diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 05:48:24 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 05:48:24 -0800 |
| commit | e99f6462782572bae5a21ada432eac49046ea25f (patch) | |
| tree | e32e2dd793b1c1735a867b88f021ccf595121f66 /old/67307-0.txt | |
| parent | 5d881c642b666d1dbb8d3f57ba80b774249d07e4 (diff) | |
Diffstat (limited to 'old/67307-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/67307-0.txt | 8997 |
1 files changed, 0 insertions, 8997 deletions
diff --git a/old/67307-0.txt b/old/67307-0.txt deleted file mode 100644 index 8543137..0000000 --- a/old/67307-0.txt +++ /dev/null @@ -1,8997 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Aboe Bakar, by Paulus Adrianus Daum - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Aboe Bakar - Indische Roman - -Author: Paulus Adrianus Daum - -Release Date: February 3, 2022 [eBook #67307] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net (This book was produced from - scanned images of public domain material from the Google - Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ABOE BAKAR *** - - - - - - ABOE BAKAR - INDISCHE ROMAN - - DOOR - MAURITS - - BATAVIA ’S-GRAVENHAGE - G. KOLFF & Co. LOMAN & FUNKE - - - - - - - - -INHOUD. - - - EERSTE DEEL - - Hoofdstuk. Bladz. - - I. Kennismaking met een onaangenaam mensch 1 - II. Een jaloersch heer 10 - III. Een treurig voorval 20 - IV. Niet zonder reden jaloersch 31 - V. De in ongenade gevallen president 39 - VI. Het vierde kind 45 - VII. Adam wordt een knappe jongen 52 - VIII. De knaap vertrekt naar Batavia 61 - IX. Laaghartige wraakzucht 70 - X. Teleurgestelde verwachtingen 80 - XI. Onaangename brieven uit Holland 91 - XII. Een mislukt jongmensch 103 - XIII. Een voorzichtige moeder 113 - XIV. Een onaangename verrassing 122 - XV. Een declaratie in optima forma 132 - XVI. Aan boord van een mailstoomer 143 - XVII. In Indië terug, maar.... aan een sterfbed 152 - XVIII. Het gevonden portret 164 - XIX. Een nieuwe vlam 174 - XX. Onterfd 182 - XXI. Vergeefsche moeite 192 - XXII. Adam is ontevreden 201 - XXIII. Moederliefde 210 - - - TWEEDE DEEL - - I. Vervlogen hoop en een nieuwe verbintenis 1 - II. Ik wil niet gelijk gesteld worden 9 - III. Het Europeesch vernis verdwijnt 20 - IV. Opnieuw verloofd en getrouwd 28 - V. Onaangename ontmoeting en wroeging 36 - VI. Aboe Bakars teleurstelling 44 - VII. Een beschaafd Mohammedaan 53 - VIII. Ongelukkige familieberichten 63 - IX. Schoonmoeder en schoondochter 73 - X. Een trouweloos Mohammedaan 82 - XI. Hoe zal ik sterk zijn? 91 - XII. Zonderlinge ontmoeting 98 - XIII. Aboe Bakar kiest zich een tweede vrouw 107 - XIV. Geldelijke verwikkelingen 115 - XV. Men kan geen priester en koopman zijn 124 - XVI. Een listig mensch 131 - XVII. Wacht u voor zulke vrienden 137 - XVIII. Toenadering tusschen de vrouwen 147 - XIX. Minah op een verboden weg 156 - XX. Aboe Bakars ondergang voorbereid 166 - XXI. Een dubbel offer gebracht 174 - XXII. Dailah ontdekt het gevaar 186 - XXIII. „Ze hebben hem vermoord.” 196 - XXIV. Besluit 210 - - - - - - - - -EERSTE DEEL. - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -KENNISMAKING MET EEN ONAANGENAAM MENSCH. - - -Het parelgrijs van den jongen dag bij zwaar bedekte lucht, gaf het -Indisch landschap een westersche tint. Er ontbrak iets aan: de groote, -gloeiende vuurbol wierp er zijn heete gouden lichtbundels niet over; -hulde niet alles in het zware oostersche geel, met omhoog het -scherp-blauw gewelf, beneden de hevige luchttrillingen boven den bodem. -Nu lag alles in een heiïgen toon als in Zondagsrust. - -Ver over de alluviale vlakte gingen de weidegronden, door leidingen -gedeeld in breede strooken; bont en lakenveldsch vee in afwisselend -grillig robe-dessin, wierp grazend de koppen naar rechts en links, -zoekend de fijne beetjes in den groenen voêrbodem; en had niet hier en -daar een groepje palmen de kronen van groote bladerrissen hoog -opgestoken boven de dunne gladde basten,—men had zich kunnen verbeelden -een stukje Holland te zien. - -In de lekkere stille koelte kwam maar heel even de zeewind over, met -kleine beweginkjes in de bladeren, een ideetje van fluisterend geluid -door den grooten bloementuin; niet eens sterk genoeg om er de -overstaande rozen te ontblaren. - -Behoedzaam liep John Silver tusschen de struiken door, op het gelaat -den grooten ernst van heel gewone menschen bij geringe bezigheden; dat -was zijn liefhebberij, zijn eenige; dit vroegere stuk weide had hij -herschapen in zoo’n mooien grooten hof; de oppervlakkig waarneembare -geschiedenis van elke plant kende hij; zijn lust in bloemkweeken had -hem tot leeren aangespoord, en zijn dagelijksche zorg had hem het -egoïstisch individueel „verstand” ervan doen krijgen, niet vatbaar voor -overdracht. - -Hij keek, toen hij klaar was, nog eens om, als voor een generale -inspectie; van de houten trap zijner ruime paalwoning over de groote -variëteit van kleurvlekjes, in het à jour groen langs de paggers en in -de perken. En zijn bruine kop knikte goedkeurend, de blauwige lippen -wegtrekkend in een breeden tevreden glimlach, toonend twee rijen mooie -sterke manstanden. - -Er was gedekt binnen met grof, groezelig tafelgoed, een gebarsten bord -van aardewerk en tinnen tafelgerei. Een pisangblad, dichtgespeld met -een lidi, lag in het midden. John nam het, liet zich neer op een laag -kinderstoeltje en at, ’t geopend blad op de scherp opstekende -beenknieën, de rijst eruit met de vingers, die stijf in de massa gingen -en het dus uitgewigde langs in den mond werkten; zóó dejeuneerde hij -lekker met een glas schoon water erbij; een strootje als -after-breakfast sigaar. - -Dan slofte hij langzaam door een gangetje tusschen de zijkamer naar -voren, waar hij ver over ’t vlakke strand uitkeek in de groote Indische -zee, die, door duizenden eilandjes gebroken, in korten golfslag -aanbolde met bij oostersche langzaamheid onharmonische drift. John -greep een kijker, die aan een touwtje hing boven de balustrade en -loerde in de verte of hij ook een schip zag, gelijk hij wel twintigmaal -op ’n dag deed, na het tuinonderhoud, zijn belangrijkste bezigheid. Er -was niets te zien dien ochtend; inlandsch getuigd klein goed -balanceerde gemoedelijk op het water, binnenvallend na slechte -vischvangst door de wolkenlucht. Geen rookzuiltje van een stoomer, -nergens het zeilentuig van een ranken klipper; zelfs geen schoenertje -onder den wal; alles „flauwe kul” dien ochtend, dacht hij. - -Een span batakkertjes vloog voorbij; een hand met ’n zakdoek en een -andere wuifden op onder het rijden, en Silver handzwaaide en boog met -groot vertoon van vriendelijkheid terug. Maar toen ze uit ’t gezicht -waren, schudde hij er het hoofd over. Zoo’n gekke vent! Was hij niet -een njo, net als hij zelf? - -De omstandigheden van dien Verlande waren heel erg gelijk aan de zijne! -Allebei hadden ze fortuin, in huizen, in perken op de eilanden en in -goede papieren; allebei konden ze het stellen buiten den arbeid, geld -overhoudend bij hun geringe behoeften. - -Daar had nu die malle vent, die Verlande, een pur-sang vrouwtje -getrouwd en .... uit was het met zijn goede leven; nu moest hij gekleed -en wel met haar toeren, met haar visites maken en de lieden -recepieeren. En dan de soesah in huis, met die Hollandsche wrijf- en -poets-dames, die geen bedienden kunnen houden, zich dood ergeren aan -vlekjes en stofjes, en altijd aan klimaat-ziektetjes sukkelen. Wat ’n -leven! Verbeel je dat hij .... - -John Silver moest erom lachen. Neen, zoo „stom” was hij waarachtig niet -en zou hij ook nooit worden! - -Hij hield zich maar aan zijn gewone njai; zij had al drie kinderen met -hem en dreigde met het vierde. - -Soedah, wat kon ’t hem schelen! Hij had er geen last van; ze leefden in -de bijgebouwen bij hun moeder; ze kostten haast niks; veel minder dan -hun moeder door een stillen handel in batiks en diamanten verdiende; ze -stonden op zijn naam en hij zond ze naar de gouvernementsschool. Habis -perkara! Voor de rest geen bemoeienis. Als het meisje niets leerde dan -kwee-kwee maken, zou ze toch wel trouwen want ze was knap en ze had -geld; als de jongens dom bleven, dan maar het land op. - -En zoo’n Verlande nu, met een Hollandsche vrouw, de opvoeding later van -die totok kinderen, die natuurlijk allemaal in Holland moesten -studeeren om geleerden te worden .... Nu die zou er pleizier van -hebben! - -Plotseling trok zijn gezicht, uit de plooien van vroolijke -zelfgenoegzaamheid glad, met een uitdrukking van groote verbazing de -wenkbrauwen op. Wat zag hij daar? Bukkend doorgaand onder het atappen -overdek der gangetjes langs de bijgebouwen, kwam rechtop in het licht, -vlak vóór hem de groote figuur van een arabier, den kleurigen tulband -’n beetje scheef op den mooien van gitzwart krulhaar ombaarden kop; -helder wit fladderde zijn lang onderkleed, tusschen de opening van zijn -ruischend gewaad van hemelsblauwe zijde; onderdanig groetend, maar -rustig, in groote gemak-stappen, ging hij heen, over de grind met het -dof geglinster van de verlakte lage schoenen om zijn bloote bruine -voeten. - -Maar Silver had niet teruggegroet; het lichtte rood op in zijn -diepliggende zwarte oogen. Zoo’n gladakker! zoo’n brutale hadramautsche -smeerlap! En dat terwijl hij, honderdmaal was maar eens, zijn -huishoudster had gezegd, dat er nooit of nimmer een arabier op zijn erf -of in zijn huis mocht komen! Met driftige stappen, het hoofd gebogen -over de weinig ontwikkelde ingevallen borstkast, liep hij naar omlaag, -in zijn haast met zijn gezicht tegen een lijntje, wat hem boozer -maakte, en hij stoof de kamer in van zijn njai, juist, de armen omhoog, -bezig te verwisselen van baadje. - -Ook dàt stemde hem niet beter; hij vloekte en schold en dreigde, razend -van opgewondenheid, al maar herhalend, dat hij „het” niet hebben wilde; -zij zweeg, en toen hij uitgeraasd had, wees ze naar een doos op de -tafel. „Ik kan geen zaken doen en geen geld verdienen, als ik met de -menschen niet praten mag.” - -Hij had de doos wel gezien, en door al zijn schelden heen, was hij er -nieuwsgierig naar geweest. Nu nam hij haar op en haalde er de dikke -opgerolde lapjes uit, waarin diamanten haarspelden geprikt zaten; hij -ging bij het open venstertje staan en liet het invallend licht door de -steenen spelen, scherp oplettend, het hoofd ook mee bewegend bij het -bespieden van straalbreking en kleurwisseling. - -„Prullen zijn het, die de smeerlap brengt. Dáár, dáár!” riep hij luid, -smadelijk haar de steenen vlak voor het gezicht houdend, en aanwijzend -met de knokkelvingers, „die heeft een vlek; die ook; dat is een erge -gele; dat ook! en ik geloof waarachtig dat er foelie achter zit. -Prullen, anders niet!” - -Met groot vertoon van geringschatting, wierp hij de steenen terug in de -doos. - -„Dàt zeg ik je: als ik den smeerlap ooit weer zie op mijn erf, hem of -een zijner vuile Arabische kontjo’s, jaag ik ze een schot ganzenhagel -in hun bast. Ik zal m’n geweer naast m’n stoel zetten in de galerij; ik -schiet ze dood. Ziedaar!” - -En onder die bedreiging had hij, grimmig, haar herhaaldelijk geslagen -op de dikke schouders en armen; tot ze ook woedend adoe! had geroepen, -minder als een klagelijken uitroep van pijn, dan alsof ze ermeê -terugschold. - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -EEN JALOERSCH HEER. - - -’t Had Silver heelemaal zenuwachtig gemaakt; hij greep, boven, ’n volle -gendie, schonk zich ’n groot glas water en dronk het achtereen uit; -maar kwaad bleef hij; zachtjes door razend, in woeste jaloerschheid; -telkens eraan denkend, dat ze van baadje had verwisseld; zich opnieuw -opwindend als hij begon te bedaren. - -Eindelijk wilde hij weer standjes gaan maken en slofte driftig de trap -af, maar een inlander, buigend, de rechterhand steunend met de linker, -gaf hem een brief. Dat leidde hem af. Het was „van wege” de societeit, -zijn grootsten trots. Men had hem tot president „gebombardeerd,” zooals -de jongelui zeiden. - -Hij was op de plaats gevestigd; hij had geld en niets te doen,—zoo’n -man moet „maar” president van het kleine clubje zijn, dat eens in de -week, Zaterdagsavonds, in ’t gebouwtje met steenen buitenmuur en -bamboezen binnenwanden, de societeit Belvedère, bijeenkwam. Dáárom -hadden zij het hem gemaakt. - -John Silver zette zijn gouden bril op en ging met presidiale -waardigheid aan zijn schrijftafel zitten. Er was een „voorstel” -ingekomen, natuurlijk voor een pretje, andere voorstellen kwamen er -nooit in, en de secretaris, die den brief geschreven had, meende dat -over dit voorstel moest vergaderd worden; hij was het eens daarmee, -geheel eens, en hij zette zich aan het pennen van het antwoord, ernstig -met een business-gezicht; en hij snauwde een bediende af, die hem iets -kwam vragen, met een: „Zie je niet, dat ik zit te werken?” - -Daar men reeds dienzelfden avond een prealabele bestuursvergadering zou -houden, hield hem dat ’t verdere van den dag bezig; maar hij vergat den -schilderachtigen arabier niet, den „stinkert” zooals hij zei; den -„woestijnschurk,” den hadramautschen roover, en hij bleef ongenaakbaar, -de honden schoppend, die jankend naar buiten vlogen, schreeuwend tegen -de kinderen en bedienden, in groot bangmakerig vertoon met zijn geladen -geweer, dat, als hij het hard neerzette op den houten vloer der -paalwoning, ondanks de fijne matbedekking een daverend geweld -veroorzaakte. - -’s Avonds voor hij heenging, haalde hij er zijn njai nog eens bij, en -hield een quasi-gemoedelijke speech in het Maleisch; zij zag daar nu -het geweer staan, en hij zwoer bij God en bij de graven zijner ouders, -dat hij elken arabier, die ooit of immer op zijn erf mocht komen, zou -neerschieten als een hond en den kerel van dien ochtend,—ja, als hij -dien onder schot kreeg ...! Haar kalm gezicht van rustige, welgedane -inlandsche trouw, vertrok er geen spier bij. - -„Ik zou het geweer maar in de kamer zetten,” zei ze. „Er zou nog -ongeluk van kunnen komen.” - -Eigenlijk vond hij dat ook; hij voelde zich niet zoo veilig tegenover -een geweer, als hij deed voorkomen. Uit zijn verhalen wist ieder die -hem kende, dat hij een Nimrod was. Zoodra het jagen ter sprake kwam, -raakte hij in extase; dan vertelde hij van jachten op tijgers, -bantengs, rhinocerossen en wilde varkens; van ongelooflijke -hoeveelheden snippen en wilde duiven, gevallen door zijn moordend lood. -En men geloofde het wel niet, zooals hij het zat op te snijden, maar -hield hem toch voor een jager. Nu, dat was hij in ’t geheel niet. Zijn -eerste stuk wild moest hij nog schieten. Zijn geweren waren goed -onderhouden en een enkele maal schoot hij ze door voor het onderhoud, -eigenlijk blij, als dat was afgeloopen; hij hield er niet van. - -Maar nu zou hij, omdat zij zoo bang was en omdat zij het verzocht, voor -ditmaal het geweer terugzetten in het rek; doch indien ooit van z’n -leven.... en nogmaals volgde de geheele serie scheldwoorden tegen -arabieren en de vreeselijke bedreigingen, die hij casu quo ten uitvoer -zou brengen. Zij zou, meende hij, nu wel bang genoeg wezen. - -De waarheid was, dat zij hem uitlachte in haar hart, wetende welk een -druktemaker hij was, en hoe bitter weinig er stak achter zijn praatjes; -maar zij was wel zoo slim het door niets te laten merken, en zij ging -zwijgend, stilletjes weg, terug naar haar gewoon dagverblijf in de -bijgebouwen, hem in den waan latend, dat hij door zijn demonstratie met -het geweer grooten indruk had gemaakt. - -In de bestuursvergadering van de societeit hield hij zijn waardigheid -hoog op; hij sprak er met bombastische boekenwoorden en termen uit -ambtsbrieven, over de geringste dingen, wenkbrauwfronsend achter den -gouden bril, afgepast in zijn bewegingen, een dikke gouden -horlogeketting bungelend op een wit piqué vest; vreeselijk royaal, maar -altijd even deftig, in het volle gevoel van zijn presidiale positie; -hij vroeg dadelijk aan „de heeren” hem het genoegen te doen „iets te -gebruiken.” En oplettend sloeg hij onder het vergaderen de vorderingen -der heeren gade in het rooken en drinken, altijd op het juiste moment -bij de hand met zijn sigarenkoker en de gebruikspropositie. - -Het liep dien avond alweêr af naar wensch; over het ingekomen -„voorstel” werd veel gepraat, tot men het na „ampele discussie” eens -werd over het pretje. Men zat nog een uurtje rustig bijeen in de -achtergalerij, aan een zwarte ronde tafel met een ijzeren rand eronder, -voor het opzetten van de voeten; en boven, aan een lat van de -dakbedekking, een slechte petroleumlamp met dunne roodachtige vlam. - -Daarbuiten over de groote zee lag alles in het zachte glimlicht der -maan, zoo mooi weerspiegeld bij het zacht bewegen van het water. Maar -de menschen gaven er de voorkeur aan in huis te zitten bij leelijk -lamplicht. - -„Wat heb je toch kranige kerels onder die arabieren,” zei, onder het -napraten, een jong officier, ook ’n bestuurslid. - -Het gezicht van John Silver betrok; de opmerking, dat zag hij, was -rechtstreeks tot hem gericht, en hij zei: „Ja,” niet voornemens verder -iets te zeggen. - -„Ik zag er van morgen één bij u het erf afkomen,” ging de luitenant -voort, „’n mooie kerel, een kranig type. Jongens, ’n bataljon van zulke -kerels, dat moet ’n gezicht wezen.” - -„Hij had zaken met me gedaan,” zei Silver haastig. „Zulke kerels komen -nooit in mijn huis of zij moeten zaken hebben met mij persoonlijk. Het -is gemeen volk.” - -„Och, waarom zouden ze gemeener zijn, door de bank, dan ander volk?” - -„’t Zijn bedriegers en oplichters.” - -„En dan,” viel de postcommies in, „zijn ze gevaarlijk bij inlandsche -vrouwen; met hun praatjes en hun mooie kleêren en hun gescharrel in -preciosa, hebben ze al menigeen ’n koopje gegeven. Neen, ik ben het met -mijnheer Silver heelemaal eens.” - -Maar de luitenant was een aanhouder. - -„’t Is beroerd voor wien het treft; maar de inlandsche vrouwen kan ik -waarachtig geen ongelijk geven.” - -Silver en de postcommies, beiden indo’s, zwegen daarop; het was een -gedachtengang, waarin ze niet treden konden; beiden hadden belangen te -verdedigen, waarbij van onpartijdigheid of objectiviteit geen sprake -kon zijn; het ontbrak er nog maar aan, dat zij die smerige kerels -gingen voorspreken, hun gedrag vergoelijken; de njai’s, die hun -meesters bedrogen, rechtvaardigen;—zij zwegen in stille -verontwaardiging over zooveel onzin. - -Inwendig was Silver woedend. „Kom,” zei hij, zijn cognacje leeg -nippend, „het is alweer tijd.” - -De anderen vonden dat niet; zij beproefden hem te „lijmen,” maar het -ging niet; hij voelde zich, zei hij, niet erg „lekker,” en met zijn -sluippasjes scharrelde hij den strandweg op naar huis, geplaagd -onderweg, door het denken aan dien Arabier, die hem nu weer even erg -als ’s ochtends door het hoofd maalde. - -Vlak bij zijn huis kreeg hij een schok van schrik; het scheen hem, dat -hij een groote, in de schaduw wegsluipende gedaante had gezien. -Spiedend stond hij een oogenblik stil, deed zijn schoenen uit, nam ze -in de hand en ging toen zachtjes, op de teenen loopend naar boven; -zonder geluid kwam hij het huis en z’n slaapkamer binnen, greep met -bevende hand het geladen geweer en ging ermee naar buiten. - -Zijn njai, die op een baleh-baleh lag te slapen, was even wakker -geworden; zij zag hem in het maanschijnsel de kamer uitgaan, het geweer -in de hand. Met een ruk keerde zij zich op haar andere zijde; in een -geeuwtje als ’n zucht, zei ze zacht: orang gila, en sliep weer rustig -in. - -Wezenlijk spookte het John Silver allervreemdst in het hoofd; zijn -woest jaloersche aard, het fantastisch licht der omgeving, op een uur -dat hem anders reeds lang slapend vond; de cognacjes, die hij -„welstaanshalve” had gedronken, maar waartegen zijn teatotalers gestel -in ’t geheel niet kon, dàt, en een ongeregelde verbeelding, nimmer -ingetoomd door opvoeding en onderricht, speelden hem parten. Met het -geweer in de hand ging hij voorzichtig en stil naar beneden, -rondsluipend, loerend, telkens aanleggend en op het punt te vuren, als -hij meende iets te zien in de slagschaduwen der overstekende daken. -Maar telkens was het niets of iets heel gewoons, dat voor ’n moment -schaamte over hem komen deed. - -Tot hij weer naar boven sloop om over de balustrade van de voorgalerij -te loeren naar het niets, dat, als een realiteit in zijn hoofd gevaren, -voor hem gelijk iets was; maar de terugwerking kwam; zijn hoofd zonk op -den breeden houten rand, en hij sliep in, het geladen geweer tegen de -stoelleuning. - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -EEN TREURIG VOORVAL. - - -Huiverend werd hij wakker; de sterke uitstraling van den drogen bodem -had de temperatuur doen dalen, en als indo beter kunnend tegen warmte, -dan tegen ook slechts betrekkelijke kou, ging hij slaapdronken en zich -schurkend in zijn kleeren naar bed en sliep er behagelijk den -achterstand bij, van een half doorwaakten nacht. - -Die was nog niet geheel voorbij, toen er al beweging kwam in huis. De -huishoudster, die den algemeenen bijnaam had op het plaatsje van njai -Peraq, stond als elke inlandsche vrouw, vroeg op; de kinderen dwaalden -dan al lang door het huis en op het erf rond, in het duister nog, -badend aan den put, of sufferig ergens neerzittend, kijkend den -aanlichtenden dag tegemoet. - -Ditmaal had een hunner een merkwaardige ontdekking gedaan, en met hun -drieën liepen ze zachtjes, om hun vader niet te storen, naar voren en -gingen om het jachtgeweer staan, vol bewondering elkaar lachend -aankijkend en toefluisterend nu en dan, de oogen vol van een tot -beweging sporenden jool, die hen dan eens deed inzinken op de hurken, -dan met een sprongetje omhoog gaan; den geweerloop aaiend en rakend aan -den trekker, aarzelend en eenigszins bang eerst, maar telkens -familiaarder met het heerlijke ding, het geweer. - -Ze namen het met moeite op en vonden het zwaar; de kleinste, ’n meisje, -kon ’t niet beuren. Maar de grootste kreeg het op den schouder, en met -z’n bloote voeten marcheerde hij in nagebootste soldatenhouding ermee -op en neer, nagekeken door zijn broer, vol afgunst en bewondering; toen -die op zijn beurt ’t mooie wapen wilde hebben, kregen ze ruzie, stil, -om pa niet wakker te maken, maar toch woedenden twist met -scheldwoorden, trappen en stompen, en trekken en rukken vooral aan ’t -geweer, dat toen afging met ’n harden slag en hun uit de handen viel. -En dan een verschrikkelijk geschreeuw van het zusje, dat bloedend op -den grond lag. De jongens weg, de trap af, woest door de bloemstruiken, -over de pagger, het veld in, voortvliegend, weg, weg.... - -Het was een heel gedoe! ’t Plaatsje was er vol van. De moeder, het -eerst bij het gewonde kind, had het in haar armen genomen en was hard -den grooten weg opgeloopen, naar den dokter; John Silver, in ’t eerste -oogenblik van schrik-ontwaken als verlamd, rechtop in z’n bed, kwam, -toen ze al het erf afliep. En hij aarzelde een oogenblik, wel -begrijpend dat er iets akeligs gebeurd was, maar zich niet precies -kunnende voorstellen wat; ook niet geneigd op den publieken weg het -spektakel te vertoonen, van zijn huishoudster met het getroffen kind in -de armen voorop en hij haar achterna. Maar hij moest iets doen, en -schreeuwend tegen een baboe, vroeg hij haar, wat er gaande was. De -sinjo’s hadden met het geweer gespeeld, het was afgegaan en nonni was -gewond. Waar waren de sinjo’s? Ja, dat wist ze niet. Nou, hij zou ze -dan wel vinden, die smeerlappen! En, zich opwindend in die richting, -haalde hij een rotan uit zijn kamer, doorzocht het huis, de bijgebouwen -en den tuin, waar hij aan de vernieling van eenige mooie opkomende -planten zag, dat ze waren weggeloopen. De handen boven de oogen, keek -hij over de weidevelden; nergens zag hij het wit van hun baadjes. - -En dreigend de rotan schuddend, vloekte hij, en zwoer dat hij ze dood -zou ranselen, als ze terugkwamen. Maar nu moest hij wel naar den -dokter; hij kon niet wegblijven; en hij kleedde zich, zonder haast, -verlegen en beroerd over het heele geval; in zich zelven scheldend op -die vervloekte ondeugende jongens, die hem nu weer zoo’n geweldig -koopje gaven. - -Toen hij aankwam aan het doktershuis en met een vertoon van drukte en -veel praatjes binnentrad, werd hem eenvoudig door een: stt! het zwijgen -opgelegd. - -De controleur was er ook; zijn njai stond huilend bij het bed, waar de -geneesheer het werk deed; er waren nog een paar heeren van de plaats; -Verlande ook met diens vrouw, die hielp het gewonde kind zoo te houden -als voor de behandeling noodig was, en tusschen de stilte in de -schreeuwen van het kind, als de pijn hevig stak. - -„’t Zal alles wel losloopen,” zei de dokter, opkomend uit zijn voorover -buigen, „maar het ééne oog is ze kwijt. Daar helpt niets aan.” - -Men vond het verschrikkelijk; de dokter ook; heel onvriendelijk keek -hij Silver aan. - -„Hoe is het mogelijk,” zei hij, „dat iemand zoo onverantwoordelijk -onvoorzichtig kan zijn.” - -„Ik was in slaap gevallen,” zei John. - -„Maar wie zit nu ’s avonds in de voorgalerij met ’n geladen geweer.” - -„Ik wou.... kalongs schieten.” - -„Kalongs schieten!” riep minachtend en ongeloovig tevens de controleur. -„Iets voor aankomende jongens.” - -„Hoe dan ook, het is meer dan erg,” zei de dokter weer, „iemand, die -kinderen heeft, mag een geladen geweer niet onbeheerd ergens in zijn -huis laten.” - -Dàt was iedereen met hem eens; John Silver kreeg den wind van voren op -een gruwelijke manier; hij voelde, dat zijn „prestige” erg geschokt -werd, toch blij, dat hij er nog zóó afkwam. Met een arme -zondaarsgezicht liet hij de „standjes” langs zijn koude kleeren gaan; -het kind was niet dood; men geloofde ten naasten bij aan de -kalongs,—het viel betrekkelijk alles nog mee. - -Aan zijn huishoudster had hij verder heelemaal niet gedacht; men houdt -daar zoo geen rekening mee; en niets verbaasde hem meer, dan de -schrikkelijke manier waarop ze hem aanviel, toen ze, het kind bij den -dokter latend, terugkwamen thuis. - -Zij schold en hoonde hem; zij maakte hem in het maleisch uit voor al -wat leelijk was. - -Verstomd had hij in het eerst naast haar voortgeloopen, totaal in de -war over het ongelooflijke feit, dat zij zoo tegen hem, haar heer en -meester, te keer durfde gaan. - -Ze was in hooge mate zenuwachtig en opgewonden. Toen, gaande met haar -langs de bijgebouwen, terwijl ze scheldwoorden als ’t ware vallen liet -uit haar mond, hij, kwaad, een bezemstok greep, dreigende haar te -slaan, vloog ze als razend de keuken in, nam er een mes en kwam op hem -af. - -John Silver sloeg vastberaden op de vlucht en sloot de deur zijner -kamer achter zich; orang takoetan! schold zij hem na.— - -Hij bekwam er niet van; de toestand drong niet tot hem door. Twaalf -jaren had hij die vrouw in huis; altijd was ze rustig geweest, -gewillig, onderworpen; hij had haar, als hij boos was, aller lei -leelijks naar het hoofd gegooid, zonder dat ze ooit veel weerwerk gaf; -hij had haar gestompt en geslagen, zonder dat ze in al die jaren aan -verzet had gedacht; en nu er een „ongeluk” was gebeurd, nu was ze zoo -„recalcitrant!” Ze zou hem dat mes tusschen de ribben hebben gestoken, -hij had het duidelijk gezien aan haar gezicht; een angstig gevoel kwam -over hem, als hij er aan dacht. - -Zij was gek, dacht hij; het ongeluk met het kind had haar gek gemaakt. - -Een oogenblik pikirde hij erover haar weg te jagen, een oogenblik -slechts; wat zou er van zijn huishouden worden? en dan de kinderen, -en.... de menschen? - -Zijn bekrompenheid zag alles in een onzuiver licht. Hoe de haat der -inlandsche vrouw zoo tegen hem was uitgeslagen, bevroedde hij in het -minst niet. - -’s Middags ging hij bij den dokter informeeren naar het kind, dat -redelijk wel was en maar weinig koorts had; en hij deed zijn beklag; -die vrouw had hem willen doodsteken, wat moest hij doen? - -„Wel niks,” zei de dokter. „Ik vind het zeer natuurlijk.” - -„Natuurlijk?” - -„Zeker, U zult niet ontkennen, dat u de hoofdoorzaak bent van het -gebeurde.” - -„Wat deden de kwajongens eraan?” - -„U hadt het wapen moeten meenemen en opbergen. Kinderen zijn kinderen; -niet waar? Dus nog eens, u bent de oorzaak.” - -„In Godsnaam dan,” zuchtte John Silver, vol gebrek aan schuldbesef. - -„De vrouw mag een inlandsche zijn, zij is in de eerste plaats moeder.” - -„En ik vader.” - -„Het kan zijn, maar dat is niet hetzelfde; u hebt haar kind een ongeluk -bezorgd; daarvoor zou ze u kunnen vermoorden.” - -Maar John Silver begreep er niets van, dan dit ééne: dat de dokter -blijkbaar twijfelde aan zijn vaderschap! Zou hij misschien iets weten -of.... vermoeden? - -„Ik geloof,” zei hij, „dat ze altijd een brave vrouw is geweest.” - -De ander haalde de schouders op, niet meer denkend aan het losgelaten -woord buiten den gesprekszin. - -„U zei,” ging John Silver voort, „het kan zijn. Wat bedoelde u daarmeê? -Weet u ook soms iets.... iets....” - -Hij vulde het aan met de uitdrukking van z’n gezicht, die den dokter -even duidelijk was, als ’t hem walgde dat zoo’n man, in plaats van -eenig gevoel te toonen voor de verwonding van zijn kind, of begrip van -de rechtmatige grief der vrouw, als een klis bleef hangen aan zoo’n -idee. - -„Ik weet in ’t geheel niets,” zei hij norsch, kortaf en boos. „Ik weet -alleen, dat het mijn tijd wordt voor de inspectie in het hospitaal. -Adieu!” - -Het was een formeel congé, dat John Silver erg hinderde; men had op de -plaats niet de gewoonte hem zoo cavalièrement en uit de hoogte te -bejegenen; hij werd nogal ontzien om zijn geld; en na dit gevalletje -was iedereen tegen hem in ’t harnas. Onder het naar huis gaan pikirde -hij daarover, en hij begreep er niets van, totaal niets. „Wat hebben ze -toch tegen mij?” vroeg hij zich zuchtend af. - -Het zou nog erger worden. - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -NIET ZONDER REDEN JALOERSCH. - - -’t Werd avond en de weggeloopen jongens kwamen niet terug. Naar alle -kanten werden inlanders uitgezonden om hen te zoeken, doch allen -keerden onverrichterzake terug. John Silver leefde nu werkelijk in -doodelijken angst; hij wist niet meer wat hij deed, bingoeng van al wat -hem in ’t laatste etmaal overkwam; hij lette nergens op, geheel zijn -kleine gedachten geconcentreerd op die beroerde jongens, die „weg” -waren: het trof hem niet, dat zijn huishoudster geen woord meer zei en -in haar kamer bleef, gemoedelijk, als ging haar ’t geval niet aan. - -Zij had er pleizier van en lachte hem uit. - -In den loop van den dag had ze bezoek gehad van een neef, die tien -palen het binnenland in woonde; hij had den afstand te paard gedaan; de -jongens waren bij hem aan huis, bij zijn vader, haar oom. Zij had hem -verboden iets ervan aan de bedienden of wie ook te zeggen, en hem met -een cadeautje en eenig geld gauw weggestuurd. Nu genoot ze van haar -doen; nu lachte ze John Silver uit in stilte, en verkneuterde zich -achter de stores, toen ze hem in zijn tentwagentje zag wegrijden om de -hulp in te roepen van den controleur. - -Die werd hem niet onthouden, maar de ontvangst was onvriendelijk. Het -„ongeluk” bij Silver aan huis was des morgens de plat du jour geweest; -iedereen had erover gepraat, tot men door de bedienden uit te hooren, -achter de geheele waarheid kwam; niet uit jachtlust maar uit -jaloerschheid had hij met een geladen geweer op de loer gelegen, en -niet om kalongs te schieten, maar Arabieren. - -Het was schandelijk,—zóó luidde de algemeene opinie. - -Dat iemand er een huishoudster op nahield, kon er nog door, maar dat -hij jaloersch op haar was, kon er niet meê door; en dan zóó erg, dat er -moord en doodslag uit kon voortkomen, zelfs reeds een onschuldig kind -als slachtoffer was gevallen..... - -De controleur zei ’t hem ronduit. - -„Ik zal uw kinderen laten zoeken,” was het ten slotte, „maar ik zal ook -op u het oog laten houden. En bij ’t minste dat er gebeurt, zal ik -genoodzaakt zijn strenge maatregelen te nemen.” - -Wezenloos zat Silver onder het naar huis rijden te kijken, langs den -schouder van den koetsier; hij lette niet op den weg; hij merkte niet -dat hij alweer thuis was vóór het rijtuig stilhield. Maar bij het -uitstappen schrikte hij hevig en werd krijtwit. Daar stond de -„smeerlap” weer in het galerijtje langs de bijgebouwen te praten met de -huishoudster. - -Driftig liep Silver er naar toe, den wandelstok omkneld. - -De groote arabier zag hem aan met rustigen glimlach en groette deftig -buigend, de doos toonend, die hij in de hand hield. - -„De njonja kan ze niet voor mij verkoopen,” zei hij. - -„Ik wil niet hebben, dat er hier buiten mijn tegenwoordigheid handel -wordt gedreven. Ga maar heen.” - -„Kunnen wij geen zaken doen. Waarom zouden mijnheer en ik twisten. Het -is beter geld te verdienen.” - -„Misschien later.... nu niet. Ga nu weg, zeg ik, en gauw ook.” - -Silver raakte buiten zichzelven; maar ineens schoten hem de woorden te -binnen van den controleur: „bij ’t minste dat er gebeurt....” - -„Zal ik dan eens terugkomen? Over een paar dagen? over een week?” - -Hij knikte maar, om van den vent af te komen; de arabier groette, even -rustig en beleefd als toen hij gekomen was, Silver, diens huishoudster -ook met een kalmen blik vlak in haar oogen; zij deed hetzelfde, en ze -hadden daarmee een hartelijk afscheid van elkaar genomen, dat door geen -demonstratie inniger had kunnen zijn. - -Want het was veel erger, dan de jaloezie van Silver het zich -voorstelde; werkelijk had die groote, breede arabier een relatie met -njai Peraq, en die dateerde al van maanden; hij reisde de streek af met -dure handelswaren, en was slechts nu en dan op de plaats; dan kwam ze -bij hem in z’n tokootje, en niemand had ooit iets daarin gezien, want -iedereen wist dat zij handel dreef. Het zou alles zijn geweest en -gebleven, alsof er niets bijzonders aan was, als hij dien ochtend niet -bij haar was gekomen en John Silver hem bij het weggaan niet had -gesnapt. - -Nu wilde zij zich niet meer geneeren; zij voelde zich heel anders dan -vroeger, veel meer „baas” in huis en tegenover John; dien had ze thans -eronder, dat wist en wilde zij; het mes was het middel. - -„Ik ben bij den controleur geweest,” zei hij, toen de arabier het erf -af was, „hij zal die rakkers laten zoeken.” - -„Het is niet noodig.” - -„Zijn ze dan terug?” - -„Nog niet; ik heb een soeroean gehad van mijn oom; daar zijn ze en ze -kunnen er wel blijven tot morgen.” - -Het was een pak van zijn hart; haastig ging hij naar boven en schreef -een briefje aan den controleur, die hem zoo’n standje had gemaakt; een -beleefd briefje tot onderdanigheid toe; een kniebuiging op ’t papier. - -Doch het hielp niet. - -In de societeit aan de kletstafel kwam het nog eens tot in alle -bijzonderheden ter sprake! De controleur vertelde met ophef, met zijn -rijzweep op de tafel slaande, hoe hij dien „vent” à faire had genomen. - -En men was het algemeen dáárover eens: hij kon niet langer president -blijven. ’t Was al te gek, vooral tegenover de dames. Er moest iets op -gevonden worden om hem eruit te krijgen; zoo mogelijk goedschiks, en -anders met kracht van algemeene stemmen. - -’t „Goedschiksche” was, dat de postcommies, die kasian met hem had, en -ook zoo’n arabieren-fresser was, Silver zou bewerken om z’n ontslag te -nemen. - -Toen hij hem opzocht, waren juist de weggeloopen jongens terug. - -De moeder nam een rotan en sloeg maar raak; daarop hadden de jongens -vooraf gerekend; na de eerste klappen zwegen ze, tot het te erg werd en -zij hun adoes uitbrulden; dan hield zij even op en scheen het uit te -zijn; maar ineens begon het opnieuw met de rotan; zóó ging het voort -alsof ze telkens uitrusten moest. En Silver stond er maar bij, vloekend -en scheldend op de delinquenten, met de vreeselijkste straffen en -kwellingen dreigend. Hij zou hun een arm uit het lijf draaien, hij zou -hun de beenen kapot slaan. En dat was nog het minste van wat hij hun -wilde doen. - -„O.... Meier.... pardon.... Ik had je niet gezien.” - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -DE IN ONGENADE GEVALLEN PRESIDENT. - - -Silver was erg verlegen toen hij den postcommies zag, wiens binnenkomen -ze door het rumoer met de kinderen niet hadden gehoord; de njai ging in -haar kamer en bergde de rotan op; de jongens veegden met de -baadjesmouwen hun behuilde gezichten af, daarna nieuwsgierig kijkend -naar het gewonde zusje, dat, een verband om het gezicht, met haar ééne -oog had toegekeken bij de strafoefening. - -„Ik had je even alleen willen spreken.” - -„Uitstekend. Kom binnen,” en toen de bezoeker in de voorgalerij was -gaan zitten, ging Silver voort: „Een sigaar?... Niet... ’n sigaret -dan... iets gebruiken? ’n glas bier?... ’n brandy soda?...” - -Maar Meier wou niet rooken en niet drinken. John had wel dadelijk aan -z’n gezicht gezien, dat het weer iets beroerds gold, en hij zuchtte -diep, toen zijn offerten niet werden aangenomen. - -„Er is over die perkara veel gesproken.” - -„Ja, veel te veel! Mijn God, kan ik het helpen? Ik ga hier zitten, hier -meneer!” riep Silver op de leuning van z’n stoel slaande, alsof dit nu -juist zoo’n merkwaardige bijzonderheid was. „Nou, zie je,—ik val in -slaap, natuurlijk! Als je een uur zit te loeren... wat? één uur?... -twee en een half uur; soengoe mati, ’t was half drie. Wa-blief?” - -John stak zijn kop vooruit tot vlak bij ’t gezicht van den postcommies, -uitdagend, als wilde hij hem een bijzondere goedkeuring afdwingen. - -„Het is ’n heele tijd. Maar weet je wel zeker, dat het kalongs waren?” - -„Ik heb er geen onder schot kunnen krijgen; de rakkers vreten mijn -djamboes op.” - -Meier keek eens rond; op ’t voorerf was geen djamboe te zien. - -„Men zegt, dat je op ander wild loerde.” - -John bedacht zich even. Het was beter, dat hij ’t Meier maar ronduit -zei; die begreep hem immers. Hij deed het. - -„’t Spijt me voor jou, Silver; ik kan er wel in komen, maar de anderen -niet; zij vinden het schandalig, en ze willen je niet meer hebben als -president; je moet eruit; het beste is, dat je je ontslag neemt, dan -hou je de eer aan je zelven.” - -John voelde het diep; ’t was de grootste wond hem ooit geslagen: die -zijner ijdelheid toegebracht. Hij wilde eerst protesteeren en praatjes -maken, maar Meier zei, dat men stond zoo goed als voor een fait -accompli, en ofschoon hij de woorden niet verstond, hij kende er de -beteekenis van; zelf had hij, zeer ad rem, als president wel eens -gesproken van zoo’n verschrikkelijke „vette compli.” - -Ineens viel hij, zenuwachtig, in een anderen toon. - -„God, zie je, ’t is mij onverschillig. Ze motten niet denken... Nou -hoor, dank je! Niet of graag, zeg! Wel zeker! Ik vraag mijn ontslag -niet; ik neem het; vandaag nog.” - -Maar toen Meier, tevreden over ’t resultaat, weg was, en John voor zijn -lessenaar ging zitten om den fameusen brief te schrijven, toen stond ’t -huilen hem nader dan het lachen. Dat presidentschap, waarover achter -zijn rug onder totoks dikwijls werd gelachen, was voor hem een zaak van -’t grootste gewicht; zijn eenige sociale raison d’être. En daarvan -moest hij nu afstand doen, alleen ter wille van zoo’n smerigen hond van -Hadramaut! - -Hij kon niet schrijven; hij stond op, razend en tierend bij zichzelven -en weer moorddadige plannen met het geweer koesterend, tot hij, -uitgeraasd, den noodlottigen brief verzond. - -Het was als een openbare aankondiging van zijn val. - -Van dien dag scheen hij geschrapt te zijn uit de lijst der ingezetenen. -In de societeit kwam hij niet meer, en bezoeken kreeg en ontving hij -niet. En naarmate hij van zijn Europeesche mede-ingezetenen -vervreemdde, trok hij zich meer in zijn huis terug, het leven als -begrensd door de pagger van zijn tuin. - -De gewone mutaties hadden na korten tijd een geheele verandering -gebracht; de controleur, de luitenant, de postcommies en meer anderen -waren overgeplaatst en vervangen; niemand wist ten slotte precies meer, -wat vroeger met John Silver was gebeurd, maar iedereen had nog zoo den -indruk, dat hij ’n gemeene kerel wezen moest. - -Hijzelf had zich met veel verzoend; de arabier kwam nu dikwijls bij hem -en hij participeerde in diens handel, al kon hij soms nog opstuiven bij -het idee, dat hij bedrogen werd; maar dan was de groote mond, dien njai -Peraq tegen hem opzette, voldoende om hem tot bedaren te krijgen. Na, -wat hij zijn „val” noemde, zat hij onder de pantoffel zijner -huishoudster. - -En hij gewende eraan. Nu het vierde kind toch spoedig volgen zou, had -hij zijn huishoudster een assistente toegevoegd, een goed uitziend -inlandsch meisje. Alle partijen hadden zich zoodoende geschikt, en al -kon hij ook buien krijgen van zwaarmoedigheid en zenuwachtig -worden,—het ging gauw over. Als hij het dochtertje zag met het stuk -geschoten oog, of hij hoorde de stem van njai Peraq, die nu altijd -brutaal en bevelend door het huis klonk, zonk zijn stemming terug. - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -HET VIERDE KIND. - - -De geboorte van dat vierde kind was een zware slag voor hem. Niet om -het feit zelf, maar door het resultaat. Eerst had hij in ’t half -duister, waar hij, zelfs met zijn bril op, maar slecht zag, even -gekeken zonder belangstelling; hij had ook nu gehoord, als meermalen -vroeger, dat het een kloek kind was, een jongen. Dàt vond hij -voorloopig welletjes. - -Nu de baboe hem in het vensterlicht het kind liet zien, slapend op een -kussentje, dat ze droeg op haar armen, stond hij verstomd te kijken, -zijn hoofd over den schouder van de meid, als verdiept in een stille -studie. Met een zwaren zucht richtte hij zich op. Hoe was het in -godsnaam mogelijk? ’t Leek wel een kind van drie maanden, zoo groot en -dik! En dan die schrikkelijke haargroei op het hoofd vol pikzwart -wollig dons, doorgroeiend langs de oortjes tot op de blanke wangen! -Zijn hand gleed over z’n eigen bruin gezicht zonder knevel of baard, en -als vragend keek hij de baboe aan, die met een klein glimlachje de -oogen neersloeg, denkend haar eigen gedachten. - -„Seperti monjet,” zei hij eindelijk zacht. - -De meid was er verontwaardigd over; zij vond het een mooi kind; vrij -wat flinker, dan de andere vier scharminkels, die op hem leeken; met -een boozen blik keerde zij zich om en lei het kind in ’t bed, terwijl -Silver de deur uitging, verbluft door wat hij gezien had. - -Want met al zijn vroegere jaloerschheid had hij het nooit recht goed -geloofd; nu was het voor hem een uitgemaakte zaak: van dat harige -apenkind met breeden kop en grof beendergestel kon hij toch onmogelijk -de vader zijn. Hij trachtte niettemin zich de mogelijkheid op te -dringen; hij diepte uit zijn herinnering allerlei dingen op, die hij -vroeger wel eens in kranten of tijdschriften had gelezen over -„spelingen der natuur;” het kon ook zijn, dat zijn njai zich had -„verkeken,” en toen hij wel een uur tusschen twee prachtig bloeiende -rozenstruiken op een bankje in den tuin had zitten pikiren, gelijk aan -een waardelooze prent in ’n mooie lijst, keerde hij terug naar de kamer -en ging kijken bij het ledikant, aandachtig turend, het hoofd schuddend -nu en dan. Opeens trok het kind ’n leelijk gezicht, bewoog heftig armen -en beenen en begon te schreeuwen, hard, zwaar en dringend; de meid -schoot toe; John Silver stond op en ging heen. - -Neen, dat kon niet zijn! Hij had z’n best gedaan om zichzelf de -mogelijkheid aan te denken, en meende daartoe ’n beetje op weg te zijn -gekomen: maar de manier, waarop dat „jong” een keel opzette, had al z’n -pogingen tot zelfovertuiging ineens doen mislukken. Hij beproefde het -niet meer met redeneering; het was thans voor hem een uitgemaakte zaak. - -De pijnlijke zekerheid vervolgde hem den heelen dag; hij verzorgde zijn -bloemen uit gewoonte, maar gaf er haast geen acht op, telkens -stilstaand of ergens gaande zitten, om na te denken over wat hem te -doen stond. De vrouw interesseerde hem niet meer, en zou dat -waarschijnlijk toch nooit meer gedaan hebben, nu de andere in huis was; -dàt was het niet; haar wegjagen ging niet, tenzij hij de kinderen naar -Holland zond, wat hem veel te duur was; en dan het huishouden! Maar hij -wilde ook geen schandaal; hij vreesde voor praatjes en opspraak, die -hem nu nog maar belachelijk zouden maken, zooals ze hem reeds vernederd -hadden. Van dat alles niets dus; maar wreken moest hij zich op de een -of andere manier; deugdelijk, blijvend en afdoende. - -Schuin gleed het roodvergulde licht der in zee gaande zon onder den -rand van zijn stroohoed in zijn gezicht; het sloeg bij dofglinsterende -stukken en strepen in het woelige water der wijde, bewegende vlakte; -achter, ver boven de weiden, donkerde de avond aan, en staken de -palmboomen ruischend op in een al somberder wordend halflicht; John -Silver zag het niet; hij zag niets, geheel bezig met zijn gedachten op -het ééne punt: hoe moest hij handelen, nu hij zoo bedrogen was? - -Ineens wist hij het. Het was zóó eenvoudig, te eenvoudig naar zijn zin; -hij had gewenscht, dat het moeielijker ware geweest en meer -gecompliceerd; hij begreep niet hoe hij nog zoolang erover had moeten -pikiren; maar gevonden was het, en zoo het nog niet ingewikkeld was, -hij zou het dat wel maken. Door zijn trouvaille kwam hij weer -eenigszins tot zichzelven; hij lachte erom; het lachte hem toe; zoo het -niet spoedig zou werken, zeker was het, en dat moest hem voldoende -zijn. En als goedkeurend knikkend tegen z’n eigen idée, nam hij uit -zijn soepelen rieten sigarenkoker een strootje; en de lucifer hoog -opvlammend bij de paar trekken, weerkaatste hel in zijn glinsterende -oogen. - -Dat Silver een kind meer had gekregen, was op het plaatsje geen -onderwerp van discours. Ja, als hij wettig gehuwd was geweest, met een -ook maar eenigszins presentable vrouw.... Nu niet. - -Slechts door één werd hem over dat kind gesproken; ’t was door den -dominé, die op een rondreis hem bezocht en het wilde doopen, zooals hij -de andere kinderen vroeger had gedaan; nu ging hij heel boos weg omdat -Silver beslist weigerde. - -Met moeite had hij een naam voor ’t kind gevonden; het mocht er geen -zijn uit de familie; dàt nooit; eerst dacht hij aan eenigszins dwaze en -bespottelijke namen, maar dat verwierp hij toch ook; toen, beginnend -bij het begin, was hij dadelijk klaar: Adam. - -En zóó bleef het. - -Hij maakte anders weinig verschil; sprak en deed tegen den kleinen Adam -als tegen de andere kinderen; het eenige was, dat hij hem nooit -aanraakte, als hij het kon vermijden; maar daarentegen kon hij met de -grootste attentie naar ’t kind zitten kijken vele minuten achtereen; -hij zag het opgroeien onder zijn oogen, hij zag het een levenskracht -ontwikkelen zóó sterk, als geen der andere ooit had bezeten. - -Over zijn eigen hoofd gingen de jaren zonder spoor achter te laten; hij -verouderde niet in zijn uiterlijk; zooals hij eruit zag, had men hem -twintig jaren vroeger reeds gekend; en in zijn onveranderlijke -magerheid was hij een tegenstelling met het forsche kind, dat met den -dag anders, grooter en kloeker werd. - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -ADAM WORDT EEN KNAPPE JONGEN. - - -Door de eenvormigheid en het eentonige van het Indische leven stapte de -Tijd met groote, snelle schreden. Adam Silver werd ’n jongen van zes, -zeven