diff options
Diffstat (limited to 'old/67023-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/67023-0.txt | 20315 |
1 files changed, 0 insertions, 20315 deletions
diff --git a/old/67023-0.txt b/old/67023-0.txt deleted file mode 100644 index 321aa35..0000000 --- a/old/67023-0.txt +++ /dev/null @@ -1,20315 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Van den Noordpool naar den Aequator, -by Alfred Edmund Brehm - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Van den Noordpool naar den Aequator - Blikken in het groote rijk de schepping - -Author: Alfred Edmund Brehm - -Translator: Romke Everts de Haan - -Release Date: December 27, 2021 [eBook #67023] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN DEN NOORDPOOL NAAR DEN -AEQUATOR *** - - - - - - VAN DE NOORDPOOL NAAR DEN AEQUATOR. - BLIKKEN IN HET GROOTE RIJK DER SCHEPPING, - - - DOOR - Dr. A. E. BREHM. - - Met Illustraties van R. FRIESE, - G. MÜTZEL, ALBERT RICHTER, FR. SPECHT - e.a. - - Uit het Hoogduitsch - DOOR - R. E. DE HAAN, - Directeur der R. H. B. S. te Winterswijk. - - - SCHOONHOVEN, - S. & W. N. VAN NOOTEN. - 1894. - - - - - - - - -VOORBERICHT. - - -Toen nu wijlen Dr. A. E. Brehm in de voornaamste steden van Duitschland -zijne voordrachten hield over de Vogelbergen van Lapland en de -boomlooze Toendra van Siberië, over de maagdelijke wouden van Afrika en -de bannelingen in den Oeral, en over zoovele andere onderwerpen meer, -voornamelijk ontleend aan het leven der hoogere dieren, ging er telkens -een storm van toejuichingen op uit de gehoorzalen, waar Brehm’s machtig -woord weêrklonk. En door inhoud, èn door vorm alles overtreffende, wat -ooit op dit gebied geleverd was, oefenden deze voordrachten eene -betooverende werking uit. Nooit sprak iemand op zulk eene boeiende, -aangename en aanschouwelijke wijze; nimmer wist een redenaar zoo zijn -hoorders als aan zijn lippen te ketenen. Zoo ging Brehm’s lof van mond -tot mond, van gewest tot gewest, van land tot land, en elke stad -rekende het zich tot eene eer den gevierden spreker althans éénmaal -gehoord te hebben. Zelfs het wufte, op schouwburg-vermaak verzotte -Weenen gevoelde zich gestreeld door de komst van den grooten -natuurvorscher, die, met de reine kleuren der natuur op zijn palet, en -een hart vol innige liefde voor al wat daar leeft in de ruime -schepping, een tooneelstuk schetste en maalde, zoo rijk van inhoud, zoo -schoon van vorm, zoo warm van kleur, dat zich een onbeschrijfelijke -geestdrift meester maakte van de onder zijn gehoor zittende menigte. -Ademlooze stilte heerschte, hier en elders, de twee volle uren lang, -die gewoonlijk elke voordracht duurde; in gespannen verwachting volgde -men den redenaar van woord tot woord, hangende aan de lippen, aan welke -slechts de zuiverste klanken ontwelden, die als eene electrische -ontroering werkten op de zinnen en gemoederen van het verrukte -auditorium. Waar hij de Vogelbergen van Lapland beschrijft, daar waant -men zich verplaatst te midden der scheren en fjorden van Skandinavië en -ziet men de millioenen gevederde bewoners der klippen en stranden, daar -hoort men het ruischen hunner vleugelen; dan verduistert het eigen oog, -en met moeite ontworstelt zich de geest aan de begoocheling en den -tooverkring, dien het bezielende woord van Brehm om zijn hoorders trok, -om terug te keeren tot de werkelijkheid,—de werkelijkheid, dat het -slechts een panorama is geweest, dat ons voorbij trok. - -Een panorama, ja! maar onvergelijkelijk schoon! - -Staat reeds het geschreven woord verre beneden het gesprokene, eene -gewaagde onderneming mag het schijnen, Brehm’s voordrachten, uit de -taal, waarin zij werden uitgesproken, te willen overbrengen in eene -andere. - -Ik ontveins mij geenszins, dat hieraan gewichtige bezwaren verbonden -zijn, dat hierbij groote moeilijkheden te overwinnen zijn. Toch heb ik -niet geaarzeld die taak op mijn schouders te nemen, omdat ik daarbij -rekende op eene bondgenoot, die bij dat werk mij, naar ik meende, -gewichtige diensten zou kunnen bewijzen. Een sprank van de liefde voor -de bezielde en onbezielde schepping, die Brehm’s hart doorgloeide, en -waaraan hij zijn talent van opmerken en schilderen ontleende, mag ik -het mijne noemen. En dat gevoel zal, naar ik vertrouw, mij in staat -stellen op eenigszins getrouwe wijze terug te geven, wat er in Brehm’s -hoofd en hart omging, toen hij den aardbol doorkruiste „Van de -Noordpool naar den Aequator”. - - -Winterswijk. R. E. de Haan. - - - - - - - - -ALFRED EDMUND BREHM. - - -Christian Ludwig Brehm, een der meest beroemde vogelkenners van -Duitschland, van wien een aantal ornithologische geschriften het licht -zagen, was predikant, laatstelijk te Neustadt a/d Orla, alwaar hij den -23. Juni 1864 overleed. - -Den 2. Febr. 1829, toen Christian Brehm nog te Renthendorf (bij -Neustadt) woonde, werd hem een zoon geboren, de later zoo beroemd -geworden reiziger en natuurkundige, Alfred Edmund Brehm. Dat deze in de -studiën zijns vaders al vroeg aanleiding vond zich aan zoölogische -waarnemingen te wijden, dat de liefde des vaders voor de levende -schepping ook al spoedig ontkiemde in de borst des zoons, wie zal zulks -vreemd vinden? - -Nog vóór Alfred de universiteit bezocht, had hij reeds verschillende -reizen gedaan, en op deze tochten gelegenheid gevonden de dieren in hun -natuurstaat na te gaan en te verzamelen. Op achttienjarigen leeftijd -ondernam hij in gezelschap en op kosten van Baron Johan Wilhelm von -Müller een zwerftocht door Egypte, Nubië en het oostelijk gedeelte van -Soedan. Na vijf jaren afzijns keerde hij in zijn geboorteland terug en -studeerde daarna zoölogie aan de hoogescholen te Jena en Weenen. -Vervolgens begaf Alfred Brehm zich weder op reis, bezocht Spanje, -Noorwegen en Lapland. - -In 1862 ondernam hij een tocht naar Abessinië, steeds zijnen reeds -rijken schat van kennis en ervaring op dierkundig gebied -vermeerderende. - -In gezelschap van Hertog Ernst van Saksen-Koburg-Gotha bezocht Brehm -het noorden van laatstgemeld land, terwijl de in navolgende bladen -beschreven reis naar Siberië werd ondernomen op aansporing en kosten -van het „Verein für die Deutsche Nordpolfahrt” te Bremen. Een gedeelte -der kosten van dien tocht werd bestreden door den heer Sibiriakoff te -Irkutsk, die daarvoor 16000 gulden beschikbaar stelde. - -Wanneer hij niet uitlandig was, woonde Brehm meestal te Leipzig, alwaar -hij zoowel als onderwijzer werkzaam was, als door schrijven in zijn -onderhoud trachtte te voorzien. - -In het jaar 1863 aangesteld tot direkteur van den pas opgerichten -zoölogischen tuin te Hamburg, bleef hij in deze betrekking evenwel -slechts vier jaren werkzaam. Gedurende dit korte tijdvak echter wist -hij die inrichting tot een van de beste der wereld te maken. Het -gunstig bekend aquarium van Berlijn heeft Brehm helpen stichten. - -Het meest beroemd evenwel is Brehm geworden door zijn voorlezingen, -gehouden in de voornaamste steden van Duitschland, en vooral door zijne -vele geschriften. Bovenaan staat in deze rij: „Illustrirtes -Thierleben”, een werk, eerst in 8, daarna in 10 lijvige boekdeelen -uitgegeven, eene boeiende beschrijving bevattende van den bouw, het -voorkomen, de zeden en gewoonten, in den wilden zoowel als in den -tammen staat der hoogere en lagere diersoorten. - -Behalve dit standaardwerk,—in vele opzichten tevens een vraagboek voor -vakgeleerden,—schreef Brehm: „Das Leben der Vögel”, „Die Thiere des -Waldes”, enz. Een aantal opstellen in de „Gartenlaube” en andere -tijdschriften zijn mede van zijne hand. - -Den 11den November 1884 stierf de groote reiziger en dierenkenner in -dezelfde plaats, alwaar hij eens het levenslicht aanschouwde. - - - R. E. de Haan. - - - - - - - - -EEN WOORD VOORAF VAN Dr. HORST BREHM. - - -Reeds zes jaren dekt de koele aarde van Renthendorf het stoffelijk -hulsel van mijnen onvergetelijken vader, die voor allen, die hem -liefhadden en vereerden, te vroeg de oogen sloot. Het was eene -wonderbare beschikking van het lot, dat hetzelfde, weinig beteekenende -plaatsje in het groene Thüringerwoud, alwaar hij het levenslicht -aanschouwde, ook den man zag sterven, die gedurende zijn werkzaam, veel -bewogen leven vier werelddeelen had gezien en onderzocht. - -Slechts vijf en vijftig jaren mocht hij tellen, toen zijn welbespraakte -mond zich voor altijd sloot, en de pen ontviel aan de hand, die haar -zoo meesterlijk wist te voeren. Hij was nog vervuld met groote plannen, -en te betreuren is het, dat de bouwstoffen, door hem nagelaten, -meerendeels zoo fragmentarisch zijn, dat geen vreemde hand daaruit een -geheel zou kunnen opbouwen. Toch bevatten de nagelaten schrifturen nog -zooveel merkwaardigs, dat ik het mij tegenover mijn vader zoowel als -tegenover alle vrienden eener ernstige natuurbeschouwing, ten -eereplicht rekende, die schatten voor de lezende wereld toegankelijk te -maken. De volgende bladen zijn daarvan de eerste en ongetwijfeld de -beste proeve; zij bevatten Alfred Edmund Brehms overal met graagte -genoten en zoozeer gewaardeerde voordrachten, in zooverre deze door hem -op schrift zijn gebracht. Ik meen daarmede velen een dienst te bewijzen -en heb het niet noodig geoordeeld de uitgave dier voordrachten met een -woord van aanbeveling vergezeld te doen gaan; zij mogen voor zich zelf -getuigen, en doen zulks reeds, hetgeen bewezen wordt door de talrijke -aanvragen van buitenlandsche boekhandelaren, die het vertalingsrecht -wenschen. - -Wel is waar kan het geschreven woord het levende niet geheel vervangen, -en mijn vader, die steeds voor de vuist sprak, zal naar den eisch van -het oogenblik veel van ’t geen in deze bladen voorkomt, in een anderen -vorm hebben uitgesproken, hier verkortende, daar iets langer bij stil -staande,—maar wie hem gehoord heeft, dien zal ongetwijfeld het beeld -van den overledene weder duidelijk voor oogen staan, en het zal hem -wellicht zijn, als hij deze bladen leest, als hoorde hij weder Alfred -Brehms krachtige stem. De eigenaardige persoonlijkheid van den -schrijver van „Illustrirtes Thierleben” en van het „Leben der Vögel” -vinden wij in deze voordrachten weder terug, ja wij leeren haar van -eene nog nieuwe en aantrekkelijke zijde kennen. Want meer nog dan in -zijne andere werken spreekt daaruit mijns vaders veelheid van -ervaringen, zijn alzijdige kennis, zijn ongewoon waarnemingsvermogen, -en niet het minst de met zijn dichterlijken aanleg zoo nauw -samenhangende eigenaardige opvatting der levende en levenlooze natuur, -alsmede zijn gunstige, blijmoedige humor. - -En zoo zend ik dan deze bladen de wereld in, vol vertrouwen, dat zij ’t -aantal vrienden, waarin de schrijver zich bij zijn leven verheugde, nog -zullen vermeerderen. Mochten zij ook aan de dierenwereld, die hij zoo -innig lief had, en die hij zoo door en door kende, nieuwe -onbevooroordeelde, hartelijke beschermers verzekeren! Mochten zij -tevens in elk huis, waar de zin voor goede letteren en alzoo voor -schoonheid in ’t algemeen wordt aangekweekt, ook voor de schoonheid -onzer aller moeder, de Natuur, meer en meer hart en oogen openen—dan -zou tevens de hoogste en edelste bedoeling in den geest des schrijvers -bereikt zijn! - -En zoo zij dezen bladen op hun weg heil gewenscht; een vroolijk welkom -begroete hen, en waar zij eens vriendelijk werden ontvangen blijve hun -voor lang eene eereplaats verzekerd! - - - Berlijn, September 1890. - - - - - - - - -INHOUD. - - - Bladz. - Voorbericht van den Vertaler V - Alfred Edmund Brehm, door R. E. de Haan VII - Een woord vooraf van Dr. Horst Brehm IX - - Hoofdstuk. - - I. De Vogelbergen van Lapland 1 - II. De Toendra en hare Dierenwereld 28 - III. De Aziatische Steppe en hare Dierenwereld 50 - IV. Woud, Wild en Jacht in Siberië 78 - V. De Steppe en Dierenwereld van Centraal-Afrika 121 - VI. Het Oerwoud en de Dierenwereld van Afrika’s - Binnenland 150 - VII. De Verhuizingen der Zoogdieren 181 - VIII. De Liefde en het Huwelijk der Vogels 204 - IX. De Apen 226 - X. Karavanen en Woestijnreizen 257 - XI. Het Land en de Bevolking tusschen de - Stroomversnellingen van den Nijl 293 - XII. Een Reis in Siberië 327 - XIII. De Heidensche Ostjaken 352 - XIV. De Nomaden en Kudden der Steppe 381 - XV. Het Volks- en Familieleven der Kirgiezen 409 - XVI. De Kolonisten en Bannelingen van Siberië 435 - XVII. Onderzoekingstochten op den Donau 461 - - Wetenschappelijke Naamlijst 485 - - - - - - - - -I. - -DE VOGELBERGEN VAN LAPLAND. - - -„De Schepper der wereld had zoo even Zijn lievelingsster, de aarde, -voltooid en verheugde zich over het goed geslaagde werk. Daar viel het -den duivel in dit werk te vernietigen. Toen nog niet uit den hemel -verbannen, woonde de booze te midden der aartsengelen, en in de -ruimten, alwaar de zaligen verblijf houden. Hij vloog omhoog naar den -zevenden hemel, greep een ontzaglijken steen en slingerde dien met -kracht naar de aarde, die daar beneden in jeugdige schoonheid prijkte. -Maar nog bijtijds bemerkte de Schepper dit roekeloos bestaan en zond -onmiddellijk eenen aartsengel af om het onheil te keeren. Sneller dan -de steen vloog de engel omlaag, en slaagde er in het land te vrijwaren. -Donderend stortte de reusachtige steen in de zee; kokend spatten de -golven omhoog en overstroomden het naburige land, mijlen ver. Door den -geweldigen schok werd het buitenste hulsel van den steen verbrijzeld, -en duizenden splinters ploften ter weêrszijden in de zee, hier in de -diepte verdwijnende, ginds boven de wateren uitstekende, naakt en kaal, -evenals de kern des steens zelve. Toen werd God met medelijden vervuld, -en in zijn oneindige barmhartigheid besloot hij ook dien dorren -rotsklomp met leven te bezielen. Maar de vruchtbrengende aarde was -reeds meerendeels verbruikt, en slechts een weinig was in Gods hand -overgebleven, nauwelijks voldoende, om hier en daar iets op den steen -uit te strooien.” - -Aldus luidt eene oude sage, die nog op den huidigen dag onder de Lappen -rondgaat. De steen, dien de duivel wierp, is Skandinavië; de splinters, -die ter weêrszijden in de zee vielen, zijn de scheren, die in bonten -krans het schiereiland omringen; de barsten en spleten zijn de fjorden -en de dalen van het binnenland; de brokjes levenwekkende aarde, die uit -de milde hand des Scheppers daarop nedervielen, vormen de weinige -vruchtbare plekjes, die Skandinavië rijk is. - -Men moet zelf in Skandinavië, vooral in Noorwegen geweest zijn; men -moet zelf de boot tusschen de scheren hebben gestuurd en het land van -de zuidelijkste punt tot het hoogste noorden zijn omgevaren, om de -kinderlijke sage in haar volle diepte en beteekenis te verstaan. Ja, -vreemd is het land; vreemd zijn deszelfs fjorden, maar de grootste -verwondering wekt de krans van eilanden en scheren, die het omgeven! - -Skandinavië is een Alpenland, evenals Zwitserland en Tyrol, maar toch, -welk verschil! Evenals onze Alpen heeft het zijn hooggebergten en -gletschers, zijn wildbeken en heldere, stille Alpenmeren, zijn donkere -dennenbosschen in de diepte, zijn lichtgroene berkenwouden in de -hoogte, en uitgestrekte, hier in toendra’s veranderde moerasvenen op -den breeden rug der bergen, zijn blokhuizen op de hellingen en zijne -senhutten in de hoogste dalen. - -Maar niettemin is in Skandinavië alles anders dan in de Zwitsersche -Alpen, en het onderscheid valt duidelijk een ieder in het oog, die in -de gelegenheid was beide landen te zien. Dit verschil spruit daaruit -voort, dat hier twee groote en majestueuse gebieden der aarde, -hooggebergte en zee, op verwonderlijke wijze zijn vereenigd en -verbonden. - -Ernst en vroolijkheid vormen het algemeen karakter van Skandinavië. -Gestrengheid paart zich aan zachtheid, somberheid aan opgewektheid, en -onder het doodsche en angstverwekkende mengt zich het levendige en -verhevene. Zwarte rotsmassa’s rijzen loodrecht uit de zee omhoog, -terwijl zij de diep ingesneden fjorden omgrenzen; op menigvuldige wijze -gekloven en verdeeld, stapelen zij zich steil boven elkander op, -terwijl ginds een overhellend blok dreigend neêrblikt in de diepte; op -hare kruinen torschen ze ijsmassa’s, die zich uren ver uitstrekken en -gansche landschappen bedekken. Geen leven wordt hier vernomen; alleen -de wildbeek, die er haar oorsprong neemt, stoort de doodsche stilte. -Als een zilveren lint kronkelt zij over den zwarten grond; terwijl zij -het oog boeit, laat zij in haar ruischen de verheven melodie -weêrklinken van het hooggebergte. Uit elke spleet breken deze stroomen -te voorschijn, langs elke kloof bruisen zij omlaag, in dollen dans -tuimelen zij van de rotsen, waterval op waterval vormende, wier -geklater door de naburige berghelling wordt teruggekaatst. - -Deze ruischende beken, die langs elke insnijding dalwaarts spoeden, de -glinsterende waterstrepen, die tegen elken rotswand hangen, de als rook -opstijgende damp, die de aanwezigheid der meest verborgen watervallen -verraadt, zij zijn het, die het leven oproepen in de ijzigste -wildernis, op plaatsen, waar het oog overigens niets ontwaart dan rots -en lucht, terwijl zij tevens wijzen op het daarachter gelegen land. - -Maar, hoe betooverend ook hunne schoonheid zij, hoe overweldigend de -fjorden met haar rotswanden, kloven en dalen, voorgebergten en -vooruitstekende punten ook zijn mogen, eigenaardiger indruk nog geven -de eilanden en scheren daar buiten in de zee; de klippen, die van het -zuiden tot het noorden zich langs het land gelegerd hebben en een chaos -van bochten, sonten en straten in ’t leven roepen, gelijk geen tweede -plekje op de gansche aarde misschien weet aan te wijzen. - -De groote eilanden zijn min of meer een getrouw spiegelbeeld van het -vaste land; de kleinere eilanden en de scheren bewaren onder alle -omstandigheden een eigendommelijk karakter, dat evenwel met elken -hoogeren breedtegraad eenige wijziging ondergaat. In het noorden mist -men den rijkdom van het zuiden; zulks geldt niet alleen voor de -eilanden, maar ook voor de zee. - -Toch is ook hier alle schoonheid niet buitengesloten, en vooral in de -zomermaanden, wanneer de middernachtszon groot en bloedrood langs den -horizon strijkt en haar half omsluierden glans tegen de met ijs bedekte -toppen der bergen en de oppervlakte der zee weêrkaatst, dan is de -betoovering inderdaad overweldigend. De overal verspreid liggende -boerenwoningen hebben hierin haar aandeel; hutten, uit houten planken -opgetimmerd en met zoden gedekt, prijkende met het levendigste rood, -dat scherp afsteekt bij ’t groene dak, den zwarten bergwand en het -ijsblauw der gletschers op den achtergrond. - -Niet zonder bevreemding neemt de reiziger, die voor ’t eerst dit land -bezoekt, waar, dat die woningen grooter, deftiger en ruimer worden, -naarmate men noordelijker komt. Ofschoon niet meer door akkers omgeven, -bezit nog elke woning een tuintje, en wat grootte, ruimte en inrichting -betreft, winnen zij het van de armoedige gebouwen in de meer zuidelijke -streken van Skandinavië; ja, de deftigste en grootste bevinden zich -juist op de kleinere eilanden, waar niets dan een veenlaag den -rotsgrond dekt, en welker ondankbare bodem zelfs de gift van een klein -tuintje weigert. - -Dit schijnbaar raadsel wordt evenwel opgelost, wanneer men zich -herinnert, dat in Norland en Finland niet het land, maar de zee de -akker is, die beploegd wordt; dat men niet in den zomer zaait en de -zeis zwaait, maar dat de oogsttijd valt in den herfst, en daaraan geen -zaaitijd is voorafgegaan; dat juist in die maanden, waarin de lange -nacht onbeperkt zijn scepter zwaait en de maan in plaats van de zon de -aarde beschijnt, wanneer het gloeiende noorderlicht treedt in de plaats -van het morgen- en avondrood, alsdan daar ter plaatse de mensch der zee -haar rijken buit ontrooft. - -Wanneer de herfstnachtevening is ingetreden, maken zich alle krachtige -mannen van Noorwegen op om den noordelijken oogst in te zamelen. Iedere -stad, ieder vlek, ieder dorp zendt een of meer voldoend bemande schepen -naar de eilanden en scheren aan gene zijde van den poolcirkel, om voor -eenige maanden in alle daarvoor passende bochten het anker uit te -werpen. Op de schepen zoowel als in de woningen reppen zich alle handen -om den zegen des oogstes te bergen. - -Midden in den zomer is het land daar ginds stil en onbewoond; gedurende -den winter wemelen de inhammen, eilanden en straten van bedrijvige -mannen; dag en nacht zijn deze onverpoosd bezig. De woningen mogen ruim -zijn, toch kunnen zij alle hier bijeengestroomde menschen niet -bevatten; daarom worden er nog dicht bij de schepen eenvoudige, met -plaggen gedekte hutten opgeslagen om tot tijdelijk verblijf te -strekken. - -Omstreeks den winterzonnestilstand, wanneer wij ons Kerstfeest, de -Noren hun Joelfeest vieren, is de drukste tijd aangebroken. Reeds -sedert weken heeft de zee haar zegen uitgestort. Beheerscht door de -machtigste aandrift, die levende wezens bezielt, geleid door den -onweêrstaanbaren aandrang zaden uit te strooien voor volgende -geslachten, stijgen ontelbare scharen van visschen, zooals kabeljauwen -en schelvisschen, uit de diepten des Oceaans omhoog; zij naderen de -kusten, dringen in alle straten, sonten en fjorden, en bedekken mijlen -in ’t rond de oppervlakte der zee. Zoo dicht zwemmen deze, slechts door -één gevoel bezielde, en als het ware van hun zinnen beroofde wezens -bijeen, dat de booten zich letterlijk door deze scholen een weg moeten -banen, dat het overgevulde net onder zijn last breekt, of spot met de -reuzenkrachten der visschende mannen, terwijl een roeispaan, die -loodrecht tusschen de opeengehoopte visschen wordt gestoken, eenigen -tijd in deze richting blijft staan, alvorens om te vallen. Alleen de -hoogere gedeelten der eilanden, alwaar eene veenlaag den kalen -rotsgrond dekt, en de onmiddellijk aan de zee grenzende randgedeelten, -tot waar de vloed nog reikt, uitgezonderd, is de bodem bedekt met -gespouwen, hier ter droging neêrgelegde visschen. Daarboven zijn staken -in den grond geplant, waaraan duizenden anderen worden opgehangen, die -voor hetzelfde doeleinde aan den kouden, maar uitdrogenden wind worden -blootgesteld. Van tijd tot tijd ledigt men de rotsen en staken, bindt -de gedroogde visschen in bundels, bergt ze tijdelijk in daarvoor -ingerichte schuren, maar de ledige plaatsen worden op hetzelfde -oogenblik weder door versch gevangenen aangevuld. - -Maanden lang duurt deze bezigheid, maanden lang de hieruit -voortspruitende handel; het zuiden en noorden ruilen hier hunne -schatten tegen elkander in. Eerst wanneer omstreeks den middag een -helder licht in het zuiden de terugkomst der zich nog schuil houdende -zon aankondigt, of deze zelf een korten blik werpt op het land, eindigt -van lieverlede de rijke vangst. De gedroogde stok- of klipvisch wordt -uit de magazijnen naar de schepen gedragen, de geheele ruimte van de -kiel tot aan het dek daarmede opgevuld. De schipper keert huiswaarts, -of vaart naar elders; het eene vaartuig na het andere hijscht de bruin -geteerde zeilen en wendt den steven. - -Stiller wordt het in het noorden, eenzamer wordt het land, verlaten is -de zee. Is de lentenachtevening aangebroken, dan hebben bijna alle -vreemde vaartuigen het oogstveld verlaten en zijn de visschen wederom -naar de diepten des Oceaans teruggekeerd. Maar reeds zendt de zee -nieuwe kinderen uit, om nogmaals de sonten, bochten en fjorden, en nu -niet deze alleen, maar ook de scheren en eilanden met leven te -bezielen; weldra glinsteren hier millioenen heldere vogeloogen en -gluren deze van de hoogten der klippen, aan wier voet het zoo even -geschetste winterleven heerschte, naar beneden op de zee. - -Het is een diep ingrijpende levenstrek van alle eigenlijke zeevogels, -dat slechts twee oorzaken hen bewegen kunnen het land te bezoeken; het -blij gevoel der allengs opnieuw ontwakende liefde en het somber -voorgevoel van den naderenden dood. Het is niet de winter met zijn -langen nacht, zijn koude en stormen, die hen drijft naar het land; zij -zijn bestand tegen de ruwheden van het noordsche klimaat, en gewoon hun -leven door te brengen op of onder de golven; ook is het niet de vrees -voor de dreigende tanden van roofzuchtige visschen, die hen jaagt naar -het strand; zij bezoeken het land, b.v. een eenzaam eiland, slechts -voor korten tijd om het gevederte weer eens voor goed van vet te -voorzien, beter dan zulks in het water kon geschieden. Maar wanneer met -de eerste stralen der nieuwe zon de liefde in dien kleinen vogelboezem -ontwaakt, dan ijlt jong en oud weder naar de plek, waar zij het -levenslicht voor ’t eerst aanschouwden, al scheiden ook duizenden -mijlen lucht en water hen van deze plaats, die vliegende of zwemmende -na korter of langer tijd bereikt wordt. En wanneer te midden van den -ijzigen winter, nadat de broedplaatsen reeds sedert maanden verlaten -zijn, een zeevogel den dood in het hart voelt, dan spoedt hij zich, zoo -lang zijn krachten hem niet begeven, voor ’t laatst naar de plek, waar -eens zijn wieg heeft gestaan. - -De jaarlijksche bijeenkomsten van tallooze scharen dezer vogels op de -broedplaatsen schenken aan deze maanden lang eene onbeschrijfelijke -bekoorlijkheid en levendigheid. Evenals de vogels zelf onderling -verscheiden zijn, heerscht er ook in deze vereenigingen het grootste -verschil. Ook is er verschil in de plaatsen, die zij bevolken. De -Noorman noemt ze vogelbergen. Terwijl sommige soorten alleen zulke -scheren uitkiezen, welke zich maar weinig boven den hoogsten waterstand -verheffen, en waar eene armoedige vegetatie schaars voldoende is om het -in een kuil van opgeworpen zeewier toebereide nest een weinig te -bekleeden, moeten anderen zulke eilanden voor lief nemen, die tot eene -hoogte van honderden meters steil uit de zee oprijzen en, of rijk zijn -aan uitstekende rotsen, lijsten, holen, spleten en dergelijke -schuilhoeken, of door eene dikke laag half vergane plantendeelen worden -bedekt. - -De lage scheren dragen in den volksmond, naar de daarop voorkomende en -door de Noren met bijzondere liefde beschermde vogels, voor hen de -nuttigste, den naam van „Eiderholme” d.i. eidereendheuvels. Onder -vogelbergen begrijpt men gemeenlijk de hoogere, steil uit de zee -oprijzende, voornamelijk door alken en meeuwen bewoonde eilanden. - -Hoe verleidelijk het ook voor den onderzoeker zijn moge, elken -afzonderlijken broedvogel der zee nauwkeuriger in ’t oog te vatten en -uitvoerig te schilderen, de rijkdom van de bevolking der vogelbergen in -het hooge noorden gebiedt hem eenige beperking. Ook ik moet mij, met -het oog op den tijd mij gegund, het genoegen ontzeggen, een volledig -beeld te ontwerpen van al die verschillende bergvogels; alleen acht ik -mij verplicht, van enkelen hunner de levenswijze vluchtig te schetsen, -ten einde eenige hoofdmomenten uit het leven der zeevogels onder de -aandacht te kunnen brengen. Hoe moeilijk de keuze ook zij, er is een -onder de vele vogels, die ieder jaar naar dezelfde broedplaats -terugkeeren om aan deze en de omgeving een ongemeenen luister bij te -zetten, die niet onopgemerkt mag blijven; ik bedoel den eidervogel. - -Drie verschillende soorten dezer prachtige eenden bewonen of bezoeken -Europa’s kusten; een dezer, de eidereend zelf, bezoekt elken zomer -zelfs de noordelijkste eilanden van Duitschland, vooral Sylt. Het -gevederte van al deze soorten is eene getrouwe weerspiegeling van de -noordelijke zeeën. De kleur is eene mengeling van zwart en rood, van -aschgrauw, ijsgroen, wit, bruin en geel. De eigenlijke eidereend, -alhoewel nog altijd een prachtige vogel, is echter de minst bedeelde, -wat schoonheid betreft. De nek en rug zijn wit, evenals het schuim der -zee; daarboven loopt een witte band over de vleugels en op de zijden -wordt ook nog een witte vlek aangetroffen. Krop en hals zijn als met -een rooskleurig waas overtogen, dat herinnert aan den gloed der -middernachtszon; een streep op de wangen bootst het teêre groen na van -gletscherijs; de borst, buik, vleugels, staart, onderrug en stuit zijn -zwart als de diepten des Oceaans. Echter bezit alleen het mannetje zulk -een pronkgewaad; het wijfje kleedt zich, evenals zulks het geval is bij -alle andere eendensoorten, veel eenvoudiger; toch ziet zij er in hare -huisjapon voornaam genoeg uit. Op een roestkleurigen, nu eens meer dan -eens minder in bruin overgaanden grond, zijn ontelbare overlangsche en -dwarse vlekken, strepen en krullen van zulk eene teederheid en -verscheidenheid uitgegoten, dat men geen woorden kan vinden om deze -teekening naar behooren te omschrijven. - -Geen andere eendensoort is zoo in den vollen zin des woords -zeebewoonster als de eidereend; geene waggelt moeilijker op het droge, -geene vliegt minder goed, geene zwemt vlugger, duikt beter en dieper -dan zij. Wel vijftig meter diep duikt zij, ter verkrijging van voedsel, -beneden ’t oppervlak der zee, en wel vijf minuten, een verbazend lange -tijd, zou zij onder water kunnen vertoeven. Vóór den aanvang van den -broeitijd verlaat zij de volle zee of in ’t geheel niet, of slechts bij -zeldzame uitzondering, meer hare luimen dan de noodzakelijkheid -volgende. Reeds tegen ’t einde van den winter hebben de scharen, waarin -ook deze soort zich vereenigt, zich verdeeld in afzonderlijke paren, -terwijl nog alleen die mannetjes, wien ’t niet gelukte zich een wijfje -te verwerven, in kleine troepen blijven rondzwemmen. - -Onder de beide echtgenooten heerscht de gelukkigste eendracht. Slechts -één wil, ongetwijfeld die der eend, geeft den toon aan voor beider doen -en laten. Verheft zich het wijfje boven den waterspiegel om al -vliegende eenige honderden meters af te leggen, zoo volgt haar -onmiddellijk de woerd; duikt de eerste, terstond verdwijnt ook de -laatste; waarheen ook het wijfje zich begeven moge, het mannetje volgt -getrouw; al wat zij doet strookt ook met zijn inzichten en begeerten. -Nog steeds toeft het paar daar buiten op de zee, al zij het dan ook -enkel op zulke plaatsen, alwaar de diepte die van vijftig meter niet te -boven gaat, en altijd slechts daar, waar de gewone en andere soorten -van mosselen in rijke menigte de rotsen of den zeebodem bedekken. Deze -weekdieren toch vormen bijna uitsluitend het voedsel onzer eenden, en -om die mossels te bemachtigen duiken zij zoo diep; maar ook vrijwaren -deze weekdieren haar voor het gebrek, dat zoo dikwijls het deel is van -vele andere soorten. - -In April, allerlaatst in ’t begin van Mei naderen de paren al meer en -meer den gordel van klippen en daarmede ook de kust. In het hart der -eend ontkiemt de moederzorg, en aan deze wordt nu alles ondergeschikt. -Daarbuiten in de open zee was het paartje zoo schuw, dat het nimmer de -nadering van een vaartuig afwachtte, en den mensch, waar deze zich ook -mocht vertoonen, meer vreesde dan elk ander schepsel; nu, in de -nabijheid der eilanden heeft er eene algeheele omkeering in dat gedrag -plaats. Slechts gehoor gevende aan haar moederlijk gevoel, zwemt de -eend op een der eilanden af; zonder verder op den mensch te letten -waggelt zij landwaarts. De woerd volgt, echter niet zoo onbezorgd als -zij, en gedurig klinkt zijn waarschuwend „ahoea, ahoea”; nu en dan -houdt hij zijn tred in, soms stilstaande als om na te denken, en dan -weder voorwaarts zwemmende. De eend daarentegen bekommert zich om niets -en marcheert moedig over het eiland om zich eene geschikte broedplaats -uit te zoeken. Eigenzinnig als zij is, stelt zij zich niet tevreden met -den eersten den besten hoop wier, dien de vloed op het strand wierp, of -met den kleinen vlierstruik, wiens langs den grond kruipende twijgen -eene veilige schuilplaats aanbieden, of met de halfgebroken kist, die -de eigenaar des eilands opzettelijk daarheen bracht om tot beschutting -te dienen, of met de takkenbosschen, die hij, om de vogels te lokken, -bijeendroeg; zij nadert, zonder van vrees te doen blijken, evenals een -huisdier, zelfs de woning van den eigenaar, gaat binnen, meet den -vloer, maakt het der huisvrouw lastig in keuken en woonvertrek, en -kiest wellicht, grillig en koppig, juist het binnenste van den oven -voor nestplaats uit, en dwingt daardoor de huisvrouw maanden lang haar -brood op een ander eiland te bakken. Met zichtbaren angst volgt haar de -trouwe woerd zoover mogelijk; wanneer zij echter naar zijne meening -alle veiligheidsmaatregelen geheel uit het oog verliest, en zich -verstout met de menschen onder één dak te willen wonen, tracht hij niet -langer hare luimen te bestrijden, maar laat haar eenvoudig begaan en -vliegt zelf naar de veilige zee, om hier met kloppend hart hare -dagelijksche bezoeken af te wachten. Onze eend laat zich daardoor niet -van streek brengen, maar sleept wat rijshout bijeen en staat gaarne -toe, dat de Noorman haar hierbij helpt; de stoffen, waaruit het nest -zal bestaan, takjes en zeewier, worden laagsgewijze gerangschikt; met -behulp der zwempooten wordt er een kuil in gegraven, en deze, terwijl -de eend onophoudelijk de gladde borst daarin ronddraait, effen en rond -gemaakt. Thans kan er begonnen worden met het bekleeden. Alleen om haar -kroost bedacht, plukt de eend zich de zoo uitermate weeke donsveêren -uit de borst en maakt hiervan een bed, dat den geheelen kuil vult. Van -boven wordt langs den rand insgelijks een krans van hetzelfde materiaal -gelegd, dat over de eieren zal gespreid worden, wanneer de eend het -nest soms een wijl moet verlaten. Nog vóór het nest inwendig geheel -gereed is, begint zij hare betrekkelijk kleine, gladschalige, vuil- of -grijsgroene eieren te leggen, wier aantal van zes tot acht, een enkele -maal meer of minder bedraagt. - -Dit oogenblik heeft de Noorman afgewacht. Eigenbaat, zelfzucht, maakten -hem tot den vriendelijken gastheer der eend. - -De gastheer verandert nu in een roover. Zonder bedenken maakt hij zich -meester niet alleen van de eieren, maar zelfs van het dons. - -Vier en twintig tot dertig nesten leveren een kilogram dons, ter waarde -van minstens achttien gulden, daar ter plaatse. - -Deze cijfers geven voldoende opheldering van het gedrag des Noormans. - -Met een treurig gemoed aanschouwt de eend deze vernietiging harer -verwachtingen voor dit jaar; ontsteld en verschrikt vliegt zij naar de -zee terug tot den haar wachtenden echtgenoot. Of deze haar nu ook nog -waarschuwende woorden toevoegt, kan ik niet zeggen; wel weet ik, dat -hij zijne gade spoedig troost in ’t hart stort. Nog is beider borst vol -lentelust en lentemoed; na weinige dagen waggelt het wijfje, als ware -er niets gebeurd, wederom over het land, ten einde opnieuw een nest te -bouwen. Waarschijnlijk vermijdt zij dezen keer de vorige plaats en -vergenoegt zich met den eersten den besten, nog niet geheel door -anderen ingenomen hoop zeewier. Opnieuw fatsoeneert zij een kuil, -opnieuw begint zij haar toilet te onderzoeken, ten einde de -donsbekleeding op te sporen. Helaas! hoeveel moeite zij zich geeft, hoe -zij den hals ook uitrekt en in allerlei slangvormige wendingen buigt—de -voorraad is uitgeput. Wanneer evenwel is eene moeder, al wandelde zij -ook in de gedaante eener eend over de aarde, ooit radeloos geweest, -waar het gold de zorg voor haar kroost? Ook onze eend verliest hare -bezinning niet. Heeft zij zelf geen dons meer, haar echtgenoot zal haar -bijstaan; deze heeft er nog genoeg aan borst en rug. Daarvoor dient hij -hier te zijn. En hoezeer hij misschien moge tegenstribbelen, hoe -levendig hem de herinnering aan vroegere jaren ook is bijgebleven, hij -is de man en zij de vrouw, d.w.z. hij moet gehoorzamen. Onbescheiden -plukt de bezorgde moeder hem in de veêren, en binnen weinige uren, -althans in minder dan twee dagen heeft zij hem even kaal geplukt als -zij zelf is. Dat na zoodanige behandeling de woerd, zoodra hij kan, de -volle zee opzoekt om nu eenige maanden alleen met zijns gelijken te -verkeeren, en zich om de broedende gade en het wordend kroost in ’t -geheel niet meer bekommert, vind ik zeer natuurlijk. En wanneer men -werkelijk, zooals op alle broedplaatsen het geval is, een woerd naast -eene eend ziet staan, dan is deze er ongetwijfeld een, die nog niet -geplukt werd. - -Onze eend broedt van nu aan zeer ijverig. En nu wordt het duidelijk, -dat hare huisjapon het meest geschikte, ik durf zeggen, het eenig -mogelijke gewaad is, dat zij dragen kan. In het wier, dat het nest -omgeeft, verdwijnt zij volkomen; zelfs voor het oog van valken en -zeearenden is zij onzichtbaar. Niet alleen harmonieert de algemeene -kleur van haar toilet met die van het uitgedroogde zeewier, maar elk -streepje, stipje en puntje is daarmede in overeenstemming. Ja, zoo -volkomen, dat de broedende vogel, zoodra hij zijn hals heeft -ingetrokken, en de vleugels een weinig heeft uitgespreid, als het ware -in de omgeving wordt opgenomen. Vele malen is ’t mij gebeurd, dat ik, -terwijl mijn geoefend jagers- en waarnemersoog over de eiderholmen -gleed, niet eer eene eidereend ontdekte, alvorens ik door het pikken -aan mijn laarzen er opmerkzaam op gemaakt werd. Wie de toewijding kent, -met welke eene eend broedt, zal er zich niet over verwonderen, dat men -de op het nest zittende vogels zoo nabij kan komen; maar wel wekt het -de verbazing, zelfs van den meest ervaringrijken onderzoeker, wanneer -hij hoort, dat de eidereend, zonder weg te vliegen, toelaat, dat men de -onder haar liggende eieren met de hand betast, ja, dat zij ongestoord -blijft voortbroeden, nadat men haar van het nest heeft afgenomen en -daarna er weder opgezet, of een eind van daar op den grond, om zich het -genot te verschaffen, haar weder naar het nest te zien waggelen. - -De moederlijke toewijding en de moederweelde der eend blijken uit meer. -Elke vrouwelijke eidereend, misschien iedere eend in ’t algemeen, -streeft niet enkel naar het geluk kinderen op te voeden, maar zij wil -haar moederoog doen rusten op een zoo talrijk mogelijke schaar. Deze -aandrift heeft ten gevolge, dat zij andere, dicht bij haar broedende -eenden zooveel benadeelt als zij maar kan. - -Hoe ijverig zij ook broedt, eenmaal elken dag moet zij het nest -verlaten, vooreerst om zich van voedsel te voorzien, en tevens om haar -gevederte, dat tengevolge van de warmte, die zich onder het broeden -ontwikkelt, niet weinig lijdt, te reinigen, in te vetten en op te -strijken. Terwijl zij een wantrouwenden blik werpt op haar buurvrouwen, -staat zij in de eerste voormiddaguren op,—misschien werd zij reeds -geruimen tijd door een fellen honger gekweld,—plaatst zich aan den rand -van het nest en schuift met den snavel den krans van dons over de -eieren. Is dit geschied, dan vliegt zij ijlings naar zee, duikt -herhaalde malen in de diepte, vult haastig krop en slokdarm tot de keel -met mosselen, baadt en poetst zich, smeert zich de veêren in, keert -naar het land terug, terwijl zij onderweg nog gedurig de veêren droogt -en glad strijkt, en bereikt haar nest. De twee buurvrouwen zitten -oogenschijnlijk even zorgeloos en onschuldig op het nest als straks, -maar hebben ondertusschen diefstal gepleegd. Zoodra de eerste -uitgevlogen was, was een der anderen opgestaan, had het donzen dek -opgelicht en met de beide roeipooten snel één, twee, drie, vier eieren -uit het vreemde nest naar haar eigen gerold; daarna heeft zij het -eerste nest weder zorgvuldig toegedekt, en gelukkig in haar -onrechtmatig bezit, zich weer te broeden gezet. De teruggekeerde eend -heeft ras ontdekt wat er in haar afwezigheid gebeurd is, doch laat -niets merken; zij zet zich weer rustig aan ’t broeden en denkt -ondertusschen: „wacht maar buurvrouw, je zult ook wel eens uitvliegen -en wat je mij nu hebt gedaan, doe ik jou dan.” En zoo wandelen de -eieren der eidereenden gedurig van het eene nest in het andere. Of -echter haar eigen kinderen of vreemde onder de gelukkige moederborst -tot rijpheid komen, zulks schijnt der eidereend onverschillig te -zijn;—het zijn immers toch kinderen! - -Zes en twintig dagen broedt de eend, alvorens de kuikens uitkomen. De -Noorman, die verstandig te werk gaat, laat haar ditmaal begaan en -stoort haar niet alleen niet, maar helpt haar zooveel hij kan, door -alle vijanden en onruststokers zooveel mogelijk van het eiland af te -houden. Hij kent zijn eenden, zoo niet persoonlijk, dan toch in -zooverre, dat hij weet, wanneer ongeveer deze of die met broeden gedaan -heeft en met hare kuikenschaar den weg naar zee zal aanvaarden. Die weg -strekt velen jongen eenden, op wie geen genoegzaam toezicht wordt -gehouden, onverwachts ten verderve. - -Niet alleen de op het eiland broedende of daar toevallig aanwezige -valken, maar ook en nog meer raven, roofmeeuwen en groote zeemeeuwen -beloeren den eersten uitgang der eendenkuikens, overvallen deze op dien -tocht en rooven er velen weg. - -De patroon van het eiland tracht zulks te verhinderen en wel op eene -wijze, die kenschetsend is voor de anders zoo wilde en schuwe, maar -onder het broeden bijna in huisdieren veranderde eidervogels. Tegen het -einde van den broedtijd wandelt hij elken morgen over het eiland om de -moeders behulpzaam te zijn en den tweeden donsoogst in te zamelen. Op -zijn rug hangt een draagkorf, aan den eenen arm een wijde handkorf. Zoo -wandelt hij van het eene nest naar het andere, beurt elke eend op, en -onderzoekt of de kuikens uit den dop zijn en voldoende droog zijn -geworden. Is zulks het geval, dan pakt hij het geheele krabbelende -gezelschap in zijn handkorf, ontdoet het nest van het dons en bergt dit -in den draagkorf, om daarna verder te gaan. Vertrouwelijk waggelt de -eend meê en volgt haar piepende jongen. Een tweede, derde, tiende nest -wordt insgelijks geledigd en zoolang wordt de arbeid in ’t algemeen -voortgezet, totdat de handkorf vol is. De eene moeder na de andere -sluit zich aan het gevolg aan, onderweg van gedachten wisselende met -hare medelijderessen. Aan het strand gekomen schudt de man den inhoud -der mand eenvoudig in de zee uit. Dadelijk storten alle eenden in het -water, haar kroost na; roepende en alle teederheid der moederliefde -ontvouwende, zwemmen zij te midden der kleine schare, en ieder zoekt -zooveel kinderen mogelijk te bemachtigen. Met blijkbaren trots zwemt er -hier eene, die een lang gevolg na zich sleept; maar reeds zwemt een -tweede dwars door dien keten om er zich sommigen van toe te eigenen, -terwijl een derde eend nadert met het doel ook voor zich zooveel -kuikens machtig te worden, als zij maar kan. Zoo zwemmen alle moeders -snaterend, roepend, kwakend en lokkend dooreen, tot eindelijk ieder -harer een troep kuikens achter zich heeft; of deze haar eigen kinderen -of vreemden zijn, wie zal het zeggen? De eend zelf weet het -ongetwijfeld evenmin, maar haar moederweelde lijdt er niet onder; het -zijn immers allen kinderen, die achter haar zwemmen. - -In elk geval, eene op deze wijze bijeenverzamelde schare volgt reeds in -de eerste levensuren getrouw het voorbeeld der moeder of pleegmoeder. -Deze brengt de kuikens al dadelijk naar zulke plaatsen, alwaar de -mosselen tot op de hoogte der laag-waterlijn op de rotsen zitten, plukt -er zooveel als voor haar zelf en haar gezin voldoende is, breekt de -kleinste schalen open en zet den inhoud haar kinderen voor. Deze kunnen -reeds dadelijk zwemmen en duiken, en in één opzicht overtreffen zij -zelfs hunne ouders, n.l. hierin, dat zij zich veel gemakkelijker en -vlugger op het land bewegen. Worden nu de kuikens in de nabijheid van -een eiland vermoeid, dan geleidt de moeder hen naar het land; zij -rennen nu als jonge patrijsjes voort, verstaan echter meesterlijk de -kunst om, als zich de noodkreet der moeder laat hooren, neêr te hurken -en zich daardoor zoo onzichtbaar te maken, dat zij zelfs voor het -scherpstziend oog verborgen blijven; worden zij vermoeid, wanneer zij -zich al te ver van de scheren verwijderd hebben, dan breidt de oude -haar vleugels uit en biedt deze, alsmede haar rug den kleinen tot rust- -en zitplaats. Daar gebrek hun onbekend is, groeien zij verbazend snel, -en na verloop van twee maanden hebben zij bijna de grootte en in elk -geval alle bekwaamheden en talenten der moeder erlangd. - -Nu komt ook de vader weder te voorschijn, om van nu aan met de familie -vereenigd, meestal in gezelschap van meerdere families, soms een schaar -vormende, uit duizenden individuen samengesteld, gezamenlijk den winter -door te brengen. - -De hooge, ieder jaar nog stijgende prijs van het prachtige dons, maakt -den eidervogel tot den meest kostbaren van alle bergvogels. Duizend -paar eidereenden zijn een niet te versmaden rijkdom. Op de meeste -eiderholmen broeden echter minstens drie à vier duizend paar, en de -eigenaar van nog drukker bezochte broedplaatsen trekt van deze vogels -een inkomen, dat menig grondeigenaar ten onzent hem benijden zou. - -Behalve eidereenden broeden op de holmen ook nog oestervisschers of -scholeksters en zeekoeten, aan welke vogels men insgelijks de eieren -ontrooft, die maanden lang op allerlei wijzen als voedsel worden -gebruikt en naar oost en west verzonden. - -Een enkele maal worden de jongen ingezouten om in den winter tot -voedsel te dienen, en zoo zijn, gelijk men ziet, de holmen te -vergelijken met akkers, die een rijken oogst opleveren; zij staan -diensvolgens onder streng toezicht en worden door bijzondere wetten -beschermd. - -Eigenaardig en boeiend tevens is het tooneel, dat een door eidereenden -en andere zeevogels bewoond eiland oplevert. Een meer of minder dichte -wolk van verblindend witte meeuwen omhult het eiland. Zonder -tusschenpoos vliegen troepen en zwermen dezer broedvogels af en aan, nu -naar het eiland toe, dan weder in de richting der zee. Ook bezoeken zij -wel de naburige scheren en schenken dan een ongemeenen tooi aan de in -groene grasvelden omgevormde moerassen, waarachter zich de roode -blokhuizen verheffen. Met billijken trots wees eens een bewoner der -Lofoden op eenige honderden stormmeeuwen, die in dichte troepen vlak -voor zijn huis naar insecten zochten. „Ons land is te arm, te koud en -te ruw dan dat wij er, evenals in het zuiden, huisvogels op na kunnen -houden. De zee schenkt ons echter duiven en ik vraag u hebt gij wel -ooit iets schooners gezien?” Ik moest een ontkennend antwoord op deze -vraag geven; want de blinkend witte en fijn blauwgrijze meeuwen -teekenden zich te midden van de grootsche omgeving eener noordelijke -bergstreek zoo heerlijk tegen het mollige, groene gras af, dat dit -schouwspel inderdaad aantrekkelijk mocht heeten. Deze meeuwen zijn het, -die bovenal de broedholmen reeds van verre als zoodanig in het oog doen -vallen, waardoor deze zich onderscheiden van andere, overigens er -eveneens uitziende scheren. Van de overige gevederde bevolking merkt -men weinig, ofschoon haar aantal duizenden bedraagt. - -Eerst wanneer men in een dier lichte, onverbeterlijke booten van dit -land van den bewoonden oever stoot en naar den holm toestuurt, dan -verandert het stille leven der vogels. Eenige scholeksters, die -onmiddellijk boven het hoog waterpeil hun voedsel zochten, hebben de -boot bemerkt en vliegen er ijlings heen. Want deze vogels, die op geen -der grootere eilanden, zelfs bijna op geen enkele scheer ontbreken, -zijn de veiligheidsbeambten, de politie-agenten onder de vreedzaam -vereenigde bergvogels. Nieuwsgieriger en bedrijviger dan alle andere, -mij bekende strandvogels, zelfbewust, voorzichtig en bedachtzaam, -vereenigen zij alle eigenschappen in zich om tot toongevers te worden -in gemengde koloniën. Elke nieuwe, ongewone gebeurtenis wekt hen op een -onderzoek in te stellen. Zoo vliegen zij elke boot te gemoet, omzwermen -deze van vijf tot zes malen in steeds nauwer wordende kringen, laten -daarbij een onafgebroken geschreeuw hooren, lokken hierdoor andere -individuen hunner eigene soort en wekken de opmerkzaamheid van alle -verstandige vogels der kolonie. - -Hebben zij zich overtuigd, dat er wezenlijk gevaar bestaat, dan vliegen -zij schielijk terug, en geven door een waarschuwend geluid zulks te -kennen aan alle bergvogels, die dit begeeren te weten en die er dan ook -werkelijk notitie van nemen. Eenige meeuwen besluiten thans zich in elk -geval door een persoonlijk onderzoek van de oorzaak der stoornis te -overtuigen. Vijf of zes dezer vogels vliegen de boot tegemoet, stellen -zich in de lucht evenals valken op, stooten misschien reeds nu -stoutmoedig op de indringers en keeren sneller dan zij gekomen waren -naar den holm terug. - -Net alsof men geen vertrouwen in deze boodschappers stelde, verheft -zich nu een dubbel, drie-, vier-, tienvoudig aantal om eveneens te -handelen zoo als de eerste verspieders hebben gedaan. Reeds strijkt -eene dichte laag vogels over de boot. Deze wolk wordt al dichter en -dichter en neemt een steeds dreigender aanzien aan, daar de vogels niet -alleen met steeds aangroeiende koenheid op de schepelingen stooten, -maar daarbij stoffen op hen laten vallen, die aangezicht en -kleedingstukken een minder sierlijk uiterlijk verleenen. In de -nabijheid van het eiland klimt de opgewondenheid tot eene zinnelooze -razernij, het geschreeuw van enkelen wordt tot een geloei van -duizenden. Nog voor de boot geland is, zijn de mannelijke eidervogels, -die een bezoek aan de (broedende) wijfjes hebben gebracht, naar het -strand teruggewaggeld en zwemmen thans onder een waarschuwend geroep -van: „ahoea, ahoea,” in zee. Aalscholvers en zaagbekken volgen; de -scholeksters, plevieren, alken, eidervogels, meeuwen en zeezwaluwen, -alsmede de rotspiepers en kwikstaarten, voor zooverre deze aanwezig -mochten zijn, kunnen evenwel niet besluiten het eiland te verlaten. -Maar de loopvogels rennen als door den duivel vervolgd, in groote -troepen het strand op en neêr: de alken, die al schuivende tegen -hellende rotsblokken zijn opgeklauterd, leggen zich plat neder en -kijken, van geen kwaad bewust, den vreemdeling verwonderd aan; de -eidereenden maken zich gereed om zich op het rechte oogenblik op de -haar eigenaardige wijze onzichtbaar te maken. - -De boot landt. Men betreedt den holm. Duizenden krijschende stemmen -gaan gelijktijdig op; de uit vliegende vogels gevormde wolk wordt elk -oogenblik dichter en ondoorschijnender; honderden van broedende meeuwen -vliegen krijschende op om zich bij de vliegende soortgenooten te -voegen; dozijnen scholeksters laten almede een luid gegil hooren, en de -verwarring der zich bewegende, het geschreeuw der krassende, roepende -vogels wordt zoo oorverdoovend, dat men meent op den Bloksberg -verplaatst te zijn te midden van het gewoel en gejoel van den -heksendans. - - - Hoort gij stemmen in de hoogte, - Stemmen in de verte en van nabij? - Langs den geheelen berg - Trillen de woeste tooverliederen. - - -Die woorden van Mephisto worden tot waarheid. Het alarm en geraas, de -toovercirkel van vormen en tonen vermoeien alle zintuigen; het wordt -groen en blauw voor de oogen, het suist en bruist in de ooren, men kan -eindelijk geen tonen en kleuren meer onderscheiden en wordt zelfs -ongevoelig voor den meest doordringenden reuk. - -Werwaarts men zich wenden moge, op het geheele eiland is men aan allen -kant omgeven door dezelfde wolk; men ziet niets dan vogels, en wanneer -duizenden zich neêrzetten om te rusten, zijn weder duizend anderen -opgevlogen, terwijl hunne bezorgdheid en angst om hun kroost hen hun -eigen hulpeloosheid vergeten doet en hun moed schenkt tot een aanval op -de indringers, voor dezen wel is waar niet gevaarlijk, maar toch -lastig. - -Geheel verschillend van dit onschuldig spel op de holmen is het -tafereel, dat een met zilvermeeuwen, haringmeeuwen of mantelmeeuwen -bezet eiland aanbiedt. - -Ook deze vogels betrekken, als zij broeden willen, bij groote troepen -bepaalde eilanden; honderdtallen van paren voegen zich bij andere -honderdtallen, zoodat een enkel eiland soms bevolkt wordt door drie tot -vijfduizend paren. Zulk een eiland levert voor het oog een even schoon -en imposant schouwspel op als een eiderholm. De groote, schitterend -witte, of helder en donkergrijs gekleurde gedaanten teekenen zich -sierlijk tegen de omgeving af en hare bewegingen worden gekenmerkt door -de gewone bevalligheid, aan alle meeuwen eigen. Maar toch, deze sterke, -krachtige en roofzuchtige vogels zijn wel gezellige, maar geenszins -vredelievende geburen. Het eene lid der kolonie vertrouwt het andere -niet. Ieder afzonderlijk paar leeft op zich zelf, paalt zich een eigen, -hoewel bescheiden, broedgebied af, en duldt daarin geen ander; ook -verlaten mannetje en wijfje nimmer gelijktijdig het nest, en wordt dit -door een overmachtigen vijand bedreigd, dan keert het uitgevlogen lid -van ’t echtpaar zoo spoedig mogelijk naar huis en hof terug, om deze -tegen den aanval van eigen stamgenooten te verdedigen. - -Minder rumoerig, maar geenszins minder grootsch is het leven op de -eigenlijke „vogelbergen”, daar, waar alken, lommen en papegaaiduikers -broeden, en hoogstens een enkele meeuw of aalscholver zich hier of daar -heeft genesteld. Het zij mij vergund een dezer vogelbergen te -schilderen. - -In het noorden der groote, tot de groep der Lofoden behoorende eilanden -liggen, ongeveer driehonderd meter van het strand verwijderd, drie -koepelvormige rotseilanden, de Nyken, die steil uit de zee omhoog -rijzen, zich zoowat honderd meter boven den zeespiegel verheffen en -door een kring van kleine scheren omgeven worden. Een dezer rotskegels -is een vogelberg, die in majesteit zijns gelijken niet heeft. - -Het was op een heerlijken zomerdag, toen wij ons gereed maakten dit -eiland te bezoeken; de zee was effener en kalmer dan ooit, de hemel -helder en blauw, de lucht warm en aangenaam. Krachtige Noormannen -roeiden onze lichte boot dwars tusschen tallooze scheren door. -Werwaarts het oog schouwde, overal trof het op vogels. Bijna elke -steen, die boven de wateren uitstak, was bezield. Sommige waren wit van -den drek der aalscholvers, die daar geregeld enkele uren van den dag -vertoefden om te rusten. In rijen opgesteld, evenals soldaten, zaten -zij bij tientallen, twintigen en honderden bijeen, in de -wonderbaarlijkste houdingen, met uitgestrekten hals en uitgespreide -vleugels, als om elk gedeelte des lichaams aan de weldadige zonnewarmte -bloot te stellen; klapwiekende als wilden zij elkander koelte -toewaaien, terwijl zij daarbij het opmerkzaam oog naar alle kanten -richtten. Met dof gehuil stortten zij zich bij onze aankomst op plompe -wijze in zee, nu al zwemmende en duikende den spot drijvende met onze -pogingen om hen nabij te komen. Andere scheren waren bedekt met -meeuwen, altijd in troepen van honderden en duizenden van dezelfde -soort, eveneens van mannelijke vogels, die van het een of ander -eidereiland waren afgedwaald om zich naar mannenaard te vermaken, -terwijl de wijfjes daar ginds ijverig zitten broeden. Om andere -rotseilanden hadden de schitterende eidereenden, misschien wel geplukte -mannetjes, zich geschaard, plaatselijk kringen vormende, te vergelijken -bij de groote, witte waterlelies onzer stilstaande poelen. - -In de matig diepe sonten zag men visschende zaagbekken en zeeduikers, -die beurtelings een gillenden kreet lieten hooren, een geschreeuw, zoo -lang gerekt en zoo verschillend geuit, dat men het bijna een zingen zou -kunnen noemen, ware het niet een wilde melodie, zooals alleen een kind -der Noordelijke zeeën kan voordragen, dat het huilen en bruisen der -winterstormen heeft beluisterd en den dreunenden golfslag. Trots als -een vorst op zijn troon, zat hier en ginds een zeearend, de schrik van -alle gevleugelde wezens des Oceaans, misschien wel een geheel -gezelschap dezer roovers, uitrustende van een overvloedigen maaltijd; -pijlsnel doorvloog de jachtvalk, die zijn nest bevestigt aan een der -steilste rotswanden, zijn mijlenlang gebied; jolige stormmeeuwen en -drieteenige meeuwen, visschende zeezwaluwen vlogen heen en weder; -scholeksters begroetten ons met hunne trillende tonen; alken en lommen -verschenen en verdwenen, duikende en weder boven komende, om ons heen. - -Te midden van dit gezelschap roeiden wij verder. Nadat wij ongeveer -tien zeemijlen afgelegd hadden, kwamen wij in het bereik van de zwermen -der Nyken. Werwaarts wij ook onzen blik wendden, overal zagen wij -eenige der tijdelijke bewoners van het eilandje visschen, duiken, door -onze boot verschrikt, opvliegen, en zoo dicht over de oppervlakte der -zee strijken, dat hun pooten de toppen der golven raakten. Wij zagen -vluchten van dertig, veertig, tot honderd stuks, die of van den „berg” -afkwamen of er naar terugkeerden, zoodat wij er niet aan konden -twijfelen, of wij naderden een sterk bevolkt rijk. Maar men had ons van -millioenen broedende vogels gesproken.... en van millioenen was nog -niet veel te ontdekken. - -Eindelijk, na een vooruitspringende rots omgeroeid te zijn, lag de Nyke -voor ons. Rondom ons trof het oog in de zee op zwarte, aan den voet des -„bergs” op witte punten. De eerste waren ordeloos verspreid, de laatste -in rijen of scherp begrensde troepen geschaard; die in de zee waren -zwemmende, met kop, hals en nek boven de oppervlakte uitstekende, die -op den „berg” zittende, met de witte borst naar zee gekeerde alken. Hun -aantal bedroeg duizenden, maar geen millioenen. - -Nadat wij op het tegenover ons liggende eiland geland waren en ons in -het huis van den eigenaar hadden versterkt, voeren wij naar het andere -over, sprongen op eene niet te zeer door de branding geteisterde plek -op de klip en klauterden nu zoo spoedig mogelijk naar het veendek -omhoog, dat de geheele Nyke, uitgezonderd enkele spleten, uitsteeksels -en hoeken, bedekt. Hier ontdekten wij al aanstonds, dat de veenlaag -overal vol was van broedkuilen, niet ongelijk aan onze konijnenholen, -terwijl er op den geheelen „berg” geen enkel plaatsje ter grootte van -een tafelblad zonder zulk eene opening was. - -In eene schroeflijn trokken wij, meer klauterende dan loopende, naar -den top. De omgewoelde veengrond trilde onder onze voeten. En uit alle -holen keken, kropen, gleden en vlogen de van boven leikleurige, op -borst en buik schitterend wit getinte, met fantastische snavels en -gezichten, korte, smalle, spitse vleugels en korte staartjes voorziene -vogels, die allen de grootte hadden eener tamelijk groote duif. Uit -alle gaten kwamen zij te voorschijn; uit alle scheuren en spleten der -rots. Waarheen men den blik wendde, het oog zag vogels en niets anders -dan vogels, terwijl een zacht, dreunend geknars, het tot één geluid -vereenigde gezamenlijk geschreeuw dezer vogels onze ooren trof. Bij -elke schrede kwamen nieuwe scharen uit de ingewanden der aarde te -voorschijn. Troepen verheffen zich in de lucht en vliegen van den -„berg” naar zee; nog grootere troepen ijlen van de zee naar den „berg.” -De dozijnen worden tot honderden, de honderden groeien aan tot -duizenden, en honderdduizenden ontgroeien voortdurend aan den bruinen -grond. Eene wolk, niet minder dicht als die, welke wij op den holm -aanschouwden, omhult ons, omhult den ganschen berg, zoodat deze, als -door een tooverstaf aangeraakt, in een reusachtigen bijenkorf is -herschapen, omzwermd door niet minder reusachtige, gonzende, kweelende, -dartelende bijen. - -Naarmate wij verder gingen nam het schouwspel steeds grootscher -karakter aan. De geheele berg leefde. Honderdduizendtallen van oogen -keken ons indringers aan. Uit alle verstekken en hoeken, uit alle -reten, holen, uitstekende punten en gaten rollen zij te voorschijn; -overal, aan de rechter- en linkerhand, boven en beneden ons, in de -lucht en op den grond wemelt het van vogels. Van de hellingen zoowel -als van den top des „bergs” storten zij zich bij duizendtallen in de -zee; hun aantal is zoo groot, dat zij voor het oog een vaste massa -schijnen. Duizenden kwamen, duizenden gingen, duizenden zaten, -duizenden huppelden, door vleugelslagen gesteund, op de vreemdste wijze -vooruit; honderdduizenden vlogen, honderdduizenden zwommen en doken, en -nieuwe honderdduizendtallen wachtten slechts op onze voetstappen, die -ook hen verschrikt zouden doen opvliegen. - -Het wemelde, kweelde, ruischte, danste, vloog, kroop om ons heen, dat -ons hooren en zien verging, en zelfs de geoefendste schutter was niet -in staat onder deze duizenden vogels een welgelukt schot te doen. Als -verdoofd en buiten ons zelf gingen wij verder, totdat eindelijk de top -bereikt was. Onze hoop, hier tot ons zelf te komen, hier de rust te -herwinnen, werd aanvankelijk niet bevredigd. Ook hier hetzelfde gewoel, -hier op den top gelijke beweging als daar beneden, ook hier zijn wij -omgeven door eene dichte wolk, die ons nauwelijks toestaat de zee in de -verte in een dommelig, nevelachtig licht te zien oprijzen. - -Daar verandert plotseling het tooneel; een paar jachtvalken, die hun -nest aan gindschen rotswand hadden opgehangen, hebben gespeurd wat hier -voorvalt. Voor ons koesterden de alken, lommen en papegaaiduikers geen -vrees, maar niet zoodra bemerken zij den hun welbekenden en -onweêrstaanbaren vijand, of bliksemsnel scheurt de wolk, daalt in zee, -en de blik is vrij. Ontelbare zwarte stippen, de koppen der zwemmende -vogels, die scherp zich afteekenen tegen het water, verbreken den -groenen sluier, die de golven dekt. Hun aantal is zoo groot, dat wij -van den 100 meter hoogen top, waar wij staan, niet kunnen zien, waar de -zwerm ophoudt, of waar de zee vrij is van vogels. Ten einde dat getal -eenigszins te schatten, vatte ik een kleine vierkante ruimte in ’t oog -en begon de stippen te tellen; ik verkreeg er meer dan honderd. Nu -schikte ik in mijn gedachten schielijk dergelijke vierkanten aan elkaar -en kwam tot duizenden. Maar ik had vele duizenden dezer kwadraatjes -kunnen vormen en dan was de ruimte, welke de vogels innamen, nog niet -bezet. De millioenen, waarvan men mij gesproken had, waren werkelijk -voorhanden. Enkele oogenblikken vertoonde het aanschouwde tooneel het -beeld der rust. Maar kort daarop begonnen de vogels weer op te vliegen, -en gelijk te voren stegen weder honderdduizenden op hetzelfde tijdstip -uit het vloeibare element omhoog, om den „berg” op te klauteren; gelijk -te voren werd alles omgeven door eene dichte wolk, en gelijk straks -verloren wij weder onze bezinning. Niet in staat om nog iets te zien, -verdoofd door het onbeschrijfelijk gedruisch om mij heen, wierp ik mij -op den grond; de vogels kwamen van alle kanten aanstroomen. Nog altijd -kropen er nieuwe uit de holen en keerden anderen daarin terug, die -vroeger door ons waren opgeschrikt; zij streken naast mij neder; met -levendige verbazing aanschouwden zij de vreemde gedaante beneden zich; -schommelend traden zij nader en waren nu zoo dicht bij mij, dat ik de -hand kon uitstrekken om ze te grijpen. Schoonheid en levenslust -straalde uit elke beweging der afzonderlijke vogels. Met verbazing zag -ik, hoe stijf en koud zelfs de beste afbeeldingen zijn, want ik -bemerkte eene bedrijvigheid en eene levendigheid in deze vreemde -gedaanten, die ik niet bij haar verwacht had. Geen oogenblik zaten zij -stil en althans kop en hals werden zonder ophouden heen en weer -bewogen, en hare omtrekken verkregen waarlijk architectonische lijnen. -Het was alsof de onbezorgdheid, waarmede ik mij aan mijn waarnemingen -overgaf, door onbepaald vertrouwen van de zijde der vogels beloond -werd. Ik verkeerde met de duizenden om mij heen, alsof zij huisdieren -waren, en de millioenen verwaardigden mij ten laatste met niet meer -opmerkzaamheid dan wanneer ik huns gelijke ware geweest. - -Achttien uren toefde ik op dezen vogelberg, ten einde het leven der -alken te leeren kennen. Toen de middernachtszon groot en bloedrood aan -den hemel stond en haar rooskleurig licht ook op de hellingen onzer -bergen wierp, brak de tijd van rust aan, die ook in het hooge noorden -den middernacht vergezelt. De zee, die de „bergen” omspoelt is -verlaten; alle vogels, die daarin vischten en zwommen, zijn naar de -„bergen” verhuisd. Hier zaten zij nu, waar nog maar een plaatsje te -bemachtigen viel, in rijen van tien, honderd, duizend, honderdduizend -stuks, in schitterend witte rijen, daar allen de borst naar zee hebben -gericht. Hun „arr” en „err”, dat in weerwil van de weinige kracht der -afzonderlijke stemmen, onze ooren verdoofde, was nu verstomd, en -slechts de branding, die daar beneden tegen de klippen brak, ruischte -en klonk voortdurend naar ons omhoog. Eerst nadat de zon weder hooger -was gestegen, begon het oude, verwarde bedrijf opnieuw, en toen wij -eindelijk, op onze terugreis, langs denzelfden weg daalden, dien wij -straks waren opgeklommen, werden wij nogmaals ingesloten door de dichte -wolk der opgeschrikte dieren. - -De alken boeien niet enkel door hunne talrijkheid; ook hun leven, hun -doen en laten heeft veel aantrekkelijks. - -Hunne sociale deugden ontwikkelen zich gedurende den broedtijd tot eene -ongekende hoogte. Als volmaakte zeevogels leven alle alken tot den -aanvang van dat tijdstip uitsluitend op de hooge zee, ongeacht den -strengsten winter en den woedendsten storm. - -Ook in den langen winternacht verlaten zij, hetzij dan hoogst zeldzaam, -hunne noordsche woonplaats niet, maar zwerven bij scharen en vluchten -van eenige honderden of duizenden van het eene vischwater naar het -andere en weten alle opene plaatsen tusschen het ijs even zeker te -vinden als ander voedsel aanbiedende plaatsen verre in den Oceaan. -Wanneer echter de zon weêr hooger rijst, dan wordt er een machtig -gevoel in hen gewekt: het gevoel der liefde, om zoo spoedig mogelijk -den „berg” te bereiken, waar eens hun eigen wiegje heeft gestaan. -Ongeveer tegen Paschen trekken allen, meer zwemmende dan vliegende, -naar den „berg.” Nu zijn er echter onder de alken alweder meer -mannetjes dan wijfjes, zoodat niet elk der eersten zoo gelukkig is eene -echtvriendin te verwerven. - -Bij andere vogels geeft deze wanverhouding aanleiding tot een -voortdurenden strijd; onder de lommen wordt de vrede niet gestoord. De -beklagenswaardige wezens, die wij onder de menschen oude vrijers -noemen, wandelen samen met de gelukkige, onderweg elkander liefkoozende -paren naar den „berg,” vliegen met deze naar de hoogte en trekken met -hen op de jacht naar de naburige zee. Zoodra het weder zulks toelaat -beginnen de paartjes de oude holen weder te herstellen, te ruimen, te -verdiepen; de kamers worden vergroot en zoo noodig worden er nieuwe -broedplaatsen uitgegraven. Is alles gereed, dan legt het wijfje op den -kalen grond der aan het achtereind uitgeholde broedkamer haar eenig, -maar zeer groot, tolvormig, bontgestippeld ei en begint nu afwisselend -met het mannetje te broeden. Voor de arme jonggezellen breekt nu een -treurige tijd aan. Ook zij zouden zoo gaarne vaderzorgen op zich nemen, -wanneer zij slechts de gade konden vinden, die hen daarmede zou willen -belasten. Maar alle wijfjes zijn weg, en aan vrijen valt dus niet meer -te denken. Toch zullen zij hun goeden wil toonen, en nemen daarom de -vrijheid zich als huisvrienden bij de gelukkige paartjes aan te bieden. -Wanneer in de uren om middernacht het wijfje op of eigenlijk in het -nest zit te broeden, terwijl het mannetje daar buiten de wacht heeft, -houden zij dit laatste gezelschap, en wanneer het mannetje het wijfje -aflost, wanneer dit in zee gaat visschen, houden onze ongetrouwde -jongelui daar buiten de wacht, evenals vroeger het mannetje zulks deed. -Maar, wanneer beide ouders tegelijk naar zee zijn gevlogen, dan haasten -zij zich althans eenig loon voor hunne moeite in te oogsten. Onverwijld -glijden zij in het nest en houden het ei, dat verlaten daar ligt, warm. - -De arme schepsels, die tot den ongehuwden staat zijn veroordeeld, -willen ten minste ook eens een oogenblik broeden! - -Deze onbaatzuchtige liefde heeft een gevolg, waarom wij menschen de -alken zouden kunnen benijden. Op de „bergen,” welke deze dieren -bewonen, kent men geen weezen. - -Verongelukt er een mannetje, de weduwe heeft er terstond een weder, en -mocht het zeldzame geval zich voordoen, dat beide ouders tegelijk hun -leven verloren, dan zijn de goedhartige overtolligen terstond bereid -het ei goed uit te broeden en de jongen op te voeden. Deze laatsten -bieden nogal menig punt van verschil aan met die der meeuwen en eenden. -Het alkenkuiken is nestvast. - -Het komt in een dicht, grijsachtig donskleed gehuld uit het ei, en moet -nu nog eenige weken in de nestholte doorbrengen, alvorens het in staat -is voor ’t eerst naar zee uit te vliegen. En, zooals de vele lijken op -de klippen aan den voet der „bergen” bewijzen, deze uitgang is zeer -gevaarlijk en strekt velen ten verderve. Door de ouders geleid, angstig -de nog ongeoefende beenen, en niet minder vreesachtig de pas -ontwikkelde vleugels gebruikende, volgt het jong zijn opvoeders, die -het voorzichtig bergafwaarts voeren of althans naar eene plaats -brengen, alwaar de eerste sprong in zee aan het minste gevaar is -blootgesteld. Op zulk een vooruitstekend gedeelte toeven ouders en kind -soms geruimen tijd, alvorens het den eersten gelukt het laatste tot den -sprong te bewegen. Vader en moeder houden eene deftige aanspraak tot -het kind, maar dit, ofschoon overigens, evenals alle vogeljongen, -zijnen ouderen zeer onderdanig, slaat geen acht op hun woorden. De -vader besluit voor de oogen van zijn talmende spruit zich naar beneden -in de zee te storten; de onervarene blijft waar hij is. Nieuwe -pogingen, nieuwe bemoedigende woorden; het wordt een bidden en smeeken. -Daar waagt het kuiken eindelijk den vreeselijken sprong, het valt als -een steen diep in het water, werkt zich, door een onbewusten aandrang -gedreven, weer naar de oppervlakte omhoog, kijkt in ’t rond, ziet over -de eindelooze zee—en is nu een zeevogel geworden, die van stonden aan -geen gevaar meer kent. - -Wederom verscheiden is het leven op die vogelbergen, welke door -driebeenige meeuwen als broedplaatsen zijn uitgelezen. - -Zulk een „berg” is het voorgebergte Swärtholm, hoog boven in het -noorden tusschen de Laxen- en Porsangerfjord, dicht bij de Noordkaap. -Ik wist reeds hoe het daar toegaat. Faber, de uitstekende kenner der -vogels in het hooge noorden, heeft dat meeuwenleven, op zijn gewone -wijze, in de volgende weinige woorden geschetst. - -„Zij verbergen de zon, als zij opvliegen, zij bedekken de scheren, als -zij zitten; zij overstemmen den donder der branding, wanneer zij -schreeuwen; zij verven de rotsen wit, wanneer zij broeden.” - -Ik geloofde, nadat ik de holmen der eidereenden en de „bergen” der -alken had gezien, onzen voortreffelijken Faber gaarne, maar, zooals het -iederen natuuronderzoeker past, ik twijfelde toch en daarom rustte ik -niet voor ik Swärtholm zelf gezien had. Een vriendelijke Noorman, de -kapitein van het poststoomschip, waarmeê ik de reis deed, vervulde na -onze eerste kennismaking gaarne mijn verzoek om dicht langs eene -broedplaats voorbij te varen. - -Zoo naderden wij dan laat in den avond het voorgebergte. Reeds op een -afstand van zes tot acht zeemijlen ontmoetten wij voortdurend vluchten -van dertig tot honderd stuks, somtijds zelfs van tweehonderd stuks -drieteenige meeuwen, die zich gezamenlijk naar de nestplaats begaven. -Hoe meer wij Swärtholm naderden, des te sneller volgden deze vluchten -elkander op en uit te meer individuen was elke vlucht samengesteld. -Eindelijk kregen wij de kaap in ’t gezicht; het was een bijna loodrecht -in de zee afvallende, met ontelbare spleten en holten voorziene -rotswand, ongeveer achthonderd meter lang en misschien tweehonderd -meter hoog. Uit de verte gezien was hij grijs van kleur; met den kijker -gewapend kon men een ontelbare menigte witte puntjes en streepjes -onderscheiden. Men kon zich verbeelden eene reusachtige lei te zien, -waarop door een spelend reuzenkind allerlei figuren waren gekrast: de -klip scheen als met een wonderbaarlijk versiersel, uit kettingen, -ringen en sterren bestaande, behangen. Uit den donkeren achtergrond der -grootere en kleinere holten straalde een wit licht; tegen de -uitstekende kanten stak dit nog levendiger en scherper af. Het waren de -broedende of in de nesten zittende vogels, die deze teekening -veroorzaakten; zij bewaarheidden het woord van Faber: „de meeuwen -bedekken de rotsen, wanneer zij gezeten zijn.” - -Terwijl ons vaartuig dicht langs de rotsen voer, werden de vogels -opgeschrikt, en nu ontvouwde zich voor mijn oog een tafereel, evenals -dat hetwelk ik op vele eiderholmen en op andere meeuweneilanden had -gezien. Daar donderde de knal van een door mijn vriend, den kapitein, -tegen den rotsmuur gelost schot. - -Even gelijk bij een woedenden winterstorm, wanneer deze door de lucht -giert en de van sneeuw zwangere wolken tegen elkander jaagt, om ze, in -millioenen vlokken verdeeld, naar beneden te doen vallen,—zoo stoven -thans de vogels als sneeuwvlokken omlaag. Men zag geen berg meer, geen -lucht en geen afzonderlijken vogel meer, maar een tooneel van -onbeschrijfelijke verwarring verbijsterde het oog. Een dichte wolk -omgaf den geheelen gezichtseinder en vervuld werd het woord: „Zij -verbergen de zon, wanneer zij vliegen.” Hevig woei de noordenwind en -woest brandde de ijszee aan den voet der klip, maar luider nog klonk -het krijschend geschreeuw der meeuwen en zoo werd ook het laatste woord -van Faber bewaarheid: „Zij overstemmen het geloei der branding, wanneer -zij schreeuwen.” - -De wolk daalde eindelijk neder op de zee en de zoo lang door haar -omsluierde omtrekken van Swärtholm werden weder zichtbaar; een nieuw -schouwspel echter boeide nu den blik. - -Op de rotswanden schenen ook even zooveel meeuwen te zitten als straks -en duizenden vlogen daarbij af en aan. En toen een tweede kanonschot de -scharen weêr op deed schrikken, daalde er ten tweeden male eene -sneeuwwolk op de zee neder, maar nog altijd was de klip bedekt met -honderdduizendtallen van vogels. Op de zee evenwel dreven, zoover ons -oog reikte, de meeuwen, die, klompen schuim gelijk, met de golven op en -neêr dansten. Hoe zal ik dit heerlijk panorama beschrijven? Moet ik -zeggen, dat de zee millioenen en nog eens millioenen schitterende -paarlen in haar donker golvenkleed had gevlochten? Of zal ik de meeuwen -met sterren en de zee met het hemelgewelf vergelijken? Ik weet het -niet, maar dit weet ik, dat ik nooit iets schooners op de zee -aanschouwd heb. En als ware de betoovering nog niet groot genoeg, -plotseling wierp de middernachtszon, die eenigen tijd zich verscholen -had, haar rooskleurig licht over rots en zee en vogels; zij verlichtte -de toppen van alle golven, zoodat het scheen alsof er een wijdmazig -gouden net over de zee geworpen was, terwijl de eveneens met een -rozengloed bestraalde meeuwen nog meer schitterden dan te voren. Wij -staarden dit schouwspel sprakeloos aan! En allen, die getuigen waren -van dit tooneel, zelfs de bemanning van het schip, stonden langen, -langen tijd roerloos daar, diep getroffen door het majestueuse tafereel -voor ons, tot eindelijk een onzer het stilzwijgen verbrak, en, meer om -door het geluid zijner eigene stem weder tot bezinning te komen, dan -wel om eene hoorbare uitdrukking te geven aan zijn gevoel, het woord -des dichters over de lippen liet glijden: - - - „Bloedrood verhief zich over de bergen - De middernachtszon. - Was het dag, of was het nacht? - Een vreemdsoortig schemerlicht dekte de aarde.” - - - - - - - - -II. - -DE TOENDRA EN HARE DIERENWERELD. - - -Een breede gordel onherbergzaam land slingert zich om de Noordpool der -aarde. Het is eene woestenij, waar niet de zon, maar het water zijn -stempel heeft ingedrukt. Hoe meer men de pool nadert, des te meer gaat -deze woestijn over in een ijsveld, meer naar het zuiden in wouden, -gevormd door dwergachtig geboomte; zij verandert zelf echter in een -sneeuw- en ijsveld, wanneer de lange winter er zijn intocht houdt, -tegen wiens heerschappij het schrale geboomte alleen in de diepste -dalen en op de zonnigste hellingen met eenigszins goed gevolg den -levensstrijd kan bestaan. Dit gebied is de „Toendra.” - -Het is een eentonig beeld, dat ik moet schilderen, wanneer ik de -toendra ga schetsen, eene schilderij vol grijs op grijs, maar toch niet -zonder alle schoonheid; wij hebben hier te doen met eene wildernis, -doch met zulk eene, waarin in weerwil van het maanden lange -sluimerende, bijna uitgestorven leven, zich nu en dan dat leven toch -nog in wonderlijken rijkdom openbaart. - -Onze taal bezit geen synoniem voor het woord toendra, omdat er in ons -vaderland dergelijke streken niet voorkomen. Want de toendra is geen -heide en geen veen, geen moeras en geen poel; toendra’s zijn geen -geesten en geen duinen, alhoewel zij plekken bevatten, die nu eens aan -het eene, dan weder aan het andere doen denken. Men heeft ze wel eens -met den naam van „mossteppen” betiteld, doch deze uitdrukking mag dan -alleen juist genoemd worden, wanneer men het woord steppe in den -uitgestrektsten zin opvat. Volgens mijn meening gelijkt de toendra nog -het meest op zulke moerasvenen, als men op de breede zadelruggen onzer -hooggebergten aantreft, en vermijdt; toch verschilt zij in vele en -belangrijke kenmerken van deze moerassige vlakten, daar haar voorkomen -in alle opzichten zoo geheel anders is. Men zou de toendra kunnen -verdeelen in laag- en hoogtoendra; het verschil tusschen het land -beneden en boven de honderd meter volstrekte hoogte bestaat in de -toendra echter meer in schijn dan in werkelijkheid. - -Zacht golvend strekt zich de laagtoendra voor ons uit; de dalen zijn -ondiepe kommen, de hoogten, die uit de verte gezien, zich voordoen als -bergen, ja ons zelfs doen denken aan werkelijke gebergten, zijn tot -vlakke heuvels geworden, zoodra men haar voet genaderd is. Vlak, -eentonig, zonder uitdrukking is de toendra over ’t algemeen, alhoewel -eene zekere afwisseling in sommige deelen niet te loochenen valt. -Wanneer men eenige dagen achtereen door de toendra wandelt, wordt men -dikwijls geboeid door aardige, zelfs aanvallige détails; maar zeer -zelden ontvangt men een duurzamen indruk, omdat bij nadere beschouwing -het eene toch wederom in alle bijzonderheden, door omgeving en -omlijsting, omtrekken en kleuren, te zeer op het vroeger geziene -gelijkt, dan dat men het zou kunnen vasthouden. In weerwil dezer -eentonigheid is toch het karakter der toendra niet overal hetzelfde, -maar nog veel minder grootsch, zoodat men zich aan dit landschap niet -kan verwarmen en het ons onmogelijk in de verrukking kan brengen, die -andere landschappen bij ons opwekken, mogelijk zelfs niet in staat is -om ons naar waarde te doen genieten van de werkelijke schoonheden, -waaraan deze woestenij ook soms nog rijk kan zijn. - -De toendra ontvangt haar grootsten tooi van den hemel, haar grootste -bekoorlijkheid van het water. Geheel helder is de lucht hier zelden, al -mag ook maanden lang de zon onafgebroken branden en drukkend stralen op -de vlakke heuvels en in de ondiepe dalen. In den regel blinkt het blauw -des hemels slechts op enkele plaatsen door de matwitte, dunne wolken; -dikwijls worden deze evenwel verdicht tot stapelwolken, die aan allen -kant, langs den geheelen gezichteinder zich vormen, elk oogenblik van -gedaante veranderen, voortschuiven, ontstaan en verdwijnen, en wier -afwisselend licht het oog zoo betoovert, dat men het beneden haar -liggende landschap geheel vergeet. Wordt men na eenige dagen hitte door -een onweêrsbui bedreigd, neemt de hemel hier en daar een -donker-grijsblauwe tint aan, schuiven zich met damp beladen wolken -onder de meer heldere, en schijnt de zon daar toch nog helder en -glansrijk tusschen door—dan ziet het woeste, eentonige landschap er -werkelijk tooverachtig schoon uit. Licht en schaduw teekenen zich thans -op de heuvels en dalen af, en de anders zoo vermoeiende eenkleurigheid -der verven verkrijgt afwisseling en leven. En wanneer in den zomer te -middernacht de zon groot en donkerrood aan den hemel staat, wanneer -alle wolken aan den onderrand met purper worden omzoomd, wanneer de -bergen, waarachter de zon zich heeft verborgen, getooid worden met eene -lichtkroon, die haar gloeiende stralen ver naar alle zijden uitzendt, -wanneer een rooskleurige nevel zich over het bruingroene landschap -spreidt, wanneer in één woord de middernachtszon de zee omvat met hare -onweêrstaanbare betoovering, dan is deze woestenij omgevormd in -wonderschoone dreven en eene heilige siddering grijpt het hart tot in -zijn diepste binnenste aan. - -Maar ook de kleinoodiën der toendra, de talrijke meren brengen -afwisseling en leven in het landschap. Verspreid of in groepen bijeen, -naast of boven elkaar gelegen, nu eens mijlen ver zich uitstrekkende -waterbekkens vormende, dan weder tot onbeduidende poelen -ineengekrompen, vullen zij het middengedeelte van elken ketel, -versieren zij elk hoofddal, tooien zij bijna ieder zijdal. In het -vroolijke zonlicht tintelen zij van leven; hoe grijs en kleurloos zij -ook zijn mogen, van den top eens heuvels gezien, nemen zij een blauwe -kleur aan, die hen doet gelijken op de Alpenmeren. En wanneer dan de -zon op hun spiegelende oppervlakte tintelt en glinstert, of wanneer te -middernacht ook zij door een rooskleurigen gloed worden bestraald, dan -treden zij als levende lichten uit het duister der omgeving zoo -heerlijk te voorschijn, dat het oog zich niet aan hun aanblik kan -verzadigen. - -Veel grootscher, alhoewel nog altijd sombere en eentonige -landschapsbeelden ontvouwt de hoogtoendra voor den blik des reizigers. -Ieder werkelijk gebergte siert zich hier met allen praal der hoogte. De -bergen stijgen bijna zonder uitzondering steil omhoog, en de ketens, -welke zij vormen, strekken zich als veelvuldig gebogen lijnen voor ons -uit; het sneeuwdek, dat hen bekleedt, verijst overal, waar de -omstandigheden dit toelaten, tot gletschers. Ware toendra ontwikkelt -zich slechts daar, waar het water geen snellen afloop vindt; al het -overige land schijnt van dat der laagte zoo te verschillen, dat slechts -het plantendek, dat zich overal gelijk blijft, de toendra verraadt. De -beneden in de diepte zich bevindende, en met dikke lagen afgestorven en -in veen overgegane plantendeelen bedekte rolsteenen liggen hier bijna -overal aan de oppervlakte; eindelooze, uit reusachtige blokken -samengestelde hoopen zijn op de hellingen gelegerd of vullen de dalen; -uit rolsteenen is de ondergrond gevormd van deze bijna effene vlakten, -over welke de voet des wandelaars ook daarom langzaam voortschrijdt, -omdat zich hier, zelfs voor den scherpzinnigsten geleerde, raadsels -opdoen met betrekking tot de natuurkrachten, die deze blokken met bijna -onveranderlijke regelmatigheid over eindelooze vlakten verdeeld hebben. -Daartusschen sijpelt en glijdt, murmelt en stoeit, stroomt en ruischt, -bruist en dondert het water overal naar beneden. Van de hellingen loopt -het droppelsgewijs in parelsnoervormige draden, in aaneensluitende -aderen, in murmelende beekjes; uit de gletscherpoorten breekt het met -geweld te voorschijn als troebele beken, melkwit van kleur; drabbig -stroomt het in de waterbekkens; uit de meren, waarin het geklaard werd, -vloeit het verder in kristalheldere stroomen, en draaiend en schuimend, -sissend en loeiend snelt het dalwaarts, waterval op waterval vormende, -tot het eindelijk of de laagtoendra of een rivier of de zee heeft -bereikt. De zon giet echter over deze eigenaardige bergwereld haar -licht, zoo dikwijls zij door de wolken breekt en verft haar met heur -toovergloed; de zon scheidt ook hier berg en dal, verlicht elk -sneeuwveld, verleent elken gletscher en elke kloof glans en schoonheid, -doet iedere spits, elken kam en iederen wand duidelijk uitkomen, elk -meer stralen als een helder vriendelijk oog der bergen, legt in de -morgen- en avonduren het blauwe waas van den horizon als een teedere -sluier over den achtergrond van dit tooneel, en laat te middernacht -haar diepste stralen vloeien over het geheele landschap, zoodat ook dit -overtogen wordt met een rooskleurig licht. Ja waarlijk! zelfs de -toendra mist niet elke bekoorlijkheid. - -Op enkele, wel is waar zeldzame plekjes, verleent ook de plantenwereld -haar vorm en schoonheid. Sparren en dennen, voor zoover zij niet in het -zuiden zijn teruggebleven, komen slechts in de meest beschutte dalen -voor. Zelfs de hier en daar nog optredende dennen, die er uitzien alsof -een reuzenarm ze bij den top had gepakt, en schroefvormig omgedraaid, -kunnen in de hoogere deelen der toendra niet gedijen. Ook de berken, -die nog iets meer noordelijk voortdringen dan de dennen, leiden hier -een kommervol leven en gelijken op grijs geworden dwergen. De larix -alleen behoudt hier en daar het veld en groeit tot een waren boom uit; -maar een karakterplant der toendra is de larix niet. Deze eer komt -bovenal toe aan den dwergberk. Deze boom, die onder zeer gunstige -omstandigheden de hoogte van een meter kan bereiken, heeft in verreweg -het grootste deel der toendra de overhand, zoodat de andere struiken en -struikjes als tusschen de berken ingroeiende kunnen beschouwd worden. -Hij komt voor, overal waar hij maar wortel kan schieten, van den oever -der meren en stroomen af tot aan den top der bergen, en vormt een zoo -gelijkmatig dicht dek van overal dezelfde hoogte, dat geheele velden er -uitzien alsof zij met eene schaar waren afgeschoren; hij verdwijnt -alleen daar geheel of gedeeltelijk, waar de grond zoo met water is -verzadigd, dat deze tot een poel of moeras wordt; hij kwijnt alleen -daar, waar een vet, in de zon tot eene harde massa wordend leem, of -onvruchtbaar grind de hoogten bedekt; hij worstelt echter nog met het -veenmos, dat alle laagten inneemt, en met het rendiermos, dat alle -hoogten bedekt, om de heerschappij. Vele vierkante kilometers -oppervlakte naast en achter elkander worden zoo dicht door den berk -omsponnen, eigenlijk met eene laag riet bedekt, dat slechts het -onuitroeibare veenmos naast en zelfs onder den struik zijn aandeel op -dien bodem nog durft handhaven, terwijl op andere plaatsen dwergberken, -laurierwilgen en rozemarijnwilgen door elkaar groeien. Eveneens mengen -zich daar somtijds verschillende besgewassen onder, zooals veenbessen, -roode boschbessen, besheide en moerasbessen. - -Wordt de grond, terwijl hij een kom vormt in de omringende vlakte, zeer -vochtig, dan verkrijgt het veenmos allengs de overhand; ’t verdringt -den dwergberk steeds meer en meer en vormt nu groote, ronde kussens of -bulten, die tengevolge eener snelle vervening der afgestorven -worteldeelen voortdurend in hoogte toenemen en ook in de breedte zich -uitbreiden, tot eindelijk het water het verder voortdringen van het mos -stuit of het kussen in kuifvormige heuveltjes stukscheurt. Is de kom -zeer vlak, dan vormt het daarin verzamelde water slechts bij -uitzondering een vijver of meer, meest niet eens een poel, maar het -zakt tot onbepaalde diepte in den grond en geeft zoo aanleiding tot de -vorming van een moeras, welks dun, maar taai, uit de ineengevlochten -wortels van zeggegras gevormd dek, slechts zonder gevaar kan betreden -worden door het breedhoevige rendier, ofschoon het ook onder diens -voetstappen trilt als eene gelei, en golft en buigt onder den last -eener door rendieren getrokken slede. - -Wordt de laagte tot een kleine, meer diepe kom zonder afwatering, en -vloeit daarin, al zij het nog zoo langzaam, eenig water, dan gaat zulk -een moeras over in een poel en verder naar beneden in drasland. In het -eerste komt de zegge, in het laatste de wolwilg, een tweede -karakterplant der toendra, tot weligen groei. Ofschoon slechts in het -gunstigste geval tot manshoogte opgroeiende, vormt deze plant toch -kreupelbosschen, die in den letterlijken zin des woords ondoordringbaar -kunnen zijn. Meer nog dan bij de dwergdennen van het hooggebergte -strengelen zich hier de takken en wortels dooreen tot een zelfs voor -het oog niet te ontwarren vilten weefsel, dat als het ware uit alle -bestanddeelen van den wilg is samengesteld. Het houdt den sterksten arm -tegen, die het met moeite een weinig zijwaarts buigt; het belemmert den -voet zoodanig, dat ook de volhardendste man eindelijk zijn pogingen -opgeeft om verder te dringen, en hij zelfs dan terugkeert, wanneer de -grond niet, gelijk gewoonlijk, een moeras is, of indien eene -aaneenschakeling van modderkuilen, waarin men zich niet gaarne waagt, -de ruimte tusschen de boschjes aanvult. - -Wie door de toendra trekt bespeurt al ras, dat het geheele gebied uit -eene voortdurende afwisseling, maar zichzelf steeds gelijk blijvende -herhaling der geschetste bijzonderheden bestaat. Alleen op plaatsen, -alwaar een groote, waterrijke rivier de laagtoendra doorsnijdt, kunnen -de omstandigheden eenigszins veranderen. Zulk een stroom stapelt hier -en daar de meêgevoerde zandmassa’s tot banken op; de schier -onophoudelijk doorwaaiende, meestal vrij hevige wind doet daaruit -duinen ontstaan, en zoo wordt er een landschap geboren, dat aan de -toendra overigens vreemd is. - -Op die duinen groeit zelfs in Siberië de larix nog tot een statigen -boom omhoog, en deze, in vereeniging met boschjes van wilgen en -dwergelzen schenkt aan het landschap tooi en schoonheid. Ja, het komt -zelfs voor, dat de larix in de nabijheid van kleine meren in groepen -optreedt en dan met genoemde boschjes natuurlijke parken vormt, die -zelfs in meer bevoorrechte streken de aandacht zouden trekken, en dus, -zooals men licht begrijpen kan, hier een onuitwischbaren indruk moeten -achterlaten. - -Onder beschutting der elzen staan nu overal, waar deze op de duinen -groeien, ook andere hoogstammige planten op; spitsbladige wilgen, -lijsterbessen, wegedoorn, en kamperfoelie; in het zand ontspruiten -tevens bloemen, die men alleen in het zuiden zou zoeken. Hier schittert -ons de roode bloemenpracht van de wederik tegen; hier klemt het -aanminnige heideroosje zijn dunne twijgjes tegen de borst der -moederaarde, om deze met haar takken en bloemen te versieren; hier -lacht ons het vriendelijke vergeet-mij-nietje tegen, als bracht het een -groet uit het vaderland, ginds in ’t verre zuiden; hier vinden het -nieskruid en bieslook, de valeriaan en thijm, anjelieren en klokjes, -vogelwikke en alpenerwten, boterbloemen, immortellen, kers, speerkruid, -vingerkruid, de roode kool, en vele meer, een woonplaats in de -woestijn. - -Er groeien op zulke plaatsen veel meer planten, dan men verwachten zou; -maar in de toendra is men immers ook bescheiden in zijn wenschen! Hier, -waar men dagen en weken lang altijd dezelfde armoede om zich heen -waarneemt, altijd niets dan dwergberken en wolwilgen ziet, -rozemarijnheide en zegge, rendiermos en veenmos; waar men zich reeds te -goed doet aan half uitgegroeide, half in ’t mos verscholen, half op den -grond voortkruipende veen- en boschbessen, en de braambessen, die het -mosdek sieren, voor bloemen moet nemen; wanneer men dagen lang over en -door deze plantjes wandelt, altijd afwisseling verwacht en altijd -teleurgesteld wordt! Elke uit het zuiden ons bekende plant herinnert -aan een gelukkiger oord; men begroet ze als lieve vrienden, wier waarde -men eerst op prijs leert stellen, wanneer men in de vrees verkeert hen -te verliezen. - -Schijnt het raadselachtig, waarom al deze en nog andere planten juist -in dit dorre duinzand alleen ontkiemen, het vreemde van dit -verschijnsel verdwijnt, wanneer men weet dat slechts het duinzand in -voldoende mate door de warmte der maandenlang onafgebroken van den -hemel stralende zon kan worden gekoesterd om genoemde planten daarin te -doen groeien. - -Elders in de toendra is zulks het geval niet meer. Moeras en poel en -veen, zelfs de ettelijke meters diep met water gevulde meren vormen -slechts een dun zomerdek over den eeuwigen winter, die in de toendra -zijn doodende zoowel als zijn bederfwerende macht openbaart. Waar men -ook in den grond tracht door te dringen, overal stuit men op ijs; reeds -op een meter diepte onder de oppervlakte der aarde, soms nog minder, is -de grond bevroren, en men zou meer dan honderd meters diep moeten -graven alvorens men het einde van de ijskorst heeft bereikt. Die -ijskorst is het, welke aan de hoogere planten den wasdom ontzegt en -slechts aan haar het leven vergunt, die genoeg hebben aan de dunne in -den zomer ontdooide laag. Eerst wanneer men graaft, ziet men wat de -toendra eigenlijk is, n.l. een onmetelijke, eeuwige ijskelder, die -reeds tientallen van eeuwen bestond en nog even lang in wezen zal -blijven. Het eerste wordt bewezen door de overblijfsels van -voorwereldlijke dieren, die in dezen bodem begraven werden en zoo voor -ons bewaard zijn gebleven. Uit het ijs der toendra groef Adams in het -jaar 1807 den mammoeth op, aan welks vleesch de honden der Jakoeten -zich zat hadden gegeten, niettegenstaande er eeuwen en eeuwen sedert -den dood van dit dier waren verloopen. De ijzige toendra had het lijk -van den voorwereldlijken olifant in zich opgenomen en voor bederf -bewaard. - -Een aantal gelijksoortige en zeker ook andere dieren van het -hedendaagsche tijdperk heeft zij in haar ijs begraven. Ook in vroegere -dagen kon de toendra geen rijker dierenwereld voeden dan waartoe zij nu -in staat is. De Europeesche bison en muskusos doortrokken deze velden, -nog lang nadat de mammoeth had opgehouden te leven; het reuzenhert en -het eland hebben hier eenmaal thuis behoord. Heden ten dage is de fauna -der toendra even arm als hare flora, even eentonig. Zulks heeft echter -meer betrekking op het aantal soorten dan op het aantal individuen; -althans in den zomer kan het hier wemelen van dieren. - -Eerst laat in het jaar wordt de toendra bevolkt. Van die soorten, welke -haar ook in den winter niet verlaten, merkt men dan weinig. De -visschen, die uit de zee de rivieren zijn opgezwommen, worden door het -ijs aan het gezicht onttrokken, de zoogdieren en vogels, die hier -overwinteren, door de sneeuw, waaronder zij leven of welker kleur hen -tooit. Eerst wanneer op de zuidelijke hellingen de sneeuw begint te -smelten, ontwaakt het dierlijk leven. Schoorvoetend houden de -zomergasten hun intocht. De wolf volgt op het wilde rendier, het -heirleger der zomervogels volgt de schotsen, die de rivieren afdrijven. -Sommige dezer vogels verwijlen ook nu nog besluiteloos in de -zuidelijker gelegen streken, houden zich alsof zij willen broeden, -verdwijnen plotseling uit hun verblijf aan den weg, vliegen fluks naar -de toendra, bouwen onmiddellijk na hun aankomst een nest, leggen eieren -en beginnen vlijtig te broeden, alsof zij den tijd wilden inhalen, dien -hunne in zuidelijke landen levende broedende soortgenooten op hen -vooruit hebben. Tot weinige weken is hun zomerleven beperkt. Innig -vereend, òf voor het gansche leven, òf slechts voor een enkelen zomer -gepaard, met een van liefde kloppend hart, komen zij aan om zingende of -althans jubelende den nestbouw aan te vangen. Onvermoeid vervullen zij -hun ouderplichten, broeden de jongen uit, voeden deze op, onderwijzen -ze, ruien en trekken weer naar vreemde landen. - -Het aantal diersoorten, die de toendra als woonplaats mogen beschouwen, -is gering, maar veel kleiner nog is het getal dergenen, die men als -karakteristiek voor de toendra kan beschouwen. Zulk een karakterdier is -in de eerste plaats de poolvos. Zoo ver de toendra zich uitbreidt, -strekt zij dit dier tot toevluchtsoord, en althans in de zuidelijke -deelen schenkt zij hem met den gewonen vos en nog andere leden zijner -familie onderhoud en voedsel; hij draagt hare kleuren; in den zomer de -kleur der rotsen, in den winter het sneeuwkleed, want grijs als de -rotsen, of grijsachtig blauw is de kleur van zijn dicht haarbekleedsel, -en wit verft dit zich in den winter. „Slecht en recht” naar vossenaard -slaat hij zich door het leven, en toch is zijn doen en laten geheel -verschillend van dat van onzen Reinaard en diens evenboortige familie. -Men is niet onbillijk, wanneer men hem als het verbasterd lid eener -ongemeen begaafde, schrandere, talentvolle familie beschouwt. Het -vindingrijk verstand, de fijne list en de zich nooit verloochenende -tegenwoordigheid van geest, die zijn bloedverwanten kenmerken, zijn bij -hem weinig meer dan in de beginselen aanwezig. Plompdriest is zijn -optreden, onbescheiden zijn aard, onverstandig zijn handelen. - -Als een vermetel bedelaar, een onbeschaamde landlooper, niet als een -listige, alle omstandigheden berekenende en van alle mogelijke middelen -partij trekkende dief of roover treedt hij op. Onbezorgd kijkt hij den -jager in het roer; niet gewaarschuwd door den op hem gemunten, -strijkelings hem voorbijsnellenden kogel volgt hij zijn vreeselijksten -vijand; gedachtenloos dringt hij in de hutten van berkenbast, die de -trekkende rendierherder heeft opgeslagen; zorgeloos nadert hij des -nachts den mensch, die zich onder den blooten hemel te slapen heeft -neêrgevlijd, om dezen diens buit te ontstelen of zinneloos naar diens -ontbloote lichaamsdeelen te happen. Het is mij persoonlijk gebeurd, dat -een poolvos, op wien ik in de schemering herhaalde malen tevergeefs een -schot loste, evenals een hond mijn schreden volgde; mijn jachtvriend, -Erik Swenson van Dovrefjeld, moest ervaren hoe zulk een dier des nachts -aan de huid begon te vreten, op welke Swenson lag te slapen; en de oude -Steller bericht naar waarheid nog van geheel andere trekken; trekken, -die men voor onmogelijk zou houden, ware het niet, dat zij gesteund -worden door andere, gelijksoortige berichten. Het is waar, de zeldzame -verschijning van den mensch in de toendra moge hier eenigszins ter -verklaring dienen, maar die onschuld van den poolvos wordt daardoor -alleen niet verklaard. Want noch de gewone vos, noch eenig ander -zoogdier der toendra gedraagt zich zoo onwijs als de poolvos; zelfs de -lemming heeft nog meer verstand. - -Een bijzondere vorm is ongetwijfeld ook deze bewoner der toendra, -onverschillig van welk lid zijner familie sprake is. Overal in de -toendra ziet men deze dieren of althans hun sporen. In alle richtingen -doorkruisen deze de velden, vooral die plaatsen, waar de dwergberk -tiert; men herkent ze aan de gladde onbegroeide, smalle in het mos plat -getrapte paden, die vele honderd meters lang dezelfde richting -behouden, dikwijls naar rechts of links afbuigen en eerst na vele -omwegen weder in den hoofdweg uitmonden. Hierin ziet men nu en dan, in -droge zomers, een klein, kortstaartig, veel op een hamster gelijkend -dier vlug bij troepen voortloopen, om meestal heel spoedig uit het -gezicht te verdwijnen. - -Het is de lemming, een woelmuis ter grootte eener kleine rat of groote -muis, met een bont, onregelmatig geteekend bruin, geel, grijs en zwart -vel. Wanneer men het diertje ontleedt, dan ontdekt men tot zijn -verbazing, dat het beestje om zoo te zeggen, enkel uit vel en -ingewanden bestaat. Beenderen en spieren zijn ongemeen weinig, de -ingewanden, vooral de spijsverterings- en voortplantingsorganen -buitengewoon sterk ontwikkeld. Hieruit laten zich zekere -levensverschijnselen verklaren, die langen tijd voor raadselachtig -golden, n.l. de plotselinge en bijna onbegrensde voortplanting des -diers en zijne op groote schaal en oogenschijnlijk op geregelde tijden -plaats hebbende verhuizingen. - -Onder gewone omstandigheden leidt de lemming een zeer behagelijk leven. -Hij heeft nimmer gebrek, noch in den zomer, noch in den winter. -Allerlei plantenstoffen dienen hem tot voedsel: de uiteinden der -mosplantjes, korstmossen en boombast. In den zomer dient eene holte, in -den winter een warm, dikwandig, zacht gevoerd nest te midden der sneeuw -den lemming tot woning. Wel dreigen van alle kanten gevaren: want niet -alleen allerlei behaarde en gevederde roovers, maar zelfs de rendieren -verdelgen honderden en duizenden lemmingen; desongeacht -vermenigvuldigen deze zich zonder ophouden in sterke mate, totdat zich -bijzondere omstandigheden voordoen, die de in weinige weken ontstane -milliarden in even weinig dagen vernietigen. Vroeger dan gewoonlijk -valt b.v. de lente in de toendra in, en droger dan gewoonlijk is de -zomer. Alle jongen van den eersten worp der lemmingwijfjes groeien -voorspoedig op en zijn reeds binnen zes weken na hunne geboorte in -staat, om zelf hunne soort voort te planten. - -De ouders hebben intusschen aan een tweede en een derde geslacht het -levenslicht geschonken, en ook dezen volgen hun voorbeeld. Binnen drie -maanden wemelen de hoogten en laagten der toendra even sterk van -lemmingen als soms onze velden van muizen. - -Overal, waarheen men zich ook keert, ontwaart men deze bedrijvige -dieren; met een enkelen oogopslag omvat men dozijnen, en duizenden -ontmoet men binnen het tijdsverloop van een uur. Op alle paden en wegen -ziet men ze loopen; vervolgd, en in ’t nauw gebracht, stellen zij zich -onder luid geschreeuw en met de tanden knarsende teweer, even alsof -zij, prat op hun groot aantal, zelfs den mensch niet vreesden. Maar hun -eigen menigte, die nog steeds aangroeit, wordt hun ten verderve. De -arme toendra kan al spoedig hun vraatzucht niet meer bevredigen. De -hongersnood ligt in ’t verschiet, is misschien reeds gekomen. Nu -dringen zich de door angst gekwelde dieren bijeen en vangen den tocht -aan. Honderdtallen voegen zich bij honderdtallen, duizenden sluiten -zich bij andere duizenden aan. De troepen worden hoopen, de hoopen -legerscharen. In eene bepaalde richting trekken zij op, eerst allicht -de vroeger plat getrapte paden volgende, later zich nieuwe wegen -banende; in onafzienbare, ontelbare rijen, ijlen zij voort; boven van -de rotsen storten zij zich naar beneden in de stroomen. Duizenden -bezwijken van gebrek; over hunne lijken spoedt zich de achterhoede; -honderdduizenden verdrinken in de wateren of liggen verbrijzeld aan den -voet der rotsen; die overblijven rennen in dolle vaart over de -gevallenen heen; wederom nieuwe honderd- en duizendtallen vinden hun -graf in de magen der hun achtervolgende poolvossen, gewone vossen, -wolven en veelvraten, ruigpoot buizerden, raven, uilen en roofmeeuwen; -de rest trekt zich dit alles niet aan. Werwaarts zij reizen, waar zij -eindelijk aanlanden—niemand weet zulks te zeggen; dit is echter zeker, -dat achter deze scharen de toendra als uitgestorven schijnt, en dat er -dikwijls eene reeks van jaren verloopt, aleer de weinigen, die -terugbleven en steeds voortgingen met zich te vermenigvuldigen, -langzamerhand in aantal toenemende, wederom op zichtbare wijze hun -geboorteland hebben bevolkt. - -Het derde karakterdier der toendra is het rendier. Hij, die dit, op -zichzelf beschouwd zoo weinig fraaie hert slechts uit den gevangen -staat, d.i. dien der slavernij kent, kan zich voorzeker geen juist -denkbeeld vormen van hetgeen dit dier is in den vrijen natuurstaat. -Hier eerst, hier in de toendra leert men het rendier waardeeren, als -een lid der familie, wie het niet tot schande verstrekt. Het behoort -met lijf en ziel aan de toendra. - -Het rent of zwemt met zijn breedhoevigen, schopvormigen, zeer -bewegelijken en bij elken voetstap klepperenden voet over de -onafzienbare gletschers, over de uit rolsteenen opgebouwde heuvels en -hellingen, over de vilten kruinen der dwergberken en de moskussens, -over de rivieren en meren. Met zijn hoeven krabbelt het zijn voedsel -diep onder de sneeuw te voorschijn. Het vindt voldoende beschutting -tegen den guren, langen winternacht der poolgewesten in zijn dichten -pels, tegen het snijdend hongerzwaard in zijn weinige kieschkeurigheid -met betrekking tot zijn voedsel, tegen den wolf, die voortdurend hem op -de hielen zit, in zijn waakzaamheid, snelheid, onvermoeidheid en ook -eenigszins in de scherpte zijner zintuigen. - -Den zomer brengt het rendier door in die plaatsen der hoogtoendra, -alwaar in de onmiddellijke nabijheid der gletschers, behalve het -rendiermos, dat mijlen ver de aarde als met een kleed bedekt, ook -sappige, heerlijke alpenkruiden, uit den bodem ontspruiten. In den -winter trekt het door de laagtoendra van den eenen heuvelketen naar den -anderen, die plaatsen opzoekende, alwaar de wind de sneeuw heeft -weggevaagd. - -Kort te voren is zijn vertakt gewei tot volle kracht gekomen, en heeft -het in het zalig bewustzijn dier kracht, den strijd op leven en dood -gewaagd met zijn soortgenooten—de bronsttijd was daar—en deed het de -stille toendra weêrgalmen van den stoot der tegen elkaar gedreven -geweien; nu trekt het, afgemat door dat gevecht en den roes der liefde, -eendrachtig met andere rendieren vereenigd, in sterke koppels door zijn -gebied, om nu een anderen strijd, dien tegen den winter aan te vangen. -Wel moet het rendier, wat schoonheid en adel betreft, onderdoen voor -het hert, maar alwie het, niet gekneld door slavenketenen, in sterke, -aaneengesloten koppels vereenigd, in zijn vaderland, de toendra, heeft -aanschouwd, alwaar het de hooggebergten siert en zich scherp afteekent -tegen den blauwen hemel of het witte sneeuwdek, die bekent gaarne, dat -het rendier tot de heerlijkste wildsoorten behoort en het hart van den -jager sneller kan doen kloppen dan iemand vermoeden zou. - -Ook de vogels vormen eene merkwaardigheid der toendra. Wie de -woestenijen van het noorden heeft bezocht, heeft althans een dezer -dieren ontmoet, n.l. het sneeuwhoen: - - - „In den zomer bont van het hoofd tot de voeten, - In den winter witter dan de sneeuw.” - - -Ik bedoel niet het sneeuwhoen onzer hooggebergten, dat ook hier, -beperkt tot den gletschergordel, voorkomt, maar het ongelijk veel -talrijker moeras-sneeuwhoen. - -Waar de dwergberk tiert is het te vinden; vooral echter, wanneer de -nachtelijke stilte zich over de toendra uitstrekt, al moge ook de zon -aan den hemel stralen, laat het zich zien. Nooit verlaat het zijn -geboortegrond geheel; ten hoogste verdrijft de winter het uit de -hoogtoendra, maar dan nog slechts naar de laagte. Vroolijk en bezig, -moedig en vol zelfvertrouwen, ijverzuchtig en strijdlustig waar het een -medeminnaar geldt, teeder voor zijn gade, alles voor deze en de -kinderen, zoo is het sneeuwhoen. Het heeft in zijn levenswijze veel van -onzen patrijs, maar spreidt toch in zijn doen en laten, in zijn geheele -wezen veel meer bekoorlijkheid ten toon. - -Deze vogel schenkt eigenlijk leven aan de woestijn. Zijn uitdagend -geroep weêrklinkt in den stillen zomernacht, en wanneer in den winter -de toendra door bijna alle andere vogels is verlaten, dan vliegt nog -het sneeuwhoen vroolijk in koppels rond; het verblijdt en verrukt -zoowel den natuuronderzoeker als den jager. - -In den zomer is deze vogel schier overal vergezeld door den -goudplevier. Ook deze vogel is een getrouw kind der toendra. Evenals de -vlugge loopvogel aan de woestijn, het steppenhoen aan de steppe, het -berghoen aan het hooggebergte, de leeuwerik aan het korenveld behoort, -zoo is de goudplevier het eigendom der toendra. Hoe bont zijn kleed er -ook uitzie, hij draagt hare kleuren; zijn droefgeestig geluid is geheel -in overeenstemming met deze woestenij. Even gaarne als men dezen vogel -in ons land ziet, even ongaarne begroet men hem echter in de toendra. -Zijn geroep, dat dag en nacht weêrklinkt, wekt hetzelfde weemoedig -gevoel op als de woestijn zelf. - -Veel liever luistert men naar de stem van een anderen zomergast van dit -land. Niet de teedere melodieën van het blauwborstje, dat juist hier -onder de meest gewone broedvogels wordt gerekend, en met recht de -„honderdkelige zanger” wordt genoemd, niet de schallende liederen van -den ook tot de toendra doorgedrongen kramsvogel, niet de korte tonen -van den sneeuwgors of spoorgors, niet het gillend geschreeuw van den -slechtvalk of van den ruigpootbuizerd, niet het juichend geblaf van den -zeeadelaar of het gelijksoortig geschrei van den sneeuwuil, niet het -schetterend trompetgeluid van den zangzwaan of het klagende hoorngeluid -der ijseend, geen dezer allen is het, dien ik bedoel; ik heb het -verliefde geroep van den een of anderen zeeduiker op het oog; het is -eene wilde, ongeregelde en als het ware onbeteugelde, maar toch -klankvolle en toonrijke, schel weêrklinkende Noordsche melodie, te -vergelijken met het melodieus geruisch der branding, of het donderend -geraas van een omlaag stortenden waterval. Waar zich maar een vischrijk -meer bevindt, en daarin een verborgen plaatsje in bies of riet, dicht -genoeg om een drijvend nest te bevatten, daar laten zich de duikers -zien, die kinderen der toendra en der zee, deze ernstig-vroolijke -visschers der stille zoete wateren, en onbeschroomde duikers der -noordelijke zeeën. Uit de laatste kwamen zij in de toendra om te -broeden, en zoodra hun jongen in staat zijn de zee te beheerschen -gelijk zij zelven, dan zullen zij hen derwaarts geleiden. Zoover de -toendra reikt volgen zij hare wateren; meer dan de uitgestrekte -binnenmeren beminnen zij de kleine vijvers op de oeverbergen der -toendra, om van deze hoogten af, elken dag, onder een onstuimig zeelied -naar beneden te storten in het golvende, hun voedsel aanbrengende, -huiselijk meer. - -Nog andere karaktervogels der toendra zijn afkomstig uit de zee. Met -welbehagen volgt het oog alle bewegingen der kleine roofmeeuw, met -verrukking die der watertreders, welke beide vogels eveneens in de -toendra broeden: de eerste op de vrije, met mos bedekte moerasvenen, de -tweede aan den oever der tusschen wolwilgen meest verborgen poelen en -plassen. Wil men de andere meeuwen bestempelen met den naam van „raven -der zee”, de roofmeeuwen mogen de „valken der zee” heeten. Terecht -dragen zij den naam van „roofmeeuwen” en „schuimloopers”, want als -geduchte roovers treden zij op, wanneer zij geen gelegenheid zien tot -klaploopen, en tot klaploopers worden ze, wanneer de eigen jacht hun -niet genoeg opbrengt. Als valken doorvliegen zij in den zomer de -toendra, in den winter de kustlanden der Poolzee; met trillende -vleugels staan zij boven het land of het water, om naar buit te -speuren; krachtig en edel stooten zij omlaag om hem op te vangen, en -behendig en zeker grijpen zij ’t offer, dat eenmaal in ’t oog is gevat. -En toch, deze moedige roovers schamen zich niet, daar waar het pas -geeft, te bedelen! Wee de meeuw, wee den zeevogel in ’t algemeen, die -onder de oogen van de roofmeeuw zich buit veroverde! Pijlsnel -achtervolgt deze onder een huilend geroep den gelukkigen roover, -omfladdert hem van alle zijden als in een dartel spel, snijdt hem op -listige wijze overal den weg af, als hij tracht te ontvluchten, -verijdelt elken aanval en pijnigt en kwelt hem zoo lang tot hij den -buit loslaat en den roover toewerpt, al moest hij dien ook uit den krop -weder naar boven persen. Het doen en laten der roofmeeuw, haar kracht -en behendigheid, koenheid en brutaliteit, haar onvermoeide waakzaamheid -en niet te keeren onbeschoftheid leveren een boeiend schouwspel op. -Zelfs voor haar bedelarij bestaat nog verontschuldiging, zoo bekoorlijk -is haar verschijning. En toch is de watertreder nog aantrekkelijker. -Deze is een strandvogel, die de eigenschappen van moerasvogels en -zwemvogels in zich vereenigt en deels op het land, deels op het water, -zelfs in zee leeft. Licht en bevallig, in sierlijkheid van beweging -door geen zwemvogel overtroffen, zwemt hij over de golven; vlug en -vaardig loopt hij den oever langs; met de snelheid eener poelsnip -strijkt hij in zigzaglijn door de lucht. Vertrouwelijk en bedeesd laat -hij zich van nabij waarnemen; angstig bezorgd voor zijn broedsel -verraadt hij meest zelf zijn nest met de vier peervormige eieren, hoe -zorgvuldig hij het ook in het riet moge verbergen. Men is geneigd den -watertreder als de liefelijkste verschijning onder alle vogels der -toendra te beschouwen. Belangrijk voor de toendra zijn verder de -roofvogels, belangrijk althans hunne levenswijze aldaar. Want slechts -aan den zuidrand van ons gebied of in de hoogtoendra alleen vinden zij -boomen en rotsen, waarop zij hun nest kunnen bouwen, zoodat zij -genoodzaakt zijn hier op den grond te broeden. Tusschen de kruipende -takken der dwergberken staat het nest van den moerasuil, op de kruin -zelf dat van den ruigpootbuizerd; op den blooten grond liggen de eieren -van den sneeuwuil en den slechtvalk; alleen de laatste kiest zooveel -mogelijk althans den rand eener kloof voor nestplaats uit, als wilde -hij zich zelf in den waan brengen, hier boven op de rotsen te zijn. Dat -zij zich evenwel bewust zijn van de onveiligheid dier plaatsing, blijkt -duidelijk uit de houding, die zij aannemen wanneer zij een mensch het -nest zien naderen. Van verre reeds wordt men met wantrouwen aanschouwd -en met luid geschreeuw begroet; hoe nader de mensch komt des te hooger -stijgt de angst der bezorgde ouders. Tot nog toe vlogen zij op meer dan -dubbelen geweerschotsafstand om hem heen; nu stooten zij moedig op hem -neer, en vliegen zoo dicht langs zijn hoofd, dat men het snijdend -geraas der vleugels duidelijk kan hooren en soms zelfs bevreesd is -werkelijk aangevallen te worden. De jongen evenwel, ofschoon van verre -er uitziende als witte ballen, duiken angstig in het nest neer, en -blijven bij de aankomst van hunnen, zoo niet gezienen, dan toch -vermoeden vijand zoo roerloos in de gekozen of eenmaal aangenomen -houding volharden, dat men ze uit kan schilderen zonder de vrees te -koesteren, dat zij door eenige beweging dit werk zullen storen; -inderdaad, een bekoorlijk tafereel! - -Vele dieren zou ik hier nog aan toe kunnen voegen, indien zulks voor -eene teekening der toendra noodzakelijk ware. Kenschetsend is nog de -mug. Wanneer iemand dit insect het meest beteekenende aller levende -wezens der toendra noemde, waarlijk! hij zou niet licht van dwaling -beschuldigd kunnen worden. De mug maakt het leven van vele andere -dieren mogelijk, inzonderheid dat van vogels en visschen; zij dwingt -daarentegen andere wezens, zoo als o.a. den mensch, tijdelijk te -verhuizen; zij is de eenige oorzaak, dat de toendra in den zomer voor -beschaafde volken onbewoonbaar is. De talrijkheid der zwermen, waarin -zij optreedt, gaat alle verbeelding te boven; hare macht verwint mensch -en dier, en de kwalen, die zij veroorzaakt, spotten met elke -beschrijving. - -Het is bekend, dat de eieren van alle steekmuggen in het water gelegd -worden, en dat de daaruit binnen eenige dagen voortgekomen larven tot -aan hare geheele verandering in het volkomen insect in het water leven. -Hierin vindt men de verklaring van het feit, dat de toendra zoo -bijzonder geschikt is voor de ontwikkeling dezer dieren. Zoodra de weer -rijzende zon de sneeuw en het ijs en de bovenste aardlaag ontdooid -heeft, ontwaakt het leven der muggen, dat in den winter wel sluimerde, -maar niet was uitgedoofd. Uit de eieren, die den winter in het bevroren -slijk hebben doorgebracht, sluipen larven; deze veranderen binnen -weinige dagen in poppen en de poppen in gevleugelde insecten; het eene -geslacht volgt in korten tijd op het andere. Nog vóór den langsten dag -begint de zwermtijd dezer vreeselijke dieren om tot het midden van -Augustus voort te duren. - -En al dien tijd kan men ze vinden in de hoogte en in de laagte, op de -bergen en heuvels zoowel als in de dalen, tusschen de dwergberken en -wolwilgstruiken zoowel als aan de oevers der rivieren en meren. Elke -grasstengel, elke moshalm, elke tak, elke twijg, elk blaadje zendt op -elk uur van den dag scharen dezer wezens uit. De steekmuggen of -muskito’s der keerkringsgewesten, van de oerwouden en moerassen van -Zuid-Amerika, Midden-Afrika, Indië en de Soenda-eilanden, zoo door alle -reizigers gevreesd, zijn niet erger dan onze muggen, maar gene zwermen -slechts des nachts; deze vliegen tien weken lang en daarvan zes weken -onafgebroken, zonder tusschenpoos. Zij vormen heirlegers, die er -uitzien als een dichte, zwarte rook; zij hullen elk schepsel, dat zich -in haar bereik waagt, in een nevel; zij spotten met elke poging om haar -te verjagen; zij maken van den krachtigsten man een kind zonder wil, -zij verkeeren diens boosheid in vrees, de haar geldende vervloeking in -eene bittere klacht. - -Zoodra men de toendra betreedt, klinkt ons reeds van verre een gegons -in de ooren, nu eens niet ongelijk aan het zingen van den theeketel, -dan weder te vergelijken met de tonen van een trillende metalen staaf, -en weinige oogenblikken later is men omringd door duizenden en nog eens -duizenden van muggen. Een door deze dieren gevormde stralenkrans -omgeeft het hoofd en de schouders, het lichaam en de ledematen van den -reiziger, om deze nabij te blijven, hoe snel hij zich ook moge bewegen, -en is door geen middel te verdrijven. Staat hij stil, dan verdicht zich -de zwerm, gaat hij verder, dan rekt de stoet zich in de lengte uit, zet -men het op een loopen, dan tot een langen sleep; nooit blijven de -muggen achter. Is er wind en komt deze van dien kant, waarnaar men zich -toe beweegt, dan verhaast de zwerm zijn vlucht tegen den luchtstroom -in; is de wind hevig, elk lid van den zwerm spant zich te meer in, ten -einde zijn bloedig offer niet te verliezen; de muggen raketten als -hagelsteenen tegen hoofd en nek. Voor men het denkt, is men van boven -tot beneden met deze dieren bedekt. In dichte drommen, die op grijze -kleêren zwart, op donkere als eigenaardige stippen en vlekjes zich -afteekenen, hechten zij zich vast, loopen langzaam op en neer, en -zoeken naar eene ontbloote plek om bloed te zuigen. Zonder eenig geluid -te geven en zonder eenig gevoel te veroorzaken, hebben zij het -aangezicht, den hals, den nek, de bloote handen en de alleen met kousen -bedekte voeten bereikt; een oogenblik later laten zij langzaam haar -steekwerktuig in de huid neder en storten een droppel gift uit in de -wonde. Vertoornd slaat de gewonde den bloedzuiger te pletter; maar -terwijl de straffende hand zich opheft, zetten reeds twee, drie, tien -andere muggen zich òf op deze, òf op het gezicht, òf elders neêr, om -evenzoo te doen als de eerste. Want wanneer er eenmaal bloed is -gezogen, wanneer op een en dezelfde plek reeds eenige muggen den dood -hebben gevonden, dan zoeken juist de overigen zulke plekjes bij -voorkeur op, al wordt ook dit slagveld met duizenden lijken bedekt. De -muggen hebben het bovenal gemunt op de slapen, op het voorhoofd, -onmiddellijk beneden de plaats, waar de hoed zit, op den nek en de -handbuiging, in ’t algemeen dus op zulke lichaamsdeelen, vanwaar zij ’t -moeilijkst zijn af te houden. - -Wanneer men den moed heeft haar bij haar bloedig werk na te gaan, dus -haar niet te verdrijven of te storen, dan bespeurt men, dat men niets -van haar voelt, noch wanneer zij gaan zitten, noch wanneer zij zich -bewegen. Dadelijk, nadat zij zich hebben neêrgezet, beginnen zij haar -werk. Gewoonlijk loopen zij op de huid heen en weer en betasten met -haar slurf elk plekje; plotseling houden zij stil en doorboren met -verwonderlijk gemak de huid. Terwijl zij zuigen lichten zij zeer -wellustig dan den eenen, dan den anderen achterpoot omhoog, en zulks te -vlijtiger naarmate het glasheldere achterlijf meer met bloed wordt -gevuld. Hebben zij eenmaal bloed geproefd, dan letten zij op niets meer -en laten zich betasten en pijnigen, zonder naar het schijnt, er iets -van te voelen. Trekt men met behulp van een tangetje de slurf uit de -wond, dan tasten zij een oogenblik heen en weer, om op dezelfde of eene -nieuwe plek zich weder in te boren; snijdt men de slurf met een scherp -schaartje snel af, dan blijft de mug in den regel nog zitten, even als -of zij eerst tot bezinning moet komen, laat dan de voorpooten over den -stomp glijden, en eerst na een lang onderzoek schijnt zij overtuigd te -zijn, dat het afgeknipt lichaamsdeel ontbreekt; snijdt men snel een -achterpoot af, dan blijft de mug voortzuigen, even alsof er niets -gebeurd ware, ja, zij beweegt nog het voetstompje; snijdt men het met -bloed gevulde achterlijf voor de helft af, dan doet het dier als -Münchhausen’s paard aan de fontein, trekt eindelijk de slurf uit de -wond, vliegt tuimelend weg en sterft na weinige minuten. - -Eene zorgvuldige waarneming van het leven en bedrijf dezer dieren heeft -doen zien, dat zij bij het opsporen hunner slachtoffers veel meer door -den reuk dan door het gezicht worden geleid, misschien wel door een -zintuig, dat reuk en gevoel in zich vereenigt. Het is eene zeer juiste -waarneming, dat zij bij het naderen van een mensch, reeds op vijf meter -afstands van dezen opvliegen, en dan, zonder te dralen en af te dwalen, -rechtstreeks op hun slachtoffer aanvallen. Gaat men over eene zandbank, -die, zooals meestal, vrij van deze dieren is, dan kan men een en ander -proefondervindelijk aan zich zelf ervaren. Oogenschijnlijk ten deele -door den wind, ten deele door eigen kracht gedragen, in elk geval -doelloos zwevende, vliegen ook gedurig enkelen over zulk eene -verschoonde plaats, en zoo komen sommigen in de nabijheid des -waarnemers. Op hetzelfde oogenblik is het uit met hare schijnbaar -doellooze bewegingen. Snel veranderen zij van richting en in eene -rechte lijn stormen zij op het gelukkig ontdekte doelwit los. De eene -mug voegt zich bij de andere, en voor er vijf minuten verloopen zijn, -is de martelaar omgeven door een kring van muggen. Minder gemakkelijk -vinden zij den weg in verschillende luchtlagen. - -Toen ik mij eens op een hooggelegen duin met dergelijke waarnemingen -onledig hield, en langen tijd door duizenden gevolgd en gepijnigd was -geworden, lokte ik den mij omhullenden zwerm allengs naar den rand -eener steile hoogte, liet hem zich hier verdichten, en sprong toen -plotseling naar beneden. Tot mijn groote blijdschap merkte ik, dat ik -de kwelgeesten meerendeels had achtergelaten. Maar boven op het duin -zwermden zij, als verbaasd, dooreen, terwijl zij nog langen tijd boven -de plaats, vanwaar ik afgesprongen was, eene dichte wolk vormden. -Ettelijke honderden waren mij toch naar de laagte gevolgd. - -Ofschoon de natuuronderzoeker zeer goed weet, dat slechts de -vrouwelijke muggen steken en zuigen, terwijl dit bedrijf -ontegenzeggelijk in verband staat met de voortplanting, misschien wel -de eieren tot rijpheid brengt, wordt ook hij zoozeer door de pijniging -dezer duivels der toendra uit zijn humeur gebracht, dat hij zijn geduld -moet verliezen, al ware hij ook de goedmoedigste wijsgeer onder de zon. -Niet de pijn, die de steken en eigenlijk nog meer de later opkomende -builen veroorzaken, maar de eeuwig voortdurende plagerij, het telkens -terugkeerende leed maakt de muggen tot zulk eene kwelling. Men -verdraagt de pijn zelfs in den aanvang zonder klagen, en natuurlijk nog -gemakkelijker, wanneer de huid, door het menigvuldig daarin uitgestorte -gif allengs ongevoelig is geworden; men is dan ook zeer goed in staat -langen tijd weêrstand te bieden; maar men moet ten laatste bekennen, -dat men door de afschuwelijke kwelgeesten der toendra overwonnen en -verslagen werd. De in getal niet te schatten, de alom tegenwoordige, de -te allen tijd strijdvaardige heirlegers verlammen elken tegenstand. -Onafgebroken door haar gekweld, in elke handeling belemmerd, in elke -genieting verhinderd, van elke gedachte afgeleid, wordt men niet alleen -lichamelijk, maar ten laatste ook geestelijk afgemat. De voet weigert -zijn dienst, de geest is onvatbaar voor indrukken; de toendra is eene -hel geworden. Niet de winter met zijn stormen, niet het ijs en zijn -kou, niet de armoede, niet de onherbergzaamheid, maar de muggen zijn de -vloek der toendra! - -In den zwermtijd vliegen zij bijna onafgebroken door; bij zonneschijn -en stil weder met zichtbaar welbehagen, bij een stijve koelte nog zeer -vergenoegd, bij geringe warmte nog recht levendig, vóór een dreigenden -regen het uitbundigst, bij koel weder weinig, bij koud weder in ’t -geheel niet meer. Een hevige storm verbant ze naar struikgewas en mos; -niet zoodra is de wind bedaard of zij vliegen weder lustig rond, op -alle onder den wind gelegen plaatsen zijn zij zelfs onder het loeien -van den storm tot den aanval gereed. Een lichte nachtvorst doet haar -veel afbreuk, maar doodt ze niet alle; natte en koude dagen doen haar -aantal sterk verminderen, maar daarop volgende warme dagen brengen -weder nieuwe, ontpopte scharen in het veld. Eerst de herfstnevels -brengen de muggen voor een jaar tot rust. - -Even langzaam als de lente haar intocht hield, even snel valt de herfst -in de toendra in. Een enkele koude nacht, meest reeds in Augustus, -althans in September, snijdt het zomerleven af. De bessen, die nog in -’t midden van Augustus lieten denken, dat zij niet rijp zouden worden, -zijn op het einde dezer maand zoo sappig en zoet geworden als maar -mogelijk is; enkele natte en koude nachten, die de bergen reeds met een -sneeuwkleed dekken, verhaasten de rijpwording nog meer dan de zon, die -reeds dagen lang zich achter de wolken verschuilt. De bladeren van den -dwergberk kleuren hunne bovenzijde bleek, maar nog blinkend lakrood, de -onderzijde levendig geel; alle overige struiken en struikjes ondergaan -gelijke verandering; het sombere bruingroen der toendra wordt een -levendig bruinachtig rood, zoodat zelfs het geelgroene rendiermos niet -meer uitkomt. Zuidwaarts of naar zee vliegen de gevleugelde -zomergasten, rivierafwaarts zwemmen de visschen der toendra. Het -rendier verhuist van de bergen naar de laagte, gevolgd door den wolf; -naar boven naar de bergen vliegt het moerashoen in koppels van -duizenden vereenigd, om hier zoo lang te verwijlen, tot de winter het -weer naar de laagtoendra doet afdalen. - -Nog weinige dagen en deze winter, evenzeer door ons als door de -trekvogels gevreesd, door de menschelijke bewoners der toendra evenwel -smartelijk verlangd, houdt zijn intocht in het onherbergzame land, om -er langer, veel langer dan lente, zomer en herfst te zamen onbeperkte -heerschappij te oefenen. Dagen en weken lang valt de sneeuw zonder -ophouden neder, nu eens zacht ritselend, in scherp kantige kristallen, -dan weder, door den huilenden storm voortgezweept, in groote vlokken. -Bergen en dalen, rivieren en meren worden allengs met eenzelfde -winterkleed bedekt. Nog daalt er nu en dan tegen den middag een enkele -zonnestraal op het sneeuwveld, maar weldra zegt ons, zelfs bij helder -weder, alleen nog maar een bleek schijnsel in het zuiden, dat ginds de -dag reeds half ten eind is. De lange winternacht is aangebroken. -Maanden achtereen weêrkaatst slechts het zwakke sterrenlicht tegen het -sneeuwdek, en geeft alleen de maan nog kondschap van het levenwekkende -en alles bezielende gesternte van ons planetenstelsel. Wanneer echter -de zon in ’t geheel niet meer over de toendra opgaat, straalt voor deze -een ander licht: hoog in het noorden flikkert en knettert „Soweidoed”, -het godsvuur, het vlammende noorderlicht! - - - - - - - - -III. - -DE AZIATISCHE STEPPE EN HARE DIERENWERELD. - - -Eentonig voorwaar! maar niettemin in den hoogsten graad eigenaardig, is -het onmetelijk gebied, dat zich over geheel Midden-Azië uitstrekt, om -zich tot in het zuiden van Europa voort te zetten: de Steppe. De -oppervlakkige beschouwer moge wanen, dat het gemakkelijk valt eene -voldoende beschrijving van de steppe te geven, hij, die dieper denkt, -weet, dat zulks eene alles behalve gemakkelijke taak is. Want zoo -onveranderlijk eenvormig, zoo gansch en al zonder afwisseling, als men -gewoonlijk aanneemt, is de steppe niet. Verschillend van uitzicht is -ook zij in den tijd van haar bloei en verval, in den zomer en in den -winter; groot verschil is zelfs bij haar op te merken in elk -jaargetijde in hare hoogere en lagere deelen, daar waar gebergten -verrijzen en waar beken, rivieren, meren en poelen hare laagten en -kommen opvullen. Eentonigheid werkt zij slechts uit, omdat een en -hetzelfde beeld duizendmalen wordt herhaald, en datgene zelfs -alledaagsch wordt, wat het oog boeit en streelt als men het voor ’t -eerst ziet. - -Steppe is een Russisch woord; de Rus bestempelt met dien naam alle, -onder gemiddelden breedtegraad gelegen boomlooze landschappen met een -nuttig plantendek, onverschillig of het volkomen vlak land is of een -golvend terrein, of het heuvelland is of bergland, of hier en daar een -zwarte grond gelegenheid oplevert voor den akkerbouw, of dat de magere -bodem van nature slechts voedsel verleent aan de kudde des herders. -Deze opvatting komt overeen met den aard der zaak, want hier zoowel als -ginds ontspruiten aan den bodem dezelfde planten; hier zoowel als daar -leven dezelfde dieren; hier zoowel als daar doet zich de wisseling der -jaargetijden op dezelfde wijze gelden. - -Als een gebied zonder bosschen moet men de steppe beschouwen, alhoewel -zij niet geheel en al zonder boomen is. Want in de breede en diep -ingesneden rivierdalen vindt men wel degelijk boomen en groote -struiken. Onder bijzonder gunstige omstandigheden groeien wilgen en -witte en zilverpopulieren er op tot hooge boomen, die zich zelfs in -gesloten rijen om den oever scharen; berken vormen hier en elders -boschjes, dennen erlangen op zandige duinen vasten voet en vormen -groepen, die wel is waar niet met echte bosschen vergeleken kunnen -worden, maar die toch even dicht zijn als de zooeven genoemde -rivierzoomen. Zulke plaatsen, ’t zij al dadelijk gezegd, vormen evenwel -uitzonderingen op den regel, en zijn eigenlijk eene vreemde wereld in -de steppe; ze zijn te vergelijken bij de oasen eener woestijn. - -Als eene onafzienbare, slechts hier en daar zacht golvende vlakte kan -de steppe er uitzien; elders gelijkt zij een zeer bewogen watervlak en -biedt dan meerdere afwisseling aan, terwijl wederom op andere plaatsen -gebergten uit haar oprijzen. In den regel wordt de gezichteinder overal -begrensd door heuvelketens van meerdere of mindere hoogte; meestal -omgeven deze ketens een komvormig dal, waarin het water geen uitweg -schijnt te kunnen vinden, en ook dikwijls niet vindt. Uit de langere -dwarsdalen der dikwijls zeer vertakte ketens vloeit een klein beekje -naar de diepste plaats van het keteldal en eindigt in een meer, welks -ziltige oevers, van uit de verte gezien, glinsteren, alsof zij nog met -de sneeuw van den winter bedekt waren. De heuvels doen zich, uit de -verte gezien, voor als hooge bergen, want het oog verliest op deze -onmetelijke vlakten elken maatstaf ter richtige beoordeeling, en de -heuvels zelve verbijsteren zelfs den geoefendsten waarnemer, wanneer -hun ontbloote deelen harde rots te voorschijn doen treden, die koepels -en kegels, naalden en pieken vormen. Overigens komen er, de -hooggebergten in de nabijheid der Chineesche grenzen niet medegerekend, -in de steppe der Kirgiezen werkelijke bergen voor, die van nabij niet -minder schoon zijn dan in de verte, hetgeen zij te danken hebben aan de -vele en diepe insnijdingen in hunne kruinen en hellingen. Hoe hooger en -meer vertakt de gebergten zijn, des te rijker wateraders zenden zij -naar beneden en des te grooter worden dan ook de meren in de -laagvlakten, waarin zich de rivieren storten, zonder de laagste kom -ooit geheel te kunnen vullen of de omgrenzende hoogten door te kunnen -breken; en daarmede houdt ook de uitgestrektheid der zoutsteppen -gelijken tred, welke steppen zich legeren om de altijd zoute meren -zonder afvoer. Dit alles daargelaten blijft toch het beeld der steppe -zich altijd vrij wel gelijk, hoe afwisselend het landschap ook moge -zijn. - -Men zou de waarheid te kort doen, indien men wilde beweren, dat de -steppe geheel ontbloot is van bevallige, ja zelfs grootsche partijen. -De heidevelden van Noord-Duitschland, zelfs de Mark, zijn eentoniger -dan zij. Reeds in de zacht golvende vlakte rust het oog gaarne op de -meren, die alle diepe kommen innemen; in het heuvelland of tusschen de -hoogere bergen evenwel zijn de waterbekkens steeds een waar sieraad van -het landschap. Ofschoon niet altijd, missen de meren in den regel -vriendelijk groen geboomte, soms zelfs zijn zij ontbloot van alle -struikgewas; niet zelden ligt het geheel naakt en kaal, maar ook in dit -geval nog tooit het de steppe. Want vriendelijk kaatst ons het -watervlak het blauw des hemels terug, en ook hier geniet men van de -weldadige, levendmakende kracht des waters. En wordt het meer aan den -eenen kant door een bergketen geheel begrensd, of vormen, gelijk aan -den Alakoel het geval is, hooge gebergten eene omlijsting, terwijl de -steppe overal schilderachtig afsteekt bij den glinsterenden -waterspiegel, de donkere berghellingen en de besneeuwde bergtoppen; -spreidt zich het zachte waas van den horizon over de vlakte en de -bergen uit, en schijnt zij zelfs daar schoonheden te verbergen, waar -deze niet te vinden zijn, dan is men gaarne gezind om te bekennen, dat -ook de steppe in haar soort schilderachtige landschappen omvat. - -Maar ook wanneer men mijlenlange dalen doortrekt, of over die bijna -eindelooze vlakten dwaalt, welke slechts door zacht golvende lijnen aan -den verren gezichteinder begrensd worden, wanneer men steeds een en -hetzelfde beeld, hetzelfde uitzicht naar het noorden en zuiden, het -westen en het oosten voor zich heeft, en te midden der oneindige ruimte -een gevoel van eenzaamheid en verlatenheid ons bekruipt, dan zelfs -geeft de steppe nog meer dan onze heide, daar de plantengroei ginds -ongemeen veel rijker, bonter en afwisselender is dan bij ons. Slechts -daar, en alleen daar, alwaar rondom een meer de zoutsteppe zich -uitbreidt, ligt het landschap troosteloos arm en verlaten voor ons. -Hier verkwijnen alle planten der steppe, en kleine, armoedige -loogkruiden, ineengeschrompelde heideplantjes gelijk, treden in -derzelver plaats, om hier en ginds eenig struikgewas te vormen. - -Daartusschen ligt het zout in dikkere of dunnere lagen op den bodem; de -vroeger met water gevuld geweest zijnde poelen tusschen de kuifvormige -hoogten van loogkruidboschjes gelijken op met ijs bedekte vijvertjes. - -Een zoutkorst bedekt het gansche land en bewaart het onderliggende -slijk voor uitdrogen; het hecht zich zoo vast aan den bodem, dat het -zich hiervan moeilijk laat scheiden. - -Zoo komt het dat voetgangers, en eveneens de over de steppe dravende -paarden, bij elke schrede groote klompen slijk en zand uit den grond -lichten, evenals ware de grond bedekt met eene laag losse, vochtige -sneeuw; wagens laten een diep spoor in deze taaie massa achter, en het -wentelende wiel teekent soms zijn weg in het zout af evenals bij -strenge koude in de sneeuw. Zulke plaatsen zijn ongetwijfeld ontzettend -eenzaam, woest en treurig,—alle andere plekken zijn zulks niet. - -De flora der steppe is gewoonlijk veel rijker aan soorten, dan men -gemeenlijk denkt, en veel rijker dan ik als leek op dit gebied vermag -te zeggen. Op den zwarten grond verdringen het Tschi- en Thyrsagras, in -vereeniging met spiraea’s, plaatselijk bijna alle andere planten; in de -door deze opengelaten plaatsen ontkiemen echter, even goed als op -mageren grond, een aantal sierlijke bloemen, terwijl overal waar de -steppe eene komvormige verdieping vormt, de plantenwereld allengs in -een moerasflora overgaat; zeggegras en riet voeren dan den boventoon en -geven, evenals straks genoemde grassen, nu op hun beurt aan weder vele -andere planten genoeg ruimte om tot ontwikkeling te komen. Maar de -bloeitijd duurt in de steppe kort, de tijd van verwelken en sterven -lang. - -Misschien zegt men niet te veel, als men beweert, dat het verschil in -jaargetijden nergens ter wereld zich scherper doet gevoelen dan in de -steppe, alwaar een bonte bloemenpracht, de dorheid der woestijn, de -lieflijkheid van den herfst en de barheid des winters met elkander -afwisselen, waarin de verdelgende krachten even sterk optreden als de -scheppende, de gloed der zon even vernietigend werkt als de koude, -waarin het door de hitte gedoode en door hevige stormen weggemaaide -leven weder juichend ontwaakt onder de eerste stralen der lente, waarin -niet eens het verterende vuur in staat is dat leven geheel te -vernietigen, voor zoover het nog gespaard bleef door zonnehitte en -stormen. Met meer kracht moge de lente optreden in de -keerkringsgewesten, maar meer betooverend dan in de steppe kan zij -nergens werken, want hier weêrstaat zij zelfs den zomer, den herfst en -den winter. - -Nog groent de steppe, wanneer de zomer er zijn intocht houdt; haar -volle pracht is echter voorbij. Weinige planten erlangen thans eerst -hare ontwikkeling; en ook deze verwelken reeds in de eerste dagen van -de verzengende hitte, en het bonte lentekleed gaat over in grijs en -geel. Het malsche, groene Thyrsagras biedt nog steeds weêrstand aan de -droogte, maar zijn losse, lange, dicht behaarde aren hebben reeds den -vollen wasdom bereikt; zij golven in den ademtocht van het zachtste -windje en werpen een zilveren sluier over het lagere groen. Nog slechts -enkele dagen, èn gras èn aren zijn even verdord als het nu reeds geel -geworden Tschigras, dat er in het voorjaar uitziet als opschietend -graan, maar zich nu als rijp voor de zeis aankondigt. De breede bladen -van de rhabarber liggen verdord ter aarde; de spiraea is verwelkt, de -Garakanstruik ontbladerd, de kamperfoelie heeft evenals de dwergamandel -eene herfstkleur aangenomen; de distels prijken in den tooi hunner -vruchten, en alleen de absinth en bijvoet hebben het grijsachtig groen -harer bladen nog niet verloren. Rein en helder schijnt de zon op het -dorstige land; slechts zeer zelden schuiven de schilderachtige -schapenwolkjes aan den hemel dicht te zamen, en mochten zij zich -somtijds tot een onweêrsbui samenpakken, dan is de regen, dien zij -uitzenden, nauwelijks toereikend om het stof neêr te slaan, dat bij -iederen windstoot opdwarrelt. De dieren hebben hun zomerverblijf nog -niet verlaten; het gezang der vogels is echter reeds verstomd. Slechts -het kruipend gedierte,—ontelbare hagedissen en slangen, meest -adders,—gevoelt zich behagelijk, terwijl de sprinkhanen in ontelbare -scharen, die de lucht verduisteren, door de steppe rondzwermen. - -Nog voor de zomer ten einde is, heeft de steppe het herfstkleed -aangetrokken; haar tooi bestaat nu uit een grijsachtig geel in -verschillende schakeeringen, zonder veel afwisseling of sierlijkheid. -Alle teedere planten worden door den eersten storm ter aarde geveld; de -volgende windvlaag doet haar door de steppe dwarrelen. Met de takken en -twijgen dooreengewoeld, vormen zij hoopen en boschjes, die, door den -razenden wind gedragen, half omhuld door het over den grond stuivende -zand, op spookachtige wijze, huppelende en rollende wegsnellen. Daar -boven aan den hemel vangen de donkere, of van sneeuw zwangere wolken -een wedstrijd met haar aan. De zomervogels van het vasteland zijn reeds -sedert geruimen tijd zuidwaarts getrokken; de watervogels verzamelen -zich in groote scharen op de meren en maken zich tot den aftocht -gereed; die zoogdieren, welke mede verhuizen, dwalen in groote troepen -van de eene plek naar de andere om voedsel te zoeken; de winterslapers -stoppen de toegangen tot hunne holen dicht en de reptielen en insecten -betrekken hun winterkwartieren. - -Een enkele nachtvorst is voldoende om alle wateren met eene ijskorst te -bedekken; ettelijke koude dagen slaan meren en poelen in de -winterboeien, en alleen de rivieren en beken, die langer weêrstand -bieden aan den vorst, verleenen voor een korten tijd nog een geschikt -verblijf aan die trekvogels, welke tot nog toe de afreize hebben -uitgesteld. Zwakke noordwestenwinden drijven donkere wolken over het -land en de sneeuw valt in kleine vlokjes ritselend neder. De gebergten -hebben zich den sneeuwmantel bereids over de schouders geworpen; ook de -laagsteppe trekt nu haar winterkleed aan. Guur weder duchtend, verlaat -de wolf de rietlanden en spiraeaboschjes, die hem tot dusverre tot -veilige schuilplaats verstrekten, en begeerig sluipt hij om de dorpen -en winterlegers der trekkende herders, die nu de meest beschutte en nog -niet afgeweide deelen der laagsteppe opzoeken, om hunne kudden zoo goed -mogelijk tegen de nooden en ellenden des winters te beschermen. Evenals -de daar gevestigde Kozak of boer, zint ook de herder op middelen om den -hongerigen wolf buiten te houden, of hij rijdt de steppe in en vervolgt -het verraderlijk spoor des roovers tot diens leger en drijft hem op. Op -zijn paard gezeten, dat hij door luid geschreeuw tot sneller spoed -aanspoort, een stevigen boomstam als knods in de rechterhand zwaaiende, -rent hij den laffen worger zijner kudde na. De omhoog stuivende sneeuw -omhult wolf, ros en ruiter, de snijdende vorst kleurt het aangezicht -van dezen bloedrood, maar wat nood! - -Na een jacht van een enkel uur, van ten hoogste twee uren kan de wolf, -die van twintig tot dertig kilometer heeft afgelegd, niet verder -loopen; hij keert zich om en stelt zich in tegenweer. De tong hangt het -ondier uit den muil, de met ijs omkorste uiteinden van de haren, zijner -dampende huid rijzen te berge, de rollende oogen drukken doodsangst -uit. Een enkel oogenblik draalt het edele ros, dan stormt het, gedreven -door het geroep en de knods zijns berijders voor ’t laatst op den -gehaten vijand los. Hoog zwaait de jager zijn verpletterend wapen, -suizend stort het neer, en trillende en rochelende ligt de gevelde wolf -ter aarde. Door den honger gedreven, gelijk deze, verwisselen tegen -denzelfden tijd wilde paarden en antilopen van woonplaats om het -bedreigde leven te redden; zelfs het wilde schaap, dat aan het gebergte -is gebonden, zwerft van den eenen bergkant naar den anderen; slechts de -hazen en de huisvaste steppenhoenders verlaten hun woonplaats niet, de -eersten zich met grashalmen en boombast, de laatsten met zoden en -knoppen zoo goed mogelijk voedende. Dagen achtereen duurt de sneeuwbui; -eindelijk gaat de wind liggen, maar donker als te voren blijft de -lucht. De wind draait en waait scherper en steeds scherper uit het -oosten, zuidoosten, zuiden of zuidwesten. Een lichte wolk, gevormd door -opwaaiende sneeuw, rolt over het witte dek; de wind groeit aan tot een -orkaan; de wolk stijgt omhoog, en woedend raast de „boeran” of -sneeuwstorm over de steppe; zelfs de meest tegen het weder geharde man -verliest zijn denkvermogen en wordt schier zinneloos; zoodanig is de -uitwerking van dezen gevaarlijken wind, dien men vreest als den taifoen -en den vergiftigen sammoem. - -Twee, drie dagen achtereen woedt hij onverpoosd door, mensch en dier -bijeen dringende naar dezelfde plek. Hij, die in de onafzienbare steppe -door zulk een storm overvallen wordt, is reddeloos verloren, indien -niet een bijzonder toeval hem uitkomst schenkt; wie zich, tijdens het -woeden van den „boeran”, buitenshuis waagt, kan zelfs in het dorp, of -in de steppenstad omkomen, gelijk de ervaring dikwijls leert. Eerst -tegen het einde van Februari zijn menschen en dieren vrij wel buiten -gevaar, en kunnen zij weder vrij ademhalen, al drukt ook nu nog de -winter zwaar op de steppe. - -De zon rijst; haar stralen koesteren weder de zuidelijke berghellingen; -donkere plekken, die elken dag in grootte toenemen, al worden zij ook -tijdelijk weder bedekt met versch gevallen sneeuw, komen overal te -voorschijn; het eerste lentewindje begint te waaien. Maar niet dan -schoorvoetend houdt het voorjaar zijn intocht in het land, dat nog -steeds door den winter in boeien blijft geslagen. Eerst dan, als de -levenwekkende zon zwoele zuidenwinden in haar gevolg medevoert, op zijn -vroegst in het begin, meest echter eerst tegen het midden der maand -April, smelt de sneeuw schielijk op de benedengedeelten der -berghellingen en in de diepe, met zwarte aarde gevulde dalen; slechts -in de kloven en steile insnijdingen, achter de steil afvallende heuvels -en in het struikgewas blijft de sneeuw nog eene maand lang hangen. - -Op alle andere plaatsen ontkiemt snel een jeugdig leven. Gretig zwelgt -de aarde het vocht in, haar door de smeltende sneeuw geschonken, en de -twee, nu voorgoed vereenigde toovenaars, de zon en het water, openbaren -hunne alles overweldigende kracht. Nog vóórdat de straks vermelde -sneeuwhoopen, nog vóór de snel wegdooiende ijsschollen op de meren zijn -gesmolten, zenden alle bolgewassen, alle planten in ’t algemeen, die -den winter overleefden, bladeren en bloemstengels naar de zon omhoog. -Tusschen de gele grashalmen en de dorre stengels van alle niet door de -herfststormen geknakte kruiden schittert het eerste groen. Nu steken -kolonisten en zwervende herders het dichte struikgewas aan, en het -vratige vuur vernietigt, wat de herfststorm nog spaarde. Zoodra -hierdoor de grond plaatselijk is gereinigd, ontluikt het plantenleven -met nog grooter kracht. Blad- en knolgewassen ontspruiten aan de -schijnbaar dorre aarde; de knoppen botten uit, bloemen ontluiken en de -steppe prijkt in weêrgaloozen tooi. Mijlen ver in ’t rond schitteren -gele, donkerroode, witte, wit en rood gestreepte tulpen den wandelaar -in de oogen. Hoogstens twee of drie bijeen, stijgen zij omhoog, maar -zij staan over de geheele steppe verspreid en bloeien op hetzelfde -oogenblik in zoo grooten getale, dat zij overal het oog treffen, naar -welken kant dit zich richten moge. Spoedig daarop ontwikkelen zich ook -de lelies, en nieuwe, nog bekoorlijker kleuren schitteren ons tegen, -vooral waar deze beminnelijke kinderen der steppe maar de voorwaarden -vervuld vinden voor hun leven, aan de hellingen en in de diepe dalen; -langs den oever der rivieren en in de moerassen. Gezelliger en meer -verscheidenheid aanbiedende dan de tulpen, treden zij in veel grooter -aantal op dan deze; zij nemen geheele streken in beslag en staan zoo -dicht opeen, dat men ze kan vergelijken bij de koornbloemen op de -roggeakkers, of bij een in bloei staand veld met koolzaad. Gewoonlijk -vindt men planten van dezelfde soort bijeen, doch ook komt het voor, -dat blauwe en gele leliën in bonte schakeeringen door elkander groeien, -en deze twee complémentaire kleuren hebben dan eene uitwerking, die -inderdaad betooverend is. - -Versieren thans, onmiddellijk na den winter, deze eerste kinderen der -lente de steppe, ook de hemel verleent hun geen geringen tooi. Geheel -vrij van wolken is de lucht in de lente wel bijna nimmer, meestal zelfs -is zij bedekt met wolken van elken vorm, bij het fraaiste weder althans -met laag- en schapenwolken, die meer of minder dicht opeengedrongen, -zich over het geheele hemelgewelf verbreiden en langs den geheelen -horizon op de aarde schijnen te rusten. Indien evenwel deze wolken -zwaarder worden, als de hemel verduistert, en de zon slechts hier en -daar een enkelen lichtbundel werpt op de door den eersten lenteadem -verwarmde steppe, dan komen er tinten en kleuren te voorschijn, die men -voor onmogelijk zou houden. - -Iedere dag evenwel voegt nieuwe kleuren tot de aanwezige toe. Meer en -meer verdwijnt de geelachtige tint, die ook nog in het voorjaar door de -herfsthalmen over de steppe wordt gespreid, en steeds frisscher en -levendiger komt de eigenlijke lentedos van het reeds zoo schoon -getooide landschap te voorschijn. Binnen weinige weken is de steppe als -een bont tapijt, waarop alle schakeeringen stralen van ’t donkerste -groen tot het tintelendst groenachtig geel; het sterk sprekend -grijsachtig groen der artemisia’s verkrijgt thans door bijzonder in ’t -oog loopende kruiden en dwergachtige boschjes donkere en lichte tinten. -De dwergamandel, die alleen of in gezelschap van erwtgewassen en -kamperfoelie groote deelen der steppenlaagten inneemt, staat thans, -evenals de twee andere lage struiken, in vollen bloei, en de -perzikroode met bloesems bedekte twijgen steken levendig af tegen het -groen der grassen en kruiden, en tegen de bloesems van den Garak, zelfs -tegen het teedere rozenrood en roodachtig wit van de kamperfoelie, dat -op daarvoor geschikte plaatsen dikke boschjes vormt en in vollen bloei -staand, alle overige kleuren in het rond tot den grond maakt, waarop -hare blaadjes zich scherp afteekenen. Vele, mij als leek onbekende -kruiden en planten roepen donkere schaduwen en helder verlichte -partijen in ’t leven, en de even spoedig verwelkte als uitgebotte -bladeren van andere gewassen zijn als zoovele geelachtig groene en -goudgele punten en vlekjes op dat tapijt. - -Uit de verte gezien, smelten alle kleuren eenigszins ineen tot een -gelijkmatig grauwachtig groen; van nabij echter treedt elke kleur -afzonderlijk te voorschijn; zelfs is dit het geval met de vele bloemen, -die zich thans geopend hebben, overal ten minste verspreid, op -bijzonder gunstige plaatsen groepsgewijs bijeen staan en in de schaduw -van het struikgewas tot volle pracht zijn gekomen. - -Behalve de oneindige verscheidenheid van bolgewassen treffen vooral -heerlijke wikke-soorten, benevens oude bekenden van vreemdsoortig -voorkomen uit onze bloementuinen het oog, en steeds grooter en grooter -wordt de betoovering, zoodat men eindelijk, schier begoocheld door dit -tooneel, waant in een eindeloozen, niet onderhouden bloementuin te -wandelen. - -Met het plantenleven is ook het dierlijk leven ontwaakt. Nog voordat de -laatste sporen van den winter geheel verdwenen zijn, komen de -trekvogels weder in de steppe terug; en heeft de lente voorgoed en -werkelijk haar intocht gedaan, dan ontsluiten ook de winterslapers -hunne onderaardsche kwartieren, alwaar zij het booze jaargetijde in -bewusteloozen, schijndooden toestand hebben doorgebracht; evenals de -trekvogels nu zich vereenigen met de standvogels, zoo ook voegen zich -deze zoogdieren bij die natuurgenooten hunner klasse, welke geen vrees -voor den winter hebben gekoesterd, althans dien glansrijk het hoofd -hebben geboden. Gelijktijdig vieren de insecten hun opstandingsfeest; -zij verlaten hunne schuilhoeken of leggen de pophuid af; amphibieën en -reptielen,—kikvorschen, hagedissen en slangen—verlaten almede hunne -winterverblijven, om reeds van de eerste zonnestralen te genieten, ten -einde de warmte deelachtig te worden, die hen voorgoed tot het volle -leven kan doen terugkeeren. Droomend wachten zij op den zomer; voor hen -alleen een tijd van ongestoord geluk. - -Het wordt levendig in de steppe. Nog niet veelsoortig, maar reeds in -groot aantal en overal verbreid, treden de haar toebehoorende dieren -op. Nergens is nu meer een plekje ledig. In zulke groote kudden, als de -antilopen in de steppen van Centraal-Afrika, of de zebra’s en quagga’s -in de Karoe van Zuid-Afrika, en de ontelbare buffels in de prairiën van -Noord-Amerika ronddolen, trekken wel is waar de zoogdieren niet door -onze steppen; en in zulke groote scharen als aan het zeestrand en op -sommige eilanden, in Afrika’s steppen of in de oerwouden der -keerkringslanden ziet men de vogels hier niet verschijnen; maar in -sommige streken bepalen toch ook zij het landschapsbeeld en schenken -zij hieraan een geheel eigenaardig karakter. Ook de steppe bezit of -herbergt eene bijzondere dierenwereld. - -De voornaamste verzamelplaatsen van het dierlijk leven zijn al weder de -wateren, zooals de groote meren en de kleine vijverachtige -waterbekkens, alsmede de rivieren en beken. Eerder nog