonds niet naar bed gaan vóór zijn
-neef weer goed en wel thuis was, zoo vreesde hij altijd, dat er ’t een of ander met
-den bedorven jongen zou gebeuren.
-</p>
-<p>Als die eindelijk, laat in den nacht soms, de dos-à-dos het erf opreed, en Bram dan
-niet half zooveel huur kreeg als hij berekenen kon, dat verdiend was, keek hij door
-den gouden bril zijns vaders weleens beurtelings naar het onbeschaamde jonge gezicht
-voor hem en naar het oude van <i lang="ms">njai Peraq</i>, die op haar <i lang="ms"><span class="corr" id="xd31e6504" title="Bron: baleh baleh">baleh-baleh</span></i> rustig sliep.
-</p>
-<p>En dan vond hij, dat, als iemand weinig uit een schipbreuk was overgebleven, het dan
-hem, Bram Silver, was.—
-</p>
-<p class="trailer xd31e3237">EINDE.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<p>De beide delen van dit werk zijn samengevoegd tot een geheel.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Aboe Bakar: Indische Roman</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Paulus Adrianus Daum (1850–1898)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/167261/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>[1894]</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2022-02-01 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e367">230</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4694">338</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5365">384</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e813">26</a></td>
-<td class="width40 bottom">njai-Peraq</td>
-<td class="width40 bottom">njai Peraq</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e928">35</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1318">64</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1768">104</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3402">244</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3627">258</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1591">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1679">96</a></td>
-<td class="width40 bottom">kwa-jongens</td>
-<td class="width40 bottom">kwajongens</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1699">98</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2302">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">iets</td>
-<td class="width40 bottom">niets</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2615">180</a></td>
-<td class="width40 bottom">liefbebberij</td>
-<td class="width40 bottom">liefhebberij</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3049">213</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5238">375</a></td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3528">253</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3590">256</a></td>
-<td class="width40 bottom">alillah-Allah</td>
-<td class="width40 bottom">al-illah-Allah</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3819">278</a></td>
-<td class="width40 bottom">orang-selam</td>
-<td class="width40 bottom">orang selam</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4951">355</a></td>
-<td class="width40 bottom">sobat</td>
-<td class="width40 bottom">obat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5649">400</a></td>
-<td class="width40 bottom"><i lang="ms">penghoeloe</i>kas</td>
-<td class="width40 bottom"><i lang="ms">penghoeloe</i>-kas</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5814">407</a></td>
-<td class="width40 bottom">sekure</td>
-<td class="width40 bottom">secure</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e5861">410</a></td>
-<td class="width40 bottom">barste</td>
-<td class="width40 bottom">barstte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6464">445</a></td>
-<td class="width40 bottom">?</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e6504">447</a></td>
-<td class="width40 bottom">baleh baleh</td>
-<td class="width40 bottom">baleh-baleh</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div lang='en'>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl'>ABOE BAKAR</span> ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br>
-<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br>
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-</div>
-</body>
-</html>
diff --git a/old/67307-h/images/bottom1.png b/old/67307-h/images/bottom1.png
deleted file mode 100644
index 0100582..0000000
--- a/old/67307-h/images/bottom1.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/bottom2.png b/old/67307-h/images/bottom2.png
deleted file mode 100644
index 32a4190..0000000
--- a/old/67307-h/images/bottom2.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/bottom3.png b/old/67307-h/images/bottom3.png
deleted file mode 100644
index 85cd595..0000000
--- a/old/67307-h/images/bottom3.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/bottom4.png b/old/67307-h/images/bottom4.png
deleted file mode 100644
index c608d7c..0000000
--- a/old/67307-h/images/bottom4.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/bottom5.png b/old/67307-h/images/bottom5.png
deleted file mode 100644
index 4456e7c..0000000
--- a/old/67307-h/images/bottom5.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/bottom6.png b/old/67307-h/images/bottom6.png
deleted file mode 100644
index 65301e7..0000000
--- a/old/67307-h/images/bottom6.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/bottom7.png b/old/67307-h/images/bottom7.png
deleted file mode 100644
index 5b97ff1..0000000
--- a/old/67307-h/images/bottom7.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/bottom8.png b/old/67307-h/images/bottom8.png
deleted file mode 100644
index 9753b29..0000000
--- a/old/67307-h/images/bottom8.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/new-cover.jpg b/old/67307-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index 2043362..0000000
--- a/old/67307-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/titlepage.png b/old/67307-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 7643171..0000000
--- a/old/67307-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/top1.png b/old/67307-h/images/top1.png
deleted file mode 100644
index 150ff64..0000000
--- a/old/67307-h/images/top1.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/top2.png b/old/67307-h/images/top2.png
deleted file mode 100644
index 561018a..0000000
--- a/old/67307-h/images/top2.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/top3.png b/old/67307-h/images/top3.png
deleted file mode 100644
index fdace0c..0000000
--- a/old/67307-h/images/top3.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/top4.png b/old/67307-h/images/top4.png
deleted file mode 100644
index c0301a3..0000000
--- a/old/67307-h/images/top4.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67307-h/images/top5.png b/old/67307-h/images/top5.png
deleted file mode 100644
index 49e2cef..0000000
--- a/old/67307-h/images/top5.png
+++ /dev/null
Binary files differ