summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/67023-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 09:08:23 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 09:08:23 -0800
commit4f7b152f1c33a959326d2639530b8582b35c300f (patch)
tree62d34869e3e63811c54bf6b941b8ee4c3d06cdda /old/67023-0.txt
parent9346bb449697695dc8cce294860521af4f260daf (diff)
NormalizeHEADmain
Diffstat (limited to 'old/67023-0.txt')
-rw-r--r--old/67023-0.txt20315
1 files changed, 0 insertions, 20315 deletions
diff --git a/old/67023-0.txt b/old/67023-0.txt
deleted file mode 100644
index 321aa35..0000000
--- a/old/67023-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,20315 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Van den Noordpool naar den Aequator,
-by Alfred Edmund Brehm
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Van den Noordpool naar den Aequator
- Blikken in het groote rijk de schepping
-
-Author: Alfred Edmund Brehm
-
-Translator: Romke Everts de Haan
-
-Release Date: December 27, 2021 [eBook #67023]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN DEN NOORDPOOL NAAR DEN
-AEQUATOR ***
-
-
-
-
-
- VAN DE NOORDPOOL NAAR DEN AEQUATOR.
- BLIKKEN IN HET GROOTE RIJK DER SCHEPPING,
-
-
- DOOR
- Dr. A. E. BREHM.
-
- Met Illustraties van R. FRIESE,
- G. MÜTZEL, ALBERT RICHTER, FR. SPECHT
- e.a.
-
- Uit het Hoogduitsch
- DOOR
- R. E. DE HAAN,
- Directeur der R. H. B. S. te Winterswijk.
-
-
- SCHOONHOVEN,
- S. & W. N. VAN NOOTEN.
- 1894.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORBERICHT.
-
-
-Toen nu wijlen Dr. A. E. Brehm in de voornaamste steden van Duitschland
-zijne voordrachten hield over de Vogelbergen van Lapland en de
-boomlooze Toendra van Siberië, over de maagdelijke wouden van Afrika en
-de bannelingen in den Oeral, en over zoovele andere onderwerpen meer,
-voornamelijk ontleend aan het leven der hoogere dieren, ging er telkens
-een storm van toejuichingen op uit de gehoorzalen, waar Brehm’s machtig
-woord weêrklonk. En door inhoud, èn door vorm alles overtreffende, wat
-ooit op dit gebied geleverd was, oefenden deze voordrachten eene
-betooverende werking uit. Nooit sprak iemand op zulk eene boeiende,
-aangename en aanschouwelijke wijze; nimmer wist een redenaar zoo zijn
-hoorders als aan zijn lippen te ketenen. Zoo ging Brehm’s lof van mond
-tot mond, van gewest tot gewest, van land tot land, en elke stad
-rekende het zich tot eene eer den gevierden spreker althans éénmaal
-gehoord te hebben. Zelfs het wufte, op schouwburg-vermaak verzotte
-Weenen gevoelde zich gestreeld door de komst van den grooten
-natuurvorscher, die, met de reine kleuren der natuur op zijn palet, en
-een hart vol innige liefde voor al wat daar leeft in de ruime
-schepping, een tooneelstuk schetste en maalde, zoo rijk van inhoud, zoo
-schoon van vorm, zoo warm van kleur, dat zich een onbeschrijfelijke
-geestdrift meester maakte van de onder zijn gehoor zittende menigte.
-Ademlooze stilte heerschte, hier en elders, de twee volle uren lang,
-die gewoonlijk elke voordracht duurde; in gespannen verwachting volgde
-men den redenaar van woord tot woord, hangende aan de lippen, aan welke
-slechts de zuiverste klanken ontwelden, die als eene electrische
-ontroering werkten op de zinnen en gemoederen van het verrukte
-auditorium. Waar hij de Vogelbergen van Lapland beschrijft, daar waant
-men zich verplaatst te midden der scheren en fjorden van Skandinavië en
-ziet men de millioenen gevederde bewoners der klippen en stranden, daar
-hoort men het ruischen hunner vleugelen; dan verduistert het eigen oog,
-en met moeite ontworstelt zich de geest aan de begoocheling en den
-tooverkring, dien het bezielende woord van Brehm om zijn hoorders trok,
-om terug te keeren tot de werkelijkheid,—de werkelijkheid, dat het
-slechts een panorama is geweest, dat ons voorbij trok.
-
-Een panorama, ja! maar onvergelijkelijk schoon!
-
-Staat reeds het geschreven woord verre beneden het gesprokene, eene
-gewaagde onderneming mag het schijnen, Brehm’s voordrachten, uit de
-taal, waarin zij werden uitgesproken, te willen overbrengen in eene
-andere.
-
-Ik ontveins mij geenszins, dat hieraan gewichtige bezwaren verbonden
-zijn, dat hierbij groote moeilijkheden te overwinnen zijn. Toch heb ik
-niet geaarzeld die taak op mijn schouders te nemen, omdat ik daarbij
-rekende op eene bondgenoot, die bij dat werk mij, naar ik meende,
-gewichtige diensten zou kunnen bewijzen. Een sprank van de liefde voor
-de bezielde en onbezielde schepping, die Brehm’s hart doorgloeide, en
-waaraan hij zijn talent van opmerken en schilderen ontleende, mag ik
-het mijne noemen. En dat gevoel zal, naar ik vertrouw, mij in staat
-stellen op eenigszins getrouwe wijze terug te geven, wat er in Brehm’s
-hoofd en hart omging, toen hij den aardbol doorkruiste „Van de
-Noordpool naar den Aequator”.
-
-
-Winterswijk. R. E. de Haan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ALFRED EDMUND BREHM.
-
-
-Christian Ludwig Brehm, een der meest beroemde vogelkenners van
-Duitschland, van wien een aantal ornithologische geschriften het licht
-zagen, was predikant, laatstelijk te Neustadt a/d Orla, alwaar hij den
-23. Juni 1864 overleed.
-
-Den 2. Febr. 1829, toen Christian Brehm nog te Renthendorf (bij
-Neustadt) woonde, werd hem een zoon geboren, de later zoo beroemd
-geworden reiziger en natuurkundige, Alfred Edmund Brehm. Dat deze in de
-studiën zijns vaders al vroeg aanleiding vond zich aan zoölogische
-waarnemingen te wijden, dat de liefde des vaders voor de levende
-schepping ook al spoedig ontkiemde in de borst des zoons, wie zal zulks
-vreemd vinden?
-
-Nog vóór Alfred de universiteit bezocht, had hij reeds verschillende
-reizen gedaan, en op deze tochten gelegenheid gevonden de dieren in hun
-natuurstaat na te gaan en te verzamelen. Op achttienjarigen leeftijd
-ondernam hij in gezelschap en op kosten van Baron Johan Wilhelm von
-Müller een zwerftocht door Egypte, Nubië en het oostelijk gedeelte van
-Soedan. Na vijf jaren afzijns keerde hij in zijn geboorteland terug en
-studeerde daarna zoölogie aan de hoogescholen te Jena en Weenen.
-Vervolgens begaf Alfred Brehm zich weder op reis, bezocht Spanje,
-Noorwegen en Lapland.
-
-In 1862 ondernam hij een tocht naar Abessinië, steeds zijnen reeds
-rijken schat van kennis en ervaring op dierkundig gebied
-vermeerderende.
-
-In gezelschap van Hertog Ernst van Saksen-Koburg-Gotha bezocht Brehm
-het noorden van laatstgemeld land, terwijl de in navolgende bladen
-beschreven reis naar Siberië werd ondernomen op aansporing en kosten
-van het „Verein für die Deutsche Nordpolfahrt” te Bremen. Een gedeelte
-der kosten van dien tocht werd bestreden door den heer Sibiriakoff te
-Irkutsk, die daarvoor 16000 gulden beschikbaar stelde.
-
-Wanneer hij niet uitlandig was, woonde Brehm meestal te Leipzig, alwaar
-hij zoowel als onderwijzer werkzaam was, als door schrijven in zijn
-onderhoud trachtte te voorzien.
-
-In het jaar 1863 aangesteld tot direkteur van den pas opgerichten
-zoölogischen tuin te Hamburg, bleef hij in deze betrekking evenwel
-slechts vier jaren werkzaam. Gedurende dit korte tijdvak echter wist
-hij die inrichting tot een van de beste der wereld te maken. Het
-gunstig bekend aquarium van Berlijn heeft Brehm helpen stichten.
-
-Het meest beroemd evenwel is Brehm geworden door zijn voorlezingen,
-gehouden in de voornaamste steden van Duitschland, en vooral door zijne
-vele geschriften. Bovenaan staat in deze rij: „Illustrirtes
-Thierleben”, een werk, eerst in 8, daarna in 10 lijvige boekdeelen
-uitgegeven, eene boeiende beschrijving bevattende van den bouw, het
-voorkomen, de zeden en gewoonten, in den wilden zoowel als in den
-tammen staat der hoogere en lagere diersoorten.
-
-Behalve dit standaardwerk,—in vele opzichten tevens een vraagboek voor
-vakgeleerden,—schreef Brehm: „Das Leben der Vögel”, „Die Thiere des
-Waldes”, enz. Een aantal opstellen in de „Gartenlaube” en andere
-tijdschriften zijn mede van zijne hand.
-
-Den 11den November 1884 stierf de groote reiziger en dierenkenner in
-dezelfde plaats, alwaar hij eens het levenslicht aanschouwde.
-
-
- R. E. de Haan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN WOORD VOORAF VAN Dr. HORST BREHM.
-
-
-Reeds zes jaren dekt de koele aarde van Renthendorf het stoffelijk
-hulsel van mijnen onvergetelijken vader, die voor allen, die hem
-liefhadden en vereerden, te vroeg de oogen sloot. Het was eene
-wonderbare beschikking van het lot, dat hetzelfde, weinig beteekenende
-plaatsje in het groene Thüringerwoud, alwaar hij het levenslicht
-aanschouwde, ook den man zag sterven, die gedurende zijn werkzaam, veel
-bewogen leven vier werelddeelen had gezien en onderzocht.
-
-Slechts vijf en vijftig jaren mocht hij tellen, toen zijn welbespraakte
-mond zich voor altijd sloot, en de pen ontviel aan de hand, die haar
-zoo meesterlijk wist te voeren. Hij was nog vervuld met groote plannen,
-en te betreuren is het, dat de bouwstoffen, door hem nagelaten,
-meerendeels zoo fragmentarisch zijn, dat geen vreemde hand daaruit een
-geheel zou kunnen opbouwen. Toch bevatten de nagelaten schrifturen nog
-zooveel merkwaardigs, dat ik het mij tegenover mijn vader zoowel als
-tegenover alle vrienden eener ernstige natuurbeschouwing, ten
-eereplicht rekende, die schatten voor de lezende wereld toegankelijk te
-maken. De volgende bladen zijn daarvan de eerste en ongetwijfeld de
-beste proeve; zij bevatten Alfred Edmund Brehms overal met graagte
-genoten en zoozeer gewaardeerde voordrachten, in zooverre deze door hem
-op schrift zijn gebracht. Ik meen daarmede velen een dienst te bewijzen
-en heb het niet noodig geoordeeld de uitgave dier voordrachten met een
-woord van aanbeveling vergezeld te doen gaan; zij mogen voor zich zelf
-getuigen, en doen zulks reeds, hetgeen bewezen wordt door de talrijke
-aanvragen van buitenlandsche boekhandelaren, die het vertalingsrecht
-wenschen.
-
-Wel is waar kan het geschreven woord het levende niet geheel vervangen,
-en mijn vader, die steeds voor de vuist sprak, zal naar den eisch van
-het oogenblik veel van ’t geen in deze bladen voorkomt, in een anderen
-vorm hebben uitgesproken, hier verkortende, daar iets langer bij stil
-staande,—maar wie hem gehoord heeft, dien zal ongetwijfeld het beeld
-van den overledene weder duidelijk voor oogen staan, en het zal hem
-wellicht zijn, als hij deze bladen leest, als hoorde hij weder Alfred
-Brehms krachtige stem. De eigenaardige persoonlijkheid van den
-schrijver van „Illustrirtes Thierleben” en van het „Leben der Vögel”
-vinden wij in deze voordrachten weder terug, ja wij leeren haar van
-eene nog nieuwe en aantrekkelijke zijde kennen. Want meer nog dan in
-zijne andere werken spreekt daaruit mijns vaders veelheid van
-ervaringen, zijn alzijdige kennis, zijn ongewoon waarnemingsvermogen,
-en niet het minst de met zijn dichterlijken aanleg zoo nauw
-samenhangende eigenaardige opvatting der levende en levenlooze natuur,
-alsmede zijn gunstige, blijmoedige humor.
-
-En zoo zend ik dan deze bladen de wereld in, vol vertrouwen, dat zij ’t
-aantal vrienden, waarin de schrijver zich bij zijn leven verheugde, nog
-zullen vermeerderen. Mochten zij ook aan de dierenwereld, die hij zoo
-innig lief had, en die hij zoo door en door kende, nieuwe
-onbevooroordeelde, hartelijke beschermers verzekeren! Mochten zij
-tevens in elk huis, waar de zin voor goede letteren en alzoo voor
-schoonheid in ’t algemeen wordt aangekweekt, ook voor de schoonheid
-onzer aller moeder, de Natuur, meer en meer hart en oogen openen—dan
-zou tevens de hoogste en edelste bedoeling in den geest des schrijvers
-bereikt zijn!
-
-En zoo zij dezen bladen op hun weg heil gewenscht; een vroolijk welkom
-begroete hen, en waar zij eens vriendelijk werden ontvangen blijve hun
-voor lang eene eereplaats verzekerd!
-
-
- Berlijn, September 1890.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Bladz.
- Voorbericht van den Vertaler V
- Alfred Edmund Brehm, door R. E. de Haan VII
- Een woord vooraf van Dr. Horst Brehm IX
-
- Hoofdstuk.
-
- I. De Vogelbergen van Lapland 1
- II. De Toendra en hare Dierenwereld 28
- III. De Aziatische Steppe en hare Dierenwereld 50
- IV. Woud, Wild en Jacht in Siberië 78
- V. De Steppe en Dierenwereld van Centraal-Afrika 121
- VI. Het Oerwoud en de Dierenwereld van Afrika’s
- Binnenland 150
- VII. De Verhuizingen der Zoogdieren 181
- VIII. De Liefde en het Huwelijk der Vogels 204
- IX. De Apen 226
- X. Karavanen en Woestijnreizen 257
- XI. Het Land en de Bevolking tusschen de
- Stroomversnellingen van den Nijl 293
- XII. Een Reis in Siberië 327
- XIII. De Heidensche Ostjaken 352
- XIV. De Nomaden en Kudden der Steppe 381
- XV. Het Volks- en Familieleven der Kirgiezen 409
- XVI. De Kolonisten en Bannelingen van Siberië 435
- XVII. Onderzoekingstochten op den Donau 461
-
- Wetenschappelijke Naamlijst 485
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-DE VOGELBERGEN VAN LAPLAND.
-
-
-„De Schepper der wereld had zoo even Zijn lievelingsster, de aarde,
-voltooid en verheugde zich over het goed geslaagde werk. Daar viel het
-den duivel in dit werk te vernietigen. Toen nog niet uit den hemel
-verbannen, woonde de booze te midden der aartsengelen, en in de
-ruimten, alwaar de zaligen verblijf houden. Hij vloog omhoog naar den
-zevenden hemel, greep een ontzaglijken steen en slingerde dien met
-kracht naar de aarde, die daar beneden in jeugdige schoonheid prijkte.
-Maar nog bijtijds bemerkte de Schepper dit roekeloos bestaan en zond
-onmiddellijk eenen aartsengel af om het onheil te keeren. Sneller dan
-de steen vloog de engel omlaag, en slaagde er in het land te vrijwaren.
-Donderend stortte de reusachtige steen in de zee; kokend spatten de
-golven omhoog en overstroomden het naburige land, mijlen ver. Door den
-geweldigen schok werd het buitenste hulsel van den steen verbrijzeld,
-en duizenden splinters ploften ter weêrszijden in de zee, hier in de
-diepte verdwijnende, ginds boven de wateren uitstekende, naakt en kaal,
-evenals de kern des steens zelve. Toen werd God met medelijden vervuld,
-en in zijn oneindige barmhartigheid besloot hij ook dien dorren
-rotsklomp met leven te bezielen. Maar de vruchtbrengende aarde was
-reeds meerendeels verbruikt, en slechts een weinig was in Gods hand
-overgebleven, nauwelijks voldoende, om hier en daar iets op den steen
-uit te strooien.”
-
-Aldus luidt eene oude sage, die nog op den huidigen dag onder de Lappen
-rondgaat. De steen, dien de duivel wierp, is Skandinavië; de splinters,
-die ter weêrszijden in de zee vielen, zijn de scheren, die in bonten
-krans het schiereiland omringen; de barsten en spleten zijn de fjorden
-en de dalen van het binnenland; de brokjes levenwekkende aarde, die uit
-de milde hand des Scheppers daarop nedervielen, vormen de weinige
-vruchtbare plekjes, die Skandinavië rijk is.
-
-Men moet zelf in Skandinavië, vooral in Noorwegen geweest zijn; men
-moet zelf de boot tusschen de scheren hebben gestuurd en het land van
-de zuidelijkste punt tot het hoogste noorden zijn omgevaren, om de
-kinderlijke sage in haar volle diepte en beteekenis te verstaan. Ja,
-vreemd is het land; vreemd zijn deszelfs fjorden, maar de grootste
-verwondering wekt de krans van eilanden en scheren, die het omgeven!
-
-Skandinavië is een Alpenland, evenals Zwitserland en Tyrol, maar toch,
-welk verschil! Evenals onze Alpen heeft het zijn hooggebergten en
-gletschers, zijn wildbeken en heldere, stille Alpenmeren, zijn donkere
-dennenbosschen in de diepte, zijn lichtgroene berkenwouden in de
-hoogte, en uitgestrekte, hier in toendra’s veranderde moerasvenen op
-den breeden rug der bergen, zijn blokhuizen op de hellingen en zijne
-senhutten in de hoogste dalen.
-
-Maar niettemin is in Skandinavië alles anders dan in de Zwitsersche
-Alpen, en het onderscheid valt duidelijk een ieder in het oog, die in
-de gelegenheid was beide landen te zien. Dit verschil spruit daaruit
-voort, dat hier twee groote en majestueuse gebieden der aarde,
-hooggebergte en zee, op verwonderlijke wijze zijn vereenigd en
-verbonden.
-
-Ernst en vroolijkheid vormen het algemeen karakter van Skandinavië.
-Gestrengheid paart zich aan zachtheid, somberheid aan opgewektheid, en
-onder het doodsche en angstverwekkende mengt zich het levendige en
-verhevene. Zwarte rotsmassa’s rijzen loodrecht uit de zee omhoog,
-terwijl zij de diep ingesneden fjorden omgrenzen; op menigvuldige wijze
-gekloven en verdeeld, stapelen zij zich steil boven elkander op,
-terwijl ginds een overhellend blok dreigend neêrblikt in de diepte; op
-hare kruinen torschen ze ijsmassa’s, die zich uren ver uitstrekken en
-gansche landschappen bedekken. Geen leven wordt hier vernomen; alleen
-de wildbeek, die er haar oorsprong neemt, stoort de doodsche stilte.
-Als een zilveren lint kronkelt zij over den zwarten grond; terwijl zij
-het oog boeit, laat zij in haar ruischen de verheven melodie
-weêrklinken van het hooggebergte. Uit elke spleet breken deze stroomen
-te voorschijn, langs elke kloof bruisen zij omlaag, in dollen dans
-tuimelen zij van de rotsen, waterval op waterval vormende, wier
-geklater door de naburige berghelling wordt teruggekaatst.
-
-Deze ruischende beken, die langs elke insnijding dalwaarts spoeden, de
-glinsterende waterstrepen, die tegen elken rotswand hangen, de als rook
-opstijgende damp, die de aanwezigheid der meest verborgen watervallen
-verraadt, zij zijn het, die het leven oproepen in de ijzigste
-wildernis, op plaatsen, waar het oog overigens niets ontwaart dan rots
-en lucht, terwijl zij tevens wijzen op het daarachter gelegen land.
-
-Maar, hoe betooverend ook hunne schoonheid zij, hoe overweldigend de
-fjorden met haar rotswanden, kloven en dalen, voorgebergten en
-vooruitstekende punten ook zijn mogen, eigenaardiger indruk nog geven
-de eilanden en scheren daar buiten in de zee; de klippen, die van het
-zuiden tot het noorden zich langs het land gelegerd hebben en een chaos
-van bochten, sonten en straten in ’t leven roepen, gelijk geen tweede
-plekje op de gansche aarde misschien weet aan te wijzen.
-
-De groote eilanden zijn min of meer een getrouw spiegelbeeld van het
-vaste land; de kleinere eilanden en de scheren bewaren onder alle
-omstandigheden een eigendommelijk karakter, dat evenwel met elken
-hoogeren breedtegraad eenige wijziging ondergaat. In het noorden mist
-men den rijkdom van het zuiden; zulks geldt niet alleen voor de
-eilanden, maar ook voor de zee.
-
-Toch is ook hier alle schoonheid niet buitengesloten, en vooral in de
-zomermaanden, wanneer de middernachtszon groot en bloedrood langs den
-horizon strijkt en haar half omsluierden glans tegen de met ijs bedekte
-toppen der bergen en de oppervlakte der zee weêrkaatst, dan is de
-betoovering inderdaad overweldigend. De overal verspreid liggende
-boerenwoningen hebben hierin haar aandeel; hutten, uit houten planken
-opgetimmerd en met zoden gedekt, prijkende met het levendigste rood,
-dat scherp afsteekt bij ’t groene dak, den zwarten bergwand en het
-ijsblauw der gletschers op den achtergrond.
-
-Niet zonder bevreemding neemt de reiziger, die voor ’t eerst dit land
-bezoekt, waar, dat die woningen grooter, deftiger en ruimer worden,
-naarmate men noordelijker komt. Ofschoon niet meer door akkers omgeven,
-bezit nog elke woning een tuintje, en wat grootte, ruimte en inrichting
-betreft, winnen zij het van de armoedige gebouwen in de meer zuidelijke
-streken van Skandinavië; ja, de deftigste en grootste bevinden zich
-juist op de kleinere eilanden, waar niets dan een veenlaag den
-rotsgrond dekt, en welker ondankbare bodem zelfs de gift van een klein
-tuintje weigert.
-
-Dit schijnbaar raadsel wordt evenwel opgelost, wanneer men zich
-herinnert, dat in Norland en Finland niet het land, maar de zee de
-akker is, die beploegd wordt; dat men niet in den zomer zaait en de
-zeis zwaait, maar dat de oogsttijd valt in den herfst, en daaraan geen
-zaaitijd is voorafgegaan; dat juist in die maanden, waarin de lange
-nacht onbeperkt zijn scepter zwaait en de maan in plaats van de zon de
-aarde beschijnt, wanneer het gloeiende noorderlicht treedt in de plaats
-van het morgen- en avondrood, alsdan daar ter plaatse de mensch der zee
-haar rijken buit ontrooft.
-
-Wanneer de herfstnachtevening is ingetreden, maken zich alle krachtige
-mannen van Noorwegen op om den noordelijken oogst in te zamelen. Iedere
-stad, ieder vlek, ieder dorp zendt een of meer voldoend bemande schepen
-naar de eilanden en scheren aan gene zijde van den poolcirkel, om voor
-eenige maanden in alle daarvoor passende bochten het anker uit te
-werpen. Op de schepen zoowel als in de woningen reppen zich alle handen
-om den zegen des oogstes te bergen.
-
-Midden in den zomer is het land daar ginds stil en onbewoond; gedurende
-den winter wemelen de inhammen, eilanden en straten van bedrijvige
-mannen; dag en nacht zijn deze onverpoosd bezig. De woningen mogen ruim
-zijn, toch kunnen zij alle hier bijeengestroomde menschen niet
-bevatten; daarom worden er nog dicht bij de schepen eenvoudige, met
-plaggen gedekte hutten opgeslagen om tot tijdelijk verblijf te
-strekken.
-
-Omstreeks den winterzonnestilstand, wanneer wij ons Kerstfeest, de
-Noren hun Joelfeest vieren, is de drukste tijd aangebroken. Reeds
-sedert weken heeft de zee haar zegen uitgestort. Beheerscht door de
-machtigste aandrift, die levende wezens bezielt, geleid door den
-onweêrstaanbaren aandrang zaden uit te strooien voor volgende
-geslachten, stijgen ontelbare scharen van visschen, zooals kabeljauwen
-en schelvisschen, uit de diepten des Oceaans omhoog; zij naderen de
-kusten, dringen in alle straten, sonten en fjorden, en bedekken mijlen
-in ’t rond de oppervlakte der zee. Zoo dicht zwemmen deze, slechts door
-één gevoel bezielde, en als het ware van hun zinnen beroofde wezens
-bijeen, dat de booten zich letterlijk door deze scholen een weg moeten
-banen, dat het overgevulde net onder zijn last breekt, of spot met de
-reuzenkrachten der visschende mannen, terwijl een roeispaan, die
-loodrecht tusschen de opeengehoopte visschen wordt gestoken, eenigen
-tijd in deze richting blijft staan, alvorens om te vallen. Alleen de
-hoogere gedeelten der eilanden, alwaar eene veenlaag den kalen
-rotsgrond dekt, en de onmiddellijk aan de zee grenzende randgedeelten,
-tot waar de vloed nog reikt, uitgezonderd, is de bodem bedekt met
-gespouwen, hier ter droging neêrgelegde visschen. Daarboven zijn staken
-in den grond geplant, waaraan duizenden anderen worden opgehangen, die
-voor hetzelfde doeleinde aan den kouden, maar uitdrogenden wind worden
-blootgesteld. Van tijd tot tijd ledigt men de rotsen en staken, bindt
-de gedroogde visschen in bundels, bergt ze tijdelijk in daarvoor
-ingerichte schuren, maar de ledige plaatsen worden op hetzelfde
-oogenblik weder door versch gevangenen aangevuld.
-
-Maanden lang duurt deze bezigheid, maanden lang de hieruit
-voortspruitende handel; het zuiden en noorden ruilen hier hunne
-schatten tegen elkander in. Eerst wanneer omstreeks den middag een
-helder licht in het zuiden de terugkomst der zich nog schuil houdende
-zon aankondigt, of deze zelf een korten blik werpt op het land, eindigt
-van lieverlede de rijke vangst. De gedroogde stok- of klipvisch wordt
-uit de magazijnen naar de schepen gedragen, de geheele ruimte van de
-kiel tot aan het dek daarmede opgevuld. De schipper keert huiswaarts,
-of vaart naar elders; het eene vaartuig na het andere hijscht de bruin
-geteerde zeilen en wendt den steven.
-
-Stiller wordt het in het noorden, eenzamer wordt het land, verlaten is
-de zee. Is de lentenachtevening aangebroken, dan hebben bijna alle
-vreemde vaartuigen het oogstveld verlaten en zijn de visschen wederom
-naar de diepten des Oceaans teruggekeerd. Maar reeds zendt de zee
-nieuwe kinderen uit, om nogmaals de sonten, bochten en fjorden, en nu
-niet deze alleen, maar ook de scheren en eilanden met leven te
-bezielen; weldra glinsteren hier millioenen heldere vogeloogen en
-gluren deze van de hoogten der klippen, aan wier voet het zoo even
-geschetste winterleven heerschte, naar beneden op de zee.
-
-Het is een diep ingrijpende levenstrek van alle eigenlijke zeevogels,
-dat slechts twee oorzaken hen bewegen kunnen het land te bezoeken; het
-blij gevoel der allengs opnieuw ontwakende liefde en het somber
-voorgevoel van den naderenden dood. Het is niet de winter met zijn
-langen nacht, zijn koude en stormen, die hen drijft naar het land; zij
-zijn bestand tegen de ruwheden van het noordsche klimaat, en gewoon hun
-leven door te brengen op of onder de golven; ook is het niet de vrees
-voor de dreigende tanden van roofzuchtige visschen, die hen jaagt naar
-het strand; zij bezoeken het land, b.v. een eenzaam eiland, slechts
-voor korten tijd om het gevederte weer eens voor goed van vet te
-voorzien, beter dan zulks in het water kon geschieden. Maar wanneer met
-de eerste stralen der nieuwe zon de liefde in dien kleinen vogelboezem
-ontwaakt, dan ijlt jong en oud weder naar de plek, waar zij het
-levenslicht voor ’t eerst aanschouwden, al scheiden ook duizenden
-mijlen lucht en water hen van deze plaats, die vliegende of zwemmende
-na korter of langer tijd bereikt wordt. En wanneer te midden van den
-ijzigen winter, nadat de broedplaatsen reeds sedert maanden verlaten
-zijn, een zeevogel den dood in het hart voelt, dan spoedt hij zich, zoo
-lang zijn krachten hem niet begeven, voor ’t laatst naar de plek, waar
-eens zijn wieg heeft gestaan.
-
-De jaarlijksche bijeenkomsten van tallooze scharen dezer vogels op de
-broedplaatsen schenken aan deze maanden lang eene onbeschrijfelijke
-bekoorlijkheid en levendigheid. Evenals de vogels zelf onderling
-verscheiden zijn, heerscht er ook in deze vereenigingen het grootste
-verschil. Ook is er verschil in de plaatsen, die zij bevolken. De
-Noorman noemt ze vogelbergen. Terwijl sommige soorten alleen zulke
-scheren uitkiezen, welke zich maar weinig boven den hoogsten waterstand
-verheffen, en waar eene armoedige vegetatie schaars voldoende is om het
-in een kuil van opgeworpen zeewier toebereide nest een weinig te
-bekleeden, moeten anderen zulke eilanden voor lief nemen, die tot eene
-hoogte van honderden meters steil uit de zee oprijzen en, of rijk zijn
-aan uitstekende rotsen, lijsten, holen, spleten en dergelijke
-schuilhoeken, of door eene dikke laag half vergane plantendeelen worden
-bedekt.
-
-De lage scheren dragen in den volksmond, naar de daarop voorkomende en
-door de Noren met bijzondere liefde beschermde vogels, voor hen de
-nuttigste, den naam van „Eiderholme” d.i. eidereendheuvels. Onder
-vogelbergen begrijpt men gemeenlijk de hoogere, steil uit de zee
-oprijzende, voornamelijk door alken en meeuwen bewoonde eilanden.
-
-Hoe verleidelijk het ook voor den onderzoeker zijn moge, elken
-afzonderlijken broedvogel der zee nauwkeuriger in ’t oog te vatten en
-uitvoerig te schilderen, de rijkdom van de bevolking der vogelbergen in
-het hooge noorden gebiedt hem eenige beperking. Ook ik moet mij, met
-het oog op den tijd mij gegund, het genoegen ontzeggen, een volledig
-beeld te ontwerpen van al die verschillende bergvogels; alleen acht ik
-mij verplicht, van enkelen hunner de levenswijze vluchtig te schetsen,
-ten einde eenige hoofdmomenten uit het leven der zeevogels onder de
-aandacht te kunnen brengen. Hoe moeilijk de keuze ook zij, er is een
-onder de vele vogels, die ieder jaar naar dezelfde broedplaats
-terugkeeren om aan deze en de omgeving een ongemeenen luister bij te
-zetten, die niet onopgemerkt mag blijven; ik bedoel den eidervogel.
-
-Drie verschillende soorten dezer prachtige eenden bewonen of bezoeken
-Europa’s kusten; een dezer, de eidereend zelf, bezoekt elken zomer
-zelfs de noordelijkste eilanden van Duitschland, vooral Sylt. Het
-gevederte van al deze soorten is eene getrouwe weerspiegeling van de
-noordelijke zeeën. De kleur is eene mengeling van zwart en rood, van
-aschgrauw, ijsgroen, wit, bruin en geel. De eigenlijke eidereend,
-alhoewel nog altijd een prachtige vogel, is echter de minst bedeelde,
-wat schoonheid betreft. De nek en rug zijn wit, evenals het schuim der
-zee; daarboven loopt een witte band over de vleugels en op de zijden
-wordt ook nog een witte vlek aangetroffen. Krop en hals zijn als met
-een rooskleurig waas overtogen, dat herinnert aan den gloed der
-middernachtszon; een streep op de wangen bootst het teêre groen na van
-gletscherijs; de borst, buik, vleugels, staart, onderrug en stuit zijn
-zwart als de diepten des Oceaans. Echter bezit alleen het mannetje zulk
-een pronkgewaad; het wijfje kleedt zich, evenals zulks het geval is bij
-alle andere eendensoorten, veel eenvoudiger; toch ziet zij er in hare
-huisjapon voornaam genoeg uit. Op een roestkleurigen, nu eens meer dan
-eens minder in bruin overgaanden grond, zijn ontelbare overlangsche en
-dwarse vlekken, strepen en krullen van zulk eene teederheid en
-verscheidenheid uitgegoten, dat men geen woorden kan vinden om deze
-teekening naar behooren te omschrijven.
-
-Geen andere eendensoort is zoo in den vollen zin des woords
-zeebewoonster als de eidereend; geene waggelt moeilijker op het droge,
-geene vliegt minder goed, geene zwemt vlugger, duikt beter en dieper
-dan zij. Wel vijftig meter diep duikt zij, ter verkrijging van voedsel,
-beneden ’t oppervlak der zee, en wel vijf minuten, een verbazend lange
-tijd, zou zij onder water kunnen vertoeven. Vóór den aanvang van den
-broeitijd verlaat zij de volle zee of in ’t geheel niet, of slechts bij
-zeldzame uitzondering, meer hare luimen dan de noodzakelijkheid
-volgende. Reeds tegen ’t einde van den winter hebben de scharen, waarin
-ook deze soort zich vereenigt, zich verdeeld in afzonderlijke paren,
-terwijl nog alleen die mannetjes, wien ’t niet gelukte zich een wijfje
-te verwerven, in kleine troepen blijven rondzwemmen.
-
-Onder de beide echtgenooten heerscht de gelukkigste eendracht. Slechts
-één wil, ongetwijfeld die der eend, geeft den toon aan voor beider doen
-en laten. Verheft zich het wijfje boven den waterspiegel om al
-vliegende eenige honderden meters af te leggen, zoo volgt haar
-onmiddellijk de woerd; duikt de eerste, terstond verdwijnt ook de
-laatste; waarheen ook het wijfje zich begeven moge, het mannetje volgt
-getrouw; al wat zij doet strookt ook met zijn inzichten en begeerten.
-Nog steeds toeft het paar daar buiten op de zee, al zij het dan ook
-enkel op zulke plaatsen, alwaar de diepte die van vijftig meter niet te
-boven gaat, en altijd slechts daar, waar de gewone en andere soorten
-van mosselen in rijke menigte de rotsen of den zeebodem bedekken. Deze
-weekdieren toch vormen bijna uitsluitend het voedsel onzer eenden, en
-om die mossels te bemachtigen duiken zij zoo diep; maar ook vrijwaren
-deze weekdieren haar voor het gebrek, dat zoo dikwijls het deel is van
-vele andere soorten.
-
-In April, allerlaatst in ’t begin van Mei naderen de paren al meer en
-meer den gordel van klippen en daarmede ook de kust. In het hart der
-eend ontkiemt de moederzorg, en aan deze wordt nu alles ondergeschikt.
-Daarbuiten in de open zee was het paartje zoo schuw, dat het nimmer de
-nadering van een vaartuig afwachtte, en den mensch, waar deze zich ook
-mocht vertoonen, meer vreesde dan elk ander schepsel; nu, in de
-nabijheid der eilanden heeft er eene algeheele omkeering in dat gedrag
-plaats. Slechts gehoor gevende aan haar moederlijk gevoel, zwemt de
-eend op een der eilanden af; zonder verder op den mensch te letten
-waggelt zij landwaarts. De woerd volgt, echter niet zoo onbezorgd als
-zij, en gedurig klinkt zijn waarschuwend „ahoea, ahoea”; nu en dan
-houdt hij zijn tred in, soms stilstaande als om na te denken, en dan
-weder voorwaarts zwemmende. De eend daarentegen bekommert zich om niets
-en marcheert moedig over het eiland om zich eene geschikte broedplaats
-uit te zoeken. Eigenzinnig als zij is, stelt zij zich niet tevreden met
-den eersten den besten hoop wier, dien de vloed op het strand wierp, of
-met den kleinen vlierstruik, wiens langs den grond kruipende twijgen
-eene veilige schuilplaats aanbieden, of met de halfgebroken kist, die
-de eigenaar des eilands opzettelijk daarheen bracht om tot beschutting
-te dienen, of met de takkenbosschen, die hij, om de vogels te lokken,
-bijeendroeg; zij nadert, zonder van vrees te doen blijken, evenals een
-huisdier, zelfs de woning van den eigenaar, gaat binnen, meet den
-vloer, maakt het der huisvrouw lastig in keuken en woonvertrek, en
-kiest wellicht, grillig en koppig, juist het binnenste van den oven
-voor nestplaats uit, en dwingt daardoor de huisvrouw maanden lang haar
-brood op een ander eiland te bakken. Met zichtbaren angst volgt haar de
-trouwe woerd zoover mogelijk; wanneer zij echter naar zijne meening
-alle veiligheidsmaatregelen geheel uit het oog verliest, en zich
-verstout met de menschen onder één dak te willen wonen, tracht hij niet
-langer hare luimen te bestrijden, maar laat haar eenvoudig begaan en
-vliegt zelf naar de veilige zee, om hier met kloppend hart hare
-dagelijksche bezoeken af te wachten. Onze eend laat zich daardoor niet
-van streek brengen, maar sleept wat rijshout bijeen en staat gaarne
-toe, dat de Noorman haar hierbij helpt; de stoffen, waaruit het nest
-zal bestaan, takjes en zeewier, worden laagsgewijze gerangschikt; met
-behulp der zwempooten wordt er een kuil in gegraven, en deze, terwijl
-de eend onophoudelijk de gladde borst daarin ronddraait, effen en rond
-gemaakt. Thans kan er begonnen worden met het bekleeden. Alleen om haar
-kroost bedacht, plukt de eend zich de zoo uitermate weeke donsveêren
-uit de borst en maakt hiervan een bed, dat den geheelen kuil vult. Van
-boven wordt langs den rand insgelijks een krans van hetzelfde materiaal
-gelegd, dat over de eieren zal gespreid worden, wanneer de eend het
-nest soms een wijl moet verlaten. Nog vóór het nest inwendig geheel
-gereed is, begint zij hare betrekkelijk kleine, gladschalige, vuil- of
-grijsgroene eieren te leggen, wier aantal van zes tot acht, een enkele
-maal meer of minder bedraagt.
-
-Dit oogenblik heeft de Noorman afgewacht. Eigenbaat, zelfzucht, maakten
-hem tot den vriendelijken gastheer der eend.
-
-De gastheer verandert nu in een roover. Zonder bedenken maakt hij zich
-meester niet alleen van de eieren, maar zelfs van het dons.
-
-Vier en twintig tot dertig nesten leveren een kilogram dons, ter waarde
-van minstens achttien gulden, daar ter plaatse.
-
-Deze cijfers geven voldoende opheldering van het gedrag des Noormans.
-
-Met een treurig gemoed aanschouwt de eend deze vernietiging harer
-verwachtingen voor dit jaar; ontsteld en verschrikt vliegt zij naar de
-zee terug tot den haar wachtenden echtgenoot. Of deze haar nu ook nog
-waarschuwende woorden toevoegt, kan ik niet zeggen; wel weet ik, dat
-hij zijne gade spoedig troost in ’t hart stort. Nog is beider borst vol
-lentelust en lentemoed; na weinige dagen waggelt het wijfje, als ware
-er niets gebeurd, wederom over het land, ten einde opnieuw een nest te
-bouwen. Waarschijnlijk vermijdt zij dezen keer de vorige plaats en
-vergenoegt zich met den eersten den besten, nog niet geheel door
-anderen ingenomen hoop zeewier. Opnieuw fatsoeneert zij een kuil,
-opnieuw begint zij haar toilet te onderzoeken, ten einde de
-donsbekleeding op te sporen. Helaas! hoeveel moeite zij zich geeft, hoe
-zij den hals ook uitrekt en in allerlei slangvormige wendingen buigt—de
-voorraad is uitgeput. Wanneer evenwel is eene moeder, al wandelde zij
-ook in de gedaante eener eend over de aarde, ooit radeloos geweest,
-waar het gold de zorg voor haar kroost? Ook onze eend verliest hare
-bezinning niet. Heeft zij zelf geen dons meer, haar echtgenoot zal haar
-bijstaan; deze heeft er nog genoeg aan borst en rug. Daarvoor dient hij
-hier te zijn. En hoezeer hij misschien moge tegenstribbelen, hoe
-levendig hem de herinnering aan vroegere jaren ook is bijgebleven, hij
-is de man en zij de vrouw, d.w.z. hij moet gehoorzamen. Onbescheiden
-plukt de bezorgde moeder hem in de veêren, en binnen weinige uren,
-althans in minder dan twee dagen heeft zij hem even kaal geplukt als
-zij zelf is. Dat na zoodanige behandeling de woerd, zoodra hij kan, de
-volle zee opzoekt om nu eenige maanden alleen met zijns gelijken te
-verkeeren, en zich om de broedende gade en het wordend kroost in ’t
-geheel niet meer bekommert, vind ik zeer natuurlijk. En wanneer men
-werkelijk, zooals op alle broedplaatsen het geval is, een woerd naast
-eene eend ziet staan, dan is deze er ongetwijfeld een, die nog niet
-geplukt werd.
-
-Onze eend broedt van nu aan zeer ijverig. En nu wordt het duidelijk,
-dat hare huisjapon het meest geschikte, ik durf zeggen, het eenig
-mogelijke gewaad is, dat zij dragen kan. In het wier, dat het nest
-omgeeft, verdwijnt zij volkomen; zelfs voor het oog van valken en
-zeearenden is zij onzichtbaar. Niet alleen harmonieert de algemeene
-kleur van haar toilet met die van het uitgedroogde zeewier, maar elk
-streepje, stipje en puntje is daarmede in overeenstemming. Ja, zoo
-volkomen, dat de broedende vogel, zoodra hij zijn hals heeft
-ingetrokken, en de vleugels een weinig heeft uitgespreid, als het ware
-in de omgeving wordt opgenomen. Vele malen is ’t mij gebeurd, dat ik,
-terwijl mijn geoefend jagers- en waarnemersoog over de eiderholmen
-gleed, niet eer eene eidereend ontdekte, alvorens ik door het pikken
-aan mijn laarzen er opmerkzaam op gemaakt werd. Wie de toewijding kent,
-met welke eene eend broedt, zal er zich niet over verwonderen, dat men
-de op het nest zittende vogels zoo nabij kan komen; maar wel wekt het
-de verbazing, zelfs van den meest ervaringrijken onderzoeker, wanneer
-hij hoort, dat de eidereend, zonder weg te vliegen, toelaat, dat men de
-onder haar liggende eieren met de hand betast, ja, dat zij ongestoord
-blijft voortbroeden, nadat men haar van het nest heeft afgenomen en
-daarna er weder opgezet, of een eind van daar op den grond, om zich het
-genot te verschaffen, haar weder naar het nest te zien waggelen.
-
-De moederlijke toewijding en de moederweelde der eend blijken uit meer.
-Elke vrouwelijke eidereend, misschien iedere eend in ’t algemeen,
-streeft niet enkel naar het geluk kinderen op te voeden, maar zij wil
-haar moederoog doen rusten op een zoo talrijk mogelijke schaar. Deze
-aandrift heeft ten gevolge, dat zij andere, dicht bij haar broedende
-eenden zooveel benadeelt als zij maar kan.
-
-Hoe ijverig zij ook broedt, eenmaal elken dag moet zij het nest
-verlaten, vooreerst om zich van voedsel te voorzien, en tevens om haar
-gevederte, dat tengevolge van de warmte, die zich onder het broeden
-ontwikkelt, niet weinig lijdt, te reinigen, in te vetten en op te
-strijken. Terwijl zij een wantrouwenden blik werpt op haar buurvrouwen,
-staat zij in de eerste voormiddaguren op,—misschien werd zij reeds
-geruimen tijd door een fellen honger gekweld,—plaatst zich aan den rand
-van het nest en schuift met den snavel den krans van dons over de
-eieren. Is dit geschied, dan vliegt zij ijlings naar zee, duikt
-herhaalde malen in de diepte, vult haastig krop en slokdarm tot de keel
-met mosselen, baadt en poetst zich, smeert zich de veêren in, keert
-naar het land terug, terwijl zij onderweg nog gedurig de veêren droogt
-en glad strijkt, en bereikt haar nest. De twee buurvrouwen zitten
-oogenschijnlijk even zorgeloos en onschuldig op het nest als straks,
-maar hebben ondertusschen diefstal gepleegd. Zoodra de eerste
-uitgevlogen was, was een der anderen opgestaan, had het donzen dek
-opgelicht en met de beide roeipooten snel één, twee, drie, vier eieren
-uit het vreemde nest naar haar eigen gerold; daarna heeft zij het
-eerste nest weder zorgvuldig toegedekt, en gelukkig in haar
-onrechtmatig bezit, zich weer te broeden gezet. De teruggekeerde eend
-heeft ras ontdekt wat er in haar afwezigheid gebeurd is, doch laat
-niets merken; zij zet zich weer rustig aan ’t broeden en denkt
-ondertusschen: „wacht maar buurvrouw, je zult ook wel eens uitvliegen
-en wat je mij nu hebt gedaan, doe ik jou dan.” En zoo wandelen de
-eieren der eidereenden gedurig van het eene nest in het andere. Of
-echter haar eigen kinderen of vreemde onder de gelukkige moederborst
-tot rijpheid komen, zulks schijnt der eidereend onverschillig te
-zijn;—het zijn immers toch kinderen!
-
-Zes en twintig dagen broedt de eend, alvorens de kuikens uitkomen. De
-Noorman, die verstandig te werk gaat, laat haar ditmaal begaan en
-stoort haar niet alleen niet, maar helpt haar zooveel hij kan, door
-alle vijanden en onruststokers zooveel mogelijk van het eiland af te
-houden. Hij kent zijn eenden, zoo niet persoonlijk, dan toch in
-zooverre, dat hij weet, wanneer ongeveer deze of die met broeden gedaan
-heeft en met hare kuikenschaar den weg naar zee zal aanvaarden. Die weg
-strekt velen jongen eenden, op wie geen genoegzaam toezicht wordt
-gehouden, onverwachts ten verderve.
-
-Niet alleen de op het eiland broedende of daar toevallig aanwezige
-valken, maar ook en nog meer raven, roofmeeuwen en groote zeemeeuwen
-beloeren den eersten uitgang der eendenkuikens, overvallen deze op dien
-tocht en rooven er velen weg.
-
-De patroon van het eiland tracht zulks te verhinderen en wel op eene
-wijze, die kenschetsend is voor de anders zoo wilde en schuwe, maar
-onder het broeden bijna in huisdieren veranderde eidervogels. Tegen het
-einde van den broedtijd wandelt hij elken morgen over het eiland om de
-moeders behulpzaam te zijn en den tweeden donsoogst in te zamelen. Op
-zijn rug hangt een draagkorf, aan den eenen arm een wijde handkorf. Zoo
-wandelt hij van het eene nest naar het andere, beurt elke eend op, en
-onderzoekt of de kuikens uit den dop zijn en voldoende droog zijn
-geworden. Is zulks het geval, dan pakt hij het geheele krabbelende
-gezelschap in zijn handkorf, ontdoet het nest van het dons en bergt dit
-in den draagkorf, om daarna verder te gaan. Vertrouwelijk waggelt de
-eend meê en volgt haar piepende jongen. Een tweede, derde, tiende nest
-wordt insgelijks geledigd en zoolang wordt de arbeid in ’t algemeen
-voortgezet, totdat de handkorf vol is. De eene moeder na de andere
-sluit zich aan het gevolg aan, onderweg van gedachten wisselende met
-hare medelijderessen. Aan het strand gekomen schudt de man den inhoud
-der mand eenvoudig in de zee uit. Dadelijk storten alle eenden in het
-water, haar kroost na; roepende en alle teederheid der moederliefde
-ontvouwende, zwemmen zij te midden der kleine schare, en ieder zoekt
-zooveel kinderen mogelijk te bemachtigen. Met blijkbaren trots zwemt er
-hier eene, die een lang gevolg na zich sleept; maar reeds zwemt een
-tweede dwars door dien keten om er zich sommigen van toe te eigenen,
-terwijl een derde eend nadert met het doel ook voor zich zooveel
-kuikens machtig te worden, als zij maar kan. Zoo zwemmen alle moeders
-snaterend, roepend, kwakend en lokkend dooreen, tot eindelijk ieder
-harer een troep kuikens achter zich heeft; of deze haar eigen kinderen
-of vreemden zijn, wie zal het zeggen? De eend zelf weet het
-ongetwijfeld evenmin, maar haar moederweelde lijdt er niet onder; het
-zijn immers allen kinderen, die achter haar zwemmen.
-
-In elk geval, eene op deze wijze bijeenverzamelde schare volgt reeds in
-de eerste levensuren getrouw het voorbeeld der moeder of pleegmoeder.
-Deze brengt de kuikens al dadelijk naar zulke plaatsen, alwaar de
-mosselen tot op de hoogte der laag-waterlijn op de rotsen zitten, plukt
-er zooveel als voor haar zelf en haar gezin voldoende is, breekt de
-kleinste schalen open en zet den inhoud haar kinderen voor. Deze kunnen
-reeds dadelijk zwemmen en duiken, en in één opzicht overtreffen zij
-zelfs hunne ouders, n.l. hierin, dat zij zich veel gemakkelijker en
-vlugger op het land bewegen. Worden nu de kuikens in de nabijheid van
-een eiland vermoeid, dan geleidt de moeder hen naar het land; zij
-rennen nu als jonge patrijsjes voort, verstaan echter meesterlijk de
-kunst om, als zich de noodkreet der moeder laat hooren, neêr te hurken
-en zich daardoor zoo onzichtbaar te maken, dat zij zelfs voor het
-scherpstziend oog verborgen blijven; worden zij vermoeid, wanneer zij
-zich al te ver van de scheren verwijderd hebben, dan breidt de oude
-haar vleugels uit en biedt deze, alsmede haar rug den kleinen tot rust-
-en zitplaats. Daar gebrek hun onbekend is, groeien zij verbazend snel,
-en na verloop van twee maanden hebben zij bijna de grootte en in elk
-geval alle bekwaamheden en talenten der moeder erlangd.
-
-Nu komt ook de vader weder te voorschijn, om van nu aan met de familie
-vereenigd, meestal in gezelschap van meerdere families, soms een schaar
-vormende, uit duizenden individuen samengesteld, gezamenlijk den winter
-door te brengen.
-
-De hooge, ieder jaar nog stijgende prijs van het prachtige dons, maakt
-den eidervogel tot den meest kostbaren van alle bergvogels. Duizend
-paar eidereenden zijn een niet te versmaden rijkdom. Op de meeste
-eiderholmen broeden echter minstens drie à vier duizend paar, en de
-eigenaar van nog drukker bezochte broedplaatsen trekt van deze vogels
-een inkomen, dat menig grondeigenaar ten onzent hem benijden zou.
-
-Behalve eidereenden broeden op de holmen ook nog oestervisschers of
-scholeksters en zeekoeten, aan welke vogels men insgelijks de eieren
-ontrooft, die maanden lang op allerlei wijzen als voedsel worden
-gebruikt en naar oost en west verzonden.
-
-Een enkele maal worden de jongen ingezouten om in den winter tot
-voedsel te dienen, en zoo zijn, gelijk men ziet, de holmen te
-vergelijken met akkers, die een rijken oogst opleveren; zij staan
-diensvolgens onder streng toezicht en worden door bijzondere wetten
-beschermd.
-
-Eigenaardig en boeiend tevens is het tooneel, dat een door eidereenden
-en andere zeevogels bewoond eiland oplevert. Een meer of minder dichte
-wolk van verblindend witte meeuwen omhult het eiland. Zonder
-tusschenpoos vliegen troepen en zwermen dezer broedvogels af en aan, nu
-naar het eiland toe, dan weder in de richting der zee. Ook bezoeken zij
-wel de naburige scheren en schenken dan een ongemeenen tooi aan de in
-groene grasvelden omgevormde moerassen, waarachter zich de roode
-blokhuizen verheffen. Met billijken trots wees eens een bewoner der
-Lofoden op eenige honderden stormmeeuwen, die in dichte troepen vlak
-voor zijn huis naar insecten zochten. „Ons land is te arm, te koud en
-te ruw dan dat wij er, evenals in het zuiden, huisvogels op na kunnen
-houden. De zee schenkt ons echter duiven en ik vraag u hebt gij wel
-ooit iets schooners gezien?” Ik moest een ontkennend antwoord op deze
-vraag geven; want de blinkend witte en fijn blauwgrijze meeuwen
-teekenden zich te midden van de grootsche omgeving eener noordelijke
-bergstreek zoo heerlijk tegen het mollige, groene gras af, dat dit
-schouwspel inderdaad aantrekkelijk mocht heeten. Deze meeuwen zijn het,
-die bovenal de broedholmen reeds van verre als zoodanig in het oog doen
-vallen, waardoor deze zich onderscheiden van andere, overigens er
-eveneens uitziende scheren. Van de overige gevederde bevolking merkt
-men weinig, ofschoon haar aantal duizenden bedraagt.
-
-Eerst wanneer men in een dier lichte, onverbeterlijke booten van dit
-land van den bewoonden oever stoot en naar den holm toestuurt, dan
-verandert het stille leven der vogels. Eenige scholeksters, die
-onmiddellijk boven het hoog waterpeil hun voedsel zochten, hebben de
-boot bemerkt en vliegen er ijlings heen. Want deze vogels, die op geen
-der grootere eilanden, zelfs bijna op geen enkele scheer ontbreken,
-zijn de veiligheidsbeambten, de politie-agenten onder de vreedzaam
-vereenigde bergvogels. Nieuwsgieriger en bedrijviger dan alle andere,
-mij bekende strandvogels, zelfbewust, voorzichtig en bedachtzaam,
-vereenigen zij alle eigenschappen in zich om tot toongevers te worden
-in gemengde koloniën. Elke nieuwe, ongewone gebeurtenis wekt hen op een
-onderzoek in te stellen. Zoo vliegen zij elke boot te gemoet, omzwermen
-deze van vijf tot zes malen in steeds nauwer wordende kringen, laten
-daarbij een onafgebroken geschreeuw hooren, lokken hierdoor andere
-individuen hunner eigene soort en wekken de opmerkzaamheid van alle
-verstandige vogels der kolonie.
-
-Hebben zij zich overtuigd, dat er wezenlijk gevaar bestaat, dan vliegen
-zij schielijk terug, en geven door een waarschuwend geluid zulks te
-kennen aan alle bergvogels, die dit begeeren te weten en die er dan ook
-werkelijk notitie van nemen. Eenige meeuwen besluiten thans zich in elk
-geval door een persoonlijk onderzoek van de oorzaak der stoornis te
-overtuigen. Vijf of zes dezer vogels vliegen de boot tegemoet, stellen
-zich in de lucht evenals valken op, stooten misschien reeds nu
-stoutmoedig op de indringers en keeren sneller dan zij gekomen waren
-naar den holm terug.
-
-Net alsof men geen vertrouwen in deze boodschappers stelde, verheft
-zich nu een dubbel, drie-, vier-, tienvoudig aantal om eveneens te
-handelen zoo als de eerste verspieders hebben gedaan. Reeds strijkt
-eene dichte laag vogels over de boot. Deze wolk wordt al dichter en
-dichter en neemt een steeds dreigender aanzien aan, daar de vogels niet
-alleen met steeds aangroeiende koenheid op de schepelingen stooten,
-maar daarbij stoffen op hen laten vallen, die aangezicht en
-kleedingstukken een minder sierlijk uiterlijk verleenen. In de
-nabijheid van het eiland klimt de opgewondenheid tot eene zinnelooze
-razernij, het geschreeuw van enkelen wordt tot een geloei van
-duizenden. Nog voor de boot geland is, zijn de mannelijke eidervogels,
-die een bezoek aan de (broedende) wijfjes hebben gebracht, naar het
-strand teruggewaggeld en zwemmen thans onder een waarschuwend geroep
-van: „ahoea, ahoea,” in zee. Aalscholvers en zaagbekken volgen; de
-scholeksters, plevieren, alken, eidervogels, meeuwen en zeezwaluwen,
-alsmede de rotspiepers en kwikstaarten, voor zooverre deze aanwezig
-mochten zijn, kunnen evenwel niet besluiten het eiland te verlaten.
-Maar de loopvogels rennen als door den duivel vervolgd, in groote
-troepen het strand op en neêr: de alken, die al schuivende tegen
-hellende rotsblokken zijn opgeklauterd, leggen zich plat neder en
-kijken, van geen kwaad bewust, den vreemdeling verwonderd aan; de
-eidereenden maken zich gereed om zich op het rechte oogenblik op de
-haar eigenaardige wijze onzichtbaar te maken.
-
-De boot landt. Men betreedt den holm. Duizenden krijschende stemmen
-gaan gelijktijdig op; de uit vliegende vogels gevormde wolk wordt elk
-oogenblik dichter en ondoorschijnender; honderden van broedende meeuwen
-vliegen krijschende op om zich bij de vliegende soortgenooten te
-voegen; dozijnen scholeksters laten almede een luid gegil hooren, en de
-verwarring der zich bewegende, het geschreeuw der krassende, roepende
-vogels wordt zoo oorverdoovend, dat men meent op den Bloksberg
-verplaatst te zijn te midden van het gewoel en gejoel van den
-heksendans.
-
-
- Hoort gij stemmen in de hoogte,
- Stemmen in de verte en van nabij?
- Langs den geheelen berg
- Trillen de woeste tooverliederen.
-
-
-Die woorden van Mephisto worden tot waarheid. Het alarm en geraas, de
-toovercirkel van vormen en tonen vermoeien alle zintuigen; het wordt
-groen en blauw voor de oogen, het suist en bruist in de ooren, men kan
-eindelijk geen tonen en kleuren meer onderscheiden en wordt zelfs
-ongevoelig voor den meest doordringenden reuk.
-
-Werwaarts men zich wenden moge, op het geheele eiland is men aan allen
-kant omgeven door dezelfde wolk; men ziet niets dan vogels, en wanneer
-duizenden zich neêrzetten om te rusten, zijn weder duizend anderen
-opgevlogen, terwijl hunne bezorgdheid en angst om hun kroost hen hun
-eigen hulpeloosheid vergeten doet en hun moed schenkt tot een aanval op
-de indringers, voor dezen wel is waar niet gevaarlijk, maar toch
-lastig.
-
-Geheel verschillend van dit onschuldig spel op de holmen is het
-tafereel, dat een met zilvermeeuwen, haringmeeuwen of mantelmeeuwen
-bezet eiland aanbiedt.
-
-Ook deze vogels betrekken, als zij broeden willen, bij groote troepen
-bepaalde eilanden; honderdtallen van paren voegen zich bij andere
-honderdtallen, zoodat een enkel eiland soms bevolkt wordt door drie tot
-vijfduizend paren. Zulk een eiland levert voor het oog een even schoon
-en imposant schouwspel op als een eiderholm. De groote, schitterend
-witte, of helder en donkergrijs gekleurde gedaanten teekenen zich
-sierlijk tegen de omgeving af en hare bewegingen worden gekenmerkt door
-de gewone bevalligheid, aan alle meeuwen eigen. Maar toch, deze sterke,
-krachtige en roofzuchtige vogels zijn wel gezellige, maar geenszins
-vredelievende geburen. Het eene lid der kolonie vertrouwt het andere
-niet. Ieder afzonderlijk paar leeft op zich zelf, paalt zich een eigen,
-hoewel bescheiden, broedgebied af, en duldt daarin geen ander; ook
-verlaten mannetje en wijfje nimmer gelijktijdig het nest, en wordt dit
-door een overmachtigen vijand bedreigd, dan keert het uitgevlogen lid
-van ’t echtpaar zoo spoedig mogelijk naar huis en hof terug, om deze
-tegen den aanval van eigen stamgenooten te verdedigen.
-
-Minder rumoerig, maar geenszins minder grootsch is het leven op de
-eigenlijke „vogelbergen”, daar, waar alken, lommen en papegaaiduikers
-broeden, en hoogstens een enkele meeuw of aalscholver zich hier of daar
-heeft genesteld. Het zij mij vergund een dezer vogelbergen te
-schilderen.
-
-In het noorden der groote, tot de groep der Lofoden behoorende eilanden
-liggen, ongeveer driehonderd meter van het strand verwijderd, drie
-koepelvormige rotseilanden, de Nyken, die steil uit de zee omhoog
-rijzen, zich zoowat honderd meter boven den zeespiegel verheffen en
-door een kring van kleine scheren omgeven worden. Een dezer rotskegels
-is een vogelberg, die in majesteit zijns gelijken niet heeft.
-
-Het was op een heerlijken zomerdag, toen wij ons gereed maakten dit
-eiland te bezoeken; de zee was effener en kalmer dan ooit, de hemel
-helder en blauw, de lucht warm en aangenaam. Krachtige Noormannen
-roeiden onze lichte boot dwars tusschen tallooze scheren door.
-Werwaarts het oog schouwde, overal trof het op vogels. Bijna elke
-steen, die boven de wateren uitstak, was bezield. Sommige waren wit van
-den drek der aalscholvers, die daar geregeld enkele uren van den dag
-vertoefden om te rusten. In rijen opgesteld, evenals soldaten, zaten
-zij bij tientallen, twintigen en honderden bijeen, in de
-wonderbaarlijkste houdingen, met uitgestrekten hals en uitgespreide
-vleugels, als om elk gedeelte des lichaams aan de weldadige zonnewarmte
-bloot te stellen; klapwiekende als wilden zij elkander koelte
-toewaaien, terwijl zij daarbij het opmerkzaam oog naar alle kanten
-richtten. Met dof gehuil stortten zij zich bij onze aankomst op plompe
-wijze in zee, nu al zwemmende en duikende den spot drijvende met onze
-pogingen om hen nabij te komen. Andere scheren waren bedekt met
-meeuwen, altijd in troepen van honderden en duizenden van dezelfde
-soort, eveneens van mannelijke vogels, die van het een of ander
-eidereiland waren afgedwaald om zich naar mannenaard te vermaken,
-terwijl de wijfjes daar ginds ijverig zitten broeden. Om andere
-rotseilanden hadden de schitterende eidereenden, misschien wel geplukte
-mannetjes, zich geschaard, plaatselijk kringen vormende, te vergelijken
-bij de groote, witte waterlelies onzer stilstaande poelen.
-
-In de matig diepe sonten zag men visschende zaagbekken en zeeduikers,
-die beurtelings een gillenden kreet lieten hooren, een geschreeuw, zoo
-lang gerekt en zoo verschillend geuit, dat men het bijna een zingen zou
-kunnen noemen, ware het niet een wilde melodie, zooals alleen een kind
-der Noordelijke zeeën kan voordragen, dat het huilen en bruisen der
-winterstormen heeft beluisterd en den dreunenden golfslag. Trots als
-een vorst op zijn troon, zat hier en ginds een zeearend, de schrik van
-alle gevleugelde wezens des Oceaans, misschien wel een geheel
-gezelschap dezer roovers, uitrustende van een overvloedigen maaltijd;
-pijlsnel doorvloog de jachtvalk, die zijn nest bevestigt aan een der
-steilste rotswanden, zijn mijlenlang gebied; jolige stormmeeuwen en
-drieteenige meeuwen, visschende zeezwaluwen vlogen heen en weder;
-scholeksters begroetten ons met hunne trillende tonen; alken en lommen
-verschenen en verdwenen, duikende en weder boven komende, om ons heen.
-
-Te midden van dit gezelschap roeiden wij verder. Nadat wij ongeveer
-tien zeemijlen afgelegd hadden, kwamen wij in het bereik van de zwermen
-der Nyken. Werwaarts wij ook onzen blik wendden, overal zagen wij
-eenige der tijdelijke bewoners van het eilandje visschen, duiken, door
-onze boot verschrikt, opvliegen, en zoo dicht over de oppervlakte der
-zee strijken, dat hun pooten de toppen der golven raakten. Wij zagen
-vluchten van dertig, veertig, tot honderd stuks, die of van den „berg”
-afkwamen of er naar terugkeerden, zoodat wij er niet aan konden
-twijfelen, of wij naderden een sterk bevolkt rijk. Maar men had ons van
-millioenen broedende vogels gesproken.... en van millioenen was nog
-niet veel te ontdekken.
-
-Eindelijk, na een vooruitspringende rots omgeroeid te zijn, lag de Nyke
-voor ons. Rondom ons trof het oog in de zee op zwarte, aan den voet des
-„bergs” op witte punten. De eerste waren ordeloos verspreid, de laatste
-in rijen of scherp begrensde troepen geschaard; die in de zee waren
-zwemmende, met kop, hals en nek boven de oppervlakte uitstekende, die
-op den „berg” zittende, met de witte borst naar zee gekeerde alken. Hun
-aantal bedroeg duizenden, maar geen millioenen.
-
-Nadat wij op het tegenover ons liggende eiland geland waren en ons in
-het huis van den eigenaar hadden versterkt, voeren wij naar het andere
-over, sprongen op eene niet te zeer door de branding geteisterde plek
-op de klip en klauterden nu zoo spoedig mogelijk naar het veendek
-omhoog, dat de geheele Nyke, uitgezonderd enkele spleten, uitsteeksels
-en hoeken, bedekt. Hier ontdekten wij al aanstonds, dat de veenlaag
-overal vol was van broedkuilen, niet ongelijk aan onze konijnenholen,
-terwijl er op den geheelen „berg” geen enkel plaatsje ter grootte van
-een tafelblad zonder zulk eene opening was.
-
-In eene schroeflijn trokken wij, meer klauterende dan loopende, naar
-den top. De omgewoelde veengrond trilde onder onze voeten. En uit alle
-holen keken, kropen, gleden en vlogen de van boven leikleurige, op
-borst en buik schitterend wit getinte, met fantastische snavels en
-gezichten, korte, smalle, spitse vleugels en korte staartjes voorziene
-vogels, die allen de grootte hadden eener tamelijk groote duif. Uit
-alle gaten kwamen zij te voorschijn; uit alle scheuren en spleten der
-rots. Waarheen men den blik wendde, het oog zag vogels en niets anders
-dan vogels, terwijl een zacht, dreunend geknars, het tot één geluid
-vereenigde gezamenlijk geschreeuw dezer vogels onze ooren trof. Bij
-elke schrede kwamen nieuwe scharen uit de ingewanden der aarde te
-voorschijn. Troepen verheffen zich in de lucht en vliegen van den
-„berg” naar zee; nog grootere troepen ijlen van de zee naar den „berg.”
-De dozijnen worden tot honderden, de honderden groeien aan tot
-duizenden, en honderdduizenden ontgroeien voortdurend aan den bruinen
-grond. Eene wolk, niet minder dicht als die, welke wij op den holm
-aanschouwden, omhult ons, omhult den ganschen berg, zoodat deze, als
-door een tooverstaf aangeraakt, in een reusachtigen bijenkorf is
-herschapen, omzwermd door niet minder reusachtige, gonzende, kweelende,
-dartelende bijen.
-
-Naarmate wij verder gingen nam het schouwspel steeds grootscher
-karakter aan. De geheele berg leefde. Honderdduizendtallen van oogen
-keken ons indringers aan. Uit alle verstekken en hoeken, uit alle
-reten, holen, uitstekende punten en gaten rollen zij te voorschijn;
-overal, aan de rechter- en linkerhand, boven en beneden ons, in de
-lucht en op den grond wemelt het van vogels. Van de hellingen zoowel
-als van den top des „bergs” storten zij zich bij duizendtallen in de
-zee; hun aantal is zoo groot, dat zij voor het oog een vaste massa
-schijnen. Duizenden kwamen, duizenden gingen, duizenden zaten,
-duizenden huppelden, door vleugelslagen gesteund, op de vreemdste wijze
-vooruit; honderdduizenden vlogen, honderdduizenden zwommen en doken, en
-nieuwe honderdduizendtallen wachtten slechts op onze voetstappen, die
-ook hen verschrikt zouden doen opvliegen.
-
-Het wemelde, kweelde, ruischte, danste, vloog, kroop om ons heen, dat
-ons hooren en zien verging, en zelfs de geoefendste schutter was niet
-in staat onder deze duizenden vogels een welgelukt schot te doen. Als
-verdoofd en buiten ons zelf gingen wij verder, totdat eindelijk de top
-bereikt was. Onze hoop, hier tot ons zelf te komen, hier de rust te
-herwinnen, werd aanvankelijk niet bevredigd. Ook hier hetzelfde gewoel,
-hier op den top gelijke beweging als daar beneden, ook hier zijn wij
-omgeven door eene dichte wolk, die ons nauwelijks toestaat de zee in de
-verte in een dommelig, nevelachtig licht te zien oprijzen.
-
-Daar verandert plotseling het tooneel; een paar jachtvalken, die hun
-nest aan gindschen rotswand hadden opgehangen, hebben gespeurd wat hier
-voorvalt. Voor ons koesterden de alken, lommen en papegaaiduikers geen
-vrees, maar niet zoodra bemerken zij den hun welbekenden en
-onweêrstaanbaren vijand, of bliksemsnel scheurt de wolk, daalt in zee,
-en de blik is vrij. Ontelbare zwarte stippen, de koppen der zwemmende
-vogels, die scherp zich afteekenen tegen het water, verbreken den
-groenen sluier, die de golven dekt. Hun aantal is zoo groot, dat wij
-van den 100 meter hoogen top, waar wij staan, niet kunnen zien, waar de
-zwerm ophoudt, of waar de zee vrij is van vogels. Ten einde dat getal
-eenigszins te schatten, vatte ik een kleine vierkante ruimte in ’t oog
-en begon de stippen te tellen; ik verkreeg er meer dan honderd. Nu
-schikte ik in mijn gedachten schielijk dergelijke vierkanten aan elkaar
-en kwam tot duizenden. Maar ik had vele duizenden dezer kwadraatjes
-kunnen vormen en dan was de ruimte, welke de vogels innamen, nog niet
-bezet. De millioenen, waarvan men mij gesproken had, waren werkelijk
-voorhanden. Enkele oogenblikken vertoonde het aanschouwde tooneel het
-beeld der rust. Maar kort daarop begonnen de vogels weer op te vliegen,
-en gelijk te voren stegen weder honderdduizenden op hetzelfde tijdstip
-uit het vloeibare element omhoog, om den „berg” op te klauteren; gelijk
-te voren werd alles omgeven door eene dichte wolk, en gelijk straks
-verloren wij weder onze bezinning. Niet in staat om nog iets te zien,
-verdoofd door het onbeschrijfelijk gedruisch om mij heen, wierp ik mij
-op den grond; de vogels kwamen van alle kanten aanstroomen. Nog altijd
-kropen er nieuwe uit de holen en keerden anderen daarin terug, die
-vroeger door ons waren opgeschrikt; zij streken naast mij neder; met
-levendige verbazing aanschouwden zij de vreemde gedaante beneden zich;
-schommelend traden zij nader en waren nu zoo dicht bij mij, dat ik de
-hand kon uitstrekken om ze te grijpen. Schoonheid en levenslust
-straalde uit elke beweging der afzonderlijke vogels. Met verbazing zag
-ik, hoe stijf en koud zelfs de beste afbeeldingen zijn, want ik
-bemerkte eene bedrijvigheid en eene levendigheid in deze vreemde
-gedaanten, die ik niet bij haar verwacht had. Geen oogenblik zaten zij
-stil en althans kop en hals werden zonder ophouden heen en weer
-bewogen, en hare omtrekken verkregen waarlijk architectonische lijnen.
-Het was alsof de onbezorgdheid, waarmede ik mij aan mijn waarnemingen
-overgaf, door onbepaald vertrouwen van de zijde der vogels beloond
-werd. Ik verkeerde met de duizenden om mij heen, alsof zij huisdieren
-waren, en de millioenen verwaardigden mij ten laatste met niet meer
-opmerkzaamheid dan wanneer ik huns gelijke ware geweest.
-
-Achttien uren toefde ik op dezen vogelberg, ten einde het leven der
-alken te leeren kennen. Toen de middernachtszon groot en bloedrood aan
-den hemel stond en haar rooskleurig licht ook op de hellingen onzer
-bergen wierp, brak de tijd van rust aan, die ook in het hooge noorden
-den middernacht vergezelt. De zee, die de „bergen” omspoelt is
-verlaten; alle vogels, die daarin vischten en zwommen, zijn naar de
-„bergen” verhuisd. Hier zaten zij nu, waar nog maar een plaatsje te
-bemachtigen viel, in rijen van tien, honderd, duizend, honderdduizend
-stuks, in schitterend witte rijen, daar allen de borst naar zee hebben
-gericht. Hun „arr” en „err”, dat in weerwil van de weinige kracht der
-afzonderlijke stemmen, onze ooren verdoofde, was nu verstomd, en
-slechts de branding, die daar beneden tegen de klippen brak, ruischte
-en klonk voortdurend naar ons omhoog. Eerst nadat de zon weder hooger
-was gestegen, begon het oude, verwarde bedrijf opnieuw, en toen wij
-eindelijk, op onze terugreis, langs denzelfden weg daalden, dien wij
-straks waren opgeklommen, werden wij nogmaals ingesloten door de dichte
-wolk der opgeschrikte dieren.
-
-De alken boeien niet enkel door hunne talrijkheid; ook hun leven, hun
-doen en laten heeft veel aantrekkelijks.
-
-Hunne sociale deugden ontwikkelen zich gedurende den broedtijd tot eene
-ongekende hoogte. Als volmaakte zeevogels leven alle alken tot den
-aanvang van dat tijdstip uitsluitend op de hooge zee, ongeacht den
-strengsten winter en den woedendsten storm.
-
-Ook in den langen winternacht verlaten zij, hetzij dan hoogst zeldzaam,
-hunne noordsche woonplaats niet, maar zwerven bij scharen en vluchten
-van eenige honderden of duizenden van het eene vischwater naar het
-andere en weten alle opene plaatsen tusschen het ijs even zeker te
-vinden als ander voedsel aanbiedende plaatsen verre in den Oceaan.
-Wanneer echter de zon weêr hooger rijst, dan wordt er een machtig
-gevoel in hen gewekt: het gevoel der liefde, om zoo spoedig mogelijk
-den „berg” te bereiken, waar eens hun eigen wiegje heeft gestaan.
-Ongeveer tegen Paschen trekken allen, meer zwemmende dan vliegende,
-naar den „berg.” Nu zijn er echter onder de alken alweder meer
-mannetjes dan wijfjes, zoodat niet elk der eersten zoo gelukkig is eene
-echtvriendin te verwerven.
-
-Bij andere vogels geeft deze wanverhouding aanleiding tot een
-voortdurenden strijd; onder de lommen wordt de vrede niet gestoord. De
-beklagenswaardige wezens, die wij onder de menschen oude vrijers
-noemen, wandelen samen met de gelukkige, onderweg elkander liefkoozende
-paren naar den „berg,” vliegen met deze naar de hoogte en trekken met
-hen op de jacht naar de naburige zee. Zoodra het weder zulks toelaat
-beginnen de paartjes de oude holen weder te herstellen, te ruimen, te
-verdiepen; de kamers worden vergroot en zoo noodig worden er nieuwe
-broedplaatsen uitgegraven. Is alles gereed, dan legt het wijfje op den
-kalen grond der aan het achtereind uitgeholde broedkamer haar eenig,
-maar zeer groot, tolvormig, bontgestippeld ei en begint nu afwisselend
-met het mannetje te broeden. Voor de arme jonggezellen breekt nu een
-treurige tijd aan. Ook zij zouden zoo gaarne vaderzorgen op zich nemen,
-wanneer zij slechts de gade konden vinden, die hen daarmede zou willen
-belasten. Maar alle wijfjes zijn weg, en aan vrijen valt dus niet meer
-te denken. Toch zullen zij hun goeden wil toonen, en nemen daarom de
-vrijheid zich als huisvrienden bij de gelukkige paartjes aan te bieden.
-Wanneer in de uren om middernacht het wijfje op of eigenlijk in het
-nest zit te broeden, terwijl het mannetje daar buiten de wacht heeft,
-houden zij dit laatste gezelschap, en wanneer het mannetje het wijfje
-aflost, wanneer dit in zee gaat visschen, houden onze ongetrouwde
-jongelui daar buiten de wacht, evenals vroeger het mannetje zulks deed.
-Maar, wanneer beide ouders tegelijk naar zee zijn gevlogen, dan haasten
-zij zich althans eenig loon voor hunne moeite in te oogsten. Onverwijld
-glijden zij in het nest en houden het ei, dat verlaten daar ligt, warm.
-
-De arme schepsels, die tot den ongehuwden staat zijn veroordeeld,
-willen ten minste ook eens een oogenblik broeden!
-
-Deze onbaatzuchtige liefde heeft een gevolg, waarom wij menschen de
-alken zouden kunnen benijden. Op de „bergen,” welke deze dieren
-bewonen, kent men geen weezen.
-
-Verongelukt er een mannetje, de weduwe heeft er terstond een weder, en
-mocht het zeldzame geval zich voordoen, dat beide ouders tegelijk hun
-leven verloren, dan zijn de goedhartige overtolligen terstond bereid
-het ei goed uit te broeden en de jongen op te voeden. Deze laatsten
-bieden nogal menig punt van verschil aan met die der meeuwen en eenden.
-Het alkenkuiken is nestvast.
-
-Het komt in een dicht, grijsachtig donskleed gehuld uit het ei, en moet
-nu nog eenige weken in de nestholte doorbrengen, alvorens het in staat
-is voor ’t eerst naar zee uit te vliegen. En, zooals de vele lijken op
-de klippen aan den voet der „bergen” bewijzen, deze uitgang is zeer
-gevaarlijk en strekt velen ten verderve. Door de ouders geleid, angstig
-de nog ongeoefende beenen, en niet minder vreesachtig de pas
-ontwikkelde vleugels gebruikende, volgt het jong zijn opvoeders, die
-het voorzichtig bergafwaarts voeren of althans naar eene plaats
-brengen, alwaar de eerste sprong in zee aan het minste gevaar is
-blootgesteld. Op zulk een vooruitstekend gedeelte toeven ouders en kind
-soms geruimen tijd, alvorens het den eersten gelukt het laatste tot den
-sprong te bewegen. Vader en moeder houden eene deftige aanspraak tot
-het kind, maar dit, ofschoon overigens, evenals alle vogeljongen,
-zijnen ouderen zeer onderdanig, slaat geen acht op hun woorden. De
-vader besluit voor de oogen van zijn talmende spruit zich naar beneden
-in de zee te storten; de onervarene blijft waar hij is. Nieuwe
-pogingen, nieuwe bemoedigende woorden; het wordt een bidden en smeeken.
-Daar waagt het kuiken eindelijk den vreeselijken sprong, het valt als
-een steen diep in het water, werkt zich, door een onbewusten aandrang
-gedreven, weer naar de oppervlakte omhoog, kijkt in ’t rond, ziet over
-de eindelooze zee—en is nu een zeevogel geworden, die van stonden aan
-geen gevaar meer kent.
-
-Wederom verscheiden is het leven op die vogelbergen, welke door
-driebeenige meeuwen als broedplaatsen zijn uitgelezen.
-
-Zulk een „berg” is het voorgebergte Swärtholm, hoog boven in het
-noorden tusschen de Laxen- en Porsangerfjord, dicht bij de Noordkaap.
-Ik wist reeds hoe het daar toegaat. Faber, de uitstekende kenner der
-vogels in het hooge noorden, heeft dat meeuwenleven, op zijn gewone
-wijze, in de volgende weinige woorden geschetst.
-
-„Zij verbergen de zon, als zij opvliegen, zij bedekken de scheren, als
-zij zitten; zij overstemmen den donder der branding, wanneer zij
-schreeuwen; zij verven de rotsen wit, wanneer zij broeden.”
-
-Ik geloofde, nadat ik de holmen der eidereenden en de „bergen” der
-alken had gezien, onzen voortreffelijken Faber gaarne, maar, zooals het
-iederen natuuronderzoeker past, ik twijfelde toch en daarom rustte ik
-niet voor ik Swärtholm zelf gezien had. Een vriendelijke Noorman, de
-kapitein van het poststoomschip, waarmeê ik de reis deed, vervulde na
-onze eerste kennismaking gaarne mijn verzoek om dicht langs eene
-broedplaats voorbij te varen.
-
-Zoo naderden wij dan laat in den avond het voorgebergte. Reeds op een
-afstand van zes tot acht zeemijlen ontmoetten wij voortdurend vluchten
-van dertig tot honderd stuks, somtijds zelfs van tweehonderd stuks
-drieteenige meeuwen, die zich gezamenlijk naar de nestplaats begaven.
-Hoe meer wij Swärtholm naderden, des te sneller volgden deze vluchten
-elkander op en uit te meer individuen was elke vlucht samengesteld.
-Eindelijk kregen wij de kaap in ’t gezicht; het was een bijna loodrecht
-in de zee afvallende, met ontelbare spleten en holten voorziene
-rotswand, ongeveer achthonderd meter lang en misschien tweehonderd
-meter hoog. Uit de verte gezien was hij grijs van kleur; met den kijker
-gewapend kon men een ontelbare menigte witte puntjes en streepjes
-onderscheiden. Men kon zich verbeelden eene reusachtige lei te zien,
-waarop door een spelend reuzenkind allerlei figuren waren gekrast: de
-klip scheen als met een wonderbaarlijk versiersel, uit kettingen,
-ringen en sterren bestaande, behangen. Uit den donkeren achtergrond der
-grootere en kleinere holten straalde een wit licht; tegen de
-uitstekende kanten stak dit nog levendiger en scherper af. Het waren de
-broedende of in de nesten zittende vogels, die deze teekening
-veroorzaakten; zij bewaarheidden het woord van Faber: „de meeuwen
-bedekken de rotsen, wanneer zij gezeten zijn.”
-
-Terwijl ons vaartuig dicht langs de rotsen voer, werden de vogels
-opgeschrikt, en nu ontvouwde zich voor mijn oog een tafereel, evenals
-dat hetwelk ik op vele eiderholmen en op andere meeuweneilanden had
-gezien. Daar donderde de knal van een door mijn vriend, den kapitein,
-tegen den rotsmuur gelost schot.
-
-Even gelijk bij een woedenden winterstorm, wanneer deze door de lucht
-giert en de van sneeuw zwangere wolken tegen elkander jaagt, om ze, in
-millioenen vlokken verdeeld, naar beneden te doen vallen,—zoo stoven
-thans de vogels als sneeuwvlokken omlaag. Men zag geen berg meer, geen
-lucht en geen afzonderlijken vogel meer, maar een tooneel van
-onbeschrijfelijke verwarring verbijsterde het oog. Een dichte wolk
-omgaf den geheelen gezichtseinder en vervuld werd het woord: „Zij
-verbergen de zon, wanneer zij vliegen.” Hevig woei de noordenwind en
-woest brandde de ijszee aan den voet der klip, maar luider nog klonk
-het krijschend geschreeuw der meeuwen en zoo werd ook het laatste woord
-van Faber bewaarheid: „Zij overstemmen het geloei der branding, wanneer
-zij schreeuwen.”
-
-De wolk daalde eindelijk neder op de zee en de zoo lang door haar
-omsluierde omtrekken van Swärtholm werden weder zichtbaar; een nieuw
-schouwspel echter boeide nu den blik.
-
-Op de rotswanden schenen ook even zooveel meeuwen te zitten als straks
-en duizenden vlogen daarbij af en aan. En toen een tweede kanonschot de
-scharen weêr op deed schrikken, daalde er ten tweeden male eene
-sneeuwwolk op de zee neder, maar nog altijd was de klip bedekt met
-honderdduizendtallen van vogels. Op de zee evenwel dreven, zoover ons
-oog reikte, de meeuwen, die, klompen schuim gelijk, met de golven op en
-neêr dansten. Hoe zal ik dit heerlijk panorama beschrijven? Moet ik
-zeggen, dat de zee millioenen en nog eens millioenen schitterende
-paarlen in haar donker golvenkleed had gevlochten? Of zal ik de meeuwen
-met sterren en de zee met het hemelgewelf vergelijken? Ik weet het
-niet, maar dit weet ik, dat ik nooit iets schooners op de zee
-aanschouwd heb. En als ware de betoovering nog niet groot genoeg,
-plotseling wierp de middernachtszon, die eenigen tijd zich verscholen
-had, haar rooskleurig licht over rots en zee en vogels; zij verlichtte
-de toppen van alle golven, zoodat het scheen alsof er een wijdmazig
-gouden net over de zee geworpen was, terwijl de eveneens met een
-rozengloed bestraalde meeuwen nog meer schitterden dan te voren. Wij
-staarden dit schouwspel sprakeloos aan! En allen, die getuigen waren
-van dit tooneel, zelfs de bemanning van het schip, stonden langen,
-langen tijd roerloos daar, diep getroffen door het majestueuse tafereel
-voor ons, tot eindelijk een onzer het stilzwijgen verbrak, en, meer om
-door het geluid zijner eigene stem weder tot bezinning te komen, dan
-wel om eene hoorbare uitdrukking te geven aan zijn gevoel, het woord
-des dichters over de lippen liet glijden:
-
-
- „Bloedrood verhief zich over de bergen
- De middernachtszon.
- Was het dag, of was het nacht?
- Een vreemdsoortig schemerlicht dekte de aarde.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-DE TOENDRA EN HARE DIERENWERELD.
-
-
-Een breede gordel onherbergzaam land slingert zich om de Noordpool der
-aarde. Het is eene woestenij, waar niet de zon, maar het water zijn
-stempel heeft ingedrukt. Hoe meer men de pool nadert, des te meer gaat
-deze woestijn over in een ijsveld, meer naar het zuiden in wouden,
-gevormd door dwergachtig geboomte; zij verandert zelf echter in een
-sneeuw- en ijsveld, wanneer de lange winter er zijn intocht houdt,
-tegen wiens heerschappij het schrale geboomte alleen in de diepste
-dalen en op de zonnigste hellingen met eenigszins goed gevolg den
-levensstrijd kan bestaan. Dit gebied is de „Toendra.”
-
-Het is een eentonig beeld, dat ik moet schilderen, wanneer ik de
-toendra ga schetsen, eene schilderij vol grijs op grijs, maar toch niet
-zonder alle schoonheid; wij hebben hier te doen met eene wildernis,
-doch met zulk eene, waarin in weerwil van het maanden lange
-sluimerende, bijna uitgestorven leven, zich nu en dan dat leven toch
-nog in wonderlijken rijkdom openbaart.
-
-Onze taal bezit geen synoniem voor het woord toendra, omdat er in ons
-vaderland dergelijke streken niet voorkomen. Want de toendra is geen
-heide en geen veen, geen moeras en geen poel; toendra’s zijn geen
-geesten en geen duinen, alhoewel zij plekken bevatten, die nu eens aan
-het eene, dan weder aan het andere doen denken. Men heeft ze wel eens
-met den naam van „mossteppen” betiteld, doch deze uitdrukking mag dan
-alleen juist genoemd worden, wanneer men het woord steppe in den
-uitgestrektsten zin opvat. Volgens mijn meening gelijkt de toendra nog
-het meest op zulke moerasvenen, als men op de breede zadelruggen onzer
-hooggebergten aantreft, en vermijdt; toch verschilt zij in vele en
-belangrijke kenmerken van deze moerassige vlakten, daar haar voorkomen
-in alle opzichten zoo geheel anders is. Men zou de toendra kunnen
-verdeelen in laag- en hoogtoendra; het verschil tusschen het land
-beneden en boven de honderd meter volstrekte hoogte bestaat in de
-toendra echter meer in schijn dan in werkelijkheid.
-
-Zacht golvend strekt zich de laagtoendra voor ons uit; de dalen zijn
-ondiepe kommen, de hoogten, die uit de verte gezien, zich voordoen als
-bergen, ja ons zelfs doen denken aan werkelijke gebergten, zijn tot
-vlakke heuvels geworden, zoodra men haar voet genaderd is. Vlak,
-eentonig, zonder uitdrukking is de toendra over ’t algemeen, alhoewel
-eene zekere afwisseling in sommige deelen niet te loochenen valt.
-Wanneer men eenige dagen achtereen door de toendra wandelt, wordt men
-dikwijls geboeid door aardige, zelfs aanvallige détails; maar zeer
-zelden ontvangt men een duurzamen indruk, omdat bij nadere beschouwing
-het eene toch wederom in alle bijzonderheden, door omgeving en
-omlijsting, omtrekken en kleuren, te zeer op het vroeger geziene
-gelijkt, dan dat men het zou kunnen vasthouden. In weerwil dezer
-eentonigheid is toch het karakter der toendra niet overal hetzelfde,
-maar nog veel minder grootsch, zoodat men zich aan dit landschap niet
-kan verwarmen en het ons onmogelijk in de verrukking kan brengen, die
-andere landschappen bij ons opwekken, mogelijk zelfs niet in staat is
-om ons naar waarde te doen genieten van de werkelijke schoonheden,
-waaraan deze woestenij ook soms nog rijk kan zijn.
-
-De toendra ontvangt haar grootsten tooi van den hemel, haar grootste
-bekoorlijkheid van het water. Geheel helder is de lucht hier zelden, al
-mag ook maanden lang de zon onafgebroken branden en drukkend stralen op
-de vlakke heuvels en in de ondiepe dalen. In den regel blinkt het blauw
-des hemels slechts op enkele plaatsen door de matwitte, dunne wolken;
-dikwijls worden deze evenwel verdicht tot stapelwolken, die aan allen
-kant, langs den geheelen gezichteinder zich vormen, elk oogenblik van
-gedaante veranderen, voortschuiven, ontstaan en verdwijnen, en wier
-afwisselend licht het oog zoo betoovert, dat men het beneden haar
-liggende landschap geheel vergeet. Wordt men na eenige dagen hitte door
-een onweêrsbui bedreigd, neemt de hemel hier en daar een
-donker-grijsblauwe tint aan, schuiven zich met damp beladen wolken
-onder de meer heldere, en schijnt de zon daar toch nog helder en
-glansrijk tusschen door—dan ziet het woeste, eentonige landschap er
-werkelijk tooverachtig schoon uit. Licht en schaduw teekenen zich thans
-op de heuvels en dalen af, en de anders zoo vermoeiende eenkleurigheid
-der verven verkrijgt afwisseling en leven. En wanneer in den zomer te
-middernacht de zon groot en donkerrood aan den hemel staat, wanneer
-alle wolken aan den onderrand met purper worden omzoomd, wanneer de
-bergen, waarachter de zon zich heeft verborgen, getooid worden met eene
-lichtkroon, die haar gloeiende stralen ver naar alle zijden uitzendt,
-wanneer een rooskleurige nevel zich over het bruingroene landschap
-spreidt, wanneer in één woord de middernachtszon de zee omvat met hare
-onweêrstaanbare betoovering, dan is deze woestenij omgevormd in
-wonderschoone dreven en eene heilige siddering grijpt het hart tot in
-zijn diepste binnenste aan.
-
-Maar ook de kleinoodiën der toendra, de talrijke meren brengen
-afwisseling en leven in het landschap. Verspreid of in groepen bijeen,
-naast of boven elkaar gelegen, nu eens mijlen ver zich uitstrekkende
-waterbekkens vormende, dan weder tot onbeduidende poelen
-ineengekrompen, vullen zij het middengedeelte van elken ketel,
-versieren zij elk hoofddal, tooien zij bijna ieder zijdal. In het
-vroolijke zonlicht tintelen zij van leven; hoe grijs en kleurloos zij
-ook zijn mogen, van den top eens heuvels gezien, nemen zij een blauwe
-kleur aan, die hen doet gelijken op de Alpenmeren. En wanneer dan de
-zon op hun spiegelende oppervlakte tintelt en glinstert, of wanneer te
-middernacht ook zij door een rooskleurigen gloed worden bestraald, dan
-treden zij als levende lichten uit het duister der omgeving zoo
-heerlijk te voorschijn, dat het oog zich niet aan hun aanblik kan
-verzadigen.
-
-Veel grootscher, alhoewel nog altijd sombere en eentonige
-landschapsbeelden ontvouwt de hoogtoendra voor den blik des reizigers.
-Ieder werkelijk gebergte siert zich hier met allen praal der hoogte. De
-bergen stijgen bijna zonder uitzondering steil omhoog, en de ketens,
-welke zij vormen, strekken zich als veelvuldig gebogen lijnen voor ons
-uit; het sneeuwdek, dat hen bekleedt, verijst overal, waar de
-omstandigheden dit toelaten, tot gletschers. Ware toendra ontwikkelt
-zich slechts daar, waar het water geen snellen afloop vindt; al het
-overige land schijnt van dat der laagte zoo te verschillen, dat slechts
-het plantendek, dat zich overal gelijk blijft, de toendra verraadt. De
-beneden in de diepte zich bevindende, en met dikke lagen afgestorven en
-in veen overgegane plantendeelen bedekte rolsteenen liggen hier bijna
-overal aan de oppervlakte; eindelooze, uit reusachtige blokken
-samengestelde hoopen zijn op de hellingen gelegerd of vullen de dalen;
-uit rolsteenen is de ondergrond gevormd van deze bijna effene vlakten,
-over welke de voet des wandelaars ook daarom langzaam voortschrijdt,
-omdat zich hier, zelfs voor den scherpzinnigsten geleerde, raadsels
-opdoen met betrekking tot de natuurkrachten, die deze blokken met bijna
-onveranderlijke regelmatigheid over eindelooze vlakten verdeeld hebben.
-Daartusschen sijpelt en glijdt, murmelt en stoeit, stroomt en ruischt,
-bruist en dondert het water overal naar beneden. Van de hellingen loopt
-het droppelsgewijs in parelsnoervormige draden, in aaneensluitende
-aderen, in murmelende beekjes; uit de gletscherpoorten breekt het met
-geweld te voorschijn als troebele beken, melkwit van kleur; drabbig
-stroomt het in de waterbekkens; uit de meren, waarin het geklaard werd,
-vloeit het verder in kristalheldere stroomen, en draaiend en schuimend,
-sissend en loeiend snelt het dalwaarts, waterval op waterval vormende,
-tot het eindelijk of de laagtoendra of een rivier of de zee heeft
-bereikt. De zon giet echter over deze eigenaardige bergwereld haar
-licht, zoo dikwijls zij door de wolken breekt en verft haar met heur
-toovergloed; de zon scheidt ook hier berg en dal, verlicht elk
-sneeuwveld, verleent elken gletscher en elke kloof glans en schoonheid,
-doet iedere spits, elken kam en iederen wand duidelijk uitkomen, elk
-meer stralen als een helder vriendelijk oog der bergen, legt in de
-morgen- en avonduren het blauwe waas van den horizon als een teedere
-sluier over den achtergrond van dit tooneel, en laat te middernacht
-haar diepste stralen vloeien over het geheele landschap, zoodat ook dit
-overtogen wordt met een rooskleurig licht. Ja waarlijk! zelfs de
-toendra mist niet elke bekoorlijkheid.
-
-Op enkele, wel is waar zeldzame plekjes, verleent ook de plantenwereld
-haar vorm en schoonheid. Sparren en dennen, voor zoover zij niet in het
-zuiden zijn teruggebleven, komen slechts in de meest beschutte dalen
-voor. Zelfs de hier en daar nog optredende dennen, die er uitzien alsof
-een reuzenarm ze bij den top had gepakt, en schroefvormig omgedraaid,
-kunnen in de hoogere deelen der toendra niet gedijen. Ook de berken,
-die nog iets meer noordelijk voortdringen dan de dennen, leiden hier
-een kommervol leven en gelijken op grijs geworden dwergen. De larix
-alleen behoudt hier en daar het veld en groeit tot een waren boom uit;
-maar een karakterplant der toendra is de larix niet. Deze eer komt
-bovenal toe aan den dwergberk. Deze boom, die onder zeer gunstige
-omstandigheden de hoogte van een meter kan bereiken, heeft in verreweg
-het grootste deel der toendra de overhand, zoodat de andere struiken en
-struikjes als tusschen de berken ingroeiende kunnen beschouwd worden.
-Hij komt voor, overal waar hij maar wortel kan schieten, van den oever
-der meren en stroomen af tot aan den top der bergen, en vormt een zoo
-gelijkmatig dicht dek van overal dezelfde hoogte, dat geheele velden er
-uitzien alsof zij met eene schaar waren afgeschoren; hij verdwijnt
-alleen daar geheel of gedeeltelijk, waar de grond zoo met water is
-verzadigd, dat deze tot een poel of moeras wordt; hij kwijnt alleen
-daar, waar een vet, in de zon tot eene harde massa wordend leem, of
-onvruchtbaar grind de hoogten bedekt; hij worstelt echter nog met het
-veenmos, dat alle laagten inneemt, en met het rendiermos, dat alle
-hoogten bedekt, om de heerschappij. Vele vierkante kilometers
-oppervlakte naast en achter elkander worden zoo dicht door den berk
-omsponnen, eigenlijk met eene laag riet bedekt, dat slechts het
-onuitroeibare veenmos naast en zelfs onder den struik zijn aandeel op
-dien bodem nog durft handhaven, terwijl op andere plaatsen dwergberken,
-laurierwilgen en rozemarijnwilgen door elkaar groeien. Eveneens mengen
-zich daar somtijds verschillende besgewassen onder, zooals veenbessen,
-roode boschbessen, besheide en moerasbessen.
-
-Wordt de grond, terwijl hij een kom vormt in de omringende vlakte, zeer
-vochtig, dan verkrijgt het veenmos allengs de overhand; ’t verdringt
-den dwergberk steeds meer en meer en vormt nu groote, ronde kussens of
-bulten, die tengevolge eener snelle vervening der afgestorven
-worteldeelen voortdurend in hoogte toenemen en ook in de breedte zich
-uitbreiden, tot eindelijk het water het verder voortdringen van het mos
-stuit of het kussen in kuifvormige heuveltjes stukscheurt. Is de kom
-zeer vlak, dan vormt het daarin verzamelde water slechts bij
-uitzondering een vijver of meer, meest niet eens een poel, maar het
-zakt tot onbepaalde diepte in den grond en geeft zoo aanleiding tot de
-vorming van een moeras, welks dun, maar taai, uit de ineengevlochten
-wortels van zeggegras gevormd dek, slechts zonder gevaar kan betreden
-worden door het breedhoevige rendier, ofschoon het ook onder diens
-voetstappen trilt als eene gelei, en golft en buigt onder den last
-eener door rendieren getrokken slede.
-
-Wordt de laagte tot een kleine, meer diepe kom zonder afwatering, en
-vloeit daarin, al zij het nog zoo langzaam, eenig water, dan gaat zulk
-een moeras over in een poel en verder naar beneden in drasland. In het
-eerste komt de zegge, in het laatste de wolwilg, een tweede
-karakterplant der toendra, tot weligen groei. Ofschoon slechts in het
-gunstigste geval tot manshoogte opgroeiende, vormt deze plant toch
-kreupelbosschen, die in den letterlijken zin des woords ondoordringbaar
-kunnen zijn. Meer nog dan bij de dwergdennen van het hooggebergte
-strengelen zich hier de takken en wortels dooreen tot een zelfs voor
-het oog niet te ontwarren vilten weefsel, dat als het ware uit alle
-bestanddeelen van den wilg is samengesteld. Het houdt den sterksten arm
-tegen, die het met moeite een weinig zijwaarts buigt; het belemmert den
-voet zoodanig, dat ook de volhardendste man eindelijk zijn pogingen
-opgeeft om verder te dringen, en hij zelfs dan terugkeert, wanneer de
-grond niet, gelijk gewoonlijk, een moeras is, of indien eene
-aaneenschakeling van modderkuilen, waarin men zich niet gaarne waagt,
-de ruimte tusschen de boschjes aanvult.
-
-Wie door de toendra trekt bespeurt al ras, dat het geheele gebied uit
-eene voortdurende afwisseling, maar zichzelf steeds gelijk blijvende
-herhaling der geschetste bijzonderheden bestaat. Alleen op plaatsen,
-alwaar een groote, waterrijke rivier de laagtoendra doorsnijdt, kunnen
-de omstandigheden eenigszins veranderen. Zulk een stroom stapelt hier
-en daar de meêgevoerde zandmassa’s tot banken op; de schier
-onophoudelijk doorwaaiende, meestal vrij hevige wind doet daaruit
-duinen ontstaan, en zoo wordt er een landschap geboren, dat aan de
-toendra overigens vreemd is.
-
-Op die duinen groeit zelfs in Siberië de larix nog tot een statigen
-boom omhoog, en deze, in vereeniging met boschjes van wilgen en
-dwergelzen schenkt aan het landschap tooi en schoonheid. Ja, het komt
-zelfs voor, dat de larix in de nabijheid van kleine meren in groepen
-optreedt en dan met genoemde boschjes natuurlijke parken vormt, die
-zelfs in meer bevoorrechte streken de aandacht zouden trekken, en dus,
-zooals men licht begrijpen kan, hier een onuitwischbaren indruk moeten
-achterlaten.
-
-Onder beschutting der elzen staan nu overal, waar deze op de duinen
-groeien, ook andere hoogstammige planten op; spitsbladige wilgen,
-lijsterbessen, wegedoorn, en kamperfoelie; in het zand ontspruiten
-tevens bloemen, die men alleen in het zuiden zou zoeken. Hier schittert
-ons de roode bloemenpracht van de wederik tegen; hier klemt het
-aanminnige heideroosje zijn dunne twijgjes tegen de borst der
-moederaarde, om deze met haar takken en bloemen te versieren; hier
-lacht ons het vriendelijke vergeet-mij-nietje tegen, als bracht het een
-groet uit het vaderland, ginds in ’t verre zuiden; hier vinden het
-nieskruid en bieslook, de valeriaan en thijm, anjelieren en klokjes,
-vogelwikke en alpenerwten, boterbloemen, immortellen, kers, speerkruid,
-vingerkruid, de roode kool, en vele meer, een woonplaats in de
-woestijn.
-
-Er groeien op zulke plaatsen veel meer planten, dan men verwachten zou;
-maar in de toendra is men immers ook bescheiden in zijn wenschen! Hier,
-waar men dagen en weken lang altijd dezelfde armoede om zich heen
-waarneemt, altijd niets dan dwergberken en wolwilgen ziet,
-rozemarijnheide en zegge, rendiermos en veenmos; waar men zich reeds te
-goed doet aan half uitgegroeide, half in ’t mos verscholen, half op den
-grond voortkruipende veen- en boschbessen, en de braambessen, die het
-mosdek sieren, voor bloemen moet nemen; wanneer men dagen lang over en
-door deze plantjes wandelt, altijd afwisseling verwacht en altijd
-teleurgesteld wordt! Elke uit het zuiden ons bekende plant herinnert
-aan een gelukkiger oord; men begroet ze als lieve vrienden, wier waarde
-men eerst op prijs leert stellen, wanneer men in de vrees verkeert hen
-te verliezen.
-
-Schijnt het raadselachtig, waarom al deze en nog andere planten juist
-in dit dorre duinzand alleen ontkiemen, het vreemde van dit
-verschijnsel verdwijnt, wanneer men weet dat slechts het duinzand in
-voldoende mate door de warmte der maandenlang onafgebroken van den
-hemel stralende zon kan worden gekoesterd om genoemde planten daarin te
-doen groeien.
-
-Elders in de toendra is zulks het geval niet meer. Moeras en poel en
-veen, zelfs de ettelijke meters diep met water gevulde meren vormen
-slechts een dun zomerdek over den eeuwigen winter, die in de toendra
-zijn doodende zoowel als zijn bederfwerende macht openbaart. Waar men
-ook in den grond tracht door te dringen, overal stuit men op ijs; reeds
-op een meter diepte onder de oppervlakte der aarde, soms nog minder, is
-de grond bevroren, en men zou meer dan honderd meters diep moeten
-graven alvorens men het einde van de ijskorst heeft bereikt. Die
-ijskorst is het, welke aan de hoogere planten den wasdom ontzegt en
-slechts aan haar het leven vergunt, die genoeg hebben aan de dunne in
-den zomer ontdooide laag. Eerst wanneer men graaft, ziet men wat de
-toendra eigenlijk is, n.l. een onmetelijke, eeuwige ijskelder, die
-reeds tientallen van eeuwen bestond en nog even lang in wezen zal
-blijven. Het eerste wordt bewezen door de overblijfsels van
-voorwereldlijke dieren, die in dezen bodem begraven werden en zoo voor
-ons bewaard zijn gebleven. Uit het ijs der toendra groef Adams in het
-jaar 1807 den mammoeth op, aan welks vleesch de honden der Jakoeten
-zich zat hadden gegeten, niettegenstaande er eeuwen en eeuwen sedert
-den dood van dit dier waren verloopen. De ijzige toendra had het lijk
-van den voorwereldlijken olifant in zich opgenomen en voor bederf
-bewaard.
-
-Een aantal gelijksoortige en zeker ook andere dieren van het
-hedendaagsche tijdperk heeft zij in haar ijs begraven. Ook in vroegere
-dagen kon de toendra geen rijker dierenwereld voeden dan waartoe zij nu
-in staat is. De Europeesche bison en muskusos doortrokken deze velden,
-nog lang nadat de mammoeth had opgehouden te leven; het reuzenhert en
-het eland hebben hier eenmaal thuis behoord. Heden ten dage is de fauna
-der toendra even arm als hare flora, even eentonig. Zulks heeft echter
-meer betrekking op het aantal soorten dan op het aantal individuen;
-althans in den zomer kan het hier wemelen van dieren.
-
-Eerst laat in het jaar wordt de toendra bevolkt. Van die soorten, welke
-haar ook in den winter niet verlaten, merkt men dan weinig. De
-visschen, die uit de zee de rivieren zijn opgezwommen, worden door het
-ijs aan het gezicht onttrokken, de zoogdieren en vogels, die hier
-overwinteren, door de sneeuw, waaronder zij leven of welker kleur hen
-tooit. Eerst wanneer op de zuidelijke hellingen de sneeuw begint te
-smelten, ontwaakt het dierlijk leven. Schoorvoetend houden de
-zomergasten hun intocht. De wolf volgt op het wilde rendier, het
-heirleger der zomervogels volgt de schotsen, die de rivieren afdrijven.
-Sommige dezer vogels verwijlen ook nu nog besluiteloos in de
-zuidelijker gelegen streken, houden zich alsof zij willen broeden,
-verdwijnen plotseling uit hun verblijf aan den weg, vliegen fluks naar
-de toendra, bouwen onmiddellijk na hun aankomst een nest, leggen eieren
-en beginnen vlijtig te broeden, alsof zij den tijd wilden inhalen, dien
-hunne in zuidelijke landen levende broedende soortgenooten op hen
-vooruit hebben. Tot weinige weken is hun zomerleven beperkt. Innig
-vereend, òf voor het gansche leven, òf slechts voor een enkelen zomer
-gepaard, met een van liefde kloppend hart, komen zij aan om zingende of
-althans jubelende den nestbouw aan te vangen. Onvermoeid vervullen zij
-hun ouderplichten, broeden de jongen uit, voeden deze op, onderwijzen
-ze, ruien en trekken weer naar vreemde landen.
-
-Het aantal diersoorten, die de toendra als woonplaats mogen beschouwen,
-is gering, maar veel kleiner nog is het getal dergenen, die men als
-karakteristiek voor de toendra kan beschouwen. Zulk een karakterdier is
-in de eerste plaats de poolvos. Zoo ver de toendra zich uitbreidt,
-strekt zij dit dier tot toevluchtsoord, en althans in de zuidelijke
-deelen schenkt zij hem met den gewonen vos en nog andere leden zijner
-familie onderhoud en voedsel; hij draagt hare kleuren; in den zomer de
-kleur der rotsen, in den winter het sneeuwkleed, want grijs als de
-rotsen, of grijsachtig blauw is de kleur van zijn dicht haarbekleedsel,
-en wit verft dit zich in den winter. „Slecht en recht” naar vossenaard
-slaat hij zich door het leven, en toch is zijn doen en laten geheel
-verschillend van dat van onzen Reinaard en diens evenboortige familie.
-Men is niet onbillijk, wanneer men hem als het verbasterd lid eener
-ongemeen begaafde, schrandere, talentvolle familie beschouwt. Het
-vindingrijk verstand, de fijne list en de zich nooit verloochenende
-tegenwoordigheid van geest, die zijn bloedverwanten kenmerken, zijn bij
-hem weinig meer dan in de beginselen aanwezig. Plompdriest is zijn
-optreden, onbescheiden zijn aard, onverstandig zijn handelen.
-
-Als een vermetel bedelaar, een onbeschaamde landlooper, niet als een
-listige, alle omstandigheden berekenende en van alle mogelijke middelen
-partij trekkende dief of roover treedt hij op. Onbezorgd kijkt hij den
-jager in het roer; niet gewaarschuwd door den op hem gemunten,
-strijkelings hem voorbijsnellenden kogel volgt hij zijn vreeselijksten
-vijand; gedachtenloos dringt hij in de hutten van berkenbast, die de
-trekkende rendierherder heeft opgeslagen; zorgeloos nadert hij des
-nachts den mensch, die zich onder den blooten hemel te slapen heeft
-neêrgevlijd, om dezen diens buit te ontstelen of zinneloos naar diens
-ontbloote lichaamsdeelen te happen. Het is mij persoonlijk gebeurd, dat
-een poolvos, op wien ik in de schemering herhaalde malen tevergeefs een
-schot loste, evenals een hond mijn schreden volgde; mijn jachtvriend,
-Erik Swenson van Dovrefjeld, moest ervaren hoe zulk een dier des nachts
-aan de huid begon te vreten, op welke Swenson lag te slapen; en de oude
-Steller bericht naar waarheid nog van geheel andere trekken; trekken,
-die men voor onmogelijk zou houden, ware het niet, dat zij gesteund
-worden door andere, gelijksoortige berichten. Het is waar, de zeldzame
-verschijning van den mensch in de toendra moge hier eenigszins ter
-verklaring dienen, maar die onschuld van den poolvos wordt daardoor
-alleen niet verklaard. Want noch de gewone vos, noch eenig ander
-zoogdier der toendra gedraagt zich zoo onwijs als de poolvos; zelfs de
-lemming heeft nog meer verstand.
-
-Een bijzondere vorm is ongetwijfeld ook deze bewoner der toendra,
-onverschillig van welk lid zijner familie sprake is. Overal in de
-toendra ziet men deze dieren of althans hun sporen. In alle richtingen
-doorkruisen deze de velden, vooral die plaatsen, waar de dwergberk
-tiert; men herkent ze aan de gladde onbegroeide, smalle in het mos plat
-getrapte paden, die vele honderd meters lang dezelfde richting
-behouden, dikwijls naar rechts of links afbuigen en eerst na vele
-omwegen weder in den hoofdweg uitmonden. Hierin ziet men nu en dan, in
-droge zomers, een klein, kortstaartig, veel op een hamster gelijkend
-dier vlug bij troepen voortloopen, om meestal heel spoedig uit het
-gezicht te verdwijnen.
-
-Het is de lemming, een woelmuis ter grootte eener kleine rat of groote
-muis, met een bont, onregelmatig geteekend bruin, geel, grijs en zwart
-vel. Wanneer men het diertje ontleedt, dan ontdekt men tot zijn
-verbazing, dat het beestje om zoo te zeggen, enkel uit vel en
-ingewanden bestaat. Beenderen en spieren zijn ongemeen weinig, de
-ingewanden, vooral de spijsverterings- en voortplantingsorganen
-buitengewoon sterk ontwikkeld. Hieruit laten zich zekere
-levensverschijnselen verklaren, die langen tijd voor raadselachtig
-golden, n.l. de plotselinge en bijna onbegrensde voortplanting des
-diers en zijne op groote schaal en oogenschijnlijk op geregelde tijden
-plaats hebbende verhuizingen.
-
-Onder gewone omstandigheden leidt de lemming een zeer behagelijk leven.
-Hij heeft nimmer gebrek, noch in den zomer, noch in den winter.
-Allerlei plantenstoffen dienen hem tot voedsel: de uiteinden der
-mosplantjes, korstmossen en boombast. In den zomer dient eene holte, in
-den winter een warm, dikwandig, zacht gevoerd nest te midden der sneeuw
-den lemming tot woning. Wel dreigen van alle kanten gevaren: want niet
-alleen allerlei behaarde en gevederde roovers, maar zelfs de rendieren
-verdelgen honderden en duizenden lemmingen; desongeacht
-vermenigvuldigen deze zich zonder ophouden in sterke mate, totdat zich
-bijzondere omstandigheden voordoen, die de in weinige weken ontstane
-milliarden in even weinig dagen vernietigen. Vroeger dan gewoonlijk
-valt b.v. de lente in de toendra in, en droger dan gewoonlijk is de
-zomer. Alle jongen van den eersten worp der lemmingwijfjes groeien
-voorspoedig op en zijn reeds binnen zes weken na hunne geboorte in
-staat, om zelf hunne soort voort te planten.
-
-De ouders hebben intusschen aan een tweede en een derde geslacht het
-levenslicht geschonken, en ook dezen volgen hun voorbeeld. Binnen drie
-maanden wemelen de hoogten en laagten der toendra even sterk van
-lemmingen als soms onze velden van muizen.
-
-Overal, waarheen men zich ook keert, ontwaart men deze bedrijvige
-dieren; met een enkelen oogopslag omvat men dozijnen, en duizenden
-ontmoet men binnen het tijdsverloop van een uur. Op alle paden en wegen
-ziet men ze loopen; vervolgd, en in ’t nauw gebracht, stellen zij zich
-onder luid geschreeuw en met de tanden knarsende teweer, even alsof
-zij, prat op hun groot aantal, zelfs den mensch niet vreesden. Maar hun
-eigen menigte, die nog steeds aangroeit, wordt hun ten verderve. De
-arme toendra kan al spoedig hun vraatzucht niet meer bevredigen. De
-hongersnood ligt in ’t verschiet, is misschien reeds gekomen. Nu
-dringen zich de door angst gekwelde dieren bijeen en vangen den tocht
-aan. Honderdtallen voegen zich bij honderdtallen, duizenden sluiten
-zich bij andere duizenden aan. De troepen worden hoopen, de hoopen
-legerscharen. In eene bepaalde richting trekken zij op, eerst allicht
-de vroeger plat getrapte paden volgende, later zich nieuwe wegen
-banende; in onafzienbare, ontelbare rijen, ijlen zij voort; boven van
-de rotsen storten zij zich naar beneden in de stroomen. Duizenden
-bezwijken van gebrek; over hunne lijken spoedt zich de achterhoede;
-honderdduizenden verdrinken in de wateren of liggen verbrijzeld aan den
-voet der rotsen; die overblijven rennen in dolle vaart over de
-gevallenen heen; wederom nieuwe honderd- en duizendtallen vinden hun
-graf in de magen der hun achtervolgende poolvossen, gewone vossen,
-wolven en veelvraten, ruigpoot buizerden, raven, uilen en roofmeeuwen;
-de rest trekt zich dit alles niet aan. Werwaarts zij reizen, waar zij
-eindelijk aanlanden—niemand weet zulks te zeggen; dit is echter zeker,
-dat achter deze scharen de toendra als uitgestorven schijnt, en dat er
-dikwijls eene reeks van jaren verloopt, aleer de weinigen, die
-terugbleven en steeds voortgingen met zich te vermenigvuldigen,
-langzamerhand in aantal toenemende, wederom op zichtbare wijze hun
-geboorteland hebben bevolkt.
-
-Het derde karakterdier der toendra is het rendier. Hij, die dit, op
-zichzelf beschouwd zoo weinig fraaie hert slechts uit den gevangen
-staat, d.i. dien der slavernij kent, kan zich voorzeker geen juist
-denkbeeld vormen van hetgeen dit dier is in den vrijen natuurstaat.
-Hier eerst, hier in de toendra leert men het rendier waardeeren, als
-een lid der familie, wie het niet tot schande verstrekt. Het behoort
-met lijf en ziel aan de toendra.
-
-Het rent of zwemt met zijn breedhoevigen, schopvormigen, zeer
-bewegelijken en bij elken voetstap klepperenden voet over de
-onafzienbare gletschers, over de uit rolsteenen opgebouwde heuvels en
-hellingen, over de vilten kruinen der dwergberken en de moskussens,
-over de rivieren en meren. Met zijn hoeven krabbelt het zijn voedsel
-diep onder de sneeuw te voorschijn. Het vindt voldoende beschutting
-tegen den guren, langen winternacht der poolgewesten in zijn dichten
-pels, tegen het snijdend hongerzwaard in zijn weinige kieschkeurigheid
-met betrekking tot zijn voedsel, tegen den wolf, die voortdurend hem op
-de hielen zit, in zijn waakzaamheid, snelheid, onvermoeidheid en ook
-eenigszins in de scherpte zijner zintuigen.
-
-Den zomer brengt het rendier door in die plaatsen der hoogtoendra,
-alwaar in de onmiddellijke nabijheid der gletschers, behalve het
-rendiermos, dat mijlen ver de aarde als met een kleed bedekt, ook
-sappige, heerlijke alpenkruiden, uit den bodem ontspruiten. In den
-winter trekt het door de laagtoendra van den eenen heuvelketen naar den
-anderen, die plaatsen opzoekende, alwaar de wind de sneeuw heeft
-weggevaagd.
-
-Kort te voren is zijn vertakt gewei tot volle kracht gekomen, en heeft
-het in het zalig bewustzijn dier kracht, den strijd op leven en dood
-gewaagd met zijn soortgenooten—de bronsttijd was daar—en deed het de
-stille toendra weêrgalmen van den stoot der tegen elkaar gedreven
-geweien; nu trekt het, afgemat door dat gevecht en den roes der liefde,
-eendrachtig met andere rendieren vereenigd, in sterke koppels door zijn
-gebied, om nu een anderen strijd, dien tegen den winter aan te vangen.
-Wel moet het rendier, wat schoonheid en adel betreft, onderdoen voor
-het hert, maar alwie het, niet gekneld door slavenketenen, in sterke,
-aaneengesloten koppels vereenigd, in zijn vaderland, de toendra, heeft
-aanschouwd, alwaar het de hooggebergten siert en zich scherp afteekent
-tegen den blauwen hemel of het witte sneeuwdek, die bekent gaarne, dat
-het rendier tot de heerlijkste wildsoorten behoort en het hart van den
-jager sneller kan doen kloppen dan iemand vermoeden zou.
-
-Ook de vogels vormen eene merkwaardigheid der toendra. Wie de
-woestenijen van het noorden heeft bezocht, heeft althans een dezer
-dieren ontmoet, n.l. het sneeuwhoen:
-
-
- „In den zomer bont van het hoofd tot de voeten,
- In den winter witter dan de sneeuw.”
-
-
-Ik bedoel niet het sneeuwhoen onzer hooggebergten, dat ook hier,
-beperkt tot den gletschergordel, voorkomt, maar het ongelijk veel
-talrijker moeras-sneeuwhoen.
-
-Waar de dwergberk tiert is het te vinden; vooral echter, wanneer de
-nachtelijke stilte zich over de toendra uitstrekt, al moge ook de zon
-aan den hemel stralen, laat het zich zien. Nooit verlaat het zijn
-geboortegrond geheel; ten hoogste verdrijft de winter het uit de
-hoogtoendra, maar dan nog slechts naar de laagte. Vroolijk en bezig,
-moedig en vol zelfvertrouwen, ijverzuchtig en strijdlustig waar het een
-medeminnaar geldt, teeder voor zijn gade, alles voor deze en de
-kinderen, zoo is het sneeuwhoen. Het heeft in zijn levenswijze veel van
-onzen patrijs, maar spreidt toch in zijn doen en laten, in zijn geheele
-wezen veel meer bekoorlijkheid ten toon.
-
-Deze vogel schenkt eigenlijk leven aan de woestijn. Zijn uitdagend
-geroep weêrklinkt in den stillen zomernacht, en wanneer in den winter
-de toendra door bijna alle andere vogels is verlaten, dan vliegt nog
-het sneeuwhoen vroolijk in koppels rond; het verblijdt en verrukt
-zoowel den natuuronderzoeker als den jager.
-
-In den zomer is deze vogel schier overal vergezeld door den
-goudplevier. Ook deze vogel is een getrouw kind der toendra. Evenals de
-vlugge loopvogel aan de woestijn, het steppenhoen aan de steppe, het
-berghoen aan het hooggebergte, de leeuwerik aan het korenveld behoort,
-zoo is de goudplevier het eigendom der toendra. Hoe bont zijn kleed er
-ook uitzie, hij draagt hare kleuren; zijn droefgeestig geluid is geheel
-in overeenstemming met deze woestenij. Even gaarne als men dezen vogel
-in ons land ziet, even ongaarne begroet men hem echter in de toendra.
-Zijn geroep, dat dag en nacht weêrklinkt, wekt hetzelfde weemoedig
-gevoel op als de woestijn zelf.
-
-Veel liever luistert men naar de stem van een anderen zomergast van dit
-land. Niet de teedere melodieën van het blauwborstje, dat juist hier
-onder de meest gewone broedvogels wordt gerekend, en met recht de
-„honderdkelige zanger” wordt genoemd, niet de schallende liederen van
-den ook tot de toendra doorgedrongen kramsvogel, niet de korte tonen
-van den sneeuwgors of spoorgors, niet het gillend geschreeuw van den
-slechtvalk of van den ruigpootbuizerd, niet het juichend geblaf van den
-zeeadelaar of het gelijksoortig geschrei van den sneeuwuil, niet het
-schetterend trompetgeluid van den zangzwaan of het klagende hoorngeluid
-der ijseend, geen dezer allen is het, dien ik bedoel; ik heb het
-verliefde geroep van den een of anderen zeeduiker op het oog; het is
-eene wilde, ongeregelde en als het ware onbeteugelde, maar toch
-klankvolle en toonrijke, schel weêrklinkende Noordsche melodie, te
-vergelijken met het melodieus geruisch der branding, of het donderend
-geraas van een omlaag stortenden waterval. Waar zich maar een vischrijk
-meer bevindt, en daarin een verborgen plaatsje in bies of riet, dicht
-genoeg om een drijvend nest te bevatten, daar laten zich de duikers
-zien, die kinderen der toendra en der zee, deze ernstig-vroolijke
-visschers der stille zoete wateren, en onbeschroomde duikers der
-noordelijke zeeën. Uit de laatste kwamen zij in de toendra om te
-broeden, en zoodra hun jongen in staat zijn de zee te beheerschen
-gelijk zij zelven, dan zullen zij hen derwaarts geleiden. Zoover de
-toendra reikt volgen zij hare wateren; meer dan de uitgestrekte
-binnenmeren beminnen zij de kleine vijvers op de oeverbergen der
-toendra, om van deze hoogten af, elken dag, onder een onstuimig zeelied
-naar beneden te storten in het golvende, hun voedsel aanbrengende,
-huiselijk meer.
-
-Nog andere karaktervogels der toendra zijn afkomstig uit de zee. Met
-welbehagen volgt het oog alle bewegingen der kleine roofmeeuw, met
-verrukking die der watertreders, welke beide vogels eveneens in de
-toendra broeden: de eerste op de vrije, met mos bedekte moerasvenen, de
-tweede aan den oever der tusschen wolwilgen meest verborgen poelen en
-plassen. Wil men de andere meeuwen bestempelen met den naam van „raven
-der zee”, de roofmeeuwen mogen de „valken der zee” heeten. Terecht
-dragen zij den naam van „roofmeeuwen” en „schuimloopers”, want als
-geduchte roovers treden zij op, wanneer zij geen gelegenheid zien tot
-klaploopen, en tot klaploopers worden ze, wanneer de eigen jacht hun
-niet genoeg opbrengt. Als valken doorvliegen zij in den zomer de
-toendra, in den winter de kustlanden der Poolzee; met trillende
-vleugels staan zij boven het land of het water, om naar buit te
-speuren; krachtig en edel stooten zij omlaag om hem op te vangen, en
-behendig en zeker grijpen zij ’t offer, dat eenmaal in ’t oog is gevat.
-En toch, deze moedige roovers schamen zich niet, daar waar het pas
-geeft, te bedelen! Wee de meeuw, wee den zeevogel in ’t algemeen, die
-onder de oogen van de roofmeeuw zich buit veroverde! Pijlsnel
-achtervolgt deze onder een huilend geroep den gelukkigen roover,
-omfladdert hem van alle zijden als in een dartel spel, snijdt hem op
-listige wijze overal den weg af, als hij tracht te ontvluchten,
-verijdelt elken aanval en pijnigt en kwelt hem zoo lang tot hij den
-buit loslaat en den roover toewerpt, al moest hij dien ook uit den krop
-weder naar boven persen. Het doen en laten der roofmeeuw, haar kracht
-en behendigheid, koenheid en brutaliteit, haar onvermoeide waakzaamheid
-en niet te keeren onbeschoftheid leveren een boeiend schouwspel op.
-Zelfs voor haar bedelarij bestaat nog verontschuldiging, zoo bekoorlijk
-is haar verschijning. En toch is de watertreder nog aantrekkelijker.
-Deze is een strandvogel, die de eigenschappen van moerasvogels en
-zwemvogels in zich vereenigt en deels op het land, deels op het water,
-zelfs in zee leeft. Licht en bevallig, in sierlijkheid van beweging
-door geen zwemvogel overtroffen, zwemt hij over de golven; vlug en
-vaardig loopt hij den oever langs; met de snelheid eener poelsnip
-strijkt hij in zigzaglijn door de lucht. Vertrouwelijk en bedeesd laat
-hij zich van nabij waarnemen; angstig bezorgd voor zijn broedsel
-verraadt hij meest zelf zijn nest met de vier peervormige eieren, hoe
-zorgvuldig hij het ook in het riet moge verbergen. Men is geneigd den
-watertreder als de liefelijkste verschijning onder alle vogels der
-toendra te beschouwen. Belangrijk voor de toendra zijn verder de
-roofvogels, belangrijk althans hunne levenswijze aldaar. Want slechts
-aan den zuidrand van ons gebied of in de hoogtoendra alleen vinden zij
-boomen en rotsen, waarop zij hun nest kunnen bouwen, zoodat zij
-genoodzaakt zijn hier op den grond te broeden. Tusschen de kruipende
-takken der dwergberken staat het nest van den moerasuil, op de kruin
-zelf dat van den ruigpootbuizerd; op den blooten grond liggen de eieren
-van den sneeuwuil en den slechtvalk; alleen de laatste kiest zooveel
-mogelijk althans den rand eener kloof voor nestplaats uit, als wilde
-hij zich zelf in den waan brengen, hier boven op de rotsen te zijn. Dat
-zij zich evenwel bewust zijn van de onveiligheid dier plaatsing, blijkt
-duidelijk uit de houding, die zij aannemen wanneer zij een mensch het
-nest zien naderen. Van verre reeds wordt men met wantrouwen aanschouwd
-en met luid geschreeuw begroet; hoe nader de mensch komt des te hooger
-stijgt de angst der bezorgde ouders. Tot nog toe vlogen zij op meer dan
-dubbelen geweerschotsafstand om hem heen; nu stooten zij moedig op hem
-neer, en vliegen zoo dicht langs zijn hoofd, dat men het snijdend
-geraas der vleugels duidelijk kan hooren en soms zelfs bevreesd is
-werkelijk aangevallen te worden. De jongen evenwel, ofschoon van verre
-er uitziende als witte ballen, duiken angstig in het nest neer, en
-blijven bij de aankomst van hunnen, zoo niet gezienen, dan toch
-vermoeden vijand zoo roerloos in de gekozen of eenmaal aangenomen
-houding volharden, dat men ze uit kan schilderen zonder de vrees te
-koesteren, dat zij door eenige beweging dit werk zullen storen;
-inderdaad, een bekoorlijk tafereel!
-
-Vele dieren zou ik hier nog aan toe kunnen voegen, indien zulks voor
-eene teekening der toendra noodzakelijk ware. Kenschetsend is nog de
-mug. Wanneer iemand dit insect het meest beteekenende aller levende
-wezens der toendra noemde, waarlijk! hij zou niet licht van dwaling
-beschuldigd kunnen worden. De mug maakt het leven van vele andere
-dieren mogelijk, inzonderheid dat van vogels en visschen; zij dwingt
-daarentegen andere wezens, zoo als o.a. den mensch, tijdelijk te
-verhuizen; zij is de eenige oorzaak, dat de toendra in den zomer voor
-beschaafde volken onbewoonbaar is. De talrijkheid der zwermen, waarin
-zij optreedt, gaat alle verbeelding te boven; hare macht verwint mensch
-en dier, en de kwalen, die zij veroorzaakt, spotten met elke
-beschrijving.
-
-Het is bekend, dat de eieren van alle steekmuggen in het water gelegd
-worden, en dat de daaruit binnen eenige dagen voortgekomen larven tot
-aan hare geheele verandering in het volkomen insect in het water leven.
-Hierin vindt men de verklaring van het feit, dat de toendra zoo
-bijzonder geschikt is voor de ontwikkeling dezer dieren. Zoodra de weer
-rijzende zon de sneeuw en het ijs en de bovenste aardlaag ontdooid
-heeft, ontwaakt het leven der muggen, dat in den winter wel sluimerde,
-maar niet was uitgedoofd. Uit de eieren, die den winter in het bevroren
-slijk hebben doorgebracht, sluipen larven; deze veranderen binnen
-weinige dagen in poppen en de poppen in gevleugelde insecten; het eene
-geslacht volgt in korten tijd op het andere. Nog vóór den langsten dag
-begint de zwermtijd dezer vreeselijke dieren om tot het midden van
-Augustus voort te duren.
-
-En al dien tijd kan men ze vinden in de hoogte en in de laagte, op de
-bergen en heuvels zoowel als in de dalen, tusschen de dwergberken en
-wolwilgstruiken zoowel als aan de oevers der rivieren en meren. Elke
-grasstengel, elke moshalm, elke tak, elke twijg, elk blaadje zendt op
-elk uur van den dag scharen dezer wezens uit. De steekmuggen of
-muskito’s der keerkringsgewesten, van de oerwouden en moerassen van
-Zuid-Amerika, Midden-Afrika, Indië en de Soenda-eilanden, zoo door alle
-reizigers gevreesd, zijn niet erger dan onze muggen, maar gene zwermen
-slechts des nachts; deze vliegen tien weken lang en daarvan zes weken
-onafgebroken, zonder tusschenpoos. Zij vormen heirlegers, die er
-uitzien als een dichte, zwarte rook; zij hullen elk schepsel, dat zich
-in haar bereik waagt, in een nevel; zij spotten met elke poging om haar
-te verjagen; zij maken van den krachtigsten man een kind zonder wil,
-zij verkeeren diens boosheid in vrees, de haar geldende vervloeking in
-eene bittere klacht.
-
-Zoodra men de toendra betreedt, klinkt ons reeds van verre een gegons
-in de ooren, nu eens niet ongelijk aan het zingen van den theeketel,
-dan weder te vergelijken met de tonen van een trillende metalen staaf,
-en weinige oogenblikken later is men omringd door duizenden en nog eens
-duizenden van muggen. Een door deze dieren gevormde stralenkrans
-omgeeft het hoofd en de schouders, het lichaam en de ledematen van den
-reiziger, om deze nabij te blijven, hoe snel hij zich ook moge bewegen,
-en is door geen middel te verdrijven. Staat hij stil, dan verdicht zich
-de zwerm, gaat hij verder, dan rekt de stoet zich in de lengte uit, zet
-men het op een loopen, dan tot een langen sleep; nooit blijven de
-muggen achter. Is er wind en komt deze van dien kant, waarnaar men zich
-toe beweegt, dan verhaast de zwerm zijn vlucht tegen den luchtstroom
-in; is de wind hevig, elk lid van den zwerm spant zich te meer in, ten
-einde zijn bloedig offer niet te verliezen; de muggen raketten als
-hagelsteenen tegen hoofd en nek. Voor men het denkt, is men van boven
-tot beneden met deze dieren bedekt. In dichte drommen, die op grijze
-kleêren zwart, op donkere als eigenaardige stippen en vlekjes zich
-afteekenen, hechten zij zich vast, loopen langzaam op en neer, en
-zoeken naar eene ontbloote plek om bloed te zuigen. Zonder eenig geluid
-te geven en zonder eenig gevoel te veroorzaken, hebben zij het
-aangezicht, den hals, den nek, de bloote handen en de alleen met kousen
-bedekte voeten bereikt; een oogenblik later laten zij langzaam haar
-steekwerktuig in de huid neder en storten een droppel gift uit in de
-wonde. Vertoornd slaat de gewonde den bloedzuiger te pletter; maar
-terwijl de straffende hand zich opheft, zetten reeds twee, drie, tien
-andere muggen zich òf op deze, òf op het gezicht, òf elders neêr, om
-evenzoo te doen als de eerste. Want wanneer er eenmaal bloed is
-gezogen, wanneer op een en dezelfde plek reeds eenige muggen den dood
-hebben gevonden, dan zoeken juist de overigen zulke plekjes bij
-voorkeur op, al wordt ook dit slagveld met duizenden lijken bedekt. De
-muggen hebben het bovenal gemunt op de slapen, op het voorhoofd,
-onmiddellijk beneden de plaats, waar de hoed zit, op den nek en de
-handbuiging, in ’t algemeen dus op zulke lichaamsdeelen, vanwaar zij ’t
-moeilijkst zijn af te houden.
-
-Wanneer men den moed heeft haar bij haar bloedig werk na te gaan, dus
-haar niet te verdrijven of te storen, dan bespeurt men, dat men niets
-van haar voelt, noch wanneer zij gaan zitten, noch wanneer zij zich
-bewegen. Dadelijk, nadat zij zich hebben neêrgezet, beginnen zij haar
-werk. Gewoonlijk loopen zij op de huid heen en weer en betasten met
-haar slurf elk plekje; plotseling houden zij stil en doorboren met
-verwonderlijk gemak de huid. Terwijl zij zuigen lichten zij zeer
-wellustig dan den eenen, dan den anderen achterpoot omhoog, en zulks te
-vlijtiger naarmate het glasheldere achterlijf meer met bloed wordt
-gevuld. Hebben zij eenmaal bloed geproefd, dan letten zij op niets meer
-en laten zich betasten en pijnigen, zonder naar het schijnt, er iets
-van te voelen. Trekt men met behulp van een tangetje de slurf uit de
-wond, dan tasten zij een oogenblik heen en weer, om op dezelfde of eene
-nieuwe plek zich weder in te boren; snijdt men de slurf met een scherp
-schaartje snel af, dan blijft de mug in den regel nog zitten, even als
-of zij eerst tot bezinning moet komen, laat dan de voorpooten over den
-stomp glijden, en eerst na een lang onderzoek schijnt zij overtuigd te
-zijn, dat het afgeknipt lichaamsdeel ontbreekt; snijdt men snel een
-achterpoot af, dan blijft de mug voortzuigen, even alsof er niets
-gebeurd ware, ja, zij beweegt nog het voetstompje; snijdt men het met
-bloed gevulde achterlijf voor de helft af, dan doet het dier als
-Münchhausen’s paard aan de fontein, trekt eindelijk de slurf uit de
-wond, vliegt tuimelend weg en sterft na weinige minuten.
-
-Eene zorgvuldige waarneming van het leven en bedrijf dezer dieren heeft
-doen zien, dat zij bij het opsporen hunner slachtoffers veel meer door
-den reuk dan door het gezicht worden geleid, misschien wel door een
-zintuig, dat reuk en gevoel in zich vereenigt. Het is eene zeer juiste
-waarneming, dat zij bij het naderen van een mensch, reeds op vijf meter
-afstands van dezen opvliegen, en dan, zonder te dralen en af te dwalen,
-rechtstreeks op hun slachtoffer aanvallen. Gaat men over eene zandbank,
-die, zooals meestal, vrij van deze dieren is, dan kan men een en ander
-proefondervindelijk aan zich zelf ervaren. Oogenschijnlijk ten deele
-door den wind, ten deele door eigen kracht gedragen, in elk geval
-doelloos zwevende, vliegen ook gedurig enkelen over zulk eene
-verschoonde plaats, en zoo komen sommigen in de nabijheid des
-waarnemers. Op hetzelfde oogenblik is het uit met hare schijnbaar
-doellooze bewegingen. Snel veranderen zij van richting en in eene
-rechte lijn stormen zij op het gelukkig ontdekte doelwit los. De eene
-mug voegt zich bij de andere, en voor er vijf minuten verloopen zijn,
-is de martelaar omgeven door een kring van muggen. Minder gemakkelijk
-vinden zij den weg in verschillende luchtlagen.
-
-Toen ik mij eens op een hooggelegen duin met dergelijke waarnemingen
-onledig hield, en langen tijd door duizenden gevolgd en gepijnigd was
-geworden, lokte ik den mij omhullenden zwerm allengs naar den rand
-eener steile hoogte, liet hem zich hier verdichten, en sprong toen
-plotseling naar beneden. Tot mijn groote blijdschap merkte ik, dat ik
-de kwelgeesten meerendeels had achtergelaten. Maar boven op het duin
-zwermden zij, als verbaasd, dooreen, terwijl zij nog langen tijd boven
-de plaats, vanwaar ik afgesprongen was, eene dichte wolk vormden.
-Ettelijke honderden waren mij toch naar de laagte gevolgd.
-
-Ofschoon de natuuronderzoeker zeer goed weet, dat slechts de
-vrouwelijke muggen steken en zuigen, terwijl dit bedrijf
-ontegenzeggelijk in verband staat met de voortplanting, misschien wel
-de eieren tot rijpheid brengt, wordt ook hij zoozeer door de pijniging
-dezer duivels der toendra uit zijn humeur gebracht, dat hij zijn geduld
-moet verliezen, al ware hij ook de goedmoedigste wijsgeer onder de zon.
-Niet de pijn, die de steken en eigenlijk nog meer de later opkomende
-builen veroorzaken, maar de eeuwig voortdurende plagerij, het telkens
-terugkeerende leed maakt de muggen tot zulk eene kwelling. Men
-verdraagt de pijn zelfs in den aanvang zonder klagen, en natuurlijk nog
-gemakkelijker, wanneer de huid, door het menigvuldig daarin uitgestorte
-gif allengs ongevoelig is geworden; men is dan ook zeer goed in staat
-langen tijd weêrstand te bieden; maar men moet ten laatste bekennen,
-dat men door de afschuwelijke kwelgeesten der toendra overwonnen en
-verslagen werd. De in getal niet te schatten, de alom tegenwoordige, de
-te allen tijd strijdvaardige heirlegers verlammen elken tegenstand.
-Onafgebroken door haar gekweld, in elke handeling belemmerd, in elke
-genieting verhinderd, van elke gedachte afgeleid, wordt men niet alleen
-lichamelijk, maar ten laatste ook geestelijk afgemat. De voet weigert
-zijn dienst, de geest is onvatbaar voor indrukken; de toendra is eene
-hel geworden. Niet de winter met zijn stormen, niet het ijs en zijn
-kou, niet de armoede, niet de onherbergzaamheid, maar de muggen zijn de
-vloek der toendra!
-
-In den zwermtijd vliegen zij bijna onafgebroken door; bij zonneschijn
-en stil weder met zichtbaar welbehagen, bij een stijve koelte nog zeer
-vergenoegd, bij geringe warmte nog recht levendig, vóór een dreigenden
-regen het uitbundigst, bij koel weder weinig, bij koud weder in ’t
-geheel niet meer. Een hevige storm verbant ze naar struikgewas en mos;
-niet zoodra is de wind bedaard of zij vliegen weder lustig rond, op
-alle onder den wind gelegen plaatsen zijn zij zelfs onder het loeien
-van den storm tot den aanval gereed. Een lichte nachtvorst doet haar
-veel afbreuk, maar doodt ze niet alle; natte en koude dagen doen haar
-aantal sterk verminderen, maar daarop volgende warme dagen brengen
-weder nieuwe, ontpopte scharen in het veld. Eerst de herfstnevels
-brengen de muggen voor een jaar tot rust.
-
-Even langzaam als de lente haar intocht hield, even snel valt de herfst
-in de toendra in. Een enkele koude nacht, meest reeds in Augustus,
-althans in September, snijdt het zomerleven af. De bessen, die nog in
-’t midden van Augustus lieten denken, dat zij niet rijp zouden worden,
-zijn op het einde dezer maand zoo sappig en zoet geworden als maar
-mogelijk is; enkele natte en koude nachten, die de bergen reeds met een
-sneeuwkleed dekken, verhaasten de rijpwording nog meer dan de zon, die
-reeds dagen lang zich achter de wolken verschuilt. De bladeren van den
-dwergberk kleuren hunne bovenzijde bleek, maar nog blinkend lakrood, de
-onderzijde levendig geel; alle overige struiken en struikjes ondergaan
-gelijke verandering; het sombere bruingroen der toendra wordt een
-levendig bruinachtig rood, zoodat zelfs het geelgroene rendiermos niet
-meer uitkomt. Zuidwaarts of naar zee vliegen de gevleugelde
-zomergasten, rivierafwaarts zwemmen de visschen der toendra. Het
-rendier verhuist van de bergen naar de laagte, gevolgd door den wolf;
-naar boven naar de bergen vliegt het moerashoen in koppels van
-duizenden vereenigd, om hier zoo lang te verwijlen, tot de winter het
-weer naar de laagtoendra doet afdalen.
-
-Nog weinige dagen en deze winter, evenzeer door ons als door de
-trekvogels gevreesd, door de menschelijke bewoners der toendra evenwel
-smartelijk verlangd, houdt zijn intocht in het onherbergzame land, om
-er langer, veel langer dan lente, zomer en herfst te zamen onbeperkte
-heerschappij te oefenen. Dagen en weken lang valt de sneeuw zonder
-ophouden neder, nu eens zacht ritselend, in scherp kantige kristallen,
-dan weder, door den huilenden storm voortgezweept, in groote vlokken.
-Bergen en dalen, rivieren en meren worden allengs met eenzelfde
-winterkleed bedekt. Nog daalt er nu en dan tegen den middag een enkele
-zonnestraal op het sneeuwveld, maar weldra zegt ons, zelfs bij helder
-weder, alleen nog maar een bleek schijnsel in het zuiden, dat ginds de
-dag reeds half ten eind is. De lange winternacht is aangebroken.
-Maanden achtereen weêrkaatst slechts het zwakke sterrenlicht tegen het
-sneeuwdek, en geeft alleen de maan nog kondschap van het levenwekkende
-en alles bezielende gesternte van ons planetenstelsel. Wanneer echter
-de zon in ’t geheel niet meer over de toendra opgaat, straalt voor deze
-een ander licht: hoog in het noorden flikkert en knettert „Soweidoed”,
-het godsvuur, het vlammende noorderlicht!
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-DE AZIATISCHE STEPPE EN HARE DIERENWERELD.
-
-
-Eentonig voorwaar! maar niettemin in den hoogsten graad eigenaardig, is
-het onmetelijk gebied, dat zich over geheel Midden-Azië uitstrekt, om
-zich tot in het zuiden van Europa voort te zetten: de Steppe. De
-oppervlakkige beschouwer moge wanen, dat het gemakkelijk valt eene
-voldoende beschrijving van de steppe te geven, hij, die dieper denkt,
-weet, dat zulks eene alles behalve gemakkelijke taak is. Want zoo
-onveranderlijk eenvormig, zoo gansch en al zonder afwisseling, als men
-gewoonlijk aanneemt, is de steppe niet. Verschillend van uitzicht is
-ook zij in den tijd van haar bloei en verval, in den zomer en in den
-winter; groot verschil is zelfs bij haar op te merken in elk
-jaargetijde in hare hoogere en lagere deelen, daar waar gebergten
-verrijzen en waar beken, rivieren, meren en poelen hare laagten en
-kommen opvullen. Eentonigheid werkt zij slechts uit, omdat een en
-hetzelfde beeld duizendmalen wordt herhaald, en datgene zelfs
-alledaagsch wordt, wat het oog boeit en streelt als men het voor ’t
-eerst ziet.
-
-Steppe is een Russisch woord; de Rus bestempelt met dien naam alle,
-onder gemiddelden breedtegraad gelegen boomlooze landschappen met een
-nuttig plantendek, onverschillig of het volkomen vlak land is of een
-golvend terrein, of het heuvelland is of bergland, of hier en daar een
-zwarte grond gelegenheid oplevert voor den akkerbouw, of dat de magere
-bodem van nature slechts voedsel verleent aan de kudde des herders.
-Deze opvatting komt overeen met den aard der zaak, want hier zoowel als
-ginds ontspruiten aan den bodem dezelfde planten; hier zoowel als daar
-leven dezelfde dieren; hier zoowel als daar doet zich de wisseling der
-jaargetijden op dezelfde wijze gelden.
-
-Als een gebied zonder bosschen moet men de steppe beschouwen, alhoewel
-zij niet geheel en al zonder boomen is. Want in de breede en diep
-ingesneden rivierdalen vindt men wel degelijk boomen en groote
-struiken. Onder bijzonder gunstige omstandigheden groeien wilgen en
-witte en zilverpopulieren er op tot hooge boomen, die zich zelfs in
-gesloten rijen om den oever scharen; berken vormen hier en elders
-boschjes, dennen erlangen op zandige duinen vasten voet en vormen
-groepen, die wel is waar niet met echte bosschen vergeleken kunnen
-worden, maar die toch even dicht zijn als de zooeven genoemde
-rivierzoomen. Zulke plaatsen, ’t zij al dadelijk gezegd, vormen evenwel
-uitzonderingen op den regel, en zijn eigenlijk eene vreemde wereld in
-de steppe; ze zijn te vergelijken bij de oasen eener woestijn.
-
-Als eene onafzienbare, slechts hier en daar zacht golvende vlakte kan
-de steppe er uitzien; elders gelijkt zij een zeer bewogen watervlak en
-biedt dan meerdere afwisseling aan, terwijl wederom op andere plaatsen
-gebergten uit haar oprijzen. In den regel wordt de gezichteinder overal
-begrensd door heuvelketens van meerdere of mindere hoogte; meestal
-omgeven deze ketens een komvormig dal, waarin het water geen uitweg
-schijnt te kunnen vinden, en ook dikwijls niet vindt. Uit de langere
-dwarsdalen der dikwijls zeer vertakte ketens vloeit een klein beekje
-naar de diepste plaats van het keteldal en eindigt in een meer, welks
-ziltige oevers, van uit de verte gezien, glinsteren, alsof zij nog met
-de sneeuw van den winter bedekt waren. De heuvels doen zich, uit de
-verte gezien, voor als hooge bergen, want het oog verliest op deze
-onmetelijke vlakten elken maatstaf ter richtige beoordeeling, en de
-heuvels zelve verbijsteren zelfs den geoefendsten waarnemer, wanneer
-hun ontbloote deelen harde rots te voorschijn doen treden, die koepels
-en kegels, naalden en pieken vormen. Overigens komen er, de
-hooggebergten in de nabijheid der Chineesche grenzen niet medegerekend,
-in de steppe der Kirgiezen werkelijke bergen voor, die van nabij niet
-minder schoon zijn dan in de verte, hetgeen zij te danken hebben aan de
-vele en diepe insnijdingen in hunne kruinen en hellingen. Hoe hooger en
-meer vertakt de gebergten zijn, des te rijker wateraders zenden zij
-naar beneden en des te grooter worden dan ook de meren in de
-laagvlakten, waarin zich de rivieren storten, zonder de laagste kom
-ooit geheel te kunnen vullen of de omgrenzende hoogten door te kunnen
-breken; en daarmede houdt ook de uitgestrektheid der zoutsteppen
-gelijken tred, welke steppen zich legeren om de altijd zoute meren
-zonder afvoer. Dit alles daargelaten blijft toch het beeld der steppe
-zich altijd vrij wel gelijk, hoe afwisselend het landschap ook moge
-zijn.
-
-Men zou de waarheid te kort doen, indien men wilde beweren, dat de
-steppe geheel ontbloot is van bevallige, ja zelfs grootsche partijen.
-De heidevelden van Noord-Duitschland, zelfs de Mark, zijn eentoniger
-dan zij. Reeds in de zacht golvende vlakte rust het oog gaarne op de
-meren, die alle diepe kommen innemen; in het heuvelland of tusschen de
-hoogere bergen evenwel zijn de waterbekkens steeds een waar sieraad van
-het landschap. Ofschoon niet altijd, missen de meren in den regel
-vriendelijk groen geboomte, soms zelfs zijn zij ontbloot van alle
-struikgewas; niet zelden ligt het geheel naakt en kaal, maar ook in dit
-geval nog tooit het de steppe. Want vriendelijk kaatst ons het
-watervlak het blauw des hemels terug, en ook hier geniet men van de
-weldadige, levendmakende kracht des waters. En wordt het meer aan den
-eenen kant door een bergketen geheel begrensd, of vormen, gelijk aan
-den Alakoel het geval is, hooge gebergten eene omlijsting, terwijl de
-steppe overal schilderachtig afsteekt bij den glinsterenden
-waterspiegel, de donkere berghellingen en de besneeuwde bergtoppen;
-spreidt zich het zachte waas van den horizon over de vlakte en de
-bergen uit, en schijnt zij zelfs daar schoonheden te verbergen, waar
-deze niet te vinden zijn, dan is men gaarne gezind om te bekennen, dat
-ook de steppe in haar soort schilderachtige landschappen omvat.
-
-Maar ook wanneer men mijlenlange dalen doortrekt, of over die bijna
-eindelooze vlakten dwaalt, welke slechts door zacht golvende lijnen aan
-den verren gezichteinder begrensd worden, wanneer men steeds een en
-hetzelfde beeld, hetzelfde uitzicht naar het noorden en zuiden, het
-westen en het oosten voor zich heeft, en te midden der oneindige ruimte
-een gevoel van eenzaamheid en verlatenheid ons bekruipt, dan zelfs
-geeft de steppe nog meer dan onze heide, daar de plantengroei ginds
-ongemeen veel rijker, bonter en afwisselender is dan bij ons. Slechts
-daar, en alleen daar, alwaar rondom een meer de zoutsteppe zich
-uitbreidt, ligt het landschap troosteloos arm en verlaten voor ons.
-Hier verkwijnen alle planten der steppe, en kleine, armoedige
-loogkruiden, ineengeschrompelde heideplantjes gelijk, treden in
-derzelver plaats, om hier en ginds eenig struikgewas te vormen.
-
-Daartusschen ligt het zout in dikkere of dunnere lagen op den bodem; de
-vroeger met water gevuld geweest zijnde poelen tusschen de kuifvormige
-hoogten van loogkruidboschjes gelijken op met ijs bedekte vijvertjes.
-
-Een zoutkorst bedekt het gansche land en bewaart het onderliggende
-slijk voor uitdrogen; het hecht zich zoo vast aan den bodem, dat het
-zich hiervan moeilijk laat scheiden.
-
-Zoo komt het dat voetgangers, en eveneens de over de steppe dravende
-paarden, bij elke schrede groote klompen slijk en zand uit den grond
-lichten, evenals ware de grond bedekt met eene laag losse, vochtige
-sneeuw; wagens laten een diep spoor in deze taaie massa achter, en het
-wentelende wiel teekent soms zijn weg in het zout af evenals bij
-strenge koude in de sneeuw. Zulke plaatsen zijn ongetwijfeld ontzettend
-eenzaam, woest en treurig,—alle andere plekken zijn zulks niet.
-
-De flora der steppe is gewoonlijk veel rijker aan soorten, dan men
-gemeenlijk denkt, en veel rijker dan ik als leek op dit gebied vermag
-te zeggen. Op den zwarten grond verdringen het Tschi- en Thyrsagras, in
-vereeniging met spiraea’s, plaatselijk bijna alle andere planten; in de
-door deze opengelaten plaatsen ontkiemen echter, even goed als op
-mageren grond, een aantal sierlijke bloemen, terwijl overal waar de
-steppe eene komvormige verdieping vormt, de plantenwereld allengs in
-een moerasflora overgaat; zeggegras en riet voeren dan den boventoon en
-geven, evenals straks genoemde grassen, nu op hun beurt aan weder vele
-andere planten genoeg ruimte om tot ontwikkeling te komen. Maar de
-bloeitijd duurt in de steppe kort, de tijd van verwelken en sterven
-lang.
-
-Misschien zegt men niet te veel, als men beweert, dat het verschil in
-jaargetijden nergens ter wereld zich scherper doet gevoelen dan in de
-steppe, alwaar een bonte bloemenpracht, de dorheid der woestijn, de
-lieflijkheid van den herfst en de barheid des winters met elkander
-afwisselen, waarin de verdelgende krachten even sterk optreden als de
-scheppende, de gloed der zon even vernietigend werkt als de koude,
-waarin het door de hitte gedoode en door hevige stormen weggemaaide
-leven weder juichend ontwaakt onder de eerste stralen der lente, waarin
-niet eens het verterende vuur in staat is dat leven geheel te
-vernietigen, voor zoover het nog gespaard bleef door zonnehitte en
-stormen. Met meer kracht moge de lente optreden in de
-keerkringsgewesten, maar meer betooverend dan in de steppe kan zij
-nergens werken, want hier weêrstaat zij zelfs den zomer, den herfst en
-den winter.
-
-Nog groent de steppe, wanneer de zomer er zijn intocht houdt; haar
-volle pracht is echter voorbij. Weinige planten erlangen thans eerst
-hare ontwikkeling; en ook deze verwelken reeds in de eerste dagen van
-de verzengende hitte, en het bonte lentekleed gaat over in grijs en
-geel. Het malsche, groene Thyrsagras biedt nog steeds weêrstand aan de
-droogte, maar zijn losse, lange, dicht behaarde aren hebben reeds den
-vollen wasdom bereikt; zij golven in den ademtocht van het zachtste
-windje en werpen een zilveren sluier over het lagere groen. Nog slechts
-enkele dagen, èn gras èn aren zijn even verdord als het nu reeds geel
-geworden Tschigras, dat er in het voorjaar uitziet als opschietend
-graan, maar zich nu als rijp voor de zeis aankondigt. De breede bladen
-van de rhabarber liggen verdord ter aarde; de spiraea is verwelkt, de
-Garakanstruik ontbladerd, de kamperfoelie heeft evenals de dwergamandel
-eene herfstkleur aangenomen; de distels prijken in den tooi hunner
-vruchten, en alleen de absinth en bijvoet hebben het grijsachtig groen
-harer bladen nog niet verloren. Rein en helder schijnt de zon op het
-dorstige land; slechts zeer zelden schuiven de schilderachtige
-schapenwolkjes aan den hemel dicht te zamen, en mochten zij zich
-somtijds tot een onweêrsbui samenpakken, dan is de regen, dien zij
-uitzenden, nauwelijks toereikend om het stof neêr te slaan, dat bij
-iederen windstoot opdwarrelt. De dieren hebben hun zomerverblijf nog
-niet verlaten; het gezang der vogels is echter reeds verstomd. Slechts
-het kruipend gedierte,—ontelbare hagedissen en slangen, meest
-adders,—gevoelt zich behagelijk, terwijl de sprinkhanen in ontelbare
-scharen, die de lucht verduisteren, door de steppe rondzwermen.
-
-Nog voor de zomer ten einde is, heeft de steppe het herfstkleed
-aangetrokken; haar tooi bestaat nu uit een grijsachtig geel in
-verschillende schakeeringen, zonder veel afwisseling of sierlijkheid.