dan aan de -tijdelijk of bestendig onder water staande rietlanden, die de oevers -der meren omzoomen, herkent men deze aan de honderden en duizenden van -moeras- en zwemvogels, ook al ziet men in de verte nog geen water. In -veelvuldig afwisselende vlucht zweven en glijden de vischmeeuwen, -stormmeeuwen en lachmeeuwen over den waterspiegel; sneller en -ongestadiger dan deze vliegen de zeezwaluwen over de rietvelden en -meren, en hoog in de lucht beschrijven de schreeuwarenden hun sierlijke -kringen; eenden, ganzen en zwanen vliegen van het eene meer naar het -andere; rietwouwen schommelen over het riet en zelfs zeearenden en -pelikanen laten zich bij tijd en wijle zien. Een goed denkbeeld van de -soorten en het aantal, het leven en bedrijf van al deze watervogels -krijgt men eerst, wanneer men aan den oever staat of in de rietbosschen -dringt. Zooals men denken kan is de zoutsteppe arm aan dierlijk leven. -In snelle vlucht trekken de watervogels over den onherbergzamen, met -zout bezwangerden oeverzoom en vliegen van den eenen poel naar den -anderen; alleen de lach- en vischmeeuwen rusten gaarne een enkele maal -bij de nog niet uitgedroogde, vlakke, met zout water gevulde bekkens -uit; en eenig en alleen de kasarka vischt in het water zelf, -gemeenschappelijk met de sierlijke kluit, die juist deze plekken bij -voorkeur opzoekt, om bij paren of in troepen vereenigd, vlijtig het -zilte water te doorzoeken, den kleinen kop met den fijnen, gekromden, -naar boven gekeerden snavel heen en weêr schuddende. Andere vogels heb -ik hier nimmer veel gezien, een enkele gele kwikstaart, een gewone -kwikstaart, een kievit en een plevier uitgezonderd; alle anderen -vermijden dit ongastvrije oord, en zulks te meer, naardien er in de -onmiddellijke nabijheid veel beter en rijker vischwateren te vinden -zijn. Overvloedig voedsel zelfs is in de naaste omgeving der meren te -vinden. Daarom verzamelen zich hier niet alleen om en op den -waterspiegel duizenden moeras- en zwemvogels, maar daarenboven alle -kleine zangvogels, wien de droge steppe het noodige levensonderhoud -niet vermag te geven; en zoo vinden niet alleen de vischdieven, maar -ook vele andere soorten van roovers hier hun dagelijksch brood. Met de -strandmeren van Noord-Afrika, alwaar in den winter de gevederde -bewoners van drie werelddeelen tot een reusachtig rendez-vous -bijeenkomen, met de stilstaande wateren der keerkringslanden, in en om -welke te allen tijde honderdduizenden van vogels zich verzamelen, zelfs -met de moerassige laagvlakten van den Donau, alwaar elken zomer -eindelooze scharen van de kinderen der lucht zich vereenigen, laten de -steppenmeren zich wel is waar volstrekt niet vergelijken; in verhouding -tot hun aantal ginds is het getal gevederde kolonisten hier zelfs -gering te noemen, maar niettemin is en blijft het op zichzelf nog zeer -aanzienlijk, en de meren der steppen ontleenen ontegenzeggelijk almede -hunne eigenaardigheid hieraan, dat zij de verblijfplaatsen zijn van -vogels. - -Alles leeft hier in het riet; de wolf zoowel als het wilde zwijn, de -arend zoowel als de wilde zwaan, de raaf zoowel als de wilde eend, -krakeend en wintertaling, de lijster zoowel als de grasmusch, de -baardmees zoowel als de musch, de rietgors zoowel als de ortolaan, de -fitis en tjiftjaf zoowel als het blauwborstje, de torenvalk en -roodvoetvalk zoowel als de kraanvogel en de kievit, de klauwier zoowel -als het bokje, de spreeuw zoowel als de gewone en gele kwikstaart, de -kwartel zoowel als de ijsvogel, de zilverreiger en de lepelaar zoowel -als de schollevaar en de pelikaan. De dichte rietbosschen zijn de ware -en eigenlijke verblijf- en schuilplaatsen voor deze dierenwereld; zij -treden in de plaats van het woud, zij beveiligen en verbergen en -strekken tot toevluchtsoord voor de liefde en het familiegeluk; zij -zijn de getuigen van de luidruchtigste vreugde en de teederste zorgen, -de broedplaatsen der jongen en tevens de oorden, waar deze worden -grootgebracht. - -Van de hier huizende zoogdieren neemt men slechts de sporen waar, -tenzij men tot maatregelen van geweld zijn toevlucht neemt en met -behulp van honden de rietbosschen doorsnuffelt; de licht bewegelijke -vogelwereld daarentegen ontgaat hier het geoefend oog des onderzoekers -nergens. - -Wanneer men uit de droge steppe komt en een dezer meren nadert, -verdwijnen ten laatste ook de overal voorkomende leeuweriken, terwijl -de een of andere plevier zijn opwachting maakt, ‘tzij dat hij door zijn -klankrijk geroep de opmerkzaamheid wekt, ‘tzij dat hij zich persoonlijk -laat zien; met de haast, aan alle soorten van zijn geslacht eigen, -loopt hij hortend en stootend over den grond voort, hier en daar een -beestje oppikkende, dan een oogenblik stilhoudende, om dadelijk daarop -met gelijke haast weer voort te snellen. Nog voor men bij het riet is -aangeland, wordt de lach- of kokmeeuw, misschien ook wel de kleine -zeemeeuw, in een gunstig geval tevens een mantelmeeuw of een -burgemeester zichtbaar; de eerste vliegt zelfs zeer ver de steppe in, -voegt zich bij grazende kudden en verleent aan deze geen geringen tooi, -wanneer dichte drommen dier meeuwen de kudden omzweven en de afgeslagen -en afgeschudde insecten opvangen, of wanneer zij achter de kudde -loopen, als waren zij duiven, die op het veld voedsel zoeken. Dan -bemerkt men ook wel eens een wilde gans, het mannetje van een op het -nest broedend wijfje, dat zijn gade voor enkele oogenblikken verliet, -ten einde op grasrijke plaatsen in de nabijheid van het riet te weiden, -zoolang zulks althans nog mogelijk is, en ouderplichten, waarvan ook de -woerden hun aandeel op zich nemen, het niet noodzaken zich schuil te -houden in de onmiddellijke omgeving des meers, op plaatsen, die -daarvoor de meest geschikte gelegenheid aanbieden, en werwaarts de -voorzichtige ouders hunne grijsachtig groen-gele kiekens aanvankelijk -voeren. Op alle ondiepe, met water bedekte plaatsen langs den oever -gaat het levendiger toe. Aan de randen van zulke plassen en vijvers -ziet men op daarvoor geschikte strijdplaatsen kleine strandvogels, de -kemphanen, prijkende in hun riddertooi, elkander bevechten; zij rennen -met gebogen kop op elkander los, richten den snavel als een -vooruitgestoken lans op den wijd uitgespreiden tot schild dienenden -halskraag der nimmer ontbrekende tegenpartij, nemen eene uitdagende, -maar onbeschrijfelijk fiere en schoone houding aan, zien elkander nog -eens scherp in de oogen en stormen op elkander los, van weêrszijden op -hetzelfde oogenblik stootende en den stoot met het veêrkrachtige -borstschild opvangende. Niemand bekomt eenig leed, niemand wordt door -dezen tweekamp ook maar eenigszins verhinderd in andere veel minder -edele bezigheden; want aan dezen kemphaan ontging in de hitte van den -strijd de vlieg niet, die zich juist op een grashalm neêrzette, en aan -dien anderen den zwemkever niet, die op den waterspiegel van een klein -plasje ronddartelde: fluks loopen beiden naar de juiste plek om den -buit te snappen en zich daarmede te versterken, ten einde voor een -nieuw gevecht gereed te zijn. Inmiddels verschijnen er nieuwe strijders -op de kampplaats en nimmer schijnt het gevecht een einde te nemen. Daar -komt een rietwouw schommelend nader; ijlings verlaten onze helden de -strijdplaats, verheffen zich in dichte drommen in de lucht en vliegen -naar elders, naar een anderen plas, om hier hetzelfde spel van voren -aan te beginnen. De gevreesde wouw schrikt alle andere vogels in het -moeras op. Onder een vervaarlijk geruisch vliegen de zwakkere eenden -op, en, echter meer door dat geraas dan wel door den roofvogel -vervaard, volgen een oogenblik later de meer krachtige familieleden; -zij stormen onder fluitende vleugelslagen omhoog, vliegen eenige malen -om den waterplas heen en vallen er bij troepjes weder op neer; met een -trillend geschreeuw stijgt ook de tureluur en met een toonloos, maar -ver hoorbaar geschrei ook de watersnip—de roover streek ook zoo dicht -over hen heen—naar boven; beiden evenwel vergeten het gevaar, zoodra -zij de veilige hoogte hebben bereikt en schijnen nu om niets anders -meer te denken dan om den gulden lentetijd en de zalige liefde, die hun -borst in vuur zet. Want de tureluur daalt plotseling tot op den -waterspiegel neder, fladdert en zweeft met afhangende vleugels naar -voren en naar beneden, verheft zich onder aanhoudend geroep opnieuw om -wederom te dalen, totdat de loktoon der reeds weer zittende gade hem -uitnoodigt met het haar geldende liefdespel op te houden en zich tot -haar te spoeden. De watersnip volgde het voorbeeld der anderen; na in -eene zigzaglijn tot dubbele torenhoogte omhoog te zijn gestegen, laat -zij zich bliksemsnel vallen, terwijl zij den staart waaiervormig -uitspreidt, en de buigzame, smalle en spitse buitenste stuurpennen aan -de weêrstandbiedende lucht prijsgeeft, waardoor het blatende geluid -ontstaat, dat haar den naam van hemelgeit deed verwerven. Alleen een -paartje van de langpootige steltkluit, dat in schijnbaar voorname -afzondering ver van het strandgewoel zijn eigen zaakjes verricht, liet -zich door den wouw geen vrees aanjagen; misschien zag het wel hoe de -moedige kokmeeuwen ijlings toevlogen om den onruststoker te verdrijven, -ja hoe zelfs een grauwe kuikendief en een steppenwouw zich samen -opmaakten, om den hun zoo nauw verwanten, maar bitter gehaten -roofkameraad te bevechten. En deze,—zonder te dralen, kiest hij de -vlucht; onmiddellijk daarop fluit en trilt en schatert het weêr als te -voren op de wateren; want nieuwe gasten zijn op het tooneel verschenen, -aangelokt door de nieuwsgierigheid, die allen vogels eigen is—maar niet -minder door den welbereiden disch, dien deze poelen hun aanbieden. - -Bereikt men eindelijk het riet, dan valt ons ook het kleine gevleugelde -goedje in de oogen, en zelfs nog eerder dan het groote, dat zich in den -regel meer zorgvuldig verbergt. De kraanvogel, die op de -ontoegankelijkste plaatsen broedt, de groote zilverreiger, die aan den -binnenkant van het rietbosch staat te visschen, de lepelaar, die op de -meer open plaatsen tusschen het riet zijn voedsel zoekt; deze allen -verschuilen zich zeer zorgvuldig, terwijl ook de roerdomp, die de -dichtst begroeide plaatsen opzoekt, zijn aanwezen slechts door een dof -geluid verraadt. - -De kleine wereld, waarover ik sprak, stelt zich daarentegen, zonder -eenige bezorgdheid te laten blijken, bloot aan ieders blik, en zingt en -jubelt op hoogen toon. Vertrouwelijk loopen de gele kwikstaarten op de -met gras begroeide plaatsen rond, die het riet aan den buitenkant -begrenzen; onbevreesd klautert het sierlijke baardmeesje bij de -rietstengels op en neêr, op welker toppen hier een keelvogeltje, ginds -een klauwier troont; luide weêrklinkt het vroolijke, ofschoon weinig -klankrijke lied der rietzangers ons van alle zijden in het oor, en met -welbehagen luisteren wij naar den slag van den merel, naar het -liefelijk gekweel van blauwborstje, fitis en spotvogel, en naar het -geroep van den koekoek. Op de vrije watervlakte zwemmen echter -ongetwijfeld een paar koeten, mannetje en wijfje, met hun kroost, en, -wanneer de poel dieper is, tusschen een aantal eenden ook wel een -geoorde fuut. En wanneer de avond is gevallen, komen hier bovendien nog -roodvoetvalken, kleine torenvalken, spreeuwen en rozé-spreeuwen, om in -het riet te overnachten, en nu komt er aan het geschreeuw, het gepiep -en gekweel geen eind. Zelfs de schreeuwarend, raaf en bonte kraai -verschijnen hier als logeergasten, terwijl de schollevaar en pelikaan -althans aan den binnenkant van de vermoeienissen der vischvangst -uitrusten. - -Over en boven het watervlak eindelijk vliegen en zweven de meeuwen, -staan de zeezwaluwen, jagen de zee- en vischarenden, en op plaatsen, -waar de diepte van het meer niet al te groot is, visschen om strijd -pelikanen en zwanen, in gezelschap van vraatzuchtige schollevaars en -futen. - -Weinig minder rijk dan de wateren zijn ook de met boomen en kreupelhout -omzoomde rivierdalen. De boomen torsen de nesten van grootere en -kleinere roofvogels, dienen dezen tevens tot rustplaats; van de toppen -schalt het heerlijk gezang van den wielewaal, de slag van den lijster, -het lachen der specht, het kirren der ringduif en kleine boschduif; uit -het dichte onderhout klinkt het verrukkelijk lied van den poolschen -nachtegaal zoo rein, zoo vol, dat zelfs het verwende oor des kenners -zich vermeit in deze zeldzaam schoone klanken. - -Evenals op de meren ginds drijven ook hier op het watervlak de meest -verschillende watervogels, terwijl wij in het riet en het kreupelhout -van den oever hetzelfde bonte gezelschap ontwaren van straks in de -rietvelden; het molenaartje kleppert, gewone grasmusschen en -sperwer-grasmusschen laten hunne welbekende liederen weêrklinken. - -Wandelt men door de waterlooze gedeelten der steppe, dan vertoonen zich -weder andere dieren aan ons oog. Ook hier zijn het nogmaals de vogels, -die men het eerst waarneemt en waarnemen moet. Minstens zes, zoo niet -acht soorten van leeuweriken bewonen de steppe en zetten aan het -eenzaamste plekje nog levendigheid bij. Onafgebroken klinkt hier den -reiziger hun gezang in de ooren; van den grond en van de toppen der -lage struiken ruischt het ons tegen; hoog uit de lucht stroomen, zoowel -des avonds als des morgens, de rijkste melodieën. Het is slechts één -lied, dat men zich verbeeldt te hooren; want de veelstemmige -kalanderleeuwerik neemt evengoed wat over van onzen akkerleeuwerik als -van den Siberischen leeuwerik, en smelt zijn eigen strofen samen met -die der anderen; hij minacht zelfs enkele tonen van den zwarten -kalander, den rooden en kortteenigen leeuwerik niet, alle liederen in -het zijne vereenigende zonder daarom het gezang der anderen geheel te -overstemmen, hoe luid hij ook zijn eigen en geleende melodieën moge -voordragen. Wanneer wij op een schoonen voorjaarsdag op onze -vaderlandsche velden in verrukking naar het gezang van den -akkerleeuwerik luisteren, wanneer wij zien, hoe onophoudelijk de eene -lieve zanger na den anderen omhoog steigert, om in bezielde en -bezielingwekkende tonen de komst der lente aan te kondigen, dan kunnen -wij ons moeilijk voorstellen, dat zulks onbeteekenend is in -vergelijking van hetgeen de steppe te zien en te hooren geeft, en toch, -zoo is het in waarheid. Want de steppe is de eigenlijke woonplaats des -leeuweriks; het eene paartje leeft naast het andere, de eene soort -tusschen en te midden van andere soorten en de uitgestrekte steppe -schijnt nauwelijks ruimte genoeg voor allen te bevatten. Toch zijn de -leeuweriken niet de eenige bewoners dezer plaatsen. Betrekkelijk even -talrijk zijn ook hun grootste vijanden, de wouwen, die ’t vooral gemunt -hebben op het liefste, wat de leeuwerik bezit, zijn kinderen. In welk -gedeelte der steppe men ook moge komen, men kan er zeker van zijn, dat -men een dezer roofvogels ontmoet; in het noorden de grauwe kuikendief, -in ’t zuiden de steppenwouw, terwijl zij zwevende en zwenkende, dicht -langs den grond strijkende, de steppe doorsnellen; niet zelden ziet men -op de ruime vlakte troepen van vier tot acht stuks te gelijk jagen. Nog -vaker dan deze, ofschoon niet zoo algemeen verbreid, laten zich twee -andere steppenkinderen zien, de Italiaansche torenvalk en roodpootvalk, -twee soorten, die in doen en laten weinig verschil aanbieden, in -schoonheid, sierlijkheid van gedaante en aantrekkelijkheid van beweging -met elkander wedijveren. Overal, waar slechts een rustplaats voor deze -bekoorlijke wezens te vinden is, waar een telegraafdraad over de steppe -gespannen is, een rotsachtig heuveltje zich boven de vlakte verheft, -een Kirgiezengraf daarboven uitsteekt, zoekt men ze niet tevergeefs. -Even verdraagzaam als gezellig, vrij van jaloerschheid, -niettegenstaande zij denzelfden buit najagen, maken zij vlijtig jacht -op allerlei insecten, op den vraatzuchtigen treksprinkhaan en op kleine -kevers; zij zetten zich om uit te rusten en ter betere vertering van -hun voedsel, zorgvuldig daarbij rondziende, op hunne wachtposten neêr, -vliegen op, zoodra zij buit bespeuren, spoeden zich derwaarts, en staan -met trillende vleugels, wier beweging echter nauwelijks waargenomen -wordt, in de lucht, om van hier uit hunne prooi gemakkelijker gade te -slaan. Als een steen laten zij zich nu naar beneden vallen, grijpen het -insect, verslinden het in de vlucht, stijgen weder omhoog en beginnen -opnieuw hetzelfde spel. Niet zelden ziet men tien tot twaalf dezer -vogels boven dezelfde plek jagen; onwillekeurig trekken zij de -opmerkzaamheid, zooveel afwisseling biedt hun bedrijf. Elken dag kan -men ze ontmoeten, uren lang naar hen kijken, en telkens opnieuw wordt -men door dit jachtspel geboeid. Zij behooren in het steppenbeeld -evenals het zoutmeer, evenals de tulp en de lelie, evenals het -kreupelhout en het tschigras en als de witte schaapjeswolken aan het -hemelgewelf. Niet te vergeten is nog de rozé-spreeuw, eene weinig -minder belangrijke verschijning, de kleurenrijke plaatsvervanger van -onzen lieven huis- en tuinvriend, de ijverige verdelger van de -vraatzieke sprinkhanen, de trouwste vriend der weidende kudde, de -hooggeschatte helper van den mensch, wiens veldvruchten hij beschermt; -daarom is hij ook in de oogen der steppenbewoners bijna een heilige -vogel. Belangrijk is bovendien het vuist- of steppenhoen, een -verbindingslid tusschen hoen en duif, welks geslacht zoo geheel thuis -behoort in de steppe, alsmede de groote trap met zijn aanminnige -familieleden, de kraag- en dwergtrap, welke laatste reeds daarom de -aandacht waard is, wijl hij voor eenige jaren in Duitschland, en wel in -Thüringen is aangekomen, alwaar hij evenals in de steppe niet weinig -bijdraagt tot versiering van het landschap, wanneer hij in golvende -vlucht zijn volle schoonheid ontplooit. En nog andere, fraai, ja -prachtig gekleurde vogels kunnen wij onder de bewoners der steppe -opnoemen, zooals de aanvallige bijeneter en de Duitsche papegaai, die -in vereeniging met valken en duiven de steil afvallende oeverbanken -bewonen; de karmijnkleurige goudvink en de geelgors, die in het -tschigras en kreupelhout zich ophouden, en vele meer. Zelfs de zwaluwen -ontbreken niet in een gebied, alwaar de menschelijke woningen zoo -zeldzaam zijn. Dat de oeverzwaluw ook hier aan alle steile meeroevers -hare nestholen graaft, schijnt den zaakkundige niet vreemd, maar dat de -huiszwaluwen nog heden ten dage van in ’t wild levende tot halfgetemde -vogels worden, dat zij nog tegenwoordig hunne nesten aan de rotsen -vasthechten, om de rotsen te verlaten zoodra er een grafteeken voor een -of anderen Kirgies wordt opgericht, en daarin overgaan, dat de -huiszwaluw zelfs in de Joerte gastvrijheid zoekt en ook vindt, wanneer -de Kirgies slechts weet zoolang op dezelfde plaats te zullen vertoeven, -totdat de eieren in het aan den koppelring der Joerte gehechte nest -uitgekomen en de jongen volwassen zijn,—ziet! dat verdient vermeld te -worden. - -Op dezelfde plaatsen, welker vogelbevolking ik zooeven opnoemde, hebben -zich nog andere dieren verzameld. Afgezien van de lastige muggen, -vliegen, horzels en wespen of bijen, bemerkt men slechts weinige -insectensoorten, ofschoon de genoemde zeer talrijk en over alle deelen -van zulke streken verbreid zijn. Hetzelfde geldt van de reptielen, van -welke wij in de door ons doorkruiste gedeelten der steppe eenige -hagedissen en verschillende slangen aantroffen; zoo, wat de laatsten -betreft, twee vergiftige soorten, n.l. de gewone adder en de -halysadder. Deze twee slangen zijn wel is waar niet zoo talrijk als de -hagedissen, maar toch vrij menigvuldig. Op onze tochten door de steppe -zagen wij bijna elken dag dan den eenen dan den anderen Kirgies zijn -mes uithalen en zich voorover op zijn paard buigen, om met welgetroffen -slag den kop van een dezer giftslangen van den romp te scheiden. En -toen wij in Slangenberg, een bergstadje in den Altaï, wilden -onderzoeken of die plaats wel op eene rechte wijze aan haar naam was -gekomen, keerden de door ons uitgezonden lieden na weinige uren met -zulk een rijken buit terug, dat wij niet weinig door dit zakelijk -antwoord verrast waren en de waarheid niet meer in twijfel konden -trekken van de geschiedenis, aangaande den oorsprong van dien naam, -welke hierop neêrkomt, dat men vóór de grondvesting der stad duizenden -van giftslangen had verzameld, opgehoopt en verbrand. Kikvorschachtige -dieren en kleine zoogdieren zijn veel zeldzamer dan reptielen; van de -eersten bemerkten wij slechts ééne paddesoort, van de laatsten enkele -muizen, een ziesel, twee blindmollen en de bevallige springmuis, die -onder den naam van paardespringer bekend is. - -De ziesel en de springmuis zijn allerliefste verschijningen, en vooral -de eerste verlevendigt de steppe dikwijls niet weinig, daar dit dier -gezellig leeft en op daarvoor geschikte plaatsen, evenals vele andere -marmotten in koloniën leeft. Hier ziet men namelijk des avonds de -bewoners voor de schuins in den grond dalende pijp van hun hol zitten, -of, bij de nadering van een wagen of eene ruiterschaar ijlings er naar -toe vlieden, snel nog even zich nieuwsgierig op de achterpooten zetten, -op het rechte oogenblik eensklaps in de veilige diepte verdwijnen, om -evenwel weinige minuten later weder te voorschijn te komen, -klaarblijkelijk met het doel om zich te overtuigen of het dreigend -gevaar weder voorbij is. Het geheele gedrag van den ziesel geeft te -kennen, dat hij aanhoudend geslingerd wordt door vrees en -nieuwsgierigheid. Voor vrees bestaat er aanleiding genoeg, want is het -niet de mensch dan zijn het wolven en vossen, koningsarenden en -schreeuwarenden, die hem voortdurend op de hielen zitten, en men kan er -zeker van zijn, daar vooral ziesels aan te treffen, waar men een -koningsarend op een paal aan den weg of op de boomen in de dorpen ziet -zitten. Niet zoo dikwijls ontwaart men de springmuis,—voorzeker het -sierlijkste zoogdier der steppe—niet zoozeer omdat deze knaagdieren -minder talrijk zijn, maar omdat zij, als nachtdieren, eerst na -zonsondergang te voorschijn komen; om dezen tijd, en als de maan -schijnt nog later, kan men zien, hoe deze bekoorlijke wezens hunne -holen verlaten, zich uitrekken en met de korte voorpootjes tegen de -borst gedrukt, op de lange kangeroe-achtige achterpooten als op stelten -vooruithuppelen, terwijl zij onder het springen het slanke, recht -opgerichte lichaam met behulp van den langen, aan twee kanten behaarden -staart, in evenwicht houden. - -Rusteloos, maar niet te schielijk snelt de paardespringer voort, nu en -dan een oogenblik ophoudende, om met zijne lange knevelharen rond te -tasten en rond te snuffelen naar voor hem bruikbaar voedsel. Hier pikt -hij een zaadkorrel op, ginds graaft hij een bolgewas uit; men zegt -zelfs dat hij ook op dieren aast, vogelnesten plundert, eieren en -nestjongen rooft, ja zelfs op kleine knaagdieren jaagt, en ik waag het -niet hem van deze zonden vrij te spreken. Eene nauwkeurige waarneming -evenwel van de levenswijze van dit dier is zeer moeilijk; want zijne -zintuigen zijn scherp en zijne geestelijke talenten niet vele, zoodat -vrees en schuwheid twee voorname karaktertrekken van de springmuis -uitmaken. Zoodra het beestje in eene hem bedenkelijk schijnende -nabijheid een mensch ziet naderen, slaat het in eens op de vlucht, en -tevergeefs zou men pogen het daarbij te volgen, want zelfs geen ruiter -te paard haalt den springer in. Met krachtige sprongen, de lange -achterpooten zoover mogelijk uitstrekkende, zich van den in volle -lengte uitgestrekten staart als van een balanceerstok bedienende, -vliegt de springmuis heen. De eene sprong volgt op den andere, en voor -men het weet is zij in het nachtelijk duister verdwenen. - -In het steppengebergte treden weer andere diersoorten op, inzonderheid -wanneer het gebergte, in plaats van enkel zacht glooiende hellingen, -steil in de diepte afvallende rotswanden, uit steengruis samengestelde -hoogten, diep ingesneden, woeste kloven, en spitse, onbegroeide toppen -en kammen bezit. In de nauwe, groene dalen, door welke een beekje -vliet, weidt de vosgans, een ongemeen sierlijke, levendige vogel, ter -groote eener goede eend, de gans van het Middel-Aziatische -hooggebergte; in de rotsspleten nestelt de rotsduif, de stamsoort onzer -tamme duiven; van de rotsblokken, waarop tapuiten, steengorzen en -steengoudvinken huizen, dalen de weeke liederen van den steenlijster; -de lustige alpenkraai omzweeft de toppen en boven deze trekt des daags -de steenarend zijn kringen en glijdt des nachts stil en onhoorbaar de -oehoe, beiden er op uit om een der talrijke steenpatrijzen of wel eene -onvoorzichtige marmot te pakken. Meer nog evenwel verdient de aandacht -de archar der Kirgiezen, een dier reusachtige wilde schapen, die -Middel-Azië herbergt, hetzelfde dier, dat ik zoo gelukkig was in het -gebergte van Arkat te vellen. - -Volgens de nauwkeurige berichten, die de Kirgiezen mij verstrekten, -leeft dit trotsche dier niet alleen hier, maar ook op andere minder -hooge gebergten der West-Siberische steppen; tot den bronsttijd leven -zij in troepjes van vijf tot vijftien stuks, rammen en ooien, in van -elkander gescheiden gezelschappen. Iedere afzonderlijke troep blijft op -de eenmaal uitgekozen plek zoolang zij niet gestoord of verontrust -wordt; gebeurt dit, dan verwisselt zij den eenen bergtop voor een -anderen, nooit echter naar verre trekkende. Tegen zonsondergang klimt -zulk een troep, aangevoerd door een mannetje, naar de hoogste toppen om -aldaar op plaatsen, die voor andere dieren, of moeilijk, of in ’t -geheel niet te bereiken zijn, te slapen; met het aanbreken van den dag -begeeft zich oud en jong weder naar de dalen om hier te grazen en -steeds aan dezelfde bron te drinken; in de middaguren legeren de -archars zich in de schaduw der rotsen, op plaatsen, die een vrij -uitzicht open laten, om daar te rusten en te herkauwen; tegen den avond -trekken zij nogmaals uit om te grazen. Zoo brengen zij des zomers en ’s -winters den dag door. Zij vreten alle planten, die ook het voedsel -uitmaken van ons tamme schaap; zij zijn, als het moet, even zoo weinig -eischend als dit laatste, lijden daarom ook in den winter geen groot -gebrek, en zijn in het voorjaar weldra weder zoo goed op krachten, dat -zij van nu aan tot den herfst slechts de lekkerste planten uitkiezen. -Hun gewone gang is een snelle, zeer spoedig vooruitbrengende draf, dien -zij alleen verhaasten wanneer zij opgeschrikt worden; worden zij door -een ruiter nagezeten, dan veranderen zij den gewonen tred in een wijd -gestrekten galop, en daar zij steeds de richting naar de rotsen -inslaan, zijn zij spoedig buiten bereik. - -Op de vlakte zoowel als in het gebergte draven zij, op de vlucht, -altijd in eene rij achter elkaar, dicht aaneengesloten, en deze -rangschikking hernemen zij telkens zoo spoedig mogelijk, wanneer zij -plotseling overvallen en uiteengejaagd zijn geworden. Tusschen de -rotsen bewegen zij zich uiterst gemakkelijk, met veel behendigheid en -zekerheid, onverschillig of zij klimmen of dalen. Zonder zich ’t -geringste in te spannen, zonder veel haast zelfs te maken, klauteren -zij langs de steilste paden op en neêr, springen over diepe en wijde -kloven, en van de hoogte naar de laagte, als waren zij vogels, die -vliegen kunnen. Worden de archars vervolgd, dan blijven zij van tijd -tot tijd stil staan, klauteren op een hoogere rots, ten einde in ’t -rond te zien, en zetten daarop hun tocht zoo bedaard voort, als dreven -zij met hun vervolgers den spot. Het bewustzijn van kracht en -klautervaardigheid verleent hun een trotsche vermetelheid. Zij -overhaasten zich nooit, en slechts dan moeten zij deze langzaamheid -boeten, wanneer een verscholen schutter hen in den rug aanvalt. - -De ooien leven onderling altijd zeer eendrachtig, de rammen insgelijks, -uitgezonderd in den bronsttijd. Deze valt in de tweede helft van -October en duurt eene maand lang. Alsnu komen de moedige en -strijdlustige rammen in een staat van groote opgewondenheid. De oudsten -nemen een bepaalde standplaats in bezit en verdrijven van daar alle -zwakken. Met huns gelijken in krachten vechten zij nu op leven en dood; -zij plaatsen zich recht tegenover hunne mededingers, gaan op de -achterpooten staan, stormen op elkaar los, en stooten met de zware -horens zoo geweldig tegen elkander, dat het gebergte er van dreunt. - -Somwijlen gebeurt het, dat de horens in elkander verward raken en niet -weer los kunnen komen, zoodat zij afbreken; ook wel slingert de een den -ander in den afgrond, alwaar hij te pletter valt. - -In de laatste dagen van April of in het begin van Mei brengt het schaap -een of twee jongen ter wereld. Deze lammeren loopen, zooals wij bij -gevangen dieren waarnamen, reeds weinige uren na de geboorte met hunne -ouders rond, en volgen dezen binnen weinige dagen op alle wegen met de -aan hun geslacht eigen behendigheid en zekerheid. Dreigt er ernstig -gevaar, dan verbergt de moeder haar kind tusschen de rotsen, zeker om -den vijand te misleiden, en keert, nadat het gevaar geweken is, tot -haar jong terug. Dit laatste heeft zich intusschen plat op den grond -uitgestrekt, houdt zich zoo stil als een muisje en wordt als aan de -rotsen gelijk; zoo ontgaan de lammeren dikwijls aan den blik des -vervolgenden vijands,—niet altoos, en ’t allerminst aan de oogen van -den steenarend, die een van het moederschaap afgezonderd lam onverwijld -aanvalt en doodt. Zoo gebeurde het, terwijl wij in het Arkatgebergte op -de jacht waren. Gevangene archarlammeren, die wij van de Kirgiezen -ontvingen, bleken allerliefste dieren te zijn; zij vatten terstond de -uiers van eene hun opgedrongen min, zoodat men daaruit mag afleiden, -dat zij gemakkelijk zijn te temmen en op te voeden. - -Indien men er eens huisdieren van maakte zou zulks een belangrijke -aanwinst worden voor den veestapel, maar de Kirgies denkt daaraan niet; -hij is er alleen maar op uit om de wilde dieren te vangen. -Hartstochtelijk wordt die jacht echter niet gedreven en daarom blijft -de wolf, ofschoon dit ondier slechts in den winter, wanneer de sneeuw -dik op de velden ligt, een enkelen archar kan verscheuren, deszelfs -meest gevaarlijke vijand. - -Evenals op het gebergte komen er ook op de dorste en meest woeste -deelen der steppe, die zelfs in de lente doen denken aan de woestijnen -en woestijnsteppen van Afrika, bijzondere, slechts daar thuis -behoorende dieren voor. In deze streken verdwijnen behalve het lage -pluimgras en de hier tot een klein struikje ineengekrompen bijvoet -bijna alle andere gewassen, die men overigens in de hoog- en laagsteppe -waarneemt; daarentegen is hier juist een afzonderlijke struik -opgeslagen, dien men elders tevergeefs zoekt, n.l. de ramstruik, zoo -genoemd wegens zijn buitengewoon hard en droog hout, waar de bijl zelfs -op afstuit. Dit gewas wortelt op die enkele plaatsen in de steppe, -alwaar een mager, rood, door den regen bijeengestroomd leem den bodem -bedekt; het vormt vrij uitgestrekte boschjes en verleent ook andere -planten bescherming en schaduw, zoodat zulke groene plekken als oasen -zijn in de steppenwoestenij. Toch zijn deze oasen weinig meer bevolkt -dan de omringende steppe; want een klauwier, een gewone grasmusch en -een fitis uitgezonderd, ziet men hier geen enkelen vogel en nog minder -eenig zoogdier. Daarentegen wonen juist in deze eenzame oorden eenige -der merkwaardigste steppendieren, behalve die, welke overal in de -steppe voorkomen. Zoo behalve de kortteenige leeuwerik en de kalander -ook nog de gitzwarte steppen-leeuwerik; zulks schijnt vreemd, wanneer -men bedenkt, dat alle grondvogels de kleur dragen van den grond, waarop -zij leven, weshalve men dezen leeuwerik op zwarten grond zou zoeken; -behalve de kleine plevier, de kuddenkievit; behalve de groote trap, de -slanke kraagtrap, door de Kirgiezen pasgangertrap genoemd; behalve het -gewone steppenhoen, het vuisthoen—hetzelfde, dat voor eene reeks van -jaren bij groote scharen zich in Duitschland (ook in Nederland) -vertoonde, zich vestigde in de duinen en op zandachtige plaatsen, maar -zoo ongastvrij met geweren en strikken, zelfs met vergift ontvangen -werd, dat het zoo spoedig mogelijk het moorddadig land verliet en -ongetwijfeld zijn wieg en bakermat weder heeft opgezocht; hier -verblijven eveneens, behalve de veelvuldig voorkomende wezel, de -steppenantilope en de koelan, het schuwe, wilde steppenpaard. Ten einde -niet al te wijdloopig te worden, moet ik mij hier bepalen tot een korte -beschrijving van dit laatste dier. - -Indien de leer van Darwin juist is, zouden wij den koelan mogen -beschouwen als de stamvader van ons paard, dat door eeuwen lang -voortgezette veredeling allengs vele wijzigingen heeft ondergaan; deze -veronderstelling bevredigt ons in elk geval beter dan aan te nemen, -zooals dikwijls zonder genoegzamen grond gedaan wordt, dat die -stamsoort is uitgestorven. Sommigen willen in den tarpan, die -tegenwoordig nog in de steppen van den Dnjepper vrij rondzwerft, geen -verwilderd, maar een wild paard zien; ik houd evenwel liever den koelan -voor de oorspronkelijke stamsoort. - -De jongste onderzoekingen hebben tot het resultaat geleid, dat onze -huishond, wiens zoo onderscheiden rassen men ook niet juist, zelfs niet -bij benadering eenigszins nauwkeurig kan aangeven, een afstammeling is -van heden ten dage nog levende wolven- en jakhalssoorten, eene uitkomst -die aan mijne zienswijze niet weinig steun verleent. Leeft ook de -stamsoort onzer huiskat op den huidigen dag nog niet in Afrika in het -wild, de stammoeder onzer geit in Klein-Azië en op Kreta? En al mogen -wij op dit oogenblik nog in het onzekere verkeeren ten aanzien van de -stamouders van ons schaap en rund, zoo is het daarentegen een feit, dat -ik van drie verschillende zijden, o.a. van eenen Kirgies, die zegt het -dier zelf gejaagd te hebben, zulke overeenstemmende berichten ontvangen -heb omtrent een in de binnensteppen van Mongolië nu nog levend, -kameelachtig dier, dat overigens alle eigenschappen van eene wilde -soort aan zich draagt, dat ik aan de waarheid dier mededeelingen niet -kan twijfelen; evenals bij den tarpan kan ik hier hoogstens de vraag -opwerpen, of dit kameel de in ’t wild levende stamvader kan zijn van -het huisdier der Kirgiezen, dan wel of het als een weer verwilderde -nakomeling daarvan moet beschouwd worden. Wanneer de sluier die over -deze en dergelijke vraagstukken ligt uitgespreid, meer en meer wordt -opgelicht, wanneer de eene stamvader onzer huisdieren na de andere -wordt ontdekt, en onder de nog levende dieren opgespoord, waarom zou -dan enkel de stamvader van het paard, wiens levensvoorwaarden zoo -volkomen vervuld worden door de wijde, onafzienbare steppe, -uitgestorven en tot op de laatste sporen verdwenen zijn? Onder de nu -nog levende wilde paarden der oude wereld hebben wij dien stamvader te -zoeken, en onder dezen heeft geen meer recht op de eer die stamvader te -zijn dan de koelan. De tarpan staat ons paard wel is waar in menig -opzicht nader, maar wanneer het werkelijk de Hyksos zijn geweest, die -in Egypte, welks steenen monumenten ons het eerst het paard te -aanschouwen geven, dit dier invoerden, of wanneer de Egyptenaren zelven -nog vóór den tijd der Hyksos, alzoo minstens vijf en twintig eeuwen -vóór onze jaartelling, het paard hebben getemd en tot een huisdier -gemaakt,—in de steppen van den Dnjepper en den Don vingen zij zeer -zeker dat wilde dier niet; want dichter bij, in de steppen en -woestijnen van Klein-Azië, Palestina en Perzië, alsmede in enkele -laagvlakten van Arabië en Indië troffen zij een heden ten dage nog -levend, veelbelovend wild paard aan, den koelan. Wel wijkt dit dier in -menig opzicht van ons edel huisdier af, echter niet meer dan de -windhond, poedel en New-foundlander van den wolf, of eenigen anderen -oerhond, niet meer dan de dashond, de pintscher of de zijdehond van den -jakhals, niet meer dan de pony van het Arabisch paard, het -Belgisch-Fransche karrenpaard van het Engelsche renpaard. De -verschillen tusschen ons paard en den koelan schijnen zeer groot te -zijn, toch beschouwen beiden zich als kinderen van één bloed, want zij -zoeken elkanders gezelschap. - -Toen wij op den 3 Juni 1876 door de woeste, eenzame steppe reden, die -zich uitstrekt tusschen het Saisanmeer en den Altaï, welke steppe -hierboven mij tot type heeft gediend, ontmoetten wij in den loop van -den voormiddag niet minder dan vijftien koelans, en onder dezen een -enkel paar, dat op den breeden rug van een niet ver verwijderden heuvel -weidde. Duidelijk en scherp teekenden zich beide gedaanten tegen den -blauwen hemel af, en zoowel bij ons als bij de Kirgiezen, die ons -vergezelden, begon het jagershart heftig te kloppen. - -Een der beide dieren verwijderde zich toen het ons in ’t oog kreeg, en -liep weg, de richting naar ’t gebergte inslaande; het tweede bleef -stilstaan en scheen te overleggen wat het doen zou, hief een en -andermaal den kop omhoog en rende ons te gemoet. Alle buksen werden in -gereedheid gebracht: de Kirgiezen vormden langzaam en voorzichtig een -halven cirkel, met het doel het onverstandige, zoo opvallend zorgelooze -wild op het rechte oogenblik naar ons toe te drijven. Meer en meer, -ofschoon bij tusschenpoozen, maar toch voortdurend, naderde de -eenhoever ons; wij beschouwden hem reeds als een zekere buit. - -Daar gleed een glimlach over het gelaat van den naast mij rijdenden -Kirgies; hij had niet alleen de reden ontdekt van het oogenschijnlijk -zoo dwaas bestaan des diers, maar dit zelfs meteen herkend. - -Het was een Kirgiezenpaard, dat op ons afrende, maar dat in zijn -teekening veel had van een koelan; dit paard was zijn meester -ontloopen, was wellicht onder een troep wilde paarden verdwaald geraakt -en bij gebrek aan beter gezelschap daar gebleven; thans echter, nu het -in de naderende rossen zijn soortgenooten herkende, liet het in den -nood zijn vrienden in den steek. In de onmiddellijke nabijheid onzer -Kirgiezen gekomen, bleef het nogmaals stilstaan, wilde het nog eens -overwegen, of het wel wenschelijk zou zijn weder opnieuw den pas -geheelden rug onder den zadel te krommen; op de eerste schrede -achterwaarts volgden echter ook de anderen en zonder aan de vlucht te -denken, liet hij zich gewillig een halster aanleggen en weinig minuten -later draafde het zoo goedmoedig aan de zijde van den hem leidenden -Kirgies, als had het dier nog nooit het vrije leven zijner voorvaderen -leeren kennen. Door eigen ervaring hadden wij dus bevestigd gevonden, -wat ons door anderen was medegedeeld, t.w. dat koelan en paard -somwijlen gemeenschappelijk leven. - -De koelan is ontegenzeggelijk een trotsch, in elk opzicht boeiend -schepsel, vol zelfbewustzijn, kracht en overmoed. Nieuwsgierig staart -hij den ruiter aan, die hem nadert; dan echter draaft hij zoo achteloos -weg, alsof hij met zijn vervolgers den spot drijft, terwijl hij al -spelender wijs de flanken met zijn staart geeselt. Geeft de ruiter zijn -ros de sporen om het tot spoed aan te zetten, dan gaat de draf van den -koelan over in een even gemakkelijken als snellen galop; vlug als de -wind doorvliegt hij de steppe en is spoedig uit het gezicht. Maar zelfs -in dien dollen loop houdt hij nu en dan in, blijft een oogenblik staan, -werpt zich om en ziet zijn vervolger in ’t gezicht, hinnikt, keert -opnieuw om, werpt overmoedig de achterpooten in de lucht en springt met -dezelfde losheid verder. Een vluchtende troep schaart zich steeds in -eene rij, en wanneer deze, als op een bevel van den aanvoerder -plotseling stilhoudt, zwenkt en verder rent, dan levert zulks een -ongemeen schoon gezicht op. - -Even als bij alle andere paarden wordt zulk een troep steeds aangevoerd -door een hengst, die tevens onbepaald gebieder is. Hij geleidt den -troep naar de weide en op de vlucht, weert moedig elken hem niet in -kracht te boven gaanden roover af, en duldt onder zijn onderhoorigen -geen gevecht, geen medeminnaar, en in ’t algemeen geen volwassen -hengst. Daarom ziet men in de streken, alwaar deze dieren rondzwerven, -dikwijls kluizenaars ronddolen, die door geen enkelen troep worden -opgenomen; het zijn de in langdurigen en verwoeden strijd overwonnen en -verdreven hengsten, die nu tot den volgenden bronsttijd eenzaam en -verlaten rondzwerven. In September naderen zij de kudden weder, waaruit -inmiddels de oude hengst alle opschietende jonge hengsten verdreven -heeft. Een grimmige strijd begint, zoodra zij een mededinger ontmoeten. -Uren lang ziet men hen om dezen tijd op de toppen der steile bergruggen -staan: de wijd geopende neusgaten zijn naar den wind gekeerd, het oog -staart in de vlakte beneden hen. Zoodra de verdrevene een anderen -hengst in ’t oog krijgt, springt hij dezen in gestrekten galop te -gemoet en strijdt met tanden en hoeven, totdat de uitputting de -vechtenden scheidt. - -Zegeviert hij over den aanvoerder eener kudde, dan treedt hij in diens -plaats en rechten, en de merries volgen hem even gewillig als zijn -voorganger. Op dien tijd van strijd volgt de verhuizing; want de booze -winter drijft ook de koelans van de eene plaats naar de andere, en -eerst nadat de lente haar intocht heeft gehouden, keert de troep naar -de oude standplaats terug. Hier brengt de merrie tegen het laatst van -Mei of het begin van Juni haar veulen ter wereld, dat in alle opzichten -gelijkt op het veulen van ons paard, oogenschijnlijk iets plomper, maar -toch een zeer aardig, vroolijk diertje. Wij hadden het voorrecht ook -het veulen te leeren kennen. - -Toen wij een lang gerekten heuvel der genoemde woeste steppe beklommen, -zagen wij plotseling op geringen afstand, drie oude koelans met een -klaarblijkelijk eerst voor weinige dagen geboren veulen voor ons. Onze -Russische gids vuurde een kogel op hen af, en weg renden de wilde -paarden; tenauwernood raakten de kleine hoeven den grond, terwijl zij -als het ware al spelende hunne behendigheid ten toon spreidden en ten -behoeve der veulens blijkbaar hun loop iets inhielden. Vooruit snelden -evenwel ook op hetzelfde oogenblik alle Kirgiezen en Kozakken van ons -gevolg; vooruit snelden, door de algemeene razernij medegesleept ook -onze bedienden; vooruit stoven ook wij. Het was een wilde jacht! Altijd -nog met hunne krachten spelende liepen de wilde paarden in de richting -der bergen voort, terwijl alle ruiters hun rossen dwongen om hun volle -krachten te ontplooien, zoodat de dieren bijna met den buik langs den -grond streken. Het juichend geschreeuw der Kirgiezen, het stampen der -bliksemsnel voorthollende paarden, het hinniken van onze veel langzamer -loopende, onder den teugel knersende rijpaarden, weêrgalmde door de -lucht, de fladderende mantels en kaftans, het opstuivende zand -verlevendigden de woestijn. Steeds verder en verder voerde ons de dolle -jacht. Daar scheidde zich het veulen van zijn oudere gezellen en bleef -iets achter; de afstand tusschen hem en de telkens met angst -achteruitziende moeder werd steeds grooter, die tusschen het veulen en -de ruiters steeds kleiner; nog enkele minuten en het was gevangen. -Zonder tegenstand te bieden gaf het zich aan zijn vervolgers over; van -de wildheid, de onbedwingbare eigenzinnigheid, de bandelooze, soms in -ware ondeugendheid ontaardende moedwilligheid der oudere dieren zijner -soort was nog geen spoor waar te nemen. Onschuldig keek het ons met -zijne groote, levendige oogen aan; met welbehagen naar het scheen, liet -het zich over zijn zachte huid streelen en gewillig aan een koord -binden en leiden; onbezorgd als een kind legde het zich naast ons -neder, om na de heete jacht, waarvan hij zelf het doelwit was geweest, -de voor hem zoo noodige rust te genieten; het was een bekoorlijk, -innemend schepsel! O, hadden wij het dier slechts dadelijk eene -zoogende merrie, rust en verpleging kunnen verschaffen! Maar dat was -onmogelijk, en het lieve, aanvallige wezen stierf dan ook reeds den -volgenden dag. Een volwassen wild paard zouden wij met jagerslust -gedood hebben; het jonge dier te zien sterven, dit greep ons aan. - -Tevergeefs trachtten wij een der oude dieren te vangen; tevergeefs -legden wij ons naast het vastgebonden veulen in hinderlaag; tevergeefs -hielden wij een drijfjacht—niemand onzer slaagde. Als jager scheidde ik -met leedwezen, als natuuronderzoeker ten volle bevredigd uit de -armzalige woestenij: ik had immers het edelste zoogdier der steppe -leeren kennen. - - - - - - - - -IV. - -WOUD, WILD EN JACHT IN SIBERIË. - - -De eentonige indruk, dien wij van Siberië ontvangen, spruit vooral -daaruit voort, dat drie zeer van elkander verschillende, maar zich zelf -min of meer gelijkblijvende breedte-gordels bijna overal het landschap -beheerschen. Elk dezer gordels bewaart steeds zijn eigen karakter, en -brengt dezelfde beelden zoo herhaaldelijk voor oogen, dat we er -eindelijk moede van worden niet alleen, maar dat allengs de vatbaarheid -voor indrukken in dien graad wordt verstompt, dat men ten laatste bijna -ongevoelig wordt voor de werkelijke bekoorlijkheden van het landschap. - -Daarom spreekt men zoo zelden met waardeering, nog minder vaak met -warmte voor dat uitgestrekte gebied, ofschoon het beide ten volle waard -is; dientengevolge heeft zich allengs eene opvatting van Siberië van -ons meester gemaakt, die even weinig met de werkelijkheid overeenkomt, -als zij zich hardnekkig verzet tegen elke andere, op de feiten der -ervaring steunende zienswijze. - -Siberië is, zegt men, eene ijzingwekkende ijswoestijn, zonder eenig -leven, zonder eenige afwisseling, zonder eenige bekoorlijkheid, een -land, verstijfd onder den vloek des hemels en dien van ongelukkige -bannelingen. Men verliest daarbij uit het oog, dat wij hier te doen -hebben met een derde deel van geheel Azië, met een land, dat bijna -tweemaal zoo groot is als geheel Europa, dat zich uitstrekt van den -Oeral tot de Stille Zuidzee en van de IJszee tot aan den breedtegraad -van Palermo, en dat zulk een groot land onmogelijk in algemeenen zin -gelijkvormig, in al zijn deelen gelijk kan zijn. Men vat gemeenlijk -slechts een enkel deel in het oog en bekijkt ook dit nog in een valsch -licht. - -In werkelijkheid biedt Siberië meer afwisseling aan dan iemand zou -denken, en is het daaraan rijker dan zijn beschrijvers het -afschilderen. Ook de Siberische laagvlakte omvat gebergten, of wordt -door bergen omgrensd, ook in Siberië schenken stilstaande en stroomende -wateren leven, ook in Siberië giet de zon haar tooverlicht over bergen -en dalen, ook in Siberië vindt men hoog geboomte en prachtige bloemen, -die het landschap tooien, en ook in Siberië leven gelukkige menschen, -die hun geboorteland liefhebben en er trotsch op zijn. - -Aan den anderen kant zijn er ontegenzeggelijk ook nu nog wildernissen -in Siberië, die voor de zoo even genoemde ongunstige opvatting pleiten, -ijswoestijnen, zooals de toendra’s, en de onherbergzame wouden tusschen -de toendra en de steppe, welke wouden den derden gordel uitmaken. -Hierin waagde zich tot nog toe geen mensch, tenzij slechts voor korten -tijd. - -Het doen en laten der grensbewoners ging buiten deze wouden om; hoogere -machten regeeren onbeperkt daarbinnen, om te vernietigen, wat zij -hebben opgebouwd. Het vuur des hemels zet hun geboomte in brand, de -loeiende winterstorm rukt het ter aarde. Die wouden werden door geen -menschenhand geplant, geen bijlslag werd er in gehoord; oerwouden zijn -het in de volle beteekenis des woords. Geheimzinnig trekken zij ons -aan, onvriendelijk stooten zij ons af; zij lokken den jager tot een -bezoek, maar stremmen zijn voet: eene rijke winst belooven zij den -begeerlijken koopman, maar met een wissel op de toekomst schepen zij -hem af. - -Tusschen de steppe en de toendra ligt deze woudgordel van Siberië. - -Hier en ginds grijpt hij daarin, hier en daar buigen steppe of toendra -binnen dien gordel. Op sommige plaatsen der beide boomlooze gebieden -kan wel is waar een dicht bosch den grond betwisten aan eene -plantenwereld, die bijzonder het eigendom is van steppe of toendra, -maar zulke afzonderlijke boschpartijen zijn als eilanden in den Oceaan, -die geen recht van bestaan schijnen te hebben. In de steppe blijven zij -bepaald tot de naar het noorden afvallende berghellingen en tot de -rivierdalen; in de toendra tot de diepste gedeelten, en alzoo doen zij -zich zoowel hier als ginds als onbeteekenend voor tegenover de -eindelooze bosschen van den woudgordel zelf, waarin slechts enkele -malen een stroom, een meer, een poel de overigens onafgebroken -woudwildernis eenige afwisseling schenkt, waarin slechts hier en daar -een brand opene plekken schept, en de mensch, alhoewel slechts aan den -uitersten zoom, eene kleine bres maakt. Geheele koninkrijken zouden -plaats kunnen vinden in een enkel dezer wouden. Hoe zij er van binnen -uitzien, niemand weet zulks; want zelfs de uit deze bosschen -voortkomende en naar den hoofdstroom zich spoedende zijrivieren zijn -niet bevaarbaar en de koenste pelsjager leerde hier weinig meer kennen -dan een grensgordel van ten hoogste honderd kilometer breedte. - -De indruk, dien de Siberische bosschen op den Duitschen reiziger -teweegbrengen is verre van gunstig. Een blik op die eeuwige, met -bosschen bedekte streken ontstelt, maar verwarmt niet, althans slechts -zeer zelden. De scheppende, voortbrengende, voltooiende macht van het -noorden schijnt niet in staat te zijn het hoofd te bieden aan de -vernielende elementen. De grijsheid is hier gehuwd aan de vroege jeugd, -zonder dat deze vereeniging een verkwikkelijken invloed uitoefent; een -rijkdom zonder maat vertoont zich hier in ’t gewaad eens bedelaars; het -afgestorven leven zonder krachtige kiemkracht dringt elke vroolijke -gewaarwording terug. Overal neemt men een harden levensstrijd waar, -maar nergens wordt men werkelijk aangetrokken, nergens werkt het bosch -als een aangenaam tehuis, en het inwendige beantwoordt nergens aan de -verwachtingen, die het uitwendige opwekte. De majesteit der oerwouden -in zuidelijker gelegen landen ontbreekt in deze aan zich zelf -overgelaten, onverzorgde bosschen geheel en al, en het hierin opgewekte -leven schijnt reeds van den aanvang af in de boeien des doods gekneld -te zijn. - -Werkelijk hoogwoud, levenslustig, aan een regelmatige wisseling -onderworpen geboomte is zeldzaam; verbrande bosschen zijn menigvuldig. -Vroeger of later steekt de bliksem of de strafbare lichtzinnigheid van -den Siberiër het woud in brand. Begunstigd door jaargetijde en weder -kan zulk een brand schrikbarende verhoudingen aannemen. Niet uren of -dagen, maar weken lang woedt hij ongestoord voort. Op den met mos -begroeiden, veenachtigen grond kruipt en kronkelt de vlam steeds -verder; het dorre hout, dat bij massa’s den bodem bedekt, schenkt haar -telkens nieuw voedsel; doode, tot op den grond neêrhangende takken van -nog staande, maar in den top reeds verdorde stammen leiden haar naar de -kronen van nog frissche boomen. Suizend en knetterend vatten de met -hars gedrenkte naalden vlam, en een reusachtige fontein van vuur en -vonken stijgt ten hemel. - -De hoogste boomen zijn binnen weinige minuten gedood en der -vernietiging prijsgegeven; uit de vuurfontein vallen millioenen vonken -ter aarde en overal in ’t rond stijgen nieuwe vlammen uit de nieuwe -brandstof opwaarts. - -En op deze wijze met elke secunde nieuwen bodem erlangende, zich naar -alle kanten uitbreidende, loopt het verderf steeds verder en verder; en -na verloop van enkele uren staan geheele kwadraatmijlen van het woud in -brand. Walmende rookwolken verduisteren het licht der zon honderden -wersten ver; langzaam, maar steeds in dichter en dikker lagen -neerstortende asch geven over dag, de vurige weêrschijn aan den hemel -des nachts aan de verst afwonenden kondschap van het onheil; door -doodsangst aangegrepen dieren brengen het bericht in steden en dorpen. -Beren verschijnen onmiddellijk na groote boschbranden in streken, waar -men ze in jaren niet zag; de wolven trekken, evenals in den winter, bij -groote troepen door het veld; elanden, herten, reeën en rendieren -zoeken in ver afgelegen wouden een nieuwe schuilplaats op; de eekhorens -trekken soms in ontelbare menigte door de bosschen en boomlooze -streken, over weilanden en akkers, door dorpen en steden. Hoeveel -dieren echter het vuur ten offer vielen, laat zich zelfs niet gissen; -wel heeft de ondervinding geleerd, dat bosschen, waarin een brand had -gewoed, jarenlang onbevolkt bleven en dat kostbare jachtdieren uit -zulke streken geheel en al verdwenen waren. De verwoestingen strekken -zich zeker nog veel verder uit, dan wij vermoeden; in het jaar 1870 -werd door een brand, die veertien dagen duurde, een half millioen -hektaren boschgrond in het gouvernement Tobolsk vernield; rookwolken en -asch verspreidden zich daarbij tot op een afstand van 1600 werst. - -Jarenlang na den brand is zulk een plaats niets dan een puinhoop, ja -een of twee menschenleeftijden later zijn de sporen nog niet geheel -uitgewischt. De vlammen doodden wel de boomen, maar verteerden slechts -die, welke op het oogenblik van den brand reeds verdord waren; de -oppervlakkig geschroeide stammen der andere bleven echter staan, ja -zelfs de kruinen boetten alleen hun naalden, twijgen en verdorde takken -in. Met het afsterven der boomen begint echter hunne vernietiging. -Vroeger of later worden zij onherroepelijk door den storm geveld. De -een na den ander wordt ter aarde geworpen, de een na den ander van zijn -takken beroofd, ontkruind en ter hoogte van twee derden of drie -vierden, van den grond afgerekend, geknakt. Door en over elkander -liggen eindelijk duizenden boomlijken in massa’s op een grond, die -reeds met talrijke fragmenten was bedekt. Sommige rusten op de wortels -of de kruin vertakkingen, andere leunen tegen nog staande stammen; -weder andere liggen verbrijzeld tusschen de takken en twijgen van -omlaag gestorte kruinen, met gescheiden en ver uiteenliggende kronen en -stammen, terwijl de takken naar alle windstreken verspreid en verwaaid -werden. En die boomen, welke bij den storm gespaard bleven, verwekken -in de ziel van elken minnaar der bosschen nog droefgeestiger -gewaarwordingen dan de reeds gevoelde. Als naakte, kale masten stijgen -zij omhoog. Weinige behouden nog eenige jaren na den brand hunne kronen -of gedeelten daarvan; de van hun takjes beroofde bovenste kruintakken -vermeerderen den treurigen indruk nog meer, dan dat zij dien -verminderen. Allengs vallen ook de laatste kronen op den grond en nu -vermolmen ook de nog staande stammen steeds meer en meer. Spechten -bewerken ze aan alle kanten, hameren er nestholten in, en zoo verkrijgt -het vocht gelegenheid naar binnen te dringen, zoodat het -verrottingsproces een sneller verloop verkrijgt. In den loop der jaren -vermolmt ook de reusachtige stam zoo volledig, dat hij in stof verkeert -en alle weêrstandsvermogen verliest; als een vormlooze massa valt hij -ter aarde, wanneer hij slechts even wordt aangeraakt. Eindelijk -verdwijnt ook dat laatste spoor en eene uitgestrekte, hier en daar door -enkele overblijfsels van boomen afgebroken vlakte spreidt zich uit voor -’s menschen blik. - -Maar een nieuw leven is intusschen uit deze puinhoopen ontkiemd. Reeds -weinige jaren na den brand begint de zwarte, door asch en molm bemeste -grond weêr met planten bedekt te worden. Korstmossen en mossen, varens -en heideplanten, inzonderheid verschillende bessoorten spreiden een -kleed van groen, en de overblijfsels der gevallen boomen gedijen hier -weelderiger dan elders, om even spoedig weder verschillende dieren tot -zich te lokken als de brand ze verdreef. Het zaad van berken, door den -wind aangevoerd, kiemt en ontspruit, en allengs is er zulk een dicht, -in ’t eerst hoofdzakelijk uit de laatst genoemde plantensoort gevormd -struikgewas ontstaan, dat het den schijn heeft, alsof dit opzettelijk -door ’s menschen hand was aangeplant. Na eenige jaren heeft de nieuwe -opslag de oude lijken aan ’t gezicht onttrokken; nog eenigen tijd later -en andere woudboomen nemen de plaats in hunner voorvaderen. Elke -boschbrand spaart enkele gedeelten van het woud, soms zelfs blijven -eenige boomen te midden van verbrande plekken ongeschonden staan; en -zoo zijn de voorwaarden vervuld voor eene bezaaiing der verwoeste -streken. Het water en diepe kloven stellen soms perk en paal aan ’t -vernielend element; het kan ook gebeuren, dat de vlammen het geboomte -aan de achterzijde der kloof bereiken en in brand steken, terwijl al -wat in de kloof groeit, gespaard blijft. Alleen staande lariksen, -ofschoon even geblakerd, ontkomen dikwijls aan de vernieling. Wel -lekken de vlammen aan den voet des stams, wel verkolen zij alle -naalden, maar de kroon bot weer uit en de boom blijft, hoezeer -kwijnend, nog geruimen tijd in het leven. - -Tegenover de verwoestingen, die het vuur aanricht, zijn die welke de -mensch veroorzaakt van geringe beteekenis, alhoewel zij, op zichzelf -beschouwd, niet zoo geheel onbeduidend mogen genoemd worden. Van -boschbouw heeft de Siberiër geen begrip. Voor hem is het woud het -eigendom van den „lieven God,” en wat deze bezit, behoort ook aan den -boer. Waar zooveel rijkdom heerscht, denkt hij natuurlijk niet aan -spaarzaamheid, en hij vraagt slechts naar het oogenblikkelijk voordeel. -Elke Siberiër velt zooveel en wat hem goeddunkt, en vernielt daarbij -nog veel meer dan wat hij noodig heeft. Om eenige palen te bekomen, -houwt hij geheele naaldboomen om, onverschillig of deze jong of oud -zijn; heeft hij timmerhout noodig, hij velt drie- à viermalen zooveel -als hij behoeft, en wat er te veel is laat hij liggen, zelfs zonder het -als brandhout te benutten. Reeds nu laten zich de gevolgen dezer -onzinnige handelwijze gevoelen. In de nabijheid der steden en dorpen, -zelfs in de nabijheid der wegen, zijn de bosschen zoo ontbloot, dat zij -er weinig beter uitzien dan die, waarin een brand heeft gewoed, en nog -altijd gaat men met verwoesten voort. Eerst sedert het jaar 1875 heeft -men in Siberië houtvesters aangesteld, maar ook deze lieden hebben een -meer geopend oog voor het vellen dan wel voor den aanplant der boomen. - -De Siberische wouden, ook die waarin noch het vuur noch de bijl heeft -gewoed, zien er geheel anders uit dan onze bosschen; zij dragen den -stempel eener door niets beperkte natuurlijke groeikracht. Slechts bij -uitzondering werkt deze aantrekkelijk op ons. - -Het is waar, aanvankelijk wordt men getroffen door die mengeling van -worden en vergaan, maar het doode overheerscht allengs het levende en -deze indruk bezwaart in plaats van te bezielen. - -In zulke oerwouden wisselen dichte gedeelten af met ontbloote plekken, -hoog woud met struikgewas, oude grijsaards, die den tijd trotseerden, -met een krachtig jong gewas. Ook hier staan en leunen en hangen en -liggen overal vermolmde boomen. Uit de tronken van gevallen stammen -ontspruiten jonge loten; reusachtige lijken van boomen versperren den -weg. - -Wilgen en populieren, met den berk de meest gewone loofboomen der -bosschen van westelijk Siberië, komen hier tot vollen wasdom; dikwijls -zien zij er uit alsof zij voortdurend belemmering ondervinden om tot -volledigen groei te raken. Meer dan mansdikke stammen dragen verdraaide -kronen van weinig omvang, waaruit jaar op jaar nieuwe twijgen -ontspruiten, zonder dat deze het tot ware takken brengen; andere, -oogenschijnlijk overoude boomen, treden slechts in den heestervorm op; -wederom andere zijn middendoor gebroken, versplinterd en gescheurd, en -bij den top verdraaid, terwijl het benedengedeelte slechts door een -dunne schil met het boveneind verbonden is. Slechts bij uitzondering -verkrijgt men den indruk van een geheel; bijna alles ziet er uit, alsof -het kwijnt en meer en meer zijn ondergang te gemoet gaat. - -Deze schilderij is evenwel niet van toepassing op alle deelen van het -uitgestrekte gebied; integendeel, somtijds, vooral in het zuiden van -den woudgordel vallen ons bosschen in ’t oog, waar de blik met -welgevallen op rust. Ligging, plaatselijke gesteldheid, de hoedanigheid -van den grond en andere omstandigheden werken somtijds samen tot eene -heerlijke uitkomst. De boomen groeien dan vroolijk op, de samenstelling -van het houtgewas verandert, en het bijna overal weelderige onderhout -biedt de rijkste verscheidenheid aan. Elke nieuwe boomsoort, die de -armoede des wouds, wat de soorten betreft, vermindert, begroeten wij -telkens met nieuw gejuich; maar toch missen wij, zelfs in de rijkste -partijen, nog een aantal boomen, die op gelijke breedte in Europa zeer -gewoon zijn. Eenvormig en eentonig, evenals de steppe en de toendra -zijn en blijven ook de wouden van dit land. - -In de rivierdalen van den boomgordel valt die armoede het meest op. -Hier heerscht de wilg, die aan de stroomen en op de eilandjes dikwijls -uitgestrekte bosschen schept, zoo onbeperkt, dat bijna geen andere boom -tot wasdom kan geraken. Mijlen ver maken zij het uitsluitend -bestanddeel der bosschen in deze dalen uit; hier en daar schieten zij -tot eene goede hoogte op, maar ook dan ontbreekt het nog al te dikwijls -aan uitdrukking en bekoorlijkheid. - -Want de op zich zelf staande boom is niets schilderachtiger, eerder -minder schilderachtig dan het struikachtige wilgenbosch; de kroon -blijft steeds dun en onregelmatig van vorm, wordt niet dicht, maar -blijft armoedig, zoodat dit gezicht een gevoel van verveling bij ons -verwekt. - -Staan, zooals meestal, de boomen dicht opeen, zoodat er een bosch -ontstaat, dan boeten zij nog meer van hun persoonlijkheid in, daar -onder deze omstandigheden alle stammen als palen nevens elkander omhoog -rijzen en de van boven recht afgesneden kronen, een geschoren heg -gelijk, tot eene enkele bladmassa ineensmelten, zoodat elke -afzonderlijke boom verloren gaat. Eene vriendelijke afwisseling geven -de daartusschen staande populieren, in het zuiden de zilverpeppel, in -het noorden de ratelpopulier; deze brengen in het eentonige landschap -wat leven. - -In het rivierdal zelf, ofschoon altijd slechts op plaatsen, die niet -blootgesteld zijn aan de periodiek terugkeerende overstroomingen, -treedt, behalve de genoemde boomen der vlakte, de berk op; groepen van -dezen boom vormen vrij geregeld een verbindingslid tusschen de wouden -der dalen en de naaldhoutbosschen. Slechts in het zuidelijk gedeelte -van onzen gordel verkrijgt de berk zijn volle grootte en schoonheid; -hij wordt echter evengoed als de harsbevattende naaldboomen een prooi -der vlammen en is daarom weinig in staat om het uitzicht van de -bosschen der vlakte in gunstigen zin te veranderen. Zuivere, min of -meer onvermengde berkenwouden vormen de grens van den boomgordel in het -zuiden en grijpen dikwijls diep in de steppe; maar niet dan bij -uitzondering vindt men ook van deze boomsoort echte, dichte wouden, -zoodat men steeds gevaar loopt ontnuchterd te worden, wanneer men -daarin doordringt. - -Alleen de dennenwouden, die alle plaatsen tusschen de stroomloopen -innemen, kunnen het oog van den westerling boeien en bevredigen. In -zooverre de toendra niet reeds tot ontwikkeling kwam, worden deze -wouden gevormd uit dennen en sparren, Altaï-dennen en cederdennen, -zeldzamer uit lariksen, populieren en wilgen, hier en daar vermengd met -lijsterbessen en vogelkers, alsmede uit berken, welke laatste boomsoort -zoo talrijk kan voorkomen, dat het bosch bijna geheel uit deze schijnt -te bestaan. - -Altaï- en cederdennen zijn de karakterboomen van alle West-Siberische -naaldhoutbosschen, beide meestal gelijk gekenmerkt door schoonheid en -frisschen groei. Vooral de Altaï-den is een heerlijke boom. Na verwant -aan onzen zilverden en de plaatsvervanger van dezen in alle wouden van -oostelijk Rusland en westelijk Siberië, valt hij reeds van verre in ’t -oog, daar hij boven alle andere naaldboomen uitsteekt. Van den -zilverden en de spar onderscheidt hij zich door den trotschen bouw -zijner slanke, kegelvormige kroon en zijn weligen, malschen, frisschen, -heldergroenen naaldentooi. Hij overtreft alle andere woudboomen meestal -in hoogte, en zijn kruin steekt voor een derde boven alle andere toppen -uit, waardoor het eentonige van het glad afgeschoren kruinvlak der -bosschen verdwijnt, en het geheel een meer eigenaardigen stempel -verkrijgt. Maar ook de cederden, die bovenal in het zuiden van den -boomgordel gedijt, evenwel ook nog hoog in het noorden dier streek -voorkomt, beurt zijn ronde, mollige, meestentijds dichte kruin -schilderachtig tusschen de dennen en sparren omhoog en geeft daardoor -aan het woud, vooral aan den buitenrand, een aantrekkelijk voorkomen, -zoodat het sierlijker schijnt dan het inderdaad is. Dennen en sparren -ontbreken op geene plaats, ofschoon zij nergens zoo welig tieren als in -de Duitsche middelgebergten, terwijl zij in het noorden alras -ineenschrompelen tot oude dwergen. - -Ook de lariks, als wiens eigenlijk vaderland Siberië beschouwd kan -worden, groeit slechts in het zuiden van den boomgordel, vooral in het -gebergte, tot een even statigen boom op als bij ons. - -Met de opgenoemde soorten is het aantal der gewoonlijk in Siberië -voorkomende boomen nagenoeg uitgeput. Eiken en beuken, olmen en -esschen, linden en eschdoorns, zilverdennen en taxusboomen schijnen -geheel te ontbreken. Kreupelhout en struiken daarentegen zijn overal en -overvloedig. Zelfs in het noorden is de bodem in de wouden buitengewoon -vruchtbaar en welig. - -Roode bessen en frambozen gedijen nog onder den 58sten, eene -kamperfoeliesoort nog onder den 67sten breedtegraad; jeneverbessen, -witte elzen, wolwilgen, rijsbessen, blauwe en roode boschbessen en -veenbessen nemen naar het noorden eerder toe dan af, en zelfs aan de -grens der toendra, die haar dwergberken en rozemarijnheide, hare mossen -en veenbessen tot in het binnenste der bosschen vooruitschuift, ziet -men nog den grond overal dicht bedekt, daar de mossen des te -weelderiger groeien, naarmate de wouden armoediger worden. Maar ook de -steppe draagt er het hare toe bij om de wouden te verrijken, daar zij -in het zuiden van den boomgordel niet alleen het grootste deel der haar -eigendommelijke struiken en gewassen, maar ook verschillende heesters -en bloemen aan de wouden afstaat of deze daarmede omgeeft. En zoo -worden hier sommige bosschen tot natuurlijke parken, die in de lente en -in den voorzomer eene verrukkelijke bloemenpracht kunnen ontwikkelen. - -Als voorbeeld van zulk een met alle genoemde bekoorlijkheden prijkend -woud, mag dat gelden, hetwelk zich tusschen de steden Slangenberg en -Salain in het Kroondomein Altaï bevindt, de „Taiga.” In het -uitgestrekte gebied, waaruit zich dit heerlijk woud verheft, brengen -ketens en bergen, allerlei soorten van dalen en kommen eene bekoorlijke -afwisseling. De eene heuvel bouwt zich naast en boven den anderen op, -en de kamlijn van het bosch is overal duidelijk zichtbaar. Altaï- en -andere dennen, populieren en wilgen, lijsterbessen en vogelkers zijn -tot hooge boomen opgegroeid. Zij staan op bonte wijze dooreen en -verdeelen licht en schaduw; de zachte lijnen der bladkruinen worden -door de uitstekende toppen der Altaï-dennen aangenaam afgebroken. -Erwtenboomen en erwtenstruiken, sneeuwbal en kamperfoelie, het -smalbladige zonnekruid en bessenstruiken vereenigen zich tot een -bloemrijk onderhout; maar hooge umbellifeeren, vooral scheerling en -spiraea’s, varens en vrouwenhaargrassen, ridderspoor en -vingerhoedskruid, klokjes en nieskruid, die alle ongemeen welig -opschieten, weven een bont tapijt, dat over den bodem ligt uitgespreid; -de wilde hop klimt van daar uit in de boomen op en omvat deze met haar -ranken. Het heeft allen schijn of hier een bekwaam tuinier volgens de -regelen der kunst aan ’t werk is geweest en de schepper was van dit -veld- en woudtooneel. - -In het zuiden ontwikkelen de boomen hun grootsten tooi in ’t -voorjaar—in de noordelijke deelen daarentegen in den herfst. Reeds in -de eerste dagen van September worden de bladeren hier geel en tegen het -midden dier maand is het noord-Siberische woud bonter dan een onzer -vaderlandsche bosschen. Van het donkerste groen tot het levendigste -rood, door groen en lichtgroen, licht en donkergeel, bleek- en lakrood -zijn alle kleurschakeeringen hier vertegenwoordigd. Op de sombere -Altaï- en andere dennen volgen de cederdennen en lariksen; aan deze -sluiten zich de weinige nog niet geel geworden berken aan. Alle -mogelijke nuancen van donker- en lichtgroen en groenachtig geel geven -de witte elzen te aanschouwen; helder scharlakenroode bladeren dragen -de populieren, lakroode de lijsterbessen en vogelkersen. Het bonte -mengelmoes van al die kleuren is zoo sterk en toch zoo zacht, dat -verstand en hart beide volkomen bevredigd worden. - -Deze zijn de beelden, welke de wouden van westelijk Siberië voor ’t oog -des reizigers ontrollen. Wat wij poogden te schilderen had echter -slechts betrekking op een zoom van geringe breedte. De gesteldheid -dezer oerwouden is van dien aard, dat het den westerling onmogelijk -dunkt, althans in den zomer, dieper daarin door te dringen. Aan de -hellingen der bergen wordt men tegengehouden door steilten en -kreupelhout, in het heuvelland en de vlakte door omgevallen boomen en -ineengegroeid struikgewas, in de ketels en rivierdalen door stilstaande -en stroomende wateren, vooral door beken en moerassen. Overal in het -gebergte ontmoet men steile hoogten, gevormd uit door en over en op -elkander gerolde en gestapelde rotsbrokken en steenen; deze -steenmassa’s zijn omgeven en begroeid met korstmossen en mossen, die op -verraderlijke wijze alle spleten en kuilen aan ’t oog onttrekken; -jeugdig groen is opgeslagen tusschen en op de oude boomen en struiken, -die ook hier aanwezig zijn, en dat vlechtwerk van oud en jong werpt een -dam op tegen elke poging om zulke plaatsen over te trekken. In de -vlakte zijn de bezwaren, die de wouden aanbieden, niet verdwenen. -Letterlijk ondoordringbaar hout, zooals in de oerwouden der -Keerkringsgewesten, vindt men hier wel is waar niet, maar hindernissen -in menigte, daaraan is geen gebrek. De omgevallen boomen zijn te -lastiger, dewijl de meeste niet vlak op den ongebaanden weg liggen, -maar iets daarboven, zoodat zij tot ware slagboomen zijn geworden, en -zulks in een zeer onaangename beteekenis. Menigmaal is het mogelijk er -over heen te klauteren, of er onder door te kruipen; maar ook even vaak -kan noch het een noch het ander geschieden en dan is men genoodzaakt -een omweg te maken. Dit laatste is echter alles behalve aangenaam, daar -men hier niet zonder kompas kan reizen zonder gevaar te loopen, -voorgoed te verdwalen. Geheel kale plekken ontmoet men zelden, en -tracht men deze door te trekken, dan zeggen ons diepe, met modder -gevulde kuilen en poelen, dat groote behoedzaamheid hier geraden is. -Verlaat men zich op een der vele runderpaden, die in het zuiden van den -woudgordel van elk dorp in het bosch voeren en hierin meer of minder -diep indringen, dan ziet men zich vroeg of laat toch weêr -teleurgesteld, omdat men in de onmogelijkheid verkeert uit te vorschen -of te raden werwaarts zulk een weg ons brengt; zij kruisen en -doorsnijden honderd andere wegen, loopen door kreupelhout en hoog gras, -waaronder omgevallen boomen en takken verraderlijk verborgen liggen, -door moerassen en poelen enz.; in ’t kort, het zijn geen voor menschen -bruikbare wegen. Het is waar, die hindernissen zijn niet altijd -onvoorkomelijk, maar toch zij zijn zoovele en zij komen zoo overal -voor, dat men veel eerder dan men dacht, zelfs wanneer de muggen er -niet reeds toe dringen, de terugreis aanvaardt. Eerst in den winter, -wanneer de vorst alles met een draagbare ijskorst heeft bedekt, -rivieren, moerassen en poelen, wanneer een dikke sneeuwlaag alle -oneffenheden heeft aangevuld en daarbij genoegzaam verhard is, dan -worden de wouden voor de met sneeuwschoenen gewapende jagers en hunne -tegen het weder geharde honden toegankelijk; eerst dan kan de -inboorling zelf er aan denken strooptochten in het binnenste der wouden -te ondernemen. - -De bosschen van Siberië zijn stom en dood, „tot verhongerens toe dood” -gelijk Middendorf het karakteristiek uitdrukt. De stilte, die daar -heerscht, wordt eene wezenlijke kwelling. Zoodra de tijd van balderen -voor het korhoen voorbij is, verneemt men nog alleen het gezang van den -grooten lijster en den merel, het lied van de grasmusch, van het -kneutje en den haakvink, de melodie van den fitis en het geroep van den -koekoek, maar bijna nergens alle stemmen te gelijk. Het bevend geroep -van den tureluur, en van den groenpootigen ruiter wordt hier een -gezang; het gesnater van den ekster verkrijgt eenige bekoorlijkheid, -zelfs het gekras der bonte kraai of van den raaf werkt opwekkend, de -loktoon van een specht of mees zelfs streelt. De stilte is in harmonie -met de eenzaamheid van het woud. Wie de verwachting mocht koesteren -zich hier aan een vroolijk jagersleven te zullen wijden, komt bedrogen -uit. Ongetwijfeld zijn er veel meer dieren, inzonderheid zoogdieren en -vogels, in het woud dan wij vermoeden, maar al die dieren verdeelen -zich zoo gelijkmatig over dit eindeloos gebied, en zij ondernemen -wellicht zulke verre tochten, dat wij elken maatstaf missen ter -beoordeeling van hun aantal. Uren gaans, mijlen ver is of schijnt -alles, tijdelijk zoo uitgestorven, zoo verlaten, dat de -natuuronderzoeker zoowel als de jager wanhopig wordt, daar telkens weer -zijne hoop geene bevrediging vindt. De grondigste lokaalkennis laat -zelfs den meest ervaren waarnemer in den steek. Oorden, die alle -voorwaarden schijnen te vervullen voor een weelderig en behagelijk -dierlijk leven, herbergen, voor zoover men kan nagaan, geen enkele -diersoort, zelfs geen enkel rondzwervend mannetje. De verwachting van -in afgelegen, ver van menschelijke woningen verwijderde, zelfs zoo goed -als buiten het menschelijk verkeer liggende wouddistricten, toch een -enkel dierlijk wezen te zullen aantreffen, blijkt ijdel, evenals de -hoop, dat men er in de diepten des wouds eerder zal ontmoeten dan in de -randgedeelten. Ja, de door menschen bewoonde, of althans bebouwde -deelen zijn dikwijls nog rijker in dit opzicht dan het centrum der -boschwoestijn. Dat overal daar, alwaar de mensch zich voor goed -vestigde, het woud uitroeide, weiden en akkers aanlegde, allengs eene -grootere verscheidenheid van diersoorten opbloeit dan in de -uitgestrekte, door hem nog niet veranderde, in hunne oorspronkelijke -eentonigheid volhardende streken, is duidelijk; immers, bebouwing van -den grond heeft ten gevolge, dat er geschikte verblijfplaatsen voor -sommige soorten ontstaan; dat andere diersoorten in de nabijheid van -den gezeten mensch veelvuldiger optreden dan in het ontoegankelijk -woud, in weêrwil dat de mensch hen vervolgt en zij ginds aan weinig -gevaren zijn blootgesteld, wordt slechts dan begrijpelijk, wanneer men -aanneemt, dat zij voortdurend nieuwen toevloed van elders ontvangen. Er -moeten dus, op bepaalde tijden althans, verhuizingen op min of meer -groote schaal plaats vinden en de meeste West-Siberische dieren moeten -daar dan wel aan deelnemen. De ervaring schijnt deze veronderstelling -te bevestigen. - -Standdieren, in de gewone beteekenis des woords, zijn alleen de -holbewonende winterslapers en enkele bergdieren, terwijl alle andere -soorten min of meer een nomadenleven leiden. Dieren, die in -West-Siberië gedurende den bronsttijd niet gezellig leven, wonen in den -tijd, dat zij jongen werpen of broeden, evenmin bijeen. Later -vereenigen zich de ouders en kinderen met alle soortgenooten tot -troepen of koppels, die nu voortaan, hoofdzakelijk zeker om zich te -beter van voedsel te kunnen voorzien, misschien ook door de -vliegenplaag daartoe genoodzaakt, gemeenschappelijke strooptochten -ondernemen. Plaatsen, welke overvloedig voedsel opleveren, lokken in de -eerste plaats de planteneters; deze houden ook de natrekkers vast en -worden door de hun vijandige dieren op den voet gevolgd. Op deze wijze -worden bepaalde wouddistricten ontvolkt, en andere bevolkt; zoo -ontstaan er opstuwingen van den zoo bewegelijken stroom van -landverhuizers, die te meer in het oog moeten vallen, naarmate zij -sterker contrast vormen met de gewone verlatenheid en ledigheid van het -woud. Verzamelplaatsen van dierlijk leven zijn inzonderheid die oorden, -waar het vuur heeft gewoed, op welker bevruchten bodem weder -bessenstruiken van verschillende soort ontkiemden en tot weligen wasdom -geraakten. - -Hier bekomen in den herfst niet alleen de Siberische wildsoorten goeden -oogst, maar daar smullen ook almede van de bessen, wolven en vossen, -marters en veelvraten, sabels en beren, die meerendeels het eerst door -de planteneters waren aangelokt. Dieren, die op deze wijze vereenigd -geworden zijn, blijven klaarblijkelijk geruimen tijd in zeker verband. -De planteneters volgen, zooals ervaren jagers opmerken, met stage -volharding de bessen, en de roofdieren hechten zich aan de hielen der -planteneters. - -Die verhuizingen maken begrijpelijk, hoe in sommige jaren deze bosschen -van allerlei jachtdieren wemelen, gene geheel verlaten schijnen. Met -verbazing ziet de westerling, die in den naherfst of in het vroege -voorjaar West-Siberië bereist, drie- tot vijfhonderd korhoenders, tot -een koppel vereenigd, van den grooten, door de bosschen leidenden weg -opvliegen, en met niet geringer verbazing doet hij iets later de -waarneming, dat dezelfde, of gelijke, niet minder gunstige bosschen -slechts spaarzaam met het korhoen bevolkt zijn; moedeloos, omdat hij -telkens wordt teleurgesteld, speurt hij in den zomer op de gunstigste -plekken het hazelhoen na, en aangenaam verrast, ontwaart hij in den -herfst op dezelfde plaatsen dit wild overal. - -Met deze zoo eigenaardige, door de eentonige eenvormigheid van -Siberië’s uitgestrekte velden bepaalde verhoudingen moet de jager, die -met eenige zekerheid zich buit wil verschaffen, geheel vertrouwd zijn, -en toch is zelfs de meest ervaren jachtliefhebber in de eindelooze -wouden een slaaf van het noodlot. Welk wild hij ook wil opjagen, nimmer -kan hij vooruit bepalen waar dit te vinden is. Gisteren overlaadde de -jachtgodin hem met weldaden, heden onthoudt zij hem de geringste hulde. -Aan wild is geen gebrek; de jager evenwel, die van de opbrengst der -jacht zou willen leven, moet verhongeren. Een jagersleven, zooals het -in andere landen mogelijk is, is in Siberië ondenkbaar; zelfs geen -noemenswaarde winst werpt de jacht in de bosschen af. Enkele dieren, -zooals de bever, schijnt men reeds uitgeroeid te hebben; andere, zooals -de kostbare sabelmarter, zijn, althans uit de meer bevolkte streken, -verdwenen, en naar het binnenste der bosschen teruggedrongen. Ook in -Siberië hoort men overal klagen, dat het wild van jaar tot jaar -schaarsch wordt, en zooveel staat vast, dat de jacht steeds minder en -minder opbrengt. De mensch is niet de eenige oorzaak van dit -verschijnsel; boschbranden en nu en dan optredende epidemieën doen het -hunne misschien nog meer. En geen Siberiër denkt er om, dat tijdelijke -sparing van het wild eene eerste voorwaarde is voor deszelfs behoud. -Eene verstandige jacht gaat boven het begrip der Siberische jagers; zij -dooden zooveel en langs zooveel wegen en op zoovele wijzen als maar -mogelijk is. Buksen en geweren spelen daarbij niet de hoofdrol, vallen -en netten, automatische schietwerktuigen en vergift worden door -vreemdeling en inboorling het meest gebruikt. - -Wild is in de oogen van den Siberiër elk dier, van hetwelk hij na diens -dood maar eenige partij kan trekken, het eland zoowel als de vliegende -eekhoren, de tijger zoowel als de wezel, het auerhoen zoowel als de -ekster. Wat het bijgeloof van den eenen stam spaart, strekt een anderen -stam tot buit; diersoorten, welker vleesch de Russen versmaden, zijn in -de oogen der Mongolen lekkernijen. Ostjaken en Samojeden voeden vossen, -marters, beren, uilen, zwanen, ganzen en andere uit het nest geroofde -dieren op, behandelen ze met ware teederheid, zoolang zij jong zijn, -verplegen ze zorgvuldig tot het haar- of vederkleed goed ontwikkeld is, -en slachten ze dan om het vleesch te eten en de huid te verkoopen. Het -aantal huiden, dat uit Siberië op de inlandsche en Europeesche markten -wordt gebracht, beloopt millioenen; het aantal dat in het land zelf -blijft is wel is waar niet zoo groot, maar nog verre van onaanzienlijk. -De hoeveelheid haar- en pluimwild, dat men in bevrozen staat naar -heinde en verre verzendt, bedraagt honderdduizenden. - -Behalve de huiden van zoogdieren voert men tegenwoordig ook vogelhuiden -uit, zooals van zwanen, ganzen, meeuwen, futen en eksters, die tot -moffen, kragen en hoedversierselen verwerkt worden. Zeker koopman in de -onbeduidende stad Tjukalinsk verhandelt jaarlijks voor zich alleen -30000 futenhuiden, 10000 zwanevellen en 100000 stuks ekstervellen; in -vroeger jaren verkocht de man nog meer. Dat deze huidenhandel het -aantal dieren van jaar tot jaar moet doen verminderen, is duidelijk; -dat eenig en alleen de ontoegankelijkheid der bosch- en waterwoestijnen -tegen de volledige uitroeiing der dieren een slagboom opwerpt, wordt -een ieder begrijpelijk, die de roekeloosheid der Siberische pelsjagers -heeft leeren kennen. - -Ofschoon uit het gezegde genoegzaam blijkt, dat het begrip wild in de -oogen van zulke jagers eene bijna onbeperkte beteekenis heeft, verstaat -men toch meer bepaald onder jachtdieren zulke soorten, die ook bij ons -te lande als pels- en pluimwild beschouwd worden. - -Voor zoover als zulks betrekking heeft op de dieren van den woudgordel -zijn het: het maralhert en het reuzenree, de eland en het rendier; de -wolf, vos, poolvos, losch, beer, poolhaas, eekhoren, de gestreepte en -vliegende eekhoren, en bovenal de martersoorten, dus het sabeldier, de -edel- en steenmarter, de bunzing, kolonok, het hermelijn, de wezel, de -veelvraat en vischotter. Bovendien het auerhoen, korhoen en hazelhoen, -en eindelijk nog de tijger, die nu en dan uit het zuiden naar het -noorden afdwaalt, de irbis, welk dier de bosschen op de bergen bewoont, -het insgelijks daar voorkomende muskusdier; het wilde zwijn en het aan -de zoomen der noordelijke bosschen voorkomende moerashoen. - -Ieder maakt op al deze dieren jacht; de meer beschaafde op wat -fatsoenlijker wijs, ofschoon volstrekt niet volgens de regelen der -jacht; meestal worden zij gevangen in even vernuftige als doeltreffende -vallen. - -Onder de laatstgenoemde staat de wijd verbreide slagval bovenaan. De -inrichting van dit werktuig is als volgt: op een open plaats van het -bosch, liefst zulk een, waar het uitzicht vrij is, wordt een lage, zoo -weinig mogelijk in ’t oog vallende omheining geplaatst, die in ’t -midden een doorloop heeft, of als zij lang is twee of drie gaten. Elke -doorloop is van ter zijden door twee in den grond gedreven palen -begrensd, die van boven een dwarsbalk dragen; zij dienen om de beweging -te regelen van daartusschen loopende valblokken, twee naast elkaar -liggende, met elkaar verbonden, lange, vrij dikke boomstammen. Een -lange hefboom wordt op het dwarshout gelegd en houdt de valblokken, die -aan den kortsten arm bevestigd zijn, zwevende; een van den langsten arm -uitgaand touw is vastgemaakt aan den piketpaal. Deze bestaat uit een -korten, aan het eene eind gevorkten, aan ’t ander eind toegespitsten -tak en wordt met de vork tegen den eenen van eene kerf voorzienen paal, -met de punt tegen een ander iets langer paalstuk geklemd, welk laatste -zijnerzijds met het tegenovergestelde uiteinde in den anderen paal een -los steunpunt vindt. Beide palen houden elkander in evenwicht, maar -vallen onder de geringste drukking van boven of van beneden uiteen. -Wanneer de val gesteld is, belegt men de stelpalen met dorre twijgen en -takjes, minder met het doel ze aan ’t gezicht te onttrekken, dan wel om -de oppervlakte te vergrooten. Trapt eenig dier, al is het een kleine -vogel, op een dezer takjes, dan vallen beide stelpaaltjes uit elkaar, -de val slaat neêr en het dier wordt verpletterd. Wil men roofdieren -vangen, dan legt men aas onder de stelpalen; al het andere wild leidt -men door middel van de omheining in de richting van de val. Daar men in -vele streken van het woud alle wildpaden, wegen en open plekken door -slagvallen verspert en er honderden en duizenden opgesteld zijn, wordt -de jager dikwijls rijkelijk beloond voor de geringe moeite, die hem het -oprichten dezer voortreffelijke vangwerktuigen heeft veroorzaakt. -Boschhoenders, hazen, eekhorentjes, hermelijnen zijn de meest gewone, -bunzings, edelmarters en sabels de meer zeldzame slachtoffers. -Veelvraten en wolven verliezen insgelijks in deze slagvallen hun leven, -maar deze dieren leeren ze kennen, evengoed als de honden, en vermijden -ze dan angstig, zoolang zij ter vangst zijn opgesteld, maar schuwen -daarentegen niet den jager het daarin gevangen wild te ontrooven of aan -te vreten en zoo te bederven. - -Samojeden en Ostjaken zijn, behalve dat zij gebruik maken van -slagvallen, ook groote liefhebbers van automatische werktuigen, die uit -boog en pijl, of een zelfwerkenden armborstboog bestaan. De boog, die -den pijl voortdrijft, is krachtig, de pijl voortreffelijk, en het -moordwerktuig in zijn geheel zeer gevaarlijk, ook voor onoplettende -menschen. Zinrijke inrichtingen houden den boog gespannen, pijl en boog -beide in de goede richting; een houten veêr doet den pijl wegsnellen, -zoodra een dwars over den weg gespannen koord wordt aangeraakt. Om den -pijl zoo te richten, dat hij het hart van het slachtoffer kan treffen, -bedient men zich van een met de grootte van het dier overeenkomend, -zuilvormig of doorboord mikhout, dat op den weg van het wild gelegd, -door een van boven aangebracht gat precies de hoogte aangeeft van het -hart des diers, en van een maat, die den loodrechten afstand aanwijst -van het hart tot het sleutelbeen, en dus den jager den juisten afstand -van het mikpunt tot het aftrektouw leert kennen. Daar alle bewoners des -lands de verschillende sporen van het wild nauwkeurig kennen, stellen -zij het zelfwerkend apparaat alleen dan tevergeefs op, wanneer een -ander, in grootte van het dier, dat getroffen moet worden, aanmerkelijk -afwijkend wild die plaats betreedt. Gewoonlijk heeft men het gemunt op -vossen, ook dikwijls op wolven, zelfs op elanden en rendieren, terwijl -daarentegen de automatische armborst voor kleiner wild, zooals -hermelijnen en eekhoorntjes, wordt bestemd. Voor beide legt men lokaas, -dat slechts bemachtigd kan worden wanneer het betreffende dier met den -kop door eene nauwe, aan het voorste, bij gespannen armborsten aan het -onderste deel van het werktuig aangebrachte opening kruipt. Op dit -oogenblik valt een stelplankje neêr en het dier wordt door een breeden, -beitelvormigen, in eene bepaalde richting gehouden pijl, die door de -armborst met kracht wordt weggeslingerd, gedood. - -In den jongsten tijd is behalve dit oorspronkelijk jachtgereedschap ook -nog het vuurwapen bij de inboorlingen van West-Siberië in gebruik -gekomen, zonder evenwel het eerste geheel verdrongen te hebben. Om het -dure kruit en lood te besparen, bedient men zich van kleinmondige, -verbazend slechte lont-, steen- en slaghoedbuksen, maar men weet van -deze gebrekkige wapenen een meesterlijk gebruik te maken. Aan geen -geweer van den West-Siberiër ontbreekt een aan den langen kolf -bevestigde vork, die tot opleggen dient; ook de meer beschaafde jagers -bedienen zich hiervan, en men moet zeggen dat het voor een lontgeweer -onmisbaar is. Hagelroeren bezitten de ambtenaren en de meer welvarende -stedelingen, niet evenwel de inboorlingen, die van de jacht een bedrijf -maken en het kruit om zoo te zeggen bij korrels aftellen. Zij vullen -een kleinen horen met het dure kruit, slaan een looden touw ter dikte -van het geweer drie of meermalen als een gordel om het lijf en gaan, -aldus uitgerust, ter jacht. Het looden touw dient voor het maken van -kogels, die niet gegoten worden, maar stuk voor stuk afgeknipt, of nog -eenvoudiger, afgebeten; dit stuk lood wordt zonder prop op het kruit -gelegd en de buks is geladen. Men begrijpt, dat de inboorlingen slechts -in geval van nood op verren afstand mikken; meestal schieten zij op -geen grooter afstand dan van eene gemiddelde boomshoogte, maar dan ook -zoo zeker, dat zij het oog van den sabelmarter of van het eekhoorntje -tot mikpunt kiezen—en in den regel treffen. - -Boschhoenders worden veelvuldiger gejaagd dan ander wild; bij -honderdduizenden worden deze vogels gevangen en gedood. In den tijd van -het balderen laat men de auer- en korhoenders bijna overal met rust. -Van jagersgenot, zooals wij hebben wanneer wij den balderenden auerhaan -verrassen, is wegens de ontoegankelijkheid der bosschen hier zelden of -nooit sprake; men verlaat zelfs in de Meimaand ter wille van het -balderende korhoen zijn warm bed niet, en hoogstens het hazelhoen poogt -men door het nabootsen van zijn liefdekreten te verschalken. Wie zou -zich ook zooveel moeite en last op den hals halen, in ’t vooruitzicht -van misschien toch niet te slagen! In den herfst en in den winter eerst -loont de jacht, gelijk de Siberiër dit opvat; wanneer de jonge hanen -ruien, wanneer de koppels zich vereenigen in groote troepen, wanneer -deze laatste om bessen te zoeken door de wouden trekken, dan is de tijd -voor de boschhoenderjacht aangebroken. Wie bezwaren van allerlei aard -niet schuwt, jaagt met zijn honden—meest erbarmelijke keffers—het -trekkende pluimwild na, en keert in den regel rijk met buit beladen -terug; wie heeft geleerd op sneeuwschoenen te loopen, zoekt ook in den -winter het auer- en korhoen op. Zoodra de eerste dikke sneeuwlaag is -gevallen, breekt er eene periode van rust voor het trekkende wild aan, -en elke troep kiest zich eene woonplaats uit, die althans voor de -eerste dagen voedsel genoeg oplevert. In ’t begin van den winter -voorzien de roode boschbessen, later de vlierbessen daarin overvloedig; -zijn deze opgegeten, dan nemen de hoenders lariksnaalden en eindelijk -ook denne- en sparrenaalden voor lief. Ook de onrijpe kegels van al -deze naaldboomsoorten worden gebruikt. Zoolang zulks mogelijk is zet -het wild zijn tochten te voet voort, legt in den loop van eenen dag -dikwijls 10 tot 12 werst af, komt nu en dan de bewoonde plaatsen nabij -en laat in de versch gevallen sneeuw duidelijke sporen achter, zoodat -de vervolgende jager het eindelijk inhaalt. Wordt het gedwongen tot het -eten van naalden over te gaan, dan verraden de drekstoffen aan den -jager deszelfs spoor; ook de slaapplaatsen geven goede aanwijzingen. -Afwijkend van de gewoonte zijner in Duitschland levende soortgenooten, -graaft het Siberische auer- en korhoen meer of minder lange, meest tot -den grond reikende gangen en kuilen in de sneeuw. Het verlaat deze -slaapsteden tegen den morgen of bij dreigend gevaar, door zich met -behulp van eenige vleugelslagen omhoog te werken en het sneeuwdek door -te breken; deze logementen vallen dus gemakkelijk in het oog, en tevens -doen zij weten in welken nacht de hoenders daar zijn geweest, zoodat de -jager ook hierin belangrijke vingerwijzingen heeft. Bij aanhoudenden -sneeuwval verwijlt het wild dikwijls tot den middag in genoemde -slaapsteden. - -Het valt den jager dikwijls vrij gemakkelijk het wild tot op korten -afstand te naderen, wanneer dit op de boomen is gevlogen of terwijl het -met den maaltijd bezig is. Het laat zich door hondengeblaf niet -verontrusten en het lokaas onder de boomen trekt zoo zijn aandacht, dat -het den bijsluipenden jager niet opmerkt. Zal zulk een jacht goede -resultaten opleveren, dan moet een dikke, harde sneeuwlaag den grond -bedekken, alle spleten en oneffenheden hebben opgevuld en den jager op -zijn sneeuwschoenen kunnen dragen. - -Gemakkelijker en ook winstgevender is de jacht met den boelban, een -houten pop, die den vorm van het te vangen dier nabootst. Men begeeft -zich in den herfst, vóór het aanbreken van den dag naar het bosch, -verbergt zich in eene hut van rijswerk, die men in allerijl opslaat, -of, wat beter is, die men van te voren reeds heeft gebouwd. Anderen -richten nu den boelban op, een opgestopte of uit hout en werk -vervaardigde, met zwarte witte en roode lappen overtrokken, en een -levenden vogel zoo goed mogelijk nabootsenden pophaan. De boelban wordt -zoodanig in een der hoogste boomen bevestigd, dat hij met den kop tegen -den wind in is geplaatst. Nu wordt het omliggende boschterrein met -behulp van honden afgedreven; alle jonge of nog niet door vroegere -ervaring wijs gemaakte korhoenders, die opgeschrikt zijn geworden en -den boelban in ’t oog krijgen, vliegen naar den valschen, hun -veiligheid belovenden kameraad en zetten zich naast hem neder. De jager -in de rijshut, behalve met zijn kleinmondig, weinig knalgevend geweer, -ook nog met een hagelroer gewapend, heeft onder de dozijnen dezer -vogels de ruimste keus. - -In die bosschen, welke gedurende den zomer nog niet verontrust zijn -geworden, let het korhoen zoo weinig op den zwakken knal dezer soort -van geweren, dat het zelfs niet wegvliegt wanneer een naast hem -zittende makker getroffen van den boom stort; met uitgerekten hals -staart hij den vallenden kameraad na en blijft rustig zitten, zoodat de -schutter nog eens en nog eens kan laden en vuren. Daar de korhoenders -zeer talrijk zijn, kan een jager soms in een enkelen morgen uit -dezelfde hut twintig en meer dezer dieren neêrschieten. - -Niet minder winstgevend en den jager in hooge mate bevredigend is de -jacht op hazelhoenders, gelijk deze in Siberië kan plaats hebben. -Toebereidselen, van welken aard ook, zijn hierbij onnoodig; zelfs zijn -gedresseerde honden, ofschoon men van deze goede diensten kan hebben, -niet volstrekt onontbeerlijk. Het hazelhoen is in alle daarvoor -geschikte bosschen van West-Siberië zeer menigvuldig, nog menigvuldiger -misschien dan het auer- en korhoen, maar het leeft zoo stil, dat men -het zelfs dan nog over ’t hoofd kan zien, wanneer het in groote ketens -de wouden bevolkt. Tot zulke groote gezelschappen als zijn verwanten, -vereenigt het zich nooit; ook trekt het niet zoo ver en is juist daarom -meer gelijkmatig over de woudwoestijnen verspreid, weshalve het dan ook -eerder in het bereik van den jager komt dan alle andere boschhoenders. -In den zomer is het voor goed aan het oog van den onervaren jager -onttrokken en het schijnt dezen toe alsof het wild verdwenen is; in den -herfst ontwaart men het overal, zelfs op die plaatsen, waar men het -eenige maanden geleden tevergeefs zocht. Het hazelhoen is niet minder -verzot op bessen dan zijn bloedverwanten, en ten einde die lekkernij -machtig te worden, houdt het zich ook op meer uitgestrekte, ontbloote -deelen op, die het in het voorjaar en in den zomer zorgvuldig vermeed. -Maar zelfs hier weet het zich aan den blik te onttrekken. Het ligt veel -vaster dan het auer- en korhoen, en duikt zoolang mogelijk neêr als er -iemand nadert, zonder zich daarbij echter angstig te verbergen, om -eerst dan op te staan als de vijand zeer nabij is. Als het opvliegt -maakt het zoo weinig geraas, dat men het ook nu nog niet ziet of hoort; -elke patrijs, ja elke snip maakt meer geraas dan dit lieve dier, van -hetwelk men alleen bij het opstaan een zacht geritsel hoort. -Opgeschrikt zijnde vliegt het gewoonlijk, ofschoon niet altijd, in een -der naastbij staande denneboomen en laat zich hier op den eersten den -besten tak neêr, maar blijft verder zoo rustig zitten dat men het ook -hier weder even weinig opmerkt als te voren. Dikwijls spant men zich -langen tijd tevergeefs in om het in ’t oog te krijgen; men denkt dat -het reeds heimelijk weggevlogen is en wordt eerst door zijn afvliegen, -of doordat het eenig licht gedruisch laat hooren er tot zijn -verwondering opmerkzaam op gemaakt, dat het geheel ongedekt op -denzelfden tak zat, waar men het herhaaldelijk had gezocht. De aan alle -hoenders zoo eigen geschiktheid om zich voor het oog van anderen te -verbergen, heeft bij het hazelhoen haar toppunt bereikt. Voor zijn -verblijf kiest het hoen het liefst moerassige of met mos begroeide, aan -blauwe en roode boschbessen rijke deelen van het woud, die door oude -afgestorven en jonge boomen omgeven zijn. Hier weet het van elke -bedekking zulk een geschikt gebruik te maken, dat men het gewoonlijk -eerst dan waarneemt, wanneer het voor zijn veiligheid naar een der -afgestorven groote boomen vliegt. Verroert het zich niet, dan meent men -een boomknoest te zien, want hierop gelijkt het sprekend; het schijnt -zich zelf bewust te zijn, dat het zich gerust verlaten kan op de -overeenstemming zijner eigene kleur met die der omgeving. Niettemin -kijkt het dier, zoolang het vrij zit, nu en dan bezorgd in ’t rond, en -dreigt er gevaar, dan verlaat het zoo spoedig mogelijk en even stil -zijn hoogen zetel, als het er op gevlogen was. Voor den jager is het -een lust op dezen vogel te jagen. Men kan hem overal in het woud -ontmoeten en weet niet, hoe men hem zal aantreffen; elk hulpmiddel laat -ons hier in den steek, maar men loopt nu ook geen gevaar door minder -geoefende jachtgezellen gehinderd te worden, terwijl de voortdurende -spanning, waarin men verkeert, te meer wordt beloond en de vroolijke -opgewondenheid, die deze soort van jacht te weeg brengt, nog meer genot -verschaft dan het wildbraad zelf, ofschoon het moet erkend worden, dat -dit allerkostlijkst is. - -De boschhoenders zijn, zoowel wat het jachtvermaak als hunne beteekenis -voor de volkswelvaart betreft, van zoo groot belang, dat het edelste -haaswild van West-Siberië hierbij haast in ’t niet verzinkt. De vier -soorten van herten, die men hier aantreft, worden om vele, echter alle -even onvoldoende redenen, veel minder geacht dan zij verdienen, en, zoo -niet op bepaald ruwe, toch weinig aantrekkelijke, zelfs walgelijke -wijze uitgeroeid. Zulks geldt inzonderheid van het maralhert. Dit -trotsche, fiere dier, volgens de opvatting van sommigen een reusachtig -edelhert, volgens anderen eene afzonderlijke aan ’t genoemde sterk -verwante, maar door meerdere lichaamsgrootte en krachtiger gewei -daarvan afwijkende soort der hertenfamilie, bewoont alle bosschen van -het zuiden, bij voorkeur de bergwouden, en komt hier waarschijnlijk -minder zeldzaam voor dan men met het oog op de rustelooze jaagzucht van -inboorlingen en vreemdelingen wel denken zou. Die jaagzucht bedreigt -het maralhert juist in een tijd, dat het gespaard moest blijven, en -zulks om eene zeer eigenaardige reden. - -Allen Noord-Aziatischen jagers is het bij dit hert niet om het vleesch, -niet om den pels, maar enkel en alleen om het nog groeiende, nog niet -volkomen vertakte en nog met de huid bedekte gewei te doen. Hieruit -bereiden de Chineesche geneesheeren of kwakzalvers eene tegen goud -opgewogen artsenij, die zeer gezocht wordt door alle rijke vergrijsde -zonen van het Hemelsche Rijk en klaarblijkelijk doorgaat voor een -opwekkend middel, dat zijn equivalent niet bezit. Het meest gewild zijn -de half vertakte, nog rijkelijk met bloed gevulde zesenders; men -betaalt er van 120 tot 180 gulden voor, terwijl men volkomen -uitgegroeide geweien met 12 en 14 takken voor niet meer dan vijf of -tien gulden kan verkoopen. Niet alleen de Mongolen van Noord- en -Middel-Azië, maar ook de Siberiërs van Russische afkomst beijveren zich -om deze kostbare geweien te bemachtigen en zoo spoedig mogelijk met de -post naar Kiachta te verzenden, vanwaar vaste kooplieden ze jaarlijks -bij duizenden naar China voeren, en altijd nog overtreft de vraag het -aanbod. De Siberische boeren houden maralherten in gevangenschap, enkel -met het doel om op het geschikte tijdstip de met bloed gevulde geweien -af te zagen en te verkoopen. Daar nu, gelijk men weet, alle herten in -den tijd, dat zij van gewei verwisselen, dicht begroeide plaatsen -mijden en ook minder omzichtig zijn, en daar spiesherten en -gaffelherten evenmin verschoond worden als kroonherten, is het -duidelijk, dat de hoeveelheid van dit wild aanzienlijk moet -verminderen, en ook de vermenigvuldiging verbazend wordt tegengegaan. -Wildbraad en pels komen bij deze slachterij niet of weinig in -aanmerking; en mocht het eenige moeite kosten het gedoode dier naar -huis te dragen, dan laat men het eenvoudig liggen, ten prooi van wolven -en vossen. - -Evenals het maralhert is ook de Siberische ree of reuzenree van de bij -ons te lande voorkomende soort onderscheiden door haar meerdere -lichaamsgrootte en haar hoog, bij den rozenstok zwak ontwikkeld gewei. -Of de Siberische ree als eene afzonderlijke soort moet beschouwd -worden, zulks maakt bij de natuurkundigen nog steeds een punt van nader -onderzoek uit. Dit hert bewoont in Siberië bij voorkeur zulke gedeelten -van het woud, die zich van een vroegeren brand beginnen te herstellen, -daar waar veel Altaï-dennen groeien, de zoomen der bosschen en klein -struikgewas; het stijgt in het gebergte tot aanzienlijke hoogten op, -niet zelden tot boven de grens van den boomgroei en ook waagt het zich -naar buiten, in de steppe, in gezelschap van steenbokken, wilde schapen -en antilopen. Overeenkomstig de bijzondere gesteldheid des lands, -onderneemt het nu en dan wandeltochten, ook zonder dat boschbranden -daartoe aanleiding geven, legt daarbij groote wegen af en zwemt zonder -schroom breede rivieren over. - -Soms verschijnt het in oorden, waar men het in jaren niet had gezien, -vestigt zich hier en onderneemt van daar uit nu en dan strooptochten; -gewoonlijk blijft het op deze rondzwervingen op bepaalde wegen, doch -wordt nu en dan ook wel eens gedwongen zeer nauwe paden in te slaan. -Rotsachtige, steil afvallende oevers van groote stroomen noodzaken het -dwarsdalen en kloven in te slaan, alwaar het zijn verderf te gemoet -gaat, daar men zulke passen met heggen verspert, waarachter valkuilen -zijn aangebracht. Op alle tijden des jaars ziet het zich bedreigd door -wolven en losschen, Russen en inboorlingen. Men jaagt het, gelijk alle -wild, zonder verschooning, trekt van alle omstandigheden partij en -beproeft elke list om het dier machtig te worden. Als de sneeuw begint -te smelten, maar koude nachten de bovenste sneeuwlaag in eene dunne -ijskorst veranderen, trekt men ter jacht op het maralhert. De jagers -zitten te paard en worden door honden vergezeld; ook zetten zij het -hert wel op sneeuwschoenen na, drijven het onder getier en geschreeuw -voor zich uit, en vermoeien het te eerder, naarmate de ijskorst harder -is en de gebroken stukken het dier de pooten verwonden. In het voorjaar -lokt men de hinden door de stem der jongen na te bootsen; in den -bronsttijd den bok door het geluid te laten hooren van de antwoordende -hinde, in het tijdperk daar tusschen gelegen beide geslachten door het -aanleggen van kunstmatige zoutvlakten. In den herfst richt men -drijfjachten aan, of vervolgt het trekkende hert, als het de rivieren -overzwemt, in booten, om het in het water den doodsteek te geven; in -den voorwinter achtervolgt men het met sleden en zendt het van deze uit -het moordend lood achterna. Het eenige middel wat men niet gebruikt is -het stellen van strikken, een geliefkoosd middel bij de Duitsche -stroopers; misschien, omdat de spanboog betere resultaten belooft. - -De eland voert onder veel gunstiger voorwaarden den strijd om het -bestaan. Woonplaats, levenswijs, kracht en weerbaarheid beveiligen dit -wild tegen vele, zoo niet de meeste vervolgingen. In den vollen zin des -woords een dier des wouds, in poelen en moerassen even goed te huis als -in het kreupelhout en onder hoog geboomte, alle hinderpalen van woud en -moeras gelijkelijk het hoofd biedende, door zijn voedsel ook -gevrijwaard voor wintergebrek, ontkomt het gemakkelijker dan alle ander -wild zoo wel aan de vervolgingen van den mensch als aan andere -vijanden. - -Onder deze laatsten behooren wolf en losch, beer en veelvraat; toch is -het twijfelachtig of al deze roovers veel vermindering brengen in het -aantal elanden. Want deze dieren bezitten in hunne scherp snijdende -hoeven bijna nog beter weermiddelen dan in hun gewei en zij weten van -de eerste een even goed gebruik te maken als van het laatste. De eland -delft wel is waar het onderspit wanneer een beer hem toevallig ontmoet -en bespringt, maar een enkelen wolf werpt hij onmiddellijk ter aarde. -Zelfs bestaat hij soms zegevierend den strijd tegen eene bende dezer -altijd hongerige roovers, en wat den losch en den veelvraat betreft, -het verhaal, dat deze hem op den rug zouden springen en den -halsslagader doorbijten, vereischt nog bevestiging. Tegenover den -mensch alleen is de eland weêrloos. Toch is de jacht op dit dier in de -Siberische bosschen een ellendig bedrijf, waarmede zich dan ook -uitsluitend de inboorlingen bezighouden. In den zomer kan men het water -beminnend wild moeilijk nabij komen; het huist alsdan meerendeels in -poelen en moerassen, overdag tusschen hooge moerasplanten in een voor -hem alleen toegankelijk leger rustende, ’s nachts voedsel zoekende. De -sappige stengels en wortels der waterplanten vindt hij lekkerder dan de -scherpe carexsoorten. Om deze reden begeeft hij zich, als hij wil -grazen naar de diepere gedeelten van het moeras, haalt de planten zelfs -uit het water, steekt zijn plompen kop tot aan de wortels der ooren, -die veel op ezelsooren gelijken, in het slijkige water, zoodat de -neusgaten hiermede onwillekeurig worden opgevuld, en slingert, telkens -als hij den kop omhoogheft, onder een luid, ver klinkend gesnuif, het -ingedrongen vocht uit mond en neus. Ervaringrijke jagers hebben, naar -aanleiding van deze wijze van voeden, een bijzondere manier van jagen -uitgedacht. Men bespiedt eenige achtereenvolgende nachten het wild, -brengt dan gedurende den dag in alle stilte lichte, ondiep gaande -booten in gereedheid en roeit in den nacht, op het snuivend geluid -afgaande, zoo stil mogelijk naar de grazende elanden, wier reuk- en -speurvermogen, ten gevolge van het herhaalde onderduiken, zeer -verminderd werd, om ze vervolgens met schietgeweer te dooden. De -helderheid der Noordsche zomernachten maakt het ontkomen even -gemakkelijk als het de nadering bemoeilijkt; de jacht is echter juist -hierom zoo opwekkend, zoodat vurige jagers er zich met hartstocht en -soms ook met goed gevolg aan wijden. Valt de vorst in dan verlaat de -eland de moerassen, omdat het gescheurde en gespleten ijsdek het loopen -bemoeilijkt; het dier zoekt nu de meer droge gedeelten van het woud op, -totdat de dik gevallen sneeuw hem dwingt ook deze te verlaten, en òf -een betere woonplaats uit te vinden, òf rond te dolen. In dezen tijd -geeft men de voorkeur aan de jacht met goed gedresseerde en bovenal -rustige honden. Op zijn strooptochten waagt de eland zich zelfs in de -dorpen, maar verraadt zich alras door zijn kenbaar spoor; spoedig zit -hem dan ook de jager op de hielen. Nu laat men de honden los, die het -wild moeten vermoeien, echter niet verjagen. Daarom mogen zij het niet -van achteren aangrijpen, ook niet te nabij komen, maar blaffend moeten -zij er om heen springen, om zijn geheele opmerkzaamheid te trekken. -Ziet de eland zich op deze wijze van voren bedreigd, dan blijft hij na -een poosje vooruit te zijn gesukkeld, eindelijk staan, bekijkt onrustig -de honden, schijnt ze aan te willen vallen, doet dit echter hoogst -zelden, en deze besluiteloosheid schenkt den jager den tijd om te -naderen en een zeker schot te lossen. Wordt een kleine kudde elanden -plotseling door de honden verrast en in de engte gedreven, dan kunnen -zij dermate de bezinning verliezen, dat een vlug en goed uitgerust -schutter er meerdere na elkander velt. Worden oude, ervaren elanden in -den winter, wanneer er dik sneeuw ligt, langen tijd vervolgd, dan slaan -zij den eersten den besten gebaanden weg in, dien zij ontmoeten, -sukkelen daarop voort, onbedacht of zij den weg naar het bosch of naar -een dorp inslaan. Zoo geraken zij niet zelden in de onmiddellijke -omgeving der bewoonde plaatsen om nu eerst de richting naar het woud te -kiezen. Harde, bevroren sneeuwkorsten zijn voor de elanden even -noodlottig als voor de reeën; want onverschrokken en bekwame jagers -vallen hen onder zulke omstandigheden zelfs met de zwijnsspriet aan; op -hunne sneeuwschoenen halen zij het dier spoedig in, matten het af en -gebruiken nu het primitieve jachtwapen. Het vleesch der elanden maakt -bij de inboorlingen en kolonisten een geliefkoosd wildbraad uit; het is -evenwel zeer goedkoop. De huid echter vindt tegen 6 à 8 roebels grage -koopers en levert den broodjager genoeg belooning op voor zijn moeite -en inspanning. - -Het wilde rendier is wel is waar eigenlijk een bewoner der toendra, -doch het wordt ook langs den geheelen woudgordel aangetroffen. Men -vindt dit dier geregeld op de oostelijke hellingen van den Oeral, -alsmede in de dichte bosschen en op de hooge gedeelten van het -gebergte; de jagers spreken daarom van bosch- en bergdieren en -schrijven aan beiden verschillende eigenschappen toe—zonder deze -evenwel op te noemen. Het rendier toont minder vrees voor bewoonde -oorden dan andere hertensoorten, hetgeen misschien te verklaren is uit -de omstandigheid, dat er onder de gedoode dieren, behalve wilde, ook -verwilderde voorkomen, die men herkent aan de brandmerken of aan de -sneden in de ooren. Deze hebben waarschijnlijk in den bronsttijd de -kudden der Samojeden en Ostjaken verlaten en zijn al verder zuidwaarts -getrokken, totdat zij wilde bloedverwanten ontmoetten en nu met deze -bleven samenleven. Eens het slavenjuk ontloopen nemen zij verbazend -snel alle wilde gewoonten weder aan. Als jachtdieren vervullen zij -onder de woudbewoners evenmin eene belangrijke rol als het wilde -rendier. Men doodt het rendier wanneer en op welke wijze men maar kan; -enkele vurige jagers van Russische afkomst uitgezonderd, wordt er -echter alleen door inboorlingen met volharding en lust op gejaagd. - -Tot het eetbare wild rekenen alle verstandige menschen ook den haas; -slechts Semieten en Russen denken er anders over. Dientengevolge wordt -de jacht op deze dieren in West-Siberië eenig en alleen gedreven door -beschaafde en onbevooroordeelde Siberiërs van Russische afkomst, en -door de boven alle spijswetten verheven inboorlingen van het noorden -van ons gebied. Want ook het vel van den poolhaas heeft, omdat het zoo -wreed wordt, weinig waarde in de oogen der jagers. Misschien wordt het -wel om die reden door de heidensche bewoners des lands aan hun goden -geofferd. Niettegenstaande de onverschilligheid, waarmede de -woudbewoners het door ons zoo hoog gewaardeerde knaagdier beschouwen, -zoodat zij het niet zelden laten loopen, is de haas nergens in grooten -getale aanwezig. Velen laten in slagvallen hun leven, anderen strekken -ten prooi aan wolven, vossen en losschen, terwijl ook de strenge -winter, die hen tot verre tochten dwingt, hun noodlottig wordt. -Belangrijk kan men dit wild dus in geen opzicht noemen. - -Onder de niet eetbare pelsdieren van den boomgordel komt aan den wolf -de eereplaats toe, in zooverre als hij het meest gehaat en het meest -vervolgd wordt. Wel beweert men dat de schade, die hij den mensch -onmiddellijk berokkent, niet van zoo groote beteekenis is, althans niet -onoverkomelijk, maar nooit verzuimt men de gelegenheid om dit dier -machtig te worden. Het staat vast, dat de wolf in West-Siberië slechts -bij uitzondering in groote troepen optreedt, en nog zeldzamer den -mensch aanvalt; maar even zeker is het ook, dat hij aan het -huisgedierte veel schade toebrengt, terwijl die schade dan alleen in de -oogen valt, wanneer men de aanzienlijke verliezen, die de kudden der -trekkende herders, zoowel van steppe als toendra door den wolf lijden, -mede in rekening brengt. De talrijkheid, waarmede dit dier in den -boomgordel optreedt, is zelfs bij benadering niet te schatten. De wolf -is overal en nergens; vandaag vallen zij in de kudde van een of ander -dorp, waar men ze sinds jaren niet bespeurde, en morgen doen zij zulks -elders; zij verlaten plotseling sommige streken en keeren er -onverwachts weêr in terug, hier met elke vervolging spottend, ginds op -geen tegenweer zelfs bedacht. Groote, veel bereisde wegen en aan weiden -rijke oorden trekken hen bijzonder aan, omdat zij daar in de lijken der -paarden, hier in de zonder opzicht rondloopende, zelfs diep in het woud -doorgedrongen huisdieren een gemakkelijke prooi vinden; toch ontbreken -de wolven ook niet in boschrijke streken, die buiten alle menschelijk -verkeer liggen. Soms ziet men hen, afzonderlijk of in kleine troepen -vereenigd, op vollen dag in de onmiddellijke nabijheid der woningen -dwalen; niet zelden trekken zij des nachts door de dorpen, ja zelfs -door de steden. Zij rooven in een enkelen nacht dozijnen schapen, -overvallen paarden en runderen, niet dikwijls evenwel honden, die -elders een begeerige buit voor hen zijn. Zij ontzien eenig en alleen de -dappere zwijnen, die terstond den strijd met hen wagen en gewoonlijk -als overwinnaars uit het perk treden. - -Evenals onder de Russen heerscht ook bij de Siberiërs het bijgeloof, -dat de zogende wolvin zich wel wacht in de nabijheid van haar jongen te -gaan jagen, maar zich op eene vreeselijke wijze wreekt, wanneer men -haar welpen aantast; dat zij den roover tot in het dorp, alwaar hij -woont, vervolgt en in toomlooze woede verdelgend in diens kudde valt, -enz. Ieder Siberiër laat uit vrees voor deze wraakzucht een door hem -gevonden nest met jonge wolven onaangeroerd, en slechts enkelen wagen -het de jonge wolfjes een Achillespees door te snijden, ten einde ze te -verlammen, zoodat zij genoodzaakt zijn tot aan den herfst op de plaats -hunner geboorte te blijven. Want, naarmate de jongen in grootte -toenemen, vermindert, gelijk men meent, de liefde der moeder, en tevens -haar wraakzucht, terwijl de slimme boeren nog daarenboven in de -herfstpels eene extra-vergoeding vinden voor dit uitstel van executie. - -De middelen, die men gebruikt om de wolven machtig te worden, -verschillen zeer naar gelang van plaats en gelegenheid. Kuilen, -klemmen, strychnine, stelbogen, enz. doen goede diensten; drijfjachten -daarentegen hebben zelden een gunstig gevolg. Liever tracht men den -wolf met de slede na te rijden, en hem van hier uit neêr te schieten. -Men heeft hem dan eerst op de volgende slimme manier gelokt. - -Voor een wijde slede wordt een oud, zeer mak of halfdood paard -gespannen, terwijl daarin vier jachtgezellen plaats nemen, t.w. de -koetsier, twee schutters en een matig groot varken. De koetsier, die -enkel op zijn paard heeft te letten, neemt plaats op den bok; de beide -schutters zitten met den rug naar den voorkant der slede en houden het -varken, in een zak gebonden, tusschen zich in. Tegen het vallen van den -avond rijdt het gezelschap op een harden weg uit en slaat de richting -in naar het bosch, alwaar men daags te voren versche wolfssporen heeft -gezien. Een der schutters werpt nu, zoodra men deze sporen heeft -weêrgevonden, een aan een lang touw bevestigden, los met hooi -opgevulden zak uit de slede en laat dien naslepen, terwijl -ondertusschen de ander het varken op allerlei wijzen plaagt en tergt om -het tot schreeuwen te dwingen. Isegrim hoort dit geluid, denkt -waarschijnlijk, dat dit geschrei afkomstig is van een afgedwaald -biggetje en nadert stil en voorzichtig, d.w.z. zooveel mogelijk -ongezien, den weg, krijgt het naslepend pakje in ’t oog, meent daarin -het schreeuwend varken te herkennen, en besluit na lang nadenken en -dralen het arme dier uit zijn lijden te verlossen. Met een flinken -sprong verschijnt hij op den weg en draaft begeerig achter de slede -aan. Wat geeft hij om de dreigende gedaanten daar in het voertuig?! -Heeft hij zulke wezens niet dikwijls genoeg van nabij gezien en onder -hun oogen geroofd? Nader en nader komt hij de slede, die intusschen met -versnelde vaart haar tocht voortzet; nog erger mishandelingen doen het -varken nog meer schreeuwen; steeds luider en klagender worden de -jammerkreten; zinsverbijsterend werken deze op den roover—nog een -sprong, daar knallen twee schoten en rochelend ligt het ondier ter -aarde. - -Even boosaardig als deze soort van jacht is een andere, die almede zeer -gebruikelijk is in dit land. Op geringen afstand van het dorp omheint -men een cirkelvormige plek van ongeveer twee meter in middellijn met -sterke, dicht naast elkaar, diep in den grond gedreven palen; deze -kring wordt omgeven van een tweeden, die overal op gelijken afstand, -b.v. veertig, hoogstens vijftig centimeter, van den eersten verwijderd -is. Twee zeer dikke palen dienen tot posten voor een deur, die uit een -sterke plank is vervaardigd, in stevige scharnieren draait en van -automatische sluitboomen is voorzien. Die palen zijn zoo gesteld, dat -de deur zich slechts naar binnen kan openen, doch als men er van binnen -tegen aandrukt zich vanzelf sluit door de neêrvallende boomen. Beide -cirkelvormige, omheinde plaatsen zijn wel is waar van boven niet dicht, -maar wel stevig overdekt. Door middel van een valdeur verkrijgt men -toegang tot de binnenste ruimte. Zoodra men nu ontdekt, dat de wolven -nachtelijke bezoeken in het dorp brengen, maakt men de val in -gereedheid. Men brengt een levende geit in de binnenste ruimte en opent -de deur, welke in de buitenste ruimte leidt. Het jammerlijk blaten der -geit lokt Isegrim. Hij is wel is waar niet ten volle gerust bij ’t -aanschouwen van dien ongewonen stal, maar weldra zet hij alle vrees op -zij; het arme geitje, nu het den gevreesden vijand in zijn nabijheid -ziet, jammert steeds meer en dit prikkelt de vraatzucht van den wolf. -Herhaalde malen rent deze met steeds klimmende bloedgierigheid en drift -om het staketsel, snuffelt, ruikt, nadert, gaat terug en kijkt -aandachtig naar de eenige opening, die hem de gelegenheid schijnt aan -te bieden om de geit te lijf te gaan. - -Eindelijk krijgt de hartstocht de overhand op zijn aangeboren sluwheid. -Nog dralend, maar steeds naderbijkomend, dringt hij eindelijk kop en -lichaam door de nauwe opening. - -Vol wanhoop drukt zich de geit aan den tegenovergestelden kant der -binnenste omheining. Zonder nader overleg volgt de roover haar. De geit -loopt den kring rond, de roover doet hetzelfde, slechts met dit -verschil, dat de laatste zich tusschen twee rijen palen moet bewegen. -Daar belemmert de deur zijn schreden. Maar het offer is thans zoo nabij -en zoo zeker te pakken! Onstuimig jaagt hij voorwaarts, de grendel valt -voor de weggedrongen en tegen het palissadenwerk gedrukte deur in de -passende keep, en ... gevangen is de wantrouwende, voorzichtige -lomperd; gevangen, zonder in staat te zijn den begeerden buit te -naderen. Zich niet kunnende wenden, in het diepst zijns harten -vertoornd, loopt, draaft, jaagt hij rusteloos voorwaarts, altijd in ’t -rond, een eindeloozen weg hierbij afleggend. De verstandige geit -begrijpt alras den toestand, en blijft eindelijk, ofschoon nog steeds -jammerende, in ’t midden der ruimte staan; de wolf ziet eveneens -eindelijk het vruchtelooze van zijn rondloopen in, tracht zijn vrijheid -te herkrijgen, scheurt met zijn tanden spaanders van een voet lengte -uit het hout, huilt met half gesmoorde stem van woede en -angst—tevergeefs! Na een nacht vol leed en kwelling begint het te -schemeren; de morgen breekt aan—zijn laatsten morgen. In het dorp komt -beweging; menschenstemmen mengen zich in het geblaf der honden. -Donkere, door bassende honden vergezelde mannen naderen het -treurtooneel. Onbewegelijk, een lijk gelijk, ligt de wolf op den grond; -nauwelijks verraadt een blikken zijner oogen, dat er nog leven in hem -is. Met woest geblaf omringen de honden het buitenstaketsel; hij -beweegt zich niet. Met hoonend gelach begroeten de mannen hun -gevangene; deze blijft roerloos liggen. Maar noch de honden, noch de -menschen laten zich bedotten. Door de palen zich heen willende wringen, -trachten de eersten den schijndoode te pakken, de laatsten pogen hem -den aartsvaderlijken paardenstrik, den arkan over den kop te werpen. -Nog eenmaal springt het roofdier op, nog eenmaal raast het door den -martelaarsweg, huilend tracht het schrik in te boezemen, bijtend zich -te weer te stellen, tevergeefs—de vreeselijke strik mist zijn -uitwerking niet; nog eenige minuten en hij is geworgd. - -De vos leeft overal met den wolf in vijandschap en wordt door dezen -belaagd, gejaagd, gedood en opgegeten. Dientengevolge is de vos in -Siberië niet menigvuldig; hem uit te roeien vermocht tot dusverre noch -zijn vijandelijk gezinde bloedverwant, noch de mensch. In het oostelijk -deel van den woudgordel onderneemt hij bij tijd en wijle uitgestrekte -wandeltochten, terwijl hij of hazen of boschhoenders nazit; in het -westen schijnt men tot dusverre deze opmerking nog niet gemaakt te -hebben. Over schade, die hij zou aanrichten, klaagt men in Siberië -niet; toch wordt er ijverig jacht op hem gemaakt, daar zijn vel zoowel -bij de Russen als bij de inboorlingen hoog in aanzien staat; dit wordt -zelfs zeer duur betaald, indien het bijzonder schoon van kleur is. Als -jachtdier wordt de sabelmarter alleen hooger gesteld. Jagers van beroep -ondernemen ’s winters enkel om den vos jachten, die bijna even diep in -de bosschen leiden als de sabeljager hierin doordringt; Ostjaken en -Samojeden stellen hunne automatische schietbogen voornamelijk voor den -vos, en vinden geen moeite te groot om een nest uitvindig te maken, dat -jongen bevat. Deze worden uitgegraven, echter niet om ze te dooden, -maar om ze zorgvuldig op te kweeken en te verplegen, totdat ze groot en -krachtig zijn geworden en met den eersten of tweeden winter een pels -hebben erlangd, die den braven dierenverzorger meer waard is dan het -leven zijner lieve pleegkinderen en deze zonder genade doet overleveren -aan den worgenden strik. - -Onder zekere voorwaarden mag ook de poolvos tot de dieren van den -woudgordel gerekend worden; in de bosschen zelf dringt dit dier evenwel -niet, maar hij volgt in den winter hoogstens den loop der groote -rivieren om nu en dan in het zuiden der toendra, zijn eigenlijke -woonplaats, op trekkende hazen en moerashoenders te jagen. - -Een boschbewoner daarentegen in den volsten zin des woords is de losch. -Deze leeft ook in Siberië eenzaam en wordt maar zelden gevangen. -Waarschijnlijk verlaat hij zijn eigenlijke verblijfplaats, de dichtste -deelen van het binnenste der bosschen, alleen dan, wanneer gebrek aan -voedsel of het gevoel der liefde hem drijft; alsdan nadert hij den zoom -des wouds. Ervaren jagers van den oostelijken Oeral beweren, dat hij -met den beer niet alleen dezelfde woonplaats deelt, maar ook in de -nabijheid van diens winterkwartier blijft toeven, nadat deze reeds den -winterslaap heeft aangevangen. Dezelfde jagers verzekeren, dat de -voorliefde van den losch voor de winterslaapstede des beers dezen in -den val brengt, daar men eenvoudig op die plaatsen, alwaar de meeste -sporen van den losch elkaar kruisen, een nader onderzoek in ’t werk -heeft te stellen, terwijl men te meer zeker is van een goeden uitslag, -indien men een kringvormig spoor aantreft, dewijl dit steeds om het -winterkwartier van den beer heenloopt. De gewoonte van den losch om met -bijkans angstvallige zorgvuldigheid altijd weer in het oude spoor te -treden, zou het opsporen van den beer zeer in de hand werken. Ter -nadere verklaring voegt men aan deze verhalen nog toe, dat de losch in -Siberië zeer belust is op versch aas, en dus waarschijnlijk de -nabuurschap van een beer opzoekt om, als de gelegenheid zich voordoet, -te smullen van de overblijfsels van het berenmaal. Wel is waar weet men -ook van den losch te vertellen, dat hij zeer goed in staat is om ook -zonder de hulp van een zoo twijfelachtigen vriend grof wild te -bemachtigen, en dat hij in het bijzonder rendieren en reeën naarstig -vervolgt en spoedig vermeestert, maar men verzekert er geregeld bij, -dat de jacht van den losch hoofdzakelijk bepaald blijft tot klein wild; -als zoodanig noemt men hazen, aard- en boomeekhoorntjes, auerhoenders, -korhoenders en hazelhoenders, muizen, jonge vogels van allerlei soort -en meer andere dieren. - -Wij hebben geen reden om deze opgaaf te wantrouwen; daardoor toch wordt -ook het zeldzaam voorkomen van dit roofdier in alle voor den mensch -toegankelijke grenswouden of boschzoomen verklaard. Zoolang er -eekhoorntjes en zwart vogelwild in het binnenste der bosschen huizen, -heeft de losch geen aanleiding om de door den mensch niet bezochte -wildernis te verlaten; als die dieren beginnen te trekken moet ook hij -echter wel volgen. Hoeveel vrees het zwarte vogelwild voor hem koestert -merkt men daaraan, dat elk balderend auer- of korhoen oogenblikkelijk -zwijgt, wanneer een losch zich laat hooren. - -De losschenjacht geldt bij vreemdelingen en Siberiërs voor een zeer -edel jachtvermaak. De zeldzaamheid, voorzichtigheid, vlugheid en -weerbaarheid van den trotschen lynx bezielt iederen jager en zoowel de -huid als het vleesch van het gedoode roofdier schenkt een niet -onaanzienlijk gewin. De huid wordt van uit West-Siberië vooral naar -China verzonden en daar goed betaald; het vleesch wordt niet enkel -gegeten door de Mongoolsche bevolking, maar ook door de meeste -Russische kolonisten, en allen vinden het een kostelijk gebraad. In -slagvallen laat de losch zich niet dikwijls vangen; hij werpt ze vaak -omver wanneer zijn weg hem langs de slagboomen voert en hij bij toeval -op de stelplank trapt; ook de automatische schietboog mist bij hem -meestal het doel, terwijl hij over de op zijn spoor gelegde klem -meestal heenspringt; den jager rest alzoo slechts het geweer. -Natuurlijk jaagt men den losch enkel in den winter, wanneer er sneeuw -ligt en dus zijn spoor zichtbaar is, en men gebruik kan maken van -sneeuwschoenen. Dappere honden drijven het eindelijk opgespoorde -roofdier op een boom of op den grond, waarbij zij zelf niet zelden -erbarmelijk worden toegetakeld, zoo niet gedood. Zelfs de jager loopt -gevaar door den in het nauw gebrachten en woedend zich verdedigenden -losch aangevallen te worden. - -Terwijl de wilde kat, die door den losch even onverbiddelijk wordt -vervolgd als de vos door den wolf, niet in den boomgordel van -West-Siberië voorkomt, maakt de grootste en vreeselijkste aller katten, -de tijger hier somwijlen zijne verschijning. Twee in de jaren 1838 en -1848 bij Bäsk en Slangenberg gevelde tijgers prijken opgezet in het -museum van Barnaul; een derde, die tusschen 1870 en 1880 werd gedood, -bevindt zich in het schoolmuseum van Omsk; een vierde bracht omstreeks -1870 de bewoners van de kreits Tschelaba, dicht bij den Europeeschen -Oeral gelegen, in rep en roer; dit beest greep, zonder getergd te zijn, -eenige boeren aan, maar liep verschrikt weg, enkel en alleen door het -zien van een roode muts, die men hem toewierp. In de steppengebergten -van Turkestan en in het geheele zuiden van Oost-Siberië komt de -„beheerscher” gelijk de Dauren den tijger noemen, geregeld op bepaalde -plaatsen voor en van beide zijden dwaalt hij waarschijnlijk, vaker dan -men constateeren kan, naar den westelijken woudgordel af; wellicht -houdt hij zich hier, zonder opgemerkt te worden, langen tijd op om even -ongemerkt weder terug te trekken. Hij verschijnt evenwel toch zeer -zelden en ongeregeld, zoodat men hem niet wel eene plaats kan aanwijzen -onder het wild van ons gebied. - -Ongetwijfeld is dit wel het geval met de kostbaarste aller pelsdieren, -de verschillende martersoorten. Men klaagt wel is waar meer over de -vermindering dezer dieren dan van alle ander wild, toch vangt men er -nog genoeg, althans in sommige streken. Alleen de sabel is in de -laatste tientallen van jaren werkelijk zeldzaam geworden. Oude jagers -uit den Midden-Oeral herinneren zich in de nabijheid der stad Tagilsk -elken winter sabels gevangen te hebben; tegenwoordig ontmoet men op -gemelde breedte van het gebergte slechts sporadisch, en dan nog hoogst -zelden een afgedwaalden marter dezer soort. Naar men zegt heeft een -groote brand in de bosschen van het middelgedeelte des oostelijken -Oerals deze zoo algemeen begeerde en gejaagde pelsdieren verdreven. -Hetzelfde wordt beweerd in de boschdorpen aan den benedenloop der Ob, -waar de sabeljacht nu nog wordt gedreven, zoodat b.v. van daar op de -markt van Jelisaroff elken winter ongeveer twintig pelzen worden -gebracht. Veel talrijker is in alle wouden van West-Siberië de -edelmarter. - -In het ontegenzeggelijk vrij uitgestrekte jachtgebied der zooeven -genoemde stad Tagilsk maakt men elken winter nog altijd van dertig tot -tachtig vellen dezer dieren buit. Dat de edelmarter veel meer dan de -sabelmarter in gezelschap van het eekhoorntje voorkomt, met dit beestje -verschijnt en verdwijnt, is het gevoelen van alle ervaren jagers. De -roofzuchtige makker vergenoegt zich echter geenszins met zijn -lievelingswild, maar vermoordt nog daarenboven elk dier, dat hij maar -kan machtig worden en is vooral gevaarlijk voor auer- en korhoenders. -Gelukt hem reeds in den zomer menige sprong op dezen of genen dier -waakzame vogels, in den winter komt hem de gewoonte van dit wild om in -sneeuwholten te slapen uitnemend bij zijn streken en treken te stade. -Bijna onhoorbaar van tak tot tak sluipend, nadert hij de ingegraven -vogels tot op sprongsafstand en valt hen van boven aan, door met -krachtigen stoot op den bovenwand der slaapruimte te springen, waardoor -deze breekt, terwijl hij een der slapers bij den nek heeft gepakt, vóór -deze de vlucht kon nemen. - -De steenmarter komt eveneens nog overal in hoogwouden voor, is echter -veel zeldzamer dan zijn bloedverwant; bunzing, hermelijn en wezel zijn -overal verbreid en hier en daar zelfs vrij talrijk; de mink daarentegen -wordt wel op de westelijke, maar niet op de oostelijke helling van den -Oeral aangetroffen en ontbreekt reeds in de hier ontspringende -nevenstroomen van Irtisch en Ob, die, evenals genoemde rivieren zelf, -den vischotter in groote menigte herbergen; de das wordt in -West-Siberië bijna niet genoemd, terwijl de wijd en zijd verbreide -veelvraat het minst van alle marters in aanzien staat en meer een -voorwerp van jacht uitmaakt wegens zijn dieverijen in de slagvallen dan -om zijn huid. - -Ofschoon het westen van Siberië doorgaat voor een afgejaagd gebied, -rusten zich toch ook hier elk jaar de woudbewoners uit voor de jacht op -sabels en andere martersoorten. Sommige jagers ondernemen, ten einde de -pelsdieren machtig te worden, zwerftochten en reizen, die in niets -onder doen voor die der Amerikaansche pelsjagers. - -De jacht geldt natuurlijk niet enkel marters, maar alle mogelijk wild; -marters en eekhoorns maken evenwel het hoofddoel uit. Al naar deze -laatste dieren vroeger of later van kleur verwisselen, regelt men ook -het vertrek uit de dorpen, waar men woont; men ziet n.l. in die -verkleuring het bewijs, dat de winter nadert, terwijl almede diens -meerdere of mindere strengheid met dien tijd in verband wordt gebracht. - -Gewapend en uitgerust, gelijk wij reeds vermeld hebben, vangen de -sabeljagers, zoodra de eerste sneeuw is gevallen, in troepjes van drie -tot vijf personen hun boschreizen aan. Ieder dezer mannen draagt -behalve zijn geweer en verder schiettuig, een zak op den rug, -sneeuwschoenen en een bijl over den schouder, een zweep in den gordel. -In den zak bergt men de noodzakelijkste levensmiddelen, als brood, -meel, spek, zout en tegelthee, en verder eenig gereedschap zooals een -pan, een theepot, beker, lepel, enz. in sommige gevallen ook een flesch -brandewijn; de zweep dient om de eekhoorns op te jagen en in ’t gezicht -te krijgen. Vier à zes honden, die het oog van elken fatsoenlijken -jager geweld aandoen, begeleiden de jachtgenooten. - -Terwijl men zich richt naar den stand der bekende sterrenbeelden en -naar dien der helaas zich dagen achtereen soms verschuilende zon, -zwerven de geharde jagers dagen en weken lang door de gure wildernis, -overnachten er in en leven met hunne honden hoofdzakelijk van het -geschoten wild, ten einde den medegenomen voorraad zoolang mogelijk te -sparen. De leelijke, maar verstandige en omzichtige honden slaan niet -alleen acht op elk spoor, maar bespieden ook met geoefend oog de op de -boomen verscholen marters en eekhoorntjes, geven met blaffen kennis van -hun aanwezigheid, en houden u zoolang vast tot de jager nabij gekomen -is. Deze schrijdt langzaam voort met de onverstoorbare koelbloedigheid, -die allen woudjagers eigen is, legt zijn lang roer bedachtzaam op een -tak, of zoo noodig, op de vork, die aan ’t uiteinde van den loop is -aangebracht, mikt geruimen tijd en geeft eindelijk vuur. - -In het begin van den jachttijd laten de eekhoorntjes, en zelfs de -edelmarters, terwijl zij zich uitsluitend met de honden bezighouden, -den jager tijd om tot op weinige meters afstands te naderen; spoedig -evenwel worden zij slimmer en bemoeilijken den schutter het rustig en -zeker mikken. Gelukt het dezen toch om den kogel door een der oogen van -het dier te jagen, dan is hij zeer tevreden, dewijl hij niet alleen een -ongeschonden huid krijgt, maar ook het lood nog eenmaal kan gebruiken. -Onmiddellijk nadat hij het gevallen wild in handen heeft gekregen, -stroopt hij het af,—bij marters en eekhoorns perst hij de ingewanden -door de mondspleet—slaat de hersenpan stuk om den kogel terug te -krijgen, en bergt daarna vel en vleesch, van elkaar gescheiden, in zijn -rugzak. - -In geval de eekhoorntjes overvloedig zijn is deze jacht even voordeelig -als amusant. Ieder jager gebruikt den korten dag zooveel zijn krachten -hem dit veroorlooven; het eene schot volgt ras op het andere en een -nieuwe buit rust naast den eersten. Neemt het laden der geweren veel -tijd in beslag, het afstroopen der buitgemaakte dieren gaat des te -sneller; ieder jager doet zijn best. Zonder te rusten, zonder te eten -of zelfs te rooken, trekt het jachtgezelschap voorwaarts. De speurende -honden dwalen nu eens van het gezelschap af, straks zijn zij weer in de -nabijheid; de scherpe knal der buksen en het vroolijke geblaf der -honden schenkt afwisseling. - -De een telt de schoten, een ander benijdt het geluk van zijn makker of -heet er hem geluk mee. Is daarentegen de winter arm aan wild, brengt -zelfs het onophoudelijk klappen der zweep geen eekhoorntje te -voorschijn, laat zich sabel noch edelmarter zien, bespeurt men eland -noch rendier; dan trekken jagers en honden zwijgend door het woud, en -schraalhans-keukenmeester brengt verder alles in eene nog slechter -luim. - -Met het aanbreken van den nacht beginnen onze jagers er aan te denken -hun nachtverblijf gereed te maken. Ieder hunner graaft onder een ouden, -dikken, omgevallen boomstam een kuil in de sneeuw uit, waarin juist een -man kan liggen en ontsteekt daarin een groot vuur. Daarop reinigt een -ander, zoo mogelijk in ’t midden van alle kuilen en onder bescherming -van dichtkronige dennen of sparren, een cirkelvormige ruimte van de -sneeuw; een derde sleept brandhout aan; een vierde ontsteekt op die -plek een nog grooter vuur; een vijfde maakt het avondeten gereed. -Genoeg eekhoorns werden toch geveld om eene krachtige vleeschsoep te -maken en er de meelbrij of de snede brood mede te kruiden. Men eet, -geeft de honden hun fatsoenlijk aandeel, verkwikt zich aan de thee, -steekt het korte pijpje aan en onderhoudt elkander naar jagerswijs over -de lotgevallen van den dag. Intusschen heeft het vuur in de kuilen de -sneeuw doen smelten, daar boven den boom in brand gestoken en zoo de -slaapstede door en door verwarmd. Zorgvuldig schuift iedere jager de in -den kuil nog glimmende kolen naar het uiteinde, kruipt er in, terwijl -hij zorg draagt zooveel mogelijk de zijdelingsche sneeuwmuren niet te -doen instorten, roept zijn honden om met deze het warme leger te -deelen, en legt zich te slapen. Wel is waar valt van den steeds -voortglimmenden boom gedurende den nacht nu en dan een stuk kool op -jager en hond, maar een Siberische jagerspels verdraagt evenveel als -een Siberische hondenpels, zulk een brandend blok hout verwarmt beter -dan een veel grooter, vrij brandend vuur, warmt den kuil door en door, -evenals een Siberische kachel de kamer en maakt in ’t algemeen het -overnachten in een bosch mogelijk. - -Uitgerust en versterkt staan de jagers bij ’t krieken van den dag op, -ontbijten en trekken verder. Bereikt men gunstige jachtvelden, die -elken winter bezocht worden, dan toeft men aldaar langer of korter -tijd, al naar omstandigheden. Op sommige plaatsen kan men eene uit -boomstammen vervaardigde jachthut betrekken, die aldaar in vroegere -jaren werd opgericht. Tevens vindt men op zulk een terrein oude en -nieuwe slagvallen, die nu weder op vang gesteld worden, en die men -elken morgen onderzoekt. Een en ander vordert veel tijd, daar die -vallen zeer ver uiteen liggen; ons jachtgezelschap verwijlt dan ook -menigmaal eene week en nog langer op zulk eene plaats in het bosch en -jaagt haar volledig af, alvorens de reis voort te zetten. - -Op deze wijze jagende brengen vele Siberiërs het grootste deel van den -winter in het bosch door. Voor het begin dier tochten wordt gewoonlijk -met den een of anderen koopman een verdrag aangegaan. De jager verbindt -zich, tegen een vooraf bepaalden, gemiddelden prijs, alle huiden aan -den koopman af te staan, en de handelaar neemt op zich alle hem -geleverde artikelen, zonder uitzondering, in ontvangst te nemen. Is de -jager gelukkig, dan brengt de jacht hem nog heden ten dage genoeg op om -er van te leven, althans er de behoeften des winters mede te -bestrijden; in ’t algemeen echter loont ook dit jachtbedrijf de -daarmede verbonden moeite en ontberingen niet, en slechts een zoo -weinig eischend mensch als de Siberische jager pleegt te zijn, is in -staat daarin nog een bestaan te vinden. - -De berenjacht is in de oogen van den West-Siberiër het roemvolste en -moeilijkste bedrijf. Vriend Petz is in ons gebied volstrekt niet dat -gemoedelijke wezen, gelijk hier en daar nog in Oost-Siberië; veeleer, -zooals bijna overal, een lomp, ongemanierd beest, dat wel is waar in -den regel voor den mensch de vlucht neemt, maar dat, als hij gewond is -of in de engte gedreven wordt, moedig den strijd bestaat en alsdan zeer -gevaarlijk kan worden. In weêrwil van de sterke vervolging, waaraan hij -bloot staat is de beer nog nergens uitgeroeid; integendeel hij komt nog -altijd veel voor. Hij bewandelt steeds zijn eigen weg en vertoont zich -weinig op de door menschen bezochte plaatsen. Daarmede wil niet gezegd -worden dat bruintje in ’t geheel niet bij menschelijke woningen komt, -of dat hij ze zelfs vermijdt; want hij houdt zich niet zelden in de -onmiddellijke nabijheid der dorpen op, en overvalt soms de huisdieren -voor de oogen der bewoners; maar hij vertoont zich zoo ongeregeld, dat -vele Siberiërs er nog nooit een gezien, nog nooit een in het bosch -ontmoet hebben. Het schijnt dat hij den ganschen zomer door heen en -weêr trekkende is. Hij zwerft door de bosschen, zonder zich hier aan -bepaalde wegen te binden; klimt, al naar den vorm der bergen, hierbij -meer of minder regelmatig betreden paden volgende, in den nazomer de -hoogten op, en keert tegen het begin van den winter naar de laagte -terug; houdt ten tijde van het rijpen van het koren zich op aan den -buitenkant van het woud, om op zijn gemak in de naburige velden te -plunderen, verlaat ook soms geheel en al het bosch om de aangrenzende -steppe op te zoeken, ook wel die berghellingen, welke het karakter van -steppen dragen, houdt zich langen tijd op bepaalde plaatsen op, of -trekt, zonder op ééne plaats te toeven, naar eene andere, immer en -overal van de oogenblikkelijke gelegenheid gebruik makende om eene -lievelingsspijs machtig te worden. - -In de meeste streken is hij bepaald een planteneter; hier en daar wordt -hij tot een gevreesd roofdier, op weer andere plaatsen maakt hij jacht -op aas. In het voorjaar vreet hij van alles wat hij maar vinden kan, -beloert van uit eene hinderlaag listig het vee, dat al grazende de -bosschen intrekt, om bliksemsnel op een der dieren aan te vallen, of -met ongemeene vlugheid na te rennen; hij grijpt het, werpt het ter -aarde, vermoordt het, vreet zich zat en begraaft, ofschoon vrij -onhandig, de rest, om later nog een maal te hebben. Tijdens veeziekte -spoort hij de mestvaalten op ten einde van de lijken der gestorven -huisdieren te smullen; ja, men heeft hem zelfs wel eens op kerkhoven -den lijkendief zien spelen. In den zomer plundert hij de korenvelden, -berooft de nesten der wilde bijen en de bijenkorven, graaft de wespen- -en hommelnesten uit, verwoest de mierenhoopen om de poppen te -vermeesteren, wentelt oude, gevallen boomen om, ten einde de daaronder -liggende kevers, maden en larven buit te maken, doet zelfs vermolmde -boomen omstorten, om zich de daarin levende insectenlarven toe te -eigenen. In den herfst voedt hij zich bijna uitsluitend met allerlei -bessen, ook die, welke hij eerst van de boomen moet halen, zooals b.v. -de vruchten van de vogelkers; wanneer de piniolen rijp zijn, spoort hij -deze op; daartoe beklimt hij hooge boomen, wier takken en kruinen hij -afbreekt. Uren lang snuffelt hij om de voorraadschuren, waarin de -piniolen voorloopig worden bewaard, en blijft niet in gebreke zich met -geweld een weg tot derzelver binnenste te banen als hij slechts -eenigszins daartoe de kans schoon ziet. Nu en dan gaat hij bij -afwisseling visschen, en dit somtijds met gunstigen uitslag. Voor den -mensch slaat hij geregeld op de vlucht; toch besluit hij ook eene -enkele maal, en dan zonder zich lang te bedenken, tot den aanval, in -dit geval zelfs geen overmacht ontziende. Al naar de weêrsgesteldheid -betrekt hij nu eens vroeger dan weer iets later zijn winterkwartier om -te slapen. Voor leger kiest hij bij voorkeur eene geschikte plaats -onder een ouden, reusachtigen, omgevallen boom, graaft hier allereerst -een ondiepen kuil uit, welks bodem hij met dennennaalden en eene laag -mos ter dikte van 50 centimeter bedekt, bekleedt met dit laatste ook de -zijwanden, bedekt alles van buiten met boomtakken, en laat zich -insneeuwen. Wordt hij in het gebergte door de eerste sneeuwbui -overvallen, dan daalt hij niet altijd naar de laagte, maar bergt zich -in eene rotskloof, die zoo goed mogelijk bekleed wordt, of hij verwijdt -het nest van de een of andere marmottensoort zooveel als noodig is en -brengt daarin dan den winter door. Eenmaal ingeslapen ligt hij zoo -vast, dat men hem slechts met groote moeite kan opjagen; hij bijt dan -zeer boosaardig in de ijzeren staven, waarmede men hem port, knort en -brult en gehoorzaamt dan eerst wanneer men tot vuurpijlen of vuur de -toevlucht neemt. Eindelijk stormt hij, zoo hij niet verwond is -geworden, als een opgeschrikte ever naar buiten, doet zijn behoefte, en -zoekt zijn heil in eene overhaaste vlucht. De berin brengt, volgens de -eenstemmige berichten van alle ervaren jagers, slechts om den anderen -winter jongen ter wereld, en wel gedurende den diepsten slaap; zij -ontwaakt, gelijk men veronderstelt, slechts kort voor de baring, lekt -de kleinen schoon en droog, legt ze aan de tepels en slaapt dan met -tusschenpoozen weêr voort. Op het einde van Mei of in de maand Juni -zoekt zij hare vroeger geboren, dus twee- en zelfs de vierjarige -kinderen weer op, en dwingt deze als pestoen of kindermeiden dienst te -doen. - -Ofschoon men in West-Siberië het anders volstrekt niet onsmakelijk -vleesch van den beer weinig op prijs stelt, en berenhammen meer om de -aardigheid toebereidt en opdischt dan om zich werkelijk een lekker maal -te verschaffen, levert de berenjacht toch goede winsten op. - -De pels dient voornamelijk tot het vervaardigen van dekens voor de -sleden, is zeer gezocht en wordt duur betaald; de tanden en nagels zijn -in de oogen van Ostjaken en Samojeden, zelfs in die van de -West-Siberische boeren krachtige talismans; ook de beenderen worden -soms gebruikt. De scheurtand van een in eerlijken strijd gevelden beer -schenkt den Ostjak, gelijk hij meent, bovennatuurlijke gaven, in ’t -bijzonder moed, kracht en sterkte, ook wel eens onkwetsbaarheid; een -klauw, vooral de vierde van den rechter voorpoot, die met den -ringvinger overeenkomt, dwingt—volgens het geloof van alle minnende -jonge meisjes in den Oeral, iederen jongeling, die heimelijk door haar -daarmede werd gekrabd, tot vurige liefde; tand en klauw staan dus hoog -in prijs en vuren menigen jager nog meer dan geleden schade aan, om dit -vreeselijkste aller roofdieren des avonds op te sporen en te -bestrijden. Deze jacht is echter alles behalve gemakkelijk of zonder -gevaar. Vallen, die een goed resultaat opleveren, kent men niet; men -moet dus altijd den beer opzoeken, en met het wapen in de hand, met de -hulp van goed gedresseerde honden, den strijd met hem bestaan. In den -zomer wordt de jacht bemoeilijkt door de ongedurigheid van den beer; in -den winter is het eerder mogelijk een leger op te sporen en daarin of -daarvoor den slaper te dooden. De arme boer, die dit leger ontdekt, -verkoopt zijn beer aan den een of ander welgestelden jager; deze trekt -met den boer en eenige metgezellen op een gunstigen dag ter jacht, -omringt het winterverblijf des roofdiers met geoefende schutters, laat -door drijvers den beer wekken en onder schot brengen, en schiet op den -kortst mogelijken afstand het geweer af. Op deze wijze worden de meeste -beren gedood; voor geoefende schutters is deze soort van jacht dan ook -het minst gevaarlijk. In den zomer en in den herfst zoekt men den beer, -wiens spoor men heeft ontdekt, of dien men zelf heeft gezien, met -behulp van kleine honden op, laat hem door deze dieren op eene -geschikte plaats voeren en vuurt dan op het juiste oogenblik den kogel -af; of wel, men maakt op de wijs der moedige Ostjaken, gebruik van de -berenspies en laat het dier daarin rennen; of men omwikkelt den -linkerarm goed met berkenbast, houdt dit pantser den aansnellenden beer -voor en stoot hem op het oogenblik dat hij in den berkenbast bijt, een -breed en lang mes in het hart. Beide wijzen van jagen gaan dikwijls -gepaard met ongelukken. Sommige jagers echter krijgen mettertijd -zooveel onverschrokkenheid en behendigheid, dat zij boven elk ander -wapen aan spies of mes de voorkeur geven. Een boerenmeisje uit het dorp -Morschowa in den Oeral, wier roem zich over geheel West-Siberië heeft -verbreid, zou met het mes reeds meer dan dertig beren gedood hebben. - -Allerlei verhalen zijn in omloop van ongewenschte ontmoetingen met -beren. Een, enkel met zijn erwtenbuks gewapend jager ziet in het bosch -een grooten beer; hij waagt echter geen schot, omdat hij weet, dat zijn -lood voor zulk wild niet zwaar genoeg is. Hij blijft dus rustig staan -ten einde den beer niet te vertoornen. De laatste komt naar hem toe, -gaat voor hem op de achterpooten staan, beruikt hem het gelaat en geeft -hem eindelijk een slag, die den jager bewusteloos ter aarde doet -vallen. Hierop verwijdert bruintje zich ijlings, even alsof hij zich -bewust is, dat hij een dommen streek heeft uitgevoerd. - -Twee Zweden, Aberg en Erland jagen in den Oeral op hazelhoenders; de -eerste nadert een braamstruik, waaruit tot zijn niet geringe verbazing -een groote beer, in plaats van een hazelhoen opspringt, die hem zonder -bedenken gaat aanvallen. Aberg ziet in dat vluchten niet baat en legt -onverwijld zijn schrootgeweer aan de wang, mikt op het oog van den -beer, geeft vuur, en is zoo gelukkig het ondier een oog uit te -schieten. Woedend van pijn dekt de beer het bloedende oog met den poot, -brult luid en gaat nogmaals op den onverschrokken jager los. Deze vat -koelbloedig het andere oog in ’t vizier en schiet met even goed gevolg -als de eerste maal. Nu roept hij zijn makker en beiden vuren -afwisselend op den blinden beer, tot zij hem gedood hebben. - -De vermakelijkste geschiedenis viel voor op een veld bij het dorp -Tomski Sawod in de buurt van Salair. Een boer uit die streek rijdt met -een lading piniolen door het woud, zonder te merken dat er zaden uit -een der zakken vallen. Een beer, die achter den wagen door het woud -wandelt, en dwars over den weg komt, waarop de boer rijdt, vindt eenige -dier zaden, zoekt de andere op, en volgt, zonder door den boer gezien -te worden, den wagen. De boer verlaat eenigen tijd later paard en -wagen, terwijl hij het paard gebiedt stil te blijven staan, en slaat -een zijweg in om nog een zak met piniolen te halen, die daar is blijven -staan. Voor hij met zijn last terug is gekeerd, heeft de beer den wagen -ingehaald, en dien beklommen om zich nu naar hartelust te goed te doen -aan zijn lievelingsgerecht. Verschrikt ziet de teruggekeerde voerman -dat zulk een passagier zich bij hem heeft opgedrongen; hij waagt echter -tegenover dien ongenooden gast niets en laat paard en wagen in den -steek. Het paard, dat reeds angstig is geworden, kijkt eindelijk om, -herkent den beer en rent met den wagen weg zoo snel het draven kan; de -ongewenschte beweging echter verschrikt op zijne beurt den beer -zoodanig, dat deze niet van den wagen af durft springen; hij houdt zich -zoo goed mogelijk vast en geeft middelerwijl zijn vrees door een luid -gebrul te kennen. Natuurlijk lokt dit gebrul een nog snelleren draf van -het paard uit, en hoe meer de beer woedt en hoe bevreesder hij wordt -des te sneller loopt het paard in de richting naar het dorp. Hier staat -men echter reeds verscheidene uren op den bisschop te wachten en heeft -in feestgewaad voor de deuren post gevat om het hooge personage -terstond bij zijn komst te kunnen begroeten; men heeft zelfs -scherpziende jongens boven op den toren geplaatst en hun opgedragen, -wanneer zij den gevierden man in ’t oog krijgen, terstond aan alle -klokken te trekken. - -Daar dwarrelt in de verte een stofwolk op; de knapen trekken aan de -klokketouwen, mannen en vrouwen scharen zich in rijen, de pope treedt -met het wierookvat voor de kerkdeur, en iedereen maakt zich gereed om -den kerkvorst naar waarde te ontvangen. En nader ratelt de wagen; -midden door de feestelijk gestemde dorpelingen jagen ros en koetsier, -het eerste proestende en met stof en zweet bedekt, de ander brullend en -snuivend, en eerst op het erf van den eigenaar eindigt de dolle rit. In -plaats van het zoo schoone Russische kerkgezang klinken schrille kreten -van schrik uit den mond van half bewustelooze vrouwen door de lucht, in -plaats van deemoedig buigende gestalten, ziet men onthutste -mannengezichten; alleen de klokken luiden zooals gewoonlijk. Voordat -die tonen zijn weggestorven, heeft