jaar; een mooie jongen, slank en sterk gebouwd, met iets ernstigs -door het groote voorhoofd, de zware wenkbrauwen en de dikke lange -wimpers; njai Peraq was erg oud geworden de laatste jaren; de arabier -had zijn handel naar elders verplaatst, Silver liet haar voor wat zij -was; dus, als vrouw verwaarloosd, deed zij dat ook haar zelve; zij zag -er nu leelijk en vervallen uit; een goede menagère bleef zij; het kon -in een huis niet zuiniger en geregelder toegaan dan in dat van John -Silver; en zij maakte ook geen onderscheid in de behandeling harer -kinderen; Adam scheen voor haar evenveel of weinig als de rest. - -Maar hij moest schoolgaan, zei ze, zooals de andere jongens en daar kon -Silver niets tegen inbrengen. - -„Waarom stuur je hem er niet heen?” vroeg zij. - -Hij dacht een oogenblik na. - -„Ik wou hem graag meer laten leeren.” - -Verwonderd keek ze op. - -„Waarom? Is het niet genoeg? De jongens schrijven mooi. Al kan ik het -niet zelf, ik zie het toch wel. Zij kunnen heel goed rekenen; als ik -hun vraag de rente uit te rekenen van geld, dat ik heb geleend, kunnen -ze het dadelijk; zoo gauw, zoo gauw op hun lei,—haast net zoo gauw als -een chinees met de balletjes.” - -Maar hij glimlachte over haar domheid en schudde het hoofd. - -„Het is niet genoeg, tegenwoordig; de menschen worden zoo knap; het is -voor Adam niet genoeg.” - -„Waarom voor hem niet?” - -„Hij is erg pienter.” - -Ja; dat vond zij ook; hij kon soms heel wijs praten voor een kleinen -jongen. - -„Wat wou je dan?” - -„Hier niet; hier is het maar een kleine plaats. Ik meen te Batavia.” - -Het beviel haar niet. Was Silver gek geworden? Zij wist wel, dat -residenten en rijke planters hun kinderen naar die scholen te Batavia -zenden; maar hij, die zoo zuinig was,—en dan zij zelf, vooral niet -minder dan hij op de penning.... - -„Je wilt hem daar toch niet heen zenden?” - -Silver knikte van ja, nadenkend voor zich heen kijkend, de kin steunend -op de handpalm, in gedachten voortwerkend aan zijn plannen. - -„Het gaat niet,” zei ze, „het zou te veel kosten.” - -„Wat te veel kosten?” viel hij met zijn oude zenuwachtigheid ineens -uit. „Heb ik geen geld genoeg? Zou ik geen jongen...” Een oogenblik -hield hij stil; hij had willen zeggen in zijn driftig spreken: „een -jongen van me,” maar dat wilde er niet uit... „Zou ik geen jongen naar -Batavia kunnen sturen? Wel, dat is mooi!” - -„Mooi... niet mooi... Het kost veel geld.” - -„Soedahlah! Wat komt het erop aan. Hij zal wel knap worden, denk ik; -hij heeft al ’n beetje lezen geleerd, nu, heelemaal uit zichzelven.” - -Dat was waar: zij wist het en had er tegen bedienden en andere -inlanders al dikwijls op gebluft; als het geld haar niet zoo na aan het -hart had gelegen, door haar pure liefde voor het geld, zou zij dadelijk -hebben toegegeven. Nu praatten zij er nog dikwijls over; zij, altijd -met hetzelfde bezwaar, wetend, dat het ook een zwak punt van hem was; -maar hij, tot haar verwondering, ineens zoo scheutig met geld voor -Adam’s opvoeding. - -Zonder iets te zeggen, had hij al geschreven naar een ouden sobat te -Batavia; twee dagen had hij over den brief gesteld, met de -zweetdroppels van geestelijke inspanning op het voorhoofd; ten slotte -was hij zeer tevreden over zijn werk en vond zich pienter. Er moest, -had hij geschreven, „een kleine jongen” op school worden gedaan, en de -vriend werd verzocht ervoor te zorgen; de „kleine jongen” moest op de -beste school; hij moest van alles leeren, goed gekleed gaan, en zoo -Europeesch mogelijk worden opgevoed; wat het kostte deed er niet toe. - -Toen het antwoord kwam, dat voor alles zou gezorgd worden, mits hij -maar doewit zond, ging Silver weer aan het schrijven; de regeling der -geldzaak was zijn minste zorg, die was met een paar korte briefjes, nog -denzelfden dag, dien van aankomst en sluiting der mail, in orde. - -En eerst daarna zei hij aan njai Peraq, dat alles beslist was; dat Adam -met de volgende mail naar Batavia werd verzonden, en de oude mandoer -Kasim hem maar moest brengen. Zij vroeg wat het kostte, hij loog de -helft goedkooper. Toch stak ze de dikke bruine armen verschrikt omhoog: - -„Waah! zooveel geld voor zoo’n klein kind. Het tractement van een -opziener blanda.” - -„Als hij knap is naderhand, verdient hij het honderdmaal terug.” - -Zij ging heen, hoofdschuddend en ongeloovig. Om die knapheid moest zij -lachen. Daar waren de europeanen zoo dol mee! Hij anders niet,—nu -ineens wèl voor Adam. En ’t mocht wat! Zij was maar een domme -inlandsche vrouw, maar hoeveel verdiende zij niet! Het gaf alles niets -dan soesah; hoe knapper, hoe meer soesah! - -Zoo mopperde zij door, in de goedang en in de keuken, hardop, meteen -vertellend het geval aan de nieuwsgierig luisterende bedienden; die, in -stilte staanden, de koetsier bij zijn emmers om de gabah te ontvangen, -kokki bij haar kommen en bakjes voor rijst, olie en boemboe, een luie -baboe tegen een deurpost,—die dachten allen éénzelfde gedachte: waarom -was toean toch zóó gesteld op dien sinjo Adam? Waarom wou hij dàt kind, -dat het zijne niet was, dus bevoorrechten boven de anderen, en er -zooveel geld aan ten koste leggen, terwijl zijn eigen jongens haast -geen fatsoenlijk baadje aan het lijf hadden. - -Njai Peraq zelf dacht daar heelemaal niet aan; haar gemoedelijke -onverschilligheid tegenwoordig voor alles wat geen geld was, wischte -veel uit haar herinnering; zij had zich afgewend, ook in haar -gedachten, oude koeien uit de sloot te halen; het gaf niets; het bracht -niets op; de kinderen waren de kinderen en daarmee uit. Ze ging weer -terug naar Silver. - -„Hoe moet het met zijn pakéan?” - -Hij had er niet aan gedacht, ’t kon hem ook niet schelen. - -„Dat komt terecht.” - -„Ik moet toch iets hebben om hem aan te kleeden, hij kan toch zóó niet -aan boord.” - -„Zanik niet!” riep Silver barsch; „doe maar zooals je wilt. -Traperdoeli, maar zanik niet.” - -De waarheid was, dat zij hem stoorde in het zoeken naar een akal; hij -moest er iets op verzinnen, om weg te komen vóór het vertrek van de -mailboot. - -Op een avond schudde hij haar wakker. - -„Ik heb een brief gekregen. Sta op.” - -Slaapdronken en geeuwend streek zij met beide handen de grove zwarte -haren zich uit het gezicht, en haar: apa lagi? klonk als een: -vervelende vent, wat mot-je nou weer? - -Hij hoorde het wel, maar ging op zijn druktetoon voort: - -„Heb-je ’t niet gehoord? Ik heb een brief gekregen. Er is op de perken -een ongeluk gebeurd. Onze administrateur ligt te sterven. Ik moet er -dadelijk heen.” - -’t Kon haar wezenlijk niet schelen; als zoo’n man dood ging, nam men -een ander! Doch ze wist wel, dat andere menschen drukte maakten over -zulke dingen. - -„Maak me gauw wat eten en drinken klaar voor onderweg; ik heb al ’n -boodschap gestuurd om ’n prauw.” - -Een half uur later was hij weg met het inlandsch vaartuig onder goeden -wind; en hij lachte tevreden in den mooien sterrennacht, wiegelend op -de zachte golfjes, achterover in een langen stoel den rook van zijn -strootje omhoog blazend. Zij had er niets van gesnapt, dacht hij, en -dat had ze ook niet. Op de pasar vertelde zij luid, dat mijnheer Silver -plotseling naar de perken had moeten gaan, wijl de administrateur heel -ziek was. - -Wie is het? vroegen de europeanen, toen de bedienden met het nieuwtje -thuis kwamen; maar men kende hem niet; het was een nieuwe van de andere -zijde der eilanden; wat gaf men om een onbekenden man? - - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -DE KNAAP VERTREKT NAAR BATAVIA. - - -Toen njai Peraq haar zoontje aan boord bracht, zag zij ook mijnheer -Verlande, die met vrouw en kinderen, naar Batavia ging; zij wist wel, -dat hij daar ging wonen en zaken doen. De eenige bagage van den kleinen -Adam bestond uit een boenkoesan katoenen goed in een oude sarong -geknoopt; verder had njai Peraq hem netjes aangekleed met een vuurrood -kieltje aan, een meisjes stroohoed op met groene en gele bloemen -gegarneerd en een kort broekje met een sarongstrook eraan; de mooi -gebouwde jongen had onder dezen door alle inlanders zeer bewonderden -opschik, meer van een grooten kermisaap, dan van een kind: de -Europeesche passagiers lachten erom. - -„Laat hem maar bij mij blijven,” zei mevrouw Verlande goedig; „ik zal -onderweg wel voor hem zorgen.” - -En wijl nu dadelijk daarop de niet-passagiers van boord moesten, sloeg -njai Peraq ineens over tot een woest vertoon van droefheid, dat de -Europeanen ontroerde, en hun de menschkundige opmerking ontlokte, dat -een moeder toch een moeder blijft. - -Mevrouw Verlande was Adam’s moeder niet, maar meer en beter in dit -geval; het eerste, wat zij deed, toen de boot onder stoom liep, was den -jongen meenemen naar haar hut, hem ’t apenpakje uit, en ’n proper -broek-en-baadje aandoen. En zij bleef voor hem zorgen, tot groote -vreugde van den mandoer Kasim, die met andere inlandsche mannen en -vrouwen een gezelligen dobbelkring vormde op het luik van het laadruim, -zonder zich ooit over den sinjo te bekommeren. - -En zoo Adam wel eens dacht in zijn gewoon kinderleven,—hier in deze -nieuwe omgeving, waar alles zoo vreemd was en zoo mooi, had hij daar -geen tijd voor, de aandacht heelemaal in beslag genomen door de zee, -het schip, de beweging. Met de jongens van Verlande had hij een nooit -gekend pleizier; hij dacht aan niemand; niets hinderde hem; eten, -slapen, pret maken! - -Op de school te Batavia was dat anders. Daar leefde het kind -aanvankelijk als in een roes; de orde en gelijkmatigheid in dit bestaan -biologeerden den aan haast volkomen vrijheid gewonen knaap. Maar hij -verlangde niet terug naar huis; zijn sterk lichaam en aan physieke -ontwikkeling hard werkende organisatie, eischten veel en goed eten; -meer dan de rijst en een kleinigheid, die thuis zijn rantsoen waren; -hij verslond het vele en krachtige voedsel, waarvoor anderen dikwijls -den neus optrokken, niet omdat hij ’t lekker vond, maar uit aandrift -door behoefte. - -Er kwamen berichten over Adam bij John Silver, geregelde korte -mededeelingen van den directeur der school; ongeregelde maar uitvoerig -van mevrouw Verlande, die van den jongen was gaan houden, en hem op -vrije dagen bij haar aan huis liet komen om te spelen met de kinderen. -Silver beantwoordde de eerste een enkele maal; hij vond, dat ze als -„dienst” vielen te beschouwen; maar om te toonen, dat hij „beleefd” -was, schreef hij altijd dadelijk aan mevrouw Verlande, met -dankbetuiging voor haar vriendelijkheid ten opzichte van „den kleinen -jongen” of van „Adam,” dàt wisselde hij zoowat om en om. - -In gewone omstandigheden waren de berichten niet bepaald gunstig; zoo -hij een vroolijk klein kind was geweest in de oogen van John en njai -Peraq,—hij was geen „knappe jongen” voor zijn onderwijzers; van een -bijzonderen aanleg bleek niets en lust tot studie ontbrak haast geheel; -alleen was hij goed van aard; niet lastig of slecht van karakter; -vooral was hij gezond; koorts en cholera-epidemieën hadden gewoed en de -school kreeg haar onvermijdelijk deel,—maar wie ook ziek werd, Adam -Silver niet; hij groeide tegen alle invloeden rustig en lustig op tot -een grooten sterken boy, met op z’n twaalfde jaar de eerste -geprononceerde beginselen van een knevel, wat hem van vele -medescholieren de achting en de gunst bezorgde. - -Het was John een raadsel. Hoe kon een jongen, die uit zichzelven lezen -had geleerd, zoo’n stommeling zijn als de directeur schreef en mevrouw -Verlande bevestigde? Deze vraag had John zich wel honderdmalen gesteld. - -En het trof zoo eigenaardig, vond hij, dat z’n andere jongens precies -zulke stommelingen waren, als die vervloekte Adam. - -Indien ’t kind nu toch eens van hem was geweest en niet van dien -hadramautschen hond? - -Hij had er lang over gepikird; hij had boeken laten komen, waarin hij -weer dacht de natuur op bijzondere „spelingen” te betrappen; het hielp -niet; òf de natuur speelde er niet meer mee, òf hij, Silver, begreep -het niet... Hij beproefde een gesprek over zulke dingen met njai Peraq, -maar die keek hem erg dom aan, metterdaad volstrekt niet begrijpend, -wat hij bedoelde, en zich bepalend tot een herhaald en alles afdoend: -barang kali. Het duurde tot in een harer brieven mevrouw Verlande -gekscherend melding maakte van Adam’s aankomenden knevel. Daar schrok -hij van! Voor een der verweerde spiegels in zijn voorgalerij bekeek hij -door zijn bril aandachtig zijn gezicht; en toen een van z’n jongens—de -oudste werkte al „op” de perken—met hem rijst zat te eten, lette hij -ook aandachtig op diens bovenlip; maar het mocht wat! Geen spoor! - -Neen, die gebaarde duivel zou nooit, zoolang hij, Silver, leefde, zijn -huis als zijn zoon betreden! Mevrouw Verlande hield zooveel van hem en -zij schreef erover, dat ze met haar man naar Holland ging,—wel, ze -moesten dien vervloekeling dan maar meenemen. Het ging hem wel aan ’t -hart, want het zou een „hoop” geld kosten, maar aan den anderen kant -was het toch ook aardig en speelde het geheel in ’t spel, dat hij nu al -jaren geduldig volgde, en waarvan hij zelf wel niet zeker was de -resultaten te zullen zien, maar waarvan hij dan toch zoo goed als de -zekerheid had, dat het doel zou treffen. - -Hij schreef een vriendelijken en onderworpen brief aan mevrouw -Verlande; hij beklaagde zich over de slechte tijden; hij bezwoer haar, -dat, zoo Verlande al goede zaken maakte met zijn aandeelen in -landelijke ondernemingen, hij, Silver, niets dan tegenspoed ondervond; -maar hij zou alles willen opofferen om Adam een goede opvoeding te -geven. - -En mevrouw Verlande, het alles opnemend voor goede munt, was er -ontroerd door. „Het is toch heel mooi van zoo’n man,” zei ze tot -Verlande. - -Maar Silver kon hem, wat de dubbeltjes betrof, niets wijs maken. - -„Nou ja,” zei hij, „’t is heel wel, dat hij den jongen naar Europa wil -zenden, maar om het geld behoeft hij het evenmin te laten als ik.” - -Er tegen had Verlande overigens niets. Hij schreef Silver om het geld -te zenden en eenige stukken; het geld alleen volgde, en daar dit de -hoofdzaak was, liet men het erbij. Maar John Silver waren die twee -duizend gulden als van ’t hart gescheurd. Met den leeftijd werd hij -gieriger. Als hij nu nog had moeten beginnen met zijn plannen van -vroeger,—hij zou het niet hebben gedaan; hij zou Adam precies hebben -behandeld als de andere kinderen. Het kostte hem wat, toen hij nu erop -uit moest met de kostelijke twee mille in den zak, om er een -gouvernementswisseltje voor te koopen! - -Voor geen geld zou hij het njai Peraq hebben verteld; het huis zou een -hel zijn geweest, dag in dag uit. - -Nu, echter, kon hij niet meer terug. En de ambtenaren op het kantoor -hadden hem geprezen; geen sterveling was meer op de plaats van hen, die -er twaalf jaren vroeger waren; niemand wist iets van de oude, bij slot -van rekening toch onbeduidende perkara. Alleen stond Silver bekend als -een woekeraar, die geld schoot aan europeanen, arabieren en inlanders, -tegen fabelachtige rente, of met knoeierijen van koop en verkoop van -huisjes met recht van wederinkoop. Nu, dàt deed hij. De termijnsgewijze -terugbetaling van het geleende geld heette de uitoefening van dat -recht; maar, bij één termijn verzuim verviel het, en dàt was, vooral -bij inlanders, de speculatie; zij verzuimden ten slotte toch altijd wel -eens te betalen, en dan waren Silver of zijn njai erbij als de kippen -om de levering te eischen van het aan hen „verkochte” huis. Dit alles -was bekend, maar toch vond men het mooi van „zoo’n man,” dat hij -zooveel over had voor de opvoeding van een zijner zonen. - - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -LAAGHARTIGE WRAAKZUCHT. - - -„Wij vertrekken morgen met de Conrad,” schreef mevrouw Verlande later, -„en wij zullen goed voor A. zorgen; hij zal ons geen last aandoen, want -hij is een beste jongen. Ik denk wel, dat het in Holland met het leeren -beter zal gaan, dan hier; het klimaat eigent zich daar meer tot werken. -Hierbij A’s portret; wij doen u daar zeker genoegen mee; we hebben ook -onze kinderen laten photographeeren, afzonderlijk en in een groep met -A.; wij noemen hem altijd enkel A. en laten dat „dam” maar weg. Van de -groep sturen wij eveneens een exemplaar hierbij. Vele groeten ook van -Verlande: wij hopen, dat gij A. als een in alle opzichten flink jonkman -na zijn leertijd in Indië zult terugzien.” - -Wat liep het toch raar in de wereld! vond Silver. Voor jaren had hij -dien Verlande zoo’n stommeling gevonden, omdat hij die pur sang -Europeesche vrouw had getrouwd. Zonder er zich rekenschap van te geven, -was zijn opinie veranderd. Nu had hij een groot respect, voor haar -eenvoudig maar altijd handelend en goed optreden. De enkele maal, dat -hij sprak met europeanen, had hij het altijd over haar; dan blufte hij -er op, dat hij met haar briefwisseling voerde; dan betoogde hij met een -gewichtig gezicht, dat zij een buitengewone vrouw was; dan zou hij -iemand voor stapelgek hebben gehouden, die over zulk een „dame”, zooals -hij zich bij voorkeur uitdrukte, en over een inlandsche huishoudster in -één adem sprak. - -De mooie photographieën bekeek hij lang, en hij zuchtte er diep bij: -welk een kerel voor 12 jaar was dat hondenkind! En dat stond daar, zoo -netjes aangekleed—voor zijn, Silver’s, duiten,—met een rustige, breede -bazigheid en brutale aankijkers van oogen, alsof-ie ik weet niet wat -was! De latente haat giste op in John Silver’s hoofd, beliep zijn -oogenwit met gloeiig rood en fonkelde in de lichtende zwarte pupillen; -hij nam van de schrijftafel, waaraan hij zat, een pennemes en stak in -het portret, een kwaadaardigen glimlach om den breeden mond. Daar! -daar! Hij stak in de oogen, in het hart, overal! En eindelijk, toen er -geen herkenbare figuur meer te zien was, lei hij de photographie over -een aschbakje, hield er ’n brandenden lucifer onder en bleef er bij -zitten, telkens met nieuwe lucifers de verkoling doorzettend, tot -Adam’s vernietiging in effigie voltrokken was. - -Toen ging hij met de groep in de hand naar de kamer van njai Peraq in -de bijgebouwen; hij moest erom lachen: het „jong” was al lang aan boord -en zij wist nog nergens van! Vol zenuwachtige drukte, maleisch -rabbelend buiten al, met den deurknop in de hand, ging hij de kamer -binnen. - -„Dat is wat moois, hoor! Die lui doen maar wat ze willen. Heb ik -heelemaal niks meer te zeggen? Ik moet het immers betalen!” - -„Apa, toch?” vroeg zij, opkijkend van haar naaiwerk over de dik in -zilver gevatte brilleglazen. - -„Wel, de Verlandes hebben Adam meegenomen naar Holland.” - -Het liet haar koud. Over de zee, was over de zee. Of het Java heette of -Holland,—’t was volgens haar geographisch begrip alles sama djoega. Was -John weer gek, dat hij daar nu zoo’n leven om maakte? - -Hij zag, dat ’t haar heelemaal onverschillig was, en dat hinderde hem; -hij had ’t voor haar verzwegen omdat hij geen ruzie over de onkosten -wou hebben, maar toch ook ’n beetje, wijl hij vreesde, dat zij Adam -vóór zijn vertrek naar Europa, dat hem, die de reis nooit gedaan had -een kolossale onderneming toescheen, zou willen zien; bij al zijn -omgang met inlanders van allerlei soort, mannen en vrouwen, was hij -geen menschenkenner genoeg om ooit anders te oordeelen, dan naar eigen -conventioneel indo-europeesch begrip; en zoo had hij nu ook niet -ingezien, dat voor een inlandsche vrouw, die nooit van de kust was -geweest, waarop ze geboren werd, over de zee, over de zee was. - -„Naar Holland,” riep hij met een dringerig stemgeluid, dat moest -aanvullen wat er ontbrak aan woordbeteekenis. - -„Soedah, naar Holland; ik hoor het wel; wat maakt het uit, als hij toch -zoover weg is om knap te worden? Ik heb hem niet meer gezien, sinds den -dag, dat ik hem op de boot bracht in zijn mooi rood kieltje. Kasian, -wat weet ik van hem.” - -John Silver was achter haar gaan staan; hij kreeg er nu pleizier in; -ja, dat hoorde hij wel aan den toon, waarop ze sprak: ze had op haar -manier er een stil verdriet over. Het was voor het eerst, dat hem dit -opviel, en voor geen geld, hoe lief dat ook was, had hij deze -gelegenheid verzuimd. En hoe het hem ook tegen de borst stuitte een -goed woord te spreken over het „hondenkind,” zoodat hij haast misselijk -werd van zijn eigen woorden, zei hij: - -„’t Was een mooi kind, die Adam; hij zal nu wel een knappe jongen -zijn.” - -Njai Peraq zei niets; haar bruine door de jaren al slapvleezig wordende -handen, lagen stil in haar schoot op de blauwe en roodachtige -kainfiguren, in de eene het half afgezoomde baadje, in de ander de -naald en draad en glinsterend aan den wijsvinger de zilveren vingerhoed -met aan den top een doorschijnend rooden steen, waarin zacht en doffig -het zonlicht speelde; het was zoo rustig en haast geruischloos in ’t -kamertje, met de gekke spitsneuzige wajangfiguren en de grillige -Japansche strooken aan den wand; met tot achtergrond de groezelig witte -klamboe; met het kleine driftig tikkende amerikaansche klokje op de -tafel, dat de aandacht bezig hield van den grooten zwarten kater, die -onbeweeglijk ernaar zat te kijken, óók op het tafeltje, voor njai -Peraq. - -Silver zei eerst niets en begon op zijn matten sloffen heen en weer te -loopen over den roodsteenen vloer. - -„Ze hebben me uit Batavia een portret gestuurd van de Verlandes en hun -kinderen; daar staat Adam ook bij; kan je hem herkennen?” - -Hij lei de groep voor haar neer, en zij keek ernaar. „Itoe dia,” zei -ze, wijzend met de naald in haar hand. Het kind had ze niet zoozeer -herkend; tusschen het „roode kieltje,” dat ze, nu haast zeven jaren -geleden, had weggebracht naar den stoomer en de beeltenis van dien -grooten sinjo, in een openstaand buisje met ’n vest eronder en ’n lange -witte pantalon, bestond geen verband; maar de kalme somberheid van den -kop en de boeddhistische rustigheid der figuur had, zonder dat ze ’t -zich eerst bewust was, de herinnering tot haar doen spreken aan den -vader. - -En naarmate ze langer keek, drong het begrip der gelijkenis meer tot -haar door; het verteederde haar; het deed haar zuchten keer op keer; -het wekte in haar een groot gevoel van teederheid en van verlangen om -dien jongen eens te zien, hem te hooren spreken; en hem te bedienen; -dat laatste vooral. - -Terwijl John Silver een nieuw strootje opstak, zag hij, dat ze ontroerd -was, dat er tranen stonden in haar oogen en de blauwige lippen van den -grooten mond strak naar binnen trokken. - -„Ja,” zei hij, inwendig genietend, „het is zoo ver naar Holland; zoo -erg ver. Als hij te Batavia was gebleven, hadden we hem nog eens hier -kunnen laten komen. Nou hebben ze hem mee naar Europa, en komt daar -niks meer van.” - -„Hoe?” vroeg njai Peraq, die maar half geluisterd had. - -„Wel, dat gaat niet. Hij moet daar in Holland leeren.... God weet -hoelang.... Je kunt zoo’n jongen niet eventjes naar hier laten komen.” - -„Als wij willen.” - -„Hè? Wat willen?” - -„Ik zeg: als wij willen. Daarvoor hebben wij toch wel geld genoeg.” - -„Je begrijpt niks; je bent maar een dom mensch; al had je een huis vol -goud, zou het nog gekkenwerk wezen.” - -„Zullen we dan Adam nooit terugzien?” - -„Dat zeg ik niet; misschien wel; als wij niet gauw dood gaan en als hij -met leeren klaar is.” - -„Hoe lang?” - -„Dat weet ik niet, dat hangt van hemzelf af; als hij goed leert, dan -misschien maar kort, en anders lang.” - -„Mag ik het portret houden?” - -Een oogenblik aarzelde hij; het was wel aardig om het in een lijstje te -zetten en op te hangen aan den wand, wijl mevrouw Verlande erop stond, -en hij dan bij gelegenheid dadelijk het bewijs kon leveren voor de -goede verstandhouding, waarop hij altijd blufte, tusschen hem en de -familie. Maar het vooruitzicht altijd het gezicht van dat „hondenkind” -voor den neus te hebben, was te erg. - -„Och,” zei hij, „als je ’t graag hebt...” - -Alsof ze bang was, dat hij van besluit veranderen zou, bergde ze het -portret haastig weg in de groote, groen geverfde ijzeren trommel met -roode banden, waarin achter een chubb-slot meer waardvolle dingen -verborgen werden. - - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -TELEURGESTELDE VERWACHTINGEN. - - -Een lage bierkelder, waarin een lang man niet rechtop kon gaan; een -warme broeiige temperatuur, hoog door veel gasvlammen aan den wand; een -benauwende nevelatmosfeer van vervluchtigenden tabaksrook; aan kleine -tafeltjes tegen de witte welvende muren, door aankomende schilders met -schetsachtige teekeningetjes beklad, de gasten, de dampende sigaren -onder de knevels uit, de klepglazen met bier voor hen; tusschen de -rijen in, haastig heen en weer, twee zwarte Jan’s-figuren, de leeren -geldtaschjes om het midden door de witte sloven; nu en dan, als er een -gast kwam of ging, een koele luchtstroom uit de opening der groene -zwaarwollen tochtdeur naar binnen; het ineenloopend geluid van stemmen, -allerlei dooreen, tusschen het drinken; het flauw worden van het -drinken; het brood met Duitsche worst eten, het daarvan dorstig worden -en weer drinken; en boven alle geluid aanhoudend het gemaniereerd -geroep der kellners: één heel, twee half, één knak, een cervelaat, -half! - -Doch bij dat alles erg rustig onder Hollanders; half zooveel Franschen -hadden tweemaal zooveel drukte en geluid gemaakt. - -De rustigheid werd plotseling gestoord door heftig rumoer boven aan de -trap; gestommel en stokgetik op de steenen treden en tegen den muur; -een luidruchtig troepje opgewonden, jolig jong volk, met roode -gezichten en schitter-oogen van congestie, kwam met een bons de groene -deur binnen. - -De kalme gasten keken hen eens aan, denkend dat het studenten waren, -uit Leiden naar Den Haag verdwaald, maar dat waren het niet; een paar -waren wel te Delft, maar de anderen nog van gewone scholen, enkel wat -achterlijk in hun studie, maar vooral met niet minder allures en -brutaal optreden en met geld in den zak; de meesten uit Indië, donker -van tint, met een groot vertoon van levendigheid en opgewekt zijn. - -Zij waren nu heel erg uit op hun manier; ze bleven later dan hun -permissie; ze zaten een uur heel hard dooreen te schreeuwen in den -bierkelder, de dikke stokken omhoog, de kleine hoeden achter op de -hoofden; en ze goten zich het bier in uit de groote glazen, met airs -van beproefde kneipers, schots en scheef op de stoeltjes, de buiken -vooruit, de vesten ’n beetje opgestroopt, stukken overhemd er tusschen -uit over den broekband. - -De bedaardste aanvankelijk was Adam Silver; hij deed wel mee, maar -zonder enthousiasme; het hinderde hem nog, dat hij op dien tijd niet -was, waar hij moest wezen: het instituut, waar hij interne was. - -Want de Verlandes hadden hem wel eerst bij hen aan huis genomen, maar -zij zagen zich in één verwachting teleurgesteld: het koel klimaat van -het Westen hielp Adam zoo min aan vlugheid en aanleg, als aan lust tot -hard werken; hij kwam wel wat vooruit, maar heel, heel langzaam; elk -jaar minstens doubleerend. Alsof het bij wijze van compensatie was, zoo -ontwikkelde hij physiek; het ging niet, dien grooten, zwaren kerel, -lichamelijk met zijn zestiende jaar heelemaal een man, op de banken te -laten zitten der gewone bijzondere scholen, tusschen jongetjes van -tien, elf jaren. Verlande wanhoopte aan hem en was telkens boos; -mevrouw had kasian maar toch ook een zwaar hoofd in de toekomst. - -Hij moest weg naar een onderwijsinrichting met internaat; dan waren zij -van een even noodelooze als vrijwillige verantwoordelijkheid af. Maar -ze aarzelden, want ze hielden van hem om zijn goedheid en meegaand -karakter. Tot één omstandigheid besliste. Adam had het werkmeisje tot -„speelmakkertje” gekozen, en daar kon de familie niet tegen! - -Zóó was hij dan nu op een soort kostschool; had, omdat hij al „zoo’n -kerel” was, verlof gekregen tot negen uren uit te gaan, en zat, veel -later al, in ’n bierkelder met ’n troepje jongelui; zijn wroeging -verdronk in het bier, dat hem naar het hoofd steeg; hij werd óók -luidruchtig; zij liepen den kelder uit, naar café’s toe, grog -inslikkend na het bier; en eindelijk, toen ze allerlei gelegenheden -bezocht hadden, dronken en opgewonden, kwamen zij „in aanraking” met de -politie. - -Adam werd ’s morgens door het hoofd van het instituut afgehaald om zijn -eersten jeugdigen kater thuis te brengen; hij kreeg straf en een -boetpreek, en daarmee was het op school wel uit, maar niet in zijn -hart, dat hunkerde naar meer uitgaan en „jool” hebben. De herinnering -deed hem bij zichzelf glimlachen; hij moest daar meer van hebben; en -wel wist hij niet hoe dat aan te leggen, eerst, maar bij het wederzien -van ’t vroolijke clubje, bracht men hem dat wel aan ’t niet vlugge -verstand. - -Zij vonden, dat hij zich moest laten gelden, dat hij meer -zelfstandigheid aan den dag moest leggen; „wâ-bliksem,” hij was geen -kind! En zij vloekten erg flink, als vertoon van eigen groote -zelfstandigheid. Hij moest niet schrijven naar Indië; hij moest maar -„beren” maken, die zouden zelf wel aan „de-n-ouwe” schrijven om duiten. -Adam vond dat wezenlijk goed gedacht; hijzelf, van nature zonder -streken of listen, zou nooit op zoo iets zijn gekomen; uit den mond -zijner vrienden klonk het hem als bezonken geleerdheid; hij zou toch -niet tot een universiteit toegelaten worden en promoveeren; hij zou -nooit aan de Delftsche academie komen en ’t groot ambtenaarsexamen -doen; ook zou hij zelfs nimmer op een hoogere burgerschool of een -gymnasium gaan en eenig eindexamen doen. Och, wat was dat nu? Er kon, -dat besefte hij, geen quaestie van zijn, dat hij ooit eenig examen deed -of daar moesten er worden ingevoerd in het bier drinken, rooken en de -meisjes naloopen. Dàt kon hij uitstekend. - -Hij trok het zich niet aan, overtuigd dat hij ’t niet helpen kon. Het -was nu eenmaal zoo. En dan, hij zou immers op het land gaan werken, -zooals zijn broers deden; keerde hij terug naar Indië, dan behoefde hij -niet bepaald „een betrekking” te hebben. Zijn vader was rijk, dat -hadden de Verlandes gezegd. Nu moest hij nog praten met den directeur -der school: hij moest meer vrijheid hebben. En toen hij daarmee -aankwam, keek die hem eens aan, en schudde het hoofd; och, hij mocht -hem wel; precies als iedereen, omdat het zoo’n goeie, aardige vent was; -ook had hij het indische geld zoo lief als een Nederlander het slechts -hebben kan; maar de reputatie van zijn instituut was hem nòg liever, en -hij zag heel goed in, dat die bij Adam Silver niets te winnen had. - -„Heb je daar al over gesproken met meneer Verlande?” - -„Neen,” zei Adam. „Ik dacht niet dat het noodig was.” - -„Dan zal ik het wel doen.” - -De directeur deed het, maar heel anders; hij proponeerde voor Adam -ergens bij een familie een kamer met pension te huren en hem dan -privaatlessen te laten nemen in het instituut. - -Verlande dacht erover na. - -„Zou er iets van hem terechtkomen?” - -„Bedoelt u door studie?” - -„Ja, natuurlijk!” - -„Zoo heel natuurlijk vind ik dat niet; mijn knapste leerlingen kwamen -niet het best terecht. Maar als u bedoelt of hij door studie in de -gelegenheid zal komen carrière te maken, dan: neen, stellig niet!” - -Daar Verlande’s jongens het heel goed maakten, vond hij het -verschrikkelijk. - -„Zijn ouders zijn immers zeer gefortuneerd?” - -„Dat wel. John Silver heeft aardig geld.... Bovendien, Adam kan op het -land werken.” - -„Zoo heb ik ook gedacht. Al maakt hij hier dus een beetje pret, dan kan -dat geen kwaad; hij is physiek zoo sterk als hij intellectueel zwak is -en toch heeft hij een goed verstand; geen vlug, geen geoefend.... Ik, -die zooveel en zoo verscheiden jongens onderhanden krijg, heb over dien -Adam nagedacht. Weet u wat ik zou zeggen?” - -„En?” - -„Dat hem zekere erfelijke aanleg ontbreekt, zooals dat met kinderen het -geval moet zijn uit geslachten, die nooit iets aan leeren of studeeren -hebben gedaan.” - -Verlande, die de geschiedenis kende, dacht aan njai Peraq, van huis uit -houdster van ’n warongje in de kampong, en aan den grooten arabier, die -niets kende dan ’n paar koranspreuken en deftig buigen. Zelf een njo -werd hij gauw wantrouwend tegenover pur sang europeanen, en hij dacht -eerst, dat die „schoolmeester” de klok had hooren luiden en nu eens -wilde vernemen waar de klepel hing, maar hij zag wel dadelijk aan de -heele gezichtsuitdrukking, dat hij zich vergiste. - -„Weet u een geschikte gelegenheid voor hem?” - -Doch ook die verantwoordelijkheid werd niet geaccepteerd. - -„Het beste zou zijn.... een advertentie.” - -’t Was erg gauw in orde! - -Toen Adam het hoorde was hij dolblij. Van den kostjongen werd hij nu -ineens een soort van student, een heer, want hij en al z’n vrienden -waren het daarover eens, dat ’n jongmensch op kamers wonend en buitenaf -les krijgend een heer en een student was; ’n universiteit, nu ja, dat -was eigenlijk maar ’n bijzaak, waar men, om student te zijn, best -buiten kon. - -Hij „betrok” zijn kwartier, een eenigszins ouderwetsch met second -hand’s goed gemeubelde kamer, in een prettige buurt en bij vriendelijke -menschen, wier eenig doel al spoedig bleek hem lang te houden, omdat er -zoo goed voor hem werd betaald. Wat hèm ’t best beviel, was de -vrijheid; de groote vrijheid van te gaan hoe en waar-je-wil en te doen -op je eigen kamer, wat-je-wil. - -Het was wel koud, maar hij schoof een der ramen hoog open, en ging -ervoor zitten, de armen op de vensterbank, een lange sigarenpijp voor -hem uit buiten het raam, loerend naar de vensters aan den overkant, of -er ook meisjes waren tusschen de schuine overgordijnen en achter de -horretjes, boven of in de benedenhuizen, bij de étalages van mode- en -toiletartikelen, pleizierig gestemd de drukke buurt overziend; het -gejaag van bezige menschen met haast langs den weg; het hard trappelen -van mooie glimmende equipage-paarden en het sleurig opbonken van doffe -vigelantenknollen. Het was heerlijk, vond hij, dat alles te zien van -zijn eigen „kast,” en niet meer in die ellendige kamer met vier bedden -in het instituut als gevangen te zitten met drie kwajongens, die haast -al hun vrijen tijd doorbrachten met den neus in de boeken; niet meer te -hebben, dat voor hem èlken dag wederkeerend pijn-in-den-buikachtig -gevoel van een les overhoord te zullen worden, die men niet kent, van -vragen te zullen hooren, die men niet kan beantwoorden; van werk te -moeten meemaken, dat men niet begrijpt en dus onvermijdelijk fout -maakt. - - - - - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -ONAANGENAME BRIEVEN UIT HOLLAND. - - -De mail had drie brieven meegebracht voor John Silver; het waren er -twee meer, dan hij ooit uit Holland had ontvangen. Wel ontving hij -„kabar” van de Verlande’s zoo nu en dan, en hij wist dus ook welke -maatregelen zij hadden genomen,—nu, dàt was hem onverschillig,—maar met -andere menschen in het Westen briefwisselde hij niet. En daar lagen nu -vóór hem twee dikke brieven, geen prijscouranten of prospectussen, want -die waren in open couverts en met drukwerk-postzegels er op; neen, ze -waren goed dicht en met briefport gefrankeerd. - -Het waren Adam’s beren, die voor de eerste maal bescheiden en -beleefdelijk brulden in het Oosten. - -In het eerst snapte John het niet; hij zat eenigszins sufferig te -kijken op die groote enkel-vellen papier, en las de reusachtige hoofden -met afdrukken van koninklijke wapens in het midden, zag de groote -versierde aanvangsletters der firma-namen, en aan beide hoeken -opsomming van alles wat in de magazijnen te krijgen was, en dan op een -regel in geschreven schrift „WelEdelGeboren Heer; en vervolgens de -mededeeling, dat zekere WelEdelGeboren Heer Silver te ’s Gravenhage -debet was aan.... wegens aan ZWEdG. geleverd als volgt...” - -Nog nooit had John Silver zoo iets gezien; wat hij noodig had, kocht -hij al z’n leven lang op de plaats zelf in de eenige Europeesche toko -of bij den chinees, en daarvoor kreeg hij eens in de maand een rekening -op ’n gewoon velletje blauw gelijnd papier, met twee roode dwarslijnen -voor de guldens en de centen. Welk een geurmakerij zoo’n Haagsche -rekening! En dan die „WelEdelGeboren Heer”; dat was Adam!.... Adam!... - -Toen zijn eerste verbazing over was, schoot hij in een lach! - -Wel gévédé! dat was toch sterk! Adam, dat „hondenkind”! - -Maar hij nam de rekeningen weer op, en keek ze door, bedaard en -ernstig. Het was onmogelijk; in zijn heele leven had hij, John Silver, -zooveel jassen, broeken en vesten niet gehad, als die Adam in een paar -jaren; en dan die andere, de groote, voor wijnen, dranken, sigaren,.... -er stonden zelfs woorden op die hij niet kon uitspreken of begrijpen! - -Ja, de begeleidende briefjes—nu, dàt snapte hij gemakkelijk genoeg; men -maande den Hoog WelGeboren Heer John Silver aan om het debet van den -heer Adam Silver te voldoen. Ten naasten bij twee duizend gulden! -Brutaalweg de mededeeling erbij, dat als niet binnen zes maanden de -rekening was voldaan, de kerels rente gingen berekenen. - -Dan sprak men nog van woekeraars in Indië! Als hij ’n jas noodig had, -kocht hij ’n stuk wit of ander goed en liet het maken bij den chinees; -en daar stonden op die rekeningen enkele jassen tot prijzen, waarvoor -hij er een dozijn had! - -Wat een afzettersboel toch in dat Holland! Bij de tweeduizend pop! - -„Kom eens hier!” riep hij hoog en scherp tegen zijn huishoudster, die -hij hoorde op de galerij. En toen zij binnenkwam: „Dat is me een -gladakker, die meneer Adam! Dat is me een toean besar, hoor! Wel -gévédé!” - -Zij schrikte ervan; in lang had ze weer niets van den jongen gehoord en -ze dacht voortdurend aan hem, hoe langer hoe meer, maar ze durfde niet -vragen; ze had wel gevoeld, dat er iets niet in den haak was, dat -Silver iets in z’n schild voerde en veel te bijzonder was ten opzichte -van dat kind. Nu scheen hij weer heelemaal gek geworden; nu schold hij -hem voor een „gladakker” en noemde hem tevens een groot heer. - -„Wat is er?” vroeg ze. - -„Wat er is: hier, hier!” riep hij, haar de rekeningen met de eene hand -voor het gezicht houdend en met de andere erop slaande, dat het velijn -papier trilde en knetterde: „Hij maakt schulden! Dat draagt jassen, ja, -van tachtig gulden; dat drinkt fijnen wijn en rookt havanah sigaren; -dat speelt in Holland den toean besar. En mij sturen ze hier in Indië -de rekeningen om te betalen. Zoo’n satansch honden....” - -Silver schrikte van zijn eigen vervoering, ineens ophoudend. - -„Is hij gezond?” vroeg njai Peraq. - -Daar stond Silver van te kijken. Zij, zij, die het geld zóó liefhad, -die zoo gierig was, dat hij zelfs nooit had durven zeggen, wat hij -maandelijks uitgaf voor dien Adam,—zij maakte geen misbaar, toen hij -het groote bedrag genoemd had; het was alsof het niets was. - -„Stik!” zei hij in ’t Hollandsch en ging de kamer uit. - -Het was waarachtig te erg! Onderaan de rekeningen was met een slordig -schrift iets gekrabbeld; als men goed keek; zag men, dat het een -voor-accoord-verklaring was, onderteekend: A. Silver. Wat ’n gemeen -schrift! De minste djoeroe-toelis kon het netter. En dat had zooveel -geld gekost! Enfin,—’t kwam wel alles terecht; hoe meer hij nu genoot, -des te beter. - -Toen hij zich dáármee had verzoend, kwamen andere overwegingen. Want -hij had nu wel opgespeeld over het geld, en zijn haat eens gelucht—maar -het zou hem nu niet hinderen, al betaalde hij het nog tienmaal; het -liep financieel toch alles mee in den laatsten tijd. - -Er was iets aardigs in, vond hij; iets aardigs, dat die Haagsche -tokohouders hem voor zoo’n groot heer hielden en hem zoo hoog -betitelden. Het streelde zijn ijdelheid. Dat pleizier had hij er dus -bovendien nog van! Natuurlijk zou hij de duiten sturen; niet om dat -„hondenkind”, maar om zijn naam; die daar zoo’n goed figuur maakte -achter het klinkend praedicaat. - -„Ik wou wat zeggen,” zei njai Peraq bij hem komende. - -„Wat is het?” vroeg hij norsch. - -„Als je het geld voor Adam misschien liever niet betaalt, zal ik ’t wel -geven van het mijne.” - -„Wat jij? wat jij?” riep hij kwaad. „Denk je, dat ik zelf niet kan -betalen? Daar heb ik jou niet noodig voor.” - -Zij sloeg, nu ook uitvallend in toorn; met de hand op de tafel. - -„Wel, schreeuw dan zoo niet? Ben je een gek? Ben je een beest? Maakt -een mensch zulk een leven als hij moet betalen voor zijn eigen -kinderen?” - -Zij bemerkte niet in haar opkomende boosheid, wat zij trotseerde; haast -werd het hem te machtig; het was de vrees voor haar, die ten slotte -sterker was dan zijn opwellende drift; dáárom zweeg hij, schoon zijn -ingevallen borst van groote aandoening zwoegde. - -Kort en daardoor uit de hoogte, waren zijn briefjes aan Adam’s -crediteuren; maar de wissels staken erin en hij schreef erover aan de -Verlande’s, want op den brief van Adam wilde hij niet antwoorden; hij -had dien al met tegenzin geopend en met diepe minachting voor het -slordige adres; de aanhef: „Waarde vader” bracht hem geheel uit den -koers; hij dacht een beroerte te krijgen van kwaadheid; hij verscheurde -den brief ongelezen; neen,—betalen zou hij, maar daarmee uit; zich door -dien welp van zoo’n smerigen arabier, „vader” te hooren noemen, en -diens brieven te lezen, dàt was hem te machtig; dàt verdroeg hij niet. - -„Heeft het kind niet geschreven?” vroeg zijn huishoudster. - -„Het kind... het kind... ’t is waarachtig een lief kind!” - -Zij schudde er het hoofd over. „Ik kan hem niet anders voor mijn oogen -krijgen, dan als een kind.” - -„Nou, maar ik dan wèl, hoor, en voor mijn portemonnaie ook!” - -„Schrijft hij nooit?” - -John Silver lachte hoonend. - -„Ja hij zal nog schrijven!” loog hij ontwijkend. „Denk maar niet, dat -je ooit een brief van hem zult krijgen.” - -„Ik niet. Wat zou ik er aan hebben? Ik kan het immers toch niet lezen. -Maar waarom schrijft hij niet aan jou? Doet hij het niet? De mandoer, -die naar het postkantoor is geweest, zei, dat er drie brieven uit -Holland waren; de rekeningen waren maar twee....” - -„Een was van mevrouw Verlande,” loog hij. - -„Vertelde zij niets over hem? Je was kwaad, toen ik vroeg of hij gezond -was. Mag een moeder niet meer vragen of haar kind wèl is? Begrijp je -dat niet?” - -„Ik was kwaad om dat geld. Zeur toch niet, hè? Is het misschien nog -niet genoeg, dat die rakker me zooveel duiten kost? Moet jij me nu nog -vervelen met je gezanik?” - -„Ik vraag enkel maar of hij gezond is en je wilt me niet antwoorden; je -zegt maar zoowat... zoowat... je spreekt altijd maar kwaad van hem... -Wat is een vader; die zijn eigen kind haat?” - -Zij speelde hoog spel; ze was zich daarvan volkomen bewust; ze wilde -eindelijk weten of haar vrees gegrond was; ze had hem straks -aangekeken, toen ze nadruk lei op het anaknja sendiri, en zij had -zekerheid! nu was het haar volkomen helder, nu wist ze, dat hij -vermoeden had van de waarheid. - -Want toen ze hem die woorden als in het gezicht wierp; haar groote -goedige oogen recht op de zijne en haar gelaat rustig, onverstoorbaar -in het volle licht, de trekken onbewogen als een Vishnoe; was het hem -of hij het ondersteboven ging; hij voelde, dat hij hevig ontstelde en -dit te zien moest wezen aan z’n gezicht; hij stamelde een paar losse -woorden, die hij zich een minuut later niet meer herinnerde; hij -trachtte minachting te veinzen voor haar gepraat, en ging heen, den -tuin in, als een dronken man. - -Het was verschrikkelijk! Had zij zóó kunnen wezen, als het waar was, -wat hij nu al zooveel jaren vast geloofde? Kon zoo’n gewone inlandsche -vrouw zóó brutaal, zoo verregaand, zoo onovertroffen listig en -bedriegelijk zijn, als zij had moeten wezen om hem met zulk een gezicht -en op zulk een toon dat „eigen kind” naar ’t hoofd te gooien? En -toch... Neen, het was geen zoon van hem; het kon er geen zijn! Dáár, -dáár kwam er een aan, van het land, op z’n bloote voeten, de slaapbroek -opgestroopt, en ja, dat was nu een dikke vette kerel geworden net als -njai Peraq met heel veel in figuur en gezicht van de moeder, maar toch -zag men in één oogopslag, dat het ’n kind was van hem, John Silver. -Daaraan viel niet te twijfelen. - -Maar ’t hielp niet of hij al redeneerde,—hij kon de manier niet -vergeten, waarop ze hem dàt had gezegd; het was terlaloe! En elk -oogenblik van den nacht en den dag, zag hij haar weer in die groote -kalmte, die geloof opdringt. - -Het werd een idée fixe; uren kon hij voortaan stil zitten pikiren, met -de hardnekkigheid van een lijder, die denkt aan zijn ongeneeslijke -kwaal, die geheel erdoor wordt in beslag genomen en ten slotte over -niets anders haast meer denken kan, dan zijn kansen van levensduur. - - - - - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - -EEN MISLUKT JONGMENSCH. - - -Adam pikirde niet. Binnen de drie maanden had hij al beleefde brieven -van zijn leveranciers, dat zijn papa geremitteerd had; zij waren erover -uit; zij recommandeerden zich. Crediet? Wel als ’t ware ongelimiteerd! -Juist dat korte briefje van John Silver had zoo’n effect gemaakt samen -met het geld. Het leek zoo uit de hoogte en dat had imponeerend -gewerkt. En Adam, die wel ’n beetje bang was geweest al dien tijd, -leefde heelemaal op. Dien dag gaf hij er de privaatlessen aan, waarvan -hij toch al zoo weinig profiteerde, bestelde hij van alles wat hij -noodig had, niet mondjesmaat, maar op de royaalste manier, onthaalde -zijn vrienden op zijn kamer, tot ze in gloeiende toasten het bewijs van -hun lichtbewogenheid gaven, en nam zich voor Nora Tiele serieus het hof -te maken. Nu „de oude” zich zóó royaal toonde en zelfs niet mopperde, -was het toch waar, wat hij al zoo dikwijls van anderen had gehoord; dat -de Silvers wezenlijk gefortuneerd waren. - -Welk bezwaar had het dan in, dat hij Nora vroeg, den een of anderen -dag? Een positie... neen, zelfs geen idée van ’n kans daarop. Maar -waartoe ook? Een fortuin was beter. Wie dàt kon aanbieden, zou men toch -zeker niet naar een armzalig „baantje” vragen! - -Den ochtend na zijn feestje, dat hij de eerste overwinning zijner beren -noemde, werd hij zeer berooid wakker; bij het kwartlicht van een -donkeren regenochtend, zag hij hoe beestachtig zijn kamer er uitzag, -hoe wanhopig zijn oppasser het stond aan te zien; hoorde hij hoe -kijvend de stem van zijn hospita op het portaal klonk, waar zij stond -uit te cijferen, wat Adam haar moest betalen voor het bederven van -karpetten, tafelkleeden en gordijnen door wijn- en andere vlekken. - -Het leek hem alles met een grauwgrijs overgoten, wat hij hoorde als wat -hij zag; in zijn warm hoofd bonsde het met groote regelmatigheid; droge -mond en rauwe keel eischten water en lucht; zoo guur als het was, -gooide hij de ramen open en hield zijn gezicht wel een minuut lang in -het water van een lampetkom; de oppasser was intusschen bezig met het -opruimen van glazen, flesschen en de rest. - -Langzamerhand kwam er weer orde en frissche lucht in de kamer en -grooter genietbaarheid over den persoon van Adam. Wel zagen zijn oogen -rood en was zijn gezicht wit toen hij geeuwend, huiverend en rekkerig -voor het open venster ging zitten, geheel gekleed nu; wèl smaakte hem -de sigaar niet, en wierp hij die weg, op de straat,—maar hij knapte -toch op, en genoot van zijn kop thee, toen het binnentreden van een -dame hem verschrikt deed opstaan; het was mevrouw Verlande. - -Zij zag