-Alle teedere planten worden door den eersten storm ter aarde geveld; de
-volgende windvlaag doet haar door de steppe dwarrelen. Met de takken en
-twijgen dooreengewoeld, vormen zij hoopen en boschjes, die, door den
-razenden wind gedragen, half omhuld door het over den grond stuivende
-zand, op spookachtige wijze, huppelende en rollende wegsnellen. Daar
-boven aan den hemel vangen de donkere, of van sneeuw zwangere wolken
-een wedstrijd met haar aan. De zomervogels van het vasteland zijn reeds
-sedert geruimen tijd zuidwaarts getrokken; de watervogels verzamelen
-zich in groote scharen op de meren en maken zich tot den aftocht
-gereed; die zoogdieren, welke mede verhuizen, dwalen in groote troepen
-van de eene plek naar de andere om voedsel te zoeken; de winterslapers
-stoppen de toegangen tot hunne holen dicht en de reptielen en insecten
-betrekken hun winterkwartieren.
-
-Een enkele nachtvorst is voldoende om alle wateren met eene ijskorst te
-bedekken; ettelijke koude dagen slaan meren en poelen in de
-winterboeien, en alleen de rivieren en beken, die langer weêrstand
-bieden aan den vorst, verleenen voor een korten tijd nog een geschikt
-verblijf aan die trekvogels, welke tot nog toe de afreize hebben
-uitgesteld. Zwakke noordwestenwinden drijven donkere wolken over het
-land en de sneeuw valt in kleine vlokjes ritselend neder. De gebergten
-hebben zich den sneeuwmantel bereids over de schouders geworpen; ook de
-laagsteppe trekt nu haar winterkleed aan. Guur weder duchtend, verlaat
-de wolf de rietlanden en spiraeaboschjes, die hem tot dusverre tot
-veilige schuilplaats verstrekten, en begeerig sluipt hij om de dorpen
-en winterlegers der trekkende herders, die nu de meest beschutte en nog
-niet afgeweide deelen der laagsteppe opzoeken, om hunne kudden zoo goed
-mogelijk tegen de nooden en ellenden des winters te beschermen. Evenals
-de daar gevestigde Kozak of boer, zint ook de herder op middelen om den
-hongerigen wolf buiten te houden, of hij rijdt de steppe in en vervolgt
-het verraderlijk spoor des roovers tot diens leger en drijft hem op. Op
-zijn paard gezeten, dat hij door luid geschreeuw tot sneller spoed
-aanspoort, een stevigen boomstam als knods in de rechterhand zwaaiende,
-rent hij den laffen worger zijner kudde na. De omhoog stuivende sneeuw
-omhult wolf, ros en ruiter, de snijdende vorst kleurt het aangezicht
-van dezen bloedrood, maar wat nood!
-
-Na een jacht van een enkel uur, van ten hoogste twee uren kan de wolf,
-die van twintig tot dertig kilometer heeft afgelegd, niet verder
-loopen; hij keert zich om en stelt zich in tegenweer. De tong hangt het
-ondier uit den muil, de met ijs omkorste uiteinden van de haren, zijner
-dampende huid rijzen te berge, de rollende oogen drukken doodsangst
-uit. Een enkel oogenblik draalt het edele ros, dan stormt het, gedreven
-door het geroep en de knods zijns berijders voor ’t laatst op den
-gehaten vijand los. Hoog zwaait de jager zijn verpletterend wapen,
-suizend stort het neer, en trillende en rochelende ligt de gevelde wolf
-ter aarde. Door den honger gedreven, gelijk deze, verwisselen tegen
-denzelfden tijd wilde paarden en antilopen van woonplaats om het
-bedreigde leven te redden; zelfs het wilde schaap, dat aan het gebergte
-is gebonden, zwerft van den eenen bergkant naar den anderen; slechts de
-hazen en de huisvaste steppenhoenders verlaten hun woonplaats niet, de
-eersten zich met grashalmen en boombast, de laatsten met zoden en
-knoppen zoo goed mogelijk voedende. Dagen achtereen duurt de sneeuwbui;
-eindelijk gaat de wind liggen, maar donker als te voren blijft de
-lucht. De wind draait en waait scherper en steeds scherper uit het
-oosten, zuidoosten, zuiden of zuidwesten. Een lichte wolk, gevormd door
-opwaaiende sneeuw, rolt over het witte dek; de wind groeit aan tot een
-orkaan; de wolk stijgt omhoog, en woedend raast de „boeran” of
-sneeuwstorm over de steppe; zelfs de meest tegen het weder geharde man
-verliest zijn denkvermogen en wordt schier zinneloos; zoodanig is de
-uitwerking van dezen gevaarlijken wind, dien men vreest als den taifoen
-en den vergiftigen sammoem.
-
-Twee, drie dagen achtereen woedt hij onverpoosd door, mensch en dier
-bijeen dringende naar dezelfde plek. Hij, die in de onafzienbare steppe
-door zulk een storm overvallen wordt, is reddeloos verloren, indien
-niet een bijzonder toeval hem uitkomst schenkt; wie zich, tijdens het
-woeden van den „boeran”, buitenshuis waagt, kan zelfs in het dorp, of
-in de steppenstad omkomen, gelijk de ervaring dikwijls leert. Eerst
-tegen het einde van Februari zijn menschen en dieren vrij wel buiten
-gevaar, en kunnen zij weder vrij ademhalen, al drukt ook nu nog de
-winter zwaar op de steppe.
-
-De zon rijst; haar stralen koesteren weder de zuidelijke berghellingen;
-donkere plekken, die elken dag in grootte toenemen, al worden zij ook
-tijdelijk weder bedekt met versch gevallen sneeuw, komen overal te
-voorschijn; het eerste lentewindje begint te waaien. Maar niet dan
-schoorvoetend houdt het voorjaar zijn intocht in het land, dat nog
-steeds door den winter in boeien blijft geslagen. Eerst dan, als de
-levenwekkende zon zwoele zuidenwinden in haar gevolg medevoert, op zijn
-vroegst in het begin, meest echter eerst tegen het midden der maand
-April, smelt de sneeuw schielijk op de benedengedeelten der
-berghellingen en in de diepe, met zwarte aarde gevulde dalen; slechts
-in de kloven en steile insnijdingen, achter de steil afvallende heuvels
-en in het struikgewas blijft de sneeuw nog eene maand lang hangen.
-
-Op alle andere plaatsen ontkiemt snel een jeugdig leven. Gretig zwelgt
-de aarde het vocht in, haar door de smeltende sneeuw geschonken, en de
-twee, nu voorgoed vereenigde toovenaars, de zon en het water, openbaren
-hunne alles overweldigende kracht. Nog vóórdat de straks vermelde
-sneeuwhoopen, nog vóór de snel wegdooiende ijsschollen op de meren zijn
-gesmolten, zenden alle bolgewassen, alle planten in ’t algemeen, die
-den winter overleefden, bladeren en bloemstengels naar de zon omhoog.
-Tusschen de gele grashalmen en de dorre stengels van alle niet door de
-herfststormen geknakte kruiden schittert het eerste groen. Nu steken
-kolonisten en zwervende herders het dichte struikgewas aan, en het
-vratige vuur vernietigt, wat de herfststorm nog spaarde. Zoodra
-hierdoor de grond plaatselijk is gereinigd, ontluikt het plantenleven
-met nog grooter kracht. Blad- en knolgewassen ontspruiten aan de
-schijnbaar dorre aarde; de knoppen botten uit, bloemen ontluiken en de
-steppe prijkt in weêrgaloozen tooi. Mijlen ver in ’t rond schitteren
-gele, donkerroode, witte, wit en rood gestreepte tulpen den wandelaar
-in de oogen. Hoogstens twee of drie bijeen, stijgen zij omhoog, maar
-zij staan over de geheele steppe verspreid en bloeien op hetzelfde
-oogenblik in zoo grooten getale, dat zij overal het oog treffen, naar
-welken kant dit zich richten moge. Spoedig daarop ontwikkelen zich ook
-de lelies, en nieuwe, nog bekoorlijker kleuren schitteren ons tegen,
-vooral waar deze beminnelijke kinderen der steppe maar de voorwaarden
-vervuld vinden voor hun leven, aan de hellingen en in de diepe dalen;
-langs den oever der rivieren en in de moerassen. Gezelliger en meer
-verscheidenheid aanbiedende dan de tulpen, treden zij in veel grooter
-aantal op dan deze; zij nemen geheele streken in beslag en staan zoo
-dicht opeen, dat men ze kan vergelijken bij de koornbloemen op de
-roggeakkers, of bij een in bloei staand veld met koolzaad. Gewoonlijk
-vindt men planten van dezelfde soort bijeen, doch ook komt het voor,
-dat blauwe en gele leliën in bonte schakeeringen door elkander groeien,
-en deze twee complémentaire kleuren hebben dan eene uitwerking, die
-inderdaad betooverend is.
-
-Versieren thans, onmiddellijk na den winter, deze eerste kinderen der
-lente de steppe, ook de hemel verleent hun geen geringen tooi. Geheel
-vrij van wolken is de lucht in de lente wel bijna nimmer, meestal zelfs
-is zij bedekt met wolken van elken vorm, bij het fraaiste weder althans
-met laag- en schapenwolken, die meer of minder dicht opeengedrongen,
-zich over het geheele hemelgewelf verbreiden en langs den geheelen
-horizon op de aarde schijnen te rusten. Indien evenwel deze wolken
-zwaarder worden, als de hemel verduistert, en de zon slechts hier en
-daar een enkelen lichtbundel werpt op de door den eersten lenteadem
-verwarmde steppe, dan komen er tinten en kleuren te voorschijn, die men
-voor onmogelijk zou houden.
-
-Iedere dag evenwel voegt nieuwe kleuren tot de aanwezige toe. Meer en
-meer verdwijnt de geelachtige tint, die ook nog in het voorjaar door de
-herfsthalmen over de steppe wordt gespreid, en steeds frisscher en
-levendiger komt de eigenlijke lentedos van het reeds zoo schoon
-getooide landschap te voorschijn. Binnen weinige weken is de steppe als
-een bont tapijt, waarop alle schakeeringen stralen van ’t donkerste
-groen tot het tintelendst groenachtig geel; het sterk sprekend
-grijsachtig groen der artemisia’s verkrijgt thans door bijzonder in ’t
-oog loopende kruiden en dwergachtige boschjes donkere en lichte tinten.
-De dwergamandel, die alleen of in gezelschap van erwtgewassen en
-kamperfoelie groote deelen der steppenlaagten inneemt, staat thans,
-evenals de twee andere lage struiken, in vollen bloei, en de
-perzikroode met bloesems bedekte twijgen steken levendig af tegen het
-groen der grassen en kruiden, en tegen de bloesems van den Garak, zelfs
-tegen het teedere rozenrood en roodachtig wit van de kamperfoelie, dat
-op daarvoor geschikte plaatsen dikke boschjes vormt en in vollen bloei
-staand, alle overige kleuren in het rond tot den grond maakt, waarop
-hare blaadjes zich scherp afteekenen. Vele, mij als leek onbekende
-kruiden en planten roepen donkere schaduwen en helder verlichte
-partijen in ’t leven, en de even spoedig verwelkte als uitgebotte
-bladeren van andere gewassen zijn als zoovele geelachtig groene en
-goudgele punten en vlekjes op dat tapijt.
-
-Uit de verte gezien, smelten alle kleuren eenigszins ineen tot een
-gelijkmatig grauwachtig groen; van nabij echter treedt elke kleur
-afzonderlijk te voorschijn; zelfs is dit het geval met de vele bloemen,
-die zich thans geopend hebben, overal ten minste verspreid, op
-bijzonder gunstige plaatsen groepsgewijs bijeen staan en in de schaduw
-van het struikgewas tot volle pracht zijn gekomen.
-
-Behalve de oneindige verscheidenheid van bolgewassen treffen vooral
-heerlijke wikke-soorten, benevens oude bekenden van vreemdsoortig
-voorkomen uit onze bloementuinen het oog, en steeds grooter en grooter
-wordt de betoovering, zoodat men eindelijk, schier begoocheld door dit
-tooneel, waant in een eindeloozen, niet onderhouden bloementuin te
-wandelen.
-
-Met het plantenleven is ook het dierlijk leven ontwaakt. Nog voordat de
-laatste sporen van den winter geheel verdwenen zijn, komen de
-trekvogels weder in de steppe terug; en heeft de lente voorgoed en
-werkelijk haar intocht gedaan, dan ontsluiten ook de winterslapers
-hunne onderaardsche kwartieren, alwaar zij het booze jaargetijde in
-bewusteloozen, schijndooden toestand hebben doorgebracht; evenals de
-trekvogels nu zich vereenigen met de standvogels, zoo ook voegen zich
-deze zoogdieren bij die natuurgenooten hunner klasse, welke geen vrees
-voor den winter hebben gekoesterd, althans dien glansrijk het hoofd
-hebben geboden. Gelijktijdig vieren de insecten hun opstandingsfeest;
-zij verlaten hunne schuilhoeken of leggen de pophuid af; amphibieën en
-reptielen,—kikvorschen, hagedissen en slangen—verlaten almede hunne
-winterverblijven, om reeds van de eerste zonnestralen te genieten, ten
-einde de warmte deelachtig te worden, die hen voorgoed tot het volle
-leven kan doen terugkeeren. Droomend wachten zij op den zomer; voor hen
-alleen een tijd van ongestoord geluk.
-
-Het wordt levendig in de steppe. Nog niet veelsoortig, maar reeds in
-groot aantal en overal verbreid, treden de haar toebehoorende dieren
-op. Nergens is nu meer een plekje ledig. In zulke groote kudden, als de
-antilopen in de steppen van Centraal-Afrika, of de zebra’s en quagga’s
-in de Karoe van Zuid-Afrika, en de ontelbare buffels in de prairiën van
-Noord-Amerika ronddolen, trekken wel is waar de zoogdieren niet door
-onze steppen; en in zulke groote scharen als aan het zeestrand en op
-sommige eilanden, in Afrika’s steppen of in de oerwouden der
-keerkringslanden ziet men de vogels hier niet verschijnen; maar in
-sommige streken bepalen toch ook zij het landschapsbeeld en schenken
-zij hieraan een geheel eigenaardig karakter. Ook de steppe bezit of
-herbergt eene bijzondere dierenwereld.
-
-De voornaamste verzamelplaatsen van het dierlijk leven zijn al weder de
-wateren, zooals de groote meren en de kleine vijverachtige
-waterbekkens, alsmede de rivieren en beken. Eerder nog dan aan de
-tijdelijk of bestendig onder water staande rietlanden, die de oevers
-der meren omzoomen, herkent men deze aan de honderden en duizenden van
-moeras- en zwemvogels, ook al ziet men in de verte nog geen water. In
-veelvuldig afwisselende vlucht zweven en glijden de vischmeeuwen,
-stormmeeuwen en lachmeeuwen over den waterspiegel; sneller en
-ongestadiger dan deze vliegen de zeezwaluwen over de rietvelden en
-meren, en hoog in de lucht beschrijven de schreeuwarenden hun sierlijke
-kringen; eenden, ganzen en zwanen vliegen van het eene meer naar het
-andere; rietwouwen schommelen over het riet en zelfs zeearenden en
-pelikanen laten zich bij tijd en wijle zien. Een goed denkbeeld van de
-soorten en het aantal, het leven en bedrijf van al deze watervogels
-krijgt men eerst, wanneer men aan den oever staat of in de rietbosschen
-dringt. Zooals men denken kan is de zoutsteppe arm aan dierlijk leven.
-In snelle vlucht trekken de watervogels over den onherbergzamen, met
-zout bezwangerden oeverzoom en vliegen van den eenen poel naar den
-anderen; alleen de lach- en vischmeeuwen rusten gaarne een enkele maal
-bij de nog niet uitgedroogde, vlakke, met zout water gevulde bekkens
-uit; en eenig en alleen de kasarka vischt in het water zelf,
-gemeenschappelijk met de sierlijke kluit, die juist deze plekken bij
-voorkeur opzoekt, om bij paren of in troepen vereenigd, vlijtig het
-zilte water te doorzoeken, den kleinen kop met den fijnen, gekromden,
-naar boven gekeerden snavel heen en weêr schuddende. Andere vogels heb
-ik hier nimmer veel gezien, een enkele gele kwikstaart, een gewone
-kwikstaart, een kievit en een plevier uitgezonderd; alle anderen
-vermijden dit ongastvrije oord, en zulks te meer, naardien er in de
-onmiddellijke nabijheid veel beter en rijker vischwateren te vinden
-zijn. Overvloedig voedsel zelfs is in de naaste omgeving der meren te
-vinden. Daarom verzamelen zich hier niet alleen om en op den
-waterspiegel duizenden moeras- en zwemvogels, maar daarenboven alle
-kleine zangvogels, wien de droge steppe het noodige levensonderhoud
-niet vermag te geven; en zoo vinden niet alleen de vischdieven, maar
-ook vele andere soorten van roovers hier hun dagelijksch brood. Met de
-strandmeren van Noord-Afrika, alwaar in den winter de gevederde
-bewoners van drie werelddeelen tot een reusachtig rendez-vous
-bijeenkomen, met de stilstaande wateren der keerkringslanden, in en om
-welke te allen tijde honderdduizenden van vogels zich verzamelen, zelfs
-met de moerassige laagvlakten van den Donau, alwaar elken zomer
-eindelooze scharen van de kinderen der lucht zich vereenigen, laten de
-steppenmeren zich wel is waar volstrekt niet vergelijken; in verhouding
-tot hun aantal ginds is het getal gevederde kolonisten hier zelfs
-gering te noemen, maar niettemin is en blijft het op zichzelf nog zeer
-aanzienlijk, en de meren der steppen ontleenen ontegenzeggelijk almede
-hunne eigenaardigheid hieraan, dat zij de verblijfplaatsen zijn van
-vogels.
-
-Alles leeft hier in het riet; de wolf zoowel als het wilde zwijn, de
-arend zoowel als de wilde zwaan, de raaf zoowel als de wilde eend,
-krakeend en wintertaling, de lijster zoowel als de grasmusch, de
-baardmees zoowel als de musch, de rietgors zoowel als de ortolaan, de
-fitis en tjiftjaf zoowel als het blauwborstje, de torenvalk en
-roodvoetvalk zoowel als de kraanvogel en de kievit, de klauwier zoowel
-als het bokje, de spreeuw zoowel als de gewone en gele kwikstaart, de
-kwartel zoowel als de ijsvogel, de zilverreiger en de lepelaar zoowel
-als de schollevaar en de pelikaan. De dichte rietbosschen zijn de ware
-en eigenlijke verblijf- en schuilplaatsen voor deze dierenwereld; zij
-treden in de plaats van het woud, zij beveiligen en verbergen en
-strekken tot toevluchtsoord voor de liefde en het familiegeluk; zij
-zijn de getuigen van de luidruchtigste vreugde en de teederste zorgen,
-de broedplaatsen der jongen en tevens de oorden, waar deze worden
-grootgebracht.
-
-Van de hier huizende zoogdieren neemt men slechts de sporen waar,
-tenzij men tot maatregelen van geweld zijn toevlucht neemt en met
-behulp van honden de rietbosschen doorsnuffelt; de licht bewegelijke
-vogelwereld daarentegen ontgaat hier het geoefend oog des onderzoekers
-nergens.
-
-Wanneer men uit de droge steppe komt en een dezer meren nadert,
-verdwijnen ten laatste ook de overal voorkomende leeuweriken, terwijl
-de een of andere plevier zijn opwachting maakt, ‘tzij dat hij door zijn
-klankrijk geroep de opmerkzaamheid wekt, ‘tzij dat hij zich persoonlijk
-laat zien; met de haast, aan alle soorten van zijn geslacht eigen,
-loopt hij hortend en stootend over den grond voort, hier en daar een
-beestje oppikkende, dan een oogenblik stilhoudende, om dadelijk daarop
-met gelijke haast weer voort te snellen. Nog voor men bij het riet is
-aangeland, wordt de lach- of kokmeeuw, misschien ook wel de kleine
-zeemeeuw, in een gunstig geval tevens een mantelmeeuw of een
-burgemeester zichtbaar; de eerste vliegt zelfs zeer ver de steppe in,
-voegt zich bij grazende kudden en verleent aan deze geen geringen tooi,
-wanneer dichte drommen dier meeuwen de kudden omzweven en de afgeslagen
-en afgeschudde insecten opvangen, of wanneer zij achter de kudde
-loopen, als waren zij duiven, die op het veld voedsel zoeken. Dan
-bemerkt men ook wel eens een wilde gans, het mannetje van een op het
-nest broedend wijfje, dat zijn gade voor enkele oogenblikken verliet,
-ten einde op grasrijke plaatsen in de nabijheid van het riet te weiden,
-zoolang zulks althans nog mogelijk is, en ouderplichten, waarvan ook de
-woerden hun aandeel op zich nemen, het niet noodzaken zich schuil te
-houden in de onmiddellijke omgeving des meers, op plaatsen, die
-daarvoor de meest geschikte gelegenheid aanbieden, en werwaarts de
-voorzichtige ouders hunne grijsachtig groen-gele kiekens aanvankelijk
-voeren. Op alle ondiepe, met water bedekte plaatsen langs den oever
-gaat het levendiger toe. Aan de randen van zulke plassen en vijvers
-ziet men op daarvoor geschikte strijdplaatsen kleine strandvogels, de
-kemphanen, prijkende in hun riddertooi, elkander bevechten; zij rennen
-met gebogen kop op elkander los, richten den snavel als een
-vooruitgestoken lans op den wijd uitgespreiden tot schild dienenden
-halskraag der nimmer ontbrekende tegenpartij, nemen eene uitdagende,
-maar onbeschrijfelijk fiere en schoone houding aan, zien elkander nog
-eens scherp in de oogen en stormen op elkander los, van weêrszijden op
-hetzelfde oogenblik stootende en den stoot met het veêrkrachtige
-borstschild opvangende. Niemand bekomt eenig leed, niemand wordt door
-dezen tweekamp ook maar eenigszins verhinderd in andere veel minder
-edele bezigheden; want aan dezen kemphaan ontging in de hitte van den
-strijd de vlieg niet, die zich juist op een grashalm neêrzette, en aan
-dien anderen den zwemkever niet, die op den waterspiegel van een klein
-plasje ronddartelde: fluks loopen beiden naar de juiste plek om den
-buit te snappen en zich daarmede te versterken, ten einde voor een
-nieuw gevecht gereed te zijn. Inmiddels verschijnen er nieuwe strijders
-op de kampplaats en nimmer schijnt het gevecht een einde te nemen. Daar
-komt een rietwouw schommelend nader; ijlings verlaten onze helden de
-strijdplaats, verheffen zich in dichte drommen in de lucht en vliegen
-naar elders, naar een anderen plas, om hier hetzelfde spel van voren
-aan te beginnen. De gevreesde wouw schrikt alle andere vogels in het
-moeras op. Onder een vervaarlijk geruisch vliegen de zwakkere eenden
-op, en, echter meer door dat geraas dan wel door den roofvogel
-vervaard, volgen een oogenblik later de meer krachtige familieleden;
-zij stormen onder fluitende vleugelslagen omhoog, vliegen eenige malen
-om den waterplas heen en vallen er bij troepjes weder op neer; met een
-trillend geschreeuw stijgt ook de tureluur en met een toonloos, maar
-ver hoorbaar geschrei ook de watersnip—de roover streek ook zoo dicht
-over hen heen—naar boven; beiden evenwel vergeten het gevaar, zoodra
-zij de veilige hoogte hebben bereikt en schijnen nu om niets anders
-meer te denken dan om den gulden lentetijd en de zalige liefde, die hun
-borst in vuur zet. Want de tureluur daalt plotseling tot op den
-waterspiegel neder, fladdert en zweeft met afhangende vleugels naar
-voren en naar beneden, verheft zich onder aanhoudend geroep opnieuw om
-wederom te dalen, totdat de loktoon der reeds weer zittende gade hem
-uitnoodigt met het haar geldende liefdespel op te houden en zich tot
-haar te spoeden. De watersnip volgde het voorbeeld der anderen; na in
-eene zigzaglijn tot dubbele torenhoogte omhoog te zijn gestegen, laat
-zij zich bliksemsnel vallen, terwijl zij den staart waaiervormig
-uitspreidt, en de buigzame, smalle en spitse buitenste stuurpennen aan
-de weêrstandbiedende lucht prijsgeeft, waardoor het blatende geluid
-ontstaat, dat haar den naam van hemelgeit deed verwerven. Alleen een
-paartje van de langpootige steltkluit, dat in schijnbaar voorname
-afzondering ver van het strandgewoel zijn eigen zaakjes verricht, liet
-zich door den wouw geen vrees aanjagen; misschien zag het wel hoe de
-moedige kokmeeuwen ijlings toevlogen om den onruststoker te verdrijven,
-ja hoe zelfs een grauwe kuikendief en een steppenwouw zich samen
-opmaakten, om den hun zoo nauw verwanten, maar bitter gehaten
-roofkameraad te bevechten. En deze,—zonder te dralen, kiest hij de
-vlucht; onmiddellijk daarop fluit en trilt en schatert het weêr als te
-voren op de wateren; want nieuwe gasten zijn op het tooneel verschenen,
-aangelokt door de nieuwsgierigheid, die allen vogels eigen is—maar niet
-minder door den welbereiden disch, dien deze poelen hun aanbieden.
-
-Bereikt men eindelijk het riet, dan valt ons ook het kleine gevleugelde
-goedje in de oogen, en zelfs nog eerder dan het groote, dat zich in den
-regel meer zorgvuldig verbergt. De kraanvogel, die op de
-ontoegankelijkste plaatsen broedt, de groote zilverreiger, die aan den
-binnenkant van het rietbosch staat te visschen, de lepelaar, die op de
-meer open plaatsen tusschen het riet zijn voedsel zoekt; deze allen
-verschuilen zich zeer zorgvuldig, terwijl ook de roerdomp, die de
-dichtst begroeide plaatsen opzoekt, zijn aanwezen slechts door een dof
-geluid verraadt.
-
-De kleine wereld, waarover ik sprak, stelt zich daarentegen, zonder
-eenige bezorgdheid te laten blijken, bloot aan ieders blik, en zingt en
-jubelt op hoogen toon. Vertrouwelijk loopen de gele kwikstaarten op de
-met gras begroeide plaatsen rond, die het riet aan den buitenkant
-begrenzen; onbevreesd klautert het sierlijke baardmeesje bij de
-rietstengels op en neêr, op welker toppen hier een keelvogeltje, ginds
-een klauwier troont; luide weêrklinkt het vroolijke, ofschoon weinig
-klankrijke lied der rietzangers ons van alle zijden in het oor, en met
-welbehagen luisteren wij naar den slag van den merel, naar het
-liefelijk gekweel van blauwborstje, fitis en spotvogel, en naar het
-geroep van den koekoek. Op de vrije watervlakte zwemmen echter
-ongetwijfeld een paar koeten, mannetje en wijfje, met hun kroost, en,
-wanneer de poel dieper is, tusschen een aantal eenden ook wel een
-geoorde fuut. En wanneer de avond is gevallen, komen hier bovendien nog
-roodvoetvalken, kleine torenvalken, spreeuwen en rozé-spreeuwen, om in
-het riet te overnachten, en nu komt er aan het geschreeuw, het gepiep
-en gekweel geen eind. Zelfs de schreeuwarend, raaf en bonte kraai
-verschijnen hier als logeergasten, terwijl de schollevaar en pelikaan
-althans aan den binnenkant van de vermoeienissen der vischvangst
-uitrusten.
-
-Over en boven het watervlak eindelijk vliegen en zweven de meeuwen,
-staan de zeezwaluwen, jagen de zee- en vischarenden, en op plaatsen,
-waar de diepte van het meer niet al te groot is, visschen om strijd
-pelikanen en zwanen, in gezelschap van vraatzuchtige schollevaars en
-futen.
-
-Weinig minder rijk dan de wateren zijn ook de met boomen en kreupelhout
-omzoomde rivierdalen. De boomen torsen de nesten van grootere en
-kleinere roofvogels, dienen dezen tevens tot rustplaats; van de toppen
-schalt het heerlijk gezang van den wielewaal, de slag van den lijster,
-het lachen der specht, het kirren der ringduif en kleine boschduif; uit
-het dichte onderhout klinkt het verrukkelijk lied van den poolschen
-nachtegaal zoo rein, zoo vol, dat zelfs het verwende oor des kenners
-zich vermeit in deze zeldzaam schoone klanken.
-
-Evenals op de meren ginds drijven ook hier op het watervlak de meest
-verschillende watervogels, terwijl wij in het riet en het kreupelhout
-van den oever hetzelfde bonte gezelschap ontwaren van straks in de
-rietvelden; het molenaartje kleppert, gewone grasmusschen en
-sperwer-grasmusschen laten hunne welbekende liederen weêrklinken.
-
-Wandelt men door de waterlooze gedeelten der steppe, dan vertoonen zich
-weder andere dieren aan ons oog. Ook hier zijn het nogmaals de vogels,
-die men het eerst waarneemt en waarnemen moet. Minstens zes, zoo niet
-acht soorten van leeuweriken bewonen de steppe en zetten aan het
-eenzaamste plekje nog levendigheid bij. Onafgebroken klinkt hier den
-reiziger hun gezang in de ooren; van den grond en van de toppen der
-lage struiken ruischt het ons tegen; hoog uit de lucht stroomen, zoowel
-des avonds als des morgens, de rijkste melodieën. Het is slechts één
-lied, dat men zich verbeeldt te hooren; want de veelstemmige
-kalanderleeuwerik neemt evengoed wat over van onzen akkerleeuwerik als
-van den Siberischen leeuwerik, en smelt zijn eigen strofen samen met
-die der anderen; hij minacht zelfs enkele tonen van den zwarten
-kalander, den rooden en kortteenigen leeuwerik niet, alle liederen in
-het zijne vereenigende zonder daarom het gezang der anderen geheel te
-overstemmen, hoe luid hij ook zijn eigen en geleende melodieën moge
-voordragen. Wanneer wij op een schoonen voorjaarsdag op onze
-vaderlandsche velden in verrukking naar het gezang van den
-akkerleeuwerik luisteren, wanneer wij zien, hoe onophoudelijk de eene
-lieve zanger na den anderen omhoog steigert, om in bezielde en
-bezielingwekkende tonen de komst der lente aan te kondigen, dan kunnen
-wij ons moeilijk voorstellen, dat zulks onbeteekenend is in
-vergelijking van hetgeen de steppe te zien en te hooren geeft, en toch,
-zoo is het in waarheid. Want de steppe is de eigenlijke woonplaats des
-leeuweriks; het eene paartje leeft naast het andere, de eene soort
-tusschen en te midden van andere soorten en de uitgestrekte steppe
-schijnt nauwelijks ruimte genoeg voor allen te bevatten. Toch zijn de
-leeuweriken niet de eenige bewoners dezer plaatsen. Betrekkelijk even
-talrijk zijn ook hun grootste vijanden, de wouwen, die ’t vooral gemunt
-hebben op het liefste, wat de leeuwerik bezit, zijn kinderen. In welk
-gedeelte der steppe men ook moge komen, men kan er zeker van zijn, dat
-men een dezer roofvogels ontmoet; in het noorden de grauwe kuikendief,
-in ’t zuiden de steppenwouw, terwijl zij zwevende en zwenkende, dicht
-langs den grond strijkende, de steppe doorsnellen; niet zelden ziet men
-op de ruime vlakte troepen van vier tot acht stuks te gelijk jagen. Nog
-vaker dan deze, ofschoon niet zoo algemeen verbreid, laten zich twee
-andere steppenkinderen zien, de Italiaansche torenvalk en roodpootvalk,
-twee soorten, die in doen en laten weinig verschil aanbieden, in
-schoonheid, sierlijkheid van gedaante en aantrekkelijkheid van beweging
-met elkander wedijveren. Overal, waar slechts een rustplaats voor deze
-bekoorlijke wezens te vinden is, waar een telegraafdraad over de steppe
-gespannen is, een rotsachtig heuveltje zich boven de vlakte verheft,
-een Kirgiezengraf daarboven uitsteekt, zoekt men ze niet tevergeefs.
-Even verdraagzaam als gezellig, vrij van jaloerschheid,
-niettegenstaande zij denzelfden buit najagen, maken zij vlijtig jacht
-op allerlei insecten, op den vraatzuchtigen treksprinkhaan en op kleine
-kevers; zij zetten zich om uit te rusten en ter betere vertering van
-hun voedsel, zorgvuldig daarbij rondziende, op hunne wachtposten neêr,
-vliegen op, zoodra zij buit bespeuren, spoeden zich derwaarts, en staan
-met trillende vleugels, wier beweging echter nauwelijks waargenomen
-wordt, in de lucht, om van hier uit hunne prooi gemakkelijker gade te
-slaan. Als een steen laten zij zich nu naar beneden vallen, grijpen het
-insect, verslinden het in de vlucht, stijgen weder omhoog en beginnen
-opnieuw hetzelfde spel. Niet zelden ziet men tien tot twaalf dezer
-vogels boven dezelfde plek jagen; onwillekeurig trekken zij de
-opmerkzaamheid, zooveel afwisseling biedt hun bedrijf. Elken dag kan
-men ze ontmoeten, uren lang naar hen kijken, en telkens opnieuw wordt
-men door dit jachtspel geboeid. Zij behooren in het steppenbeeld
-evenals het zoutmeer, evenals de tulp en de lelie, evenals het
-kreupelhout en het tschigras en als de witte schaapjeswolken aan het
-hemelgewelf. Niet te vergeten is nog de rozé-spreeuw, eene weinig
-minder belangrijke verschijning, de kleurenrijke plaatsvervanger van
-onzen lieven huis- en tuinvriend, de ijverige verdelger van de
-vraatzieke sprinkhanen, de trouwste vriend der weidende kudde, de
-hooggeschatte helper van den mensch, wiens veldvruchten hij beschermt;
-daarom is hij ook in de oogen der steppenbewoners bijna een heilige
-vogel. Belangrijk is bovendien het vuist- of steppenhoen, een
-verbindingslid tusschen hoen en duif, welks geslacht zoo geheel thuis
-behoort in de steppe, alsmede de groote trap met zijn aanminnige
-familieleden, de kraag- en dwergtrap, welke laatste reeds daarom de
-aandacht waard is, wijl hij voor eenige jaren in Duitschland, en wel in
-Thüringen is aangekomen, alwaar hij evenals in de steppe niet weinig
-bijdraagt tot versiering van het landschap, wanneer hij in golvende
-vlucht zijn volle schoonheid ontplooit. En nog andere, fraai, ja
-prachtig gekleurde vogels kunnen wij onder de bewoners der steppe
-opnoemen, zooals de aanvallige bijeneter en de Duitsche papegaai, die
-in vereeniging met valken en duiven de steil afvallende oeverbanken
-bewonen; de karmijnkleurige goudvink en de geelgors, die in het
-tschigras en kreupelhout zich ophouden, en vele meer. Zelfs de zwaluwen
-ontbreken niet in een gebied, alwaar de menschelijke woningen zoo
-zeldzaam zijn. Dat de oeverzwaluw ook hier aan alle steile meeroevers
-hare nestholen graaft, schijnt den zaakkundige niet vreemd, maar dat de
-huiszwaluwen nog heden ten dage van in ’t wild levende tot halfgetemde
-vogels worden, dat zij nog tegenwoordig hunne nesten aan de rotsen
-vasthechten, om de rotsen te verlaten zoodra er een grafteeken voor een
-of anderen Kirgies wordt opgericht, en daarin overgaan, dat de
-huiszwaluw zelfs in de Joerte gastvrijheid zoekt en ook vindt, wanneer
-de Kirgies slechts weet zoolang op dezelfde plaats te zullen vertoeven,
-totdat de eieren in het aan den koppelring der Joerte gehechte nest
-uitgekomen en de jongen volwassen zijn,—ziet! dat verdient vermeld te
-worden.
-
-Op dezelfde plaatsen, welker vogelbevolking ik zooeven opnoemde, hebben
-zich nog andere dieren verzameld. Afgezien van de lastige muggen,
-vliegen, horzels en wespen of bijen, bemerkt men slechts weinige
-insectensoorten, ofschoon de genoemde zeer talrijk en over alle deelen
-van zulke streken verbreid zijn. Hetzelfde geldt van de reptielen, van
-welke wij in de door ons doorkruiste gedeelten der steppe eenige
-hagedissen en verschillende slangen aantroffen; zoo, wat de laatsten
-betreft, twee vergiftige soorten, n.l. de gewone adder en de
-halysadder. Deze twee slangen zijn wel is waar niet zoo talrijk als de
-hagedissen, maar toch vrij menigvuldig. Op onze tochten door de steppe
-zagen wij bijna elken dag dan den eenen dan den anderen Kirgies zijn
-mes uithalen en zich voorover op zijn paard buigen, om met welgetroffen
-slag den kop van een dezer giftslangen van den romp te scheiden. En
-toen wij in Slangenberg, een bergstadje in den Altaï, wilden
-onderzoeken of die plaats wel op eene rechte wijze aan haar naam was
-gekomen, keerden de door ons uitgezonden lieden na weinige uren met
-zulk een rijken buit terug, dat wij niet weinig door dit zakelijk
-antwoord verrast waren en de waarheid niet meer in twijfel konden
-trekken van de geschiedenis, aangaande den oorsprong van dien naam,
-welke hierop neêrkomt, dat men vóór de grondvesting der stad duizenden
-van giftslangen had verzameld, opgehoopt en verbrand. Kikvorschachtige
-dieren en kleine zoogdieren zijn veel zeldzamer dan reptielen; van de
-eersten bemerkten wij slechts ééne paddesoort, van de laatsten enkele
-muizen, een ziesel, twee blindmollen en de bevallige springmuis, die
-onder den naam van paardespringer bekend is.
-
-De ziesel en de springmuis zijn allerliefste verschijningen, en vooral
-de eerste verlevendigt de steppe dikwijls niet weinig, daar dit dier
-gezellig leeft en op daarvoor geschikte plaatsen, evenals vele andere
-marmotten in koloniën leeft. Hier ziet men namelijk des avonds de
-bewoners voor de schuins in den grond dalende pijp van hun hol zitten,
-of, bij de nadering van een wagen of eene ruiterschaar ijlings er naar
-toe vlieden, snel nog even zich nieuwsgierig op de achterpooten zetten,
-op het rechte oogenblik eensklaps in de veilige diepte verdwijnen, om
-evenwel weinige minuten later weder te voorschijn te komen,
-klaarblijkelijk met het doel om zich te overtuigen of het dreigend
-gevaar weder voorbij is. Het geheele gedrag van den ziesel geeft te
-kennen, dat hij aanhoudend geslingerd wordt door vrees en
-nieuwsgierigheid. Voor vrees bestaat er aanleiding genoeg, want is het
-niet de mensch dan zijn het wolven en vossen, koningsarenden en
-schreeuwarenden, die hem voortdurend op de hielen zitten, en men kan er
-zeker van zijn, daar vooral ziesels aan te treffen, waar men een
-koningsarend op een paal aan den weg of op de boomen in de dorpen ziet
-zitten. Niet zoo dikwijls ontwaart men de springmuis,—voorzeker het
-sierlijkste zoogdier der steppe—niet zoozeer omdat deze knaagdieren
-minder talrijk zijn, maar omdat zij, als nachtdieren, eerst na
-zonsondergang te voorschijn komen; om dezen tijd, en als de maan
-schijnt nog later, kan men zien, hoe deze bekoorlijke wezens hunne
-holen verlaten, zich uitrekken en met de korte voorpootjes tegen de
-borst gedrukt, op de lange kangeroe-achtige achterpooten als op stelten
-vooruithuppelen, terwijl zij onder het springen het slanke, recht
-opgerichte lichaam met behulp van den langen, aan twee kanten behaarden
-staart, in evenwicht houden.
-
-Rusteloos, maar niet te schielijk snelt de paardespringer voort, nu en
-dan een oogenblik ophoudende, om met zijne lange knevelharen rond te
-tasten en rond te snuffelen naar voor hem bruikbaar voedsel. Hier pikt
-hij een zaadkorrel op, ginds graaft hij een bolgewas uit; men zegt
-zelfs dat hij ook op dieren aast, vogelnesten plundert, eieren en
-nestjongen rooft, ja zelfs op kleine knaagdieren jaagt, en ik waag het
-niet hem van deze zonden vrij te spreken. Eene nauwkeurige waarneming
-evenwel van de levenswijze van dit dier is zeer moeilijk; want zijne
-zintuigen zijn scherp en zijne geestelijke talenten niet vele, zoodat
-vrees en schuwheid twee voorname karaktertrekken van de springmuis
-uitmaken. Zoodra het beestje in eene hem bedenkelijk schijnende
-nabijheid een mensch ziet naderen, slaat het in eens op de vlucht, en
-tevergeefs zou men pogen het daarbij te volgen, want zelfs geen ruiter
-te paard haalt den springer in. Met krachtige sprongen, de lange
-achterpooten zoover mogelijk uitstrekkende, zich van den in volle
-lengte uitgestrekten staart als van een balanceerstok bedienende,
-vliegt de springmuis heen. De eene sprong volgt op den andere, en voor
-men het weet is zij in het nachtelijk duister verdwenen.
-
-In het steppengebergte treden weer andere diersoorten op, inzonderheid
-wanneer het gebergte, in plaats van enkel zacht glooiende hellingen,
-steil in de diepte afvallende rotswanden, uit steengruis samengestelde
-hoogten, diep ingesneden, woeste kloven, en spitse, onbegroeide toppen
-en kammen bezit. In de nauwe, groene dalen, door welke een beekje
-vliet, weidt de vosgans, een ongemeen sierlijke, levendige vogel, ter
-groote eener goede eend, de gans van het Middel-Aziatische
-hooggebergte; in de rotsspleten nestelt de rotsduif, de stamsoort onzer
-tamme duiven; van de rotsblokken, waarop tapuiten, steengorzen en
-steengoudvinken huizen, dalen de weeke liederen van den steenlijster;
-de lustige alpenkraai omzweeft de toppen en boven deze trekt des daags
-de steenarend zijn kringen en glijdt des nachts stil en onhoorbaar de
-oehoe, beiden er op uit om een der talrijke steenpatrijzen of wel eene
-onvoorzichtige marmot te pakken. Meer nog evenwel verdient de aandacht
-de archar der Kirgiezen, een dier reusachtige wilde schapen, die
-Middel-Azië herbergt, hetzelfde dier, dat ik zoo gelukkig was in het
-gebergte van Arkat te vellen.
-
-Volgens de nauwkeurige berichten, die de Kirgiezen mij verstrekten,
-leeft dit trotsche dier niet alleen hier, maar ook op andere minder
-hooge gebergten der West-Siberische steppen; tot den bronsttijd leven
-zij in troepjes van vijf tot vijftien stuks, rammen en ooien, in van
-elkander gescheiden gezelschappen. Iedere afzonderlijke troep blijft op
-de eenmaal uitgekozen plek zoolang zij niet gestoord of verontrust
-wordt; gebeurt dit, dan verwisselt zij den eenen bergtop voor een
-anderen, nooit echter naar verre trekkende. Tegen zonsondergang klimt
-zulk een troep, aangevoerd door een mannetje, naar de hoogste toppen om
-aldaar op plaatsen, die voor andere dieren, of moeilijk, of in ’t
-geheel niet te bereiken zijn, te slapen; met het aanbreken van den dag
-begeeft zich oud en jong weder naar de dalen om hier te grazen en
-steeds aan dezelfde bron te drinken; in de middaguren legeren de
-archars zich in de schaduw der rotsen, op plaatsen, die een vrij
-uitzicht open laten, om daar te rusten en te herkauwen; tegen den avond
-trekken zij nogmaals uit om te grazen. Zoo brengen zij des zomers en ’s
-winters den dag door. Zij vreten alle planten, die ook het voedsel
-uitmaken van ons tamme schaap; zij zijn, als het moet, even zoo weinig
-eischend als dit laatste, lijden daarom ook in den winter geen groot
-gebrek, en zijn in het voorjaar weldra weder zoo goed op krachten, dat
-zij van nu aan tot den herfst slechts de lekkerste planten uitkiezen.
-Hun gewone gang is een snelle, zeer spoedig vooruitbrengende draf, dien
-zij alleen verhaasten wanneer zij opgeschrikt worden; worden zij door
-een ruiter nagezeten, dan veranderen zij den gewonen tred in een wijd
-gestrekten galop, en daar zij steeds de richting naar de rotsen
-inslaan, zijn zij spoedig buiten bereik.
-
-Op de vlakte zoowel als in het gebergte draven zij, op de vlucht,
-altijd in eene rij achter elkaar, dicht aaneengesloten, en deze
-rangschikking hernemen zij telkens zoo spoedig mogelijk, wanneer zij
-plotseling overvallen en uiteengejaagd zijn geworden. Tusschen de
-rotsen bewegen zij zich uiterst gemakkelijk, met veel behendigheid en
-zekerheid, onverschillig of zij klimmen of dalen. Zonder zich ’t
-geringste in te spannen, zonder veel haast zelfs te maken, klauteren
-zij langs de steilste paden op en neêr, springen over diepe en wijde
-kloven, en van de hoogte naar de laagte, als waren zij vogels, die
-vliegen kunnen. Worden de archars vervolgd, dan blijven zij van tijd
-tot tijd stil staan, klauteren op een hoogere rots, ten einde in ’t
-rond te zien, en zetten daarop hun tocht zoo bedaard voort, als dreven
-zij met hun vervolgers den spot. Het bewustzijn van kracht en
-klautervaardigheid verleent hun een trotsche vermetelheid. Zij
-overhaasten zich nooit, en slechts dan moeten zij deze langzaamheid
-boeten, wanneer een verscholen schutter hen in den rug aanvalt.
-
-De ooien leven onderling altijd zeer eendrachtig, de rammen insgelijks,
-uitgezonderd in den bronsttijd. Deze valt in de tweede helft van
-October en duurt eene maand lang. Alsnu komen de moedige en
-strijdlustige rammen in een staat van groote opgewondenheid. De oudsten
-nemen een bepaalde standplaats in bezit en verdrijven van daar alle
-zwakken. Met huns gelijken in krachten vechten zij nu op leven en dood;
-zij plaatsen zich recht tegenover hunne mededingers, gaan op de
-achterpooten staan, stormen op elkaar los, en stooten met de zware
-horens zoo geweldig tegen elkander, dat het gebergte er van dreunt.
-
-Somwijlen gebeurt het, dat de horens in elkander verward raken en niet
-weer los kunnen komen, zoodat zij afbreken; ook wel slingert de een den
-ander in den afgrond, alwaar hij te pletter valt.
-
-In de laatste dagen van April of in het begin van Mei brengt het schaap
-een of twee jongen ter wereld. Deze lammeren loopen, zooals wij bij
-gevangen dieren waarnamen, reeds weinige uren na de geboorte met hunne
-ouders rond, en volgen dezen binnen weinige dagen op alle wegen met de
-aan hun geslacht eigen behendigheid en zekerheid. Dreigt er ernstig
-gevaar, dan verbergt de moeder haar kind tusschen de rotsen, zeker om
-den vijand te misleiden, en keert, nadat het gevaar geweken is, tot
-haar jong terug. Dit laatste heeft zich intusschen plat op den grond
-uitgestrekt, houdt zich zoo stil als een muisje en wordt als aan de
-rotsen gelijk; zoo ontgaan de lammeren dikwijls aan den blik des
-vervolgenden vijands,—niet altoos, en ’t allerminst aan de oogen van
-den steenarend, die een van het moederschaap afgezonderd lam onverwijld
-aanvalt en doodt. Zoo gebeurde het, terwijl wij in het Arkatgebergte op
-de jacht waren. Gevangene archarlammeren, die wij van de Kirgiezen
-ontvingen, bleken allerliefste dieren te zijn; zij vatten terstond de
-uiers van eene hun opgedrongen min, zoodat men daaruit mag afleiden,
-dat zij gemakkelijk zijn te temmen en op te voeden.
-
-Indien men er eens huisdieren van maakte zou zulks een belangrijke
-aanwinst worden voor den veestapel, maar de Kirgies denkt daaraan niet;
-hij is er alleen maar op uit om de wilde dieren te vangen.
-Hartstochtelijk wordt die jacht echter niet gedreven en daarom blijft
-de wolf, ofschoon dit ondier slechts in den winter, wanneer de sneeuw
-dik op de velden ligt, een enkelen archar kan verscheuren, deszelfs
-meest gevaarlijke vijand.
-
-Evenals op het gebergte komen er ook op de dorste en meest woeste
-deelen der steppe, die zelfs in de lente doen denken aan de woestijnen
-en woestijnsteppen van Afrika, bijzondere, slechts daar thuis
-behoorende dieren voor. In deze streken verdwijnen behalve het lage
-pluimgras en de hier tot een klein struikje ineengekrompen bijvoet
-bijna alle andere gewassen, die men overigens in de hoog- en laagsteppe
-waarneemt; daarentegen is hier juist een afzonderlijke struik
-opgeslagen, dien men elders tevergeefs zoekt, n.l. de ramstruik, zoo
-genoemd wegens zijn buitengewoon hard en droog hout, waar de bijl zelfs
-op afstuit. Dit gewas wortelt op die enkele plaatsen in de steppe,
-alwaar een mager, rood, door den regen bijeengestroomd leem den bodem
-bedekt; het vormt vrij uitgestrekte boschjes en verleent ook andere
-planten bescherming en schaduw, zoodat zulke groene plekken als oasen
-zijn in de steppenwoestenij. Toch zijn deze oasen weinig meer bevolkt
-dan de omringende steppe; want een klauwier, een gewone grasmusch en
-een fitis uitgezonderd, ziet men hier geen enkelen vogel en nog minder
-eenig zoogdier. Daarentegen wonen juist in deze eenzame oorden eenige
-der merkwaardigste steppendieren, behalve die, welke overal in de
-steppe voorkomen. Zoo behalve de kortteenige leeuwerik en de kalander
-ook nog de gitzwarte steppen-leeuwerik; zulks schijnt vreemd, wanneer
-men bedenkt, dat alle grondvogels de kleur dragen van den grond, waarop
-zij leven, weshalve men dezen leeuwerik op zwarten grond zou zoeken;
-behalve de kleine plevier, de kuddenkievit; behalve de groote trap, de
-slanke kraagtrap, door de Kirgiezen pasgangertrap genoemd; behalve het
-gewone steppenhoen, het vuisthoen—hetzelfde, dat voor eene reeks van
-jaren bij groote scharen zich in Duitschland (ook in Nederland)
-vertoonde, zich vestigde in de duinen en op zandachtige plaatsen, maar
-zoo ongastvrij met geweren en strikken, zelfs met vergift ontvangen
-werd, dat het zoo spoedig mogelijk het moorddadig land verliet en
-ongetwijfeld zijn wieg en bakermat weder heeft opgezocht; hier
-verblijven eveneens, behalve de veelvuldig voorkomende wezel, de
-steppenantilope en de koelan, het schuwe, wilde steppenpaard. Ten einde
-niet al te wijdloopig te worden, moet ik mij hier bepalen tot een korte
-beschrijving van dit laatste dier.
-
-Indien de leer van Darwin juist is, zouden wij den koelan mogen
-beschouwen als de stamvader van ons paard, dat door eeuwen lang
-voortgezette veredeling allengs vele wijzigingen heeft ondergaan; deze
-veronderstelling bevredigt ons in elk geval beter dan aan te nemen,
-zooals dikwijls zonder genoegzamen grond gedaan wordt, dat die
-stamsoort is uitgestorven. Sommigen willen in den tarpan, die
-tegenwoordig nog in de steppen van den Dnjepper vrij rondzwerft, geen
-verwilderd, maar een wild paard zien; ik houd evenwel liever den koelan
-voor de oorspronkelijke stamsoort.
-
-De jongste onderzoekingen hebben tot het resultaat geleid, dat onze
-huishond, wiens zoo onderscheiden rassen men ook niet juist, zelfs niet
-bij benadering eenigszins nauwkeurig kan aangeven, een afstammeling is
-van heden ten dage nog levende wolven- en jakhalssoorten, eene uitkomst
-die aan mijne zienswijze niet weinig steun verleent. Leeft ook de
-stamsoort onzer huiskat op den huidigen dag nog niet in Afrika in het
-wild, de stammoeder onzer geit in Klein-Azië en op Kreta? En al mogen
-wij op dit oogenblik nog in het onzekere verkeeren ten aanzien van de
-stamouders van ons schaap en rund, zoo is het daarentegen een feit, dat
-ik van drie verschillende zijden, o.a. van eenen Kirgies, die zegt het
-dier zelf gejaagd te hebben, zulke overeenstemmende berichten ontvangen
-heb omtrent een in de binnensteppen van Mongolië nu nog levend,
-kameelachtig dier, dat overigens alle eigenschappen van eene wilde
-soort aan zich draagt, dat ik aan de waarheid dier mededeelingen niet
-kan twijfelen; evenals bij den tarpan kan ik hier hoogstens de vraag
-opwerpen, of dit kameel de in ’t wild levende stamvader kan zijn van
-het huisdier der Kirgiezen, dan wel of het als een weer verwilderde
-nakomeling daarvan moet beschouwd worden. Wanneer de sluier die over
-deze en dergelijke vraagstukken ligt uitgespreid, meer en meer wordt
-opgelicht, wanneer de eene stamvader onzer huisdieren na de andere
-wordt ontdekt, en onder de nog levende dieren opgespoord, waarom zou
-dan enkel de stamvader van het paard, wiens levensvoorwaarden zoo
-volkomen vervuld worden door de wijde, onafzienbare steppe,
-uitgestorven en tot op de laatste sporen verdwenen zijn? Onder de nu
-nog levende wilde paarden der oude wereld hebben wij dien stamvader te
-zoeken, en onder dezen heeft geen meer recht op de eer die stamvader te
-zijn dan de koelan. De tarpan staat ons paard wel is waar in menig
-opzicht nader, maar wanneer het werkelijk de Hyksos zijn geweest, die
-in Egypte, welks steenen monumenten ons het eerst het paard te
-aanschouwen geven, dit dier invoerden, of wanneer de Egyptenaren zelven
-nog vóór den tijd der Hyksos, alzoo minstens vijf en twintig eeuwen
-vóór onze jaartelling, het paard hebben getemd en tot een huisdier
-gemaakt,—in de steppen van den Dnjepper en den Don vingen zij zeer
-zeker dat wilde dier niet; want dichter bij, in de steppen en
-woestijnen van Klein-Azië, Palestina en Perzië, alsmede in enkele
-laagvlakten van Arabië en Indië troffen zij een heden ten dage nog
-levend, veelbelovend wild paard aan, den koelan. Wel wijkt dit dier in
-menig opzicht van ons edel huisdier af, echter niet meer dan de
-windhond, poedel en New-foundlander van den wolf, of eenigen anderen
-oerhond, niet meer dan de dashond, de pintscher of de zijdehond van den
-jakhals, niet meer dan de pony van het Arabisch paard, het
-Belgisch-Fransche karrenpaard van het Engelsche renpaard. De
-verschillen tusschen ons paard en den koelan schijnen zeer groot te
-zijn, toch beschouwen beiden zich als kinderen van één bloed, want zij
-zoeken elkanders gezelschap.
-
-Toen wij op den 3 Juni 1876 door de woeste, eenzame steppe reden, die
-zich uitstrekt tusschen het Saisanmeer en den Altaï, welke steppe
-hierboven mij tot type heeft gediend, ontmoetten wij in den loop van
-den voormiddag niet minder dan vijftien koelans, en onder dezen een
-enkel paar, dat op den breeden rug van een niet ver verwijderden heuvel
-weidde. Duidelijk en scherp teekenden zich beide gedaanten tegen den
-blauwen hemel af, en zoowel bij ons als bij de Kirgiezen, die ons
-vergezelden, begon het jagershart heftig te kloppen.
-
-Een der beide dieren verwijderde zich toen het ons in ’t oog kreeg, en
-liep weg, de richting naar ’t gebergte inslaande; het tweede bleef
-stilstaan en scheen te overleggen wat het doen zou, hief een en
-andermaal den kop omhoog en rende ons te gemoet. Alle buksen werden in
-gereedheid gebracht: de Kirgiezen vormden langzaam en voorzichtig een
-halven cirkel, met het doel het onverstandige, zoo opvallend zorgelooze
-wild op het rechte oogenblik naar ons toe te drijven. Meer en meer,
-ofschoon bij tusschenpoozen, maar toch voortdurend, naderde de
-eenhoever ons; wij beschouwden hem reeds als een zekere buit.
-
-Daar gleed een glimlach over het gelaat van den naast mij rijdenden
-Kirgies; hij had niet alleen de reden ontdekt van het oogenschijnlijk
-zoo dwaas bestaan des diers, maar dit zelfs meteen herkend.
-
-Het was een Kirgiezenpaard, dat op ons afrende, maar dat in zijn
-teekening veel had van een koelan; dit paard was zijn meester
-ontloopen, was wellicht onder een troep wilde paarden verdwaald geraakt
-en bij gebrek aan beter gezelschap daar gebleven; thans echter, nu het
-in de naderende rossen zijn soortgenooten herkende, liet het in den
-nood zijn vrienden in den steek. In de onmiddellijke nabijheid onzer
-Kirgiezen gekomen, bleef het nogmaals stilstaan, wilde het nog eens
-overwegen, of het wel wenschelijk zou zijn weder opnieuw den pas
-geheelden rug onder den zadel te krommen; op de eerste schrede
-achterwaarts volgden echter ook de anderen en zonder aan de vlucht te
-denken, liet hij zich gewillig een halster aanleggen en weinig minuten
-later draafde het zoo goedmoedig aan de zijde van den hem leidenden
-Kirgies, als had het dier nog nooit het vrije leven zijner voorvaderen
-leeren kennen. Door eigen ervaring hadden wij dus bevestigd gevonden,
-wat ons door anderen was medegedeeld, t.w. dat koelan en paard
-somwijlen gemeenschappelijk leven.
-
-De koelan is ontegenzeggelijk een trotsch, in elk opzicht boeiend
-schepsel, vol zelfbewustzijn, kracht en overmoed. Nieuwsgierig staart
-hij den ruiter aan, die hem nadert; dan echter draaft hij zoo achteloos
-weg, alsof hij met zijn vervolgers den spot drijft, terwijl hij al
-spelender wijs de flanken met zijn staart geeselt. Geeft de ruiter zijn
-ros de sporen om het tot spoed aan te zetten, dan gaat de draf van den
-koelan over in een even gemakkelijken als snellen galop; vlug als de
-wind doorvliegt hij de steppe en is spoedig uit het gezicht. Maar zelfs
-in dien dollen loop houdt hij nu en dan in, blijft een oogenblik staan,
-werpt zich om en ziet zijn vervolger in ’t gezicht, hinnikt, keert
-opnieuw om, werpt overmoedig de achterpooten in de lucht en springt met
-dezelfde losheid verder. Een vluchtende troep schaart zich steeds in
-eene rij, en wanneer deze, als op een bevel van den aanvoerder
-plotseling stilhoudt, zwenkt en verder rent, dan levert zulks een
-ongemeen schoon gezicht op.
-
-Even als bij alle andere paarden wordt zulk een troep steeds aangevoerd
-door een hengst, die tevens onbepaald gebieder is. Hij geleidt den
-troep naar de weide en op de vlucht, weert moedig elken hem niet in
-kracht te boven gaanden roover af, en duldt onder zijn onderhoorigen
-geen gevecht, geen medeminnaar, en in ’t algemeen geen volwassen
-hengst. Daarom ziet men in de streken, alwaar deze dieren rondzwerven,
-dikwijls kluizenaars ronddolen, die door geen enkelen troep worden
-opgenomen; het zijn de in langdurigen en verwoeden strijd overwonnen en
-verdreven hengsten, die nu tot den volgenden bronsttijd eenzaam en
-verlaten rondzwerven. In September naderen zij de kudden weder, waaruit
-inmiddels de oude hengst alle opschietende jonge hengsten verdreven
-heeft. Een grimmige strijd begint, zoodra zij een mededinger ontmoeten.
-Uren lang ziet men hen om dezen tijd op de toppen der steile bergruggen
-staan: de wijd geopende neusgaten zijn naar den wind gekeerd, het oog
-staart in de vlakte beneden hen. Zoodra de verdrevene een anderen
-hengst in ’t oog krijgt, springt hij dezen in gestrekten galop te
-gemoet en strijdt met tanden en hoeven, totdat de uitputting de
-vechtenden scheidt.
-
-Zegeviert hij over den aanvoerder eener kudde, dan treedt hij in diens
-plaats en rechten, en de merries volgen hem even gewillig als zijn
-voorganger. Op dien tijd van strijd volgt de verhuizing; want de booze
-winter drijft ook de koelans van de eene plaats naar de andere, en
-eerst nadat de lente haar intocht heeft gehouden, keert de troep naar
-de oude standplaats terug. Hier brengt de merrie tegen het laatst van
-Mei of het begin van Juni haar veulen ter wereld, dat in alle opzichten
-gelijkt op het veulen van ons paard, oogenschijnlijk iets plomper, maar
-toch een zeer aardig, vroolijk diertje. Wij hadden het voorrecht ook
-het veulen te leeren kennen.
-
-Toen wij een lang gerekten heuvel der genoemde woeste steppe beklommen,
-zagen wij plotseling op geringen afstand, drie oude koelans met een
-klaarblijkelijk eerst voor weinige dagen geboren veulen voor ons. Onze
-Russische gids vuurde een kogel op hen af, en weg renden de wilde
-paarden; tenauwernood raakten de kleine hoeven den grond, terwijl zij
-als het ware al spelende hunne behendigheid ten toon spreidden en ten
-behoeve der veulens blijkbaar hun loop iets inhielden. Vooruit snelden
-evenwel ook op hetzelfde oogenblik alle Kirgiezen en Kozakken van ons
-gevolg; vooruit snelden, door de algemeene razernij medegesleept ook
-onze bedienden; vooruit stoven ook wij. Het was een wilde jacht! Altijd
-nog met hunne krachten spelende liepen de wilde paarden in de richting
-der bergen voort, terwijl alle ruiters hun rossen dwongen om hun volle
-krachten te ontplooien, zoodat de dieren bijna met den buik langs den
-grond streken. Het juichend geschreeuw der Kirgiezen, het stampen der
-bliksemsnel voorthollende paarden, het hinniken van onze veel langzamer
-loopende, onder den teugel knersende rijpaarden, weêrgalmde door de
-lucht, de fladderende mantels en kaftans, het opstuivende zand
-verlevendigden de woestijn. Steeds verder en verder voerde ons de dolle
-jacht. Daar scheidde zich het veulen van zijn oudere gezellen en bleef
-iets achter; de afstand tusschen hem en de telkens met angst
-achteruitziende moeder werd steeds grooter, die tusschen het veulen en
-de ruiters steeds kleiner; nog enkele minuten en het was gevangen.
-Zonder tegenstand te bieden gaf het zich aan zijn vervolgers over; van
-de wildheid, de onbedwingbare eigenzinnigheid, de bandelooze, soms in
-ware ondeugendheid ontaardende moedwilligheid der oudere dieren zijner
-soort was nog geen spoor waar te nemen. Onschuldig keek het ons met
-zijne groote, levendige oogen aan; met welbehagen naar het scheen, liet
-het zich over zijn zachte huid streelen en gewillig aan een koord
-binden en leiden; onbezorgd als een kind legde het zich naast ons
-neder, om na de heete jacht, waarvan hij zelf het doelwit was geweest,
-de voor hem zoo noodige rust te genieten; het was een bekoorlijk,
-innemend schepsel! O, hadden wij het dier slechts dadelijk eene
-zoogende merrie, rust en verpleging kunnen verschaffen! Maar dat was
-onmogelijk, en het lieve, aanvallige wezen stierf dan ook reeds den
-volgenden dag. Een volwassen wild paard zouden wij met jagerslust
-gedood hebben; het jonge dier te zien sterven, dit greep ons aan.
-
-Tevergeefs trachtten wij een der oude dieren te vangen; tevergeefs
-legden wij ons naast het vastgebonden veulen in hinderlaag; tevergeefs
-hielden wij een drijfjacht—niemand onzer slaagde. Als jager scheidde ik
-met leedwezen, als natuuronderzoeker ten volle bevredigd uit de
-armzalige woestenij: ik had immers het edelste zoogdier der steppe
-leeren kennen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-WOUD, WILD EN JACHT IN SIBERIË.
-
-
-De eentonige indruk, dien wij van Siberië ontvangen, spruit vooral
-daaruit voort, dat drie zeer van elkander verschillende, maar zich zelf
-min of meer gelijkblijvende breedte-gordels bijna overal het landschap
-beheerschen. Elk dezer gordels bewaart steeds zijn eigen karakter, en
-brengt dezelfde beelden zoo herhaaldelijk voor oogen, dat we er
-eindelijk moede van worden niet alleen, maar dat allengs de vatbaarheid
-voor indrukken in dien graad wordt verstompt, dat men ten laatste bijna
-ongevoelig wordt voor de werkelijke bekoorlijkheden van het landschap.
-
-Daarom spreekt men zoo zelden met waardeering, nog minder vaak met
-warmte voor dat uitgestrekte gebied, ofschoon het beide ten volle waard
-is; dientengevolge heeft zich allengs eene opvatting van Siberië van
-ons meester gemaakt, die even weinig met de werkelijkheid overeenkomt,
-als zij zich hardnekkig verzet tegen elke andere, op de feiten der
-ervaring steunende zienswijze.
-
-Siberië is, zegt men, eene ijzingwekkende ijswoestijn, zonder eenig
-leven, zonder eenige afwisseling, zonder eenige bekoorlijkheid, een
-land, verstijfd onder den vloek des hemels en dien van ongelukkige
-bannelingen. Men verliest daarbij uit het oog, dat wij hier te doen
-hebben met een derde deel van geheel Azië, met een land, dat bijna
-tweemaal zoo groot is als geheel Europa, dat zich uitstrekt van den
-Oeral tot de Stille Zuidzee en van de IJszee tot aan den breedtegraad
-van Palermo, en dat zulk een groot land onmogelijk in algemeenen zin
-gelijkvormig, in al zijn deelen gelijk kan zijn. Men vat gemeenlijk
-slechts een enkel deel in het oog en bekijkt ook dit nog in een valsch
-licht.
-
-In werkelijkheid biedt Siberië meer afwisseling aan dan iemand zou
-denken, en is het daaraan rijker dan zijn beschrijvers het
-afschilderen. Ook de Siberische laagvlakte omvat gebergten, of wordt
-door bergen omgrensd, ook in Siberië schenken stilstaande en stroomende
-wateren leven, ook in Siberië giet de zon haar tooverlicht over bergen
-en dalen, ook in Siberië vindt men hoog geboomte en prachtige bloemen,
-die het landschap tooien, en ook in Siberië leven gelukkige menschen,
-die hun geboorteland liefhebben en er trotsch op zijn.
-
-Aan den anderen kant zijn er ontegenzeggelijk ook nu nog wildernissen
-in Siberië, die voor de zoo even genoemde ongunstige opvatting pleiten,
-ijswoestijnen, zooals de toendra’s, en de onherbergzame wouden tusschen
-de toendra en de steppe, welke wouden den derden gordel uitmaken.
-Hierin waagde zich tot nog toe geen mensch, tenzij slechts voor korten
-tijd.
-
-Het doen en laten der grensbewoners ging buiten deze wouden om; hoogere
-machten regeeren onbeperkt daarbinnen, om te vernietigen, wat zij
-hebben opgebouwd. Het vuur des hemels zet hun geboomte in brand, de
-loeiende winterstorm rukt het ter aarde. Die wouden werden door geen
-menschenhand geplant, geen bijlslag werd er in gehoord; oerwouden zijn
-het in de volle beteekenis des woords. Geheimzinnig trekken zij ons
-aan, onvriendelijk stooten zij ons af; zij lokken den jager tot een
-bezoek, maar stremmen zijn voet: eene rijke winst belooven zij den
-begeerlijken koopman, maar met een wissel op de toekomst schepen zij
-hem af.
-
-Tusschen de steppe en de toendra ligt deze woudgordel van Siberië.
-
-Hier en ginds grijpt hij daarin, hier en daar buigen steppe of toendra
-binnen dien gordel. Op sommige plaatsen der beide boomlooze gebieden
-kan wel is waar een dicht bosch den grond betwisten aan eene
-plantenwereld, die bijzonder het eigendom is van steppe of toendra,
-maar zulke afzonderlijke boschpartijen zijn als eilanden in den Oceaan,
-die geen recht van bestaan schijnen te hebben. In de steppe blijven zij
-bepaald tot de naar het noorden afvallende berghellingen en tot de
-rivierdalen; in de toendra tot de diepste gedeelten, en alzoo doen zij
-zich zoowel hier als ginds als onbeteekenend voor tegenover de
-eindelooze bosschen van den woudgordel zelf, waarin slechts enkele
-malen een stroom, een meer, een poel de overigens onafgebroken
-woudwildernis eenige afwisseling schenkt, waarin slechts hier en daar
-een brand opene plekken schept, en de mensch, alhoewel slechts aan den
-uitersten zoom, eene kleine bres maakt. Geheele koninkrijken zouden
-plaats kunnen vinden in een enkel dezer wouden. Hoe zij er van binnen
-uitzien, niemand weet zulks; want zelfs de uit deze bosschen
-voortkomende en naar den hoofdstroom zich spoedende zijrivieren zijn
-niet bevaarbaar en de koenste pelsjager leerde hier weinig meer kennen
-dan een grensgordel van ten hoogste honderd kilometer breedte.
-
-De indruk, dien de Siberische bosschen op den Duitschen reiziger
-teweegbrengen is verre van gunstig. Een blik op die eeuwige, met
-bosschen bedekte streken ontstelt, maar verwarmt niet, althans slechts
-zeer zelden. De scheppende, voortbrengende, voltooiende macht van het
-noorden schijnt niet in staat te zijn het hoofd te bieden aan de
-vernielende elementen. De grijsheid is hier gehuwd aan de vroege jeugd,
-zonder dat deze vereeniging een verkwikkelijken invloed uitoefent; een
-rijkdom zonder maat vertoont zich hier in ’t gewaad eens bedelaars; het
-afgestorven leven zonder krachtige kiemkracht dringt elke vroolijke
-gewaarwording terug. Overal neemt men een harden levensstrijd waar,
-maar nergens wordt men werkelijk aangetrokken, nergens werkt het bosch
-als een aangenaam tehuis, en het inwendige beantwoordt nergens aan de
-verwachtingen, die het uitwendige opwekte. De majesteit der oerwouden
-in zuidelijker gelegen landen ontbreekt in deze aan zich zelf
-overgelaten, onverzorgde bosschen geheel en al, en het hierin opgewekte
-leven schijnt reeds van den aanvang af in de boeien des doods gekneld
-te zijn.
-
-Werkelijk hoogwoud, levenslustig, aan een regelmatige wisseling
-onderworpen geboomte is zeldzaam; verbrande bosschen zijn menigvuldig.
-Vroeger of later steekt de bliksem of de strafbare lichtzinnigheid van
-den Siberiër het woud in brand. Begunstigd door jaargetijde en weder
-kan zulk een brand schrikbarende verhoudingen aannemen. Niet uren of
-dagen, maar weken lang woedt hij ongestoord voort. Op den met mos
-begroeiden, veenachtigen grond kruipt en kronkelt de vlam steeds
-verder; het dorre hout, dat bij massa’s den bodem bedekt, schenkt haar
-telkens nieuw voedsel; doode, tot op den grond neêrhangende takken van
-nog staande, maar in den top reeds verdorde stammen leiden haar naar de
-kronen van nog frissche boomen. Suizend en knetterend vatten de met
-hars gedrenkte naalden vlam, en een reusachtige fontein van vuur en
-vonken stijgt ten hemel.
-
-De hoogste boomen zijn binnen weinige minuten gedood en der
-vernietiging prijsgegeven; uit de vuurfontein vallen millioenen vonken
-ter aarde en overal in ’t rond stijgen nieuwe vlammen uit de nieuwe
-brandstof opwaarts.
-
-En op deze wijze met elke secunde nieuwen bodem erlangende, zich naar
-alle kanten uitbreidende, loopt het verderf steeds verder en verder; en
-na verloop van enkele uren staan geheele kwadraatmijlen van het woud in
-brand. Walmende rookwolken verduisteren het licht der zon honderden
-wersten ver; langzaam, maar steeds in dichter en dikker lagen
-neerstortende asch geven over dag, de vurige weêrschijn aan den hemel
-des nachts aan de verst afwonenden kondschap van het onheil; door
-doodsangst aangegrepen dieren brengen het bericht in steden en dorpen.
-Beren verschijnen onmiddellijk na groote boschbranden in streken, waar
-men ze in jaren niet zag; de wolven trekken, evenals in den winter, bij
-groote troepen door het veld; elanden, herten, reeën en rendieren
-zoeken in ver afgelegen wouden een nieuwe schuilplaats op; de eekhorens
-trekken soms in ontelbare menigte door de bosschen en boomlooze
-streken, over weilanden en akkers, door dorpen en steden. Hoeveel
-dieren echter het vuur ten offer vielen, laat zich zelfs niet gissen;
-wel heeft de ondervinding geleerd, dat bosschen, waarin een brand had
-gewoed, jarenlang onbevolkt bleven en dat kostbare jachtdieren uit
-zulke streken geheel en al verdwenen waren. De verwoestingen strekken
-zich zeker nog veel verder uit, dan wij vermoeden; in het jaar 1870
-werd door een brand, die veertien dagen duurde, een half millioen
-hektaren boschgrond in het gouvernement Tobolsk vernield; rookwolken en
-asch verspreidden zich daarbij tot op een afstand van 1600 werst.
-
-Jarenlang na den brand is zulk een plaats niets dan een puinhoop, ja
-een of twee menschenleeftijden later zijn de sporen nog niet geheel
-uitgewischt. De vlammen doodden wel de boomen, maar verteerden slechts
-die, welke op het oogenblik van den brand reeds verdord waren; de
-oppervlakkig geschroeide stammen der andere bleven echter staan, ja
-zelfs de kruinen boetten alleen hun naalden, twijgen en verdorde takken
-in. Met het afsterven der boomen begint echter hunne vernietiging.
-Vroeger of later worden zij onherroepelijk door den storm geveld. De
-een na den ander wordt ter aarde geworpen, de een na den ander van zijn
-takken beroofd, ontkruind en ter hoogte van twee derden of drie
-vierden, van den grond afgerekend, geknakt. Door en over elkander
-liggen eindelijk duizenden boomlijken in massa’s op een grond, die
-reeds met talrijke fragmenten was bedekt. Sommige rusten op de wortels
-of de kruin vertakkingen, andere leunen tegen nog staande stammen;
-weder andere liggen verbrijzeld tusschen de takken en twijgen van
-omlaag gestorte kruinen, met gescheiden en ver uiteenliggende kronen en
-stammen, terwijl de takken naar alle windstreken verspreid en verwaaid
-werden. En die boomen, welke bij den storm gespaard bleven, verwekken
-in de ziel van elken minnaar der bosschen nog droefgeestiger
-gewaarwordingen dan de reeds gevoelde. Als naakte, kale masten stijgen
-zij omhoog. Weinige behouden nog eenige jaren na den brand hunne kronen
-of gedeelten daarvan; de van hun takjes beroofde bovenste kruintakken
-vermeerderen den treurigen indruk nog meer, dan dat zij dien
-verminderen. Allengs vallen ook de laatste kronen op den grond en nu
-vermolmen ook de nog staande stammen steeds meer en meer. Spechten
-bewerken ze aan alle kanten, hameren er nestholten in, en zoo verkrijgt
-het vocht gelegenheid naar binnen te dringen, zoodat het
-verrottingsproces een sneller verloop verkrijgt. In den loop der jaren
-vermolmt ook de reusachtige stam zoo volledig, dat hij in stof verkeert
-en alle weêrstandsvermogen verliest; als een vormlooze massa valt hij
-ter aarde, wanneer hij slechts even wordt aangeraakt. Eindelijk
-verdwijnt ook dat laatste spoor en eene uitgestrekte, hier en daar door
-enkele overblijfsels van boomen afgebroken vlakte spreidt zich uit voor
-’s menschen blik.
-
-Maar een nieuw leven is intusschen uit deze puinhoopen ontkiemd. Reeds
-weinige jaren na den brand begint de zwarte, door asch en molm bemeste
-grond weêr met planten bedekt te worden. Korstmossen en mossen, varens
-en heideplanten, inzonderheid verschillende bessoorten spreiden een
-kleed van groen, en de overblijfsels der gevallen boomen gedijen hier
-weelderiger dan elders, om even spoedig weder verschillende dieren tot
-zich te lokken als de brand ze verdreef. Het zaad van berken, door den
-wind aangevoerd, kiemt en ontspruit, en allengs is er zulk een dicht,
-in ’t eerst hoofdzakelijk uit de laatst genoemde plantensoort gevormd
-struikgewas ontstaan, dat het den schijn heeft, alsof dit opzettelijk
-door ’s menschen hand was aangeplant. Na eenige jaren heeft de nieuwe
-opslag de oude lijken aan ’t gezicht onttrokken; nog eenigen tijd later
-en andere woudboomen nemen de plaats in hunner voorvaderen. Elke
-boschbrand spaart enkele gedeelten van het woud, soms zelfs blijven
-eenige boomen te midden van verbrande plekken ongeschonden staan; en
-zoo zijn de voorwaarden vervuld voor eene bezaaiing der verwoeste
-streken. Het water en diepe kloven stellen soms perk en paal aan ’t
-vernielend element; het kan ook gebeuren, dat de vlammen het geboomte
-aan de achterzijde der kloof bereiken en in brand steken, terwijl al
-wat in de kloof groeit, gespaard blijft. Alleen staande lariksen,
-ofschoon even geblakerd, ontkomen dikwijls aan de vernieling. Wel
-lekken de vlammen aan den voet des stams, wel verkolen zij alle
-naalden, maar de kroon bot weer uit en de boom blijft, hoezeer
-kwijnend, nog geruimen tijd in het leven.
-
-Tegenover de verwoestingen, die het vuur aanricht, zijn die welke de
-mensch veroorzaakt van geringe beteekenis, alhoewel zij, op zichzelf
-beschouwd, niet zoo geheel onbeduidend mogen genoemd worden. Van
-boschbouw heeft de Siberiër geen begrip. Voor hem is het woud het
-eigendom van den „lieven God,” en wat deze bezit, behoort ook aan den
-boer. Waar zooveel rijkdom heerscht, denkt hij natuurlijk niet aan
-spaarzaamheid, en hij vraagt slechts naar het oogenblikkelijk voordeel.
-Elke Siberiër velt zooveel en wat hem goeddunkt, en vernielt daarbij
-nog veel meer dan wat hij noodig heeft. Om eenige palen te bekomen,
-houwt hij geheele naaldboomen om, onverschillig of deze jong of oud
-zijn; heeft hij timmerhout noodig, hij velt drie- à viermalen zooveel
-als hij behoeft, en wat er te veel is laat hij liggen, zelfs zonder het
-als brandhout te benutten. Reeds nu laten zich de gevolgen dezer
-onzinnige handelwijze gevoelen. In de nabijheid der steden en dorpen,
-zelfs in de nabijheid der wegen, zijn de bosschen zoo ontbloot, dat zij
-er weinig beter uitzien dan die, waarin een brand heeft gewoed, en nog
-altijd gaat men met verwoesten voort. Eerst sedert het jaar 1875 heeft
-men in Siberië houtvesters aangesteld, maar ook deze lieden hebben een
-meer geopend oog voor het vellen dan wel voor den aanplant der boomen.
-
-De Siberische wouden, ook die waarin noch het vuur noch de bijl heeft
-gewoed, zien er geheel anders uit dan onze bosschen; zij dragen den
-stempel eener door niets beperkte natuurlijke groeikracht. Slechts bij
-uitzondering werkt deze aantrekkelijk op ons.
-
-Het is waar, aanvankelijk wordt men getroffen door die mengeling van
-worden en vergaan, maar het doode overheerscht allengs het levende en
-deze indruk bezwaart in plaats van te bezielen.
-
-In zulke oerwouden wisselen dichte gedeelten af met ontbloote plekken,
-hoog woud met struikgewas, oude grijsaards, die den tijd trotseerden,
-met een krachtig jong gewas. Ook hier staan en leunen en hangen en
-liggen overal vermolmde boomen. Uit de tronken van gevallen stammen
-ontspruiten jonge loten; reusachtige lijken van boomen versperren den
-weg.
-
-Wilgen en populieren, met den berk de meest gewone loofboomen der
-bosschen van westelijk Siberië, komen hier tot vollen wasdom; dikwijls
-zien zij er uit alsof zij voortdurend belemmering ondervinden om tot
-volledigen groei te raken. Meer dan mansdikke stammen dragen verdraaide
-kronen van weinig omvang, waaruit jaar op jaar nieuwe twijgen
-ontspruiten, zonder dat deze het tot ware takken brengen; andere,
-oogenschijnlijk overoude boomen, treden slechts in den heestervorm op;
-wederom andere zijn middendoor gebroken, versplinterd en gescheurd, en
-bij den top verdraaid, terwijl het benedengedeelte slechts door een
-dunne schil met het boveneind verbonden is. Slechts bij uitzondering
-verkrijgt men den indruk van een geheel; bijna alles ziet er uit, alsof
-het kwijnt en meer en meer zijn ondergang te gemoet gaat.
-
-Deze schilderij is evenwel niet van toepassing op alle deelen van het
-uitgestrekte gebied; integendeel, somtijds, vooral in het zuiden van
-den woudgordel vallen ons bosschen in ’t oog, waar de blik met
-welgevallen op rust. Ligging, plaatselijke gesteldheid, de hoedanigheid
-van den grond en andere omstandigheden werken somtijds samen tot eene
-heerlijke uitkomst. De boomen groeien dan vroolijk op, de samenstelling
-van het houtgewas verandert, en het bijna overal weelderige onderhout
-biedt de rijkste verscheidenheid aan. Elke nieuwe boomsoort, die de
-armoede des wouds, wat de soorten betreft, vermindert, begroeten wij
-telkens met nieuw gejuich; maar toch missen wij, zelfs in de rijkste
-partijen, nog een aantal boomen, die op gelijke breedte in Europa zeer
-gewoon zijn. Eenvormig en eentonig, evenals de steppe en de toendra
-zijn en blijven ook de wouden van dit land.
-
-In de rivierdalen van den boomgordel valt die armoede het meest op.
-Hier heerscht de wilg, die aan de stroomen en op de eilandjes dikwijls
-uitgestrekte bosschen schept, zoo onbeperkt, dat bijna geen andere boom
-tot wasdom kan geraken. Mijlen ver maken zij het uitsluitend
-bestanddeel der bosschen in deze dalen uit; hier en daar schieten zij
-tot eene goede hoogte op, maar ook dan ontbreekt het nog al te dikwijls
-aan uitdrukking en bekoorlijkheid.
-
-Want de op zich zelf staande boom is niets schilderachtiger, eerder
-minder schilderachtig dan het struikachtige wilgenbosch; de kroon
-blijft steeds dun en onregelmatig van vorm, wordt niet dicht, maar
-blijft armoedig, zoodat dit gezicht een gevoel van verveling bij ons
-verwekt.
-
-Staan, zooals meestal, de boomen dicht opeen, zoodat er een bosch
-ontstaat, dan boeten zij nog meer van hun persoonlijkheid in, daar
-onder deze omstandigheden alle stammen als palen nevens elkander omhoog
-rijzen en de van boven recht afgesneden kronen, een geschoren heg
-gelijk, tot eene enkele bladmassa ineensmelten, zoodat elke
-afzonderlijke boom verloren gaat. Eene vriendelijke afwisseling geven
-de daartusschen staande populieren, in het zuiden de zilverpeppel, in
-het noorden de ratelpopulier; deze brengen in het eentonige landschap
-wat leven.
-
-In het rivierdal zelf, ofschoon altijd slechts op plaatsen, die niet
-blootgesteld zijn aan de periodiek terugkeerende overstroomingen,
-treedt, behalve de genoemde boomen der vlakte, de berk op; groepen van
-dezen boom vormen vrij geregeld een verbindingslid tusschen de wouden
-der dalen en de naaldhoutbosschen. Slechts in het zuidelijk gedeelte
-van onzen gordel verkrijgt de berk zijn volle grootte en schoonheid;
-hij wordt echter evengoed als de harsbevattende naaldboomen een prooi
-der vlammen en is daarom weinig in staat om het uitzicht van de
-bosschen der vlakte in gunstigen zin te veranderen. Zuivere, min of
-meer onvermengde berkenwouden vormen de grens van den boomgordel in het
-zuiden en grijpen dikwijls diep in de steppe; maar niet dan bij
-uitzondering vindt men ook van deze boomsoort echte, dichte wouden,
-zoodat men steeds gevaar loopt ontnuchterd te worden, wanneer men
-daarin doordringt.
-
-Alleen de dennenwouden, die alle plaatsen tusschen de stroomloopen
-innemen, kunnen het oog van den westerling boeien en bevredigen. In
-zooverre de toendra niet reeds tot ontwikkeling kwam, worden deze
-wouden gevormd uit dennen en sparren, Altaï-dennen en cederdennen,
-zeldzamer uit lariksen, populieren en wilgen, hier en daar vermengd met
-lijsterbessen en vogelkers, alsmede uit berken, welke laatste boomsoort
-zoo talrijk kan voorkomen, dat het bosch bijna geheel uit deze schijnt
-te bestaan.
-
-Altaï- en cederdennen zijn de karakterboomen van alle West-Siberische
-naaldhoutbosschen, beide meestal gelijk gekenmerkt door schoonheid en
-frisschen groei. Vooral de Altaï-den is een heerlijke boom. Na verwant
-aan onzen zilverden en de plaatsvervanger van dezen in alle wouden van
-oostelijk Rusland en westelijk Siberië, valt hij reeds van verre in ’t
-oog, daar hij boven alle andere naaldboomen uitsteekt. Van den
-zilverden en de spar onderscheidt hij zich door den trotschen bouw
-zijner slanke, kegelvormige kroon en zijn weligen, malschen, frisschen,
-heldergroenen naaldentooi. Hij overtreft alle andere woudboomen meestal
-in hoogte, en zijn kruin steekt voor een derde boven alle andere toppen
-uit, waardoor het eentonige van het glad afgeschoren kruinvlak der
-bosschen verdwijnt, en het geheel een meer eigenaardigen stempel
-verkrijgt. Maar ook de cederden, die bovenal in het zuiden van den
-boomgordel gedijt, evenwel ook nog hoog in het noorden dier streek
-voorkomt, beurt zijn ronde, mollige, meestentijds dichte kruin
-schilderachtig tusschen de dennen en sparren omhoog en geeft daardoor
-aan het woud, vooral aan den buitenrand, een aantrekkelijk voorkomen,
-zoodat het sierlijker schijnt dan het inderdaad is. Dennen en sparren
-ontbreken op geene plaats, ofschoon zij nergens zoo welig tieren als in
-de Duitsche middelgebergten, terwijl zij in het noorden alras
-ineenschrompelen tot oude dwergen.
-
-Ook de lariks, als wiens eigenlijk vaderland Siberië beschouwd kan
-worden, groeit slechts in het zuiden van den boomgordel, vooral in het
-gebergte, tot een even statigen boom op als bij ons.
-
-Met de opgenoemde soorten is het aantal der gewoonlijk in Siberië
-voorkomende boomen nagenoeg uitgeput. Eiken en beuken, olmen en
-esschen, linden en eschdoorns, zilverdennen en taxusboomen schijnen
-geheel te ontbreken. Kreupelhout en struiken daarentegen zijn overal en
-overvloedig. Zelfs in het noorden is de bodem in de wouden buitengewoon
-vruchtbaar en welig.
-
-Roode bessen en frambozen gedijen nog onder den 58sten, eene
-kamperfoeliesoort nog onder den 67sten breedtegraad; jeneverbessen,
-witte elzen, wolwilgen, rijsbessen, blauwe en roode boschbessen en
-veenbessen nemen naar het noorden eerder toe dan af, en zelfs aan de
-grens der toendra, die haar dwergberken en rozemarijnheide, hare mossen
-en veenbessen tot in het binnenste der bosschen vooruitschuift, ziet
-men nog den grond overal dicht bedekt, daar de mossen des te
-weelderiger groeien, naarmate de wouden armoediger worden. Maar ook de
-steppe draagt er het hare toe bij om de wouden te verrijken, daar zij
-in het zuiden van den boomgordel niet alleen het grootste deel der haar
-eigendommelijke struiken en gewassen, maar ook verschillende heesters
-en bloemen aan de wouden afstaat of deze daarmede omgeeft. En zoo
-worden hier sommige bosschen tot natuurlijke parken, die in de lente en
-in den voorzomer eene verrukkelijke bloemenpracht kunnen ontwikkelen.
-
-Als voorbeeld van zulk een met alle genoemde bekoorlijkheden prijkend
-woud, mag dat gelden, hetwelk zich tusschen de steden Slangenberg en
-Salain in het Kroondomein Altaï bevindt, de „Taiga.” In het
-uitgestrekte gebied, waaruit zich dit heerlijk woud verheft, brengen
-ketens en bergen, allerlei soorten van dalen en kommen eene bekoorlijke
-afwisseling. De eene heuvel bouwt zich naast en boven den anderen op,
-en de kamlijn van het bosch is overal duidelijk zichtbaar. Altaï- en
-andere dennen, populieren en wilgen, lijsterbessen en vogelkers zijn
-tot hooge boomen opgegroeid. Zij staan op bonte wijze dooreen en
-verdeelen licht en schaduw; de zachte lijnen der bladkruinen worden
-door de uitstekende toppen der Altaï-dennen aangenaam afgebroken.
-Erwtenboomen en erwtenstruiken, sneeuwbal en kamperfoelie, het
-smalbladige zonnekruid en bessenstruiken vereenigen zich tot een
-bloemrijk onderhout; maar hooge umbellifeeren, vooral scheerling en
-spiraea’s, varens en vrouwenhaargrassen, ridderspoor en
-vingerhoedskruid, klokjes en nieskruid, die alle ongemeen welig
-opschieten, weven een bont tapijt, dat over den bodem ligt uitgespreid;
-de wilde hop klimt van daar uit in de boomen op en omvat deze met haar
-ranken. Het heeft allen schijn of hier een bekwaam tuinier volgens de
-regelen der kunst aan ’t werk is geweest en de schepper was van dit
-veld- en woudtooneel.
-
-In het zuiden ontwikkelen de boomen hun grootsten tooi in ’t
-voorjaar—in de noordelijke deelen daarentegen in den herfst. Reeds in
-de eerste dagen van September worden de bladeren hier geel en tegen het
-midden dier maand is het noord-Siberische woud bonter dan een onzer
-vaderlandsche bosschen. Van het donkerste groen tot het levendigste
-rood, door groen en lichtgroen, licht en donkergeel, bleek- en lakrood
-zijn alle kleurschakeeringen hier vertegenwoordigd. Op de sombere
-Altaï- en andere dennen volgen de cederdennen en lariksen; aan deze
-sluiten zich de weinige nog niet geel geworden berken aan. Alle
-mogelijke nuancen van donker- en lichtgroen en groenachtig geel geven
-de witte elzen te aanschouwen; helder scharlakenroode bladeren dragen
-de populieren, lakroode de lijsterbessen en vogelkersen. Het bonte
-mengelmoes van al die kleuren is zoo sterk en toch zoo zacht, dat
-verstand en hart beide volkomen bevredigd worden.
-
-Deze zijn de beelden, welke de wouden van westelijk Siberië voor ’t oog
-des reizigers ontrollen. Wat wij poogden te schilderen had echter
-slechts betrekking op een zoom van geringe breedte. De gesteldheid
-dezer oerwouden is van dien aard, dat het den westerling onmogelijk
-dunkt, althans in den zomer, dieper daarin door te dringen. Aan de
-hellingen der bergen wordt men tegengehouden door steilten en
-kreupelhout, in het heuvelland en de vlakte door omgevallen boomen en
-ineengegroeid struikgewas, in de ketels en rivierdalen door stilstaande
-en stroomende wateren, vooral door beken en moerassen. Overal in het
-gebergte ontmoet men steile hoogten, gevormd uit door en over en op
-elkander gerolde en gestapelde rotsbrokken en steenen; deze
-steenmassa’s zijn omgeven en begroeid met korstmossen en mossen, die op
-verraderlijke wijze alle spleten en kuilen aan ’t oog onttrekken;
-jeugdig groen is opgeslagen tusschen en op de oude boomen en struiken,
-die ook hier aanwezig zijn, en dat vlechtwerk van oud en jong werpt een
-dam op tegen elke poging om zulke plaatsen over te trekken. In de
-vlakte zijn de bezwaren, die de wouden aanbieden, niet verdwenen.
-Letterlijk ondoordringbaar hout, zooals in de oerwouden der
-Keerkringsgewesten, vindt men hier wel is waar niet, maar hindernissen
-in menigte, daaraan is geen gebrek. De omgevallen boomen zijn te
-lastiger, dewijl de meeste niet vlak op den ongebaanden weg liggen,
-maar iets daarboven, zoodat zij tot ware slagboomen zijn geworden, en
-zulks in een zeer onaangename beteekenis. Menigmaal is het mogelijk er
-over heen te klauteren, of er onder door te kruipen; maar ook even vaak
-kan noch het een noch het ander geschieden en dan is men genoodzaakt
-een omweg te maken. Dit laatste is echter alles behalve aangenaam, daar
-men hier niet zonder kompas kan reizen zonder gevaar te loopen,
-voorgoed te verdwalen. Geheel kale plekken ontmoet men zelden, en
-tracht men deze door te trekken, dan zeggen ons diepe, met modder
-gevulde kuilen en poelen, dat groote behoedzaamheid hier geraden is.
-Verlaat men zich op een der vele runderpaden, die in het zuiden van den
-woudgordel van elk dorp in het bosch voeren en hierin meer of minder
-diep indringen, dan ziet men zich vroeg of laat toch weêr
-teleurgesteld, omdat men in de onmogelijkheid verkeert uit te vorschen
-of te raden werwaarts zulk een weg ons brengt; zij kruisen en
-doorsnijden honderd andere wegen, loopen door kreupelhout en hoog gras,
-waaronder omgevallen boomen en takken verraderlijk verborgen liggen,
-door moerassen en poelen enz.; in ’t kort, het zijn geen voor menschen
-bruikbare wegen. Het is waar, die hindernissen zijn niet altijd
-onvoorkomelijk, maar toch zij zijn zoovele en zij komen zoo overal
-voor, dat men veel eerder dan men dacht, zelfs wanneer de muggen er
-niet reeds toe dringen, de terugreis aanvaardt. Eerst in den winter,
-wanneer de vorst alles met een draagbare ijskorst heeft bedekt,
-rivieren, moerassen en poelen, wanneer een dikke sneeuwlaag alle
-oneffenheden heeft aangevuld en daarbij genoegzaam verhard is, dan
-worden de wouden voor de met sneeuwschoenen gewapende jagers en hunne
-tegen het weder geharde honden toegankelijk; eerst dan kan de
-inboorling zelf er aan denken strooptochten in het binnenste der wouden
-te ondernemen.
-
-De bosschen van Siberië zijn stom en dood, „tot verhongerens toe dood”
-gelijk Middendorf het karakteristiek uitdrukt. De stilte, die daar
-heerscht, wordt eene wezenlijke kwelling. Zoodra de tijd van balderen
-voor het korhoen voorbij is, verneemt men nog alleen het gezang van den
-grooten lijster en den merel, het lied van de grasmusch, van het
-kneutje en den haakvink, de melodie van den fitis en het geroep van den
-koekoek, maar bijna nergens alle stemmen te gelijk. Het bevend geroep
-van den tureluur, en van den groenpootigen ruiter wordt hier een
-gezang; het gesnater van den ekster verkrijgt eenige bekoorlijkheid,
-zelfs het gekras der bonte kraai of van den raaf werkt opwekkend, de
-loktoon van een specht of mees zelfs streelt. De stilte is in harmonie
-met de eenzaamheid van het woud. Wie de verwachting mocht koesteren
-zich hier aan een vroolijk jagersleven te zullen wijden, komt bedrogen
-uit. Ongetwijfeld zijn er veel meer dieren, inzonderheid zoogdieren en
-vogels, in het woud dan wij vermoeden, maar al die dieren verdeelen
-zich zoo gelijkmatig over dit eindeloos gebied, en zij ondernemen
-wellicht zulke verre tochten, dat wij elken maatstaf missen ter
-beoordeeling van hun aantal. Uren gaans, mijlen ver is of schijnt
-alles, tijdelijk zoo uitgestorven, zoo verlaten, dat de
-natuuronderzoeker zoowel als de jager wanhopig wordt, daar telkens weer
-zijne hoop geene bevrediging vindt. De grondigste lokaalkennis laat
-zelfs den meest ervaren waarnemer in den steek. Oorden, die alle
-voorwaarden schijnen te vervullen voor een weelderig en behagelijk
-dierlijk leven, herbergen, voor zoover men kan nagaan, geen enkele
-diersoort, zelfs geen enkel rondzwervend mannetje. De verwachting van
-in afgelegen, ver van menschelijke woningen verwijderde, zelfs zoo goed
-als buiten het menschelijk verkeer liggende wouddistricten, toch een
-enkel dierlijk wezen te zullen aantreffen, blijkt ijdel, evenals de
-hoop, dat men er in de diepten des wouds eerder zal ontmoeten dan in de
-randgedeelten. Ja, de door menschen bewoonde, of althans bebouwde
-deelen zijn dikwijls nog rijker in dit opzicht dan het centrum der
-boschwoestijn. Dat overal daar, alwaar de mensch zich voor goed
-vestigde, het woud uitroeide, weiden en akkers aanlegde, allengs eene
-grootere verscheidenheid van diersoorten opbloeit dan in de
-uitgestrekte, door hem nog niet veranderde, in hunne oorspronkelijke
-eentonigheid volhardende streken, is duidelijk; immers, bebouwing van
-den grond heeft ten gevolge, dat er geschikte verblijfplaatsen voor
-sommige soorten ontstaan; dat andere diersoorten in de nabijheid van
-den gezeten mensch veelvuldiger optreden dan in het ontoegankelijk
-woud, in weêrwil dat de mensch hen vervolgt en zij ginds aan weinig
-gevaren zijn blootgesteld, wordt slechts dan begrijpelijk, wanneer men
-aanneemt, dat zij voortdurend nieuwen toevloed van elders ontvangen. Er
-moeten dus, op bepaalde tijden althans, verhuizingen op min of meer
-groote schaal plaats vinden en de meeste West-Siberische dieren moeten
-daar dan wel aan deelnemen. De ervaring schijnt deze veronderstelling
-te bevestigen.
-
-Standdieren, in de gewone beteekenis des woords, zijn alleen de
-holbewonende winterslapers en enkele bergdieren, terwijl alle andere
-soorten min of meer een nomadenleven leiden. Dieren, die in
-West-Siberië gedurende den bronsttijd niet gezellig leven, wonen in den
-tijd, dat zij jongen werpen of broeden, evenmin bijeen. Later
-vereenigen zich de ouders en kinderen met alle soortgenooten tot
-troepen of koppels, die nu voortaan, hoofdzakelijk zeker om zich te
-beter van voedsel te kunnen voorzien, misschien ook door de
-vliegenplaag daartoe genoodzaakt, gemeenschappelijke strooptochten
-ondernemen. Plaatsen, welke overvloedig voedsel opleveren, lokken in de
-eerste plaats de planteneters; deze houden ook de natrekkers vast en
-worden door de hun vijandige dieren op den voet gevolgd. Op deze wijze
-worden bepaalde wouddistricten ontvolkt, en andere bevolkt; zoo
-ontstaan er opstuwingen van den zoo bewegelijken stroom van
-landverhuizers, die te meer in het oog moeten vallen, naarmate zij
-sterker contrast vormen met de gewone verlatenheid en ledigheid van het
-woud. Verzamelplaatsen van dierlijk leven zijn inzonderheid die oorden,
-waar het vuur heeft gewoed, op welker bevruchten bodem weder
-bessenstruiken van verschillende soort ontkiemden en tot weligen wasdom
-geraakten.
-
-Hier bekomen in den herfst niet alleen de Siberische wildsoorten goeden
-oogst, maar daar smullen ook almede van de bessen, wolven en vossen,
-marters en veelvraten, sabels en beren, die meerendeels het eerst door
-de planteneters waren aangelokt. Dieren, die op deze wijze vereenigd
-geworden zijn, blijven klaarblijkelijk geruimen tijd in zeker verband.
-De planteneters volgen, zooals ervaren jagers opmerken, met stage
-volharding de bessen, en de roofdieren hechten zich aan de hielen der
-planteneters.
-
-Die verhuizingen maken begrijpelijk, hoe in sommige jaren deze bosschen
-van allerlei jachtdieren wemelen, gene geheel verlaten schijnen. Met
-verbazing ziet de westerling, die in den naherfst of in het vroege
-voorjaar West-Siberië bereist, drie- tot vijfhonderd korhoenders, tot
-een koppel vereenigd, van den grooten, door de bosschen leidenden weg
-opvliegen, en met niet geringer verbazing doet hij iets later de
-waarneming, dat dezelfde, of gelijke, niet minder gunstige bosschen
-slechts spaarzaam met het korhoen bevolkt zijn; moedeloos, omdat hij
-telkens wordt teleurgesteld, speurt hij in den zomer op de gunstigste
-plekken het hazelhoen na, en aangenaam verrast, ontwaart hij in den
-herfst op dezelfde plaatsen dit wild overal.
-
-Met deze zoo eigenaardige, door de eentonige eenvormigheid van
-Siberië’s uitgestrekte velden bepaalde verhoudingen moet de jager, die
-met eenige zekerheid zich buit wil verschaffen, geheel vertrouwd zijn,
-en toch is zelfs de meest ervaren jachtliefhebber in de eindelooze
-wouden een slaaf van het noodlot. Welk wild hij ook wil opjagen, nimmer
-kan hij vooruit bepalen waar dit te vinden is. Gisteren overlaadde de
-jachtgodin hem met weldaden, heden onthoudt zij hem de geringste hulde.
-Aan wild is geen gebrek; de jager evenwel, die van de opbrengst der
-jacht zou willen leven, moet verhongeren. Een jagersleven, zooals het
-in andere landen mogelijk is, is in Siberië ondenkbaar; zelfs geen
-noemenswaarde winst werpt de jacht in de bosschen af. Enkele dieren,
-zooals de bever, schijnt men reeds uitgeroeid te hebben; andere, zooals
-de kostbare sabelmarter, zijn, althans uit de meer bevolkte streken,
-verdwenen, en naar het binnenste der bosschen teruggedrongen. Ook in
-Siberië hoort men overal klagen, dat het wild van jaar tot jaar
-schaarsch wordt, en zooveel staat vast, dat de jacht steeds minder en
-minder opbrengt. De mensch is niet de eenige oorzaak van dit
-verschijnsel; boschbranden en nu en dan optredende epidemieën doen het
-hunne misschien nog meer. En geen Siberiër denkt er om, dat tijdelijke
-sparing van het wild eene eerste voorwaarde is voor deszelfs behoud.
-Eene verstandige jacht gaat boven het begrip der Siberische jagers; zij
-dooden zooveel en langs zooveel wegen en op zoovele wijzen als maar
-mogelijk is. Buksen en geweren spelen daarbij niet de hoofdrol, vallen
-en netten, automatische schietwerktuigen en vergift worden door
-vreemdeling en inboorling het meest gebruikt.
-
-Wild is in de oogen van den Siberiër elk dier, van hetwelk hij na diens
-dood maar eenige partij kan trekken, het eland zoowel als de vliegende
-eekhoren, de tijger zoowel als de wezel, het auerhoen zoowel als de
-ekster. Wat het bijgeloof van den eenen stam spaart, strekt een anderen
-stam tot buit; diersoorten, welker vleesch de Russen versmaden, zijn in
-de oogen der Mongolen lekkernijen. Ostjaken en Samojeden voeden vossen,
-marters, beren, uilen, zwanen, ganzen en andere uit het nest geroofde
-dieren op, behandelen ze met ware teederheid, zoolang zij jong zijn,
-verplegen ze zorgvuldig tot het haar- of vederkleed goed ontwikkeld is,
-en slachten ze dan om het vleesch te eten en de huid te verkoopen. Het
-aantal huiden, dat uit Siberië op de inlandsche en Europeesche markten
-wordt gebracht, beloopt millioenen; het aantal dat in het land zelf
-blijft is wel is waar niet zoo groot, maar nog verre van onaanzienlijk.
-De hoeveelheid haar- en pluimwild, dat men in bevrozen staat naar
-heinde en verre verzendt, bedraagt honderdduizenden.
-
-Behalve de huiden van zoogdieren voert men tegenwoordig ook vogelhuiden
-uit, zooals van zwanen, ganzen, meeuwen, futen en eksters, die tot
-moffen, kragen en hoedversierselen verwerkt worden. Zeker koopman in de
-onbeduidende stad Tjukalinsk verhandelt jaarlijks voor zich alleen
-30000 futenhuiden, 10000 zwanevellen en 100000 stuks ekstervellen; in
-vroeger jaren verkocht de man nog meer. Dat deze huidenhandel het
-aantal dieren van jaar tot jaar moet doen verminderen, is duidelijk;
-dat eenig en alleen de ontoegankelijkheid der bosch- en waterwoestijnen
-tegen de volledige uitroeiing der dieren een slagboom opwerpt, wordt
-een ieder begrijpelijk, die de roekeloosheid der Siberische pelsjagers
-heeft leeren kennen.
-
-Ofschoon uit het gezegde genoegzaam blijkt, dat het begrip wild in de
-oogen van zulke jagers eene bijna onbeperkte beteekenis heeft, verstaat
-men toch meer bepaald onder jachtdieren zulke soorten, die ook bij ons
-te lande als pels- en pluimwild beschouwd worden.
-
-Voor zoover als zulks betrekking heeft op de dieren van den woudgordel
-zijn het: het maralhert en het reuzenree, de eland en het rendier; de
-wolf, vos, poolvos, losch, beer, poolhaas, eekhoren, de gestreepte en
-vliegende eekhoren, en bovenal de martersoorten, dus het sabeldier, de
-edel- en steenmarter, de bunzing, kolonok, het hermelijn, de wezel, de
-veelvraat en vischotter. Bovendien het auerhoen, korhoen en hazelhoen,
-en eindelijk nog de tijger, die nu en dan uit het zuiden naar het
-noorden afdwaalt, de irbis, welk dier de bosschen op de bergen bewoont,
-het insgelijks daar voorkomende muskusdier; het wilde zwijn en het aan
-de zoomen der noordelijke bosschen voorkomende moerashoen.
-
-Ieder maakt op al deze dieren jacht; de meer beschaafde op wat
-fatsoenlijker wijs, ofschoon volstrekt niet volgens de regelen der
-jacht; meestal worden zij gevangen in even vernuftige als doeltreffende
-vallen.
-
-Onder de laatstgenoemde staat de wijd verbreide slagval bovenaan. De
-inrichting van dit werktuig is als volgt: op een open plaats van het
-bosch, liefst zulk een, waar het uitzicht vrij is, wordt een lage, zoo
-weinig mogelijk in ’t oog vallende omheining geplaatst, die in ’t
-midden een doorloop heeft, of als zij lang is twee of drie gaten. Elke
-doorloop is van ter zijden door twee in den grond gedreven palen
-begrensd, die van boven een dwarsbalk dragen; zij dienen om de beweging
-te regelen van daartusschen loopende valblokken, twee naast elkaar
-liggende, met elkaar verbonden, lange, vrij dikke boomstammen. Een
-lange hefboom wordt op het dwarshout gelegd en houdt de valblokken, die
-aan den kortsten arm bevestigd zijn, zwevende; een van den langsten arm
-uitgaand touw is vastgemaakt aan den piketpaal. Deze bestaat uit een
-korten, aan het eene eind gevorkten, aan ’t ander eind toegespitsten
-tak en wordt met de vork tegen den eenen van eene kerf voorzienen paal,
-met de punt tegen een ander iets langer paalstuk geklemd, welk laatste
-zijnerzijds met het tegenovergestelde uiteinde in den anderen paal een
-los steunpunt vindt. Beide palen houden elkander in evenwicht, maar
-vallen onder de geringste drukking van boven of van beneden uiteen.
-Wanneer de val gesteld is, belegt men de stelpalen met dorre twijgen en
-takjes, minder met het doel ze aan ’t gezicht te onttrekken, dan wel om
-de oppervlakte te vergrooten. Trapt eenig dier, al is het een kleine
-vogel, op een dezer takjes, dan vallen beide stelpaaltjes uit elkaar,
-de val slaat neêr en het dier wordt verpletterd. Wil men roofdieren
-vangen, dan legt men aas onder de stelpalen; al het andere wild leidt
-men door middel van de omheining in de richting van de val. Daar men in
-vele streken van het woud alle wildpaden, wegen en open plekken door
-slagvallen verspert en er honderden en duizenden opgesteld zijn, wordt
-de jager dikwijls rijkelijk beloond voor de geringe moeite, die hem het
-oprichten dezer voortreffelijke vangwerktuigen heeft veroorzaakt.
-Boschhoenders, hazen, eekhorentjes, hermelijnen zijn de meest gewone,
-bunzings, edelmarters en sabels de meer zeldzame slachtoffers.
-Veelvraten en wolven verliezen insgelijks in deze slagvallen hun leven,
-maar deze dieren leeren ze kennen, evengoed als de honden, en vermijden
-ze dan angstig, zoolang zij ter vangst zijn opgesteld, maar schuwen
-daarentegen niet den jager het daarin gevangen wild te ontrooven of aan
-te vreten en zoo te bederven.
-
-Samojeden en Ostjaken zijn, behalve dat zij gebruik maken van
-slagvallen, ook groote liefhebbers van automatische werktuigen, die uit
-boog en pijl, of een zelfwerkenden armborstboog bestaan. De boog, die
-den pijl voortdrijft, is krachtig, de pijl voortreffelijk, en het
-moordwerktuig in zijn geheel zeer gevaarlijk, ook voor onoplettende
-menschen. Zinrijke inrichtingen houden den boog gespannen, pijl en boog
-beide in de goede richting; een houten veêr doet den pijl wegsnellen,
-zoodra een dwars over den weg gespannen koord wordt aangeraakt. Om den
-pijl zoo te richten, dat hij het hart van het slachtoffer kan treffen,
-bedient men zich van een met de grootte van het dier overeenkomend,
-zuilvormig of doorboord mikhout, dat op den weg van het wild gelegd,
-door een van boven aangebracht gat precies de hoogte aangeeft van het
-hart des diers, en van een maat, die den loodrechten afstand aanwijst
-van het hart tot het sleutelbeen, en dus den jager den juisten afstand
-van het mikpunt tot het aftrektouw leert kennen. Daar alle bewoners des
-lands de verschillende sporen van het wild nauwkeurig kennen, stellen
-zij het zelfwerkend apparaat alleen dan tevergeefs op, wanneer een
-ander, in grootte van het dier, dat getroffen moet worden, aanmerkelijk
-afwijkend wild die plaats betreedt. Gewoonlijk heeft men het gemunt op
-vossen, ook dikwijls op wolven, zelfs op elanden en rendieren, terwijl
-daarentegen de automatische armborst voor kleiner wild, zooals
-hermelijnen en eekhoorntjes, wordt bestemd. Voor beide legt men lokaas,
-dat slechts bemachtigd kan worden wanneer het betreffende dier met den
-kop door eene nauwe, aan het voorste, bij gespannen armborsten aan het
-onderste deel van het werktuig aangebrachte opening kruipt. Op dit
-oogenblik valt een stelplankje neêr en het dier wordt door een breeden,
-beitelvormigen, in eene bepaalde richting gehouden pijl, die door de
-armborst met kracht wordt weggeslingerd, gedood.
-
-In den jongsten tijd is behalve dit oorspronkelijk jachtgereedschap ook
-nog het vuurwapen bij de inboorlingen van West-Siberië in gebruik
-gekomen, zonder evenwel het eerste geheel verdrongen te hebben. Om het
-dure kruit en lood te besparen, bedient men zich van kleinmondige,
-verbazend slechte lont-, steen- en slaghoedbuksen, maar men weet van
-deze gebrekkige wapenen een meesterlijk gebruik te maken. Aan geen
-geweer van den West-Siberiër ontbreekt een aan den langen kolf
-bevestigde vork, die tot opleggen dient; ook de meer beschaafde jagers
-bedienen zich hiervan, en men moet zeggen dat het voor een lontgeweer
-onmisbaar is. Hagelroeren bezitten de ambtenaren en de meer welvarende
-stedelingen, niet evenwel de inboorlingen, die van de jacht een bedrijf
-maken en het kruit om zoo te zeggen bij korrels aftellen. Zij vullen
-een kleinen horen met het dure kruit, slaan een looden touw ter dikte
-van het geweer drie of meermalen als een gordel om het lijf en gaan,
-aldus uitgerust, ter jacht. Het looden touw dient voor het maken van
-kogels, die niet gegoten worden, maar stuk voor stuk afgeknipt, of nog
-eenvoudiger, afgebeten; dit stuk lood wordt zonder prop op het kruit
-gelegd en de buks is geladen. Men begrijpt, dat de inboorlingen slechts
-in geval van nood op verren afstand mikken; meestal schieten zij op
-geen grooter afstand dan van eene gemiddelde boomshoogte, maar dan ook
-zoo zeker, dat zij het oog van den sabelmarter of van het eekhoorntje
-tot mikpunt kiezen—en in den regel treffen.
-
-Boschhoenders worden veelvuldiger gejaagd dan ander wild; bij
-honderdduizenden worden deze vogels gevangen en gedood. In den tijd van
-het balderen laat men de auer- en korhoenders bijna overal met rust.
-Van jagersgenot, zooals wij hebben wanneer wij den balderenden auerhaan
-verrassen, is wegens de ontoegankelijkheid der bosschen hier zelden of
-nooit sprake; men verlaat zelfs in de Meimaand ter wille van het
-balderende korhoen zijn warm bed niet, en hoogstens het hazelhoen poogt
-men door het nabootsen van zijn liefdekreten te verschalken. Wie zou
-zich ook zooveel moeite en last op den hals halen, in ’t vooruitzicht
-van misschien toch niet te slagen! In den herfst en in den winter eerst
-loont de jacht, gelijk de Siberiër dit opvat; wanneer de jonge hanen
-ruien, wanneer de koppels zich vereenigen in groote troepen, wanneer
-deze laatste om bessen te zoeken door de wouden trekken, dan is de tijd
-voor de boschhoenderjacht aangebroken. Wie bezwaren van allerlei aard
-niet schuwt, jaagt met zijn honden—meest erbarmelijke keffers—het
-trekkende pluimwild na, en keert in den regel rijk met buit beladen
-terug; wie heeft geleerd op sneeuwschoenen te loopen, zoekt ook in den
-winter het auer- en korhoen op. Zoodra de eerste dikke sneeuwlaag is
-gevallen, breekt er eene periode van rust voor het trekkende wild aan,
-en elke troep kiest zich eene woonplaats uit, die althans voor de
-eerste dagen voedsel genoeg oplevert. In ’t begin van den winter
-voorzien de roode boschbessen, later de vlierbessen daarin overvloedig;
-zijn deze opgegeten, dan nemen de hoenders lariksnaalden en eindelijk
-ook denne- en sparrenaalden voor lief. Ook de onrijpe kegels van al
-deze naaldboomsoorten worden gebruikt. Zoolang zulks mogelijk is zet
-het wild zijn tochten te voet voort, legt in den loop van eenen dag
-dikwijls 10 tot 12 werst af, komt nu en dan de bewoonde plaatsen nabij
-en laat in de versch gevallen sneeuw duidelijke sporen achter, zoodat
-de vervolgende jager het eindelijk inhaalt. Wordt het gedwongen tot het
-eten van naalden over te gaan, dan verraden de drekstoffen aan den
-jager deszelfs spoor; ook de slaapplaatsen geven goede aanwijzingen.
-Afwijkend van de gewoonte zijner in Duitschland levende soortgenooten,
-graaft het Siberische auer- en korhoen meer of minder lange, meest tot
-den grond reikende gangen en kuilen in de sneeuw. Het verlaat deze
-slaapsteden tegen den morgen of bij dreigend gevaar, door zich met
-behulp van eenige vleugelslagen omhoog te werken en het sneeuwdek door
-te breken; deze logementen vallen dus gemakkelijk in het oog, en tevens
-doen zij weten in welken nacht de hoenders daar zijn geweest, zoodat de
-jager ook hierin belangrijke vingerwijzingen heeft. Bij aanhoudenden
-sneeuwval verwijlt het wild dikwijls tot den middag in genoemde
-slaapsteden.
-
-Het valt den jager dikwijls vrij gemakkelijk het wild tot op korten
-afstand te naderen, wanneer dit op de boomen is gevlogen of terwijl het
-met den maaltijd bezig is. Het laat zich door hondengeblaf niet
-verontrusten en het lokaas onder de boomen trekt zoo zijn aandacht, dat
-het den bijsluipenden jager niet opmerkt. Zal zulk een jacht goede
-resultaten opleveren, dan moet een dikke, harde sneeuwlaag den grond
-bedekken, alle spleten en oneffenheden hebben opgevuld en den jager op
-zijn sneeuwschoenen kunnen dragen.
-
-Gemakkelijker en ook winstgevender is de jacht met den boelban, een
-houten pop, die den vorm van het te vangen dier nabootst. Men begeeft
-zich in den herfst, vóór het aanbreken van den dag naar het bosch,
-verbergt zich in eene hut van rijswerk, die men in allerijl opslaat,
-of, wat beter is, die men van te voren reeds heeft gebouwd. Anderen
-richten nu den boelban op, een opgestopte of uit hout en werk
-vervaardigde, met zwarte witte en roode lappen overtrokken, en een
-levenden vogel zoo goed mogelijk nabootsenden pophaan. De boelban wordt
-zoodanig in een der hoogste boomen bevestigd, dat hij met den kop tegen
-den wind in is geplaatst. Nu wordt het omliggende boschterrein met
-behulp van honden afgedreven; alle jonge of nog niet door vroegere
-ervaring wijs gemaakte korhoenders, die opgeschrikt zijn geworden en
-den boelban in ’t oog krijgen, vliegen naar den valschen, hun
-veiligheid belovenden kameraad en zetten zich naast hem neder. De jager
-in de rijshut, behalve met zijn kleinmondig, weinig knalgevend geweer,
-ook nog met een hagelroer gewapend, heeft onder de dozijnen dezer
-vogels de ruimste keus.
-
-In die bosschen, welke gedurende den zomer nog niet verontrust zijn
-geworden, let het korhoen zoo weinig op den zwakken knal dezer soort
-van geweren, dat het zelfs niet wegvliegt wanneer een naast hem
-zittende makker getroffen van den boom stort; met uitgerekten hals
-staart hij den vallenden kameraad na en blijft rustig zitten, zoodat de
-schutter nog eens en nog eens kan laden en vuren. Daar de korhoenders
-zeer talrijk zijn, kan een jager soms in een enkelen morgen uit
-dezelfde hut twintig en meer dezer dieren neêrschieten.
-
-Niet minder winstgevend en den jager in hooge mate bevredigend is de
-jacht op hazelhoenders, gelijk deze in Siberië kan plaats hebben.
-Toebereidselen, van welken aard ook, zijn hierbij onnoodig; zelfs zijn
-gedresseerde honden, ofschoon men van deze goede diensten kan hebben,
-niet volstrekt onontbeerlijk. Het hazelhoen is in alle daarvoor
-geschikte bosschen van West-Siberië zeer menigvuldig, nog menigvuldiger
-misschien dan het auer- en korhoen, maar het leeft zoo stil, dat men
-het zelfs dan nog over ’t hoofd kan zien, wanneer het in groote ketens
-de wouden bevolkt. Tot zulke groote gezelschappen als zijn verwanten,
-vereenigt het zich nooit; ook trekt het niet zoo ver en is juist daarom
-meer gelijkmatig over de woudwoestijnen verspreid, weshalve het dan ook
-eerder in het bereik van den jager komt dan alle andere boschhoenders.
-In den zomer is het voor goed aan het oog van den onervaren jager
-onttrokken en het schijnt dezen toe alsof het wild verdwenen is; in den
-herfst ontwaart men het overal, zelfs op die plaatsen, waar men het
-eenige maanden geleden tevergeefs zocht. Het hazelhoen is niet minder
-verzot op bessen dan zijn bloedverwanten, en ten einde die lekkernij
-machtig te worden, houdt het zich ook op meer uitgestrekte, ontbloote
-deelen op, die het in het voorjaar en in den zomer zorgvuldig vermeed.
-Maar zelfs hier weet het zich aan den blik te onttrekken. Het ligt veel
-vaster dan het auer- en korhoen, en duikt zoolang mogelijk neêr als er
-iemand nadert, zonder zich daarbij echter angstig te verbergen, om
-eerst dan op te staan als de vijand zeer nabij is. Als het opvliegt
-maakt het zoo weinig geraas, dat men het ook nu nog niet ziet of hoort;
-elke patrijs, ja elke snip maakt meer geraas dan dit lieve dier, van
-hetwelk men alleen bij het opstaan een zacht geritsel hoort.
-Opgeschrikt zijnde vliegt het gewoonlijk, ofschoon niet altijd, in een
-der naastbij staande denneboomen en laat zich hier op den eersten den
-besten tak neêr, maar blijft verder zoo rustig zitten dat men het ook
-hier weder even weinig opmerkt als te voren. Dikwijls spant men zich
-langen tijd tevergeefs in om het in ’t oog te krijgen; men denkt dat
-het reeds heimelijk weggevlogen is en wordt eerst door zijn afvliegen,
-of doordat het eenig licht gedruisch laat hooren er tot zijn
-verwondering opmerkzaam op gemaakt, dat het geheel ongedekt op
-denzelfden tak zat, waar men het herhaaldelijk had gezocht. De aan alle
-hoenders zoo eigen geschiktheid om zich voor het oog van anderen te
-verbergen, heeft bij het hazelhoen haar toppunt bereikt. Voor zijn
-verblijf kiest het hoen het liefst moerassige of met mos begroeide, aan
-blauwe en roode boschbessen rijke deelen van het woud, die door oude
-afgestorven en jonge boomen omgeven zijn. Hier weet het van elke
-bedekking zulk een geschikt gebruik te maken, dat men het gewoonlijk
-eerst dan waarneemt, wanneer het voor zijn veiligheid naar een der
-afgestorven groote boomen vliegt. Verroert het zich niet, dan meent men
-een boomknoest te zien, want hierop gelijkt het sprekend; het schijnt
-zich zelf bewust te zijn, dat het zich gerust verlaten kan op de
-overeenstemming zijner eigene kleur met die der omgeving. Niettemin
-kijkt het dier, zoolang het vrij zit, nu en dan bezorgd in ’t rond, en
-dreigt er gevaar, dan verlaat het zoo spoedig mogelijk en even stil
-zijn hoogen zetel, als het er op gevlogen was. Voor den jager is het
-een lust op dezen vogel te jagen. Men kan hem overal in het woud
-ontmoeten en weet niet, hoe men hem zal aantreffen; elk hulpmiddel laat
-ons hier in den steek, maar men loopt nu ook geen gevaar door minder
-geoefende jachtgezellen gehinderd te worden, terwijl de voortdurende
-spanning, waarin men verkeert, te meer wordt beloond en de vroolijke
-opgewondenheid, die deze soort van jacht te weeg brengt, nog meer genot
-verschaft dan het wildbraad zelf, ofschoon het moet erkend worden, dat
-dit allerkostlijkst is.
-
-De boschhoenders zijn, zoowel wat het jachtvermaak als hunne beteekenis
-voor de volkswelvaart betreft, van zoo groot belang, dat het edelste
-haaswild van West-Siberië hierbij haast in ’t niet verzinkt. De vier
-soorten van herten, die men hier aantreft, worden om vele, echter alle
-even onvoldoende redenen, veel minder geacht dan zij verdienen, en, zoo
-niet op bepaald ruwe, toch weinig aantrekkelijke, zelfs walgelijke
-wijze uitgeroeid. Zulks geldt inzonderheid van het maralhert. Dit
-trotsche, fiere dier, volgens de opvatting van sommigen een reusachtig
-edelhert, volgens anderen eene afzonderlijke aan ’t genoemde sterk
-verwante, maar door meerdere lichaamsgrootte en krachtiger gewei
-daarvan afwijkende soort der hertenfamilie, bewoont alle bosschen van
-het zuiden, bij voorkeur de bergwouden, en komt hier waarschijnlijk
-minder zeldzaam voor dan men met het oog op de rustelooze jaagzucht van
-inboorlingen en vreemdelingen wel denken zou. Die jaagzucht bedreigt
-het maralhert juist in een tijd, dat het gespaard moest blijven, en
-zulks om eene zeer eigenaardige reden.
-
-Allen Noord-Aziatischen jagers is het bij dit hert niet om het vleesch,
-niet om den pels, maar enkel en alleen om het nog groeiende, nog niet
-volkomen vertakte en nog met de huid bedekte gewei te doen. Hieruit
-bereiden de Chineesche geneesheeren of kwakzalvers eene tegen goud
-opgewogen artsenij, die zeer gezocht wordt door alle rijke vergrijsde
-zonen van het Hemelsche Rijk en klaarblijkelijk doorgaat voor een
-opwekkend middel, dat zijn equivalent niet bezit. Het meest gewild zijn
-de half vertakte, nog rijkelijk met bloed gevulde zesenders; men
-betaalt er van 120 tot 180 gulden voor, terwijl men volkomen
-uitgegroeide geweien met 12 en 14 takken voor niet meer dan vijf of
-tien gulden kan verkoopen. Niet alleen de Mongolen van Noord- en
-Middel-Azië, maar ook de Siberiërs van Russische afkomst beijveren zich
-om deze kostbare geweien te bemachtigen en zoo spoedig mogelijk met de
-post naar Kiachta te verzenden, vanwaar vaste kooplieden ze jaarlijks
-bij duizenden naar China voeren, en altijd nog overtreft de vraag het
-aanbod. De Siberische boeren houden maralherten in gevangenschap, enkel
-met het doel om op het geschikte tijdstip de met bloed gevulde geweien
-af te zagen en te verkoopen. Daar nu, gelijk men weet, alle herten in
-den tijd, dat zij van gewei verwisselen, dicht begroeide plaatsen
-mijden en ook minder omzichtig zijn, en daar spiesherten en
-gaffelherten evenmin verschoond worden als kroonherten, is het
-duidelijk, dat de hoeveelheid van dit wild aanzienlijk moet
-verminderen, en ook de vermenigvuldiging verbazend wordt tegengegaan.
-Wildbraad en pels komen bij deze slachterij niet of weinig in
-aanmerking; en mocht het eenige moeite kosten het gedoode dier naar
-huis te dragen, dan laat men het eenvoudig liggen, ten prooi van wolven
-en vossen.
-
-Evenals het maralhert is ook de Siberische ree of reuzenree van de bij
-ons te lande voorkomende soort onderscheiden door haar meerdere
-lichaamsgrootte en haar hoog, bij den rozenstok zwak ontwikkeld gewei.
-Of de Siberische ree als eene afzonderlijke soort moet beschouwd
-worden, zulks maakt bij de natuurkundigen nog steeds een punt van nader
-onderzoek uit. Dit hert bewoont in Siberië bij voorkeur zulke gedeelten
-van het woud, die zich van een vroegeren brand beginnen te herstellen,
-daar waar veel Altaï-dennen groeien, de zoomen der bosschen en klein
-struikgewas; het stijgt in het gebergte tot aanzienlijke hoogten op,
-niet zelden tot boven de grens van den boomgroei en ook waagt het zich
-naar buiten, in de steppe, in gezelschap van steenbokken, wilde schapen
-en antilopen. Overeenkomstig de bijzondere gesteldheid des lands,
-onderneemt het nu en dan wandeltochten, ook zonder dat boschbranden
-daartoe aanleiding geven, legt daarbij groote wegen af en zwemt zonder
-schroom breede rivieren over.
-
-Soms verschijnt het in oorden, waar men het in jaren niet had gezien,
-vestigt zich hier en onderneemt van daar uit nu en dan strooptochten;
-gewoonlijk blijft het op deze rondzwervingen op bepaalde wegen, doch
-wordt nu en dan ook wel eens gedwongen zeer nauwe paden in te slaan.
-Rotsachtige, steil afvallende oevers van groote stroomen noodzaken het
-dwarsdalen en kloven in te slaan, alwaar het zijn verderf te gemoet
-gaat, daar men zulke passen met heggen verspert, waarachter valkuilen
-zijn aangebracht. Op alle tijden des jaars ziet het zich bedreigd door
-wolven en losschen, Russen en inboorlingen. Men jaagt het, gelijk alle
-wild, zonder verschooning, trekt van alle omstandigheden partij en
-beproeft elke list om het dier machtig te worden. Als de sneeuw begint
-te smelten, maar koude nachten de bovenste sneeuwlaag in eene dunne
-ijskorst veranderen, trekt men ter jacht op het maralhert. De jagers
-zitten te paard en worden door honden vergezeld; ook zetten zij het
-hert wel op sneeuwschoenen na, drijven het onder getier en geschreeuw
-voor zich uit, en vermoeien het te eerder, naarmate de ijskorst harder
-is en de gebroken stukken het dier de pooten verwonden. In het voorjaar
-lokt men de hinden door de stem der jongen na te bootsen; in den
-bronsttijd den bok door het geluid te laten hooren van de antwoordende
-hinde, in het tijdperk daar tusschen gelegen beide geslachten door het
-aanleggen van kunstmatige zoutvlakten. In den herfst richt men
-drijfjachten aan, of vervolgt het trekkende hert, als het de rivieren
-overzwemt, in booten, om het in het water den doodsteek te geven; in
-den voorwinter achtervolgt men het met sleden en zendt het van deze uit
-het moordend lood achterna. Het eenige middel wat men niet gebruikt is
-het stellen van strikken, een geliefkoosd middel bij de Duitsche
-stroopers; misschien, omdat de spanboog betere resultaten belooft.
-
-De eland voert onder veel gunstiger voorwaarden den strijd om het
-bestaan. Woonplaats, levenswijs, kracht en weerbaarheid beveiligen dit
-wild tegen vele, zoo niet de meeste vervolgingen. In den vollen zin des
-woords een dier des wouds, in poelen en moerassen even goed te huis als
-in het kreupelhout en onder hoog geboomte, alle hinderpalen van woud en
-moeras gelijkelijk het hoofd biedende, door zijn voedsel ook
-gevrijwaard voor wintergebrek, ontkomt het gemakkelijker dan alle ander
-wild zoo wel aan de vervolgingen van den mensch als aan andere
-vijanden.
-
-Onder deze laatsten behooren wolf en losch, beer en veelvraat; toch is
-het twijfelachtig of al deze roovers veel vermindering brengen in het
-aantal elanden. Want deze dieren bezitten in hunne scherp snijdende
-hoeven bijna nog beter weermiddelen dan in hun gewei en zij weten van
-de eerste een even goed gebruik te maken als van het laatste. De eland
-delft wel is waar het onderspit wanneer een beer hem toevallig ontmoet
-en bespringt, maar een enkelen wolf werpt hij onmiddellijk ter aarde.
-Zelfs bestaat hij soms zegevierend den strijd tegen eene bende dezer
-altijd hongerige roovers, en wat den losch en den veelvraat betreft,
-het verhaal, dat deze hem op den rug zouden springen en den
-halsslagader doorbijten, vereischt nog bevestiging. Tegenover den
-mensch alleen is de eland weêrloos. Toch is de jacht op dit dier in de
-Siberische bosschen een ellendig bedrijf, waarmede zich dan ook
-uitsluitend de inboorlingen bezighouden. In den zomer kan men het water
-beminnend wild moeilijk nabij komen; het huist alsdan meerendeels in
-poelen en moerassen, overdag tusschen hooge moerasplanten in een voor
-hem alleen toegankelijk leger rustende, ’s nachts voedsel zoekende. De
-sappige stengels en wortels der waterplanten vindt hij lekkerder dan de
-scherpe carexsoorten. Om deze reden begeeft hij zich, als hij wil
-grazen naar de diepere gedeelten van het moeras, haalt de planten zelfs
-uit het water, steekt zijn plompen kop tot aan de wortels der ooren,
-die veel op ezelsooren gelijken, in het slijkige water, zoodat de
-neusgaten hiermede onwillekeurig worden opgevuld, en slingert, telkens
-als hij den kop omhoogheft, onder een luid, ver klinkend gesnuif, het
-ingedrongen vocht uit mond en neus. Ervaringrijke jagers hebben, naar
-aanleiding van deze wijze van voeden, een bijzondere manier van jagen
-uitgedacht. Men bespiedt eenige achtereenvolgende nachten het wild,
-brengt dan gedurende den dag in alle stilte lichte, ondiep gaande
-booten in gereedheid en roeit in den nacht, op het snuivend geluid
-afgaande, zoo stil mogelijk naar de grazende elanden, wier reuk- en
-speurvermogen, ten gevolge van het herhaalde onderduiken, zeer
-verminderd werd, om ze vervolgens met schietgeweer te dooden. De
-helderheid der Noordsche zomernachten maakt het ontkomen even
-gemakkelijk als het de nadering bemoeilijkt; de jacht is echter juist
-hierom zoo opwekkend, zoodat vurige jagers er zich met hartstocht en
-soms ook met goed gevolg aan wijden. Valt de vorst in dan verlaat de
-eland de moerassen, omdat het gescheurde en gespleten ijsdek het loopen
-bemoeilijkt; het dier zoekt nu de meer droge gedeelten van het woud op,
-totdat de dik gevallen sneeuw hem dwingt ook deze te verlaten, en òf
-een betere woonplaats uit te vinden, òf rond te dolen. In dezen tijd
-geeft men de voorkeur aan de jacht met goed gedresseerde en bovenal
-rustige honden. Op zijn strooptochten waagt de eland zich zelfs in de
-dorpen, maar verraadt zich alras door zijn kenbaar spoor; spoedig zit
-hem dan ook de jager op de hielen. Nu laat men de honden los, die het
-wild moeten vermoeien, echter niet verjagen. Daarom mogen zij het niet
-van achteren aangrijpen, ook niet te nabij komen, maar blaffend moeten
-zij er om heen springen, om zijn geheele opmerkzaamheid te trekken.
-Ziet de eland zich op deze wijze van voren bedreigd, dan blijft hij na
-een poosje vooruit te zijn gesukkeld, eindelijk staan, bekijkt onrustig
-de honden, schijnt ze aan te willen vallen, doet dit echter hoogst
-zelden, en deze besluiteloosheid schenkt den jager den tijd om te
-naderen en een zeker schot te lossen. Wordt een kleine kudde elanden
-plotseling door de honden verrast en in de engte gedreven, dan kunnen
-zij dermate de bezinning verliezen, dat een vlug en goed uitgerust
-schutter er meerdere na elkander velt. Worden oude, ervaren elanden in
-den winter, wanneer er dik sneeuw ligt, langen tijd vervolgd, dan slaan
-zij den eersten den besten gebaanden weg in, dien zij ontmoeten,
-sukkelen daarop voort, onbedacht of zij den weg naar het bosch of naar
-een dorp inslaan. Zoo geraken zij niet zelden in de onmiddellijke
-omgeving der bewoonde plaatsen om nu eerst de richting naar het woud te
-kiezen. Harde, bevroren sneeuwkorsten zijn voor de elanden even
-noodlottig als voor de reeën; want onverschrokken en bekwame jagers
-vallen hen onder zulke omstandigheden zelfs met de zwijnsspriet aan; op
-hunne sneeuwschoenen halen zij het dier spoedig in, matten het af en
-gebruiken nu het primitieve jachtwapen. Het vleesch der elanden maakt
-bij de inboorlingen en kolonisten een geliefkoosd wildbraad uit; het is
-evenwel zeer goedkoop. De huid echter vindt tegen 6 à 8 roebels grage
-koopers en levert den broodjager genoeg belooning op voor zijn moeite
-en inspanning.
-
-Het wilde rendier is wel is waar eigenlijk een bewoner der toendra,
-doch het wordt ook langs den geheelen woudgordel aangetroffen. Men
-vindt dit dier geregeld op de oostelijke hellingen van den Oeral,
-alsmede in de dichte bosschen en op de hooge gedeelten van het
-gebergte; de jagers spreken daarom van bosch- en bergdieren en
-schrijven aan beiden verschillende eigenschappen toe—zonder deze
-evenwel op te noemen. Het rendier toont minder vrees voor bewoonde
-oorden dan andere hertensoorten, hetgeen misschien te verklaren is uit
-de omstandigheid, dat er onder de gedoode dieren, behalve wilde, ook
-verwilderde voorkomen, die men herkent aan de brandmerken of aan de
-sneden in de ooren. Deze hebben waarschijnlijk in den bronsttijd de
-kudden der Samojeden en Ostjaken verlaten en zijn al verder zuidwaarts
-getrokken, totdat zij wilde bloedverwanten ontmoetten en nu met deze
-bleven samenleven. Eens het slavenjuk ontloopen nemen zij verbazend
-snel alle wilde gewoonten weder aan. Als jachtdieren vervullen zij
-onder de woudbewoners evenmin eene belangrijke rol als het wilde
-rendier. Men doodt het rendier wanneer en op welke wijze men maar kan;
-enkele vurige jagers van Russische afkomst uitgezonderd, wordt er
-echter alleen door inboorlingen met volharding en lust op gejaagd.
-
-Tot het eetbare wild rekenen alle verstandige menschen ook den haas;
-slechts Semieten en Russen denken er anders over. Dientengevolge wordt
-de jacht op deze dieren in West-Siberië eenig en alleen gedreven door
-beschaafde en onbevooroordeelde Siberiërs van Russische afkomst, en
-door de boven alle spijswetten verheven inboorlingen van het noorden
-van ons gebied. Want ook het vel van den poolhaas heeft, omdat het zoo
-wreed wordt, weinig waarde in de oogen der jagers. Misschien wordt het
-wel om die reden door de heidensche bewoners des lands aan hun goden
-geofferd. Niettegenstaande de onverschilligheid, waarmede de
-woudbewoners het door ons zoo hoog gewaardeerde knaagdier beschouwen,
-zoodat zij het niet zelden laten loopen, is de haas nergens in grooten
-getale aanwezig. Velen laten in slagvallen hun leven, anderen strekken
-ten prooi aan wolven, vossen en losschen, terwijl ook de strenge
-winter, die hen tot verre tochten dwingt, hun noodlottig wordt.
-Belangrijk kan men dit wild dus in geen opzicht noemen.
-
-Onder de niet eetbare pelsdieren van den boomgordel komt aan den wolf
-de eereplaats toe, in zooverre als hij het meest gehaat en het meest
-vervolgd wordt. Wel beweert men dat de schade, die hij den mensch
-onmiddellijk berokkent, niet van zoo groote beteekenis is, althans niet
-onoverkomelijk, maar nooit verzuimt men de gelegenheid om dit dier
-machtig te worden. Het staat vast, dat de wolf in West-Siberië slechts
-bij uitzondering in groote troepen optreedt, en nog zeldzamer den
-mensch aanvalt; maar even zeker is het ook, dat hij aan het
-huisgedierte veel schade toebrengt, terwijl die schade dan alleen in de
-oogen valt, wanneer men de aanzienlijke verliezen, die de kudden der
-trekkende herders, zoowel van steppe als toendra door den wolf lijden,
-mede in rekening brengt. De talrijkheid, waarmede dit dier in den
-boomgordel optreedt, is zelfs bij benadering niet te schatten. De wolf
-is overal en nergens; vandaag vallen zij in de kudde van een of ander
-dorp, waar men ze sinds jaren niet bespeurde, en morgen doen zij zulks
-elders; zij verlaten plotseling sommige streken en keeren er
-onverwachts weêr in terug, hier met elke vervolging spottend, ginds op
-geen tegenweer zelfs bedacht. Groote, veel bereisde wegen en aan weiden
-rijke oorden trekken hen bijzonder aan, omdat zij daar in de lijken der
-paarden, hier in de zonder opzicht rondloopende, zelfs diep in het woud
-doorgedrongen huisdieren een gemakkelijke prooi vinden; toch ontbreken
-de wolven ook niet in boschrijke streken, die buiten alle menschelijk
-verkeer liggen. Soms ziet men hen, afzonderlijk of in kleine troepen
-vereenigd, op vollen dag in de onmiddellijke nabijheid der woningen
-dwalen; niet zelden trekken zij des nachts door de dorpen, ja zelfs
-door de steden. Zij rooven in een enkelen nacht dozijnen schapen,
-overvallen paarden en runderen, niet dikwijls evenwel honden, die
-elders een begeerige buit voor hen zijn. Zij ontzien eenig en alleen de
-dappere zwijnen, die terstond den strijd met hen wagen en gewoonlijk
-als overwinnaars uit het perk treden.
-
-Evenals onder de Russen heerscht ook bij de Siberiërs het bijgeloof,
-dat de zogende wolvin zich wel wacht in de nabijheid van haar jongen te
-gaan jagen, maar zich op eene vreeselijke wijze wreekt, wanneer men
-haar welpen aantast; dat zij den roover tot in het dorp, alwaar hij
-woont, vervolgt en in toomlooze woede verdelgend in diens kudde valt,
-enz. Ieder Siberiër laat uit vrees voor deze wraakzucht een door hem
-gevonden nest met jonge wolven onaangeroerd, en slechts enkelen wagen
-het de jonge wolfjes een Achillespees door te snijden, ten einde ze te
-verlammen, zoodat zij genoodzaakt zijn tot aan den herfst op de plaats
-hunner geboorte te blijven. Want, naarmate de jongen in grootte
-toenemen, vermindert, gelijk men meent, de liefde der moeder, en tevens
-haar wraakzucht, terwijl de slimme boeren nog daarenboven in de
-herfstpels eene extra-vergoeding vinden voor dit uitstel van executie.
-
-De middelen, die men gebruikt om de wolven machtig te worden,
-verschillen zeer naar gelang van plaats en gelegenheid. Kuilen,
-klemmen, strychnine, stelbogen, enz. doen goede diensten; drijfjachten
-daarentegen hebben zelden een gunstig gevolg. Liever tracht men den
-wolf met de slede na te rijden, en hem van hier uit neêr te schieten.
-Men heeft hem dan eerst op de volgende slimme manier gelokt.
-
-Voor een wijde slede wordt een oud, zeer mak of halfdood paard
-gespannen, terwijl daarin vier jachtgezellen plaats nemen, t.w. de
-koetsier, twee schutters en een matig groot varken. De koetsier, die
-enkel op zijn paard heeft te letten, neemt plaats op den bok; de beide
-schutters zitten met den rug naar den voorkant der slede en houden het
-varken, in een zak gebonden, tusschen zich in. Tegen het vallen van den
-avond rijdt het gezelschap op een harden weg uit en slaat de richting
-in naar het bosch, alwaar men daags te voren versche wolfssporen heeft
-gezien. Een der schutters werpt nu, zoodra men deze sporen heeft
-weêrgevonden, een aan een lang touw bevestigden, los met hooi
-opgevulden zak uit de slede en laat dien naslepen, terwijl
-ondertusschen de ander het varken op allerlei wijzen plaagt en tergt om
-het tot schreeuwen te dwingen. Isegrim hoort dit geluid, denkt
-waarschijnlijk, dat dit geschrei afkomstig is van een afgedwaald
-biggetje en nadert stil en voorzichtig, d.w.z. zooveel mogelijk
-ongezien, den weg, krijgt het naslepend pakje in ’t oog, meent daarin
-het schreeuwend varken te herkennen, en besluit na lang nadenken en
-dralen het arme dier uit zijn lijden te verlossen. Met een flinken
-sprong verschijnt hij op den weg en draaft begeerig achter de slede
-aan. Wat geeft hij om de dreigende gedaanten daar in het voertuig?!
-Heeft hij zulke wezens niet dikwijls genoeg van nabij gezien en onder
-hun oogen geroofd? Nader en nader komt hij de slede, die intusschen met
-versnelde vaart haar tocht voortzet; nog erger mishandelingen doen het
-varken nog meer schreeuwen; steeds luider en klagender worden de
-jammerkreten; zinsverbijsterend werken deze op den roover—nog een
-sprong, daar knallen twee schoten en rochelend ligt het ondier ter
-aarde.
-
-Even boosaardig als deze soort van jacht is een andere, die almede zeer
-gebruikelijk is in dit land. Op geringen afstand van het dorp omheint
-men een cirkelvormige plek van ongeveer twee meter in middellijn met
-sterke, dicht naast elkaar, diep in den grond gedreven palen; deze
-kring wordt omgeven van een tweeden, die overal op gelijken afstand,
-b.v. veertig, hoogstens vijftig centimeter, van den eersten verwijderd
-is. Twee zeer dikke palen dienen tot posten voor een deur, die uit een
-sterke plank is vervaardigd, in stevige scharnieren draait en van
-automatische sluitboomen is voorzien. Die palen zijn zoo gesteld, dat
-de deur zich slechts naar binnen kan openen, doch als men er van binnen
-tegen aandrukt zich vanzelf sluit door de neêrvallende boomen. Beide
-cirkelvormige, omheinde plaatsen zijn wel is waar van boven niet dicht,
-maar wel stevig overdekt. Door middel van een valdeur verkrijgt men
-toegang tot de binnenste ruimte. Zoodra men nu ontdekt, dat de wolven
-nachtelijke bezoeken in het dorp brengen, maakt men de val in
-gereedheid. Men brengt een levende geit in de binnenste ruimte en opent
-de deur, welke in de buitenste ruimte leidt. Het jammerlijk blaten der
-geit lokt Isegrim. Hij is wel is waar niet ten volle gerust bij ’t
-aanschouwen van dien ongewonen stal, maar weldra zet hij alle vrees op
-zij; het arme geitje, nu het den gevreesden vijand in zijn nabijheid
-ziet, jammert steeds meer en dit prikkelt de vraatzucht van den wolf.
-Herhaalde malen rent deze met steeds klimmende bloedgierigheid en drift
-om het staketsel, snuffelt, ruikt, nadert, gaat terug en kijkt
-aandachtig naar de eenige opening, die hem de gelegenheid schijnt aan
-te bieden om de geit te lijf te gaan.
-
-Eindelijk krijgt de hartstocht de overhand op zijn aangeboren sluwheid.
-Nog dralend, maar steeds naderbijkomend, dringt hij eindelijk kop en
-lichaam door de nauwe opening.
-
-Vol wanhoop drukt zich de geit aan den tegenovergestelden kant der
-binnenste omheining. Zonder nader overleg volgt de roover haar. De geit
-loopt den kring rond, de roover doet hetzelfde, slechts met dit
-verschil, dat de laatste zich tusschen twee rijen palen moet bewegen.
-Daar belemmert de deur zijn schreden. Maar het offer is thans zoo nabij
-en zoo zeker te pakken! Onstuimig jaagt hij voorwaarts, de grendel valt
-voor de weggedrongen en tegen het palissadenwerk gedrukte deur in de
-passende keep, en ... gevangen is de wantrouwende, voorzichtige
-lomperd; gevangen, zonder in staat te zijn den begeerden buit te
-naderen. Zich niet kunnende wenden, in het diepst zijns harten
-vertoornd, loopt, draaft, jaagt hij rusteloos voorwaarts, altijd in ’t
-rond, een eindeloozen weg hierbij afleggend. De verstandige geit
-begrijpt alras den toestand, en blijft eindelijk, ofschoon nog steeds
-jammerende, in ’t midden der ruimte staan; de wolf ziet eveneens
-eindelijk het vruchtelooze van zijn rondloopen in, tracht zijn vrijheid
-te herkrijgen, scheurt met zijn tanden spaanders van een voet lengte
-uit het hout, huilt met half gesmoorde stem van woede en
-angst—tevergeefs! Na een nacht vol leed en kwelling begint het te
-schemeren; de morgen breekt aan—zijn laatsten morgen. In het dorp komt
-beweging; menschenstemmen mengen zich in het geblaf der honden.
-Donkere, door bassende honden vergezelde mannen naderen het
-treurtooneel. Onbewegelijk, een lijk gelijk, ligt de wolf op den grond;
-nauwelijks verraadt een blikken zijner oogen, dat er nog leven in hem
-is. Met woest geblaf omringen de honden het buitenstaketsel; hij
-beweegt zich niet. Met hoonend gelach begroeten de mannen hun
-gevangene; deze blijft roerloos liggen. Maar noch de honden, noch de
-menschen laten zich bedotten. Door de palen zich heen willende wringen,
-trachten de eersten den schijndoode te pakken, de laatsten pogen hem
-den aartsvaderlijken paardenstrik, den arkan over den kop te werpen.
-Nog eenmaal springt het roofdier op, nog eenmaal raast het door den
-martelaarsweg, huilend tracht het schrik in te boezemen, bijtend zich
-te weer te stellen, tevergeefs—de vreeselijke strik mist zijn
-uitwerking niet; nog eenige minuten en hij is geworgd.
-
-De vos leeft overal met den wolf in vijandschap en wordt door dezen
-belaagd, gejaagd, gedood en opgegeten. Dientengevolge is de vos in
-Siberië niet menigvuldig; hem uit te roeien vermocht tot dusverre noch
-zijn vijandelijk gezinde bloedverwant, noch de mensch. In het oostelijk
-deel van den woudgordel onderneemt hij bij tijd en wijle uitgestrekte
-wandeltochten, terwijl hij of hazen of boschhoenders nazit; in het
-westen schijnt men tot dusverre deze opmerking nog niet gemaakt te
-hebben. Over schade, die hij zou aanrichten, klaagt men in Siberië
-niet; toch wordt er ijverig jacht op hem gemaakt, daar zijn vel zoowel
-bij de Russen als bij de inboorlingen hoog in aanzien staat; dit wordt
-zelfs zeer duur betaald, indien het bijzonder schoon van kleur is. Als
-jachtdier wordt de sabelmarter alleen hooger gesteld. Jagers van beroep
-ondernemen ’s winters enkel om den vos jachten, die bijna even diep in
-de bosschen leiden als de sabeljager hierin doordringt; Ostjaken en
-Samojeden stellen hunne automatische schietbogen voornamelijk voor den
-vos, en vinden geen moeite te groot om een nest uitvindig te maken, dat
-jongen bevat. Deze worden uitgegraven, echter niet om ze te dooden,
-maar om ze zorgvuldig op te kweeken en te verplegen, totdat ze groot en
-krachtig zijn geworden en met den eersten of tweeden winter een pels
-hebben erlangd, die den braven dierenverzorger meer waard is dan het
-leven zijner lieve pleegkinderen en deze zonder genade doet overleveren
-aan den worgenden strik.
-
-Onder zekere voorwaarden mag ook de poolvos tot de dieren van den
-woudgordel gerekend worden; in de bosschen zelf dringt dit dier evenwel
-niet, maar hij volgt in den winter hoogstens den loop der groote
-rivieren om nu en dan in het zuiden der toendra, zijn eigenlijke
-woonplaats, op trekkende hazen en moerashoenders te jagen.
-
-Een boschbewoner daarentegen in den volsten zin des woords is de losch.
-Deze leeft ook in Siberië eenzaam en wordt maar zelden gevangen.
-Waarschijnlijk verlaat hij zijn eigenlijke verblijfplaats, de dichtste
-deelen van het binnenste der bosschen, alleen dan, wanneer gebrek aan
-voedsel of het gevoel der liefde hem drijft; alsdan nadert hij den zoom
-des wouds. Ervaren jagers van den oostelijken Oeral beweren, dat hij
-met den beer niet alleen dezelfde woonplaats deelt, maar ook in de
-nabijheid van diens winterkwartier blijft toeven, nadat deze reeds den
-winterslaap heeft aangevangen. Dezelfde jagers verzekeren, dat de
-voorliefde van den losch voor de winterslaapstede des beers dezen in
-den val brengt, daar men eenvoudig op die plaatsen, alwaar de meeste
-sporen van den losch elkaar kruisen, een nader onderzoek in ’t werk
-heeft te stellen, terwijl men te meer zeker is van een goeden uitslag,
-indien men een kringvormig spoor aantreft, dewijl dit steeds om het
-winterkwartier van den beer heenloopt. De gewoonte van den losch om met
-bijkans angstvallige zorgvuldigheid altijd weer in het oude spoor te
-treden, zou het opsporen van den beer zeer in de hand werken. Ter
-nadere verklaring voegt men aan deze verhalen nog toe, dat de losch in
-Siberië zeer belust is op versch aas, en dus waarschijnlijk de
-nabuurschap van een beer opzoekt om, als de gelegenheid zich voordoet,
-te smullen van de overblijfsels van het berenmaal. Wel is waar weet men
-ook van den losch te vertellen, dat hij zeer goed in staat is om ook
-zonder de hulp van een zoo twijfelachtigen vriend grof wild te
-bemachtigen, en dat hij in het bijzonder rendieren en reeën naarstig
-vervolgt en spoedig vermeestert, maar men verzekert er geregeld bij,
-dat de jacht van den losch hoofdzakelijk bepaald blijft tot klein wild;
-als zoodanig noemt men hazen, aard- en boomeekhoorntjes, auerhoenders,
-korhoenders en hazelhoenders, muizen, jonge vogels van allerlei soort
-en meer andere dieren.
-
-Wij hebben geen reden om deze opgaaf te wantrouwen; daardoor toch wordt
-ook het zeldzaam voorkomen van dit roofdier in alle voor den mensch
-toegankelijke grenswouden of boschzoomen verklaard. Zoolang er
-eekhoorntjes en zwart vogelwild in het binnenste der bosschen huizen,
-heeft de losch geen aanleiding om de door den mensch niet bezochte
-wildernis te verlaten; als die dieren beginnen te trekken moet ook hij
-echter wel volgen. Hoeveel vrees het zwarte vogelwild voor hem koestert
-merkt men daaraan, dat elk balderend auer- of korhoen oogenblikkelijk
-zwijgt, wanneer een losch zich laat hooren.
-
-De losschenjacht geldt bij vreemdelingen en Siberiërs voor een zeer
-edel jachtvermaak. De zeldzaamheid, voorzichtigheid, vlugheid en
-weerbaarheid van den trotschen lynx bezielt iederen jager en zoowel de
-huid als het vleesch van het gedoode roofdier schenkt een niet
-onaanzienlijk gewin. De huid wordt van uit West-Siberië vooral naar
-China verzonden en daar goed betaald; het vleesch wordt niet enkel
-gegeten door de Mongoolsche bevolking, maar ook door de meeste
-Russische kolonisten, en allen vinden het een kostelijk gebraad. In
-slagvallen laat de losch zich niet dikwijls vangen; hij werpt ze vaak
-omver wanneer zijn weg hem langs de slagboomen voert en hij bij toeval
-op de stelplank trapt; ook de automatische schietboog mist bij hem
-meestal het doel, terwijl hij over de op zijn spoor gelegde klem
-meestal heenspringt; den jager rest alzoo slechts het geweer.
-Natuurlijk jaagt men den losch enkel in den winter, wanneer er sneeuw
-ligt en dus zijn spoor zichtbaar is, en men gebruik kan maken van
-sneeuwschoenen. Dappere honden drijven het eindelijk opgespoorde
-roofdier op een boom of op den grond, waarbij zij zelf niet zelden
-erbarmelijk worden toegetakeld, zoo niet gedood. Zelfs de jager loopt
-gevaar door den in het nauw gebrachten en woedend zich verdedigenden
-losch aangevallen te worden.