men de bezinning teruggekregen; men -verzamelt en wapent zich, trekt paard en beer na en doodt den laatste, -die geheel verbijsterd scheen, op den door hem zelf gekozen troon. - -Wie met den berenaard bekend is, moet toestemmen, dat zoo iets -wezenlijk gebeuren kan, alhoewel wij eerder geneigd zijn het zoo even -geschilderd verhaal eene plaats aan te wijzen onder de verdichte -jachtgeschiedenissen. Ook in den mond der ernstige en eerlijke -boschbewoners worden waarheid en verdichting wel eens dooreengemengd, -wanneer zij verhalen van het woud, het wild en de jacht in Siberië. - - - - - - - - -V. - -DE STEPPE EN DIERENWERELD VAN CENTRAAL-AFRIKA. - - -Het noorden van Afrika is eene woestijn, moet zulks zijn en zal het -eeuwig blijven. Vergeleken met de uitgestrekte, door de gloeiende zon -verzengde landmassa’s tusschen de Roode Zee en den Atlantischen Oceaan, -verliezen de wateren, die de aarde omgorden, hunne beteekenis; de Roode -Zee komt in ’t geheel niet in beschouwing, de Middellandsche Zee blijkt -veel te klein en zelfs de invloed van den Atlantischen Oceaan blijft -enkel tot een smallen zoom langs de kust beperkt. Boven zulke groote en -heete vlakten moeten alle wolken zich oplossen zonder de dorstende -aarde te bevochtigen en te bevruchten. Eerst veel verder naar het -zuiden, ongeveer bij den evenaar, daar, waar aan de eene zijde de -Atlantische Oceaan met een diepe bocht het land binnen dringt, aan de -andere zijde de Indische Zee Afrika’s kusten bespoelt, waar, om mij zoo -uit te drukken, beide Oceanen elkander over dit werelddeel heen de hand -reiken, worden de verhoudingen eenigszins anders. Hier stroomen, op -zekere tijden des jaars, vergezeld van storm, bliksem en donder, -geregeld zulke ontzaglijke regenmassa’s neder, dat voor deze de -woestijn moet wijken om voor de meer levende steppe plaats te maken. -Daarom wordt het voorbijsnellend jaar hier in twee, wezenlijk van -elkander verschillende jaargetijden verdeeld: in het levenwekkende en -in het doodende, dat van regen en een ander van droogte, terwijl -daarentegen in de woestijn eenig en alleen door de nu en dan -heerschende winden kondschap wordt gebracht van de elders wisselende -jaargetijden. - -Om de steppe te verklaren dunkt mij eene vluchtige schildering harer -jaargetijden noodzakelijk. Want ieder land is eene afspiegeling van het -klimaat, dat daar heerscht, en elk gebied is niets anders dan het -resultaat der strijdende machten zijner jaargetijden, en kan slechts -begrepen worden, wanneer men deze en hun invloed heeft leeren kennen. - -Met het ophouden van den regen vangt in Afrika’s binnenlanden de -doodende tijd des jaars aan, de lange en vreeselijke winter, die door -zijn verzengende gloeihitte hetzelfde uitwerkt, wat de noordsche winter -door zijn koû bewerkt. Nog vóór de hemel, die tot nog toe dikwijls -bewolkt is geweest, volkomen helder is geworden, werpen sommige boomen, -die in het voorjaar zich met groen hebben getooid, hun bladerenpracht -af, en met het vallen der bladeren verlaten ook de trekvogels, die er -in de lente broedden, het herfstachtig geworden land om in andere -streken van het ouderlijk werelddeel een toevluchtsoord te zoeken. De -halmen der broodvruchten worden geel, nog vóór de regen heeft -opgehouden; de lage grassen verwelken en verdorren. De periodiek -stroomende wateren drogen op; eveneens de door den regen gevulde -bekkens, zoodat niet alleen de daarin levende reptielen en -kikvorschachtigen, maar zelfs de visschen genoodzaakt worden zich in de -natte leem te begraven om hier den winter te verblijven. Insecten en -planten vertrouwen hun zaden aan de aarde toe. - -Hoe meer de zon zich schijnbaar naar het noorden wendt, des te sneller -komt de winter opdagen. De herfst duurt maar weinige dagen. Hij bewerkt -niet, zooals bij ons, een verwelken en afsterven der bladeren, geen -tintelen in geel en rood, maar oefent door gloeiende winden zulk een -vernielenden invloed uit, dat zij verdrogen evenals gemaaid gras in de -stralen der zon; deels nog groen vallen zij ter aarde, deels worden zij -met steel en al afgerukt en weggewaaid, zoodat de boomen, op weinig -uitzonderingen na, binnen een onbegrijpelijk korten tijd een -winterachtig voorkomen hebben erlangd. Boven de vlakten, die nog voor -weinige dagen met hoog, golvend gras begroeid waren, verheffen zich nu -dwarrelende stofwolken; in de beddingen der geheel of gedeeltelijk -blootgelegde stroomloopen en waterbekkens gapen diepe kloven. Al wat -aangenaam was verdwijnt, al wat onaangenaam is treedt dreigend te -voorschijn: bladeren en bloesems, vogels en kapellen verwelkten, vlogen -weg of stierven; doornen daarentegen, stekels en klissen bleven terug, -terwijl slangen, schorpioenen en tarantelspinnen haar hoogtijd vieren. -Eene onuitstaanbare hitte des daags, eene onverdragelijke warmte des -nachts zijn de plagen van dit seizoen, en noch tegen het een, noch -tegen het andere bestaan middelen van tegenweer. Wie zulke dagen niet -bij eigen ervaring kent, als wanneer de thermometer in de schaduw 50° -C. stijgt, terwijl men voortdurend zweet, wat men echter niet eerder -merkt, dan wanneer men op een koele plek is gekomen, omdat de hitte -dadelijk al het zweet doet verdampen, wanneer de eene stofwolk na de -andere omhoog stijgt en een droge nevel loodzwaar drukt op al wat -leeft, zoo iemand heeft geen denkbeeld van dit lijden; hij die zulke -nachten, wanneer men zich slapeloos op zijn leger omkeert, daar de -warmte steeds toeneemt, niet heeft doorleefd, is buiten staat zich in -te denken in het naamloos leed, dat gelijkelijk menschen en dieren -pijnigt. Zelfs de hemel verandert zijn kleur, die tot nog toe rein -blauw is geweest in een vaal grijs, want de zoo even vermelde nevel -omsluiert dikwijls halve dagen lang de zon, zonder deze nochtans van -haar gloed te kunnen berooven; integendeel, juist wanneer de horizon -door zulke nevels verduisterd wordt, schijnt de hitte nog toe te nemen. -Zonder de geringste verkwikking voor geest of lichaam volgt de eene dag -op den anderen. Geen koeltje uit het noorden streelt het voorhoofd, -geen bloesemgeur, geen vogelengezang, geen in heldere kleuren en -donkere schaduwen prijkend landschap, gelijk de in zonnegloed badende -tropen somwijlen te voorschijn tooveren, werkt verfrisschend op de -ziel; alles wat levendig, kleurig en dichterlijk is, vlood henen, zonk -neêr in den doodslaap,—en deze is veel te akelig dan dat hij eenig -dichterlijk gevoel kan opwekken. - -Menschen en dieren kwijnen, evenals gras en bladeren verwelkt zijn; en -menschen en dieren zinken neder om nooit weêr op te staan. Tevergeefs -worstelen fierheid en moed tegen den last dier dagen; zuchtend en -klagend bezwijkt zelfs de krachtigste wil. Elke inspanning mat af, elke -beweging; het lichtste dek is te zwaar en de geringste wond verkeert in -eene boosaardige zweer. - -Maar ook deze winter moet voor de lente wijken. Maar ook deze brengt -door haar winden schrik en verderf. Dezelfde wind, die in de woestijn -tot samoem wordt, roert als heraut der lente zijn vleugels, woelt in de -spleten van den grond, om zelfs daaruit nog stof te vegen, dat in -dichte massa’s omhoog dwarrelt, bouwt er op muren gelijkende wolken van -en zweept deze huilend en bruisend over het land, werpt ze door de -getraliede vensters van de woningen in de steden en door de lage deuren -van de hutten der inboorlingen om nieuwe kwellingen te voegen bij de -bestaande. - -Hij alleen heeft eindelijk de volle heerschappij ontvangen en oefent -deze onbeperkt uit, als wilde hij alles vernietigen, wat nog stand -hield; maar hij ook is het, die in het verre zuiden van regen zwangere -wolken opeenstapelt, om deze naar de verbrande streken te voeren. Reeds -schijnt het alsof bij het toenemen zijner kracht de drukkende zwoelheid -wordt getemperd, alsof zijn adem bij tijd en wijle niet meer zoo -gloeiend is, maar frisch en verkwikkend. - -Het is geen misleiding: de lente rust zich uit tot den intocht, en op -de vleugelen van den zuidenwind rukken de wolken ruischend aan. Nog een -korte tijd en zij verdonkeren in het zuiden het gewelf des hemels; nog -weinige dagen en flitsende bliksemstralen verlichten allengs de donkere -wolkenlaag; nog eenige weken en een verwijderde donder kondigt den -leven aanbrengenden regen aan. - -Bedrijvigheid begint te heerschen in en aan alle stroomen, die uit het -zuiden komen. Zij zijn wel is waar nog helder als kristal, maar zij -zijn levendiger geworden, want zij wassen van nu aan voortdurend en -zenden door alle spleten en scheuren der slijkerige oevers het -levenwekkend vocht naar het binnenland. Ook de trekvogels zijn bereids -weder teruggekeerd, terwijl hunne aantallen nog dagelijks aangroeien. -In de streken van den boven-Nijl verscheen de ooievaar, om wederom -bezit te nemen van de oude nesten op de kegelvormige stroohutten der -inboorlingen; met hem verscheen de heilige ibis, om ook heden nog zijn -sedert duizenden jaren bekleed ambt waar te nemen: n.l. tot bode, -heraut en waarborg te zijn, dat de oude Nijlgod wederom de bron zijner -genade zal laten vloeien en den hoorn des overvloeds over de hem -onderworpen landen uitstorten. - -Eindelijk komt het eerste onweêr opzetten. Een benauwend warme lucht -drukt op het doode, verbrande veld, zoo mogelijk nog erger dan te -voren. - -Huiveringwekkende stilte beangstigt mensch en dier. Elk gezang, bijna -elk geluid der vogels is verstomd; zij zelf hebben zich in het dichtste -gebladerte der altijd groene boomen verborgen. - -Maar ook het leven in het leger der trekherders, in het dorp, in de -stad, schijnt uitgestorven. Vreesachtig kruipen de anders zoo -levenslustige honden naar een stil, verborgen hoekje; alle overige -huisdieren hebben een angstig en schuw voorkomen; men maakt de paarden -vast en drijft de runderen binnen de omheining. - -In de stad sluit de koopman zijn kraam, de ambachtsman zijn werkplaats, -de regeeringspersoon zijn diwan, want een ieder zoekt een schuilplaats -in zijn woning. En toch laat zich nog geen windje hooren, en verneemt -men zelfs niet het minste geritsel aan de weinige nog bladdragende -boomen. Maar toch kan men bespeuren hoe het onweder zich vormt en -nadert. - -In het zuiden pakt zich eene donkere en als vlammende wolkenlaag samen, -die doet denken aan de vuur- en rookwolken boven eene brandende stad, -of aan een ver afgelegen boschbrand. Vuurrood, purper, donkerrood en -bruin, vaalgeel, grijs, donkerblauw en zwart schijnen in die wolkenlaag -een kleurendans uit te voeren; die kleuren mengen zich dooreen, -scheiden zich van elkaar af, verliezen zich in het donker en flikkeren -plotseling weder met schrille tinten op. De bank rust op den horizon en -klimt naar den hemel omhoog; zij schijnt nu eens stil te staan, maar -ijlt straks met de snelheid van den storm verder, omsluit den -gezichteinder hoe langs hoe meer en hult alles in een ondoordringbaren -sluier. Een fluitend en suizend geluid schijnt uit haar voort te komen; -waar de waarnemer staat is alles evenwel nog doodstil. - -Daar breekt plotseling een windstoot los. De sterkste boomen buigen -onder den geweldigen storm als zwakke rijsjes; de slanke palmen neigen -haar kronen diep ter aarde. Een tweede stoot volgt op den eersten, een -derde op den tweeden; de wind groeit aan tot een storm, de storm wordt -orkaan en deze woedt met ongehoorde kracht. Het loeien des orkaans is -zoo vreeselijk, dat het eigen woord de ooren des sprekers niet meer -bereikt, en elk geluid wordt overstemd en gesmoord. Het ruischt en -beruist, loeit en suist, fluit en huilt, dreunt en ratelt in de lucht, -op den grond, in de kruinen der boomen, alsof alle elementen met elkaar -in strijd zijn, de hemel zou willen invallen, de grondvesten der aarde -wankelen. - -Onweêrstaanbaar treft de geweldige storm de kronen der boomen, sleurt -de helft der bladeren, die er nog aan hangen, mede, breekt stammen van -eene mansdikte als glas, maakt zich zelfs van de kronen meester, om ze -als een speelbal over de vlakten te rollen, te draaien en omhoog te -doen dwarrelen, en ze eindelijk met de takken, als breedste basis, naar -beneden, met de weemoedig omhoog starende brokstukken van den stam naar -boven, diep in de aarde of het zand te begraven; de termieten zullen -het werk der vernieling verder aan hen voltooien. Gulzig woelt de wind -in alle spleten en barsten der aarde, veegt er het stof, zand en grind -uit, voert deze omhoog naar de wolken of sleept ze met zulk een kracht -voort, dat zij, tegen harde voorwerpen stootende, met een hoorbaar -geratel en geknetter terugspringen; hemel en aarde worden er door aan -’t gezicht onttrokken, de dag wordt tot nacht en de sidderende mensch -ontsteekt de lamp in zijne met stof gevulde woning, om bij ’t schijnsel -van dat licht te herademen en tot rust te komen. - -Maar het geloei van den wind wordt overstemd door andere geluiden. -Ratelende donderslagen laten zich dreunend hooren en smooren het gehuil -en gebruis van den storm. Nog altijd zijn de stofwolken zoo dicht, dat -men den bliksem niet kan zien; spoedig evenwel mengt zich een tot nog -toe niet vernomen geratel onder de verwarde mengeling van tonen en -geluiden, en daarmede begint de onnatuurlijke nacht te wijken voor een -dagend licht. Het is alsof zware hagelbuien de aarde treffen, en toch -zijn het slechts regendroppels, die neêrvallen, om onder het vallen -zand en stof meê te voeren. Nu ook kan men het bliksemen zien. De eene -straal volgt zoo onmiddellijk op de andere, dat men de oogen voor dit -verblindend licht sluit en het onweder slechts kan volgen door den -onafgebroken rollenden donder. De regen verandert in een wolkbreuk, het -water ruischt van de bergen neder, de beken nemen het op en zenden het -naar de laagten, alwaar de meren het verzwelgen; in stroomen golft het -door de dalen. Uren lang houdt de regen aan, maar de storm heeft zijn -kracht verloren en eene verkwikkende koelte laaft weder mensch en dier -en plant. Ook de bliksemslagen verminderen in aantal, de donder -verzwakt, de wolkbreuk wordt weder regen, de regen verandert in -druppelen; de hemel wordt helder, de wolken scheuren en het stralend -aangezicht der zon breekt door. Jubelend verlaat de bruine jeugd, naakt -gelijk zij ter wereld kwam, huizen en hutten, om zich in het lentewater -te baden; niet minder gelukkig ontworstelen zich de reptielen, -kikvorschachtigen en visschen aan den slijkerigen bodem, en reeds in -den eersten nacht na den regen klinken uit duizend kelen de heldere -stemmen der kleine vorschen, van welke dieren men vroeger niets -bespeurde, omdat zij, gelijk sommige krokodillen, vele schildpadden en -alle visschen der periodiek uitdrogende meren in de diepte der aarde -een winterkwartier hadden opgezocht; de eerste voorjaarsregen doet hen -tot een nieuw leven ontwaken. - -Overal ontwikkelt zich datzelfde verjongde, krachtige leven. Gretig -zwelgt de aarde het haar geboden vocht in; maar de hemel opent na -weinige dagen nogmaals zijn sluizen om, wat nog bleef sluimeren, te -wekken. Een tweede onweder doet de knoppen open springen van alle -boomen met wisselend blad en het gras ontluiken; een derde regenbui -roept bloesems en bloemen op en bekleedt het geheele landschap met -malsch groen. Even tooverachtig als de lente kwam is haar werking. Wat -bij ons te lande een maand tijd vereischt, wordt hier afgespeeld binnen -’t verloop eener week; wat in gematigde landen zich zoo langzaam -ontwikkelt, ontplooit zich hier binnen weinige dagen en uren. - -Slechts een gering aantal weken duurt deze lente en de weinig van haar -verschillende zomer heeft thans zijn intocht gehouden; en even snel -wordt deze weder opgevolgd door den korten herfst, zoodat men eigenlijk -slechts van een eenig jaargetijde kan spreken, dat èn lente, èn zomer -èn herfst in zich bevat. En nogmaals staat de moordende winter voor de -deur en belet een ongestoord ontkiemen, groeien en gedijen, zooals in -andere aequatoriale landen, die eenen grooteren watervoorraad rijk -zijn, mogelijk is. Toch is de hoeveelheid regen hier nog voldoende om -dit land tot geen barre woestijn te maken, en overal daar, alwaar zij -zich anders zou doen gelden, een meerder of minder weelderig -plantentapijt over de aarde te spreiden, of, m.a.w. in plaats van eene -woestijn eene steppe te scheppen. - -Ik gebruik het woord steppe om daarmede aan te duiden die eigenaardige -streken van Centraal-Afrika, welke de Arabier „Chala” d.w.z. „frissche, -groene planten voortbrengende landen” noemt. De Chala is wel is waar -niet hetzelfde als de steppe van Zuid-Rusland en Middel-Azië; evenmin -komt zij geheel overeen met de prairiën van Noord-Amerika of de pampas -en llanos van Zuid-Amerika, maar zij heeft toch zooveel punten van -overeenkomst met de eerste, dat ik mij genoegzaam verontschuldig reken -wanneer ik de voorkeur geef aan een bekend woord. De steppe strekt zich -uit over geheel Centraal-Afrika, van de woestijn tot aan de Karroe [1], -van de oostkust tot de westkust; zij omgeeft alle hooggebergten des -lands, en sluit alle oerwouden in, die zich zoowel op deze als in de -komvormige, meer waterrijke laagvlakten bevinden; zij omvat alle landen -in het hart van Afrika, begint weinige honderden schreden aan gene -zijde van de huizen der dorpen, neemt de velden der ingezetenen in zich -op, en voedt en onderhoudt de kudden der trekherders. Waar in het -zuiden de woestijn eindigt, waar het woud ophoudt, waar een gebergte -daalt, daar begint haar heerschappij; waar een brand het bosch -vernielde, daar maakt zich de Chala van de uitgebrande plek meester; -waar de mensch het dorp verlaat, daar dringt zij in diens jurisdictie -binnen, om dit in weinig jaren tijds gansch en al onkenbaar te maken; -waar de landman zijn akkers prijsgaf, daar drukt zij binnen het -tijdsverloop van een jaar weder hare beeltenis af. - -Onvriendelijk, eentonig, zonder afwisseling doet zich de steppe voor -aan hem, die haar voor het eerst betreedt. Eene uitgestrekte, dikwijls -onafzienbre vlakte ligt voor ons; slechts bij uitzondering rijzen -enkele kegelvormige bergen uit haar op; noch zeldzamer scharen deze -zich aaneen tot ketens. Vaker ziet men lage heuvelklingen de vlak -komvormige dalen afbreken; soms vereenigen die heuvelrijen zich tot -netvormig door elkaar gevlochten ruggen, die diepe keteldalen insluiten -of omgeven, waarin gedurende den regentijd poelen, vijvers en meren -worden gevormd, terwijl de leemachtige grond in den winter veelvuldig -gebarsten en gekloven is. In de diepste en langste dalen bevindt zich -in plaats van zulk een stilstaand water een „chòr” of regenstroom, d.i. -een waterbed, dat eveneens slechts in het voorjaar gedeeltelijk, onder -bijzonder gunstige omstandigheden ook wel eens en dan binnen weinige -uren tot aan den rand gevuld wordt, en nu niet meer stroomt, maar als -een bewegelijke muur bruisend en donderend naar de laagte stort, zonder -evenwel in eene eigenlijke rivier uit te monden. Zulke verzamelplaatsen -van water uitgezonderd, dekt overal een betrekkelijke rijke vegetatie -den grond. Grassen van allerlei soort, van lage, langs den grond -kruipende plantjes tot meer dan manshooge korenachtige halmen vormen -het hoofdbestanddeel dezer steppen-flora; boomen en struiken, vooral -vele soorten van mimosa’s, adansonia’s, dompalmen, Christusdoorns en -andere, vormen hier en elders, vooral aan de oevers der genoemde -wateren, dichte heggen en boschjes; overigens zijn zij zoo spaarzaam -over de uitgestrekte, met een dicht graskleed overtogen vlakten -verspreid, dat zij slechts op weinige plaatsen tot een werkelijk en dan -nog ijl bosch worden. Nergens groeien deze boomen zoo weelderig als in -de ware stroomdalen, die de zegeningen van de lente in zich sluiten; -zij zijn daarentegen dikwijls dwergachtig, althans laag; hun kronen -zijn ijl, en niet dan hoogst zelden ziet men eene klimplant tot aan hun -top opstijgen. Zij allen lijden te veel onder den invloed van den -langen, gloeienden winter, die hun ternauwernood veroorlooft, hun eigen -leven te behouden en die alle woekerplanten uit hun nabijheid weert. De -grassen daarentegen schieten in de wel is waar korte, maar toch aan -water rijke lente welig omhoog, bloeien er doorheen, en doen hun zaden -rijpen, zoodat hier alle voorwaarden voor een gunstig gedijen rijkelijk -vervuld zijn. Maar ook door de grassen voornamelijk erlangt de steppe -haar eentonig uitzicht; want, hoe klein zij ook zijn, zij wisschen vele -tegenstellingen uit en brengen, inzonderheid door hun gelijke kleur, -een afmattende uitwerking teweeg. Zelfs de mensch is niet in staat -eenige afwisseling in dit eeuwig eenerlei te brengen, daar ook zijn -akkers, die hij midden in het graswoud aanlegt, uit de verte beschouwd -er evenals deze uitzien, zoodat men koren en gras niet van elkander kan -onderscheiden; de ronde, met een koepelvormig dak voorziene hutten, die -hij met dunne palen stut en met steppengras bekleedt, steken althans in -het droge jaargetijde zoo weinig tegen de omgeving af, dat men ze eerst -in de onmiddellijke nabijheid gewaar wordt. Het is alleen de wisseling -der jaargetijden, die verandering brengt in dit eentonig tooneel, en -ook deze verandering is nog van weinig beteekenis. - -Onvriendelijk is ook de begroeting, waarmede de reiziger door de steppe -wordt ontvangen. Op hooge kameelen gezeten, rijdt men door het -landschap. Het een of ander wild wekt den jachtlust op en men wordt -verleid tot het binnendringen van het graswoud. Daar wordt men -plotseling gewaar, dat er tusschen de oogenschijnlijk zoo gladde -grashalmen planten groeien, die nog meer te vreezen zijn dan de doornen -der mimosa’s. - -Op den grond woekert de „tarba,” wier zaadhulsels zoo scherp zijn, dat -zij de zolen van niet al te dikke ruiterslaarzen doorsnijden, daar -boven groeit de „essek,” wier klitten zich hechten aan alle mogelijke -kleedingstukken, en dat zoo vast, dat men ze er niet meer uit kan -krijgen; nog iets hooger verheft zich de „askaniet,” de verfoeilijkste -plant van alle drie, omdat haar stekels bij de lichtste aanraking los -laten, door alle kleedingstukken heen boren, in de huid dringen en daar -etterbuilen doen ontstaan, die wel is waar elk op zich zelf klein zijn, -maar wegens de ontelbare menigte tot een ware plaag worden. - -De drie genoemde planten maken een lang oponthoud en een verder -doordringen in het grasland onmogelijk; zij zijn eene kwelling voor -mensch en dier, en wij kunnen nu begrijpen waarom de inboorlingen -steeds een kleine nijptang als onmisbaar wapen bij zich dragen, en dat -de grootste liefdedienst, welken men elkander kan bewijzen, evenals bij -de apen, daarin bestaat, dat men elkander de fijne, ternauwernood -zichtbare, maar naaldscherpe dorens uit de huid trekt. Dat ook meest -alle andere planten der steppe, inzonderheid bijna alle boomen en -struiken, met meer of minder lastige dorens bezet zijn, is begrijpelijk -voor een ieder, die ooit in Afrika een bosch trachtte door te dringen, -of ook maar een boom naderde. - -Nog onaangenamer is de steppe des nachts. Daar men dagen lang door de -steppe kan trekken zonder een dorp te ontmoeten, is men dikwijls -verplicht onder den blooten hemel te overnachten. - -Men spoort dan eene plek op, die van genoemde lastige planten vrij is; -het rijdier wordt van zijn last ontheven en vastgebonden; eene -eenvoudige legerplaats wordt ingericht, n.l. men spreidt een tapijt op -den grond en ontsteekt een groot vuur om de roofdieren verre te houden. -De zon gaat onder, en weinige minuten later heeft de nacht haar donker -kleed over de aarde geworpen; het vuur verlicht de legerplaats en hare -omgeving. Plotseling wordt het van verre en nabij zeer levendig. -Aangelokt door het stralend vuur loopt en kruipt alles daarnaar toe, -een voor een, bij tweeën, bij tienen, bij honderden. Eerst laten zich -reusachtige spinnen zien, die met haar acht uitgespreide pooten -evenveel plaats innemen als een man met zijn hand kan beslaan; -onmiddellijk daarop, soms op hetzelfde oogenblik als de spinnen, komen -de schorpioenen aanloopen. Driftig rennen beide diersoorten op het vuur -af, over tapijt en dek heen, tusschen de schotels van den eenvoudigen -avondmaaltijd door, keeren, door het heete vuur genoodzaakt, weer -terug, laten zich nogmaals door de vlam verleiden, en vermeerderen -daardoor het akelig gewemel; want deze spinnen zijn wegens haar zoo -niet gevaarlijken dan toch zeer pijnlijken beet weinig minder te -vreezen dan de schorpioenen, en de laatsten zijn elk oogenblik gereed -met hun giftangel verwondingen toe te brengen. Verstoord neemt men zijn -toevlucht tot een tweede, niet minder nuttig werktuig, dat op raad van -den kundigen gids werd meêgenomen, n.l. eene langpootige vuurtang, pakt -daarmede zooveel dezer ongenoode gasten als men maar machtig kan -worden, en werpt ze boosaardig in het knetterende vuur. Dank zij de -vereenigde pogingen van alle reisgenooten, zeer spoedig heeft het -meerendeel van het helsche gebroed zijn dood in de vlammen gevonden; de -aankomelingen worden minder talrijk en ook deze worden even -onbarmhartig als de vorigen in ’t vuur geworpen; men herleeft—maar te -vroeg! - -Nogmaals naderen nieuwe en nog guurder gasten het vuur: vergiftige -slangen, die evenals de spinnen en schorpioenen door het vuur gelokt -worden. De natuuronderzoeker herkent in hen, althans in de soort, die -het talrijkst is, hoogst belangrijke dieren, die ten zeerste zijn -aandacht trekken; want het is de zandkleurige hoornadder, de beroemde, -liever misschien, de beruchte „Cerastes” der ouden, de op vele -Egyptische monumenten afgebeelde „Fi,” dezelfde giftslang, door wier -beet Cleopatra zich doodde; de vermoeide reiziger wenscht dit dier -evenwel in den diepsten afgrond der hel. - -Het gansche leger staat op zoodra de naam dier slang door den een of -anderen reiziger wordt uitgesproken; ieder grijpt, en nu veel spoediger -en angstiger dan straks, zijne tang, sluipt, zoodra hij het ondier in -’t gezicht krijgt, voorzichtig er op af, pakt het van achter in den -nek, knijpt de tang stevig dicht, zoodat de slang niet kan ontsnappen, -werpt haar midden in ’t flikkerende vuur en bespiedt met boosaardige -vreugde haar dood. - -Er zijn plaatsen in de steppe, waar de slangen iemand in stille wanhoop -brengen. Daar de kleur dezer wezens volkomen gelijk is aan die van het -zand, en zij tevens de gewoonte hebben zich des daags, of wanneer zij -slapen, geheel onder het zand te begraven, terwijl alleen de beide -kleine, boven op den kop staande voelhoorns daaruit steken, zoo valt -het moeilijk deze dieren op te sporen; de nacht is evenwel -ternauwernood aangebroken, of de slangen komen weêr te voorschijn; zij -trekken op het schijnsel des vuurs af en kronkelen en sissen om den -armen reiziger heen. Soms dagen zij in massa’s op, om hem tot -middernacht uit den slaap te houden; alle individuen, die zich in de -nabijheid der legerplaats ophielden, of op hunne nachtelijke excursies -deze nabij kwamen, schijnen op het vuur af te gaan. En wanneer men -eindelijk, afgemat en slaapdronken de tang uit de hand en zichzelf ter -ruste heeft gelegd, dan is men er nog niet van verzekerd, dat er in den -nanacht nog niet enkelen over ons heen zullen kruipen; en dat zulks wel -eens gebeurt blijkt o.a. daaruit, dat men des morgens bij het oprollen -van het tapijt dikwijls een of meer dier gedrochten in de plooien vindt -gewikkeld; ijlings nemen zij dan evenwel de vlucht en begraven zich in -het zand. Hier, in deze steppe, heb ik de ervaring opgedaan, dat op -weinig uitzonderingen na, de vergiftige slangen nachtdieren zijn; zulks -is ten minste het geval met alle adders en groefadders. - -De opgenoemde dieren zijn niet de eenige steppenbewoners, die den -mensch overlast veroorzaken. Zoo is er b.v. een klein diertje, dat wel -is waar volstrekt niet levensgevaarlijk is, maar dat toch onnoemelijk -veel schade kan toebrengen aan de bezittingen der menschen, die de -steppe bewonen of deze doortrekken; ik bedoel de termiet. Dit insect -gelijkt zeer veel op eene mier; in weerwil van zijn geringe -lichaamsgrootte richt het meer schade aan dan de sprinkhaan, ofschoon -ook de verschijning van dit vraatzuchtig beest nog heden ten dage een -ware plaag kan genoemd worden. Eene kudde olifanten is zelfs nog minder -te duchten. - -De termieten zijn alomtegenwoordig; zij vernielen alles. Wat het -plantenrijk oplevert verdwijnt onder haar scherpe kaken, wat de -kunstvlijt der menschen opbouwt, wordt onmeêdoogenloos vernield. Hoog -boven het gras der steppe verheft zich de kegelvormige, uit aarde -gebouwde woning; overal in het rond, op den grond en op de boomen ziet -men hun gangen, loopgraven en verbindingswegen. Het is in den nacht of -als het duister is, dat zij hun verwoestenden arbeid aanvangen en -voltooien. - -Het eerste werk der termiet bestaat daarin, dat zij de voorwerpen -omgeeft met een laag aarde, die elken lichtstraal afsluit en nu gaat -zij aan den arbeid, welks einddoel door dit ééne woord „vernietiging” -kan worden weêrgegeven. Op den grond liggende of tegen aardwallen -hangende voorwerpen zijn het meest aan gevaar blootgesteld. Een -onnadenkend reiziger, door de hitte gekweld, legt een of ander -kleedingstuk naast zich op den grond, die hem tot rustplaats strekt; -den volgenden morgen vindt hij dit terug als een met tallooze gaatjes -doorboorde zeef,—onbruikbaar gemaakt, vernield; een nog niet met de -omstandigheden vertrouwd natuuronderzoeker sluit zijne zoo moeilijk -verkregen schatten in eene kist, maar verzuimt deze op steenen of -andere voorwerpen te plaatsen, die den bodem der kist van den grond -verwijderd houden; hij ziet zich binnen weinige dagen van zijn -verzameling beroofd; een jager hangt zijn geweer aan een leemen muur; -hij bemerkt tot zijn verdriet, dat de vernielzieke insecten in korten -tijd in kolf en loop loopgraven hebben aangelegd; in den kolf zelf zijn -ze reeds tot diepe groeven geworden. Elke boom, dien de termieten tot -doelwit kozen, is onherroepelijk verloren; de daken der woningen zijn -aan vernietiging prijsgegeven, zoodra de termieten zich daarin hebben -genesteld. Van den grond tot de hoogste takken bouwen zij hare gangen; -stam, twijgen, alles wordt doorboord, zoodat de eerste de beste storm -den boom velt en het losse als een bijenraat er uitziende houtweefsel -als kaf in den wind verstrooit; langs de leemen wanden of het paalwerk -der hutten klimt de termiet omhoog, doorboort het houtwerk en alras -valt het geheele gebouw ineen; onder den vastgestampten of geplaveiden -vloer der meer aanzienlijke woningen graaft zij duizendvoudig vertakte -gangen en kruipt nu en dan bij millioentallen hieruit te voorschijn om -van stonden aan boven den grond het werk der vernieling aan te vangen. -Op deze en nog veel andere wijzen wordt de termiet tot een der -vreeselijkste plagen van Centraal-Afrika, inzonderheid van de steppe. - -Ware deze niet de schouwplaats ook nog van andere tooneelen, ware zij -niet een der rijkste gebieden, een der dichtst bevolkte en meest -bezochte woonplaatsen van Afrika’s dierenwereld, de natuurkundige zou -haar even graag mijden als de handelsreiziger, welke laatste slechts -hare afstootende, niet hare aantrekkelijke zijde leert kennen. - -Wie langer in haar verwijlt en haar werkelijk doorzoekt, wordt met de -steppe verzoend. Zij is rijk en vol leven, oneindig rijk, en niet arm -gelijk de woestijn; men kan haar veeleer vergelijken bij een oerwoud, -daar ook in haar eene veelsoortige en talrijke dierenwereld huist, ja -zij bij voorkeur die dieren herbergt, welke wij als meer in ’t -bijzonder aan Afrika eigen plegen te beschouwen. Wij willen enkelen -vluchtig de revue laten passeeren. - -Tot de merkwaardigste steppendieren behooren ongetwijfeld de visschen, -welke zich in de periodiek uitdrogende rivier- en meerbekkens ophouden. -Reeds Aristoteles verhaalt van visschen, die zich, als het water is -verdampt, in het slijk begraven; Seneca drijft hiermede evenwel den -spot en vraagt of men nu voortaan maar niet met houweel en spade op de -vischvangst zal gaan, in plaats van met het net. Aristoteles echter -vermeldt feiten, die boven elke spotternij verheven zijn. - -De in de steppenwateren van Centraal-Afrika levende salamandervisch is -een aalvormig dier, ter lengte van ongeveer een meter, met een lange, -in de staartvin overgaande rugvin, twee smalle ver naar voren -ingeplante borstvinnen en twee lange, ver naar achteren staande -buikvinnen; de belangrijkste bijzonderheid, die bij dezen visch valt op -te merken, bestaat daarin, dat hij behalve de gewone kieuwen ook nog -longzakken bezit, die voor de ademhaling zijn ingericht. Dit -merkwaardige dubbelwezen tusschen amphibie en visch houdt zich ook bij -hoogen waterstand meer op in het slijk dan in het vrije water en -verbergt zich gaarne in holen, die hij waarschijnlijk zelf uitgraaft. -Daalt de waterspiegel aanmerkelijk, dan woelt hij zich diep in het -slijk, rolt zich zoo dicht mogelijk samen en vormt nu, door zich -telkens om te draaien, eene van alle kanten gesloten en van binnen met -slijm bekleede, luchtdichte woning, waarin hij den winter roerloos -doorbrengt. Graaft men zulk een omhulsel voorzichtig uit, en pakt men -dit zorgvuldig in, dan kan men den visch verzenden zonder zijn leven in -gevaar te brengen, ook naar willekeur in het leven terugroepen door hem -met zijn woning in lauw water te leggen. Eerst houdt het dier zich eene -poos rustig, evenals ware hij nog slaapdronken; maar reeds na verloop -van een uur is het geheel wakker geworden en eenige dagen later geeft -het blijken van eene ontembare roofzucht. Maanden lang bespeurt men nu -geen verandering in het gedrag van dezen visch, maar is de tijd -genaderd, dat hij in Afrika zijn winterslaap aanvangt, dan maakt hij -zich hiertoe eveneens gereed in het water, waarin hij zich nu bevindt; -hij wordt tenminste onrustig en scheidt opvallend veel slijm af. Geeft -men hem daartoe gelegenheid, dan graaft hij zich werkelijk in, en zoo -hij dit niet kan, dan herstelt hij zich allengs van zijn onrust en -blijft verder vroolijk in het water leven. - -Evenals de salamandervisch verduren ook de meervallen den winter der -steppe, en evenals deze beide dieren graven alle daar levende -amphibieën, ja zelfs sommige reptielen, vooral waterschildpadden en -krokodillen, zich in het slijk in, om slapend het eind van den winter -af te wachten, en zoo het ongunstige jaargetijde het hoofd te bieden. -Alle op het land levende reptielen daarentegen zijn gedurende den -gloeienden winter het dartelst en dragen er alzoo niet weinig toe bij -om de dorre steppe te verlevendigen; zij bewonen deze toch in -ontzagwekkende aantallen. Behalve de adders, waarover ik reeds sprak, -treedt nog eene andere vergiftige slang in de steppe op, n.l. de -Aspis-, spuw- of Ureusslang, een der meest gevaarlijke kruipende -dieren. - -Deze slang, die nog meer beroemd, liever berucht is dan de hoornadder, -is dezelfde, van welke Mozes zich bediende om zijn goocheltoeren voor -Farao te verrichten, dezelfde, die de hedendaagsche slangenbezweerders -nog gebruiken; dezelfde, wier gouden beeld de oude Egyptische koningen, -als zinnebeeld des alvermogens, als diadeem op het hoofd droegen; -dezelfde, waarvan zij zich als straf en wraakmiddel bedienden voor -misdadigers en vijanden; dezelfde, van welke de oude geschiedschrijvers -ons gruwelijke, maar soms zeer ware geschiedenissen opdisschen. In -tegenstelling met andere slangen is zij over dag zeer lustig, en als -zij niet getergd wordt zeer onschuldig; bewegelijk, toornig en moedig, -vereenigt de aspis alle eigenschappen in zich, die eene giftslang -gevaarlijk maken. Haar kleur, die van zand en verwelkt gras, maakt haar -onzichtbaar en zoo schuifelt zij dikwijls akelig schielijk door het -graswoud; zich bewust van haar vreeselijk wapen, stelt zij zich in -aanvallende houding, zoodra zij zich bedreigd waant. Het voorste vijfde -of zesde deel des lichaams richt zich op, de halsribben worden -uitgebreid en zoo wordt er een schild gevormd, boven hetwelk de kleine -kop met de levendige, bijna fonkelende oogen te voorschijn treedt; zij -richt de laatste strak op haar vijand en maakt zich gereed tot den -bliksemsnel uitgevoerden en bijna altijd doodelijken beet;—het is een -schoon, maar ijzingwekkend schoon tafereel, dat mensch en dier met -bewondering, maar tevens met ontzetting vervult. - -Men beweert algemeen, dat zij ook dan nog gevaarlijk kan worden, -wanneer zij niet bijt, maar enkel haar vergif op den aanvaller -uitspuwt, en inderdaad haar sterk ontwikkelde giftklieren scheiden het -helsche sap in zulk eene ontzettende hoeveelheid af, dat het in groote -druppels aan het eind van het kanaal harer doorboorde gifthaken te -voorschijn treedt. Geen wonder, dat inboorlingen en westerlingen haar -veel meer schuwen en vreezen dan de trage hoornadder, die ons des -nachts in ons leger opzoekt; verklaarbaar, dat de steppenbewoners -onnadenkend op iedere, zelfs de onschuldigste slang het geweer afvuren, -die hun onder de oogen komt; begrijpelijk, dat eindelijk elk geritsel -in het gras of in het loof een plotselingen schrik, althans -vermeerderde oplettendheid, opwekt. Zulk een geritsel hoort men echter -elk oogenblik in de steppe, daar andere slangen, van de -hiëroglyphen-slang af, een zes meter lange reuzenslang, tot kleine -onschuldige ringslangetjes toe, er niet minder talrijk zijn dan de -aspis, terwijl nog bovendien een talloos heer van hagedissen van -allerlei soort overal te vinden is. Wie de slangen vreest, kan door de -hagedissen met de klasse der reptielen verzoend worden; want -aantrekkelijker verschijningen dan deze vlugge en schitterend gekleurde -schepsels weet de steppe niet aan te wijzen. Over den grond snellen zij -daarheen, tegen de takken van struiken en boomen klauteren zij omhoog, -van de termietenheuvels zoowel als van de woningen kijken zij omlaag, -en zelfs onder het zand banen zij zich een weg. Sommige soorten -wedijveren in kleurenpracht en glans met de kolibries; anderen streelen -het oog door de vlugheid en sierlijkheid hunner bewegingen; weer -anderen boeien door haar zonderlinge gedaante. Zelfs nadat de zon, in -wier stralen zij zich zoo gaarne koesteren, is ondergegaan en het -meerendeel dezer bewegelijke diertjes de rust heeft gezocht, wordt de -waarnemer nog door hen beziggehouden; want met het begin van den nacht -komen de gekko’s opdagen, die des daags stil en rustig tegen de -boomstammen en staken zaten gekleefd; zij laten luid en welklinkend hun -geroep hooren, waaraan de naam is ontleend, om, zonder daarbij de -minste vrees voor de menschen aan den dag te leggen, van nu af zich aan -de jacht te wijden. Het volksgeloof stelde de gekko’s oudtijds voor als -zeer vergiftige dieren, en ook nu nog spookt dit vooroordeel in de -hersens van vele onverstandige lieden. Het zijn nachtdieren en als -zoodanig zijn zij anders gevormd dan die, welke over dag bedrijvig -zijn; inzonderheid zijn zij gekenmerkt door de verbreede, -kussenvormige, aan den onderkant met dicht aaneengeschaarde blaadjes -voorziene voetzolen, die als zuignapjes werken en bij het klimmen de -uitstekendste diensten bewijzen. Hierin meende men giftklieren te zien, -hoe ongerijmd deze opvatting ook al dadelijk mocht schijnen. Neen, de -gekko’s zijn zoowel aantrekkelijke als geheel ongevaarlijke wezentjes, -die binnen korten tijd zich de liefde verwerven van iederen onbevangen -waarnemer. Huisdieren in den besten zin des woords, dewijl zij vlijtig -en met goed gevolg de vervolging op zich nemen van allerlei lastig -ongedierte, verlevendigen zij in den nacht elken hoek der uit leem of -stroo gebouwde woning; zij klouteren met nimmer falende zekerheid, -geholpen door hunne bladvormige voetplaatjes, overal zich -vasthechtende, zoowel met den kop naar beneden als met den kop naar -boven, langs horizontale en loodrechte muren; zij schijnen er vermaak -in te vinden elkander te plagen en na te zetten, en verlustigen den -mensch nog bovendien door hunne melodieuze stem. Kortom, zij doen nut -en schenken genot—welk verstandig mensch zou dus niet van hen houden? - -Toch—ook de gekko’s zijn en blijven kruipende dieren, en deelen als -zoodanig in den vloek en afkeer van den mensch, en voorzeker! met de -licht zwevende vogels zijn zij niet te vergelijken. En daarom mag men -zeggen, dat eigenlijk de laatstgenoemden alleen den mensch, die in de -steppe toeft, vroolijk tegemoet snellen en hem met de zooeven -beschouwde dieren verzoent. - -De vogelenwereld der steppe is even rijk aan soorten als aan -individuen. Waar men zich ook moge bevinden, vogels ontbreken nergens. - -Uit het dichtste halmenbosch laat zich het luid geroep van enkele -trapganzen hooren; uit het struikgewas aan de oevers der waterbekkens -het trompetgeluid van parelhoen of frankolijn; uit de boomen klinkt het -gekir en gelach der duiven, het hameren der spechten, de volle loktonen -van den baardvogel, het eenvoudig gezang der wevervogels en van sommige -lijstersoorten; op uitstekende boomtakken of dergelijke voor uitkijk -geschikte voorwerpen, zitten, loerende op eene prooi, -slangen-buizerden, zingsperwers, Duitsche papegaaien, drongo’s en -bijeneters; de secretarisvogel—door de inboorlingen noodlotsvogel -genoemd—loopt in het halmenwoud of zweeft daarboven; in het luchtruim -spelen de zwaluwen en andere vliegenjagers, nog hooger zweven arenden -en gieren. Geen plaatsje is onbewoond, geen plekje onbezet, en wanneer -in Europa de winter zijn intocht houdt, zendt hij nog een aantal onzer -vogels, zooals torenvalken en wouwen, worgers en Duitsche papegaaien, -kwartels en ooievaars en vele anderen naar de steppe, die hun gedurende -het bange en arme jaargetijde een gastvrije schuilplaats verleent. - -Karakteristiek voor de steppe zijn weinige daar levende vogels, en haar -stempel is op bijna geen enkele zoo scherp en beteekenisvol afgedrukt, -dat men er een als steppenvogel in den waren zin zou mogen beschouwen, -gelijk zulks bij alle woestijnvogels wel het geval is. Desniettemin -merkt de aandachtige waarnemer op, dat toch ook de steppenvogels tot in -zekere mate het gelaat hunner woonplaats weêrspiegelen. Den secretaris, -een grooten roofvogel van het voorkomen eens kraanvogels, den -slangensperwer, een in een rijk, mollig, grootvederig gewaad gehulden, -langzaam en traag vliegenden havik, een stroogelen geitenmelker, -alsmede een wiens vleugels in pronkveêren zijn veranderd, een parel- of -frankolijnhoen, een trap, of eindelijk den struisvogel is het wel aan -te zien, dat zij in de steppe thuis behooren, en daarin hun waar -verblijf vinden. De steppe is, wel is waar, geenszins kleurenrijker dan -de woestijn, maar geeft toch oneindig meer bedekking en kan dus ook -vrijer teekenen. Nochtans bevindt men, dat ook hier voornamelijk twee -kleuren domineeren, een lichter of donkerder stroogeel en een moeilijk -te omschrijven staalgrijs, welke beide kleuren zoowel de veêren van de -roofvogels als die der hoenders versieren, zonder dat daarom alle -andere, donkere, of meer levendige en zelfs heldere kleuren -buitengesloten zijn. De meerdere vrijheid in kleur en teekening valt m. -i. opmerkelijk genoeg ook bij zulke vogels in ’t oog, wier geslacht of -familieleden uitsluitend in de steppe thuis behooren. - -Wil men, met het doel daardoor het gebied zelf te kenschetsen, enkele -steppenvogels meer uitvoerig beschrijven, dan wordt de keuze moeilijk, -omdat bijna iedere vogel eene meer bijzondere vermelding waard is. De -mij toegestane ruimte legt mij beperking op, weshalve het voldoende -zij, wanneer ik als voorbeelden neem een bewoner der hoogere -luchtlagen, een grondbewoner en een nachtvogel; deze zullen den lezer -in staat stellen het beeld, dat hij zich reeds van de steppe heeft -gevormd, nog iets vollediger te maken. - -Wie langen tijd in de steppe heeft verwijld, moet meermalen een grooten -roofvogel hebben opgemerkt, die in zijn vlucht ten zeerste afwijkt van -iederen anderen gewiekten roover, vooral door den prachtig golvenden -buitenrand der lange en spitse vleugels, den ongemeen korten staart en -de alles overtreffende snelheid. Hoog in de lucht vliegt, zweeft, -zwemt, tuimelt, goochelt, danst en buitelt deze vogel, die de grootte -bereikt van een adelaar; nu eens breidt hij zijne vleugels wijd uit, om -ze minuten achtereen roerloos in dezelfde houding te laten, dan weder -slaat hij ze met kracht tegen elkaar, om ze straks te draaien en te -wenden, of ze zoo aan te trekken, dat hij naar de laagte dreigt te -storten; maar hij heeft ze reeds weêr even krachtig gebogen, en weinige -minuten later hebben de hoogste luchtlagen hem wederom opgenomen. - -Nadert hij den grond, dan vallen de scherp tegen elkander afstekende -kleuren van den fluweelzwarten kop, van hals, borst en buik, de -zilverwitte onderzijde der vleugels en van den licht kastanjebruinen -staart duidelijk in het oog; buitelt hij, dan ziet men de heldere, met -die van den staart overeenkomende kleur van den rug, alsmede een lichte -streep over de vleugels; nadert hij nog meer, dan blinken ons de -koraalroode snavel en de eveneens gekleurde teugels en pooten tegen. -Vraagt men een trekkenden herder, die gewoon is de dierlijke bevolking -der steppe opmerkzaam gade te slaan, naar dezen zoo merkwaardigen, -meestal eenzaam rondzwervenden roofvogel, dan hoort men uit zijn mond -het volgende zinrijke, beteekenisvolle sprookje: - -„De genade des Albarmhartigen verleende aan dezen vogel de rijkste -gaven, bovenal hooge wijsheid. Want hij is een heelmeester onder de -vogelen des hemels, der ziekten kundig, door welke de schepselen van -den Alformeerder gekweld worden, en een kenner van kruiden en wortels, -die genezing brengen. Uit ver afgelegen landen ziet gij hem de wortels -aandragen, maar tevergeefs poogt gij te doorgronden werwaarts hij -geroepen werd om met die kruiden de zieken te genezen. De uitwerking -zijner middelen is onfeilbaar; hun gebruik schenkt het leven, en wie ze -versmaadt is eene prooi des doods. Zij zijn als de hebjab, door de hand -van Gods gezant geschreven, een gebod Mohammeds, wiens naam geprezen -zij. Het is den arme voor ’t aangezicht des Heeren, den zone Adams niet -verboden zich van die geneeskrachtige kruiden te bedienen. Ziet toe -waar de arts-adelaar zijn huis bouwt, neem u in acht zijn eieren aan te -raken, wacht totdat uit de veêren zijner kinderen geen bloed meer -vloeit; ga dan heen en bezoek de woning des adelaars en wond een zijner -kinderen. Dan zult gij zien, dat de vader naar het oosten vliegt, -daarhenen, waar gij uw aangezicht naar toe keert in het gebed. Wacht -zonder morren en geduldig tot hij terugkeert. Hij zal verschijnen met -een wortel in zijn handen; verschrik hem, opdat hij dien u late en maak -er u zonder vrees meester van, want hij komt van den Heer, in wiens -handen het leven is, en geen tooverij rust er op. Ga dan heen en genees -uwe zieken; zij zullen allen genezen, indien het de wil is van den -Albarmhartigen.” - -De vogel, die deze dichterlijke bloesems opwekte, is de goochelaar, -gelijk wij, de „hemelaap” gelijk de Abessyniërs hem noemen; het is een -slangenarend; de wortels, die het sprookje hem laat aandragen, zijn de -slangen, die hij vangt. Zeer zelden ziet men hem rusten; gewoonlijk -vliegt hij op de geschilderde wijze rond tot eene door hem gespeurde -slang hem drijft bruisend omlaag te schieten en den strijd met deze aan -te vangen. Evenals alle slangendoodende roofvogels door de dikke -hoornbekleeding zijner pooten en zijn dicht gevederte tegen de -gifttanden genoegzaam beschut, deinst hij zelfs voor de gevaarlijkste -soorten niet terug en wordt zoo tot een weldoener der steppe. Evenwel, -niet zijn werkzaamheid in dit opzicht, maar alleen zijn meesterlijke -vlucht, vestigde zijn roem onder alle volken zijner woonplaats. - -De scherpste tegenstelling met den goochelaar vormt de aan den grond -geketende struisvogel. Ook deze is de held geworden van een Arabisch -sprookje, ofschoon niet om hem te verheerlijken, integendeel, om hem -tot in het stof te verlagen. Dat sprookje bericht van den struis, dat -deze eens uit hoogmoed naar de zon wilde vliegen en toen jammerlijk -verbrand werd, zoodat hij in zijn tegenwoordigen toestand naar beneden -viel. - -Voor ons biedt het leven van dezen vogel veel wat de aandacht waard is, -en te meer dewijl nog steeds zooveel onjuiste voorstellingen omtrent -den struis worden gekoesterd. - -Ofschoon hij niet geheel ontbreekt in de begroeide laagvlakten van de -Afrikaansche en West-Aziatische woestijnen, komt echter de struisvogel -meer bepaald en in grooter getale voor in de aan voedsel rijke steppe. -Bijna elken dag kruist men hier zijn duidelijke, karakteristieke -voetstappen; den vogel zelven aanschouwt men evenwel zelden. Hij is -hoog genoeg om over het graswoud heen te zien; scherp van gezicht en -schuw, onttrekt hij zich dientengevolge aan het oog der menschen. -Gelukt het, hem uit de verte gade te slaan, dan merkt men dat hij, -althans buiten den broedtijd, van een gemakkelijk leven houdt. In den -vroegen morgen en in de schemering weiden de struisvogels bij troepen; -tegen den middag liggen allen rustig op den grond, om zich te wijden -aan het werk der spijsvertering, of zij gaan drinken, of nemen een bad, -soms zelfs in de zee; later op den dag amuseeren zij zich met -vreemdsoortige dansen, springen als zinneloos in een kring rond en -klapwieken daarbij met de vleugelveêren, alsof zij zich in ’t vliegen -wilden oefenen; tegen zonsondergang begeven zij zich ter ruste, zonder -evenwel ook nu nog hunne veiligheid uit het oog te verliezen. Worden -zij door een gevaarlijken vijand bedreigd, dan rennen ze in woeste -vaart weg en laten dezen spoedig verre achter zich; sluipt een zwakker -roofdier hen na, dan vellen zij dit met hun krachtige pooten ter aarde. -Zoo vliedt hun leven bijna wolkenloos daarheen—althans, indien het hun -niet aan voedsel ontbreekt. Voedsel toch hebben zij in groote -hoeveelheid noodig. Men staat versteld over hunne vraatzucht en niet -minder over de verduwingskracht der struisenmaag, die de veelsoortigste -dingen in massa’s opneemt en, òf deze verteert, òf er in elk geval geen -nadeel van ondervindt. Al wat eene plant oplevert, van den wortel tot -de vrucht slokt deze spreekwoordelijk geworden maag in; al wat van -kleinere dieren, zoowel gewervelden als ongewervelden bemachtigd kan -worden, niet minder. Nog is hem dit niet genoeg. De struis verzwelgt -al, wat verzwelgbaar is, steenen van een half kilo zwaarte, in -gevangenschap stukken tichelsteen, werk, lompen, messen, sleutels en -sleutelringen, spijkers, glasscherven en glassplinters, looden kogels, -bellen en vele zaken meer; het is wel gebeurd, dat hij zich te goed -deed aan ongebluschte kalk en daardoor zijn eigen moordenaar werd. Men -vond eens in de maag van een in gevangenschap gestorven struisvogel de -veelsoortigste voorwerpen tot een totaal gewicht van vier en een kwart -kilogram. De vratige vogel eet in den hoenderhof jonge eenden en kippen -op, net of het oesters waren, krabt de kalk van de muren om met die -stukken zijn maag te vullen; in één woord, hij spaart en verschoont -niets, wat maar verzwelgbaar en niet nagel- en muurvast is. In -overeenstemming met de door hem verbruikte hoeveelheid voedsel, die -overigens in geen wanverhouding staat tot zijn lichaamsgrootte en -bewegelijkheid, is ook zijn dorst, en dientengevolge zijn verblijf -gebonden, niet alleen aan plaatsen alwaar voedingsplanten voor hem -aanwezig zijn, maar ook aan wateren of althans bronnen. Drogen deze -uit, dan is de struisvogel genoodzaakt weg te trekken en in zoodanige -gevallen kan hij soms groote afstanden afleggen. - -Is het voorjaar gekomen, dan ontwaakt de liefde in het hart van den -struisvogel, en nu ondergaat zijn levenswijze groote veranderingen. De -kudden lossen zich op in kleinere troepen en de volwassen mannetjes -beginnen langdurige gevechten om het bezit der wijfjes. In hoogen graad -opgewekt, wat uitwendig zichtbaar is aan den levendig rood gekleurden -hals en aan de eveneens roode pooten, plaatsen twee mededingers zich -tegenover elkaar, klepperen met de vleugels, zoodat de volle pracht der -uitgerafelde, witte slagpennen zichtbaar wordt; zij bewegen daarbij den -hals op een moeilijk te beschrijven wijze, daar zij dit lichaamsdeel nu -eens naar voren, dan naar de zijden wenden, draaien of buigen; zij -stooten diepe en schorre tonen uit, die nu eens aan het dof gerommel -van den donder, dan weder aan het gebrul van den leeuw doen denken, -kijken elkaar strak aan, laten zich op den voetwortel neêr en bewegen -in deze houding hals en vleugels nog schielijker en aanhoudender dan -straks, springen weder op, rennen nogmaals op elkander los; eindelijk, -terwijl zij elkaar voorbijsnellen, tracht ieder zijn mededinger door -een forschen slag met den poot te kwetsen, om als de aanval gelukte, -met den scherpkantigen nagel van den eenen teen diepe en lange wonden -in lijf en pooten te slaan. De overwinnaar handelt met het in den -strijd verkregen wijfje of met de wijfjes niet veel beter; hij -mishandelt deze gewoonlijk op het erbarmelijkst, zoowel door zijn -tyrannie als door lichamelijke tuchtiging. Of het mannetje één of meer -wijfjes houdt is nog niet uitgemaakt; wel mag men voor waar aannemen, -dat vele wijfjes vaak haar eieren in een en hetzelfde nest leggen, en -men heeft ook opgemerkt, dat niet het wijfje, maar voornamelijk het -mannetje de eieren bebroedt, alsmede de verzorging en opvoeding op zich -neemt van de na 8 weken uitgekomen jongen. Zoowel in ’t een als ’t -ander wordt het daarbij gewis door het wijfje geholpen, maar de -hoofdarbeid valt den man ten deel, en bij de verzorging der jongen legt -deze dan ook de meeste vlijt en angst aan den dag. De -struisvogelkuikens, die bij het uitkomen reeds zoo groot zijn als een -matige kip, verschijnen in een bijzonder gewaad op deze wereld, een -gewaad, dat eer doet denken aan de stijve haren van een zoogdier dan -aan het donskleed van de vogels. Daar zij reeds den eersten levensdag -de vraatzucht, aan hun geslacht eigen, openbaren, groeien zij zeer -snel, wisselen na 2 à 3 maanden van veêren, om nu een gewaad aan te -trekken, dat het meest gelijkt op dat der wijfjes; maar er moeten nog -ten minste drie jaren verloopen alvorens zij volwassen zijn en geschikt -geworden ter voortplanting. - -Dit is, zeer beknopt weêrgegeven, het voornaamste uit de -levensgeschiedenis van den reuzenvogel der steppe; alle daarmede in -strijd zijnde verhalen noem ik fabelen. - -De nachtvogel eindelijk, over wien ik enkele woorden wensch in ’t -midden te brengen, is de nachtzwaluw of geitenmelker, wiens geslacht -ook bij ons te lande door ééne soort wordt vertegenwoordigd, maar die -juist in de steppe in verschillende en deels zeer verschillend -geteekende soorten optreedt. Met het verschijnen der eerste ster aan -den nachtelijken hemel beginnen deze gemoedelijkste en lieftalligste -aller nachtvogels hun bedrijvig leven. Over dag is het zeer toevallig -als men er een ontdekt, en dan zou men moeilijk gissen, dat deze vogel -in zulk een hooge mate het vermogen bezit om werkelijk leven aan de -steppe bij te zetten; wanneer evenwel de nacht aanbreekt, dan is -zekerlijk althans één hunner in de nabijheid. Evenals de schorpioenen -en adders door het legervuur gelokt, verschijnt ook de vlugge vlieger -in de nabijheid der rustenden, beschrijft een aantal kringen om vuur en -legerplaats, gaat bij tijd en wijle dicht daarbij zitten en draagt dan -eenige strophen voor uit zijne nocturne, welk gezang aan het spinnen -der kat doet denken, verdwijnt in het schemerdonker om ettelijke -minuten later opnieuw zijn opwachting te maken, en zoo gaat het voort -tot de morgen is aangebroken. Vooral ééne soort dezer familie is -aantrekkelijk: de vlaggennachtzwaluw, de „viervleugelvogel” der -steppenbewoners. Zijn tooisel bestaat in een paar tusschen de groote en -kleine slagpennen uitstekende, bijna een halven meter lange, tot dicht -bij de spits naakte, maar hier met eene vlag voorziene veêren, die alle -andere pennen in lengte ver overtreffen. Wanneer deze vogel zijne -kringen in de lucht beschrijft, dan waant men eene spookgestalte te -zien. Het heeft er veel van alsof hij door een tweeden, kleineren vogel -achtervolgd wordt, of alsof hij zich in twee of drie vogels kon -verdeelen, of eindelijk, alsof hij inderdaad vier vleugels bezat. Maar -ook deze nachtzwaluw verloochent de lieftalligheid van zijn geslacht -niet en wordt eene vriendelijke verschijning, evengoed als de andere -leden zijner familie, die menige, anders vrij ongezellige steppennacht -op vertrouwelijke wijze weten te verkorten. - -Rijk in soorten en vormen is ook de klasse der zoogdieren, die de -steppen bewonen. Haar plantenrijkdom onderhoudt niet alleen talrijke -kudden antilopen, die meer in ’t bijzonder als karakterdieren der -steppe mogen beschouwd worden, maar tevens bevinden zich hier wilde -buffels, wilde zwijnen, zebra’s, wilde ezels, olifanten, -neushoorndieren, alsmede de serafe, door ons „giraffe” genoemd; verder -een talrijk heer van knaagdieren, die wij nog maar in grove omtrekken -kennen. - -Deze talrijke plantenetende bevolking wordt in evenwicht gehouden door -verschillende in de steppe levende roofdieren; laatstgenoemden strekken -der steppe zelf tot voordeel, want zonder dit tegenwicht zouden de -herkauwers en knaagdieren zich zoo schrikbarend vermenigvuldigen, dat -de geheele plantenvoorraad van dit gebied niet toereikend zou blijken -om allen te voeden. De eenvormigheid der Noord-Afrikaansche steppe, en -haar, ofschoon niet overvloedige, toch betrekkelijk vrij groote rijkdom -aan staande en stroomende wateren is oorzaak, dat men er niet zulke -scholen antilopen ziet als in de karroe van Zuid-Afrika; in vergoeding -hiervoor ontmoet men den slanken herkauwer met zijn fraaie oogen -overal, òf alleen, òf in kleine troepjes, òf in grootere kudden; men -ziet ze des winters nagenoeg op dezelfde plaatsen als in den zomer. -Wilde paarden en wilde ezels daarentegen houden zich slechts op de kale -hoogten op; de serafe bewoont uitsluitend de ijle, de neushoorn wederom -bijna alleen de dichtste wouden; de olifant vermijdt enkele -uitgestrekte gebieden gansch en al, terwijl de kwaadaardige buffels aan -de moerassige laagvlakten schijnen gebonden te zijn. De leeuw is niet -minder een metgezel der laatstgenoemde dieren als van de tamme leden -dier familie, terwijl daarentegen de listige panter en de vlugge en -onvermoeide jachttijger meer het spoor der kleinere antilopen volgen; -jakhalzen en steppenwolven jagen voornamelijk op hazen, de vossen, -civetten en stinkdieren het liefst op kleine knaagdieren en zulke -vogels, die op den grond verblijf houden. - -Wanneer ik er toe overga uit den rijken voorraad der zoogdieren, die de -steppe bewonen, enkele uit te kiezen, om deze eenigszins nader te -bespreken, dan moet ik aan de verleiding weêrstand bieden, die mij zou -kunnen verlokken den leeuw of den jachttijger, den hyena of den -honigdas, den zebra of het wilde paard, den serafe of den buffel, den -olifant of het neushoorndier daarvoor te nemen, omdat er andere dieren -zijn, die mij, als meer karakteristiek voor het steppengebied, -belangrijker voorkomen. Tot dezen reken ik in de eerste plaats het -aard- en het schubdier—de plaatsvervangers in de oude wereld van de in -Amerika talrijker vertegenwoordigde orde der Tandeloozen, zoogdieren, -wier eigenlijke bloeitijd reeds vele eeuwen achter ons ligt. Beide -dieren zijn, althans in Noord-Afrika, aan de steppe gebonden; want -slechts daar vinden zij overvloed van termieten en hun gewone voedsel. -Evenals alle miereneters brengen zij den dag als een bal ineengerold, -slapende door en wel in holen, die zij zelf graven en wier uitmondingen -men zoowel midden op de groote boomlooze grasvlakten als elders -tusschen de spaarzaam daar voorkomende boomen en struiken aantreft. -Eerst nadat de nacht zijn heerschappij begint uit te oefenen, worden -deze dieren levendig; met loggen tred, hompelend en springend, -hoofdzakelijk met behulp van de krachtige achterste ledematen vooruit -komende, terwijl zij steunen op de kolossale graafnagels der voorste -ledematen en den zwaren staart, gaan zij nu op voedsel uit. Dit laatste -bestaat uitsluitend uit allerlei klein gedierte, voornamelijk uit -mierenpoppen, termietenlarven en wormen. Met den neus op den grond, dit -lichaamsdeel voortdurend heen en weêr bewegende, steeds snuffelende, -draven zij voort; een toevallig ontdekte mieren- of termietengang leidt -hen naar het hoofdgebouw, waarin zij zonder moeite een gat voor den -langen snuit graven, dien zij daarin steken, om met behulp hunner tong -de hierin uitmondende kanalen der insekten op te sporen; zij steken de -lange, kleverige, wormvormige tong zoo diep mogelijk in een der -hoofdgangen, tot genoemd lichaamsdeel vol termieten of mieren hangt en -brengen het daarmede beladen in den nauwen bek terug, om zich aan de -gevangen insekten te vergasten. Deze manier van eten maakt een -jammerlijken indruk, en toch is die tong hier een uitnemend werktuig, -evenals ook de groote graafnagels zulks zijn; beide organen stellen hen -in staat zich een weg door het leven te banen. Oogenschijnlijk zeer -hulpbehoevend, zijn zij dit in werkelijkheid toch niet. Het zwakke -schubdier wordt door zijn harnas voldoende beschermd; zelfs een -sabelhouw stuit daarop af. Minder goed verdragen de pooten zulke -beleedigingen. Het aardvarken bezit daarentegen een uitstekend -weêrmiddel in zijn nagels en bovendien kan het met zijn staart zulke -harde slagen uitdeelen, dat een niet al te overmachtig vijand voor hem -het veld ruimt. Komt er evenwel eene tegenpartij op hem af, wiens -kracht hij te duchten heeft, en bemerkt hij zulks in tijds, dan graaft -hij zich ijlings een hol; hij werpt al gravende zand en stof in zulk -een groote hoeveelheid en met zooveel kracht achter zich op, dat hij -geheel onzichtbaar wordt en in de veilige diepte is aangeland, alvorens -de gevaarlijke vijand tot den aanval gereed was. Slechts tegenover den -mensch en diens alvermogende wapenen is hij niet opgewassen; terwijl -hij slaapt, boort men hem een lange lans door ’t lijf en zoo wordt hij -onfeilbaar in zijn eigen hol gedood, indien slechts het -uitmondingskanaal recht en niet al te lang is. Ook dit voorwereldlijke: -dier is bestemd vroeger of later uit de rij der levenden gedelgd te -worden. - -Onder de roofdieren der steppe heeft een daarin thuis behoorende hond -steeds de grootste aandacht getrokken. Een verbindingslid vormende -tusschen hyena en hond, in zooverre de gedaante en ook tot op zekere -hoogte de teekening betreft, is dit dier, de hyenahond, ook uiterlijk -eene zeer belangrijke verschijning, en wat zijn doen en wezen betreft, -het meest aantrekkelijke aller roofdieren, die de steppe herbergt. -Afgezien van enkele apen, ken ik geen zoogdier, dat zooveel -zelfvertrouwen bezit, of althans schijnt te bezitten, dat zoo -overmoedig is of schijnt, zoo stoutmoedig als deze hond. Voor geen doel -schrikt hij terug, voor zijn aanvallen is geen ander zoogdier ten volle -veilig. In talrijke koppels vereenigd, trekt hij, op buit belust, door -de steppe. Vernielend valt hij in de schaapskudden der kolonisten en -trekherders; vast kleeft hij aan de verzenen der snelvoetigste -antilopen; onbeschaamd dringt hij op de menschen in; onbevreesd -verdrijft hij, wellicht grootendeels door zijn onstuimig gedrag, zelfs -de roofdieren uit het gebied waar hij buit zoekt. Blaffend, jankend, -kermend, achtervolgt een troep dezer honden de sterkste en krachtigste -antilope, terwijl nu en dan dat geluid wordt afgewisseld door heldere, -bijna vroolijke tonen. De antilope vlucht, zoo snel haar krachten dit -toelaten; de op moord beluste honden vervolgen evenwel haar spoor, -snijden alle bochten, alle zijwegen af, die de vervolgde tracht in te -slaan, naderen haar steeds meer en meer en nopen haar eindelijk zich in -tegenweer te stellen. Zich bewust van haar kracht en weêrvermogen maakt -de antilope een uitnemend gebruik van haar spits gewei; menige hond -stort doodelijk getroffen ter aarde, maar wie overblijven hangen haar -aan hals en lijf en doen een luid gehuil hooren, wanneer het dier -rochelend den adem uitblaast. Zonder zich aan den mensch te storen -overvallen deze honden alle mogelijke huisdieren, verscheuren de -kleineren met de bloedgierigheid eens marters, en verminken de -grooteren, die zij niet kunnen bemachtigen; op hen afgezonden -huishonden wachten zij onbevreesd af, wagen er den strijd mede op leven -en dood en werpen hen ten slotte ontzield ter aarde. Getemd, den mensch -geheel onderworpen, eenige generaties na elkander afgericht en -opgevoed, zouden zij de uitnemendste speurhonden kunnen worden, die er -bestaan, maar heel gemakkelijk zullen zij zich wel niet onder het juk -laten brengen. Zij gewennen zich aan hun verzorger, leggen zekere -genegenheid, soms zelfs wel liefde voor hem aan den dag, maar op hunne -eigenaardige wijze. Worden zij geroepen, dan staan zij van hun leger -op, springen vroolijk op en neêr, vechten lustig tegen elkander, -stormen op hun meester los, springen bij hem op, trachten hunne -uitbundige vreugde door de meest uitgelaten hondengebaren uit te -drukken en weten eindelijk zich niet anders te uiten dan door hun -beminden meester te bijten. Onstuimigheid en een onbedwingbare bijtlust -zijn de in ’t oog loopende karaktertrekken dezer honden. Prikkelbaar -zonder voorbeeld, bewegen zij elk lid, trekken met elken spiervezel, -zoodra een of ander voorval hun opmerkzaamheid trekt; de licht -ontvlambare levendigheid van geest, die hun eigen is, neemt het -karakter aan van overdreven dartelheid en ontaardt een oogenblik later -in woestheid en roofzucht. Dan bijten zij in alles, wat hun in den weg -komt, zonder oorzaak, maar enkel uit lust tot bijten, denkelijk ook -zonder kwaadaardigheid. Deze honden zijn werkelijk de vreemdsoortigste -schepselen, die de steppe herbergt. - -In die deelen der steppe, welke ik in ’t bijzonder op ’t oog heb, n.l. -Kordofan, Sennaar en Taka, is het leven der genoemde en nog andere -steppendieren, afgezien van den invloed der beide jaargetijden, bij -lange na niet aan zulke stoornissen onderhevig als in het zuiden van -Afrika of in de Middel-Aziatische steppen. Voor zulke soorten, die niet -trekken, of die maandenlang in een toestand van schijndood verkeeren, -breekt met den winter ook wel een tijd van ontbering aan, soms wel van -groot gebrek, maar hongersnood of watersnood kennen zij niet. -Dientengevolge ontstaat er ook geen behoefte, om door vertwijfeling -gedreven, het armoedige geboorteland te verlaten en heil te zoeken in -eene overhaaste vlucht naar gelukkiger oorden. Ook de dieren der -Noord-Afrikaansche steppe trekken en reizen; maar zij vluchten niet -ongeregeld gelijk die soorten, welke andere steppen bewonen en die hun -gebied bij honderdduizendtallen verlaten, wanneer er gevaar dreigt. Van -zulke enorme kudden antilopen, zooals men in het zuiden van Afrika -ziet, weet men hier niet te verhalen. Een en ander werd reeds door mij -opgemerkt. Alle gezellig levende vogels scharen zich bij het naderen -van den winter bijeen, en verdeelen zich weder in troepjes, wanneer de -lente haar intocht viert; alle trekvogels gaan en komen ongeveer -terzelfder tijd; zulks geschiedt evenwel regelmatig en altijd op -dezelfde wijze, niet ongeregeld en zonder bepaald doel. - -Eéne mogendheid evenwel blijft er nog over, die ook hier het leven der -dieren in gevaar brengt; het is de macht van het vuur. - -Telken jare, wanneer de donkere wolken in het zuiden en de hieruit -schietende bliksemstralen de komst der lente aankondigen, en op die -dagen, wanneer de zuidenwind over de steppe giert, werpt de trekherder -in die streken waar hij huist, den brand in het grasbosch. Snel en -ongestuit grijpen de vlammen om zich heen. Over geheele velden breiden -zij zich uit; rook en walm vormen de voorhoede. Een donkerroode wolk -verkondigt des nachts haar vernielende en toch zegenrijke werking. Niet -zelden bereikt de brand het oerwoud; de vlammen lekken aan de verdorde -slingerplanten van den bodem tot aan de toppen der boomen; zij -verschroeien de enkele nog overgebleven bladeren en verkolen den -buitenbast der stammen. Soms, ofschoon minder dikwijls, omslingeren de -vlammen geheele dorpen en werpen haar brandende fakkels in de -stroohutten, die in één oogwenk der vernieling zijn prijs gegeven. - -Alhoewel een steppenbrand, in weerwil van de menigte en gemakkelijk -ontvlambare brandstof, nimmer verderfelijk kan worden voor een man te -paard evenmin voor snelloopende zoogdieren, terwijl hij zelfs met goed -gevolg bestreden kan worden en zulks door het vuur zelf, toch geraakt -de geheele dierenwereld door zulk eene gebeurtenis in groote -opgewondenheid. Al wat ademt in het graswoud verlaat zijn schuilplaats -en slaat op de vlucht. Die vlucht wordt een wilde vlucht, daar de -schrik tot nog meer spoed aanzet dan de vlammen zelf. Antilopen, wilde -paarden, struisvogels vliegen sneller dan de stormwind over de vlakte; -jachttijger en luipaard volgen, en mengen zich in de kudden der eersten -zonder er aan te denken eenig dier aan te vallen; de hyenahond vergeet -zijn moordlust; de leeuw wordt door gelijken schrik bevangen als alle -andere zoogdieren; slechts de holbewoners verbergen zich in hun veilig -verblijf en laten de vuurzee boven hun hoofd woeden, zonder er eenig -letsel van te ondervinden. Alle kruipende en aan den grond gekluisterde -dieren daarentegen hebben het zwaar te verantwoorden. Weinige slangen, -zelfs de vlugge hagedissen niet, kunnen aan het vuur ontkomen; -schorpioenen, tarantula’s en duizendpooten worden er zeker door -bereikt, of zij vallen ten buit aan vijanden, die door den brand -herwaarts werden gelokt en de vlammen weten te trotseeren. - -Zoodra er in de steppe een rookwolk ten hemel stijgt, die zich meer en -meer uitbreidt, snellen van alle kanten kruipende roofdieren en -roofinsekten, vooral echter slangenarenden, zangsperwers, wouwen, -torenvalken, ooievaars, bijeneters en zwaluwen aan, om jacht te maken -op de hagedissen, slangen, schorpioenen, spinnen, kevers en -sprinkhanen, die door het vuur werden opgeschrikt en voor hetzelve -vluchten. Onbevreesd loopen de secretarisvogels en ooievaars dwars voor -de vuurlijn; snelwiekige valken, bijeneters en zwaluwen zweven boven de -vlammen en door de rookwolken; een rijke buit valt allen ten deel. De -jacht duurt zoolang als de brand woedt en de brand vindt voedsel -zoolang de storm hem verder draagt; eerst met het sterven van den wind -dooven ook de vlammen uit. - -Zoo zuivert de trekherder zijn weiland van onkruid en ongedierte; op -deze wijze maakt hij het gereed voor een nieuwen plantengroei. Een -vruchtbare asch blijft op den bodem achter; de levenwekkende regen -vermengt die asch met de teelaarde, en een nieuw, jeugdig en krachtig -groen ontspruit na het eerste onweder. Dan keeren ook alle gevluchte -dieren weder terug naar de oude woonplaats, om, na den last en de -kwellingen van den nu geëindigden winter en den schrik der jongste -dagen, weder volop te genieten van de weelde en de genoegens des -levens. - - - - - - - - -VI. - -HET OERWOUD EN DE DIERENWERELD VAN AFRIKA’S BINNENLAND. - - -Rijk moge Afrika’s steppe zijn, vooral wanneer men haar vergelijkt met -de woestijn, de weelderige vegetatie der tropen wordt evenwel niet in -haar gevonden. Wel oefent de bezielende kracht des waters er haar -gezegenden invloed uit, maar die invloed duurt te kort dan dat hij -ongestoord zou kunnen werken. Met het ophouden van den regen sterft ook -de groeikracht, terwijl de hitte en droogte weder alles vernielen, wat -de regen had voortgebracht. - -Daarom kunnen in de steppe slechts die planten tot ontwikkeling komen, -wier leven binnen weinige weken wordt afgespeeld, niet zulke gewassen, -die de eeuwen verduren. Eenig en alleen in de laagten, die rijk zijn -aan nooit verdrogende stroomen en die zoowel door deze als door den -regen gedrenkt worden, alwaar zonnelicht en water, warmte en -vochtigheid gemeenschappelijk werkzaam zijn, ontwikkelt, ontvouwt en -bestendigt zich de feeënrijke volheid der keerkringslanden. Hier -groeiden bosschen op, die wat pracht, majesteit, schoonheid en rijkdom -betreft, in niets onderdoen voor de wouden van de gezegendste landen op -lager breedten, oerwouden in den volsten zin des woords, die zonder -toedoen van den mensch ontstaan en vergaan, vergrijzen en zich weêr -verjongen, op den huidigen dag nog alleen zichzelf toebehooren en in -staat zijn eene rijke fauna te onderhouden. - -Uit het zuiden brengen de voorjaarsstormen de van regen zwangere wolken -naar die landen van Afrika, welke ten noorden van den evenaar zijn -gelegen; deswege vallen deze wouden niet terstond den uit het noorden -komenden reiziger in ’t oog, maar eerst dan, wanneer deze van -lieverlede, steeds meer en meer naar het zuiden voorwaarts dringt. Hoe -meer men den aequator nadert, hoe scheller het licht wordt van den -bliksem, hoe luider en meer afgebroken de donder ratelt, hoe heviger de -regen in stroomen naar beneden stort, maar ook, hoe weelderiger alle -planten groeien en hoe vormenrijker de dierenwereld wordt; naarmate de -regentijd spoediger aanvangt en naarmate deze langer duurt, des te -grooter en meer wonderen schept hij. In juiste overeenstemming met de -toenemende vochtigheid, verbreedt, verdicht, verhoogt en dijt het woud. -Van af den zoom der rivieren tot diep in het binnenland strekt zich de -heerschappij der plantenwereld uit; geen plekje is meer ledig, van den -dichtbegroeiden grond tot de toppen der hoogste boomen. Boomen, die -elders slechts dwergen schenen, groeien hier op tot reuzen; bekende -soorten worden tot een voedingsbodem voor nog onbekende woekerplanten; -daar tusschen streeft eene nog nooit geziene vegetatie naar omhoog in -het licht. Maar ook hier, althans in den noordelijken zoom van dezen -gordel, werken de hitte en droogte van den winter nog altijd sterk -genoeg om de bladerenpracht der boomen voor een tijd haar glans te doen -verliezen en althans de meesten ettelijke weken tot rust te doemen. Te -hoorbaarder klinkt dan ook de wekstem der lente door het sluimerend -woud, en met te meer kracht ontwaakt na de winterrust het leven, dat de -eerste regens van het bevruchtende jaargetijde oproepen. - -Om de oerwouden dezer landen zoo getrouw mogelijk te malen, neem ik de -lente tot uitgangspunt. De heraut en drager der regenwolken, de -zuidenwind, moet nog den strijd bestaan met den koelen luchtstroom uit -het noorden, wanneer het woud alle heerlijkheid, waarin het kan -optreden, zal openbaren, en op een zijner hartaders, op een zijner -stroomen moet men dat woud binnendringen, wanneer men het volle, rijke -leven, dat daar heerscht, wil leeren kennen. - -De „blauwe Nijl”, de Asrakh, wiens bronnen in Habesch liggen, zal onze -heerbaan zijn; want aan dezen stroom hechten zich de schoonste beelden, -die op mijn vele en lange reizen mijn eigendom werden, en op deze -rivier ben ik wellicht beter gids dan op elke andere. Of ik daarbij -tevens een goede tolk van het woud zal kunnen wezen, ziet, zulks -betwijfel ik zeer. Want het oerwoud is een wereld vol glans en licht, -vol tooverachtige schoonheid, een rijk vol wonderen, welks tresoren -geen sterfelijk oog nog alle heeft aanschouwd, die veel minder reeds -alle werden ontgraven; een schatkamer, oneindig meer opleverende dan -men in staat is te verzamelen; een paradijs, alwaar de schepping elken -dag zich verjongt; een toovercirkel, die voor een ieder, die er -binnendringt, grootsche en liefelijke, ernstige en vroolijke, -schitterend heldere en nachtelijk donkere beelden ontrolt; een geheel, -dat uit duizend gelijksoortige deelen bestaat, daarbij oneindig veel -vormen vertoont, en toch een ondeelbaar geheel, dat den spot drijft met -elke poging om het te ontleden en naar waarde te schetsen. - -Een klein, licht, opzettelijk tot reisboot ingericht vaartuig, zooals -men dit in Kartoem, de hoofdstad van Oost-Soedan, aan de samenvloeiing -der beide Nijlarmen gelegen, kan vinden, draagt ons naar den -hooggezwollen Asrakh. Wij hebben de tuinen van de laatste huizen der -hoofdstad achter den rug; de steppe nadert de rivieroevers. Hier en -daar ziet men nog een dorp, of enkele, allerliefst onder mimosa’s -wegschuilende, somtijds onder het groen der klimplanten, die van -genoemde boomen afdalen, begraven hutten; overigens echter overal in ’t -rond ziet men niets dan het golvende graswoud en de weinig talrijke, -daaruit te voorschijn stekende boomen en struiken der steppe. Reeds na -eene korte vaart maakt het woud zich van den oever meester en breidt -hier en daar zijn doornige of met stekels bezette takken over den -waterspiegel uit. Van nu aan vorderen wij langzaam. De tegenwind belet -het zeilen, het woud het trekken. Met de bootshaken trekt de bemanning -het vaartuig, voet voor voet, meter voor meter, stroomopwaarts. Echter, -wanneer een hunner in den dichten doornenmuur van den oever eene -opening ontwaart, waar men te voet verder kan gaan, stort hij zich in -den stroom, het trektouw met de tanden vasthoudende, zijn sterfelijk ik -onder bescherming stellende van Moehsa, den patroon der schippers, die -de krokodillen van hem moge weren, zwemt tegen den stroom in naar de -zooeven geziene plaats, werpt het touw om een boomstam en nu trekken -zijn makkers het vaartuig naar bedoeld punt. Zoo arbeiden deze lieden -van den vroegen morgen tot den laten avond, en wanneer de dag eindelijk -voorbij is, hebben zij den reiziger dikwijls niet meer dan een of twee -geographische mijlen verder gebracht. En toch, de dagen vliegen om -zonder dat althans hij, die geleerd heeft te zien en te hooren, door -verveling gekweld wordt. Den natuurkundige, ja eigenlijk iederen -weetgierigen waarnemer, biedt elke dag iets anders, den verzamelaar -rijk en veelsoortig materiaal. - -Nog een enkelen keer ontmoet men sporen van den mensch. Wie deze van -den oever af vervolgt, komt langs smalle, door dicht geboomte -weêrszijds nauw begrensde paden, bij de woningen van een zeer -merkwaardig volkje. Het zijn de Hassanie, die hier huizen. Daar, waar -de boomen des wouds minder dicht opeen staan, en geen drie- en -viervoudig kroondak boven de hoofden opbouwen, maar slechts de -hooggetopte, schaduwrijke mimosa’s, tamarinden en baobabs groeien, daar -sloegen onze luidjes hunne bevallige, tent- of kraamvormige hutten op, -die in niets gelijken op de woningen der overige Soedaneezen. - -„Hassanie” beduidt zooveel als: nakomelingen van Hassan; „Hassan” wil -zeggen: „de schoone,” en inderdaad, deze stam voert dien naam niet ten -onrechte. Want de Hassanie zijn ontegenzeggelijk de schoonste menschen, -die in het beneden- en middelgedeelte van dit stroomgebied wonen, -terwijl inzonderheid de vrouwen alle overige Soedaneezen in -welgemaaktheid van lichaam, in regelmaat van aangezicht en mindere -donkerheid van huidkleur overtreffen; mannen en vrouwen beiden houden -tevens streng vast aan zekere, zeer vreemde oudvaderlijke zeden—die men -misschien evengoed wanzeden zou kunnen noemen. De Hassanie zijn daarom -dan ook evenzeer beroemd als berucht, worden even sterk vermeden als -gezocht, zoowel geprezen als bespot, verheerlijkt als gelaakt. Voor den -onbevooroordeelden vreemdeling, die er prijs op stelt de zeden en -gebruiken van andere volken te leeren kennen, zijn zij in elk geval een -voorwerp van de grootste belangstelling, zoo niet om de schoonheid, dan -toch om de behaagzucht, die de vrouwen aan den dag leggen. Die -behaagzucht is van dien aard, dat men er onwillekeurig door in eene -vroolijke luim wordt gebracht. Die vrouwen willen en moeten behagen. -Het behoud harer schoonheid is het eenigste en hoogste doelwit, dat zij -nastreven; zij stellen dit boven elk ander, zelfs geldelijk voordeel. -Ten einde den invloed der brandende zonnestralen te ontgaan, die hare -lichtbruine huidkleur in eene donkere zou kunnen veranderen, houden zij -verblijf in de schaduw der boomen en stellen zich tevreden met een -klein getal geiten, die behalve den hond haar eenige huisdieren zijn; -in dat schemerlicht zouden zij er trouwens ook geen andere kunnen -houden. Gaarne geven zij daarvoor den rijkdom in ruil, dien hare -stamgenooten, de trekkende herders der steppe, vinden in talrijke -kudden runderen en kameelen. In ’t belang harer schoonheid zijn zij er -steeds op bedacht in ’t bezit te komen van een groot aantal slavinnen, -die den zwaren arbeid voor haar kunnen verrichten; ter versiering van -aangezicht en wangen verduren zij reeds als meisjes heldhaftig de pijn, -die hare moeder haar aandoet, door met een mes drie diepe, parallelle, -loodrechte kerven in de wangen aan te brengen, ten gevolge waarvan op -die plaatsen even zooveel gezwollen litteekens te voorschijn komen, of -ook wel door met eene naald de huid der slapen, van voorhoofd en kin te -doorboren, om in de wonden indigopoeder te strooien, waardoor er -blauwe, spiraalvormige versiersels ontstaan; ten einde hare schitterend -witte tandjes te conserveeren, gebruiken zij alle spijzen en dranken -lauw; om lang verzekerd te blijven van den haartooi, die uit honderden -fijne, zeer kunstig ineengedraaide bundeltjes bestaat, die zij -insmeeren met arabische gom en vet, begeeren zij des nachts geen ander -hoofdsteunsel dan een smal, halvemaanvormig houten kussen; om haar -aesthetisch gevoel te bevredigen, misschien ook om door elken bewoner -of bezoeker der kolonie opgemerkt en bewonderd te worden, verzonnen zij -den eigenaardigen bouwtrant harer woningen. Men kan deze misschien het -best vergelijken met de kramen op onze markten. De vloer, die uit -dichtaaneengesloten, met elkaar verbonden, een duim dikke staven -bestaat, ligt op een paalwerk, dat zich ongeveer een meter boven den -beganen grond verheft en het binnendringen van alle kruipend ongedierte -zeer bemoeilijkt, alsmede de vochtigheid afweert; de muren bestaan uit -matten, het dak, dat aan de opengelaten noordzij overhangt, uit eene -waterdichte, van geitenwol geweven stof. Sierlijke, uit palmbladen -gevlochten matten bekleeden den vloer; kunstig bewerkte, gevlochten -voorwerpen, guirlandes van schelpen, waterdichte mandjes, aardewerk en -drinkschalen, die uit de helft eener pompoen bestaan, bonte, eveneens -gevlochten eetnappen met deksels, en dergelijke meer versieren de -wanden. Elk afzonderlijk voorwerp ziet er niet minder fijn bewerkt dan -zindelijk uit; orde en reinheid in de geheele hut bekoren ons hier te -meer, omdat beide in dit land zoo zeldzaam zijn. - -In zulk eene hut brengt de Hassanie den dag droomend door. In het beste -gewaad gestoken, haar en huid met welriekende zalf ingewreven, het -bovenlijf in een lang, dun, doorschijnend weefsel gehuld, terwijl om -het benedenlijf een soort van rok is geslingerd, de voeten bekleed met -net bewerkte sandalen, hals en borst versierd met kettingen en -amuletten, de armen met snoeren, samengesteld uit stukjes barnsteen, -den eenen neusvleugel zoo mogelijk met een zilveren, soms wel met een -gouden ring getooid, zoo zit zij in de schaduw neder en verkreukelt -zich in haar schoonheid. De kleine hand houdt zich onledig met eenig -vlechtwerk, het vervaardigen van eenig kleedingstuk of het een of ander -huisraad, hanteert wellicht op dit oogenblik den tandenschuier, een aan -beide einden uitgerafelde, voor het doel uitnemend geschikte -plantenwortel. Het werk, dat de huishouding vereischt, neemt eene -slavin op zich; met de oppassing en verzorging der kleine kudde, voor -zooverre die arbeid eenige moeite vergt, is de dienstvaardige, meer dan -gewoon vriendelijke echtgenoot belast. Weldoordachte, zeer ongewone -huwelijkskontrakten, zooals deze onder haar stam gebruikelijk zijn en -trots alle voorschriften en bevelen van de beheerschers des lands -steeds in stand blijven, waarborgen der vrouw ongehoorde rechten. Zij -is meesteres in de onbeperkste beteekenis des woords, meesteres zelfs -over haar echtgenoot, althans tot zoolang haar schoonheid bloeit; maar -is eenmaal de ouderdom gekomen en met dezen de schoonheid verwelkt, dan -ook leert zij de vergankelijkheid van alle aardsche heerlijkheid -kennen. Tot zoolang doet zij, enkel beperkt door de grenzen van -vrijheid, die zij zich zelve stelt, alles wat haar goeddunkt. Zoolang -de kronen der boomen om hare hut geen schaduw genoeg werpen, verlaat -zij hare woning niet, maar heet daarentegen iedereen, vooral den -vreemdeling, die bij haar binnentreedt, hartelijk welkom, om alleen, of -met behulp van haar echtgenoot de eer van den stam op te houden, die in -eene bijna grenzenlooze gastvrijheid bestaat. Maar wanneer de avond is -gedaald, begint eerst haar eigenlijk leven. Nog voor de zon is -ondergegaan, komt er beweging in de kolonie. De eene vriendin bezoekt -de andere; andere vrouwen voegen er zich bij; trommel en cither lokken -nog meerderen; slanke, bewegelijke, buigzame gedaanten reien zich ten -vroolijken dans. Poezele handjes dompelen de drinkschalen in buikige, -met merisa of doerrabier gevulde urnen, om ook de harten van mannen -gelukkig te maken. Oud en jong stroomt samen en viert met te meer -vreugde het avondfeest, wanneer de tegenwoordigheid van vreemde -bezoekers dit opluistert. Ongewoon groot is de gastvrijheid van alle -Soedaneezen, maar zoo groot als de gastvrijheid der Hassanie is die van -geen enkelen stam. - -Bij de voortzetting onzer reis stooten wij nog een enkele maal op de -nederzettingen dezer boschherders, ook soms op de dorpen van andere -Soedaneezen; eindelijk, na eene maandenlange vaart bereiken wij het -gebied, waarheen het doel was gericht. Aan beide oevers der rivier -belet een onafgebroken woud het uitzicht naar binnen. - -In deze streken vindt men geen nederzettingen van menschen meer, geen -dorpen, geen akkers, geen tijdelijke legerplaatsen; in deze wouden -weêrklonk nog nimmer de bijlslag, daar de mensch er zich nog niet -meester van maakte; hier huizen enkel, door niets en niemand gestoord, -de dieren der wildernis. Ondoordringbare heggen sluiten den toegang van -de rivierzijde af en weerstreven elke poging om tot bet binnenste dezer -bosschen door te dringen. Uit alle schakeeringen van groen is het -betooverend beeld dezer wouden gemaald; een beeld, dat ons nu eens -bekend, dan weder geheel vreemd voorkomt. Lichtgroene mimosa’s vormen -den achtergrond, als zilver, glinsterende palmbladeren, de donkergroene -kronen der tamarinden, heldergroene struiken van Christusdoorns steken -tegen dien achtergrond af; veelsoortig gevormde bladeren sidderen en -wiegelen, door den wind bewogen, glinsteren en schitteren, nu de eene, -dan de andere zijde ons toekeerende, voor het oververzadigde en -verblinde oog, dat zich vergeefs vermoeit om dat gewarrel der bladeren -te ontsluiten en de afzonderlijke deelen vaneen te scheiden. Mijlen ver -dragen de beide oevers ditzelfde karakter, zijn zij even dicht -begroeid, even grootsch omzoomd, even ondoordringbaar. - -Daar vertoont zich eindelijk een pad, wellicht zelfs een breede weg, -die naar het binnenste van het woud schijnt te leiden. Tevergeefs -echter speurt het oog naar de indrukselen van menschelijke voeten. Door -menschen werd dit pad niet gebaand, de dieren des wouds hebben het -aangelegd. Eene kudde olifanten trok door het dicht ineengeweven woud -om van de waterlooze hoogten, die den oever begrenzen, naar den stroom -af te dalen. In eene lange rij achter elkaar marcheerende, braken de -zware dieren ongehinderd door het duizendvoudig ineengevlochten -onderhout en lieten zich slechts door de zwaarste, hooggestamde boomen -van den rechten weg afleiden. Hinderlijke takken, alsmede stammen ter -dikte van een mansbeen werden afgebroken, onttwijgd, ontbladerd, tot op -de onbruikbare deelen verteerd en dan op zij geworpen; de struiken, die -den grond bedekken, werden met de wortels uitgetrokken en op dezelfde -wijze gebruikt en weggeworpen, gras en kruiden vertrapt en vertreden. -Wat de voorsten lieten staan, viel den achtersten ten offer, en zoo -ontstond er een betreden, meestal diep tot in het binnenste van het -woud voerend pad. Andere dieren droegen er zorg voor dien weg nog meer -te effenen en het weder dichtgroeien te verhinderen. Op zulk een weg -waagt zich het nijlpaard, dat in het nachtelijk uur uit de wateren van -den stroom opstijgt, om in het bosch te grazen; op zulk een pad wandelt -het neushoorndier om van uit het bosch naar den stroom te gaan drinken; -op dit pad trekt de onbesuisde wilde buffel naar beneden en stijgt hij -wederom naar de hoogte terug; hierop wandelt de leeuw door zijn gebied; -en op ditzelfde pad kan men hem of den panther, de hyena en andere -roofdieren des wouds ontmoeten. - -Op dit pad dringen ook wij voorwaarts. - -Wij hebben nog maar weinige schreden gedaan en reeds omgeeft ons het -majestueuse woud aan allen kant. Maar tevergeefs blijkt het ook hier de -stammen-, takken-, twijgen-, ranken- en bladerenmassa’s te willen -ontwarren. Als een muur sluit het woud zich aan beide zijden van den -weg af. Onafgebroken staren ons dicht in elkaar gegroeide, -ineengewevene, zelfs voor het oog ontoegankelijke, den grond overal -woekerend bedekkende bosschen en struiken aan; alleen door deze op zij -gedrongen, ontspruiten daartusschen allerlei grassen, die een nieuw -onderhout in het bestaande onderhout vormen; onmiddellijk daarboven -strekken hoogere struiken en lage boomen de twijgen hunner kronen naar -alle zijden uit; en boven deze laatsten eindelijk verheffen zich de -reuzen des wouds. - -Verreweg de meeste struiken van het onderhout zijn dicht met doornen, -de daarboven uitstekende mimosa’s met lange, harde en puntige stekels -gewapend, en zelfs de grassen dragen klisachtige, overal met fijne -stekeltjes bezette zaaddoozen, of met haken gewapende aren, zoodat elke -poging om van den weg uit naar binnen te dringen, op duizend -hindernissen stuit. - -De gedoode vogel, die bij het neêrvallen op een der naaste struiken is -blijven hangen, is voor den schutter verloren; zonder bijna -bovenmenschelijke inspanning zou men niet in staat zijn dat boschje te -bereiken; het wild, dat zich voor het oog des jagers in zulk een -struikgewas verbergt, heeft zich gered, want het is onzichtbaar -geworden; een krokodil, meer dan 3 meter lang, dien wij in het bosch -deden opschrikken, ontging ons, daar het dier zich wist te verschuilen -in het struikgewas, dat hem zoo geheel aan onze oogen onttrok, dat wij -ook zelfs geen schub meer konden ontwaren, dus ook geen schot behoefden -te doen. - -Nog altijd doet men vergeefsche pogingen om meester te worden van de -veelheid der indrukken, om het eene beeld van het andere te scheiden, -om zelfs maar éénen boom van den grond af tot aan zijn top afzonderlijk -te beschouwen, de bladeren van den een af te zonderen van die des -anderen. Van uit de rivier was het nog mogelijk enkele frischgroene -tamarinden te scheiden van de hun omgevende veelsoortige mimosa’s, de -prachtige, aan onzen olm herinnerende Kigelia’s in ’t oog te vatten, -zich te vermeien in den bladerenkroon eens palmbooms, die hoog boven de -andere woudboomen uitstak; hier, in het binnenste van het woud -versmelten alle afzonderlijke deelen tot een enkel, ondeelbaar geheel. -Alle zinnen worden te gelijk in beslag genomen. Uit hetzelfde loofdak, -dat het oog tracht te openen, stroomen de zoete geuren ons tegen van -enkele, nu bloeiende mimosa’s, klinkt een mengelmoes der -vreemdsoortigste geluiden en tonen, het gegorgel der meerkatten, het -gekrijsch der papegaaien, het gearticuleerde geluid der zangers, het -gegons der de bloeiende boomen omzwermende insekten, ons in de ooren; -het lichamelijk gevoel wordt niet minder, alhoewel op weinig aangename -wijze, aangedaan door de ontelbare doorns, terwijl zelfs de smaak -voldoening kan vinden in enkele bereikbare, ofschoon niet erg -smakelijke vruchten. - -Eindelijk evenwel, als men verder doordringt, treedt een zelfstandig en -bepaald beeld voor ons op. Gigantisch in zijn geheelen bouw, reusachtig -zelfs nog in zijn takken, verheft zich een boom boven de ontelbare -planten, die zijn voet met groen omlijsten; als een titan stijgt hij -omhoog, baant hij zich ruimte voor stam en kruin. Het is de olifant -onder de boomen, de Adansonia of Tabaldie der inboorlingen, de baobab -of apenbroodboom. Versteld blijft men staan; het oog moet zich eerst -gewennen aan dit gezicht, alvorens de afzonderlijke deelen in ’t oog te -kunnen vatten. - -Men denke zich een boom, welks stam, ter hoogte eener manslengte boven -den grond, een omvang heeft van twintig vademen, welks onderste takken -de zwaarste stammen onzer boomen nog in dikte overtreffen, welks -twijgen zelfs dikke takken zijn en welks jongste spruiten vele -centimeters doorsnede hebben; men denke zich daarbij eene hoogte van -veertig meter, terwijl de onderste takken zich tot op de helft dezer -hoogte uitbreiden, en men zal zich eene flauwe voorstelling kunnen -vormen van den indruk, dien deze boom op den beschouwer maakt. Van alle -boomen in dit oerwoud verliest de baobab het eerst zijn bladeren, en -volhardt tevens het langst in zijn winterrust; al dien tijd teekenen -zich niets dan dorre takken en twijgen tegen de lucht af, beladen met -aan lange, buigzame stelen hangende vruchten, die in grootte op -suikermeloenen gelijken en tusschen de zaden een meelachtig, zuur -smakend merg bevatten; het is een gezicht, dat men niet gemakkelijk -vergeet. Wanneer evenwel na den eersten voorjaarsregen de groote, -vijfspletige bladeren te voorschijn komen en zich ontwikkelen, om dan -eerst de eigenlijke wonderpracht dezer boomen tot aanschouwing te -brengen; wanneer zich de langgesteelde knoppen der witte bloemen, die -de grootte eener roos bereiken, tusschen de bladeren laten zien, dan -verkeert de onvergelijkelijke reuzenboom als door tooverij in een -gigantischen rozenstruik van ongemeene pracht, en zelfs de ziel der -meest prozaïsche menschen wordt tot in het binnenste van haar binnenste -ontroerd. - -Geen enkele boom van het oerwoud kan zich meten met de Adansonia; zelfs -de Delebpalm, die gewoonlijk zijn kruin boven alle omgevende toppen -verheft, verliest tegenover den eerste iets van zijn bekoorlijkheid en -aantrekkelijkheid, en toch is deze palmboom een der heerlijkste boomen -van Afrika’s binnenlanden, ja een der schoonste palmen der geheele -aarde. Zijn stam is een zuil, zooals geen kunstenaar haar schooner zich -kan denken, zijn kroon een kapiteel, gelijk bij zulk een zuil past. De -loodrecht opstijgende, boven den grond verdikte stam verjongt zich op -eene in ’t oog vallende wijze tot op ’t midden der lengte, om van dit -punt af dikker, dan nogmaals dunner te worden en onmiddellijk onder de -kroon nogmaals op te zwellen; de kruin zelf bestaat uit breede, bijna -een vierkanten meter groote, waaiervormige bladeren, wier stelen naar -alle kanten in rechte lijnen van het middelpunt afstaan, wat aan de -kroon een indrukwekkend voorkomen geeft. Tusschen deze bladeren prijken -de trosvormige vruchten, die de grootte van een kinderhoofd bereiken en -niet weinig bijdragen om de schoonheid te verhoogen, welke deze -heerlijke kroon niet enkel aan den stam, maar ook aan het geheele woud -verleent. - -Aan het reusachtige hecht zich steeds het sprookje, dat daardoor leven, -vorm en beteekenis erlangt. Deze gedachte dringt zich onwillekeurig bij -ons op, wanneer wij, zooals dikwijls het geval is, eene Adansonia -omslingerd en omsponnen zien door een dier klimplanten, welke in rijken -overvloed ook deze oerwouden sieren en tooien. Mij doen zij steeds -denken aan de Arabische tooververtellingen. Want even als de klimplant -geen voedenden grondslag schijnt noodig te hebben, ofschoon zij -werkelijk daaruit ontkiemde, maar haar voornaamste voedsel put uit den -aether; evenals zij haar ranken van boom tot boom slingert om ze -telkens vast te hechten en toch steeds hooger te klimmen, totdat zij -zich eindelijk over den eenen of anderen kruin uitbreidt en er de -schitterendste en geurigste bloemen over uitstrooit—eveneens schijnt -ook het sprookje, hoe vast het inderdaad in het feitelijke moge -wortelen, niet aan de werkelijkheid ontleend te zijn, en klimt het, om -meerdere sterkte te ontvangen, tot de hemelen omhoog en zendt het zijn -verdichtselen door de wereld, tot het een hart vindt, vatbaar om -geroerd en verwarmd te worden. Wanneer ik van de klimplant spreek, -bedoel ik niet eene bepaalde soort, maar begrijp onder dit woord alle -gewassen, die hier in saamgedrongen schroeflijnen een stam omgeven, -ginds zich slingeren om een kale kruin, elders vele boomen -aaneensnoeren, wederom op eene andere plaats een enkelen boom met groen -bedekken, in dit gedeelte des wouds als naakte ranken een brug slaan -van tak tot tak, in een ander gedeelte den weg versperren, en nog op -velerlei andere wijzen, maar altijd klimmende, altijd rankende, zich -voordoen. - -Hare schoonheid en de betooverende indruk, dien zij op den bewoner der -noordelijke landen uitoefenen, laat zich gevoelen, maar niet in woorden -teruggeven; want evenals men aan eene klimplant dikwijls begin nog -einde kan aanwijzen, evenmin is er een uitdrukking te vinden, die als -begin of slot eener juiste beschrijving zou kunnen dienen. - -De slingerplant is tastbaar aanwezig en toch voor de waarneming niet -toegankelijk; men vervolge vol bewondering het pad, dat haar ranken -hebben ingeslagen, maar het blijft onmogelijk uit te vorschen, waar -deze vandaan zijn gekomen en werwaarts zij zich begeven; men geniet van -de aanschouwing harer bloemen, zonder te vermogen deze machtig te -worden; dikwijls kan men slechts vermoeden, dat die bloemen door haar -werden voortgebracht. De klimplant eerst drukt een stempel op het -oerwoud. - -En niet alleen ontplooit zij haar eigen bloemen, zij tooit zich nog -daarenboven met vreemde. Op hare ranken rusten bij voorkeur zekere -prachtvogels des wouds, die tot levende bloemen worden, en de -natuurlijke in pracht en schoonheid zelfs overtreffen. Nu en dan wordt -het oog getroffen door een flikkerend licht, evenals dat, hetwelk een -door de zonnestralen getroffen spiegelvlak uitzendt. Dit licht is -inderdaad niets anders dan teruggekaatst zonnelicht, opgevangen door -het atlasgroene gevederte eener glansspreeuw, en dat bij elke beweging -van dezen vogel eene andere richting inslaat, nu naar boven, dan naar -beneden, nu naar rechts, dan naar links. Betooverd door de ongemeene -schoonheid van dezen enkelen vogel, zou men hem nauwlettend willen -gadeslaan, zou men elke zijner levensuitingen willen bespieden, maar -men wordt voortdurend door nieuwe indrukken afgeleid. - -Want ook hier verdringt het eene beeld onophoudelijk het andere. Ter -plaatse, waar zooeven de glansspreeuw zich liet zien, verschijnt in het -naast volgende oogenblik een niet minder schitterende en glinsterende -goudkoekoek, een honigzuiger, die in veêrenpracht met de kolibri’s kan -wedijveren, een paar aanvallige bijeneters, een met levendige kleuren -prijkende scharrelaar, een niet minder schoone liestvogel, een -paradijsvliegenvanger, wiens lange, hangende middelste stuurpennen den -kleinen vogel tot geen gering tooisel verstrekken; een helmvogel, die -bij elken vleugelslag de donker purperroode slagpennen ontplooit, een -klauwier, wiens helderroode borst genoemde slagpennen nog in de schaduw -stelt, een zeer vreemd gevormde neushoornvogel, een goudwevervogel, een -whidah, een boomhop met metaalglans, een sierlijke specht, een -bladgroene duif, eene vlucht eveneens gekleurde papegaaien en vele -andere gevederde boschbewoners meer. Het oerwoud is de meest geschikte -verblijfplaats voor vogels; het biedt honderden en duizenden soorten -herberg en voedsel, en daarom ziet de waarnemer ze spoediger en meer -dan alle overige daarin schuilende dieren. De vogels bewonen en -verlevendigen alle deelen des wouds, elke boomkruin, den grond, de -hoogste toppen, de ondoordringbaarste struiken en zelfs de bladerlooze -takken der Adansonia’s. Tusschen de grassen en andere planten, die den -grond woekerend bedekken, banen frankolijnen en misschien ook -parelhoenders dooreengeslingerde, allengs plat getreden paden. In het -loof, boven de wortels van het kreupelhout hebben zich kleine duiven, -in de uiteengespreide kruinen verschillende prachtvogels, vooral -honigzuigers en prachtvinken genesteld; naar de dicht als vilt -ineengeweven en schier ondoordringbare toppen der heesters snorren -geheele familiën muisvogels als afgeschoten pijlen los, om al kruipende -en schuivende, elk gaatje benuttende, door elke opening zich wringende, -zich tot het inwendige een weg te banen; boomhoppen, meezen en spechten -hangen en klauteren op en tegen de stammen, die boven genoemde struiken -en heesters uitsteken, om elke spleet in schors en bast te onderzoeken; -op de onderste twijgen der tweede kroonlaag zitten, loerende op -gevleugelde insecten, de aanvallige bijenvreters of scharrelaars, de -paradijsvliegenvangers en drongo’s; op de sterkere takken der derde -laag huppelen de helmvogels, stappen deftig kleine reigers heen en -weêr, slapen, tegen den stam gedrukt, oehoe’s en andere uilen; in het -dichte loof der hoogste boomen spelen papegaaien en baardvogels; -terwijl eindelijk, op de allerhoogste takken, arenden, valken en gieren -zich hebben neêrgelaten. Werwaarts het oog schouwt rust het op een -vogel. - -Met deze algemeene verbreiding en alomtegenwoordigheid in -overeenstemming, treffen dan ook onafgebroken de meest verschillende -vogelstemmen het oor. Het is een lokken en roepen, piepen en fluiten, -kweelen, trillen en snateren, kirren, kwaken, schreeuwen, kraaien, -krijten, gillen, zingen en slaan, links en rechts, vóór ons en achter -ons, omhoog en omlaag, en zulks zoowel te noen als in den morgen of op -den laten avond. - -Honderdvoud verschillende stemmen weêrklinken gelijktijdig en door -elkander, vereenigen zich soms tot een op zich zelf staand groot -concert, dan weder tot een betooverend mengelmoes van tonen, dat men -tevergeefs poogt te ontwarren en eerst na langen tijd in zijn enkele -bestanddeelen vermag te ontleden. Met uitzondering van de lijsters, -bulbuls en boschzangers, basterdnachtegalen en drongo’s bevinden zich -hier geen echte zangers, wel bekoorlijke praters en gemoedelijke -babbelaars, maar inzonderheid oneindig veel schreeuwers, krassers, -schetteraars en andere meer of minder luid gillende vogels. - -Het oerwoud kan zich dus, wat liefelijkheid en welluidendheid van -gezang aangaat, in de verste verte niet meten met onze bosschen op een -lentemorgen, maar wint het aan den anderen kant door de -vreemdsoortigheid en het karakteristieke der afzonderlijke stemmen. - -Wilde duiven koeren, kirren, huilen, lachen, en roepen uit de toppen -der boomen en de dichte struiken; frankolijnen en parelhoenders -schetteren luid daartusschen; papegaaien mengen er zich schreeuwend, -raven krassend in; alarmvogels trachten het vreemde keelgeluid eener -meerkattenfamilie na te bootsen, terwijl de helmvogels tonen -voortbrengen, die aan een buikspreker doen denken; baardvogels fluiten -luid op slependen toon, of dragen gemeenschappelijk een schel verward, -maar toch gevoelvol lied voor, dat men kan kenmerken als een der -eigenaardigste natuurgeluiden des wouds; de schitterende glansspreeuwen -rijgen, verbinden en versmelten de weinige, ruwe, nu eens krassende, -dan weder gillende, ratelende, of krijschende geluiden, over welke zij -beschikken kunnen, in eindelooze herhaling aan en met elkander tot een -zeker geheel; de prachtige schreeuwzeearend, die zijn woonplaats -opslaat aan alle waterbekkens en waterstroomen des lands, doet zijn -naam geen oneer aan. - -Hoog op den top eens booms zit de „Aboe Tok” (voortbrenger van het -geluid „tok”) der inboorlingen, een kleine neushoornvogel, die luid -zijn „tok” door de wildernis laat weêrklinken en elken roep doet -vergezeld gaan van eene diepe buiging met zijn door een bovenmatig -grooten snavel bezwaarden kop. - -Enkel dit ééne geluid heeft hij in zijn plompen keel en hiermede moet -hij evengoed aan het wijfje zijn liefde verklaren als de nachtegaal -zulks doet met zijn betooverend gezang. Het verheven gevoel, dat zijn -borst doet zwellen zoekt uiting; steeds sneller volgen de tonen -elkander op, steeds sneller ook de buigingen, die daarmede vergezeld -gaan. Eindelijk raakt de logge kop vermoeid. Het minnelied is tevens -uit, maar spoedig daarna vangt het opnieuw en op gelijke wijze aan. Uit -het ongenaakbaar dikke struikgewas, klinkt de stem van den hagedasch of -bosch-ibis; huivering bevangt den waarnemer als hij dit hoort. Het is -een jammerend klaaglied, wat deze vogel ons aanbiedt; het klinkt alsof -er een kind pijnlijk gemarteld wordt, b.v. langzaam over een zwak vuur -zal geroosterd worden, terwijl het onder deze marteling luide kreten -slaakt; langgerekte, klagende tonen wisselen af met een gillend -geschreeuw, snelle kreten met een wegstervend gejammer. Uit de hooger -gelegen deelen van het woud, van af daar, waar zich kleine open plekjes -bevinden, schetteren de ver hoorbare, metaalachtige trompetgeluiden van -den kroon-kraanvogel, die daarmede zijn sierlijke, vlugge, ter eere van -het wijfje uitgevoerde dansen schijnt te willen aanvuren, en zoowel in -het bosch als in de kelen van andere eveneens gillende vogels echo’s -opwekt; een groot aantal krijschende stemmen mengen zich tot een -veelvoudig koor. Dit concert is weer aanleiding, dat elke geluidgevende -vogel zijn keel begint te roeren, en in een stroom van de meest -verschillende geluiden gaan alle afzonderlijke stemmen nu verloren. - -Het zijn echter niet enkel de verschillende soorten van gewiekte -bewoners des wouds, die deel nemen aan zulk een algemeen concert, maar -zelfs de diverse geslachten eener soort vereenigen zich om de een of -andere partij in het lied op zich te nemen. Evenals de vermelde -baardvogels vangen ook de basterd-lijsters, de alarmvogels, de -frankolijnen en parelhoenders steeds op hetzelfde oogenblik hun -geschreeuw aan, en zoo hoort men te midden van het algemeene mengelmoes -van geluiden tevens nog afzonderlijke, duidelijk waarneembare strophen. -Sommige vogelsoorten, vooral de struikklauwieren, gaan op andere wijze -te werk, daar mannetje en wijfje elk eene bijzondere strophe zingen. -Het mannetje der eene soort, die ik leerde kennen, nl. van den -scharlaken-klauwier, zingt eene korte strophe, die doet denken aan het -ingewikkeld gefluit van den wielewaal; het gezang van den fluitklauwier -bestaat uit drie zeer zuivere fluitgeluiden, die samen terts, grondtoon -en octaaf vormen. Onmiddellijk daarna volgt het antwoord van het -wijfje, in beide gevallen een onaangenaam, moeilijk te beschrijven -gekras, maar zoo maatrijk en zeker, als waren de vogels bij een -toonkunstenaar in de leer geweest. Somtijds begint het wijfje het -eerst; het laat vier of vijf malen een geschreeuw hooren alvorens -antwoord te bekomen; dan valt echter het mannetje weêr in en van nu af -wisselt beider gezang of gesprek met de gewone regelmatigheid af. Ik -heb mij door proefneming van dit samenwerken der beide geslachten -overtuigd, door nu eens een mannetje, dan weder een wijfje te schieten, -en altijd bevonden, dat alsdan nog slechts het overblijvende geslacht -zich hooren liet. - -Jammer genoeg mist men ook in deze aanvankelijk boeiende tonen dien -rijkdom en die afwisseling, die harmonie en zoetheid, eigen aan het -gezang der vogels in onze vaderlandsche bosschen. Toch is het eene -grootsche en kernachtige melodie, welke het oerwoud te hooren geeft, -wanneer in het vroege voorjaar al die honderden en duizenden -veelsoortige stemmen door elkander klinken, als millioenen van insecten -de bloeiende boomen omzwermen en ook haar luid gegons daarin mengen, -wanneer tallooze hagedissen en slangen het dorre loof doen ratelen en -het gillende, maar van uit de hoogte toch nog welluidend geroep van den -adelaar, of het trompetgeschetter van den kroonkraanvogel en de -parelhoenders bij tusschenpoozen alle andere geluiden overstemmen, -terwijl een oogenblik later in de onmiddellijke nabijheid van het -luisterend oor een boschzanger zijn bekoorlijk lied voordraagt, en -daarna weder een der toongevende schreeuwers zich opnieuw laat hooren -om in duizend kelen echo’s op te roepen. - -Wordt men meer vertrouwd met het woud, meer zelfs dan men aanvankelijk -dorst hopen, dan schenkt het ons steeds ruimer gelegenheid om kennis te -maken met het huishoudelijk leven der dieren, en waarlijk -aantrekkelijke beelden ontvouwen zich voor ons oog. De vogels treden -hierbij al weêr op den voorgrond. Nog voert de lente haar heerschappij -en met haar heerscht ook nog de liefde in elke vogelborst. Men zingt en -koost, bouwt en broedt. Reeds van uit de boot ontwaart men de -nestkolonies van sommige soorten. - -Op voegzame hoogte boven het hoogste waterpeil der rivier, aan eenen -steil afvallenden oeverkant, groeven de bijenvreters hunne nauwe, maar -diepe, aan ’t eind bakovenvormig uitgeholde broedplaatsen. - -Op eene oppervlakte van weinige vierkante meters is de geheele kolonie -opeengehoopt, ofschoon gewoonlijk tachtig tot honderd paren zich -vereenigen; de cirkelvormige, drie, vier tot vijf centimeters breede -ingangen der nestholten zijn ten hoogste vijftien centimeter van -elkander verwijderd. Het schijnt onbegrijpelijk hoe elke vogel zijn -eigen nest weet te onderscheiden van dat der anderen, en toch vliegen -deze lichtgewiekte, schrandere vogels, zelfs wanneer zij van verre -komen aanijlen, zonder dralen, zonder zich te bedenken elk in zijn -eigen hol; hun uitnemend gezicht, dat reeds op een afstand van honderd -schreden een voorbijsnorrende vlieg ontwaart, bedriegt hen nimmer. Het -is een bekoorlijk schouwspel het levendig bedrijf dezer vogels gade te -slaan. Alle boomen en struikjes der omgeving zijn ten minste met een -enkel paar dezer gezellige, fraaie vogels getooid; op iederen tak, waar -het uitzicht eenigszins vrij is zit een paartje, en elk der -echtgenooten neemt vol belangstelling deel in alles wat den ander -wedervaart of wat deze doet. Voor den ingang der nestholten gaat het -even levendig toe als voor een bijenkorf; hier kruipen de vogels naar -binnen, daar kruipen andere naar buiten; deze komen, gene gaan; een -aantal zweeft weder voor de ingangen of vliegt naar de broedruimten. -Eerst met het aanbreken van den nacht, dien allen in het nest -doorbrengen, wordt het rustig en stil. - -Op andere plaatsen van den oever, waar hooge boomen hunne takken over -het water uitbreiden, of die bij hoogen rivierstand geheel in het water -komen te staan, hebben de goudwevervogels zich verzameld. Ook deze -broeden gezellig, bouwen echter vrij hangende, aan de uiterste -twijgeinden bevestigde, zeer kunstig uit grashalmen en vezels -samengestelde nesten. Geen gulzige meerkat, geen ander eierroovende -vijand, zelfs geen slang, kan zonder gevaar te loopen van naar beneden -te tuimelen en in het water te vallen, deze nesten nabij komen. -Minstens drie, in den regel echter veertig tot zestig wevertjes broeden -op een en denzelfden boom, en hunne nesten verleenen aan dezen een zeer -eigenaardig voorkomen, ja zelfs het geheele landschap verkrijgt er een -bijzonder uitzicht door. - -In tegenstelling met andere vogels zijn het niet de wijfjes, maar de -mannetjes, die de nesten bouwen, en deze gaan daarbij met zulk een -ijver te werk, dat zij nog nesten maken ook dan, wanneer er geen -behoefte meer aan bestaat. Met een zooeven afgebeten halm of -uitgerafelden vezel in den bek komen zij aanvliegen, hangen zich met de -pooten aan een tak of aan het nest zelf vast, houden zich door snelle -vleugelslagen in evenwicht, om onder aanhoudend gezang het meêgebrachte -materiaal te verbouwen. Is het nest op het inwendige na gereed, dan -beginnen zij terstond met een tweede en derde; ook worden reeds gereed -zijnde nesten wel eens weer vernietigd en zoo gaat het voort, totdat -het inmiddels broedende wijfje de hulp van haar echtgenoot bij het -opvoeden der jongen inroept. Deze bedrijvigheid zet aan de geheele -kolonie eene ongewone levendigheid bij; terwijl de goudgele, -bewegelijke, in de meest verschillende houdingen hangende of zittende -vogels nog bovendien een ongemeenen luister verleenen aan de reeds door -de nesten zoo bevallig versierde boomen. - -Ossenpikkers bouwen op de nu bladerlooze mimosa’s hunne nesten, die, de -grootte dezer vogels in aanmerking genomen—de ossenpikkers zijn -nauwelijks zoo groot als een spreeuw—waarlijk reusachtig mogen genoemd -worden. In het dichtste vlechtwerk van takken der vermelde doornige -boomen worden zij opgesteld; uitwendig bestaande uit doorns, die er het -uiterlijk aan geven van een grooten roskam, zijn zij dikwijls meer dan -een meter lang, half zoo hoog en breed, terwijl met de grootte onzer -vogels overeenkomende, dikwijls gedraaide, voor alle andere dieren -ontoegankelijke buizen tot in de inwendige, vrij ruime nestholte -geleiden. Ook op deze boomen heerscht drukte en levendig vertier. - -In het binnenste des wouds stoot men, bij aandachtig toekijken overal -op nesten, hoe moeilijk het ook dikwijls moge vallen deze in ’t oog te -krijgen. Kleine vinken b.v. bouwen er van een vorm, die gelijkt op een -door den wind bijeengewaaid hoopje dor gras; inwendig zijn deze nesten -evenwel zacht en warm, gevoerd met dons; andere vogels bezigen -materialen, die in kleur de omgeving nabootsen; nog anderen bouwen in -’t geheel geen nesten, maar leggen eenvoudig de evenals de grond -gekleurde eieren op den bodem neêr. Alle holten in de boomen zijn thans -bezet, terwijl spechten, baardvogels en papegaaien ijverig in de weer -zijn om voortdurend nieuwe uit te hameren of dieper te maken en in -broedplaatsen te veranderen; de neushoornvogels daarentegen metselen -ze, op eene wijde spleet na, geheel dicht. Vooral de laatstgenoemde -vogels trekken door hun broedwijze bijzonder de aandacht en verdienen -daarom het eerst vermeld. - -Nadat de neushoornvogel zich met veel moeite van ’t bezit van een -wijfje verzekerd heeft, spoort hij in vereeniging met zijne -soortgenooten een geschikte broedholte op. Is er een gevonden, dan -verwijdt het mannetje die niet zijn plompen snavel,—een zeer lastig -werk—zooveel zulks noodig is. Daarna kruipt het wijfje er in, en -terwijl nu de eieren gelegd worden, arbeiden de beide echtgenooten -samen, de een van binnen, de ander van buiten, om den ingang op eene -spleet na dicht te metselen, welke opening juist wijd genoeg is om er -de punt van den snavel nog doorheen te kunnen wringen. Afgesloten van -de buitenwereld, brengt nu het wijfje den geheelen broedtijd in deze -kraamkamer door en het mannetje is verplicht, niet alleen de -ingemetselde gade, maar daarenboven ook nog later de uit het ei gekomen -jongen van voedsel te voorzien; daar deze zeer snel groeien en alzoo -veel voedsel behoeven, heeft hij druk werk. Zijn de jongen zoo ver -gevorderd, dat zij vliegvaardig zijn geworden, dan opent de moeder den -ingang van binnen en de geheele familie fladdert, vet, en goed -bevederd, de wijde wereld in, om van stonden aan den echtgenoot en -vader, die intusschen door het harde werken zoo mager als een geraamte -is geworden, van alle verdere zorg en moeite te ontslaan. - -Gelijke mannen- en vaderliefde legt ook de ombervogel aan den dag; dit -is een ooievaarachtige, stil levende nachtvogel des wouds, ter grootte -van een raaf, wiens reusachtige nesten zeer de opmerkzaamheid trekken. -Deze nesten staan gewoonlijk op geringe hoogte boven den grond in de -gaffelvormige verdeeling van twee stammen, of op een der dikste takken -van de onderste kroon, wanneer deze althans sterk genoeg zijn om een -nest te dragen, dat in omvang en gewicht de grootste roofvogelnesten -verre overtreft; de doorsnede bedraagt soms van anderhalve tot twee -meter, terwijl de hoogte niet veel minder is; het bouwmateriaal bestaat -uit dikke takken en twijgen, die met leem tot een stevig metselwerk -verbonden zijn. Wanneer men niet toevallig heeft gezien, dat de -ombervogel deze nesten in- en uitkruipt, zal men niet licht op het -denkbeeld komen, dat die gevaarten hol zijn: veeleer zou men meenen dat -het de nesten zijn van groote roofvogels, vooral doordien niet zelden -arenden en oehoe’s er boven op gaan bouwen. Helpt evenwel de werkelijke -bouwmeester ons uit deze dwaling, en onderzoekt men die nesten wat -nauwkeuriger, dan bevindt men, dat zij inwendig drie volkomen van -elkaar gescheiden, slechts door gaanderijen of poorten verbonden -ruimten bevatten, die bij scherper toezien zich doen kennen als -voorkamer, gezelschapszaal of eetzaal en kraamkamer. De laatste of -achterste ruimte ligt iets hooger dan de beide andere afdeelingen, -zoodat toevallig binnengedrongen water steeds hierdoor weg kan vloeien; -het geheele gebouw is zoo voortreffelijk samengesteld, dat zelfs de -hoogste en langdurigste regens er weinig of geen schade aan kunnen -toebrengen. De drie, vier of vijf witte eieren liggen in de broedruimte -op een zacht bed van biezen en andere plantenstoffen; zij worden door -het wijfje bebroed. Het mannetje verzamelt in de middelste ruimte -allerlei voedsel, zooals: visschen, kikkers, hagedissen en dergelijke -lekkerbeetjes, en zulks in zulk een overvloed, dat het wijfje te kust -en te keur kan gaan in hoeveelheid en soort van spijs; in de voorste -kamer zit of staat het mannetje, wanneer hij althans niet op voedsel -uit is, om het wijfje gezelschap te houden en middelerwijl over haar en -de later uitgekomen jongen te waken. Zijn deze iets opgegroeid, dan -voorzien de beide echtgenooten samen in de behoeften des gezins. - -De ombervogel en arend of oehoe leveren niet het eenige voorbeeld op -van vriendschappelijk samenwonen van in zeden en gewoonten overigens -ongelijke vogels. Op de breede, van den stam zich horizontaal -uitbreidende waaiervormige bladen van den Delebpalm staan de nesten van -den vluggen en roofgierigen dwerg-slechtvalk en van de Guineaduif, -dikwijls zoo dicht bij elkaar, dat de valk slechts den poot heeft uit -te strekken om een buurkindje te pakken. Zulks gebeurt evenwel niet, -omdat de valk niet anders dan op vliegende vogels stoot, en zoo groeien -de jongen der duif ongestoord op in de buurschap van de telgen van den -valk, en beide geburen zitten vredig en rustig naast elkander, ieder -paar bij zijn eigen nest. - -Nog eene andere palmboom bood mij eene goede gelegenheid aan om vogels -waar te nemen, die bij het broeden eigenaardigheden vertoonden, welke -mij ten hoogste verrasten en boeiden. Onder levendig geschreeuw vloog -een troep dwergachtige gierzwaluwen, verwant aan onze gierzwaluwen, om -eenen Tompalm, waardoor mijne opmerkzaamheid op dien boom werd -gevestigd. Nader onderzoek leerde mij, dat de vogels zich dikwijls -tusschen de bladen van den palmboom begaven en ik ontdekte nu in de -gleuven der bladstelen witte stippen, die ik herkende als zwaluwnesten. -Ik beklom den boom, boog een der bladen naar mij toe en bevond, dat elk -nest, dat hoofdzakelijk uit boomwol bestond, in den hoek tusschen den -steel en de bladhelft op de bij gierzwaluwen gebruikelijke wijze met -behulp van speeksel was vastgelijmd. Maar de nestkom kwam mij zoo vlak -voor, dat ik het onmogelijk oordeelde, dat de beide eieren daarin -konden blijven liggen, wanneer de bladeren door den wind heen en weer -bewogen werden. En de minste ademtocht brengt zulke bladeren in -beweging; hoe moesten ze niet geslingerd worden bij stormweder! -Behoedzaam naderde ik met de eene hand de eieren, om ze uit het nest te -nemen; daar ontdekte ik tot mijne verbazing, dat zij door de moeder -waren vastgelijmd! En toen ik de pas uitgekomen, nog gansch en al -onbeholpen jongen nader onderzocht, ontdekte ik, dat ook deze op -gelijke wijze waren vastgekleefd, om ook hen voor uitvallen te -vrijwaren. - -Daar de vogels door hunne alomtegenwoordigheid, schoonheid, -levendigheid en bewegelijkheid, alsmede door hun gezang—of -geschreeuw—voortdurend de opmerkzaamheid van den aandachtigen waarnemer -trekken, bemerkt men, de ook hier zeer talrijke hagedissen en slangen -en insecten niet medegerekend, weinig van de overige bewoners van het -oerwoud, althans niet van de daarin verblijfhoudende zoogdieren. Wat -ons evenwel niet ontgaan is, is eene troep meerkatten; de levendigheid -en ongedurigheid toch, die deze soorten even gelijk alle Afrikaansche -apen eigen is, doet ze zelfs in ’t oog vallen van iemand, die niet aan -zien gewend is. En schouwt het oog deze dieren niet, dan hoort men ze -in elk geval; het geluid, dat zij uiten, is een voortdurend gegorgel. -Meest alle andere zoogdieren evenwel kan men tot op weinig meters -afstand voorbijgaan zonder ze gewaar te worden. Verreweg het meerendeel -wordt eerst bedrijvig na den ondergang der zon en zoekt voor het -aanbreken van den dag zijn legerplaats weder op, maar ook die, welke in -de morgen- en avonduren, als de zon schijnt, in de weer zijn, laten -zich niet zoo gemakkelijk waarnemen als men wel zou denken; het dichte -woud onttrekt hen te veel aan het oog. „Hebt gij,” zoo luidde de vraag -van een Europeaan, met wien ik eens in het oerwoud was gaan jagen, -„hebt gij dien panter niet gezien, die voor een paar minuten mij -voorbij vloog en naar u toeliep? Ik kon niet schieten, omdat ik mijn -geweer niet gereed had; gij moet hem toch gezien hebben.” Het was zoo -niet; ik had wegens de dichtheid van het struikgewas het groote dier -zelfs niet eens bemerkt. Waar het dichte geboomte zulks niet doet -onttrekt de gelijkheid van kleur met de omgeving de dieren aan het -gezicht. De grijsachtige halfaap, die op een met korstmossen bedekten -hoogen boomtak ineengehurkt zit te slapen, gelijkt zoo sprekend op een -uitwas des booms, dat eerst dan de dierlijke gedaante duidelijk wordt, -wanneer de jager zijn kijker uit den zak haalt en dien uitwas -nauwkeuriger in ’t oog vat. De vleêrmuis, die daar boven aan een -kruintak hangt, gelijkt sprekend op een verdord blad en zelfs het bonte -vel van den panter kan in het bosch door dorre bladeren en bloeiende -Euphorbia’s zoo getrouw worden weêrgegeven, dat het mij persoonlijk -eens is gebeurd, dat ik met aangelegd geweer tot vijftien schreden -afstands een boschje moest naderen, waarin zich een panter had -verscholen, alvorens ik dier en omgeving van elkander vermocht te -onderscheiden. Geheel hetzelfde geldt voor de in het woud levende -antilopen en verder voor alle zoogdieren in ’t algemeen—en zij zelf -zijn zich des bewust. Niet overal in het oerwoud huizen de antilopen; -slechts hier en daar en dan steeds talrijk leeft b.v. een kleine soort, -nl. het struikbokje of de windhond-antilope. Dit is een der bevalligste -herkauwende dieren, sierlijk gebouwd, niet grooter dan een reekalf van -weinige dagen, vosachtig grijsblauw van kleur; het bewoont paarsgewijs -het dichtste kreupelhout, kiest voor leger of verblijfplaats een goed -bebladerden tot op den grond vertakten struik en trapt van hier uit -smalle paden plat, die in de meest verschillende richtingen het dichte -gewas doorkruisen. Ik heb vele dezer dieren gedood; aanvankelijk ging -het mij echter evenals alle andere reizigers en jagers, die dit dier -leerden kennen; ik kon het maar niet in ’t gezicht krijgen, al was het -ook opgejaagd en als een pijl uit den boog mij voorbijgesneld. „Zie -Heer! daar in het naaste boschje staat een bokje; ginds in de opening -tusschen de beide dik bebladerde takken staat het; ziet gij het niet?” -zoo fluisterden mijn inlandsche gidsen mij in ’t oor. Ik deed mijn -uiterste best, boorde mijn oogen in het aangeduide boschje,—ik zag -niets anders dan takken en bladeren; want tot takken werden de -sierlijke pooten, tot een dik bebladerden tak kop en lijf. Maar het oog -eens jagers vindt ook eindelijk in het oerwoud den weg. Wanneer men -eenigermate met de zeden en gebruiken der lieve antilopen vertrouwd is -geworden, leert men deze dieren even zeker opsporen als de scherpst -ziende inlander. Door haar fijn gehoor wordt de antilope den naderenden -mensch veel vroeger gewaar dan deze haar spoor ontdekt. Door het -geruisch der zware voetstappen opgeschrikt, is zij van haar leger -opgesprongen, en doet eenige schreden vooruit om eene opening te -bereiken, van waar zij een vrijer uitzicht heeft. Als een gegoten -metalen beeld, stijf en roerloos, zonder zelfs de lang van te voren -reeds opgerichte ooren te bewegen, zonder een harer loopers te draaien, -staat zij daar, en luistert en kijkt; de poot, die tot vooruitgaan -opgeheven werd, volhardt in de aangenomen houding, geen leven verraadt -zij. Thans is het des jagers tijd; fluks heft hij de buks omhoog, trekt -en schiet: een oogenblik later en het sluwe wild is met een enkelen -grooten sprong in het naburig kreupelhout gesprongen en hierdoor gedekt -geworden, of het dook langzaam naar beneden en kroop in deze houding -weg, en zulks zoo onmerkbaar, dat geen blad zich bewoog, geen halm zich -verroerde. - -Op deze wijze voert het oerwoud de meest afwisselende beelden voor het -oog des waarnemers. Wie zien kan en weet te zoeken, ziet en vindt -overal in het bosch meer dan hij kan verwerken. Maar elke plaats en elk -tijdstip van den dag of van het jaar geeft wat anders. Hier, waar de -lente tot weken, de zomer of de herfst tot dagen inkrimpt en de winter, -evenals in de steppe, bijna onmiddellijk na het ophouden van den regen -zijn heerschappij aanvaardt, is ook het volle, rijke, alzijdig -overvloeiende planten- en dierenleven binnen een kort tijdsbestek -bepaald. Zoodra de vogels met broeden hebben opgehouden, beginnen zij -te trekken en te strijken; zoodra de zoogdieren denken een gedeelte van -het woud afgeweid te hebben, zoeken zij een ander gedeelte op. En -daarom kan men dan ook op dezelfde plaats op verschillende tijden ook -verschillende dieren ontmoeten, althans wezenlijk verschillende beelden -van het dierlijk leven opvangen. Zoo neemt, om een voorbeeld te noemen, -het leven in de rivieren toe, naarmate het bosch ontvolkt wordt. - -Bij hoogen rivierstand bespeurt men weinig van de dieren, welke in en -bij het water leven. Alle eilanden liggen dan diep onder het water -bedolven, de oevers zijn eveneens overstroomd en de vogels, die hier -gewoonlijk huizen, zijn verdwenen. En als werkelijk eens een krokodil -zijn kop en een paar rugschilden boven de oppervlakte verheft, wordt -men zulks dan eerst gewaar, wanneer men met de boot tot op korten -afstand genaderd is. Er blijven dus eigenlijk alleen nijlpaarden, die -op sommige plaatsen zeer talrijk zijn, eenige boven het water vliegende -vogels en misschien enkele duikers over om het zichtbare bewijs te -leven, dat er in en bij de rivier ook hoogere gewervelde dieren leven. -Wanneer nochtans na het eindigen van den regentijd de waterspiegel -daalt en alle eilanden, zandplaten en oevers droog zijn geloopen, dan -verandert het stroombeeld eveneens ten opzichte van de dierenwereld. De -nijlpaarden trekken zich naar de diepste plaatsen van het water terug, -om hier gezellig bijeen te leven en troepen te vormen van soms -aanzienlijke sterkte; daar zij voor iedere ademhaling boven het water -moeten komen en dan telkens met veel geraas de ingeademde lucht -uitblazen, ziet en hoort men deze dieren zeer gemakkelijk. Ook komen -zij ’s daags wel eens buiten het water om zich op de eilanden of -zandbanken te legeren en van de warmte der zonnestralen te genieten; op -een afstand van een kilometer en nog meer vallen zij daar den reiziger -reeds in het oog; nu halen ook de krokodillen de schade in, die zij -tijdens den hoogen waterstand hebben geleden, en koesteren zich op ’t -heetste van den dag in de zon. Daartoe kruipen zij reeds in de -voormiddaguren op de vlakke, zandige eilanden, vallen onder luid geplof -op den grond neer, sperren den met vreeselijke tanden gewapenden muil -wijd open en slapen, ten getale van tien, twintig en dertig bijeen, in -de meest verschillende houdingen, naast en zelfs boven op elkander -liggende, tot aan den avond door; groote zwermen vogels bedekken thans -de eilanden, zandbanken en beide stroomoevers, en brengen door hun -aantal een machtigen indruk te weeg. Tegen dezen tijd toch hebben de -meeste inheemsche strand- en zwemvogels het broeden geëindigd en zijn -zij met hun jongen het water gaan opzoeken, om hier, onder ’t genot van -rijkelijk en gemakkelijk te verwerven voedsel, te ruien; tezelfder tijd -hebben de trekvogels uit het noorden, die hier overwinteren, zich bij -hen gevoegd. Laatstgenoemde vogels bevolken nu ook alle deelen van het -oerwoud, doch vallen hier niet zoo sterk in ’t oog als aan het water, -waar de geheele oever en alle eilanden met groote en dus duidelijk -zichtbare trekvogels bedekt zijn. Soms is hier zelfs geen plaats genoeg -en het voedsel, hoe overvloedig overigens ook voorhanden, wordt dan -voor de menigte schaarsch. Een gevolg hiervan is, dat elke plaats bezet -wordt, ja overladen; dat ieder voedselbeloovend plekje door duizend -mededingers bezocht, ja om elke eetplaats gevochten wordt. - -Drie achtereenvolgende dagen zeilde ik bij goeden wind en in eene -voortreffelijke boot op den Witten Nijl, en gedurende deze lange en -verre vaart waren beide oevers van den stroom onafgebroken met een -bonte en levendige, uit de meest verschillende strand- en zwemvogels -samengestelde schare getooid. In de oerwouden van den Blauwen Nijl kan -men een dergelijk schouwspel genieten. De uitgestrekte zandbanken -worden door gewone en jufferkraanvogels volledig in bezit genomen; zij -dienen echter den hier in winterkwartier verblijvende vreemdelingen -slechts tot rust-, rui- en slaapplaatsen, van waaruit zij elken morgen -naar de steppe vliegen om voedsel te halen, en werwaarts zij reeds vóór -het middaguur teruggekeerd zijn om er te drinken en te baden, hun -gevederte te poetsen, en eindelijk, bestendig door de krokodillen -bedreigd, te slapen. ’s Middags mengen zich geregeld eenige gekuifde -kranen in dat gezelschap, hetgeen eene groote opschudding te weeg -brengt; de gekuifde zijn n.l. zoo niet beter dan toch ijveriger dansers -en beginnen dadelijk na hunne aankomst hunne kunst uit te oefenen, -waardoor de gewone kraanvogels insgelijks tot dansen worden aangezet. - -Op dezelfde banken verschijnt ook de nimmerzat of tantalus, eene -ooievaarachtige, in een wit, met rozengloed overgoten, op de vleugels -helder rozerood gekleurd vederkleed prijkende vogel, die de buitenste -zoomen van het eiland of de aanliggende ondiepe plaatsen in beslag -neemt; valt het licht voordeelig op deze vogels, dan prijken zij met -een gloeiend rood, zoodat zij heerlijk afsteken bij de grijze -kraanvogels en aan het landschap een ongemeenen tooi verleenen. Op den -oever stappen prachtige reuzen-ooievaars of jabiroe’s rond, wandelen de -leelijke, wonderlijk gevormde maraboe’s vol statie op en neêr, staan -schitterende lepelaars, waden reuzen- en zilverreigers in het water om -visschen te vangen, staan en zitten, zwemmen en duiken, weiden en -snateren en kweelen duizenden spoor-, nijl- en lapganzen, nonnetjes, -pijlstaarten, slangenhalsvogels, ibissen, wulpen, oever-, strand- en -waterloopers en andere meer, die te zamen een bonten zoom van vogels -vormen, wellicht nog sierlijker dan de tantalussen. Boven den -waterspiegel echter zweven, behalve de opgenoemde vogels, die -afwisselend aan- en afvliegen, ook nog zeezwaluwen en meeuwen, -oeverzwaluwen en bijenvreters, terwijl hoog in de lucht een prachtige -zeeadelaar zijn kringen beschrijft. - -Enkele soorten dezer in alle opzichten zoo belangrijke, gevederde -rivierbevolking moeten den laagsten waterstand afwachten om te kunnen -broeden, omdat het haar tijdens den hoogen waterstand aan goede -nestplaatsen ontbreekt. Tot dezen behoort een even bevallige als fraai -geteekende, een even verstandige als wakkere moerasvogel, nl. de reeds -bij de ouden bekende krokodillenwachter, de trochilus van Herodotus, -van welken vogel deze schrijver en na hem ook Plinius ons verhaalt, dat -hij in vriendschap met den krokodil leeft. Deze vertelling der ouden is -geen fabel, zooals men geneigd zou zijn te denken, en ik kan -persoonlijk voor de waarheid er van instaan. De krokodillenwachter, -wiens afbeelding men zoo dikwijls op de Egyptische gedenkteekenen -terugvindt, en die in hiëroglyphenschrift de oe voorstelt, leeft ook in -Egypte en Nubië, oefent echter heden ten dage eerst in Soedan zijn ambt -uit als wachter en beschermer van den krokodil; aan dat ambt was hij -bij de volken der oudheid zijn roem verschuldigd. Hij bewijst evenwel -niet alleen diensten aan genoemd gedrocht, maar in ’t algemeen aan alle -dieren, die van de waakzaamheid van dezen vogel partij weten te -trekken. Opmerkzaam en nieuwsgierig, prikkelbaar en schreeuwlustig, -daarbij met een opvallend geluid begaafd, is hij een voortreffelijk -waarschuwer voor andere, minder voorzichtige schepselen. Evenmin het -naderende roofdier als een menschelijk wezen van verdacht voorkomen -ontgaat zijn opmerkzaamheid; reeds elke zeil- of roeiboot trekt zijn -aandacht en nooit laat hij na door een luid geschreeuw zijn waarneming -aan anderen bekend te maken. Zoo worden alle met hem tezelfder plaatse -toevende dieren aangespoord om een nader onderzoek in ’t werk te -stellen en zich te overtuigen of er werkelijk gevaar aanwezig is of -niet. In ’t eerste geval hebben zij tijd en gelegenheid om te vluchten. -Daarin bestaat zijn ambt als wachter. Zijn vriendschappelijke -verhouding tot den krokodil kan men moeilijk wederkeerig noemen; want -van een krokodil vriendschap te eischen is wel wat veel van zulk een -dier gevergd. Niet omdat het reptiel eenig welwillend gevoel jegens den -vogel koestert, maar omdat hij hem nauwkeurig kent en volkomen juist -beoordeelt, behandelt hij hem als een lief, onschuldig schepsel. De -vogel van zijn kant, van zijn jeugd af met het monster vertrouwd, een -bewoner der zandbanken, waarop het eerste zich te slapen legt, altijd -in deszelfs nabijheid, gaat met het dier om, alsof hij zelf de heer en -meester, het andere de knecht ware. Onbevreesd klimt hij op den rug van -het slapend ondier, onbezorgd nadert hij den opengesperden muil om te -onderzoeken of misschien ook een bloedzuiger zich daar vasthechtte, of -tusschen de tanden een brok bleef hangen, om het een zoowel als het -ander weg te nemen. De krokodil laat zich dit alles welgevallen, zeker -omdat hij bij ondervinding weet, dat hij den altijd opmerkzamen, -behendigen, slimmen, kleinen schelm toch niet snappen kan. Ik zag eens -een krokodillenwachter gelijktijdig met een schreeuw-zeearend van -denzelfden visch eten, dien de arend gevangen en naar een zandbank -gebracht had. Terwijl de laatste, die met beide pooten den buit -vasthield of er op stond, een en andermaal naar den schuimlooper hapte, -hield deze zich op eerbiedigen afstand van de tafel des grooten heers; -telkens echter als deze den kop oplichtte om de spijs door te slikken, -liep de ander snel toe, kaapte schielijk een door den arend reeds -losgemaakt stuk visch en ijlde zoo snel mogelijk naar de eerste plaats -terug, om daar het geroofde te verteren. Even bewonderenswaardig als -dit driest bestaan is ook de slimme wijze, waarop de krokodillenwachter -zijn eieren voor onbescheiden oogen verbergt. Ik had reeds langen tijd -tevergeefs naar het nest van dezen vogel gezocht. De ontleding van een -geschoten vogel had mij den legtijd van den krokodillenwachter leeren -kennen. Dat hij slechts op zandbanken kan broeden volgt onvermijdelijk -uit de levenswijs. Tevergeefs echter onderzocht ik op het zorgvuldigste -al zijn lievelingsplekjes—ik kon geen nest uitvindig maken. Eindelijk -zag ik een paartje, van hetwelk een der echtgenooten op den grond zat, -terwijl de andere om de eerste heen scharrelde. Ik nam mijn kijker en -liep, den vogel steeds in het oog houdende, recht op hem af. Toen ik in -zijn nabijheid was gekomen, richtte hij zich op, schraapte ijlings wat -zand op een bepaalde plaats bijeen en liep nu, wel is waar onder het -gewone geschreeuw, maar toch zonder eenig ander bewijs van onrust met -den ander weg. Ik liet mij niet foppen, hield de plek goed in het oog -en kwam er bij. Maar ook nu kon ik nog geen spoor van het nest -ontdekken, en eerst, toen ik eene weinig in ’t oog vallende oneffenheid -in het zand waarnam en hier aan ’t graven ging, vielen mij twee, als -zand gekleurde eieren in de hand. Had de moeder meer tijd gehad, dan ik -haar gunde, zeker had zij deze kleine oneffenheid ook nog glad gemaakt, -zoodat zij in ’t geheel niet meer in ’t oog kon vallen. - -Een zoo mogelijk nog rijker, in elk geval veelsoortiger dierlijk leven -als te dezer tijd aan den stroom heerscht, kan men gadeslaan aan de -oevers en op het watervlak der meren en groote plassen in ’t midden des -wouds, welke bekkens gevoed worden deels door het bijeenstroomende -water der voorjaarsregens, deels door den buiten zijn oevers getreden -stroom. Overal door het bosch ingesloten, dikwijls zoo dicht, dat men -in ’t geheel niet of althans niet dan onder veel bezwaren deze meren -kan nabijkomen, binnen de oevers bijna even sterk begroeid als daar -buiten, uitgestrekte riet- en biesbosschen insluitende, terwijl ook -thans nog papyrus en lotus daarin groeien, vormen deze regen-meren of -„foelat”, gelijk de inboorlingen ze noemen, even zooveel goede -verblijfplaatsen als broedplaatsen voor de meest verschillende vogels, -en zelfs ook voor andere dieren. De veiligheid, die deze afgelegen -oorden aanbieden, schijnt zelfs het nijlpaard aan te trekken, dat ze -tegen den tijd, dat het jongen zal werpen, opzoekt; hier dreigt geen -schaarschte van voedsel, hier houden zich geen gevaarlijke vijanden op, -en zoo kan het in deze oorden ongehinderd zijn kroost zoogen, verzorgen -en de eerste opvoeding geven. De dicht begroeide oevers, de moerassige -inhammen lokken zwijnen en buffels aan; het stille water wordt met -voorliefde opgezocht door de dorstige antilopen. Op den spiegel zelf -verzamelen zich duizenden pelikanen, om, alvorens op de naburige boomen -hunne legersteden op te zoeken, nog eens duchtig ter vischvangst te -gaan; ook de slangenhalsvogel brengt hier een goed deel van den dag -duikende door; tevens zwemmen er alle mogelijke ganzen- en -eendensoorten en strijken er de uit het noorden gekomen trekvogels -neêr, om hier een gastvrije winterherberg te vinden; in de bochten en -op de ondiepe oevers vinden de reuzenreigers en sierlijke woudaapjes -zonder veel moeite het rijkelijkste voedsel; de welige, groene oevers -herbergen tallooze kleinere vogels, de boomen van ’t omgevende woud -verschillende, op boomen rustende en nestelende strand- en watervogels. -Geen wonder, dat het bij tijden in en om deze meren wemelt van vogels, -maar even verklaarbaar is het tevens, dat zulk een rijkdom ook allerlei -vijanden lokt. Valken en uilen vervolgen de kleinere vogels, de adelaar -en de oehoe maken jacht op meer groote, de vos en jakhals, leeuw en -panter vervolgen de zoogdieren. Somtijds valt een uit de steppe getogen -heirleger van vraatzuchtige treksprinkhanen in den frisschen woudzoom -dezer streken, om in een oogwenk alles kaal te vreten en ’t geboomte -geheel te ontbladeren. Maar nu ook vermenigvuldigt zich het vogelenheir -tot in het oneindige. Van verre en van nabij verschijnen valken en -uilen, raven en Duitsche papegaaien, frankolijnen en parelhoenders, -ooievaars en ibissen, waterhennetjes en eenden, om zich aan de -sprinkhanen te goed te doen. Iedere vogel, die bij tijd en wijle -insecten nuttigt, voedt zich thans uitsluitend met deze reizigers. -Honderden gewone en kleine torenvalken, die zich op dit tijdstip -toevallig in hun winterkwartier bevinden, verzamelen zich bij scharen -boven het bezochte bosch, stooten op elken opvliegenden zwerm -sprinkhanen, grijpen ze en verslinden ze al vliegende; raven, Duitsche -papegaaien, neushoornvogels, ibissen en ooievaars nemen ze van de -takken weg en schudden ze er bij honderden af; deze vallen de onder de -boomen loerende makkers, parelhoenders en eenden als buit ten deel; -wouwen en zingsperwers vliegen in vele wendingen om de boomen, op welke -de ontbladerende insecten alras de plaats der bladeren zelf innemen; -zelfs de deftige maraboe’s en jabiroe’s versmaden het wel is waar -kleine, maar daarentegen zoo rijkelijk voorhanden voedsel niet. Een en -ander schenkt nog meerder leven aan het reeds zoo drukke water, dat op -zulke tijden nog meer dan gewoonlijk de verzamelplaats wordt van de -meest verschillende dieren. - -Aan zulk een meer, een ware schatkamer voor den verzamelaar, hadden wij -een aantal dagen gejaagd, waargenomen, verzameld, genoten van de -weelderige planten- en dierenwereld, gevochten met nijlpaarden, onzen -haat gekoeld aan de krokodillen, in één woord, wij hadden in volle mate -de genoegens gesmaakt, aan ’t leven van den jager en natuuronderzoeker -verbonden, en daarbij al het overige, zelfs den tijd des jaars, -vergeten. Maar toen op zekeren dag de zon lager daalde en gouden draden -vlocht tusschen het groen des wouds; toen het geschreeuw der papegaaien -was uitgestorven en alleen het droomend gezang van een lijster nog tot -onze ooren doordrong; toen de zeearend aan gindschen oever, nog vóór -weinige oogenblikken bloeiende te midden van het omringende groen, -slaapdronken zijn witten kop tusschen de schouderveêren verborg; toen -zelfs het gegorgel van een troep meerkatten, die in de hooge kruin van -een nabijstaande mimosa haar nachtleger had opgezocht, was verstomd; -toen de nacht aanbrak, schemerhelder en vriendelijk, koel en zacht, -klankrijk en geurig, gelijk steeds omstreeks dezen tijd des jaars; toen -was het alsof alle kleurenpracht, alle glans en heerlijkheid van de -heden en gisteren in onze ziel opgenomen beelden eensklaps verbleekten. -Onze gedachten vlogen naar het lieve vaderland en door een smartelijk -heimwee voelden wij ons aangegrepen—want daar ginds vierde men op dit -oogenblik het Kerstfeest. Wij hadden punch gemaakt en onze pijpen -gevuld met de heerlijkste tabak der aarde; onze Albanezer reisgenoot -zong een roerend lied; de nacht omgaf als met een tooverwaas hart en -zinnen; maar de glazen werden niet geledigd, de rookwolken namen de -wolken der droefgeestigheid niet weg, het lied vond geen weêrklank in -onze ziel en de nacht tooverde tevergeefs. Wij smeekten om een -Kerstgeschenk—en wij ontvingen het! - -De nacht in het oerwoud is altijd majestueus en verheven; dan, wanneer -de hemel in vuur wordt gezet door den bliksem, terwijl rollende -donderslagen daarbij weêrklinken van het eene einde naar het andere; -dan, wanneer de stormwind er giert, en ook dan, wanneer aan het -eindeloos gewelf ver verwijderde zonnen stralen en blad noch halm zich -beweegt. Weinige minuten reeds na zonsondergang hult de nacht het woud -in zijn grijzen mantel. Wat in het daglicht duidelijk zichtbaar was -wordt nu omfloersd; wat in het zonnelicht nog te omvatten omtrekken -aannam, wordt thans tot een reuzengestalte. Bekende boomen worden tot -spookgedaanten; de heggen van struikgewas tot zwarte muren. Het -duizendstemmige alarm verstomt, diepe stilte vervangt het geraas. Maar -een nieuw leven vangt aan, in het woud en op het water. Honderden -cikaden doen een geluid hooren, dat eenigszins te vergelijken is met -het verwijderd geklingel van kleine, onzuiver gestemde klokjes; -duizenden, thans uit den slaap ontwaakte kevers, waaronder zeer groote -soorten, snorren om de bloeiende boomen en laten een luid gegons -hooren, dat eigenaardig past bij genoemd klokgelui. Kikvorschen, die -slechts een enkelen, maar, de geringe grootte dezer dieren in -aanmerking genomen, vrij luiden kreet voortbrengen, mengen zich daarin, -en al deze stemmen, die doen denken aan den klank van een langzaam -geslagen Chineeschen gong, weêrklinken ver door het woud. - -Een groote uil begroet den nacht met dof gehuil; een kleinere soort -antwoordt met een honend gelach; een geitenmelker herhaalt telkens -opnieuw een enkele strophe van zijn snorrend, rochelend gezang. Van de -zijde der rivier klinkt het weeklagend geroep van den nachtvogel, van -de meeuwenfamilie, of van een schaarbek, die, dicht over de oppervlakte -des waters strijkende, de golven half doorploegt; van de zandige -eilanden en banken weêrklinkt het luide, ietwat krijschend geschreeuw -van den griel, alsmede de toonrijke, klankvolle, gevoelige trillers van -een waterlooper of plevier; boven het riet van het nabijgelegen meer -krast een nachtreiger. In het dichte struikgewas of rondom de kruinen -der boomen flonkeren duizenden glimwormen; een reusachtige krokodil, -die reeds vóór zonsondergang de tegenoverliggende zandbank verlaten en -het door de zon gegloeide pantser in de lauwe golven afgekoeld heeft, -zwemt, half onder, half boven den waterspiegel drijvend, door den -stroom, een spoor nalatende, dat in den maneschijn als zilver, in het -sterrelicht als een snoer glimmende paarlen schittert. Boven de hoogste -boomkruinen zweven met onhoorbaren vleugelslag oehoe’s en andere uilen; -langs den oever vliegen in bevallige kronkellijnen langstaartige -geitenmelkers; tusschen de kronen der boomen beschrijven vledermuizen -hunne zigzagbanen; van den eenen kant der rivier naar den anderen -trekken, soms bij scharen, vliegende honden of kalongs. En nu is ook de -tijd gekomen, dat de overige zoogdieren des wouds zich laten zien of -hooren. De een of andere jakhals vangt aan, beurtelings, nu eens -treurige, dan meer vroolijke melodieën aan te heffen, die met evenveel -gevoel als volharding worden voorgedragen; een dozijn soortgenooten -valt terstond in en opent een zangwedstrijd, in welken ieder dingt en -kampt om den eereprijs; enkele hyena’s schijnen slechts op deze -voorzangers gewacht te hebben, om nu een koor aan te heffen van -huilende, lachende, klagende en juichende stemmen; de panter bromt; de -leeuw brult, en zelfs het nijlpaard, dat nog den stroom niet heeft -verlaten, verheft knorrend zijn armzalige stem. - -Zoo spreekt en openbaart zich de nacht in het oerwoud; zoo boeide hij -op dien voor mij onvergetelijken dag mijn oogen en ooren. De kevers, -cikaden, uilen en geitenmelkers hadden aangevangen; daar schetterden -schrille, krachtige, dreunende tonen door het bosch, als -trompetgeluiden uit ongeoefende monden. Oogenblikkelijk verstomden de -liederen van onzen Albanees, verstomde het gesprek onzer bedienden en -matrozen, en allen luisterden evenals wij. Nogmaals schetterde en -dreunde het aan den overkant. „El fioel, el fioel!” riepen de -inboorlingen: „olifanten, olifanten!” jubelden ook wij. Het was voor -het eerst, dat wij de reusachtige dikhuiders, op wier paden wij tot nog -toe bijna altijd hadden gewandeld, wier sporen wij zoo dikwijls hadden -achtervolgd, vernamen, beluisterden. Aan den tegenoverliggenden oever -daalden op gemakkelijke en zekere wijze, reusachtige, in ’t -schemerlicht van den nacht met genoegzame duidelijkheid waarneembare -gedaanten naar het water af, om uit de rivier te drinken en zich daarin -te baden. De een na den ander stak zijn lenigen tromp in het water, om -dien te vullen en daarna den inhoud òf in den wijden bek, òf over hals -en schouders en rug uit te storten; de een na den ander daalde in de -rivier af om hier een verkoelend bad te nemen. En even alsof het straks -gehoorde trompetgeschal een krijgsroep was geweest, zoo rumoerig werd -het nu in het woud. Vroeger dan gewoonlijk verhief de koning der -wildernis zijn donderende stem; een tweede en derde leeuw beantwoordde -dien koninklijken groet. Verschrikt vliegen de van slaap dronken apen -op en laten een luid geschreeuw hooren; van angst jammeren de antilopen -mede. Daar rekt in de onmiddellijke nabijheid onzer boot een nijlpaard -zijn monsterkop boven het water uit en begint te brullen, evenals -meende hij een wedstrijd aan te vangen met de donderende stem van den -leeuw; ook de panter waagt het zich te doen hooren; jakhalzen vangen -het afwisselend lied aan, dat wij reeds kennen, de gestreepte hyena’s -huilen, de gevlekte doen hun helsch, merg en been doordringend gelach -hooren; alleen de kikvorschen en cikaden, onverschillig omtrent de -roepstem van den koning en die van de grootwaardigheidsbekleeders van -het woud, gaan voort, de eersten met hun eentonig geschreeuw, de -laatsten met hun klokgelui. - -Dit was het „Eere zij God in den hooge” dat het oerwoud ons toezong. - - - - - - - - -VII. - -DE VERHUIZINGEN DER ZOOGDIEREN. - - -Reislust, in de beteekenis des woords, welke wij menschen daaraan -hechten, wordt bij de dieren niet gevonden, zelfs niet bij de vogels, -die benijdbare wezens, wien de goddelijke gave werd geschonken -vliegende de landen door te trekken en zeeën te overbruggen. Onbezorgd -en vrij, zooals de handwerksgezel uittrekt om vreemde landen, vreemde -zeden en vreemde kunst te leeren kennen, trekt geen enkel dier; want -meer nog dan wij is dit gebonden aan een bepaalde plek, en sterker dan -het heimwee der menschen ketenen gewoonte en traagheid het aan de -plaats der geboorte. Maakt het zich gereed deze te verlaten, dan -gehoorzaamt het aan een wet van dringende noodzakelijkheid, en het -trekt alleen uit om het gebrek te ontloopen, dat in ’t verschiet -dreigt. Nood en ellende echter zijn maar al te vaak het deel en lot, -hetwelk de vreugdelooze vreemdelingschap aan het dier bereidt, dat in -dit geval slechts reisverdriet ondervindt. - -Een en ander is evenzeer van toepassing op de trekkende visschen als op -de trekkende vogels, maar in ’t bijzonder geldt zulks voor de vele -zoogdieren, welke nu en dan wandeltochten ondernemen. Weinigen doen -zulks zoo regelmatig als de vogels en visschen, doch de aanleiding tot -de verhuizingen is bij allen dezelfde. De dieren verhuizen, omdat -gebrek aan voedsel in uitzicht is, of omdat de schaarschheid zich reeds -eenigermate doet gevoelen; zulke reizen zijn dus meer te beschouwen als -een ontvluchten van naderend gebrek, dan wel als eene begeerte om een -gelukkiger land op te zoeken. - -Wanneer ik spreek van de verhuizingen der zoogdieren, dan bedoel ik -daarmede niet de gewone stroop- en zwerftochten, die ook al ter wille -van het voedsel geschieden, evenmin zulke tochten, welke ten doel -hebben den verbreidingsgordel te verruimen, maar alleen die -gemeenschappelijke reizen, welke sommige zoogdieren, nu eens in meer -regelmatige, dan weder meer onregelmatige volgorde, ver buiten de -grenzen hunner woonplaats voeren, dus naar streken, alwaar zij eene hun -vreemde levenswijze moeten aannemen, om deze even spoedig weder vaarwel -te zeggen, zoodra hun dit mogelijk is