er nog heel goed uit, al was ze de veertig voorbij; zoo goed -geconserveerd, zoo vlug en veerkrachtig, met frissche blozende kleur, -relief gevend aan het blauw en blond van oogen en haar, dat ze had -kunnen doorgaan voor tien jaren en meer, jonger. En hij, Adam, -opstaande tegenover haar, in de vroegrijpheid zijner physiek, een -volwassen man.... Mevrouw Verlande snapte ineens de nooit gedachte -mogelijkheid, dat er voor de wereld iets geks kon zijn in een -ochtendbezoek van haar aan Adam Silver; aan den kleinen A. het -roodkieltje! - -Eenigszins bedremmeld keek zij rond, ruikend de alles doortrokken -hebbende kroeglucht van sigaren en wijn; aan den wand floretten, sabels -en schermmaskers; op de tafel en den schoorsteenmantel portretten van -min of meer gekleede „tingeltangelinnen”; de penantspiegel geflankeerd -met duitsche pijpen,—en tegenover haar die groote, zware kerel met z’n -donker uiterlijk en aankomend baardje. Was het mogelijk? - -„Hoe maakt u het?” vroeg hij goedig en eenigszins onthutst een stoel -aanschuivend: „Gaat u zitten.” - -„Heel goed, dank je... Neen, ik ga niet zitten... Ik moet weer dadelijk -heen. Je pa heeft geschreven.” - -Daar zweeg hij op, knikkend enkel met het hoofd. - -„Dat gaat zoo niet.” - -„Waarom niet?” vroeg Adam glimlachend. - -„Wat moet er op zoo’n manier van je worden A.? Je leert haast niets -meer, en... en eigenlijk weet je nog niks.” - -„Pa is immers rijk. Laat mij nu maar wat pret hebben hier, zoolang het -duurt.” - -„Zoolang tot het je pa verveelt, en wat dan?” - -„Dan ga ik naar Indië, werken op het land.” - -„Het is wat moois! Dáárvoor heb je dan zooveel geld gekost en een -opvoeding in Holland genoten.” - -„Ik kan ’t niet helpen, mevrouw; ik geloof niet, dat ik zooveel dommer -ben als de rest, maar ik kan niet leeren, niet onthouden, dàt is het.” - -„Malligheid, je geeft je geen moeite, je bent lui.” - -„Ja,” zei hij met overweldigende openhartigheid. „Dat is waar, ik ben -lui, het is ongelukkig.” - -„Als een jongmensch zich beteren wil, dan kan hij ook.” - -„Dáárvan niet, mevrouw. Geloof me, ik wilde wel, dat het anders was; -maar als ik een boek in handen neem en ik span me vijf minuten in... -in...” - -„Dan?” - -„Dan val ik in slaap.” - -Zij moest erom lachen. Neen, ze wist het wel van vroeger, dáár was -niets tegen te doen! En ze nam hem nog eens op, dien brute, van top tot -teen, wiens stoffelijk bestaan zulk een scherpe tegenstelling vormde -met zijn geestelijk. Maar tegelijk dacht ze eraan, dat ze niet langer -kon blijven. - -„Probeer het, A., en maak geen schulden; dàt is altijd slecht; het -behoeft immers niet, want je hebt zonder dat van alles voldoende; meer -dan de meeste andere jongelui.” - -Hij beloofde zijn best te zullen doen, wijl zij het graag had; maar hij -dacht er in ’t geheel niet bij, meer beziggehouden door het geklop in -z’n hoofd, dat opnieuw en erger was begonnen. - -Toen ze hem de hand reikte, nam hij die, en wou, net als hij van ouds -gewoon was, toen zij hem als kind met de andere kinderen te bed lei, -haar ook een zoen geven. Maar zij trok zich snel terug en liet haar -voile neer, niet willende laten zien, dat ze een kleur kreeg. Drommels -neen, dat ging niet, vond mevrouw Verlande; zij was niet oud genoeg om -zich door zulk een jongen man op diens kamer te laten kussen, al had ze -hem ook als kind op den schoot gehad. - -Hij zag het en lachte erom, tevreden over het effect van zijn persoon. -In al zulke zaken was hij in ’t geheel niet dom; niet traag van begrip. -Integendeel, daar had hij een scherp oog voor, als iets hem zelf -betrof, want nog meer dan van Nora Tiele, die hij ’t hof wou maken en -ten huwelijk vragen, hield hij van zijn eigen persoonlijkheid. - -Zich beteren! Als hij het goed inzag, viel er in ’t geheel niets te -beteren. Nu ja, schulden maken is niet goed, voor wie geen vader heeft, -die ’t betalen kan en wil. Maar zoo gelukkig was hij immers! En in den -loop van den dag verdween met den kater, het weinige effect der -vermaning van mevrouw Verlande. - -Toen hij zoo, goed gekleed, het Noordeinde inliep, ’s middags tusschen -de talrijke flaneurs, had hij volkomen het air van een deftig jonkman, -door zijn ernstig, donker gezicht den indruk makend van iemand, die -iets omhanden heeft bij de diplomatie of zoo. Hij overwoog wat en hoe -hij doen zou met Nora Tiele. - -Dat ze van hem hield, wist hij; trouwens, dat wist hij van zooveel -meisjes uit de kringen, die de Verlande’s frequenteerden, en waartoe -ook sommige vrienden behoorden: deftige menschen met mooie -betrekkingen, maar levend boven hun krachten meest; de gewone -geschiedenis. Hij kon in die kringen meisjes à prendre vinden bij -dozijnen: hij had de reputatie van een millionnairszoon te wezen; -dáárom was hij voor de meesten onweerstaanbaar; maar er waren er ook; -die hem bijzonder graag mochten om zijn persoon. En dan, hij was niet -zoo wijs. Hij vond het gewone jongedames-conversatie-peil niet beneden -zich, en dat was het ook niet. Als er jongelui in gezelschap waren, die -hun beetje geleerdheid te luchten hingen, zweeg hij maar en keek enkel -met zijn goedige zwarte oogen naar de meisjes, die dan toch nog meer -naar hem keken, dan ze luisterden naar de praters; doch als het niet -gevaarlijk was en zijn onwetendheid niet dreigde hem koopjes te geven; -als er werd gesproken over de kennissen, over uitgaan en pret maken of -de geschiedenisjes van den dag, dan sprak hij heel gezellig mee. - -Zou hij zich nu ineens en officieel aan Nora Tiele binden en haar zóó -het hof maken, dat hij fatsoenshalve niet anders doen kon dan haar hand -vragen aan haar vader? Zij trok hem aan, heel sterk; hij verlangde er -dol naar, haar in de armen te nemen, te kussen..... och, dat laatste -niet zoozeer; daar hield hij eigenlijk in ’t geheel niet van; enkel uit -gewoonte en vriendschappelijk, vond hij, kon het erdoor; als -liefdebetoon niet; dat eischte bij hem iets anders. En als hij zoo -pikirde meende hij, dat het verkeerd was zich te haasten, hij kon het -wel plan-plan aanleggen, en een heel stil vrijagetje met haar beginnen; -dat zou best gaan; dan bleef hij vrij, en er waren honderd redenen voor -één, die hij kon aanvoeren.... Hij drukte op den belknop in de -deurpost, en hij werd hartelijk ontvangen. - - - - - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - -EEN VOORZICHTIGE MOEDER. - - -De oude heer Tiele, recht en mager als een liniaal, de grijze -bakkebaarden in punten omlaag, den grooten smallen neus op het wijkend -gezicht, heelemaal geen face haast, met overdadig profiel als een -vogel, keek hem uit kleine blauwe kraaloogjes vriendelijk aan, ’n -welwillend glimlachje om de dunne lippen; zijn famielje had altijd -behoord tot den eersten burgerstand; zij hadden altijd hun hoogst -respectabele maatschappelijke positie gehandhaafd, maar daar hadden ze -dan ook voor gestreden; geworsteld letterlijk. Nooit was er ook maar -eenig kapitaal gekomen; in vier, vijf geslachten achtereen was het -altijd door zuinigheid met zelfbedwang voor en na geweest, en nu was -over Tiele op z’n gevorderden leeftijd als ’n gouddorst gekomen. Die -Adam Silver, die werk maakte van Nora, mocht dan een Indische jongen -zijn, het kind eener inlandsche vrouw, er mocht aan zijn fortuin „een -luchtje” zijn, zooals naar goed-hollandsche begrippen aan alles is wat -uit Indië komt; hij was de zoon van een rijken vader; hij zou zelf -eenmaal rijk zijn. - -En hij was zoo dom en zoo goed, dat de heele familie Tiele eigenlijk -dat fortuin zou trouwen... Dat dit alles zoo uitgemaakt was, vermoedde -Adam in de verste verte niet, dat hij bij de Tiele’s reeds als -toekomstig schoonzoon was ingelijfd, en in zekeren zin de grondslag -was, waarop de familie haar geldelijke toekomst bouwde,—het kwam niet -bij hem op. - -Hij dronk ’n kopje thee mee in het minder modern dan gezellig salon, te -klein voor het huisgezin, en te vol met pouffes en andere zitjes, met -tafeltjes en overladen hoekjes en étagèretjes, meest het resultaat van -de huisvlijt der dochters, die met tapisserie, of smaak- en -schilderwerkjes wonderen deden, de onoogelijkste houten geraamten -omzettend in wezenlijk smaakvolle voorwerpjes door het overtrekken met -zijde en satijn; door goudborduursel en miniatuur aquarelletjes. Alles -lief, aardig, honneponnig, snoezig! - -Tusschen de blonde, blanke slankheid der jonge Tiele’s en de magerheid -der ouderen, waarvan de booze Haagsche mindere wereld zei: dat men hen -kon hooren rammelen,—zat Adam Silver in het koude licht van den -zonloozen herfstnamiddag als een pagode, moeilijk met zijn breedte op -een klein stoelzittinkje, den wandelstok onder de hand, den hoed op een -voetenbankje vóór hem, een goedig lachje om de lippen, pratend met de -meisjes Tiele het onnoozel geleuter van den dag. En nu hij weer zoo -dicht bij Nora zat, en in haar mooi-blanken hals keek of naar haar -vriendelijke oogen of smalle sneeuwwitte handjes, raakte hij erger op -haar verliefd; zou hij in staat zijn geweest het dadelijk ernstig te -meenen, zonder reserves, met gereede plannen. - -Maar heel even had hij gelegenheid haar alleen te spreken; hij vroeg -haar uur en plaats, en zij gaf het hem voor den volgenden dag, op het -gewone wandelterrein van iedereen. Adam kon niet zeggen, dat ’t hem -meeviel; het zou dus dadelijk zich afficheeren wezen, en al aarzelde -hij voor niets tegenover haar bekoorlijkheden,—als hij alleen was, -dacht hij weer anders. - -Het kwam niet bij hem op weg te blijven, al betreurde hij zijn -voorbarigheid. - -’t Viel hem erg mee, dat Nora niet alleen, maar met een der jongere -meisjes liep; ’t was juist zóó vol dien dag en net of alle vrienden en -kennissen elkaar rendez-vous hadden gegeven. - -Maar nu er iemand bij haar was, hinderde dat niet; nu kon hij haar -veilig aanspreken en mee opwandelen; anders alleen met haar, zou -dadelijk een praatje van „engagement” de ronde hebben gedaan. - -Nu kwamen er ook heel gauw meer jongelui bij, groetend en pratend, even -stilstaand voor de winkelétalages, sommigen een eind mee opwandelend. -Zelfs de oude mevrouw Tiele sloot zich aan en op een gegeven moment kon -Adam nog enkel goeden dag zeggen en heengaan, wijl de familie -huiswaarts keerde. - -Hij wist nu niet meer of hij blij wezen zou of er spijt van hebben, dat -het zoo gek gegaan was. Wel had hij Nora dikwijls aangekeken en zij -hem, buitengewoon lief en aanmoedigend;—maar dàt was toch de bedoeling -niet geweest. Toen hij haar vroeg: waar en wanneer, dacht hij aan heel -iets anders, dan een ontmoeting, die zonder afspraak, precies eender -had kunnen zijn. - -Thuis bij de Tiele’s had Nora ’s avonds te voren haar mama verteld, wat -Adam Silver haar gevraagd, en wat zij geantwoord had. En mama keek -bedenkelijk. - -„’t Is wat haastig,” zei ze. - -Nora vond dat eigenlijk ook. - -„Het is me ontsnapt, hij vroeg het zoo opeens, en zoo ronduit....” - -„Je hadt voorzichtiger moeten zijn. Hij is nog niet serieus genoeg.” - -Daar lachte Nora luid om op. „Verbeel-je, dat die goeie Adam Silver -„serieus” moest worden!” - -„Je begrijpt me niet,” zei haar moeder, „ik ben een beetje bang voor -hem.” - -„Maar ma!” - -„Zeker. Met al z’n goedigheid en weinige kennis, heeft hij iets over -hem... Ik weet het niet, maar zoo koel, zoo cynisch zou ik haast -zeggen.” - -„Hij is niet demonstratief...., dat mag ik juist in hem.” - -„Het is alles goed en wel, maar zoo er met den tijd veel -verandert,—verliefde jongelui blijven altijd dezelfden; men kan het hun -aanzien; aan hem merkt men haast niets.” - -„Nu,” zei Nora, „ik ben blij, dat hij niet zoo’n aansteller is; niets -is akeliger dan een „verliefd jongmensch” zooals u het bedoelt. Zoo -jong als hij is, is hij daar teveel man voor.” - -„Teveel man, dàt geloof ik ook; dat is het juist, waarvoor ik bang ben. -Er is zoo’n tegenstrijdigheid in hem. Wij weten heel goed, dat hij -weinig heeft geleerd; zóó weinig, dat het beschamend is; hij heeft -zelfs nooit admissie-examen kunnen doen. En als hij u aanziet met zijn -groote oogen en over de banaalste dingen praat met goedigen ernst, dan -maakt hij een oppervlakkigen indruk van superioriteit.” - -„Het is waar,” erkende Nora, eenigszins verwonderd, nu haar eigen -indruk door haar scherpzinniger moeder zoo duidelijk werd weergegeven. -„Het is waar, ma; God, wat hebt u hem geobserveerd.” - -„Dan zit hij daar,” ging mevrouw Tiele voort, het bleeke magere gezicht -steunend met de beenige hand, „als een oudere onder de jongeren, -vrijmoedig, kalm, als met een vorstelijke waardigheid. En het is geen -poseeren van hem, dat in ’t geheel niet; het is de aard van zijn heele -wezen. Dan zou men hem, zoo op het oog, voor een diepzinnig jongmensch -houden, en als men hem kent, zooals wij hem kennen, is dat zoo -dwaas.... Ik kan er niet overheen komen.” - -„Het is waar, ma; het is waar, doch het doet er immers niet toe. Beter -zoo, dan dat hij er een onnoozel uiterlijk bij had.” - -„Maar hij is niet onnoozel, Nora; geloof me, ten minste niet zooals wij -dat hier begrijpen, hij heeft een je ne sais quoi...” - -„Dat niet in zijn nadeel is.” - -„Neen, maar dat ik wantrouw. Dáárom blijf ik erbij: je bent te haastig -geweest.” - -„Afwijzen kon ik hem toch niet; ik wilde het ook niet. Ik houd van hem, -meer, veel meer, dan van de anderen, misschien juist om wat u daareven -zei.” - -„Natuurlijk niet. Maar je moet hem nog zelfs den vinger niet geven, -laat staan de hand.” - -Zoo kwam het, dat Adam in zijn verwachtingen werd teleurgesteld; wèl -had ’t hem genoegen gedaan, dat hij zich nu niet had moeten -„afficheeren,” maar het rendez-vous, dus verloopen, had toch zijn -ijdelheid gekwetst, en zeer onvoldaan over het eindresultaat ervan, -ging hij een restaurant binnen en bestelde er een eenvoudig maal, -zooals hij in het eten altijd matig en slechts in het drinken onmatig -was onder vrienden, en als hij „meedeed” met de zucht om vooral niet -onder te doen. - - - - - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - -EEN ONAANGENAME VERRASSING. - - -Het kwam er weer toe, dien avond; nauw ’n half uur later, zat men om de -tafel, waar hij alleen was gaan zitten, met z’n vieren; het diner werd -uitgebreid; goede wijn volgde, en het ging er later, op los, tot hij ’s -nachts thuis kwam en uit gewoonte zijn kamer en zijn bed vond, moê en -duizelig, slapend bijna voor hij zich had ontkleed. - -En toen hij ontwaakte, den volgenden ochtend, zag hij eerst, dat op -zijn toilet een brief uit Indië lag, niet van „den ouden,” want die -schreef altijd keurig, maar met een slordige ruwe hand aan hem -geadresseerd. - -Het bovenschrift: „Waarde Adam,” leerde hem niets, maar de -handteekening: „Bram Silver” wees hem den weg. Het was dus een brief -van zijn broer, den eersten, dien hij ooit in z’n leven had ontvangen. -Hij deed z’n best zich iets te herinneren van z’n broer of z’n ouders, -maar vruchteloos. Met moeite las hij het schrift, door de ruwe halen -onduidelijker dan het scheen. „Op last van moeder schrijf ik u. De oude -heer is al lang erg zenuwachtig, maar in den laatsten tijd nam die -ziekte zóó toe, dat hij er suf en malende van geworden is. De dokter -zegt, dat pa een idée fixe heeft, en er iets is, waarover hij altijd -tobt, doch dat hij uit gewoonte verzwijgt. Het eenige wat hij -uitspreekt, soms in dagen achtereen, is uw naam. Dan loopt hij maar -door het huis, praat tegen niemand, maar schudt telkens het hoofd en -zegt: Adam, Adam! Deze omstandigheid en de toenemende zwakte van pa, -brachten den dokter op het idee, dat het misschien goed kon zijn, als -jij hier waart. Daar je toch in Holland niets omhanden hebt en dus best -komen kunt, heeft moeder mij opgedragen je te schrijven met de eerste -boot passage naar hier te nemen. Ik heb ook moeten schrijven aan -mijnheer Verlande, die voor het geld en zoo zorgen zal. - -Voor de rest gaat hier alles tamelijk wel; alleen zijn de perken erg -achteruit gegaan en heeft pa dit jaar met andere dingen veel geld -verloren. Enfin, dat komt terecht. Hopende je spoedig hier te zien. - - - Je toegenegen broer - Bram Silver.” - - -Zoo suf kon John Silver niet wezen als Adam, nadat hij dien brief -gelezen had, op den rand van zijn bed zat te kijken. Wel, hij had -altijd geweten, dat hij naar Indië moest; dat er een eind zou komen aan -het lui en lekker leventje in Den Haag; hij had daar zelfs meer dan -eens over gesproken, zoo, ter loops, als het in de rede te pas kwam; nu -bleek het ermee ernst te zijn als met den dood, die ook iedereen weet, -dat onvermijdelijk komen moet, maar op wien niemand, als hij komt, ook -maar in het minst is voorbereid. - -Naar Indië! Weer trachtte hij zich iets te herinneren, maar het ging -niet; hij kwam niet verder dan de kostschool te Batavia, en dat zei hem -eigenlijk niets. Van vader, moeder, broers, zusters, eigen woning aan -de kust van een ander groot eiland dan Java,—niets, niets! Het lachte -hem niet toe; in ’t geheel niet! Hij was in het Europeesche leven -heelemaal ingegroeid, en hij had daar veel mee op; Indische menschen -beschouwde hij, een echten totoh gelijk, eigenlijk als een graadje -minder; zij trokken hem niet aan, en als hij er nu en dan een ontmoette -bij de Verlande’s, hield hij zich op een afstand en had nimmer gevolg -gegeven aan invitaties om ’reis ’n visite te komen maken en de -kennismaking voort te zetten. - -Die gedachten kwamen zoo allemaal bij hem op en voor zijn doen was dat -overweldigend veel. Met diepe rimpels in zijn voorhoofd van dat -moeilijke en hem hoe langer hoe ongewoner wordend denkwerk, kleedde hij -zich, ontbeet als machinaal, en ging de deur uit, regelrecht naar de -Verlande’s. - -Ja, die hadden hun brief van Bram ook ontvangen, daags te voren in den -namiddag, en ze hadden Adam eigenlijk ’s avonds al verwacht. - -„Ik heb je passage direct besproken; over acht dagen moet je aan boord -zijn.” - -En toen Adam hem zoo onnoozel aankeek, alsof hij van ’t heele geval -niets begreep, en tegelijk zoo bedroefd, als iemand, die gevonnisd -wordt, moest hij in zichzelf lachen, en deed met opgetrokken -wenkbrauwen een langen haal aan z’n sigaar. - -„Ja, beste jongen, het was toch altijd je voorland; dat wist je.” - -„En Indië is een goed land,” bevestigde mevrouw Verlande met nadruk. - -Nu lachte haar man luid en spottend; hij, een njo, was nergens liever -dan in Europa; hij kon zich maar niet begrijpen, dat zoo’n pur sang -Hollandsche als zijne vrouw, altijd zooveel goeds zei van Indië. - -„Zeker,” zei ze, „ik heb altijd veel van Indië gehouden, en dat doe ik -nog.” - -„Ik heb liever een broodje met kaas,” spotte hij voort... „Maar laat -ons geen gekheid maken; het is kort dag voor Adam, hij moet zijn -uitrusting hebben.” - -Dáárvoor zou mevrouw zorgen; Adam had niets te doen, dan bij den -leverancier zich de maat te laten nemen, zei ze. Maar toen Verlande hem -meenam naar het kantoor, bleek het, dat er nog dozijnen dingen waren, -die hij noodig had en zich moest aanschaffen; Verlande maakte er een -lange lijst van en gaf Adam geld om zich alles aan te schaffen; doch -hoe gemakkelijk en eenvoudig dat leek, het gaf Adam een gevoel van -ongewone drukte, dat hem bingoeng maakte. - -En dan Nora Tiele! Hij kon, meende hij, nu in allen ernst, niet zóó -maar weg gaan; hij voelde ineens meer voor haar dan ooit vroeger, -buiten haar tegenwoordigheid; hij had de sterke overtuiging, dat hij -zich aan haar declareeren moest en er ook over spreken met haar vader. -Wel had hij geen vaag idée van wat hij moest uitvoeren, in Indië en bij -zijn ouders,—maar hij dacht dat dit vanzelf wel terechtkwam, en zij, -Nora, dan over een jaar of wat, zou kunnen „uitkomen” als zijn vrouw. - -Hij moest haar schrijven, kort en bondig; een onderhoud vragen onder -vier oogen en met de mededeeling erbij, van zijn aanstaand gedwongen -vertrek. - -’t Was bij de Tiele’s ’n heele consternatie; een donderslag bij heldere -lucht; het speet mama nu geweldig dat zij „politiek” had willen zijn, -en niet maar liever de eerste gelegenheid de beste had aangegrepen. -Nora was erg ontsteld, met een gevoel nu, dat zij doodelijk was van -Adam Silver. De oude heer keek ook zeer bezorgd, knorrig over de -„flauwe kunsten” zijner vrouw, die hij eerst zoo verstandig had -gevonden. - -Maar dáárover waren allen het eens: er moest op afdoende wijze voldaan -worden aan Adam’s verzoek; het was een drang in die richting, als wilde -men hem met Nora een apartje geven in haar slaapkamer. Zóóver kwam het -wel niet, maar toch zou de heele famielje gaan wandelen en een uurtje -weg blijven; als ze terugkwamen zou dan, naar zij hoopte en vertrouwde, -„de kogel wel door de kerk” zijn. - -En Nora, die had opgemerkt, wat Adam bijzonder mooi aan haar vond en -wat hij, in verband daarmee, haar goed vond staan, kleedde zich -daarnaar, zoodat van haar blanken hals veel te zien was; van voren -vooral. - -Toen ze hem ontving, zoo alleen, was ze werkelijk verlegen en ontroerd; -hij ook; de omstandigheden hadden hem overrompeld; hij had er zijn -gewone, rustige kalmte glad bij ingeschoten, en nu vooral, nu hij zulk -een stouten stap ging doen, was hij zenuwachtig. Nora merkte het aan -zijn handen, anders altijd warm als bij gezonde sanguinische naturen, -nu koud en klam; het stelde haar gerust; zij had er hem te liever om; -zij had het akelig gevonden, als hij nu zoo gemoedelijk was geweest als -altijd anders. - -„Je neemt me niet kwalijk?” vroeg hij, om wat te zeggen. - -Nora schudde zacht het blonde hoofd. - -„Neen,” zei ze. - -„Je zult wel begrepen hebben, dat ik niet heen kon gaan, zonder eerst -met je te hebben gesproken.” - -„Ja,” zei ze. - -Hij haalde diep adem; hij had nooit eenig examen gedaan; dat kon, dacht -hij, niet moeilijker wezen. - -„Hier is de brief.” - -Hij gebruikte dien brief, als een reddingsplank, wezenlijk niet -wetende, wat hij verder nog zeggen zou; en zij nam dien aan, wijl ze -met haar antwoorden zat te houden en het toch te gek was, dat een -meisje, steeds zoo goed bij het woord als zij, nu niets anders had -kunnen zeggen, dan „neen” en „ja.” Onder het lezen klom hare -belangstelling; zij zag daar veel meer in dan Adam en de Verlande’s; -zij maakte eruit op, dat die vader in Indië, die voor dezen éénen zoon -zooveel geld had uitgegeven om hem in Holland te laten grootbrengen, en -nu, als in een droom, telkens diens naam uitsprak, groote plannen had -met Adam, plannen om hem veel geld te vermaken of landgoederen te -geven. - - - - - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - -EEN DECLARATIE IN OPTIMA FORMA. - - -De bleeke straal van een ondergaande na-herfstzon gleed bescheiden -tusschen de bruine staatsiegordijnen door op de twee jonge menschen; -het was een knap paartje, zooals het daar zat op de chaise longue; mooi -in de groote tegenstelling van haar blond-blank en figuur-fijnheid, -tegenover zijn donker robust. - -„Heb je geen herinnering aan je pa?” - -„Niet de minste.” - -„God geef, dat je hem nog levend vindt.” - -„Ik hoop het; ik denk het wel; men zegt, dat sleepende kwalen meest -lang duren in Indië.” - -„Er is dan misschien nog kans, dat hij beter wordt?” - -„Wellicht,” zei Adam, zonder overtuiging of hartelijkheid. - -„Dan kon je misschien weer terugkomen naar hier.” - -Maar daar had hij voor zichzelf geen de minste hoop op en hij wilde -haar niet bedriegen. - -„Er zal wel geen kans op zijn; dat denken de Verlande’s ook.” - -Verwonderd keek ze hem aan. - -„Pa zal mij zeker op een onderneming plaatsen, of, als hij mocht -sterven, zal ik er wel voor de zaken moeten blijven.” - -„En dan?” - -„Je weet Nora, hoeveel ik van je hou.” - -Nu hij zoo eenvoudig en oprecht van wal stak, moest zij lachen. - -„Ik geloof er niets van.” - -„Plaag me niet; je weet het al lang, ik wou vragen of je je met me wilt -engageeren. Ik zal vandaag nog aanzoek doen bij je pa, en dadelijk in -Indië zal ik er thuis werk van maken.” - -„Maar mijn goede, beste Adam, geef me nu eens duidelijk en verder -antwoord op mijn vraag: en dan?” - -Zij had haar hand vertrouwelijk op de zijne gelegd, en keek hem aan met -een lief, vriendelijk gezicht. Hij, nog geheel onder den invloed van -zijn sentiment, lette niet op haar andere schoonheden, en zij dacht -daar zelf volstrekt niet aan; zij had heel goed hoog en stijf gekleed -kunnen zijn; het was alles hetzelfde geweest. - -Adam sloeg zijn arm om haar heen, trok haar zacht tegen zijn breede -borst en kuste haar; zij gaf hem volkomen argeloos en zonder iets -anders dan een diep gevoel van onschuldige genegenheid, dien eersten -kus terug; ze waren allebei beter en reiner mensch nu, dan ze zelf -vroeger hadden geweten of gedacht. - -En hij vertelde zijn plan; om als alles daarginds in orde was, haar te -trouwen bij volmacht en haar dan uit te laten komen naar Indië, waar -zij een heerlijk leven zou hebben; zoo goed als gefortuneerde lui in de -binnenlanden, waarover zij in Den Haag zooveel had hooren spreken, het -maar hebben kunnen. - -De terugkomst der familie verraste hen; zou hen altijd verrast hebben, -al was zij uren later thuis gekomen. - -Men hield zich goed; men veinsde de gewone verwondering over een -onverwacht bezoek. Een kwartier later kwam het toevallig zoo uit, dat -hij met den ouden heer alleen zat. - -„Voor ik naar Indië ga, had ik graag nog eens met u gesproken over -mijzelven en over Nora.” - -Tiele keek met een effen gezicht langs z’n grooten neus naar buiten, -het hoofd langzaam op en neer, als ’n Chineesch beeldje. - -„Zoo, zoo!” - -„Ik wou u verzoeken mij toe te staan met mijn vader te spreken en -daarna een aanzoek...” - -„Ja. Hoe oud is je vader?” - -Het was voor Adam een slim geval. Vooreerst bracht hem die onverwachte -vraag van z’n stuk, dat toch al niet erg stevig was; maar bovendien: -hij wist het niet. - -„Heel precies kan ik het niet zeggen... om en bij de zestig.” - -Wat ’n raar slag van volk toch, dacht Tiele, die Indische lui! Zoo’n -jonge man wist niet eens hoe oud z’n eigen vader was! Hij, Tiele, kende -de geboortejaren van al zijn bloedverwanten, zelfs van overledenen. - -„Hoeveel broers en zusters heb je?” - -Toen Adam peinzend opzag naar het plafond, als berekende hij in -gedachten het aantal, keek de oude heer hem in bange verwachting aan. -Welk een oostersch reproductievermogen zou hij hier ontdekken? Welk een -ongelooflijk aantal varkens zou deze spoeling dun maken? - -„Wij zijn met ons vieren, thans; daar zijn er dood.” - -„Met je hoeveel?” - -„Vier.” - -Het was sterk, meende Tiele; daar had zoo’n kerel voor gekeken als -werkte hij uit het hoofd een rekenkunstig vraagstuk uit. Neen, als hij -niet erg gefortuneerd was, zou Adam nooit voor schoonzoon in aanmerking -zijn gekomen. Aan een departement had hij het in een heel menschenleven -niet verder gebracht dan adjunct-commies, en misschien zelfs dàt niet. -De waarheid was, dat Adam ook het gevraagde aantal niet goed wist; hij -had zich nooit met die broers en die zusters beziggehouden, en zij -evenmin met hem; hij had zijn jeugd doorgebracht met de Verlande’s, en -met hun kinderen onbezorgd meegeleefd. Hoe oud zij waren, wanneer ze -hun verjaardagen vierden en al zulke kleine levensbijzonderheden meer, -wist hij precies. - -„Op hoeveel taxeer je den ouden heer?” - -Adam Silver begon te transpireeren; het scheen hem toe, dat Nora’s -vader nu ook in ’t geheel geen vraag kon doen, die hij bij machte was -te beantwoorden. Wat wist hij van de fortuin zijns vaders? - -„Een millioen,” zei hij in zijn angst. - -Tiele dacht na. Een millioen, dat was op zichzelf heel mooi; en ze -waren met hun vieren slechts. Dat was voor Nora een toekomst van twee -en een halve ton. Heel mooi! Maar..... een Indisch millioen was altijd -précair. Vandaag heette het, dat de menschen puissant rijk waren, en -een paar maanden later, na een flinke daling in den marktprijs van een -of ander product, waren ze veel minder; moesten ze hun equipages -wegdoen en uit hun groote huizen trekken. - -„Weet je misschien, waaruit dat millioen bestaat?” - -„Pa heeft aandeelen in perken en landgoederen.” - -Hm! Daar had-je ’t al! - -„Suiker?” - -Nu moest Adam lachen. Suiker in perken! Daar was hij ineens à cheval, -want bij de Verlande’s had hij altijd veel gehoord over de perken; zij -zaten met het grootste deel van hun geld daar ook in. En om den -lastigen ouden heer in het doen van verdere vragen zooveel mogelijk -tegen te houden, putte hij al de wijsheid uit, die hij over dit -onderwerp bij de Verlande’s had opgedaan, en gaf in haar geheel de -beschrijvingen, welke hij dozijnen maal bij stukken en brokken daar had -gehoord. Beter dan hij dacht, was de indruk, dien hij daarbij maakte; -het was, vond Tiele, verduiveld mooi, en hij had nooit gedacht, dat die -Adam daar zooveel van wist. Er scheen ten slotte in dat jongmensch toch -meer te steken, dan men zoo oppervlakkig zou vermoeden, als er maar -iemand den slag had het eruit te krijgen; het streelde hem, dat hijzelf -dien slag bleek te hebben, en aandachtig luisterde hij naar de breede -uitweiding, nu en dan door een enkel woord of heel gewone vraag toonend -hoe goed hij bij de zaak was. - -„Kijk,” zei hij, „ik heb persoonlijk niets tegen je. Je bent nog wat -jong, maar dat betert vanzelf. Als je nu in Indië bent, en je hebt met -je vader gesproken, dan moet je het zóó regelen, dat hij het aanzoek -voor je doet aan mij, en dat hij daarbij nauwkeurig opgeeft wat en hoe -je financieele positie is, want je hebt geen betrekking; niet bij het -gouvernement en niet particulier. Dus is dat noodzakelijk. Begrepen? En -als dat in orde is, zal ik mij niet tegen uw geluk en dat van Nora -verzetten, en mevrouw Tiele, daar ben ik zeker van, zal dat evenmin.” - -Mevrouw Tiele dacht daar reeds nu niet over. Zij had een der meisjes -als het ware uitgehuwelijkt en een rijken schoonzoon in ’t zicht; zij -dacht niet aan broers en zusters, of aan de onvastheid van suiker in of -buiten perken; zij vond Adam voor Nora als geknipt, ware het slechts -omdat hij door zijn zachten aard en goedigheid het ’t meisje -gemakkelijker zou maken, dan zijzelf het in haar huwelijk had gehad. - -En Adam, die geïnviteerd werd om te blijven eten, wijl daarop vooraf -was gerekend, voelde zich geheel tehuis en volmaakt gelukkig; hij en -Nora gedroegen zich nu en dan, alsof ze al betoel geëngageerd waren, en -de familieleden deden maar alsof ze dat niet zagen, drinkend met -vriendelijke gezichten en stille verstandhouding op de gezondheid, den -voorspoed, het geluk en nog veel meer, van Adam en zijn familie in -Indië, denkend daarbij aan de eigen dito’s, nu de toekomst zich zoo -prettig liet aanzien. - -In één roes ging het door, de weinige dagen, die hem nog overbleven, -een droom gelijk. Den laatsten avond zou hij bij de Tiele’s -doorbrengen; de familie Verlande kwam daar ook nu, en zijn vrienden, -enkelen bij wie Adam wel aan huis kwam, met hun families. Het was een -rustig praatavondje eerst, met daarna een innig en hartelijk slot van -tranen, kussen en zenuwachtige handdrukken; van allerlei beloften en -toezeggingen: van niet vergeten, brieven schrijven, dikwijls aan -denken, portretten zenden, groeten overbrengen,—tot hij eindelijk -alleen met Nora op den corridor stond, suf gepraat en misselijk -gezoend. De Tiele’s hadden dit laatste apartje maar stil toegelaten. - -En het duurde heel lang, zoo lang, dat de oude heer er ongedurig van -werd en in den salon op en neer ging loopen, hemmend en kuchend, om den -indruk te geven, dat hij elk oogenblik naar buiten kon komen. - - - - - - - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - -AAN BOORD VAN DEN MAILSTOOMER. - - -Toen het afscheid eindelijk genomen was, Nora schreiend naar haar kamer -ging en Adam in den kouden nacht op het trottoir stond, beheerschte hem -één groot, overweldigend gevoel: hij had zoo’n verschrikkelijken dorst. -En hij overlegde bij zichzelven naar welk bierhuis hij gaan zou. Zijn -vrienden wou hij niet ontmoeten, want dan werd het weer zoo laat, en al -om zes uren den volgenden ochtend zou Verlande hem komen halen met een -rijtuig. Daarom liep hij maar ergens heen, waar ze zelden kwamen en -schoof achter het groene gordijn, in het midden van het lokaal, dat dit -donker liet aan de straatzijde, als een dief naar binnen. Welk een -goddelijk bier! Bij den tweeden Seidel kon hij weer geregeld denken, en -hij dacht aan de lieve Nora, die hij zoo pas had verlaten, en aan dien -heelen avond; aan Nora met een gevoel van teederheid, aan de anderen -zonder gevoel. En daarna pikirde hij langzaam over het leven, dat hij -in Holland had geleid, en over de vermoedelijke toekomst; het eerste -was in den laatsten tijd onbetaalbaar geweest; ’t ging hem aan het -hart, dat ’t nu zoo heelemaal uit was; het andere,—nu ja, dat mocht -zijn wat het wilde! - -Hij bestelde nog een glas bier en stak ’n sigaar aan; de vlam van den -lucifer ging hoog op, zijn donker gezicht verlichtend, en tegelijk -hielden twee jongelui op het trottoir aan den overkant op met loopen. - -„Daar zit waarachtig Adam Silver,” zei de een. - -„Wel verdomd,” riep de ander. - -In een oogenblik zaten ze naast hem, den Seidel hoog; het was typisch, -vonden ze, hem hier te vinden; het was kranig, dat iemand, die den -volgenden dag naar Indië ging, nog zijn „afscheidspotje” ging halen in -de kroeg. En het was zóó typisch en zóó kranig, dat toen Verlande ’s -morgens vroeg Adam met een rijtuig kwam afhalen om hem naar ’t spoor te -brengen,—de juffrouw hoofdschuddend verklaarde, dat meneer nog in ’t -geheel niet thuis was geweest. - -Juist kwam meneer aan, zeer berooid, maar met nog vrij veel besef van -z’n toestand; genoeg althans om er verlegen over te zijn en zijn -excuses te stamelen. - -„Ik ben dadelijk klaar,” verzekerde hij. - -Verlande zei maar niks; hij was boos, maar wat hielp het, boos te zijn -onder zulke omstandigheden. - -„Haast je maar wat,” zei hij kortaf. - -Nu, dat ging wonderwel, terwijl Verlande toezag; het koude water deed -op het sterk gestel wonderen, en een kwartier later reden ze door de -nog eenzame, grijze straten, voorbij de dichte vensters der gesloten -huizen. - -Ze spraken geen woord. Adam te suf haast om iets te zeggen, worstelend -tegen zichzelf, Verlande uit het portierraampje kijkend, nog altijd te -nijdig om vriendelijk te wezen. - -Aan het station was hij weer in een vergevensgezinde stemming geraakt, -maar toen hij een drietal rumoerige en dronken jongelui zag staan op -het perron, die een hoeraatje aanhieven bij Adam’s komst, werd hij -bleek. - -„Ik wil je groeten, en goede reis verder.” - -Daarmee ging Verlande weer terug naar de vigilante, die hem gebracht -had, en reed weg. En in de wachtkamer hield de oude heer Tiele zich -schuil. Hij had een bewijs van hartelijkheid willen geven, en was naar -het station gekomen om een laatste afscheid te nemen, maar toen hij het -drietal had gezien, en uit hun luidruchtig gepraat had gehoord, -waarvoor zij daar waren, kwam het zijn eer als hoofdambtenaar te na, -zich te vertoonen voor hetzelfde doel. - -Adam Silver dankte God, dat de trein afreed; nog nooit had hij zóó het -land gehad aan zichzelven; hij had kunnen huilen. - -In die stemming kwam hij aan boord van den mailstoomer, en vroeg enkele -inlichtingen; hij had een hut achteruit, zoo goed als boven de schroef; -een hut met couchetten, welke hij deelde met een ander passagier, die -daar nu zelf niet was, tot zijn vreugde; die nu waarschijnlijk boven -stond, afscheid nemend van ontroerde bloedverwanten, zelf ontroerd bij -het verlaten van z’n vaderland. - -Adam dacht er niet aan, hij dacht in het geheel niet; hij had het niet -kunnen doen; hij was òp van het feestvieren de laatste dagen en -nachten; op den rand zijner couchette, zat hij zijn bottines uit te -trekken en onder de hand vielen z’n oogen dicht van overweldigenden -slaap. - -Den volgenden dag ontwaakte hij, ’s ochtends heel vroeg, verbaasd en -met geen idee van tijd, maar volkomen uitgesoesd en opgefrischt,—wat -dat laatste aangaat door en door koud zelfs; een lang en rauw geluid -deed hem naar den anderen kant kijken over den rand zijner couchette en -in het flauwe lichtschijnsel zag hij boven den rand der -tegenoverliggende slaapplaats een bleek stuk gezicht met zweetdroppels -erop, akelig om te zien; en zich eenigszins opheffend, begon hij nu ook -te ontwaren, hoe zijn hutgenoot op gruwelijke wijze tol had betaald aan -de groote zee, zonder dat hij er iets van had bespeurd. - -Met eenige moeite, door de beweging van den stoomer, stond hij op. - -„Willen we eens kennis maken?” vroeg Adam den anderen jonkman. - -Maar die, hem met een paar bleeke landerige oogen aankijkend, joeg zijn -hoofd met een plotse hevige beweging buiten de couchette, en, na de -akelige evolutie achterover vallend, zuchtte hij enkel: - -„O God, ik ben zoo beroerd!” - -Adam haastte zich zoo gauw mogelijk weg te komen uit de benauwde -ruimte, naar het salon, waar de passagiers, voorzoover die present -waren, hem met verwonderingsgezichten aankeken; hij groette met een -hoofdknik in het rond, zichzelf geheel meester, met zijn gewone rustige -kalmte, ontbeet stevig, en zocht, uit een gevoel, dat het zoo behoorde, -den commandant op om zich voor te stellen. - -Die nam hem eens op met een stil glimlachje: - -„Goed geslapen, meneer Silver?” - -„Dank u, uitstekend.” - -„Al ontbeten?” - -„O ja en perfect. Ik had een kolossalen honger.” - -„Dat kan ik begrijpen. Geen last van zeeziekte?” - -„Ik... ik geloof het niet.” - -„Nu, dan zal het wel schikken. Ik wou, dat al m’n passagiers bij het -begin van de reis zoo’n rustige vier en twintig uren doormaakten als u -hebt gedaan. ’t Zou de meesten te pas komen.” - -Maar in dien tusschentijd was aan boord de reputatie van Adam -gevestigd, als de totaal mislukte zoon van rijke indische ouders, die -nog vóór z’n terugkeer uit Holland zoo had gesjouwd, dat hij als het -ware slapende in z’n kooi was neergevallen. Het was in dezen kring een -zeer ongunstige reputatie; de jongeren, die voor het eerst naar Indië -gingen, de ouderen, die erheen terugkeerden,—ze waren allen -werkmenschen, die door arbeid hun toekomst en hun bestaan moesten -verdienen; en dien éénen fainéant, als vreemde eend in de bijt, haatten -ze, nog vóór ze hem hadden gezien; zijn „rijkdom” hem benijdend; -zichzelven en elkaar verheffend door laag neer te zien op zijn gebrek -aan kennis en geleerdheid; de ouderen onder hen, den vader beklagend, -die zoo’n presentje weer op z’n dak kreeg. - -Het viel Adam op, dat men onvriendelijk tegen hem was, en dit hem -belette zich bij de lui aan te sluiten; toen men de Engelsche kust -naderde, stond hij bij een paar jonge ingenieurs en zei ’n enkel woord -tusschen hun gesprek; zij keken elkaar eens aan; zijn uiterlijk en zijn -kalme fatsoenlijke manieren waren hun meegevallen; een hunner vroeg: - -„Gaat u in gouvernementsdienst naar Indië?” terwijl hij heel goed wist, -dat dit niet zoo was. - -„Neen. Ik ben naar Indië ontboden door mijn familie om de ziekte van -papa.” - -„Nu ja! wat veel...?” - -„Dat zou het niet geweest zijn. Het ging van begin af niet best. In het -begin gaf ik me moeite; naderhand niet meer. Waartoe ook? Als ambtenaar -zou ik maar de plaats innemen van een ander die er meer behoefte aan -had.” - -Het was zijn verdedigingsphrase, en zij viel in goede aarde. De -jongelui keken elkaar nog eens aan, alsof ze wilden zeggen, dat hij -eigenlijk gelijk had. Zij lachten er hartelijk om, en waren nu ook -toeschietelijker. Toen volgden de anderen, en voor Marseille nog, waren -ze het volmaakt erover eens, dat die Adam Silver een nette en goede -jongen was, en het er voor zoo’n toekomstigen richard toch ook -eigenlijk niets toe deed of hij ’n baantje had of niet. - - - - - - - - -ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. - -IN INDIË TERUG, MAAR... AAN EEN STERFBED. - - -Het was een aangename reis; de jongeren vooral, vol hoop en illusiën -een nieuw leven in een ander deel der wereld tegemoet gaande, leefden -in de kalmer wateren van het zuiden en onder den invloed van het al -zachter wordende klimaat, op in de levenskracht en de frischheid hunner -volle jeugd; van alles verzinnend om het scheepsleven gezellig en -vroolijk te maken. - -Toen men in de tropische luchtstreek kwam, veranderde er veel, wat de -meesten niet opviel, voor sommigen toch zeer opmerkelijk was. - -Adam onderging die verandering ook, zonder er veel van te merken; wel -zeurde hij met de anderen mee over de warmte, maar hij meende daar -niets van; hij voelde zich veel prettiger dan bij zomerwarmte in -Europa; hij at de niet zeer smakelijke rijsttafel aan boord met het -grootste genoegen; hij liep in slaapbroek en kabaai rond ’s morgens, of -hij ’t zijn leven lang had gedaan; en daar de in Indië geborenen bij de -nadering van Poeloe Pisang als door een tooverslag weer minder correct -Hollandsch gingen spreken, dan ze het eerste deel der reis deden, was -Adam in één dag geheel onwillekeurig daar ook mee op—eigenlijk -van—streek. - -Toen hij, na een lange vervelende kustreis in het huis kwam, dat... hij -eens met ’n rood kieltje aan had verlaten, had hij zoodoende al meer -„Indische” levensvormen overgenomen, dan ’n gewoon Europeesch baar in -een jaar; maar toch herkende hem niemand; gelijk ook hij niets -herkende. - -Hij liep het erf op en zag boven in de binnen-voorgalerij jonge mannen -in witte kabaai, een oude inlandsche vrouw, een jonge bijna inlandsche -vrouw; en zij verdwenen, naar achteren wijkend, toen ze hem zagen. - -Een jonge man kwam beneden in het huis naar voren; hij was mager en -beenig, met ingevallen borst en zwaar zwart haar; zonder baard of -knevel, de gladde huid als gespannen over de kaak-beenderen,—John -Silver uit diens jeugd. - -Min of meer verlegen trad hij met kleine dribbelpasjes op den breeden -kolossus toe, een soort van onderdanige beleefdheid in zijn houding: - -„Met wien heb ik de eer?” En de andere, ook door deze ontmoeting -bedremmeld en verlegen: - -„Ik ben Adam.” - -„Allah! ik ben Bram.” Zij monsterden elkaar eens goed, een oogenblik -verwonderd over de tegenstelling. - -„Hoe is het mogelijk,” zei Bram. „Hoe ben je zóó?” - -„Ja,” antwoordde Adam met zijn goedigen glimlach, „dat dacht ik ook.” - -„Stil; weet je; Pa is zwaar ziek; laat ons naar achter gaan, naar het -oudje; ik wil het haar eerst zeggen; ze zou anders schrikken.” - -Een paar minuten later haalden ze hem af met groote hartelijkheid, de -broers met hun beiden nu, zijn dikke handen fideel drukkend in hun -magere knokken, de zuster met het eene oog hem kussend, dat het klapte: -njai Peraq stil en ontdaan hem maar aankijkend door haar bril met een -uitdrukking op haar gezicht of ze versuft was; niets zeggend, zonder -eenig vertoon van genegenheid, toen hij haar, bewogen zelf nu, een kus -gaf. - -Ze brachten hem zacht in de ziekenkamer; John Silver was al twee dagen -niet meer bij kennis en stervende; zóó mager lag hij daar, dat het -haast ongelooflijk was. - -„Hij spreekt al in langen tijd niet meer,” fluisterde Bram. „De dokter -zegt, dat hij nog dagen zoo kan liggen, maar dat het ook ineens gedaan -kan zijn.” - -Adam voelde niets voor het wezen, dat daar op het bed lag, langzaam -ademhalend, de oogen dicht, wezenloos en buiten kennis. Toen ze een -tijd hadden staan fluisteren, kreeg zijn zuster een ingeving; zij had -altijd het meest van den vader gehouden; zij huilde bij zijn sterfbed; -zij had nog zoo graag zijn stem eens gehoord, zijn oogen eens zien -opengaan. - -Zij boog zich over haar vader; met haar gezicht vlak bij het zijne en -den mond aan zijn oor, zei ze dringend: - -„Pa, paatje, daar is Adam.” - -En de oogen gingen open, wel een oogenblik dwalend, den blik over de -groep voor het bed; dan stil op de breede figuur in grijs complet, -tusschen de witte kabaja’s. - -Er kwam geen woord, al leefde het heele gezicht plotseling op met -gloed. - -Adam, ontsteld, ging op den stoel zitten naast het bed, nam de hand, -die op de sprei lag, in de zijne en zei: - -„Dag pa, hoe is het met u?” - -Om de blauwige lippen van den breeden mond gleed een grijns als ’n -spotlach; de gloed in het gezicht nam af; het licht der oogen werd dof -en mat; een halve minuut duurde het misschien en zij waren er allen zóó -door getroffen; dat ze niet spreken, zich niet bewegen konden. - -Toen kwam het reutelend geluid diep en langzaam wegstervend; de -verstijving der trekken, het heelemaal verdwijnen van den blik in de -oogen, die gericht bleven op het gezicht van Adam. - -John Silver was dood. - -Alleen Lucie nam jammerend het lichte kleine hoofd in haar armen, en -riep haar vader toe met lieve namen, en huilde haar leed door het huis. - -„Het is gelukkig, dat je hem nog even hebt gezien,” zei Bram. - -„Ja, dat is het,” gaf Adam maar willig toe, gedachtenloos, overvallen -door dien zonderlingen terugkeer in een omgeving, hem heelemaal vreemd. - -„Kasian, hij heeft in den laatsten tijd veel over je gepikird.” - -„Ik heb ’t uit je brief gezien. Het spijt me dat ik niet eer gekomen -ben.” - -„Waarom kwam je niet eer?” - -„Ik wist het niet; er is mij niets van geschreven.” - -Bram dacht een oogenblik na; hij wou iets weten, maar hij durfde ’t -haast niet vragen. - -„Kon je niet vroeger komen uit jezelven?” - -„Waarom zou ik het gedaan hebben? Ik had een goed en pleizierig leven -in Holland.” - -„En wat heb je er uitgevoerd?” - -„Pret gemaakt en.... ’n beetje geleerd. Maar niet veel!” - -Goedig en vriendelijk keek Bram hem aan; hij was bang geweest voor de -komst van dien jongsten broer; hij wist wel, dat het geen hoogvlieger -was, maar toch.... ’n jongen, die zoo lang in Europa was geweest, zou -hem met geleerdheid en groote woorden zeker overdonderen. In plaats -daarvan was Adam de eenvoud en de gewoonheid zelf in zijn manier van -spreken. - -„Wat ga je nu doen?” vroeg Bram. - -Adam voelde zich verlegen met de zaak. Hij had z’n hoofd niet goed bij -elkaar; hij was daar zóó van de reis, bij ’n sterfbed neergezet; en nog -heelemaal onder den indruk van het geval, moest hij plannen voor de -toekomst blootleggen, die hij niet had gevormd. - -„Zeg jij het maar.” - -Daar keek Bram weer vreemd van op; dat was, meende hij, ’n leuke kerel, -of hij had het mis! - -„Op het land, dat zal het beste wezen.” - -’t Was juist wat Adam altijd had gedacht; het ging voor hem op, als een -licht, en tevreden knikte hij. - -„Juist; op een der ondernemingen van den ouden heer.” - -„Ondernemingen van den ouden heer?” - -„Nu ja,” verbeterde Adam, meenend verbaal ’n bok te hebben geschoten, -„van ons dan, na zijn dood!” - -„Van ons?” vroeg Bram in de hoogste verbazing. - -„Ja... wat anders?” - -„Maar beste jongen, wie heeft je ooit van die dingen gesproken?” - -Het was een pijnlijke vraag. Ja, de Verlande’s hadden altijd gezegd, -dat zijn vader wel zou zorgen, dat hij op een land kwam, maar hij -alleen had daar als vanzelf sprekend uit afgeleid, dat het poenja was, -en op die gedachte was hij steeds doorgegaan. - -„Dat weet ik niet meer, ik heb het me altijd zoo voorgesteld.” - -„Nu, maar dat is dan heel verkeerd geweest, hoor!” - -Daar schoot hem iets te binnen. - -„De perken!” zei hij triomfantelijk. - -„Het aandeel daarin, bedoel je. Dàt is al ’n paar jaren lang naar de -maan, beste jongen; dat heeft pa moeten afstaan voor andere