-
-Terwijl de wilde kat, die door den losch even onverbiddelijk wordt
-vervolgd als de vos door den wolf, niet in den boomgordel van
-West-Siberië voorkomt, maakt de grootste en vreeselijkste aller katten,
-de tijger hier somwijlen zijne verschijning. Twee in de jaren 1838 en
-1848 bij Bäsk en Slangenberg gevelde tijgers prijken opgezet in het
-museum van Barnaul; een derde, die tusschen 1870 en 1880 werd gedood,
-bevindt zich in het schoolmuseum van Omsk; een vierde bracht omstreeks
-1870 de bewoners van de kreits Tschelaba, dicht bij den Europeeschen
-Oeral gelegen, in rep en roer; dit beest greep, zonder getergd te zijn,
-eenige boeren aan, maar liep verschrikt weg, enkel en alleen door het
-zien van een roode muts, die men hem toewierp. In de steppengebergten
-van Turkestan en in het geheele zuiden van Oost-Siberië komt de
-„beheerscher” gelijk de Dauren den tijger noemen, geregeld op bepaalde
-plaatsen voor en van beide zijden dwaalt hij waarschijnlijk, vaker dan
-men constateeren kan, naar den westelijken woudgordel af; wellicht
-houdt hij zich hier, zonder opgemerkt te worden, langen tijd op om even
-ongemerkt weder terug te trekken. Hij verschijnt evenwel toch zeer
-zelden en ongeregeld, zoodat men hem niet wel eene plaats kan aanwijzen
-onder het wild van ons gebied.
-
-Ongetwijfeld is dit wel het geval met de kostbaarste aller pelsdieren,
-de verschillende martersoorten. Men klaagt wel is waar meer over de
-vermindering dezer dieren dan van alle ander wild, toch vangt men er
-nog genoeg, althans in sommige streken. Alleen de sabel is in de
-laatste tientallen van jaren werkelijk zeldzaam geworden. Oude jagers
-uit den Midden-Oeral herinneren zich in de nabijheid der stad Tagilsk
-elken winter sabels gevangen te hebben; tegenwoordig ontmoet men op
-gemelde breedte van het gebergte slechts sporadisch, en dan nog hoogst
-zelden een afgedwaalden marter dezer soort. Naar men zegt heeft een
-groote brand in de bosschen van het middelgedeelte des oostelijken
-Oerals deze zoo algemeen begeerde en gejaagde pelsdieren verdreven.
-Hetzelfde wordt beweerd in de boschdorpen aan den benedenloop der Ob,
-waar de sabeljacht nu nog wordt gedreven, zoodat b.v. van daar op de
-markt van Jelisaroff elken winter ongeveer twintig pelzen worden
-gebracht. Veel talrijker is in alle wouden van West-Siberië de
-edelmarter.
-
-In het ontegenzeggelijk vrij uitgestrekte jachtgebied der zooeven
-genoemde stad Tagilsk maakt men elken winter nog altijd van dertig tot
-tachtig vellen dezer dieren buit. Dat de edelmarter veel meer dan de
-sabelmarter in gezelschap van het eekhoorntje voorkomt, met dit beestje
-verschijnt en verdwijnt, is het gevoelen van alle ervaren jagers. De
-roofzuchtige makker vergenoegt zich echter geenszins met zijn
-lievelingswild, maar vermoordt nog daarenboven elk dier, dat hij maar
-kan machtig worden en is vooral gevaarlijk voor auer- en korhoenders.
-Gelukt hem reeds in den zomer menige sprong op dezen of genen dier
-waakzame vogels, in den winter komt hem de gewoonte van dit wild om in
-sneeuwholten te slapen uitnemend bij zijn streken en treken te stade.
-Bijna onhoorbaar van tak tot tak sluipend, nadert hij de ingegraven
-vogels tot op sprongsafstand en valt hen van boven aan, door met
-krachtigen stoot op den bovenwand der slaapruimte te springen, waardoor
-deze breekt, terwijl hij een der slapers bij den nek heeft gepakt, vóór
-deze de vlucht kon nemen.
-
-De steenmarter komt eveneens nog overal in hoogwouden voor, is echter
-veel zeldzamer dan zijn bloedverwant; bunzing, hermelijn en wezel zijn
-overal verbreid en hier en daar zelfs vrij talrijk; de mink daarentegen
-wordt wel op de westelijke, maar niet op de oostelijke helling van den
-Oeral aangetroffen en ontbreekt reeds in de hier ontspringende
-nevenstroomen van Irtisch en Ob, die, evenals genoemde rivieren zelf,
-den vischotter in groote menigte herbergen; de das wordt in
-West-Siberië bijna niet genoemd, terwijl de wijd en zijd verbreide
-veelvraat het minst van alle marters in aanzien staat en meer een
-voorwerp van jacht uitmaakt wegens zijn dieverijen in de slagvallen dan
-om zijn huid.
-
-Ofschoon het westen van Siberië doorgaat voor een afgejaagd gebied,
-rusten zich toch ook hier elk jaar de woudbewoners uit voor de jacht op
-sabels en andere martersoorten. Sommige jagers ondernemen, ten einde de
-pelsdieren machtig te worden, zwerftochten en reizen, die in niets
-onder doen voor die der Amerikaansche pelsjagers.
-
-De jacht geldt natuurlijk niet enkel marters, maar alle mogelijk wild;
-marters en eekhoorns maken evenwel het hoofddoel uit. Al naar deze
-laatste dieren vroeger of later van kleur verwisselen, regelt men ook
-het vertrek uit de dorpen, waar men woont; men ziet n.l. in die
-verkleuring het bewijs, dat de winter nadert, terwijl almede diens
-meerdere of mindere strengheid met dien tijd in verband wordt gebracht.
-
-Gewapend en uitgerust, gelijk wij reeds vermeld hebben, vangen de
-sabeljagers, zoodra de eerste sneeuw is gevallen, in troepjes van drie
-tot vijf personen hun boschreizen aan. Ieder dezer mannen draagt
-behalve zijn geweer en verder schiettuig, een zak op den rug,
-sneeuwschoenen en een bijl over den schouder, een zweep in den gordel.
-In den zak bergt men de noodzakelijkste levensmiddelen, als brood,
-meel, spek, zout en tegelthee, en verder eenig gereedschap zooals een
-pan, een theepot, beker, lepel, enz. in sommige gevallen ook een flesch
-brandewijn; de zweep dient om de eekhoorns op te jagen en in ’t gezicht
-te krijgen. Vier à zes honden, die het oog van elken fatsoenlijken
-jager geweld aandoen, begeleiden de jachtgenooten.
-
-Terwijl men zich richt naar den stand der bekende sterrenbeelden en
-naar dien der helaas zich dagen achtereen soms verschuilende zon,
-zwerven de geharde jagers dagen en weken lang door de gure wildernis,
-overnachten er in en leven met hunne honden hoofdzakelijk van het
-geschoten wild, ten einde den medegenomen voorraad zoolang mogelijk te
-sparen. De leelijke, maar verstandige en omzichtige honden slaan niet
-alleen acht op elk spoor, maar bespieden ook met geoefend oog de op de
-boomen verscholen marters en eekhoorntjes, geven met blaffen kennis van
-hun aanwezigheid, en houden u zoolang vast tot de jager nabij gekomen
-is. Deze schrijdt langzaam voort met de onverstoorbare koelbloedigheid,
-die allen woudjagers eigen is, legt zijn lang roer bedachtzaam op een
-tak, of zoo noodig, op de vork, die aan ’t uiteinde van den loop is
-aangebracht, mikt geruimen tijd en geeft eindelijk vuur.
-
-In het begin van den jachttijd laten de eekhoorntjes, en zelfs de
-edelmarters, terwijl zij zich uitsluitend met de honden bezighouden,
-den jager tijd om tot op weinige meters afstands te naderen; spoedig
-evenwel worden zij slimmer en bemoeilijken den schutter het rustig en
-zeker mikken. Gelukt het dezen toch om den kogel door een der oogen van
-het dier te jagen, dan is hij zeer tevreden, dewijl hij niet alleen een
-ongeschonden huid krijgt, maar ook het lood nog eenmaal kan gebruiken.
-Onmiddellijk nadat hij het gevallen wild in handen heeft gekregen,
-stroopt hij het af,—bij marters en eekhoorns perst hij de ingewanden
-door de mondspleet—slaat de hersenpan stuk om den kogel terug te
-krijgen, en bergt daarna vel en vleesch, van elkaar gescheiden, in zijn
-rugzak.
-
-In geval de eekhoorntjes overvloedig zijn is deze jacht even voordeelig
-als amusant. Ieder jager gebruikt den korten dag zooveel zijn krachten
-hem dit veroorlooven; het eene schot volgt ras op het andere en een
-nieuwe buit rust naast den eersten. Neemt het laden der geweren veel
-tijd in beslag, het afstroopen der buitgemaakte dieren gaat des te
-sneller; ieder jager doet zijn best. Zonder te rusten, zonder te eten
-of zelfs te rooken, trekt het jachtgezelschap voorwaarts. De speurende
-honden dwalen nu eens van het gezelschap af, straks zijn zij weer in de
-nabijheid; de scherpe knal der buksen en het vroolijke geblaf der
-honden schenkt afwisseling.
-
-De een telt de schoten, een ander benijdt het geluk van zijn makker of
-heet er hem geluk mee. Is daarentegen de winter arm aan wild, brengt
-zelfs het onophoudelijk klappen der zweep geen eekhoorntje te
-voorschijn, laat zich sabel noch edelmarter zien, bespeurt men eland
-noch rendier; dan trekken jagers en honden zwijgend door het woud, en
-schraalhans-keukenmeester brengt verder alles in eene nog slechter
-luim.
-
-Met het aanbreken van den nacht beginnen onze jagers er aan te denken
-hun nachtverblijf gereed te maken. Ieder hunner graaft onder een ouden,
-dikken, omgevallen boomstam een kuil in de sneeuw uit, waarin juist een
-man kan liggen en ontsteekt daarin een groot vuur. Daarop reinigt een
-ander, zoo mogelijk in ’t midden van alle kuilen en onder bescherming
-van dichtkronige dennen of sparren, een cirkelvormige ruimte van de
-sneeuw; een derde sleept brandhout aan; een vierde ontsteekt op die
-plek een nog grooter vuur; een vijfde maakt het avondeten gereed.
-Genoeg eekhoorns werden toch geveld om eene krachtige vleeschsoep te
-maken en er de meelbrij of de snede brood mede te kruiden. Men eet,
-geeft de honden hun fatsoenlijk aandeel, verkwikt zich aan de thee,
-steekt het korte pijpje aan en onderhoudt elkander naar jagerswijs over
-de lotgevallen van den dag. Intusschen heeft het vuur in de kuilen de
-sneeuw doen smelten, daar boven den boom in brand gestoken en zoo de
-slaapstede door en door verwarmd. Zorgvuldig schuift iedere jager de in
-den kuil nog glimmende kolen naar het uiteinde, kruipt er in, terwijl
-hij zorg draagt zooveel mogelijk de zijdelingsche sneeuwmuren niet te
-doen instorten, roept zijn honden om met deze het warme leger te
-deelen, en legt zich te slapen. Wel is waar valt van den steeds
-voortglimmenden boom gedurende den nacht nu en dan een stuk kool op
-jager en hond, maar een Siberische jagerspels verdraagt evenveel als
-een Siberische hondenpels, zulk een brandend blok hout verwarmt beter
-dan een veel grooter, vrij brandend vuur, warmt den kuil door en door,
-evenals een Siberische kachel de kamer en maakt in ’t algemeen het
-overnachten in een bosch mogelijk.
-
-Uitgerust en versterkt staan de jagers bij ’t krieken van den dag op,
-ontbijten en trekken verder. Bereikt men gunstige jachtvelden, die
-elken winter bezocht worden, dan toeft men aldaar langer of korter
-tijd, al naar omstandigheden. Op sommige plaatsen kan men eene uit
-boomstammen vervaardigde jachthut betrekken, die aldaar in vroegere
-jaren werd opgericht. Tevens vindt men op zulk een terrein oude en
-nieuwe slagvallen, die nu weder op vang gesteld worden, en die men
-elken morgen onderzoekt. Een en ander vordert veel tijd, daar die
-vallen zeer ver uiteen liggen; ons jachtgezelschap verwijlt dan ook
-menigmaal eene week en nog langer op zulk eene plaats in het bosch en
-jaagt haar volledig af, alvorens de reis voort te zetten.
-
-Op deze wijze jagende brengen vele Siberiërs het grootste deel van den
-winter in het bosch door. Voor het begin dier tochten wordt gewoonlijk
-met den een of anderen koopman een verdrag aangegaan. De jager verbindt
-zich, tegen een vooraf bepaalden, gemiddelden prijs, alle huiden aan
-den koopman af te staan, en de handelaar neemt op zich alle hem
-geleverde artikelen, zonder uitzondering, in ontvangst te nemen. Is de
-jager gelukkig, dan brengt de jacht hem nog heden ten dage genoeg op om
-er van te leven, althans er de behoeften des winters mede te
-bestrijden; in ’t algemeen echter loont ook dit jachtbedrijf de
-daarmede verbonden moeite en ontberingen niet, en slechts een zoo
-weinig eischend mensch als de Siberische jager pleegt te zijn, is in
-staat daarin nog een bestaan te vinden.
-
-De berenjacht is in de oogen van den West-Siberiër het roemvolste en
-moeilijkste bedrijf. Vriend Petz is in ons gebied volstrekt niet dat
-gemoedelijke wezen, gelijk hier en daar nog in Oost-Siberië; veeleer,
-zooals bijna overal, een lomp, ongemanierd beest, dat wel is waar in
-den regel voor den mensch de vlucht neemt, maar dat, als hij gewond is
-of in de engte gedreven wordt, moedig den strijd bestaat en alsdan zeer
-gevaarlijk kan worden. In weêrwil van de sterke vervolging, waaraan hij
-bloot staat is de beer nog nergens uitgeroeid; integendeel hij komt nog
-altijd veel voor. Hij bewandelt steeds zijn eigen weg en vertoont zich
-weinig op de door menschen bezochte plaatsen. Daarmede wil niet gezegd
-worden dat bruintje in ’t geheel niet bij menschelijke woningen komt,
-of dat hij ze zelfs vermijdt; want hij houdt zich niet zelden in de
-onmiddellijke nabijheid der dorpen op, en overvalt soms de huisdieren
-voor de oogen der bewoners; maar hij vertoont zich zoo ongeregeld, dat
-vele Siberiërs er nog nooit een gezien, nog nooit een in het bosch
-ontmoet hebben. Het schijnt dat hij den ganschen zomer door heen en
-weêr trekkende is. Hij zwerft door de bosschen, zonder zich hier aan
-bepaalde wegen te binden; klimt, al naar den vorm der bergen, hierbij
-meer of minder regelmatig betreden paden volgende, in den nazomer de
-hoogten op, en keert tegen het begin van den winter naar de laagte
-terug; houdt ten tijde van het rijpen van het koren zich op aan den
-buitenkant van het woud, om op zijn gemak in de naburige velden te
-plunderen, verlaat ook soms geheel en al het bosch om de aangrenzende
-steppe op te zoeken, ook wel die berghellingen, welke het karakter van
-steppen dragen, houdt zich langen tijd op bepaalde plaatsen op, of
-trekt, zonder op ééne plaats te toeven, naar eene andere, immer en
-overal van de oogenblikkelijke gelegenheid gebruik makende om eene
-lievelingsspijs machtig te worden.
-
-In de meeste streken is hij bepaald een planteneter; hier en daar wordt
-hij tot een gevreesd roofdier, op weer andere plaatsen maakt hij jacht
-op aas. In het voorjaar vreet hij van alles wat hij maar vinden kan,
-beloert van uit eene hinderlaag listig het vee, dat al grazende de
-bosschen intrekt, om bliksemsnel op een der dieren aan te vallen, of
-met ongemeene vlugheid na te rennen; hij grijpt het, werpt het ter
-aarde, vermoordt het, vreet zich zat en begraaft, ofschoon vrij
-onhandig, de rest, om later nog een maal te hebben. Tijdens veeziekte
-spoort hij de mestvaalten op ten einde van de lijken der gestorven
-huisdieren te smullen; ja, men heeft hem zelfs wel eens op kerkhoven
-den lijkendief zien spelen. In den zomer plundert hij de korenvelden,
-berooft de nesten der wilde bijen en de bijenkorven, graaft de wespen-
-en hommelnesten uit, verwoest de mierenhoopen om de poppen te
-vermeesteren, wentelt oude, gevallen boomen om, ten einde de daaronder
-liggende kevers, maden en larven buit te maken, doet zelfs vermolmde
-boomen omstorten, om zich de daarin levende insectenlarven toe te
-eigenen. In den herfst voedt hij zich bijna uitsluitend met allerlei
-bessen, ook die, welke hij eerst van de boomen moet halen, zooals b.v.
-de vruchten van de vogelkers; wanneer de piniolen rijp zijn, spoort hij
-deze op; daartoe beklimt hij hooge boomen, wier takken en kruinen hij
-afbreekt. Uren lang snuffelt hij om de voorraadschuren, waarin de
-piniolen voorloopig worden bewaard, en blijft niet in gebreke zich met
-geweld een weg tot derzelver binnenste te banen als hij slechts
-eenigszins daartoe de kans schoon ziet. Nu en dan gaat hij bij
-afwisseling visschen, en dit somtijds met gunstigen uitslag. Voor den
-mensch slaat hij geregeld op de vlucht; toch besluit hij ook eene
-enkele maal, en dan zonder zich lang te bedenken, tot den aanval, in
-dit geval zelfs geen overmacht ontziende. Al naar de weêrsgesteldheid
-betrekt hij nu eens vroeger dan weer iets later zijn winterkwartier om
-te slapen. Voor leger kiest hij bij voorkeur eene geschikte plaats
-onder een ouden, reusachtigen, omgevallen boom, graaft hier allereerst
-een ondiepen kuil uit, welks bodem hij met dennennaalden en eene laag
-mos ter dikte van 50 centimeter bedekt, bekleedt met dit laatste ook de
-zijwanden, bedekt alles van buiten met boomtakken, en laat zich
-insneeuwen. Wordt hij in het gebergte door de eerste sneeuwbui
-overvallen, dan daalt hij niet altijd naar de laagte, maar bergt zich
-in eene rotskloof, die zoo goed mogelijk bekleed wordt, of hij verwijdt
-het nest van de een of andere marmottensoort zooveel als noodig is en
-brengt daarin dan den winter door. Eenmaal ingeslapen ligt hij zoo
-vast, dat men hem slechts met groote moeite kan opjagen; hij bijt dan
-zeer boosaardig in de ijzeren staven, waarmede men hem port, knort en
-brult en gehoorzaamt dan eerst wanneer men tot vuurpijlen of vuur de
-toevlucht neemt. Eindelijk stormt hij, zoo hij niet verwond is
-geworden, als een opgeschrikte ever naar buiten, doet zijn behoefte, en
-zoekt zijn heil in eene overhaaste vlucht. De berin brengt, volgens de
-eenstemmige berichten van alle ervaren jagers, slechts om den anderen
-winter jongen ter wereld, en wel gedurende den diepsten slaap; zij
-ontwaakt, gelijk men veronderstelt, slechts kort voor de baring, lekt
-de kleinen schoon en droog, legt ze aan de tepels en slaapt dan met
-tusschenpoozen weêr voort. Op het einde van Mei of in de maand Juni
-zoekt zij hare vroeger geboren, dus twee- en zelfs de vierjarige
-kinderen weer op, en dwingt deze als pestoen of kindermeiden dienst te
-doen.
-
-Ofschoon men in West-Siberië het anders volstrekt niet onsmakelijk
-vleesch van den beer weinig op prijs stelt, en berenhammen meer om de
-aardigheid toebereidt en opdischt dan om zich werkelijk een lekker maal
-te verschaffen, levert de berenjacht toch goede winsten op.
-
-De pels dient voornamelijk tot het vervaardigen van dekens voor de
-sleden, is zeer gezocht en wordt duur betaald; de tanden en nagels zijn
-in de oogen van Ostjaken en Samojeden, zelfs in die van de
-West-Siberische boeren krachtige talismans; ook de beenderen worden
-soms gebruikt. De scheurtand van een in eerlijken strijd gevelden beer
-schenkt den Ostjak, gelijk hij meent, bovennatuurlijke gaven, in ’t
-bijzonder moed, kracht en sterkte, ook wel eens onkwetsbaarheid; een
-klauw, vooral de vierde van den rechter voorpoot, die met den
-ringvinger overeenkomt, dwingt—volgens het geloof van alle minnende
-jonge meisjes in den Oeral, iederen jongeling, die heimelijk door haar
-daarmede werd gekrabd, tot vurige liefde; tand en klauw staan dus hoog
-in prijs en vuren menigen jager nog meer dan geleden schade aan, om dit
-vreeselijkste aller roofdieren des avonds op te sporen en te
-bestrijden. Deze jacht is echter alles behalve gemakkelijk of zonder
-gevaar. Vallen, die een goed resultaat opleveren, kent men niet; men
-moet dus altijd den beer opzoeken, en met het wapen in de hand, met de
-hulp van goed gedresseerde honden, den strijd met hem bestaan. In den
-zomer wordt de jacht bemoeilijkt door de ongedurigheid van den beer; in
-den winter is het eerder mogelijk een leger op te sporen en daarin of
-daarvoor den slaper te dooden. De arme boer, die dit leger ontdekt,
-verkoopt zijn beer aan den een of ander welgestelden jager; deze trekt
-met den boer en eenige metgezellen op een gunstigen dag ter jacht,
-omringt het winterverblijf des roofdiers met geoefende schutters, laat
-door drijvers den beer wekken en onder schot brengen, en schiet op den
-kortst mogelijken afstand het geweer af. Op deze wijze worden de meeste
-beren gedood; voor geoefende schutters is deze soort van jacht dan ook
-het minst gevaarlijk. In den zomer en in den herfst zoekt men den beer,
-wiens spoor men heeft ontdekt, of dien men zelf heeft gezien, met
-behulp van kleine honden op, laat hem door deze dieren op eene
-geschikte plaats voeren en vuurt dan op het juiste oogenblik den kogel
-af; of wel, men maakt op de wijs der moedige Ostjaken, gebruik van de
-berenspies en laat het dier daarin rennen; of men omwikkelt den
-linkerarm goed met berkenbast, houdt dit pantser den aansnellenden beer
-voor en stoot hem op het oogenblik dat hij in den berkenbast bijt, een
-breed en lang mes in het hart. Beide wijzen van jagen gaan dikwijls
-gepaard met ongelukken. Sommige jagers echter krijgen mettertijd
-zooveel onverschrokkenheid en behendigheid, dat zij boven elk ander
-wapen aan spies of mes de voorkeur geven. Een boerenmeisje uit het dorp
-Morschowa in den Oeral, wier roem zich over geheel West-Siberië heeft
-verbreid, zou met het mes reeds meer dan dertig beren gedood hebben.
-
-Allerlei verhalen zijn in omloop van ongewenschte ontmoetingen met
-beren. Een, enkel met zijn erwtenbuks gewapend jager ziet in het bosch
-een grooten beer; hij waagt echter geen schot, omdat hij weet, dat zijn
-lood voor zulk wild niet zwaar genoeg is. Hij blijft dus rustig staan
-ten einde den beer niet te vertoornen. De laatste komt naar hem toe,
-gaat voor hem op de achterpooten staan, beruikt hem het gelaat en geeft
-hem eindelijk een slag, die den jager bewusteloos ter aarde doet
-vallen. Hierop verwijdert bruintje zich ijlings, even alsof hij zich
-bewust is, dat hij een dommen streek heeft uitgevoerd.
-
-Twee Zweden, Aberg en Erland jagen in den Oeral op hazelhoenders; de
-eerste nadert een braamstruik, waaruit tot zijn niet geringe verbazing
-een groote beer, in plaats van een hazelhoen opspringt, die hem zonder
-bedenken gaat aanvallen. Aberg ziet in dat vluchten niet baat en legt
-onverwijld zijn schrootgeweer aan de wang, mikt op het oog van den
-beer, geeft vuur, en is zoo gelukkig het ondier een oog uit te
-schieten. Woedend van pijn dekt de beer het bloedende oog met den poot,
-brult luid en gaat nogmaals op den onverschrokken jager los. Deze vat
-koelbloedig het andere oog in ’t vizier en schiet met even goed gevolg
-als de eerste maal. Nu roept hij zijn makker en beiden vuren
-afwisselend op den blinden beer, tot zij hem gedood hebben.
-
-De vermakelijkste geschiedenis viel voor op een veld bij het dorp
-Tomski Sawod in de buurt van Salair. Een boer uit die streek rijdt met
-een lading piniolen door het woud, zonder te merken dat er zaden uit
-een der zakken vallen. Een beer, die achter den wagen door het woud
-wandelt, en dwars over den weg komt, waarop de boer rijdt, vindt eenige
-dier zaden, zoekt de andere op, en volgt, zonder door den boer gezien
-te worden, den wagen. De boer verlaat eenigen tijd later paard en
-wagen, terwijl hij het paard gebiedt stil te blijven staan, en slaat
-een zijweg in om nog een zak met piniolen te halen, die daar is blijven
-staan. Voor hij met zijn last terug is gekeerd, heeft de beer den wagen
-ingehaald, en dien beklommen om zich nu naar hartelust te goed te doen
-aan zijn lievelingsgerecht. Verschrikt ziet de teruggekeerde voerman
-dat zulk een passagier zich bij hem heeft opgedrongen; hij waagt echter
-tegenover dien ongenooden gast niets en laat paard en wagen in den
-steek. Het paard, dat reeds angstig is geworden, kijkt eindelijk om,
-herkent den beer en rent met den wagen weg zoo snel het draven kan; de
-ongewenschte beweging echter verschrikt op zijne beurt den beer
-zoodanig, dat deze niet van den wagen af durft springen; hij houdt zich
-zoo goed mogelijk vast en geeft middelerwijl zijn vrees door een luid
-gebrul te kennen. Natuurlijk lokt dit gebrul een nog snelleren draf van
-het paard uit, en hoe meer de beer woedt en hoe bevreesder hij wordt
-des te sneller loopt het paard in de richting naar het dorp. Hier staat
-men echter reeds verscheidene uren op den bisschop te wachten en heeft
-in feestgewaad voor de deuren post gevat om het hooge personage
-terstond bij zijn komst te kunnen begroeten; men heeft zelfs
-scherpziende jongens boven op den toren geplaatst en hun opgedragen,
-wanneer zij den gevierden man in ’t oog krijgen, terstond aan alle
-klokken te trekken.
-
-Daar dwarrelt in de verte een stofwolk op; de knapen trekken aan de
-klokketouwen, mannen en vrouwen scharen zich in rijen, de pope treedt
-met het wierookvat voor de kerkdeur, en iedereen maakt zich gereed om
-den kerkvorst naar waarde te ontvangen. En nader ratelt de wagen;
-midden door de feestelijk gestemde dorpelingen jagen ros en koetsier,
-het eerste proestende en met stof en zweet bedekt, de ander brullend en
-snuivend, en eerst op het erf van den eigenaar eindigt de dolle rit. In
-plaats van het zoo schoone Russische kerkgezang klinken schrille kreten
-van schrik uit den mond van half bewustelooze vrouwen door de lucht, in
-plaats van deemoedig buigende gestalten, ziet men onthutste
-mannengezichten; alleen de klokken luiden zooals gewoonlijk. Voordat
-die tonen zijn weggestorven, heeft men de bezinning teruggekregen; men
-verzamelt en wapent zich, trekt paard en beer na en doodt den laatste,
-die geheel verbijsterd scheen, op den door hem zelf gekozen troon.
-
-Wie met den berenaard bekend is, moet toestemmen, dat zoo iets
-wezenlijk gebeuren kan, alhoewel wij eerder geneigd zijn het zoo even
-geschilderd verhaal eene plaats aan te wijzen onder de verdichte
-jachtgeschiedenissen. Ook in den mond der ernstige en eerlijke
-boschbewoners worden waarheid en verdichting wel eens dooreengemengd,
-wanneer zij verhalen van het woud, het wild en de jacht in Siberië.
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-DE STEPPE EN DIERENWERELD VAN CENTRAAL-AFRIKA.
-
-
-Het noorden van Afrika is eene woestijn, moet zulks zijn en zal het
-eeuwig blijven. Vergeleken met de uitgestrekte, door de gloeiende zon
-verzengde landmassa’s tusschen de Roode Zee en den Atlantischen Oceaan,
-verliezen de wateren, die de aarde omgorden, hunne beteekenis; de Roode
-Zee komt in ’t geheel niet in beschouwing, de Middellandsche Zee blijkt
-veel te klein en zelfs de invloed van den Atlantischen Oceaan blijft
-enkel tot een smallen zoom langs de kust beperkt. Boven zulke groote en
-heete vlakten moeten alle wolken zich oplossen zonder de dorstende
-aarde te bevochtigen en te bevruchten. Eerst veel verder naar het
-zuiden, ongeveer bij den evenaar, daar, waar aan de eene zijde de
-Atlantische Oceaan met een diepe bocht het land binnen dringt, aan de
-andere zijde de Indische Zee Afrika’s kusten bespoelt, waar, om mij zoo
-uit te drukken, beide Oceanen elkander over dit werelddeel heen de hand
-reiken, worden de verhoudingen eenigszins anders. Hier stroomen, op
-zekere tijden des jaars, vergezeld van storm, bliksem en donder,
-geregeld zulke ontzaglijke regenmassa’s neder, dat voor deze de
-woestijn moet wijken om voor de meer levende steppe plaats te maken.
-Daarom wordt het voorbijsnellend jaar hier in twee, wezenlijk van
-elkander verschillende jaargetijden verdeeld: in het levenwekkende en
-in het doodende, dat van regen en een ander van droogte, terwijl
-daarentegen in de woestijn eenig en alleen door de nu en dan
-heerschende winden kondschap wordt gebracht van de elders wisselende
-jaargetijden.
-
-Om de steppe te verklaren dunkt mij eene vluchtige schildering harer
-jaargetijden noodzakelijk. Want ieder land is eene afspiegeling van het
-klimaat, dat daar heerscht, en elk gebied is niets anders dan het
-resultaat der strijdende machten zijner jaargetijden, en kan slechts
-begrepen worden, wanneer men deze en hun invloed heeft leeren kennen.
-
-Met het ophouden van den regen vangt in Afrika’s binnenlanden de
-doodende tijd des jaars aan, de lange en vreeselijke winter, die door
-zijn verzengende gloeihitte hetzelfde uitwerkt, wat de noordsche winter
-door zijn koû bewerkt. Nog vóór de hemel, die tot nog toe dikwijls
-bewolkt is geweest, volkomen helder is geworden, werpen sommige boomen,
-die in het voorjaar zich met groen hebben getooid, hun bladerenpracht
-af, en met het vallen der bladeren verlaten ook de trekvogels, die er
-in de lente broedden, het herfstachtig geworden land om in andere
-streken van het ouderlijk werelddeel een toevluchtsoord te zoeken. De
-halmen der broodvruchten worden geel, nog vóór de regen heeft
-opgehouden; de lage grassen verwelken en verdorren. De periodiek
-stroomende wateren drogen op; eveneens de door den regen gevulde
-bekkens, zoodat niet alleen de daarin levende reptielen en
-kikvorschachtigen, maar zelfs de visschen genoodzaakt worden zich in de
-natte leem te begraven om hier den winter te verblijven. Insecten en
-planten vertrouwen hun zaden aan de aarde toe.
-
-Hoe meer de zon zich schijnbaar naar het noorden wendt, des te sneller
-komt de winter opdagen. De herfst duurt maar weinige dagen. Hij bewerkt
-niet, zooals bij ons, een verwelken en afsterven der bladeren, geen
-tintelen in geel en rood, maar oefent door gloeiende winden zulk een
-vernielenden invloed uit, dat zij verdrogen evenals gemaaid gras in de
-stralen der zon; deels nog groen vallen zij ter aarde, deels worden zij
-met steel en al afgerukt en weggewaaid, zoodat de boomen, op weinig
-uitzonderingen na, binnen een onbegrijpelijk korten tijd een
-winterachtig voorkomen hebben erlangd. Boven de vlakten, die nog voor
-weinige dagen met hoog, golvend gras begroeid waren, verheffen zich nu
-dwarrelende stofwolken; in de beddingen der geheel of gedeeltelijk
-blootgelegde stroomloopen en waterbekkens gapen diepe kloven. Al wat
-aangenaam was verdwijnt, al wat onaangenaam is treedt dreigend te
-voorschijn: bladeren en bloesems, vogels en kapellen verwelkten, vlogen
-weg of stierven; doornen daarentegen, stekels en klissen bleven terug,
-terwijl slangen, schorpioenen en tarantelspinnen haar hoogtijd vieren.
-Eene onuitstaanbare hitte des daags, eene onverdragelijke warmte des
-nachts zijn de plagen van dit seizoen, en noch tegen het een, noch
-tegen het andere bestaan middelen van tegenweer. Wie zulke dagen niet
-bij eigen ervaring kent, als wanneer de thermometer in de schaduw 50°
-C. stijgt, terwijl men voortdurend zweet, wat men echter niet eerder
-merkt, dan wanneer men op een koele plek is gekomen, omdat de hitte
-dadelijk al het zweet doet verdampen, wanneer de eene stofwolk na de
-andere omhoog stijgt en een droge nevel loodzwaar drukt op al wat
-leeft, zoo iemand heeft geen denkbeeld van dit lijden; hij die zulke
-nachten, wanneer men zich slapeloos op zijn leger omkeert, daar de
-warmte steeds toeneemt, niet heeft doorleefd, is buiten staat zich in
-te denken in het naamloos leed, dat gelijkelijk menschen en dieren
-pijnigt. Zelfs de hemel verandert zijn kleur, die tot nog toe rein
-blauw is geweest in een vaal grijs, want de zoo even vermelde nevel
-omsluiert dikwijls halve dagen lang de zon, zonder deze nochtans van
-haar gloed te kunnen berooven; integendeel, juist wanneer de horizon
-door zulke nevels verduisterd wordt, schijnt de hitte nog toe te nemen.
-Zonder de geringste verkwikking voor geest of lichaam volgt de eene dag
-op den anderen. Geen koeltje uit het noorden streelt het voorhoofd,
-geen bloesemgeur, geen vogelengezang, geen in heldere kleuren en
-donkere schaduwen prijkend landschap, gelijk de in zonnegloed badende
-tropen somwijlen te voorschijn tooveren, werkt verfrisschend op de
-ziel; alles wat levendig, kleurig en dichterlijk is, vlood henen, zonk
-neêr in den doodslaap,—en deze is veel te akelig dan dat hij eenig
-dichterlijk gevoel kan opwekken.
-
-Menschen en dieren kwijnen, evenals gras en bladeren verwelkt zijn; en
-menschen en dieren zinken neder om nooit weêr op te staan. Tevergeefs
-worstelen fierheid en moed tegen den last dier dagen; zuchtend en
-klagend bezwijkt zelfs de krachtigste wil. Elke inspanning mat af, elke
-beweging; het lichtste dek is te zwaar en de geringste wond verkeert in
-eene boosaardige zweer.
-
-Maar ook deze winter moet voor de lente wijken. Maar ook deze brengt
-door haar winden schrik en verderf. Dezelfde wind, die in de woestijn
-tot samoem wordt, roert als heraut der lente zijn vleugels, woelt in de
-spleten van den grond, om zelfs daaruit nog stof te vegen, dat in
-dichte massa’s omhoog dwarrelt, bouwt er op muren gelijkende wolken van
-en zweept deze huilend en bruisend over het land, werpt ze door de
-getraliede vensters van de woningen in de steden en door de lage deuren
-van de hutten der inboorlingen om nieuwe kwellingen te voegen bij de
-bestaande.
-
-Hij alleen heeft eindelijk de volle heerschappij ontvangen en oefent
-deze onbeperkt uit, als wilde hij alles vernietigen, wat nog stand
-hield; maar hij ook is het, die in het verre zuiden van regen zwangere
-wolken opeenstapelt, om deze naar de verbrande streken te voeren. Reeds
-schijnt het alsof bij het toenemen zijner kracht de drukkende zwoelheid
-wordt getemperd, alsof zijn adem bij tijd en wijle niet meer zoo
-gloeiend is, maar frisch en verkwikkend.
-
-Het is geen misleiding: de lente rust zich uit tot den intocht, en op
-de vleugelen van den zuidenwind rukken de wolken ruischend aan. Nog een
-korte tijd en zij verdonkeren in het zuiden het gewelf des hemels; nog
-weinige dagen en flitsende bliksemstralen verlichten allengs de donkere
-wolkenlaag; nog eenige weken en een verwijderde donder kondigt den
-leven aanbrengenden regen aan.
-
-Bedrijvigheid begint te heerschen in en aan alle stroomen, die uit het
-zuiden komen. Zij zijn wel is waar nog helder als kristal, maar zij
-zijn levendiger geworden, want zij wassen van nu aan voortdurend en
-zenden door alle spleten en scheuren der slijkerige oevers het
-levenwekkend vocht naar het binnenland. Ook de trekvogels zijn bereids
-weder teruggekeerd, terwijl hunne aantallen nog dagelijks aangroeien.
-In de streken van den boven-Nijl verscheen de ooievaar, om wederom
-bezit te nemen van de oude nesten op de kegelvormige stroohutten der
-inboorlingen; met hem verscheen de heilige ibis, om ook heden nog zijn
-sedert duizenden jaren bekleed ambt waar te nemen: n.l. tot bode,
-heraut en waarborg te zijn, dat de oude Nijlgod wederom de bron zijner
-genade zal laten vloeien en den hoorn des overvloeds over de hem
-onderworpen landen uitstorten.
-
-Eindelijk komt het eerste onweêr opzetten. Een benauwend warme lucht
-drukt op het doode, verbrande veld, zoo mogelijk nog erger dan te
-voren.
-
-Huiveringwekkende stilte beangstigt mensch en dier. Elk gezang, bijna
-elk geluid der vogels is verstomd; zij zelf hebben zich in het dichtste
-gebladerte der altijd groene boomen verborgen.
-
-Maar ook het leven in het leger der trekherders, in het dorp, in de
-stad, schijnt uitgestorven. Vreesachtig kruipen de anders zoo
-levenslustige honden naar een stil, verborgen hoekje; alle overige
-huisdieren hebben een angstig en schuw voorkomen; men maakt de paarden
-vast en drijft de runderen binnen de omheining.
-
-In de stad sluit de koopman zijn kraam, de ambachtsman zijn werkplaats,
-de regeeringspersoon zijn diwan, want een ieder zoekt een schuilplaats
-in zijn woning. En toch laat zich nog geen windje hooren, en verneemt
-men zelfs niet het minste geritsel aan de weinige nog bladdragende
-boomen. Maar toch kan men bespeuren hoe het onweder zich vormt en
-nadert.
-
-In het zuiden pakt zich eene donkere en als vlammende wolkenlaag samen,
-die doet denken aan de vuur- en rookwolken boven eene brandende stad,
-of aan een ver afgelegen boschbrand. Vuurrood, purper, donkerrood en
-bruin, vaalgeel, grijs, donkerblauw en zwart schijnen in die wolkenlaag
-een kleurendans uit te voeren; die kleuren mengen zich dooreen,
-scheiden zich van elkaar af, verliezen zich in het donker en flikkeren
-plotseling weder met schrille tinten op. De bank rust op den horizon en
-klimt naar den hemel omhoog; zij schijnt nu eens stil te staan, maar
-ijlt straks met de snelheid van den storm verder, omsluit den
-gezichteinder hoe langs hoe meer en hult alles in een ondoordringbaren
-sluier. Een fluitend en suizend geluid schijnt uit haar voort te komen;
-waar de waarnemer staat is alles evenwel nog doodstil.
-
-Daar breekt plotseling een windstoot los. De sterkste boomen buigen
-onder den geweldigen storm als zwakke rijsjes; de slanke palmen neigen
-haar kronen diep ter aarde. Een tweede stoot volgt op den eersten, een
-derde op den tweeden; de wind groeit aan tot een storm, de storm wordt
-orkaan en deze woedt met ongehoorde kracht. Het loeien des orkaans is
-zoo vreeselijk, dat het eigen woord de ooren des sprekers niet meer
-bereikt, en elk geluid wordt overstemd en gesmoord. Het ruischt en
-beruist, loeit en suist, fluit en huilt, dreunt en ratelt in de lucht,
-op den grond, in de kruinen der boomen, alsof alle elementen met elkaar
-in strijd zijn, de hemel zou willen invallen, de grondvesten der aarde
-wankelen.
-
-Onweêrstaanbaar treft de geweldige storm de kronen der boomen, sleurt
-de helft der bladeren, die er nog aan hangen, mede, breekt stammen van
-eene mansdikte als glas, maakt zich zelfs van de kronen meester, om ze
-als een speelbal over de vlakten te rollen, te draaien en omhoog te
-doen dwarrelen, en ze eindelijk met de takken, als breedste basis, naar
-beneden, met de weemoedig omhoog starende brokstukken van den stam naar
-boven, diep in de aarde of het zand te begraven; de termieten zullen
-het werk der vernieling verder aan hen voltooien. Gulzig woelt de wind
-in alle spleten en barsten der aarde, veegt er het stof, zand en grind
-uit, voert deze omhoog naar de wolken of sleept ze met zulk een kracht
-voort, dat zij, tegen harde voorwerpen stootende, met een hoorbaar
-geratel en geknetter terugspringen; hemel en aarde worden er door aan
-’t gezicht onttrokken, de dag wordt tot nacht en de sidderende mensch
-ontsteekt de lamp in zijne met stof gevulde woning, om bij ’t schijnsel
-van dat licht te herademen en tot rust te komen.
-
-Maar het geloei van den wind wordt overstemd door andere geluiden.
-Ratelende donderslagen laten zich dreunend hooren en smooren het gehuil
-en gebruis van den storm. Nog altijd zijn de stofwolken zoo dicht, dat
-men den bliksem niet kan zien; spoedig evenwel mengt zich een tot nog
-toe niet vernomen geratel onder de verwarde mengeling van tonen en
-geluiden, en daarmede begint de onnatuurlijke nacht te wijken voor een
-dagend licht. Het is alsof zware hagelbuien de aarde treffen, en toch
-zijn het slechts regendroppels, die neêrvallen, om onder het vallen
-zand en stof meê te voeren. Nu ook kan men het bliksemen zien. De eene
-straal volgt zoo onmiddellijk op de andere, dat men de oogen voor dit
-verblindend licht sluit en het onweder slechts kan volgen door den
-onafgebroken rollenden donder. De regen verandert in een wolkbreuk, het
-water ruischt van de bergen neder, de beken nemen het op en zenden het
-naar de laagten, alwaar de meren het verzwelgen; in stroomen golft het
-door de dalen. Uren lang houdt de regen aan, maar de storm heeft zijn
-kracht verloren en eene verkwikkende koelte laaft weder mensch en dier
-en plant. Ook de bliksemslagen verminderen in aantal, de donder
-verzwakt, de wolkbreuk wordt weder regen, de regen verandert in
-druppelen; de hemel wordt helder, de wolken scheuren en het stralend
-aangezicht der zon breekt door. Jubelend verlaat de bruine jeugd, naakt
-gelijk zij ter wereld kwam, huizen en hutten, om zich in het lentewater
-te baden; niet minder gelukkig ontworstelen zich de reptielen,
-kikvorschachtigen en visschen aan den slijkerigen bodem, en reeds in
-den eersten nacht na den regen klinken uit duizend kelen de heldere
-stemmen der kleine vorschen, van welke dieren men vroeger niets
-bespeurde, omdat zij, gelijk sommige krokodillen, vele schildpadden en
-alle visschen der periodiek uitdrogende meren in de diepte der aarde
-een winterkwartier hadden opgezocht; de eerste voorjaarsregen doet hen
-tot een nieuw leven ontwaken.
-
-Overal ontwikkelt zich datzelfde verjongde, krachtige leven. Gretig
-zwelgt de aarde het haar geboden vocht in; maar de hemel opent na
-weinige dagen nogmaals zijn sluizen om, wat nog bleef sluimeren, te
-wekken. Een tweede onweder doet de knoppen open springen van alle
-boomen met wisselend blad en het gras ontluiken; een derde regenbui
-roept bloesems en bloemen op en bekleedt het geheele landschap met
-malsch groen. Even tooverachtig als de lente kwam is haar werking. Wat
-bij ons te lande een maand tijd vereischt, wordt hier afgespeeld binnen
-’t verloop eener week; wat in gematigde landen zich zoo langzaam
-ontwikkelt, ontplooit zich hier binnen weinige dagen en uren.
-
-Slechts een gering aantal weken duurt deze lente en de weinig van haar
-verschillende zomer heeft thans zijn intocht gehouden; en even snel
-wordt deze weder opgevolgd door den korten herfst, zoodat men eigenlijk
-slechts van een eenig jaargetijde kan spreken, dat èn lente, èn zomer
-èn herfst in zich bevat. En nogmaals staat de moordende winter voor de
-deur en belet een ongestoord ontkiemen, groeien en gedijen, zooals in
-andere aequatoriale landen, die eenen grooteren watervoorraad rijk
-zijn, mogelijk is. Toch is de hoeveelheid regen hier nog voldoende om
-dit land tot geen barre woestijn te maken, en overal daar, alwaar zij
-zich anders zou doen gelden, een meerder of minder weelderig
-plantentapijt over de aarde te spreiden, of, m.a.w. in plaats van eene
-woestijn eene steppe te scheppen.
-
-Ik gebruik het woord steppe om daarmede aan te duiden die eigenaardige
-streken van Centraal-Afrika, welke de Arabier „Chala” d.w.z. „frissche,
-groene planten voortbrengende landen” noemt. De Chala is wel is waar
-niet hetzelfde als de steppe van Zuid-Rusland en Middel-Azië; evenmin
-komt zij geheel overeen met de prairiën van Noord-Amerika of de pampas
-en llanos van Zuid-Amerika, maar zij heeft toch zooveel punten van
-overeenkomst met de eerste, dat ik mij genoegzaam verontschuldig reken
-wanneer ik de voorkeur geef aan een bekend woord. De steppe strekt zich
-uit over geheel Centraal-Afrika, van de woestijn tot aan de Karroe [1],
-van de oostkust tot de westkust; zij omgeeft alle hooggebergten des
-lands, en sluit alle oerwouden in, die zich zoowel op deze als in de
-komvormige, meer waterrijke laagvlakten bevinden; zij omvat alle landen
-in het hart van Afrika, begint weinige honderden schreden aan gene
-zijde van de huizen der dorpen, neemt de velden der ingezetenen in zich
-op, en voedt en onderhoudt de kudden der trekherders. Waar in het
-zuiden de woestijn eindigt, waar het woud ophoudt, waar een gebergte
-daalt, daar begint haar heerschappij; waar een brand het bosch
-vernielde, daar maakt zich de Chala van de uitgebrande plek meester;
-waar de mensch het dorp verlaat, daar dringt zij in diens jurisdictie
-binnen, om dit in weinig jaren tijds gansch en al onkenbaar te maken;
-waar de landman zijn akkers prijsgaf, daar drukt zij binnen het
-tijdsverloop van een jaar weder hare beeltenis af.
-
-Onvriendelijk, eentonig, zonder afwisseling doet zich de steppe voor
-aan hem, die haar voor het eerst betreedt. Eene uitgestrekte, dikwijls
-onafzienbre vlakte ligt voor ons; slechts bij uitzondering rijzen
-enkele kegelvormige bergen uit haar op; noch zeldzamer scharen deze
-zich aaneen tot ketens. Vaker ziet men lage heuvelklingen de vlak
-komvormige dalen afbreken; soms vereenigen die heuvelrijen zich tot
-netvormig door elkaar gevlochten ruggen, die diepe keteldalen insluiten
-of omgeven, waarin gedurende den regentijd poelen, vijvers en meren
-worden gevormd, terwijl de leemachtige grond in den winter veelvuldig
-gebarsten en gekloven is. In de diepste en langste dalen bevindt zich
-in plaats van zulk een stilstaand water een „chòr” of regenstroom, d.i.
-een waterbed, dat eveneens slechts in het voorjaar gedeeltelijk, onder
-bijzonder gunstige omstandigheden ook wel eens en dan binnen weinige
-uren tot aan den rand gevuld wordt, en nu niet meer stroomt, maar als
-een bewegelijke muur bruisend en donderend naar de laagte stort, zonder
-evenwel in eene eigenlijke rivier uit te monden. Zulke verzamelplaatsen
-van water uitgezonderd, dekt overal een betrekkelijke rijke vegetatie
-den grond. Grassen van allerlei soort, van lage, langs den grond
-kruipende plantjes tot meer dan manshooge korenachtige halmen vormen
-het hoofdbestanddeel dezer steppen-flora; boomen en struiken, vooral
-vele soorten van mimosa’s, adansonia’s, dompalmen, Christusdoorns en
-andere, vormen hier en elders, vooral aan de oevers der genoemde
-wateren, dichte heggen en boschjes; overigens zijn zij zoo spaarzaam
-over de uitgestrekte, met een dicht graskleed overtogen vlakten
-verspreid, dat zij slechts op weinige plaatsen tot een werkelijk en dan
-nog ijl bosch worden. Nergens groeien deze boomen zoo weelderig als in
-de ware stroomdalen, die de zegeningen van de lente in zich sluiten;
-zij zijn daarentegen dikwijls dwergachtig, althans laag; hun kronen
-zijn ijl, en niet dan hoogst zelden ziet men eene klimplant tot aan hun
-top opstijgen. Zij allen lijden te veel onder den invloed van den
-langen, gloeienden winter, die hun ternauwernood veroorlooft, hun eigen
-leven te behouden en die alle woekerplanten uit hun nabijheid weert. De
-grassen daarentegen schieten in de wel is waar korte, maar toch aan
-water rijke lente welig omhoog, bloeien er doorheen, en doen hun zaden
-rijpen, zoodat hier alle voorwaarden voor een gunstig gedijen rijkelijk
-vervuld zijn. Maar ook door de grassen voornamelijk erlangt de steppe
-haar eentonig uitzicht; want, hoe klein zij ook zijn, zij wisschen vele
-tegenstellingen uit en brengen, inzonderheid door hun gelijke kleur,
-een afmattende uitwerking teweeg. Zelfs de mensch is niet in staat
-eenige afwisseling in dit eeuwig eenerlei te brengen, daar ook zijn
-akkers, die hij midden in het graswoud aanlegt, uit de verte beschouwd
-er evenals deze uitzien, zoodat men koren en gras niet van elkander kan
-onderscheiden; de ronde, met een koepelvormig dak voorziene hutten, die
-hij met dunne palen stut en met steppengras bekleedt, steken althans in
-het droge jaargetijde zoo weinig tegen de omgeving af, dat men ze eerst
-in de onmiddellijke nabijheid gewaar wordt. Het is alleen de wisseling
-der jaargetijden, die verandering brengt in dit eentonig tooneel, en
-ook deze verandering is nog van weinig beteekenis.
-
-Onvriendelijk is ook de begroeting, waarmede de reiziger door de steppe
-wordt ontvangen. Op hooge kameelen gezeten, rijdt men door het
-landschap. Het een of ander wild wekt den jachtlust op en men wordt
-verleid tot het binnendringen van het graswoud. Daar wordt men
-plotseling gewaar, dat er tusschen de oogenschijnlijk zoo gladde
-grashalmen planten groeien, die nog meer te vreezen zijn dan de doornen
-der mimosa’s.
-
-Op den grond woekert de „tarba,” wier zaadhulsels zoo scherp zijn, dat
-zij de zolen van niet al te dikke ruiterslaarzen doorsnijden, daar
-boven groeit de „essek,” wier klitten zich hechten aan alle mogelijke
-kleedingstukken, en dat zoo vast, dat men ze er niet meer uit kan
-krijgen; nog iets hooger verheft zich de „askaniet,” de verfoeilijkste
-plant van alle drie, omdat haar stekels bij de lichtste aanraking los
-laten, door alle kleedingstukken heen boren, in de huid dringen en daar
-etterbuilen doen ontstaan, die wel is waar elk op zich zelf klein zijn,
-maar wegens de ontelbare menigte tot een ware plaag worden.
-
-De drie genoemde planten maken een lang oponthoud en een verder
-doordringen in het grasland onmogelijk; zij zijn eene kwelling voor
-mensch en dier, en wij kunnen nu begrijpen waarom de inboorlingen
-steeds een kleine nijptang als onmisbaar wapen bij zich dragen, en dat
-de grootste liefdedienst, welken men elkander kan bewijzen, evenals bij
-de apen, daarin bestaat, dat men elkander de fijne, ternauwernood
-zichtbare, maar naaldscherpe dorens uit de huid trekt. Dat ook meest
-alle andere planten der steppe, inzonderheid bijna alle boomen en
-struiken, met meer of minder lastige dorens bezet zijn, is begrijpelijk
-voor een ieder, die ooit in Afrika een bosch trachtte door te dringen,
-of ook maar een boom naderde.
-
-Nog onaangenamer is de steppe des nachts. Daar men dagen lang door de
-steppe kan trekken zonder een dorp te ontmoeten, is men dikwijls
-verplicht onder den blooten hemel te overnachten.
-
-Men spoort dan eene plek op, die van genoemde lastige planten vrij is;
-het rijdier wordt van zijn last ontheven en vastgebonden; eene
-eenvoudige legerplaats wordt ingericht, n.l. men spreidt een tapijt op
-den grond en ontsteekt een groot vuur om de roofdieren verre te houden.
-De zon gaat onder, en weinige minuten later heeft de nacht haar donker
-kleed over de aarde geworpen; het vuur verlicht de legerplaats en hare
-omgeving. Plotseling wordt het van verre en nabij zeer levendig.
-Aangelokt door het stralend vuur loopt en kruipt alles daarnaar toe,
-een voor een, bij tweeën, bij tienen, bij honderden. Eerst laten zich
-reusachtige spinnen zien, die met haar acht uitgespreide pooten
-evenveel plaats innemen als een man met zijn hand kan beslaan;
-onmiddellijk daarop, soms op hetzelfde oogenblik als de spinnen, komen
-de schorpioenen aanloopen. Driftig rennen beide diersoorten op het vuur
-af, over tapijt en dek heen, tusschen de schotels van den eenvoudigen
-avondmaaltijd door, keeren, door het heete vuur genoodzaakt, weer
-terug, laten zich nogmaals door de vlam verleiden, en vermeerderen
-daardoor het akelig gewemel; want deze spinnen zijn wegens haar zoo
-niet gevaarlijken dan toch zeer pijnlijken beet weinig minder te
-vreezen dan de schorpioenen, en de laatsten zijn elk oogenblik gereed
-met hun giftangel verwondingen toe te brengen. Verstoord neemt men zijn
-toevlucht tot een tweede, niet minder nuttig werktuig, dat op raad van
-den kundigen gids werd meêgenomen, n.l. eene langpootige vuurtang, pakt
-daarmede zooveel dezer ongenoode gasten als men maar machtig kan
-worden, en werpt ze boosaardig in het knetterende vuur. Dank zij de
-vereenigde pogingen van alle reisgenooten, zeer spoedig heeft het
-meerendeel van het helsche gebroed zijn dood in de vlammen gevonden; de
-aankomelingen worden minder talrijk en ook deze worden even
-onbarmhartig als de vorigen in ’t vuur geworpen; men herleeft—maar te
-vroeg!
-
-Nogmaals naderen nieuwe en nog guurder gasten het vuur: vergiftige
-slangen, die evenals de spinnen en schorpioenen door het vuur gelokt
-worden. De natuuronderzoeker herkent in hen, althans in de soort, die
-het talrijkst is, hoogst belangrijke dieren, die ten zeerste zijn
-aandacht trekken; want het is de zandkleurige hoornadder, de beroemde,
-liever misschien, de beruchte „Cerastes” der ouden, de op vele
-Egyptische monumenten afgebeelde „Fi,” dezelfde giftslang, door wier
-beet Cleopatra zich doodde; de vermoeide reiziger wenscht dit dier
-evenwel in den diepsten afgrond der hel.
-
-Het gansche leger staat op zoodra de naam dier slang door den een of
-anderen reiziger wordt uitgesproken; ieder grijpt, en nu veel spoediger
-en angstiger dan straks, zijne tang, sluipt, zoodra hij het ondier in
-’t gezicht krijgt, voorzichtig er op af, pakt het van achter in den
-nek, knijpt de tang stevig dicht, zoodat de slang niet kan ontsnappen,
-werpt haar midden in ’t flikkerende vuur en bespiedt met boosaardige
-vreugde haar dood.
-
-Er zijn plaatsen in de steppe, waar de slangen iemand in stille wanhoop
-brengen. Daar de kleur dezer wezens volkomen gelijk is aan die van het
-zand, en zij tevens de gewoonte hebben zich des daags, of wanneer zij
-slapen, geheel onder het zand te begraven, terwijl alleen de beide
-kleine, boven op den kop staande voelhoorns daaruit steken, zoo valt
-het moeilijk deze dieren op te sporen; de nacht is evenwel
-ternauwernood aangebroken, of de slangen komen weêr te voorschijn; zij
-trekken op het schijnsel des vuurs af en kronkelen en sissen om den
-armen reiziger heen. Soms dagen zij in massa’s op, om hem tot
-middernacht uit den slaap te houden; alle individuen, die zich in de
-nabijheid der legerplaats ophielden, of op hunne nachtelijke excursies
-deze nabij kwamen, schijnen op het vuur af te gaan. En wanneer men
-eindelijk, afgemat en slaapdronken de tang uit de hand en zichzelf ter
-ruste heeft gelegd, dan is men er nog niet van verzekerd, dat er in den
-nanacht nog niet enkelen over ons heen zullen kruipen; en dat zulks wel
-eens gebeurt blijkt o.a. daaruit, dat men des morgens bij het oprollen
-van het tapijt dikwijls een of meer dier gedrochten in de plooien vindt
-gewikkeld; ijlings nemen zij dan evenwel de vlucht en begraven zich in
-het zand. Hier, in deze steppe, heb ik de ervaring opgedaan, dat op
-weinig uitzonderingen na, de vergiftige slangen nachtdieren zijn; zulks
-is ten minste het geval met alle adders en groefadders.
-
-De opgenoemde dieren zijn niet de eenige steppenbewoners, die den
-mensch overlast veroorzaken. Zoo is er b.v. een klein diertje, dat wel
-is waar volstrekt niet levensgevaarlijk is, maar dat toch onnoemelijk
-veel schade kan toebrengen aan de bezittingen der menschen, die de
-steppe bewonen of deze doortrekken; ik bedoel de termiet. Dit insect
-gelijkt zeer veel op eene mier; in weerwil van zijn geringe
-lichaamsgrootte richt het meer schade aan dan de sprinkhaan, ofschoon
-ook de verschijning van dit vraatzuchtig beest nog heden ten dage een
-ware plaag kan genoemd worden. Eene kudde olifanten is zelfs nog minder
-te duchten.
-
-De termieten zijn alomtegenwoordig; zij vernielen alles. Wat het
-plantenrijk oplevert verdwijnt onder haar scherpe kaken, wat de
-kunstvlijt der menschen opbouwt, wordt onmeêdoogenloos vernield. Hoog
-boven het gras der steppe verheft zich de kegelvormige, uit aarde
-gebouwde woning; overal in het rond, op den grond en op de boomen ziet
-men hun gangen, loopgraven en verbindingswegen. Het is in den nacht of
-als het duister is, dat zij hun verwoestenden arbeid aanvangen en
-voltooien.
-
-Het eerste werk der termiet bestaat daarin, dat zij de voorwerpen
-omgeeft met een laag aarde, die elken lichtstraal afsluit en nu gaat
-zij aan den arbeid, welks einddoel door dit ééne woord „vernietiging”
-kan worden weêrgegeven. Op den grond liggende of tegen aardwallen
-hangende voorwerpen zijn het meest aan gevaar blootgesteld. Een
-onnadenkend reiziger, door de hitte gekweld, legt een of ander
-kleedingstuk naast zich op den grond, die hem tot rustplaats strekt;
-den volgenden morgen vindt hij dit terug als een met tallooze gaatjes
-doorboorde zeef,—onbruikbaar gemaakt, vernield; een nog niet met de
-omstandigheden vertrouwd natuuronderzoeker sluit zijne zoo moeilijk
-verkregen schatten in eene kist, maar verzuimt deze op steenen of
-andere voorwerpen te plaatsen, die den bodem der kist van den grond
-verwijderd houden; hij ziet zich binnen weinige dagen van zijn
-verzameling beroofd; een jager hangt zijn geweer aan een leemen muur;
-hij bemerkt tot zijn verdriet, dat de vernielzieke insecten in korten
-tijd in kolf en loop loopgraven hebben aangelegd; in den kolf zelf zijn
-ze reeds tot diepe groeven geworden. Elke boom, dien de termieten tot
-doelwit kozen, is onherroepelijk verloren; de daken der woningen zijn
-aan vernietiging prijsgegeven, zoodra de termieten zich daarin hebben
-genesteld. Van den grond tot de hoogste takken bouwen zij hare gangen;
-stam, twijgen, alles wordt doorboord, zoodat de eerste de beste storm
-den boom velt en het losse als een bijenraat er uitziende houtweefsel
-als kaf in den wind verstrooit; langs de leemen wanden of het paalwerk
-der hutten klimt de termiet omhoog, doorboort het houtwerk en alras
-valt het geheele gebouw ineen; onder den vastgestampten of geplaveiden
-vloer der meer aanzienlijke woningen graaft zij duizendvoudig vertakte
-gangen en kruipt nu en dan bij millioentallen hieruit te voorschijn om
-van stonden aan boven den grond het werk der vernieling aan te vangen.
-Op deze en nog veel andere wijzen wordt de termiet tot een der
-vreeselijkste plagen van Centraal-Afrika, inzonderheid van de steppe.
-
-Ware deze niet de schouwplaats ook nog van andere tooneelen, ware zij
-niet een der rijkste gebieden, een der dichtst bevolkte en meest
-bezochte woonplaatsen van Afrika’s dierenwereld, de natuurkundige zou
-haar even graag mijden als de handelsreiziger, welke laatste slechts
-hare afstootende, niet hare aantrekkelijke zijde leert kennen.
-
-Wie langer in haar verwijlt en haar werkelijk doorzoekt, wordt met de
-steppe verzoend. Zij is rijk en vol leven, oneindig rijk, en niet arm
-gelijk de woestijn; men kan haar veeleer vergelijken bij een oerwoud,
-daar ook in haar eene veelsoortige en talrijke dierenwereld huist, ja
-zij bij voorkeur die dieren herbergt, welke wij als meer in ’t
-bijzonder aan Afrika eigen plegen te beschouwen. Wij willen enkelen
-vluchtig de revue laten passeeren.
-
-Tot de merkwaardigste steppendieren behooren ongetwijfeld de visschen,
-welke zich in de periodiek uitdrogende rivier- en meerbekkens ophouden.
-Reeds Aristoteles verhaalt van visschen, die zich, als het water is
-verdampt, in het slijk begraven; Seneca drijft hiermede evenwel den
-spot en vraagt of men nu voortaan maar niet met houweel en spade op de
-vischvangst zal gaan, in plaats van met het net. Aristoteles echter
-vermeldt feiten, die boven elke spotternij verheven zijn.
-
-De in de steppenwateren van Centraal-Afrika levende salamandervisch is
-een aalvormig dier, ter lengte van ongeveer een meter, met een lange,
-in de staartvin overgaande rugvin, twee smalle ver naar voren
-ingeplante borstvinnen en twee lange, ver naar achteren staande
-buikvinnen; de belangrijkste bijzonderheid, die bij dezen visch valt op
-te merken, bestaat daarin, dat hij behalve de gewone kieuwen ook nog
-longzakken bezit, die voor de ademhaling zijn ingericht. Dit
-merkwaardige dubbelwezen tusschen amphibie en visch houdt zich ook bij
-hoogen waterstand meer op in het slijk dan in het vrije water en
-verbergt zich gaarne in holen, die hij waarschijnlijk zelf uitgraaft.
-Daalt de waterspiegel aanmerkelijk, dan woelt hij zich diep in het
-slijk, rolt zich zoo dicht mogelijk samen en vormt nu, door zich
-telkens om te draaien, eene van alle kanten gesloten en van binnen met
-slijm bekleede, luchtdichte woning, waarin hij den winter roerloos
-doorbrengt. Graaft men zulk een omhulsel voorzichtig uit, en pakt men
-dit zorgvuldig in, dan kan men den visch verzenden zonder zijn leven in
-gevaar te brengen, ook naar willekeur in het leven terugroepen door hem
-met zijn woning in lauw water te leggen. Eerst houdt het dier zich eene
-poos rustig, evenals ware hij nog slaapdronken; maar reeds na verloop
-van een uur is het geheel wakker geworden en eenige dagen later geeft
-het blijken van eene ontembare roofzucht. Maanden lang bespeurt men nu
-geen verandering in het gedrag van dezen visch, maar is de tijd
-genaderd, dat hij in Afrika zijn winterslaap aanvangt, dan maakt hij
-zich hiertoe eveneens gereed in het water, waarin hij zich nu bevindt;
-hij wordt tenminste onrustig en scheidt opvallend veel slijm af. Geeft
-men hem daartoe gelegenheid, dan graaft hij zich werkelijk in, en zoo
-hij dit niet kan, dan herstelt hij zich allengs van zijn onrust en
-blijft verder vroolijk in het water leven.
-
-Evenals de salamandervisch verduren ook de meervallen den winter der
-steppe, en evenals deze beide dieren graven alle daar levende
-amphibieën, ja zelfs sommige reptielen, vooral waterschildpadden en
-krokodillen, zich in het slijk in, om slapend het eind van den winter
-af te wachten, en zoo het ongunstige jaargetijde het hoofd te bieden.
-Alle op het land levende reptielen daarentegen zijn gedurende den
-gloeienden winter het dartelst en dragen er alzoo niet weinig toe bij
-om de dorre steppe te verlevendigen; zij bewonen deze toch in
-ontzagwekkende aantallen. Behalve de adders, waarover ik reeds sprak,
-treedt nog eene andere vergiftige slang in de steppe op, n.l. de
-Aspis-, spuw- of Ureusslang, een der meest gevaarlijke kruipende
-dieren.
-
-Deze slang, die nog meer beroemd, liever berucht is dan de hoornadder,
-is dezelfde, van welke Mozes zich bediende om zijn goocheltoeren voor
-Farao te verrichten, dezelfde, die de hedendaagsche slangenbezweerders
-nog gebruiken; dezelfde, wier gouden beeld de oude Egyptische koningen,
-als zinnebeeld des alvermogens, als diadeem op het hoofd droegen;
-dezelfde, waarvan zij zich als straf en wraakmiddel bedienden voor
-misdadigers en vijanden; dezelfde, van welke de oude geschiedschrijvers
-ons gruwelijke, maar soms zeer ware geschiedenissen opdisschen. In
-tegenstelling met andere slangen is zij over dag zeer lustig, en als
-zij niet getergd wordt zeer onschuldig; bewegelijk, toornig en moedig,
-vereenigt de aspis alle eigenschappen in zich, die eene giftslang
-gevaarlijk maken. Haar kleur, die van zand en verwelkt gras, maakt haar
-onzichtbaar en zoo schuifelt zij dikwijls akelig schielijk door het
-graswoud; zich bewust van haar vreeselijk wapen, stelt zij zich in
-aanvallende houding, zoodra zij zich bedreigd waant. Het voorste vijfde
-of zesde deel des lichaams richt zich op, de halsribben worden
-uitgebreid en zoo wordt er een schild gevormd, boven hetwelk de kleine
-kop met de levendige, bijna fonkelende oogen te voorschijn treedt; zij
-richt de laatste strak op haar vijand en maakt zich gereed tot den
-bliksemsnel uitgevoerden en bijna altijd doodelijken beet;—het is een
-schoon, maar ijzingwekkend schoon tafereel, dat mensch en dier met
-bewondering, maar tevens met ontzetting vervult.
-
-Men beweert algemeen, dat zij ook dan nog gevaarlijk kan worden,
-wanneer zij niet bijt, maar enkel haar vergif op den aanvaller
-uitspuwt, en inderdaad haar sterk ontwikkelde giftklieren scheiden het
-helsche sap in zulk eene ontzettende hoeveelheid af, dat het in groote
-druppels aan het eind van het kanaal harer doorboorde gifthaken te
-voorschijn treedt. Geen wonder, dat inboorlingen en westerlingen haar
-veel meer schuwen en vreezen dan de trage hoornadder, die ons des
-nachts in ons leger opzoekt; verklaarbaar, dat de steppenbewoners
-onnadenkend op iedere, zelfs de onschuldigste slang het geweer afvuren,
-die hun onder de oogen komt; begrijpelijk, dat eindelijk elk geritsel
-in het gras of in het loof een plotselingen schrik, althans
-vermeerderde oplettendheid, opwekt. Zulk een geritsel hoort men echter
-elk oogenblik in de steppe, daar andere slangen, van de
-hiëroglyphen-slang af, een zes meter lange reuzenslang, tot kleine
-onschuldige ringslangetjes toe, er niet minder talrijk zijn dan de
-aspis, terwijl nog bovendien een talloos heer van hagedissen van
-allerlei soort overal te vinden is. Wie de slangen vreest, kan door de
-hagedissen met de klasse der reptielen verzoend worden; want
-aantrekkelijker verschijningen dan deze vlugge en schitterend gekleurde
-schepsels weet de steppe niet aan te wijzen. Over den grond snellen zij
-daarheen, tegen de takken van struiken en boomen klauteren zij omhoog,
-van de termietenheuvels zoowel als van de woningen kijken zij omlaag,
-en zelfs onder het zand banen zij zich een weg. Sommige soorten
-wedijveren in kleurenpracht en glans met de kolibries; anderen streelen
-het oog door de vlugheid en sierlijkheid hunner bewegingen; weer
-anderen boeien door haar zonderlinge gedaante. Zelfs nadat de zon, in
-wier stralen zij zich zoo gaarne koesteren, is ondergegaan en het
-meerendeel dezer bewegelijke diertjes de rust heeft gezocht, wordt de
-waarnemer nog door hen beziggehouden; want met het begin van den nacht
-komen de gekko’s opdagen, die des daags stil en rustig tegen de
-boomstammen en staken zaten gekleefd; zij laten luid en welklinkend hun
-geroep hooren, waaraan de naam is ontleend, om, zonder daarbij de
-minste vrees voor de menschen aan den dag te leggen, van nu af zich aan
-de jacht te wijden. Het volksgeloof stelde de gekko’s oudtijds voor als
-zeer vergiftige dieren, en ook nu nog spookt dit vooroordeel in de
-hersens van vele onverstandige lieden. Het zijn nachtdieren en als
-zoodanig zijn zij anders gevormd dan die, welke over dag bedrijvig
-zijn; inzonderheid zijn zij gekenmerkt door de verbreede,
-kussenvormige, aan den onderkant met dicht aaneengeschaarde blaadjes
-voorziene voetzolen, die als zuignapjes werken en bij het klimmen de
-uitstekendste diensten bewijzen. Hierin meende men giftklieren te zien,
-hoe ongerijmd deze opvatting ook al dadelijk mocht schijnen. Neen, de
-gekko’s zijn zoowel aantrekkelijke als geheel ongevaarlijke wezentjes,
-die binnen korten tijd zich de liefde verwerven van iederen onbevangen
-waarnemer. Huisdieren in den besten zin des woords, dewijl zij vlijtig
-en met goed gevolg de vervolging op zich nemen van allerlei lastig
-ongedierte, verlevendigen zij in den nacht elken hoek der uit leem of
-stroo gebouwde woning; zij klouteren met nimmer falende zekerheid,
-geholpen door hunne bladvormige voetplaatjes, overal zich
-vasthechtende, zoowel met den kop naar beneden als met den kop naar
-boven, langs horizontale en loodrechte muren; zij schijnen er vermaak
-in te vinden elkander te plagen en na te zetten, en verlustigen den
-mensch nog bovendien door hunne melodieuze stem. Kortom, zij doen nut
-en schenken genot—welk verstandig mensch zou dus niet van hen houden?
-
-Toch—ook de gekko’s zijn en blijven kruipende dieren, en deelen als
-zoodanig in den vloek en afkeer van den mensch, en voorzeker! met de
-licht zwevende vogels zijn zij niet te vergelijken. En daarom mag men
-zeggen, dat eigenlijk de laatstgenoemden alleen den mensch, die in de
-steppe toeft, vroolijk tegemoet snellen en hem met de zooeven
-beschouwde dieren verzoent.
-
-De vogelenwereld der steppe is even rijk aan soorten als aan
-individuen. Waar men zich ook moge bevinden, vogels ontbreken nergens.
-
-Uit het dichtste halmenbosch laat zich het luid geroep van enkele
-trapganzen hooren; uit het struikgewas aan de oevers der waterbekkens
-het trompetgeluid van parelhoen of frankolijn; uit de boomen klinkt het
-gekir en gelach der duiven, het hameren der spechten, de volle loktonen
-van den baardvogel, het eenvoudig gezang der wevervogels en van sommige
-lijstersoorten; op uitstekende boomtakken of dergelijke voor uitkijk
-geschikte voorwerpen, zitten, loerende op eene prooi,
-slangen-buizerden, zingsperwers, Duitsche papegaaien, drongo’s en
-bijeneters; de secretarisvogel—door de inboorlingen noodlotsvogel
-genoemd—loopt in het halmenwoud of zweeft daarboven; in het luchtruim
-spelen de zwaluwen en andere vliegenjagers, nog hooger zweven arenden
-en gieren. Geen plaatsje is onbewoond, geen plekje onbezet, en wanneer
-in Europa de winter zijn intocht houdt, zendt hij nog een aantal onzer
-vogels, zooals torenvalken en wouwen, worgers en Duitsche papegaaien,
-kwartels en ooievaars en vele anderen naar de steppe, die hun gedurende
-het bange en arme jaargetijde een gastvrije schuilplaats verleent.
-
-Karakteristiek voor de steppe zijn weinige daar levende vogels, en haar
-stempel is op bijna geen enkele zoo scherp en beteekenisvol afgedrukt,
-dat men er een als steppenvogel in den waren zin zou mogen beschouwen,
-gelijk zulks bij alle woestijnvogels wel het geval is. Desniettemin
-merkt de aandachtige waarnemer op, dat toch ook de steppenvogels tot in
-zekere mate het gelaat hunner woonplaats weêrspiegelen. Den secretaris,
-een grooten roofvogel van het voorkomen eens kraanvogels, den
-slangensperwer, een in een rijk, mollig, grootvederig gewaad gehulden,
-langzaam en traag vliegenden havik, een stroogelen geitenmelker,
-alsmede een wiens vleugels in pronkveêren zijn veranderd, een parel- of
-frankolijnhoen, een trap, of eindelijk den struisvogel is het wel aan
-te zien, dat zij in de steppe thuis behooren, en daarin hun waar
-verblijf vinden. De steppe is, wel is waar, geenszins kleurenrijker dan
-de woestijn, maar geeft toch oneindig meer bedekking en kan dus ook
-vrijer teekenen. Nochtans bevindt men, dat ook hier voornamelijk twee
-kleuren domineeren, een lichter of donkerder stroogeel en een moeilijk
-te omschrijven staalgrijs, welke beide kleuren zoowel de veêren van de
-roofvogels als die der hoenders versieren, zonder dat daarom alle
-andere, donkere, of meer levendige en zelfs heldere kleuren
-buitengesloten zijn. De meerdere vrijheid in kleur en teekening valt m.
-i. opmerkelijk genoeg ook bij zulke vogels in ’t oog, wier geslacht of
-familieleden uitsluitend in de steppe thuis behooren.
-
-Wil men, met het doel daardoor het gebied zelf te kenschetsen, enkele
-steppenvogels meer uitvoerig beschrijven, dan wordt de keuze moeilijk,
-omdat bijna iedere vogel eene meer bijzondere vermelding waard is. De
-mij toegestane ruimte legt mij beperking op, weshalve het voldoende
-zij, wanneer ik als voorbeelden neem een bewoner der hoogere
-luchtlagen, een grondbewoner en een nachtvogel; deze zullen den lezer
-in staat stellen het beeld, dat hij zich reeds van de steppe heeft
-gevormd, nog iets vollediger te maken.
-
-Wie langen tijd in de steppe heeft verwijld, moet meermalen een grooten
-roofvogel hebben opgemerkt, die in zijn vlucht ten zeerste afwijkt van
-iederen anderen gewiekten roover, vooral door den prachtig golvenden
-buitenrand der lange en spitse vleugels, den ongemeen korten staart en
-de alles overtreffende snelheid. Hoog in de lucht vliegt, zweeft,
-zwemt, tuimelt, goochelt, danst en buitelt deze vogel, die de grootte
-bereikt van een adelaar; nu eens breidt hij zijne vleugels wijd uit, om
-ze minuten achtereen roerloos in dezelfde houding te laten, dan weder
-slaat hij ze met kracht tegen elkaar, om ze straks te draaien en te
-wenden, of ze zoo aan te trekken, dat hij naar de laagte dreigt te
-storten; maar hij heeft ze reeds weêr even krachtig gebogen, en weinige
-minuten later hebben de hoogste luchtlagen hem wederom opgenomen.
-
-Nadert hij den grond, dan vallen de scherp tegen elkander afstekende
-kleuren van den fluweelzwarten kop, van hals, borst en buik, de
-zilverwitte onderzijde der vleugels en van den licht kastanjebruinen
-staart duidelijk in het oog; buitelt hij, dan ziet men de heldere, met
-die van den staart overeenkomende kleur van den rug, alsmede een lichte
-streep over de vleugels; nadert hij nog meer, dan blinken ons de
-koraalroode snavel en de eveneens gekleurde teugels en pooten tegen.
-Vraagt men een trekkenden herder, die gewoon is de dierlijke bevolking
-der steppe opmerkzaam gade te slaan, naar dezen zoo merkwaardigen,
-meestal eenzaam rondzwervenden roofvogel, dan hoort men uit zijn mond
-het volgende zinrijke, beteekenisvolle sprookje:
-
-„De genade des Albarmhartigen verleende aan dezen vogel de rijkste
-gaven, bovenal hooge wijsheid. Want hij is een heelmeester onder de
-vogelen des hemels, der ziekten kundig, door welke de schepselen van
-den Alformeerder gekweld worden, en een kenner van kruiden en wortels,
-die genezing brengen. Uit ver afgelegen landen ziet gij hem de wortels
-aandragen, maar tevergeefs poogt gij te doorgronden werwaarts hij
-geroepen werd om met die kruiden de zieken te genezen. De uitwerking
-zijner middelen is onfeilbaar; hun gebruik schenkt het leven, en wie ze
-versmaadt is eene prooi des doods. Zij zijn als de hebjab, door de hand
-van Gods gezant geschreven, een gebod Mohammeds, wiens naam geprezen
-zij. Het is den arme voor ’t aangezicht des Heeren, den zone Adams niet
-verboden zich van die geneeskrachtige kruiden te bedienen. Ziet toe
-waar de arts-adelaar zijn huis bouwt, neem u in acht zijn eieren aan te
-raken, wacht totdat uit de veêren zijner kinderen geen bloed meer
-vloeit; ga dan heen en bezoek de woning des adelaars en wond een zijner
-kinderen. Dan zult gij zien, dat de vader naar het oosten vliegt,
-daarhenen, waar gij uw aangezicht naar toe keert in het gebed. Wacht
-zonder morren en geduldig tot hij terugkeert. Hij zal verschijnen met
-een wortel in zijn handen; verschrik hem, opdat hij dien u late en maak
-er u zonder vrees meester van, want hij komt van den Heer, in wiens
-handen het leven is, en geen tooverij rust er op. Ga dan heen en genees
-uwe zieken; zij zullen allen genezen, indien het de wil is van den
-Albarmhartigen.”
-
-De vogel, die deze dichterlijke bloesems opwekte, is de goochelaar,
-gelijk wij, de „hemelaap” gelijk de Abessyniërs hem noemen; het is een
-slangenarend; de wortels, die het sprookje hem laat aandragen, zijn de
-slangen, die hij vangt. Zeer zelden ziet men hem rusten; gewoonlijk
-vliegt hij op de geschilderde wijze rond tot eene door hem gespeurde
-slang hem drijft bruisend omlaag te schieten en den strijd met deze aan
-te vangen. Evenals alle slangendoodende roofvogels door de dikke
-hoornbekleeding zijner pooten en zijn dicht gevederte tegen de
-gifttanden genoegzaam beschut, deinst hij zelfs voor de gevaarlijkste
-soorten niet terug en wordt zoo tot een weldoener der steppe. Evenwel,
-niet zijn werkzaamheid in dit opzicht, maar alleen zijn meesterlijke
-vlucht, vestigde zijn roem onder alle volken zijner woonplaats.
-
-De scherpste tegenstelling met den goochelaar vormt de aan den grond
-geketende struisvogel. Ook deze is de held geworden van een Arabisch
-sprookje, ofschoon niet om hem te verheerlijken, integendeel, om hem
-tot in het stof te verlagen. Dat sprookje bericht van den struis, dat
-deze eens uit hoogmoed naar de zon wilde vliegen en toen jammerlijk
-verbrand werd, zoodat hij in zijn tegenwoordigen toestand naar beneden
-viel.
-
-Voor ons biedt het leven van dezen vogel veel wat de aandacht waard is,
-en te meer dewijl nog steeds zooveel onjuiste voorstellingen omtrent
-den struis worden gekoesterd.
-
-Ofschoon hij niet geheel ontbreekt in de begroeide laagvlakten van de
-Afrikaansche en West-Aziatische woestijnen, komt echter de struisvogel
-meer bepaald en in grooter getale voor in de aan voedsel rijke steppe.
-Bijna elken dag kruist men hier zijn duidelijke, karakteristieke
-voetstappen; den vogel zelven aanschouwt men evenwel zelden. Hij is
-hoog genoeg om over het graswoud heen te zien; scherp van gezicht en
-schuw, onttrekt hij zich dientengevolge aan het oog der menschen.
-Gelukt het, hem uit de verte gade te slaan, dan merkt men dat hij,
-althans buiten den broedtijd, van een gemakkelijk leven houdt. In den
-vroegen morgen en in de schemering weiden de struisvogels bij troepen;
-tegen den middag liggen allen rustig op den grond, om zich te wijden
-aan het werk der spijsvertering, of zij gaan drinken, of nemen een bad,
-soms zelfs in de zee; later op den dag amuseeren zij zich met
-vreemdsoortige dansen, springen als zinneloos in een kring rond en
-klapwieken daarbij met de vleugelveêren, alsof zij zich in ’t vliegen
-wilden oefenen; tegen zonsondergang begeven zij zich ter ruste, zonder
-evenwel ook nu nog hunne veiligheid uit het oog te verliezen. Worden
-zij door een gevaarlijken vijand bedreigd, dan rennen ze in woeste
-vaart weg en laten dezen spoedig verre achter zich; sluipt een zwakker
-roofdier hen na, dan vellen zij dit met hun krachtige pooten ter aarde.
-Zoo vliedt hun leven bijna wolkenloos daarheen—althans, indien het hun
-niet aan voedsel ontbreekt. Voedsel toch hebben zij in groote
-hoeveelheid noodig. Men staat versteld over hunne vraatzucht en niet
-minder over de verduwingskracht der struisenmaag, die de veelsoortigste
-dingen in massa’s opneemt en, òf deze verteert, òf er in elk geval geen
-nadeel van ondervindt. Al wat eene plant oplevert, van den wortel tot
-de vrucht slokt deze spreekwoordelijk geworden maag in; al wat van
-kleinere dieren, zoowel gewervelden als ongewervelden bemachtigd kan
-worden, niet minder. Nog is hem dit niet genoeg. De struis verzwelgt
-al, wat verzwelgbaar is, steenen van een half kilo zwaarte, in
-gevangenschap stukken tichelsteen, werk, lompen, messen, sleutels en
-sleutelringen, spijkers, glasscherven en glassplinters, looden kogels,
-bellen en vele zaken meer; het is wel gebeurd, dat hij zich te goed
-deed aan ongebluschte kalk en daardoor zijn eigen moordenaar werd. Men
-vond eens in de maag van een in gevangenschap gestorven struisvogel de
-veelsoortigste voorwerpen tot een totaal gewicht van vier en een kwart
-kilogram. De vratige vogel eet in den hoenderhof jonge eenden en kippen
-op, net of het oesters waren, krabt de kalk van de muren om met die
-stukken zijn maag te vullen; in één woord, hij spaart en verschoont
-niets, wat maar verzwelgbaar en niet nagel- en muurvast is. In
-overeenstemming met de door hem verbruikte hoeveelheid voedsel, die
-overigens in geen wanverhouding staat tot zijn lichaamsgrootte en
-bewegelijkheid, is ook zijn dorst, en dientengevolge zijn verblijf
-gebonden, niet alleen aan plaatsen alwaar voedingsplanten voor hem
-aanwezig zijn, maar ook aan wateren of althans bronnen. Drogen deze
-uit, dan is de struisvogel genoodzaakt weg te trekken en in zoodanige
-gevallen kan hij soms groote afstanden afleggen.
-
-Is het voorjaar gekomen, dan ontwaakt de liefde in het hart van den
-struisvogel, en nu ondergaat zijn levenswijze groote veranderingen. De
-kudden lossen zich op in kleinere troepen en de volwassen mannetjes
-beginnen langdurige gevechten om het bezit der wijfjes. In hoogen graad
-opgewekt, wat uitwendig zichtbaar is aan den levendig rood gekleurden
-hals en aan de eveneens roode pooten, plaatsen twee mededingers zich
-tegenover elkaar, klepperen met de vleugels, zoodat de volle pracht der
-uitgerafelde, witte slagpennen zichtbaar wordt; zij bewegen daarbij den
-hals op een moeilijk te beschrijven wijze, daar zij dit lichaamsdeel nu
-eens naar voren, dan naar de zijden wenden, draaien of buigen; zij
-stooten diepe en schorre tonen uit, die nu eens aan het dof gerommel
-van den donder, dan weder aan het gebrul van den leeuw doen denken,
-kijken elkaar strak aan, laten zich op den voetwortel neêr en bewegen
-in deze houding hals en vleugels nog schielijker en aanhoudender dan
-straks, springen weder op, rennen nogmaals op elkander los; eindelijk,
-terwijl zij elkaar voorbijsnellen, tracht ieder zijn mededinger door
-een forschen slag met den poot te kwetsen, om als de aanval gelukte,
-met den scherpkantigen nagel van den eenen teen diepe en lange wonden
-in lijf en pooten te slaan. De overwinnaar handelt met het in den
-strijd verkregen wijfje of met de wijfjes niet veel beter; hij
-mishandelt deze gewoonlijk op het erbarmelijkst, zoowel door zijn
-tyrannie als door lichamelijke tuchtiging. Of het mannetje één of meer
-wijfjes houdt is nog niet uitgemaakt; wel mag men voor waar aannemen,
-dat vele wijfjes vaak haar eieren in een en hetzelfde nest leggen, en
-men heeft ook opgemerkt, dat niet het wijfje, maar voornamelijk het
-mannetje de eieren bebroedt, alsmede de verzorging en opvoeding op zich
-neemt van de na 8 weken uitgekomen jongen. Zoowel in ’t een als ’t
-ander wordt het daarbij gewis door het wijfje geholpen, maar de
-hoofdarbeid valt den man ten deel, en bij de verzorging der jongen legt
-deze dan ook de meeste vlijt en angst aan den dag. De
-struisvogelkuikens, die bij het uitkomen reeds zoo groot zijn als een
-matige kip, verschijnen in een bijzonder gewaad op deze wereld, een
-gewaad, dat eer doet denken aan de stijve haren van een zoogdier dan
-aan het donskleed van de vogels. Daar zij reeds den eersten levensdag
-de vraatzucht, aan hun geslacht eigen, openbaren, groeien zij zeer
-snel, wisselen na 2 à 3 maanden van veêren, om nu een gewaad aan te
-trekken, dat het meest gelijkt op dat der wijfjes; maar er moeten nog
-ten minste drie jaren verloopen alvorens zij volwassen zijn en geschikt
-geworden ter voortplanting.
-
-Dit is, zeer beknopt weêrgegeven, het voornaamste uit de
-levensgeschiedenis van den reuzenvogel der steppe; alle daarmede in
-strijd zijnde verhalen noem ik fabelen.
-
-De nachtvogel eindelijk, over wien ik enkele woorden wensch in ’t
-midden te brengen, is de nachtzwaluw of geitenmelker, wiens geslacht
-ook bij ons te lande door ééne soort wordt vertegenwoordigd, maar die
-juist in de steppe in verschillende en deels zeer verschillend
-geteekende soorten optreedt. Met het verschijnen der eerste ster aan
-den nachtelijken hemel beginnen deze gemoedelijkste en lieftalligste
-aller nachtvogels hun bedrijvig leven. Over dag is het zeer toevallig
-als men er een ontdekt, en dan zou men moeilijk gissen, dat deze vogel
-in zulk een hooge mate het vermogen bezit om werkelijk leven aan de
-steppe bij te zetten; wanneer evenwel de nacht aanbreekt, dan is
-zekerlijk althans één hunner in de nabijheid. Evenals de schorpioenen
-en adders door het legervuur gelokt, verschijnt ook de vlugge vlieger
-in de nabijheid der rustenden, beschrijft een aantal kringen om vuur en
-legerplaats, gaat bij tijd en wijle dicht daarbij zitten en draagt dan
-eenige strophen voor uit zijne nocturne, welk gezang aan het spinnen
-der kat doet denken, verdwijnt in het schemerdonker om ettelijke
-minuten later opnieuw zijn opwachting te maken, en zoo gaat het voort
-tot de morgen is aangebroken. Vooral ééne soort dezer familie is
-aantrekkelijk: de vlaggennachtzwaluw, de „viervleugelvogel” der
-steppenbewoners. Zijn tooisel bestaat in een paar tusschen de groote en
-kleine slagpennen uitstekende, bijna een halven meter lange, tot dicht
-bij de spits naakte, maar hier met eene vlag voorziene veêren, die alle
-andere pennen in lengte ver overtreffen. Wanneer deze vogel zijne
-kringen in de lucht beschrijft, dan waant men eene spookgestalte te
-zien. Het heeft er veel van alsof hij door een tweeden, kleineren vogel
-achtervolgd wordt, of alsof hij zich in twee of drie vogels kon
-verdeelen, of eindelijk, alsof hij inderdaad vier vleugels bezat. Maar
-ook deze nachtzwaluw verloochent de lieftalligheid van zijn geslacht
-niet en wordt eene vriendelijke verschijning, evengoed als de andere
-leden zijner familie, die menige, anders vrij ongezellige steppennacht
-op vertrouwelijke wijze weten te verkorten.
-
-Rijk in soorten en vormen is ook de klasse der zoogdieren, die de
-steppen bewonen. Haar plantenrijkdom onderhoudt niet alleen talrijke
-kudden antilopen, die meer in ’t bijzonder als karakterdieren der
-steppe mogen beschouwd worden, maar tevens bevinden zich hier wilde
-buffels, wilde zwijnen, zebra’s, wilde ezels, olifanten,
-neushoorndieren, alsmede de serafe, door ons „giraffe” genoemd; verder
-een talrijk heer van knaagdieren, die wij nog maar in grove omtrekken
-kennen.
-
-Deze talrijke plantenetende bevolking wordt in evenwicht gehouden door
-verschillende in de steppe levende roofdieren; laatstgenoemden strekken
-der steppe zelf tot voordeel, want zonder dit tegenwicht zouden de
-herkauwers en knaagdieren zich zoo schrikbarend vermenigvuldigen, dat
-de geheele plantenvoorraad van dit gebied niet toereikend zou blijken
-om allen te voeden. De eenvormigheid der Noord-Afrikaansche steppe, en
-haar, ofschoon niet overvloedige, toch betrekkelijk vrij groote rijkdom
-aan staande en stroomende wateren is oorzaak, dat men er niet zulke
-scholen antilopen ziet als in de karroe van Zuid-Afrika; in vergoeding
-hiervoor ontmoet men den slanken herkauwer met zijn fraaie oogen
-overal, òf alleen, òf in kleine troepjes, òf in grootere kudden; men
-ziet ze des winters nagenoeg op dezelfde plaatsen als in den zomer.
-Wilde paarden en wilde ezels daarentegen houden zich slechts op de kale
-hoogten op; de serafe bewoont uitsluitend de ijle, de neushoorn wederom
-bijna alleen de dichtste wouden; de olifant vermijdt enkele
-uitgestrekte gebieden gansch en al, terwijl de kwaadaardige buffels aan
-de moerassige laagvlakten schijnen gebonden te zijn. De leeuw is niet
-minder een metgezel der laatstgenoemde dieren als van de tamme leden
-dier familie, terwijl daarentegen de listige panter en de vlugge en
-onvermoeide jachttijger meer het spoor der kleinere antilopen volgen;
-jakhalzen en steppenwolven jagen voornamelijk op hazen, de vossen,
-civetten en stinkdieren het liefst op kleine knaagdieren en zulke
-vogels, die op den grond verblijf houden.
-
-Wanneer ik er toe overga uit den rijken voorraad der zoogdieren, die de
-steppe bewonen, enkele uit te kiezen, om deze eenigszins nader te
-bespreken, dan moet ik aan de verleiding weêrstand bieden, die mij zou
-kunnen verlokken den leeuw of den jachttijger, den hyena of den
-honigdas, den zebra of het wilde paard, den serafe of den buffel, den
-olifant of het neushoorndier daarvoor te nemen, omdat er andere dieren
-zijn, die mij, als meer karakteristiek voor het steppengebied,
-belangrijker voorkomen. Tot dezen reken ik in de eerste plaats het
-aard- en het schubdier—de plaatsvervangers in de oude wereld van de in
-Amerika talrijker vertegenwoordigde orde der Tandeloozen, zoogdieren,
-wier eigenlijke bloeitijd reeds vele eeuwen achter ons ligt. Beide
-dieren zijn, althans in Noord-Afrika, aan de steppe gebonden; want
-slechts daar vinden zij overvloed van termieten en hun gewone voedsel.
-Evenals alle miereneters brengen zij den dag als een bal ineengerold,
-slapende door en wel in holen, die zij zelf graven en wier uitmondingen
-men zoowel midden op de groote boomlooze grasvlakten als elders
-tusschen de spaarzaam daar voorkomende boomen en struiken aantreft.
-Eerst nadat de nacht zijn heerschappij begint uit te oefenen, worden
-deze dieren levendig; met loggen tred, hompelend en springend,
-hoofdzakelijk met behulp van de krachtige achterste ledematen vooruit
-komende, terwijl zij steunen op de kolossale graafnagels der voorste
-ledematen en den zwaren staart, gaan zij nu op voedsel uit. Dit laatste
-bestaat uitsluitend uit allerlei klein gedierte, voornamelijk uit
-mierenpoppen, termietenlarven en wormen. Met den neus op den grond, dit
-lichaamsdeel voortdurend heen en weêr bewegende, steeds snuffelende,
-draven zij voort; een toevallig ontdekte mieren- of termietengang leidt
-hen naar het hoofdgebouw, waarin zij zonder moeite een gat voor den
-langen snuit graven, dien zij daarin steken, om met behulp hunner tong
-de hierin uitmondende kanalen der insekten op te sporen; zij steken de
-lange, kleverige, wormvormige tong zoo diep mogelijk in een der
-hoofdgangen, tot genoemd lichaamsdeel vol termieten of mieren hangt en
-brengen het daarmede beladen in den nauwen bek terug, om zich aan de
-gevangen insekten te vergasten. Deze manier van eten maakt een
-jammerlijken indruk, en toch is die tong hier een uitnemend werktuig,
-evenals ook de groote graafnagels zulks zijn; beide organen stellen hen
-in staat zich een weg door het leven te banen. Oogenschijnlijk zeer
-hulpbehoevend, zijn zij dit in werkelijkheid toch niet. Het zwakke
-schubdier wordt door zijn harnas voldoende beschermd; zelfs een
-sabelhouw stuit daarop af. Minder goed verdragen de pooten zulke
-beleedigingen. Het aardvarken bezit daarentegen een uitstekend
-weêrmiddel in zijn nagels en bovendien kan het met zijn staart zulke
-harde slagen uitdeelen, dat een niet al te overmachtig vijand voor hem
-het veld ruimt. Komt er evenwel eene tegenpartij op hem af, wiens
-kracht hij te duchten heeft, en bemerkt hij zulks in tijds, dan graaft
-hij zich ijlings een hol; hij werpt al gravende zand en stof in zulk
-een groote hoeveelheid en met zooveel kracht achter zich op, dat hij
-geheel onzichtbaar wordt en in de veilige diepte is aangeland, alvorens
-de gevaarlijke vijand tot den aanval gereed was. Slechts tegenover den
-mensch en diens alvermogende wapenen is hij niet opgewassen; terwijl
-hij slaapt, boort men hem een lange lans door ’t lijf en zoo wordt hij
-onfeilbaar in zijn eigen hol gedood, indien slechts het
-uitmondingskanaal recht en niet al te lang is. Ook dit voorwereldlijke:
-dier is bestemd vroeger of later uit de rij der levenden gedelgd te
-worden.
-
-Onder de roofdieren der steppe heeft een daarin thuis behoorende hond
-steeds de grootste aandacht getrokken. Een verbindingslid vormende
-tusschen hyena en hond, in zooverre de gedaante en ook tot op zekere
-hoogte de teekening betreft, is dit dier, de hyenahond, ook uiterlijk
-eene zeer belangrijke verschijning, en wat zijn doen en wezen betreft,
-het meest aantrekkelijke aller roofdieren, die de steppe herbergt.
-Afgezien van enkele apen, ken ik geen zoogdier, dat zooveel
-zelfvertrouwen bezit, of althans schijnt te bezitten, dat zoo
-overmoedig is of schijnt, zoo stoutmoedig als deze hond. Voor geen doel
-schrikt hij terug, voor zijn aanvallen is geen ander zoogdier ten volle
-veilig. In talrijke koppels vereenigd, trekt hij, op buit belust, door
-de steppe. Vernielend valt hij in de schaapskudden der kolonisten en
-trekherders; vast kleeft hij aan de verzenen der snelvoetigste
-antilopen; onbeschaamd dringt hij op de menschen in; onbevreesd
-verdrijft hij, wellicht grootendeels door zijn onstuimig gedrag, zelfs
-de roofdieren uit het gebied waar hij buit zoekt. Blaffend, jankend,
-kermend, achtervolgt een troep dezer honden de sterkste en krachtigste
-antilope, terwijl nu en dan dat geluid wordt afgewisseld door heldere,
-bijna vroolijke tonen. De antilope vlucht, zoo snel haar krachten dit
-toelaten; de op moord beluste honden vervolgen evenwel haar spoor,
-snijden alle bochten, alle zijwegen af, die de vervolgde tracht in te
-slaan, naderen haar steeds meer en meer en nopen haar eindelijk zich in
-tegenweer te stellen. Zich bewust van haar kracht en weêrvermogen maakt
-de antilope een uitnemend gebruik van haar spits gewei; menige hond
-stort doodelijk getroffen ter aarde, maar wie overblijven hangen haar
-aan hals en lijf en doen een luid gehuil hooren, wanneer het dier
-rochelend den adem uitblaast. Zonder zich aan den mensch te storen
-overvallen deze honden alle mogelijke huisdieren, verscheuren de
-kleineren met de bloedgierigheid eens marters, en verminken de
-grooteren, die zij niet kunnen bemachtigen; op hen afgezonden
-huishonden wachten zij onbevreesd af, wagen er den strijd mede op leven
-en dood en werpen hen ten slotte ontzield ter aarde. Getemd, den mensch
-geheel onderworpen, eenige generaties na elkander afgericht en
-opgevoed, zouden zij de uitnemendste speurhonden kunnen worden, die er
-bestaan, maar heel gemakkelijk zullen zij zich wel niet onder het juk
-laten brengen. Zij gewennen zich aan hun verzorger, leggen zekere
-genegenheid, soms zelfs wel liefde voor hem aan den dag, maar op hunne
-eigenaardige wijze. Worden zij geroepen, dan staan zij van hun leger
-op, springen vroolijk op en neêr, vechten lustig tegen elkander,
-stormen op hun meester los, springen bij hem op, trachten hunne
-uitbundige vreugde door de meest uitgelaten hondengebaren uit te
-drukken en weten eindelijk zich niet anders te uiten dan door hun
-beminden meester te bijten. Onstuimigheid en een onbedwingbare bijtlust
-zijn de in ’t oog loopende karaktertrekken dezer honden. Prikkelbaar
-zonder voorbeeld, bewegen zij elk lid, trekken met elken spiervezel,
-zoodra een of ander voorval hun opmerkzaamheid trekt; de licht
-ontvlambare levendigheid van geest, die hun eigen is, neemt het
-karakter aan van overdreven dartelheid en ontaardt een oogenblik later
-in woestheid en roofzucht. Dan bijten zij in alles, wat hun in den weg
-komt, zonder oorzaak, maar enkel uit lust tot bijten, denkelijk ook
-zonder kwaadaardigheid. Deze honden zijn werkelijk de vreemdsoortigste
-schepselen, die de steppe herbergt.
-
-In die deelen der steppe, welke ik in ’t bijzonder op ’t oog heb, n.l.
-Kordofan, Sennaar en Taka, is het leven der genoemde en nog andere
-steppendieren, afgezien van den invloed der beide jaargetijden, bij
-lange na niet aan zulke stoornissen onderhevig als in het zuiden van
-Afrika of in de Middel-Aziatische steppen. Voor zulke soorten, die niet
-trekken, of die maandenlang in een toestand van schijndood verkeeren,
-breekt met den winter ook wel een tijd van ontbering aan, soms wel van
-groot gebrek, maar hongersnood of watersnood kennen zij niet.
-Dientengevolge ontstaat er ook geen behoefte, om door vertwijfeling
-gedreven, het armoedige geboorteland te verlaten en heil te zoeken in
-eene overhaaste vlucht naar gelukkiger oorden. Ook de dieren der
-Noord-Afrikaansche steppe trekken en reizen; maar zij vluchten niet
-ongeregeld gelijk die soorten, welke andere steppen bewonen en die hun
-gebied bij honderdduizendtallen verlaten, wanneer er gevaar dreigt. Van
-zulke enorme kudden antilopen, zooals men in het zuiden van Afrika
-ziet, weet men hier niet te verhalen. Een en ander werd reeds door mij
-opgemerkt. Alle gezellig levende vogels scharen zich bij het naderen
-van den winter bijeen, en verdeelen zich weder in troepjes, wanneer de
-lente haar intocht viert; alle trekvogels gaan en komen ongeveer
-terzelfder tijd; zulks geschiedt evenwel regelmatig en altijd op
-dezelfde wijze, niet ongeregeld en zonder bepaald doel.
-
-Eéne mogendheid evenwel blijft er nog over, die ook hier het leven der
-dieren in gevaar brengt; het is de macht van het vuur.
-
-Telken jare, wanneer de donkere wolken in het zuiden en de hieruit
-schietende bliksemstralen de komst der lente aankondigen, en op die
-dagen, wanneer de zuidenwind over de steppe giert, werpt de trekherder
-in die streken waar hij huist, den brand in het grasbosch. Snel en
-ongestuit grijpen de vlammen om zich heen. Over geheele velden breiden
-zij zich uit; rook en walm vormen de voorhoede. Een donkerroode wolk
-verkondigt des nachts haar vernielende en toch zegenrijke werking. Niet
-zelden bereikt de brand het oerwoud; de vlammen lekken aan de verdorde
-slingerplanten van den bodem tot aan de toppen der boomen; zij
-verschroeien de enkele nog overgebleven bladeren en verkolen den
-buitenbast der stammen. Soms, ofschoon minder dikwijls, omslingeren de
-vlammen geheele dorpen en werpen haar brandende fakkels in de
-stroohutten, die in één oogwenk der vernieling zijn prijs gegeven.
-
-Alhoewel een steppenbrand, in weerwil van de menigte en gemakkelijk
-ontvlambare brandstof, nimmer verderfelijk kan worden voor een man te
-paard evenmin voor snelloopende zoogdieren, terwijl hij zelfs met goed
-gevolg bestreden kan worden en zulks door het vuur zelf, toch geraakt
-de geheele dierenwereld door zulk eene gebeurtenis in groote
-opgewondenheid. Al wat ademt in het graswoud verlaat zijn schuilplaats
-en slaat op de vlucht. Die vlucht wordt een wilde vlucht, daar de
-schrik tot nog meer spoed aanzet dan de vlammen zelf. Antilopen, wilde
-paarden, struisvogels vliegen sneller dan de stormwind over de vlakte;
-jachttijger en luipaard volgen, en mengen zich in de kudden der eersten
-zonder er aan te denken eenig dier aan te vallen; de hyenahond vergeet
-zijn moordlust; de leeuw wordt door gelijken schrik bevangen als alle
-andere zoogdieren; slechts de holbewoners verbergen zich in hun veilig
-verblijf en laten de vuurzee boven hun hoofd woeden, zonder er eenig
-letsel van te ondervinden. Alle kruipende en aan den grond gekluisterde
-dieren daarentegen hebben het zwaar te verantwoorden. Weinige slangen,
-zelfs de vlugge hagedissen niet, kunnen aan het vuur ontkomen;
-schorpioenen, tarantula’s en duizendpooten worden er zeker door
-bereikt, of zij vallen ten buit aan vijanden, die door den brand
-herwaarts werden gelokt en de vlammen weten te trotseeren.
-
-Zoodra er in de steppe een rookwolk ten hemel stijgt, die zich meer en
-meer uitbreidt, snellen van alle kanten kruipende roofdieren en
-roofinsekten, vooral echter slangenarenden, zangsperwers, wouwen,
-torenvalken, ooievaars, bijeneters en zwaluwen aan, om jacht te maken
-op de hagedissen, slangen, schorpioenen, spinnen, kevers en
-sprinkhanen, die door het vuur werden opgeschrikt en voor hetzelve
-vluchten. Onbevreesd loopen de secretarisvogels en ooievaars dwars voor
-de vuurlijn; snelwiekige valken, bijeneters en zwaluwen zweven boven de
-vlammen en door de rookwolken; een rijke buit valt allen ten deel. De
-jacht duurt zoolang als de brand woedt en de brand vindt voedsel
-zoolang de storm hem verder draagt; eerst met het sterven van den wind
-dooven ook de vlammen uit.
-
-Zoo zuivert de trekherder zijn weiland van onkruid en ongedierte; op
-deze wijze maakt hij het gereed voor een nieuwen plantengroei. Een
-vruchtbare asch blijft op den bodem achter; de levenwekkende regen
-vermengt die asch met de teelaarde, en een nieuw, jeugdig en krachtig
-groen ontspruit na het eerste onweder. Dan keeren ook alle gevluchte
-dieren weder terug naar de oude woonplaats, om, na den last en de
-kwellingen van den nu geëindigden winter en den schrik der jongste
-dagen, weder volop te genieten van de weelde en de genoegens des
-levens.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-HET OERWOUD EN DE DIERENWERELD VAN AFRIKA’S BINNENLAND.
-
-
-Rijk moge Afrika’s steppe zijn, vooral wanneer men haar vergelijkt met
-de woestijn, de weelderige vegetatie der tropen wordt evenwel niet in
-haar gevonden. Wel oefent de bezielende kracht des waters er haar
-gezegenden invloed uit, maar die invloed duurt te kort dan dat hij
-ongestoord zou kunnen werken. Met het ophouden van den regen sterft ook
-de groeikracht, terwijl de hitte en droogte weder alles vernielen, wat
-de regen had voortgebracht.
-
-Daarom kunnen in de steppe slechts die planten tot ontwikkeling komen,
-wier leven binnen weinige weken wordt afgespeeld, niet zulke gewassen,
-die de eeuwen verduren. Eenig en alleen in de laagten, die rijk zijn
-aan nooit verdrogende stroomen en die zoowel door deze als door den
-regen gedrenkt worden, alwaar zonnelicht en water, warmte en
-vochtigheid gemeenschappelijk werkzaam zijn, ontwikkelt, ontvouwt en
-bestendigt zich de feeënrijke volheid der keerkringslanden. Hier
-groeiden bosschen op, die wat pracht, majesteit, schoonheid en rijkdom
-betreft, in niets onderdoen voor de wouden van de gezegendste landen op
-lager breedten, oerwouden in den volsten zin des woords, die zonder
-toedoen van den mensch ontstaan en vergaan, vergrijzen en zich weêr
-verjongen, op den huidigen dag nog alleen zichzelf toebehooren en in
-staat zijn eene rijke fauna te onderhouden.
-
-Uit het zuiden brengen de voorjaarsstormen de van regen zwangere wolken
-naar die landen van Afrika, welke ten noorden van den evenaar zijn
-gelegen; deswege vallen deze wouden niet terstond den uit het noorden
-komenden reiziger in ’t oog, maar eerst dan, wanneer deze van
-lieverlede, steeds meer en meer naar het zuiden voorwaarts dringt. Hoe
-meer men den aequator nadert, hoe scheller het licht wordt van den
-bliksem, hoe luider en meer afgebroken de donder ratelt, hoe heviger de
-regen in stroomen naar beneden stort, maar ook, hoe weelderiger alle
-planten groeien en hoe vormenrijker de dierenwereld wordt; naarmate de
-regentijd spoediger aanvangt en naarmate deze langer duurt, des te
-grooter en meer wonderen schept hij. In juiste overeenstemming met de
-toenemende vochtigheid, verbreedt, verdicht, verhoogt en dijt het woud.
-Van af den zoom der rivieren tot diep in het binnenland strekt zich de
-heerschappij der plantenwereld uit; geen plekje is meer ledig, van den
-dichtbegroeiden grond tot de toppen der hoogste boomen. Boomen, die
-elders slechts dwergen schenen, groeien hier op tot reuzen; bekende
-soorten worden tot een voedingsbodem voor nog onbekende woekerplanten;
-daar tusschen streeft eene nog nooit geziene vegetatie naar omhoog in
-het licht. Maar ook hier, althans in den noordelijken zoom van dezen
-gordel, werken de hitte en droogte van den winter nog altijd sterk
-genoeg om de bladerenpracht der boomen voor een tijd haar glans te doen
-verliezen en althans de meesten ettelijke weken tot rust te doemen. Te
-hoorbaarder klinkt dan ook de wekstem der lente door het sluimerend
-woud, en met te meer kracht ontwaakt na de winterrust het leven, dat de
-eerste regens van het bevruchtende jaargetijde oproepen.
-
-Om de oerwouden dezer landen zoo getrouw mogelijk te malen, neem ik de
-lente tot uitgangspunt. De heraut en drager der regenwolken, de
-zuidenwind, moet nog den strijd bestaan met den koelen luchtstroom uit
-het noorden, wanneer het woud alle heerlijkheid, waarin het kan
-optreden, zal openbaren, en op een zijner hartaders, op een zijner
-stroomen moet men dat woud binnendringen, wanneer men het volle, rijke
-leven, dat daar heerscht, wil leeren kennen.
-
-De „blauwe Nijl”, de Asrakh, wiens bronnen in Habesch liggen, zal onze
-heerbaan zijn; want aan dezen stroom hechten zich de schoonste beelden,
-die op mijn vele en lange reizen mijn eigendom werden, en op deze
-rivier ben ik wellicht beter gids dan op elke andere. Of ik daarbij
-tevens een goede tolk van het woud zal kunnen wezen, ziet, zulks
-betwijfel ik zeer. Want het oerwoud is een wereld vol glans en licht,
-vol tooverachtige schoonheid, een rijk vol wonderen, welks tresoren
-geen sterfelijk oog nog alle heeft aanschouwd, die veel minder reeds
-alle werden ontgraven; een schatkamer, oneindig meer opleverende dan
-men in staat is te verzamelen; een paradijs, alwaar de schepping elken
-dag zich verjongt; een toovercirkel, die voor een ieder, die er
-binnendringt, grootsche en liefelijke, ernstige en vroolijke,
-schitterend heldere en nachtelijk donkere beelden ontrolt; een geheel,
-dat uit duizend gelijksoortige deelen bestaat, daarbij oneindig veel
-vormen vertoont, en toch een ondeelbaar geheel, dat den spot drijft met
-elke poging om het te ontleden en naar waarde te schetsen.
-
-Een klein, licht, opzettelijk tot reisboot ingericht vaartuig, zooals
-men dit in Kartoem, de hoofdstad van Oost-Soedan, aan de samenvloeiing
-der beide Nijlarmen gelegen, kan vinden, draagt ons naar den
-hooggezwollen Asrakh. Wij hebben de tuinen van de laatste huizen der
-hoofdstad achter den rug; de steppe nadert de rivieroevers. Hier en
-daar ziet men nog een dorp, of enkele, allerliefst onder mimosa’s
-wegschuilende, somtijds onder het groen der klimplanten, die van
-genoemde boomen afdalen, begraven hutten; overigens echter overal in ’t
-rond ziet men niets dan het golvende graswoud en de weinig talrijke,
-daaruit te voorschijn stekende boomen en struiken der steppe. Reeds na
-eene korte vaart maakt het woud zich van den oever meester en breidt
-hier en daar zijn doornige of met stekels bezette takken over den
-waterspiegel uit. Van nu aan vorderen wij langzaam. De tegenwind belet
-het zeilen, het woud het trekken. Met de bootshaken trekt de bemanning
-het vaartuig, voet voor voet, meter voor meter, stroomopwaarts. Echter,
-wanneer een hunner in den dichten doornenmuur van den oever eene
-opening ontwaart, waar men te voet verder kan gaan, stort hij zich in
-den stroom, het trektouw met de tanden vasthoudende, zijn sterfelijk ik
-onder bescherming stellende van Moehsa, den patroon der schippers, die
-de krokodillen van hem moge weren, zwemt tegen den stroom in naar de
-zooeven geziene plaats, werpt het touw om een boomstam en nu trekken
-zijn makkers het vaartuig naar bedoeld punt. Zoo arbeiden deze lieden
-van den vroegen morgen tot den laten avond, en wanneer de dag eindelijk
-voorbij is, hebben zij den reiziger dikwijls niet meer dan een of twee
-geographische mijlen verder gebracht. En toch, de dagen vliegen om
-zonder dat althans hij, die geleerd heeft te zien en te hooren, door
-verveling gekweld wordt. Den natuurkundige, ja eigenlijk iederen
-weetgierigen waarnemer, biedt elke dag iets anders, den verzamelaar
-rijk en veelsoortig materiaal.
-
-Nog een enkelen keer ontmoet men sporen van den mensch. Wie deze van
-den oever af vervolgt, komt langs smalle, door dicht geboomte
-weêrszijds nauw begrensde paden, bij de woningen van een zeer
-merkwaardig volkje. Het zijn de Hassanie, die hier huizen. Daar, waar
-de boomen des wouds minder dicht opeen staan, en geen drie- en
-viervoudig kroondak boven de hoofden opbouwen, maar slechts de
-hooggetopte, schaduwrijke mimosa’s, tamarinden en baobabs groeien, daar
-sloegen onze luidjes hunne bevallige, tent- of kraamvormige hutten op,
-die in niets gelijken op de woningen der overige Soedaneezen.
-
-„Hassanie” beduidt zooveel als: nakomelingen van Hassan; „Hassan” wil
-zeggen: „de schoone,” en inderdaad, deze stam voert dien naam niet ten
-onrechte. Want de Hassanie zijn ontegenzeggelijk de schoonste menschen,
-die in het beneden- en middelgedeelte van dit stroomgebied wonen,
-terwijl inzonderheid de vrouwen alle overige Soedaneezen in
-welgemaaktheid van lichaam, in regelmaat van aangezicht en mindere
-donkerheid van huidkleur overtreffen; mannen en vrouwen beiden houden
-tevens streng vast aan zekere, zeer vreemde oudvaderlijke zeden—die men
-misschien evengoed wanzeden zou kunnen noemen. De Hassanie zijn daarom
-dan ook evenzeer beroemd als berucht, worden even sterk vermeden als
-gezocht, zoowel geprezen als bespot, verheerlijkt als gelaakt. Voor den
-onbevooroordeelden vreemdeling, die er prijs op stelt de zeden en
-gebruiken van andere volken te leeren kennen, zijn zij in elk geval een
-voorwerp van de grootste belangstelling, zoo niet om de schoonheid, dan
-toch om de behaagzucht, die de vrouwen aan den dag leggen. Die
-behaagzucht is van dien aard, dat men er onwillekeurig door in eene
-vroolijke luim wordt gebracht. Die vrouwen willen en moeten behagen.
-Het behoud harer schoonheid is het eenigste en hoogste doelwit, dat zij
-nastreven; zij stellen dit boven elk ander, zelfs geldelijk voordeel.
-Ten einde den invloed der brandende zonnestralen te ontgaan, die hare
-lichtbruine huidkleur in eene donkere zou kunnen veranderen, houden zij
-verblijf in de schaduw der boomen en stellen zich tevreden met een
-klein getal geiten, die behalve den hond haar eenige huisdieren zijn;
-in dat schemerlicht zouden zij er trouwens ook geen andere kunnen
-houden. Gaarne geven zij daarvoor den rijkdom in ruil, dien hare
-stamgenooten, de trekkende herders der steppe, vinden in talrijke
-kudden runderen en kameelen. In ’t belang harer schoonheid zijn zij er
-steeds op bedacht in ’t bezit te komen van een groot aantal slavinnen,
-die den zwaren arbeid voor haar kunnen verrichten; ter versiering van
-aangezicht en wangen verduren zij reeds als meisjes heldhaftig de pijn,
-die hare moeder haar aandoet, door met een mes drie diepe, parallelle,
-loodrechte kerven in de wangen aan te brengen, ten gevolge waarvan op
-die plaatsen even zooveel gezwollen litteekens te voorschijn komen, of
-ook wel door met eene naald de huid der slapen, van voorhoofd en kin te
-doorboren, om in de wonden indigopoeder te strooien, waardoor er
-blauwe, spiraalvormige versiersels ontstaan; ten einde hare schitterend
-witte tandjes te conserveeren, gebruiken zij alle spijzen en dranken
-lauw; om lang verzekerd te blijven van den haartooi, die uit honderden
-fijne, zeer kunstig ineengedraaide bundeltjes bestaat, die zij
-insmeeren met arabische gom en vet, begeeren zij des nachts geen ander
-hoofdsteunsel dan een smal, halvemaanvormig houten kussen; om haar
-aesthetisch gevoel te bevredigen, misschien ook om door elken bewoner
-of bezoeker der kolonie opgemerkt en bewonderd te worden, verzonnen zij
-den eigenaardigen bouwtrant harer woningen. Men kan deze misschien het
-best vergelijken met de kramen op onze markten. De vloer, die uit
-dichtaaneengesloten, met elkaar verbonden, een duim dikke staven
-bestaat, ligt op een paalwerk, dat zich ongeveer een meter boven den
-beganen grond verheft en het binnendringen van alle kruipend ongedierte
-zeer bemoeilijkt, alsmede de vochtigheid afweert; de muren bestaan uit
-matten, het dak, dat aan de opengelaten noordzij overhangt, uit eene
-waterdichte, van geitenwol geweven stof. Sierlijke, uit palmbladen
-gevlochten matten bekleeden den vloer; kunstig bewerkte, gevlochten
-voorwerpen, guirlandes van schelpen, waterdichte mandjes, aardewerk en
-drinkschalen, die uit de helft eener pompoen bestaan, bonte, eveneens
-gevlochten eetnappen met deksels, en dergelijke meer versieren de
-wanden. Elk afzonderlijk voorwerp ziet er niet minder fijn bewerkt dan
-zindelijk uit; orde en reinheid in de geheele hut bekoren ons hier te
-meer, omdat beide in dit land zoo zeldzaam zijn.
-
-In zulk eene hut brengt de Hassanie den dag droomend door. In het beste
-gewaad gestoken, haar en huid met welriekende zalf ingewreven, het
-bovenlijf in een lang, dun, doorschijnend weefsel gehuld, terwijl om
-het benedenlijf een soort van rok is geslingerd, de voeten bekleed met
-net bewerkte sandalen, hals en borst versierd met kettingen en
-amuletten, de armen met snoeren, samengesteld uit stukjes barnsteen,
-den eenen neusvleugel zoo mogelijk met een zilveren, soms wel met een
-gouden ring getooid, zoo zit zij in de schaduw neder en verkreukelt
-zich in haar schoonheid. De kleine hand houdt zich onledig met eenig
-vlechtwerk, het vervaardigen van eenig kleedingstuk of het een of ander
-huisraad, hanteert wellicht op dit oogenblik den tandenschuier, een aan
-beide einden uitgerafelde, voor het doel uitnemend geschikte
-plantenwortel. Het werk, dat de huishouding vereischt, neemt eene
-slavin op zich; met de oppassing en verzorging der kleine kudde, voor
-zooverre die arbeid eenige moeite vergt, is de dienstvaardige, meer dan
-gewoon vriendelijke echtgenoot belast. Weldoordachte, zeer ongewone
-huwelijkskontrakten, zooals deze onder haar stam gebruikelijk zijn en
-trots alle voorschriften en bevelen van de beheerschers des lands
-steeds in stand blijven, waarborgen der vrouw ongehoorde rechten. Zij
-is meesteres in de onbeperkste beteekenis des woords, meesteres zelfs
-over haar echtgenoot, althans tot zoolang haar schoonheid bloeit; maar
-is eenmaal de ouderdom gekomen en met dezen de schoonheid verwelkt, dan
-ook leert zij de vergankelijkheid van alle aardsche heerlijkheid
-kennen. Tot zoolang doet zij, enkel beperkt door de grenzen van
-vrijheid, die zij zich zelve stelt, alles wat haar goeddunkt. Zoolang
-de kronen der boomen om hare hut geen schaduw genoeg werpen, verlaat
-zij hare woning niet, maar heet daarentegen iedereen, vooral den
-vreemdeling, die bij haar binnentreedt, hartelijk welkom, om alleen, of
-met behulp van haar echtgenoot de eer van den stam op te houden, die in
-eene bijna grenzenlooze gastvrijheid bestaat. Maar wanneer de avond is
-gedaald, begint eerst haar eigenlijk leven. Nog voor de zon is
-ondergegaan, komt er beweging in de kolonie. De eene vriendin bezoekt
-de andere; andere vrouwen voegen er zich bij; trommel en cither lokken
-nog meerderen; slanke, bewegelijke, buigzame gedaanten reien zich ten
-vroolijken dans. Poezele handjes dompelen de drinkschalen in buikige,
-met merisa of doerrabier gevulde urnen, om ook de harten van mannen
-gelukkig te maken. Oud en jong stroomt samen en viert met te meer
-vreugde het avondfeest, wanneer de tegenwoordigheid van vreemde
-bezoekers dit opluistert. Ongewoon groot is de gastvrijheid van alle
-Soedaneezen, maar zoo groot als de gastvrijheid der Hassanie is die van
-geen enkelen stam.
-
-Bij de voortzetting onzer reis stooten wij nog een enkele maal op de
-nederzettingen dezer boschherders, ook soms op de dorpen van andere
-Soedaneezen; eindelijk, na eene maandenlange vaart bereiken wij het
-gebied, waarheen het doel was gericht. Aan beide oevers der rivier
-belet een onafgebroken woud het uitzicht naar binnen.
-
-In deze streken vindt men geen nederzettingen van menschen meer, geen
-dorpen, geen akkers, geen tijdelijke legerplaatsen; in deze wouden
-weêrklonk nog nimmer de bijlslag, daar de mensch er zich nog niet
-meester van maakte; hier huizen enkel, door niets en niemand gestoord,
-de dieren der wildernis. Ondoordringbare heggen sluiten den toegang van
-de rivierzijde af en weerstreven elke poging om tot bet binnenste dezer
-bosschen door te dringen. Uit alle schakeeringen van groen is het
-betooverend beeld dezer wouden gemaald; een beeld, dat ons nu eens
-bekend, dan weder geheel vreemd voorkomt. Lichtgroene mimosa’s vormen
-den achtergrond, als zilver, glinsterende palmbladeren, de donkergroene
-kronen der tamarinden, heldergroene struiken van Christusdoorns steken
-tegen dien achtergrond af; veelsoortig gevormde bladeren sidderen en
-wiegelen, door den wind bewogen, glinsteren en schitteren, nu de eene,
-dan de andere zijde ons toekeerende, voor het oververzadigde en
-verblinde oog, dat zich vergeefs vermoeit om dat gewarrel der bladeren
-te ontsluiten en de afzonderlijke deelen vaneen te scheiden. Mijlen ver
-dragen de beide oevers ditzelfde karakter, zijn zij even dicht
-begroeid, even grootsch omzoomd, even ondoordringbaar.
-
-Daar vertoont zich eindelijk een pad, wellicht zelfs een breede weg,
-die naar het binnenste van het woud schijnt te leiden. Tevergeefs
-echter speurt het oog naar de indrukselen van menschelijke voeten. Door
-menschen werd dit pad niet gebaand, de dieren des wouds hebben het
-aangelegd. Eene kudde olifanten trok door het dicht ineengeweven woud
-om van de waterlooze hoogten, die den oever begrenzen, naar den stroom
-af te dalen. In eene lange rij achter elkaar marcheerende, braken de
-zware dieren ongehinderd door het duizendvoudig ineengevlochten
-onderhout en lieten zich slechts door de zwaarste, hooggestamde boomen
-van den rechten weg afleiden. Hinderlijke takken, alsmede stammen ter
-dikte van een mansbeen werden afgebroken, onttwijgd, ontbladerd, tot op
-de onbruikbare deelen verteerd en dan op zij geworpen; de struiken, die
-den grond bedekken, werden met de wortels uitgetrokken en op dezelfde
-wijze gebruikt en weggeworpen, gras en kruiden vertrapt en vertreden.
-Wat de voorsten lieten staan, viel den achtersten ten offer, en zoo
-ontstond er een betreden, meestal diep tot in het binnenste van het
-woud voerend pad. Andere dieren droegen er zorg voor dien weg nog meer
-te effenen en het weder dichtgroeien te verhinderen. Op zulk een weg
-waagt zich het nijlpaard, dat in het nachtelijk uur uit de wateren van
-den stroom opstijgt, om in het bosch te grazen; op zulk een pad wandelt
-het neushoorndier om van uit het bosch naar den stroom te gaan drinken;
-op dit pad trekt de onbesuisde wilde buffel naar beneden en stijgt hij
-wederom naar de hoogte terug; hierop wandelt de leeuw door zijn gebied;
-en op ditzelfde pad kan men hem of den panther, de hyena en andere
-roofdieren des wouds ontmoeten.
-
-Op dit pad dringen ook wij voorwaarts.
-
-Wij hebben nog maar weinige schreden gedaan en reeds omgeeft ons het
-majestueuse woud aan allen kant. Maar tevergeefs blijkt het ook hier de
-stammen-, takken-, twijgen-, ranken- en bladerenmassa’s te willen
-ontwarren. Als een muur sluit het woud zich aan beide zijden van den
-weg af. Onafgebroken staren ons dicht in elkaar gegroeide,
-ineengewevene, zelfs voor het oog ontoegankelijke, den grond overal
-woekerend bedekkende bosschen en struiken aan; alleen door deze op zij
-gedrongen, ontspruiten daartusschen allerlei grassen, die een nieuw
-onderhout in het bestaande onderhout vormen; onmiddellijk daarboven
-strekken hoogere struiken en lage boomen de twijgen hunner kronen naar
-alle zijden uit; en boven deze laatsten eindelijk verheffen zich de
-reuzen des wouds.
-
-Verreweg de meeste struiken van het onderhout zijn dicht met doornen,
-de daarboven uitstekende mimosa’s met lange, harde en puntige stekels
-gewapend, en zelfs de grassen dragen klisachtige, overal met fijne
-stekeltjes bezette zaaddoozen, of met haken gewapende aren, zoodat elke
-poging om van den weg uit naar binnen te dringen, op duizend
-hindernissen stuit.
-
-De gedoode vogel, die bij het neêrvallen op een der naaste struiken is
-blijven hangen, is voor den schutter verloren; zonder bijna
-bovenmenschelijke inspanning zou men niet in staat zijn dat boschje te
-bereiken; het wild, dat zich voor het oog des jagers in zulk een
-struikgewas verbergt, heeft zich gered, want het is onzichtbaar
-geworden; een krokodil, meer dan 3 meter lang, dien wij in het bosch
-deden opschrikken, ontging ons, daar het dier zich wist te verschuilen
-in het struikgewas, dat hem zoo geheel aan onze oogen onttrok, dat wij
-ook zelfs geen schub meer konden ontwaren, dus ook geen schot behoefden
-te doen.
-
-Nog altijd doet men vergeefsche pogingen om meester te worden van de
-veelheid der indrukken, om het eene beeld van het andere te scheiden,
-om zelfs maar éénen boom van den grond af tot aan zijn top afzonderlijk
-te beschouwen, de bladeren van den een af te zonderen van die des
-anderen. Van uit de rivier was het nog mogelijk enkele frischgroene
-tamarinden te scheiden van de hun omgevende veelsoortige mimosa’s, de
-prachtige, aan onzen olm herinnerende Kigelia’s in ’t oog te vatten,
-zich te vermeien in den bladerenkroon eens palmbooms, die hoog boven de
-andere woudboomen uitstak; hier, in het binnenste van het woud
-versmelten alle afzonderlijke deelen tot een enkel, ondeelbaar geheel.
-Alle zinnen worden te gelijk in beslag genomen. Uit hetzelfde loofdak,
-dat het oog tracht te openen, stroomen de zoete geuren ons tegen van
-enkele, nu bloeiende mimosa’s, klinkt een mengelmoes der
-vreemdsoortigste geluiden en tonen, het gegorgel der meerkatten, het
-gekrijsch der papegaaien, het gearticuleerde geluid der zangers, het
-gegons der de bloeiende boomen omzwermende insekten, ons in de ooren;
-het lichamelijk gevoel wordt niet minder, alhoewel op weinig aangename
-wijze, aangedaan door de ontelbare doorns, terwijl zelfs de smaak
-voldoening kan vinden in enkele bereikbare, ofschoon niet erg
-smakelijke vruchten.
-
-Eindelijk evenwel, als men verder doordringt, treedt een zelfstandig en
-bepaald beeld voor ons op. Gigantisch in zijn geheelen bouw, reusachtig
-zelfs nog in zijn takken, verheft zich een boom boven de ontelbare
-planten, die zijn voet met groen omlijsten; als een titan stijgt hij
-omhoog, baant hij zich ruimte voor stam en kruin. Het is de olifant
-onder de boomen, de Adansonia of Tabaldie der inboorlingen, de baobab
-of apenbroodboom. Versteld blijft men staan; het oog moet zich eerst
-gewennen aan dit gezicht, alvorens de afzonderlijke deelen in ’t oog te
-kunnen vatten.
-
-Men denke zich een boom, welks stam, ter hoogte eener manslengte boven
-den grond, een omvang heeft van twintig vademen, welks onderste takken
-de zwaarste stammen onzer boomen nog in dikte overtreffen, welks
-twijgen zelfs dikke takken zijn en welks jongste spruiten vele
-centimeters doorsnede hebben; men denke zich daarbij eene hoogte van
-veertig meter, terwijl de onderste takken zich tot op de helft dezer
-hoogte uitbreiden, en men zal zich eene flauwe voorstelling kunnen
-vormen van den indruk, dien deze boom op den beschouwer maakt. Van alle
-boomen in dit oerwoud verliest de baobab het eerst zijn bladeren, en
-volhardt tevens het langst in zijn winterrust; al dien tijd teekenen
-zich niets dan dorre takken en twijgen tegen de lucht af, beladen met
-aan lange, buigzame stelen hangende vruchten, die in grootte op
-suikermeloenen gelijken en tusschen de zaden een meelachtig, zuur
-smakend merg bevatten; het is een gezicht, dat men niet gemakkelijk
-vergeet. Wanneer evenwel na den eersten voorjaarsregen de groote,
-vijfspletige bladeren te voorschijn komen en zich ontwikkelen, om dan
-eerst de eigenlijke wonderpracht dezer boomen tot aanschouwing te
-brengen; wanneer zich de langgesteelde knoppen der witte bloemen, die
-de grootte eener roos bereiken, tusschen de bladeren laten zien, dan
-verkeert de onvergelijkelijke reuzenboom als door tooverij in een
-gigantischen rozenstruik van ongemeene pracht, en zelfs de ziel der
-meest prozaïsche menschen wordt tot in het binnenste van haar binnenste
-ontroerd.
-
-Geen enkele boom van het oerwoud kan zich meten met de Adansonia; zelfs
-de Delebpalm, die gewoonlijk zijn kruin boven alle omgevende toppen
-verheft, verliest tegenover den eerste iets van zijn bekoorlijkheid en
-aantrekkelijkheid, en toch is deze palmboom een der heerlijkste boomen
-van Afrika’s binnenlanden, ja een der schoonste palmen der geheele
-aarde. Zijn stam is een zuil, zooals geen kunstenaar haar schooner zich
-kan denken, zijn kroon een kapiteel, gelijk bij zulk een zuil past. De
-loodrecht opstijgende, boven den grond verdikte stam verjongt zich op
-eene in ’t oog vallende wijze tot op ’t midden der lengte, om van dit
-punt af dikker, dan nogmaals dunner te worden en onmiddellijk onder de
-kroon nogmaals op te zwellen; de kruin zelf bestaat uit breede, bijna
-een vierkanten meter groote, waaiervormige bladeren, wier stelen naar
-alle kanten in rechte lijnen van het middelpunt afstaan, wat aan de
-kroon een indrukwekkend voorkomen geeft. Tusschen deze bladeren prijken
-de trosvormige vruchten, die de grootte van een kinderhoofd bereiken en
-niet weinig bijdragen om de schoonheid te verhoogen, welke deze
-heerlijke kroon niet enkel aan den stam, maar ook aan het geheele woud
-verleent.
-
-Aan het reusachtige hecht zich steeds het sprookje, dat daardoor leven,
-vorm en beteekenis erlangt. Deze gedachte dringt zich onwillekeurig bij
-ons op, wanneer wij, zooals dikwijls het geval is, eene Adansonia
-omslingerd en omsponnen zien door een dier klimplanten, welke in rijken
-overvloed ook deze oerwouden sieren en tooien. Mij doen zij steeds
-denken aan de Arabische tooververtellingen. Want even als de klimplant
-geen voedenden grondslag schijnt noodig te hebben, ofschoon zij
-werkelijk daaruit ontkiemde, maar haar voornaamste voedsel put uit den
-aether; evenals zij haar ranken van boom tot boom slingert om ze
-telkens vast te hechten en toch steeds hooger te klimmen, totdat zij
-zich eindelijk over den eenen of anderen kruin uitbreidt en er de
-schitterendste en geurigste bloemen over uitstrooit—eveneens schijnt
-ook het sprookje, hoe vast het inderdaad in het feitelijke moge
-wortelen, niet aan de werkelijkheid ontleend te zijn, en klimt het, om
-meerdere sterkte te ontvangen, tot de hemelen omhoog en zendt het zijn
-verdichtselen door de wereld, tot het een hart vindt, vatbaar om
-geroerd en verwarmd te worden. Wanneer ik van de klimplant spreek,
-bedoel ik niet eene bepaalde soort, maar begrijp onder dit woord alle
-gewassen, die hier in saamgedrongen schroeflijnen een stam omgeven,
-ginds zich slingeren om een kale kruin, elders vele boomen
-aaneensnoeren, wederom op eene andere plaats een enkelen boom met groen
-bedekken, in dit gedeelte des wouds als naakte ranken een brug slaan
-van tak tot tak, in een ander gedeelte den weg versperren, en nog op
-velerlei andere wijzen, maar altijd klimmende, altijd rankende, zich
-voordoen.
-
-Hare schoonheid en de betooverende indruk, dien zij op den bewoner der
-noordelijke landen uitoefenen, laat zich gevoelen, maar niet in woorden
-teruggeven; want evenals men aan eene klimplant dikwijls begin nog
-einde kan aanwijzen, evenmin is er een uitdrukking te vinden, die als
-begin of slot eener juiste beschrijving zou kunnen dienen.
-
-De slingerplant is tastbaar aanwezig en toch voor de waarneming niet
-toegankelijk; men vervolge vol bewondering het pad, dat haar ranken
-hebben ingeslagen, maar het blijft onmogelijk uit te vorschen, waar
-deze vandaan zijn gekomen en werwaarts zij zich begeven; men geniet van
-de aanschouwing harer bloemen, zonder te vermogen deze machtig te
-worden; dikwijls kan men slechts vermoeden, dat die bloemen door haar
-werden voortgebracht. De klimplant eerst drukt een stempel op het
-oerwoud.
-
-En niet alleen ontplooit zij haar eigen bloemen, zij tooit zich nog
-daarenboven met vreemde. Op hare ranken rusten bij voorkeur zekere
-prachtvogels des wouds, die tot levende bloemen worden, en de
-natuurlijke in pracht en schoonheid zelfs overtreffen. Nu en dan wordt
-het oog getroffen door een flikkerend licht, evenals dat, hetwelk een
-door de zonnestralen getroffen spiegelvlak uitzendt. Dit licht is
-inderdaad niets anders dan teruggekaatst zonnelicht, opgevangen door
-het atlasgroene gevederte eener glansspreeuw, en dat bij elke beweging
-van dezen vogel eene andere richting inslaat, nu naar boven, dan naar
-beneden, nu naar rechts, dan naar links. Betooverd door de ongemeene
-schoonheid van dezen enkelen vogel, zou men hem nauwlettend willen
-gadeslaan, zou men elke zijner levensuitingen willen bespieden, maar
-men wordt voortdurend door nieuwe indrukken afgeleid.
-
-Want ook hier verdringt het eene beeld onophoudelijk het andere. Ter
-plaatse, waar zooeven de glansspreeuw zich liet zien, verschijnt in het
-naast volgende oogenblik een niet minder schitterende en glinsterende
-goudkoekoek, een honigzuiger, die in veêrenpracht met de kolibri’s kan
-wedijveren, een paar aanvallige bijeneters, een met levendige kleuren
-prijkende scharrelaar, een niet minder schoone liestvogel, een
-paradijsvliegenvanger, wiens lange, hangende middelste stuurpennen den
-kleinen vogel tot geen gering tooisel verstrekken; een helmvogel, die
-bij elken vleugelslag de donker purperroode slagpennen ontplooit, een
-klauwier, wiens helderroode borst genoemde slagpennen nog in de schaduw
-stelt, een zeer vreemd gevormde neushoornvogel, een goudwevervogel, een
-whidah, een boomhop met metaalglans, een sierlijke specht, een
-bladgroene duif, eene vlucht eveneens gekleurde papegaaien en vele
-andere gevederde boschbewoners meer. Het oerwoud is de meest geschikte
-verblijfplaats voor vogels; het biedt honderden en duizenden soorten
-herberg en voedsel, en daarom ziet de waarnemer ze spoediger en meer
-dan alle overige daarin schuilende dieren. De vogels bewonen en
-verlevendigen alle deelen des wouds, elke boomkruin, den grond, de
-hoogste toppen, de ondoordringbaarste struiken en zelfs de bladerlooze
-takken der Adansonia’s. Tusschen de grassen en andere planten, die den
-grond woekerend bedekken, banen frankolijnen en misschien ook
-parelhoenders dooreengeslingerde, allengs plat getreden paden. In het
-loof, boven de wortels van het kreupelhout hebben zich kleine duiven,
-in de uiteengespreide kruinen verschillende prachtvogels, vooral
-honigzuigers en prachtvinken genesteld; naar de dicht als vilt
-ineengeweven en schier ondoordringbare toppen der heesters snorren
-geheele familiën muisvogels als afgeschoten pijlen los, om al kruipende
-en schuivende, elk gaatje benuttende, door elke opening zich wringende,
-zich tot het inwendige een weg te banen; boomhoppen, meezen en spechten
-hangen en klauteren op en tegen de stammen, die boven genoemde struiken
-en heesters uitsteken, om elke spleet in schors en bast te onderzoeken;
-op de onderste twijgen der tweede kroonlaag zitten, loerende op
-gevleugelde insecten, de aanvallige bijenvreters of scharrelaars, de
-paradijsvliegenvangers en drongo’s; op de sterkere takken der derde
-laag huppelen de helmvogels, stappen deftig kleine reigers heen en
-weêr, slapen, tegen den stam gedrukt, oehoe’s en andere uilen; in het
-dichte loof der hoogste boomen spelen papegaaien en baardvogels;
-terwijl eindelijk, op de allerhoogste takken, arenden, valken en gieren
-zich hebben neêrgelaten. Werwaarts het oog schouwt rust het op een
-vogel.
-
-Met deze algemeene verbreiding en alomtegenwoordigheid in
-overeenstemming, treffen dan ook onafgebroken de meest verschillende
-vogelstemmen het oor. Het is een lokken en roepen, piepen en fluiten,
-kweelen, trillen en snateren, kirren, kwaken, schreeuwen, kraaien,
-krijten, gillen, zingen en slaan, links en rechts, vóór ons en achter
-ons, omhoog en omlaag, en zulks zoowel te noen als in den morgen of op
-den laten avond.
-
-Honderdvoud verschillende stemmen weêrklinken gelijktijdig en door
-elkander, vereenigen zich soms tot een op zich zelf staand groot
-concert, dan weder tot een betooverend mengelmoes van tonen, dat men
-tevergeefs poogt te ontwarren en eerst na langen tijd in zijn enkele
-bestanddeelen vermag te ontleden. Met uitzondering van de lijsters,
-bulbuls en boschzangers, basterdnachtegalen en drongo’s bevinden zich
-hier geen echte zangers, wel bekoorlijke praters en gemoedelijke
-babbelaars, maar inzonderheid oneindig veel schreeuwers, krassers,
-schetteraars en andere meer of minder luid gillende vogels.
-
-Het oerwoud kan zich dus, wat liefelijkheid en welluidendheid van
-gezang aangaat, in de verste verte niet meten met onze bosschen op een
-lentemorgen, maar wint het aan den anderen kant door de
-vreemdsoortigheid en het karakteristieke der afzonderlijke stemmen.
-
-Wilde duiven koeren, kirren, huilen, lachen, en roepen uit de toppen
-der boomen en de dichte struiken; frankolijnen en parelhoenders
-schetteren luid daartusschen; papegaaien mengen er zich schreeuwend,
-raven krassend in; alarmvogels trachten het vreemde keelgeluid eener
-meerkattenfamilie na te bootsen, terwijl de helmvogels tonen
-voortbrengen, die aan een buikspreker doen denken; baardvogels fluiten
-luid op slependen toon, of dragen gemeenschappelijk een schel verward,
-maar toch gevoelvol lied voor, dat men kan kenmerken als een der
-eigenaardigste natuurgeluiden des wouds; de schitterende glansspreeuwen
-rijgen, verbinden en versmelten de weinige, ruwe, nu eens krassende,
-dan weder gillende, ratelende, of krijschende geluiden, over welke zij
-beschikken kunnen, in eindelooze herhaling aan en met elkander tot een
-zeker geheel; de prachtige schreeuwzeearend, die zijn woonplaats
-opslaat aan alle waterbekkens en waterstroomen des lands, doet zijn
-naam geen oneer aan.
-
-Hoog op den top eens booms zit de „Aboe Tok” (voortbrenger van het
-geluid „tok”) der inboorlingen, een kleine neushoornvogel, die luid
-zijn „tok” door de wildernis laat weêrklinken en elken roep doet
-vergezeld gaan van eene diepe buiging met zijn door een bovenmatig
-grooten snavel bezwaarden kop.
-
-Enkel dit ééne geluid heeft hij in zijn plompen keel en hiermede moet
-hij evengoed aan het wijfje zijn liefde verklaren als de nachtegaal
-zulks doet met zijn betooverend gezang. Het verheven gevoel, dat zijn
-borst doet zwellen zoekt uiting; steeds sneller volgen de tonen
-elkander op, steeds sneller ook de buigingen, die daarmede vergezeld
-gaan. Eindelijk raakt de logge kop vermoeid. Het minnelied is tevens
-uit, maar spoedig daarna vangt het opnieuw en op gelijke wijze aan. Uit
-het ongenaakbaar dikke struikgewas, klinkt de stem van den hagedasch of
-bosch-ibis; huivering bevangt den waarnemer als hij dit hoort. Het is
-een jammerend klaaglied, wat deze vogel ons aanbiedt; het klinkt alsof
-er een kind pijnlijk gemarteld wordt, b.v. langzaam over een zwak vuur
-zal geroosterd worden, terwijl het onder deze marteling luide kreten
-slaakt; langgerekte, klagende tonen wisselen af met een gillend
-geschreeuw, snelle kreten met een wegstervend gejammer. Uit de hooger
-gelegen deelen van het woud, van af daar, waar zich kleine open plekjes
-bevinden, schetteren de ver hoorbare, metaalachtige trompetgeluiden van
-den kroon-kraanvogel, die daarmede zijn sierlijke, vlugge, ter eere van
-het wijfje uitgevoerde dansen schijnt te willen aanvuren, en zoowel in
-het bosch als in de kelen van andere eveneens gillende vogels echo’s
-opwekt; een groot aantal krijschende stemmen mengen zich tot een
-veelvoudig koor. Dit concert is weer aanleiding, dat elke geluidgevende
-vogel zijn keel begint te roeren, en in een stroom van de meest
-verschillende geluiden gaan alle afzonderlijke stemmen nu verloren.
-
-Het zijn echter niet enkel de verschillende soorten van gewiekte
-bewoners des wouds, die deel nemen aan zulk een algemeen concert, maar
-zelfs de diverse geslachten eener soort vereenigen zich om de een of
-andere partij in het lied op zich te nemen. Evenals de vermelde
-baardvogels vangen ook de basterd-lijsters, de alarmvogels, de
-frankolijnen en parelhoenders steeds op hetzelfde oogenblik hun
-geschreeuw aan, en zoo hoort men te midden van het algemeene mengelmoes
-van geluiden tevens nog afzonderlijke, duidelijk waarneembare strophen.
-Sommige vogelsoorten, vooral de struikklauwieren, gaan op andere wijze
-te werk, daar mannetje en wijfje elk eene bijzondere strophe zingen.
-Het mannetje der eene soort, die ik leerde kennen, nl. van den
-scharlaken-klauwier, zingt eene korte strophe, die doet denken aan het
-ingewikkeld gefluit van den wielewaal; het gezang van den fluitklauwier
-bestaat uit drie zeer zuivere fluitgeluiden, die samen terts, grondtoon
-en octaaf vormen. Onmiddellijk daarna volgt het antwoord van het
-wijfje, in beide gevallen een onaangenaam, moeilijk te beschrijven
-gekras, maar zoo maatrijk en zeker, als waren de vogels bij een
-toonkunstenaar in de leer geweest. Somtijds begint het wijfje het
-eerst; het laat vier of vijf malen een geschreeuw hooren alvorens
-antwoord te bekomen; dan valt echter het mannetje weêr in en van nu af
-wisselt beider gezang of gesprek met de gewone regelmatigheid af. Ik
-heb mij door proefneming van dit samenwerken der beide geslachten
-overtuigd, door nu eens een mannetje, dan weder een wijfje te schieten,
-en altijd bevonden, dat alsdan nog slechts het overblijvende geslacht
-zich hooren liet.
-
-Jammer genoeg mist men ook in deze aanvankelijk boeiende tonen dien
-rijkdom en die afwisseling, die harmonie en zoetheid, eigen aan het
-gezang der vogels in onze vaderlandsche bosschen. Toch is het eene
-grootsche en kernachtige melodie, welke het oerwoud te hooren geeft,
-wanneer in het vroege voorjaar al die honderden en duizenden
-veelsoortige stemmen door elkander klinken, als millioenen van insecten
-de bloeiende boomen omzwermen en ook haar luid gegons daarin mengen,
-wanneer tallooze hagedissen en slangen het dorre loof doen ratelen en
-het gillende, maar van uit de hoogte toch nog welluidend geroep van den
-adelaar, of het trompetgeschetter van den kroonkraanvogel en de
-parelhoenders bij tusschenpoozen alle andere geluiden overstemmen,
-terwijl een oogenblik later in de onmiddellijke nabijheid van het
-luisterend oor een boschzanger zijn bekoorlijk lied voordraagt, en
-daarna weder een der toongevende schreeuwers zich opnieuw laat hooren
-om in duizend kelen echo’s op te roepen.
-
-Wordt men meer vertrouwd met het woud, meer zelfs dan men aanvankelijk
-dorst hopen, dan schenkt het ons steeds ruimer gelegenheid om kennis te
-maken met het huishoudelijk leven der dieren, en waarlijk
-aantrekkelijke beelden ontvouwen zich voor ons oog. De vogels treden
-hierbij al weêr op den voorgrond. Nog voert de lente haar heerschappij
-en met haar heerscht ook nog de liefde in elke vogelborst. Men zingt en
-koost, bouwt en broedt. Reeds van uit de boot ontwaart men de
-nestkolonies van sommige soorten.
-
-Op voegzame hoogte boven het hoogste waterpeil der rivier, aan eenen
-steil afvallenden oeverkant, groeven de bijenvreters hunne nauwe, maar
-diepe, aan ’t eind bakovenvormig uitgeholde broedplaatsen.
-
-Op eene oppervlakte van weinige vierkante meters is de geheele kolonie
-opeengehoopt, ofschoon gewoonlijk tachtig tot honderd paren zich
-vereenigen; de cirkelvormige, drie, vier tot vijf centimeters breede
-ingangen der nestholten zijn ten hoogste vijftien centimeter van
-elkander verwijderd. Het schijnt onbegrijpelijk hoe elke vogel zijn
-eigen nest weet te onderscheiden van dat der anderen, en toch vliegen
-deze lichtgewiekte, schrandere vogels, zelfs wanneer zij van verre
-komen aanijlen, zonder dralen, zonder zich te bedenken elk in zijn
-eigen hol; hun uitnemend gezicht, dat reeds op een afstand van honderd
-schreden een voorbijsnorrende vlieg ontwaart, bedriegt hen nimmer. Het
-is een bekoorlijk schouwspel het levendig bedrijf dezer vogels gade te
-slaan. Alle boomen en struikjes der omgeving zijn ten minste met een
-enkel paar dezer gezellige, fraaie vogels getooid; op iederen tak, waar
-het uitzicht eenigszins vrij is zit een paartje, en elk der
-echtgenooten neemt vol belangstelling deel in alles wat den ander
-wedervaart of wat deze doet. Voor den ingang der nestholten gaat het
-even levendig toe als voor een bijenkorf; hier kruipen de vogels naar
-binnen, daar kruipen andere naar buiten; deze komen, gene gaan; een
-aantal zweeft weder voor de ingangen of vliegt naar de broedruimten.
-Eerst met het aanbreken van den nacht, dien allen in het nest
-doorbrengen, wordt het rustig en stil.
-
-Op andere plaatsen van den oever, waar hooge boomen hunne takken over
-het water uitbreiden, of die bij hoogen rivierstand geheel in het water
-komen te staan, hebben de goudwevervogels zich verzameld. Ook deze
-broeden gezellig, bouwen echter vrij hangende, aan de uiterste
-twijgeinden bevestigde, zeer kunstig uit grashalmen en vezels
-samengestelde nesten. Geen gulzige meerkat, geen ander eierroovende
-vijand, zelfs geen slang, kan zonder gevaar te loopen van naar beneden
-te tuimelen en in het water te vallen, deze nesten nabij komen.
-Minstens drie, in den regel echter veertig tot zestig wevertjes broeden
-op een en denzelfden boom, en hunne nesten verleenen aan dezen een zeer
-eigenaardig voorkomen, ja zelfs het geheele landschap verkrijgt er een
-bijzonder uitzicht door.
-
-In tegenstelling met andere vogels zijn het niet de wijfjes, maar de
-mannetjes, die de nesten bouwen, en deze gaan daarbij met zulk een
-ijver te werk, dat zij nog nesten maken ook dan, wanneer er geen
-behoefte meer aan bestaat. Met een zooeven afgebeten halm of
-uitgerafelden vezel in den bek komen zij aanvliegen, hangen zich met de
-pooten aan een tak of aan het nest zelf vast, houden zich door snelle
-vleugelslagen in evenwicht, om onder aanhoudend gezang het meêgebrachte
-materiaal te verbouwen. Is het nest op het inwendige na gereed, dan
-beginnen zij terstond met een tweede en derde; ook worden reeds gereed
-zijnde nesten wel eens weer vernietigd en zoo gaat het voort, totdat
-het inmiddels broedende wijfje de hulp van haar echtgenoot bij het
-opvoeden der jongen inroept. Deze bedrijvigheid zet aan de geheele
-kolonie eene ongewone levendigheid bij; terwijl de goudgele,
-bewegelijke, in de meest verschillende houdingen hangende of zittende
-vogels nog bovendien een ongemeenen luister verleenen aan de reeds door
-de nesten zoo bevallig versierde boomen.
-
-Ossenpikkers bouwen op de nu bladerlooze mimosa’s hunne nesten, die, de
-grootte dezer vogels in aanmerking genomen—de ossenpikkers zijn
-nauwelijks zoo groot als een spreeuw—waarlijk reusachtig mogen genoemd
-worden. In het dichtste vlechtwerk van takken der vermelde doornige
-boomen worden zij opgesteld; uitwendig bestaande uit doorns, die er het
-uiterlijk aan geven van een grooten roskam, zijn zij dikwijls meer dan
-een meter lang, half zoo hoog en breed, terwijl met de grootte onzer
-vogels overeenkomende, dikwijls gedraaide, voor alle andere dieren
-ontoegankelijke buizen tot in de inwendige, vrij ruime nestholte
-geleiden. Ook op deze boomen heerscht drukte en levendig vertier.
-
-In het binnenste des wouds stoot men, bij aandachtig toekijken overal
-op nesten, hoe moeilijk het ook dikwijls moge vallen deze in ’t oog te
-krijgen. Kleine vinken b.v. bouwen er van een vorm, die gelijkt op een
-door den wind bijeengewaaid hoopje dor gras; inwendig zijn deze nesten
-evenwel zacht en warm, gevoerd met dons; andere vogels bezigen
-materialen, die in kleur de omgeving nabootsen; nog anderen bouwen in
-’t geheel geen nesten, maar leggen eenvoudig de evenals de grond
-gekleurde eieren op den bodem neêr. Alle holten in de boomen zijn thans
-bezet, terwijl spechten, baardvogels en papegaaien ijverig in de weer
-zijn om voortdurend nieuwe uit te hameren of dieper te maken en in
-broedplaatsen te veranderen; de neushoornvogels daarentegen metselen
-ze, op eene wijde spleet na, geheel dicht. Vooral de laatstgenoemde
-vogels trekken door hun broedwijze bijzonder de aandacht en verdienen
-daarom het eerst vermeld.
-
-Nadat de neushoornvogel zich met veel moeite van ’t bezit van een
-wijfje verzekerd heeft, spoort hij in vereeniging met zijne
-soortgenooten een geschikte broedholte op. Is er een gevonden, dan
-verwijdt het mannetje die niet zijn plompen snavel,—een zeer lastig
-werk—zooveel zulks noodig is. Daarna kruipt het wijfje er in, en
-terwijl nu de eieren gelegd worden, arbeiden de beide echtgenooten
-samen, de een van binnen, de ander van buiten, om den ingang op eene
-spleet na dicht te metselen, welke opening juist wijd genoeg is om er
-de punt van den snavel nog doorheen te kunnen wringen. Afgesloten van
-de buitenwereld, brengt nu het wijfje den geheelen broedtijd in deze
-kraamkamer door en het mannetje is verplicht, niet alleen de
-ingemetselde gade, maar daarenboven ook nog later de uit het ei gekomen
-jongen van voedsel te voorzien; daar deze zeer snel groeien en alzoo
-veel voedsel behoeven, heeft hij druk werk. Zijn de jongen zoo ver
-gevorderd, dat zij vliegvaardig zijn geworden, dan opent de moeder den
-ingang van binnen en de geheele familie fladdert, vet, en goed
-bevederd, de wijde wereld in, om van stonden aan den echtgenoot en
-vader, die intusschen door het harde werken zoo mager als een geraamte
-is geworden, van alle verdere zorg en moeite te ontslaan.