geworden of mogelijk voorkomt. -Zulke verhuizingen komen nog het meest overeen met het trekken der -visschen en vogels, en hoe beter wij de eersten leeren kennen des te -juister zal ook ons inzicht worden in ’t wezen van het laatstgenoemde. - -Kleine uitstapjes buiten de grenzen der gewone verblijfplaatsen -volbrengen alle zoogdieren, en zulks om verschillende redenen. Soms -zijn de mannetjes en vooral de ouden, meer geneigd tot rondzwerven dan -de wijfjes en de jongen; men ziet ze daarom dikwijls zonder bepaalde -redenen een zeker gebied verlaten om een ander op te zoeken; de jonge -mannetjes van gezellig bijeenlevende soorten worden wel eens door de -oudere hoofden van een troep stelselmatig verdreven en tot verhuizen -gedwongen; de moeders zwerven gaarne met haar kroost door het gebied, -alwaar dit laatste geboren werd; beide seksen trekken en reizen om -elkander op te zoeken. Bij gelegenheid van zulke tochten ontdekt het -dier de een of andere geschikte verblijfplaats, eene streek, waar -overvloed van voedsel is, of waar beschermend struikgewas groeit, of -een geschikt hol; het toeft daar dan langer of korter tijd en betrekt -eindelijk voor goed het beloofde land. Oude jagers weten bij ervaring, -dat een afgejaagd distrikt van buiten af weder nieuwen toevoer erlangt, -en onder gunstige omstandigheden zeer spoedig even sterk bevolkt kan -worden als vroeger. Niemand, die niet weet, dat vossen- en dassenholen, -die zoo moeilijk te vernielen zijn, altijd bewoond blijven, hoe sterk -er op deze dieren ook jacht worde gemaakt. Andere zoogdieren, op wier -doen en laten minder nauwkeurig acht wordt geslagen dan op het wild, -gedragen zich niet anders. Er heeft ongetwijfeld een onophoudelijk -reizen en trekken plaats. En zoo wordt dan ook, zoo niet de natuur zelf -zulks belet, of roofdieren of menschen hier verhinderend optreden, het -verbreidingsgebied der soorten steeds grooter. - -Onze voorvaderen deelden hun woningen tot het eind der vorige eeuw met -de huisrat, terwijl zij de bruine rat slechts kenden van hooren zeggen, -of misschien zelfs in ’t geheel niet. De eerste was een rat met vele, -ofschoon niet alle ondeugden van haar geslacht. Zij bewoonde de zolders -onzer huizen, at van ons koren, van ons spek en allerlei anderen -voorraad, knabbelde aan de deuren, planken vloeren en het huisraad, -draafde des nachts onheilspellend door oude kasteelen en dergelijke -spookgebouwen, veroorzaakte veel verdriet, menigen schrik en voedde het -geloof aan spoken en het bijgeloof; maar met haar was het leven nog -mogelijk, en men kon haar nog meester worden. Een flinke huiskat hield -haar in bedwang, een goede kamerjager bond met haar den strijd aan. -Daar verscheen plotseling haar gevaarlijkste vijand, en van nu aan -begon haar licht te tanen. In het jaar 1727 zag men groote scharen -bruine ratten, die òf rechtstreeks, òf over Perzië uit Indië moeten -gekomen zijn, over de Wolga zwemmen, en spoedig daarna ervoer men door -welke plaag Europa voortaan gekweld zou worden. Rivieren en kanalen -volgende, bereikte de bruine rat de dorpen en steden; zij nam, in spijt -van menschen en katten, onze woningen eerst van beneden in bezit en -nestelde zich in de kelders en gewelven, steeg allengs omhoog naar de -zolders en daken, verdreef na een langen, verbitterden strijd haar -bloedverwant, maakte zich tot meesteres in ons eigen huis en toonde -duizenden malen, wat een rat vermag; want deze bezit alle ondeugden der -familie en legt ze daarbij onverholen aan den dag; zij spotte met alle -pogingen om haar te verdrijven en behield tot op dezen dag overwinnend -het veld, dat wij haar met behulp van honden en katten, met klemmen en -vallen, met vergif en kruit te vergeefs betwisten. Bijna tezelfder tijd -dat zij over de Wolga zwom, in 1732, bereikte zij Europa nog langs een -tweeden weg, doordien zij op Oostindische schepen naar Engeland werd -overgebracht. Van nu af begon zij hare reize door de geheele wereld. - -In Oost-Pruisen verscheen zij reeds in 1750, in Parijs drie jaren -later; Midden-Duitschland werd door haar veroverd ten jare 1780; eerst -vestigde zij zich, evenals elders, in de steden, om van hier uit -langzamerhand het platte land te bevolken; dorpen, die niet aan -rivieren gelegen zijn en die zij dus minder gemakkelijk kon bereiken, -betrok zij eerst in de laatste tientallen jaren dezer eeuw; toen ik nog -een opgeschoten knaap was, kende men haar nog niet in mijn -geboortedorp, het rijk behoorde daar nog toe aan de ook nu daar reeds -door haar volledig verdreven zwarte rat. - -Nog later verscheen zij in de afgezonderd gelegen gehuchten en eenzame -boerenwoningen, echter niet voor het midden dezer eeuw, en nog altijd -zet zij haar zegetocht voort. Niet tevreden met de ontdekking en -verovering van Europa, toog zij, en zulks reeds op het einde der vorige -eeuw, op nieuwe avonturen uit. In de bereids door haar bewoonde -zeeplaatsen zwom ze van den oever naar de schepen, klouterde langs -ankerkettingen, touwen, enz, aan boord, nam haar intrek in het veilige, -donkere scheepsruim, doorreisde op dat vaartuig alle zeeën, landde aan -alle kusten, en bevolkte van hier uit alle landen en eilanden, waar -deze slechts in bezit zijn genomen door den beschaafden, in vaste -woningen levenden mensch, haar onvrijwilligen beschermer en -onderhouder. Tegen wil en dank hebben wij haar geholpen, het haar -althans mogelijk gemaakt zulk eene groote uitbreiding te geven aan haar -gebied. Aan geen ander, den mensch niet onderworpen zoogdier, is zulks -ooit gelukt. - -Een ander voorbeeld van soortgelijke verhuizingen biedt ons de ziesel, -een in geheel Oost-Europa en West-Siberië veel voorkomend, en tot de -familie der eekhoorns, meer in ’t bijzonder tot de onderfamilie der -marmotten behoorend, schadelijk knaagdier, dat de grootte van een -hamster bereikt. Albertus Magnus zag den ziesel in de omstreken van -Regensburg, alwaar hij thans niet meer voorkomt; daarentegen is hij in -den jongsten tijd Silezië weder binnengetrokken, alwaar hij voor -veertig en vijftig jaren onbekend was; tegen het begin van 1850 -ongeveer verscheen hij daar, zonder dat men kon nagaan, vanwaar hij -gekomen was, en van nu aan drong hij langzamerhand naar het westen -door. - -Ook hier is het alweder de mensch, die deze verhuizingen in de hand -werkt, omdat het dier, zoo al niet daaraan gebonden, althans in -bebouwde velden, de het meeste voedsel belovende en dus voor hem -gezegendste woonplaatsen vindt. - -Geheel hetzelfde mag gezegd worden van nog andere muizensoorten, wier -verdere verspreiding gelijken tred houdt met de vermeerdering van het -aantal bebouwde velden. Aan den anderen kant wederom wordt door den -mensch het woongebied van vele zoogdieren door ontwouding, -droogleggingen en andere veranderingen in den toestand des bodems -verkleind; hierdoor bewerkt hij en ongetwijfeld veel meer nog dan door -rechtstreeksche verdelging, het wegtrekken van een aantal zoogdieren, -die daar vroeger vaste woonplaatsen hadden opgeslagen. Want ook op de -zoogdieren is de wet van toepassing, dat slechts zulke woonplaatsen -vroeger of later worden bevolkt, die voor hen geschikt zijn, en zulks -niettegenstaande de mensch dit soms op willekeurige, ruwe en wreede -wijze gewelddadig tracht te beletten. - -Verschillend van zulke tochten zijn die, welke de zoogdieren nu en dan -ter wille van eene tijdelijke verbetering hunner positie volbrengen. -Hieraan nemen waarschijnlijk, zoo niet alle soorten, dan toch enkele -leden van alle familiën dezer klasse deel; zij duren langer of korter -tijd, brengen de dieren in meer of minder afgelegen streken, kunnen -daarom zelfs het karakter van werkelijke verhuizingen aannemen, maar -eindigen toch na zekeren tijd en brengen het trekkende zoogdier -eindelijk weder in zijn oorspronkelijke woonplaats terug. Het voornemen -of de hoop zich betere weiden of jachtvelden te verzekeren, eene -toevallig zich voordoende gelegenheid om een aangenamer leven te -leiden, deze zijn zeer zeker de voornaamste beweegredenen voor zulke -zwerftochten. Zij hebben dan ook jaar in jaar uit, op alle breedten en -op alle hoogten plaats, zelfs in streken, die te allen tijde dezelfde -levensvoorwaarden in zich sluiten. Het zoogdier begint en volbrengt die -tochten nu eens afzonderlijk, dan weder in troepen, al naar het gewoon -is eenzaam of gezellig te leven; dikwijls blijven de wegen dezelfde, en -worden dezelfde plaatsen regelmatig op dezelfde tijdstippen bezocht; -maar altijd zijn het toch toevallige omstandigheden, die het dier -leiden en richten. - -Wanneer de vruchten van de heilige vijgen- en andere boomen, die de -tempels der Hindoes omgeven, op het punt zijn van rijp te worden, zien -de Brahmanen, aan wie de zorg voor die tempels en boomen is -toevertrouwd, met heilige ontroering de aankomst hunner vierbeenige -goden te gemoet. En niet te vergeefs; want zij verschijnen wis en -zeker, de tot goden verheven apen, de hulman en bonder, om zich te goed -te doen aan de lekkere vruchten der voor hen alleen geplante en -verzorgde boomen, tevens om daarbij nog te rooven en te plunderen in de -naburige tuinen en plantages. En daarna verdwijnen ze weder, tot groote -droefheid hunner vereerders, tot groote vreugde van alle andere -bewoners, wier bezittingen zij op de brutaalste wijze beschadigden. - -Wanneer in Centraal-Afrika de korrels van het inheemsche graan, de -doerrha of het kafferkoren, rijpen, daalt een troep bavianen onder -aanvoering van een ervaren, deftig opperhoofd, die vol waardigheid en -trots zich van zijn ambt kwijt, van de bergen naar omlaag, ten einde te -onderzoeken of hun neef, de mensch, zoo vriendelijk is geweest ook in -dit jaar weder het graan voor hen uit te zaaien. Of eene bende -meerkatten, nadert, onder even uitstekend geleide, den zoom der -bosschen, om te juister tijd de akkers ongestraft, zoo zwaar mogelijk -te brandschatten. Wanneer de vurige oranjeappelen op de plantages der -Zuid-Amerikaansche boeren tusschen het donkergroene loof schitteren, -dan trekken de rolapen er op los, ten einde die vruchten met den -eigenaar te deelen. Ook andere plantenetende dieren worden door de -begeerte om zich het dagelijksch brood met weinig moeite te veroveren, -naar streken, plaatsen en velden gedreven, die zij anders vermijden; -roofinsecten volgen andere, hier of ginds tijdelijk verblijfhoudende -insecten; de groote roofdieren vormen steeds de achterhoede van de -plantenetende soorten hunner klasse, in ’t bijzonder die onzer -huisdieren. De leeuw trekt met den rondzwervenden Afrikaanschen herder -van plaats tot plaats; aan de verzenen der verslagen, huiswaarts -vluchtende legers van Napoleon hechtten zich de Russische wolven; tot -midden in Duitschland achtervolgden zij de ongelukkige soldaten. - -De vischotters ondernemen reizen te land om van de eene rivier in de -andere te geraken; lynxen en wolven doorkruisen in den winter somtijds -aanzienlijke oppervlakten lands. Door al deze reizen komt er eene -wijziging in de woonplaatsen, het eene dier schuift het andere op; maar -eene eigenlijke verhuizing kan zulks nog niet genoemd worden. Ook zijn -nood en gebrek slechts bij uitzondering aanleiding tot en motief voor -werkelijke verhuizingen; veeleer is het hier een oogenblikkelijk -opkomend verlangen, dat tot zulke tochten aanzet. - -Geheel anders verhouden zich die zoogdieren, welke telken jare, -omstreeks denzelfden tijd, van woonplaats veranderen en onder -omstandigheden tamelijk ver verwijderde oorden opzoeken, om van hier -uit wederom op bepaalde tijden naar de oude woonplaats terug te keeren; -dezen verhuizen, want zij grijpen niet eene toevallige gelegenheid aan, -maar zij gehoorzamen bewust of onbewust aan eene dringende -noodzakelijkheid. - -Als grond en oorzaak van alle werkelijke verhuizingen der zoogdieren -moeten wij in de eerste plaats beschouwen, duidelijk uitgedrukte -wisseling van jaargetijden. In landen met eene eeuwige lente hebben -geen verhuizingen plaats, daar de aanleiding er toe ontbreekt. Zomer en -winter moeten scherp van elkaar gescheiden zijn, zij dan de laatste -door ijs en sneeuw, of door gloeihitte en droogte gekenmerkt; gebrek en -overvloed moeten met elkander afwisselen, wanneer het trage zoogdier -tot heengaan zal besluiten. - -Op kleinen maatstaf reizen reeds die dieren, welke gebergten bewonen. -De gems, steenbok, alpenhaas en marmot trekken, wanneer de sneeuw -begint te smelten, of iets later, zich over steilten en gletschers een -weg banende, naar omhoog, alwaar de ontdooide grasvelden een even -overvloedig als heerlijk voedsel aanbieden; vóór de winter is -aangebroken keeren zij naar de lagere gedeelten van het gebergte terug. - -De beer, van nature een omnivoor, door gewoonte een roover, onderneemt, -ten minste in de gebergten van Siberië dergelijke tochten, en eindigt -deze eveneens vóór de komst van den winter; ook de wilde katten en -honden, die de gebergten bewonen, handelen eveneens. -Plaatsveranderingen van dit genre zijn zelfs gewoon in de gebergten van -meer zuidelijk gelegen landen, de tropen niet uitgezonderd. In Indië -evenals in Afrika klimmen en dalen zekere apensoorten op bepaalde -tijden geregeld op en af, zoeken de olifanten bij de intrede des -winters de laagvlakten, bij den aanvang van den zomer de hoogten op. In -de Andes van Zuid-Amerika vluchten de guanaco’s voor de sneeuw naar de -dalen, voor den gloed der zomerzon naar de berghellingen. Door het -gebergte zelf worden aan al deze tochten enge grenzen gesteld. Wij -hebben hier te doen met een hoogteverschil van één tot drieduizend -meter, met afstanden die in weinige uren, ten hoogste enkele dagen -kunnen worden afgelegd. Kenschetsend voor deze tochten is evenwel de -regelmatigheid, met welke zij geschieden, vooral in betrekking tot het -tijdstip, waarop zij ondernomen worden, en niet minder in betrekking -tot de wegen, langs welke zij plaats hebben. - -Heuvelland en vlakte, zee en lucht schenken meerdere speelruimte dan -het gebergte en daarom laten zich de hier wonende of zich tijdelijk -ophoudende dieren gemakkelijker dan die, welke in het gebergte verblijf -houden, op hunne tochten vervolgen en nagaan. In de toendra’s van -Rusland en Siberië doet het rendier, dat in Skandinavië de gebergten -niet verlaat, elken herfst groote tochten, om tegen het volgende -voorjaar naar zijn zomerverblijven terug te keeren; altijd ongeveer in -denzelfden tijd verlaat het Groenland om van hier over het ijs naar het -Amerikaansche vasteland te verhuizen; daar blijft het den geheelen -winter en zoekt eerst in April de fjielden van zijn geboorteland weder -op. Zoowel in Rusland en Siberië als in Groenland schijnt het niet -alleen de vrees voor den naderenden winter te zijn, die tot verhuizen -aanspoort, maar hierbij komt nog als tweede aanleiding eene aan het -hooge noorden gebonden plaag. De korte zomer n.l. roept eene -ongeloofelijke hoeveelheid kleine insecten in ’t leven, inzonderheid -eene onbeschrijfelijke menigte steekmuggen en horzels, die niet alleen -den mensch, maar ook het rendier het leven verbitteren. Om dezen te -ontvluchten verlaat het dier de moerassige toendra, boven welke -gedurende den korten zomer dichte wolken van muggen zweven, en vlucht -naar de minder door deze insecten geplaagde gebergten zijner -woonplaats, die op gemeld tijdstip tevens zoo rijkelijk met geurige -weiden bedekt zijn, als met klimaat en land bestaanbaar is. Die -gewoonte wordt erfelijk en zoo is het mogelijk, dat telkens dezelfde -wegen worden betreden en tevens die verhuizingen altijd weder op -hetzelfde tijdstip plaats grijpen. Er ontstaan dientengevolge gebaande -wegen, die duidelijk in ’t oog vallen, mijlen ver door de toendra -verloopen en op bepaalde plaatsen de stroomen en rivieren doorsnijden. -Tegen den aanvang van den tocht scharen zich de wijfjes met haar -kalveren in kudden van tien tot honderd stuks bijeen, de spiesherten en -smaldieren volgen, en daar achter voegen zich de oude herten. De eene -troep volgt onmiddellijk op de andere, zoodat de waarnemer -duizendtallen dezer dieren kan zien voorbijtrekken. Allen snellen -steeds vooruit, laten zich noch door water, noch door bergen -terughouden, en komen niet tot rust dan nadat zij de winterkwartieren -betrokken hebben. Benden wolven, beren en veelvraten hechten zich aan -hun voetzolen en leggen alzoo evenzeer een niet klein gedeelte van dien -weg af. In het voorjaar trekken de rendieren ongeveer langs denzelfden -weg terug, en weder in nagenoeg gelijke slagorde, maar in veel kleinere -kudden, en ook langzamer en wat meer op hun gemak. - -Nog grooter afstanden leggen de Amerikaansche wisenten of bisons, de -„prairiebuffels” af. Hoe ver zij reizen weet men eigenlijk nog niet -recht, maar men heeft trekkende troepen ontmoet van Canada tot Mejiko, -van de Missouri tot het Rotsgebergte en zoo is men gerechtigd aan te -nemen, dat een en dezelfde kudde zeer groote landstreken van het -aangegeven gebied door trekt. Men heeft deze bisons in den zomer, over -de eindelooze vlakten der prairiën verstrooid, aangetroffen, en in den -winter op dezelfde plaatsen, maar tot duizenden vereenigd; men heeft -gezien hoe zij reisden, want men heeft hen vervolgd op de door hen -gebaande, honderden mijlen ver in meer of minder rechte richting, over -gebergten en door de vlakten verloopende „buffelpaden”; men heeft zich -door eigen aanschouwing er van overtuigd, dat de grootste stroomen hun -geen hinderpaal in den weg leggen, dat zij, evenals eene lawine zich in -deze wateren storten en ze met hunne donkere lichamen als het ware -geheel opvullen; men heeft gezien, dat de dieren zich van elkander -scheiden en zich weder vereenigen, dat de kudden zich vergrooten en -zich oplossen in kleinere, dat oude, knorrige, heerschzuchtige en -boosaardige stieren de gemeenschap met de andere bisons vermijden, -misschien worden verdreven, en op deze wijze waarschijnlijk eerst na -een langen, moeilijken strijd, gedwongen worden tot den volgenden zomer -eenzaam rond te dolen; men heeft opgemerkt, dat zij in den winter, -wanneer er veel sneeuw is gevallen, in de bosschen of tegen de -hellingen der bergen beschutting zoeken tegen de ruwheid des weders. -Reeds in de maand Juli vangen zij hun tochten van het noorden naar het -zuiden aan. Weinig talrijke kudden, die tot op dit tijdstip een lui en -gemakkelijk zomerleven leidden, sluiten zich aan anderen aan en samen -vervolgen zij hun weg; andere troepen voegen zich bij hen en naarmate -men vooruitdringt, groeit de menigte en wast het aantal, zoodat er -eindelijk die groote massa’s uit zijn voortgekomen, die van nu af aan, -als door éénen geest bezield, samen werken en handelen, totdat het -voorjaar hen weêr scheidt. Zoodra de winter voorbij is, lossen de -massa’s zich weder, misschien in omgekeerde volgorde, in kleinere -kudden op, die zich al weder verdeelen, tot er niets dan kleine -gezelschappen meer overblijven. Dit alles geschiedt op de terugreis. -Zoowel op de uit- als thuisreis trekt steeds de eene kudde, op zekeren -afstand van eene volgende verwijderd, na de andere; allen blijven -evenwel nagenoeg op hetzelfde pad. Treffen zij eene gunstige plaats, -b.v. eene met sappig gras begroeide laagte, dan grijpt hier eene -tijdelijke opstuwing van den levenden stroom plaats. Onder zulke -omstandigheden vereenigen zich op hetzelfde punt ontelbare scharen -bisons; zij vertoeven dan eenige dagen achtereen op dezelfde plek en -breken eerst dan weder op, wanneer al het gras is afgeweid en de honger -tot verder trekken noodzaakt. Ook de bisons worden achtervolgd door -wolven en beren, terwijl gieren en adelaars onheilspellend boven hun -hoofden zweven. - -Niet alleen vrees voor gebrek aan voedsel, maar ook het ontbreken van -drinkwater kan de aanleiding zijn, die tot reizen aanspoort. Wanneer in -het zuidoosten van Siberië, inzonderheid in de hooge steppe van Gobi, -de winter nadert, worden alle zoogdieren, voor zoover zij geen -winterslapers zijn, door de bijzondere gesteldheid van dat hoogland -gedwongen in lager gelegen oorden een onderkomen te zoeken. De winter -treedt in dit Middel-Aziatisch hoogland niet strenger op dan in de -noordelijk of noordoostelijk daarvan gelegen streken, maar hij is hier -meestal vrij van sneeuw en bedekt alle wateren, die bovendien wegens -den weinigen neêrslag niet talrijk zijn, met eene dikke ijslaag. Zoodra -nu die laatste zoo dik is geworden, dat geen der in de Gobi verblijf -houdende dieren het ijs verbreken kan, zien zij zich tot verhuizen -verplicht, en nu trekken zij niet naar zuidelijker, maar juist naar -noordelijker streken, die het voorrecht bezitten van veel sneeuw te -bevatten: de trekkende dieren toch kunnen beter hun dorst lesschen met -de zachte sneeuw, dan met het harde ijs, en ook loopen zij -gemakkelijker op de eerste dan op het laatste. Nu kan men ook begrijpen -waarom de kropantilope, die veelvuldig in de genoemde steppe voorkomt, -een land verlaat, dat met uitzondering alleen van de daar ontbrekende -sneeuw, m.a.w. met uitzondering alleen van water, hetzelfde aanbiedt -als het winterkwartier. Niet de honger, maar de dorst drijft het dier -naar den vreemde. Is de winter in aantocht, dan verzamelt zich de -overigens reeds gezellig levende antilope in grootere troepen van vele -duizenden individuen; alle lager gelegen landstreken rondom het hooge -geboorteland zijn met deze kudden opgevuld. Gezamenlijk verwijderen zij -zich tot op honderden mijlen afstands van den geboortegrond, en leggen -op dien tocht soms in een enkelen nacht tien à twaalf geografische -mijlen af. De waarnemer, die hen volgt, ziet overal hun sporen en in -zulk eene menigte, dat het schijnt alsof kort van te voren eene -buitengewoon talrijke schaapskudde hier langs getogen is. - -Nog voor de trektijd der antilope is aangebroken, komt de koelan of -dziggetai, de vermoedelijke stamvader van ons paard, en in elk geval -het prachtigste en edelste wilde paard der aarde, in beweging. De -veulens van den jongsten zomer zijn in den herfst reeds zoo krachtig -geworden, dat zij eene lange reis kunnen meêmaken, snelle marschen -uithouden en alle wederwaardigheden en gevaren van een ongeregeld leven -met goed gevolg het hoofd kunnen bieden. Ook de jonge, vierjarige -hengsten bevinden zich in de volle kracht des levens, verlaten reeds op -het eind van September, vol moed, de ouderlijke kudde en dringen -voorwaarts. De oude hengsten en merriën eindelijk worden aangegrepen -door de zucht tot paring en worden onrustig en reislustig. Zoo begint -het vlugge, ondernemende dier, reeds vóór de winter invalt, zijn -tochten; daarom mist men in deze verhuizingen duurzaamheid en -regelmaat, zoodat zij eenigszins het karakter verkrijgen van -avontuurlijke zwerftochten. Ten einde het hun door den aanvoerenden -hengst opgelegde juk af te schudden en vrij te zijn, om zich zelf tot -gebieders op te werken, verlaten de jonge hengsten de moederkudde en -zwerven nu zelfstandig door de zandsteppe. Alle jongere, geslachtsrijp -geworden en zelfs sommige oudere merries schijnen door hetzelfde gevoel -bezield te zijn als de op daden beluste jonge hengsten; ook zij pogen -de tyrannie van hem, die haar tot nog toe gebood, te ontvlieden. Zij -voegen zich bij de eersten—evenwel om nu onder het juk van dezen haar -nek te krommen. Maar zonder strijd wordt de heerschappij niet -verkregen, goedschiks geeft de oude gebieder zijn rechten niet op. -Urenlang staat de jonge hengst op den top eens heuvels of van een -bergrug en slaat van hier uit een onderzoekenden blik over het veld. -Zijn oog doorloopt de woestijn, zijn naar den wind gekeerde -neusvleugels zijn opengesperd, zijne ooren hebben zich gespitst. -Strijdlustig, in gestrekten draf springt hij in elke kudde, die nadert, -rent hij elken mededinger, dien hij ontwaart, te gemoet, en een woedend -gevecht begint om de merries, die den overwinnaar alleen zullen volgen. -Dit vechten en kampen brengt echter beweging in de kudden, scheidt ze -van het gebied, alwaar zij den zomer hebben doorgebracht en is de -voorbode van thans aanvangende, uitgestrekte en onafgebroken -zwerftochten. Na of nog vóór het eindigen van de zooeven besproken -gevechten, verzamelen zich de troepen koelans in elk geval tot steeds -talrijker wordende kudden, totdat er eindelijk legers van meer dan -duizend stuks ontstaan, die gezamenlijk optrekken en wel naar zulke -streken, die overvloed van voedsel opleveren. Ook in de -winterkwartieren scheiden de wilde paarden zich niet van elkander en -zijn deswege genoopt, ter wille van het voedsel voortdurend rond te -zwerven. Dreunend klinkt de hoefslag dezer aaneengesloten, gewoonlijk -snel voortdravende kudden, en meermalen is het gebeurd, dat de Kozakken -in de grensdistricten van het Russische Rijk, daardoor verschrikt, te -wapen vlogen. Geen wolf zal het wagen zulk eene kudde aan te vallen, -want de moedige hengsten weten te hunner verdediging zulk een goed -gebruik van de hoeven te maken, dat de wolf alras van zijn aanval -afziet; slechts zieke en vermoeide wilde paarden vallen het roofdier, -dat deze tochten volgt, nu en dan ten offer. De mensch richt evenmin -onder deze legers veel schade aan; de koelans toch zijn zeer schuw en -voorzichtig, zoodat het moeilijk valt hen te naderen. In weêrwil van -dit alles kan een strenge winter dezen dieren noodlottig worden, vooral -wanneer er veel sneeuw valt. De reeds zoo schrale weide is dan spoedig -uitgeput en dit te eerder, naarmate de kudden talrijker zijn. Dan azen -de dieren zonder keus of smaak op alle planten, die zij kunnen vinden. -Maandenlang moeten zij zich voeden met niets dan ontbladerde twijgen. -De gladheid en ronding des lichaams gaat verloren; eerlang zijn het -wandelende geraamten. Zelf gebrek lijdende, kan de merrie-moeder haar -veulen niet meer het noodige geven; de uiers drogen op. Menig veulen, -dat op zijn nog jeugdigen leeftijd de harde kost der ouden niet kan -verteren, lijdt gebrek. Ook de ouden lijden onder deze winterplagen. -Sneeuwstormen, die dagen lang kunnen aanhouden, waaien de weiden onder -de sneeuw, verdooven den moed, terwijl de driestheid der wolven in -gelijke mate toeneemt, welke dieren de krachteloozen neêrvellen en den -sterkeren boozen overlast aandoen. Zoodra evenwel de omstandigheden -zich ten goede keeren, keert ook weder bij deze taaie, tegen het weêr -geharde schepselen de oude levenslust terug, en zoodra de sneeuw begint -te smelten vangen zij den terugtocht weder aan, om binnen ongeveer eene -maand het vroegere zomerverblijf weder terug te vinden; hier lossen zij -zich weder op in taboenen, of afzonderlijke kudden, herstellen zich -onder ’t genot van rijkelijk en geurig voedsel spoedig weder van de -geleden schade, worden weer vet en glad, en zijn den kommer en de -ellende van den winter geheel vergeten. - -Hoe groot de afstanden ook mogen zijn, die alle tot nog toe behandelde -zoogdieren afleggen, bij die der robben en walvisschen zijn ze echter -niet te vergelijken. Het water begunstigt alle bewegingen van een -daarin levend dier, biedt in hoofdzaak overal dezelfde -levensvoorwaarden aan en stelt om deze reden, op gemakkelijker wijze en -met minder moeite en gevaren in staat tot het volbrengen van verre -tochten. En toch wekt het eenigszins onze verbazing te vernemen, dat -vele zeezoogdieren, inzonderheid de walvisschen, tot de meest -reislustige schepselen behooren, ja dat velen hunner, en misschien wel -de meesten, ongeveer hun geheele leven lang op reis zijn. Strikt -genomen heeft geen enkele walvisch gedurende het geheele jaar eene -vaste verblijfplaats, maar trekt dit dier, of alleen, of paarsgewijs, -met zijn jongen of in scholen vereenigd, onafgebroken van de eene -wereldzee naar de andere, terwijl somtijds enkele oorden bijzondere -lievelingsplekjes zijn, die bij voorkeur en op geregelde tijden worden -opgezocht, ’s winters andere dan in den zomer. De zeeën, in welke -dezelfde walvischsoort zich des zomers en des winters ophoudt, liggen -dikwijls verder uiteen dan men gewoonlijk meent; enkele wallen -doorreizen jaarlijks meer dan een vierde gedeelte van den ganschen -aardbol. Men ontmoet ze des zomers aan de ijsmuren van de Noordelijke -IJszee en in den winter niet zelden aan gene zijde des Evenaars. -Gezellig in de hoogste mate en vol opofferende liefde jegens hunne -jongen, verzamelen zich met name de vrouwelijke wallen tot soms -verbazingwekkende aantallen, om onder aanvoering van enkele mannetjes -langs bepaalde wegen en op bepaalde plaatsen door den wijden Oceaan te -trekken; sommigen vervolgen daarbij hunne reis langs de kust, anderen -door de hooge zee. Stormen en het niet verschijnen van zekere dieren, -die hun tot voedsel verstrekken en waarin men de naaste aanleiding tot -deze verhuizingen hebbe te zoeken, wijzigen soms richting en aanvang -van den tocht; in ’t algemeen echter geschieden deze reizen zoo -regelmatig, dat men zoowel in het noorden als in het zuiden de komst -der walvisschen van bepaalde dagen afgerekend te gemoet ziet en wachten -uitzet, ten einde dadelijk voor de vangst gereed te zijn. De -kustbewoners hebben dikwijls dezelfde walvisschen, die zij herkenden -aan bijzondere kenteekens, zooals b.v. verminkte vinnen, en die ze -tevergeefs hadden nagezet, jaren achtereen juist op denzelfden tijd en -juist op dezelfde plaats teruggezien, terwijl de jacht op deze -winstgevende en daarom fel bestookte dieren met dezelfde regelmatigheid -wordt uitgeoefend als op het vasteland de hazenjacht. Op andere tijden -des jaars zou men tevergeefs naar wallen zoeken. „Na Driekoningen” zegt -reeds de oude Pontoppidan, „zien de Noormannen van alle bergen naar -walvisschen uit, wier komst door de haringen wordt aangekondigd.” Eerst -maakt de springwal zijn opwachting, drie of vier, hoogstens veertien -dagen later verschijnt de vinvisch, ofschoon de een naar het schijnt -uit Straat-Davis, de ander uit Groenland opbreekt. Aan de zuidelijke -kusten der Faroer, en wel hoofdzakelijk in de Qualbenfjord, ziet men -jaarlijks omstreeks Sint-Michiel van drie tot zes anarnaks, heden ten -dage zoowel als vóór honderd en negentig jaar. - -In zekere golf van Schotland verscheen twintig achtereenvolgende jaren, -steeds op denzelfden tijd, een walvisch, die onder den naam van „Hollie -Pyke” algemeen bekend was, telken jare nagejaagd en eindelijk gevangen -werd. Aan de kusten van IJsland kiezen jaarlijks enkele walvisschen -dezelfde inhammen en baaien uit om hier eenigen tijd te verblijven, elk -jaar dezelfde maanden en dezelfde weken, zoodat de kustbewoners ze -persoonlijk kennen en aan ieder hunner namen hebben gegeven. Zekere, -goed bekende moeder-wallen bezoeken elk jaar dezelfde baai, om hier -haar jongen ter wereld te brengen; men spaart deze dieren zelf, doch -zij moeten hun eigen leven duur genoeg, nl. met dat van hun kroost -koopen. Uiterst zelden geschiedt het, dat de reizende walvisschen zich -aan tijd noch richting binden; in het algemeen trekken zij met zulk -eene regelmatigheid door den wijden Oceaan, dat het is alsof zij zich -naar den stand der sterren richten en gebaande, van ter zijden -begrensde wegen betreden. Geen ander zoogdier trekt met zooveel -regelmatigheid; men kan dit trekken vergelijken met dat der vogels. - -Evenals de walvisschen ondernemen ook de robben jaarlijks meer of -minder verre, maar over ’t algemeen ook zeer regelmatige tochten. Die -soorten, welke in binnenzeeën leven, kunnen deze wel is waar niet -verlaten, maar zij trekken ze toch telken jare op gelijke wijze door; -of zij zwemmen op bepaalde tijden de rivieren op, welke in genoemde -zeeën uitmonden. Alle soorten daarentegen, die in de wereldzeeën -verblijf houden, vangen elk voorjaar en elken herfst reizen aan, die in -bepaalde richtingen verloopen, en naar bepaalde streken voeren. Alle -robben uit het hooge noorden en die, welke om de zuidpool wonen, worden -steeds door het zich in den winter uitbreidende ijs tot verhuizen -gedwongen; zij trekken daarom met dat ijs naar gematigde breedten af, -om met het smeltende ijs weder dichter de polen te naderen. Zij, zoowel -als alle andere soorten der orde, waartoe zij behooren, worden nog door -eene andere, niet minder gewichtige beweegreden tot reizen gedreven; -zij kunnen nl. alleen op het vasteland of althans op groote, vast -liggende ijsschollen hun jongen ter wereld brengen en zoo lang -verzorgen, tot deze in staat zijn de ouden in zee te volgen om daar -zelf in het levensonderhoud te voorzien. Zoo verschijnen dan telken -jare duizenden en honderdduizenden robben op bepaalde eilanden of -ijsschollen, welke geboortegronden van hun geslacht zij zoo geheel en -al met hunne lichamen bedekken, dat elke beschikbare ruimte in beslag -moest genomen worden om voor allen plaats te vinden; hier brengen zij -hun jongen ter wereld, verwijlen weken, ja maanden achtereen op het -land en het ijs zonder intusschen te jagen, in zee te dalen en voedsel -tot zich te nemen, zogen de jongen, paren alsdan, lossen het verband -weder op, verdeelen zich over den uitgestrekten Oceaan, om van nu aan -weder op oude wijs te leven, of zij vangen met hunne nog veel zorg -eischende jongen meer of minder ver zich uitstrekkende jachttochten, -alzoo nieuwe reizen aan. - -Van alle hier opgenoemde trekzoogdieren behoort geen enkel tot de -winterslapers, die, goed beschut, in diepe, zorgvuldig toegestopte -onderaardsche woningen, in schijndooden toestand den boozen winter -doorbrengen. Deze dieren zijn dus niet genoodzaakt hunne woonplaatsen -te verlaten. Evenwel, ook onder dezen zijn er, althans voor zooverre -diegenen betreft, welke in de gematigde luchtstreek leven, enkelen, die -gedurende hunne jeugd trekken, nl. de vleêrmuizen. - -Hoe onvolkomen de vleugels der vleêrmuizen, vergeleken met die der -vogels ook mogen schijnen, toch zijn het geschikte werktuigen ter -plaatsverandering en zij stellen zelfs in staat tot het volbrengen van -tochten, die tot de lichaamsgrootte van het dier in geen verhouding -staan. Bovendien is er nog een andere omstandigheid, die der -reislustige vleêrmuis ten goede komt, daarin bestaande, dat het dier -door zijn jongen aan geen bepaalde plaats gebonden wordt, want deze -klemmen zich van het oogenblik der geboorte af aan de borst der moeder -vast om door deze, tot zij volwassen zijn, door de lucht gedragen te -worden. Om al deze redenen behoort de vleêrmuis tot die dieren, welke -te allen tijde tot verhuizen en reizen gereed zijn, en zij maakt dan -ook van de voordeelen haar geschonken, bij tijd en wijle een -uitgestrekt gebruik. In den regel zijn alle reizen, die de -verschillende soorten van vleêrmuizen ondernemen, meer zwerftochten, -die ten doel hebben op sommige tijden andere, meer voedsel belovende -streken op te zoeken; toch kunnen deze tot werkelijke reizen worden, en -althans enkele soorten worden daardoor naar ver afgelegen landen -vervoerd, en zulks geschiedt met die regelmatigheid, welke ware -verhuizingen kenmerkt. De grootste vleêrmuizen, de kalongs of vliegende -honden, ondernemen elken avond, ten behoeve van haar hoofdvoedsel, dat -uit vruchten bestaat, verre tochten; daarenboven vliegen zij soms over -zeestraten van tien geogr. mijlen breedte, ja, naar men zegt, begeven -zij zich wel eens van Zuid-Azië naar Oost-Afrika en omgekeerd. Waar is -het dat zij in beide werelddeelen voorkomen. - -De eigenlijke vleêrmuizen doen voor de kalongs niet onder. Ten einde -jacht te maken op insecten, die in de verschillende tijden des jaars op -verschillende hoogten verschijnen, stijgen deze dieren van de -laagvlakten naar de bergen omhoog, om in den herfst weder naar beneden -te dalen; zij volgen de kudden der nomaden van Middel-Afrika—al weder -om de hier zich verzamelende insecten—maar zij reizen ook van het -zuiden naar het noorden, en keeren van hier weder naar ginds terug, en -omgekeerd. Zoo verschijnt de ombervleêrmuis eerst met het begin der -heldere zomernachten in het noorden van Skandinavië en Rusland, om deze -breedten, die men als haar eigenlijk geboorteland kan aanmerken, reeds -in den nazomer weder te verlaten; zij begeven zich alsnu naar de -Duitsche Middelgebergten en de Alpen, om daar te overwinteren. Zoo ziet -men de meervledermuis des zomers geregeld in de Noordduitsche vlakten, -maar ontmoet haar echter om dezen tijd slechts zelden in de gebergten -van Middel-Duitschland, alwaar zij den winter in de rotskloven -doorbrengt. Dat ook andere in Duitschland levende vleêrmuissoorten -soortgelijke reizen volbrengen, is meer dan waarschijnlijk. - -Bovenvermelde voorbeelden, die uit het rijkelijk voorhanden materiaal -zoo maar te grijpen waren, zijn zoo vele bewijzen voor die soorten van -verhuizingen, welke men op grond der regelmatigheid, waarmede zij -geschieden, willekeurige zou kunnen noemen. Maar er is meer. Somtijds -worden de zoogdieren door honger en dorst, armoede en tijdelijke -onbewoonbaarheid van een of ander woongebied, zoo hard geteisterd, dat -zij, schier tot wanhoop gebracht, besluiten moeten in de vlucht hun -behoud te zoeken. Rijkelijk voedsel en gunstig weder bevorderen de -vermenigvuldiging van alle dieren, maar inzonderheid die der -planteneters, zoodat deze daardoor wel eens gedwongen worden hun -verbreidingsgordel uit te zetten. Worden evenwel een of meer vette -jaren, of zelfs enkele gunstige maanden opgevolgd door schrale, dan -klimt de nood plotseling tot het uiterste; de hierdoor overvallen -dieren worden dan niet alleen in de onmogelijkheid gebracht van zich -verder het noodige levensonderhoud te verschaffen, maar de nood doet -hun zelfs alle bezinning verliezen. - -Onder zoodanige omstandigheden verlaten bij ons te lande de veldmuizen, -in Siberië de wortelmuizen hare geboorteplaats en trekken, in ontelbare -scharen vereenigd, naar andere streken; zij deinzen op zulke tochten -nergens voor terug, zoomin voor het water als voor de hun vreemde -bergen en bosschen; zij hebben daarbij onophoudelijk te kampen met -honger en ellende, met ongesteldheden en kwaadaardige ziekten, die als -de pest onder hen woeden en de millioentallen tot weinige honderden -doen insmelten. Gelijke omstandigheden dwingen in Siberië de -eekhoorntjes, die in gewone jaren ten hoogste kleine uitstapjes -ondernemen, om zich tot groote legers te vereenigen en troepsgewijs van -boom tot boom, van het eene woud naar het andere te trekken, rivieren -en stroomen over te zwemmen, enz. Zij dringen alsdan de dorpen en -steden binnen, verliezen bij duizenden het leven, maar laten zich zelfs -dan niet terughouden of van den weg afbrengen, wanneer het doodsgevaar -hen tegengrijnst. De voetzolen slijten af en worden ruw, de nagels zijn -stomp geloopen, de haren van den anders zoo gladden pels worden -borstelig en zitten verward dooreen; losschen en sabelmarters volgen -hun spoor in de bosschen, veelvraten, vossen en wolven in het open -veld, arenden, valken, uilen en raven zweven dreigend boven hunne -hoofden, maar grooter verwoestingen nog dan de tanden en klauwen der -roofdieren, of de buksen en stokken der menschen, richten boosaardige -ziekten onder hen aan, en toch—zij trekken altijd verder, -oogenschijnlijk zonder hoop op een mogelijke wederkomst. Volgens de -mondelinge mededeelingen van een met mij bevriend Siberisch jager wierp -zich in het jaar 1869 zulk een leger van eekhoorntjes midden in de -Uralische stad Tapilsk. Deze individuën vormden echter nog maar eene -enkele divisie van het hoofdleger, welks centrum op een afstand van -ongeveer acht kilometer meer noordelijk door het bosch trok. De dieren -volgden of individuëelsgewijs of in troepen van verschillende sterkte, -onafgebroken elkander op; zij trokken even dicht aaneengesloten door de -stad als door het naburige bosch; zij maakten zoowel van de straten als -van de tuinen gebruik, klommen zelfs over de daken der huizen, vulden -alle pleinen en open plaatsen, en veroorzaakten een algemeene -opschudding, niet alleen onder de menschen, maar zoo mogelijk nog meer -onder de honden, die er duizenden doodbeten en ten slotte de meest -teugellooze, meest onverzadelijke moordlust aan den dag legden. Maar de -eekhoorns schenen geen acht te slaan op de tallooze offers, die aan -hunne zijde vielen, zich om niets te bekommeren en zij waren door geen -enkel middel van den eens ingeslagen weg af te brengen. Drie dagen -achtereen duurde deze doortocht, van den vroegen morgen tot den laten -avond, en eerst tegen het aanbreken van den nacht kwam er stilstand in -den stroom. Allen wandelden juist in dezelfde richting, van het noorden -naar het zuiden, en de nakomenden trokken langs denzelfden weg als de -eerst voorbijgekomenen. De bruisende Tschussoweia was hun geen -beletsel; alle dieren, die aan den oever dezer snelstroomende rivier -aankwamen, stortten zich zonder bedenken in het schuimende en draaiende -water, en zwommen, bijna geheel ondergedoken, met over den rug gelegden -staart, zoo snel mogelijk naar den anderen oever. Mijn zegsman, die den -tocht voortdurend met klimmende belangstelling en opmerkzaamheid -volgde, begaf zich in een boot midden onder de den stroom doortrekkende -schare. Vermoeide zwemmers, wien hij eene roeispaan toereikte, maakten -daarvan gebruik om er bij op en in de boot te klauteren; zij bleven, -oogenschijnlijk zeer vermoeid, hier een poos rustig en vertrouwelijk -zitten, klauterden, wanneer de boot naast een grooter vaartuig -aanlegde, op dit laatste over, bleven nu hier weder rustig een poos -zitten om ook dit te verlaten, zoodra het vaartuig aan wal was gekomen; -dan sprongen zij er af en zetten de reis zoo goedsmoeds voort alsof zij -door niets waren gestoord geworden. - -Dezelfde oorzaken moeten het zijn, die de lemmingen aanzetten tot -hunne, reeds eeuwen lang bekende verhuizingen. Jaren achtereen -verleenen de gebergten der Skandinaafsche, Noord-Russische en -Noord-Siberische toendra’s hun een geschikt verblijf en daarbij -overvloedig voedsel, want de breede ruggen der fjielden evenals de hier -tusschen gelegen uitgestrekte vlakten, het heuvelland en de laagten -bezitten plaats en voedsel genoeg voor millioenen dezer dieren; maar -niet elk jaar verheugen zij zich den geheelen zomer in overvloed. Volgt -op een aan sneeuw rijken, dus op een voor hen, die onder het witte -sneeuwkleed een veilige schuilplaats vinden, gunstigen winter een te -rechter tijd aanvangend, warm, lang aanhoudend voorjaar, dan worden er -aan hun ongemeene vruchtbaarheid geenerlei perken gesteld, en weldra -wemelt de toendra letterlijk van lemmingen. Een hierop volgende, -schoone en warme zomer doet het aantal nog meer toenemen,—maar verhaast -tevens den levensloop van alle voedingsplanten, en nog vóór het einde -van den zomer daar is, zijn die planten òf verdord, òf reeds gevallen -onder de vraatzuchtige tanden dezer onverzadelijke woelmuizen. Het -gebrek houdt zijn intocht en het lui, lekker leventje wordt vervangen -door ellende. De vroolijke, brutale aard van den lemming is verdwenen, -onrust bevangt hem en deze onrust stijgt eerlang tot radeloozen angst. -Het hongerspook grijnst hen tegen. Nu scholen de lemmingen bijeen en -vangen de reize aan. Dezelfde trek maakt zich tegelijkertijd van velen -meester en de een sleept den ander mede. De troepen worden scharen, de -scharen legers. Deze stellen zich in slagorde en als een bruisende -stroom storten de lemmingen zich van de hoogten naar beneden in de -dalen. Allen snellen in een bepaalde, naar plaats en gelegenheid -verschillende richting vooruit. Allengs vormen zich lange rijen, in -welke de eene lemming zoo dicht op den ander volgt, dat hij met zijn -kop schijnt te rusten op den rug van zijn voorman. Hoe licht de tred -dezer kleine diertjes ook zij, hun aantal snijdt in het moskleed der -toendra diepe voren, die reeds van verre in ’t oog vallen. Hoe langer -de tocht duurt des te onrustiger en koortsachtiger wordt de troep. -Gretig vallen zij op alle planten aan, die zij op hun weg ontmoeten, -alles verslindende wat maar eenigszins genietbaar is; en hebben de -voorsten werkelijk nog eenig voedsel gevonden, zij, die volgen, vinden -ook dit niet meer. De honger stijgt van minuut tot minuut en doet den -tocht steeds meer verhaasten; geen gevaar wordt meer geacht, geen -hinderpaal ontzien, en millioenen vallen dientengevolge als een offer -des doods. Menschen, die hun in den weg treden, loopen zij tusschen de -beenen door; tegen raven en andere roofvogels, die hen in kracht verre -overtreffen, stellen zij zich onverschrokken te weêr; zij banen zich -knagend een weg door de hooischelven, zij klimmen over bergen en -rotsen, zij zwemmen over rivieren en zeeëngten, zelfs over wijde meren -en groote golven en fjorden. Hetzelfde gevolg, dat achter de -verhuizende eekhoorntjes natrekt, loopt en vliegt ook de lemmingen na: -wolven en vossen, veelvraten, marters en wezels, de honden der Lappen -en Samojeden, arenden, buizerden en sneeuwuilen, raven en bonte -kraaien, deze allen gaan te gast aan de ontelbare offers, die zij aan -het golvende leger, meeuwen en visschen aan die, welke zij aan de -zwemmenden ontrooven, terwijl ziekten van allerlei aard wellicht nog de -grootste slachting aanrichten, meer dan alle bovengenoemde vijanden te -zamen. Duizenden lijken blijven ten prooi der verrotting langs de wegen -liggen, duizenden anderen worden door de stroomen medegevoerd. Of er -nog enkele individuën van deze massa’s ontkomen, en of deze vroeger of -later weder naar de verlaten haardsteden terug keeren, of dat ten -slotte allen, die de reize aanvingen te gronde gaan, niemand vermag -zulks te zeggen. Wel kan ik persoonlijk verzekeren, dat ik uitgestrekte -landen der Laplandsche toendra ben doorgetrokken, die ik overal -doorkruist zag door de gangpaden der lemmingen, maar ik heb op dien -tocht geen enkelen lemming zelf ontmoet. Zulke streken behouden, gelijk -men mij mededeelde, dikwijls jaren achtereen hetzelfde uiterlijk en -eerst na een lang tijdsverloop worden zij langzamerhand weder met deze -kleine, nijvere knaagdieren bevolkt. - -Wat de honger in het noorden bewerkt, doet in het weelderige zuiden de -dorst. Wanneer de brakke poelen, die tot op dit oogenblik -tijgerpaarden, antilopen, buffels, struisvogels en andere aan den grond -gekluisterde steppendieren lafenis schonken, onder den verzengenden -adem van den Zuid-Afrikaanschen winter allengs uitdrogen, dan -verzamelen zich om die weinigen, welke nog eenig water bevatten, alle -dieren, in wier levensonderhoud de steppe tot dusverre voldoende -voorzag, en een druk, levendig tooneel ontvouwt zich aan deze plaatsen. -Maar zijn ook deze verdroogd, dan zien alle wezens, die zich op deze -plek bijeenvonden, zich genoodzaakt weg te trekken, en nu kan het -voorkomen, dat zij door een soortgelijken wanhoop worden aangegrepen -als de zooeven besproken knaagdieren; evenals de wilde paarden en -kropantilopen der Middel-Aziatische steppe of de bisons der -Noord-Amerikaansche prairiën scharen zij zich bijeen en leggen in -rechte lijn honderden van mijlen af, om de ellende van den strengen -winter te ontvlieden. - -De eerste dieren, welke het ongastvrije oord ook hier den rug -toekeeren, zijn de wilde paarden. Zorgeloos en ongedwongen zwierven de -sierlijk geteekende, krachtige, vlugge, wilde en zich zelf bewuste -kinderen der karroe, de zebra, quagga en dauw, tot aan het invallen van -het tijdperk van gebrek door hun uitgestrekt gebied, verdeeld in -kudden, die onder de hoede en leiding staan van een ouden, ervaren en -in den strijd geoefenden hengst. Het tijdperk van kommer, de winter is -aangebroken, de eene watervijver voor, de andere na, droogt op en -steeds talrijker en talrijker worden de troepen, die zich om den -laatsten watervoorraad verzamelen. De gemeenschappelijke nood dooft in -den kampvaardigsten hengst den lust tot gevecht en strijd. De taboenen -worden tot troepen van eenige honderden stuks, die van nu aan -gemeenschappelijk zullen handelen, en gezamenlijk het winterachtig -verblijf verlaten nog voor het gebrek is gekomen, dat de krachten zal -verzwakken en den trotschen wil breken. Vol geestdrift wordt het -grootsche tooneel, dat deze verhuizende tijgerpaarden opleveren, door -alle reizigers geschetst. Zoo ver het oog reikt, strekt zich het -zandveld uit, welks roode hoofdkleur slechts hier en daar wordt -afgebroken door enkele zwarte plekken, alwaar de zon het gras heeft -verbrand; hier en daar werpen spaarzaam verspreide mimosa’s een weinig -schaduw en geheel in de verte is de vlakte begrensd door de scherpe -omtrekken der met een blauw waas omtogen bergen. Te midden van zulk een -landschap ziet men eene stofwolk opdwarrelen; loodrecht stijgt deze, -door geen windje bewogen, naar den blauwen hemel omhoog. De wolk rukt -nader en nader; binnen in haar wordt een gewemel van wezens zichtbaar. -Eindelijk maken deze zich los uit den donkeren nevel en schitterend -gekleurde dieren treffen het oog van den waarnemer; in dichte rijen, -met uitgerekten hals en uitgespreiden staart, rennen zij voorbij, -terwijl struisvogels en eigenaardig gevormde gnoes, die zich in de -gelederen hebben gemengd, den stoet helpen vergrooten. Deze dieren zijn -op weg naar een ander, misschien ver verwijderd grasland, en vóór nog -de toeschouwer van zijne verbazing is bekomen, is het wilde leger reeds -uit het gezicht verdwenen om de onafzienbare steppe verder in te -trekken. - -Niet altijd op dezelfde wegen, maar toch meest in dezelfde richting, -trekken ook de door den winter verjaagde antilopen door het grenzenloos -gebied. Onder dezen is de springbok het menigvuldigst; dit is -ongetwijfeld een der sierlijkste gazellensoorten, die wij kennen. De -ongemeene schoonheid en bekoorlijke bewegelijkheid van dit dier -betoovert een ieder, die het in de natuur gadeslaat; met lichten, -elastischen tred schrijdt het nu eens voort, staat dan weder een -oogenblik stil om te grazen, en springt daarna tuimelend verder, zijn -grootste sieraad, een sneeuwwitten, maanachtigen haarbosch ten toon -spreidende, die bij langzamen tred in eene overlangs loopende plooi van -den achterrug wordt weggeborgen. Geen andere antilope vereenigt zich, -wanneer de nood tot verhuizen dwingt, in zulke talrijke kudden. - -Geene pen is bij machte eene juiste voorstelling van dit schouwspel -voor den geest te roepen van hem, die het met eigen oogen aanschouwde. -Reeds sedert weken schaarden de antilopen zich bijeen, misschien nog -altijd wachtende op de eerste regenbui alvorens zij konden besluiten -tot de afreis. Honderden individuën voegen zich bij andere -honderdtallen, duizenden scharen zich bij andere duizenden en naarmate -het gebrek meer dreigt en de dorst meer begint te kwellen, wordt de -bereids afgelegde weg verlengd, terwijl de kudden aangroeien tot -troepen, de troepen tot legers. Als zwermen treksprinkhanen, die de zon -verduisteren, trekken zij daar heen. - -In de vlakten bedekken zij kwadraat-mijlen; in de passen tusschen de -gebergten dringt zich de hoop tot eene massa opeen, waarvoor alle -andere schepselen terugdeinzen; door de laagvlakten stroomen zij voort -als de wateren eener buiten haar oevers getreden, alles medesleurende -rivier. Zelfs de meest nuchtere mensch verliest bij dit schouwspel -zijne bezinning, en uren, soms dagen achtereen duurt zulks voort. Als -vraatzuchtige sprinkhanen vallen de versmachtende dieren op gras en -bladeren, op koorn en andere veldvruchten aan, en waar zij -voorbijtrokken bleef geen halm overeind. Waagt zich een mensch in den -weg dezer troepen, hij wordt in een oogwenk ter aarde geworpen en door -de wel lichte, maar elkaar opvolgende hoefslagen der dieren zwaar -verwond, soms zoo zeer dat hij blij mag zijn, indien hij er het leven -afbrengt; komen de antilopen eene kudde schapen tegen, dan wordt deze -omsingeld en medegesleurd; niemand ziet ze ooit weder. De leeuw, die -dacht hier eene gemakkelijke prooi te vinden, ziet zich genoodzaakt het -reeds gegrepen offer los te laten en met den stroom mede te ijlen. -Onophoudelijk dringen de achtersten naar voren en moeten de voorsten -voor dien drang uitwijken; bestendig trachten de in het midden -gedrongen scharen de vleugels te bereiken en voortdurend ondervinden -zij den taaisten tegenstand. Gieren beschrijven hun kringen om de -stofwolken, die de vluchtende scharen opwerpen; aan de vleugels en de -achterhoede sluit zich een talrijke, uit de meest verschillende -roofdieren bestaande lijkstoet aan; jagers en schutters loeren in de -passen om van hier uit ontelbare kogels in het gedrang te zenden. Zoo -doorvliegen de gekwelde dieren mijlen lange landstreken tot het -voorjaar aanbreekt en de troepen weder ontbindt. - -Moet ik hier nog de tochten aan toevoegen, die de poolvossen en -ijsberen soms gedwongen worden te ondernemen, wanneer zij op een -ijsschol, hun tijdelijk jachtveld, door de zeestroomen worden -weggevoerd, om òf nooit weder te landen òf in het gunstigste geval -ergens op een eiland aan wal gezet te worden? Ik geloof van neen, want -zulke reizen zijn geen verhuizingen meer, maar een drijven op de -golven. - - - - - - - - -VIII. - -DE LIEFDE EN HET HUWELIJK DER VOGELS. - - -Alle levende wezens voelen in zich den drang om het andere geslacht aan -zich te binden, om een tweede ik met het eigen wezen tot één geheel te -vereenigen; door onbaatzuchtige overgave trachten zij gelijke gevoelens -op te wekken, ten einde de innigste banden te sluiten, die het eene -wezen aan een tweede, het eene leven aan een ander verbindt. Wij zien -hierin de openbaring eener even onverbiddelijke als noodwendige -natuurwet; geene macht is in staat die wet op te heffen, of zelfs maar -haar invloed te verzwakken. Onophoudelijk overwint zij alle hinderpalen -en streeft zij steeds zegevierend naar het doel. - -Liefde noemen wij de alvermogende kracht, door welke deze wet regeert, -wanneer wij van menschen spreken; wij heeten haar instinct, wanneer er -van haar invloed op de dieren sprake is. - -Zulks is evenwel niets anders dan een woordenspel, tenzij wij de -beteekenis van het eerstgenoemde woord zoodanig wijzigen, dat wij er -onder verstaan: de ook in den mensch aanwezige, maar door hem veredelde -en tot een zedelijk beginsel verheven natuurlijke aandrift. Ontdoen wij -het van deze toevoeging, dan wordt het moeilijk eenig verschil in -beider uitingen op te merken. Mensch en dier gehoorzamen aan dezelfde -wet; maar het dier is gewilliger in ’t gehoorzamen dan de mensch. Het -dier wikt niet, berekent niet, maar geeft zich onstuimig over aan den -invloed dier wet. De mensch daarentegen beeldt zich niet zelden in, dat -hij zich aan haar invloed kan onttrekken. - -Ongetwijfeld ziet hij, die à priori reeds de solidariteit van mensch en -dier in twijfel trekt, in het laatste niets anders dan een levende -machine, die door van buiten aangebrachte krachten in beweging wordt -gesteld en tot handelen gedreven, en dus ook daardoor wordt aangespoord -om naar de gunst van het andere geslacht te dingen, aangevuurd tot zijn -jubelend gezang en geprikkeld tot den strijd met mededingers. Het -spreekt wel van zelf, dat er bij zulke machines geen sprake kan zijn -van vrijheid en eigen wilsbepaling, van strijd tegen opkomende -gemoedsaandoeningen, van eenig zieleleven in ’t algemeen. Zonder zelf -daardoor in waarde te stijgen, verlaagt hij, die op deze wijze voor -zich alleen aanspraak maakt op geestelijk leven, inzonderheid op -geestelijke vrijheid, het dier tot een conterfeitsel zijner opgeblazen -ijdelheid, tot een wezen, dat eer een schijnleven dan een werkelijk -bestaan voert, en onvatbaar is voor de genietingen en vreugde des -levens. - -Wij oordeelen anders en ongetwijfeld is ons oordeel juister en -billijker, wanneer wij het tegendeel aannemen; wij oordeelen misschien -niet eens te scherp, wanneer wij beweren, dat hij, die aan de dieren -verstand ontzegt, zelf bezorgdheid inboezemt, en dat hij, die het -gevoelsleven der dieren loochent, zelf niet weet wat gevoel is. Wie -onbevangen oordeelt zal vroeger of later tot de erkenning moeten komen, -dat de geestelijke functies van alle dierlijke wezens, hoeveel verschil -daaromtrent ook moge bestaan, op dezelfde wetten berusten, en dat elk -dier, binnen den hem aangewezen levenskring, onder dezelfde -omstandigheden denkt, gevoelt en handelt als ieder ander, en geenszins -in tegenstelling met den mensch, volgens zoogenaamde hoogere wetten, -tot eng bepaalde levensuitingen gedwongen wordt. Men moge de oorzaken, -die de dieren bij hunne handelingen besturen, met den naam van wetten -bestempelen, maar dan moet men niet uit het oog verliezen, dat ook de -mensch aan zulke wetten onderworpen is. Wel is waar, de mensch kan door -zijn geest sommige dier natuurwetten aan zich dienstbaar maken, op -andere invloed uitoefenen, eene enkele maal zelfs zich misschien aan -die wetten onttrekken, maar verbreken kan hij ze niet, vernietigen -evenmin. - -Ik wil beproeven de juistheid mijner beweringen te staven door met een -voorbeeld op te helderen hoe gelijksoortig in het wezen der zaak de -levensuitingen van menschen en dieren kunnen zijn, hoe beiden door de -belangrijkste aller natuurwetten, die de onderhouding der soort beoogt -of ten gevolge heeft, in gelijke mate beheerscht worden. Mensch en -vogel! hoe breedt is de klove, die beide wezens scheidt! hoe groot is -het verschil tusschen beider doen en laten! Is er eene macht, die deze -kloof kan dempen? Zijn er verhoudingen mogelijk, die beiden kunnen -nopen tot wezenlijk dezelfde levensuitingen? Wij willen zulks -onderzoeken. - -Onbezorgder dan de mensch onderwerpen de vogels zich aan de wisseling -der jaargetijden. „Zij zaaien niet, zij oogsten niet en verzamelen niet -in de schuren” en deswege moeten zij, willen zij leven, zich goedschiks -of kwaadschiks voegen naar de bovengenoemde variaties. Daarom bloeien -zij in de lente, brengen ze in den zomer vruchten voort, bergen deze en -zich zelf in den herfst, en rusten in den winter, evenals aller moeder, -de aarde. Hunne levensuitingen zijn gebonden aan de seizoenen des -jaars. - -In dit opzicht staan ze letterlijk onder de heerschappij eener ijzeren -wet, tegenover welke vrijheid en willekeur ondenkbaar zijn. Die wet -moet evenwel noodwendig leiden tot gebrek en nood, tot levensgevaar -voor zichzelf en hunne jongen. Zij buigen zich dus gewillig onder die -wet, maar genieten daarbij eene vrijheid, die wij menschen hun zouden -benijden, indien wij niet nog meer dan zij in staat waren ons aan den -invloed der jaargetijden te onttrekken. Maar bloeien ook wij niet in de -lente, en rusten ook wij niet in den winter? En moeten ook wij niet den -nek krommen onder het ijzeren juk der noodzakelijkheid? Zijn de vogels -in genoemd opzicht gebonden, zij behouden zich toch in een ander -opzicht vrijheid en willekeur van handelen voor; ja oefenen deze soms -nog blijmoediger en op onbeperkter wijze uit dan de mensch. - -Geen vogel ontzegt zich vrijwillig het genot der liefde; slechts -enkelen hunner onttrekken zich aan de banden des huwelijks, ieder -echter tracht liefde te verwerven en te genieten, zoodra hem zulks -mogelijk is. Nog vóór het kleed der jeugd is afgelegd weet hij het -verschil in sexe te onderscheiden en te waardeeren; reeds veel vroeger -vecht het mannetje, als in dartelen, jeugdigen overmoed met zijns -gelijken; en niet zoodra is het volwassen, of het dingt met vuur en -volharding om de gunst van een wijfje zijner eigene soort. Geen -vogelmannetje veroordeelt zichzelf tot het leven van een oud-vrijer, -geen vogelwijfje sluit haar hart voor welgemeende liefde. Ter wille van -het wijfje trekt het mannetje rusteloos en doelloos over land en zee; -ter wille van een eerzaam mannetje vergeet het wijfje geleden smart, -droeve rouw, hoe diep beiden ook mogen geweest zijn, ja ter wille van -een beteren minnaar verbreekt het wellicht de banden der echt. - -Ieder vogelwijfje verkrijgt een echtgenoot; aan den anderen kant -evenwel valt het elk vogelmannetje niet zoo gemakkelijk zich een wijfje -te verwerven. Want ook onder de vogels moet zulk een kostbaar kleinood -langs den weg van moeite en strijd verkregen worden. In ’t algemeen -zijn er meer mannetjes dan wijfjes; daarom zijn velen genoodzaakt het -hardste noodlot, dat hen kan treffen, te torschen, en althans tijdelijk -ongehuwd te blijven. Voor verreweg de meeste vogels is echter het -oud-vrijersleven eene kwelling, waarvan zij zich met alle inspanning -van krachten pogen te ontdoen. Zij trekken daarom op vrijerswieken door -het land, kijken overal rond naar een vrouwtje, en, hebben zij er een -gevonden, dan doen zij onverwijld en onbeschroomd aanzoek om hare hand, -onverschillig of het een gehuwd of ongehuwd wijfje of zelfs eene weduwe -is. Bleven de reizen zonder gevolg, zij zouden waarschijnlijk niet zoo -geregeld heen en weer trekken als feitelijk geschiedt. Wanneer de -mannetjes om de gunst der wijfjes dingen, putten zij alle hulpmiddelen -uit, die de natuur hun verleende. Ieder spreidt naar aard en talent -zijn beste gaven ten toon; ieder tracht zich van de meest -aantrekkelijke zijde te doen zien, alle hem eigen lieftalligheden aan -den dag te leggen, uit te blinken, kortom zijn soortgenooten de loef af -te steken. Zijn verlangen neemt toe met de hoop op verhooring; zijne -liefde wordt tot een roes en ontneemt hem alle bezinning. Hoe ouder hij -wordt des te opvallender stelt hij zich aan, treedt hij met meer -zelfvertrouwen op, en streeft hij onstuimiger naar het loon der min. -Het spreekwoord: „met den ouderdom komen de gebreken” wordt door hem -gelogenstraft. Slechts zeer zelden veroordeelt de ouderdom hem tot -zwakheid en onvermogen, vermeerdert daarentegen gewoonlijk alle hem ten -dienste staande talenten en verhoogt door de gerijpte ervaring de -volheid van kracht, waarin hij zich verheugt. Geen wonder dus, dat de -jonge wijfjes aan oude mannetjes zelfs de voorkeur geven, en -begrijpelijk is het, dat deze, zoo niet vuriger, althans met meer -vertrouwen vrijen dan jonge. - -De middelen, die een vogelmannetje bezigt om zijn liefde te verklaren -zijn vele; zooals van zelf spreekt staan zij in verband met zijne ’t -meest in ’t oog vallende talenten. Het eene mannetje heeft zijn lied, -een ander zijn vleugels, deze den snavel, gene zijn pooten; het eene -spreidt alle mogelijke vederenpracht ten toon, het andere ontplooit een -of ander bijzonder sieraad, een derde openbaart talenten, vroeger -ongekend. Ernstige vogels geven zich over aan scherts en spel en voeren -de koddigste narrenstreken uit; stille vogels worden praatziek, rustige -bewegelijk, zachtmoedige strijdlustig, vreesachtige moedig, -voorzichtige zorgeloos; kortom, bijna allen laten zich van een andere -zijde zien dan gewoonlijk. Hun gansche wezen schijnt veranderd, daar -alle bewegingen levendiger en opgewekter zijn dan gewoonlijk, en hun -doen en laten bijna in elk opzicht van den gewonen regel afwijkt; -feitelijk verkeeren zij in een roes, die hun veêrkracht verheft en -versterkt, terwijl geenerlei afmatting zich laat zien. Zij onthouden -zich van slaap, of deze wordt althans beperkt tot den kleinst -mogelijken duur, en toch doet hun zulks geen kwaad; wakend spannen zij -alle krachten in zonder moede te worden. Alle, met eene stem begaafde -vogels vrijen met duidelijk verstaanbare klanken en hun gezang is niets -anders dan het zuchten en juichen der liefde. De woorden des dichters: - - - Wilt gij naar de nachtegalen vragen, - Die met zoete en teedre melodij, - U verrukten in de lentedagen— - Slechts zoolang zij minden, waren zij. - - -behelzen de volle waarheid; want het gezang van den nachtegaal en van -alle overige vogels, die ons met hun liederen opvroolijken, begint met -het ontluiken der eerste liefde en eindigt met het uitdooven van het -minnevuur om door een ander gevoel, somtijds dat van zorg, verdrongen -te worden. Zingend trekt de vogel ter bruiloft; dat gezang kondigt het -wijfje zijn nabijheid aan; in een vurig lied drukt hij zijn geestdrift -uit, wanneer hij zijn wijfje gevonden heeft; in het lied geeft hij zijn -begeerte en verlangen, zijn verwachting en hoop te kennen; in het lied -openbaart hij zijn kracht. Jubelend geeft hij uiting aan het gevoel van -zaligheid en geluk; met een lied daagt hij elk mannetje zijner soort -uit, dat zich vermeten dorst zijn geluk te storen. Slechts zoo lang de -roes der liefde duurt, zingt de vogel met toewijding en volle kracht; -zingt hij buiten dien tijd nog een enkele maal, dan doet hij zulks in -herinnering aan dien roes, die hem eenmaal zoo gelukkig maakte. Er zijn -er die beweren, dat de vogels zonder eenig gevoel hunnerzijds zingen, -dat zij op bepaalde tijden zingen moeten en niet anders kunnen, -daarentegen op een anderen tijd niet kunnen en niet mogen zingen; die -zoo spreken hebben het lied der vogelen nooit verstaan of niet willen -verstaan, maar enkel en alleen op jammerlijke wijze uiting gegeven aan -hun vooroordeel. Men neme eens onbevangen waar, en alras zal men -ontdekken, dat het lied der vogels, ofschoon dit in den grond der zaak -hetzelfde blijft, zich voegt naar elke gevoelsuiting; al naar de -gemoedsstemming van den vogel zelf is, vloeien de tonen nu eens rustig -daarhenen, dan eens klimmen zij omhoog en worden zij tot een luid -gejubel, om straks weder lager gestemd te worden. Telkens wekt het -echo’s in de borst van andere mannetjes. Hadden zij gelijk, die -beweren, dat er geen verband bestaat tusschen het lied en de -gemoedsstemming der vogelen, dan zou het eene mannetje precies eveneens -moeten zingen als het andere der zelfde soort, en elk mannetje zou het -hem door de natuur geschonken lied moeten opdreunen, evenals eene -speeldoos de aria’s eener in haar zich bewegende, beprikte wals -aframmelt; van leeren, veranderen, verbeteren, van prijskampen was dan -geen sprake. Maar de ervaring leert juist het tegendeel en daarom zijn -wij er van overtuigd, dat de vogel met volle bewustheid zingt, en dat -in zijn lied zich zijne ziel openbaart. Hij is zelfs een dichter, die, -binnen de hem gestelde grenzen, vindt, vormt en naar uitdrukking -streeft; de drijfveêr van dit alles is echter de liefde. Door de liefde -beheerscht, zingt, murmelt en fluit de meerkol, wauwelt de ekster, -verkeert de krassende raaf zijn ruw geluid in zachte, weeke tonen, laat -de anders stomme fuut zijn stem hooren, dompelt de roerdomp den snavel -in het water ten einde zijn gewoon geschreeuw, het eenige hem -geschonken geluid, in een vèrklinkend dof gebrul te veranderen, en -zingt de zeeduiker zijn wild, maar klankrijk zeelied. Zeker zingt de -vogel slechts op bepaalde tijden, maar niet daarom, omdat hij op andere -tijden niet zingen kan, maar omdat hij dan geen reden heeft tot zingen, -omdat hij dan niet zingen wil. Hij zwijgt, omdat hij niet meer mint, -of, m.a.w. zoodra de paartijd voorbij is. Zulks wordt al dadelijk -bewezen door den koekoek. Negen maanden lang hoort men geen enkele -syllabe uit de keel van dezen vogel; maar nauw is het voorjaar gekomen, -of hij roept onafgebroken door, van het krieken van den dag tot den -avond en net zoolang als de paartijd duurt. Hij zwijgt echter eerder in -het zuiden dan in het noorden, eerder op de vlakte dan op het gebergte, -geheel in overeenstemming met den broedtijd der pleegouders, die in het -zuiden en in de vlakte vroeger met den nestbouw beginnen en eerder de -opvoeding der jongen voltooid hebben dan in het noorden of op de -hoogten der gebergten. - -Bij hunne liederen of eigenaardige stemgeluiden voegen een aantal -vogels nog sierlijke bewegingen, waarbij nu eens de vleugels hunne hulp -bewijzen, dan eens weder de pooten mede dienst doen; nog andere vogels -nemen eigenaardige houdingen aan, om zich hierin aan het wijfje te -laten zien of voor haar op en neêr te wandelen; verder zijn er, die het -een of ander vreemd gedruisch voortbrengen. En dit alles geschiedt -eenig en alleen om de gunst van het vrouwelijk geslacht te verwerven. - -Terwijl sommige valken en zoo ook de uilen hunne begeerte uitsluitend -of hoofdzakelijk door een luid geroep te kennen geven, voeren andere -roofvogels voor of gemeenschappelijk met het wijfje prachtige -luchtspelen uit, die nu eens op een dans gelijken, dan weder aan -razernij doen denken. De arenden, buizerden, slechtvalken, kleine en -gewone torenvalken beschrijven uren achtereen kringen om elkander, -klimmen in schroeflijnen tot duizelingwekkende hoogten op, en -volbrengen, onder het vliegen, klaarblijkelijk om elkander te behagen -en het leven te veraangenamen, allerlei kunststukken; nu en dan laten -zij een luid geschreeuw hooren, spiegelen hun gevederte in het -zonnelicht, om eindelijk, langzaam en zwevend naar de eene of andere -hooge zitplaats te dalen en hier verder te minnekoozen. De wouwen of -milanen, die zich in hoofdzaak eveneens gedragen, laten zich soms -plotseling met half toegevouwen vleugels uit aanzienlijke hoogten naar -beneden vallen, strijken rakelings langs den grond of het watervlak, -beschrijven dan in snelle vaart vele schroeflijnen, houden zich eene -poos met trillende vleugels stil boven dezelfde plek staande, of -volbrengen allerlei andere vreemdsoortige bewegingen, om daarna weder -langzaam tot dezelfde hoogte op te stijgen. - -De kuikendieven vliegen langen tijd oogenschijnlijk onverschillig -achter of naast het gevrijde wijfje, daarna in kringen om haar heen, -terwijl straks beiden te zamen allerlei door elkaar gevlochten -cirkelkringen beschrijven; nu laat het mannetje het wijfje alleen, -steigert met den kop naar boven, bijna steilrecht omhoog; de trage -vlucht gaat allengs over in eene woeste vaart, het buitelt plotseling -over den kop, valt met bijna geheel toegevouwen vleugels loodrecht naar -beneden, beschrijft enkele kringen, vliegt nogmaals naar boven om nu -het straks beschreven spel opnieuw aan te vangen, tot eindelijk ook het -wijfje besluit dat voorbeeld te volgen. Sterker toeren dan deze allen -verricht de goochelaar van Centraal-Afrika, een wouw van de grootte -eens arends, en in ’t algemeen een roofvogel van vreemdsoortige -gedaante en manieren. Zijn zonderlinge wijze van vliegen trekt ten -allen tijde de aandacht, maar in den paartijd grenst zijn vliegkunst -aan ’t ongeloofelijke; het is alsof de vogel een kluchtspel in de lucht -uitvoert, een kluchtspel, dat zinbekorend op den toeschouwer werkt. - -Evenals de roofvogels gedragen zich in den paartijd een aantal andere -vogels, en zelfs zulke, die volstrekt niet tot de beste vliegers -behooren. Dat ook deze de hulp der vleugels inroepen, wanneer zij -dingen naar de liefde van een wijfje, of als zij uitdrukking willen -geven aan het gelukkig gevoel van verkregen bezit, is volgens het -zooeven medegedeelde niet meer dan natuurlijk. Vol ijver zit de zwaluw -naast het gevrijde of reeds verworven wijfje zijn heerlijk lied te -zingen; het in zijn hartje flikkerende liefdevuurtje is evenwel veel te -sterk dan dat deze vliegvaardige vogel onder het zingen stil op -dezelfde plek zou kunnen blijven zitten; hij vliegt daarom op, zingt al -vliegende voort en zweeft middelerwijl boven en rondom het wijfje, dat -hem ondertusschen is nagevlogen. De geitenmelker zit geruimen tijd -overlangs op een boomstam, soms vrij ver van het wijfje verwijderd, -spint eenige minuten achtereen zijn snorrende strophen, vliegt op, -beschrijft klapwiekend, sierlijke kringen om het wijfje, en roept dit -zulk een teeder „haïet” toe, dat men er verbaasd over staat, hoe het -mogelijk is, dat zoo zachte geluiden kunnen ontwellen uit die rauwe -keel. De bijenvreter, die eveneens slechts met een zeer bescheiden stem -begiftigd werd, verwijlt langen tijd, dicht tegen zijn wijfje -aangedrukt, op zijn wachtpost, laat of in ’t geheel niet of slechts -flauw eenig geluid hooren en schijnt zich te vergenoegen met haar enkel -door den teederen blik zijner schoone, hoogroode oogen toe te spreken; -eensklaps echter komt ook hij in vuur, roert plotseling de vleugels, -stijgt omhoog, beschrijft een cirkel, laat een luiden juichkreet -hooren, en keert naar zijn wijfje terug, dat intusschen haar plaats -niet heeft verlaten. En wat de duif betreft, te midden van haar -minnezang, ’t zij wij er den naam aan geven van kirren of huilen, -staakt zij plotseling haar lied, evenals werd zij door geestvervoering -aangegrepen, breidt de vleugels uit, klapwiekt een en andermaal, -klautert omhoog, breidt de vleugels uit en daalt langzaam zwevend op de -een of andere boomkruin neder om hier van voren aan te beginnen. - -Boompiepers, waterpiepers, grasmusschen, spotvogels gedragen zich -evenals de duiven; de fluiters laten zich, altijd doorzingende, van hun -verheven zitplaats naar beneden vallen en vliegen van hier weder naar -een hoogeren tak, om daar hun lied af te breken; straks daarop beginnen -zij van voren aan om het op gelijke wijze te eindigen. De vlasvinken, -sijsjes en grauwgorzen tuimelen, van liefde dronken, op zulk eene -vreemdsoortige wijze door de lucht, dat het schijnt alsof zij het vrije -gebruik der vleugels verloren hebben; de leeuweriken steigeren, onder -het zingen van hun minnelied, letterlijk ten hemel; de groenvink neemt -den schijn aan alsof hij bij een vleêrmuis in de leer was geweest. - -In gelijken roes verkeeren alle vogels, die door dansen hunne liefde -openbaren. Ook deze verloochenen onder den dans hunne gewone -geaardheid, en geraken ten slotte in zulk eene sterke geestvervoering, -dat zij alles om zich heen vergeten. Weinige vogels laten gedurende den -dans in ’t geheel geen geluid hooren; de meesten stooten alsdan -integendeel geluiden uit, die hun anders vreemd zijn. Tevens ontplooien -zij middelerwijl al den vedertooi, waarover zij hebben te beschikken, -of zij eindigen daarmede den dans. - -Tot de ijverigste dansers behooren de hoenderachtige vogels. Onze -huishaan stelt zich daarmede tevreden, dat hij trots heen en weder -stapt, kraait en met de vleugels slaat; zijn hofgenooten, de pauw en -kalkoen doen al iets meer en balderen. Maar de lustigste dansers zijn -de ruigpoothoenders en enkele fazanten. Wie in de eerste morgenuren den -balderenden auerhaan waarneemt, wie het ratelende en slijpende korhoen -heeft beluisterd, wie in de schemernachten van de noordelijke lente het -moerassneeuwhoen op de sneeuwvelden der toendra zag dansen, zal mij -gelijk geven wanneer ik zeg, dat zulk eene hulde, gelijk genoemde hanen -hun hennen bewijzen, even onweêrstaanbaar op ons werkt als die, welke -de pauw zijn wijfje bereidt, wanneer hij zijn prachtkleed als een -baldekijn voor haar uitspreidt. - -Op nog vreemdsoortiger wijze gedragen zich de mannetjes der -satyrhoenders of hoornfazanten, prachtige vogels uit het zuiden van -Oost-Azië, die zich kenmerken door twee hoornachtige, levendig -gekleurde, buisvormige huidlappen aan beide zijden van den bovenkop, en -een met de gloeiendste kleuren prijkende, voor uitzetting vatbare -keellel. Nadat de haan een en ander maal om de hen is rondgeloopen, -schijnbaar zonder op haar te letten, blijft hij eindelijk op eene -bepaalde plaats stil staan en vangt aan buigingen voor haar te maken. -Steeds sneller volgen deze bewegingen op elkander, terwijl -ondertusschen de horens zich langzaam uitrekken en de keellel zich -verbreedt en daalt, totdat eindelijk beide organen den van liefde -dronken vogel over den kop vliegen. Nu ontplooit hij de vleugels, -spreidt den omlaag gedrukten staart uit, hurkt op de ingebogen pooten -en veegt al blazend en sissend met zijn vleugels den grond. Plotseling -staakt hij deze bewegingen. Diep gebogen, met opgerichte veêren, -vleugels en staart tegen den grond gedrukt, de oogen gesloten, hoorbaar -adem halende, blijft hij een poos als in geestvervoering in deze -bewegingloosheid volharden. Een verblindende glans schiet van uit zijne -nu geheel ontplooide tooisels. - -Plotseling richt hij zich echter weder op, blaast en sist, siddert over -zijn geheele lichaam, brengt de veêren weder in den gewonen stand, -scharrelt met de pooten, werpt den staart omhoog, slaat met de -vleugels, richt zich met rukken in zijn volle lengte op, rent onstuimig -op het wijfje los, staakt bliksemsnel dien wilden loop en vertoont zich -voor haar in olympische heerlijkheid; hij blijft nog een oogenblik -staan, trilt, beeft, sist en laat eensklaps alle pracht verdwijnen, -strijkt de veêren glad, trekt de horens en de keellel in, en begeeft -zich, even als ware er niets gebeurd, aan zijn gewonen arbeid. - -Met sierlijken tred, gebogen kop, uitgespreiden staart en vleugels, -terwijl de laatste in trillende beweging verkeeren, trippelt de -kwikstaart al buigende, nu naderende, dan zich verwijderende, om de -uitverkoren gade; als een flikkerende offervlam verschijnt de vuurvink -op den top eener aar van het kafferkoren, waarin hij met zijn wijfje -zijn woning heeft opgeslagen, pronkt met zijn prachtig gevederte in de -stralen der zon, en draait, onder ’t zingen van een lustig lied, zich -op zijn zetel in het rond. Teeder als echte menschenkinderen, mond aan -mond, borst aan borst gedrukt, voeren doffer en duif gemeenschappelijk -een langzamen dans uit; hartstochtelijk, met levendige sprongen, dansen -de kraanvogels; niet minder ijverig, zelfs ten aanzien van schijnbaar -hen bewonderende toeschouwers, doen zulks de prachtige rotshoenders van -Middel-Amerika; en zelfs de condor, een vlieger van den eersten rang, -die duizenden meters boven de hoogste toppen der Andes door den ether -zweeft, en van wien men niet zou verwachten, dat hij andere -minnemiddelen zou bezigen dan het vliegen, veroorlooft zich wel eens -een dansje en draait, met diep gebogen kop en breed uitgespreide -vleugels, om het wijfje rond, terwijl hij daarbij een eigenaardig -trommelend geluid laat hooren. - -Nog andere vogels dansen niet zoo zeer, maar springen woest op en -neder, of huppelen op de takken rond, terwijl zij ondertusschen met hun -fraai gevederte pronken; zoo doen b.v. de paradijsvogels, die in de -morgenuren gemeenschappelijk op zekere boomen verschijnen, om hier als -hulde aan het wijfje, onder allerlei bewegingen en onder het trillen -der vleugels hunne sierlijke vederen uittespreiden. Er zijn er weder -andere, die een soort van priëeltjes bouwen, welke zij met gekleurde, -glinsterende voorwerpen versieren, en waarin zij allerlei dansen -uitvoeren. - -Sommige vogels eindelijk, die noch met hunne stem, noch met vliegen en -dansen kunnen schitteren, gebruiken den snavel, om hiermede de -vreemdsoortigste geluiden voort te brengen. Op deze wijze vrijen alle -ooievaars; zij slaan de beide snavelhelften schielijk tegen elkaar, wat -een geklepper veroorzaakt dat de plaats vervangt eener stem, die dezen -vogels ontbreekt. Ook de spechten handelen eveneens, en hameren met hun -snavel tegen een dooden stam of tak, waardoor het hout in trilling -wordt gebracht, terwijl een doordringend geluid in het bosch -weêrklinkt. - -Ofschoon het wijfje eene haar geldende liefdesverklaring eigenlijk niet -met preutschheid afwijst, schenkt het toch slechts in geval van nood -hare hand aan den eersten den besten vrijer. Aanvankelijk luistert het -schijnbaar zeer onverschillig naar de teederste minneliedjes en blijft -koel onder ’t aanschouwen der vliegspelen en dansen, die haar ter eere -worden opgevoerd, en even onverschillig aanschouwt het schijnbaar alle -pracht, die voor haar alleen wordt ten toon gespreid. Meest doet het -alsof al die bekoringsmiddelen van het mannetje haar niet aangaan, en -vervolgt dood bedaard haar gewone bezigheden, tot het zoeken van eten -toe. In vele, ofschoon lang niet alle gevallen, laat het zich in de -nabijheid lokken, maar geeft toch geen enkel teeken van goedkeuring of -genegenheid. Vele vogelwijfjes, o.a. die der in polygamie levende -hoenders, bezoeken niet eens de balderplaatsen, ofschoon deze vogels -juist alles behalve preutsch zijn en de balderende hanen niet zelden -door een uitlokkend geroep in vuur en vlam weten te zetten. Wordt een -mannetje vrijpostiger dan haar lief is, dan onttrekt zij zich door de -vlucht aan zijn vrijheden. Zulks moge nu meestal niet gemeend zijn, -maar zij doet het met zooveel ernst en volharding, dat men moeilijk kan -bepalen of deze vlucht zonder eenig nevendoel dan wel uit schijn -geschiedt. In elk geval bereikt zij er toch dit mede, dat het mannetje -zijn verlangen ten toppunt voelt stijgen en tot de uiterste inspanning -van alle krachten wordt gedreven. Meer dan ooit in vuur, niet denkende -aan eenige terughouding, slechts naar het ééne doel strevende, stormt -het op het wijfje los, als om haar te dwingen gehoor aan zijn liefde te -geven; vuriger dan ooit klinkt het lied, met meer geestdrift dan te -voren baldert het, danst het en vliegt het, wanneer het wijfje hem een -oogenblik van rust laat, en ijveriger dan straks neemt het de -vervolging weêr op zich, zoodra dit laatste hare vlucht opnieuw -voortzet. - -Waarschijnlijk zouden de wijfjes der vogels gewilliger zijn, indien het -aantal vrijers niet zoo groot ware. Tengevolge van het gemeenlijk -grootere aantal mannetjes genieten de wijfjes het geluk der volle vrije -keuze. Een aantal mannetjes, bij tijd en wijle zelfs een groot aantal, -brengt het wijfje hun hulde, en gerechtvaardigd is alzoo haar -besluiteloosheid en kieschkeurigheid. Uit eigen beweging of -onwillekeurig gehoorzaamt het aan de wet der teeltkeus; het streeft er -naar het beste, gezondste, in alle opzichten voortreffelijkste mannetje -uit velen uit te kiezen; het mag kieschkeurig zijn. De terugwerking van -het gedrag en de handelingen van het wijfje ten aanzien der mannetjes -openbaart zich in toomeloozen minnenijd, die de hevigste gevechten, -soms een strijd op leven en dood na zich sleept. Elke vogel, zelfs de -schijnbaar zachtmoedigste en vreesachtigste, wordt in dien strijd om -eene geliefde een held, en ieder weet daarbij zulk een goed gebruik te -maken van de hem door de natuur geschonken weêrmiddelen, als: snavel, -nagels, sporen, zelfs van de met hoornachtige stekels voorziene -vleugels, dat in vele gevallen de strijd eerst eindigt met den dood des -eenen medeminnaars. - -Naar de soort en den stand der vogels wordt het gevecht in de lucht, op -den grond, in de takken of in het water uitgevochten. Arenden en valken -vallen elkander in de lucht, met klauwen en snavels aan. Zulke -tweegevechten kenmerken zich door sierlijke wendingen, een wedijverend -omhoog stijgen, ten einde een voor den aanval gunstige hoogte te -bereiken, pijlsnel uitgevoerde stooten, schitterende afweringen, -wederzijdsche vervolgingen en een moedig standhouden. Wanneer het een -der koninklijke helden gelukt zijn mededinger te grijpen, slaat ook de -laatste den eersten de klauwen in de borst en beiden dalen alsnu, van -’t gebruik der vleugels beroofd in een schroeflijn ter aarde. Hier -aangekomen wordt de strijd begrijpelijkerwijs gestaakt; maar stijgt een -hunner echter weêr omhoog, onmiddellijk volgt hem de ander, en weinige -minuten later begint het duel opnieuw. Wordt een der strijdenden b.v. -ten gevolge van bekomen wonden vermoeid, dan vangt hij den terugtocht -aan, of vlucht weg, verwoed door den ander vervolgd. Snel en zonder -eenigen tegenstand meer te bieden, verre buiten de grenzen van het -rijk, dat het wijfje voor zich heeft uitverkoren, ongeacht alle -nederlagen, geeft het evenwel toch den strijd niet eer op, voor het -wijfje zich bepaald voor den overwinnaar heeft verklaard. Een -doodelijken afloop heeft zulk een gevecht, hoewel zelden, toch eene -enkele maal; want de arend, wiens ijverzucht door liefde en eergevoel -werd geprikkeld, kent geen erbarmen of genade en vermoordt onmeêdoogend -den weêrloos gemaakten medeminnaar. Zelfs de torenzwaluwen, anders -zulke zachtzinnige vogeltjes, die op gelijke wijze als de arenden -vechten, dooden hare medeminnaars door dezen hare scherpe nagels in de -borst te slaan en dit lichaamsdeel zoodanig open te rijten dat de dood -er op volgt. - -Bij alle vogels, die met eene stem begiftigd zijn, gaat een werkelijke -uitdaging den strijd vooraf. - -Reeds het lied van den zangvogel wordt tot een wapen, waarmede, -ofschoon onbloedig, gestreden en overwonnen wordt; reeds het -paringsgeroep, dat op zulk eene karakteristieke wijze het aanzoek -uitdrukt, doet de ijverzucht ontbranden. Wie de kunst verstaat het -geroep van den koekoek natebootsen, lokt den anders zoo voorzichtigen -dwaas tot op den boom, waaronder men zich heeft opgesteld; wie het -ingewikkeld gefluit van den goudmerel, het koeren der wilde duiven, het -zacht gekir der tortels, het trommelen der spechten, met één woord de -loktonen der vogels natuurlijk weet terug te geven, verkrijgt gelijk -resultaat. Verschijnt een medeminnaar op het tooneel, zoo geeft deze -zijn komst eveneens door een geroep of met zingen te kennen; spoedig -echter gaat hij tot feitelijkheden over en er ontbrandt tusschen de -beide minnaars een even heftige strijd als tusschen de straks -genoemden. Tot in het binnenste der ziel verbitterd, roepende, -schreeuwende en gillende, jaagt de een den ander na, onverschillig of -de weg door hooge of lage luchtlagen voert, door de toppen der boomen -of door de struiken, en even als bij de vervolging van het wijfje -prikkelt de een den ander nog onder deze jacht door uitdagende tonen, -door een lied, door het uitspreiden der tooisels en soortgelijke -honende gebaren. Haalt de vervolger den vervolgde in, dan stoot hij -dezen zoodanig met zijn snavel, dat de veêren er langs stuiven; laat -hij af, dan keert de vervolgde zich bliksemsnel om, teneinde nu op zijn -beurt aanvallenderwijs te werk te gaan; houden beiden stand dan -plukharen zij elkander zoo hevig als zij maar kunnen, in de lucht, in -de takken of op den grond. Is de strijd beslist, dan komt ook hier het -wijfje nader om zich aan de zijde des overwinnaars te scharen. - -Grondvogels vechten altijd op den grond, zwemvogels in het water. - -Hoe ernstig de hoenders vechten weet ieder, die eenmaal den strijd van -twee hanen bijwoonde. Ook hier geldt het een kamp op leven en dood, -ofschoon de dood zelf er zelden meê gemoeid is, tenzij menschelijke -ruwheid de natuurlijke wapenen verscherpte, en de weêrmiddelen -verzwakte. De om een wijfje vechtende struisvogels gebruiken almede -hunne krachtige pooten en brengen elkander met hun sterke of scherpe -klauwen diepe wonden toe in borst, lijf en pooten; jaloersch geworden -trapvogels maken, na elkander eerst met opgeblazen keelzak, verwrongen -vleugels en uitgespreiden staart, en onder een hevig geblaas, langen -tijd te hebben uitgedaagd, een geweldig gebruik van hunne snavels; -strandloopers en andere strandvogels, inzonderheid de kemphanen, welke -vogels om elke kleinigheid met elkander vechten, niet alleen om een -wijfje, maar zelfs om een vlieg, om de zon, om het licht en om de een -of andere plaats, rennen met hunne snavels als waren het aangelegde -lanzen, op elkander in, telkens de stooten opvangende met hunne sterk -ontwikkelde borstveêren, die bij de kemphanen tot een waar schild zijn -geworden; de waterhennetjes loopen op het wankelende dek van drijvende -waterplanten op elkander af en brengen elkander slagen toe met de -pooten; de zwanen, ganzen en eenden vervolgen elkander net zoo lang tot -het een der strijders gelukt den ander bij den nek te pakken en zoolang -onder water te houden tot hij gevaar loopt te verdrinken; in elk geval -wordt hij door deze manoeuvre zoo verzwakt, dat hij den strijd niet -dadelijk weder kan aanvaarden; de zwanen maken daarbij, even als de -spoorvleugels, gebruik van de harde, spitse, verhoornde uitsteeksels -aan de vleugelbocht, om daarmede gevoelige slagen uit te deelen. - -Zoo lang het wijfje zich nog niet bepaald voor een mannetje verklaard -heeft, neemt het geen deel aan dien strijd, ja het schijnt er zich zelf -niet eens warm voor te maken. Toch moet het alles opmerkzaam nagaan, -daar het zich gemeenlijk voor den overwinnaar verklaart, althans diens -aanzoeken het oor leent. Op welke wijze het jawoord gegeven wordt kan -ik niet zeggen, ja zelfs niet vermoeden. Nog voordat de strijd is -geëindigd heeft het reeds de keuze bepaald en van af dit oogenblik -geeft het zich geheel en al aan den man harer keuze over, volgt dien -even dikwijls als het hem voorgaat, aanvaardt met zichtbaar welbehagen -diens liefdesverklaringen, en beantwoordt met eene zelfverloochenende -teederheid al zijn liefkoozingen. - -Vol verlangen roept het hem, jubelend begroet het hem, gewillig volgt -het zijn wenschen en voegt zich naar zijn handelingen. Dicht -aaneengedrukt zitten de gepaarde papegaaien naast elkander, al zijn ook -honderden op denzelfden boom vereenigd; de volkomenste harmonie -beheerscht hen, slechts door één wil schijnen zij bezield. - -Neemt het mannetje voedsel tot zich, zijn gade volgt zijn voorbeeld; -zoekt het eerste een ander plaatsje op, de laatste volgt hem; laat het -mannetje zijn geschreeuw hooren, het wijfje antwoordt terstond. -Liefkoozend verbergen zij den snavel in elkanders veêren, en gewillig -buigt de zwakke partij kop en hals, om deze bewijzen van liefde te -ontvangen. Al is het niet altijd op zulk eene zichtbare wijze, elk -vogelwijfje ontvangt en beantwoordt de haar gewijde liefkoozingen met -gelijke teederheid. Het weet van geen luim of humeur, van geen pruilen -of grommen, van geen schelden of kijven, van geen misnoegen of -ontevredenheid, het kent slechts liefde, teederheid en overgave, en het -mannetje zwelgt in geluk en zaligheid, zich bewust van een kostbaar -bezit, dat hij wenscht te handhaven. Is hij heden de toongever, morgen -schikt hij zich naar de wenschen zijner gade; als zij opvliegt volgt -hij, als zij de woonplaats verlaat, trekt hij mede uit, wanneer zij -naar huis terugkeert, wendt ook hij zich derwaarts. Niet te verwonderen -is het dus, dat het huwelijk der vogels gelukkig en rein is. Al -verouderen ook de voor hun leven verbonden echtgenooten, hunne liefde -veroudert niet, maar blijft eeuwig frisch en jong; elke lente voert -nieuwe olie aan om de oude vlam te voeden; de wederzijdsche liefde -verzwakt niet al duurt de echt nog zoo lang. Getrouw nemen beiden een -deel op zich van de noodzakelijke huishoudelijke bezigheden, die -nestbouwing, bebroeding en de opvoeding der jongen vragen; -zelfopofferend helpt het mannetje zijn wijfje bij alle moeitevolle -werkzaamheden, die de kinderen haar veroorzaken; moedig verdedigt hij -deze; zonder bedenken stort hij zich in de grootste gevaren, ja deinst -voor den dood niet terug, waar het leven van hun kroost op het spel -staat. In één woord: zij deelen van het oogenblik hunner vereeniging af -alle lief en leed, en zoo bijzondere omstandigheden zulks niet -verhinderen, duurt deze innige band het gansche leven. - -Het ontbreekt niet aan waarnemingen, die ten bewijze van het gezegde -kunnen strekken. - -Scherpzinnige waarnemers, die jaren achtereen enkele vogels hebben -gadegeslagen en deze eindelijk zoo nauwkeurig kenden, dat eene -verwisseling met andere vogels derzelfde soort onmogelijk was, zijn ons -daarvoor borg geworden; en ieder onzer, die zijne opmerkzaamheid -slechts wijdt aan bijzonder in ’t oog vallende vogels, zal tot een -gelijk besluit moeten komen. Een paar ooievaars op het dak geeft den -eigenaar der woning gelegenheid te over om mannetje en wijfje van -andere ooievaarsmannetjes en wijfjes te onderkennen, zoodat hier elke -vergissing uitgesloten schijnt. Wie evenwel zijn ooievaar gadeslaat zal -ervaren, dat altijd hetzelfde paar naar het nest terugkeert zoo lang -beide echtgenooten nog in leven zijn. En ieder natuuronderzoeker en -ieder jager, die trekkende vogelparen scherp in ’t oog vat, of, wanneer -de geslachtsverschillen niet uitwendig zichtbaar zijn, ze neêrschiet, -zal steeds ondervinden, dat het mannetje en wijfje zijn. Op mijn reizen -in Afrika heb ik veelvuldig trekkende vogelparen ontmoet, die ook hier -in gelijke, het huwelijk der vogelen zoo gunstig onderscheidende innige -gemeenschap leefden en even onafscheidelijk aan elkaar gehecht waren -als ginds bij het nest; die gemeenschappelijk handelden, -gemeenschappelijk duldden en leden. De paren van den dwergarend waren -ook dan nog als echtgenooten te kennen, wanneer zij in gezelschap van -andere vogels hunner soort reisden en toefden; de zangzwanen, die ik -aan het Mensale-meer in Egypte waarnam, verschenen paarsgewijs en -vertrokken eveneens paarsgewijs; alle andere in echt levende vogels, -die ik onderweg aantrof, bevestigden dezen regel. Dat beide -echtgenooten gemeenschappelijk dulden en lijden, ervoer ik, toen ik aan -een waterpoel in Zuid-Nubië eens een ooievaarspaar aantrof, dat daarom -mijne opmerkzaamheid trok, dewijl het zich hier nog ophield op een -tijdstip, dat alle soortgenooten reeds lang een toevlucht hadden -gezocht in het hartje van Afrika. Teneinde de oorzaak van dit -achterblijven te leeren kennen, liet ik het doodschieten en nu bevond -ik, dat het wijfje den eenen vleugel had gebroken, zoodat het -verhinderd werd verder te reizen; het door en door gezonde mannetje was -dus alleen uit liefde voor zijn gade en om haar gezelschap te houden, -teruggebleven, en dat in een oord, hetwelk alle gegevens miste voor een -goed winterverblijf. - -Slechts de dood kan een eind maken aan het innige en trouwe verbond van -door den echt vereenigde vogels. - -Zulks is regel—maar er zijn uitzonderingen. Ook onder de vogels komt, -alhoewel zeldzaam, echtbreuk voor. Hoe trouw zich de wijfjes ook -gewoonlijk aan hare echtgenooten betoonen, hoe weinig zij ook naar -andere mannetjes kijken, hoe zelden het voorkomt dat zij iemand als -huisvriend opnemen, wanneer zich zulk een indringer opdoet—bijzonder in -’t oog loopende eigenschappen van een vreemd mannetje kunnen -verleidelijk worden. Een meesterzanger der zelfde soort, die met zijn -gezang den echtgenoot in de schaduw stelt, een arend, die het door een -wijfje uitverkoren mannetje in alle of althans in vele opzichten -overtreft, kunnen het geluk van het nachtegaalsgezin, respectievelijk -dat van den arend op gruwzame wijze verstoren, en soms zelfs de wijfjes -tot ontrouw verleiden. - -De oud-vrijers, die gedurende den broedtijd het land doortrekken, -strekken ten bewijze van het gezegde. Zij dringen onbeschaamd binnen -het gebied der echtelieden en dingen driest om de gunst der vrouw, -zoodat hieruit hevige vechtpartijen ontstaan tusschen deze -alleenloopers en het rechtmatige mannetje, welke gevechten ook nu weder -gewoonlijk uitgevochten worden, zonder dat het wijfje zich in dien -strijd mengt. Ook schijnt daarvoor te pleiten het gedrag dier wijfjes, -die plotseling weduwe zijn geworden en zich niet alleen terstond door -een nieuwen echt weten te troosten over het geleden verlies, maar eene -enkele maal zelfs niet schuwen den moordenaar van den eersten gemaal te -huwen. Op het dak van het riddergoed Ebensee bij Erfurt broedde sinds -jaren een ooievaarspaar, dat wel is waar in de beste eendracht leefde, -maar toch nu en dan last had van om het nest rondvliegende -schuimloopers. In zeker voorjaar verscheen daar ter plaatse een -mannetje, dat brutaler was dan een te voren, en dat den huisvader -gedurig tot een tweestrijd uitdaagde of hem noodzaakte onophoudelijk -goede wacht te houden. Op zekeren dag zit deze, van ’t vechten moede, -met den kop tusschen de veêren gedoken, oogenschijnlijk in slaap -gevallen, op zijn nest; de vreemdeling schiet plotseling van boven op -hem neêr; doorboort hem met zijn snavel en slingert het lijk van het -dak. En de weduwe? Zij verdrijft den sluipmoordenaar niet, maar neemt -hem onmiddellijk, als haar gemaal aan, en gaat voort met broeden even -alsof er niets gebeurd ware. - -Deze en vroeger vermelde omstandigheden pleiten niet ten gunste van de -vogelwijfjes, doch zij worden, ik wil dit reeds hier aanstippen, door -een aantal tegenbewijzen zoozeer ontzenuwd, dat zij slechts mogen -gelden als uitzonderingen op den regel om alzoo den regel zelf te -bevestigen. En wanneer er werkelijk reden bestaan om in dit opzicht de -wijfjes te veroordeelen, wij mogen daarbij niet vergeten, dat de -mannetjes, die veel minder aanleiding hebben tot ontrouw, omdat zij zoo -veel talrijker zijn dan de wijfjes, insgelijks de heiligheid van den -echt kunnen schenden. Ieder die de duiven kent, vogels, die men ten -onrechte afschildert als in ’t bezit te zijn van alle mogelijke -deugden, weet hoe weinig zij den roem waard zijn, waarmede de -overlevering en de denkbeelden der ouden hen versieren. De teederheid -der duiven is verleidend, maar niet echt; haar trouw jegens gade en -kroost wordt geprezen, maar kan de proef niet doorstaan. Hun geringe -vaderliefde daargelaten, maken de doffers zich maar al te dikwijls -schuldig aan echtbreuk, en niet zelden nemen zij den tijd, dat hun -echtgenooten zitten te broeden, waar, om met andere duifjes te -coquetteeren. De eenden handelen nog berispelijker en de roodhoenders -maken het ook al niet beter. Zoodra de eenden vast op de eieren zitten, -zoeken de heeren gemaals elkander op, om elkander zoo aangenaam -mogelijk den tijd te korten, terwijl ondertusschen de arme vrouwtjes -zich afsloven en zonder eenige hulp met de zorg voor de kleinen belast -blijven. Eerst dan voegen zich de mannetjes weêr bij hunne echtgenooten -wanneer de kinderen groot geworden zijn en dus hunne hulp niet meer -behoeven. De roodhoenders, en waarschijnlijk ook onze patrijzen, maken -gedurende den paartijd hun opwachting bij elken anderen mannelijken -soortgenoot om met dezen naar hartelust te vechten; de Spanjaarden -maken hiervan gebruik door hen met behulp van tamme individuen te -misleiden en dan te dooden; later, wanneer de hennen broeden en de -vechtlust is geweken, verschijnen zij echter op het geroep der hennen -en nu zelfs nog schielijker dan te voren. - -Doch, gelijk gezegd, dit zijn uitzonderingen op den regel, die zich met -de in veelwijverij levende vogels in de verte niet laten vergelijken. -Te vergeefs heeft men getracht de veelwijverij der runder-troepialen, -koekoeken, fazanten, boschhoenders, kalkoenen, kwartels, pauwen en -kemphanen te verklaren; een afdoende reden heeft men nog niet kunnen -vinden. Wanneer men beweert, dat de koekoek en diens naaste verwanten -niet broeden, omdat zij de opdracht ontvingen de al te snelle -vermeerdering van rupsen tegen te gaan, zoodat zij dientengevolge niet -kunnen huwen en voor hun eigen kroost zorgen, dan bazelt men zonder -eenige verklaring te geven, en vergeet dat ook de runder-troepialen hun -kroost aan vreemden toevertrouwen; en wanneer men zegt, dat de natuur -door de instelling der veelwijverij bij sommige hoendersoorten, die -sterk aan vervolgingen zijn blootgesteld, voor eene talrijke -nakomelingschap heeft willen zorg dragen, dan mag men wijzen op het -feit, dat dit doel bij andere hoenderachtige vogels, die in monogamie -leven en in vruchtbaarheid voor eerstgenoemden niet onderdoen, eveneens -bereikt wordt. - -Het woord veelwijverij is eigenlijk slecht gekozen, want het begeeren -blijft hier niet beperkt bij de mannetjes, maar ook de wijfjes deelen -dit gevoel. Het koekoekswijfje houdt zich heden bij dit, morgen bij een -ander mannetje op, ja het maakt wellicht binnen het tijdsverloop van -een enkel uur velen gelukkig; hennen geven zich vrij onverschillig nu -aan dezen dan aan dien haan over. Bij al deze vogels is er van geen -eigenlijk huwelijk sprake. De mannetjes bekommeren zich slechts nu en -dan om de wijfjes, en deze zien evenmin veel naar de mannen om; elke -sexe gaat haar eigen gang, zondert zich buiten den paartijd zelfs van -de andere af en bekommert zich niet om het lot van het andere geslacht. -Eene grenzenlooze hartstocht en eene hierdoor tot het uiterste gedreven -jaloezie, heerschzuchtig eischen en deemoedig inwilligen, toomeloos -willen en bereidwillig verhooren zijn de karakteristieke eigenschappen -van den sexueelen omgang bij al deze vogels. Zoo wordt het dan ook -verklaarbaar, dat bij hen vaker dan bij andere vogels mishuwelijken -worden gesloten, ten gevolge waarvan bastaarden ontstaan, die een -jammerlijk bestaan voeren, en die òf kinderloos blijven, òf door paring -met een der stamsoorten nakomelingen teelen, die weder onvruchtbaar -zijn. Mishuwelijken of gemengde huwelijken komen wel is waar, ook bij -sommige in monogamie levende vogels voor, maar alleen dan, wanneer er -geen goede echtgenooten te vinden zijn en de nood er toe dwingt; bij de -vroeger genoemden zijn het toeval en de verleidelijke gelegenheid de -gewone motieven. - -Nood,—dringende, noodzakelijke evenwel,—de behoefte om het leven te -redden der pas uit het ei gekomen of nog in het ei sluimerende jongen, -hierin moeten wij waarschijnlijk de reden zoeken, die de wijfjes der -monogamisch levende vogels aanspoort om den weduwensluier spoediger met -den bruidskrans te verwisselen dan de mannetjes het verlies hunner -gaden kunnen vergeten. Of de rouw der weduwen evenwel minder groot is -dan die der weduwnaars is, hoezeer de schijn er voor pleit, verre van -zeker. Evenals de ooievaarsvrouw van Ebensee doen vele vogelwijfjes. -Een ekster-paar, dat in onzen tuin broedde, moest gedood worden, daar -wij schade vreesden voor onze zangvogels. ’s Morgens om zeven uur werd -het mannetje dood geschoten; reeds twee uren later had het wijfje een -anderen man tot zich genomen; een uur later viel ook deze onder ’t -moordend lood; om elf uur was het wijfje voor de derde maal gehuwd. Een -herhaling zou ook nu niet uitgebleven zijn, indien niet het beangste -wijfje met haar nieuwen echtgenoot naar elders ware verhuisd. - -Mijn vader schoot eens in het voorjaar een mannetjespatrijs. De hen -vloog op, streek spoedig weêr neêr, werd onmiddellijk daarop door een -nieuwen haan gevrijd, dien zij aannam. Tschudi-Schmidthofen ving van -het nest van een roodstaartje binnen acht dagen niet minder dan twintig -mannetjes weg en liet toen eerst aan de twintig malen in rouw -gedompelde, maar telkens weder vertrooste weduwvrouw het geluk en de -vreugde des huwelijks. - -Het tegendeel van zulk eene schijnbare wispelturigheid nemen wij waar, -wanneer de vogelmannetjes hunne echtgenooten verloren hebben. Luid -schreeuwende, weemoedig klagende, door stem en gebaren hunne droefheid -te kennen gevende, vliegen zij rondom het lijk der geliefde, raken dit -met den snavel aan, even als trachtten zij de doode te bewegen om op te -staan en mede weg te vliegen, laten opnieuw, ook voor den mensch -verstaanbare klaagtoonen hooren, dwalen binnen hun gebied van plaats -tot plaats, verwijlen roepend, lokkend, jammerend, nu eens op dit, dan -weder op een ander lievelingsplekje, weigeren alle voedsel, storten -zich boosaardig op andere mannetjes hunner soort, als benijdden zij -dezen hun geluk, en als wilden zij hen deelgenooten maken van hun eigen -leed, vinden nergens rust, beginnen zonder iets ten eind te brengen, en -handelen zonder te weten, wat zij doen. Zoo gaat het dagen, soms weken -achtereen voort, en dikwijls toeven zij op de plaats des onheils zoo -lang mogelijk, zonder zich zelfs korte uitstapjes ter opsporing eener -andere levensgezellin te veroorloven. Sommige soorten, en volstrekt -niet alleen de z.g. „inséparables” onder de papegaaien, maar ook vinken -en andere vogels, zelfs de oehoe’s verliezen tengevolge van zulk een -zwaren slag, alle lust- en levensvreugd, en treuren stil voor zich -heen, totdat de dood hen van hun leed bevrijdt. - -Zoo niet de eenige, dan toch de hoofdoorzaak van zulk eene diepgaande -smart kan wellicht gelegen zijn in de steeds groote moeilijkheid, soms -onmogelijkheid om een ander wijfje te vinden en machtig te worden. Het -wijfje heeft zeer dikwijls geen tijd tot treuren; want vroeger of -later, dikwijls op ’t zelfde oogenblik, komen nieuwe vrijers bij haar -aan de deur, die haar met zooveel gunsten en liefde overladen, dat het -zich wel moet laten troosten. En wanneer de moederborst bovendien -gedrukt wordt door de zorg voor de nakomelingschap, zwijgen vele andere -gedachten, zoodat de kommer geen macht over haar verkrijgt. - -Maar wordt ook haar de vergoeding onthouden, dan drukt ook haar het -leed niet minder dan het mannetje. Toch gebeurt het somtijds, dat zij -nieuwe minnaars afwijst. Eene musschenweduwe, nam, gelijk mijn vader -eens gelegenheid had waar te nemen, in weêrwil, dat zij eieren had uit -te broeden en later jongen had groot te brengen, geen nieuwen aanbidder -aan, maar bleef weduwe en voorzag hare hongerige kinderschaar geheel -alleen van het noodige voedsel. - -Eene andere, waarlijk roerende geschiedenis, die ten bewijze kan -strekken van den diepen rouw eener vogel-weduwe, werd mij door Eugenius -von Homeijer verhaald. Het huwelijksgeluk van een op het huis van -genoemden degelijken natuuronderzoeker nestelend ooievaarspaar werd -plotseling op treurige wijze vernietigd door een ellendeling, die het -mannetje neêrlegde. De treurende weduwe neemt geen nieuwen echtgenoot -aan, kwijt zich geheel alleen van de ouderplichten en aanvaardt tegen -het begin van den herfst met haar kroost den tocht naar Afrika. Het -volgende voorjaar verschijnt zij weêr op het oude nest, maar als weduwe -zooals zij was vertrokken. Velen dingen naar hare hand, maar zij wijst -alle vrijers met boosaardige snavelhouwen af; zij arbeidt ijverig aan -de verbetering van het nest, doch doet zulks alleen, om haar huisrecht -te handhaven. - -In den herfst trekt zij wederom met andere ooievaars naar den vreemde, -om in het volgende voorjaar nogmaals terug te keeren en te handelen als -het vorige jaar. En zoo gaat het elf jaren achtereen. In het twaalfde -jaar poogt een ander ooievaarspaar zich in ’t bezit van het nest te -stellen; zij verzet zich moedig tegen dien aanslag, maar kan ook nu nog -niet besluiten door het aangaan van een tweede huwelijk zich een -verdediger in dien strijd te verschaffen. Men ontrooft haar het nest, -en zij blijft ongehuwd; de roovers handhaven zich in het bezit en maken -er een practisch gebruik van; de rechtmatige eigenares laat zich niet -meer zien, maar, gelijk later blijkt, brengt zij den ganschen zomer op -een, ongeveer vijftien kilometer daarvan verwijderde plaats eenzaam -door. Nauwelijks evenwel zijn de roovers vertrokken, of zij bezoekt het -oude nest, toeft daar eenige dagen en aanvaardt dan ook zelf de reis. -Deze ooievaarsvrouw werd in die gansche streek bekend onder den naam -van kluizenaarster; haar lot en handelwijze verwierven haar de -genegenheid van alle weldenkenden. - -En zoodanig doen en handelen zou niets anders zijn dan het werken en -drijven eener van buiten bestuurde machine? Al deze zoo even geschetste -uitingen van een meer dan warm en levendig gevoel zouden zonder -zelfbewustzijn geschieden? Geloove wie zulks kan, verdedige zulks wie -wil. Wij gelooven en verdedigen het tegendeel en zijn jaloersch op het -zich zelf bewuste geluk van de huwelijkstrouw der vogels. - - - - - - - - -IX. - -DE APEN. - - -Scheik Kemal el Din Demiri een geleerd Arabier, die omstreeks het jaar -1405 te Damaskus stierf, verhaalt, hierbij steunende op eene uitspraak -van den profeet, in een door hem vervaardigd boek, „Heiat el Heiwan” of -„Leven der dieren” de volgende wonderlijke geschiedenis: - -„Langen tijd voordat Mohammed, de profeet en afgezant des -albarmhartigen Gods, het licht des geloofs had ontstoken, zelfs vroeger -nog dan Issa of Jezus van Nazareth heeft geleefd en geleerd, bewoonde -eene talrijke joodsche bevolking de stad Aila aan de Roode Zee. Zij -bestond echter uit zondaren en onrechtvaardigen voor het aangezicht des -Heeren; want zij ontheiligden voortdurend den dag des Heeren, den -heiligen sabbath. Tevergeefs waarschuwden vrome en wijze mannen de -zondige bewoners der goddelooze stad; deze bleven spotten met de -geboden des Allerhoogsten. Toen verlieten de boetpredikers de stad des -onheils, schudden het stof van hunne voeten en besloten elders Ellohim -te dienen. Het heimwee en ’t verlangen naar hunne verwanten dreef hen -echter na drie dagen reeds weder naar Aila terug. De stad bood hun nu -evenwel een vreemden aanblik. De poorten waren gesloten, de tinnen der -muren nochtans onbezet, zoodat de mannen ongehinderd de muren konden -beklimmen. Maar ook de straten en pleinen der ongelukzalige stad waren -ledig. Daar, waar anders een levendige menschenmassa zich bewoog, waar -koopers en verkoopers, priesters en beambten, handwerkslieden en -visschers in een bont gewemel elkander gewoonlijk verdrongen, daar -zaten, liepen en klommen reusachtige bavianen, en uit de balkons en -vensters, van de zolders en daken, waar anders zwartoogige vrouwen -toefden, keken bavianenwijfjes op de straten neder. En al die -reusachtige apen, alsmede de schoone apinnen hadden een somber en -ontsteld voorkomen; zij zagen droefgeestig op de teruggekeerde pelgrims -neêr, drukten zich smeekend tegen hen aan en kermden jammerlijk. - -Ontzet en huiverend aanschouwden de vrome pelgrims het akelig wonder, -totdat een hunner op de pijnlijke gedachte kwam, dat deze bavianen -wellicht hunne voormalige, nu tot dieren vernederde verwanten waren. - -Ten einde hieromtrent zekerheid te erlangen, ging de vrome man naar -zijn eigen huis. Hier zat in de deur almede een baviaan; deze sloeg -echter, toen hij den rechtvaardige zag naderen, treurig en vol schaamte -de oogen neder. „Zeg mij, bij Allah den Albarmhartige, o baviaan,” zoo -vroeg de wijze aan den aap, „zijt gij mijns broeders zoon Ibrahim?” En -treurig antwoordde de baviaan: „Ewa, ewa”—„ja, ik ben het.” Toen viel -elke twijfel bij den vromen man weg, en hij erkende nu met een beklemd -hart, dat hier een zwaar Godsgericht was voltrokken, en dat de -goddelooze sabbathschenders in apen waren veranderd geworden.” - -Scheik Kemal el Din twijfelt, wel is waar, geen oogenblik aan dit -wonder, maar kan toch, als denkend mensch, niet nalaten de meening uit -te spreken, dat er wellicht bavianen hebben geleefd voordat er joden -bestonden. - -Wat ons betreft, hoe aardig bedacht en verteld deze geschiedenis ook -zijn moge, wij sluiten ons te gereeder aan deze opvatting aan, daar de -apen, met welke de vrome ijveraars van Aila te doen hadden, oude en -goede bekenden van ons zijn. Want in Arabië huizen eenig en alleen de -hamadryas- of mantelbavianen. Wij vinden deze soort echter op de oudste -Egyptische gedenkteekens reeds nauwkeurig afgebeeld, terwijl het de -haartooi dezer dieren was, welke den ouden Egyptenaren zoo opvallend -voorkwam, dat zij dien als voorbeeld kozen en er hun sphinxen mede -sierden, even gelijk hij nog heden ten dage als voorbeeld dient voor -den haartooi der donkere schoonen van Oost-Soedan. De mantelbaviaan -namelijk speelt in de oud-Egyptische godenleer eene voorname rol, -zooals wij o.a. leeren uit het werk van den hieroglyphenverklaarder -Horapollon. Volgens dezen werden die apen in de tempels gehuisvest en -na hun dood gebalsemd. De mantelbaviaan gold voor den uitvinder der -schrijfkunst en dus voor een, niet alleen den vader der wetenschappen, -Thot of Merkurius geheiligd, maar ook den Egyptischen priester -aanverwant wezen; hij werd dan ook bij zijn plechtigen intocht in het -heiligdom aan eene proef onderworpen, doordien de opperpriester hem een -schrijftafel, inkt en pen in de hand drukte en hem beval te schrijven, -opdat men erkennen mocht of hij waardig was te worden opgenomen; men -beweerde, dat hij in eene geheimzinnige betrekking stond tot de maan, -dat deze alzoo een ongewonen invloed op hem uitoefende; men schreef hem -eindelijk het talent toe, den tijd op zulk eene zichtbare wijze in te -deelen, dat Trismegistus naar zijn voorbeeld en aanwijzing -wateruurwerken vervaardigde, die, evenals hij, dag en nacht elk in -twaalf gelijke deelen verdeelden. Wij zijn dus aan dezen aap niet -alleen het letterschrift verschuldigd, maar tevens ook de -tijdsverdeeling. - -Het verdient opmerking, dat de oude Egyptenaren wel geloof sloegen aan -hunne familieverwantschap met de apen, maar geenszins gedacht hebben -aan eene afstamming van deze wezens. - -Zulk een opvattingswijze omtrent de familierelatie tusschen menschen en -apen ontmoeten wij het eerst bij de Indiërs. Onder dezen heerscht -sedert onheugelijke tijden het geloof, dat althans enkele koninklijke -familiën van een, in Indië voor heilig gehouden in zekeren zin als een -goddelijk wezen beschouwden slankaap, den hulman, afstammen, terwijl de -zielen der afgestorven koningen in het lichaam van dezen aap -terugkeeren. Een der regeerende dynastieën beroemt zich zelfs op deze -afkomst, door zich den titel te geven van „gestaarte Rana.” - -Gelijke denkbeelden als bij de Indiërs in zwang zijn, hebben zich in -onzen tijd ook weder opgedaan, en de apenvraag, om mij zoo eens -uittedrukken, heeft veel stof doen opwaaien. Wetenschappelijke, voor ’t -gewone publiek onverstaanbare uiteenzettingen, hebben hier een heiligen -toorn opgewekt om dien in lichte laaie vlammen te doen ontvonken, ginds -de denkers in twee vijandige kampen voor en tegen verdeeld, die ieder -vurig hunne eigen meening bepleiten. Het wetenschappelijk onderzoek van -geheel vreemde elementen hebben den strijd opgenomen, zonder te weten, -of zelfs te vermoeden voor welk doel deze eigenlijk gevoerd wordt, en -dien op een terrein overgebracht, alwaar hij slechts onheil kan -stichten, en waardoor eene verwarring is uitgelokt, die niet -gemakkelijk weder zal worden weggenomen. Over apen te spreken is alzoo -een gevaarlijke zaak geworden; men loopt daarbij gedurig gevaar òf den -geduchten stamvader, òf door hem den vermeenden nakomeling te -vernederen—afgezien nog van de smaadredenen der afschuwelijkste soort, -waarmede onbeschaafde, in blinde woede tegen het tijdsbewustzijn -vechtende ijveraars, onverwijld een ieder overladen, die zich maar -verstout het woord „aap” uit te spreken. - -Toch zal de apenvraag nog niet zoo spoedig van de agenda van den dag -verdwijnen; want deze wezens, die ongetwijfeld onze naaste verwanten in -het dierenrijk zijn, verdienen in te hooge mate onze belangstelling, -dan dat wij ons door bovengenoemde overwegingen zouden laten weêrhouden -iets dieper in hun leven in te dringen en daarmede ons eigen doen en -laten te vergelijken, ten einde op deze wijze ons niet alleen een -juister voorstelling van de apen, maar ook van de menschen te vormen. - -Het volgende zij daartoe een bijdrage. Het valt moeilijk in weinige -woorden een algemeen levensbeeld—want daartoe wil ik mij bepalen—van -deze zoo zeer van elkander onderscheiden dieren te schetsen. Zij -bewonen in ongeveer vier-, in elk geval in veel meer dan driehonderd -soorten, alle deelen der aarde, Australië alleen uitgezonderd, en wel -voornamelijk de tropische gewesten. In Amerika strekt zich het -verbreidingsgebied dezer dieren uit van den 28sten Zuiderbreedtegraad -tot aan de zee der Antillen; in Afrika van 35° Z.Br. tot aan de straat -van Gibraltar; in Azië van de Soenda-eilanden tot Japan; in Europa -vindt men ze enkel op de rotsen van Gibraltar, alwaar sedert -onheugelijke tijden een troep van ruim twintig magots of kortstaartige -macaco’s, onder de bescherming der bezetting, in wezen blijft. Bosschen -en rotsachtige gebergten, die tot twee en een half duizend meter hoogte -beklommen worden, zijn hunne woonplaatsen. Hier zoowel als ginds -verblijven zij, enkele soorten uitzonderd, jaar in, jaar uit, ofschoon -in zooverre rekening wordt gehouden met de jaargetijden, dat zij, met -het oog op de rijpe vruchten, meer of minder uitgestrekte tochten door -de bosschen ondernemen, of tegen den aanvang van het warme jaargetijde -zich hooger op het gebergte begeven om tegen het koele seizoen weder -omlaag te dalen. Want ofschoon men ze zelfs nog op met sneeuw bedekte -velden aantreft, zijn zij zoowel beminnaars van de warmte als -liefhebbers van een overvloedige en lekkere tafel. Waar zij voor langen -of onbeperkten tijd hun woonsteden zullen opslaan, daar moet iets te -knabbelen en te eten vallen; zoo niet, dan gaan zij verhuizen. Bosschen -in de nabijheid van menschelijke volkplantingen zijn in hun oogen een -waar paradijs; de verboden boom hindert hen niet. Maïsvelden, -suikerrietplantages, tuinen met ooftboomen, bananen, pisangs en -meloenen beschouwen zij als hun wettig erfdeel; streken, alwaar het -godsdienstig geloof der inwoners hun bescherming verleent, zijn hun -natuurlijk eveneens een welaangename verblijfplaats. - -Alle apen, de anthropomorphen wellicht alleen uitgezonderd, leven in -troepen van soms aanzienlijke sterkte, die door een oud mannetje worden -aangevoerd. Tot deze waardigheid wordt alleen hij verheven, die de -sterkste armen en de langste tanden bezit. Terwijl bij die zoogdieren, -welke een vrouwelijk individu met de leiding belasten, alle andere -individuen der kudde gewillig volgen, eischt de aanvoerende aap, als -onbeperkt alleenheerscher der ergste soort, onbepaalde gehoorzaamheid. -Wie niet goedschiks zich onderwerpt wordt door beten, knijpen en -stooten tot zijn plicht gebracht. De aanvoerder wil slaafsche -onderwerping, zelfs van den kant der apinnen. Ridderlijke galanterie -tegenover het zwakkere geslacht kent hij niet: „door geweld verovert -hij het loon der min;” zijn tucht is gestreng, zijn wil onbuigzaam. -Geen apenjongeling verstout zich met een apenmeisje te minnekoozen, -geen apin zou het bestaan een anderen aap dan den aanvoerder liefde te -bewijzen. Hij zelf heerscht onbeperkt over zijn harem, en zijn geslacht -vermenigvuldigt zich als dat van Abraham, Izaäk en Jakob, gelijk het -zand aan den oever der zee. Wordt de kudde te talrijk, dan scheidt zich -een gedeelte onder aanvoering van een inmiddels opgegroeiden jongeling -af om een eigen staat te gronden. Tot zoolang werd de eerste algemeen -geacht, geëerd en gevreesd. Oude, ervaringrijke apenmoeders zoowel als -jonge bakvischjes zijn er op uit hem te vleien, en beijveren zich om -het zeerst hem den allergrootsten dienst te bewijzen, dien men in ’t -algemeen een aap kan bewijzen, n.l. zijn haarkleed te zuiveren van alle -daar niet thuis behoorende zaken. Van zijnen kant laat hij zich deze -hulde welgevallen met het air van een pacha, wiens voeten worden -gereinigd door de meest geliefde slavin. De achting, die hij zich wist -te verwerven, verleent hem zekerheid en waarde in zijn optreden, de -strijd, waarin hij niettemin voortdurend is gewikkeld, waakzaamheid, -moed en zelfvertrouwen, de noodzakelijkheid zijn heerschappij te -handhaven omzichtigheid, list en geslepenheid. Terwijl deze -eigenschappen hemzelf in de eerste plaats ten goede komen, zijn ze -tevens der gemeenschap van nut en zijne onbeperkte heerschappij erlangt -daardoor kracht van wet en duurzaamheid. Door hem geregeerd en geleid, -voert de troep, ofschoon inwendig beroerd door geweldige stormen, naar -buiten veilig, daardoor een behagelijk leven. - -Alle apen, de weinige soorten van nachtapen uitgezonderd, werken des -daags en rusten gedurende den nacht. Eerst geruimen tijd, nadat de zon -is opgegaan, staan zij uit den slaap op. Hun eerste bezigheid bestaat -daarin, dat zij zich in de zon koesteren om zich daarna te wasschen. Is -de nacht koud en guur, dan dringen zij zoo dicht mogelijk opeen, ten -einde den invloed dier weinig verkwikkelijke omstandigheid zoo goed -mogelijk te ontgaan. - -Maar niettemin rillen zij bij ’t opstaan nog dikwijls zoo van de koû, -dat zij genoodzaakt zijn zich geruimen tijd in ’t zonnetje te -koesteren. Zoodra de nachtdauw is opgedroogd verlaten zij de -slaapplaats, klauteren langzaam naar de hoogste toppen der boomen of -rotsen, zoeken een zonnig plaatsje uit, en keeren nu beurtelings alle -lichaamsdeelen achtereenvolgens naar de zon. Is de pels gedroogd en -behoorlijk verwarmd, dan ontwaakt de begeerte het haarkleed te -reinigen; vol ijver begeeft zich een ieder aan dezen arbeid, of bewijst -dien dienst aan een ander om op zijne beurt gelijke weldaad terug te -ontvangen. - -Is ook deze plechtigheid afgeloopen, en het haarkleed, zoo noodig, -gekamd, dan laat zich de behoefte aan het ontbijt gevoelen. Die -behoefte is doorgaans gemakkelijk te bevredigen, daar de apen alles -lusten, en het planten- en dierenrijk beide, bijdragen moeten leveren. -Bosschen zoowel als bergruggen schenken vruchten, blad- en -bloemknoppen, vogelnesten met eieren of jonge vogels, slakken en -insekten, de tuinen ooft en groenten, de akkers graan en peulvruchten. -Hier wordt een rijpe aar afgebroken, ginds een sappige vrucht geplukt, -in de hoogte een nest geplunderd, op den grond een steen omgekeerd, in -de bewoonde streek een tuin gebrandschat of een akker geplunderd; -overal wordt iets weggenomen. Elke aap verwoest daarenboven, als hij -tijd heeft, nog tienmaal meer dan hij nuttigt, en is daarom een plaag -voor landbouwer en tuinman. Bij den aanvang van zulk een rooftocht -tracht ieder allereerst den eersten honger te stillen; men is niet -kieschkeurig, eet alles wat voorkomt, en stopt de wangzakken, indien -zij deze bezitten, nog daarenboven propvol; is aan de eerste behoefte -voldaan dan begint de aap alles op de onbeschaamdste wijze te keuren en -te kritiseeren; elke gebroken aar, elke afgeplukte vrucht wordt -beroken, betast, bekeken, alvorens die op te eten, en in de meeste -gevallen wordt het een zoowel als het andere weggeworpen, naar iets -nieuws gezocht en hiermede eveneens gehandeld. „Wij zaaien en de apen -oogsten” zoo klaagden mij eens de bewoners van Oost-Soedan, en zij -hadden gelijk. Tegen zulke dieven verleenen heg noch muur beschutting, -slot noch grendel; zij klimmen over de heiningen en openen de laatste. -En wat zij niet verslinden wordt mee naar huis gedragen. Het is een -prachtig maar tevens een droevig gezicht, dat zulk een troep -plunderende apen oplevert; ook in dit bedrijf spreiden zij, evenals in -hun geheele wezen, driestheid, sluwheid, overmoedigheid, genotzucht en -voorzichtigheid ten toon, en niet minder komt daarin hun -onbeschaamdheid, list en boosaardigheid uit. Hoe gevaarlijker de -onderneming is, hoe meer al deze eigenschappen aan ’t licht treden. Men -loopt, klautert, springt,—in tijd van nood wordt er zelfs gezwommen,—om -elken hinderpaal uit den weg te ruimen, terwijl men onder dit alles -geen enkel oogenblik de veiligheid uit het oog verliest. De aanvoerder -gaat steeds vooruit, lokt, roept, vermaant, waarschuwt, bromt, scheldt -en bestraft, al naar bevind van zaken; de troep volgt en gehoorzaamt, -zonder echter geheel en al zich op hem te verlaten. Bij gevaar denkt -ieder individu ’t allereerst om eigen lijfsbehoud en schaart zich eerst -later weder om zijn aanvoerder; alleen de moeders, die kinderen aan de -borst hebben of deze op den rug dragen, vormen eene uitzondering, daar -zij om ’t lot van haar kroost meer bezorgd zijn, of althans schijnen te -zijn, dan om zichzelf. - -Op tochten, waaraan geen gevaar verbonden is, wordt nu en dan halt -gehouden; dan hebben ook de kinderen gelegenheid om met elkander te -spelen. Onder gevaaraanbrengende omstandigheden volgt eerst na het -einde van den tocht een korter of langer tijd van rust en ontspanning; -ter bevordering der spijsvertering houdt men dan ook wel eens een -middagslaapje. In den namiddag wordt een nieuwe strooptocht ondernomen, -en tegen zonsondergang begeeft zich de bende naar de gewone -slaapplaatsen, die zoo goed mogelijk tegen de aanvallen van gevaarlijke -roofdieren beveiligd zijn, om hier, ofschoon eerst na langdurig krakeel -en getwist, schelden en kijven de welverdiende rust te zoeken en te -vinden. - -Enkele tochten uitgezonderd, die of uit nood worden ondernomen, of kans -bieden op een meer dan gewonen oogst, gaat het op deze wijze vrij -geregeld dag aan dag voort. De voortplanting, die bij het meerendeel -der andere dieren gewoonlijk groote veranderingen in de levenswijze te -voorschijn roept, oefent op de apen geen merkbaren invloed uit; deze -toch is aan geen bepaald tijdstip gebonden en de apenmoeder sleept -overal haar jong mede. Meestentijds wordt er maar één kind tegelijk -geboren; het komt goed ontwikkeld en dus met open oogen ter wereld. De -apenjongen zijn evenwel naar onze begrippen afschuwelijke wezens en in -weêrwil der reeds vergevorderde ontwikkeling zeer hulpbehoevende -schepseltjes. Afschuwelijk zijn zij in onze oogen, omdat de geplooide -gezichtjes en de levendige oogjes hun een oudachtig voorkomen geven, en -het nog dunne haarkleed de buitendien reeds lange voorste ledematen nog -langer doet schijnen; hulpbehoevend zijn ze, omdat zij van de ledematen -nog geen ander gebruik weten te maken dan er zich mede aan de borst der -moeder vast te klampen. Hier hangen zij, met armen en handen den hals, -met beenen en voeten den buik der moeder omklemmende, weken lang zonder -eenig ander lichaamsdeel dan het hoofd te bewegen; dientengevolge is de -moeder in staat alle gewone bezigheden te verrichten, zelfs evenals -vroeger op de gevaarlijkste wegen te loopen of halsbrekende sprongen te -doen, zonder dat zij daarbij van haar kind eenigen last ondervindt. -Eerst na geruimen tijd, zelden vroeger dan na verloop van eene maand, -beginnen de kleinen enkele bewegingen uit te voeren, doch handelen -daarbij zoo plomp, dat het eer ons medelijden dan onzen lachlust -opwekt. Deze gedrochtjes worden echter, misschien wel juist om die -hulpeloosheid, door de moeders met zulk eene teederheid behandeld, dat -de uitdrukking „apenliefde” zeer gepast mag heeten. Altijd is de -apenmoeder met haar kleintje bezig. Dan likt zij het, dan zuivert zij -het, dan legt zij het aan de borst, dan neemt zij het in de handen, en -beschouwt het met innig welbehagen, dan schommelt zij het, als wilde -zij haar kind in slaap wiegen. - -Wordt zij bespied, zij keert zich om als misgunde zij aan andere wezens -het gezicht van haar lieveling. Is de laatste wat ouder en bewegelijker -geworden, dan verkrijgt hij een enkele maal verlof de moederborst te -verlaten om met andere kindertjes van gelijken leeftijd te spelen, maar -steeds staat hij onder streng toezicht, en ontvangt hij bij de -geringste ongehoorzaamheid stompen en knepen. Tot het voedsel zelfs -strekt zich de zorg der moeder uit. Hoe gulzig deze anders ook zijn -moge, met haar kind deelt zij elke bete, maar duldt echter niet, dat -het door haastig of te veel eten zich ziek zou maken; in zoodanige -gevallen laat zij haar moederlijk gezag gelden. Zelden evenwel is een -ernstige bestraffing noodig, want het apenkindje is gewoonlijk -voorbeeldig gehoorzaam, zoodat het in dit opzicht menig menschenkind -tot voorbeeld kan strekken. Roerend is het gedrag der moeder, wanneer -haar lieveling pijn heeft; wanhopig stelt zij zich aan, wanneer het -sterft. Uren, ja dagen lang sleept zij het kleine lijkje overal mede, -weigert alle voedsel, blijft wezenloos op dezelfde plek zitten en -kniest zich dikwijls letterlijk dood. Het apenkindje is echter voor -zulk een gevoel niet vatbaar, en is er ook beter aan toe dan menig -menschenkind, indien het zijn moeder verliest. Want het eerste het -beste medelid der troep, ’t zij mannetje of wijfje, trekt zich het lot -van den armen wees aan, en vindt op deze wijze bevrediging voor de -allen apen aangeboren zucht, voor moedertje te spelen, liefkoost het op -het innigste—maar komt helaas! ook niet zelden ter wille van het lieve -eten, in tweestrijd met zijn beter ik, zoodat het pleegkind, zoo ’t -zich niet reeds alleen weet te helpen, erbarmelijk honger lijdt, en wel -eens van gebrek sterft. - -Het valt moeilijk, zoo niet onmogelijk, eene juiste beschrijving te -geven van de verstandelijke vermogens en talenten der apen, daar deze -even verschillend zijn als zij zelf. Enkele trekken zijn aan allen -gemeen; verreweg de meeste eigenaardigheden van hun wezen wijken zeer -van elkander af. De aanleg, die bij den eenen aap nauwelijks merkbaar -is, springt bij een ander duidelijk in ’t oog; dezelfde karaktertrek, -die hier sterk voorkomt, wordt elders te vergeefs gezocht. Wanneer men -evenwel, de familiën, geslachten en soorten vergelijkend in deze -beschouwingen opneemt, dan neemt men eene inderdaad verrassende en -ongedachte opklimming waar van alle talenten en vermogens. Het is zeer -leerrijk op deze wijze te werk te gaan. - -Als de minst ontwikkelde leden der orde moeten wij de klauwapen of -eekhoornapen van Zuid- en Middel-Amerika beschouwen; dit zijn -levendige, kleine, fraaie en onderling veel gelijkenis met elkander -vertoonende dieren. Zij hebben wel is waar hetzelfde gebit als de -hoogere soorten, maar dragen echter alleen aan de duimen platte nagels, -aan de overige teenen en vingers daarentegen smalle, lange klauwachtige -nagels, waardoor dus de handen en voeten, althans de handen tot pooten -gedegradeerd worden. En met deze uitwendige kenmerken komen de -intellektueele eigenschappen overeen. Het apendom is als het ware bij -deze soort nog niet tot volle ontwikkeling gekomen. In vorm en kleur -zoowel als in houding, gedrag en hun geheele zijn, zelfs in hun stem -herinneren zij aan de knaagdieren. Zij zitten bijna nooit, zooals -andere apen, rechtop, hoogstens evenals de eekhoorntjes, maar meestal -steunen zij op alle vier ledematen; ook klauteren zij niet zooals de -andere leden der orde, los en gemakkelijk, met handen en voeten de -takken omklemmende, maar meer op de wijze der knaagdieren, met -ingetrokken klauwen, zich tegen de voorwerpen aandrukkende, in -sprongen—toch evenwel niet langzaam en plomp. - -Zeer verschillende van die der hoogere apen is hunne stem; het geluid, -dat zij geven, is een in de hooge tonen zich bewegend gefluit, dat nu -eens herinnert aan het gekweel van vogels, dan eens aan het gepiep van -ratten en muizen, ja wellicht nog de meeste overeenkomst bezit met het -stemgeluid der Guineesche biggetjes. Volkomen knaagdierachtig is hun -gedrag; zij laten dezelfde onrust en bewegelijkheid, dezelfde -nieuwsgierigheid, schuwheid en angst, dezelfde ongedurigheid als de -eekhoorntjes blijken. Het kopje is geen enkel oogenblik in rust en de -donkere oogen richten zich nu op het eene, dan op het andere voorwerp, -maar altijd vol drift en schijnbaar zonder veel bewustheid, hoe -verstandig zij overigens ook mogen kijken. Alle handelingen getuigen -van weinig overleg. Onwillekeurig volgen zij de ingeving van het -oogenblik en vergeten het daarop volgende waar zij meê bezig waren, -zoodra een nieuw voorwerp hun opmerkzaamheid trekt. Zij zijn luimig in -den hoogsten graad; zoo even goed gehumeurd en schijnbaar tevreden met -hun lot, gelukkig door eene vriendschappelijke bejegening, grijnzen zij -eene seconde later hun weldoeners aan, houden zich alsof zij ten -uiterst bevreesd zijn en hun leven op het spel staat, laten de tanden -zien en pogen te bijten. Even prikkelbaar als apen en knaagdieren, -ontbreekt hun toch het persoonlijke, dat vooral de hoogere apen -teekent; de een toch handelt precies zoo als de ander, als het ware -zonder zelfbewustzijn, en altijd kleingeestig. Zij bezitten alle -eigenschappen van bloodaards; de jammerlijke stem, den onwil om zich in -’t onvermijdelijke te voegen, de beklagenswaardige wijze, waarop zij -alle gebeurtenissen opnemen, een ziekelijke neiging om elke handeling -van een ander schepsel wantrouwend en als henzelf geldend te -beschouwen, de zucht om te pralen, wanneer zij een denkbeeldig of -wezenlijk gevaar uit den weg trachten te gaan, machteloosheid in willen -en doen. Juist omdat zij zoo weinig apen zijn worden zij door de -vrouwen in bescherming genomen, maar door de mannen geminacht. - -Op hoogeren trap van ontwikkeling staan de eveneens in Amerika thuis -behoorende breedneusapen, ofschoon ook in dezen de werkelijke aap nog -niet recht zichtbaar is. Hun gebit telt in elke kaak eene kies meer dan -dat der overige apen; zij bezitten dus geen 32 maar 36 tanden; aan de -vingers en teenen zitten enkel platte nagels; het lichaam heeft door de -meerdere lengte der ledematen een min of meer slanken vorm en de staart -is bij velen een uitstekend grijpwerktuig. Evenals de klauwapen zijn -ook zij uitstekende boomdieren en uit dien hoofde zeer onbeholpen en -linksch zoodra zij zich op den vlakken grond bevinden. Hun gang is -alsdan hoogst onzeker en waggelend, en in dit opzicht onderscheiden die -soorten, welke van een grijpstaart voorzien zijn, zich nog het -onvoordeeligst; toch is hun klimmen zelfs niet in de verte te -vergelijken met dat van de apen der oude wereld. Vermenigvuldiging toch -der bewegingswerktuigen behoeft nog geenszins met eene verbetering in, -en nog minder met eene vermenigvuldiging van de bewegingen zelf gepaard -te gaan, maar kan soms de oorzaak worden van eenzijdigheid. En dit -laatste is bij deze apen het geval. Hun grijpstaart is niet hun vijfde, -maar hun eerste hand; hij dient hen voor het ophangen of de bevestiging -van ’t geheele lichaam, tot het aanhalen van allerlei voorwerpen, als -trappen, hangmatten, enz.; maar hij verhaast de bewegingen evenmin als -hij die gemakkelijker maakt; hij verlangzaamt ze integendeel door ze -meer zekerheid te geven. Daar dit lichaamsdeel onophoudelijk in gebruik -wordt gesteld, loopt deszelfs bezitter nimmer gevaar het evenwicht te -verliezen en van de veilige hoogte naar beneden in de gevaarlijke -diepte te storten, maar het belet hem dan ook elke vrije en stoute -beweging. Langzaam zendt hij den grijpstaart als het ware bij elke -schrede vooruit; altijd wordt deze het eerst en soms zelfs van voren -bevestigd, en eerst nu maakt hij hand voor hand en voet voor voet van -de takken, die hij omklemd hield, los. Zoo bindt hij zich meer aan de -takken vast, dan dat hij er op en langs klautert, en uit dien hoofde -denkt hij er nooit aan een eenigszins koenen sprong te wagen. Deze zich -nooit verloochenende zorg voor de beveiliging van het eigen kostbaar ik -drukt op deze apen den stempel van verveling en niet dien van -bedachtzaamheid. Het is merkwaardig hoe volkomen alle andere -begaafdheden der apen van de Nieuwe Wereld daarmede in harmonie zijn. -Hunne stem is niet zoo eentonig als die der klauwapen, altijd echter -nog onaangenaam. Van jammeren tot brullen doorloopt dat geluid alle -daar tusschen gelegen modulaties; het jammerende, het smartelijke heeft -echter altijd de bovenhand, en de gedragingen dezer dieren zijn -daarmede in volkomen overeenstemming. Warm beschijnt de zon na een -koelen, aan dauw rijken nacht de boomen van het oerwoud en strooit -hierover haar goud; duizendvoudige begroetingen en jubelkreten stijgen -op uit millioenen kelen; ook de brulapen maken zich gereed tot hun -danklied. Maar op welke wijze? Op de dorre kruintakken van een -reuzenboom geklauterd, die boven alle boomen des wouds uitsteekt, -hebben zij zich door middel hunner grijpstaarten op veilige wijze -vastgehecht en koesteren zich in het zonnetje. De behagelijkheid, die -hun deel is, wekt ook in de brulapen den lust hunne stem te laten -hooren. Een individu, dat, naar men zegt, uitmunt door eene hooge, -gillende stem, de voorzanger, ziet zijn makkers strak aan en begint; de -anderen kijken even strak op den eersten en vallen mede in; een -vreeselijk concert weêrklinkt door het woud, nu eens huilend, dan -brommend, straks knorrend, gronzend, rochelend, steunend, als waren -alle dieren des wouds in moorddadigen strijd gewikkeld. Met -afzonderlijke brulgeluiden begint deze vreemde symphonie; zij worden -woester en volgen sneller op elkaar, naarmate de aanvankelijk nog niet -zichtbare opwinding des voorzangers toeneemt en op de anderen overgaat; -het geluid wordt een huilend gebrul, dat eindigt gelijk het is -aangevangen. Werpt men een blik op die langgebaarde, ernstige zangers, -dan kan men zich moeilijk van lachen onthouden; de alle maat te boven -gaande wangeluiden, waaraan zij zich schuldig maken verwekken echter al -spoedig een gevoel van verveling, evenzeer als hunne eenzijdige, eer -kruipende dan klimmende bewegingen. Wat de een doet aapt de ander -gedachtenloos na; maar wat hij ook doen moge, steeds verwekt zijn doen -en laten verveling. Alle met een grijpstaart voorziene apen komen vrij -wel met de genoemde brulapen overeen; iets vrijer en zelfstandiger -gedragen zich de capucijnerapen en enkele andere, meer ontwikkelde -leden der familie. In ’t algemeen zijn zij in verstandelijk opzicht -even log als zij zulks lichamelijk zijn; evenwel zacht van aard, -vertrouwelijk, maar tevens dom, gemelijk, klagend, sommigen ook -eigenzinnig, boosaardig en vol streken. Zij staan dus wel is waar boven -de klauwapen, maar verre beneden de apen der Oude Wereld. Misschien -doet men hun geen onrecht met de bewering, dat zij wel de slechte, maar -niet de goede eigenschappen van hunne Afrikaansche en Aziatische -bloedverwanten bezitten. Hun zachtmoedigheid en goedmoedigheid—die -evenwel volstrekt nog niet het kenmerk is van alle soorten—weegt in de -verste verte niet op tegen het op allen drukkend gemis aan -ondernemingsgeest, moed, opgewektheid, levendigheid, beradenheid, -vindingrijkheid en bedachtzaamheid, door welke eigenschappen de apen -der Oude Wereld zich voordeelig onderscheiden. Hun eeuwig gejammer en -gehuil wischt ook die eigenschappen uit, welke hun nog enkele vrienden -onder ons zouden kunnen verwerven. - -Evenals de apen der Nieuwe Wereld kan men ook die der Oude Wereld in -twee groepen verdeelen, die men wellicht tot den rang van familiën zou -kunnen verheffen, ofschoon het gebit van allen gelijkvormig is. Wij -noemen de eene groep hondskopapen, de andere menschapen; de eerste -groep leert ons het ware apendom kennen, de tweede is bereids daarboven -verheven. Voor genen geldt hoofdzakelijk wat ik zoo even opmerkte; men -vindt er onder zoowel schoone als leelijke, zoowel lieve als -terugstootende, zoowel vroolijke als ernstige, zoowel goedaardige als -boosaardige apen. Werkelijk misvormde apen komen er niet onder voor, -daar ook de leelijke, of althans in onze oogen leelijk schijnende -soorten evenredige vormen bezitten; toch treft men er vreemdsoortige -kameraads onder aan. Hun voornaamste kenmerk bestaat in den -vooruitstekenden snuit, die aan een hond doet denken, in de -betrekkelijk korte armen, den tot een stompje verkorten staart, de vrij -sterk ontwikkelde eeltplekken en de maar zelden ontbrekende wangzakken. -Het gebit bevat 32 aaneengesloten tanden. Deze apen bewonen Europa, -Azië en Afrika, maar zijn in laatstgenoemd werelddeel het talrijkst. - -In eigenschappen en begaafdheden staan zij ver boven de klauwapen en de -breedneuzen. Zij kunnen meerendeels goed loopen, alhoewel er onder -zijn, die onzen lachlust opwekken door hun hinkenden gang. Het valt hun -gemakkelijk op de achterste ledematen te gaan staan; zij richten zich -dan in hunne volle lengte op en kunnen dan zelfs in deze houding een -eind weg voortkomen. Het zijn daarbij goede klimmers; sommigen oefenen -zich hierin op de rotsen, anderen in de boomen. De meesten zijn ook nog -uitstekende zwemmers. Die, welke op de boomen leven, klauteren als het -ware vliegend, want de acrobatische toeren, die zij in de takken -uitvoeren, zijn inderdaad verbazingwekkend. Sprongen van 8 en 10 meter -zijn niets ongewoons; uit den hoogsten boomtak springen zij naar den -laagsten, doen dezen doorbuigen, en, geholpen door het terugspringen -van dien tak, zetten zij den tocht voort naar een anderen. Den staart -en de achterste ledematen uitstrekkende, en zich hiermede in evenwicht -houdende, doorklieven zij de lucht als een pijl uit den boog. Elke -boomtak, al is hij ook met de gevaarlijkste dorens bezet, is hun een -gebaand pad, elke slingerplant een weg. Zij klauteren vooruit en -achteruit, langs den onderkant der takken zoowel als langs den -bovenkant, grijpen onder het springen een dunne twijg, hechten er zich -aan vast en blijven onbepaald lang in deze houding zweven, klimmen -daarna op den tak en verder, even gemakkelijk als bevonden zij zich op -den vlakken grond. Mist de hand, de voet herstelt de fout; breekt de -tak onder den plotselingen druk, een tweede of derde wordt gegrepen; -breken alle takken, zij springen, uit welke hoogte zij ook mogen -vallen, ongedeerd op den grond, om nu langs den eersten den besten stam -of de meest nabijzijnde slingerplant, weder omhoog te klauteren. Bij -het klevende of kruipende klimmen hunner Amerikaansche verwanten -vergeleken, is dat der hondskopapen eene waarlijk vrije, bandelooze, -elken hinderpaal wegruimende beweging. Gene zijn stumpers, deze zijn -volleerde kunstenaars, gene slaven der boomen, deze beheerschers der -takken. - -Even als hunne bewegingen zulks zijn is ook de stem dezer apen meer -volkomen. Men verneemt van hen geen kweelend of piepend, geen klagend -of huilend, maar een met den indruk des oogenbliks en de omstandigheden -overeenkomend geluid, dat ook voor ons verstaanbaar is. Voor behagen en -mishagen, verlangen en tevredenheid, lust en onlust, liefde en haat, -goedhartigheid en toorn, vreugde en smart, vertrouwen en wantrouwen, -sympathie en antipathie, teederheid en hardvochtigheid, -inschikkelijkheid en trots, vooral plotselinge opwellende aandoeningen, -zooals vrees, schrik en ontzetting, voor al deze gesteldheden der ziel -vinden zij een uitdrukking, hoe beperkt ook overigens hun -spraakmiddelen mogen zijn. - -Hand aan hand gaan met deze de zoogenoemde geestelijke fakulteiten -gepaard. Terecht kan men hier opmerken, dat de hand, die bij hen eerst -tot zekere ontwikkeling is gekomen, hen boven alle andere dieren -grootelijks bevoorrecht, en hen dingen doet doen, die soms grooter -schijnen dan zij werkelijk zijn; zoo ziet men hen kunststukken -verrichten, die een hond of ander dier onmogelijk zou ten uitvoer -kunnen brengen. Toch moet men de apen onder de verstandigste zoogdieren -rekenen, die een mate van overleg ten toon spreiden, welke verbaast. -Zij hebben een sterk geheugen; de verschillendste indrukken blijven -bewaard en hun wikkend verstand verwerkt die indrukken tot ervaringen, -die in voorkomende omstandigheden groote diensten bewijzen. Zij -handelen met volle bewustzijn en niet als slaven, die zonder eigen wil -gehoorzamen aan eene van buiten komende kracht, maar zelfstandig, vrij -en met afwisseling; zij weten slim van alles partij te trekken en waar -het te pas komt bedienen zij zich van allerlei hulpmiddelen om hun doel -te bereiken. Zij onderscheiden oorzaak en gevolg, weten het laatste òf -te verijdelen òf te bewerken; zij onderscheiden niet enkel wat goed of -wat kwaad voor hen is, maar zij weten zelfs of zij goed of slecht -handelen, onverschillig of zij daarbij het standpunt van hun eigen lief -ik, of dat van een boven hen staand wezen innemen. Niet het blinde -toeval, maar het zich bewust zijn van de gevolgen regelt hun doen en -laten, maakt hen afhankelijk van ’t overwegen van ’t betere, noopt hen -om gemeenschappelijk te werken en te handelen, leert hen om gezamenlijk -zich aansprakelijk te stellen voor het wel en wee van ieder -afzonderlijk lid, vreugde en leed, geluk en ongeluk, veiligheid en -gevaar, welvaart en gebrek met hem te deelen, m.a.w. een op -wederkeerige afhankelijkheid berustend verband te vormen; het -onderwijst hen in het gepast aanwenden der hun niet van nature -aangeboren krachten en middelen, en drukt hun eindelijk wapens in de -hand, die deze laatsten hun niet konden schenken. Wel is waar delft de -bezonnenheid dikwijls tegenover hunne driften en neigingen het -onderspit, maar juist deze driften getuigen van de levendigheid der -gewaarwordingen, of, wat op hetzelfde uitkomt, van de werkzaamheid van -hunnen geest. Zij zijn gevoelig als kinderen, prikkelbaar als -geestelijk zwakke menschen, en uit dien hoofde ontvankelijk voor elke -soort van behandeling, hun aangedaan; voor tegemoetkomende liefde, voor -terugstootenden haat, voor aansporenden lof, voor krenkenden smaad, -voor streelende vleierij en bitteren hoon, voor liefkoozingen en -tuchtiging. En toch laten zij zich niet zoo gemakkelijk behandelen, nog -minder africhten als een hond of ander verstandig huisdier, want zij -zijn eigenzinnig in den hoogsten graad en bezitten haast evenveel -zelfbewustzijn als de mensch. Onvermoeid leeren zij, maar slechts -wanneer en voor zooveel zij willen en geenszins dan, wanneer zij er toe -gedwongen worden; hun zelfbewustzijn doet hun elk bevel weêrstreven, -waarin zij geen voordeel voor zich zelf zien. Wel weten zij zeer goed -welke straf hen wacht, en zij geven zulks dikwijls vooraf reeds door -passende geluiden te kennen, maar toch weigeren zij te doen wat hun -geboden werd; daarentegen volbrengen zij gewillig en onder luide -bijvalsteekenen wat hun genoegen verschaft. Hij, die hun zelfbewustzijn -in twijfel trekt, moet hen maar eens gadeslaan, wanneer zij zich bezig -houden met een ander dier. Zij beschouwen dit, zoo althans geen vrees -voor diens sterkte en gevaarlijkheid hen terughoudt, als een speelgoed -voor hunne luimen, onverschillig of zij het plagen, foppen of kwellen, -of nu en dan met liefkoozingen overladen. - -Enkele voorbeelden, voor welker waarheid ik in sta, mogen tot bewijs -mijner beweringen strekken. - -Toen ik in het land der Bogo’s reisde, ontmoette ik op mijn eersten rit -door het gebergte een talrijke troep dierzelfde mantelbavianen, waarvan -Scheik Kemal el Din Demiri gewaagt. Het was een schilderachtig gezicht, -deze dieren op de bovenste kammen eener rots te zien zitten, terwijl -zij het golvend haarkleed in de zon droogden; ik begroette hen met -geweerkogels, zoodat zij in allerijl de vlucht namen. Terwijl ik mijn -weg door het nauwe en zeer gewonden rotsdal van Mensa vervolgde, -ontmoette ik geruimen tijd later weder denzelfden troep en wel in het -dal zelf, dat zij zich gereed maakten over te steken ten einde -bescherming te zoeken op de rotsen der overzijde. Een aantal was -bereids aan den anderen kant gearriveerd, het grootste deel echter was -nog op het punt den overtocht te bewerkstelligen. Onze honden, -prachtige, slanke hazewinden, die gewoon waren zegevierend den strijd -met hyaena’s en andere roofdieren te bestaan, wierpen zich op de -bavianen, die uit de verte gezien meer op carnivoren dan op apen -geleken, en dreven deze dieren snel rechts en links naar de rotswanden -omhoog. De wijfjes echter alleen vluchtten, de mannetjes vlogen fluks -op de honden in, vormden er een kring omheen, brulden, sloegen grimmig -met de handen tegen den grond, sperden den muil wijd open, lieten de -tanden zien, en zagen hun vijanden zoo woedend en boosaardig aan, dat -de anders zoo moedige honden ontzet terugdeinsden en angstig bij ons -bescherming zochten. Nog voor het ons gelukte de honden weder tegen de -apen op te hitsen, was de toestand der laatsten geheel veranderd, want -toen de honden weêr opnieuw op hen aanvlogen, hadden de meesten zich -reeds in veiligheid gesteld. - -Een jonge aap, niet ouder dan een halfjaar, was achtergebleven; toen -deze de honden op zich aan zag komen, begon hij verschrikkelijk te -schreeuwen, doch wist nog bij tijds een rotsblok te bereiken, alwaar -het veilig dacht te zijn. Onze honden handelden met overleg en sneden -den aap den terugtocht af, zoodat wij de hoop begonnen te koesteren het -diertje op te vangen. Maar het zou niet geschieden. Fier en vol -waardigheid, zonder zich in ’t minst te haasten en op ons acht te -slaan, stapte een zeer oud mannetje, van de veilige rots afdalende, op -het in nood verkeerende jong af, ging, zonder de minste vrees te -verraden, de honden tegemoet, hield deze door blikken, gebaren en voor -ieder verstaanbare geluiden in bedwang, beklom langzaam het rotsblok, -legde het bedreigde apenkind aan zijn borst, en voor wij op de plaats -waren gekomen, had hij den terugtocht weêr aanvaard, terwijl de honden -geen poot verroerden en hem stil lieten wegtrekken. En onder dit moedig -bedrijf van zelfopoffering hoorde men in het dichte kreupelhout der -rotshelling, werwaarts de apen zich hadden begeven, tonen weêrklinken, -zooals ik nog nooit van bavianen had gehoord. Ouden en jongen, -mannetjes en wijfjes brulden, gilden, knorden, bromden, blaften door -elkander en verwekten een geschreeuw alsof zij met panters en -dergelijke gevaarlijke roofdieren in gevecht waren geraakt. Het was, -gelijk ik later ontdekte, het veld- of krijgsgeschreeuw der apen, dat -ik hoorde; zij hadden daarmede ten oogmerk om de honden schrik aan te -jagen, misschien ook wilden zij daarmede moed inblazen aan den -onversaagden ouden ridder, die zich onder hunne oogen in het -dreigendste gevaar begaf. - -Eenige dagen later zou ik ervaren, dat deze zelfbewuste dieren het ook -tegen den mensch durven opnemen. Bij mijn terugkomst uit het land der -Bogo’s stieten wij nogmaals op een, misschien denzelfden troep; van uit -het dal openden wij uit zeven dubbelloopsgeweren een moorddadig vuur op -hen. De uitwerking was onbeschrijfelijk. Dezelfde oorlogskreten, die ik -vroeger had gehoord, klonken ook nu weder, en als op het bevel van een -generaal rustten zich allen ten strijde. Terwijl de gillende wijfjes -met de jongen ijlings wegvluchtten, en, over den kam der rotsen -spoedende, zich buiten bereik onzer wapenen stelden, betraden de oude -mannetjes, met van woede fonkelende blikken, terwijl zij de handen -tegen den grond sloegen, eer blaffend dan brullend, de vooruitstekende -steenen en rotspunten, overzagen eenige oogenblikken onder voortdurend -luid gebrom, geknor en gegil, de diepte, en begonnen daarop met zooveel -drift en behendigheid ons met steenen te bombardeeren, dat wij het -gevaarlijke onzer positie terstond inzagen en op de vlucht sloegen. -Indien wij niet in staat waren geweest tegen de overstaande hellingen -van het nauwe dal naar boven te klimmen, om ons op deze wijze in -zekerheid te stellen tegen het geschut der apen, wij zouden het -onderspit hebben gedolven. De verstandige dieren handelden bij hunne -verdediging niet alleen stelselmatig, maar daarenboven, -gemeenschappelijk naar één doel strevend, in onderling overleg en -samenwerking. Een onzer zag zelfs hoe een der strijders zijn steen op -een boom droeg, om dien van hier uit met meer effekt naar ons toe te -slingeren; ik zelf nam waar dat twee apen gezamenlijk een zwaren steen -aan ’t rollen brachten. - -Tot zulke middelen van tegenweer grijpt geen enkel ander dier dan de -boven allen verheven aap, evenmin als het mannetje eener andere -diersoort zich aan gevaren blootstelt om een hulpeloos jong te redden. -Zulke trekken mogen niet geloochend of verkeerd beoordeeld worden; want -zij getuigen luider en beter voor zichzelf dan alle spitsvondige -uiteenzettingen, die ten doel hebben aan het dier verstand en -zelfbewuste handelingen te ontzeggen. - -Hoe juist de hondskopapen oorzaak en gevolg weten te onderscheiden, kan -ieder bij eigen ervaring waarnemen, die deze dieren onbevooroordeeld -nagaat. Zij openen deuren en vensters, schuifladen, kasten en doozen, -maken knoopen los; zij weten hinderpalen uit den weg te ruimen, niet -alleen wanneer zij eenmaal hebben opgemerkt hoe men daarbij te werk -gaat, maar zij vinden zelf middelen uit om daartoe te geraken. Zekere -baviaan, dien ik verzorgde en in mijn gezin had opgenomen, pakte eens -eene jonge kat met het voornemen, dit beestje tot pleegkind aan te -nemen en er moedertje over te spelen. De aap werd eens door het dier -gekrabd; hij stelde terstond een onderzoek in naar de vermoedelijke -oorzaak, en toen hij bevond dat de nagels als zoodanig moesten -beschouwd worden, beet hij deze organen onmiddellijk af, overtuigd dat -hij nu voortaan gevrijwaard zou zijn tegen eene herhaling van deze -onaangename bejegening. Denzelfden baviaan werd nu eens door mijn -broeder dan door mijzelf herhaaldelijk schrik aangejaagd, doordien wij -buskruit op den grond strooiden en dit aanstaken. Het plotseling -ontvlammende kruit veroorzaakte den aap zulk een hevigen angst, dat hij -elken keer luidkeels begon te schreeuwen en zoo ver weg sprong als het -touw, waaraan hij vastgebonden was, toeliet. Nadat dit tooneel eenige -malen was herhaald, kwam de baviaan op den inval het ontvlammen te -voorkomen door eerst het stuk zwam met de hand uit te dooven, en daarna -het buskruit eenvoudig op te eten. Een ander maal werd hij zelf de -oorzaak van zijn angst. Even als alle apen, geen uitgezonderd, was hij -uitermate bevreesd voor reptielen, inzonderheid voor slangen; wij -hadden hierin grooten schik en plaagden hem daarom dikwijls door eene -levende, doode of opgezette slang in eene groote blikken doos te doen, -dien wij hem gesloten toereikten. Hij kende ten laatste doos en inhoud -volkomen, maar niet in staat zijne nieuwsgierigheid te bedwingen, -opende hij telkens weder de doos om onmiddellijk daarna met een luiden -schreeuw weg te loopen. - -Niet tevreden met de kennis van werkelijk aanwezige oorzaken, zocht -deze aap, indien hem eene onaangenaamheid bejegende, naar ingebeelde -oorzaken. - -Iets of iemand moest van zijn leed de schuld zijn, dit stond bij hem -vast. En zoo keerde zich soms zijn volle woede tegen den eersten den -besten, dien hij in ’t gezicht kreeg. Werd hij b.v. bestraft, dan -richtte zijn toorn zich niet op zijn heer en meester, maar op dengene, -die toevallig bij die bestraffing tegenwoordig was; deze was in zijne -oogen de oorzaak der snoode behandeling, die hij van de zijde zijns -anders zoo goedaardigen gebieders ondervond. Even als onverstandige -menschen in dergelijke gevallen ook gewoon zijn te doen, verdacht hij -dus onschuldigen. - -Ofschoon zelf buitengemeen gevoelig voor eene hem aangedane of -toegedachte onrechtvaardige behandeling, zoo ook indien men hem plaagde -of kwelde, kon onze baviaan het toch nimmer nalaten andere dieren te -sarren, ja te mishandelen. Onze oude, knorrige dashond hield eens, -genoegelijk in de zon uitgestrekt, zijn middagslaapje. De baviaan zag -zulks, sloop voorzichtig naar de plaats, waar de hond lag, beschouwde -het dier aandachtig met zijn duivelsche, boosaardige oogjes, om zich te -overtuigen, dat de hond werkelijk sliep, pakte vlug diens staart en -bracht het beest door krachtig aan dat orgaan te trekken uit de wereld -der droomen in die der werkelijkheid terug. - -Grimmig trachtte de hond dezen hoon te wreken en sprong op den -twistzoeker los. - -Deze echter ontkwam de dreigende straf door vlug over den hond heen te -springen; hij had in ’t volgende oogenblik wederom den staart van dit -dier gegrepen, daar weêr aan getrokken, zich vermakende met de -machteloosheid van zijn vijand, totdat deze met beveiligden, d.i. met -opgetrokken staart, razend van toorn en woede, tot blaffen niet meer in -staat, schuimbekkend het hazepad koos om zijn tegenstander het veld te -laten. Zoo de baviaan had kunnen lachen, zou er niets meer ontbroken -hebben aan de overeenstemming tusschen zijne handelwijze en die van een -boosaardig mensch. Niettemin werd de overwonnen hond op zeer -verstaanbare wijze met spot en schimp overladen. Elke plagerij, hem -zelven daarentegen aangedaan, nam de aap zeer euvel op en reeds het -lachen van den een of anderen guit kon hem in woede doen ontsteken, -terwijl hij niet naliet zich op zoo iemand te wreken zoodra hij de kans -schoon zag, al mochten er ook weken verloopen zijn sedert het feit was -bedreven. Hij was een „aap”, hij gevoelde zijn waarde als zoodanig, en -beschouwde alzoo den hond als een zoo verre beneden hem staand wezen, -dat zijne aanmatiging ons even verschoonbaar voorkomt, als die van -zeker ander wezen, dat tegenover hem op gelijke wijs dorst te handelen, -in de oogen des aaps verkeerd en strafbaar schijnt. - -Van zulk een sterk gevoel van eigenwaarde, juister gezegd van -overschatting van eigenwaarde, geven de hondskopapen ons dagelijks een -aantal bewijzen; men moet hen slechts nauwlettend gadeslaan. Dezelfde -baviaan, van wien zoo even sprake was, hield, gelijk alle apen, veel -van pleegkinderen; eens trok hem een meerkat, die met hem dezelfde kooi -deelde, bijzonder aan. Men kon hem dit dier zelfs buiten de kooi gerust -toevertrouwen; altijd had hij de meerkat aan zijn zijde en deze sliep -in zijn armen en gehoorzaamde hem slaafs. De baviaan beschouwde deze -onderworpenheid als iets, wat van zelf sprak; onbepaalde gehoorzaamheid -vooral eischte hij evenwel tijdens den maaltijd. Terwijl de -goedaardige, gehoorzame meerkat zonder eenigen schijn van verzet gedwee -toestond, dat haar pleegmoeder—onze baviaan was een wijfje—de beste -stukken voor zich zelf behield, gunde de laatste haar lieveling niet -meer dan het allernoodigste; was de meerkat zoo gelukkig geweest, iets -ter zijde te leggen, b.v. iets in haar wangzakken te steken, -onbarmhartig brak hij deze open om den inhoud zichzelf toe te eigenen. - -Hoe groot de aanmatiging en overschatting van eigen persoonlijkheid bij -de hondskopapen ook mogen zijn, zij zijn zich niettemin zeer goed -bewust van iets strafbaars gepleegd te hebben. Schomburgk haalt ten -bewijze daarvan een zeer leerzaam voorbeeld aan. In de zoölogische -afdeeling van den plantentuin te Adelaïde deelde een oude hoedaap met -twee soortgenooten, waarover hij erg de baas speelde, hetzelfde hok. -Door de eene of andere toevallige omstandigheid geërgerd, overvalt deze -aap op zekeren dag onverhoeds zijn oppasser, en brengt dezen, door hem -een slagader van het handgewricht door te bijten, eene gevaarlijke -wonde toe. Schomburgk veroordeelde den booswicht ter dood en gelast aan -een anderen oppasser dit vonnis door middel van kruit en lood ten -uitvoer te brengen. Apen nu zijn zeer gewend aan vuurwapenen, daar deze -veel worden gebruikt om in den tuin schadelijke dieren te dooden; zij -kennen de uitwerking, doch maken zich volstrekt niet ongerust wanneer -men hen in de nabijheid van zulke voorwerpen brengt. Ook nu, op den -volgenden dag na het misdrijf van den tyran, blijven de beide jonge -apen rustig aan den etensbak zitten als de oppasser aan wien de -executie van hun kameraad was opgedragen, zich laat zien; maar de -veroordeelde misdadiger daarentegen vliegt snel naar zijn slaaphok en -is door geen enkel lokmiddel te bewegen dit te verlaten. Men poogt hem -te paaien door hem voedsel aan te bieden; hij laat, wat vroeger nooit -geschiedde, zijn beide slaafjes de lekkere kost verteren, en waagt het -niet aan hun maaltijd deel te nemen. Eerst wanneer de onheilspellende -oppasser zich verwijderd heeft sluipt hij steelsgewijs nader, neemt -snel eenige brokken om angstig naar zijn veilige schuilplaats terug te -vlieden. Men slaagt er eindelijk in hem voor de tweede maal naar buiten -te lokken en den toegang tot zijn sluiphoek van buiten te sluiten. En -als hij nu weder den oppasser met het moordtuig ziet naderen, weet hij, -dat hij reddeloos verloren is. Als waanzinnig werpt hij zich op de deur -van zijn slaapvertrek om deze zoo mogelijk te openen; als hem dit niet -gelukt, vliegt hij als een waanzinnige door de kooi, alle hoeken en -gaten doorzoekende of deze hem nog gelegenheid bieden tot ontkoming, en -eindelijk, geene uitkomst ziende, over zijn geheele lichaam sidderende, -werpt hij zich vertwijfelend op den grond en onderwerpt zich -wilsverlamd aan zijn noodlot, dat hem een oogenblik later heeft -achterhaald. - -Men zal moeten toestemmen, dat geen enkel zoogdier uit een der andere -orden zoo zou handelen, zelfs niet zou de sedert duizenden van jaren -door den mensch gedresseerde en onderwezen, ik zou haast zeggen, door -den mensch geschapen hond; zelfs deze heeft het niet eens tot zulk eene -hooge verstandelijkheid gebracht. En toch ligt er nog eene breede klove -tusschen genoemde hondsapen en de menschapen, van welke laatste ik -zooeven heb opgemerkt, dat zij zich reeds boven het gemiddelde peil van -het apendom hebben verheven. - -Onder menschapen begrijpen wij al die apen, welke in gedaante het meest -op den mensch gelijken, doch zich van dezen nog zeer onderscheiden door -hun grootere hoektanden, de betrekkelijk lange armen en korte beenen, -den bouw der hand, de bij sommige soorten voorkomende eeltplekken en -het haarkleed. Zij bewonen de tropische gewesten van Afrika en Azië, in -laatstgenoemd werelddeel in meer soorten dan in het eerste, en -vervallen in drie familiën, een van welke tot Afrika beperkt blijft. -Elk dezer familiën bevat slechts weinig soorten, maar waarschijnlijk -zijn ons alle soorten nog niet bekend. - -Ook de menschapen worden door hun bouw gedwongen hoofdzakelijk op de -boomen verblijf te houden; zij zijn echter evenmin als slankapen, -meerkatten en makako’s boomslaven, veeleer uitnemende klimmers. Zij -bewegen zich echter, zoowel op de takken als op den grond, anders dan -alle andere apen. Wanneer zij een boom, inzonderheid een gladden stam -zonder takken beklimmen, nemen zij dezelfde houding aan als een mensch, -wanneer deze in een boom klimt; geholpen door hun lange armen en korte -beenen vorderen zij evenwel veel sneller dan de meest geoefende en -vaardigste menschelijke klimmer; in de vertakking aangeland beschamen -zij den besten turner door de veelsoortigheid en zekerheid hunner -bewegingen. Met hunne ver reikende armen vatten zij den eenen tak, met -de voeten omklemmen zij een ander, die met den eersten parallel loopt -en iets lager zit, ongeveer voor de helft, om er nu over heen te -loopen, terwijl zij den bovensten tak als leuning gebruiken, en dat zoo -snel, dat een man beneden al loopende zijn best zou moeten doen om hem -bij te houden; en toch, de apen spannen zich daarbij in ’t geringste -niet in. Aan het uiteinde van den tak gekomen, grijpen zij een -nabijzijnden tak, b.v. van den naasten boom, en zetten hierop hunne -wandeling met gelijke snelheid voort, zonder zich daarbij wezenlijk te -haasten. Willen zij naar boven dan grijpen zij den eersten den besten -tak, zoo deze hen slechts kan dragen, en slingeren zich vaardig omhoog, -onverschillig of één of beide armen gebruikt worden; willen zij naar -beneden, dan hangen zij zich aan beide armen op en zoeken met hun -voeten naar een nieuw steunpunt. Soms ziet men hen enkel voor hun -genoegen minuten lang in deze houding schommelen; dikwijls loopen zij, -met handen en voeten den tak omvattende, voor de afwisseling langs -deszelfs benedenkant; kortom, elke denkbare houding nemen zij aan, elke -denkbare beweging wordt door hen in de hoogte uitgevoerd. Onovertroffen -meesters in het klimmen zijn de langarmapen of gibbons, menschapen met -zulke onevenredig lange armen, dat deze eene lengte kunnen overspannen -tweemaal zoo groot als die van hun geheele lichaam, dit in -rechtopgaande houding gedacht. Met ongeëvenaarde snelheid en zekerheid -beklimmen zij de boomkruinen of bamboestengels, brengen dezen of den -een of anderen hun dienenden tak in schommeling, en slingeren dan bij -het terugbuigen met zulk eene gemakkelijkheid over tusschenruimten van -8 à 12 meter, dat men waant een afgeschoten pijl of een naar beneden -stootenden vogel te zien. Ook deze apen kunnen onder het springen de -eerst ingeslagen richting nog veranderen en den sprong plotseling -afbreken, door den eersten den besten tak te grijpen, zich daaraan vast -te klemmen, er aan te schommelen, te wiegelen en er eindelijk bij op te -klimmen, ’t zij om eerst even te rusten, ’t zij om terstond weder van -voren aan te beginnen. - -Niet zelden springen zij op deze wijze achtereenvolgens drie-, vier-, -vijfmalen door de lucht, zoodat het den schijn heeft alsof de -zwaartekracht voor hen niet bestond. Even gemakkelijk als zij klimmen, -even moeilijk valt hun het gaan. Sommige andere menschapen kunnen -zonder groote inspanning in opgerichten stand, dus alleen op de voeten -een vrij grooten afstand afleggen; echter, indien zij wat haastig -willen loopen, vallen ze weêr voorover, en waggelen nu op handen en -voeten verder, hierbij steunende op de omgebogen vingerknokkels en den -buitenkant der voetzolen, terwijl zij het lichaam, dat als een logge en -zware massa tusschen de omhoogstaande armen schommelt, als het ware -vooruitwerpen. - -De gibbons echter bewegen zich alleen in geval van nood op deze wijze -en dan nog meer springend dan loopend; daarentegen leggen zij veel -korter afstanden af als zij zich in hun volle lengte oprichten, om, met -uitgeslagen armen zich in evenwicht houdende, de duimen zoover mogelijk -uitspreidende, met kleine, snel opeenvolgende schreden allerdroevigst -voort te strompelen. Hunne bewegingen moeten dus eenzijdig genoemd -worden; want, wat zij in vaardigheid in ’t klimmen boven de andere -menschapen vooruit hebben, verliezen zij weder ten aanzien van hunne -hulpeloosheid op den vlakken grond. - -De stem der menschapen is onze aandacht ten volle waard. Wij vinden -n.l. dat de levendigste en vlugste soorten der groep ook de luidste -stem bezitten, terwijl daarentegen de menschapen, welke meer veelzijdig -ontwikkeld zijn, alhoewel hunne levendigheid bij die der anderen -achterstaat, met een meer rijk geluid begiftigd zijn. Ik zeg niet te -veel, wanneer ik beweer, dat ik nooit van eenig zoogdier, natuurlijk -den mensch uitgezonderd, eene stem heb gehoord, die voller van toon en -welluidender in mijn oor heeft geklonken dan die van de door mij in -gevangen staat waargenomen langarmapen. Aanvankelijk was ik verbaasd, -later verrukt over deze uit diepe borst, met volle kracht uitgestooten, -eer aangenaam dan onaangenaam klinkende, zuivere, ronde tonen. Bij -zekere soort begint het verklinkend geroep, dat ik liever een gezang -dan een geschreeuw wil noemen, met den grondtoon E en klimt door alle -toonen van de chromatische ladder een octaaf omhoog, om met een gillend -geluid te eindigen, in hetwelk het dier al zijn kracht schijnt te -vereenigen. De grondtoon blijft steeds hoorbaar en dient als voorslag -voor elke volgende noot, die bij het klimmen altijd langzamer, bij het -dalen altijd sneller en eindelijk zeer snel op de voorgaande volgt. Zij -worden evenwel met evenveel regelmaat als schielijk voorgedragen. -Enkele soorten moeten minder zuivere tonen voortbrengen, maar toch -roepen allen zoo luid, dat men ze in de open lucht wel een engelsche -mijl ver, duidelijk kan hooren. Dezelfde afhankelijkheid tusschen -bewegingsvermogen en stem merken wij op bij andere menschapen. Van de -zich zoo langzaam bewegende en droefgeestige orang-oetans heeft men, -voor zoover mij bekend is, nog nimmer een ander geluid vernomen dan een -krachtig, laag keelgeluid; de vroolijke, bewegelijke en wakkere -chimpanzee daarentegen weet in de weinige geluiden, over welke hij te -beschikken heeft, zulk een afwisselenden klank te leggen, en er zulk -eene verstandelijke uitdrukking aan te geven, dat men geneigd wordt -dezen aap een taal toe te kennen. Met woorden spreekt hij weliswaar -niet, maar hij doet zulks met geluiden, zelfs met sylben, over welker -zich steeds gelijk blijvende beteekenis elke waarnemer, die geruimen -tijd met hem verkeerde, niet in twijfel kan staan. Geen andere -menschaap komt den chimpanzee hierin nabij. - -Wie uit eigen ervaring de hoogte wil leeren kennen, tot welke het -intellekt van een aap zich kan verheffen, kan niet beter doen dan den -chimpanzee of een van diens allernaaste verwanten tot het voorwerp -zijner waarneming te maken, en geruimen tijd op intiemen voet met hem -te verkeeren, even gelijk ik heb gedaan. Men zal dan met verwondering -en verbazing, misschien wel niet zonder zekere huivering ervaren, hoe -klein de klove kan worden, die den mensch van de apen scheidt. Ook de -andere menschapen zijn zeer verstandige dieren; ook zij overtreffen in -alle opzichten alle andere apen, doch deze talenten komen echter noch -bij de gibbons, noch bij de orang-oetans tot zulk een algemeen -verstaanbare uitdrukking, of springen zoo sterk in ’t oog als bij -eerstgenoemden. - -Deze pongo’s—de gorilla, tschego en chimpanzee—kan, mag men niet meer -als dieren behandelen; men moet veeleer met hen verkeeren als waren het -menschen, wil men hunne geestesgaven naar eisch leeren kennen en -waardeeren. Hun verstand staat weinig lager dan dat van een ruw, -onwetend, onbeschaafd mensch. Zij zijn en blijven dieren, maar zij -handelen zoo menschelijk, dat men het dier in hen vergeet. - -Ik heb jaren lang chimpanzee’s verzorgd, hen nauwkeurig en -onbevooroordeeld gadegeslagen, en veel en intiem met hen verkeerd; ik -heb hen in mijne familie opgenomen, ze gemaakt tot speelkameraads -mijner kinderen, aan mijn tafel laten eten, hen onderwezen, ja -letterlijk opgevoed; ik heb ze in ziekten opgepast en in hun -stervensuur niet verlaten; ik mag dus aannemen, dat ik deze dieren -althans zoo goed ken als iemand anders en dus in staat ben een juist -oordeel te vellen. Om al deze redenen kies ik den chimpanzee tot -voorbeeld, teneinde u duidelijk te maken tot welk een hoogte een dier -geestelijk kan klimmen. - -De chimpanzee is niet alleen een der verstandigste schepselen, maar ook -een nadenkend, overleggend wezen. Al zijn handelingen getuigen van -bewustzijn en overleg. Hij bootst na, maar met verstand en oordeel; hij -laat zich onderwijzen en leert. Hij is zichzelf bewust en draagt kennis -van zijn omgeving, alsmede van de plaats, die hij inneemt. In den -omgang met den mensch onderwerpt hij zich aan dezen als aan eene boven -hem staande geestelijke meerderheid; in het verkeer met dieren geeft -hij blijk van hetzelfde bewustzijn van eigen persoonlijkheid als de -mensch. Wat in dit opzicht bij andere apen slechts flauw te voorschijn -treedt, is bij den chimpanzee duidelijk uitgedrukt. Hij houdt zich voor -beter en meerder dan andere dieren, zelfs dan andere apen; hij maakt -onderscheid tusschen menschen en menschen; hij behandelt b.v. kinderen -geheel anders dan volwassenen; voor de laatsten heeft hij ontzag, de -eersten behandelt hij ongeveer als zijns gelijken. Hij geeft zijn -medelijden te kennen ten aanzien van dieren, met welke hij geen -vriendschap sluiten of andere betrekkingen aanknoopen kan, en eveneens -met voorwerpen, die zijn natuurlijke behoeften niet kunnen bevredigen, -want hij is niet enkel nieuwsgierig, maar tevens weetgierig. Elk -voorwerp, dat zijne opmerkzaamheid trok, wint bij hem in waarde, -wanneer het hem eenig voordeel kan schenken. Hij kan besluiten trekken, -het een uit het ander afleiden, en weet vroegere ervaringen doelmatig -over te dragen op nieuwe verhoudingen; hij is listig, ja doortrapt -slim, heeft geestige invallen en veroorlooft zich grappen, laat van -luim en humeur blijken, vindt het eene gezelschap onderhoudend, het -andere vervelend, leent het oor aan passende scherts, maakt zich boos -over minder gepaste, is eigenzinnig, ofschoon niet koppig, goedaardig, -maar gooit zichzelf niet weg. Zijn gevoel drukt hij uit als een mensch. -Is hij welgemoed, hij glimlacht, is hij bedrukt, zijn gezicht trekt -zich in plooien, die op zichzelf reeds genoeg te kennen geven, maar -waaraan hij door een klagend geluid nog nadere verklaring toevoegt; in -ziekten stelt hij zich aan als een wanhopige, vertrekt het gezicht, -schreeuwt, werpt zich op den rug, slaat met handen en voeten om zich -heen en rukt zich de haren uit. Een vriendelijken groet beantwoordt hij -met geluiden, die tevredenheid uitdrukken, barsche woorden door zulke, -die leedgevoel te kennen geven. Van den morgen tot den avond is hij in -de weer, hij zoekt steeds bezigheid en bedenkt iets nieuws, wanneer de -gewone handelingen en oefeningen zijn afgeloopen, al zou hij ook niets -anders doen dan met de handen tegen de voeten slaan, of, door op holle -klankgevende lichamen te kloppen allerlei geluiden te voorschijn -roepen, die hem zichtbaar genot verschaffen. In de kamer houdt hij zich -onledig met het onderzoeken van alle mogelijke voorwerpen; hij opent -schuifladen en keert den inhoud om, ziet naar het vuur, nadat hij het -kacheldeurtje eerst heeft open gemaakt, om het daarna ook weder te -sluiten; hij hanteert een sleutel gelijk het behoort, gaat voor den -spiegel staan en aanschouwt met blijkbaar welbehagen zijn eigen -beeltenis, en meteen de gebaren en grimassen, die hij daarbij maakt; -hij gebruikt bezems en dweilen, zooals men hem geleerd heeft, hult zich -in dekens en kleedingstukken, enz. - -Hoe juist hij waarneemt blijkt uit zijn bijna altijd rechtvaardig -oordeel ten aanzien van menschen. Hij kent en onderscheidt niet alleen -zijn vrienden van andere lieden, maar zelfs goedgezinde van -kwaadgezinde menschen, en zulks zoo scherp, dat de oppasser van zekeren -chimpanzee overtuigd was iederen mensch, dien deze aap van zich stiet -als een deugniet of booswicht te mogen beschouwen. Zeker doortrapt en -geslepen huichelaar, die mijzelf en anderen wist te misleiden, was mijn -chimpanzee van den beginne af een gruwel, even alsof hij den -roodharigen schurk van het eerste oogenblik af had doorgrond. - -Een chimpanzee, met wien men zich veel bezighoudt, verkeert het liefst -in den huiselijken kring. Hier doet hij, alsof hij zich onder zijns -gelijken bevindt. Hij let nauwkeurig op alle huiselijke gewoonten, -merkt terstond op of men hem gadeslaat of niet, doet in het eerste -geval wat men verlangt, en in het tweede wat hemzelf behaagt. Spelende -leert hij, en daarbij betoont hij den grootsten ijver, dus geheel -anders dan andere apen. Men kan hem leeren rechtop aan tafel te zitten, -bij ’t eten mes, lepel en vork te gebruiken, uit een glas of een kopje -te drinken, de suiker in het kopje om te roeren, met zijn buurman te -klinken, het servet te gebruiken, enz. Even gemakkelijk gewent hij zich -aan kleedingstukken, dek en bed; zonder veel moeite eigent hij zich een -deel der menschelijke taal toe, beter nog dan de best opgevoede hond, -daar hij zich niet enkel naar den klank der woorden richt, maar tevens -naar hunne beteekenis, en bepaalde lastgevingen en bevelen juist -uitvoert. Uiterst gevoelig voor liefkoozingen en vleierij, zelfs voor -loftuitingen, evenzeer voor een onvriendelijke behandeling of -berisping,—is hij tevens vatbaar voor de levendigste dankbaarheid en -ook al heeft men hem daartoe niet afgericht, geeft hij zulks te kennen -met handdruk of kus. Van kinderen houdt hij ongemeen veel. Uit zijn -aard niet humeurig, evenmin boosaardig, behandelt hij kinderen, zoo -lang deze hem niet plagen, altijd zeer vriendelijk, kleine, nog -hulpelooze wichtjes zelfs met eene waarlijk roerende teederheid; in het -verkeer met anderen zijner eigen soort, met andere apen of andere -dieren daarentegen kan hij niet zelden ruw en onvriendelijk worden. Ik -breng dezen karaktertrek, dien ik bij alle door mij verzorgde -chimpanzees heb opgemerkt, daarom onder de aandacht, dewijl men hieruit -kan zien, hoe deze aap zelfs in het kleinste kind een mensch herkent en -waardeert. - -Roerend is het gedrag van een zieken, zwaar lijdenden menschaap. -Smeekend, klagend, waarlijk menschelijk, ziet hij zijn oppasser aan, -ontvangt elk hulpbetoon, iederen dienst met innige dankbaarheid en ziet -alras in den geneesheer zijn weldoener, reikt dezen den arm of steekt -op diens verlangen de tong uit, ja doet zulks bij een herhaald bezoek -van den geneesheer reeds uit zichzelf; hij neemt gewillig de -geneesmiddelen in en staat zelfs toe dat de chirurg hem opereert; in -één woord, hij handelt als een ziek en geduldig mensch. Naarmate zijn -einde nadert wordt hij zachter gestemd, treedt het dierlijke meer op -den achtergrond en komen de meer edele trekken van zijn wezen meer te -voorschijn. - -De chimpanzee, dien ik het langst verpleegde en met behulp van een -verstandigen en dierenlievenden geneesheer op het zorgvuldigst -verzorgde, kreeg eene longontsteking, gepaard met eene verettering der -lymphklieren van den hals. Chirurgische behandeling bleek noodzakelijk. -Twee artsen, die met mij en mijn chimpanzee bevriend waren, namen op -zich het halsgezwel te openen; dit bleek te meer noodzakelijk daar de -aap zelf hierin de oorzaak zijner kwaal zocht en al aanstonds de hand -des onderzoekers op die plaats bracht. Maar hoe de snede aan de -gevaarlijke plek uit te voeren, zonder het dier in gevaar te brengen? -Verdoovende middelen konden niet toegepast worden wegens de zieke -longen, en elke poging, om den chimpanzee door eenige sterke mannen -vast te houden moest opgegeven worden, daar het in hoogen graad -opgewonden dier hevigen tegenstand bood. Wat geweld niet vermocht, -bewerkte overreding. Door minzame toespraken en liefkoozingen van de -zijde zijns oppassers weder tot rust gebracht, liet de aap nogmaals -gewillig toe, dat het halsgezwel werd onderzocht, en zonder een ooglid -te vertrekken, veroorloofde hij den geneesheer nu het mes te gebruiken; -zonder eenige klacht te uiten doorstond hij alle verdere -kunstbewerkingen, zelfs de zoo pijnlijke ontlasting van het geopend -gezwel. De belemmerde ademhaling werd weêr vrij; een niet te miskennen -uitdrukking van verlichting kwam op het gelaat des lijders, dankbaar -reikte hij dan beide geneesheeren de hand, en omhelsde blijde zijn -oppasser—niemand echter had hem tot het een zoo min als het andere -aangespoord! - -Helaas, het leven des diers bleef niet gespaard. De halswond genas, -maar de longontsteking nam toe en werd eene oorzaak des doods. Met -volle bewustzijn gaf hij den geest, zacht en kalm, niet gelijk een -dier, maar zooals een mensch sterft. - -Dit zijn karaktertrekken uit het leven en gedrag van een menschaap, -wier beteekenis noch verkleind, noch misduid kan worden. Bedenkt men -daarbij, dat deze karaktertrekken aan alle nog niet volwassen, maar op -kinderlijken leeftijd staande apen konden afgeluisterd worden, dan -wordt men wel genoodzaakt aan deze dieren een zeer hooge plaats in te -ruimen. Want de door den een of anderen onbevoegden waarnemer -uitgesproken, en door honderden gedachtenloos nagesproken bewering, dat -de aap met toenemenden leeftijd geestelijk achteruitgaat is niets -anders dan een grove leugen, die onmiddellijk weerlegd wordt door -iederen van zijn jeugd af tot zijn rijperen leeftijd toe goed en -onbevooroordeeld gade geslagen aap. Al wisten wij van volwassen -menschapen ook verder niets anders dan deze twee feiten, 1o. dat zij -eer huizen dan nesten bouwen, en 2o. dat zij holle boomen als trom -gebruiken, om daarop voor hun vermaak te trommelen, dan reeds zou zulks -genoeg zijn om ons tot hetzelfde besluit te leiden, als waartoe de -jonge, door ons verzorgde apen dezer groep ons hebben gebracht. M.a.w. -om in dezen de meest hoogbegaafde dieren en onze eigene allernaaste -bloedverwanten te zien. - -En nu de apenvraag? Ik zou mogen aannemen, dat ik deze vraag in -bovenstaande regelen reeds voldoende heb beantwoord; toch wil ik gaarne -mijne opvatting nog iets breeder ontwikkelen. - -Een iegelijk moet toestemmen, dat de mensch geen vertegenwoordiger is -van een bijzonder natuurrijk; hij is slechts een lid van het dierenrijk -en nu is het voor iederen onbevooroordeelde duidelijk, dat de apen onze -naaste verwanten zijn. Vergelijkt men de apen onderling en met de -menschen, dan komt men onvermijdelijk tot de overtuiging, dat het -verschil tusschen de klauwapen en de menschapen grooter is dan tusschen -deze laatsten en den mensch. In dierkundigen zin kan men dus zelfs niet -eens aan de menschen en de apen eene plaats in verschillende orden van -de klasse der zoogdieren aanwijzen. Men heeft zulks toch gedaan en doet -zulks nog, en noemt de menschen tweehandig, de apen vierhandig, maar -hierbij zag men het gewichtigste kenmerk der zoogdieren, het gebit, -over het hoofd. Het gebit van apen en menschen is werkelijk zoo zeer -aan elkander gelijk, dat dit kenmerk ons dwingt beiden in eene en -dezelfde afdeeling te plaatsen. Bovendien zijn ook de bepalingen twee- -en vierhandig niet juist; wel bieden de menschen en apen groote -verschillen aan, wat den bouw hunner handen en voeten betreft, maar zij -vormen daarom nog geen tegenstellingen; de apen zijn even goed -tweehandig als wij. Wil men ter plaatsbepaling van menschen en apen -dezelfde wetten toepassen, die men zonder uitzondering elders in het -dierenrijk aanwendt, dan wordt men gedwongen beide in dezelfde orde te -vereenigen. Ik heb ze den naam van „primaten,” of eersten, gegeven. - -De overeenstemming evenwel, wat de kenteekenen der orde aangaat, moge -nu bij alle primaten aan geen bedenking onderhevig zijn, toch blijken -er bij eene nauwkeurige beschouwing van menschen en apen verschillen te -bestaan, die eene innige versmelting wederom beletten. De -evenredigheden in vormen, de betrekkelijke mindere lengte der armen, de -breedte en groote bewegelijkheid der handen, de lengte en kracht der -beenen, de platte voetzolen, de naakte huid en vooral de mindere -ontwikkeling der hoektanden, zijn lichamelijke kenmerken der menschen, -wier waarde men niet te gering moet schatten, ja, die belangrijk genoeg -zijn om beiden althans tot verschillende familiën te brengen, zoo niet -tot twee verschillende onderorden. Trekt men verder nog den meerderen -aanleg van den mensch in den kring der beschouwingen, vergelijkt men -zijn bewegingen, zijn gearticuleerde spraak, zijn geestelijke vermogens -met de overeenkomende fakulteiten der apen, dan voorzeker gevoelt men -zich nog meer gedrongen tot bovengenoemde onderscheiding. - -Blinde aanhangers der evolutieleer, door Darwin gegrondvest en door -anderen verder uitgewerkt, overschrijden gedachtenloos die grenzen; wie -nadenkt kan zich niet aan hunne zijde scharen. Hoe bevredigend, om zoo -te zeggen hoe waarschijnlijk de Darwinistische leer ook zijn moge, meer -dan eene zinrijke hypothese is zij tot dusverre niet, en onomstootbare -bewijzen voor hare waarheid kon zij tot heden niet bijbrengen. -Veranderlijkheid der rassen en variëteiten kan men bewijzen en zelfs in -’t leven roepen, de omvorming van de eene soort in eene andere werd tot -nog toe voor geen enkel geval bewezen. En zoolang laatstgenoemd bewijs -nog niet is geleverd, zoo lang behouden wij ook het recht menschen en -apen als van elkander verschillende wezens te beschouwen en de -afstamming van den een uit den ander te ontkennen. Elke poging om een -gemeenschappelijken voorvader te ontdekken, elke poging om een stamboom -van den mensch te ontwerpen, kan hierin niets veranderen, want de ware -natuurwetenschap vergenoegt zich niet met verklaringen, maar verlangt -bewijzen; zij wil niet gelooven, maar weten. - -En zoo mogen wij dan onbekommerd aan de apen die plaats inruimen, die -het onbevooroordeeld onderzoek hun in de rij der dierlijke wezens -aanwijst. Als de op ons het meest gelijkende dieren, of als onze naaste -verwanten in dierkundigen zin mogen wij hen beschouwen, maar meerdere -rechten ontzeggen wij hun te eenenmale. Veel, wat den mensch geschonken -werd, viel ook hun ten deel; van het werkelijke menschdom scheidt hen -nog eene breede klove. Veel van den mensch, maar niet de geheele mensch -werd in hen belichamelijkt en vergeestelijkt. - - - - - - - - -X. - -KARAVANEN EN WOESTIJNREIZEN. - - -Aan den zoom der woestijn, onder de schaduw van een palmboschje, staat -eene kleine tent. Een aantal kisten en balen liggen in bonte -afwisseling rondom die tent op elkander gestapeld. Iets verder naar -buiten staan, zitten en liggen eenige Nubische knapen, feestelijk -uitgedost, d.w.z. versch met huidzalf ingesmeerd. - -Binnen in de tent verwijlen ettelijke reizigers, die per Nijlbark tot -hier kwamen en van plan zijn een grooten boog af te snijden van den -Nijl, die van deze plaats af vol klippen en stroomversnellingen is, -m.a.w. zij willen door de woestijn trekken, die gedeeltelijk door -genoemden stroom wordt ingesloten. - -Het is middag. De zon staat bijna loodrecht boven de tent aan een -wolkenloozen, donkerblauwen hemel; haar brandende stralen schieten -haast ongehinderd door het losse gebladerte der dadelpalmen. Een -zengende hitte drukt de vlakte tusschen den stroom en de woestijn; de -luchtlagen sidderen en golven over den verhitten grond, zoodat alle -voorwerpen eene verwrongen gedaante aannemen en zich hullen in een -dicht nevelwaas. - -Aan den horizon wordt eene ruiterbende zichtbaar, die uit de woestijn -te voorschijn kwam en rechtstreeks den weg inslaat naar de tent, zonder -acht te geven op het meer landwaarts in gelegen dorp. Donkerbruine, -armoedig gekleede mannen, bij de palmen aangeland, stijgen van hun -magere, maar niettemin edele paarden. Een hunner nadert de tent en -treedt met de majesteit eens konings naar binnen. Het is het opperhoofd -der kameeldrijvers (Scheik el Djemali), tot wien wij—de straks bedoelde -reizigers—eene boodschap hadden gezonden, ten einde hem te verzoeken -ons van de benoodigde dragers, drijvers en kameelen te voorzien. - -„Heil zij u!” zegt hij bij het binnenkomen en brengt bij dien groet de -hand naar mond, voorhoofd en hart. - -„Heil, ook u o Scheik! met u, de genade Gods en Zijn zegen!” luidt -antwoord. - -„Groot was mijn verlangen, u te zien, o vreemdelingen, en uwe wenschen -te vernemen,” aldus verzekert hij, middelerwijl zich neêrlatende op het -kussen naast ons, en wel ter rechterzijde, op de eereplaats. - -„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen, o Scheik, en u -zegenen!” geven wij tot antwoord, terwijl wij aan onze bedienden -gelasten hem nog vóór ons zelf van versch aangestoken pijpen en koffie -te voorzien. - -Met half dichtgeknepen oogen laaft hij zijn sterfelijk lichaam aan de -koffie, en zijn onsterfelijke ziel aan de pijp; in dikke wolken hult -hij zijn achtbaar hoofd. Een bijna ademlooze stilte heerscht in de -tent, die bewierookt wordt door den geur der kostelijke Djebeli-tabak, -terwijl een lichte, aangename rook de ruimte opvult; eindelijk, meenen -wij, kunnen, zonder ons aan onhoffelijkheid schuldig te maken, de -onderhandelingen, het doel van de komst des scheiks, een aanvang nemen. - -„Hoe is het met u, o Scheik?” - -„De Gever alles goeds zij geprezen!—zeer goed, om u te dienen. En hoe -gaat het met u?” - -„Den Heer der wereld zij roem en eere; ik ben zeer wel. Groot was ons -verlangen, u te zien, o Scheik!” - -„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen en u zegenen! Is uw -gezondheid geruststellend?” - -„Allah en zijn profeet,—Gods genade over hem,—mogen geprezen zijn.” - -„Amen, het zij zoo, gelijk gij gezegd hebt.” - -Nieuwe pijpen verkwikken de onsterfelijke ziel; nieuwe, eindelooze -beleefdheidsbetuigingen worden gewisseld; daarna eindelijk veroorlooft -de étiquette, zaken te behandelen. - -„O Scheik, ik wil met de hulp des Albarmhartigen de woestijn -doortrekken.” - -„Moge Allah u geleiden!” - -„Zijt gij in ’t bezit van rij- en lastkameelen?” - -„Ik ben het! Bevindt gij u wel, mijn broeders?” - -„De Verhevene zij geloofd; het is gelijk gij zegt. Hoeveel kameelen -kunt gij mij verschaffen?” - -Inplaats van te antwoorden, blaast de Scheik dikke rookwolken uit en -eerst nadat ik mijne vraag herhaald heb, legt de man voor een paar -oogenblikken de pijp uit den mond en zegt zoo plechtig mogelijk: „Heer, -het aantal kameelen van Beni Said kent Allah alleen; een zoon Adams -heeft ze nog nimmer geteld!” - -„Zeer goed, zend mij dan vijf en twintig dieren, waaronder zes -rijkameelen. Verder heb ik nog tien groote zakken noodig.” - -De Scheik rookt op nieuw zonder te antwoorden. - -„Zult gij ze mij zenden, de verlangde dieren?” herhaalde ik dringender. - -„Ik zal het doen, om u te dienen; maar hun eigenaars vragen hooge -prijzen.” - -„En welke?” - -„Ten minste het viervoudige van de gewone loonen en huren wordt -gevraagd.” - -„Maar Scheik, Allah, de Verhevene moge u gunstiger stemmen; dat zijn -eischen, die niemand zal inwilligen. Loof den profeet!” - -„God, de Behoeder van al wat leeft, zij geprezen en zijn gezant zij -geprezen! Gij dwaalt, mijn vriend; de koopman, die ginds is gelegerd, -heeft mij het dubbele geboden van wat ik vraag. Alleen mijne -vriendschap voor u deed mij zulke geringe eischen stellen.” - -Te vergeefs blijkt alle loven en bieden, nutteloos blijken alle verdere -onderhandelingen. Versche pijpen worden gebracht en gerookt, nieuwe -hoffelijkheden gewisseld, de naam van Allah en diens profeet wordt van -weêrszijden misbruikt, de gezondheidstoestand wederkeerig op het -nauwkeurigst vastgesteld, tot eindelijk de westerling het geduld -verliest en de aangeleerde zeden wijken voor de aangeboren gewoonten. - -„Weet dan Scheik, dat ik in het bezit ben van een geleibrief van den -Khedive alsmede van Scheik Soliman; hier zijn beide: wat eischt gij -nog?” - -„Maar heer, wanneer gij een geleibrief hebt van Zijne Hoogheerlijkheid, -waarom eischt gij niet het hoofd van uw slaaf? Dit is tot uwen dienst -en evenzeer tot den Zijnen. Uwe wenschen draag ik op mijn oogen en op -mijn hoofd. Gij beveelt—uw slaaf gehoorzaamt. De prijzen der regeering -kent gij. Allahs zegen vergezelle u; morgen zend ik u mannen, dieren en -zakken.” - -De vreemdeling, die in de meening verkeert dat hiermede alle -toebereidselen tot de woestijnreis afgeloopen zijn, zou daarmede -toonen, geen begrip te hebben van de zeden en gewoonten des volks. Niet -den volgenden dag, gelijk beloofd werd, verschijnen de gehuurde -drijvers en dieren, maar eerst in den namiddag komen deze van -lieverlede opdagen, en niet op den volgenden morgen kan aan het -opbreken gedacht worden, maar ten hoogste eerst tegen den tijd van het -namiddaggebed van den volgenden dag. „Bukra inschallah”—„morgen zoo God -wil” is het wachtwoord en hiertegen valt niet te redeneeren. Inderdaad -is er nog veel te doen, veel te regelen, veel in orde te brengen, -alvorens de reis een aanvang kan nemen. - -Een bont en levendig tooneel ontvouwt zich in den omtrek der tent. -Tusschen de bagage beweegt zich eene schare uitgedroogde zonen der -woestijn. Zij schreeuwen ontzaggelijk veel—maar voeren ondertusschen -bitter weinig uit. De op elkander gestapelde kisten en pakken worden -uit elkander gehaald, opgebeurd, gewogen, nauwkeurig in omvang en -gewicht onderzocht, onderling vergeleken, weder bijeengezet en nogmaals -uit elkander gehaald. De eene kameeldrijver poogt den ander te -bedotten, ten einde de lichtste waren voor zichzelf te behouden; het -wordt een algemeen krakeel, een schreeuwen en schelden, een zweren en -vloeken, een bidden en verwenschen. Ook de kameelen, denkende aan -hetgeen hun beidt, doen vlijtig meê; en wanneer zij werkelijk, in -plaats van te brullen, te steunen, te brommen en te klagen, een -oogenblik het stilzwijgen bewaren, dan beteekent dit slechts: onze tijd -is nog niet gekomen, maar zal toch eenmaal aanbreken! Maar de kameelen -mogen meedoen of niet, dit is zeker: de ooren van den westerling worden -gemarteld, ja verscheurd door de mengeling van stemmen en kreten, die -alle tegelijk door de lucht weêrklinken. Uren lang duurt dat gewemel, -dat geharrewar, dat geraas, en eerst wanneer men het eindelijk over de -lading eens is geworden, of wellicht het getwist moe werd, is het -voorspel ten eind. - -Na het sluiten van den vrede begint men de meêgebrachte vezels van den -dadelpalm in een te draaien om er strikken en touwen van te maken; nu -worden de kisten en balen op vernuftige wijze met deze koorden -omwonden, en worden er lussen aan gemaakt, om twee pakstukken even snel -aan het kameelzadel te kunnen vasthechten als er weder van los te -maken, men herstelt nog ijlings de medegebrachte netten, wier -bestemming is de kleinere pakjes in zich op te nemen, en wendt zich -daarna tot de groote en kleinere lederen zakken om deze te onderzoeken, -en zoo noodig, ook nog in de haast wat op te kalfateren en met eene -stinkende, uit het zaad van kolokwinten bereide teer van buiten in te -smeren. Het in de zon gedroogde vleesch wordt ook nog eens aan een -zorgvuldig onderzoek onderworpen, men vult eenige uit boombast -vervaardigde zakken met kafferkoren of doerra, andere met houtskolen, -nog andere met kameelenmest, spoelt de lederen zakken van buiten af, -vult ze met frisch water en besluit den langdurigen arbeid met een -algemeen, op lagen toon uitgestooten „El hamdu lillahi”—God zij dank! - -Al deze toebereidselen worden geleid door den Chabir of aanvoerder der -karavane. Al naar de belangrijkheid van den tocht neemt deze eene -lageren of hoogeren rang in, maar steeds moet hij zijn, wat zijn naam -uitdrukt: een kundig man, iemand, met den weg en alle voorkomende -omstandigheden vertrouwd. Van beproefde ervaring, rechtschapen, -verstandig, moedig, dapper, deze eigenschappen zijn de noodzakelijke -vereischten voor zijn moeilijk, soms gevaarlijk ambt. Hij kent de -woestijn even als de schipper den Oceaan, is vertrouwd met de sterren, -in elke oase, en aan elke bron tehuis, welkom in de tent van iederen -Bedoeïnen- of trekherdershoofdman, onuitputtelijk in middelen om de -gevaren en bezwaren van den tocht te boven te komen, weet slangenbeten -en schorpioensteken onschadelijk te maken of althans de smarten der -gewonden te verzachten, hanteert het oorlogswapen even vaardig als het -jachtgeweer, heeft het woord van den profeet op de lippen en in het -hart, spreekt de „Fatiha” telkenreize, als men weêr opbreekt, is -Moeeddin en Imam op de voorschreven tijden,—met één woord, hij is het -opperhoofd van het veelledig lichaam, dat de woestijn doortrekt. In die -woeste gedeelten, waar niets den weg aanduidt, dien andere karavanen -hebben gevolgd, waar achter de verzenen van den laatsten kameel de wind -elk spoor uitwischt van al de vorigen, ontdekt hij teekens, die niemand -anders ziet, en vindt hij den rechten weg. Wanneer de droge, -onheilbrengende woestijndamp het licht der sterren verduistert, gaat -voor hem eene geestelijke ster op; hij keurt het zand, meet deszelfs -golven, merkt de richting en ondervraagt den grashalm naar de -hemelstreek. Blindelings volgt hem de geheele karavaan, en vol -vertrouwen stelt de reiziger zijn lot in diens handen. Overoude, -gedeeltelijk zeer eigenaardige, nimmer beschreven en toch een ieder -bekende wetten stellen hem verantwoordelijk voor het welgelukken der -reis, voor het leven der afzonderlijke personen, wanneer althans geen -beschikkingen van het noodlot, waartegen niemand iets vermag, hier -hinderend in den weg treden. - -In het heilig uur, omstreeks het namiddaggebed, stelt zich de -aanvoerder voor het aangezicht der reizigers en drijvers, om hen aan te -kondigen, dat alles gereed is, zoodat men op kan breken. De bruine -mannen verspreiden zich ijlings in alle richtingen om de kameelen op te -vangen, deze te zadelen en te beladen. Vol tegenzin gehoorzamen deze -dieren, die er een voorgevoel van schijnen te hebben wat hun wacht. Een -aantal moeilijke dagen teekenen zich met schrille kleuren voor hun -geest af. Thans is hun tijd gekomen. Brullend, schreeuwend, knorrend, -laten zij zich op de saamgebogen voorste ledematen neder, hiertoe door -hun gebieders aangemaand met ettelijke onverstaanbare keelgeluiden en -zachte zweepslagen; brullend onderwerpen zij zich, wanneer de last op -den bultigen rug wordt gelegd; brullend staan zij op, wanneer de hun -toegedachte last is ontvangen. Velen verzetten zich door te slaan en te -bijten tegen het beladen, en er behoort inderdaad een onuitputtelijk -geduld toe, zulke weêrbarstige schepsels tot rede en plicht te brengen. -Maar geduld en takt behalen zelfs de overwinning op kameelen. Op -hetzelfde oogenblik dat het dier zal gaan knielen, treedt een der -drijvers op de saamgebogen voorpooten en grijpt snel het bovendeel van -den getanden bek om door een druk op den neus elk oogenblik de -ademhaling te kunnen beletten; twee anderen beuren den aan beide kanten -gelijk verdeelden last op het draagzadel, terwijl een vierde de -hechtpennen door de lissen schuift. Het dier is bevracht nog voor het -recht tot bezinning is gekomen. Zijn alle kameelen beladen, dan vangt -de reis aan. - -Maar nu worden ook de uitstekend gezadelde rijdieren voorgebracht. -Iedere reiziger bevestigt de voor hem onontbeerlijkste -reisbenoodigdheden en wapenen op en aan het hooge, komvormige, voor den -bult aangebrachte zadel, en maakt zich gereed zijn rijdier te -beklimmen. Voor den nieuweling is zulks gewoonlijk noodlottig. Men moet -met een forschen sprong in het zadel springen en de kameel staat op -zoodra de ruiter het zadel aanraakt. Ruksgewijze staat het dier op, -eerst steunende op het handgewricht, dan op de lange achterpooten en -daarna op de voorpooten. Bij den tweeden ruk wordt de -leerlingkameelrijder gewoonlijk uit het zadel geworpen, om zijne -moeder, de aarde te kussen, of hij valt op den hals des diers, waaraan -hij zich nu tracht vast te klemmen. Maar de kameel is veel te slecht -van humeur dan dat hij zoo iets als eene grap of een ongeluk zou -opvatten. Een boosaardige kreet ontsnapt aan zijne leelijke lippen; hij -loopt met het aan zijn hals hangend, niet zeer benijdenswaard -menschenkind snel weg, en schudt dien zoolang en zoo hevig, totdat -ruiter en last beide zijn afgeworpen. Het duurt geruimen tijd voor de -westerling heeft geleerd hoe het aan te leggen om vast in het zadel te -blijven zitten terwijl het dier opspringt. Het middel evenwel is -eenvoudig; men moet op het juiste oogenblik het bovenlichaam naar voren -en naar achteren buigen. - -Wat ons betreft, wij werpen ons met de behendigheid van inboorlingen in -het zadel, klappen met de zweep om het dier tot loopen aan te zetten, -houden het door middel van een dunnen neustoom in bedwang, en snellen, -den aanvoerder volgende, vooruit. Onze rijkameel, een slank, licht -gebouwd, hoogbeenig dier, vervalt oogenblikkelijk in dien -gelijkmatigen, aanhoudenden, wijdgestrekten en daardoor ongemeen -vorderenden draf, waaraan men het van zijn jeugd af aan gewend -heeft—waardoor het dan ook zich gunstig onderscheidt van alle andere -lastdieren—en kleeft als het ware aan de voetzolen van zijn voorganger. - -De dieren strekken allen hun kleine koppen recht vooruit; vaardig en -licht bewegen zich de pooten onder het lijf; een wolk van stof en -steentjes wordt in de lucht geworpen. De boernoe’s fladderen in den -wind; wapens en gereedschappen kletteren tegen elkander; een aansporend -geroep weêrklinkt door de lucht—de reislust ontplooit de vleugels der -ziel. Weldra is de vooruitgegane goederenkaravane ingehaald, weldra -zijn de laatste sporen van menschelijke woonplaatsen uit het gezicht -verdwenen, en naar alle zijden strekt zich de eindeloos schijnende -woestijn uit. - -Van alle zijden scherp begrensd, bedekt dit uitgestrekte, eigenaardige -rijk het grootste deel van Noord-Afrika, van de Roode zee tot den -Atlantischen oceaan, van de Middellandsche zee tot de steppe, geheele -landen in zich sluitende, vruchtbare landstreken omgevende, -duizendvoudig afwisselende en in hoofdtrekken toch zichzelf gelijk -blijvende. Dit wonderrijk gaat in vlakte-inhoud Duitschland negen- à -tienmaal, de Middellandsche zee drie- à viermalen te boven. Geen -sterveling heeft het voor goed doorvorscht, niemand heeft het nog in -zijn geheel doorreisd; maar ieder inboorling, die het betrad en er een -gedeelte van doortrok, werd tot het binnenste van zijn gemoed getroffen -door deszelfs grootte en majesteit, door de bekoring en den schrik, die -er van uitgaan; een ieder, tot den meest prozaïschen westerling, die er -vertoefde, heeft zich den zengenden zonnegloed zijner dagen, den -hemelschen vrede en de fantastische droombeelden zijner nachten, de -tooverijen zijner verhitte, sidderende lucht, de vreeselijkheid zijner -bergenbewegende stormen, onuitwischbaar, onuitdelgbaar in de ziel -geprent, en velen verging het wellicht als de geboren zoon der -woestijn—hij verlangde met smart naar haar terug te keeren; hij -wenschte nog slechts eenmaal een enkelen dag, een enkel uur in haar te -ademen, nog eenmaal in werkelijkheid de beelden te aanschouwen, de -„onuitgesproken akkoorden” in de ziel doen sidderen, die de woestijn in -de harten van dichterlijk gestemde menschen opwekt en te voorschijn -roept; een innig heimwee beving zijn ziel. - -Werkelijk en waarachtig, zij is „El Bahhr bela maa”—de zee zonder -water, een pendant van den Oceaan. Geenszins afhankelijk van dezen, -gelijk de andere deelen der aardoppervlakte, want in haar gaat de macht -van het levenwekkend en onderhoudend element te niet. „Het water -omsluit rustig het al”—de woestijn alleen omsluit het niet. Over de -geheele wereld dragen de winden de boden der zee, de wolken—maar deze -verdwijnen voor de gloeihitte der woestijn. Zelden ziet men in haar een -lichten, nauw waarneembaren nevel, zelden aanschouwt men er in den -vroegen morgen op de bladeren den vochtigen adem van den nacht. Morgen- -en avondrood zelfs zijn hier slechts een waas, dat terstond na zijn -geboorte weder wordt opgelost. Overal, waar het water de heerschappij -erlangt, herschept het de woestenij in een vruchtbaar landschap, al zij -het nog zoo gering, maar op dezelfde plaats, waar dit eindigt, treedt -wederom de andere scherp begrensd in ’t leven. Waar de laatste, door -het menschelijk vernuft boven den stroomspiegel omhoog geheven golf van -den goddelijken Nijl in het zand verdwijnt, verschijnt de woestijn; de -eene voet des reizigers, die de richting naar de Nijlbergen inslaat, -staat in het groene korenveld, de andere in de woestijn. Want het is -niet zoo zeer het zand, dat den plantengroei belemmert, maar veeleer de -verzengende, schroeiende hitte, die in dat zand heerscht. Op plaatsen, -waar het vochtig wordt gehouden, waar nu en dan het water er overheen -vloeit, vlijt zich zelfs midden in de woestijn een vriendelijk, groen -tapijt over de anders dorre aarde, en ontspruiten ook daar struiken en -boomen. - -Arm, onbegrijpelijk arm is de woestijn, maar dood daarom niet, -allerminst voor hen, die er leven zoeken en dit weten op te sporen. -Hij, die met een stompzinnig oog door de woestijn trekt, ziet voorzeker -niets dan zandige vlakten en rotskegels, kale laagten en naakte -gebergten, ziet wellicht zelfs de spaarzaam verspreide rietachtige -grassen en struikachtige boomen der diepere kommen over ’t hoofd, en -eveneens de weinige levende wezens, die ook hier nog verblijf houden; -maar hij, die de kunst van zien verstaat, ziet oneindig meer. Voor -stompzinnige menschen is de woestijn niets anders dan een gebied van -verschrikking; zij laten zich door de hitte, die hier des daags -heerscht, zoo zeer ter neêr drukken, dat zelfs de heerlijke nacht hun -geen troost, geen vernieuwde kracht meer schenken kan; zij rijden -moedeloos de woestijn in en verlaten haar huiverend; zij hebben enkel -gevoel voor het ontzettende, enkel gevoel voor de bezwaren der -woestijnreis—voor het oneindig verhevene der woestijn is hun hart te -klein. Wie haar werkelijk leerde kennen zooals zij is, oordeelt anders. - -Arm is de woestijn, maar dood is zij niet. Reeds de gesteldheid des -bodems, al moge deze ook in ’t algemeen zijn karakter getrouw blijven, -is aan velerlei afwisseling onderhevig. Ver in het rond is hier de -woestijn eene rotszee met kegels van uiteenloopenden vorm, steil -afdalende wanden, diep ingesneden ravijnen, scherp gekante graten en -vreemdsoortig op elkander gestapelde toppen, die nu eens door den -voortdurend waaienden wind met zand worden bedekt, dan hiermede worden -opgevuld, straks daarvan bevrijd. Maar onophoudelijk worden zij -bewerkt, gepolijst, uitgehold, gescherpt en toegespitst. Zwarte, in de -zon gloeiende zandsteen-, graniet- en syenietmassa’s, zeldzamer kalk- -en leigesteenten, hier en daar ook nog vulkanische vormingen, bouwen -zich op tot ketens van sterk sprekenden vorm; de wind, die altijd uit -denzelfden hoek waait, berooft ze van elke bedekking, drijft het fijne -zand zonder verpoozing over de kruinen, om deze wanneer de wind tot een -storm is aangegroeid, als in een dichten sluier te hullen, die dan -eerst verdwijnt wanneer het zand over de hoogste toppen is -heengestoven, om aan de luwzijde van het gebergte goudgele uit het -fijnste rolzand bestaande lagen te vormen, die ettelijke meters hoog -boven elkander gelegerd, eeuwig in beweging zijn, voortdurend naar -beneden schuiven, bestendig weêr van de andere zijde aangevuld worden -en uit de verte er uitzien als breede, scherp tegen de donkere -hellingen afstekende, bij gunstige verlichting zelfs schitterende -linten. Zulke gebergten kan men gerust de kleinoodiën der woestijn -noemen. Hij, die het gloeiende zuiden niet kent, is niet bij machte, -zich den ongemeenen kleurenrijkdom, den glans, de oneindige -bekoorlijkheid voor te stellen, die het weelderige zonnelicht op de -eenzaamste, wildste en dorste gebergten in ’t leven roept. Het gebergte -der woestijn draagt nimmer een vriendelijk, groen woud; ten hoogste -veroorloven de hoogste toppen een kwijnend bestaan aan eenig laag -struikgewas, dat in het daar neêrgeslagen vocht in staat wordt gesteld -een schraal voedsel te vinden; deze bergen derven het gelispel der -beuken, het ruischen der dennen en pijnboomen, het zoet gemurmel, of -lustig geklater en luid gebruisch van stroomende wateren, die zilveren -linten slingeren om onze hooggebergten, deze omlijsten met groene -planten, en elders de kleuren van den regenboog tooveren in het schuim -van watervallen en stortbeken; de bergen der woestijn derven het -sneeuw- en ijskleed, waarover het avond- en morgenrood een purperen -weêrschijn spreidt, en dat de middagszon omkleedt met een schitterend -gewaad; zij derven het sappige, frissche groen der weiden, in ’t kort -alle bekoorlijkheid en liefelijkheid van de hooggebergten der -noordelijke streken des aardbols, en toch zijn zij schier even rijk als -deze in kleurenpracht, ja winnen het misschien in verhevenheid en -grootschheid van gene. Elke afzonderlijke gordel, elke kleur komt tot -gelding. En toch zijn het minder deze, dikwijls zoo levendig gekleurde, -soms schril van elkander afstekende lagen, maar nog in veel hoogere -mate de spitsen, tanden, rillen, reten en ravijnen der woestijnbergen, -die door het voortdurend schuren van het zand de sierlijkste en -wonderlijkste vormen erlangden, en waarop het hemelsche licht een -heerlijk kleurenspel te voorschijn toovert. Onafgebroken wisselen licht -en schaduw met elkander af; voortdurend ontstaan en verdwijnen de -kleuren en tinten, en dit schouwspel is zoo aangrijpend, dat wij schier -onze bezinning er bij verliezen. Ook de bergen der woestijn bedekken -zich met purper in de omarming der eerste en laatste zonnestralen; ook -over hen trekt de verte een blauw, aetherisch waas; ook zij leven, want -zij erlangen leven door het licht. - -Op andere plaatsen is de woestijn mijlen in ’t rond zoo effen als een -spiegel of ten hoogste eenigszins golvend van oppervlak. Een fijn, -goudgeel zand ligt er over uitgestrooid, waarin menschen en dieren -eenige centimeters diep inzakken. Hier ziet men dikwijls geen enkelen -grashalm, geen eenig levend wezen. De blauwe, meestal effen hemel rust -als een koepeldak op deze goudgele vlakte en brengt er het zijne toe -bij om zulke plaatsen op eene zee te doen gelijken. De voetsporen van -het schip der woestijn worden even schielijk uitgewischt als zij er in -afgedrukt werden, geen pad is zichtbaar, zelfs niet de geringste -aanduiding van een pad; het kompas werd ook voor zulke plaatsen -uitgevonden. Afwisselender, ofschoon niet aangenamer zijn andere -gedeelten, welker bodem gevormd wordt door een los, aardachtig, of -stoffig zand, en waarin vergiftige kolokwinten of geneeskrachtige -sennah ontspruiten. Hier wisselen langgestrekte, lage heuvelrijen af -met vlak-komvormige, smalle dalen, waarover een uit de verte beschouwd -er frisch uitziend tapijt van de zoo even genoemde planten ligt -uitgestrekt. Menschen en dieren mijden zulke streken, omdat zoowel de -te voet gaande kameeldrijvers als de kameelen zelf dikwijls een voet -diep in den lossen grond zinken. Weer andere gedeelten zijn met grof -grint en vuursteenen, hier en daar ook wel eens met sterk ijzerhoudende -en met zand gevulde holle kogels bedekt, welke laatste er uitzien, -alsof zij door ’s menschen hand waren gevormd, ofschoon men hunne -ontstaanswijze nog niet met juistheid heeft kunnen verklaren. Eene -enkele maal vindt men op deze plaatsen, alwaar de voetstappen der -kameelen blijvende sporen achterlaten, zoodat men hier van -woestijnwegen kan spreken, duizenden van kwartskristallen, of -afzonderlijk, of groepsgewijs,—in z.g. kristalklieren,—die doen denken -aan door eene kunstenaarshand geslepen brillanten. De zon toovert met -deze kristallen; die plaatsen schitteren, fonkelen en tintelen op eene -wijze, dat het oog zich verblind af moet wenden. In de diepste laagten -vormt een stoffige aarde den bodem en hier vindt men onfeilbaar de -carexachtige, maar zeer harde, droge, scherpkantige, zwartgroene halfa, -schermvormige mimosa’s, misschien zelfs tompalmen, die getuigen van -meer vriendelijk leven. - -Maar ook de dierenwereld heeft zijn aandeel in het overal optredende -leven. Wie de woestijn een doode wildernis noemt, dwaalt evenzeer als -hij, die meent, dat zij de woonplaats is van den leeuw. De woestijn is -te arm om leeuwen te voeden, maar rijk genoeg om duizenden andere -wezens te onderhouden. En alle in haar levende dieren zijn te -merkwaardiger, omdat zij zich in alle opzichten zoo zeer kenmerken als -echte kinderen der woestijn. - -Deze woestijnkinderen hebben een kleed, dat zich steeds op het innigste -aanpast aan de kleur van den grond, zoodat het veelal zandkleurig is. -Maar meer nog dan door dit kleed onderscheiden zij zich door een -lichten en sierlijken lichaamsbouw, door opmerkelijk groote, ongemeen -scherpziende oogen en fijnhoorende ooren, terwijl hun geheele voorkomen -zelfbewustzijn en bescheidenheid uitdrukt. Alle in de woestijn geboren -schepselen zijn veroordeeld tot een zwervend leven, want nergens levert -een enkele plek genoeg voedsel te alle tijde op om hen te voeden; maar -de woestijn schonk aan haar kinderen eene door niets geëvenaarde -vlugheid, grenzenlooze onvermoeidheid en eene zich nimmer -verloochenende volharding; zij scherpte de zintuigen, zoodat zelfs het -weinige, dat zij aanbiedt, kan opgespeurd worden, en verleende -eindelijk een kleed, dat zoowel beschermt als verbergt, dat voor den -aanval en bij de vlucht meer dan doeltreffend moet genoemd worden; zij -maakte alzoo haar kinderen geschikt om een, weliswaar sober, maar -daarom geenszins vreugdeloos bestaan te voeren. - -Tengevolge van het allen woestijndieren eigen, met de omgeving -ineensmeltend kleed, ontwaart de reiziger, zoo hij niet een geoefend -waarnemer is, althans aanvankelijk weinig van de hem omringende -dierenwereld. Dientengevolge schijnt de woestijn veel armer dan zij -werkelijk is, en zulks nog te meer, dewijl de meeste harer bewoners -eerst tegen de schemering of nog later hun rust- en schuilplaatsen -verlaten om het leven aan te vangen; enkele woestijndieren vallen -evenwel gemakkelijk ook minder geoefende oogen in ’t gezicht. Men moge -de woestijnleeuweriken voorbijzien, alhoewel juist deze vogels op zeer -merkwaardige wijze de overeenstemming tusschen gevederte en grond, -alsmede hunne onevenredig ontwikkelde bewegingswerktuigen in ’t oog -doen vallen, onmogelijk kan men de woestijnhoenders niet opmerken, en -wie achteloos de onderaardsche woningen der springmuizen voorbijrijdt, -diens aandacht zal toch door eene in de nabijheid grazende gazelle -moeten getrokken worden. - -Ook deze mag men een typisch gevormd woestijndier noemen. Ofschoon over -’t algemeen evenredig gebouwd, schijnen kop en zinsorganen bijna te -groot en de ledematen al te dun, schier ongelukkig. Maar die kop -omsluit in zijn schedelholte hersenen, die eene bij herkauwers zeer -ongewone schranderheid en geestelijke werkzaamheid in ’t leven roepen; -daarenboven zijn deze ledematen als uit staal geformeerd, ongemeen -krachtig en elastisch, zoodat zij eene groote bewegelijkheid en -onvermoeide volharding mogelijk maken. Wie de gazelle niet anders dan -in den gevangen staat, in eene enge ruimte zag, kan zich niet -voorstellen hoe dit dier in de woestijn optreedt. Welk eene -bewegelijkheid, vlugheid en taaiheid, sierlijkheid en lieftalligheid -ontplooit het daar! Hoe passend werd juist de gazelle door den -oosterling en vooral door den woestijnbewoner gekozen tot zinnebeeld -van vrouwelijke schoonheid! Zich verlatende op haar zandkleurig gewaad, -alsmede op hare ongemeene bewegelijkheid en snelheid, staart zij -schijnbaar onbezorgd met hare heldere oogen kameel en ruiter in ’t -gelaat. Zonder van vrees te laten blijken graast zij voort, -niettegenstaande de karavane nadert. Van de bloeiende mimosa’s neemt -zij een knop of een sappig twijgje, tusschen het scherpe halfa vindt -zij een malsch halmpje. Steeds nader rukken de ruiters. De gazelle heft -den kop op, luistert, ruikt, kijkt weder, springt eenige schreden -vooruit en doet als vroeger. Bliksemsnel drukken de elastische pooten -tegen den grond, en voort snelt zij, zoo schielijk, zoo licht, zoo -bevallig, zoo sierlijk, als ware haar die snelle beweging slechts spel -en scherts. Met de snelheid der gedachte rent zij over de zandige -vlakte, groote steenen en tamarindenboschjes in vliegende vaart -overspringende. Zij schijnt de aarde niet meer aan te raken; het lied -der woestijn is in haar belichaamd, zoo bekorend werkt zij door haar -onvergelijkelijke bevalligheid en vlugheid. Slechts enkele minuten zijn -voldoende om haar aan alle gevaar te onttrekken, want tevergeefs spant -zich de beste draver in om haar na te rennen; geen windhond zelfs -vermag haar in te halen. Weldra matigt zij haar loop; nog enkele -oogenblikken en zij staat stil om weder te oogen en te kijken als -straks. Plaagziek als zij is, laat zij den moordlustigen ruiter, die -aanvangt haar in vollen ernst te vervolgen, naderbij komen, en -voorzichtig onttrekt zij zich herhaalde malen aan zijn doodelijk wapen, -totdat zij eindelijk verschrikt, onverwijld elk verder gevaar ontloopt. -Langer vlucht zij, en steeds ranker worden lijf en leden, steeds -flauwer de omtrekken, meer en meer verdwijnt zij op de zandige vlakte -en eindelijk is zij in deze geheel opgenomen; het is alsof zij in een -nevel werd opgelost. Het geboorteland heeft haar gedekt en geborgen, op -tooverachtige wijze aan het oog ontrukt, aan elke waarneming -onttrokken. Maar naarmate het oog haar verloor, herleeft zij in het -hart. Want ook de westerling moet nu begrijpen, waarom de gazelle in -het dichterlijk gemoed van den oosterling zulke heerlijke bloesems deed -ontluiken, waarom de laatste dit dierlijk wezen zoo oneindig hoog -stelt, waarom hij het oog, dat zijn hart deed ontvonken, bij dat der -gazelle vergelijkt, en den hals, om welken hij in het vuur der liefde -zijn armen houdt geslagen, den hals eener gazelle noemt; waarom de -woestijnbewoner in de tent zijner gade, die vol zoete verwachting is, -eene tamme gazelle brengt, opdat zij zich moge verkwikken aan het -schoone oog en dit als eene erfenis schenken aan het verwachte pand der -liefde, en waarom de vrome zanger in de sierlijke antilope het -zinnebeeld aanschouwt van zijn verlangen naar het verhevene. Want ook -op hem, den wereldmoede, daalde het vuur, dat ontvonken deed voor de -lofliederen op dit dier, en de aderen der poëzie deed openen. - -Minder liefelijk, maar toch niet minder in ’t oog vallend, treden -andere woestijndieren op. Tusschen spaarzaam verspreide halfastengels -loopt een talrijk heer van vogelen, zoo groot als duiven, trippelend -heen en weder. Scharrelend en met den snavel arbeidende, pikken zij -naar voedsel. Onbevreesd laten zij de ruiters tot op minder dan honderd -schreden naderen. Met behulp van een goeden kijker is men in staat -iedere beweging en zelfs de meest in ’t oog vallende kleuren van ’t -gevederte waar te nemen. Met gedoken kop, ingetrokken hals en -horizontaal uitgestrekt lichaam loopen zij heen en weêr, om allerlei -zaden, de weinige korrels, die de woestijngrassen opleveren, jonge -uitspruitsels en insekten op te zoeken. Enkelen speuren nu en dan met -uitgestrekten hals in ’t rond, anderen daarentegen woelen argeloos in -het zand, poetsen hun gevederte en strijken dit glad, of leggen zich -half op den buik, half op de zijde om zich in het zonnetje te -koesteren. Men kan dit alles duidelijk zien, het aantal vogels tellen -en zich vergewissen dat er meer dan vijftig, ja bijna honderd zijn. Zou -er een woestijnjager bestaan, die aan deze verleiding weêrstand kan -bieden? Zeker van den buit, schuift de nog onervaren jager zijn kijker -in, neemt het geweer ter hand en rijdt langzaam op de bonte schaar af. -Maar daar verdwijnen de vogels voor zijn oog. Geen enkele liep weg of -vloog heen, en toch zijn zij verdwenen. Het is alsof zij door de aarde -zijn verzwolgen. In werkelijkheid hebben zij, zich verlatende op de -overeenstemming van de kleur van hun gevederte met die van den grond, -zich aan de aarde aanvertrouwd, d.w.z. zich plat op den grond -uitgestrekt. Op hetzelfde oogenblik zijn zij tot steenen en zandhoopjes -geworden. De nog ongeoefende jager rijdt op hen af zonder ze te zien, -en schrikt op, wanneer zij zich bliksemsnel verheffen, onder luid -geschreeuw en getier opvliegen, en suizend wegstormen. Gelukt het hem -evenwel een vogel te schieten, dan staat hij niet minder verbaasd over -de ongewone kleur en de zeldzame teekening der veêren dan over hun -vreemd gedrag. De zandkleurige, nu eens meer in ’t grijze, dan meer in -’t helder geel spelende kleur der bovenzijde is afgezet door en -sierlijk getooid met breede banden, smalle strepen, prachtige randen, -moesjes, punten, vlekken, streepjes en striemen, zoodat men zou meenen, -dat zulk een hoen reeds van verre zichtbaar moest zijn; maar die -mengeling van kleur is slechts eene trouwe kopie van de kleur van het -zand zelf, en elke donkere, elke lichtere plek, elk steentje, iedere -zandkorrel wordt op dat gevederte teruggevonden. Geen wonder dus, dat -de grond den vogel als het ware in zich opneemt, zelfs diens vorm -uitwischt, en het dier niet minder bescherming verleent als hij die -vindt in zijn krachtige, met ongemeene snelheid bedeelde vleugels. - -En daarom vlecht de Arabische poëzie ook om deze hoenders de -bloemrijkste beelden en gedachten; hun schoonheid toch boeit het oog en -hunne meer dan gewone vlugheid wekt een smartelijk verlangen in het -hart van den aan den grond geketenden mensch. - -Alle overige woestijndieren dragen hetzelfde karakter als de beide -voorgaande. - -Er leeft in de woestijn een soort van losch, karakal geheeten; deze is -veel slanker, hooger op de pooten, langooriger en grooter van oogen dan -alle andere losschen, ook niet gestreept of gevlekt, maar tot op de -zwarte oorspitsen, oogstrepen en lipvlekken na zandkleurig, en naar -gelang der streek, die hij bewoont, lichter of donkerder, rooder en -minder rood van tint; er leeft een vossensoort, de fennek, de dwerg der -geheele hondenfamilie, met een isabelkleurig kleed en reusachtig groote -ooren. - -De woestijn brengt een knaagdier voort, de z.g. springmuis, een haasje -van dwergachtige, kengeroe-gedaante, met verbazend hooge achterpooten, -zeer onontwikkelde voorpootjes en een aan twee zijden behaarden staart, -die de lengte bezit van ’t geheele lichaam; het overtreft alle andere -knaagdieren wat onschuld en goedaardigheid aangaat, maar ook in -snelheid en vaardigheid. Denzelfden stempel dragen de vogels, reptielen -en zelfs de insekten, en dit karakter verloochent zich nooit, hoe veel -afwisseling vorm en kleur ook mogen aanbieden. Komt naast het zandgeel -ook nog eene andere kleur tot uitdrukking, ziet men in het haar, -vederkleed of in de schubben ook nog zwart of wit, aschgrijs of bruin, -rood, blauw enz. dan komen zulke, het dier meestal enkel tot sieraad -dienende kleuren toch altijd slechts op zulke plaatsen te voorschijn, -die men niet kan bespeuren, wanneer men het oog van boven of van -terzijde op het dier richt. Verheft zich evenwel te midden der woestijn -een hoog gebergte, dan weêrkaatst zich dat uiterlijk ook terstond weder -in de daar levende dierenwereld; op de grauwe rotsen van Arabiës -hooggebergte klautert de woestijn-steenbok en woont de klipdas, nestelt -de gierarend, bevolkt een niet onaanzienlijk soortental van andere -vogels de kammen en kloven, de hellingen en de dalen, terwijl van de -zwarte rotsen der lagere woestijngedeelten alleen de inktzwarte -rouwtapuit zijn helder, klankrijk lied laat hooren. Zoo openbaart zich -de harmonie der woestijn in al hare afzonderlijke partijen, in ieder -harer schepselen, en zoo verhoogt zij juist hierdoor den indruk, dien -zij op elken nadenkenden, gevoelvollen en naar lichaam en ziel -krachtigen mensch, reeds op den eersten dag, dat hij de woestijn -betreedt, uitoefent, en welke invloed met iederen volgenden dag slechts -grooter wordt. - -Volle kracht, ontvankelijkheid en gevoel vraagt de woestijn -ongetwijfeld van iederen mensch, die haar wil leeren kennen, en die -zich in zekere mate in haar wenscht thuis te gevoelen. Wie de -moeilijkheden der reis, gelijk zij oplevert, niet kan verdragen, wie -hare zon vreest, wie door haar zand wordt afgeschrikt, blijve ver van -haar. Zelfs bij een helderen hemel, bij een rustige lucht, ja bij een -koel windje uit het noorden is en blijft een dag in de woestijn een -moeilijke dag. Bijna plotseling, haast zonder schemering vangt hij zijn -heerschappij aan. Slechts in de nabijheid der zee of in die van groote, -de woestijn doorstroomende rivieren omzoomt Aurora den oostelijken -horizon met een purperen rand; te midden der uitgestrekte zandvlakten -verschijnt met het eerste morgenrood ook onmiddellijk de zon. Zij -verheft zich boven de zandzee als een vuurbol, die elk oogenblik dreigt -te barsten, om zijn stukken in alle richtingen weg te slingeren. Zoodra -is niet de zon verrezen, of ook de morgenkoelte is voorbij, en schiet -zij gloeiende stralen op het aardrijk als ware reeds de middag gekomen. -De uit het noorden waaiende, dikwijls werkelijk verkwikkende, frissche, -maanden lang aanhoudende wind, verhindert wel is waar soms, dat de -ongelijk door de warmte uitgezette luchtlagen het voorkomen aannemen -van eene zee, maar zooveel afkoeling brengt deze wind toch niet te -weeg, dat het eigenaardig sidderen der onderste lagen wordt weggenomen. -Hemel en aarde stralen in een overvloedig licht; een onbeschrijfelijke -hitte stroomt van de zon uit en kaatst van het zand naar boven terug. -Licht en hitte nemen met ieder uur toe, en machteloos staan mensch en -dier daar tegenover. - -De karavane is met den eersten zonnestraal opgebroken en trekt -stilzwijgend voort. In de verte draven de lastkameelen, met elastischen -tred loopen de drijvers er naast of er achter, in vollen draf rennen de -rijkameelen, matig aangezet, deze voorbij en het andere gezelschap -vooruit; weldra hebben de ruiters het lastdragend gedeelte uit het -gezicht verloren. Voorwaarts gaat het zoo schielijk mogelijk. Al onze -beenderen dreigen onder het stooten der zich haastende rijdieren te -breken; zengend brandt de zon op ons, haar steken dringen door de -kleederen, al verdubbelt men ook derzelver aantal. Onder die dichte -bedekking dringt het zweet van het voorhoofd, van het geheele gelaat, -van het geheele lichaam, en daar waar men losser gekleed is, op de -armen en beenen, verdampt het vocht zoodra het ontstaat. De tong kleeft -aan het gehemelte. Water, water, water! is het eenig denkbeeld, dat -oprijst bij hem, die nog niet heeft geleerd zulke bezwaren te -verdragen. Maar het water is, naar lands gebruik, niet in ijzeren -kisten en flesschen, maar in lederen zakken geborgen; dagen achtereen -heeft het in den vollen zonnegloed op den rug der kameelen gelegen en -is alzoo meer dan lauw, kwalijk riekend, dik, bruin van kleur, -daarenboven doortrokken van den smaak van leer en kolokwintenteer en -dientengevolge walgelijk van smaak, ja zelfs braakverwekkend. Zulk -water laaft niet, integendeel het veroorzaakt nieuwe bezwaren, zelfs -smartelijke buikpijnen, zoodat de begeerte naar een anderen drank nog -sterker wordt. Er bestaat echter geen middel om het te verbeteren, -evenmin als om het te vervangen. De doordringende reuk en smaak spotten -met alle pogingen om het in den vorm van koffie of thee, of vermengd -met wijn of brandewijn te genieten; enkel wijn en brandewijn verhoogen -wederom den brandenden dorst en de drukkende hitte. De toestand der -reizigers wordt onuitstaanbaar nog vóór de zon hare middaghoogte heeft -bereikt, en de ellende neemt in gelijke mate toe als het water slechter -wordt. Maar het leed moet verdragen worden en het wordt verdragen. Kan -de westerling zich nimmer gewennen aan het water, aan de in den beginne -ondragelijk schijnende hitte gewent hij zich spoedig, aan de bezwaren -van het rijden te eerder, hoe meer hij met zijn rijkameel één wordt. In -het vervolg zal hij voor goed, zuiver water zorgen en dan zal hij -weinig meer over de hitte, in ’t geheel niet meer over de -moeilijkheden, die het rijden veroorzaakt, klagen. - -Behagelijk rustend, alhoewel onzacht gewekt door de brullende -klaagliederen der opbrekende lastkameelen, laat de bewoner des lands de -goederenkaravanen vooruittrekken, laaft lijf en ziel aan koffie en -tabak, beklimt dan zijn dromedaris en jaagt met zijn kameraads zoo -schielijk voort als de rijdieren maar loopen willen. Geen woord wordt -er gewisseld, alleen het knarsen van het zand onder de elastische -voetzolen, het luide ademhalen en doffe, kolderende knorren der -kameelen wordt gehoord. In weinige oogenblikken is de goederenkaravane -ingehaald en heeft men zelfs aanmerkelijk op deze gewonnen. Een gazelle -graast niet ver van den weg en geeft hoop op een buit, die hier hoogst -welkom is. Met bekoorlijke sprongen huppelt de belichaamde -woestijngedachte des dichters voor de vervolgende ruiters uit, met -wijdgestrekte schreden draven de sterk aangezette kuchende kameelen het -dier achterna. Het wild schijnt zorgeloos en laat ons naderbij komen; -de ruiters nemen den schijn aan als wilden zij het voorbijrijden, -houden de kameelen in en vorderen langzamer; een hunner laat zich uit -het zadel glijden, doet zijn dier een oogenblik stil staan en schiet -onder diens lijf de nimmer missende buks af. In een oogwenk is de -aanvoerder uit het zadel gesprongen om zich van het gevelde wild -meester te maken; juichend sleept hij het mede, hecht het aan zijn -zadel, en verder trekt de schare. - -Tegen den middag wordt er rust gehouden. Bevindt zich een laagte in de -nabijheid, dan staat daar allicht eene mimosa, wier ijle bladerenkroon -een weinig schaduw biedt; strekt zich eene onafzienbare zandvlakte -rondom de ruiters uit, dan vormen vier in den grond gestoken lansen en -het daartusschen gehangen wollen tapijt een armoedig schaduwdak. Maar -gloeiend is het zand, dat tot rustplaats zal dienen, heet en drukkend -is de lucht, die men inademt; matheid en slapheid overvallen zelfs den -inboorling,—hoeveel te meer dus den westerling. Men snakt naar rust, -maar kan ze niet vinden; naar verkwikking, en deze blijft uit. Verblind -door het schitterend licht en de flikkerende lucht, sluit men de oogen; -gekweld door de zengende hitte, gepijnigd door den brandenden dorst, -wentelt men zich slapeloos op zijn leger om en om. Loodzwaar kruipen de -uren voort. - -De goederen-karavane trekt langzaam voorbij en verdwijnt in een -nevelige luchtzee, op welker golvende lagen de kameelen schijnen te -zweven. Nog altijd verwijlt men in denzelfden toestand en lijdt men -onder dezelfde bezwaren. De zon is reeds lang op het hoogst geweest, -maar nog altijd schieten haar gloeiende stralen met onverminderde -kracht naar beneden. Eindelijk, het is reeds laat in den namiddag -geworden, breekt men opnieuw op. Wederom volgt een rit zoo snel, dat de -schielijke beweging ons bijna een verkoelenden luchtstroom tegenzendt; -wij moeten de lastkaravane weder inhalen. Zij is ingehaald; zingend -loopen de kameeldrijvers achter de dieren. Een hunner is voorzanger, de -anderen vallen bij den laatsten regel van elk vers en steeds met -hetzelfde slotrijm in. - -Wanneer men bedenkt hoe moeilijk eene woestijnreis voor een -kameeldrijver is, dan verwondert men er zich over, dat men hem hoort -zingen. Voor het aanbreken van den dag belastte hij zijn dier, na -alvorens eenige handvollen doerrahkorrels, beider eenig voedsel, met -zijn kameel gedeeld te hebben; zoo lang de dag duurt drentelt hij -achter zijn dier, zonder eene enkele bete meer te nuttigen, ten hoogste -zich nu en dan lavende aan het stinkende water der lederen zakken; de -zon brandt op zijn schedel, het gloeiend zand zengt zijn voetzolen, de -heete lucht droogt zijn van zweet druipend lichaam; voor hem was er -geen tijd om te rusten, ja wellicht moest hij enkele zijner dieren nog -omladen of sommige opvangen, die weggeloopen zijn—en toch zingt hij -thans zijn lied. Het is de tooverkracht van de woestijnlucht, die deze -stemming uitlokt. - -Wanneer de zon ter ruste gaat, schijnen de lichamen dezer uitgedroogde -kinderen der woestijn opnieuw op te leven; want ook zij gelijken in -alles op hun verhevene moeder, de woestijn. Met deze verbranden zij op -den middag, met haar bloeien zij op in den nacht. Zoodra de zon ter -kimme neigt, weeft hun dichterlijk talent, nog vóór de slaap is -gekomen, gouden droomen. De zanger prijst de waterrijke bronnen, de -palmboschjes, die deze omringen, en de donkere tenten, die er onder op -zijn geslagen; hij begroet een bruin meisje in de tent, dat hem den -heilsgroet brengt, roemt haar schoonheid, vergelijkt haar oogen met die -der gazelle, haar mond met een roos, wier geur als woorden in zijn -oorschelpen tot een parelensnoer zich aaneenrijgen, versmaadt om haar -de eerstgeboren dochter des sultans en zegent het uur, dat hem in staat -zal stellen zijne tent met haar te deelen. Zijn makkers vermanen hem -evenwel nog hoogere verlangens te koesteren en richten deswege telkens -zijn gedachten op den profeet, „die onze wenschen en zoete verlangens -bevredigt.” - -Zoo klinkt dat lied den vreemdeling uit noorderlanden tegen, en ook bij -hem komen er vaderlandsche liederen op de lippen. En wanneer dan de -laatste rozengloed der ondergegane zon tegen het luchtruim -weêrspiegelt, wanneer de nacht haar tooverkleed over de woestijn -uitspreidt, dan is het hem alsof het zwaarste nog licht is gevallen en -alsof hij gedurende de hitte des daags geen dorst, gedurende den rit -geen bezwaren heeft gevoeld. Vroolijk springt hij uit het zadel, en -terwijl de drijvers hun kameelen ontladen en vastbinden, effent hij het -zand en hoopt het op tot een nachtleger, spreidt hij er tapijten en -dekens over uit en geeft hij zich met wellust over aan de vurig -verlangde rust. - -Slechts weinige schreden in ’t rond verlicht het kleine vuur de vlakte. -Vlijtig weren zich de halfnaakte, donkere zonen der woestijn daar om -heen. De vlam werpt op deze lieden, die in de schemering van den nacht -tot schaduwen worden, een tooverachtig licht; balen, kisten, zadels en -gereedschappen, alles neemt de vreemdste gedaanten aan; de kameelen, -die buiten de bagage in een wijden kring zijn gelegerd, veranderen in -spookgestalten, vooral wanneer hun oogen, door het vuur beschenen, tot -vurige kogels worden. Stiller en stiller wordt het in het leger. De -eene woestijnzoon na den anderen verlaat de kameelen, met wie hij zijn -armzalig avondeten heeft gedeeld, hult zich in zijn lang gewaad, gaat -liggen en smelt in een met het zand. Het vuur flikkert nog eenmaal op, -verliest zijn glans en dooft uit. Het is werkelijk nacht geworden in -het leger. - -Wie zal hem beschrijven, den nacht in de woestijn? Het moet een dichter -zijn bij de gratie Gods. - -Wie is bij machte—al had hij hem zelf doorleefd, doorwaakt, doorzwelgd, -doorgedroomd—diens schoonheid naar eisch te malen? Na de hitte van den -dag is hij de milde, vergoedende en verzoenende heilaanbrenger, de -vrede- en vreugdeschenker, dien de man met niet minder verlangen te -gemoet ziet als de geliefde, wier komst zoo lang met smart werd -verbeid. „Leïla”, de sterheldere nacht der woestijn, Leïla is den -Arabier de verpersoonlijking van al wat hoog is en heerlijk, Leïla -noemt hij zijn dochter; met de woorden: „mijn sterheldere nacht” vleit -hij minnekoozend zijn geliefde; „Leïla, o Leïla” luidt steeds het -slotrijm van al zijn liederen. Maar welk een nacht is het ook, die hier -in de woestijn, na de vele vermoeienissen en bezwaren van den dag, de -zinnen en het hart omstrikt! In ongekende klaarheid en helderheid -fonkelen de sterren aan het donker gewelf des hemels; het licht der -meest nabijzijnden werpt zelfs een zwakke schaduw op den licht -gekleurden grond. Met volle teugen ademt de mensch de zuivere, -verkoelende, verkwikkende lucht in; vol verrukking laat hij het oog -dwalen van de eene zon naar de andere. Meer en meer schijnt het licht -der sterren tot hem af te dalen; zijn geest verbreekt de boeien, die -hem aan het stof ketenen en houdt een samenspraak met andere werelden. -Geen geluid, geen gedruisch, zelfs niet het sjirpen van een sprinkhaan -stoort de gedachten. Nu eerst openbaart zich aan hem de majesteit en -verhevenheid der woestijn; haar onuitsprekelijke vrede maakt woning in -zijn hart. Maar ook een trotsch gevoel van eigenwaarde dringt zich bij -hem op; hier, te midden der oneindige eenzaamheid, zoo alleen, zoo -buiten alle gemeenschap met de menschenwerelds enkel op zich zelf -aangewezen te zijn, zulks wekt bij hem een gevoel van vertrouwen, moed -en hoop. Droombeelden vol bekoorlijkheid treden voor zijn wakend oog en -onweêrstaanbaar slepen ze hem meê; zij blijven hem omzweven, ook dan -nog wanneer de sterren beginnen te beven, de gedachten hem verlaten en -de oogen zich sluiten. - -Na de verkwikking naar ziel en lichaam, gelijk de woestijnnacht die -schenkt, vallen de vermoeienissen den volgenden dag niet zoo zwaar, hoe -veel strijd het ook moge kosten het vuile water, dat met elk uur -slechter wordt, te drinken. - -Ware rust evenwel, een door niets gestoord genot wordt eerst verkregen, -wanneer men eene bron heeft bereikt. Voortdurend bedreigd door gebrek -aan de allereerste levensbehoefte is elke woestijnreis een rusteloos -jagen en voorwaarts spoeden, zoodat er geen sprake is van de gemakken, -die aan eene reis aangenaamheid bijzetten. De eene dag verloopt even -als de andere; elke nacht gelijkt, althans in het gunstige seizoen, op -den vorigen. In de oase, aan de bron, wordt de dag een feestdag, de -avond een onvergald genot, de nacht een werkelijke, verkwikkende rust. - -Het ontstaan eener oase is afhankelijk van eene kom of dalvormige -verdieping, daar zonder eene altijd wellende bron, ten minste zonder -een gegraven put, eene iets weeldigere vegetatie onmogelijk is, en de -woestijn nergens anders water oplevert dan in het hooggebergte of in de -diepste dalen. - -Evenals in vele andere opzichten de zandzee een tegenhanger is van den -Oceaan, zoo vormen ook de eilanden van dezen eene tegenstelling met die -der woestijn; zij liggen nl. niet boven, maar beneden de omringende -vlakte. Het water komt hier òf als bron te voorschijn, òf het bevindt -zich toch op geringe diepte beneden het oppervlak. De hoeveelheid en de -hoedanigheid van dat water bepalen het karakter der oase. In slechts -weinige laagten borrelt er een zuiver, koel water uit den grond. De -meeste bronnen zijn zout-, ijzer- of zwavelhoudend, zeer dikwijls warm, -en uit dien hoofde wellicht geneeskrachtig, maar daarom nog geenszins -drinkbaar, of bevorderlijk voor de vruchtbaarheid van den bodem. -Slechts onder bijzonder gunstige omstandigheden komt het water aan de -oppervlakte te voorschijn; in de meeste gevallen sijpelt het door de -spleten der rotsen of in gegraven putten droppelsgewijs bijeen en moet, -althans nu en dan, opgepompt worden. En ook daar, waar het opwelt, -loopt het in den regel alweder spoedig in het zand weg, indien de -mensch niet tusschenbei treedt en het verzamelt en verdeelt. Toch doet -het onder alle omstandigheden een jeugdig, in deze woestenijen dubbel -welkom leven ontkiemen. - -Lang vóór de mensch de bron in bezit nam, had zich reeds eene groene -plantenwereld daaromheen verzameld. Wie zal ons zeggen hoe deze -ontstond? Wellicht was het de zandstorm, die de zaden uitstrooide, -welke in de nabijheid der bron ontkiemden, bloeiden en groeiden, en -wederom zaden voortbrachten, die zich over het geheele dal -verspreidden. Menschen hebben daarin ongetwijfeld geen aandeel gehad, -want mimosen, die het voornaamste bestanddeel der vegetatie vormen, -ziet men ook in de dalen, waar zich geen bronnen bevinden, nu eens een -enkele struik, dan tien, twintig en meer tot een klein boschje -vereenigd. Deze alleen kunnen reeds leven aanbrengen; zij groeien, -bloeien en geuren—en dat zoo frisch, zoo heerlijk, zoo welriekend! In -de vriendelijke schaduw dezer mimosa’s rust de gazelle; uit hare toppen -schalt het lied der woestijnzangers. Haar malsch gebladerte verkwikt te -midden der stijve kalkmassa’s, der zwarte granietkegels en van het -blinkend zand, het oog als meigroen; haar bloesems en schaduw laven de -ziel. In groote, aan water meer rijke oasen heeft de mensch den -palmboom overgebracht en tusschen de mimosa’s geplant; daarmede -verkreeg deze tuin der woestijn nog grooter bekoorlijkheid. De palmboom -is hier alles in alles; de koning der boomen, die den mensch aan eene -kleine plek gronds ketende en hem alles verstrekt, wat hij voor zijn -voeding noodig heeft, de in liederen verheerlijkte, en door de bloesems -der sage omrankte boom des levens. Wat was de oase zonder den -palmboom?! Eene tent zonder dak, een huis zonder bewoners, eene bron -zonder water, een lied zonder woorden, een gezang zonder tonen, eene -schilderij zonder kleuren! Zijn vruchten voeden den trekherder of hem, -die daar zijn vaste woonplaats heeft opgeslagen; zij veranderen in hun -handen in tarwe of gerst, zij bevredigen zelfs den tolgaarder zijns -gebieders en meesters; zijn stammen en bladeren leveren hem woningen, -huisraad, matten, manden, zakken, touwen en banden. In het zand der -woestijn leert men eerst de onschatbare waarde van dien boom kennen, -zijn volle beteekenis; in het zand der woestijn erkent men den zin van -het symbool, waarvan de Arabische dichtkunst zich bedient. Evenals deze -ontspruit hij dikwijls uit een vruchtbaren grond, evenals deze streeft -hij krachtig, altijd zichzelf gelijk blijvend, naar omhoog, om ook -eerst in de hoogte zoete vruchten voort te brengen. - -Mimosen en palmen zijn de karakteristieke boomen der oase, en ook daar -ontbreken deze planten niet, alwaar het water zoo rijkelijk vloeit, dat -men er tuinen en akkers zou kunnen aanleggen. Hier vormen zij als het -ware de voorposten tegen het opdringend woestijnzand, maar blijven daar -dan ook beperkt tot den buitenrand der woestijneilandjes, terwijl het -inwendige ingenomen wordt door planten, die behoefte hebben aan meer -water. In de nabijheid der bronnen of aan den put breiden zich dikwijls -tuinen uit, waarin men soms schier alle vruchten van Noord-Afrika -aanbouwt. Hier rankt de druif, gloeit de oranjeappel tusschen het -donkere loof, opent de granaat zijn rooskleurigen mond, spreidt de -banaan zijn gevinde bladeren uit, omslingert de meloen de -groentebedden, en voltooien de vijgencactus en olijfboom, misschien -zelfs wel vijgen-, abrikozen- en amandelboomen het beeld der -vruchtbaarheid. Op verderen afstand bevinden zich akkers, waarop -althans kafferkoren, in een gunstig geval tarwe en rijst verbouwd -worden. - -In zulke rijke oasen heeft de mensch vaste woonplaatsen opgeslagen, -terwijl hij in de meer arme laagten slechts nu en dan, op meer of min -geregelde tijden, gastvrijheid zoekt. Het dorp of stadje der oase -verschilt weinig van de bewoonde plaatsen der naburige vruchtbare -landen; men vindt ook hier eene moskee, bazars en koffiehuizen; de -menschen echter zijn kinderen van een anderen geest dan de boeren en -stedelingen van den Nijl of van de kustlanden. Ofschoon meestal van -verschillenden stam hebben zij toch gelijke zeden en gewoonten -aangenomen. De woestijn heeft hen omgestempeld. Hun magere gestalte, -scherpe gelaatstrekken, hunne door zware wenkbrauwen beschaduwde, -fonkelende oogen doen hen terstond kennen als zonen der woestijn; nog -sterker vindt men dit uitgesproken in hunne zeden en gewoonten. Zij -zijn vrij van aanmatiging, ijverig, wakker en tevreden, gastvrij, open, -eerlijk en trouw, maar ook fier, prikkelbaar en opvliegend, geneigd tot -roof en andere gewelddadigheden, in welk opzicht zij met de Bedoeïnen -overeenkomen, alhoewel zij bij dezen ten achter staan in goedheid -zoowel als in boosheid. Elke karavane, die zich bij hen laat invinden, -is hun ten hoogste welkom, maar de reiziger is hun, meenen zij, -tolplichtig. - -Geheel verschillend van zulke oasen zijn die laagten, in welke zich -slechts bij uitzondering de zoo vurig begeerde bron bevindt. De -Arabische trekherders zijn tevreden, wanneer zulk eene bron slechts -enkele maanden of enkele weken het noodige drinkwater voor henzelf en -hunne kudden oplevert; de hier uitrustende karavane mag blijde zijn, -wanneer er voorraad is voor enkele dagen. Gewoonlijk is de bron een -diepe put, wier wanden eer water uitzweeten dan in mild vloeiende -aderen naar omlaag zenden. Ettelijke tompalmen verheffen zich tusschen -de spaarzaam verspreide mimosa’s en salicaria’s in de omgeving der -bron; eenige weinige grashalmen ontsproten aan de dorre aarde. - -Vreeselijk arme menschen zijn deze trekherders, die hier hun tenten -hebben opgeslagen tot zoolang als hunne kleine kudden geiten er voedsel -vinden; hun „strijd om het bestaan” is niets dan een onafgebroken -aaneenschakeling van kommer, ontbering en gebrek. Een lang zwart doek -van geitenwol wordt in ’t midden over een staketsel uitgehangen, en met -de uiteinden aan in den grond geslagen pinnen bevestigd; de eene -opening wordt gesloten door een doek van dezelfde stof, de ander, die -den ingang zal vormen, door een mat van palmbladeren,—daarmede is de -tent gereed, de bruidsgift der vrouw, aan welke deze van haar achtste -tot haar zestiende jaar heeft gewerkt, verzameld, gesponnen en geweefd; -het huisraad bestaat uit eenige matten om op te rusten, uit een -granietplaat met daarbij behoorenden wrijfsteen om het ingeruilde koren -te malen, uit eene vlakke aarden plaat voor het roosten der koeken, en -verder uit twee buikige potten, eenige lederen zakken, een bijl en -ettelijke lansen. Eene kudde van twintig geiten geldt bij hen reeds -voor een grooten rijkdom. Maar deze menschen zijn even braaf als arm, -even beminnelijk als welgevormd, even goedaardig als schoon, even -edelmoedig als bescheiden, even gastvrij als eerlijk, even rein van -zeden als geloovig. - -Beelden aan de oudheid ontleend rijzen op voor den geest des -westerlings, wanneer hij deze nomaden voor ’t eerst ontmoet; de -Bijbelsche personen ziet hij hier levend voor zich, hij hoort hen -spreken in de hem uit zijn kinderjaren bekende taal. Duizenden jaren -zijn over deze nomaden voorbijgesneld als een enkele dag; op dit -oogenblik nog denken, spreken en handelen zij even gelijk de -aartsvaders dachten, spraken en handelden. Dezelfde groet als uit -Abrahams mond klinkt van hunne lippen den vreemdeling tegen; dezelfde -woorden, die Rebekka richtte tot den knecht Abrahams, hoorde ik mij -toespreken, toen ik, gekweld door een ontzaggelijken dorst, bij de put -van Bahioeda van mijn kameel sprong, en van een jonge, schoone, bruine -vrouw te drinken begeerde. Daar stond zij voor mij, de Rebekka van vóór -duizenden jaren, in levenden lijve, in onverwelkte jeugd, eene andere -dan zij, van wie de Schrift spreekt, en toch dezelfde. - -Bij de aankomst eener karavane verzamelt zich de geheele bevolking -dezer tijdelijke nederzetting. De oudste treedt uit den kring naar -voren en brengt den vredegroet; de overigen heeten de vreemdelingen -welkom. Dan biedt men het kostbaarste aan, wat de reizigers begeeren, -het frissche water, en al wat men verder bezit, en zulks met -verrassende vriendelijkheid, zonder op te dringen en toch gemeend. -Gretig verzwelgen de reizigers met volle teugen het verkwikkende vocht; -ongeduldig dringen tevens de kameelen naar de bron, alhoewel zij bij -ervaring weten, dat zij eerst afgeladen, vastgebonden en naar de weide -gebracht moeten worden, alvorens het hun geoorloofd is na eene -ontbering van vier tot zes dagen, weder hun dorst te lesschen. Men laat -echter ook aan de bron geen enkelen droppel verloren gaan, weshalve men -hun eerst het nog in de lederen zakken bevatte water geeft; daarna -worden deze opnieuw gevuld, om dan eerst de kameelen te drenken, -ofschoon men dan nog meer de hoeveelheid voorhanden water in ’t oog -houdt dan de behoefte der dieren zelf. Slechts bij eene zeer rijkelijk -vloeiende bron laat men vrijen teugel aan hun onleschbaren dorst, en -dan is het een genot hen te zien drinken, altijd maar door, zonder -ophouden, terwijl zij daarna met koddige, onbevallige, door boeien -belemmerde sprongen naar de niet minder vurig begeerde weide rennen, om -hier de als een halfvolle ton dansende maag verder met voedsel te -vullen. - -Voor de reizigers en den daar gelegerden stam breekt echter een ware -feestdag aan. De eersten vinden frisch water, misschien zelfs wel melk -en vleesch, die ’t genot der rust niet weinig verhoogen, de -inboorlingen verheugen zich in de afwisseling, die de karavane brengt -in de eentonigheid van hun leven. Een der kameeldrijvers heeft in de -naastbijstaande tent het geliefkoosde muziekinstrument der -woestijnbewoners, de tamboera of vijfsnarige cither gevonden, en -begeleidt daarmede op meesterlijke wijze zijn eenvoudig gezang. Deze -klanken lokken de dochteren der nomaden; slanke, schoone vrouwen en -meisjes omringen vragende de vreemde mannen en richten op dezen en -hunne goederen doordringende, blauwe oogen. Wapen u, vreemdeling! die -oogen zouden uw hart in gloed kunnen zetten! Zij zijn nog veel schooner -dan die der gazelle en de lippen daar beneden beschamen de koralen, de -verblindend witte tanden daartusschen de paarlen, die gij deze -dochteren der woestijn misschien zoudt willen vereeren! - -Nu schijnt alles één lied, één gedicht te zullen worden. Om den -citherspeler scharen zich enkele groepjes, die zich gereed maken tot -den dans; ruwe en zachte handen begeleiden met maatslag de tonen van -het speeltuig, de woorden des lieds en den gelijkmatig golvenden dans. -Nieuwe gedaanten komen, bekende verdwijnen; het is een bestendig -afwisselend dringen en wenden om de vreemdelingen, die zoo verstandig -zijn, om even onschuldig en vertrouwelijk te ontvangen als hun gasten -geven. Alle bezwaren der woestijnreis zijn vergeten, heimwee en -verlangen bevredigd; want het water, het water borrelt overvloedig en -treedt in de plaats van alle behoeften van andere plaatsen en tijden. - -Deze rust sterkt lichaam en geest. Opgefrischt zet de karavane hare -reis voort, en indien de dagen niets ergers brengen dan zonnegloed, -dorst en afmatting, bereikt zij onverzwakt ook de tweede en derde bron -en eindelijk het doel der reis, de eerste stad of het eerste dorp aan -gene zijde der woestijn. - -Maar veranderlijk als de oceaan, die de aarde omgordt, is ook de -zandzee. Ook hier woeden stormen, die haar schepen doen stranden en -verderfaanbrengende golven oproepen. Ten tijde, dat de maandenlang -waaiende noordenwind in strijd geraakt met zuidelijke luchtstroomen, of -wanneer deze reeds de alleenheerschappij hebben erlangd, ziet de -reiziger plotseling het zand levend worden, in dikke en hooge zuilen -opstijgen, die nu eens langzamer, dan schielijker over de vlakte -heensnellen. Door de zon beschenen nemen zij het voorkomen aan van -vuurzuilen; dan weder zien zij er kleurloos uit of het zijn -angstwekkende, zwarte spookgestalten; de wind verdunt en verdikt ze, -scheidt hier eene zuil in tweeën, vereenigt ginds twee of meer tot eene -in de wolken eindigende zandhoos. De westerling wil in luide -bewoordingen zijn verwondering te kennen geven, maar de angstige -blikken zijner begeleiders verlammen hem de tong. Wee de karavane, die -door zulk een wervelstorm wordt ingehaald; zij mag blijde zijn, wanneer -het leven van menschen en dieren behouden blijft! En woeden deze boden -des noodlots zonder schade over het hoofd van het reisgezelschap heen, -het gevaar is daarom nog niet voorbij, want de samoem, de vergiftige -stormwind, volgt den eersten op den voet. - -Deze in de woestijn onder alle omstandigheden het meest gevreesde wind, -die als Chamasien door Egypte, als Sirocco tot in Italië, als Föhn door -de Alpen, als dooiwind door Noord-Europa giert, verheft zich geenszins -altijd tot een storm; dikwijls waait hij onmerkbaar zacht, en toch doet -hij mannenharten beven. Over dezen wind is zeer veel gefabeld geworden; -dit is evenwel waar, dat de samoem bij tijd en wijle voor de karavanen -hoogst gevaarlijk worden kan, en dat hij de oorzaak is der witgebleekte -geraamten van kameelen, alsmede van de door het zand halfbedolven, -uitgedroogde mummiën van menschen, die men langs elk woestijnpad vindt. -Want niet zoozeer zijne kracht, maar zijn aard, zijn elektrische -spanning brengen lijden en verderf over de menschen en lastdieren, -welke de woestijn doortrekken. - -Althans één dag, somtijds eenige dagen vooruit, voorspelt de inboorling -en ook de met het land bekende vreemdeling den zandstorm. -Onbedriegelijke teekens zijn de voorboden. De lucht wordt zwoel, zwaar, -drukkend; een dunne, grijsachtig of roodachtig getinte damp benevelt -den hemel; geen tochtje beweegt de lucht. Alle levende wezens lijden -zichtbaar onder de zwoelte, die elk oogenblik drukkender wordt; de -menschen klagen en jammeren, het wild wordt schuwer, de kameelen worden -onrustig en koppig, dringen op elkaar, blijven staan of gaan liggen. -Kleurloos gaat de zon onder. Geen avondrood omzoomt den hemel, het -nevelkleed bluscht elk licht uit. De nacht brengt geen afkoeling of -verkwikking, eer vermeerdering van hitte, krachteloosheid en -onbehagelijkheid; in weêrwil van alle loomheid ontvliedt de slaap het -oog. Zijn menschen en dieren nog in staat zich te bewegen, dan rust men -niet, maar trekt integendeel met angstige haast verder, zoolang de gids -nog een enkel hemellicht waarneemt. De damp verandert in een drogen -nevel en het eene gesternte na het andere wordt aan den blik -onttrokken; zelfs de maan en de zon, welke laatste in het gunstigste -geval slechts half zoo groot is als gewoonlijk, worden bleek en -onduidelijk. - -Soms begint de wind om middernacht aan te wakkeren, meestal tegen den -middag. Zonder uurwerk kan men het tijdstip niet bepalen, want de nevel -is intusschen zoo dik geworden, dat de zon geheel omsluierd wordt en -een droefgeestig schemerlicht over de vlakte ligt uitgespreid, zoodat -reeds op geringen afstand geen voorwerp meer te onderscheiden is. -Zacht, nauwelijks voelbaar begint nu de wind te waaien. Het is nog geen -werkelijk waaien, maar meer een zacht ademen. Die luchtadem is gloeiend -heet en dringt evenals een kille, ijzige wind door merg en been, -veroorzaakt een doffe hoofdpijn, verslapt en beangstigt. Daarop volgt -een meer waarneembaar, even gloeiend, even verderfelijk waaien. Enkele -korte, huilende stooten mengen zich daaronder. - -Thans is het hoog tijd om te gaan liggen. Zulks geven ook de kameelen -te kennen, want geen zweepslag brengt deze dieren meer vooruit. Vol -angst knielen zij neêr, strekken den hals uit, drukken dien tegen den -grond en sluiten de oogen. De drijvers ontladen hen ijlings, bouwen uit -de bagage zoo schielijk mogelijk een ringmuur, stapelen alle zakken op -elkaar om de aan den wind blootgestelde oppervlakte te verkleinen, -bedekken ze met alle aanwezige matten, hullen zich, evenals alle andere -reizigers deden, zoo dicht mogelijk in hunne dekens, maken het -gedeelte, dat om het hoofd is gewonden nat en zoeken dan een -schuilplaats achter de goederen. In groote haast werd een en ander -volbracht, want de zandstorm zal nu niet lang meer op zich laten -wachten. - -Het aantal stooten vermeerdert; zij volgen sneller op elkander en -weinige minuten later woedt de storm met volle kracht. Het giert en -dreunt, fluit en huilt door de lucht, het ruischt en loeit in het zand, -het knettert, knalt en kraakt in het leger, waar de planken kisten -verbrijzeld worden. De hitte neemt nog steeds toe en wordt eindelijk -onverdragelijk, onttrekt aan het van zweet druipende lichaam alle -vochtigheid, doet alle slijmvliezen scheuren, zoodat het bloed er uit -vloeit; de naar water dorstende tong wordt zwaar als lood, de polsslag -versnelt, het hart krimpt ineen, de huid scheurt en splijt, de razende -storm vult deze kloven met fijn zand, en veroorzaakt daardoor nieuwe -kwellingen. De zonen der woestijn bidden en zuchten, de westerling -steunt en klaagt. - -Gewoonlijk duurt de hevigste woede van den zandstorm niet lang, een, -twee, drie uren slechts, evenals bij ons een onweder, waarmede men hem -zou kunnen vergelijken. Naarmate hij bedaart, gaat ook het stof liggen -en klaart de lucht op, terwijl een enkele maal een tegenstroom uit het -noorden daarop volgt. De karavane herstelt zich en trekt verder. Duurt -de samoem echter een halven of heelen dag, dan kan het den reizigers -gaan gelijk een mijner kennissen, den Franschman Thibaut, die op zijn -tocht door de noordelijke Bahioeda de laatste bron opgedroogd vond en -met bijna ledige waterzakken moest opbreken, om den op vier dagreizen -afstands gelegen Nijl te bereiken. De vergiftige wind brak over hem en -zijne in doodsangst gebrachte karavane, die alle niet dringend -noodzakelijke goederen bij de uitgedroogde bron had achtergelaten, los. -Het ongelukkige reisgezelschap legerde zich, hoopte op het einde van -den storm, wachtte tevergeefs, klaagde, werd moedeloos en wanhopig. Een -van Thibauts bedienden sprong razend op, overstemde door zijn huilen -den storm, gilde, tierde, woedde, en viel eindelijk uitgeput op zijn -meester neêr, liet een gereutel hooren en gaf den geest. Een tweede -lag, toen de storm eindelijk zweeg, insgelijks dood op zijn -legerstede,—de hitte had hem gedood. Een derde moest, nadat men weder -opgebroken had en hij koortsachtig, als om den dood te ontloopen, -voortsnelde, achterblijven, en versmachtte. Van de kameelen was de -helft bezweken. Thibaut bereikte met de overige menschen en dieren den -Nijl, maar zijn gitzwart haar was in den tijd van twee dagen sneeuwwit -geworden. - -Van zulke stormen stammen de mummieachtige lijken af, die men langs de -karavanenwegen vindt. De storm, die doodde, begroef meteen de lijken en -dekte ze met zand; dit zand onttrekt snel aan de lichamen alle vocht, -zoodat zij, in plaats van te verrotten, uitdrogen en tot mummies -worden. De eene windvlaag werpt er een nieuwe laag zand over heen, de -andere ontbloot ze. Nu eens strekt het lijk eene hand, dan een voet of -zijn gezicht naar den reiziger uit; een der kameeldrijvers voldoet aan -het bevel van den doode, begeeft zich tot hem, werpt weder zand op hem -en trekt verder onder het uiten der woorden: „Slaap, knecht des -Allerhoogsten, slaap in vrede!” - -Zulke stormen zijn het ook, die in den geest der gespaarden de -droombeelden der Fata Morgana opwekken. Zoolang de mensch in ’t volle -bezit zijner krachten en met gezonde zinnen voorttrekt, beschouwt hij -de luchtspiegeling wel als een de aandacht trekkend natuurverschijnsel, -maar zij wordt hem niet tot Fata Morgana. In het heete jaargetijde -ontstaat in de woestijn tegen het midden van den dag, van negen uur in -den voormiddag tot drie uur in den namiddag, elken dag de „duivelszee”. -Een grijze, op eene zee, beter nog op een overstroomd land gelijkende -vlakte, rijst daar, alwaar de woestijn geheel van plantengroei ontbloot -is op zekeren afstand voor of om den reiziger in ’t rond op; deze zee -golft, glinstert en schittert, laat alle werkelijk bestaande voorwerpen -zichtbaar blijven, maar heft ze schijnbaar tot het oppervlak der zee op -en weêrkaatst hun beelden naar beneden. In de verte voorttrekkende -kameelen of paarden verkrijgen het voorkomen van door wolken gedragen, -geschilderde engeltjes, en wanneer men hunne bewegingen kan -onderscheiden dan is het alsof zij de beenen verzetten op een uit -nevelen gevormde onderlaag. De afstand, waarop de naar het oog -toegekeerde grens van dit verschijnsel is gelegen, blijft steeds -dezelfde, zoolang de waarnemer zijn gezichtshoek niet verandert en is -dus voor den ruiter eene andere dan voor den voetganger. Het geheele -wonder berust op de bekende wet, dat een lichtstraal, die van de eene -middenstof in eene andere overgaat, gebroken wordt, zoodat dit -verschijnsel zich steeds moet voordoen, wanneer de onderste luchtlagen -door de terugkaatsing der warmtestralen van het verhitte zand -ongelijkmatig worden uitgezet. Geen Arabier bedekt bij ’t zien eener -luchtspiegeling zijn gezicht, gelijk fantaseerende reizigers hun -goedgeloovige lezers willen wijs maken; zelfs hechten zij geen diepere -beteekenis aan de benaming „zee des duivels”. Wanneer evenwel angst, -ontbering, vermoeidheid en gebrek op een zandstorm volgen en de -geestkracht hebben verlamd, en wanneer dan de luchtspiegeling zich -vertoont, kan deze tot Fata Morgana worden. De zieke verbeeldingskracht -schept zich nu zoodanige beelden, die met de vurige wenschen van het -oogenblik, de begeerte naar water en rust, in harmonie zijn. Ik heb -zelf honderden malen de luchtspiegeling aanschouwd en ook mij is zij -eenmaal tot Fata Morgana geworden. Zulks had plaats toen ik na een -onlijdelijken dorst van een etmaal achtereen de „zee des duivels” voor -mij zag schitteren en glinsteren. Toen verbeeldde ook ik mij den -heiligen Nijl, booten met gezwollen zeilen, palmboschjes, tuinen en -landhuizen voor mij te zien. Maar op dezelfde plaats, alwaar mijne -zieke zinnen een palmenwoud zagen groeien, zag mijn eveneens -versmachtende metgezel zeilbooten, en daar waar ik een tuin meende te -aanschouwen, spiegelden zich voor zijne ziel bosschen af. Maar al deze -fantasieën verdwenen, zoodra wij toevallig water ontdekten en ons -daarmede hadden gelaafd; alleen de grijze nevelzee hield stand. - -De „zee des duivels” heeft ongetwijfeld ieder reiziger aanschouwd, die -de eene of andere woestijnstreek der Nijlboorden is doorgetrokken; maar -niet een ieder is het gegund een der levendigste tooneelen onder de -oogen te krijgen, welke de woestijn opluisteren. Aan den uitersten zoom -van den horizon, misschien wel door de luchtspiegeling omhoog geheven -en in een nevelwaas gehuld, duiken eenige ruiters op, die op -rankpootige paarden zijn gezeten, wier snelheid die des winds evenaart; -deze ruiterbende nadert ras en stuift eindelijk, terwijl men de tot nu -toe gespaarde dieren in vollen draf aandrijft, op de karavane los. Ik -heb hen altijd gaarne ontmoet, die magere, typisch gekleede mannen, -want ook in hen en hunne paarden zag ik de harmonie der woestijn met -hare kinderen. Als een getrouwe zoon der woestijn verscheen hij mij, de -Bedoeïnen, als haar en zijn spiegelbeeld het ros, dat hij berijdt. Want -ook hij is ernstig en vreeselijk als de dag, vriendelijk en zacht als -de nacht der woestijn. Trouw aan ’t eens gegeven woord, onbepaald -gehoorzaam aan de zeden en gebruiken van zijn stam, waardig in zijn -optreden, verheven in zijn uitdrukkingen, onovertroffen in onthouding -en ontbering, ontvankelijk meer dan iemand voor mannelijke daden, voor -roem en eer, en niet het minst voor het gouden weefsel der poëzie, welk -laatste bewezen wordt door zijne vertellingen en sprookjes, doorweven -van de rijkste beelden, omlijst door de heerlijkste en geurigste -bloemen. Aan den anderen kant is hij listig en geslepen tegenover zijn -vijand, een slaaf zijner gewoonten, laag en gemeen, zonder eenige -waardigheid in zijn begeerten en eischen, gulzig in het genieten, -onbegrensd wreed, vreeselijk in zijn wraak; heden is hij een -ridderlijke gastheer, morgen een onbeschaamde bedelaar, den eenen keer -een trotsche roover, een ander maal een ellendige dief; kortom, even -veranderlijk als de woestijn. Zijn ros bezit hetzelfde verstandige, -vurige sprekende oog, dezelfde kracht en lenigheid der magere, -schijnbaar zwakke ledematen, dezelfde taaiheid, dezelfde tevredenheid, -hetzelfde wezen als hij; want beide groeiden op in dezelfde tent, beide -rusten onder hetzelfde dak. Het dier is niet de slaaf, maar de metgezel -en vriend van den Bedoeïnen, de speelgenoot zijner kinderen. - -In de vrije woestijn trotsch, moedig, zelfs wild, is het in de tent -gedwee als een lam; en zoo is het als het ware een integreerend -bestanddeel van zijn heer en gebieder. - -In alle woestijnen, die althans nog in naam onder de heerschappij van -den Khedive van Egypte staan, spelen de Bedoeïnen heden ten dage -geenszins nog dezelfde rol als in vroegere tijden, of als tegenwoordig -nog in Arabië en de landen van Noord-Westelijk Afrika. De Egyptische -regeering heeft met hen verdragen gesloten, die hun den plicht opleggen -de karavanen ongehinderd door hun gebied te laten trekken. Rooverijen -in de woestijn behooren dan ook tot de zeldzame uitzonderingen, en eene -ontmoeting met Bedoeïnen verwekt ook daarom geen groote bezorgdheid, -omdat deze zonen der woestijn doorgaans de eigenaars der gehuurde -kameelen zijn; evenwel nemen de aan hun oude gewoonten verkleefde, ware -heeren der woestijn gaarne het voorkomen aan van eene zekere -soevereiniteit; men handelt dan ook verstandig, alvorens de -woestijnreis aan te vangen, vrijgeleide te vragen van den een of -anderen aanzienlijken hoofdman. Heeft men dit verkregen, dan loopt eene -ontmoeting gewoonlijk op de volgende wijze af. - -Een der door de zon verbrande mannen springt uit de ruiterschaar naar -voren en wendt zich tot den aanvoerder of uitruster der karavane. - -„Heil zij U, o vreemdeling!” - -„Gods zegen, genade en barmhartigheid mogen met U zijn, o hoofdman!” - -„Waarheen trekt gij, o mannen?” - -„Naar Belled-Aali, o scheik.” - -„Trekt gij onder vrijgeleide?” - -„Wij trekken onder het vrijgeleide van Zijne Hoogheid, den Khedive.” - -„Onder geen ander?” - -„Ook Scheik Soliman, Mahammed Cheir Allah, Ibn Sidi Ibrahim Aulad Aali -heeft ons vrijgeleide en vrede gegeven.” - -„Dan zijt gij welkom en gezegend.” - -„De Zegenuitdeeler begenadige U en Uwen vader, o hoofdman!” - -„Hebt gij iets van noode? Mijne mannen zullen het u geven. In de Wadi -Ghiteri staan onze tenten, wanneer gij rust wilt zoeken, zult gij daar -welkom zijn. Zoo niet, dan moge Allah U een gelukkige reis geven.” - -„Hij zal met ons zijn; want Hij is genadig.” - -„En de leidsman op alle goede wegen.” - -„Amen, o hoofdman!” - -Weg vliegt de bende; ruiters en paarden smelten wederom ineen; de -lichte hoeven der dieren schijnen den grond niet te raken, de witte -boernoe’s fladderen in den wind, en de woorden des dichters worden -levend in de ziel: - - - „Bedoeïnen, gij zelf op uw ros - Zijt een fantastisch lied.” - - -Zulke beelden toovert ons de woestijn voor oogen. Naarmate men meer met -deze vertrouwd wordt, nemen zij scherper omschreven trekken aan, en -doen zij de moeiten en bezwaren verminderen. Maar het zijn vooral de -laatste uren der woestijnreis, die het hoogste genot aanbrengen. -Wanneer het eerste palmendorp van het bebouwde land, wanneer het -zilveren lint van den heiligen stroom wederom zichtbaar wordt, dan is -dat uur gekomen. Menschen en dieren ijlen en haasten, alsof de vurig -gewenschte werkelijkheid een droombeeld kon zijn, dat wederom in een -nevel zal worden opgelost. Duidelijker en scherper omgrensd treedt het -doel der reis voor oogen; het is alsof men nooit frisscher kleuren -gezien heeft, men meent dat nergens zulke groene boomen groeien en -nergens koeler water wordt gevonden. Hun laatste krachten -bijeenverzamelende schrijden de kameelen voort, maar hun pas schijnt -voor hun ongeduldige meesters nog veel te langzaam. Daar klinkt ons -eene vriendelijke begroeting in de ooren. Het Nijldorp is bereikt. Uit -alle hutten komen mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen te -voorschijn om de reizigers te verwelkomen. Ieder beijvert zich de -helpende hand te bieden en lafenis te reiken. Allereerst biedt men -water aan, flink water, zoo uit de rivier geschept; dan brengt men -alles aan, wat lichaam en ziel kan verkwikken. Om het nu opgeslagen -leger bewegen zich nieuwsgierige menschen, vraaggrage mannen en -vrouwen, danslustige meisjes en jongelingen. Tamboera en taraboeka, -cither en trom noodigen ten dans; de dansende meisjes verblijden het -hart van den vreemdeling en inboorling. Zelfs het knarsen der -schepraderen aan den stroom, vroeger duizendmalen verwenscht, wordt -heden tot eene schoone muziek. - -De avond brengt nieuwe genietingen. Op het veêrende, koele rustbed -gemakkelijk uitgestrekt, drinkt de westerling met den inboorling om -strijd den nektar des lands, den palmwijn of meriesa, terwijl -cithertonen en trommelslag, onder het maatgeklap van de handen en -voeten der dansende jongelingen en meisjes het heerlijk drinkgelag -begeleiden. Eindelijk herneemt de vergevorderde nacht zijn rechten, -tamboera en taraboeka zwijgen, de dans is geëindigd. Elk der verkwikte, -verzadigde of meer dan verzadigde reizigers zoekt achtereenvolgens de -rust. Slechts een enkele hunner, een zone Khahira’s, de moeder der -wereld, kan den slaap niet vinden. In de nabijheid van het uitdoovende -legervuur rijzen de sidderende tonen van zijn eenvoudig lied: - - - Ach schoone nacht, gij doet mij pijn, - Steeds langer wordt gij, immer langer; - Ik vraag om rust, gij hoort mij niet, - ’t Wordt steeds om ’t hart mij banger. - - Ach schoone nacht, hoe lange reeds - Mocht niet mijn oog haar schouwen, - Naar wie mijn ziel zoo innig smacht, - Mijn hope en vertrouwen. - - O schoone nacht, verhoor mijn klacht, - Breng haar mij nader weder. - Dek haar met liefdevleuglen zacht, - Stort vrede op mij neder. - - -Maar ook deze klanken sterven weg—alleen de golven van den stroom -murmelen en fluisteren voort. - - - - - - - - -XI. - -HET LAND EN DE BEVOLKING TUSSCHEN DE STROOMVERSNELLINGEN VAN DEN NIJL. - - -Egypte en Nubië, alhoewel onmiddellijk aan elkander grenzende en door -een gemeenschappelijke rivier onderling verbonden, wijken toch zeer van -elkander af. De goddelijke Nijl stroomt rustig en statig door Egypte, -maar bruist in koortsachtige haast door Nubië; over Egypte verspreidt -hij naar alle zijden zegen, in Nubië wordt hij in boeien geslagen door -hooge, rotsachtige oevers; in Egypte bereikt hij de woestijn, in Nubië -achterhaalt de woestijn hem. Egypte is een tuin, door hem in den loop -der eeuwen geschapen, Nubië is eene woestijn, die hij niet vermocht te -overwinnen. Het is waar, deze woestenij kent haar oasen even gelijk -iedere andere, maar zij zijn weinig in aantal en verdwijnen tegenover -de eindelooze woestenijen aan beide zijden des strooms. Bijna overal in -het lange, gewonden dal, dat Nubië heet, verheffen zich zwarte, -blinkende rotsmassa’s, hetzij uit het stroombed zelf, of op geringen -afstand der oevers; mijlen in ’t rond belemmeren zij elke vegetatie en -alleen door de woestijn weêrszijds erlangen zij eenigen tooi in de -vormen van goudgele zandgolven, die over hare kruinen rivierwaarts -rollen. Gloeiend ziet de zon van den donkerblauwen, bijna altijd -onbewolkten hemel naar beneden, en het komt voor, dat er jaren -voorbijgaan, zonder dat een enkele regendruppel het uitgedroogde land -verfrischt. In de diep ingesneden dalen strijden de levenaanbrengende -wateren van den bevruchtenden stroom te vergeefs tegen het onwillig -gesteente, tegen hetwelk zij brullend en donderend breken, evenals -wilden zij hun toorn uitspreken over de ondankbaarheid, waarmede hun -mildheid wordt beloond. - -De kampplaats, alwaar die strijd gestreden wordt, is het gebied van de -stroomversnellingen des Nijls. - -Slechts weinige reizigers, die het dal van den benedenloop dezer rivier -bezochten, leerden de stroomversnellingen van haren middenloop kennen. -Een zeer gering aantal overschrijdt den zoogenaamden eersten waterval, -nog kleiner aantal den tweeden. Wadihalfa, een onmiddellijk beneden de -tweede stroomversnelling gelegen dorp, is het gewone doel der -Nijlreizigers; verder naar het zuiden wordt slechts de -natuuronderzoeker gedreven, of de jager, of de handelaar. Van Wadihalfa -uit beginnen de moeielijkheden eener reis in de binnenlanden van -Afrika; geen wonder alzoo, dat de groote massa in genoemd palmendorp -den steven weder huiswaarts richt. Hij echter, die jong en krachtig is, -sterk van wil en niet verweekelijkt, zal er nimmer berouw over gevoelen -wanneer hij zuidelijker trekt. Is het Nijldal arm aan landschappelijke -bekoorlijkheden, het gebied der stroomversnellingen vormt eene -eigenaardige wereld op zichzelf. Verhevene en liefelijke, ernstige en -vroolijke, vreeselijk eenzame en frissche, levendige beelden wisselen -met elkander af; het zijn echter beelden der woestijn, die men te zien -krijgt, en om ze naar waarde te schatten moet men voor het gewone het -oog sluiten. Wie niet in staat is de woestijn te begrijpen, of zich te -verzadigen aan haren kleurenrijkdom, of haar hitte te doorstaan, en -zich aan haar nacht te verkwikken, doet wel ook de Nijlwoestijn niet te -betreden; wie met open oogen en ontvankelijk gemoed het gebied der -stroomversnellingen bereist, zoo mogelijk zelfs in eene ellendige boot -den strijd aanvaardt tegen de schuimende golven, zal zijn gansche leven -teren op de heerlijkste herinneringen, want nooit en nimmer zal het -aangrijpend tooneel, dat het lichamelijk oog aanschouwde, verbleeken -voor het geestelijk oog, nooit zal de ziel het goddelijk lied vergeten, -dat eens de stroom het oor heeft voorgezongen. - -Zoo althans vergaat het mij, die te land en te water Nubië’s rotsland -door ben getrokken, in de boot, stroomopwaarts en stroomafwaarts, die -met gebrek en gevaren heb te worstelen gehad, en nu eens van de toppen -der steile rotsen, dan weder van den rug des kameels de -stroomversnellingen heb gadegeslagen. - -Het is gewoonte geworden van drie watervallen van den Nijl te spreken. -Ieder dezer bestaat uit eene reeks van stroomversnellingen, die over de -uitgestrektheid eener mijl de scheepvaart ten hoogste bezwaren en -gevaarlijk maken. In den eersten waterval is er maar ééne -stroomversnelling van beteekenis, in den tweeden en derden echter zijn -er samen over de dertig, ieder van welke eenen haar door de Nubische -schippers gegeven naam draagt. Watervallen, die de scheepvaart ten -eenenmale onmogelijk maken, zijn er evenwel niet, althans niet in het -vaarwater, waarin zich, behalve de gewone vaartuigen, die booten -bewegen, welke uitsluitend met het oog op de stroomversnellingen zijn -gebouwd en uitgerust. - -Wanneer men, in de richting van den heiligen stroom voortreizende, de -noordoostelijkste vernauwing der oevers tusschen de „bergen der keten” -achter zich heeft gelaten, verandert plotseling het landschap. Egypte, -of het breede, zeewaarts zich tot eene onafzienbare vlakte verwijdende -stroomdal ligt achter den rug der reizigers en de rotsdrempel van Nubië -bouwt zich voor zijnen blik op. De tegenstelling is verrassend. De -eentonigheid maakt plaats voor afwisseling. Wel biedt ook Egypte menig -hartverfrisschend, het oog aangenaam aandoend beeld; wel tooit ook het -landschap in Egypte zich, vooral ’s avonds en ’s morgens, met den -wonderbaren glans van het zuidelijk licht; maar over ’t algemeen is dat -landschap eentonig, omdat men overal hetzelfde ziet, onverschillig of -men het oog vestigt op de zandsteenen en kalkrotsen der dalbegrenzing, -of het laat weiden over den stroom en de landerijen. Een en hetzelfde -beeld keert schier onveranderd honderden malen weder: gebergten en -vruchtbare vlakten, oeverwanden en eilanden, mimosenboschjes, -palmengroepen, sykomoren, steden en dorpen, alles draagt in hoofdzaak -hetzelfde karakter. In ’t gezicht van de rotspartijen van den eersten -katarakt, van den laatsten grendel, dien de zeewaarts spoedende stroom -verbrak, eindigt dit Egypte en begint Nubië. De boot glijdt niet meer -over den in majestueuse rust daarheen vlietenden stroom, maar zij moet -zich gewelddadig zelf een weg banen tusschen de rotsmassa’s en de uit -de golven zich verheffende rotskegels. - -Boven op een steil afvallend, vooruitstekend gedeelte van den -linkeroever ziet men een ellendig, maar niettemin schilderachtig -uitkomend bouwwerk, het graf van Scheik Musas, den patroon der eerste -stroomversnelling, vervolgens het aan palmboomen rijke eiland -Elephantine, en spoedig hierna Assoean. Rotsmassa’s uit wier schors -eene eeuwen achtereen voortgezette werking der tegen haar schuimende -golven de inscripties uit den tijd der Pharao’s niet vermocht uit te -delgen, versperren het vaarwater en noodzaken de boot tot allerlei -wendingen, tot zij eindelijk in eene stille bocht, waar men nog het -woeden der stroomversnelling hoort weêrklinken, eene veilige -landingsplaats vindt. - -Het is een door de oudheid gewijde grond, dien wij betreden. Lang -vervlogen eeuwen spreken, door middel van het zoo even vermelde heilige -schrift, tot ons in verstaanbare taal. „Ab” of ivoorstad, Elephantine, -zoo heette de stad op het eiland van denzelfden naam; het eiland is -gebleven, maar zelfs de puinhoopen der stad zijn verdwenen. „Soen”, -Syene, heette de plaats aan den rechteroever, waar nu Assoean is -gelegen. Elephantine, de zuidelijkste haven van het oude Egypte, alwaar -de uit het binnenland van Afrika gehaalde waren, inzonderheid het -destijds reeds als kostbaar geachte ivoor, werden opgestapeld, was de -hoofdstad van het zuidelijk Nijldistrikt; Soen was wellicht een -arbeidersdorp, ofschoon als zoodanig toch niet van geringer beteekenis -dan Elephantine. Want hier werd van de oudste tijden van het Egyptische -rijk af de „Mat” of „Ethiopische steen van Herodotus”, dien men in de -nabijheid brak, aan den Nijloever gebracht en in de schepen geladen, -die hem naar de plaats van bestemming voerden; naar dit „Soen” ontving -de kostbare steen den naam van „syeniet”, dien hij nu nog draagt. -Opschriften op de gedenkteekenen, die dagteekenen van de oudste -Egyptische koningsgeslachten, op zulke, die tot in het tweede en derde -duizendtal jaren vóór onze tijdrekening opklimmen, gewagen meermalen -van de plaats Soen, en tallooze andere hiëroglyphen, in de nabijgelegen -steengroeven zelf, doen ons de beteekenis van dit arbeidersdorp kennen. -Over nagenoeg twee vierkante geographische mijlen der ten oosten van -den waterval gelegen woestijn strekken zich de steengroeven uit, -waaruit men de groote blokken haalde, die als reusachtige ronde en -spitse zuilen, als lijsten en draagbalken van tempels ons met stomme -verbazing vervullen; ook werden er de grafkamers der pyramiden mede -bekleed, daar men van hen vertrouwde, dat zij in staat zouden zijn den -op hen drukkenden last te dragen. - -„Overal,” zegt mijn geleerde vriend Dümichen, „zien wij hier, hoe de -menschelijke hand bezig was, deels om het kostbare gesteente uit den -rotswand los te maken, deels om in beeld en schrift sommige -gebeurtenissen te vereeuwigen; overal is de steen hier in een -gedenkteeken veranderd, en talrijke opschriften, dikwijls op de hoogste -toppen der bergen aangebracht, wij-spreuken ter eere der goddelijke -drieëenheid van het voornaamste Opper-Egyptische landschap,—van den god -des watervals Chnoem-Ra en zijne beide gezellinnen Sati en -Anoeke,—andere ter verheerlijking van sommige heldendaden der -Egyptische koningen en hooge staatsbeambten bedekken wijd en zijd de -rotswanden. Ook deze opschriften gaan gedeeltelijk tot in de oudste -tijden der geschiedenis terug; en toch, hoe jong zijn ze niet, -vergeleken bij den strijd, die hier gedurende niet te berekenen -duizendtallen van eeuwen de Egyptische zonnegod Ra tegen het gesteente -voerde. Overal n.l. zijn de rotsen ter plaatse, waar zij nog niet door -menschenhanden werden bewerkt en voor onze oogen bloot liggen, -oppervlakkig met eene donkergrijze korst, als ware deze -aaneengesmolten, bedekt, terwijl de breukvlakten van het syeniet, aan -welke wij met zekerheid soms een ouderdom van vier duizend jaren mogen -toekennen, evenals de overal in de groeven verstrooid liggende blokken -nog op den huidigen dag de aan granietgesteenten eigendommelijke roode -kleur in volle frischheid behouden hebben; die eeuwen zelfs waren niet -bij machte om dat schorskleed des tijds aan te leggen.” - -Van elken hoogen oeverberg kan men een gedeelte van den katarakt -overzien. Twee woestijnen naderen den Nijl en reiken elkander in dien -stroom over eene menigte kleine rotseilandjes de hand. Elk dier -eilanden deelt den stroom en noodzaakt hem zijn wateren op te stuwen; -maar met des te meer geweld vervolgt hij tusschen deze versperringen -schuimend zijn loop. Zonder ophouden klotst en brandt het water tegen -de overblijfselen van een reeds vóór duizenden eeuwen door hem zelf -verbroken rotsdam; hij schijnt ze op te willen ruimen, ze te -vernietigen, en te toornen over den nog altijd niet bedwongen -tegenstand, zoo woest klinkt het klotsen der golven naar den beschouwer -omhoog. Het is de muziek, die het tooneel voor en onder hem begeleidt. -Rusteloos, gelijk de eeuwig stroomende wateren, dwaalt het oog over -dien chaos van rotsen; honderd afzonderlijke beelden vallen tegelijk in -het oog, en niettemin formeert zich uit die veelheid een majestueus -geheel, waarin de starre, blinkende rotsmassa’s scherp tegen het witte -schuim der haar omspoelende wateren, tegen de beide aangrenzende, -goudgele woestijnen en tegen den wolkenloozen, donkerblauwen hemel daar -boven afsteken. - -Aantrekkelijk vooral is het bovengedeelte der stroomversnelling. Een -keten van zwarte rotsen, de natuurlijke grensmuur tusschen Egypte en -Nubië, trekt dwars door den Nijl en breidt zich aan beide oevers uit -tot een langen boog, die voor ’t oog des waarnemers een overal -gesloten, door rotsdammen omgeven keteldal vormt. Zijn wallen bestaan -ten deele uit samenhangende massa’s, ten deele uit los op elkaar -gestapelde, als door reuzenhanden opgeworpen, ronde, eivormige en -hoekige rotsblokken. Hier en ginds steken enkele gedeelten der -omwalling voor de anderen uit, elders wijken zij meer terug; hier en -daar verheffen zij zich als eilanden uit het oude meerbekken, dat zij -insloten, alvorens de geweldige stroom zich daar een vrijen doortocht -baande. - -Te midden dezer puinhoopen van den voortijd ligt het frissche met -palmboomen begroeide eiland Phile met zijn goddelijken tempel. Nog -nimmer zag ik schooner landschap. Overal omgeven door de harde, zwarte -rots, eeuwig omspoeld door de golven, die tegen zijn grondslagen -klotsen, vriendelijk omlijst door vruchtdragende palmboomen en geurige -mimosa’s, staat die tempel daar als het zinnebeeld van ongestoorden -vrede te midden van den strijd. Een grootsch krijgslied zingt hem de -stroom, en vredeteekenen bieden hem de palmen. Geene plaats was -geschikter ter vereering der godheid, aan wie deze tempel gewijd was. -In deze eenzaamheid, in zulk eene omgeving moesten wel de harten der -jonge priesters, die hier door de wijsten der kaste werden onderwezen, -voedsel en leven ontvangen, om zich naar het heilige en verhevene te -richten, en de beteekenis leeren verstaan van de in mysteriën gehulde -leerstellingen, het gesluierde beeld van Saïs aanschouwen. - -Onder de goddelijke drieëenheid, aan welke de tempel van Phile gewijd -was, Isis, Osiris en Horus, stond Isis bovenaan. „Isis, de groote -godin, de koningin des hemels, de gebiedster aller goden en godinnen, -die met haar zoon Horus en haar broeder Osiris in elke stad vereerd -werd, de hoog verhevene, goddelijke moeder, de gemalin van Osiris, zij -is de gebiedster van Phile,” zoo luiden de opschriften in den tempel -zelf. Inscripties in de velerlei karakters, welke in de verschillende -tijdvakken der Egyptische geschiedenis in gebruik waren, verhalen ons -echter ook van veranderingen, die de tempel in den loop der tijden -onderging, tot eindelijk de christen-priesters, die de dienaren van -Isis waren opgevolgd, door de Arabieren uit het heiligdom verdreven -werden. - -Heden ten dage ligt Phile grootendeels in puin. In plaats van de -feestliederen der priesters hoort men er nu slechts het eenvoudig -gezang van den woestijn-leeuwerik; maar de stroom zingt nog hetzelfde -lied als voorheen, en even majestueus als voor duizenden jaren. Het -eiland is eene woestenij geworden, maar de vrede des tempels is -gebleven. En in weêrwil van alle veranderingen is nog steeds het eiland -een sieraad van den eersten katarakt. - -Van hier af naar boven wordt de Nijl langs eene groote uitgestrektheid -weêr vrij van rotsen, maar is toch niet bij machte zijn zegen buiten de -oevers te verspreiden. Met inspanning tracht de mensch de hem elders -vrijwillig verleende gaven den stroom af te dwingen. Het eene scheprad -na het andere beurt krijschend het levenwekkende vocht op den smallen -oeverzoom. Op de meeste plaatsen echter dringt de woestijn met haar -rotsmuren zoo dicht tegen den oever, dat er geen ruimte meer overblijft -voor een enkelen akker of een klein palmenwoud. Langs groote -uitgestrektheden ziet men hier niets dan dwergachtige onkruidplanten, -tusschen welke het gele drijfzand gestadig naar de diepte rolt, als -wilde het de woestijn bijstaan in het behalen der zege over den -goddelijken weldoener van het bebouwde veld. - -In het zuiden van Wadihalfa, het zuidelijkste grensdorp der bedoelde -landstreek, woedt weder het door rotseilanden omsloten Nijlwater. - -Tallooze steenmassa’s, rotskegels en blokken noodzaken den Nijl zich -uit te breiden; een chaos van steen en water, zooals nergens elders -aanschouwd wordt, verwart het oog. Bij hoogen waterstand overstemt het -gebrul der dwarrelende, tusschen de rotsen wegsnellende golven het -geluid der menschelijke stem; het dreunt en dondert, ruischt en bruist, -spat en sist, dat de rotsen bijna sidderen. Boven de hier onafgebroken -aan elkander geregen stroomversnellingen en draaikolken ligt de -hoogopgestuwde Nijl als een stille zee voor het oog des beschouwers; -dit vriendelijke, door eenige groene eilandjes omhoog geheven beeld is -echter eng begrensd. Verder opwaarts wordt het stroombed nogmaals door -tallooze klippen verdeeld; want nu begint eigenlijk de „Batte el -Hadjar” of het rotsdal der schippers, waarin nog tien naamdragende -stroomversnellingen liggen. Dit is het meest woeste gedeelte van Nubië -en in ’t algemeen van het geheele Nijldal. Gewoonlijk ziet men er niets -dan lucht, water, rotsen en zand. Steil, soms loodrecht, stijgen de uit -steen gebouwde rivieroevers uit het stroombed omhoog; tusschen deze en -tusschen de in het water gelegen eilanden wordt de Nijl zoo -samengeperst, dat hij in den tijd van den hoogsten waterstand van -twaalf tot achttien meter hooger staat dan gedurende den laagsten -stand. De oeverwanden zijn spiegelglad, evenals waren zij gepolijst; -zij weêrkaatsen schitterend het licht en zijn des daags zoo gloeiend -heet, dat men zou meenen zij waren eerst vóór weinige dagen uit de -ingewanden der aarde opgeweld. - -De vruchtbare stroom ruischt schier doelloos langs deze rotsen, want -slechts op zeer weinige plaatsen kan hij van zijn goddelijk privilege -gebruik maken. In inspringende bochten of achter voorgebergten, die den -sterken stroom afleiden, laat hij zijn vruchtbaar slib vallen, en voert -hij meteen de zaden aan. Op zulke plaatsen kiemt, groeit, groent en -bloeit het ook in deze wildernis. Op alle eilanden, in welker -rotskloven het slib bleef hangen, in alle door den sterken stroom niet -bereikte bochten, verheffen zich wilgen en mimosa’s, als getuigen des -levens in het rijk des doods. Wortel na wortel, spruit na spruit zond -de eerste wilg uit, die hier vasten voet erlangde, en zoo bekleedde -zich de kale grond weldra met een levendig groen. In de maanden van -lagen waterstand doet het allengs ontstane kreupelboschje nieuwe -twijgen ontspruiten; is de rivier gezwollen dan overstroomen de wateren -eiland en hout. Hooger en hooger rijst de vloed; heviger woedt de -golfslag; de wilgen buigen zich voor hem, maar klemmen zich steeds -vaster tegen de rotsen. Maanden lang blijven zij, op enkele takken na, -die nog boven de schuimende en sissende watermassa uitsteken, onder de -golven bedolven; hare wortels echter houden zich vast, en met nieuwen -levensmoed ontbotten wederom de struiken, zoodra het water is gevallen. -Op zulke plaatsen der huiveringwekkende wildernis heerscht hetzelfde -dierlijk leven, dat men waarneemt op andere plaatsen van het Nijldal. -In het wilgenloof hebben enkele paren van de levendige en -schreeuwlustige Nijlgans post gevat, en op de naburige rotsen is een -sierlijke kwikstaart gezeten; van de oeverwanden weêrklinkt het lied -eener blauwmerel of van een rouwtapuit; om de bloeiende mimosa’s -fladdert de eerste tropische vogel, dien men op dezen tocht ontmoet, -een prachtige honigzuiger; nu en dan stoot men misschien op een koppel -sierlijke rotshoentjes. De hier genoemde vogels met nog eenige andere -soorten vormen de spaarzame bevolking van het rotsdal, en alleen op den -trek verschijnen daarneven nog dikwijls zeer talrijke troepen van -andere vogels, die den stroom, hunne heerbaan naar Centraal-Afrika, -volgen, om dan bij tijd en wijle in het dal uit te rusten. Zij vliegen -echter zoo spoedig mogelijk van daar, omdat het rotsdal niet in staat -is hen zelfs maar voor weinige dagen te voeden; het valt dan ook -bezwaarlijk te begrijpen dat die anderen hier hun dagelijksch brood -vinden. - -En toch vormen zij niet de eenige bewoners dezer waterwoestijn. Er zijn -menschen, die deze hun vaderland noemen. - -Mijlen ver van elkander verspreid, bevinden zich hier enkele armoedige -stroohutten, waarin een Nubiër met zijn gezin een ellendig leven leidt. -Een kleine, met vruchtbaar slib gevulde inham tusschen de rotsachtige -oevers, wellicht slechts een tegen deze aangeplakt slijkbed vormt de -arme bezitting, die hij de zijne noemt. In het eerste geval is hij een -rijk man, vergeleken met de geringen, die slechts over zulk een -slijkbed beschikken. Met levensgevaar zwemt de laatste naar zulke van -de bergzijde ongenaakbare plaatsen, alwaar de vallende stroom slib -afzette, om de pas van water bevrijde laag met boonen te bezaaien; -eenige dagen later, wanneer de rivier nog meer is gevallen, herhaalt -hij zijn bezoek en zijn arbeid, en telkens weder, zoolang het water -blijft vallen. En zoo ziet men op zulke met het vallende water zich -steeds vergrootende velden boonen in alle perioden van den groei; -tevens kan men opmerken dat onze weinig eischende landman -tegelijkertijd oogst en zaait. Onder zeer gunstige omstandigheden -veroorlooft een dieper inspringende, met Nijlslib gevulde inham het -plaatsen van een scheprad ter bevloeiing van enkele aren bouwgronds, en -in dit geval is de gelukkige bezitter in staat eene koe te houden; zoo -iemand leeft nog eenigszins dragelijk, ofschoon hij nog altijd als zoo -arm wordt beschouwd, dat zelfs eene Egyptische regeering geen belasting -van hem durft vorderen. Zulke plaatsen zijn evenwel zeldzame oasen in -deze ijzige wildernis. De stroomopwaarts zeilende schipper begroet -elken struik, elken palmboom met zichtbare vreugde, een boonenveld, het -doel wellicht van dagen lange hoop, met gejubel, een scheprad met dank -jegens den Albarmhartigen. Want niet slechts vrees kan zijn moedig hart -in dit rotsdal bevangen, maar ook bitter gebrek kan zijn deel worden, -ja zelfs de hongerdood kan hem tegengrijnzen, tenzij hij een voorraad -voedsel medenam, voldoende om hem eenige maanden te voeden. -Stroomafwaarts schiet de boot pijlsnel voort om dit land der -verschrikking—althans de eenzaamheid en armoede—te ontvlieden; -stroomopwaarts zeilende ligt de boot dikwijls uren, ja dagen lang onder -bescherming van een rotsblok beneden eene stroomversnelling als -vastgemuurd. Wachtende op een gunstigen wind, door het onophoudelijk op -en neêr schommelen van het vaartuig aan zeeziekte lijdende, kan de -schipper soms mijlen ver wandelen of zwemmen, alvorens hij menschen of -bebouwde akkers ontmoet. - -Het rotsdal gaat in het zuiden bijna onmiddellijk over in de vruchtbare -landstreek van Midden-Nubië. Een door twee woestijnen ingesloten smal -waterbekken, met vele groote eilanden in ’t midden der rivier, door -deze met slib bedekt, gelijk ook de eilanden daaruit werden opgebouwd, -neemt den reiziger op. Het wijst wel is waar nog niet den vollen -rijkdom der tropen aan, maar laat toch derzelver frischheid en krachtig -leven in sommige planten en dieren doorschemeren. Dichte palmbosschen, -die de heerlijkste dadels doen rijpen, begrenzen aan den kant der -woestijnsteppen deze liefelijke oase, die den arbeid des landmans met -een rijken oogst beloont; Christusdoorns en onderscheidene mimosa’s, -die zich tot hiertoe niet lieten zien, verkondigen ons, dat wij den -keerkring overschreden. Behalve den straks genoemden honigzuiger -bemerken wij nog andere vogels van Centraal-Afrika. In het eerste -doerrha-veld, dat men scherper in ’t oog vat, verkwikt men zich aan een -even zoo kleurigen als levendigen, tusschen de stengels -verblijfhoudenden vuurwevervogel. Het schijnen vuurvlammetjes te zijn, -die zich nu en dan op den top eener aar neêrlaten om van dezen hoogen -zetel een eenvoudig, sjirpend of spinnend liedje voor te dragen, dat -alle soortgenooten aanspoort om hetzelfde te doen. In de spleten en -scheuren der leemen hutten hebben zich andere leden derzelfde familie -verzameld, bij name de staal- en bloedvinken, terwijl in de tuinen om -de huizen Kaapsche duiven hare nesten hebben opgeslagen. Op de -zandbanken der rivier groeven schaarbekken hunne napvormige nesten; -nachtzeezwaluwen van eene bijzondere soort, die eerst tegen de -schemering op roof uitvliegen, strijken dicht langs de oppervlakte der -golven om deze met hun snavel te doorploegen, ten einde de kleine, in -de bovenste waterlagen zwemmende dieren te bemachtigen. - -Maar ook dit heerlijk plekje gronds is eng begrensd. Reeds beneden de -bouwvallen van den tempel van Barkal nadert het nog altijd woeste en -onvruchtbare gebergte den stroom en verdringt zoowel het vruchtdragend -land als de woestijnsteppe. De laatste stroomversnelling ligt voor ’t -oog des stroomopwaarts trekkenden reizigers. Zoo onbeschrijfelijk arm -als het rotsdal was, is het gebied van de derde stroomversnelling niet; -goed bebouwde, alhoewel niet zeer breede strooken gronds aan beide -zijden van den stroom en kleine vruchtbare eilanden in de rivier geven -een indruk van meerdere weelde. De rotsmassa’s aan den oever zijn -minder samenhangend dan in het rotsdal zelf en rijk aan zoogenoemde -steenmeren—grillig op elkander gestapelde heuvels en wallen van -rotsblokken en rolsteenen, gelijk de groote stroomen deze achterlaten, -wanneer zij hun bed dieper in het door hen uitgespoelde dal graven. Aan -beide zijden der rivier, meest boven op de het naast den oever -begrenzende hoogten, aanschouwt het oog rotsblokken van meer dan -honderd kubieke meter inhoud; deze liggen zoo los op hunne betrekkelijk -kleine onderlaag, dat zij bij een eenigszins hevigen wind beginnen te -waggelen en met behulp van hef boomen gemakkelijk door een gering -aantal menschenhanden zouden weggerold kunnen worden. Op vele plaatsen -zijn deze rotsmeren zoo grillig gebouwd, dat het den schijn heeft alsof -de luim van reusachtige kabouters deze kegels en pyramiden, muren en -wallen, die in bonte mengeling de oeverbergen kronen, opeen had -gestapeld. Meer evenwel dan al deze bouwgewrochten van den stroom, -schenken die van den mensch aan de derde stroomversnelling een -bijzonder karakter. Op alle daarvoor geschikte vooruitstekende -oeverrotsen, vooral op de grootere rotseilanden, verheffen zich -gebouwen, voorzien van ringmuren en torens met gekanteelde lijsten, -gelijk men ze nergens anders in het Nijldal ontmoet. Het zijn -vestingwerken uit vroegere tijden, burchten van voormalige hoofden der -stroombewoners, opgericht om bescherming en veiligheid te verleenen, om -lijf en goed tegen de aanvallen van naburige vijandelijke stammen te -verzekeren. Uit ruw op elkander gestapelde, bijna uitsluitend met -Nijlslib aaneengemetselde, onbehouwen steenen is het benedengedeelte -der muren en omwallingen opgetrokken; dikke, nu grootendeels vervallen -muren van uit Nijlslib vervaardigde en in de lucht gedroogde steenen -vormen den bovenbouw dezer burchten, die meer door een trotsch -voorkomen dan door schoonheid uitmunten. Uit het midden van den stroom -b.v. verheft zich een kale, pikzwarte, glinsterende rots, op welker top -zich zulk een vesting bevindt. Woest klotsen de golven tegen haar voet, -maar rustig weêrstaat zij dien schok, en veilig steunt de haar -toevertrouwde vesting op deze steenmassa. Aan de stroomafwaarts -gerichte zijde is het water rustig en hier is de rots, dank zij de -levenwekkende kracht der rivier, inderdaad heerlijk getooid. In het -kalme, stille water werden in den loop der tijden dikke sliblagen -afgezet, zoodat er allengs een eiland uit den vloed oprees; de mensch -maakte zich daarvan meester, plantte er den palmboom en legde er akkers -aan; en zoo ontstond er op en achter de rots een liefelijk beeld van -veiligheid en bewoonbaarheid, dat juist door zijn tegenstelling met de -omringende onrustige en woeste water- en rotsvlakten, aangrijpend op -het gemoed werkt. - -Aan de zuidelijke grens der derde stroomversnelling beginnen de steppen -en wouden der keerkringslanden; slechts op enkele plaatsen bereiken nu -voortaan de rotsen nog den breeder geworden stroom en zijne grootere -bijrivieren. Over eene lengte van meer dan honderd geographische mijlen -doorsnijden de Abiad en Asrakh, of witte en blauwe Nijl, vruchtbaar, -bijna vlak land; dan eerst ontmoet men weder eenige -stroomversnellingen. Dit gedeelte behoort echter niet meer in de lijst -der schilderij, die ik trachtte te ontwerpen, want alleen Nubië is het -land van de katarakten van den Nijl. - -Het is moeilijk na te gaan in hoeverre de Nubiër door zijn woonplaats -gemaakt werd tot hetgeen hij is; zooveel is zeker, dat hijzelf van zijn -naburen, de Egyptenaren, evenveel verschilt als zijn land met dat van -laatstgenoemd volk. Beiden hebben geen de minste overeenkomst, noch in -lichaamsvorm, noch in huidkleur; evenmin in afstamming en taal, zeden -en gewoonten. Zelfs in godsdienst verschillen zij, niettegenstaande -beide volken tegenwoordig als eersten regel des geloofs erkennen: „Er -is maar één God, en Mohammed is Zijn éénige profeet.” - -De Egyptenaren zijn gesproten uit het gemengde bloed der oude -Egyptenaren en dat van later ingekomen Arabische horden uit Yemen en -Hedjas, die met de vroegere bewoners van het dal des beneden-Nijls -ineensmolten; de Nubiërs zijn afstammelingen van de „wilde Blemyers,” -tegen welke de Pharao’s van het oude, middelste en nieuwe rijk, alsmede -de Egyptische Ptolemeeërs voortdurend, ofschoon niet altijd met -gunstigen uitslag, krijg voerden. De Egyptenaren spreken de taal, -waarin Mohammeds „openbaringen” werden opgeschreven, de Nubiërs eene in -vele dialecten gesplitste taal van het oud-Ethiopisch; de eersten -gebruiken een overoud schrift, de laatsten hebben ongetwijfeld nimmer -schriftteekens gehad, die in hun eigen taal wortelen. De eersten hebben -nog al den ernst bewaard der oude Egyptenaren, evenals de zonen der -woestijn, van welke zij afstammen; zij zijn steeds, gelijk alle -Oosterlingen, gedurende hun geheele leven met angst vervuld omtrent het -„hier namaals” en regelen naar hunne droomen hierover hun zeden en -gebruiken; de laatsten behielden de lustige levensvreugde der -Ethiopiërs en leven, als kinderen, onbezorgd van den eenen dag op den -anderen, het goede zonder dank, het kwade onder veel en luid geklaag -ontvangende, terwijl zij het een zoowel als het andere onder den -invloed van het oogenblik ras vergeten. Op beiden drukt in gelijke mate -het juk der dienstbaarheid; de Egyptenaar draagt het kermend en -weêrstrevend, de Nubiër gelijkmoedig en zonder morren; gene is een -onwillige slaaf, deze een gedwee dienaar. Elke Egyptenaar acht zich -boven den Nubiër hoog verheven, houdt zich, wat afstamming, taal en -zeden betreft, voor hooger, praalt met zijn beschaving, ofschoon deze -over ’t algemeen zeer gering is, en tracht den donkergekleurden broeder -even zooveel te onderdrukken, als hijzelf in ’t bewustzijn zijner -onmacht zich schikt in de hem opgelegde dienstbaarheid; de Nubiër -erkent in ’t algemeen de lichamelijke meerderheid van zijn buurman, -inzonderheid de geestelijke superioriteit van de meer uitstekende -Egyptenaren, schijnt niet te weten, dat hijzelf die beschaving mist, -maar is op zijne beurt weder geneigd den minder begaafden en zwakkeren -bewoner van Centraal-Afrika onder ’t juk te brengen; toch stelt hij -zich weder met den gekochten neger op een broederlijken voet en schikt -zich oogenschijnlijk geduldig in het hem toebedeelde lot, na vergeefs -gepoogd te hebben in den strijd tegen de overmacht overwinnaar te -blijven. Hij is nog heden ten dage een natuurmensch in hart en nieren, -terwijl de Egyptenaar ons het treurige beeld vertoont van een vervallen -en steeds meer en meer vervallend volk. De Ethiopiër heeft zich op den -onvruchtbaarsten bodem der aarde nog een zekere mate van vrijheid weten -te veroveren, de Egyptenaar is op het rijkste plekje der wereld tot een -slaaf geworden, die het moeilijk zal wagen zijn ketens af te schudden, -niettegenstaande hij nog altijd met zelfverheffing van zijn roemrijk -verleden spreekt. - -En toch hebben de Nubiërs evenveel, zoo niet meer recht van de groote -daden hunner vaderen te gewagen en zich daaraan te spiegelen dan de -Egyptenaren. Want die voorvaderen hebben niet alleen met de Pharao’s en -de Romeinen, maar zelfs met Turken en Arabieren, met de heerschers en -beheerschers van het hedendaagsche Egypte wakker strijd gevoerd; dat -zij overwonnen zijn is alleen daaraan toe te schrijven, dat zij van -vuurwapenen verstoken waren. Toen ik voor de eerste maal de Nijllanden -bereisde, leefden er nog ooggetuigen dier oorlogen, uit wier mond ik -een en ander vernam, dat ik thans naar waarheid wil mededeelen, ten -einde, althans in één opzicht, recht te laten wedervaren aan een volk, -dat te vaak wordt miskend. De gebeurtenissen, die ik op het oog heb, -vallen tusschen de jaren 1830 en 1840 onzer tijdrekening. - -Nadat Mohammed-Aali, de even krachtige, als onrechtvaardige en wreede -grondvester der tegenwoordige Egyptische dynastie, in Maart 1811 de -door hem genoodigde hoofdelingen der Mamelukken trouweloos had -overvallen en neêrgesabeld, scheen zijne heerschappij over den -beneden-Nijl verzekerd te zijn. Maar nog was de trotsche krijgersstam, -wier hoofden door dat schandelijk verraad waren gevallen, niet geheel -onder ’t juk gebracht. Op wraak bedacht, kozen de Mamelukken uit hun -midden nieuwe hoofden en trokken zich aanvankelijk naar Nubië terug, om -zich hier te verzamelen en van daar uit den laaghartigen vijand opnieuw -te beoorlogen, althans te bedreigen. Mohammed-Aali voorzag het gevaar -en verzuimde niet dit, als ’t zijn kon, tegen te gaan. Zijn leger -volgde de verstrooide Mamelukken op den voet. Deze, te zwak om een -strijd in ’t open veld te wagen, wierpen zich in de vestingen, en -stierven daar tot den laatsten man den heldendood. Gelijktijdig met hen -werden ook de Nubiërs overwonnen, en omdat deze de zijde der Mamelukken -hadden gekozen, als slaven behandeld. Enkel de dappere stam der in den -strijd geharde Scheikiërs stond in het jaar 1820 bij bet dorp Korti -tegenover de Turksch-Egyptische troepen; eene heldhaftige, maar -ongeregelde, met lans, zwaard en schild gewapende schare tegenover -geregelde, geoefende en met vuurwapenen uitgeruste soldaten, die gewoon -waren te overwinnen. Naar oud gebruik schouwden de vrouwen met hunne -kinderen het gevecht aan, om door gillende oorlogskreten tot moed aan -te vuren, aan de strijdende vaders de omhooggebeurde kinderen te toonen -en hen hierdoor met doodsverachting te bezielen. De Nubiërs streden met -een moed, hunnen vaderen waardig; zij drongen door tot de kanonnen, die -dood en verderf zaaiden onder hunne gelederen; zij hieuwen met hunne -lange zwaarden op de ingebeelde monsters, diepe sneden achterlatende op -de metalen buizen—maar de Egyptenaren zegevierden; niet de dapperheid, -maar overmacht van wapenen besliste. Onder het gillend gehuil der -vrouwen sloegen de bruine mannen op de vlucht. Wilde vertwijfeling -greep de eersten aan; een roemvollen dood verkiezende boven smadelijke -slavernij, drukten zij hare kinderen aan het hart en stortten zich bij -honderdtallen in den door het bloed harer mannen roodgeverfden stroom. -De vluchtelingen werden door de woestijn aan weêrszijden der rivier -belet hun schuilplaatsen te bereiken en zoo bleef hun eindelijk geen -andere keus dan zich over te geven, en den tot nog toe zoo trotschen -nek te buigen onder ’t juk des overwinnaars. - -Nog eenmaal flikkerde de oude heldenmoed weder op. Een der -opperhoofden, de reeds nu door de sage verheerlijkte Melik el Nimmr, -d.w.z. „koning der luipaarden” verzamelde zijn volk te Scheedi in -zuidelijk Nubië, daar hem de onderdrukking van den wreeden overwinnaar -onverdragelijk was geworden. Vol wantrouwen trok Ismaël Pacha, de zoon -en legeraanvoerder van Egypte’s heerscher tegen hem op, en nog voor -Melik Nimmr met zijn toebereidselen gereed was, verscheen Ismaël, alle -booten in beslag nemende, voor Scheedi en stelde aan Melik Nimmr -onmogelijke voorwaarden, ten einde dezen tot slaafsche onderwerping te -noodzaken. Melik zag het dreigend verderf in en besloot handelend op te -treden. Hij veinsde evenwel onderwerping, maar middelerwijl snelden -zijn boden van hut tot hut om de overal onder de asch smeulende vonken -van opstand tot eene flikkerende vlam aan te blazen. Door listige -beloften wist hij Ismaël Pacha uit diens veilige boot in de rondom met -doornheggen afgesloten ruime, maar armoedige koningswoning te lokken; -om deze waren reusachtige bergen van stroo, opgehoopt, volgens het -voorgeven van den koning der luipaarden om het door den Pacha verlangde -kameelvoeder te leveren. - -Een heerlijk feest, zooals Ismaël nog nimmer aanschouwde, wil Melik -zijn heer en gebieder bereiden; daarom vraagt hij verlof om ook alle -officieren van het Egyptische leger te mogen uitnoodigen, in welk -verzoek de Pacha bewilligt. Legeraanvoerder, staf en officieren -vereenigen zich aan het in de koninklijke woning aangerichte gastmaal. -Voor de doornheg ruischt de taraboeka, die tot den dans noodigt, en -dreunt de krijgslust inblazende inlandsche trom; het jeugdige geslacht, -feestelijk met zalf besmeerd, oefent zich in den vroolijken dans. De -lansen schieten door de lucht, met bewonderenswaardige behendigheid -opgevangen door de schilden der tegenover elkaar geplaatste dansers; de -lange zwaarden der beide in krijgsdans zich draaiende partijen -bedreigen elkanders hoofd, maar worden behendig met kling en schild -gepareerd. Ismaël schept een ongemeen behagen in de schoone, bruine -jongelingen en de bevallige bewegingen hunner buigzame ledematen, in de -koenheid der aanvallen en de zekerheid van afweer. Meer en meer -zwaarddansers treden op het tooneel, dichter wordt het gedrang voor de -feestzaal, heviger en woester worden de bewegingen en sneller roffelen -de trommen. Daar slaat plotseling de taraboeka andere tonen aan; -honderdvoud wordt dit geluid herhaald door geheel Scheedi en eveneens -in de naburige dorpen aan deze en gene zijde des Nijls. Een gillend, in -de hoogste tonen zich bewegend vrouwengeschreeuw doortrilt de lucht; -vrouwen, tot op de lendenen naakt, met stof en asch in de gebalsemde -haren, met brandende fakkels in de handen, stormen nader en slingeren -den brand in de muren van het koninklijk paleis en in de omringende -stroobergen. Eene ontzettende vuurzuil stijgt ten hemel, en in de -vlammen, waaruit kreten van schrik en wee, van vloek en klacht -weêrklinken, vliegen bij duizendtallen de doodaanbrengende lansen van -hen, die zooeven den krijgsdans uitvoerden. Noch Ismaël Pacha, noch een -enkele zijner feestgenooten ontgaat een wreeden dood. - -Het is alsof de krijgslieden uit den grond te voorschijn komen. Wie de -wapens kan dragen keert zich tegen de wreede vijanden; de vrouwen, haar -geslacht vergetende, treden in de rijen der kampvechters; grijsaards en -knapen worstelen met mannenkracht en mannelijke volharding ter -bereiking van het ééne doel. Scheedi en Metamme worden in een enkelen -nacht van alle vijanden bevrijd; slechts een gering aantal der in -afgelegen dorpen liggende Egyptenaren ontkomen aan het bloedbad en -brengen den tweeden, in Kordofan wachtenden legeraanvoerder de -ontzettende tijding. - -Deze, Mohammed-Bei el Defterdar, nu nog door de Nubiërs „el Djelad” den -beul, bijgenaamd, ijlt met zijne geheele legermacht naar Scheedi, -verslaat de Nubiërs ten tweeden male en offert alsnu meer dan de helft -van de toenmalige bevolking des land aan zijne onverzadelijke -wraakzucht op. Den koning der luipaarden gelukt het naar Habesch te -ontvluchten; zijn onderdanen moeten zich evenwel voor den vreemdeling -buigen, en hunne kinderen „groeien” om mij van de uitdrukking mijns -zegsmans te bedienen, „in het bloed der vaderen op.” Sedert die -ongeluksdagen zijn de Nubiërs de lijfeigenen hunner onderdrukkers -gebleven. - -De Nubiërs, of gelijk zij zich zelf noemen, de Barabra zijn middelmatig -groote, slanke, evenredig gebouwde menschen met betrekkelijk kleine, -goed gevormde handen en voeten, en meerendeels aangename -gelaatstrekken; de amandelvormige oogen, de hooge, rechte of gebogen, -alleen aan de vleugels een weinig verbreede neus, de smalle mond, de -vleezige lippen, het gewelfde voorhoofd en de lange kin drukken op het -gelaat een bijzonderen stempel; verder hebben zij fijn, licht gekroesd, -maar niet wollig hoofdhaar en eene verschillende, van metaalbruin tot -in het donkerbruine spelende huidkleur. Zij hebben eene flinke houding, -loopen licht, haast zwevend, bewegen zich in ’t algemeen vlug en -bevallig, zoodat zij in dit opzicht zich voordeelig onderscheiden van -de negers van den boven-Nijl, zelfs van de Fungis uit Oost-Soedan. De -mannen scheren het hoofdhaar of geheel af of laten het alleen op de -kruin staan; zij dragen een nauw sluitend wit mutsje, de takhie, op het -hoofd, om hetwelk op feestdagen nog wel eens een witte doek, op de -wijze van een tulband gewonden wordt. Een omslagdoek ter lengte van zes -tot negen meter dient tot bekleeding van het bovenlijf; korte broeken -en sandalen, op feestdagen een blauw of wit tabbaardachtig gewaad -vormen de overige kleeding; een aan den linkerarm gedragen dolkmes, op -reis de lans, zijn de wapenen, terwijl lederen rollen, in welke zich, -naar men zegt, amuletten bevinden, en aan koorden om den hals gedragen -zakjes de eenige versiering uitmaken. De vrouwen binden het hoofdhaar -in honderden kleine, dunne vlechten en zalven deze rijkelijk met -schapenvet, boter of ricinus-olie in, zoodat zij ver in ’t rond een -ondragelijken reuk verspreiden; zij tatoeëeren het lichaam en -aangezicht op vele plaatsen met indigo, kleuren dikwijls de lippen -blauw en de handpalmen rood, versieren den hals met paarlen van glas, -kettingen van barnsteen of karneool, amulettentaschjes enz. de hielen -met ringen van ivoor of hoorn, de ooren, neusvleugels en vingers met -zilveren ringen; in plaats van een broek dragen zij een tot de hielen -afhangend schort om de lendenen, terwijl zij zich den omslagdoek in -schilderachtige vouwen over borst en schouders slingeren. De jongens -loopen tot hun zesde of achtste jaar naakt, terwijl de meisjes van haar -vierde jaar af een aardig, uit dunne lederen strooken samengesteld, -soms met schelpen en glazen parels versierd, gefranjed schort dragen. - -Alle gezeten Nubiërs van het stroomdal huizen in vierhoekige, meer of -min teerlingvormige woningen, die òf uit in de open lucht gedroogde -tichelsteenen worden gebouwd, en dan naar boven schuins toeloopen, òf -uit een met stroo bekleed houten geraamte worden samengesteld. -Gewoonlijk bevatten zij inwendig maar één vertrek; ééne deur verleent -toegang, en in plaats van vensters ziet men aan deze hoogst primitieve -huizen enkele luchtgaten. Eene verhooging, overtrokken met -ineengevlochten lederen strooken of repen boombast, vormt de ligplaats -„Aukareb”; eenvoudige kisten, voortreffelijk bewerkte, zelfs -waterdichte manden, lederen zakken, urnen om daarin water, doerrhabier -of palmwijn te bewaren, handmolens of wrijfsteenen ter vermaling des -graans, ijzeren of vlakke aarden schotels om brood te bakken, -uitgeholde kalebassen, eene bijl, eene boor, eenige houweelen, enz. -ziedaar het huisraad; matten, gordijnen, middelschotten en dekens, -vormen andere huishoudelijke zaken; troggen, ondiepe, gevlochten -schalen met deksels, die evenwel niet in elke hut voorhanden zijn, -maken het eetgereedschap uit. Het voedsel onzer lieden bestaat -voornamelijk, soms uitsluitend, uit plantaardige stoffen, melk, boter -en eieren. Het meer gewreven dan gemalen koren wordt tot een deeg -verwerkt en daarvan een half gaar brood gebakken, dat, òf zoo wordt -gebruikt, òf onder toevoeging van allerlei zaken, zooals: melk, -dikslijmige plantensappen, waaronder somtijds wat in de zon gedroogd -vleesch wordt gemengd, en vele, scherpe kruiderijen. Meer dan op spijs -is de Nubiër op drinken gesteld, want elke alcoholische drank, hij moge -van vreemden of inheemschen oorsprong zijn, vindt in hem een -begeerlijken, zoo niet onmatigen gebruiker. - -De zeden en gewoonten van de bewoners van den middelloop des Nijls -vormen een zonderlinge vermenging van overgeërfde en overgenomen -gebruiken. Geduldig en lichtzinnig schikt hij zich even gemakkelijk in -het vreemde als hij het oorspronkelijk inheemsche schijnt te kunnen -vergeten. Hij is meer in naam dan in werkelijkheid een belijder van den -Islam; gehechtheid aan geloofsregels kent hij even weinig als -onverdraagzaamheid omtrent andersdenkenden. Voor hij op middelbaren -leeftijd is gekomen, of zelfs vóór hij oud is geworden, volgt hij de -geboden des profeets zelden of nooit met dien ijver op als de Arabieren -en Turken. - -Hij besnijdt zijn zonen, huwelijkt zijn dochters uit, behandelt zijn -vrouwen en begraaft zijn dooden, viert zijn feesten, alles ingevolge de -voorschriften van den Islam, maar hij meent genoeg gedaan te hebben als -hij slechts de vormen in acht neemt. Gezang en dans, vroolijke -gesprekken, scherts en drinkgelagen vindt hij aangenamer dan het -vasten, aangenamer dan te luisteren naar de lessen en geboden van den -koran, of naar de schriftgeleerde verklaring der heilige boeken, die -hem nieuwe plichten zouden opleggen. - -Toch zal niemand hem een besluiteloos, wankelmoedig, onzelfstandig, -onvertrouwbaar of trouweloos, in ’t kort, een slecht mensch noemen. In -Beneden-Nubië, alwaar hij jaarlijks met honderden, in zijn oogen rijke -en milddadige menschen verkeert, wordt hij, wel is waar, dikwijls tot -een onbeschaamden, onverdragelijken bedelaar, terwijl de vreemdelingen, -die hij moet opzoeken, omdat zijn arm land hem niet genoeg voedsel -oplevert, ook weinig er toe bijdragen om hem te veredelen; in ’t -algemeen echter kan men hem een braaf mensch noemen. Wel ontbreekt hem -heden ten dage al te veel de wilskracht zijner voorvaderen, maar daarom -nog geenszins hun moed en dapperheid; wel schijnt hij veel zachter en -goedaardiger dan de Egyptenaar, toch betoont hij zich niet minder -vertrouwbaar en volhardend als deze, vooral waar het moeilijke of -gevaarlijke ondernemingen geldt. Zijn arm, weinig voortbrengend land, -waaraan hij met zijn geheele hart hangt, dat hij in den vreemde met -eene roerende aanhankelijkheid gedenkt, voor hetwelk hij werkt, -ontbeert en sterft, daar zijn streven er alleen op gericht is, zijn -mannelijken leeftijd en ouderdom daarin door te brengen, legt hem een -voortdurenden levensstrijd op, en staalt zijn lichamelijke en -geestelijke krachten; de bruisende stroom, tegen welken hij een niet -minder harden strijd voert als met het rotsachtig land, wekt en -onderhoudt in hem den moed en het zelfvertrouwen, even gelijk die -stroom hem bezielde met eene koele onverschilligheid voor het gevaar. -Dank deze door hem verworven eigenschappen is de Nubiër een trouw -dienaar, een voortreffelijk reisgezel, op wien men zich verlaten kan, -een reislustige djellabi of koopman, en bovenal een ondernemend, -onverschrokken schipper. - -De ouders schijnen hun zonen reeds van de vroegste jeugd af op te -leiden voor alle mogelijke diensten, die zij later als volwassenen -zullen moeten vervullen. Evenals in Egypte worden ook in Nubië de -kinderen der armen eigenlijk niet opgevoed, maar in beslag genomen voor -allerlei werkzaamheden, juister gezegd, zooveel hun krachten toelaten -geëxploiteerd. Hoe klein de jongen ook nog zij, iets moet hij doen, ’t -een of ander ambt vervullen; hoe zwak het meisje ook zijn moge, zij -moet haar moeder in alles bijstaan. Maar terwijl men in Egypte het kind -nauwelijks tot verademing laat komen, begunstigt men in Nubië het -vroolijk spel der kleinen zooveel men kan. In Egypte wordt de jongen -tot een knecht, het meisje tot een slavin van dezen knecht, zonder dat -men eene blijde jeugd heeft gekend; in Nubië zijn zelfs de -halfvolwassenen nog altijd kinderen in hun zijn en wezen. Vandaar dat -de eersten onnatuurlijk ernstig zijn evenals hunne vaders, dezen -vroolijk evenals hunne moeders. Er bestaat bij de Nubiërs een algemeen -geliefkoosd kinderspel, dat ieder reiziger kan leeren kennen en dat hij -met welgevallen zal gadeslaan, omdat daarin meer dan in een ander -behendigheid en sierlijkheid van bewegingen, volharding en -ondernemingsgeest vereenigd zijn; ik bedoel het in de geheele wereld -bekende „krijgertje spelen.” Na den arbeid vereenigen zich knapen en -meisjes. De eersten verlaten het scheprad, welks trekossen zij van den -vroegen morgen tot zonsondergang moesten aandrijven, of het veld, -waarop zij hun vaders behulpzaam waren, of het jonge kameel, dat zij -leerden draven; de laatsten hare kleinere broertjes en zusjes, die zij -eer sleepten dan droegen, het brooddeeg, dat zij moesten laten gisten, -den wrijfsteen, aan welken zij haar jonge krachten oefenden; allen -spoeden zich naar de rivier. De jongens zijn geheel naakt, de meisjes -dragen alleen het franjeschort. Lachend en pratend trekt het gezelschap -voort, het wemelt in het goudgele zand en tusschen en op de zwarte -rotsen als van bruine mieren. Bont dooreengemengd rangschikken zich de -vangers, die den vluchteling moeten inhalen en grijpen. De laatste, die -eenige schreden vooruit krijgt, geeft het teeken tot den aanvang der -jacht en allen kleven aan zijn hielen. Vlug als een gazelle loopt hij -over de zandige vlakte naar de naastbijgelegen rotsen en als jagende -windhonden rent de schreeuwende schaar hem na; vlug als eene gems -klautert hij de rotsen op en niet minder behendig klimmen ook de -vervolgende speelgenooten naar boven; als een verschrikte bever stort -hij zich in de rivier, om zich al duikende in ’t water te verschuilen, -maar ook de vurige medespelers schuwen een bad niet, en knapen en -meisjes scharrelen als zwemmende honden in ’t water, roepen en -schreeuwen, snappen, lachen en jolen; drijvende, snaterende eenden -gelijk, volgen zij hem in het natte element. Lang schommelt de naald -der weegschaal, en soms wordt de geheele Nijl in zijne breedte -overgezwommen, alsvorens de stoute voorspeler in handen zijner -kameraden valt. De ouders der vroolijke schare staan aan den oever dit -schouwspel aan te staren en verheugen zich over de behendigheid, den -moed en de inspanning van hun kroost, en ook wij Europeanen moesten -bekennen, dat wij nergens levenslustiger, opgewekter wezens gezien -hebben dan deze slanke, schoone, fluweelbruine, glimmende kinderen der -Nubische woestijn. - -Uit zulke spelende kinderen groeien de mannen op, die het wagen de -stroomversnellingen te bevaren, en in eene boot stroomafwaarts over de -kokende, schuimende, ronddraaiende golven te roeien, zelfs tegen deze -op te zeilen; groeien de mannen, die op zulke tochten zelfs geen boot -behoeven, maar koen op kleine, uit doerrhastengels los saamgebonden -vlotten, of opgeblazen lederen zakken reizen van ettelijke dagen -ondernemen. Zoo onverschrokken zien deze Nubische schippers en zwemmers -het gevaar onder de oogen, dat de golven hun zelfs geen sagen en -sprookjes in ’t oor konden fluisteren. Zij weten van geen niksen en -watergeesten, van geen booze of goede genieën, en hunne -beschermheiligen, wien zij vóór of onder den gevaarlijken tocht om hulp -en bijstand aanroepen, weren slechts het noodlot af, geenszins het -kwaadwillig voornemen van booze geesten. De sage is stom gebleven in de -stroomversnelling, in den „buik der rotsen”, in de katarakten en -draaikolken van de „moeder der gesteenten”, van den „geschokten”, van -den „kameelenhals,” van de „koralen” en hoe de stroomversnellingen nog -meer mogen heeten. Toch zou hier een geschikte bodem gevonden worden -voor sprookjes en sagen, en de meest geschikte aanleiding voor den -schipper om het geloof aan de werkzaamheid van booze geesten in zich op -te nemen. - -De stroomversnellingen worden naar beneden bij hoogen en middelbaren, -naar boven bij gemiddelden en lagen waterstand bevaren. Bij den -laagsten stand des Nijls zou elke stroomafwaarts gaande boot -verpletterd worden, terwijl bij hoogen waterstand zelfs het grootste -zeil niet bij machte zou zijn een groot vaartuig stroomopwaarts te -brengen. Bij dalend water moeten honderden menschen opgeroepen worden -om eene middelmatig groote boot der almachtige regeering naar boven te -trekken; op tijden, dat de Nijl is gezwollen, zou men op de enkele niet -door het water bedekte eilanden, weêrszijds van het vaarwater, te -weinig of in ’t geheel geen ruimte kunnen vinden om de voeten op te -zetten. De hoogste waterstand is het meest geschikt om stroomafwaarts -te gaan, een gemiddelde waterstand ook om die reden voor de vaart -stroomopwaarts, daar alsdan de regelmatig waaiende noordenwind tevens -een goede gelegenheid aanbiedt om de hulp van het zeil aan te wenden. - -Alle booten, die uitsluitend dienen voor de vaart op de -stroomversnellingen, onderscheiden zich zoowel door hare geringe -grootte als door haar bouwtrant, alsmede door tuigage en zeilvorm van -alle andere Nijlschepen. De romp bevat slechts een gering aantal -ribben, de planken worden door schuins ingeslagen, de smalle zijden met -elkaar verbindende spijkers vastgemaakt; het zeil is in plaats van -driekant, ruitvormig en zoo aan twee ra’s bevestigd, dat men met behulp -van de onderste ra meer of minder zeildoek kan opwinden of aan den wind -blootstellen. Bouwwijze en tuigage blijken zeer doeltreffend te zijn; -de geringe grootte, of althans lengte der boot veroorlooft snelle -wendingen, de samenvoeging der planken verleent het scheepslichaam -veêrkracht en buigzaamheid, die goede diensten bewijzen bij het -dikwijls voorkomend stooten tegen de klippen; door eene naar de sterkte -van wind en stroom te regelen drukking van het zeil eindelijk kan men -den veelvuldig afwisselenden weêrstand gelijkmatig en voortdurend -overwinnen. - -Eene bergopwaarts trekkende flotille van booten verleent, wanneer zij -zoo pas van de ladingsplaats of van de gedurende den nacht ingenomen -rustplaats is opgebroken, een prachtigen, betooverenden aanblik. Op -alle vaarwaters ontwaart men zeilen; somtijds ziet men er meer dan -twintig tusschen de donkere rotsen blinken. Aanvankelijk blijven de -vaartuigen op nagenoeg gelijke afstanden van elkaar; ras echter doen -stroom en zeildruk de eerst ingenomen slagorde verbreken. Het eene -scheepje na het andere blijft meer terug, het eene na het andere laat -het hoofddeel der vloot achter zich en reeds na verloop van een uur -ligt er een tamelijk groote afstand tusschen de voorste en achterste -boot. De vaart vordert evenwel, zelfs bij een sterken en gestadigen -wind, veel minder dan men zou meenen. Wel breken de golven met groot -gedruisch tegen den boeg, maar het schip heeft met zulk een groot -verval te kampen, dat het maar weinig vooruitkomt. Het is een ware -kunst hier zoo te sturen, dat het vaartuig zoo weinig mogelijk -krommingen maakt en toch niet tegen de klippen stoot; elke wending toch -maakt eene verandering in de plaatsing van het onhandige zeil -noodzakelijk en elke stoot veroorzaakt een lek. Kapitein en matrozen -hebben daarom handen vol werk. Desniettemin begint eerst dan de -eigenlijke arbeid, wanneer een der vele stroomversnellingen in ’t -gezicht is, die men over moet steken. Het tot nog toe half ontrolde -zeil wordt in zijn geheel aan den wind blootgesteld; de bark jaagt als -een krachtige stoomboot door den chaos van rotsen en bereikt de -draaikolk, die aan den voet van bijna alle watervallen te vinden is. -Alle matrozen staan bij de uitgelegde riemen of aan de gereedliggende -touwen, om, al naar zulks vereischt wordt, aan te grijpen, wanneer de -boot, gelijk met opzet geschiedt, door de draaikolk wordt gegrepen en -in een cirkel wordt rondgevoerd. Op het gegeven bevel van den stuurman -dompelen aan deze zijde de riemen in het water, stooten aan de andere -zijde lange staven op de rotsen, om het vaartuig daar van af te houden; -verkleind of vergroot, draait of wendt zich het door de knapste -matrozen gemanoeuvreerde zeil. Eenmaal, tweemaal, zesmaal, tienmaal -poogt men tevergeefs de draaikolk over te steken,—eindelijk gelukt -zulks en de boot bereikt het benedeneind van den val. Hier evenwel -staat zij als vastgeklonken; de drukking van het zeil en van het water -maken evenwicht met elkaar. De wind wordt sterker en het vaartuig rukt -een of meer meter vooruit; de drukking op het zeil vermindert en de -golven werpen het schip weêr terug. Nogmaals vangt de strijd tegen -draaikolk en golven aan, en wederom behalen de laatste de overhand. Het -komt er nu op aan het ingenomen en veroverde standpunt te handhaven. -Een der matrozen grijpt het touw met de tanden, werpt zich in ’t midden -van den hevigsten golfslag in den stroom en poogt al zwemmende, terwijl -hij het zware touw achter zich aan sleept, een boven de golven -uitstekend rotsblok te bereiken. De golven slingeren hem weêr terug en -bedekken hem geheel, maar hij herhaalt zijn pogingen, totdat hij -inziet, dat hij niet tegen den sterken stroom is opgewassen en een -teeken geeft, waarop hij naar het schip wordt teruggetrokken. Nog -eenmaal spelen, tot vernietiging in staat, draaikolk en golven met het -bij hen vergeleken zoo brooze gebouw; nog eenmaal stuwt de wind dit -laatste, in weêrwil van beiden, vooruit. Daar hoort men plotseling een -angstverwekkend gekraak; de stuurman verlaat op hetzelfde oogenblik -zijn plaats, en vliegt, een wijden boog beschrijvend, door de lucht en -in den stroom,—de boot was op een door het water bedekte rots gevaren. -Fluks bemachtigt zich een der matrozen van het roer, fluks werpt een -ander den in het schuimende water spartelenden stuurman een opgeblazen, -aan een touw vastgemaakten lederen zak toe en fluks vliegen de anderen -met hamer, beitel en werk naar het scheepsruim om onmiddellijk het lek -te dichten. De man aan het roer behoedt, zoo goed hij kan, het vaartuig -voor een tweeden schok; de ondergedompelde stuurman klimt uit het -donker nat, terwijl hij meer op klagenden dan biddenden toon de woorden -uit: „El hamdi lillahi”—God zij geprezen!