beren.” - -„Beren!” riep Adam in de hoogste verwondering. „Kom, je fopt me.” - -„Waarachtig niet, wat zou ik daaraan hebben. Betoel, hoor! beren bij de -Bank.” - -„O zoo, bij de Bank. Maar pa was toch rijk.” - -„Ben je wel heelemaal dwaas! Jongen, ik zie wel, dat jij leelijk in de -war bent. Wat er van den boel hier terechtkomt, kan ik haast op duizend -gulden nagaan; als we elk twintig mille voor ons erfdeel maken, zal het -heel mooi zijn.” - -In Adam rees een gevoel van wantrouwen op; het kon niet waar zijn; het -was zeker de inleiding tot een plan om hem te misleiden en te -bedriegen; daarom gaf hij geen antwoord, en de andere, die daar eenig -besef van had, ging voort. - -„Enfin, je zult het zien. Jij bent de eenige minderjarige nog, en -daarom zal de Weeskamer er wel bij komen. Dan zal je het ondervinden. -En als je verstandig wilt zijn, ga dan zoodra alles is afgeloopen, stil -als opziener dienen; ik weet; er is iets open, tachtig pop in de maand, -vrije woning, rijst, olie en brandhout. Dat kan ik je wel bezorgen. En -zet dan je erfportie secuur in deposito. Naderhand, als je kennis van -zaken hier hebt gekregen, kan ’t geld je te pas komen.” - -Het was wel verstandig geredeneerd, maar sterker geesten dan Adam -zouden duizelig zijn geworden door zulk een val. Daar zonk alles onder -hem weg! Een handvol geld, en verder niets.... Van den goeden raad -begreep hij de helft niet... Vrij rijst, olie en brandhout.... dat zou -hij krijgen; hij, Adam Silver, die er zoo goed en zoo netjes als -millionnairs-zoon van geleefd had in Den Haag!... Van alles wat Bram -hem daar had gezegd, klonk hem niets zoo onmogelijk, zoo min en -vernederend in de ooren als die vrije olie en die rijst. - -„En moeder?” vroeg hij om toch iets te zeggen. - -„Het oudje? O, die komt terecht; die heeft haar eigen duitjes, -vermoedelijk meer dan wij; zij heeft haar heele leven geld geleend -tegen mooie rente. Anderhalf soms twee percent in de maand. Dàt kan ze -uitstekend. Maar daar moet iemand ondervinding en slag van hebben, -anders loopt hij er geducht in.” - -Zijn moeder een inlandsche vrouw en een woekeraarster; het was, meende -Adam Silver een comble; wat kon hem nu nog overkomen? - -„Zeg,” ging Bram voort, „wil je de koffers niet ontpakken.” - -Hij had een stille hoop, dat er toch wel iets voor hem en de anderen in -zou zitten, een cadeautje uit Holland; de een of andere aardige -kleinigheid. En zij gingen samen naar de kamer voor Adam ingericht. De -tweede broer moest maar zorgen voor de toebereidselen tot de -begrafenis. - - - - - - - - -ACHTTIENDE HOOFDSTUK. - -HET GEVONDEN PORTRET. - - -Bram had het niet mis, schoon Adam part noch deel had aan de attentie; -die was het werk geweest van de Verlande’s; zij hadden wat snuisterijen -gekocht, ingepakt en geadresseerd; aardige kleinigheden uit -galanteriewinkels, in Holland goedkoop, in Indië op kleine plaatsen en -buitenposten, duur en zelfs niet verkrijgbaar. En allen vergaten er den -dooden vader om; kinderlijk blij, opgetogen van pleizier over de -„cadeautjes”, met een groot gevoel van genegenheid nu voor Adam, die -dat alles hoorde en aanzag, in het geheel niets begrijpend van deze -nieuwe omgeving. - -Den volgenden ochtend zou John Silver worden begraven; een paar oude -baboes hadden het lijk „afgelegd”; een oude mandoer zou er bij waken; -het scheen voor de familie een „zaak”, die haar weinig of niet -regardeerde; alles liep over mandoers en baboes en een inlandschen -opziener der begraafplaats. Maar de deelneming, voor zoover die bestond -in het volgen van het lijk naar het kerkhof, was, buiten evenredigheid -tot wijlen John Silvers populariteit, groot; men mocht hem genegeerd -hebben bij zijn leven,—nu hij dood was, moest men hem toch geven, wat -men meende verplicht te zijn aan een „Europeesch ingezetene.” - -Adam had het zich in zijn kamer zoo aangenaam mogelijk gemaakt, en was, -toen hij de formaliteit der begrafenis mede had vervuld, op z’n bed -gaan liggen. Het zag, vond hij, er gek voor hem uit; de omstandigheden -hadden hem heelemaal overrompeld; een beeld van zijn eigen toestand was -hij nog niet bij machte geweest zich te vormen. Niet aan -herseninspanning gewoon, schenen hem dit alles hoogst ingewikkelde -complicaties. Zou hij met z’n geld naar Europa teruggaan? In gedachten -zag hij het strak gezicht van den ouden heer Tiele, met de kleine -sleufoogjes voor zich uitstarend langs den grooten beenneus; hij hoorde -weer het categorisch verhoor en de aanbeveling om toch vooral secure -opgaven mee te zenden over zijn, Adam’s, financieelen toestand; hij -herinnerde zich, hoe hij te goeder trouw had gebluft met dat millioen, -waaraan hij geloofde, maar dat er niet was. - -En als hij daar dan aankwam met die twintig mille of wat ervan -overschoot..... Neen, dàt kon niet. Hij moest Nora Tiele opgeven, -daartegen was niets te doen. Die gedachte deed hem verdriet. Hij hield -al heel veel van haar, toen hij uit Holland ging, en sedert was die -genegenheid zoo ver gegaan als zijn aard en karakter toelieten; hij had -te Marseille brieven van haar gekregen, zoo innig lief, zoo hartelijk -en vriendelijk, dat het beetje poëzie zijner eigenaardige jeugd erdoor -hoog werd opgevoerd; hij had die brieven gelezen met een groot gevoel -van teederheid, er zoo goed hij kon in denzelfden geest op geantwoord, -en zoodoende zijn liefde voor Nora gevoed en opgekweekt tot wat die nu -was, met al de illusiën voor de toekomst. - -Ineens was dat uit; hij kon er geen minuut aan denken; hij nam haar -portret in de hand en bekeek het, zielsbedroefd, maar met de -overtuiging, dat de omstandigheden het uit hadden gemaakt tusschen hem -en haar. Geen oogenblik kwam bij hem de gedachte op van strijd tegen -die omstandigheden en van overwinning aan het einde. Wat dat aanging, -was hij zich instinctmatig zijner onmacht bewust. - -Hij had wel eens gelezen van menschen, die met een kleinigheid begonnen -en door hun energie fortuin hadden gemaakt, maar dat hield hij voor -fabeltjes; hij had altijd geleefd in een atmosfeer van knapheid, waarin -hij dom werd genoemd, omdat hij zoo moeilijk leeren kon; hij was -doordrongen van het geloof, dat men zonder veel geleerd te hebben door -zichzelf tot niets kon komen; dat dus alle pogingen, die hij deed, -eenvoudig tot niets zouden leiden. - -Hoe hij zich ook inspande, het hielp hem niet; hij zag nergens een -uitweg, en moe van het pikiren, na den zeer overvloedigen maaltijd, -sliep hij in, en lag daar groot, zwaar en breed, in een rustige -digestie. - -Njai Peraq kwam zacht de kamer binnen, gevolgd door Bram, en stil keken -zij beiden toe, door het zachte licht, in het wit omklamboede bed. - -„Allah, welk een man,” zei ze zacht in het Maleisch. - -Bram, glimlachend, schudde het hoofd tegenover dit raadselachtig wezen, -dat daar zwaar sliep, met een lange krachtige ademhaling; hij had hem -aldoor met verwondering aanschouwd, vooral aan tafel; en zijn zuster -met haar ééne oog, had hem aangekeken vol stomme verbazing over de -hoeveelheid eten, die Adam rustig verwerkte. - -„Weet-je,” fluisterde Bram tegen njai Peraq terug; „hij is net als -sommige perceelen; die moeten ook altijd zwaar bemest worden en ze -produceeren toch zoo goed als niets.” - -Zij antwoordde niet; ’t was de vraag, of ze wel eens naar Bram had -geluisterd; ze ging naar het ledikant, boog zich over hem heen en trok -zacht en voorzichtig het portret van Nora onder zijn eenen arm uit, die -erop lag; zoo zacht en voorzichtig als een inlandsche vrouw dat kan, -zoodat er geen vlieg door van z’n plaats zou gaan, laat staan een -mensch door ontwaken. - -Bram ging heen, toen hij even had meegekeken. ’t Was hem niet -aangenaam, dat Adam verliefd was; zoo’n europeesche vrouw in de -familie, daar zag hij erg tegen op; hij deed net zooals zijn vader had -gedaan en voelde zich wèl daarbij; hij had een inlandsche huishoudster -en die deed op de onderneming, waar hij opziener was, wat njai Peraq -altijd gedaan had in het vaderlijk huis; zij hield er een warong bij, -waar het volk, dat van haar geld leende en altijd door bij haar in het -krijt stond, wel koopen moest. Zoo sneed het mes van twee kanten! - -De moeder dacht daar ook zoo over; het liep haar koud langs den rug, -bij het zien van het portret van dat bleeke meisje, zoo onbegrijpelijk -raar gekleed. Moest dàt haar menantoe worden? God in den hemel, zuchtte -zij, het was onmogelijk! Zij zou het niet gedoogen. Al zou het haar nog -zooveel geld kosten aan toovermiddelen en goena-goena, zij zou het -ervoor over hebben! Een knappe, aardige, inlandsche vrouw, waar zij, -njai Peraq, op haar ouden dag iets aan had, die moest hij hebben; en -hij zou een beste kunnen krijgen, omdat hij zoo’n mooie jongen was, en -omdat zijzelf er wel een voor hem zoeken zou. - -Stil sloop zij de kamer uit, het portret van Nora Tiele onder haar -baadje. Buiten ging Bram haar achterna, de oude kamer binnen, die zij -al zooveel jaren bewoonde in de bijgebouwen, en in dezelfde groote -trommel, waar het portret van Adam, dat zij van John Silver gekregen -had, was geborgen, legde zij het andere, dat zij nu had weggenomen. - -„Wat doe je, ma?” - -„Ik berg het weg, Bram; hij mag het niet houden.” - -„Hij is geen kind meer, ma; ik denk dat hij kwaad zal zijn.” - -„Waarom kwaad? Op wie?” - -„Wel op een van ons beiden, ma, maar niet op mij.” - -„Hij zal het niet weten, Bram. Zou jij zoo’n mal bleek mensch hier in -huis willen zien?” - -Bram lachte hard en krakend; net het geluid van z’n vader in vroeger -tijd. - -„Neen, niet graag,” bekende hij openhartig; „maar mal zijn die totohs -niet, ma; zij zijn heel wat slimmer dan wij.” - -„Het kan mij niet schelen en het is niet waar ook; ja, zij kunnen -allerlei maken van ijzer, hout en steen, en zij kunnen sopi drinken en -brendy, maar pinter zijn ze niet.” - -„Soedah! Ik weet het beter. Maar het is waar, ik zou zoo’n schoonzusje -niet graag hebben. Doch daarom zou ik het portret niet stelen.” - -„Als hij het ziet, denkt hij aan haar.” - -„Laat hem denken.” - -„Dan wil hij haar trouwen.” - -Bram lachte weer. - -„Je wordt oud; je bent zelf niet zoo pinter meer als vroeger. Allah, -toch ma! hij is een Indische jongen. Laat hem maar eerst ’n week of wat -hier zijn, dan is hij gewend.” - -„En dan?” - -„O, welk een garnalenhoofd!” riep Bram zonder eenig respect voor de -moederlijke waardigheid van njai Peraq. „Dan geef ik hem een aardig -meisje om hem te pidjit.” - -Daar moest nu de oude vrouw om lachen, het dom vindend van haarzelf, -dat zij dááraan niet had gedacht. - -„Geef mij dus het portret terug,” ging Bram voort, „dan zal ik het in -z’n kamer leggen; het is beter.” - -Maar zij was bang. - -„Neen, ik doe het niet, Bram, ik doe het niet.” - -„Geef het nou, zeg ik. Hij moet ons niet gaan wantrouwen; en als hij -dat ding mist, zal hij u of mij natuurlijk verdenken.” - -Maar het was preeken voor doovemans ooren; aan zoo’n photographisch -portret schreef njai Peraq een buitengewonen invloed toe, had zij dien -niet zelf ondervonden en gevoeld, toen ze dat van Adam zag en ineens -voor haar oogen een beeld oprees, dat ze al lang was vergeten; en zoo -duidelijk, dat zij ervan schrikte? Neen, dat nooit! - - - - - - - - -NEGENTIENDE HOOFDSTUK. - -EEN NIEUWE VLAM. - - -Adam rekte zich uit, dat de ledikantstijlen ervan kraakten. Hij had -heerlijk geslapen en de muizenissen waren hem uit het hoofd gegaan, aan -het portret dacht hij zoo dadelijk niet en miste het dus evenmin; hij -ging baden om wat op te frisschen, en deed ’n wandeling daarna met -Bram, die druk bezig was in den tuin. - -„Het ziet er niet netjes uit,” excuseerde zich Bram, die dezelfde -liefhebberij in bloemkweeken had als z’n vader. „Het is in den laatsten -tijd erg verwaarloosd door de ziekte van den ouwen.” - -„Het gaat nogal,” meende Adam met ’n onverschilligen blik over de -rozestruiken en de veelkleurige planten. - -„Neen, waarachtig niet. Maar da’s niks; ik zal het wel weer gauw in -orde krijgen. Hou jij van bloemen?” - -Bram zat op z’n hurken, met vette aardkluitjes aan en een groote kromme -schaar in z’n handen, en hoog boven hem uit stak het groote breede -lijf, dat in de witte kabaai nog forscher leek, van den jongeren broer. -Toen Bram geen antwoord kreeg, zag hij op naar den jeugdigen gebaarden -kop boven hem, en hij volgde tusschen de struiken de richting van den -blik, die er bovenuit keek. - -„Aardig, ja?” vroeg Bram. - -Langzaam knikte Adam van ja; zijn zwarte oogen, glinsterend als -karbonkels, boorden door de lichte gele zonnelucht over den pagger naar -het weggetje daar langs, en Bram lachte genoeglijk; dááraan herkende -hij ten minste zijn bloed bij dien vreemdsoortigen broer; die rare eend -in de familiebijt. - -„Ja, ze ziet er goed uit,” vervolgde Bram; „zij is de dochter van een -mantri van de gevangenis; ze zal moeilijk te krijgen zijn.” - -Adam oogde nog de slanke figuur na in het gebloemd katoenen baadje, -dat, strak gespannen, van onder haast vastgedrukt tegen de mede -engsluitend aangehaalde in bruin gewerkte sarong, de fijne ronde vormen -onberispelijk teekende, evenals de met die tengerheid van bouw -contrasteerende, sterke buste-ontwikkeling in conische vormen -vooruitspringend. - -Het was ’n mooi gezicht vond Adam; hij had, toen ze voorbijging, -gekeken in haar vroolijke, ronde oogen, die hem toelachten gelijk het -meisjesoogen mooie jongens doen; zijn blik was gegaan over den -weelderigen schat van in een groote wrong gedraaid hoofdhaar, waarin ’n -wit bloempje stak, als hield dat die massa bijeen; en het aardig -ensemble had hem diep geïmpressionneerd; een stil vuur was langzaam als -door hem heengegaan van top tot teen, een gloeiende lavastroom, die hem -op zijn groote voeten deed staan trillen van begeerte. - -Dat was hem nog nooit overkomen, zóó nog nooit! Bij de boemelpartijen -met zijn vrienden in Holland had hij meegedaan aan alles, maar zonder -veel opgewektheid; altijd met het indolente en onverschillige, dat hem -zoo typeerde in uiterlijk en manieren. Hij gaf zich geen rekenschap van -het andere, dat hem nu bezielde; hij vond het vreemd en keek er een -oogenblik later verwonderd over naar Bram, die opgestaan was, als moest -deze het raadsel oplossen. Of het kwam door het klimaat of door zijn -oostersche afkomst;—dat waren quaesties, die niet eens in zijn -gedachten oprezen. - -Werktuiglijk vroeg hij: - -„Zou het niet gaan?” - -„Ik denk het niet,” zei Bram, „of je moest het heel stil behandelen.” - -„Hoe bedoel-je?” vroeg Adam, die wezenlijk niet op de hoogte was, en -deze conversatie, welke hem geheel au fait vooronderstelde en in kwart -en halve phrasen werd gevoerd, nauwlijks volgen kon. - -„Wel, dan naderhand met geld; een flinke som. Zie je, zoo’n kerel is -nauwelijks bij het gouvernement of van tweeën één: zijn dochter moet -huishoudster worden bij een Europeesch ambtenaar, die hem vooruit kan -helpen, of zij moet trouwen met een inlandsch ambtenaar; maar een -ambtenaar moet het zijn; dáár heeft zoo’n vent nu eenmaal zijn zinnen -op gezet, en hij gaat er niet af.” - -„Ik kan nog niet eens met haar praten,” zei Adam met een spijtigen -glimlach. - -„Och, dat is niks. Integendeel.” - -„Hoezoo?” - -„Wel, des te gauwer leer je de taal van het land.” - -„Ja, dat zal wel waar zijn.” - -„Nou,” zei Bram zacht en vertrouwelijk, „ik zal eens poolshoogte voor -je nemen. Loop je nog door?” - -En toen Adam dat nog doen wilde: - -„Dan groet ik je, want ik moet even met de ouwe vrouw praten.” - -In het kamertje op het achtererf ging hij bij njai Peraq zitten en stak -een strootje op, z’n magere beenen in de lucht wippend en kruiselings -weer inhalend met groote lenigheid over elkaar tot ver achter het -kniegewricht. - -Telkens luid op lachend, vertelde hij in het maleisch hoe Adam het -inlandsche meisje had aan- en nagekeken; dat hij al zoo goed als -verliefd was op het eerste gezicht; dat het dus alles maar onzin was -met dat totohmeisje, en Adam als hij eenmaal Minah van den mantri had, -voorgoed van die gekheid af zou zijn. - -Ernstig en stil overwoog njai Peraq; de mantri stond bij haar in de -schuld; hij was achterstallig en zij kon hem in moeilijkheden brengen, -want hij knoeide met leveranciers; dàt kon ze bewijzen; het meisje was -wel een beetje koket en keek veel te veel de mannen in de oogen, maar -ze was werkzaam en bij de hand, en had ze eenmaal een laki als Adam, -dan zou zij zich heel gemakkelijk tot deugden schikken. - -„Het kan misschien wel,” meende zij. - -„Hm! Heb je hem vast?” - -„Ja; maar hij kan me ontgaan, als er anderen zijn, die hem helpen.” - -„Nou ja! Ik zou er gauw werk van maken. Loop er eens langs en vraag -haar mee te gaan om koffie te drinken en kwee-kwee te eten.” - -„Wat zou dat helpen?” vroeg njai Peraq. - -Zij had andere inzichten; zij kon niet afdalen tot het standpunt van -vernedering, vanwaar Bram het artikel vrouw beschouwde. - -„Wat het helpen zou? Wel, als ze eenmaal hier is, komt ze ook wel eens -alleen met Adam. Dan moet hij maar zelf weten, wat hem te doen staat.” - -Maar njai Peraq fronste de wenkbrauwen en schudde in korte nijdige -bewegingen het hoofd. - -„Terlaloe, Bram. Het is gemeen, en zóó zal het niet gebeuren. Ik weet -wel beter en fatsoenlijker. Hij hoeft geen beest te zijn om haar te -krijgen.” - -Bram lachte erom, zoo gek vond hij haar uitval, en stak, terwijl hij -zijn knokkelvingers luid en knappend liet kraken, zijn magere beenen -weer in de lucht. „Ouwe sok!” zei hij in ’t Hollandsch. - -Zij kende het woord, als een uitdrukking, die John Silver vroeger -altijd veel in den mond had; maar zij begreep er niets van en liet het -erbij. En toen Bram uitgelachen had, spraken ze er ook niet verder -over, denkend ieder hun eigen gedachten. - -Tot Bram opschrikte toen een baboe kwam zeggen, dat er bezoek was; de -meneer had een kaartje afgegeven, er stond op, dat hij agent was van de -Weeskamer. - -Met een nijdig gezicht ging hij het huis in; dat was waar ook: de -vervelende Weeskamer zou zich er nu mee bemoeien, want Adam was -minderjarig. - - - - - - - - -TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -ONTERFD. - - -Toen hij binnenkwam waren er twee personen, de agent van de Weeskamer -en een ander ambtenaar; en deze laatste was eigenlijk de woordvoerder; -daar er op de plaats geen notaris was, en die ook niet te bereiken -viel, had John Silver in zijn tegenwoordigheid een testament gemaakt -onder getuigen en eigenhandig, en dat had hij bij hem in bewaring -gelaten; de familie moest den volgenden dag maar op ’t kantoor komen. - -Intusschen deed de ambtenaar van de Weeskamer verder zijn plicht en -alles werd opgeschreven en het gaf, vonden njai Peraq en de verdere -familieleden, een gezanik, om ziek van te worden. - -Toen des anderen daags de voorlezing van het testament was afgeloopen, -keken ze elkaar aan, zóó vol verbazing, dat het was, als hadden ze hun -verstand verloren. - -„De oude was gek,” zei Bram. - -Daartegen protesteerde de openbare ambtenaar; John Silver was volkomen -bij z’n verstand geweest; dat konden de getuigen verklaren. - -„Maar moeder dan?” - -Njai Peraq kwam in het testament niet voor. - -„Het is te mal, het is nonsense,” hield Bram vol... - -„Daar!” riep hij opgewonden, „het bewijs heb ik!” - -„Welk?” vroeg de agent. - -„Wel, dat pa niet bij zijn positieven was. Hij heeft mijn broer Adam -vergeten.” - -„Ja, dat heeft hij,” gaf de Weeskamer toe. - -Maar de openbare ambtenaar niet; die streek eenigszins verlegen over -z’n gezicht, en schudde langzaam, ontkennend, het hoofd. - -„Dat heeft hij niet.” - -„Het is wèl waar; hij komt er in ’t geheel niet in voor.” - -„Toen uw vader het testament maakte, heb ik zijn aandacht er ook op -gevestigd, ik wist... ik meende te weten, dat hij nog een zoon in -Europa had.” - -„Ja, natuurlijk.” - -„Het was mijn plicht hem erop te wijzen.” - -„Ja, en wat zei hij?” - -„Hij zeide... dat hij geen andere kinderen had erkend, dan die hij in -het testament had genoemd.” - -„Hoe bedoelt u dat?” vroeg Adam bleek en met groote ontstelde oogen, -geïmpressionneerd, zooals hij ’t nog nooit was geweest. - -„Wijlen de heer Silver was niet getrouwd voor de burgerlijke wet met -deze inlandsche vrouw; om de bij haar verwekte kinderen als de zijne -ingeschreven te krijgen in de registers van den Burgerlijken Stand, -moest hij ze erkennen.” - -„En heeft hij dat niet gedaan?” - -„Voor de anderen wel; voor u niet.” - -„Dus... dus ben ik...?” - -„Ja,” zei de ambtenaar, met wezenlijk medelijden tegenover dien -volkomen zuiver Hollandsch sprekenden en modern Europeesch gekleeden -jongen man, „het is een hoogst onaangenaam geval, maar het is heusch -niet anders. U bent niet ingeschreven en dus alleen de zoon van de -inlandsche vrouw, hier bekend onder den naam van njai Peraq.” - -De broers en de eenoogige zuster protesteerden. Het was onmogelijk, het -leek naar niets en het rijmde zich met niets; hun vader zou dat niet -gedaan hebben, terwijl hij juist zoo’n voorkeur aan Adam had -geschonken, dat hij hem met uitsluiting van de anderen, een kostbare -Europeesche opvoeding had laten geven; en de ambtenaren gaven toe, dat -het onbegrijpelijk was; zij zouden waarlijk nu tot de meening zijn -overgeheld, dat iemand, die zulke dingen doet, niet geacht kan worden -bij zijn verstand te zijn. - -„Maar al betwistte je het testament; dan zouden jullie daar wel nadeel, -maar geen voordeel bij kunnen hebben, en je broer evenmin.” - -„Dan is toch uitgemaakt...” begon Bram, maar hij bleef erin steken; hij -wist eigenlijk in het geheel niet, wat zou zijn uitgemaakt. - -„Het baat niets. Als jullie aan je broer een erfportie wilt afstaan en -aan je moeder ook, dan staat dat ieder vrij.” - -Ja, dat wilden ze, er was geen quaestie van, dat ze zouden willen -bezitten, wat hun moeder en hun broer toekwam; Bram vooral was zeer -opgewonden, de tranen stonden hem in de oogen. - -En njai Peraq, die ze alles hadden uitgelegd, beet even met een -zenuwachtig mondtrillen op haar onderlip. „Bangsat,” dacht ze; maar ze -zei het niet. - -De eenparige hartelijkheid zijner broers en zuster trof Adam; hem stond -voor het oogenblik de maatschappelijke kant niet zoo helder voor oogen, -als de financieele. - -„Ik wil jullie niet van je geld berooven,” zei hij pijnlijk, „het komt -me immers niet rechtmatig toe.” - -Maar nu dreigde het een strijd van edelmoedigheid te worden, waarbij -Bram het hoogste woord voerde, en dien njai Peraq zich liet verklaren -door haar dochter. - -„Het kan me niet schelen,” hield Bram vol, „wat pa gedaan heeft en -wáárom hij zoo heeft gedaan; dat gaat me niet aan en ik wil er niet aan -denken; maar jij bent mijn eigen broer, en al waren we niet van een en -denzelfden vader....” - -Het hooge woord, het woord waaraan gedacht werd door de vreemden en -door de moeder, maar dat zij niet durfden en wilden uitspreken, was -eruit. De twee ambtenaren keken elkaar aan; Bram begon te stotteren, -toen hij de gezichten zag van zijn broer en zuster, die hem verslagen -aankeken. - -Njai Peraq zette haar bril recht en stond op. - -„Het is alles een vergissing,” zei ze. „Wij zullen naar huis gaan. Ik -heb genoeg geld om Adam zooveel te geven, als jullie elk krijgt. Er -behoeft geen twist over te komen.” - -Maar Bram wilde niet weg; hij was altijd nogal breedsprakig; wanneer -hij zich had opgewonden en vond, dat hij gelijk had en hij deed zooals -behoorde, maakte dit hem sentimenteel; dan was hij niet van het woord -te slaan. - -„Zou er niks aan te doen zijn?” vroeg hij de ambtenaren. - -„Waaraan?” - -„Wel, dat het geredresseerd wordt; dat hij nog als mijn broer en als -Europeaan wordt erkend.” - -In hun hart betwijfelden zij het, maar om hem niet te verdrieten, zei -de een: - -„Misschien wel.” - -„Wat moeten we dan doen? Als er met geld iets te beginnen is, dan zijn -we graag bereid....” - -„Neen, dat niet; daaraan moet u niet denken.... Misschien een -collectief request....” - -„Wat voor request?” - -„Ik bedoel, dat door de erkende kinderen gezamenlijk wordt -onderteekend.” - -Ze vonden eerst het idée uitstekend, en praatten er heen en weer over, -tot ze het verwierpen, en besloten dat eerst Adam zelf het verzoek -moest doen; de Weeskamer-agent zou het voor hem opmaken. - -Toen ze hiermede hun ongerustheid hadden bedaard en naar huis reden, -zwegen zij, geheel onder den indruk; ieder ging stil naar zijn kamer, -heelemaal vervuld van het zonderling geval. - -Wie het hardste erover tobde, was Bram. Hij vond het, in één woord, het -verschrikkelijkste wat iemand kon overkomen; hij had wel een inlandsche -vrouw tot moeder, en hij dicteerde in zijn uiterlijk veel meer den -maleier, dan den westerling, maar dat belette hem niet zijn -maatschappelijken stand als Europeaan zeer hoog te schatten en laag -neer te zien op den inlander; had men hem de keuze gegeven tusschen -gelijkstelling met dezen en den dood, hij zou aan den laatsten de -voorkeur hebben gegeven. - -En hij bedacht terdege, dat het voor Adam, die zoolang in Holland was -geweest en die zoo heelemaal een totoh was geworden; nog erger wezen -moest, dan voor hem. - -Dat er ergens iets aan gehaperd had en wat het was, kon hij wel nagaan, -en als het waar was, moest dat voor zijn vader, zoo redeneerde hij, -onaangenaam zijn geweest. Hij dacht zichzelf in het geval. Wel, als hij -z’n huishoudster snapte, zou hij haar eenvoudig de deur uitschoppen, al -had ze een dozijn kinderen met hem. Men wist toch met een inlandsche -vrouw altijd wel, dat men zulke gevaren liep. Van den twijfel, dien -John Silver bij z’n leven haast gek had gemaakt en in den vorm van een -idée fixe hoogstwaarschijnlijk dat leven had verkort, wist hij niets en -kon hij zich geen voorstelling maken. - -De oude had indertijd iets ontdekt, iets geweten, en hij had niettemin -toch zijn huishoudster gehouden, maar zich gewroken door het kind een -Europeesche opvoeding te doen geven om hem later des te meer te -„donderen.” - -„God in den hemel,” riep hij zenuwachtig de kamer op en neer loopend, -in uiterlijk en manieren nu het sprekend evenbeeld van wijlen John, -„wat is dat ’n gemeene streek geweest, tegenover dien armen jongen, die -er toch dood onschuldig aan is.” - -Hij kon het niet houden, liep naar Adam en keek er gek van op, dat die -rustig een deuntje floot. En direct klom nog zijn medelijden: „de -jongen begrijpt het niet,” dacht hij; „hij ziet niet eens in, hoe -ernstig het is.” - -Het was ook zoo, althans betrekkelijk. - - - - - - - - -EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -VERGEEFSCHE MOEITE. - - -Adam had direct vertrouwen gekregen in het fameuse request aan de -Regeering; immers, dacht hij, wat kon het haar schelen, of hij in die -registers stond geschreven? Daar had zij, meende hij, geen voor- of -nadeel van, en er was dus geen reden, waarom ze het, als hij het vroeg, -zou weigeren. Het was heel vreemd van zijn vader geweest, dat vond hij -ook; maar het kon toch alles niet anders dan op een misverstand -berusten. En daar het met het geld vanzelf terecht zou komen, was Adam -heelemaal gerustgesteld en trok er zich verder niets van aan. - -Het gaf, toen hij zich zoo gemoedelijk erover uitliet, aan Bram een -gevoel van meerderheid, dat hem streelde, hij, die nooit in Europa was -geweest, was toch veel pinterder. En het verhoogde nog zijn sympathie -voor den jongeren broer. - -Maar zijn geringe opvoeding bracht niet mee nu ook kiesch genoeg te -zijn erover te zwijgen. Waarom zou men dat doen, als iets nu eenmaal -zóó was en niet anders? - -Daarom schudde hij ’t hoofd met een bedenkelijk gezicht. - -„Ik geloof niet, dat je erop mag rekenen.” - -„Waarom niet?” vroeg Adam zeer verwonderd. - -„Ja, zie je, dat weet ik niet; die lui zijn zoo raar.” - -„Ik begrijp niet wat het hen schelen kan. Het kost immers niets en het -geeft geen moeite.” - -„Dat doet het ook niet.” - -„Waarom zouden ze het dan weigeren? Iedereen kan het toch getuigen.” - -„Wat getuigen.” - -„Wel,” zei Adam met zijn goedigen lach, „dat ik de zoon ben van mijn -vader.” - -Het werd nu, zelfs voor Bram, een moeilijk terrein. - -„Ik geloof niet, dat het dáár zit, A. Ze hebben het erg op die -registers van den Burgerlijken Stand; wanneer je daar per abuis in -staat als iemand van het vrouwelijk geslacht, en je bent een man...” - -„Nou, wat dan?” - -„Dan ben je toch een vrouw!” - -Adam lachte zoo hartelijk, als hij het in lang niet gedaan had; en Bram -kon er ook niet ernstig bij blijven, schoon hij volstrekt niet de -bedoeling had gehad een aardigheid of iets mals te zeggen. - -„Je gelooft het niet—het is toch zooals ik zeg.” - -„Laat je niks wijs maken,” zei Adam. „Het is zoo erg niet, hoor! De -menschen zijn niet stapelgek. Het kost wel wat moeite, maar veranderd -wordt het toch.” - -„Ik mag het lijden voor jou; maar ik zie het nog niet gebeuren.” - -„En wat dan?” - -„Ja, dat mag je wel zeggen.” - -„Ze spraken nog van een ander request, een gezamenlijk van jullie.” - -„Weet je wat ik geloof?” vroeg Bram met een hoogwijs gezicht. - -En toen Adam dat niet wist: - -„Dat we daarmee hadden moeten beginnen.” - -„Men moet niet al het kruit ineens verschieten.” - -„Gekheid? Als ze het wilden toestaan, zou het dan zeker zijn gebeurd.” - -„A propos,” zei Adam, „heb je ook ergens een portret gezien?” - -Bram begreep het wel, maar hij vroeg: - -„Een portret van jou?” - -„Neen; van een jonge dame.” - -„Zoo! Niet bij mijn weten. Ben je er een kwijt?” - -„Ja, en ik heb er overal vruchteloos naar gezocht. Ik had het, herinner -ik me, ’s middags bekeken.” - -„Waar?” - -„Hier in de kamer, op mijn bed.” - -„Een liefje van je?” - -Adam aarzelde een oogenblik. - -„Ja. Ik had de toestemming van papa willen vragen haar te trouwen.” - -„Dat is dan een gedane zaak, hè?” - -„Hoezoo?” - -„Wel, vooreerst had de-n-ouwe je zien aankomen! Maar soedah, hij is -dood, en nu een van tweeën: je wordt nog erkend als Europeaan, en dan -heb je aan ’t geld nauwelijks genoeg voor je zelven.”... - -„Als ik op een land ben...” - -„Beste jongen, als ik mij niet vergis, zijn jij en een land er twee. En -een Haagsch dametje op een land, dat geeft ook niets! En als je niet -wordt erkend, dan is het heelemaal uit.” - -Adam rookte zijn strootje en keek met een bedrukt gezicht naar buiten. -Zoo zaten ze beiden wel tien minuten lang. - -„Trek het je niet aan, A.,” zei Bram, die weer heel veel kasian had. -„Als ik jou was en het liep heelemaal scheef, ging ik naar Australië of -Amerika en ik liet me naturaliseeren.” - -Maar Adam weerde het denkbeeld af met ’n handbeweging. - -„Dat verdom ik,” riep hij boos, „dat doe ik m’n leven niet.” - -De waarheid was, dat hij er altijd vreeselijk tegenop had gezien met -vreemden te spreken; hij had zoo bitter weinig genoten van het -onderricht in talen! - -„Het is goed en wel, maar wat zou je anders te doen staan?” - -„Ik weet het niet.” - -„In elk geval zou ik mijn idée maar niet langer op een Haagsch dametje -zetten, dáár kan toch niets van komen.” - -„Dat vrees ik nu ook,” zuchtte Adam. - -„En je behoeft er waarachtig niet om te zuchten. Er zijn mooie meisjes -genoeg, ook hier, onder de inlandsche.” - -„Ja,” gaf Adam na eenige aarzeling toe, „dat is waar; die ééne laatst, -toen we in den tuin waren...” - -„Welnu, neem haar.” - -„Neem haar, neem haar...! ’t is wat moois; alsof ik haar voor het nemen -heb.” - -„Een kerel als jij!” riep Bram met afgunst zijn broer monsterend van -het hoofd tot de voeten. „Een kerel als jij.” - -„Het is heel mooi, waarachtig! Ik kan me niet eens behoorlijk -verstaanbaar maken.” - -„Dat duurt ook geen veertien dagen meer; ik heb je hooren praten tegen -den mandoer en ik stond verbaasd; het is of ’t je is aangewaaid.” - -Het streelde Adam meer, dan de ander kon vermoeden; nog nooit in zijn -leven had hij een compliment gehad over zijn vlug aanleeren van het een -of ander. En nu verklaarde een deskundige als Bram, dat hij zulke -snelle vorderingen had gemaakt in de landstaal; het leek hem een -wonder! - -Het kwam precies uit zooals Bram het had voorspeld. Van een -boedelscheiding wilde niemand hooren, vóórdat de moeilijkheid met Adam -uit den weg was geruimd. Bram, in het testament als executeur -aangewezen, deed zooals vroeger zijn vader had gedaan met het beheer -van het geld en het huishouden; de andere broer ging naar de -onderneming, waar hij werkte. Of John Silver er niet meer was en of er -een Adam zonder naam was bijgekomen, het maakte in het gewone gangetje -des huiselijken levens maar weinig verschil. - -Njai Peraq kwam zelden in het hoofdgebouw; het was haar gewoonte niet. -De „kinderen” dronken ’s morgens koffie in de achtergalerij en aten -rijst; dan ging Bram aan de bloemkweekerij; de zuster zorgde voor de -keuken en Adam doodde zijn tijd zoo goed en kwaad het ging; en -eigenlijk ging dat bij zijn natuurlijken aanleg heel goed. De mooie -Minah van den mantri had hij tot „erkende” huishoudster; zij woonde in -een kamertje naast dat van haar „schoonmoeder.” Adam amuseerde zich -perfect met haar en sprak nu maleisch, alsof hij ’t zijn leven lang -gedaan had. En de jonge inlandsche vrouw hield heel veel van hem; zij -maakte zich „mooi” voor hem; zij staarde met bewondering naar zijn echt -oosterschen kop; zij kipaste hem als hij sliep en putte zich uit in -lekkere sambals en kwee-kwee, die haar vergolden werden door een -genadigen glimlach van haar heer en meester, wat haar gelukkig maakte; -door levendige loftuitingen van Bram, waarvoor ze volmaakt -onverschillig was. - -En dan had Bram pleizier. Hij wist nu al vrij precies, wat hij had aan -den broer, tegen wiens Europeesche wijsheid en kennis hij vroeger, toen -Adam nog in Holland was, zoo had opgezien in z’n verbeelding. - -Dat die broer niet knap en ook niet pinter was, verheugde hem; maar als -hij dan het stille air van superioriteit zag, dat Adam zich niet -kunstmatig gaf, maar van nature had, stond hij verbaasd; dan kon hij -zoo en passant al lachend tegen zijn zuster zeggen: „Die vent heeft, -gévédé, iets over zich... Het is om je dood te lachen!” - - - - - - - - -TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -ADAM IS ONTEVREDEN. - - -De brieven van Nora Tiele, werden al opgewondener; de afwezigheid van -Adam scheen haar liefde voor hem te doen toenemen; zij schreef, wat zij -nooit gezegd zou hebben: hoe zij over hem dacht, wat zij voor hem -gevoelde, hoezeer ze naar hem verlangde. En zijn metterdaad -verminderend gevoel voor haar, werd telkens weer door die brieven -opgewekt en gevoed. Dan had hij schrikkelijk het land om het zoek raken -van haar portret, dat alle navraag niet terecht had gebracht; dan -herinnerde hij zich weer zijn avondje met haar,—den laatsten vooral, en -dan kon hij er niet toe komen haar ook maar ’t gedeelte der waarheid te -schrijven, dat zij weten mocht. - -Den dood zijns vaders had hij haar medegedeeld, en dat hij door zijn -familie zoo vriendelijk was ontvangen; aan de Verlande’s schreef hij in -’t geheel niet; hij miste er den moed toe. - -Zoo ging het door een paar maanden, tot de beschikking kwam op zijn -request: gehoord, gezien en overwogen; het verzoek van den zich -noemenden Adam Silver was gewezen van de hand. - -Dat het hem erg schokte, zag Bram, en ofschoon hij het resultaat van -den begin af had voorspeld, ging hij nu ineens overstag, met een -voorgewend onwankelbaar vertrouwen op het collectief adres van de -wettige erven. - -Daar moest „spoed” achter gezet worden; daar had men mee moeten -beginnen; dat zou ’n heel ander effect maken; men zou begrijpen, dat -hij geen indringer was; dat alles neerkwam op een verzuim uit -nalatigheid. - -Voor zichzelf had hij de overtuiging, dat het „mis” was; ver ging zijn -kennis niet, ook niet in zulke zaken; maar dat de beslissing der -Regeering op zoo’n verzoek niet afhankelijk was van den persoon, die -het deed,—dàt begreep hij toch wel. - -Adam, die leukweg voortlevend maar, in den dagelijkschen omgang onder -den invloed was gekomen van Bram’s grootere scherpzinnigheid en -slimheid, geloofde het. Hij hield nu ook zijn eigen verzoek voor een -ondoordachte handeling, zich geruststellend met de redeneeringen van -Bram; vertrouwend op wat hij wenschte en tegelijk zoo heel natuurlijk -vond. - - - -Het was een vroegen ochtend, toen Adam in de voorgalerij zat en met den -ouden kijker uitzag in zee; de mailboot stoomde op aan den -gezichteinder, het was alles haast onveranderd zooals het tien, twintig -jaar vroeger was geweest. - -Bram was op de varkensjacht; njai Peraq en haar dochter naar de pasar; -Adam had het rijk in huis alleen met Minah, die ziek was, zei ze, en er -lang zoo netjes en fleurig niet uitzag, als toen zij pas bij hem kwam; -in het besef eener inlandsche vrouw, dat, in haar „omstandigheden” het -niet behoorlijk was zich aan te stellen. - -Hij verveelde zich; hij had in den laatsten tijd ’n hekel gekregen aan -dit eentonig bestaan; de stilte, de gelijkvormigheid van het leven -elken dag; de ongestoorde rust en het eeuwige nietsdoen,—het had hem -alles eenigszins geoefend in wat hem vroeger te midden van het drukke -vermakenleven in een groote westersche stad vreemd was gebleven: -geoefend in het denken. Het had zijn geest verruimd, zijn hoofd -helderder gemaakt, zijn oordeel gescherpt. En dat alles bijeen, deed -een behoefte ontstaan, die hem altijd onbekend was geweest; hij wilde -iets doen. In zijn omgeving had hij rondgezien naar dat „iets,” maar -hij had het niet gevonden; een drukkend gevoel was over hem gekomen; -een van groote ontevredenheid, en lusteloos hing hij over de -balustrade, droomerig en somber starend over het groote onrustige veld -der zee. - -Als hij naging, hoelang het had geduurd vóór de afwijzende beschikking -op zijn request gekomen was, dan werd het nu zoowat tijd, dat op het -collectief adres van de „erven Silver” een beslissing kon verwacht -worden. - -Als dàt óók werd afgewezen, wat dan? Zou hij dan.... inlander worden? -Ineens stond het hem voor oogen, dat hij eigenlijk niets behoefde te -doen of te worden; dat hij vanzelf inlander was. - -En hoezeer hij zich in die weinige maanden ook „verinlandscht” had; hoe -goed en gemakkelijk hij zich had gewend aan de rijstvoeding, aan het -loopen op bloote voeten in nachtbroek en kabaai; aan het leven met een -inlandsche vrouw,—kortom aan de eigenaardigheden, ook de minder -smakelijke, van dàt leven,—de gedachte aan wat zijn wettigen en -werkelijken toestand dreigde te worden en te blijven, deed hem zeer; -nu, meer dan dat vroeger het geval zou geweest zijn. - -Terwijl hij zich eerst had gevleid met de hoop, dat het request zou -baten,—scheen hem dit nu, hij wist niet waarom, onwaarschijnlijk. Als -een voorgevoel kwam het over hem; het zal wel weer worden afgewezen. - -Wat dan, wat dan? - -In de kampong gaan wonen? Och, dáár zou hij op zichzelf zoo niet tegen -hebben opgezien. Maar hij had in het kantoor van wijlen John Silver, -zijn vader, zooals hij hem in gedachten betitelde, een wetboek -gevonden, en daarin gebladerd; hij had ’s morgens de gestraften langs -den weg zien werken in de indigo-blauwige katoenen gevangenisliverei; -hij had uit dat wetboekje gezien, hoe bitter weinig overtreding er -noodig is voor een inlander om die straf te beloopen; hij had gehoord -en gezien hoezeer het overheerschte ras tot door den geringsten -Europeaan of „daarmee gelijkgestelde” uit de hoogte werd behandeld; hoe -er haast nimmer tegen den inlander werd gesproken, dan snauwend en -bevelend; en dat alles had hem zoo diep geïmpressionneerd, als waarvoor -zijn natuur vatbaar was; het had hem geslagen met vrees en schrik. - -Aan dat alles dacht hij, doelloos starend uren achtereen in de -onmetelijke ruimte; en hij schrikte van het geluid achter hem, dat Bram -maakte, die was binnengekomen. - -„De boot is aan,” zei deze. - -Adam knikte: dat kon hij nagaan. Langzaam richtte hij zich op, stijf in -de lenden van den gebogen houding zoolang achtereen. - -„En, wat nieuws?” - -Hij kreeg geen antwoord. - -Bram had zich afgewend met zijn rug naar hem toe; maar Adam zag toch -wel, dat hij huilde. - -„Is het ook weer afgewezen?” vroeg hij zacht. - -„Ja.” - -„Ik dacht het wel; ik had het verwacht.” - -Een oogenblik meende Bram, dat hij het opvatte met onverschilligheid; -dat het hem niet kon schelen. Toen zag hij het erg bleeke gezicht in -den jongen zwarten baard, die het omlijstte, en het leed, dat sprak uit -de groote goedige oogen. - -„Verdomme, kerel!” zei hij met bevende stem. „Het doet me zoo’n zeer. -Hoe kon de-n-ouwe toch ook zoo wezen!” - -Adam moest het stuk zien; het was haast precies als het vorige; geen -discussie, geen argumenten: gezien, gehoord en overwogen, en.... -gewezen van de hand. - -Hij zei niets meer en ging naar zijn kamer. - -Bram liet hem gaan; hij had hem willen troosten of moed inspreken, maar -hij wist niet, wat hij zeggen zou, zoo’n verschrikkelijk geval was het. -Hij hoorde, dat Adam, zoo onvriendelijk als hij ’t nog nooit had -gedaan, Minah de kamer uitzond. - -„Wat is er toch, mijnheer?” vroeg zij aan Bram, verwonderd en ontsteld -over zulk een ongewone behandeling. - -„Er is niets; ga jij maar naar achteren bij ma. Adam is ontevreden.” - -„Ik heb toch niets gedaan,” ging zij voort, meer uit nieuwsgierigheid. - -„Soedah, ga nu maar, en praat niet verder.” - -Hijzelf liep den tuin in, werktuiglijk de snoeischaar meenemend, als -hier of daar iets weg te knippen viel, uit gewoonte, zooals zijn vader -had gedaan, maar met zijn gedachten voortdurend bij dien onaangenamen, -dien wreeden toestand in zijn familie. - - - - - - - - -DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -MOEDERLIEFDE. - - -Nu het een feit was, kon Adam niet denken; hij viel op een stoel neer, -sloeg de handen voor het gezicht en trachtte vruchteloos zich een -voorstelling te maken van hetgeen zijn positie worden moest; hij kwam -er niet toe. Hij hoorde den schuivenden voetstap van njai Peraq op de -houten vloer der galerij; zij kwam zacht de kamer binnen, maar hij keek -niet op; zij hurkte neer voor zijn voeten op den grond, en hij voelde, -dat zij haar hand lei, heel even, op zijn breede knie. - -Hij hoorde haar stem, zacht en gedempt, als van iemand, die veraf -staat; maar duidelijk verstaanbaar, woord voor woord: „Kind van mijn -hart, wees niet bedroefd. Als gij zijn moet wat uw moeder is, dan heeft -de Heer God het zoo gewild, en gij zult er niet minder om zijn. Ik zal -u dienen, als waart gij een koningszoon, en al wat ik bezit is voor u -en van u. Gij zijt een sterke man en uw hart is eenvoudig en goed. -Waarom zult gij bedroefd zijn, als zij u verstooten? Zijn zij zoo goed? -Ik heb er zooveel zien komen en gaan; de meesten vloeken, eten onrein -vleesch en drinken sterken drank. Zij zeggen een geloof te hebben en -een God; zij leven alsof het niet zoo was. Zij hebben veel akals om te -maken van allerlei, dat een mensch niet noodig heeft, maar zij zijn ruw -en kasar, zij haten en benijden elkaar. Zult gij, die jong en sterk en -schoon zijt, en die geld hebt, bedroefd zijn om menschen, die u -uitstooten, wijl een ander u niet liet opschrijven in een boek? Ik ben -een oude, domme vrouw, en ik heb niets gezien van de landen achter de -zee, maar ik zeg u, dat bij mij en de mijnen een goed mensch meer is, -dan al het geschrijf in papieren boeken.” - -Hij hoorde het stil aan; hij had de sensatie, dat het geen redeneering -was die sloot; het was als gleed een spiegelbeeld der westersche -beschaving langs hem heen, bij wijze van tegenstelling tot wat de oude -vrouw sprak: de gecompliceerde samenleving; de groote resultaten van -wetenschap en kunst voet voor voet veroverd, in een eeuwenlangen -ontwikkelingsgang van scherpzinnigheid en vlijt,—het was niet heel -duidelijk, dat beeld, voor zijn geringe kennis en ontwikkeling; hij had -het niet in woorden kunnen brengen; hij voelde het als de opgeroepen -geest van een groot en omvangrijk zijn, waarin hij zorgeloos en -onwetend had meegeleefd, met in zijn hersens enkel een machinalen -ervaringsindruk, maar die hem nooit verlaten zou. En tusschen dat -gewirrewar in zijn hoofd, dat hij niet grijpen kon met zijn gedachten, -toonde de stem door van njai Peraq, hoog inzettend een zin, dalend in -het midden, met een klein klankslingertje omhoog weer aan het slot: -„Wij zijn slecht voor den Heer God en wij leven niet gelijk de koran -wil. Maar in de kleinste kampong is een plaats, waar de mannen kunnen -bidden en dikir, en de kinderen hebben wat de ouders hebben, en de -ouders leven met de kinderen, tot zij slapen gaan onder de kambodja. -Wij weten, dat de Blanda’s sterker zijn dan wij en prentah geven om te -doen gelijk zij het willen, de een zóó en wat later een ander weer -heelemaal anders. Soedah, dat heeft de Heer God zoo gewild; hij zal hun -prentahs laten geven hier, en prentahs daar, en altijd maar prentahs, -zoolang Hij wil. Maar een bedehuis hebben zij niet op deze plaats; wèl -een huis waar zij samenkomen om te drinken, dikwijls tot zij dronken -zijn. En de ouders sturen de kinderen weg om opgevoed te worden in -verre landen door anderen; en later zien de kinderen niet om naar de -ouders. De macht der prentahs hebben zij gekregen van den Heer God: het -is onze straf; het is ook hun straf, kind van mijn hart, want wat ons -vernedert, ontneemt hun het geluk; het is de vloek, die op hen rust; de -prentahs bidden zij aan, de prentah is hun God, en wie de meeste -prentahs geven mag is zijn profeet; daarom zijn zij kafirs.” - -Eenigszins verschrikt trok Adam de handen weg van voor het gezicht, en -hief het hoofd op; njai Peraq was zacht blijven spreken, niet harder -eindigend, dan zij begon; maar er waren groote nadruk en een vreemde -bijklank gekomen in haar stem; een intonatie van diep gewortelde -verachting en haat; en toen hij haar in het gezicht keek, was het niet -meer het onverstoorbare masker, glad en zonder plooi als van een -hindoesch afgodsbeeld, maar een gezicht vol trekken en leven, met oogen -erin niet mat-zwart als altijd, maar helbruin, glinsterend als van een -jonge vrouw. Het viel dadelijk weg, toen hij haar zoo aankeek; zij -schaamde zich voor haar opgewondenheid, en hij zag, hoe het hevige -leven weer verdween uit het gezicht en het licht weer uitging in de -oogen, die hem nu zoo dof en gelijkmoedig aankeken als altijd. - -„Geloof mij Adam,” zei ze, op haar gewonen toon, langzaam opstaande; -„zij zijn niet waard, dat een mensch zich om hen bedroefd maakt; het is -alles valsch, het is alles schijn; zij willen maar geld en -betrekkingen, niet om er mee zaken te doen of om er geacht door te -worden, maar om te schijnen wat zij door hun zelven niet zijn; om veel -vertoon te maken; om zich ziek te eten en te drinken, en om veel -prentahs te kunnen geven. Zij weten niet wat het geluk is, dat een -mensch kan hebben van de jaren, die hij leven mag. Gij zult het hebben, -kind van mijn hart, en gij zult beter en tevredener zijn.” - -Verstomd keek hij haar na. Van wat hij ook had kunnen droomen, dien -ochtend,—niet van zulk een flux de bouche, van zulk een beredeneerdheid -dier stille bejaarde vrouw, die zoo weinig meetelde in de familie, al -was zij dan ook onbetwist aller moeder. Maar het had hem, vond hij, -veel goed gedaan. Onder haar praten was het beeld der machtige -tegenstelling afgeflauwd; het had geen steun