-
-Gelijke mannen- en vaderliefde legt ook de ombervogel aan den dag; dit
-is een ooievaarachtige, stil levende nachtvogel des wouds, ter grootte
-van een raaf, wiens reusachtige nesten zeer de opmerkzaamheid trekken.
-Deze nesten staan gewoonlijk op geringe hoogte boven den grond in de
-gaffelvormige verdeeling van twee stammen, of op een der dikste takken
-van de onderste kroon, wanneer deze althans sterk genoeg zijn om een
-nest te dragen, dat in omvang en gewicht de grootste roofvogelnesten
-verre overtreft; de doorsnede bedraagt soms van anderhalve tot twee
-meter, terwijl de hoogte niet veel minder is; het bouwmateriaal bestaat
-uit dikke takken en twijgen, die met leem tot een stevig metselwerk
-verbonden zijn. Wanneer men niet toevallig heeft gezien, dat de
-ombervogel deze nesten in- en uitkruipt, zal men niet licht op het
-denkbeeld komen, dat die gevaarten hol zijn: veeleer zou men meenen dat
-het de nesten zijn van groote roofvogels, vooral doordien niet zelden
-arenden en oehoe’s er boven op gaan bouwen. Helpt evenwel de werkelijke
-bouwmeester ons uit deze dwaling, en onderzoekt men die nesten wat
-nauwkeuriger, dan bevindt men, dat zij inwendig drie volkomen van
-elkaar gescheiden, slechts door gaanderijen of poorten verbonden
-ruimten bevatten, die bij scherper toezien zich doen kennen als
-voorkamer, gezelschapszaal of eetzaal en kraamkamer. De laatste of
-achterste ruimte ligt iets hooger dan de beide andere afdeelingen,
-zoodat toevallig binnengedrongen water steeds hierdoor weg kan vloeien;
-het geheele gebouw is zoo voortreffelijk samengesteld, dat zelfs de
-hoogste en langdurigste regens er weinig of geen schade aan kunnen
-toebrengen. De drie, vier of vijf witte eieren liggen in de broedruimte
-op een zacht bed van biezen en andere plantenstoffen; zij worden door
-het wijfje bebroed. Het mannetje verzamelt in de middelste ruimte
-allerlei voedsel, zooals: visschen, kikkers, hagedissen en dergelijke
-lekkerbeetjes, en zulks in zulk een overvloed, dat het wijfje te kust
-en te keur kan gaan in hoeveelheid en soort van spijs; in de voorste
-kamer zit of staat het mannetje, wanneer hij althans niet op voedsel
-uit is, om het wijfje gezelschap te houden en middelerwijl over haar en
-de later uitgekomen jongen te waken. Zijn deze iets opgegroeid, dan
-voorzien de beide echtgenooten samen in de behoeften des gezins.
-
-De ombervogel en arend of oehoe leveren niet het eenige voorbeeld op
-van vriendschappelijk samenwonen van in zeden en gewoonten overigens
-ongelijke vogels. Op de breede, van den stam zich horizontaal
-uitbreidende waaiervormige bladen van den Delebpalm staan de nesten van
-den vluggen en roofgierigen dwerg-slechtvalk en van de Guineaduif,
-dikwijls zoo dicht bij elkaar, dat de valk slechts den poot heeft uit
-te strekken om een buurkindje te pakken. Zulks gebeurt evenwel niet,
-omdat de valk niet anders dan op vliegende vogels stoot, en zoo groeien
-de jongen der duif ongestoord op in de buurschap van de telgen van den
-valk, en beide geburen zitten vredig en rustig naast elkander, ieder
-paar bij zijn eigen nest.
-
-Nog eene andere palmboom bood mij eene goede gelegenheid aan om vogels
-waar te nemen, die bij het broeden eigenaardigheden vertoonden, welke
-mij ten hoogste verrasten en boeiden. Onder levendig geschreeuw vloog
-een troep dwergachtige gierzwaluwen, verwant aan onze gierzwaluwen, om
-eenen Tompalm, waardoor mijne opmerkzaamheid op dien boom werd
-gevestigd. Nader onderzoek leerde mij, dat de vogels zich dikwijls
-tusschen de bladen van den palmboom begaven en ik ontdekte nu in de
-gleuven der bladstelen witte stippen, die ik herkende als zwaluwnesten.
-Ik beklom den boom, boog een der bladen naar mij toe en bevond, dat elk
-nest, dat hoofdzakelijk uit boomwol bestond, in den hoek tusschen den
-steel en de bladhelft op de bij gierzwaluwen gebruikelijke wijze met
-behulp van speeksel was vastgelijmd. Maar de nestkom kwam mij zoo vlak
-voor, dat ik het onmogelijk oordeelde, dat de beide eieren daarin
-konden blijven liggen, wanneer de bladeren door den wind heen en weer
-bewogen werden. En de minste ademtocht brengt zulke bladeren in
-beweging; hoe moesten ze niet geslingerd worden bij stormweder!
-Behoedzaam naderde ik met de eene hand de eieren, om ze uit het nest te
-nemen; daar ontdekte ik tot mijne verbazing, dat zij door de moeder
-waren vastgelijmd! En toen ik de pas uitgekomen, nog gansch en al
-onbeholpen jongen nader onderzocht, ontdekte ik, dat ook deze op
-gelijke wijze waren vastgekleefd, om ook hen voor uitvallen te
-vrijwaren.
-
-Daar de vogels door hunne alomtegenwoordigheid, schoonheid,
-levendigheid en bewegelijkheid, alsmede door hun gezang—of
-geschreeuw—voortdurend de opmerkzaamheid van den aandachtigen waarnemer
-trekken, bemerkt men, de ook hier zeer talrijke hagedissen en slangen
-en insecten niet medegerekend, weinig van de overige bewoners van het
-oerwoud, althans niet van de daarin verblijfhoudende zoogdieren. Wat
-ons evenwel niet ontgaan is, is eene troep meerkatten; de levendigheid
-en ongedurigheid toch, die deze soorten even gelijk alle Afrikaansche
-apen eigen is, doet ze zelfs in ’t oog vallen van iemand, die niet aan
-zien gewend is. En schouwt het oog deze dieren niet, dan hoort men ze
-in elk geval; het geluid, dat zij uiten, is een voortdurend gegorgel.
-Meest alle andere zoogdieren evenwel kan men tot op weinig meters
-afstand voorbijgaan zonder ze gewaar te worden. Verreweg het meerendeel
-wordt eerst bedrijvig na den ondergang der zon en zoekt voor het
-aanbreken van den dag zijn legerplaats weder op, maar ook die, welke in
-de morgen- en avonduren, als de zon schijnt, in de weer zijn, laten
-zich niet zoo gemakkelijk waarnemen als men wel zou denken; het dichte
-woud onttrekt hen te veel aan het oog. „Hebt gij,” zoo luidde de vraag
-van een Europeaan, met wien ik eens in het oerwoud was gaan jagen,
-„hebt gij dien panter niet gezien, die voor een paar minuten mij
-voorbij vloog en naar u toeliep? Ik kon niet schieten, omdat ik mijn
-geweer niet gereed had; gij moet hem toch gezien hebben.” Het was zoo
-niet; ik had wegens de dichtheid van het struikgewas het groote dier
-zelfs niet eens bemerkt. Waar het dichte geboomte zulks niet doet
-onttrekt de gelijkheid van kleur met de omgeving de dieren aan het
-gezicht. De grijsachtige halfaap, die op een met korstmossen bedekten
-hoogen boomtak ineengehurkt zit te slapen, gelijkt zoo sprekend op een
-uitwas des booms, dat eerst dan de dierlijke gedaante duidelijk wordt,
-wanneer de jager zijn kijker uit den zak haalt en dien uitwas
-nauwkeuriger in ’t oog vat. De vleêrmuis, die daar boven aan een
-kruintak hangt, gelijkt sprekend op een verdord blad en zelfs het bonte
-vel van den panter kan in het bosch door dorre bladeren en bloeiende
-Euphorbia’s zoo getrouw worden weêrgegeven, dat het mij persoonlijk
-eens is gebeurd, dat ik met aangelegd geweer tot vijftien schreden
-afstands een boschje moest naderen, waarin zich een panter had
-verscholen, alvorens ik dier en omgeving van elkander vermocht te
-onderscheiden. Geheel hetzelfde geldt voor de in het woud levende
-antilopen en verder voor alle zoogdieren in ’t algemeen—en zij zelf
-zijn zich des bewust. Niet overal in het oerwoud huizen de antilopen;
-slechts hier en daar en dan steeds talrijk leeft b.v. een kleine soort,
-nl. het struikbokje of de windhond-antilope. Dit is een der bevalligste
-herkauwende dieren, sierlijk gebouwd, niet grooter dan een reekalf van
-weinige dagen, vosachtig grijsblauw van kleur; het bewoont paarsgewijs
-het dichtste kreupelhout, kiest voor leger of verblijfplaats een goed
-bebladerden tot op den grond vertakten struik en trapt van hier uit
-smalle paden plat, die in de meest verschillende richtingen het dichte
-gewas doorkruisen. Ik heb vele dezer dieren gedood; aanvankelijk ging
-het mij echter evenals alle andere reizigers en jagers, die dit dier
-leerden kennen; ik kon het maar niet in ’t gezicht krijgen, al was het
-ook opgejaagd en als een pijl uit den boog mij voorbijgesneld. „Zie
-Heer! daar in het naaste boschje staat een bokje; ginds in de opening
-tusschen de beide dik bebladerde takken staat het; ziet gij het niet?”
-zoo fluisterden mijn inlandsche gidsen mij in ’t oor. Ik deed mijn
-uiterste best, boorde mijn oogen in het aangeduide boschje,—ik zag
-niets anders dan takken en bladeren; want tot takken werden de
-sierlijke pooten, tot een dik bebladerden tak kop en lijf. Maar het oog
-eens jagers vindt ook eindelijk in het oerwoud den weg. Wanneer men
-eenigermate met de zeden en gebruiken der lieve antilopen vertrouwd is
-geworden, leert men deze dieren even zeker opsporen als de scherpst
-ziende inlander. Door haar fijn gehoor wordt de antilope den naderenden
-mensch veel vroeger gewaar dan deze haar spoor ontdekt. Door het
-geruisch der zware voetstappen opgeschrikt, is zij van haar leger
-opgesprongen, en doet eenige schreden vooruit om eene opening te
-bereiken, van waar zij een vrijer uitzicht heeft. Als een gegoten
-metalen beeld, stijf en roerloos, zonder zelfs de lang van te voren
-reeds opgerichte ooren te bewegen, zonder een harer loopers te draaien,
-staat zij daar, en luistert en kijkt; de poot, die tot vooruitgaan
-opgeheven werd, volhardt in de aangenomen houding, geen leven verraadt
-zij. Thans is het des jagers tijd; fluks heft hij de buks omhoog, trekt
-en schiet: een oogenblik later en het sluwe wild is met een enkelen
-grooten sprong in het naburig kreupelhout gesprongen en hierdoor gedekt
-geworden, of het dook langzaam naar beneden en kroop in deze houding
-weg, en zulks zoo onmerkbaar, dat geen blad zich bewoog, geen halm zich
-verroerde.
-
-Op deze wijze voert het oerwoud de meest afwisselende beelden voor het
-oog des waarnemers. Wie zien kan en weet te zoeken, ziet en vindt
-overal in het bosch meer dan hij kan verwerken. Maar elke plaats en elk
-tijdstip van den dag of van het jaar geeft wat anders. Hier, waar de
-lente tot weken, de zomer of de herfst tot dagen inkrimpt en de winter,
-evenals in de steppe, bijna onmiddellijk na het ophouden van den regen
-zijn heerschappij aanvaardt, is ook het volle, rijke, alzijdig
-overvloeiende planten- en dierenleven binnen een kort tijdsbestek
-bepaald. Zoodra de vogels met broeden hebben opgehouden, beginnen zij
-te trekken en te strijken; zoodra de zoogdieren denken een gedeelte van
-het woud afgeweid te hebben, zoeken zij een ander gedeelte op. En
-daarom kan men dan ook op dezelfde plaats op verschillende tijden ook
-verschillende dieren ontmoeten, althans wezenlijk verschillende beelden
-van het dierlijk leven opvangen. Zoo neemt, om een voorbeeld te noemen,
-het leven in de rivieren toe, naarmate het bosch ontvolkt wordt.
-
-Bij hoogen rivierstand bespeurt men weinig van de dieren, welke in en
-bij het water leven. Alle eilanden liggen dan diep onder het water
-bedolven, de oevers zijn eveneens overstroomd en de vogels, die hier
-gewoonlijk huizen, zijn verdwenen. En als werkelijk eens een krokodil
-zijn kop en een paar rugschilden boven de oppervlakte verheft, wordt
-men zulks dan eerst gewaar, wanneer men met de boot tot op korten
-afstand genaderd is. Er blijven dus eigenlijk alleen nijlpaarden, die
-op sommige plaatsen zeer talrijk zijn, eenige boven het water vliegende
-vogels en misschien enkele duikers over om het zichtbare bewijs te
-leven, dat er in en bij de rivier ook hoogere gewervelde dieren leven.
-Wanneer nochtans na het eindigen van den regentijd de waterspiegel
-daalt en alle eilanden, zandplaten en oevers droog zijn geloopen, dan
-verandert het stroombeeld eveneens ten opzichte van de dierenwereld. De
-nijlpaarden trekken zich naar de diepste plaatsen van het water terug,
-om hier gezellig bijeen te leven en troepen te vormen van soms
-aanzienlijke sterkte; daar zij voor iedere ademhaling boven het water
-moeten komen en dan telkens met veel geraas de ingeademde lucht
-uitblazen, ziet en hoort men deze dieren zeer gemakkelijk. Ook komen
-zij ’s daags wel eens buiten het water om zich op de eilanden of
-zandbanken te legeren en van de warmte der zonnestralen te genieten; op
-een afstand van een kilometer en nog meer vallen zij daar den reiziger
-reeds in het oog; nu halen ook de krokodillen de schade in, die zij
-tijdens den hoogen waterstand hebben geleden, en koesteren zich op ’t
-heetste van den dag in de zon. Daartoe kruipen zij reeds in de
-voormiddaguren op de vlakke, zandige eilanden, vallen onder luid geplof
-op den grond neer, sperren den met vreeselijke tanden gewapenden muil
-wijd open en slapen, ten getale van tien, twintig en dertig bijeen, in
-de meest verschillende houdingen, naast en zelfs boven op elkander
-liggende, tot aan den avond door; groote zwermen vogels bedekken thans
-de eilanden, zandbanken en beide stroomoevers, en brengen door hun
-aantal een machtigen indruk te weeg. Tegen dezen tijd toch hebben de
-meeste inheemsche strand- en zwemvogels het broeden geëindigd en zijn
-zij met hun jongen het water gaan opzoeken, om hier, onder ’t genot van
-rijkelijk en gemakkelijk te verwerven voedsel, te ruien; tezelfder tijd
-hebben de trekvogels uit het noorden, die hier overwinteren, zich bij
-hen gevoegd. Laatstgenoemde vogels bevolken nu ook alle deelen van het
-oerwoud, doch vallen hier niet zoo sterk in ’t oog als aan het water,
-waar de geheele oever en alle eilanden met groote en dus duidelijk
-zichtbare trekvogels bedekt zijn. Soms is hier zelfs geen plaats genoeg
-en het voedsel, hoe overvloedig overigens ook voorhanden, wordt dan
-voor de menigte schaarsch. Een gevolg hiervan is, dat elke plaats bezet
-wordt, ja overladen; dat ieder voedselbeloovend plekje door duizend
-mededingers bezocht, ja om elke eetplaats gevochten wordt.
-
-Drie achtereenvolgende dagen zeilde ik bij goeden wind en in eene
-voortreffelijke boot op den Witten Nijl, en gedurende deze lange en
-verre vaart waren beide oevers van den stroom onafgebroken met een
-bonte en levendige, uit de meest verschillende strand- en zwemvogels
-samengestelde schare getooid. In de oerwouden van den Blauwen Nijl kan
-men een dergelijk schouwspel genieten. De uitgestrekte zandbanken
-worden door gewone en jufferkraanvogels volledig in bezit genomen; zij
-dienen echter den hier in winterkwartier verblijvende vreemdelingen
-slechts tot rust-, rui- en slaapplaatsen, van waaruit zij elken morgen
-naar de steppe vliegen om voedsel te halen, en werwaarts zij reeds vóór
-het middaguur teruggekeerd zijn om er te drinken en te baden, hun
-gevederte te poetsen, en eindelijk, bestendig door de krokodillen
-bedreigd, te slapen. ’s Middags mengen zich geregeld eenige gekuifde
-kranen in dat gezelschap, hetgeen eene groote opschudding te weeg
-brengt; de gekuifde zijn n.l. zoo niet beter dan toch ijveriger dansers
-en beginnen dadelijk na hunne aankomst hunne kunst uit te oefenen,
-waardoor de gewone kraanvogels insgelijks tot dansen worden aangezet.
-
-Op dezelfde banken verschijnt ook de nimmerzat of tantalus, eene
-ooievaarachtige, in een wit, met rozengloed overgoten, op de vleugels
-helder rozerood gekleurd vederkleed prijkende vogel, die de buitenste
-zoomen van het eiland of de aanliggende ondiepe plaatsen in beslag
-neemt; valt het licht voordeelig op deze vogels, dan prijken zij met
-een gloeiend rood, zoodat zij heerlijk afsteken bij de grijze
-kraanvogels en aan het landschap een ongemeenen tooi verleenen. Op den
-oever stappen prachtige reuzen-ooievaars of jabiroe’s rond, wandelen de
-leelijke, wonderlijk gevormde maraboe’s vol statie op en neêr, staan
-schitterende lepelaars, waden reuzen- en zilverreigers in het water om
-visschen te vangen, staan en zitten, zwemmen en duiken, weiden en
-snateren en kweelen duizenden spoor-, nijl- en lapganzen, nonnetjes,
-pijlstaarten, slangenhalsvogels, ibissen, wulpen, oever-, strand- en
-waterloopers en andere meer, die te zamen een bonten zoom van vogels
-vormen, wellicht nog sierlijker dan de tantalussen. Boven den
-waterspiegel echter zweven, behalve de opgenoemde vogels, die
-afwisselend aan- en afvliegen, ook nog zeezwaluwen en meeuwen,
-oeverzwaluwen en bijenvreters, terwijl hoog in de lucht een prachtige
-zeeadelaar zijn kringen beschrijft.
-
-Enkele soorten dezer in alle opzichten zoo belangrijke, gevederde
-rivierbevolking moeten den laagsten waterstand afwachten om te kunnen
-broeden, omdat het haar tijdens den hoogen waterstand aan goede
-nestplaatsen ontbreekt. Tot dezen behoort een even bevallige als fraai
-geteekende, een even verstandige als wakkere moerasvogel, nl. de reeds
-bij de ouden bekende krokodillenwachter, de trochilus van Herodotus,
-van welken vogel deze schrijver en na hem ook Plinius ons verhaalt, dat
-hij in vriendschap met den krokodil leeft. Deze vertelling der ouden is
-geen fabel, zooals men geneigd zou zijn te denken, en ik kan
-persoonlijk voor de waarheid er van instaan. De krokodillenwachter,
-wiens afbeelding men zoo dikwijls op de Egyptische gedenkteekenen
-terugvindt, en die in hiëroglyphenschrift de oe voorstelt, leeft ook in
-Egypte en Nubië, oefent echter heden ten dage eerst in Soedan zijn ambt
-uit als wachter en beschermer van den krokodil; aan dat ambt was hij
-bij de volken der oudheid zijn roem verschuldigd. Hij bewijst evenwel
-niet alleen diensten aan genoemd gedrocht, maar in ’t algemeen aan alle
-dieren, die van de waakzaamheid van dezen vogel partij weten te
-trekken. Opmerkzaam en nieuwsgierig, prikkelbaar en schreeuwlustig,
-daarbij met een opvallend geluid begaafd, is hij een voortreffelijk
-waarschuwer voor andere, minder voorzichtige schepselen. Evenmin het
-naderende roofdier als een menschelijk wezen van verdacht voorkomen
-ontgaat zijn opmerkzaamheid; reeds elke zeil- of roeiboot trekt zijn
-aandacht en nooit laat hij na door een luid geschreeuw zijn waarneming
-aan anderen bekend te maken. Zoo worden alle met hem tezelfder plaatse
-toevende dieren aangespoord om een nader onderzoek in ’t werk te
-stellen en zich te overtuigen of er werkelijk gevaar aanwezig is of
-niet. In ’t eerste geval hebben zij tijd en gelegenheid om te vluchten.
-Daarin bestaat zijn ambt als wachter. Zijn vriendschappelijke
-verhouding tot den krokodil kan men moeilijk wederkeerig noemen; want
-van een krokodil vriendschap te eischen is wel wat veel van zulk een
-dier gevergd. Niet omdat het reptiel eenig welwillend gevoel jegens den
-vogel koestert, maar omdat hij hem nauwkeurig kent en volkomen juist
-beoordeelt, behandelt hij hem als een lief, onschuldig schepsel. De
-vogel van zijn kant, van zijn jeugd af met het monster vertrouwd, een
-bewoner der zandbanken, waarop het eerste zich te slapen legt, altijd
-in deszelfs nabijheid, gaat met het dier om, alsof hij zelf de heer en
-meester, het andere de knecht ware. Onbevreesd klimt hij op den rug van
-het slapend ondier, onbezorgd nadert hij den opengesperden muil om te
-onderzoeken of misschien ook een bloedzuiger zich daar vasthechtte, of
-tusschen de tanden een brok bleef hangen, om het een zoowel als het
-ander weg te nemen. De krokodil laat zich dit alles welgevallen, zeker
-omdat hij bij ondervinding weet, dat hij den altijd opmerkzamen,
-behendigen, slimmen, kleinen schelm toch niet snappen kan. Ik zag eens
-een krokodillenwachter gelijktijdig met een schreeuw-zeearend van
-denzelfden visch eten, dien de arend gevangen en naar een zandbank
-gebracht had. Terwijl de laatste, die met beide pooten den buit
-vasthield of er op stond, een en andermaal naar den schuimlooper hapte,
-hield deze zich op eerbiedigen afstand van de tafel des grooten heers;
-telkens echter als deze den kop oplichtte om de spijs door te slikken,
-liep de ander snel toe, kaapte schielijk een door den arend reeds
-losgemaakt stuk visch en ijlde zoo snel mogelijk naar de eerste plaats
-terug, om daar het geroofde te verteren. Even bewonderenswaardig als
-dit driest bestaan is ook de slimme wijze, waarop de krokodillenwachter
-zijn eieren voor onbescheiden oogen verbergt. Ik had reeds langen tijd
-tevergeefs naar het nest van dezen vogel gezocht. De ontleding van een
-geschoten vogel had mij den legtijd van den krokodillenwachter leeren
-kennen. Dat hij slechts op zandbanken kan broeden volgt onvermijdelijk
-uit de levenswijs. Tevergeefs echter onderzocht ik op het zorgvuldigste
-al zijn lievelingsplekjes—ik kon geen nest uitvindig maken. Eindelijk
-zag ik een paartje, van hetwelk een der echtgenooten op den grond zat,
-terwijl de andere om de eerste heen scharrelde. Ik nam mijn kijker en
-liep, den vogel steeds in het oog houdende, recht op hem af. Toen ik in
-zijn nabijheid was gekomen, richtte hij zich op, schraapte ijlings wat
-zand op een bepaalde plaats bijeen en liep nu, wel is waar onder het
-gewone geschreeuw, maar toch zonder eenig ander bewijs van onrust met
-den ander weg. Ik liet mij niet foppen, hield de plek goed in het oog
-en kwam er bij. Maar ook nu kon ik nog geen spoor van het nest
-ontdekken, en eerst, toen ik eene weinig in ’t oog vallende oneffenheid
-in het zand waarnam en hier aan ’t graven ging, vielen mij twee, als
-zand gekleurde eieren in de hand. Had de moeder meer tijd gehad, dan ik
-haar gunde, zeker had zij deze kleine oneffenheid ook nog glad gemaakt,
-zoodat zij in ’t geheel niet meer in ’t oog kon vallen.
-
-Een zoo mogelijk nog rijker, in elk geval veelsoortiger dierlijk leven
-als te dezer tijd aan den stroom heerscht, kan men gadeslaan aan de
-oevers en op het watervlak der meren en groote plassen in ’t midden des
-wouds, welke bekkens gevoed worden deels door het bijeenstroomende
-water der voorjaarsregens, deels door den buiten zijn oevers getreden
-stroom. Overal door het bosch ingesloten, dikwijls zoo dicht, dat men
-in ’t geheel niet of althans niet dan onder veel bezwaren deze meren
-kan nabijkomen, binnen de oevers bijna even sterk begroeid als daar
-buiten, uitgestrekte riet- en biesbosschen insluitende, terwijl ook
-thans nog papyrus en lotus daarin groeien, vormen deze regen-meren of
-„foelat”, gelijk de inboorlingen ze noemen, even zooveel goede
-verblijfplaatsen als broedplaatsen voor de meest verschillende vogels,
-en zelfs ook voor andere dieren. De veiligheid, die deze afgelegen
-oorden aanbieden, schijnt zelfs het nijlpaard aan te trekken, dat ze
-tegen den tijd, dat het jongen zal werpen, opzoekt; hier dreigt geen
-schaarschte van voedsel, hier houden zich geen gevaarlijke vijanden op,
-en zoo kan het in deze oorden ongehinderd zijn kroost zoogen, verzorgen
-en de eerste opvoeding geven. De dicht begroeide oevers, de moerassige
-inhammen lokken zwijnen en buffels aan; het stille water wordt met
-voorliefde opgezocht door de dorstige antilopen. Op den spiegel zelf
-verzamelen zich duizenden pelikanen, om, alvorens op de naburige boomen
-hunne legersteden op te zoeken, nog eens duchtig ter vischvangst te
-gaan; ook de slangenhalsvogel brengt hier een goed deel van den dag
-duikende door; tevens zwemmen er alle mogelijke ganzen- en
-eendensoorten en strijken er de uit het noorden gekomen trekvogels
-neêr, om hier een gastvrije winterherberg te vinden; in de bochten en
-op de ondiepe oevers vinden de reuzenreigers en sierlijke woudaapjes
-zonder veel moeite het rijkelijkste voedsel; de welige, groene oevers
-herbergen tallooze kleinere vogels, de boomen van ’t omgevende woud
-verschillende, op boomen rustende en nestelende strand- en watervogels.
-Geen wonder, dat het bij tijden in en om deze meren wemelt van vogels,
-maar even verklaarbaar is het tevens, dat zulk een rijkdom ook allerlei
-vijanden lokt. Valken en uilen vervolgen de kleinere vogels, de adelaar
-en de oehoe maken jacht op meer groote, de vos en jakhals, leeuw en
-panter vervolgen de zoogdieren. Somtijds valt een uit de steppe getogen
-heirleger van vraatzuchtige treksprinkhanen in den frisschen woudzoom
-dezer streken, om in een oogwenk alles kaal te vreten en ’t geboomte
-geheel te ontbladeren. Maar nu ook vermenigvuldigt zich het vogelenheir
-tot in het oneindige. Van verre en van nabij verschijnen valken en
-uilen, raven en Duitsche papegaaien, frankolijnen en parelhoenders,
-ooievaars en ibissen, waterhennetjes en eenden, om zich aan de
-sprinkhanen te goed te doen. Iedere vogel, die bij tijd en wijle
-insecten nuttigt, voedt zich thans uitsluitend met deze reizigers.
-Honderden gewone en kleine torenvalken, die zich op dit tijdstip
-toevallig in hun winterkwartier bevinden, verzamelen zich bij scharen
-boven het bezochte bosch, stooten op elken opvliegenden zwerm
-sprinkhanen, grijpen ze en verslinden ze al vliegende; raven, Duitsche
-papegaaien, neushoornvogels, ibissen en ooievaars nemen ze van de
-takken weg en schudden ze er bij honderden af; deze vallen de onder de
-boomen loerende makkers, parelhoenders en eenden als buit ten deel;
-wouwen en zingsperwers vliegen in vele wendingen om de boomen, op welke
-de ontbladerende insecten alras de plaats der bladeren zelf innemen;
-zelfs de deftige maraboe’s en jabiroe’s versmaden het wel is waar
-kleine, maar daarentegen zoo rijkelijk voorhanden voedsel niet. Een en
-ander schenkt nog meerder leven aan het reeds zoo drukke water, dat op
-zulke tijden nog meer dan gewoonlijk de verzamelplaats wordt van de
-meest verschillende dieren.
-
-Aan zulk een meer, een ware schatkamer voor den verzamelaar, hadden wij
-een aantal dagen gejaagd, waargenomen, verzameld, genoten van de
-weelderige planten- en dierenwereld, gevochten met nijlpaarden, onzen
-haat gekoeld aan de krokodillen, in één woord, wij hadden in volle mate
-de genoegens gesmaakt, aan ’t leven van den jager en natuuronderzoeker
-verbonden, en daarbij al het overige, zelfs den tijd des jaars,
-vergeten. Maar toen op zekeren dag de zon lager daalde en gouden draden
-vlocht tusschen het groen des wouds; toen het geschreeuw der papegaaien
-was uitgestorven en alleen het droomend gezang van een lijster nog tot
-onze ooren doordrong; toen de zeearend aan gindschen oever, nog vóór
-weinige oogenblikken bloeiende te midden van het omringende groen,
-slaapdronken zijn witten kop tusschen de schouderveêren verborg; toen
-zelfs het gegorgel van een troep meerkatten, die in de hooge kruin van
-een nabijstaande mimosa haar nachtleger had opgezocht, was verstomd;
-toen de nacht aanbrak, schemerhelder en vriendelijk, koel en zacht,
-klankrijk en geurig, gelijk steeds omstreeks dezen tijd des jaars; toen
-was het alsof alle kleurenpracht, alle glans en heerlijkheid van de
-heden en gisteren in onze ziel opgenomen beelden eensklaps verbleekten.
-Onze gedachten vlogen naar het lieve vaderland en door een smartelijk
-heimwee voelden wij ons aangegrepen—want daar ginds vierde men op dit
-oogenblik het Kerstfeest. Wij hadden punch gemaakt en onze pijpen
-gevuld met de heerlijkste tabak der aarde; onze Albanezer reisgenoot
-zong een roerend lied; de nacht omgaf als met een tooverwaas hart en
-zinnen; maar de glazen werden niet geledigd, de rookwolken namen de
-wolken der droefgeestigheid niet weg, het lied vond geen weêrklank in
-onze ziel en de nacht tooverde tevergeefs. Wij smeekten om een
-Kerstgeschenk—en wij ontvingen het!
-
-De nacht in het oerwoud is altijd majestueus en verheven; dan, wanneer
-de hemel in vuur wordt gezet door den bliksem, terwijl rollende
-donderslagen daarbij weêrklinken van het eene einde naar het andere;
-dan, wanneer de stormwind er giert, en ook dan, wanneer aan het
-eindeloos gewelf ver verwijderde zonnen stralen en blad noch halm zich
-beweegt. Weinige minuten reeds na zonsondergang hult de nacht het woud
-in zijn grijzen mantel. Wat in het daglicht duidelijk zichtbaar was
-wordt nu omfloersd; wat in het zonnelicht nog te omvatten omtrekken
-aannam, wordt thans tot een reuzengestalte. Bekende boomen worden tot
-spookgedaanten; de heggen van struikgewas tot zwarte muren. Het
-duizendstemmige alarm verstomt, diepe stilte vervangt het geraas. Maar
-een nieuw leven vangt aan, in het woud en op het water. Honderden
-cikaden doen een geluid hooren, dat eenigszins te vergelijken is met
-het verwijderd geklingel van kleine, onzuiver gestemde klokjes;
-duizenden, thans uit den slaap ontwaakte kevers, waaronder zeer groote
-soorten, snorren om de bloeiende boomen en laten een luid gegons
-hooren, dat eigenaardig past bij genoemd klokgelui. Kikvorschen, die
-slechts een enkelen, maar, de geringe grootte dezer dieren in
-aanmerking genomen, vrij luiden kreet voortbrengen, mengen zich daarin,
-en al deze stemmen, die doen denken aan den klank van een langzaam
-geslagen Chineeschen gong, weêrklinken ver door het woud.
-
-Een groote uil begroet den nacht met dof gehuil; een kleinere soort
-antwoordt met een honend gelach; een geitenmelker herhaalt telkens
-opnieuw een enkele strophe van zijn snorrend, rochelend gezang. Van de
-zijde der rivier klinkt het weeklagend geroep van den nachtvogel, van
-de meeuwenfamilie, of van een schaarbek, die, dicht over de oppervlakte
-des waters strijkende, de golven half doorploegt; van de zandige
-eilanden en banken weêrklinkt het luide, ietwat krijschend geschreeuw
-van den griel, alsmede de toonrijke, klankvolle, gevoelige trillers van
-een waterlooper of plevier; boven het riet van het nabijgelegen meer
-krast een nachtreiger. In het dichte struikgewas of rondom de kruinen
-der boomen flonkeren duizenden glimwormen; een reusachtige krokodil,
-die reeds vóór zonsondergang de tegenoverliggende zandbank verlaten en
-het door de zon gegloeide pantser in de lauwe golven afgekoeld heeft,
-zwemt, half onder, half boven den waterspiegel drijvend, door den
-stroom, een spoor nalatende, dat in den maneschijn als zilver, in het
-sterrelicht als een snoer glimmende paarlen schittert. Boven de hoogste
-boomkruinen zweven met onhoorbaren vleugelslag oehoe’s en andere uilen;
-langs den oever vliegen in bevallige kronkellijnen langstaartige
-geitenmelkers; tusschen de kronen der boomen beschrijven vledermuizen
-hunne zigzagbanen; van den eenen kant der rivier naar den anderen
-trekken, soms bij scharen, vliegende honden of kalongs. En nu is ook de
-tijd gekomen, dat de overige zoogdieren des wouds zich laten zien of
-hooren. De een of andere jakhals vangt aan, beurtelings, nu eens
-treurige, dan meer vroolijke melodieën aan te heffen, die met evenveel
-gevoel als volharding worden voorgedragen; een dozijn soortgenooten
-valt terstond in en opent een zangwedstrijd, in welken ieder dingt en
-kampt om den eereprijs; enkele hyena’s schijnen slechts op deze
-voorzangers gewacht te hebben, om nu een koor aan te heffen van
-huilende, lachende, klagende en juichende stemmen; de panter bromt; de
-leeuw brult, en zelfs het nijlpaard, dat nog den stroom niet heeft
-verlaten, verheft knorrend zijn armzalige stem.
-
-Zoo spreekt en openbaart zich de nacht in het oerwoud; zoo boeide hij
-op dien voor mij onvergetelijken dag mijn oogen en ooren. De kevers,
-cikaden, uilen en geitenmelkers hadden aangevangen; daar schetterden
-schrille, krachtige, dreunende tonen door het bosch, als
-trompetgeluiden uit ongeoefende monden. Oogenblikkelijk verstomden de
-liederen van onzen Albanees, verstomde het gesprek onzer bedienden en
-matrozen, en allen luisterden evenals wij. Nogmaals schetterde en
-dreunde het aan den overkant. „El fioel, el fioel!” riepen de
-inboorlingen: „olifanten, olifanten!” jubelden ook wij. Het was voor
-het eerst, dat wij de reusachtige dikhuiders, op wier paden wij tot nog
-toe bijna altijd hadden gewandeld, wier sporen wij zoo dikwijls hadden
-achtervolgd, vernamen, beluisterden. Aan den tegenoverliggenden oever
-daalden op gemakkelijke en zekere wijze, reusachtige, in ’t
-schemerlicht van den nacht met genoegzame duidelijkheid waarneembare
-gedaanten naar het water af, om uit de rivier te drinken en zich daarin
-te baden. De een na den ander stak zijn lenigen tromp in het water, om
-dien te vullen en daarna den inhoud òf in den wijden bek, òf over hals
-en schouders en rug uit te storten; de een na den ander daalde in de
-rivier af om hier een verkoelend bad te nemen. En even alsof het straks
-gehoorde trompetgeschal een krijgsroep was geweest, zoo rumoerig werd
-het nu in het woud. Vroeger dan gewoonlijk verhief de koning der
-wildernis zijn donderende stem; een tweede en derde leeuw beantwoordde
-dien koninklijken groet. Verschrikt vliegen de van slaap dronken apen
-op en laten een luid geschreeuw hooren; van angst jammeren de antilopen
-mede. Daar rekt in de onmiddellijke nabijheid onzer boot een nijlpaard
-zijn monsterkop boven het water uit en begint te brullen, evenals
-meende hij een wedstrijd aan te vangen met de donderende stem van den
-leeuw; ook de panter waagt het zich te doen hooren; jakhalzen vangen
-het afwisselend lied aan, dat wij reeds kennen, de gestreepte hyena’s
-huilen, de gevlekte doen hun helsch, merg en been doordringend gelach
-hooren; alleen de kikvorschen en cikaden, onverschillig omtrent de
-roepstem van den koning en die van de grootwaardigheidsbekleeders van
-het woud, gaan voort, de eersten met hun eentonig geschreeuw, de
-laatsten met hun klokgelui.
-
-Dit was het „Eere zij God in den hooge” dat het oerwoud ons toezong.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-DE VERHUIZINGEN DER ZOOGDIEREN.
-
-
-Reislust, in de beteekenis des woords, welke wij menschen daaraan
-hechten, wordt bij de dieren niet gevonden, zelfs niet bij de vogels,
-die benijdbare wezens, wien de goddelijke gave werd geschonken
-vliegende de landen door te trekken en zeeën te overbruggen. Onbezorgd
-en vrij, zooals de handwerksgezel uittrekt om vreemde landen, vreemde
-zeden en vreemde kunst te leeren kennen, trekt geen enkel dier; want
-meer nog dan wij is dit gebonden aan een bepaalde plek, en sterker dan
-het heimwee der menschen ketenen gewoonte en traagheid het aan de
-plaats der geboorte. Maakt het zich gereed deze te verlaten, dan
-gehoorzaamt het aan een wet van dringende noodzakelijkheid, en het
-trekt alleen uit om het gebrek te ontloopen, dat in ’t verschiet
-dreigt. Nood en ellende echter zijn maar al te vaak het deel en lot,
-hetwelk de vreugdelooze vreemdelingschap aan het dier bereidt, dat in
-dit geval slechts reisverdriet ondervindt.
-
-Een en ander is evenzeer van toepassing op de trekkende visschen als op
-de trekkende vogels, maar in ’t bijzonder geldt zulks voor de vele
-zoogdieren, welke nu en dan wandeltochten ondernemen. Weinigen doen
-zulks zoo regelmatig als de vogels en visschen, doch de aanleiding tot
-de verhuizingen is bij allen dezelfde. De dieren verhuizen, omdat
-gebrek aan voedsel in uitzicht is, of omdat de schaarschheid zich reeds
-eenigermate doet gevoelen; zulke reizen zijn dus meer te beschouwen als
-een ontvluchten van naderend gebrek, dan wel als eene begeerte om een
-gelukkiger land op te zoeken.
-
-Wanneer ik spreek van de verhuizingen der zoogdieren, dan bedoel ik
-daarmede niet de gewone stroop- en zwerftochten, die ook al ter wille
-van het voedsel geschieden, evenmin zulke tochten, welke ten doel
-hebben den verbreidingsgordel te verruimen, maar alleen die
-gemeenschappelijke reizen, welke sommige zoogdieren, nu eens in meer
-regelmatige, dan weder meer onregelmatige volgorde, ver buiten de
-grenzen hunner woonplaats voeren, dus naar streken, alwaar zij eene hun
-vreemde levenswijze moeten aannemen, om deze even spoedig weder vaarwel
-te zeggen, zoodra hun dit mogelijk is geworden of mogelijk voorkomt.
-Zulke verhuizingen komen nog het meest overeen met het trekken der
-visschen en vogels, en hoe beter wij de eersten leeren kennen des te
-juister zal ook ons inzicht worden in ’t wezen van het laatstgenoemde.
-
-Kleine uitstapjes buiten de grenzen der gewone verblijfplaatsen
-volbrengen alle zoogdieren, en zulks om verschillende redenen. Soms
-zijn de mannetjes en vooral de ouden, meer geneigd tot rondzwerven dan
-de wijfjes en de jongen; men ziet ze daarom dikwijls zonder bepaalde
-redenen een zeker gebied verlaten om een ander op te zoeken; de jonge
-mannetjes van gezellig bijeenlevende soorten worden wel eens door de
-oudere hoofden van een troep stelselmatig verdreven en tot verhuizen
-gedwongen; de moeders zwerven gaarne met haar kroost door het gebied,
-alwaar dit laatste geboren werd; beide seksen trekken en reizen om
-elkander op te zoeken. Bij gelegenheid van zulke tochten ontdekt het
-dier de een of andere geschikte verblijfplaats, eene streek, waar
-overvloed van voedsel is, of waar beschermend struikgewas groeit, of
-een geschikt hol; het toeft daar dan langer of korter tijd en betrekt
-eindelijk voor goed het beloofde land. Oude jagers weten bij ervaring,
-dat een afgejaagd distrikt van buiten af weder nieuwen toevoer erlangt,
-en onder gunstige omstandigheden zeer spoedig even sterk bevolkt kan
-worden als vroeger. Niemand, die niet weet, dat vossen- en dassenholen,
-die zoo moeilijk te vernielen zijn, altijd bewoond blijven, hoe sterk
-er op deze dieren ook jacht worde gemaakt. Andere zoogdieren, op wier
-doen en laten minder nauwkeurig acht wordt geslagen dan op het wild,
-gedragen zich niet anders. Er heeft ongetwijfeld een onophoudelijk
-reizen en trekken plaats. En zoo wordt dan ook, zoo niet de natuur zelf
-zulks belet, of roofdieren of menschen hier verhinderend optreden, het
-verbreidingsgebied der soorten steeds grooter.
-
-Onze voorvaderen deelden hun woningen tot het eind der vorige eeuw met
-de huisrat, terwijl zij de bruine rat slechts kenden van hooren zeggen,
-of misschien zelfs in ’t geheel niet. De eerste was een rat met vele,
-ofschoon niet alle ondeugden van haar geslacht. Zij bewoonde de zolders
-onzer huizen, at van ons koren, van ons spek en allerlei anderen
-voorraad, knabbelde aan de deuren, planken vloeren en het huisraad,
-draafde des nachts onheilspellend door oude kasteelen en dergelijke
-spookgebouwen, veroorzaakte veel verdriet, menigen schrik en voedde het
-geloof aan spoken en het bijgeloof; maar met haar was het leven nog
-mogelijk, en men kon haar nog meester worden. Een flinke huiskat hield
-haar in bedwang, een goede kamerjager bond met haar den strijd aan.
-Daar verscheen plotseling haar gevaarlijkste vijand, en van nu aan
-begon haar licht te tanen. In het jaar 1727 zag men groote scharen
-bruine ratten, die òf rechtstreeks, òf over Perzië uit Indië moeten
-gekomen zijn, over de Wolga zwemmen, en spoedig daarna ervoer men door
-welke plaag Europa voortaan gekweld zou worden. Rivieren en kanalen
-volgende, bereikte de bruine rat de dorpen en steden; zij nam, in spijt
-van menschen en katten, onze woningen eerst van beneden in bezit en
-nestelde zich in de kelders en gewelven, steeg allengs omhoog naar de
-zolders en daken, verdreef na een langen, verbitterden strijd haar
-bloedverwant, maakte zich tot meesteres in ons eigen huis en toonde
-duizenden malen, wat een rat vermag; want deze bezit alle ondeugden der
-familie en legt ze daarbij onverholen aan den dag; zij spotte met alle
-pogingen om haar te verdrijven en behield tot op dezen dag overwinnend
-het veld, dat wij haar met behulp van honden en katten, met klemmen en
-vallen, met vergif en kruit te vergeefs betwisten. Bijna tezelfder tijd
-dat zij over de Wolga zwom, in 1732, bereikte zij Europa nog langs een
-tweeden weg, doordien zij op Oostindische schepen naar Engeland werd
-overgebracht. Van nu af begon zij hare reize door de geheele wereld.
-
-In Oost-Pruisen verscheen zij reeds in 1750, in Parijs drie jaren
-later; Midden-Duitschland werd door haar veroverd ten jare 1780; eerst
-vestigde zij zich, evenals elders, in de steden, om van hier uit
-langzamerhand het platte land te bevolken; dorpen, die niet aan
-rivieren gelegen zijn en die zij dus minder gemakkelijk kon bereiken,
-betrok zij eerst in de laatste tientallen jaren dezer eeuw; toen ik nog
-een opgeschoten knaap was, kende men haar nog niet in mijn
-geboortedorp, het rijk behoorde daar nog toe aan de ook nu daar reeds
-door haar volledig verdreven zwarte rat.
-
-Nog later verscheen zij in de afgezonderd gelegen gehuchten en eenzame
-boerenwoningen, echter niet voor het midden dezer eeuw, en nog altijd
-zet zij haar zegetocht voort. Niet tevreden met de ontdekking en
-verovering van Europa, toog zij, en zulks reeds op het einde der vorige
-eeuw, op nieuwe avonturen uit. In de bereids door haar bewoonde
-zeeplaatsen zwom ze van den oever naar de schepen, klouterde langs
-ankerkettingen, touwen, enz, aan boord, nam haar intrek in het veilige,
-donkere scheepsruim, doorreisde op dat vaartuig alle zeeën, landde aan
-alle kusten, en bevolkte van hier uit alle landen en eilanden, waar
-deze slechts in bezit zijn genomen door den beschaafden, in vaste
-woningen levenden mensch, haar onvrijwilligen beschermer en
-onderhouder. Tegen wil en dank hebben wij haar geholpen, het haar
-althans mogelijk gemaakt zulk eene groote uitbreiding te geven aan haar
-gebied. Aan geen ander, den mensch niet onderworpen zoogdier, is zulks
-ooit gelukt.
-
-Een ander voorbeeld van soortgelijke verhuizingen biedt ons de ziesel,
-een in geheel Oost-Europa en West-Siberië veel voorkomend, en tot de
-familie der eekhoorns, meer in ’t bijzonder tot de onderfamilie der
-marmotten behoorend, schadelijk knaagdier, dat de grootte van een
-hamster bereikt. Albertus Magnus zag den ziesel in de omstreken van
-Regensburg, alwaar hij thans niet meer voorkomt; daarentegen is hij in
-den jongsten tijd Silezië weder binnengetrokken, alwaar hij voor
-veertig en vijftig jaren onbekend was; tegen het begin van 1850
-ongeveer verscheen hij daar, zonder dat men kon nagaan, vanwaar hij
-gekomen was, en van nu aan drong hij langzamerhand naar het westen
-door.
-
-Ook hier is het alweder de mensch, die deze verhuizingen in de hand
-werkt, omdat het dier, zoo al niet daaraan gebonden, althans in
-bebouwde velden, de het meeste voedsel belovende en dus voor hem
-gezegendste woonplaatsen vindt.
-
-Geheel hetzelfde mag gezegd worden van nog andere muizensoorten, wier
-verdere verspreiding gelijken tred houdt met de vermeerdering van het
-aantal bebouwde velden. Aan den anderen kant wederom wordt door den
-mensch het woongebied van vele zoogdieren door ontwouding,
-droogleggingen en andere veranderingen in den toestand des bodems
-verkleind; hierdoor bewerkt hij en ongetwijfeld veel meer nog dan door
-rechtstreeksche verdelging, het wegtrekken van een aantal zoogdieren,
-die daar vroeger vaste woonplaatsen hadden opgeslagen. Want ook op de
-zoogdieren is de wet van toepassing, dat slechts zulke woonplaatsen
-vroeger of later worden bevolkt, die voor hen geschikt zijn, en zulks
-niettegenstaande de mensch dit soms op willekeurige, ruwe en wreede
-wijze gewelddadig tracht te beletten.
-
-Verschillend van zulke tochten zijn die, welke de zoogdieren nu en dan
-ter wille van eene tijdelijke verbetering hunner positie volbrengen.
-Hieraan nemen waarschijnlijk, zoo niet alle soorten, dan toch enkele
-leden van alle familiën dezer klasse deel; zij duren langer of korter
-tijd, brengen de dieren in meer of minder afgelegen streken, kunnen
-daarom zelfs het karakter van werkelijke verhuizingen aannemen, maar
-eindigen toch na zekeren tijd en brengen het trekkende zoogdier
-eindelijk weder in zijn oorspronkelijke woonplaats terug. Het voornemen
-of de hoop zich betere weiden of jachtvelden te verzekeren, eene
-toevallig zich voordoende gelegenheid om een aangenamer leven te
-leiden, deze zijn zeer zeker de voornaamste beweegredenen voor zulke
-zwerftochten. Zij hebben dan ook jaar in jaar uit, op alle breedten en
-op alle hoogten plaats, zelfs in streken, die te allen tijde dezelfde
-levensvoorwaarden in zich sluiten. Het zoogdier begint en volbrengt die
-tochten nu eens afzonderlijk, dan weder in troepen, al naar het gewoon
-is eenzaam of gezellig te leven; dikwijls blijven de wegen dezelfde, en
-worden dezelfde plaatsen regelmatig op dezelfde tijdstippen bezocht;
-maar altijd zijn het toch toevallige omstandigheden, die het dier
-leiden en richten.
-
-Wanneer de vruchten van de heilige vijgen- en andere boomen, die de
-tempels der Hindoes omgeven, op het punt zijn van rijp te worden, zien
-de Brahmanen, aan wie de zorg voor die tempels en boomen is
-toevertrouwd, met heilige ontroering de aankomst hunner vierbeenige
-goden te gemoet. En niet te vergeefs; want zij verschijnen wis en
-zeker, de tot goden verheven apen, de hulman en bonder, om zich te goed
-te doen aan de lekkere vruchten der voor hen alleen geplante en
-verzorgde boomen, tevens om daarbij nog te rooven en te plunderen in de
-naburige tuinen en plantages. En daarna verdwijnen ze weder, tot groote
-droefheid hunner vereerders, tot groote vreugde van alle andere
-bewoners, wier bezittingen zij op de brutaalste wijze beschadigden.
-
-Wanneer in Centraal-Afrika de korrels van het inheemsche graan, de
-doerrha of het kafferkoren, rijpen, daalt een troep bavianen onder
-aanvoering van een ervaren, deftig opperhoofd, die vol waardigheid en
-trots zich van zijn ambt kwijt, van de bergen naar omlaag, ten einde te
-onderzoeken of hun neef, de mensch, zoo vriendelijk is geweest ook in
-dit jaar weder het graan voor hen uit te zaaien. Of eene bende
-meerkatten, nadert, onder even uitstekend geleide, den zoom der
-bosschen, om te juister tijd de akkers ongestraft, zoo zwaar mogelijk
-te brandschatten. Wanneer de vurige oranjeappelen op de plantages der
-Zuid-Amerikaansche boeren tusschen het donkergroene loof schitteren,
-dan trekken de rolapen er op los, ten einde die vruchten met den
-eigenaar te deelen. Ook andere plantenetende dieren worden door de
-begeerte om zich het dagelijksch brood met weinig moeite te veroveren,
-naar streken, plaatsen en velden gedreven, die zij anders vermijden;
-roofinsecten volgen andere, hier of ginds tijdelijk verblijfhoudende
-insecten; de groote roofdieren vormen steeds de achterhoede van de
-plantenetende soorten hunner klasse, in ’t bijzonder die onzer
-huisdieren. De leeuw trekt met den rondzwervenden Afrikaanschen herder
-van plaats tot plaats; aan de verzenen der verslagen, huiswaarts
-vluchtende legers van Napoleon hechtten zich de Russische wolven; tot
-midden in Duitschland achtervolgden zij de ongelukkige soldaten.
-
-De vischotters ondernemen reizen te land om van de eene rivier in de
-andere te geraken; lynxen en wolven doorkruisen in den winter somtijds
-aanzienlijke oppervlakten lands. Door al deze reizen komt er eene
-wijziging in de woonplaatsen, het eene dier schuift het andere op; maar
-eene eigenlijke verhuizing kan zulks nog niet genoemd worden. Ook zijn
-nood en gebrek slechts bij uitzondering aanleiding tot en motief voor
-werkelijke verhuizingen; veeleer is het hier een oogenblikkelijk
-opkomend verlangen, dat tot zulke tochten aanzet.
-
-Geheel anders verhouden zich die zoogdieren, welke telken jare,
-omstreeks denzelfden tijd, van woonplaats veranderen en onder
-omstandigheden tamelijk ver verwijderde oorden opzoeken, om van hier
-uit wederom op bepaalde tijden naar de oude woonplaats terug te keeren;
-dezen verhuizen, want zij grijpen niet eene toevallige gelegenheid aan,
-maar zij gehoorzamen bewust of onbewust aan eene dringende
-noodzakelijkheid.
-
-Als grond en oorzaak van alle werkelijke verhuizingen der zoogdieren
-moeten wij in de eerste plaats beschouwen, duidelijk uitgedrukte
-wisseling van jaargetijden. In landen met eene eeuwige lente hebben
-geen verhuizingen plaats, daar de aanleiding er toe ontbreekt. Zomer en
-winter moeten scherp van elkaar gescheiden zijn, zij dan de laatste
-door ijs en sneeuw, of door gloeihitte en droogte gekenmerkt; gebrek en
-overvloed moeten met elkander afwisselen, wanneer het trage zoogdier
-tot heengaan zal besluiten.
-
-Op kleinen maatstaf reizen reeds die dieren, welke gebergten bewonen.
-De gems, steenbok, alpenhaas en marmot trekken, wanneer de sneeuw
-begint te smelten, of iets later, zich over steilten en gletschers een
-weg banende, naar omhoog, alwaar de ontdooide grasvelden een even
-overvloedig als heerlijk voedsel aanbieden; vóór de winter is
-aangebroken keeren zij naar de lagere gedeelten van het gebergte terug.
-
-De beer, van nature een omnivoor, door gewoonte een roover, onderneemt,
-ten minste in de gebergten van Siberië dergelijke tochten, en eindigt
-deze eveneens vóór de komst van den winter; ook de wilde katten en
-honden, die de gebergten bewonen, handelen eveneens.
-Plaatsveranderingen van dit genre zijn zelfs gewoon in de gebergten van
-meer zuidelijk gelegen landen, de tropen niet uitgezonderd. In Indië
-evenals in Afrika klimmen en dalen zekere apensoorten op bepaalde
-tijden geregeld op en af, zoeken de olifanten bij de intrede des
-winters de laagvlakten, bij den aanvang van den zomer de hoogten op. In
-de Andes van Zuid-Amerika vluchten de guanaco’s voor de sneeuw naar de
-dalen, voor den gloed der zomerzon naar de berghellingen. Door het
-gebergte zelf worden aan al deze tochten enge grenzen gesteld. Wij
-hebben hier te doen met een hoogteverschil van één tot drieduizend
-meter, met afstanden die in weinige uren, ten hoogste enkele dagen
-kunnen worden afgelegd. Kenschetsend voor deze tochten is evenwel de
-regelmatigheid, met welke zij geschieden, vooral in betrekking tot het
-tijdstip, waarop zij ondernomen worden, en niet minder in betrekking
-tot de wegen, langs welke zij plaats hebben.
-
-Heuvelland en vlakte, zee en lucht schenken meerdere speelruimte dan
-het gebergte en daarom laten zich de hier wonende of zich tijdelijk
-ophoudende dieren gemakkelijker dan die, welke in het gebergte verblijf
-houden, op hunne tochten vervolgen en nagaan. In de toendra’s van
-Rusland en Siberië doet het rendier, dat in Skandinavië de gebergten
-niet verlaat, elken herfst groote tochten, om tegen het volgende
-voorjaar naar zijn zomerverblijven terug te keeren; altijd ongeveer in
-denzelfden tijd verlaat het Groenland om van hier over het ijs naar het
-Amerikaansche vasteland te verhuizen; daar blijft het den geheelen
-winter en zoekt eerst in April de fjielden van zijn geboorteland weder
-op. Zoowel in Rusland en Siberië als in Groenland schijnt het niet
-alleen de vrees voor den naderenden winter te zijn, die tot verhuizen
-aanspoort, maar hierbij komt nog als tweede aanleiding eene aan het
-hooge noorden gebonden plaag. De korte zomer n.l. roept eene
-ongeloofelijke hoeveelheid kleine insecten in ’t leven, inzonderheid
-eene onbeschrijfelijke menigte steekmuggen en horzels, die niet alleen
-den mensch, maar ook het rendier het leven verbitteren. Om dezen te
-ontvluchten verlaat het dier de moerassige toendra, boven welke
-gedurende den korten zomer dichte wolken van muggen zweven, en vlucht
-naar de minder door deze insecten geplaagde gebergten zijner
-woonplaats, die op gemeld tijdstip tevens zoo rijkelijk met geurige
-weiden bedekt zijn, als met klimaat en land bestaanbaar is. Die
-gewoonte wordt erfelijk en zoo is het mogelijk, dat telkens dezelfde
-wegen worden betreden en tevens die verhuizingen altijd weder op
-hetzelfde tijdstip plaats grijpen. Er ontstaan dientengevolge gebaande
-wegen, die duidelijk in ’t oog vallen, mijlen ver door de toendra
-verloopen en op bepaalde plaatsen de stroomen en rivieren doorsnijden.
-Tegen den aanvang van den tocht scharen zich de wijfjes met haar
-kalveren in kudden van tien tot honderd stuks bijeen, de spiesherten en
-smaldieren volgen, en daar achter voegen zich de oude herten. De eene
-troep volgt onmiddellijk op de andere, zoodat de waarnemer
-duizendtallen dezer dieren kan zien voorbijtrekken. Allen snellen
-steeds vooruit, laten zich noch door water, noch door bergen
-terughouden, en komen niet tot rust dan nadat zij de winterkwartieren
-betrokken hebben. Benden wolven, beren en veelvraten hechten zich aan
-hun voetzolen en leggen alzoo evenzeer een niet klein gedeelte van dien
-weg af. In het voorjaar trekken de rendieren ongeveer langs denzelfden
-weg terug, en weder in nagenoeg gelijke slagorde, maar in veel kleinere
-kudden, en ook langzamer en wat meer op hun gemak.
-
-Nog grooter afstanden leggen de Amerikaansche wisenten of bisons, de
-„prairiebuffels” af. Hoe ver zij reizen weet men eigenlijk nog niet
-recht, maar men heeft trekkende troepen ontmoet van Canada tot Mejiko,
-van de Missouri tot het Rotsgebergte en zoo is men gerechtigd aan te
-nemen, dat een en dezelfde kudde zeer groote landstreken van het
-aangegeven gebied door trekt. Men heeft deze bisons in den zomer, over
-de eindelooze vlakten der prairiën verstrooid, aangetroffen, en in den
-winter op dezelfde plaatsen, maar tot duizenden vereenigd; men heeft
-gezien hoe zij reisden, want men heeft hen vervolgd op de door hen
-gebaande, honderden mijlen ver in meer of minder rechte richting, over
-gebergten en door de vlakten verloopende „buffelpaden”; men heeft zich
-door eigen aanschouwing er van overtuigd, dat de grootste stroomen hun
-geen hinderpaal in den weg leggen, dat zij, evenals eene lawine zich in
-deze wateren storten en ze met hunne donkere lichamen als het ware
-geheel opvullen; men heeft gezien, dat de dieren zich van elkander
-scheiden en zich weder vereenigen, dat de kudden zich vergrooten en
-zich oplossen in kleinere, dat oude, knorrige, heerschzuchtige en
-boosaardige stieren de gemeenschap met de andere bisons vermijden,
-misschien worden verdreven, en op deze wijze waarschijnlijk eerst na
-een langen, moeilijken strijd, gedwongen worden tot den volgenden zomer
-eenzaam rond te dolen; men heeft opgemerkt, dat zij in den winter,
-wanneer er veel sneeuw is gevallen, in de bosschen of tegen de
-hellingen der bergen beschutting zoeken tegen de ruwheid des weders.
-Reeds in de maand Juli vangen zij hun tochten van het noorden naar het
-zuiden aan. Weinig talrijke kudden, die tot op dit tijdstip een lui en
-gemakkelijk zomerleven leidden, sluiten zich aan anderen aan en samen
-vervolgen zij hun weg; andere troepen voegen zich bij hen en naarmate
-men vooruitdringt, groeit de menigte en wast het aantal, zoodat er
-eindelijk die groote massa’s uit zijn voortgekomen, die van nu af aan,
-als door éénen geest bezield, samen werken en handelen, totdat het
-voorjaar hen weêr scheidt. Zoodra de winter voorbij is, lossen de
-massa’s zich weder, misschien in omgekeerde volgorde, in kleinere
-kudden op, die zich al weder verdeelen, tot er niets dan kleine
-gezelschappen meer overblijven. Dit alles geschiedt op de terugreis.
-Zoowel op de uit- als thuisreis trekt steeds de eene kudde, op zekeren
-afstand van eene volgende verwijderd, na de andere; allen blijven
-evenwel nagenoeg op hetzelfde pad. Treffen zij eene gunstige plaats,
-b.v. eene met sappig gras begroeide laagte, dan grijpt hier eene
-tijdelijke opstuwing van den levenden stroom plaats. Onder zulke
-omstandigheden vereenigen zich op hetzelfde punt ontelbare scharen
-bisons; zij vertoeven dan eenige dagen achtereen op dezelfde plek en
-breken eerst dan weder op, wanneer al het gras is afgeweid en de honger
-tot verder trekken noodzaakt. Ook de bisons worden achtervolgd door
-wolven en beren, terwijl gieren en adelaars onheilspellend boven hun
-hoofden zweven.
-
-Niet alleen vrees voor gebrek aan voedsel, maar ook het ontbreken van
-drinkwater kan de aanleiding zijn, die tot reizen aanspoort. Wanneer in
-het zuidoosten van Siberië, inzonderheid in de hooge steppe van Gobi,
-de winter nadert, worden alle zoogdieren, voor zoover zij geen
-winterslapers zijn, door de bijzondere gesteldheid van dat hoogland
-gedwongen in lager gelegen oorden een onderkomen te zoeken. De winter
-treedt in dit Middel-Aziatisch hoogland niet strenger op dan in de
-noordelijk of noordoostelijk daarvan gelegen streken, maar hij is hier
-meestal vrij van sneeuw en bedekt alle wateren, die bovendien wegens
-den weinigen neêrslag niet talrijk zijn, met eene dikke ijslaag. Zoodra
-nu die laatste zoo dik is geworden, dat geen der in de Gobi verblijf
-houdende dieren het ijs verbreken kan, zien zij zich tot verhuizen
-verplicht, en nu trekken zij niet naar zuidelijker, maar juist naar
-noordelijker streken, die het voorrecht bezitten van veel sneeuw te
-bevatten: de trekkende dieren toch kunnen beter hun dorst lesschen met
-de zachte sneeuw, dan met het harde ijs, en ook loopen zij
-gemakkelijker op de eerste dan op het laatste. Nu kan men ook begrijpen
-waarom de kropantilope, die veelvuldig in de genoemde steppe voorkomt,
-een land verlaat, dat met uitzondering alleen van de daar ontbrekende
-sneeuw, m.a.w. met uitzondering alleen van water, hetzelfde aanbiedt
-als het winterkwartier. Niet de honger, maar de dorst drijft het dier
-naar den vreemde. Is de winter in aantocht, dan verzamelt zich de
-overigens reeds gezellig levende antilope in grootere troepen van vele
-duizenden individuen; alle lager gelegen landstreken rondom het hooge
-geboorteland zijn met deze kudden opgevuld. Gezamenlijk verwijderen zij
-zich tot op honderden mijlen afstands van den geboortegrond, en leggen
-op dien tocht soms in een enkelen nacht tien à twaalf geografische
-mijlen af. De waarnemer, die hen volgt, ziet overal hun sporen en in
-zulk eene menigte, dat het schijnt alsof kort van te voren eene
-buitengewoon talrijke schaapskudde hier langs getogen is.
-
-Nog voor de trektijd der antilope is aangebroken, komt de koelan of
-dziggetai, de vermoedelijke stamvader van ons paard, en in elk geval
-het prachtigste en edelste wilde paard der aarde, in beweging. De
-veulens van den jongsten zomer zijn in den herfst reeds zoo krachtig
-geworden, dat zij eene lange reis kunnen meêmaken, snelle marschen
-uithouden en alle wederwaardigheden en gevaren van een ongeregeld leven
-met goed gevolg het hoofd kunnen bieden. Ook de jonge, vierjarige
-hengsten bevinden zich in de volle kracht des levens, verlaten reeds op
-het eind van September, vol moed, de ouderlijke kudde en dringen
-voorwaarts. De oude hengsten en merriën eindelijk worden aangegrepen
-door de zucht tot paring en worden onrustig en reislustig. Zoo begint
-het vlugge, ondernemende dier, reeds vóór de winter invalt, zijn
-tochten; daarom mist men in deze verhuizingen duurzaamheid en
-regelmaat, zoodat zij eenigszins het karakter verkrijgen van
-avontuurlijke zwerftochten. Ten einde het hun door den aanvoerenden
-hengst opgelegde juk af te schudden en vrij te zijn, om zich zelf tot
-gebieders op te werken, verlaten de jonge hengsten de moederkudde en
-zwerven nu zelfstandig door de zandsteppe. Alle jongere, geslachtsrijp
-geworden en zelfs sommige oudere merries schijnen door hetzelfde gevoel
-bezield te zijn als de op daden beluste jonge hengsten; ook zij pogen
-de tyrannie van hem, die haar tot nog toe gebood, te ontvlieden. Zij
-voegen zich bij de eersten—evenwel om nu onder het juk van dezen haar
-nek te krommen. Maar zonder strijd wordt de heerschappij niet
-verkregen, goedschiks geeft de oude gebieder zijn rechten niet op.
-Urenlang staat de jonge hengst op den top eens heuvels of van een
-bergrug en slaat van hier uit een onderzoekenden blik over het veld.
-Zijn oog doorloopt de woestijn, zijn naar den wind gekeerde
-neusvleugels zijn opengesperd, zijne ooren hebben zich gespitst.
-Strijdlustig, in gestrekten draf springt hij in elke kudde, die nadert,
-rent hij elken mededinger, dien hij ontwaart, te gemoet, en een woedend
-gevecht begint om de merries, die den overwinnaar alleen zullen volgen.
-Dit vechten en kampen brengt echter beweging in de kudden, scheidt ze
-van het gebied, alwaar zij den zomer hebben doorgebracht en is de
-voorbode van thans aanvangende, uitgestrekte en onafgebroken
-zwerftochten. Na of nog vóór het eindigen van de zooeven besproken
-gevechten, verzamelen zich de troepen koelans in elk geval tot steeds
-talrijker wordende kudden, totdat er eindelijk legers van meer dan
-duizend stuks ontstaan, die gezamenlijk optrekken en wel naar zulke
-streken, die overvloed van voedsel opleveren. Ook in de
-winterkwartieren scheiden de wilde paarden zich niet van elkander en
-zijn deswege genoopt, ter wille van het voedsel voortdurend rond te
-zwerven. Dreunend klinkt de hoefslag dezer aaneengesloten, gewoonlijk
-snel voortdravende kudden, en meermalen is het gebeurd, dat de Kozakken
-in de grensdistricten van het Russische Rijk, daardoor verschrikt, te
-wapen vlogen. Geen wolf zal het wagen zulk eene kudde aan te vallen,
-want de moedige hengsten weten te hunner verdediging zulk een goed
-gebruik van de hoeven te maken, dat de wolf alras van zijn aanval
-afziet; slechts zieke en vermoeide wilde paarden vallen het roofdier,
-dat deze tochten volgt, nu en dan ten offer. De mensch richt evenmin
-onder deze legers veel schade aan; de koelans toch zijn zeer schuw en
-voorzichtig, zoodat het moeilijk valt hen te naderen. In weêrwil van
-dit alles kan een strenge winter dezen dieren noodlottig worden, vooral
-wanneer er veel sneeuw valt. De reeds zoo schrale weide is dan spoedig
-uitgeput en dit te eerder, naarmate de kudden talrijker zijn. Dan azen
-de dieren zonder keus of smaak op alle planten, die zij kunnen vinden.
-Maandenlang moeten zij zich voeden met niets dan ontbladerde twijgen.
-De gladheid en ronding des lichaams gaat verloren; eerlang zijn het
-wandelende geraamten. Zelf gebrek lijdende, kan de merrie-moeder haar
-veulen niet meer het noodige geven; de uiers drogen op. Menig veulen,
-dat op zijn nog jeugdigen leeftijd de harde kost der ouden niet kan
-verteren, lijdt gebrek. Ook de ouden lijden onder deze winterplagen.
-Sneeuwstormen, die dagen lang kunnen aanhouden, waaien de weiden onder
-de sneeuw, verdooven den moed, terwijl de driestheid der wolven in
-gelijke mate toeneemt, welke dieren de krachteloozen neêrvellen en den
-sterkeren boozen overlast aandoen. Zoodra evenwel de omstandigheden
-zich ten goede keeren, keert ook weder bij deze taaie, tegen het weêr
-geharde schepselen de oude levenslust terug, en zoodra de sneeuw begint
-te smelten vangen zij den terugtocht weder aan, om binnen ongeveer eene
-maand het vroegere zomerverblijf weder terug te vinden; hier lossen zij
-zich weder op in taboenen, of afzonderlijke kudden, herstellen zich
-onder ’t genot van rijkelijk en geurig voedsel spoedig weder van de
-geleden schade, worden weer vet en glad, en zijn den kommer en de
-ellende van den winter geheel vergeten.
-
-Hoe groot de afstanden ook mogen zijn, die alle tot nog toe behandelde
-zoogdieren afleggen, bij die der robben en walvisschen zijn ze echter
-niet te vergelijken. Het water begunstigt alle bewegingen van een
-daarin levend dier, biedt in hoofdzaak overal dezelfde
-levensvoorwaarden aan en stelt om deze reden, op gemakkelijker wijze en
-met minder moeite en gevaren in staat tot het volbrengen van verre
-tochten. En toch wekt het eenigszins onze verbazing te vernemen, dat
-vele zeezoogdieren, inzonderheid de walvisschen, tot de meest
-reislustige schepselen behooren, ja dat velen hunner, en misschien wel
-de meesten, ongeveer hun geheele leven lang op reis zijn. Strikt
-genomen heeft geen enkele walvisch gedurende het geheele jaar eene
-vaste verblijfplaats, maar trekt dit dier, of alleen, of paarsgewijs,
-met zijn jongen of in scholen vereenigd, onafgebroken van de eene
-wereldzee naar de andere, terwijl somtijds enkele oorden bijzondere
-lievelingsplekjes zijn, die bij voorkeur en op geregelde tijden worden
-opgezocht, ’s winters andere dan in den zomer. De zeeën, in welke
-dezelfde walvischsoort zich des zomers en des winters ophoudt, liggen
-dikwijls verder uiteen dan men gewoonlijk meent; enkele wallen
-doorreizen jaarlijks meer dan een vierde gedeelte van den ganschen
-aardbol. Men ontmoet ze des zomers aan de ijsmuren van de Noordelijke
-IJszee en in den winter niet zelden aan gene zijde des Evenaars.
-Gezellig in de hoogste mate en vol opofferende liefde jegens hunne
-jongen, verzamelen zich met name de vrouwelijke wallen tot soms
-verbazingwekkende aantallen, om onder aanvoering van enkele mannetjes
-langs bepaalde wegen en op bepaalde plaatsen door den wijden Oceaan te
-trekken; sommigen vervolgen daarbij hunne reis langs de kust, anderen
-door de hooge zee. Stormen en het niet verschijnen van zekere dieren,
-die hun tot voedsel verstrekken en waarin men de naaste aanleiding tot
-deze verhuizingen hebbe te zoeken, wijzigen soms richting en aanvang
-van den tocht; in ’t algemeen echter geschieden deze reizen zoo
-regelmatig, dat men zoowel in het noorden als in het zuiden de komst
-der walvisschen van bepaalde dagen afgerekend te gemoet ziet en wachten
-uitzet, ten einde dadelijk voor de vangst gereed te zijn. De
-kustbewoners hebben dikwijls dezelfde walvisschen, die zij herkenden
-aan bijzondere kenteekens, zooals b.v. verminkte vinnen, en die ze
-tevergeefs hadden nagezet, jaren achtereen juist op denzelfden tijd en
-juist op dezelfde plaats teruggezien, terwijl de jacht op deze
-winstgevende en daarom fel bestookte dieren met dezelfde regelmatigheid
-wordt uitgeoefend als op het vasteland de hazenjacht. Op andere tijden
-des jaars zou men tevergeefs naar wallen zoeken. „Na Driekoningen” zegt
-reeds de oude Pontoppidan, „zien de Noormannen van alle bergen naar
-walvisschen uit, wier komst door de haringen wordt aangekondigd.” Eerst
-maakt de springwal zijn opwachting, drie of vier, hoogstens veertien
-dagen later verschijnt de vinvisch, ofschoon de een naar het schijnt
-uit Straat-Davis, de ander uit Groenland opbreekt. Aan de zuidelijke
-kusten der Faroer, en wel hoofdzakelijk in de Qualbenfjord, ziet men
-jaarlijks omstreeks Sint-Michiel van drie tot zes anarnaks, heden ten
-dage zoowel als vóór honderd en negentig jaar.
-
-In zekere golf van Schotland verscheen twintig achtereenvolgende jaren,
-steeds op denzelfden tijd, een walvisch, die onder den naam van „Hollie
-Pyke” algemeen bekend was, telken jare nagejaagd en eindelijk gevangen
-werd. Aan de kusten van IJsland kiezen jaarlijks enkele walvisschen
-dezelfde inhammen en baaien uit om hier eenigen tijd te verblijven, elk
-jaar dezelfde maanden en dezelfde weken, zoodat de kustbewoners ze
-persoonlijk kennen en aan ieder hunner namen hebben gegeven. Zekere,
-goed bekende moeder-wallen bezoeken elk jaar dezelfde baai, om hier
-haar jongen ter wereld te brengen; men spaart deze dieren zelf, doch
-zij moeten hun eigen leven duur genoeg, nl. met dat van hun kroost
-koopen. Uiterst zelden geschiedt het, dat de reizende walvisschen zich
-aan tijd noch richting binden; in het algemeen trekken zij met zulk
-eene regelmatigheid door den wijden Oceaan, dat het is alsof zij zich
-naar den stand der sterren richten en gebaande, van ter zijden
-begrensde wegen betreden. Geen ander zoogdier trekt met zooveel
-regelmatigheid; men kan dit trekken vergelijken met dat der vogels.
-
-Evenals de walvisschen ondernemen ook de robben jaarlijks meer of
-minder verre, maar over ’t algemeen ook zeer regelmatige tochten. Die
-soorten, welke in binnenzeeën leven, kunnen deze wel is waar niet
-verlaten, maar zij trekken ze toch telken jare op gelijke wijze door;
-of zij zwemmen op bepaalde tijden de rivieren op, welke in genoemde
-zeeën uitmonden. Alle soorten daarentegen, die in de wereldzeeën
-verblijf houden, vangen elk voorjaar en elken herfst reizen aan, die in
-bepaalde richtingen verloopen, en naar bepaalde streken voeren. Alle
-robben uit het hooge noorden en die, welke om de zuidpool wonen, worden
-steeds door het zich in den winter uitbreidende ijs tot verhuizen
-gedwongen; zij trekken daarom met dat ijs naar gematigde breedten af,
-om met het smeltende ijs weder dichter de polen te naderen. Zij, zoowel
-als alle andere soorten der orde, waartoe zij behooren, worden nog door
-eene andere, niet minder gewichtige beweegreden tot reizen gedreven;
-zij kunnen nl. alleen op het vasteland of althans op groote, vast
-liggende ijsschollen hun jongen ter wereld brengen en zoo lang
-verzorgen, tot deze in staat zijn de ouden in zee te volgen om daar
-zelf in het levensonderhoud te voorzien. Zoo verschijnen dan telken
-jare duizenden en honderdduizenden robben op bepaalde eilanden of
-ijsschollen, welke geboortegronden van hun geslacht zij zoo geheel en
-al met hunne lichamen bedekken, dat elke beschikbare ruimte in beslag
-moest genomen worden om voor allen plaats te vinden; hier brengen zij
-hun jongen ter wereld, verwijlen weken, ja maanden achtereen op het
-land en het ijs zonder intusschen te jagen, in zee te dalen en voedsel
-tot zich te nemen, zogen de jongen, paren alsdan, lossen het verband
-weder op, verdeelen zich over den uitgestrekten Oceaan, om van nu aan
-weder op oude wijs te leven, of zij vangen met hunne nog veel zorg
-eischende jongen meer of minder ver zich uitstrekkende jachttochten,
-alzoo nieuwe reizen aan.
-
-Van alle hier opgenoemde trekzoogdieren behoort geen enkel tot de
-winterslapers, die, goed beschut, in diepe, zorgvuldig toegestopte
-onderaardsche woningen, in schijndooden toestand den boozen winter
-doorbrengen. Deze dieren zijn dus niet genoodzaakt hunne woonplaatsen
-te verlaten. Evenwel, ook onder dezen zijn er, althans voor zooverre
-diegenen betreft, welke in de gematigde luchtstreek leven, enkelen, die
-gedurende hunne jeugd trekken, nl. de vleêrmuizen.
-
-Hoe onvolkomen de vleugels der vleêrmuizen, vergeleken met die der
-vogels ook mogen schijnen, toch zijn het geschikte werktuigen ter
-plaatsverandering en zij stellen zelfs in staat tot het volbrengen van
-tochten, die tot de lichaamsgrootte van het dier in geen verhouding
-staan. Bovendien is er nog een andere omstandigheid, die der
-reislustige vleêrmuis ten goede komt, daarin bestaande, dat het dier
-door zijn jongen aan geen bepaalde plaats gebonden wordt, want deze
-klemmen zich van het oogenblik der geboorte af aan de borst der moeder
-vast om door deze, tot zij volwassen zijn, door de lucht gedragen te
-worden. Om al deze redenen behoort de vleêrmuis tot die dieren, welke
-te allen tijde tot verhuizen en reizen gereed zijn, en zij maakt dan
-ook van de voordeelen haar geschonken, bij tijd en wijle een
-uitgestrekt gebruik. In den regel zijn alle reizen, die de
-verschillende soorten van vleêrmuizen ondernemen, meer zwerftochten,
-die ten doel hebben op sommige tijden andere, meer voedsel belovende
-streken op te zoeken; toch kunnen deze tot werkelijke reizen worden, en
-althans enkele soorten worden daardoor naar ver afgelegen landen
-vervoerd, en zulks geschiedt met die regelmatigheid, welke ware
-verhuizingen kenmerkt. De grootste vleêrmuizen, de kalongs of vliegende
-honden, ondernemen elken avond, ten behoeve van haar hoofdvoedsel, dat
-uit vruchten bestaat, verre tochten; daarenboven vliegen zij soms over
-zeestraten van tien geogr. mijlen breedte, ja, naar men zegt, begeven
-zij zich wel eens van Zuid-Azië naar Oost-Afrika en omgekeerd. Waar is
-het dat zij in beide werelddeelen voorkomen.
-
-De eigenlijke vleêrmuizen doen voor de kalongs niet onder. Ten einde
-jacht te maken op insecten, die in de verschillende tijden des jaars op
-verschillende hoogten verschijnen, stijgen deze dieren van de
-laagvlakten naar de bergen omhoog, om in den herfst weder naar beneden
-te dalen; zij volgen de kudden der nomaden van Middel-Afrika—al weder
-om de hier zich verzamelende insecten—maar zij reizen ook van het
-zuiden naar het noorden, en keeren van hier weder naar ginds terug, en
-omgekeerd. Zoo verschijnt de ombervleêrmuis eerst met het begin der
-heldere zomernachten in het noorden van Skandinavië en Rusland, om deze
-breedten, die men als haar eigenlijk geboorteland kan aanmerken, reeds
-in den nazomer weder te verlaten; zij begeven zich alsnu naar de
-Duitsche Middelgebergten en de Alpen, om daar te overwinteren. Zoo ziet
-men de meervledermuis des zomers geregeld in de Noordduitsche vlakten,
-maar ontmoet haar echter om dezen tijd slechts zelden in de gebergten
-van Middel-Duitschland, alwaar zij den winter in de rotskloven
-doorbrengt. Dat ook andere in Duitschland levende vleêrmuissoorten
-soortgelijke reizen volbrengen, is meer dan waarschijnlijk.
-
-Bovenvermelde voorbeelden, die uit het rijkelijk voorhanden materiaal
-zoo maar te grijpen waren, zijn zoo vele bewijzen voor die soorten van
-verhuizingen, welke men op grond der regelmatigheid, waarmede zij
-geschieden, willekeurige zou kunnen noemen. Maar er is meer. Somtijds
-worden de zoogdieren door honger en dorst, armoede en tijdelijke
-onbewoonbaarheid van een of ander woongebied, zoo hard geteisterd, dat
-zij, schier tot wanhoop gebracht, besluiten moeten in de vlucht hun
-behoud te zoeken. Rijkelijk voedsel en gunstig weder bevorderen de
-vermenigvuldiging van alle dieren, maar inzonderheid die der
-planteneters, zoodat deze daardoor wel eens gedwongen worden hun
-verbreidingsgordel uit te zetten. Worden evenwel een of meer vette
-jaren, of zelfs enkele gunstige maanden opgevolgd door schrale, dan
-klimt de nood plotseling tot het uiterste; de hierdoor overvallen
-dieren worden dan niet alleen in de onmogelijkheid gebracht van zich
-verder het noodige levensonderhoud te verschaffen, maar de nood doet
-hun zelfs alle bezinning verliezen.
-
-Onder zoodanige omstandigheden verlaten bij ons te lande de veldmuizen,
-in Siberië de wortelmuizen hare geboorteplaats en trekken, in ontelbare
-scharen vereenigd, naar andere streken; zij deinzen op zulke tochten
-nergens voor terug, zoomin voor het water als voor de hun vreemde
-bergen en bosschen; zij hebben daarbij onophoudelijk te kampen met
-honger en ellende, met ongesteldheden en kwaadaardige ziekten, die als
-de pest onder hen woeden en de millioentallen tot weinige honderden
-doen insmelten. Gelijke omstandigheden dwingen in Siberië de
-eekhoorntjes, die in gewone jaren ten hoogste kleine uitstapjes
-ondernemen, om zich tot groote legers te vereenigen en troepsgewijs van
-boom tot boom, van het eene woud naar het andere te trekken, rivieren
-en stroomen over te zwemmen, enz. Zij dringen alsdan de dorpen en
-steden binnen, verliezen bij duizenden het leven, maar laten zich zelfs
-dan niet terughouden of van den weg afbrengen, wanneer het doodsgevaar
-hen tegengrijnst. De voetzolen slijten af en worden ruw, de nagels zijn
-stomp geloopen, de haren van den anders zoo gladden pels worden
-borstelig en zitten verward dooreen; losschen en sabelmarters volgen
-hun spoor in de bosschen, veelvraten, vossen en wolven in het open
-veld, arenden, valken, uilen en raven zweven dreigend boven hunne
-hoofden, maar grooter verwoestingen nog dan de tanden en klauwen der
-roofdieren, of de buksen en stokken der menschen, richten boosaardige
-ziekten onder hen aan, en toch—zij trekken altijd verder,
-oogenschijnlijk zonder hoop op een mogelijke wederkomst. Volgens de
-mondelinge mededeelingen van een met mij bevriend Siberisch jager wierp
-zich in het jaar 1869 zulk een leger van eekhoorntjes midden in de
-Uralische stad Tapilsk. Deze individuën vormden echter nog maar eene
-enkele divisie van het hoofdleger, welks centrum op een afstand van
-ongeveer acht kilometer meer noordelijk door het bosch trok. De dieren
-volgden of individuëelsgewijs of in troepen van verschillende sterkte,
-onafgebroken elkander op; zij trokken even dicht aaneengesloten door de
-stad als door het naburige bosch; zij maakten zoowel van de straten als
-van de tuinen gebruik, klommen zelfs over de daken der huizen, vulden
-alle pleinen en open plaatsen, en veroorzaakten een algemeene
-opschudding, niet alleen onder de menschen, maar zoo mogelijk nog meer
-onder de honden, die er duizenden doodbeten en ten slotte de meest
-teugellooze, meest onverzadelijke moordlust aan den dag legden. Maar de
-eekhoorns schenen geen acht te slaan op de tallooze offers, die aan
-hunne zijde vielen, zich om niets te bekommeren en zij waren door geen
-enkel middel van den eens ingeslagen weg af te brengen. Drie dagen
-achtereen duurde deze doortocht, van den vroegen morgen tot den laten
-avond, en eerst tegen het aanbreken van den nacht kwam er stilstand in
-den stroom. Allen wandelden juist in dezelfde richting, van het noorden
-naar het zuiden, en de nakomenden trokken langs denzelfden weg als de
-eerst voorbijgekomenen. De bruisende Tschussoweia was hun geen
-beletsel; alle dieren, die aan den oever dezer snelstroomende rivier
-aankwamen, stortten zich zonder bedenken in het schuimende en draaiende
-water, en zwommen, bijna geheel ondergedoken, met over den rug gelegden
-staart, zoo snel mogelijk naar den anderen oever. Mijn zegsman, die den
-tocht voortdurend met klimmende belangstelling en opmerkzaamheid
-volgde, begaf zich in een boot midden onder de den stroom doortrekkende
-schare. Vermoeide zwemmers, wien hij eene roeispaan toereikte, maakten
-daarvan gebruik om er bij op en in de boot te klauteren; zij bleven,
-oogenschijnlijk zeer vermoeid, hier een poos rustig en vertrouwelijk
-zitten, klauterden, wanneer de boot naast een grooter vaartuig
-aanlegde, op dit laatste over, bleven nu hier weder rustig een poos
-zitten om ook dit te verlaten, zoodra het vaartuig aan wal was gekomen;
-dan sprongen zij er af en zetten de reis zoo goedsmoeds voort alsof zij
-door niets waren gestoord geworden.
-
-Dezelfde oorzaken moeten het zijn, die de lemmingen aanzetten tot
-hunne, reeds eeuwen lang bekende verhuizingen. Jaren achtereen
-verleenen de gebergten der Skandinaafsche, Noord-Russische en
-Noord-Siberische toendra’s hun een geschikt verblijf en daarbij
-overvloedig voedsel, want de breede ruggen der fjielden evenals de hier
-tusschen gelegen uitgestrekte vlakten, het heuvelland en de laagten
-bezitten plaats en voedsel genoeg voor millioenen dezer dieren; maar
-niet elk jaar verheugen zij zich den geheelen zomer in overvloed. Volgt
-op een aan sneeuw rijken, dus op een voor hen, die onder het witte
-sneeuwkleed een veilige schuilplaats vinden, gunstigen winter een te
-rechter tijd aanvangend, warm, lang aanhoudend voorjaar, dan worden er
-aan hun ongemeene vruchtbaarheid geenerlei perken gesteld, en weldra
-wemelt de toendra letterlijk van lemmingen. Een hierop volgende,
-schoone en warme zomer doet het aantal nog meer toenemen,—maar verhaast
-tevens den levensloop van alle voedingsplanten, en nog vóór het einde
-van den zomer daar is, zijn die planten òf verdord, òf reeds gevallen
-onder de vraatzuchtige tanden dezer onverzadelijke woelmuizen. Het
-gebrek houdt zijn intocht en het lui, lekker leventje wordt vervangen
-door ellende. De vroolijke, brutale aard van den lemming is verdwenen,
-onrust bevangt hem en deze onrust stijgt eerlang tot radeloozen angst.
-Het hongerspook grijnst hen tegen. Nu scholen de lemmingen bijeen en
-vangen de reize aan. Dezelfde trek maakt zich tegelijkertijd van velen
-meester en de een sleept den ander mede. De troepen worden scharen, de
-scharen legers. Deze stellen zich in slagorde en als een bruisende
-stroom storten de lemmingen zich van de hoogten naar beneden in de
-dalen. Allen snellen in een bepaalde, naar plaats en gelegenheid
-verschillende richting vooruit. Allengs vormen zich lange rijen, in
-welke de eene lemming zoo dicht op den ander volgt, dat hij met zijn
-kop schijnt te rusten op den rug van zijn voorman. Hoe licht de tred
-dezer kleine diertjes ook zij, hun aantal snijdt in het moskleed der
-toendra diepe voren, die reeds van verre in ’t oog vallen. Hoe langer
-de tocht duurt des te onrustiger en koortsachtiger wordt de troep.
-Gretig vallen zij op alle planten aan, die zij op hun weg ontmoeten,
-alles verslindende wat maar eenigszins genietbaar is; en hebben de
-voorsten werkelijk nog eenig voedsel gevonden, zij, die volgen, vinden
-ook dit niet meer. De honger stijgt van minuut tot minuut en doet den
-tocht steeds meer verhaasten; geen gevaar wordt meer geacht, geen
-hinderpaal ontzien, en millioenen vallen dientengevolge als een offer
-des doods. Menschen, die hun in den weg treden, loopen zij tusschen de
-beenen door; tegen raven en andere roofvogels, die hen in kracht verre
-overtreffen, stellen zij zich onverschrokken te weêr; zij banen zich
-knagend een weg door de hooischelven, zij klimmen over bergen en
-rotsen, zij zwemmen over rivieren en zeeëngten, zelfs over wijde meren
-en groote golven en fjorden. Hetzelfde gevolg, dat achter de
-verhuizende eekhoorntjes natrekt, loopt en vliegt ook de lemmingen na:
-wolven en vossen, veelvraten, marters en wezels, de honden der Lappen
-en Samojeden, arenden, buizerden en sneeuwuilen, raven en bonte
-kraaien, deze allen gaan te gast aan de ontelbare offers, die zij aan
-het golvende leger, meeuwen en visschen aan die, welke zij aan de
-zwemmenden ontrooven, terwijl ziekten van allerlei aard wellicht nog de
-grootste slachting aanrichten, meer dan alle bovengenoemde vijanden te
-zamen. Duizenden lijken blijven ten prooi der verrotting langs de wegen
-liggen, duizenden anderen worden door de stroomen medegevoerd. Of er
-nog enkele individuën van deze massa’s ontkomen, en of deze vroeger of
-later weder naar de verlaten haardsteden terug keeren, of dat ten
-slotte allen, die de reize aanvingen te gronde gaan, niemand vermag
-zulks te zeggen. Wel kan ik persoonlijk verzekeren, dat ik uitgestrekte
-landen der Laplandsche toendra ben doorgetrokken, die ik overal
-doorkruist zag door de gangpaden der lemmingen, maar ik heb op dien
-tocht geen enkelen lemming zelf ontmoet. Zulke streken behouden, gelijk
-men mij mededeelde, dikwijls jaren achtereen hetzelfde uiterlijk en
-eerst na een lang tijdsverloop worden zij langzamerhand weder met deze
-kleine, nijvere knaagdieren bevolkt.
-
-Wat de honger in het noorden bewerkt, doet in het weelderige zuiden de
-dorst. Wanneer de brakke poelen, die tot op dit oogenblik
-tijgerpaarden, antilopen, buffels, struisvogels en andere aan den grond
-gekluisterde steppendieren lafenis schonken, onder den verzengenden
-adem van den Zuid-Afrikaanschen winter allengs uitdrogen, dan
-verzamelen zich om die weinigen, welke nog eenig water bevatten, alle
-dieren, in wier levensonderhoud de steppe tot dusverre voldoende
-voorzag, en een druk, levendig tooneel ontvouwt zich aan deze plaatsen.
-Maar zijn ook deze verdroogd, dan zien alle wezens, die zich op deze
-plek bijeenvonden, zich genoodzaakt weg te trekken, en nu kan het
-voorkomen, dat zij door een soortgelijken wanhoop worden aangegrepen
-als de zooeven besproken knaagdieren; evenals de wilde paarden en
-kropantilopen der Middel-Aziatische steppe of de bisons der
-Noord-Amerikaansche prairiën scharen zij zich bijeen en leggen in
-rechte lijn honderden van mijlen af, om de ellende van den strengen
-winter te ontvlieden.
-
-De eerste dieren, welke het ongastvrije oord ook hier den rug
-toekeeren, zijn de wilde paarden. Zorgeloos en ongedwongen zwierven de
-sierlijk geteekende, krachtige, vlugge, wilde en zich zelf bewuste
-kinderen der karroe, de zebra, quagga en dauw, tot aan het invallen van
-het tijdperk van gebrek door hun uitgestrekt gebied, verdeeld in
-kudden, die onder de hoede en leiding staan van een ouden, ervaren en
-in den strijd geoefenden hengst. Het tijdperk van kommer, de winter is
-aangebroken, de eene watervijver voor, de andere na, droogt op en
-steeds talrijker en talrijker worden de troepen, die zich om den
-laatsten watervoorraad verzamelen. De gemeenschappelijke nood dooft in
-den kampvaardigsten hengst den lust tot gevecht en strijd. De taboenen
-worden tot troepen van eenige honderden stuks, die van nu aan
-gemeenschappelijk zullen handelen, en gezamenlijk het winterachtig
-verblijf verlaten nog voor het gebrek is gekomen, dat de krachten zal
-verzwakken en den trotschen wil breken. Vol geestdrift wordt het
-grootsche tooneel, dat deze verhuizende tijgerpaarden opleveren, door
-alle reizigers geschetst. Zoo ver het oog reikt, strekt zich het
-zandveld uit, welks roode hoofdkleur slechts hier en daar wordt
-afgebroken door enkele zwarte plekken, alwaar de zon het gras heeft
-verbrand; hier en daar werpen spaarzaam verspreide mimosa’s een weinig
-schaduw en geheel in de verte is de vlakte begrensd door de scherpe
-omtrekken der met een blauw waas omtogen bergen. Te midden van zulk een
-landschap ziet men eene stofwolk opdwarrelen; loodrecht stijgt deze,
-door geen windje bewogen, naar den blauwen hemel omhoog. De wolk rukt
-nader en nader; binnen in haar wordt een gewemel van wezens zichtbaar.
-Eindelijk maken deze zich los uit den donkeren nevel en schitterend
-gekleurde dieren treffen het oog van den waarnemer; in dichte rijen,
-met uitgerekten hals en uitgespreiden staart, rennen zij voorbij,
-terwijl struisvogels en eigenaardig gevormde gnoes, die zich in de
-gelederen hebben gemengd, den stoet helpen vergrooten. Deze dieren zijn
-op weg naar een ander, misschien ver verwijderd grasland, en vóór nog
-de toeschouwer van zijne verbazing is bekomen, is het wilde leger reeds
-uit het gezicht verdwenen om de onafzienbare steppe verder in te
-trekken.
-
-Niet altijd op dezelfde wegen, maar toch meest in dezelfde richting,
-trekken ook de door den winter verjaagde antilopen door het grenzenloos
-gebied. Onder dezen is de springbok het menigvuldigst; dit is
-ongetwijfeld een der sierlijkste gazellensoorten, die wij kennen. De
-ongemeene schoonheid en bekoorlijke bewegelijkheid van dit dier
-betoovert een ieder, die het in de natuur gadeslaat; met lichten,
-elastischen tred schrijdt het nu eens voort, staat dan weder een
-oogenblik stil om te grazen, en springt daarna tuimelend verder, zijn
-grootste sieraad, een sneeuwwitten, maanachtigen haarbosch ten toon
-spreidende, die bij langzamen tred in eene overlangs loopende plooi van
-den achterrug wordt weggeborgen. Geen andere antilope vereenigt zich,
-wanneer de nood tot verhuizen dwingt, in zulke talrijke kudden.
-
-Geene pen is bij machte eene juiste voorstelling van dit schouwspel
-voor den geest te roepen van hem, die het met eigen oogen aanschouwde.
-Reeds sedert weken schaarden de antilopen zich bijeen, misschien nog
-altijd wachtende op de eerste regenbui alvorens zij konden besluiten
-tot de afreis. Honderden individuën voegen zich bij andere
-honderdtallen, duizenden scharen zich bij andere duizenden en naarmate
-het gebrek meer dreigt en de dorst meer begint te kwellen, wordt de
-bereids afgelegde weg verlengd, terwijl de kudden aangroeien tot
-troepen, de troepen tot legers. Als zwermen treksprinkhanen, die de zon
-verduisteren, trekken zij daar heen.
-
-In de vlakten bedekken zij kwadraat-mijlen; in de passen tusschen de
-gebergten dringt zich de hoop tot eene massa opeen, waarvoor alle
-andere schepselen terugdeinzen; door de laagvlakten stroomen zij voort
-als de wateren eener buiten haar oevers getreden, alles medesleurende
-rivier. Zelfs de meest nuchtere mensch verliest bij dit schouwspel
-zijne bezinning, en uren, soms dagen achtereen duurt zulks voort. Als
-vraatzuchtige sprinkhanen vallen de versmachtende dieren op gras en
-bladeren, op koorn en andere veldvruchten aan, en waar zij
-voorbijtrokken bleef geen halm overeind. Waagt zich een mensch in den
-weg dezer troepen, hij wordt in een oogwenk ter aarde geworpen en door
-de wel lichte, maar elkaar opvolgende hoefslagen der dieren zwaar
-verwond, soms zoo zeer dat hij blij mag zijn, indien hij er het leven
-afbrengt; komen de antilopen eene kudde schapen tegen, dan wordt deze
-omsingeld en medegesleurd; niemand ziet ze ooit weder. De leeuw, die
-dacht hier eene gemakkelijke prooi te vinden, ziet zich genoodzaakt het
-reeds gegrepen offer los te laten en met den stroom mede te ijlen.
-Onophoudelijk dringen de achtersten naar voren en moeten de voorsten
-voor dien drang uitwijken; bestendig trachten de in het midden
-gedrongen scharen de vleugels te bereiken en voortdurend ondervinden
-zij den taaisten tegenstand. Gieren beschrijven hun kringen om de
-stofwolken, die de vluchtende scharen opwerpen; aan de vleugels en de
-achterhoede sluit zich een talrijke, uit de meest verschillende
-roofdieren bestaande lijkstoet aan; jagers en schutters loeren in de
-passen om van hier uit ontelbare kogels in het gedrang te zenden. Zoo
-doorvliegen de gekwelde dieren mijlen lange landstreken tot het
-voorjaar aanbreekt en de troepen weder ontbindt.
-
-Moet ik hier nog de tochten aan toevoegen, die de poolvossen en
-ijsberen soms gedwongen worden te ondernemen, wanneer zij op een
-ijsschol, hun tijdelijk jachtveld, door de zeestroomen worden
-weggevoerd, om òf nooit weder te landen òf in het gunstigste geval
-ergens op een eiland aan wal gezet te worden? Ik geloof van neen, want
-zulke reizen zijn geen verhuizingen meer, maar een drijven op de
-golven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-DE LIEFDE EN HET HUWELIJK DER VOGELS.
-
-
-Alle levende wezens voelen in zich den drang om het andere geslacht aan
-zich te binden, om een tweede ik met het eigen wezen tot één geheel te
-vereenigen; door onbaatzuchtige overgave trachten zij gelijke gevoelens
-op te wekken, ten einde de innigste banden te sluiten, die het eene
-wezen aan een tweede, het eene leven aan een ander verbindt. Wij zien
-hierin de openbaring eener even onverbiddelijke als noodwendige
-natuurwet; geene macht is in staat die wet op te heffen, of zelfs maar
-haar invloed te verzwakken. Onophoudelijk overwint zij alle hinderpalen
-en streeft zij steeds zegevierend naar het doel.
-
-Liefde noemen wij de alvermogende kracht, door welke deze wet regeert,
-wanneer wij van menschen spreken; wij heeten haar instinct, wanneer er
-van haar invloed op de dieren sprake is.
-
-Zulks is evenwel niets anders dan een woordenspel, tenzij wij de
-beteekenis van het eerstgenoemde woord zoodanig wijzigen, dat wij er
-onder verstaan: de ook in den mensch aanwezige, maar door hem veredelde
-en tot een zedelijk beginsel verheven natuurlijke aandrift. Ontdoen wij
-het van deze toevoeging, dan wordt het moeilijk eenig verschil in
-beider uitingen op te merken. Mensch en dier gehoorzamen aan dezelfde
-wet; maar het dier is gewilliger in ’t gehoorzamen dan de mensch. Het
-dier wikt niet, berekent niet, maar geeft zich onstuimig over aan den
-invloed dier wet. De mensch daarentegen beeldt zich niet zelden in, dat
-hij zich aan haar invloed kan onttrekken.
-
-Ongetwijfeld ziet hij, die à priori reeds de solidariteit van mensch en
-dier in twijfel trekt, in het laatste niets anders dan een levende
-machine, die door van buiten aangebrachte krachten in beweging wordt
-gesteld en tot handelen gedreven, en dus ook daardoor wordt aangespoord
-om naar de gunst van het andere geslacht te dingen, aangevuurd tot zijn
-jubelend gezang en geprikkeld tot den strijd met mededingers. Het
-spreekt wel van zelf, dat er bij zulke machines geen sprake kan zijn
-van vrijheid en eigen wilsbepaling, van strijd tegen opkomende
-gemoedsaandoeningen, van eenig zieleleven in ’t algemeen. Zonder zelf
-daardoor in waarde te stijgen, verlaagt hij, die op deze wijze voor
-zich alleen aanspraak maakt op geestelijk leven, inzonderheid op
-geestelijke vrijheid, het dier tot een conterfeitsel zijner opgeblazen
-ijdelheid, tot een wezen, dat eer een schijnleven dan een werkelijk
-bestaan voert, en onvatbaar is voor de genietingen en vreugde des
-levens.
-
-Wij oordeelen anders en ongetwijfeld is ons oordeel juister en
-billijker, wanneer wij het tegendeel aannemen; wij oordeelen misschien
-niet eens te scherp, wanneer wij beweren, dat hij, die aan de dieren
-verstand ontzegt, zelf bezorgdheid inboezemt, en dat hij, die het
-gevoelsleven der dieren loochent, zelf niet weet wat gevoel is. Wie
-onbevangen oordeelt zal vroeger of later tot de erkenning moeten komen,
-dat de geestelijke functies van alle dierlijke wezens, hoeveel verschil
-daaromtrent ook moge bestaan, op dezelfde wetten berusten, en dat elk
-dier, binnen den hem aangewezen levenskring, onder dezelfde
-omstandigheden denkt, gevoelt en handelt als ieder ander, en geenszins
-in tegenstelling met den mensch, volgens zoogenaamde hoogere wetten,
-tot eng bepaalde levensuitingen gedwongen wordt. Men moge de oorzaken,
-die de dieren bij hunne handelingen besturen, met den naam van wetten
-bestempelen, maar dan moet men niet uit het oog verliezen, dat ook de
-mensch aan zulke wetten onderworpen is. Wel is waar, de mensch kan door
-zijn geest sommige dier natuurwetten aan zich dienstbaar maken, op
-andere invloed uitoefenen, eene enkele maal zelfs zich misschien aan
-die wetten onttrekken, maar verbreken kan hij ze niet, vernietigen
-evenmin.
-
-Ik wil beproeven de juistheid mijner beweringen te staven door met een
-voorbeeld op te helderen hoe gelijksoortig in het wezen der zaak de
-levensuitingen van menschen en dieren kunnen zijn, hoe beiden door de
-belangrijkste aller natuurwetten, die de onderhouding der soort beoogt
-of ten gevolge heeft, in gelijke mate beheerscht worden. Mensch en
-vogel! hoe breedt is de klove, die beide wezens scheidt! hoe groot is
-het verschil tusschen beider doen en laten! Is er eene macht, die deze
-kloof kan dempen? Zijn er verhoudingen mogelijk, die beiden kunnen
-nopen tot wezenlijk dezelfde levensuitingen? Wij willen zulks
-onderzoeken.
-
-Onbezorgder dan de mensch onderwerpen de vogels zich aan de wisseling
-der jaargetijden. „Zij zaaien niet, zij oogsten niet en verzamelen niet
-in de schuren” en deswege moeten zij, willen zij leven, zich goedschiks
-of kwaadschiks voegen naar de bovengenoemde variaties. Daarom bloeien
-zij in de lente, brengen ze in den zomer vruchten voort, bergen deze en
-zich zelf in den herfst, en rusten in den winter, evenals aller moeder,
-de aarde. Hunne levensuitingen zijn gebonden aan de seizoenen des
-jaars.
-
-In dit opzicht staan ze letterlijk onder de heerschappij eener ijzeren
-wet, tegenover welke vrijheid en willekeur ondenkbaar zijn. Die wet
-moet evenwel noodwendig leiden tot gebrek en nood, tot levensgevaar
-voor zichzelf en hunne jongen. Zij buigen zich dus gewillig onder die
-wet, maar genieten daarbij eene vrijheid, die wij menschen hun zouden
-benijden, indien wij niet nog meer dan zij in staat waren ons aan den
-invloed der jaargetijden te onttrekken. Maar bloeien ook wij niet in de
-lente, en rusten ook wij niet in den winter? En moeten ook wij niet den
-nek krommen onder het ijzeren juk der noodzakelijkheid? Zijn de vogels
-in genoemd opzicht gebonden, zij behouden zich toch in een ander
-opzicht vrijheid en willekeur van handelen voor; ja oefenen deze soms
-nog blijmoediger en op onbeperkter wijze uit dan de mensch.
-
-Geen vogel ontzegt zich vrijwillig het genot der liefde; slechts
-enkelen hunner onttrekken zich aan de banden des huwelijks, ieder
-echter tracht liefde te verwerven en te genieten, zoodra hem zulks
-mogelijk is. Nog vóór het kleed der jeugd is afgelegd weet hij het
-verschil in sexe te onderscheiden en te waardeeren; reeds veel vroeger
-vecht het mannetje, als in dartelen, jeugdigen overmoed met zijns
-gelijken; en niet zoodra is het volwassen, of het dingt met vuur en
-volharding om de gunst van een wijfje zijner eigene soort. Geen
-vogelmannetje veroordeelt zichzelf tot het leven van een oud-vrijer,
-geen vogelwijfje sluit haar hart voor welgemeende liefde. Ter wille van
-het wijfje trekt het mannetje rusteloos en doelloos over land en zee;
-ter wille van een eerzaam mannetje vergeet het wijfje geleden smart,
-droeve rouw, hoe diep beiden ook mogen geweest zijn, ja ter wille van
-een beteren minnaar verbreekt het wellicht de banden der echt.
-
-Ieder vogelwijfje verkrijgt een echtgenoot; aan den anderen kant
-evenwel valt het elk vogelmannetje niet zoo gemakkelijk zich een wijfje
-te verwerven. Want ook onder de vogels moet zulk een kostbaar kleinood
-langs den weg van moeite en strijd verkregen worden. In ’t algemeen
-zijn er meer mannetjes dan wijfjes; daarom zijn velen genoodzaakt het
-hardste noodlot, dat hen kan treffen, te torschen, en althans tijdelijk
-ongehuwd te blijven. Voor verreweg de meeste vogels is echter het
-oud-vrijersleven eene kwelling, waarvan zij zich met alle inspanning
-van krachten pogen te ontdoen. Zij trekken daarom op vrijerswieken door
-het land, kijken overal rond naar een vrouwtje, en, hebben zij er een
-gevonden, dan doen zij onverwijld en onbeschroomd aanzoek om hare hand,
-onverschillig of het een gehuwd of ongehuwd wijfje of zelfs eene weduwe
-is. Bleven de reizen zonder gevolg, zij zouden waarschijnlijk niet zoo
-geregeld heen en weer trekken als feitelijk geschiedt. Wanneer de
-mannetjes om de gunst der wijfjes dingen, putten zij alle hulpmiddelen
-uit, die de natuur hun verleende. Ieder spreidt naar aard en talent
-zijn beste gaven ten toon; ieder tracht zich van de meest
-aantrekkelijke zijde te doen zien, alle hem eigen lieftalligheden aan
-den dag te leggen, uit te blinken, kortom zijn soortgenooten de loef af
-te steken. Zijn verlangen neemt toe met de hoop op verhooring; zijne
-liefde wordt tot een roes en ontneemt hem alle bezinning. Hoe ouder hij
-wordt des te opvallender stelt hij zich aan, treedt hij met meer
-zelfvertrouwen op, en streeft hij onstuimiger naar het loon der min.
-Het spreekwoord: „met den ouderdom komen de gebreken” wordt door hem
-gelogenstraft. Slechts zeer zelden veroordeelt de ouderdom hem tot
-zwakheid en onvermogen, vermeerdert daarentegen gewoonlijk alle hem ten
-dienste staande talenten en verhoogt door de gerijpte ervaring de
-volheid van kracht, waarin hij zich verheugt. Geen wonder dus, dat de
-jonge wijfjes aan oude mannetjes zelfs de voorkeur geven, en
-begrijpelijk is het, dat deze, zoo niet vuriger, althans met meer
-vertrouwen vrijen dan jonge.
-
-De middelen, die een vogelmannetje bezigt om zijn liefde te verklaren
-zijn vele; zooals van zelf spreekt staan zij in verband met zijne ’t
-meest in ’t oog vallende talenten. Het eene mannetje heeft zijn lied,
-een ander zijn vleugels, deze den snavel, gene zijn pooten; het eene
-spreidt alle mogelijke vederenpracht ten toon, het andere ontplooit een
-of ander bijzonder sieraad, een derde openbaart talenten, vroeger
-ongekend. Ernstige vogels geven zich over aan scherts en spel en voeren
-de koddigste narrenstreken uit; stille vogels worden praatziek, rustige
-bewegelijk, zachtmoedige strijdlustig, vreesachtige moedig,
-voorzichtige zorgeloos; kortom, bijna allen laten zich van een andere
-zijde zien dan gewoonlijk. Hun gansche wezen schijnt veranderd, daar
-alle bewegingen levendiger en opgewekter zijn dan gewoonlijk, en hun
-doen en laten bijna in elk opzicht van den gewonen regel afwijkt;
-feitelijk verkeeren zij in een roes, die hun veêrkracht verheft en
-versterkt, terwijl geenerlei afmatting zich laat zien. Zij onthouden
-zich van slaap, of deze wordt althans beperkt tot den kleinst
-mogelijken duur, en toch doet hun zulks geen kwaad; wakend spannen zij
-alle krachten in zonder moede te worden. Alle, met eene stem begaafde
-vogels vrijen met duidelijk verstaanbare klanken en hun gezang is niets
-anders dan het zuchten en juichen der liefde. De woorden des dichters:
-
-
- Wilt gij naar de nachtegalen vragen,
- Die met zoete en teedre melodij,
- U verrukten in de lentedagen—
- Slechts zoolang zij minden, waren zij.
-
-
-behelzen de volle waarheid; want het gezang van den nachtegaal en van
-alle overige vogels, die ons met hun liederen opvroolijken, begint met
-het ontluiken der eerste liefde en eindigt met het uitdooven van het
-minnevuur om door een ander gevoel, somtijds dat van zorg, verdrongen
-te worden. Zingend trekt de vogel ter bruiloft; dat gezang kondigt het
-wijfje zijn nabijheid aan; in een vurig lied drukt hij zijn geestdrift
-uit, wanneer hij zijn wijfje gevonden heeft; in het lied geeft hij zijn
-begeerte en verlangen, zijn verwachting en hoop te kennen; in het lied
-openbaart hij zijn kracht. Jubelend geeft hij uiting aan het gevoel van
-zaligheid en geluk; met een lied daagt hij elk mannetje zijner soort
-uit, dat zich vermeten dorst zijn geluk te storen. Slechts zoo lang de
-roes der liefde duurt, zingt de vogel met toewijding en volle kracht;
-zingt hij buiten dien tijd nog een enkele maal, dan doet hij zulks in
-herinnering aan dien roes, die hem eenmaal zoo gelukkig maakte. Er zijn
-er die beweren, dat de vogels zonder eenig gevoel hunnerzijds zingen,
-dat zij op bepaalde tijden zingen moeten en niet anders kunnen,
-daarentegen op een anderen tijd niet kunnen en niet mogen zingen; die
-zoo spreken hebben het lied der vogelen nooit verstaan of niet willen
-verstaan, maar enkel en alleen op jammerlijke wijze uiting gegeven aan
-hun vooroordeel. Men neme eens onbevangen waar, en alras zal men
-ontdekken, dat het lied der vogels, ofschoon dit in den grond der zaak
-hetzelfde blijft, zich voegt naar elke gevoelsuiting; al naar de
-gemoedsstemming van den vogel zelf is, vloeien de tonen nu eens rustig
-daarhenen, dan eens klimmen zij omhoog en worden zij tot een luid
-gejubel, om straks weder lager gestemd te worden. Telkens wekt het
-echo’s in de borst van andere mannetjes. Hadden zij gelijk, die
-beweren, dat er geen verband bestaat tusschen het lied en de
-gemoedsstemming der vogelen, dan zou het eene mannetje precies eveneens
-moeten zingen als het andere der zelfde soort, en elk mannetje zou het
-hem door de natuur geschonken lied moeten opdreunen, evenals eene
-speeldoos de aria’s eener in haar zich bewegende, beprikte wals
-aframmelt; van leeren, veranderen, verbeteren, van prijskampen was dan
-geen sprake. Maar de ervaring leert juist het tegendeel en daarom zijn
-wij er van overtuigd, dat de vogel met volle bewustheid zingt, en dat
-in zijn lied zich zijne ziel openbaart. Hij is zelfs een dichter, die,
-binnen de hem gestelde grenzen, vindt, vormt en naar uitdrukking
-streeft; de drijfveêr van dit alles is echter de liefde. Door de liefde
-beheerscht, zingt, murmelt en fluit de meerkol, wauwelt de ekster,
-verkeert de krassende raaf zijn ruw geluid in zachte, weeke tonen, laat
-de anders stomme fuut zijn stem hooren, dompelt de roerdomp den snavel
-in het water ten einde zijn gewoon geschreeuw, het eenige hem
-geschonken geluid, in een vèrklinkend dof gebrul te veranderen, en
-zingt de zeeduiker zijn wild, maar klankrijk zeelied. Zeker zingt de
-vogel slechts op bepaalde tijden, maar niet daarom, omdat hij op andere
-tijden niet zingen kan, maar omdat hij dan geen reden heeft tot zingen,
-omdat hij dan niet zingen wil. Hij zwijgt, omdat hij niet meer mint,
-of, m.a.w. zoodra de paartijd voorbij is. Zulks wordt al dadelijk
-bewezen door den koekoek. Negen maanden lang hoort men geen enkele
-syllabe uit de keel van dezen vogel; maar nauw is het voorjaar gekomen,
-of hij roept onafgebroken door, van het krieken van den dag tot den
-avond en net zoolang als de paartijd duurt. Hij zwijgt echter eerder in
-het zuiden dan in het noorden, eerder op de vlakte dan op het gebergte,
-geheel in overeenstemming met den broedtijd der pleegouders, die in het
-zuiden en in de vlakte vroeger met den nestbouw beginnen en eerder de
-opvoeding der jongen voltooid hebben dan in het noorden of op de
-hoogten der gebergten.
-
-Bij hunne liederen of eigenaardige stemgeluiden voegen een aantal
-vogels nog sierlijke bewegingen, waarbij nu eens de vleugels hunne hulp
-bewijzen, dan eens weder de pooten mede dienst doen; nog andere vogels
-nemen eigenaardige houdingen aan, om zich hierin aan het wijfje te
-laten zien of voor haar op en neêr te wandelen; verder zijn er, die het
-een of ander vreemd gedruisch voortbrengen. En dit alles geschiedt
-eenig en alleen om de gunst van het vrouwelijk geslacht te verwerven.
-
-Terwijl sommige valken en zoo ook de uilen hunne begeerte uitsluitend
-of hoofdzakelijk door een luid geroep te kennen geven, voeren andere
-roofvogels voor of gemeenschappelijk met het wijfje prachtige
-luchtspelen uit, die nu eens op een dans gelijken, dan weder aan
-razernij doen denken. De arenden, buizerden, slechtvalken, kleine en
-gewone torenvalken beschrijven uren achtereen kringen om elkander,
-klimmen in schroeflijnen tot duizelingwekkende hoogten op, en
-volbrengen, onder het vliegen, klaarblijkelijk om elkander te behagen
-en het leven te veraangenamen, allerlei kunststukken; nu en dan laten
-zij een luid geschreeuw hooren, spiegelen hun gevederte in het
-zonnelicht, om eindelijk, langzaam en zwevend naar de eene of andere
-hooge zitplaats te dalen en hier verder te minnekoozen. De wouwen of
-milanen, die zich in hoofdzaak eveneens gedragen, laten zich soms
-plotseling met half toegevouwen vleugels uit aanzienlijke hoogten naar
-beneden vallen, strijken rakelings langs den grond of het watervlak,
-beschrijven dan in snelle vaart vele schroeflijnen, houden zich eene
-poos met trillende vleugels stil boven dezelfde plek staande, of
-volbrengen allerlei andere vreemdsoortige bewegingen, om daarna weder
-langzaam tot dezelfde hoogte op te stijgen.
-
-De kuikendieven vliegen langen tijd oogenschijnlijk onverschillig
-achter of naast het gevrijde wijfje, daarna in kringen om haar heen,
-terwijl straks beiden te zamen allerlei door elkaar gevlochten
-cirkelkringen beschrijven; nu laat het mannetje het wijfje alleen,
-steigert met den kop naar boven, bijna steilrecht omhoog; de trage
-vlucht gaat allengs over in eene woeste vaart, het buitelt plotseling
-over den kop, valt met bijna geheel toegevouwen vleugels loodrecht naar
-beneden, beschrijft enkele kringen, vliegt nogmaals naar boven om nu
-het straks beschreven spel opnieuw aan te vangen, tot eindelijk ook het
-wijfje besluit dat voorbeeld te volgen. Sterker toeren dan deze allen
-verricht de goochelaar van Centraal-Afrika, een wouw van de grootte
-eens arends, en in ’t algemeen een roofvogel van vreemdsoortige
-gedaante en manieren. Zijn zonderlinge wijze van vliegen trekt ten
-allen tijde de aandacht, maar in den paartijd grenst zijn vliegkunst
-aan ’t ongeloofelijke; het is alsof de vogel een kluchtspel in de lucht
-uitvoert, een kluchtspel, dat zinbekorend op den toeschouwer werkt.
-
-Evenals de roofvogels gedragen zich in den paartijd een aantal andere
-vogels, en zelfs zulke, die volstrekt niet tot de beste vliegers
-behooren. Dat ook deze de hulp der vleugels inroepen, wanneer zij
-dingen naar de liefde van een wijfje, of als zij uitdrukking willen
-geven aan het gelukkig gevoel van verkregen bezit, is volgens het
-zooeven medegedeelde niet meer dan natuurlijk. Vol ijver zit de zwaluw
-naast het gevrijde of reeds verworven wijfje zijn heerlijk lied te
-zingen; het in zijn hartje flikkerende liefdevuurtje is evenwel veel te
-sterk dan dat deze vliegvaardige vogel onder het zingen stil op
-dezelfde plek zou kunnen blijven zitten; hij vliegt daarom op, zingt al
-vliegende voort en zweeft middelerwijl boven en rondom het wijfje, dat
-hem ondertusschen is nagevlogen. De geitenmelker zit geruimen tijd
-overlangs op een boomstam, soms vrij ver van het wijfje verwijderd,
-spint eenige minuten achtereen zijn snorrende strophen, vliegt op,
-beschrijft klapwiekend, sierlijke kringen om het wijfje, en roept dit
-zulk een teeder „haïet” toe, dat men er verbaasd over staat, hoe het
-mogelijk is, dat zoo zachte geluiden kunnen ontwellen uit die rauwe
-keel. De bijenvreter, die eveneens slechts met een zeer bescheiden stem
-begiftigd werd, verwijlt langen tijd, dicht tegen zijn wijfje
-aangedrukt, op zijn wachtpost, laat of in ’t geheel niet of slechts
-flauw eenig geluid hooren en schijnt zich te vergenoegen met haar enkel
-door den teederen blik zijner schoone, hoogroode oogen toe te spreken;
-eensklaps echter komt ook hij in vuur, roert plotseling de vleugels,
-stijgt omhoog, beschrijft een cirkel, laat een luiden juichkreet
-hooren, en keert naar zijn wijfje terug, dat intusschen haar plaats
-niet heeft verlaten. En wat de duif betreft, te midden van haar
-minnezang, ’t zij wij er den naam aan geven van kirren of huilen,
-staakt zij plotseling haar lied, evenals werd zij door geestvervoering
-aangegrepen, breidt de vleugels uit, klapwiekt een en andermaal,
-klautert omhoog, breidt de vleugels uit en daalt langzaam zwevend op de
-een of andere boomkruin neder om hier van voren aan te beginnen.
-
-Boompiepers, waterpiepers, grasmusschen, spotvogels gedragen zich
-evenals de duiven; de fluiters laten zich, altijd doorzingende, van hun
-verheven zitplaats naar beneden vallen en vliegen van hier weder naar
-een hoogeren tak, om daar hun lied af te breken; straks daarop beginnen
-zij van voren aan om het op gelijke wijze te eindigen. De vlasvinken,
-sijsjes en grauwgorzen tuimelen, van liefde dronken, op zulk eene
-vreemdsoortige wijze door de lucht, dat het schijnt alsof zij het vrije
-gebruik der vleugels verloren hebben; de leeuweriken steigeren, onder
-het zingen van hun minnelied, letterlijk ten hemel; de groenvink neemt
-den schijn aan alsof hij bij een vleêrmuis in de leer was geweest.
-
-In gelijken roes verkeeren alle vogels, die door dansen hunne liefde
-openbaren. Ook deze verloochenen onder den dans hunne gewone
-geaardheid, en geraken ten slotte in zulk eene sterke geestvervoering,
-dat zij alles om zich heen vergeten. Weinige vogels laten gedurende den
-dans in ’t geheel geen geluid hooren; de meesten stooten alsdan
-integendeel geluiden uit, die hun anders vreemd zijn. Tevens ontplooien
-zij middelerwijl al den vedertooi, waarover zij hebben te beschikken,
-of zij eindigen daarmede den dans.
-
-Tot de ijverigste dansers behooren de hoenderachtige vogels. Onze
-huishaan stelt zich daarmede tevreden, dat hij trots heen en weder
-stapt, kraait en met de vleugels slaat; zijn hofgenooten, de pauw en
-kalkoen doen al iets meer en balderen. Maar de lustigste dansers zijn
-de ruigpoothoenders en enkele fazanten. Wie in de eerste morgenuren den
-balderenden auerhaan waarneemt, wie het ratelende en slijpende korhoen
-heeft beluisterd, wie in de schemernachten van de noordelijke lente het
-moerassneeuwhoen op de sneeuwvelden der toendra zag dansen, zal mij
-gelijk geven wanneer ik zeg, dat zulk eene hulde, gelijk genoemde hanen
-hun hennen bewijzen, even onweêrstaanbaar op ons werkt als die, welke
-de pauw zijn wijfje bereidt, wanneer hij zijn prachtkleed als een
-baldekijn voor haar uitspreidt.
-
-Op nog vreemdsoortiger wijze gedragen zich de mannetjes der
-satyrhoenders of hoornfazanten, prachtige vogels uit het zuiden van
-Oost-Azië, die zich kenmerken door twee hoornachtige, levendig
-gekleurde, buisvormige huidlappen aan beide zijden van den bovenkop, en
-een met de gloeiendste kleuren prijkende, voor uitzetting vatbare
-keellel. Nadat de haan een en ander maal om de hen is rondgeloopen,
-schijnbaar zonder op haar te letten, blijft hij eindelijk op eene
-bepaalde plaats stil staan en vangt aan buigingen voor haar te maken.
-Steeds sneller volgen deze bewegingen op elkander, terwijl
-ondertusschen de horens zich langzaam uitrekken en de keellel zich
-verbreedt en daalt, totdat eindelijk beide organen den van liefde
-dronken vogel over den kop vliegen. Nu ontplooit hij de vleugels,
-spreidt den omlaag gedrukten staart uit, hurkt op de ingebogen pooten
-en veegt al blazend en sissend met zijn vleugels den grond. Plotseling
-staakt hij deze bewegingen. Diep gebogen, met opgerichte veêren,
-vleugels en staart tegen den grond gedrukt, de oogen gesloten, hoorbaar
-adem halende, blijft hij een poos als in geestvervoering in deze
-bewegingloosheid volharden. Een verblindende glans schiet van uit zijne
-nu geheel ontplooide tooisels.
-
-Plotseling richt hij zich echter weder op, blaast en sist, siddert over
-zijn geheele lichaam, brengt de veêren weder in den gewonen stand,
-scharrelt met de pooten, werpt den staart omhoog, slaat met de
-vleugels, richt zich met rukken in zijn volle lengte op, rent onstuimig
-op het wijfje los, staakt bliksemsnel dien wilden loop en vertoont zich
-voor haar in olympische heerlijkheid; hij blijft nog een oogenblik
-staan, trilt, beeft, sist en laat eensklaps alle pracht verdwijnen,
-strijkt de veêren glad, trekt de horens en de keellel in, en begeeft
-zich, even als ware er niets gebeurd, aan zijn gewonen arbeid.
-
-Met sierlijken tred, gebogen kop, uitgespreiden staart en vleugels,
-terwijl de laatste in trillende beweging verkeeren, trippelt de
-kwikstaart al buigende, nu naderende, dan zich verwijderende, om de
-uitverkoren gade; als een flikkerende offervlam verschijnt de vuurvink
-op den top eener aar van het kafferkoren, waarin hij met zijn wijfje
-zijn woning heeft opgeslagen, pronkt met zijn prachtig gevederte in de
-stralen der zon, en draait, onder ’t zingen van een lustig lied, zich
-op zijn zetel in het rond. Teeder als echte menschenkinderen, mond aan
-mond, borst aan borst gedrukt, voeren doffer en duif gemeenschappelijk
-een langzamen dans uit; hartstochtelijk, met levendige sprongen, dansen
-de kraanvogels; niet minder ijverig, zelfs ten aanzien van schijnbaar
-hen bewonderende toeschouwers, doen zulks de prachtige rotshoenders van
-Middel-Amerika; en zelfs de condor, een vlieger van den eersten rang,
-die duizenden meters boven de hoogste toppen der Andes door den ether
-zweeft, en van wien men niet zou verwachten, dat hij andere
-minnemiddelen zou bezigen dan het vliegen, veroorlooft zich wel eens
-een dansje en draait, met diep gebogen kop en breed uitgespreide
-vleugels, om het wijfje rond, terwijl hij daarbij een eigenaardig
-trommelend geluid laat hooren.
-
-Nog andere vogels dansen niet zoo zeer, maar springen woest op en
-neder, of huppelen op de takken rond, terwijl zij ondertusschen met hun
-fraai gevederte pronken; zoo doen b.v. de paradijsvogels, die in de
-morgenuren gemeenschappelijk op zekere boomen verschijnen, om hier als
-hulde aan het wijfje, onder allerlei bewegingen en onder het trillen
-der vleugels hunne sierlijke vederen uittespreiden. Er zijn er weder
-andere, die een soort van priëeltjes bouwen, welke zij met gekleurde,
-glinsterende voorwerpen versieren, en waarin zij allerlei dansen
-uitvoeren.
-
-Sommige vogels eindelijk, die noch met hunne stem, noch met vliegen en
-dansen kunnen schitteren, gebruiken den snavel, om hiermede de
-vreemdsoortigste geluiden voort te brengen. Op deze wijze vrijen alle
-ooievaars; zij slaan de beide snavelhelften schielijk tegen elkaar, wat
-een geklepper veroorzaakt dat de plaats vervangt eener stem, die dezen
-vogels ontbreekt. Ook de spechten handelen eveneens, en hameren met hun
-snavel tegen een dooden stam of tak, waardoor het hout in trilling
-wordt gebracht, terwijl een doordringend geluid in het bosch
-weêrklinkt.
-
-Ofschoon het wijfje eene haar geldende liefdesverklaring eigenlijk niet
-met preutschheid afwijst, schenkt het toch slechts in geval van nood
-hare hand aan den eersten den besten vrijer. Aanvankelijk luistert het
-schijnbaar zeer onverschillig naar de teederste minneliedjes en blijft
-koel onder ’t aanschouwen der vliegspelen en dansen, die haar ter eere
-worden opgevoerd, en even onverschillig aanschouwt het schijnbaar alle
-pracht, die voor haar alleen wordt ten toon gespreid. Meest doet het
-alsof al die bekoringsmiddelen van het mannetje haar niet aangaan, en
-vervolgt dood bedaard haar gewone bezigheden, tot het zoeken van eten
-toe. In vele, ofschoon lang niet alle gevallen, laat het zich in de
-nabijheid lokken, maar geeft toch geen enkel teeken van goedkeuring of
-genegenheid. Vele vogelwijfjes, o.a. die der in polygamie levende
-hoenders, bezoeken niet eens de balderplaatsen, ofschoon deze vogels
-juist alles behalve preutsch zijn en de balderende hanen niet zelden
-door een uitlokkend geroep in vuur en vlam weten te zetten. Wordt een
-mannetje vrijpostiger dan haar lief is, dan onttrekt zij zich door de
-vlucht aan zijn vrijheden. Zulks moge nu meestal niet gemeend zijn,
-maar zij doet het met zooveel ernst en volharding, dat men moeilijk kan
-bepalen of deze vlucht zonder eenig nevendoel dan wel uit schijn
-geschiedt. In elk geval bereikt zij er toch dit mede, dat het mannetje
-zijn verlangen ten toppunt voelt stijgen en tot de uiterste inspanning
-van alle krachten wordt gedreven. Meer dan ooit in vuur, niet denkende
-aan eenige terughouding, slechts naar het ééne doel strevende, stormt
-het op het wijfje los, als om haar te dwingen gehoor aan zijn liefde te
-geven; vuriger dan ooit klinkt het lied, met meer geestdrift dan te
-voren baldert het, danst het en vliegt het, wanneer het wijfje hem een
-oogenblik van rust laat, en ijveriger dan straks neemt het de
-vervolging weêr op zich, zoodra dit laatste hare vlucht opnieuw
-voortzet.
-
-Waarschijnlijk zouden de wijfjes der vogels gewilliger zijn, indien het
-aantal vrijers niet zoo groot ware. Tengevolge van het gemeenlijk
-grootere aantal mannetjes genieten de wijfjes het geluk der volle vrije
-keuze. Een aantal mannetjes, bij tijd en wijle zelfs een groot aantal,
-brengt het wijfje hun hulde, en gerechtvaardigd is alzoo haar
-besluiteloosheid en kieschkeurigheid. Uit eigen beweging of
-onwillekeurig gehoorzaamt het aan de wet der teeltkeus; het streeft er
-naar het beste, gezondste, in alle opzichten voortreffelijkste mannetje
-uit velen uit te kiezen; het mag kieschkeurig zijn. De terugwerking van
-het gedrag en de handelingen van het wijfje ten aanzien der mannetjes
-openbaart zich in toomeloozen minnenijd, die de hevigste gevechten,
-soms een strijd op leven en dood na zich sleept. Elke vogel, zelfs de
-schijnbaar zachtmoedigste en vreesachtigste, wordt in dien strijd om
-eene geliefde een held, en ieder weet daarbij zulk een goed gebruik te
-maken van de hem door de natuur geschonken weêrmiddelen, als: snavel,
-nagels, sporen, zelfs van de met hoornachtige stekels voorziene
-vleugels, dat in vele gevallen de strijd eerst eindigt met den dood des
-eenen medeminnaars.
-
-Naar de soort en den stand der vogels wordt het gevecht in de lucht, op
-den grond, in de takken of in het water uitgevochten. Arenden en valken
-vallen elkander in de lucht, met klauwen en snavels aan. Zulke
-tweegevechten kenmerken zich door sierlijke wendingen, een wedijverend
-omhoog stijgen, ten einde een voor den aanval gunstige hoogte te
-bereiken, pijlsnel uitgevoerde stooten, schitterende afweringen,
-wederzijdsche vervolgingen en een moedig standhouden. Wanneer het een
-der koninklijke helden gelukt zijn mededinger te grijpen, slaat ook de
-laatste den eersten de klauwen in de borst en beiden dalen alsnu, van
-’t gebruik der vleugels beroofd in een schroeflijn ter aarde. Hier
-aangekomen wordt de strijd begrijpelijkerwijs gestaakt; maar stijgt een
-hunner echter weêr omhoog, onmiddellijk volgt hem de ander, en weinige
-minuten later begint het duel opnieuw. Wordt een der strijdenden b.v.
-ten gevolge van bekomen wonden vermoeid, dan vangt hij den terugtocht
-aan, of vlucht weg, verwoed door den ander vervolgd. Snel en zonder
-eenigen tegenstand meer te bieden, verre buiten de grenzen van het
-rijk, dat het wijfje voor zich heeft uitverkoren, ongeacht alle
-nederlagen, geeft het evenwel toch den strijd niet eer op, voor het
-wijfje zich bepaald voor den overwinnaar heeft verklaard. Een
-doodelijken afloop heeft zulk een gevecht, hoewel zelden, toch eene
-enkele maal; want de arend, wiens ijverzucht door liefde en eergevoel
-werd geprikkeld, kent geen erbarmen of genade en vermoordt onmeêdoogend
-den weêrloos gemaakten medeminnaar. Zelfs de torenzwaluwen, anders
-zulke zachtzinnige vogeltjes, die op gelijke wijze als de arenden
-vechten, dooden hare medeminnaars door dezen hare scherpe nagels in de
-borst te slaan en dit lichaamsdeel zoodanig open te rijten dat de dood
-er op volgt.
-
-Bij alle vogels, die met eene stem begiftigd zijn, gaat een werkelijke
-uitdaging den strijd vooraf.
-
-Reeds het lied van den zangvogel wordt tot een wapen, waarmede,
-ofschoon onbloedig, gestreden en overwonnen wordt; reeds het
-paringsgeroep, dat op zulk eene karakteristieke wijze het aanzoek
-uitdrukt, doet de ijverzucht ontbranden. Wie de kunst verstaat het
-geroep van den koekoek natebootsen, lokt den anders zoo voorzichtigen
-dwaas tot op den boom, waaronder men zich heeft opgesteld; wie het
-ingewikkeld gefluit van den goudmerel, het koeren der wilde duiven, het
-zacht gekir der tortels, het trommelen der spechten, met één woord de
-loktonen der vogels natuurlijk weet terug te geven, verkrijgt gelijk
-resultaat. Verschijnt een medeminnaar op het tooneel, zoo geeft deze
-zijn komst eveneens door een geroep of met zingen te kennen; spoedig
-echter gaat hij tot feitelijkheden over en er ontbrandt tusschen de
-beide minnaars een even heftige strijd als tusschen de straks
-genoemden. Tot in het binnenste der ziel verbitterd, roepende,
-schreeuwende en gillende, jaagt de een den ander na, onverschillig of
-de weg door hooge of lage luchtlagen voert, door de toppen der boomen
-of door de struiken, en even als bij de vervolging van het wijfje
-prikkelt de een den ander nog onder deze jacht door uitdagende tonen,
-door een lied, door het uitspreiden der tooisels en soortgelijke
-honende gebaren. Haalt de vervolger den vervolgde in, dan stoot hij
-dezen zoodanig met zijn snavel, dat de veêren er langs stuiven; laat
-hij af, dan keert de vervolgde zich bliksemsnel om, teneinde nu op zijn
-beurt aanvallenderwijs te werk te gaan; houden beiden stand dan
-plukharen zij elkander zoo hevig als zij maar kunnen, in de lucht, in
-de takken of op den grond. Is de strijd beslist, dan komt ook hier het
-wijfje nader om zich aan de zijde des overwinnaars te scharen.
-
-Grondvogels vechten altijd op den grond, zwemvogels in het water.
-
-Hoe ernstig de hoenders vechten weet ieder, die eenmaal den strijd van
-twee hanen bijwoonde. Ook hier geldt het een kamp op leven en dood,
-ofschoon de dood zelf er zelden meê gemoeid is, tenzij menschelijke
-ruwheid de natuurlijke wapenen verscherpte, en de weêrmiddelen
-verzwakte. De om een wijfje vechtende struisvogels gebruiken almede
-hunne krachtige pooten en brengen elkander met hun sterke of scherpe
-klauwen diepe wonden toe in borst, lijf en pooten; jaloersch geworden
-trapvogels maken, na elkander eerst met opgeblazen keelzak, verwrongen
-vleugels en uitgespreiden staart, en onder een hevig geblaas, langen
-tijd te hebben uitgedaagd, een geweldig gebruik van hunne snavels;
-strandloopers en andere strandvogels, inzonderheid de kemphanen, welke
-vogels om elke kleinigheid met elkander vechten, niet alleen om een
-wijfje, maar zelfs om een vlieg, om de zon, om het licht en om de een
-of andere plaats, rennen met hunne snavels als waren het aangelegde
-lanzen, op elkander in, telkens de stooten opvangende met hunne sterk
-ontwikkelde borstveêren, die bij de kemphanen tot een waar schild zijn
-geworden; de waterhennetjes loopen op het wankelende dek van drijvende
-waterplanten op elkander af en brengen elkander slagen toe met de
-pooten; de zwanen, ganzen en eenden vervolgen elkander net zoo lang tot
-het een der strijders gelukt den ander bij den nek te pakken en zoolang
-onder water te houden tot hij gevaar loopt te verdrinken; in elk geval
-wordt hij door deze manoeuvre zoo verzwakt, dat hij den strijd niet
-dadelijk weder kan aanvaarden; de zwanen maken daarbij, even als de
-spoorvleugels, gebruik van de harde, spitse, verhoornde uitsteeksels
-aan de vleugelbocht, om daarmede gevoelige slagen uit te deelen.
-
-Zoo lang het wijfje zich nog niet bepaald voor een mannetje verklaard
-heeft, neemt het geen deel aan dien strijd, ja het schijnt er zich zelf
-niet eens warm voor te maken. Toch moet het alles opmerkzaam nagaan,
-daar het zich gemeenlijk voor den overwinnaar verklaart, althans diens
-aanzoeken het oor leent. Op welke wijze het jawoord gegeven wordt kan
-ik niet zeggen, ja zelfs niet vermoeden. Nog voordat de strijd is
-geëindigd heeft het reeds de keuze bepaald en van af dit oogenblik
-geeft het zich geheel en al aan den man harer keuze over, volgt dien
-even dikwijls als het hem voorgaat, aanvaardt met zichtbaar welbehagen
-diens liefdesverklaringen, en beantwoordt met eene zelfverloochenende
-teederheid al zijn liefkoozingen.
-
-Vol verlangen roept het hem, jubelend begroet het hem, gewillig volgt
-het zijn wenschen en voegt zich naar zijn handelingen. Dicht
-aaneengedrukt zitten de gepaarde papegaaien naast elkander, al zijn ook
-honderden op denzelfden boom vereenigd; de volkomenste harmonie
-beheerscht hen, slechts door één wil schijnen zij bezield.
-
-Neemt het mannetje voedsel tot zich, zijn gade volgt zijn voorbeeld;
-zoekt het eerste een ander plaatsje op, de laatste volgt hem; laat het
-mannetje zijn geschreeuw hooren, het wijfje antwoordt terstond.
-Liefkoozend verbergen zij den snavel in elkanders veêren, en gewillig
-buigt de zwakke partij kop en hals, om deze bewijzen van liefde te
-ontvangen. Al is het niet altijd op zulk eene zichtbare wijze, elk
-vogelwijfje ontvangt en beantwoordt de haar gewijde liefkoozingen met
-gelijke teederheid. Het weet van geen luim of humeur, van geen pruilen
-of grommen, van geen schelden of kijven, van geen misnoegen of
-ontevredenheid, het kent slechts liefde, teederheid en overgave, en het
-mannetje zwelgt in geluk en zaligheid, zich bewust van een kostbaar
-bezit, dat hij wenscht te handhaven. Is hij heden de toongever, morgen
-schikt hij zich naar de wenschen zijner gade; als zij opvliegt volgt
-hij, als zij de woonplaats verlaat, trekt hij mede uit, wanneer zij
-naar huis terugkeert, wendt ook hij zich derwaarts. Niet te verwonderen
-is het dus, dat het huwelijk der vogels gelukkig en rein is. Al
-verouderen ook de voor hun leven verbonden echtgenooten, hunne liefde
-veroudert niet, maar blijft eeuwig frisch en jong; elke lente voert
-nieuwe olie aan om de oude vlam te voeden; de wederzijdsche liefde
-verzwakt niet al duurt de echt nog zoo lang. Getrouw nemen beiden een
-deel op zich van de noodzakelijke huishoudelijke bezigheden, die
-nestbouwing, bebroeding en de opvoeding der jongen vragen;
-zelfopofferend helpt het mannetje zijn wijfje bij alle moeitevolle
-werkzaamheden, die de kinderen haar veroorzaken; moedig verdedigt hij
-deze; zonder bedenken stort hij zich in de grootste gevaren, ja deinst
-voor den dood niet terug, waar het leven van hun kroost op het spel
-staat. In één woord: zij deelen van het oogenblik hunner vereeniging af
-alle lief en leed, en zoo bijzondere omstandigheden zulks niet
-verhinderen, duurt deze innige band het gansche leven.
-
-Het ontbreekt niet aan waarnemingen, die ten bewijze van het gezegde
-kunnen strekken.
-
-Scherpzinnige waarnemers, die jaren achtereen enkele vogels hebben
-gadegeslagen en deze eindelijk zoo nauwkeurig kenden, dat eene
-verwisseling met andere vogels derzelfde soort onmogelijk was, zijn ons
-daarvoor borg geworden; en ieder onzer, die zijne opmerkzaamheid
-slechts wijdt aan bijzonder in ’t oog vallende vogels, zal tot een
-gelijk besluit moeten komen. Een paar ooievaars op het dak geeft den
-eigenaar der woning gelegenheid te over om mannetje en wijfje van
-andere ooievaarsmannetjes en wijfjes te onderkennen, zoodat hier elke
-vergissing uitgesloten schijnt. Wie evenwel zijn ooievaar gadeslaat zal
-ervaren, dat altijd hetzelfde paar naar het nest terugkeert zoo lang
-beide echtgenooten nog in leven zijn. En ieder natuuronderzoeker en
-ieder jager, die trekkende vogelparen scherp in ’t oog vat, of, wanneer
-de geslachtsverschillen niet uitwendig zichtbaar zijn, ze neêrschiet,
-zal steeds ondervinden, dat het mannetje en wijfje zijn. Op mijn reizen
-in Afrika heb ik veelvuldig trekkende vogelparen ontmoet, die ook hier
-in gelijke, het huwelijk der vogelen zoo gunstig onderscheidende innige
-gemeenschap leefden en even onafscheidelijk aan elkaar gehecht waren
-als ginds bij het nest; die gemeenschappelijk handelden,
-gemeenschappelijk duldden en leden. De paren van den dwergarend waren
-ook dan nog als echtgenooten te kennen, wanneer zij in gezelschap van
-andere vogels hunner soort reisden en toefden; de zangzwanen, die ik
-aan het Mensale-meer in Egypte waarnam, verschenen paarsgewijs en
-vertrokken eveneens paarsgewijs; alle andere in echt levende vogels,
-die ik onderweg aantrof, bevestigden dezen regel. Dat beide
-echtgenooten gemeenschappelijk dulden en lijden, ervoer ik, toen ik aan
-een waterpoel in Zuid-Nubië eens een ooievaarspaar aantrof, dat daarom
-mijne opmerkzaamheid trok, dewijl het zich hier nog ophield op een
-tijdstip, dat alle soortgenooten reeds lang een toevlucht hadden
-gezocht in het hartje van Afrika. Teneinde de oorzaak van dit
-achterblijven te leeren kennen, liet ik het doodschieten en nu bevond
-ik, dat het wijfje den eenen vleugel had gebroken, zoodat het
-verhinderd werd verder te reizen; het door en door gezonde mannetje was
-dus alleen uit liefde voor zijn gade en om haar gezelschap te houden,
-teruggebleven, en dat in een oord, hetwelk alle gegevens miste voor een
-goed winterverblijf.
-
-Slechts de dood kan een eind maken aan het innige en trouwe verbond van
-door den echt vereenigde vogels.
-
-Zulks is regel—maar er zijn uitzonderingen. Ook onder de vogels komt,
-alhoewel zeldzaam, echtbreuk voor. Hoe trouw zich de wijfjes ook
-gewoonlijk aan hare echtgenooten betoonen, hoe weinig zij ook naar
-andere mannetjes kijken, hoe zelden het voorkomt dat zij iemand als
-huisvriend opnemen, wanneer zich zulk een indringer opdoet—bijzonder in
-’t oog loopende eigenschappen van een vreemd mannetje kunnen
-verleidelijk worden. Een meesterzanger der zelfde soort, die met zijn
-gezang den echtgenoot in de schaduw stelt, een arend, die het door een
-wijfje uitverkoren mannetje in alle of althans in vele opzichten
-overtreft, kunnen het geluk van het nachtegaalsgezin, respectievelijk
-dat van den arend op gruwzame wijze verstoren, en soms zelfs de wijfjes
-tot ontrouw verleiden.
-
-De oud-vrijers, die gedurende den broedtijd het land doortrekken,
-strekken ten bewijze van het gezegde. Zij dringen onbeschaamd binnen
-het gebied der echtelieden en dingen driest om de gunst der vrouw,
-zoodat hieruit hevige vechtpartijen ontstaan tusschen deze
-alleenloopers en het rechtmatige mannetje, welke gevechten ook nu weder
-gewoonlijk uitgevochten worden, zonder dat het wijfje zich in dien
-strijd mengt. Ook schijnt daarvoor te pleiten het gedrag dier wijfjes,
-die plotseling weduwe zijn geworden en zich niet alleen terstond door
-een nieuwen echt weten te troosten over het geleden verlies, maar eene
-enkele maal zelfs niet schuwen den moordenaar van den eersten gemaal te
-huwen. Op het dak van het riddergoed Ebensee bij Erfurt broedde sinds
-jaren een ooievaarspaar, dat wel is waar in de beste eendracht leefde,
-maar toch nu en dan last had van om het nest rondvliegende
-schuimloopers. In zeker voorjaar verscheen daar ter plaatse een
-mannetje, dat brutaler was dan een te voren, en dat den huisvader
-gedurig tot een tweestrijd uitdaagde of hem noodzaakte onophoudelijk
-goede wacht te houden. Op zekeren dag zit deze, van ’t vechten moede,
-met den kop tusschen de veêren gedoken, oogenschijnlijk in slaap
-gevallen, op zijn nest; de vreemdeling schiet plotseling van boven op
-hem neêr; doorboort hem met zijn snavel en slingert het lijk van het
-dak. En de weduwe? Zij verdrijft den sluipmoordenaar niet, maar neemt
-hem onmiddellijk, als haar gemaal aan, en gaat voort met broeden even
-alsof er niets gebeurd ware.
-
-Deze en vroeger vermelde omstandigheden pleiten niet ten gunste van de
-vogelwijfjes, doch zij worden, ik wil dit reeds hier aanstippen, door
-een aantal tegenbewijzen zoozeer ontzenuwd, dat zij slechts mogen
-gelden als uitzonderingen op den regel om alzoo den regel zelf te
-bevestigen. En wanneer er werkelijk reden bestaan om in dit opzicht de
-wijfjes te veroordeelen, wij mogen daarbij niet vergeten, dat de
-mannetjes, die veel minder aanleiding hebben tot ontrouw, omdat zij zoo
-veel talrijker zijn dan de wijfjes, insgelijks de heiligheid van den
-echt kunnen schenden. Ieder die de duiven kent, vogels, die men ten
-onrechte afschildert als in ’t bezit te zijn van alle mogelijke
-deugden, weet hoe weinig zij den roem waard zijn, waarmede de
-overlevering en de denkbeelden der ouden hen versieren. De teederheid
-der duiven is verleidend, maar niet echt; haar trouw jegens gade en
-kroost wordt geprezen, maar kan de proef niet doorstaan. Hun geringe
-vaderliefde daargelaten, maken de doffers zich maar al te dikwijls
-schuldig aan echtbreuk, en niet zelden nemen zij den tijd, dat hun
-echtgenooten zitten te broeden, waar, om met andere duifjes te
-coquetteeren. De eenden handelen nog berispelijker en de roodhoenders
-maken het ook al niet beter. Zoodra de eenden vast op de eieren zitten,
-zoeken de heeren gemaals elkander op, om elkander zoo aangenaam
-mogelijk den tijd te korten, terwijl ondertusschen de arme vrouwtjes
-zich afsloven en zonder eenige hulp met de zorg voor de kleinen belast
-blijven. Eerst dan voegen zich de mannetjes weêr bij hunne echtgenooten
-wanneer de kinderen groot geworden zijn en dus hunne hulp niet meer
-behoeven. De roodhoenders, en waarschijnlijk ook onze patrijzen, maken
-gedurende den paartijd hun opwachting bij elken anderen mannelijken
-soortgenoot om met dezen naar hartelust te vechten; de Spanjaarden
-maken hiervan gebruik door hen met behulp van tamme individuen te
-misleiden en dan te dooden; later, wanneer de hennen broeden en de
-vechtlust is geweken, verschijnen zij echter op het geroep der hennen
-en nu zelfs nog schielijker dan te voren.
-
-Doch, gelijk gezegd, dit zijn uitzonderingen op den regel, die zich met
-de in veelwijverij levende vogels in de verte niet laten vergelijken.
-Te vergeefs heeft men getracht de veelwijverij der runder-troepialen,
-koekoeken, fazanten, boschhoenders, kalkoenen, kwartels, pauwen en
-kemphanen te verklaren; een afdoende reden heeft men nog niet kunnen
-vinden. Wanneer men beweert, dat de koekoek en diens naaste verwanten
-niet broeden, omdat zij de opdracht ontvingen de al te snelle
-vermeerdering van rupsen tegen te gaan, zoodat zij dientengevolge niet
-kunnen huwen en voor hun eigen kroost zorgen, dan bazelt men zonder
-eenige verklaring te geven, en vergeet dat ook de runder-troepialen hun
-kroost aan vreemden toevertrouwen; en wanneer men zegt, dat de natuur
-door de instelling der veelwijverij bij sommige hoendersoorten, die
-sterk aan vervolgingen zijn blootgesteld, voor eene talrijke
-nakomelingschap heeft willen zorg dragen, dan mag men wijzen op het
-feit, dat dit doel bij andere hoenderachtige vogels, die in monogamie
-leven en in vruchtbaarheid voor eerstgenoemden niet onderdoen, eveneens
-bereikt wordt.
-
-Het woord veelwijverij is eigenlijk slecht gekozen, want het begeeren
-blijft hier niet beperkt bij de mannetjes, maar ook de wijfjes deelen
-dit gevoel. Het koekoekswijfje houdt zich heden bij dit, morgen bij een
-ander mannetje op, ja het maakt wellicht binnen het tijdsverloop van
-een enkel uur velen gelukkig; hennen geven zich vrij onverschillig nu
-aan dezen dan aan dien haan over. Bij al deze vogels is er van geen
-eigenlijk huwelijk sprake. De mannetjes bekommeren zich slechts nu en
-dan om de wijfjes, en deze zien evenmin veel naar de mannen om; elke
-sexe gaat haar eigen gang, zondert zich buiten den paartijd zelfs van
-de andere af en bekommert zich niet om het lot van het andere geslacht.
-Eene grenzenlooze hartstocht en eene hierdoor tot het uiterste gedreven
-jaloezie, heerschzuchtig eischen en deemoedig inwilligen, toomeloos
-willen en bereidwillig verhooren zijn de karakteristieke eigenschappen
-van den sexueelen omgang bij al deze vogels. Zoo wordt het dan ook
-verklaarbaar, dat bij hen vaker dan bij andere vogels mishuwelijken
-worden gesloten, ten gevolge waarvan bastaarden ontstaan, die een
-jammerlijk bestaan voeren, en die òf kinderloos blijven, òf door paring
-met een der stamsoorten nakomelingen teelen, die weder onvruchtbaar
-zijn. Mishuwelijken of gemengde huwelijken komen wel is waar, ook bij
-sommige in monogamie levende vogels voor, maar alleen dan, wanneer er
-geen goede echtgenooten te vinden zijn en de nood er toe dwingt; bij de
-vroeger genoemden zijn het toeval en de verleidelijke gelegenheid de
-gewone motieven.
-
-Nood,—dringende, noodzakelijke evenwel,—de behoefte om het leven te
-redden der pas uit het ei gekomen of nog in het ei sluimerende jongen,
-hierin moeten wij waarschijnlijk de reden zoeken, die de wijfjes der
-monogamisch levende vogels aanspoort om den weduwensluier spoediger met
-den bruidskrans te verwisselen dan de mannetjes het verlies hunner
-gaden kunnen vergeten. Of de rouw der weduwen evenwel minder groot is
-dan die der weduwnaars is, hoezeer de schijn er voor pleit, verre van
-zeker. Evenals de ooievaarsvrouw van Ebensee doen vele vogelwijfjes.
-Een ekster-paar, dat in onzen tuin broedde, moest gedood worden, daar
-wij schade vreesden voor onze zangvogels. ’s Morgens om zeven uur werd
-het mannetje dood geschoten; reeds twee uren later had het wijfje een
-anderen man tot zich genomen; een uur later viel ook deze onder ’t
-moordend lood; om elf uur was het wijfje voor de derde maal gehuwd. Een
-herhaling zou ook nu niet uitgebleven zijn, indien niet het beangste
-wijfje met haar nieuwen echtgenoot naar elders ware verhuisd.
-
-Mijn vader schoot eens in het voorjaar een mannetjespatrijs. De hen
-vloog op, streek spoedig weêr neêr, werd onmiddellijk daarop door een
-nieuwen haan gevrijd, dien zij aannam. Tschudi-Schmidthofen ving van
-het nest van een roodstaartje binnen acht dagen niet minder dan twintig
-mannetjes weg en liet toen eerst aan de twintig malen in rouw
-gedompelde, maar telkens weder vertrooste weduwvrouw het geluk en de
-vreugde des huwelijks.
-
-Het tegendeel van zulk eene schijnbare wispelturigheid nemen wij waar,
-wanneer de vogelmannetjes hunne echtgenooten verloren hebben. Luid
-schreeuwende, weemoedig klagende, door stem en gebaren hunne droefheid
-te kennen gevende, vliegen zij rondom het lijk der geliefde, raken dit
-met den snavel aan, even als trachtten zij de doode te bewegen om op te
-staan en mede weg te vliegen, laten opnieuw, ook voor den mensch
-verstaanbare klaagtoonen hooren, dwalen binnen hun gebied van plaats
-tot plaats, verwijlen roepend, lokkend, jammerend, nu eens op dit, dan
-weder op een ander lievelingsplekje, weigeren alle voedsel, storten
-zich boosaardig op andere mannetjes hunner soort, als benijdden zij
-dezen hun geluk, en als wilden zij hen deelgenooten maken van hun eigen
-leed, vinden nergens rust, beginnen zonder iets ten eind te brengen, en
-handelen zonder te weten, wat zij doen. Zoo gaat het dagen, soms weken
-achtereen voort, en dikwijls toeven zij op de plaats des onheils zoo
-lang mogelijk, zonder zich zelfs korte uitstapjes ter opsporing eener
-andere levensgezellin te veroorloven. Sommige soorten, en volstrekt
-niet alleen de z.g. „inséparables” onder de papegaaien, maar ook vinken
-en andere vogels, zelfs de oehoe’s verliezen tengevolge van zulk een
-zwaren slag, alle lust- en levensvreugd, en treuren stil voor zich
-heen, totdat de dood hen van hun leed bevrijdt.