—de overigen hameren en -stoppen, en keeren het indringende water. Een geeft zijn hemd prijs om -een lek te dichten, dat reeds alle werk verslond. En wederom zeilt de -boot door kolk en golven, schommelend, zuchtend, knarsend als een -zeeschip in den storm; weêr bereikt het de stroomversnelling en weêr -wordt het gekluisterd door wind en golven. Twee matrozen springen samen -in den stroom, bereiken gelukkig het begeerde rotsblok, slingeren er -het touw omheen en wenken de overigen om de boot aan te trekken. Zulks -geschiedt en nu ligt de boot vastgemeerd aan de rots, in het midden van -den hevigsten golfslag, waardoor ze zoodanig wordt geslingerd en zonder -ophouden op en neêr bewogen, dat men er zeeziek van worden kan en zulks -ook dikwijls werkelijk wordt. Een tweede boot nadert en vraagt hulp. -Men werpt haar door middel van den opgeblazen zak een touw toe en -bespaart de bemanning hierdoor tijd en moeite. Weldra ligt ook deze -boot en daarna een derde en een vierde onder dezelfde rots en alle -dansen gezamenlijk op en neêr. Nu evenwel is de vereenigde -scheepsmanskracht talrijk en sterk genoeg om de overvaart geheel ten -einde te brengen. Tweemaal zooveel matrozen als elk vaartuig voert, -bezetten alle noodzakelijke posten van het eene; de anderen zwemmen, -waden en klauteren, lijnen naar zich toe trekkende, naar een rotseiland -boven de stroomversnelling en slepen de eene boot na de andere, hun -krachten met die van het zeil vereenigende, over den schuimenden, -bruisenden waterval naar boven. Hier en daar, en nu en dan is de kracht -van het zeil alleen voldoende; onder zulke gunstige omstandigheden -evenwel brengt windstilte niet zelden vaartuig en bemanning in gevaar. -Dikwijls moet eene boot midden in de brandende golven uren, zelfs een -dag lang blijven liggen om op een gunstigen wind te wachten. Dan kan -het gebeuren, dat men aan elke rotspunt een scheepje ziet hangen, -zonder dat men in staat is elkander hulp te bieden. - -Meer dan eens was ik genoodzaakt mijn nachtleger op een der zwarte -rotsen op te slaan, omdat de hevige beweging der in den waterval op en -neêr slingerende boot den slaap onmogelijk maakte. Bezwaarlijk kan men -zich een vreemdsoortiger slaapplaats denken. De grond, waarop men rust, -schijnt te beven onder de daartegen brandende golven; het bruisen en -ruischen, sissen en loeien, dreunen en donderen van het water verdooft -elk ander geluid; zwijgend zit of ligt men op zijn tapijt, omringd door -zijn lotgenooten. Evenals een dikke voorbijtrekkende nevel spreidt elke -windvlaag een fijnen stofregen over het rotseiland. Het heldere -legervuur werpt een wonderlijken lichtschijn op het gesteente, en de -donkere, in alle vooruitspringende hoeken en kanten schuimende wateren, -geven aan de in de schaduw verborgen draaikolken en watervallen nog -spookachtiger voorkomen dan ze werkelijk hebben. Soms is het alsof zij -honderd muilen openen om het arme menschenkind te verslinden. Doch deze -heeft een vertrouwen even sterk als de grond, waarop hij rust. De -geweldige stroom moge donderen, de branding woeden en schuimen, men -rust hier veilig op de rots, die duizenden van jaren die woede -doorstond. Wanneer echter het touw eens brak en de reddende boot tegen -de nabijzijnde rots werd geslingerd en verbrijzeld? Dan zal een andere -verschijnen om den schipbreukeling aan wal te brengen. Men kan slapen, -rustig slapen, in weêrwil van dergelijke gedachten en in weerwil van -het onophoudelijk gedreun, want het gevaar verleent moed en moed wekt -vertrouwen; het donderen der golven wordt een wiegelied. Welk een -ontwaken evenwel op den volgenden morgen! De hemel straalt in ’t oosten -van een donzig rood, de oude rotsreuzen hebben een purperen mantel -omgeslagen en schitteren straks in een oogverblindend licht, als waren -zij gebouwd uit gepolijst staal. Licht en schaduw weven op de zwarte -rotsen en in de met een goudgeel zand opgevulde kloven het -onbeschrijfelijk heerlijke tooverkleed der woestijn; duizenden en -nogmaals duizenden waterpaarlen fonkelen en schitteren daar tusschen; -en de stroom ruischt ons daarbij zijn machtige, eeuwig dezelfde en -eeuwig verschillende melodie in de ooren. Zulk een schouwspel en zulke -muziek vervult elk mannenhart met verrukking. In stille aandacht brengt -men den morgen op zijn verheven schouwplaats door, want eerst tegen den -voormiddag verheft zich de altijd naar het zuiden stroomende wind. Met -dezen beginnen wederom arbeid en gevaar, moeite en strijd, vermetelheid -en vrees; en zoo verloopt de eene dag na den anderen, en verdwijnt de -eene stroomversnelling na de andere achter den schipper. - -De reis stroomopwaarts is gevaarlijk en tijdroovend, de reis -stroomafwaarts een waagstuk zonder wederga, een doldriftig jagen door -vloed en versnelling, draaikolk en maalstroom, watervallen en -rotsnauwten, een moedwillig spel met het leven. - -Men onderneemt zoodanige reizen door het gebied van alle -stroomversnellingen alleen in booten, die in Soedan gebouwd zijn en -voor den benedenloop bestemd werden. Ongeveer een tiende gedeelte wordt -op de reis verbrijzeld; dat niet een betrekkelijk even groot aantal -schepelingen verongelukt is alleen toe te schrijven aan de -ongeëvenaarde zwemkunst der Nubische schippers, die zelfs dan nog niet -altijd verdrinken, als zij door de golven tegen de rotsen geslingerd -worden; gewoonlijk laten zij zich als eenden op het water drijven om -eindelijk toch weder aan vasten wal te geraken. - -Ik zal trachten u zoo getrouw mogelijk enkele tafereelen te schetsen -van zulk eene vaart stroomafwaarts. - -Zes nieuwe booten uit het zware, in het water zinkende mimosenhout -getimmerd, dat in Egypte zoo zeer gezocht en op prijs gesteld wordt, -liggen op de zuidelijke grens der derde groep van stroomversnellingen, -aan de rivieroevers vastgemeerd; de daarbij behoorende manschappen -rusten op het zand tusschen de zwarte rotsblokken, alwaar zij den nacht -hebben doorgebracht. Het is nog vroeg in den morgen en nog stil in het -leger; de stroom alleen laat zijn ruischende taal in deze eenzaamheid -hooren. De aanbrekende dag wekt de slapers; de een na den ander daalt -naar de rivier af en verricht hier de voorgeschreven wasschingen voor -het morgengebed. Nadat men het „voorgeschrevene” en het „bijgevoegde” -van het gebed heeft uitgesproken, verkwikt zich de geheele bemanning -aan een sober ontbijt. Dan ijlt jong en oud naar het graf van den een -of anderen scheik of heilige, welker witte koepels tegen de lichtgroene -mimosen van een donker dal helder afsteken, om hier onder aanvoering -van den oudsten scheepsaanvoerder, die de plaats van Imam bekleedt, een -afzonderlijk gebed om eene gelukkige vaart uit te spreken. Bij de -booten teruggekeerd, werpt men nog, een oud voorvaderlijk, heidensch -gebruik volgende, eenige dadels als offergave in den stroom. - -Nu evenwel gebiedt elke gezagvoerder zijn manschappen ieder zijn post -in te nemen. „Laat het zeil los! roeit o mannen, in den naam Gods des -Albarmhartigen!” Zoo klinkt zijn bevel. Hierop begint hij te zingen, -n.l. het refrein van een gedicht; een der roeiers neemt deze wijs over -en zingt het eene vers van dat lied na het andere; de overigen -begeleiden hem met de taktmatig voorgedragen woorden: „help ons o -Mohammed, help ons o godsgezant en profeet!” - -Langzaam beweegt zich de schuit naar het midden des strooms; sneller en -altijd sneller drijft zij naar beneden; nog enkele minuten en, steeds -den loop versnellende, schiet zij tusschen de rotseilanden boven de -stroomversnelling door. „O Said, geef ons vreugde,” smeekt de „Reis” of -schipper, terwijl de matrozen voortgaan met zingen. Sneller en sneller -dompelen de roeiriemen in het zwarte water, en het zweet druipt van de -bruine, gisteren weder frisch met zalf ingesmeerde, tot op de lendenen -naakte lichamen der roeiers; elke spier is saamgetrokken en in werking. -Lof en smaad, vleiende woorden en verwenschingen, beden en -bedreigingen, zegenwenschen en vervloekingen wisselen in den mond van -den „Reis” met elkander af, al naar de boot een met zijn wenschen meer -of minder overeenstemmenden koers maakt. De met alle kracht -aangebrachte riemslagen, ofschoon alleen tot sturen en richten bestemd, -verhaasten den reeds zeer snellen loop van het vaartuig nog meer en -verhoogen het gevaar dikwijls evenveel als zij het trachten te ontgaan; -de Reis vindt hierin genoegzame verontschuldiging, waar hij alle hem -ten dienste staande middelen aanwendt om zijn matrozen aan te vuren. -„Legt u op uwe riemen, werkt, werkt mijn zonen! toont uwe kracht -naneven en nakomelingen van helden; bewijst uwen moed, gij dapperen; -geeft blijk van uwe kracht, o helden; prijst den profeet, gij -geloovigen! Ja, de meriesa, de simbilgeurige meisjes van Dongola, de -vertellingen van Kaïro, dat alles zal het uwe zijn! Bakboord zeg ik u, -honden, hondenzonen, hondenneven, zonen en nakomelingen van honden, gij -christenen, gij heidenen, gij joden, gij kaffers en vuuraanbidders! -Wacht, gij spitsboeven, schelmen, dieven, gauwdieven, landloopers, wilt -gij roeien! Eerste roeiriem stuurboord, hangen vrouwen aan uwen arm? -Derde roeiriem bakboord, slinger de wijven in ’t water, die u leiden! -Recht zoo, voortreffelijk, uitstekend, gij krachtige, knappe, lenige -jongelingen! God zegene u, gij braven, en geve uwen vader vreugde en -uwen kinderen heil en zegen! Beter, beter nog, gij bloodaards daar, gij -krachteloozen, ellendigen, nietswaardigen! Verdoeme u Allah in zijn -rechtvaardigen toorn,—help ons, help ons o Mohammed!” Zoo stroomt het -onafgebroken uit den mond des gezaghebbers, en alles wordt met den -meesten ernst gezegd, gesproken, geschreeuwd, geklaagd en nog -daarenboven bekrachtigd door passende bewegingen met het hoofd, de -voeten en de handen. - -De boot heeft den bovensten trap der stroomversnelling bereikt. De -rotsen aan beide zijden schijnen in het rond te draaien; het donderende -water vloeit over dek en boord en overstemt elk ander geluid, zelfs de -bevelen des stuurmans. Onophoudelijk wordt het ranke vaartuig van de -eene rots naar de andere geworpen—vrees, angst, ontzetting staan op -aller gezichten te lezen—daar ligt de gevreesde plaats reeds achter den -spiegel der boot; de golven, die van de rotsen terugschuimden hebben -ook het scheepje teruggeworpen; twee riemen slechts zijn gebroken, als -broos glas werden zij door het gesteente in splinters geslagen. Maar -dit verlies belemmert de boot de gewilde richting aan te nemen en zij -drijft naar een der watervallen. Een algemeen geschreeuw drukt -ontzetting en vertwijfeling uit; op een wenk van den met bevende knieën -aan het roer staanden Reis werpen allen zich plat op het dek en houden -zich hier krampachtig vast; een oorverdoovend gekraak volgt, terwijl de -ziedende golven alles bedekken; een enkel oogenblik ziet men niets dan -water, daarna springt de boot bliksemsnel omhoog—de doodsgevaren zijn -voorbij, men heeft den waterval achter zich. „El hamdi lillahi”—God zij -dank!—zoo luidt de kreet, aan ieders borst ontweld; dan snellen enkelen -naar het ruim om mogelijke lekkages op te sporen en te dichten, anderen -leggen nieuwe riemen op, en de tocht wordt vervolgd. - -Achter deze eerste boot jaagt een tweede door de gevaarlijke -stroomversnelling. Met onstuimige, steeds versnelde haast arbeiden de -roeiers: daar worden allen plotseling tegen den grond gesmakt, en een -hunner vliegt in een hoogen boog van zijne plaats door de lucht om in -den stroom neêr te vallen. Hij schijnt verloren en in den afgrond -begraven, maar neen! te midden van de draaiende en schuimende golven -beneden de stroomversnelling duikt de meesterzwemmer weêr naar boven, -terwijl zijn kameraads in hunne radeloosheid de handen wringen, en -wanneer een derde boot de tweede, die op een rotsblok is gestrand, -voorbijjaagt en in den maalstroom is gekomen, grijpt hij een der riemen -en slingert zich behendig aan boord; hij is gered. Ook de vierde boot -rukt nader; smeekende gebaren van de gestrande bemanning der tweede -boot roepen om hulp—een wijzen naar den hemel is het antwoord. -Inderdaad, menschelijke hulp schiet hier te kort, want de vaartuigen -zijn hier niet in de macht der menschen, de stroom zelf moet helpen, -wanneer hij niet vernietigen wil, en hij helpt. Grooter worden de -slingeringen van het schip, welks voor- en achtersteven beurtelings -onder het water verdwijnen en weêr daaruit omhoog rijzen, en plotseling -jaagt het weder door draaikolk en stroomen. Eenige matrozen roeien, -anderen scheppen water, zoo ook twee medereizende vrouwen; wederom -anderen hameren, spijkeren en kalefateren in het ruim. Voor de helft -met water gevuld, half drijvend, bereikt de boot den oever en wordt -uitgeladen, maar de helft der lading, bestaande uit Arabische gom, is -verloren; klagend, jammerend, weenend, op de met de mannen reizende -vrouwen vloekende, rukt zich de eigenaar, een arm koopman, den baard -uit. De beide vrouwen zijn van alles de schuld; hoe konden zij, die -reeds in het paradijs het menschdom in het verderf stortten, een -geloovigen Muzelman zegen aanbrengen! Wee, wee over de vrouwen en haar -geheele geslacht! - -De boot wordt den volgenden dag hersteld en opnieuw geladen; alsdan -drijft zij met de anderen naar de volgende stroomversnelling, -doorklieft deze zonder beletsel en men bereikt gezamenlijk het -vruchtbare, rotsvrije stroomdal van Midden-Nubië, dat alle schippers -gastvrij ontvangt en opneemt. Vergeten is alsnu alle zorg; de bruine -mannen lachen en schertsen als kinderen en slurpen met wellust den -palmwijn en den „meriesa.” Veel te snel drijft de stroom de booten door -het gelukkige land. - -Wederom schudt de woestijn haar goudgele zandmassa’s over de rotsen der -Nijloevers; wederom vernauwen, verdeelen en verhoogen rotseilanden de -bedding des strooms; de schepen hebben de tweede stroomversnelling -bereikt. De eene gevaarlijke waterloop, de eene gevreesde maalkolk, de -eene zorgverwekkende nauwte en kromming na de andere is achter den rug; -men voer ze gelukkig door, maar de laatste en wildste -stroomversnellingen scheiden de schepelingen nog van het palmendorp -Wadihalfa en het van hier uit nog slechts eenmaal, beneden-Phile, met -rotsen gevulde, maar overigens niet gevaarlijke benedenste stroomdal. -Alle booten zoeken boven de waarlijk vreeselijke stroomversnellingen -Gaskol, Moedjana, Aboe-Sir en Hambol een rustige bocht; alle schepen -liggen hier stil tot den volgenden morgen, om zich te sterken tegen den -arbeid, de inspanning, angst en zorgen van den volgenden dag. Op -veêrende rustbedden leggen ook de Westerlingen zich neder. - -De nacht schuift zijn sluier over het wilde land. In het rotsdal -donderen de naar beneden stortende wateren; in den stillen inham -weêrspiegelen de sterren; van het strand stijgt de geur van mimosen -omhoog. Daar treedt een bejaarde, tusschen de stroomversnellingen -geboren en grijs geworden Reis naar de Westerlingen toe. Zijn -schitterend witte baard omlijst het edele aangezicht; zijn wijd -opperkleed doet denken aan den tabbaard eens priesters. „Zonen der -vreemdelingen, mannen uit Frankenland!” zoo vangt hij aan te spreken, -„gij hebt met ons groote gevaren doorstaan, grootere staan u te -wachten. Ik ben in het land geboren; zeventig jaren heeft de zon mijn -hoofd beschenen; eindelijk heeft zij mijn haar gebleekt. Ik ben een oud -man—gij kondt mijn kinderen zijn. Daarom let op de stem van hem, die u -waarschuwt en laat af van uw voornemen ons morgen te vergezellen. -Onwetend gaat gij het gevaar in, maar ik ken het. Indien gij, evenals -ik de rotsen hadt gezien, die als poorten aan de golven den doortocht -versperren, indien gij, evenals ik, hadt gehoord hoe deze golven -toornig en dreunend toe- en doorgang eischen, hoe zij over de rotsen -stroomen en brullend omlaag storten; indien gij bedacht, dat eenig en -alleen de genade Gods, die wij bewonderen en aanbidden, ons armzalig -scheepje kan sturen, dan zoudt gij aan mijn wensch voldoen. Zou het -hart uwer moeder niet van kommer en verdriet breken, wanneer de -barmhartigheid van den Albarmhartige ons verliet?—Gij wilt niet? Dan -moge de genade des Almachtigen over ons allen heerschen!” - -Vóór zonsopgang wordt het levendig aan het strand. Vuriger dan ooit -verrichten de schepelingen hun morgengebed. Ernstige, met den stroom -bekende stuurlieden, jonge, krachtige, waagzieke roeiers bieden den -oude hun diensten aan. Bedachtzaam kiest hij de knapste stuurlieden en -de krachtigste roeiers, drievoudig bemant hij het roer en geeft daarna -het teeken tot opbreken. „Mannen en zonen des lands, kinderen des -strooms, bidt de fatiha” beveelt hij. En allen spreken de woorden van -de eerste soere des Korans: „Lof en eer den Heer der wereld, den -Erbarmer, die daar heerscht ten dage des gerichts. U willen wij dienen, -tot u willen wij bidden, opdat Gij ons den rechten weg zult wijzen, den -weg dergenen, die zich in Uwe genade verheugen, maar niet den weg -derzulken, over wie Gij toornt, en niet den weg der dwalenden!” „Amen, -mijn kinderen; in den naam des Albarmhartigen! Maakt de touwen los en -slaat de handen aan de riemen.” Gelijktijdig vallen deze in het water. - -Langzaam drijft de opgestuwde stroom het vaartuig naar de eerste -versnelling en nogmaals jaagt het, hierin gekomen, aan roer noch riemen -gehoor gevende, in alle voegen krakende en steunende, door de over -elkaar stortende golven en het kokend schuim, door draaikolk en -maalstroom, door nauwten en gewonden vaarwaters, door de golven -omspoeld en bedekt, rakelings langs de rotsen, en even rakelings over -de met dwarrelende wateren bedekte rotstoppen naar eene tweede -versnelling. - -Van de hoogte der helling schouwt het oog vol ontzetting in eene met -betrekking tot het geweld des waters afgrijselijke diepte; vlak voor -den voet des vals verheft zich een rond rotsblok, omgeven door -schuimende golven, een met witte haren omlijst reuzenhoofd, dat boven -de wateren uitsteekt. Een afgeschoten pijl gelijk schiet het armzalig, -hier niet meer te besturen scheepje op dien reuzenkop af. „In den naam -des Albarmhartigen roeit, roeit, gij mannen, gij geweldige, dappere, -koene mannen, gij zonen des strooms!” steunt de Reis; „bakboord, -bakboord het roer, met alle kracht.” Maar roer en riemen weigeren. Niet -zoozeer het rotsblok brengt nu het scheepje in gevaar, maar dit wordt -door een nauw, in een chaos van rotsen voerend, aan stuurboordszijde -der rotsen zich vertakkend vaarwater opgenomen, en tevergeefs zoeken -aller oogen een uitweg uit dezen chaos. Reeds verlaten de matrozen de -roeibanken om zich van de laatste kleedingstukken te ontdoen, ten -einde, zoo de boot mocht stranden, in het zwemmen niet gehinderd te -worden; daar doet een vreeselijk gekraak aller blikken weder rugwaarts -wenden; het steenen hoofd heeft de volgende, langere, daardoor minder -goed te zwenken boot als offer ontvangen, en houdt haar zwevend boven -den daar beneden schuimenden vloed. Zulks vermeerdert de ontsteltenis. -Alle schepelingen beschouwen de bemanning dier boot voor reddeloos -verloren, en allen maken zich gereed voor den sprong in de diepte. Daar -dreunt helder en luid de stem des grijzen stroomouden over de woelende -wateren. „Zijt gij dan dol, zijt gij van God verlaten, gij kinderen der -heidenen! arbeidt, arbeidt, gij knapen, mannen, helden, gij dapperen en -geloovigen! In de hand des Almachtigen berust alle kracht en sterkte; -Hem zij de eer; aan de riemen gij zonen van helden!” En hijzelf gaat -naar het roer en voert binnen weinige minuten de boot uit den „weg der -dwalenden” op den „rechten weg” terug. De eene boot na de andere -verschijnt in het vrije water; toch niet alle booten ontgingen het -gevaar. Nog altijd, en wel tot aan de volgende rijzing van den Nijl -draagt het reuzenhoofd zijn last, terwijl de ongeluksboot, waarin de -vrouwen waren gezeten, reeds bij de bovenste stroomversnelling in -duizend splinters werd geslagen. Met de gelukkig geredde manschap -bidden de schippers evenals vóór de afvaart: „Lof en prijs den Heer der -wereld!” - -Voor het door palmboomen beschaduwde dorp Wadihalfa liggen de geredde -booten naast elkander; aan het strand, om flikkerende vuurvlammen, in -schilderachtige groepjes geschaard, de schippers. Dikbuikige kruiken, -gevuld met meriesa, noodigen tot drinken uit; in andere vaten derzelfde -soort borrelt het vleesch der geslachte schapen, onder toezicht van ras -toegesnelde, met ricinusolie gezalfde, voor Europeanen niet te naderen -vrouwen en meisjes. - -De klank der cithers en het geroffel der trom geven het teeken tot den -aanvang der „fantasie” van het feest, smulpartij en drinkgelag. Een -onuitsprekelijk welbehagen maakt zich van alle schippers meester; hun -zaligheid is aan gelaat en bewegingen kenbaar. Eindelijk laat zich na -den zwaren, angstigen arbeid van heden de vermoeidheid gelden. De -taraboeka valt uit de slappe armen, de tamboera aan de vermoeide hand, -en alle, zoo even nog luidruchtige stemmen zwijgen. - -In hare plaats vangt thans de nacht aan te spreken. Daar boven klinkt -nog steeds het gedonder van de watervallen; uit de kronen der palmen, -met wier veêren de nachtwind speelt, daalt een zacht gefluister naar -omlaag: aan het vlakke strand breken onder welluidend geklots de -golven. En het gedonder der wateren en het spelen der golfjes, het -geruisch van den wind en het gefluister der palmen vormen te zamen het -heerlijkste wiegelied, dat allen doet insluimeren in het lichtrijk van -gouden droomen. - - - - - - - - -XII. - -EENE REIS IN SIBERIË. - - -Wij hadden de van menschen wemelende straten van St. Petersburg, de in -de zon stralende gouden koepels van Moskow achter den rug, en de torens -van Nischni-Nowgorod aan den anderen oever der Oka lagen voor ons. Met -een dankbaar gevoel hadden wij afscheid genomen van de beide -hoofdsteden van Rusland. Wij waren te Berlijn door Z. M. onzen -roemruchtigen Keizer in een welwillend afscheidsgehoor ontvangen -geworden, de Min. van Buitenl. Zaken had ons dringend aanbevolen, de -Duitsche gezant in St. Petersburg had ons vriendelijk welkom geheeten, -en zoo hadden wij ons eene goede opname in Rusland voorgesteld; de -uitkomst beantwoordde aan onze verwachting, ja, overtrof deze ten -zeerste. Z. M. de Czar had ons audiëntie verleend, bij Grootvorsten en -Grootvorstinnen van het Keizerlijk huis hadden wij onze opwachting -mogen maken; de Rijkskanselier, de Ministers en andere hooge -staatsdienaren van Rusland waren ons tegemoet gekomen met die -voorkomende vriendelijkheid en opofferende welwillendheid, welke een -der karaktertrekken uitmaken van alle beschaafde Russen; de beste -aanbevelingen, wier waarde wij later eerst recht zouden leeren kennen, -vergezelden ons. - -Tot Nischni-Nowgorod hadden wij gereisd met de verkeermiddelen van den -nieuwen tijd; voortaan zouden wij ervaren hoe men in het Russische rijk -reist, en op welke wijze men er afstanden van duizenden kilometer of -wersten aflegt—aflegt in den winter zoowel als in den zomer, des nachts -zoowel als over dag, in het hevigste onweder zoowel als in den fellen -zonneschijn, in den kletterenden regen of in den ijzigen sneeuwstorm -zoowel als wanneer de droogte het stof doet opdwarrelen, in de slede -zoowel als in den wagen. Een groote, zware, in alle voegen beklampte, -om ’t omvallen te voorkomen wijdbeenige, door een kap tegen regen en -sneeuw beschutte, voor 3 paarden ingerichte reisslede, voorzien van -tingelende klokjes, stond voor ons. - -Het was op het kristallen ijskleed der Wolga, dat wij den 19 Maart de -wel snel vorderende, maar toch niet onbelemmerde vaart aanvingen. Wij -hadden op de reis van Duitschland naar Rusland dooiweêr gehad, de dooi -had ons uit Petersburg naar Moskow verdreven, dooiweder bleef onze -bestendige begeleider, als waren wij voorjaarsboden. Met water gevulde -gaten, die dreigend herinnerden aan de gapende diepte daar beneden, -doorweekten niet alleen slede en paarden, maar ook wijzelf werden -doornat; soms werden wij genoodzaakt tot het nemen van groote omwegen, -die wegens het kraken van het ijs gevaarlijker schenen, dan zij -werkelijk waren, maar toch den koetsier en den postillon beiden zoo met -bezorgdheid vervulden, dat wij na eene korte vaart de gladde ijsbaan -verwisselden met den nog onbereden zomerweg. Deze weg, waarover niet -alleen duizenden van vrachtwagens hun lasten vervoeren, maar langs -welken eveneens duizenden veroordeelden naar het gevreesde Siberië -trekken, is voor laatstgenoemden een weg der zuchten; hij werd zulks -mede voor ons. De losse, met water gedrenkte sneeuw lag hier nog een -meter hoog; rechts en links ruischten en stroomden tal van beekjes, -overal waar deze slechts ruimte hadden om te stroomen en te ruischen; -op beklagenswaardige wijze matten de nu voor elkander gespannen paarden -zich af, om vasten voet te behouden; met sprongen trachtten zij de -sporen van den voorganger te bereiken en tot aan de borst zakten zij -bij iederen verkeerden sprong in de sneeuw en het ijskoude water. -Daarachter schudde de slede, in alle voegen krakend, telkens als zij -met een snellen ruk van de hoogte in de diepte werd geslingerd; uren -lang bleef het voertuig, trots alle inspanning der paarden, in een gat -steken, en weêmoedig klingelde het geschenk der raadselachtige Faldine, -het wolvenverdrijvende klokje. Tevergeefs vermaande, bad, bezwoer, -kraste, krijschte, schreeuwde, vloekte en zweepte de koetsier; meestal -moest vreemde hulp ons uit dezen nood helpen. - -De uren werden dagen van kwelling, de weg scheen steeds langer te -worden. Het vergezicht schonk evenmin naar rechts als naar links eenige -opbeuring, want zonder schoonheid, woest en eenzaam strekte zich het -vlakke land voor ons uit; alleen de dorpen leverden eenige afwisseling -op, maar alleen voor hem, die weet te zien en die wil waarnemen. De -winter hield de menschen hier nog terug in hun kleine, sierlijk -aangelegde, meest evenwel erg verwaarloosde blokhuizen; in pelzen -gehulde knaapjes alleen liepen barrevoets door de met water gedrenkte -sneeuw en den vuilen drek, terwijl de oudere jongens en meisjes met -behulp van stelten deze hinderpalen trachten te overwinnen; oude, -wit-gebaarde bedelaars belegerden de posthuizen en herbergen, voor een -schilder evenwel bedelaars om te stelen; bedelaars, die, wanneer zij, -om eene aalmoes smeekende, het hoofd ontblootten, met hun eerwaardige -kale kruin en den langen golvenden baard, niet minder ook door hunne -vuile lichamen en armoedige, gescheurde kleeding zoo getrouw het beeld -weêrkaatsten van wereldverachtende heiligen, dat ik nimmer kon nalaten -hun altijd weêr iets te geven, al was het alleen maar om hen te nopen -tot dankbetuiging een kruis te slaan, welke ceremonie soms tot -negenmalen herhaald werd—en met zooveel uitdrukking en overtuiging -geschiedde, dat een ware heilige het niet beter zou hebben kunnen -verrichten. - -Ook de dierenwereld liet zich in de dorpen meer zien dan op de velden, -zelfs meer dan in de bosschen, die wij doortrokken. Daar buiten hield -de winter het dierlijk leven nog geheel in zijn boeien geslagen; daar -was alles nog stil en dood; behalve eene bonte kraai en een geelgors, -liet zich daar nog geen enkele vogel zien, en in de sneeuw bespeurden -wij geen spoor van eenig zoogdier; in de dorpen werden wij ten minste -verwelkomd door bekoorlijke kauwen, sieraden op de daken der -blokhuizen, door den raaf, bij ons te lande de schuwe bewoner van -bosschen en bergen, hier de vertrouweling der dorpsbewoners, door -eksters en meer andere vogels, niet gerekend de huisdieren, onder welke -de vrij rondloopende zwijnen vooral onze aandacht trekken. - -Na een vierdaagschen, onafgebroken tocht, zonder ons eene enkele maal -door een verkwikkenden slaap gesterkt te kunnen hebben, zonder eene -werkelijke rust genoten te hebben, zonder behoorlijk voedsel, aan alle -leden gebroken, bereikten wij, na het zeer gebarsten ijsdek der Wolga -te voet te zijn overgetrokken, Kasan, de oude hoofdstad der Tartaren, -welker zestig torens ons sedert den vorigen dag reeds vriendelijk -hadden toegelachen. Ik dacht een oogenblik in het Oosten te zijn -verplaatst. Van de minarets en de ettelijke boven alles uitstekende, -met een puntig toeloopend dak voorziene houten torens klonk mij wederom -in Arabische klanken de oproeping tot het gebed, door den Islam van -zijn belijders geëischt, in de ooren; te midden der met een tulband -omwonden mannen zweefden zwartoogige, voor dezen zich angstig -bedekkende, voor ons zich nieuwsgierig ontsluierende vrouwen langs den -weg; uit vrees hare fraaie, niet waterdichte, saffraankleurige -schoentjes nat te maken, volgen zij voorzichtig de droge smalle paadjes -langs de huizen; in de drukte van den bazar woelt jong en oud -dooreen—even als in het Oosten. Alleen het groot aantal prachtige -kerken, waaronder die van het klooster, genaamd: „de niet door -menschenhanden gemaakte Moeder Gods van Kazan” door ligging en -bouwwijze uitmunt, wilden niet recht in die Oostersche lijst passen, -ofschoon hier blijkbaar Christenen en Mohammedanen eendrachtig -samenwonen. - -Op lichte sleden, op zoo mogelijk nog bodemloozer wegen, trokken wij -verder, Perm en den Oeral tegemoet. De weg voert ons door Tartaarsche -en Russische dorpen, bebouwde velden en groote, uitgestrekte bosschen. -De Tartaarsche dorpen onderscheiden zich gunstig van de Russische, want -niet alleen mist men er de voor onrein gehouden varkens, maar tevens -vindt men bij elk dier dorpen een goed onderhouden, met hooge boomen -beplant kerkhof; de Tartaar toch eert de rustplaats zijner dooden, de -Rus ten hoogste die zijner heiligen. De bosschen ofschoon planmatig -ingedeeld, zijn oerwouden, die groeien en gedijen, verouderen en -afsterven zonder toedoen des menschen; zij liggen te ver verwijderd van -bevaarbare rivieren om er een winstgevend gebruik van te maken. - -Twee groote rivieren, de Wietka en Kama kruisen dezen weg. De eerste -ligt nog gekneld in den winterboei, ofschoon de lentewind reeds -aanvangt het ijsdek te verbreken. Het water overstroomt de oevers, -zoodat de paarden der vrachtvaarders,—welke lieden geen gebruik van de -op zulke plaatsen aangebrachte noodbruggen willen maken—genoodzaakt -zijn al zwemmende de achter hen drijvende slede, evenals een bootje -door het water te trekken. - -Reeds vóór wij Perm bereikten moesten wij de slede met een reiswagen -verwisselen, en in dezen rollen wij het Oeralgebergte, de grens van -Europa en Azië tegen. De weg loopt over langgerekte, zacht glooiende, -doch steeds hooger wordende heuvelrijen. Het beeld des landschaps -verandert. Een fraai, ofschoon nog geenszins grootsch bergland strekt -zich voor onzen blik uit. Kleine boschjes, omgeven van akkers en -weiden, herinneren aan de voorgebergten der Stiermarksche Alpen. De -meeste bosschen zijn arm en nietig, eenigszins te vergelijken bij die -der Mark, enkele rijker en levendiger, zelfs over groote -uitgestrektheden dicht. Ginds waren zij uit lage dennen en berken -gevormd, hier bestaan zij uit beide boomsoorten met daartusschen -groeiende linden, esschen en populieren, boven wier ronde kronen de -cypresvormige toppen der heerlijke Pichta’s of Siberische dennen als -kandelabers uitsteken. De dorpen zijn gemeenlijk grooter, de huizen -deftiger dan die, welke wij achter den rug hebben, maar de wegen zijn -boven alle beschrijving slecht. Loodzwaar slepen duizenden vrachtwagens -zich op of liever in het modderige spoor voort, en zoo ook wij, tot -eindelijk na eene reis van drie dagen de waterscheiding van de beide -groote stroomgebieden, van dat der Wolga en Ob is bereikt, en wij door -een gedenksteen, op welks westkant het woord Europa, op welks oostkant -het woord Azië is gebeiteld, er aan herinnerd worden dat wij de grenzen -van het werelddeel onzer geboorte zijn overgetrokken. Onder het klinken -der glazen gedenken wij onze verre geliefden. - -Het vriendelijke Jekaterinenburg met zijn goudsmelterijen en -steenslijperijen mag ons, in weêrwil van de gastvrijheid zijner -bewoners, niet lang ophouden, want steeds breeder slaat de lente haar -wieken uit, en met elken dag wordt het ijsdek, dat nog tot het ver -afgelegen Omsk ons voor brug moet dienen, losser en weeker. Rusteloos -snellen wij door de velden van het Aziatisch gedeelte van het -gouvernement Perm, totdat wij zijn grenzen en daarmede ook West-Siberië -hebben bereikt. - -Hier, in het eerste posthuis, wacht de distriktscommissaris van Tjumen -ons op, om ons in naam van den stadhouder te begroeten en door zijn -distrikt te geleiden; in de hoofdstad vinden wij het huis van een -vermogend man voor onze komst in gereedheid gebracht. Wij zullen van nu -af aan ervaren, wat Russische gastvrijheid beteekent. Nog altijd had -men ons overal gastvrij ontvangen en onthaald; van nu af aan beijveren -zich de hoogst geplaatste ambtenaren van distrikten en provinciën om -ons eer te bewijzen en van dienst te zijn, terwijl de aanzienlijkste -huizen tot onze beschikking staan. Als vorsten worden wij behandeld, -enkel en alleen omdat wij een wetenschappelijk doel voor oogen hebben. -Hoe dankbaar wij zulks ook erkennen, het ontbreekt ons aan woorden om -ons dankgevoel te uiten. - -Aan gene zijde van dat Tjumen, alwaar wij drie dagen vertoefden, om de -gevangenissen der ballingen, de lederfabrieken en andere -bezienswaardigheden der eerste Siberische stad in oogenschouw te nemen, -zagen wij ook hoe de boeren zich zelfs tot heer en meester weten te -maken van de rivieren. De naderende lente had ook het ijs der Pyschma -losgemaakt en de ijsschollen begonnen zich in beweging te zetten; wij -moesten evenwel nog eerst den stroom oversteken. De bevolking van het -dorp Romanoffskoy stond blootshoofds voor de Pyschma op ons te wachten; -en op ons wachtende moest ook deze rivier geduld oefenen met het -verbreken harer kristallen ketenen. Met niet minder bekwaamheid als -onverschrokkenheid had men eene noodbrug over den reeds gedeeltelijk -van ijs bevrijden stroom geslagen; eene groote boot diende daarbij als -middelste grondbalk en de ijsschollen, die dreigden te gaan kruien, -werden boven en naast deze brug met sterke touwen vastgebonden. -Gedienstige handen onttuigden het vijfspan, dat wij heden voor onze -reis noodig zouden hebben, sloegen de handen aan de assen en spaken, en -brachten den eenen wagen na den anderen over de waggelende, op en neêr -golvende, krakende brug. Deze had haar plicht gedaan; aan den anderen -kant ging het lustig verder door water en sneeuw, slijk en modder, over -paaldammen en ijs. - -Minder gewillig betoonde zich de Tobol, die wij op Goeden Vrijdag den -14 April, den eersten eigenlijken voorjaarsdag, over wilden trekken. -Ook hier had men alle mogelijke voorzorgen voor den overtocht -getroffen, zelfs een onzer wagens reeds afgespannen en op het ijsdek -gerold, toen dit krakend spleet, zoodat men hem ijlings terug moest -trekken. Vroolijk hadden de belletjes geklonken toen wij Jalutoroffsk -verlieten, met hun treurig gelui vergezelden zij ons toen wij naar deze -stad terugkeerden, en eerst op Paschen vermochten wij de rivier met -behulp eener pont over te gaan. - -Zoo ging het verder; voor en achter ons wierpen de stroomen het -ijskleed af; alleen de gevreesde Irtysch lag nog bevroren voor ons en -zoo bereikten wij, na eene reis van ruim vier weken, zonder verdere -ongevallen, Omsk, de hoofdstad van West-Siberië. - -Nadat wij in Omsk hadden gezien wat er te zien valt, de straten en -huizen, de kadettenschool, het museum, het hospitaal, de gevangenis -voor soldaten en zoo meer, reden wij over den weg, die zich langs den -rechteroever der Irtysch uitstrekt en die de dorpen der zoogenaamde -Kozakkenlinie verbindt, verder tot naar Semipalatinsk. - -Reeds tusschen Jalutoroffsk en Omsk waren wij door eene steppe gereden, -n.l. door die van Ischim; thans waren wij van alle zijden door de -steppe omringd en elken nacht werd de hemel rood gekleurd door het in -den brand gestoken oude steppengras en steppenkruid. Met het -noordwaarts trekkend ijs van de Irtysch trokken scharen van trekvogels -in gelijke richting mede; de steppenmeren waren opgevuld met -watervogels; verschillende soorten van leeuweriken vlogen in dichte -troepen heen en weder; de sierlijke steppenvalken hadden reeds hun -zomerverblijven weder betrokken, de lente had werkelijk haar intocht -gehouden. - -Te Semipalatinsk hadden wij het geluk in den Gouverneur-Generaal von -Poltoratski, een warm vriend en bewonderaar van onze plannen, in zijne -echtgenoote de vriendelijkste gastvrouw ter wereld te vinden. Niet -tevreden met in Semipalatinsk ons zoo goed ontvangen te hebben, besloot -de generaal ons op de meest geschikte wijze met de voornaamste -bevolking zijns gebieds, de Kirgiezen, bekend te maken; hij had te dien -einde maatregelen getroffen voor eene groote jacht op archaren, een -soort van wilde schapen, die in grootte onze tamme schapen om het -dubbele te boven gaan. - -Den 3 Mei braken wij voor dit doel op, trokken over de Irtysch en reden -over den postweg naar Taschkent de steppe der Kirgiezen in. Na een -tocht van zestien uren hadden wij het jachtgebied, een klippig -steppengebergte bereikt; al spoedig stonden wij voor het te onzer eere -opgerichte Joertenleger of „Aul”, vriendelijk begroet door de ons -gisteren vooruitgereisde gemalin des generaals, en eveneens hartelijk -verwelkomd door een twintigtal Kirgiezische sultanen, door de hoofden -der gemeente en derzelver talrijk gevolg. - -Het ging de drie volgende dagen lustig toe in de Arkatsche bergen. Voor -de steeds naar feesten hakende Kirgiezen waren schoone dagen -aangebroken, maar voor ons niet minder. Het dal en de bergen -weêrklonken onder den hoefslag der tachtig en meer ruiters, die op de -beide volgende dagen ter jacht uittrokken; de zon, zoo vaak zij zich -vertoonde, schitterde op de bonte, vreemdsoortige gewaden, die tot op -dat oogenblik onder de pelzen waren verborgen gebleven; een levendig -gewemel vulde berg en dalkloof. Met hun beste renpaarden en -uitstekendste telgangers, afgerichte steenarenden, windhonden en -kameelen, met citherspelers en improvisatoren, kamprijders en -soortgelijke helden waren zij verschenen, de eens zoo gevreesde -Kirgiezen, wier naam niets anders dan roover beteekent, heden echter de -gewilligste, getrouwste en meest tevreden onderdanen des Russischen -Rijks. In groepjes zaten zij bijeen, afzonderlijk en in troepen -draafden zij heen en weêr, en galoppeerden lustig met de vlugge -paarden; met de levendigste belangstelling volgden zij de wedrennen, -aanschouwden vol geestdrift het paardrijden der jeugdige knapen en -bestuurden met overleg de jacht; vol verrukking luisterden zij naar het -lied van den improvisator, die de jacht bezong. Reeds vóór onze komst -had een der Kirgiezen een archar gedood; het geluk bracht mij een -tweede dier voor mijn zeker schot. Dit laatste voorval deed de -geestdrift des dichters ontvonken. Zijn verzen waren wel is waar niet -bijzonder rijk van inhoud of diep gedacht, maar toch zoo eigenaardig, -dat ik ze opschreef, om eene eerste proeve van Kirgiezische dichtkunst -te verzamelen. Terwijl de man zong, vertaalde de tolk zijn lied in het -Russisch, de Generaal deed zulks in het Duitsch, en toen de zanger -ophield, had ook ik zijn woorden haastig op het papier gebracht. - -„Spreek, spreek, roode tong, zoolang er leven in u is; want na den dood -zult gij stom zijn. - -Spreek, spreek, roode tong, mij door God gegeven; na den dood zult gij -zwijgen. Woorden, gelijk thans aan u ontvloeien, zullen na den dood u -niet verlaten. Lieden, groot als de bergen, zie ik voor mij; hun wil ik -waarheid verkondigen. Bergen, rotsen meen ik voor mij te zien; met het -renpaard mag ik hen vergelijken. Zij zijn grooter dan schepen, grooter -dan de stoombooten, die de Irtysch bevaren. - -In U o Gebieder in den naam des Keizers, zie ik den hoogsten; met een -berg mag ik u vergelijken en met het prachtig renpaard, dat statig -daarhenen draaft. Een moeder was het die mij ter wereld bracht; mijne -tong evenwel is mij van God gegeven. - -Wanneer ik thans niet mijne stem tot U verhief, tot wien zou ik dan -spreken? Volle vrijheid heb ik tot spreken, even alsof ik tot mijn volk -sprak. - -Het geluk zij met U, o Heer, en heil en zegen met Uwe gasten, waaronder -hooggeplaatsten, ofschoon zij thans onder U gesteld zijn. - -Elke gast van den Generaal is ook de onze, en hij is zeker van onze -vriendschap. - -God gaf mij de tong; deze moge nog meer spreken. - -In de bergen zagen wij jagers, schutters en drijvers, maar slechts met -één hunner was het geluk. - -Evenals de hoogste berg zijn top boven de andere verheft, zoo steekt -ook deze boven alle anderen uit; want hij schoot den archar twee kogels -door het lichaam en bracht het dier naar de Joerte. - -Aller wensch was buit te behalen, maar slechts één der jagers zag dien -wensch vervuld; dies verheugen wij ons, dies verheugt ook Gij U -genadige vrouw, tot wie ik thans spreek. - -Het geheele volk is ten hoogste verblijd U hier te zien en te -begroeten; het geheele volk, vrouwen en mannen wenscht U slechts -vreugde, duizend jaren leven en gezondheid. - -Neem met welgevallen onze hulde aan! Hebt gij rijker menschen gezien, -trouwer heeft niemand U begroet en gastvrijheid geschonken. - -Moge God U zegenen, U, Uw huis en Uwe kinderen! Te weinig woorden heb -ik om U te prijzen, maar mijne tong werd mij door God gegeven: En zij -sprak, de roode tong, wat er in het hart omging.” - -Wij verlieten de bergen van Arkat en spoedig daarna ook het -regeeringsgebied van onzen gastheer, van wien wij op het jachtveld -reeds afscheid hadden genomen; wij werden in Sergiopol, de eerste stad -in Turkestan, door den overste Friedrichs ontvangen, die ons in naam -van den Gouverneur-Generaal dezer groote provincie begroette; onder -diens geleide trokken wij verder. Kirgiezen-hoofden vormden eene -eerewacht en zorgden voor trekpaarden; deze hadden als zoodanig stellig -nog nimmer hunne diensten bewezen, daar zij aanvankelijk doldriftig met -de wagens voortholden; Kirgiezen-sultanen bewezen ons gastvrijheid, -zorgden steeds voor huisvesting en voedsel en sloegen Joerten op aan -alle plaatsen, waar wij wilden rusten; Kirgiezen vingen voor onze -collecties slangen en andere kruipende dieren, wierpen de netten uit in -de steppenmeren en volgden ons op de jacht als trouwe honden. - -Zoo bereisden wij de nu in vollen lentetooi staande steppe, vertoefden -jagend en verzamelend aan het Alakoelmeer „bonte zee”, trokken door -bloeiende dalen en over lachende bergen naar de in den Alatan, een der -verhevenste steppengebergten, gelegen kozakken-stanitza, Lepsa, -zwierven door de omstreken dezer kolonie, een klein paradijs, dat -overvloeit van melk en honig, beklommen de hooggebergten, verkwikten -ons hier aan ruischende bergstroomen, groene Alpenmeren en heerlijke -vergezichten; en terwijl wij in noordoostelijke richting verder -reisden, wendden wij ons naar de Chineesche grens, om door een gedeelte -van het Hemelsche Rijk langs den kortsten en gemakkelijksten weg het -Altaï-gebergte te bereiken. - -In Bakti, de laatste Russische grenspost gewerd ons de tijding, dat -Zijne Onuitsprekelijkheid, de Dschandsoen Djoen, Opper-Stadhouder der -provincie Tarabagatai, ons ook vanwege China wilde begroeten, en ons -ten maaltijd had genoodigd. Om dien wensch van den hoogen mandarijn te -vervullen, reden wij den 21 Mei naar de hoofdstad van gezegde -provincie, Tschoekoetschak of Tschautschak. - -De ruiterstoet, die zich over de in het zonnelicht stralende steppe -bewoog, was talrijker en prachtiger dan ooit te voren. Deels om in dit -door oproeren geteisterde land veilig te reizen, deels om voor Zijne -Heerlijkheid waardig, om niet te zeggen met staatsie en pracht te -kunnen verschijnen, hadden de ons vergezellende heeren, behalve de -onder aanvoering van onzen nieuwen geleider, Majoor Tischanoff, uit -Sachan gezonden dertig Kozakken en onze oude vrienden, de Kirgiezen, -nog een halve sotnie Kozakken uit Batki opontboden, en zoo dreunde de -tot nog toe eenzame steppe onder de hoefslagen van een klein leger. -Onze Kirgiezen waren allen in feestkleederen gedoscht; hunne zwarte, -blauwe, gele en roode, met zilveren en gouden tressen versierde kaftans -wedijverden in glans en pracht met de uniformen der ons vergezellende -Russische officieren. Aan de onlangs vastgestelde grens wachtte een -Chineesch militair van hoogen rang ons op, om ons te verwelkomen; -daarna keerde hij ons den rug toe en joeg, zoo snel zijn ros hem dragen -kon naar zijn meester terug, ten einde dezen onze aankomst te melden. -Onze paarden baanden zich, toen wij de stad bereikt hadden, met moeite -een weg over puinhoopen, half ingevallen en half opgebouwde huizen; -elders reden wij langs bloeiende tuinen, terwijl potsierlijke -Mongolentronies ons tegengrijnsden en afschuwelijk leelijke vrouwen -mijn schoonheidsgevoel in niet geringe mate beleedigden. De stoet -verzamelde zich voor de woning des stadhouders; wij hielden voor de -groote poort stil en vroegen verlof om binnen te treden. - -Tegenover de poort verhief zich een kunstig gebouwde muur, die in het -midden een wonderlijk dierenbeeld droeg; rechts en links hiervan lagen -Chineesche martelwerktuigen op den grond verstrooid. Een huisbeambte -verzocht ons naar binnen te gaan, maar gaf meteen aan de Kozakken en -Kirgiezen bevel daar buiten te blijven. De stadhouder ontving ons in -zijn woon-, werk- en gerichtskamer met groote deftigheid. Zijn -waardigheid als hoog Mandarijn niet uit het oog verliezende, karig met -woorden en slechts enkele afgebroken geluiden stamelende, die telkens -van een vroolijk grinnikend gelach vergezeld gingen, reikte hij ons de -hand en noodigde ons uit om aan de theetafel te gaan zitten, die met -allerlei kleine schoteltjes, waarin de vreemdsoortigste -ontbijtgerechten, beladen was,—„en wij strekken de handen uit naar den -lekker toebereiden maaltijd.” Rijst, verschillende in olie ingelegde en -gedroogde vruchten, schijfjes zwijnenvleesch, zoo dun als pergament, -gedroogde garnalenstaarten, alsmede eene onnoemelijke menigte -onkenbare, ten minste niet nader te bepalen lekkernijen en zoetigheden, -maakten de spijzen uit, eene voortreffelijke thee en eene afschuwelijke -foeselhoudende rijstebrandewijn van ongemeene sterkte, de dranken. Na -den maaltijd, die, tengevolge van een voorzichtigheidshalve reeds -vooraf ingenomen ontbijt van minder raadselachtig allooi, voor mij -althans zonder nadeelige gevolgen afliep, werden waterpijpen -rondgedeeld, en daarna bezichtigden wij eene menigte denkbare en -ondenkbare voorwerpen zoo in dit vertrek als in eene kamer daarnaast: -landschappen en afbeeldingen van dieren, door de Regeering verzonden -getuigschriften, het groote, met bijzondere zorgvuldigheid in bonte -zijden stoffen kunstig ingewikkelde Rijkszegel, vreemdsoortige pijlen -met eene bestemming, zooals slechts een Chineesch brein daaraan kan -toekennen, voorwerpen van Europeesche kunst, enz. - -Verschrikkelijk afgemeten en ijselijk deftig werd het onderhoud -gevoerd. - -Onze woorden werden uit het Fransch in het Russisch, uit het Russisch -in het Kirgiesch en uit het Kirgiesch in het Chineesch overgebracht, -terwijl de antwoorden langs den omgekeerden weg tot ons kwamen; geen -wonder dus, dat ons gesprek den toon der hoogste deftigheid aannam. Na -het ontbijt verschenen er Chineesche boogschutters, om ons proeven -hunner schietkunst te geven; daarna bracht ons de Dschandsoen -allergenadigst, persoonlijk in zijn moestuin, om ons daaruit een en -ander te laten proeven; eindelijk nam hij afscheid van ons, en nu reden -wij door de straten en markten der stad, vonden in het huis van een -Tartaar gastvrijheid en een heerlijken, door de tegenwoordigheid der -beeldschoone, jonge, te onzer eer in het mannenvertrek geroepen vrouw, -gekruiden maaltijd, om tegen zonsondergang deze, ook in de geschiedenis -bekende plaats te verlaten. - -Tschoekoetschak is dezelfde stad, die in 1867 na eene langdurige -belegering, den Doenganen, eenen Mongoolschen, maar tot den Islam -bekeerden volksstam, die bestendig strijd voerde tegen de Chineesche -opperheerschappij, in handen viel, en toen met man en muis werd -verdelgd en tot den grond geslecht. - -Van de 30,000 inwoners, die Tschoekoetschak kort te voren telde, was -een derde deel gevlucht; de rest evenwel, die zich veilig waande, omdat -verschillende bestormingen waren afgeslagen, bleef—maar tot haar -verderf. Toen de laatste bestorming gelukte, en de stad in handen der -Doenganen was gevallen, hielden dezen er met dezelfde wreedheid huis, -als waarmede de Chineezen tegenover hen gewoed hadden. En wat aan het -zwaard ontkwam verging door het vuur. Toen onze tegenwoordige -begeleider, de overste Friedrichs, veertien dagen later de plaats -bezocht, alwaar Tschoekoetschak gestaan had, steeg er zelfs geen -rookwolk meer uit de verkoolde balken op. Wolven en honden, die zich -vet hadden gemest aan de menschenlijken, slopen langzaam van daar of -lieten zich zelfs in hun walgverwekkend maal niet storen, maar bleven -voortknagen aan het gebeente hunner voormalige meesters; arenden, -wouwen, raven en kraaien deelden met eerstgenoemden het maal. Waar men -ruimte had moeten maken waren de lijken bij dozijnen en honderden op -een hoop geworpen; in de overige gedeelten der stad, in de straten, -tuinen en huizen lagen zij of afzonderlijk, of bij tweeën, vieren en -dozijnen bij elkaar, man en vrouw, grootvaders en grootmoeders, moeder -en kind, geheele huisgezinnen en gevluchte buren, het hoofd verpletterd -door sabelhouwen, de aangezichten in flarden gehakt, verbrand, de -ledematen door de tanden van honden en wolven afgeknaagd, lichamen -zonder hoofd, andere zonder handen. Wat de krankzinnigste verbeelding -aan gruwelen kan uitdrukken vond hier zijn ontzettende werkelijkheid. - -Tegenwoordig telt Tschoekoetschak ten hoogste duizend zielen; feitelijk -staat de nieuwe, met torens gekroonde vesting onder de bescherming van -het kleine Russische piket te Bakti; want dat de Doenganen nog altijd -niet de wapenen hebben neêrgelegd, nog altijd niet voorgoed ten onder -zijn gebracht, bleek ons uit den weinige dagen te voren begonnen tocht -van een Chineesch legertje naar het dal der Emil, alwaar een inval -scheen te dreigen. Onder geleide van Majoor Tichanoff en zijn dertig -Kozakken trokken wij dit dal door, zonder echter een enkelen Doengaan -in ’t gezicht te krijgen, en zonder dagen achtereen zelfs een mensch te -ontmoeten. De Emil, van het Saurgebergte komende, stroomt tusschen de -Tarabagatai en Semistau, twee, onder een scherpen hoek saamkomende -ketens, verder, van beide zijden versterkt door een aantal beekjes. De -Chineezen, alle wateraders benuttende, hadden door bevloeiingen het -geheele dal in een vruchtbaren tuin herschapen, toen de Doenganen -kwamen en dezen tuin verwoestten, om hem terug te geven aan de steppe, -zijn moeder. Wel reden wij, in de nabijheid der stad, nog door kleine -dorpen en stieten op een Aul der Kalmukken, daarna echter alleenlijk -nog langs de puinhoopen van vroegere welvaart en vroegere menschelijke -bedrijvigheid. De natuur had reeds met zachte hand een sluier over de -velden gespreid, maar de nog niet door storm en weder vernietigde -puinhoopen der dorpen bleven ten hemel schreien. Bezoekt men deze -dorpen, dan treden de begane wreedheden met ijzingwekkende -duidelijkheid weder voor oogen. Tusschen de eenzame muren, welker daken -verbrand en welker gevels geheel of gedeeltelijk zijn ingestort, op het -vermolmende hout, waar vergiftige zwammen weelderig omhoog schieten, en -te midden der scherven van Chineesch porselein, te midden van -halfverkoold en daarom bewaard gebleven huisraad, stoot men overal op -menschelijke overblijfsels, verslagen schedels, afgeknaagde beenderen, -en geraamten van huisdieren, inzonderheid van den hond. Op de schedels -ziet men nog de houwen der scherpe sabels. De menschen vielen als een -offer hunner woedende vijanden en de honden deelden in het lot hunner -meesters, die zij misschien nog trachtten te verdedigen; de andere -huisdieren werden weggedreven en buit gemaakt, evenals alle bezittingen -der overwonnenen, terwijl alleen die voorwerpen, welke voor ’t -oogenblik geen waarde hadden, werden stuk geslagen en verbrand. Twee -halfwilde huisdieren zijn de puinhoopen blijven bewonen, t.w. de zwaluw -en de musch; de plaats der anderen werd ingenomen door de vogels der -ruïnen. - -Wij togen ongehinderd door het verwoeste dal. Geen Doengaan liet zich -zien; want achter onze dertig Kozakken stond het machtige Rusland. Toen -wij weder menschen ontmoetten, bevonden wij, dat het Russische -Kirgiezen waren, die hier, in China, hun kudden weidden, hun velden -bebouwden en voor een hunner dooden een grafteeken oprichtten. - -Van uit het dal der Emil beklommen wij den Tarabagatai op een der -laagste plaatsen van den kam van het gebergte, daalden toen naar de -bijna effene hoogvlakte Tschilikti af, die door eerstgenoemden keten -alsmede door den Saur, Manrak, Terserik, Moestau en Oerkaschar wordt -ingesloten en ongeveer 1600 meter boven den zeespiegel is gelegen. Wij -staken deze vlakte dwars over, ontmoetten op dien tocht een aantal zeer -groote koerganen of grafheuvels der inboorlingen, om daarna door de -kronkelende dalen van het veelvuldig gespleten Manrakgebergte, het dal -van Saisan en den eerst sedert vier jaren bestaanden grenspost van -gelijken naam—een vriendelijk stadje,—te bereiken. Hier, dicht bij de -Chineesch-Russische grens waren wij voor ’t eerst, sedert Lepsa, weêr -omringd door Europeesche behagelijkheid en comfort. - -In de gezelschappen, die wij bezochten, verkeerden wij als in St. -Petersburg of Berlijn; men praatte, speelde, zong en danste in den -beperkten familiekring of in een publieken tuin. Het heerlijk gezang -der nachtegalen begeleidde dans en lied; men vergat waar men zich -bevond. - -Ik benutte den tijd van ons verblijf aldaar voor eene jacht op -„oelaren”, eene soort van hoenders uit het hooggebergte, van den vorm -van patrijzen, maar ter grootte van auerhoenders, en leerde daarbij -niet alleen de woestheid van het Manrakgebergte, maar tevens ook het -herdersleven der arme Kirgiezen van eene nieuwe zijde kennen, zoodat ik -hoogst voldaan van mijn succesvol uitstapje terugkeerde. - -In den namiddag van den 31 Mei beklommen wij wederom onzen reiswagen en -rolden naar de zwarte Irtysch, om gebruik te maken van een rendez-vous, -ons in het Altaï-gebergte aangeboden door Generaal Poltoratski. Door -een rijk steppenland, over pikzwarten grond, later door droge -hoogsteppen, ging de snelle vaart, tot wij de rivier bereikten, wier -hooggezwollen golven ons den volgenden dag naar het Saisanmeer -brachten. Hoe vervelend ons tot nog toe alle rivieren en stroomen van -Siberië ook waren voorgekomen, de zwarte Irtysch was zulks niet; -heerlijke vergezichten op twee reusachtige hooggebergten, den Saur en -Altaï en de hiermede samenhangende ketens, verrukten ons oog; een -frissche, groene oever, waaruit ons een vroolijk vogelengezang, een -opgewekt vogelenleven tegenklonk en tegenblikte, streelde ons. Het -fluks uitgeworpen net bracht een grooten voorraad van visschen uit de -diepte te voorschijn, en bewees ons dat de stroom niet alleen schoon -is, maar tevens schatten verbergt. Nadat wij den 2 Juni het vlakke, -troebele, zeer vischrijke, maar slechts door zijn vergezichten schoone -meer waren overgevaren, trokken wij op den daaraanvolgenden dag door -het meest woeste gedeelte der steppe, dat wij tot nog toe hadden -gezien, maar leerden juist hier de drie merkwaardigste dieren der -steppe kennen, t.w. den koelan, een wild paard, de steppenantilope en -het steppenhoen. Onze Kirgiezen vingen van het eerstgenoemde een -veulen, terwijl tevens een steppenhoen werd geschoten. Tegen den avond -hielden wij halt in de Altaïsche voorgebergten, daags daarna ontmoetten -wij op de afgesproken plaats onze vroegere gastheeren en reden nu onder -hun geleide verder. - -Het was een heerlijke reis, in weêrwil van storm, sneeuw en regen, -waardoor de vriendelijke Joerte, die mede reisde, veel van hare -behagelijkheid verloor, niettegenstaande de bergstroomen aan onze -paarden den doortocht versperden, en steil afhangende rotsen ons op -paden brachten, die in Europa wel door de gemzenjagers, niet door -ruiters worden betreden. Een Russisch Gouverneur reist geenszins gelijk -gewone stervelingen, het allerminst wanneer hij door onbewoonde streken -trekt. Alle districtshoofden vergezellen hem, alsmede de onder dezen -staande ambtsmannen, de oudsten der gemeente, de gemeentesecretaris, de -voornaamste lieden van de geheele streek, die hij bereist, een troep -Kozakken met hun officieren tot den overste toe, zijn eigene bedienden -en die van het geleide. En wanneer het land, gelijk thans het geval -was, gedeeltelijk vreemd is, en er vergaderingen moeten gehouden worden -met Kirgiezische gemeenten, dan wordt het gevolg tot in het oneindige -vermeerderd. Dan moeten niet alleen Joerten en tenten medegebracht -worden, gelijk steeds bij steppenreizen het geval is, maar zelfs heele -schaapskudden worden vooruitgezonden om de honderden menschen in deze -wildernis te voeden. Sedert wij het Saisanmeer hadden verlaten, -bevonden wij ons weder in het Chineesche Rijk, en eene reeks van dagen -hadden wij te reizen, alvorens te durven hopen, in de thans alleen in -de diepere dalen bewoonde deelen van het gebergte wederom menschen aan -te treffen. - -Meer dan tweehonderd personen reisden aanvankelijk mede, meest -Kirgiezen, die opgeroepen waren om een keizerlijk bevel, betrekkelijk -de opheffing van hun recht om in het keizerlijk domein Altaï te weiden, -in ontvangst te nemen, en uit dien hoofde met elkander in overeenkomst -te treden omtrent hunne daarmede in verband staande te wijzigen -verhuizingen; maar ook nadat die beraadslagingen ten einde waren, telde -ons reisgezelschap nog over de honderd paarden en zestig ruiters. In -den vroegen morgen werden ons de Joerten boven het hoofd afgebroken en -vooruitgezonden; dan volgden wij in grootere en kleinere gezelschappen, -langzaam voortrijdende, tot ook de dames, de vriendelijke gemalin des -Generaals en hare schoone dochter ons weêr hadden ingehaald; wij namen -het ontbijt op eene geschikte plaats, lieten de laatste pakpaarden -voorbijtrekken, volgden, haalden ze weder in, kwamen meest gelijktijdig -met de schapen, wier aantal dagelijks verminderde, op de halteplaats -aan, en hadden zoo elken avond gelegenheid het oog te laten weiden over -het schilderachtig tooneel eener legerplaats. Heerlijke, frissche, -groene, met voorjaarsgeuren doortrokken dalen namen ons op; hooge, -steile, grootendeels nog met sneeuw bedekte bergen schonken de -schoonste vergezichten over het hooggebergte, en in de doorgetrokken -steppe tot op den Saur en Tarabagatai, totdat wij eindelijk het -Markakoel, dien parel der Altaïmeren, voor ons zagen liggen en daarmede -het hooggebergte zelf waren ingetrokken. Drie dagen lang reisden wij -onder slecht weder, opgehouden door een Chineesch gezantschap, langs -den oever des meers, reden toen door werkelijk dichte wouden, over -moeilijk te beklimmen passen, bergop, bergaf, naar de Russische grens -en op halsbrekende wegen het bloeiende dal der Buchtarma door, om in de -nieuw gegrondveste Kozakkenkolonie Altaiskaja-Stanitza nogmaals van de -Russische gastvrijheid en comfort te genieten, te rusten en uit te -rusten. - -Door de officieren der Stanitza vereerd met allerlei geschenken, -voortbrengselen der streek, zetten wij op den 12 Juni de reis voort. -Helder en vriendelijk lachte de zon ons tegen van den blauwen hemel en -keek zij neder op het grootsche, heden voor ’t eerst niet benevelde -landschap. Onafzienbare, parkachtige dalen, omlijst door steil -opeengestapelde, met sneeuw bedekte, heden met de schitterendste -kleuren overgoten hooggebergten, heerlijke boomen op de weilanden, -bloeiende boschjes op de hellingen, duizendvoud verschillende, boven -alle beschrijving schoone, als in ’t lang ontbeerde zonnelicht -herlevende bloemen, frisch bloeiende heideroosjes in alle schakeeringen -van kleur, het geroep van den koekoek en ’t gejubel der vogelen, -Kirgiezen Auls in de breede dalen aan den voet der bergen, en -Russische, in groen verscholen dorpen, grazende kudden, vruchtbare -akkers, ruischende beekjes, getande rotsen, de zachte lucht en -specerijachtige voorjaarsgeuren,—dit alles omstrikte de zinnen -gedurende den ganschen tocht. Weldra trokken wij over de grenzen van -het keizerlijk domein Altaï—een kroongoed, zoo groot bijkans als geheel -Frankrijk! Een dag later en wij bereikten het bergstadje Serianoffsk -met haar zilvermijnen. Nadat wij ook hier, gelijk overal elders, -vriendelijk waren ontvangen, alle werken hadden bezichtigd, sloegen wij -wederom de richting in naar de Irtysch, lieten ons op hare, tusschen -hooge, schilderachtige rotsen snel voortijlende wateren, voorbij -Buchtarminsk naar Ustkamenogorsk drijven en togen van hier uit weder -per wagen door het veelbelovend domein des Keizers. - -Steppenachtige vlakten palen aan de liefelijke dreven van het -voorgebergte; uitgestrekte wouden wisselen met het bewoonde land af. -Groote, rijke dorpen, kostbare, vruchtbare, in gitzwarte aarde -aangelegde akkers, goed gebouwde, zich van hunne welvaart bewuste -mannen, schoone, schilderachtig gekleede vrouwen, kinderlijk -nieuwsgierige en kinderlijk gezinde menschen, voortreffelijke, -krachtige paarden, goed gebouwde runderen, die in groote, weldoorvoede -kudden de dorpen omgeven, enorme wagenkaravanen, die op goede wegen -erts en kolen vervoeren, marmotten op de berghellingen, ziesels in de -vlakten, keizerarenden op de grenspalen aan de wegen, bekoorlijke -dwergmeeuwen aan de wateren, dorpen en gehuchten verlevendigen al te -zamen het landschap, dat onze weg doorsnijdt. Als vliegend doortrokken -wij het land, als in de vlucht bezochten wij het zeer naar waarheid zoo -genoemde stadje van smelthutten „Slangenberg”; een korte rust slechts -veroorloofden wij ons in de hoofdplaats Barnaul. Daarna ging het verder -naar het bergstedeke Salair en toen naar de groote gouvernementsstad -Tomsk. - -Reeds voor Barnaul hadden wij de Ob bereikt en te Barnaul zelf waren -wij deze rivier overgestoken, terwijl wij ons te Tomsk inscheepten om -haar te bevaren. Zes en twintig honderd werst, d.i. bijna vierhonderd -geographische mijlen voeren wij, na door de Tom er in gekomen te zijn, -dezen stroom af, die een grooter gebied beheerscht dan alle stroomen -van West-Europa te zamen,—en zoo naderden wij meer en meer het noorden. -Vier etmalen lang stoomden wij in de richting naar de IJszee, met eene, -bij den gezwollen stand der rivier dubbel zoo snelle vaart als zulks -stroomopwaarts zou kunnen geschieden; elf volle dagen en nachten hadden -wij noodig om het stuk, begrepen tusschen de inmonding der Irtysch en -de uitmonding der Schtschoetschja af te leggen, ofschoon wij in -Samarowo en Bereosoff slechts enkele uren rust namen, en ongerekend de -beide dagen, die wij te Obdorsk, het laatste Russische dorp aan den -stroom, doorbrachten. Boven alle beschrijving grootsch is deze stroom, -hoe eenzaam en eentonig hij ook moge heeten. Door een dal van tien tot -dertig kilometer breed vervolgt hij zijn loop, in ontelbare armen -verdeeld, die eene menigte eilanden insluiten. Hier en daar verbreedt -hij zich tot een groot meer, terwijl hij bij zijn mond een hoofdarm -heeft, waarin het water gemiddeld acht en twintig meter hoog staat. -Bosschen, waar bijna geen licht door kan dringen, in welker diepten nog -geen inboorling ooit den voet zette, strekken zich langs zijn oevers -uit; wilgenbosschen, in alle phasen van den wasdom dezer boomsoort, -bedekken de telkens door den vloed afgeknaagde en weder in anderen vorm -opgebouwde eilanden. Armer en armer wordt het land, armer en schraler -de wouden, armoediger de dorpen, naarmate men verder stroomafwaarts -komt, ofschoon de rivier zelf dichter bij haar monding te rijkelijker -schenkt, wat aan het arme land onthouden werd. Reeds een weinig beneden -Tomsk, iets lager dan Tobolsk, loont de aarde den veldarbeid niet meer; -nog verder naar het noorden houdt ook de veeteelt op, maar ontelbare -scholen van de heerlijkste visschen en een rijk jachtveld in de -oerwouden langs de beide oevers schenken rijke vergoeding voor dat -gemis. De visschers en jagers treden in de plaats van den landbouwer, -de rendierherder in de plaats van den veeboer. Zeldzamer worden de -Russische volkplantingen, talrijker de woonsteden der Ostjaken, en -eindelijk zijn het slechts de verplaatsbare, kegelvormige hutten uit -berkenbast, hier „Tschoem” genoemd en enkele daartusschen verspreide, -vreeselijk armoedige blokhuizen, de tijdelijke woningen der Russische -visschers, die nog getuigenis afleggen van het bestaan van den mensch. - -Wij hadden het plan opgevat ook eene toendra of mossteppe door te -reizen en daarvoor het oog geslagen op het tusschen de Ob en de -Karische golf gelegen schiereiland der Samojeden, te meer daar in dit -nog bijna niet door Europeanen betreden deel van den grooten en breeden -boomloozen gordel der om de Pool zich legerende woestenij, ook sommige, -voor den handel gewichtige vragen op te lossen waren. Wij huurden ten -behoeve dezer reis in Obdorsk en iets lager stroomafwaarts -verschillende personen, als Russen, Syrjenen, Ostjaken en Samojeden, en -vingen den 15 Juli onzen tocht aan. - -Op de noordelijke hoogte van den Oeral, hier het karakter niet alleen -van een werkelijk gebergte, maar zelfs van hooggebergte aannemende, -ontspringen dicht bij elkander drie rivieren: de Oessa, die in de -Petschora, de Bodarata, die in de Karische golf en de Schtschoetschja, -die in de Ob uitmondt. Het gebied van de beide laatstgenoemde stroomen -wilden wij bereizen. Hoe het land er uitzag, hoe wij het zouden hebben, -of wij rendieren zouden kunnen krijgen of den weg te voet zouden moeten -afleggen, niemand wist ons zulks te zeggen. - -Tot aan den mond der Schtschoetschja reisden wij nog op de gewone -wijze, bij elke kolonie van Ostjaken onze gehuurde roeiers betalende, -om nieuwe aan te werven; op de Schtschoetschja zelf traden onze eigen -lieden in dienst. Acht dagen lang voeren wij langzaam den stroom op, -ieder zijner vele windingen getrouw volgende, altijd door de ijselijk -eentonige, ja doodelijk vervelende toendra, nu eens den Oeral -naderende, dan weder ons van dit gebergte verwijderende. Gedurende acht -dagen zagen wij geen enkelen sterveling, alleen diens sporen, zijn op -sleden gepakte winterbehoeften en zijn graven. Niet te doorwaden -moerassen aan beide zijden der rivier beletten ons elk uitstapje, -milliarden op bloed beluste muggen kwelden ons zonder ophouden. Op den -zevenden dag zagen wij een hond—eene ware gebeurtenis, zoowel voor ons -zelf als voor onze manschappen; op den achtsten dag stieten wij op eene -bewoonde Tschoem en daarin op den eenigen mensch, die ons eenige -inlichtingen aangaande het voor ons liggende land kon geven. Wij namen -dezen als gids mede en vingen met hem drie dagen later een tocht aan, -die even moeilijk als gevaarlijk zou worden. - -Negen volle dagreizen van ons verwijderd, op de weide Saddabei in den -Oeral, zouden zich rendieren bevinden; aan de Schtschoetschja was op -dit tijdstip geen enkel op te jagen. Wij moesten dus wel onzen tocht te -voet aanvangen en alle bezwaren op ons nemen aan zulk een tocht door -een ongebaand, met muggen gevuld, den mensch vijandig, niet het minste -voedsel opleverend, en wat het ergste was, ons ten eenenmale onbekend -gebied, verbonden. - -Omzichtig, niet dan na lange beraadslagingen met de inboorlingen, -maakten wij onze toebereidselen; met zorg werd de mede te voeren last, -die ieder op zijn rug zou laden, afgewogen; dreigend toch stond het -hongerspook voor ons. Wij wisten, wel is waar, dat alleen de trekkende -herder, en geenszins de jager in staat is zijn leven in de toendra te -onderhouden; bij ervaring kenden wij alle moeite, die de ongebaande -wegen, de kwellingen, die de scharen muggen bereidden, de -ongestadigheid des weders, de onherbergzaamheid der toendra in ’t -algemeen, en namen met het oog hierop onze maatregelen en voorzorgen: -maar te voorzien en te voorkomen, wat wij niet kenden, niet konden -vermoeden, en ons toch trof, zulks was onmogelijk. Terugkeeren wilden -wij niet, maar hadden wij alles vooruitgezien, wij zouden zulks zeker -gedaan hebben. - -In korte pelzen gehuld, zwaar beladen, behalve den door de niet lichte -schietbenoodigdheden bezwaarde rugtasch nog geweer en een reiszak over -den schouder dragend, braken wij den 29 Juli op, onze boot onder de -hoede van twee mannen achterlatende. Vermoeid, zuchtende onder den -zwaren last, dag en nacht zonder ophouden gekweld door de muggen, -liepen wij door de toendra, telkens na een uur, een half uur, eindelijk -na elke duizend schreden rust vragende en wegens de muggen deze niet -kunnende vinden. - -Wij klommen over heuvels, trokken door evenveel dalen, en staken een -bijna even groot aantal moerassen en drassige velden over; honderden -meren zonder naam togen wij voorbij, kreken en riviertjes moesten wij -doortrekken. - -Onvriendelijker wel kon de toendra ons niet ontvangen. De wind zweepte -ons een fijnen regen in ’t aangezicht; in doorweekte pelzen legden wij -ons op een doorweekten grond neder, zonder dak boven ons hoofd, zonder -een koesterend vuur naast ons, en nog altijd gekweld door de muggen. -Doch de zon droogde onze kleeren weder op en schonk nieuwen moed en -nieuwe krachten; wij gingen voorwaarts. Een vroolijk bericht versterkt -meer dan zon en slaap; onze mannen ontdekten twee „Tschoems”, en door -middel van onze kijkers onderscheidden wij duidelijk de daaromheen -gelegerde rendieren. Tot in ons binnenste gelukkig zien wij ons reeds -in de verbeelding uitgestrekt in het eenige, hier mogelijke voertuig, -de slede, en het voor deze slede gespannen rendier. Wij bereiken de -Tschoem en de rendieren; een afgrijselijk gezicht treft ons oog. Onder -de weidende kudde woedt het miltvuur, de vreeselijkste, ook voor den -mensch zoo gevaarlijke aller veeziekten, de onverbiddelijke, zonder -genade en keus vernietigende engel des doods, tegenover wiens woeden de -mensch als machteloos staat, die hier te lande de volken doet verarmen -en onder de menschen even goed door niets te redden slachtoffers maakt -als onder de dieren. - -Zes en zeventig doode rendieren telde ik in de onmiddellijke omgeving -van de Tschoem; werwaarts het oog schouwde ontmoette het lijken, -gevallen, in doodstrijd verkeerende herten, wijfjes en kalveren. Andere -komen met den dood in het hart op de reeds voor de afreis gereed -staande slede aanloopen, als zochten zij bij den mensch hulp in hun -lijden; zij zijn niet van hier te verdrijven, blijven met holle oogen -en over elkaar geslagen voorpooten een paar minuten staan, waggelen -heen en weder, steunen en vallen neêr; een witte, schuimende slijm -vloeit uit mond en neus—nog enkele stuiptrekkingen en een lijk meer -ligt ter aarde. Zoogende moeders scheiden zich met haar kalveren van de -kudde; de moeders sterven onder dezelfde verschijnselen, de kalveren -aanschouwen met verbazing de zich zoo vreemd aanstellende moeders, of -gaan onbezorgd grazen naast het sterfbed van haar, die hen ter wereld -brachten, keeren dan naar de eersten terug en vinden in plaats van de -liefhebbende voedster een lijk, beruiken dit, schrikken achteruit, -ijlen weg, dwalen blatend in ’t rond, beruiken nu eens het eene -volwassen dier, naderen dan een ander, worden door allen verjaagd, -blaten en zoeken verder, en vinden wat zij niet zochten: den dood, door -een pijl uit den boog huns meesters, die althans nog iets tracht te -redden, n.l. de huid. De dood woedt met gelijke verschrikking onder de -oude zoowel als onder de jonge rendieren; de sterkste en schoonste -herten vallen even goed in handen van den worger als de eenjarigen van -beiderlei kunne. - -Tusschen de stervende en gestorven dieren wandelen en roeren zich de -menschen, de bezitter der kudde Schoengei en zijne aanhoorigen en -knechten, om in radeloozen ijver te redden, wat nog te redden is. -Ofschoon zij niet onbekend zijn met het vreeselijk gevaar, dat zij -loopen, wanneer slechts een enkel bloeddroppeltje, een enkel stofje van -het schuim zich met hun eigen bloed vermengt, ofschoon genoegzaam -vertrouwd met het feit, dat reeds honderden van hun volk een offer zijn -geworden van de pijnlijke, akelige ziekte, arbeiden zij toch met alle -kracht om het vergiftigde dier de huid af te trekken. Een slag met den -bijl maakt een eind aan het leven der stervende herten, een pijlschot -aan dat der kalveren, en eenige minuten later ligt de huid, die nog -weken lang eene bron van besmetting blijft, bij de anderen, doopen de -bloederige handen het van de kalveren afgenomen vleesch in het bloed, -dat de borstholte van het gedoode dier vult om het rauw te verslinden. -Beulsknechten gelijken de mannen, afschuwelijke heksen de vrouwen, in -aas woelende, van bloed druipende, met bloed bevlekte hyena’s gelijken -beiden; zij letten niet op het zwaard, dat niet aan een paardenhaar, -maar aan een spinrag boven hun hoofd is opgehangen, en zoo woelen zij -steeds voort, geholpen door de kinderen, door half volwassen knapen en -van bloed druipende, nauwelijks gespeende meisjes. - -De Tschoems werden afgebroken en op een nabijzijnden heuvel weder -opgeslagen; de ongelukkige kudde, die, twee duizend stuks sterk, uit -het Oeralgebergte was opgebroken, en tot op tweehonderd ingekrompen -was, die den geheelen weg van daar tot hier door doode dieren had -gekenteekend, verzamelt zich opnieuw om de Tschoem; op den anderen -morgen liggen er echter weder opnieuw veertig lijken in de nabijheid -der rustplaats. - -Wij kenden het gevaar, aan hetwelk ook de mensch door aan miltvuur -lijdende dieren is blootgesteld, doch wij kenden het nog niet in zijn -geheelen omvang. Daarom kochten wij eenige, oogenschijnlijk gezonde -rendieren, bespanden daarmede drie sleden, belaadden deze met onze -goederen, en trokken, verlicht en ontlast daarnaast loopende, verder. -Rendierenvleesch te eten, zooals wij gehoopt en waarop wij gerekend -hadden, zulks verbood de vreeselijke ziekte; met te meer zorg en angst -speurden wij daarom in ’t rond naar een of ander klein wild, ’t zij een -moerashoen, eene wulp, eene goudplevier, of eene eend. Om onzen -geringen voorraad zoo lang mogelijk te sparen, hurkten wij, in geval de -geringste aller Diana dienende nymphen ons goedgunstig was geweest, om -het moeilijk te voeden vuur, ten einde ieder persoonlijk zoo goed -mogelijk een onbeduidend wild aan het spit te braden. Ons werkelijk -verzadigen ging niet meer. - -Wij bereikten, nadat wij den door Schoengei getrokken doodenweg dwars -waren overgestoken, het eerste doel, de Bodarata; wij hadden het -onuitsprekelijk geluk nog eenmaal Tschoems aan te treffen, nog eenmaal -rendieren te ontmoeten; wij trokken met de hulp dezer dieren naar de -zee, en moesten terugkeeren zonder den voet op het strand gezet te -hebben. Voor ons strekte zich een onbegaanbaar moeras uit en bovendien -een onafzienbare hoop rendierlijken; wij bevonden ons nog eenmaal op -den weg, langs welken Schoengei huiswaarts gevlucht was, en onze nieuwe -kennis, de herder Sanda, waagde het niet dien weg te kruisen. - -Want ook onder zijne kudde maaide de dood; ook in zijn huis, en in nog -meerdere mate in dat van zijn buurman had het verderf zijn intocht -gehouden. De man, die tot nog toe met hem had gereisd en geweid, had -gegeten van een aan miltvuur lijdend rendier, dat hij kort voor den -dood nog spoedig had geslacht, en hij had die zonde met zijn eigen -leven en dat zijner familieleden moeten boeten. Driemalen had de herder -Sanda zijn Tschoem verplaatst en driemalen een graf tusschen de lijken -der gevallen rendieren gegraven. Eerst stierven twee kinderen, daarna -stierf de knecht van den lichtzinnigen man en op den derden dag -overleed hij zelf. Een ander kind lag nog ziek en kermde van pijn, toen -wij de reis naar zee aanvingen; toen wij tot de Tschoem terug waren -gekeerd kermde het niet meer, want een vierde graf had het kinderlijk -opgenomen. En ook dit zou niet het laatste zijn. - -Een onzer manschappen, de Ostjak „Hadt”, een gewillig, altijd vroolijk, -ons lief geworden man, klaagde en wrong zich sedert eergisteren onder -steeds toenemende pijnen; hij klaagde voornamelijk over een steeds -sterker wordend gevoel van koude. Wij hadden hem op een rendierslede -gelegd, toen wij op den terugweg waren naar de Tschoem des herders; wij -vervoerden hem op dezelfde wijze toen de hut ten vijfdemale werd -verplaatst. Onder en tusschen ons lag hij weeklagend en bevend bij het -vuur. Van tijd tot tijd hief hij zich op, ontblootte zijn lichaam om -dit door het vuur te koesteren. Eveneens bracht hij zijn verkleumde -voeten bij het vuur, zonder er op te letten, dat hem de voetzolen -verbrandden. Eindelijk sliepen wij in, misschien ook hij; toen wij -echter den volgenden morgen ontwaakten, was zijne plaats ledig. Buiten -evenwel, voor de Tschoem, tegen eene slede geleund, het gezicht naar de -zon gekeerd, welker stralen hij had opgezocht, zat hij rustig en stil, -zonder te steunen, zonder te klagen. „Hadt” was dood. - -Wij begroeven hem eenige uren later naar zede en gebruik zijns volks. -Hij was een eerlijk „heiden” geweest en moest dus insgelijks op -heidensche wijze begraven worden. Onze „rechtzinnige” begeleiders -weigerden zulks te doen; onze „heidensche” metgezellen verrichtten -daarom dat, wel is waar niet christelijk, maar toch den mensch waardig -werk met onze hulp. In het vijfde graf lag het zesde offer. - -Zou dit graf het laatste zijn? Onwillekeurig vroeg ik mij zulks af, -want het werd ons in dit gezelschap des doods al te akelig. Tot ons -geluk was Hadts graf het laatste op dezen weg. - -Ernstig, zeer ernstig gestemd, bedreigd door het steeds sterker -gevoelde gebrek trokken wij verder, wederom in de richting der -Schtschoetschja. Sanda voedde op schrale wijze onze manschappen, ons -jachtbedrijf onderhield even armoedig ons zelf. Toen het ons gelukte op -zekeren voormiddag een geheele familie ganzen buit te maken, bovendien -nog hoenders, snippen en plevieren te schieten, vierden wij feest; nu -toch konden we eten zonder karig te zijn. Het was echter hoofdzakelijk -te danken aan onzen waard, dat wij het er goed af brachten. - -De Schtschoetschja werd bereikt, wij kwamen, bijna van alles ontbloot, -terug bij onze boot, en sedert veertien dagen baadden wij ons voor de -eerste maal weder in een wel is waar zeer beperkt, maar voor ons toch -onuitsprekelijk genot. Van de toendra namen wij voor altijd afscheid. - -Een Schaman, wel is waar, dien wij verder de Ob op met visschen bezig -vonden, en wien wij verzochten ons een bewijs te geven van zijn kunst -en wijsheid, kondigde ons—na door middel van het dof geluid zijner trom -JAMAUL, den met hem bevrienden bode der goden te hebben opgeroepen—als -eene boodschap des hemels aan, dat wij reeds in het volgende jaar naar -het onherbergzame, zooeven door ons verlaten land weder terug zouden -keeren, maar dat wij ons alsdan derwaarts zouden wenden, alwaar de -Schtschoetschja, Bodarata en Ussa haren loop beginnen. Want twee -keizers zouden ons beloonen, onze „oudsten” zouden over onze -geschriften tevreden zijn en ons opnieuw uitzenden. Op deze reis -evenwel zou geen enkel ongeluk ons meer bejegenen. Zoo had de bode der -goden, alleen voor hem verstaanbaar, gesproken. - -Het laatste gedeelte der voorspelling is uitgekomen. Langzaam, wel is -waar, maar zonder ongevallen of stoornissen voeren wij drie en twintig -dagen lang de Ob naar boven, drie dagen op een na lang wachten gelukkig -bereikt stoomschip de golven van de Irtysch te gemoet. Zonder -ongelukken, ofschoon niet zonder hindernissen, trokken wij het -Oeral-gebergte over; snel gleden wij in een uitstekende stoomboot de -Kama af; langzamer droeg het schip ons de Wolga op. In -Nischni-Nowgorod, in Moskou, in Petersburg werden wij even vriendelijk -ontvangen als de eerste maal, in het vaderland met vreugde verwelkomd. -Onze „oudsten” schijnen ook met onze geschriften tevreden te zijn:—naar -de Toendra keeren wij, keer ik ten minste nimmer weder terug. - - - - - - - - -XIII. - -DE HEIDENSCHE OSTJAKEN. - - -Gemakkelijk en zonder inspanning is thans nog de strijd om het bestaan, -dien de mensch in Siberië heeft te strijden, en hij zal zulks ook nog -wel eeuwen blijven; gemakkelijk vooral in de zoo rijk door de natuur -gezegende velden van het zuiden, maar ook evenmin hard en zwaar in die -oorden, welke wij gewoon zijn te beschouwen als eene ijswoestijn, als -eene ongastvrije wildernis, en die wij zelfs nog als zoodanig meenen te -moeten kenmerken, wanneer wij die streken gedwongen doorreizen. Wel is -het klimaat in het hooge noorden van West-Siberië ruw en streng; wel -weigert hier de grond, die op geringe diepte onder het oppervlak het -geheele jaar door bevroren is, iets tot voeding op te leveren, de zon -het brood verstrekkende koorn tot rijpheid te brengen, maar ook hier -schudde de milde natuur haar hoorn des overvloeds uit, en wat het land -niet schonk, dat gaf het water. In onze oogen moge de daar reeds eeuwen -verblijvende mensch arm en ellendig schijnen, in werkelijkheid is hij -zulks niet. Ook hij kan er in zijn behoeften voorzien, ook hij omringt -zich met gemakken en genietingen, die hem bevrediging schenken, en -werpt zijn woonplaats meer af dan hij noodig heeft. Wel strijdt ook hij -met meer of minder bewustzijn om een „menschwaardig bestaan,” maar -geenszins met wrok in het hart tegenover de meer bevoorrechten, want -hij is zelf meer bevoorrecht dan wij meenen, omdat hij bescheidener, -meer voldaan, meer tevreden is dan wij zijn, en omdat hij datgene, wat -wij hartstocht noemen, streng genomen, niet kent, omdat hij de vreugde, -die voor hem opbloeit, met kinderlijke tevredenheid aanneemt, en het -lijden, dat hem bezoekt, draagt met een wel diep gevoelde smart, maar -het ook spoedig weêr vergeet evenals een kind. - -Ook aan zijn leger treedt de zwarte zorg; hij wijst deze evenwel terug -zoodra ook maar de minste schemering van vreugde weder doorblinkt, en -hij is de rampspoed geheel vergeten, zoodra het zonnetje des geluks hem -weêr vriendelijk toelacht. Ook hij prijst den rijkdom en klaagt over de -armoede, maar hij vertwijfelt niet, wanneer de eerste hem begeeft, en -hij verliest zijn verstand niet, wanneer de laatste in welvaart -verkeert. Ofschoon volwassen, is hij een kind in al zijn denken, -gevoelen, laten en handelen; hij is gelukkiger dan wij. - -De Ostjak, met wien wij aan de beneden-Ob hoofdzakelijk hebben -verkeerd, met wien wij het meest in aanraking kwamen, en dien wij het -best hebben leeren kennen, behoort tot den Finschen stam; hij deelt met -een andere loot van dien tak, den Samojeed, hetzelfde geloof, met bijna -alle Finnen in engeren zin, dus ook met de Lappen, nagenoeg gelijke -zeden en gewoonten, dezelfde levenswijze; hij is rendierherder en -visscher, jager en vogelvanger, evenals ook de Samojeed en Lap zulks -zijn. Afgezien van het godsdienstig geloof, misschien ook van de taal, -gelijkt hij echter meer op dezen dan op genen; want hij is zoowel -gezeten kolonist als nomaad, terwijl de Samojeed, zelfs wanneer deze -zich met de vischvangst bezighoudt, althans in het door ons bereisde -gedeelte van Siberië, slechts zeer zelden zijn verplaatsbare hut met -een vast blokhuis verruilt. - -Het kan zijn, dat de stam der Ostjaken vroeger talrijker was dan thans; -een eigenlijk gezegd volk, naar onze begrippen, zijn zij nooit geweest. -In sommige streken van het door hen bezeten of bereisd gebied zou het -aantal inwoners bestendig af- in andere deelen daarentegen eenigszins -toenemen; van veel belang is evenwel noch het een noch het ander. Men -rekent hoog, wanneer men het totaal aantal zielen op vijftig duizend -schat; in het geheele, groote ambtsgebied van Obdorsk, dat zich van den -65n graad Noorder-Breedte tot aan het noordelijk uiteinde van het -Samojeden-schiereiland, en van den Oeral tot aan den bovenloop der -Chasz uitstrekt, leven, naar luid van ons verstrekte, officieele -opgaven, tegenwoordig niet meer dan 5382 mannelijke Ostjaken, waaronder -niet meer dan 1376 werkkrachten, of wat op hetzelfde neêrkomt, -schatplichtige mannen. Nemen wij aan, dat het aantal vrouwen en meisjes -even groot is, dan bedraagt het geheele aantal nog geen 11000 zielen, -en het bovengenoemde cijfer is misschien daarom nog eer te hoog dan te -laag genomen, al moge men ook aannemen, dat het woongebied onzer lieden -aan de Ob zich tot in de streek van Soergoet, aan de Irtysch tot in de -nabijheid van Tobolsk uitstrekt. Alle aan de Irtysch, alsmede aan den -boven- en middelloop der Ob verblijf houdende Ostjaken bewonen vaste, -zeer eenvoudige, op die der Russen gelijkende blokhuizen, en slechts -hier en daar, altijd zeer spaarzaam, treft men tusschen deze, reeds een -hoogeren beschavingstoestand aanduidende vaste woningen, ook nog wel -eens eene enkele tent van berkenbast aan, „Tschoem” geheeten, terwijl -deze aan den benedenloop der Ob, inzonderheid tusschen Obdorsk en den -mond des strooms bijna uitsluitend voorkomt; gelijk vanzelf spreekt -maken deze Tschoems de eenige woningen der nomadisch levende Ostjaken -uit. Zoo niet volkomen, toch bijna daarmede in harmonie is het feit, -dat die Ostjaken, welke in dorpen wonen, leden zijn der orthodoxe kerk, -althans door den doop daartoe behooren, terwijl die, welke nog in -Tschoems huizen, hun overoud, geenszins van poëzie ontbloot en nog -minder onzedelijk, maar door de Russische priesters en dier trouwe -volgelingen als een blind heidendom betiteld geloof zijn getrouw -gebleven; zij belijden echter dit geloof met meer innigheid en -overtuiging dan de anderen hun zoogenaamd Christendom, welk laatste, -onbevooroordeeld opgevat, en zooals het zich in werkelijkheid voordoet, -veeleer een onzinnige afgodendienst kan genoemd worden dan eene -veredelde plaatsvervangster van het oude, uit een kinderlijk gemoed -opgeweld en op kinderlijke wijze zich uitend geloof. Met het in bezit -nemen van blokhuizen en de aanneming des Christendoms ging hand aan -hand gepaard, dat de Ostjaken van de middel- en beneden-Ob en -beneden-Irtysch niet alleen in zekere mate hun kleeding met die van den -Russischen visscher hebben verwisseld, maar ook diens zeden en -gewoonten gedeeltelijk hebben overgenomen. In gelijke mate hebben zij -van de hunne verloren, ten deele ook de zuiverheid van hun stam daarbij -ingeboet, en eigenlijk niets meer behouden dan de niet te vervreemden -kenmerken, de taal en de daardoor bewaarde eigenaardigheden, evenals -misschien ook nog de handigheid, levendigheid en—zorgelooze -goedhartigheid, die den ganschen stam kenmerkt. Maar in geen geval mag -men nu ook gaan denken, dat met die meerdere beschaving ook de -zedelijkheid, met het Christendom de reinheid des gemoeds is -vermeerderd; in elk geval bevredigt het meer de heidensche Ostjaken te -leeren kennen en met een nog oorspronkelijk volk in aanraking te komen, -dan zich op te houden bij zulk een gedeelte, dat nog slechts een -schaduw kan zijn van hetgeen het voormaals was en wat de eerstgenoemden -nu nog zijn. Ik bepaal mij alzoo in mijne mededeelingen tot die -Ostjaken, welke nog heden ten dage geloovig opzien tot den god Ohrt, -die nog heden ten dage in veelwijverij leven, wanneer hun vermogen -zulks veroorlooft, die nog heden ten dage hun dooden op dezelfde wijze -begraven, gelijk hun vaderen dit deden; mijne voorstelling toch kan er -niets bij verliezen, wanneer ik die anderen uitsluit, in eenheid -daarentegen slechts winnen, wanneer ik mij uitsluitend tot de -heidensche Ostjaken bepaal. - -Van bijzondere stamskenmerken kan men hier moeielijk spreken, nog -moeielijker is het deze te beschrijven. Ik heb herhaaldelijk getracht -zulks te doen, maar steeds bevonden, dat het ondoenlijk is een gezicht -in woorden af te beelden, of volledig de voor het oog waarneembare -raskenmerken door middel der pen uit te drukken. Onze luidjes -verschillen ten opzichte van gelaatsvorm, huidkleur, haar en oogen ten -zeerste van elkander; men kan hun soms niet eens aanzien, dat zij -Mongolen zijn, en wanneer men werkelijk eens meent dat men duidelijke -en bepaalde trekken heeft kunnen opmerken, dan leeren een aantal andere -individuen ons wederom, dat die trekken verre van algemeen zijn. Als ik -alles wil samenvatten, wat ik van de door ons waargenomen Ostjaken heb -kunnen afzien en opteekenen, dan blijkt daaruit het volgende: - -De Ostjaken zijn van middelbare lengte, over ’t algemeen slank gebouwd, -met vrij regelmatig gevormde handen, voeten en ledematen; de handen -zijn eer groot dan klein te noemen, de kuiten zeer schraal; de vorm des -aangezichts houdt het midden tusschen dien van andere Mongoolsche -volken en de Noord-Amerikaansche Indianen; de bruine oogen toch zijn -wel is waar klein, maar niet in ’t oogvallend sterk schuin geplaatst; -de jukbeenderen steken niet bijzonder vooruit, terwijl het -benedengedeelte des aangezichts zoo tegen de smalle en spitse kin is -aangedrukt, dat het geheele gelaat een puntig voorkomen erlangt, daar -ook de lippen scherp besneden zijn. Het gelaat krijgt door een en -ander, vooral bij kinderen en vrouwen, iets katachtigs, alhoewel de -neus in ’t algemeen weinig, bij velen bijna geheel niet afgeplat is. -Het welige, sluike, maar niet stijve haar is meestal zwart of -donkerbruin, zelden lichtbruin en nog zeldzamer blond, de baard dun, -doch slechts ten gevolge van de gewoonte der jeugdige fatten, dezen, -zoodra hij verschijnt, uit te trekken. De wenkbrauwen zijn zwaar, -dikwijls geweldig zwaar. De huidkleur doet in blankheid voor die van -een zich veel in de frissche lucht, in wind en weder bewegenden -Europeaan, weinig onder en de geelachtige tint, die regel is, kan soms -geheel ontbreken. - -Wanneer het hier gezegde voor de meeste Ostjaken als geldend kan -beschouwd worden, volgt daaruit toch nog niet, dat men bij eene -nauwkeurige waarneming onzer luidjes in twijfel kan staan ten opzichte -van het ras, waartoe zij behooren. Enkelen hunner doen zich reeds bij -den eersten vluchtigen blik als Mongolen kennen. Zij zijn klein van -gestalte, de bruine, levendige oogen staan schuin in het hoofd, en zijn -lang gespleten, de jukbeenderen zijn dik, de stijve haren pikzwart en -alle gewoonlijk ontbloote deelen des lichaams bepaald koperrood of -lederbruin gekleurd. - -Over de taal der Ostjaken kan ik niet oordeelen, maar wel kan ik -zeggen, dat deze in twee, ook voor vreemde ooren duidelijk te -onderscheiden dialekten vervalt; het eene dialekt wordt aan den -middelloop der Ob gesproken en is zeer welluidend, ofschoon iets gerekt -en zangerig, terwijl het tweede, dat aan den benedenloop der rivier -gebruikelijk is, sneller wordt uitgesproken, alhoewel de afzonderlijke -lettergrepen nog altijd duidelijk genoeg gehoord worden. De gewoonte -der hier wonende Ostjaken, zich van de meer weeke Samojedentaal te -bedienen, heeft op een en ander grooten invloed uitgeoefend. - -Terwijl de Christelijke Ostjaken, gelijk ik reeds opmerkte, de -kleederdracht der Russen naäpen en de vrouwen slechts hierin van die -der Russische visschers onderscheiden zijn, dat zij haar -kleedingstukken met bonte glasparels versieren, ook wel eens -vreemdsoortige, op de stola van een Roomsch-Katholiek priester -gelijkende, rijkelijk met parels opgetooide, in strikken gebonden -linten dragen, gebruiken de heidensche Ostjaken uitsluitend -rendiervellen—hertenvellen, gelijk de Russen zeggen; de huiden van -andere dieren dienen soms tot bijzondere versiering der eerste. De -kleeding bestaat uit een (tot over de knieën hangende) bij de mannen -alleen op de borst, bij de vrouwen langs den geheelen voorkant -gespleten en dan met leeren riemen vastgebonden, eng sluitenden pels -met daaraan gehechte of althans daarbij behoorende monnikskap en -aangenaaide handschoenen, een lederen broek, die tot onder de knie -reikt en leeren kousen, die boven de knie bevestigd worden. De pels is -bij de vrouwen van voren, langs de opening, met kleine, vierkante, -kortbehaarde, bontgekleurde stukjes pels, van beneden met een breede -strook van hondenvel omzoomd. Bij de mannen ontbreekt ook dit laatste -tooisel niet. Een kap bevindt zich ook aan den pelsmantel der vrouwen. -De leeren kousen der laatsten worden, als zij bijzonder mooi moeten -zijn, vervaardigd uit met smaak aaneengenaaide repen der bonte huid, -die de pooten der rendieren omgeeft, terwijl hieraan een lompe schoen -wordt vastgenaaid, die met riemen verder om den voet wordt bevestigd. -Eene breede, meestal met metalen knoopen bezette leeren gordel, waaraan -het mes hangt, bindt den pels der mannen om het lijf vast; een bonte, -met lange franjes versierde hoofddoek, die in den zomer de plaats der -kap vervangt, valt over den pels der vrouwen naar beneden. Hemden kent -men niet; daarentegen draagt de vrouw een gordel, dien wij niet kennen. -Wil zij zich eens recht mooi maken, dan steekt de Ostjaksche dame -zooveel eenvoudige koperen, soms zilveren ringen aan alle vingers, als -zij er met mogelijkheid maar aan kan rijgen, zoodat de hand als het -ware in een metalen pantser zit opgesloten; ook hangt zij zich eene -meer of minder zware ketting van glasparels om den hals en zeer zware, -uit glasparels, draadsnoeren, of metalen knoopen samengestelde -kwastvormige versierselen in, of eigenlijk over de ooren. Het haar -wordt in twee, tot op de kuiten neêrhangende vlechten gedeeld, welker -einden met gedraaide wollen snoeren omwoeld worden. Hetzelfde doet ook -de Ostjaksche saletjonker, een bewijs, dat alle gekken der aarde op -elkander gelijken. De mannen dragen gemeenlijk het haar lang, maar los. - -Eenvoudiger nog dan de wel is waar niet zeer schoone, maar voor winter -en zomer beide vrij geschikte kleederdracht, en even doelmatig als -deze, is de woning der Ostjaken, de „Tschoem”. Hieronder verstaat men -eene verdraagbare, kegelvormige, met berkenschors omkleede hut, die -zoowel den visschers als nomaden tot verblijf dient. Van twintig tot -dertig dunne, glad gemaakte, van boven en beneden spits toeloopende, -vier tot zes meter lange, in een cirkel opgestelde palen, vormen het -geraamte; twee dier palen zijn dicht bij het boveneind aan elkander -vastgeknoopt, de overige dienen tot steunpunten. Vijf à acht uit -kleine, vooraf gekookte en daardoor week gemaakte stukken berkenschors -gevormde platen, wier vorm in overeenstemming is gebracht met dien des -kegels, maken het buitenbekleedsel uit, terwijl eene van de windzijde -afgekeerde opening gesloten wordt met een plaat van gelijk materiaal; -dit is de deur. De hut blijft van boven open om aan den rook vrijen -doortocht te verleenen. Van de deur naar den tegenovergestelden wand -der hut loopt een gang, in welks midden het vuur wordt aangelegd; -hierboven zweven twee horizontale stokken, die aan de buitenpalen zijn -vastgebonden, en welk toestel deels dient om er den kookketel aan op te -hangen, deels om een en ander te drogen. Rechts en links van straks -genoemden gang zijn planken of matten over den grond gelegd, over welke -men zich beweegt, en die meteen de slaapsteden afpalen, wier -hoofdeneind naar den wand is gekeerd. Uit carexstengels gevlochten -matten, langharige, zachte rendierhuiden, en met rendierhaar of -gedroogd watermos opgevulde kussens dienen tot bedden, pelzen tot -dekens; eene muggentent, waaronder in den zomer de geheele familie -kruipt, beschermt de slapenden oneindig beter tegen de gevleugelde -kwelgeesten dan het aan den ingang van de Tschoem voortdurend -brandende, met wilgenloof gevoede, smeulende vuur. Een kook-, thee- en -drinkketel, schalen, lederen meelzakken, andere ter bewaring van het -hard gebakken roggebrood, kleine, sluitbare kistjes, ter berging van de -kostbaarste goederen, inzonderheid ook van het theeservies, een bijl, -een boor, een leerschaaf, een komvormig naaikistje, bogen, buksen, -sneeuwschoenen, alsmede verschillende jachtgereedschappen, voltooien -het huisraad; in de plaats der heiligenbeelden, die in de hutten der -Christelijke Ostjaken bijna nooit ontbreken, prijkt hier een -afgodsbeeld. - -Tegen de koude en stormen van den winter beveiligt men de Tschoem door -er eene, uit afgedragen pelzen saamgenaaide deken van buiten over heen -te spreiden, of, wat nog beter is, door een tweeden mantel van -berkenschors. - -Is de eigenaar der Tschoem een visscher, dan ziet men buiten de hut een -droogtoestel voor de netten en droogstaken voor de visschen, zeer net -bewerkte, ongemeen lichte en kunstige fuiken, een aantal bijzonder -kleine booten, benevens nog ander vischgereedschap; is hij tevens -jager, dan allerlei jagerstuig, b.v. stelbogen en automatisch werkende -handbogen. Is de Tschoembaas een rendierherder, dan een aantal met zorg -bewerkte sleden en daarbij behoorend tuig, alsmede eene ook voor hem -onmisbare boot. - -Iedere Ostjak is een kundig visscher, bijna iedereen tevens jager of -vallensteller, maar niet ieder is een trekherder. Rendieren te bezitten -beteekent zooveel als welgesteld te zijn, veel rendieren zijn eigendom -te noemen is gelijkluidend met rijk zijn. Hij, die alleen van de -vischvangst moet leven is arm. Paarden en runderen worden zeldzaam, dan -nog alleen in zeer gering aantal gevonden, en zulks enkel in de -nederzettingen aan den middenloop der rivier; ook houdt men eene enkele -maal schapen, misschien wel soms eene kat; de ware huisdieren evenwel -zijn het rendier en de hond. Zonder deze, in elk geval zonder het -rendier, kan de welgestelde man, naar hij meent, niet leven; zij alleen -verschaffen hem wat hij levensvreugde noemt. Even gelijk de Bedoeïn, de -trekkende herder van Centraal-Afrika, zich verheven waant boven zijn -stamgenoot, die het veld bebouwt, even gelijk de Kirgies minachtend -neêrziet op hem, die de aarde bewerkt, zoo grijpt ook de rendierhouder, -zelfs de rendierherder alleen dan naar net en angel, wanneer hij -persoonlijk trek heeft in visch, terwijl de visscher niet enkel voor -zich zelf, maar ook als knecht voor anderen het net uitwerpt en de fuik -stelt. Naar het aantal rendieren berekent de Ostjak allen menschelijken -rijkdom en zijn persoonlijk geluk. Daarom verliest hij niet alleen dien -rijkdom en dat geluk, wanneer de worgende ziekte zijn kudde vernietigt, -maar nog veel meer: aanzien en rang, zelfbewustzijn en vertrouwen, ja, -het is niet te sterk uitgedrukt, wanneer men er bijvoegt, zijn geloof, -zijn zeden, zijn gewoonten, zijn eigen persoonlijkheid. „Zoolang de -ziekte nog niet onder onze kudden woedde”, zoo zei ons eens de -bestuurder eener gemeente, Mamroe, de verstandigste Ostjak, dien wij -ooit leerden kennen, „leefden wij blijmoedig, en wij waren rijk; sedert -wij onophoudelijk door verliezen worden getroffen, worden wij allengs -tot arme visschers; wij kunnen zonder rendieren niet bestaan, zonder -hen niet leven.” Arme Ostjaken! In deze woorden ligt uw lot besloten. -Reeds op dit oogenblik zijn de eens bij honderdduizenden te tellen -rendieren tot vijftigduizend ingesmolten, en nog steeds woedt het -miltvuur onder de geweidragende kudden voort. Wat zullen de gevolgen -zijn? De Russische popen zullen meer Christenzieltjes winnen, de -Russische visschers steeds meer knechten, maar Ostjaken zullen er -slechts in naam meer bestaan,—en deze tijd ligt in geen zeer ver -verschiet. - -Het Noord-Aziatische rendier is een schepsel, dat veel afwijkt van zijn -Laplandschen soortgenoot; het is niet alleen grooter en edeler, maar in -den waren zin des woords een huisdier. Wij meenden het goed te kennen, -want wij hadden het in Lapland gezien en met het nauwkeurig oog des -natuurkenners gadegeslagen; maar in Siberië kwamen wij tot de -overtuiging, dat wij nog geen juiste denkbeelden over dit merkwaardig -dier hadden gewonnen. Ginds in Lapland hadden wij een hert leeren -kennen, dat zich slechts met tegenzin boog onder het juk van den -kleinen man, een hert, dat oogenschijnlijk elk oogenblik bedacht was op -het herwinnen zijner vrijheid; hier in Siberië kwam ons een dier onder -de oogen, dat volgzaam was en gewillig, den mensch genegen en zich aan -dezen toevertrouwend. De Ostjak weet er dan ook voortreffelijk mede om -te gaan. Hij behandelt het wel niet met die innigheid, waarmede hij den -hond streelt, maar in geenendeele onvriendelijk, en slechts bij hooge -uitzondering ruw en hard. In tegenstelling met de gewoonte der Lappen -melkt hij het niet, maar gebruikt het veel meer voor de slede dan -genoemde volken. Het moet hemzelf en zijn gezin, de Tschoem met alle -toebehoor, en alle overige op de reis mede te nemen lasten, zoowel in -den zomer als in den winter, van de eene plaats naar de andere brengen, -terwijl de Lap slechts in den winter van het rendier als trekdier -gebruik maakt. Van de geslachte rendieren gebruikt hij, evenals de Lap, -alle deelen, met uitzondering alleen van maag en darmen. Het vleesch -dient hem tot voedsel, van de beenderen en het gewei maakt hij -verschillende voorwerpen, uit de pezen naaigaren, de huid en haren -gebruikt hij zoo, of hij bereidt er leer uit; zelfs de tanden vinden -eene nuttige toepassing. Met het rendier rijdt de Ostjak in zijn lichte -slede, ’s winters en ’s zomers, van plaats tot plaats, naar de woning -der bruid, naar zijn feesten, ter jacht, en naar de begrafenis zijner -vrienden; het rendier vervoert zijn dooden naar de laatste rustplaats; -het rendier wordt door hem geslacht en ter eere zijner gasten en dooden -opgegeten; in de rendierhuid hult hij dezen en zich zelf. Zeer zeker, -hij kan zonder het rendier niet bestaan, niet leven. - -Weinig minder diensten bewijst hem zijn tweede huisdier, de hond. Niet -alleen de rondzwervende herders, maar iedere Ostjak houdt en verzorgt -honden, de visscher zoowel als de jager, de gezeten man zoowel als de -nomaad. De Ostjaksche hond behoort tot twee, voornamelijk door hun -grootte van elkander afwijkende rassen. Of onze hondenminnaars hem -fraai vinden durf ik niet beslissen; wat mij aangaat, ik moet dit dier -reeds daarom fraai noemen, dewijl het, alleen de kleur uitgezonderd, -nog alle kenmerken der wilde honden bezit. Hij komt het meest overeen -met onzen „spits”, maar is gewoonlijk wat grooter, somtijds zoo groot, -dat hij den wolf nabij komt; ook in slankheid van bouw wint hij het van -den keeshond. De kop is lang, de snuit van middelmatige lengte, de hals -kort, het lichaam lang, de pooten zijn dun, de staart is middelmatig -van lengte, het gitzwarte oog schuins gespleten, het korte, spitse oor -recht, het haar zeer dicht en lang, uit wol- en borstelharen bestaande, -de kleur verschillend, meestal zuiver wit, of wit met zwarte, meest -regelmatige teekening aan beide zijden van den kop, alsmede op de -ooren, rug en flanken, of ook wel grijs gewaterd en gegolfd, maar nooit -gestreept. De zwakbehaarde staart hangt meest naar beneden of is recht -uitgestrekt, nimmer naar boven gekruld, waardoor de overeenkomst met -een wilden hond nog meer verhoogd wordt. - -De gedurige omgang met den mensch heeft den Ostjakschen hond tot een -zachtaardig dier gemaakt. Hij is waakzaam, maar niet bijtachtig, -moedig, maar niet strijdlustig, trouw en ijverig, maar niet boos tegen -vreemden; wantrouwend, ofschoon niet bijzonder onvriendelijk, loopt hij -op den vreemdeling af, maar niet zoodra ziet hij zijn meester met dezen -spreken of met hem de Tschoem binnengaan, of hij nadert ook dezen -vertrouwelijk. In geen enkel opzicht verwend, en gaarne de ruimte van -de Tschoem met zijn meester of meesteres deelende, stelt hij zich toch -ook, zonder van onlust blijk te geven, aan wind en weêr bloot, werpt -zich zonder bedenking in het koude water der rivier en zwemt -rechtstreeks over breede armen, of draaft zonder morren door de toendra -onder de slede, aan welke men hem heeft vastgebonden, door poelen en -moerassen, door struikgewas en water. Verstandig en slim, vindingrijk -en vlug, weet hij zich het leven aangenaam te maken en zich door alles -heen te slaan. - -In de Tschoem ligt hij naast de lekkerste hapjes zonder ze aan te -raken; buiten de hut zijns meesters is hij de snoepachtigste en -brutaalste dief; in de toendra loopt hij geduldig door het dichte -struikgewas der dwergberken onder de slede; in het gladde moeras of op -andere goede wegen legt hij zich met vooruitgestrekte pooten op de -boomen der slede en laat zich trekken; op de jacht vergezelt hij zijn -baas als een trouw en nuttig metgezel; den vreemdeling evenwel kaapt -hij het door hem bespeurde, door dezen geschoten wild, voor de oogen -weg en eet dit met zulk een schuldeloos genot op, dat het onmogelijk is -zich boos op dit dier te maken. De herten kent hij door en door in al -hun eigenaardigheden en gebreken, zoodat hij bij het weiden der kudde -goede diensten bewijst, maar zoo op hem vertrouwen als op den -herdershond kan men toch niet, want hij volgt zijn eigen oordeel en -doet dan alleen volgzaam zijn plicht, wanneer hem zulks bepaald -noodzakelijk schijnt. - -De hond der Ostjaken bewijst zijn diensten als speelkameraad, als -bewaker van de Tschoem, als oppasser der kudde en als trekdier, terwijl -hij ook nog na zijn dood nut afwerpt. In den winter alleen wordt hij -voor de slede gespannen, en dan legt men hem dikwijls zulk een dwaas -tuig op, dat hij, wanneer men al te veel van zijn krachten vergt, reeds -na weinige jaren lam van lendenen rondhinkt. Na zijn dood moet hij zijn -uitstekend vel afstaan, ja sommige Ostjaken houden alleen voor dit doel -een overgroot aantal honden. - -Voor hetzelfde of soortgelijke doeleinden strekken sommige uit het nest -geroofde jonge zoogdieren en vogels, vooral vossen, beren, uilen, -kraaien, kraanvogels, zwanen, enz. die men soms voor de Tschoems der -visschers en trekherders, vastgebonden, aantreft. Zoolang deze dieren -jong zijn worden zij vriendelijk bejegend en goed gevoed; zoodra zij -volwassen zijn en huid of veêren waarde hebben verkregen, worden zij -gedood; men eet op, wat eetbaar is en gebruikt huid en veêren; de huid -wordt somtijds voor een verbazend hoogen prijs verkocht. - -De hond schikt zich ook hier, even gelijk elders, naar den wil van den -mensch, maar de mensch moet zich voegen naar de behoeften van het -rendier. Deze behoeften en geenszins de luimen van den herder bepalen -het nomadische leven der rondzwervende Ostjaken, even gelijk het komen -en gaan der visschen op het doen en laten der gezeten stambroeders van -grooten invloed zijn. De tochten der rendierherders en hunne kudden -zijn de gevolgen van gelijke oorzaken en bewegen zich in dezelfde -richting als die der Kirgiezen, doch zijn van de tochten der -laatstgenoemden hoofdzakelijk hierin onderscheiden, dat zij ook in den -winter niet worden afgebroken, maar zelfs in dit jaargetijde nog -veelvuldiger en afwisselender worden. Wanneer de sneeuw begint te -smelten trekt de Ostjaksche nomaad langzaam naar het gebergte; met het -beginnen der muggenplaag klimt hij de berghellingen, of althans naar -den rug der heuvelklingen omhoog; met het verdwijnen der muggen, van -welke dieren ook de hoogten niet geheel en al bevrijd blijven, keert -hij allengs naar de lage toendra terug, om hier, zoo mogelijk in de -nabijheid van de rivier zijns geboortelands den winter door te brengen. -Zoo is de kringloop, dien hij jaar in, jaar uit, volbrengt, zoo niet de -verschrikkelijke ziekte, het besmettelijke miltvuur, hem overvalt. - -Nog vóór de korte zomer in zijn onvriendelijk land aanbreekt, nog vóór -het eerste voorjaarsleven ontwaakt, in den tijd, dat het sterke ijsdek -nog onaangetast op den grooten stroom en diens nevenrivieren, op de -ontelbare meren der toendra ligt, werpen de rendieren hun jongen. Nu -vooral is het zaak eene plaats op te zoeken, die moeder en kroost -genoeg voedsel oplevert. Te dien einde trekt onze herder niet naar de -diepere dalen, maar naar de hoogte, van welker toppen de wind de sneeuw -wegblaast, om hier zijn Tschoem op te slaan. Hier vertoeft hij geruimen -tijd, totdat het rendiermos overal in ’t rond weggevreten is, en ook de -breede hoeven van het rendier, waarmede het de sneeuw wegkrabt, om tot -het daaronder verscholen plantendek te geraken, geen diensten meer -kunnen bewijzen. Dan breekt hij nogmaals op en richt zich naar eene -nabijzijnde plek, die gelijke voordeelen aanbiedt als de eerste. Ook -deze wordt niet verlaten alvorens er geen voedsel meer is, want nog -verheugt hij zich in een tijd, dien hij den goeden mag noemen. De -kudden weiden thans in gesloten troepen; er heerscht volmaakte vrede -onder de herten, wier gewei thans begint uit te spruiten; de ouden -verliezen haar kalveren nog niet uit het oog; de kudde verstrooit zich -niet, en dwaalt niet verder van de Tschoem af dan tot waar het geroep -des herders reikt, dat hen tegen zonsondergang weêr bijeen en in de -omgeving der hut verzamelt. Gedurende den nacht dwaalt wel de vratige -wolf in ’t rond, dien de winter uit het gebergte naar de laag-toendra -verdreef, maar de moedige honden houden scherpe wacht en weren den -laffen roover; onze herder bekommert zich deswege even weinig om den -wolf als om den winter, welk jaargetijde hij, evenals alle volksstammen -van het hooge noorden als het beste beschouwt. Ook worden de korte -dagen allengs langer, de nachten steeds korter, de gevaren voor zijne -weêrlooze kudde dus kleiner. De rivier werpt haar ijskleed af; de -verwarmde wateren van de zuidelijke steppen voeren lauwe winden naar -het noorden; de eene heuvelketen na de andere wordt vrij van sneeuw, en -hier zoowel als in het dal vinden de tegen het weder geharde dieren -eene rijkelijk voorziene weide;—de laag-toendra is in de oogen onzer -herders tot een waar paradijs geworden. Maar slechts kort duurt voor -hem en zijn kudde dat heerlijke leven. De snel rijzende, altijd langer, -steeds warmer stralende zon smelt ook in de vlakke dalen de sneeuw, op -de breede meren het ijs, doet zelfs den bevrozen grond ontdooien en -roept nevens de onschuldige kinderen van het voorjaar ook de milliarden -kwelgeesten, de muggen, de brutale bremsen, wier larven eerst voor -weinige weken uit de neusholten der rendieren gehoest werden, in ’t -leven. Nu begint eerst voorgoed de verhuizing; nu trekt de herder, wel -in korte dagreizen, maar zonder zich op te houden, naar het gebergte. -Met het opdrogen van den morgendauw, die de mossen, korstmossen, -grassen en jonge bladeren der dwergachtige struiken bedekte, breken de -vrouwen de Tschoem af, die zij eerst gisteren opsloegen, en beladen de -sleden, die zij op denzelfden tijd ontpakt hadden. Ondertusschen jaagt -de herder op zijne lichte, met vier krachtige herten bespannen slede -naar de verstrooide, nog grazende of in groepjes gelegerde kudde, -drijft de dieren bijeen en naar de legerplaats, waar de familieleden -reeds geheel gereed zijn. Een dun touw, waar de rendieren slechts -zelden overheen durven springen, in de handen houdende, vormen zij -samen een kring om de kudde; de herder begeeft zich met een vangsnoer -of lasso in de rechterhand midden onder de kudde, werpt het daarvoor -bepaalde hert zonder te falen den strik om den hals of om het gewei, -maakt het touw vast, haalt het naar zich toe en geeft last, dat alle -andere dieren zullen worden vrijgelaten; hij bestijgt daarna weder zijn -slede en rijdt weg. Alle overige sleden, door de medeleden der familie -bestuurd, volgen in lange rijen; blatend of brommend en bij elken stap -een knetterend geluid latende hooren, zet zich ook de gansche vrije -kudde in beweging; de honden eindelijk rennen en springen, onder -voortdurend geblaf, om de kudde heen en houden de rendieren zoo goed -mogelijk bij elkaar; toch kan zulks niet verhinderen, dat er nu en dan -een afdwaalt of achterblijft. De kudde breidt zich meer en meer uit en -tooit op schilderachtige wijze alle hoogten; door een of ander -bijzonder lekker voedsel vastgehouden, verwijlt zij troepsgewijs hier -en daar eene poos; door de kalveren aangezocht vervullen de moeders -haar plichten, gaan wel eens ten gevalle van het door de melk -verzadigde jong naast haar kind liggen, totdat de adelaarsblik van den -heer der kudde dit misdrijf opmerkt, hij zijwaarts uitwijkt om door -zijne krachtige stem, of met behulp der inmiddels opontboden honden de -achterblijvers vooruit te drijven. Opnieuw laat zich een algemeen -geloei hooren, de honden blaffen nog luider en de schare golft verder; -een bosch van geweien dringt voorwaarts en zeker jagersvuur ontvonkt -het hart van den toeschouwer uit vreemde landen. - -De zon daalt; de trekdieren zuchten en steunen met ver uit den mond -hangende tong; het wordt tijd hun rust te geven. Op geringen afstand, -in de nabijheid van een der vele meren, verheft zich een zwak gewelfde -kegel; de herder slaat die richting in; op de hoogte laat hij zijn -geweidragend vierspan stilhouden. De eene na de andere slede komt aan; -de losse kudde eveneens, om dadelijk met grazen aan te vangen, de -uitgespannen trekkers volgen hen. - -De vrouwen zoeken eene geschikte plaats uit om de Tschoem op te bouwen; -zij plaatsen de stokken in een cirkel in den grond en omkleeden ze met -den mantel van berkenschors; de herder echter begeeft zich met zijn -voor het gebruik gereedliggend werptouw onder de kudde, kiest met -kennersoog een jong en vet hert uit en werpt dit den strik om den hals -en over het gewei. Tevergeefs spartelt het dier en tracht zich los te -maken, nader treedt de herder en weêrloos volgt het dezen naar de -inmiddels reeds opgerichte Tschoem. Een slag met een bijl op het -achterhoofd doet het slachtoffer ter aarde storten, een messteek door -het hart maakt een eind aan zijn leven. Twee minuten later is het dier -reeds van de huid ontdaan, opengesneden en schoongemaakt; eene minuut -later doopen alle, spoedig zich bijeen scharende familieleden de in -repen gesneden lever in de met bloed gevulde borstholte, en de -letterlijk „bloedige maaltijd” neemt een aanvang. In een kring gehurkt -om het nog warme hert, snijdt elk der gasten ribstukken of stukken van -rug- en dijspieren af; de lippen verven zich rood alsof zij geblanket -waren; de bloeddruppels vloeien langs kin en borst; de handen worden -almede geverfd en besmeerd met bloed, niet minder neus en wangen, en -bloedige gezichten staren den onthutsten vreemdeling aan. De zuigeling -maakt zich los van de moederborst om insgelijks aan den maaltijd deel -te nemen, en van pret gilt hij het uit, wanneer hem de moeder nog een -mergbeen stukslaat en dit om het uit te zuigen toereikt, nadat het -wicht alvorens een stuk lever naar binnen heeft geslagen en ook daarbij -zijn gezicht, wangen en handen en nog meerdere lichaamsdeelen met bloed -rood heeft geverfd. De honden zitten in ’t rond en knagen de hun -toegeworpen beenderen af. Verzadigd gaat de een na den ander opstaan, -wischt zich de bloedige hand aan het mos af, reinigt het mes op -dezelfde wijze en keert dan in de Tschoem terug om er behagelijk uit te -rusten. De huisvrouw vult den kookketel met water, legt er zooveel -vleesch van het half opgegeten dier in als deze bevatten kan, en maakt -vuur aan om het avondeten te bereiden. - -Ondertusschen heeft de herder zijn bovenkleed uitgetrokken en haastig, -ofschoon nooit zonder succes onderzocht, en gaat nu zoo dicht bij het -vuur liggen, dat de vlam hare volle werking op het naakte bovenlijf kan -uitoefenen. Hij voelt zich meer dan lekker en denkt aan nieuw genot. -Een vreemde snaak, die in zijn gezelschap naar het gebergte trekt, een -Duitscher van herkomst, wellicht een medelid van de Bremer expeditie -naar West-Siberië, heeft hem niet alleen tabak, een inderdaad -afschuwelijk, maar zeer krachtig kruid vereerd, doch daarenboven ook -nog een groot stuk papier, een geheele „Kölnische Zeitung” geschonken. -Hij scheurt voorzichtig van deze laatste een vierkant stuk af, draait -hieruit een klein spits peperhuisje, vult het met tabak, maakt in ’t -midden een kneep, en het pijpje is gereed, brandt een oogenblik later -zelfs prachtig en ruikt zoo heerlijk, dat zijn vrouw de neusgaten -openspert en naar hetzelfde genot verlangt. Deze wensch wordt terstond -bevredigd en het pijpje maakt zelfs een rondreis langs elk der -familieleden. - -Doch er is leven gekomen in den pot; de avondspijs is gereed en „allen -roeren de handen voor het lekker bereide maal”. Daarna gaat de herder -voor de deur der hut staan, stoot in langgerekte klanken een verdragend -geroep uit, dat heden voor de laatste maal de onrustige kudde -bijeenbrengt om nu gerustgesteld in de Tschoem terug te keeren. - -Intusschen heeft de vrouw hier de muggentent opgeslagen en is nu nog -bezig met den benedenrand onder de dekens te stoppen. Gedurende dit -bedrijf pakt de man, die op zijn leger ligt te wachten een hond, -waarmede hij speelt als ware het een kind, welke behandeling de hond -zijnerzijds zich gaarne laat welgevallen, daar hij zich zulks als eene -hooge gunst en eer toerekent. Hierop kruipt de man half naakt onder de -muggentent, de vijftienjarige zoon volgt zijn voorbeeld, en diens -kleine, dertienjarige vrouw doet hetzelfde; de zorgvolle moeder brengt -ook de kinderen, den zuigeling in de wieg hieronder begrepen, mede in -veiligheid, sluit de deur en begeeft zich naar de andere huisgenooten. -Weinige minuten later en een diep gesnork verkondigt, dat allen den -slaap des rechtvaardigen hebben gevonden. - -Den volgenden morgen begint hetzelfde dagwerk en zoo gaat het voort, -tot de hoogten der gebergten veroorloven, om langer rust te nemen en -langer op dezelfde plaats te vertoeven. De hier, op deze hoogte zoo -vroegtijdig vallende sneeuw dwingt reeds in Augustus tot opbreken, en -wederom brengt de reis, thans wat langzamer en gemakkelijker, herder en -kudde naar de laagte terug. - -Met het verdwijnen van het ijs begint ook het visschersbedrijf aan de -rivier. Vele Ostjaksche visschers werken voor loon of ook wel in -vereeniging met de Russen, terwijl anderen slechts een gedeelte der -vangst aan hen verkoopen en voor eigen rekening visschen. Dadelijk na -den ijsgang richten eerstgenoemden hun Tschoem naast de hutten der -Russen op, of betrekken hunne aan het water gelegen zomerverblijven, -blokhuizen van de allereenvoudigste soort. Ter plaatse, waar een -nevenrivier in den stroom uitmondt, paalt men haar of een der armen af -door middel van eene omheining, die slechts ééne opening vrij laat; bij -lagen waterstand stelt men fuiken en legt men grondangels; daarenboven -vischt men nog met treknetten en sleepnetten. - -Groote bedrijvigheid heerscht er op alle vischplaatsen, wanneer de -vangst goed is. Halfvolwassen jongens zitten op eene schommelende -stellage, in gebogen houding boven de opening der omheining en kijken -met scherpe oogen naar beneden in het troebele water om te zien of er -ook visschen loopen binnen het voor den doorgang gespannen en door hen -vastgehouden kruisnet, beuren dit van tijd tot tijd met den gevangen -buit op en ontlasten den inhoud in de kleine boot. De mannen visschen -gezamenlijk met het treknet op de zandbanken of, op de ondiepe plaatsen -der rivier, met het sleepnet. ’s Namiddags of tegen den avond keeren de -visschers naar huis terug en verdeelen onder de huisgezinnen de vangst. -Den volgenden morgen begint de arbeid der vrouwen. Afzonderlijk of in -groepjes geschaard, hurken zij om de groote hoopen visch, ieder -voorzien van eene plank en een scherp mes, om de visschen te -ontschubben, schoon te maken, in stukken te snijden, in te kerven en op -lange dunne stokken te steken, die dan op droogstellen ter droging -worden gehangen. Eene vaardig uitgevoerde snede opent de buikholte van -den visch en scheidt de zijspieren van de wervelkolom, terwijl enkele -handgrepen de lever en de overige ingewanden van kop en geraamte en de -kostbaarder zijdeelen des lichaams wegnemen. De eene lever na de andere -glijdt over de gretige lippen, want de vrouwen hebben nog niet ontbeten -en nemen dit al vast als voorspijs. Is men nog niet verzadigd, dan -wordt er een visch ontschubd, schoongemaakt, in lange repen gedeeld, -het eene eind van zulk een reep door het bloed gehaald, en dan in den -mond gebracht; snelle, rakelings voorbij den tip van den neus gaande -messneden verdeelen de reep in passende stukken, die een voor een in -een afgrond verdwijnen. Ook de kinderen, die bedelend de moeders -omringen, verkrijgen ieder naar hun ouderdom hun aandeel in lever en -spiervleesch; vierjarige telgen hanteeren het mes reeds even vaardig -als de ouden en snijden op gelijke wijze de mondbeten af. Dit is de -gewone wijze van eten, en ook het rendiervleesch wordt op gelijke wijze -genuttigd. Spoedig glimmen de aangezichten van moeders en kroost van -visschenbloed en levertraan, de handen van schubben. Zijn alle visschen -behandeld en opgehangen, dan verkrijgen ook de honden, die begeerig, -ofschoon niet lastig, zich om de vrouwen hadden gelegerd, hun aandeel -t.w. de schubben, die op een grasbosje worden geworpen, en gulzig -woelen de zwarte snuiten in dit gras. - -Het morgenwerk is verricht en men heeft recht op eene kleine -uitspanning. De moeders nemen haar zuigelingen op den schoot, reiken -dezen de borst en gaan nu over tot eene zekere verrichting, even -noodzakelijk voor haar zelf als voor de kleinen: de jacht op -parasieten. Het eene kind na het andere legt zijn kopje in den schoot -der moeder, daarna legt deze zelf het hare in dien der oudste dochter -of van eene buurvrouw, die op gelijken wederdienst hoopt; de jacht is -meestal zeer voorspoedig. Het gevangen wild wordt, zoo niet opgegeten, -dan ten minste tusschen de lippen genomen, en met de tanden -verbrijzeld; voor een natuuronderzoeker, die de apen heeft waargenomen, -is zulks niets nieuws, en het strekt hem, die in Darwins leerstellingen -meer ziet dan enkel hypothesen, als bewijs te meer voor het „atavisme” -of het terugkeeren tot de gewoonten der voorouders. - -De zon daalt, en de mannen, jongelingen en knapen komen met nieuwen -zegen aandragen. Zij hebben naar hartelust rauwen visch gegeten, thans -verlangt de ziel naar warme spijs. Een groote, dampende ketel met -gekookte visschen, kostelijke renken,—naaste bloedverwanten van den -zalm—worden hun voorgezet; met vischvet doorweekt brood is de toespijs, -terwijl de maaltijd besloten wordt met tegelthee, die met koud water op -het vuur gezet en lang gekookt is geworden. „Wanneer evenwel de -begeerte naar spijs en drank gestild is” verlangt ook de geest naar -voedsel, en daarom is de kunstenaar hoogst welkom, die de door hem zelf -vervaardigde harp of cither te voorschijn haalt, òf om deze te -bespelen, òf om een der inlandsche, onbeschrijfelijk karakteristieke -liederen, òf om den vreemden dans der vrouwen te begeleiden, bestaande -in opheffingen en neêrbuigingen van het lichaam en het volbrengen van -allerlei bewegingen met de armen, die nu eens om elkander worden -geslagen, dan weder uitgestrekt, daarna naar het lichaam -teruggetrokken. Deze feestelijkheden duren net zoo lang totdat men met -het opslaan der muggentent gereed is, als wanneer jong en oud onder -derzelver plooien verdwijnt. - -De zomer is voorbij, en de korte herfst wordt opgevolgd door den -winter. Nieuwe bedrijvigheid ontstaat met het trekken der vogels; met -den winter ontwaakt een nieuw, ja het eigenlijke, rijke leven der -Ostjaken. Het verraderlijke net wordt voor de wegtrekkende zomergasten -gesteld; dit net bestaat uit een groot, licht verplaatsbaar kleef- of -leeuwerikennet, dat aan den oever in de opengehakte deelen van de -wilgenboschjes, op bekende strijkplaatsen tusschen twee groote -watervlakten wordt uitgespannen, en waarin niet alleen eenden, maar ook -ganzen, zwanen en kraanvogels vliegen, die meer dan welkom zijn om hun -vleesch en veêren, want alle vogelsoorten verstrekken niet alleen den -Ostjaken, maar in ’t algemeen aan alle rivierbewoners ten voedsel. -Gelijktijdig met den vogelvanger trekt ook de nomaad op de jacht uit en -stelt in de toendra zijn slagnetten voor den rood- en poolvos, of hij -plaatst gemeenschappelijk met andere stamgenooten, in het bosch gelijke -vangwerktuigen, stelbogen en automatische handbogen voor wolven, -vossen, sabels, hermelijnen, veelvraten en eekhoorntjes. Is er sneeuw -gevallen dan gespt zich de meer geoefende jager de sneeuwschoenen aan, -zet den sneeuwbril op de oogen en begeeft zich met zijn honden naar het -bosch in de toendra om den beer in zijn schuilplaats op te zoeken, de -sporen van den losch te vervolgen, en den thans bemoeilijkten eland en -het wilde rendier op het sneeuwdek na te jagen, dat wel den jager, maar -niet deze dieren draagt. Hij heeft nooit gelogen, nooit valsch op een -berentand gezworen, nooit onrecht gedaan, en derhalve is de beer -tegenover hem machteloos, zijn eland en rendier tegenover hem niet vlug -genoeg. Met den verslagen beer trekt hij vroolijk het dorp en de -Tschoem binnen: buren en vrienden omringen hem jubelend, tot de -algemeene vreugde ook hem zelf aantast, hij wegsluipt, zich vermomt en -den berendans begint te dansen—bestaande in vreemdsoortige bewegingen, -die den beer in alle toestanden des levens moeten voorstellen en -verzinnelijken. - -Een rijken voorraad huiden bergt spoedig de hut des visschers, een nog -rijkeren de Tschoem des herders, daar deze bovendien nog alle pelzen -der door hem in den loop des jaars geslachte rendieren heeft verzameld. -Thans is het tijd ze kwijt te worden. Van verre en nabij rust men zich -uit om naar de jaarmarkt te gaan, die telken jare in de tweede helft -der maand Januari te Obdorsk, het laatste Russische dorp en de -belangrijkste handelsplaats aan de beneden-Ob wordt gehouden, en die -zoowel door inboorlingen als door vreemdelingen druk bezocht wordt, -terwijl ook bij deze gelegenheid de Russische regeeringskommissaris de -belastingen int van Ostjaken en Samojeden, bestaande geschillen uit den -weg ruimt en verder recht spreekt; de Russische kooplieden maken -intusschen jacht op koopers en verkoopers, de slechten onder hen, -geholpen door de spitsboefachtige Syrjenen op lichtzinnige dronkaards, -en de popen eindelijk op te bekeeren heidenen; er worden verder met de -Russen verdragen afgesloten, schulden betaald, nieuwe aangegaan, onder -Ostjaken en Samojeden allerlei afspraken gemaakt, bruiloften gevierd, -vijanden verzoend en nieuwe vriendschapsbanden gesloten. In lange rijen -verschijnen de met rendieren bespannen sleden; van alle kanten komen ze -aan en het marktvlek is eerlang omgeven van eene menigte Tschoems, -rondom welke de met te verhandelen waren zwaar bepakte sleden geschaard -staan. Elken morgen trekt de eigenaar van de Tschoem met zijn meest -geliefde vrouw in vol ornaat naar de kramen om huiden te verkoopen en -waren in te ruilen. Men handelt, biedt, dingt, tracht te bedriegen, en -de ook nu nog bedrijvige Merkurius oefent zijne heerschappij uit niet -enkel als god der kooplieden, maar ook als god der dieven. Brandewijn, -ofschoon van regeeringswege verboden, is bij elken koopman, en in bijna -elk huis van Obdorsk te verkrijgen; hij benevelt het verstand van -Ostjak en Samojeed en verarmt beiden nog meer dan het miltvuur. De -brandewijn doet alle hartstochten van den anders zoo kalmen, -goedaardigen en onnoozelen Ostjak in opstand komen, en verandert den -vredelievenden, jegens iedereen vriendelijken en eerlijken kerel in een -woedend, krankzinnig dier. Naar brandewijn hunkert de man, naar -brandewijn dorst de vrouw; de vader giet het begeerige kind den -brandewijn in de keel, de moeder hare verlangende dochter, wanneer -beiden genoeg hebben van het verderfelijk vergif. - -Voor brandewijn verslingert de Ostjak zijn met moeite verworven -schatten, verkwanselt hij zijn geheele bezitting, voor brandewijn -verhuurt hij zich als knecht, verkoopt hij zich als slaaf, verkoopt hij -zelfs zijne ziel en verloochent hij het geloof zijner vaderen. -Brandewijn behoort bij het sluiten van elken koop en verkoop,—zelfs bij -de bekeering tot de rechtzinnige, orthodoxe kerk. - -Met behulp van den brandewijn komt de oneerlijke koopman eindelijk in -’t bezit van alle huiden van den Ostjak, en bevrijd van deze, maar -tevens met ledige beurs en een verward hoofd keert de met trotsche -verwachtingen naar Obdorsk getogen, bedrogen, om niet te zeggen -uitgeplunderde man naar zijn Tschoem terug. Hij gevoelt berouw over -zijn dwaasheid, zijn zwakheid, koestert de beste voornemens, komt tot -kalmte en denkt spoedig alleen nog maar aan de heerlijke bijeenkomsten, -die hij met zijn stamgenooten gehouden heeft. Met dezen heeft hij eerst -gedronken, dan hebben de mannen en vrouwen elkander gekust, dan de -mannen hun vrouwen afgeranseld, dan tegen elkander hun krachten -gemeten, zelfs de scherpe messen met een fonkelend oog getrokken en -elkander met den dood bedreigd; maar er is geen bloed gevloeid, men -heeft zich weêr met elkander verzoend, de vrouwen, die vreeselijk door -de klappen