gevonden in een krachtigen -eigen geest, en was door de activiteit der werkelijkheid verdrongen. - -Hij dacht nu, dat het waar was, wat njai Peraq had gezegd, en het -scheen hem, dat hij bij dien gedachtengang weinig moeite zou hebben om -over het denkbeeld heen te komen. - -„Dat was een lang bezoek van het oudje,” zei Bram, als met de deur in -de kamer vallende. - -Adam knikte zwijgend, en stond op van z’n stoel; de ander ging voort: - -„Zij heeft een heele speech gehouden.” - -„Heb je het gehoord?” - -„Ja, ik heb geluisterd aan de deur.” - -„Aan de deur?” vroeg Adam, verwonderd en eenigszins geërgerd. - -„Zeker. Als ik binnengekomen was, zou zij gezwegen hebben; ik wilde -weten, wat zij te zeggen had. Ik moet zeggen, dat ik wel zoo iets van -haar verwachtte.” - -„Wat voor iets?” - -„Wel, dat ze er lekker mee zijn zou; zij houdt op haar manier heel veel -van jou; meer dan van ons, dat heb ik al lang in de gaten.” - -En toen Adam daartegen wilde protesteeren: - -„Zanik niet A.; het is zoo, en mij kan het waarachtig niet schelen. Zij -heeft bliksems mooi gepraat, dat erken ik. Nooit in mijn leven heb ik -zoo iets van haar gehoord. Het is gedeeltelijk nonsense, maar er is -toch veel van waar. In elk geval ben jij haar lieveling, en zij zou er -voor sterven om jou hadji te zien worden.” - -„Mij... hadji!” herhaalde Adam, wien dit gezichtspunt geheel vreemd -was. - -„Zeker. En als kandjeng Gouvernement nu toch je niet wil opnemen onder -de Europeanen, dan is het misschien nog het verstandigste, wat je doen -kunt.” - -„Mij... hadji!” zei Adam nog eens, zacht, het idée vervolgend, zonder -te luisteren naar wat de andere verder zei. - -„Ja; je kent mijn opinie; in jouw plaats ging ik er van door naar -Amerika of Australië.” - -„Nooit! Dat doe ik van m’n leven niet.” - -„Nou, dan zit er ook niets anders op.” - -„Het is me onbegrijpelijk.” - -„Mij ook. Ik kan me heelemaal niet in jouw toestand verplaatsen, want -als ik er niet van door ging in zoo’n geval...” - -„Wat dan?” - -„Dan schoot ik me dood.” - -Adam dacht erover na, of, althans, hij scheen dat te doen. In -werkelijkheid zou hij nooit de hand durven slaan aan zichzelven. - -„Omdat je dáár ook geen zin in hebt, is er voor jou geen andere -uitweg.” - -„Ik moet over alles eerst nadenken.” - -„Ga gerust je gang A. Je zit hier niemand in den weg, hoor! Ik zei het -maar, omdat je ten slotte toch een partij zult moeten kiezen. En wat -het geld van de-n-ouwen betreft,—daar krijg je je portie van, zoo goed -als een onzer; met twintig mille in den zak, sta je dan toch vooreerst -niet op straat, hoe je landaard ook zijn mag.” - -„Ik moet mevrouw Verlande schrijven.” - -„Weet zij er nog niets van?” - -„Neen, ik hoopte....” - -„Ja, dat begrijp ik. Maar doe het nou ook, nou de kogel door de kerk -is.” - -’s Avonds deed Adam het; rustig en kalm stelde hij een langen brief op, -waarin hij eenvoudig en juist de toedracht meedeelde van alles wat -gebeurd was sedert hij in Indië aankwam; ook over Minah schreef hij; -waarom zou hij daar doekjes om winden? „Gij zult hieruit zien, lieve -mevrouw,” zoo eindigde hij, „dat alles voorbij is; dat ik voor vroegere -bekenden en vrienden zoo goed als dood ben. Ik dank u wel, voor al de -vriendelijkheid, die ik van u en van mijnheer Verlande zoo dikwijls heb -ondervonden, en die ik niet waard was. Mijn laatste verzoek is of u -juffrouw Nora Tiele alles wat ik u hier schrijf wilt vertellen. Er -behoeft niets bijgevoegd te worden, geloof ik; haar lieve brieven heb -ik verbrand; ik hoop dat zij het mijn brieven ook zal doen; het is -beter.” - - - EINDE VAN HET EERSTE DEEL. - - - - - - - - -TWEEDE DEEL. - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -VERVLOGEN HOOP EN EEN NIEUWE VERBINTENIS. - - -De Verlande’s, die nog altijd in Den Haag woonden, hadden al dikwijls -over Adams gruwelijke ondankbaarheid gesproken. Zoo’n jongen, dien ze -altijd hadden bejegend als hun eigen kind, schreef hun geen enkelen -regel. Ze waren er boos om. - -Maar toen ze dien brief hadden gelezen, zaten ze elkaar verslagen aan -te zien, mevrouw met tranen in de nog altijd mooie blauwe oogen. - -„Mijn God!” riep zij het eerst, „dat is nu toch al te gek.” - -„Ja, gek of niet, het is zoo en niet anders.” - -„Maar zou daar hier in Den Haag niets tegen te doen zijn?” - -„Hoe meen je dat?” - -„Wel... bij het Ministerie; bij de Kamers.” - -„Ik vrees van neen.” - -„Toe, Lande, probeer het, ja? Het is zoo’n vreeselijk geval... Wat kan -dien Silver toch indertijd bezield hebben...!” - -Verlande ging naar het Ministerie, waar men zeide, dat Adam feitelijk -een inlander was, en over het geval dus niet verder viel te redeneeren. -Dat hij in Europa was geweest... ja! Dat hij Hollandsch sprak... ja! -Maar hij was de zoon van een inlandsche vrouw, dat stond vast; wie zijn -vader was, kon zelfs niet onderzocht worden; een Christen was hij, als -ongedoopt en niet-lidmaat, ook al niet.... Er was dus in Indië goed -gezien, goed gehoord en goed overwogen; aan de zaak viel niets te -veranderen. - -Tegen het bezoek aan Nora Tiele, dat nu volgen moest, had mevrouw -Verlande zeer opgezien; maar zij was een kloeke vrouw, die iets niet -uitstelde, omdat het onaangenaam was. - -Het gaf in de familie Tiele een oogenblik van hevige consternatie. Zij -hadden zich het idée, een kwart millionnair als aanstaand familielid te -hebben, nu al zóólang eigen gemaakt; zij hoopten hem spoedig met zijn -groot erfdeel te zien aankomen; en daar verdween dat kapitaal -plotseling in het baadje van een inlander! - -Nora was erg bedroefd eerst; doch toen zij hoorde hoezeer de erfenis -was tegengevallen, bedaarde zij. Dàt zou immers toch onmogelijk zijn -geweest. Men kon geen man zonder positie of talent trouwen, enkel om -zoo’n beetje geld. - -De oude Tiele keek grimmig langs zijn grooten beenigen neus; hij had -een gevoel of hij opgelicht en bestolen was; en terwijl de anderen, ook -Nora, den armen Adam ten minste beklaagden,—kon bij Tiele geen woord -van compassie ertusschen. - -„Hij had mij dadelijk moeten kennis geven,” zei hij. - -„’t Was zoo’n treurig geval voor hem,” pleitte mevrouw Verlande. -„Bovendien hij had nog hoop.” - -„Het doet er niet toe. Als fatsoenlijk mensch had hij mij dadelijk -moeten schrijven.” - -En ofschoon niet bleek, dat dit ergens toe zou gediend hebben, vooral -wijl Nora geen spoor van een partij door het langer uitblijven der -tijding had misgeloopen, bleef de oude Tiele hardnekkig bij zijn -bewering, als een gloeiend verwijt tegen Adam Silver. - -Maar dáárover waren allen het volkomen eens: men moest het in Den Haag -stil houden. Het was wel geen bepaald schandaal, maar haast net zoo -erg; in zoover zelfs erger, dat het Nora en de familie belachelijk zou -maken. Koud liep het den ouden Tiele langs den rug: de Hagenaars zouden -hem uitlachen! Dàt was om niet te overleven! - -Mevrouw Verlande moest wel zesmaal beloven, dat zij er met niemand over -zou spreken, wat zij met genoegen deed. Zij dacht daarbij niet aan haar -man; en zij schrikte toen ze, er ’s middags met hem over sprekend, -hoorde, dat hij het al in den loop van den dag, als een extra pikant -nieuwtje, aan eenige oud-gasten had verteld. - -„Die dragen het den heelen Haag door,” zuchtte zij. - -„Daar hebben ze groot gelijk aan; het doet er immers niets toe.” - -„Ik heb het de Tiele’s zóó beloofd.” - -„Dat wist ik niet; je hadt het niet moeten beloven.” - -„Kon ik anders?” - -„Wel zeker, ik wist het immers.” - -„Daar kunnen ze nog plezier van hebben.” - -Verlande lachte. - -„Dat gun ik ze van harte,” zei hij, „eigenlijk ben ik blij, dat ik het -al verteld heb; natuurlijk zou ik ’t nagelaten hebben, had ik geweten, -dat jij je woord had gepasseerd; nu is er niets meer aan te doen.” - -„Kan je de anderen niet vragen het te verzwijgen.” - -„Die is naïef! Vooreerst hebben ze het rondgebazuind en in de tweede -plaats zouden ze dat toch doen, al hadden ze honderdmaal het tegendeel -beloofd; bedenk toch, kind, dat het allen menschen zijn, die niets om -handen hebben!” - - - -Adam Silver was op een goeden dag met Minah uit het oude huis -verdwenen; hij had tegen niemand iets gezegd; hij had niemand gegroet. -Alles, wat hij had meegebracht, uit Europa, had hij achtergelaten. -Avonden achtereen had te voren zijn „schoonvader”, de mantri van de -gevangenis, bij hem gezeten met den penghoeloe, en de laatste was dan -aan het woord geweest; hij had gepraat van onderwerping en berusting in -den wil van God, en altijd maar weer van berusting en onderwerping tot -Adam er door gehypnotiseerd was; zijn goedige meegaande natuur, zijn -trage geest,—het werkte er alles toe mee om hem al doende te brengen -tot het geloof: God is alles, de mensch is niets, laat hem dus niet te -veel beproeven, niet te veel willen weten,—het baat toch niet; verder -de vredelievendheid en zachtzinnigheid onder elkaar; het ideaal van -rust, kalmte, onopgewondenheid. Ook dàt strookte zoo wonderwel met het -indolente van zijn karakter, dat hij gemakkelijk ervoor te vinden was. -Wel had ook hier weer het beeld zich opgedrongen aan zijn geest, van -het rusteloos, opgewekt, ijverig en beweeglijk leven der westerlingen, -in wier midden hij zoolang had gewoond,—maar het verdween weer gauw, -nog gauwer weggepraat door den penghoeloe nu, als vroeger dat van het -begrip wetenschap door njai Peraq. Want hij had wel geleefd te midden -van die bedrijvigheid, maar zonder zelf ooit eraan mee te doen, gelijk -hij de wetenschap en kunst van niet meer kende dan hooren zeggen en -oppervlakkig zien. - -Het was dus geen moeilijk spel, dat zij met hem hadden, en het streelde -zijn ijdelheid; want niet enkel behandelden de twee inlanders hem met -onderscheiding, maar zijn moeder en Minah, ja zelfs de eenoogige -zuster, die door geboorte en opvoeding tienmaal meer inlandsch was, dan -europeesch, zagen nu tegen hem op met ontzag. De broers hadden besloten -niet in huis te komen vóór alles was afgeloopen; zij konden het -eenvoudig niet aanzien, hadden ze gezegd. - -Tot op een avond de penghoeloe en de mantri vonden, dat Adam genoeg -voorbereid was; zij zaten in de kamer alle drie op de mat op den vloer, -de beenen onder het lijf gekruist, de kleine petroleumlamp op de tafel. -De priester zei een lang gebed, met koranspreuken in het Arabisch -ertusschen, die hij zelf niet verstond; in het gesloten vertrek klonk -de prevelende stem zacht en eentonig; door het zitten op den grond kwam -alles anders uit in het gele licht; de schaduwen der meubels teekenden, -dus gezien, vreemde figuren op het grauwe matwerk; het zag er alles -droevig eentonig uit in kleur en licht, maar rustig, oneindig rustig; -om bij in te slapen! En de waarheid was, dat Adam moeite genoeg had om -z’n oogen open te houden; de mantri, onbeweeglijk, staarde maar recht -voor zich uit, als had hij een visioen. - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -IK WIL NIET GELIJK GESTELD WORDEN. - - -Toen de priester met bidden gereed was, begon de mantri te spreken, ’n -beetje verlegen eerst, draaiend met het bovenlijf in ’t nauwe zwarte -dienstbaadje; met den wijsvinger trekkend over de mat, net als iemand, -die figuren teekent in ’t zand, en met het hoofd den loop der -denkbeeldige lijnen volgend als in een reflex-beweging;—zij hadden dan -gemeend, zei hij, dat er voorloopig genoeg was gesproken, en Adam nu -ook wel wijs was geworden; zij hadden gemeend, dat hij nu niet langer -kon blijven zooals hij was en in dàt huis; zij hadden gemeend, dat het -welvoeglijk was, als hij in het huis kwam van zijn schoonouders, -levende als een gewoon orang islam en zich kleedend naar landsgebruik; -zij hadden gemeend, dat hij alles moest achterlaten, zonder iets mee te -nemen, want wat hij noodig had, brachten zij; zij hadden dat alles -gemeend en nog veel meer, en nu wilden zij vragen, wat hij daarvan -dacht. - -Knarsend draaide het ijzer van de deurkruk; Adam rees snel op van den -grond; het was Bram Silver. - -Met een nijdig gezicht keek hij naar de twee inlanders, die hem -groetten en de oogen neersloegen beiden bevreesd, de lange magere -penghoeloe in zijn wit kleed, zoowel als de kleine bejaarde mantri; -want Bram was de oudste zoon en dus de heer des huizes; hij hield niet -van familiariteit met inlanders; dàt wisten zij evengoed, als zij hem -kenden van zijn jeugd; als zij hem in vrijheid hadden zien opgroeien, -een „brandal” van de ergste soort! - -„Zeg,” zei hij tot Adam. „Er is nog een kans voor je.” - -„Wat voor kans?” - -„Ik heb er met den assistent-resident over gesproken. Je kunt gelijk -gesteld worden.” - -Adam haalde de schouders op en glimlachte verlegen. - -„Ik begrijp het niet.” - -„Er is een bepaling.... ergens in de wet.... enfin dat doet er niet -toe.... en die zegt, dat als je het vraagt aan de Regeering, je met -Europeanen kunt worden gelijk gesteld.” - -„O, is het dat? Daar heb ik iets over gelezen in het wetboekje van den -ouden heer.” - -„Precies; nou, zie je, je moet Hollandsch spreken en schrijven,—dat doe -je; je moet in Europeesche begrippen zijn opgeleid,—dat ben je; je moet -christen zijn,—nou, dat zeg je maar en dan is het voldoende; en een -geslachtsnaam krijg je dan, den onzen natuurlijk.” - -„En dan?” - -„De assistent zegt, dat het altijd wordt toegestaan in zoo’n geval. -Welnu, dan ben je gelijk gesteld met europeanen. Dat is net zoo goed.” - -Adam gaf geen antwoord en stond een oogenblik stil voor zich heen -kijkend, tot hij langzaam het hoofd schudde. - -De „zuurdeesem” werkte reeds in zijn gemoed; het praten van njai Peraq -en van den priester had effect; hij zag geen heil meer in de -Europeesche samenleving. Nu hij wekenlang alleen omgang had gehad met -inlanders, was zelfs de toon, waarop Bram sprak, hem een walg; en wat -hem niet minder had geërgerd was de minachting, die zijn broer bij het -binnenkomen had betoond voor den penghoeloe en den mantri. - -„Ik wil niet gelijk gesteld worden,” zei hij. - -„Waarom niet? Ik zeg immers,” riep Bram, zich opwindend, „dat het -precies ’t zelfde is: rechten, lasten, verplichtingen....” - -„Het kan me niet schelen, ik verlang geen andere rechten en -verplichtingen, dan die thans de mijne zijn; ik wil niet worden „gelijk -gesteld.”” - -Een oogenblik keek Bram hem aan, verbluft over zijn vasten toon, niet -gewoon hem zoo beslist te hooren spreken; toen voer hij, woedend, uit, -en het was of de krakende stem van John Silver nog door de houten -woning schetterde: - -„Het is de schuld van dat vee, waarmee je je ophoudt, het....” - -„Het zijn fatsoenlijke lieden,” viel Adam hem geërgerd in de rede. - -„Fatsoenlijk? Gladakkers zijn het, ja! Fatsoenlijk? Als de oude vrouw -dien vader van Minah niet geholpen had door hem geld te leenen, was hij -al meer dan eens in de gevangenis gedwaald, waar hij beambte is. -Fatsoenlijk? Die smerige il-Allah roeper van een penghoeloe. Er is hier -op de plaats geen enkele knoeierij gebeurd of hij had er de hand in.” - -De twee waren zeer bleek geworden; zij verstonden weinig van het -Hollandsch, maar dàt hadden zij in hoofdzaak zeer goed begrepen; het -was waar en zij wisten het. - -„Ik heb er tot nu toe niets van gezegd,” ging Bram heftig voort, „maar -nou jij met die kerels koketteeren gaat, nou verveelt het me bliksems, -hoor! Ik heb me nooit met dat tuig afgegeven.” - -„Je zult na vandaag geen last meer van hen hebben.” - -„Het is ten slotte hier mijn huis, en ik verdraag niet, dat die -smeerlappen hier komen voor proselitenmakerij en om jou in hun vuilen -boel te halen. Wie belet me, gévédé, hun mijn stok over de gemeene -tronies te halen?” - -„Ik,” zei Adam. - -Bram in zijn opgewondenheid, had werkelijk den knoestigen koffiestok -hoog opgeheven en een schrede gedaan in de richting van den mantri en -den penghoeloe, die achteruit geweken waren naar een hoek. Toen Adam -zijn breede figuur schoof tusschen hen en zijn broer, en vastberaden -zijn „ik” uitte, liet Bram verbluft den stok zakken en keek in het -donker dreigend gezicht, dat iets had van een boozen bulhond, vond hij. - -Het leed geen twijfel of hij zou hem beletten, die inlanders af te -ranselen; hij zou hem ongetwijfeld over zijn eigen balustrade gezet -hebben. - -„Kom A.,” zei hij ineens bedaard, „wees nu toch zoo gek niet om je door -dat armzalige vee te laten meeslepen. Het zijn me kerels, waarachtig! -jaag hen de deur uit, en ga met me mee, dan laten we het request -schrijven.” - -„Ik wil niet,” hield Adam vol met zachte stem; „ik wil niet met anderen -worden „gelijk” gesteld.” - -„Loop dan naar de hel,” schreeuwde Bram woest, keerde zich om en vloog -naar achter, om zijn vertoornd gemoed verder te koelen tegen njai -Peraq, die hem liet uitrazen met een onverstoorbaar gezicht. - -Maar nog gaf hij het niet op; ’t denkbeeld, dat Adam door „die kerels” -beheerscht werd, hinderde hem al te zeer. Hij ging weer terug. - -„Geloof me,” zei hij, „het is zooals ik zeg. Iemand die als jij geen -ervaring van inlanders heeft, laat zich lijmen door de praatjes van die -kerels, want dat lijkt heel wat. Wie hen kent als ik, weet, dat er geen -verband bestaat tusschen wat ze zeggen en wat ze doen. Zelfs de oude -vrouw, die laatst zoo mooi zat te schelden op Europeanen, heeft haar -leven lang gewoekerd, wat de koran dan toch verbiedt, dat weet ik -zeker. En een inlander maakt, als hij wat geld heeft, het liefst zoo -gauw mogelijk op, want anders is er toch altijd een andere inlander, -die het hem ontsteelt. Het zijn dieven en schurken, geloof me, lui en -smerig bovendien. Voor menschen in Europa en voor baren mogen hun -praatjes erg gemoedelijk en mooi lijken,—wie het volk kent als ik, die -eronder ben opgegroeid, zal er niet inloopen.” - -„Zij zijn een arm en onderdrukt volk, Bram; ik heb in een boek van den -ouden heer een vers gelezen, waarin stond, dat zij nooit hun eigen -meester zijn geweest. Zij moeten altijd werken voor anderen; en -iedereen spreekt altijd kwaad van hen. Zij worden altijd behandeld als -honden, en niemand vraagt ernaar, wat hem het recht geeft hen zoo te -behandelen; zij moeten altijd beleefd en onderdanig zijn, en iedereen -is onbeschoft tegen hen; zij moeten altijd tevreden zijn met heel -weinig en nog veel daarvan afgeven; de minste Europeaan neemt tegenover -hen de houding aan van een meester; zij moeten onderdanig zijn en zijn -ze dat niet genoeg, dan heet het meer als schande, zoo onbeschoft ze -zijn.” - -Verbaasd en geërgerd keek Bram hem aan. Zooveel woorden achtereen had -hij hem nog nooit hooren zeggen. - -„Hebben die twee je dat voorgepraat?” - -„Neen, niemand. Ik heb het gehoord en gezien, sinds ik te Batavia aan -den wal kwam; en elken dag hier op de plaats en overal en van iedereen; -van jou ook. Je zoudt in Holland eens moeten probeeren een bedelaar toe -te spreken, zooals men het hier een inlandsch werkman doet.” - -„Enfin,” zei Bram zuchtend en niet bij machte iets tegen deze -allervreemdste redeneering in te brengen, „je moet het zelf maar weten. -Ik zie nu wel, dat je er niet af te houden bent. Het spijt me wel, -Adam, maar ik heb mijn plicht als broer gedaan, en ik zal dien blijven -doen.” - -„Ik dank je ervoor, Bram. Jullie bent heel goed voor me geweest. God -zegen je!” - -Hij reikte hem zijn groote vleezige hand, die Bram zwijgend en -zenuwachtig tusschen zijn magere knokkels drukte. Het was, dat voelden -beiden, als een afscheidsgroet voor langen tijd. Bij hun uiteenloopende -karakters en de tegenstelling, die zij opleverden in alles, hielden zij -van elkaar, elk op zijn manier. En terwijl Bram, zenuwachtig en -gevoelig, had kunnen huilen, zóó hinderde het hem, gleed over het breed -gelaat van Adam een stille bleekheid, die er een lijdenstrek aan gaf. - -„Adieu,” zei Bram, heengaande. „Onthoud, wat ik je zeg: vroeg of laat -zal je hun dupe worden. Op den duur worden ze dat allen van elkaar, en -als er een vreemde eend in de bijt komt,—des te erger.” - -Toen Bram weg was, hurkten ze alle drie weer neer op de mat, en de -mantri ging verder op zijn teemerigen toon: - -„Het is beter bij ons te komen en hier alles te laten, zooals het is; -het is niet goed iets mee te nemen, en het is niet noodig; er is immers -geld om te koopen, wat noodig is. Dáárom vraag ik: laat het Europeesche -goed achter en ook den naam, en blijf enkel Adam tot het tijd is een -goeden naam aan te nemen, zooals een mensch dien behoort te hebben.” - -En hij praatte nog lang voort, telkens in herhalingen vallend; altijd -neerkomend op hetzelfde. - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -HET EUROPEESCH VERNIS VERDWIJNT. - - -Adam Silver keek stil vóór zich, nu en dan knikkend met het hoofd, als -toestemming; zichzelven aandenkend, dat het wezenlijk beter was, zooals -hij dien avond al meer had gedaan. Hij zag den mantri een dichtgeknepen -doek openmaken, met een mooie donkere sarong erin, een eenvoudig -katoenen baadje en een hoofddoek; het was alles zeer goed van qualiteit -en netjes afgewerkt; njai Peraq en Minah hadden eraan gewerkt met al de -liefde, die zij voor Adam koesterden, en de mantri spreidde het uit met -welbehagen, zoo senang vond hij het. - -Een half uur later wandelden zij met hun drieën den weg op, Adam ook, -als inlander, een hoofddoek, een sarong en een baadje dragende, met een -gek gevoel over zich, daar zoo te loopen als een gecostumeerde; -onwillekeurig denkend nu en dan, aan den betrekkelijk nog zoo kort -geleden tijd, toen hij in Den Haag flaneerde met jongelui van zijn -kennis; in het duister van den avond glimlachend bij zichzelven om deze -vreemdsoortige metamorphose, doch zonder eenig gevoel van spijt of -leedwezen daarover. Het was nu eenmaal zoo, en het moest dus wel waar -zijn, wat de penghoeloe had gezegd: gelijk God het wil, zal het een -mensch overkomen. Dááraan was absoluut niets te veranderen! - -Bijzonder vreemd was het leven, dat nu volgde, niet voor hem; de menage -thuis had heel veel inlandsch. Enkel hinderde hem de weinige -lichaamsbeweging, want op den weg wilde hij zich niet vertoonen in zijn -inlandsche kleeding, die, vond hij, toch erg leuk en gemakkelijk was; -en het erfje van den mantri was zeer klein. Het deed echter zijn -robuste gezondheid geen nadeel; hij volgde de lessen van den -penghoeloe, leerde koranspreuken uit het hoofd en kwam tot de -allergewichtigste besnijdenis, waartegen hij zeer opzag en waarvan hij -zich volstrekt geen voorstelling kon maken. - -Maar hoe bang hij er ook voor geweest was,—de werkelijkheid viel nog -erg tegen. Hij had het kunnen uitbrullen van pijn bij de operatie, maar -hij behield zijn van nature kalm zelfbedwang; zijn ijskoude handen -bewogen zich niet; de bleeke lippen op elkaar geklemd, keken de oogen -dof van smart recht omhoog; geen enkele kreet ontsnapte hem. - -En daar allen zijn kloekheid bewonderden en beschouwden als een gunstig -voorteeken, ving dadelijk het feest weer aan der vele genoodigden, -neergehurkt in de pendoppo. - -Doch het hielp niet, dat hij zich goed had gehouden; de operatie op een -volwassen forschen jongen man, naar de gebrekkige inlandsche manier had -hevige wondkoortsen ten gevolge. Twee dagen later lag de nu Aboe Bakar -geworden Adam Silver, doodziek achter de groezelige klamboe van het -ledikant, dat de mantri voor hem had gekocht op een vendutie, en, -zooals het was, in gebruik had gesteld. - -In de kamer zaten de penghoeloe en de mantri op den grond neergehurkt, -en de broeder van den mantri en een zoon van dien broeder en een zwager -van dien zoon en de vader van dien zwager,—allen goedgeloovige -Mohammedanen. - -Want er moest dikir worden; het ijlen dat Adam deed, was het werk van -den duivel; het was de setan der christenen, die hem betwistte aan den -God van den Islam; maar hun stem zou krachtiger zijn, dan die van den -booze; ze zouden hem overschreeuwen en zóó verjagen. - -Uit het bed, waaroverheen njai Peraq en Minah gebogen stonden om -zooveel mogelijk de bewegingen van den zieke te beletten en zijn -brandend hoofd te verfrisschen, kwam het geluid van een zware jonge -basstem, die in het Hollandsch sprak met allerlei denkbeeldige -menschen; die vloekte en lachte, en als uitbarstend in een bui van -gloeiende kroegjool Fransche café-chantant liedjes zong van: Vive le -vin le jeu et le tabac en Chantez, ma belle. En in het halfduister der -door een hanglampje slecht verlichte kamer ging met hooge keelklanken, -telkens na een enkelen regel recitatief door den penghoeloe, het -gillend al-illah-Allah op, met heftig bewegen der bovenlichamen voor- -en achterwaarts op de daaronder gekruiste beenen; naarmate de -koortsvisioenen en het woeste ijlen van den lijder heftiger werden, -klonken heviger en opgewondener de aanroepingen van de in een cirkel -zittenden, zoodat het was of zij hun verstand verloren, zoo had het -slingeren der lichamen en het geschreeuw hen in een staat van geweldige -overspanning gebracht. - -Tot Aboe Bakar, uitgeput in slaap was gevallen, het droogheete der -koorts afnam, en de geregeld wordende ademhaling aantoonde, dat de -bloedsomloop zich voor het oogenblik had hersteld. - -De twee vrouwen zaten naast het bed, de armen lam van inspanning; het -zweet met groote kralen op de voorhoofden, die ze nu en dan zuchtend -afveegden met de slendangs. - -Het al-illah-Allah had opgehouden, maar nog lang prevelde de penghoeloe -zijn gebeden met een zacht stemgemurmel, dat als eentonig gefluister -door het somber vertrek ging, omhoog langs de slecht gewitte houten -wanden, zich verliezend in het laag afschuinend atappen dak; tot de -mannen eindelijk opstonden, stil naar voren gingen, afgebeuld van -overspanning, en in de pendoppo een strootje opstaken, weder -neerzittend, deze op den enkelen wankelen stoel, gene op den rand van -het lage balustradetje, een ander op de boventrede van het trapje, dat -naar beneden leidde. - -Zoo zaten ze nog een heelen tijd bijeen, zonder iets te gebruiken, -ernstig, in wat zij een gesprek van aanbelang noemden, nu en dan een -paar woorden, dan een lange stilte, daarna weer een enkel woord; alles -neerkomend op de herhaalde bevestiging, dat zij erin geslaagd waren, -den duivel, die den Islam zijn nieuwen aanhanger betwistte, uit het -lichaam van den patiënt te verbannen. - -Aboe Bakar herstelde heel langzaam; toen de wonde geheeld was en de -koorts hem had verlaten, scheen hij in uiterlijk niet de helft van wat -hij geweest was. Hij kon zich niet in den spiegel zien, want daar was -er geen; wel bezat Minah een slecht stukje spiegelglas in een prullig -lijstje—de goedkoope waar van een klontong—maar Aboe Bakar wilde er -niet naar vragen; hij wilde zijn gezicht niet zien; hij zag wel aan -zijn magere handen, en toen hij zich voor het eerst aan den put ging -baden, aan zijn knokkig lichaam, hoe het met hem gesteld was. - -„Het is alles gelukkig afgeloopen,” zei hem zijn moeder. - -„Wat?” vroeg hij, het voorhoofd fronsend met moeite om aan iets -bepaalds te denken. - -„Met het geld en het goed. Het huis en de meubelen zijn verkocht en het -geld is verdeeld.” - -„O, zoo! Nu, dat is goed.” - -Zij keek hem aan, verwonderd, dat hij in dat alles zoo weinig belang -stelde. - -„Bram heeft me je geld gegeven; net zooveel als de anderen; het is -braaf van hem, dat hij zóó gedaan heeft. Je kunt het krijgen, als je -wilt.” - -Maar hij maakte een afwijzend gebaar. - -„Later, later; nu niet.” - -„Het is beter ook,” zei njai Peraq zacht, denkend aan de financieele -omstandigheden van den mantri. - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -OPNIEUW VERLOOFD EN GETROUWD. - - -Bij de Tiele’s werd al lang niet meer gesproken over Adam Silver, en -mevrouw Verlande, die het heel dikwijls over hem had met haar man, vond -dat vreemd. Want de families kwamen in den laatsten tijd nogal bij -elkaar; mevrouw Verlande maakte zulke overheerlijke sandwiches bij de -thee en al de Tiele’s waren daar dol op. - -„Ik vind het onhartelijk.” - -„Maar kindlief, het is immers beter zóó. Het was een hoogst onaangename -verrassing.” - -„Kasian, hij was zoo’n goeje jongen, en hij kon er toch niets aan -doen.” - -„Dat maakt het voor hen niet anders.” - -„Nu maar, de eerste maal, dat ik bij hen kom, begin ik erover.” - -„Doe het niet. On ne parle pas corde dans la maison d’un pendu. Het zou -een hatelijkheid lijken.” - -„Laat het. Zij, Nora, heeft, geloof ik, in ’t geheel niet van hem -gehouden. Verleden week, toen ze hier gewhist hebben, zat ze met -kapitein Slaters aan een tafeltje... En een koketteeren!” - -Verlande lachte luid, - -„Welnu, wat zou het? Kan je niet zien, dat de zon in het water schijnt? -Ze is jong.” - -„Tamelijk; maar hij niet.” - -„Wel, hij is ’n goed geconserveerde veertiger. Dat is niet precies -jong, maar nog erg..... huwbaar.” - -„Huwbaar!” herhaalde zij met een gemaakte verontwaardiging over zoo’n -uitdrukking; maar ze kon zich niet goed houden en ze lachten nu beiden -om het idée. - -„En dan,” ging Verlande voort, „zou hij ’n goede partij zijn voor -Nora.” - -„’n Kapiteins tractement is ook zoo schitterend niet.” - -„Best, maar hij kan, hoor ik, zeker zijn van den gouden kraag, en hij -is net een man om generaal te worden.” - -Het was een sterk argument; als elke vrouw vond mevrouw Verlande de -afgedragenste generaals-uniform nog een ideaal, waartegen een dozijn -van de zwartste zwarte rokken niet opgewassen waren. - -De generaal der toekomst, voor het oogenblik kapitein der infanterie -bij het Indische leger, met verlof in Nederland, stond wezenlijk zoo -goed aangeschreven als Verlande zei; hij was geen man met een martiaal -uiterlijk: blond en fijn gebouwd, met een dun kneveltje en een zachte -stem; wat alles niet belette, dat hij zoowel een dapper -troepenaanvoerder als een kundig man gebleken was, die te velde zijn -Willemsorde dubbel en dwars had verdiend. Sedert de Tiele’s veel bij de -Verlande’s kwamen, hadden zij Indische kennissen gemaakt, en ofschoon -de oude Tiele daar altijd erg bang voor was geweest, en na zijn -ervaring met Adam Silver er meer dan ooit voor vreesde, behaalden de -sandwiches toch de overwinning. - -Ten slotte was het een kansje om van de meisjes af te komen, die -meerendeels al ’n beetje op den achtergrond raakten in de vroegere -kringetjes, waar nu jonge dames waren, die nog onder de kinderen -telden, toen de meisjes Tiele al uitgingen. Bij de Verlande’s en zoo -waren ze in elk geval nog vrij versch. - -Wat mevrouw Verlande het „koketteeren” van Nora had genoemd, bleek in -elk geval succes te hebben. Dat zag zij aan ’t gezicht van het meisje, -toen Nora ’s middags bij haar kwam. - -„Wat is er gebeurd?” vroeg ze. - -Verwonderd keek Nora haar aan. - -„U weet ervan.” - -„Heusch niet. Ik weet nergens van.” - -„Ja, dan zoudt u zoo niet vragen wat er gebeurd was.” - -„Is er dan iets gebeurd?” - -„Och kom, houd u nu maar niet zoo onwetend!” - -„Wezenlijk, Nora, ik weet van niets. Ik vond alleen.... iets vreemds in -je gezicht. Iets, alsof je een gewichtige tijding kwam brengen.” - -„Voor mij heel gewichtig. Ik ben geëngageerd.” - -„Met kapitein Slaters?” - -„Zie je wel, dat u ervan weet.” - -„Maar beste Nora, ik ben niet blind. Als wij bij elkaar zijn en twee -wisselen met elkaar zulke lieve blikken als jullie deedt.” - -„Foei.... dat is niet waar. Dat deden we niet.....” - -Mevrouw Verlande werd er in haar oprechtheid een beetje akelig van. Zij -had om het meisje niet te grieven, nu niet eens gezegd, dat de „lieve -blikken” eigenlijk door haar alleen werden geworpen. - -„In elk geval, ik feliciteer je. En dat geeft zeker gauw trouwen.” - -„Ja, het is fameus. Binnen een half jaar moeten we in Indië zijn.” - -„Als alles goed had gegaan met Adam Silver, zou je daar al geweest -zijn.” - -Het was de eerste maal, dat zij na den fameusen dag, dien naam tegen -Nora uitsprak, en het deed haar plezier, dat het meisje ontstelde; zij -dacht, dat ze dan toch wel wat voor dien armen jongen gevoeld moest -hebben, wijl ze zoo van kleur verschoot bij het hooren van dien naam. - -„God, mevrouw!” zei Nora zacht en vertrouwelijk, „zouden we hem in -Indië ontmoeten?” - -„Ben je daar zoo bang voor?” - -„Verbeeld je.... ja, dat ben ik zeker. Ik heb van die heele akelige -zaak niets aan Slaters gezegd. Pa zei, het was niet de moeite waard. Er -was feitelijk niets gebeurd, zei hij.” - -Dus was het dàt alleen, dacht mevrouw Verlande, en een beetje bits -antwoordde zij: - -„Dat moet je zelf weten; dáárin geef ik liever geen raad. En wat dat -ontmoeten betreft,—er bestaat even weinig kans op, als hier in Den Haag -iemand te ontmoeten, die in Denemarken woont. Waar jij komt, daar komt -hij niet.” - -Een oogenblik keek Nora haar verwonderd aan; zij begreep het niet; -verschil van grootte en afstanden stond haar niet voor den geest; men -ging, meende zij, in zekeren zin naar Indië, zooals men naar Rotterdam -ging, waar de menschen, bij al de drukte, toch onwillekeurig elkaar -ontmoeten, ware het slechts op straat. - -„Je gaat naar Batavia, niet waar?” - -„Ten minste rechtstreeks; Slaters zegt, dat we er wel zullen blijven -vooreerst.” - -„Nu, de plaats waar Adam Silver woont ligt ongeveer zoover van Batavia -als Den Haag van... wat denk je?” - -Het moest een heel eind zijn, dacht Nora, en op goed geluk af zei ze: - -„Brussel.” - -Mevrouw Verlande begon te lachen. - -„Neen kind, Petersburg of daaromtrent; met het verschil, dat je van -hier veel gauwer te Petersburg bent.” - -Het meisje geloofde het niet; zij vroeg het haar vader, die het -bevestigde en zij vroeg het ook, als een bloote nieuwsgierigheid, wijl, -zei ze, het zoo moeilijk was zich eenig begrip van afstanden eigen te -maken, aan den kapitein. Nu, toen die het bevestigde, was haar hart -gerust. - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -ONAANGENAME ONTMOETING EN WROEGING. - - -Een maand of vijf later aan boord, na een in alle opzichten welgeslaagd -huwelijksreisje te land, dacht Nora Slaters aan den heelen Adam Silver -niet meer; geen oogenblik. De herinnering aan hem was nu niets meer dan -een flauwe kinderachtigheid. - -Toen zij te Tandjong Priok kwamen, nam de drukte hen erg in beslag, -maar toch niet zóó, of Nora zag wel op de kade een groot gewoel van -inlanders, dat haar eigenlijk meer vrees aanjoeg dan belangstelling -inboezemde. - -Het was ’n aardig gezicht, die honderden mannen, vrouwen en kinderen, -allen in hun mooiste, kleurigste oostersche kleederdracht, met profusie -van helrood, hemelsblauw, grasgroen en wit, als domineerende kleuren, -en een mengeling van geel en bruin en Perzisch bont, in kleinere -kleurstukken daartusschen, in een langzaam gewriemel van overgangen bij -het rustig voortschrijden, zonder gedruisch. - -„Als dat eens allen Europeanen waren,” zei kapitein Slaters, „dan zou -je een ander leven hooren.” - -„Is het hier altijd zoo?” vroeg Nora. - -„Wel neen; gewoonlijk is het erg kalm op de kade; er gaat zeker weer -een lading Mekkagangers.” - -„Wat zijn dat?” - -„Pelgrims, die naar Mekka gaan, naar het graf van Mohammed. Ze hebben -nu geld en zijn niets; als ze terugkomen, zijn ze straatarm, maar -hadji.” - -Het jonge vrouwtje wist niet wat een hadji was; zij vroeg er ook niet -naar; met een strak gezicht en saamgeknepen lippen keek zij naar den -walkant; daar stond een inlander, groot en zwaar, met een zwarten -baard, het hoofd en de breede schouders uitstekend boven zijn omgeving, -en blank te midden van al dat bruine; veel blanker, dan Adam Silver -geschenen had in Holland. - -Het was Aboe Bakar, die met Minah en haar zuigeling naar Mekka ging; -toen de boot met kleine voor- en achterwaartsche bewegingen aan den wal -meerde, had hij, den blik latende gaan langs de reizigers, die over de -reeling van het achterdek leunden, Nora herkend; onwillekeurig was hij -blijven staan en had haar aangekeken, strak maar kalm; verwonderd, niet -ontroerd. Haar was het, als werd zij plotseling aangegrepen door een -geweldige lamheid in de leden; zij keek naar de groote glinsterende -zwarte oogen, als trokken die haar aan met onweerstaanbaar magnetische -kracht; zij had geen woord kunnen zeggen; geen voet kunnen verzetten. - -De eenige gedachte in haar hoofd was: van Den Haag naar -Petersburg,—zóóver moest hij van haar af zijn, en daar stond hij op -geen tien passen afstand. - -Langzaam keerde Aboe Bakar zich om en wandelde op naar de noordzijde. -Zij zag hem verdwijnen in een opening tusschen twee loodsen en keek nog -strak naar die plek, toen hij al weg was. - -„Hoe is het?” vroeg haar man lachend. „Droom-je?” - -Zij streek met een rillinkje in haar hoofd strak de fijne handen langs -de oogen, zoodat die er rood van zagen. - -„Het is me alles zoo vreemd, hier, ik kan er niet genoeg naar kijken.” - -Ze werden gestoord door medepassagiers en de hurry van binnendringende -verwanten of familieleden van passagiers, die verwelkomden en van boord -kwamen halen; door opdringende koelies, zich meester makend van -gereedstaande kisten en koffers, om ze naar buiten te sjouwen; het was -onder den hellen gloed der zon een verwarring, waaruit men zou gedacht -hebben, met zijn persoon en zijn goed nooit terecht te komen, maar die -zich vrij spoedig en heel goed in een ordelijken exodus naar het -spoorwegstation oploste. - -Bij al de onvermijdelijke drukte in het hotel; het uitpakken van -koffers; het uitzoeken van het goed voor den waschman en het hulpeloos -getob met onverstaanbare bedienden, dacht Nora den heelen dag telkens -weer aan die vreemde ontmoeting, niet als aan iets aangenaams voor haar -gevoel, noch als aan iets nadeeligs voor haar nieuwe maatschappelijke -positie, maar als aan iets, dat haar persoonlijk schrik en ontzetting -inboezemde, en dat haar in ongeluk en ellende zou kunnen brengen, zoo -het haar ooit overkwam. En toen zij ’s avonds, moe, voor het eerst na -een lange zeereis, zich weer eens uitstrekte in een ruim bed, kwamen de -groote, zwarte oogen als glimmend metaal weer voor haar verbeelding, -tot zij met een angstigen zucht strak in het nachtlichtje ging kijken -om van dat benauwend visioen ontslagen te zijn. - -Het was een zware tocht voor Aboe Bakar, en wat hem het meeste leed -deed was, dat hij vrouw en kind daaraan had blootgesteld. De -scheepsruimte was voor het aantal pelgrims veel te klein; de boot, een -gewone stoomer, voor zulk een transport niet ingericht. Heel gauw na de -afvaart begon de zeeziekte; en wat dat opleverde aan tooneelen vol -ellende en walgelijkheid! - -Aboe Bakar hoorde het Hollandsche scheepsvolk spreken over hem en zijn -geloofsgenooten, mede Mekkagangers, met een minachting, zóó diep, dat -hij ervan rilde. Ja, zooals ze daar lagen, waren zij een troep beesten -gelijk; minder zelfs, want met de onverschilligheid der wanhoop ronkten -de meesten in eigen en andermans vuil. Nu en dan werd door het -scheepsvolk beproefd alles eens goed schoon te maken, maar het ging -niet. En voor de reis had haast geen pelgrim voldoende verschooning. - -Naast dat beeld van vuile misère, doemde dan telkens in zijn geest op -dat der reis naar Indië als Adam Silver; de aangename, beschaafde -conversatie, de keurige rijk voorziene disch, de groote blinkende -zindelijkheid, en al het comfort ook in het uiterlijk. Dan was het of -een groot gewicht hem op de borst drukte; dan kreeg hij het gevoel van -een verbazend dommen streek te hebben gedaan, zóó groot, dat zelfmoord -er haast niets bij was; en dan bestreed hij dat ongelukkig gevoel: -trachtte het weg te werken, en eindigde met te zoeken of hij ergens op -het dek een plaatsje kon vinden, waar hij stil, voorovergebogen, het -hoofd in de handen, al maar bidden en bidden kon, hetzelfde -gebedsformulier, tot hij het overweldigend gevoel van jammer als het -ware had weggehypnotiseerd. - -Tot zij te Djedda aan wal kwamen, gelukkig, dat de reis ten einde was; -blij aan het einddoel te zijn en den vasten grond van het heilige land -onder zich te voelen; maar om spoedig te ontwaren, dat zij gekomen -waren van den regen in den drop; dat zij in dit gezegende oord werden -behandeld als honden en geplukt als kippen. - -Zij beklaagden zich bij Aboe Bakar; zijn persoonlijkheid, zijn kalme en -deftige manieren, zijn vele bidden en zijn welgesteldheid, hadden hem -reeds aan boord een soort van superioriteit gegeven tegenover de -anderen; hij hielp hen, zooveel hij kon; het enkele woord Engelsch, dat -hem van school was bijgebleven, kwam hem te pas; hij parlementeerde -voor hen; en het hielp ’n beetje, al was het niet veel. Ook hier had -hij zijn van de anderen zoo verschillende persoonlijkheid en manieren -vóór; men keek hem wel wat wantrouwend aan, maar liet toch eenigszins -af van de ontzettende afzetterij, welke de Maleiers en Javaantjes een -kwartje deed betalen voor elken pisang. - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -ABOE BAKARS TELEURSTELLING. - - -Het viel Aboe Bakar alles bitter tegen; de tocht naar Mekka en de -heilige stad zelf. Was dat nu de plaats, waarvan hij had gehoord, dat -uit alle deelen der mohammedaansche wereld talrijke karavanen er hun -kostbare gaven offerden? Hij had er gebeden in de groote moskee, lang, -met goed geloof en volgens het gebruik; hij had met diepen eerbied den -zwarten steen in de Kaäba gekust, en het had hem met een gevoel van -zaligheid vervuld, omdat hij zich voor een goed mohammedaan hield; maar -overigens trof het hem, dat Mekka, de heilige stad, een ellendig nest -was; een groote warong met het aanzien van een gevangenis, een -roovershol metterdaad. Toch had hij minder last van de vele -ongerechtigheden, dan de anderen; hij werd blijkbaar ook hier aangezien -voor meer dan een gewone inlander van Java of Sumatra; maar met een -wantrouwen toch, zóó groot, dat hij er haast in moeilijkheden door -kwam, toen Minah zich had verpraat en verteld, dat haar man vroeger -christen was geweest; voor een priester moest hij zijn waren staat van -mohammedaan bewijzen; en... dat kon hij. - -Maar hier kreeg hij zijn afkeer beet tegen de Arabieren, en hij vond er -onder de vreemde pelgrims die ze met hem deelden. Het waren lieden uit -Achter-Indië, die ook, door hun handel op de kust, het gewone -strandmaleisch spraken; door hun meerdere ontwikkeling en gegoedheid -hadden zij zich bij hem aangesloten, en zij spraken veel over den -godsdienst, over den profeet, diens levensgeschiedenis, en ook over het -christendom. En toen een hunner het plan vormde met een karavaan langs -de kust der Roode Zee naar Jeruzalem te gaan, waren ze daar allen voor; -Aboe Bakar blij, dat hij niet met hetzelfde zoodje terugging, waarmee -hij was gekomen. - -Ook al geen illusie! Niet zulk een afzetterij als te Djedda en te -Mekka; wèl groote hotels en villa’s, maar voor de bevolking in de -eigenlijke binnenstad, alles nauw, somber, vuil. - -Aboe Bakar dankte God, dat hij dien pelgrimstocht, die hem zooveel geld -had gekost, zoo erg was tegengevallen en zooveel moeite en ellende had -bezorgd, achter den rug had, en hij op een boot met minder Mekkagangers -kon terugkeeren. Op het zindelijke dek, waar nu alles geregeld en goed -kon verzorgd worden, was het behaaglijk; het eten was eenvoudig -inlandsch maar behoorlijk; de behandeling goed. En de gesprekken liepen -over wat men had gezien en ondervonden, het geleden leed week met elken -dag meer op den achtergrond; de trots, dat men den tocht had gedaan -naar het graf van den profeet, kwam boven; nog vóór de boot straat -Soenda binnenstoomde, was er geen, die voor nog zooveel had gewild, dat -hij den pelgrimstocht niet had gemaakt. Aboe Bakar en Minah, die nu -reeds het gezicht halverwege bedekt droeg, allerminst. - -Weer was de kade van Tandjong Priok vol verwelkomende bloedverwanten, -maar de familie Aboe Bakar werd niet afgehaald. Hem kon ’t niet -schelen, Minah hinderde het zeer, zij zag er, vond ze, zoo deftig uit -met den tullen doek met gouden sterretjes voor het onderste gedeelte -van het gelaat, dat het jammer was aan den wal geen bekenden te zien; -het les amis de nos amis sont nos amis vonden zij bewaarheid bij de -orang selam, vooral tegenover uit Mekka terugkeerenden. Daar waren er -die present waren geweest bij hun vertrek, die hem herkenden en -uitnoodigden. - -Al pratende informeerde Aboe Bakar eens, en hij koos de gastvrijheid -van een mandoer, die in de stad Batavia werkte en daar woonde ook; dàt -trok hem het meeste aan, die oude stad! Hij deed er zijn intocht in de -kampong met een vertoon van waardigheid, dat hem daar hoog in de -algemeene schatting deed stijgen. - -En ’s avonds bij het feest, toen ze allen met veel genoodigden in een -grooten kring op den grond zaten, limonadestroop drinkend en strootjes -rookend, vertelde Aboe Bakar langzaam en deftig van de Heilige Stad; en -hij loog, dat het een aard had, zonder zelf te snappen, dat hij zoo -loog; hij vertelde niet wat hij, Minah en de anderen, werkelijk hadden -gezien en ondervonden, maar wat zij van hun reis gemaakt hadden, nadat -zij haar al pratend zooveel dagen aan boord omgeven hadden met een -aureool van heerlijkheid. - -Het was heel laat in den nacht toen de gasten heengingen met een hoog -idée van den Saïd Aboe Bakar, die met zijn gastheer nu zitten bleef op -de twee onvermijdelijke wipstoelen, die in het voorgalerijtje een -kleine ronde tafel flankeerden. - -„Wat zal ik doen?” vroeg Aboe Bakar. Zijn heele preferentie om bij den -mandoer te logeeren zat eigenlijk in het feit, dat hij deze vraag -iemand wilde stellen, die ze hem waarschijnlijk goed beantwoorden kon. - -„Hebt ge geld?” vroeg de andere. - -En toen het antwoord bevestigend was: - -„Hoeveel?” - -Aboe Bakar aarzelde; hij wist zelf niet precies hoeveel hij bezat; njai -Peraq had hem gezegd, dat hij over al het hare kon beschikken; hoeveel -dat was, wist hij niet; zelf had hij nog achttien mille; hij wilde -voorzichtig wezen en niet het heele bedrag ineens noemen. - -„Tien duizend,” zei hij. - -„Het is niet genoeg en wel genoeg.” - -Daar begreep Aboe Bakar niets van. - -„Hoe kan iets tegelijk niet en wel wezen?” - -„Het is genoeg om vrij te zijn, als je wilt doe ik er wat bij, dan -behoeven wij nooit geld vooruit te vragen.” - -„Maar waarvoor eigenlijk?” - -„Wees niet ongeduldig, Saïd Aboe Bakar.” - -„Neen, ik vraag maar wat wij dan zouden doen.” - -„Handel drijven.” - -„Waarin? Ik heb er geen verstand van; ik heb het nooit gedaan.” - -„Het verstand heb ik,” zei de mandoer met zekere plechtigheid. „Dat -komt er niet op aan. Ik heb het meer gedaan.” - -Een fragment van wat hij in Holland wel eens had gehoord in gesprek, -schoot Aboe Bakar door het hoofd; Verlande zei, als hij van zaken en -compagnon-zijn sprak, altijd: dat als één er verstand van had en de -ander had het geld, dan na eenige jaren de ander ook het verstand -kreeg, maar zijn geld bij den een was. Met een effen gezicht zei hij: - -„Ik dacht niet, dat de handel zoo gemakkelijk was.” - -„Het is niet zulk een moeilijke handel als van de Europeanen en de -Chineezen, het is handel in vee.” - -Dat kwam Aboe Bakar wel aantrekkelijk voor, en hij ging er meer op in. -Het was half vijf reeds toen ze besloten hadden, dat hij zich zou -vestigen als veehandelaar voor gezamenlijke rekening. Een koele wind -streek door de kampong en ruischte in de groote, rafelige en gescheurde -pisangblaren; huiverend trok de mandoer zijn baadje over zijn naakte -lichaam dichter aan; in een klapperboom sloeg een voorbarige koetjitja -een paar heldere tonen in den nog donkeren nacht; de lampen waren -uitgegaan, en een klein petroleumnachtlampje lichtte nog slechts -binnen; achter het gordijn, dat in de diepte der woning de slaapplaats -en het verblijf der vrouwen afsloot, kwam het gestommel van uitgeslapen -menschen, die haast willen opstaan. - -„Ik ben koud!” zei de mandoer. - -„Ja, het is frisch.” - -„Als ik zoo koud ben, vrees ik altijd ziek te worden; de nachtlucht is -zoo ongezond.” - -„Ja,” bevestigde Aboe Bakar machinaal. - -„Daar neem ik altijd wat obat voor, wil ik je ook wat geven.” - -„Is het erg leelijk?” - -„In het geheel niet; het smaakt goed.” - -De mandoer haalde in den schemerdonker een flesch uit een kastje, -waarvan hij den sleutel in zijn buikband droeg; hij schonk twee glazen -vol, loerend erdoor heen tegen het nachtlichtje om niet te morsen; toen -nam hij er een en goot het in z’n mond. Aboe Bakar had het dadelijk -geroken: het was cognac. - -En begeerig stak hij, zonder een woord te spreken, de hand uit, het -glas ad fundum ledigend. - -„Is het geen goede obat?” vroeg de mandoer. - -„Uitstekend,” bevestigde de pas van Mekka teruggekeerde Mohammedaan. - -Hij had het goed getroffen; niet alleen bleek zijn compagnon op de -hoogte van den veehandel te zijn, maar ook eerlijk onder -geloofsgenooten. - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -EEN BESCHAAFD MOHAMMEDAAN. - - -Naast de woning van Pa Djalil, den mandoer, had Aboe Bakar er een -gehuurd, ’n heele mooie voor een inlander in de kampong. Hij voelde -zich nu zeer tevreden en gelukkig in zijn lot; als Europeaan was hij -een domoor geweest; een good-for-nothing; een, waarmee men niet wist -wat aan te vangen; een zelfs niet erkend in de boeken;—als inlander was -hij een gerespecteerd man, een vat vol wijsheid, een welvarend -handelaar, die goede zaken deed. - -En hij was inderdaad geacht bij de inlandsche gemeente, die vooral hoog -tegen hem opzag, wijl hij altijd zoo kalm en deftig was, nooit -perkara’s had en streng volgens den koran leefde; maar de Arabieren -mochten hem niet; de haat tusschen hem en hen was wederkeerig; hij -imponeerde hen en zij behandelden hem met onderscheiding, maar men -bleef op een afstand zoo in als buiten den missigit, en Aboe Bakar liet -er zich openlijk over uit, dat hij hun haat tegen de christenen niet -deelde, juist omdat hij een goed Mohammedaan was; hij haalde er de -hoofdstukken en verzen bij aan uit den koran, die het wee! uitspreekt -over hen, die zich vergrijpen aan de christenen, en slechts aan God de -uitspraak overlaat tusschen christenen, joden en Mohammedanen op den -dag der opstanding. - -Zoo leefde hij rustig door, zonder haast ooit eenigen omgang met -Europeanen; met Bram hield hij nu en dan briefwisseling, dàt was het -eenige. En Bram was nu een big boy geworden, zoo schreef hijzelf; hij -had een aandeel in een land, en men maakte groote zaken; hij had het -oude huis der Silvers weer teruggekocht, en voor den grond laten -gooien; op de plek stond nu een mooie villa; de plaats zelf was door de -welvaart der planters zeer vooruitgegaan; hij blufte in zijn brieven, -dat het een aard had, zonder dat Aboe Bakar dit begreep; die las het -alles steeds met de grootste bewondering en vertelde het Minah, die na -haar eerste kind geen verderen reproductieven aanleg ontwikkeld had, -zoodat het dáárbij scheen te zullen blijven. - -De oude moeder, nu weer in het kamertje in de bijgebouwen, waar ze -zooveel jaren had gewoond, wilde niet naar Batavia komen, hoe graag zij -ook bij den liefsten zoon had gewoond; en op haar erfje stonden -klapperboomen, die ze zelf had geplant, en ook andere soorten groot en -schoon, die ze gekend had nietig en klein; dat gold ook heel zwaar. - -Nu hun zaken zich na ’n jaar of zes zeer hadden uitgebreid, was Pa -Djalil geen mandoer gebleven; hij en Aboe Bakar waren voor die zaken -dringend noodig; zij reisden er vaak voor langs de kust, met prauwen en -ook wel, als er haast bij was, met stoomers. Dan ging Aboe Bakar meest, -die om zijn uiterlijk en deftigheid, om zijn fraaien witten tulband in -lang met gouddraad gestikte kleurrijke overkleeren meer in aanzien was, -en vormelijker behandeld werd. Dan nam hij een tweede klasse biljet, om -meer te kunnen gaan waar hij wilde; als er niets was, voegde hij zich -bij de inlandsche dekpassagiers, gedachtig aan de koraänische belofte, -dat de nederigen het eeuwige leven beërven; maar als er veel -Europeesche militairen op het dek waren, en zij vloekten en waren ruw, -dan kon hij met zijn biljet zich terugtrekken. - -Hij had dat juist gedaan, en stond nu midscheeps op het tweede klasse -dek in zee te kijken, naar het gewriemel en gewoel, het opkomen en -vervloeien, het dansen en klotsen en schuins opspatten van de groote -watermassa, door het gele zonlicht in scherpe nuances getint. - -Toen hij zich omkeerde, de oogen duizelig van het helle glanzen, week -een baboe eerbiedig voor hem uit, buigend voor den mooien toean saïd; -hij knikte goedig, en zijn groote hand uitstekend naar een blond -kindje, dat bij haar was, vroeg hij: - -„Vindt njotje het pleizierig aan boord?” - -De meid en het kind keken hem aan met stomme verbazing. - -„Hij spreekt Hollandsch,” zei het kind in het maleisch: „Is hij gek?” -vroeg het met de volkomen oneerbiedigheid voor volwassen oosterlingen, -eigen aan kindertjes van Europeanen in Indië. - -Aboe Bakar schaamde zich, het was hem wezenlijk ontsnapt tegenover dit -blonde kind; hij had Hollandsch gesproken zonder er verder bij te -denken; het kind had gelijk; het was heel gek. En nog gekker vond hij -het, toen een onderofficier, op ’n wipstoel een pijpje rookend, lachend -tegen een ander de opmerking maakte, dat de „Arabier” het kind in ’t -Hollandsch aansprak en die jeugdige blonde bataaf zelf niet anders -kende dan maleisch. - -De baboe ging met het kind naar het achterdek, verlegen over de brutale -vraag; en daar vertelde zij het aan ’t groepje dames, dat handwerkjes -deed of ’n romannetje las, terwijl de heeren aan de andere zijde hun -partijtje maakten. Het was mevrouw Slaters, die erbij zat, of haar hart -werd dichtgeknepen, zoo’n benauwend gevoel kwam over haar. Dat moest -Adam Silver zijn; dat wist zij ineens zeker. Zij hoorde de beschrijving -door de meid van het uiterlijk van den toean saïd,—het kon onmogelijk -iemand anders wezen. - -„Laten we hem eens gaan zien,” zei een der dames. En de anderen, die -zich mee verveelden, allen getrouwde dames, vonden dat ook. Maar de -vrouw van den majoor Slaters—de gouden kraag was er al!