-
-Zoo niet de eenige, dan toch de hoofdoorzaak van zulk eene diepgaande
-smart kan wellicht gelegen zijn in de steeds groote moeilijkheid, soms
-onmogelijkheid om een ander wijfje te vinden en machtig te worden. Het
-wijfje heeft zeer dikwijls geen tijd tot treuren; want vroeger of
-later, dikwijls op ’t zelfde oogenblik, komen nieuwe vrijers bij haar
-aan de deur, die haar met zooveel gunsten en liefde overladen, dat het
-zich wel moet laten troosten. En wanneer de moederborst bovendien
-gedrukt wordt door de zorg voor de nakomelingschap, zwijgen vele andere
-gedachten, zoodat de kommer geen macht over haar verkrijgt.
-
-Maar wordt ook haar de vergoeding onthouden, dan drukt ook haar het
-leed niet minder dan het mannetje. Toch gebeurt het somtijds, dat zij
-nieuwe minnaars afwijst. Eene musschenweduwe, nam, gelijk mijn vader
-eens gelegenheid had waar te nemen, in weêrwil, dat zij eieren had uit
-te broeden en later jongen had groot te brengen, geen nieuwen aanbidder
-aan, maar bleef weduwe en voorzag hare hongerige kinderschaar geheel
-alleen van het noodige voedsel.
-
-Eene andere, waarlijk roerende geschiedenis, die ten bewijze kan
-strekken van den diepen rouw eener vogel-weduwe, werd mij door Eugenius
-von Homeijer verhaald. Het huwelijksgeluk van een op het huis van
-genoemden degelijken natuuronderzoeker nestelend ooievaarspaar werd
-plotseling op treurige wijze vernietigd door een ellendeling, die het
-mannetje neêrlegde. De treurende weduwe neemt geen nieuwen echtgenoot
-aan, kwijt zich geheel alleen van de ouderplichten en aanvaardt tegen
-het begin van den herfst met haar kroost den tocht naar Afrika. Het
-volgende voorjaar verschijnt zij weêr op het oude nest, maar als weduwe
-zooals zij was vertrokken. Velen dingen naar hare hand, maar zij wijst
-alle vrijers met boosaardige snavelhouwen af; zij arbeidt ijverig aan
-de verbetering van het nest, doch doet zulks alleen, om haar huisrecht
-te handhaven.
-
-In den herfst trekt zij wederom met andere ooievaars naar den vreemde,
-om in het volgende voorjaar nogmaals terug te keeren en te handelen als
-het vorige jaar. En zoo gaat het elf jaren achtereen. In het twaalfde
-jaar poogt een ander ooievaarspaar zich in ’t bezit van het nest te
-stellen; zij verzet zich moedig tegen dien aanslag, maar kan ook nu nog
-niet besluiten door het aangaan van een tweede huwelijk zich een
-verdediger in dien strijd te verschaffen. Men ontrooft haar het nest,
-en zij blijft ongehuwd; de roovers handhaven zich in het bezit en maken
-er een practisch gebruik van; de rechtmatige eigenares laat zich niet
-meer zien, maar, gelijk later blijkt, brengt zij den ganschen zomer op
-een, ongeveer vijftien kilometer daarvan verwijderde plaats eenzaam
-door. Nauwelijks evenwel zijn de roovers vertrokken, of zij bezoekt het
-oude nest, toeft daar eenige dagen en aanvaardt dan ook zelf de reis.
-Deze ooievaarsvrouw werd in die gansche streek bekend onder den naam
-van kluizenaarster; haar lot en handelwijze verwierven haar de
-genegenheid van alle weldenkenden.
-
-En zoodanig doen en handelen zou niets anders zijn dan het werken en
-drijven eener van buiten bestuurde machine? Al deze zoo even geschetste
-uitingen van een meer dan warm en levendig gevoel zouden zonder
-zelfbewustzijn geschieden? Geloove wie zulks kan, verdedige zulks wie
-wil. Wij gelooven en verdedigen het tegendeel en zijn jaloersch op het
-zich zelf bewuste geluk van de huwelijkstrouw der vogels.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-DE APEN.
-
-
-Scheik Kemal el Din Demiri een geleerd Arabier, die omstreeks het jaar
-1405 te Damaskus stierf, verhaalt, hierbij steunende op eene uitspraak
-van den profeet, in een door hem vervaardigd boek, „Heiat el Heiwan” of
-„Leven der dieren” de volgende wonderlijke geschiedenis:
-
-„Langen tijd voordat Mohammed, de profeet en afgezant des
-albarmhartigen Gods, het licht des geloofs had ontstoken, zelfs vroeger
-nog dan Issa of Jezus van Nazareth heeft geleefd en geleerd, bewoonde
-eene talrijke joodsche bevolking de stad Aila aan de Roode Zee. Zij
-bestond echter uit zondaren en onrechtvaardigen voor het aangezicht des
-Heeren; want zij ontheiligden voortdurend den dag des Heeren, den
-heiligen sabbath. Tevergeefs waarschuwden vrome en wijze mannen de
-zondige bewoners der goddelooze stad; deze bleven spotten met de
-geboden des Allerhoogsten. Toen verlieten de boetpredikers de stad des
-onheils, schudden het stof van hunne voeten en besloten elders Ellohim
-te dienen. Het heimwee en ’t verlangen naar hunne verwanten dreef hen
-echter na drie dagen reeds weder naar Aila terug. De stad bood hun nu
-evenwel een vreemden aanblik. De poorten waren gesloten, de tinnen der
-muren nochtans onbezet, zoodat de mannen ongehinderd de muren konden
-beklimmen. Maar ook de straten en pleinen der ongelukzalige stad waren
-ledig. Daar, waar anders een levendige menschenmassa zich bewoog, waar
-koopers en verkoopers, priesters en beambten, handwerkslieden en
-visschers in een bont gewemel elkander gewoonlijk verdrongen, daar
-zaten, liepen en klommen reusachtige bavianen, en uit de balkons en
-vensters, van de zolders en daken, waar anders zwartoogige vrouwen
-toefden, keken bavianenwijfjes op de straten neder. En al die
-reusachtige apen, alsmede de schoone apinnen hadden een somber en
-ontsteld voorkomen; zij zagen droefgeestig op de teruggekeerde pelgrims
-neêr, drukten zich smeekend tegen hen aan en kermden jammerlijk.
-
-Ontzet en huiverend aanschouwden de vrome pelgrims het akelig wonder,
-totdat een hunner op de pijnlijke gedachte kwam, dat deze bavianen
-wellicht hunne voormalige, nu tot dieren vernederde verwanten waren.
-
-Ten einde hieromtrent zekerheid te erlangen, ging de vrome man naar
-zijn eigen huis. Hier zat in de deur almede een baviaan; deze sloeg
-echter, toen hij den rechtvaardige zag naderen, treurig en vol schaamte
-de oogen neder. „Zeg mij, bij Allah den Albarmhartige, o baviaan,” zoo
-vroeg de wijze aan den aap, „zijt gij mijns broeders zoon Ibrahim?” En
-treurig antwoordde de baviaan: „Ewa, ewa”—„ja, ik ben het.” Toen viel
-elke twijfel bij den vromen man weg, en hij erkende nu met een beklemd
-hart, dat hier een zwaar Godsgericht was voltrokken, en dat de
-goddelooze sabbathschenders in apen waren veranderd geworden.”
-
-Scheik Kemal el Din twijfelt, wel is waar, geen oogenblik aan dit
-wonder, maar kan toch, als denkend mensch, niet nalaten de meening uit
-te spreken, dat er wellicht bavianen hebben geleefd voordat er joden
-bestonden.
-
-Wat ons betreft, hoe aardig bedacht en verteld deze geschiedenis ook
-zijn moge, wij sluiten ons te gereeder aan deze opvatting aan, daar de
-apen, met welke de vrome ijveraars van Aila te doen hadden, oude en
-goede bekenden van ons zijn. Want in Arabië huizen eenig en alleen de
-hamadryas- of mantelbavianen. Wij vinden deze soort echter op de oudste
-Egyptische gedenkteekens reeds nauwkeurig afgebeeld, terwijl het de
-haartooi dezer dieren was, welke den ouden Egyptenaren zoo opvallend
-voorkwam, dat zij dien als voorbeeld kozen en er hun sphinxen mede
-sierden, even gelijk hij nog heden ten dage als voorbeeld dient voor
-den haartooi der donkere schoonen van Oost-Soedan. De mantelbaviaan
-namelijk speelt in de oud-Egyptische godenleer eene voorname rol,
-zooals wij o.a. leeren uit het werk van den hieroglyphenverklaarder
-Horapollon. Volgens dezen werden die apen in de tempels gehuisvest en
-na hun dood gebalsemd. De mantelbaviaan gold voor den uitvinder der
-schrijfkunst en dus voor een, niet alleen den vader der wetenschappen,
-Thot of Merkurius geheiligd, maar ook den Egyptischen priester
-aanverwant wezen; hij werd dan ook bij zijn plechtigen intocht in het
-heiligdom aan eene proef onderworpen, doordien de opperpriester hem een
-schrijftafel, inkt en pen in de hand drukte en hem beval te schrijven,
-opdat men erkennen mocht of hij waardig was te worden opgenomen; men
-beweerde, dat hij in eene geheimzinnige betrekking stond tot de maan,
-dat deze alzoo een ongewonen invloed op hem uitoefende; men schreef hem
-eindelijk het talent toe, den tijd op zulk eene zichtbare wijze in te
-deelen, dat Trismegistus naar zijn voorbeeld en aanwijzing
-wateruurwerken vervaardigde, die, evenals hij, dag en nacht elk in
-twaalf gelijke deelen verdeelden. Wij zijn dus aan dezen aap niet
-alleen het letterschrift verschuldigd, maar tevens ook de
-tijdsverdeeling.
-
-Het verdient opmerking, dat de oude Egyptenaren wel geloof sloegen aan
-hunne familieverwantschap met de apen, maar geenszins gedacht hebben
-aan eene afstamming van deze wezens.
-
-Zulk een opvattingswijze omtrent de familierelatie tusschen menschen en
-apen ontmoeten wij het eerst bij de Indiërs. Onder dezen heerscht
-sedert onheugelijke tijden het geloof, dat althans enkele koninklijke
-familiën van een, in Indië voor heilig gehouden in zekeren zin als een
-goddelijk wezen beschouwden slankaap, den hulman, afstammen, terwijl de
-zielen der afgestorven koningen in het lichaam van dezen aap
-terugkeeren. Een der regeerende dynastieën beroemt zich zelfs op deze
-afkomst, door zich den titel te geven van „gestaarte Rana.”
-
-Gelijke denkbeelden als bij de Indiërs in zwang zijn, hebben zich in
-onzen tijd ook weder opgedaan, en de apenvraag, om mij zoo eens
-uittedrukken, heeft veel stof doen opwaaien. Wetenschappelijke, voor ’t
-gewone publiek onverstaanbare uiteenzettingen, hebben hier een heiligen
-toorn opgewekt om dien in lichte laaie vlammen te doen ontvonken, ginds
-de denkers in twee vijandige kampen voor en tegen verdeeld, die ieder
-vurig hunne eigen meening bepleiten. Het wetenschappelijk onderzoek van
-geheel vreemde elementen hebben den strijd opgenomen, zonder te weten,
-of zelfs te vermoeden voor welk doel deze eigenlijk gevoerd wordt, en
-dien op een terrein overgebracht, alwaar hij slechts onheil kan
-stichten, en waardoor eene verwarring is uitgelokt, die niet
-gemakkelijk weder zal worden weggenomen. Over apen te spreken is alzoo
-een gevaarlijke zaak geworden; men loopt daarbij gedurig gevaar òf den
-geduchten stamvader, òf door hem den vermeenden nakomeling te
-vernederen—afgezien nog van de smaadredenen der afschuwelijkste soort,
-waarmede onbeschaafde, in blinde woede tegen het tijdsbewustzijn
-vechtende ijveraars, onverwijld een ieder overladen, die zich maar
-verstout het woord „aap” uit te spreken.
-
-Toch zal de apenvraag nog niet zoo spoedig van de agenda van den dag
-verdwijnen; want deze wezens, die ongetwijfeld onze naaste verwanten in
-het dierenrijk zijn, verdienen in te hooge mate onze belangstelling,
-dan dat wij ons door bovengenoemde overwegingen zouden laten weêrhouden
-iets dieper in hun leven in te dringen en daarmede ons eigen doen en
-laten te vergelijken, ten einde op deze wijze ons niet alleen een
-juister voorstelling van de apen, maar ook van de menschen te vormen.
-
-Het volgende zij daartoe een bijdrage. Het valt moeilijk in weinige
-woorden een algemeen levensbeeld—want daartoe wil ik mij bepalen—van
-deze zoo zeer van elkander onderscheiden dieren te schetsen. Zij
-bewonen in ongeveer vier-, in elk geval in veel meer dan driehonderd
-soorten, alle deelen der aarde, Australië alleen uitgezonderd, en wel
-voornamelijk de tropische gewesten. In Amerika strekt zich het
-verbreidingsgebied dezer dieren uit van den 28sten Zuiderbreedtegraad
-tot aan de zee der Antillen; in Afrika van 35° Z.Br. tot aan de straat
-van Gibraltar; in Azië van de Soenda-eilanden tot Japan; in Europa
-vindt men ze enkel op de rotsen van Gibraltar, alwaar sedert
-onheugelijke tijden een troep van ruim twintig magots of kortstaartige
-macaco’s, onder de bescherming der bezetting, in wezen blijft. Bosschen
-en rotsachtige gebergten, die tot twee en een half duizend meter hoogte
-beklommen worden, zijn hunne woonplaatsen. Hier zoowel als ginds
-verblijven zij, enkele soorten uitzonderd, jaar in, jaar uit, ofschoon
-in zooverre rekening wordt gehouden met de jaargetijden, dat zij, met
-het oog op de rijpe vruchten, meer of minder uitgestrekte tochten door
-de bosschen ondernemen, of tegen den aanvang van het warme jaargetijde
-zich hooger op het gebergte begeven om tegen het koele seizoen weder
-omlaag te dalen. Want ofschoon men ze zelfs nog op met sneeuw bedekte
-velden aantreft, zijn zij zoowel beminnaars van de warmte als
-liefhebbers van een overvloedige en lekkere tafel. Waar zij voor langen
-of onbeperkten tijd hun woonsteden zullen opslaan, daar moet iets te
-knabbelen en te eten vallen; zoo niet, dan gaan zij verhuizen. Bosschen
-in de nabijheid van menschelijke volkplantingen zijn in hun oogen een
-waar paradijs; de verboden boom hindert hen niet. Maïsvelden,
-suikerrietplantages, tuinen met ooftboomen, bananen, pisangs en
-meloenen beschouwen zij als hun wettig erfdeel; streken, alwaar het
-godsdienstig geloof der inwoners hun bescherming verleent, zijn hun
-natuurlijk eveneens een welaangename verblijfplaats.
-
-Alle apen, de anthropomorphen wellicht alleen uitgezonderd, leven in
-troepen van soms aanzienlijke sterkte, die door een oud mannetje worden
-aangevoerd. Tot deze waardigheid wordt alleen hij verheven, die de
-sterkste armen en de langste tanden bezit. Terwijl bij die zoogdieren,
-welke een vrouwelijk individu met de leiding belasten, alle andere
-individuen der kudde gewillig volgen, eischt de aanvoerende aap, als
-onbeperkt alleenheerscher der ergste soort, onbepaalde gehoorzaamheid.
-Wie niet goedschiks zich onderwerpt wordt door beten, knijpen en
-stooten tot zijn plicht gebracht. De aanvoerder wil slaafsche
-onderwerping, zelfs van den kant der apinnen. Ridderlijke galanterie
-tegenover het zwakkere geslacht kent hij niet: „door geweld verovert
-hij het loon der min;” zijn tucht is gestreng, zijn wil onbuigzaam.
-Geen apenjongeling verstout zich met een apenmeisje te minnekoozen,
-geen apin zou het bestaan een anderen aap dan den aanvoerder liefde te
-bewijzen. Hij zelf heerscht onbeperkt over zijn harem, en zijn geslacht
-vermenigvuldigt zich als dat van Abraham, Izaäk en Jakob, gelijk het
-zand aan den oever der zee. Wordt de kudde te talrijk, dan scheidt zich
-een gedeelte onder aanvoering van een inmiddels opgegroeiden jongeling
-af om een eigen staat te gronden. Tot zoolang werd de eerste algemeen
-geacht, geëerd en gevreesd. Oude, ervaringrijke apenmoeders zoowel als
-jonge bakvischjes zijn er op uit hem te vleien, en beijveren zich om
-het zeerst hem den allergrootsten dienst te bewijzen, dien men in ’t
-algemeen een aap kan bewijzen, n.l. zijn haarkleed te zuiveren van alle
-daar niet thuis behoorende zaken. Van zijnen kant laat hij zich deze
-hulde welgevallen met het air van een pacha, wiens voeten worden
-gereinigd door de meest geliefde slavin. De achting, die hij zich wist
-te verwerven, verleent hem zekerheid en waarde in zijn optreden, de
-strijd, waarin hij niettemin voortdurend is gewikkeld, waakzaamheid,
-moed en zelfvertrouwen, de noodzakelijkheid zijn heerschappij te
-handhaven omzichtigheid, list en geslepenheid. Terwijl deze
-eigenschappen hemzelf in de eerste plaats ten goede komen, zijn ze
-tevens der gemeenschap van nut en zijne onbeperkte heerschappij erlangt
-daardoor kracht van wet en duurzaamheid. Door hem geregeerd en geleid,
-voert de troep, ofschoon inwendig beroerd door geweldige stormen, naar
-buiten veilig, daardoor een behagelijk leven.
-
-Alle apen, de weinige soorten van nachtapen uitgezonderd, werken des
-daags en rusten gedurende den nacht. Eerst geruimen tijd, nadat de zon
-is opgegaan, staan zij uit den slaap op. Hun eerste bezigheid bestaat
-daarin, dat zij zich in de zon koesteren om zich daarna te wasschen. Is
-de nacht koud en guur, dan dringen zij zoo dicht mogelijk opeen, ten
-einde den invloed dier weinig verkwikkelijke omstandigheid zoo goed
-mogelijk te ontgaan.
-
-Maar niettemin rillen zij bij ’t opstaan nog dikwijls zoo van de koû,
-dat zij genoodzaakt zijn zich geruimen tijd in ’t zonnetje te
-koesteren. Zoodra de nachtdauw is opgedroogd verlaten zij de
-slaapplaats, klauteren langzaam naar de hoogste toppen der boomen of
-rotsen, zoeken een zonnig plaatsje uit, en keeren nu beurtelings alle
-lichaamsdeelen achtereenvolgens naar de zon. Is de pels gedroogd en
-behoorlijk verwarmd, dan ontwaakt de begeerte het haarkleed te
-reinigen; vol ijver begeeft zich een ieder aan dezen arbeid, of bewijst
-dien dienst aan een ander om op zijne beurt gelijke weldaad terug te
-ontvangen.
-
-Is ook deze plechtigheid afgeloopen, en het haarkleed, zoo noodig,
-gekamd, dan laat zich de behoefte aan het ontbijt gevoelen. Die
-behoefte is doorgaans gemakkelijk te bevredigen, daar de apen alles
-lusten, en het planten- en dierenrijk beide, bijdragen moeten leveren.
-Bosschen zoowel als bergruggen schenken vruchten, blad- en
-bloemknoppen, vogelnesten met eieren of jonge vogels, slakken en
-insekten, de tuinen ooft en groenten, de akkers graan en peulvruchten.
-Hier wordt een rijpe aar afgebroken, ginds een sappige vrucht geplukt,
-in de hoogte een nest geplunderd, op den grond een steen omgekeerd, in
-de bewoonde streek een tuin gebrandschat of een akker geplunderd;
-overal wordt iets weggenomen. Elke aap verwoest daarenboven, als hij
-tijd heeft, nog tienmaal meer dan hij nuttigt, en is daarom een plaag
-voor landbouwer en tuinman. Bij den aanvang van zulk een rooftocht
-tracht ieder allereerst den eersten honger te stillen; men is niet
-kieschkeurig, eet alles wat voorkomt, en stopt de wangzakken, indien
-zij deze bezitten, nog daarenboven propvol; is aan de eerste behoefte
-voldaan dan begint de aap alles op de onbeschaamdste wijze te keuren en
-te kritiseeren; elke gebroken aar, elke afgeplukte vrucht wordt
-beroken, betast, bekeken, alvorens die op te eten, en in de meeste
-gevallen wordt het een zoowel als het andere weggeworpen, naar iets
-nieuws gezocht en hiermede eveneens gehandeld. „Wij zaaien en de apen
-oogsten” zoo klaagden mij eens de bewoners van Oost-Soedan, en zij
-hadden gelijk. Tegen zulke dieven verleenen heg noch muur beschutting,
-slot noch grendel; zij klimmen over de heiningen en openen de laatste.
-En wat zij niet verslinden wordt mee naar huis gedragen. Het is een
-prachtig maar tevens een droevig gezicht, dat zulk een troep
-plunderende apen oplevert; ook in dit bedrijf spreiden zij, evenals in
-hun geheele wezen, driestheid, sluwheid, overmoedigheid, genotzucht en
-voorzichtigheid ten toon, en niet minder komt daarin hun
-onbeschaamdheid, list en boosaardigheid uit. Hoe gevaarlijker de
-onderneming is, hoe meer al deze eigenschappen aan ’t licht treden. Men
-loopt, klautert, springt,—in tijd van nood wordt er zelfs gezwommen,—om
-elken hinderpaal uit den weg te ruimen, terwijl men onder dit alles
-geen enkel oogenblik de veiligheid uit het oog verliest. De aanvoerder
-gaat steeds vooruit, lokt, roept, vermaant, waarschuwt, bromt, scheldt
-en bestraft, al naar bevind van zaken; de troep volgt en gehoorzaamt,
-zonder echter geheel en al zich op hem te verlaten. Bij gevaar denkt
-ieder individu ’t allereerst om eigen lijfsbehoud en schaart zich eerst
-later weder om zijn aanvoerder; alleen de moeders, die kinderen aan de
-borst hebben of deze op den rug dragen, vormen eene uitzondering, daar
-zij om ’t lot van haar kroost meer bezorgd zijn, of althans schijnen te
-zijn, dan om zichzelf.
-
-Op tochten, waaraan geen gevaar verbonden is, wordt nu en dan halt
-gehouden; dan hebben ook de kinderen gelegenheid om met elkander te
-spelen. Onder gevaaraanbrengende omstandigheden volgt eerst na het
-einde van den tocht een korter of langer tijd van rust en ontspanning;
-ter bevordering der spijsvertering houdt men dan ook wel eens een
-middagslaapje. In den namiddag wordt een nieuwe strooptocht ondernomen,
-en tegen zonsondergang begeeft zich de bende naar de gewone
-slaapplaatsen, die zoo goed mogelijk tegen de aanvallen van gevaarlijke
-roofdieren beveiligd zijn, om hier, ofschoon eerst na langdurig krakeel
-en getwist, schelden en kijven de welverdiende rust te zoeken en te
-vinden.
-
-Enkele tochten uitgezonderd, die of uit nood worden ondernomen, of kans
-bieden op een meer dan gewonen oogst, gaat het op deze wijze vrij
-geregeld dag aan dag voort. De voortplanting, die bij het meerendeel
-der andere dieren gewoonlijk groote veranderingen in de levenswijze te
-voorschijn roept, oefent op de apen geen merkbaren invloed uit; deze
-toch is aan geen bepaald tijdstip gebonden en de apenmoeder sleept
-overal haar jong mede. Meestentijds wordt er maar één kind tegelijk
-geboren; het komt goed ontwikkeld en dus met open oogen ter wereld. De
-apenjongen zijn evenwel naar onze begrippen afschuwelijke wezens en in
-weêrwil der reeds vergevorderde ontwikkeling zeer hulpbehoevende
-schepseltjes. Afschuwelijk zijn zij in onze oogen, omdat de geplooide
-gezichtjes en de levendige oogjes hun een oudachtig voorkomen geven, en
-het nog dunne haarkleed de buitendien reeds lange voorste ledematen nog
-langer doet schijnen; hulpbehoevend zijn ze, omdat zij van de ledematen
-nog geen ander gebruik weten te maken dan er zich mede aan de borst der
-moeder vast te klampen. Hier hangen zij, met armen en handen den hals,
-met beenen en voeten den buik der moeder omklemmende, weken lang zonder
-eenig ander lichaamsdeel dan het hoofd te bewegen; dientengevolge is de
-moeder in staat alle gewone bezigheden te verrichten, zelfs evenals
-vroeger op de gevaarlijkste wegen te loopen of halsbrekende sprongen te
-doen, zonder dat zij daarbij van haar kind eenigen last ondervindt.
-Eerst na geruimen tijd, zelden vroeger dan na verloop van eene maand,
-beginnen de kleinen enkele bewegingen uit te voeren, doch handelen
-daarbij zoo plomp, dat het eer ons medelijden dan onzen lachlust
-opwekt. Deze gedrochtjes worden echter, misschien wel juist om die
-hulpeloosheid, door de moeders met zulk eene teederheid behandeld, dat
-de uitdrukking „apenliefde” zeer gepast mag heeten. Altijd is de
-apenmoeder met haar kleintje bezig. Dan likt zij het, dan zuivert zij
-het, dan legt zij het aan de borst, dan neemt zij het in de handen, en
-beschouwt het met innig welbehagen, dan schommelt zij het, als wilde
-zij haar kind in slaap wiegen.
-
-Wordt zij bespied, zij keert zich om als misgunde zij aan andere wezens
-het gezicht van haar lieveling. Is de laatste wat ouder en bewegelijker
-geworden, dan verkrijgt hij een enkele maal verlof de moederborst te
-verlaten om met andere kindertjes van gelijken leeftijd te spelen, maar
-steeds staat hij onder streng toezicht, en ontvangt hij bij de
-geringste ongehoorzaamheid stompen en knepen. Tot het voedsel zelfs
-strekt zich de zorg der moeder uit. Hoe gulzig deze anders ook zijn
-moge, met haar kind deelt zij elke bete, maar duldt echter niet, dat
-het door haastig of te veel eten zich ziek zou maken; in zoodanige
-gevallen laat zij haar moederlijk gezag gelden. Zelden evenwel is een
-ernstige bestraffing noodig, want het apenkindje is gewoonlijk
-voorbeeldig gehoorzaam, zoodat het in dit opzicht menig menschenkind
-tot voorbeeld kan strekken. Roerend is het gedrag der moeder, wanneer
-haar lieveling pijn heeft; wanhopig stelt zij zich aan, wanneer het
-sterft. Uren, ja dagen lang sleept zij het kleine lijkje overal mede,
-weigert alle voedsel, blijft wezenloos op dezelfde plek zitten en
-kniest zich dikwijls letterlijk dood. Het apenkindje is echter voor
-zulk een gevoel niet vatbaar, en is er ook beter aan toe dan menig
-menschenkind, indien het zijn moeder verliest. Want het eerste het
-beste medelid der troep, ’t zij mannetje of wijfje, trekt zich het lot
-van den armen wees aan, en vindt op deze wijze bevrediging voor de
-allen apen aangeboren zucht, voor moedertje te spelen, liefkoost het op
-het innigste—maar komt helaas! ook niet zelden ter wille van het lieve
-eten, in tweestrijd met zijn beter ik, zoodat het pleegkind, zoo ’t
-zich niet reeds alleen weet te helpen, erbarmelijk honger lijdt, en wel
-eens van gebrek sterft.
-
-Het valt moeilijk, zoo niet onmogelijk, eene juiste beschrijving te
-geven van de verstandelijke vermogens en talenten der apen, daar deze
-even verschillend zijn als zij zelf. Enkele trekken zijn aan allen
-gemeen; verreweg de meeste eigenaardigheden van hun wezen wijken zeer
-van elkander af. De aanleg, die bij den eenen aap nauwelijks merkbaar
-is, springt bij een ander duidelijk in ’t oog; dezelfde karaktertrek,
-die hier sterk voorkomt, wordt elders te vergeefs gezocht. Wanneer men
-evenwel, de familiën, geslachten en soorten vergelijkend in deze
-beschouwingen opneemt, dan neemt men eene inderdaad verrassende en
-ongedachte opklimming waar van alle talenten en vermogens. Het is zeer
-leerrijk op deze wijze te werk te gaan.
-
-Als de minst ontwikkelde leden der orde moeten wij de klauwapen of
-eekhoornapen van Zuid- en Middel-Amerika beschouwen; dit zijn
-levendige, kleine, fraaie en onderling veel gelijkenis met elkander
-vertoonende dieren. Zij hebben wel is waar hetzelfde gebit als de
-hoogere soorten, maar dragen echter alleen aan de duimen platte nagels,
-aan de overige teenen en vingers daarentegen smalle, lange klauwachtige
-nagels, waardoor dus de handen en voeten, althans de handen tot pooten
-gedegradeerd worden. En met deze uitwendige kenmerken komen de
-intellektueele eigenschappen overeen. Het apendom is als het ware bij
-deze soort nog niet tot volle ontwikkeling gekomen. In vorm en kleur
-zoowel als in houding, gedrag en hun geheele zijn, zelfs in hun stem
-herinneren zij aan de knaagdieren. Zij zitten bijna nooit, zooals
-andere apen, rechtop, hoogstens evenals de eekhoorntjes, maar meestal
-steunen zij op alle vier ledematen; ook klauteren zij niet zooals de
-andere leden der orde, los en gemakkelijk, met handen en voeten de
-takken omklemmende, maar meer op de wijze der knaagdieren, met
-ingetrokken klauwen, zich tegen de voorwerpen aandrukkende, in
-sprongen—toch evenwel niet langzaam en plomp.
-
-Zeer verschillende van die der hoogere apen is hunne stem; het geluid,
-dat zij geven, is een in de hooge tonen zich bewegend gefluit, dat nu
-eens herinnert aan het gekweel van vogels, dan eens aan het gepiep van
-ratten en muizen, ja wellicht nog de meeste overeenkomst bezit met het
-stemgeluid der Guineesche biggetjes. Volkomen knaagdierachtig is hun
-gedrag; zij laten dezelfde onrust en bewegelijkheid, dezelfde
-nieuwsgierigheid, schuwheid en angst, dezelfde ongedurigheid als de
-eekhoorntjes blijken. Het kopje is geen enkel oogenblik in rust en de
-donkere oogen richten zich nu op het eene, dan op het andere voorwerp,
-maar altijd vol drift en schijnbaar zonder veel bewustheid, hoe
-verstandig zij overigens ook mogen kijken. Alle handelingen getuigen
-van weinig overleg. Onwillekeurig volgen zij de ingeving van het
-oogenblik en vergeten het daarop volgende waar zij meê bezig waren,
-zoodra een nieuw voorwerp hun opmerkzaamheid trekt. Zij zijn luimig in
-den hoogsten graad; zoo even goed gehumeurd en schijnbaar tevreden met
-hun lot, gelukkig door eene vriendschappelijke bejegening, grijnzen zij
-eene seconde later hun weldoeners aan, houden zich alsof zij ten
-uiterst bevreesd zijn en hun leven op het spel staat, laten de tanden
-zien en pogen te bijten. Even prikkelbaar als apen en knaagdieren,
-ontbreekt hun toch het persoonlijke, dat vooral de hoogere apen
-teekent; de een toch handelt precies zoo als de ander, als het ware
-zonder zelfbewustzijn, en altijd kleingeestig. Zij bezitten alle
-eigenschappen van bloodaards; de jammerlijke stem, den onwil om zich in
-’t onvermijdelijke te voegen, de beklagenswaardige wijze, waarop zij
-alle gebeurtenissen opnemen, een ziekelijke neiging om elke handeling
-van een ander schepsel wantrouwend en als henzelf geldend te
-beschouwen, de zucht om te pralen, wanneer zij een denkbeeldig of
-wezenlijk gevaar uit den weg trachten te gaan, machteloosheid in willen
-en doen. Juist omdat zij zoo weinig apen zijn worden zij door de
-vrouwen in bescherming genomen, maar door de mannen geminacht.
-
-Op hoogeren trap van ontwikkeling staan de eveneens in Amerika thuis
-behoorende breedneusapen, ofschoon ook in dezen de werkelijke aap nog
-niet recht zichtbaar is. Hun gebit telt in elke kaak eene kies meer dan
-dat der overige apen; zij bezitten dus geen 32 maar 36 tanden; aan de
-vingers en teenen zitten enkel platte nagels; het lichaam heeft door de
-meerdere lengte der ledematen een min of meer slanken vorm en de staart
-is bij velen een uitstekend grijpwerktuig. Evenals de klauwapen zijn
-ook zij uitstekende boomdieren en uit dien hoofde zeer onbeholpen en
-linksch zoodra zij zich op den vlakken grond bevinden. Hun gang is
-alsdan hoogst onzeker en waggelend, en in dit opzicht onderscheiden die
-soorten, welke van een grijpstaart voorzien zijn, zich nog het
-onvoordeeligst; toch is hun klimmen zelfs niet in de verte te
-vergelijken met dat van de apen der oude wereld. Vermenigvuldiging toch
-der bewegingswerktuigen behoeft nog geenszins met eene verbetering in,
-en nog minder met eene vermenigvuldiging van de bewegingen zelf gepaard
-te gaan, maar kan soms de oorzaak worden van eenzijdigheid. En dit
-laatste is bij deze apen het geval. Hun grijpstaart is niet hun vijfde,
-maar hun eerste hand; hij dient hen voor het ophangen of de bevestiging
-van ’t geheele lichaam, tot het aanhalen van allerlei voorwerpen, als
-trappen, hangmatten, enz.; maar hij verhaast de bewegingen evenmin als
-hij die gemakkelijker maakt; hij verlangzaamt ze integendeel door ze
-meer zekerheid te geven. Daar dit lichaamsdeel onophoudelijk in gebruik
-wordt gesteld, loopt deszelfs bezitter nimmer gevaar het evenwicht te
-verliezen en van de veilige hoogte naar beneden in de gevaarlijke
-diepte te storten, maar het belet hem dan ook elke vrije en stoute
-beweging. Langzaam zendt hij den grijpstaart als het ware bij elke
-schrede vooruit; altijd wordt deze het eerst en soms zelfs van voren
-bevestigd, en eerst nu maakt hij hand voor hand en voet voor voet van
-de takken, die hij omklemd hield, los. Zoo bindt hij zich meer aan de
-takken vast, dan dat hij er op en langs klautert, en uit dien hoofde
-denkt hij er nooit aan een eenigszins koenen sprong te wagen. Deze zich
-nooit verloochenende zorg voor de beveiliging van het eigen kostbaar ik
-drukt op deze apen den stempel van verveling en niet dien van
-bedachtzaamheid. Het is merkwaardig hoe volkomen alle andere
-begaafdheden der apen van de Nieuwe Wereld daarmede in harmonie zijn.
-Hunne stem is niet zoo eentonig als die der klauwapen, altijd echter
-nog onaangenaam. Van jammeren tot brullen doorloopt dat geluid alle
-daar tusschen gelegen modulaties; het jammerende, het smartelijke heeft
-echter altijd de bovenhand, en de gedragingen dezer dieren zijn
-daarmede in volkomen overeenstemming. Warm beschijnt de zon na een
-koelen, aan dauw rijken nacht de boomen van het oerwoud en strooit
-hierover haar goud; duizendvoudige begroetingen en jubelkreten stijgen
-op uit millioenen kelen; ook de brulapen maken zich gereed tot hun
-danklied. Maar op welke wijze? Op de dorre kruintakken van een
-reuzenboom geklauterd, die boven alle boomen des wouds uitsteekt,
-hebben zij zich door middel hunner grijpstaarten op veilige wijze
-vastgehecht en koesteren zich in het zonnetje. De behagelijkheid, die
-hun deel is, wekt ook in de brulapen den lust hunne stem te laten
-hooren. Een individu, dat, naar men zegt, uitmunt door eene hooge,
-gillende stem, de voorzanger, ziet zijn makkers strak aan en begint; de
-anderen kijken even strak op den eersten en vallen mede in; een
-vreeselijk concert weêrklinkt door het woud, nu eens huilend, dan
-brommend, straks knorrend, gronzend, rochelend, steunend, als waren
-alle dieren des wouds in moorddadigen strijd gewikkeld. Met
-afzonderlijke brulgeluiden begint deze vreemde symphonie; zij worden
-woester en volgen sneller op elkaar, naarmate de aanvankelijk nog niet
-zichtbare opwinding des voorzangers toeneemt en op de anderen overgaat;
-het geluid wordt een huilend gebrul, dat eindigt gelijk het is
-aangevangen. Werpt men een blik op die langgebaarde, ernstige zangers,
-dan kan men zich moeilijk van lachen onthouden; de alle maat te boven
-gaande wangeluiden, waaraan zij zich schuldig maken verwekken echter al
-spoedig een gevoel van verveling, evenzeer als hunne eenzijdige, eer
-kruipende dan klimmende bewegingen. Wat de een doet aapt de ander
-gedachtenloos na; maar wat hij ook doen moge, steeds verwekt zijn doen
-en laten verveling. Alle met een grijpstaart voorziene apen komen vrij
-wel met de genoemde brulapen overeen; iets vrijer en zelfstandiger
-gedragen zich de capucijnerapen en enkele andere, meer ontwikkelde
-leden der familie. In ’t algemeen zijn zij in verstandelijk opzicht
-even log als zij zulks lichamelijk zijn; evenwel zacht van aard,
-vertrouwelijk, maar tevens dom, gemelijk, klagend, sommigen ook
-eigenzinnig, boosaardig en vol streken. Zij staan dus wel is waar boven
-de klauwapen, maar verre beneden de apen der Oude Wereld. Misschien
-doet men hun geen onrecht met de bewering, dat zij wel de slechte, maar
-niet de goede eigenschappen van hunne Afrikaansche en Aziatische
-bloedverwanten bezitten. Hun zachtmoedigheid en goedmoedigheid—die
-evenwel volstrekt nog niet het kenmerk is van alle soorten—weegt in de
-verste verte niet op tegen het op allen drukkend gemis aan
-ondernemingsgeest, moed, opgewektheid, levendigheid, beradenheid,
-vindingrijkheid en bedachtzaamheid, door welke eigenschappen de apen
-der Oude Wereld zich voordeelig onderscheiden. Hun eeuwig gejammer en
-gehuil wischt ook die eigenschappen uit, welke hun nog enkele vrienden
-onder ons zouden kunnen verwerven.
-
-Evenals de apen der Nieuwe Wereld kan men ook die der Oude Wereld in
-twee groepen verdeelen, die men wellicht tot den rang van familiën zou
-kunnen verheffen, ofschoon het gebit van allen gelijkvormig is. Wij
-noemen de eene groep hondskopapen, de andere menschapen; de eerste
-groep leert ons het ware apendom kennen, de tweede is bereids daarboven
-verheven. Voor genen geldt hoofdzakelijk wat ik zoo even opmerkte; men
-vindt er onder zoowel schoone als leelijke, zoowel lieve als
-terugstootende, zoowel vroolijke als ernstige, zoowel goedaardige als
-boosaardige apen. Werkelijk misvormde apen komen er niet onder voor,
-daar ook de leelijke, of althans in onze oogen leelijk schijnende
-soorten evenredige vormen bezitten; toch treft men er vreemdsoortige
-kameraads onder aan. Hun voornaamste kenmerk bestaat in den
-vooruitstekenden snuit, die aan een hond doet denken, in de
-betrekkelijk korte armen, den tot een stompje verkorten staart, de vrij
-sterk ontwikkelde eeltplekken en de maar zelden ontbrekende wangzakken.
-Het gebit bevat 32 aaneengesloten tanden. Deze apen bewonen Europa,
-Azië en Afrika, maar zijn in laatstgenoemd werelddeel het talrijkst.
-
-In eigenschappen en begaafdheden staan zij ver boven de klauwapen en de
-breedneuzen. Zij kunnen meerendeels goed loopen, alhoewel er onder
-zijn, die onzen lachlust opwekken door hun hinkenden gang. Het valt hun
-gemakkelijk op de achterste ledematen te gaan staan; zij richten zich
-dan in hunne volle lengte op en kunnen dan zelfs in deze houding een
-eind weg voortkomen. Het zijn daarbij goede klimmers; sommigen oefenen
-zich hierin op de rotsen, anderen in de boomen. De meesten zijn ook nog
-uitstekende zwemmers. Die, welke op de boomen leven, klauteren als het
-ware vliegend, want de acrobatische toeren, die zij in de takken
-uitvoeren, zijn inderdaad verbazingwekkend. Sprongen van 8 en 10 meter
-zijn niets ongewoons; uit den hoogsten boomtak springen zij naar den
-laagsten, doen dezen doorbuigen, en, geholpen door het terugspringen
-van dien tak, zetten zij den tocht voort naar een anderen. Den staart
-en de achterste ledematen uitstrekkende, en zich hiermede in evenwicht
-houdende, doorklieven zij de lucht als een pijl uit den boog. Elke
-boomtak, al is hij ook met de gevaarlijkste dorens bezet, is hun een
-gebaand pad, elke slingerplant een weg. Zij klauteren vooruit en
-achteruit, langs den onderkant der takken zoowel als langs den
-bovenkant, grijpen onder het springen een dunne twijg, hechten er zich
-aan vast en blijven onbepaald lang in deze houding zweven, klimmen
-daarna op den tak en verder, even gemakkelijk als bevonden zij zich op
-den vlakken grond. Mist de hand, de voet herstelt de fout; breekt de
-tak onder den plotselingen druk, een tweede of derde wordt gegrepen;
-breken alle takken, zij springen, uit welke hoogte zij ook mogen
-vallen, ongedeerd op den grond, om nu langs den eersten den besten stam
-of de meest nabijzijnde slingerplant, weder omhoog te klauteren. Bij
-het klevende of kruipende klimmen hunner Amerikaansche verwanten
-vergeleken, is dat der hondskopapen eene waarlijk vrije, bandelooze,
-elken hinderpaal wegruimende beweging. Gene zijn stumpers, deze zijn
-volleerde kunstenaars, gene slaven der boomen, deze beheerschers der
-takken.
-
-Even als hunne bewegingen zulks zijn is ook de stem dezer apen meer
-volkomen. Men verneemt van hen geen kweelend of piepend, geen klagend
-of huilend, maar een met den indruk des oogenbliks en de omstandigheden
-overeenkomend geluid, dat ook voor ons verstaanbaar is. Voor behagen en
-mishagen, verlangen en tevredenheid, lust en onlust, liefde en haat,
-goedhartigheid en toorn, vreugde en smart, vertrouwen en wantrouwen,
-sympathie en antipathie, teederheid en hardvochtigheid,
-inschikkelijkheid en trots, vooral plotselinge opwellende aandoeningen,
-zooals vrees, schrik en ontzetting, voor al deze gesteldheden der ziel
-vinden zij een uitdrukking, hoe beperkt ook overigens hun
-spraakmiddelen mogen zijn.
-
-Hand aan hand gaan met deze de zoogenoemde geestelijke fakulteiten
-gepaard. Terecht kan men hier opmerken, dat de hand, die bij hen eerst
-tot zekere ontwikkeling is gekomen, hen boven alle andere dieren
-grootelijks bevoorrecht, en hen dingen doet doen, die soms grooter
-schijnen dan zij werkelijk zijn; zoo ziet men hen kunststukken
-verrichten, die een hond of ander dier onmogelijk zou ten uitvoer
-kunnen brengen. Toch moet men de apen onder de verstandigste zoogdieren
-rekenen, die een mate van overleg ten toon spreiden, welke verbaast.
-Zij hebben een sterk geheugen; de verschillendste indrukken blijven
-bewaard en hun wikkend verstand verwerkt die indrukken tot ervaringen,
-die in voorkomende omstandigheden groote diensten bewijzen. Zij
-handelen met volle bewustzijn en niet als slaven, die zonder eigen wil
-gehoorzamen aan eene van buiten komende kracht, maar zelfstandig, vrij
-en met afwisseling; zij weten slim van alles partij te trekken en waar
-het te pas komt bedienen zij zich van allerlei hulpmiddelen om hun doel
-te bereiken. Zij onderscheiden oorzaak en gevolg, weten het laatste òf
-te verijdelen òf te bewerken; zij onderscheiden niet enkel wat goed of
-wat kwaad voor hen is, maar zij weten zelfs of zij goed of slecht
-handelen, onverschillig of zij daarbij het standpunt van hun eigen lief
-ik, of dat van een boven hen staand wezen innemen. Niet het blinde
-toeval, maar het zich bewust zijn van de gevolgen regelt hun doen en
-laten, maakt hen afhankelijk van ’t overwegen van ’t betere, noopt hen
-om gemeenschappelijk te werken en te handelen, leert hen om gezamenlijk
-zich aansprakelijk te stellen voor het wel en wee van ieder
-afzonderlijk lid, vreugde en leed, geluk en ongeluk, veiligheid en
-gevaar, welvaart en gebrek met hem te deelen, m.a.w. een op
-wederkeerige afhankelijkheid berustend verband te vormen; het
-onderwijst hen in het gepast aanwenden der hun niet van nature
-aangeboren krachten en middelen, en drukt hun eindelijk wapens in de
-hand, die deze laatsten hun niet konden schenken. Wel is waar delft de
-bezonnenheid dikwijls tegenover hunne driften en neigingen het
-onderspit, maar juist deze driften getuigen van de levendigheid der
-gewaarwordingen, of, wat op hetzelfde uitkomt, van de werkzaamheid van
-hunnen geest. Zij zijn gevoelig als kinderen, prikkelbaar als
-geestelijk zwakke menschen, en uit dien hoofde ontvankelijk voor elke
-soort van behandeling, hun aangedaan; voor tegemoetkomende liefde, voor
-terugstootenden haat, voor aansporenden lof, voor krenkenden smaad,
-voor streelende vleierij en bitteren hoon, voor liefkoozingen en
-tuchtiging. En toch laten zij zich niet zoo gemakkelijk behandelen, nog
-minder africhten als een hond of ander verstandig huisdier, want zij
-zijn eigenzinnig in den hoogsten graad en bezitten haast evenveel
-zelfbewustzijn als de mensch. Onvermoeid leeren zij, maar slechts
-wanneer en voor zooveel zij willen en geenszins dan, wanneer zij er toe
-gedwongen worden; hun zelfbewustzijn doet hun elk bevel weêrstreven,
-waarin zij geen voordeel voor zich zelf zien. Wel weten zij zeer goed
-welke straf hen wacht, en zij geven zulks dikwijls vooraf reeds door
-passende geluiden te kennen, maar toch weigeren zij te doen wat hun
-geboden werd; daarentegen volbrengen zij gewillig en onder luide
-bijvalsteekenen wat hun genoegen verschaft. Hij, die hun zelfbewustzijn
-in twijfel trekt, moet hen maar eens gadeslaan, wanneer zij zich bezig
-houden met een ander dier. Zij beschouwen dit, zoo althans geen vrees
-voor diens sterkte en gevaarlijkheid hen terughoudt, als een speelgoed
-voor hunne luimen, onverschillig of zij het plagen, foppen of kwellen,
-of nu en dan met liefkoozingen overladen.
-
-Enkele voorbeelden, voor welker waarheid ik in sta, mogen tot bewijs
-mijner beweringen strekken.
-
-Toen ik in het land der Bogo’s reisde, ontmoette ik op mijn eersten rit
-door het gebergte een talrijke troep dierzelfde mantelbavianen, waarvan
-Scheik Kemal el Din Demiri gewaagt. Het was een schilderachtig gezicht,
-deze dieren op de bovenste kammen eener rots te zien zitten, terwijl
-zij het golvend haarkleed in de zon droogden; ik begroette hen met
-geweerkogels, zoodat zij in allerijl de vlucht namen. Terwijl ik mijn
-weg door het nauwe en zeer gewonden rotsdal van Mensa vervolgde,
-ontmoette ik geruimen tijd later weder denzelfden troep en wel in het
-dal zelf, dat zij zich gereed maakten over te steken ten einde
-bescherming te zoeken op de rotsen der overzijde. Een aantal was
-bereids aan den anderen kant gearriveerd, het grootste deel echter was
-nog op het punt den overtocht te bewerkstelligen. Onze honden,
-prachtige, slanke hazewinden, die gewoon waren zegevierend den strijd
-met hyaena’s en andere roofdieren te bestaan, wierpen zich op de
-bavianen, die uit de verte gezien meer op carnivoren dan op apen
-geleken, en dreven deze dieren snel rechts en links naar de rotswanden
-omhoog. De wijfjes echter alleen vluchtten, de mannetjes vlogen fluks
-op de honden in, vormden er een kring omheen, brulden, sloegen grimmig
-met de handen tegen den grond, sperden den muil wijd open, lieten de
-tanden zien, en zagen hun vijanden zoo woedend en boosaardig aan, dat
-de anders zoo moedige honden ontzet terugdeinsden en angstig bij ons
-bescherming zochten. Nog voor het ons gelukte de honden weder tegen de
-apen op te hitsen, was de toestand der laatsten geheel veranderd, want
-toen de honden weêr opnieuw op hen aanvlogen, hadden de meesten zich
-reeds in veiligheid gesteld.
-
-Een jonge aap, niet ouder dan een halfjaar, was achtergebleven; toen
-deze de honden op zich aan zag komen, begon hij verschrikkelijk te
-schreeuwen, doch wist nog bij tijds een rotsblok te bereiken, alwaar
-het veilig dacht te zijn. Onze honden handelden met overleg en sneden
-den aap den terugtocht af, zoodat wij de hoop begonnen te koesteren het
-diertje op te vangen. Maar het zou niet geschieden. Fier en vol
-waardigheid, zonder zich in ’t minst te haasten en op ons acht te
-slaan, stapte een zeer oud mannetje, van de veilige rots afdalende, op
-het in nood verkeerende jong af, ging, zonder de minste vrees te
-verraden, de honden tegemoet, hield deze door blikken, gebaren en voor
-ieder verstaanbare geluiden in bedwang, beklom langzaam het rotsblok,
-legde het bedreigde apenkind aan zijn borst, en voor wij op de plaats
-waren gekomen, had hij den terugtocht weêr aanvaard, terwijl de honden
-geen poot verroerden en hem stil lieten wegtrekken. En onder dit moedig
-bedrijf van zelfopoffering hoorde men in het dichte kreupelhout der
-rotshelling, werwaarts de apen zich hadden begeven, tonen weêrklinken,
-zooals ik nog nooit van bavianen had gehoord. Ouden en jongen,
-mannetjes en wijfjes brulden, gilden, knorden, bromden, blaften door
-elkander en verwekten een geschreeuw alsof zij met panters en
-dergelijke gevaarlijke roofdieren in gevecht waren geraakt. Het was,
-gelijk ik later ontdekte, het veld- of krijgsgeschreeuw der apen, dat
-ik hoorde; zij hadden daarmede ten oogmerk om de honden schrik aan te
-jagen, misschien ook wilden zij daarmede moed inblazen aan den
-onversaagden ouden ridder, die zich onder hunne oogen in het
-dreigendste gevaar begaf.
-
-Eenige dagen later zou ik ervaren, dat deze zelfbewuste dieren het ook
-tegen den mensch durven opnemen. Bij mijn terugkomst uit het land der
-Bogo’s stieten wij nogmaals op een, misschien denzelfden troep; van uit
-het dal openden wij uit zeven dubbelloopsgeweren een moorddadig vuur op
-hen. De uitwerking was onbeschrijfelijk. Dezelfde oorlogskreten, die ik
-vroeger had gehoord, klonken ook nu weder, en als op het bevel van een
-generaal rustten zich allen ten strijde. Terwijl de gillende wijfjes
-met de jongen ijlings wegvluchtten, en, over den kam der rotsen
-spoedende, zich buiten bereik onzer wapenen stelden, betraden de oude
-mannetjes, met van woede fonkelende blikken, terwijl zij de handen
-tegen den grond sloegen, eer blaffend dan brullend, de vooruitstekende
-steenen en rotspunten, overzagen eenige oogenblikken onder voortdurend
-luid gebrom, geknor en gegil, de diepte, en begonnen daarop met zooveel
-drift en behendigheid ons met steenen te bombardeeren, dat wij het
-gevaarlijke onzer positie terstond inzagen en op de vlucht sloegen.
-Indien wij niet in staat waren geweest tegen de overstaande hellingen
-van het nauwe dal naar boven te klimmen, om ons op deze wijze in
-zekerheid te stellen tegen het geschut der apen, wij zouden het
-onderspit hebben gedolven. De verstandige dieren handelden bij hunne
-verdediging niet alleen stelselmatig, maar daarenboven,
-gemeenschappelijk naar één doel strevend, in onderling overleg en
-samenwerking. Een onzer zag zelfs hoe een der strijders zijn steen op
-een boom droeg, om dien van hier uit met meer effekt naar ons toe te
-slingeren; ik zelf nam waar dat twee apen gezamenlijk een zwaren steen
-aan ’t rollen brachten.
-
-Tot zulke middelen van tegenweer grijpt geen enkel ander dier dan de
-boven allen verheven aap, evenmin als het mannetje eener andere
-diersoort zich aan gevaren blootstelt om een hulpeloos jong te redden.
-Zulke trekken mogen niet geloochend of verkeerd beoordeeld worden; want
-zij getuigen luider en beter voor zichzelf dan alle spitsvondige
-uiteenzettingen, die ten doel hebben aan het dier verstand en
-zelfbewuste handelingen te ontzeggen.
-
-Hoe juist de hondskopapen oorzaak en gevolg weten te onderscheiden, kan
-ieder bij eigen ervaring waarnemen, die deze dieren onbevooroordeeld
-nagaat. Zij openen deuren en vensters, schuifladen, kasten en doozen,
-maken knoopen los; zij weten hinderpalen uit den weg te ruimen, niet
-alleen wanneer zij eenmaal hebben opgemerkt hoe men daarbij te werk
-gaat, maar zij vinden zelf middelen uit om daartoe te geraken. Zekere
-baviaan, dien ik verzorgde en in mijn gezin had opgenomen, pakte eens
-eene jonge kat met het voornemen, dit beestje tot pleegkind aan te
-nemen en er moedertje over te spelen. De aap werd eens door het dier
-gekrabd; hij stelde terstond een onderzoek in naar de vermoedelijke
-oorzaak, en toen hij bevond dat de nagels als zoodanig moesten
-beschouwd worden, beet hij deze organen onmiddellijk af, overtuigd dat
-hij nu voortaan gevrijwaard zou zijn tegen eene herhaling van deze
-onaangename bejegening. Denzelfden baviaan werd nu eens door mijn
-broeder dan door mijzelf herhaaldelijk schrik aangejaagd, doordien wij
-buskruit op den grond strooiden en dit aanstaken. Het plotseling
-ontvlammende kruit veroorzaakte den aap zulk een hevigen angst, dat hij
-elken keer luidkeels begon te schreeuwen en zoo ver weg sprong als het
-touw, waaraan hij vastgebonden was, toeliet. Nadat dit tooneel eenige
-malen was herhaald, kwam de baviaan op den inval het ontvlammen te
-voorkomen door eerst het stuk zwam met de hand uit te dooven, en daarna
-het buskruit eenvoudig op te eten. Een ander maal werd hij zelf de
-oorzaak van zijn angst. Even als alle apen, geen uitgezonderd, was hij
-uitermate bevreesd voor reptielen, inzonderheid voor slangen; wij
-hadden hierin grooten schik en plaagden hem daarom dikwijls door eene
-levende, doode of opgezette slang in eene groote blikken doos te doen,
-dien wij hem gesloten toereikten. Hij kende ten laatste doos en inhoud
-volkomen, maar niet in staat zijne nieuwsgierigheid te bedwingen,
-opende hij telkens weder de doos om onmiddellijk daarna met een luiden
-schreeuw weg te loopen.
-
-Niet tevreden met de kennis van werkelijk aanwezige oorzaken, zocht
-deze aap, indien hem eene onaangenaamheid bejegende, naar ingebeelde
-oorzaken.
-
-Iets of iemand moest van zijn leed de schuld zijn, dit stond bij hem
-vast. En zoo keerde zich soms zijn volle woede tegen den eersten den
-besten, dien hij in ’t gezicht kreeg. Werd hij b.v. bestraft, dan
-richtte zijn toorn zich niet op zijn heer en meester, maar op dengene,
-die toevallig bij die bestraffing tegenwoordig was; deze was in zijne
-oogen de oorzaak der snoode behandeling, die hij van de zijde zijns
-anders zoo goedaardigen gebieders ondervond. Even als onverstandige
-menschen in dergelijke gevallen ook gewoon zijn te doen, verdacht hij
-dus onschuldigen.
-
-Ofschoon zelf buitengemeen gevoelig voor eene hem aangedane of
-toegedachte onrechtvaardige behandeling, zoo ook indien men hem plaagde
-of kwelde, kon onze baviaan het toch nimmer nalaten andere dieren te
-sarren, ja te mishandelen. Onze oude, knorrige dashond hield eens,
-genoegelijk in de zon uitgestrekt, zijn middagslaapje. De baviaan zag
-zulks, sloop voorzichtig naar de plaats, waar de hond lag, beschouwde
-het dier aandachtig met zijn duivelsche, boosaardige oogjes, om zich te
-overtuigen, dat de hond werkelijk sliep, pakte vlug diens staart en
-bracht het beest door krachtig aan dat orgaan te trekken uit de wereld
-der droomen in die der werkelijkheid terug.
-
-Grimmig trachtte de hond dezen hoon te wreken en sprong op den
-twistzoeker los.
-
-Deze echter ontkwam de dreigende straf door vlug over den hond heen te
-springen; hij had in ’t volgende oogenblik wederom den staart van dit
-dier gegrepen, daar weêr aan getrokken, zich vermakende met de
-machteloosheid van zijn vijand, totdat deze met beveiligden, d.i. met
-opgetrokken staart, razend van toorn en woede, tot blaffen niet meer in
-staat, schuimbekkend het hazepad koos om zijn tegenstander het veld te
-laten. Zoo de baviaan had kunnen lachen, zou er niets meer ontbroken
-hebben aan de overeenstemming tusschen zijne handelwijze en die van een
-boosaardig mensch. Niettemin werd de overwonnen hond op zeer
-verstaanbare wijze met spot en schimp overladen. Elke plagerij, hem
-zelven daarentegen aangedaan, nam de aap zeer euvel op en reeds het
-lachen van den een of anderen guit kon hem in woede doen ontsteken,
-terwijl hij niet naliet zich op zoo iemand te wreken zoodra hij de kans
-schoon zag, al mochten er ook weken verloopen zijn sedert het feit was
-bedreven. Hij was een „aap”, hij gevoelde zijn waarde als zoodanig, en
-beschouwde alzoo den hond als een zoo verre beneden hem staand wezen,
-dat zijne aanmatiging ons even verschoonbaar voorkomt, als die van
-zeker ander wezen, dat tegenover hem op gelijke wijs dorst te handelen,
-in de oogen des aaps verkeerd en strafbaar schijnt.
-
-Van zulk een sterk gevoel van eigenwaarde, juister gezegd van
-overschatting van eigenwaarde, geven de hondskopapen ons dagelijks een
-aantal bewijzen; men moet hen slechts nauwlettend gadeslaan. Dezelfde
-baviaan, van wien zoo even sprake was, hield, gelijk alle apen, veel
-van pleegkinderen; eens trok hem een meerkat, die met hem dezelfde kooi
-deelde, bijzonder aan. Men kon hem dit dier zelfs buiten de kooi gerust
-toevertrouwen; altijd had hij de meerkat aan zijn zijde en deze sliep
-in zijn armen en gehoorzaamde hem slaafs. De baviaan beschouwde deze
-onderworpenheid als iets, wat van zelf sprak; onbepaalde gehoorzaamheid
-vooral eischte hij evenwel tijdens den maaltijd. Terwijl de
-goedaardige, gehoorzame meerkat zonder eenigen schijn van verzet gedwee
-toestond, dat haar pleegmoeder—onze baviaan was een wijfje—de beste
-stukken voor zich zelf behield, gunde de laatste haar lieveling niet
-meer dan het allernoodigste; was de meerkat zoo gelukkig geweest, iets
-ter zijde te leggen, b.v. iets in haar wangzakken te steken,
-onbarmhartig brak hij deze open om den inhoud zichzelf toe te eigenen.
-
-Hoe groot de aanmatiging en overschatting van eigen persoonlijkheid bij
-de hondskopapen ook mogen zijn, zij zijn zich niettemin zeer goed
-bewust van iets strafbaars gepleegd te hebben. Schomburgk haalt ten
-bewijze daarvan een zeer leerzaam voorbeeld aan. In de zoölogische
-afdeeling van den plantentuin te Adelaïde deelde een oude hoedaap met
-twee soortgenooten, waarover hij erg de baas speelde, hetzelfde hok.
-Door de eene of andere toevallige omstandigheid geërgerd, overvalt deze
-aap op zekeren dag onverhoeds zijn oppasser, en brengt dezen, door hem
-een slagader van het handgewricht door te bijten, eene gevaarlijke
-wonde toe. Schomburgk veroordeelde den booswicht ter dood en gelast aan
-een anderen oppasser dit vonnis door middel van kruit en lood ten
-uitvoer te brengen. Apen nu zijn zeer gewend aan vuurwapenen, daar deze
-veel worden gebruikt om in den tuin schadelijke dieren te dooden; zij
-kennen de uitwerking, doch maken zich volstrekt niet ongerust wanneer
-men hen in de nabijheid van zulke voorwerpen brengt. Ook nu, op den
-volgenden dag na het misdrijf van den tyran, blijven de beide jonge
-apen rustig aan den etensbak zitten als de oppasser aan wien de
-executie van hun kameraad was opgedragen, zich laat zien; maar de
-veroordeelde misdadiger daarentegen vliegt snel naar zijn slaaphok en
-is door geen enkel lokmiddel te bewegen dit te verlaten. Men poogt hem
-te paaien door hem voedsel aan te bieden; hij laat, wat vroeger nooit
-geschiedde, zijn beide slaafjes de lekkere kost verteren, en waagt het
-niet aan hun maaltijd deel te nemen. Eerst wanneer de onheilspellende
-oppasser zich verwijderd heeft sluipt hij steelsgewijs nader, neemt
-snel eenige brokken om angstig naar zijn veilige schuilplaats terug te
-vlieden. Men slaagt er eindelijk in hem voor de tweede maal naar buiten
-te lokken en den toegang tot zijn sluiphoek van buiten te sluiten. En
-als hij nu weder den oppasser met het moordtuig ziet naderen, weet hij,
-dat hij reddeloos verloren is. Als waanzinnig werpt hij zich op de deur
-van zijn slaapvertrek om deze zoo mogelijk te openen; als hem dit niet
-gelukt, vliegt hij als een waanzinnige door de kooi, alle hoeken en
-gaten doorzoekende of deze hem nog gelegenheid bieden tot ontkoming, en
-eindelijk, geene uitkomst ziende, over zijn geheele lichaam sidderende,
-werpt hij zich vertwijfelend op den grond en onderwerpt zich
-wilsverlamd aan zijn noodlot, dat hem een oogenblik later heeft
-achterhaald.
-
-Men zal moeten toestemmen, dat geen enkel zoogdier uit een der andere
-orden zoo zou handelen, zelfs niet zou de sedert duizenden van jaren
-door den mensch gedresseerde en onderwezen, ik zou haast zeggen, door
-den mensch geschapen hond; zelfs deze heeft het niet eens tot zulk eene
-hooge verstandelijkheid gebracht. En toch ligt er nog eene breede klove
-tusschen genoemde hondsapen en de menschapen, van welke laatste ik
-zooeven heb opgemerkt, dat zij zich reeds boven het gemiddelde peil van
-het apendom hebben verheven.
-
-Onder menschapen begrijpen wij al die apen, welke in gedaante het meest
-op den mensch gelijken, doch zich van dezen nog zeer onderscheiden door
-hun grootere hoektanden, de betrekkelijk lange armen en korte beenen,
-den bouw der hand, de bij sommige soorten voorkomende eeltplekken en
-het haarkleed. Zij bewonen de tropische gewesten van Afrika en Azië, in
-laatstgenoemd werelddeel in meer soorten dan in het eerste, en
-vervallen in drie familiën, een van welke tot Afrika beperkt blijft.
-Elk dezer familiën bevat slechts weinig soorten, maar waarschijnlijk
-zijn ons alle soorten nog niet bekend.
-
-Ook de menschapen worden door hun bouw gedwongen hoofdzakelijk op de
-boomen verblijf te houden; zij zijn echter evenmin als slankapen,
-meerkatten en makako’s boomslaven, veeleer uitnemende klimmers. Zij
-bewegen zich echter, zoowel op de takken als op den grond, anders dan
-alle andere apen. Wanneer zij een boom, inzonderheid een gladden stam
-zonder takken beklimmen, nemen zij dezelfde houding aan als een mensch,
-wanneer deze in een boom klimt; geholpen door hun lange armen en korte
-beenen vorderen zij evenwel veel sneller dan de meest geoefende en
-vaardigste menschelijke klimmer; in de vertakking aangeland beschamen
-zij den besten turner door de veelsoortigheid en zekerheid hunner
-bewegingen. Met hunne ver reikende armen vatten zij den eenen tak, met
-de voeten omklemmen zij een ander, die met den eersten parallel loopt
-en iets lager zit, ongeveer voor de helft, om er nu over heen te
-loopen, terwijl zij den bovensten tak als leuning gebruiken, en dat zoo
-snel, dat een man beneden al loopende zijn best zou moeten doen om hem
-bij te houden; en toch, de apen spannen zich daarbij in ’t geringste
-niet in. Aan het uiteinde van den tak gekomen, grijpen zij een
-nabijzijnden tak, b.v. van den naasten boom, en zetten hierop hunne
-wandeling met gelijke snelheid voort, zonder zich daarbij wezenlijk te
-haasten. Willen zij naar boven dan grijpen zij den eersten den besten
-tak, zoo deze hen slechts kan dragen, en slingeren zich vaardig omhoog,
-onverschillig of één of beide armen gebruikt worden; willen zij naar
-beneden, dan hangen zij zich aan beide armen op en zoeken met hun
-voeten naar een nieuw steunpunt. Soms ziet men hen enkel voor hun
-genoegen minuten lang in deze houding schommelen; dikwijls loopen zij,
-met handen en voeten den tak omvattende, voor de afwisseling langs
-deszelfs benedenkant; kortom, elke denkbare houding nemen zij aan, elke
-denkbare beweging wordt door hen in de hoogte uitgevoerd. Onovertroffen
-meesters in het klimmen zijn de langarmapen of gibbons, menschapen met
-zulke onevenredig lange armen, dat deze eene lengte kunnen overspannen
-tweemaal zoo groot als die van hun geheele lichaam, dit in
-rechtopgaande houding gedacht. Met ongeëvenaarde snelheid en zekerheid
-beklimmen zij de boomkruinen of bamboestengels, brengen dezen of den
-een of anderen hun dienenden tak in schommeling, en slingeren dan bij
-het terugbuigen met zulk eene gemakkelijkheid over tusschenruimten van
-8 à 12 meter, dat men waant een afgeschoten pijl of een naar beneden
-stootenden vogel te zien. Ook deze apen kunnen onder het springen de
-eerst ingeslagen richting nog veranderen en den sprong plotseling
-afbreken, door den eersten den besten tak te grijpen, zich daaraan vast
-te klemmen, er aan te schommelen, te wiegelen en er eindelijk bij op te
-klimmen, ’t zij om eerst even te rusten, ’t zij om terstond weder van
-voren aan te beginnen.
-
-Niet zelden springen zij op deze wijze achtereenvolgens drie-, vier-,
-vijfmalen door de lucht, zoodat het den schijn heeft alsof de
-zwaartekracht voor hen niet bestond. Even gemakkelijk als zij klimmen,
-even moeilijk valt hun het gaan. Sommige andere menschapen kunnen
-zonder groote inspanning in opgerichten stand, dus alleen op de voeten
-een vrij grooten afstand afleggen; echter, indien zij wat haastig
-willen loopen, vallen ze weêr voorover, en waggelen nu op handen en
-voeten verder, hierbij steunende op de omgebogen vingerknokkels en den
-buitenkant der voetzolen, terwijl zij het lichaam, dat als een logge en
-zware massa tusschen de omhoogstaande armen schommelt, als het ware
-vooruitwerpen.
-
-De gibbons echter bewegen zich alleen in geval van nood op deze wijze
-en dan nog meer springend dan loopend; daarentegen leggen zij veel
-korter afstanden af als zij zich in hun volle lengte oprichten, om, met
-uitgeslagen armen zich in evenwicht houdende, de duimen zoover mogelijk
-uitspreidende, met kleine, snel opeenvolgende schreden allerdroevigst
-voort te strompelen. Hunne bewegingen moeten dus eenzijdig genoemd
-worden; want, wat zij in vaardigheid in ’t klimmen boven de andere
-menschapen vooruit hebben, verliezen zij weder ten aanzien van hunne
-hulpeloosheid op den vlakken grond.
-
-De stem der menschapen is onze aandacht ten volle waard. Wij vinden
-n.l. dat de levendigste en vlugste soorten der groep ook de luidste
-stem bezitten, terwijl daarentegen de menschapen, welke meer veelzijdig
-ontwikkeld zijn, alhoewel hunne levendigheid bij die der anderen
-achterstaat, met een meer rijk geluid begiftigd zijn. Ik zeg niet te
-veel, wanneer ik beweer, dat ik nooit van eenig zoogdier, natuurlijk
-den mensch uitgezonderd, eene stem heb gehoord, die voller van toon en
-welluidender in mijn oor heeft geklonken dan die van de door mij in
-gevangen staat waargenomen langarmapen. Aanvankelijk was ik verbaasd,
-later verrukt over deze uit diepe borst, met volle kracht uitgestooten,
-eer aangenaam dan onaangenaam klinkende, zuivere, ronde tonen. Bij
-zekere soort begint het verklinkend geroep, dat ik liever een gezang
-dan een geschreeuw wil noemen, met den grondtoon E en klimt door alle
-toonen van de chromatische ladder een octaaf omhoog, om met een gillend
-geluid te eindigen, in hetwelk het dier al zijn kracht schijnt te
-vereenigen. De grondtoon blijft steeds hoorbaar en dient als voorslag
-voor elke volgende noot, die bij het klimmen altijd langzamer, bij het
-dalen altijd sneller en eindelijk zeer snel op de voorgaande volgt. Zij
-worden evenwel met evenveel regelmaat als schielijk voorgedragen.
-Enkele soorten moeten minder zuivere tonen voortbrengen, maar toch
-roepen allen zoo luid, dat men ze in de open lucht wel een engelsche
-mijl ver, duidelijk kan hooren. Dezelfde afhankelijkheid tusschen
-bewegingsvermogen en stem merken wij op bij andere menschapen. Van de
-zich zoo langzaam bewegende en droefgeestige orang-oetans heeft men,
-voor zoover mij bekend is, nog nimmer een ander geluid vernomen dan een
-krachtig, laag keelgeluid; de vroolijke, bewegelijke en wakkere
-chimpanzee daarentegen weet in de weinige geluiden, over welke hij te
-beschikken heeft, zulk een afwisselenden klank te leggen, en er zulk
-eene verstandelijke uitdrukking aan te geven, dat men geneigd wordt
-dezen aap een taal toe te kennen. Met woorden spreekt hij weliswaar
-niet, maar hij doet zulks met geluiden, zelfs met sylben, over welker
-zich steeds gelijk blijvende beteekenis elke waarnemer, die geruimen
-tijd met hem verkeerde, niet in twijfel kan staan. Geen andere
-menschaap komt den chimpanzee hierin nabij.
-
-Wie uit eigen ervaring de hoogte wil leeren kennen, tot welke het
-intellekt van een aap zich kan verheffen, kan niet beter doen dan den
-chimpanzee of een van diens allernaaste verwanten tot het voorwerp
-zijner waarneming te maken, en geruimen tijd op intiemen voet met hem
-te verkeeren, even gelijk ik heb gedaan. Men zal dan met verwondering
-en verbazing, misschien wel niet zonder zekere huivering ervaren, hoe
-klein de klove kan worden, die den mensch van de apen scheidt. Ook de
-andere menschapen zijn zeer verstandige dieren; ook zij overtreffen in
-alle opzichten alle andere apen, doch deze talenten komen echter noch
-bij de gibbons, noch bij de orang-oetans tot zulk een algemeen
-verstaanbare uitdrukking, of springen zoo sterk in ’t oog als bij
-eerstgenoemden.
-
-Deze pongo’s—de gorilla, tschego en chimpanzee—kan, mag men niet meer
-als dieren behandelen; men moet veeleer met hen verkeeren als waren het
-menschen, wil men hunne geestesgaven naar eisch leeren kennen en
-waardeeren. Hun verstand staat weinig lager dan dat van een ruw,
-onwetend, onbeschaafd mensch. Zij zijn en blijven dieren, maar zij
-handelen zoo menschelijk, dat men het dier in hen vergeet.
-
-Ik heb jaren lang chimpanzee’s verzorgd, hen nauwkeurig en
-onbevooroordeeld gadegeslagen, en veel en intiem met hen verkeerd; ik
-heb hen in mijne familie opgenomen, ze gemaakt tot speelkameraads
-mijner kinderen, aan mijn tafel laten eten, hen onderwezen, ja
-letterlijk opgevoed; ik heb ze in ziekten opgepast en in hun
-stervensuur niet verlaten; ik mag dus aannemen, dat ik deze dieren
-althans zoo goed ken als iemand anders en dus in staat ben een juist
-oordeel te vellen. Om al deze redenen kies ik den chimpanzee tot
-voorbeeld, teneinde u duidelijk te maken tot welk een hoogte een dier
-geestelijk kan klimmen.
-
-De chimpanzee is niet alleen een der verstandigste schepselen, maar ook
-een nadenkend, overleggend wezen. Al zijn handelingen getuigen van
-bewustzijn en overleg. Hij bootst na, maar met verstand en oordeel; hij
-laat zich onderwijzen en leert. Hij is zichzelf bewust en draagt kennis
-van zijn omgeving, alsmede van de plaats, die hij inneemt. In den
-omgang met den mensch onderwerpt hij zich aan dezen als aan eene boven
-hem staande geestelijke meerderheid; in het verkeer met dieren geeft
-hij blijk van hetzelfde bewustzijn van eigen persoonlijkheid als de
-mensch. Wat in dit opzicht bij andere apen slechts flauw te voorschijn
-treedt, is bij den chimpanzee duidelijk uitgedrukt. Hij houdt zich voor
-beter en meerder dan andere dieren, zelfs dan andere apen; hij maakt
-onderscheid tusschen menschen en menschen; hij behandelt b.v. kinderen
-geheel anders dan volwassenen; voor de laatsten heeft hij ontzag, de
-eersten behandelt hij ongeveer als zijns gelijken. Hij geeft zijn
-medelijden te kennen ten aanzien van dieren, met welke hij geen
-vriendschap sluiten of andere betrekkingen aanknoopen kan, en eveneens
-met voorwerpen, die zijn natuurlijke behoeften niet kunnen bevredigen,
-want hij is niet enkel nieuwsgierig, maar tevens weetgierig. Elk
-voorwerp, dat zijne opmerkzaamheid trok, wint bij hem in waarde,
-wanneer het hem eenig voordeel kan schenken. Hij kan besluiten trekken,
-het een uit het ander afleiden, en weet vroegere ervaringen doelmatig
-over te dragen op nieuwe verhoudingen; hij is listig, ja doortrapt
-slim, heeft geestige invallen en veroorlooft zich grappen, laat van
-luim en humeur blijken, vindt het eene gezelschap onderhoudend, het
-andere vervelend, leent het oor aan passende scherts, maakt zich boos
-over minder gepaste, is eigenzinnig, ofschoon niet koppig, goedaardig,
-maar gooit zichzelf niet weg. Zijn gevoel drukt hij uit als een mensch.
-Is hij welgemoed, hij glimlacht, is hij bedrukt, zijn gezicht trekt
-zich in plooien, die op zichzelf reeds genoeg te kennen geven, maar
-waaraan hij door een klagend geluid nog nadere verklaring toevoegt; in
-ziekten stelt hij zich aan als een wanhopige, vertrekt het gezicht,
-schreeuwt, werpt zich op den rug, slaat met handen en voeten om zich
-heen en rukt zich de haren uit. Een vriendelijken groet beantwoordt hij
-met geluiden, die tevredenheid uitdrukken, barsche woorden door zulke,
-die leedgevoel te kennen geven. Van den morgen tot den avond is hij in
-de weer, hij zoekt steeds bezigheid en bedenkt iets nieuws, wanneer de
-gewone handelingen en oefeningen zijn afgeloopen, al zou hij ook niets
-anders doen dan met de handen tegen de voeten slaan, of, door op holle
-klankgevende lichamen te kloppen allerlei geluiden te voorschijn
-roepen, die hem zichtbaar genot verschaffen. In de kamer houdt hij zich
-onledig met het onderzoeken van alle mogelijke voorwerpen; hij opent
-schuifladen en keert den inhoud om, ziet naar het vuur, nadat hij het
-kacheldeurtje eerst heeft open gemaakt, om het daarna ook weder te
-sluiten; hij hanteert een sleutel gelijk het behoort, gaat voor den
-spiegel staan en aanschouwt met blijkbaar welbehagen zijn eigen
-beeltenis, en meteen de gebaren en grimassen, die hij daarbij maakt;
-hij gebruikt bezems en dweilen, zooals men hem geleerd heeft, hult zich
-in dekens en kleedingstukken, enz.
-
-Hoe juist hij waarneemt blijkt uit zijn bijna altijd rechtvaardig
-oordeel ten aanzien van menschen. Hij kent en onderscheidt niet alleen
-zijn vrienden van andere lieden, maar zelfs goedgezinde van
-kwaadgezinde menschen, en zulks zoo scherp, dat de oppasser van zekeren
-chimpanzee overtuigd was iederen mensch, dien deze aap van zich stiet
-als een deugniet of booswicht te mogen beschouwen. Zeker doortrapt en
-geslepen huichelaar, die mijzelf en anderen wist te misleiden, was mijn
-chimpanzee van den beginne af een gruwel, even alsof hij den
-roodharigen schurk van het eerste oogenblik af had doorgrond.
-
-Een chimpanzee, met wien men zich veel bezighoudt, verkeert het liefst
-in den huiselijken kring. Hier doet hij, alsof hij zich onder zijns
-gelijken bevindt. Hij let nauwkeurig op alle huiselijke gewoonten,
-merkt terstond op of men hem gadeslaat of niet, doet in het eerste
-geval wat men verlangt, en in het tweede wat hemzelf behaagt. Spelende
-leert hij, en daarbij betoont hij den grootsten ijver, dus geheel
-anders dan andere apen. Men kan hem leeren rechtop aan tafel te zitten,
-bij ’t eten mes, lepel en vork te gebruiken, uit een glas of een kopje
-te drinken, de suiker in het kopje om te roeren, met zijn buurman te
-klinken, het servet te gebruiken, enz. Even gemakkelijk gewent hij zich
-aan kleedingstukken, dek en bed; zonder veel moeite eigent hij zich een
-deel der menschelijke taal toe, beter nog dan de best opgevoede hond,
-daar hij zich niet enkel naar den klank der woorden richt, maar tevens
-naar hunne beteekenis, en bepaalde lastgevingen en bevelen juist
-uitvoert. Uiterst gevoelig voor liefkoozingen en vleierij, zelfs voor
-loftuitingen, evenzeer voor een onvriendelijke behandeling of
-berisping,—is hij tevens vatbaar voor de levendigste dankbaarheid en
-ook al heeft men hem daartoe niet afgericht, geeft hij zulks te kennen
-met handdruk of kus. Van kinderen houdt hij ongemeen veel. Uit zijn
-aard niet humeurig, evenmin boosaardig, behandelt hij kinderen, zoo
-lang deze hem niet plagen, altijd zeer vriendelijk, kleine, nog
-hulpelooze wichtjes zelfs met eene waarlijk roerende teederheid; in het
-verkeer met anderen zijner eigen soort, met andere apen of andere
-dieren daarentegen kan hij niet zelden ruw en onvriendelijk worden. Ik
-breng dezen karaktertrek, dien ik bij alle door mij verzorgde
-chimpanzees heb opgemerkt, daarom onder de aandacht, dewijl men hieruit
-kan zien, hoe deze aap zelfs in het kleinste kind een mensch herkent en
-waardeert.
-
-Roerend is het gedrag van een zieken, zwaar lijdenden menschaap.
-Smeekend, klagend, waarlijk menschelijk, ziet hij zijn oppasser aan,
-ontvangt elk hulpbetoon, iederen dienst met innige dankbaarheid en ziet
-alras in den geneesheer zijn weldoener, reikt dezen den arm of steekt
-op diens verlangen de tong uit, ja doet zulks bij een herhaald bezoek
-van den geneesheer reeds uit zichzelf; hij neemt gewillig de
-geneesmiddelen in en staat zelfs toe dat de chirurg hem opereert; in
-één woord, hij handelt als een ziek en geduldig mensch. Naarmate zijn
-einde nadert wordt hij zachter gestemd, treedt het dierlijke meer op
-den achtergrond en komen de meer edele trekken van zijn wezen meer te
-voorschijn.
-
-De chimpanzee, dien ik het langst verpleegde en met behulp van een
-verstandigen en dierenlievenden geneesheer op het zorgvuldigst
-verzorgde, kreeg eene longontsteking, gepaard met eene verettering der
-lymphklieren van den hals. Chirurgische behandeling bleek noodzakelijk.
-Twee artsen, die met mij en mijn chimpanzee bevriend waren, namen op
-zich het halsgezwel te openen; dit bleek te meer noodzakelijk daar de
-aap zelf hierin de oorzaak zijner kwaal zocht en al aanstonds de hand
-des onderzoekers op die plaats bracht. Maar hoe de snede aan de
-gevaarlijke plek uit te voeren, zonder het dier in gevaar te brengen?
-Verdoovende middelen konden niet toegepast worden wegens de zieke
-longen, en elke poging, om den chimpanzee door eenige sterke mannen
-vast te houden moest opgegeven worden, daar het in hoogen graad
-opgewonden dier hevigen tegenstand bood. Wat geweld niet vermocht,
-bewerkte overreding. Door minzame toespraken en liefkoozingen van de
-zijde zijns oppassers weder tot rust gebracht, liet de aap nogmaals
-gewillig toe, dat het halsgezwel werd onderzocht, en zonder een ooglid
-te vertrekken, veroorloofde hij den geneesheer nu het mes te gebruiken;
-zonder eenige klacht te uiten doorstond hij alle verdere
-kunstbewerkingen, zelfs de zoo pijnlijke ontlasting van het geopend
-gezwel. De belemmerde ademhaling werd weêr vrij; een niet te miskennen
-uitdrukking van verlichting kwam op het gelaat des lijders, dankbaar
-reikte hij dan beide geneesheeren de hand, en omhelsde blijde zijn
-oppasser—niemand echter had hem tot het een zoo min als het andere
-aangespoord!
-
-Helaas, het leven des diers bleef niet gespaard. De halswond genas,
-maar de longontsteking nam toe en werd eene oorzaak des doods. Met
-volle bewustzijn gaf hij den geest, zacht en kalm, niet gelijk een
-dier, maar zooals een mensch sterft.
-
-Dit zijn karaktertrekken uit het leven en gedrag van een menschaap,
-wier beteekenis noch verkleind, noch misduid kan worden. Bedenkt men
-daarbij, dat deze karaktertrekken aan alle nog niet volwassen, maar op
-kinderlijken leeftijd staande apen konden afgeluisterd worden, dan
-wordt men wel genoodzaakt aan deze dieren een zeer hooge plaats in te
-ruimen. Want de door den een of anderen onbevoegden waarnemer
-uitgesproken, en door honderden gedachtenloos nagesproken bewering, dat
-de aap met toenemenden leeftijd geestelijk achteruitgaat is niets
-anders dan een grove leugen, die onmiddellijk weerlegd wordt door
-iederen van zijn jeugd af tot zijn rijperen leeftijd toe goed en
-onbevooroordeeld gade geslagen aap. Al wisten wij van volwassen
-menschapen ook verder niets anders dan deze twee feiten, 1o. dat zij
-eer huizen dan nesten bouwen, en 2o. dat zij holle boomen als trom
-gebruiken, om daarop voor hun vermaak te trommelen, dan reeds zou zulks
-genoeg zijn om ons tot hetzelfde besluit te leiden, als waartoe de
-jonge, door ons verzorgde apen dezer groep ons hebben gebracht. M.a.w.
-om in dezen de meest hoogbegaafde dieren en onze eigene allernaaste
-bloedverwanten te zien.
-
-En nu de apenvraag? Ik zou mogen aannemen, dat ik deze vraag in
-bovenstaande regelen reeds voldoende heb beantwoord; toch wil ik gaarne
-mijne opvatting nog iets breeder ontwikkelen.
-
-Een iegelijk moet toestemmen, dat de mensch geen vertegenwoordiger is
-van een bijzonder natuurrijk; hij is slechts een lid van het dierenrijk
-en nu is het voor iederen onbevooroordeelde duidelijk, dat de apen onze
-naaste verwanten zijn. Vergelijkt men de apen onderling en met de
-menschen, dan komt men onvermijdelijk tot de overtuiging, dat het
-verschil tusschen de klauwapen en de menschapen grooter is dan tusschen
-deze laatsten en den mensch. In dierkundigen zin kan men dus zelfs niet
-eens aan de menschen en de apen eene plaats in verschillende orden van
-de klasse der zoogdieren aanwijzen. Men heeft zulks toch gedaan en doet
-zulks nog, en noemt de menschen tweehandig, de apen vierhandig, maar
-hierbij zag men het gewichtigste kenmerk der zoogdieren, het gebit,
-over het hoofd. Het gebit van apen en menschen is werkelijk zoo zeer
-aan elkander gelijk, dat dit kenmerk ons dwingt beiden in eene en
-dezelfde afdeeling te plaatsen. Bovendien zijn ook de bepalingen twee-
-en vierhandig niet juist; wel bieden de menschen en apen groote
-verschillen aan, wat den bouw hunner handen en voeten betreft, maar zij
-vormen daarom nog geen tegenstellingen; de apen zijn even goed
-tweehandig als wij. Wil men ter plaatsbepaling van menschen en apen
-dezelfde wetten toepassen, die men zonder uitzondering elders in het
-dierenrijk aanwendt, dan wordt men gedwongen beide in dezelfde orde te
-vereenigen. Ik heb ze den naam van „primaten,” of eersten, gegeven.
-
-De overeenstemming evenwel, wat de kenteekenen der orde aangaat, moge
-nu bij alle primaten aan geen bedenking onderhevig zijn, toch blijken
-er bij eene nauwkeurige beschouwing van menschen en apen verschillen te
-bestaan, die eene innige versmelting wederom beletten. De
-evenredigheden in vormen, de betrekkelijke mindere lengte der armen, de
-breedte en groote bewegelijkheid der handen, de lengte en kracht der
-beenen, de platte voetzolen, de naakte huid en vooral de mindere
-ontwikkeling der hoektanden, zijn lichamelijke kenmerken der menschen,
-wier waarde men niet te gering moet schatten, ja, die belangrijk genoeg
-zijn om beiden althans tot verschillende familiën te brengen, zoo niet
-tot twee verschillende onderorden. Trekt men verder nog den meerderen
-aanleg van den mensch in den kring der beschouwingen, vergelijkt men
-zijn bewegingen, zijn gearticuleerde spraak, zijn geestelijke vermogens
-met de overeenkomende fakulteiten der apen, dan voorzeker gevoelt men
-zich nog meer gedrongen tot bovengenoemde onderscheiding.
-
-Blinde aanhangers der evolutieleer, door Darwin gegrondvest en door
-anderen verder uitgewerkt, overschrijden gedachtenloos die grenzen; wie
-nadenkt kan zich niet aan hunne zijde scharen. Hoe bevredigend, om zoo
-te zeggen hoe waarschijnlijk de Darwinistische leer ook zijn moge, meer
-dan eene zinrijke hypothese is zij tot dusverre niet, en onomstootbare
-bewijzen voor hare waarheid kon zij tot heden niet bijbrengen.
-Veranderlijkheid der rassen en variëteiten kan men bewijzen en zelfs in
-’t leven roepen, de omvorming van de eene soort in eene andere werd tot
-nog toe voor geen enkel geval bewezen. En zoolang laatstgenoemd bewijs
-nog niet is geleverd, zoo lang behouden wij ook het recht menschen en
-apen als van elkander verschillende wezens te beschouwen en de
-afstamming van den een uit den ander te ontkennen. Elke poging om een
-gemeenschappelijken voorvader te ontdekken, elke poging om een stamboom
-van den mensch te ontwerpen, kan hierin niets veranderen, want de ware
-natuurwetenschap vergenoegt zich niet met verklaringen, maar verlangt
-bewijzen; zij wil niet gelooven, maar weten.
-
-En zoo mogen wij dan onbekommerd aan de apen die plaats inruimen, die
-het onbevooroordeeld onderzoek hun in de rij der dierlijke wezens
-aanwijst. Als de op ons het meest gelijkende dieren, of als onze naaste
-verwanten in dierkundigen zin mogen wij hen beschouwen, maar meerdere
-rechten ontzeggen wij hun te eenenmale. Veel, wat den mensch geschonken
-werd, viel ook hun ten deel; van het werkelijke menschdom scheidt hen
-nog eene breede klove. Veel van den mensch, maar niet de geheele mensch
-werd in hen belichamelijkt en vergeestelijkt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-KARAVANEN EN WOESTIJNREIZEN.
-
-
-Aan den zoom der woestijn, onder de schaduw van een palmboschje, staat
-eene kleine tent. Een aantal kisten en balen liggen in bonte
-afwisseling rondom die tent op elkander gestapeld. Iets verder naar
-buiten staan, zitten en liggen eenige Nubische knapen, feestelijk
-uitgedost, d.w.z. versch met huidzalf ingesmeerd.
-
-Binnen in de tent verwijlen ettelijke reizigers, die per Nijlbark tot
-hier kwamen en van plan zijn een grooten boog af te snijden van den
-Nijl, die van deze plaats af vol klippen en stroomversnellingen is,
-m.a.w. zij willen door de woestijn trekken, die gedeeltelijk door
-genoemden stroom wordt ingesloten.
-
-Het is middag. De zon staat bijna loodrecht boven de tent aan een
-wolkenloozen, donkerblauwen hemel; haar brandende stralen schieten
-haast ongehinderd door het losse gebladerte der dadelpalmen. Een
-zengende hitte drukt de vlakte tusschen den stroom en de woestijn; de
-luchtlagen sidderen en golven over den verhitten grond, zoodat alle
-voorwerpen eene verwrongen gedaante aannemen en zich hullen in een
-dicht nevelwaas.
-
-Aan den horizon wordt eene ruiterbende zichtbaar, die uit de woestijn
-te voorschijn kwam en rechtstreeks den weg inslaat naar de tent, zonder
-acht te geven op het meer landwaarts in gelegen dorp. Donkerbruine,
-armoedig gekleede mannen, bij de palmen aangeland, stijgen van hun
-magere, maar niettemin edele paarden. Een hunner nadert de tent en
-treedt met de majesteit eens konings naar binnen. Het is het opperhoofd
-der kameeldrijvers (Scheik el Djemali), tot wien wij—de straks bedoelde
-reizigers—eene boodschap hadden gezonden, ten einde hem te verzoeken
-ons van de benoodigde dragers, drijvers en kameelen te voorzien.
-
-„Heil zij u!” zegt hij bij het binnenkomen en brengt bij dien groet de
-hand naar mond, voorhoofd en hart.
-
-„Heil, ook u o Scheik! met u, de genade Gods en Zijn zegen!” luidt
-antwoord.
-
-„Groot was mijn verlangen, u te zien, o vreemdelingen, en uwe wenschen
-te vernemen,” aldus verzekert hij, middelerwijl zich neêrlatende op het
-kussen naast ons, en wel ter rechterzijde, op de eereplaats.
-
-„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen, o Scheik, en u
-zegenen!” geven wij tot antwoord, terwijl wij aan onze bedienden
-gelasten hem nog vóór ons zelf van versch aangestoken pijpen en koffie
-te voorzien.
-
-Met half dichtgeknepen oogen laaft hij zijn sterfelijk lichaam aan de
-koffie, en zijn onsterfelijke ziel aan de pijp; in dikke wolken hult
-hij zijn achtbaar hoofd. Een bijna ademlooze stilte heerscht in de
-tent, die bewierookt wordt door den geur der kostelijke Djebeli-tabak,
-terwijl een lichte, aangename rook de ruimte opvult; eindelijk, meenen
-wij, kunnen, zonder ons aan onhoffelijkheid schuldig te maken, de
-onderhandelingen, het doel van de komst des scheiks, een aanvang nemen.
-
-„Hoe is het met u, o Scheik?”
-
-„De Gever alles goeds zij geprezen!—zeer goed, om u te dienen. En hoe
-gaat het met u?”
-
-„Den Heer der wereld zij roem en eere; ik ben zeer wel. Groot was ons
-verlangen, u te zien, o Scheik!”
-
-„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen en u zegenen! Is uw
-gezondheid geruststellend?”
-
-„Allah en zijn profeet,—Gods genade over hem,—mogen geprezen zijn.”
-
-„Amen, het zij zoo, gelijk gij gezegd hebt.”
-
-Nieuwe pijpen verkwikken de onsterfelijke ziel; nieuwe, eindelooze
-beleefdheidsbetuigingen worden gewisseld; daarna eindelijk veroorlooft
-de étiquette, zaken te behandelen.
-
-„O Scheik, ik wil met de hulp des Albarmhartigen de woestijn
-doortrekken.”
-
-„Moge Allah u geleiden!”
-
-„Zijt gij in ’t bezit van rij- en lastkameelen?”
-
-„Ik ben het! Bevindt gij u wel, mijn broeders?”
-
-„De Verhevene zij geloofd; het is gelijk gij zegt. Hoeveel kameelen
-kunt gij mij verschaffen?”
-
-Inplaats van te antwoorden, blaast de Scheik dikke rookwolken uit en
-eerst nadat ik mijne vraag herhaald heb, legt de man voor een paar
-oogenblikken de pijp uit den mond en zegt zoo plechtig mogelijk: „Heer,
-het aantal kameelen van Beni Said kent Allah alleen; een zoon Adams
-heeft ze nog nimmer geteld!”
-
-„Zeer goed, zend mij dan vijf en twintig dieren, waaronder zes
-rijkameelen. Verder heb ik nog tien groote zakken noodig.”
-
-De Scheik rookt op nieuw zonder te antwoorden.
-
-„Zult gij ze mij zenden, de verlangde dieren?” herhaalde ik dringender.
-
-„Ik zal het doen, om u te dienen; maar hun eigenaars vragen hooge
-prijzen.”
-
-„En welke?”
-
-„Ten minste het viervoudige van de gewone loonen en huren wordt
-gevraagd.”
-
-„Maar Scheik, Allah, de Verhevene moge u gunstiger stemmen; dat zijn
-eischen, die niemand zal inwilligen. Loof den profeet!”
-
-„God, de Behoeder van al wat leeft, zij geprezen en zijn gezant zij
-geprezen! Gij dwaalt, mijn vriend; de koopman, die ginds is gelegerd,
-heeft mij het dubbele geboden van wat ik vraag. Alleen mijne
-vriendschap voor u deed mij zulke geringe eischen stellen.”
-
-Te vergeefs blijkt alle loven en bieden, nutteloos blijken alle verdere
-onderhandelingen. Versche pijpen worden gebracht en gerookt, nieuwe
-hoffelijkheden gewisseld, de naam van Allah en diens profeet wordt van
-weêrszijden misbruikt, de gezondheidstoestand wederkeerig op het
-nauwkeurigst vastgesteld, tot eindelijk de westerling het geduld
-verliest en de aangeleerde zeden wijken voor de aangeboren gewoonten.
-
-„Weet dan Scheik, dat ik in het bezit ben van een geleibrief van den
-Khedive alsmede van Scheik Soliman; hier zijn beide: wat eischt gij
-nog?”
-
-„Maar heer, wanneer gij een geleibrief hebt van Zijne Hoogheerlijkheid,
-waarom eischt gij niet het hoofd van uw slaaf? Dit is tot uwen dienst
-en evenzeer tot den Zijnen. Uwe wenschen draag ik op mijn oogen en op
-mijn hoofd. Gij beveelt—uw slaaf gehoorzaamt. De prijzen der regeering
-kent gij. Allahs zegen vergezelle u; morgen zend ik u mannen, dieren en
-zakken.”
-
-De vreemdeling, die in de meening verkeert dat hiermede alle
-toebereidselen tot de woestijnreis afgeloopen zijn, zou daarmede
-toonen, geen begrip te hebben van de zeden en gewoonten des volks. Niet
-den volgenden dag, gelijk beloofd werd, verschijnen de gehuurde
-drijvers en dieren, maar eerst in den namiddag komen deze van
-lieverlede opdagen, en niet op den volgenden morgen kan aan het
-opbreken gedacht worden, maar ten hoogste eerst tegen den tijd van het
-namiddaggebed van den volgenden dag. „Bukra inschallah”—„morgen zoo God
-wil” is het wachtwoord en hiertegen valt niet te redeneeren. Inderdaad
-is er nog veel te doen, veel te regelen, veel in orde te brengen,
-alvorens de reis een aanvang kan nemen.
-
-Een bont en levendig tooneel ontvouwt zich in den omtrek der tent.
-Tusschen de bagage beweegt zich eene schare uitgedroogde zonen der
-woestijn. Zij schreeuwen ontzaggelijk veel—maar voeren ondertusschen
-bitter weinig uit. De op elkander gestapelde kisten en pakken worden
-uit elkander gehaald, opgebeurd, gewogen, nauwkeurig in omvang en
-gewicht onderzocht, onderling vergeleken, weder bijeengezet en nogmaals
-uit elkander gehaald. De eene kameeldrijver poogt den ander te
-bedotten, ten einde de lichtste waren voor zichzelf te behouden; het
-wordt een algemeen krakeel, een schreeuwen en schelden, een zweren en
-vloeken, een bidden en verwenschen. Ook de kameelen, denkende aan
-hetgeen hun beidt, doen vlijtig meê; en wanneer zij werkelijk, in
-plaats van te brullen, te steunen, te brommen en te klagen, een
-oogenblik het stilzwijgen bewaren, dan beteekent dit slechts: onze tijd
-is nog niet gekomen, maar zal toch eenmaal aanbreken! Maar de kameelen
-mogen meedoen of niet, dit is zeker: de ooren van den westerling worden
-gemarteld, ja verscheurd door de mengeling van stemmen en kreten, die
-alle tegelijk door de lucht weêrklinken. Uren lang duurt dat gewemel,
-dat geharrewar, dat geraas, en eerst wanneer men het eindelijk over de
-lading eens is geworden, of wellicht het getwist moe werd, is het
-voorspel ten eind.
-
-Na het sluiten van den vrede begint men de meêgebrachte vezels van den
-dadelpalm in een te draaien om er strikken en touwen van te maken; nu
-worden de kisten en balen op vernuftige wijze met deze koorden
-omwonden, en worden er lussen aan gemaakt, om twee pakstukken even snel
-aan het kameelzadel te kunnen vasthechten als er weder van los te
-maken, men herstelt nog ijlings de medegebrachte netten, wier
-bestemming is de kleinere pakjes in zich op te nemen, en wendt zich
-daarna tot de groote en kleinere lederen zakken om deze te onderzoeken,
-en zoo noodig, ook nog in de haast wat op te kalfateren en met eene
-stinkende, uit het zaad van kolokwinten bereide teer van buiten in te
-smeren. Het in de zon gedroogde vleesch wordt ook nog eens aan een
-zorgvuldig onderzoek onderworpen, men vult eenige uit boombast
-vervaardigde zakken met kafferkoren of doerra, andere met houtskolen,
-nog andere met kameelenmest, spoelt de lederen zakken van buiten af,
-vult ze met frisch water en besluit den langdurigen arbeid met een
-algemeen, op lagen toon uitgestooten „El hamdu lillahi”—God zij dank!
-
-Al deze toebereidselen worden geleid door den Chabir of aanvoerder der
-karavane. Al naar de belangrijkheid van den tocht neemt deze eene
-lageren of hoogeren rang in, maar steeds moet hij zijn, wat zijn naam
-uitdrukt: een kundig man, iemand, met den weg en alle voorkomende
-omstandigheden vertrouwd. Van beproefde ervaring, rechtschapen,
-verstandig, moedig, dapper, deze eigenschappen zijn de noodzakelijke
-vereischten voor zijn moeilijk, soms gevaarlijk ambt. Hij kent de
-woestijn even als de schipper den Oceaan, is vertrouwd met de sterren,
-in elke oase, en aan elke bron tehuis, welkom in de tent van iederen
-Bedoeïnen- of trekherdershoofdman, onuitputtelijk in middelen om de
-gevaren en bezwaren van den tocht te boven te komen, weet slangenbeten
-en schorpioensteken onschadelijk te maken of althans de smarten der
-gewonden te verzachten, hanteert het oorlogswapen even vaardig als het
-jachtgeweer, heeft het woord van den profeet op de lippen en in het
-hart, spreekt de „Fatiha” telkenreize, als men weêr opbreekt, is
-Moeeddin en Imam op de voorschreven tijden,—met één woord, hij is het
-opperhoofd van het veelledig lichaam, dat de woestijn doortrekt. In die
-woeste gedeelten, waar niets den weg aanduidt, dien andere karavanen
-hebben gevolgd, waar achter de verzenen van den laatsten kameel de wind
-elk spoor uitwischt van al de vorigen, ontdekt hij teekens, die niemand
-anders ziet, en vindt hij den rechten weg. Wanneer de droge,
-onheilbrengende woestijndamp het licht der sterren verduistert, gaat
-voor hem eene geestelijke ster op; hij keurt het zand, meet deszelfs
-golven, merkt de richting en ondervraagt den grashalm naar de
-hemelstreek. Blindelings volgt hem de geheele karavaan, en vol
-vertrouwen stelt de reiziger zijn lot in diens handen. Overoude,
-gedeeltelijk zeer eigenaardige, nimmer beschreven en toch een ieder
-bekende wetten stellen hem verantwoordelijk voor het welgelukken der
-reis, voor het leven der afzonderlijke personen, wanneer althans geen
-beschikkingen van het noodlot, waartegen niemand iets vermag, hier
-hinderend in den weg treden.
-
-In het heilig uur, omstreeks het namiddaggebed, stelt zich de
-aanvoerder voor het aangezicht der reizigers en drijvers, om hen aan te
-kondigen, dat alles gereed is, zoodat men op kan breken. De bruine
-mannen verspreiden zich ijlings in alle richtingen om de kameelen op te
-vangen, deze te zadelen en te beladen. Vol tegenzin gehoorzamen deze
-dieren, die er een voorgevoel van schijnen te hebben wat hun wacht. Een
-aantal moeilijke dagen teekenen zich met schrille kleuren voor hun
-geest af. Thans is hun tijd gekomen. Brullend, schreeuwend, knorrend,
-laten zij zich op de saamgebogen voorste ledematen neder, hiertoe door
-hun gebieders aangemaand met ettelijke onverstaanbare keelgeluiden en
-zachte zweepslagen; brullend onderwerpen zij zich, wanneer de last op
-den bultigen rug wordt gelegd; brullend staan zij op, wanneer de hun
-toegedachte last is ontvangen. Velen verzetten zich door te slaan en te
-bijten tegen het beladen, en er behoort inderdaad een onuitputtelijk
-geduld toe, zulke weêrbarstige schepsels tot rede en plicht te brengen.
-Maar geduld en takt behalen zelfs de overwinning op kameelen. Op
-hetzelfde oogenblik dat het dier zal gaan knielen, treedt een der
-drijvers op de saamgebogen voorpooten en grijpt snel het bovendeel van
-den getanden bek om door een druk op den neus elk oogenblik de
-ademhaling te kunnen beletten; twee anderen beuren den aan beide kanten
-gelijk verdeelden last op het draagzadel, terwijl een vierde de
-hechtpennen door de lissen schuift. Het dier is bevracht nog voor het
-recht tot bezinning is gekomen. Zijn alle kameelen beladen, dan vangt
-de reis aan.
-
-Maar nu worden ook de uitstekend gezadelde rijdieren voorgebracht.
-Iedere reiziger bevestigt de voor hem onontbeerlijkste
-reisbenoodigdheden en wapenen op en aan het hooge, komvormige, voor den
-bult aangebrachte zadel, en maakt zich gereed zijn rijdier te
-beklimmen. Voor den nieuweling is zulks gewoonlijk noodlottig. Men moet
-met een forschen sprong in het zadel springen en de kameel staat op
-zoodra de ruiter het zadel aanraakt. Ruksgewijze staat het dier op,
-eerst steunende op het handgewricht, dan op de lange achterpooten en
-daarna op de voorpooten. Bij den tweeden ruk wordt de
-leerlingkameelrijder gewoonlijk uit het zadel geworpen, om zijne
-moeder, de aarde te kussen, of hij valt op den hals des diers, waaraan
-hij zich nu tracht vast te klemmen. Maar de kameel is veel te slecht
-van humeur dan dat hij zoo iets als eene grap of een ongeluk zou
-opvatten. Een boosaardige kreet ontsnapt aan zijne leelijke lippen; hij
-loopt met het aan zijn hals hangend, niet zeer benijdenswaard
-menschenkind snel weg, en schudt dien zoolang en zoo hevig, totdat
-ruiter en last beide zijn afgeworpen. Het duurt geruimen tijd voor de
-westerling heeft geleerd hoe het aan te leggen om vast in het zadel te
-blijven zitten terwijl het dier opspringt. Het middel evenwel is
-eenvoudig; men moet op het juiste oogenblik het bovenlichaam naar voren
-en naar achteren buigen.
-
-Wat ons betreft, wij werpen ons met de behendigheid van inboorlingen in
-het zadel, klappen met de zweep om het dier tot loopen aan te zetten,
-houden het door middel van een dunnen neustoom in bedwang, en snellen,
-den aanvoerder volgende, vooruit. Onze rijkameel, een slank, licht
-gebouwd, hoogbeenig dier, vervalt oogenblikkelijk in dien
-gelijkmatigen, aanhoudenden, wijdgestrekten en daardoor ongemeen
-vorderenden draf, waaraan men het van zijn jeugd af aan gewend
-heeft—waardoor het dan ook zich gunstig onderscheidt van alle andere
-lastdieren—en kleeft als het ware aan de voetzolen van zijn voorganger.
-
-De dieren strekken allen hun kleine koppen recht vooruit; vaardig en
-licht bewegen zich de pooten onder het lijf; een wolk van stof en
-steentjes wordt in de lucht geworpen. De boernoe’s fladderen in den
-wind; wapens en gereedschappen kletteren tegen elkander; een aansporend
-geroep weêrklinkt door de lucht—de reislust ontplooit de vleugels der
-ziel. Weldra is de vooruitgegane goederenkaravane ingehaald, weldra
-zijn de laatste sporen van menschelijke woonplaatsen uit het gezicht
-verdwenen, en naar alle zijden strekt zich de eindeloos schijnende
-woestijn uit.
-
-Van alle zijden scherp begrensd, bedekt dit uitgestrekte, eigenaardige
-rijk het grootste deel van Noord-Afrika, van de Roode zee tot den
-Atlantischen oceaan, van de Middellandsche zee tot de steppe, geheele
-landen in zich sluitende, vruchtbare landstreken omgevende,
-duizendvoudig afwisselende en in hoofdtrekken toch zichzelf gelijk
-blijvende. Dit wonderrijk gaat in vlakte-inhoud Duitschland negen- à
-tienmaal, de Middellandsche zee drie- à viermalen te boven. Geen
-sterveling heeft het voor goed doorvorscht, niemand heeft het nog in
-zijn geheel doorreisd; maar ieder inboorling, die het betrad en er een
-gedeelte van doortrok, werd tot het binnenste van zijn gemoed getroffen
-door deszelfs grootte en majesteit, door de bekoring en den schrik, die
-er van uitgaan; een ieder, tot den meest prozaïschen westerling, die er
-vertoefde, heeft zich den zengenden zonnegloed zijner dagen, den
-hemelschen vrede en de fantastische droombeelden zijner nachten, de
-tooverijen zijner verhitte, sidderende lucht, de vreeselijkheid zijner
-bergenbewegende stormen, onuitwischbaar, onuitdelgbaar in de ziel
-geprent, en velen verging het wellicht als de geboren zoon der
-woestijn—hij verlangde met smart naar haar terug te keeren; hij
-wenschte nog slechts eenmaal een enkelen dag, een enkel uur in haar te
-ademen, nog eenmaal in werkelijkheid de beelden te aanschouwen, de
-„onuitgesproken akkoorden” in de ziel doen sidderen, die de woestijn in
-de harten van dichterlijk gestemde menschen opwekt en te voorschijn
-roept; een innig heimwee beving zijn ziel.
-
-Werkelijk en waarachtig, zij is „El Bahhr bela maa”—de zee zonder
-water, een pendant van den Oceaan. Geenszins afhankelijk van dezen,
-gelijk de andere deelen der aardoppervlakte, want in haar gaat de macht
-van het levenwekkend en onderhoudend element te niet. „Het water
-omsluit rustig het al”—de woestijn alleen omsluit het niet. Over de
-geheele wereld dragen de winden de boden der zee, de wolken—maar deze
-verdwijnen voor de gloeihitte der woestijn. Zelden ziet men in haar een
-lichten, nauw waarneembaren nevel, zelden aanschouwt men er in den
-vroegen morgen op de bladeren den vochtigen adem van den nacht. Morgen-
-en avondrood zelfs zijn hier slechts een waas, dat terstond na zijn
-geboorte weder wordt opgelost. Overal, waar het water de heerschappij
-erlangt, herschept het de woestenij in een vruchtbaar landschap, al zij
-het nog zoo gering, maar op dezelfde plaats, waar dit eindigt, treedt
-wederom de andere scherp begrensd in ’t leven. Waar de laatste, door
-het menschelijk vernuft boven den stroomspiegel omhoog geheven golf van
-den goddelijken Nijl in het zand verdwijnt, verschijnt de woestijn; de
-eene voet des reizigers, die de richting naar de Nijlbergen inslaat,
-staat in het groene korenveld, de andere in de woestijn. Want het is
-niet zoo zeer het zand, dat den plantengroei belemmert, maar veeleer de
-verzengende, schroeiende hitte, die in dat zand heerscht. Op plaatsen,
-waar het vochtig wordt gehouden, waar nu en dan het water er overheen
-vloeit, vlijt zich zelfs midden in de woestijn een vriendelijk, groen
-tapijt over de anders dorre aarde, en ontspruiten ook daar struiken en
-boomen.
-
-Arm, onbegrijpelijk arm is de woestijn, maar dood daarom niet,
-allerminst voor hen, die er leven zoeken en dit weten op te sporen.
-Hij, die met een stompzinnig oog door de woestijn trekt, ziet voorzeker
-niets dan zandige vlakten en rotskegels, kale laagten en naakte
-gebergten, ziet wellicht zelfs de spaarzaam verspreide rietachtige
-grassen en struikachtige boomen der diepere kommen over ’t hoofd, en
-eveneens de weinige levende wezens, die ook hier nog verblijf houden;
-maar hij, die de kunst van zien verstaat, ziet oneindig meer. Voor
-stompzinnige menschen is de woestijn niets anders dan een gebied van
-verschrikking; zij laten zich door de hitte, die hier des daags
-heerscht, zoo zeer ter neêr drukken, dat zelfs de heerlijke nacht hun
-geen troost, geen vernieuwde kracht meer schenken kan; zij rijden
-moedeloos de woestijn in en verlaten haar huiverend; zij hebben enkel
-gevoel voor het ontzettende, enkel gevoel voor de bezwaren der
-woestijnreis—voor het oneindig verhevene der woestijn is hun hart te
-klein. Wie haar werkelijk leerde kennen zooals zij is, oordeelt anders.
-
-Arm is de woestijn, maar dood is zij niet. Reeds de gesteldheid des
-bodems, al moge deze ook in ’t algemeen zijn karakter getrouw blijven,
-is aan velerlei afwisseling onderhevig. Ver in het rond is hier de
-woestijn eene rotszee met kegels van uiteenloopenden vorm, steil
-afdalende wanden, diep ingesneden ravijnen, scherp gekante graten en
-vreemdsoortig op elkander gestapelde toppen, die nu eens door den
-voortdurend waaienden wind met zand worden bedekt, dan hiermede worden
-opgevuld, straks daarvan bevrijd. Maar onophoudelijk worden zij
-bewerkt, gepolijst, uitgehold, gescherpt en toegespitst. Zwarte, in de
-zon gloeiende zandsteen-, graniet- en syenietmassa’s, zeldzamer kalk-
-en leigesteenten, hier en daar ook nog vulkanische vormingen, bouwen
-zich op tot ketens van sterk sprekenden vorm; de wind, die altijd uit
-denzelfden hoek waait, berooft ze van elke bedekking, drijft het fijne
-zand zonder verpoozing over de kruinen, om deze wanneer de wind tot een
-storm is aangegroeid, als in een dichten sluier te hullen, die dan
-eerst verdwijnt wanneer het zand over de hoogste toppen is
-heengestoven, om aan de luwzijde van het gebergte goudgele uit het
-fijnste rolzand bestaande lagen te vormen, die ettelijke meters hoog
-boven elkander gelegerd, eeuwig in beweging zijn, voortdurend naar
-beneden schuiven, bestendig weêr van de andere zijde aangevuld worden
-en uit de verte er uitzien als breede, scherp tegen de donkere
-hellingen afstekende, bij gunstige verlichting zelfs schitterende
-linten. Zulke gebergten kan men gerust de kleinoodiën der woestijn
-noemen. Hij, die het gloeiende zuiden niet kent, is niet bij machte,
-zich den ongemeenen kleurenrijkdom, den glans, de oneindige
-bekoorlijkheid voor te stellen, die het weelderige zonnelicht op de
-eenzaamste, wildste en dorste gebergten in ’t leven roept. Het gebergte
-der woestijn draagt nimmer een vriendelijk, groen woud; ten hoogste
-veroorloven de hoogste toppen een kwijnend bestaan aan eenig laag
-struikgewas, dat in het daar neêrgeslagen vocht in staat wordt gesteld
-een schraal voedsel te vinden; deze bergen derven het gelispel der
-beuken, het ruischen der dennen en pijnboomen, het zoet gemurmel, of
-lustig geklater en luid gebruisch van stroomende wateren, die zilveren
-linten slingeren om onze hooggebergten, deze omlijsten met groene
-planten, en elders de kleuren van den regenboog tooveren in het schuim
-van watervallen en stortbeken; de bergen der woestijn derven het
-sneeuw- en ijskleed, waarover het avond- en morgenrood een purperen
-weêrschijn spreidt, en dat de middagszon omkleedt met een schitterend
-gewaad; zij derven het sappige, frissche groen der weiden, in ’t kort
-alle bekoorlijkheid en liefelijkheid van de hooggebergten der
-noordelijke streken des aardbols, en toch zijn zij schier even rijk als
-deze in kleurenpracht, ja winnen het misschien in verhevenheid en
-grootschheid van gene. Elke afzonderlijke gordel, elke kleur komt tot
-gelding. En toch zijn het minder deze, dikwijls zoo levendig gekleurde,
-soms schril van elkander afstekende lagen, maar nog in veel hoogere
-mate de spitsen, tanden, rillen, reten en ravijnen der woestijnbergen,
-die door het voortdurend schuren van het zand de sierlijkste en
-wonderlijkste vormen erlangden, en waarop het hemelsche licht een
-heerlijk kleurenspel te voorschijn toovert. Onafgebroken wisselen licht
-en schaduw met elkander af; voortdurend ontstaan en verdwijnen de
-kleuren en tinten, en dit schouwspel is zoo aangrijpend, dat wij schier
-onze bezinning er bij verliezen. Ook de bergen der woestijn bedekken
-zich met purper in de omarming der eerste en laatste zonnestralen; ook
-over hen trekt de verte een blauw, aetherisch waas; ook zij leven, want
-zij erlangen leven door het licht.
-
-Op andere plaatsen is de woestijn mijlen in ’t rond zoo effen als een
-spiegel of ten hoogste eenigszins golvend van oppervlak. Een fijn,
-goudgeel zand ligt er over uitgestrooid, waarin menschen en dieren
-eenige centimeters diep inzakken. Hier ziet men dikwijls geen enkelen
-grashalm, geen eenig levend wezen. De blauwe, meestal effen hemel rust
-als een koepeldak op deze goudgele vlakte en brengt er het zijne toe
-bij om zulke plaatsen op eene zee te doen gelijken. De voetsporen van
-het schip der woestijn worden even schielijk uitgewischt als zij er in
-afgedrukt werden, geen pad is zichtbaar, zelfs niet de geringste
-aanduiding van een pad; het kompas werd ook voor zulke plaatsen
-uitgevonden. Afwisselender, ofschoon niet aangenamer zijn andere
-gedeelten, welker bodem gevormd wordt door een los, aardachtig, of
-stoffig zand, en waarin vergiftige kolokwinten of geneeskrachtige
-sennah ontspruiten. Hier wisselen langgestrekte, lage heuvelrijen af
-met vlak-komvormige, smalle dalen, waarover een uit de verte beschouwd
-er frisch uitziend tapijt van de zoo even genoemde planten ligt
-uitgestrekt. Menschen en dieren mijden zulke streken, omdat zoowel de
-te voet gaande kameeldrijvers als de kameelen zelf dikwijls een voet
-diep in den lossen grond zinken. Weer andere gedeelten zijn met grof
-grint en vuursteenen, hier en daar ook wel eens met sterk ijzerhoudende
-en met zand gevulde holle kogels bedekt, welke laatste er uitzien,
-alsof zij door ’s menschen hand waren gevormd, ofschoon men hunne
-ontstaanswijze nog niet met juistheid heeft kunnen verklaren. Eene
-enkele maal vindt men op deze plaatsen, alwaar de voetstappen der
-kameelen blijvende sporen achterlaten, zoodat men hier van
-woestijnwegen kan spreken, duizenden van kwartskristallen, of
-afzonderlijk, of groepsgewijs,—in z.g. kristalklieren,—die doen denken
-aan door eene kunstenaarshand geslepen brillanten. De zon toovert met
-deze kristallen; die plaatsen schitteren, fonkelen en tintelen op eene
-wijze, dat het oog zich verblind af moet wenden. In de diepste laagten
-vormt een stoffige aarde den bodem en hier vindt men onfeilbaar de
-carexachtige, maar zeer harde, droge, scherpkantige, zwartgroene halfa,
-schermvormige mimosa’s, misschien zelfs tompalmen, die getuigen van
-meer vriendelijk leven.
-
-Maar ook de dierenwereld heeft zijn aandeel in het overal optredende
-leven. Wie de woestijn een doode wildernis noemt, dwaalt evenzeer als
-hij, die meent, dat zij de woonplaats is van den leeuw. De woestijn is
-te arm om leeuwen te voeden, maar rijk genoeg om duizenden andere
-wezens te onderhouden. En alle in haar levende dieren zijn te
-merkwaardiger, omdat zij zich in alle opzichten zoo zeer kenmerken als
-echte kinderen der woestijn.
-
-Deze woestijnkinderen hebben een kleed, dat zich steeds op het innigste
-aanpast aan de kleur van den grond, zoodat het veelal zandkleurig is.
-Maar meer nog dan door dit kleed onderscheiden zij zich door een
-lichten en sierlijken lichaamsbouw, door opmerkelijk groote, ongemeen
-scherpziende oogen en fijnhoorende ooren, terwijl hun geheele voorkomen
-zelfbewustzijn en bescheidenheid uitdrukt. Alle in de woestijn geboren
-schepselen zijn veroordeeld tot een zwervend leven, want nergens levert
-een enkele plek genoeg voedsel te alle tijde op om hen te voeden; maar
-de woestijn schonk aan haar kinderen eene door niets geëvenaarde
-vlugheid, grenzenlooze onvermoeidheid en eene zich nimmer
-verloochenende volharding; zij scherpte de zintuigen, zoodat zelfs het
-weinige, dat zij aanbiedt, kan opgespeurd worden, en verleende
-eindelijk een kleed, dat zoowel beschermt als verbergt, dat voor den
-aanval en bij de vlucht meer dan doeltreffend moet genoemd worden; zij
-maakte alzoo haar kinderen geschikt om een, weliswaar sober, maar
-daarom geenszins vreugdeloos bestaan te voeren.
-
-Tengevolge van het allen woestijndieren eigen, met de omgeving
-ineensmeltend kleed, ontwaart de reiziger, zoo hij niet een geoefend
-waarnemer is, althans aanvankelijk weinig van de hem omringende
-dierenwereld. Dientengevolge schijnt de woestijn veel armer dan zij
-werkelijk is, en zulks nog te meer, dewijl de meeste harer bewoners
-eerst tegen de schemering of nog later hun rust- en schuilplaatsen
-verlaten om het leven aan te vangen; enkele woestijndieren vallen
-evenwel gemakkelijk ook minder geoefende oogen in ’t gezicht. Men moge
-de woestijnleeuweriken voorbijzien, alhoewel juist deze vogels op zeer
-merkwaardige wijze de overeenstemming tusschen gevederte en grond,
-alsmede hunne onevenredig ontwikkelde bewegingswerktuigen in ’t oog
-doen vallen, onmogelijk kan men de woestijnhoenders niet opmerken, en
-wie achteloos de onderaardsche woningen der springmuizen voorbijrijdt,
-diens aandacht zal toch door eene in de nabijheid grazende gazelle
-moeten getrokken worden.
-
-Ook deze mag men een typisch gevormd woestijndier noemen. Ofschoon over
-’t algemeen evenredig gebouwd, schijnen kop en zinsorganen bijna te
-groot en de ledematen al te dun, schier ongelukkig. Maar die kop
-omsluit in zijn schedelholte hersenen, die eene bij herkauwers zeer
-ongewone schranderheid en geestelijke werkzaamheid in ’t leven roepen;
-daarenboven zijn deze ledematen als uit staal geformeerd, ongemeen
-krachtig en elastisch, zoodat zij eene groote bewegelijkheid en
-onvermoeide volharding mogelijk maken. Wie de gazelle niet anders dan
-in den gevangen staat, in eene enge ruimte zag, kan zich niet
-voorstellen hoe dit dier in de woestijn optreedt. Welk eene
-bewegelijkheid, vlugheid en taaiheid, sierlijkheid en lieftalligheid
-ontplooit het daar! Hoe passend werd juist de gazelle door den
-oosterling en vooral door den woestijnbewoner gekozen tot zinnebeeld
-van vrouwelijke schoonheid! Zich verlatende op haar zandkleurig gewaad,
-alsmede op hare ongemeene bewegelijkheid en snelheid, staart zij
-schijnbaar onbezorgd met hare heldere oogen kameel en ruiter in ’t
-gelaat. Zonder van vrees te laten blijken graast zij voort,
-niettegenstaande de karavane nadert. Van de bloeiende mimosa’s neemt
-zij een knop of een sappig twijgje, tusschen het scherpe halfa vindt
-zij een malsch halmpje. Steeds nader rukken de ruiters. De gazelle heft
-den kop op, luistert, ruikt, kijkt weder, springt eenige schreden
-vooruit en doet als vroeger. Bliksemsnel drukken de elastische pooten
-tegen den grond, en voort snelt zij, zoo schielijk, zoo licht, zoo
-bevallig, zoo sierlijk, als ware haar die snelle beweging slechts spel
-en scherts. Met de snelheid der gedachte rent zij over de zandige
-vlakte, groote steenen en tamarindenboschjes in vliegende vaart
-overspringende. Zij schijnt de aarde niet meer aan te raken; het lied
-der woestijn is in haar belichaamd, zoo bekorend werkt zij door haar
-onvergelijkelijke bevalligheid en vlugheid. Slechts enkele minuten zijn
-voldoende om haar aan alle gevaar te onttrekken, want tevergeefs spant
-zich de beste draver in om haar na te rennen; geen windhond zelfs
-vermag haar in te halen. Weldra matigt zij haar loop; nog enkele
-oogenblikken en zij staat stil om weder te oogen en te kijken als
-straks. Plaagziek als zij is, laat zij den moordlustigen ruiter, die
-aanvangt haar in vollen ernst te vervolgen, naderbij komen, en
-voorzichtig onttrekt zij zich herhaalde malen aan zijn doodelijk wapen,
-totdat zij eindelijk verschrikt, onverwijld elk verder gevaar ontloopt.
-Langer vlucht zij, en steeds ranker worden lijf en leden, steeds
-flauwer de omtrekken, meer en meer verdwijnt zij op de zandige vlakte
-en eindelijk is zij in deze geheel opgenomen; het is alsof zij in een
-nevel werd opgelost. Het geboorteland heeft haar gedekt en geborgen, op
-tooverachtige wijze aan het oog ontrukt, aan elke waarneming
-onttrokken. Maar naarmate het oog haar verloor, herleeft zij in het
-hart. Want ook de westerling moet nu begrijpen, waarom de gazelle in
-het dichterlijk gemoed van den oosterling zulke heerlijke bloesems deed
-ontluiken, waarom de laatste dit dierlijk wezen zoo oneindig hoog
-stelt, waarom hij het oog, dat zijn hart deed ontvonken, bij dat der
-gazelle vergelijkt, en den hals, om welken hij in het vuur der liefde
-zijn armen houdt geslagen, den hals eener gazelle noemt; waarom de
-woestijnbewoner in de tent zijner gade, die vol zoete verwachting is,
-eene tamme gazelle brengt, opdat zij zich moge verkwikken aan het
-schoone oog en dit als eene erfenis schenken aan het verwachte pand der
-liefde, en waarom de vrome zanger in de sierlijke antilope het
-zinnebeeld aanschouwt van zijn verlangen naar het verhevene. Want ook
-op hem, den wereldmoede, daalde het vuur, dat ontvonken deed voor de
-lofliederen op dit dier, en de aderen der poëzie deed openen.
-
-Minder liefelijk, maar toch niet minder in ’t oog vallend, treden
-andere woestijndieren op. Tusschen spaarzaam verspreide halfastengels
-loopt een talrijk heer van vogelen, zoo groot als duiven, trippelend
-heen en weder. Scharrelend en met den snavel arbeidende, pikken zij
-naar voedsel. Onbevreesd laten zij de ruiters tot op minder dan honderd
-schreden naderen. Met behulp van een goeden kijker is men in staat
-iedere beweging en zelfs de meest in ’t oog vallende kleuren van ’t
-gevederte waar te nemen. Met gedoken kop, ingetrokken hals en
-horizontaal uitgestrekt lichaam loopen zij heen en weêr, om allerlei
-zaden, de weinige korrels, die de woestijngrassen opleveren, jonge
-uitspruitsels en insekten op te zoeken. Enkelen speuren nu en dan met
-uitgestrekten hals in ’t rond, anderen daarentegen woelen argeloos in
-het zand, poetsen hun gevederte en strijken dit glad, of leggen zich
-half op den buik, half op de zijde om zich in het zonnetje te
-koesteren. Men kan dit alles duidelijk zien, het aantal vogels tellen
-en zich vergewissen dat er meer dan vijftig, ja bijna honderd zijn. Zou
-er een woestijnjager bestaan, die aan deze verleiding weêrstand kan
-bieden? Zeker van den buit, schuift de nog onervaren jager zijn kijker
-in, neemt het geweer ter hand en rijdt langzaam op de bonte schaar af.
-Maar daar verdwijnen de vogels voor zijn oog. Geen enkele liep weg of
-vloog heen, en toch zijn zij verdwenen. Het is alsof zij door de aarde
-zijn verzwolgen. In werkelijkheid hebben zij, zich verlatende op de
-overeenstemming van de kleur van hun gevederte met die van den grond,
-zich aan de aarde aanvertrouwd, d.w.z. zich plat op den grond
-uitgestrekt. Op hetzelfde oogenblik zijn zij tot steenen en zandhoopjes
-geworden. De nog ongeoefende jager rijdt op hen af zonder ze te zien,
-en schrikt op, wanneer zij zich bliksemsnel verheffen, onder luid
-geschreeuw en getier opvliegen, en suizend wegstormen. Gelukt het hem
-evenwel een vogel te schieten, dan staat hij niet minder verbaasd over
-de ongewone kleur en de zeldzame teekening der veêren dan over hun
-vreemd gedrag. De zandkleurige, nu eens meer in ’t grijze, dan meer in
-’t helder geel spelende kleur der bovenzijde is afgezet door en
-sierlijk getooid met breede banden, smalle strepen, prachtige randen,
-moesjes, punten, vlekken, streepjes en striemen, zoodat men zou meenen,
-dat zulk een hoen reeds van verre zichtbaar moest zijn; maar die
-mengeling van kleur is slechts eene trouwe kopie van de kleur van het
-zand zelf, en elke donkere, elke lichtere plek, elk steentje, iedere
-zandkorrel wordt op dat gevederte teruggevonden. Geen wonder dus, dat
-de grond den vogel als het ware in zich opneemt, zelfs diens vorm
-uitwischt, en het dier niet minder bescherming verleent als hij die
-vindt in zijn krachtige, met ongemeene snelheid bedeelde vleugels.
-
-En daarom vlecht de Arabische poëzie ook om deze hoenders de
-bloemrijkste beelden en gedachten; hun schoonheid toch boeit het oog en
-hunne meer dan gewone vlugheid wekt een smartelijk verlangen in het
-hart van den aan den grond geketenden mensch.
-
-Alle overige woestijndieren dragen hetzelfde karakter als de beide
-voorgaande.
-
-Er leeft in de woestijn een soort van losch, karakal geheeten; deze is
-veel slanker, hooger op de pooten, langooriger en grooter van oogen dan
-alle andere losschen, ook niet gestreept of gevlekt, maar tot op de
-zwarte oorspitsen, oogstrepen en lipvlekken na zandkleurig, en naar
-gelang der streek, die hij bewoont, lichter of donkerder, rooder en
-minder rood van tint; er leeft een vossensoort, de fennek, de dwerg der
-geheele hondenfamilie, met een isabelkleurig kleed en reusachtig groote
-ooren.
-
-De woestijn brengt een knaagdier voort, de z.g. springmuis, een haasje
-van dwergachtige, kengeroe-gedaante, met verbazend hooge achterpooten,
-zeer onontwikkelde voorpootjes en een aan twee zijden behaarden staart,
-die de lengte bezit van ’t geheele lichaam; het overtreft alle andere
-knaagdieren wat onschuld en goedaardigheid aangaat, maar ook in
-snelheid en vaardigheid. Denzelfden stempel dragen de vogels, reptielen
-en zelfs de insekten, en dit karakter verloochent zich nooit, hoe veel
-afwisseling vorm en kleur ook mogen aanbieden. Komt naast het zandgeel
-ook nog eene andere kleur tot uitdrukking, ziet men in het haar,
-vederkleed of in de schubben ook nog zwart of wit, aschgrijs of bruin,
-rood, blauw enz. dan komen zulke, het dier meestal enkel tot sieraad
-dienende kleuren toch altijd slechts op zulke plaatsen te voorschijn,
-die men niet kan bespeuren, wanneer men het oog van boven of van
-terzijde op het dier richt. Verheft zich evenwel te midden der woestijn
-een hoog gebergte, dan weêrkaatst zich dat uiterlijk ook terstond weder
-in de daar levende dierenwereld; op de grauwe rotsen van Arabiës
-hooggebergte klautert de woestijn-steenbok en woont de klipdas, nestelt
-de gierarend, bevolkt een niet onaanzienlijk soortental van andere
-vogels de kammen en kloven, de hellingen en de dalen, terwijl van de
-zwarte rotsen der lagere woestijngedeelten alleen de inktzwarte
-rouwtapuit zijn helder, klankrijk lied laat hooren. Zoo openbaart zich
-de harmonie der woestijn in al hare afzonderlijke partijen, in ieder
-harer schepselen, en zoo verhoogt zij juist hierdoor den indruk, dien
-zij op elken nadenkenden, gevoelvollen en naar lichaam en ziel
-krachtigen mensch, reeds op den eersten dag, dat hij de woestijn
-betreedt, uitoefent, en welke invloed met iederen volgenden dag slechts
-grooter wordt.
-
-Volle kracht, ontvankelijkheid en gevoel vraagt de woestijn
-ongetwijfeld van iederen mensch, die haar wil leeren kennen, en die
-zich in zekere mate in haar wenscht thuis te gevoelen. Wie de
-moeilijkheden der reis, gelijk zij oplevert, niet kan verdragen, wie
-hare zon vreest, wie door haar zand wordt afgeschrikt, blijve ver van
-haar. Zelfs bij een helderen hemel, bij een rustige lucht, ja bij een
-koel windje uit het noorden is en blijft een dag in de woestijn een
-moeilijke dag. Bijna plotseling, haast zonder schemering vangt hij zijn
-heerschappij aan. Slechts in de nabijheid der zee of in die van groote,
-de woestijn doorstroomende rivieren omzoomt Aurora den oostelijken
-horizon met een purperen rand; te midden der uitgestrekte zandvlakten
-verschijnt met het eerste morgenrood ook onmiddellijk de zon. Zij
-verheft zich boven de zandzee als een vuurbol, die elk oogenblik dreigt
-te barsten, om zijn stukken in alle richtingen weg te slingeren. Zoodra
-is niet de zon verrezen, of ook de morgenkoelte is voorbij, en schiet
-zij gloeiende stralen op het aardrijk als ware reeds de middag gekomen.
-De uit het noorden waaiende, dikwijls werkelijk verkwikkende, frissche,
-maanden lang aanhoudende wind, verhindert wel is waar soms, dat de
-ongelijk door de warmte uitgezette luchtlagen het voorkomen aannemen
-van eene zee, maar zooveel afkoeling brengt deze wind toch niet te
-weeg, dat het eigenaardig sidderen der onderste lagen wordt weggenomen.
-Hemel en aarde stralen in een overvloedig licht; een onbeschrijfelijke
-hitte stroomt van de zon uit en kaatst van het zand naar boven terug.
-Licht en hitte nemen met ieder uur toe, en machteloos staan mensch en
-dier daar tegenover.
-
-De karavane is met den eersten zonnestraal opgebroken en trekt
-stilzwijgend voort. In de verte draven de lastkameelen, met elastischen
-tred loopen de drijvers er naast of er achter, in vollen draf rennen de
-rijkameelen, matig aangezet, deze voorbij en het andere gezelschap
-vooruit; weldra hebben de ruiters het lastdragend gedeelte uit het
-gezicht verloren. Voorwaarts gaat het zoo schielijk mogelijk. Al onze
-beenderen dreigen onder het stooten der zich haastende rijdieren te
-breken; zengend brandt de zon op ons, haar steken dringen door de
-kleederen, al verdubbelt men ook derzelver aantal. Onder die dichte
-bedekking dringt het zweet van het voorhoofd, van het geheele gelaat,
-van het geheele lichaam, en daar waar men losser gekleed is, op de
-armen en beenen, verdampt het vocht zoodra het ontstaat. De tong kleeft
-aan het gehemelte. Water, water, water! is het eenig denkbeeld, dat
-oprijst bij hem, die nog niet heeft geleerd zulke bezwaren te
-verdragen. Maar het water is, naar lands gebruik, niet in ijzeren
-kisten en flesschen, maar in lederen zakken geborgen; dagen achtereen
-heeft het in den vollen zonnegloed op den rug der kameelen gelegen en
-is alzoo meer dan lauw, kwalijk riekend, dik, bruin van kleur,
-daarenboven doortrokken van den smaak van leer en kolokwintenteer en
-dientengevolge walgelijk van smaak, ja zelfs braakverwekkend. Zulk
-water laaft niet, integendeel het veroorzaakt nieuwe bezwaren, zelfs
-smartelijke buikpijnen, zoodat de begeerte naar een anderen drank nog
-sterker wordt. Er bestaat echter geen middel om het te verbeteren,
-evenmin als om het te vervangen. De doordringende reuk en smaak spotten
-met alle pogingen om het in den vorm van koffie of thee, of vermengd
-met wijn of brandewijn te genieten; enkel wijn en brandewijn verhoogen
-wederom den brandenden dorst en de drukkende hitte. De toestand der
-reizigers wordt onuitstaanbaar nog vóór de zon hare middaghoogte heeft
-bereikt, en de ellende neemt in gelijke mate toe als het water slechter
-wordt. Maar het leed moet verdragen worden en het wordt verdragen. Kan
-de westerling zich nimmer gewennen aan het water, aan de in den beginne
-ondragelijk schijnende hitte gewent hij zich spoedig, aan de bezwaren
-van het rijden te eerder, hoe meer hij met zijn rijkameel één wordt. In
-het vervolg zal hij voor goed, zuiver water zorgen en dan zal hij
-weinig meer over de hitte, in ’t geheel niet meer over de
-moeilijkheden, die het rijden veroorzaakt, klagen.
-
-Behagelijk rustend, alhoewel onzacht gewekt door de brullende
-klaagliederen der opbrekende lastkameelen, laat de bewoner des lands de
-goederenkaravanen vooruittrekken, laaft lijf en ziel aan koffie en
-tabak, beklimt dan zijn dromedaris en jaagt met zijn kameraads zoo
-schielijk voort als de rijdieren maar loopen willen. Geen woord wordt
-er gewisseld, alleen het knarsen van het zand onder de elastische
-voetzolen, het luide ademhalen en doffe, kolderende knorren der
-kameelen wordt gehoord. In weinige oogenblikken is de goederenkaravane
-ingehaald en heeft men zelfs aanmerkelijk op deze gewonnen. Een gazelle
-graast niet ver van den weg en geeft hoop op een buit, die hier hoogst
-welkom is. Met bekoorlijke sprongen huppelt de belichaamde
-woestijngedachte des dichters voor de vervolgende ruiters uit, met
-wijdgestrekte schreden draven de sterk aangezette kuchende kameelen het
-dier achterna. Het wild schijnt zorgeloos en laat ons naderbij komen;
-de ruiters nemen den schijn aan als wilden zij het voorbijrijden,
-houden de kameelen in en vorderen langzamer; een hunner laat zich uit
-het zadel glijden, doet zijn dier een oogenblik stil staan en schiet
-onder diens lijf de nimmer missende buks af. In een oogwenk is de
-aanvoerder uit het zadel gesprongen om zich van het gevelde wild
-meester te maken; juichend sleept hij het mede, hecht het aan zijn
-zadel, en verder trekt de schare.
-
-Tegen den middag wordt er rust gehouden. Bevindt zich een laagte in de
-nabijheid, dan staat daar allicht eene mimosa, wier ijle bladerenkroon
-een weinig schaduw biedt; strekt zich eene onafzienbare zandvlakte
-rondom de ruiters uit, dan vormen vier in den grond gestoken lansen en
-het daartusschen gehangen wollen tapijt een armoedig schaduwdak. Maar
-gloeiend is het zand, dat tot rustplaats zal dienen, heet en drukkend
-is de lucht, die men inademt; matheid en slapheid overvallen zelfs den
-inboorling,—hoeveel te meer dus den westerling. Men snakt naar rust,
-maar kan ze niet vinden; naar verkwikking, en deze blijft uit. Verblind
-door het schitterend licht en de flikkerende lucht, sluit men de oogen;
-gekweld door de zengende hitte, gepijnigd door den brandenden dorst,
-wentelt men zich slapeloos op zijn leger om en om. Loodzwaar kruipen de
-uren voort.
-
-De goederen-karavane trekt langzaam voorbij en verdwijnt in een
-nevelige luchtzee, op welker golvende lagen de kameelen schijnen te
-zweven. Nog altijd verwijlt men in denzelfden toestand en lijdt men
-onder dezelfde bezwaren. De zon is reeds lang op het hoogst geweest,
-maar nog altijd schieten haar gloeiende stralen met onverminderde
-kracht naar beneden. Eindelijk, het is reeds laat in den namiddag
-geworden, breekt men opnieuw op. Wederom volgt een rit zoo snel, dat de
-schielijke beweging ons bijna een verkoelenden luchtstroom tegenzendt;
-wij moeten de lastkaravane weder inhalen. Zij is ingehaald; zingend
-loopen de kameeldrijvers achter de dieren. Een hunner is voorzanger, de
-anderen vallen bij den laatsten regel van elk vers en steeds met
-hetzelfde slotrijm in.
-
-Wanneer men bedenkt hoe moeilijk eene woestijnreis voor een
-kameeldrijver is, dan verwondert men er zich over, dat men hem hoort
-zingen. Voor het aanbreken van den dag belastte hij zijn dier, na
-alvorens eenige handvollen doerrahkorrels, beider eenig voedsel, met
-zijn kameel gedeeld te hebben; zoo lang de dag duurt drentelt hij
-achter zijn dier, zonder eene enkele bete meer te nuttigen, ten hoogste
-zich nu en dan lavende aan het stinkende water der lederen zakken; de
-zon brandt op zijn schedel, het gloeiend zand zengt zijn voetzolen, de
-heete lucht droogt zijn van zweet druipend lichaam; voor hem was er
-geen tijd om te rusten, ja wellicht moest hij enkele zijner dieren nog
-omladen of sommige opvangen, die weggeloopen zijn—en toch zingt hij
-thans zijn lied. Het is de tooverkracht van de woestijnlucht, die deze
-stemming uitlokt.
-
-Wanneer de zon ter ruste gaat, schijnen de lichamen dezer uitgedroogde
-kinderen der woestijn opnieuw op te leven; want ook zij gelijken in
-alles op hun verhevene moeder, de woestijn. Met deze verbranden zij op
-den middag, met haar bloeien zij op in den nacht. Zoodra de zon ter
-kimme neigt, weeft hun dichterlijk talent, nog vóór de slaap is
-gekomen, gouden droomen. De zanger prijst de waterrijke bronnen, de
-palmboschjes, die deze omringen, en de donkere tenten, die er onder op
-zijn geslagen; hij begroet een bruin meisje in de tent, dat hem den
-heilsgroet brengt, roemt haar schoonheid, vergelijkt haar oogen met die
-der gazelle, haar mond met een roos, wier geur als woorden in zijn
-oorschelpen tot een parelensnoer zich aaneenrijgen, versmaadt om haar
-de eerstgeboren dochter des sultans en zegent het uur, dat hem in staat
-zal stellen zijne tent met haar te deelen. Zijn makkers vermanen hem
-evenwel nog hoogere verlangens te koesteren en richten deswege telkens
-zijn gedachten op den profeet, „die onze wenschen en zoete verlangens
-bevredigt.”
-
-Zoo klinkt dat lied den vreemdeling uit noorderlanden tegen, en ook bij
-hem komen er vaderlandsche liederen op de lippen. En wanneer dan de
-laatste rozengloed der ondergegane zon tegen het luchtruim
-weêrspiegelt, wanneer de nacht haar tooverkleed over de woestijn
-uitspreidt, dan is het hem alsof het zwaarste nog licht is gevallen en
-alsof hij gedurende de hitte des daags geen dorst, gedurende den rit
-geen bezwaren heeft gevoeld. Vroolijk springt hij uit het zadel, en
-terwijl de drijvers hun kameelen ontladen en vastbinden, effent hij het
-zand en hoopt het op tot een nachtleger, spreidt hij er tapijten en
-dekens over uit en geeft hij zich met wellust over aan de vurig
-verlangde rust.
-
-Slechts weinige schreden in ’t rond verlicht het kleine vuur de vlakte.
-Vlijtig weren zich de halfnaakte, donkere zonen der woestijn daar om
-heen. De vlam werpt op deze lieden, die in de schemering van den nacht
-tot schaduwen worden, een tooverachtig licht; balen, kisten, zadels en
-gereedschappen, alles neemt de vreemdste gedaanten aan; de kameelen,
-die buiten de bagage in een wijden kring zijn gelegerd, veranderen in
-spookgestalten, vooral wanneer hun oogen, door het vuur beschenen, tot
-vurige kogels worden. Stiller en stiller wordt het in het leger. De
-eene woestijnzoon na den anderen verlaat de kameelen, met wie hij zijn
-armzalig avondeten heeft gedeeld, hult zich in zijn lang gewaad, gaat
-liggen en smelt in een met het zand. Het vuur flikkert nog eenmaal op,
-verliest zijn glans en dooft uit. Het is werkelijk nacht geworden in
-het leger.
-
-Wie zal hem beschrijven, den nacht in de woestijn? Het moet een dichter
-zijn bij de gratie Gods.
-
-Wie is bij machte—al had hij hem zelf doorleefd, doorwaakt, doorzwelgd,
-doorgedroomd—diens schoonheid naar eisch te malen? Na de hitte van den
-dag is hij de milde, vergoedende en verzoenende heilaanbrenger, de
-vrede- en vreugdeschenker, dien de man met niet minder verlangen te
-gemoet ziet als de geliefde, wier komst zoo lang met smart werd
-verbeid. „Leïla”, de sterheldere nacht der woestijn, Leïla is den
-Arabier de verpersoonlijking van al wat hoog is en heerlijk, Leïla
-noemt hij zijn dochter; met de woorden: „mijn sterheldere nacht” vleit
-hij minnekoozend zijn geliefde; „Leïla, o Leïla” luidt steeds het
-slotrijm van al zijn liederen. Maar welk een nacht is het ook, die hier
-in de woestijn, na de vele vermoeienissen en bezwaren van den dag, de
-zinnen en het hart omstrikt! In ongekende klaarheid en helderheid
-fonkelen de sterren aan het donker gewelf des hemels; het licht der
-meest nabijzijnden werpt zelfs een zwakke schaduw op den licht
-gekleurden grond. Met volle teugen ademt de mensch de zuivere,
-verkoelende, verkwikkende lucht in; vol verrukking laat hij het oog
-dwalen van de eene zon naar de andere. Meer en meer schijnt het licht
-der sterren tot hem af te dalen; zijn geest verbreekt de boeien, die
-hem aan het stof ketenen en houdt een samenspraak met andere werelden.
-Geen geluid, geen gedruisch, zelfs niet het sjirpen van een sprinkhaan
-stoort de gedachten. Nu eerst openbaart zich aan hem de majesteit en
-verhevenheid der woestijn; haar onuitsprekelijke vrede maakt woning in
-zijn hart. Maar ook een trotsch gevoel van eigenwaarde dringt zich bij
-hem op; hier, te midden der oneindige eenzaamheid, zoo alleen, zoo
-buiten alle gemeenschap met de menschenwerelds enkel op zich zelf
-aangewezen te zijn, zulks wekt bij hem een gevoel van vertrouwen, moed
-en hoop. Droombeelden vol bekoorlijkheid treden voor zijn wakend oog en
-onweêrstaanbaar slepen ze hem meê; zij blijven hem omzweven, ook dan
-nog wanneer de sterren beginnen te beven, de gedachten hem verlaten en
-de oogen zich sluiten.
-
-Na de verkwikking naar ziel en lichaam, gelijk de woestijnnacht die
-schenkt, vallen de vermoeienissen den volgenden dag niet zoo zwaar, hoe
-veel strijd het ook moge kosten het vuile water, dat met elk uur
-slechter wordt, te drinken.
-
-Ware rust evenwel, een door niets gestoord genot wordt eerst verkregen,
-wanneer men eene bron heeft bereikt. Voortdurend bedreigd door gebrek
-aan de allereerste levensbehoefte is elke woestijnreis een rusteloos
-jagen en voorwaarts spoeden, zoodat er geen sprake is van de gemakken,
-die aan eene reis aangenaamheid bijzetten. De eene dag verloopt even
-als de andere; elke nacht gelijkt, althans in het gunstige seizoen, op
-den vorigen. In de oase, aan de bron, wordt de dag een feestdag, de
-avond een onvergald genot, de nacht een werkelijke, verkwikkende rust.
-
-Het ontstaan eener oase is afhankelijk van eene kom of dalvormige
-verdieping, daar zonder eene altijd wellende bron, ten minste zonder
-een gegraven put, eene iets weeldigere vegetatie onmogelijk is, en de
-woestijn nergens anders water oplevert dan in het hooggebergte of in de
-diepste dalen.
-
-Evenals in vele andere opzichten de zandzee een tegenhanger is van den
-Oceaan, zoo vormen ook de eilanden van dezen eene tegenstelling met die
-der woestijn; zij liggen nl. niet boven, maar beneden de omringende
-vlakte. Het water komt hier òf als bron te voorschijn, òf het bevindt
-zich toch op geringe diepte beneden het oppervlak. De hoeveelheid en de
-hoedanigheid van dat water bepalen het karakter der oase. In slechts
-weinige laagten borrelt er een zuiver, koel water uit den grond. De
-meeste bronnen zijn zout-, ijzer- of zwavelhoudend, zeer dikwijls warm,
-en uit dien hoofde wellicht geneeskrachtig, maar daarom nog geenszins
-drinkbaar, of bevorderlijk voor de vruchtbaarheid van den bodem.
-Slechts onder bijzonder gunstige omstandigheden komt het water aan de
-oppervlakte te voorschijn; in de meeste gevallen sijpelt het door de
-spleten der rotsen of in gegraven putten droppelsgewijs bijeen en moet,
-althans nu en dan, opgepompt worden. En ook daar, waar het opwelt,
-loopt het in den regel alweder spoedig in het zand weg, indien de
-mensch niet tusschenbei treedt en het verzamelt en verdeelt. Toch doet
-het onder alle omstandigheden een jeugdig, in deze woestenijen dubbel
-welkom leven ontkiemen.
-
-Lang vóór de mensch de bron in bezit nam, had zich reeds eene groene
-plantenwereld daaromheen verzameld. Wie zal ons zeggen hoe deze
-ontstond? Wellicht was het de zandstorm, die de zaden uitstrooide,
-welke in de nabijheid der bron ontkiemden, bloeiden en groeiden, en
-wederom zaden voortbrachten, die zich over het geheele dal
-verspreidden. Menschen hebben daarin ongetwijfeld geen aandeel gehad,
-want mimosen, die het voornaamste bestanddeel der vegetatie vormen,
-ziet men ook in de dalen, waar zich geen bronnen bevinden, nu eens een
-enkele struik, dan tien, twintig en meer tot een klein boschje
-vereenigd. Deze alleen kunnen reeds leven aanbrengen; zij groeien,
-bloeien en geuren—en dat zoo frisch, zoo heerlijk, zoo welriekend! In
-de vriendelijke schaduw dezer mimosa’s rust de gazelle; uit hare toppen
-schalt het lied der woestijnzangers. Haar malsch gebladerte verkwikt te
-midden der stijve kalkmassa’s, der zwarte granietkegels en van het
-blinkend zand, het oog als meigroen; haar bloesems en schaduw laven de
-ziel. In groote, aan water meer rijke oasen heeft de mensch den
-palmboom overgebracht en tusschen de mimosa’s geplant; daarmede
-verkreeg deze tuin der woestijn nog grooter bekoorlijkheid. De palmboom
-is hier alles in alles; de koning der boomen, die den mensch aan eene
-kleine plek gronds ketende en hem alles verstrekt, wat hij voor zijn
-voeding noodig heeft, de in liederen verheerlijkte, en door de bloesems
-der sage omrankte boom des levens. Wat was de oase zonder den
-palmboom?! Eene tent zonder dak, een huis zonder bewoners, eene bron
-zonder water, een lied zonder woorden, een gezang zonder tonen, eene
-schilderij zonder kleuren! Zijn vruchten voeden den trekherder of hem,
-die daar zijn vaste woonplaats heeft opgeslagen; zij veranderen in hun
-handen in tarwe of gerst, zij bevredigen zelfs den tolgaarder zijns
-gebieders en meesters; zijn stammen en bladeren leveren hem woningen,
-huisraad, matten, manden, zakken, touwen en banden. In het zand der
-woestijn leert men eerst de onschatbare waarde van dien boom kennen,
-zijn volle beteekenis; in het zand der woestijn erkent men den zin van
-het symbool, waarvan de Arabische dichtkunst zich bedient. Evenals deze
-ontspruit hij dikwijls uit een vruchtbaren grond, evenals deze streeft
-hij krachtig, altijd zichzelf gelijk blijvend, naar omhoog, om ook
-eerst in de hoogte zoete vruchten voort te brengen.
-
-Mimosen en palmen zijn de karakteristieke boomen der oase, en ook daar
-ontbreken deze planten niet, alwaar het water zoo rijkelijk vloeit, dat
-men er tuinen en akkers zou kunnen aanleggen. Hier vormen zij als het
-ware de voorposten tegen het opdringend woestijnzand, maar blijven daar
-dan ook beperkt tot den buitenrand der woestijneilandjes, terwijl het
-inwendige ingenomen wordt door planten, die behoefte hebben aan meer
-water. In de nabijheid der bronnen of aan den put breiden zich dikwijls
-tuinen uit, waarin men soms schier alle vruchten van Noord-Afrika
-aanbouwt. Hier rankt de druif, gloeit de oranjeappel tusschen het
-donkere loof, opent de granaat zijn rooskleurigen mond, spreidt de
-banaan zijn gevinde bladeren uit, omslingert de meloen de
-groentebedden, en voltooien de vijgencactus en olijfboom, misschien
-zelfs wel vijgen-, abrikozen- en amandelboomen het beeld der
-vruchtbaarheid. Op verderen afstand bevinden zich akkers, waarop
-althans kafferkoren, in een gunstig geval tarwe en rijst verbouwd
-worden.
-
-In zulke rijke oasen heeft de mensch vaste woonplaatsen opgeslagen,
-terwijl hij in de meer arme laagten slechts nu en dan, op meer of min
-geregelde tijden, gastvrijheid zoekt. Het dorp of stadje der oase
-verschilt weinig van de bewoonde plaatsen der naburige vruchtbare
-landen; men vindt ook hier eene moskee, bazars en koffiehuizen; de
-menschen echter zijn kinderen van een anderen geest dan de boeren en
-stedelingen van den Nijl of van de kustlanden. Ofschoon meestal van
-verschillenden stam hebben zij toch gelijke zeden en gewoonten
-aangenomen. De woestijn heeft hen omgestempeld. Hun magere gestalte,
-scherpe gelaatstrekken, hunne door zware wenkbrauwen beschaduwde,
-fonkelende oogen doen hen terstond kennen als zonen der woestijn; nog
-sterker vindt men dit uitgesproken in hunne zeden en gewoonten. Zij
-zijn vrij van aanmatiging, ijverig, wakker en tevreden, gastvrij, open,
-eerlijk en trouw, maar ook fier, prikkelbaar en opvliegend, geneigd tot
-roof en andere gewelddadigheden, in welk opzicht zij met de Bedoeïnen
-overeenkomen, alhoewel zij bij dezen ten achter staan in goedheid
-zoowel als in boosheid. Elke karavane, die zich bij hen laat invinden,
-is hun ten hoogste welkom, maar de reiziger is hun, meenen zij,
-tolplichtig.
-
-Geheel verschillend van zulke oasen zijn die laagten, in welke zich
-slechts bij uitzondering de zoo vurig begeerde bron bevindt. De
-Arabische trekherders zijn tevreden, wanneer zulk eene bron slechts
-enkele maanden of enkele weken het noodige drinkwater voor henzelf en
-hunne kudden oplevert; de hier uitrustende karavane mag blijde zijn,
-wanneer er voorraad is voor enkele dagen. Gewoonlijk is de bron een
-diepe put, wier wanden eer water uitzweeten dan in mild vloeiende
-aderen naar omlaag zenden. Ettelijke tompalmen verheffen zich tusschen
-de spaarzaam verspreide mimosa’s en salicaria’s in de omgeving der
-bron; eenige weinige grashalmen ontsproten aan de dorre aarde.