waren toegetakeld en door den brandewijn hunne bezinning -hadden verloren, heeft men teêrhartig van den grond opgebeurd en door -andere medelijdende vrouwen doen reinigen; men heeft als bekroning der -verzoening eene plechtige overeenkomst getroffen, voor de dochter een -bruidegom, voor den zoon eene kleine bruid uitgekozen; men heeft zelfs -eene weduwe weêr uitgehuwelijkt en bij die gelegenheid nog eens -gedronken, kortom, men heeft zich kostelijk vermaakt. Dat de -Regeeringskommissaris alle door den drank bedwelmden eindelijk had -laten inpakken, dat alle, alle geld den weg van het vergankelijke was -gewandeld, ja dit was natuurlijk onaangenaam, zeer onaangenaam zelfs -geweest; maar de gevangenis was weêr geopend geworden, de smart over -het geldelijk verlies was geleden, en slechts de gouden herinnering, -waarop men een vol jaar kon teren, en de voor alle partijen eervolle -verloving waren als een niet te vervreemden winst van den heerlijken -feestdag gebleven. - -Bruidegom en bruid waren mede op de jaarmarkt geweest, hadden dapper -medegedronken en bovendien elkander leeren kennen; de bruidegom was het -met zijn ouders eens, dat hij op het jonge meisje zijn keuze moest -laten vallen, beter gezegd dat hij haar als zijne vrouw moest -onderhouden. Want de wil der ouders, niet die der jonge lieden, sluit -bij de Ostjaken de huwelijken. Op den wensch en den wil des jongen mans -moge men nog eenige acht slaan, en een veelbelovenden knaap wordt het -wel eens veroorloofd zijn eigen oogen te richten naar eene dochter -zijns volks, maar men zendt ook den in zijne keus vrij gelaten -jongeling alleen dan naar den vader van het meisje, wanneer de -toestanden aan weêrszijden genoegzaam overeenkomen. De jonge dochter -wordt nooit naar haar wil gevraagd, en zulks reeds hierom, dewijl zij, -wanneer men haar verlooft, nog veel te jong is om eenigszins over hare -toekomst te kunnen oordeelen. Zelfs de toekomstige mannelijke -echtgenoot heeft zijn vijftiende jaar nog niet bereikt, wanneer hij -naar de hand der twaalfjarige dingt. - -In ons geval heeft de jaarmarkt te Obdorsk de onderhandelingen -bespoedigd. De vrijer heeft reeds het jawoord; terstond hierop zijn de -dikwijls zeer langdurige onderhandelingen begonnen, maar dank zij den -invloed van den anders demonischen, in dit geval onmisbaren brandewijn, -zij werden nu zeer spoedig ten einde gebracht. Men is overeen gekomen, -dat Sandor, de jonge bruidegom, als bruidsschat voor Malla, het -verloofde kind, zestig rendieren, twintig vellen van den witten, tien -van den rooden vos, een stuk bont katoen en verschillende kleinigheden, -als ringen, knoopen, glasparels, hoofddoeken enz. zal betalen. Zulks -was weinig, veel minder dan de volstrekt niet rijkere bestuurder der -gemeente, Mamroe, eens voor zijne vrouw had betaald, want diens -bruidsgeld had bestaan in honderdvijftig rendieren, zestig vellen van -den poolvos en twintig van den gewonen vos, een groot stuk -kleedingstof, vele hoofddoeken en de gewone kleinigheden. Maar -toenmaals waren de tijden beter, en Mamroe mocht wel een bruidsschat -van meer dan duizend zilveren roebels betalen voor zijne deftige, rijke -en uit eene aanzienlijke familie voortspruitende vrouw! - -Het bruidsgeld is betaald; de verloving der jonge lieden heeft plaats. -De nabestaanden komen in de Tschoem van den vader des bruidegoms bijeen -om aan de bruid geschenken te brengen en tevens uit de voor ieder ten -toon gestelde gave des bruidegoms voor zich zelf iets in ontvangst te -nemen. Men kleedt de bruid in feestgewaad en maakt zich gereed met haar -naar de Tschoem des bruidegoms of van diens vader te rijden. Vooraf -heeft men op gebruikelijke wijze lekker gesmuld van een geslacht -rendier. Gekookt heeft men heden slechts enkele onder het ijs gevangen -visschen; het vleesch der gedoode rendieren at men rauw, en toen het -eerste koud begon te worden, gaf men een tweede den doodsteek. De bruid -weent, gelijk met alle scheidende bruidjes gewoonte is; zij wil de -Tschoem niet verlaten, alwaar zij is groot gebracht, en eerst nadat men -haar allerlei troostwoorden heeft toegesproken is zij daartoe bereid. -Een gebed voor den huisgod vraagt om den zegen van Ohrt, den -hemelschen, wiens teeken Sornidoed, het godsvuur, in onze oogen slechts -het knetterende noorderlicht, in den verloopen nacht bloedrood aan den -hemel prijkte. De moeder vergezelt de scheidende dochter om haar bij te -staan en ook in den eersten nacht na het huwelijk in hare nabijheid te -blijven. Moeder en dochter beklimmen de slede, de gezamenlijke gasten -de hunnen, en voort snelt de feestelijk gekleede bruidsstoet onder het -geklingel der bellen, waarmede heden alle rendieren, die almede hun -beste tuig dragen, versierd zijn. - -De bruigom wacht in de Tschoem zijns vaders zijne bruid op, die heden -en voortdurend door middel van den hoofddoek zedig het gelaat verbergt -voor haar schoonvader en de schoonbroeders van haar aanstaanden -echtgenoot. Een nieuw feest neemt een aanvang, en eerst laat in den -nacht scheiden de gasten, waartoe ook de bloedverwanten van den -bruidegom behooren. - -Den volgenden dag brengt de moeder evenwel hare dochter in de Tschoem -des vaders terug. Maar reeds een dag later verschijnen hier alle -verwanten des bruidegoms om de jonge vrouw weder voor dezen op te -eischen. Opnieuw vervult feestgedruisch de nederige hut; straks scheidt -de bruid voor altijd, en deelt nu voorgoed de Tschoem, naar welke zij -voor de tweede maal in feestelijken optocht wordt heengeleid, alleen -met haar man of tevens met diens ouders, broeders en zusters. - -De zoons van arme lieden brengen als bruidsschat niet meer dan -hoogstens tien rendieren mede, visscherszonen nog minder, ja zelfs geen -rendieren, maar enkel het benoodigde huisraad; ook deelen zij dikwijls -dezelfde Tschoem met meer huisgezinnen, maar ook de bruiloft dezer -lieden wordt tot een feest- en vreugdedag, waarop zooveel gegeten en -gesmuld wordt als het geringe vermogen maar toelaat. - -Arme Ostjaken leven in monogamie, rijke lieden beschouwen het als een -zaak van fatsoen twee of meer vrouwen te nemen. In dit geval heeft de -eerst gevrijde vrouw meer voorrechten dan de anderen, die meer als de -dienstmaagden der eerste kunnen beschouwd worden dan als haars -gelijken. Alleen wanneer zij geen kinderen krijgt, kan het anders -worden; want kinderloos te zijn is eene schande voor den man, terwijl -eene kinderlooze vrouw als een beklagenswaardig voorwerp wordt -beschouwd. - -De ouders zijn trotsch op hun kinderen en behandelen ze met veel -teederheid. Met oogen, die kennelijk van geluk getuigen, met gebaren, -die haar weelde uitdrukken, legt de jonge moeder haar eerstgeborene aan -de borst, of op het mollige watermos in de aardige, met fijn vermolmd -wilgenhout en geschaafde houtvezeltjes opgevulde wieg van beukenbast; -met zorg maakt zij het dek aan beide kanten der wieg vast en omhult -voorzichtig het hoofdeneind van het kleine bedje met het daar bevestigd -muggennetje; hare reinheid laat evenwel veel te wenschen over. Zoolang -het kindje nog klein is en onbeholpen, wascht en reinigt de moeder het -wanneer zij meent dat zulks volstrekt noodig is; maar is het grooter -geworden, dan wascht zij het maar eenmaal iederen dag gezicht en -handen; zulks geschiedt met behulp van een handvol geschaafde -wilgenhoutspaanders, die dienst doen als spons, terwijl een tweede -handvol droog toegepast, als droogdoek gebruikt wordt. Zonder zich -daarover in ’t minst bezorgd te maken, kan de moeder verder aanzien dat -het kleine wezen zich op eene wijze bevuilt en bemorst, dat wij er -verbluft van staan. Eerst dan wanneer de jonge Ostjak zich zelf weet te -helpen, neemt dit euvel een eind; niemand evenwel acht het noodzakelijk -zich na den maaltijd te wasschen, al is deze nog zoo bloedig geweest. -De kinderen van hun kant hangen met evenveel liefde aan hunne ouders -als deze aan hen; zij zijn voorbeeldig gehoorzaam; nooit verzetten zij -zich tegen den wil hunner opvoeders. Eerbied jegens hun ouders is het -eerste en voornaamste gebod der Ostjaken, eerbied jegens de godheid -komt eerst in de tweede plaats. Als wij Mamroe, den reeds genoemden -bestuurder der gemeente, den raad gaven, zijn kinderen in de Russische -taal te doen onderwijzen en het Russische schrift te doen leeren, -antwoordde hij ons, dat hij het nut van zoodanige kennis wel inzag, -maar dat hij vreesde, dat de kinderen dan zouden vergeten hun vader en -moeder te eeren en daarmede het voornaamste geloofsartikel te schenden, -zoodat hij op dezen grond niet besluiten kon onzen raad op te volgen. -Zulks mag ook de reden zijn waarom geen enkele Ostjak, die nog het -geloof zijner vaderen aanhangt, in dit opzicht iets meer leert dan zijn -teeken, een hem en anderen verbindend gekrabbel, dat op het papier -wordt gebracht of in hout of rendierhuid gesneden. En toch leert hij, -als een zeer knap en talentvol mensch, al wat men hem onderwijst zoo -spoedig en goed, dat hij op den vroegen leeftijd, waarop hij -uitgehuwelijkt wordt, alles kent en weet wat tot het voeren van eene -huishouding, en het onderhoud van een gezin noodig is. Alleen in -geloofszaken schijnt hij zijn eigen oordeel te wantrouwen en, weinigen -uitgezonderd, juist daarom den Schaman, die zich meerdere kennis van -zoodanige zaken aanmatigt, eene onverdiende eer te bewijzen. - -Wij zien evenwel in zulke Schamans, die bij de Ostjaken, evenals bij -andere Mongoolsche volksstammen van Siberië zich de rechten van -priesters aanmatigen, niets anders dan bedriegers. - -Het eenige lid der lieve broederschap, waarmede wij in aanraking -kwamen, een gedoopte Samojeed, droeg het teeken des Christendoms op -zijne borst, was zelfs, zooals het gerucht wilde, diaken in eene kerk -der rechtgeloovigen, en toch oefende hij onder de heidensche Ostjaken -het beroep van Schaman uit. Ik weet zeker, dat deze persoon geen -uitzondering vormde, maar dat zulks regel is; want alle Schamans, die -von Middendorf, mijn zegsman, op zijne vele en lange reizen door -Siberië leerde kennen, waren Christenen. Dat de Schaman, dien wij -leerden kennen, in de meening verkeerde, dat ook wij geloovigen waren, -heb ik reeds in mijn reisbericht vermeld, eveneens wat hij ons -voorspelde; het verhaal van de ons gegeven voorstelling zelf heb ik -echter tot heden bewaard; want in de lijst dezer mededeelingen past ook -meer eigenaardig dit beeld. - -Aanvankelijk brandewijn als geestelijk loon eischende, daarna zich met -de belofte van een geschenk tevreden stellende, ging hij alleen de -Tschoem binnen, ons zeggende, dat hij ons zou laten roepen, wanneer hij -met de toebereidselen gereed zou zijn. Tot deze schenen ook doffe -slagen op de trom te behooren, die wij na geruimen tijd vernamen; van -andere bezigheden merkten wij niets. Op een door hem gegeven teeken -traden wij de Tschoem binnen. - -De geheele ruimte der hut van berkenschors is met menschen opgevuld, -die zoo dicht mogelijk tegen de wanden aangedrukt, in een kring zijn -gezeten; behalve Ostjaken en Samojeden, die met vrouw en kind zijn -komen opdagen, zijn er ook Russen met hun vrouwen en spruiten aanwezig. -Op een hoogen zetel, links van den ingang, heeft Widli, de Schaman, -zich neêrgelaten; aan zijn rechterhand ligt een Ostjak, leerling van -den meester, gehurkt. Widli draagt een bruin opperkleed en daaroverheen -een oorspronkelijk witten, maar nu zeer morsigen, spaarzaam met gouden -tressen versierden tabbaard; in zijn linkerhand houdt hij de kleine -tamboerijnachtige trom zoodanig, dat haar schaduw op zijn gezicht valt, -in de rechter den trommelstok; het hoofd is onbedekt, het rond -geschoren haar zooeven gekamd. In ’t midden der Tschoem brandt een -vuur, dat nu en dan opflikkerende, een schellen gloed werpt op het -verzamelde gezelschap, in welks midden wij plaats nemen op de voor ons -opengehouden zetels. Een driemaal herhaald, langgerekt, als een -veelstemmig gezang klinkend geschreeuw, ingeleid door ettelijke -tromslagen, begroet ons bij het binnenkomen en kondigt het begin der -handeling aan. - -„Opdat gij moogt zien, dat ik een man der waarheid ben,” zoo laat de -meester zich hooren, „zoo zal ik thans den mij vertrouwden bode van den -raad des hemels bezweren onder ons te verschijnen, om mij mede te -deelen, wat de goden over uwe toekomst besloten hebben. Gij zelf zult -dan later mogen ervaren of ik waarheid gesproken heb of niet.” - -Na deze aanspraak, die ons door den mond van twee tolken werd -overgebracht, bewerkt de lieveling der goden het kalfs- of liever hier -het rendiervel zijner trom met snelle slagen, die elkander wel in eene -bepaalde maat, maar niet in een bepaald aantal opvolgen. Hij begeleidt -ze met een gezang, dat op Samojeedsche wijs half sprekend, beter -gezegd, half brommend, half zingend voorgedragen, door den discipel, -dien wij den koster zullen noemen, telkens getrouw herhaald wordt. -Daarbij houdt de meester zijn trom zoo, dat zijn gezicht steeds -beschaduwd blijft; hij sluit tevens de oogen om door niets van zijn -geestelijk gezicht afgeleid te worden; de koster daarentegen rookt ook -onder het gezang evenals straks steeds door en spuwt bij afwisseling op -den grond evenals straks. Drie langzame, bepaalde slagen kondigen het -einde van trommelen en zingen aan. - -„Ik heb thans,” zoo spreekt de meester vol waardigheid, „Jamaul den -bode der hemelsche geesten, bezworen onder ons te verschijnen; ik kan -evenwel niet bepalen hoeveel tijd er nog verloopen moet alvorens hij, -die misschien verre wijlt, bij ons zal zijn.” - -En wederom roert hij de trom, zingt hij bezwerend, en eindigen gezang -en begeleiding als te voren. - -„Twee keizers zie ik voor mij; zij zullen u een geschrift zenden,” zoo -spreekt de bode der goden door zijnen mond. Jamaul was dus zoo -vriendelijk geweest in de Tschoem te verschijnen en zijn lieveling ter -wille te zijn. Thans volgen, steeds ingeleid door het betooverend -gezang en tromgeluid, de afzonderlijke volzinnen, waarin de boodschap -der goden is vervat: - -„Nog eenmaal, in den volgenden zomer, zult gij denzelfden weg trekken -als nu.” - -„Dan zult gij de toppen van den Oeral bezoeken, daar waar de Oessa, -Bodaratta en Schtschoetschja haar loop aanvangen.” - -„Op deze reis zal u iets overkomen; of het goed zal zijn of kwaad kan -ik niet zeggen.” - -„Aan de Bodaratta valt niets te behalen omdat het daar aan hout en -weiden ontbreekt; hier echter kan iets uitgevoerd worden.” - -„Gij zult uwen meester verantwoording moeten doen; hij zal deze -onderzoeken en tevreden over u zijn.” - -„Ook voor de drie oudsten van uwen stam zult gij u te verantwoorden -hebben; zij zullen uwe geschriften eveneens nagaan om daarna over de -nieuwe reis uitspraak te doen.” - -„Uwe reis zal van nu af gelukkig zijn, zonder ongeval eindigen, en gij -zult te huis uwe geliefden in welstand terugzien.” - -„Wanneer ook de thans aan de Bodaratta toevende Russen hetzelfde zeggen -als zij, zullen twee keizers u beloonen.” - -„Ik zie geen gezicht meer voor mij.” - -De handeling is ten einde. De schemering breidt zich uit over de bergen -van den Oeral. Allen verlaten de Tschoem; uit de gebaren der Russen -spreekt hetzelfde vertrouwen als uit de tronies der Ostjaken en -Samojeden. Wij evenwel bewegen den Schaman om ons naar de boot te -vergezellen, maken hem en zijnen discipel met brandewijn de tong los en -leggen hem allerlei strikvragen voor, daaronder zeer spitsvondige. Hij -beantwoordt ze alle, zonder uitzondering, en zonder een oogenblik in -verlegenheid te geraken, zonder te dralen, zonder zich te bedenken; hij -beantwoordt ze alle vol overtuiging en overtuigend, klaar en bepaald, -kort en bondig, zoodat wij nog meer dan vroeger tot het bewustzijn -kwamen, dat wij met een door en door slimmen bedrieger te doen hadden. - -Hij schildert ons, hoe hij reeds als knaap den geest op zich voelde -nederdalen, hoe deze hem zoo lang bleef pijnigen, tot hij de discipel -van een Schaman werd; hoe hij meer en meer op vertrouwelijken voet is -geraakt met Jamaul, den bode der goden, die hem verschijnt in de -gedaante van een vriendelijk man, op een paard gezeten en met een staf -in de hand; hoe Jamaul hem steeds te hulp snelt en hemelschen bijstand -verleent, wanneer booze geesten hem aanvallen en hij dikwijls dagen -achtereen tegen hen heeft te strijden; hoe de bode der goden steeds de -ware, onvervalschte boodschap der hemelgeesten hem moet mededeelen, -dewijl anders elke tromslag als een geeselstriem diens rug zou -doorploegen; hoe Jamaul ook weder op dezen dag, voor hem alleen -zichtbaar, achter hem in de Tschoem heeft gezeten, en hem alle woorden -in het oor had gefluisterd; hoe hij, de Schaman door zijne kunst, of -liever door de hem verleende genade, welke ook door zijn overgang tot -het Christendom niet verzwakt kan worden, het verborgene ontdekt, het -gestolene kan terugvinden, ziekten leert onderscheiden, den dood of de -genezing der zieken vooruit ziet, de schimmen der afgestorvenen kan -waarnemen en bannen, veel kwaads kan doen en verhinderen, maar alleen -het goede bewerkt, uit vrees voor de hemelsche geesten; hij geeft ons -een uitvoerig en helder, ofschoon niet geheel en al juist beeld van het -geloof van Ostjaken en Samojeden; hij verzekert, dat een ieder van zijn -eigen volk zoowel als de Ostjaken hem bij allerlei onheil bezoeken, hem -om raad vragen, zich door hem de toekomst laten ontsluieren, en zonder -aarzeling hem vertrouwen, hem gelooven. - -Het laatste is geenszins het geval. De groote hoop moge in den Schaman -een man van groote wetenschap, wellicht zelfs een middelaar tusschen -den mensch en de godheid, misschien ook een man, vol geheime macht -zien, maar velen gelooven even zoo weinig aan de woorden en werken van -een Schaman als andere volken aan die hunner priesters. Het werkelijke -geloof des volks is oneindig veel eenvoudiger en kinderlijker dan den -Schaman lief is. Het gaat ook hier gelijk wel eens elders: de priester, -of hij die zich daarvoor uitgeeft, bevolkt den hemel met goden en raden -en dienaren der godheid, het volk echter weet niets van zulk een -hemelschen hofstoet. - -Volgens het geloof van den Ostjak troont in den hemel Ohrt, een naam, -die zooveel beteekent als „einde der wereld.” Hij is een almachtige -geest, die alleen tegenover den dood geen macht bezit; maar die den -menschen genegen is. Gever van alle goeds, uitdeeler der rendieren, -visschen en pelsdieren, die het booze verhindert, de logen wreekt, en -slechts dan zich streng betoont, wanneer men de belofte jegens hem niet -nakomt. Ter eere van Ohrt viert men feesten, hem offert men, en tot hem -bidt men; en aan hem alleen denkt de smeekeling, zelfs wanneer hij zich -voor een heiligenbeeld plaatst. Dit beeld, „longch” genoemd, kan uit -hout gesneden, maar ook een bundel katoen, een steen, een dierenhuid of -elk ander voorwerp zijn; kracht gaat er niet van uit, bescherming -verleent het niet, dus een fetisch is het niet. Verzamelt men zich voor -een longch, brengt men het voor de Tschoem, plaatst men er een schotel -met visch of rendiervleesch voor, of eenig ander offer, legt men -kostbaarheden voor den longch neêr, bergt men deze zelfs binnen in dit -voorwerp,—men richt bij al die handelingen het oog ten hemel en denkt -zoowel in het gebed als bij het offer aan de godheid zelf. Booze -geesten wonen zoowel in den hemel als op de aarde, maar Ohrt is -machtiger dan zij; alleen de dood is sterker dan Ohrt. Een eeuwig leven -na den dood bestaat niet, van eene opstanding weten de Ostjaken -evenmin; maar de doode wandelt als schaduw op de aarde rond, en die -schim of schaduw heeft nog altijd de macht om zoowel goed als kwaad te -doen. Wanneer een Ostjak sterft dan vangt onmiddellijk dat schaduwleven -aan; daarom gaat men ook terstond tot de begrafenis over. Reeds vóórdat -hij den laatsten adem uitblies waren de vrienden bijeengekomen; zoodra -de dood is ingetreden ontsteekt men een vuur in de Tschoem en houdt dit -brandende, totdat men grafwaarts gaat. Een Schaman wordt geroepen om -den doode te vragen, op welk kerkhof hij wil rusten. Zulks geschiedt op -deze wijze, dat men de plaats noemt en daarbij het hoofd van het lijk -poogt op te beuren. Is de plaats naar den zin dan laat de afgestorvene -toe, dat men zijn hoofd opbeurt, zoo niet dan zouden drie mannen zulks -niet vermogen. In dit geval wordt de vraag herhaald, en wel zoolang -totdat de doode toestemt. Nu zendt men der zake kundige personen naar -die plaats om het graf gereed te maken, want zoodanig werk eischt -dikwijls vele dagen. - -De graven bevinden zich steeds in de toendra, op hooge plaatsen, -gewoonlijk op den rug van lange heuvelrijen; zij bestaan uit min of -meer kunstig saamgevoegde bakken of laden, die boven op den grond -worden geplaatst. Heeft men geen stevige planken, dan zaagt men een -boot in stukken en legt daarin het lijk; alleen zeer arme lieden delven -een ondiep graf en begraven daarin hunne dooden. - -Het lijk wordt niet gewasschen, maar in feestgewaad gestoken; het haar -wordt gekamd en het aangezicht met een doek bedekt. De overige -kleederen worden den armen geschonken. Een vreemde doode wordt niet met -de handen aangeraakt, een beminde bloedverwant wel, ja dezen kust men -zelfs met tranen in de oogen het aangezicht. - -Op eene slede, of in eene boot, onder geleide van alle bloedverwanten -en vrienden wordt de doode naar zijn laatste rustplaats vervoerd. Een -rendierhuid wordt in den bak of het graf uitgespreid, om hierop den -doode te leggen, wien men tabak, pijpen, en allerlei zaken, die hij in -’t leven gebruikte, medegeeft. Daarna schuift men touwen onder het -lijk, legt het op het leger, spreidt een tweeden doek over het -aangezicht, en sluit den bak met een stuk berkenschors, terwijl over de -rijken nog vooraf kostbare huiden en katoenen stoffen worden -uitgespreid. Daarna legt men nog over de berkenschors het eigenlijke -deksel der kist of althans eenige zware, nauw aaneensluitende -boomstammen, en hierop, en om en onder den bak verder al die -gereedschappen, voor welke daarbinnen geen ruimte was. Vooraf echter -heeft men ze stuk geslagen of op andere wijze onbruikbaar gemaakt, of -gelijk de Ostjaken meenen, tot eene schaduw van datgene, wat zij eens -waren. - -Middelerwijl heeft men in de nabijheid der grafplaats een vuur -ontstoken, een of meer rendieren geslacht, welker vleesch nu door de -begravers, rauw zoowel als gekookt, gegeten wordt. Na het lijkmaal -steekt men de schedels der gedoode rendieren op puntige palen, -omwikkelt deze of de nabijstaande boomen met het rendiertuig, hangt de -belletjes, die gelijk bij andere feestelijke gelegenheden ook nu -gebruikt zijn, aan de bovenste jukken van de lijkkist zelf op, slaat -eindelijk de slede stuk, gooit deze in de nabijheid van het graf om en -daarmede is de laatste plechtigheid verricht en de laatste versiering -aangebracht. Men trekt huiswaarts, de klaagtonen verstommen, het leven -eischt wederom zijn dagelijksche rechten. - -In de schaduw van den nacht echter begint de schaduw van den -afgestorvene, uitgedost met de tot schaduwen geworden werktuigen, haar -geheimzinnig schaduwleven. Wat zij gedaan heeft, toen zij nog onder de -levenden verkeerde, doet zij nog. Onzichtbaar voor de menschen, weidt -deze schaduw haar rendieren, of stuurt hare boot door het water, gespt -zich de sneeuwschoenen onder de voeten, spant den boog, stelt het net, -doodt de schaduwen van gestorven dieren, vangt de schaduwen van -gestorven visschen. In de schaduw van den nacht treedt zij de Tschoem -binnen en brengt haar nagelatenen goed en kwaad. Het loon van den doode -bestaat hierin, dat hij zijn eigen bloedverwanten weldaden bewijst, -zijne straf daarin, dat hij hun kwalen op den hals haalt. - -Deze zijn de hoofdwaarheden van het geloof der Ostjaken, een volk, dat -door de rechtgeloovige Christenen als heidenen wordt beschouwd en -veracht. Eene billijke waardeering van een eerlijk menschenhart met een -kinderlijk gemoed zou evenwel den wensch bij ons doen opkomen: och -mochten zij altijd heidenen, altijd blijven, wat zij nu zijn! - - - - - - - - -XIV. - -DE NOMADEN EN KUDDEN DER STEPPE. - - -Hoe rijk de Middel-Aziatische steppe ook zijn moge, hoe afwisselend zij -vooral zich voordoet aan hem, die haar in het voorjaar bezoekt, hoeveel -vruchtbare landen zij ook moge insluiten,—zetelvastheid, wonen en -hangen op een en dezelfde plaats veroorlooft zij slechts op enkele, -meer dan elders begunstigde gedeelten. Trekken en reizen, komen en -gaan, verschijnen en verdwijnen verlangt zij van al hare kinderen, van -den mensch zoowel als van de dieren, die in haar wonen en leven. -Sommige gedeelten moge de landman zich ondergeschikt maken, op enkele -plaatsen moge men steden en dorpen grondvesten, het grootste gedeelte -der steppe zal wel altijd verblijven aan den rondzwervenden herder, die -geleerd heeft zich te plooien naar alle omstandigheden. - -Onder de Nomaden der steppe bekleeden de Kirgiezen de eerste plaats, -zoowel wat hun aantal als hunne volkseigenaardigheden betreft. Hun -gebied strekt zich uit van de Don en Wolga tot aan het -Thian-Schangebergte en van den middelloop der Irtysch tot de zuidelijke -streken van het Balkaschmeer, ja bijkans tot Chiwa en Boechara; dit -volk is verdeeld in horden en stammen, in steppenherders en -bergherders, maar deze allen zijn één in afstamming, taal, geloof, -zeden en gebruiken, niettegenstaande het verschil, dat de afzonderlijke -stammen schijnt te kenmerken. In de Orenburger steppe weidt en zwerft -de kleinste of jongste horde, in de steppen tusschen de Wolga en de -rivier de Oeral, dus in de gouvernementen Toergai en Oeral, een daarvan -afgescheiden tak, die zich de Boekaische horde noemt; in de steppen en -gebergten van het gebied van de Irtysch en het Balkaschmeer huist en -trekt de middelste of oudere horde, aan gene zijde van de Illi -eindelijk, tot in de nabijheid van Boechara en Chiwa moet men de -wisselende woonsteden der Berg-Kirgiezen zoeken, die zich de groote of -oudste horde noemt. Kirgies noemt zich overigens geen enkele tak van -het geheele volk; die naam is een scheldnaam, die zooveel als „roover” -beteekent; de eigenlijke naam dier volken is Kaisak of Kasak, wij -zouden zeggen „Kozak”, ofschoon zelfs de Russen onder Kozakken -tegenwoordig geheel andere menschen begrijpen dan onze steppenbewoners. - -De Kirgiezen, gelijk ik ze wil blijven noemen, behooren tot een der -Turksche stammen, eene volkerengroep, over wier plaats in de rij der -menschenrassen men verschillend oordeelt. Vele, zoo niet de meeste -reizigers, verklaren de Kirgiezen voor echte Mongolen, terwijl anderen, -en zeker met meer recht, hen beschouwen als van gemengd ras te zijn, -dat wel is waar in sommige opzichten aan de Mongolen herinnert, maar -over ’t geheel meer overeenkomst bezit met de Indogermanen en nog de -meeste gelijkenis vertoont met de Turkomenen. De Kirgiezen, die ik -gezien heb, allen behoorende tot de middelste horde, zijn middelmatig -groot van gestalte, soms vrij klein, goed gevormd, met wel is waar niet -schoone gelaatstrekken, maar toch ook niet met het karakteristieke, -Mongoolsche apengezicht; zij hebben fraaie handen en voeten, eene -lichte, of doorschijnend lichtbruine, naar ’t geel trekkende huidkleur, -bruine oogen en zwarte haren. De jukbeenderen zijn zelden zoo -vooruitstekend, de kin is zelden zoo smal, dat het aangezicht hoekig -wordt of een katachtig uiterlijk verkrijgt. Het middelmatig groote oog -is gewoonlijk in het midden het meest gewelfd en aan den buiten ooghoek -horizontaal uitgerekt, dus wel amandelvormig, maar niet schuins -gespleten; de neus is recht, zelden gebogen, de mond van middelmatige -grootte en meestal scherp besneden, de baard dun, maar niet zwak. Echt -Mongoolsche gezichten worden voorzeker ook aangetroffen, en zulks -voornamelijk bij de vrouwen en de kinderen van arme lieden; maar, -evenmin als ik veel werkelijk schoone Kirgiesische vrouwen heb -aangetroffen, zag ik er zulke apentronies als onder de echte Mongolen. -In elk geval, de stempel van een gemengden stam is scherper op de -Kirgiezen afgedrukt dan die van een scherp bepaald, zelfstandig ras. Ik -heb mannen gezien, die men zonder voorbehoud tot de Indo-Germanen zou -hebben gerekend, indien men niets naders omtrent hen wist, en ik heb -daarentegen weer anderen ontmoet, aan wie ik met geen mogelijkheid iets -Mongoolsch kon ontdekken. De leden van oude geslachten zijn doorgaans -personen, die alle wezenlijke kenmerken der Indo-Germanen bezitten, die -van lagere her- en afkomst herinneren min of meer, soms geheel aan -Mongolen. De macht van den Islam, die aan den tot de heilsleer -bekeerden slaaf de rechten van den stam toekent, zal in den loop der -tijden uit vele heidensche Mongolen Kirgiezen hebben gemaakt, en op het -raskenmerk der laatsten grooten invloed uitgeoefend. - -Ofschoon in hoofdtrekken Turksch, is de kleeding der Kirgiezen toch -niet zeer geschikt om hun lichaamsbouw voordeelig te doen uitkomen. In -den winter vooral verbergen pelsmutsen, pelsjassen en hooge laarzen -alle afzonderlijke lichaamsdeelen, en zelfs in den zomer is dit nog min -of meer het geval. De arme Kirgies draagt behalve zijn pelsjas en de -onontbeerlijke pelsmuts alleen nog maar een hemd, een kaftan en wijde -broek; de rijke daarentegen, evenals de Oosterling, een aantal -kleedingstukken over elkander; beiden evenwel steken alle, het -benedenlichaam omhullende gewaden, den pelsmantel alleen uitgezonderd, -in wijde broekspijpen, ten einde in ’t rijden niet belemmerd te worden, -maar juist daarom ziet een Kirgies er dan ook des te bespottelijker -uit, naarmate hij voornamer en dus rijker gekleed is. Donkere kleuren -zijn meer gezocht dan lichte, ofschoon men deze daarom nog niet geheel -versmaadt; is men in een bont gewaad gestoken, dan overlaadt men dit -met borduursels en tressen. Alle Kirgiezen dragen in den gordel een -sierlijk, met ijzer- of zilverwerk afgezet taschje en een insgelijks -prachtig mes; behalve den onmisbaren zegelring echter verder geen -andere versierselen, tenzij een door den keizer geschonken -gedenkpenning. - -Over de kleeding der vrouwen kan ik weinig mededeelen, vooreerst omdat -de bescheidenheid mij verbood naar meer te vragen dan uiterlijk -zichtbaar was, en in de tweede plaats, omdat ik de vrouwen der rijke en -voorname Kirgiezen in ’t geheel niet, anderen slechts in feestgewaad te -zien kreeg. Behalve een pelsmantel, laarzen en schoenen, geheel gelijk -aan die der mannen, dragen de vrouwen broeken, die al mede weinig -afwijken van hetzelfde kleedingstuk der mannen, verder een hemd en -daarover als bovenkleed een soort van kiel, die tot beneden de knie -reikt en om den middel dichtgeknoopt wordt; op het hoofd, òf een -tulbandsgewijs gewonden doek, òf eene nonnenkap, die over het hoofd, -den hals, de schouders en de borst afhangt. - -De kleederen der mannen zoowel als die der vrouwen, worden, de -sierlijke rijlaarzen en schoenen alleen uitgezonderd, vrij lomp -bewerkt; in goede harmonie met de eischen des klimaats zijn de onmatig -lange, ver over de handen vallende en deze bijna geheel bedekkende -mouwen van het oppergewaad bij beide seksen. - -Het trekkende leven der Kirgiezen, die onophoudelijk nieuwe weiden -moeten opzoeken voor hunne talrijke, veel eischende kudden, maakt eene -behuizing noodzakelijk, die gemakkelijk op de eene plaats kan worden -afgebroken om even spoedig op eene andere te worden opgericht, en die -bovendien voldoende beschutting verleent tegen de ruwheden des -klimaats. Aan zoodanige vereischten beantwoordt de Joerte beter dan -eenige andere nomadenwoning, en het is niet te veel gezegd, wanneer wij -beweren, dat de Joerte de volmaaktste tent is die er bestaat. De -ervaring van duizenden jaren heeft ze gemaakt tot hetgeen zij nu is; -eene in hare soort onverbeterlijke woning voor den rondzwervenden -herder, voor een reizend mensch in ’t algemeen. Licht van gewicht en -gemakkelijk uit elkaar te nemen, waterdicht en warm, af te sluiten -tegen den storm en tegen tocht, voor elken zonnestraal toegankelijk, -behagelijk en geschikt, eenvoudig en toch zich leenende tot in- en -uitwendige versiering, vereenigt de Joerte zooveel heerlijke -eigenschappen in zich, dat men haar te meer leert waardeeren, naarmate -men langer in haar vertoeft. Zij is samengesteld uit een uit elkaar te -nemen en weder in elkaar te zetten, voor verwijding vatbaar traliewerk, -waaruit de benedenste loodrecht oprijzende, cylindervormige wand -bestaat, en een koepelring, die het bovengewelf vormt; uit daartusschen -geplaatste sparren en eene in het eerste gedeelte aangebrachte deur, -luchtige matten van Tschigras, groote doelmatig gesneden en op zeer -zinrijke wijze aangebrachte vilten platen, die met de matten de -buitenbekleeding uitmaken, terwijl de bodem belegd wordt met vilten -tapijten. Zij wordt, met uitzondering alleen van de ineengelaschte -deurpaneelen en de aan het boveneind in gaten van den koepelring -gestoken sparren, enkel bijeengehouden door touwen en strikken; zulks -maakt, dat de tent in een aantal stukken kan worden uiteengenomen, -terwijl de cirkelvormige dwars-doorsnede en de koepelvormige -lengte-doorsnede haar in staat stellen den hevigsten storm het hoofd te -bieden. In weinig meer dan een half uur heeft men haar opgebouwd, in -nog minder tijd breekt men haar af, en niet meer dan één kameel wordt -er vereischt om haar te vervoeren. Het bouwen evenwel en versieren -eischt veel tijd, tevens veel bekwaamheid van de zijde der huisvrouw, -aan wie grootendeels de taak der vervaardiging is opgedragen, en tevens -uitsluitend het werk der oprichting is toevertrouwd. - -De Joerte vormt een belangrijk gedeelte van de bewegelijke bezitting -van den Kirgies. Rijke lieden hebben er van zes tot acht, maar zij -besteden liever meer geld voor de versiering eener enkele tent dan voor -den bouw van vele Joerten, omdat de te betalen belasting wordt berekend -naar ’t aantal hunner Joerten en niet naar de sterkte van hun -veestapel. De voorname man pronkt wel is waar ook met zijne Joerte, die -hij zoo rijk mogelijk inricht, uit het kostbaarste vilt bouwt, en uit- -en inwendig met allerlei sieraden uit bonte stoffen laat behangen, maar -meer prijs nog stelt hij op kostbare tapijten, en zijden, kunstig -genaaide en gestikte dekens, waarmede hij op feesttijden het inwendige -van zijne woning opsiert. Zulke tapijten gaan door erfenis over van den -vader op den zoon en worden op evenveel prijs gesteld als metallisch -zilver. - -Toch beoordeelt men het fortuin onzer trekkende herders niet naar deze -bijkomende zaken, maar eenig en alleen naar hunne kudden. Ook de armste -Joertenbaas moet, om in ’t algemeen den strijd om het bestaan te kunnen -voeren, eene talrijke kudde bezitten; het vee, dat hij weidt, is zijn -levensvoorwaarde, alleen zijn huisdieren beschermen hem tegen de -ellende. De kudden der rijkeren tellen bij duizenden en nog eens -duizenden individuen, de armen bezitten er slechts honderden. Maar ook -de rijkste man kan arm worden, wanneer besmettelijke ziekten in zijne -kudde uitbreken, en de arme kan verhongeren, wanneer gelijk lot dezen -treft. Zulke ziekten kunnen zoodanigen omvang erlangen, dat de welvaart -van geheele stammen vernietigd wordt, dat duizenden menschen een prooi -worden van den hongerdood. Geen wonder dus, dat alle gedachten en -handelingen der Kirgiezen betrekking hebben op het vee, dat zijn zeden -en gewoonten daarmede in harmonie zijn, m.a.w. de mensch is afhankelijk -van zijn vee. - -Niet het nuttigste, maar wel het edelste en meest gewaardeerde huisdier -der Kirgiezen is bij hen het paard. - -Dit dier stelt in de oogen zijns bezitters het inbegrip voor van alle -schoonheid en is de maatstaf, naar welken gerekend, rijkdom en armoede -bepaald worden. Het paard is het dier bij uitnemendheid, en in plaats -van het woord paard te gebruiken, spreekt de Kirgies alleen van -„huisdier.” In plaats van links en rechts bezigt hij de uitdrukking „de -zijde, waar men op het paard stijgt” en „de zijde, waar men den knoet -draagt.” Het paard is de trots des jongelings en van de jonge dochter, -van den man en den grijsaard, van de vrouw en het oude moedertje; men -prijst of smaalt den ruiter zelf, wanneer men zijn paard prijst of -smaalt: de slag, dien men een paard geeft, dat men zelf niet berijdt, -geldt niet het paard, maar zijn eigenaar. - -Een groot gedeelte van de liederen en gezangen der Kirgiezen heeft -betrekking op het paard; zij vergelijken bij dit dier den mensch; diens -waardij, diens schoonheid bij het paard: - - - „Bruid, o Bruid, gij lief bruidje, - Gij veulen der donkere merrie” - - -zoo roept de dichter de bruid toe, wanneer zij naar de Joerte des -bruidegoms wordt geleid: - - - „Zegt, waar is het spel der witte vlokken, - Het spel van het schaken der veulens? - Al is de schoonvader mij zeer genegen, - Zooals mijn vader is, zoo is niet hij.” - - -Zoo antwoordt de bruid den jongelingen, die haar het „Dschar-Dschar” -het troostlied der „scheidende maagd” toezingen met de woorden „spel -van het schaken der veulens” den tijd harer eerste liefde gedenkend. - -In paardenkoppen wordt de rijkdom der voornamen uitgedrukt; in -paardenprijs berekent en betaalt men den bruidsschat; op honderd -merries bepaalt men de waarde eener maagd, die het loon zal zijn van -een wedren. Men geeft elkander paarden ten geschenke; met paarden -betaalt men moord en doodslag, gebroken ledematen of een uitgeslagen -oog, misdrijf en misdaad; honderd paarden lossen den moordenaar van een -man, vijftig dien eener vrouw, dertig dien van een kind. In paarden -betaalt men de boeten, die opgelegd worden wegens beschadiging aan lijf -en bezitting van den stamgenoot, om een paard verlaagt zich zelfs de -aanzienlijke tot een dief. Het paard draagt den minnaar naar zijne -geliefde, den held naar het gevecht, het zadel en de kleeren van een -gestorvene van de eene legerplaats naar de andere; het paard draagt den -man en de vrouw, den grijsaard en het in den zadel vastgebonden kind, -of den jeugdigen ruiter, die voor het eerst vrij in het zadel zit, van -de eene Joerte naar de andere. Naar den prijs der paarden meet de -eigenaar de waarde zijner kudde; zonder paard is de Kirgies, wat bij -ons een man zonder dak is, zonder paard veracht hij zich zelf als de -armste onder de zon. - -De Kirgies heeft den levensaard en de levenswijze van het paard tot in -de kleinste bijzonderheden uitgevorscht; hij kent de zeden en gewoonten -van dit dier, diens deugden en gebreken, weet wat goed voor hem is en -wat hen schaadt, eischt er nu en dan het ongelooflijke van, maar nimmer -buiten noodzaak, behandelt het wel is waar niet met de teederheid van -een Arabier, maar ook nooit met de ongevoeligheid van andere volken. -Van eene oordeelkundige fokkerij van dit edele dier, gelijk deze bij de -Arabieren en Perzen, ook bij sommige Europeesche volken, zooals o.a. de -Engelschen, gedreven wordt, is bij de Kirgiezen geen sprake; toch -zorgen ook zij voortdurend voor eene veredeling der bij hen gezochte -rassen, want steeds worden de beste hengsten voor de merries behouden -en de andere gecastreerd. Te betreuren is het, dat hij ten aanzien der -hengsten enkel let op de gedaante, niet op de kleur, zoodat men een -groot aantal leelijk geteekende nakomelingen verkrijgt. De africhting -laat ook veel te wenschen over; onze herder toch is veel te rijk aan -paarden om daarop bijzonder te letten. - -Ook in onze oogen is het paard der Kirgiezen een lief, aanvallig -schepsel, ofschoon het geenszins in alle opzichten aan onze begrippen -van schoonheid beantwoordt. Het is niet meer dan middelmatig groot, -slank gebouwd. De kop is wel niet onfraai, maar toch wat te groot, -sterk ramsneuzig en door de uitstekende onderkaakstakken tamelijk dik. -De hals is van middelmatige lengte en krachtig, de romp lang, de pooten -zijn dun, het haar is zacht. Het heeft groote, vurige oogen, eer groote -dan kleine, maar goed gevormde ooren. Manen en staart zijn fijn- en -langharig, daarbij vrij dicht, de staartharen zelfs zoo weelderig -ontwikkeld, dat zij langs den grond slepen; de pooten zijn goed -gebouwd, wellicht iets te schraal, de hoeven meestal steil, en ook wat -te hoog. Lichte kleuren ziet men het veelvuldigst, terwijl vele soms -zeer leelijke vlekken het oog beleedigen. - -Het meest ziet men bruine, lichtbruine, vossen, vale en Izabel, zelden -donkerbruine of moorpaarden, nog minder vaak schimmels. Manen en staart -staan alle licht gekleurde paarden daarom zoo bijzonder goed, omdat -deze lichaamsdeelen òf zwart òf veel lichter van tint zijn dan het haar -op de overige deelen des lichaams. - -Het karakter van dit dier is allen lof waard. Het is vurig en toch -zachtzinnig, moedig tegenover alle gevaren, waarmeê het vertrouwd is, -en alleen dan angstig en schuw, wanneer iets ongewoons het voor een -oogenblik in verwarring brengt; het is eerzuchtig en vol levenslust, -maar even volgzaam als gehoorzaam, gewillig, werklievend en taai; toch -is het hoofdzakelijk rijdier en eerst na langdurige oefening is het ook -als trekdier te gebruiken, maar uitstekend als zoodanig wordt het -nooit. Onaangenaam trof mij de slechte gewoonte van dit paard, die -echter meer te wijten is aan zijn meesters dan aan het dier zelf, van -altijd onderweg te willen eten, althans te snuffelen en te snoepen, -zelfs in de moeilijkste omstandigheden, zooals bij het doorwaden van -steenachtige, sterk stroomende bergbeekjes, en bij het bestijgen van -steile rotsen. Licht te bevredigen is het evenmin als elk ander aan -eene vrije weide gewoon steppendier; in den omgang met zijns gelijken, -zoolang de almachtige liefde niet in het spel komt, even verdraagzaam -als tegenover zijn meester gehoorzaam en onderdanig. - -Arme Kirgiezen bezitten slechts zooveel paarden als voor de -rijbehoeften der familieleden en voor den aanfok noodig zijn; rijke en -voorname steppenbewoners daarentegen vier-, vijf-, ja, zooals men mij -van verschillende kanten verzekerde, zelfs van tien- tot twaalfduizend, -die in afzonderlijke troepen en op afzonderlijke plaatsen weiden, en, -wat zeer natuurlijk is, beter gedijen dan die der armen. Elke troep -bestaat uit ten minste vijftien, ten hoogste uit honderd koppen, in ’t -laatste geval uit een volwassen hengst, negen moedermerries, even -zooveel jonge veulens, acht tweejarige, zes tot acht driejarige en vijf -tot zes vierjarige veulens, benevens eenige oudere dieren of -„wallachen.” De hengst is onbepaald alleenheerscher en gebieder, -aanvoerder, leider en beschermer van den troep; hij laat zich door den -wolf geen veulen ontrooven, maar valt den laffen roover moedig aan en -velt dien, als hij zich wil verdedigen met de voorpooten ter aarde; hij -duldt geen medeminnaars en verdrijft daarom onverbiddelijk alle manbaar -wordende hengsten uit zijn troep; hij verjaagt bovendien, zoodra hij de -heerschappij heeft aanvaard, zijn eigen moeder en later zijn eigen -dochters. Die trotsche overmoed noopt den herder tot de grootste -waakzaamheid, vooral als de bronsttijd aanbreekt, en hij de verdreven, -naar andere sultans zoekende merries en de weggejaagde, naar eigen -zelfstandigheid strevende hengsten niet wil verliezen. Niet voor het -vijfde jaar neemt de jonge merrie den hengst aan; in het volgende -voorjaar, gewoonlijk in Maart, brengt zij haar eerste veulen ter -wereld. Ook nu scheidt men haar nog niet van den troep, maar brengt -haar, liefst niet voor Mei, met haar veulen in de nabijheid der Joerte, -om haar nu vier maanden aaneen te melken, om uit de opbrengst den -beroemden koemys of melkwijn te winnen. In den herfst voert men moeder -en kind naar den troep terug. Beiden worden gewillig opgenomen en -genieten de teruggeschonken vrijheid met volle teugen. - -Het nuttigste en daarom ook belangrijkste huisdier onzer Nomaden is het -schaap, een zeer groot, goed gebouwd, alleen door den vetbult op den -achterrug soms zeer ontsierd schepsel. Het stevige lichaam rust op -hooge, krachtige pooten; de kop is klein, de neus smal en op die eens -rams gelijkend, de ooren zijn hangend of recht overeindstaand, de -hoorns zwak, het vel is hard, maar dicht, de uier is sterk ontwikkeld, -de vetstaart dikwijls in die mate, dat het dier dit lichaamsdeel niet -meer vermag te dragen, maar met ingezakte achterpooten op den grond na -zich zou moeten slepen, indien de herder den armen lastdrager niet te -hulp kwam, door onder den staart een klein tweewielig wagentje aan te -brengen en daarin dit werktuig te leggen. Bij kruising van Kirgiesische -rammen met vetstaartlooze schapen verkrijgen de nakomelingen in het -tweede of derde geslacht dit vreemdsoortig aanhangsel weêr terug, -terwijl omgekeerd bij de kruising van rammen zonder vetstaart met -vetstaartige schapen genoemd lichaamsdeel verdwijnt. - -Al moge het schaap der Kirgiezen in alle hoofdtrekken met het onze -overeenkomen, toch kan men niet loochenen, dat het vrije steppenleven, -de groote tochten, die te volbrengen zijn, en de bezwaren, die daarbij -overwonnen moeten worden, de lichamelijke en geestelijke vermogens -ongemeen sterk hebben doen ontwikkelen, zoodat het steppenschaap in -dezen boven het huisschaap van West-Europa staat. Toch is ook in de -steppe de verstandige geit de aanvoerdster en leidster van het meer -geestelooze schaap, en daarom is het meer dan tijd, dat ik thans haar -gedenk. - -De geit der Kirgiezen is van middelmatige grootte, zwaar van lijf, goed -geproportionneerd, krachtig, kort van hals, klein van kop, met -evenredig gevormde pooten, groote, levendige oogen, sprekende trekken, -spitse, rechtopstaande ooren en betrekkelijk zwakke horens; het is -welig behaard, vooral wat baard en staart betreft, draagt lang -kroeshaar op het voorhoofd, en is meest zuiver wit van kleur, hier en -daar met zwarte spikkels. - -Schapen en geiten worden door de Kirgiezen geheel op gelijke wijze -behandeld, en steeds in dezelfde kudden bijeengehouden. De arme -Kirgiezen van een Aul vereenigen hun dieren in ééne kudde, de rijken, -wier veestapel uit duizenden individuen bestaat, houden er omgekeerd -meer dan ééne kudde op na. De schaapherder, in den regel een volwassen -knaap, rijdt op een os om zijne kudde heen; hij weet dat rijpaard op -zulk eene voortreffelijke wijze te besturen en in den draf te zetten, -dat hij zelfs de vlugste geit inhaalt. Toen wij eens, van een -jachtuitstapje terugkeerende, zulk een schaapherder ontmoetten, rende -deze louter voor zijn genoegen ruim een kwartier lang naast onze, in -gestrekten draf door de steppe ijlende paarden, zonder dat zijn -vreemdsoortig rijdier van eenige vermoeienis blijk gaf. Alleen de -schaapherders der Tartaarsche kuddehouders rijden op paarden. Bij -gevaarlijke overgangen over sterk stroomende bergbeken of in het -gebergte zelf, nemen de geiten de leiding der kudde op zich, en hier, -gelijk overal elders, volgen de schapen blindelings. - -Daar men slechts op de meest gunstige plaatsen hooi oogst en in -hooibergen zet, zorgt men er voor, dat de schapen en geiten in den -herfst geen jongen werpen; de geboorte der lammeren en sikjes valt -steeds in het voorjaar, het gunstigste jaargetijde voor het voordeelig -groeien en bloeien van het jongvee. De jonggeboren lammeren en geitjes -worden in de eerste dagen huns levens in de Joerte opgenomen en zijn -weldra in deze zoo te huis, dat zij de tent onder weegeklag verlaten, -wanneer bijzondere omstandigheden zulks noodzakelijk maken. Later komen -zij in den naast de winterwoning opgerichten stal, in de vrije steppe -niets dan een in den grond gegraven kuil, over welken de koude wind -zonder uitwerking heenstrijkt, en eindelijk aan de lijn, „Keugeum” -genoemd, die voor elke Joerte tusschen sterke, in den bodem gedreven -palen wordt uitgespannen. Zoodra zij beginnen te grazen, drijft men de -dieren in afzonderlijke kudden in de vrije steppe, om ze des avonds -naar de Joerte terug te brengen. Zoo worden de dieren van hunne jeugd -af gewend aan het vrije steppenleven, gehard tegen weêr en wind, storm -en regen. - -In vergelijking met de paarden, schapen en geiten speelt het rund eene -vrij ondergeschikte rol. Wel is waar ziet men in de nabijheid van elke -Joerte ook eene kudde dezer dieren, maar hun aantal staat in geen -verhouding tot die der anderen. Het rund is grooter en beter van vorm -dan dat der Russische en Siberische boeren, maar moet voor dat der -Chineezen onderdoen en kan zich in de verste verte niet meten met de -goede rassen van West-Europa. Het is middelmatig groot en vleezig, het -vel is kort- en gladharig, de horens zijn lang en naar buiten gericht, -de kleur is gemeenlijk fraai donker roodbruin. - -Men weidt het dier in vrij talrijke kudden, maar laat het zonder -toezicht zijn voedsel zoeken, terwijl men de melkkoeien tot zich lokt -door de bij de Joerte vastgebonden of gehoed wordende kalveren; de -ossen daarentegen komen dikwijls gedurende vele dagen niet in de Aul -terug. - -Wel elke groote Aul, maar volstrekt niet elke Kirgies bezit kameelen, -en zelfs de rijkste onder hen zelden meer dan vijftig stuks. Want het -kameel geldt en met reden voor het zwakste aller huisdieren der -trekherders in genoemde steppen; zijn eigenlijk vaderland ligt -oostelijker en zuidelijker. In de door ons bereisde steppen fokt men -alleen het tweebultige kameel, in de zuidelijk van het Balkaschmeer -gelegen steppen, evenals in Midden-Azië daarentegen den dromedaris; men -kruist ook dit laatste wel met den eersten, waaruit bastaarden geboren -worden, wier beide bulten bijna tot een zijn versmolten. Het kameel der -midden-steppen behoort tot een der lichtere rassen, en is dan ook lang -niet zoo zwaar gebouwd als die exemplaren, welke wij in onze -diergaarden te zien krijgen, wel even dicht behaard. Het verdraagt -intusschen de winterkoude veel minder goed dan de andere huisdieren der -Kirgiezen; het verlangt om neêr te knielen of om te rusten een vilten -deken, waarop het zich nederlegt, maar vat ook nu nog dikwijls koû, -zoodat het niet zelden bezwijkt. Wanneer het verhaart moet men het met -vilten dekens omkleeden, in den zomer tegen de steken van muggen en -bremsen beschermen, zoo men geen gevaar wil loopen, het dier te -verliezen; in ’t kort, het is een voorwerp van gestadige zorg en dus -niet geschikt voor den armen man, wien elk verlies dubbel treft. -Evenals de dromedaris is het in zijn voedsel matig en weinig eischend; -evenals gene in den bronsttijd gevaarlijk, zelfs voor zijn meester, -wien hij overigens veel aanhankelijkheid betoont; het kameel -onderscheidt zich echter de overige tijden des jaars zeer gunstig van -den dromedaris, door zijn gewilligheid en zachtzinnigheid. Mij, die -jarenlang met dromedarissen heb omgegaan, vielen deze voortreffelijke -eigenschappen zeer in ’t oog; ik werd er schier door in de war -gebracht, zoodat ik meende met een ander dier te doen te hebben. - -Het kameel laat zich gewillig opvangen; wel is waar niet geheel zonder -morren, maar toch zonder dat afschuwelijke, zenuwontstellende gebrul te -laten hooren, dat den dromedaris kenmerkt, knielt het neêr, wanneer het -belast moet worden, en zelfs in den draf draagt het zonder klagen niet -te zware lasten, dertig tot veertig kilometer elken dag afleggende. -Wanneer de last afzakt staat het dier uit eigen beweging stil. Onder -den man kan het van vijftig tot zestig kilometer elken dag afleggen; -met vierhonderd kilogram beladen, waardoor het tot langzame, maar wijde -passen genoodzaakt wordt, legt het nog de helft van dien weg af. Het -graast altijd in de nabijheid der Joerten, gemeenschappelijk met alle -soortgenooten van den Aul en geldt in de oogen der Kirgiezen bijna voor -een heilig dier. - -De hond eindelijk, het minst geachte huisdier der Kirgiezen, is -gewoonlijk een groot, maar geenszins altijd fraai dier, hoe bepaald -gunstig hij zich ook overigens moge onderscheiden van de leelijke -keffers, die men elders in Siberië en Turkestan te zien krijgt. De kop -is lang maar plomp, de ledematen gelijken meer op die van een windhond -dan van een herdershond, het haar is lang en wollig, de staart sterk -behaard, de kleur zeer uiteenloopend. - -Uiterst waakzaam en moedig, opgewassen tegen den wolf, een zich zelf -bewust, oplettend beschermer van het zwakke vee, den vreemdeling -wantrouwende, een trouw slaaf van zijn meester, voor den volwassene een -ongezellige zonderling, voor het kind een aardige speelkameraad, -vereenigt deze hond vele deugden van zijn geslacht in zich en ontbreekt -om die reden in geen enkele Joerte, althans in geen enkele Aul. - -Het geheele leven der Kirgiezen draait om de kudden, van welke men het -meest mogelijke voordeel tracht te trekken en die daarom zorgvuldige -oppassing en bewaking behoeven. De vrouwen zorgen voor het eerste, de -mannen voor het laatste. Met uitzondering der beenderen, die achteloos -worden weggeworpen, gebruikt men alle mogelijke deelen van deze dieren, -evenals men ook alle soort van vee melkt en zulks zoolang het maar -mogelijk is. - -De hoeveelheid plantenvoedsel, die een Kirgies gebruikt, beteekent zoo -goed als niets, vergeleken met zijn dierlijk voedsel; uit melk en -vleesch bestaan onder alle omstandigheden zijn spijzen; plantaardige -zelfstandigheden zijn slechts toevoegselen tot de eerste. Brood, in den -eigenlijken zin des woords eet hij bijna geheel niet, en zelfs de -kleine klompjes meeldeeg, die men tot het gebak zou kunnen rekenen, -worden in vet gekookt en niet gebakken. Ook meel en rijst, het laatste -alleen in de Joerten der rijken een meer dagelijksch gerecht, dienen -alleen slechts om in het eeuwige eenerlei van melk- en vleeschspijs wat -afwisseling te brengen. Geen wonder alzoo, dat de Kirgies bedreigd -wordt door den hongerdood; en dat deze hem vaak maar al te dikwijls -werkelijk bezoekt, wanneer eene algemeene veeziekte in de binnensteppe -uitbreekt. - -Rijke Kirgiezen houden de melk der schapen en geiten afgezonderd van -die der koeien, merries en kameelen; arme lieden vermengen alle soorten -van melk in hetzelfde vat en verkrijgen dus ook alleen de -voortbrengselen der schapenmelk uit de uiers hunner nuttige dieren, -terwijl eerstgenoemden zich nog hoogere genietingen kunnen verschaffen. -Uit de melk van geiten en schapen, die men in denzelfden emmer opvangt -en in denzelfden lederen zak verzamelt, bereidt men niet alleen -verschillende gerechten, die zonder of met bijvoeging van meel worden -gereedgemaakt en terstond genuttigd, maar daarenboven boter, en kleine, -zandige, zuur of bitter, voor een Europeesch gehemelte walgelijk -smakende kaasjes, verder den ook voor ons lekkeren, gelen „quark,” die -evenals de kazen tot wintervoorraad dient, en in water opgelost, in den -vorm van soep wordt opgedischt; uit de koemelk bereidt men -hoofdzakelijk zure melk, zelden „quark,” kaas en boter; uit merrie- en -kameelenmelk eindelijk koemys, den dikwijls beschreven, door -vierdaagsche gisting onder voortdurend omschudden en kloppen verkregen -melkwijn, de hooggeschatte en werkelijk goed smakende feestdrank van -alle welgestelde Kirgiezen, die zich daaraan dikwijls dronken drinken. - -In den zomer voedt ook de rijkste Kirgies zich bijna uitsluitend met -melkspijs, want in dezen tijd slacht hij slechts bij feestelijke -gelegenheden en gewichtige gebeurtenissen een zijner dieren. Met het -begin van den winter daarentegen vallen schapen en geiten, paarden en -runderen, ja zelfs kameelen onder het slachtmes. Als het lekkerste -beschouwt men paardenvleesch, vooral dat der merries; het minst geacht -is rundvleesch. Schapenvleesch neemt den tweeden rang in, -kameelenvleesch houdt men voor bijzonder krachtig inwerkend op den -geest, geitenvleesch is een bewijs van armoede, en den gast voorgezet, -een teeken van minachting. Het beste stuk paardenvleesch is dat van het -kruis, terwijl van schapenvleesch de borst de meeste waarde heeft; het -buikvet van jonge paarden gaat door voor eene bijzondere lekkernij; -daarom wordt het gezouten, in darmen gestopt, gerookt en bij gastmalen -opgedischt nevens koemys. - -Behalve datgene, wat tot voedsel kan dienen, benut de Kirgies nog -daarenboven bijna alles, wat zijn fokbeesten opleveren. Uit de wol der -schapen vervaardigt hij het voor hem onmisbare vilt; het kameelenhaar -wordt gesponnen en uit het garen worden geweven stoffen bereid; in het -donsachtig onderhaar legt de moeder haar pasgeboren kind. Het lange -geitenhaar dient voor franjes aan de tapijten en lakens, voor kwasten -en strikken, het korte wolhaar wordt gesponnen om er linten voor de -Joerte uit te weven, uit de maan- en staartharen der paarden eindelijk -vlecht men leidsels en touwen voor de Joerte. Uit de schapenvellen -breit men de gewone winterpelzen, uit die van geiten en geitebokjes -pronkpelzen, de in vlokken afgedeelde wol is een uitnemend opvulsel -voor sommige kleedingstukken, terwijl uit de huid van alle dieren leder -wordt bereid. Voor het te vele of niet gewaardeerde schapen- en -rundervet, voor de verkochte schapen, runderen en paarden ruilt de -Kirgies allerlei zaken op de wereldmarkt in; uit de opbrengst van het -verkochte vee betaalt hij zijn belastingen, koopt hij zich ongemunt -zilver om hiermede te pronken, het ijzer, dat hij bewerkt, de tapijten, -kleederen en zijden stoffen, waarmede hij zich zelf en zijne Joerte -tooit. Het vee is en blijft de eenige bron van voedsel, tevens de -eenige bron, waaruit alle andere gaven opwellen; het beetje land, dat -hij nu en dan beploegt, bezaait, bevloeit en oogst, beteekent, in -vergelijking met zijne kudde, niets. - -Niet de vrije wil, maar de noodzakelijkheid, de behoeften der kudden -bepalen de woonplaats en de levenswijze der Kirgiezen, en dwingt hen -heden hierheen, morgen daarheen te trekken, op deze plaats te -verwijlen, van gene te scheiden. Dientengevolge is het trekken der -Kirgiezen niet een doelloos heen en weêr zwerven door de wijde steppe, -maar een overdachte plaatsverandering, die zich regelt naar het -jaargetijde en naar den aard van het te weiden vee. Een doelloos -omdwalen verbiedt de steppe zoowel in den zomer als in den winter, in -den herfst zoowel als in het voorjaar; zulks zou de kudde in den winter -aan de vreeselijkste stormen blootstellen, in den zomer doen -versmachten, in het voorjaar haar wellicht in overvloed doen zwelgen, -maar reeds in den herfst meer gebrek doen lijden dan wenschelijk is. -Daarom begint de Kirgies zijne wandeling van de laagvlakte uit, klimt -langzaam naar de hoogte op, zelfs tot in de hooggebergten, en daalt dan -weder langzaam naar de laagte terug. De verschillende kudden hebben -echter verschillende behoeften; schapen en geiten houden van harde, -geurige kruiden, gelijk de zoutsteppe voortbrengt, de paarden beminnen -het meest het vrije kruid der gebergten, vooral dat, hetwelk tusschen -de steenen en rotsen groeit, terwijl de runderen het liefst op een -mollig grastapijt grazen; de kameelen vinden behalve in de harde -planten der zoutsteppe nog in doornen en distelen een welkom voedsel. -Rijke lieden, die evenveel verschillende kudden kunnen vormen als zij -verschillende dieren houden, laten dan ook deze allen afzonderlijk -trekken en weiden, en alleen de armen reizen met hunne geheele kudde -van plaats tot plaats. Eindelijk hebben ook de menschen invloed op -elkander. Geen grenssteenen, maar wel eeuwenheugende rechten en -verdragen regelen zelfs in de steppe het eigendomsrecht en de grenzen; -elke stam, elke afdeeling van een stam, elke gemeente, ja zelfs iedere -Aul maakt aanspraak op de reeds door de voorouders in gebruik genomen -weiden en duldt daarop geen vreemde kudde, geen vreemden herder, en -strijdt voor dat recht met de wapenen in de hand, tegen iederen -indringer, zelfs tegen de broeders van denzelfden stam. Zoo wordt het -begrijpelijk, dat de trekherder zijn eigen, dikwijls zeer nauw -omschreven wegen bewandelt. Die wegen kunnen elkander kruisen, maar zij -zijn nimmer dezelfde, want ieder heeft eerbied voor de rechten van -anderen, of wordt door zijn stamgenooten tot zoodanigen eerbied -gedwongen. - -Een vaste woonplaats eerst krijgt de Kirgies in het graf; toch heeft -hij een tehuis. In uitgestrekten zin is dit het gebied, dat hij -bereist, meestal de laagte en het dal van een riviertje of beekje, in -engeren zin het winterleger, van waar hij uittrekt en werwaarts hij -steeds terugkeert. In de nabijheid van dit winterkwartier rusten, zoo -niet alle, de meesten zijner dooden. Derwaarts zendt de regeering haar -gezanten om de belastingen te innen of opnieuw te schatten; hier brengt -hij wel is waar niet den schoonsten, maar wel den grootsten tijd zijns -levens door; hier lijdt en doorstaat de over ’t algemeen vroolijke en -onbezorgde Kirgies zijn zwaarste en ernstigste zorgen. - -De winterwoning kan verschillend zijn, maar het winterleger moet aan -bepaalde eischen voldoen. Deze zijn: het dal, in hetwelk het leger zal -opgeslagen worden, moet zooveel mogelijk beschut zijn tegen de koude en -de zoo verderfelijke noorden- en oostenwinden; men moet de Joerten aan -de zonzijde kunnen opslaan en zonder bezwaar vaste woonhuizen kunnen -bouwen; het water mag nooit kunnen ontbreken, en weiden moeten in de -nabijheid liggen. Deze voorwaarden worden het best vervuld door een -door den stroom diep in de omgeving ingesneden rivierdal, waar in de -zomermaanden het gras niet verdort, zoodat het gelegenheid aanbiedt te -gepaster tijde hooi te winnen, terwijl er toch nog wintervoeder -overblijft; zooveel mogelijk moet men in de wilgen- en -populierenboschjes langs de rivieroevers een voorraadschuur van -brandstof kunnen vinden, om de gedroogde mest te vervangen. Daarom -kiest men slechts dan ook nog andere plaatsen uit, wanneer men ook nog -andere in den zomer om watergebrek gemeden streken, b.v. eene -zoutsteppe, zich wenscht dienstbaar te maken, zoodra de sneeuw, die nu -den grond bedekt, het water vervangen kan. - -Is de winterwoning een vaststaand gebouw, dan bestaat deze uit een -werkelijk ellendige, dompige, vochtige, donkere hut, die zoo licht is -gebouwd, dat men reeds vooruit op de sneeuw moet rekenen, om de muren -en het dak te dichten en tegen het weder te beschermen. - -Die muren bestaan slechts bij uitzondering uit op elkander gestapelde -boomstammen; meestal worden zij opgebouwd uit ruwe steenen, en nog -vaker uit gevlochten wilgen teenen, of aaneengeschaarde rietbundels. -Dak en bedekking bestaan altijd uit riet. Daarnaast vindt men een -eveneens gebouwden stal voor het jongvee, en op eenigen afstand bevindt -zich de omheining voor de oude dieren. - -Met het begin van den winter betrekt de Kirgies deze woning, zoo hij -niet, gelijk regel is, ook thans nog de voorkeur geeft aan de veel -aangenamer Joerte. Voor de verwarming heeft hij reeds in het verloopen -voorjaar gezorgd; toen heeft hij, of beter gezegd zijne vrouw, die in -’t algemeen belast is met alle onaangename en zware werkzaamheden, de -mest met wat stroo vermengd en daaruit vierkante koeken gevormd, deze -in de zon gedroogd en op hoopen gestapeld. Al het gras van den omtrek -is gespaard gebleven om in de naaste omgeving der Joerte of van het -huis voldoend voedsel voor het vee te hebben; het hooi werd op -afgelegen plaatsen geoogst en herwaarts gebracht. Is de winter „goed” -d.w.z. valt er niet veel sneeuw, dan vindt het vee ook nu nog voedsel -genoeg; is de winter streng, dan verijdelt hij dikwijls alle voorzorgen -van den herder en eischt meer levens dan de lente schonk. Daarom -heerscht er in een goeden winter vroolijkheid in de donkere hut, -terwijl in een strengen winter, die de kudden tot geraamten doet -vermageren, verdriet en zorg zich woning maken in de vriendelijke -Joerte; en daarom heerscht er in blokhuis en Joerte òf welvaart òf -treurig gebrek in het gevreesde getijde des jaars. - -Eerst tegen het einde van April, in vele jaren niet vóór het einde van -Mei, verlaat de herder met het laatste gedeelte zijner kudden het -winterkwartier en vangt de reis aan. De paarden, die hun eigen hoeders -hebben, zijn reeds weggetrokken om het kleinvee niet te hinderen. De -jonge, dartele veulens, die voor weinige weken, tegelijk met de sikjes -geboren werden, zouden geen overlast veroorzaken, maar wel de jonge -hengsten en merries, die in dit voorjaar geslachtsrijp worden. De -laatstgenoemden springen in dartelen overmoed om de gansche kudde, -ofschoon zij de intusschen rustig voortgrazende en nu en dan hen -naziende moedermerries niet verlaten; de manbare jonge paarden -daarentegen veroorzaken voortdurende onrust en eischen eene verdubbelde -opmerkzaamheid van den kant der insgelijks verdubbelde herders. Op dit -oogenblik vechten de jonge hengsten met den ouden, deftigen en -heerschzuchtigen aanvoerder van den troep; straks dringen de jonge -merries, telgen van zijn eigen bloed, zich tegen den vader en noodzaken -dezen, haar door bijten te verdrijven; dan weder tracht hier of ginds -een jong paard te ontvluchten en stormt met tegen den wind gerichten -kop en wijd geopende neusgaten de steppe in. Oogenblikkelijk echter -werpt zich de herder te paard en rent in vollen galop den vluchteling -na, evenals deze over steg en heg, langs berg en dal vliegende. In -zijne rechterhand houdt hij den langen herdersstok, met den daaraan -bevestigden lasso; hij komt de vluchtende jonge merrie al nader en -nader, reeds zweeft de gevreesde strik boven haar hoofd; daar zwenkt -zij plotseling zijdelings af, werpt tergend de achterpooten hoog in de -lucht, om dan als de stormwind zoo snel weêr verder te rennen; verder -en verder voert de wilde jacht, totdat eindelijk de herder er in -slaagt, de voortvluchtige in te halen en, aan den strik gebonden, -langzaam naar de kudde terug te brengen. Hoe bekoorlijk dit schouwspel -voor den niet belanghebbenden toeschouwer, misschien ook voor den -paardenhoeder zelf moge zijn, voor het rustige, kalme trekken van het -kleinvee zou zulks nadeelige gevolgen kunnen hebben, en daarom zendt -men de paarden vooruit. De schapen en geiten zouden bovendien niet in -staat zijn even snel te reizen als de paarden; zij zijn vooreerst door -den boozen winter verzwakt, en in de tweede plaats zijn de lammeren en -jonge geitjes nog niet sterk genoeg om snel te reizen. Splitsing der -kudden is dus gebiedend noodzakelijk. - -De Kirgies, die de schapen hoedt, legt aanvankelijk elken dag maar een -kleinen weg af „een schaapsweg”, en toeft overal, waar gras genoeg is, -zoolang het vee gretig vreet. Op zulk een tocht opent de op zijn os -gezeten en tegen alle weêr en wind geharde schapendrijver den stoet. De -schapen loopen vrij snel voort; nu eens dringen zij opeen, dan weer -loopen zij uit elkander, telkens in den marsch stil houdende om van -eene bijzonder lekkere plant te genieten, altijd vretende, ten minste -altijd snoepende; de herder, gezeten op zijn almede altijd doorgrazend -rijbeest, vergezelt hen. De lammeren en jonge geitjes volgen de ouden, -maar op zulk een afstand, dat zij de ouden niet kunnen zien of hooren. -De rammen trekken, indien er nog ouden over zijn of nieuwe worden -aangefokt, langs andere wegen voort. Zijn alle dieren vertrokken, dan -breken de vrouwen de Joerte af, beladen daarmede, alsook met het weinig -huisraad de kameelen of trekossen, stijgen met de kinderen te paard, -rijden langzaam het melkvee na, halen dit tegen den middag reeds in, -melken, en trekken met de verzamelde, in lederen zakken bewaarde melk -verder, om vóór zonsondergang de Joerte weêr op te bouwen. Zoo gaat het -dag in dag uit. Brengt het voorjaar nieuw groen, dan verwijlt men eerst -eenige dagen, daarna vele weken achtereen op dezelfde plaats, tot ook -hier het gras begint te ontbreken, en verder trekken noodzakelijk -maakt. - -Doet het meer en meer gevorderde voorjaar ook de nog in hunne -pophulsels sluimerende insecten ontwaken, vullen ontelbare zwermen -muggen, vliegen, bremsen en andere kwelgeesten de lucht, dan wendt men -zich zoo mogelijk naar het gebergte en klimt dit tot de hoogste weiden, -dicht beneden de sneeuwgrens op. Daar de herder geen honden heeft, viel -het hem reeds daar beneden moeilijk de kudde bijeen te houden; in het -gebergte heeft het nog meer bezwaren den „schaapsweg” af te leggen, en -kan hij ter overwinning van zekere moeilijkheden niet buiten de hulp -van andere, te paard rijdende mannen. Zoolang men zich op een vast pad -bewoog, kon de tocht nog voortgezet worden, onverschillig of de weg -zich langs bebloemde weiden slingert, of over hellingen en steilten -voert. De geiten, die de schapen zijn vooruitgesneld, wagen zich -onverschrokken en onderzoekend aan den rand van een afgrond, waarvoor -dezen verschrikt terugdeinzen, loopen daarna langs een doelmatiger weg -vooruit, getrouw gevolgd door de schapen. Maar wanneer men eens in -plaats van een murmelend beekje een breed en woest schuimend water -ontmoet, dat den weg verspert, maar evenwel overgetrokken moet worden, -dan wordt het iets anders. Het vooral den schapen zoo bepaald vijandige -element ziende, blijven ook de geiten, die zich anders in allerlei -omstandigheden weten te schikken, onthutst staan; de schapen deinzen -angstig terug en klimmen op de naburige rotsen als wilden ze daar eene -schuilplaats zoeken. De herder rijdt tevergeefs door den bruisenden -stroom; van den overkant teruggekeerd, drijft hij te vergeefs de -onwillige kudde naar den rivierkant. Met een luid geblaat geven de -schapen hun angst te kennen, en bedenkelijk blaten ook de geiten, -totdat het geduld van den herder is uitgeput. Een oogenblik zweeft de -noodlottige strik boven het hoofd van een der schapen; het volgende -oogenblik voelt het zich dien om den hals gesnoerd; de ruiter trekt het -dier naar zich toe, en weer een oogenblik later is het in den vloed -geslingerd. Nu moet het met alle kracht arbeiden. Met rukken zwemmende, -meer springende dan roeiende, werkt het zich van het eene rotsblok naar -het andere, wordt, nog vóór het den grond raakt, door het draaiende -water gegrepen en voortgesleurd; het trapt, spartelt, springt, zwemt -opnieuw, wordt nog eens en nog eens door het water medegesleurd, en -bereikt eindelijk, meer uitgeput door den doorgestanen angst dan door -de inspanning, den anderen oever. In alle leden sidderende, verzekert -het zich of het werkelijk vasten grond onder de voeten heeft, schudt de -natte vacht, blikt met schuwen blik nog eenmaal achterwaarts—en begint -thans gulzig te vreten om zich zooveel mogelijk schadeloos te stellen -voor den geleden angst. Middelerwijl zwemmen de overige leden der -kudde, de een na den ander, ’t zij vrijwillig, ’t zij gedwongen, de -wilde beek over, tot het geheele gezelschap den anderen oever heeft -bereikt, zich verzameld heeft, en de reis weder kan worden voortgezet. -Op deze wijze klimt de trekherder het gebergte in. Begint het daarboven -koud te worden, vermaant wellicht een sneeuwbui reeds aan den komenden -winter, dan wandelen herder en kudde weder naar omlaag, nu zooveel -doenlijk de beschaduwde kloven opzoekende, tot weder de laagvlakte is -bereikt en men in de nabijheid van het winterkwartier is gekomen. - -Alle huisdieren der Kirgiezen raken spoedig vertrouwd met de -verschillende streken, waar men hen laat weiden, hoe ook de -plaatselijke gesteldheid moge zijn; allen kennen reeds na een paar -malen grazend te hebben rondgeloopen, zulke plekken, en zoeken die -zelfs zonder behulp van den herder met zekerheid op; ook komen zij -vanzelf naar de Joerte loopen om zich hier te laten melken. Als -lokmiddel bezigt men echter de kunstgreep, dat men reeds van Mei af aan -de zoogende moeders haar jongen laat zien, en deze in de nabijheid van -de Aul laat weiden, zoodat men het verlangen naar haar kind in het -moederhart opwekt. Op deze wijze wordt het melken op vaste tijden -mogelijk en kan de meesteres der Joerte hiernaar haar tijd indeelen en -haar bezigheden regelen. - -Met uitzondering alleen van de merries, die door mannen worden -gemolken, voor welke bezigheid ten minste twee, zoo niet zelden drie -personen vereischt worden, is het melken aan de vrouwen opgedragen. In -den vroegen morgen heeft men de kalveren, lammeren en jonge geitjes, -onder streng toezicht, een weinig laten zuigen, dan van de moeders -gescheiden, en oud en jong naar de weide gedreven. Tegen den middag -brengt men alleen de moeders naar de Joerte, en zoo ook des avonds, om -ze te melken. Met behulp der honden, die nu in dienst treden, houdt men -de geheele kudde op de kleinst mogelijke ruimte bijeen en vangt dan den -arbeid aan. De vrouwen en dienstmaagden eener Joerte of de buurvrouwen -van een Aul verschijnen met hare melkvaten, grijpen met vaste hand een -schaap, een tweede en een derde, slepen ze naar de lijn, leggen ze een -uit de lijn zelf gevormden strik om den hals en dwingen zoo de dieren -in twee rijen, met de koppen naar binnen, met de uiers naar buiten -gericht te blijven staan. In weinig minuten heeft men dertig tot -veertig schapen en geiten naast elkander, een zoogenoemde „keugeun.” Op -hetzelfde oogenblik dat de dieren den strik voelen, blijven ze staan, -zich van vroeger herinnerende welke gevolgen het tegenspartelen heeft; -rustig laten zij thans alles toe. De vrouwen, tegenover elkander -gehurkt, beginnen thans gelijktijdig aan denzelfden kant met den -arbeid; zijn er zeer veel schapen dan ook wel aan de beide kanten der -dubbele rij tegelijk. Zij vatten de korte tepels met duim en wijsvinger -en tappen de melk met snelle op- en neêrgaande bewegingen af. Stroomt -de bron niet overvloedig genoeg, dan geven zij met de linkervuist een -klap tegen den uier, even gelijk zuigende jongen ook plegen te doen, en -eerst wanneer dit middel niet meer baat, gaan zij over tot een tweede -beest. De mannen der Joerte of Aul, die misschien bij het opvangen en -vastmaken van het kleinvee de behulpzame hand hebben geboden, zitten -onder het melkbedrijf, in allerlei, ons onmogelijke, ja bijna -ondenkbare houdingen bij elkander en vieren vrijen teugel aan hunne -„roode tong.” - -Een der kleinste jongens aanvaardt misschien wel op een of ander schaap -zijn eersten proefrit, zoo hij er al niet de voorkeur aan geeft op de -schouders zijner opvoedster te gaan rijden. De laatste laat zich door -zulke heldendaden van haar spruit even zoo weinig van de wijs brengen -als andere kleine ongevallen zulks vermogen. Of zij op drogen grond of -over de weeke schapenmest wandelt, of de laatste onder het melken in -het uit populierenhout vervaardigde melkvat valt, dit alles deert haar -niet, want die melkkuip is toch al even vuil als hare melkende handen, -en schapenmest is wel in onze stompzinnige oogen een onrein iets, maar -niet in die van den korangeloovigen Kirgies. Het laatste individu is -eindelijk gemolken, en de dieren, die ondertusschen uit puur -tijdverdrijf zich met herkauwen hebben beziggehouden, kunnen nu weder -losgelaten worden; één snelle ruk aan het eene eind des touws, en alle -strikken zijn los, alle schapen en geiten vrij. - -De herkregen vrijheid wordt begroet met een algemeen geblaat; de dieren -schudden zich een en ander maal en zelfs de herinnering aan de korte -slavernij is vervlogen. Nu loopen allen, zoo snel zij kunnen, de vlakte -in, zoo ver mogelijk uit het gezicht der Joerte, in het gebergte -schielijk de bergen op, alsof slechts daar de lucht der vrijheid woei. -Eigenlijk beoogen zij zoo spoedig mogelijk bij hunne jongen te komen. -Den ganschen dag hebben zij deze gemist; nu—zij weten het bij -ervaring—moeten de lieve spruiten verschijnen. Al blatende loopen de -schapen in ’t rond, verlangend mekkerend kijken zelfs de schrandere -geiten om zich heen, als om te onderzoeken of de te verwachten schare -reeds komt opdagen, of in de verte zichtbaar wordt. Luider wordt het -geblaat, want elke nieuw verloste rij brengt beweging in alle om de Aul -verzamelde schapen en geiten, maar ook het met elke minuut toenemende -ongeduld der moeders geeft aanleiding tot een vernieuwd klagend, -steunend blaten. Hoe langer het duurt, des te onrustiger worden de -trouwe moeders. Doelloos dwalen zij rond, heen en weder, beruiken elk -halmpje, elk grasje, plukken echter geen enkel af, heffen de koppen nu -eens vol verwachting vroolijk omhoog, om ze een oogenblik daarna weder -ontmoedigd en treurig naar beneden te laten zinken; dan blaten zij -weder, blaten nogmaals. De onrust wordt zinneloosheid, het geblaat -verandert in een gebrul. - -Daar laten zich in de verte hooge en zwakke tonen hooren. Deze ontgaan -het opmerkzaam oor der moeders niet. Een uit alle kelen gelijktijdig -voortgebracht geblaat en gemekker is het antwoord; het gansche gewicht -van het door ’t lange wachten zoo hoog gestemd moederlijk verlangen -baant zich door één enkelen kreet een uitweg. En uit de verte, van af -de bergen, in de richting der Joerten stormen de naar hunne moeders -verlangende lammeren en sikjes, de grootsten en sterksten in de -voorhoede, de jongsten en zwaksten achteraan, allen echter zoo snel zij -kunnen, vroolijk springende, door het opgeworpen stof half onzichtbaar, -in eene schare, die steeds grooter wordt naarmate zij dichterbij komt. -Een oogenschijnlijk niet te ontwarren gewemel treft de oogen; ouden en -jongen, eindelijk vereenigd, rennen doelloos dooreen, terwijl zij in ’t -voorbijloopen elkander vluchtig aanraken, als om zich door een nieuw -zintuig te vergewissen of zij, die bij elkander behooren, werkelijk -elkander hebben gevonden; weder loopen zij in verwarring dooreen, als -dit niet het geval is; de lammeren en jonge geitjes snellen gewoonlijk -vooruit, daar zij door een trap op de pooten, hun door het moederdier -toegebracht, er aan herinnerd werden, dat zij zich vergist hebben. Van -lieverlede ontwart zich de kluwen; in minder tijd dan men denken zou, -hebben moeder en kind elkander gevonden, en knielt het laatste zuigend -onder den buik der moeder, begeerig de nog overgebleven melk uit den -uier te halen. En wanneer nu ook het blaten en mekkeren niet ophoudt, -dan drukken die klanken thans slechts vreugde uit. - -Maar slechts kort duurt dit geluk. Elke reeds zoo goed als geledigde -uier is ras uitgeput, en in weêrwil van alle stooten en kloppen vloeit -de melk niet meer. Maar moeder en kind willen nog langer van de -geneugten des samenzijns genieten. De gemengde schaar verspreidt zich -naar alle zijden; de gewillige oude klautert het vroolijke jonge dier -na, wanneer dit naar den aard zijns geslachts de naastbijgelegen hoogte -bestijgt, of schijnt met genoegen gade te slaan, dat een der bokjes in -eene plaagzieke bui zijn krachten met een ander meet. Schilderachtig -tooit de bonte kudde de omgeving der Joerten; het aanminnigste beeld -van een vreedzaam en behagelijk herdersleven ontrolt zich voor het oog -van hem, die hart en oogen heeft voor zulk een tooneel. - -Ook de melksters gunnen zich thans een korte rust, nemen de kinderen op -den schoot en vervullen haar moederplichten of voldoen aan moederlijke -verlangens; spoedig echter wacht haar nieuwe arbeid. Brommend melden -zich de huiswaarts gekeerde koeien aan, om ook harerzijds de -moedervreugde deelachtig te worden; ijlings staan de vlijtige vrouwen -op, brengen de van te voren aangebonden kalveren bij de koeien, laten -deze een weinig zuigen, trekken ze dan van de uiers af, melken deze -uit, en schenken nu ook aan de zuiglustige kalveren de volle vrijheid. -Ondertusschen hebben de herders en de honden de kudde kleinvee weder -bijeengedreven, en oud en jong, mannen en vrouwen, knapen en meisjes -vereenigen zich thans om de lammeren op te vangen, en deze aan eene bij -de Joerte aangebrachte lijn met behulp van stevige strikken, waarin zij -zich evenwel niet kunnen verhangen, voor den nacht vast te binden, -opdat de ouden hun de uiers niet zullen kunnen reiken. Zonder blaten en -schreeuwen gaat zulks niet in zijn werk en daartusschen mengt zich het -schreien en huilen der kinderen, die weder naar moeders schoot -verlangen, het loeien der koeien en het blaffen der honden. Alleen de -reeds vastgebonden lammeren der schapen en geiten schikken zich gelaten -in het onvermijdelijke. Enkele bokjes beproeven nog bij wijze van -spiegelgevecht de kracht hunner uitspruitende horens, maar zij worden -spoedig vermoeid en leggen zich vredelievend neder naast den zooeven -nog bevochten vijand; nog vóór de geheele rij is vastgemaakt, ligt -reeds het grootste aantal jongen op de saamgebogen pooten en heeft zich -aan de rust overgegeven. Het eene na het andere moederschaap, de eene -na de andere moedergeit bezoekt de rij, besnuffelt de jongen tot zij -het hare heeft gevonden, maar keert spoedig weder naar de kudde terug, -na zich te hebben overtuigd, dat het onmogelijk was zich naast haar -kind neder te leggen. - -De zon is reeds geruimen tijd onder, de schemering wijkt voor het -nachtelijk duister. Het wordt elk oogenblik stiller in de Joerten. -Mensch en dier heeft de rust gezocht en gevonden; alleen de honden -beginnen thans onder opzicht en leiding van een waakherder hun -rondgangen en zwerftochten, maar ook zij slaan slechts dan aan, wanneer -daartoe werkelijk aanleiding is, wanneer zij een rondsluipenden wolf of -een anderen dief hebben weg te jagen. Een koele, maar geurige, vochtige -zomernacht daalt op de steppe neder en een verkwikkende slaap in dit -rijke en schoone jaargetijde vaagt bij herder en kudde zelfs de -herinnering weg aan den boozen winter. - - - - - - - - -XV. - -HET VOLKS- EN FAMILIELEVEN DER KIRGIEZEN. - - -„Bedreigd en vervolgd door de straffende gerechtigheid ontvluchtten -eens vier dieven de woonsteden van eerlijke menschen en zochten in de -wijde steppe eene schuilplaats. Twee bedelaressen, even als zij -uitgestooten uit de verblijven van vlijtige menschen, voegden zich op -die vlucht bij de eerstgenoemden. De dieven schepten behagen in de -vrouwen en huwden ze, twee van hen ieder een. Een aantal kinderen -ontsproten uit deze tegen alle goddelijke en menschelijke inzettingen -indruisende huwelijken; de kinderen verwekten een talrijk volk en de -tot nog toe ledige steppe werd daarmede bevolkt. Dat kroost bleef zijn -oorsprong getrouw, was diefachtig als zijn voorvaderen, bedelachtig als -zijn moeders, zonder geloof, zonder zedelijkheid gelijk de ouders. Dat -volk zijn de Kirgiezen, wier naam niets anders beteekent dan „roovers”. -Op deze wijze droomt zich een Tataarsch, geloovig dichter den -oorsprong, en zoo beschrijft hij den aard van een stamverwant volk, dat -met hem dezelfde taal spreekt, en tot denzelfden God, naar dezelfde -voorschriften van denzelfden profeet bidt. Aldus spreekt hij zich uit, -eenig en alleen omdat de Kirgiezen in geloofszaken niet zoo slaafsch -aan het woord hangen, niet zoo kleingeestig zijn als hij. Het is de -eeuwig oude, altijd opnieuw terugkeerende geschiedenis, de onder alle -volken zich opnieuw openbarende schande, door bovengenoemde woorden -weêr bevestigd, de vrome leugen, voor wier afschuwelijkheid nog geen -kerkgenootschap is teruggedeinsd, ten einde andersdenkenden in een -valsch daglicht te plaatsen. - -Ieder reiziger, die zich onder de Kirgiezen bewogen heeft, iedere -vreemdeling, die onder het luchtig dak hunner Joerten gastvrijheid -zocht en vond, iedere geleerde, die hun zeden en gewoonten poogde uit -te vorschen, elke beambte, die als wachter der wetten, of als -plaatsvervanger der staatsmacht in ’t algemeen in hun midden leefde, -ieder, met een woord, die geruimen tijd met hen verkeerde, oordeelt, -zoo hij niet bevooroordeeld is, geheel anders dan gezegde Tataar. - -Er was een tijd, in welken de Kirgiezen hun naam verdienden, maar deze -tijd is, althans voor vele twijgen der vele horden voorbij. De nagalm -van de gezindheden, heldentochten en rooversdaden der vaderen moge nog -in de harten der Kirgiezen weêrklinken, in ’t algemeen genomen heeft -het ruitervolk der steppe zich gevoegd naar de wetten zijner -hedendaagsche meesters en het leeft op den huidigen dag zoowel onder -elkander als met zijn buren in vrede, acht het eigendomsrecht, en rooft -en steelt niet meer en vaker dan andere volken, eer zeldzamer en -minder. Onder de Russische heerschappij leeft de Kirgies thans onder -zulke bevredigende omstandigheden, dat zijn stamgenooten aan gene zijde -der grens wangunstig op die Russische onderdanen neêrzien. Onder -bescherming der Russische regeering genieten zij rust en vrede, -zekerheid van bezitting, alsmede geloofsvrijheid; zij zijn bijna geheel -verschoond van den krijgsdienst en worden billijk in de belastingen -aangeslagen, hebben het recht zich eigen gemeentebestuurders te kiezen, -en verheugen zich over meer vrijheden dan de Russen zelf deelachtig -zijn. Te betreuren is het, dat deze laatsten gewoonlijk niet zoo -verstandig denken als de regeering, en dat zij de Kirgiezen benauwen, -verdrukken en afpersen zooveel zij kunnen. Toch zijn zij niet bij -machte geweest de zeden, gebruiken en gewoonten van dit volk ook maar -eenigszins te wijzigen. - -De Kirgiezen zijn geboren ruiters en zonder paard kan men zich geen -Kirgies denken; zij groeien met het veulen op en leven met het paard -tot hun dood. De Kirgies voelt zich, wel is waar, niet enkel thuis in -het paardezadel, en weet elk dier, dat hem torschen kan, zich als -rijdier dienstbaar te maken, maar het paard blijft immer en onder alle -omstandigheden zijn drager en liefste gezel. Op het zadel gezeten -verricht hij alle bezigheden, en het paard is bij hem het eenige, een -man waardig rijdier. Mannen en vrouwen beide rijden te paard, en niet -weinige vrouwen met evenveel gemak als de mannen. De houding des -ruiters is achteloos, zoo gemakkelijk mogelijk, maar niet bevallig. De -Kirgies rijdt in kort aangegespte stijgbeugels, zonder dijsluiting en -raakt alleen met de knieën den voorrand des zadels aan, zoodat hij zich -vrij in evenwicht houdt; als hij het paard wil laten draven, richt hij -zich in de stijgbeugels op, soms geheel overeind, buigt dan het hoofd -zoo ver naar voren en beneden, dat hij bijna op den hals van het paard -ligt; hij zit rechtop, wanneer hij het paard, zooals meestal, stapvoets -of in galop wil laten gaan. Hij knelt de teugels in de volle vuist; den -aan den gordel gehechten knoet houdt hij vast met duim, wijs- en -middelvinger. Dikwijls rolt hij uit het zadel, want hij slaat weinig -acht op den weg en laat aan zijn paard over dien te zoeken; is hij -opmerkzaam, dan berijdt hij onbeschroomd elken weg, waarop een -eenhoevig dier in staat is zich te bewegen, evenals hij zonder bedenken -het wildste en meest toomelooze ros bestijgt. Moeilijke wegen kent hij -niet; een weg is voor hem zooveel als een afstand afleggen, en wat -tusschen begin en eind daarvan ligt, gaat hem niet aan. Zoolang hij in -het zadel is gezeten eischt hij van zijn rijdier het ongeloofelijke, -springt in galop bergop en bergaf, over den vasten grond en door -moeras, poel en water, klautert zonder duizelig te worden tegen -hellingen op, die hij te voet niet zonder angst zou bestijgen, -hellingen, welke ieder ander ruiter voor ontoegankelijk zou houden, en -schouwt van uit het zadel rustig in den afgrond naast het geitenpad, -door hem weg genoemd, en waarop een ervaren bergbeklimmer door -huivering zou bevangen worden. Zoodra hij van zijn ros is gestegen, -neemt hij daarentegen alle regels streng in acht, die de ondervinding -hem als doelmatig voor een vermoeid paard heeft leeren kennen, en is nu -even zorgzaam als hij straks onverbiddelijk was. Bij feestelijke -gelegenheden verricht hij ten genoegen der nimmer ontbrekende -toeschouwers allerlei kunststukken in het zadel, plaatst zich overeind -in de daarboven gekruiste stijgbeugels, springt in staande houding er -af, houdt zich met de handen aan het zadel of in de stijgbeugels vast, -steekt de beenen in de lucht, hangt zich aan de eene zijde van het -zadel op, en tracht het eene of andere voorwerp van den grond te -beuren. Met de spiegelgevechten zijner Turksche broeders schijnt hij -zich niet op te houden. Het hard rijden geldt hem als het grootste -vermaak, en elke feestelijkheid wordt met een wedren opgeluisterd. - -Aan zulke wedrennen, „Baika” wordt in den regel slechts deelgenomen -door de edelste paarden en dan nog wel alleen door telgangers. De af te -leggen wegen zijn zeer groot, nooit minder dan twintig, soms wel -veertig kilometer lang; men rijdt naar een of ander bekend punt, b.v. -een heuvel of grafteeken, en keert langs denzelfden weg terug. Knapen -van zeven en acht, hoogstens tien jaren, zitten in het zadel en -besturen de paarden met bewonderenswaardige behendigheid. Den -terugkeerenden paarden rijdt men langzaam te gemoet; de telganger, die -de meeste kans op de overwinning heeft, ontvangt zekere hulp -„goetoerma”, die daarin bestaat, dat men hem op zij rijdt en van het -rijdende kind ontlast, daarna de teugels, stijgbeugels, manen en staart -tracht te grijpen en hem tusschen de versche paarden meer naar het doel -sleept, dan leidt. De prijzen, die uitgeloofd worden, bestaan uit zeer -verschillende zaken, die evenwel allen in den prijs van paarden worden -uitgedrukt. Twee- à drieduizend roebels zijn niet zeldzaam; rijke -familiën loven soms honderd paarden uit. Ook jonge meisjes dienen voor -prijs, in zooverre, dat de winnaar haar kan trouwen zonder den gewonen -bruidsschat te betalen. - -Terwijl de dingende paarden onderweg zijn, oefenen ook de menschen hun -lichaamskrachten. Twee mannen ontdoen zich van hun opperkleed, -ontblooten het bovenlijf en vangen aan met worstelen. De aanval heeft -op zeer verschillende manieren plaats. Beide strijders grijpen -elkander, buigen het lichaam diep en naar elkander toe, draaien in ’t -rond, daarbij elkander scherp in ’t oog vattende, en pogen elken -schijnaanval of werkelijk gemeenden aanval af te weren, tot plotseling -een hunner van al zijn krachten gebruik makende den ander, zoo deze dit -niet vooruit heeft gezien, ter aarde werpt. Anderen daarentegen gaan -terstond tot den aanval over, maar vinden zulk een krachtigen -tegenstand, dat beide mannen langen tijd moeten worstelen alvorens het -een hunner gelukt zijn medestander te overwinnen. De toeschouwers vuren -de worstelaars aan, deelen lof en berisping uit, prijzen en bespotten, -gaan middelerwijl onderling weddingschappen aan en geraken te meer in -vuur, naarmate de uitslag meer twijfelachtig is. Eindelijk ligt er een -der partijen, door het geheele gezelschap uitgelachen, beschaamd en -deemoedig, misschien wel tot in zijn binnenste vertoornd, ter aarde; -een geschreeuw, uit aller kelen aangeheven, vervult de lucht; katoenen -stoffen, al zijn het ook slechts niets beteekenende lappen, worden -doorgescheurd en verdeeld om de weddingschap te vereffenen; verwijten -wisselen af met betuigingen van instemming; de kampstrijd is geëindigd, -zoo niet de overwonnene plotseling zijn toorn zoekt te luchten en -nogmaals op zijn tegenstander aanvalt. Zonder geraas, getier en getwist -eindigt zulk een wedstrijd nimmer, tot handtastelijkheden echter komt -het evenmin. - -Onder de ridderspelen der Kirgiezen bekleedt de jacht eene voorname -plaats. De Kirgies volgt het spoor van den wolf met zulk een vuur en -zoo onvermoeid, dat hij de koude zelfs niet opmerkt, die des te eerder -nadeelige gevolgen heeft naarmate hij zich door het rijden meer verhit, -en niettegenstaande handen en aangezicht hem bevriezen, houdt hij, -tenzij het paard hem daartoe dwingt, niet op, alvorens zijn knots op -den kop des roofdiers neêrgeslingerd te hebben. Nog liever is hem -echter de jacht met adelaar en windhond. Evenals zijn voorvaderen -verstaat hij de kunst den arend te temmen en af te richten, trekt met -dezen op de goed geschoeide hand, deze steunende op een houten, aan het -zadel bevestigd getimmerte, naar gunstig gelegen, en een ver uitzicht -aanbiedende hoogten, opdat van hieruit zijn gezellen de steppe kunnen -overzien. Deze jacht geldt zoowel den wolf als den vos, en zoolang de -arend nog niet ten volle geoefend is, alleen den vos en de marmot. Eene -bijzondere africhting is niet noodig; alles wat onderwezen en geleerd -moet worden, bestaat hierin, dat de arend, die reeds op jongen leeftijd -uit het nest werd genomen en door den jager persoonlijk is gevoed, op -de roepstem zijns meesters terugkeert; de erfelijkheid doet het -overige. Zoodra de jachtgenooten een vos hebben opgejaagd, neemt de -jager den stootvogel de huif af, maakt hem los en werpt hem in de -lucht. De arend breidt zijn vleugels uit, begint kringen te -beschrijven, stijgt in schroeflijnen al hooger en hooger, bespeurt van -hier den ijlings voortsnellenden, nagejaagden vos, vliegt dien na, -stoot met half saamgevouwen vleugels en wijd naar voren uitgestrekte -pooten schuin op hem neêr en slaat hem de klauwen in ’t lijf; de vos -zijnerzijds draait woedend den kop om en poogt zijn vijand met de -scherpe tanden te grijpen; gelukt zulks, dan is de arend reddeloos -verloren. In bijna iederen dezer even sterke als moedige roofvogels -leeft echter het overgeërfde gevoel van het dreigend gevaar, en -eveneens de kunst, dit te ontgaan. Op hetzelfde oogenblik, dat de vos -zal bijten, laat de arend zijn klauwen los om ze een oogenblik later in -het aangezicht van zijn slachtoffer te slaan. Een vroolijke uitroep van -den nu naderbij gekomen, geliefden meester schenkt nieuwen moed, en -enkele oogenblikken later ligt de vos, door den jager geveld, ontzield -op den grond. Meer dan één arend moet bij de eerste proeve zijn -koenheid met het leven boeten, maar gelukt de eerste aanval, dan maakt -de vogel zich weldra zulk eene bekwaamheid eigen, dat hij eerlang op -den wolf kan geworpen worden. Tegenover dezen gedraagt hij zich, -ofschoon dezelfde regels volgende, veel omzichtiger; reeds de meerdere -grootte van het roofdier is hem een bewijs, dat hij met een veel -gevaarlijker kameraad te doen heeft. Maar ook dezen leert hij meester -te worden, en met zijn eigen glorie stijgt ook die zijns -meesters—tevens zijn waarde. Een adelaar, die zich met den vos meet, -kost van dertig tot veertig roebels, een die den wolf overwint wordt -met het dubbele en driedubbele betaald, ingeval zijn meester hem -verkoopen wil. Met twee arenden kan men niet jagen, daar de eene vogel -dan den anderen hinderen zou; zij zijn namelijk dikwijls zoo -jachtlustig, dat de jager zich verhinderd ziet zijne hulp te verleenen, -en dikwijls laat de vogel, zonder met geweld daartoe gedwongen te -worden, zijn slachtoffer niet los. - -Vereischt deze jacht reeds veel rijkunstvaardigheid, zulks is nog meer -het geval wanneer de Kirgies met windhonden op antilopen jaagt. Als -pijlen uit den boog schieten de langharige honden voort, zoodra zij het -gezochte wild in het gezicht hebben gekregen, en over heg en steg jagen -de ruiters hen na, tot zij samen het vluchtend wild hebben ingehaald. -Wie bij zulk een wedren van ’t paard stort, oogst slechts spot en hoon, -en den zandruiter voorbij stormt de wilde jacht. - -Ook op de drijfjachten in het gebergte verlaten de Kirgiezen hun -paarden niet. Een heerlijk gezicht leverde het Arkatgebergte op, toen -de drijvers, die ons de wilde schapen onder het schot zouden brengen, -hun halsbrekenden rit aanvingen. De eene ruiter na den andere verscheen -of verdween, dan hier dan daar, op de hoogste toppen en in de diepe -kloven, dalen en insnijdingen; nu eens teekenden zij zich scherp tegen -de lucht af, dan weder verloren zij zich tusschen de rotsen, als het -ware ineensmeltende met het gesteente der hellingen, Niemand steeg van -zijn paard, geen hunner bezon zich ook maar een oogenblik, welken weg -in te slaan; zij reden met meer gemak in het gebergte dan zij zich te -voet zouden bewogen hebben. - -De jager paart aan moed volharding. Niet alleen op den rug des paards, -maar ook in het bekruipen en beloeren van het wild geeft hij blijk van -eene bewonderenswaardige volharding. Dat hij dagen lang een spoor -vervolgt, beteekent, zijn rijlust in aanmerking genomen, niet veel; met -het lontgeweer, nog evenveel door hem gebruikt als het vuursteengeweer, -in de hand, kruipt hij als een sluipende kat eene halve werst ver langs -den grond, loert hij uren lang in storm en regen op een stuk wild, -totdat dit onder bereik van zijn schietwapen is gekomen. Hij schiet -nooit op grooten afstand en altijd legt hij de buks eerst op de daaraan -bevestigde vork; maar hij mikt zeker en weet den kogel op de rechte -plaats te doen treffen. - -Even onvermoeid als hij is als ruiter, jager en herder, even ongaarne -neemt de Kirgies andere bezigheden op zich. Wel bebouwt ook hij zijn -akker, maar op eene hoogst ellendige wijze en nooit meer dan strikt -noodzakelijk is. De arbeid in de kluiten is bij hem weinig eervol, -evenals elk ander bedrijf, dat niet met de veeteelt en het herdersleven -in verband staat. Hij verstaat uitnemend de kunst van bevloeiing, heeft -een geoefend oog voor plaatskennis en weet, zonder meetwerktuig en -waterpas te gebruiken precies, waar hij de waterleidingen moet -aanleggen; maar slechts zoolang hij een knaap is laat hij zich voor -zulke werkzaamheden gewillig vinden; heeft hij echter eenmaal eigen -bezittingen verworven, dan raakt hij spa noch schoffel meer aan. Nog -minder lust gevoelt hij voor een handwerk. Hij weet het leder te -bereiden, kan daaruit allerlei riem- en zadelwerk vervaardigen, weet -dit met ijzeren en zilveren ornamenten te tooien, verstaat de kunst om -messen en wapenen te smeden en in ’t algemeen alle hem noodzakelijk -gereedschap te maken, maar nooit oefent hij zulke bezigheden voor zijn -genoegen uit, wel steeds met tegenzin. Toch is hij geen lui en -lichtzinnig werkman, maar vlijtig en vertrouwbaar, en wie zijn bekwame -hand heeft gewonnen, heeft zelden reden ontevreden over hem te zijn. - -Hooger dan lichamelijke arbeid staat geestelijke werkzaamheid bij hem -aangeschreven. Zijn vlugge, opgewekte geest eischt bezigheid; hij houdt -daarom niet enkel van luchthartige, maar ook van ernstige gesprekken, -misschien ook daarom, dat zulks eenige afwisseling brengt in zijn vrij -eentonig leven. Daarom redeneert hij gaarne met zijn stamgenooten, en -wordt hij soms door zijn rederijkheid den vreemdeling eenigszins -lastig. Met deze spraakzaamheid gaat eene weetgierigheid gepaard, die -nu en dan ontaardt in nieuwsgierigheid, want de „roode tong” weet van -geen vacantie. Wat de wind door de steppe draagt, neemt het lettend oor -van den Kirgies op, en de „roode tong” kleedt het in woorden. Wordt -ergens iets verhandeld, dat de Kirgies verstaan of niet verstaan kan, -ik bedoel, wordt er in eene hem verstaanbare taal gesproken, dan -schaamt hij zich geenszins tot aan de deur der Joerte door te dringen -en het luisterend oor tegen den wand te drukken, om geen syllabe te -verliezen. Eene gebeurtenis, die het alledaagsche maar een haartje te -boven gaat, eene mededeeling, eene vertelling voor zich zelf te -behouden, een geheim te bewaren, het is den Kirgies onmogelijk. Zwijgt -dan het edele ros, op hetwelk hij door de steppe vliegt, wanneer het -iets gewaar wordt, wat het belangstelling inboezemt, zwijgen geit en -schaap, wanneer zij met soortgenooten samentreffen, of zwijgt de -leeuwerik als hij zich boven den grond der steppe verheft? En de heer -der steppe zou zwijgen? Nooit en nimmer! „Spreek, o spreek, roode tong, -zoolang er leven in u is; want na den dood zult gij zwijgen.” -Onvermoeid rolt de stroom van woorden over de lippen der Kirgiezen. -Nooit rijden er twee mannen stom naast elkander, al duurt de reis een -geheelen dag; onafgebroken hebben zij met elkander te praten en -elkander iets mede te deelen. Gewoonlijk is het niet genoeg dat er twee -samen rijden; het moeten er drie of vier zijn, die gemeenschappelijk -langs den weg trekken, zoolang deze dit samenrijden mogelijk maakt. Die -manier van reizen is bij hen zoo gewoon, dat zelfs de paarden elkander -zoo dicht mogelijk naderen en de Europeaan den teugel moet gebruiken om -zulks te beletten. In eene met Kirgiezen gevulde Joerte heerscht een -gegons als in een bijenkorf; ieder wil aan ’t woord, ieder doet zijn -best dit woord alleen te hebben. - -Een daaruit voortvloeiend gevolg is, dat de Kirgiezen hunne taal weten -te gebruiken. Hierin schijnen allen gelijk te zijn, rijken en armen, -voornamen en geringen, geletterden en ongeletterden. Hun toonrijke, -welluidende, maar harde taal—gelijk men weet, slechts een dialekt van -het Tataarsch—is vol uitdrukking. Ieder woord, zelfs de vreemdeling, -die ze niet verstaat, voelt zulks, wordt geheel uitgesproken; op elke -lettergreep valt de juiste klemtoon, zoodat men haast uit den klank kan -opmaken, wat hetgeen zij zeggen beteekent. Men spreekt zeer levendig, -de toon beantwoordt geheel aan den inhoud, de pauzen zijn juist -afgemeten, zoodat het gesprek eenigszins afgebroken klinkt, alhoewel de -woordenvloed geen enkel oogenblik hapert. De uitdrukking des gelaats -zet aan de rede nog meer aanschouwelijkheid bij, en levendige gebaren -verduidelijken verder den zin. Is er een onderwerp, dat hun bijzondere -belangstelling inboezemt, dan geraken de sprekers in vuur, zoodat men -een oogenblik vreest, dat er handtastelijkheden zullen volgen, maar ook -het heftigste dispuut eindigt in vrede en eendracht. - -Dat onder zulke lieden de bard geëerd wordt is te begrijpen. Ieder -Kirgies, die in woordenrijkdom en welsprekendheid boven anderen -uitmunt, staat in aanzien. Een zanger, een gelegenheidsdichter mag bij -geen feest ontbreken. Zijn talent behoeft juist niet uitstekend te -zijn; de rede moet slechts onafgebroken vloeien, zich voegen naar eene -bepaalde, iedereen bekende versmaat—en men is dichter. Toch beschikt -elke Kirgiesche bard over een niet geringen schat van dichterlijke -gedachten, die hij gemakkelijk in woorden kleedt. Het herders- en -nomadenleven, hoe eentonig dit ook moge verloopen, heeft zijn -bekoorlijkheden, zijn toongevende snaren, die slechts behoeven -aangeslagen te worden om in de harten der hoorders weêrklank te vinden. -Een aantal sagen en overleveringen bieden voldoende stof om daarmede de -gapingen in de gedachten aan te vullen, en zoo kan de rede van den bard -vloeien als een breede stroom, welks bronnen nimmer uitdrogen; hij -heeft zich slechts te houden aan eene bepaalde versmaat om dichter te -zijn en te blijven. Maar ook dit wordt hem gemakkelijk gemaakt, want -elke bard begeleidt zijn woorden met den klank der driesnarige, -Kirgiesche citer en verbindt de afzonderlijke regels door -tusschenspelen, die net zoo lang duren als de nieuwe regel tijd -behoefde om in den rechten vorm gegoten te worden. Hoe sneller, hoe -vlugger zulks geschiedt, des te hooger stijgt de roem des zangers. En -wordt de vrouwelijke borst in dichtvuur ontstoken, dan is zij het -voorwerp der algemeene bewondering; waagt zij het zich met een man in -de dichtkunst te meten en met hem hierin om den prijs te dingen, dan -verheft de in geestdrift ontstoken menigte haar boven alle vrouwen der -wereld. - -Minder dan voor de dichtkunst is de wijde steppe bevorderlijk voor een -geregeld onderwijs. Hieruit laat zich verklaren waarom zoo weinig -Kirgiezen kunnen lezen en schrijven. Alleen voor de zonen der rijksten -en voornaamsten is deze kunst weggelegd. In de twee door de Regeering -gestichte scholen, te Ustkamenogorsk en te Saisan worden ook Kirgiesche -knapen onderricht, in de eerstgenoemde stad zelfs uitsluitend, maar de -werkzaamheid dier inrichtingen strekt zich niet tot het binnenste der -steppe uit. Daar leert de knaap lezen en schrijven, indien het toeval -wil, dat hij een Mollah ontmoet, die evenveel lust in het onderwijzen -als de knaap in het leeren heeft. Ook dan evenwel blijft het onderwijs -beperkt tot de allereerste kundigheden: het Arabische schrift te kunnen -lezen en schrijven. De inhoud van het voornaamste, zoo niet eenige -leerboek, den koran, blijft gewoonlijk zelfs voor den Mollah verborgen; -hij leest de Soeren zonder deze te verstaan. - -Ik heb slechts eenmaal een Kirgies ontmoet, die Arabisch kende, en dit -was nog wel een sultan; alle anderen, die door hunne kennis der schrift -boven hun stamgenooten verheven waren, en als trouwe belijders van den -Islam geregeld de vijf voorgeschreven gebeden opzegden, verstonden in -het gunstigste geval alleen den inhoud van de oproeping tot het gebed -en de eerste Soere van den Koran; al wat zij meer opzegden, werd wel is -waar uitgesproken met die plechtigheid en dien ernst, welke aan alle -Mohammedanen eigen zijn, maar zonder dat zij er een woord van begrepen. - -En toch ontving ik steeds een diepen indruk, wanneer te midden der -onafzienbare steppe, waar geen minaret zich ten hemel verhief, een -dezer lieden, die de heilige woorden kent, als Muddin of roeper optrad -en zijne stem voor het gebed verhief, terwijl de geloovigen in lange -rijen achter den Imam of voorbidder knielden, om hun voorhoofden al -biddende tegen den grond te drukken, gelijk de wet van den profeet -zulks voorschrijft. - -Het bewustzijn van kracht en vaardigheid, de bedrevenheid in -paardrijden en jagen, het dichterlijk talent en de opgewektheid van -geest in ’t algemeen, het gevoel van zelfstandigheid en vrijheid, -hetwelk de groote steppe in ’t leven roept, geeft aan het voorkomen van -den Kirgies eene niet te loochenen waardigheid. Hij maakt dan ook op -den onbevooroordeelden opmerker een zeer gunstigen indruk, die des te -meer toeneemt naarmate men den steppenbewoner beter leert kennen. Zoo -ging het mij, en zoo ook oordeelen de Russen, die jaren lang met de -Kirgiezen hebben omgegaan, en zoo oordeelen vooral de Russische -ambtenaren en vele reizigers, die onder hen verkeerden. Men zegt wel is -waar te veel, wanneer men beweert, dat de Kirgies een groot aantal -goede en zeer weinig slechte eigenschappen bezit, of zich althans in -deze richting doet kennen. Opgewekt van geest, verstandig, levendig, -zoo lang het de gewone zaken betreft, goedaardig, dienstvaardig, tot -helpen bereid, welgemanierd en voorkomend, gastvrij en barmhartig, is -hij in zijne soort een voortreffelijk mensch, wiens schaduwzijden men -te eerder over het hoofd ziet naarmate men hem meer onbevangen -beschouwt. Hij is beleefd; zonder kruipend te zijn, hij behandelt zijn -meerdere met achting, en toch niet als een slaaf, is jegens zijn -minderen vriendelijk, maar niet geringschattend. Op tot hem gerichte -vragen antwoordt hij eerst na eenig nadenken, maar dan rustig en -duidelijk, terwijl zijn scherp betoonde manier van spreken aan zijn -antwoord het merkteeken van zekerheid schenkt. Hij is gedienstig in -alle opzichten, maar is dit meer uit eerzucht dan uit hoop op winst, -meer om lof en bijval dan om geld en goed te verwerven. De -gemeentebestuurder Tamar Bey Metikoff, die bijna eene maand lang ons -uit beleefdheid vergezelde, was de hoffelijkste, voorkomendste man -onder de zon, altijd bereid ieder onzer wenschen te vervullen, -onvermoeid in het bewijzen van diensten en beleefdheden, en zulks -alleen in de hoop om hiermede onze tevredenheid en die van den -Gouverneur-Generaal te winnen. Hij gaf ons zulks met ronde woorden te -kennen, toen wij hem geschenken wilden opdringen. - -Met zulk eene eergierigheid is het feit in overeenstemming, dat de -voorname man zich verheft op familie en afkomst, zich beroemt op zijn -voorouders en tevens zijn stamboom laat opklimmen tot Chingis-Chan, dat -hij slechts in zijn stand trouwt, geen vlekje op zijn eer duldt, en -geen eerroof vergeeft. Daarmede in overeenstemming is verder nog zekere -ijdelheid, die men bij den Kirgies niet zou verwachten. Niet alleen -aanzien en rijkdom, waardigheid en rang, maar zelfs jeugd en schoonheid -zijn in zijn oogen gaven, die hij op hoogen prijs stelt. Doch hij -onderscheidt zich in ’t oogloopend van de saletjonkers te onzent, -doordien hij nooit tot een fat wordt. Hij prijst openlijk en -onbeschroomd de hem door lot of natuur toebedeelde gaven; deze lof gaat -hem echter natuurlijk af en wordt niet misvormd door voorgewende -bescheidenheid. Zoo ver zijn middelen hem dit veroorloven kleedt hij -zich rijk, versiert mantel en broek met tressen, de pelsmuts met -uilenveeren—een fat echter wordt hij nooit. Dat de vrouwen nog meer dan -de mannen haar bekoorlijkheden in het helderste daglicht trachten te -plaatsen spreekt vanzelf; en daarom heeft het mij dan ook volstrekt -niet verwonderd, dat zij met het sap van zekeren wortel de wangen met -een teeder, waasachtig, zeer duurzaam rood bestrijken, m.a.w. zich -blanketten. - -In overeenstemming met zijn zucht om te behagen, schikt de Kirgies zich -gewillig in de zeden en gebruiken van zijn volk. Zijn beschaving en -goede manieren legt hij hoofdzakelijk aan den dag door zijne uit -overoude tijden stammende, door den Islam evenwel zeer gewijzigde -gebruiken streng na te komen. Zulks geeft aanleiding tot vormelijkheid -en plichtplegerij in het dagelijksch verkeer, maar werpt tevens een dam -op tegen verwaandheid en onbeleefdheid, en verbant de lompheid uit de -samenleving; ieder weet hoe hij zich te gedragen heeft om geen aanstoot -te geven, of ook maar slechts in de geringste mate op eene minder -aangename wijze in het oog te loopen. - -Reeds de wederkeerige begroeting geschiedt op een vormelijke, door -allen in acht genomen en dus nauwkeurig bepaalde wijze. Wanneer twee -Kirgiesche ruiterbenden elkander ontmoeten, verloopt er geruimen tijd -alvorens het compliment is gewisseld. Gelijktijdig leggen zij de -rechterhand op elkanders hartstreek, de linker op elkanders -rechterhand, terwijl daarna beide personen hunne rechterhand -terugtrekken om deze met de linker te vereenigen, zoodat nu alle vier -handen in elkander rusten. Terwijl zij dus elkander aanraken spreken -beiden het Arabische woord „Amán” (vrede) uit; vóór de omarming hadden -zij den groet aller Mohamedanen elkander toegeroepen: „Salám alëik” of -„alëikoem” (Heil zij met u of ulieden), ook wel „Alëikoem el salám.” Op -deze wijze begroeten zij elkander wederkeerig; de beide troepen vormen -twee rijen en de eene persoon na den ander loopt, ten einde de nu nog -geketende „roode tong” zoo spoedig mogelijk in vrijheid te stellen, -snel de rij af. Een korte wijze van begroeting, die echter slechts in -zwang is, wanneer de schare zeer groot is, bestaat daarin, dat men de -handen naar elkander uitstrekt en deze tegen elkander slaat. - -Leggen de Kirgiezen wederzijdsche bezoeken in de Aul af, dan heeft er -vóór de begroeting nog een andere plechtigheid plaats. Zoodra de joerte -in ’t gezicht is gekomen houden de bezoekers hun paarden in, laten ze -stapvoets voortgaan en eindelijk stilstaan. Nu gaat men hen van uit de -Aul tegemoet; de gasten worden verwelkomd en naar de joerte gebracht, -die intusschen door de vrouwen met de kostbaarste tapijten is belegd. -Vreemde, in de Aul nog onbekende gasten, moeten zich vóór de begroeting -aan een kort verhoor, waarin naar naam, stand en afkomst gevraagd -wordt, onderwerpen. Altijd evenwel worden zij ontvangen en gastvrij -onthaald, want gastvrijheid, een karaktertrek der Kirgiezen, oefenen -zij jegens iedereen uit, onverschillig van welk geloof hij moge zijn, -of tot welken stand hij moge behooren; voorname lieden evenwel genieten -eenige onderscheiding. De gast treedt de joerte met de gewone -begroeting binnen, trekt bij de deur zijn schoenen uit, en zet zich, -wanneer hij van gelijken stand is, als ware hij de eigenaar, op de -eereplaats neêr. De mindere houdt zich tegenover den meerdere -bescheiden terug, en laat zich in knielende houding op het tapijt -neder. - -Ter eere van een aanzienlijken gast laat de heer der joerte een schaap -slachten, dat echter vooraf in de joerte wordt gebracht om het door den -gast te laten zegenen. Alle geburen komen opdagen om aan den lekkeren -maaltijd deel te nemen. De kop en borst van den ram worden aan het spit -gebraden, de kleinere vleeschstukken, kruis, ribben, schouderbladen -enz. in den ketel gekookt, en als zij gaar zijn, in eene kom voor den -gast geplaatst. Deze wascht zich de handen, snijdt het vleesch van de -beenen, doopt het in het sterk gezouten nat, en zegt tot den inmiddels -nog niet gezeten gastheer: „eerst door den gastheer erlangt het vleesch -smaak; ga zitten.” De gastheer antwoordt: „ik dank u zeer, eet!” maar -voldoet nog niet aan het verlangen van zijn gast. Deze snijdt nu een -stuk van de valsche ribben af, roept den gastheer bij zich, en steekt -dien het vleesch in den mond; daarop snijdt hij een tweede stuk af, -legt dit in een kom en reikt het der gastvrouw. Nu zet de heer der -joerte zich aan de zijde van zijn bezoeker neêr; de laatste blijft -evenwel de spijzen onder de aanzittenden uitdeelen. De gast snijdt het -vleesch in stukken, vermengt elk stuk met vet, doopt telkens drie -stukken tegelijk in het vleeschnat en steekt ze daarna, telkens deze -drie stukken tegelijk, iederen dischgenoot in den mond. Het zou eene -beleediging zijn voor den gever, indien de ontvanger der gift deze niet -dadelijk verorberde, al mocht hij ook, als de stukken wat groot zijn -uitgevallen, erg veel moeite hebben om ze naar binnen te zenden, zoo -erg soms dat het gezicht er rood en paars van wordt, en de eene buurman -den ander te hulp moet komen; om het slikken te bevorderen, klopt men -elkander op den rug. Daarentegen mag de uitdeeler ook niet meer dan -drie stukken tegelijk reiken, want overschrijdt hij dit getal, en stopt -hij iemand b.v. vijf stukken tegelijk in den mond, zoodat de ontvanger, -die veroordeeld is die hoeveelheid zoo schielijk mogelijk in eens door -te zwelgen, stikt, dan moet zulks met honderd paarden, uit te betalen -aan de familie des geworgden, gezoend worden, terwijl men daarentegen -van de boete wordt vrijgesteld, zoo het slachtoffer aan het officieele -getal bezwijkt. Is het vleesch genoten dan laat de gast de schaal met -vleeschnat rondgaan, waarvan ieder zooveel drinkt als hem lust. Tot -besluit van den maaltijd wordt, nadat ieder der aanwezigen zich eerst -de handen heeft gereinigd, althans voor elken welgestelden gastheer, en -in geval de merries nog melk geven, koemys gepresenteerd; zulks -geschiedt te allen tijde met een zekere deftigheid, geëvenredigd aan -den eerbied, dien men aan dezen lievelingsdrank der Kirgiezen -verschuldigd is. Wie tot nu toe niet aan den maaltijd deel nam, snelt -toe om zich aan den nektar te laven. Men drinkt zich een halven roes; -want de Kirgies is op het stuk van drinken, waar het zijn dierbaren -melkwijn geldt, even sterk als in het eten, en te dien opzichte zoo min -bescheiden als matig. - -Nog veel omslachtiger dan bij een eenvoudig bezoek zijn de gebruiken, -die in acht worden genomen bij belangrijke huiselijke omstandigheden, -zooals bruiloften en begrafenissen. Bij de eerste vergezelt de scherts -de vreugde, bij de laatste paart zich eerbied voor de dooden aan den -rouw. - -Vrijage en bruiloft, begrafenis en herinneringsdagen aan de dooden -gewijd, geven aanleiding tot eene aaneenschakeling van feestelijkheden. - -Gelijk bij alle Mohammedanen het geval is, doet de vader voor den zoon -aanzoek om de hand van een meisje, en gelijk bij alle belijders van den -Islam gebruik is, betaalt hij aan den aanstaanden schoonvader een -bruidsgift van zeer verschillende, soms aanmerkelijke waarde. Iemand, -die uitgezonden wordt om de hand van een meisje te gaan vragen, is -kenbaar aan de broekspijpen, waarvan een boven, de andere in de laars -wordt gestoken; hij verschijnt in de joerte, alwaar het huwbare meisje -zich bevindt, en draagt uit naam van den vader des trouwlustigen -jongelings het aanzoek voor. Is de vader van ’t meisje daarmede -ingenomen, dan verlangt hij het groote bezoek; hij wenscht n.l. den -lastgever zelf, de oudsten der gemeente, en de voornaamsten uit diens -Aul te spreken om met hen de onderhandelingen te gaan voeren. Deze -verschijnen, en laten naar gebruik, voor de Aul hunne rossen -stilhouden. Een afgezant van den vader der bruid reist hun tegemoet, -begroet hen plechtig en naar den vorm, en geleidt hen naar de -feestelijk getooide joerte, alwaar zij met koemys ontvangen worden. Een -bard verschijnt om de samenkomst op te luisteren, en heft zijn gezang -aan. Rijke bijvalsbetuigingen en prachtige beloften prikkelen des -zangers ijver. Men prijst de diepte zijner gedachten, de eenheid zijner -voordracht; men belooft hem een paard, een jamba of vier pond ongemunt -zilver. De huisheer wijst dit alles van de hand, want hij alleen heeft -het recht den zanger te beloonen; de gasten evenwel laten hunne -voornemens niet varen, en beloven met vernieuwden aandrang, want te -goed weten ze dat de gastheer hun de vervulling hunner beloften niet -zal toestaan. Nadat de zanger geëindigd heeft, begint zich een levendig -onderhoud tusschen de aanwezigen te ontspinnen, men spreekt over -allerlei zaken, alleen niet over het onderwerp, dat allen bijeenbracht. -Het uur van scheiden breekt aan en men rijdt naar huis. - -Den volgenden morgen beantwoordt de vader der bruid met zijn gevolg het -bezoek en wordt door den vader des bruidegoms op gelijke wijze begroet -en onthaald; nu geeft de eerste zijn wensch te kennen de moeder des -jongelings te zien. Men gaat gezamenlijk naar de joerte der huisvrouw -en begroet deze op even plechtige als hoffelijke wijze. Meteen draagt -de vader des bruidegoms een schaapsborst op, snijdt er stukken voor de -gasten af en vergezelt het ontleden van het meest geachte deel des -schaaps met de woorden: „Deze schaapsborst zij mij ten pand, dat onze -voornemens een goeden afloop zullen hebben,” reikt daarop zijn gasten -de lekkere beten toe en opent daarmede de onderhandelingen over het -bedrag van den „kalum” of de bruidsgift. Als eenheid van prijs geldt -eene merrie van drie tot vijf jaar; een telganger of een kameel wordt -gelijk gesteld met vijf merries; zes of zeven schapen of geiten hebben -de waarde van ééne merrie. - -De vader der bruid verlangt als gift 77 merries, laat zich evenwel -afdingen, en gaat, al naar zijn eigen vermogen en dat van den anderen -schoonvader groot is, tot 57, dan tot 47, 37, 27 terug, en zijn beiden -onbemiddeld dan nog verder, totdat men het eens is geworden. Zijn de -onderhandelingen afgeloopen, dan verklaart de vader der bruid de -verloving voor beklonken, gaat opstaan om huiswaarts te keeren en laat -een geschenk in of aan den ingang der joerte achter. De vader des -bruidegoms zendt echter, zoo hij kan, te gelijk met den vertrekkenden -zwager de helft van den kalum naar diens joerte, om ook de rest zoo -spoedig doenlijk af te betalen. - -Veertien dagen na de betaling mag de bruidegom voor ’t eerst zijne -bruid bezoeken. Onder een zoo sterk mogelijk geleide van met hem -bevriende jongelingen van gelijken leeftijd, aan wier hoofd een met -alle gebruiken bekend en ouder familielid staat, breekt hij op, rijdt -tot in de nabijheid van de Aul zijner bruid, stijgt van ’t paard, slaat -eene kleine tent op en kruipt hierin, of verbergt zich op eene andere -wijze. Zijn metgezellen echter trekken verder, begeven zich nadat de -plechtige begroeting is afgeloopen in de Aul en verdeelen onder -vroolijke scherts allerlei kleine geschenken, zooals ringen, -halsbanden, lekkernijen, linten en bontgekleurde stoffen onder de hen -omringende vrouwen en kinderen. Gezamenlijk met jongelingen en jonge -dochters van gelijken leeftijd betreden zij nu de feestjoerte. De -gastheer biedt spijs en drank, eerst een schaapsbout, die hij met de -reeds vermelde woorden in stukken snijdt, dan „Meibaur” in vet -gebraden, kleine stukjes lever, hart en nieren, plaatst het gerecht -voor den straks vermelden ouden vriend en deze handelt er mede naar -gebruik en zede; zoodra hij den jongeling, dien hij met de eerste bete -bedenkt deze in den mond heeft geduwd, bestrijkt hij hem tevens het -aangezicht met het vette vleeschnat. Hiermede is het sein gegeven, dat -men met vroolijkheid en scherts kan aanvangen, en jongelingen, jonge -dochters en jonge vrouwen nemen daaraan om strijd deel. Een zeer -geliefkoosde aardigheid der meisjes bestaat daarin dat zij de kleederen -der jongemannen vlug aan de tapijten, waarop zij gezeten zijn, vast -naaien. - -Na den maaltijd mogen de jeugdige gasten een weinig rusten, maar zulks -alleen om hun tijd tot overdenking te geven. De meisjes en vrouwen -noodigen alsnu de jongelingen uit tot een zangerswedstrijd, wijzen hun -de eereplaatsen aan, en zetten zich zelven daar tegenover; een harer -begint. Is de door haar toegezongen jongeling niet slagvaardig, dan -vergaat het hem slecht. Onder stooten en knijpen valt de jolige schaar -op hem aan, verdrijft hem uit de joerte en leveren hem over aan de -jonge mannen van de Aul, die voor de joerte reeds op zulke slachtoffers -wachten. Een vat water wordt over dien beklagenswaardigen stumper -uitgestort, waarna men hem druipend nat en beschaamd, naar de joerte -terugdrijft, alwaar hij voor de tweede maal op gelijke proef wordt -gesteld. En als hij ook nu in deze te kort schiet, wordt hij tot straf -in vrouwenkleeren gestoken en aan de kaak gesteld. Wee hem, indien hij -zich gebelgd toont; hij zou een slechten dag hebben. Heden zwaait de -scherts haar scepter en zij duldt geen brompot. Wie het best tegen den -strijd is opgewassen, is de held van den dag; die dit niet is, wordt -tot algemeen offerlam. - -Gedurende dit spel zit de bruid onder een gordijn achter in de joerte, -voor ieders blik verborgen. Van deze omstandigheid maken nu de jonge -lieden der Aul gebruik om de bruid te stelen, d.w.z. terwijl de -zangerswedstrijd alle vrienden van den bruidegom bezig houdt, dringen -zij tot de jonge dame door, voeren haar naar buiten door eene tusschen -de vilten omkleedsels der joerte aangebrachte opening, tillen haar op -een paard en brengen de volstrekt niet tegenspartelende bruid naar de -joerte van een bloedverwant om haar in handen te stellen van de daar -reeds wachtende oudere vrouwen. Is de roof gelukt, dan spoort de roover -de jongelingen aan om de bruid te gaan zoeken en uit de handen der -vrouwen te verlossen. Fluks breekt het geheele gezelschap op en -verzoekt de bewaaksters hun de gestolene weder terug te geven. Hoe -sierlijk de woorden ook mogen ingekleed worden, het verzoek wordt -afgeslagen. In de gedeeltelijk opengeslagen joerte zit de bruid, -zichtbaar voor aller oogen; geweld zou niet baten en daarom beginnen de -jongelingen vriendschappelijk te onderhandelen. De vrouwen verlangen -negen verschillende gerechten, door de jongelingen zelven te bereiden, -maar stemmen er ten laatste in toe, in plaats van met spijzen, zich met -geschenken tevreden te stellen; zij leveren nu de bruid eindelijk uit, -op voorwaarde, dat deze naar de joerte haars vaders teruggebracht zal -worden. - -Inmiddels zit de bruidegom in zijn tent te wachten. Geheel alleen was -hij echter niet, want eenige jonge dames zijn hem, zoodra zijn gezellen -verschenen, gaan zoeken, en zij hebben hem natuurlijk ook gevonden; zij -werden begroet met het eerbiedige „Taschim.” De jongeling heeft zoo -diep voor hen gebogen dat hij met de vingertoppen den grond aanraakte; -daarna heeft hij zich langzaam opgericht, de handen langs het -scheenbeen latende glijden, totdat hij zich in zijn volle lengte had -opgeheven; de vrouwen hadden deze hulde aangenomen, hem gezelschap -gehouden, spijs en dank gereikt, hem met scherts den tijd verkort, maar -niet toegestaan dat hij de tent verliet. Eerst na lang smeeken en niet -vóór de zon is ondergegaan, ontving hij verlof, in de Aul en voor de -joerte der bruid een liedje te zingen. Hij bestijgt zijn paard, rijdt -de Aul binnen, begroet de bewoners met gezang, wendt zich naar de -joerte der uitverkorene en klaagt in een zelf uitgedacht, of van een -ander overgenomen lied zijn verlangen, zijn leed: - - - „Mijn liefste, mijn hart ach, het breekt schier van kommer, - Reeds driemalen kwam ik en driemaal om niet. - Gij woudt niet ontwaken, te diep bleef uw sluim’ring, - Uw oog bleef gesloten en het oor hoorde niet. - - „Maar laat in den nacht, als wanneer de kameelen - Ter ruste men snoert aan de bindende lijn, - Dan zal ook mijn smachtende ziele zich laven, - Verdwijnen mijn leed, en vergeten dit zijn. - - „Een blik in uw oogen en weêr zal mij komen, - Al wat ik verloren, mijn moed en mijn lust, - De kracht mijner ziele, door u mij ontnomen, - De vreugde des harten, vertrouwen en rust. - - „Ik zal dan u vragen mij koemys te reiken, - Als ware ik dorstig en droog mij de mond. - Gij laat u verbidden, gij laat u verteedren, - Gij maakt weêr het kranke gemoed mij gezond. - - „En kan mijne bede u ’t hart niet vermurwen, - Mijn lied niet gevallig, niet welkom u zijn, - Dan keer ik terug met de schaar mijner vrienden, - Zij zullen mij bijstaan, eens wordt gij toch mijn.” - - -Zonder de joerte te betreden, keert hij weêr naar zijne tent terug. -Daar verschijnt hem eene oude vrouw, die belooft hem naar zijne bruid -te geleiden, als hij haar een geschenk wil vereeren. Mild opent zich -des bruigoms hand en beiden begeven zich op weg. Maar ongehinderd -bereiken zij de joerte niet. Eene andere vrouw legt den gaffel, -waarmede men den koepelring der joerte omhoog hijscht, dwars over den -weg; zulk een slagboom over te springen zou een slecht voorteeken zijn, -want wie den gaffel heeft neêrgelegd moet dien ook weêr wegnemen. Een -nieuw geschenk verwijdert ook dezen hinderpaal, maar weinig schreden -verder ligt een tweede, en daarover heen eene schijnbaar doode vrouw; -een nieuw geschenk wekt de doode weêr in ’t leven en ruimt het beletsel -op; nu is de weg naar de joerte vrij. Daar staat evenwel eene gedaante, -die een geluid laat hooren als het brommen van een hond. Zal men kunnen -zeggen, dat een hond op een bruidegom heeft gebromd? Dat nooit! Een -nieuw geschenk sluit den brommenden mond en de veel beproefde komt -eindelijk bij de joerte aan. Hier houden twee vrouwen de deur dicht, -maar ook de deur bezwijkt voor een geschenk; binnen in de joerte houden -twee vrouwen het gordijn vast; op het bruidsleger rust echter eene -jongere zuster der bruid; hij bevrijdt zich van allen, de joerte is -ledig; de „oude” legt de handen des bruidegoms in die der bruid, en -verwijdert zich eveneens; eindelijk, eindelijk zijn beiden samen,—en -alleen. - -Onder opzicht van den behulpzamen oude „Djenke” genaamd, bezoekt de -bruidegom herhaalde malen zijne bruid, zonder zich nog voor te stellen -aan de ouders van het meisje. Eerst moet de kalum geheel betaald zijn. - -Nu wordt de persoon die vroeger werd uitgezonden om het aanzoek te -doen, weder naar den vader der bruid afgevaardigd om dezen te vragen of -het nu geoorloofd is het meisje naar de joerte van haar echtgenoot te -brengen. De vraag wordt toestemmend beantwoord, en de bruigom gaat -wederom met groot gevolg en geschenken naar de Aul, slaat weder zijn -tent op een behoorlijken afstand op, ontvangt hierin nogmaals het -bezoek van vrouwen, brengt alleen den nacht er in door, en zendt van -hier den volgenden morgen alle voor eene joerte benoodigde en door hem -te leveren houtstukken naar de Aul. Alle bewoonsters der Aul verzamelen -zich hierom heen, ten einde de vilten stoffen, die de bruid moet geven, -aaneen te naaien, voor zoover dit noodig is, en nu begint men met het -opstellen der joerte. De meest geachte vrouw van de Aul mag den -koepelring omhoog brengen en houdt dien vast, totdat de sparren daarin -zijn gestoken; de andere vrouwen houden zich gezamenlijk onledig met -den verderen opbouw en de bekleeding. Ondertusschen komt de bruidegom -ter plaatse; nu geleidt men ook de bruid herwaarts en noodigt beiden -uit van verschillende zijden de nieuwe woning te naderen om het groote -vraagstuk op te lossen, wie de heerschappij in de joerte zal voeren? -Zij zal het deel worden van hem, die de joerte het eerst bereikt. - -Een schaap, door den bruigom medegebracht wordt geslacht; de maaltijd -wordt aangericht en deze zal in de nieuwe joerte plaats hebben. Onder -den maaltijd wikkelt de jonge joerteheer een stuk wit laken om een been -en werpt dit, zonder naar boven te zien, door de opening van het -koepeldak naar buiten. Gelukt deze worp, dan is zulks een goed teeken; -de rook zal dan uit deze joerte regelrecht omhoog stijgen, wat geluk -voorspelt voor de bewoners der tent. - -Na het welkomstmaal begeven zich de gasten naar de joerte van den vader -der bruid, alwaar hun een tweede maaltijd wacht. De moeder der bruid -evenwel discht de spijzen op voor de jongelieden, die in de nieuwe -joerte achterbleven; mild en overvloedig moet zij geven, anders zou het -jonge volkje de tent boven de hoofden der aanzittenden afbreken, en tot -straf voor die karigheid, de afzonderlijke deelen van het lichte gebouw -naar alle richtingen in de wijde steppe werpen. Zelfs de rijk gevulde -schotel is voor den overmoed der uitgelaten bruiloftsgasten niet -veilig; de een rukt ze uit de handen der gastvrouw en rijdt er mede -weg; anderen trachten hem den buit weder afhandig te maken en deze -plagerijen duren net zoo lang totdat men begint te vreezen, dat het -gerecht koud zal worden. - -Den volgenden morgen wenscht de vader der bruid voor ’t eerst den -bruidegom te zien, noodigt dezen in zijne joerte, begroet hem -hartelijk, roemt zijn voorkomen en talenten, wenscht hem geluk met zijn -huwelijk, en stelt hem ten slotte allerlei geschenken ter hand, de gift -als het ware der bruid. Dit geschiedt ten aanschouwe van alle -bruiloftsgasten, die reeds vóór den bruidegom zich in de joerte -verzameld hadden. Nu ook komt de rijk getooide bruid binnen. Bevindt -zich in de Aul een Mollah, of is er gelegenheid zulk een persoon te -halen, dan spreekt deze den zegen over het jonge paar uit. - -Nu wordt der bruid het scheidingslied, „Dschar, dschar” toegezongen; -zij beantwoordt elk vers met tranen in de oogen, elke strophe met eene -klacht. - -Het beurtgezang verstomt; kameelen worden voorgebracht om de joerte en -alle bruidsgeschenken te dragen; sierlijk opgetuigde paarden om de -bruid en hare moeder naar de Aul des bruidegoms te brengen. De jeugdige -echtgenoot rijdt aan het hoofd van den bruiloftsstoet, spoort met zijn -speelgenooten de kameelen tot spoed aan, om tijd te winnen ten einde de -joerte onder dezelfde plichtplegingen, als bij het opbouwen in acht -werden genomen, in de Aul, waar hij verblijf houdt, op te stellen. De -bruid evenwel, na onder het storten van tranen afscheid te hebben -genomen van haar vader, bloedverwanten, vriendinnen, van de joerte, als -ook van de kudden, rijdt, geheel verborgen onder een om haar heen -geslagen en door de ruiters gedragen gordijn voort, totdat zij de -joerte bereikt heeft, waarin zij voortaan als meesteres zal heerschen. -De vader des bruidegoms, die intusschen de gift der bruid heeft -bekeken, en geprezen of gelaakt, roept haar heel spoedig na de aankomst -in zijne tent; zij betreedt deze met drie buigingen, zoo diep, dat zij -met de handen op de knieën moet steunen, daarmede aanduidende, dat zij -even onderdanig zal zijn aan hare schoonouders als aan haar heer en -gebieder. Haar gelaat blijft nog altijd gesluierd, en zal dit voortaan -blijven voor den vader en de broeders van haar gemaal, en een jaar lang -voor iederen vreemdeling. Later omsluiert zij zich nog alléén voor den -oudsten broeder haars echtgenoots; voor niemand anders. Voor genoemden -evenwel slechts omdat deze haar moet huwen, ingeval haar eigen man -sterft; nu mag zij bij haar schoonbroeder geen booze lusten opwekken of -voeden. - -Bij een tweede huwelijk doet de Kirgies persoonlijk aanzoek en dit -geschiedt zonder daarbij bijzondere vormen in acht te nemen. Huwt hij -nog bij het leven zijner eerste vrouw eene tweede, en laat hij deze met -de andere in dezelfde joerte wonen, gelijk zulks meestal bij niet zeer -rijke lieden het geval is, dan heeft de tweede uitverkorene een zeer -beklagenswaardig lot. De eerste vrouw handhaaft haar rechten, wijst aan -de tweede eene bepaalde plaats in de joerte aan en legt zelfs den heer -der tent in zijn huwelijksrechten aan banden. De vrouw staat bij de -Kirgiezen in hooge achting. „Wij waardeeren onze vrouwen zooals wij een -telganger waardeeren; beide zijn niet te betalen,” zoo verzekerde mij -eens mijn vriend, de Kirgies Altibei. De mannen scheiden zich zelden -van hunne vrouwen, en nog zeldzamer ontloopen de laatsten haar -echtgenooten. Ook in de steppe evenwel verbreekt de liefde soms de -perken, welke zede en gebruik gesteld hadden. Schaking komt insgelijks -voor en wordt zelfs voor geen schande gehouden; een meisje te rooven, -wier vader te hooge eischen stelt, verstrekt roover en geroofde, in -veler oogen althans, meer tot eer dan tot blaam. - -Het pasgeboren kind wordt bij de Kirgiezen onmiddellijk nadat het het -levenslicht aanschouwde, en zoo ook nog de eerste veertig dagen na de -geboorte, in sterk zout water gebaad, maar na verloop van dien tijd -zelfs niet meer gewasschen. Aanvankelijk legt men den zuigeling in een -bedje vol fluweelzachte kameelswol, zoodat het wicht geheel in dit dons -gehuld is en zelfs in den strengsten winter geen koû zou kunnen vatten; -later trekt men het een wollen hemdje aan, hetwelk de moeder om de drie -dagen een poosje boven het vuur houdt ten einde het van de parasieten -te zuiveren, die in de woningen van alle Kirgiezen voorkomen. Dat hemd -met een ander te verwisselen, daaraan denkt men niet. Het wordt eerst -dan vervangen, wanneer het bijna uiteenvalt. In den winter trekt de -trouwe moeder het ook nog kousjes aan, en zoodra het kindje kan loopen, -steekt men het in de kleeren der volwassenen. - -Vader en moeder beide houden ongemeen veel van hun kroost; zij -behandelen hun kinderen met de grootste teerheid en slaan ze nooit; zij -hebben echter de slechte gewoonte om hun, zoodra zij kunnen spreken, -allerlei leelijke en onvoegzame woorden te leeren, die, door de -onschuldige lippen van het kind nagezegd, eene algemeene vroolijkheid -opwekken. De ouderdom van het kind wordt naar den naam van een of ander -dier benoemd; het kind kan b.v. een muis oud zijn, of eene marmot, of -een schaap of een paard. Op zijn vierde jaar zet men het voor de eerste -maal op den rug van een even oud paard, dat prachtig opgetuigd en met -een in de familie erfelijk zadel belegd wordt. De gelukkige ouders -beloven aan den voor de eerste maal de moederarmen ontloopen, -zelfstandig optredenden kleinen ruiter allerlei mooie dingen, roepen -daarop een bediende of een gewillig vriend, stellen paard en ruiter in -diens handen en dragen hem op den kleinen man van de eene bevriende -joerte naar de andere te geleiden. Overal waar het knaapje aankomt -wordt hij vriendelijk begroet, met loftuitingen overladen, terwijl hij -tevens allerlei lekkernijen ontvangt. Een feest in de ouderlijke joerte -bekroont den in aller oogen gewichtigen dag. - -Met het zevende jaar vangt het onderwijs aan, dat zich bepaalt tot al -datgene, wat hij of zij te weten noodig heeft. Inmiddels tot een -bedreven ruiter opgegroeid, leert de knaap met het vee omgaan, het -meisje leert melken en verdere huiselijke bezigheden verrichten; de -zoons van voorname lieden worden door een Mollah of een ander, der zake -kundig man, in het lezen en schrijven onderwezen, later in de leer van -den koran. Reeds vóór zijn twaalfde jaar wordt de school voor hen -gesloten en is de knaap rijp voor het praktische leven. - -Meer nog dan de levenden eert de Kirgies zijn dooden. Elke familie is -tot de grootste offers bereid om voor een hun door den dood ontrukt -familielid een groot lijk- of gedenkfeest aan te richten; ieder, ook de -armste, wenscht het graf zijner lieve dooden te sieren zoo veel hij -kan, en een iegelijk acht het zich als de grootste schande eenen doode -in ’t algemeen niet alle mogelijke eer te bewijzen. Zulks is onder de -Mohammedanen een algemeen gebruik, maar de plechtigheden, die bij de -Kirgiezen het sterven en de begrafenis vergezellen, wijken zoo van die -der andere geloovigen af dat zij eene nadere bespreking vereischen. - -Wanneer een Kirgies den dood voelt naderen laat hij zijn vrienden -roepen, opdat deze zijne ziel in het paradijs helpen brengen. Vrome -Kirgiezen laten zich op hun sterfbed uit den koran voorlezen, al -verstaan zij ook niets van de beteekenis der woorden. Naar het gebruik -der geloovigen verzamelen zich de vrienden om het sterfbed van den -geloofsgenoot en roepen hem het eerste gedeelte van de belijdenis der -aanhangers van den profeet: „Er is slechts één God” zoo dikwijls toe, -tot hij het tweede gedeelte uitspreekt: „en Mohammed is zijn profeet.” -Zoodra deze woorden de lippen van den stervende ontvlieden, opent -Moenkir, de Engel der beproeving, de poorten van het paradijs en nu -roepen allen uit: „El hamdu lillahi”—de Heer zij geprezen. - -Zoodra de eigenaar eener joerte voor altijd zijn oogen gesloten heeft, -zendt men naar alle richtingen boden uit om de gebeurtenis aan de -vrienden en bloedverwanten bekend te maken; deze boden reizen, al naar -aanzien en rang van den overledene, twintig tot honderd werst ver de -steppe in, van Aul tot Aul, terwijl een der bloedverwanten, die hier -woont, de tijding aan anderen in dezelfde Aul mededeelt. Ondertusschen -wordt het lijk gewasschen en in het „doodshemd” gehuld, dat ieder -Kirgies reeds bij zijn leven gereed had en onder zijn kostbaarheden -bewaarde. Nadat men zich van dezen plicht gekweten heeft draagt men het -lijk uit de joerte en legt het op een middelerwijl half uitgeslagen -hekwerk. De Mollah wordt ontboden, en als deze verschijnt, zegent hij -den doode; nu beurt men het hek met het lijk op, laadt een en ander op -den rug eens kameels, en trekt onder geleide der inmiddels aangekomen -naastbijwonende bloedverwanten naar den doodenakker. - -Terstond na het overlijden heffen de vrouwen den lijkzang aan. De -naaste bloedverwant begint en spreekt den rouw van haar hart in meer of -minder diepgevoelde woorden uit; de anderen vallen op het einde van -elken zin of elken versregel gelijktijdig in en ieder kleedt zijn -gedachte op hare wijs in woorden. De klacht wordt allengs heviger, tot -eindelijk de smart haar toppunt heeft bereikt, wanneer de kameel -oprijst om met zijn last te vertrekken. De vrouwen schijnen als in -razernij te vervallen, rukken zich de haren uit en krabben zich het -gezicht ten bloede. Eerst als de lijkstoet, waarvan de vrouwen geen -deel uitmaken, uit het gezicht verdwenen is, verstommen van lieverlede -de klachten en houden de tranen op met vloeien. - -Eenige mannen, op vlugge paarden gezeten, zijn vooruitgereden om het -graf in gereedheid te brengen. Dit bestaat uit een kuil, een halve -manshoogte diep, met een in de richting van Mekka gelegen gewelf, -waarin het hoofd en het bovenlijf worden gelegd. Nadat het lijk in den -kuil is neêrgelaten, wordt het graf met blokken, planken, rietbundels -of steenen belegd, maar niet met aarde gevuld. Wel wordt soms een -weinig zand over de bedekking gespreid en dit heuveltje met vlaggetjes -en soortgelijke zaken versierd, zoo niet een koepel uit hout of -baksteenen gebouwd, boven het graf wordt opgericht. Op een kindergraf -plaatst men de wieg. Vooraf heeft de Molla het lijk voor de tweede maal -gezegend, terwijl alle omstanders aan de ophooging deel nemen. De -lijkplechtigheid is evenwel nog niet ten einde. - -Op hetzelfde oogenblik, dat de eigenaar der joerte is overleden, richt -men naast de tent een witte vlag op, die een vol jaar blijft staan. -Elken dag van dit treurjaar komen de vrouwen weder bijeen om hare -klachten opnieuw aan te heffen. Zoo mogelijk brengt men ook het -lievelingspaard van den doode hierbij en snijdt het den langen staart -half af. Van dit oogenblik af wordt het ros door niemand meer bereden; -het is „weduwe” geworden. Zeven dagen na den dood vergaderen alle -bloedverwanten en vrienden, ook de verst afwonenden in de joerte, -houden een gemeenschappelijk lijkmaal, verdeelen sommige kleederen van -den doode onder de armen, en beraadslagen over het toekomstig lot der -achtergeblevenen, alsmede over het bestuur der nalatenschap. Daarna -laat men de familie met haar leed alleen. - -Sterft er eene vrouw, dan worden bijna dezelfde gebruiken gevolgd als -bij den dood eens mans, met dit verschil, dat nu de vrouwen het lijk -wasschen en kleeden. Maar ook in zoodanig geval blijven de vrouwen in -de Aul om er den lijkzang aan te heffen. Het rijpaard der vrouw wordt -eveneens van zijn staart beroofd; men richt evenwel geen treurvlag op. - -Wanneer de Aul verplaatst wordt, haalt de jongeling, wien deze -eeredienst is opgedragen, het tot weduwe geworden paard, legt dit het -zadel zijns voormaligen meesters in omgekeerde richting op den rug, -belaadt het met de kleederen van den overledene en geleidt het aan den -teugel naar het oord der bestemming, terwijl de jonge man in zijne -rechterhand de lans met de vlag draagt. Zoodra de joerte weêr is -opgebouwd, wordt het paard ontzadeld en de lans weder opgericht. - -Op den verjaardag van den dood verschijnen wederom alle genoodigde -bloedverwanten en vrienden in de joerte. Na de vrouwen begroet te -hebben, die nog altijd in rouwgewaad zijn gestoken, en die men opnieuw -tracht te troosten, haalt men het paard, zadelt dit, belaadt het als -vroeger en roept nu den Molla om het te zegenen. Zulks geschiedt; twee -mannen treden thans nader, grijpen het paard bij den teugel, ontzadelen -het, werpen het ter aarde en stooten het den dolk in ’t hart. Het -vleesch wordt onder de arme feestgenooten uitgedeeld, de Molla ontvangt -de huid. Onmiddellijk nadat het paard gedood is, stelt men de lans aan -den meest waardigen bloedverwant ter hand; deze neemt haar aan, spreekt -eenige woorden, breekt den stok in stukken en werpt deze op het vuur. - -Nu komen de paarden aanstormen om hun snelheid in den wedren te toonen; -de jonge ruiters, die hen vergezellen en berijden, vliegen op een -gegeven teeken weg en verdwijnen in de steppe. - -De Molla treedt van het tooneel, de zanger neemt zijn plaats in. Nog -eenmaal wordt de doode herdacht, maar ook de levenden krijgen thans -hunne beurt. Van het hoofd der vrouwen verdwijnt het eigenaardig -tooisel, dat den rouw aanduidde, en zij sieren zich in feestgewaad. Na -afloop van den overvloedigen maaltijd gaat de schaal met melkwijn rond; -met de tonen van den citer vermengen zich vreugdeklanken. - -De rouw is afgeloopen, het leven herneemt zijn rechten. - - - - - - - - -XVI. - -DE KOLONISTEN EN BANNELINGEN VAN SIBERIË. - - -Wie in Siberië niets dan ééne groote gevangenis ziet, dwaalt evenzeer -als hij, die dit land beschouwt als ééne onmetelijke ijswoestijn. Wel -zendt Rusland ieder jaar duizenden misdadigers of veroordeelden naar -Siberië, en wel trekken deze, zoolang zij onderweg zijn, van de eene -gevangenis naar de andere; wel zijn de zoodanigen, die zware misdrijven -tegen lijf en leven, bezittingen en eigendommen te boeten hebben, -zoolang zij gedwongen in Siberië verblijf houden, niet vrij,—maar het -kleinste getal van alle misdadigers bevindt zich, zoolang hun straftijd -duurt, in werkelijke gevangenschap, en ieder is bij machte door zijn -gedrag die gevangenschap meer dragelijk te maken, zelfs zich er van te -bevrijden, en dus weldaden te genieten, gelijk aan de bewoners onzer -tuchthuizen en gevangenissen niet ten deel valt. Uitgestrekte deelen -van het ontzaglijk gebied, dat aan den Russischen scepter onderworpen -werd, geheele landen zijn overigens nimmer verbanningsoorden geweest en -zullen wel altijd van het bezoek der gedwongen reizigers verschoond -blijven, welke laatsten grootere onaangenaamheden, ja zelfs kwellingen -onder de bevolking brengen, dan zij zelven te dulden hebben. Langs -dezelfde wegen, die vroeger niet dan onder zuchten afgelegd werden, -trekken heden ten dage vrije lieden, die in het verre oosten op -lotsverbetering hopen. Aan de gedwongen kolonisten sluiten zich anderen -aan, die uit eigen beweging derwaarts trekken, en wel naar oorden, die -langen tijd in den slechtsten reuk stonden als de meest ongastvrije -landen der geheele aarde. Een nieuwe tijd is voor Siberië aangebroken, -want de verblinde vrees maakt allengs plaats voor meer verlichte -kennis, ook bij zulke personen, die overigens meer toegankelijk zijn -voor de eerste dan voor de laatste. De heerschende denkbeelden omtrent -Siberië zijn te wijten aan de schriftelijke en mondelinge berichten van -ontwikkelde bannelingen, dus van lieden, die de vaste bewoner van -Siberië „ongelukkigen” noemt en ook als zoodanig behandelt. Die -berichten zijn wel is waar niet zoo geheel bezijden de waarheid, doch -voor het grootste deel toch onjuist. Het ongeluk maakt lichaam en ziel -blind, en berooft ons van de onbevangenheid, die de eenige grondslag -mag en kan zijn van eene richtige beoordeeling van toestanden. De -toestanden nu in Siberië zijn veel beter dan men meent, beter zelfs dan -in menige bergstreek van Duitschland. In Siberië is de strijd des -levens volstrekt niet hard. Gebrek in den eigenlijken zin des woords, -ontbering van het noodzakelijke tot onderhoud des lichaams, zijn hier -onbekende zaken, en treffen in elk geval slechts hem, die wegens ziekte -of andere ongevallen niet in staat is tot werken. Vergeleken met het -lot, dat menigen armen Duitschen bergbewoner gedurende zijn geheele -leven is opgelegd, die bijna nimmer als overwinnaar uit den strijd des -levens te voorschijn treedt, is zelfs het lot van den Siberischen -banneling nog vaak benijdenswaardig. Ontbering vindt men ook in -Siberië, maar meer in geestelijken dan in lichamelijken zin; wie -slechts de aarde bewerkt, vindt daar meer dan hij noodig heeft, en wie -haar, de voedster, ontrouw is geworden, en de een of andere daar -inheemsche bezigheid koos, dien ook brengt de eerlijke handenarbeid -vrij zeker evenveel winst op als de aarde. Zoo zijn de tegenwoordige -toestanden, met onbevooroordeeld oog aanschouwd. - -Ik heb getracht een zoo getrouw mogelijk beeld te ontwerpen van de -levensomstandigheden der bewoners van het door mij bereisde deel van -Siberië. Ik ben nedergedaald in de laagste diepten der menschelijke -ellende, en heb mij vermeid in de zonnige hoogten van alle denkbaar -geluk; ik heb verkeerd met moordenaars, straatroovers, brandstichters, -dieven, bedriegers, oproerlingen en samenzweerders, met visschers en -jagers, herders en boeren, kooplieden en industrieelen, met heeren en -knechten, rijken en armen, met wetenschappelijke lieden en -ongeletterden, met beambten en rechters, tevredenen en ontevredenen, -begeerende menschen en zij die niets meer wenschten, en zulks om mijn -waarnemingen te bevestigen, mijne opmerkingen te vermeerderen, mijne -besluiten te toetsen, mijne verkeerde opvattingen te verbeteren; ik heb -de veiligheidsbeambten ondervraagd naar het lot der bannelingen, en bij -de bannelingen zelf inlichtingen ingewonnen omtrent hun toestand; ik -heb de misdadigers in hunne gevangenissen opgezocht en ook daarbuiten -gadegeslagen; ik heb met boeren, industrieelen, handwerkslieden en -kolonisten gesprekken gevoerd, wanneer en waar ik slechts gelegenheid -vond; ik heb de inlichtingen, welke ik van deze lieden ontving, -vergeleken met die der regeeringsbeambten; ik geloof dan ook, dat ik -zooveel ben te weten gekomen als, de snelheid en den korten duur onzer -reis in aanmerking genomen, maar eenigszins mogelijk was. In elk geval -heb ik zooveel stof verzameld, dat ik mij op mijn eigen ervaringen kan -verlaten, wanneer ik mij gereed maak een vluchtig geteekend levensbeeld -te schetsen van de bannelingen van Siberië. Mijne schilderij zal wel -niet geheel vrij van onnauwkeurigheden zijn, maar in ’t algemeen de -uitdrukking mogen heeten van een billijk oordeel. - -Afgezien van de regeeringsbeambten, de soldaten en ondernemende -industrieelen, voornamelijk kooplieden, bestond de aanvoer, dien -Siberië uit Rusland ontving, tot in het jaar 1861 uitsluitend uit -onvrijwillige verhuizers: lijfeigenen des keizers, die in de bergwerken -van den Czar, en misdadigers, die, althans voor een deel, naar de -bergwerken van den Staat werden gezonden. Met de opheffing der -lijfeigenschap, die eene diep ingrijpende verandering in de sociale -toestanden ten gevolge had, dieper dan men aanvankelijk geloofde en nog -tegenwoordig inziet, droogde de eerstgenoemde bron als met een -tooverslag op. Millioenen menschen werden op het woord van hun -zachtmoedigen, groothartigen gebieder vrij; duizenden hunner verlieten -de bergwerken en wendden zich naar de vruchtbare aarde, die zij tot nu -toe als slaven hadden bewerkt, zoodat de bergwerken, althans die van -den Czar, van stonden aan leeg liepen en nu nog onder de gevolgen -lijden. Maar het groote kroongoed Altaï werd tevens verrijkt met een -nieuw element, dat daaraan tot nog toe vreemd was gebleven, n.l. met -een vrijen boerenstand, wel is waar zonder erfelijk landbezit, maar -toch vrije boeren van het rijke land, voor en in de plaats van zijne -tot nog toe daar wonende kolonisten. De opheffing der lijfeigenschap -veranderde evenwel ook den toestand dier Siberische landstreken, die -tot op dezen tijd hoofdzakelijk door veroordeelden waren bevolkt -geworden, daar het voortaan mogelijk werd ook hier een vrijen -boerenstand te vormen. Op deze plaatsen evenwel schijnt de voortdurende -toevoer eer belemmerend dan voordeelig gewerkt te hebben; want het -meerendeel der veroordeelden, die naar de reeds bevolkte gedeelten des -lands gezonden werden, brengt voortdurend onrust onder de gezeten -bevolking, en daaraan is het dan ook toe te schrijven, dat bedoelde -landstreken minder vooruit zijn gegaan dan het kroondomein Altaï, dat -steeds verschoond is gebleven van bannelingen en hiervan ook wel altijd -verschoond zal blijven, zoolang Altaï althans keizerlijk domein blijft. -Daarentegen trekken tegenwoordig gedurig nieuwe scharen verhuislustigen -derwaarts, en neemt de bevolking in Altaï sneller in bloei toe dan in -de overige landen van Siberië. - -Het is een prachtig stuk lands, dit domein Altaï, en in zoo verre ook -een opmerkelijk land, omdat het het grootste is, dat ergens ter wereld -gevonden wordt. De vlakke inhoud toch bedraagt in ronde cijfers 400.000 -vierkante wersten, of ongeveer 8000 vierk. geogr. mijlen. Het sluit -gebergten en vlakke landen in zich, bergland en heuvelland; het ligt -tusschen bevaarbare rivieren en dezulke, die met weinig moeite -bevaarbaar kunnen gemaakt worden; het bevat nog altijd groote, -rentegevende bosschen en in ’t algemeen onmetelijke rijkdommen zoowel -onder als boven den grond. Niet minder dan 830 verschillende -ertsbeddingen kent men binnen zijn gebied, niet gerekend de overige 270 -vindplaatsen, die nog nimmer nader onderzocht werden. Men wandelt in -het kroondomein Altaï letterlijk op goud en zilver; want goudhoudende -zilverertsen, lood, koper en ijzer, doordringen in een aantal, meest -bouwwaardige aderen de bergen, terwijl de rivieren stofgoud afvoeren. -Een