—wilde niet. - -„Gut, hoe flauw!” meende een. - -„Je bent toch niet bang op hem te verlieven?” vroeg een ander. - -En men lachte haar uit, eigenlijk een beetje boos, dat zij ’t -kinderachtig excursietje niet mee wilde maken. Zij weigerde hardnekkig; -zij had nu al een gevoel, alsof de idée zijner aanwezigheid op -hetzelfde schip haar hypnotiseerde; zij wist, of had althans de -overtuiging, dat als ze hem zag, weer dat vreemde gevoel van strakheid -en van niet te kunnen denken over haar komen zou. - -Een oogenblik hadden de andere dames geaarzeld, maar de lust om haar -zelfstandigheid te toonen, hield de overhand; lachend en fluisterend -omdat ze een mooien Arabier gingen zien, die Hollandsch sprak, liepen -ze de kajuittrap af en naar voren. En ze stootten elkaar aan met de -ellebogen, wisselend schuinoogende blikken: „Daar staat-ie!” - -Toen ze voorbijkwamen richtte Aboe Bakar, die over de reeling leunde, -zich op, in een beleefdheidshouding om haar te laten voorbijgaan; ze -keken niet direct naar hem, maar zagen hem toch zoo nauwkeurig als een -staaltje van een modestof; de jongste, een levendig opgewekt vrouwtje, -keerde zich ineens tot hem: - -„Is het waar, dat u Hollandsch spreekt?” - -De anderen stikten haast van den lach; een beetje verlegen, niettemin, -om wat zij een enorme brutaliteit vonden. - -Maar zoo de dames nu een beetje verlegen waren met haar figuur,—Aboe -Bakar niet; een glimlachje ging over zijn rustig gezicht: - -„Ja, mevrouw.” - -„Hoe is het mogelijk?” - -„Ik heb het geleerd.” - -Nu lachten ze allen luid. Wat had zij daar een gekke vraag gedaan, en -wat gaf hij daar een leuk antwoord op. Nu, die was goed! „Pour savoir -une chose,” riep een harer onder het lachen. - -„Zeker,” zei Aboe Bakar zacht, „il faut l’avoir appris.” - -Nu werd het nog gekker; het maakte de dames ernstig; ze wisten nu geen -van allen wat te zeggen; de jongste keek hem voortdurend strak aan, de -lippen op elkaar. Welk een schilderij van ’n man! - -„U woont zeker in Indië?” vroeg ze. - -„Te Batavia. Ik reis voor zaken... als koopman. Mijn naam is Aboe -Bakar.” - -Zij voelden, dat ze daar niet langer konden blijven staan; ze hadden -ook niet geweten, wat te zeggen. Hij had zich voorgesteld, eenvoudig, -gewoon, als een man van de wereld, met het sierlijk en beleefd gebaar -van een beschaafd oosterling; zij knikten en zeiden „Goeden dag,” -zonder meer; men kon toch tegen zoo’n man geen „meneer” zeggen als -Europeesche dame! - -Haastig liepen ze de trap weer op naar het achterdek, pratend over het -bijzonder voorval, en mevrouw Slaters aanvallend met den uitroep: „Nou, -je hebt iets gemist, hoor!” - -Het heldenstuk van het „aanspreken” werd verteld; Aboe Bakar werd -beschreven van top tot teen; en wat hij aan had, en hoe hij eruit zag, -en wat hij zei. - -Nora was het, als had zij erbij gestaan. - -Zij was uiterlijk veel veranderd; het Indisch klimaat had haar goed -gedaan; ze had gevulder vormen gekregen, en dat stond haar -voortreffelijk; van een gewoon blondinetje om niets van te zeggen, was -zij geworden wat men een „knappe” vrouw noemt. - -Het verhaal der reisgenooten maakte haar stil; zij dacht er haast den -heelen dag aan, onwillekeurig. Naast haar vrees voor een ontmoeting, -kwam een geweldige nieuwsgierigheid om hem toch eens te zien, zooals de -anderen hem hadden beschreven. - - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -ONGELUKKIGE FAMILIEBERICHTEN. - - -Het was avond en ’n mooi tropisch nachtgezicht op het onbegrensde -zeevlak, helder in het maanlicht, vol schemerige effecten van licht en -wisselend halfdonker; de heeren zaten alweer aan het partijtje, in de -rookkamer nu; enkelen liepen heen en weer te digereeren op het -achterdek; de meeste dames waren al naar beneden in de cabines. - -Nora was opgebleven. - -„Een heerlijke avond, mevrouw,” zei de kapitein haar passeerend. - -Zij kreeg een idée. - -„Het moet nu prachtig wezen op de brug.” - -„Zoudt u eens willen zien?” - -„Heel graag,” en tot het slanke jonge vrouwtje, dat Aboe Bakar ’s -morgens had aangesproken, „ga je ook mee?” - -Ze volgden den gezagvoerder, en het was heerlijk, het uitzicht van de -brug op de groote schitterend geïllumineerde zee; maar na een -plichtmatige betuiging van het verrassend schoone, effectvolle, gingen -haar oogen onderzoekend over het voordek. De andere kneep haar stijf in -den arm: Aboe Bakar zat er, achterover geleund op een bank, denkend aan -zijn zaken en hoe hij die zou afhandelen op de kust; een strootje -rookend voor tijdpasseering. - -„Daar zit-ie,” fluisterde zij Nora in het oor. „Wat ’n pracht van ’n -man, hè! Om alles voor te vergeten.” - -Maar Nora schudde heftig het hoofd. Foei, neen! Zij voelde niets voor -hem; niets! Zij hield eerlijk veel van haar eigen man; zij was enkel -bang; wezenlijk heel bang voor een ontmoeting met dien Adam Silver als -Mohammedaan en hadji; zij vond hem, wat hij was: een physiek knap man; -overigens niets, en dat ze zoo ellendig werd, nu ook weer, toen ze hem -zag, was enkel uit vrees, dat er ooit iets zou uitkomen, van wat -vroeger was voorgevallen, en dat ze voor Slaters verzwegen had. - -Zooals Aboe Bakar het zich in dien mooien maanavond aan boord zat voor -te stellen, gebeurde het ook; de soort van handel, dien hij dreef, was -eenvoudig en secuur; zonder veel risico en agitatie; juist zooals bij -zijn aard paste. - -Kalm en welgemoed zou hij dan ook te Priok aan wal zijn gestapt, als -hem daar niet iets heel zonderlings had gewacht. Het waren Bram, van -wien hij in den laatsten tijd niets had gehoord, zijn moeder en zijn -zuster. Van boord af zag hij het troepje op de kade staan, Bram -magerder en ingebogener van borstkast dan ooit te voren; maar in zijn -gezicht niets veranderd; njai Peraq wit van haar geworden, maar dikjes -en vetjes, een Schotschen omslagdoek over het baadje geslagen en een -groote pajoeng in de hand; de eenoogige zuster met een slecht gemaakte -japon aan, waaronder de witte rok uitkwam en waarvan het split open -stond, en met een allergekst zwart stroohoedje op met ’n lange heen en -weer waaiende enkele veer. - -In stomme verbazing stond Aboe Bakar het troepje te beschouwen, zonder -leed of vreugde; met enkel de vraag in het hoofd: wat in Mohammeds naam -komen die doen? - -Maar hij was heel hartelijk, al bracht zijn positie zekere -vormelijkheid mee; zijn moeder kuste hem eerbiedig de vingertoppen; de -broer en zuster schudden hem de hand. En op zijn vragenden blik, -antwoordde Bram: - -„Ja, kerel, ’t is een bedonderde perkara.” - -„Is er iets gebeurd?” - -„Of er iets gebeurd is? Ik ben blut, man; totaal geflaconneerd,”—en -zich over den knokkigen handrug blazend: „pfft! zóó kaal ben ik!” - -„Ik dacht, dat het je goed ging.” - -„Dat ging het ook, maar we hebben te veel hooi op onze vork genomen.” - -Aboe Bakar, nog een en al verbazing, haalde de schouders op. - -„Ik begrijp het niet.” - -„Van de koffie; je weet toch wel van dat onverwachte kelderen van de -koffie?” - -„Neen,” hij moest erkennen, dat hij daarvan onkundig was, hij begreep -de uitdrukking niet eens. - -„Ik handel in vee,” zei hij. - -„Enfin, we hadden breed opgezet, en ineens: bom! daar lag de boel. Tot -overmaat van ramp waren we borg voor achttien mille en werden -aangesproken.” - -„Maar het geld van moeder?” - -„De heele rataplan, zeg ik je! Wij zaten er in met alles, wat we -hadden: ik, de oude vrouw en—met z’n duim naar de zuster wijzende—zij -ook.” - -„En nu?” - -„Ja, zie je, in het landelijke gaat het niet meer; ik kan nu niet meer -opzienertje gaan spelen.... als je zelf baas bent geweest.... Ik zal -zien, dat ik hier een baantje vind.” - -„Wie is hij?” vroeg Aboe Bakar, doelend op een kleinen indo, die achter -hen aan liep, blijkbaar eenigszins met z’n figuur verlegen. - -„O! da’s waar ook; dat is onze zwager Boudrin de Chatonville. Zeg, -Josep, kom eens naar voren. Onze broer Ad....” - -„Aboe Bakar,” viel de dus voorgestelde snel in de rede; en toen -zachtjes tegen Bram: „Heet hij werkelijk zoo?” - -„Of hij Boudrin de Chatonville heet? Neen maar, dàt zal waar zijn. Hij -is van adellijke afkomst.” - -Aboe Bakar vond, dat zijn zoo bij verrassing ontdekte zwager er niet -naar uitzag. - -„Jullie hebt me niet eens kennis gegeven van haar huwelijk,” zei hij -verwijtend. - -„Och, zie je, zóó ver is het om je de waarheid te zeggen nog niet; dat -zullen we hier wel in orde maken.” - -„Zijn ze dan niet....” - -„Niet voor de wet. Ze scharrelden zoo wat samen, weet je, en als je -goed kijkt dan kan je dat ook wel zien. Nou, ik heb gedacht dat ’t maar -het beste was hem mee te nemen en ze dan hier te laten trouwen.” - -„Wat doet hij?” - -„Eigenlijk niets; hij zoekt een betrekking, hij verkeert in ’t zelfde -geval als ik: aardig geld gehad, maar alles weg.” - -Ze waren opgewandeld tot het station. Bram en Aboe Bakar voorop; de -anderen in een ganzenrijtje erachter aan; ze togen in een derde klasse -waggon en onder het rijden hoorde Aboe Bakar meer bijzonderheden over -het „ongeluk,” dat zijn familie had getroffen; de jongste broer had -niet mee gewild naar Batavia, maar was weer gaan werken als -opzienertje; die was, zei Bram, heelemaal verwilderd; net ’n -boschmensch. - -En bij het aanhooren dier bijzonderheden, die hem geen belangstelling -inboezemden, dacht Aboe Bakar na over hetgeen hem te doen stond. - -„Ga jij nu met haar en dien Chatonville naar een logement...” - -„Wel, neen, wij logeeren bij kennissen van hem, daar ergens achter -Molenvliet; als ik geweten had waar jij woonde...” - -„Hier in de stad in de kampong. Ik heb nu zaken en wou enkel de oude -vrouw mee naar mijn huis nemen. Natuurlijk zal ik jullie helpen; -daarvoor behoef je niet bang te zijn...” - -„Dat ben ik ook niet,” zei Bram. - -„Goed, schrijf me dan je adres op; ik kom van avond bij je. Heb je nu -iets noodig?” - -„Neen, zóó is het niet, dat ik geen cent in mijn zak heb. Maar meer dan -’n paar honderd pop, alles samen genomen, zit er niet aan.” - -Met zijn moeder reed Aboe Bakar naar zijn woning. - -„Ik heb zonde gedaan voor God,” zeide ze onder het rijden, „ik had het -geld moeten bewaren voor u, het hem niet moeten afstaan; ik meende, dat -hij in die zaken pinter was.” - -Maar Aboe Bakar was het niet met haar eens: - -„Het is heel goed zoo, moeder; het was het geld van... den ouden heer -Silver; ’t was dus dat van Bram ook.” - -„Ik had het verdiend.” - -„God vernietigt den woeker en vermenigvuldigt met woeker den prijs der -aalmoezen.” - -Daar zweeg njai Peraq op; en een oogenblik reden ze stil voort, in het -op de slappe veeren slingerende karretje, tot zij weer zei: - -„Het is zonde van het geld, waarvoor ik zooveel jaren heb gewerkt.” - -„Ik had het toch niet mogen aannemen,” troostte haar Aboe Bakar met -islamitische onverbiddelijkheid. „De koran zegt, dat er geen zegen is -bij het geld van den woeker; ik had het uwe niet willen hebben in mijn -zaken; zij zouden er door vernietigd zijn, gelijk die van Bram en de -uwe zelf.” - -Met al haar eerbied voor den in haar oogen zoo heiligen en geleerden -zoon, vond njai Peraq het niets prettig dus de les te worden gelezen, -en dat nog wel nu zij haar geld kwijt was; daarom zei ze in het geheel -niets meer, ook niet toen het karretje op een hobbeligen smallen -kampongweg stilhield, en Aboe Bakar haar eruit hielp. - - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -SCHOONMOEDER EN SCHOONDOCHTER. - - -Njai Peraq liep regelrecht naar achter, de scheidinggordijn wegslaande, -en daar stond ze tegenover Minah, die ervan schrikte. Het was geen -aangename ontmoeting. Bij Minah streden de vrees voor de schoonmoeder -en de zucht zich in haar eigen huis niet de wet te laten stellen om de -overhand; njai Peraq was woedend. Aboe Bakar, die de bekende trommel -zijner moeder in de voorgalerij had laten zetten, ging daar zitten op -een wipstoel naast het tafeltje in het midden. De eerste plicht der -gastvrijheid werd stil vervuld, de moeder ging op de „eeremat” zitten, -dronk een kop koffie en at met de vingers wat rijst uit een pisangblad. -Minah rammelde in het maleisch over de buurt-perkaras; maar toen njai -Peraq, die niets gezegd had, met eten en drinken klaar was, sloeg zij -van haar kaïn de korrels rijst, die dadelijk door een grooten haan met -harde tikken van den houten vloer werden opgepikt, zette haar bril op -en zei langzaam: - -„Het is een vuile boel in het huis van mijn zoon.” - -Daar had je ’t al, dacht Minah, en zich tot verweer gereed makende. - -„Wij zijn tevreden.” - -„Een man let daar niet op, hij ziet het niet, hij gewent eraan, een -vuile vrouw maakt een vuilen man.” - -„Het is hier niet vuiler dan elders.” - -„Bij mij aan huis was het zoo niet, bij den mantri, uw vader, ook -niet.” - -En toen Minah, inwendig kokend van woede, zweeg, ging de oude voort. - -„Wat doe je den heelen dag? Moet ik het nog vragen? Je doet niets; als -een lui beest lig je daar tusschen vuile bantals, die nooit gelucht -worden. Je moest de vrouw zijn van een koeli, dan zou die je slaan met -de rotan.” - -„Ik behoef immers niets te doen! Aboe Bakar is rijk, ik kan alles laten -doen als ik het wil.” - -„Maar je bent zelfs te lui om te laten werken. Wat ben je? Ik heb je -opgeraapt van den weg; je vader stond te krakal als een kettingganger, -wanneer ik hem niet geholpen had. Goed, ik zou je danken met mijn hart, -als ik zag, dat je een goeje vrouw voor mijn zoon was. Je bent vuil en -lui. En je hebt maar één kind.” - -„Het is mijn schuld niet.” - -„Traperdoelie, het is niet zooals het behoort. Ik had gedacht hier te -komen in een nette woning, met een goede flinke vrouw; ik kom in een -varkenshok met een slechte zeug.” - -Dàt was te veel voor Minah; zij verschoot van grijs in zwart en -omgekeerd in het bruin der huid. - -„Het is zijn schuld.” - -„Het is nooit de schuld van den man.” - -„Het is goed praten, als je van een ouden leelijken Europeaan de njai -geweest ben, en grapjes had met Arabieren; dan kan men dat van zoo’n -kerel verdragen. Ik ben een fatsoenlijke getrouwde vrouw, en ik kan me -niet zóó laten behandelen; ik hield van hem en hij behandelt me als een -hondenkind.” - -Gelukkig schoof Aboe Bakar de gordijn op zij en kwam binnen; hij had -geluisterd, en vreezend dat njai Peraq handtastelijk zou worden—wat zij -al was—trad hij tusschenbeiden. - -„Wat wil je zeggen?” vroeg hij Minah, die met een boozen trek om den -mond en de oogen neergeslagen tegen den wand stond. - -„Ik wil hebben, dat je antwoordt,” herhaalde hij. - -En toen ze nog altijd zweeg: - -„Voor de derde maal: zal je antwoorden?” - -Het was de eerste keer in zijn leven, dat hij de hand uitstak naar een -vrouw, maar hij moest het doen; moest hij, levend naar den koran, de -ongehoorzame vrouw niet slaan? - -Daarom liet hij zijn zware vuist een paar malen neerkomen op haar -schouders, greep haar in de kondé en slingerde haar door een achterdeur -het binnenplaatsje op, waar ze neerviel bij den put, een paar gendies -brekend bij het vallen. - -Wat had hij daar een berouw van! - -Minah zette een keel op, die de heele kampong deed uitloopen. - -Verschrikt stapte Aboe Bakar naar voren en ging met ’n kleur van -schaamte weer naast het tafeltje zitten. Wat was zij toch een brutaal -beest! - -Het kamponghoofd kwam zijn erfje op, met een vriendelijk gezicht, -plichtshalve. - -„Ada apa, toean saïd.” - -Hij haalde de breede schouders op, reikte den inlander de vingertoppen, -en zei lachend: - -„Ah, gila behasa; trada ada apa apa.” - -Njai Peraq had het zóó niet bedoeld; zij had nooit slaag gehad van John -Silver op die manier; nu en dan had hij in een stadium van erge -opgewondenheid, zich verstout haar met zijn magere knokkels op het -dikke vleesch der bovenarmen te stompen, maar zoo’n pak was haar te -erg; zij zou het ook niet hebben verdragen. - -Zij trachtte nu Minah te troosten, die vastbesloten scheen te blijven -doorjammeren bij den put. - -„Slaat hij wel meer?” vroeg ze. - -„Het is de eerste maal; ik dacht wel dat het komen zou; hij zal me nu -wel meer slaan; hij heeft maar een voorwendsel gezocht; ik begrijp het -wel; maar ik wil niet; het zal niet gebeuren; hij mag me dood slaan; -laat hij mij maar dood slaan, dat kan me niet schelen; hij heeft me -geslagen; hij zal me nu altijd slaan.” - -Zoo brulde zij voort, den arm opgestoken tegen de bamboezen heining, -het hoofd heen en weer rollend over den arm. - -En toen ze eindelijk bedaard was, kwam het hooge woord eruit: - -„Hij wil er nog een vrouw bijnemen.” - -Dat keurde njai Peraq af, maar zij wilde toch haar zoon verdedigen, en -met een schijn van onverschilligheid zei ze: - -„Wat zou het?” - -Minah keek haar strak in het gezicht. - -„Ik zou u wel eens hebben willen zien, als....” - -Maar dat liet geen vergelijking toe. - -„Meneer Silver was een Europeaan en ik was niet met hem getrouwd -volgens de adat; als hij mij had willen wegzenden, zou hij dat gedaan -hebben; als hij een ander had genomen, zou ik zijn huis hebben -verlaten. Hoe heb ik zijn huishouding bestuurd? Hoe heb ik hem geholpen -met alles? Had hij niet drie zonen....” - -Hier lachte Minah schamper. - -„Iedereen zei, dat hij er maar twee had.” - -„De menschen zijn kwaadsprekers en jij praat hen na,” zei njai Peraq -kalm. - -„Waarom kon Aboe Bakar dan geen Europeaan blijven?” - -Een oogenblik dacht de oude na; dan zei ze onverstoorbaar kalm: - -„Toewan Allah heeft het zoo gewild; hij heeft Silver doen vergeten, dat -kind te laten opschrijven in het boek der blanda’s; het is een wonder.” - -Minah trok de wenkbrauwen op, diep en hoorbaar ademhalend door den -neus; nu, vond ze, dàt wonder, dáár was een luchtje aan! - -„Hoe het ook zij, het zal niet gebeuren,” herhaalde ze, toen -terugkomend op de hoofdzaak. - -„Heeft hij erover gesproken?” - -„Hij is begonnen met praatjes; het werk in huis was me te zwaar.” - -„Daar heeft hij gelijk aan; dat kan men dadelijk merken.” - -„De zorg voor onzen zoon Amat eischte meer van mij.” - -„Dat is ook waar; ik heb den jongen daar straks op het voorerf gezien; -hij liep haast naakt en speelde in de goot; het is een schande.” - -„Ik moest meer rust nemen en iemand in huis hebben, jonger en sterker -om mij te helpen.” - -„Astage!” riep njai Peraq uit, „wat ben je voor een schepsel! Dat alles -heeft hij je gezegd, en in plaats van nu je best te gaan doen; te -zorgen voor de huishouding en je kind, ben je dezelfde luie slons -gebleven, die je geworden waart. En je durft me zeggen, dat het niet -zal gebeuren; dat hij geen tweede vrouw mag nemen, terwijl jij niet -meer deugt en niet eens wilt deugen. Wil ik je iets zeggen: mijn zoon -is veel te goed voor je.” - -Het kijven begon nu opnieuw tot ergernis van Aboe Bakar, die naar -achter moest komen om stilte te gebieden. - -Van zijn idée om zijn moeder bij zich te houden, zag hij nu af; dàt zou -geen leven zijn; die twee zouden elken dag standjes hebben; daar moest -hij iets anders op vinden. - - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -EEN TROUWELOOS MOHAMMEDAAN. - - -’s Avonds bij Pa Djalil, zijn compagnon, vertelde Aboe Bakar wat er -gebeurd was; zij zaten op een bamboezen bank onder een mangaboom, in -den donkeren avond op het kleine erfje; armoedig en eentonig schemerden -hier en daar kleine petroleumlichtjes door de paggers en het groen; in -de verte op den grooten weg ratelden langzaam aankomende karren; een -enkele maal klonk ’t hoog geluid van een, zijn warong langs den weg -pikoelenden Chinees; maar anders was het stil. - -„Ik ben het verplicht,” zei Aboe Bakar. - -„Zeker; men moet zijn ouders helpen en zijn broers en zijn zusters.” - -„Maar het zal veel geld kosten.” - -„Wat gebeuren moet, dat moet gebeuren,” zei de oude Djalil. „Ook kan je -het doen. Als je het niet deedt, zou het een vloek zijn op onzen -handel.” - -Geen oogenblik had Aboe Bakar er aan gedacht zijn noodlijdende familie -niet te helpen; hij had er alleen behoefte aan het goedgekeurd te -hooren door een ander. En nu begon hij langzaam zijn plannen te -bespreken, tot de oude het als naar gewoonte ’s avonds laat te koud -kreeg, en zij samen obat namen. Wel verweet zich Aboe Bakar soms, dat -hij daar verkeerd aan deed, maar goed beschouwd vond hij de zonde tegen -den koran zoo groot niet; en nu hij eraan gewoon was ’s avonds zijn -glas cognac te drinken, kon hij het niet meer laten. - -Zooals hij het met Pa Djalil had vastgesteld, voerde hij het ook uit. -Hij betaalde de onkosten van het huwelijk zijner zuster, gaf haar en -Bram elk een maandelijksche toelage en een extra aan zijn moeder, die -weer bij Bram haar intrek nam. En toen dat alles geschikt was en -geregeld, volgde de eene maand na de andere, zóó, dat het was of er -voor hun veehandel een gouden tijd aanbrak; alles liep even gelukkig -af; alles gaf beter winsten dan ooit, en bij Aboe Bakar stond het vast, -dat dit door hoogere macht zoo in zijn voordeel was geordend. - -Aboe Bakar kreeg zoo’n surplus van geld, dat hij er geen raad mee wist. - -„Waarom leen-je het niet uit, zooals ik?” had al meer dan eens Pa -Djalil gevraagd. - -Maar dan schudde hij het hoofd, onverzettelijk. - -„Het is in strijd met den koran, die verbiedt het leenen tegen rente op -straf van Gods toorn.” - -„Een mensch kan te veel uit de heilige boeken leeren,” had dan Pa -Djalil met een leuk lachje opgemerkt. - -„Nooit,” pleitte Aboe Bakar. „Ik ben geen heilig man, maar ik zou voor -alles ter wereld niet handelen tegen het boek in zoo iets belangrijks.” - -„Allah is groot,” zuchtte Pa Djalil met zachte ironie in zijn stem. -„Mijn vader was een braaf man; hij deed het ook.” - -Nu wist Aboe Bakar, dat, als een maleier zóó redeneert, geen -voorschrift uit den koran hem van zijn stuk brengt. - -Hij zweeg erop, en ten slotte, bij wijze van advies, eindigde Pa Djalil -met te zeggen: - -„Koop dan huizen voor je geld.” - -Hij was daar wat lui voor; bovendien moest hij dan in het publiek -komen, ook het Europeesche, op het vendukantoor en bij het kadaster; -dat deed hij liefst zoo zelden mogelijk. Doch ten slotte werd het al te -dwaas; zijn groote kist raakte vol geld, meest zware rijksdaalders; het -was een mooi gezicht, maar het kon zóó niet blijven; hij dorst haast -niet meer uit te gaan, uit vrees bij zijn afwezigheid bestolen te -worden. - -Hij kocht een huis op een mooien stand, en hij liep op den langen -cementvloer der voorgalerij met het pleizierig gevoel, dat hij hier -baas en meester was; dan in de kamers met de hooge muren, beneden -geteerd met rouwranden boven het doffe rood der vloersteenen; door de -open vensters weerglom het licht van het pas geverfd grijs der -zoldering; hij liep het door ’t leeg staan slecht onderhouden, dicht -begroeide erf op, waar van de bijgebouwen heele stukken kalk waren -afgevallen, door de open plekken den baksteen toonend van een rood als -oude niet geheelde wonden. Nu ja, dàt zou men alles in orde maken, -dacht hij, weer binnengaande; dat kwam terecht; en hij gaf maar -dadelijk last aan een ouden inlander, die dag en nacht het leege huis -bewaakte, met als eenig meubilair een baleh-baleh in een der -vertrekken, en de man, diep gebogen voor den rijken deftigen toean -saïd, den eigenaar, sloop dadelijk weg om een toekang batoe te halen, -maar stond voor het huis verwonderd stil, toen een deelemankar het erf -opreed. - -„Kom eens hier,” riep een heldere vrouwenstem tegen den bewaker. „Is -het te huur?” - -„Belon priksa,” antwoordde hij ontwijkend, en met den duim over z’n -schouder naar achter wijzend: „De eigenaar is er.” - -De man ging zijn boodschap doen; de dame, met een sprongetje uit haar -klein rijtuig, liep de paar treden van het huis op, keek eens rond in -de voorgalerij, ging dan vlug naar binnen en stond er tegenover Aboe -Bakar, die had hooren rijden op het erf, en ook eens kijken kwam. - -„Allemachtig!” riep zij verwonderd en half verschrikt uit, een kleur -krijgend als een kers. „U bent dezelfde, die... de Arabier van boord!” - -Hij knikte kalmpjes glimlachend, haar vlak in de oogen kijkend. - -„...Die Hollandsch spreekt. Ja, mevrouw.” - -„Gut, dat is al heel toevallig.” - -„Bergen en dalen ontmoeten elkaar niet, de menschen wel.” - -„U kent onze spreekwoorden ook al!” riep ze lachend. „Nu, dat is mooi -hoor! Is het uw huis?” - -En ze keek weer naar hem net als zij gedaan had aan boord, toen ze -tegen mevrouw Slaters zeide, dat hij een man was „om alles voor te -vergeten.” - -„Ik heb het pas gekocht.” - -„Mag ik het zien? Ik zoek een huis.” - -Toen de inlander terugkwam met den toekang batoe, vond hij de voordeur -gesloten; zacht sloop hij naar achter, maar daar was ’t zelfde. En de -deelemankar wachtte nog... - -„Kang,” zei hij zachtkens tegen den ouden metselaar, dien hij had -meegebracht, „we moeten nog wat wachten op den toean saïd; ga maar mee -naar den warong, dan kunnen we een strootje rooken.” - -Ze kwamen eerst terug toen de deeleman wegreed; verstrooid gaf de toean -saïd zijn orders; hij dacht niet meer aan zijn nieuwe positie van -huiseigenaar; hij was verstrooid en uit zijn humeur; hij had zich laten -meesleepen door dien ouden Europeaan, die in hem was gebleven uit den -offertijd aan „wijntje en Trijntje” in een groote westersche stad door -een bemiddeld jongmensch. - -Was dat handelen als een braaf volgeling van den grooten profeet! Hij, -die zooveel ophad met den koran,—hij dronk dagelijks den drank, welke -een gruwel was door satan uitgevonden, en hij had de honderd -zweepslagen op het overspel verdiend....! - -Aboe Bakar stapte haastig den eindeloozen Molenvliet langs; de zon -brandde op zijn lang rood overkleed; het stof opgeworpen door de -voertuigen, voortgezweept door den heeten wind, dwarrelde om zijn -grooten sneeuwwitten tulband; voerders van leege karretjes riepen hem -aan,—hij lette op niets, zóó bezig was hij met zichzelven, zóó beklemd -door het gevoel, dat hij een slecht Mohammedaan was; dat hij dus -handelend nooit het beloofde Paradijs zou beërven, waar de maagden met -groote zwarte oogen en met zwellenden boezem bestemd zijn voor de -gelukzaligen, voor de geloovigen zonder smet! En als hij daartusschen -door dacht aan het wezenlijk avontuur van zooeven, dan zonk het -toekomst-Paradijs met de zwartoogige maagden ineens weer in het niet. - -Een oogenblik stond hij stil, en wischte zich het gelaat af; maakte -zijn handen nat aan een artesischen put, bevochtigde zijn vermoeide -oogen, en steeg zuchtend in een dos-à-dos, die met hem wegsnelde naar -zijn kampong. - - - - - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -HOE ZAL IK STERK ZIJN? - - -Het was of hij dien dag geen rust zou hebben van de vrouwen. Toen hij -uitgestapt was en betaald had voor het weggetje door zijn kampong, en -nog altijd over zijn eigen zonden dacht, kwamen een man en een meisje, -een kind nog haast, hem op ’t smalle pad tegemoet; de man stil -mompelend, het meisje, dat huilend zich verzette, voortduwend. - -„Toean,” riep zij, „help mij! Hij wil mij verkoopen...” - -De inlander, verlegen en woedend, sloeg haar met de vlakke hand ruw op -den mond. - -„Zij is mijn dochter en zij is ondeugend.” - -Aboe Bakar gaf hem een gevoeligen tik op de hand met den beenen knop -van zijn wandelstok. - -„Hij wil mij verkoopen,” riep het meisje weer, nu dapper door den -bijstand; „hij wil mij verkoopen aan een Chinees.” - -Zwijgend, de oogen neergeslagen, bang voor den invloedrijken hadji, zoo -groot, zoo sterk en zoo rijk, stond de inlander zijn hand te wrijven, -zich dicht in de groene levende pagger dringend. - -„Diam!” gelastte Aboe Bakar het meisje, dat niet zoo mocht spreken -tegen haar vader. „Is het waar?” vroeg hij dezen. - -In een nu loskomenden woordenstroom, verdronk de man de gedachte; hij -had zoo’n roegi gehad met dit en met dat; hij kon zijn belasting niet -betalen en hij had geen goed om te beleenen; dus zou hij in de -gevangenis komen. Wat hij deed, hadden al zoovelen gedaan en mocht hij -doen... - -„Je moogt het niet!” - -„Nu dan, het is toch adat.” - -„Toean,” smeekte het meisje zacht. „Help mij! Ik wil niet bij een -Chinees; ik wil bij een orang selam, niet bij een vuilen kafir.” - -Hij glimlachte tegen haar; zooals ze daar stond, zag ze er wel aardig -uit, en haar gezicht zei zoo duidelijk als woorden het slechts konden -doen, dat ze met veel genoegen zich verkocht zou zien aan den mooien -toean saïd. - -„Volg me,” gelastte hij den inlander; en zoo gingen ze verder, achter -elkaar. In zijn woning sprak hij erover; zij werden het eens wat den -prijs aangaat, terwijl het meisje op den dorpel zat, blij, dat ze niet -naar den Chinees behoefde; kalm, nu, afwachtend wat volgen zou, toen -haar vader heenging, diep boog voor den toean saïd wiens hand hij aan -z’n lippen bracht, zonder haar met een groet of een blik te -verwaardigen. - -Aboe Bakar wenkte haar naar zich toe en zij volgde hem naar achter. -Minah schrok ervan. Daar zou je het hebben! - -„Ik heb dit kind van haar vader gekocht,” zei hij zacht, poseerend, met -groote waardigheid. „Haar vader wilde haar verkoopen aan een -ongeloovige.” - -En toen Minah niets zei, maar met booze oogen naar het slachtoffer zag, -dat bij haar neerhurkte en haar hand kuste, ging Aboe Bakar voort met -de zalving van een volleerd penghoeloe: - -„Zij kan u dienen, tot een goed Mohammedaan haar als vrouw verlangt, -behandel haar goed en het zal ons voordeel aanbrengen.” - -Het was Minah een pak van het hart; zij zag op naar haar man met groote -verwonderde oogen. Ook het meisje begreep er niets van, zij keek in -stomme verbazing door een gordijnkier den grooten breeden man na, die -zooveel licht wegnam in het gangetje, dat hij langzaam doorstapte. - -Het viel haar bitter tegen! Had die zooveel geld aan haar vader -betaald, om het genoegen haar cadeau te doen aan zijn vrouw, die veel -goedkooper een beter meisje als baboe krijgen kon? - -Minah, die het evenmin begreep, wantrouwde de zaak. Wat kon het zijn? -Zij wist, dat hij geen voorwendsels zou zoeken, en niet een meisje als -bediende zou binnensmokkelen, dat hij van plan was tot zijn vrouw te -maken. Neen, dan zou hij komen met groote deftigheid in houding en -gebaar; zijn zware hand zou hij dan leggen op haar schouder en haar -zeggen: dit is mijn tweede vrouw; wees goed voor haar of gij zult mij -zijn als de rug mijner moeder. - -Habis perkara. - -Zij hoorde het meisje uit, maar dat kon niet anders dan gewoon -vertellen wat er gebeurd was. Het maakte beiden niet wijzer. - -Zij zagen door een venstertje Aboe Bakar buiten achter den hoogen -pagger gaan en hoorden hem baden aan den put; Minah luisterde -aandachtig; de wijze, waarop hij blijkbaar zich baadde, beviel haar -niet; zij hoorde hem er den naam van Allah bij aanroepen, en alles -driemaal.... Wat was er dan toch gebeurd? - -Aboe Bakar daarentegen voelde zich zoo plezierig als was er niets -onbehoorlijks voorgevallen. Hij had berouw gevoeld over zijn daden, en -door een Mohammedaansche vrouw van de ongeloovigen af te houden met -opoffering van geld, had hij een goed werk gedaan, waarvoor God zijn -slechte daden ook in goede zou veranderen. - -Doch hoe niet meer te zondigen? O, hij was nu op ’t moment heel sterk. -Hoe echter zou het zijn, als hij weer eens samen was met dat opgewonden -gekkinnetje, dat zoo verliefd op hem was, en zijn huis had gehuurd? - -Hoe, als hij bij Pa Djalil zat en die nam obat tegen de avondlucht? - -Wat moest hij doen om daar af te komen? - -Zijn compagnon maakte het hem niet moeilijk. - -Een beetje geraakt over de koranwijsheid van Aboe Bakar, nam Pa Djalil, -toen ze ’s avonds weer hadden gepraat over hun zaken, stil zijn obat -alleen, en presenteerde hem niets. Hij rook den lekkeren cognacgeur en -watertandde ervan; hij zag den ouden langzaam het glas ledigen, en zich -onder ’t baadje over den buik strijken, hij hoorde hem zacht smakken -met een klein gesteun van genot. - -En Aboe Bakar zuchtte diep, met innig verlangen; en hij vond het veel -moeilijker over een aangewende kleinigheid heen te komen in het leven, -dan op een gegeven moment een groot besluit te nemen. - - - - - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - -ZONDERLINGE ONTMOETING. - - -De eenige malen, dat de Verlande’s iets hoorden van hun vroegeren -pleegzoon, was uit de brieven van Nora, die nu en dan schreef. Eerst -was het een brief vol jeremiaden. Met haar komen in Indië, was alle -vroegere Hollandsche misère weg; vergeten waren de jaren van verdriet -en teleurstelling over haar langdurig jongedochterschap, dat zich al -begon te teekenen op haar lief gezichtje in fijne, scherpe trekjes, die -er nu door het huwelijk voor vele jaren van weggevaagd waren; vergeten -was de deftige en daarom dubbel pijnlijke beperktheid van middelen in -het ouderlijk huis; vergeten waren ook de bitse en verdrietige -humeur-scènes tusschen de met den oudevrijsterstaat bedreigde zusters; -vergeten waren narigheden en bekrompenheden, waaruit het huwelijk met -een hoogst fashionable man, die een goede toekomst had, haar letterlijk -had gered. - -Het maakte Verlande, die met den leeftijd ’n beetje knorrig begon te -worden, woedend. De brieven van Nora gaven den indruk, alsof zij een -paradijs had verlaten, om in de hel te komen, en de doorloopende -gedachte was: wat is dat Indië een akelig land! - -Terwijl haar middelen haar nimmer veroorloofd hadden een druk gebruik -te maken in Den Haag van opera’s en concerten, klaagde zij nu steen en -been, dat men zoo weinig kunstgenot kon smaken te Batavia; terwijl zij -in Holland haar ouders een nieuwe japon als het ware van het hart moest -scheuren, en den hemel danken mocht, als ze kreeg wat men wilde -geven,—vond zij het „zoo onaangenaam,” dat men in de toko’s te Batavia -nooit precies kon krijgen, wat men wilde. - -Het was in die periode, dat zij ook schreef over haar eerste ontmoeting -met den gewezen Adam Silver; iets, waaraan de Verlande’s niet hadden -geloofd, denkende dat zij zich in het uiterlijk had vergist. - -Later kon Verlande meer vrede hebben met Nora’s geschrijf; ze kreeg, -door het gewoon meeleven in Indië, meer kennis van wat haar omringde; -daarmee kwam vanzelf de belangstelling; juistere schatting en, in menig -opzicht, waardeering, volgden. - -„Ze wordt ’n boel genietbaarder,” meende Verlande. - -„Het is ’n gewone geschiedenis,” meende zijn vrouw. - -„Toch niet....” - -„Zeker, de mijne ook. Je hebt mijn brieven uit dien tijd naar Holland -niet gelezen.” - -Eindelijk, na jaren, kwam Nora weer op Adam Silver terug, met het -verhaal van de stoomboot. Zij was nu zeer ongerust en moest en zou ten -slotte met hem spreken, want zij was soms in doodelijken angst, dat -haar man er iets van vernemen zou. - -Doch de Verlande’s trachtten haar gerust te stellen. Hoe kon zij zich -nu nog muizenissen in het hoofd halen om die oude, onschuldige tjerita, -schreven ze. Die moest ze vergeten, negeeren, beschouwen als nooit -gebeurd. - -En Nora deed er haar uiterste best voor, maar het was er zoo ingeroest, -dat ze toch altijd schrikte als ze een rijzigen Arabier zag of een -hadji, en het was haar op een goeden dag of ze verstijfde van het hoofd -tot de voeten, toen Aboe Bakar haar erf opkwam, in zijn kleurig gewaad, -groot en breed tusschen het bontgroen der rijen crotons door. - -De Slaters woonden in een huurhuis, wijl er van gouvernementswege geen -hoofdofficierswoning open was; ze hadden er niet op gelet, dat het huis -ten publieken verkoop was geannonceerd. En Aboe Bakar, die het geld, -dat hij overhield, nu voortdurend in huizen bleef beleggen, had ook -niet geweten wie de huurders waren. Hij had het huis gekocht, eenvoudig -op de omschrijving en het advies van een inlandsch beambte bij ’t -kadaster, en nu kwam hij zich eenvoudig als de nieuwe eigenaar -aanmelden bij den huurder. - -Het trof hem zeer; ook dat ze zoo knap was geworden in haar huwelijk; -maar hij had zich heel gauw vermand en groette haar als een vreemde, en -sprak haar aan in het maleisch: - -„Ik vraag verschooning, dat ik u kom lastig vallen, mevrouw. Ik kom -alleen u zeggen, dat ik dit huis heb gekocht.” - -Zij keek hem aan, verwezen; en toen ze niet antwoordde, ging hij door -in ’t maleisch: - -„Het is niet, dat u moet verhuizen, volstrekt niet; u kunt blijven -wonen zoolang u wilt; het is enkel als er iets is over reparatie of -zoo....” - -Dat was dan geworden van dien netten jongen, dien ze in haar -meisjesjaren had liefgehad; dàt was dan de naar de laatste mode -gekleede mooie jeugdige oosterling, dien ze gekend had in Den Haag! Zij -had de niet beredeneerde maar traditioneele minachting van den -Hollander in Indië voor al wat hadji is. En zoo stond hij daar nu -tegenover haar, maleisch sprekend; bescheiden, als een mindere; den -trek van onderworpenheid, die bij den oosterling tot de beleefdheid -behoort, op den fraaien mannenkop. Een groot gevoel van compassie kwam -over haar; het deed haar aan; ze moest opstaan en naar binnen gaan om -niet te laten zien, dat van tranen haar de oogen vol schoten. - -Aboe Bakar zag het natuurlijk wel, maar begreep er niets van. In dien -gedachtengang had hij zich niet kunnen verplaatsen; dàt was hem nu zoo -vreemd. En hij had toch niets verkeerds gedaan! Integendeel; hij had, -vond hij, het haar zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt; zij had hem kunnen -antwoorden in het maleisch en hem behandelen, als had zij hem nooit -gezien; enkel als de huisbaas. - -Nu ging zij schreiende naar binnen! - -Hij had nog niet uitgepikird, toen zij terugkwam en hem wenkte in de -binnengalerij. - -„Ik heb u een verzoek te doen!” zei ze zenuwachtig, toen hij -binnentrad. - -Zwijgend boog hij, den blik latende gaan over het glinsterend marmer en -het glimmend gecireerd der nette meubels, meteen het huis, dat hij -gekocht had, eens opnemend. - -„Het is: nooit te spreken, nooit en met niemand over ons.... onze.... -verhouding in Holland.” - -Een spottende glimlach ging over zijn gezicht, en hij liet den -golvenden zwarten baard door de zware hand glijden. Wat was dat nu? Wat -verbeeldde zich zoo’n Europeesch vrouwtje, dat een man, een Mohammedaan -als hij, zou spreken over haar! - -„Ik heb het nooit gedaan,” zei hij. - -„Beloof me, dat het nooit zal gebeuren.” - -Zij was zoo dicht bij hem komen staan, zij zag hem zoo vlak in het -gezicht, en hij had zulk een eigenaardige ervaring opgedaan met een -andere, ook zoo blond en blank, dat hij dacht aan een grapje; zijn -donker gezicht kleurde op, en hij boog zich voorover tot zij met een -rilling van schrik zijn baard voelde tegen haar wang. - -„En dan mijn belooning?” - -Nora was woedend; hij zag haar bleek worden als het steenen tafelblad, -zoodat hij ervan schrok; de uitdrukking van minachting trof hem zoo, -dat hij de hand op z’n borst lei en een stap terugging. - -„Ik wist niet, dat je zoo’n gemeene kerel waart geworden.” - -„Dat ben ik niet,” protesteerde hij met ongewone levendigheid. „Ik ben -geen gemeene kerel.” - -„Dat ben je wel.... Mijn huis uit! Het uwe zal ik ook verlaten.” - -Een oogenblik stond hij sprakeloos; verstomd zóó te worden weggejaagd, -als een hond, juist nu hij meende heel slim te zijn en iets bijzonder -goed te begrijpen. - -„Als ik u beleedigd heb....” - -„Dat weet je heel goed.” - -„Ik vraag er vergeving voor.... Wij, Mohammedanen, moeten deugdzame -vrouwen eerbiedigen, en dat doen wij ook.... Ik meende...” - -„Van mij?” - -„Ik weet het niet. Met uw soort menschen houd ik geen omgang, al vele -jaren niet. Maar één heb ik ontmoet.” - -„En die ééne?” - -Hij maakte een afwerend gebaar met de hand, den linkerarm uitgestrekt. - -„Ik mag geen kwaad spreken. Vergeef het mij. Voortaan zal ik hier niet -meer komen. En ik zal er nooit over spreken; ik zweer het u bij den -koran.” - -Aboe Bakar groette haar eerbiedig; zij stak onwillekeurig de hand uit, -getroffen door zijn oprechte spijt; doch hij deed, als zag hij het -niet, boog in, op oostersche wijze, en ging heen, bedaard en rustig in -houding en gang. - - - - - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - -ABOE BAKAR KIEST ZICH EEN TWEEDE VROUW. - - -Mevrouw Slaters was er heelemaal door gekalmeerd; zij had nu de -volkomen zekerheid, dat hij nooit reppen zou over hun vroegeren omgang, -en tegelijk zag ze in, dat ze zich eigenlijk noodeloos ongerust had -gemaakt. - -Maar die ééne... ja, dat kon haast niemand wezen, dan dat aardige -levendige vrouwtje, dat ze nu nog wel eens ontmoette op ’n partij in de -societeit of in private gezelschap. Zij dacht eraan haar uit te hooren, -overtuigd, dat het jong en overmoedig schepseltje al heel gauw zou -laten doorschemeren, wat ervan was; maar het boezemde haar te veel -afkeer in; c’était fini nu, dacht ze, en onwillekeurig zuchtte ze diep, -het was nu zóó goed, dat niets bedorven mocht