-
-Vreeselijk arme menschen zijn deze trekherders, die hier hun tenten
-hebben opgeslagen tot zoolang als hunne kleine kudden geiten er voedsel
-vinden; hun „strijd om het bestaan” is niets dan een onafgebroken
-aaneenschakeling van kommer, ontbering en gebrek. Een lang zwart doek
-van geitenwol wordt in ’t midden over een staketsel uitgehangen, en met
-de uiteinden aan in den grond geslagen pinnen bevestigd; de eene
-opening wordt gesloten door een doek van dezelfde stof, de ander, die
-den ingang zal vormen, door een mat van palmbladeren,—daarmede is de
-tent gereed, de bruidsgift der vrouw, aan welke deze van haar achtste
-tot haar zestiende jaar heeft gewerkt, verzameld, gesponnen en geweefd;
-het huisraad bestaat uit eenige matten om op te rusten, uit een
-granietplaat met daarbij behoorenden wrijfsteen om het ingeruilde koren
-te malen, uit eene vlakke aarden plaat voor het roosten der koeken, en
-verder uit twee buikige potten, eenige lederen zakken, een bijl en
-ettelijke lansen. Eene kudde van twintig geiten geldt bij hen reeds
-voor een grooten rijkdom. Maar deze menschen zijn even braaf als arm,
-even beminnelijk als welgevormd, even goedaardig als schoon, even
-edelmoedig als bescheiden, even gastvrij als eerlijk, even rein van
-zeden als geloovig.
-
-Beelden aan de oudheid ontleend rijzen op voor den geest des
-westerlings, wanneer hij deze nomaden voor ’t eerst ontmoet; de
-Bijbelsche personen ziet hij hier levend voor zich, hij hoort hen
-spreken in de hem uit zijn kinderjaren bekende taal. Duizenden jaren
-zijn over deze nomaden voorbijgesneld als een enkele dag; op dit
-oogenblik nog denken, spreken en handelen zij even gelijk de
-aartsvaders dachten, spraken en handelden. Dezelfde groet als uit
-Abrahams mond klinkt van hunne lippen den vreemdeling tegen; dezelfde
-woorden, die Rebekka richtte tot den knecht Abrahams, hoorde ik mij
-toespreken, toen ik, gekweld door een ontzaggelijken dorst, bij de put
-van Bahioeda van mijn kameel sprong, en van een jonge, schoone, bruine
-vrouw te drinken begeerde. Daar stond zij voor mij, de Rebekka van vóór
-duizenden jaren, in levenden lijve, in onverwelkte jeugd, eene andere
-dan zij, van wie de Schrift spreekt, en toch dezelfde.
-
-Bij de aankomst eener karavane verzamelt zich de geheele bevolking
-dezer tijdelijke nederzetting. De oudste treedt uit den kring naar
-voren en brengt den vredegroet; de overigen heeten de vreemdelingen
-welkom. Dan biedt men het kostbaarste aan, wat de reizigers begeeren,
-het frissche water, en al wat men verder bezit, en zulks met
-verrassende vriendelijkheid, zonder op te dringen en toch gemeend.
-Gretig verzwelgen de reizigers met volle teugen het verkwikkende vocht;
-ongeduldig dringen tevens de kameelen naar de bron, alhoewel zij bij
-ervaring weten, dat zij eerst afgeladen, vastgebonden en naar de weide
-gebracht moeten worden, alvorens het hun geoorloofd is na eene
-ontbering van vier tot zes dagen, weder hun dorst te lesschen. Men laat
-echter ook aan de bron geen enkelen droppel verloren gaan, weshalve men
-hun eerst het nog in de lederen zakken bevatte water geeft; daarna
-worden deze opnieuw gevuld, om dan eerst de kameelen te drenken,
-ofschoon men dan nog meer de hoeveelheid voorhanden water in ’t oog
-houdt dan de behoefte der dieren zelf. Slechts bij eene zeer rijkelijk
-vloeiende bron laat men vrijen teugel aan hun onleschbaren dorst, en
-dan is het een genot hen te zien drinken, altijd maar door, zonder
-ophouden, terwijl zij daarna met koddige, onbevallige, door boeien
-belemmerde sprongen naar de niet minder vurig begeerde weide rennen, om
-hier de als een halfvolle ton dansende maag verder met voedsel te
-vullen.
-
-Voor de reizigers en den daar gelegerden stam breekt echter een ware
-feestdag aan. De eersten vinden frisch water, misschien zelfs wel melk
-en vleesch, die ’t genot der rust niet weinig verhoogen, de
-inboorlingen verheugen zich in de afwisseling, die de karavane brengt
-in de eentonigheid van hun leven. Een der kameeldrijvers heeft in de
-naastbijstaande tent het geliefkoosde muziekinstrument der
-woestijnbewoners, de tamboera of vijfsnarige cither gevonden, en
-begeleidt daarmede op meesterlijke wijze zijn eenvoudig gezang. Deze
-klanken lokken de dochteren der nomaden; slanke, schoone vrouwen en
-meisjes omringen vragende de vreemde mannen en richten op dezen en
-hunne goederen doordringende, blauwe oogen. Wapen u, vreemdeling! die
-oogen zouden uw hart in gloed kunnen zetten! Zij zijn nog veel schooner
-dan die der gazelle en de lippen daar beneden beschamen de koralen, de
-verblindend witte tanden daartusschen de paarlen, die gij deze
-dochteren der woestijn misschien zoudt willen vereeren!
-
-Nu schijnt alles één lied, één gedicht te zullen worden. Om den
-citherspeler scharen zich enkele groepjes, die zich gereed maken tot
-den dans; ruwe en zachte handen begeleiden met maatslag de tonen van
-het speeltuig, de woorden des lieds en den gelijkmatig golvenden dans.
-Nieuwe gedaanten komen, bekende verdwijnen; het is een bestendig
-afwisselend dringen en wenden om de vreemdelingen, die zoo verstandig
-zijn, om even onschuldig en vertrouwelijk te ontvangen als hun gasten
-geven. Alle bezwaren der woestijnreis zijn vergeten, heimwee en
-verlangen bevredigd; want het water, het water borrelt overvloedig en
-treedt in de plaats van alle behoeften van andere plaatsen en tijden.
-
-Deze rust sterkt lichaam en geest. Opgefrischt zet de karavane hare
-reis voort, en indien de dagen niets ergers brengen dan zonnegloed,
-dorst en afmatting, bereikt zij onverzwakt ook de tweede en derde bron
-en eindelijk het doel der reis, de eerste stad of het eerste dorp aan
-gene zijde der woestijn.
-
-Maar veranderlijk als de oceaan, die de aarde omgordt, is ook de
-zandzee. Ook hier woeden stormen, die haar schepen doen stranden en
-verderfaanbrengende golven oproepen. Ten tijde, dat de maandenlang
-waaiende noordenwind in strijd geraakt met zuidelijke luchtstroomen, of
-wanneer deze reeds de alleenheerschappij hebben erlangd, ziet de
-reiziger plotseling het zand levend worden, in dikke en hooge zuilen
-opstijgen, die nu eens langzamer, dan schielijker over de vlakte
-heensnellen. Door de zon beschenen nemen zij het voorkomen aan van
-vuurzuilen; dan weder zien zij er kleurloos uit of het zijn
-angstwekkende, zwarte spookgestalten; de wind verdunt en verdikt ze,
-scheidt hier eene zuil in tweeën, vereenigt ginds twee of meer tot eene
-in de wolken eindigende zandhoos. De westerling wil in luide
-bewoordingen zijn verwondering te kennen geven, maar de angstige
-blikken zijner begeleiders verlammen hem de tong. Wee de karavane, die
-door zulk een wervelstorm wordt ingehaald; zij mag blijde zijn, wanneer
-het leven van menschen en dieren behouden blijft! En woeden deze boden
-des noodlots zonder schade over het hoofd van het reisgezelschap heen,
-het gevaar is daarom nog niet voorbij, want de samoem, de vergiftige
-stormwind, volgt den eersten op den voet.
-
-Deze in de woestijn onder alle omstandigheden het meest gevreesde wind,
-die als Chamasien door Egypte, als Sirocco tot in Italië, als Föhn door
-de Alpen, als dooiwind door Noord-Europa giert, verheft zich geenszins
-altijd tot een storm; dikwijls waait hij onmerkbaar zacht, en toch doet
-hij mannenharten beven. Over dezen wind is zeer veel gefabeld geworden;
-dit is evenwel waar, dat de samoem bij tijd en wijle voor de karavanen
-hoogst gevaarlijk worden kan, en dat hij de oorzaak is der witgebleekte
-geraamten van kameelen, alsmede van de door het zand halfbedolven,
-uitgedroogde mummiën van menschen, die men langs elk woestijnpad vindt.
-Want niet zoozeer zijne kracht, maar zijn aard, zijn elektrische
-spanning brengen lijden en verderf over de menschen en lastdieren,
-welke de woestijn doortrekken.
-
-Althans één dag, somtijds eenige dagen vooruit, voorspelt de inboorling
-en ook de met het land bekende vreemdeling den zandstorm.
-Onbedriegelijke teekens zijn de voorboden. De lucht wordt zwoel, zwaar,
-drukkend; een dunne, grijsachtig of roodachtig getinte damp benevelt
-den hemel; geen tochtje beweegt de lucht. Alle levende wezens lijden
-zichtbaar onder de zwoelte, die elk oogenblik drukkender wordt; de
-menschen klagen en jammeren, het wild wordt schuwer, de kameelen worden
-onrustig en koppig, dringen op elkaar, blijven staan of gaan liggen.
-Kleurloos gaat de zon onder. Geen avondrood omzoomt den hemel, het
-nevelkleed bluscht elk licht uit. De nacht brengt geen afkoeling of
-verkwikking, eer vermeerdering van hitte, krachteloosheid en
-onbehagelijkheid; in weêrwil van alle loomheid ontvliedt de slaap het
-oog. Zijn menschen en dieren nog in staat zich te bewegen, dan rust men
-niet, maar trekt integendeel met angstige haast verder, zoolang de gids
-nog een enkel hemellicht waarneemt. De damp verandert in een drogen
-nevel en het eene gesternte na het andere wordt aan den blik
-onttrokken; zelfs de maan en de zon, welke laatste in het gunstigste
-geval slechts half zoo groot is als gewoonlijk, worden bleek en
-onduidelijk.
-
-Soms begint de wind om middernacht aan te wakkeren, meestal tegen den
-middag. Zonder uurwerk kan men het tijdstip niet bepalen, want de nevel
-is intusschen zoo dik geworden, dat de zon geheel omsluierd wordt en
-een droefgeestig schemerlicht over de vlakte ligt uitgespreid, zoodat
-reeds op geringen afstand geen voorwerp meer te onderscheiden is.
-Zacht, nauwelijks voelbaar begint nu de wind te waaien. Het is nog geen
-werkelijk waaien, maar meer een zacht ademen. Die luchtadem is gloeiend
-heet en dringt evenals een kille, ijzige wind door merg en been,
-veroorzaakt een doffe hoofdpijn, verslapt en beangstigt. Daarop volgt
-een meer waarneembaar, even gloeiend, even verderfelijk waaien. Enkele
-korte, huilende stooten mengen zich daaronder.
-
-Thans is het hoog tijd om te gaan liggen. Zulks geven ook de kameelen
-te kennen, want geen zweepslag brengt deze dieren meer vooruit. Vol
-angst knielen zij neêr, strekken den hals uit, drukken dien tegen den
-grond en sluiten de oogen. De drijvers ontladen hen ijlings, bouwen uit
-de bagage zoo schielijk mogelijk een ringmuur, stapelen alle zakken op
-elkaar om de aan den wind blootgestelde oppervlakte te verkleinen,
-bedekken ze met alle aanwezige matten, hullen zich, evenals alle andere
-reizigers deden, zoo dicht mogelijk in hunne dekens, maken het
-gedeelte, dat om het hoofd is gewonden nat en zoeken dan een
-schuilplaats achter de goederen. In groote haast werd een en ander
-volbracht, want de zandstorm zal nu niet lang meer op zich laten
-wachten.
-
-Het aantal stooten vermeerdert; zij volgen sneller op elkander en
-weinige minuten later woedt de storm met volle kracht. Het giert en
-dreunt, fluit en huilt door de lucht, het ruischt en loeit in het zand,
-het knettert, knalt en kraakt in het leger, waar de planken kisten
-verbrijzeld worden. De hitte neemt nog steeds toe en wordt eindelijk
-onverdragelijk, onttrekt aan het van zweet druipende lichaam alle
-vochtigheid, doet alle slijmvliezen scheuren, zoodat het bloed er uit
-vloeit; de naar water dorstende tong wordt zwaar als lood, de polsslag
-versnelt, het hart krimpt ineen, de huid scheurt en splijt, de razende
-storm vult deze kloven met fijn zand, en veroorzaakt daardoor nieuwe
-kwellingen. De zonen der woestijn bidden en zuchten, de westerling
-steunt en klaagt.
-
-Gewoonlijk duurt de hevigste woede van den zandstorm niet lang, een,
-twee, drie uren slechts, evenals bij ons een onweder, waarmede men hem
-zou kunnen vergelijken. Naarmate hij bedaart, gaat ook het stof liggen
-en klaart de lucht op, terwijl een enkele maal een tegenstroom uit het
-noorden daarop volgt. De karavane herstelt zich en trekt verder. Duurt
-de samoem echter een halven of heelen dag, dan kan het den reizigers
-gaan gelijk een mijner kennissen, den Franschman Thibaut, die op zijn
-tocht door de noordelijke Bahioeda de laatste bron opgedroogd vond en
-met bijna ledige waterzakken moest opbreken, om den op vier dagreizen
-afstands gelegen Nijl te bereiken. De vergiftige wind brak over hem en
-zijne in doodsangst gebrachte karavane, die alle niet dringend
-noodzakelijke goederen bij de uitgedroogde bron had achtergelaten, los.
-Het ongelukkige reisgezelschap legerde zich, hoopte op het einde van
-den storm, wachtte tevergeefs, klaagde, werd moedeloos en wanhopig. Een
-van Thibauts bedienden sprong razend op, overstemde door zijn huilen
-den storm, gilde, tierde, woedde, en viel eindelijk uitgeput op zijn
-meester neêr, liet een gereutel hooren en gaf den geest. Een tweede
-lag, toen de storm eindelijk zweeg, insgelijks dood op zijn
-legerstede,—de hitte had hem gedood. Een derde moest, nadat men weder
-opgebroken had en hij koortsachtig, als om den dood te ontloopen,
-voortsnelde, achterblijven, en versmachtte. Van de kameelen was de
-helft bezweken. Thibaut bereikte met de overige menschen en dieren den
-Nijl, maar zijn gitzwart haar was in den tijd van twee dagen sneeuwwit
-geworden.
-
-Van zulke stormen stammen de mummieachtige lijken af, die men langs de
-karavanenwegen vindt. De storm, die doodde, begroef meteen de lijken en
-dekte ze met zand; dit zand onttrekt snel aan de lichamen alle vocht,
-zoodat zij, in plaats van te verrotten, uitdrogen en tot mummies
-worden. De eene windvlaag werpt er een nieuwe laag zand over heen, de
-andere ontbloot ze. Nu eens strekt het lijk eene hand, dan een voet of
-zijn gezicht naar den reiziger uit; een der kameeldrijvers voldoet aan
-het bevel van den doode, begeeft zich tot hem, werpt weder zand op hem
-en trekt verder onder het uiten der woorden: „Slaap, knecht des
-Allerhoogsten, slaap in vrede!”
-
-Zulke stormen zijn het ook, die in den geest der gespaarden de
-droombeelden der Fata Morgana opwekken. Zoolang de mensch in ’t volle
-bezit zijner krachten en met gezonde zinnen voorttrekt, beschouwt hij
-de luchtspiegeling wel als een de aandacht trekkend natuurverschijnsel,
-maar zij wordt hem niet tot Fata Morgana. In het heete jaargetijde
-ontstaat in de woestijn tegen het midden van den dag, van negen uur in
-den voormiddag tot drie uur in den namiddag, elken dag de „duivelszee”.
-Een grijze, op eene zee, beter nog op een overstroomd land gelijkende
-vlakte, rijst daar, alwaar de woestijn geheel van plantengroei ontbloot
-is op zekeren afstand voor of om den reiziger in ’t rond op; deze zee
-golft, glinstert en schittert, laat alle werkelijk bestaande voorwerpen
-zichtbaar blijven, maar heft ze schijnbaar tot het oppervlak der zee op
-en weêrkaatst hun beelden naar beneden. In de verte voorttrekkende
-kameelen of paarden verkrijgen het voorkomen van door wolken gedragen,
-geschilderde engeltjes, en wanneer men hunne bewegingen kan
-onderscheiden dan is het alsof zij de beenen verzetten op een uit
-nevelen gevormde onderlaag. De afstand, waarop de naar het oog
-toegekeerde grens van dit verschijnsel is gelegen, blijft steeds
-dezelfde, zoolang de waarnemer zijn gezichtshoek niet verandert en is
-dus voor den ruiter eene andere dan voor den voetganger. Het geheele
-wonder berust op de bekende wet, dat een lichtstraal, die van de eene
-middenstof in eene andere overgaat, gebroken wordt, zoodat dit
-verschijnsel zich steeds moet voordoen, wanneer de onderste luchtlagen
-door de terugkaatsing der warmtestralen van het verhitte zand
-ongelijkmatig worden uitgezet. Geen Arabier bedekt bij ’t zien eener
-luchtspiegeling zijn gezicht, gelijk fantaseerende reizigers hun
-goedgeloovige lezers willen wijs maken; zelfs hechten zij geen diepere
-beteekenis aan de benaming „zee des duivels”. Wanneer evenwel angst,
-ontbering, vermoeidheid en gebrek op een zandstorm volgen en de
-geestkracht hebben verlamd, en wanneer dan de luchtspiegeling zich
-vertoont, kan deze tot Fata Morgana worden. De zieke verbeeldingskracht
-schept zich nu zoodanige beelden, die met de vurige wenschen van het
-oogenblik, de begeerte naar water en rust, in harmonie zijn. Ik heb
-zelf honderden malen de luchtspiegeling aanschouwd en ook mij is zij
-eenmaal tot Fata Morgana geworden. Zulks had plaats toen ik na een
-onlijdelijken dorst van een etmaal achtereen de „zee des duivels” voor
-mij zag schitteren en glinsteren. Toen verbeeldde ook ik mij den
-heiligen Nijl, booten met gezwollen zeilen, palmboschjes, tuinen en
-landhuizen voor mij te zien. Maar op dezelfde plaats, alwaar mijne
-zieke zinnen een palmenwoud zagen groeien, zag mijn eveneens
-versmachtende metgezel zeilbooten, en daar waar ik een tuin meende te
-aanschouwen, spiegelden zich voor zijne ziel bosschen af. Maar al deze
-fantasieën verdwenen, zoodra wij toevallig water ontdekten en ons
-daarmede hadden gelaafd; alleen de grijze nevelzee hield stand.
-
-De „zee des duivels” heeft ongetwijfeld ieder reiziger aanschouwd, die
-de eene of andere woestijnstreek der Nijlboorden is doorgetrokken; maar
-niet een ieder is het gegund een der levendigste tooneelen onder de
-oogen te krijgen, welke de woestijn opluisteren. Aan den uitersten zoom
-van den horizon, misschien wel door de luchtspiegeling omhoog geheven
-en in een nevelwaas gehuld, duiken eenige ruiters op, die op
-rankpootige paarden zijn gezeten, wier snelheid die des winds evenaart;
-deze ruiterbende nadert ras en stuift eindelijk, terwijl men de tot nu
-toe gespaarde dieren in vollen draf aandrijft, op de karavane los. Ik
-heb hen altijd gaarne ontmoet, die magere, typisch gekleede mannen,
-want ook in hen en hunne paarden zag ik de harmonie der woestijn met
-hare kinderen. Als een getrouwe zoon der woestijn verscheen hij mij, de
-Bedoeïnen, als haar en zijn spiegelbeeld het ros, dat hij berijdt. Want
-ook hij is ernstig en vreeselijk als de dag, vriendelijk en zacht als
-de nacht der woestijn. Trouw aan ’t eens gegeven woord, onbepaald
-gehoorzaam aan de zeden en gebruiken van zijn stam, waardig in zijn
-optreden, verheven in zijn uitdrukkingen, onovertroffen in onthouding
-en ontbering, ontvankelijk meer dan iemand voor mannelijke daden, voor
-roem en eer, en niet het minst voor het gouden weefsel der poëzie, welk
-laatste bewezen wordt door zijne vertellingen en sprookjes, doorweven
-van de rijkste beelden, omlijst door de heerlijkste en geurigste
-bloemen. Aan den anderen kant is hij listig en geslepen tegenover zijn
-vijand, een slaaf zijner gewoonten, laag en gemeen, zonder eenige
-waardigheid in zijn begeerten en eischen, gulzig in het genieten,
-onbegrensd wreed, vreeselijk in zijn wraak; heden is hij een
-ridderlijke gastheer, morgen een onbeschaamde bedelaar, den eenen keer
-een trotsche roover, een ander maal een ellendige dief; kortom, even
-veranderlijk als de woestijn. Zijn ros bezit hetzelfde verstandige,
-vurige sprekende oog, dezelfde kracht en lenigheid der magere,
-schijnbaar zwakke ledematen, dezelfde taaiheid, dezelfde tevredenheid,
-hetzelfde wezen als hij; want beide groeiden op in dezelfde tent, beide
-rusten onder hetzelfde dak. Het dier is niet de slaaf, maar de metgezel
-en vriend van den Bedoeïnen, de speelgenoot zijner kinderen.
-
-In de vrije woestijn trotsch, moedig, zelfs wild, is het in de tent
-gedwee als een lam; en zoo is het als het ware een integreerend
-bestanddeel van zijn heer en gebieder.
-
-In alle woestijnen, die althans nog in naam onder de heerschappij van
-den Khedive van Egypte staan, spelen de Bedoeïnen heden ten dage
-geenszins nog dezelfde rol als in vroegere tijden, of als tegenwoordig
-nog in Arabië en de landen van Noord-Westelijk Afrika. De Egyptische
-regeering heeft met hen verdragen gesloten, die hun den plicht opleggen
-de karavanen ongehinderd door hun gebied te laten trekken. Rooverijen
-in de woestijn behooren dan ook tot de zeldzame uitzonderingen, en eene
-ontmoeting met Bedoeïnen verwekt ook daarom geen groote bezorgdheid,
-omdat deze zonen der woestijn doorgaans de eigenaars der gehuurde
-kameelen zijn; evenwel nemen de aan hun oude gewoonten verkleefde, ware
-heeren der woestijn gaarne het voorkomen aan van eene zekere
-soevereiniteit; men handelt dan ook verstandig, alvorens de
-woestijnreis aan te vangen, vrijgeleide te vragen van den een of
-anderen aanzienlijken hoofdman. Heeft men dit verkregen, dan loopt eene
-ontmoeting gewoonlijk op de volgende wijze af.
-
-Een der door de zon verbrande mannen springt uit de ruiterschaar naar
-voren en wendt zich tot den aanvoerder of uitruster der karavane.
-
-„Heil zij U, o vreemdeling!”
-
-„Gods zegen, genade en barmhartigheid mogen met U zijn, o hoofdman!”
-
-„Waarheen trekt gij, o mannen?”
-
-„Naar Belled-Aali, o scheik.”
-
-„Trekt gij onder vrijgeleide?”
-
-„Wij trekken onder het vrijgeleide van Zijne Hoogheid, den Khedive.”
-
-„Onder geen ander?”
-
-„Ook Scheik Soliman, Mahammed Cheir Allah, Ibn Sidi Ibrahim Aulad Aali
-heeft ons vrijgeleide en vrede gegeven.”
-
-„Dan zijt gij welkom en gezegend.”
-
-„De Zegenuitdeeler begenadige U en Uwen vader, o hoofdman!”
-
-„Hebt gij iets van noode? Mijne mannen zullen het u geven. In de Wadi
-Ghiteri staan onze tenten, wanneer gij rust wilt zoeken, zult gij daar
-welkom zijn. Zoo niet, dan moge Allah U een gelukkige reis geven.”
-
-„Hij zal met ons zijn; want Hij is genadig.”
-
-„En de leidsman op alle goede wegen.”
-
-„Amen, o hoofdman!”
-
-Weg vliegt de bende; ruiters en paarden smelten wederom ineen; de
-lichte hoeven der dieren schijnen den grond niet te raken, de witte
-boernoe’s fladderen in den wind, en de woorden des dichters worden
-levend in de ziel:
-
-
- „Bedoeïnen, gij zelf op uw ros
- Zijt een fantastisch lied.”
-
-
-Zulke beelden toovert ons de woestijn voor oogen. Naarmate men meer met
-deze vertrouwd wordt, nemen zij scherper omschreven trekken aan, en
-doen zij de moeiten en bezwaren verminderen. Maar het zijn vooral de
-laatste uren der woestijnreis, die het hoogste genot aanbrengen.
-Wanneer het eerste palmendorp van het bebouwde land, wanneer het
-zilveren lint van den heiligen stroom wederom zichtbaar wordt, dan is
-dat uur gekomen. Menschen en dieren ijlen en haasten, alsof de vurig
-gewenschte werkelijkheid een droombeeld kon zijn, dat wederom in een
-nevel zal worden opgelost. Duidelijker en scherper omgrensd treedt het
-doel der reis voor oogen; het is alsof men nooit frisscher kleuren
-gezien heeft, men meent dat nergens zulke groene boomen groeien en
-nergens koeler water wordt gevonden. Hun laatste krachten
-bijeenverzamelende schrijden de kameelen voort, maar hun pas schijnt
-voor hun ongeduldige meesters nog veel te langzaam. Daar klinkt ons
-eene vriendelijke begroeting in de ooren. Het Nijldorp is bereikt. Uit
-alle hutten komen mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen te
-voorschijn om de reizigers te verwelkomen. Ieder beijvert zich de
-helpende hand te bieden en lafenis te reiken. Allereerst biedt men
-water aan, flink water, zoo uit de rivier geschept; dan brengt men
-alles aan, wat lichaam en ziel kan verkwikken. Om het nu opgeslagen
-leger bewegen zich nieuwsgierige menschen, vraaggrage mannen en
-vrouwen, danslustige meisjes en jongelingen. Tamboera en taraboeka,
-cither en trom noodigen ten dans; de dansende meisjes verblijden het
-hart van den vreemdeling en inboorling. Zelfs het knarsen der
-schepraderen aan den stroom, vroeger duizendmalen verwenscht, wordt
-heden tot eene schoone muziek.
-
-De avond brengt nieuwe genietingen. Op het veêrende, koele rustbed
-gemakkelijk uitgestrekt, drinkt de westerling met den inboorling om
-strijd den nektar des lands, den palmwijn of meriesa, terwijl
-cithertonen en trommelslag, onder het maatgeklap van de handen en
-voeten der dansende jongelingen en meisjes het heerlijk drinkgelag
-begeleiden. Eindelijk herneemt de vergevorderde nacht zijn rechten,
-tamboera en taraboeka zwijgen, de dans is geëindigd. Elk der verkwikte,
-verzadigde of meer dan verzadigde reizigers zoekt achtereenvolgens de
-rust. Slechts een enkele hunner, een zone Khahira’s, de moeder der
-wereld, kan den slaap niet vinden. In de nabijheid van het uitdoovende
-legervuur rijzen de sidderende tonen van zijn eenvoudig lied:
-
-
- Ach schoone nacht, gij doet mij pijn,
- Steeds langer wordt gij, immer langer;
- Ik vraag om rust, gij hoort mij niet,
- ’t Wordt steeds om ’t hart mij banger.
-
- Ach schoone nacht, hoe lange reeds
- Mocht niet mijn oog haar schouwen,
- Naar wie mijn ziel zoo innig smacht,
- Mijn hope en vertrouwen.
-
- O schoone nacht, verhoor mijn klacht,
- Breng haar mij nader weder.
- Dek haar met liefdevleuglen zacht,
- Stort vrede op mij neder.
-
-
-Maar ook deze klanken sterven weg—alleen de golven van den stroom
-murmelen en fluisteren voort.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-HET LAND EN DE BEVOLKING TUSSCHEN DE STROOMVERSNELLINGEN VAN DEN NIJL.
-
-
-Egypte en Nubië, alhoewel onmiddellijk aan elkander grenzende en door
-een gemeenschappelijke rivier onderling verbonden, wijken toch zeer van
-elkander af. De goddelijke Nijl stroomt rustig en statig door Egypte,
-maar bruist in koortsachtige haast door Nubië; over Egypte verspreidt
-hij naar alle zijden zegen, in Nubië wordt hij in boeien geslagen door
-hooge, rotsachtige oevers; in Egypte bereikt hij de woestijn, in Nubië
-achterhaalt de woestijn hem. Egypte is een tuin, door hem in den loop
-der eeuwen geschapen, Nubië is eene woestijn, die hij niet vermocht te
-overwinnen. Het is waar, deze woestenij kent haar oasen even gelijk
-iedere andere, maar zij zijn weinig in aantal en verdwijnen tegenover
-de eindelooze woestenijen aan beide zijden des strooms. Bijna overal in
-het lange, gewonden dal, dat Nubië heet, verheffen zich zwarte,
-blinkende rotsmassa’s, hetzij uit het stroombed zelf, of op geringen
-afstand der oevers; mijlen in ’t rond belemmeren zij elke vegetatie en
-alleen door de woestijn weêrszijds erlangen zij eenigen tooi in de
-vormen van goudgele zandgolven, die over hare kruinen rivierwaarts
-rollen. Gloeiend ziet de zon van den donkerblauwen, bijna altijd
-onbewolkten hemel naar beneden, en het komt voor, dat er jaren
-voorbijgaan, zonder dat een enkele regendruppel het uitgedroogde land
-verfrischt. In de diep ingesneden dalen strijden de levenaanbrengende
-wateren van den bevruchtenden stroom te vergeefs tegen het onwillig
-gesteente, tegen hetwelk zij brullend en donderend breken, evenals
-wilden zij hun toorn uitspreken over de ondankbaarheid, waarmede hun
-mildheid wordt beloond.
-
-De kampplaats, alwaar die strijd gestreden wordt, is het gebied van de
-stroomversnellingen des Nijls.
-
-Slechts weinige reizigers, die het dal van den benedenloop dezer rivier
-bezochten, leerden de stroomversnellingen van haren middenloop kennen.
-Een zeer gering aantal overschrijdt den zoogenaamden eersten waterval,
-nog kleiner aantal den tweeden. Wadihalfa, een onmiddellijk beneden de
-tweede stroomversnelling gelegen dorp, is het gewone doel der
-Nijlreizigers; verder naar het zuiden wordt slechts de
-natuuronderzoeker gedreven, of de jager, of de handelaar. Van Wadihalfa
-uit beginnen de moeielijkheden eener reis in de binnenlanden van
-Afrika; geen wonder alzoo, dat de groote massa in genoemd palmendorp
-den steven weder huiswaarts richt. Hij echter, die jong en krachtig is,
-sterk van wil en niet verweekelijkt, zal er nimmer berouw over gevoelen
-wanneer hij zuidelijker trekt. Is het Nijldal arm aan landschappelijke
-bekoorlijkheden, het gebied der stroomversnellingen vormt eene
-eigenaardige wereld op zichzelf. Verhevene en liefelijke, ernstige en
-vroolijke, vreeselijk eenzame en frissche, levendige beelden wisselen
-met elkander af; het zijn echter beelden der woestijn, die men te zien
-krijgt, en om ze naar waarde te schatten moet men voor het gewone het
-oog sluiten. Wie niet in staat is de woestijn te begrijpen, of zich te
-verzadigen aan haren kleurenrijkdom, of haar hitte te doorstaan, en
-zich aan haar nacht te verkwikken, doet wel ook de Nijlwoestijn niet te
-betreden; wie met open oogen en ontvankelijk gemoed het gebied der
-stroomversnellingen bereist, zoo mogelijk zelfs in eene ellendige boot
-den strijd aanvaardt tegen de schuimende golven, zal zijn gansche leven
-teren op de heerlijkste herinneringen, want nooit en nimmer zal het
-aangrijpend tooneel, dat het lichamelijk oog aanschouwde, verbleeken
-voor het geestelijk oog, nooit zal de ziel het goddelijk lied vergeten,
-dat eens de stroom het oor heeft voorgezongen.
-
-Zoo althans vergaat het mij, die te land en te water Nubië’s rotsland
-door ben getrokken, in de boot, stroomopwaarts en stroomafwaarts, die
-met gebrek en gevaren heb te worstelen gehad, en nu eens van de toppen
-der steile rotsen, dan weder van den rug des kameels de
-stroomversnellingen heb gadegeslagen.
-
-Het is gewoonte geworden van drie watervallen van den Nijl te spreken.
-Ieder dezer bestaat uit eene reeks van stroomversnellingen, die over de
-uitgestrektheid eener mijl de scheepvaart ten hoogste bezwaren en
-gevaarlijk maken. In den eersten waterval is er maar ééne
-stroomversnelling van beteekenis, in den tweeden en derden echter zijn
-er samen over de dertig, ieder van welke eenen haar door de Nubische
-schippers gegeven naam draagt. Watervallen, die de scheepvaart ten
-eenenmale onmogelijk maken, zijn er evenwel niet, althans niet in het
-vaarwater, waarin zich, behalve de gewone vaartuigen, die booten
-bewegen, welke uitsluitend met het oog op de stroomversnellingen zijn
-gebouwd en uitgerust.
-
-Wanneer men, in de richting van den heiligen stroom voortreizende, de
-noordoostelijkste vernauwing der oevers tusschen de „bergen der keten”
-achter zich heeft gelaten, verandert plotseling het landschap. Egypte,
-of het breede, zeewaarts zich tot eene onafzienbare vlakte verwijdende
-stroomdal ligt achter den rug der reizigers en de rotsdrempel van Nubië
-bouwt zich voor zijnen blik op. De tegenstelling is verrassend. De
-eentonigheid maakt plaats voor afwisseling. Wel biedt ook Egypte menig
-hartverfrisschend, het oog aangenaam aandoend beeld; wel tooit ook het
-landschap in Egypte zich, vooral ’s avonds en ’s morgens, met den
-wonderbaren glans van het zuidelijk licht; maar over ’t algemeen is dat
-landschap eentonig, omdat men overal hetzelfde ziet, onverschillig of
-men het oog vestigt op de zandsteenen en kalkrotsen der dalbegrenzing,
-of het laat weiden over den stroom en de landerijen. Een en hetzelfde
-beeld keert schier onveranderd honderden malen weder: gebergten en
-vruchtbare vlakten, oeverwanden en eilanden, mimosenboschjes,
-palmengroepen, sykomoren, steden en dorpen, alles draagt in hoofdzaak
-hetzelfde karakter. In ’t gezicht van de rotspartijen van den eersten
-katarakt, van den laatsten grendel, dien de zeewaarts spoedende stroom
-verbrak, eindigt dit Egypte en begint Nubië. De boot glijdt niet meer
-over den in majestueuse rust daarheen vlietenden stroom, maar zij moet
-zich gewelddadig zelf een weg banen tusschen de rotsmassa’s en de uit
-de golven zich verheffende rotskegels.
-
-Boven op een steil afvallend, vooruitstekend gedeelte van den
-linkeroever ziet men een ellendig, maar niettemin schilderachtig
-uitkomend bouwwerk, het graf van Scheik Musas, den patroon der eerste
-stroomversnelling, vervolgens het aan palmboomen rijke eiland
-Elephantine, en spoedig hierna Assoean. Rotsmassa’s uit wier schors
-eene eeuwen achtereen voortgezette werking der tegen haar schuimende
-golven de inscripties uit den tijd der Pharao’s niet vermocht uit te
-delgen, versperren het vaarwater en noodzaken de boot tot allerlei
-wendingen, tot zij eindelijk in eene stille bocht, waar men nog het
-woeden der stroomversnelling hoort weêrklinken, eene veilige
-landingsplaats vindt.
-
-Het is een door de oudheid gewijde grond, dien wij betreden. Lang
-vervlogen eeuwen spreken, door middel van het zoo even vermelde heilige
-schrift, tot ons in verstaanbare taal. „Ab” of ivoorstad, Elephantine,
-zoo heette de stad op het eiland van denzelfden naam; het eiland is
-gebleven, maar zelfs de puinhoopen der stad zijn verdwenen. „Soen”,
-Syene, heette de plaats aan den rechteroever, waar nu Assoean is
-gelegen. Elephantine, de zuidelijkste haven van het oude Egypte, alwaar
-de uit het binnenland van Afrika gehaalde waren, inzonderheid het
-destijds reeds als kostbaar geachte ivoor, werden opgestapeld, was de
-hoofdstad van het zuidelijk Nijldistrikt; Soen was wellicht een
-arbeidersdorp, ofschoon als zoodanig toch niet van geringer beteekenis
-dan Elephantine. Want hier werd van de oudste tijden van het Egyptische
-rijk af de „Mat” of „Ethiopische steen van Herodotus”, dien men in de
-nabijheid brak, aan den Nijloever gebracht en in de schepen geladen,
-die hem naar de plaats van bestemming voerden; naar dit „Soen” ontving
-de kostbare steen den naam van „syeniet”, dien hij nu nog draagt.
-Opschriften op de gedenkteekenen, die dagteekenen van de oudste
-Egyptische koningsgeslachten, op zulke, die tot in het tweede en derde
-duizendtal jaren vóór onze tijdrekening opklimmen, gewagen meermalen
-van de plaats Soen, en tallooze andere hiëroglyphen, in de nabijgelegen
-steengroeven zelf, doen ons de beteekenis van dit arbeidersdorp kennen.
-Over nagenoeg twee vierkante geographische mijlen der ten oosten van
-den waterval gelegen woestijn strekken zich de steengroeven uit,
-waaruit men de groote blokken haalde, die als reusachtige ronde en
-spitse zuilen, als lijsten en draagbalken van tempels ons met stomme
-verbazing vervullen; ook werden er de grafkamers der pyramiden mede
-bekleed, daar men van hen vertrouwde, dat zij in staat zouden zijn den
-op hen drukkenden last te dragen.
-
-„Overal,” zegt mijn geleerde vriend Dümichen, „zien wij hier, hoe de
-menschelijke hand bezig was, deels om het kostbare gesteente uit den
-rotswand los te maken, deels om in beeld en schrift sommige
-gebeurtenissen te vereeuwigen; overal is de steen hier in een
-gedenkteeken veranderd, en talrijke opschriften, dikwijls op de hoogste
-toppen der bergen aangebracht, wij-spreuken ter eere der goddelijke
-drieëenheid van het voornaamste Opper-Egyptische landschap,—van den god
-des watervals Chnoem-Ra en zijne beide gezellinnen Sati en
-Anoeke,—andere ter verheerlijking van sommige heldendaden der
-Egyptische koningen en hooge staatsbeambten bedekken wijd en zijd de
-rotswanden. Ook deze opschriften gaan gedeeltelijk tot in de oudste
-tijden der geschiedenis terug; en toch, hoe jong zijn ze niet,
-vergeleken bij den strijd, die hier gedurende niet te berekenen
-duizendtallen van eeuwen de Egyptische zonnegod Ra tegen het gesteente
-voerde. Overal n.l. zijn de rotsen ter plaatse, waar zij nog niet door
-menschenhanden werden bewerkt en voor onze oogen bloot liggen,
-oppervlakkig met eene donkergrijze korst, als ware deze
-aaneengesmolten, bedekt, terwijl de breukvlakten van het syeniet, aan
-welke wij met zekerheid soms een ouderdom van vier duizend jaren mogen
-toekennen, evenals de overal in de groeven verstrooid liggende blokken
-nog op den huidigen dag de aan granietgesteenten eigendommelijke roode
-kleur in volle frischheid behouden hebben; die eeuwen zelfs waren niet
-bij machte om dat schorskleed des tijds aan te leggen.”
-
-Van elken hoogen oeverberg kan men een gedeelte van den katarakt
-overzien. Twee woestijnen naderen den Nijl en reiken elkander in dien
-stroom over eene menigte kleine rotseilandjes de hand. Elk dier
-eilanden deelt den stroom en noodzaakt hem zijn wateren op te stuwen;
-maar met des te meer geweld vervolgt hij tusschen deze versperringen
-schuimend zijn loop. Zonder ophouden klotst en brandt het water tegen
-de overblijfselen van een reeds vóór duizenden eeuwen door hem zelf
-verbroken rotsdam; hij schijnt ze op te willen ruimen, ze te
-vernietigen, en te toornen over den nog altijd niet bedwongen
-tegenstand, zoo woest klinkt het klotsen der golven naar den beschouwer
-omhoog. Het is de muziek, die het tooneel voor en onder hem begeleidt.
-Rusteloos, gelijk de eeuwig stroomende wateren, dwaalt het oog over
-dien chaos van rotsen; honderd afzonderlijke beelden vallen tegelijk in
-het oog, en niettemin formeert zich uit die veelheid een majestueus
-geheel, waarin de starre, blinkende rotsmassa’s scherp tegen het witte
-schuim der haar omspoelende wateren, tegen de beide aangrenzende,
-goudgele woestijnen en tegen den wolkenloozen, donkerblauwen hemel daar
-boven afsteken.
-
-Aantrekkelijk vooral is het bovengedeelte der stroomversnelling. Een
-keten van zwarte rotsen, de natuurlijke grensmuur tusschen Egypte en
-Nubië, trekt dwars door den Nijl en breidt zich aan beide oevers uit
-tot een langen boog, die voor ’t oog des waarnemers een overal
-gesloten, door rotsdammen omgeven keteldal vormt. Zijn wallen bestaan
-ten deele uit samenhangende massa’s, ten deele uit los op elkaar
-gestapelde, als door reuzenhanden opgeworpen, ronde, eivormige en
-hoekige rotsblokken. Hier en ginds steken enkele gedeelten der
-omwalling voor de anderen uit, elders wijken zij meer terug; hier en
-daar verheffen zij zich als eilanden uit het oude meerbekken, dat zij
-insloten, alvorens de geweldige stroom zich daar een vrijen doortocht
-baande.
-
-Te midden dezer puinhoopen van den voortijd ligt het frissche met
-palmboomen begroeide eiland Phile met zijn goddelijken tempel. Nog
-nimmer zag ik schooner landschap. Overal omgeven door de harde, zwarte
-rots, eeuwig omspoeld door de golven, die tegen zijn grondslagen
-klotsen, vriendelijk omlijst door vruchtdragende palmboomen en geurige
-mimosa’s, staat die tempel daar als het zinnebeeld van ongestoorden
-vrede te midden van den strijd. Een grootsch krijgslied zingt hem de
-stroom, en vredeteekenen bieden hem de palmen. Geene plaats was
-geschikter ter vereering der godheid, aan wie deze tempel gewijd was.
-In deze eenzaamheid, in zulk eene omgeving moesten wel de harten der
-jonge priesters, die hier door de wijsten der kaste werden onderwezen,
-voedsel en leven ontvangen, om zich naar het heilige en verhevene te
-richten, en de beteekenis leeren verstaan van de in mysteriën gehulde
-leerstellingen, het gesluierde beeld van Saïs aanschouwen.
-
-Onder de goddelijke drieëenheid, aan welke de tempel van Phile gewijd
-was, Isis, Osiris en Horus, stond Isis bovenaan. „Isis, de groote
-godin, de koningin des hemels, de gebiedster aller goden en godinnen,
-die met haar zoon Horus en haar broeder Osiris in elke stad vereerd
-werd, de hoog verhevene, goddelijke moeder, de gemalin van Osiris, zij
-is de gebiedster van Phile,” zoo luiden de opschriften in den tempel
-zelf. Inscripties in de velerlei karakters, welke in de verschillende
-tijdvakken der Egyptische geschiedenis in gebruik waren, verhalen ons
-echter ook van veranderingen, die de tempel in den loop der tijden
-onderging, tot eindelijk de christen-priesters, die de dienaren van
-Isis waren opgevolgd, door de Arabieren uit het heiligdom verdreven
-werden.
-
-Heden ten dage ligt Phile grootendeels in puin. In plaats van de
-feestliederen der priesters hoort men er nu slechts het eenvoudig
-gezang van den woestijn-leeuwerik; maar de stroom zingt nog hetzelfde
-lied als voorheen, en even majestueus als voor duizenden jaren. Het
-eiland is eene woestenij geworden, maar de vrede des tempels is
-gebleven. En in weêrwil van alle veranderingen is nog steeds het eiland
-een sieraad van den eersten katarakt.
-
-Van hier af naar boven wordt de Nijl langs eene groote uitgestrektheid
-weêr vrij van rotsen, maar is toch niet bij machte zijn zegen buiten de
-oevers te verspreiden. Met inspanning tracht de mensch de hem elders
-vrijwillig verleende gaven den stroom af te dwingen. Het eene scheprad
-na het andere beurt krijschend het levenwekkende vocht op den smallen
-oeverzoom. Op de meeste plaatsen echter dringt de woestijn met haar
-rotsmuren zoo dicht tegen den oever, dat er geen ruimte meer overblijft
-voor een enkelen akker of een klein palmenwoud. Langs groote
-uitgestrektheden ziet men hier niets dan dwergachtige onkruidplanten,
-tusschen welke het gele drijfzand gestadig naar de diepte rolt, als
-wilde het de woestijn bijstaan in het behalen der zege over den
-goddelijken weldoener van het bebouwde veld.
-
-In het zuiden van Wadihalfa, het zuidelijkste grensdorp der bedoelde
-landstreek, woedt weder het door rotseilanden omsloten Nijlwater.
-
-Tallooze steenmassa’s, rotskegels en blokken noodzaken den Nijl zich
-uit te breiden; een chaos van steen en water, zooals nergens elders
-aanschouwd wordt, verwart het oog. Bij hoogen waterstand overstemt het
-gebrul der dwarrelende, tusschen de rotsen wegsnellende golven het
-geluid der menschelijke stem; het dreunt en dondert, ruischt en bruist,
-spat en sist, dat de rotsen bijna sidderen. Boven de hier onafgebroken
-aan elkander geregen stroomversnellingen en draaikolken ligt de
-hoogopgestuwde Nijl als een stille zee voor het oog des beschouwers;
-dit vriendelijke, door eenige groene eilandjes omhoog geheven beeld is
-echter eng begrensd. Verder opwaarts wordt het stroombed nogmaals door
-tallooze klippen verdeeld; want nu begint eigenlijk de „Batte el
-Hadjar” of het rotsdal der schippers, waarin nog tien naamdragende
-stroomversnellingen liggen. Dit is het meest woeste gedeelte van Nubië
-en in ’t algemeen van het geheele Nijldal. Gewoonlijk ziet men er niets
-dan lucht, water, rotsen en zand. Steil, soms loodrecht, stijgen de uit
-steen gebouwde rivieroevers uit het stroombed omhoog; tusschen deze en
-tusschen de in het water gelegen eilanden wordt de Nijl zoo
-samengeperst, dat hij in den tijd van den hoogsten waterstand van
-twaalf tot achttien meter hooger staat dan gedurende den laagsten
-stand. De oeverwanden zijn spiegelglad, evenals waren zij gepolijst;
-zij weêrkaatsen schitterend het licht en zijn des daags zoo gloeiend
-heet, dat men zou meenen zij waren eerst vóór weinige dagen uit de
-ingewanden der aarde opgeweld.
-
-De vruchtbare stroom ruischt schier doelloos langs deze rotsen, want
-slechts op zeer weinige plaatsen kan hij van zijn goddelijk privilege
-gebruik maken. In inspringende bochten of achter voorgebergten, die den
-sterken stroom afleiden, laat hij zijn vruchtbaar slib vallen, en voert
-hij meteen de zaden aan. Op zulke plaatsen kiemt, groeit, groent en
-bloeit het ook in deze wildernis. Op alle eilanden, in welker
-rotskloven het slib bleef hangen, in alle door den sterken stroom niet
-bereikte bochten, verheffen zich wilgen en mimosa’s, als getuigen des
-levens in het rijk des doods. Wortel na wortel, spruit na spruit zond
-de eerste wilg uit, die hier vasten voet erlangde, en zoo bekleedde
-zich de kale grond weldra met een levendig groen. In de maanden van
-lagen waterstand doet het allengs ontstane kreupelboschje nieuwe
-twijgen ontspruiten; is de rivier gezwollen dan overstroomen de wateren
-eiland en hout. Hooger en hooger rijst de vloed; heviger woedt de
-golfslag; de wilgen buigen zich voor hem, maar klemmen zich steeds
-vaster tegen de rotsen. Maanden lang blijven zij, op enkele takken na,
-die nog boven de schuimende en sissende watermassa uitsteken, onder de
-golven bedolven; hare wortels echter houden zich vast, en met nieuwen
-levensmoed ontbotten wederom de struiken, zoodra het water is gevallen.
-Op zulke plaatsen der huiveringwekkende wildernis heerscht hetzelfde
-dierlijk leven, dat men waarneemt op andere plaatsen van het Nijldal.
-In het wilgenloof hebben enkele paren van de levendige en
-schreeuwlustige Nijlgans post gevat, en op de naburige rotsen is een
-sierlijke kwikstaart gezeten; van de oeverwanden weêrklinkt het lied
-eener blauwmerel of van een rouwtapuit; om de bloeiende mimosa’s
-fladdert de eerste tropische vogel, dien men op dezen tocht ontmoet,
-een prachtige honigzuiger; nu en dan stoot men misschien op een koppel
-sierlijke rotshoentjes. De hier genoemde vogels met nog eenige andere
-soorten vormen de spaarzame bevolking van het rotsdal, en alleen op den
-trek verschijnen daarneven nog dikwijls zeer talrijke troepen van
-andere vogels, die den stroom, hunne heerbaan naar Centraal-Afrika,
-volgen, om dan bij tijd en wijle in het dal uit te rusten. Zij vliegen
-echter zoo spoedig mogelijk van daar, omdat het rotsdal niet in staat
-is hen zelfs maar voor weinige dagen te voeden; het valt dan ook
-bezwaarlijk te begrijpen dat die anderen hier hun dagelijksch brood
-vinden.
-
-En toch vormen zij niet de eenige bewoners dezer waterwoestijn. Er zijn
-menschen, die deze hun vaderland noemen.
-
-Mijlen ver van elkander verspreid, bevinden zich hier enkele armoedige
-stroohutten, waarin een Nubiër met zijn gezin een ellendig leven leidt.
-Een kleine, met vruchtbaar slib gevulde inham tusschen de rotsachtige
-oevers, wellicht slechts een tegen deze aangeplakt slijkbed vormt de
-arme bezitting, die hij de zijne noemt. In het eerste geval is hij een
-rijk man, vergeleken met de geringen, die slechts over zulk een
-slijkbed beschikken. Met levensgevaar zwemt de laatste naar zulke van
-de bergzijde ongenaakbare plaatsen, alwaar de vallende stroom slib
-afzette, om de pas van water bevrijde laag met boonen te bezaaien;
-eenige dagen later, wanneer de rivier nog meer is gevallen, herhaalt
-hij zijn bezoek en zijn arbeid, en telkens weder, zoolang het water
-blijft vallen. En zoo ziet men op zulke met het vallende water zich
-steeds vergrootende velden boonen in alle perioden van den groei;
-tevens kan men opmerken dat onze weinig eischende landman
-tegelijkertijd oogst en zaait. Onder zeer gunstige omstandigheden
-veroorlooft een dieper inspringende, met Nijlslib gevulde inham het
-plaatsen van een scheprad ter bevloeiing van enkele aren bouwgronds, en
-in dit geval is de gelukkige bezitter in staat eene koe te houden; zoo
-iemand leeft nog eenigszins dragelijk, ofschoon hij nog altijd als zoo
-arm wordt beschouwd, dat zelfs eene Egyptische regeering geen belasting
-van hem durft vorderen. Zulke plaatsen zijn evenwel zeldzame oasen in
-deze ijzige wildernis. De stroomopwaarts zeilende schipper begroet
-elken struik, elken palmboom met zichtbare vreugde, een boonenveld, het
-doel wellicht van dagen lange hoop, met gejubel, een scheprad met dank
-jegens den Albarmhartigen. Want niet slechts vrees kan zijn moedig hart
-in dit rotsdal bevangen, maar ook bitter gebrek kan zijn deel worden,
-ja zelfs de hongerdood kan hem tegengrijnzen, tenzij hij een voorraad
-voedsel medenam, voldoende om hem eenige maanden te voeden.
-Stroomafwaarts schiet de boot pijlsnel voort om dit land der
-verschrikking—althans de eenzaamheid en armoede—te ontvlieden;
-stroomopwaarts zeilende ligt de boot dikwijls uren, ja dagen lang onder
-bescherming van een rotsblok beneden eene stroomversnelling als
-vastgemuurd. Wachtende op een gunstigen wind, door het onophoudelijk op
-en neêr schommelen van het vaartuig aan zeeziekte lijdende, kan de
-schipper soms mijlen ver wandelen of zwemmen, alvorens hij menschen of
-bebouwde akkers ontmoet.
-
-Het rotsdal gaat in het zuiden bijna onmiddellijk over in de vruchtbare
-landstreek van Midden-Nubië. Een door twee woestijnen ingesloten smal
-waterbekken, met vele groote eilanden in ’t midden der rivier, door
-deze met slib bedekt, gelijk ook de eilanden daaruit werden opgebouwd,
-neemt den reiziger op. Het wijst wel is waar nog niet den vollen
-rijkdom der tropen aan, maar laat toch derzelver frischheid en krachtig
-leven in sommige planten en dieren doorschemeren. Dichte palmbosschen,
-die de heerlijkste dadels doen rijpen, begrenzen aan den kant der
-woestijnsteppen deze liefelijke oase, die den arbeid des landmans met
-een rijken oogst beloont; Christusdoorns en onderscheidene mimosa’s,
-die zich tot hiertoe niet lieten zien, verkondigen ons, dat wij den
-keerkring overschreden. Behalve den straks genoemden honigzuiger
-bemerken wij nog andere vogels van Centraal-Afrika. In het eerste
-doerrha-veld, dat men scherper in ’t oog vat, verkwikt men zich aan een
-even zoo kleurigen als levendigen, tusschen de stengels
-verblijfhoudenden vuurwevervogel. Het schijnen vuurvlammetjes te zijn,
-die zich nu en dan op den top eener aar neêrlaten om van dezen hoogen
-zetel een eenvoudig, sjirpend of spinnend liedje voor te dragen, dat
-alle soortgenooten aanspoort om hetzelfde te doen. In de spleten en
-scheuren der leemen hutten hebben zich andere leden derzelfde familie
-verzameld, bij name de staal- en bloedvinken, terwijl in de tuinen om
-de huizen Kaapsche duiven hare nesten hebben opgeslagen. Op de
-zandbanken der rivier groeven schaarbekken hunne napvormige nesten;
-nachtzeezwaluwen van eene bijzondere soort, die eerst tegen de
-schemering op roof uitvliegen, strijken dicht langs de oppervlakte der
-golven om deze met hun snavel te doorploegen, ten einde de kleine, in
-de bovenste waterlagen zwemmende dieren te bemachtigen.
-
-Maar ook dit heerlijk plekje gronds is eng begrensd. Reeds beneden de
-bouwvallen van den tempel van Barkal nadert het nog altijd woeste en
-onvruchtbare gebergte den stroom en verdringt zoowel het vruchtdragend
-land als de woestijnsteppe. De laatste stroomversnelling ligt voor ’t
-oog des stroomopwaarts trekkenden reizigers. Zoo onbeschrijfelijk arm
-als het rotsdal was, is het gebied van de derde stroomversnelling niet;
-goed bebouwde, alhoewel niet zeer breede strooken gronds aan beide
-zijden van den stroom en kleine vruchtbare eilanden in de rivier geven
-een indruk van meerdere weelde. De rotsmassa’s aan den oever zijn
-minder samenhangend dan in het rotsdal zelf en rijk aan zoogenoemde
-steenmeren—grillig op elkander gestapelde heuvels en wallen van
-rotsblokken en rolsteenen, gelijk de groote stroomen deze achterlaten,
-wanneer zij hun bed dieper in het door hen uitgespoelde dal graven. Aan
-beide zijden der rivier, meest boven op de het naast den oever
-begrenzende hoogten, aanschouwt het oog rotsblokken van meer dan
-honderd kubieke meter inhoud; deze liggen zoo los op hunne betrekkelijk
-kleine onderlaag, dat zij bij een eenigszins hevigen wind beginnen te
-waggelen en met behulp van hef boomen gemakkelijk door een gering
-aantal menschenhanden zouden weggerold kunnen worden. Op vele plaatsen
-zijn deze rotsmeren zoo grillig gebouwd, dat het den schijn heeft alsof
-de luim van reusachtige kabouters deze kegels en pyramiden, muren en
-wallen, die in bonte mengeling de oeverbergen kronen, opeen had
-gestapeld. Meer evenwel dan al deze bouwgewrochten van den stroom,
-schenken die van den mensch aan de derde stroomversnelling een
-bijzonder karakter. Op alle daarvoor geschikte vooruitstekende
-oeverrotsen, vooral op de grootere rotseilanden, verheffen zich
-gebouwen, voorzien van ringmuren en torens met gekanteelde lijsten,
-gelijk men ze nergens anders in het Nijldal ontmoet. Het zijn
-vestingwerken uit vroegere tijden, burchten van voormalige hoofden der
-stroombewoners, opgericht om bescherming en veiligheid te verleenen, om
-lijf en goed tegen de aanvallen van naburige vijandelijke stammen te
-verzekeren. Uit ruw op elkander gestapelde, bijna uitsluitend met
-Nijlslib aaneengemetselde, onbehouwen steenen is het benedengedeelte
-der muren en omwallingen opgetrokken; dikke, nu grootendeels vervallen
-muren van uit Nijlslib vervaardigde en in de lucht gedroogde steenen
-vormen den bovenbouw dezer burchten, die meer door een trotsch
-voorkomen dan door schoonheid uitmunten. Uit het midden van den stroom
-b.v. verheft zich een kale, pikzwarte, glinsterende rots, op welker top
-zich zulk een vesting bevindt. Woest klotsen de golven tegen haar voet,
-maar rustig weêrstaat zij dien schok, en veilig steunt de haar
-toevertrouwde vesting op deze steenmassa. Aan de stroomafwaarts
-gerichte zijde is het water rustig en hier is de rots, dank zij de
-levenwekkende kracht der rivier, inderdaad heerlijk getooid. In het
-kalme, stille water werden in den loop der tijden dikke sliblagen
-afgezet, zoodat er allengs een eiland uit den vloed oprees; de mensch
-maakte zich daarvan meester, plantte er den palmboom en legde er akkers
-aan; en zoo ontstond er op en achter de rots een liefelijk beeld van
-veiligheid en bewoonbaarheid, dat juist door zijn tegenstelling met de
-omringende onrustige en woeste water- en rotsvlakten, aangrijpend op
-het gemoed werkt.
-
-Aan de zuidelijke grens der derde stroomversnelling beginnen de steppen
-en wouden der keerkringslanden; slechts op enkele plaatsen bereiken nu
-voortaan de rotsen nog den breeder geworden stroom en zijne grootere
-bijrivieren. Over eene lengte van meer dan honderd geographische mijlen
-doorsnijden de Abiad en Asrakh, of witte en blauwe Nijl, vruchtbaar,
-bijna vlak land; dan eerst ontmoet men weder eenige
-stroomversnellingen. Dit gedeelte behoort echter niet meer in de lijst
-der schilderij, die ik trachtte te ontwerpen, want alleen Nubië is het
-land van de katarakten van den Nijl.
-
-Het is moeilijk na te gaan in hoeverre de Nubiër door zijn woonplaats
-gemaakt werd tot hetgeen hij is; zooveel is zeker, dat hijzelf van zijn
-naburen, de Egyptenaren, evenveel verschilt als zijn land met dat van
-laatstgenoemd volk. Beiden hebben geen de minste overeenkomst, noch in
-lichaamsvorm, noch in huidkleur; evenmin in afstamming en taal, zeden
-en gewoonten. Zelfs in godsdienst verschillen zij, niettegenstaande
-beide volken tegenwoordig als eersten regel des geloofs erkennen: „Er
-is maar één God, en Mohammed is Zijn éénige profeet.”
-
-De Egyptenaren zijn gesproten uit het gemengde bloed der oude
-Egyptenaren en dat van later ingekomen Arabische horden uit Yemen en
-Hedjas, die met de vroegere bewoners van het dal des beneden-Nijls
-ineensmolten; de Nubiërs zijn afstammelingen van de „wilde Blemyers,”
-tegen welke de Pharao’s van het oude, middelste en nieuwe rijk, alsmede
-de Egyptische Ptolemeeërs voortdurend, ofschoon niet altijd met
-gunstigen uitslag, krijg voerden. De Egyptenaren spreken de taal,
-waarin Mohammeds „openbaringen” werden opgeschreven, de Nubiërs eene in
-vele dialecten gesplitste taal van het oud-Ethiopisch; de eersten
-gebruiken een overoud schrift, de laatsten hebben ongetwijfeld nimmer
-schriftteekens gehad, die in hun eigen taal wortelen. De eersten hebben
-nog al den ernst bewaard der oude Egyptenaren, evenals de zonen der
-woestijn, van welke zij afstammen; zij zijn steeds, gelijk alle
-Oosterlingen, gedurende hun geheele leven met angst vervuld omtrent het
-„hier namaals” en regelen naar hunne droomen hierover hun zeden en
-gebruiken; de laatsten behielden de lustige levensvreugde der
-Ethiopiërs en leven, als kinderen, onbezorgd van den eenen dag op den
-anderen, het goede zonder dank, het kwade onder veel en luid geklaag
-ontvangende, terwijl zij het een zoowel als het andere onder den
-invloed van het oogenblik ras vergeten. Op beiden drukt in gelijke mate
-het juk der dienstbaarheid; de Egyptenaar draagt het kermend en
-weêrstrevend, de Nubiër gelijkmoedig en zonder morren; gene is een
-onwillige slaaf, deze een gedwee dienaar. Elke Egyptenaar acht zich
-boven den Nubiër hoog verheven, houdt zich, wat afstamming, taal en
-zeden betreft, voor hooger, praalt met zijn beschaving, ofschoon deze
-over ’t algemeen zeer gering is, en tracht den donkergekleurden broeder
-even zooveel te onderdrukken, als hijzelf in ’t bewustzijn zijner
-onmacht zich schikt in de hem opgelegde dienstbaarheid; de Nubiër
-erkent in ’t algemeen de lichamelijke meerderheid van zijn buurman,
-inzonderheid de geestelijke superioriteit van de meer uitstekende
-Egyptenaren, schijnt niet te weten, dat hijzelf die beschaving mist,
-maar is op zijne beurt weder geneigd den minder begaafden en zwakkeren
-bewoner van Centraal-Afrika onder ’t juk te brengen; toch stelt hij
-zich weder met den gekochten neger op een broederlijken voet en schikt
-zich oogenschijnlijk geduldig in het hem toebedeelde lot, na vergeefs
-gepoogd te hebben in den strijd tegen de overmacht overwinnaar te
-blijven. Hij is nog heden ten dage een natuurmensch in hart en nieren,
-terwijl de Egyptenaar ons het treurige beeld vertoont van een vervallen
-en steeds meer en meer vervallend volk. De Ethiopiër heeft zich op den
-onvruchtbaarsten bodem der aarde nog een zekere mate van vrijheid weten
-te veroveren, de Egyptenaar is op het rijkste plekje der wereld tot een
-slaaf geworden, die het moeilijk zal wagen zijn ketens af te schudden,
-niettegenstaande hij nog altijd met zelfverheffing van zijn roemrijk
-verleden spreekt.
-
-En toch hebben de Nubiërs evenveel, zoo niet meer recht van de groote
-daden hunner vaderen te gewagen en zich daaraan te spiegelen dan de
-Egyptenaren. Want die voorvaderen hebben niet alleen met de Pharao’s en
-de Romeinen, maar zelfs met Turken en Arabieren, met de heerschers en
-beheerschers van het hedendaagsche Egypte wakker strijd gevoerd; dat
-zij overwonnen zijn is alleen daaraan toe te schrijven, dat zij van
-vuurwapenen verstoken waren. Toen ik voor de eerste maal de Nijllanden
-bereisde, leefden er nog ooggetuigen dier oorlogen, uit wier mond ik
-een en ander vernam, dat ik thans naar waarheid wil mededeelen, ten
-einde, althans in één opzicht, recht te laten wedervaren aan een volk,
-dat te vaak wordt miskend. De gebeurtenissen, die ik op het oog heb,
-vallen tusschen de jaren 1830 en 1840 onzer tijdrekening.
-
-Nadat Mohammed-Aali, de even krachtige, als onrechtvaardige en wreede
-grondvester der tegenwoordige Egyptische dynastie, in Maart 1811 de
-door hem genoodigde hoofdelingen der Mamelukken trouweloos had
-overvallen en neêrgesabeld, scheen zijne heerschappij over den
-beneden-Nijl verzekerd te zijn. Maar nog was de trotsche krijgersstam,
-wier hoofden door dat schandelijk verraad waren gevallen, niet geheel
-onder ’t juk gebracht. Op wraak bedacht, kozen de Mamelukken uit hun
-midden nieuwe hoofden en trokken zich aanvankelijk naar Nubië terug, om
-zich hier te verzamelen en van daar uit den laaghartigen vijand opnieuw
-te beoorlogen, althans te bedreigen. Mohammed-Aali voorzag het gevaar
-en verzuimde niet dit, als ’t zijn kon, tegen te gaan. Zijn leger
-volgde de verstrooide Mamelukken op den voet. Deze, te zwak om een
-strijd in ’t open veld te wagen, wierpen zich in de vestingen, en
-stierven daar tot den laatsten man den heldendood. Gelijktijdig met hen
-werden ook de Nubiërs overwonnen, en omdat deze de zijde der Mamelukken
-hadden gekozen, als slaven behandeld. Enkel de dappere stam der in den
-strijd geharde Scheikiërs stond in het jaar 1820 bij bet dorp Korti
-tegenover de Turksch-Egyptische troepen; eene heldhaftige, maar
-ongeregelde, met lans, zwaard en schild gewapende schare tegenover
-geregelde, geoefende en met vuurwapenen uitgeruste soldaten, die gewoon
-waren te overwinnen. Naar oud gebruik schouwden de vrouwen met hunne
-kinderen het gevecht aan, om door gillende oorlogskreten tot moed aan
-te vuren, aan de strijdende vaders de omhooggebeurde kinderen te toonen
-en hen hierdoor met doodsverachting te bezielen. De Nubiërs streden met
-een moed, hunnen vaderen waardig; zij drongen door tot de kanonnen, die
-dood en verderf zaaiden onder hunne gelederen; zij hieuwen met hunne
-lange zwaarden op de ingebeelde monsters, diepe sneden achterlatende op
-de metalen buizen—maar de Egyptenaren zegevierden; niet de dapperheid,
-maar overmacht van wapenen besliste. Onder het gillend gehuil der
-vrouwen sloegen de bruine mannen op de vlucht. Wilde vertwijfeling
-greep de eersten aan; een roemvollen dood verkiezende boven smadelijke
-slavernij, drukten zij hare kinderen aan het hart en stortten zich bij
-honderdtallen in den door het bloed harer mannen roodgeverfden stroom.
-De vluchtelingen werden door de woestijn aan weêrszijden der rivier
-belet hun schuilplaatsen te bereiken en zoo bleef hun eindelijk geen
-andere keus dan zich over te geven, en den tot nog toe zoo trotschen
-nek te buigen onder ’t juk des overwinnaars.
-
-Nog eenmaal flikkerde de oude heldenmoed weder op. Een der
-opperhoofden, de reeds nu door de sage verheerlijkte Melik el Nimmr,
-d.w.z. „koning der luipaarden” verzamelde zijn volk te Scheedi in
-zuidelijk Nubië, daar hem de onderdrukking van den wreeden overwinnaar
-onverdragelijk was geworden. Vol wantrouwen trok Ismaël Pacha, de zoon
-en legeraanvoerder van Egypte’s heerscher tegen hem op, en nog voor
-Melik Nimmr met zijn toebereidselen gereed was, verscheen Ismaël, alle
-booten in beslag nemende, voor Scheedi en stelde aan Melik Nimmr
-onmogelijke voorwaarden, ten einde dezen tot slaafsche onderwerping te
-noodzaken. Melik zag het dreigend verderf in en besloot handelend op te
-treden. Hij veinsde evenwel onderwerping, maar middelerwijl snelden
-zijn boden van hut tot hut om de overal onder de asch smeulende vonken
-van opstand tot eene flikkerende vlam aan te blazen. Door listige
-beloften wist hij Ismaël Pacha uit diens veilige boot in de rondom met
-doornheggen afgesloten ruime, maar armoedige koningswoning te lokken;
-om deze waren reusachtige bergen van stroo, opgehoopt, volgens het
-voorgeven van den koning der luipaarden om het door den Pacha verlangde
-kameelvoeder te leveren.
-
-Een heerlijk feest, zooals Ismaël nog nimmer aanschouwde, wil Melik
-zijn heer en gebieder bereiden; daarom vraagt hij verlof om ook alle
-officieren van het Egyptische leger te mogen uitnoodigen, in welk
-verzoek de Pacha bewilligt. Legeraanvoerder, staf en officieren
-vereenigen zich aan het in de koninklijke woning aangerichte gastmaal.
-Voor de doornheg ruischt de taraboeka, die tot den dans noodigt, en
-dreunt de krijgslust inblazende inlandsche trom; het jeugdige geslacht,
-feestelijk met zalf besmeerd, oefent zich in den vroolijken dans. De
-lansen schieten door de lucht, met bewonderenswaardige behendigheid
-opgevangen door de schilden der tegenover elkaar geplaatste dansers; de
-lange zwaarden der beide in krijgsdans zich draaiende partijen
-bedreigen elkanders hoofd, maar worden behendig met kling en schild
-gepareerd. Ismaël schept een ongemeen behagen in de schoone, bruine
-jongelingen en de bevallige bewegingen hunner buigzame ledematen, in de
-koenheid der aanvallen en de zekerheid van afweer. Meer en meer
-zwaarddansers treden op het tooneel, dichter wordt het gedrang voor de
-feestzaal, heviger en woester worden de bewegingen en sneller roffelen
-de trommen. Daar slaat plotseling de taraboeka andere tonen aan;
-honderdvoud wordt dit geluid herhaald door geheel Scheedi en eveneens
-in de naburige dorpen aan deze en gene zijde des Nijls. Een gillend, in
-de hoogste tonen zich bewegend vrouwengeschreeuw doortrilt de lucht;
-vrouwen, tot op de lendenen naakt, met stof en asch in de gebalsemde
-haren, met brandende fakkels in de handen, stormen nader en slingeren
-den brand in de muren van het koninklijk paleis en in de omringende
-stroobergen. Eene ontzettende vuurzuil stijgt ten hemel, en in de
-vlammen, waaruit kreten van schrik en wee, van vloek en klacht
-weêrklinken, vliegen bij duizendtallen de doodaanbrengende lansen van
-hen, die zooeven den krijgsdans uitvoerden. Noch Ismaël Pacha, noch een
-enkele zijner feestgenooten ontgaat een wreeden dood.
-
-Het is alsof de krijgslieden uit den grond te voorschijn komen. Wie de
-wapens kan dragen keert zich tegen de wreede vijanden; de vrouwen, haar
-geslacht vergetende, treden in de rijen der kampvechters; grijsaards en
-knapen worstelen met mannenkracht en mannelijke volharding ter
-bereiking van het ééne doel. Scheedi en Metamme worden in een enkelen
-nacht van alle vijanden bevrijd; slechts een gering aantal der in
-afgelegen dorpen liggende Egyptenaren ontkomen aan het bloedbad en
-brengen den tweeden, in Kordofan wachtenden legeraanvoerder de
-ontzettende tijding.
-
-Deze, Mohammed-Bei el Defterdar, nu nog door de Nubiërs „el Djelad” den
-beul, bijgenaamd, ijlt met zijne geheele legermacht naar Scheedi,
-verslaat de Nubiërs ten tweeden male en offert alsnu meer dan de helft
-van de toenmalige bevolking des land aan zijne onverzadelijke
-wraakzucht op. Den koning der luipaarden gelukt het naar Habesch te
-ontvluchten; zijn onderdanen moeten zich evenwel voor den vreemdeling
-buigen, en hunne kinderen „groeien” om mij van de uitdrukking mijns
-zegsmans te bedienen, „in het bloed der vaderen op.” Sedert die
-ongeluksdagen zijn de Nubiërs de lijfeigenen hunner onderdrukkers
-gebleven.
-
-De Nubiërs, of gelijk zij zich zelf noemen, de Barabra zijn middelmatig
-groote, slanke, evenredig gebouwde menschen met betrekkelijk kleine,
-goed gevormde handen en voeten, en meerendeels aangename
-gelaatstrekken; de amandelvormige oogen, de hooge, rechte of gebogen,
-alleen aan de vleugels een weinig verbreede neus, de smalle mond, de
-vleezige lippen, het gewelfde voorhoofd en de lange kin drukken op het
-gelaat een bijzonderen stempel; verder hebben zij fijn, licht gekroesd,
-maar niet wollig hoofdhaar en eene verschillende, van metaalbruin tot
-in het donkerbruine spelende huidkleur. Zij hebben eene flinke houding,
-loopen licht, haast zwevend, bewegen zich in ’t algemeen vlug en
-bevallig, zoodat zij in dit opzicht zich voordeelig onderscheiden van
-de negers van den boven-Nijl, zelfs van de Fungis uit Oost-Soedan. De
-mannen scheren het hoofdhaar of geheel af of laten het alleen op de
-kruin staan; zij dragen een nauw sluitend wit mutsje, de takhie, op het
-hoofd, om hetwelk op feestdagen nog wel eens een witte doek, op de
-wijze van een tulband gewonden wordt. Een omslagdoek ter lengte van zes
-tot negen meter dient tot bekleeding van het bovenlijf; korte broeken
-en sandalen, op feestdagen een blauw of wit tabbaardachtig gewaad
-vormen de overige kleeding; een aan den linkerarm gedragen dolkmes, op
-reis de lans, zijn de wapenen, terwijl lederen rollen, in welke zich,
-naar men zegt, amuletten bevinden, en aan koorden om den hals gedragen
-zakjes de eenige versiering uitmaken. De vrouwen binden het hoofdhaar
-in honderden kleine, dunne vlechten en zalven deze rijkelijk met
-schapenvet, boter of ricinus-olie in, zoodat zij ver in ’t rond een
-ondragelijken reuk verspreiden; zij tatoeëeren het lichaam en
-aangezicht op vele plaatsen met indigo, kleuren dikwijls de lippen
-blauw en de handpalmen rood, versieren den hals met paarlen van glas,
-kettingen van barnsteen of karneool, amulettentaschjes enz. de hielen
-met ringen van ivoor of hoorn, de ooren, neusvleugels en vingers met
-zilveren ringen; in plaats van een broek dragen zij een tot de hielen
-afhangend schort om de lendenen, terwijl zij zich den omslagdoek in
-schilderachtige vouwen over borst en schouders slingeren. De jongens
-loopen tot hun zesde of achtste jaar naakt, terwijl de meisjes van haar
-vierde jaar af een aardig, uit dunne lederen strooken samengesteld,
-soms met schelpen en glazen parels versierd, gefranjed schort dragen.
-
-Alle gezeten Nubiërs van het stroomdal huizen in vierhoekige, meer of
-min teerlingvormige woningen, die òf uit in de open lucht gedroogde
-tichelsteenen worden gebouwd, en dan naar boven schuins toeloopen, òf
-uit een met stroo bekleed houten geraamte worden samengesteld.
-Gewoonlijk bevatten zij inwendig maar één vertrek; ééne deur verleent
-toegang, en in plaats van vensters ziet men aan deze hoogst primitieve
-huizen enkele luchtgaten. Eene verhooging, overtrokken met
-ineengevlochten lederen strooken of repen boombast, vormt de ligplaats
-„Aukareb”; eenvoudige kisten, voortreffelijk bewerkte, zelfs
-waterdichte manden, lederen zakken, urnen om daarin water, doerrhabier
-of palmwijn te bewaren, handmolens of wrijfsteenen ter vermaling des
-graans, ijzeren of vlakke aarden schotels om brood te bakken,
-uitgeholde kalebassen, eene bijl, eene boor, eenige houweelen, enz.
-ziedaar het huisraad; matten, gordijnen, middelschotten en dekens,
-vormen andere huishoudelijke zaken; troggen, ondiepe, gevlochten
-schalen met deksels, die evenwel niet in elke hut voorhanden zijn,
-maken het eetgereedschap uit. Het voedsel onzer lieden bestaat
-voornamelijk, soms uitsluitend, uit plantaardige stoffen, melk, boter
-en eieren. Het meer gewreven dan gemalen koren wordt tot een deeg
-verwerkt en daarvan een half gaar brood gebakken, dat, òf zoo wordt
-gebruikt, òf onder toevoeging van allerlei zaken, zooals: melk,
-dikslijmige plantensappen, waaronder somtijds wat in de zon gedroogd
-vleesch wordt gemengd, en vele, scherpe kruiderijen. Meer dan op spijs
-is de Nubiër op drinken gesteld, want elke alcoholische drank, hij moge
-van vreemden of inheemschen oorsprong zijn, vindt in hem een
-begeerlijken, zoo niet onmatigen gebruiker.
-
-De zeden en gewoonten van de bewoners van den middelloop des Nijls
-vormen een zonderlinge vermenging van overgeërfde en overgenomen
-gebruiken. Geduldig en lichtzinnig schikt hij zich even gemakkelijk in
-het vreemde als hij het oorspronkelijk inheemsche schijnt te kunnen
-vergeten. Hij is meer in naam dan in werkelijkheid een belijder van den
-Islam; gehechtheid aan geloofsregels kent hij even weinig als
-onverdraagzaamheid omtrent andersdenkenden. Voor hij op middelbaren
-leeftijd is gekomen, of zelfs vóór hij oud is geworden, volgt hij de
-geboden des profeets zelden of nooit met dien ijver op als de Arabieren
-en Turken.
-
-Hij besnijdt zijn zonen, huwelijkt zijn dochters uit, behandelt zijn
-vrouwen en begraaft zijn dooden, viert zijn feesten, alles ingevolge de
-voorschriften van den Islam, maar hij meent genoeg gedaan te hebben als
-hij slechts de vormen in acht neemt. Gezang en dans, vroolijke
-gesprekken, scherts en drinkgelagen vindt hij aangenamer dan het
-vasten, aangenamer dan te luisteren naar de lessen en geboden van den
-koran, of naar de schriftgeleerde verklaring der heilige boeken, die
-hem nieuwe plichten zouden opleggen.
-
-Toch zal niemand hem een besluiteloos, wankelmoedig, onzelfstandig,
-onvertrouwbaar of trouweloos, in ’t kort, een slecht mensch noemen. In
-Beneden-Nubië, alwaar hij jaarlijks met honderden, in zijn oogen rijke
-en milddadige menschen verkeert, wordt hij, wel is waar, dikwijls tot
-een onbeschaamden, onverdragelijken bedelaar, terwijl de vreemdelingen,
-die hij moet opzoeken, omdat zijn arm land hem niet genoeg voedsel
-oplevert, ook weinig er toe bijdragen om hem te veredelen; in ’t
-algemeen echter kan men hem een braaf mensch noemen. Wel ontbreekt hem
-heden ten dage al te veel de wilskracht zijner voorvaderen, maar daarom
-nog geenszins hun moed en dapperheid; wel schijnt hij veel zachter en
-goedaardiger dan de Egyptenaar, toch betoont hij zich niet minder
-vertrouwbaar en volhardend als deze, vooral waar het moeilijke of
-gevaarlijke ondernemingen geldt. Zijn arm, weinig voortbrengend land,
-waaraan hij met zijn geheele hart hangt, dat hij in den vreemde met
-eene roerende aanhankelijkheid gedenkt, voor hetwelk hij werkt,
-ontbeert en sterft, daar zijn streven er alleen op gericht is, zijn
-mannelijken leeftijd en ouderdom daarin door te brengen, legt hem een
-voortdurenden levensstrijd op, en staalt zijn lichamelijke en
-geestelijke krachten; de bruisende stroom, tegen welken hij een niet
-minder harden strijd voert als met het rotsachtig land, wekt en
-onderhoudt in hem den moed en het zelfvertrouwen, even gelijk die
-stroom hem bezielde met eene koele onverschilligheid voor het gevaar.
-Dank deze door hem verworven eigenschappen is de Nubiër een trouw
-dienaar, een voortreffelijk reisgezel, op wien men zich verlaten kan,
-een reislustige djellabi of koopman, en bovenal een ondernemend,
-onverschrokken schipper.
-
-De ouders schijnen hun zonen reeds van de vroegste jeugd af op te
-leiden voor alle mogelijke diensten, die zij later als volwassenen
-zullen moeten vervullen. Evenals in Egypte worden ook in Nubië de
-kinderen der armen eigenlijk niet opgevoed, maar in beslag genomen voor
-allerlei werkzaamheden, juister gezegd, zooveel hun krachten toelaten
-geëxploiteerd. Hoe klein de jongen ook nog zij, iets moet hij doen, ’t
-een of ander ambt vervullen; hoe zwak het meisje ook zijn moge, zij
-moet haar moeder in alles bijstaan. Maar terwijl men in Egypte het kind
-nauwelijks tot verademing laat komen, begunstigt men in Nubië het
-vroolijk spel der kleinen zooveel men kan. In Egypte wordt de jongen
-tot een knecht, het meisje tot een slavin van dezen knecht, zonder dat
-men eene blijde jeugd heeft gekend; in Nubië zijn zelfs de
-halfvolwassenen nog altijd kinderen in hun zijn en wezen. Vandaar dat
-de eersten onnatuurlijk ernstig zijn evenals hunne vaders, dezen
-vroolijk evenals hunne moeders. Er bestaat bij de Nubiërs een algemeen
-geliefkoosd kinderspel, dat ieder reiziger kan leeren kennen en dat hij
-met welgevallen zal gadeslaan, omdat daarin meer dan in een ander
-behendigheid en sierlijkheid van bewegingen, volharding en
-ondernemingsgeest vereenigd zijn; ik bedoel het in de geheele wereld
-bekende „krijgertje spelen.” Na den arbeid vereenigen zich knapen en
-meisjes. De eersten verlaten het scheprad, welks trekossen zij van den
-vroegen morgen tot zonsondergang moesten aandrijven, of het veld,
-waarop zij hun vaders behulpzaam waren, of het jonge kameel, dat zij
-leerden draven; de laatsten hare kleinere broertjes en zusjes, die zij
-eer sleepten dan droegen, het brooddeeg, dat zij moesten laten gisten,
-den wrijfsteen, aan welken zij haar jonge krachten oefenden; allen
-spoeden zich naar de rivier. De jongens zijn geheel naakt, de meisjes
-dragen alleen het franjeschort. Lachend en pratend trekt het gezelschap
-voort, het wemelt in het goudgele zand en tusschen en op de zwarte
-rotsen als van bruine mieren. Bont dooreengemengd rangschikken zich de
-vangers, die den vluchteling moeten inhalen en grijpen. De laatste, die
-eenige schreden vooruit krijgt, geeft het teeken tot den aanvang der
-jacht en allen kleven aan zijn hielen. Vlug als een gazelle loopt hij
-over de zandige vlakte naar de naastbijgelegen rotsen en als jagende
-windhonden rent de schreeuwende schaar hem na; vlug als eene gems
-klautert hij de rotsen op en niet minder behendig klimmen ook de
-vervolgende speelgenooten naar boven; als een verschrikte bever stort
-hij zich in de rivier, om zich al duikende in ’t water te verschuilen,
-maar ook de vurige medespelers schuwen een bad niet, en knapen en
-meisjes scharrelen als zwemmende honden in ’t water, roepen en
-schreeuwen, snappen, lachen en jolen; drijvende, snaterende eenden
-gelijk, volgen zij hem in het natte element. Lang schommelt de naald
-der weegschaal, en soms wordt de geheele Nijl in zijne breedte
-overgezwommen, alsvorens de stoute voorspeler in handen zijner
-kameraden valt. De ouders der vroolijke schare staan aan den oever dit
-schouwspel aan te staren en verheugen zich over de behendigheid, den
-moed en de inspanning van hun kroost, en ook wij Europeanen moesten
-bekennen, dat wij nergens levenslustiger, opgewekter wezens gezien
-hebben dan deze slanke, schoone, fluweelbruine, glimmende kinderen der
-Nubische woestijn.
-
-Uit zulke spelende kinderen groeien de mannen op, die het wagen de
-stroomversnellingen te bevaren, en in eene boot stroomafwaarts over de
-kokende, schuimende, ronddraaiende golven te roeien, zelfs tegen deze
-op te zeilen; groeien de mannen, die op zulke tochten zelfs geen boot
-behoeven, maar koen op kleine, uit doerrhastengels los saamgebonden
-vlotten, of opgeblazen lederen zakken reizen van ettelijke dagen
-ondernemen. Zoo onverschrokken zien deze Nubische schippers en zwemmers
-het gevaar onder de oogen, dat de golven hun zelfs geen sagen en
-sprookjes in ’t oor konden fluisteren. Zij weten van geen niksen en
-watergeesten, van geen booze of goede genieën, en hunne
-beschermheiligen, wien zij vóór of onder den gevaarlijken tocht om hulp
-en bijstand aanroepen, weren slechts het noodlot af, geenszins het
-kwaadwillig voornemen van booze geesten. De sage is stom gebleven in de
-stroomversnelling, in den „buik der rotsen”, in de katarakten en
-draaikolken van de „moeder der gesteenten”, van den „geschokten”, van
-den „kameelenhals,” van de „koralen” en hoe de stroomversnellingen nog
-meer mogen heeten. Toch zou hier een geschikte bodem gevonden worden
-voor sprookjes en sagen, en de meest geschikte aanleiding voor den
-schipper om het geloof aan de werkzaamheid van booze geesten in zich op
-te nemen.
-
-De stroomversnellingen worden naar beneden bij hoogen en middelbaren,
-naar boven bij gemiddelden en lagen waterstand bevaren. Bij den
-laagsten stand des Nijls zou elke stroomafwaarts gaande boot
-verpletterd worden, terwijl bij hoogen waterstand zelfs het grootste
-zeil niet bij machte zou zijn een groot vaartuig stroomopwaarts te
-brengen. Bij dalend water moeten honderden menschen opgeroepen worden
-om eene middelmatig groote boot der almachtige regeering naar boven te
-trekken; op tijden, dat de Nijl is gezwollen, zou men op de enkele niet
-door het water bedekte eilanden, weêrszijds van het vaarwater, te
-weinig of in ’t geheel geen ruimte kunnen vinden om de voeten op te
-zetten. De hoogste waterstand is het meest geschikt om stroomafwaarts
-te gaan, een gemiddelde waterstand ook om die reden voor de vaart
-stroomopwaarts, daar alsdan de regelmatig waaiende noordenwind tevens
-een goede gelegenheid aanbiedt om de hulp van het zeil aan te wenden.
-
-Alle booten, die uitsluitend dienen voor de vaart op de
-stroomversnellingen, onderscheiden zich zoowel door hare geringe
-grootte als door haar bouwtrant, alsmede door tuigage en zeilvorm van
-alle andere Nijlschepen. De romp bevat slechts een gering aantal
-ribben, de planken worden door schuins ingeslagen, de smalle zijden met
-elkaar verbindende spijkers vastgemaakt; het zeil is in plaats van
-driekant, ruitvormig en zoo aan twee ra’s bevestigd, dat men met behulp
-van de onderste ra meer of minder zeildoek kan opwinden of aan den wind
-blootstellen. Bouwwijze en tuigage blijken zeer doeltreffend te zijn;
-de geringe grootte, of althans lengte der boot veroorlooft snelle
-wendingen, de samenvoeging der planken verleent het scheepslichaam
-veêrkracht en buigzaamheid, die goede diensten bewijzen bij het
-dikwijls voorkomend stooten tegen de klippen; door eene naar de sterkte
-van wind en stroom te regelen drukking van het zeil eindelijk kan men
-den veelvuldig afwisselenden weêrstand gelijkmatig en voortdurend
-overwinnen.
-
-Eene bergopwaarts trekkende flotille van booten verleent, wanneer zij
-zoo pas van de ladingsplaats of van de gedurende den nacht ingenomen
-rustplaats is opgebroken, een prachtigen, betooverenden aanblik. Op
-alle vaarwaters ontwaart men zeilen; somtijds ziet men er meer dan
-twintig tusschen de donkere rotsen blinken. Aanvankelijk blijven de
-vaartuigen op nagenoeg gelijke afstanden van elkaar; ras echter doen
-stroom en zeildruk de eerst ingenomen slagorde verbreken. Het eene
-scheepje na het andere blijft meer terug, het eene na het andere laat
-het hoofddeel der vloot achter zich en reeds na verloop van een uur
-ligt er een tamelijk groote afstand tusschen de voorste en achterste
-boot. De vaart vordert evenwel, zelfs bij een sterken en gestadigen
-wind, veel minder dan men zou meenen. Wel breken de golven met groot
-gedruisch tegen den boeg, maar het schip heeft met zulk een groot
-verval te kampen, dat het maar weinig vooruitkomt. Het is een ware
-kunst hier zoo te sturen, dat het vaartuig zoo weinig mogelijk
-krommingen maakt en toch niet tegen de klippen stoot; elke wending toch
-maakt eene verandering in de plaatsing van het onhandige zeil
-noodzakelijk en elke stoot veroorzaakt een lek. Kapitein en matrozen
-hebben daarom handen vol werk. Desniettemin begint eerst dan de
-eigenlijke arbeid, wanneer een der vele stroomversnellingen in ’t
-gezicht is, die men over moet steken. Het tot nog toe half ontrolde
-zeil wordt in zijn geheel aan den wind blootgesteld; de bark jaagt als
-een krachtige stoomboot door den chaos van rotsen en bereikt de
-draaikolk, die aan den voet van bijna alle watervallen te vinden is.
-Alle matrozen staan bij de uitgelegde riemen of aan de gereedliggende
-touwen, om, al naar zulks vereischt wordt, aan te grijpen, wanneer de
-boot, gelijk met opzet geschiedt, door de draaikolk wordt gegrepen en
-in een cirkel wordt rondgevoerd. Op het gegeven bevel van den stuurman
-dompelen aan deze zijde de riemen in het water, stooten aan de andere
-zijde lange staven op de rotsen, om het vaartuig daar van af te houden;
-verkleind of vergroot, draait of wendt zich het door de knapste
-matrozen gemanoeuvreerde zeil. Eenmaal, tweemaal, zesmaal, tienmaal
-poogt men tevergeefs de draaikolk over te steken,—eindelijk gelukt
-zulks en de boot bereikt het benedeneind van den val. Hier evenwel
-staat zij als vastgeklonken; de drukking van het zeil en van het water
-maken evenwicht met elkaar. De wind wordt sterker en het vaartuig rukt
-een of meer meter vooruit; de drukking op het zeil vermindert en de
-golven werpen het schip weêr terug. Nogmaals vangt de strijd tegen
-draaikolk en golven aan, en wederom behalen de laatste de overhand. Het
-komt er nu op aan het ingenomen en veroverde standpunt te handhaven.
-Een der matrozen grijpt het touw met de tanden, werpt zich in ’t midden
-van den hevigsten golfslag in den stroom en poogt al zwemmende, terwijl
-hij het zware touw achter zich aan sleept, een boven de golven
-uitstekend rotsblok te bereiken. De golven slingeren hem weêr terug en
-bedekken hem geheel, maar hij herhaalt zijn pogingen, totdat hij
-inziet, dat hij niet tegen den sterken stroom is opgewassen en een
-teeken geeft, waarop hij naar het schip wordt teruggetrokken. Nog
-eenmaal spelen, tot vernietiging in staat, draaikolk en golven met het
-bij hen vergeleken zoo brooze gebouw; nog eenmaal stuwt de wind dit
-laatste, in weêrwil van beiden, vooruit. Daar hoort men plotseling een
-angstverwekkend gekraak; de stuurman verlaat op hetzelfde oogenblik
-zijn plaats, en vliegt, een wijden boog beschrijvend, door de lucht en
-in den stroom,—de boot was op een door het water bedekte rots gevaren.
-Fluks bemachtigt zich een der matrozen van het roer, fluks werpt een
-ander den in het schuimende water spartelenden stuurman een opgeblazen,
-aan een touw vastgemaakten lederen zak toe en fluks vliegen de anderen
-met hamer, beitel en werk naar het scheepsruim om onmiddellijk het lek
-te dichten. De man aan het roer behoedt, zoo goed hij kan, het vaartuig
-voor een tweeden schok; de ondergedompelde stuurman klimt uit het
-donker nat, terwijl hij meer op klagenden dan biddenden toon de woorden
-uit: „El hamdi lillahi”—God zij geprezen!—de overigen hameren en
-stoppen, en keeren het indringende water. Een geeft zijn hemd prijs om
-een lek te dichten, dat reeds alle werk verslond. En wederom zeilt de
-boot door kolk en golven, schommelend, zuchtend, knarsend als een
-zeeschip in den storm; weêr bereikt het de stroomversnelling en weêr
-wordt het gekluisterd door wind en golven. Twee matrozen springen samen
-in den stroom, bereiken gelukkig het begeerde rotsblok, slingeren er
-het touw omheen en wenken de overigen om de boot aan te trekken. Zulks
-geschiedt en nu ligt de boot vastgemeerd aan de rots, in het midden van
-den hevigsten golfslag, waardoor ze zoodanig wordt geslingerd en zonder
-ophouden op en neêr bewogen, dat men er zeeziek van worden kan en zulks
-ook dikwijls werkelijk wordt. Een tweede boot nadert en vraagt hulp.
-Men werpt haar door middel van den opgeblazen zak een touw toe en
-bespaart de bemanning hierdoor tijd en moeite. Weldra ligt ook deze
-boot en daarna een derde en een vierde onder dezelfde rots en alle
-dansen gezamenlijk op en neêr. Nu evenwel is de vereenigde
-scheepsmanskracht talrijk en sterk genoeg om de overvaart geheel ten
-einde te brengen. Tweemaal zooveel matrozen als elk vaartuig voert,
-bezetten alle noodzakelijke posten van het eene; de anderen zwemmen,
-waden en klauteren, lijnen naar zich toe trekkende, naar een rotseiland
-boven de stroomversnelling en slepen de eene boot na de andere, hun
-krachten met die van het zeil vereenigende, over den schuimenden,
-bruisenden waterval naar boven. Hier en daar, en nu en dan is de kracht
-van het zeil alleen voldoende; onder zulke gunstige omstandigheden
-evenwel brengt windstilte niet zelden vaartuig en bemanning in gevaar.
-Dikwijls moet eene boot midden in de brandende golven uren, zelfs een
-dag lang blijven liggen om op een gunstigen wind te wachten. Dan kan
-het gebeuren, dat men aan elke rotspunt een scheepje ziet hangen,
-zonder dat men in staat is elkander hulp te bieden.
-
-Meer dan eens was ik genoodzaakt mijn nachtleger op een der zwarte
-rotsen op te slaan, omdat de hevige beweging der in den waterval op en
-neêr slingerende boot den slaap onmogelijk maakte. Bezwaarlijk kan men
-zich een vreemdsoortiger slaapplaats denken. De grond, waarop men rust,
-schijnt te beven onder de daartegen brandende golven; het bruisen en
-ruischen, sissen en loeien, dreunen en donderen van het water verdooft
-elk ander geluid; zwijgend zit of ligt men op zijn tapijt, omringd door
-zijn lotgenooten. Evenals een dikke voorbijtrekkende nevel spreidt elke
-windvlaag een fijnen stofregen over het rotseiland. Het heldere
-legervuur werpt een wonderlijken lichtschijn op het gesteente, en de
-donkere, in alle vooruitspringende hoeken en kanten schuimende wateren,
-geven aan de in de schaduw verborgen draaikolken en watervallen nog
-spookachtiger voorkomen dan ze werkelijk hebben. Soms is het alsof zij
-honderd muilen openen om het arme menschenkind te verslinden. Doch deze
-heeft een vertrouwen even sterk als de grond, waarop hij rust. De
-geweldige stroom moge donderen, de branding woeden en schuimen, men
-rust hier veilig op de rots, die duizenden van jaren die woede
-doorstond. Wanneer echter het touw eens brak en de reddende boot tegen
-de nabijzijnde rots werd geslingerd en verbrijzeld? Dan zal een andere
-verschijnen om den schipbreukeling aan wal te brengen. Men kan slapen,
-rustig slapen, in weêrwil van dergelijke gedachten en in weerwil van
-het onophoudelijk gedreun, want het gevaar verleent moed en moed wekt
-vertrouwen; het donderen der golven wordt een wiegelied. Welk een
-ontwaken evenwel op den volgenden morgen! De hemel straalt in ’t oosten
-van een donzig rood, de oude rotsreuzen hebben een purperen mantel
-omgeslagen en schitteren straks in een oogverblindend licht, als waren
-zij gebouwd uit gepolijst staal. Licht en schaduw weven op de zwarte
-rotsen en in de met een goudgeel zand opgevulde kloven het
-onbeschrijfelijk heerlijke tooverkleed der woestijn; duizenden en
-nogmaals duizenden waterpaarlen fonkelen en schitteren daar tusschen;
-en de stroom ruischt ons daarbij zijn machtige, eeuwig dezelfde en
-eeuwig verschillende melodie in de ooren. Zulk een schouwspel en zulke
-muziek vervult elk mannenhart met verrukking. In stille aandacht brengt
-men den morgen op zijn verheven schouwplaats door, want eerst tegen den
-voormiddag verheft zich de altijd naar het zuiden stroomende wind. Met
-dezen beginnen wederom arbeid en gevaar, moeite en strijd, vermetelheid
-en vrees; en zoo verloopt de eene dag na den anderen, en verdwijnt de
-eene stroomversnelling na de andere achter den schipper.
-
-De reis stroomopwaarts is gevaarlijk en tijdroovend, de reis
-stroomafwaarts een waagstuk zonder wederga, een doldriftig jagen door
-vloed en versnelling, draaikolk en maalstroom, watervallen en
-rotsnauwten, een moedwillig spel met het leven.
-
-Men onderneemt zoodanige reizen door het gebied van alle
-stroomversnellingen alleen in booten, die in Soedan gebouwd zijn en
-voor den benedenloop bestemd werden. Ongeveer een tiende gedeelte wordt
-op de reis verbrijzeld; dat niet een betrekkelijk even groot aantal
-schepelingen verongelukt is alleen toe te schrijven aan de
-ongeëvenaarde zwemkunst der Nubische schippers, die zelfs dan nog niet
-altijd verdrinken, als zij door de golven tegen de rotsen geslingerd
-worden; gewoonlijk laten zij zich als eenden op het water drijven om
-eindelijk toch weder aan vasten wal te geraken.
-
-Ik zal trachten u zoo getrouw mogelijk enkele tafereelen te schetsen
-van zulk eene vaart stroomafwaarts.
-
-Zes nieuwe booten uit het zware, in het water zinkende mimosenhout
-getimmerd, dat in Egypte zoo zeer gezocht en op prijs gesteld wordt,
-liggen op de zuidelijke grens der derde groep van stroomversnellingen,
-aan de rivieroevers vastgemeerd; de daarbij behoorende manschappen
-rusten op het zand tusschen de zwarte rotsblokken, alwaar zij den nacht
-hebben doorgebracht. Het is nog vroeg in den morgen en nog stil in het
-leger; de stroom alleen laat zijn ruischende taal in deze eenzaamheid
-hooren. De aanbrekende dag wekt de slapers; de een na den ander daalt
-naar de rivier af en verricht hier de voorgeschreven wasschingen voor
-het morgengebed. Nadat men het „voorgeschrevene” en het „bijgevoegde”
-van het gebed heeft uitgesproken, verkwikt zich de geheele bemanning
-aan een sober ontbijt. Dan ijlt jong en oud naar het graf van den een
-of anderen scheik of heilige, welker witte koepels tegen de lichtgroene
-mimosen van een donker dal helder afsteken, om hier onder aanvoering
-van den oudsten scheepsaanvoerder, die de plaats van Imam bekleedt, een
-afzonderlijk gebed om eene gelukkige vaart uit te spreken. Bij de
-booten teruggekeerd, werpt men nog, een oud voorvaderlijk, heidensch
-gebruik volgende, eenige dadels als offergave in den stroom.
-
-Nu evenwel gebiedt elke gezagvoerder zijn manschappen ieder zijn post
-in te nemen. „Laat het zeil los! roeit o mannen, in den naam Gods des
-Albarmhartigen!” Zoo klinkt zijn bevel. Hierop begint hij te zingen,
-n.l. het refrein van een gedicht; een der roeiers neemt deze wijs over
-en zingt het eene vers van dat lied na het andere; de overigen
-begeleiden hem met de taktmatig voorgedragen woorden: „help ons o
-Mohammed, help ons o godsgezant en profeet!”
-
-Langzaam beweegt zich de schuit naar het midden des strooms; sneller en
-altijd sneller drijft zij naar beneden; nog enkele minuten en, steeds
-den loop versnellende, schiet zij tusschen de rotseilanden boven de
-stroomversnelling door. „O Said, geef ons vreugde,” smeekt de „Reis” of
-schipper, terwijl de matrozen voortgaan met zingen. Sneller en sneller
-dompelen de roeiriemen in het zwarte water, en het zweet druipt van de
-bruine, gisteren weder frisch met zalf ingesmeerde, tot op de lendenen
-naakte lichamen der roeiers; elke spier is saamgetrokken en in werking.
-Lof en smaad, vleiende woorden en verwenschingen, beden en
-bedreigingen, zegenwenschen en vervloekingen wisselen in den mond van
-den „Reis” met elkander af, al naar de boot een met zijn wenschen meer
-of minder overeenstemmenden koers maakt. De met alle kracht
-aangebrachte riemslagen, ofschoon alleen tot sturen en richten bestemd,
-verhaasten den reeds zeer snellen loop van het vaartuig nog meer en
-verhoogen het gevaar dikwijls evenveel als zij het trachten te ontgaan;
-de Reis vindt hierin genoegzame verontschuldiging, waar hij alle hem
-ten dienste staande middelen aanwendt om zijn matrozen aan te vuren.
-„Legt u op uwe riemen, werkt, werkt mijn zonen! toont uwe kracht
-naneven en nakomelingen van helden; bewijst uwen moed, gij dapperen;
-geeft blijk van uwe kracht, o helden; prijst den profeet, gij
-geloovigen! Ja, de meriesa, de simbilgeurige meisjes van Dongola, de
-vertellingen van Kaïro, dat alles zal het uwe zijn! Bakboord zeg ik u,
-honden, hondenzonen, hondenneven, zonen en nakomelingen van honden, gij
-christenen, gij heidenen, gij joden, gij kaffers en vuuraanbidders!
-Wacht, gij spitsboeven, schelmen, dieven, gauwdieven, landloopers, wilt
-gij roeien! Eerste roeiriem stuurboord, hangen vrouwen aan uwen arm?
-Derde roeiriem bakboord, slinger de wijven in ’t water, die u leiden!
-Recht zoo, voortreffelijk, uitstekend, gij krachtige, knappe, lenige
-jongelingen! God zegene u, gij braven, en geve uwen vader vreugde en
-uwen kinderen heil en zegen! Beter, beter nog, gij bloodaards daar, gij
-krachteloozen, ellendigen, nietswaardigen! Verdoeme u Allah in zijn
-rechtvaardigen toorn,—help ons, help ons o Mohammed!” Zoo stroomt het
-onafgebroken uit den mond des gezaghebbers, en alles wordt met den
-meesten ernst gezegd, gesproken, geschreeuwd, geklaagd en nog
-daarenboven bekrachtigd door passende bewegingen met het hoofd, de
-voeten en de handen.
-
-De boot heeft den bovensten trap der stroomversnelling bereikt. De
-rotsen aan beide zijden schijnen in het rond te draaien; het donderende
-water vloeit over dek en boord en overstemt elk ander geluid, zelfs de
-bevelen des stuurmans. Onophoudelijk wordt het ranke vaartuig van de
-eene rots naar de andere geworpen—vrees, angst, ontzetting staan op
-aller gezichten te lezen—daar ligt de gevreesde plaats reeds achter den
-spiegel der boot; de golven, die van de rotsen terugschuimden hebben
-ook het scheepje teruggeworpen; twee riemen slechts zijn gebroken, als
-broos glas werden zij door het gesteente in splinters geslagen. Maar
-dit verlies belemmert de boot de gewilde richting aan te nemen en zij
-drijft naar een der watervallen. Een algemeen geschreeuw drukt
-ontzetting en vertwijfeling uit; op een wenk van den met bevende knieën
-aan het roer staanden Reis werpen allen zich plat op het dek en houden
-zich hier krampachtig vast; een oorverdoovend gekraak volgt, terwijl de
-ziedende golven alles bedekken; een enkel oogenblik ziet men niets dan
-water, daarna springt de boot bliksemsnel omhoog—de doodsgevaren zijn
-voorbij, men heeft den waterval achter zich. „El hamdi lillahi”—God zij
-dank!—zoo luidt de kreet, aan ieders borst ontweld; dan snellen enkelen
-naar het ruim om mogelijke lekkages op te sporen en te dichten, anderen
-leggen nieuwe riemen op, en de tocht wordt vervolgd.
-
-Achter deze eerste boot jaagt een tweede door de gevaarlijke
-stroomversnelling. Met onstuimige, steeds versnelde haast arbeiden de
-roeiers: daar worden allen plotseling tegen den grond gesmakt, en een
-hunner vliegt in een hoogen boog van zijne plaats door de lucht om in
-den stroom neêr te vallen. Hij schijnt verloren en in den afgrond
-begraven, maar neen! te midden van de draaiende en schuimende golven
-beneden de stroomversnelling duikt de meesterzwemmer weêr naar boven,
-terwijl zijn kameraads in hunne radeloosheid de handen wringen, en
-wanneer een derde boot de tweede, die op een rotsblok is gestrand,
-voorbijjaagt en in den maalstroom is gekomen, grijpt hij een der riemen
-en slingert zich behendig aan boord; hij is gered. Ook de vierde boot
-rukt nader; smeekende gebaren van de gestrande bemanning der tweede
-boot roepen om hulp—een wijzen naar den hemel is het antwoord.
-Inderdaad, menschelijke hulp schiet hier te kort, want de vaartuigen
-zijn hier niet in de macht der menschen, de stroom zelf moet helpen,
-wanneer hij niet vernietigen wil, en hij helpt. Grooter worden de
-slingeringen van het schip, welks voor- en achtersteven beurtelings
-onder het water verdwijnen en weêr daaruit omhoog rijzen, en plotseling
-jaagt het weder door draaikolk en stroomen. Eenige matrozen roeien,
-anderen scheppen water, zoo ook twee medereizende vrouwen; wederom
-anderen hameren, spijkeren en kalefateren in het ruim. Voor de helft
-met water gevuld, half drijvend, bereikt de boot den oever en wordt
-uitgeladen, maar de helft der lading, bestaande uit Arabische gom, is
-verloren; klagend, jammerend, weenend, op de met de mannen reizende
-vrouwen vloekende, rukt zich de eigenaar, een arm koopman, den baard
-uit. De beide vrouwen zijn van alles de schuld; hoe konden zij, die
-reeds in het paradijs het menschdom in het verderf stortten, een
-geloovigen Muzelman zegen aanbrengen! Wee, wee over de vrouwen en haar
-geheele geslacht!
-
-De boot wordt den volgenden dag hersteld en opnieuw geladen; alsdan
-drijft zij met de anderen naar de volgende stroomversnelling,
-doorklieft deze zonder beletsel en men bereikt gezamenlijk het
-vruchtbare, rotsvrije stroomdal van Midden-Nubië, dat alle schippers
-gastvrij ontvangt en opneemt. Vergeten is alsnu alle zorg; de bruine
-mannen lachen en schertsen als kinderen en slurpen met wellust den
-palmwijn en den „meriesa.” Veel te snel drijft de stroom de booten door
-het gelukkige land.
-
-Wederom schudt de woestijn haar goudgele zandmassa’s over de rotsen der
-Nijloevers; wederom vernauwen, verdeelen en verhoogen rotseilanden de
-bedding des strooms; de schepen hebben de tweede stroomversnelling
-bereikt. De eene gevaarlijke waterloop, de eene gevreesde maalkolk, de
-eene zorgverwekkende nauwte en kromming na de andere is achter den rug;
-men voer ze gelukkig door, maar de laatste en wildste
-stroomversnellingen scheiden de schepelingen nog van het palmendorp
-Wadihalfa en het van hier uit nog slechts eenmaal, beneden-Phile, met
-rotsen gevulde, maar overigens niet gevaarlijke benedenste stroomdal.
-Alle booten zoeken boven de waarlijk vreeselijke stroomversnellingen
-Gaskol, Moedjana, Aboe-Sir en Hambol een rustige bocht; alle schepen
-liggen hier stil tot den volgenden morgen, om zich te sterken tegen den
-arbeid, de inspanning, angst en zorgen van den volgenden dag. Op
-veêrende rustbedden leggen ook de Westerlingen zich neder.
-
-De nacht schuift zijn sluier over het wilde land. In het rotsdal
-donderen de naar beneden stortende wateren; in den stillen inham
-weêrspiegelen de sterren; van het strand stijgt de geur van mimosen
-omhoog. Daar treedt een bejaarde, tusschen de stroomversnellingen
-geboren en grijs geworden Reis naar de Westerlingen toe. Zijn
-schitterend witte baard omlijst het edele aangezicht; zijn wijd
-opperkleed doet denken aan den tabbaard eens priesters. „Zonen der
-vreemdelingen, mannen uit Frankenland!” zoo vangt hij aan te spreken,
-„gij hebt met ons groote gevaren doorstaan, grootere staan u te
-wachten. Ik ben in het land geboren; zeventig jaren heeft de zon mijn
-hoofd beschenen; eindelijk heeft zij mijn haar gebleekt. Ik ben een oud
-man—gij kondt mijn kinderen zijn. Daarom let op de stem van hem, die u
-waarschuwt en laat af van uw voornemen ons morgen te vergezellen.
-Onwetend gaat gij het gevaar in, maar ik ken het. Indien gij, evenals
-ik de rotsen hadt gezien, die als poorten aan de golven den doortocht
-versperren, indien gij, evenals ik, hadt gehoord hoe deze golven
-toornig en dreunend toe- en doorgang eischen, hoe zij over de rotsen
-stroomen en brullend omlaag storten; indien gij bedacht, dat eenig en
-alleen de genade Gods, die wij bewonderen en aanbidden, ons armzalig
-scheepje kan sturen, dan zoudt gij aan mijn wensch voldoen. Zou het
-hart uwer moeder niet van kommer en verdriet breken, wanneer de
-barmhartigheid van den Albarmhartige ons verliet?—Gij wilt niet? Dan
-moge de genade des Almachtigen over ons allen heerschen!”
-
-Vóór zonsopgang wordt het levendig aan het strand. Vuriger dan ooit
-verrichten de schepelingen hun morgengebed. Ernstige, met den stroom
-bekende stuurlieden, jonge, krachtige, waagzieke roeiers bieden den
-oude hun diensten aan. Bedachtzaam kiest hij de knapste stuurlieden en
-de krachtigste roeiers, drievoudig bemant hij het roer en geeft daarna
-het teeken tot opbreken. „Mannen en zonen des lands, kinderen des
-strooms, bidt de fatiha” beveelt hij. En allen spreken de woorden van
-de eerste soere des Korans: „Lof en eer den Heer der wereld, den
-Erbarmer, die daar heerscht ten dage des gerichts. U willen wij dienen,
-tot u willen wij bidden, opdat Gij ons den rechten weg zult wijzen, den
-weg dergenen, die zich in Uwe genade verheugen, maar niet den weg
-derzulken, over wie Gij toornt, en niet den weg der dwalenden!” „Amen,
-mijn kinderen; in den naam des Albarmhartigen! Maakt de touwen los en
-slaat de handen aan de riemen.” Gelijktijdig vallen deze in het water.
-
-Langzaam drijft de opgestuwde stroom het vaartuig naar de eerste
-versnelling en nogmaals jaagt het, hierin gekomen, aan roer noch riemen
-gehoor gevende, in alle voegen krakende en steunende, door de over
-elkaar stortende golven en het kokend schuim, door draaikolk en
-maalstroom, door nauwten en gewonden vaarwaters, door de golven
-omspoeld en bedekt, rakelings langs de rotsen, en even rakelings over
-de met dwarrelende wateren bedekte rotstoppen naar eene tweede
-versnelling.
-
-Van de hoogte der helling schouwt het oog vol ontzetting in eene met
-betrekking tot het geweld des waters afgrijselijke diepte; vlak voor
-den voet des vals verheft zich een rond rotsblok, omgeven door
-schuimende golven, een met witte haren omlijst reuzenhoofd, dat boven
-de wateren uitsteekt. Een afgeschoten pijl gelijk schiet het armzalig,
-hier niet meer te besturen scheepje op dien reuzenkop af. „In den naam
-des Albarmhartigen roeit, roeit, gij mannen, gij geweldige, dappere,
-koene mannen, gij zonen des strooms!” steunt de Reis; „bakboord,
-bakboord het roer, met alle kracht.” Maar roer en riemen weigeren. Niet
-zoozeer het rotsblok brengt nu het scheepje in gevaar, maar dit wordt
-door een nauw, in een chaos van rotsen voerend, aan stuurboordszijde
-der rotsen zich vertakkend vaarwater opgenomen, en tevergeefs zoeken
-aller oogen een uitweg uit dezen chaos. Reeds verlaten de matrozen de
-roeibanken om zich van de laatste kleedingstukken te ontdoen, ten
-einde, zoo de boot mocht stranden, in het zwemmen niet gehinderd te
-worden; daar doet een vreeselijk gekraak aller blikken weder rugwaarts
-wenden; het steenen hoofd heeft de volgende, langere, daardoor minder
-goed te zwenken boot als offer ontvangen, en houdt haar zwevend boven
-den daar beneden schuimenden vloed. Zulks vermeerdert de ontsteltenis.
-Alle schepelingen beschouwen de bemanning dier boot voor reddeloos
-verloren, en allen maken zich gereed voor den sprong in de diepte. Daar
-dreunt helder en luid de stem des grijzen stroomouden over de woelende
-wateren. „Zijt gij dan dol, zijt gij van God verlaten, gij kinderen der
-heidenen! arbeidt, arbeidt, gij knapen, mannen, helden, gij dapperen en
-geloovigen! In de hand des Almachtigen berust alle kracht en sterkte;
-Hem zij de eer; aan de riemen gij zonen van helden!” En hijzelf gaat
-naar het roer en voert binnen weinige minuten de boot uit den „weg der
-dwalenden” op den „rechten weg” terug. De eene boot na de andere
-verschijnt in het vrije water; toch niet alle booten ontgingen het
-gevaar. Nog altijd, en wel tot aan de volgende rijzing van den Nijl
-draagt het reuzenhoofd zijn last, terwijl de ongeluksboot, waarin de
-vrouwen waren gezeten, reeds bij de bovenste stroomversnelling in
-duizend splinters werd geslagen. Met de gelukkig geredde manschap
-bidden de schippers evenals vóór de afvaart: „Lof en prijs den Heer der
-wereld!”
-
-Voor het door palmboomen beschaduwde dorp Wadihalfa liggen de geredde
-booten naast elkander; aan het strand, om flikkerende vuurvlammen, in
-schilderachtige groepjes geschaard, de schippers. Dikbuikige kruiken,
-gevuld met meriesa, noodigen tot drinken uit; in andere vaten derzelfde
-soort borrelt het vleesch der geslachte schapen, onder toezicht van ras
-toegesnelde, met ricinusolie gezalfde, voor Europeanen niet te naderen
-vrouwen en meisjes.
-
-De klank der cithers en het geroffel der trom geven het teeken tot den
-aanvang der „fantasie” van het feest, smulpartij en drinkgelag. Een
-onuitsprekelijk welbehagen maakt zich van alle schippers meester; hun
-zaligheid is aan gelaat en bewegingen kenbaar. Eindelijk laat zich na
-den zwaren, angstigen arbeid van heden de vermoeidheid gelden. De
-taraboeka valt uit de slappe armen, de tamboera aan de vermoeide hand,
-en alle, zoo even nog luidruchtige stemmen zwijgen.
-
-In hare plaats vangt thans de nacht aan te spreken. Daar boven klinkt
-nog steeds het gedonder van de watervallen; uit de kronen der palmen,
-met wier veêren de nachtwind speelt, daalt een zacht gefluister naar
-omlaag: aan het vlakke strand breken onder welluidend geklots de
-golven. En het gedonder der wateren en het spelen der golfjes, het
-geruisch van den wind en het gefluister der palmen vormen te zamen het
-heerlijkste wiegelied, dat allen doet insluimeren in het lichtrijk van
-gouden droomen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-EENE REIS IN SIBERIË.
-
-
-Wij hadden de van menschen wemelende straten van St. Petersburg, de in
-de zon stralende gouden koepels van Moskow achter den rug, en de torens
-van Nischni-Nowgorod aan den anderen oever der Oka lagen voor ons. Met
-een dankbaar gevoel hadden wij afscheid genomen van de beide
-hoofdsteden van Rusland. Wij waren te Berlijn door Z. M. onzen
-roemruchtigen Keizer in een welwillend afscheidsgehoor ontvangen
-geworden, de Min. van Buitenl. Zaken had ons dringend aanbevolen, de
-Duitsche gezant in St. Petersburg had ons vriendelijk welkom geheeten,
-en zoo hadden wij ons eene goede opname in Rusland voorgesteld; de
-uitkomst beantwoordde aan onze verwachting, ja, overtrof deze ten
-zeerste. Z. M. de Czar had ons audiëntie verleend, bij Grootvorsten en
-Grootvorstinnen van het Keizerlijk huis hadden wij onze opwachting
-mogen maken; de Rijkskanselier, de Ministers en andere hooge
-staatsdienaren van Rusland waren ons tegemoet gekomen met die
-voorkomende vriendelijkheid en opofferende welwillendheid, welke een
-der karaktertrekken uitmaken van alle beschaafde Russen; de beste
-aanbevelingen, wier waarde wij later eerst recht zouden leeren kennen,
-vergezelden ons.
-
-Tot Nischni-Nowgorod hadden wij gereisd met de verkeermiddelen van den
-nieuwen tijd; voortaan zouden wij ervaren hoe men in het Russische rijk
-reist, en op welke wijze men er afstanden van duizenden kilometer of
-wersten aflegt—aflegt in den winter zoowel als in den zomer, des nachts
-zoowel als over dag, in het hevigste onweder zoowel als in den fellen
-zonneschijn, in den kletterenden regen of in den ijzigen sneeuwstorm
-zoowel als wanneer de droogte het stof doet opdwarrelen, in de slede
-zoowel als in den wagen. Een groote, zware, in alle voegen beklampte,
-om ’t omvallen te voorkomen wijdbeenige, door een kap tegen regen en
-sneeuw beschutte, voor 3 paarden ingerichte reisslede, voorzien van
-tingelende klokjes, stond voor ons.
-
-Het was op het kristallen ijskleed der Wolga, dat wij den 19 Maart de
-wel snel vorderende, maar toch niet onbelemmerde vaart aanvingen. Wij
-hadden op de reis van Duitschland naar Rusland dooiweêr gehad, de dooi
-had ons uit Petersburg naar Moskow verdreven, dooiweder bleef onze
-bestendige begeleider, als waren wij voorjaarsboden. Met water gevulde
-gaten, die dreigend herinnerden aan de gapende diepte daar beneden,
-doorweekten niet alleen slede en paarden, maar ook wijzelf werden
-doornat; soms werden wij genoodzaakt tot het nemen van groote omwegen,
-die wegens het kraken van het ijs gevaarlijker schenen, dan zij
-werkelijk waren, maar toch den koetsier en den postillon beiden zoo met
-bezorgdheid vervulden, dat wij na eene korte vaart de gladde ijsbaan
-verwisselden met den nog onbereden zomerweg. Deze weg, waarover niet
-alleen duizenden van vrachtwagens hun lasten vervoeren, maar langs
-welken eveneens duizenden veroordeelden naar het gevreesde Siberië
-trekken, is voor laatstgenoemden een weg der zuchten; hij werd zulks
-mede voor ons. De losse, met water gedrenkte sneeuw lag hier nog een
-meter hoog; rechts en links ruischten en stroomden tal van beekjes,
-overal waar deze slechts ruimte hadden om te stroomen en te ruischen;
-op beklagenswaardige wijze matten de nu voor elkander gespannen paarden
-zich af, om vasten voet te behouden; met sprongen trachtten zij de
-sporen van den voorganger te bereiken en tot aan de borst zakten zij
-bij iederen verkeerden sprong in de sneeuw en het ijskoude water.
-Daarachter schudde de slede, in alle voegen krakend, telkens als zij
-met een snellen ruk van de hoogte in de diepte werd geslingerd; uren
-lang bleef het voertuig, trots alle inspanning der paarden, in een gat
-steken, en weêmoedig klingelde het geschenk der raadselachtige Faldine,
-het wolvenverdrijvende klokje. Tevergeefs vermaande, bad, bezwoer,
-kraste, krijschte, schreeuwde, vloekte en zweepte de koetsier; meestal
-moest vreemde hulp ons uit dezen nood helpen.
-
-De uren werden dagen van kwelling, de weg scheen steeds langer te
-worden. Het vergezicht schonk evenmin naar rechts als naar links eenige
-opbeuring, want zonder schoonheid, woest en eenzaam strekte zich het
-vlakke land voor ons uit; alleen de dorpen leverden eenige afwisseling
-op, maar alleen voor hem, die weet te zien en die wil waarnemen. De
-winter hield de menschen hier nog terug in hun kleine, sierlijk
-aangelegde, meest evenwel erg verwaarloosde blokhuizen; in pelzen
-gehulde knaapjes alleen liepen barrevoets door de met water gedrenkte
-sneeuw en den vuilen drek, terwijl de oudere jongens en meisjes met
-behulp van stelten deze hinderpalen trachten te overwinnen; oude,
-wit-gebaarde bedelaars belegerden de posthuizen en herbergen, voor een
-schilder evenwel bedelaars om te stelen; bedelaars, die, wanneer zij,
-om eene aalmoes smeekende, het hoofd ontblootten, met hun eerwaardige
-kale kruin en den langen golvenden baard, niet minder ook door hunne
-vuile lichamen en armoedige, gescheurde kleeding zoo getrouw het beeld
-weêrkaatsten van wereldverachtende heiligen, dat ik nimmer kon nalaten
-hun altijd weêr iets te geven, al was het alleen maar om hen te nopen
-tot dankbetuiging een kruis te slaan, welke ceremonie soms tot
-negenmalen herhaald werd—en met zooveel uitdrukking en overtuiging
-geschiedde, dat een ware heilige het niet beter zou hebben kunnen
-verrichten.
-
-Ook de dierenwereld liet zich in de dorpen meer zien dan op de velden,
-zelfs meer dan in de bosschen, die wij doortrokken. Daar buiten hield
-de winter het dierlijk leven nog geheel in zijn boeien geslagen; daar
-was alles nog stil en dood; behalve eene bonte kraai en een geelgors,
-liet zich daar nog geen enkele vogel zien, en in de sneeuw bespeurden
-wij geen spoor van eenig zoogdier; in de dorpen werden wij ten minste
-verwelkomd door bekoorlijke kauwen, sieraden op de daken der
-blokhuizen, door den raaf, bij ons te lande de schuwe bewoner van
-bosschen en bergen, hier de vertrouweling der dorpsbewoners, door
-eksters en meer andere vogels, niet gerekend de huisdieren, onder welke
-de vrij rondloopende zwijnen vooral onze aandacht trekken.
-
-Na een vierdaagschen, onafgebroken tocht, zonder ons eene enkele maal
-door een verkwikkenden slaap gesterkt te kunnen hebben, zonder eene
-werkelijke rust genoten te hebben, zonder behoorlijk voedsel, aan alle
-leden gebroken, bereikten wij, na het zeer gebarsten ijsdek der Wolga
-te voet te zijn overgetrokken, Kasan, de oude hoofdstad der Tartaren,
-welker zestig torens ons sedert den vorigen dag reeds vriendelijk
-hadden toegelachen. Ik dacht een oogenblik in het Oosten te zijn
-verplaatst. Van de minarets en de ettelijke boven alles uitstekende,
-met een puntig toeloopend dak voorziene houten torens klonk mij wederom
-in Arabische klanken de oproeping tot het gebed, door den Islam van
-zijn belijders geëischt, in de ooren; te midden der met een tulband
-omwonden mannen zweefden zwartoogige, voor dezen zich angstig
-bedekkende, voor ons zich nieuwsgierig ontsluierende vrouwen langs den
-weg; uit vrees hare fraaie, niet waterdichte, saffraankleurige
-schoentjes nat te maken, volgen zij voorzichtig de droge smalle paadjes
-langs de huizen; in de drukte van den bazar woelt jong en oud
-dooreen—even als in het Oosten. Alleen het groot aantal prachtige
-kerken, waaronder die van het klooster, genaamd: „de niet door
-menschenhanden gemaakte Moeder Gods van Kazan” door ligging en
-bouwwijze uitmunt, wilden niet recht in die Oostersche lijst passen,
-ofschoon hier blijkbaar Christenen en Mohammedanen eendrachtig
-samenwonen.
-
-Op lichte sleden, op zoo mogelijk nog bodemloozer wegen, trokken wij
-verder, Perm en den Oeral tegemoet. De weg voert ons door Tartaarsche
-en Russische dorpen, bebouwde velden en groote, uitgestrekte bosschen.
-De Tartaarsche dorpen onderscheiden zich gunstig van de Russische, want
-niet alleen mist men er de voor onrein gehouden varkens, maar tevens
-vindt men bij elk dier dorpen een goed onderhouden, met hooge boomen
-beplant kerkhof; de Tartaar toch eert de rustplaats zijner dooden, de
-Rus ten hoogste die zijner heiligen. De bosschen ofschoon planmatig
-ingedeeld, zijn oerwouden, die groeien en gedijen, verouderen en
-afsterven zonder toedoen des menschen; zij liggen te ver verwijderd van
-bevaarbare rivieren om er een winstgevend gebruik van te maken.
-
-Twee groote rivieren, de Wietka en Kama kruisen dezen weg. De eerste
-ligt nog gekneld in den winterboei, ofschoon de lentewind reeds
-aanvangt het ijsdek te verbreken. Het water overstroomt de oevers,
-zoodat de paarden der vrachtvaarders,—welke lieden geen gebruik van de
-op zulke plaatsen aangebrachte noodbruggen willen maken—genoodzaakt
-zijn al zwemmende de achter hen drijvende slede, evenals een bootje
-door het water te trekken.
-
-Reeds vóór wij Perm bereikten moesten wij de slede met een reiswagen
-verwisselen, en in dezen rollen wij het Oeralgebergte, de grens van
-Europa en Azië tegen. De weg loopt over langgerekte, zacht glooiende,
-doch steeds hooger wordende heuvelrijen. Het beeld des landschaps
-verandert. Een fraai, ofschoon nog geenszins grootsch bergland strekt
-zich voor onzen blik uit. Kleine boschjes, omgeven van akkers en
-weiden, herinneren aan de voorgebergten der Stiermarksche Alpen. De
-meeste bosschen zijn arm en nietig, eenigszins te vergelijken bij die
-der Mark, enkele rijker en levendiger, zelfs over groote
-uitgestrektheden dicht. Ginds waren zij uit lage dennen en berken
-gevormd, hier bestaan zij uit beide boomsoorten met daartusschen
-groeiende linden, esschen en populieren, boven wier ronde kronen de
-cypresvormige toppen der heerlijke Pichta’s of Siberische dennen als
-kandelabers uitsteken. De dorpen zijn gemeenlijk grooter, de huizen
-deftiger dan die, welke wij achter den rug hebben, maar de wegen zijn
-boven alle beschrijving slecht. Loodzwaar slepen duizenden vrachtwagens
-zich op of liever in het modderige spoor voort, en zoo ook wij, tot
-eindelijk na eene reis van drie dagen de waterscheiding van de beide
-groote stroomgebieden, van dat der Wolga en Ob is bereikt, en wij door
-een gedenksteen, op welks westkant het woord Europa, op welks oostkant
-het woord Azië is gebeiteld, er aan herinnerd worden dat wij de grenzen
-van het werelddeel onzer geboorte zijn overgetrokken. Onder het klinken
-der glazen gedenken wij onze verre geliefden.
-
-Het vriendelijke Jekaterinenburg met zijn goudsmelterijen en
-steenslijperijen mag ons, in weêrwil van de gastvrijheid zijner
-bewoners, niet lang ophouden, want steeds breeder slaat de lente haar
-wieken uit, en met elken dag wordt het ijsdek, dat nog tot het ver
-afgelegen Omsk ons voor brug moet dienen, losser en weeker. Rusteloos
-snellen wij door de velden van het Aziatisch gedeelte van het
-gouvernement Perm, totdat wij zijn grenzen en daarmede ook West-Siberië
-hebben bereikt.
-
-Hier, in het eerste posthuis, wacht de distriktscommissaris van Tjumen
-ons op, om ons in naam van den stadhouder te begroeten en door zijn
-distrikt te geleiden; in de hoofdstad vinden wij het huis van een
-vermogend man voor onze komst in gereedheid gebracht. Wij zullen van nu
-af aan ervaren, wat Russische gastvrijheid beteekent. Nog altijd had
-men ons overal gastvrij ontvangen en onthaald; van nu af aan beijveren
-zich de hoogst geplaatste ambtenaren van distrikten en provinciën om
-ons eer te bewijzen en van dienst te zijn, terwijl de aanzienlijkste
-huizen tot onze beschikking staan. Als vorsten worden wij behandeld,
-enkel en alleen omdat wij een wetenschappelijk doel voor oogen hebben.
-Hoe dankbaar wij zulks ook erkennen, het ontbreekt ons aan woorden om
-ons dankgevoel te uiten.
-
-Aan gene zijde van dat Tjumen, alwaar wij drie dagen vertoefden, om de
-gevangenissen der ballingen, de lederfabrieken en andere
-bezienswaardigheden der eerste Siberische stad in oogenschouw te nemen,
-zagen wij ook hoe de boeren zich zelfs tot heer en meester weten te
-maken van de rivieren. De naderende lente had ook het ijs der Pyschma
-losgemaakt en de ijsschollen begonnen zich in beweging te zetten; wij
-moesten evenwel nog eerst den stroom oversteken. De bevolking van het
-dorp Romanoffskoy stond blootshoofds voor de Pyschma op ons te wachten;
-en op ons wachtende moest ook deze rivier geduld oefenen met het
-verbreken harer kristallen ketenen. Met niet minder bekwaamheid als
-onverschrokkenheid had men eene noodbrug over den reeds gedeeltelijk
-van ijs bevrijden stroom geslagen; eene groote boot diende daarbij als
-middelste grondbalk en de ijsschollen, die dreigden te gaan kruien,
-werden boven en naast deze brug met sterke touwen vastgebonden.
-Gedienstige handen onttuigden het vijfspan, dat wij heden voor onze
-reis noodig zouden hebben, sloegen de handen aan de assen en spaken, en
-brachten den eenen wagen na den anderen over de waggelende, op en neêr
-golvende, krakende brug. Deze had haar plicht gedaan; aan den anderen
-kant ging het lustig verder door water en sneeuw, slijk en modder, over
-paaldammen en ijs.
-
-Minder gewillig betoonde zich de Tobol, die wij op Goeden Vrijdag den
-14 April, den eersten eigenlijken voorjaarsdag, over wilden trekken.
-Ook hier had men alle mogelijke voorzorgen voor den overtocht
-getroffen, zelfs een onzer wagens reeds afgespannen en op het ijsdek
-gerold, toen dit krakend spleet, zoodat men hem ijlings terug moest
-trekken. Vroolijk hadden de belletjes geklonken toen wij Jalutoroffsk
-verlieten, met hun treurig gelui vergezelden zij ons toen wij naar deze
-stad terugkeerden, en eerst op Paschen vermochten wij de rivier met
-behulp eener pont over te gaan.
-
-Zoo ging het verder; voor en achter ons wierpen de stroomen het
-ijskleed af; alleen de gevreesde Irtysch lag nog bevroren voor ons en
-zoo bereikten wij, na eene reis van ruim vier weken, zonder verdere
-ongevallen, Omsk, de hoofdstad van West-Siberië.
-
-Nadat wij in Omsk hadden gezien wat er te zien valt, de straten en
-huizen, de kadettenschool, het museum, het hospitaal, de gevangenis
-voor soldaten en zoo meer, reden wij over den weg, die zich langs den
-rechteroever der Irtysch uitstrekt en die de dorpen der zoogenaamde
-Kozakkenlinie verbindt, verder tot naar Semipalatinsk.
-
-Reeds tusschen Jalutoroffsk en Omsk waren wij door eene steppe gereden,
-n.l. door die van Ischim; thans waren wij van alle zijden door de
-steppe omringd en elken nacht werd de hemel rood gekleurd door het in
-den brand gestoken oude steppengras en steppenkruid. Met het
-noordwaarts trekkend ijs van de Irtysch trokken scharen van trekvogels
-in gelijke richting mede; de steppenmeren waren opgevuld met
-watervogels; verschillende soorten van leeuweriken vlogen in dichte
-troepen heen en weder; de sierlijke steppenvalken hadden reeds hun
-zomerverblijven weder betrokken, de lente had werkelijk haar intocht
-gehouden.
-
-Te Semipalatinsk hadden wij het geluk in den Gouverneur-Generaal von
-Poltoratski, een warm vriend en bewonderaar van onze plannen, in zijne
-echtgenoote de vriendelijkste gastvrouw ter wereld te vinden. Niet
-tevreden met in Semipalatinsk ons zoo goed ontvangen te hebben, besloot
-de generaal ons op de meest geschikte wijze met de voornaamste
-bevolking zijns gebieds, de Kirgiezen, bekend te maken; hij had te dien
-einde maatregelen getroffen voor eene groote jacht op archaren, een
-soort van wilde schapen, die in grootte onze tamme schapen om het
-dubbele te boven gaan.
-
-Den 3 Mei braken wij voor dit doel op, trokken over de Irtysch en reden
-over den postweg naar Taschkent de steppe der Kirgiezen in. Na een
-tocht van zestien uren hadden wij het jachtgebied, een klippig
-steppengebergte bereikt; al spoedig stonden wij voor het te onzer eere
-opgerichte Joertenleger of „Aul”, vriendelijk begroet door de ons
-gisteren vooruitgereisde gemalin des generaals, en eveneens hartelijk
-verwelkomd door een twintigtal Kirgiezische sultanen, door de hoofden
-der gemeente en derzelver talrijk gevolg.
-
-Het ging de drie volgende dagen lustig toe in de Arkatsche bergen. Voor
-de steeds naar feesten hakende Kirgiezen waren schoone dagen
-aangebroken, maar voor ons niet minder. Het dal en de bergen
-weêrklonken onder den hoefslag der tachtig en meer ruiters, die op de
-beide volgende dagen ter jacht uittrokken; de zon, zoo vaak zij zich
-vertoonde, schitterde op de bonte, vreemdsoortige gewaden, die tot op
-dat oogenblik onder de pelzen waren verborgen gebleven; een levendig
-gewemel vulde berg en dalkloof. Met hun beste renpaarden en
-uitstekendste telgangers, afgerichte steenarenden, windhonden en
-kameelen, met citherspelers en improvisatoren, kamprijders en
-soortgelijke helden waren zij verschenen, de eens zoo gevreesde
-Kirgiezen, wier naam niets anders dan roover beteekent, heden echter de
-gewilligste, getrouwste en meest tevreden onderdanen des Russischen
-Rijks. In groepjes zaten zij bijeen, afzonderlijk en in troepen
-draafden zij heen en weêr, en galoppeerden lustig met de vlugge
-paarden; met de levendigste belangstelling volgden zij de wedrennen,
-aanschouwden vol geestdrift het paardrijden der jeugdige knapen en
-bestuurden met overleg de jacht; vol verrukking luisterden zij naar het
-lied van den improvisator, die de jacht bezong. Reeds vóór onze komst
-had een der Kirgiezen een archar gedood; het geluk bracht mij een
-tweede dier voor mijn zeker schot. Dit laatste voorval deed de
-geestdrift des dichters ontvonken. Zijn verzen waren wel is waar niet
-bijzonder rijk van inhoud of diep gedacht, maar toch zoo eigenaardig,
-dat ik ze opschreef, om eene eerste proeve van Kirgiezische dichtkunst
-te verzamelen. Terwijl de man zong, vertaalde de tolk zijn lied in het
-Russisch, de Generaal deed zulks in het Duitsch, en toen de zanger
-ophield, had ook ik zijn woorden haastig op het papier gebracht.
-
-„Spreek, spreek, roode tong, zoolang er leven in u is; want na den dood
-zult gij stom zijn.
-
-Spreek, spreek, roode tong, mij door God gegeven; na den dood zult gij
-zwijgen. Woorden, gelijk thans aan u ontvloeien, zullen na den dood u
-niet verlaten. Lieden, groot als de bergen, zie ik voor mij; hun wil ik
-waarheid verkondigen. Bergen, rotsen meen ik voor mij te zien; met het
-renpaard mag ik hen vergelijken. Zij zijn grooter dan schepen, grooter
-dan de stoombooten, die de Irtysch bevaren.
-
-In U o Gebieder in den naam des Keizers, zie ik den hoogsten; met een
-berg mag ik u vergelijken en met het prachtig renpaard, dat statig
-daarhenen draaft. Een moeder was het die mij ter wereld bracht; mijne
-tong evenwel is mij van God gegeven.
-
-Wanneer ik thans niet mijne stem tot U verhief, tot wien zou ik dan
-spreken? Volle vrijheid heb ik tot spreken, even alsof ik tot mijn volk
-sprak.
-
-Het geluk zij met U, o Heer, en heil en zegen met Uwe gasten, waaronder
-hooggeplaatsten, ofschoon zij thans onder U gesteld zijn.
-
-Elke gast van den Generaal is ook de onze, en hij is zeker van onze
-vriendschap.
-
-God gaf mij de tong; deze moge nog meer spreken.
-
-In de bergen zagen wij jagers, schutters en drijvers, maar slechts met
-één hunner was het geluk.
-
-Evenals de hoogste berg zijn top boven de andere verheft, zoo steekt
-ook deze boven alle anderen uit; want hij schoot den archar twee kogels
-door het lichaam en bracht het dier naar de Joerte.
-
-Aller wensch was buit te behalen, maar slechts één der jagers zag dien
-wensch vervuld; dies verheugen wij ons, dies verheugt ook Gij U
-genadige vrouw, tot wie ik thans spreek.
-
-Het geheele volk is ten hoogste verblijd U hier te zien en te
-begroeten; het geheele volk, vrouwen en mannen wenscht U slechts
-vreugde, duizend jaren leven en gezondheid.
-
-Neem met welgevallen onze hulde aan! Hebt gij rijker menschen gezien,
-trouwer heeft niemand U begroet en gastvrijheid geschonken.
-
-Moge God U zegenen, U, Uw huis en Uwe kinderen! Te weinig woorden heb
-ik om U te prijzen, maar mijne tong werd mij door God gegeven: En zij
-sprak, de roode tong, wat er in het hart omging.”
-
-Wij verlieten de bergen van Arkat en spoedig daarna ook het
-regeeringsgebied van onzen gastheer, van wien wij op het jachtveld
-reeds afscheid hadden genomen; wij werden in Sergiopol, de eerste stad
-in Turkestan, door den overste Friedrichs ontvangen, die ons in naam
-van den Gouverneur-Generaal dezer groote provincie begroette; onder
-diens geleide trokken wij verder. Kirgiezen-hoofden vormden eene
-eerewacht en zorgden voor trekpaarden; deze hadden als zoodanig stellig
-nog nimmer hunne diensten bewezen, daar zij aanvankelijk doldriftig met
-de wagens voortholden; Kirgiezen-sultanen bewezen ons gastvrijheid,
-zorgden steeds voor huisvesting en voedsel en sloegen Joerten op aan
-alle plaatsen, waar wij wilden rusten; Kirgiezen vingen voor onze
-collecties slangen en andere kruipende dieren, wierpen de netten uit in
-de steppenmeren en volgden ons op de jacht als trouwe honden.
-
-Zoo bereisden wij de nu in vollen lentetooi staande steppe, vertoefden
-jagend en verzamelend aan het Alakoelmeer „bonte zee”, trokken door
-bloeiende dalen en over lachende bergen naar de in den Alatan, een der
-verhevenste steppengebergten, gelegen kozakken-stanitza, Lepsa,
-zwierven door de omstreken dezer kolonie, een klein paradijs, dat
-overvloeit van melk en honig, beklommen de hooggebergten, verkwikten
-ons hier aan ruischende bergstroomen, groene Alpenmeren en heerlijke
-vergezichten; en terwijl wij in noordoostelijke richting verder
-reisden, wendden wij ons naar de Chineesche grens, om door een gedeelte
-van het Hemelsche Rijk langs den kortsten en gemakkelijksten weg het
-Altaï-gebergte te bereiken.
-
-In Bakti, de laatste Russische grenspost gewerd ons de tijding, dat
-Zijne Onuitsprekelijkheid, de Dschandsoen Djoen, Opper-Stadhouder der
-provincie Tarabagatai, ons ook vanwege China wilde begroeten, en ons
-ten maaltijd had genoodigd. Om dien wensch van den hoogen mandarijn te
-vervullen, reden wij den 21 Mei naar de hoofdstad van gezegde
-provincie, Tschoekoetschak of Tschautschak.
-
-De ruiterstoet, die zich over de in het zonnelicht stralende steppe
-bewoog, was talrijker en prachtiger dan ooit te voren. Deels om in dit
-door oproeren geteisterde land veilig te reizen, deels om voor Zijne
-Heerlijkheid waardig, om niet te zeggen met staatsie en pracht te
-kunnen verschijnen, hadden de ons vergezellende heeren, behalve de
-onder aanvoering van onzen nieuwen geleider, Majoor Tischanoff, uit
-Sachan gezonden dertig Kozakken en onze oude vrienden, de Kirgiezen,
-nog een halve sotnie Kozakken uit Batki opontboden, en zoo dreunde de
-tot nog toe eenzame steppe onder de hoefslagen van een klein leger.
-Onze Kirgiezen waren allen in feestkleederen gedoscht; hunne zwarte,
-blauwe, gele en roode, met zilveren en gouden tressen versierde kaftans
-wedijverden in glans en pracht met de uniformen der ons vergezellende
-Russische officieren. Aan de onlangs vastgestelde grens wachtte een
-Chineesch militair van hoogen rang ons op, om ons te verwelkomen;
-daarna keerde hij ons den rug toe en joeg, zoo snel zijn ros hem dragen
-kon naar zijn meester terug, ten einde dezen onze aankomst te melden.
-Onze paarden baanden zich, toen wij de stad bereikt hadden, met moeite
-een weg over puinhoopen, half ingevallen en half opgebouwde huizen;
-elders reden wij langs bloeiende tuinen, terwijl potsierlijke
-Mongolentronies ons tegengrijnsden en afschuwelijk leelijke vrouwen
-mijn schoonheidsgevoel in niet geringe mate beleedigden. De stoet
-verzamelde zich voor de woning des stadhouders; wij hielden voor de
-groote poort stil en vroegen verlof om binnen te treden.
-
-Tegenover de poort verhief zich een kunstig gebouwde muur, die in het
-midden een wonderlijk dierenbeeld droeg; rechts en links hiervan lagen
-Chineesche martelwerktuigen op den grond verstrooid. Een huisbeambte
-verzocht ons naar binnen te gaan, maar gaf meteen aan de Kozakken en
-Kirgiezen bevel daar buiten te blijven. De stadhouder ontving ons in
-zijn woon-, werk- en gerichtskamer met groote deftigheid. Zijn
-waardigheid als hoog Mandarijn niet uit het oog verliezende, karig met
-woorden en slechts enkele afgebroken geluiden stamelende, die telkens
-van een vroolijk grinnikend gelach vergezeld gingen, reikte hij ons de
-hand en noodigde ons uit om aan de theetafel te gaan zitten, die met
-allerlei kleine schoteltjes, waarin de vreemdsoortigste
-ontbijtgerechten, beladen was,—„en wij strekken de handen uit naar den
-lekker toebereiden maaltijd.” Rijst, verschillende in olie ingelegde en
-gedroogde vruchten, schijfjes zwijnenvleesch, zoo dun als pergament,
-gedroogde garnalenstaarten, alsmede eene onnoemelijke menigte
-onkenbare, ten minste niet nader te bepalen lekkernijen en zoetigheden,
-maakten de spijzen uit, eene voortreffelijke thee en eene afschuwelijke
-foeselhoudende rijstebrandewijn van ongemeene sterkte, de dranken. Na
-den maaltijd, die, tengevolge van een voorzichtigheidshalve reeds
-vooraf ingenomen ontbijt van minder raadselachtig allooi, voor mij
-althans zonder nadeelige gevolgen afliep, werden waterpijpen
-rondgedeeld, en daarna bezichtigden wij eene menigte denkbare en
-ondenkbare voorwerpen zoo in dit vertrek als in eene kamer daarnaast:
-landschappen en afbeeldingen van dieren, door de Regeering verzonden
-getuigschriften, het groote, met bijzondere zorgvuldigheid in bonte
-zijden stoffen kunstig ingewikkelde Rijkszegel, vreemdsoortige pijlen
-met eene bestemming, zooals slechts een Chineesch brein daaraan kan
-toekennen, voorwerpen van Europeesche kunst, enz.
-
-Verschrikkelijk afgemeten en ijselijk deftig werd het onderhoud
-gevoerd.
-
-Onze woorden werden uit het Fransch in het Russisch, uit het Russisch
-in het Kirgiesch en uit het Kirgiesch in het Chineesch overgebracht,
-terwijl de antwoorden langs den omgekeerden weg tot ons kwamen; geen
-wonder dus, dat ons gesprek den toon der hoogste deftigheid aannam. Na
-het ontbijt verschenen er Chineesche boogschutters, om ons proeven
-hunner schietkunst te geven; daarna bracht ons de Dschandsoen
-allergenadigst, persoonlijk in zijn moestuin, om ons daaruit een en
-ander te laten proeven; eindelijk nam hij afscheid van ons, en nu reden
-wij door de straten en markten der stad, vonden in het huis van een
-Tartaar gastvrijheid en een heerlijken, door de tegenwoordigheid der
-beeldschoone, jonge, te onzer eer in het mannenvertrek geroepen vrouw,
-gekruiden maaltijd, om tegen zonsondergang deze, ook in de geschiedenis
-bekende plaats te verlaten.
-
-Tschoekoetschak is dezelfde stad, die in 1867 na eene langdurige
-belegering, den Doenganen, eenen Mongoolschen, maar tot den Islam
-bekeerden volksstam, die bestendig strijd voerde tegen de Chineesche
-opperheerschappij, in handen viel, en toen met man en muis werd
-verdelgd en tot den grond geslecht.
-
-Van de 30,000 inwoners, die Tschoekoetschak kort te voren telde, was
-een derde deel gevlucht; de rest evenwel, die zich veilig waande, omdat
-verschillende bestormingen waren afgeslagen, bleef—maar tot haar
-verderf. Toen de laatste bestorming gelukte, en de stad in handen der
-Doenganen was gevallen, hielden dezen er met dezelfde wreedheid huis,
-als waarmede de Chineezen tegenover hen gewoed hadden. En wat aan het
-zwaard ontkwam verging door het vuur. Toen onze tegenwoordige
-begeleider, de overste Friedrichs, veertien dagen later de plaats
-bezocht, alwaar Tschoekoetschak gestaan had, steeg er zelfs geen
-rookwolk meer uit de verkoolde balken op. Wolven en honden, die zich
-vet hadden gemest aan de menschenlijken, slopen langzaam van daar of
-lieten zich zelfs in hun walgverwekkend maal niet storen, maar bleven
-voortknagen aan het gebeente hunner voormalige meesters; arenden,
-wouwen, raven en kraaien deelden met eerstgenoemden het maal. Waar men
-ruimte had moeten maken waren de lijken bij dozijnen en honderden op
-een hoop geworpen; in de overige gedeelten der stad, in de straten,
-tuinen en huizen lagen zij of afzonderlijk, of bij tweeën, vieren en
-dozijnen bij elkaar, man en vrouw, grootvaders en grootmoeders, moeder
-en kind, geheele huisgezinnen en gevluchte buren, het hoofd verpletterd
-door sabelhouwen, de aangezichten in flarden gehakt, verbrand, de
-ledematen door de tanden van honden en wolven afgeknaagd, lichamen
-zonder hoofd, andere zonder handen. Wat de krankzinnigste verbeelding
-aan gruwelen kan uitdrukken vond hier zijn ontzettende werkelijkheid.
-
-Tegenwoordig telt Tschoekoetschak ten hoogste duizend zielen; feitelijk
-staat de nieuwe, met torens gekroonde vesting onder de bescherming van
-het kleine Russische piket te Bakti; want dat de Doenganen nog altijd
-niet de wapenen hebben neêrgelegd, nog altijd niet voorgoed ten onder
-zijn gebracht, bleek ons uit den weinige dagen te voren begonnen tocht
-van een Chineesch legertje naar het dal der Emil, alwaar een inval
-scheen te dreigen. Onder geleide van Majoor Tichanoff en zijn dertig
-Kozakken trokken wij dit dal door, zonder echter een enkelen Doengaan
-in ’t gezicht te krijgen, en zonder dagen achtereen zelfs een mensch te
-ontmoeten. De Emil, van het Saurgebergte komende, stroomt tusschen de
-Tarabagatai en Semistau, twee, onder een scherpen hoek saamkomende
-ketens, verder, van beide zijden versterkt door een aantal beekjes. De
-Chineezen, alle wateraders benuttende, hadden door bevloeiingen het
-geheele dal in een vruchtbaren tuin herschapen, toen de Doenganen
-kwamen en dezen tuin verwoestten, om hem terug te geven aan de steppe,
-zijn moeder. Wel reden wij, in de nabijheid der stad, nog door kleine
-dorpen en stieten op een Aul der Kalmukken, daarna echter alleenlijk
-nog langs de puinhoopen van vroegere welvaart en vroegere menschelijke
-bedrijvigheid. De natuur had reeds met zachte hand een sluier over de
-velden gespreid, maar de nog niet door storm en weder vernietigde
-puinhoopen der dorpen bleven ten hemel schreien. Bezoekt men deze
-dorpen, dan treden de begane wreedheden met ijzingwekkende
-duidelijkheid weder voor oogen. Tusschen de eenzame muren, welker daken
-verbrand en welker gevels geheel of gedeeltelijk zijn ingestort, op het
-vermolmende hout, waar vergiftige zwammen weelderig omhoog schieten, en
-te midden der scherven van Chineesch porselein, te midden van
-halfverkoold en daarom bewaard gebleven huisraad, stoot men overal op
-menschelijke overblijfsels, verslagen schedels, afgeknaagde beenderen,
-en geraamten van huisdieren, inzonderheid van den hond. Op de schedels
-ziet men nog de houwen der scherpe sabels. De menschen vielen als een
-offer hunner woedende vijanden en de honden deelden in het lot hunner
-meesters, die zij misschien nog trachtten te verdedigen; de andere
-huisdieren werden weggedreven en buit gemaakt, evenals alle bezittingen
-der overwonnenen, terwijl alleen die voorwerpen, welke voor ’t
-oogenblik geen waarde hadden, werden stuk geslagen en verbrand. Twee
-halfwilde huisdieren zijn de puinhoopen blijven bewonen, t.w. de zwaluw
-en de musch; de plaats der anderen werd ingenomen door de vogels der
-ruïnen.
-
-Wij togen ongehinderd door het verwoeste dal. Geen Doengaan liet zich
-zien; want achter onze dertig Kozakken stond het machtige Rusland. Toen
-wij weder menschen ontmoetten, bevonden wij, dat het Russische
-Kirgiezen waren, die hier, in China, hun kudden weidden, hun velden
-bebouwden en voor een hunner dooden een grafteeken oprichtten.
-
-Van uit het dal der Emil beklommen wij den Tarabagatai op een der
-laagste plaatsen van den kam van het gebergte, daalden toen naar de
-bijna effene hoogvlakte Tschilikti af, die door eerstgenoemden keten
-alsmede door den Saur, Manrak, Terserik, Moestau en Oerkaschar wordt
-ingesloten en ongeveer 1600 meter boven den zeespiegel is gelegen. Wij
-staken deze vlakte dwars over, ontmoetten op dien tocht een aantal zeer
-groote koerganen of grafheuvels der inboorlingen, om daarna door de
-kronkelende dalen van het veelvuldig gespleten Manrakgebergte, het dal
-van Saisan en den eerst sedert vier jaren bestaanden grenspost van
-gelijken naam—een vriendelijk stadje,—te bereiken. Hier, dicht bij de
-Chineesch-Russische grens waren wij voor ’t eerst, sedert Lepsa, weêr
-omringd door Europeesche behagelijkheid en comfort.
-
-In de gezelschappen, die wij bezochten, verkeerden wij als in St.
-Petersburg of Berlijn; men praatte, speelde, zong en danste in den
-beperkten familiekring of in een publieken tuin. Het heerlijk gezang
-der nachtegalen begeleidde dans en lied; men vergat waar men zich
-bevond.
-
-Ik benutte den tijd van ons verblijf aldaar voor eene jacht op
-„oelaren”, eene soort van hoenders uit het hooggebergte, van den vorm
-van patrijzen, maar ter grootte van auerhoenders, en leerde daarbij
-niet alleen de woestheid van het Manrakgebergte, maar tevens ook het
-herdersleven der arme Kirgiezen van eene nieuwe zijde kennen, zoodat ik
-hoogst voldaan van mijn succesvol uitstapje terugkeerde.
-
-In den namiddag van den 31 Mei beklommen wij wederom onzen reiswagen en
-rolden naar de zwarte Irtysch, om gebruik te maken van een rendez-vous,
-ons in het Altaï-gebergte aangeboden door Generaal Poltoratski. Door
-een rijk steppenland, over pikzwarten grond, later door droge
-hoogsteppen, ging de snelle vaart, tot wij de rivier bereikten, wier
-hooggezwollen golven ons den volgenden dag naar het Saisanmeer
-brachten. Hoe vervelend ons tot nog toe alle rivieren en stroomen van
-Siberië ook waren voorgekomen, de zwarte Irtysch was zulks niet;
-heerlijke vergezichten op twee reusachtige hooggebergten, den Saur en
-Altaï en de hiermede samenhangende ketens, verrukten ons oog; een
-frissche, groene oever, waaruit ons een vroolijk vogelengezang, een
-opgewekt vogelenleven tegenklonk en tegenblikte, streelde ons. Het
-fluks uitgeworpen net bracht een grooten voorraad van visschen uit de
-diepte te voorschijn, en bewees ons dat de stroom niet alleen schoon
-is, maar tevens schatten verbergt. Nadat wij den 2 Juni het vlakke,
-troebele, zeer vischrijke, maar slechts door zijn vergezichten schoone
-meer waren overgevaren, trokken wij op den daaraanvolgenden dag door
-het meest woeste gedeelte der steppe, dat wij tot nog toe hadden
-gezien, maar leerden juist hier de drie merkwaardigste dieren der
-steppe kennen, t.w. den koelan, een wild paard, de steppenantilope en
-het steppenhoen. Onze Kirgiezen vingen van het eerstgenoemde een
-veulen, terwijl tevens een steppenhoen werd geschoten. Tegen den avond
-hielden wij halt in de Altaïsche voorgebergten, daags daarna ontmoetten
-wij op de afgesproken plaats onze vroegere gastheeren en reden nu onder
-hun geleide verder.