steenkolenbedding van nog onbekende uitgestrektheid, die hier en -daar van 6 tot 8 meter dikte bezit, strekt zich bovendien nog onder een -groot gedeelte des lands uit; te oordeelen naar de samenstelling der -aan de oppervlakte gelegen gesteenten, mag men aannemen, dat men in het -noorden van het kroondomein op één groot steenkolenbekken wandelt. En -toch moet men den waren rijkdom van Altaï niet in deze onderaardsche -schatten zoeken, maar in den vetten en vruchtbaren grond. Deze bedekt -geheele gebergten en hoogvlakten, en waar de bouwaarde in de -rivierdalen en laagvlakten bijeengespoeld werd, heeft zij soms een -dikte van anderhalven meter. Bevallige, deels majestueuse bergstreken -wisselen af met liefelijke, heuvelachtige landschappen en zacht -golvende vlakten, die vooral bij de boeren het meest gezocht zijn, -steppen met vruchtbare, door een riviertje of beekje doorsneden -vlakten, bosschen met welig groeiend hoog zoowel als laag geboomte en -parkachtig ingedeeld hout. Een wel is waar niet zacht, maar toch -geenszins onverdragelijk klimaat maakt overal eene rentegevende -ontginning mogelijk van dien vruchtbaren, grootendeels nog maagdelijken -bodem. Het jaar is afgedeeld in een heeten, bijna altijd voortdurenden -zomer van vier maanden, in een strengen, onafgebroken winter van vier -maanden, in twee natte, koude, onbestendige voorjaarsmaanden en -evenveel herfstmaanden van gelijke gesteldheid; en alhoewel de -gemiddelde warmte van het goede deel des jaars niet toereikend is om de -druiven te doen rijpen, al onze gewone korensoorten gedijen er -voortreffelijk, terwijl in de zuidelijke distrikten van het kroondomein -zelfs de meloen tot rijpheid komt. - -Zoo ziet het land er uit, dat reeds meer dan twee menschenleeftijden -verschoond is gebleven van verbannen misdadigers en waar heden ten dage -kolonisten zijn gezeteld, die men zou wenschen, dat in matig aantal ook -in geheel overig Zuid-Siberië, dat niet minder rijk en vruchtbaar is, -werden gevonden. Zij laten zich wel is waar niet vergelijken bij onze -erfgezeten boeren, deze landbouwers van het kroondomein Altaï, maar zij -hebben het oneindig beter dan de gewone Russische boer. Men ziet het -hun aan, dat hunne ouders en grootouders de lijfeigenen zijn geweest -van den grootsten en hoogsten heer des Rijks, maar geenszins de slaven -van eenen machteloozen en om deze reden eene onbepaalde onderdanigheid -eischenden gebieder; men kan bij iedere gelegenheid opmerken hoe het -gemis van erfelijk grondbezit hen in geenerlei opzicht gehinderd heeft -welvarend te worden, d.w.z. meer te verdienen, dan zij noodig hadden en -nu nog noodig hebben. - -Het lot der bewoners van Altaï was van af den tijd, dat het kroongoed -tot eigendom des keizers werd verklaard, een betrekkelijk gunstig, om -niet te zeggen een gelukkig lot. Tot de opheffing der lijfeigenschap -waren zij zonder eenige uitzondering bij den bergbouw in dienst of -althans middellijk daarvoor bedrijvig. Zij, die niet in de mijnen zelf -werkten, moesten hout vellen en verkolen, anderen moesten de houtskolen -naar de smelthutten brengen, wederom anderen het erts vervoeren. Met de -toename der bevolking werd de druk der heerendiensten steeds minder. -Omstreeks het midden dezer eeuw kon men reeds over zooveel krachten -beschikken, dat de arbeid voor den keizer tot ééne maand in het jaar -beperkt werd, alhoewel onder deze voorwaarde, dat ieder leenplichtige -een paard moest leveren. De weg, dien de arbeider met dit paard had af -te leggen, werd naar deszelfs lengte berekend. Als vergoeding voor de -afwezigheid van huis en hof ontving ieder arbeider 75½ kopeken voor den -tijd zijns arbeids. Behalve deze weinig beteekenende belooning had -echter ieder mijnwerker het recht, van ’s keizers land zooveel grond te -bebouwen als hij kon, dit te doen naar eigen goedvinden, en bovendien -in ’s keizers bosschen zooveel hout te vellen als hij voor het bouwen -zijner woning en voor brandstof noodig had. Belasting had hij niet te -betalen. Het aantal arbeiders, dat een dorp moest leveren, richtte zich -naar het zielental; de verdeeling der heerendiensten geschiedde door de -leden der gemeente zelf. - -Minder gemakkelijk was het werk, dat de mijnwerkers hadden te -verrichten. Zij werden, even gelijk elders de soldaten, uit de dorpen -en steden van het kroongoed gerecruteerd, in elk opzicht als soldaten -behandeld en eerst na vijf en twintigjarigen diensttijd vrij verklaard. -Men verdeelde hen in twee groepen; in de eigenlijke mijnwerkers, die in -de ontgonnen groeven afdaalden, en in bergwerkers, die telken jare eene -bepaalde, hun aangewezen dienstverrichting binnen een hunzelf -overgelaten tijd hadden te volbrengen. Dezen maakten de kolenbranders, -houthakkers, metselaars, voerlieden enz. uit, en ontvingen, eens -voorgoed, jaarlijks veertien roebel loon. Was de opgedragen taak af, -dan waren zij voor ’t overige gedeelte van het jaar vrij en mochten dan -doen wat zij wilden. De mijnwerkers daarentegen bleven jaar in, jaar -uit in dienst. Zij werkten eene week lang des daags, de volgende week -des nachts, hadden elken dag twaalf uren te werken en kregen de derde -week vrij. Al naar zijn bekwaamheid ontving ieder mijnwerker ter -bekostiging zijner, tegen geld te betalen uitgaven, jaarlijks van zes -tot twaalf roebel loon, daarenboven elke maand twee pud meel voor zijn -persoonlijke voeding, even zooveel voor zijne vrouw en één pud voor -ieder zijner kinderen. Land te bebouwen, vee te fokken, zoo veel hij -kon of wilde, dit alles was geoorloofd. Zijne zoons moesten van hun -zevende tot hun twaalfde jaar de school bezoeken; van dien tijd af -werden zij gedwongen tot hun achttiende jaar als bergknapen zekere -diensten te verrichten en ontvingen daarvoor eerst één, later twee -roebel belooning per jaar. Had de knaap zijn achttiende jaar bereikt, -dan begon zijn dienst in de mijnen. - -Op den 1en Mei 1861, den dag der vrijmaking van alle lijfeigenen in het -Russische Rijk, telde men in het kroondomein Altaï 145639 mannelijke -zielen, van welke 25267 als mijnwerkers en huttenarbeiders in dienst -waren. Zij werden niet allen op denzelfden dag, maar in het -tijdsverloop van twee jaren van hun verplichtingen ontslagen. Niet -minder dan 12626 verlieten nu de mijnen, om in de vaderlijke dorpen -terug te keeren en hier het landbouwbedrijf uit te te oefenen; de -anderen bleven in de bergwerken als vrije arbeiders. - -Ik geloof niet te dwalen, wanneer ik beweer, dat de geregelde -toestanden, die men in het kroondomein veel meer aantreft dan elders, -waar ook in westelijk Siberië, toe te schrijven zijn aan dat verleden. -De ouders en voorouders der hedendaagsche bevolking van het keizerlijk -domein hebben zich, in weêrwil hunner onvrijheid, nimmer onderdrukt of -gedrukt gevoeld. Zij waren lijfeigenen, maar die van den heer en -gebieder des lands, van dat groote land, in hetwelk de wieg hunner -vaderen had gestaan. Zij waren gedwongen voor hunnen heer en meester te -werken, en hunne zonen bijna een menschenleeftijd lang in den dienst -diens meesters te stellen; maar die heer was de keizer, een bijna -goddelijk wezen in hunne oogen. Daarvoor voedde hen de keizer, -bevrijdde hij hen van alle lasten van andere staatsburgers, en -veroorloofde hij hun zijn land te bebouwen, en daaruit te halen, wat er -uit te halen viel; hij verhinderde hen niet welvarend te worden, hij -beschermde hen zooveel mogelijk tegen verdrukking door onrechtvaardige -ambtenaren en hij werd nog bovendien de weldoener hunner kinderen, door -althans een gedeelte te dwingen de school te bezoeken. De beambten, die -over hen gesteld waren, hadden hoogere beschaving dan alle andere in -dienst der kroon staande lieden; de meesten hadden in Duitschland -gestudeerd, waren zelfs voor een goed deel van Duitsche afkomst en -voerden, zoo niet Duitsche zeden, toch verlichte denkwijzen in een land -in, dat zij in naam des keizers bestuurden. Nog heden is Barnaul, de -hoofdstad van het kroondomein, een brandpunt van beschaving, gelijk -Siberië geen tweede heeft aan te wijzen; in den tijd van den hoogsten -bloei des mijnwezens was Barnaul ontegenzeggelijk de geestelijke -hoofdstad van geheel Midden- en Noord-Azië en het van hier uitstralende -licht verspreidde des te helderder glans, omdat het in alle -bergplaatsen brandpunten vond, die dat licht steeds verder hielpen -verspreiden. Zoo nam reeds in vroeger tijd het kroondomein eene -bevoorrechte plaats in onder de landen van Siberië. - -Het is wellicht nimmer een opzettelijk doel van het bestuur des -kroondomeins geweest, om den boerenstand vooruit te helpen; tot aan de -opheffing der lijfeigenschap zag men in het landbouwbedrijf slechts een -middel om den bergbouw te bevorderen. Deze tijden zijn veranderd. -Sedert den dag, dat de lijfeigenen tot vrije mannen werden verklaard, -is de bergbouw in gelijke mate achteruitgegaan als de landbouw is gaan -bloeien. Men heeft nog niet kunnen besluiten om den ouden sleur te -laten varen, maar moet die nalatigheid dan ook met zulke hooge sommen -betalen, dat de zuivere winst van het mijnwezen tot een minimum is -gedaald. Het eenig afdoende middel om verbetering te brengen in den -bestaanden toestand zou daarin gelegen zijn, dat men de mijnen liet -exploiteeren door energieke ondernemers; maar dit middel heeft men, wel -is waar, wel in overweging genomen, maar nog geenszins tot feit doen -worden. Vrije beschikking over den grond, zoover de ploeg er in -doordringt, was van oudsher gebruikelijk en zulks is eenigermate zelfs -recht van gewoonte geworden. Wel bezit niemand in het kroondomein, wij -merkten het reeds op, den grond, dien hij bebouwt en waarop zijn huis -staat; alles behoort den keizer, en wat des keizers is, is ook, volgens -de meening der boeren, het eigendom van „onzen lieven Heer” en deze -laatste staat gaarne aan iederen geloovige toe daarvan gebruik te -maken. In werkelijkheid heft het domeinbestuur jaarlijks van iedere in -bouwland omgezette hektare veertig kopeken pacht; al te streng gaat men -hierbij evenwel niet te werk en de boer zijnerzijds voelt evenmin -groote verplichting het daarmede heel nauw te nemen. Zoo bebouwt in -werkelijkheid elke boer zooveel land als hem lust en hij neemt dit waar -hij wil. - -Men laat den tegenwoordigen boer van het kroondomein slechts recht -wedervaren, wanneer men hem afschildert als een goed gebouwden, -opgewekten, bekwamen, fatsoenlijken, leergragen, gastvrijen, -goedaardigen en barmhartigen man; men zegt ook niet te veel, wanneer -men hem welvaart en een hieruit voortspruitend gevoel van eigenwaarde, -zelfs zekeren vrijheidszin toekent. Zijn voorkomen getuigt van meer -vrijheid en is minder deemoedig dan dat van den Russischen boer. Hij is -beleefd en voorkomend, onderdanig en daardoor gemakkelijk te leiden, -maar toch niet slaafsch en kruipend, zoodat hij op den vreemdeling geen -ongunstigen indruk maakt. Maar ook hij bezit al die eigenschappen, die -wij gewoonlijk boerenluimen noemen en nog andere, die den eersten -gunstigen indruk aanmerkelijk verzwakken. Niettegenstaande hij meer -gelegenheid had om onderwijs te ontvangen dan alle andere Siberiërs van -zijn stand, staat de school bij hem in kwaden reuk. Hij is -strenggeloovig en zou voor de kerk alles weggeven, wat hij bezit, maar -ziet in de school eene inrichting, die den mensch slechter maakt in -plaats van hem te beschaven. In herinnering aan de vroegere toestanden, -die zeker veel te wenschen overlieten, nog gedachtig aan de tijden toen -oude, uitgediende soldaten den scepter in de school zwaaiden en zich -niet schaamden de hun toevertrouwde scholieren snaps te laten halen, en -hen in dronkenschap dikwijls te mishandelen, is hij ongemeen -wantrouwend omtrent alles, wat met de school in betrekking staat; -bovendien hangt hij, naar boerenaard, zeer aan het oude en is van -oordeel, dat meer kennis dan hijzelf bezit, voor zijn kinderen nadeelig -zou zijn, en van deze meening is hij niet af te brengen. Hij staat dus -nog op een vrij lagen trap van beschaving. Bij uitzondering verstaat -hij de schrijfkunst en onder alle omstandigheden beschouwt hij boeken -als geheel nuttelooze zaken. Des te sterker steunpilaar is hij van het -bijgeloof, dat zijne kerk steunt en doet bloeien. Hij kent meestentijds -de namen der maanden niet, die der heiligen en der feestdagen evenwel -des te beter. God en de heiligen, aartsengelen en duivels, dood, hemel -en hel houden hem bijna uitsluitend bezig. Men kan hem niet zoozeer -licht te bevredigen noemen, maar wel beweren, dat hij onverbeterlijk -tevreden is. Meer dan hij noodig heeft om te leven wenscht hij niet, -zoodat hij dan ook niet meer werkt dan hij bepaald moet. Maar noch zijn -pachthoeve, noch zijn akker, die hij het zijne noemt, kan hem groot -genoeg, zijn huisgezin, noch veestapel te talrijk zijn. - -„Hoe gaat het u hier?” vroeg ik eens, met behulp van den tolk, aan een -der oudsten des dorps, dien ik onderweg in mijn wagen had genomen. - -„„God verdraagt nog onze zonden,”” was het antwoord. - -„Zijn uwe vrouwen goed, u trouw, genegen en behulpzaam?” - -„„Er zijn goeden en slechten.”” - -„Zijn uwe kinderen gehoorzaam en geven zij u vreugde?” - -„„Wij hebben niet over hen te klagen.”” - -„Is het land, dat gij bebouwt vruchtbaar en levert het goede oogsten -op?” - -„„Wanneer wij tienmaal meer inoogsten dan wij gezaaid hebben zijn wij -reeds tevreden.”” - -„Groeit uw vee goed?” - -„„Wij zijn tevreden.”” - -„Hoeveel paarden bezit gij?” - -„„Twee en dertig; misschien ook wel vijf en dertig.”” - -„Hoeveel paarden gebruikt gij bij den arbeid?” - -„„Acht à tien, nu en dan twaalf.”” - -„Dus fokt gij de anderen aan om ze te verkoopen?” - -„„Somtijds verkoop ik er een.”” - -„En wat doet gij met de anderen?” - -„„Nitschewo.”” - -„Hoeveel runderen en schapen bezit gij?” - -„„Dat weet ik niet. Mijne vrouw zorgt voor de koeien, schapen en -zwijnen.”” - -„Hebt gij veel belasting te betalen?” - -„„Ik ben tevreden.”” - -„Hebt gij u over een of ander te beklagen?” - -„„Ik ben tevreden.”” - -„Gij hebt dus over niets te klagen, en alles is hier goed?” - -„„Neen, niet alles; ik heb eene klacht.”” - -„Welke?” - -„„Het wordt ongezellig in het land!”” - -„Ongezellig, wat beteekent dit?” - -„„Nu ja, het wordt ons te klein.”” - -„Te klein, in hoeverre?” - -„„Och, de dorpen schieten overal uit den grond op als paddestoelen. Men -kan zich niet meer roeren en weet niet meer, waar zijn akkers aan te -leggen. Indien ik niet te oud ware, ik was reeds lang verhuisd.”” - -„De dorpen schieten als paddenstoelen uit den grond? Waar? Ik zie geen -enkel dorp. Hoe ver ligt het naaste dorp van het uwe verwijderd?” - -„„Vijftien werst.”” - -Zoo spreekt, denkt en oordeelt de boer van het kroondomein. Het groote -land is hem niet groot genoeg, en toch zou het twintigste gedeelte van -de hoeveelheid, waarover hij naar goedvinden beschikt, genoeg voor hem -zijn, indien hij het slechts beter bebouwde. Want de grond is zoo -vruchtbaar, dat de geringste moeite in ruime mate beloond wordt. Valt -een enkele maal de oogst tegen alle verwachting niet zoo goed uit als -gewoonlijk, komt het gebrek de plaats van den overvloed bij hem -vervangen, dan beschouwt de boer zulks niet als een natuurlijk gevolg -zijner luiheid, maar als een beschikking Gods, als een straf voor zijn -zonden. - -In werkelijkheid gaat het hem, in weerwil van al zijn zonden, bijzonder -goed, en hij had meer reden om van eene belooning zijner zonden te -spreken. Want niet het gebrek, maar de overvloed benauwt hem. Van -regeeringswege wordt aan iederen boer vijftien hektaren van het beste -land, in den regel naar eigen keus, voor iedere mannelijke ziel van -zijn huisgezin toebedeeld; daar echter van de honderd duizend vierkante -werst van het domein tot aan het jaar 1876 slechts tweehonderd en vier -en dertig duizend bewoond waren, komt het er nog heden niet op aan, dat -elke boer zich meer toeëigent dan hem toekomt, dan wel of hij zich -tevreden stelt met zijn wettig deel. Enkele families gebruiken niet -minder dan twaalf- tot vijftienhonderd hektaren en het is hun geheel -onverschillig of zij het daarvoor benoodigde aantal paarden of nog -twintig of dertig daarboven voeden. In werkelijkheid geschiedt het niet -zelden, dat de overtollige huisdieren den boeren van het kroongoed van -eene zware zorg bevrijden, van de zorg n.l. den hun geworden zegen, -dien zij ten gevolge der uiterst gebrekkige verkeersmiddelen niet te -gelde kunnen maken, op te gebruiken. In een land, in welks hoofdstad -onder gewone omstandigheden het pud of zestien kilogram roggemeel niet -meer dan 30 cents, het pud tarwemeel niet meer dan 48 cents, het pud -ossenvleesch in den winter hoogstens 72 cents, een schaap ƒ 2.40, een -gespeend kalf ƒ 6, een varken ƒ 4.80, een uitstekend paard zelden meer -dan ƒ 60 van ons geld kost, drukt elke goede oogst de prijzen dermate, -dat de buitengewone zegen in een last verkeert. Wanneer de boer van het -kroondomein voor 100 K.G. koren niet meer dan 72 cents van ons geld kan -verkrijgen, dan wordt hem, die buitendien niet meer werkt dan even -noodig is, de vlegel al te zwaar in de hand, de zegen volgens zijn -bekrompen begrippen tot een vloek. - -Deze, nu nog bestaande toestanden geven meteen eene verklaring van de -meeste ondeugden, ook van de deugden onzer kolonisten; hun traagheid, -hunne nu en dan walging wekkende tevredenheid, hunne onverschilligheid -tegenover verliezen, hunne mildheid jegens behoeftigen en -barmhartigheid jegens ongelukkigen. Eveneens begrijpen wij nu het allen -Siberiërs eigen streven om het aantal bewoners eener plaats zooveel -mogelijk te vermeerderen. Het groote land heeft als het ware -menschenhonger. Ieder Siberiër beschouwt daarom met welgevallen zijn -talrijk huisgezin; en daarom bestaat er in geheel Siberië geen -vondelingshuis. Waartoe dit? Iedere vrouw, die meent, dat zij haar kind -niet zou kunnen voeden, of van hetzelve wenscht ontslagen te worden, -vindt gewillige afnemers voor het kleine wezen. - -„Geef maar hier,” zegt de boer tot zulk eene onnatuurlijke moeder, -„geef maar hier; ik zal ’t wel groot brengen,” en zijn gezicht staat -daarbij zoo vroolijk, alsof hem een veulen geboren werd. In vroeger -dagen, toen de bevolking nog veel geringer was dan thans, huwelijkte -men de nog niet volwassen of pas volwassen kinderen reeds uit, ten -einde hun zoo spoedig mogelijk oudervreugde deelachtig te doen worden -en arbeiders te kweeken; tegenwoordig trouwen de jongelingen gewoonlijk -niet voor hun 18e jaar, maar zoo mogelijk met oudere meisjes, die hoop -geven op een zoo spoedig mogelijken kinderzegen, terwijl de ouders des -bruidegoms zeer gaarne de meisjes behulpzaam zijn in het hengelen naar -een huwbaar jongeling. - -En om te bewijzen, dat ook de romantiek niet ontbreekt bij de boeren -van het Altaï-domein, wil ik hier vermelden, dat geheime huwelijken -zelfs in dit land niet zeldzaam zijn en dat almede een van liefde -brandend jongeling zich soms niet ontziet het voorwerp zijner -aanbidding te schaken. Het laatste geschiedt evenwel meestal met -volkomen goedkeuring van alle belanghebbenden, dus ook van de -wederzijdsche ouders—want in dit geval spaart men de kosten van eene -bruiloft, in casu van den brandewijn. Op een bruiloft toch is het een -algemeen gebruik alle dorpsbewoners te onthalen, vooral op de noodige -hoeveelheid geestrijk vocht! Het spreekt vanzelf, dat ook in het -kroondomein de liefde alle bezwaren, zelfs de tegenkanting der ouders, -weet te overwinnen. Het meisje is, gelijk alle meisjes op dit -wereldrond, zeer spoedig voor den schaaklustigen jongen gewonnen, en -een heilig dienaar der kerk is tegen eene meer dan gewone belooning -gaarne te bewegen het trouwformulier er over uit te spreken—alleen de -vertoornde ouders zijn niet zoo licht te verzoenen. De moeder vervloekt -hare dochter, de vader zijn zoon; beiden bezweren bij alle Heiligen de -ondeugende kinderen nooit weer terug te willen zien: - - - „En de Hemel, steeds genadig, - Hoort ook zulks met groot geduld.” - - -Toch komt de verandering in deze gezindheid niet van boven, maar een -onweêrstaanbaar toovermiddel werkt eindelijk de verzoening uit: „snaps” -wordt dit toovermiddel genoemd bij die menschen, welke Duitschlands -grond, Woetki bij hen, die Ruslands heilige aarde bewonen. Zoodra de -schoonvader drinkt heeft de jonge echtgenoot het pleidooi gewonnen; -want mama schoonmoeder drinkt mede, en de foeselhoudende nektar -verweekt ook het hardvochtige hart der laatste. Verschijnen dan, als -het ware toevallig, nog eenige vrienden op het tooneel, ook deze worden -niet teruggewezen en drinken dapper ter eere der verzoening mede; de nu -gemaakte kosten toch, zijn in elk geval nog veel geringer dan wanneer -het geheele dorp den zegen des hemels voor het jonge paar, al -drinkende, had helpen afsmeeken. Wie zou nu nog kunnen loochenen dat de -liefde, de reine, heilige liefde zelfs een boerenjongen uit het -Altaïgebergte vindingrijk maakt. - -Een bruidsschat ontvangt het meisje van het kroondomein niet; -integendeel, haar moeder verlangt van den bruidegom een geschenk, en -eischt dit zelfs, naar vrouwenaard, dikwijls onder huilen en schreien. -Slechts wanneer bijzondere omstandigheden in ’t spel zijn, wanneer b.v. -op den morgen na de bruiloft, de gasten het bruidshemd, dat zij -wenschten te zien, niet overeenkomstig hun verwachtingen vinden, -gebeurt wel eens het tegendeel. De verstandige en ervaren schoonpapa -bedient zich in dergelijke gevallen van het beproefde toovermiddel, -brengt een behoorlijk aantal, vooraf reeds, voorzichtigheidshalve -gereed gehouden flesschen te voorschijn, belooft den vertoornden of -althans mopperenden schoonzoon een veulen, een os, eenige varkens, enz. -De geesten worden rustiger, de verzoening is getroffen. - -Waarom ook zou de bruidegom toornen? Anderen is het eveneens gegaan en -de toekomst kan veel goed maken. Vadervreugde kan immers ook onder niet -regelmatige omstandigheden zijn deel worden; vadervreugde echter blijft -het. Want broodzorgen behoeft ook het armste paartje niet te hebben, -als het slechts de handen wil roeren; men helpt het gaarne aan dit en -dat, en wanneer de zoo barmhartige hemel slechts eenige jaren matig wil -zijn met het uitstorten van zijn zegen, wanneer koorn en vee een -redelijken prijs behouden, dan sieren ongetwijfeld na weinig tijds -theepotten en schoteltjes een hoektafeltje, zijden dekens het groote -twee-slaapsbed, schitterende heiligen-beeldjes den rechter achterhoek, -en boven alle beschrijving schoone schilderijen, voorstellende jachten -op leeuwen, tijgers, beren, wolven, olifanten, herten en krokodillen de -wanden der in geen gegoed boerenhuis ontbrekende, rein en netjes -gehouden „mooie kamer.” - -Een weinig hiervan afwijkend huiselijk leven kan ook het deel worden -van alle bannelingen, die naar Siberië „gezonden” worden, voor den een -iets vroeger, voor den ander wat later, indien zij slechts zulk een -huiselijk leven begeeren, lang genoeg leven en eenigszins door de -fortuin begunstigd worden. Ik heb in Siberië andere denkbeelden over de -bannelingen gekregen dan ik koesterde vóór ik Siberië bezocht; ik doe -echter vooraf opmerken, dat ik niet tot hen behoor, die meer hart -schijnen te hebben voor moordenaars, roovers, brandstichters, dieven of -dergelijk gespuis dan voor een vlijtigen huisvader, die in ’t zweet -zijns aanschijns het brood voor eene talrijke familie tracht te -verdienen, en dat ik mij tot nog toe niet heb kunnen verheffen tot de -hoogte van hen, die elke straf willen verminderen, elke gevangenschap -verzachten. - -Elk jaar worden gemiddeld 15000 menschen naar Siberië „gezonden,” -gelijk de gewone uitdrukking luidt. Zware misdadigers worden -levenslang, minder zware voor een aantal jaren verbannen. Over de -gestrengheid en de gebreken van het Russische wetboek spreek ik hier -niet; dat daarin de doodstraf voorkomt als slechts toepasselijk op de -zwaarste en zeer zeldzaam voorkomende misdaden is zeker geen bewijs -voor de hardheid van genoemd wetboek; het ergste is wel, dat zoodanige -bannelingen, die wegens staatkundige misdrijven werden veroordeeld, -onderweg en dikwijls ook in Siberië op dezelfde wijze behandeld worden -als de gemeenste misdadigers. - -De tot verbanning veroordeelde wordt allereerst van de gevangenis der -provinciestad naar die van de gouvernements hoofdstad overgebracht en -daarna met den spoortrein, of een gewonen boerenwagen naar -Nischni-Nowgorod, Kasan of Perm gezonden. Of men in den tegenwoordigen -tijd op voetreizen de misdadigers nog twee aan twee aan een langen -keten klinkt en ze noodzaakt dien keten gedurende de geheele reis te -dragen, weet ik niet; gezien heb ik zulks nooit en ik ben ook vast -overtuigd, dat de bekende zachtaardigheid van den overleden keizer deze -oude barbaarsche handelwijs niet gedoogd zou hebben. In de genoemde -steden, ook in Tjoemen en Tobolsk bevinden zich ruime -doorgangsgevangenissen; onderweg, op alle, tengevolge van het bouwen -van een daarmede parallel loopenden spoorweg nog niet verlaten wegen, -minder ruime gebouwen, ter opsluiting van de daar den nacht -doorbrengende bannelingen. In zooverre dit niet noodzakelijk is worden -dezen nimmer gedwongen te voet te gaan, maar door middel van -spoorwegen, wagens en stoombooten naar de plaats van bestemming -getransporteerd; b.v. van Nischni-Nowgorod of Kasan naar Perm, van -Tjoemen uit op de Thoera, Tobolsk, Irtysch, Ob en Tom naar Tomsk. De -gevangenissen zijn eenvoudige, maar vrij zindelijke, de daarmede -samenhangende, maar op voldoende wijze afgescheiden hospitalen -voorbeeldig ingerichte gebouwen, de rivierbooten zeer lange, twee -verdiepingen bevattende schepen, die men het best zou kunnen -vergelijken bij reusachtige, drijvende kooien, daar de geheele -bovenverdieping in het midden, evenals eene vogelkooi, van tralies is -voorzien. Elk dier booten, door een stoomschip gesleept, bevat ruimte -voor zeshonderd personen, daarenboven een groote keuken, een -ziekenzaal, eene kleine apotheek, en tevens afzonderlijke vertrekken -voor de bemanning en de begeleidende soldaten. Tusschen Perm en Tjoemen -rijden wagens, die eveneens op vogelkooien gelijken en voor het vervoer -van de gevaarlijkste misdadigers dienen. - -Elke banneling ontvangt van regeeringswege een zwaren, grijzen wollen -mantel, waarop aan de rugzij een vierkant, al naar den aard van het -misdrijf, of liever van de straf, verschillend gekleurd stuk laken is -vastgehecht. Hierdoor worden de soldaten, voor zooveel noodig, -ingelicht omtrent de personen, over wie zij het toezicht hebben. Iedere -„ongelukkige” ontvangt dagelijks tien, is hij van beteren stand -vijftien, maar bij langduriger gevangenschap zeven, somtijds vijftien -kopeken voor de aanschaffing van zijn voedsel. Deze som is zoo ruim -berekend, dat men met eenig overleg daarvoor alle noodzakelijke -levensbehoeften kan koopen, ofschoon nog daarenboven iederen dag, de -vasten alleen uitgezonderd, aan elken persoon drie kwart pond vleesch -wordt uitgereikt. Indien de vrouw en de kinderen de veroordeelden -vergezellen, dan ontvangen deze een gelijke som. Bijverdiensten zijn -geoorloofd; het door werken of bedelen gewonnen geld vloeit, alhoewel -niet altijd ongedeeld, in den zak van den veroordeelde, soms ook wel in -den vorm van woettki door zijn keelgat. - -Zooeven merkte ik op, dat de vrouw en kinderen den veroordeelde mogen -vergezellen; ik moet er nog bijvoegen, dat zulks in den regel ook -geschiedt. De veroordeeling tot een gestrenge straf, ingevolge van een -zwaar misdrijf, levert ook in Rusland een voldoenden grond op om -echtscheiding aan te vragen; het staat dus iedere vrouw vrij om haar -man in de verbanning te volgen, of thuis te blijven. Zelfs de kinderen -boven de 14 jaren hebben het recht voor zich te beslissen, of zij met -hunne, naar Siberië trekkende ouders willen meêreizen of niet. Maar de -regeering ziet het gaarne, dat vrouw en kind den veroordeelde volgen, -werkt zulks op alle mogelijke wijzen in de hand, en houdt zich tevens -ernstig onledig met de vraag, in hoeverre de moeilijkheden en -onaangenaamheden, aan de reis verbonden, kunnen worden verminderd. - -Dat deze onder alle omstandigheden drukkend zijn, kan niet geloochend -worden; zoo ijselijk evenwel, als zij ons afgeschilderd worden, zijn ze -niet. Alleen de allerzwaarste misdadigers worden geboeid naar de plaats -van bestemming vervoerd; de anderen genieten meer vrijheden dan onze -veroordeelden. - -Het ellendigst is de reis, wanneer deze op stoombooten of op door deze -gesleepte schepen moet worden afgelegd. De bannelingen en hunne -gezinnen worden samen in ééne ruimte opgesloten; de gevolgen dezer -handelwijs zijn uitspattingen van allerlei aard, waaronder zulke, die -moeilijk nader te beschrijven zijn, en deels niet voorkomen kunnen -worden, of waarop niet genoegzaam gelet wordt. De slimme dief besteelt -den minder schranderen beroepsbroeder, de sterkere overmant den -zwakkere; men snijdt de zolen van de laarzen der slapenden, om zich de -hier wellicht verborgen banknoten toe te eigenen; de onverbeterlijke -zondaar doet den berouwhebbenden wankelen of bederft dengene, bij wien -nog hoop bestond op verbetering, in den grond. Wel is waar worden thans -de mannelijke en vrouwelijke misdadigers onderweg gescheiden, maar de -familieleden blijven bij hun hoofd, en nu loopen de vrouwen en dochters -der bannelingen gedurende de reis bestendig gevaar, al moge men zooveel -mogelijk trachten zulks te beletten. Daarentegen wordt de reis door -middel van stoomschepen ook wederom aanmerkelijk verkort, zoodat de nog -niet geheel bedorvenen, en zoo ook de vrije, niet veroordeelde -bannelingen te eerder aan die heillooze invloeden worden onttrokken. -Bezwaarlijker echter, ofschoon minder gevaarlijk voor de nog niet -geheel bedorven veroordeelden, is de reis te land. Een Russische -boerenwagen, op Russische wegen, en gereden door Russische, bijna -onafgebroken in galop voorthollende paarden, is voorzeker naar onze -begrippen een martelwerktuig, maar niet voor de Russen uit den geringen -stand, die van hunne jeugd af aan geen beter voertuigen of wegen gewoon -waren. De banneling moet, wel is waar, zich hier tevreden stellen met -een kleiner plaatsje dan de boer, wanneer deze met zijn gezin uit -rijden gaat, daar de wagen vol geladen wordt met zes tot acht personen, -maar ook de koetsier en mederijdende soldaat hebben het niet beter dan -de veroordeelde; alleen de zware misdadiger maakt daarop eene -uitzondering; diens ketens klinken ons bij zulk een rit -alleronaangenaamst in de ooren. Een banneling uit den beschaafden -stand, b.v. een wegens politiek misdrijf veroordeelde, heeft het -natuurlijk vreeselijk te verantwoorden en hij is volkomen in zijn -recht, wanneer hij deze reis met de zwartste kleuren afschildert, maar -de plaatselijke gesteldheden en landsgewoonten in acht genomen, -verliest deze gedwongen verhuizing althans iets van den vloek der -wreedheid, die op haar kleeft. En wat eindelijk de voetreizen betreft, -deze vinden vooreerst nooit in den winter plaats, worden slechts van -krachtige mannen, die kunnen loopen, geëischt, strekken zich over geen -langer dagmarschen uit dan veertig werst, en worden om den derden dag -met een rustdag in de aan den weg gelegen gevangenis afgewisseld. Ook -de soldaat moet alweder te voet gaan, maar deze heeft nog buitendien op -de bannelingen te letten en is voor hen verantwoordelijk, zoodat hij -het zwaarder heeft dan deze. Even veel gewicht als de moordenaar aan -zijn ketens heeft mede te slepen, moet de soldaat torschen aan zijn -wapens, pakkage en ammunitie. En de laatste is een trouw dienaar van -den staat, de eerste een uitvaagsel der maatschappij. - -Onrechtvaardig is en blijft het, dat een uit hoogere standen ontsproten -en wegens een gemeen misdrijf veroordeelde banneling, indien hij zulks -uit eigen middelen of die van anderen kan bekostigen, anders wordt -behandeld dan een voor hetzelfde misdrijf veroordeelde uit den geringen -stand; aan eerstgenoemden veroorlooft men, onder geleide van twee, voor -hunne heen- en terugreis door hem te betalen kozakken, op eene wijze -gelijk hij zelf wenscht en dus zoo gemakkelijk mogelijk, naar de plaats -zijner verbanning te trekken. - -Wordt zulks door iederen onbevooroordeelden Rus of Siberiër als eene -ongerechtigheid gebrandmerkt, en de waarheid er van onbewimpeld erkend, -aan den anderen kant is het even waar dat er van mishandeling der -getransporteerden van de zijde der met de overbrenging en bewaking -belaste beambten van hoogeren of lageren rang, gelijk door de -bannelingen zelf wordt erkend, geen sprake is. Het komt wel eens voor, -dat oproerige bannelingen onderweg worden doodgeschoten of op andere -wijs voor altijd onschadelijk gemaakt, maar zulke voorvallen behooren -tot de grootste zeldzaamheden en zijn noodzakelijke uitvloeisels der -omstandigheden, terwijl dit middel dan eerst wordt toegepast als alle -andere maatregelen onvoldoende blijken te zijn. De Rus is uit zijn aard -niet wreed zooals de Spanjaard, Turk, Griek of Zuid-Slavoniër; veeleer, -uit een kwalijk begrepen gevoel van barmhartigheid, soms uit traagheid, -te zacht dan te hard; hij spant wel eens mensch en dier boven hun -krachten in, maar ze voor zijn vermaak met opzet martelen, dit doet hij -nooit. Reeds uit den naam, aan alle bannelingen gegeven, „ongelukkigen” -spreekt genoegzaam een diep gevoel des volks, en met dit gevoel van -barmhartigheid houdt iedereen rekening, de soldaat en -veiligheidsbeambte, de opzichter der gevangenissen en de -gevangenbewaarder. Dat sommige onverbeterlijke booswichten zelfs het -vroomste lamsgeduld kunnen prikkelen en in flikkerenden toorn -veranderen, is te begrijpen; dat eervergeten kantoorklerken op de -verbanningsplaatsen zich zelfs het ongeluk schatplichtig maken om in ’t -bezit van meer geld te geraken dan de Staat hun aan jaarwedde -uitbetaalt, werd mij door bannelingen medegedeeld; dat de ter -verbanning veroordeelde opstandelingen van de laatste Poolsche -revolutie strenger door de hen begeleidende Russische soldaten werden -behandeld dan andere bannelingen, ja zelfs met onverbiddelijke -gestrengheid, heeft een gewezen scherprechter, die mij zijne -levensgeschiedenis door bemiddeling van een tolk moest verhalen, -geklaagd. Voor zulke buitensporigheden de tegenwoordige regeering -verantwoordelijk te stellen, gelijk nog altijd geschiedt, haar eeuwige -barbaarschheid toe te schrijven, en bestendig van den knoet te spreken, -die reeds sedert jaren is afgeschaft, onze oostelijke buren in ’t -algemeen als barbaren af te schilderen, dit is eenvoudig zinneloos, -omdat zulks in alle opzichten een logen is. - -Alle vigeerende wetten, verordeningen en inrichtingen bewijzen, dat de -regeering op de meest welwillende wijze voor de bannelingen zorgt en -zooveel mogelijk er op bedacht is hun lot te verzachten, terwijl -iedereen in de gelegenheid wordt gesteld hierin vroeger of later -verbetering te brengen. Zoo is het streng verboden de bannelingen met -onrechtmatige hardheid te behandelen, en wie dit gebod overtreedt wordt -streng gestraft; hun iets op onrechtmatige wijze te onthouden geldt -voor een zware misdaad. Overal heerscht het streven de straf te -verzachten, zoodra zulks maar eenigszins kan, den veroordeelde aan de -menschelijke maatschappij terug te geven, zoodra zulks mogelijk is. -Maar men helpt alleen hem, die dit verdient, niet dengene, die -beterschap huichelt. Want men fokt in Siberië geen huichelaars, zooals -in onze gevangenissen. De bij ons maar al te veel gebruikelijke, -walgingwekkende zucht om van de veroordeelden „vromen” te maken, kennen -de Russen niet, omdat het in hunne oogen iets is, wat vanzelf spreekt, -dat ieder de kerk en de „lieve heiligen” eert en acht, op zijn tijd -vast en in ’t algemeen dat doet, hetgeen de in uiterlijke vormen -opgaande kerk eischt. Men pakt er het kwaad bij de juiste plaats aan en -verkrijgt uitkomsten, die wij de Russen zouden kunnen benijden, of -liever benijden moesten. - -Van de vijftien duizend bannelingen worden telken jare slechts duizend -aan de bergwerken overgedragen, terwijl de anderen op verschillende -gouvernementen worden ingedeeld of, gelijk het heet, ter kolonisatie -verwezen. In de groote gevangenissen scheidt men niet alleen de mannen -van de vrouwen, maar ook Christenen, Joden en Mohamedanen; bij de -kolonisatie let men eveneens op het geloof. Zoodra de tot eene lichte -straf veroordeelde misdadiger de hem aangewezen plaats bereikt heeft, -verkrijgt hij van de regeering als laatste gift een woonbewijs, en van -nu af mag hij elk eerlijk beroep ongehinderd uitoefenen, niet evenwel -zonder toestemming der overheid van het distrikt, waar hij behoort, -terwijl hij evenmin het dorp van zijn verblijf mag verlaten, weshalve -hij dan ook voortdurend onder politie-toezicht is geplaatst. - -Waarom hij verbannen werd, over zijn vroeger leven wordt niet -gesproken, althans niet met een kwalijk gemeend doel, want „in ’t huis -van den gehangene spreekt men niet over den strop.” De bevolking, -waaronder hij leeft, stamt ook van zulke „ongelukkigen” af, of bestaat -er nog gedeeltelijk uit; en de weinige vrije kolonisten voegen zich -naar de zeden en gewoonten der overige Siberiërs. Men helpt de -„ongelukkigen” op eene wettige, soms niet eens in alles te -rechtvaardigen wijze. Reeds in de algemeene gevangenissen richt men -werkplaatsen op, ten einde vlijtige, arbeidzame bannelingen gelegenheid -te geven iets uit te voeren; buitendien tracht men door schoolonderwijs -het opkomend geslacht in goede banen te leiden, of trekt zich het lot -der door de bannelingen achtergelaten weezen met zulk eene opoffering -van tijd en geld, met zulk eene waarlijk edele menschlievendheid aan, -dat slechts hij, die met blindheid geslagen is, zulke lichtpunten niet -ziet, slechts een moedwillig stomme daarvan niet spreken wil. In de -gevangenis van Tjoemen bezochten wij de school, alwaar een pope -onderricht gaf aan de kinderen van Christenen, Joden en Tataren; het -was een verkwikkelijk schouwspel dien langlokkigen, gebaarden, ofschoon -nog jeugdigen pope, met zijn Christus-voorkomen, te zien werken. De -kinderen der Joden en Tataren moesten, wel is waar, even zoo goed als -de Christenkinderen den katechismus der rechtzinnige kerk leeren en -opzeggen, en eene stille hoop, dezen of genen der eersten voor het -Christendom te winnen, zal wel het hart van den pope hebben vervuld, -maar wat beteekent de schade, welke katechismus of pope zou hebben -kunnen te weeg brengen, vergeleken bij het nuttige doel, dat men -nastreefde? De knapen leerden door den katechismus Russisch lezen, zij -leerden nog schrijven en rekenen bovendien, en dit was de hoofdzaak. In -datzelfde Tjoemen bezochten wij het door een rijke dame gestichte en -ook door haar bestuurde en grootendeels onderhouden weeshuis voor de -kinderen van onderweg of in de stadsgevangenis gestorven bannelingen; -eene modelinrichting in den uitgestrektsten zin des woords, met -vroolijke kindergezichtjes, fraaie leer- en slaapzalen, werk- en -speelplaatsen, een klein tooneel met toebehoor; hier zagen wij een werk -van barmhartige liefde, waaraan wel niemand den hoogsten eerbied kon -ontzeggen. Maar wij zouden nog meer leeren kennen. - -Te Tjoemen, Omsk, Tobolsk en niet alleen in de steden, maar in de beide -betreffende gouvernementen verkeerden wij voortdurend met bannelingen, -meerendeels licht veroordeelden, dieven, bedriegers, gauwdieven, -landloopers en dergelijk volkje, tevens met oproerige Polen en andere -opstandelingen. De direkteur der Bank, die ons gastvrij ontving, was -een tot twaalfjarige verbanning veroordeelde Poolsche opstandeling; de -schrijnwerker, bij wien wij kisten bestelden, had de post bestolen, de -koetsier, die ons reed, had een zwaren diefstal op zijn geweten, de -kellner, die ons bediende, had een gast in het hotel bestolen, de -vriendelijke man uit Riga, die ons bij ’t overtrekken der Irtysch zoo -trouw had bijgestaan, had een officiëel stuk vervalscht, Goldmacher, -mijn oppasser te Obdorsk, had Russische meisjes aan Turksche harems -verkocht; het meisje, dat onze kamer schoonmaakte, had haar kind -vermoord, de apotheker te Omsk, had, naar men ons vertelde, zich met -kwade bedoelingen vergist en vergiften toegediend, enz. Wij zagen -eindelijk in alle menschen misdadigers, en wij behoefden ons slechts -naar een dienaar des gerechts te begeven om te hooren, dat al die -achtingswaardige lieden, waarmede wij in aanraking kwamen, kooplieden, -notarissen, photografen, tooneelspelers niet uitgezonderd, valsche -munters, oplichters, bedriegers enz. waren geweest. En toch, ieder -hunner verdiende hier zijn brood, soms meer dan dit, en menigeen, die -niet herkend wilde worden, had men niet ongestraft naar zijn verleden -kunnen vragen, omdat hij hiermede voor goed gebroken had. Dat een -banneling, een gewezen misdadiger zulks kan, dankt hij uitsluitend aan -zijne medeburgers en aan de regeering, die het goede voornemen om een -nieuw leven te beginnen, naar vermogen bevordert. Men geeft een ieder, -die werken wil, werk, zonder van wantrouwen blijk te geven, neemt hem -zonder vrees in zijn dienst, gebruikt den voormaligen dief als knecht, -koetsier of kok, de kindermoordenares als kindermeid, den veroordeelden -handwerksman, waar men hem noodig heeft. En men verzekert, dat het -slechts zelden voorkomt, dat men berouw over deze handelwijs moet -gevoelen. Zoo wordt menig misdadiger aan de menschelijke maatschappij -teruggegeven, tot een niet meer gevaarlijk staatsburger, en de vloek -der zonde reikt hier niet tot in het vierde, maar soms niet eens tot -het tweede lid. Wat bij ons zoo goed als niet mogelijk is, is in -Siberië mogelijk; daar maakt men van een misdadiger een mensch. Dat -zulks niet altijd gelukt, dat er ook in Rusland evengoed als bij ons -onverbeterlijken zijn, zal geen Siberiër ontkennen, maar het is een -opmerkelijk feit, dat in Siberië de door zijne gemeente uitgeworpen -landlooper veel gemakkelijker tot een misdadiger wordt, dan dat de -gestrafte misdadiger in vroegere zonden terugvalt. - -Terwijl de tot nog toe besproken bannelingen vrij zijn in hun bedrijf, -worden de zware misdadigers tot den arbeid in de mijnen gedwongen. -Omtrent Nertschinsk, alwaar 4000 dier ongelukkigen werkzaam zijn, welk -aantal nagenoeg stationair blijft, heeft de tegenwoordige -hoofdingenieur van het domein, Generaal von Eichwald, ons uitvoerig -ingelicht. Wat de misdadigers zelf aangaat, komt datgene, wat ik -vernam, kortelijk op het volgende neêr: - -Alle, tot den mijnarbeid veroordeelde bannelingen worden, aan de voeten -geboeid, ingeleverd en met deze ketenen beladen verrichten zij -hetzelfde werk als de vrije mijnwerkers. De verstandige mijnopzichter -onder wiens bevelen en opzicht zij werken, behandelt hen reeds ter -wille van zijn eigen leven en dat der zijnen menschelijk; want hij -heeft geen dienstpersoneel, talrijk genoeg om een eventueel oproer te -bedwingen. De misdaad van den veroordeelde is hem bekend; hij vraagt -dus niet naar het verleden. Na eenigen tijd storten de meeste -misdadigers uit eigen beweging hun hart voor hem uit, en smeeken hem om -verzachting van straf. Ook deze misdadigers mochten hun gezin -medenemen, of, indien zij ongehuwd zijn, staat het hun vrij eene vrouw -te kiezen. Staat hij op deze wijze nog met de maatschappij in -betrekking, dan ontwaakt dikwijls, zeer dikwijls zelfs, het geweten; -hij krijgt berouw en met dit berouw vat de hoop post in zijn boezem, en -op de hoop volgt het voornemen het gebeurde in de vergetelheid te -begraven. Hij werkt een of een paar jaren in boeien, gedraagt zich goed -en wekt vertrouwen. Zijn opzichter bevrijdt hem van de boeien. Hij -blijft zijn voornemen getrouw, arbeidt vlijtig door en begint voor zijn -gezin te zorgen. Dat gezin bindt hem aan het aanvankelijk zoo -onuitsprekelijk gevreesde vreemde land; dit blijkt beter te zijn dan -het gerucht meldt; hij begint tevreden te worden. Nu is het rechte -oogenblik gekomen om hem aan de menschheid terug te geven. De ambtenaar -schrijft hem op als kolonist. Jaren zijn verloopen sedert hij de -misdaad beging; deze staat voor zijn geest als een booze droom. Voor -zich ziet hij een wordende boerenhoeve, achter zich de boeien. De -geboorteplaats is hem vreemd geworden, met het vreemde land is hij -verzoend. Hij wordt boer, arbeidt, komt vooruit, en sterft als een -verbeterd mensch. Met dit oogenblik herkrijgen ook zijn kinderen hunne -vrijheid, en vrije Siberische burgers bebouwen voortaan het hun door de -regeering geschonken stuk gronds. Dit is geen verdichting, maar -werkelijkheid. - -Zeer zeker, niet ieder misdadiger schikt zich in zijn lot. Vol wrok -tegen dit lot en de menschheid, ontevreden met alles en allen, onwillig -tot den arbeid, misschien ook door heimweê gekweld, althans zuchtende -naar vrijheid, vindt de een den ander en beiden zijn op de vlucht -bedacht. Weken, maanden, jaren achtereen loeren zij op het gunstige -oogenblik; de een maakt den ander nauwkeurig en bij herhaling bekend -met zijn geheelen levensloop, schildert hem tot in de kleinste -bijzonderheden het dorp, waar hij heeft gewoond, de streek, het huis -zijner kindsche jaren, noemt hem al de namen zijner bloedverwanten, van -alle dorpsbewoners, die der naburige dorpen, de naaste steden, vergeet -niets en prent alles diep in het geheugen zijns kameraads; want hij wil -dien naam en die afkomst zich toeëigenen, om in geval hij gevat mocht -worden, daarmede de herkenning te bemoeilijken. De ander doet -hetzelfde. Een smid wordt voor het plan gewonnen, mede tot de vlucht -overgehaald, of anders een of ander werktuig opgespoord, waarmede men -de boeien kan verbreken. De lente is tot waarheid geworden, de dag der -ontvluchting breekt aan; bij de bestaande inrichting der bergwerken -valt het gemakkelijk, ja zeer gemakkelijk, ongezien te ontkomen en -eenige uren onopgemerkt te blijven. Is het bosch bereikt, dan zijn de -vluchtelingen voor het weder opvangen genoegzaam beveiligd, maar daarom -nog niet vrij van alle gevaar. Want de inboorling van dit land, de -Toengoes of Jakoet, die stroopend door de bosschen trekt, wordt -dikwijls verleid door de pels, die beter is dan de zijne, en een zeker -treffende kogel maakt zonder gewetenswroeging, ter wille van dien pels, -een eind aan een menschenleven. Zulke omstandigheden niet medegerekend, -ontmoet de vluchteling zelden hinderpalen. - -Ieder Siberiër zal uit een hem ingeschapen gevoel van goedhartigheid, -of uit een verkeerd toegepast medelijden, wellicht ook uit vrees of -traagheid, den vluchteling eerder helpen dan hem tegenhouden. In alle, -ten minste in vele aan den weg gelegen dorpen, plaatsen de boeren om de -beurt een grooten pot met melk en leggen ze een goed stuk brood, soms -ook een stuk vleesch achter een geopend venster, opdat de in den nacht -door het dorp trekkende vluchteling voedsel vinde en hij niet zal -genoodzaakt worden zijn toevlucht tot stelen te nemen. Zoolang hij zich -tevreden stelt met het hem vrijwillig gegevene, zoolang hij smeekend of -bedelend vraagt, zich echter onthoudt van alle ongerechtigheid, niet -steelt of rooft, knijpt zelfs de burgemeester de oogen dicht, wanneer -er ’s nachts onbekende lieden door het dorp reizen en het voor de -„ongelukkigen” bestemde voedsel tot zich nemen, of in de steeds warme, -eenzaam gelegen badkamer nachtrust zoeken en vinden. En wanneer een -„ongelukkige” op den klaar lichten dag mocht bedelen, verraden doet men -hem niet; en wanneer dezelfde „ongelukkige” om een paardetuig -vraagt—weigeren zal men hem ook dit niet, zoo men er nog een te veel -heeft. Wat hij met dat tuig wil, men weet het. Daar buiten het dorp -weiden de paarden, in weêrwil van wolven en beren, zonder eenig -toezicht. De vluchteling gaat naar de kudde, werpt een fermen hengst -het tuig over den kop, springt op den breeden rug en draaft lustig weg. - -„Nikolai Alexandrowitsch,” meldt iemand den eigenaar des paards, -„zooeven is een ongelukkige met uw beste ros doorgegaan; hij rijdt den -weg op naar Romanowskaja; zullen wij hem nazetten?” - -„„Nitschewo”” antwoordt Nikolai, „„paardje zal wel weêr terugkomen. Het -zal een ongelukkige geweest zijn. Laat hem rijden.”” - -Paardje komt ook zeker weêr terug, want op de weide achter Romanowskaja -heeft hij het tegen een ander verruild en rijdt hierop verder, terwijl -het eerste paard op welbekende wegen huiswaarts draaft. - -Op deze wijze geholpen, bereiken negentig van de honderd bannelingen -Tjoemen, Perm en zelfs Kasan. Waren zij beter bereisd, hadden zij -eenige aardrijkskundige kennis, reisden zij niet altijd langs dezelfde -wegen, waarop zij uit Rusland naar Siberië trokken, weder naar hun -woonplaats terug, zij zouden, zoo niet altijd, toch in de meeste -gevallen hun doel bereiken. Te Tjoemen, Perm en Kasan echter vangt men -meest alle vluchtelingen weêr op. En al mocht ook hij, die zijn naam -tegen dien van een ander verwisselde, niet uit zijn rol vallen, en al -mocht ook een ander op de hem voorgelegde vraag slechts dit ééne -antwoord geven: „Ik weet het niet,” noch het een, noch het ander -onttrekt hem aan het eindvonnis: terug naar Siberië! terwijl hij nog -stokslagen meteen ontvangt, als straf elken achterhaalden vluchteling -opgelegd. Hij reist langs denzelfden weg, dien hij als gevonnisde reeds -eenmaal bereisde, naar Siberië terug, om wellicht reeds spoedig na -zijne aankomst op nieuwe vluchtplannen te zinnen en deze te volvoeren. -Er zijn bannelingen, die tot zesmalen toe op deze wijze door Siberië -zijn getrokken. - -Spoediger dan zulke onverbeterlijke vluchtelingen eindigen dezoodanigen -hun loopbaan, die zich onderweg laten verleiden om te stelen of andere -misdaden te plegen. In zulke gevallen verkeert de goedmoedigheid van -den gezeten boer in wraakzucht. Alle eigenaren vereenigen zich om den -misdadiger te vervolgen, en deze is verloren, tenzij een toeval hem -redt. Wordt hij gegrepen, niets redt hem van een smartelijken dood. Dan -wordt er een lijk gevonden, aan ’t welk geen uitwendige kenteekenen van -een gewelddadigen dood zijn te vinden. Men begraaft het lijk, geeft aan -de overheid kennis van een en ander en deze meldt zulks verder aan den -Gouverneur, de laatste weder aan den Gouverneur-Generaal. Het overschot -van den misdadiger, die der volkswoede ten offer viel, is echter reeds -in ontbinding overgegaan nog vóór de distriktsarts zou kunnen -verschijnen, gesteld dat hij verschijnen wil. Wien de wraak trof blijft -onbekend. Op deze wijze, maar niet op last der regeering, verdwijnt -thans nog menig banneling, omtrent wiens uiteinde niemand iets weet -mede te deelen, de overheid zelfs geen licht kan verschaffen. Ieder -banneling echter weet welk lot hem wacht, zoo hij in Siberië als -vluchteling steelt of andere misdaden bedrijft. En daarom leeft men -hier, te midden van duizenden misdadigers, even veilig als ergens ter -wereld, en in elk geval veiliger dan in onze door het uitvaagsel der -menschheid verpeste groote steden. - -Ik heb getracht een getrouw beeld te ontwerpen van de tegenwoordige -toestanden, of liever gelijk deze in 1876 waren. Ik heb noch willen -verzachten, noch willen verbloemen. Verbanning naar Siberië is en -blijft eene straf, eene zware straf. En die straf drukt te zwaarder, -naarmate men meer ontwikkeld en beschaafd is, en zij zal in de oogen -van den ontwikkelde steeds en immer eene vreeselijke straf blijven. -Maar verbanning naar Siberië mag ook niets anders zijn dan straf en -moet den ontwikkelde harder treffen dan den niet ontwikkelde. Over de -rechtmatigheid van dezen grondregel kan men het oneens zijn, maar hij -valt toch niet geheel en al te loochenen. Men kan echter over het lot -der Siberische bannelingen eerst dan een rechtvaardig oordeel vellen, -wanneer men het vergelijkt met dat van onze misdadigers. - -Wat wordt er van de ongelukkigen, die onze gevangenissen bevolken? Wat -wordt er van hun gezin, hunne vrouw en kinderen? Wat is de toekomst van -den misdadiger, wanneer hij de gevangenis verlaten heeft; en welke -vooruitzichten heeft hij dan? - -Het antwoord op deze vragen moge hij geven, die met de toestanden -elders in Europa vertrouwd is. - -Vergelijkt men het lot, dat onze misdadigers staat te wachten, met dat -der Siberische bannelingen, dan kan de slotsom niet twijfelachtig zijn. -Ieder ware menschenvriend zal moeten instemmen met den wensch, die bij -mij in het verre Oosten is opgekomen en die mij sedert niet weder -verlaten heeft: „Hadden ook wij een Siberië; het zou beter zijn voor -onze misdadigers en ons zelf!” - - - - - - - - -XVII. - -ONDERZOEKINGSTOCHTEN OP DEN DONAU. - - -Hongarije is en blijft het land van belofte voor den vogelkenner. -Gunstiger gelegen dan eenig ander land van ons werelddeel, tusschen de -Noordzee en de Zwarte zee, tusschen de Oostzee en de Middellandsche -zee, tusschen de Alpen en de groote Germaansch-Russische laagvlakte, -het noorden en het zuiden,—steppen en gebergten, bosschen, groote -rivieren en moerassen in zich sluitende,—schenkt het aan standvogels -zoowel als aan strijk- en trekvogels, de grootste voordeelen en -aantrekkelijkheden, en om deze reden vertoont Hongarije een rijkdom aan -vogels, gelijk wellicht geen ander land van ons werelddeel. De -meesterlijke beschrijvingen van dien rijkdom, aan de pen onzer -uitstekendste geleerden ontvloeid, dragen er niet weinig toe bij om in -’t hart van alle vogelkundigen een heimelijk verlangen naar Hongarije -op te wekken. Maar vreemd:—het schoone, rijke land ligt zoo nabij en -wordt toch zeer zelden door Duitschers bezocht. - -Ook ik had alleen zijn hoofdstad gezien en dan nog zooveel als men van -uit een spoortrein kan waarnemen; steeds sterker werd in mij het -verlangen, dat heimwee, van hetwelk ik zooeven gewaagde. Dat verlangen -zou bevredigd worden, maar om spoedig daarna weder vuriger te ontwaken. -„Niemand wandelt ongestraft onder palmen” en geen vogelminnaar verwijlt -eenige Meidagen in de Fruškagora zonder later een hartstochtelijk -verlangen in zich te voelen opkomen, die dreven weder te zien. - -„Wilt gij mij,” zoo vroeg mij eens mijn hooge beschermer, kroonprins -Rudolf, „naar het zuiden van Hongarije op de arendjacht vergezellen? Ik -heb stellige berichten omtrent twintig adelaarsnesten, en ik vertrouw, -dat wij allen onze kennis veel zullen vermeerderen, wanneer wij deze -nesten opzoeken en tevens vlijtig waarnemen.” - -Twintig adelaarsnesten. Men moet jarenlang op de kale aardkluiten van -Noord-Duitschland geketend zijn geweest, men moet zich daarbij de -heerlijke ontmoetingen van bereisde vogelkenners voor den geest kunnen -roepen,—en in beide gevallen verkeerde ik—om zich de vreugde te kunnen -voorstellen, waarmede ik dit aanbod aannam. - -Twintig adelaarsnesten, op geen grooten afstand van Weenen, op geringen -afstand van Pest; ik zou niet mijns vaders naam hebben moeten dragen, -om hierbij onverschillig te blijven! Tot uren werden de dagen, die -onder allerlei toebereidselen voorbijvlogen, en tot weken werden ze -door het ongeduld, met hetwelk ik naar de afreis verlangde. - -Het was een klein, maar opgeruimd, hoopvol jacht- en werklustig -reisgezelschap, dat op Paaschmaandag van het jaar 1878 uit Weenen -vertrok. Behalve onze aanzienlijke jachtheer en diens doorluchtige -zwager bevonden zich nog de opperhofmeester Graaf Bombelles, Eugenius -von Homeijer en ik als verdere jachtgenooten op de snelle en -behagelijke boot, die ons een dag later, van Pest uit, op de golven van -den „blonden” Donau stroomafwaarts voerde. Door de morgenzon bestraald -en overgoten met het waas der lente lag de trotsche keizersburg van -Ofen voor ons; in ’t eerste voorjaarsgroen prijkten de tuinen van den -Bloxberg, toen wij in het vroege morgenuur afscheid namen van de -hoofdstad van Hongarije. - -Noch met den Rijn, noch met den bovenloop, ook niet met den benedenloop -van den Donau laat zich het stuk dezer rivier vergelijken, dat wij -bereisden. Weinige kilometer reeds beneden de tweelingsteden worden de -oevers vlak; spoedig krimpen de bergen aan den rechteroever in tot -onzichtbare heuvels, en slechts in de blauw-nevelige verte aanschouwt -het oog nog de zacht golvende lijnen van matig hooge bergen. Aan den -linkeroever breidt zich eene onmetelijke vlakte uit. Onafzienbaar, -zonder afwisseling, gelijkvormig en eentonig ligt zij daar; zelfs de -daarin verspreid liggende, aanzienlijke dorpen brengen in die -eentonigheid nauwelijks eene geringe afwisseling. Hier en daar ziet men -een herder leunen op zijn zwaren staf; geen vrome schaapjes zijn echter -aan zijn hoede toevertrouwd, maar knorrende borsteldragers, die -gezellig rondom den door de zon gebruinden man staan, of in behagelijke -rust nabij hem zijn gelegerd. Om den poel, die bij dezen hoogen -waterstand geheel vol is geloopen, beschrijft de kievit wijde kringen; -over de breede vlakte zwenkt de blauwe kuikendief; voor hunne, in de -steile oeverwanden gegraven nestholten zweven de oeverzwaluwen heen en -weder; op de met hout beschoten daken der talrijke scheepsmolens -trippelen sierlijke kwikstaartjes op en neêr; uit de rivier verheffen -zich kwakende eenden en aalscholvers; boven het water vliegen en -zwenken wouwen en bonte kraaien. Zoo ongeveer is het beeld van dit -landschap. - -Weldra evenwel komt daarin verandering. Nog effener wordt de vlakte, -die de stroom zich zelf eenmaal schiep en die hij thans uitdiept. Over -uitgestrekte, nog niet ingedijkte, en daarom door elken hoogen vloed -overstroomde vlakten verdeelt hij zich in een aantal, geen -afzonderlijke namen dragende armen. Welig opgeschoten hout bedekt de -oevers en eilanden; dicht begroeide oeverzoomen weren den blik in ’t -inwendige dezer oerwouden, welke zich mijlen ver langs den horizon -uitstrekken. In weêrwil der eentonigheid ontstaan en verdwijnen toch -afwisselende tooneelen, vormen deze zich, verschuiven ze en worden ze -opgelost, al naar ons vaartuig met den stroom eene andere richting -aanneemt. Wilgen, abeelen, zilverpeppels en zwarte populieren, olmen en -eiken, de eerstgenoemde het meest, de laatstgenoemde meer spaarzaam, -vormen den inhoud. Hooge, oude wilgen steken boven den dichten, bijna -uitsluitend uit boomen derzelfde soort bestaanden oeverzoom uit; dieper -naar binnen rijzen zilverpopulieren en zwarte populieren met hunne -heerlijke kronen omhoog, of steken oude, knoestige eiken de dorre -takken in de lucht. Met eenen enkelen blik overziet men een geheel -leven, van het uitspruitend wilgenrijsje af tot den afstervenden -boomreus; ontspruitende, ontkiemende, opgroeiende, in vollen wasdom -prijkende struiken en boomgewas, dorre kruinen, door hemel- en aardsch -vuur gevallen en half verbrande, op den grond liggende en vermolmende -stammen. Daartusschen blinken stilstaande of stroomende wateren, -daarboven welft zich de lucht. Uit het geheimzinnig duister klinkt de -slag van den nachtegaal, van den vink, het gezang van den in liederen -rijken zanglijster, gilt de valk, schreeuwt de arend, lacht de specht, -krast de raaf, krijscht de reiger. Nu en dan speurt men eene minder -dichte plaats in het bosch, een nog niet weder dicht gegroeide, gevelde -plek, die een blik veroorlooft op het daarachter gelegen landschap, op -de uitgestrekte vlakte van den rechteroever en den haar begrenzenden -heuvelzoom, op schier eindelooze akkers, op een dorp, op eene stad. In -den zomer, wanneer het groen van één tint is, in den naherfst, in den -winter en het voorjaar, wanneer de boomen bladerloos staan, moge dit -oeverlandschap vermoeien, nu moge het ook eentonig schijnen, maar het -is in werkelijkheid bekoorlijk; alle populieren en wilgen prijken thans -met hun jeugdig, frisch groen, velen met den dos hunner bloemen en zoo -zien de bosschen er, althans hier en daar, werkelijk teekenachtig uit. - -Op weinige plaatsen zijn deze bosschen toegankelijk, omdat zij -hoofdzakelijk slechts een onafgebroken moeras vormen. Tracht men, nu -eens langs droge wegen, dan eens langs en op het water tot het -inwendige door te dringen, men stuit al spoedig op eene wildernis, -gelijk men ze b.v. in Duitschland niet kent. Op de hoogst gelegen -plaatsen, daar, waar zich een vette, gedeeltelijk slijkerige grond -bevindt, wordt men nog eenigszins aan Duitsche bosschen herinnerd. Hier -ligt wel is waar een weelderig, sappig groen, met witte, geurige -lelietjes van dalen getooid tapijt ver in ’t rond uitgespreid; maar ook -hier groeien welig opschietende brandnetels en bramen in zulk eene -hoeveelheid, en doorvlechten zij de aldaar voorkomende klimplanten zoo -volkomen, dat het ons onmogelijk wordt verder door te dringen. Op -andere plaatsen wordt het woud letterlijk tot een meer, uit hetwelk de -reuzenboomen omhoog stijgen. Zware stammen, door ouderdom, storm, -bliksem of ’t lichtvaardig vuur van den herder geveld, liggen rottend -in het water en verstrekken dikwijls reeds tot voedsel voor jong -opgeschoten heesters, die daaruit opgroeien; andere, minder vergaan, -versperren den weg. Afgevallen hout, dikke takken en dunne, door den -wind bijeengehoopte twijgjes vormen drijvende eilandjes en landtongen, -die zoowel kleine bootjes in hunne vaart hinderen, als den wandelaar, -die wadend den weg vervolgt. Dergelijke, soms vrij groote, drijvende -eilanden, uit riet en bies samengesteld, vormen een onzeker, niet te -vertrouwen dek. Boven den waterspiegel oprijzende kleibanken, op welke -de zaden van wilgen en populieren een vruchtbaren bodem vonden, zijn -dicht met genoemde boomsoorten begroeid en betwisten zelfs den grond -aan de rietbosschen, die oppervlakten innemen van meer dan eene -vierkante geografische mijl. Dwergwilgen, hier jeugdig en frisch, daar -grijs van ouderdom, zien er in de verte uit als donkere plekken in dat -rietbosch. Wat het donkere woud met zijn moerassen en dicht geboomte, -wat het riet herbergt, zulks blijft voor het zoekend oog des waarnemers -meerendeels verborgen; alleen de rand dezer wildernissen ligt voor hem -bloot, het breede vaarwater is de eenige hem toegankelijke weg. - -In zulke oorden begonnen wij onze jacht, die eerst op de beheerschers -der lucht was gemunt. Deze, de arenden, kwamen ons op den eersten -reisdag echter nog niet onder schot, zelfs niet onder onze oogen; in -vergoeding hiervoor bezochten wij echter het reeds jarenlang beroemde -reigereiland Adony en hier hadden wij ruimschoots gelegenheid om het -leven van genoemde vogels in den broeitijd te leeren kennen. In de -hooge boomen van dit eiland nestelen sedert twee menschenleeftijden, te -midden van daar veel langer reeds verblijf houdende roeken, eene -menigte reigers en schollevaars, en al moge ook in de laatste dertig -jaren het aantal van laatstgenoemde vogels zeer zijn verminderd, -verdwenen zijn zij nog niet. Voor veertig jaren nestelden hier volgens -Landbeck, ongeveer duizend paren kwakken, tweehonderd en vijftig paren -blauwe reigers, vijftig paren kleine zilverreigers en honderd paren -schollevaars; heden zijn wederom de roeken het talrijkst, en hun aantal -kan op 1500 à 2000 paren gesteld worden; de blauwe reigers echter zijn -tot op ongeveer 150, de kwakken tot op 50 à 40 paren versmolten, -terwijl de kleine zilverreigers geheel verdwenen zijn, maar de -schollevaars komen er nog even talrijk voor als vroeger. Toch klonk ons -nog een nagalm uit het voormalig leven in de ooren, toen wij het eiland -betraden, en in sommige deelen vertoont het bosch nog vrij wel het oude -beeld. - -Oogenschijnlijk leven die gemengde vogelscharen in volkomen eendracht -samen, maar werkelijk zijn vrede en vriendschap hier verre. De eene -vogel verontrust of helpt, brandschat of voedt den ander. In de -kolonies der roeken laten zich de reigers neder om vrij te zijn van den -nestbouw; de eersten slepen de takken samen en bouwen de nesten, de -laatsten verdrijven de roeken van het nest, om zich òf het nest zelf, -òf de materialen toe te eigenen; nu komen de aalscholvers om wederom de -reigers den roof te ontnemen en hier ten slotte de beheerschers en -gebieders van den staat te blijven. Maar neen, ook deze dieven en -roovers worden op hunne beurt beroofd en bestolen, want kraaien en -wouwen, welke laatste vogels nimmer in zulk eene kolonie ontbreken, -voeden zich zelf en hunne jongen voor een goed deel met de visschen, -die de reigers en aalscholvers naar hunne nesten hadden gesleept. - -De eerste ontmoeting dezer verschillende broedvogels is van -vijandelijken aard. Hevige gevechten hebben plaats, en de tienmaal -overwonnene opent voor de elfde maal den strijd, alvorens zich bij het -onvermijdelijke neêr te leggen. Mettertijd evenwel komt er verbetering -in den toestand; men begint op te merken, dat uit het samenwonen ook -voordeelen ontspruiten en dat er voor vredelievende buren ruimte genoeg -overblijft. Wel is waar heerscht er ook nu nog geen volmaakte rust en -vrede, maar de felle strijd tusschen de verschillende soorten wijkt -voor meer dragelijke toestanden. Men wordt aan elkander gewoon en maakt -zich de werkzaamheid van zijne tegenpartij zooveel mogelijk ten nutte. -Ja, het komt wel eens voor, dat de beroofde den roover, wanneer deze in -de noodzakelijkheid komt zijn broedplaats elders op te slaan, herwaarts -volgt. - -Zulk een gemengde reigerkolonie levert inderdaad een aantrekkelijk -gezicht op. „Een boeiender en fraaier tooneel, rijker in afwisseling,” -zegt Baldamus, „dan deze Hongaarsche moerassen met hare vogelenwereld, -die zich gelijkelijk onderscheidt door het aantal individuen als door -verscheidenheid in kleur en vorm, kan men zich bezwaarlijk denken. Men -beschouwe slechts de meest merkwaardige dezer moerasbewoners in een -museum, en denke zich dan deze dieren staande, stappende, loopende, -klimmende, vliegende, kortom, levend, en men zal moeten toegeven, dat -het vogelleven hier onbeschrijfelijk aantrekkelijk is.” Deze teekening -is ook dan nog juist, wanneer men haar toepast op het verarmde eiland -Adony. Hoe gedund ook de eens zoo rijke bevolking zij, nog altijd -bestaat zij uit duizenden en nog eens duizenden individuen. Ver in het -rond draagt iedere boom des wouds nesten, sommige van twintig tot -dertig stuks, en om deze verdringt en beweegt zich het levendige volkje -der zoo onderscheiden kolonisten. De broeiende wijfjes der roeken, -blauwe reigers, kwakken en aalscholvers zitten op de nesten, en gluren -met haar donkere, zwavelgele, bloedroode, of zeegroene oogen naar den -rustverstoorder, die haar heiligdom betreedt; op de hoogste takken der -reuzenboomen zitten of klauteren, daarboven fladderen, vliegen en -zweven allerlei zwarte, bruine, grijze, één- en bontkleurige, doffe en -glinsterende vogelgedaanten; wouwen beschrijven daarboven hun kringen; -tegen de stammen hangen en werken de spechten; in de bloesems van een -pereboom zoeken gladde, vlugge grasmusschen, in de toppen der reeds -bebladerde vogelkersen vinken en boschzangers hun dagelijksch brood. -Het heerlijke tapijt van lelietjes van dalen is hier en daar bevuild en -bemorst door de uitwerpselen der vogels, ontsierd door gebroken eieren -en de uit het nest gevallen, half vergane visschen. - -Het eerste schot uit het geweer van onzen jachtheer roept eene -onbeschrijfelijke verwarring in ’t leven. Schreeuwend verheffen zich de -opgeschrikte reigers, oorverdoovend krassen de kraaien; boos grommend -verlaten ook de aalscholvers hun nesten. Een wolk van vogels zweeft -over het bosch, drijft heen en weder, op en neêr, breidt een schaduw -uit over de boomkruinen, spreidt zich in afzonderlijke vlokken uiteen, -die langzaam naar de zooeven verlaten nesten nederdalen, deze eene poos -omzweven en aan ’t oog onttrekken, om daarna weder met de hoofdmassa -ineen te smelten. Het is een geschreeuw, gebrom, gekras en gehuil, dat -hooren en zien vergaat; elke vogel vliegt weg en keert, beangst om nest -en eieren, weder terug. Het geheele bosch geraakt in opstand; alleen de -vink, hierdoor niet medegesleept, blijft doorkweelen met zijn -lentelied, blijft de specht lachen, blijven de nachtegalen hun -heerlijke wijsjes slaan, uiten zich deze dichterlijk gestemde zielen te -midden van roovers en dieven. - -Rijk met buit beladen keeren wij na een jacht van vier à vijf uren naar -de boot, onze woning, ons gezellig verblijf, terug, om terwijl wij -verder trekken, de gewonnen schatten wetenschappelijk te ordenen. Uren -lang varen wij langs dergelijke bosschen, gelijk ik schilderde, nu en -dan ook grootere of kleinere plaatsen, steden en dorpen voorbij, totdat -de toenemende duisternis halt gebiedt. Tegen het aanbreken van den -volgenden dag bereiken wij Apatin. Vreugdeschoten, muziek en -juichkreten begroeten den beminden troonopvolger. Allerlei menschen -dringen zich om de boot; jagers, die hier wonen, nestenzoekers, -boombeklimmers, menschen, die de vogels zullen afstroopen, komen aan -boord; meer dan een dozijn kleine scheepjes, „Czikeln” genoemd, worden -volgeladen. Weêr stoomt de boot rivierafwaarts, om ons in de nabijheid -van een breeden arm aan land te zetten. Op dezen arm dringen wij voor -de eerste maal de natte bosschen in. Alle kleine booten, die wij te -Apatin hebben volgeladen, volgen de onze, even als kiekens de -moedereend. Heden vangt de jacht op den arend aan, welke vogel in deze -bosschen zoo veelvuldig broedt; binnen den omtrek van eene vierkante -mijl heeft men niet minder dan vijf nesten opgespoord. Vol jachtlust -scheiden wij, om ons in verschillende richtingen naar die nesten te -begeven. - -Ik kende den koenen, roofgierigen, ofschoon niet-edelen roofvogel van -vroeger, want ik had hem in Noorwegen en Lapland, alsmede in Siberië en -Egypte te dikwijls gezien, maar ik had nog nimmer zijn nest aanschouwd; -de gelegenheid, die zich nu hiervoor aanbood, was mij alzoo hoogst -welkom. In overeenstemming met zijn naam, bewoont hij met voorliefde de -zeekusten, maar bovendien de oevers van vischrijke meren en groote -rivieren. Wordt hij door den winter uit zijn schuilplaats verdreven, -dan trekt hij zoover zuidwaarts als noodig is om ook in het koude -jaargetijde niet van honger om te komen. In Hongarije is hij een der -meest voorkomende groote roofvogels; hij verlaat het land ook in den -winter niet en onderneemt alleen in zijn jeugd, voordat hij volwassen -is, verre zwerftochten, even alsof hij eens de proef wilde nemen met -het vreemde land. In het voorjaar ziet men daarom in dit jachtgebied -uitsluitend oude, reeds het standvastig vederkleed bezittende, dus -volwassene, voortplantingsrijpe zeearenden, terwijl daarentegen in den -herfst en in den winter, behalve de voor eenige maanden uitgevlogen -jongen, ook nog uit andere streken overgekomen zeearenden deze -oeverwouden van den Donau bevolken. Zoolang de stroom vrij van ijs -blijft, valt het den vogels niet moeielijk zich te voeden; zij jagen in -het water even behendig, zoo niet beter, dan op het land, zweven boven -de rivier, totdat zij een visch in ’t vizier krijgen, storten zich -pijlsnel op dit dier neder, verdwijnen, terwijl zij de prooi onder -water vervolgen, soms geheel onder de golven, werken zich met hun -krachtige vleugels evenwel snel weder naar boven, brengen den buit, -dien zij de krachtige klauwen door het schubbenpantser boorden, naar -eene rustige plaats en verteren dien aldaar op hun gemak. Daar men in -Hongarije hunne rooverijen niet zoo kwalijk neemt als bij ons, hen -zelfs met eene onverdiende verschooning behandelt, vindt men deze -vogels geregeld in de nabijheid der visschershutten, alwaar zij op de -naburige boomen zitten wachten totdat de visscher hun de doode visschen -uit zijne vischkaar of anderen afval toewerpt. Op gelijke wijs zorgen -de Hongaarsche, Servische en Slavonische boeren voor de zeeadelaars, -door de doode dieren niet te begraven, maar op het veld te laten -liggen, aan de arenden, alsmede aan de gieren, honden en wolven -overlatende het aas op te ruimen. Onttrekt een ijskleed de gewone prooi -aan ’t oog des zeearends, en bevindt zich toevallig ook geen dood aas -in de nabijheid, zelfs dan nog lijdt hij geen gebrek. Evenals de meer -edele en meer stoute steenarend, jaagt hij op alle wild, dat hij maar -overweldigen kan. Hij grijpt den vos en den haas, doodt den egel en de -rat, den duiker en de wilde gans; hij ontrooft den zeehond diens jong -en gaat in zijne blinde roofgierigheid zoo ver dat hij zijn sterke -klauwen in den rug van dolfijnen en steuren slaat; tot loon voor dien -euvelmoed trekken beide dieren hem naar de diepte en voor het hem -gelukt is zijn klauwen weder los te maken, is hij verdronken. Soms valt -hij zelfs den mensch aan. En zoo heeft hij bijna nimmer gebrek, en -indien men hem niet geregeld vervolgt, leidt hij een vrij aangenaam, -werkelijk benijdenswaardig leven. - -Tot den broeitijd leeft de zeearend met zijns gelijken in vrede en -eendracht; is die tijd gekomen, dan ontwaakt de strijdlust in zijn door -jaloerschheid gekweld hart. Zoowel om een nest, als om een wijfje -machtig te worden vangt hij aan met een zijner soortgenooten hevig te -vechten. Wel duurt het eenmaal gesloten huwelijk dezer vogels het -geheele leven door, maar niet langer dan de man in staat is het wijfje -tegen de aanzoeken van andere mannetjes te beschermen en zich het -eigendom van zijn nest te verzekeren. Begeerig laat een volwassen, -geslachtsrijp mannetje zijn oogen rusten op het wijfje van een anderen -arend en haar nest; beiden gaan den rechtmatigen echtgenoot verloren, -en zijn den anderen gewonnen, zoo deze overwinnaar blijft. Een strijd -op leven en dood tegen den indringer, die het huiselijk geluk belaagt, -volgt; hoog in de lucht vangt het gevecht aan, op den grond wordt de -strijd beslist. Met snavel en klauwen stooten de vogels op elkander, -totdat het een hunner gelukt zijn tegenstander te grijpen, terwijl hij -’t naaste oogenblik weder de nagels van den ander in zijn lijf voelt -slaan. Gelijk aan twee door en in elkander verwarde veêren ballen -vallen beide nu omlaag, of in ’t water, of op ’t land, maken de klauwen -van elkander los, om terstond daarna weder opnieuw het gevecht te -beginnen. Als woedende hanen worstelen de helden, wanneer zij den -strijd op den grond voortzetten; losse veêren en bloed wijzen de -kampplaats aan en bewijzen de hevigheid van dien strijd. Middelerwijl -beschrijft het wijfje haar kringen om de vechtenden, of het ziet van -een verheven zitplaats den strijd schijnbaar onverschillig aan; zij zal -echter den overwinnaar hartelijk liefkoozen, wanneer deze na geëindigd -gevecht tot haar terugkeert, onverschillig of het de rechtmatige -echtgenoot of de echtbreukeling is. Wee den eersten, indien het -krijgsgeluk zijn mededinger gunstig blijft! In de oogen eener -arendsvrouw komt slechts den sterkeren de eerekroon toe. - -Na zegevierend zulke aanvallen te hebben afgeslagen, waarvan geen -arendsmannetje verschoond blijft, en die telken jare ook in Hongarije -moeten worden afgespeeld, betrekt het paar, waarschijnlijk het -langstgehuwde, het oude nest en begint reeds in Februari met dit te -herstellen. Het materiaal wordt door beide echtgenooten gezamenlijk van -den grond afgelezen of zij visschen het uit het water op, breken het -ook wel van de boomen af, om het in de klauwen, soms van heinde en ver -naar het nest te dragen en hier volgens de regelen der kunst te -verwerken, zoo goed als een arend zulks vermag. Daar elk jaar deze -vernieuwing herhaald wordt, nemen de hoogteafmetingen van zulk een nest -telkens toe, zoodat men daaruit reeds tot deszelfs ouderdom kan -besluiten; ook leidt men er den duur van het huwelijk uit af, want in -de oudste nesten huizen ook de oudste paren. Het nest bevindt zich niet -altijd boven in den top der boomen, maar toch echter altijd vrij hoog -boven den grond, meer of minder dicht bij den stam en altijd gesteund -door zware takken, wat noodig is omdat het nest ieder jaar grooter en -zwaarder wordt. Uit zware en lichtere takken en twijgen, alle los over -en in elkaar gevlochten, bestaat de onder- en bovenbouw, waarin een -groot aantal ringelmusschen, die zich onverschrokken en onbevreesd in -de nabijheid van den machtige wagen, passende holten voor nest en -schuilplaats vinden. - -Tegen het einde van Februari of het begin van Maart legt het wijfje -twee, hoogstens drie eieren in de vlakke nestholte, en vangt nu aan -ijverig te broeden. De arend verzorgt zijn broedend wijfje met voedsel, -verwijdert zich, als hij op roof uitgaat slechts ongaarne ver van het -nest, en zet zich, als hij genoeg voor zich en zijn wijfje heeft -verzameld, trouw de wacht houdende, in de nabijheid van het nest op een -bepaalden boom neder, die meteen tot slaap- en rustplaats wordt. Na -vier weken broeiens komen de jongen uit; deze zijn aanvankelijk witte -wolballen, waaruit een zwarte snavel, donkere oogen en reeds zeer -scherpe klauwen te voorschijn komen; het zijn even sierlijke als reeds -zich zelf bewuste schepseltjes. Thans hebben vader en moeder volop -werk. Beiden wisselen elkander af om buit te halen en de jongen te -bewaken, ofschoon de moeder alleen zich met de eigenlijke verpleging -belast. Wel staat de vader haar bij om de kindertjes op te voeden, maar -alleen de moeder is in staat minnediensten te bewijzen. Werd zij aan -haar jeugdig kroost ontnomen, dit zou evenzeer moeten omkomen als het -jonge zoogdier, dat men van zijn moeder berooft. Met haar eigen borst -dekt de moeder-arend haar jongen tegen wind en regen; uit haar eigen -krop reikt zij dezen het verwarmde, doorweekte, vooraf verteerde -voedsel. Zulke minnediensten bewijzen kan de vader-arend niet; wel -neemt hij op later leeftijd, indien alsdan de moeder mocht worden -weggerukt, gaarne de opvoeding en voeding geheel voor eigen rekening, -al moge zulks gepaard gaan met veel inspanning en moeite. De jongen -groeien voorspoedig en snel op. In de derde levensweek hebben zij reeds -veêren op het bovenlijf gekregen; tegen het einde der Meimaand zijn zij -volwassen en vliegvaardig. Nu verlaten zij het nest, om onder geleide -der ouders zich voor een zelfstandig leven voor te bereiden. - -Ziedaar, in vluchtige trekken geschilderd, het levensbeeld van den -adelaar, op welken vogel in de eerstkomende dagen onze jacht gericht -zou zijn. Niet minder dan negentien bezette nesten werden door ons -bezocht en hierop met afwisselend geluk jacht gemaakt. Somtijds te -voet, somtijds in eene kleine boot gezeten, menigmaal springende en -wadende, kruipende en sluipende, trachtten wij, ongezien en ongehoord, -de nestboomen te naderen; vol verwachting verbleven wij uren lang in -fluks opgeslagen loofhutten onder deze boomen en zagen in spanning naar -de arenden, die door ons zelf of anderen opgeschrikt, hoog in de lucht -hun kringen beschreven en niet weêr naar het nest wilden terugkeeren, -maar zulks toch eindelijk zouden moeten doen, om ons ten offer te -vallen. De eene waarneming werd aan de andere vastgeknoopt, en zoo -verkreeg deze jacht voor ons allen eene ongemeene bekoring. - -Buiten de arenden en andere roofvogels, die almede buit werden gemaakt, -waren of schenen de zooveel belovende bosschen arm aan gevederd -gedierte. Het was evenwel nog vroeg in het jaar en de vogels bevonden -zich nog veel op den trek; ook konden wij weinig meer dan den zoom der -wouden onderzoeken. Doch ook het aantal vogels, dat teruggekomen was en -in dien rand verblijf hield, beantwoordde niet aan onze verwachtingen. -En toch treurden wij het meest om iets anders, n.l. om de schaarschheid -aan goede zangers. Wel kweelde de zanglijster haar rijke liederen in -het van voorjaarsluchten geurende woud; wel sloeg hier en daar een -enkele nachtegaal, en begroette de vink ons allerwege met zijn -lentezang; wel oefende ook reeds eene grasmusch haar keeltje,—maar noch -het een, noch het ander was voldoende om onze scherp luisterende ooren -te bevredigen. Wij bevonden dat het allen slechts stumpers, geen -meesters waren. En zoo scheen het ons eindelijk bijna toe, alsof het -genoemde gezang in deze sombere bosschen eigenlijk niet te huis -behoorde, en ware daarin alleen het geschreeuw van arenden en valken, -het gehuil van oehoe’s en boschuilen, het geratel van waterhoentjes en -zeezwaluwen, het gekrijsch van reigers, het gelach van spechten, het -geroep van koekoeken en het gekir der houtduiven, de meer passende -melodie; waren hoogstens nog ook de in riet en biezen huizende -rietzangers, die hun lied grootendeels aan dat der kikvorschen ontleend -hebben, de eenige van rechtswege daarin behoorende zangvogels. - -De vierde jachtdag was bestemd voor het op eenige mijlen van de -Donau-oevers gelegen Keskenderwoud. Toen wij de rivierbosschen verlaten -hadden, kwamen wij in eene uitgestrekte, eerst op grooten afstand door -een landrug begrensde vlakte; door goed bebouwde akkers van de groote, -voorbeeldig bestuurde heerlijkheid Bellye voerde een weg, dien wij in -vluggen draf te paard aflegden. Hier en daar moerassige weiden met -poelen en slooten, een boschje, een groote door knoestige eiken omgeven -herberg, een gehucht, een dorp, verder boomlooze velden,—zoo zag het -landschap er uit, dat wij doorsnelden. Boven de velden steigeren -duizenden zingende leeuweriken; op de wegen trippelen aardige -kwikstaarten; op de heggen langs den weg zitten klauwieren en -grauwgorzen; in de kruinen der eiken schreeuwen en zingen de daar -nestelende kerkkauwen en spreeuwen; boven de waterplassen trekken -visschende vischarenden en tuimelen sierlijke zeezwaluwen in -zigzaglijnen; in het moeras loopt de kievit heen en weder, maar van -andere vogels bemerken wij weinig. Ook het Keskenderwoud, een goed -onderhouden bosch, dat wij na een rit van twee uren bereikten, was in -weêrwil van zijn afwisselend geboomte arm in soorten; maar hier -nestelden schreeuwadelaars en vischarenden, arendbuizerden en gewone -buizerden, valken en uilen en vooral zwarte of boschooievaars in groot -aantal, en zoo viel onze jacht boven alle verwachting goed uit. En toch -kenden de boschwachters, die eerst voor weinige dagen kondschap hadden -gekregen van het te verwachten bezoek van onzen doorluchtigen -jachtheer, en het bosch in alle richtingen hadden doorzocht om nesten -op te sporen om deze op eene schielijk vervaardigde kaart aan te -duiden, bij lange na niet alle in dit ééne woud verblijf houdende -roofvogels en zwarte ooievaars. „Het zijn paradijsachtige toestanden,” -merkte kroonprins Rudolf op en drukte in deze enkele woorden zeer juist -de verhouding uit, die er bestaat tusschen de menschen en dieren van -Hongarije. Evenals de oosterling kent ook de Hongaar gelukkig de -moordzucht niet, waardoor de dieren in West-Europa zoo schuw zijn -geworden en die hun aantal, helaas! zoozeer heeft doen verminderen; hij -gunt zelfs gaarne aan den roofvogel een plaatsje op zijn eigendommen en -grijpt niet voortdurend ruw en wreed in de dierenwereld in, die om hem -leeft en zich beweegt. Niet eens het schandelijk egoïsme, dat -tegenwoordig elk jaar hebzuchtige kooplieden in vederen aanspoort tot -rooftochten op den beneden-Donau, ten einde honderdduizenden, -levenslustige lieve vogels ter wille van hun gevederte op te offeren, -heeft den Magyaar kunnen bewegen van zijne goede oude zeden af te -wijken. Onverschilligheid omtrent de hem omgevende dierenwereld moge -daartoe grootelijks bijdragen, maar de gastvrijheid, die hij den vogels -bewijst, komt dikwijls uit het hart en verdelgingswoede blijft hem -vreemd. Zonder van vrees te doen blijken vertoeven de dieren, -voornamelijk de vogels, in de nabijheid van den mensch; zij doen alsof -zij alleen waren. De arend nestelt aan den weg in het bosch; de gewone -raaf in het boschje langs den akker; de zwarte ooievaar is niet -schuwer, dan bij ons de heilige, gewone ooievaar; het wild staat niet -van zijn leger op, wanneer de wagen tot op geweerschotsafstand -voorbijrolt. Het zijn werkelijk paradijsachtige toestanden. - -Zulke toestanden zouden wij evenwel ook nog buiten het Keskenderwoud -leeren kennen. Nadat wij dit laatste nog in verschillende richtingen -hadden doorkruist, de nesten van meer dan twintig arendbuizerden en -vischarenden, alsmede van den zwarten ooievaar bezocht en bejaagd, ons -met een heerlijk ontbijt en nog meer met den heerlijken wijn van dit -land verkwikt en gelaafd, vingen wij, door eene dreigende onweêrswolk -tot spoed aangezet, onze terugreis naar het vaartuig aan, steeds -jagende en verzamelende, zooveel de gelegenheid veroorloofde. De weg, -langs welken wij terugreisden, was een andere, dan die, welken wij op -de heenreis hadden genomen, n.l. een groote heirbaan, die verschillende -dorpen verbond. Een aantal dezer laatste hadden wij reeds achter den -rug, toen wij opnieuw tusschen huizen doorreden. Aan de gebouwen was -niets bijzonders te zien, maar aan de bewoners meer dan ik ooit had -kunnen denken. De bevolking van het dorp Dalyck bestaat bijna -uitsluitend uit Schokazen of katholieke Serben, die tijdens de -heerschappij der Turken uit het Balkan-schiereiland naar hier zijn -vertrokken, liever, door de Turken herwaarts gebracht. Het zijn -schoone, slanke menschen, deze Schokazen. De mannen zijn groot en -sterk; de vrouwen in dit opzicht op de mannen gelijkende, zijn zeer -goed gebouwd en waarschijnlijk niet van schoonheid ontbloot. Het eerste -viel te beoordeelen, voor het laatste moest de fantasie ons te hulp -komen; de Schokazinnen toch dragen een kleed, gelijk zeker nergens in -Europa gezien wordt, en door onzen hoogen jachtheer, steeds vindingrijk -en veelbeteekenend in zijn uitdrukkingen, mythologisch genoemd. Wanneer -ik zeg dat het hoofd en het aangezicht bijna geheel omhuld worden door -op zeer eigenaardige, maar volstrekt niet smakelooze wijze -ineengewonden en toegeknoopte doeken, terwijl de rok vervangen wordt -door twee bontgekleurde, op een schort gelijkende, losse stukken doek, -mag ik overigens aan de verbeelding volle vrijheid veroorlooven, zonder -mij bevreesd te maken, dat zij al te zeer de haar gestelde perken zal -overschrijden. Ik zelf werd levendig herinnerd aan het kamp Arabische -nomaden, dat ik eens in de oerwouden van Centraal-Afrika bezocht. - -Onder een stortregen bereikten wij tegen ’t vallen van den avond ons -gezellig vaartuig. Regenachtig is ook de volgende ochtend, bewolkt de -dag en weinig winstgevend de jacht. Zulks noopt ons verder te reizen, -hoe dankbaar wij ook waren voor de dagen in de heerlijkheid Bellye -doorgebracht, en hoe rijk de oogst misschien ook zou geweest zijn, -indien wij hier nog ettelijke dagen hadden vertoefd, waargenomen en -verzameld. Met een hartelijke en welverdiende dankbetuiging nam onze -jachtheer afscheid van den beambte der aartshertogelijke heerlijkheid; -nog een blik op de wouden, die ons zooveel goeds hadden geschonken, en -nogmaals stoomt ons snelvarend scheepje den Donau af. Binnen weinige -uren bereiken wij Draueck, den mond der Drave, welke rivier voortaan de -richting van de bedding der rivier schijnt te bepalen. Een der meest -grootsche rivierlandschappen, die ik ooit gezien heb, ligt thans voor -ons. Een breed watervlak strekt zich voor onze oogen uit; in ’t zuiden -wordt het begrensd door lachende heuvelen, naar alle andere zijden -breiden zich bosschen uit, gelijk wij nog niet gezien hebben. Noch de -loop van den hoofdstroom, noch die van zijn nevenrivier laat zich -vervolgen; de ontzettende watermassa gelijkt op eene van alle kanten -ingesloten zee, welker oevers slechts bij den straks vermelden -heuvelketen duidelijk te voorschijn treden; want zelfs tusschen het -groen der bosschen door, op plaatsen, waar openingen het gezicht vrij -laten, ziet men wederom water, woud en rietbosschen, welke laatste den -vele mijlen grooten plas Hullo bedekken, in eindeloos schijnende -uitgestrektheid. Reusachtige boomstammen, door beide rivieren -aangevoerd en half onder ’t water verscholen, half daarboven drijvende, -nemen allerlei fantastische vormen aan; het schijnen de fabelachtige -dieren der voorwereld te zijn, die hun gepantserde lichamen boven de -donkere golven uitsteken. Want donker, bijna zwart stroomt de „blonde -Donau” daar heen, terwijl ons vaartuig Draueck voorbijstoomt. -Grijsachtig zwarte en loodkleurige onweêrswolken bedekken den hemel; -oogenschijnlijk zweven ook zij tusschen het honderdvoudig geschakeerde -groen der bosschen en hangen zij boven de eentonig vaalgeel gekleurde -rietvelden. Bliksemstralen werpen een schel licht op dit tooneel; de -regen stroomt kletterend naar beneden, de donder laat zijn gerommel -hooren, de stormwind huilt in de hooge toppen der oude boomen, woelt in -de wateren en kroont de donkere toppen der golven met een grijsachtig -wit schuim; beneden, in het zuidoosten echter breekt de zon door het -zwarte floers des hemels, omzoomt dit met purper en goud, en werpt -daarover een helder licht, zoodat de zware schaduwen nog scherper -uitkomen; fonkelend straalt het op de bonte heuvels, die in de verte -tot een gebergte opstijgen. Daarbeneden, daar aan gindschen kant liggen -gehuchten en dorpen; hierboven wordt de oorspronkelijkheid van het -grootsche, in zijn wildheid en momenteele verlichting en beweging zoo -verheven tooneel slechts gebroken door eene enkele, kegelvormige, met -riet gedekte visschershut. - -In ’t oog vallend is de armoede aan vogels, in ’t algemeen de -eenzaamheid der uitgestrekte watervlakte. Geen meeuw zweeft over den -spiegel van den Donau, geen zeezwaluw vliegt in zigzaglijnen op en -neder; hoogstens verheffen zich enkele woerden uit den stroom. Nu en -dan ziet men nog een blauwen reiger, eene vlucht kwakken, een -zeeadelaar, eenige wouwen, raven en bonte kraaien, misschien wel een -troep kieviten, en de opsomming der hier aanwezige vogels is geëindigd. - -Van den volgenden dag af trekken wij jagend en waarnemend door een -wonderschoon gebied. De blauwe bergen voor en op welke gisteren in den -onweêrsnacht heldere, gouden zonnestralen vielen, zijn de hoogten der -Fruškagora, een boschrijk middelgebergte van de heerlijkste soort. -Graaf Rudolf Chotek had op de voorbeeldigste wijze alles voor eene -waardige ontvangst van onzen hoogen jachtheer voorbereid en zoo -wachtten ieder onzer onvergetelijke dagen. Van het dorp Cerewic uit, -boven hetwelk onze boot ligt, rijden wij elken dag door de kloven, -beklimmen wij in den wagen of te paard, of wandelende, de hoogten van -het gebergte, om elken avond vol zaligheid en geluk weder huiswaarts te -keeren. De gulden Meimaand verkwikt geest en lichaam, hart en ziel, en -onze gastheer is zoo onuitputtelijk in attenties, voorkomendheid, -vriendschapsbewijzen en gulheid, dat de dagen, door ons in de -Fruškagora doorgebracht, wel voor immer onvergetelijk zullen blijven; -zij behooren tot de rijkste en schoonste der geheele reis. - -De streek, dagelijks door ons bezocht, is meer dan liefelijk. In de -nabijheid van het dorp breiden zich akkers uit; achter deze begint de -gordel van wijnbergen, die zich uitstrekken tot aan den zoom des wouds; -in de dalen en ravijnen daartusschen bloeien en geuren tal van -ooftboomen, die aan het landschap eene ongemeene bekoorlijkheid -schenken; aan de hellingen der wegen, die gewoonlijk den loop der dalen -volgen, woekert een dicht struikgewas, terwijl het oog zich vermeit in -eene bloemenpracht, die in deze dalen, waar geen watergebrek heerscht -en murmelende beekjes hun aangenaam geruisch laten hooren, weelderig -ontluikt. Op de eerste hoogten heeft men een verrassend schoon -vergezicht. Beneden op den voorgrond teekent het dorp Cerewic zich -schilderachtig af; dan volgt de breede Donau met zijn lage -oeverbosschen aan den overkant; achter de rivier en de bosschen breidt -zich de eindelooze Hongaarsche laagvlakte uit, en toont den waarnemer -haar weilanden en akkers, haar bosschen en poelen, haar dorpen en -marktvlekken in een onzeker, en juist daardoor te meer boeiend licht; -in het oosten troont de vesting Peterwardein. - -Boven de akkers verheffen zich zingende leeuweriken; uit de struiken -klinkt uit honderden kelen de slag van den nachtegaal; uit de -wijnbergen schalt het vroolijk lied van den steenlijster en hoog in de -lucht beschrijven twee giersoorten en drie verschillende arenden hun -wijde kringen. - -Na een korten tocht verdwijnen stroom, dorpen en akkers, en een -heerlijk boschrijk dal neemt ons op. Steil vallen de bergen weêrszijds -af; kam en rug zijn dicht met niet al te hoog geboomte bezet. Eiken, -linden, olmen en platanen maken hier, beuken en hoornboomen ginds de -bevolking uit; dicht en laag struikgewas, waar de nachtegalen verblijf -houden, vormen de omgrenzing. Geen grootsch vergezicht loont den -wandelaar, die de hoogste ruggen beklimt en in ’t noorden Hongarije, in -het zuiden Servië voor zich ziet liggen, maar hart en zinnen worden -gestreeld door een plechtig, rustig schemerdonker. Van de hoofdkam, die -niet hooger dan tot 900 meter opstijgt, scheiden zich, in min of meer -loodrechte richting verloopende, naar beide zijden een aantal ketens -af, die van welken kant ook beschouwd, dikwijls een verrukkelijk -gezicht opleveren. Zij eindigen in dalen of sluiten ketels in, welker -hellingen tot nog toe geen hout hebben afgevoerd en deswege prijken in -al de schoonheid van een oorspronkelijk woud. Reusachtige, recht -opgeschoten, tot aan de hooge kruinen gladstammige beuken rijzen uit -een veenlaag van bladeren omhoog, waarin de jager tot zijn knieën -inzinkt; knoestige eiken steken de takken hunner kruinen hoog in de -lucht, alsof zij alle roofvogels wilden uitnoodigen hun nesten hier op -te slaan; gewelfde linden vormen hier en daar zulk een dicht gesloten -bladerendak, dat de stralen der zon slechts na veelvuldige -terugkaatsing den grond bereiken. Zanglijsters en merels, wielewalen en -roodborstjes, schildvinken en fluiters, zijn, behalve de overal -verspreide nachtegaal de zangers van dit woud; de koekoek roept zijn -lentegroet van berg tot berg; zwarte en groene spechten, boomklevers en -meezen, houtduiven en kleine boschduiven merkt men almede op. - -Onze jacht was hoofdzakelijk gericht op den grootsten aller Europeesche -roofvogels, den grauwen gier, wiens noordelijkste broedgebiedsgrenzen -in de Fruškagora schijnen gelegen te zijn. Bij dezen vogel heeft zich -onlangs, wellicht gelokt door de ongelukkige offers van den Servischen -oorlog, de tweede groote gier van Europa gevoegd, en beiden broeden -hier onder de niet moeielijk te verklaren bescherming van den -dierkundigen en dieren-minnenden eigenaar des wouds. Ik kende van -vroegere reizen beide soorten, maar niettemin verheugde ik mij -uitermate, ze hier op hun broedplaatsen te kunnen waarnemen en -mededeelingen te mogen ontvangen van een jager, gelijk Graaf Choteks; -waarneming, uitvorsching van het leven der dieren, was trouwens bij ons -hoofdzaak. En weder knoopten wij de eene waarneming aan de andere, en -menige ons nog donkere zijde van het leven dezer beide reuzen onder de -vogels werd door dit onderzoek opgehelderd en verklaard. - -De grauwe of monniksgier, wiens verbreidingsgebied niet alleen de drie -zuidelijke schiereilanden van Europa omvat, maar bovendien West- en -Middel-Azië tot aan Indië en China in zich sluit, is een standvogel der -Fruškagora, die echter na den broeitijd gaarne zwerftochten onderneemt, -welke hem geregeld tot in het noorden van Hongarije, soms tot naar -Moravië, Bohemen en Silezië voert. Krachtige vleugels stellen hem in -staat zulke tochten zonder veel inspanning te ondernemen. Wanneer de -eieren of hulpbehoevende jongen hem niet aan de plaats binden, vliegt -hij in den vroegen voormiddag van den boom, waar hij den nacht -doorbracht, stijgt in schroeflijnen omhoog, zoo hoog, dat het -ongewapende oog hem niet meer kan volgen, ziet van hier met zijn -weêrgaloos scherp, voor de meest verschillende afstanden geaccomodeerd -gezichtsorgaan groote vlakten over, terwijl niets zijn blik ontgaat; -hij speurt zelfs het kleinste aas, en zoodra iets, dat van zijn gading -is, ontdekt wordt, stort hij zich uit de hoogte daarop neder. Na dit, -òf opgegeten, òf althans voorloopig in den krop geborgen te hebben, -neemt hij den terugtocht aan of zwerft nog eenigen tijd doelloos rond. -Even gelijk hij het beneden hem gelegen, vele vierkante geografische -mijlen omvattend, voor zijn oogen geheel ontsloten gebied afleest, let -hij eveneens op de bewegingen van eigen soortgenooten, of van andere -groote, aasvretende roofvogels in ’t algemeen, om van deze waarnemingen -zooveel mogelijk partij te trekken. Hierin vindt men de verklaring van -het feit, dat dikwijls zoovele gieren tegelijk plotseling bij een of -ander groot aas verschijnen, en dit zelfs in streken, waar zij -gewoonlijk niet verblijven. Niet het vrij zwakke reukvermogen, maar -alleen het scherpe gezicht is hun op deze rooftochten van dienst. De -een vliegt den ander na, zoodra hij bemerkt, dat deze eene prooi heeft -opgespoord, en de snelheid van zijn vlucht is zoo groot, dat hij -dikwijls nog intijds bij het feestmaal is aangekomen en reeds bezig is -met smullen, terwijl de ontdekker daar nog zijn kringen boven -beschrijft. Talmen mag hij niet, want niet tevergeefs dragen deze -vogels hun naam; hunne vraatgierigheid gaat alle perken te buiten. -Weinige minuten zijn voor drie of vier gieren voldoende om een dooden -hond of een dood schaap bijkans geheel te verslinden, zoodat de -maaltijd met onbegrijpelijke snelheid verloopt en hij, die te laat -komt, den hond in den pot vindt. - -De gieren der Fruškagora vinden overigens, behalve groot aas, hier ook -nog veel goeds voor krop en maag in andere dieren, want wij troffen in -het spijskanaal van een door ons gedooden vogel de overblijfsels aan -van ziesels en groote hagedissen, welke dieren hoogst waarschijnlijk -niet dood gevonden, maar levend gegrepen zijn geworden. - -In overeenstemming met de meer noordelijke ligging der Fruškagora en de -voor gieren minder gunstige geregelde toestanden van het omliggende -land, zaten de monniksgieren tijdens ons verblijf nog op de eieren te -broeden, terwijl diezelfde vogels in meer zuidelijke streken zeker -reeds jongen hadden. De nesten bevonden zich op de hoogste boomen van -het bosch, veelal op meer dan twee derde van de hoogte der -berghellingen. Graaf Choteks kende velen hunner, daar zij sedert -twintig jaren steeds geregeld naar dezelfde broedplaats terugkeerden, -terwijl menig nest al dien tijd hetzelfde paar had gediend en elk jaar -nieuwen toevoer van bouwstoffen erlangd, zoodat sommige eene verbazende -afmeting hadden verkregen. Enkele nesten waren van later dagteekening. -Alle evenwel waren het bouwgewrocht der vogels zelf. In het oudste en -grootste had een volwassen mensch kunnen liggen zonder met het hoofd of -de voeten veel over den rand heen te steken. - -Wij zetten ons onder deze nesten neder om het leven en bedrijf in het -woud aandachtig na te gaan, tevens hier de terugkomst der voor ons -gevluchte gieren af te wachten, en hun een zeker schot in ’t lijf te -jagen. Vier achtereenvolgende dagen togen wij elken morgen naar dat -heerlijk woud, en geen enkelen dag keerden wij zonder buit naar de -rivier terug. Niet minder dan acht groote gieren, een aantal arenden, -en ontzaglijk veel klein gevogelte van verschillende soort maakten wij -buit, terwijl het jachtvermaak nog werd gekruid en gewijd door hoogst -belangrijke, ons allen boeiende waarnemingen. Wanneer de laatste -zonnestraal was verdwenen, verzamelden de jonge dorpsbewoners zich om -ons vaartuig. Viool en doedelzak vereenigden zich tot eene liefelijke, -alhoewel eenvoudige melodie, en meisjes en jongens bewogen zich, den -hoogen gast ter eere, in den gelijkmatig zwevenden volksdans. - -Nadat wij ook aan den anderen oever van den Donau met gelijk geluk -hadden gejaagd, namen wij eindelijk, op den vijfden dag, afscheid van -onzen meer dan oplettenden gastheer, den eigenaar der bezitting, en -vervolgden de reis, altijd stroomafwaarts trekkende. Na eene vaart van -drie kwart uurs bereiken wij Peterwardein, de kleine, nu verouderde, -maar schoon en schilderachtig gelegen vesting, anderhalf uur later -Karlowitz, in welker nabijheid wij den nacht doorbrengen. Den volgenden -morgen bereiken wij Kovil, het einddoel van den tocht. - -In de nabijheid van dit groote dorp bevinden zich door akkers -ingesloten bosschen, waarvan eiken het hoofdbestanddeel uitmaken, maar -waarin zich zulk een dicht onderhout bevindt, dat de wolf en wilde kat, -ondanks de nabijheid van vele bewoonde plaatsen, hier een schier -ongestoord leven leiden. Geen wonder dus, dat ook roofvogels van -allerlei soort, vooral zee-, konings-, schreeuw- en dwergarenden, -arend-buizerden, wouwen, haviken, oehoe’s, alsmede andere uilen, hier -hunne nesten opsloegen; allerlei klein gevogelte houdt hier almede -verblijf. Onze hooge jachtheer en zijn doorluchtige zwager beproefden -in de bosschen hun geluk, terwijl Eugenius von Homeyer en ik gingen -jagen in een hoogerop gelegen moeras, dat door den hoogen waterstand nu -tot een wijde zee was geworden. - -In dit moeras,—op dit tijdstip evenwel waren de vogels nog niet alle -aangekomen, daar de trek nog in vollen gang was—in dit moeras heerschte -het rijkste en veelsoortigste dierenleven. In bijna onafgebroken -opvolging trekken sterke vluchten zwarte zeezwaluwen naar den Donau, nu -eens in dichte drommen, dan weêr zich verdeelende over de geheele -breedte van den buiten zijn oevers getreden stroom; ongetwijfeld naar -nestplaatsen zoekende, reizen honderden zwarte ibissen, in den gewonen -V-vorm vliegende, stroomopwaarts en stroomafwaarts, naar de Theis zich -begevende of van deze rivier terugkeerende; purperreigers, blauwe -reigers en ralreigers loopen visschende heen en weder; rietwouwen, -lange rietstengels naar het nest dragende, vliegen langs oude, bekende -wegen; opnieuw gepaarde eenden, wier wijfjes door den hoogen waterstand -van hare eieren beroofd werden, verheffen zich bij ’t naderen onzer -kleine boot schreeuwend boven het water, terwijl futen en waterhoentjes -in de diepte eene schuilplaats zoeken; kortom, geen plekje der groote -watervlakte is onbezet en zonder leven. Een houtvester, met de wegen -vertrouwd van een overstroomd bosch, wacht ons op in zijne woning, die -als een eilandje boven het water uitsteekt, om onze gids te zijn in -deze boschwoestijn, die alle vroeger bezochte verre achter zich laat, -omdat de hooge waterstand nieuwe hindernissen voegde bij de reeds -bestaande. Ons vasthoudende aan de in gewone omstandigheden tamelijk -hoog boven den grond verheven takken, dikwijls gebukt onder andere, die -den weg versperren, heen trekkende, trachten wij door de breede -watervlakte, tusschen half en geheel omgevallen boomen en drijvende -stukken hout, groot en klein, een weg te banen om binnen in het woud te -dringen. Wilde eenden, die op knotwilgen zitten te broeien, blijven -gerust op de eieren en laten zich door ons niet storen, al naderen wij -hen tot op een meter afstand. Geoorde futen, die het vrije water hebben -opgezocht, zwemmen, zoodra zij ons in ’t gezicht krijgen, naar het -groene loof der tot aan hun kronen in ’t water staande -boomen,—hoofdzakelijk wilgen; kwikstaarten springen van het eene stuk -drijfhout op het andere; bonte spechten en boomklevers hangen dicht bij -de oppervlakte van het water tegen de boomstammen, om op de hun gewone -wijze naar voedsel te zoeken. Het eene beeld uit het leven der vogels -verdringt het andere; ieder tooneel schijnt echter iets ongewoons, -omdat de bijzondere omstandigheden daarin zekere wijziging hebben -gebracht. Om bij het nest van een zeearend te komen, moeten wij ver -door het water baden; om dat van eene kraai te naderen moeten wij een -langen omweg maken. Regelrecht op het jachtdoel afgaan is hier -onmogelijk, en toch is de jacht meer dan winstgevend. Ik had -persoonlijk het genoegen en voorrecht een der uitstekendste -bouwkunstenaars van ons werelddeel, den buidelmuis, bij zijn werk gade -te slaan; ’t was voor ’t eerst van mijn leven. - -Den volgenden dag vereenigde zich het geheele jachtgezelschap in een -der genoemde boschjes tusschen de akkers. Een Hongaarsche houtvester -had eene groote drijfjacht op wolven voorbereid, maar deze zoo -onverstandig ingericht, dat vriend Isegrim ongezien weg kon sluipen. De -weinig hoopgevende jacht werd dan ook spoedig gestaakt, terwijl wij nu -nog het overige van den tijd zooveel mogelijk nuttig besteedden tot het -doen van waarnemingen omtrent het leven der deze bosschen bewonende -vogels. - -Nog in den loop van dienzelfden dag verlaten wij Kovil, bereiken tegen -zonsondergang wederom Peterwardein, varen in de eerste uren van den -nacht de Fruškagora nogmaals voorbij, verlaten den volgenden dag nog -eenmaal ons vaartuig, om in het rietbosch Hullo te jagen en daar -waarnemingen te doen, krijgen hier eindelijk den te vergeefs gezochten -grooten zilverreiger te zien, moeten evenwel met den ons nog slechts -spaarzaam toebedeelden tijd rekening houden en verder stoomen, teneinde -den sneltrein naar Weenen niet te missen. - -Dankbaar de laatste dagen gedenkende, tevens den snellen voortgang -hunner uren beklagende, varen wij weder de oeverbosschen, die ons -zooveel genot hadden geschonken, voorbij, en met den wensch in het hart -nog eenmaal deze oorden te bezoeken, en dan voor langer tijd daar te -vertoeven, nemen wij voor ditmaal afscheid van een even rijk als -eigenaardig land. - - - - - - - - -ALPHABETISCHE LIJST VAN DE WETENSCHAPPELIJKE NAMEN -DER IN DEN TEKST VERMELDE DIEREN EN PLANTEN. [2] - - -A. - -Aalscholver, Carbo cormoranus. -Aard- of grondeekhoorntjes, soorten van Tamias. -Aboe-Tok, Rhynchaceros erythrorhynchus. -Aboe-Risch, Nectarinia metallica. -Abrikoos, Prunus armeniaca. -Absinth, Artemisia absinthium. -Adders: - Hoornadder of Cerastes, Cerastes cornutus. - Groefadders, zoo genoemd naar eene groeve tusschen de oogen en de - neusgaten. Hiertoe behoort o.a. de ratelslang. - Halys-adder, Vipera halys. - Gewone adder, V. berus. -Alken: - Tordalk, Alca torda. - Groote alk, A. impennis. -Alpenzwaluw, zie Zwaluwen. -Alpenkraai, Pyrrhocorax alpinus. -Alpenerwt, Orobus alpestris. -Altaïden of Siberische den, Abies Pichta. -Alarmvogel, Schizorhis zonurus. -Alpenhaas, Lepus variabilis. -Amandel, Amygdalis communis. -Amadina’s, Prachtvinken. -Anarnak, Groenlandsche benaming voor de dolfijnsoort; Hyperöodon -rostratus. -Antilopen: - Gazelle, Antilope dorcas. - Saiga of Steppen-antilope, A. saiga. - Windhond-antilope, of Beni-Israël, Antilope hemprichiana. - Gems, A. rupi capra. - Krop-Antilope, Cervicapra saigas. - Gnoe, Antilope gnu. - Springbok, A. euchore. -Anjelier, Dianthus caryophyllus. -Apen: In de nieuwe uitgaaf van Brehms „Tierleben” wordt de volgende - indeeling dezer orde gegeven: - - 1e Familie, Smalneuzen (Catarrhini), apen der Oude Wereld. - 2e ,, Breedneuzen (Platyrhini) } apen der N.W. - 3e ,, Klauwapen (Arctopitheci) } - - 1e Familie. - Smalneuzen. - - a. Menschapen (Anthropomorpha). - b. Hondsapen (Cynopithecini). - - a. Menschapen. - Gorilla, Gorilla gina. - Chimpanzee, Simia troglodytes. - Orang-oetan, S. satyrus. - Gibbons. Het geslacht Hylobates, b.v. siamang, H. - syndactylus. - b. Hondsapen. - Slankapen, Semnopithecus, b.v. - hulman, S. extellus. - boedeng, S. maurus. - Neusapen, Nasalis. - Kortduimigen, Colobus, b.v. - guereza, C. guereza. - satansaap, C. satanas. - Meerkatten, Cercopithecus, b.v. - groenaap, C. sabaeus. - mooraap, C. fuliginosus. - Makako’s, Macacus, b.v. - Javaanaap, M. cynomolgus. - hoedaap, M. sinicus. - boender of rhesus, M. rhesus. - laponderaap, M. nemestrinus. - magot, M. inuus of Inuus ecaudatus; deze soort komt nog - voor op de rotsen van Gibraltar. - Bavianen of hondskopapen, Cynocephalus, b.v. - moorbaviaan, C. niger. - mantelbaviaan, C. hamadryas. - dschelada, C. gelada. - mandril, C. mormon. - dril, C. leucophaeus. - - 2e Familie. - Breedneuzen. - - Brulapen, Mycetes, b.v. - roode brulaap, M. seniculus. - zwarte ,, M. niger. - Spinapen, Ateles, b.v. - marimonda of aroe, A. beelzebuth. - koata, A. paniscus. - Wolapen, Lagothrix. - Rolapen, Cebus, b.v. - kapucijneraap, C. capucinus. - - De voorgaande Amerik. soorten waren voorzien van een - grijpstaart. Zonder dit orgaan zijn: - - Zweepapen, Pithecia, b.v. - satansaap, P. satanas. - Springapen, Callithrix. - Saimiri’s, Chrysothrix, b.v. - doodskopaapje, C. sciurea. - Nachtapen, Nyctipithecus. - - 3e Familie. - Klauwapen of Eekhoornapen. - - Voorbeelden: - leeuwaapje, Hapale leonina. - midas of jacchus, H. rosalia. - ouïstiti of zijdeaapje, H. jacchus. - dwergaapje, H. pygmaea. - - Afgescheiden van bovenstaande ware apen moeten beschouwd worden de - bastaard-apen of halfapen, die voornamelijk op Madagaskar en - naburige landen worden aangetroffen. Men geeft ze ook wel den naam - van lemurinen. - -Apenbroodboom, Adansonia digitata. -Arenden: - Koningsarend, Aquila imperialis. - Steenarend, A. chrysaëtos of fulva. - Zeearend, Haliaëtus albicilla. - Dwergarend, A. minuta. - Vischarend, Pandion haliaëtus. - Slangenarend of Slangenbuizerd, Cyrcaëtus gallicus. - Schreeuwarend, Aquila naevia. - Schreeuwzeearend, Haliaëtus vocifer. - Arts-adelaar, zie goochelaar, Helotarsus ecaudatus. - Dwergarend, Aquila pennata. - Gierarend, baardgier, lammergier, Gypaëtus barbatus. (zie Gieren). -Archar of Arkar (bij de Kirgiezen), Argali (bij de Mongolen), Ovis -argali of ammon. -Arara’s, langstaartige papegaaien van Zuid-Amerika. -Aspis, Naja haje. -Auerhoen, zie Hoenders. - - - -B. - -Baardvogel, Bucco viridis, e.a. s. zij worden zoo genoemd naar de 5 -bundels borstelharen aan den wortel des snavels. -Basterdnachtegaal, Aedon galactodes. -Banaan = pisang, soorten van Musa. -Baardmees of Rietmees, Parus biarmicus. -Baobab of apenbroodboom, Adansonia digitata. -Baviaan, zie Apen. -Basterd-lijsters, het geslacht Crateropus, b.v. C. leucopygius. -Bessen (roode), Ribes rubrum. -Berghoen, Caccabis of Perdix graeca en saxatilis. -Beren: - Bruine of Gewone beer, Ursus arctos. - Grijze beer, Griszly-beer, U. cinereus of ferox. - Baribal of Amerik. beer, U. americanus. - IJsbeer, U. maritimus. -Besheide, Empetrum nigrum. -Bison (Amerik.), Bos bison. -Bieslook, Allium schoenoprasum. -Bijeneter, Merops apiastes, Edolius paradisius. -Bijeneters, het geslacht Meropes. De op pag. 137 en 161 van den tekst -bedoelde soort is Merops Nubicus. -Bijvoet, Artemisia vulgaris, maritima, e.a. s. -Blauwborstje, Lusciola suecica. -Blauwe boschbes, Vaccinium Myrtillus. -Blauwmerel, Turdus cyanus. -Blindmol, Talpa coeca. -Bloedvink of amarant, Habropyga of Lagonosticta minima. -Boel-boel, Pycnonotus Vaillantii. De Boelboel der Perzen is Luscinia -hafizii. -Boerenzwaluw, zie Zwaluw. -Bokje of moerassnip, Scolopax gallinula. -Boomeekhoorntjes, eekh. die op boomen leven, even gelijk ons gewone -eekhoorntje, Sciurus vulgaris. -Boomhop, Irrisor erythorhynchus. -Boomklever, Sitta caesia. -Boompieper, Anthus arboreus. -Boschbes, Vaccinium vitis idaea (de roode). -Boschhoenders, zie Hoenders. -Braambessen, soorten van Rubus, zooals: R. suberectus, R. caesius, R. -fissus, enz. De wetenschappelijke naam der framboos is Rubus idaeus. -Broodvrucht, Artocarpus incisa, e.a. s. -Buizerden: - Ruigpootbuizerd, Buteo lagopus. - Slangen- of arendbuizerd, Circaëtus gallicus. -Burgemeesters, zie Meeuwen. - - - -C. - -Cederden, Pinus cembra (ook wel Arve genoemd). -Cerastes of hoornadder, Cerastes cornutus. -Christusdoorn, Rhamnus spinae Cristi. -Condor, Sarcoramphus gryphus. - - - -D. - -Dauw, Equus Burchelli. De zebra, Equus zebra, is geheel gestreept; bij -den quagga, E. quagga, ontbreken de strepen, behalve op het achterste -gedeelte des lichaams ook op de pooten, en bij den dauw alleen op de -pooten. -Das, Meles taxus. -Dennen: - Cederden, Arve, Pinus cembra. - Schotsche den, P. sylvestris (Föhre, gemeine Kiefer). - Dwergden, P. Mughes of Pumilio (Zwergkiefer). - ,, P. Pinea (Pinie). - Weymouthsden, P. Strobus. - Spar, Abies excelsa (Fichte, Rothtanne). - Zilverden, A. pectinata of Pinus picea (Edeltanne). - Larix, Abies larix of Pinus larix. - Ceder, Pinus Cedrus. -Delebpalm, Borassus aethiopicum. -Doornkruiper, Basterdnachtegaal, Accentor modularis. -Dompalm, doempalm, Hyphaene thebaica. -Doerrha, Sorghum vulgare. -Drongo, klauwierachtige vogels, die men vereenigt in het geslacht -Dicrurus of Edolius. -Druif, Vitis vinifera. -Dschiggetai (langoor), de Mongoolsche naam van den Koelan der -Kirgiezen, den Dschan der Toengoezen, of den Kiang der Tibethanen, den -Equus hemionus of Asinus hemionus der wetenschap. De Onager van den -bijbel is waarschijnlijk eene variëteit van den Koelan; als bijzondere -soort beschouwd draagt de onager den naam van Equus (Asinus) Onager. -Duiven: - Rotsduif, Columba livia. - Guineaduif, Columba guinea. - Ringduif, Columba palumbus. - Kleine boschduif, Columba oenas. -Duitsche papegaai, Coracias garrula. -Dwergamandel, Amygdalus nana. -Dwergtrap, Tetrax campestris. -Dwergels, Alnus nana. -Dwergberk, Betula nana. - - - -E. - -Edelmarter, zie Marters. -Eekhoorntjes: - Gewone eekhoorntje, Sciurus vulgaris. - Gestreepte eekhoorntje, Sc. striatus. - Vliegende eekhoorn, Pteromys volans. -Eenden: - IJseend, Harelda glacialis. - Pijlstaart, Anas acuta. - Roesteend of holeneend, kasarka, Anas rufila. - Eidereend, Fulix molissima; twee andere soorten zijn F. spectabilis - en F. Stelleri. Ook aan onze kusten verschijnen nu en dan deze - vogels. - Krakeend, A. strepera. - Wilde eend, A. boschas. - Wintertaling, A. crecca. -Ekster, Pica caudata of varia. -Eland, Cervus alces. -Els (witte), Alnus incana. -Erwtenstruik, ? -Erwtenboom, Caragana arborescens. -Essek, Pennisetum distichum. - - - -F. - -Fennek, Vulpes zerda, zie Vossen. -Fitis, Ficedula trochilus. -Fluiter, Ficedula sibelatrix. -Frankolijn, eene patrijzensoort, Perdix francolinus. -Framboos, Rubus idaeus. -Fuut (Geoorde), Podiceps auritus. - - - -G. - -Gaai (Vlaamsche) Garrulus glandarius. -Ganzen: - Vosgans, Nijlgans, Egypt. gans, Chenalopex aegypticus, e.a. s. - Spoorgans, Plectropterus Gambensis. - Lapgans, ? -Gaperbek, Anastomas lamelligerus. -Garakan, ? -Gazelle, zie Antilope. -Geitenmelkers of Nachtzwaluwen, door de Duitschers Nachtschatten -genoemd: - Gewone geitenmelker, Caprimulgus europaeus. - Roodhalzige geitenm., C. ruficollis. - Klagende geitenmelker, de Whip-poor-will der Amerikanen, C. - vociferus. - Sleepnachtzwaluw, Scotornis longicaudus. - Waternachtzwaluwen, Hydropsalis spec. - Liernachtzwaluw, Hydropsalis forcipatus. - Vlag-nachtzwaluw, Cosmetornis vexillarius. - Viervleugelige nachtzwaluw, Macrodipteryx longipennis. - Woestijn-nachtzwaluw, Caprimulgus isabellinus. - Pracht-nachtzwaluw, C. eximius. -Gems, zie Antilope. -Gekko, Platydactylus guttatus, e.a. s. -Gieren: - In de Oude Wereld. - Kuifgieren: - de grauwe of monniksgier, Vultur monachus. - de oorgier, V. auriculus. - de kaalkopgier, V. calvus. - Aasgieren of gansgieren: - de witkopgier, Gyps fulvus. - de sperwergier, G. rüpellii. - de witte aasgier, (hen der Pharao’s) Neophron percnopterus. - de monniksaasgier, N. pileatus. - In de Nieuwe Wereld. - Kamgieren: - de condor, Sarcoramphus gryphus. - de koningsgier, S. papa. - Hoendergieren: - de kalkoengier, Catharista aura. - de raafgier, C. atrata. - de kraangier of sekretaris, Serpentarius secretarius, wordt het - gevoegelijkst tot de valkachtige vogels gebracht, terwijl de - lammergier of baardgier, Gypaëtus barbatus een overgang vormt - tusschen gieren en valkachtigen. -Glansspreeuw, Lamprocolius nitens. -Gnoe, zie Antilope. -Goochelaar, Artsadelaar, hemelaap, Helotarsus ecaudatus. -Goudwever, Ploceus galbula, zie Wevervogels. -Goudkoekoek, Chrysococyx auratus. -Goudvinken: - Gewone goudvink, Phyrrhula erythrina. - Steengoudvink = Woestijn-goudvink? (Pyrrhula githaginea). -Goudplevier, Charadrius auratus of pluvialis. -Gorzen: - Sneeuwgors, Emberiza nivalis. - Spoorgors, E. lapponica. - Steengors, E. cia? - Geelgors of haverkneu, E. citrinella. - Grauwgors, E. miliaris. - Rietgors, E. schoeniclus. - Ortelaan, E. hortulana. - De gorzen maken met de vinken ééne familie uit. -Grasmusschen: - Gewone grasmusch of doorn-grasm., Curruca (Sylvia) cinerea. - Meesterzanger, C. Orphea. - Zwartkapje, D. atricapilla. - Tuinfluiter, C. hortensis. - Molenaar, G. garrula. - Sperwer-grasmusch, C. nisoria. - Zanger der Provence, Pyrophtalma provincialis. -Groef-adders, zie Adders. -Guanaco, Auchenia huanaco; waarschijnlijk de stamsoort der lama’s. -Grasmusch, Sylvia cinerea. -Groenvink of vlasvink, Fringilla chloris. -Granaat, Punica granatum. -Griel, Oedicnemus crepitans. - - - -H. - -Haakvink, zie vinken. -Hagedasch of bosch-ibis, Ibis Hagedasch. -Hamster, Cricetus fromentarius. -Havik, Astur palumbarius. -Hazen: - Poolhaas of Sneeuwhaas, Lepus glacialis; misschien dezelfde soort als - de - Alpenhaas, Lepus timidus, variabilis, albus of alpinus. - Gewone haas, Lepus vulgaris. -Hazelhoen, (zie Hoenders), Tetrao bonasia. -Halfa, ? -Haringmeeuw, zie Meeuwen. -Hemelaap, goochelaar of hansworst, artsadelaar, Helotarsus ecaudatus. -De kaapsche boeren noemen dezen vogel berghaan. -Heideroosje, Helianthemum fumana. -Hermelijn, Mustela erminea. -Helmvogel, Corythaix leucotis = Musophaga violacea. -Herten: - Rendier, Cervus tarandus. - Maralhert, C. maral. - Reuzenree, Capreolus pyrargus. - Ree, C. capraea. -Hoornfazant of satyrhoen, Ceratornis satyra. -Honigzuigers, kleine, sierlijk gebouwde vogels, die in de oude wereld -de kolibri’s van Amerika vervangen; de op pag. 161 en 301 bedoelde -soort is, Nectarinia (Hedydipna) metallica. -Honden: - Indische wilde hond of kolsoen, Canis dukhanensis. - Maleische wilde hond, Canis rutilans. - Alpenhond, Canis alpinus (in Azië). - Dingo, Canis dingo, (verwilderde Austral. huishond). - Hyaenahond of steppenhond, Canis pictus, of sinensis. Linnaeus bracht - dit dier tot de hyena’s. - Huishond, Canis familiaris. -Hop, Humulus lupulus. -Hoenders: - a. Woestijnhoenders, die den overgang vormen tusschen de duiven en - de eigenlijke hoenders. - Voorbeelden: - het steppenhoen, Syrrhaptes paradoxus. - de ganga, Pterocles arenarius. - de khata, Pt. alchata. - het zandhoen, Pt. exustus. - b. Ruigpoothoenders, verdeeld in boschhoenders en sneeuwhoenders. - Voorbeelden van boschhoenders: - Auerhoen, Tetrao urogallus. - Korhoen of berkhoen, T. tetrix. - Hazelhoen, T. bonasia. - Voorbeelden van sneeuwhoenders: - Moerashoen, Lagopus albus. - Moeras-berkhoen, L. lagopoides. - Sneeuwhoen, L. mutus of alpinus. - c. Veldhoenders. - Voorbeelden: - Steenhoen, Cacabis saxatilis. } Berghoenders. - Grieksche steenhoen, C. graeca. } - Roodhoen, C. rufa. - Kliphoen, C. petrosa. - Patrijs, Perdix cinerea. - Oelaar, Megaloperdix himalayensis. - Frankolijn, Pternistes vulgaris, Francolinus vulgaris of - Perdix francolinus. - Rots- of Alpenhoenders, Megaloperdix spec. - Kwartel, Coturnix communis. - d. Fazanten. - Bankivahoen (stamsoort onzer tamme hoenders), Gallus bankiva. - Zilverfazant, Euplocomus nycthemerus. - Gewone fazant, Edelfazant, Phasianus cholchicus. - Goudfazant, Ph. pictus. - Diamantfazant, Ph. amherstiae. - Gewone Pauw, Pavo cristatus. - Glansfazant, Lophophorus impeyanus. - Satyrhoen, Ceratornis satyra. - Spiegelpauw, Polyplectron chinquis. - Argusfazant, Arguspauw, Argus giganteus. - e. Kalkoenen. - Kalkoen, Meleagris gallopavo. - Pauwkalkoen, M. ocellata. - Parelhoen, Numida meleagris, e.a. s. - f. Hokko’s (in Amerika). - g. Heuvelbouwers. -Hiëroglyphenslang, Python sebae. -Huiszwaluw, Hirunda urbica. -Hulman, zie Apen. - - - -I. - -Ibis, soorten van Ibis. - Boschibis of hagedasch, Ibis Hagedasch. -Immortellen, verschillende bloemen, wier droge (bloem)blaadjes niet -spoedig verflensen en daarom lang bewaard kunnen blijven. In den -volksmond dragen zij den naam van stroobloemen. Men vindt ze veel onder -de composieten, zooals ons inlandsch Gnaphalium (dioecum e.a. s.). -Irbis, Felis uncia. - - - -J. - -Jabiroe, Mycteria senegalensis of Ciconia mycteria. -Jachttijger, Felis guttata, e.a. s. -Jachtvalk of Noordsche v., zie Valken. -Jakhals, Canis (Lupus) aureus. -Jeneverbes, Juniperus communis. -Jufferkraan, Grus virgo. - - - -K. - -Kaapsche duif, Procellaria capensis. -Kameelen: - éénbultige of dromedaris, Camelus dromedarius. - tweebultige of kameel, C. bactrianus. -Karakal, Felis caracal. -Kauw, zie Kraaien. -Kasarka, de Russische naam voor Anas rufila, de holeneend. -Kalanderleeuwerik, zie Leeuwerik. -Kamperfoelie, Lonicera Periclymenum. -Kalong of vliegende hond, Pteropus edulis. -Kat: - tamme kat, Felis domestica. - wilde ,, F. catus. -Kalkoen, Meleagris gallopavo. -Keelvogeltje = Roodborstje? Ficedula (Erithacus) rubecola. -Kers, Cardamine pratense. -Kigelia, een geslacht behoorende tot de familie der Gesneraceeën. -Kievit (kudden), misschien de steppen-kievit, Vanellus gregarius? -Klauwieren of Worgers: - Struikklauwieren, Laniarius. (soorten van). - Scharlaken klauwier, L. erythrogaster. - Fluitklauwier, L. aethyopicus. -Klipdas, Hyrax capensis. -Klokjes, soorten van Campanula. -Kluit, Recurvirostra avocetta. -Kneutje, Fringilla cannabina. -Korsak of steppenvos, Vulpes corsac. -Kolokwinten, Cucumis Colocynthis. -Kolonok, Siberische marter, vuurmarter (= Mustela sarmatica of -Tijger-iltis?). -Korhoen, zie Hoenders. -Koet, Fulica atra. -Koelan, zie Dschiggetai. -Krokodil, soorten van Crocodilus, Alligator, Caiman, en Gavialis. -Kramsvogel, Turdus pilaris. -Kraaien: - Bonte kraai, Corvus cornix. - Gewone kraai, C. corane. - Kauw of torenkraai, C. monedula. - Raaf, C. corax. - Rock, C. frugilegus. -Kraanvogels: - (Gewone) kraan, Grus cinerea, of communis. - Jufferkraan, G. virgo. - Kroon-kraanvogel, G. pavonina of Balearica pavonina. - Numidische Kraai of Ombervogel, Scopus umbretta. -Kraagtrap, Otis Macqueni. -Krokodilwachter, Charadrius (Hya) Aegyptiacus. -Kuikendief (Bruine) of rietwouw, Circus aeruginosus, rufus. - ,, (Grauwe) C. pygargus, cineraceus. - ,, (Blauwe) of korenwouw, C. cyaneus. -Kwikstaart, Motacilla alba. - ,, (Gele), Motacilla flava. -Kwak, Ardea nycticorna. - - - -L. - -Laurierwilg, Salix pentandra. -Lachmeeuw, zie Meeuwen. -Lapgans, zie Ganzen. -Lazuurmees, Parus cyanus. -Larix, Pinus Larix of Abies Larix. -Leeuw, Felis Leo. -Lepelaar, Platalea leucorodia. -Lelie van Dalen, Convallaria majalis. -Leeuweriken: - Woestijn-leeuwerik, Ammomanes deserti. - Kalander ,, Alauda calandra. - Akker ,, A. arvensis. - Siberische ,, A. sibirica, of Melanocorypha sibirica. - Moor ,, A. tatarica. - Rood ,, A. rufa? - Kortteenige ,, A. (M.) brachydactyla. -Lemming, Lemmus norwegicus of Mus lemmus. Deze soort komt in Noorwegen -voor; bovendien heeft men nog: L. torquatus, L. lagurus en L. obensis -in Rusl. en Sib. -Liestvogels, na verwant aan de gewone ijsvogels, beter vliegers dan -deze en enkel te huis in Afrika, Zuid-Azië en Australië. - Voorbeelden: - Boomliest, Halcyon semi coeruleus. - Jagerliest, H. giganteus. -Loof- of Boschzangers, soorten van Hypolais, Ficedula, e.a. -Loogkruid, Salsola kali. -Lommen, de grootste soorten van zeekoeten, zooals: Uria troile, U. -ringvia, U. Bruennichii. -Losch of Lynx, Felis Lynx. -Lijsterbes, Sorbus aucuparia. -Lijsters: - Groote lijster, Turdus viscivorus. - Merel, T. merula. - Kramsvogel, T. pilaris. - Beflijster, T. torquatus. - Koperwiek, T. iliacus. - Steenlijster, T. saxatilis. - Blauwmerel, T. cyanus. -Luipaard, zie Panter. - - - -M. - -Mammoeth, uitgestorven olifant, Elephas primigenius. -Maraboe, Ciconia maraboe, Leptoptilus crumenifer. -Mantelbaviaan, zie Apen. -Magot, ,, ,, -Makako, ,, ,, -Marmot, Arctomys marmotta. -Marters: - Edelmarter, Mustela martes. - Steenmarter, M. foina. - Sabelmarter, M. zibelina. - Hermelijn, M. erminea. - Mink, M. vison. - Wezel, M. vulgaris. -Maralhert, Cervus Maral. -Mantelmeeuw, zie Meeuwen. -Meeuwen: - Zilvermeeuw, Larus argentatus. - Haringmeeuw of kleine mantelmeeuw, L. fuscus. - Mantelmeeuw, L. marinus. - Stormmeeuw, L. canus. - Drieteenige meeuw, L. tridactylus. - Kleine roofmeeuw, L. parasita. - Onder vischmeeuwen verstaat men alle grootere soorten van meeuwen, - zooals: L. marinus, L. glaucus, L. argentatus. - Lachmeeuw of kokmeeuw, L. ridibundus. - Groote burgemeester, L. glaucus. - Kleine burgemeester, L. leucopterus. -Meervleêrmuis, Vespertilio dasycnemus. -Meerval, Silurus glanis. -Meerkat, zie Apen. -Menschapen, zie Apen. -Meloen, Cucumis Melo. -Meezen: - Baardmees, rietmees, Parus biarmicus. - Milaan, zie Wouw. - Buidelmees, Parus pendulinus. -Mimosa’s, Planten, verwant aan de vlinderbloemigen. -Molenaartje, Sylvia curruca. -Mink, Mustela vison, zie Marters. -Moerasuil, Otus of Strix brachyotes. -Moerasbes, rijsbes, zwarte boschbes, Vaccinium uliginosum. -Muskusdier, Moschus moschifera. -Muskus-os, Ovibos moschatus. -Muskieten, soorten van Culex, (C. molestus, trifurcatus, pulicaris, -e.a.). -Muggen (der Toendra), soorten van Culex, (b.v. C. pipiens en annulatus, -bij ons steekmuggen geheeten, en Anopheles maculipennis). -Muisvogels, soorten van Colius. - - - -N. - -Nachtegaal (Poolsche), Lusciola philomela. -Gewone nachtegaal, L. luscinia. -Nachtegaal (Basterd-), Aedon galactodes. -Nachtzwaluwen, zie Geitenmelkers. -Neushoornvogel; waarschijnlijk wordt in den tekst op pag. 161 bedoeld: - Bucorax Abyssinicus. -Neushoorn of rhinoceros, Rhinoceros. -Nimmerzat of Tantalus, Tantalus ibis. -Nieskruid, Helleborus viridis en niger. -Nonnetje, Mergus albellus. -Nijlgans of Vosgans, Chenalopex Aegyptiacus. -Nijlpaard, Hippopotamus. - - - -O. - -Oeverloopers, soorten van Totanus, zie Waterloopers. -Oestervisscher, zie Scholekster. -Oeverzwaluw, Hirundo riparia. -Oehoe, Uhu of groote ooruil, Bubo maximus of Strix bubo. -Oeverzwaluw, zie Zwaluw. -Oelaren, Megaloperdix himalayensis. -Olijfboom, Olea Europaea. -Olifant (Afrik.), Elephas africanus. - ,, (Aziat.), E. asiaticus. -Ooievaar, (Gewone of witte), Ciconia alba. - ,, (Zwarte of bosch-), Ciconia nigra. - ,, Simbil, Ciconia abdimii. -Reuzen-ooievaars, Mycteria sp. -Ombervleêrmuis, of trekvleêrmuis, Vesperugo nilssonii. -Oranje-appel, Citris communis. -Ombervogel, of Numidische kraan, Scopus umbretta. -Ortelaan, Emberiza hortulana. -Ossenpikkers, spreeuwachtige vogels, die tevens veel overeenkomst -hebben met de wevers; men brengt ze tot het geslacht Textor of Buphago, -b.v. Textor erythrorhynchus. -Otter, Lutra vulgaris. - zeeotter, L. (Enhydris) marina. - - - -P. - -Parelhoen, zie Hoenders. -Paradijsvogels, soorten van Paradisea. -Paradijsvliegenvangers, Terpsiphone melanogastra of Muscipeta paradisi. -Papegaaiduiker, Mormon arcticus of fratercula. -Papegaaien: - In Afrika komen o.a. voor: - Grijze papegaai of Jako, Psittacus erithacus of cinereus. - Rozenpapegaai, Agapornis roseicollis. - Groene edelpapegaai, Eclectus pectoralis. - Halsbandparakiet, Palaeornis torquatus. -Panters: - Panter, Felis panthera, Leopardus panthera. - Luipaard, Felis pardus, Leopardus antiquorum. - Soenda panter, Felis variegata, L. pantherinus. - Zwarte panter, F. melas, L. melas. - Sneeuwluipaard, Irbis, F. uncia, L. irbis. -Pelikaan, Pelecanus onocrotalus. -Piniolen, de zaden der Arve, Pinus cembra. -Piepers: - Boompieper, Anthus arboreus, trivialis. - Waterpieper, A. aquaticus, spipoletta. - Rotspieper of Oeverpieper, A. obscurus. -Plevieren: - Kleine plevier, Charadrius minor. - Goudplevier, Charadrius auratus of pluvialis. - Krokodilwachter, Ch. Aegypticus. -Pluimgras, Festuca spec. -Populieren: - Zilverpeppel, Populus alba. - Ratelpopulier, P. tremula. -Poolsche Nachtegaal, Lusciola philomela. -Poolhaas, zie Haas. -Poolvos, Canis lagopus. -Pijlstaart, zie Eenden. -Prachtvinken, soorten van Habropyga (wevertjes). - - - -Q. - -Quagga, Equus quagga, zie Dauw. - - - -R. - -Rangkong, Buceros rhinoceros (Een Neushoornvogel). -Rat (zwarte), Mus rattus. -,, (bruine of trekrat), M. decumanus. -Ramstruik, ? -Ratelpopulier, Populus tremula. -Rendiermos, Cladonia rangiferina, een korstmos. -Reuzenhert (uitgestorven), Cervus megaceros. -Rendier, Cervus tarandus; zie Herten. -Reigers: - Reuzenreiger, Ardea goliath. - Groote zilverreiger, A. alba. - Kleine ,, A. garzetta. - Woudaapje, A. minuta. - Purperreiger, A. purpura. - Blauwe reiger, Ardea cinerea. - Ralreiger, A. comata. - Koereiger, Bubulcus (A.) ibis. - Roerdomp, Botaurus A. stellaris. -Ree, Capreolus capraea. -Reuzenree, Capreolus pygargus. -Ringduif, Columba palumbus. -Rosé-spreeuw, Pastor roseus. -Rozemarijnheide, Andromeda polifolia. -Roodhoenders, zie Hoenders. -Rouw-tapuit, Saxicola leucura. -Rotspieper, zie Piepers. -Rozemarijnwilg, Salix rosmarinifolius. -Ruigpootbuizerd, Buteo lagopus. -Ruigpoothoenders, zie Hoenders. -Runder-troepiaal, Icterus pecoris. -Rotshoen, Cacabis petrosa? -Rijsbes, zwarte boschbes, moerasbes, Vaccinium uliginosum. -Ruiter (groenpootige), Totanus glottis. - - - -S. - -Salamandervisch, Protopterus annectens. -Salanganen, zie Zwaluwen. -Salicaria, Lythrum salicaria, Wederik. -Satyrhoen, hoornfazant, Ceriornis satyra. -Schaarbek, Rhynchops flavirostris of orientalis. -Scharrelaars, Coracias en Colaris spec. -Scholekster, Haematopus ostralegus. -Schollevaar, Carbo cormoranus. -Schreeuwarend, Aquila naevia. -Sennah, Cassia lenitiva. -Sekretaris of kraangier, Serpentarius secretarius. -Sijsje, Fringilla spinus. -Simbil, Ciconia of Sphenorhynchus abdimii, eene ooievaarsoort van -centraal-Afrika, verwant aan den zwarten Ooievaar, Ciconia nigra, maar -kleiner. -Slechtvalk, zie Valken. -Slangen-buizerd of arend-buizerd, Circaëtus gallicus. -Slangensperwer, Polyboroïdes typicus. -Slangenhalsvogels, Plotus vaillantii. -Slechtvalk (Dwerg-), Falco minor. -Smalbladig zonnekruid, Helianthemum fumana. -Sneeuwuil, Surnia nivea of nyctea. -Snijdervogel, Orthotomus longicauda. -Springwal, Balaenoptera longimana. -Specht (zwarte), Picus martius. - ,, (groene), P. viridis. - ,, (groote bonte), P. major. -Sperwer (zang-), Asturina musicus. -Spoorgans, zie Ganzen. -Speerkruid, soorten van Polemonium. -Spreeuw (Rosé), Pastor roseus. -Springmuis, soorten van Pedetes en Dipus. De soort op pag. 68 bedoelde -is Dipus jaculus, paardenspringer; de Mongolen noemen haar Alagtaga, -(bont-kuiken), de Tataren Tya-Jelman, (kameelhaas), de bewoners van de -oevers der Jaïk, Tuschkantschick (haasje) en de Russen Semljanoi-Saëz, -d.i. aardhaas. -Sperwer-grasmusch, Sylvia nisoria. -Spreeuw (Glans-), Lamprocolius nitens. -Spotvogel, Ficedula hypolais. -Spiraea’s; de bij ons gekweekte Sp. filipendula en de hier wild -groeiende Sp. ulmaria komen veel in de Russische steppen voor. -Steenarend, Aquila chrysaëtos of fulva. -Staalvink, ? -Steppen-antilope of saiga, Antilope saiga. - ,, leeuwerik, Saxilauda tartarica. -Steenlijster, Turdus saxatilis. -Steltkluit, Himantopus rufus of Hypsibates himantopus. -Steppenwouw, Strigiceps pallidus, iets kleiner dan de blauwe -kuikendief. -Steppenvalk of steppenbuizerd, Buteo of Falco desertorum. -Steppenhond, Canis pictus, zie Honden. -Stormmeeuw, Larus canus. -Steenbok, Capra ibex. - woestijn-steenbok, ? -Strandloopers, soorten van Tringa, zie Waterloopers. -Steppenhoen, zie Hoenders. Het Aziatische Steppenhoen (Fausthuhn) -Syrrhaptes paradoxus, dwaalt soms tot West-Europa af, om echter al -spoedig weder te verdwijnen. -Struisvogel, Struthio camelus. -Sykomoor, Ficus sycomora. - - - -T. - -Tamarinde, Tamarindus indica. -Tarantula, Lycosa tarantula. -Tantalus of Nimmerzat, Tantalus ibis. -Taxus, Taxus baccata. -Tapuit, Saxicola oenanthe. -Tarpan, een verwilderd, of het oorspronkelijk wilde paard. Men zou het -als afzonderlijke soort kunnen noemen: Equus Tarpan. -Tegelthee, Koeken, bestaande uit afval van thee, tot een deeg -aangemengd met rijstewater en schapenbloed, en daarna gedroogd. De -Chineezen verzenden deze koeken in groote hoeveelheid naar Rusland en -Siberië. -Teisten, de kleine soorten van zeekoeten. -Thyrsagras, Stipa Thyrsa. -Thym, Thymus serpyllum, e.a. s. -Tjif-tjaf, Ficedula rufa. -Torenzwaluw, Cypselus murarius of apus. (zie Zwaluwen.) -Tompalm, ? (Misschien dezelfde soort als de Dompalm?) -Torenvalk, zie Valk. -Trappen: - Groote trap, Otis tarda. - Kraagtrap, O. Macqueni. - Dwergtrap, Tetrax campestris. -Treksprinkhaan, Acridium migratorium. -Tijger (Jacht-), Felis guttata, e.a. s. -Tureluur, Totanus calidris. -Tijger, Felis tigris. - - - -U. - -Uhu, zie Oehoe. - - - -V. - -Valeriaan, Valeriana officinalis, e.a. s. -Valken: - Jachtvalk of Noordsche valk, Falco candicans. - Trekvalk of Slechtvalk, F. communis of peregrinus. - Torenvalk of zwemmer, F. tinnunculus. - Kleine torenvalk, F. cenchris of tinnunculoides. - Avondvalk of roodvoetvalk, F. vespertinus of rufipes. -Veenmossen, soorten van Sphagnum. -Vergeet-mij-niet, Myosotis palustris, e.a. s. -Veenbes, Vaccinium Oxycoccus. -Veldmuis, Hypudaeus arvalis. -Veelvraat, Gulo arcticus. -Vinken: - Kardinaal, Coccoborus virginianus, Fringilla cardinalis. - Goudvink, bloedvink, Pyrrhula europaea, Fr. pyrrhula. - Woestijnvink, P. githaginea. - Sparrevink of haakvink, Pinicola, (Fr.) enucleator. - Gewone vink, Fringilla coelebs. - Keep, bergvink, F. montifringilla. - Sneeuwvink, F. nivalis. - Vlasvink, groenling, Chloris hortensis (Fr. chloris). - Kneutje, Acanthis (Fr.) cannabina. - Fratertje, A. flavirostris, Fr. flavir. of montium. - Paapje, Steenbarm, A. (Fr.) linaria. - Sijsje, Chrysomitris (Fr.) spinus. - Citroenvink, C. citronella. - Putter, Distelvink, Carduelis elegans, Fringilla carduelis. - Kanarie, Serinus canarius, Fringilla canaria. - Kruisbekken, Kruisvinken, Loxia. - Appelvinken, Coccothraustes. - Musschen, Passer. -Vingerkruid, soorten van Potentilla. -Vingerhoedkruid, soorten van Digitalis. -Vischmeeuwen, zie Meeuwen. -Vischotter, Otter, Lutra vulgaris. -Vinvisch, Balaenoptera boops of arctica. -Vidua, zie Whidah. -Vogelwikke, Vicia cracca. -Vosgans of Egyptische of Nijlgans, Chenalopex aegyptiacus. -Vogelkers, Prunus Padus. -Vliegende eekhoorn, Pteromys volans. -Vossen: - Gewone vos, Vulpes vulgaris, Canis vulpes. - Poolvos, IJsvos, Steenvos, Vulpes lagopus. - Steppenvos, Korsak, Vulpes corsac. - Fenek, Woestijnvos, Vulpes zerdo. -Vrouwenhaargrassen, soorten van Stipa? -Vuurvink, of Vuurwever, Euplectes franciscanus. -Vijgencactus, Opuntia vulgaris. -Vijg, Ficus carica. -Vuur-wevervogel, of vuurvink, Euplectes franciscanus. - - - -W. - -Waterloopers, Totaninae, eene afdeeling der moerasvogels, bevattende -o.a. de geslachten: - Numenius, b.v. N. arcuatus, wulp. - Limosa, b.v. Limosa lapponica, poelsnip, L. aegocephala, grutto. - Totanus, waterloopers in engeren zin, b.v. - Totanus pugnax, kemphaan. - T. littoreus of glottis, groenpootige ruiter. - T. calidris, tureluur, T. hypoleucos, oeverlooper, steenvink. - Tringa, strandloopers, zooals: - T. canutus, Kanoet-strandlooper. - T. subarquata, Kroonbek-strandlooper enz. -Watertreders. Ook deze vormen een geslacht der Totaninae. Hiertoe -behooren: - Phalaropus hyperboreus, Odinshen. - Ph. fulicarius, franjepoot. -Waterhennetje, Gallinula chloropus. -Watersnip, Scolopax gallinago. -Wegedoorn, Rhamnus frangula. -Wederik, soorten van Epilobium. -Wevers. Hieronder verstaat men eene familie van zangvogels, die meer -dan 300 soorten telt en in de warme gewesten van Afrika en Azië thuis -behooren. Enkele soorten bewonen Australië. - Voorbeelden: - het geslacht Textor, zooals: de Alektowever, T. albirostris. - het geslacht Ploceus, zooals: de Wielewaal-wever, Pl. galbula, de - Abessynische wever, Pl. abessinicus. - het geslacht Euplectes, zooals: de Vuurwever of vuurvink, E. - franciscanus. - het geslacht Vidua (weduwen), b.v. de Paradijsweduwe, V. - paradisea. - het geslacht Habropyga (Prachtvinken), b.v. bloedvink, H. minima. - ,, ,, Spermestes (Amadina’s), b.v. Halsbandvink, Sp. - fasciata. - Rijstvogel, Sp. oryzivora. -Whidah, soorten van Vidua, gewoonlijk „weduwen” genoemd, eene -verbastering van Whidah, den naam van het Afrikaansche koninkrijk, van -waar deze vogels het eerst door de Portugeezen naar Europa zijn -vervoerd. Zij vormen met de amadina’s en wevers in engeren zin eene -onderling naverwante groep van vogels, die alle in de warme gewesten te -huis behooren, de weduwen uitsluitend in Afrika, de amadina’s en wevers -zoowel in dit werelddeel als in Indië. Zie Wevers. -Wintertaling, Anas crecca, zie Eenden. -Witte Els, Alnus incana. -Wolf, Canis lupus, Lupus lupus, L. vulgaris. -Woestijn-leeuwerik, Ammomanes deserti. -Woestijn-steenbok, zie Steenbok. -Woestijnhoenders, zie Hoenders. -Woestijnvos, Fenek, Vulpes zerdo. -Worger of Klauwier, soorten van Lanius. -Wolwilg, Salix pentandra. ? -Woudaapje, Ardea minuta. -Wortelmuis, Hypudaeus oeconomus. -Wulp, Numenius arcuatus. -Wouwen of milanen, roofvogels, die veel overeenkomst hebben met de -buizerden. - Soorten: Koningswouw, Milvus ictinus of regalis. - Milaan, M. migrans. - Roofwouw, roofmilaan, M. aegypticus. - Veldwouw of grauwe kuikendief, Circus pygargus. - Steppenwouw, C. macrurus. - Rietwouw of bruine kuikendief, C. aeruginosus. - Koornwouw of blauwe kuikendief, C. cyaneus. - Steppenkuikendief, Strigiceps pallidus. - - - -IJ. - -IJseend, Harelda glacialis. -IJsbeer, Ursus maritimus. -IJsvogel, Alcedo ispida. - - - -X. - -Zaagbekken, soorten van Mergus. -Zangers, Sylviidae. -Zangsperwer, Asturina musicus. -Zebra, (zie Dschiggetai) Equus zebra. -Zeezwaluwen, soorten van Sterna. -Zeekoeten of Teisten, lommen, alken, zooals: Uria Grylle; U. troile; U. -Brunnichi. De soort op pag. 14 bedoeld, is waarschijnlijk U. Grylle, -een alk met langen snavel, ook meer bepaald zeekoet geheeten. -Zeeduikers, soorten van Colymbus. -Zeearend, zie Arend. -Zeggegras, soorten van Carex. -Ziesel, Spermophilus citillus. -Zilverden, Pinus picea, of Abies pectinata. -Zilverreigers, zie Reigers. -Zingzwaan, Cygnus musicus. -Zilvermeeuw, Larus argentatus, zie Meeuwen. -Zwaluwen: - Huiszwaluw, Hirundo urbica. - Boerenzwaluw, H. rustica. - Oeverzwaluw, H. riparia. - Torenzwaluw, Gierzwaluw, Cypselus murarius of apus. - Alpenzwaluw, Cypselus melba. - Salanganen, Cypselus nidificus en C. esculentes. -Zwarte zeezwaluw, Sterna nigra. -Zwijn (wild), Sus scrofa. - - - R. E. de Haan. - - - - - - - - -NAAMLIJST VAN INTEEKENAREN. - - -Bibliotheek van Hare Majesteit de Koningin. - -Hare Majesteit de Koningin-Regentes. - - - -A. - -Adriani, A. H., Boekhandelaar, Leiden, 2 Exempl. -Albrecht, G. J., Boekhandelaar, Winterswijk, 10 Exempl. -Alsche, Mr. T. C. P., Velp bij Arnhem. -Ammers, F. L. van, Boekhandelaar, ’s Hertogenbosch, 2 Exempl. -Arrondissements-Bibliotheek der Onderwijzers, Dordrecht. - - - -B. - -Balen, J. N. Plemper van, Boekhandelaar, Alkmaar, 2 Exempl. -Ballot, G., Soekoeboemi (Java). -Beek, M. van der, Boekhandelaar, ’s Gravenhage, 4 Exempl. -Bekker, F. H. M. de, Vucht. -Benthem & Jutting, Van, Boekhandelaars, Middelburg. -Berends, J.Jz., W. J., Boekhandelaar, Zwolle, 2 Exempl. -Berghuijs, B., Boekhandelaar, Kampen. -Bergsma, Th. P., Predikant, Winterswijk. -Bettink, J. G., Hoofd der School No. 1, Bergambacht. -Beijers, Firma J. L., Boekhandel, Utrecht. -Blaauw, A. J., Amsterdam. -Blaauw, J. F., Emeritus-Predikant, Arnhem. -Blees, G. J., Zaandam. -Blees Gz., K., Boekhandelaar, Zaandam, 2 Exempl. -Blok, A., Schoolopziener, Geertruidenberg. -Blussé & Van Braam, Boekhandelaars, Dordrecht, 7 Exempl. -Bolland, A. A. W., Boekhandelaar, Goes. -Bontamps, Firma Wed. H., Papierhandel, Amsterdam. -Bonten, A., Burgemeester, Papendrecht. -Boomsma, R. & A., Boekhandelaars, Harlingen, 2 Exempl. -Borgesius, J., Boekhandelaar, Sappemeer. -Borgman, Dr. A., Leeraar aan het Gymnasium, ’s Gravenhage. -Borski, Van Noord, Particulier, Nieuwer-Amstel. -Bouma Gz., A., Ede. -Braak, H. E. G. ter, Eibergen. -Braband, Maria T. J. van, Boekhandel, Hontenisse. -Brentano, Mej. C., Ede. -Breijer, C. H. E., Boekhandelaar, Utrecht. -Brink & De Vries, Ten, Boekhandelaars, Amsterdam. -Broese & Co., Boekhandelaars, Breda. -Brouwer, A. J. E., ’s Gravenhage. -Brouwer, W., Onderwijzer, Schoonhoven. -Brouwers, J. H., Onderwijzer, Sittard. -Brunt & Zoon, J., Boekhandelaars, ’s Gravenhage, 2 Exempl. - - - -C. - -Cannegieter, J., Emeritus-Predikant, Groningen. -Casembroot, Jhr. Mr. E. A. O. de, Middelburg. -Cate, A. W. Naudin ten, Sergeant Instr.-Bat., Kampen. -Collot d’Escury, K. J. A. G. Baron, Arr.-Schoolopziener, Boschkapelle. -Cransberg, H., Onderwijzer, Schoonhoven. -Creutz, S. A. F. Baron, Particulier, Dordrecht. - - - -D. - -Denekamp, Mr. B., Advocaat en Procureur, Rotterdam. -Dhuy, F. P., Boekhandelaar, Middelburg. -Dibbetz, J. C., Utrecht. -Dibbits, Dr. H. C., Hoogleeraar, Utrecht. -Diemen, J. M. van, Boekhandelaar, Amsterdam. -Dirix, Théophile, Rentenier, Roermond. -Doesburg, Mej. C. H., ’s Gravenhage. -Doorn & Zoon, C. van, Boekhandelaars, ’s Gravenhage, 2 Exempl. -Douma, R., Landbouwer, Oostrum. -Dunk, J. H., Boekhandelaar, Rotterdam, 2 Exempl. -Duijkers, H. W., Steenbergen. -Duijm, Mej. H. van, Nijmegen. - - - -E. - -Endt & Zoon, J. van der, Boekhandelaars, Maassluis. -Esterik, A. van, Schoonhoven. - - - -F. - -Fangman, Mr. H. W., Kantonrechter, Dordrecht. -Feenstra Johz., R., Boekhandelaar, Sneek, 2 Exempl. -Fellinga, W., Boekhandelaar, Nijmegen, 2 Exempl. -Fortuijn, J. A., Boekhandelaar, Amsterdam, 4 Exempl. - - - -G. - -Geelhoed, H. G., Gemeente-Secretaris, Schoonhoven. -Geradts & Co., Joh., Boekhandelaars, Hilversum. -Gerretsen, Firma H. J., Boekhandel, ’s Gravenhage. -Geijl, Dr. A., Geneesheer, Dordrecht. -Gieseke, H. F., Hoofd-Onderwijzer, Amsterdam. -Gils, J. C. van, Onderwijzer, Wijchen. -Goederen, C. H. de, Onderwijzer, Amsterdam. -Goethart, Dr. J. W. Chr., Amsterdam. -Gorkom, E. van, Public Notary, Johannesburg (South African Republic). -Grondijs, H., Hoofdonderwijzer, Bojolali (N. I.). -Grotendorst, F. W., Arts, Harlingen. -Gunning Wz., Dr. J. H., Conrector Gymnasium, Zwolle. -Gymnasium, Bibliotheek van het Amsterdamsch, Amsterdam. -Gymnasium te Groningen. - - - -H. - -Haan, Mej. A. M. de, Pleegzuster v. h. W. Kr., Dordrecht. -Haan, W. de, Winterswijk. -Haas, H. de, Drogist, Arnhem. -Hamburg, L. van, ’s Gravenhage. -Hansma, L., Boekhandelaar, Assen. -Harte, P., Boekhandelaar, Bergen-op-Zoom. -Hasselt, A. L. van, Resident van Riouw en Onderhoorigheden. -Haver Droeze, Dr. J. J., Geneesheer, Dordrecht. -Hazewinkel, J. H. O., Candidaat-Notaris, Hilversum. -Heek, J., Boekhandelaar, Hilversum. -Hengel, W. J. van, Boekhandelaar, Rotterdam. -Henneveld, H. P., Boekhandelaar, Delft. -Henstëdt, H. L., Onderwijzer, Schoonhoven. -Hessel, F., Boekhandelaar, Heerenveen. -Heteren, J. H. & G. van, Boekhandelaars, Amsterdam, 2 Exempl. -Heuff Ez., J. A., Koopman, Tiel. -Heuvelink, J., Boekhandelaar, Arnhem, 2 Exempl. -Heijde, H. C. van der, Hoofd eener School, Leiden. -Heijt, W., Gemeente-Ontvanger, Schoonhoven. -Hoek, L. G. Krol van der, Kapitein der Genie O.-I. Leger, Goes. -Hoekstra, L., Onderwijzer, Sneek. -Hoet, Firma H. ten, Boekhandel, Nijmegen, 2 Exempl. -Hogeweg, J. J., Directeur Post- en Telegraafkantoor, Winterswijk. -Hollert CLz., J. L., Particulier, Kralingen. -Hooft, G. B. ‘t, Boekhandelaar, Rotterdam. -Hoogere Burgerschool voor Meisjes, ’s Gravenhage. -Hoogere Burgerschool met 3-jarigen cursus, ’s Gravenhage. -Hoogere Burgerschool te Soerabaia. -Hooijkaas, J., Onderwijzer, Schoonhoven. -Houten, E. F. ten, Kassier, Winterswijk. -Houwens, H., Cargadoor, Rotterdam. -Höveker’s Boekhandel, Amsterdam, 4 Exempl. -Huet, Dr. J. A. Gallandat, Arts, Schoonhoven. -Hulst, Laurens van, Boekhandelaar, Kampen. - - - -I. - -Idema, K. H., Boekhandelaar, Medemblik. - - - -J. - -Jong Kz., A. de, Onderwijzer, Ammerstol. - - - -K. - -Kampen & Zoon, P. N. van, Boekhandelaars, Amsterdam, 2 Exempl. -Kapteijn, J. M. N., Boekhandelaar, Leiden. -Kervezee, Firma J. M., Boekhandel, Rotterdam. -Kirberger & Kesper, Boekhandelaars, Amsterdam. -Kleijn, H., Bierhandelaar, Maassluis. -Koldeweij, G. J., Boekhandelaar, Eibergen. -Kolff & Go., G., Boekhandelaars, Batavia, 15 Exempl. -Koller, Adr., Boekhandelaar, Rotterdam, 2 Exempl. -Koning Pz., J., Krimpen a/d IJsel. -Kool, Firma P. P., Boekhandel, Weesp. -Koppeschaar, W. F., Leeraar R. H. B. S., Alkmaar. -Kraan, J., Boekhandelaar, Amsterdam, 2 Exempl. -Kraft, P. J., Boekhandelaar, ’s Gravenhage. -Kruijt, A., Onderwijzer, Schoonhoven. -Krijnen, Jos. M., Boekhandelaar, Vucht. -Kuen, R., Boekhandelaar, Delfzijl. -Kuiper & Taconis, Firma, Boekhandel, Meppel. -Kuipers, T. J. (Firma J. Creemer), Boekhandelaar, Groningen. - - - -L. - -Lammerts, F., Landmeter b/h kadaster, Tiel. -Land Ez., A., Boekhandelaar, Harlingen. -Lange, Allert de, Boekhandelaar, Amsterdam. -Lechner, A. A. van Pelt, Secretaris der gemeente Aarlanderveen, Alfen -a/d Rijn. -Leesbibliotheek der Herv. Gemeente te St. Maarten en Valkoog. -Leesgezelschap te Beverwijk. -Leesgezelschap „Kosmos”, Soerabaia. -Leesgezelschap „Nut en Genoegen”, Heerde. -Leesgezelschap R. F., Soerabaia. -Liedermooij, D. B., Drogist, Winterswijk. -Linden, P. J. van der, Boekhandelaar, Alfen. -Loep, A. F. W., Onderwijzer, Rotterdam. - - - -M. - -Maatschappij „Vooruit”, Socialistische, Gent, 3 Exempl. -Man, M. J. de, Burgemeester, Hof van Delft. -Meer, Jac. van der, Boekhandelaar, Deventer. -Menger, Th., Boekhandelaar, Ede, 2 Exempl. -Mensing & Visser, Boekhandelaars, ’s Gravenhage, 3 Exempl. -Meulen, Gebr. van der, Boekhandelaars, Bergum. -Michelsen, Mej. A. E. S., Leerares H. B. S. voor meisjes, Leiden. -Mühring, Mej. B. H., Amsterdam. -Mühring, Mej. G., Leerares aan de H. B. S. voor meisjes, Rotterdam. -Mühring, J. H., Predikant Ned. Herv. Gem., St. Maarten en Valkoog. -Mul, H. N., Boekhandelaar, Haarlem. -Mijs, D., Boekhandelaar, Tiel, 4 Exempl. - - - -N. - -Nauta, C. Star, Kleinemeer, Gem. Sappemeer. -Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen. -Nieuwenhuijs, P. B., Boekhandelaar, Breda. -Noordhoff, P., Boekhandelaar, Groningen. -Noording, K. L., Boekhandelaar, Groningen. -Nooten, Dr. J. C. C. W. van, Leeraar aan de H. B. S., Soerabaia. -Nooten, S. E. van, Uitgever, Schoonhoven. -Nooten, S. I. van, Kapitein der Artillerie, Delft. -Nooten, U. J. W. van, Ontv. der Registr. en Dom., Dirksland. -Nooten, W. H. J. van, Uitgever, Haarlem. -Normaalschool Hoofdonderwijzers, Soerabaia. - - - -O. - -Odé, G., Boekhandelaar, Schiedam. -Onderwijzers-bibliotheek in het Arrondissement Kampen. -Oomkens, A., Particulier, Assen. -Out, P., Boekhandelaar, Koog a/d Zaan. -Overbeek, J. H., Expediteur, Arnhem. -Overdijkink, A. J., Wijnhandelaar, Schoonhoven. - - - -P. - -Pateer, A., Opzichter rijks-waterstaat, Harlingen. -Peaux, P., Rustend Apotheker, Heerenveen. -Pel, Dr. P. K., Hoogleeraar, Amsterdam. -Pesters, Jhr. Mr. C. C. G. de, Nijmegen. -Post, Mej. IJ., Leerares aan de H. B. S. voor meisjes, Rotterdam. -Pouw, Mr. H., Advocaat, Amsterdam. - - - -R. - -Raadman, J. W. R., Aannemer, Nijmegen. -Reinhold, H., Amsterdam. -Remeijn, A. J., Onderwijzer, Middelburg. -Riff, Mej. E., ’s Gravenhage. -Rive Box, N. W. de la, Tabakshandelaar, Groningen. -Rodenhuis, S., Niehove. -Roelfsema, H. R., Boekhandelaar, Groningen. -Roelvink, Jongeheer B. A., Winterswijk. -Romen & Zonen, J. J., Boekhandelaars, Roermond. -Rosenthal, W. C. A. Ziegenhirt von, Nijmegen. -Ruijter, W. J., Boekhandelaar, Amsterdam. -Rijks Hoogere Burgerschool te Winterswijk. -Rijksnormaalschool te Schoonhoven, Bibliotheek der - - - -S. - -Schaafsma, A., Boekhandelaar, Dokkum, 2 Exempl. -Schalekamp, v. d. Grampel & Bakker, Boekh., Amsterdam, 2 Exempl. -Schallenberg, E. W., Particulier, Rotterdam. -Scholten, A., Koopman, Winterswijk. -Schoor, Dr. W. R. J., Leeraar in de natuur-, schei-, plant- en -dierkunde aa de R. H. B. S. met 3-j. cursus, Meppel. -Schröder, Gebr., Boekhandelaars, Amsterdam, 3 Exempl. -Schröfer, E. J., Scheveningen. -Schutte, G., Hoofdonderwijzer, Amsterdam. -Seijffardt’s Boekhandel, Amsterdam. -Slotboom, D. S., Boekhandelaar, Beverwijk. -Slothouwer, G. J., Boekhandelaar, Amersfoort. -Slijksteeg, W., Twisk. -Smeding, S., Boekhandelaar, Leeuwarden. -Smit, J. van der, Hoofdonderwijzer, Hilversum. -Someren, Firma A. E. C. van, Boekhandel, Zutfen. -Spoon, L. (Firma A. J. Knoop), Boekhandelaar, Haarlem. -Steeksma, J., Kapitein „Swanland”, Hull. -Stemler Cz., Joh. G., Boekhandelaar, Amsterdam. -Stenfert Kroese & Van der Zande, Boekh., Arnhem, 2 Exempl. -Stort, A. G. H. van Genderen, Oogarts, Haarlem. -Stuur, C., Tramchef, Veenwouden. -Sulpke’s Boekhandel, Amsterdam. - - - -T. - -Tacoma, G., Indië. -Theunissen, Luitenant-Kolonel J. A. P., Breda. -Thieme’s Boekhandel, H. C. A., Nijmegen, 2 Exempl. -Trap, P. W. M., Boekhandelaar, Leiden. -Tydeman, Mr. M., Directeur der Nederl. Maatsch. van Brandverzekering te -Tiel, Tiel. - - - -V. - -Vattier Kraane, M. G., Boekhandelaar, Tilburg. -Veenenbos, Dr. C. M., Arts, Oosterbeek. -Velsing, S., Hoofd der School No. 2, Bergambacht. -Verlooij, P. J., Boekhandelaar, Rotterdam. -Vermeulen, P. A., Boekhandelaar, Steenbergen. -Verwer, Mej. M. J. de, Schoorl. -Visser, L. J. C. de, ’s Gravenhage. -Vries Tz., C. de, Zaandam. -Vuijck, L., Phil.-Docts., Assistent Botanie, Zoeterwoude. - - - -W. - -Waltman Jr., J., Boekhandelaar, Delft. -Wamel, A. van, Hoofd eener school, Amsterdam. -Weeldenburg, N. J., Phil. Professor a/h Seminarie der -Oud-Bisschoppelijke Clerezy, Amersfoort. -Wegerif, G., Instituteur, Nijmegen. -Westbroek, G. H., Ex-Instituteur, Schoonhoven. -Willeumier, J. P., Amsterdam. -Willink, N., Fabrikant, Winterswijk. -Willink, W. E. J. Tjeenk, Boekhandelaar, Zwolle. -Winkel, J., Boekhandelaar, Schagen. -Wit, J. H. de, Boekhandelaar, Amsterdam. -Woltjer, F., Kantoorbediende, Groningen. -Wijdenes, P., Onderwijzer, Amsterdam. -Wijnen, K. van, Onderwijzer, Schoonhoven. -Wijnpersse, A. van de, Directeur der R. H. B. S., Bergen-op-Zoom. -Wijt, M. N., Nijmegen. - - - -Y. - -Ybes & Co., Ybe, Boekhandelaars, Velp. - - - -Z. - -Zuidema, E., Leeraar R. H. B. S., Zwolle. -Zijl, A. van der, Particulier, Offingawier. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Karroe, inlandsche naam voor deze steppe. - -[2] Brehm gebruikt, ter vermijding van elken schijn van geleerdheid, de -volksnamen, of, waar deze niet bestaan, de vertaling der -wetenschappelijke namen. Waren deze slechts algemeen bekend, of luidden -zij overal gelijk, de herkenning zou niet moeilijk vallen. Men weet -evenwel hoe het te dien aanzien gesteld is, en om deze reden heb ik het -wenschelijk geoordeeld de volgende tabel samen te stellen, waarin zij, -die zulks verlangen, kunnen nagaan, welke soorten door Brehm bedoeld -zijn. Het opmaken dezer lijst was geen gemakkelijke zaak; eene vrij -uitgebreide litteratuur liet mij somwijlen nog in onzekerheid. Zelfs -riep ik niet altijd met gunstig gevolg de hulp in van erkende -autoriteiten. Van daar dat enkele namen onverklaard moesten blijven. - - R. E. de Haan. - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN DEN NOORDPOOL NAAR DEN -AEQUATOR *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