worden. - -Aboe Bakar, zeer ontevreden over zichzelven, nam onder het naar huis -gaan ook een besluit. Eerst had hij zoo lang gedraald om een tweede -vrouw te nemen bij Minah, wijl hij bang was voor scènes; nu had in den -laatsten tijd die zondige en met het heilige boek geheel strijdige -relatie hem ook al van dat plan teruggehouden,—hij had nu, dacht hij, -een goed voorbeeld in het flink gedrag van Nora; hij zou die relatie -afbreken en een mooie jonge, inlandsche vrouw erbij nemen. - -Als hij eens informeerde bij de inlandsche ambtenaren en hij gaf er -flink geld voor, dan zou er wel gauw een te vinden zijn; hij zou het -dan maar dadelijk doen, en hij nam er een rijtuig voor; geen gewoon -karretje of een dos-à-dos, maar een mylord. - -Het was in ’t geheel niet moeilijk; de eerste de beste, die hem met -veel betoon van hartelijkheid en onderscheiding ontving, kende er wel -een, die een mooie dochter had en haar graag als vrouw aan den rijken -hadji wilde afstaan. - -Maar eerst moest hij haar zien. - -Zij was niet, als Minah in vroeger jaren, een kind van het binnenland, -donker, sterk, in volheid van lucht en licht opgewassen, met hard, -veerkrachtig vleesch,—zij was meer een kasplant, heel licht van huid, -bij blank af, zacht en poezelig; met iets kwijnends in de oogen en -sentimenteels in het gezichtje; maar zoo mooi van vormen en begeerlijk -van persoon in haar wiegelenden gang, lengang-lengang door het huis, -dat het Aboe Bakar voor de oogen schemerde. - -Zeker, hij wilde haar hebben, heel graag! - -Maar het zou niet behoorlijk zijn geweest, als hij iets van zijn -begeerte had doen blijken; langzaam ging hij heen, uitgeleid door den -vader, die hem voorstelde over deze „zaak” nog eens te komen praten. - -En als altijd bij zijn persoonlijke aangelegenheden, praatte hij er ’s -avonds over met zijn compagnon op het bankje voor diens huis. - -„Ik ben bang, dat ik te veel van haar zal houden,” zei Aboe Bakar. - -„Men kan nooit te veel van een vrouw houden,” meende Pa Djalil. - -„Niet? waarom niet?” - -„Het wordt vanzelf wel minder; ten slotte gaat het heelemaal over.” - -Maar Aboe Bakar schudde het hoofd; neen, dat was het niet; hij wist -heel goed, dat het niet altijd was als in het begin; neen, dat bedoelde -hij niet. - -„Wij mogen meer dan één vrouw hebben.” - -Pa Djalil, die den nadruk op mogen niet snapte, glimlachte om het -onnoozele gezegde; alsof een kind niet wist, dat een orang selam dat -mag! Wat leuterde Aboe Bakar hem, ouden man, nu aan de ooren? - -„Maar wij mogen de een niet meer liefhebben dan de andere.” - -„Waarom niet?” - -„De koran verbiedt het.” - -„Och kom,” zei Pa Djalil ’n beetje knorrig, nu zijn compagnon weer kwam -aandragen met den koran. „Het is niet mogelijk.” - -„Betoel, het staat er,” verzekerde Aboe Bakar met den grootsten ernst; -„wie zijn eene vrouw liefheeft boven de andere, zal op den dag der -opstanding met ongelijke billen verschijnen.” - -Pa Djalil keek hem aan met wijdopen oogen; een oogenblik verstomd; toen -riep hij met een hooge stem: - -„Bilang apa?” - -En toen Aboe Bakar het had herhaald, sloeg hij met een harde klets de -vlakke handen op de knieën, en schoot in een luiden lach, zooals ’t hem -in jaren niet was overkomen, met daar tusschen een herhaald, terlaloe, -terlaloe, pantatnja tida rasa; en dan lachte hij weer voort, tot hij -met de punt van zijn baadje zich de tranen van ’t gezicht veegde. - -Aboe Bakar lachte niet mee; hij ergerde zich, en ook was, vond hij, -luid lachen ongepast, als men ernstig sprak over het heilige boek. - -„Het is Soerah IV....” begon hij weer met overtuiging. - -Maar de oude liet hem niet uitspreken. - -„Schei uit,” riep hij, „ik wil er nu niets meer van hooren; ik zeg u, -laat dat alles loopen en doe wat ieder onzer doet en door iedereen -wordt goedgevonden. Er zijn geleerde menschen, die alles in den koran -napluizen, dat weet ik al veel jaren; de één zegt het is zus en de -ander het is zóó, maar het verandert niets aan wat wij allen, goede -Mohammedanen, doen, en wat onze vaders en grootvaders hebben gedaan. -Laat de geleerden twisten, zeg ik u; wij handelen in koeien en -schapen.” - -„Ik ga naar huis,” zei Aboe Bakar, „het mag wezen, dat je volgens de -menschen gelijk hebt, maar het staat duidelijk in het boek; ik kan het -laten zien.” - -„Ik wil het niet zien.” - -Zoo scheidden zij zonder boosheid; Aboe Bakar een weinig gekrenkt, -omdat het beetje koran-wijsheid, dat hij van den penghoeloe had, die -hem leerde vóór zijn tocht naar Mekka, dus werd miskend door een niet -onderwezen man; Pa Djalil ernstig ongerust over den geestestoestand van -zijn compagnon; daar pikirde hij nog lang over; hij had het in zijn -leven meer bijgewoond, dat een mensch gek werd door te veel te denken -over den godsdienst, en hij vreesde, dat Aboe Bakar al een aardig eind -op weg was. Dat kwam, dacht Pa Djalil, van dat veranderen van -godsdienst. Als men in een religie was geboren, gelijk hij zelf, nam -men al die dingen zoo zwaar niet op; men deed gelijk zijn vrienden en -familieleden en bemoeide zich niet met de rest. Maar zij, die -overgingen van het een op het ander, maakten zich noodeloos druk over -dingen, waaraan een ander nooit dacht, en zij wilden van alles het -fijne weten. Nu, wanneer die Aboe Bakar eens gek werd, als hij op reis -was om vee te koopen met een groote som geld, wat dan? - -Dan was het geld weg! - -Pa Djalil zuchtte diep bij de enkele gedachte aan zoo iets, en daar het -koel werd in de avondlucht, trok hij z’n baadje dichter om zich heen en -nam wat obat. - - - - - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - -GELDELIJKE VERWIKKELINGEN. - - -Het was een lange conferentie, die Aboe Bakar had met de mannelijke -familieleden van zijn aanstaande tweede vrouw. - -Over het godsdienstig bezwaar had hij zich heengewerkt; er stond toch -ook in den koran, dat men alleen dan geen tweede vrouw moest nemen, als -men vreesde onrechtvaardig te zullen zijn; nu, dat zou hij niet wezen -tegenover Minah; zij was wel een erg onsmakelijk mensch geworden, en -dat werd erger met den dag, nu ze wist wat er gebeuren zou en zich er -aan doodergerde,—maar hij zou ’t haar nooit aan iets laten ontbreken en -haar nooit anders slaan, dan wanneer ze het overeenkomstig den koran -verdiende. - -En verder zou hij een grooter huis betrekken met betere, mooier -gekleurde kelamboes voor deurgordijnen en nieuwe van kant voor de -bedden; en hij zou ’n paar zindelijke dienstboden zoeken om voor alles -te zorgen; en nieuwe fijne matten voor den vloer; andere tafels met -marmer; mooie gebeeldhouwde stoelen; nieuwe kussens en bultzakken; ook -zou hij veel reukwerk koopen om te branden, en voor het haar. - -Dat alles nam hij zich voor te doen,—maar onrechtvaardig wezen -tegenover de moeder van zijn zoon,—neen, dat niet. - -Op die lange conferentie werd niet veel gesproken. In het midden der -pendoppo zaten ze bijeen, ieder op een mat, de beenen gekruist onder -het lijf, het rookgerei in waterglazen om hen heen; en nu en dan werd -er iets gezegd over de huwelijksgift, die Aboe Bakar zou schenken aan -zijn tweede vrouw in den zak haars vaders. - -Het bedrag werd, meende de patiënt, akelig hoog opgevoerd; de honderd -dinars uit den koran, haalden er, dacht hij, volstrekt niet bij; maar -telkens als hij lang aarzelde, zag hij toevallig rechtuit in een -vertrek, waartegenover hij zat, de jonge mooie aanstaande, hetzij komen -of gaan; en dat maakte hem dan weer williger. - -Toch was het niet zoozeer de hooge huwelijksgift, waarover zij het dien -avond eens werden, die diep in Aboe Bakar’s geldkist greep; het was ’t -nieuwe voornamere leven, dat hij tegemoet ging. - -Minah was, meende hij, nu in het geheel niet meer te vertrouwen, en -daar hij, ondanks de dreigende ongelijkheid, heel veel gevoelde voor -Dailah, zijn tweede vrouw, hield hij ze zooveel mogelijk van elkaar af; -en hij kreeg er ook tal van inlandsche familieleden bij, deftig -ambtelijk, maar altijd arm. Wat niet wegnam, dat hij nog in aanzien -steeg door bezoeken van aangetrouwde ooms en neven, die achter zich -oppassers hadden, pajongs dragend met een vergulden rand. - -Hij was in die rol al heel gauw thuis, hen met buigingen en -beleefdheden ontvangend, maar direct klagend over den slechten tijd en -de weinige winsten, die hij maakte; want hij wist wel, dat ze altijd -geld kwamen leenen, en wanneer zag men dat terug! - -De waarheid was, dat hij, ondanks zijn tweede huwelijk, dubbele -huishouding en arme aanverwanten, met den veehandel gelukkiger was dan -ooit. - -Njai Peraq kwam nooit in zijn huis; de zuster was getrouwd en de in het -geheel niet adellijk uitziende Boudrin de Chatonville wilde, nu hij een -betrekking had, van geen ondersteuning door den islamitischen zwager -meer weten. - -Bram was een Pechvogel; hij verdiende geld genoeg met een -karrenverhuurderij en met allerlei knoeierij voor inlanders, maar hij -was „een minnaar van het spel, voornamelijk van de kaart,” en dat -bracht hem vaak in ongelegenheid. - -Hij werd, net als wijlen John Silver, zenuwachtiger met den leeftijd; -Aboe Bakar stiller, teruggetrokkener, devoter. Door zijn schoonvader -was hij in aanraking gekomen met een priester uit het binnenland, en -die bezocht hem vaak. - -Dan hielden zij lange gesprekken over den koran, en Aboe Bakar schokte -dat meer en meer in zijn oude stellingen; langzamerhand begon hij in te -zien, dat er geen andere uitverkorenen konden zijn, dan de ware -geloovigen; dat alle anderen kafirs waren. - -Zacht sprekend, den tasbih door de hand latende glijden, zaten ze weer -bijeen, in de ruime houten voorgalerij van Aboe Bakar’s nieuwe huis, op -een lage bank in een hoek bij ’n klein tafeltje; het lamplicht brandde -rossig flauw; de scherpe lijnen op het gezicht van den penghoeloe in -een lijst van aan de wangen kort geknipt wit haar, puntig uitloopend -aan de kin, krompen of zetten uit in het dringend betoogen; de slimme -kleine oogjes blonken lichtend onder de ruige grijze wenkbrauw; de -groote gladgeschoren bovenlip met den haviksneus erover en de mond, -ingevallen eronder als een groef met verticale rimpels daarop, door de -leegte van tandeloosheid eronder, gaven iets diabolieks aan het masker, -tegenover het goedig donker gezicht in een profusie van grof blauwzwart -haar tegenover hem. - -Een driftige hand lichtte de neergelaten keré op. - -„O, heb je gezelschap,” zei Bram, zich vlug tusschen de opening naar -binnen werkend. „Het is anders maar een oogenblik.” - -Aboe Bakar liet niet blijken, dat hem dit bezoek onaangenaam verraste. - -Hij stond op, en stelde met groote deftigheid de „heeren” aan elkaar -voor; met een vertoon van vriendelijkheid gaven Bram en de priester -elkaar de hand; zij zagen elkaar even maar in de magere tronies en -kregen geen van beiden een pleizierigen indruk. - -Bram kwam spreken over paarden; hij had een prachtig span bijeen -gekregen, heel toevallig en erg goedkoop. - -„Je kunt het krijgen voor wat ze mij kosten,” zei hij tegen Aboe Bakar, -„het is te geef.” - -En hij beschreef de paarden en hun teekens. Maar Aboe Bakar had er geen -zin in. - -„Mag ik ze eens komen zien?” vroeg de penghoeloe, een groot liefhebber. - -„Zeker; maar u kunt ze voor dien prijs niet krijgen; met hem is dat wat -anders; aan hem zou ik niet willen verdienen.” - -„Laat ze den penghoeloe zien,” zei Aboe Bakar zacht, „en geef ze hem -voor wat hij wil betalen.” - -Daar had Bram verduiveld weinig lust in, maar weigeren kon hij niet; -hij knikte dus toestemmend, grimmig schuinoogend naar den vreemden -bezoeker. - -„Ik wou je nog wel even apart spreken,” zei hij. - -En toen Aboe Bakar, na een excuus aan den penghoeloe, met hem buiten -was, zei hij: - -„Ik moet je voor dien kerel waarschuwen, Adam. Hij is een echte patser, -en bij het bestuur vertrouwen ze hem ook niet.” - -„Hij is een braaf godvreezend imam, en als men kwaad van hem spreekt, -geloof ik, dat men lastert.” - -„Wees nu niet gek,” hernam Bram kwaadaardig; „ik zeg je, dat hij een -gemeene vent is. Je hebt trouwens zijn tronie maar aan te zien.” - -„Ik zeg je,” en ditmaal was Aboe Bakar werkelijk zeer boos, „dat hij -een goed mensch is.” - -„Nu,” hernam Bram, ook erg uit zijn humeur, „ik herhaal, wat ik je -jaren geleden al heb gezegd: vroeg of laat zal je hun dupe worden. -Bonsoir!” - -Toen hij nijdig wegliep, verdwijnend in het avondduister, waarin het -erf wegzonk, keerde Aboe Bakar zich zuchtend om en stapte het -galerijtje op. - -„Is hij uw oudere broeder?” vroeg de penghoeloe. - -Toen Aboe Bakar toestemmend antwoordde, streek de oude zich met een -bedenkelijk gezicht over het voorhoofd en zei toen met een sinister -lachje: „Men mag geen kwaad spreken, maar in den koran staat, dat er -vroolijke en bedroefde aangezichten zullen zijn den dag der -opstanding.” - -Ofschoon Aboe Bakar wel begreep wat de priester wilde zeggen, gaf hij -er geen weerwerk op. Hoe konden toch, dacht hij, goede menschen op het -eerste gezicht zóó tegen elkaar zijn ingenomen! Want Bram was goed en -hij hield van hem; en de penghoeloe was een hoog en heilig man; aan den -een dankte hij zijn geld, aan den ander de toenemende onderscheiding, -waarmee hem de menschen tegenwoordig behandelden; hij kon het zien op -straat, als ze hem groetten, in ’t voorbijgaan, en diep inbogen om zijn -hand te kussen; ook werd hij genaakbaarder voor de Arabieren, sedert -hij zooveel omging met den penghoeloe... - - - - - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - -MEN KAN GEEN PRIESTER EN KOOPMAN ZIJN. - - -Het deed Aboe Bakar leed, dat Pa Djalil met den dag minder -vriendschappelijk werd. Wel ging hij nog ’s avonds met den oude over -zaken spreken, maar het vlotte niet zoo goed, en Djalil had allerlei -aanmerkingen. Eens had hij beproefd te reageeren op de gewoonte van -zijn compagnon ’s avonds obat te nemen,—hij dacht daar, voor zichzelf, -allang niet meer aan, en schaamde zich de herinnering—maar dat was hem -slecht bekomen. Nu had hij zorgen over dit alles en hij stortte zijn -hart uit voor den penghoeloe, die heel lang zweeg, nadat Aboe Bakar had -uitgepraat. Eindelijk zei hij: - -„Pa Djalil is zwak; hij is geloovig, maar onwetend; daarom zal hem -wellicht vergeven worden, dat hij zondigt tegen den koran. Gij hebt hem -vermaand en uw plicht gedaan; tracht geen macht over hem uit te -oefenen; zoo hij volhardt, wend u van hem af.” - -„Ik kan niet; wij hebben samen een belangrijken handel.” - -„Dat weet ik. Misschien kunt gij het eene doen zonder het andere na te -laten.” - -Aboe Bakar begreep het niet, en toen de priester dat uit zijn -stilzwijgen afleidde, ging hij voort: - -„Het is niet goed, dat gij dien handel drijft, zooals gij doet. Het is -geen werk voor u, die de schriften beoefent en wellicht een -uitverkorene...” - -En op het nederig gebaar vol bescheidenheid van den ander: - -„Ik zeg niet dat het gebeuren zal; maar de werken zijn het water, dat -de plant doet groeien.” - -„Als ik wist hoe ik doen moest.... Het is zoo moeilijk.... Hij houdt -onze boeken.... Hoe krijgt men zulke zaken uit elkaar!” - -„Niet noodig. Gij drijf een handel in vee; gij kunt u neerzetten in de -binnenlanden en daar koopen en naar hier zenden. Een ander zou hier uw -werk kunnen doen.” - -Het was een goed idée, vond Aboe Bakar; wel had hij geld genoeg om van -te leven, meer zelfs dan hij noodig had; maar hij durfde eigenlijk met -een voorstel om zich terug te trekken niet bij zijn ouden compagnon -aankomen. - -„Er zijn,” ging de penghoeloe voort, „bij ons in de buurt kleine -landerijen, mooi gelegen, waarop men een goede woning kan laten bouwen; -het hout is goed en goedkoop, de bamboe en de atap ook, de menschen -kunnen beter huizen maken dan hier.” - -„Als ik zoo iets gedaan kon krijgen, zou ik graag willen.” - -„Langzaam aan; men moet zich niet haasten. Spreek er over met dien -Djalil. Hij zal wel willen.” - -Ze gingen er verder over door op die manier, en bij Aboe Bakar was het -reeds gerijpt tot een bepaald plan; het lachte hem toe, daar in de -binnenlanden rustig te leven; niet van huis te moeten voor zaken, en -zich ’t hoofd daarmee niet te moeten breken; voortdurend om te gaan met -den penghoeloe, om een man te worden als hij, vroom en geleerd in den -koran. - -„Nog iets moet ik u zeggen,” zei de penghoeloe bij het scheiden. „Wees -voorzichtig voor uzelven tegenover uw vrouw Dailah.” - -Aboe Bakar schrikte. - -„Voor Dailah?” - -„Ik vrees dat ge te veel van haar houdt; men moet zijn hartstochten -bedwingen; zich geen afgod maken van eene vrouw.” - -Verlegen keek Aboe Bakar voor zich: het was waar; hij was dol van zijn -tweede vrouw, en hij keek in ’t geheel niet om naar Minah, die voor -weinig meer telde in het huis, dan een noodzakelijk kwaad; voor minder -dan een slavin. Zij had haar partij gekozen, naar het scheen, en leefde -haar eigen leven in luiheid en buurtpraatjes. - -In stilte bewonderde Aboe Bakar den priester, die dat alles scheen te -begrijpen en te doorzien. - -Tot laat in den nacht bleef hij bidden. Wat was het toch moeilijk zóó -te leven, als men moest! Maar hij zou het in dit opzicht beproeven; dàt -nam hij zich ernstig voor. Ook met Pa Djalil zou hij spreken over zijn -plan om Batavia te verlaten; te gaan wonen in de binnenlanden en -niettemin te blijven in de zaken. - -Den volgenden avond, toen ze afgedaan hadden met hun loopenden handel, -zittend op het bankje, begon hij erover; de oude liet hem uitpraten. - -„Ik moet daarover denken,” zei hij, en een minuut of wat later: „Ik -geloof niet dat het gaan zal.” - -„Waarom niet?” - -„Men kan geen twee dingen tegelijk doen. Wie handelaar is, moet dat ook -zijn zonder iets anders. Ik heb allang begrepen, waarheen ge wilt. Ga -uw gang, het is misschien beter voor u. Voor mij is het wat anders; -voor mij is het niet beter een compagnon te hebben op die manier.” - -„Wel,” hernam Aboe Bakar, „als wij van elkaar af kunnen.” - -„Waarom zouden wij niet? Ik heb de boeken duidelijk gehouden en bij tot -vandaag. Het is gemakkelijk te zien, wat wij in de zaak hebben op het -oogenblik, de eene helft is mijn aandeel, de andere het uwe.” - -Het griefde Aboe Bakar toch dat de oude blijkbaar zoo weinig prijs op -zijn medewerking stelde, en Djalil, toen hij dat hoorde aan het zwijgen -van zijn compagnon, zei goedig: - -„Het spijt me dat het zóó loopt, maar het is niet anders. Ge spreekt -tegenwoordig altijd over den koran en ik weet er maar weinig van, doch -er staat toch ook in, dat niemand twee meesters kan dienen...” - -„Soerah XXXIX...” begon Aboe Bakar onwillekeurig. - -„Het kan me niet schelen; ik weet van geen soerah,” viel Pa Djalil hem -in de rede, „maar je hadt moeten begrijpen, dat men geen priester en -koopman kan zijn tegelijk; men doet dan toean Allah te kort of zijn -deelgenoot.... Voor mijzelven zou het minder zijn, maar als goed -Mohammedaan mag ik het eerste niet toestaan.” - -Van den spot, van het sarcasme voelde Aboe Bakar niets; hij was zoo -vlug niet van geest; niet slim genoeg daarvoor; hij had een waarheid -gehoord, en erkende die; alleen: de penghoeloe had het mogelijk -gevonden, en die kon het in zulke dingen toch niet mis hebben. - -„Dus je wilt niet,” zei Pa Djalil met een zucht, „het is zooals ik -gezegd heb en niet anders.” - - - - - - - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - -EEN LISTIG MENSCH. - - -In de oogen van den penghoeloe lichtte het kwaadaardig op, toen Aboe -Bakar hem vertelde, hoe het verloopen was bij Djalil. Hij kende dat -volkje! Met een eerlijk maar dom individu, dat wat overhelde naar den -fanatieken kant, kon men doen wat men wilde; dat was een werktuig in de -hand van een man als hij. Maar zoo’n oude geslepen patser, als die -Djalil, liep er niet gemakkelijk in; met zóó een moet men voorzichtig -zijn. - -En òf hij reden had tot voorzichtigheid! Hij stond aan het hoofd van -een uitgebreid geheim genootschap; zij hielden vergaderingen in -missigits, zelfs in de bosschen ’s nachts; zij hadden bergplaatsen van -wapenen en oorlogsgewaden; zij hadden al lang den „heiligen oorlog” -gezworen tegen de kafirs; maar het was alles nog onrijp, hoofdzakelijk -wijl ze geen geld hadden. Een enkele onvoorzichtigheid en alles zou -hier verloren gaan. - -„Indien het Gods wil is,” fluisterde de priester op zachten onderworpen -toon, „zal het Pa Djalil wèl gaan.” - -„Ik hoop het,” zei Aboe Bakar, „hij is altijd eerlijk en trouw geweest -in onze zaken.” - -„Dan zal zijn belooning ook niet verloren raken. Ik vertrek met den -eersten trein morgenochtend. Zal ik ginder een woning voor u zoeken?” - -„Heel graag. Ik reken dezer dagen met Djalil af; dan heb ik nog enkel -mijn huizen.” - -„Verkoop ze; trek u terug uit al die nietige dingen. Wat baten zij u? -God zal hem beloonen, die het land verlaat om zijn zaak te omhelzen.” - -Aboe Bakar mocht den penghoeloe naar het station brengen. Tusschen de -bedrijvigheid der beambten, zaten de inlanders, die op reis moesten, op -hun barang of stonden ernaast op den gelen cementvloer van het perron; -droomerig in den nog vroegen morgen, keken zij voor zich uit met -onverschillige gezichten, naar het rangeeren van den trein; het haastig -heen en weer gevlieg van de daarbij dienstdoende machine, wier drukte -en snelle geluiden zoo afstaken bij de algemeene kalmte der oostersche -omgeving. - -De penghoeloe en Aboe Bakar verschenen in hun Arabische kleeding, en al -de aandacht van het inlandsch publiek was voor die statige mannen, zoo -mooi gekleed en die in hun langzaam en deftig opwandelen, veel hoogere -wezens schenen, dan de weinige Europeanen in hun witte jasjes hier en -daar met elkaar pratend in nonchalante houding. - -Niemand had daar zoo’n sentiment voor, als Aboe Bakar; dàt deed hem -zoo’n genoegen, die soort van grootheid; dáár behoefde ’n mensch geen -vreemde talen en geen wis- of andere kunde’s voor te leeren op de -schoolbanken; dáár had je maar voor naar Mekka te gaan, wat uit den -koran te leeren, en zich te kleeden. Maar daarvoor moest je hebben die -rustige deftigheid en die aangeboren superioriteit in houding en -manieren, die hijzelf vond, dat hij in hooge mate bezat. Behaaglijk zag -hij rond over de hoofden, onder het praten met den priester. - -„Dat de ijdelheid ons niet omtrent God bedriege; laat ons enkel -dankbaar zijn,” zeide deze. - -Daar had-je het weer! Wat was het toch een wonder! Het was, dacht Aboe -Bakar, of de priester iemands gedachten raadde. Het stemde hem -onderworpen; hij nam afscheid met de grootste eerbieds- en -onderdanigheids-betuigingen, die de aandacht trokken der inlanders en -hen op een afstand even deden wachten, tot de heilige mannen gereed -waren. - -Hij kreeg het druk na dien tijd; de afrekening met Djalil viel hem zeer -mee, maar duurde toch nogal lang; want die moest geld opnemen; hij had -wel altijd veel verdiend, zoo goed als Aboe Bakar, maar hij had een -menigte dochters, en die hadden weer veel zoons en dochters, en zij -leefden allen van hem! - -Zijn huizen verkocht Aboe Bakar prachtig; voor veel meer, dan ze hem -hadden gekost. Maar met zijn pogingen om geld uit te geven, lukte het -minder goed. Hij wou zijn zoon bij een Europeesche familie in den kost -doen, want dàt was nu eenmaal zijn idée: men moest Hollandsch kunnen -spreken, en dat kon men niet leeren, zooals het hoort, dan in het huis -van pur sang Hollanders; maar de families, bij welke hij deed navragen, -hadden bezwaren; zij wilden hun eigen kinderen niet blootstellen aan -het zedenbederf door zoo’n inlandschen jongen, met wien ze als met ’n -broer zouden omgaan; en de families die ervan gehoord hadden en Aboe -Bakar, den rijken hadji, lieten polsen, die stonden hem niet aan. - -Dus vorderde hij niet. - -Voor Bram wou hij een aandeel koopen in een bestaande goede zaak, wat -hij dacht dat met geld altijd te doen was; maar de goede zaken -bedankten er tot zijn groote verwondering voor, wijl ze nooit, op zulk -een manier, iemand verlangden als deelgenoot, die volstrekt geen -verstand van het vak had en weinig of geen administratieve kennis; en -van de zaken, die dat wèl wilden, die zelfs met brieven en bezoeken er -bij hem op aandrongen, zei Djalil, van al die dingen bijzonder op de -hoogte, dat ze boesoek waren. Wat was dat lastig! - - - - - - - - -ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. - -WACHT U VOOR ZULKE VRIENDEN. - - -Met groote stappen liep Aboe Bakar een zonnig pad op, parallel met den -grooten weg naar de bovenstad; in de verte zag hij de woning van Bram; -het nieuwe lichtroode pannendak op het houten huis, hel in de zon -afstekend tegen het dichte donkere groen van groote mangaboomen op het -erfje. Toen hij het hekje binnenstapte, zaten ze daar allen op -wipstoelen; Bram in slaapbroek en kabaai in een luierstoel. Een kapotte -dos-à-dos scheef overhellend stond terzij van het voorerf; het was de -eenige stoffeering. - -Njai Peraq zag hem niet; een oogziekte had haar ’t gezicht benomen; zij -zat nu maar stil op de mat in het galerijtje over dag, een enkel maal -naar achter scharrelend, als ze wat eten wou of zoo. - -„Bonjour!” riep Bram al uit de verte. „Hoe gaat het? Huizen verkocht, -hè? Bom duiten verdiend, ja? Je bent toch ’n gelukkige pisang! Ik wou, -dat ik ook maar Mohammedaan was geworden!” - -„Het is nog niet te laat!” - -„Juist wel!” - -„Nooit, dan op het sterfbed,” zei Aboe Bakar met overtuiging. - -„Dat denk-je maar,” spotte Bram. „Neen, amice, daar komt nu niets meer -van; toen was toen en nu is nu.” - -„Weet-je, dat ik een landje heb gekocht?” - -„Dat heb ik gehoord.” - -„Ik ga er rustig wonen; uit de zaken heb ik me ook teruggetrokken.” - -Bram knikte; Pa Djalil had hem er alles van verteld. - -„Het geld voor moeder en voor jou heb ik in de bank gebracht.” - -„Waarom niet hier?” vroeg Bram, eenigszins geraakt door het onverholen -wantrouwen. - -„Omdat het beter is; het is voor een jaar; elke maand kan-je het -ontvangen voor moeder en voor jou. Hoe gaat het in den laatsten tijd?” - -„Och, là là! Smerig volk, die dos-à-dos-voerders. Kerels zetten me -geregeld af. Brengen nooit thuis wat ze schuldig zijn. Altijd dit of -dat.” - -„Hoeveel dos-à-dos heb-je nu?” - -„Drie, en twee karretjes; tien paarden in ’t geheel, als er een ziek is -of een kerel niet binnen, staat één voertuig stil.” - -„Ja... Dat heb je me onlangs ook geschreven... Er is dezer dagen -paardenvendutie... Koop er ’n paar bij.” - -„Kan niet, heb geen crediet,” riep Bram lachend; hij had zich die -manier van spreken tegenwoordig aangewend. „Als ik bied, zij roepen: -„kontan!” - -„Koop maar op mijn naam; ik zal een qualificatie geven.” - -„En de duiten?” - -Aboe Bakar lachte goedig. - -„Maak je niet bezorgd; wij zijn nog lang niet quite.” - -Daar zweeg Bram op; hij vond het altijd een pijnlijk onderwerp; het -stond nu eenmaal bij hem vast, dat het met de verdeeling der erfenis -niet anders dan plichtmatig was toegegaan onder hen als broers en -zusters, dat Aboe Bakar hem nu hielp, vond hij heel natuurlijk, hij zou -het immers ook gedaan hebben, als de toestand andersom was geweest. -Maar wat hem hinderde was, dat Aboe Bakar volhardde in het idée bij die -verdeeling een aalmoes te hebben gekregen, welke hij nu moest -teruggeven; dat hij hem, Bram, meer beschouwde als een crediteur, dan -als een broer. - -„Ik hoop, dat het je hier bevalt,” ging Aboe Bakar voort. - -„Hier in deze tampat? Wis en waarachtig bevalt het me. Goeie boel hier. -Lekker wonen, frisch en droog.” - -„Dat doet me pleizier. Ik bedacht te laat, dat ik had vergeten daar -eerst naar te informeeren. Het was dom van me.” - -„Wat informeeren?” vroeg Bram verwonderd. „Waarom?” - -„Ik heb ’t huisje en erf voor je gekocht.” - -„Voor mij gekocht?” vroegen Bram en diens inlandsche vrouw in één adem, -maar in diverse talen. - -Aboe Bakar knikte en stond op. - -„De akte van overdracht en de andere stukken krijg je morgen. Ik moet -nu weg, want ik heb meer te doen. Voor ik heenga, kom ik nog goeien dag -zeggen. Ik hoop, dat je veel geluk hier hebben mag. Slamat tinggal.” - -Bram greep de zware hand in zijn magere knokken en kneep haar met -kracht; ontroerd, de tranen in de oogen, bleek en zenuwachtig. - -„Adam,” zei hij dringend, „geloof me, blijf hier; ga niet naar boven, -ga niet naar dat vervloekte land; ik heb een voorgevoel.” - -Maar Aboe Bakar schudde het donker baardig hoofd, gekroond met den -grooten witten tulband. - -„Gij wilt het goede beletten Bram, door kwaad te denken en te spreken -van hen, die ge niet eens kent. Als Mohammedaan zoudt ge het niet -doen.” - -„Niet ken!” riep Bram opgewonden uit. „Of ik hem ken, dien...” - -Met de hand hield Aboe Bakar als het ware het scheldwoord terug, dat -hij verwachtte aan het adres van den penghoeloe; hij vergiste zich in -zoover, dat het geen banaal scheldwoord zou geweest zijn, doch iets -heel anders. - -Bram zelf schrikte ervan; bijna had hij iets verklapt, dat hij geheim -moest houden. De waarheid was, dat hij niet alleen een -dos-à-dos-verhuurderij hield, maar soms ook als spion in dienst was der -politie; en nu was deze er juist achtergekomen, dat er iets heel -leelijks broeide in de streek, waar de penghoeloe woonde, en dat die -daarbij was betrokken, ja eigenlijk zoo wat aan het hoofd moest staan. -Hoever het zich uitstrekte wist het Bestuur nog niet, maar aan Bram was -ook iets ter onderzoek opgedragen, en daardoor was hij achter meer -gekomen. - -„Enfin,” zei hij met een zucht, „ik hoop er voor jou het beste van; ik -dank-je voor je goedheid, en ik wensch je veel geluk.” - -Eerbiedig groetend boog Aboe Bakar voor zijn blinde moeder, en lang zat -hij dichtbij haar neergehurkt op de mat, zacht met haar sprekend, haar -oude hand in de zijne, terwijl de inlandsche wederhelft van Bram door -allerlei joolgezichten tegen hem te trekken, stil haar vreugde -vertolkte over het nu in eigendom hebben van hun huisje. - -Toen hij naar huis terugliep, denzelfden weg dien hij vroeger was -gegaan, had hij een groot verlangen; hij wou, dat hij al buiten zat, -uit de soesah van het opbreken en verhuizen; hij moest erkennen, dat -Minah, zoo slordig en vuil ze geworden was, goede diensten deed; -Dailah.... kasian, dacht hij. Neen, zij werkte niet; daar was geen -quaestie van; hij had het ook niet willen hebben; de penghoeloe had hem -wel gewaarschuwd niet toe te geven aan zijn groote liefde voor zijn -tweede vrouw; en hij had ook wel getracht matiger te zijn—maar dan kon -zij hem met haar groote zwarte oogen zoo vreemd aankijken; eens zelfs -had ze gepruild, als een kind; en gezegd, dat hij niet meer van haar -hield, dat hij maar naar Minah moest gaan of een andere vrouw nemen; -toen was hij bij haar gaan zitten, den arm om haar zacht, lenig -lichaam; zijn oogen had hij laten gaan langs de zachtgolvende lijn van -haar mooien haast blanken hals naar de fijne schoudertjes en de -opglooiende buste; zijn krachtig lichaam, trillend van begeerte, was -tegenover zijn zwak willen direct de baas geworden en.... gebleven. - -Neen, Dailah moest niet arbeiden; zich niet vermoeien. Hij zocht geen -andere aardsche genietingen; hij kon, zoo dacht hij, leven in matigheid -en zonder buitensporigheden, zich wijdend, zooals hij tot nu toe deed, -aan zijn zaken en den godsdienst, of wel, zooals hij nu voornemens was, -aan den godsdienst alleen; maar die eenige, hem dan toch wettig -geoorloofde levensvreugd kon hij niet ontberen; dàt zou hem te machtig -zijn. - -Thuis vond hij tot zijn verwondering Djalil bezig den boel te -beredderen, alsof het voor hemzelf was; hij had een soort inventaris -gemaakt van de meubelen. - -„Laten we het maar taxeeren,” zei hij, „dan neem ik het van je over.” - -„Wat wil je ermee doen?” - -„Och, er zijn er bij mij zooveel, die van alles noodig hebben, en er -komen er altijd bij. Nu gaat weer een kleinzoon van me trouwen.” - -„Heel graag; taxeer ’t maar zelf; zooals je doet is het goed.” - -„Ik heb leege kisten laten brengen en ben aan het pakken gegaan; jullie -schoot niet op.” - -De oude mandoer was bij den veekooper weer bovengekomen; hij kon het -niet aanzien, dat er zoo op de inlandsche manier met den boel werd -omgesprongen; dáárvoor had hij te lang in een Europeesche toko gewerkt. - -Aboe Bakar stond er werkeloos bij, met verbazing toeziende, hoe netjes -Djalil alles boenkoesde; met hoeveel tact hij de kisten pakte, zoodat -er niets kon schudden of breken. En verlegen met zijn eigen -hulpeloosheid, liep Aboe Bakar telkens eens links en rechts, als een -August de Domme aandragend, wat voor ’t moment niet noodig was, uit de -enkele zucht om er niet zoo heelemaal voor niets bij te staan. - -Het was een nare tijd; hij dankte God, toen er een eind aan was, en hij -uit de voorgalerij zijner nieuwe landelijke woning, die voor zijn -rekening de penghoeloe heel aardig had ingericht, op de balustrade -leunend genoot van het frissche berggezicht vol schilderachtige -afwisseling. - - - - - - - - -ACHTTIENDE HOOFDSTUK. - -TOENADERING TUSSCHEN DE VROUWEN. - - -Zacht ruischte de rivier aan in een klein grijs gewriemel van golfjes, -brekend op, glijdend over de uit haar ondiepe bedding opstekende -rolsteenen; de oever omzoomd met het groote donkergroene blad der lage -pisangs, het bruinig grauw der atappen daken er doorheen kijkend, de -slanke gladde stammen der klapperboomen erboven uit, zwaaiend in den -wind het hard geglinster hunner bladkronen; en daarachter tegen het -sterk ophellend terrein, een dicht bosch van allerlei boomen, aanplant -en wild hout, in veelvuldige nuances van eenzelfde kleur,—een -reusachtige symfonie van groen; hier en daar, als ertusschen geslagen, -stukjes bibit-sawah, heel teer, bij geel af; en op den achtergrond de -zware donkere massa van het gebergte, te veraf al voor het merken van -schakeeringen; te dichtbij voor het blauwschijnen; een sombere muur van -grillig dessin met opkomende en verdwijnende strepen invallend licht; -de breede kroonlijst van toppen in massale slingerlijnen, als gesneden -uit de blauwe lucht. - -Aboe Bakar zag het zoo niet; hij onderging alleen de stemming van het -geheel en dat, vond hij, deed hem goed, maakte hem zoo rustig en kalm, -als hij bij voorkeur was; dreef elke gedachte aan zaken en gewone -dingen weg uit zijn hoofd; het weinigje leven en bedrijf der inlanders -in de rivier hinderde hem haast; dat was weer het alledaagsche -mierenwerk; de mannen, drie, vier achtereen, langzaam en voorzichtig, -voetje voor voetje goederen pikollend van den eenen oever naar den -anderen, de vrouwen kleeren wasschend, het natte goed slaande op de -rolsteenen; mannen, vrouwen en kinderen zich badend en hun behoefte -doende alles in denzelfden stroom levend water; hier en daar een -kleurige kain, als de eenige brekende punten in de groote omgeving van -zachte tinten. - -Een hooge gil, hevig uit boven alles, de lucht vullend met schel -geluid, in echo’s teruggeworpen door het gebergte, deed Aboe Bakar -opschrikken uit zijn droomerig soesen; in de richting, die hij uitkeek, -pluimde een driftig wolkje op boven het gebladerte, snel vervliegend; -een witte wegwaaiende veer; door de openingen in het groen flikkerde, -voortschietend, het blinkend koper der machine, de glimmende -verfstrepen der wagens; grommend en brommend als een vertoornd dier, -joeg in groote bochten de trein over de kronkelende berglijn. - -Om den hoek zijner nieuwe woning over het smalle omloopende pad kwam -hem de penghoeloe verwelkomen; hij stond ook even stil, omkijkend naar -den trein. - -„Het is toch mooi,” zei Aboe Bakar, hier ineens getroffen door iets, -wat hij altijd had gehouden voor de meest eenvoudige en alledaagsche -zaak ter wereld. - -De penghoeloe knikte. - -„Ja, het is heel mooi,” gaf hij toe; „maar toen het er niet was, en dàt -ook niet,” wijzend op de telegraafdraden, „vond ik het er niet minder -om.” - -Aboe Bakar begreep het niet. Waarom was het evengoed zonder spoorweg en -telegraaf als met? Maar hij vroeg er niet naar, en de penghoeloe zei -niets; daar had hij zijn goede redenen voor; hij toch schreef het toe -aan dien spoorweg en die telegraaf, dat de onderdanigheid bij den -inlander eruit ging, en dat niets meer geheim bleef; hij had in -doodsangst gezeten, toen hij gehoord had, dat het door hem op touw -gezette complot zoo wat ontdekt was; hij had bespeurd, dat men er hem -op aankeek op „het kantoor,”—dat alles deden die spoorweg en die -telegraaf. Mocht Allah hen vernietigen! - -Hij gaf zijn plan niet op; een jaartje uitstel was geen afstel. Daarbij -moest hij geld hebben, en dat had hij niet. Dat was ook al de schuld -van die nieuwigheden; opkoopers van nog te veld staand gewas -scharrelden overal rond, en nauwelijks was de padi van het veld, of -rrrt! weg was het grootste deel; vroeger was er voor een man als hij -nog altijd wat te halen bij de bevolking,—tegenwoordig zat er geen wol -meer aan; men kon even goed probeeren een klapperdop te scheren! - -Zoo dacht hij, langzaam voortschrijdend, over die zegeningen der -beschaving, en nog, toen Aboe Bakar hem begroette, en ook terwijl deze -hem vertelde van zijn laatste dagen te Batavia, zijn vertrek en de -reis, luisterde hij maar met ’n half oor. - -Toen schudde de penghoeloe het hoofd met ’n paar rukjes, als om zich -van zijn eigen gedachten te bevrijden, en levendig begon hij mee te -praten over zaken; stukje voor beetje haalde hij eruit, wat hij hebben -wilde, en toen hij van zijn stoel opstond, wist hij ten naasten bij, -hoe zwaar Aboe Bakar woog. - -„De zon staat reeds hoog,” zei hij, opziende naar de lucht, deels -bedekt met kleine witte wolkjes, die zich om den bergkam vereenigden -tot een vervaarlijk groote dampkroon. - -„Wij moeten denken aan het gebed; het wordt tijd voor den tlohor.” - -„Waar?” vroeg Aboe Bakar. - -De penghoeloe strekte den langen, mageren arm uit: - -„Ginder achter die klappers in mijn kleine missigit. Ga mee.” - -Niets deed Aboe Bakar liever; hij zou heel druk naar het bedehuis gaan, -stelde hij zich voor, dan zou hij spoedig een geloovige zijn, zooals -hij wenschte er een te worden; hij was reeds aan zijn voorhoofd -geteekend, door de aanraking in ’t gebed met den grond. En deze zijn -lust was koren op des penghoeloe’s molen; hij nam hem mee naar zijn -huis, of hij bezocht hem, en dan baden zij samen en zaten tot laat in -den nacht zacht en met overtuiging te spreken over den koran, de -soerah’s, de ajats en de djoet; en de heilige nachten brachten zij met -modins en anderen heelemaal biddende door. - -Het hypnotiseerde Aboe Bakar meer en meer; hij veranderde van -gewoonten; at en dronk weinig; werd magerder, sprak minder, was meer in -zichzelven gekeerd, bemoeide zich minder met zijn huisgezin. En wat het -sterkste was: er kwam verkoeling in zijn liefde voor Dailah; zij, den -ganschen dag luierend binnenshuis in haar eigen vertrekken; zag met -verbazing, hoe zich bij Aboe Bakar een metamorphose ontwikkelde, niet -bevorderlijk voor haar huwelijksgeluk; zijn huid werd geler en tanig, -en hij had zijn baard kort geknipt met een langen sik, wat hem -foeileelijk stond. - -Er kwam ’n beetje toenadering tusschen haar en Minah; die had Dailah -ook zeer verbaasd; die was integendeel heelemaal opgeknapt in het -binnenland, en scheen nu niet meer zulk een hekel te hebben aan haar -opvolgster. - -„Waarom ga je ook de deur niet eens uit?” vroeg Minah op een ochtend. - -„Ik ben het niet gewoon.” - -„Het is lekker buiten.” - -„Koud, ja?” - -„Gekheid; het is heel lekker. En dan, het is gezellig; je ziet nog wat, -en je ontmoet menschen.” - -„Spreek je met anderen?” vroeg Dailah nieuwsgierig. Zij had sedert ze -Aboe Bakar’s vrouw was, nog met geen enkelen vreemden man gesproken. - -Minah lachte hoonend. - -„Natuurlijk; waarom niet? Ik kan dat best doen; ik ben oud en leelijk.” - -Oplettend keek Dailah haar aan. - -„Je bent niet oud en je bent niet leelijk.” - -„Ouah!” riep Minah hoog uit, met een blijkbaar pleizier. - -„Betoel niet; de lucht hier is zeker goed voor je; ik vind je met elken -dag jonger en knapper.” - -De dochter van den mantri op een kustplaats buiten, richtte zich op; -zij was flink gebouwd en sterk; de zorg, die ze in den laatsten tijd -aan haar toilet besteedde en haar reinheid nu, ineens, zoo afstekend -tegenover haar vuilheid der laatste jaren, hadden haar opgeknapt; het -dikke zwarte haar zat onberispelijk; zij was goed gewasschen met zeep; -zij droeg propere en net gemaakte baadjes en mooie kains; zij zag neer -op de andere, die achterover lag op de slaapmat, ongebaad nog en -ongekamd, met verveling en vermoeidheid in de trekken en gemis aan -kracht in de weeke blankheid van haar slap vleesch. - -En, als vrouwen, voelden ze heel goed, dat er iets was, waardoor de een -er nu weer bovenop kwam, terwijl de andere bezig was onder te gaan. - -„Ik zie hem tegenwoordig maar zelden,” zei Dailah landerig. - -„Sta op, ga baden, kleed-je aan, en ga met me mee naar de passar,” -drong Minah aan. - -Maar Dailah wou niet. - -„Ik ben te lui,” zei ze. - - - - - - - - -NEGENTIENDE HOOFDSTUK. - -MINAH OP EEN VERBODEN WEG. - - -Minah drong niet verder aan dien dag; zij ging alleen naar den passar, -die vrij druk was; zij bekeek van alles, bevoelde alle kains en batiks, -nam alle galanterie-waren in de hand, rook aan alle vruchten om zich te -overtuigen, dat ze gerijpt waren aan den boom; snoepte gesuikerde -tamarinde; dronk een glas stroop met selassie; zond haar dienstbode -naar huis met wat zij gekocht had en liep zelf den anderen kant uit. - -Door een deurtje in een hooge pagger kwam ze op een achtererf vol van -allerlei bamboezen opstandjes met atap gedekt; de weinige -tusschenruimte door pisangboomen nog grootendeels versperd; hanen en -kippen kakelden er in koor; een jonge geit rukkend aan het touw, -waarmee ze was vastgebonden, blaatte aanhoudend in klagelijk schel -timbre; een dik erg bruin kind, met niets aan dan bloedkoralen -armbandjes, zat, verlaten, op een baleh-baleh allerjammerlijkst te -schreeuwen, tot de adem stokte, het een oogenblik stil was, en daarna -opnieuw begon; een lauwe geur van plantaardigen afval steeg op uit de -in den grond gegraven geulen tot waterafvoer: ’t was het achtererf van -den penghoeloe. - -Minah liep over de smalle wegjes naar het hoofdgebouw; aan dien kant -waren de vrouwenvertrekken; het houten huis, oud, bruinrood geverfd, -aangedonkerd door den tijd, met zwarte lijsten om deur en vensters, -grijs van stof en spinneweb, had iets sombers, door de onzindelijkheid -verhoogd. De meubels waren ook zoo. Voor de deuropening, dicht, een -donkerrood, helgeel gebloemd gordijn, frisch en nieuw uitziend, scherp -afstekend bij het geheel; tafel, stoelen, banken en kasten oud, donker -van vroeger japansch lakwerk, vol vegen en plekken van afgebrokkeld -belegsel, de eens vergulde randjes in flauwe grijsgele streepjes nog -maar zichtbaar hier en daar; verder eraf; de overtrekken der divans met -vlekken en scheuren, verschoten en vies. - -Maar er werd gelachen; er was vroolijkheid; de vrouwen deden wat zij -wilden; ze waren opgewekt; ze hielden van een pretje; en de penghoeloe -had er zelfs niets tegen, dat mindere priesters en jonge santri’s een -praatje kwamen maken in de vrouwenvertrekken, mits zij van de familie -waren, en dat waren ze allicht, als het goed werd uitgerekend. - -Minah had er haar eerste bezoek gebracht, en de vrouwen waren ook eens -bij haar geweest. Sedert kwam zij er geregeld, bracht gewoonlijk wat -lekkers te snoepen mee, en was eerst wel verwonderd over de mate van -vrijheid en zelfs van zekere ongegeneerdheid in de woning van den -buitenshuis zoo ongenaakbaren, heiligen man, maar vond het heel -pleizierig; veel te aangenaam om er iets van te zeggen. - -Zij was al heel gauw een vriendin geworden; zij had er een jongen man -ontmoet, heel fijn van uiterlijk, met een klein zwart kneveltje en een -scherp belijnd adellijk javaansch profiel; van de familie van den -penghoeloe; hij had haar aardigheden gezegd, niet banaal zoo maar, maar -in een bloementaal, die eigenlijk vruchtentaal was, want hij had -allerlei vleiende zinspelingen gemaakt op heerlijk ooft. Zij had hem -dan aangekeken met blikken van: hou-je-me-voor-den-mal, of: -wat-denk-je-wel-van-me; maar ze was er erg gelukkig mee, niet verwend -in haar huwelijk! - -Nu was ze betoel verliefd, en het speet haar erg, dat de jonge man niet -present was. - -„Komt die andere niet eens mee?” vroeg een der vrouwen, bezig een -kindermond te vullen met groote proppen rijst met pisang en die met den -duim verder naar binnen te werken, het keelgat door. - -„Ze zegt dat ze te lui is,” zei Minah. - -Daar moesten ze om lachen. - -„Is ze vervelend?” - -Minah haalde de schouders op. - -„Wij spreken niet veel.” - -„Neen, dat zei je laatst. Hoe is het mogelijk, dat vrouwen van één man -niet met elkaar omgaan! Met wie moet men anders omgaan.” - -„Ja, ik zie het ook in nu. Ik ben wel gek geweest.... soedah.” - -„Was het jouw schuld.” - -„Dat was het. Verbeeld-je, dat ik boos was, omdat er een bijkwam!” - -Het was, vonden ze, een gek idée; een tweede vrouw beteekende in een -Mohammedaansch gezin voor de eerste gezelschap, aanspraak en hulp -desnoods; bovendien nog ontheffing van veel verplichtingen tegenover -een meestal reeds vervelend geworden man. - -„Het zal wel niet zoo blijven,” meende een der vrouwen met een wijs -gezicht. - -„Het is al niet meer zoo.” - -„Al lang?” - -Aarzelend zei Minah: - -„’n Beetje lang, ’n beetje kort.... Ik behandel haar goed, maar ze is -boos op hem; hij schijnt haar te vergeten tegenwoordig.” - -„En u?” - -„O mij.... het is om te lachen. Ik geloof, dat hij mijn broer is.” - -Ze schaterden het ook werkelijk uit van den lach; de moeder, die haar -kind volpropte, rolde over den ouden divan van pleizier, de sarong hoog -op, wat Minah hinderlijk ongepast vond. Zij wist wel, dat men hier zoo -nauw niet keek. Nu praatten ze verder over den passar, en wat verder -onbeduidend was, met groot maleisch gerabbel, keelgeluid en heel veel -mimiek en gestes, de monden onder het praten wijd open, rood van binnen -door de sirih, die als omdroop tusschen de afgevijlde zwart gemaakte -tanden. - -Toen het gordijn werd weggeschoven en de jonge man, die Minah het hof -had gemaakt, met een zacht salam binnenkwam, zwegen ze ineens, veegden -de monden af aan de slendangs; de plooien der kains neerslaand met de -hand, de baadjes recht trekkend. - -Hij had het heel gauw weer uitsluitend tegen Minah, die allerlei kleine -airtjes aannam en zich zooveel mogelijk aanstelde als een preutsch jong -meisje, dat ’t hof wordt gemaakt; de vrouwen van den penghoeloe vonden -het bespottelijk; zij knepen elkaar in de dijen van pleizier over zoo’n -gekkin! - -„Hij is aardig, ja?” vroeg de een, toen de aanbidder weg was. - -Minah glimlachte even, de oogen neergeslagen; ze zei eerst niets; -daarop werd haar gezicht heel donker. - -„Wat kan het mij schelen; ik ben immers de vrouw van....” - -„De zuster,” verbeterde de andere lachend, en Minah, denkend aan wat ze -zelf had gezegd, lachte mee tegen wil en dank. - -„Kan je niet weg van Aboe Bakar?” - -„Hoe zou ik kunnen.” - -„Maak ruzie; scheld hem uit en de andere ook.” - -„Dan slaat hij.” - -„O zoo, slaat hij dan; neen, dat is iets anders. Wil ik....” - -De vrouw keek haar lotgenoot in den priesterlijken echt eens aan, en -krabde zich het hoofd; de andere scheen haar gedachten te raden; zij -knikte langzaam en herhaaldelijk. - -„Ik geloof, dat het goed is.” - -„Wat?” vroeg Minah, nieuwsgierig. - -„Als wij er den penghoeloe eens over spraken.” - -„Zou je dat durven?” vroeg Minah, vervuld van ontzag en vrees voor den -heiligen man. - -Daar moesten ze weer om lachen. Het was ook wat! Ze durfden wel heel -andere dingen. - -De penghoeloe was eerst heel nijdig, toen ze hem erover spraken; in -zijn kamer, waar alles even oud en vuil was als bij de vrouwen, werd -toch nog min of meer de hand gehouden aan eenig vertoon door mooie -matten en ander vlechtwerk, door heel aardige snuisterijen in hard -donker palmboomenhout met lichte vlekjes en streepjes als amandelkoek -van binnen. Hij bad machinaal en hanteerde de tasbih als een oude -Europeesche vrouw de breikous, zonder eraan te denken; dan pikirde hij -over heel andere wereldsche dingen, daarbij naar het uiterlijk -verzonken in het gebed; en dan had hij altijd het land en was boos, als -ze hem kwamen storen. Ze deden het toch; zij trokken zich niet veel aan -van het humeur van den ouden geitensik! - -Ditmaal wekte het zijn hooge belangstelling. Hij had Aboe Bakar al -aardig bewerkt; die was nu vroom tot vervelens toe; ook voor hem; die -had zelfs erover gesproken niet meer naar de missigit te gaan, maar -altijd liever hetzij in afzondering, dan wel met den penghoeloe samen -te bidden. Het oogenblik om hem terdege te bewerken naderde. - -„Ik zal zien, ik zal zien,” zei hij tegen zijn vrouwen. „Ga nu heen, ik -moet er toch nog over denken.” - -„Doe je het gauw?” vroeg de een. - -„Dat weet ik niet; het hangt ervan af; misschien heb ik de vrouw nog -noodig en jullie ook; er is geen haast bij; in het geheel niet; alles -moet wachten tot ik gereed ben.” - -Toen ze weg waren, glimlachte hij; het was reeds een groote stap, dat -die door Aboe Bakar als het ware verlaten vrouw, die in huis werd -geduld omdat het niet anders ging, maar waarmee hij geen omgang had -hoegenaamd, erin was geloopen en grifweg verliefd raakte op den -persoon, dien de penghoeloe op haar had afgezonden. Niet dat hij eraan -had getwijfeld,—maar het was toch altijd goed zekerheid te hebben. - - - - - - - - -TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -ABOE BAKARS ONDERGANG VOORBEREID. - - -Het was Vrijdag toen de penghoeloe met Aboe Bakar uit de missigit kwam; -hij was de talrijke en fanatieke mannen, die in hun beste plunje -gestoken, het bijna te kleine bedehuis vulden, vóórgegaan in het gebed; -hij had heel mooi gepreekt over de rijkdommen, die de menschen slechts -in verzoeking brengen; die men niet mag begeeren; die tot hoogmoed -brengen en waarvan het bezit niet zoo goed en voordeelig is, als de -genade en de barmhartigheid van toean Allah; hij had betoogd, dat men -zijn rijkdommen moest besteden op den weg Gods, om te worden gelijk een -graankorrel, die zeven halmen voortbrengt, waarvan ieder honderd -korrels bevat..... - -De mannen hadden aandachtig geluisterd, schoon het in geen hunner ook -maar één oogenblik was opgekomen nu iets anders te doen met zijn geld, -dan wat hij totnogtoe er altijd mee had gedaan. Op Aboe Bakar had het -een diepen indruk gemaakt. - -„Ik begrijp niet hoe men doen moet,” zei hij, toen ze het met -vruchtboomen beschaduwde koele pad afliepen naar den zonnigen weg vol -grijs stof. - -„Men moet erover nadenken,” antwoordde de penghoeloe, die zich vooral -niet wilde overhaasten. - -Na een oogenblik zwijgend te hebben doorgestapt onder het gefladder -hunner lange gewaden in den wind, de penghoeloe in zwart met -donkerrood, de andere in blauw met wit gevoerd en afgezet, vroeg Aboe -Bakar: - -„Wat hebt gij gedaan?” - -„Ik deed wat wij, priesters, allen doen, en wat ook veel andere vrome -menschen doen: ik heb mijn geld gestort bij de djakat en de pitra en de -andere opbrengsten der geestelijkheid.” - -„Kan ik het ook doen?” - -„Het kan; waarom zou het niet?” - -Onder de neergeslagen oogleden en de borstelige wenkbrauwen van den -penghoeloe schitterden de oogen van vreugde. Het ging zoo mooi! En -juist nu hij zooveel noodig had, terwijl de priesterkas zoo leeg was -als een uitgeholde klapperdop! - -’s Nachts kon Aboe Bakar zijn gedachten niet wegwerken; hij ging naar -buiten, naar de rivier, waar hij een klein houten paviljoentje had -laten bouwen, om in volkomen afzondering te bidden; hij boog zich neer -op de knieën, het voorhoofd op den grond, de handen uitgestrekt; hij -bad alleen en vurig tegen de inblazing der duivelen; tegen de booze -geesten. - -Het hielp niet; telkens als hij weer zijn conscientie onderzocht, vond -hij vrees en wantrouwen op den bodem zijner gedachten; het was als -woeien zij op in zijn hoofd. - -Dàt was de duivel in hem, dacht hij; de oude aan het persoonlijk bezit -van geld en goed gehechte mensch; de Adam, die hij eens geweest was. - -Hij moest zijn geld storten in de penghoeloe-kas, dus trachtte hij zich -te suggereeren; hij moest het afgeven zonder eenig bewijs van -ontvangst, geheel te goeder trouw; hij moest het daar gedeponeerd -laten, behoudens, dat hij er altijd van kon nemen, wat hij noodig had -voor zijn behoeften of zijn genoegens. Maar of hij zich dit al opdrong, -en of hij al trachtte zich tegen zichzelven op te hitsen en zich een -nietswaardige te schelden,—het baatte niet; HET wilde hem niet -verlaten; HET zat hem in de keel als een brok, dien hij niet kon -doorslikken; HET behaalde voor dien nacht de overwinning. - -Mistroostig en ontstemd, moede en slaperig ging hij naar huis, toen -reeds de koetjitja haar eerste tonen opzond in den aanbrekenden dag; -zacht sloop hij binnen; alles sliep nog in luie onverschilligheid. Hij -opende zijn groote geldkist; het zware ijzeren deksel opbeurend tot de -steunveeren uitsprongen; daar lagen zijn schatten; daar lagen de pakjes -bankpapier, de zakken sovereigns, gouden tientjes, rijksdaalders en -guldens. - -En dat moest hij afgeven aan een ander, om het nimmermeer zóó in zijn -schoon geheel terug te zien.... Zuchtend sloot hij de kist met de drie -sleutels, die hij in een afzonderlijken ring aan den gordel droeg. Wat -had een mensch toch zwaren strijd! - -Het viel den penghoeloe tegen, dat Aboe Bakar niet weer begon over het -geld; hij wilde niets vragen; dàt was de verkeerde weg; dàt zou den -patiënt wellicht wantrouwend maken en afschrikken; die was wel een dom -koebeest, dacht de priester, maar hij had toch lang onder de blanda’s -verkeerd; was zelf er een geweest en in sommige opzichten wellicht -pinterder, dan men zou vermoeden. - -Thuis liep hij ’t vrouwenkwartier binnen. - -„Komt Aboe Bakar’s vrouw vandaag?” - -„Misschien,” zei een der zijne. - -„Speelt zij met jullie?” - -Algemeen protest. Neen, zij speelden nooit. Dàt moest hij niet van haar -denken. Brani soempah, geen kaartspel. - -Hij moest erom lachen. Wat konden die vrouwen toch prachtig liegen! -Maar hij trok een boos gezicht en riep luid, stampend met den voet op -den vloer: - -„Dat de leugenaars vergaan! Het is slecht elkaars bezittingen af te -nemen door woeker en dobbelspel; het is altijd slecht te liegen. Als -vrouwen voornamelijk spelen voor haar genoegen, waarvoor moeten zij dan -liegen tegen haar man?” - -Hij had er haar dozijnen standjes over gemaakt vroeger, als zij door -het dobbelen in schulden waren geraakt. Nu hij zoo veranderd scheen, -begrepen zij dat de wind uit een anderen hoek woei. - -„Maar wij hebben toch nooit kaart gespeeld met Minah van Aboe Bakar.” - -„Doe het dan.” - -„Als zij wil.” - -Hij grinnikte, trekkend aan zijn sik. - -„Heeft een mensch een wil? En wat zal een vrouw hebben?” - -„Nu, en als zij dan wil.” - -„Vraag het haar; het is een verstrooiing. Laat zij de tweede vrouw ook -meebrengen.” - -„Hier in huis?” vroegen beiden verbaasd. - -Daar werd hij betoel boos om. - -„Jullie bent gek. Mijn huis is dat van een imaam en geen speelhol. Gaat -met die vrouwen, waar je altijd gaat. Laat haar winnen een paar dagen.” - -Nu begrepen zij het; dáár had de oude iets mee voor; maar zij dachten -er niet aan er verder naar te vragen. Wat kon het haar schelen! Zij -hadden nu de vrijheid bij een inlandsche vrouw, die stilletjes een -dobbelhuis hield, te gaan spelen. Dàt was al pleizier genoeg. - -Met Minah ging het erg gemakkelijk. Toen ze ’s middags na het eerste -partijtje vrij laat thuis kwam, had ze gewonnen; zij liet het geld zien -aan Dailah, die ze nog altijd vruchteloos getracht had over te halen -met haar mee te gaan. - -„Ga je morgen weer?” vroeg deze. - -„Betoel. Als het kan ga ik elken dag.” - -„Elken dag!” zuchtte Dailah, het hoofd op haar bantal neerlatend, de -mooi gevormde witgele armen omhoog, gekruist over het blauwzwarte haar. -„Hoe is het mogelijk?” - -„Wat?” - -„Elken dag uitgaan en zich opwinden. Welk een soesah!” - -Het ging goed een paar dagen, zooals de penghoeloe had gecommandeerd, -maar het partijtje kwam, waarop Minah, veel minder goed spelend dan -haar partners, die nog valsche kaarten gebruikten bovendien, begon te -verliezen. Alles wat zij ruilde, kwam averechts uit. - -„Ouah!” riep zij dan teleurgesteld. „Ik ruil sajoer, ik krijg lodeh!” - -Maar ze zei er niets van aan Dailah, toen ze thuis kwam. Enkel, dat ze -zoowat gelijk gespeeld had, daarbij hoog opgevend van het vermaak, dat -ze dien ochtend had genoten. - - - - - - - - -EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -EEN DUBBEL OFFER GEBRACHT. - - -De penghoeloe had gepreekt over het vuur, en somber had zijn stem -geklonken tusschen de troosteloos kale wanden van de missigit, slecht -verlicht door het weinige, dat de brandende soemboes, drijvend op de -klapperolie, verspreidden; daar waren, zei hij, geloovigen, wier hart -zoo aan aardsche dingen was gehecht, dat zij daardoor God andere goden -ter zijde stelden. Het vuur zou hun woning zijn! Zij waren als de -ongeloovigen, die het vuur ontsteken en de oogen sluiten voor het -licht. Zij waren gelijk aan de afgodendienaars boven wier hoofden en -onder wier voeten een hel van vuur zal zijn op den dag der opstanding. - -Zoo ging hij voort, herhalend, aanvullend, aantoonend hoe uiterlijke -belijdenis of het omhelzen van den islam nog geen bewijs is van geloof; -dat wie zegt te gelooven op de proef moet gesteld worden, en dus ook -zichzelven op de proef moest stellen. - -Voor Aboe Bakar klonk het als een strafpredikatie, schoon de toon -gemoedelijk was, zonder stemverheffing of intonatie, langzaam, -gelijkmatig, indringend. Hij herhaalde de woorden in zijn gedachten. De -penghoeloe had gelijk. Als hij naging welk een invloed het zien van -zijn geld op hem uitoefende, moest hij erkennen, dat het een macht was, -sterker dan zijn godsdienstig gevoel. - -Daar moest hij overheen komen. - -Hij zou een ongeloovige gelijk zijn, hij, Aboe Bakar! Hij, die zoo -innig bad en zoo trouw den koran volgde, zou enkel een mensch van -uiterlijk vertoon en formaliteit zijn, zonder wezenlijken godsdienst! -Dat zou men zien! - -Hij groette den penghoeloe, kuste hem de hand en verdween in den -donkeren avond, niet wachtend, als anders, tot de priester ook -heenging, om samen op te loopen. - -Het was stikdonker, en Aboe Bakar kon slechts zóó zeker en met zulke -flinke secure stappen voortloopen, omdat hij dien weg zoo goed kende -als zijn voorgalerij; intens zwart hing de wolkenzee over het dal; de -anders frissche berglucht drukte neer, zwaar als lood, lauw, zwoel. -Ineens een helle geel-streep, lang rechtuit, mooi zichtbaar, dan -afwijkend in kort zig-zag, flikkerend door de wolkenpartij, zich -dadelijk weer oplossend in de dichte duisternis. Een oogenblik ’n -brommig drenzen bij den berg; dan een vreeselijke ontlading, knetterend -slaande in korte venijnige patsen, als moest er telkens iets overwonnen -worden; een doortocht met hindernissen. Hard tikten groote -regendroppels op de bladeren; het onweer hief aan, uitbarstend met -woeste windvlagen. - -Zijn pajong in beide handen, worstelend tegen aanvliegende lucht en -water, werkte Aboe Bakar zich naar zijn woning. - -Achter de neergelaten krees, lichtte droevig een eenvoudig -petroleumlampje, de gele vlam inbruinend de tinten van het djatihout -der wanden; somber, melancholiek. - -Dailah riep hem uit haar kamer. - -Hij ging ’t donker gangetje in naar achter, en een kier makend in het -gordijn, vroeg hij zacht: - -„Wat is er?” - -„Welk een weer! Ik ben zoo bang.” - -Hij wilde antwoorden: zeg den tasbih, maar het was waar, dien kende zij -niet; dáárom zei hij weer zacht en geruststellend: - -„De donder wordt voortgebracht door een engel. Waarom zoudt ge -vreezen?” - -Dailah was dicht bij het gordijn komen staan; hij voelde erdoor heen -haar lichaam tegen het zijne; hij zag, door den kier, haar zwarte oogen -schitteren. - -„Kom hier,” fluisterde zij, „kom bij me binnen, ik ben zoo bang.” - -De zachte warmte, de lieve klank der stem, de herinnering aan uren van -genot, alles en nog meer, deden de begeerte in hem opvlammen. - -Hij aarzelde. - -Zóó was hij tehuis gekomen van de godsdienstoefening, vol vrome -denkbeelden en voornemens, en daar stond hij nu, door slechts een -enkele, zeer wereldsche gedachte als beheerscht! - -Een oogenblik beproefde hij te strijden. - -„Ya, A. kamarinja?” klonk het vleemend met Dailahs lokstemmetje achter -het gordijn. - -En Aboe Bakar ging naar binnen. - -Als pijpestelen zoo aaneen vielen de regenstralen, kletsend -uiteenspattend op het dak; het onweer daverde nog door het dal, als van -den eenen bergtop geworpen naar den anderen, titanenspel; helle lichten -vlogen langs de lucht, door de boomgroepen, in de huizen, alles een -deel van ’n seconde in lichtelaaie zettend; dan een niets van donkerte. - -Aboe Bakar hoorde en zag het niet; zijn sterke physiek zoolang -onderdrukt door de opgedrongen idée fixe van bidden en vasten, en -vasten en bidden, en leeren uit den koran en zich verdiepen in -commentaren, hernam ineens en volop haar recht; zij barstte los met -ontoombaar geweld, gelijk het zware onweer daarboven in de lucht. - -In de duisternis op den divan glimlachte Dailah als tegen haar eigen -gedachten; zij was niet bang meer. - -Een uur later stond in de door het onweer gezuiverde lekker koele -lucht, Aboe Bakar buiten, ook opgefrischt van geest. In het ijskoude -bergwater uit de pantjoeran achter zijn huis, in vollen straal -doorstroomend, altijd voort, een perpetuum mobile, had hij gebaad, -zorgvuldig overeenkomstig den koran. Eerst was hij boos geweest op -zichzelven, doch nu was er rust en vrede over zijn geest gekomen; hij -had toch niet gezondigd, want zij was zijn eigen, wettige vrouw. En als -er nog iets mocht haperen aan zijn hoedanigheid van verdienstelijk -geloovig Mohammedaan, dan zou hij nu denzelfden avond toonen wie hij -was. - -Hij had een brief geschreven aan den penghoeloe; hij wilde zijn -vermogen storten in de priesterkas bij de djakat en de pitra en de -andere vermogens der heilige mannen, welke meende hij zeer groot -moesten zijn. - -Er kwam geen antwoord dien avond. De penghoeloe was een man van -zelfbedwang, hij haastte zich niet. - -Het maakte Aboe Bakar onrustig. Zou men hem versmaden? Zou men hem -willen straffen, om het slechte werk van zijn hart? - -Kort na het bidden van de tsoeboe, kleedde hij zich en ging naar de -woning van den penghoeloe; de ketib, die in de voorgalerij op den grond -zat, hield hem terug; hij mocht niet binnengaan; de penghoeloe bad. - -En het duurde heel lang vóór de heilige man gereed was, naar buiten -kwam en zich eerbiedig liet begroeten. - -„Ja, hij had dien brief ontvangen.” - -„En wanneer zal het u behagen?” vroeg Aboe Bakar ootmoedig. - -De penghoeloe fronste het voorhoofd, als dacht hij na. - -„Hedenavond na de Ijaa.” - -„Hoe laat?” - -„Dat weet ik nu niet; zoodra ik gereed ben; misschien al vroeg, -misschien laat.” - -En toen Aboe Bakar boog, als ten teeken van onderwerping, gleed een -vriendelijke glimlach over de magere tronie van den ouden. - -„Mijn vrienden zijn,” zeide hij, „God, zijn apostel en de geloovigen, -die met stiptheid het gebed verrichten, aalmoezen geven en zich voor -God buigen. Aboe Bakar, gij zijt mijn vriend.” - -Terwijl deze zich van dankbaarheid doordrongen voelde over de -verklaarde vriendschap van den priester, zat Minah in de -vrouwenvertrekken van hetzelfde huis heel onaangenaam gestemd; zij had -vrij veel verloren en stak in schulden. - -De vrouwen hadden van haar vromen echtgenoot prentah, om de -duimschroeven een beetje aan te zetten, en dat deden zij. - -„Vraag het je man,” zei de een. - -„Wel ja, waarom niet? Hij is immers zoo rijk!” - -Maar Minah schudde het hoofd, de tranen in de oogen. - -„Durf je niet?” - -„Waarom zou ik niet durven? Ik ben nu niet meer bang voor hem. Ik haat -hem. Ik zou hem dood kunnen maken. Zoo’n man vraag ik niet om geld.” - -„Het is ook wat!” - -„Ik wil niet; nog liever steel ik het.” - -„Van hem?” vroeg een der vrouwen lachend. „Dan vroeg ik het hem toch -nog liever.” - -„Leen het van je aanbidder,” schertste de andere. - -Daar werden zij ineens alle drie erg stil door; het was eigenlijk het -denkbeeld, dat in haar hoofden voortdurend present was geweest; de -vrouwen moesten haar in die richting drijven, en Minah had er ook al -aan gedacht. - -Als zij eens naar hem toeging? Zij wist, wat hij haar vragen zou, en -eigenlijk verlangde zij niets liever. Alleen de schaamte en de vrees -hielden haar terug. - -„Het kwam maar zoo in mij op,” ging de andere voort, „maar het is toch -nog het eenige, als je het Aboe Bakar....” - -„Neen, ik wil niet,” riep Minah boos. - -„Dan is er ook niets aan te doen. Als je het aan je man niet vragen -wilt, wie anders zal het je dan geven, wanneer je het vraagt, dan -die... neef van ons.” - -Zij had zoo gauw niet geweten, welken graad van bloedverwantschap moest -worden genomen. - -Minah bloosde zwart op. - -„Ik ben verlegen.” - -„Och ja, dat kan ik begrijpen; ik heb dat ook onderv.....” - -Midden in het woord hield de vrouw op, zelf verlegen thans, dat zij -zich zoo iets liet ontvallen. - -„Heb je?” vroeg Minah verwonderd. - -Ze keken elkaar een oogenblik aan en lachten luid; toen gingen ze weer -voort in zacht gepraat; zij zouden eerst erover spreken; als Minah dan -des anderen daags ging, wist hij er alles van en zij was zeker het geld -te krijgen; de creditricen zouden dan welwillend nog een etmaal -wachten. - -Het zware pak was daarmee weggenomen van Minah’s hart; de slotsom was, -dat ze weer met haar drieën over het achtererf verdwenen en ergens in -een dobbelhuis in de kampong hun partijtje gingen maken, dat Minah nog -dieper in de schuld deed komen dan ze al zat; maar ze was er blij om; -zij had nu niet willen winnen, nu ze haar zoo bereidwillig gingen -helpen om... twee vliegen te slaan in één klap. - -Toen ze weer thuis waren, hadden ze er pleizier over. Welk een dom -garnalenhoofd! Die... neef was zoo arm als een kerkrot! Maar de oude -had gezegd, dat het zóó moest gaan, en het grappig spelletje brak de -eentonigheid van haar leven! - - - -Op de blokken in de wachthuisjes sloeg het elf uur, toen zachtkens en -gedruischloos de penghoeloe met vier van zijn trawanten in het huis van -Aboe Bakar slopen. - -Het wachten had hem niet lang gevallen; hij had al maar gebeden om -bevrijd te worden van het loodzwaar gewicht, dat hem als het ware op de -borst drukte; hij ontving hen deftig, bedaard, vriendelijk, en om -direct door den zuren appel heen te bijten, ontsloot hij maar dadelijk -zijn geldkist met de drie sleutels. De bankbiljetten en het geld werden -eruit gehaald; alles moest, zei de penghoeloe, zorgvuldig nageteld en -opgeteekend worden; niet omdat men Aboe Bakar mistrouwde,—volstrekt -niet; maar die wist ook wel, dat het zoo hoorde bij een goede -administratie, en dat men nauwkeurig wezen moest om verantwoord te zijn -tegenover zichzelven. Aboe Bakar toonde zijn vertrouwen te stellen op -God, en daar deed hij goed aan, als braaf geloovige; maar er was een -wet in het land en een penghoeloe stond voor het gouvernement -daaronder. - - - - - - - - -TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -DAILAH ONTDEKT HET GEVAAR. - - -Terwijl in haar kamer Minah in diepen slaap lag, vermoeid van de -inspanning van het spel, dat haast den heelen dag had geduurd,—lag -Dailah wakker; zij kon niet slapen; zij had zoo weinig lichaamsbeweging -en zij sliep zoo lang elken namiddag! Daar hoorde zij het geschuifel -van voeten over de mat in de gang, en verschrikt, denkend aan dieven, -stond ze op van den bultzak en loerde, bevend van het hoofd tot de -voeten, door het gordijn. - -Het was, dacht ze, toen ze het bekende gezicht van den penghoeloe zag, -toch te erg, zóó te schrikken; gevaar vreesde zij nu niet langer, maar -niettemin stemde dat bezoek van al die priesters haar hoogst -onaangenaam. Waar bemoeide Aboe zich toch mee? Zij had voor dien -penghoeloe en zijn trawanten zoo’n respect niet; zij was uit een -Mohammedaansche familie geboren, en had al in haar jeugd veel gehoord -van die soort menschen, zoodat de reuk van heiligheid er al lang af -was. Ze kwamen vroeger vaak in haar eigen vaders huis, toen ze nog een -jong meisje was, en dan zag zij wel aan hun oogen, wat ze bedoelden! Nu -haatte zij dien geitensik! Wat deed hij Aboe van haar weg te halen en -te vervreemden? Waarom liet hij hem niet met rust, maar stelde hij zich -tusschen Aboe en haar? - -Van het natuurlijke der neiging van Aboe Bakar begreep zij niets; zij -had nooit iets geleerd, dan wat op sexueel verkeer, inlandsche kleeding -en snoeperij betrekking had. Wat wist zij van den aanleg tot fanatisme -eens renegaats, die nog diepen eerbied koestert voor wat, bij de -geloovigen van huis uit, geen grooter waarde heeft behouden, dan die -eener formaliteit? - -Zij voelde alleen van dien kant het gevaar komen; het gevaar dat haar -laki voor haar verloren zou gaan. - -Het gerammel van het goud deed haar verbaasd stilstaan, toen ze reeds -weer naar haar bed wou gaan. Wat was dat? Ging hij die kerels nu geld -leenen? Pindjem oewang,—daar dacht ze aan; het idée: geld geven kwam -zelfs niet bij haar op. - -Zij keerde terug. Het was brutaal en ongepast voor een vrouw, dàt wist -ze; ze wist ook, dat Aboe Bakar, zoo hij haar snapte, woedend zou zijn, -en haar misschien slaan zou, al had hij dat tot nog toe enkel Minah -gedaan nu en dan. - -De nieuwsgierigheid was te groot. Zacht sloop ze door de gang naar -achter; zij zag de geldkist met de drie sloten wijd open staan; zij zag -de tafel vol bankbiljetten en goud; zij zag de priesters er als het -ware in grabbelen met welbehagen en alles tellen, terwijl Aboe Bakar -erbij stond, onverschillig; als ging de zaak hem in ’t geheel niet -aan.... Zij ontstelde er zóó van, dat haar handen ijskoud werden. - -Was Aboe Bakar gek geworden? Wie liet nu vreemden dus den baas spelen -over zijn schatten? - -Maar hij stond er zoo ernstig en kalm bij.... het was onmogelijk. - -Toch had ze wel naar binnen willen vliegen, en hem bidden, die kerels -weg te jagen en zijn goddelijke geld weer weg te sluiten in de kist met -drie sloten; ze had het hem toe willen schreeuwen en dan hard wegloopen -naar haar kamer. - -Dailah durfde het niet; zij stond als verlamd met loodzware beenen, al -maar turend naar de bankbiljetten en het goud uit de kist op de tafel, -van de tafel in de kist. - -Toen daarin weer alles verdwenen was, ging ze rillend of ze koorts had, -terug naar haar kamer, en wachtte angstig, met een voorgevoel van -tjelaka; ze hoorde gestommel, zwaar geschuif, gestamp van voeten, die -meer moeten dragen dan het gewone lijf erboven, en die hard neerkomen -op den vloer; ze zag, loerend achter haar gordijn, de priesters -aansjouwen met de zware kist, Aboe Bakar zelf meehelpend, allen -zuchtend onder de zware vracht voor menschen die nooit werkten. Zij -spraken geen woord. Dailah hoorde een oogenblik later karwielen krakend -rijden over het weinige grint op den weg; daarna hoorde zij enkel nu en -dan het Allah en Allahoe akbaroe overluid uitspreken in de voorgalerij; -het was Aboe Bakar die bad. - -In diepe verslagenheid ging ze zitten op den rand der baleh-baleh, de -armen machteloos slap langs het lijf, starend in het weinige schijnsel -van het lampje in de gang, door de gordijnkieren vallend in ’t vertrek; -trachtend haar zwakke gedachten te verzamelen om te begrijpen, wat er -dan toch eigenlijk was gebeurd; tot ze het niet langer kon uithouden en -losbrak in luidruchtig geschrei. - -„Wat is er, Dah?” hoorde zij Aboe Bakars zware basstem buiten, in de -gang. - -Zij gaf geen antwoord. - -„Ben je ziek?” vroeg hij binnentredend nu, en in het duister tastend, -de hand strijkend over haar overvloed van loshangend haar. - -„Ik ben niet ziek, er is tjelaka, dat is het. Ze hebben je bestolen.” - -Aboe Bakar trok zijn hand terug. - -„Er is niemand die mij bestolen heeft. Het is alles goed, zooals het -is. Vrouwen hebben daar geen verstand van.” - -Maar zij hield vol. - -„Zij hebben je bestolen.” - -„Ook past het een vrouw niet haar man te bespieden.” - -„Kan ik het helpen; ik sliep niet; ik hoorde die lieden....” - -„Spreek over hen met eerbied!” zei Aboe Bakar boos. - -„Ik wil niet,” riep zij nu op haar beurt woedend en brutaal, met den -voet stampend op den grond, „ik wil niet. Zij hebben het geld van mijn -oom ook weggehaald en niet teruggegeven aan zijn kinderen toen hij dood -was; het zijn dieven, zeg ik.” - -Hij liep de kamer uit, bleek van schrik; eerst had hij in de duisternis -al de zware hand opgeheven om haar te slaan, maar op dat zeggen van -dien oom, ontstelde hij zoo, dat hij vluchtte, naar buiten. - -Toen hij haar niet meer hoorde schreien, ging hij terug in de kamer; -zij snikte nog bij tusschenpoozen, het hoofd op haar bantal. „Net ’n -kind,” dacht-ie, en een groote teergevoeligheid kwam over hem; hij nam -haar hand, die afhing van het bed. - -„Ik wilde je nog wat vragen, Dah.” - -En toen zij geen antwoord gaf: - -„Je hebt daareven iets heel leelijks gezegd, maar erbij gevoegd, dat -een oom van je ook zijn geld had gestort in de priesterkas. Wat is -daarvan?” - -„Vader sprak er dikwijls over.” - -„Zoo; en wat zei hij dan?” - -„Dat hij het zeker wist; het geld was door dat volk....” - -„Dailah!” - -„Door... de penghoeloes in bewaring genomen; toen oom stierf, beweerden -zij het nooit te hebben ontvangen.” - -„Kan je oom het niet vóór zijn dood hebben opgevraagd en uitgegeven?” - -In zijn ijver om de priesters te verontschuldigen, speelde zijn geringe -intelligentie hem een poets. - -„Loh!” riep Dailah zich oprichtend. „En zij beweerden, dat zij nooit -iets van hem ontvangen hadden!” - -Hij kreeg het land, dat hij er dus was ingeloopen. - -„In elk geval,” zei hij, „kon je vader zich vergist hebben. Maar al had -hij het bij ’t rechte eind, Dah, wat geldt dit voor de vrome mannen -hier? Ieder mensch, zegt de koran, zal slechts voor zijn eigen -handelingen beloond of gestraft worden en het oordeel behoort aan God; -ook is een geloovig mensch verplicht alle zaken te beoordeelen naar -haar innerlijke hoedanigheden. Wat weet je daarvan? Is het goed iets af -te keuren, omdat het vroeger en elders en met andere menschen misschien -wel eens verkeerd is geloopen?” - -Een droevige trek kwam over het mooie gezichtje der jonge vrouw, -terwijl zij hem daar hoorde met z’n zachte, goedigvolle stem, fraaie -theorieën uit den koran opdisschend met hoogen ernst. „Net ’n kind,” -dacht ze, medelijdend. - -Den volgenden ochtend was Minah al vóór het dag werd op de been; zij -zag wel ’n beetje op tegen dat bezoek, en toen ze naar haar vriendinnen -ging, was het met looden schreden. - -Maar alles was reeds klaar. - -Het geld, dat zij schuldig was, had de penghoeloe al genomen uit de -kist van Aboe Bakar; door de handen der vrouwen was het gegaan naar het -huis van den mooien Javaanschen „neef,” die het leenen zou aan Minah, -die het als speelschuld zou betalen aan de vrouwen van den penghoeloe, -die het weer ter hand zouden stellen aan haar vromen echtgenoot, die -het terug zou deponeeren in de kist van Aboe Bakar! - -Zóó bleef alles intact, behalve Minah, die heel goed begreep, wat het -haar kosten zou, als ze het geld in leen kreeg, en die niets liever -deed, dan op die manier de onkosten betalen. - -Toen ze aan het huis van den penghoeloe kwam, zei ze verlegen: - -„Ik durf niet, ik ben niet brani.” - -Maar de anderen werden onvriendelijk. - -„Dan moet je maar brani zijn,” was het antwoord kortaf. „Wij moeten -vandaag ons geld hebben. Wij hebben het noodig, en het was vooruit -afgesproken.” - -Zooals zij er tegen had opgezien, zoo viel het haar mee; opgetogen kwam -zij terug bij haar vriendinnen, die de grootste moeite hadden om zich -ernstig te houden; alles wat gebeurd was, kon men haar zóó erg aanzien, -dat de penghoeloe-vrouwen eigenlijk het land erover kregen; ’t was -terlaloe op die manier! Dáárom, toen ze het geld terug hadden, spraken -ze maar over het geval heen, en namen haar mee naar het speelhuis, waar -Minah won tot groote woede harer partners. - - - - - - - - -DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -„ZE HEBBEN HEM VERMOORD.” - - -In het niet te druk kampongleventje fleurde Bram ’n beetje op. - -Ondanks de soesah met zieke paarden en luie koetsiers ging zijn -verhuurderij tamelijk goed; nu en dan gaf hem zijn spionnenbaantje wat -eigenaardig werk, dat hij met groote verliefde voorliefde deed. -Overigens zat hij maar liefst in nachtbroek en kabaai ’n strootje te -rooken in een luierstoel, met heel veel praats over alles; zich daar -soms bij opwindend, net als vroeger zijn vader, dat het scheen alsof -hij dronken was, terwijl hij haast nooit sterken drank gebruikte. - -Toen een oppas van ’t postkantoor hem een maleischen brief bracht, -zette hij eerst nog een drukken boom op met den man, daarbij mopperend -over den postdienst, dien hij vond, dat veel te langzaam ging; maar -nanti doeloe! hij, Bram Silver, zou daar wel een eind aan maken; hij -zou wel dit en hij zou wel dat; en de Regeering moest zus en de -Regeering moest zóó. - -Eindelijk liet hij den armen oppas, die nog meer brieven te bezorgen -had, los en scheurde de enveloppe open. - -Het was of hij een beroerte kreeg. - -Achter zijn bril met gouden rand—een gedachtenis aan den ouden -John—puilden de oogen hem haast uit het hoofd; zijn gezicht werd als -het ware achter het geel der huidskleur, doodsbleek; met de bevende -magere hand greep hij om zich staande te houden de zwakke ronde tafel, -die met hem mee waggelde; zóó stond hij ’n oogenblik te kijken als -krankzinnig; versuft, verslagen, niet in staat te denken. Dan ging hij -zitten op den luierstoel en las nog eens en nog eens den niet -onderteekenden maleischen brief, tot hij eindelijk opstond en trillend -van ’t hoofd tot de voeten, naar achter liep, naar njai Peraq, de -blinde moeder, die met den dag dikker van lichaam en minder helder van -hoofd wordende, op den grond zat. - -Met zijn knokkelvingers greep hij haar in de vleeschmassa van den -schouder. - -„Mâ, mâ, hoor-je me?” - -„Saya Bram; ada apa?” zei ze onverschillig. - -„Mâ, ze hebben Adam vermoord, mâ! Hij is dood, hij is dood!” - -Zij deed alsof ze naar hem keek. - -„Wie is er dood?” - -„Adam, onze Adam,” zei Bram erg ontroerd, haast snikkende. - -Maar njai Peraq schudde het grijze hoofd. - -„Ik weet van geen Adam; die is al lang dood. Er was een kind van mijn -hart, dat een groote saïd is geworden. Aboe Bakar...” - -„Ze hebben hem vermoord,” schreeuwde Bram, en toen, met al het -theatraal vertoon van wijlen den ouden John, liep hij woedend het -galerijtje op en neer, de vuisten gebald omhoog stekend, zwerend, dat -hij zijn broer zou wreken; dat hij de moordenaars verpletteren zou; dat -hij hen ten eeuwigen dage zou vervolgen; dat hel en duivel hem niet -beletten konden, bloedige wraak te nemen, en andere groote woorden -meer, terwijl njai Peraq onbeweeglijk op den grond zat, als starend met -de blinde oogen op één punt, en al maar bij zichzelf herhalend: „Zij -hebben mijn zoon Aboe Bakar vermoord.” - -Toen hij uitgeraasd had, nam Bram, altijd door zenuwachtig en -opgewonden, zijn besluit. Hij zou erheen gaan en onderzoeken. Dàt wist -hij als spion der politie; alles moest eerst onderzocht worden. - -Doch over dat ééne brak hij zich in den trein voortdurend en -vruchteloos het hoofd; wie kon hem dien brief geschreven hebben? - -Hoe kon hij het ook weten? Wat wist hij van Aboe Bakar’s leven in den -laatsten tijd? - -En er was niet veel bijzonders geweest aan dat leven. Aboe Bakar bad -veel, studeerde ijverig in den koran, sprak nu en dan met Dailah, die -zich gruwelijk verveelde, terwijl Minah elken dag ging dobbelen en de -rest. - -Zóó ging het door, week in, week uit, tot Minah, bewerkt door haar -relaties, vertrouwd was geraakt met het denkbeeld, dat Aboe Bakar, dien -zij nu innig haatte, haar geluk in den weg stond en verdwijnen moest. - -’s Avonds had haar Javaansche minnaar het haar gebracht in een heel -klein hoornen doosje; hij kwam achter aan de pagger, toen het donker -was, en zij had het van hem aangenomen, en beloofd den inhoud ’s -morgens te roeren door de koffie van haar man. - -Zonder te aarzelen had zij dat beloofd; zij stak het doosje tusschen -den sarongband, onverschillig, zonder beven; zij ging naar haar kamer -en naaide er een baadje af, waarvoor zij het goed pas had gekocht; dan -blies ze de lamp uit en strekte zich geeuwend uit op haar bed; een -oogenblik later sliep ze; ze droomde geen akelige droomen, en ’s -morgens werd ze vroeg wakker, opgefrischt, heelemaal net als anders. -Toen ze in een groote wijde kom de gekookte ongefiltreerde koffie met -suiker zonder melk had ingeschonken, keek ze even rond. Ja, aan den -ingang van het keukentje zat een kind van een bediende, de ongekamde -haren over het gezicht, slaperig en soezerig. - -Zij gaf het een gobang en stuurde het naar de warong om wat rijst te -koopen. - -Nu was er betoel niemand meer. - -Voorzichtig strooide zij het poeder in de koffie, nam een lepeltje van -arènhout en roerde het goed door. - -Zij bracht als elken ochtend Aboe Bakar zijn koffie, terwijl hij de -tsoeboe bad. - -Hij was juist gereed en stak dadelijk de hand uit, begeerig naar den -gewonen morgendrank. - -Geen woord werd tusschen hen gewisseld; dàt was al sedert lang niet het -geval. Hij zou haar niet wegzenden, zoolang hij zich niet over haar te -beklagen had; dat was alles, wat hij nog voor haar gevoelde. - -’s Middags greep het hem aan, plotseling, met groote benauwdheid. Hij -was altijd zóó kerngezond en zóó sterk. Wat was dat nu? Hoe kwam hij -aan dat gevoel van pijn en overvol-zijn in de maag en op de borst? Hij -zou, zooals de koran het voorschrijft, God aanroepen, en, zich bukkende -voor de houding van het gebed, ontvlood een volle, warme, haastige -stroom zijn mond; een oogenblik had hij gedacht aan onpasselijkheid, -maar helrood kleurden zich zijn baard en kleeren, de mat, de heele -omgeving.... - -Een groote vrees bekroop hem; hij kon niet roepen, niet denken, niets, -en ineenzakkend, steunend tegen den wand, met een inwendig gevoel van -hevigen brand, sloot hij de oogen. - -Had een voorbijgaand inlander hem niet gezien, hij had daar een groot -deel van den dag kunnen liggen. - -Dailah, ontsteld en hulpeloos, buiten, zonder buren, liet volk halen -uit de naaste kampong; men droeg Aboe Bakar in bed, en waschte hem; een -dokter-djawa kwam, die in ’t geheel niets van het geval scheen te -begrijpen; de penghoeloe las onbewogen met zachte stem soerah XXXVI. -Minah had de mat uitgewasschen en liet den vloer dweilen in de -voorgalerij; ’t leek wel, vond ze, of er een karbouw was geslacht! - -Het was geen halve maatregel geweest. - -Dailah schrikte toen ze Aboe Bakar zag den volgenden ochtend, zoo bleek -en ingezonken was hij. Ze verzorgde hem, zoo goed haar eigen -onbeholpenheid het toeliet, altijd onder den verschrikkelijken indruk -van den bloedstroom, dien ze gezien had, en bang haast van het -doodsbleek gezicht, dat tusschen den zwarten baard uitkwam, en de doffe -diepliggende oogen. - -Het duurde eenige dagen, vóór Aboe Bakar weer op de been was, maar het -had hem vreeselijk aangepakt; zwak, mager, bleek lag hij in een -luierstoel in de voorgalerij, de oogen dicht, de rozenkrans langzaam -glijdend door de vingers; hij had van den penghoeloe verlof zóó te -bidden en niet in de voorgeschreven houding. - -Minah was er verwonderd over; zij had eigenlijk gedacht, dat hij -dadelijk dood zou wezen; toen zij na de bloedspuwing de voorgalerij had -schoongemaakt, was het, dacht ze, of alles nu eigenlijk heelemaal -voorbij was. Nu werd hij beter. Nog een week of wat misschien, en het -zou zijn, of er niets was gebeurd. Zij sprak er haar minnaar over, maar -die hield zich tegen haar of hij bezwaren had; het was altijd -gevaarlijk; daarbij was ’t vergif moeilijk te krijgen en zoo meer. - -Het maakte Minah driftig; zij had zulk een a niet gezegd om er de b -niet aan toe te voegen; zij drong er opaan, en eindelijk, een week -later, kreeg zij het. - -Zij was er blij mee; dat moest een voldoende portie wezen, had men haar -gezegd, en het verheugde haar. Alles had zij liever, dan het voortduren -van dien toestand en het aanhooren van de kasianpraatjes van Dailah, -die meer dan ooit van Aboe Bakar hield en minder dan ooit geneigd was -met Minah uitstapjes te maken. - -Koffie mocht de patiënt niet drinken; hij mocht slechts koud water -hebben en wat zacht gekookte rijst; het witte poeder zou het water -troebel maken, maar in de boeboer merkte het niemand. En met dezelfde -kalmte als vroeger roerde zij het er door. - -Dien avond, toen zich de aanval, nog heviger dan den eersten keer, had -herhaald, was Aboe Bakar zoo goed als stervende. Stil, onbeweeglijk lag -hij op het bed, ’t hoofd terug, schuin tegen het kussen. - -Van het leven voelde hij nog enkel de schroeiende pijn in zijn maag en -ingewanden. En zijn gedachten leefden. Maar die waren ver weg; zij -waren in Nederland, bij de vrienden zijner jeugd, bij de Verlande’s en -de Tiele’s; zij vervolgden naar den eersten tijd in Indië, waar zijn -leven zoo onverwacht was gesplitst; en de kleinste bijzonderheden van -dien tijd, waaraan hij nooit weer had gedacht, kwamen er nu bij: de -strijd met zichzelven, de aandrang zijner moeder, de tegenstand van -Bram.... „Vroeg of laat zal je hun dupe worden!” - -Hoe kwam het, dat hem ineens die woorden nu voor den geest stonden? - -Zóó werkte het voort in zijn hoofd, langzaam, maar ordelijk, als een -uurwerk, dat geregeld afloopt. - -Was hij hun dupe? - -Aboe Bakar sloeg een blik op naar Dailah, die bij het bed zat, de oogen -rood van ’t schreien, macht- en willoos, zonder hoop. Met een korte -handbeweging beduidde hij haar dichtbij te komen, tot haar oor vlak bij -zijn mond was; hij wist wel van den dokter-djawa, dat hij in ’t geheel -niet spreken mocht, maar nu wilde en kon hij ’t niet laten. - -„Zou ik iets hebben ingekregen, Dah?” - -„Zwijg in Godsnaam!” zei ze. „Ik geloof het Aboe. Maar spreek nu niet. -Van nu af zal je niets gebruiken, dat ik niet zelf heb klaargemaakt.” - -Hij glimlachte en sloot weer de oogen. Wat zou zij klaarmaken! Zij kon -het immers niet; zij had het nooit gedaan, nergens geleerd! - -En dan, het zou wel te laat zijn; hij zou wel sterven. Daar was hij nu -niet meer bang voor. God doet immers sterven en herleven! Wie Hem -liefheeft moet zich verheugen in den dood, in het uur, dat God zijn -ziel ontvangt om bij hem te worden verzameld. Zóó ging het rustig voort -in zijn hoofd: de beelden uit de werkelijkheid oprijzend in zijn -gedachten, bleven wortelen in het Europeesch deel van zijn leven; de -abstracte begrippen waren die uit den koran. - -Langzaam kropen de uren voort; Minah had gevraagd, welstaanshalve, of -ze Dailah niet eens zou aflossen bij het oppassen van den zieke; maar -ze was erg blij, dat de jonge vrouw het weigerde. - -Niet om haar geweten—dáár wist ze niet van,—ze vond het enkel -vervelend. - -Reeds kraaiden de hanen in de dessas der vallei hooguit den opkomenden -dag tegemoet, toen Aboe Bakar ontwaakte uit een langen slaap van eenige -uren, die hem niet had verkwikt. - -Integendeel, hij voelde het weer aankomen, en het angstzweet brak uit -op zijn voorhoofd, met koude droppels afloopend langs zijn zware -wenkbrauwen. - -Den mond gesloten, benauwd en kort ademend door den neus, keek hij naar -Dailah, die op haar stoel was ingedut van vermoeienis. - -Met een hevigen schok richtte zijn lichaam zich ineens op; Dailah -schrikte wakker en sloeg haar arm om hem heen tot steun. - -Dáár was het weer, schoon slechts weinig in hoeveelheid. - -Maar het lichaam, terugvallend achterover in het kussen, rekte zich; -het doffe licht uit de groote zwarte oogen verdween; de trekken spanden -scherp. - -Een harde gil klonk door het huis; Dailah zag hem sterven; haar hoofd -viel naast dat van Aboe Bakar op het kussen neer, en haar weeklagen -vulde het huis. - -Minah was er ook wakker van geworden. Zij hoorde Dailah schreien en -luid praten; zij verstond de woorden, en een doodschrik drong door haar -hersens, afrillend langs de ruggegraat; zij had het woord memboenoeh -gehoord! - -Snel trok zij een ander baadje aan, en liep de achterdeur uit, den weg -op. - - - - - - - - -VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -BESLUIT. - - -De penghoeloe, door Minah’s tusschenkomst gewaarschuwd, kwam in den -loop van den ochtend met zijn volgelingen; hij was kort en bevelend, -alsof hij de baas was in het huis; niemand durfde zich tegen iets -verzetten. - -Dailah, nu half suf van emotie, minder dan iemand anders: allen -eigenlijk blij, dat er één was, die de soesah op zich nam. - -Maar toen de begrafenis plaats had en zij met de bedienden alleen in -het huis bleef, liet zij een ouden klerk roepen, die vroeger wel eens -daar aan huis was geweest, en die schreef voor haar den brief aan Bram. - -En toen hij kwam en met haar had gesproken, hij hoogst zenuwachtig, zij -erg bedroefd, maar kalm en gelaten,—toen ging hij naar voren, zitten op -den stoel waarop Aboe Bakar zoo dikwijls had gezeten; zijn ongeregelde -verbeelding en overprikkeld zenuwgestel, deden hem de meest -gecompliceerde en gruwelijkste wraakplannen vormen; hij zou, en hij -zou; hij kon er niet stil van blijven zitten; hij stond op, liep heen -en weer en bewoog handen en armen, alsof hij kneep, worgde, -verscheurde. O, die smeerlap, dacht hij, als die nu eens hier was! Maar -de penghoeloe, dien hij bedoelde, kwam niet; liet in ’t geheel niets -van zich hooren. - -Bram schreef hem en verzocht dadelijke afrekening van het geld, dat -wijlen zijn broeder Aboe Bakar gestort had in de penghoeloekas; er -volgde niet eens antwoord. - -Ten slotte kwamen al de gewelddadigheden, die Bram zich voorgenomen had -te bedrijven tegen de dieven en moordenaars, hierop neer, dat hij -eindigde met wat hij had moeten beginnen: hij ging naar het Europeesch -bestuur en diende een aanklacht in. - -Hij was zeer bespraakt; hij kwam niet uit eigenbelang; wijlen de saïd -was zijn bloedeigen broer geweest, verklaarde hij, en het was niet om -iets van diens nalatenschap, dat hij zich het schandelijk misdrijf -aantrok. Hij wilde het geld, Aboe Bakar’s eigen geld, terug, voor diens -zoon, die—dat vergat hij erbij te voegen—tot een nietsdoener en een -leeglooper was opgegroeid, met groote kans een vagebond te worden. - -Voor het familiezwak van den Europeeschen oom voelden de ambtenaren -iets, schoon zij zich bij voorkeur niet inlieten met zulke „vuile -inlandsche perkara’s.” - -Zij zouden „een onderzoek instellen.” - -Terug in ’t huis vond Bram zijn oudste schoonzuster Minah; zij pakte -haar barang; met veel drukte was zij bezig haar sarongs en baadjes, -heele stapels, haar menigte doosjes en doekjes in trommels te bergen en -in kains te knoopen. - -„Laat dat nu maar wachten,” zei Bram gebiedend. „Luister naar mij.” - -Minah stond op het punt een brutaal antwoord te geven; maar zij zag aan -Bram, dat hij heel nijdig was; daarom ging zij stil op een bankje -zitten, de handen op de knieën. - -„Waar is het geld van A. gebleven?” - -Zij haalde de schouders op. - -„Hoe kan ik het weten; hij zei nooit iets tegen mij.” - -„Daar stond zijn geldkist, daar in dien hoek, dat wist je toch.” - -„Ik? Wist ik dat? Ik weet niet wat een geldkist anders is dan een -gewone kist....” - -„Dailah zegt....” - -„Wel ja,” viel zij boosaardig uit, „daar heb je ’t al! Vraag het -Dailah, die zal het wel weten. Ik niet; ik was maar zoowat de -dienstmeid hier, en ik weet van geen kist, ik heb mij niet bemoeid met -zijn barang, waarom zou ik me ermee bemoeid hebben?” - -„Om uw zoon.” - -„Om mijn zoon? Wat heeft hij zich ingelaten met zijn kind? Even weinig -als met mij. De eenige met wie hij sprak was Dah; voor de rest zat hij -ginds in het bidhuisje en in de missigit, altijd maar in het boek te -lezen en te bidden.” - -Dat was Bram bekend, en toen nu Minah, die zich over zichzelve had -verteederd, haar geheime angst tot zenuwachtigheid meewerkend, aanving -zacht in haar slendang te schreien, kreeg Bram kasian, en daarmee -verdween zijn boos vermoeden, dat Minah aan de misdaad medeplichtig -was. - -„Wat ga je doen?” vroeg hij. - -„Ik weet het niet. Vooreerst ga ik bij een vrouw in de kampong wonen, -tot hier den boel geregeld is.” - -„En dan?” - -„Ik weet het niet. Misschien zoek ik werk als baboe bij blandas.” - -Een oogenblik dacht Bram na. Het ging niet aan, haar terug te zenden -naar het land, waar ze vandaan kwam; zelf haar in huis te -nemen,—daarvan kon niets komen. Dailah zou weer teruggaan in haars -vaders huis. - -„Goed,” zei hij, „je moet natuurlijk doen, wat je wilt. Ik zal je zoon -meenemen. Wat het mijne is, kan ook het zijne wezen.” - -Voor haar was dat een ware uitkomst; zij was van den lastigen jongen -kerel af; van een moederschap dat haar oud maakte, zoo goed als -ontslagen, in een tijd dat haar belang vorderde jong te schijnen. - -„Gij zijt zijn oudste oom,” zei ze op een toon van berusting. - -En alles was naar beider begrip daarmee gezegd. - -Het onderzoek naar den dood, dat zelfs een gerechtelijk werd, leidde -tot geen uitkomst; ’t was koerang terang. - -Toen de tweede maan scheen op het graf van Aboe Bakar, het stille -plekje in het binnenland, waar een groep kambodja’s de doordringende -geuren harer witte bloemen over de sawahvlakte verspreidden,—toen reed -zijn eenige zoon te Batavia langs den Molenvliet als koetsier op een -huurdos-à-dos van oom Bram. - -Oom Bram had veel last met hem; hij durfde ’s avonds niet naar bed gaan -vóór zijn neef weer goed en wel thuis was, zoo vreesde hij altijd, dat -er ’t een of ander met den bedorven jongen zou gebeuren. - -Als die eindelijk, laat in den nacht soms, de dos-à-dos het erf opreed, -en Bram dan niet half zooveel huur kreeg als hij berekenen kon, dat -verdiend was, keek hij door den gouden bril zijns vaders weleens -beurtelings naar het onbeschaamde jonge gezicht voor hem en naar het -oude van njai Peraq, die op haar baleh-baleh rustig sliep. - -En dan vond hij, dat, als iemand weinig uit een schipbreuk was -overgebleven, het dan hem, Bram Silver, was.— - - - - EINDE. - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ABOE BAKAR *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