-
-Het was een heerlijke reis, in weêrwil van storm, sneeuw en regen,
-waardoor de vriendelijke Joerte, die mede reisde, veel van hare
-behagelijkheid verloor, niettegenstaande de bergstroomen aan onze
-paarden den doortocht versperden, en steil afhangende rotsen ons op
-paden brachten, die in Europa wel door de gemzenjagers, niet door
-ruiters worden betreden. Een Russisch Gouverneur reist geenszins gelijk
-gewone stervelingen, het allerminst wanneer hij door onbewoonde streken
-trekt. Alle districtshoofden vergezellen hem, alsmede de onder dezen
-staande ambtsmannen, de oudsten der gemeente, de gemeentesecretaris, de
-voornaamste lieden van de geheele streek, die hij bereist, een troep
-Kozakken met hun officieren tot den overste toe, zijn eigene bedienden
-en die van het geleide. En wanneer het land, gelijk thans het geval
-was, gedeeltelijk vreemd is, en er vergaderingen moeten gehouden worden
-met Kirgiezische gemeenten, dan wordt het gevolg tot in het oneindige
-vermeerderd. Dan moeten niet alleen Joerten en tenten medegebracht
-worden, gelijk steeds bij steppenreizen het geval is, maar zelfs heele
-schaapskudden worden vooruitgezonden om de honderden menschen in deze
-wildernis te voeden. Sedert wij het Saisanmeer hadden verlaten,
-bevonden wij ons weder in het Chineesche Rijk, en eene reeks van dagen
-hadden wij te reizen, alvorens te durven hopen, in de thans alleen in
-de diepere dalen bewoonde deelen van het gebergte wederom menschen aan
-te treffen.
-
-Meer dan tweehonderd personen reisden aanvankelijk mede, meest
-Kirgiezen, die opgeroepen waren om een keizerlijk bevel, betrekkelijk
-de opheffing van hun recht om in het keizerlijk domein Altaï te weiden,
-in ontvangst te nemen, en uit dien hoofde met elkander in overeenkomst
-te treden omtrent hunne daarmede in verband staande te wijzigen
-verhuizingen; maar ook nadat die beraadslagingen ten einde waren, telde
-ons reisgezelschap nog over de honderd paarden en zestig ruiters. In
-den vroegen morgen werden ons de Joerten boven het hoofd afgebroken en
-vooruitgezonden; dan volgden wij in grootere en kleinere gezelschappen,
-langzaam voortrijdende, tot ook de dames, de vriendelijke gemalin des
-Generaals en hare schoone dochter ons weêr hadden ingehaald; wij namen
-het ontbijt op eene geschikte plaats, lieten de laatste pakpaarden
-voorbijtrekken, volgden, haalden ze weder in, kwamen meest gelijktijdig
-met de schapen, wier aantal dagelijks verminderde, op de halteplaats
-aan, en hadden zoo elken avond gelegenheid het oog te laten weiden over
-het schilderachtig tooneel eener legerplaats. Heerlijke, frissche,
-groene, met voorjaarsgeuren doortrokken dalen namen ons op; hooge,
-steile, grootendeels nog met sneeuw bedekte bergen schonken de
-schoonste vergezichten over het hooggebergte, en in de doorgetrokken
-steppe tot op den Saur en Tarabagatai, totdat wij eindelijk het
-Markakoel, dien parel der Altaïmeren, voor ons zagen liggen en daarmede
-het hooggebergte zelf waren ingetrokken. Drie dagen lang reisden wij
-onder slecht weder, opgehouden door een Chineesch gezantschap, langs
-den oever des meers, reden toen door werkelijk dichte wouden, over
-moeilijk te beklimmen passen, bergop, bergaf, naar de Russische grens
-en op halsbrekende wegen het bloeiende dal der Buchtarma door, om in de
-nieuw gegrondveste Kozakkenkolonie Altaiskaja-Stanitza nogmaals van de
-Russische gastvrijheid en comfort te genieten, te rusten en uit te
-rusten.
-
-Door de officieren der Stanitza vereerd met allerlei geschenken,
-voortbrengselen der streek, zetten wij op den 12 Juni de reis voort.
-Helder en vriendelijk lachte de zon ons tegen van den blauwen hemel en
-keek zij neder op het grootsche, heden voor ’t eerst niet benevelde
-landschap. Onafzienbare, parkachtige dalen, omlijst door steil
-opeengestapelde, met sneeuw bedekte, heden met de schitterendste
-kleuren overgoten hooggebergten, heerlijke boomen op de weilanden,
-bloeiende boschjes op de hellingen, duizendvoud verschillende, boven
-alle beschrijving schoone, als in ’t lang ontbeerde zonnelicht
-herlevende bloemen, frisch bloeiende heideroosjes in alle schakeeringen
-van kleur, het geroep van den koekoek en ’t gejubel der vogelen,
-Kirgiezen Auls in de breede dalen aan den voet der bergen, en
-Russische, in groen verscholen dorpen, grazende kudden, vruchtbare
-akkers, ruischende beekjes, getande rotsen, de zachte lucht en
-specerijachtige voorjaarsgeuren,—dit alles omstrikte de zinnen
-gedurende den ganschen tocht. Weldra trokken wij over de grenzen van
-het keizerlijk domein Altaï—een kroongoed, zoo groot bijkans als geheel
-Frankrijk! Een dag later en wij bereikten het bergstadje Serianoffsk
-met haar zilvermijnen. Nadat wij ook hier, gelijk overal elders,
-vriendelijk waren ontvangen, alle werken hadden bezichtigd, sloegen wij
-wederom de richting in naar de Irtysch, lieten ons op hare, tusschen
-hooge, schilderachtige rotsen snel voortijlende wateren, voorbij
-Buchtarminsk naar Ustkamenogorsk drijven en togen van hier uit weder
-per wagen door het veelbelovend domein des Keizers.
-
-Steppenachtige vlakten palen aan de liefelijke dreven van het
-voorgebergte; uitgestrekte wouden wisselen met het bewoonde land af.
-Groote, rijke dorpen, kostbare, vruchtbare, in gitzwarte aarde
-aangelegde akkers, goed gebouwde, zich van hunne welvaart bewuste
-mannen, schoone, schilderachtig gekleede vrouwen, kinderlijk
-nieuwsgierige en kinderlijk gezinde menschen, voortreffelijke,
-krachtige paarden, goed gebouwde runderen, die in groote, weldoorvoede
-kudden de dorpen omgeven, enorme wagenkaravanen, die op goede wegen
-erts en kolen vervoeren, marmotten op de berghellingen, ziesels in de
-vlakten, keizerarenden op de grenspalen aan de wegen, bekoorlijke
-dwergmeeuwen aan de wateren, dorpen en gehuchten verlevendigen al te
-zamen het landschap, dat onze weg doorsnijdt. Als vliegend doortrokken
-wij het land, als in de vlucht bezochten wij het zeer naar waarheid zoo
-genoemde stadje van smelthutten „Slangenberg”; een korte rust slechts
-veroorloofden wij ons in de hoofdplaats Barnaul. Daarna ging het verder
-naar het bergstedeke Salair en toen naar de groote gouvernementsstad
-Tomsk.
-
-Reeds voor Barnaul hadden wij de Ob bereikt en te Barnaul zelf waren
-wij deze rivier overgestoken, terwijl wij ons te Tomsk inscheepten om
-haar te bevaren. Zes en twintig honderd werst, d.i. bijna vierhonderd
-geographische mijlen voeren wij, na door de Tom er in gekomen te zijn,
-dezen stroom af, die een grooter gebied beheerscht dan alle stroomen
-van West-Europa te zamen,—en zoo naderden wij meer en meer het noorden.
-Vier etmalen lang stoomden wij in de richting naar de IJszee, met eene,
-bij den gezwollen stand der rivier dubbel zoo snelle vaart als zulks
-stroomopwaarts zou kunnen geschieden; elf volle dagen en nachten hadden
-wij noodig om het stuk, begrepen tusschen de inmonding der Irtysch en
-de uitmonding der Schtschoetschja af te leggen, ofschoon wij in
-Samarowo en Bereosoff slechts enkele uren rust namen, en ongerekend de
-beide dagen, die wij te Obdorsk, het laatste Russische dorp aan den
-stroom, doorbrachten. Boven alle beschrijving grootsch is deze stroom,
-hoe eenzaam en eentonig hij ook moge heeten. Door een dal van tien tot
-dertig kilometer breed vervolgt hij zijn loop, in ontelbare armen
-verdeeld, die eene menigte eilanden insluiten. Hier en daar verbreedt
-hij zich tot een groot meer, terwijl hij bij zijn mond een hoofdarm
-heeft, waarin het water gemiddeld acht en twintig meter hoog staat.
-Bosschen, waar bijna geen licht door kan dringen, in welker diepten nog
-geen inboorling ooit den voet zette, strekken zich langs zijn oevers
-uit; wilgenbosschen, in alle phasen van den wasdom dezer boomsoort,
-bedekken de telkens door den vloed afgeknaagde en weder in anderen vorm
-opgebouwde eilanden. Armer en armer wordt het land, armer en schraler
-de wouden, armoediger de dorpen, naarmate men verder stroomafwaarts
-komt, ofschoon de rivier zelf dichter bij haar monding te rijkelijker
-schenkt, wat aan het arme land onthouden werd. Reeds een weinig beneden
-Tomsk, iets lager dan Tobolsk, loont de aarde den veldarbeid niet meer;
-nog verder naar het noorden houdt ook de veeteelt op, maar ontelbare
-scholen van de heerlijkste visschen en een rijk jachtveld in de
-oerwouden langs de beide oevers schenken rijke vergoeding voor dat
-gemis. De visschers en jagers treden in de plaats van den landbouwer,
-de rendierherder in de plaats van den veeboer. Zeldzamer worden de
-Russische volkplantingen, talrijker de woonsteden der Ostjaken, en
-eindelijk zijn het slechts de verplaatsbare, kegelvormige hutten uit
-berkenbast, hier „Tschoem” genoemd en enkele daartusschen verspreide,
-vreeselijk armoedige blokhuizen, de tijdelijke woningen der Russische
-visschers, die nog getuigenis afleggen van het bestaan van den mensch.
-
-Wij hadden het plan opgevat ook eene toendra of mossteppe door te
-reizen en daarvoor het oog geslagen op het tusschen de Ob en de
-Karische golf gelegen schiereiland der Samojeden, te meer daar in dit
-nog bijna niet door Europeanen betreden deel van den grooten en breeden
-boomloozen gordel der om de Pool zich legerende woestenij, ook sommige,
-voor den handel gewichtige vragen op te lossen waren. Wij huurden ten
-behoeve dezer reis in Obdorsk en iets lager stroomafwaarts
-verschillende personen, als Russen, Syrjenen, Ostjaken en Samojeden, en
-vingen den 15 Juli onzen tocht aan.
-
-Op de noordelijke hoogte van den Oeral, hier het karakter niet alleen
-van een werkelijk gebergte, maar zelfs van hooggebergte aannemende,
-ontspringen dicht bij elkander drie rivieren: de Oessa, die in de
-Petschora, de Bodarata, die in de Karische golf en de Schtschoetschja,
-die in de Ob uitmondt. Het gebied van de beide laatstgenoemde stroomen
-wilden wij bereizen. Hoe het land er uitzag, hoe wij het zouden hebben,
-of wij rendieren zouden kunnen krijgen of den weg te voet zouden moeten
-afleggen, niemand wist ons zulks te zeggen.
-
-Tot aan den mond der Schtschoetschja reisden wij nog op de gewone
-wijze, bij elke kolonie van Ostjaken onze gehuurde roeiers betalende,
-om nieuwe aan te werven; op de Schtschoetschja zelf traden onze eigen
-lieden in dienst. Acht dagen lang voeren wij langzaam den stroom op,
-ieder zijner vele windingen getrouw volgende, altijd door de ijselijk
-eentonige, ja doodelijk vervelende toendra, nu eens den Oeral
-naderende, dan weder ons van dit gebergte verwijderende. Gedurende acht
-dagen zagen wij geen enkelen sterveling, alleen diens sporen, zijn op
-sleden gepakte winterbehoeften en zijn graven. Niet te doorwaden
-moerassen aan beide zijden der rivier beletten ons elk uitstapje,
-milliarden op bloed beluste muggen kwelden ons zonder ophouden. Op den
-zevenden dag zagen wij een hond—eene ware gebeurtenis, zoowel voor ons
-zelf als voor onze manschappen; op den achtsten dag stieten wij op eene
-bewoonde Tschoem en daarin op den eenigen mensch, die ons eenige
-inlichtingen aangaande het voor ons liggende land kon geven. Wij namen
-dezen als gids mede en vingen met hem drie dagen later een tocht aan,
-die even moeilijk als gevaarlijk zou worden.
-
-Negen volle dagreizen van ons verwijderd, op de weide Saddabei in den
-Oeral, zouden zich rendieren bevinden; aan de Schtschoetschja was op
-dit tijdstip geen enkel op te jagen. Wij moesten dus wel onzen tocht te
-voet aanvangen en alle bezwaren op ons nemen aan zulk een tocht door
-een ongebaand, met muggen gevuld, den mensch vijandig, niet het minste
-voedsel opleverend, en wat het ergste was, ons ten eenenmale onbekend
-gebied, verbonden.
-
-Omzichtig, niet dan na lange beraadslagingen met de inboorlingen,
-maakten wij onze toebereidselen; met zorg werd de mede te voeren last,
-die ieder op zijn rug zou laden, afgewogen; dreigend toch stond het
-hongerspook voor ons. Wij wisten, wel is waar, dat alleen de trekkende
-herder, en geenszins de jager in staat is zijn leven in de toendra te
-onderhouden; bij ervaring kenden wij alle moeite, die de ongebaande
-wegen, de kwellingen, die de scharen muggen bereidden, de
-ongestadigheid des weders, de onherbergzaamheid der toendra in ’t
-algemeen, en namen met het oog hierop onze maatregelen en voorzorgen:
-maar te voorzien en te voorkomen, wat wij niet kenden, niet konden
-vermoeden, en ons toch trof, zulks was onmogelijk. Terugkeeren wilden
-wij niet, maar hadden wij alles vooruitgezien, wij zouden zulks zeker
-gedaan hebben.
-
-In korte pelzen gehuld, zwaar beladen, behalve den door de niet lichte
-schietbenoodigdheden bezwaarde rugtasch nog geweer en een reiszak over
-den schouder dragend, braken wij den 29 Juli op, onze boot onder de
-hoede van twee mannen achterlatende. Vermoeid, zuchtende onder den
-zwaren last, dag en nacht zonder ophouden gekweld door de muggen,
-liepen wij door de toendra, telkens na een uur, een half uur, eindelijk
-na elke duizend schreden rust vragende en wegens de muggen deze niet
-kunnende vinden.
-
-Wij klommen over heuvels, trokken door evenveel dalen, en staken een
-bijna even groot aantal moerassen en drassige velden over; honderden
-meren zonder naam togen wij voorbij, kreken en riviertjes moesten wij
-doortrekken.
-
-Onvriendelijker wel kon de toendra ons niet ontvangen. De wind zweepte
-ons een fijnen regen in ’t aangezicht; in doorweekte pelzen legden wij
-ons op een doorweekten grond neder, zonder dak boven ons hoofd, zonder
-een koesterend vuur naast ons, en nog altijd gekweld door de muggen.
-Doch de zon droogde onze kleeren weder op en schonk nieuwen moed en
-nieuwe krachten; wij gingen voorwaarts. Een vroolijk bericht versterkt
-meer dan zon en slaap; onze mannen ontdekten twee „Tschoems”, en door
-middel van onze kijkers onderscheidden wij duidelijk de daaromheen
-gelegerde rendieren. Tot in ons binnenste gelukkig zien wij ons reeds
-in de verbeelding uitgestrekt in het eenige, hier mogelijke voertuig,
-de slede, en het voor deze slede gespannen rendier. Wij bereiken de
-Tschoem en de rendieren; een afgrijselijk gezicht treft ons oog. Onder
-de weidende kudde woedt het miltvuur, de vreeselijkste, ook voor den
-mensch zoo gevaarlijke aller veeziekten, de onverbiddelijke, zonder
-genade en keus vernietigende engel des doods, tegenover wiens woeden de
-mensch als machteloos staat, die hier te lande de volken doet verarmen
-en onder de menschen even goed door niets te redden slachtoffers maakt
-als onder de dieren.
-
-Zes en zeventig doode rendieren telde ik in de onmiddellijke omgeving
-van de Tschoem; werwaarts het oog schouwde ontmoette het lijken,
-gevallen, in doodstrijd verkeerende herten, wijfjes en kalveren. Andere
-komen met den dood in het hart op de reeds voor de afreis gereed
-staande slede aanloopen, als zochten zij bij den mensch hulp in hun
-lijden; zij zijn niet van hier te verdrijven, blijven met holle oogen
-en over elkaar geslagen voorpooten een paar minuten staan, waggelen
-heen en weder, steunen en vallen neêr; een witte, schuimende slijm
-vloeit uit mond en neus—nog enkele stuiptrekkingen en een lijk meer
-ligt ter aarde. Zoogende moeders scheiden zich met haar kalveren van de
-kudde; de moeders sterven onder dezelfde verschijnselen, de kalveren
-aanschouwen met verbazing de zich zoo vreemd aanstellende moeders, of
-gaan onbezorgd grazen naast het sterfbed van haar, die hen ter wereld
-brachten, keeren dan naar de eersten terug en vinden in plaats van de
-liefhebbende voedster een lijk, beruiken dit, schrikken achteruit,
-ijlen weg, dwalen blatend in ’t rond, beruiken nu eens het eene
-volwassen dier, naderen dan een ander, worden door allen verjaagd,
-blaten en zoeken verder, en vinden wat zij niet zochten: den dood, door
-een pijl uit den boog huns meesters, die althans nog iets tracht te
-redden, n.l. de huid. De dood woedt met gelijke verschrikking onder de
-oude zoowel als onder de jonge rendieren; de sterkste en schoonste
-herten vallen even goed in handen van den worger als de eenjarigen van
-beiderlei kunne.
-
-Tusschen de stervende en gestorven dieren wandelen en roeren zich de
-menschen, de bezitter der kudde Schoengei en zijne aanhoorigen en
-knechten, om in radeloozen ijver te redden, wat nog te redden is.
-Ofschoon zij niet onbekend zijn met het vreeselijk gevaar, dat zij
-loopen, wanneer slechts een enkel bloeddroppeltje, een enkel stofje van
-het schuim zich met hun eigen bloed vermengt, ofschoon genoegzaam
-vertrouwd met het feit, dat reeds honderden van hun volk een offer zijn
-geworden van de pijnlijke, akelige ziekte, arbeiden zij toch met alle
-kracht om het vergiftigde dier de huid af te trekken. Een slag met den
-bijl maakt een eind aan het leven der stervende herten, een pijlschot
-aan dat der kalveren, en eenige minuten later ligt de huid, die nog
-weken lang eene bron van besmetting blijft, bij de anderen, doopen de
-bloederige handen het van de kalveren afgenomen vleesch in het bloed,
-dat de borstholte van het gedoode dier vult om het rauw te verslinden.
-Beulsknechten gelijken de mannen, afschuwelijke heksen de vrouwen, in
-aas woelende, van bloed druipende, met bloed bevlekte hyena’s gelijken
-beiden; zij letten niet op het zwaard, dat niet aan een paardenhaar,
-maar aan een spinrag boven hun hoofd is opgehangen, en zoo woelen zij
-steeds voort, geholpen door de kinderen, door half volwassen knapen en
-van bloed druipende, nauwelijks gespeende meisjes.
-
-De Tschoems werden afgebroken en op een nabijzijnden heuvel weder
-opgeslagen; de ongelukkige kudde, die, twee duizend stuks sterk, uit
-het Oeralgebergte was opgebroken, en tot op tweehonderd ingekrompen
-was, die den geheelen weg van daar tot hier door doode dieren had
-gekenteekend, verzamelt zich opnieuw om de Tschoem; op den anderen
-morgen liggen er echter weder opnieuw veertig lijken in de nabijheid
-der rustplaats.
-
-Wij kenden het gevaar, aan hetwelk ook de mensch door aan miltvuur
-lijdende dieren is blootgesteld, doch wij kenden het nog niet in zijn
-geheelen omvang. Daarom kochten wij eenige, oogenschijnlijk gezonde
-rendieren, bespanden daarmede drie sleden, belaadden deze met onze
-goederen, en trokken, verlicht en ontlast daarnaast loopende, verder.
-Rendierenvleesch te eten, zooals wij gehoopt en waarop wij gerekend
-hadden, zulks verbood de vreeselijke ziekte; met te meer zorg en angst
-speurden wij daarom in ’t rond naar een of ander klein wild, ’t zij een
-moerashoen, eene wulp, eene goudplevier, of eene eend. Om onzen
-geringen voorraad zoo lang mogelijk te sparen, hurkten wij, in geval de
-geringste aller Diana dienende nymphen ons goedgunstig was geweest, om
-het moeilijk te voeden vuur, ten einde ieder persoonlijk zoo goed
-mogelijk een onbeduidend wild aan het spit te braden. Ons werkelijk
-verzadigen ging niet meer.
-
-Wij bereikten, nadat wij den door Schoengei getrokken doodenweg dwars
-waren overgestoken, het eerste doel, de Bodarata; wij hadden het
-onuitsprekelijk geluk nog eenmaal Tschoems aan te treffen, nog eenmaal
-rendieren te ontmoeten; wij trokken met de hulp dezer dieren naar de
-zee, en moesten terugkeeren zonder den voet op het strand gezet te
-hebben. Voor ons strekte zich een onbegaanbaar moeras uit en bovendien
-een onafzienbare hoop rendierlijken; wij bevonden ons nog eenmaal op
-den weg, langs welken Schoengei huiswaarts gevlucht was, en onze nieuwe
-kennis, de herder Sanda, waagde het niet dien weg te kruisen.
-
-Want ook onder zijne kudde maaide de dood; ook in zijn huis, en in nog
-meerdere mate in dat van zijn buurman had het verderf zijn intocht
-gehouden. De man, die tot nog toe met hem had gereisd en geweid, had
-gegeten van een aan miltvuur lijdend rendier, dat hij kort voor den
-dood nog spoedig had geslacht, en hij had die zonde met zijn eigen
-leven en dat zijner familieleden moeten boeten. Driemalen had de herder
-Sanda zijn Tschoem verplaatst en driemalen een graf tusschen de lijken
-der gevallen rendieren gegraven. Eerst stierven twee kinderen, daarna
-stierf de knecht van den lichtzinnigen man en op den derden dag
-overleed hij zelf. Een ander kind lag nog ziek en kermde van pijn, toen
-wij de reis naar zee aanvingen; toen wij tot de Tschoem terug waren
-gekeerd kermde het niet meer, want een vierde graf had het kinderlijk
-opgenomen. En ook dit zou niet het laatste zijn.
-
-Een onzer manschappen, de Ostjak „Hadt”, een gewillig, altijd vroolijk,
-ons lief geworden man, klaagde en wrong zich sedert eergisteren onder
-steeds toenemende pijnen; hij klaagde voornamelijk over een steeds
-sterker wordend gevoel van koude. Wij hadden hem op een rendierslede
-gelegd, toen wij op den terugweg waren naar de Tschoem des herders; wij
-vervoerden hem op dezelfde wijze toen de hut ten vijfdemale werd
-verplaatst. Onder en tusschen ons lag hij weeklagend en bevend bij het
-vuur. Van tijd tot tijd hief hij zich op, ontblootte zijn lichaam om
-dit door het vuur te koesteren. Eveneens bracht hij zijn verkleumde
-voeten bij het vuur, zonder er op te letten, dat hem de voetzolen
-verbrandden. Eindelijk sliepen wij in, misschien ook hij; toen wij
-echter den volgenden morgen ontwaakten, was zijne plaats ledig. Buiten
-evenwel, voor de Tschoem, tegen eene slede geleund, het gezicht naar de
-zon gekeerd, welker stralen hij had opgezocht, zat hij rustig en stil,
-zonder te steunen, zonder te klagen. „Hadt” was dood.
-
-Wij begroeven hem eenige uren later naar zede en gebruik zijns volks.
-Hij was een eerlijk „heiden” geweest en moest dus insgelijks op
-heidensche wijze begraven worden. Onze „rechtzinnige” begeleiders
-weigerden zulks te doen; onze „heidensche” metgezellen verrichtten
-daarom dat, wel is waar niet christelijk, maar toch den mensch waardig
-werk met onze hulp. In het vijfde graf lag het zesde offer.
-
-Zou dit graf het laatste zijn? Onwillekeurig vroeg ik mij zulks af,
-want het werd ons in dit gezelschap des doods al te akelig. Tot ons
-geluk was Hadts graf het laatste op dezen weg.
-
-Ernstig, zeer ernstig gestemd, bedreigd door het steeds sterker
-gevoelde gebrek trokken wij verder, wederom in de richting der
-Schtschoetschja. Sanda voedde op schrale wijze onze manschappen, ons
-jachtbedrijf onderhield even armoedig ons zelf. Toen het ons gelukte op
-zekeren voormiddag een geheele familie ganzen buit te maken, bovendien
-nog hoenders, snippen en plevieren te schieten, vierden wij feest; nu
-toch konden we eten zonder karig te zijn. Het was echter hoofdzakelijk
-te danken aan onzen waard, dat wij het er goed af brachten.
-
-De Schtschoetschja werd bereikt, wij kwamen, bijna van alles ontbloot,
-terug bij onze boot, en sedert veertien dagen baadden wij ons voor de
-eerste maal weder in een wel is waar zeer beperkt, maar voor ons toch
-onuitsprekelijk genot. Van de toendra namen wij voor altijd afscheid.
-
-Een Schaman, wel is waar, dien wij verder de Ob op met visschen bezig
-vonden, en wien wij verzochten ons een bewijs te geven van zijn kunst
-en wijsheid, kondigde ons—na door middel van het dof geluid zijner trom
-JAMAUL, den met hem bevrienden bode der goden te hebben opgeroepen—als
-eene boodschap des hemels aan, dat wij reeds in het volgende jaar naar
-het onherbergzame, zooeven door ons verlaten land weder terug zouden
-keeren, maar dat wij ons alsdan derwaarts zouden wenden, alwaar de
-Schtschoetschja, Bodarata en Ussa haren loop beginnen. Want twee
-keizers zouden ons beloonen, onze „oudsten” zouden over onze
-geschriften tevreden zijn en ons opnieuw uitzenden. Op deze reis
-evenwel zou geen enkel ongeluk ons meer bejegenen. Zoo had de bode der
-goden, alleen voor hem verstaanbaar, gesproken.
-
-Het laatste gedeelte der voorspelling is uitgekomen. Langzaam, wel is
-waar, maar zonder ongevallen of stoornissen voeren wij drie en twintig
-dagen lang de Ob naar boven, drie dagen op een na lang wachten gelukkig
-bereikt stoomschip de golven van de Irtysch te gemoet. Zonder
-ongelukken, ofschoon niet zonder hindernissen, trokken wij het
-Oeral-gebergte over; snel gleden wij in een uitstekende stoomboot de
-Kama af; langzamer droeg het schip ons de Wolga op. In
-Nischni-Nowgorod, in Moskou, in Petersburg werden wij even vriendelijk
-ontvangen als de eerste maal, in het vaderland met vreugde verwelkomd.
-Onze „oudsten” schijnen ook met onze geschriften tevreden te zijn:—naar
-de Toendra keeren wij, keer ik ten minste nimmer weder terug.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-DE HEIDENSCHE OSTJAKEN.
-
-
-Gemakkelijk en zonder inspanning is thans nog de strijd om het bestaan,
-dien de mensch in Siberië heeft te strijden, en hij zal zulks ook nog
-wel eeuwen blijven; gemakkelijk vooral in de zoo rijk door de natuur
-gezegende velden van het zuiden, maar ook evenmin hard en zwaar in die
-oorden, welke wij gewoon zijn te beschouwen als eene ijswoestijn, als
-eene ongastvrije wildernis, en die wij zelfs nog als zoodanig meenen te
-moeten kenmerken, wanneer wij die streken gedwongen doorreizen. Wel is
-het klimaat in het hooge noorden van West-Siberië ruw en streng; wel
-weigert hier de grond, die op geringe diepte onder het oppervlak het
-geheele jaar door bevroren is, iets tot voeding op te leveren, de zon
-het brood verstrekkende koorn tot rijpheid te brengen, maar ook hier
-schudde de milde natuur haar hoorn des overvloeds uit, en wat het land
-niet schonk, dat gaf het water. In onze oogen moge de daar reeds eeuwen
-verblijvende mensch arm en ellendig schijnen, in werkelijkheid is hij
-zulks niet. Ook hij kan er in zijn behoeften voorzien, ook hij omringt
-zich met gemakken en genietingen, die hem bevrediging schenken, en
-werpt zijn woonplaats meer af dan hij noodig heeft. Wel strijdt ook hij
-met meer of minder bewustzijn om een „menschwaardig bestaan,” maar
-geenszins met wrok in het hart tegenover de meer bevoorrechten, want
-hij is zelf meer bevoorrecht dan wij meenen, omdat hij bescheidener,
-meer voldaan, meer tevreden is dan wij zijn, en omdat hij datgene, wat
-wij hartstocht noemen, streng genomen, niet kent, omdat hij de vreugde,
-die voor hem opbloeit, met kinderlijke tevredenheid aanneemt, en het
-lijden, dat hem bezoekt, draagt met een wel diep gevoelde smart, maar
-het ook spoedig weêr vergeet evenals een kind.
-
-Ook aan zijn leger treedt de zwarte zorg; hij wijst deze evenwel terug
-zoodra ook maar de minste schemering van vreugde weder doorblinkt, en
-hij is de rampspoed geheel vergeten, zoodra het zonnetje des geluks hem
-weêr vriendelijk toelacht. Ook hij prijst den rijkdom en klaagt over de
-armoede, maar hij vertwijfelt niet, wanneer de eerste hem begeeft, en
-hij verliest zijn verstand niet, wanneer de laatste in welvaart
-verkeert. Ofschoon volwassen, is hij een kind in al zijn denken,
-gevoelen, laten en handelen; hij is gelukkiger dan wij.
-
-De Ostjak, met wien wij aan de beneden-Ob hoofdzakelijk hebben
-verkeerd, met wien wij het meest in aanraking kwamen, en dien wij het
-best hebben leeren kennen, behoort tot den Finschen stam; hij deelt met
-een andere loot van dien tak, den Samojeed, hetzelfde geloof, met bijna
-alle Finnen in engeren zin, dus ook met de Lappen, nagenoeg gelijke
-zeden en gewoonten, dezelfde levenswijze; hij is rendierherder en
-visscher, jager en vogelvanger, evenals ook de Samojeed en Lap zulks
-zijn. Afgezien van het godsdienstig geloof, misschien ook van de taal,
-gelijkt hij echter meer op dezen dan op genen; want hij is zoowel
-gezeten kolonist als nomaad, terwijl de Samojeed, zelfs wanneer deze
-zich met de vischvangst bezighoudt, althans in het door ons bereisde
-gedeelte van Siberië, slechts zeer zelden zijn verplaatsbare hut met
-een vast blokhuis verruilt.
-
-Het kan zijn, dat de stam der Ostjaken vroeger talrijker was dan thans;
-een eigenlijk gezegd volk, naar onze begrippen, zijn zij nooit geweest.
-In sommige streken van het door hen bezeten of bereisd gebied zou het
-aantal inwoners bestendig af- in andere deelen daarentegen eenigszins
-toenemen; van veel belang is evenwel noch het een noch het ander. Men
-rekent hoog, wanneer men het totaal aantal zielen op vijftig duizend
-schat; in het geheele, groote ambtsgebied van Obdorsk, dat zich van den
-65n graad Noorder-Breedte tot aan het noordelijk uiteinde van het
-Samojeden-schiereiland, en van den Oeral tot aan den bovenloop der
-Chasz uitstrekt, leven, naar luid van ons verstrekte, officieele
-opgaven, tegenwoordig niet meer dan 5382 mannelijke Ostjaken, waaronder
-niet meer dan 1376 werkkrachten, of wat op hetzelfde neêrkomt,
-schatplichtige mannen. Nemen wij aan, dat het aantal vrouwen en meisjes
-even groot is, dan bedraagt het geheele aantal nog geen 11000 zielen,
-en het bovengenoemde cijfer is misschien daarom nog eer te hoog dan te
-laag genomen, al moge men ook aannemen, dat het woongebied onzer lieden
-aan de Ob zich tot in de streek van Soergoet, aan de Irtysch tot in de
-nabijheid van Tobolsk uitstrekt. Alle aan de Irtysch, alsmede aan den
-boven- en middelloop der Ob verblijf houdende Ostjaken bewonen vaste,
-zeer eenvoudige, op die der Russen gelijkende blokhuizen, en slechts
-hier en daar, altijd zeer spaarzaam, treft men tusschen deze, reeds een
-hoogeren beschavingstoestand aanduidende vaste woningen, ook nog wel
-eens eene enkele tent van berkenbast aan, „Tschoem” geheeten, terwijl
-deze aan den benedenloop der Ob, inzonderheid tusschen Obdorsk en den
-mond des strooms bijna uitsluitend voorkomt; gelijk vanzelf spreekt
-maken deze Tschoems de eenige woningen der nomadisch levende Ostjaken
-uit. Zoo niet volkomen, toch bijna daarmede in harmonie is het feit,
-dat die Ostjaken, welke in dorpen wonen, leden zijn der orthodoxe kerk,
-althans door den doop daartoe behooren, terwijl die, welke nog in
-Tschoems huizen, hun overoud, geenszins van poëzie ontbloot en nog
-minder onzedelijk, maar door de Russische priesters en dier trouwe
-volgelingen als een blind heidendom betiteld geloof zijn getrouw
-gebleven; zij belijden echter dit geloof met meer innigheid en
-overtuiging dan de anderen hun zoogenaamd Christendom, welk laatste,
-onbevooroordeeld opgevat, en zooals het zich in werkelijkheid voordoet,
-veeleer een onzinnige afgodendienst kan genoemd worden dan eene
-veredelde plaatsvervangster van het oude, uit een kinderlijk gemoed
-opgeweld en op kinderlijke wijze zich uitend geloof. Met het in bezit
-nemen van blokhuizen en de aanneming des Christendoms ging hand aan
-hand gepaard, dat de Ostjaken van de middel- en beneden-Ob en
-beneden-Irtysch niet alleen in zekere mate hun kleeding met die van den
-Russischen visscher hebben verwisseld, maar ook diens zeden en
-gewoonten gedeeltelijk hebben overgenomen. In gelijke mate hebben zij
-van de hunne verloren, ten deele ook de zuiverheid van hun stam daarbij
-ingeboet, en eigenlijk niets meer behouden dan de niet te vervreemden
-kenmerken, de taal en de daardoor bewaarde eigenaardigheden, evenals
-misschien ook nog de handigheid, levendigheid en—zorgelooze
-goedhartigheid, die den ganschen stam kenmerkt. Maar in geen geval mag
-men nu ook gaan denken, dat met die meerdere beschaving ook de
-zedelijkheid, met het Christendom de reinheid des gemoeds is
-vermeerderd; in elk geval bevredigt het meer de heidensche Ostjaken te
-leeren kennen en met een nog oorspronkelijk volk in aanraking te komen,
-dan zich op te houden bij zulk een gedeelte, dat nog slechts een
-schaduw kan zijn van hetgeen het voormaals was en wat de eerstgenoemden
-nu nog zijn. Ik bepaal mij alzoo in mijne mededeelingen tot die
-Ostjaken, welke nog heden ten dage geloovig opzien tot den god Ohrt,
-die nog heden ten dage in veelwijverij leven, wanneer hun vermogen
-zulks veroorlooft, die nog heden ten dage hun dooden op dezelfde wijze
-begraven, gelijk hun vaderen dit deden; mijne voorstelling toch kan er
-niets bij verliezen, wanneer ik die anderen uitsluit, in eenheid
-daarentegen slechts winnen, wanneer ik mij uitsluitend tot de
-heidensche Ostjaken bepaal.
-
-Van bijzondere stamskenmerken kan men hier moeielijk spreken, nog
-moeielijker is het deze te beschrijven. Ik heb herhaaldelijk getracht
-zulks te doen, maar steeds bevonden, dat het ondoenlijk is een gezicht
-in woorden af te beelden, of volledig de voor het oog waarneembare
-raskenmerken door middel der pen uit te drukken. Onze luidjes
-verschillen ten opzichte van gelaatsvorm, huidkleur, haar en oogen ten
-zeerste van elkander; men kan hun soms niet eens aanzien, dat zij
-Mongolen zijn, en wanneer men werkelijk eens meent dat men duidelijke
-en bepaalde trekken heeft kunnen opmerken, dan leeren een aantal andere
-individuen ons wederom, dat die trekken verre van algemeen zijn. Als ik
-alles wil samenvatten, wat ik van de door ons waargenomen Ostjaken heb
-kunnen afzien en opteekenen, dan blijkt daaruit het volgende:
-
-De Ostjaken zijn van middelbare lengte, over ’t algemeen slank gebouwd,
-met vrij regelmatig gevormde handen, voeten en ledematen; de handen
-zijn eer groot dan klein te noemen, de kuiten zeer schraal; de vorm des
-aangezichts houdt het midden tusschen dien van andere Mongoolsche
-volken en de Noord-Amerikaansche Indianen; de bruine oogen toch zijn
-wel is waar klein, maar niet in ’t oogvallend sterk schuin geplaatst;
-de jukbeenderen steken niet bijzonder vooruit, terwijl het
-benedengedeelte des aangezichts zoo tegen de smalle en spitse kin is
-aangedrukt, dat het geheele gelaat een puntig voorkomen erlangt, daar
-ook de lippen scherp besneden zijn. Het gelaat krijgt door een en
-ander, vooral bij kinderen en vrouwen, iets katachtigs, alhoewel de
-neus in ’t algemeen weinig, bij velen bijna geheel niet afgeplat is.
-Het welige, sluike, maar niet stijve haar is meestal zwart of
-donkerbruin, zelden lichtbruin en nog zeldzamer blond, de baard dun,
-doch slechts ten gevolge van de gewoonte der jeugdige fatten, dezen,
-zoodra hij verschijnt, uit te trekken. De wenkbrauwen zijn zwaar,
-dikwijls geweldig zwaar. De huidkleur doet in blankheid voor die van
-een zich veel in de frissche lucht, in wind en weder bewegenden
-Europeaan, weinig onder en de geelachtige tint, die regel is, kan soms
-geheel ontbreken.
-
-Wanneer het hier gezegde voor de meeste Ostjaken als geldend kan
-beschouwd worden, volgt daaruit toch nog niet, dat men bij eene
-nauwkeurige waarneming onzer luidjes in twijfel kan staan ten opzichte
-van het ras, waartoe zij behooren. Enkelen hunner doen zich reeds bij
-den eersten vluchtigen blik als Mongolen kennen. Zij zijn klein van
-gestalte, de bruine, levendige oogen staan schuin in het hoofd, en zijn
-lang gespleten, de jukbeenderen zijn dik, de stijve haren pikzwart en
-alle gewoonlijk ontbloote deelen des lichaams bepaald koperrood of
-lederbruin gekleurd.
-
-Over de taal der Ostjaken kan ik niet oordeelen, maar wel kan ik
-zeggen, dat deze in twee, ook voor vreemde ooren duidelijk te
-onderscheiden dialekten vervalt; het eene dialekt wordt aan den
-middelloop der Ob gesproken en is zeer welluidend, ofschoon iets gerekt
-en zangerig, terwijl het tweede, dat aan den benedenloop der rivier
-gebruikelijk is, sneller wordt uitgesproken, alhoewel de afzonderlijke
-lettergrepen nog altijd duidelijk genoeg gehoord worden. De gewoonte
-der hier wonende Ostjaken, zich van de meer weeke Samojedentaal te
-bedienen, heeft op een en ander grooten invloed uitgeoefend.
-
-Terwijl de Christelijke Ostjaken, gelijk ik reeds opmerkte, de
-kleederdracht der Russen naäpen en de vrouwen slechts hierin van die
-der Russische visschers onderscheiden zijn, dat zij haar
-kleedingstukken met bonte glasparels versieren, ook wel eens
-vreemdsoortige, op de stola van een Roomsch-Katholiek priester
-gelijkende, rijkelijk met parels opgetooide, in strikken gebonden
-linten dragen, gebruiken de heidensche Ostjaken uitsluitend
-rendiervellen—hertenvellen, gelijk de Russen zeggen; de huiden van
-andere dieren dienen soms tot bijzondere versiering der eerste. De
-kleeding bestaat uit een (tot over de knieën hangende) bij de mannen
-alleen op de borst, bij de vrouwen langs den geheelen voorkant
-gespleten en dan met leeren riemen vastgebonden, eng sluitenden pels
-met daaraan gehechte of althans daarbij behoorende monnikskap en
-aangenaaide handschoenen, een lederen broek, die tot onder de knie
-reikt en leeren kousen, die boven de knie bevestigd worden. De pels is
-bij de vrouwen van voren, langs de opening, met kleine, vierkante,
-kortbehaarde, bontgekleurde stukjes pels, van beneden met een breede
-strook van hondenvel omzoomd. Bij de mannen ontbreekt ook dit laatste
-tooisel niet. Een kap bevindt zich ook aan den pelsmantel der vrouwen.
-De leeren kousen der laatsten worden, als zij bijzonder mooi moeten
-zijn, vervaardigd uit met smaak aaneengenaaide repen der bonte huid,
-die de pooten der rendieren omgeeft, terwijl hieraan een lompe schoen
-wordt vastgenaaid, die met riemen verder om den voet wordt bevestigd.
-Eene breede, meestal met metalen knoopen bezette leeren gordel, waaraan
-het mes hangt, bindt den pels der mannen om het lijf vast; een bonte,
-met lange franjes versierde hoofddoek, die in den zomer de plaats der
-kap vervangt, valt over den pels der vrouwen naar beneden. Hemden kent
-men niet; daarentegen draagt de vrouw een gordel, dien wij niet kennen.
-Wil zij zich eens recht mooi maken, dan steekt de Ostjaksche dame
-zooveel eenvoudige koperen, soms zilveren ringen aan alle vingers, als
-zij er met mogelijkheid maar aan kan rijgen, zoodat de hand als het
-ware in een metalen pantser zit opgesloten; ook hangt zij zich eene
-meer of minder zware ketting van glasparels om den hals en zeer zware,
-uit glasparels, draadsnoeren, of metalen knoopen samengestelde
-kwastvormige versierselen in, of eigenlijk over de ooren. Het haar
-wordt in twee, tot op de kuiten neêrhangende vlechten gedeeld, welker
-einden met gedraaide wollen snoeren omwoeld worden. Hetzelfde doet ook
-de Ostjaksche saletjonker, een bewijs, dat alle gekken der aarde op
-elkander gelijken. De mannen dragen gemeenlijk het haar lang, maar los.
-
-Eenvoudiger nog dan de wel is waar niet zeer schoone, maar voor winter
-en zomer beide vrij geschikte kleederdracht, en even doelmatig als
-deze, is de woning der Ostjaken, de „Tschoem”. Hieronder verstaat men
-eene verdraagbare, kegelvormige, met berkenschors omkleede hut, die
-zoowel den visschers als nomaden tot verblijf dient. Van twintig tot
-dertig dunne, glad gemaakte, van boven en beneden spits toeloopende,
-vier tot zes meter lange, in een cirkel opgestelde palen, vormen het
-geraamte; twee dier palen zijn dicht bij het boveneind aan elkander
-vastgeknoopt, de overige dienen tot steunpunten. Vijf à acht uit
-kleine, vooraf gekookte en daardoor week gemaakte stukken berkenschors
-gevormde platen, wier vorm in overeenstemming is gebracht met dien des
-kegels, maken het buitenbekleedsel uit, terwijl eene van de windzijde
-afgekeerde opening gesloten wordt met een plaat van gelijk materiaal;
-dit is de deur. De hut blijft van boven open om aan den rook vrijen
-doortocht te verleenen. Van de deur naar den tegenovergestelden wand
-der hut loopt een gang, in welks midden het vuur wordt aangelegd;
-hierboven zweven twee horizontale stokken, die aan de buitenpalen zijn
-vastgebonden, en welk toestel deels dient om er den kookketel aan op te
-hangen, deels om een en ander te drogen. Rechts en links van straks
-genoemden gang zijn planken of matten over den grond gelegd, over welke
-men zich beweegt, en die meteen de slaapsteden afpalen, wier
-hoofdeneind naar den wand is gekeerd. Uit carexstengels gevlochten
-matten, langharige, zachte rendierhuiden, en met rendierhaar of
-gedroogd watermos opgevulde kussens dienen tot bedden, pelzen tot
-dekens; eene muggentent, waaronder in den zomer de geheele familie
-kruipt, beschermt de slapenden oneindig beter tegen de gevleugelde
-kwelgeesten dan het aan den ingang van de Tschoem voortdurend
-brandende, met wilgenloof gevoede, smeulende vuur. Een kook-, thee- en
-drinkketel, schalen, lederen meelzakken, andere ter bewaring van het
-hard gebakken roggebrood, kleine, sluitbare kistjes, ter berging van de
-kostbaarste goederen, inzonderheid ook van het theeservies, een bijl,
-een boor, een leerschaaf, een komvormig naaikistje, bogen, buksen,
-sneeuwschoenen, alsmede verschillende jachtgereedschappen, voltooien
-het huisraad; in de plaats der heiligenbeelden, die in de hutten der
-Christelijke Ostjaken bijna nooit ontbreken, prijkt hier een
-afgodsbeeld.
-
-Tegen de koude en stormen van den winter beveiligt men de Tschoem door
-er eene, uit afgedragen pelzen saamgenaaide deken van buiten over heen
-te spreiden, of, wat nog beter is, door een tweeden mantel van
-berkenschors.
-
-Is de eigenaar der Tschoem een visscher, dan ziet men buiten de hut een
-droogtoestel voor de netten en droogstaken voor de visschen, zeer net
-bewerkte, ongemeen lichte en kunstige fuiken, een aantal bijzonder
-kleine booten, benevens nog ander vischgereedschap; is hij tevens
-jager, dan allerlei jagerstuig, b.v. stelbogen en automatisch werkende
-handbogen. Is de Tschoembaas een rendierherder, dan een aantal met zorg
-bewerkte sleden en daarbij behoorend tuig, alsmede eene ook voor hem
-onmisbare boot.
-
-Iedere Ostjak is een kundig visscher, bijna iedereen tevens jager of
-vallensteller, maar niet ieder is een trekherder. Rendieren te bezitten
-beteekent zooveel als welgesteld te zijn, veel rendieren zijn eigendom
-te noemen is gelijkluidend met rijk zijn. Hij, die alleen van de
-vischvangst moet leven is arm. Paarden en runderen worden zeldzaam, dan
-nog alleen in zeer gering aantal gevonden, en zulks enkel in de
-nederzettingen aan den middenloop der rivier; ook houdt men eene enkele
-maal schapen, misschien wel soms eene kat; de ware huisdieren evenwel
-zijn het rendier en de hond. Zonder deze, in elk geval zonder het
-rendier, kan de welgestelde man, naar hij meent, niet leven; zij alleen
-verschaffen hem wat hij levensvreugde noemt. Even gelijk de Bedoeïn, de
-trekkende herder van Centraal-Afrika, zich verheven waant boven zijn
-stamgenoot, die het veld bebouwt, even gelijk de Kirgies minachtend
-neêrziet op hem, die de aarde bewerkt, zoo grijpt ook de rendierhouder,
-zelfs de rendierherder alleen dan naar net en angel, wanneer hij
-persoonlijk trek heeft in visch, terwijl de visscher niet enkel voor
-zich zelf, maar ook als knecht voor anderen het net uitwerpt en de fuik
-stelt. Naar het aantal rendieren berekent de Ostjak allen menschelijken
-rijkdom en zijn persoonlijk geluk. Daarom verliest hij niet alleen dien
-rijkdom en dat geluk, wanneer de worgende ziekte zijn kudde vernietigt,
-maar nog veel meer: aanzien en rang, zelfbewustzijn en vertrouwen, ja,
-het is niet te sterk uitgedrukt, wanneer men er bijvoegt, zijn geloof,
-zijn zeden, zijn gewoonten, zijn eigen persoonlijkheid. „Zoolang de
-ziekte nog niet onder onze kudden woedde”, zoo zei ons eens de
-bestuurder eener gemeente, Mamroe, de verstandigste Ostjak, dien wij
-ooit leerden kennen, „leefden wij blijmoedig, en wij waren rijk; sedert
-wij onophoudelijk door verliezen worden getroffen, worden wij allengs
-tot arme visschers; wij kunnen zonder rendieren niet bestaan, zonder
-hen niet leven.” Arme Ostjaken! In deze woorden ligt uw lot besloten.
-Reeds op dit oogenblik zijn de eens bij honderdduizenden te tellen
-rendieren tot vijftigduizend ingesmolten, en nog steeds woedt het
-miltvuur onder de geweidragende kudden voort. Wat zullen de gevolgen
-zijn? De Russische popen zullen meer Christenzieltjes winnen, de
-Russische visschers steeds meer knechten, maar Ostjaken zullen er
-slechts in naam meer bestaan,—en deze tijd ligt in geen zeer ver
-verschiet.
-
-Het Noord-Aziatische rendier is een schepsel, dat veel afwijkt van zijn
-Laplandschen soortgenoot; het is niet alleen grooter en edeler, maar in
-den waren zin des woords een huisdier. Wij meenden het goed te kennen,
-want wij hadden het in Lapland gezien en met het nauwkeurig oog des
-natuurkenners gadegeslagen; maar in Siberië kwamen wij tot de
-overtuiging, dat wij nog geen juiste denkbeelden over dit merkwaardig
-dier hadden gewonnen. Ginds in Lapland hadden wij een hert leeren
-kennen, dat zich slechts met tegenzin boog onder het juk van den
-kleinen man, een hert, dat oogenschijnlijk elk oogenblik bedacht was op
-het herwinnen zijner vrijheid; hier in Siberië kwam ons een dier onder
-de oogen, dat volgzaam was en gewillig, den mensch genegen en zich aan
-dezen toevertrouwend. De Ostjak weet er dan ook voortreffelijk mede om
-te gaan. Hij behandelt het wel niet met die innigheid, waarmede hij den
-hond streelt, maar in geenendeele onvriendelijk, en slechts bij hooge
-uitzondering ruw en hard. In tegenstelling met de gewoonte der Lappen
-melkt hij het niet, maar gebruikt het veel meer voor de slede dan
-genoemde volken. Het moet hemzelf en zijn gezin, de Tschoem met alle
-toebehoor, en alle overige op de reis mede te nemen lasten, zoowel in
-den zomer als in den winter, van de eene plaats naar de andere brengen,
-terwijl de Lap slechts in den winter van het rendier als trekdier
-gebruik maakt. Van de geslachte rendieren gebruikt hij, evenals de Lap,
-alle deelen, met uitzondering alleen van maag en darmen. Het vleesch
-dient hem tot voedsel, van de beenderen en het gewei maakt hij
-verschillende voorwerpen, uit de pezen naaigaren, de huid en haren
-gebruikt hij zoo, of hij bereidt er leer uit; zelfs de tanden vinden
-eene nuttige toepassing. Met het rendier rijdt de Ostjak in zijn lichte
-slede, ’s winters en ’s zomers, van plaats tot plaats, naar de woning
-der bruid, naar zijn feesten, ter jacht, en naar de begrafenis zijner
-vrienden; het rendier vervoert zijn dooden naar de laatste rustplaats;
-het rendier wordt door hem geslacht en ter eere zijner gasten en dooden
-opgegeten; in de rendierhuid hult hij dezen en zich zelf. Zeer zeker,
-hij kan zonder het rendier niet bestaan, niet leven.
-
-Weinig minder diensten bewijst hem zijn tweede huisdier, de hond. Niet
-alleen de rondzwervende herders, maar iedere Ostjak houdt en verzorgt
-honden, de visscher zoowel als de jager, de gezeten man zoowel als de
-nomaad. De Ostjaksche hond behoort tot twee, voornamelijk door hun
-grootte van elkander afwijkende rassen. Of onze hondenminnaars hem
-fraai vinden durf ik niet beslissen; wat mij aangaat, ik moet dit dier
-reeds daarom fraai noemen, dewijl het, alleen de kleur uitgezonderd,
-nog alle kenmerken der wilde honden bezit. Hij komt het meest overeen
-met onzen „spits”, maar is gewoonlijk wat grooter, somtijds zoo groot,
-dat hij den wolf nabij komt; ook in slankheid van bouw wint hij het van
-den keeshond. De kop is lang, de snuit van middelmatige lengte, de hals
-kort, het lichaam lang, de pooten zijn dun, de staart is middelmatig
-van lengte, het gitzwarte oog schuins gespleten, het korte, spitse oor
-recht, het haar zeer dicht en lang, uit wol- en borstelharen bestaande,
-de kleur verschillend, meestal zuiver wit, of wit met zwarte, meest
-regelmatige teekening aan beide zijden van den kop, alsmede op de
-ooren, rug en flanken, of ook wel grijs gewaterd en gegolfd, maar nooit
-gestreept. De zwakbehaarde staart hangt meest naar beneden of is recht
-uitgestrekt, nimmer naar boven gekruld, waardoor de overeenkomst met
-een wilden hond nog meer verhoogd wordt.
-
-De gedurige omgang met den mensch heeft den Ostjakschen hond tot een
-zachtaardig dier gemaakt. Hij is waakzaam, maar niet bijtachtig,
-moedig, maar niet strijdlustig, trouw en ijverig, maar niet boos tegen
-vreemden; wantrouwend, ofschoon niet bijzonder onvriendelijk, loopt hij
-op den vreemdeling af, maar niet zoodra ziet hij zijn meester met dezen
-spreken of met hem de Tschoem binnengaan, of hij nadert ook dezen
-vertrouwelijk. In geen enkel opzicht verwend, en gaarne de ruimte van
-de Tschoem met zijn meester of meesteres deelende, stelt hij zich toch
-ook, zonder van onlust blijk te geven, aan wind en weêr bloot, werpt
-zich zonder bedenking in het koude water der rivier en zwemt
-rechtstreeks over breede armen, of draaft zonder morren door de toendra
-onder de slede, aan welke men hem heeft vastgebonden, door poelen en
-moerassen, door struikgewas en water. Verstandig en slim, vindingrijk
-en vlug, weet hij zich het leven aangenaam te maken en zich door alles
-heen te slaan.
-
-In de Tschoem ligt hij naast de lekkerste hapjes zonder ze aan te
-raken; buiten de hut zijns meesters is hij de snoepachtigste en
-brutaalste dief; in de toendra loopt hij geduldig door het dichte
-struikgewas der dwergberken onder de slede; in het gladde moeras of op
-andere goede wegen legt hij zich met vooruitgestrekte pooten op de
-boomen der slede en laat zich trekken; op de jacht vergezelt hij zijn
-baas als een trouw en nuttig metgezel; den vreemdeling evenwel kaapt
-hij het door hem bespeurde, door dezen geschoten wild, voor de oogen
-weg en eet dit met zulk een schuldeloos genot op, dat het onmogelijk is
-zich boos op dit dier te maken. De herten kent hij door en door in al
-hun eigenaardigheden en gebreken, zoodat hij bij het weiden der kudde
-goede diensten bewijst, maar zoo op hem vertrouwen als op den
-herdershond kan men toch niet, want hij volgt zijn eigen oordeel en
-doet dan alleen volgzaam zijn plicht, wanneer hem zulks bepaald
-noodzakelijk schijnt.
-
-De hond der Ostjaken bewijst zijn diensten als speelkameraad, als
-bewaker van de Tschoem, als oppasser der kudde en als trekdier, terwijl
-hij ook nog na zijn dood nut afwerpt. In den winter alleen wordt hij
-voor de slede gespannen, en dan legt men hem dikwijls zulk een dwaas
-tuig op, dat hij, wanneer men al te veel van zijn krachten vergt, reeds
-na weinige jaren lam van lendenen rondhinkt. Na zijn dood moet hij zijn
-uitstekend vel afstaan, ja sommige Ostjaken houden alleen voor dit doel
-een overgroot aantal honden.
-
-Voor hetzelfde of soortgelijke doeleinden strekken sommige uit het nest
-geroofde jonge zoogdieren en vogels, vooral vossen, beren, uilen,
-kraaien, kraanvogels, zwanen, enz. die men soms voor de Tschoems der
-visschers en trekherders, vastgebonden, aantreft. Zoolang deze dieren
-jong zijn worden zij vriendelijk bejegend en goed gevoed; zoodra zij
-volwassen zijn en huid of veêren waarde hebben verkregen, worden zij
-gedood; men eet op, wat eetbaar is en gebruikt huid en veêren; de huid
-wordt somtijds voor een verbazend hoogen prijs verkocht.
-
-De hond schikt zich ook hier, even gelijk elders, naar den wil van den
-mensch, maar de mensch moet zich voegen naar de behoeften van het
-rendier. Deze behoeften en geenszins de luimen van den herder bepalen
-het nomadische leven der rondzwervende Ostjaken, even gelijk het komen
-en gaan der visschen op het doen en laten der gezeten stambroeders van
-grooten invloed zijn. De tochten der rendierherders en hunne kudden
-zijn de gevolgen van gelijke oorzaken en bewegen zich in dezelfde
-richting als die der Kirgiezen, doch zijn van de tochten der
-laatstgenoemden hoofdzakelijk hierin onderscheiden, dat zij ook in den
-winter niet worden afgebroken, maar zelfs in dit jaargetijde nog
-veelvuldiger en afwisselender worden. Wanneer de sneeuw begint te
-smelten trekt de Ostjaksche nomaad langzaam naar het gebergte; met het
-beginnen der muggenplaag klimt hij de berghellingen, of althans naar
-den rug der heuvelklingen omhoog; met het verdwijnen der muggen, van
-welke dieren ook de hoogten niet geheel en al bevrijd blijven, keert
-hij allengs naar de lage toendra terug, om hier, zoo mogelijk in de
-nabijheid van de rivier zijns geboortelands den winter door te brengen.
-Zoo is de kringloop, dien hij jaar in, jaar uit, volbrengt, zoo niet de
-verschrikkelijke ziekte, het besmettelijke miltvuur, hem overvalt.
-
-Nog vóór de korte zomer in zijn onvriendelijk land aanbreekt, nog vóór
-het eerste voorjaarsleven ontwaakt, in den tijd, dat het sterke ijsdek
-nog onaangetast op den grooten stroom en diens nevenrivieren, op de
-ontelbare meren der toendra ligt, werpen de rendieren hun jongen. Nu
-vooral is het zaak eene plaats op te zoeken, die moeder en kroost
-genoeg voedsel oplevert. Te dien einde trekt onze herder niet naar de
-diepere dalen, maar naar de hoogte, van welker toppen de wind de sneeuw
-wegblaast, om hier zijn Tschoem op te slaan. Hier vertoeft hij geruimen
-tijd, totdat het rendiermos overal in ’t rond weggevreten is, en ook de
-breede hoeven van het rendier, waarmede het de sneeuw wegkrabt, om tot
-het daaronder verscholen plantendek te geraken, geen diensten meer
-kunnen bewijzen. Dan breekt hij nogmaals op en richt zich naar eene
-nabijzijnde plek, die gelijke voordeelen aanbiedt als de eerste. Ook
-deze wordt niet verlaten alvorens er geen voedsel meer is, want nog
-verheugt hij zich in een tijd, dien hij den goeden mag noemen. De
-kudden weiden thans in gesloten troepen; er heerscht volmaakte vrede
-onder de herten, wier gewei thans begint uit te spruiten; de ouden
-verliezen haar kalveren nog niet uit het oog; de kudde verstrooit zich
-niet, en dwaalt niet verder van de Tschoem af dan tot waar het geroep
-des herders reikt, dat hen tegen zonsondergang weêr bijeen en in de
-omgeving der hut verzamelt. Gedurende den nacht dwaalt wel de vratige
-wolf in ’t rond, dien de winter uit het gebergte naar de laag-toendra
-verdreef, maar de moedige honden houden scherpe wacht en weren den
-laffen roover; onze herder bekommert zich deswege even weinig om den
-wolf als om den winter, welk jaargetijde hij, evenals alle volksstammen
-van het hooge noorden als het beste beschouwt. Ook worden de korte
-dagen allengs langer, de nachten steeds korter, de gevaren voor zijne
-weêrlooze kudde dus kleiner. De rivier werpt haar ijskleed af; de
-verwarmde wateren van de zuidelijke steppen voeren lauwe winden naar
-het noorden; de eene heuvelketen na de andere wordt vrij van sneeuw, en
-hier zoowel als in het dal vinden de tegen het weder geharde dieren
-eene rijkelijk voorziene weide;—de laag-toendra is in de oogen onzer
-herders tot een waar paradijs geworden. Maar slechts kort duurt voor
-hem en zijn kudde dat heerlijke leven. De snel rijzende, altijd langer,
-steeds warmer stralende zon smelt ook in de vlakke dalen de sneeuw, op
-de breede meren het ijs, doet zelfs den bevrozen grond ontdooien en
-roept nevens de onschuldige kinderen van het voorjaar ook de milliarden
-kwelgeesten, de muggen, de brutale bremsen, wier larven eerst voor
-weinige weken uit de neusholten der rendieren gehoest werden, in ’t
-leven. Nu begint eerst voorgoed de verhuizing; nu trekt de herder, wel
-in korte dagreizen, maar zonder zich op te houden, naar het gebergte.
-Met het opdrogen van den morgendauw, die de mossen, korstmossen,
-grassen en jonge bladeren der dwergachtige struiken bedekte, breken de
-vrouwen de Tschoem af, die zij eerst gisteren opsloegen, en beladen de
-sleden, die zij op denzelfden tijd ontpakt hadden. Ondertusschen jaagt
-de herder op zijne lichte, met vier krachtige herten bespannen slede
-naar de verstrooide, nog grazende of in groepjes gelegerde kudde,
-drijft de dieren bijeen en naar de legerplaats, waar de familieleden
-reeds geheel gereed zijn. Een dun touw, waar de rendieren slechts
-zelden overheen durven springen, in de handen houdende, vormen zij
-samen een kring om de kudde; de herder begeeft zich met een vangsnoer
-of lasso in de rechterhand midden onder de kudde, werpt het daarvoor
-bepaalde hert zonder te falen den strik om den hals of om het gewei,
-maakt het touw vast, haalt het naar zich toe en geeft last, dat alle
-andere dieren zullen worden vrijgelaten; hij bestijgt daarna weder zijn
-slede en rijdt weg. Alle overige sleden, door de medeleden der familie
-bestuurd, volgen in lange rijen; blatend of brommend en bij elken stap
-een knetterend geluid latende hooren, zet zich ook de gansche vrije
-kudde in beweging; de honden eindelijk rennen en springen, onder
-voortdurend geblaf, om de kudde heen en houden de rendieren zoo goed
-mogelijk bij elkaar; toch kan zulks niet verhinderen, dat er nu en dan
-een afdwaalt of achterblijft. De kudde breidt zich meer en meer uit en
-tooit op schilderachtige wijze alle hoogten; door een of ander
-bijzonder lekker voedsel vastgehouden, verwijlt zij troepsgewijs hier
-en daar eene poos; door de kalveren aangezocht vervullen de moeders
-haar plichten, gaan wel eens ten gevalle van het door de melk
-verzadigde jong naast haar kind liggen, totdat de adelaarsblik van den
-heer der kudde dit misdrijf opmerkt, hij zijwaarts uitwijkt om door
-zijne krachtige stem, of met behulp der inmiddels opontboden honden de
-achterblijvers vooruit te drijven. Opnieuw laat zich een algemeen
-geloei hooren, de honden blaffen nog luider en de schare golft verder;
-een bosch van geweien dringt voorwaarts en zeker jagersvuur ontvonkt
-het hart van den toeschouwer uit vreemde landen.
-
-De zon daalt; de trekdieren zuchten en steunen met ver uit den mond
-hangende tong; het wordt tijd hun rust te geven. Op geringen afstand,
-in de nabijheid van een der vele meren, verheft zich een zwak gewelfde
-kegel; de herder slaat die richting in; op de hoogte laat hij zijn
-geweidragend vierspan stilhouden. De eene na de andere slede komt aan;
-de losse kudde eveneens, om dadelijk met grazen aan te vangen, de
-uitgespannen trekkers volgen hen.
-
-De vrouwen zoeken eene geschikte plaats uit om de Tschoem op te bouwen;
-zij plaatsen de stokken in een cirkel in den grond en omkleeden ze met
-den mantel van berkenschors; de herder echter begeeft zich met zijn
-voor het gebruik gereedliggend werptouw onder de kudde, kiest met
-kennersoog een jong en vet hert uit en werpt dit den strik om den hals
-en over het gewei. Tevergeefs spartelt het dier en tracht zich los te
-maken, nader treedt de herder en weêrloos volgt het dezen naar de
-inmiddels reeds opgerichte Tschoem. Een slag met een bijl op het
-achterhoofd doet het slachtoffer ter aarde storten, een messteek door
-het hart maakt een eind aan zijn leven. Twee minuten later is het dier
-reeds van de huid ontdaan, opengesneden en schoongemaakt; eene minuut
-later doopen alle, spoedig zich bijeen scharende familieleden de in
-repen gesneden lever in de met bloed gevulde borstholte, en de
-letterlijk „bloedige maaltijd” neemt een aanvang. In een kring gehurkt
-om het nog warme hert, snijdt elk der gasten ribstukken of stukken van
-rug- en dijspieren af; de lippen verven zich rood alsof zij geblanket
-waren; de bloeddruppels vloeien langs kin en borst; de handen worden
-almede geverfd en besmeerd met bloed, niet minder neus en wangen, en
-bloedige gezichten staren den onthutsten vreemdeling aan. De zuigeling
-maakt zich los van de moederborst om insgelijks aan den maaltijd deel
-te nemen, en van pret gilt hij het uit, wanneer hem de moeder nog een
-mergbeen stukslaat en dit om het uit te zuigen toereikt, nadat het
-wicht alvorens een stuk lever naar binnen heeft geslagen en ook daarbij
-zijn gezicht, wangen en handen en nog meerdere lichaamsdeelen met bloed
-rood heeft geverfd. De honden zitten in ’t rond en knagen de hun
-toegeworpen beenderen af. Verzadigd gaat de een na den ander opstaan,
-wischt zich de bloedige hand aan het mos af, reinigt het mes op
-dezelfde wijze en keert dan in de Tschoem terug om er behagelijk uit te
-rusten. De huisvrouw vult den kookketel met water, legt er zooveel
-vleesch van het half opgegeten dier in als deze bevatten kan, en maakt
-vuur aan om het avondeten te bereiden.
-
-Ondertusschen heeft de herder zijn bovenkleed uitgetrokken en haastig,
-ofschoon nooit zonder succes onderzocht, en gaat nu zoo dicht bij het
-vuur liggen, dat de vlam hare volle werking op het naakte bovenlijf kan
-uitoefenen. Hij voelt zich meer dan lekker en denkt aan nieuw genot.
-Een vreemde snaak, die in zijn gezelschap naar het gebergte trekt, een
-Duitscher van herkomst, wellicht een medelid van de Bremer expeditie
-naar West-Siberië, heeft hem niet alleen tabak, een inderdaad
-afschuwelijk, maar zeer krachtig kruid vereerd, doch daarenboven ook
-nog een groot stuk papier, een geheele „Kölnische Zeitung” geschonken.
-Hij scheurt voorzichtig van deze laatste een vierkant stuk af, draait
-hieruit een klein spits peperhuisje, vult het met tabak, maakt in ’t
-midden een kneep, en het pijpje is gereed, brandt een oogenblik later
-zelfs prachtig en ruikt zoo heerlijk, dat zijn vrouw de neusgaten
-openspert en naar hetzelfde genot verlangt. Deze wensch wordt terstond
-bevredigd en het pijpje maakt zelfs een rondreis langs elk der
-familieleden.
-
-Doch er is leven gekomen in den pot; de avondspijs is gereed en „allen
-roeren de handen voor het lekker bereide maal”. Daarna gaat de herder
-voor de deur der hut staan, stoot in langgerekte klanken een verdragend
-geroep uit, dat heden voor de laatste maal de onrustige kudde
-bijeenbrengt om nu gerustgesteld in de Tschoem terug te keeren.
-
-Intusschen heeft de vrouw hier de muggentent opgeslagen en is nu nog
-bezig met den benedenrand onder de dekens te stoppen. Gedurende dit
-bedrijf pakt de man, die op zijn leger ligt te wachten een hond,
-waarmede hij speelt als ware het een kind, welke behandeling de hond
-zijnerzijds zich gaarne laat welgevallen, daar hij zich zulks als eene
-hooge gunst en eer toerekent. Hierop kruipt de man half naakt onder de
-muggentent, de vijftienjarige zoon volgt zijn voorbeeld, en diens
-kleine, dertienjarige vrouw doet hetzelfde; de zorgvolle moeder brengt
-ook de kinderen, den zuigeling in de wieg hieronder begrepen, mede in
-veiligheid, sluit de deur en begeeft zich naar de andere huisgenooten.
-Weinige minuten later en een diep gesnork verkondigt, dat allen den
-slaap des rechtvaardigen hebben gevonden.
-
-Den volgenden morgen begint hetzelfde dagwerk en zoo gaat het voort,
-tot de hoogten der gebergten veroorloven, om langer rust te nemen en
-langer op dezelfde plaats te vertoeven. De hier, op deze hoogte zoo
-vroegtijdig vallende sneeuw dwingt reeds in Augustus tot opbreken, en
-wederom brengt de reis, thans wat langzamer en gemakkelijker, herder en
-kudde naar de laagte terug.
-
-Met het verdwijnen van het ijs begint ook het visschersbedrijf aan de
-rivier. Vele Ostjaksche visschers werken voor loon of ook wel in
-vereeniging met de Russen, terwijl anderen slechts een gedeelte der
-vangst aan hen verkoopen en voor eigen rekening visschen. Dadelijk na
-den ijsgang richten eerstgenoemden hun Tschoem naast de hutten der
-Russen op, of betrekken hunne aan het water gelegen zomerverblijven,
-blokhuizen van de allereenvoudigste soort. Ter plaatse, waar een
-nevenrivier in den stroom uitmondt, paalt men haar of een der armen af
-door middel van eene omheining, die slechts ééne opening vrij laat; bij
-lagen waterstand stelt men fuiken en legt men grondangels; daarenboven
-vischt men nog met treknetten en sleepnetten.
-
-Groote bedrijvigheid heerscht er op alle vischplaatsen, wanneer de
-vangst goed is. Halfvolwassen jongens zitten op eene schommelende
-stellage, in gebogen houding boven de opening der omheining en kijken
-met scherpe oogen naar beneden in het troebele water om te zien of er
-ook visschen loopen binnen het voor den doorgang gespannen en door hen
-vastgehouden kruisnet, beuren dit van tijd tot tijd met den gevangen
-buit op en ontlasten den inhoud in de kleine boot. De mannen visschen
-gezamenlijk met het treknet op de zandbanken of, op de ondiepe plaatsen
-der rivier, met het sleepnet. ’s Namiddags of tegen den avond keeren de
-visschers naar huis terug en verdeelen onder de huisgezinnen de vangst.
-Den volgenden morgen begint de arbeid der vrouwen. Afzonderlijk of in
-groepjes geschaard, hurken zij om de groote hoopen visch, ieder
-voorzien van eene plank en een scherp mes, om de visschen te
-ontschubben, schoon te maken, in stukken te snijden, in te kerven en op
-lange dunne stokken te steken, die dan op droogstellen ter droging
-worden gehangen. Eene vaardig uitgevoerde snede opent de buikholte van
-den visch en scheidt de zijspieren van de wervelkolom, terwijl enkele
-handgrepen de lever en de overige ingewanden van kop en geraamte en de
-kostbaarder zijdeelen des lichaams wegnemen. De eene lever na de andere
-glijdt over de gretige lippen, want de vrouwen hebben nog niet ontbeten
-en nemen dit al vast als voorspijs. Is men nog niet verzadigd, dan
-wordt er een visch ontschubd, schoongemaakt, in lange repen gedeeld,
-het eene eind van zulk een reep door het bloed gehaald, en dan in den
-mond gebracht; snelle, rakelings voorbij den tip van den neus gaande
-messneden verdeelen de reep in passende stukken, die een voor een in
-een afgrond verdwijnen. Ook de kinderen, die bedelend de moeders
-omringen, verkrijgen ieder naar hun ouderdom hun aandeel in lever en
-spiervleesch; vierjarige telgen hanteeren het mes reeds even vaardig
-als de ouden en snijden op gelijke wijze de mondbeten af. Dit is de
-gewone wijze van eten, en ook het rendiervleesch wordt op gelijke wijze
-genuttigd. Spoedig glimmen de aangezichten van moeders en kroost van
-visschenbloed en levertraan, de handen van schubben. Zijn alle visschen
-behandeld en opgehangen, dan verkrijgen ook de honden, die begeerig,
-ofschoon niet lastig, zich om de vrouwen hadden gelegerd, hun aandeel
-t.w. de schubben, die op een grasbosje worden geworpen, en gulzig
-woelen de zwarte snuiten in dit gras.
-
-Het morgenwerk is verricht en men heeft recht op eene kleine
-uitspanning. De moeders nemen haar zuigelingen op den schoot, reiken
-dezen de borst en gaan nu over tot eene zekere verrichting, even
-noodzakelijk voor haar zelf als voor de kleinen: de jacht op
-parasieten. Het eene kind na het andere legt zijn kopje in den schoot
-der moeder, daarna legt deze zelf het hare in dien der oudste dochter
-of van eene buurvrouw, die op gelijken wederdienst hoopt; de jacht is
-meestal zeer voorspoedig. Het gevangen wild wordt, zoo niet opgegeten,
-dan ten minste tusschen de lippen genomen, en met de tanden
-verbrijzeld; voor een natuuronderzoeker, die de apen heeft waargenomen,
-is zulks niets nieuws, en het strekt hem, die in Darwins leerstellingen
-meer ziet dan enkel hypothesen, als bewijs te meer voor het „atavisme”
-of het terugkeeren tot de gewoonten der voorouders.
-
-De zon daalt, en de mannen, jongelingen en knapen komen met nieuwen
-zegen aandragen. Zij hebben naar hartelust rauwen visch gegeten, thans
-verlangt de ziel naar warme spijs. Een groote, dampende ketel met
-gekookte visschen, kostelijke renken,—naaste bloedverwanten van den
-zalm—worden hun voorgezet; met vischvet doorweekt brood is de toespijs,
-terwijl de maaltijd besloten wordt met tegelthee, die met koud water op
-het vuur gezet en lang gekookt is geworden. „Wanneer evenwel de
-begeerte naar spijs en drank gestild is” verlangt ook de geest naar
-voedsel, en daarom is de kunstenaar hoogst welkom, die de door hem zelf
-vervaardigde harp of cither te voorschijn haalt, òf om deze te
-bespelen, òf om een der inlandsche, onbeschrijfelijk karakteristieke
-liederen, òf om den vreemden dans der vrouwen te begeleiden, bestaande
-in opheffingen en neêrbuigingen van het lichaam en het volbrengen van
-allerlei bewegingen met de armen, die nu eens om elkander worden
-geslagen, dan weder uitgestrekt, daarna naar het lichaam
-teruggetrokken. Deze feestelijkheden duren net zoo lang totdat men met
-het opslaan der muggentent gereed is, als wanneer jong en oud onder
-derzelver plooien verdwijnt.
-
-De zomer is voorbij, en de korte herfst wordt opgevolgd door den
-winter. Nieuwe bedrijvigheid ontstaat met het trekken der vogels; met
-den winter ontwaakt een nieuw, ja het eigenlijke, rijke leven der
-Ostjaken. Het verraderlijke net wordt voor de wegtrekkende zomergasten
-gesteld; dit net bestaat uit een groot, licht verplaatsbaar kleef- of
-leeuwerikennet, dat aan den oever in de opengehakte deelen van de
-wilgenboschjes, op bekende strijkplaatsen tusschen twee groote
-watervlakten wordt uitgespannen, en waarin niet alleen eenden, maar ook
-ganzen, zwanen en kraanvogels vliegen, die meer dan welkom zijn om hun
-vleesch en veêren, want alle vogelsoorten verstrekken niet alleen den
-Ostjaken, maar in ’t algemeen aan alle rivierbewoners ten voedsel.
-Gelijktijdig met den vogelvanger trekt ook de nomaad op de jacht uit en
-stelt in de toendra zijn slagnetten voor den rood- en poolvos, of hij
-plaatst gemeenschappelijk met andere stamgenooten, in het bosch gelijke
-vangwerktuigen, stelbogen en automatische handbogen voor wolven,
-vossen, sabels, hermelijnen, veelvraten en eekhoorntjes. Is er sneeuw
-gevallen dan gespt zich de meer geoefende jager de sneeuwschoenen aan,
-zet den sneeuwbril op de oogen en begeeft zich met zijn honden naar het
-bosch in de toendra om den beer in zijn schuilplaats op te zoeken, de
-sporen van den losch te vervolgen, en den thans bemoeilijkten eland en
-het wilde rendier op het sneeuwdek na te jagen, dat wel den jager, maar
-niet deze dieren draagt. Hij heeft nooit gelogen, nooit valsch op een
-berentand gezworen, nooit onrecht gedaan, en derhalve is de beer
-tegenover hem machteloos, zijn eland en rendier tegenover hem niet vlug
-genoeg. Met den verslagen beer trekt hij vroolijk het dorp en de
-Tschoem binnen: buren en vrienden omringen hem jubelend, tot de
-algemeene vreugde ook hem zelf aantast, hij wegsluipt, zich vermomt en
-den berendans begint te dansen—bestaande in vreemdsoortige bewegingen,
-die den beer in alle toestanden des levens moeten voorstellen en
-verzinnelijken.
-
-Een rijken voorraad huiden bergt spoedig de hut des visschers, een nog
-rijkeren de Tschoem des herders, daar deze bovendien nog alle pelzen
-der door hem in den loop des jaars geslachte rendieren heeft verzameld.
-Thans is het tijd ze kwijt te worden. Van verre en nabij rust men zich
-uit om naar de jaarmarkt te gaan, die telken jare in de tweede helft
-der maand Januari te Obdorsk, het laatste Russische dorp en de
-belangrijkste handelsplaats aan de beneden-Ob wordt gehouden, en die
-zoowel door inboorlingen als door vreemdelingen druk bezocht wordt,
-terwijl ook bij deze gelegenheid de Russische regeeringskommissaris de
-belastingen int van Ostjaken en Samojeden, bestaande geschillen uit den
-weg ruimt en verder recht spreekt; de Russische kooplieden maken
-intusschen jacht op koopers en verkoopers, de slechten onder hen,
-geholpen door de spitsboefachtige Syrjenen op lichtzinnige dronkaards,
-en de popen eindelijk op te bekeeren heidenen; er worden verder met de
-Russen verdragen afgesloten, schulden betaald, nieuwe aangegaan, onder
-Ostjaken en Samojeden allerlei afspraken gemaakt, bruiloften gevierd,
-vijanden verzoend en nieuwe vriendschapsbanden gesloten. In lange rijen
-verschijnen de met rendieren bespannen sleden; van alle kanten komen ze
-aan en het marktvlek is eerlang omgeven van eene menigte Tschoems,
-rondom welke de met te verhandelen waren zwaar bepakte sleden geschaard
-staan. Elken morgen trekt de eigenaar van de Tschoem met zijn meest
-geliefde vrouw in vol ornaat naar de kramen om huiden te verkoopen en
-waren in te ruilen. Men handelt, biedt, dingt, tracht te bedriegen, en
-de ook nu nog bedrijvige Merkurius oefent zijne heerschappij uit niet
-enkel als god der kooplieden, maar ook als god der dieven. Brandewijn,
-ofschoon van regeeringswege verboden, is bij elken koopman, en in bijna
-elk huis van Obdorsk te verkrijgen; hij benevelt het verstand van
-Ostjak en Samojeed en verarmt beiden nog meer dan het miltvuur. De
-brandewijn doet alle hartstochten van den anders zoo kalmen,
-goedaardigen en onnoozelen Ostjak in opstand komen, en verandert den
-vredelievenden, jegens iedereen vriendelijken en eerlijken kerel in een
-woedend, krankzinnig dier. Naar brandewijn hunkert de man, naar
-brandewijn dorst de vrouw; de vader giet het begeerige kind den
-brandewijn in de keel, de moeder hare verlangende dochter, wanneer
-beiden genoeg hebben van het verderfelijk vergif.
-
-Voor brandewijn verslingert de Ostjak zijn met moeite verworven
-schatten, verkwanselt hij zijn geheele bezitting, voor brandewijn
-verhuurt hij zich als knecht, verkoopt hij zich als slaaf, verkoopt hij
-zelfs zijne ziel en verloochent hij het geloof zijner vaderen.
-Brandewijn behoort bij het sluiten van elken koop en verkoop,—zelfs bij
-de bekeering tot de rechtzinnige, orthodoxe kerk.
-
-Met behulp van den brandewijn komt de oneerlijke koopman eindelijk in
-’t bezit van alle huiden van den Ostjak, en bevrijd van deze, maar
-tevens met ledige beurs en een verward hoofd keert de met trotsche
-verwachtingen naar Obdorsk getogen, bedrogen, om niet te zeggen
-uitgeplunderde man naar zijn Tschoem terug. Hij gevoelt berouw over
-zijn dwaasheid, zijn zwakheid, koestert de beste voornemens, komt tot
-kalmte en denkt spoedig alleen nog maar aan de heerlijke bijeenkomsten,
-die hij met zijn stamgenooten gehouden heeft. Met dezen heeft hij eerst
-gedronken, dan hebben de mannen en vrouwen elkander gekust, dan de
-mannen hun vrouwen afgeranseld, dan tegen elkander hun krachten
-gemeten, zelfs de scherpe messen met een fonkelend oog getrokken en
-elkander met den dood bedreigd; maar er is geen bloed gevloeid, men
-heeft zich weêr met elkander verzoend, de vrouwen, die vreeselijk door
-de klappen waren toegetakeld en door den brandewijn hunne bezinning
-hadden verloren, heeft men teêrhartig van den grond opgebeurd en door
-andere medelijdende vrouwen doen reinigen; men heeft als bekroning der
-verzoening eene plechtige overeenkomst getroffen, voor de dochter een
-bruidegom, voor den zoon eene kleine bruid uitgekozen; men heeft zelfs
-eene weduwe weêr uitgehuwelijkt en bij die gelegenheid nog eens
-gedronken, kortom, men heeft zich kostelijk vermaakt. Dat de
-Regeeringskommissaris alle door den drank bedwelmden eindelijk had
-laten inpakken, dat alle, alle geld den weg van het vergankelijke was
-gewandeld, ja dit was natuurlijk onaangenaam, zeer onaangenaam zelfs
-geweest; maar de gevangenis was weêr geopend geworden, de smart over
-het geldelijk verlies was geleden, en slechts de gouden herinnering,
-waarop men een vol jaar kon teren, en de voor alle partijen eervolle
-verloving waren als een niet te vervreemden winst van den heerlijken
-feestdag gebleven.
-
-Bruidegom en bruid waren mede op de jaarmarkt geweest, hadden dapper
-medegedronken en bovendien elkander leeren kennen; de bruidegom was het
-met zijn ouders eens, dat hij op het jonge meisje zijn keuze moest
-laten vallen, beter gezegd dat hij haar als zijne vrouw moest
-onderhouden. Want de wil der ouders, niet die der jonge lieden, sluit
-bij de Ostjaken de huwelijken. Op den wensch en den wil des jongen mans
-moge men nog eenige acht slaan, en een veelbelovenden knaap wordt het
-wel eens veroorloofd zijn eigen oogen te richten naar eene dochter
-zijns volks, maar men zendt ook den in zijne keus vrij gelaten
-jongeling alleen dan naar den vader van het meisje, wanneer de
-toestanden aan weêrszijden genoegzaam overeenkomen. De jonge dochter
-wordt nooit naar haar wil gevraagd, en zulks reeds hierom, dewijl zij,
-wanneer men haar verlooft, nog veel te jong is om eenigszins over hare
-toekomst te kunnen oordeelen. Zelfs de toekomstige mannelijke
-echtgenoot heeft zijn vijftiende jaar nog niet bereikt, wanneer hij
-naar de hand der twaalfjarige dingt.
-
-In ons geval heeft de jaarmarkt te Obdorsk de onderhandelingen
-bespoedigd. De vrijer heeft reeds het jawoord; terstond hierop zijn de
-dikwijls zeer langdurige onderhandelingen begonnen, maar dank zij den
-invloed van den anders demonischen, in dit geval onmisbaren brandewijn,
-zij werden nu zeer spoedig ten einde gebracht. Men is overeen gekomen,
-dat Sandor, de jonge bruidegom, als bruidsschat voor Malla, het
-verloofde kind, zestig rendieren, twintig vellen van den witten, tien
-van den rooden vos, een stuk bont katoen en verschillende kleinigheden,
-als ringen, knoopen, glasparels, hoofddoeken enz. zal betalen. Zulks
-was weinig, veel minder dan de volstrekt niet rijkere bestuurder der
-gemeente, Mamroe, eens voor zijne vrouw had betaald, want diens
-bruidsgeld had bestaan in honderdvijftig rendieren, zestig vellen van
-den poolvos en twintig van den gewonen vos, een groot stuk
-kleedingstof, vele hoofddoeken en de gewone kleinigheden. Maar
-toenmaals waren de tijden beter, en Mamroe mocht wel een bruidsschat
-van meer dan duizend zilveren roebels betalen voor zijne deftige, rijke
-en uit eene aanzienlijke familie voortspruitende vrouw!
-
-Het bruidsgeld is betaald; de verloving der jonge lieden heeft plaats.
-De nabestaanden komen in de Tschoem van den vader des bruidegoms bijeen
-om aan de bruid geschenken te brengen en tevens uit de voor ieder ten
-toon gestelde gave des bruidegoms voor zich zelf iets in ontvangst te
-nemen. Men kleedt de bruid in feestgewaad en maakt zich gereed met haar
-naar de Tschoem des bruidegoms of van diens vader te rijden. Vooraf
-heeft men op gebruikelijke wijze lekker gesmuld van een geslacht
-rendier. Gekookt heeft men heden slechts enkele onder het ijs gevangen
-visschen; het vleesch der gedoode rendieren at men rauw, en toen het
-eerste koud begon te worden, gaf men een tweede den doodsteek. De bruid
-weent, gelijk met alle scheidende bruidjes gewoonte is; zij wil de
-Tschoem niet verlaten, alwaar zij is groot gebracht, en eerst nadat men
-haar allerlei troostwoorden heeft toegesproken is zij daartoe bereid.
-Een gebed voor den huisgod vraagt om den zegen van Ohrt, den
-hemelschen, wiens teeken Sornidoed, het godsvuur, in onze oogen slechts
-het knetterende noorderlicht, in den verloopen nacht bloedrood aan den
-hemel prijkte. De moeder vergezelt de scheidende dochter om haar bij te
-staan en ook in den eersten nacht na het huwelijk in hare nabijheid te
-blijven. Moeder en dochter beklimmen de slede, de gezamenlijke gasten
-de hunnen, en voort snelt de feestelijk gekleede bruidsstoet onder het
-geklingel der bellen, waarmede heden alle rendieren, die almede hun
-beste tuig dragen, versierd zijn.
-
-De bruigom wacht in de Tschoem zijns vaders zijne bruid op, die heden
-en voortdurend door middel van den hoofddoek zedig het gelaat verbergt
-voor haar schoonvader en de schoonbroeders van haar aanstaanden
-echtgenoot. Een nieuw feest neemt een aanvang, en eerst laat in den
-nacht scheiden de gasten, waartoe ook de bloedverwanten van den
-bruidegom behooren.
-
-Den volgenden dag brengt de moeder evenwel hare dochter in de Tschoem
-des vaders terug. Maar reeds een dag later verschijnen hier alle
-verwanten des bruidegoms om de jonge vrouw weder voor dezen op te
-eischen. Opnieuw vervult feestgedruisch de nederige hut; straks scheidt
-de bruid voor altijd, en deelt nu voorgoed de Tschoem, naar welke zij
-voor de tweede maal in feestelijken optocht wordt heengeleid, alleen
-met haar man of tevens met diens ouders, broeders en zusters.
-
-De zoons van arme lieden brengen als bruidsschat niet meer dan
-hoogstens tien rendieren mede, visscherszonen nog minder, ja zelfs geen
-rendieren, maar enkel het benoodigde huisraad; ook deelen zij dikwijls
-dezelfde Tschoem met meer huisgezinnen, maar ook de bruiloft dezer
-lieden wordt tot een feest- en vreugdedag, waarop zooveel gegeten en
-gesmuld wordt als het geringe vermogen maar toelaat.
-
-Arme Ostjaken leven in monogamie, rijke lieden beschouwen het als een
-zaak van fatsoen twee of meer vrouwen te nemen. In dit geval heeft de
-eerst gevrijde vrouw meer voorrechten dan de anderen, die meer als de
-dienstmaagden der eerste kunnen beschouwd worden dan als haars
-gelijken. Alleen wanneer zij geen kinderen krijgt, kan het anders
-worden; want kinderloos te zijn is eene schande voor den man, terwijl
-eene kinderlooze vrouw als een beklagenswaardig voorwerp wordt
-beschouwd.
-
-De ouders zijn trotsch op hun kinderen en behandelen ze met veel
-teederheid. Met oogen, die kennelijk van geluk getuigen, met gebaren,
-die haar weelde uitdrukken, legt de jonge moeder haar eerstgeborene aan
-de borst, of op het mollige watermos in de aardige, met fijn vermolmd
-wilgenhout en geschaafde houtvezeltjes opgevulde wieg van beukenbast;
-met zorg maakt zij het dek aan beide kanten der wieg vast en omhult
-voorzichtig het hoofdeneind van het kleine bedje met het daar bevestigd
-muggennetje; hare reinheid laat evenwel veel te wenschen over. Zoolang
-het kindje nog klein is en onbeholpen, wascht en reinigt de moeder het
-wanneer zij meent dat zulks volstrekt noodig is; maar is het grooter
-geworden, dan wascht zij het maar eenmaal iederen dag gezicht en
-handen; zulks geschiedt met behulp van een handvol geschaafde
-wilgenhoutspaanders, die dienst doen als spons, terwijl een tweede
-handvol droog toegepast, als droogdoek gebruikt wordt. Zonder zich
-daarover in ’t minst bezorgd te maken, kan de moeder verder aanzien dat
-het kleine wezen zich op eene wijze bevuilt en bemorst, dat wij er
-verbluft van staan. Eerst dan wanneer de jonge Ostjak zich zelf weet te
-helpen, neemt dit euvel een eind; niemand evenwel acht het noodzakelijk
-zich na den maaltijd te wasschen, al is deze nog zoo bloedig geweest.
-De kinderen van hun kant hangen met evenveel liefde aan hunne ouders
-als deze aan hen; zij zijn voorbeeldig gehoorzaam; nooit verzetten zij
-zich tegen den wil hunner opvoeders. Eerbied jegens hun ouders is het
-eerste en voornaamste gebod der Ostjaken, eerbied jegens de godheid
-komt eerst in de tweede plaats. Als wij Mamroe, den reeds genoemden
-bestuurder der gemeente, den raad gaven, zijn kinderen in de Russische
-taal te doen onderwijzen en het Russische schrift te doen leeren,
-antwoordde hij ons, dat hij het nut van zoodanige kennis wel inzag,
-maar dat hij vreesde, dat de kinderen dan zouden vergeten hun vader en
-moeder te eeren en daarmede het voornaamste geloofsartikel te schenden,
-zoodat hij op dezen grond niet besluiten kon onzen raad op te volgen.
-Zulks mag ook de reden zijn waarom geen enkele Ostjak, die nog het
-geloof zijner vaderen aanhangt, in dit opzicht iets meer leert dan zijn
-teeken, een hem en anderen verbindend gekrabbel, dat op het papier
-wordt gebracht of in hout of rendierhuid gesneden. En toch leert hij,
-als een zeer knap en talentvol mensch, al wat men hem onderwijst zoo
-spoedig en goed, dat hij op den vroegen leeftijd, waarop hij
-uitgehuwelijkt wordt, alles kent en weet wat tot het voeren van eene
-huishouding, en het onderhoud van een gezin noodig is. Alleen in
-geloofszaken schijnt hij zijn eigen oordeel te wantrouwen en, weinigen
-uitgezonderd, juist daarom den Schaman, die zich meerdere kennis van
-zoodanige zaken aanmatigt, eene onverdiende eer te bewijzen.
-
-Wij zien evenwel in zulke Schamans, die bij de Ostjaken, evenals bij
-andere Mongoolsche volksstammen van Siberië zich de rechten van
-priesters aanmatigen, niets anders dan bedriegers.
-
-Het eenige lid der lieve broederschap, waarmede wij in aanraking
-kwamen, een gedoopte Samojeed, droeg het teeken des Christendoms op
-zijne borst, was zelfs, zooals het gerucht wilde, diaken in eene kerk
-der rechtgeloovigen, en toch oefende hij onder de heidensche Ostjaken
-het beroep van Schaman uit. Ik weet zeker, dat deze persoon geen
-uitzondering vormde, maar dat zulks regel is; want alle Schamans, die
-von Middendorf, mijn zegsman, op zijne vele en lange reizen door
-Siberië leerde kennen, waren Christenen. Dat de Schaman, dien wij
-leerden kennen, in de meening verkeerde, dat ook wij geloovigen waren,
-heb ik reeds in mijn reisbericht vermeld, eveneens wat hij ons
-voorspelde; het verhaal van de ons gegeven voorstelling zelf heb ik
-echter tot heden bewaard; want in de lijst dezer mededeelingen past ook
-meer eigenaardig dit beeld.
-
-Aanvankelijk brandewijn als geestelijk loon eischende, daarna zich met
-de belofte van een geschenk tevreden stellende, ging hij alleen de
-Tschoem binnen, ons zeggende, dat hij ons zou laten roepen, wanneer hij
-met de toebereidselen gereed zou zijn. Tot deze schenen ook doffe
-slagen op de trom te behooren, die wij na geruimen tijd vernamen; van
-andere bezigheden merkten wij niets. Op een door hem gegeven teeken
-traden wij de Tschoem binnen.
-
-De geheele ruimte der hut van berkenschors is met menschen opgevuld,
-die zoo dicht mogelijk tegen de wanden aangedrukt, in een kring zijn
-gezeten; behalve Ostjaken en Samojeden, die met vrouw en kind zijn
-komen opdagen, zijn er ook Russen met hun vrouwen en spruiten aanwezig.
-Op een hoogen zetel, links van den ingang, heeft Widli, de Schaman,
-zich neêrgelaten; aan zijn rechterhand ligt een Ostjak, leerling van
-den meester, gehurkt. Widli draagt een bruin opperkleed en daaroverheen
-een oorspronkelijk witten, maar nu zeer morsigen, spaarzaam met gouden
-tressen versierden tabbaard; in zijn linkerhand houdt hij de kleine
-tamboerijnachtige trom zoodanig, dat haar schaduw op zijn gezicht valt,
-in de rechter den trommelstok; het hoofd is onbedekt, het rond
-geschoren haar zooeven gekamd. In ’t midden der Tschoem brandt een
-vuur, dat nu en dan opflikkerende, een schellen gloed werpt op het
-verzamelde gezelschap, in welks midden wij plaats nemen op de voor ons
-opengehouden zetels. Een driemaal herhaald, langgerekt, als een
-veelstemmig gezang klinkend geschreeuw, ingeleid door ettelijke
-tromslagen, begroet ons bij het binnenkomen en kondigt het begin der
-handeling aan.
-
-„Opdat gij moogt zien, dat ik een man der waarheid ben,” zoo laat de
-meester zich hooren, „zoo zal ik thans den mij vertrouwden bode van den
-raad des hemels bezweren onder ons te verschijnen, om mij mede te
-deelen, wat de goden over uwe toekomst besloten hebben. Gij zelf zult
-dan later mogen ervaren of ik waarheid gesproken heb of niet.”
-
-Na deze aanspraak, die ons door den mond van twee tolken werd
-overgebracht, bewerkt de lieveling der goden het kalfs- of liever hier
-het rendiervel zijner trom met snelle slagen, die elkander wel in eene
-bepaalde maat, maar niet in een bepaald aantal opvolgen. Hij begeleidt
-ze met een gezang, dat op Samojeedsche wijs half sprekend, beter
-gezegd, half brommend, half zingend voorgedragen, door den discipel,
-dien wij den koster zullen noemen, telkens getrouw herhaald wordt.
-Daarbij houdt de meester zijn trom zoo, dat zijn gezicht steeds
-beschaduwd blijft; hij sluit tevens de oogen om door niets van zijn
-geestelijk gezicht afgeleid te worden; de koster daarentegen rookt ook
-onder het gezang evenals straks steeds door en spuwt bij afwisseling op
-den grond evenals straks. Drie langzame, bepaalde slagen kondigen het
-einde van trommelen en zingen aan.
-
-„Ik heb thans,” zoo spreekt de meester vol waardigheid, „Jamaul den
-bode der hemelsche geesten, bezworen onder ons te verschijnen; ik kan
-evenwel niet bepalen hoeveel tijd er nog verloopen moet alvorens hij,
-die misschien verre wijlt, bij ons zal zijn.”
-
-En wederom roert hij de trom, zingt hij bezwerend, en eindigen gezang
-en begeleiding als te voren.
-
-„Twee keizers zie ik voor mij; zij zullen u een geschrift zenden,” zoo
-spreekt de bode der goden door zijnen mond. Jamaul was dus zoo
-vriendelijk geweest in de Tschoem te verschijnen en zijn lieveling ter
-wille te zijn. Thans volgen, steeds ingeleid door het betooverend
-gezang en tromgeluid, de afzonderlijke volzinnen, waarin de boodschap
-der goden is vervat:
-
-„Nog eenmaal, in den volgenden zomer, zult gij denzelfden weg trekken
-als nu.”
-
-„Dan zult gij de toppen van den Oeral bezoeken, daar waar de Oessa,
-Bodaratta en Schtschoetschja haar loop aanvangen.”
-
-„Op deze reis zal u iets overkomen; of het goed zal zijn of kwaad kan
-ik niet zeggen.”
-
-„Aan de Bodaratta valt niets te behalen omdat het daar aan hout en
-weiden ontbreekt; hier echter kan iets uitgevoerd worden.”
-
-„Gij zult uwen meester verantwoording moeten doen; hij zal deze
-onderzoeken en tevreden over u zijn.”
-
-„Ook voor de drie oudsten van uwen stam zult gij u te verantwoorden
-hebben; zij zullen uwe geschriften eveneens nagaan om daarna over de
-nieuwe reis uitspraak te doen.”
-
-„Uwe reis zal van nu af gelukkig zijn, zonder ongeval eindigen, en gij
-zult te huis uwe geliefden in welstand terugzien.”
-
-„Wanneer ook de thans aan de Bodaratta toevende Russen hetzelfde zeggen
-als zij, zullen twee keizers u beloonen.”
-
-„Ik zie geen gezicht meer voor mij.”
-
-De handeling is ten einde. De schemering breidt zich uit over de bergen
-van den Oeral. Allen verlaten de Tschoem; uit de gebaren der Russen
-spreekt hetzelfde vertrouwen als uit de tronies der Ostjaken en
-Samojeden. Wij evenwel bewegen den Schaman om ons naar de boot te
-vergezellen, maken hem en zijnen discipel met brandewijn de tong los en
-leggen hem allerlei strikvragen voor, daaronder zeer spitsvondige. Hij
-beantwoordt ze alle, zonder uitzondering, en zonder een oogenblik in
-verlegenheid te geraken, zonder te dralen, zonder zich te bedenken; hij
-beantwoordt ze alle vol overtuiging en overtuigend, klaar en bepaald,
-kort en bondig, zoodat wij nog meer dan vroeger tot het bewustzijn
-kwamen, dat wij met een door en door slimmen bedrieger te doen hadden.
-
-Hij schildert ons, hoe hij reeds als knaap den geest op zich voelde
-nederdalen, hoe deze hem zoo lang bleef pijnigen, tot hij de discipel
-van een Schaman werd; hoe hij meer en meer op vertrouwelijken voet is
-geraakt met Jamaul, den bode der goden, die hem verschijnt in de
-gedaante van een vriendelijk man, op een paard gezeten en met een staf
-in de hand; hoe Jamaul hem steeds te hulp snelt en hemelschen bijstand
-verleent, wanneer booze geesten hem aanvallen en hij dikwijls dagen
-achtereen tegen hen heeft te strijden; hoe de bode der goden steeds de
-ware, onvervalschte boodschap der hemelgeesten hem moet mededeelen,
-dewijl anders elke tromslag als een geeselstriem diens rug zou
-doorploegen; hoe Jamaul ook weder op dezen dag, voor hem alleen
-zichtbaar, achter hem in de Tschoem heeft gezeten, en hem alle woorden
-in het oor had gefluisterd; hoe hij, de Schaman door zijne kunst, of
-liever door de hem verleende genade, welke ook door zijn overgang tot
-het Christendom niet verzwakt kan worden, het verborgene ontdekt, het
-gestolene kan terugvinden, ziekten leert onderscheiden, den dood of de
-genezing der zieken vooruit ziet, de schimmen der afgestorvenen kan
-waarnemen en bannen, veel kwaads kan doen en verhinderen, maar alleen
-het goede bewerkt, uit vrees voor de hemelsche geesten; hij geeft ons
-een uitvoerig en helder, ofschoon niet geheel en al juist beeld van het
-geloof van Ostjaken en Samojeden; hij verzekert, dat een ieder van zijn
-eigen volk zoowel als de Ostjaken hem bij allerlei onheil bezoeken, hem
-om raad vragen, zich door hem de toekomst laten ontsluieren, en zonder
-aarzeling hem vertrouwen, hem gelooven.
-
-Het laatste is geenszins het geval. De groote hoop moge in den Schaman
-een man van groote wetenschap, wellicht zelfs een middelaar tusschen
-den mensch en de godheid, misschien ook een man, vol geheime macht
-zien, maar velen gelooven even zoo weinig aan de woorden en werken van
-een Schaman als andere volken aan die hunner priesters. Het werkelijke
-geloof des volks is oneindig veel eenvoudiger en kinderlijker dan den
-Schaman lief is. Het gaat ook hier gelijk wel eens elders: de priester,
-of hij die zich daarvoor uitgeeft, bevolkt den hemel met goden en raden
-en dienaren der godheid, het volk echter weet niets van zulk een
-hemelschen hofstoet.
-
-Volgens het geloof van den Ostjak troont in den hemel Ohrt, een naam,
-die zooveel beteekent als „einde der wereld.” Hij is een almachtige
-geest, die alleen tegenover den dood geen macht bezit; maar die den
-menschen genegen is. Gever van alle goeds, uitdeeler der rendieren,
-visschen en pelsdieren, die het booze verhindert, de logen wreekt, en
-slechts dan zich streng betoont, wanneer men de belofte jegens hem niet
-nakomt. Ter eere van Ohrt viert men feesten, hem offert men, en tot hem
-bidt men; en aan hem alleen denkt de smeekeling, zelfs wanneer hij zich
-voor een heiligenbeeld plaatst. Dit beeld, „longch” genoemd, kan uit
-hout gesneden, maar ook een bundel katoen, een steen, een dierenhuid of
-elk ander voorwerp zijn; kracht gaat er niet van uit, bescherming
-verleent het niet, dus een fetisch is het niet. Verzamelt men zich voor
-een longch, brengt men het voor de Tschoem, plaatst men er een schotel
-met visch of rendiervleesch voor, of eenig ander offer, legt men
-kostbaarheden voor den longch neêr, bergt men deze zelfs binnen in dit
-voorwerp,—men richt bij al die handelingen het oog ten hemel en denkt
-zoowel in het gebed als bij het offer aan de godheid zelf. Booze
-geesten wonen zoowel in den hemel als op de aarde, maar Ohrt is
-machtiger dan zij; alleen de dood is sterker dan Ohrt. Een eeuwig leven
-na den dood bestaat niet, van eene opstanding weten de Ostjaken
-evenmin; maar de doode wandelt als schaduw op de aarde rond, en die
-schim of schaduw heeft nog altijd de macht om zoowel goed als kwaad te
-doen. Wanneer een Ostjak sterft dan vangt onmiddellijk dat schaduwleven
-aan; daarom gaat men ook terstond tot de begrafenis over. Reeds vóórdat
-hij den laatsten adem uitblies waren de vrienden bijeengekomen; zoodra
-de dood is ingetreden ontsteekt men een vuur in de Tschoem en houdt dit
-brandende, totdat men grafwaarts gaat. Een Schaman wordt geroepen om
-den doode te vragen, op welk kerkhof hij wil rusten. Zulks geschiedt op
-deze wijze, dat men de plaats noemt en daarbij het hoofd van het lijk
-poogt op te beuren. Is de plaats naar den zin dan laat de afgestorvene
-toe, dat men zijn hoofd opbeurt, zoo niet dan zouden drie mannen zulks
-niet vermogen. In dit geval wordt de vraag herhaald, en wel zoolang
-totdat de doode toestemt. Nu zendt men der zake kundige personen naar
-die plaats om het graf gereed te maken, want zoodanig werk eischt
-dikwijls vele dagen.
-
-De graven bevinden zich steeds in de toendra, op hooge plaatsen,
-gewoonlijk op den rug van lange heuvelrijen; zij bestaan uit min of
-meer kunstig saamgevoegde bakken of laden, die boven op den grond
-worden geplaatst. Heeft men geen stevige planken, dan zaagt men een
-boot in stukken en legt daarin het lijk; alleen zeer arme lieden delven
-een ondiep graf en begraven daarin hunne dooden.
-
-Het lijk wordt niet gewasschen, maar in feestgewaad gestoken; het haar
-wordt gekamd en het aangezicht met een doek bedekt. De overige
-kleederen worden den armen geschonken. Een vreemde doode wordt niet met
-de handen aangeraakt, een beminde bloedverwant wel, ja dezen kust men
-zelfs met tranen in de oogen het aangezicht.
-
-Op eene slede, of in eene boot, onder geleide van alle bloedverwanten
-en vrienden wordt de doode naar zijn laatste rustplaats vervoerd. Een
-rendierhuid wordt in den bak of het graf uitgespreid, om hierop den
-doode te leggen, wien men tabak, pijpen, en allerlei zaken, die hij in
-’t leven gebruikte, medegeeft. Daarna schuift men touwen onder het
-lijk, legt het op het leger, spreidt een tweeden doek over het
-aangezicht, en sluit den bak met een stuk berkenschors, terwijl over de
-rijken nog vooraf kostbare huiden en katoenen stoffen worden
-uitgespreid. Daarna legt men nog over de berkenschors het eigenlijke
-deksel der kist of althans eenige zware, nauw aaneensluitende
-boomstammen, en hierop, en om en onder den bak verder al die
-gereedschappen, voor welke daarbinnen geen ruimte was. Vooraf echter
-heeft men ze stuk geslagen of op andere wijze onbruikbaar gemaakt, of
-gelijk de Ostjaken meenen, tot eene schaduw van datgene, wat zij eens
-waren.
-
-Middelerwijl heeft men in de nabijheid der grafplaats een vuur
-ontstoken, een of meer rendieren geslacht, welker vleesch nu door de
-begravers, rauw zoowel als gekookt, gegeten wordt. Na het lijkmaal
-steekt men de schedels der gedoode rendieren op puntige palen,
-omwikkelt deze of de nabijstaande boomen met het rendiertuig, hangt de
-belletjes, die gelijk bij andere feestelijke gelegenheden ook nu
-gebruikt zijn, aan de bovenste jukken van de lijkkist zelf op, slaat
-eindelijk de slede stuk, gooit deze in de nabijheid van het graf om en
-daarmede is de laatste plechtigheid verricht en de laatste versiering
-aangebracht. Men trekt huiswaarts, de klaagtonen verstommen, het leven
-eischt wederom zijn dagelijksche rechten.
-
-In de schaduw van den nacht echter begint de schaduw van den
-afgestorvene, uitgedost met de tot schaduwen geworden werktuigen, haar
-geheimzinnig schaduwleven. Wat zij gedaan heeft, toen zij nog onder de
-levenden verkeerde, doet zij nog. Onzichtbaar voor de menschen, weidt
-deze schaduw haar rendieren, of stuurt hare boot door het water, gespt
-zich de sneeuwschoenen onder de voeten, spant den boog, stelt het net,
-doodt de schaduwen van gestorven dieren, vangt de schaduwen van
-gestorven visschen. In de schaduw van den nacht treedt zij de Tschoem
-binnen en brengt haar nagelatenen goed en kwaad. Het loon van den doode
-bestaat hierin, dat hij zijn eigen bloedverwanten weldaden bewijst,
-zijne straf daarin, dat hij hun kwalen op den hals haalt.
-
-Deze zijn de hoofdwaarheden van het geloof der Ostjaken, een volk, dat
-door de rechtgeloovige Christenen als heidenen wordt beschouwd en
-veracht. Eene billijke waardeering van een eerlijk menschenhart met een
-kinderlijk gemoed zou evenwel den wensch bij ons doen opkomen: och
-mochten zij altijd heidenen, altijd blijven, wat zij nu zijn!
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-DE NOMADEN EN KUDDEN DER STEPPE.
-
-
-Hoe rijk de Middel-Aziatische steppe ook zijn moge, hoe afwisselend zij
-vooral zich voordoet aan hem, die haar in het voorjaar bezoekt, hoeveel
-vruchtbare landen zij ook moge insluiten,—zetelvastheid, wonen en
-hangen op een en dezelfde plaats veroorlooft zij slechts op enkele,
-meer dan elders begunstigde gedeelten. Trekken en reizen, komen en
-gaan, verschijnen en verdwijnen verlangt zij van al hare kinderen, van
-den mensch zoowel als van de dieren, die in haar wonen en leven.
-Sommige gedeelten moge de landman zich ondergeschikt maken, op enkele
-plaatsen moge men steden en dorpen grondvesten, het grootste gedeelte
-der steppe zal wel altijd verblijven aan den rondzwervenden herder, die
-geleerd heeft zich te plooien naar alle omstandigheden.
-
-Onder de Nomaden der steppe bekleeden de Kirgiezen de eerste plaats,
-zoowel wat hun aantal als hunne volkseigenaardigheden betreft. Hun
-gebied strekt zich uit van de Don en Wolga tot aan het
-Thian-Schangebergte en van den middelloop der Irtysch tot de zuidelijke
-streken van het Balkaschmeer, ja bijkans tot Chiwa en Boechara; dit
-volk is verdeeld in horden en stammen, in steppenherders en
-bergherders, maar deze allen zijn één in afstamming, taal, geloof,
-zeden en gebruiken, niettegenstaande het verschil, dat de afzonderlijke
-stammen schijnt te kenmerken. In de Orenburger steppe weidt en zwerft
-de kleinste of jongste horde, in de steppen tusschen de Wolga en de
-rivier de Oeral, dus in de gouvernementen Toergai en Oeral, een daarvan
-afgescheiden tak, die zich de Boekaische horde noemt; in de steppen en
-gebergten van het gebied van de Irtysch en het Balkaschmeer huist en
-trekt de middelste of oudere horde, aan gene zijde van de Illi
-eindelijk, tot in de nabijheid van Boechara en Chiwa moet men de
-wisselende woonsteden der Berg-Kirgiezen zoeken, die zich de groote of
-oudste horde noemt. Kirgies noemt zich overigens geen enkele tak van
-het geheele volk; die naam is een scheldnaam, die zooveel als „roover”
-beteekent; de eigenlijke naam dier volken is Kaisak of Kasak, wij
-zouden zeggen „Kozak”, ofschoon zelfs de Russen onder Kozakken
-tegenwoordig geheel andere menschen begrijpen dan onze steppenbewoners.
-
-De Kirgiezen, gelijk ik ze wil blijven noemen, behooren tot een der
-Turksche stammen, eene volkerengroep, over wier plaats in de rij der
-menschenrassen men verschillend oordeelt. Vele, zoo niet de meeste
-reizigers, verklaren de Kirgiezen voor echte Mongolen, terwijl anderen,
-en zeker met meer recht, hen beschouwen als van gemengd ras te zijn,
-dat wel is waar in sommige opzichten aan de Mongolen herinnert, maar
-over ’t geheel meer overeenkomst bezit met de Indogermanen en nog de
-meeste gelijkenis vertoont met de Turkomenen. De Kirgiezen, die ik
-gezien heb, allen behoorende tot de middelste horde, zijn middelmatig
-groot van gestalte, soms vrij klein, goed gevormd, met wel is waar niet
-schoone gelaatstrekken, maar toch ook niet met het karakteristieke,
-Mongoolsche apengezicht; zij hebben fraaie handen en voeten, eene
-lichte, of doorschijnend lichtbruine, naar ’t geel trekkende huidkleur,
-bruine oogen en zwarte haren. De jukbeenderen zijn zelden zoo
-vooruitstekend, de kin is zelden zoo smal, dat het aangezicht hoekig
-wordt of een katachtig uiterlijk verkrijgt. Het middelmatig groote oog
-is gewoonlijk in het midden het meest gewelfd en aan den buiten ooghoek
-horizontaal uitgerekt, dus wel amandelvormig, maar niet schuins
-gespleten; de neus is recht, zelden gebogen, de mond van middelmatige
-grootte en meestal scherp besneden, de baard dun, maar niet zwak. Echt
-Mongoolsche gezichten worden voorzeker ook aangetroffen, en zulks
-voornamelijk bij de vrouwen en de kinderen van arme lieden; maar,
-evenmin als ik veel werkelijk schoone Kirgiesische vrouwen heb
-aangetroffen, zag ik er zulke apentronies als onder de echte Mongolen.
-In elk geval, de stempel van een gemengden stam is scherper op de
-Kirgiezen afgedrukt dan die van een scherp bepaald, zelfstandig ras. Ik
-heb mannen gezien, die men zonder voorbehoud tot de Indo-Germanen zou
-hebben gerekend, indien men niets naders omtrent hen wist, en ik heb
-daarentegen weer anderen ontmoet, aan wie ik met geen mogelijkheid iets
-Mongoolsch kon ontdekken. De leden van oude geslachten zijn doorgaans
-personen, die alle wezenlijke kenmerken der Indo-Germanen bezitten, die
-van lagere her- en afkomst herinneren min of meer, soms geheel aan
-Mongolen. De macht van den Islam, die aan den tot de heilsleer
-bekeerden slaaf de rechten van den stam toekent, zal in den loop der
-tijden uit vele heidensche Mongolen Kirgiezen hebben gemaakt, en op het
-raskenmerk der laatsten grooten invloed uitgeoefend.
-
-Ofschoon in hoofdtrekken Turksch, is de kleeding der Kirgiezen toch
-niet zeer geschikt om hun lichaamsbouw voordeelig te doen uitkomen. In
-den winter vooral verbergen pelsmutsen, pelsjassen en hooge laarzen
-alle afzonderlijke lichaamsdeelen, en zelfs in den zomer is dit nog min
-of meer het geval. De arme Kirgies draagt behalve zijn pelsjas en de
-onontbeerlijke pelsmuts alleen nog maar een hemd, een kaftan en wijde
-broek; de rijke daarentegen, evenals de Oosterling, een aantal
-kleedingstukken over elkander; beiden evenwel steken alle, het
-benedenlichaam omhullende gewaden, den pelsmantel alleen uitgezonderd,
-in wijde broekspijpen, ten einde in ’t rijden niet belemmerd te worden,
-maar juist daarom ziet een Kirgies er dan ook des te bespottelijker
-uit, naarmate hij voornamer en dus rijker gekleed is. Donkere kleuren
-zijn meer gezocht dan lichte, ofschoon men deze daarom nog niet geheel
-versmaadt; is men in een bont gewaad gestoken, dan overlaadt men dit
-met borduursels en tressen. Alle Kirgiezen dragen in den gordel een
-sierlijk, met ijzer- of zilverwerk afgezet taschje en een insgelijks
-prachtig mes; behalve den onmisbaren zegelring echter verder geen
-andere versierselen, tenzij een door den keizer geschonken
-gedenkpenning.
-
-Over de kleeding der vrouwen kan ik weinig mededeelen, vooreerst omdat
-de bescheidenheid mij verbood naar meer te vragen dan uiterlijk
-zichtbaar was, en in de tweede plaats, omdat ik de vrouwen der rijke en
-voorname Kirgiezen in ’t geheel niet, anderen slechts in feestgewaad te
-zien kreeg. Behalve een pelsmantel, laarzen en schoenen, geheel gelijk
-aan die der mannen, dragen de vrouwen broeken, die al mede weinig
-afwijken van hetzelfde kleedingstuk der mannen, verder een hemd en
-daarover als bovenkleed een soort van kiel, die tot beneden de knie
-reikt en om den middel dichtgeknoopt wordt; op het hoofd, òf een
-tulbandsgewijs gewonden doek, òf eene nonnenkap, die over het hoofd,
-den hals, de schouders en de borst afhangt.
-
-De kleederen der mannen zoowel als die der vrouwen, worden, de
-sierlijke rijlaarzen en schoenen alleen uitgezonderd, vrij lomp
-bewerkt; in goede harmonie met de eischen des klimaats zijn de onmatig
-lange, ver over de handen vallende en deze bijna geheel bedekkende
-mouwen van het oppergewaad bij beide seksen.
-
-Het trekkende leven der Kirgiezen, die onophoudelijk nieuwe weiden
-moeten opzoeken voor hunne talrijke, veel eischende kudden, maakt eene
-behuizing noodzakelijk, die gemakkelijk op de eene plaats kan worden
-afgebroken om even spoedig op eene andere te worden opgericht, en die
-bovendien voldoende beschutting verleent tegen de ruwheden des
-klimaats. Aan zoodanige vereischten beantwoordt de Joerte beter dan
-eenige andere nomadenwoning, en het is niet te veel gezegd, wanneer wij
-beweren, dat de Joerte de volmaaktste tent is die er bestaat. De
-ervaring van duizenden jaren heeft ze gemaakt tot hetgeen zij nu is;
-eene in hare soort onverbeterlijke woning voor den rondzwervenden
-herder, voor een reizend mensch in ’t algemeen. Licht van gewicht en
-gemakkelijk uit elkaar te nemen, waterdicht en warm, af te sluiten
-tegen den storm en tegen tocht, voor elken zonnestraal toegankelijk,
-behagelijk en geschikt, eenvoudig en toch zich leenende tot in- en
-uitwendige versiering, vereenigt de Joerte zooveel heerlijke
-eigenschappen in zich, dat men haar te meer leert waardeeren, naarmate
-men langer in haar vertoeft. Zij is samengesteld uit een uit elkaar te
-nemen en weder in elkaar te zetten, voor verwijding vatbaar traliewerk,
-waaruit de benedenste loodrecht oprijzende, cylindervormige wand
-bestaat, en een koepelring, die het bovengewelf vormt; uit daartusschen
-geplaatste sparren en eene in het eerste gedeelte aangebrachte deur,
-luchtige matten van Tschigras, groote doelmatig gesneden en op zeer
-zinrijke wijze aangebrachte vilten platen, die met de matten de
-buitenbekleeding uitmaken, terwijl de bodem belegd wordt met vilten
-tapijten. Zij wordt, met uitzondering alleen van de ineengelaschte
-deurpaneelen en de aan het boveneind in gaten van den koepelring
-gestoken sparren, enkel bijeengehouden door touwen en strikken; zulks
-maakt, dat de tent in een aantal stukken kan worden uiteengenomen,
-terwijl de cirkelvormige dwars-doorsnede en de koepelvormige
-lengte-doorsnede haar in staat stellen den hevigsten storm het hoofd te
-bieden. In weinig meer dan een half uur heeft men haar opgebouwd, in
-nog minder tijd breekt men haar af, en niet meer dan één kameel wordt
-er vereischt om haar te vervoeren. Het bouwen evenwel en versieren
-eischt veel tijd, tevens veel bekwaamheid van de zijde der huisvrouw,
-aan wie grootendeels de taak der vervaardiging is opgedragen, en tevens
-uitsluitend het werk der oprichting is toevertrouwd.
-
-De Joerte vormt een belangrijk gedeelte van de bewegelijke bezitting
-van den Kirgies. Rijke lieden hebben er van zes tot acht, maar zij
-besteden liever meer geld voor de versiering eener enkele tent dan voor
-den bouw van vele Joerten, omdat de te betalen belasting wordt berekend
-naar ’t aantal hunner Joerten en niet naar de sterkte van hun
-veestapel. De voorname man pronkt wel is waar ook met zijne Joerte, die
-hij zoo rijk mogelijk inricht, uit het kostbaarste vilt bouwt, en uit-
-en inwendig met allerlei sieraden uit bonte stoffen laat behangen, maar
-meer prijs nog stelt hij op kostbare tapijten, en zijden, kunstig
-genaaide en gestikte dekens, waarmede hij op feesttijden het inwendige
-van zijne woning opsiert. Zulke tapijten gaan door erfenis over van den
-vader op den zoon en worden op evenveel prijs gesteld als metallisch
-zilver.
-
-Toch beoordeelt men het fortuin onzer trekkende herders niet naar deze
-bijkomende zaken, maar eenig en alleen naar hunne kudden. Ook de armste
-Joertenbaas moet, om in ’t algemeen den strijd om het bestaan te kunnen
-voeren, eene talrijke kudde bezitten; het vee, dat hij weidt, is zijn
-levensvoorwaarde, alleen zijn huisdieren beschermen hem tegen de
-ellende. De kudden der rijkeren tellen bij duizenden en nog eens
-duizenden individuen, de armen bezitten er slechts honderden. Maar ook
-de rijkste man kan arm worden, wanneer besmettelijke ziekten in zijne
-kudde uitbreken, en de arme kan verhongeren, wanneer gelijk lot dezen
-treft. Zulke ziekten kunnen zoodanigen omvang erlangen, dat de welvaart
-van geheele stammen vernietigd wordt, dat duizenden menschen een prooi
-worden van den hongerdood. Geen wonder dus, dat alle gedachten en
-handelingen der Kirgiezen betrekking hebben op het vee, dat zijn zeden
-en gewoonten daarmede in harmonie zijn, m.a.w. de mensch is afhankelijk
-van zijn vee.
-
-Niet het nuttigste, maar wel het edelste en meest gewaardeerde huisdier
-der Kirgiezen is bij hen het paard.
-
-Dit dier stelt in de oogen zijns bezitters het inbegrip voor van alle
-schoonheid en is de maatstaf, naar welken gerekend, rijkdom en armoede
-bepaald worden. Het paard is het dier bij uitnemendheid, en in plaats
-van het woord paard te gebruiken, spreekt de Kirgies alleen van
-„huisdier.” In plaats van links en rechts bezigt hij de uitdrukking „de
-zijde, waar men op het paard stijgt” en „de zijde, waar men den knoet
-draagt.” Het paard is de trots des jongelings en van de jonge dochter,
-van den man en den grijsaard, van de vrouw en het oude moedertje; men
-prijst of smaalt den ruiter zelf, wanneer men zijn paard prijst of
-smaalt: de slag, dien men een paard geeft, dat men zelf niet berijdt,
-geldt niet het paard, maar zijn eigenaar.
-
-Een groot gedeelte van de liederen en gezangen der Kirgiezen heeft
-betrekking op het paard; zij vergelijken bij dit dier den mensch; diens
-waardij, diens schoonheid bij het paard:
-
-
- „Bruid, o Bruid, gij lief bruidje,
- Gij veulen der donkere merrie”
-
-
-zoo roept de dichter de bruid toe, wanneer zij naar de Joerte des
-bruidegoms wordt geleid:
-
-
- „Zegt, waar is het spel der witte vlokken,
- Het spel van het schaken der veulens?
- Al is de schoonvader mij zeer genegen,
- Zooals mijn vader is, zoo is niet hij.”
-
-
-Zoo antwoordt de bruid den jongelingen, die haar het „Dschar-Dschar”
-het troostlied der „scheidende maagd” toezingen met de woorden „spel
-van het schaken der veulens” den tijd harer eerste liefde gedenkend.
-
-In paardenkoppen wordt de rijkdom der voornamen uitgedrukt; in
-paardenprijs berekent en betaalt men den bruidsschat; op honderd
-merries bepaalt men de waarde eener maagd, die het loon zal zijn van
-een wedren. Men geeft elkander paarden ten geschenke; met paarden
-betaalt men moord en doodslag, gebroken ledematen of een uitgeslagen
-oog, misdrijf en misdaad; honderd paarden lossen den moordenaar van een
-man, vijftig dien eener vrouw, dertig dien van een kind. In paarden
-betaalt men de boeten, die opgelegd worden wegens beschadiging aan lijf
-en bezitting van den stamgenoot, om een paard verlaagt zich zelfs de
-aanzienlijke tot een dief. Het paard draagt den minnaar naar zijne
-geliefde, den held naar het gevecht, het zadel en de kleeren van een
-gestorvene van de eene legerplaats naar de andere; het paard draagt den
-man en de vrouw, den grijsaard en het in den zadel vastgebonden kind,
-of den jeugdigen ruiter, die voor het eerst vrij in het zadel zit, van
-de eene Joerte naar de andere. Naar den prijs der paarden meet de
-eigenaar de waarde zijner kudde; zonder paard is de Kirgies, wat bij
-ons een man zonder dak is, zonder paard veracht hij zich zelf als de
-armste onder de zon.
-
-De Kirgies heeft den levensaard en de levenswijze van het paard tot in
-de kleinste bijzonderheden uitgevorscht; hij kent de zeden en gewoonten
-van dit dier, diens deugden en gebreken, weet wat goed voor hem is en
-wat hen schaadt, eischt er nu en dan het ongelooflijke van, maar nimmer
-buiten noodzaak, behandelt het wel is waar niet met de teederheid van
-een Arabier, maar ook nooit met de ongevoeligheid van andere volken.
-Van eene oordeelkundige fokkerij van dit edele dier, gelijk deze bij de
-Arabieren en Perzen, ook bij sommige Europeesche volken, zooals o.a. de
-Engelschen, gedreven wordt, is bij de Kirgiezen geen sprake; toch
-zorgen ook zij voortdurend voor eene veredeling der bij hen gezochte
-rassen, want steeds worden de beste hengsten voor de merries behouden
-en de andere gecastreerd. Te betreuren is het, dat hij ten aanzien der
-hengsten enkel let op de gedaante, niet op de kleur, zoodat men een
-groot aantal leelijk geteekende nakomelingen verkrijgt. De africhting
-laat ook veel te wenschen over; onze herder toch is veel te rijk aan
-paarden om daarop bijzonder te letten.
-
-Ook in onze oogen is het paard der Kirgiezen een lief, aanvallig
-schepsel, ofschoon het geenszins in alle opzichten aan onze begrippen
-van schoonheid beantwoordt. Het is niet meer dan middelmatig groot,
-slank gebouwd. De kop is wel niet onfraai, maar toch wat te groot,
-sterk ramsneuzig en door de uitstekende onderkaakstakken tamelijk dik.
-De hals is van middelmatige lengte en krachtig, de romp lang, de pooten
-zijn dun, het haar is zacht. Het heeft groote, vurige oogen, eer groote
-dan kleine, maar goed gevormde ooren. Manen en staart zijn fijn- en
-langharig, daarbij vrij dicht, de staartharen zelfs zoo weelderig
-ontwikkeld, dat zij langs den grond slepen; de pooten zijn goed
-gebouwd, wellicht iets te schraal, de hoeven meestal steil, en ook wat
-te hoog. Lichte kleuren ziet men het veelvuldigst, terwijl vele soms
-zeer leelijke vlekken het oog beleedigen.
-
-Het meest ziet men bruine, lichtbruine, vossen, vale en Izabel, zelden
-donkerbruine of moorpaarden, nog minder vaak schimmels. Manen en staart
-staan alle licht gekleurde paarden daarom zoo bijzonder goed, omdat
-deze lichaamsdeelen òf zwart òf veel lichter van tint zijn dan het haar
-op de overige deelen des lichaams.
-
-Het karakter van dit dier is allen lof waard. Het is vurig en toch
-zachtzinnig, moedig tegenover alle gevaren, waarmeê het vertrouwd is,
-en alleen dan angstig en schuw, wanneer iets ongewoons het voor een
-oogenblik in verwarring brengt; het is eerzuchtig en vol levenslust,
-maar even volgzaam als gehoorzaam, gewillig, werklievend en taai; toch
-is het hoofdzakelijk rijdier en eerst na langdurige oefening is het ook
-als trekdier te gebruiken, maar uitstekend als zoodanig wordt het
-nooit. Onaangenaam trof mij de slechte gewoonte van dit paard, die
-echter meer te wijten is aan zijn meesters dan aan het dier zelf, van
-altijd onderweg te willen eten, althans te snuffelen en te snoepen,
-zelfs in de moeilijkste omstandigheden, zooals bij het doorwaden van
-steenachtige, sterk stroomende bergbeekjes, en bij het bestijgen van
-steile rotsen. Licht te bevredigen is het evenmin als elk ander aan
-eene vrije weide gewoon steppendier; in den omgang met zijns gelijken,
-zoolang de almachtige liefde niet in het spel komt, even verdraagzaam
-als tegenover zijn meester gehoorzaam en onderdanig.
-
-Arme Kirgiezen bezitten slechts zooveel paarden als voor de
-rijbehoeften der familieleden en voor den aanfok noodig zijn; rijke en
-voorname steppenbewoners daarentegen vier-, vijf-, ja, zooals men mij
-van verschillende kanten verzekerde, zelfs van tien- tot twaalfduizend,
-die in afzonderlijke troepen en op afzonderlijke plaatsen weiden, en,
-wat zeer natuurlijk is, beter gedijen dan die der armen. Elke troep
-bestaat uit ten minste vijftien, ten hoogste uit honderd koppen, in ’t
-laatste geval uit een volwassen hengst, negen moedermerries, even
-zooveel jonge veulens, acht tweejarige, zes tot acht driejarige en vijf
-tot zes vierjarige veulens, benevens eenige oudere dieren of
-„wallachen.” De hengst is onbepaald alleenheerscher en gebieder,
-aanvoerder, leider en beschermer van den troep; hij laat zich door den
-wolf geen veulen ontrooven, maar valt den laffen roover moedig aan en
-velt dien, als hij zich wil verdedigen met de voorpooten ter aarde; hij
-duldt geen medeminnaars en verdrijft daarom onverbiddelijk alle manbaar
-wordende hengsten uit zijn troep; hij verjaagt bovendien, zoodra hij de
-heerschappij heeft aanvaard, zijn eigen moeder en later zijn eigen
-dochters. Die trotsche overmoed noopt den herder tot de grootste
-waakzaamheid, vooral als de bronsttijd aanbreekt, en hij de verdreven,
-naar andere sultans zoekende merries en de weggejaagde, naar eigen
-zelfstandigheid strevende hengsten niet wil verliezen. Niet voor het
-vijfde jaar neemt de jonge merrie den hengst aan; in het volgende
-voorjaar, gewoonlijk in Maart, brengt zij haar eerste veulen ter
-wereld. Ook nu scheidt men haar nog niet van den troep, maar brengt
-haar, liefst niet voor Mei, met haar veulen in de nabijheid der Joerte,
-om haar nu vier maanden aaneen te melken, om uit de opbrengst den
-beroemden koemys of melkwijn te winnen. In den herfst voert men moeder
-en kind naar den troep terug. Beiden worden gewillig opgenomen en
-genieten de teruggeschonken vrijheid met volle teugen.
-
-Het nuttigste en daarom ook belangrijkste huisdier onzer Nomaden is het
-schaap, een zeer groot, goed gebouwd, alleen door den vetbult op den
-achterrug soms zeer ontsierd schepsel. Het stevige lichaam rust op
-hooge, krachtige pooten; de kop is klein, de neus smal en op die eens
-rams gelijkend, de ooren zijn hangend of recht overeindstaand, de
-hoorns zwak, het vel is hard, maar dicht, de uier is sterk ontwikkeld,
-de vetstaart dikwijls in die mate, dat het dier dit lichaamsdeel niet
-meer vermag te dragen, maar met ingezakte achterpooten op den grond na
-zich zou moeten slepen, indien de herder den armen lastdrager niet te
-hulp kwam, door onder den staart een klein tweewielig wagentje aan te
-brengen en daarin dit werktuig te leggen. Bij kruising van Kirgiesische
-rammen met vetstaartlooze schapen verkrijgen de nakomelingen in het
-tweede of derde geslacht dit vreemdsoortig aanhangsel weêr terug,
-terwijl omgekeerd bij de kruising van rammen zonder vetstaart met
-vetstaartige schapen genoemd lichaamsdeel verdwijnt.
-
-Al moge het schaap der Kirgiezen in alle hoofdtrekken met het onze
-overeenkomen, toch kan men niet loochenen, dat het vrije steppenleven,
-de groote tochten, die te volbrengen zijn, en de bezwaren, die daarbij
-overwonnen moeten worden, de lichamelijke en geestelijke vermogens
-ongemeen sterk hebben doen ontwikkelen, zoodat het steppenschaap in
-dezen boven het huisschaap van West-Europa staat. Toch is ook in de
-steppe de verstandige geit de aanvoerdster en leidster van het meer
-geestelooze schaap, en daarom is het meer dan tijd, dat ik thans haar
-gedenk.
-
-De geit der Kirgiezen is van middelmatige grootte, zwaar van lijf, goed
-geproportionneerd, krachtig, kort van hals, klein van kop, met
-evenredig gevormde pooten, groote, levendige oogen, sprekende trekken,
-spitse, rechtopstaande ooren en betrekkelijk zwakke horens; het is
-welig behaard, vooral wat baard en staart betreft, draagt lang
-kroeshaar op het voorhoofd, en is meest zuiver wit van kleur, hier en
-daar met zwarte spikkels.
-
-Schapen en geiten worden door de Kirgiezen geheel op gelijke wijze
-behandeld, en steeds in dezelfde kudden bijeengehouden. De arme
-Kirgiezen van een Aul vereenigen hun dieren in ééne kudde, de rijken,
-wier veestapel uit duizenden individuen bestaat, houden er omgekeerd
-meer dan ééne kudde op na. De schaapherder, in den regel een volwassen
-knaap, rijdt op een os om zijne kudde heen; hij weet dat rijpaard op
-zulk eene voortreffelijke wijze te besturen en in den draf te zetten,
-dat hij zelfs de vlugste geit inhaalt. Toen wij eens, van een
-jachtuitstapje terugkeerende, zulk een schaapherder ontmoetten, rende
-deze louter voor zijn genoegen ruim een kwartier lang naast onze, in
-gestrekten draf door de steppe ijlende paarden, zonder dat zijn
-vreemdsoortig rijdier van eenige vermoeienis blijk gaf. Alleen de
-schaapherders der Tartaarsche kuddehouders rijden op paarden. Bij
-gevaarlijke overgangen over sterk stroomende bergbeken of in het
-gebergte zelf, nemen de geiten de leiding der kudde op zich, en hier,
-gelijk overal elders, volgen de schapen blindelings.
-
-Daar men slechts op de meest gunstige plaatsen hooi oogst en in
-hooibergen zet, zorgt men er voor, dat de schapen en geiten in den
-herfst geen jongen werpen; de geboorte der lammeren en sikjes valt
-steeds in het voorjaar, het gunstigste jaargetijde voor het voordeelig
-groeien en bloeien van het jongvee. De jonggeboren lammeren en geitjes
-worden in de eerste dagen huns levens in de Joerte opgenomen en zijn
-weldra in deze zoo te huis, dat zij de tent onder weegeklag verlaten,
-wanneer bijzondere omstandigheden zulks noodzakelijk maken. Later komen
-zij in den naast de winterwoning opgerichten stal, in de vrije steppe
-niets dan een in den grond gegraven kuil, over welken de koude wind
-zonder uitwerking heenstrijkt, en eindelijk aan de lijn, „Keugeum”
-genoemd, die voor elke Joerte tusschen sterke, in den bodem gedreven
-palen wordt uitgespannen. Zoodra zij beginnen te grazen, drijft men de
-dieren in afzonderlijke kudden in de vrije steppe, om ze des avonds
-naar de Joerte terug te brengen. Zoo worden de dieren van hunne jeugd
-af gewend aan het vrije steppenleven, gehard tegen weêr en wind, storm
-en regen.
-
-In vergelijking met de paarden, schapen en geiten speelt het rund eene
-vrij ondergeschikte rol. Wel is waar ziet men in de nabijheid van elke
-Joerte ook eene kudde dezer dieren, maar hun aantal staat in geen
-verhouding tot die der anderen. Het rund is grooter en beter van vorm
-dan dat der Russische en Siberische boeren, maar moet voor dat der
-Chineezen onderdoen en kan zich in de verste verte niet meten met de
-goede rassen van West-Europa. Het is middelmatig groot en vleezig, het
-vel is kort- en gladharig, de horens zijn lang en naar buiten gericht,
-de kleur is gemeenlijk fraai donker roodbruin.
-
-Men weidt het dier in vrij talrijke kudden, maar laat het zonder
-toezicht zijn voedsel zoeken, terwijl men de melkkoeien tot zich lokt
-door de bij de Joerte vastgebonden of gehoed wordende kalveren; de
-ossen daarentegen komen dikwijls gedurende vele dagen niet in de Aul
-terug.
-
-Wel elke groote Aul, maar volstrekt niet elke Kirgies bezit kameelen,
-en zelfs de rijkste onder hen zelden meer dan vijftig stuks. Want het
-kameel geldt en met reden voor het zwakste aller huisdieren der
-trekherders in genoemde steppen; zijn eigenlijk vaderland ligt
-oostelijker en zuidelijker. In de door ons bereisde steppen fokt men
-alleen het tweebultige kameel, in de zuidelijk van het Balkaschmeer
-gelegen steppen, evenals in Midden-Azië daarentegen den dromedaris; men
-kruist ook dit laatste wel met den eersten, waaruit bastaarden geboren
-worden, wier beide bulten bijna tot een zijn versmolten. Het kameel der
-midden-steppen behoort tot een der lichtere rassen, en is dan ook lang
-niet zoo zwaar gebouwd als die exemplaren, welke wij in onze
-diergaarden te zien krijgen, wel even dicht behaard. Het verdraagt
-intusschen de winterkoude veel minder goed dan de andere huisdieren der
-Kirgiezen; het verlangt om neêr te knielen of om te rusten een vilten
-deken, waarop het zich nederlegt, maar vat ook nu nog dikwijls koû,
-zoodat het niet zelden bezwijkt. Wanneer het verhaart moet men het met
-vilten dekens omkleeden, in den zomer tegen de steken van muggen en
-bremsen beschermen, zoo men geen gevaar wil loopen, het dier te
-verliezen; in ’t kort, het is een voorwerp van gestadige zorg en dus
-niet geschikt voor den armen man, wien elk verlies dubbel treft.
-Evenals de dromedaris is het in zijn voedsel matig en weinig eischend;
-evenals gene in den bronsttijd gevaarlijk, zelfs voor zijn meester,
-wien hij overigens veel aanhankelijkheid betoont; het kameel
-onderscheidt zich echter de overige tijden des jaars zeer gunstig van
-den dromedaris, door zijn gewilligheid en zachtzinnigheid. Mij, die
-jarenlang met dromedarissen heb omgegaan, vielen deze voortreffelijke
-eigenschappen zeer in ’t oog; ik werd er schier door in de war
-gebracht, zoodat ik meende met een ander dier te doen te hebben.
-
-Het kameel laat zich gewillig opvangen; wel is waar niet geheel zonder
-morren, maar toch zonder dat afschuwelijke, zenuwontstellende gebrul te
-laten hooren, dat den dromedaris kenmerkt, knielt het neêr, wanneer het
-belast moet worden, en zelfs in den draf draagt het zonder klagen niet
-te zware lasten, dertig tot veertig kilometer elken dag afleggende.
-Wanneer de last afzakt staat het dier uit eigen beweging stil. Onder
-den man kan het van vijftig tot zestig kilometer elken dag afleggen;
-met vierhonderd kilogram beladen, waardoor het tot langzame, maar wijde
-passen genoodzaakt wordt, legt het nog de helft van dien weg af. Het
-graast altijd in de nabijheid der Joerten, gemeenschappelijk met alle
-soortgenooten van den Aul en geldt in de oogen der Kirgiezen bijna voor
-een heilig dier.
-
-De hond eindelijk, het minst geachte huisdier der Kirgiezen, is
-gewoonlijk een groot, maar geenszins altijd fraai dier, hoe bepaald
-gunstig hij zich ook overigens moge onderscheiden van de leelijke
-keffers, die men elders in Siberië en Turkestan te zien krijgt. De kop
-is lang maar plomp, de ledematen gelijken meer op die van een windhond
-dan van een herdershond, het haar is lang en wollig, de staart sterk
-behaard, de kleur zeer uiteenloopend.
-
-Uiterst waakzaam en moedig, opgewassen tegen den wolf, een zich zelf
-bewust, oplettend beschermer van het zwakke vee, den vreemdeling
-wantrouwende, een trouw slaaf van zijn meester, voor den volwassene een
-ongezellige zonderling, voor het kind een aardige speelkameraad,
-vereenigt deze hond vele deugden van zijn geslacht in zich en ontbreekt
-om die reden in geen enkele Joerte, althans in geen enkele Aul.
-
-Het geheele leven der Kirgiezen draait om de kudden, van welke men het
-meest mogelijke voordeel tracht te trekken en die daarom zorgvuldige
-oppassing en bewaking behoeven. De vrouwen zorgen voor het eerste, de
-mannen voor het laatste. Met uitzondering der beenderen, die achteloos
-worden weggeworpen, gebruikt men alle mogelijke deelen van deze dieren,
-evenals men ook alle soort van vee melkt en zulks zoolang het maar
-mogelijk is.
-
-De hoeveelheid plantenvoedsel, die een Kirgies gebruikt, beteekent zoo
-goed als niets, vergeleken met zijn dierlijk voedsel; uit melk en
-vleesch bestaan onder alle omstandigheden zijn spijzen; plantaardige
-zelfstandigheden zijn slechts toevoegselen tot de eerste. Brood, in den
-eigenlijken zin des woords eet hij bijna geheel niet, en zelfs de
-kleine klompjes meeldeeg, die men tot het gebak zou kunnen rekenen,
-worden in vet gekookt en niet gebakken. Ook meel en rijst, het laatste
-alleen in de Joerten der rijken een meer dagelijksch gerecht, dienen
-alleen slechts om in het eeuwige eenerlei van melk- en vleeschspijs wat
-afwisseling te brengen. Geen wonder alzoo, dat de Kirgies bedreigd
-wordt door den hongerdood; en dat deze hem vaak maar al te dikwijls
-werkelijk bezoekt, wanneer eene algemeene veeziekte in de binnensteppe
-uitbreekt.
-
-Rijke Kirgiezen houden de melk der schapen en geiten afgezonderd van
-die der koeien, merries en kameelen; arme lieden vermengen alle soorten
-van melk in hetzelfde vat en verkrijgen dus ook alleen de
-voortbrengselen der schapenmelk uit de uiers hunner nuttige dieren,
-terwijl eerstgenoemden zich nog hoogere genietingen kunnen verschaffen.
-Uit de melk van geiten en schapen, die men in denzelfden emmer opvangt
-en in denzelfden lederen zak verzamelt, bereidt men niet alleen
-verschillende gerechten, die zonder of met bijvoeging van meel worden
-gereedgemaakt en terstond genuttigd, maar daarenboven boter, en kleine,
-zandige, zuur of bitter, voor een Europeesch gehemelte walgelijk
-smakende kaasjes, verder den ook voor ons lekkeren, gelen „quark,” die
-evenals de kazen tot wintervoorraad dient, en in water opgelost, in den
-vorm van soep wordt opgedischt; uit de koemelk bereidt men
-hoofdzakelijk zure melk, zelden „quark,” kaas en boter; uit merrie- en
-kameelenmelk eindelijk koemys, den dikwijls beschreven, door
-vierdaagsche gisting onder voortdurend omschudden en kloppen verkregen
-melkwijn, de hooggeschatte en werkelijk goed smakende feestdrank van
-alle welgestelde Kirgiezen, die zich daaraan dikwijls dronken drinken.
-
-In den zomer voedt ook de rijkste Kirgies zich bijna uitsluitend met
-melkspijs, want in dezen tijd slacht hij slechts bij feestelijke
-gelegenheden en gewichtige gebeurtenissen een zijner dieren. Met het
-begin van den winter daarentegen vallen schapen en geiten, paarden en
-runderen, ja zelfs kameelen onder het slachtmes. Als het lekkerste
-beschouwt men paardenvleesch, vooral dat der merries; het minst geacht
-is rundvleesch. Schapenvleesch neemt den tweeden rang in,
-kameelenvleesch houdt men voor bijzonder krachtig inwerkend op den
-geest, geitenvleesch is een bewijs van armoede, en den gast voorgezet,
-een teeken van minachting. Het beste stuk paardenvleesch is dat van het
-kruis, terwijl van schapenvleesch de borst de meeste waarde heeft; het
-buikvet van jonge paarden gaat door voor eene bijzondere lekkernij;
-daarom wordt het gezouten, in darmen gestopt, gerookt en bij gastmalen
-opgedischt nevens koemys.
-
-Behalve datgene, wat tot voedsel kan dienen, benut de Kirgies nog
-daarenboven bijna alles, wat zijn fokbeesten opleveren. Uit de wol der
-schapen vervaardigt hij het voor hem onmisbare vilt; het kameelenhaar
-wordt gesponnen en uit het garen worden geweven stoffen bereid; in het
-donsachtig onderhaar legt de moeder haar pasgeboren kind. Het lange
-geitenhaar dient voor franjes aan de tapijten en lakens, voor kwasten
-en strikken, het korte wolhaar wordt gesponnen om er linten voor de
-Joerte uit te weven, uit de maan- en staartharen der paarden eindelijk
-vlecht men leidsels en touwen voor de Joerte. Uit de schapenvellen
-breit men de gewone winterpelzen, uit die van geiten en geitebokjes
-pronkpelzen, de in vlokken afgedeelde wol is een uitnemend opvulsel
-voor sommige kleedingstukken, terwijl uit de huid van alle dieren leder
-wordt bereid. Voor het te vele of niet gewaardeerde schapen- en
-rundervet, voor de verkochte schapen, runderen en paarden ruilt de
-Kirgies allerlei zaken op de wereldmarkt in; uit de opbrengst van het
-verkochte vee betaalt hij zijn belastingen, koopt hij zich ongemunt
-zilver om hiermede te pronken, het ijzer, dat hij bewerkt, de tapijten,
-kleederen en zijden stoffen, waarmede hij zich zelf en zijne Joerte
-tooit. Het vee is en blijft de eenige bron van voedsel, tevens de
-eenige bron, waaruit alle andere gaven opwellen; het beetje land, dat
-hij nu en dan beploegt, bezaait, bevloeit en oogst, beteekent, in
-vergelijking met zijne kudde, niets.
-
-Niet de vrije wil, maar de noodzakelijkheid, de behoeften der kudden
-bepalen de woonplaats en de levenswijze der Kirgiezen, en dwingt hen
-heden hierheen, morgen daarheen te trekken, op deze plaats te
-verwijlen, van gene te scheiden. Dientengevolge is het trekken der
-Kirgiezen niet een doelloos heen en weêr zwerven door de wijde steppe,
-maar een overdachte plaatsverandering, die zich regelt naar het
-jaargetijde en naar den aard van het te weiden vee. Een doelloos
-omdwalen verbiedt de steppe zoowel in den zomer als in den winter, in
-den herfst zoowel als in het voorjaar; zulks zou de kudde in den winter
-aan de vreeselijkste stormen blootstellen, in den zomer doen
-versmachten, in het voorjaar haar wellicht in overvloed doen zwelgen,
-maar reeds in den herfst meer gebrek doen lijden dan wenschelijk is.
-Daarom begint de Kirgies zijne wandeling van de laagvlakte uit, klimt
-langzaam naar de hoogte op, zelfs tot in de hooggebergten, en daalt dan
-weder langzaam naar de laagte terug. De verschillende kudden hebben
-echter verschillende behoeften; schapen en geiten houden van harde,
-geurige kruiden, gelijk de zoutsteppe voortbrengt, de paarden beminnen
-het meest het vrije kruid der gebergten, vooral dat, hetwelk tusschen
-de steenen en rotsen groeit, terwijl de runderen het liefst op een
-mollig grastapijt grazen; de kameelen vinden behalve in de harde
-planten der zoutsteppe nog in doornen en distelen een welkom voedsel.
-Rijke lieden, die evenveel verschillende kudden kunnen vormen als zij
-verschillende dieren houden, laten dan ook deze allen afzonderlijk
-trekken en weiden, en alleen de armen reizen met hunne geheele kudde
-van plaats tot plaats. Eindelijk hebben ook de menschen invloed op
-elkander. Geen grenssteenen, maar wel eeuwenheugende rechten en
-verdragen regelen zelfs in de steppe het eigendomsrecht en de grenzen;
-elke stam, elke afdeeling van een stam, elke gemeente, ja zelfs iedere
-Aul maakt aanspraak op de reeds door de voorouders in gebruik genomen
-weiden en duldt daarop geen vreemde kudde, geen vreemden herder, en
-strijdt voor dat recht met de wapenen in de hand, tegen iederen
-indringer, zelfs tegen de broeders van denzelfden stam. Zoo wordt het
-begrijpelijk, dat de trekherder zijn eigen, dikwijls zeer nauw
-omschreven wegen bewandelt. Die wegen kunnen elkander kruisen, maar zij
-zijn nimmer dezelfde, want ieder heeft eerbied voor de rechten van
-anderen, of wordt door zijn stamgenooten tot zoodanigen eerbied
-gedwongen.
-
-Een vaste woonplaats eerst krijgt de Kirgies in het graf; toch heeft
-hij een tehuis. In uitgestrekten zin is dit het gebied, dat hij
-bereist, meestal de laagte en het dal van een riviertje of beekje, in
-engeren zin het winterleger, van waar hij uittrekt en werwaarts hij
-steeds terugkeert. In de nabijheid van dit winterkwartier rusten, zoo
-niet alle, de meesten zijner dooden. Derwaarts zendt de regeering haar
-gezanten om de belastingen te innen of opnieuw te schatten; hier brengt
-hij wel is waar niet den schoonsten, maar wel den grootsten tijd zijns
-levens door; hier lijdt en doorstaat de over ’t algemeen vroolijke en
-onbezorgde Kirgies zijn zwaarste en ernstigste zorgen.
-
-De winterwoning kan verschillend zijn, maar het winterleger moet aan
-bepaalde eischen voldoen. Deze zijn: het dal, in hetwelk het leger zal
-opgeslagen worden, moet zooveel mogelijk beschut zijn tegen de koude en
-de zoo verderfelijke noorden- en oostenwinden; men moet de Joerten aan
-de zonzijde kunnen opslaan en zonder bezwaar vaste woonhuizen kunnen
-bouwen; het water mag nooit kunnen ontbreken, en weiden moeten in de
-nabijheid liggen. Deze voorwaarden worden het best vervuld door een
-door den stroom diep in de omgeving ingesneden rivierdal, waar in de
-zomermaanden het gras niet verdort, zoodat het gelegenheid aanbiedt te
-gepaster tijde hooi te winnen, terwijl er toch nog wintervoeder
-overblijft; zooveel mogelijk moet men in de wilgen- en
-populierenboschjes langs de rivieroevers een voorraadschuur van
-brandstof kunnen vinden, om de gedroogde mest te vervangen. Daarom
-kiest men slechts dan ook nog andere plaatsen uit, wanneer men ook nog
-andere in den zomer om watergebrek gemeden streken, b.v. eene
-zoutsteppe, zich wenscht dienstbaar te maken, zoodra de sneeuw, die nu
-den grond bedekt, het water vervangen kan.
-
-Is de winterwoning een vaststaand gebouw, dan bestaat deze uit een
-werkelijk ellendige, dompige, vochtige, donkere hut, die zoo licht is
-gebouwd, dat men reeds vooruit op de sneeuw moet rekenen, om de muren
-en het dak te dichten en tegen het weder te beschermen.
-
-Die muren bestaan slechts bij uitzondering uit op elkander gestapelde
-boomstammen; meestal worden zij opgebouwd uit ruwe steenen, en nog
-vaker uit gevlochten wilgen teenen, of aaneengeschaarde rietbundels.
-Dak en bedekking bestaan altijd uit riet. Daarnaast vindt men een
-eveneens gebouwden stal voor het jongvee, en op eenigen afstand bevindt
-zich de omheining voor de oude dieren.
-
-Met het begin van den winter betrekt de Kirgies deze woning, zoo hij
-niet, gelijk regel is, ook thans nog de voorkeur geeft aan de veel
-aangenamer Joerte. Voor de verwarming heeft hij reeds in het verloopen
-voorjaar gezorgd; toen heeft hij, of beter gezegd zijne vrouw, die in
-’t algemeen belast is met alle onaangename en zware werkzaamheden, de
-mest met wat stroo vermengd en daaruit vierkante koeken gevormd, deze
-in de zon gedroogd en op hoopen gestapeld. Al het gras van den omtrek
-is gespaard gebleven om in de naaste omgeving der Joerte of van het
-huis voldoend voedsel voor het vee te hebben; het hooi werd op
-afgelegen plaatsen geoogst en herwaarts gebracht. Is de winter „goed”
-d.w.z. valt er niet veel sneeuw, dan vindt het vee ook nu nog voedsel
-genoeg; is de winter streng, dan verijdelt hij dikwijls alle voorzorgen
-van den herder en eischt meer levens dan de lente schonk. Daarom
-heerscht er in een goeden winter vroolijkheid in de donkere hut,
-terwijl in een strengen winter, die de kudden tot geraamten doet
-vermageren, verdriet en zorg zich woning maken in de vriendelijke
-Joerte; en daarom heerscht er in blokhuis en Joerte òf welvaart òf
-treurig gebrek in het gevreesde getijde des jaars.
-
-Eerst tegen het einde van April, in vele jaren niet vóór het einde van
-Mei, verlaat de herder met het laatste gedeelte zijner kudden het
-winterkwartier en vangt de reis aan. De paarden, die hun eigen hoeders
-hebben, zijn reeds weggetrokken om het kleinvee niet te hinderen. De
-jonge, dartele veulens, die voor weinige weken, tegelijk met de sikjes
-geboren werden, zouden geen overlast veroorzaken, maar wel de jonge
-hengsten en merries, die in dit voorjaar geslachtsrijp worden. De
-laatstgenoemden springen in dartelen overmoed om de gansche kudde,
-ofschoon zij de intusschen rustig voortgrazende en nu en dan hen
-naziende moedermerries niet verlaten; de manbare jonge paarden
-daarentegen veroorzaken voortdurende onrust en eischen eene verdubbelde
-opmerkzaamheid van den kant der insgelijks verdubbelde herders. Op dit
-oogenblik vechten de jonge hengsten met den ouden, deftigen en
-heerschzuchtigen aanvoerder van den troep; straks dringen de jonge
-merries, telgen van zijn eigen bloed, zich tegen den vader en noodzaken
-dezen, haar door bijten te verdrijven; dan weder tracht hier of ginds
-een jong paard te ontvluchten en stormt met tegen den wind gerichten
-kop en wijd geopende neusgaten de steppe in. Oogenblikkelijk echter
-werpt zich de herder te paard en rent in vollen galop den vluchteling
-na, evenals deze over steg en heg, langs berg en dal vliegende. In
-zijne rechterhand houdt hij den langen herdersstok, met den daaraan
-bevestigden lasso; hij komt de vluchtende jonge merrie al nader en
-nader, reeds zweeft de gevreesde strik boven haar hoofd; daar zwenkt
-zij plotseling zijdelings af, werpt tergend de achterpooten hoog in de
-lucht, om dan als de stormwind zoo snel weêr verder te rennen; verder
-en verder voert de wilde jacht, totdat eindelijk de herder er in
-slaagt, de voortvluchtige in te halen en, aan den strik gebonden,
-langzaam naar de kudde terug te brengen. Hoe bekoorlijk dit schouwspel
-voor den niet belanghebbenden toeschouwer, misschien ook voor den
-paardenhoeder zelf moge zijn, voor het rustige, kalme trekken van het
-kleinvee zou zulks nadeelige gevolgen kunnen hebben, en daarom zendt
-men de paarden vooruit. De schapen en geiten zouden bovendien niet in
-staat zijn even snel te reizen als de paarden; zij zijn vooreerst door
-den boozen winter verzwakt, en in de tweede plaats zijn de lammeren en
-jonge geitjes nog niet sterk genoeg om snel te reizen. Splitsing der
-kudden is dus gebiedend noodzakelijk.
-
-De Kirgies, die de schapen hoedt, legt aanvankelijk elken dag maar een
-kleinen weg af „een schaapsweg”, en toeft overal, waar gras genoeg is,
-zoolang het vee gretig vreet. Op zulk een tocht opent de op zijn os
-gezeten en tegen alle weêr en wind geharde schapendrijver den stoet. De
-schapen loopen vrij snel voort; nu eens dringen zij opeen, dan weer
-loopen zij uit elkander, telkens in den marsch stil houdende om van
-eene bijzonder lekkere plant te genieten, altijd vretende, ten minste
-altijd snoepende; de herder, gezeten op zijn almede altijd doorgrazend
-rijbeest, vergezelt hen. De lammeren en jonge geitjes volgen de ouden,
-maar op zulk een afstand, dat zij de ouden niet kunnen zien of hooren.
-De rammen trekken, indien er nog ouden over zijn of nieuwe worden
-aangefokt, langs andere wegen voort. Zijn alle dieren vertrokken, dan
-breken de vrouwen de Joerte af, beladen daarmede, alsook met het weinig
-huisraad de kameelen of trekossen, stijgen met de kinderen te paard,
-rijden langzaam het melkvee na, halen dit tegen den middag reeds in,
-melken, en trekken met de verzamelde, in lederen zakken bewaarde melk
-verder, om vóór zonsondergang de Joerte weêr op te bouwen. Zoo gaat het
-dag in dag uit. Brengt het voorjaar nieuw groen, dan verwijlt men eerst
-eenige dagen, daarna vele weken achtereen op dezelfde plaats, tot ook
-hier het gras begint te ontbreken, en verder trekken noodzakelijk
-maakt.
-
-Doet het meer en meer gevorderde voorjaar ook de nog in hunne
-pophulsels sluimerende insecten ontwaken, vullen ontelbare zwermen
-muggen, vliegen, bremsen en andere kwelgeesten de lucht, dan wendt men
-zich zoo mogelijk naar het gebergte en klimt dit tot de hoogste weiden,
-dicht beneden de sneeuwgrens op. Daar de herder geen honden heeft, viel
-het hem reeds daar beneden moeilijk de kudde bijeen te houden; in het
-gebergte heeft het nog meer bezwaren den „schaapsweg” af te leggen, en
-kan hij ter overwinning van zekere moeilijkheden niet buiten de hulp
-van andere, te paard rijdende mannen. Zoolang men zich op een vast pad
-bewoog, kon de tocht nog voortgezet worden, onverschillig of de weg
-zich langs bebloemde weiden slingert, of over hellingen en steilten
-voert. De geiten, die de schapen zijn vooruitgesneld, wagen zich
-onverschrokken en onderzoekend aan den rand van een afgrond, waarvoor
-dezen verschrikt terugdeinzen, loopen daarna langs een doelmatiger weg
-vooruit, getrouw gevolgd door de schapen. Maar wanneer men eens in
-plaats van een murmelend beekje een breed en woest schuimend water
-ontmoet, dat den weg verspert, maar evenwel overgetrokken moet worden,
-dan wordt het iets anders. Het vooral den schapen zoo bepaald vijandige
-element ziende, blijven ook de geiten, die zich anders in allerlei
-omstandigheden weten te schikken, onthutst staan; de schapen deinzen
-angstig terug en klimmen op de naburige rotsen als wilden ze daar eene
-schuilplaats zoeken. De herder rijdt tevergeefs door den bruisenden
-stroom; van den overkant teruggekeerd, drijft hij te vergeefs de
-onwillige kudde naar den rivierkant. Met een luid geblaat geven de
-schapen hun angst te kennen, en bedenkelijk blaten ook de geiten,
-totdat het geduld van den herder is uitgeput. Een oogenblik zweeft de
-noodlottige strik boven het hoofd van een der schapen; het volgende
-oogenblik voelt het zich dien om den hals gesnoerd; de ruiter trekt het
-dier naar zich toe, en weer een oogenblik later is het in den vloed
-geslingerd. Nu moet het met alle kracht arbeiden. Met rukken zwemmende,
-meer springende dan roeiende, werkt het zich van het eene rotsblok naar
-het andere, wordt, nog vóór het den grond raakt, door het draaiende
-water gegrepen en voortgesleurd; het trapt, spartelt, springt, zwemt
-opnieuw, wordt nog eens en nog eens door het water medegesleurd, en
-bereikt eindelijk, meer uitgeput door den doorgestanen angst dan door
-de inspanning, den anderen oever. In alle leden sidderende, verzekert
-het zich of het werkelijk vasten grond onder de voeten heeft, schudt de
-natte vacht, blikt met schuwen blik nog eenmaal achterwaarts—en begint
-thans gulzig te vreten om zich zooveel mogelijk schadeloos te stellen
-voor den geleden angst. Middelerwijl zwemmen de overige leden der
-kudde, de een na den ander, ’t zij vrijwillig, ’t zij gedwongen, de
-wilde beek over, tot het geheele gezelschap den anderen oever heeft
-bereikt, zich verzameld heeft, en de reis weder kan worden voortgezet.
-Op deze wijze klimt de trekherder het gebergte in. Begint het daarboven
-koud te worden, vermaant wellicht een sneeuwbui reeds aan den komenden
-winter, dan wandelen herder en kudde weder naar omlaag, nu zooveel
-doenlijk de beschaduwde kloven opzoekende, tot weder de laagvlakte is
-bereikt en men in de nabijheid van het winterkwartier is gekomen.
-
-Alle huisdieren der Kirgiezen raken spoedig vertrouwd met de
-verschillende streken, waar men hen laat weiden, hoe ook de
-plaatselijke gesteldheid moge zijn; allen kennen reeds na een paar
-malen grazend te hebben rondgeloopen, zulke plekken, en zoeken die
-zelfs zonder behulp van den herder met zekerheid op; ook komen zij
-vanzelf naar de Joerte loopen om zich hier te laten melken. Als
-lokmiddel bezigt men echter de kunstgreep, dat men reeds van Mei af aan
-de zoogende moeders haar jongen laat zien, en deze in de nabijheid van
-de Aul laat weiden, zoodat men het verlangen naar haar kind in het
-moederhart opwekt. Op deze wijze wordt het melken op vaste tijden
-mogelijk en kan de meesteres der Joerte hiernaar haar tijd indeelen en
-haar bezigheden regelen.
-
-Met uitzondering alleen van de merries, die door mannen worden
-gemolken, voor welke bezigheid ten minste twee, zoo niet zelden drie
-personen vereischt worden, is het melken aan de vrouwen opgedragen. In
-den vroegen morgen heeft men de kalveren, lammeren en jonge geitjes,
-onder streng toezicht, een weinig laten zuigen, dan van de moeders
-gescheiden, en oud en jong naar de weide gedreven. Tegen den middag
-brengt men alleen de moeders naar de Joerte, en zoo ook des avonds, om
-ze te melken. Met behulp der honden, die nu in dienst treden, houdt men
-de geheele kudde op de kleinst mogelijke ruimte bijeen en vangt dan den
-arbeid aan. De vrouwen en dienstmaagden eener Joerte of de buurvrouwen
-van een Aul verschijnen met hare melkvaten, grijpen met vaste hand een
-schaap, een tweede en een derde, slepen ze naar de lijn, leggen ze een
-uit de lijn zelf gevormden strik om den hals en dwingen zoo de dieren
-in twee rijen, met de koppen naar binnen, met de uiers naar buiten
-gericht te blijven staan. In weinig minuten heeft men dertig tot
-veertig schapen en geiten naast elkander, een zoogenoemde „keugeun.” Op
-hetzelfde oogenblik dat de dieren den strik voelen, blijven ze staan,
-zich van vroeger herinnerende welke gevolgen het tegenspartelen heeft;
-rustig laten zij thans alles toe. De vrouwen, tegenover elkander
-gehurkt, beginnen thans gelijktijdig aan denzelfden kant met den
-arbeid; zijn er zeer veel schapen dan ook wel aan de beide kanten der
-dubbele rij tegelijk. Zij vatten de korte tepels met duim en wijsvinger
-en tappen de melk met snelle op- en neêrgaande bewegingen af. Stroomt
-de bron niet overvloedig genoeg, dan geven zij met de linkervuist een
-klap tegen den uier, even gelijk zuigende jongen ook plegen te doen, en
-eerst wanneer dit middel niet meer baat, gaan zij over tot een tweede
-beest. De mannen der Joerte of Aul, die misschien bij het opvangen en
-vastmaken van het kleinvee de behulpzame hand hebben geboden, zitten
-onder het melkbedrijf, in allerlei, ons onmogelijke, ja bijna
-ondenkbare houdingen bij elkander en vieren vrijen teugel aan hunne
-„roode tong.”
-
-Een der kleinste jongens aanvaardt misschien wel op een of ander schaap
-zijn eersten proefrit, zoo hij er al niet de voorkeur aan geeft op de
-schouders zijner opvoedster te gaan rijden. De laatste laat zich door
-zulke heldendaden van haar spruit even zoo weinig van de wijs brengen
-als andere kleine ongevallen zulks vermogen. Of zij op drogen grond of
-over de weeke schapenmest wandelt, of de laatste onder het melken in
-het uit populierenhout vervaardigde melkvat valt, dit alles deert haar
-niet, want die melkkuip is toch al even vuil als hare melkende handen,
-en schapenmest is wel in onze stompzinnige oogen een onrein iets, maar
-niet in die van den korangeloovigen Kirgies. Het laatste individu is
-eindelijk gemolken, en de dieren, die ondertusschen uit puur
-tijdverdrijf zich met herkauwen hebben beziggehouden, kunnen nu weder
-losgelaten worden; één snelle ruk aan het eene eind des touws, en alle
-strikken zijn los, alle schapen en geiten vrij.
-
-De herkregen vrijheid wordt begroet met een algemeen geblaat; de dieren
-schudden zich een en ander maal en zelfs de herinnering aan de korte
-slavernij is vervlogen. Nu loopen allen, zoo snel zij kunnen, de vlakte
-in, zoo ver mogelijk uit het gezicht der Joerte, in het gebergte
-schielijk de bergen op, alsof slechts daar de lucht der vrijheid woei.
-Eigenlijk beoogen zij zoo spoedig mogelijk bij hunne jongen te komen.
-Den ganschen dag hebben zij deze gemist; nu—zij weten het bij
-ervaring—moeten de lieve spruiten verschijnen. Al blatende loopen de
-schapen in ’t rond, verlangend mekkerend kijken zelfs de schrandere
-geiten om zich heen, als om te onderzoeken of de te verwachten schare
-reeds komt opdagen, of in de verte zichtbaar wordt. Luider wordt het
-geblaat, want elke nieuw verloste rij brengt beweging in alle om de Aul
-verzamelde schapen en geiten, maar ook het met elke minuut toenemende
-ongeduld der moeders geeft aanleiding tot een vernieuwd klagend,
-steunend blaten. Hoe langer het duurt, des te onrustiger worden de
-trouwe moeders. Doelloos dwalen zij rond, heen en weder, beruiken elk
-halmpje, elk grasje, plukken echter geen enkel af, heffen de koppen nu
-eens vol verwachting vroolijk omhoog, om ze een oogenblik daarna weder
-ontmoedigd en treurig naar beneden te laten zinken; dan blaten zij
-weder, blaten nogmaals. De onrust wordt zinneloosheid, het geblaat
-verandert in een gebrul.
-
-Daar laten zich in de verte hooge en zwakke tonen hooren. Deze ontgaan
-het opmerkzaam oor der moeders niet. Een uit alle kelen gelijktijdig
-voortgebracht geblaat en gemekker is het antwoord; het gansche gewicht
-van het door ’t lange wachten zoo hoog gestemd moederlijk verlangen
-baant zich door één enkelen kreet een uitweg. En uit de verte, van af
-de bergen, in de richting der Joerten stormen de naar hunne moeders
-verlangende lammeren en sikjes, de grootsten en sterksten in de
-voorhoede, de jongsten en zwaksten achteraan, allen echter zoo snel zij
-kunnen, vroolijk springende, door het opgeworpen stof half onzichtbaar,
-in eene schare, die steeds grooter wordt naarmate zij dichterbij komt.
-Een oogenschijnlijk niet te ontwarren gewemel treft de oogen; ouden en
-jongen, eindelijk vereenigd, rennen doelloos dooreen, terwijl zij in ’t
-voorbijloopen elkander vluchtig aanraken, als om zich door een nieuw
-zintuig te vergewissen of zij, die bij elkander behooren, werkelijk
-elkander hebben gevonden; weder loopen zij in verwarring dooreen, als
-dit niet het geval is; de lammeren en jonge geitjes snellen gewoonlijk
-vooruit, daar zij door een trap op de pooten, hun door het moederdier
-toegebracht, er aan herinnerd werden, dat zij zich vergist hebben. Van
-lieverlede ontwart zich de kluwen; in minder tijd dan men denken zou,
-hebben moeder en kind elkander gevonden, en knielt het laatste zuigend
-onder den buik der moeder, begeerig de nog overgebleven melk uit den
-uier te halen. En wanneer nu ook het blaten en mekkeren niet ophoudt,
-dan drukken die klanken thans slechts vreugde uit.
-
-Maar slechts kort duurt dit geluk. Elke reeds zoo goed als geledigde
-uier is ras uitgeput, en in weêrwil van alle stooten en kloppen vloeit
-de melk niet meer. Maar moeder en kind willen nog langer van de
-geneugten des samenzijns genieten. De gemengde schaar verspreidt zich
-naar alle zijden; de gewillige oude klautert het vroolijke jonge dier
-na, wanneer dit naar den aard zijns geslachts de naastbijgelegen hoogte
-bestijgt, of schijnt met genoegen gade te slaan, dat een der bokjes in
-eene plaagzieke bui zijn krachten met een ander meet. Schilderachtig
-tooit de bonte kudde de omgeving der Joerten; het aanminnigste beeld
-van een vreedzaam en behagelijk herdersleven ontrolt zich voor het oog
-van hem, die hart en oogen heeft voor zulk een tooneel.
-
-Ook de melksters gunnen zich thans een korte rust, nemen de kinderen op
-den schoot en vervullen haar moederplichten of voldoen aan moederlijke
-verlangens; spoedig echter wacht haar nieuwe arbeid. Brommend melden
-zich de huiswaarts gekeerde koeien aan, om ook harerzijds de
-moedervreugde deelachtig te worden; ijlings staan de vlijtige vrouwen
-op, brengen de van te voren aangebonden kalveren bij de koeien, laten
-deze een weinig zuigen, trekken ze dan van de uiers af, melken deze
-uit, en schenken nu ook aan de zuiglustige kalveren de volle vrijheid.
-Ondertusschen hebben de herders en de honden de kudde kleinvee weder
-bijeengedreven, en oud en jong, mannen en vrouwen, knapen en meisjes
-vereenigen zich thans om de lammeren op te vangen, en deze aan eene bij
-de Joerte aangebrachte lijn met behulp van stevige strikken, waarin zij
-zich evenwel niet kunnen verhangen, voor den nacht vast te binden,
-opdat de ouden hun de uiers niet zullen kunnen reiken. Zonder blaten en
-schreeuwen gaat zulks niet in zijn werk en daartusschen mengt zich het
-schreien en huilen der kinderen, die weder naar moeders schoot
-verlangen, het loeien der koeien en het blaffen der honden. Alleen de
-reeds vastgebonden lammeren der schapen en geiten schikken zich gelaten
-in het onvermijdelijke. Enkele bokjes beproeven nog bij wijze van
-spiegelgevecht de kracht hunner uitspruitende horens, maar zij worden
-spoedig vermoeid en leggen zich vredelievend neder naast den zooeven
-nog bevochten vijand; nog vóór de geheele rij is vastgemaakt, ligt
-reeds het grootste aantal jongen op de saamgebogen pooten en heeft zich
-aan de rust overgegeven. Het eene na het andere moederschaap, de eene
-na de andere moedergeit bezoekt de rij, besnuffelt de jongen tot zij
-het hare heeft gevonden, maar keert spoedig weder naar de kudde terug,
-na zich te hebben overtuigd, dat het onmogelijk was zich naast haar
-kind neder te leggen.
-
-De zon is reeds geruimen tijd onder, de schemering wijkt voor het
-nachtelijk duister. Het wordt elk oogenblik stiller in de Joerten.
-Mensch en dier heeft de rust gezocht en gevonden; alleen de honden
-beginnen thans onder opzicht en leiding van een waakherder hun
-rondgangen en zwerftochten, maar ook zij slaan slechts dan aan, wanneer
-daartoe werkelijk aanleiding is, wanneer zij een rondsluipenden wolf of
-een anderen dief hebben weg te jagen. Een koele, maar geurige, vochtige
-zomernacht daalt op de steppe neder en een verkwikkende slaap in dit
-rijke en schoone jaargetijde vaagt bij herder en kudde zelfs de
-herinnering weg aan den boozen winter.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-HET VOLKS- EN FAMILIELEVEN DER KIRGIEZEN.
-
-
-„Bedreigd en vervolgd door de straffende gerechtigheid ontvluchtten
-eens vier dieven de woonsteden van eerlijke menschen en zochten in de
-wijde steppe eene schuilplaats. Twee bedelaressen, even als zij
-uitgestooten uit de verblijven van vlijtige menschen, voegden zich op
-die vlucht bij de eerstgenoemden. De dieven schepten behagen in de
-vrouwen en huwden ze, twee van hen ieder een. Een aantal kinderen
-ontsproten uit deze tegen alle goddelijke en menschelijke inzettingen
-indruisende huwelijken; de kinderen verwekten een talrijk volk en de
-tot nog toe ledige steppe werd daarmede bevolkt. Dat kroost bleef zijn
-oorsprong getrouw, was diefachtig als zijn voorvaderen, bedelachtig als
-zijn moeders, zonder geloof, zonder zedelijkheid gelijk de ouders. Dat
-volk zijn de Kirgiezen, wier naam niets anders beteekent dan „roovers”.
-Op deze wijze droomt zich een Tataarsch, geloovig dichter den
-oorsprong, en zoo beschrijft hij den aard van een stamverwant volk, dat
-met hem dezelfde taal spreekt, en tot denzelfden God, naar dezelfde
-voorschriften van denzelfden profeet bidt. Aldus spreekt hij zich uit,
-eenig en alleen omdat de Kirgiezen in geloofszaken niet zoo slaafsch
-aan het woord hangen, niet zoo kleingeestig zijn als hij. Het is de
-eeuwig oude, altijd opnieuw terugkeerende geschiedenis, de onder alle
-volken zich opnieuw openbarende schande, door bovengenoemde woorden
-weêr bevestigd, de vrome leugen, voor wier afschuwelijkheid nog geen
-kerkgenootschap is teruggedeinsd, ten einde andersdenkenden in een
-valsch daglicht te plaatsen.
-
-Ieder reiziger, die zich onder de Kirgiezen bewogen heeft, iedere
-vreemdeling, die onder het luchtig dak hunner Joerten gastvrijheid
-zocht en vond, iedere geleerde, die hun zeden en gewoonten poogde uit
-te vorschen, elke beambte, die als wachter der wetten, of als
-plaatsvervanger der staatsmacht in ’t algemeen in hun midden leefde,
-ieder, met een woord, die geruimen tijd met hen verkeerde, oordeelt,
-zoo hij niet bevooroordeeld is, geheel anders dan gezegde Tataar.
-
-Er was een tijd, in welken de Kirgiezen hun naam verdienden, maar deze
-tijd is, althans voor vele twijgen der vele horden voorbij. De nagalm
-van de gezindheden, heldentochten en rooversdaden der vaderen moge nog
-in de harten der Kirgiezen weêrklinken, in ’t algemeen genomen heeft
-het ruitervolk der steppe zich gevoegd naar de wetten zijner
-hedendaagsche meesters en het leeft op den huidigen dag zoowel onder
-elkander als met zijn buren in vrede, acht het eigendomsrecht, en rooft
-en steelt niet meer en vaker dan andere volken, eer zeldzamer en
-minder. Onder de Russische heerschappij leeft de Kirgies thans onder
-zulke bevredigende omstandigheden, dat zijn stamgenooten aan gene zijde
-der grens wangunstig op die Russische onderdanen neêrzien. Onder
-bescherming der Russische regeering genieten zij rust en vrede,
-zekerheid van bezitting, alsmede geloofsvrijheid; zij zijn bijna geheel
-verschoond van den krijgsdienst en worden billijk in de belastingen
-aangeslagen, hebben het recht zich eigen gemeentebestuurders te kiezen,
-en verheugen zich over meer vrijheden dan de Russen zelf deelachtig
-zijn. Te betreuren is het, dat deze laatsten gewoonlijk niet zoo
-verstandig denken als de regeering, en dat zij de Kirgiezen benauwen,
-verdrukken en afpersen zooveel zij kunnen. Toch zijn zij niet bij
-machte geweest de zeden, gebruiken en gewoonten van dit volk ook maar
-eenigszins te wijzigen.
-
-De Kirgiezen zijn geboren ruiters en zonder paard kan men zich geen
-Kirgies denken; zij groeien met het veulen op en leven met het paard
-tot hun dood. De Kirgies voelt zich, wel is waar, niet enkel thuis in
-het paardezadel, en weet elk dier, dat hem torschen kan, zich als
-rijdier dienstbaar te maken, maar het paard blijft immer en onder alle
-omstandigheden zijn drager en liefste gezel. Op het zadel gezeten
-verricht hij alle bezigheden, en het paard is bij hem het eenige, een
-man waardig rijdier. Mannen en vrouwen beide rijden te paard, en niet
-weinige vrouwen met evenveel gemak als de mannen. De houding des
-ruiters is achteloos, zoo gemakkelijk mogelijk, maar niet bevallig. De
-Kirgies rijdt in kort aangegespte stijgbeugels, zonder dijsluiting en
-raakt alleen met de knieën den voorrand des zadels aan, zoodat hij zich
-vrij in evenwicht houdt; als hij het paard wil laten draven, richt hij
-zich in de stijgbeugels op, soms geheel overeind, buigt dan het hoofd
-zoo ver naar voren en beneden, dat hij bijna op den hals van het paard
-ligt; hij zit rechtop, wanneer hij het paard, zooals meestal, stapvoets
-of in galop wil laten gaan. Hij knelt de teugels in de volle vuist; den
-aan den gordel gehechten knoet houdt hij vast met duim, wijs- en
-middelvinger. Dikwijls rolt hij uit het zadel, want hij slaat weinig
-acht op den weg en laat aan zijn paard over dien te zoeken; is hij
-opmerkzaam, dan berijdt hij onbeschroomd elken weg, waarop een
-eenhoevig dier in staat is zich te bewegen, evenals hij zonder bedenken
-het wildste en meest toomelooze ros bestijgt. Moeilijke wegen kent hij
-niet; een weg is voor hem zooveel als een afstand afleggen, en wat
-tusschen begin en eind daarvan ligt, gaat hem niet aan. Zoolang hij in
-het zadel is gezeten eischt hij van zijn rijdier het ongeloofelijke,
-springt in galop bergop en bergaf, over den vasten grond en door
-moeras, poel en water, klautert zonder duizelig te worden tegen
-hellingen op, die hij te voet niet zonder angst zou bestijgen,
-hellingen, welke ieder ander ruiter voor ontoegankelijk zou houden, en
-schouwt van uit het zadel rustig in den afgrond naast het geitenpad,
-door hem weg genoemd, en waarop een ervaren bergbeklimmer door
-huivering zou bevangen worden. Zoodra hij van zijn ros is gestegen,
-neemt hij daarentegen alle regels streng in acht, die de ondervinding
-hem als doelmatig voor een vermoeid paard heeft leeren kennen, en is nu
-even zorgzaam als hij straks onverbiddelijk was. Bij feestelijke
-gelegenheden verricht hij ten genoegen der nimmer ontbrekende
-toeschouwers allerlei kunststukken in het zadel, plaatst zich overeind
-in de daarboven gekruiste stijgbeugels, springt in staande houding er
-af, houdt zich met de handen aan het zadel of in de stijgbeugels vast,
-steekt de beenen in de lucht, hangt zich aan de eene zijde van het
-zadel op, en tracht het eene of andere voorwerp van den grond te
-beuren. Met de spiegelgevechten zijner Turksche broeders schijnt hij
-zich niet op te houden. Het hard rijden geldt hem als het grootste
-vermaak, en elke feestelijkheid wordt met een wedren opgeluisterd.
-
-Aan zulke wedrennen, „Baika” wordt in den regel slechts deelgenomen
-door de edelste paarden en dan nog wel alleen door telgangers. De af te
-leggen wegen zijn zeer groot, nooit minder dan twintig, soms wel
-veertig kilometer lang; men rijdt naar een of ander bekend punt, b.v.
-een heuvel of grafteeken, en keert langs denzelfden weg terug. Knapen
-van zeven en acht, hoogstens tien jaren, zitten in het zadel en
-besturen de paarden met bewonderenswaardige behendigheid. Den
-terugkeerenden paarden rijdt men langzaam te gemoet; de telganger, die
-de meeste kans op de overwinning heeft, ontvangt zekere hulp
-„goetoerma”, die daarin bestaat, dat men hem op zij rijdt en van het
-rijdende kind ontlast, daarna de teugels, stijgbeugels, manen en staart
-tracht te grijpen en hem tusschen de versche paarden meer naar het doel
-sleept, dan leidt. De prijzen, die uitgeloofd worden, bestaan uit zeer
-verschillende zaken, die evenwel allen in den prijs van paarden worden
-uitgedrukt. Twee- à drieduizend roebels zijn niet zeldzaam; rijke
-familiën loven soms honderd paarden uit. Ook jonge meisjes dienen voor
-prijs, in zooverre, dat de winnaar haar kan trouwen zonder den gewonen
-bruidsschat te betalen.
-
-Terwijl de dingende paarden onderweg zijn, oefenen ook de menschen hun
-lichaamskrachten. Twee mannen ontdoen zich van hun opperkleed,
-ontblooten het bovenlijf en vangen aan met worstelen. De aanval heeft
-op zeer verschillende manieren plaats. Beide strijders grijpen
-elkander, buigen het lichaam diep en naar elkander toe, draaien in ’t
-rond, daarbij elkander scherp in ’t oog vattende, en pogen elken
-schijnaanval of werkelijk gemeenden aanval af te weren, tot plotseling
-een hunner van al zijn krachten gebruik makende den ander, zoo deze dit
-niet vooruit heeft gezien, ter aarde werpt. Anderen daarentegen gaan
-terstond tot den aanval over, maar vinden zulk een krachtigen
-tegenstand, dat beide mannen langen tijd moeten worstelen alvorens het
-een hunner gelukt zijn medestander te overwinnen. De toeschouwers vuren
-de worstelaars aan, deelen lof en berisping uit, prijzen en bespotten,
-gaan middelerwijl onderling weddingschappen aan en geraken te meer in
-vuur, naarmate de uitslag meer twijfelachtig is. Eindelijk ligt er een
-der partijen, door het geheele gezelschap uitgelachen, beschaamd en
-deemoedig, misschien wel tot in zijn binnenste vertoornd, ter aarde;
-een geschreeuw, uit aller kelen aangeheven, vervult de lucht; katoenen
-stoffen, al zijn het ook slechts niets beteekenende lappen, worden
-doorgescheurd en verdeeld om de weddingschap te vereffenen; verwijten
-wisselen af met betuigingen van instemming; de kampstrijd is geëindigd,
-zoo niet de overwonnene plotseling zijn toorn zoekt te luchten en
-nogmaals op zijn tegenstander aanvalt. Zonder geraas, getier en getwist
-eindigt zulk een wedstrijd nimmer, tot handtastelijkheden echter komt
-het evenmin.
-
-Onder de ridderspelen der Kirgiezen bekleedt de jacht eene voorname
-plaats. De Kirgies volgt het spoor van den wolf met zulk een vuur en
-zoo onvermoeid, dat hij de koude zelfs niet opmerkt, die des te eerder
-nadeelige gevolgen heeft naarmate hij zich door het rijden meer verhit,
-en niettegenstaande handen en aangezicht hem bevriezen, houdt hij,
-tenzij het paard hem daartoe dwingt, niet op, alvorens zijn knots op
-den kop des roofdiers neêrgeslingerd te hebben. Nog liever is hem
-echter de jacht met adelaar en windhond. Evenals zijn voorvaderen
-verstaat hij de kunst den arend te temmen en af te richten, trekt met
-dezen op de goed geschoeide hand, deze steunende op een houten, aan het
-zadel bevestigd getimmerte, naar gunstig gelegen, en een ver uitzicht
-aanbiedende hoogten, opdat van hieruit zijn gezellen de steppe kunnen
-overzien. Deze jacht geldt zoowel den wolf als den vos, en zoolang de
-arend nog niet ten volle geoefend is, alleen den vos en de marmot. Eene
-bijzondere africhting is niet noodig; alles wat onderwezen en geleerd
-moet worden, bestaat hierin, dat de arend, die reeds op jongen leeftijd
-uit het nest werd genomen en door den jager persoonlijk is gevoed, op
-de roepstem zijns meesters terugkeert; de erfelijkheid doet het
-overige. Zoodra de jachtgenooten een vos hebben opgejaagd, neemt de
-jager den stootvogel de huif af, maakt hem los en werpt hem in de
-lucht. De arend breidt zijn vleugels uit, begint kringen te
-beschrijven, stijgt in schroeflijnen al hooger en hooger, bespeurt van
-hier den ijlings voortsnellenden, nagejaagden vos, vliegt dien na,
-stoot met half saamgevouwen vleugels en wijd naar voren uitgestrekte
-pooten schuin op hem neêr en slaat hem de klauwen in ’t lijf; de vos
-zijnerzijds draait woedend den kop om en poogt zijn vijand met de
-scherpe tanden te grijpen; gelukt zulks, dan is de arend reddeloos
-verloren. In bijna iederen dezer even sterke als moedige roofvogels
-leeft echter het overgeërfde gevoel van het dreigend gevaar, en
-eveneens de kunst, dit te ontgaan. Op hetzelfde oogenblik, dat de vos
-zal bijten, laat de arend zijn klauwen los om ze een oogenblik later in
-het aangezicht van zijn slachtoffer te slaan. Een vroolijke uitroep van
-den nu naderbij gekomen, geliefden meester schenkt nieuwen moed, en
-enkele oogenblikken later ligt de vos, door den jager geveld, ontzield
-op den grond. Meer dan één arend moet bij de eerste proeve zijn
-koenheid met het leven boeten, maar gelukt de eerste aanval, dan maakt
-de vogel zich weldra zulk eene bekwaamheid eigen, dat hij eerlang op
-den wolf kan geworpen worden. Tegenover dezen gedraagt hij zich,
-ofschoon dezelfde regels volgende, veel omzichtiger; reeds de meerdere
-grootte van het roofdier is hem een bewijs, dat hij met een veel
-gevaarlijker kameraad te doen heeft. Maar ook dezen leert hij meester
-te worden, en met zijn eigen glorie stijgt ook die zijns
-meesters—tevens zijn waarde. Een adelaar, die zich met den vos meet,
-kost van dertig tot veertig roebels, een die den wolf overwint wordt
-met het dubbele en driedubbele betaald, ingeval zijn meester hem
-verkoopen wil. Met twee arenden kan men niet jagen, daar de eene vogel
-dan den anderen hinderen zou; zij zijn namelijk dikwijls zoo
-jachtlustig, dat de jager zich verhinderd ziet zijne hulp te verleenen,
-en dikwijls laat de vogel, zonder met geweld daartoe gedwongen te
-worden, zijn slachtoffer niet los.
-
-Vereischt deze jacht reeds veel rijkunstvaardigheid, zulks is nog meer
-het geval wanneer de Kirgies met windhonden op antilopen jaagt. Als
-pijlen uit den boog schieten de langharige honden voort, zoodra zij het
-gezochte wild in het gezicht hebben gekregen, en over heg en steg jagen
-de ruiters hen na, tot zij samen het vluchtend wild hebben ingehaald.
-Wie bij zulk een wedren van ’t paard stort, oogst slechts spot en hoon,
-en den zandruiter voorbij stormt de wilde jacht.
-
-Ook op de drijfjachten in het gebergte verlaten de Kirgiezen hun
-paarden niet. Een heerlijk gezicht leverde het Arkatgebergte op, toen
-de drijvers, die ons de wilde schapen onder het schot zouden brengen,
-hun halsbrekenden rit aanvingen. De eene ruiter na den andere verscheen
-of verdween, dan hier dan daar, op de hoogste toppen en in de diepe
-kloven, dalen en insnijdingen; nu eens teekenden zij zich scherp tegen
-de lucht af, dan weder verloren zij zich tusschen de rotsen, als het
-ware ineensmeltende met het gesteente der hellingen, Niemand steeg van
-zijn paard, geen hunner bezon zich ook maar een oogenblik, welken weg
-in te slaan; zij reden met meer gemak in het gebergte dan zij zich te
-voet zouden bewogen hebben.
-
-De jager paart aan moed volharding. Niet alleen op den rug des paards,
-maar ook in het bekruipen en beloeren van het wild geeft hij blijk van
-eene bewonderenswaardige volharding. Dat hij dagen lang een spoor
-vervolgt, beteekent, zijn rijlust in aanmerking genomen, niet veel; met
-het lontgeweer, nog evenveel door hem gebruikt als het vuursteengeweer,
-in de hand, kruipt hij als een sluipende kat eene halve werst ver langs
-den grond, loert hij uren lang in storm en regen op een stuk wild,
-totdat dit onder bereik van zijn schietwapen is gekomen. Hij schiet
-nooit op grooten afstand en altijd legt hij de buks eerst op de daaraan
-bevestigde vork; maar hij mikt zeker en weet den kogel op de rechte
-plaats te doen treffen.
-
-Even onvermoeid als hij is als ruiter, jager en herder, even ongaarne
-neemt de Kirgies andere bezigheden op zich. Wel bebouwt ook hij zijn
-akker, maar op eene hoogst ellendige wijze en nooit meer dan strikt
-noodzakelijk is. De arbeid in de kluiten is bij hem weinig eervol,
-evenals elk ander bedrijf, dat niet met de veeteelt en het herdersleven
-in verband staat. Hij verstaat uitnemend de kunst van bevloeiing, heeft
-een geoefend oog voor plaatskennis en weet, zonder meetwerktuig en
-waterpas te gebruiken precies, waar hij de waterleidingen moet
-aanleggen; maar slechts zoolang hij een knaap is laat hij zich voor
-zulke werkzaamheden gewillig vinden; heeft hij echter eenmaal eigen
-bezittingen verworven, dan raakt hij spa noch schoffel meer aan. Nog
-minder lust gevoelt hij voor een handwerk. Hij weet het leder te
-bereiden, kan daaruit allerlei riem- en zadelwerk vervaardigen, weet
-dit met ijzeren en zilveren ornamenten te tooien, verstaat de kunst om
-messen en wapenen te smeden en in ’t algemeen alle hem noodzakelijk
-gereedschap te maken, maar nooit oefent hij zulke bezigheden voor zijn
-genoegen uit, wel steeds met tegenzin. Toch is hij geen lui en
-lichtzinnig werkman, maar vlijtig en vertrouwbaar, en wie zijn bekwame
-hand heeft gewonnen, heeft zelden reden ontevreden over hem te zijn.
-
-Hooger dan lichamelijke arbeid staat geestelijke werkzaamheid bij hem
-aangeschreven. Zijn vlugge, opgewekte geest eischt bezigheid; hij houdt
-daarom niet enkel van luchthartige, maar ook van ernstige gesprekken,
-misschien ook daarom, dat zulks eenige afwisseling brengt in zijn vrij
-eentonig leven. Daarom redeneert hij gaarne met zijn stamgenooten, en
-wordt hij soms door zijn rederijkheid den vreemdeling eenigszins
-lastig. Met deze spraakzaamheid gaat eene weetgierigheid gepaard, die
-nu en dan ontaardt in nieuwsgierigheid, want de „roode tong” weet van
-geen vacantie. Wat de wind door de steppe draagt, neemt het lettend oor
-van den Kirgies op, en de „roode tong” kleedt het in woorden. Wordt
-ergens iets verhandeld, dat de Kirgies verstaan of niet verstaan kan,
-ik bedoel, wordt er in eene hem verstaanbare taal gesproken, dan
-schaamt hij zich geenszins tot aan de deur der Joerte door te dringen
-en het luisterend oor tegen den wand te drukken, om geen syllabe te
-verliezen. Eene gebeurtenis, die het alledaagsche maar een haartje te
-boven gaat, eene mededeeling, eene vertelling voor zich zelf te
-behouden, een geheim te bewaren, het is den Kirgies onmogelijk. Zwijgt
-dan het edele ros, op hetwelk hij door de steppe vliegt, wanneer het
-iets gewaar wordt, wat het belangstelling inboezemt, zwijgen geit en
-schaap, wanneer zij met soortgenooten samentreffen, of zwijgt de
-leeuwerik als hij zich boven den grond der steppe verheft? En de heer
-der steppe zou zwijgen? Nooit en nimmer! „Spreek, o spreek, roode tong,
-zoolang er leven in u is; want na den dood zult gij zwijgen.”
-Onvermoeid rolt de stroom van woorden over de lippen der Kirgiezen.
-Nooit rijden er twee mannen stom naast elkander, al duurt de reis een
-geheelen dag; onafgebroken hebben zij met elkander te praten en
-elkander iets mede te deelen. Gewoonlijk is het niet genoeg dat er twee
-samen rijden; het moeten er drie of vier zijn, die gemeenschappelijk
-langs den weg trekken, zoolang deze dit samenrijden mogelijk maakt. Die
-manier van reizen is bij hen zoo gewoon, dat zelfs de paarden elkander
-zoo dicht mogelijk naderen en de Europeaan den teugel moet gebruiken om
-zulks te beletten. In eene met Kirgiezen gevulde Joerte heerscht een
-gegons als in een bijenkorf; ieder wil aan ’t woord, ieder doet zijn
-best dit woord alleen te hebben.
-
-Een daaruit voortvloeiend gevolg is, dat de Kirgiezen hunne taal weten
-te gebruiken. Hierin schijnen allen gelijk te zijn, rijken en armen,
-voornamen en geringen, geletterden en ongeletterden. Hun toonrijke,
-welluidende, maar harde taal—gelijk men weet, slechts een dialekt van
-het Tataarsch—is vol uitdrukking. Ieder woord, zelfs de vreemdeling,
-die ze niet verstaat, voelt zulks, wordt geheel uitgesproken; op elke
-lettergreep valt de juiste klemtoon, zoodat men haast uit den klank kan
-opmaken, wat hetgeen zij zeggen beteekent. Men spreekt zeer levendig,
-de toon beantwoordt geheel aan den inhoud, de pauzen zijn juist
-afgemeten, zoodat het gesprek eenigszins afgebroken klinkt, alhoewel de
-woordenvloed geen enkel oogenblik hapert. De uitdrukking des gelaats
-zet aan de rede nog meer aanschouwelijkheid bij, en levendige gebaren
-verduidelijken verder den zin. Is er een onderwerp, dat hun bijzondere
-belangstelling inboezemt, dan geraken de sprekers in vuur, zoodat men
-een oogenblik vreest, dat er handtastelijkheden zullen volgen, maar ook
-het heftigste dispuut eindigt in vrede en eendracht.
-
-Dat onder zulke lieden de bard geëerd wordt is te begrijpen. Ieder
-Kirgies, die in woordenrijkdom en welsprekendheid boven anderen
-uitmunt, staat in aanzien. Een zanger, een gelegenheidsdichter mag bij
-geen feest ontbreken. Zijn talent behoeft juist niet uitstekend te
-zijn; de rede moet slechts onafgebroken vloeien, zich voegen naar eene
-bepaalde, iedereen bekende versmaat—en men is dichter. Toch beschikt
-elke Kirgiesche bard over een niet geringen schat van dichterlijke
-gedachten, die hij gemakkelijk in woorden kleedt. Het herders- en
-nomadenleven, hoe eentonig dit ook moge verloopen, heeft zijn
-bekoorlijkheden, zijn toongevende snaren, die slechts behoeven
-aangeslagen te worden om in de harten der hoorders weêrklank te vinden.
-Een aantal sagen en overleveringen bieden voldoende stof om daarmede de
-gapingen in de gedachten aan te vullen, en zoo kan de rede van den bard
-vloeien als een breede stroom, welks bronnen nimmer uitdrogen; hij
-heeft zich slechts te houden aan eene bepaalde versmaat om dichter te
-zijn en te blijven. Maar ook dit wordt hem gemakkelijk gemaakt, want
-elke bard begeleidt zijn woorden met den klank der driesnarige,
-Kirgiesche citer en verbindt de afzonderlijke regels door
-tusschenspelen, die net zoo lang duren als de nieuwe regel tijd
-behoefde om in den rechten vorm gegoten te worden. Hoe sneller, hoe
-vlugger zulks geschiedt, des te hooger stijgt de roem des zangers. En
-wordt de vrouwelijke borst in dichtvuur ontstoken, dan is zij het
-voorwerp der algemeene bewondering; waagt zij het zich met een man in
-de dichtkunst te meten en met hem hierin om den prijs te dingen, dan
-verheft de in geestdrift ontstoken menigte haar boven alle vrouwen der
-wereld.
-
-Minder dan voor de dichtkunst is de wijde steppe bevorderlijk voor een
-geregeld onderwijs. Hieruit laat zich verklaren waarom zoo weinig
-Kirgiezen kunnen lezen en schrijven. Alleen voor de zonen der rijksten
-en voornaamsten is deze kunst weggelegd. In de twee door de Regeering
-gestichte scholen, te Ustkamenogorsk en te Saisan worden ook Kirgiesche
-knapen onderricht, in de eerstgenoemde stad zelfs uitsluitend, maar de
-werkzaamheid dier inrichtingen strekt zich niet tot het binnenste der
-steppe uit. Daar leert de knaap lezen en schrijven, indien het toeval
-wil, dat hij een Mollah ontmoet, die evenveel lust in het onderwijzen
-als de knaap in het leeren heeft. Ook dan evenwel blijft het onderwijs
-beperkt tot de allereerste kundigheden: het Arabische schrift te kunnen
-lezen en schrijven. De inhoud van het voornaamste, zoo niet eenige
-leerboek, den koran, blijft gewoonlijk zelfs voor den Mollah verborgen;
-hij leest de Soeren zonder deze te verstaan.
-
-Ik heb slechts eenmaal een Kirgies ontmoet, die Arabisch kende, en dit
-was nog wel een sultan; alle anderen, die door hunne kennis der schrift
-boven hun stamgenooten verheven waren, en als trouwe belijders van den
-Islam geregeld de vijf voorgeschreven gebeden opzegden, verstonden in
-het gunstigste geval alleen den inhoud van de oproeping tot het gebed
-en de eerste Soere van den Koran; al wat zij meer opzegden, werd wel is
-waar uitgesproken met die plechtigheid en dien ernst, welke aan alle
-Mohammedanen eigen zijn, maar zonder dat zij er een woord van begrepen.
-
-En toch ontving ik steeds een diepen indruk, wanneer te midden der
-onafzienbare steppe, waar geen minaret zich ten hemel verhief, een
-dezer lieden, die de heilige woorden kent, als Muddin of roeper optrad
-en zijne stem voor het gebed verhief, terwijl de geloovigen in lange
-rijen achter den Imam of voorbidder knielden, om hun voorhoofden al
-biddende tegen den grond te drukken, gelijk de wet van den profeet
-zulks voorschrijft.
-
-Het bewustzijn van kracht en vaardigheid, de bedrevenheid in
-paardrijden en jagen, het dichterlijk talent en de opgewektheid van
-geest in ’t algemeen, het gevoel van zelfstandigheid en vrijheid,
-hetwelk de groote steppe in ’t leven roept, geeft aan het voorkomen van
-den Kirgies eene niet te loochenen waardigheid. Hij maakt dan ook op
-den onbevooroordeelden opmerker een zeer gunstigen indruk, die des te
-meer toeneemt naarmate men den steppenbewoner beter leert kennen. Zoo
-ging het mij, en zoo ook oordeelen de Russen, die jaren lang met de
-Kirgiezen hebben omgegaan, en zoo oordeelen vooral de Russische
-ambtenaren en vele reizigers, die onder hen verkeerden. Men zegt wel is
-waar te veel, wanneer men beweert, dat de Kirgies een groot aantal
-goede en zeer weinig slechte eigenschappen bezit, of zich althans in
-deze richting doet kennen. Opgewekt van geest, verstandig, levendig,
-zoo lang het de gewone zaken betreft, goedaardig, dienstvaardig, tot
-helpen bereid, welgemanierd en voorkomend, gastvrij en barmhartig, is
-hij in zijne soort een voortreffelijk mensch, wiens schaduwzijden men
-te eerder over het hoofd ziet naarmate men hem meer onbevangen
-beschouwt. Hij is beleefd; zonder kruipend te zijn, hij behandelt zijn
-meerdere met achting, en toch niet als een slaaf, is jegens zijn
-minderen vriendelijk, maar niet geringschattend. Op tot hem gerichte
-vragen antwoordt hij eerst na eenig nadenken, maar dan rustig en
-duidelijk, terwijl zijn scherp betoonde manier van spreken aan zijn
-antwoord het merkteeken van zekerheid schenkt. Hij is gedienstig in
-alle opzichten, maar is dit meer uit eerzucht dan uit hoop op winst,
-meer om lof en bijval dan om geld en goed te verwerven. De
-gemeentebestuurder Tamar Bey Metikoff, die bijna eene maand lang ons
-uit beleefdheid vergezelde, was de hoffelijkste, voorkomendste man
-onder de zon, altijd bereid ieder onzer wenschen te vervullen,
-onvermoeid in het bewijzen van diensten en beleefdheden, en zulks
-alleen in de hoop om hiermede onze tevredenheid en die van den
-Gouverneur-Generaal te winnen. Hij gaf ons zulks met ronde woorden te
-kennen, toen wij hem geschenken wilden opdringen.
-
-Met zulk eene eergierigheid is het feit in overeenstemming, dat de
-voorname man zich verheft op familie en afkomst, zich beroemt op zijn
-voorouders en tevens zijn stamboom laat opklimmen tot Chingis-Chan, dat
-hij slechts in zijn stand trouwt, geen vlekje op zijn eer duldt, en
-geen eerroof vergeeft. Daarmede in overeenstemming is verder nog zekere
-ijdelheid, die men bij den Kirgies niet zou verwachten. Niet alleen
-aanzien en rijkdom, waardigheid en rang, maar zelfs jeugd en schoonheid
-zijn in zijn oogen gaven, die hij op hoogen prijs stelt. Doch hij
-onderscheidt zich in ’t oogloopend van de saletjonkers te onzent,
-doordien hij nooit tot een fat wordt. Hij prijst openlijk en
-onbeschroomd de hem door lot of natuur toebedeelde gaven; deze lof gaat
-hem echter natuurlijk af en wordt niet misvormd door voorgewende
-bescheidenheid. Zoo ver zijn middelen hem dit veroorloven kleedt hij
-zich rijk, versiert mantel en broek met tressen, de pelsmuts met
-uilenveeren—een fat echter wordt hij nooit. Dat de vrouwen nog meer dan
-de mannen haar bekoorlijkheden in het helderste daglicht trachten te
-plaatsen spreekt vanzelf; en daarom heeft het mij dan ook volstrekt
-niet verwonderd, dat zij met het sap van zekeren wortel de wangen met
-een teeder, waasachtig, zeer duurzaam rood bestrijken, m.a.w. zich
-blanketten.
-
-In overeenstemming met zijn zucht om te behagen, schikt de Kirgies zich
-gewillig in de zeden en gebruiken van zijn volk. Zijn beschaving en
-goede manieren legt hij hoofdzakelijk aan den dag door zijne uit
-overoude tijden stammende, door den Islam evenwel zeer gewijzigde
-gebruiken streng na te komen. Zulks geeft aanleiding tot vormelijkheid
-en plichtplegerij in het dagelijksch verkeer, maar werpt tevens een dam
-op tegen verwaandheid en onbeleefdheid, en verbant de lompheid uit de
-samenleving; ieder weet hoe hij zich te gedragen heeft om geen aanstoot
-te geven, of ook maar slechts in de geringste mate op eene minder
-aangename wijze in het oog te loopen.
-
-Reeds de wederkeerige begroeting geschiedt op een vormelijke, door
-allen in acht genomen en dus nauwkeurig bepaalde wijze. Wanneer twee
-Kirgiesche ruiterbenden elkander ontmoeten, verloopt er geruimen tijd
-alvorens het compliment is gewisseld. Gelijktijdig leggen zij de
-rechterhand op elkanders hartstreek, de linker op elkanders
-rechterhand, terwijl daarna beide personen hunne rechterhand
-terugtrekken om deze met de linker te vereenigen, zoodat nu alle vier
-handen in elkander rusten. Terwijl zij dus elkander aanraken spreken
-beiden het Arabische woord „Amán” (vrede) uit; vóór de omarming hadden
-zij den groet aller Mohamedanen elkander toegeroepen: „Salám alëik” of
-„alëikoem” (Heil zij met u of ulieden), ook wel „Alëikoem el salám.” Op
-deze wijze begroeten zij elkander wederkeerig; de beide troepen vormen
-twee rijen en de eene persoon na den ander loopt, ten einde de nu nog
-geketende „roode tong” zoo spoedig mogelijk in vrijheid te stellen,
-snel de rij af. Een korte wijze van begroeting, die echter slechts in
-zwang is, wanneer de schare zeer groot is, bestaat daarin, dat men de
-handen naar elkander uitstrekt en deze tegen elkander slaat.
-
-Leggen de Kirgiezen wederzijdsche bezoeken in de Aul af, dan heeft er
-vóór de begroeting nog een andere plechtigheid plaats. Zoodra de joerte
-in ’t gezicht is gekomen houden de bezoekers hun paarden in, laten ze
-stapvoets voortgaan en eindelijk stilstaan. Nu gaat men hen van uit de
-Aul tegemoet; de gasten worden verwelkomd en naar de joerte gebracht,
-die intusschen door de vrouwen met de kostbaarste tapijten is belegd.
-Vreemde, in de Aul nog onbekende gasten, moeten zich vóór de begroeting
-aan een kort verhoor, waarin naar naam, stand en afkomst gevraagd
-wordt, onderwerpen. Altijd evenwel worden zij ontvangen en gastvrij
-onthaald, want gastvrijheid, een karaktertrek der Kirgiezen, oefenen
-zij jegens iedereen uit, onverschillig van welk geloof hij moge zijn,
-of tot welken stand hij moge behooren; voorname lieden evenwel genieten
-eenige onderscheiding. De gast treedt de joerte met de gewone
-begroeting binnen, trekt bij de deur zijn schoenen uit, en zet zich,
-wanneer hij van gelijken stand is, als ware hij de eigenaar, op de
-eereplaats neêr. De mindere houdt zich tegenover den meerdere
-bescheiden terug, en laat zich in knielende houding op het tapijt
-neder.
-
-Ter eere van een aanzienlijken gast laat de heer der joerte een schaap
-slachten, dat echter vooraf in de joerte wordt gebracht om het door den
-gast te laten zegenen. Alle geburen komen opdagen om aan den lekkeren
-maaltijd deel te nemen. De kop en borst van den ram worden aan het spit
-gebraden, de kleinere vleeschstukken, kruis, ribben, schouderbladen
-enz. in den ketel gekookt, en als zij gaar zijn, in eene kom voor den
-gast geplaatst. Deze wascht zich de handen, snijdt het vleesch van de
-beenen, doopt het in het sterk gezouten nat, en zegt tot den inmiddels
-nog niet gezeten gastheer: „eerst door den gastheer erlangt het vleesch
-smaak; ga zitten.” De gastheer antwoordt: „ik dank u zeer, eet!” maar
-voldoet nog niet aan het verlangen van zijn gast. Deze snijdt nu een
-stuk van de valsche ribben af, roept den gastheer bij zich, en steekt
-dien het vleesch in den mond; daarop snijdt hij een tweede stuk af,
-legt dit in een kom en reikt het der gastvrouw. Nu zet de heer der
-joerte zich aan de zijde van zijn bezoeker neêr; de laatste blijft
-evenwel de spijzen onder de aanzittenden uitdeelen. De gast snijdt het
-vleesch in stukken, vermengt elk stuk met vet, doopt telkens drie
-stukken tegelijk in het vleeschnat en steekt ze daarna, telkens deze
-drie stukken tegelijk, iederen dischgenoot in den mond. Het zou eene
-beleediging zijn voor den gever, indien de ontvanger der gift deze niet
-dadelijk verorberde, al mocht hij ook, als de stukken wat groot zijn
-uitgevallen, erg veel moeite hebben om ze naar binnen te zenden, zoo
-erg soms dat het gezicht er rood en paars van wordt, en de eene buurman
-den ander te hulp moet komen; om het slikken te bevorderen, klopt men
-elkander op den rug. Daarentegen mag de uitdeeler ook niet meer dan
-drie stukken tegelijk reiken, want overschrijdt hij dit getal, en stopt
-hij iemand b.v. vijf stukken tegelijk in den mond, zoodat de ontvanger,
-die veroordeeld is die hoeveelheid zoo schielijk mogelijk in eens door
-te zwelgen, stikt, dan moet zulks met honderd paarden, uit te betalen
-aan de familie des geworgden, gezoend worden, terwijl men daarentegen
-van de boete wordt vrijgesteld, zoo het slachtoffer aan het officieele
-getal bezwijkt. Is het vleesch genoten dan laat de gast de schaal met
-vleeschnat rondgaan, waarvan ieder zooveel drinkt als hem lust. Tot
-besluit van den maaltijd wordt, nadat ieder der aanwezigen zich eerst
-de handen heeft gereinigd, althans voor elken welgestelden gastheer, en
-in geval de merries nog melk geven, koemys gepresenteerd; zulks
-geschiedt te allen tijde met een zekere deftigheid, geëvenredigd aan
-den eerbied, dien men aan dezen lievelingsdrank der Kirgiezen
-verschuldigd is. Wie tot nu toe niet aan den maaltijd deel nam, snelt
-toe om zich aan den nektar te laven. Men drinkt zich een halven roes;
-want de Kirgies is op het stuk van drinken, waar het zijn dierbaren
-melkwijn geldt, even sterk als in het eten, en te dien opzichte zoo min
-bescheiden als matig.
-
-Nog veel omslachtiger dan bij een eenvoudig bezoek zijn de gebruiken,
-die in acht worden genomen bij belangrijke huiselijke omstandigheden,
-zooals bruiloften en begrafenissen. Bij de eerste vergezelt de scherts
-de vreugde, bij de laatste paart zich eerbied voor de dooden aan den
-rouw.
-
-Vrijage en bruiloft, begrafenis en herinneringsdagen aan de dooden
-gewijd, geven aanleiding tot eene aaneenschakeling van feestelijkheden.
-
-Gelijk bij alle Mohammedanen het geval is, doet de vader voor den zoon
-aanzoek om de hand van een meisje, en gelijk bij alle belijders van den
-Islam gebruik is, betaalt hij aan den aanstaanden schoonvader een
-bruidsgift van zeer verschillende, soms aanmerkelijke waarde. Iemand,
-die uitgezonden wordt om de hand van een meisje te gaan vragen, is
-kenbaar aan de broekspijpen, waarvan een boven, de andere in de laars
-wordt gestoken; hij verschijnt in de joerte, alwaar het huwbare meisje
-zich bevindt, en draagt uit naam van den vader des trouwlustigen
-jongelings het aanzoek voor. Is de vader van ’t meisje daarmede
-ingenomen, dan verlangt hij het groote bezoek; hij wenscht n.l. den
-lastgever zelf, de oudsten der gemeente, en de voornaamsten uit diens
-Aul te spreken om met hen de onderhandelingen te gaan voeren. Deze
-verschijnen, en laten naar gebruik, voor de Aul hunne rossen
-stilhouden. Een afgezant van den vader der bruid reist hun tegemoet,
-begroet hen plechtig en naar den vorm, en geleidt hen naar de
-feestelijk getooide joerte, alwaar zij met koemys ontvangen worden. Een
-bard verschijnt om de samenkomst op te luisteren, en heft zijn gezang
-aan. Rijke bijvalsbetuigingen en prachtige beloften prikkelen des
-zangers ijver. Men prijst de diepte zijner gedachten, de eenheid zijner
-voordracht; men belooft hem een paard, een jamba of vier pond ongemunt
-zilver. De huisheer wijst dit alles van de hand, want hij alleen heeft
-het recht den zanger te beloonen; de gasten evenwel laten hunne
-voornemens niet varen, en beloven met vernieuwden aandrang, want te
-goed weten ze dat de gastheer hun de vervulling hunner beloften niet
-zal toestaan. Nadat de zanger geëindigd heeft, begint zich een levendig
-onderhoud tusschen de aanwezigen te ontspinnen, men spreekt over
-allerlei zaken, alleen niet over het onderwerp, dat allen bijeenbracht.
-Het uur van scheiden breekt aan en men rijdt naar huis.
-
-Den volgenden morgen beantwoordt de vader der bruid met zijn gevolg het
-bezoek en wordt door den vader des bruidegoms op gelijke wijze begroet
-en onthaald; nu geeft de eerste zijn wensch te kennen de moeder des
-jongelings te zien. Men gaat gezamenlijk naar de joerte der huisvrouw
-en begroet deze op even plechtige als hoffelijke wijze. Meteen draagt
-de vader des bruidegoms een schaapsborst op, snijdt er stukken voor de
-gasten af en vergezelt het ontleden van het meest geachte deel des
-schaaps met de woorden: „Deze schaapsborst zij mij ten pand, dat onze
-voornemens een goeden afloop zullen hebben,” reikt daarop zijn gasten
-de lekkere beten toe en opent daarmede de onderhandelingen over het
-bedrag van den „kalum” of de bruidsgift. Als eenheid van prijs geldt
-eene merrie van drie tot vijf jaar; een telganger of een kameel wordt
-gelijk gesteld met vijf merries; zes of zeven schapen of geiten hebben
-de waarde van ééne merrie.
-
-De vader der bruid verlangt als gift 77 merries, laat zich evenwel
-afdingen, en gaat, al naar zijn eigen vermogen en dat van den anderen
-schoonvader groot is, tot 57, dan tot 47, 37, 27 terug, en zijn beiden
-onbemiddeld dan nog verder, totdat men het eens is geworden. Zijn de
-onderhandelingen afgeloopen, dan verklaart de vader der bruid de
-verloving voor beklonken, gaat opstaan om huiswaarts te keeren en laat
-een geschenk in of aan den ingang der joerte achter. De vader des
-bruidegoms zendt echter, zoo hij kan, te gelijk met den vertrekkenden
-zwager de helft van den kalum naar diens joerte, om ook de rest zoo
-spoedig doenlijk af te betalen.
-
-Veertien dagen na de betaling mag de bruidegom voor ’t eerst zijne
-bruid bezoeken. Onder een zoo sterk mogelijk geleide van met hem
-bevriende jongelingen van gelijken leeftijd, aan wier hoofd een met
-alle gebruiken bekend en ouder familielid staat, breekt hij op, rijdt
-tot in de nabijheid van de Aul zijner bruid, stijgt van ’t paard, slaat
-eene kleine tent op en kruipt hierin, of verbergt zich op eene andere
-wijze. Zijn metgezellen echter trekken verder, begeven zich nadat de
-plechtige begroeting is afgeloopen in de Aul en verdeelen onder
-vroolijke scherts allerlei kleine geschenken, zooals ringen,
-halsbanden, lekkernijen, linten en bontgekleurde stoffen onder de hen
-omringende vrouwen en kinderen. Gezamenlijk met jongelingen en jonge
-dochters van gelijken leeftijd betreden zij nu de feestjoerte. De
-gastheer biedt spijs en drank, eerst een schaapsbout, die hij met de
-reeds vermelde woorden in stukken snijdt, dan „Meibaur” in vet
-gebraden, kleine stukjes lever, hart en nieren, plaatst het gerecht
-voor den straks vermelden ouden vriend en deze handelt er mede naar
-gebruik en zede; zoodra hij den jongeling, dien hij met de eerste bete
-bedenkt deze in den mond heeft geduwd, bestrijkt hij hem tevens het
-aangezicht met het vette vleeschnat. Hiermede is het sein gegeven, dat
-men met vroolijkheid en scherts kan aanvangen, en jongelingen, jonge
-dochters en jonge vrouwen nemen daaraan om strijd deel. Een zeer
-geliefkoosde aardigheid der meisjes bestaat daarin dat zij de kleederen
-der jongemannen vlug aan de tapijten, waarop zij gezeten zijn, vast
-naaien.
-
-Na den maaltijd mogen de jeugdige gasten een weinig rusten, maar zulks
-alleen om hun tijd tot overdenking te geven. De meisjes en vrouwen
-noodigen alsnu de jongelingen uit tot een zangerswedstrijd, wijzen hun
-de eereplaatsen aan, en zetten zich zelven daar tegenover; een harer
-begint. Is de door haar toegezongen jongeling niet slagvaardig, dan
-vergaat het hem slecht. Onder stooten en knijpen valt de jolige schaar
-op hem aan, verdrijft hem uit de joerte en leveren hem over aan de
-jonge mannen van de Aul, die voor de joerte reeds op zulke slachtoffers
-wachten. Een vat water wordt over dien beklagenswaardigen stumper
-uitgestort, waarna men hem druipend nat en beschaamd, naar de joerte
-terugdrijft, alwaar hij voor de tweede maal op gelijke proef wordt
-gesteld. En als hij ook nu in deze te kort schiet, wordt hij tot straf
-in vrouwenkleeren gestoken en aan de kaak gesteld. Wee hem, indien hij
-zich gebelgd toont; hij zou een slechten dag hebben. Heden zwaait de
-scherts haar scepter en zij duldt geen brompot. Wie het best tegen den
-strijd is opgewassen, is de held van den dag; die dit niet is, wordt
-tot algemeen offerlam.
-
-Gedurende dit spel zit de bruid onder een gordijn achter in de joerte,
-voor ieders blik verborgen. Van deze omstandigheid maken nu de jonge
-lieden der Aul gebruik om de bruid te stelen, d.w.z. terwijl de
-zangerswedstrijd alle vrienden van den bruidegom bezig houdt, dringen
-zij tot de jonge dame door, voeren haar naar buiten door eene tusschen
-de vilten omkleedsels der joerte aangebrachte opening, tillen haar op
-een paard en brengen de volstrekt niet tegenspartelende bruid naar de
-joerte van een bloedverwant om haar in handen te stellen van de daar
-reeds wachtende oudere vrouwen. Is de roof gelukt, dan spoort de roover
-de jongelingen aan om de bruid te gaan zoeken en uit de handen der
-vrouwen te verlossen. Fluks breekt het geheele gezelschap op en
-verzoekt de bewaaksters hun de gestolene weder terug te geven. Hoe
-sierlijk de woorden ook mogen ingekleed worden, het verzoek wordt
-afgeslagen. In de gedeeltelijk opengeslagen joerte zit de bruid,
-zichtbaar voor aller oogen; geweld zou niet baten en daarom beginnen de
-jongelingen vriendschappelijk te onderhandelen. De vrouwen verlangen
-negen verschillende gerechten, door de jongelingen zelven te bereiden,
-maar stemmen er ten laatste in toe, in plaats van met spijzen, zich met
-geschenken tevreden te stellen; zij leveren nu de bruid eindelijk uit,
-op voorwaarde, dat deze naar de joerte haars vaders teruggebracht zal
-worden.
-
-Inmiddels zit de bruidegom in zijn tent te wachten. Geheel alleen was
-hij echter niet, want eenige jonge dames zijn hem, zoodra zijn gezellen
-verschenen, gaan zoeken, en zij hebben hem natuurlijk ook gevonden; zij
-werden begroet met het eerbiedige „Taschim.” De jongeling heeft zoo
-diep voor hen gebogen dat hij met de vingertoppen den grond aanraakte;
-daarna heeft hij zich langzaam opgericht, de handen langs het
-scheenbeen latende glijden, totdat hij zich in zijn volle lengte had
-opgeheven; de vrouwen hadden deze hulde aangenomen, hem gezelschap
-gehouden, spijs en dank gereikt, hem met scherts den tijd verkort, maar
-niet toegestaan dat hij de tent verliet. Eerst na lang smeeken en niet
-vóór de zon is ondergegaan, ontving hij verlof, in de Aul en voor de
-joerte der bruid een liedje te zingen. Hij bestijgt zijn paard, rijdt
-de Aul binnen, begroet de bewoners met gezang, wendt zich naar de
-joerte der uitverkorene en klaagt in een zelf uitgedacht, of van een
-ander overgenomen lied zijn verlangen, zijn leed:
-
-
- „Mijn liefste, mijn hart ach, het breekt schier van kommer,
- Reeds driemalen kwam ik en driemaal om niet.
- Gij woudt niet ontwaken, te diep bleef uw sluim’ring,
- Uw oog bleef gesloten en het oor hoorde niet.
-
- „Maar laat in den nacht, als wanneer de kameelen
- Ter ruste men snoert aan de bindende lijn,
- Dan zal ook mijn smachtende ziele zich laven,
- Verdwijnen mijn leed, en vergeten dit zijn.
-
- „Een blik in uw oogen en weêr zal mij komen,
- Al wat ik verloren, mijn moed en mijn lust,
- De kracht mijner ziele, door u mij ontnomen,
- De vreugde des harten, vertrouwen en rust.
-
- „Ik zal dan u vragen mij koemys te reiken,
- Als ware ik dorstig en droog mij de mond.
- Gij laat u verbidden, gij laat u verteedren,
- Gij maakt weêr het kranke gemoed mij gezond.
-
- „En kan mijne bede u ’t hart niet vermurwen,
- Mijn lied niet gevallig, niet welkom u zijn,
- Dan keer ik terug met de schaar mijner vrienden,
- Zij zullen mij bijstaan, eens wordt gij toch mijn.”
-
-
-Zonder de joerte te betreden, keert hij weêr naar zijne tent terug.
-Daar verschijnt hem eene oude vrouw, die belooft hem naar zijne bruid
-te geleiden, als hij haar een geschenk wil vereeren. Mild opent zich
-des bruigoms hand en beiden begeven zich op weg. Maar ongehinderd
-bereiken zij de joerte niet. Eene andere vrouw legt den gaffel,
-waarmede men den koepelring der joerte omhoog hijscht, dwars over den
-weg; zulk een slagboom over te springen zou een slecht voorteeken zijn,
-want wie den gaffel heeft neêrgelegd moet dien ook weêr wegnemen. Een
-nieuw geschenk verwijdert ook dezen hinderpaal, maar weinig schreden
-verder ligt een tweede, en daarover heen eene schijnbaar doode vrouw;
-een nieuw geschenk wekt de doode weêr in ’t leven en ruimt het beletsel
-op; nu is de weg naar de joerte vrij. Daar staat evenwel eene gedaante,
-die een geluid laat hooren als het brommen van een hond. Zal men kunnen
-zeggen, dat een hond op een bruidegom heeft gebromd? Dat nooit! Een
-nieuw geschenk sluit den brommenden mond en de veel beproefde komt
-eindelijk bij de joerte aan. Hier houden twee vrouwen de deur dicht,
-maar ook de deur bezwijkt voor een geschenk; binnen in de joerte houden
-twee vrouwen het gordijn vast; op het bruidsleger rust echter eene
-jongere zuster der bruid; hij bevrijdt zich van allen, de joerte is
-ledig; de „oude” legt de handen des bruidegoms in die der bruid, en
-verwijdert zich eveneens; eindelijk, eindelijk zijn beiden samen,—en
-alleen.
-
-Onder opzicht van den behulpzamen oude „Djenke” genaamd, bezoekt de
-bruidegom herhaalde malen zijne bruid, zonder zich nog voor te stellen
-aan de ouders van het meisje. Eerst moet de kalum geheel betaald zijn.
-
-Nu wordt de persoon die vroeger werd uitgezonden om het aanzoek te
-doen, weder naar den vader der bruid afgevaardigd om dezen te vragen of
-het nu geoorloofd is het meisje naar de joerte van haar echtgenoot te
-brengen. De vraag wordt toestemmend beantwoord, en de bruigom gaat
-wederom met groot gevolg en geschenken naar de Aul, slaat weder zijn
-tent op een behoorlijken afstand op, ontvangt hierin nogmaals het
-bezoek van vrouwen, brengt alleen den nacht er in door, en zendt van
-hier den volgenden morgen alle voor eene joerte benoodigde en door hem
-te leveren houtstukken naar de Aul. Alle bewoonsters der Aul verzamelen
-zich hierom heen, ten einde de vilten stoffen, die de bruid moet geven,
-aaneen te naaien, voor zoover dit noodig is, en nu begint men met het
-opstellen der joerte. De meest geachte vrouw van de Aul mag den
-koepelring omhoog brengen en houdt dien vast, totdat de sparren daarin
-zijn gestoken; de andere vrouwen houden zich gezamenlijk onledig met
-den verderen opbouw en de bekleeding. Ondertusschen komt de bruidegom
-ter plaatse; nu geleidt men ook de bruid herwaarts en noodigt beiden
-uit van verschillende zijden de nieuwe woning te naderen om het groote
-vraagstuk op te lossen, wie de heerschappij in de joerte zal voeren?
-Zij zal het deel worden van hem, die de joerte het eerst bereikt.
-
-Een schaap, door den bruigom medegebracht wordt geslacht; de maaltijd
-wordt aangericht en deze zal in de nieuwe joerte plaats hebben. Onder
-den maaltijd wikkelt de jonge joerteheer een stuk wit laken om een been
-en werpt dit, zonder naar boven te zien, door de opening van het
-koepeldak naar buiten. Gelukt deze worp, dan is zulks een goed teeken;
-de rook zal dan uit deze joerte regelrecht omhoog stijgen, wat geluk
-voorspelt voor de bewoners der tent.
-
-Na het welkomstmaal begeven zich de gasten naar de joerte van den vader
-der bruid, alwaar hun een tweede maaltijd wacht. De moeder der bruid
-evenwel discht de spijzen op voor de jongelieden, die in de nieuwe
-joerte achterbleven; mild en overvloedig moet zij geven, anders zou het
-jonge volkje de tent boven de hoofden der aanzittenden afbreken, en tot
-straf voor die karigheid, de afzonderlijke deelen van het lichte gebouw
-naar alle richtingen in de wijde steppe werpen. Zelfs de rijk gevulde
-schotel is voor den overmoed der uitgelaten bruiloftsgasten niet
-veilig; de een rukt ze uit de handen der gastvrouw en rijdt er mede
-weg; anderen trachten hem den buit weder afhandig te maken en deze
-plagerijen duren net zoo lang totdat men begint te vreezen, dat het
-gerecht koud zal worden.
-
-Den volgenden morgen wenscht de vader der bruid voor ’t eerst den
-bruidegom te zien, noodigt dezen in zijne joerte, begroet hem
-hartelijk, roemt zijn voorkomen en talenten, wenscht hem geluk met zijn
-huwelijk, en stelt hem ten slotte allerlei geschenken ter hand, de gift
-als het ware der bruid. Dit geschiedt ten aanschouwe van alle
-bruiloftsgasten, die reeds vóór den bruidegom zich in de joerte
-verzameld hadden. Nu ook komt de rijk getooide bruid binnen. Bevindt
-zich in de Aul een Mollah, of is er gelegenheid zulk een persoon te
-halen, dan spreekt deze den zegen over het jonge paar uit.
-
-Nu wordt der bruid het scheidingslied, „Dschar, dschar” toegezongen;
-zij beantwoordt elk vers met tranen in de oogen, elke strophe met eene
-klacht.
-
-Het beurtgezang verstomt; kameelen worden voorgebracht om de joerte en
-alle bruidsgeschenken te dragen; sierlijk opgetuigde paarden om de
-bruid en hare moeder naar de Aul des bruidegoms te brengen. De jeugdige
-echtgenoot rijdt aan het hoofd van den bruiloftsstoet, spoort met zijn
-speelgenooten de kameelen tot spoed aan, om tijd te winnen ten einde de
-joerte onder dezelfde plichtplegingen, als bij het opbouwen in acht
-werden genomen, in de Aul, waar hij verblijf houdt, op te stellen. De
-bruid evenwel, na onder het storten van tranen afscheid te hebben
-genomen van haar vader, bloedverwanten, vriendinnen, van de joerte, als
-ook van de kudden, rijdt, geheel verborgen onder een om haar heen
-geslagen en door de ruiters gedragen gordijn voort, totdat zij de
-joerte bereikt heeft, waarin zij voortaan als meesteres zal heerschen.
-De vader des bruidegoms, die intusschen de gift der bruid heeft
-bekeken, en geprezen of gelaakt, roept haar heel spoedig na de aankomst
-in zijne tent; zij betreedt deze met drie buigingen, zoo diep, dat zij
-met de handen op de knieën moet steunen, daarmede aanduidende, dat zij
-even onderdanig zal zijn aan hare schoonouders als aan haar heer en
-gebieder. Haar gelaat blijft nog altijd gesluierd, en zal dit voortaan
-blijven voor den vader en de broeders van haar gemaal, en een jaar lang
-voor iederen vreemdeling. Later omsluiert zij zich nog alléén voor den
-oudsten broeder haars echtgenoots; voor niemand anders. Voor genoemden
-evenwel slechts omdat deze haar moet huwen, ingeval haar eigen man
-sterft; nu mag zij bij haar schoonbroeder geen booze lusten opwekken of
-voeden.
-
-Bij een tweede huwelijk doet de Kirgies persoonlijk aanzoek en dit
-geschiedt zonder daarbij bijzondere vormen in acht te nemen. Huwt hij
-nog bij het leven zijner eerste vrouw eene tweede, en laat hij deze met
-de andere in dezelfde joerte wonen, gelijk zulks meestal bij niet zeer
-rijke lieden het geval is, dan heeft de tweede uitverkorene een zeer
-beklagenswaardig lot. De eerste vrouw handhaaft haar rechten, wijst aan
-de tweede eene bepaalde plaats in de joerte aan en legt zelfs den heer
-der tent in zijn huwelijksrechten aan banden. De vrouw staat bij de
-Kirgiezen in hooge achting. „Wij waardeeren onze vrouwen zooals wij een
-telganger waardeeren; beide zijn niet te betalen,” zoo verzekerde mij
-eens mijn vriend, de Kirgies Altibei. De mannen scheiden zich zelden
-van hunne vrouwen, en nog zeldzamer ontloopen de laatsten haar
-echtgenooten. Ook in de steppe evenwel verbreekt de liefde soms de
-perken, welke zede en gebruik gesteld hadden. Schaking komt insgelijks
-voor en wordt zelfs voor geen schande gehouden; een meisje te rooven,
-wier vader te hooge eischen stelt, verstrekt roover en geroofde, in
-veler oogen althans, meer tot eer dan tot blaam.
-
-Het pasgeboren kind wordt bij de Kirgiezen onmiddellijk nadat het het
-levenslicht aanschouwde, en zoo ook nog de eerste veertig dagen na de
-geboorte, in sterk zout water gebaad, maar na verloop van dien tijd
-zelfs niet meer gewasschen. Aanvankelijk legt men den zuigeling in een
-bedje vol fluweelzachte kameelswol, zoodat het wicht geheel in dit dons
-gehuld is en zelfs in den strengsten winter geen koû zou kunnen vatten;
-later trekt men het een wollen hemdje aan, hetwelk de moeder om de drie
-dagen een poosje boven het vuur houdt ten einde het van de parasieten
-te zuiveren, die in de woningen van alle Kirgiezen voorkomen. Dat hemd
-met een ander te verwisselen, daaraan denkt men niet. Het wordt eerst
-dan vervangen, wanneer het bijna uiteenvalt. In den winter trekt de
-trouwe moeder het ook nog kousjes aan, en zoodra het kindje kan loopen,
-steekt men het in de kleeren der volwassenen.
-
-Vader en moeder beide houden ongemeen veel van hun kroost; zij
-behandelen hun kinderen met de grootste teerheid en slaan ze nooit; zij
-hebben echter de slechte gewoonte om hun, zoodra zij kunnen spreken,
-allerlei leelijke en onvoegzame woorden te leeren, die, door de
-onschuldige lippen van het kind nagezegd, eene algemeene vroolijkheid
-opwekken. De ouderdom van het kind wordt naar den naam van een of ander
-dier benoemd; het kind kan b.v. een muis oud zijn, of eene marmot, of
-een schaap of een paard. Op zijn vierde jaar zet men het voor de eerste
-maal op den rug van een even oud paard, dat prachtig opgetuigd en met
-een in de familie erfelijk zadel belegd wordt. De gelukkige ouders
-beloven aan den voor de eerste maal de moederarmen ontloopen,
-zelfstandig optredenden kleinen ruiter allerlei mooie dingen, roepen
-daarop een bediende of een gewillig vriend, stellen paard en ruiter in
-diens handen en dragen hem op den kleinen man van de eene bevriende
-joerte naar de andere te geleiden. Overal waar het knaapje aankomt
-wordt hij vriendelijk begroet, met loftuitingen overladen, terwijl hij
-tevens allerlei lekkernijen ontvangt. Een feest in de ouderlijke joerte
-bekroont den in aller oogen gewichtigen dag.
-
-Met het zevende jaar vangt het onderwijs aan, dat zich bepaalt tot al
-datgene, wat hij of zij te weten noodig heeft. Inmiddels tot een
-bedreven ruiter opgegroeid, leert de knaap met het vee omgaan, het
-meisje leert melken en verdere huiselijke bezigheden verrichten; de
-zoons van voorname lieden worden door een Mollah of een ander, der zake
-kundig man, in het lezen en schrijven onderwezen, later in de leer van
-den koran. Reeds vóór zijn twaalfde jaar wordt de school voor hen
-gesloten en is de knaap rijp voor het praktische leven.
-
-Meer nog dan de levenden eert de Kirgies zijn dooden. Elke familie is
-tot de grootste offers bereid om voor een hun door den dood ontrukt
-familielid een groot lijk- of gedenkfeest aan te richten; ieder, ook de
-armste, wenscht het graf zijner lieve dooden te sieren zoo veel hij
-kan, en een iegelijk acht het zich als de grootste schande eenen doode
-in ’t algemeen niet alle mogelijke eer te bewijzen. Zulks is onder de
-Mohammedanen een algemeen gebruik, maar de plechtigheden, die bij de
-Kirgiezen het sterven en de begrafenis vergezellen, wijken zoo van die
-der andere geloovigen af dat zij eene nadere bespreking vereischen.
-
-Wanneer een Kirgies den dood voelt naderen laat hij zijn vrienden
-roepen, opdat deze zijne ziel in het paradijs helpen brengen. Vrome
-Kirgiezen laten zich op hun sterfbed uit den koran voorlezen, al
-verstaan zij ook niets van de beteekenis der woorden. Naar het gebruik
-der geloovigen verzamelen zich de vrienden om het sterfbed van den
-geloofsgenoot en roepen hem het eerste gedeelte van de belijdenis der
-aanhangers van den profeet: „Er is slechts één God” zoo dikwijls toe,
-tot hij het tweede gedeelte uitspreekt: „en Mohammed is zijn profeet.”
-Zoodra deze woorden de lippen van den stervende ontvlieden, opent
-Moenkir, de Engel der beproeving, de poorten van het paradijs en nu
-roepen allen uit: „El hamdu lillahi”—de Heer zij geprezen.
-
-Zoodra de eigenaar eener joerte voor altijd zijn oogen gesloten heeft,
-zendt men naar alle richtingen boden uit om de gebeurtenis aan de
-vrienden en bloedverwanten bekend te maken; deze boden reizen, al naar
-aanzien en rang van den overledene, twintig tot honderd werst ver de
-steppe in, van Aul tot Aul, terwijl een der bloedverwanten, die hier
-woont, de tijding aan anderen in dezelfde Aul mededeelt. Ondertusschen
-wordt het lijk gewasschen en in het „doodshemd” gehuld, dat ieder
-Kirgies reeds bij zijn leven gereed had en onder zijn kostbaarheden
-bewaarde. Nadat men zich van dezen plicht gekweten heeft draagt men het
-lijk uit de joerte en legt het op een middelerwijl half uitgeslagen
-hekwerk. De Mollah wordt ontboden, en als deze verschijnt, zegent hij
-den doode; nu beurt men het hek met het lijk op, laadt een en ander op
-den rug eens kameels, en trekt onder geleide der inmiddels aangekomen
-naastbijwonende bloedverwanten naar den doodenakker.
-
-Terstond na het overlijden heffen de vrouwen den lijkzang aan. De
-naaste bloedverwant begint en spreekt den rouw van haar hart in meer of
-minder diepgevoelde woorden uit; de anderen vallen op het einde van
-elken zin of elken versregel gelijktijdig in en ieder kleedt zijn
-gedachte op hare wijs in woorden. De klacht wordt allengs heviger, tot
-eindelijk de smart haar toppunt heeft bereikt, wanneer de kameel
-oprijst om met zijn last te vertrekken. De vrouwen schijnen als in
-razernij te vervallen, rukken zich de haren uit en krabben zich het
-gezicht ten bloede. Eerst als de lijkstoet, waarvan de vrouwen geen
-deel uitmaken, uit het gezicht verdwenen is, verstommen van lieverlede
-de klachten en houden de tranen op met vloeien.
-
-Eenige mannen, op vlugge paarden gezeten, zijn vooruitgereden om het
-graf in gereedheid te brengen. Dit bestaat uit een kuil, een halve
-manshoogte diep, met een in de richting van Mekka gelegen gewelf,
-waarin het hoofd en het bovenlijf worden gelegd. Nadat het lijk in den
-kuil is neêrgelaten, wordt het graf met blokken, planken, rietbundels
-of steenen belegd, maar niet met aarde gevuld. Wel wordt soms een
-weinig zand over de bedekking gespreid en dit heuveltje met vlaggetjes
-en soortgelijke zaken versierd, zoo niet een koepel uit hout of
-baksteenen gebouwd, boven het graf wordt opgericht. Op een kindergraf
-plaatst men de wieg. Vooraf heeft de Molla het lijk voor de tweede maal
-gezegend, terwijl alle omstanders aan de ophooging deel nemen. De
-lijkplechtigheid is evenwel nog niet ten einde.
-
-Op hetzelfde oogenblik, dat de eigenaar der joerte is overleden, richt
-men naast de tent een witte vlag op, die een vol jaar blijft staan.
-Elken dag van dit treurjaar komen de vrouwen weder bijeen om hare
-klachten opnieuw aan te heffen. Zoo mogelijk brengt men ook het
-lievelingspaard van den doode hierbij en snijdt het den langen staart
-half af. Van dit oogenblik af wordt het ros door niemand meer bereden;
-het is „weduwe” geworden. Zeven dagen na den dood vergaderen alle
-bloedverwanten en vrienden, ook de verst afwonenden in de joerte,
-houden een gemeenschappelijk lijkmaal, verdeelen sommige kleederen van
-den doode onder de armen, en beraadslagen over het toekomstig lot der
-achtergeblevenen, alsmede over het bestuur der nalatenschap. Daarna
-laat men de familie met haar leed alleen.
-
-Sterft er eene vrouw, dan worden bijna dezelfde gebruiken gevolgd als
-bij den dood eens mans, met dit verschil, dat nu de vrouwen het lijk
-wasschen en kleeden. Maar ook in zoodanig geval blijven de vrouwen in
-de Aul om er den lijkzang aan te heffen. Het rijpaard der vrouw wordt
-eveneens van zijn staart beroofd; men richt evenwel geen treurvlag op.
-
-Wanneer de Aul verplaatst wordt, haalt de jongeling, wien deze
-eeredienst is opgedragen, het tot weduwe geworden paard, legt dit het
-zadel zijns voormaligen meesters in omgekeerde richting op den rug,
-belaadt het met de kleederen van den overledene en geleidt het aan den
-teugel naar het oord der bestemming, terwijl de jonge man in zijne
-rechterhand de lans met de vlag draagt. Zoodra de joerte weêr is
-opgebouwd, wordt het paard ontzadeld en de lans weder opgericht.
-
-Op den verjaardag van den dood verschijnen wederom alle genoodigde
-bloedverwanten en vrienden in de joerte. Na de vrouwen begroet te
-hebben, die nog altijd in rouwgewaad zijn gestoken, en die men opnieuw
-tracht te troosten, haalt men het paard, zadelt dit, belaadt het als
-vroeger en roept nu den Molla om het te zegenen. Zulks geschiedt; twee
-mannen treden thans nader, grijpen het paard bij den teugel, ontzadelen
-het, werpen het ter aarde en stooten het den dolk in ’t hart. Het
-vleesch wordt onder de arme feestgenooten uitgedeeld, de Molla ontvangt
-de huid. Onmiddellijk nadat het paard gedood is, stelt men de lans aan
-den meest waardigen bloedverwant ter hand; deze neemt haar aan, spreekt
-eenige woorden, breekt den stok in stukken en werpt deze op het vuur.
-
-Nu komen de paarden aanstormen om hun snelheid in den wedren te toonen;
-de jonge ruiters, die hen vergezellen en berijden, vliegen op een
-gegeven teeken weg en verdwijnen in de steppe.
-
-De Molla treedt van het tooneel, de zanger neemt zijn plaats in. Nog
-eenmaal wordt de doode herdacht, maar ook de levenden krijgen thans
-hunne beurt. Van het hoofd der vrouwen verdwijnt het eigenaardig
-tooisel, dat den rouw aanduidde, en zij sieren zich in feestgewaad. Na
-afloop van den overvloedigen maaltijd gaat de schaal met melkwijn rond;
-met de tonen van den citer vermengen zich vreugdeklanken.
-
-De rouw is afgeloopen, het leven herneemt zijn rechten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-DE KOLONISTEN EN BANNELINGEN VAN SIBERIË.
-
-
-Wie in Siberië niets dan ééne groote gevangenis ziet, dwaalt evenzeer
-als hij, die dit land beschouwt als ééne onmetelijke ijswoestijn. Wel
-zendt Rusland ieder jaar duizenden misdadigers of veroordeelden naar
-Siberië, en wel trekken deze, zoolang zij onderweg zijn, van de eene
-gevangenis naar de andere; wel zijn de zoodanigen, die zware misdrijven
-tegen lijf en leven, bezittingen en eigendommen te boeten hebben,
-zoolang zij gedwongen in Siberië verblijf houden, niet vrij,—maar het
-kleinste getal van alle misdadigers bevindt zich, zoolang hun straftijd
-duurt, in werkelijke gevangenschap, en ieder is bij machte door zijn
-gedrag die gevangenschap meer dragelijk te maken, zelfs zich er van te
-bevrijden, en dus weldaden te genieten, gelijk aan de bewoners onzer
-tuchthuizen en gevangenissen niet ten deel valt. Uitgestrekte deelen
-van het ontzaglijk gebied, dat aan den Russischen scepter onderworpen
-werd, geheele landen zijn overigens nimmer verbanningsoorden geweest en
-zullen wel altijd van het bezoek der gedwongen reizigers verschoond
-blijven, welke laatsten grootere onaangenaamheden, ja zelfs kwellingen
-onder de bevolking brengen, dan zij zelven te dulden hebben. Langs
-dezelfde wegen, die vroeger niet dan onder zuchten afgelegd werden,
-trekken heden ten dage vrije lieden, die in het verre oosten op
-lotsverbetering hopen. Aan de gedwongen kolonisten sluiten zich anderen
-aan, die uit eigen beweging derwaarts trekken, en wel naar oorden, die
-langen tijd in den slechtsten reuk stonden als de meest ongastvrije
-landen der geheele aarde. Een nieuwe tijd is voor Siberië aangebroken,
-want de verblinde vrees maakt allengs plaats voor meer verlichte
-kennis, ook bij zulke personen, die overigens meer toegankelijk zijn
-voor de eerste dan voor de laatste. De heerschende denkbeelden omtrent
-Siberië zijn te wijten aan de schriftelijke en mondelinge berichten van
-ontwikkelde bannelingen, dus van lieden, die de vaste bewoner van
-Siberië „ongelukkigen” noemt en ook als zoodanig behandelt. Die
-berichten zijn wel is waar niet zoo geheel bezijden de waarheid, doch
-voor het grootste deel toch onjuist. Het ongeluk maakt lichaam en ziel
-blind, en berooft ons van de onbevangenheid, die de eenige grondslag
-mag en kan zijn van eene richtige beoordeeling van toestanden. De
-toestanden nu in Siberië zijn veel beter dan men meent, beter zelfs dan
-in menige bergstreek van Duitschland. In Siberië is de strijd des
-levens volstrekt niet hard. Gebrek in den eigenlijken zin des woords,
-ontbering van het noodzakelijke tot onderhoud des lichaams, zijn hier
-onbekende zaken, en treffen in elk geval slechts hem, die wegens ziekte
-of andere ongevallen niet in staat is tot werken. Vergeleken met het
-lot, dat menigen armen Duitschen bergbewoner gedurende zijn geheele
-leven is opgelegd, die bijna nimmer als overwinnaar uit den strijd des
-levens te voorschijn treedt, is zelfs het lot van den Siberischen
-banneling nog vaak benijdenswaardig. Ontbering vindt men ook in
-Siberië, maar meer in geestelijken dan in lichamelijken zin; wie
-slechts de aarde bewerkt, vindt daar meer dan hij noodig heeft, en wie
-haar, de voedster, ontrouw is geworden, en de een of andere daar
-inheemsche bezigheid koos, dien ook brengt de eerlijke handenarbeid
-vrij zeker evenveel winst op als de aarde. Zoo zijn de tegenwoordige
-toestanden, met onbevooroordeeld oog aanschouwd.
-
-Ik heb getracht een zoo getrouw mogelijk beeld te ontwerpen van de
-levensomstandigheden der bewoners van het door mij bereisde deel van
-Siberië. Ik ben nedergedaald in de laagste diepten der menschelijke
-ellende, en heb mij vermeid in de zonnige hoogten van alle denkbaar
-geluk; ik heb verkeerd met moordenaars, straatroovers, brandstichters,
-dieven, bedriegers, oproerlingen en samenzweerders, met visschers en
-jagers, herders en boeren, kooplieden en industrieelen, met heeren en
-knechten, rijken en armen, met wetenschappelijke lieden en
-ongeletterden, met beambten en rechters, tevredenen en ontevredenen,
-begeerende menschen en zij die niets meer wenschten, en zulks om mijn
-waarnemingen te bevestigen, mijne opmerkingen te vermeerderen, mijne
-besluiten te toetsen, mijne verkeerde opvattingen te verbeteren; ik heb
-de veiligheidsbeambten ondervraagd naar het lot der bannelingen, en bij
-de bannelingen zelf inlichtingen ingewonnen omtrent hun toestand; ik
-heb de misdadigers in hunne gevangenissen opgezocht en ook daarbuiten
-gadegeslagen; ik heb met boeren, industrieelen, handwerkslieden en
-kolonisten gesprekken gevoerd, wanneer en waar ik slechts gelegenheid
-vond; ik heb de inlichtingen, welke ik van deze lieden ontving,
-vergeleken met die der regeeringsbeambten; ik geloof dan ook, dat ik
-zooveel ben te weten gekomen als, de snelheid en den korten duur onzer
-reis in aanmerking genomen, maar eenigszins mogelijk was. In elk geval
-heb ik zooveel stof verzameld, dat ik mij op mijn eigen ervaringen kan
-verlaten, wanneer ik mij gereed maak een vluchtig geteekend levensbeeld
-te schetsen van de bannelingen van Siberië. Mijne schilderij zal wel
-niet geheel vrij van onnauwkeurigheden zijn, maar in ’t algemeen de
-uitdrukking mogen heeten van een billijk oordeel.
-
-Afgezien van de regeeringsbeambten, de soldaten en ondernemende
-industrieelen, voornamelijk kooplieden, bestond de aanvoer, dien
-Siberië uit Rusland ontving, tot in het jaar 1861 uitsluitend uit
-onvrijwillige verhuizers: lijfeigenen des keizers, die in de bergwerken
-van den Czar, en misdadigers, die, althans voor een deel, naar de
-bergwerken van den Staat werden gezonden. Met de opheffing der
-lijfeigenschap, die eene diep ingrijpende verandering in de sociale
-toestanden ten gevolge had, dieper dan men aanvankelijk geloofde en nog
-tegenwoordig inziet, droogde de eerstgenoemde bron als met een
-tooverslag op. Millioenen menschen werden op het woord van hun
-zachtmoedigen, groothartigen gebieder vrij; duizenden hunner verlieten
-de bergwerken en wendden zich naar de vruchtbare aarde, die zij tot nu
-toe als slaven hadden bewerkt, zoodat de bergwerken, althans die van
-den Czar, van stonden aan leeg liepen en nu nog onder de gevolgen
-lijden. Maar het groote kroongoed Altaï werd tevens verrijkt met een
-nieuw element, dat daaraan tot nog toe vreemd was gebleven, n.l. met
-een vrijen boerenstand, wel is waar zonder erfelijk landbezit, maar
-toch vrije boeren van het rijke land, voor en in de plaats van zijne
-tot nog toe daar wonende kolonisten. De opheffing der lijfeigenschap
-veranderde evenwel ook den toestand dier Siberische landstreken, die
-tot op dezen tijd hoofdzakelijk door veroordeelden waren bevolkt
-geworden, daar het voortaan mogelijk werd ook hier een vrijen
-boerenstand te vormen. Op deze plaatsen evenwel schijnt de voortdurende
-toevoer eer belemmerend dan voordeelig gewerkt te hebben; want het
-meerendeel der veroordeelden, die naar de reeds bevolkte gedeelten des
-lands gezonden werden, brengt voortdurend onrust onder de gezeten
-bevolking, en daaraan is het dan ook toe te schrijven, dat bedoelde
-landstreken minder vooruit zijn gegaan dan het kroondomein Altaï, dat
-steeds verschoond is gebleven van bannelingen en hiervan ook wel altijd
-verschoond zal blijven, zoolang Altaï althans keizerlijk domein blijft.
-Daarentegen trekken tegenwoordig gedurig nieuwe scharen verhuislustigen
-derwaarts, en neemt de bevolking in Altaï sneller in bloei toe dan in
-de overige landen van Siberië.
-
-Het is een prachtig stuk lands, dit domein Altaï, en in zoo verre ook
-een opmerkelijk land, omdat het het grootste is, dat ergens ter wereld
-gevonden wordt. De vlakke inhoud toch bedraagt in ronde cijfers 400.000
-vierkante wersten, of ongeveer 8000 vierk. geogr. mijlen. Het sluit
-gebergten en vlakke landen in zich, bergland en heuvelland; het ligt
-tusschen bevaarbare rivieren en dezulke, die met weinig moeite
-bevaarbaar kunnen gemaakt worden; het bevat nog altijd groote,
-rentegevende bosschen en in ’t algemeen onmetelijke rijkdommen zoowel
-onder als boven den grond. Niet minder dan 830 verschillende
-ertsbeddingen kent men binnen zijn gebied, niet gerekend de overige 270
-vindplaatsen, die nog nimmer nader onderzocht werden. Men wandelt in
-het kroondomein Altaï letterlijk op goud en zilver; want goudhoudende
-zilverertsen, lood, koper en ijzer, doordringen in een aantal, meest
-bouwwaardige aderen de bergen, terwijl de rivieren stofgoud afvoeren.
-Een steenkolenbedding van nog onbekende uitgestrektheid, die hier en
-daar van 6 tot 8 meter dikte bezit, strekt zich bovendien nog onder een
-groot gedeelte des lands uit; te oordeelen naar de samenstelling der
-aan de oppervlakte gelegen gesteenten, mag men aannemen, dat men in het
-noorden van het kroondomein op één groot steenkolenbekken wandelt. En
-toch moet men den waren rijkdom van Altaï niet in deze onderaardsche
-schatten zoeken, maar in den vetten en vruchtbaren grond. Deze bedekt
-geheele gebergten en hoogvlakten, en waar de bouwaarde in de
-rivierdalen en laagvlakten bijeengespoeld werd, heeft zij soms een
-dikte van anderhalven meter. Bevallige, deels majestueuse bergstreken
-wisselen af met liefelijke, heuvelachtige landschappen en zacht
-golvende vlakten, die vooral bij de boeren het meest gezocht zijn,
-steppen met vruchtbare, door een riviertje of beekje doorsneden
-vlakten, bosschen met welig groeiend hoog zoowel als laag geboomte en
-parkachtig ingedeeld hout. Een wel is waar niet zacht, maar toch
-geenszins onverdragelijk klimaat maakt overal eene rentegevende
-ontginning mogelijk van dien vruchtbaren, grootendeels nog maagdelijken
-bodem. Het jaar is afgedeeld in een heeten, bijna altijd voortdurenden
-zomer van vier maanden, in een strengen, onafgebroken winter van vier
-maanden, in twee natte, koude, onbestendige voorjaarsmaanden en
-evenveel herfstmaanden van gelijke gesteldheid; en alhoewel de
-gemiddelde warmte van het goede deel des jaars niet toereikend is om de
-druiven te doen rijpen, al onze gewone korensoorten gedijen er
-voortreffelijk, terwijl in de zuidelijke distrikten van het kroondomein
-zelfs de meloen tot rijpheid komt.
-
-Zoo ziet het land er uit, dat reeds meer dan twee menschenleeftijden
-verschoond is gebleven van verbannen misdadigers en waar heden ten dage
-kolonisten zijn gezeteld, die men zou wenschen, dat in matig aantal ook
-in geheel overig Zuid-Siberië, dat niet minder rijk en vruchtbaar is,
-werden gevonden. Zij laten zich wel is waar niet vergelijken bij onze
-erfgezeten boeren, deze landbouwers van het kroondomein Altaï, maar zij
-hebben het oneindig beter dan de gewone Russische boer. Men ziet het
-hun aan, dat hunne ouders en grootouders de lijfeigenen zijn geweest
-van den grootsten en hoogsten heer des Rijks, maar geenszins de slaven
-van eenen machteloozen en om deze reden eene onbepaalde onderdanigheid
-eischenden gebieder; men kan bij iedere gelegenheid opmerken hoe het
-gemis van erfelijk grondbezit hen in geenerlei opzicht gehinderd heeft
-welvarend te worden, d.w.z. meer te verdienen, dan zij noodig hadden en
-nu nog noodig hebben.
-
-Het lot der bewoners van Altaï was van af den tijd, dat het kroongoed
-tot eigendom des keizers werd verklaard, een betrekkelijk gunstig, om
-niet te zeggen een gelukkig lot. Tot de opheffing der lijfeigenschap
-waren zij zonder eenige uitzondering bij den bergbouw in dienst of
-althans middellijk daarvoor bedrijvig. Zij, die niet in de mijnen zelf
-werkten, moesten hout vellen en verkolen, anderen moesten de houtskolen
-naar de smelthutten brengen, wederom anderen het erts vervoeren. Met de
-toename der bevolking werd de druk der heerendiensten steeds minder.
-Omstreeks het midden dezer eeuw kon men reeds over zooveel krachten
-beschikken, dat de arbeid voor den keizer tot ééne maand in het jaar
-beperkt werd, alhoewel onder deze voorwaarde, dat ieder leenplichtige
-een paard moest leveren. De weg, dien de arbeider met dit paard had af
-te leggen, werd naar deszelfs lengte berekend. Als vergoeding voor de
-afwezigheid van huis en hof ontving ieder arbeider 75½ kopeken voor den
-tijd zijns arbeids. Behalve deze weinig beteekenende belooning had
-echter ieder mijnwerker het recht, van ’s keizers land zooveel grond te
-bebouwen als hij kon, dit te doen naar eigen goedvinden, en bovendien
-in ’s keizers bosschen zooveel hout te vellen als hij voor het bouwen
-zijner woning en voor brandstof noodig had. Belasting had hij niet te
-betalen. Het aantal arbeiders, dat een dorp moest leveren, richtte zich
-naar het zielental; de verdeeling der heerendiensten geschiedde door de
-leden der gemeente zelf.
-
-Minder gemakkelijk was het werk, dat de mijnwerkers hadden te
-verrichten. Zij werden, even gelijk elders de soldaten, uit de dorpen
-en steden van het kroongoed gerecruteerd, in elk opzicht als soldaten
-behandeld en eerst na vijf en twintigjarigen diensttijd vrij verklaard.
-Men verdeelde hen in twee groepen; in de eigenlijke mijnwerkers, die in
-de ontgonnen groeven afdaalden, en in bergwerkers, die telken jare eene
-bepaalde, hun aangewezen dienstverrichting binnen een hunzelf
-overgelaten tijd hadden te volbrengen. Dezen maakten de kolenbranders,
-houthakkers, metselaars, voerlieden enz. uit, en ontvingen, eens
-voorgoed, jaarlijks veertien roebel loon. Was de opgedragen taak af,
-dan waren zij voor ’t overige gedeelte van het jaar vrij en mochten dan
-doen wat zij wilden. De mijnwerkers daarentegen bleven jaar in, jaar
-uit in dienst. Zij werkten eene week lang des daags, de volgende week
-des nachts, hadden elken dag twaalf uren te werken en kregen de derde
-week vrij. Al naar zijn bekwaamheid ontving ieder mijnwerker ter
-bekostiging zijner, tegen geld te betalen uitgaven, jaarlijks van zes
-tot twaalf roebel loon, daarenboven elke maand twee pud meel voor zijn
-persoonlijke voeding, even zooveel voor zijne vrouw en één pud voor
-ieder zijner kinderen. Land te bebouwen, vee te fokken, zoo veel hij
-kon of wilde, dit alles was geoorloofd. Zijne zoons moesten van hun
-zevende tot hun twaalfde jaar de school bezoeken; van dien tijd af
-werden zij gedwongen tot hun achttiende jaar als bergknapen zekere
-diensten te verrichten en ontvingen daarvoor eerst één, later twee
-roebel belooning per jaar. Had de knaap zijn achttiende jaar bereikt,
-dan begon zijn dienst in de mijnen.
-
-Op den 1en Mei 1861, den dag der vrijmaking van alle lijfeigenen in het
-Russische Rijk, telde men in het kroondomein Altaï 145639 mannelijke
-zielen, van welke 25267 als mijnwerkers en huttenarbeiders in dienst
-waren. Zij werden niet allen op denzelfden dag, maar in het
-tijdsverloop van twee jaren van hun verplichtingen ontslagen. Niet
-minder dan 12626 verlieten nu de mijnen, om in de vaderlijke dorpen
-terug te keeren en hier het landbouwbedrijf uit te te oefenen; de
-anderen bleven in de bergwerken als vrije arbeiders.
-
-Ik geloof niet te dwalen, wanneer ik beweer, dat de geregelde
-toestanden, die men in het kroondomein veel meer aantreft dan elders,
-waar ook in westelijk Siberië, toe te schrijven zijn aan dat verleden.
-De ouders en voorouders der hedendaagsche bevolking van het keizerlijk
-domein hebben zich, in weêrwil hunner onvrijheid, nimmer onderdrukt of
-gedrukt gevoeld. Zij waren lijfeigenen, maar die van den heer en
-gebieder des lands, van dat groote land, in hetwelk de wieg hunner
-vaderen had gestaan. Zij waren gedwongen voor hunnen heer en meester te
-werken, en hunne zonen bijna een menschenleeftijd lang in den dienst
-diens meesters te stellen; maar die heer was de keizer, een bijna
-goddelijk wezen in hunne oogen. Daarvoor voedde hen de keizer,
-bevrijdde hij hen van alle lasten van andere staatsburgers, en
-veroorloofde hij hun zijn land te bebouwen, en daaruit te halen, wat er
-uit te halen viel; hij verhinderde hen niet welvarend te worden, hij
-beschermde hen zooveel mogelijk tegen verdrukking door onrechtvaardige
-ambtenaren en hij werd nog bovendien de weldoener hunner kinderen, door
-althans een gedeelte te dwingen de school te bezoeken. De beambten, die
-over hen gesteld waren, hadden hoogere beschaving dan alle andere in
-dienst der kroon staande lieden; de meesten hadden in Duitschland
-gestudeerd, waren zelfs voor een goed deel van Duitsche afkomst en
-voerden, zoo niet Duitsche zeden, toch verlichte denkwijzen in een land
-in, dat zij in naam des keizers bestuurden. Nog heden is Barnaul, de
-hoofdstad van het kroondomein, een brandpunt van beschaving, gelijk
-Siberië geen tweede heeft aan te wijzen; in den tijd van den hoogsten
-bloei des mijnwezens was Barnaul ontegenzeggelijk de geestelijke
-hoofdstad van geheel Midden- en Noord-Azië en het van hier uitstralende
-licht verspreidde des te helderder glans, omdat het in alle
-bergplaatsen brandpunten vond, die dat licht steeds verder hielpen
-verspreiden. Zoo nam reeds in vroeger tijd het kroondomein eene
-bevoorrechte plaats in onder de landen van Siberië.
-
-Het is wellicht nimmer een opzettelijk doel van het bestuur des
-kroondomeins geweest, om den boerenstand vooruit te helpen; tot aan de
-opheffing der lijfeigenschap zag men in het landbouwbedrijf slechts een
-middel om den bergbouw te bevorderen. Deze tijden zijn veranderd.
-Sedert den dag, dat de lijfeigenen tot vrije mannen werden verklaard,
-is de bergbouw in gelijke mate achteruitgegaan als de landbouw is gaan
-bloeien. Men heeft nog niet kunnen besluiten om den ouden sleur te
-laten varen, maar moet die nalatigheid dan ook met zulke hooge sommen
-betalen, dat de zuivere winst van het mijnwezen tot een minimum is
-gedaald. Het eenig afdoende middel om verbetering te brengen in den
-bestaanden toestand zou daarin gelegen zijn, dat men de mijnen liet
-exploiteeren door energieke ondernemers; maar dit middel heeft men, wel
-is waar, wel in overweging genomen, maar nog geenszins tot feit doen
-worden. Vrije beschikking over den grond, zoover de ploeg er in
-doordringt, was van oudsher gebruikelijk en zulks is eenigermate zelfs
-recht van gewoonte geworden. Wel bezit niemand in het kroondomein, wij
-merkten het reeds op, den grond, dien hij bebouwt en waarop zijn huis
-staat; alles behoort den keizer, en wat des keizers is, is ook, volgens
-de meening der boeren, het eigendom van „onzen lieven Heer” en deze
-laatste staat gaarne aan iederen geloovige toe daarvan gebruik te
-maken. In werkelijkheid heft het domeinbestuur jaarlijks van iedere in
-bouwland omgezette hektare veertig kopeken pacht; al te streng gaat men
-hierbij evenwel niet te werk en de boer zijnerzijds voelt evenmin
-groote verplichting het daarmede heel nauw te nemen. Zoo bebouwt in
-werkelijkheid elke boer zooveel land als hem lust en hij neemt dit waar
-hij wil.
-
-Men laat den tegenwoordigen boer van het kroondomein slechts recht
-wedervaren, wanneer men hem afschildert als een goed gebouwden,
-opgewekten, bekwamen, fatsoenlijken, leergragen, gastvrijen,
-goedaardigen en barmhartigen man; men zegt ook niet te veel, wanneer
-men hem welvaart en een hieruit voortspruitend gevoel van eigenwaarde,
-zelfs zekeren vrijheidszin toekent. Zijn voorkomen getuigt van meer
-vrijheid en is minder deemoedig dan dat van den Russischen boer. Hij is
-beleefd en voorkomend, onderdanig en daardoor gemakkelijk te leiden,
-maar toch niet slaafsch en kruipend, zoodat hij op den vreemdeling geen
-ongunstigen indruk maakt. Maar ook hij bezit al die eigenschappen, die
-wij gewoonlijk boerenluimen noemen en nog andere, die den eersten
-gunstigen indruk aanmerkelijk verzwakken. Niettegenstaande hij meer
-gelegenheid had om onderwijs te ontvangen dan alle andere Siberiërs van
-zijn stand, staat de school bij hem in kwaden reuk. Hij is
-strenggeloovig en zou voor de kerk alles weggeven, wat hij bezit, maar
-ziet in de school eene inrichting, die den mensch slechter maakt in
-plaats van hem te beschaven. In herinnering aan de vroegere toestanden,
-die zeker veel te wenschen overlieten, nog gedachtig aan de tijden toen
-oude, uitgediende soldaten den scepter in de school zwaaiden en zich
-niet schaamden de hun toevertrouwde scholieren snaps te laten halen, en
-hen in dronkenschap dikwijls te mishandelen, is hij ongemeen
-wantrouwend omtrent alles, wat met de school in betrekking staat;
-bovendien hangt hij, naar boerenaard, zeer aan het oude en is van
-oordeel, dat meer kennis dan hijzelf bezit, voor zijn kinderen nadeelig
-zou zijn, en van deze meening is hij niet af te brengen. Hij staat dus
-nog op een vrij lagen trap van beschaving. Bij uitzondering verstaat
-hij de schrijfkunst en onder alle omstandigheden beschouwt hij boeken
-als geheel nuttelooze zaken. Des te sterker steunpilaar is hij van het
-bijgeloof, dat zijne kerk steunt en doet bloeien. Hij kent meestentijds
-de namen der maanden niet, die der heiligen en der feestdagen evenwel
-des te beter. God en de heiligen, aartsengelen en duivels, dood, hemel
-en hel houden hem bijna uitsluitend bezig. Men kan hem niet zoozeer
-licht te bevredigen noemen, maar wel beweren, dat hij onverbeterlijk
-tevreden is. Meer dan hij noodig heeft om te leven wenscht hij niet,
-zoodat hij dan ook niet meer werkt dan hij bepaald moet. Maar noch zijn
-pachthoeve, noch zijn akker, die hij het zijne noemt, kan hem groot
-genoeg, zijn huisgezin, noch veestapel te talrijk zijn.
-
-„Hoe gaat het u hier?” vroeg ik eens, met behulp van den tolk, aan een
-der oudsten des dorps, dien ik onderweg in mijn wagen had genomen.
-
-„„God verdraagt nog onze zonden,”” was het antwoord.
-
-„Zijn uwe vrouwen goed, u trouw, genegen en behulpzaam?”
-
-„„Er zijn goeden en slechten.””
-
-„Zijn uwe kinderen gehoorzaam en geven zij u vreugde?”
-
-„„Wij hebben niet over hen te klagen.””
-
-„Is het land, dat gij bebouwt vruchtbaar en levert het goede oogsten
-op?”
-
-„„Wanneer wij tienmaal meer inoogsten dan wij gezaaid hebben zijn wij
-reeds tevreden.””
-
-„Groeit uw vee goed?”
-
-„„Wij zijn tevreden.””
-
-„Hoeveel paarden bezit gij?”
-
-„„Twee en dertig; misschien ook wel vijf en dertig.””
-
-„Hoeveel paarden gebruikt gij bij den arbeid?”
-
-„„Acht à tien, nu en dan twaalf.””
-
-„Dus fokt gij de anderen aan om ze te verkoopen?”
-
-„„Somtijds verkoop ik er een.””
-
-„En wat doet gij met de anderen?”
-
-„„Nitschewo.””
-
-„Hoeveel runderen en schapen bezit gij?”
-
-„„Dat weet ik niet. Mijne vrouw zorgt voor de koeien, schapen en
-zwijnen.””
-
-„Hebt gij veel belasting te betalen?”
-
-„„Ik ben tevreden.””
-
-„Hebt gij u over een of ander te beklagen?”
-
-„„Ik ben tevreden.””
-
-„Gij hebt dus over niets te klagen, en alles is hier goed?”
-
-„„Neen, niet alles; ik heb eene klacht.””
-
-„Welke?”
-
-„„Het wordt ongezellig in het land!””
-
-„Ongezellig, wat beteekent dit?”
-
-„„Nu ja, het wordt ons te klein.””
-
-„Te klein, in hoeverre?”
-
-„„Och, de dorpen schieten overal uit den grond op als paddestoelen. Men
-kan zich niet meer roeren en weet niet meer, waar zijn akkers aan te
-leggen. Indien ik niet te oud ware, ik was reeds lang verhuisd.””
-
-„De dorpen schieten als paddenstoelen uit den grond? Waar? Ik zie geen
-enkel dorp. Hoe ver ligt het naaste dorp van het uwe verwijderd?”
-
-„„Vijftien werst.””
-
-Zoo spreekt, denkt en oordeelt de boer van het kroondomein. Het groote
-land is hem niet groot genoeg, en toch zou het twintigste gedeelte van
-de hoeveelheid, waarover hij naar goedvinden beschikt, genoeg voor hem
-zijn, indien hij het slechts beter bebouwde. Want de grond is zoo
-vruchtbaar, dat de geringste moeite in ruime mate beloond wordt. Valt
-een enkele maal de oogst tegen alle verwachting niet zoo goed uit als
-gewoonlijk, komt het gebrek de plaats van den overvloed bij hem
-vervangen, dan beschouwt de boer zulks niet als een natuurlijk gevolg
-zijner luiheid, maar als een beschikking Gods, als een straf voor zijn
-zonden.
-
-In werkelijkheid gaat het hem, in weerwil van al zijn zonden, bijzonder
-goed, en hij had meer reden om van eene belooning zijner zonden te
-spreken. Want niet het gebrek, maar de overvloed benauwt hem. Van
-regeeringswege wordt aan iederen boer vijftien hektaren van het beste
-land, in den regel naar eigen keus, voor iedere mannelijke ziel van
-zijn huisgezin toebedeeld; daar echter van de honderd duizend vierkante
-werst van het domein tot aan het jaar 1876 slechts tweehonderd en vier
-en dertig duizend bewoond waren, komt het er nog heden niet op aan, dat
-elke boer zich meer toeëigent dan hem toekomt, dan wel of hij zich
-tevreden stelt met zijn wettig deel. Enkele families gebruiken niet
-minder dan twaalf- tot vijftienhonderd hektaren en het is hun geheel
-onverschillig of zij het daarvoor benoodigde aantal paarden of nog
-twintig of dertig daarboven voeden. In werkelijkheid geschiedt het niet
-zelden, dat de overtollige huisdieren den boeren van het kroongoed van
-eene zware zorg bevrijden, van de zorg n.l. den hun geworden zegen,
-dien zij ten gevolge der uiterst gebrekkige verkeersmiddelen niet te
-gelde kunnen maken, op te gebruiken. In een land, in welks hoofdstad
-onder gewone omstandigheden het pud of zestien kilogram roggemeel niet
-meer dan 30 cents, het pud tarwemeel niet meer dan 48 cents, het pud
-ossenvleesch in den winter hoogstens 72 cents, een schaap ƒ 2.40, een
-gespeend kalf ƒ 6, een varken ƒ 4.80, een uitstekend paard zelden meer
-dan ƒ 60 van ons geld kost, drukt elke goede oogst de prijzen dermate,
-dat de buitengewone zegen in een last verkeert. Wanneer de boer van het
-kroondomein voor 100 K.G. koren niet meer dan 72 cents van ons geld kan
-verkrijgen, dan wordt hem, die buitendien niet meer werkt dan even
-noodig is, de vlegel al te zwaar in de hand, de zegen volgens zijn
-bekrompen begrippen tot een vloek.
-
-Deze, nu nog bestaande toestanden geven meteen eene verklaring van de
-meeste ondeugden, ook van de deugden onzer kolonisten; hun traagheid,
-hunne nu en dan walging wekkende tevredenheid, hunne onverschilligheid
-tegenover verliezen, hunne mildheid jegens behoeftigen en
-barmhartigheid jegens ongelukkigen. Eveneens begrijpen wij nu het allen
-Siberiërs eigen streven om het aantal bewoners eener plaats zooveel
-mogelijk te vermeerderen. Het groote land heeft als het ware
-menschenhonger. Ieder Siberiër beschouwt daarom met welgevallen zijn
-talrijk huisgezin; en daarom bestaat er in geheel Siberië geen
-vondelingshuis. Waartoe dit? Iedere vrouw, die meent, dat zij haar kind
-niet zou kunnen voeden, of van hetzelve wenscht ontslagen te worden,
-vindt gewillige afnemers voor het kleine wezen.
-
-„Geef maar hier,” zegt de boer tot zulk eene onnatuurlijke moeder,
-„geef maar hier; ik zal ’t wel groot brengen,” en zijn gezicht staat
-daarbij zoo vroolijk, alsof hem een veulen geboren werd. In vroeger
-dagen, toen de bevolking nog veel geringer was dan thans, huwelijkte
-men de nog niet volwassen of pas volwassen kinderen reeds uit, ten
-einde hun zoo spoedig mogelijk oudervreugde deelachtig te doen worden
-en arbeiders te kweeken; tegenwoordig trouwen de jongelingen gewoonlijk
-niet voor hun 18e jaar, maar zoo mogelijk met oudere meisjes, die hoop
-geven op een zoo spoedig mogelijken kinderzegen, terwijl de ouders des
-bruidegoms zeer gaarne de meisjes behulpzaam zijn in het hengelen naar
-een huwbaar jongeling.
-
-En om te bewijzen, dat ook de romantiek niet ontbreekt bij de boeren
-van het Altaï-domein, wil ik hier vermelden, dat geheime huwelijken
-zelfs in dit land niet zeldzaam zijn en dat almede een van liefde
-brandend jongeling zich soms niet ontziet het voorwerp zijner
-aanbidding te schaken. Het laatste geschiedt evenwel meestal met
-volkomen goedkeuring van alle belanghebbenden, dus ook van de
-wederzijdsche ouders—want in dit geval spaart men de kosten van eene
-bruiloft, in casu van den brandewijn. Op een bruiloft toch is het een
-algemeen gebruik alle dorpsbewoners te onthalen, vooral op de noodige
-hoeveelheid geestrijk vocht! Het spreekt vanzelf, dat ook in het
-kroondomein de liefde alle bezwaren, zelfs de tegenkanting der ouders,
-weet te overwinnen. Het meisje is, gelijk alle meisjes op dit
-wereldrond, zeer spoedig voor den schaaklustigen jongen gewonnen, en
-een heilig dienaar der kerk is tegen eene meer dan gewone belooning
-gaarne te bewegen het trouwformulier er over uit te spreken—alleen de
-vertoornde ouders zijn niet zoo licht te verzoenen. De moeder vervloekt
-hare dochter, de vader zijn zoon; beiden bezweren bij alle Heiligen de
-ondeugende kinderen nooit weer terug te willen zien:
-
-
- „En de Hemel, steeds genadig,
- Hoort ook zulks met groot geduld.”
-
-
-Toch komt de verandering in deze gezindheid niet van boven, maar een
-onweêrstaanbaar toovermiddel werkt eindelijk de verzoening uit: „snaps”
-wordt dit toovermiddel genoemd bij die menschen, welke Duitschlands
-grond, Woetki bij hen, die Ruslands heilige aarde bewonen. Zoodra de
-schoonvader drinkt heeft de jonge echtgenoot het pleidooi gewonnen;
-want mama schoonmoeder drinkt mede, en de foeselhoudende nektar
-verweekt ook het hardvochtige hart der laatste. Verschijnen dan, als
-het ware toevallig, nog eenige vrienden op het tooneel, ook deze worden
-niet teruggewezen en drinken dapper ter eere der verzoening mede; de nu
-gemaakte kosten toch, zijn in elk geval nog veel geringer dan wanneer
-het geheele dorp den zegen des hemels voor het jonge paar, al
-drinkende, had helpen afsmeeken. Wie zou nu nog kunnen loochenen dat de
-liefde, de reine, heilige liefde zelfs een boerenjongen uit het
-Altaïgebergte vindingrijk maakt.
-
-Een bruidsschat ontvangt het meisje van het kroondomein niet;
-integendeel, haar moeder verlangt van den bruidegom een geschenk, en
-eischt dit zelfs, naar vrouwenaard, dikwijls onder huilen en schreien.
-Slechts wanneer bijzondere omstandigheden in ’t spel zijn, wanneer b.v.
-op den morgen na de bruiloft, de gasten het bruidshemd, dat zij
-wenschten te zien, niet overeenkomstig hun verwachtingen vinden,
-gebeurt wel eens het tegendeel. De verstandige en ervaren schoonpapa
-bedient zich in dergelijke gevallen van het beproefde toovermiddel,
-brengt een behoorlijk aantal, vooraf reeds, voorzichtigheidshalve
-gereed gehouden flesschen te voorschijn, belooft den vertoornden of
-althans mopperenden schoonzoon een veulen, een os, eenige varkens, enz.
-De geesten worden rustiger, de verzoening is getroffen.
-
-Waarom ook zou de bruidegom toornen? Anderen is het eveneens gegaan en
-de toekomst kan veel goed maken. Vadervreugde kan immers ook onder niet
-regelmatige omstandigheden zijn deel worden; vadervreugde echter blijft
-het. Want broodzorgen behoeft ook het armste paartje niet te hebben,
-als het slechts de handen wil roeren; men helpt het gaarne aan dit en
-dat, en wanneer de zoo barmhartige hemel slechts eenige jaren matig wil
-zijn met het uitstorten van zijn zegen, wanneer koorn en vee een
-redelijken prijs behouden, dan sieren ongetwijfeld na weinig tijds
-theepotten en schoteltjes een hoektafeltje, zijden dekens het groote
-twee-slaapsbed, schitterende heiligen-beeldjes den rechter achterhoek,
-en boven alle beschrijving schoone schilderijen, voorstellende jachten
-op leeuwen, tijgers, beren, wolven, olifanten, herten en krokodillen de
-wanden der in geen gegoed boerenhuis ontbrekende, rein en netjes
-gehouden „mooie kamer.”
-
-Een weinig hiervan afwijkend huiselijk leven kan ook het deel worden
-van alle bannelingen, die naar Siberië „gezonden” worden, voor den een
-iets vroeger, voor den ander wat later, indien zij slechts zulk een
-huiselijk leven begeeren, lang genoeg leven en eenigszins door de
-fortuin begunstigd worden. Ik heb in Siberië andere denkbeelden over de
-bannelingen gekregen dan ik koesterde vóór ik Siberië bezocht; ik doe
-echter vooraf opmerken, dat ik niet tot hen behoor, die meer hart
-schijnen te hebben voor moordenaars, roovers, brandstichters, dieven of
-dergelijk gespuis dan voor een vlijtigen huisvader, die in ’t zweet
-zijns aanschijns het brood voor eene talrijke familie tracht te
-verdienen, en dat ik mij tot nog toe niet heb kunnen verheffen tot de
-hoogte van hen, die elke straf willen verminderen, elke gevangenschap
-verzachten.
-
-Elk jaar worden gemiddeld 15000 menschen naar Siberië „gezonden,”
-gelijk de gewone uitdrukking luidt. Zware misdadigers worden
-levenslang, minder zware voor een aantal jaren verbannen. Over de
-gestrengheid en de gebreken van het Russische wetboek spreek ik hier
-niet; dat daarin de doodstraf voorkomt als slechts toepasselijk op de
-zwaarste en zeer zeldzaam voorkomende misdaden is zeker geen bewijs
-voor de hardheid van genoemd wetboek; het ergste is wel, dat zoodanige
-bannelingen, die wegens staatkundige misdrijven werden veroordeeld,
-onderweg en dikwijls ook in Siberië op dezelfde wijze behandeld worden
-als de gemeenste misdadigers.
-
-De tot verbanning veroordeelde wordt allereerst van de gevangenis der
-provinciestad naar die van de gouvernements hoofdstad overgebracht en
-daarna met den spoortrein, of een gewonen boerenwagen naar
-Nischni-Nowgorod, Kasan of Perm gezonden. Of men in den tegenwoordigen
-tijd op voetreizen de misdadigers nog twee aan twee aan een langen
-keten klinkt en ze noodzaakt dien keten gedurende de geheele reis te
-dragen, weet ik niet; gezien heb ik zulks nooit en ik ben ook vast
-overtuigd, dat de bekende zachtaardigheid van den overleden keizer deze
-oude barbaarsche handelwijs niet gedoogd zou hebben. In de genoemde
-steden, ook in Tjoemen en Tobolsk bevinden zich ruime
-doorgangsgevangenissen; onderweg, op alle, tengevolge van het bouwen
-van een daarmede parallel loopenden spoorweg nog niet verlaten wegen,
-minder ruime gebouwen, ter opsluiting van de daar den nacht
-doorbrengende bannelingen. In zooverre dit niet noodzakelijk is worden
-dezen nimmer gedwongen te voet te gaan, maar door middel van
-spoorwegen, wagens en stoombooten naar de plaats van bestemming
-getransporteerd; b.v. van Nischni-Nowgorod of Kasan naar Perm, van
-Tjoemen uit op de Thoera, Tobolsk, Irtysch, Ob en Tom naar Tomsk. De
-gevangenissen zijn eenvoudige, maar vrij zindelijke, de daarmede
-samenhangende, maar op voldoende wijze afgescheiden hospitalen
-voorbeeldig ingerichte gebouwen, de rivierbooten zeer lange, twee
-verdiepingen bevattende schepen, die men het best zou kunnen
-vergelijken bij reusachtige, drijvende kooien, daar de geheele
-bovenverdieping in het midden, evenals eene vogelkooi, van tralies is
-voorzien. Elk dier booten, door een stoomschip gesleept, bevat ruimte
-voor zeshonderd personen, daarenboven een groote keuken, een
-ziekenzaal, eene kleine apotheek, en tevens afzonderlijke vertrekken
-voor de bemanning en de begeleidende soldaten. Tusschen Perm en Tjoemen
-rijden wagens, die eveneens op vogelkooien gelijken en voor het vervoer
-van de gevaarlijkste misdadigers dienen.
-
-Elke banneling ontvangt van regeeringswege een zwaren, grijzen wollen
-mantel, waarop aan de rugzij een vierkant, al naar den aard van het
-misdrijf, of liever van de straf, verschillend gekleurd stuk laken is
-vastgehecht. Hierdoor worden de soldaten, voor zooveel noodig,
-ingelicht omtrent de personen, over wie zij het toezicht hebben. Iedere
-„ongelukkige” ontvangt dagelijks tien, is hij van beteren stand
-vijftien, maar bij langduriger gevangenschap zeven, somtijds vijftien
-kopeken voor de aanschaffing van zijn voedsel. Deze som is zoo ruim
-berekend, dat men met eenig overleg daarvoor alle noodzakelijke
-levensbehoeften kan koopen, ofschoon nog daarenboven iederen dag, de
-vasten alleen uitgezonderd, aan elken persoon drie kwart pond vleesch
-wordt uitgereikt. Indien de vrouw en de kinderen de veroordeelden
-vergezellen, dan ontvangen deze een gelijke som. Bijverdiensten zijn
-geoorloofd; het door werken of bedelen gewonnen geld vloeit, alhoewel
-niet altijd ongedeeld, in den zak van den veroordeelde, soms ook wel in
-den vorm van woettki door zijn keelgat.
-
-Zooeven merkte ik op, dat de vrouw en kinderen den veroordeelde mogen
-vergezellen; ik moet er nog bijvoegen, dat zulks in den regel ook
-geschiedt. De veroordeeling tot een gestrenge straf, ingevolge van een
-zwaar misdrijf, levert ook in Rusland een voldoenden grond op om
-echtscheiding aan te vragen; het staat dus iedere vrouw vrij om haar
-man in de verbanning te volgen, of thuis te blijven. Zelfs de kinderen
-boven de 14 jaren hebben het recht voor zich te beslissen, of zij met
-hunne, naar Siberië trekkende ouders willen meêreizen of niet. Maar de
-regeering ziet het gaarne, dat vrouw en kind den veroordeelde volgen,
-werkt zulks op alle mogelijke wijzen in de hand, en houdt zich tevens
-ernstig onledig met de vraag, in hoeverre de moeilijkheden en
-onaangenaamheden, aan de reis verbonden, kunnen worden verminderd.
-
-Dat deze onder alle omstandigheden drukkend zijn, kan niet geloochend
-worden; zoo ijselijk evenwel, als zij ons afgeschilderd worden, zijn ze
-niet. Alleen de allerzwaarste misdadigers worden geboeid naar de plaats
-van bestemming vervoerd; de anderen genieten meer vrijheden dan onze
-veroordeelden.
-
-Het ellendigst is de reis, wanneer deze op stoombooten of op door deze
-gesleepte schepen moet worden afgelegd. De bannelingen en hunne
-gezinnen worden samen in ééne ruimte opgesloten; de gevolgen dezer
-handelwijs zijn uitspattingen van allerlei aard, waaronder zulke, die
-moeilijk nader te beschrijven zijn, en deels niet voorkomen kunnen
-worden, of waarop niet genoegzaam gelet wordt. De slimme dief besteelt
-den minder schranderen beroepsbroeder, de sterkere overmant den
-zwakkere; men snijdt de zolen van de laarzen der slapenden, om zich de
-hier wellicht verborgen banknoten toe te eigenen; de onverbeterlijke
-zondaar doet den berouwhebbenden wankelen of bederft dengene, bij wien
-nog hoop bestond op verbetering, in den grond. Wel is waar worden thans
-de mannelijke en vrouwelijke misdadigers onderweg gescheiden, maar de
-familieleden blijven bij hun hoofd, en nu loopen de vrouwen en dochters
-der bannelingen gedurende de reis bestendig gevaar, al moge men zooveel
-mogelijk trachten zulks te beletten. Daarentegen wordt de reis door
-middel van stoomschepen ook wederom aanmerkelijk verkort, zoodat de nog
-niet geheel bedorvenen, en zoo ook de vrije, niet veroordeelde
-bannelingen te eerder aan die heillooze invloeden worden onttrokken.
-Bezwaarlijker echter, ofschoon minder gevaarlijk voor de nog niet
-geheel bedorven veroordeelden, is de reis te land. Een Russische
-boerenwagen, op Russische wegen, en gereden door Russische, bijna
-onafgebroken in galop voorthollende paarden, is voorzeker naar onze
-begrippen een martelwerktuig, maar niet voor de Russen uit den geringen
-stand, die van hunne jeugd af aan geen beter voertuigen of wegen gewoon
-waren. De banneling moet, wel is waar, zich hier tevreden stellen met
-een kleiner plaatsje dan de boer, wanneer deze met zijn gezin uit
-rijden gaat, daar de wagen vol geladen wordt met zes tot acht personen,
-maar ook de koetsier en mederijdende soldaat hebben het niet beter dan
-de veroordeelde; alleen de zware misdadiger maakt daarop eene
-uitzondering; diens ketens klinken ons bij zulk een rit
-alleronaangenaamst in de ooren. Een banneling uit den beschaafden
-stand, b.v. een wegens politiek misdrijf veroordeelde, heeft het
-natuurlijk vreeselijk te verantwoorden en hij is volkomen in zijn
-recht, wanneer hij deze reis met de zwartste kleuren afschildert, maar
-de plaatselijke gesteldheden en landsgewoonten in acht genomen,
-verliest deze gedwongen verhuizing althans iets van den vloek der
-wreedheid, die op haar kleeft. En wat eindelijk de voetreizen betreft,
-deze vinden vooreerst nooit in den winter plaats, worden slechts van
-krachtige mannen, die kunnen loopen, geëischt, strekken zich over geen
-langer dagmarschen uit dan veertig werst, en worden om den derden dag
-met een rustdag in de aan den weg gelegen gevangenis afgewisseld. Ook
-de soldaat moet alweder te voet gaan, maar deze heeft nog buitendien op
-de bannelingen te letten en is voor hen verantwoordelijk, zoodat hij
-het zwaarder heeft dan deze. Even veel gewicht als de moordenaar aan
-zijn ketens heeft mede te slepen, moet de soldaat torschen aan zijn
-wapens, pakkage en ammunitie. En de laatste is een trouw dienaar van
-den staat, de eerste een uitvaagsel der maatschappij.
-
-Onrechtvaardig is en blijft het, dat een uit hoogere standen ontsproten
-en wegens een gemeen misdrijf veroordeelde banneling, indien hij zulks
-uit eigen middelen of die van anderen kan bekostigen, anders wordt
-behandeld dan een voor hetzelfde misdrijf veroordeelde uit den geringen
-stand; aan eerstgenoemden veroorlooft men, onder geleide van twee, voor
-hunne heen- en terugreis door hem te betalen kozakken, op eene wijze
-gelijk hij zelf wenscht en dus zoo gemakkelijk mogelijk, naar de plaats
-zijner verbanning te trekken.
-
-Wordt zulks door iederen onbevooroordeelden Rus of Siberiër als eene
-ongerechtigheid gebrandmerkt, en de waarheid er van onbewimpeld erkend,
-aan den anderen kant is het even waar dat er van mishandeling der
-getransporteerden van de zijde der met de overbrenging en bewaking
-belaste beambten van hoogeren of lageren rang, gelijk door de
-bannelingen zelf wordt erkend, geen sprake is. Het komt wel eens voor,
-dat oproerige bannelingen onderweg worden doodgeschoten of op andere
-wijs voor altijd onschadelijk gemaakt, maar zulke voorvallen behooren
-tot de grootste zeldzaamheden en zijn noodzakelijke uitvloeisels der
-omstandigheden, terwijl dit middel dan eerst wordt toegepast als alle
-andere maatregelen onvoldoende blijken te zijn. De Rus is uit zijn aard
-niet wreed zooals de Spanjaard, Turk, Griek of Zuid-Slavoniër; veeleer,
-uit een kwalijk begrepen gevoel van barmhartigheid, soms uit traagheid,
-te zacht dan te hard; hij spant wel eens mensch en dier boven hun
-krachten in, maar ze voor zijn vermaak met opzet martelen, dit doet hij
-nooit. Reeds uit den naam, aan alle bannelingen gegeven, „ongelukkigen”
-spreekt genoegzaam een diep gevoel des volks, en met dit gevoel van
-barmhartigheid houdt iedereen rekening, de soldaat en
-veiligheidsbeambte, de opzichter der gevangenissen en de
-gevangenbewaarder. Dat sommige onverbeterlijke booswichten zelfs het
-vroomste lamsgeduld kunnen prikkelen en in flikkerenden toorn
-veranderen, is te begrijpen; dat eervergeten kantoorklerken op de
-verbanningsplaatsen zich zelfs het ongeluk schatplichtig maken om in ’t
-bezit van meer geld te geraken dan de Staat hun aan jaarwedde
-uitbetaalt, werd mij door bannelingen medegedeeld; dat de ter
-verbanning veroordeelde opstandelingen van de laatste Poolsche
-revolutie strenger door de hen begeleidende Russische soldaten werden
-behandeld dan andere bannelingen, ja zelfs met onverbiddelijke
-gestrengheid, heeft een gewezen scherprechter, die mij zijne
-levensgeschiedenis door bemiddeling van een tolk moest verhalen,
-geklaagd. Voor zulke buitensporigheden de tegenwoordige regeering
-verantwoordelijk te stellen, gelijk nog altijd geschiedt, haar eeuwige
-barbaarschheid toe te schrijven, en bestendig van den knoet te spreken,
-die reeds sedert jaren is afgeschaft, onze oostelijke buren in ’t
-algemeen als barbaren af te schilderen, dit is eenvoudig zinneloos,
-omdat zulks in alle opzichten een logen is.
-
-Alle vigeerende wetten, verordeningen en inrichtingen bewijzen, dat de
-regeering op de meest welwillende wijze voor de bannelingen zorgt en
-zooveel mogelijk er op bedacht is hun lot te verzachten, terwijl
-iedereen in de gelegenheid wordt gesteld hierin vroeger of later
-verbetering te brengen. Zoo is het streng verboden de bannelingen met
-onrechtmatige hardheid te behandelen, en wie dit gebod overtreedt wordt
-streng gestraft; hun iets op onrechtmatige wijze te onthouden geldt
-voor een zware misdaad. Overal heerscht het streven de straf te
-verzachten, zoodra zulks maar eenigszins kan, den veroordeelde aan de
-menschelijke maatschappij terug te geven, zoodra zulks mogelijk is.
-Maar men helpt alleen hem, die dit verdient, niet dengene, die
-beterschap huichelt. Want men fokt in Siberië geen huichelaars, zooals
-in onze gevangenissen. De bij ons maar al te veel gebruikelijke,
-walgingwekkende zucht om van de veroordeelden „vromen” te maken, kennen
-de Russen niet, omdat het in hunne oogen iets is, wat vanzelf spreekt,
-dat ieder de kerk en de „lieve heiligen” eert en acht, op zijn tijd
-vast en in ’t algemeen dat doet, hetgeen de in uiterlijke vormen
-opgaande kerk eischt. Men pakt er het kwaad bij de juiste plaats aan en
-verkrijgt uitkomsten, die wij de Russen zouden kunnen benijden, of
-liever benijden moesten.
-
-Van de vijftien duizend bannelingen worden telken jare slechts duizend
-aan de bergwerken overgedragen, terwijl de anderen op verschillende
-gouvernementen worden ingedeeld of, gelijk het heet, ter kolonisatie
-verwezen. In de groote gevangenissen scheidt men niet alleen de mannen
-van de vrouwen, maar ook Christenen, Joden en Mohamedanen; bij de
-kolonisatie let men eveneens op het geloof. Zoodra de tot eene lichte
-straf veroordeelde misdadiger de hem aangewezen plaats bereikt heeft,
-verkrijgt hij van de regeering als laatste gift een woonbewijs, en van
-nu af mag hij elk eerlijk beroep ongehinderd uitoefenen, niet evenwel
-zonder toestemming der overheid van het distrikt, waar hij behoort,
-terwijl hij evenmin het dorp van zijn verblijf mag verlaten, weshalve
-hij dan ook voortdurend onder politie-toezicht is geplaatst.
-
-Waarom hij verbannen werd, over zijn vroeger leven wordt niet
-gesproken, althans niet met een kwalijk gemeend doel, want „in ’t huis
-van den gehangene spreekt men niet over den strop.” De bevolking,
-waaronder hij leeft, stamt ook van zulke „ongelukkigen” af, of bestaat
-er nog gedeeltelijk uit; en de weinige vrije kolonisten voegen zich
-naar de zeden en gewoonten der overige Siberiërs. Men helpt de
-„ongelukkigen” op eene wettige, soms niet eens in alles te
-rechtvaardigen wijze. Reeds in de algemeene gevangenissen richt men
-werkplaatsen op, ten einde vlijtige, arbeidzame bannelingen gelegenheid
-te geven iets uit te voeren; buitendien tracht men door schoolonderwijs
-het opkomend geslacht in goede banen te leiden, of trekt zich het lot
-der door de bannelingen achtergelaten weezen met zulk eene opoffering
-van tijd en geld, met zulk eene waarlijk edele menschlievendheid aan,
-dat slechts hij, die met blindheid geslagen is, zulke lichtpunten niet
-ziet, slechts een moedwillig stomme daarvan niet spreken wil. In de
-gevangenis van Tjoemen bezochten wij de school, alwaar een pope
-onderricht gaf aan de kinderen van Christenen, Joden en Tataren; het
-was een verkwikkelijk schouwspel dien langlokkigen, gebaarden, ofschoon
-nog jeugdigen pope, met zijn Christus-voorkomen, te zien werken. De
-kinderen der Joden en Tataren moesten, wel is waar, even zoo goed als
-de Christenkinderen den katechismus der rechtzinnige kerk leeren en
-opzeggen, en eene stille hoop, dezen of genen der eersten voor het
-Christendom te winnen, zal wel het hart van den pope hebben vervuld,
-maar wat beteekent de schade, welke katechismus of pope zou hebben
-kunnen te weeg brengen, vergeleken bij het nuttige doel, dat men
-nastreefde? De knapen leerden door den katechismus Russisch lezen, zij
-leerden nog schrijven en rekenen bovendien, en dit was de hoofdzaak. In
-datzelfde Tjoemen bezochten wij het door een rijke dame gestichte en
-ook door haar bestuurde en grootendeels onderhouden weeshuis voor de
-kinderen van onderweg of in de stadsgevangenis gestorven bannelingen;
-eene modelinrichting in den uitgestrektsten zin des woords, met
-vroolijke kindergezichtjes, fraaie leer- en slaapzalen, werk- en
-speelplaatsen, een klein tooneel met toebehoor; hier zagen wij een werk
-van barmhartige liefde, waaraan wel niemand den hoogsten eerbied kon
-ontzeggen. Maar wij zouden nog meer leeren kennen.
-
-Te Tjoemen, Omsk, Tobolsk en niet alleen in de steden, maar in de beide
-betreffende gouvernementen verkeerden wij voortdurend met bannelingen,
-meerendeels licht veroordeelden, dieven, bedriegers, gauwdieven,
-landloopers en dergelijk volkje, tevens met oproerige Polen en andere
-opstandelingen. De direkteur der Bank, die ons gastvrij ontving, was
-een tot twaalfjarige verbanning veroordeelde Poolsche opstandeling; de
-schrijnwerker, bij wien wij kisten bestelden, had de post bestolen, de
-koetsier, die ons reed, had een zwaren diefstal op zijn geweten, de
-kellner, die ons bediende, had een gast in het hotel bestolen, de
-vriendelijke man uit Riga, die ons bij ’t overtrekken der Irtysch zoo
-trouw had bijgestaan, had een officiëel stuk vervalscht, Goldmacher,
-mijn oppasser te Obdorsk, had Russische meisjes aan Turksche harems
-verkocht; het meisje, dat onze kamer schoonmaakte, had haar kind
-vermoord, de apotheker te Omsk, had, naar men ons vertelde, zich met
-kwade bedoelingen vergist en vergiften toegediend, enz. Wij zagen
-eindelijk in alle menschen misdadigers, en wij behoefden ons slechts
-naar een dienaar des gerechts te begeven om te hooren, dat al die
-achtingswaardige lieden, waarmede wij in aanraking kwamen, kooplieden,
-notarissen, photografen, tooneelspelers niet uitgezonderd, valsche
-munters, oplichters, bedriegers enz. waren geweest. En toch, ieder
-hunner verdiende hier zijn brood, soms meer dan dit, en menigeen, die
-niet herkend wilde worden, had men niet ongestraft naar zijn verleden
-kunnen vragen, omdat hij hiermede voor goed gebroken had. Dat een
-banneling, een gewezen misdadiger zulks kan, dankt hij uitsluitend aan
-zijne medeburgers en aan de regeering, die het goede voornemen om een
-nieuw leven te beginnen, naar vermogen bevordert. Men geeft een ieder,
-die werken wil, werk, zonder van wantrouwen blijk te geven, neemt hem
-zonder vrees in zijn dienst, gebruikt den voormaligen dief als knecht,
-koetsier of kok, de kindermoordenares als kindermeid, den veroordeelden
-handwerksman, waar men hem noodig heeft. En men verzekert, dat het
-slechts zelden voorkomt, dat men berouw over deze handelwijs moet
-gevoelen. Zoo wordt menig misdadiger aan de menschelijke maatschappij
-teruggegeven, tot een niet meer gevaarlijk staatsburger, en de vloek
-der zonde reikt hier niet tot in het vierde, maar soms niet eens tot
-het tweede lid. Wat bij ons zoo goed als niet mogelijk is, is in
-Siberië mogelijk; daar maakt men van een misdadiger een mensch. Dat
-zulks niet altijd gelukt, dat er ook in Rusland evengoed als bij ons
-onverbeterlijken zijn, zal geen Siberiër ontkennen, maar het is een
-opmerkelijk feit, dat in Siberië de door zijne gemeente uitgeworpen
-landlooper veel gemakkelijker tot een misdadiger wordt, dan dat de
-gestrafte misdadiger in vroegere zonden terugvalt.
-
-Terwijl de tot nog toe besproken bannelingen vrij zijn in hun bedrijf,
-worden de zware misdadigers tot den arbeid in de mijnen gedwongen.
-Omtrent Nertschinsk, alwaar 4000 dier ongelukkigen werkzaam zijn, welk
-aantal nagenoeg stationair blijft, heeft de tegenwoordige
-hoofdingenieur van het domein, Generaal von Eichwald, ons uitvoerig
-ingelicht. Wat de misdadigers zelf aangaat, komt datgene, wat ik
-vernam, kortelijk op het volgende neêr:
-
-Alle, tot den mijnarbeid veroordeelde bannelingen worden, aan de voeten
-geboeid, ingeleverd en met deze ketenen beladen verrichten zij
-hetzelfde werk als de vrije mijnwerkers. De verstandige mijnopzichter
-onder wiens bevelen en opzicht zij werken, behandelt hen reeds ter
-wille van zijn eigen leven en dat der zijnen menschelijk; want hij
-heeft geen dienstpersoneel, talrijk genoeg om een eventueel oproer te
-bedwingen. De misdaad van den veroordeelde is hem bekend; hij vraagt
-dus niet naar het verleden. Na eenigen tijd storten de meeste
-misdadigers uit eigen beweging hun hart voor hem uit, en smeeken hem om
-verzachting van straf. Ook deze misdadigers mochten hun gezin
-medenemen, of, indien zij ongehuwd zijn, staat het hun vrij eene vrouw
-te kiezen. Staat hij op deze wijze nog met de maatschappij in
-betrekking, dan ontwaakt dikwijls, zeer dikwijls zelfs, het geweten;
-hij krijgt berouw en met dit berouw vat de hoop post in zijn boezem, en
-op de hoop volgt het voornemen het gebeurde in de vergetelheid te
-begraven. Hij werkt een of een paar jaren in boeien, gedraagt zich goed
-en wekt vertrouwen. Zijn opzichter bevrijdt hem van de boeien. Hij
-blijft zijn voornemen getrouw, arbeidt vlijtig door en begint voor zijn
-gezin te zorgen. Dat gezin bindt hem aan het aanvankelijk zoo
-onuitsprekelijk gevreesde vreemde land; dit blijkt beter te zijn dan
-het gerucht meldt; hij begint tevreden te worden. Nu is het rechte
-oogenblik gekomen om hem aan de menschheid terug te geven. De ambtenaar
-schrijft hem op als kolonist. Jaren zijn verloopen sedert hij de
-misdaad beging; deze staat voor zijn geest als een booze droom. Voor
-zich ziet hij een wordende boerenhoeve, achter zich de boeien. De
-geboorteplaats is hem vreemd geworden, met het vreemde land is hij
-verzoend. Hij wordt boer, arbeidt, komt vooruit, en sterft als een
-verbeterd mensch. Met dit oogenblik herkrijgen ook zijn kinderen hunne
-vrijheid, en vrije Siberische burgers bebouwen voortaan het hun door de
-regeering geschonken stuk gronds. Dit is geen verdichting, maar
-werkelijkheid.
-
-Zeer zeker, niet ieder misdadiger schikt zich in zijn lot. Vol wrok
-tegen dit lot en de menschheid, ontevreden met alles en allen, onwillig
-tot den arbeid, misschien ook door heimweê gekweld, althans zuchtende
-naar vrijheid, vindt de een den ander en beiden zijn op de vlucht
-bedacht. Weken, maanden, jaren achtereen loeren zij op het gunstige
-oogenblik; de een maakt den ander nauwkeurig en bij herhaling bekend
-met zijn geheelen levensloop, schildert hem tot in de kleinste
-bijzonderheden het dorp, waar hij heeft gewoond, de streek, het huis
-zijner kindsche jaren, noemt hem al de namen zijner bloedverwanten, van
-alle dorpsbewoners, die der naburige dorpen, de naaste steden, vergeet
-niets en prent alles diep in het geheugen zijns kameraads; want hij wil
-dien naam en die afkomst zich toeëigenen, om in geval hij gevat mocht
-worden, daarmede de herkenning te bemoeilijken. De ander doet
-hetzelfde. Een smid wordt voor het plan gewonnen, mede tot de vlucht
-overgehaald, of anders een of ander werktuig opgespoord, waarmede men
-de boeien kan verbreken. De lente is tot waarheid geworden, de dag der
-ontvluchting breekt aan; bij de bestaande inrichting der bergwerken
-valt het gemakkelijk, ja zeer gemakkelijk, ongezien te ontkomen en
-eenige uren onopgemerkt te blijven. Is het bosch bereikt, dan zijn de
-vluchtelingen voor het weder opvangen genoegzaam beveiligd, maar daarom
-nog niet vrij van alle gevaar. Want de inboorling van dit land, de
-Toengoes of Jakoet, die stroopend door de bosschen trekt, wordt
-dikwijls verleid door de pels, die beter is dan de zijne, en een zeker
-treffende kogel maakt zonder gewetenswroeging, ter wille van dien pels,
-een eind aan een menschenleven. Zulke omstandigheden niet medegerekend,
-ontmoet de vluchteling zelden hinderpalen.
-
-Ieder Siberiër zal uit een hem ingeschapen gevoel van goedhartigheid,
-of uit een verkeerd toegepast medelijden, wellicht ook uit vrees of
-traagheid, den vluchteling eerder helpen dan hem tegenhouden. In alle,
-ten minste in vele aan den weg gelegen dorpen, plaatsen de boeren om de
-beurt een grooten pot met melk en leggen ze een goed stuk brood, soms
-ook een stuk vleesch achter een geopend venster, opdat de in den nacht
-door het dorp trekkende vluchteling voedsel vinde en hij niet zal
-genoodzaakt worden zijn toevlucht tot stelen te nemen. Zoolang hij zich
-tevreden stelt met het hem vrijwillig gegevene, zoolang hij smeekend of
-bedelend vraagt, zich echter onthoudt van alle ongerechtigheid, niet
-steelt of rooft, knijpt zelfs de burgemeester de oogen dicht, wanneer
-er ’s nachts onbekende lieden door het dorp reizen en het voor de
-„ongelukkigen” bestemde voedsel tot zich nemen, of in de steeds warme,
-eenzaam gelegen badkamer nachtrust zoeken en vinden. En wanneer een
-„ongelukkige” op den klaar lichten dag mocht bedelen, verraden doet men
-hem niet; en wanneer dezelfde „ongelukkige” om een paardetuig
-vraagt—weigeren zal men hem ook dit niet, zoo men er nog een te veel
-heeft. Wat hij met dat tuig wil, men weet het. Daar buiten het dorp
-weiden de paarden, in weêrwil van wolven en beren, zonder eenig
-toezicht. De vluchteling gaat naar de kudde, werpt een fermen hengst
-het tuig over den kop, springt op den breeden rug en draaft lustig weg.
-
-„Nikolai Alexandrowitsch,” meldt iemand den eigenaar des paards,
-„zooeven is een ongelukkige met uw beste ros doorgegaan; hij rijdt den
-weg op naar Romanowskaja; zullen wij hem nazetten?”
-
-„„Nitschewo”” antwoordt Nikolai, „„paardje zal wel weêr terugkomen. Het
-zal een ongelukkige geweest zijn. Laat hem rijden.””
-
-Paardje komt ook zeker weêr terug, want op de weide achter Romanowskaja
-heeft hij het tegen een ander verruild en rijdt hierop verder, terwijl
-het eerste paard op welbekende wegen huiswaarts draaft.
-
-Op deze wijze geholpen, bereiken negentig van de honderd bannelingen
-Tjoemen, Perm en zelfs Kasan. Waren zij beter bereisd, hadden zij
-eenige aardrijkskundige kennis, reisden zij niet altijd langs dezelfde
-wegen, waarop zij uit Rusland naar Siberië trokken, weder naar hun
-woonplaats terug, zij zouden, zoo niet altijd, toch in de meeste
-gevallen hun doel bereiken. Te Tjoemen, Perm en Kasan echter vangt men
-meest alle vluchtelingen weêr op. En al mocht ook hij, die zijn naam
-tegen dien van een ander verwisselde, niet uit zijn rol vallen, en al
-mocht ook een ander op de hem voorgelegde vraag slechts dit ééne
-antwoord geven: „Ik weet het niet,” noch het een, noch het ander
-onttrekt hem aan het eindvonnis: terug naar Siberië! terwijl hij nog
-stokslagen meteen ontvangt, als straf elken achterhaalden vluchteling
-opgelegd. Hij reist langs denzelfden weg, dien hij als gevonnisde reeds
-eenmaal bereisde, naar Siberië terug, om wellicht reeds spoedig na
-zijne aankomst op nieuwe vluchtplannen te zinnen en deze te volvoeren.
-Er zijn bannelingen, die tot zesmalen toe op deze wijze door Siberië
-zijn getrokken.
-
-Spoediger dan zulke onverbeterlijke vluchtelingen eindigen dezoodanigen
-hun loopbaan, die zich onderweg laten verleiden om te stelen of andere
-misdaden te plegen. In zulke gevallen verkeert de goedmoedigheid van
-den gezeten boer in wraakzucht. Alle eigenaren vereenigen zich om den
-misdadiger te vervolgen, en deze is verloren, tenzij een toeval hem
-redt. Wordt hij gegrepen, niets redt hem van een smartelijken dood. Dan
-wordt er een lijk gevonden, aan ’t welk geen uitwendige kenteekenen van
-een gewelddadigen dood zijn te vinden. Men begraaft het lijk, geeft aan
-de overheid kennis van een en ander en deze meldt zulks verder aan den
-Gouverneur, de laatste weder aan den Gouverneur-Generaal. Het overschot
-van den misdadiger, die der volkswoede ten offer viel, is echter reeds
-in ontbinding overgegaan nog vóór de distriktsarts zou kunnen
-verschijnen, gesteld dat hij verschijnen wil. Wien de wraak trof blijft
-onbekend. Op deze wijze, maar niet op last der regeering, verdwijnt
-thans nog menig banneling, omtrent wiens uiteinde niemand iets weet
-mede te deelen, de overheid zelfs geen licht kan verschaffen. Ieder
-banneling echter weet welk lot hem wacht, zoo hij in Siberië als
-vluchteling steelt of andere misdaden bedrijft. En daarom leeft men
-hier, te midden van duizenden misdadigers, even veilig als ergens ter
-wereld, en in elk geval veiliger dan in onze door het uitvaagsel der
-menschheid verpeste groote steden.
-
-Ik heb getracht een getrouw beeld te ontwerpen van de tegenwoordige
-toestanden, of liever gelijk deze in 1876 waren. Ik heb noch willen
-verzachten, noch willen verbloemen. Verbanning naar Siberië is en
-blijft eene straf, eene zware straf. En die straf drukt te zwaarder,
-naarmate men meer ontwikkeld en beschaafd is, en zij zal in de oogen
-van den ontwikkelde steeds en immer eene vreeselijke straf blijven.
-Maar verbanning naar Siberië mag ook niets anders zijn dan straf en
-moet den ontwikkelde harder treffen dan den niet ontwikkelde. Over de
-rechtmatigheid van dezen grondregel kan men het oneens zijn, maar hij
-valt toch niet geheel en al te loochenen. Men kan echter over het lot
-der Siberische bannelingen eerst dan een rechtvaardig oordeel vellen,
-wanneer men het vergelijkt met dat van onze misdadigers.
-
-Wat wordt er van de ongelukkigen, die onze gevangenissen bevolken? Wat
-wordt er van hun gezin, hunne vrouw en kinderen? Wat is de toekomst van
-den misdadiger, wanneer hij de gevangenis verlaten heeft; en welke
-vooruitzichten heeft hij dan?
-
-Het antwoord op deze vragen moge hij geven, die met de toestanden
-elders in Europa vertrouwd is.
-
-Vergelijkt men het lot, dat onze misdadigers staat te wachten, met dat
-der Siberische bannelingen, dan kan de slotsom niet twijfelachtig zijn.
-Ieder ware menschenvriend zal moeten instemmen met den wensch, die bij
-mij in het verre Oosten is opgekomen en die mij sedert niet weder
-verlaten heeft: „Hadden ook wij een Siberië; het zou beter zijn voor
-onze misdadigers en ons zelf!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-ONDERZOEKINGSTOCHTEN OP DEN DONAU.
-
-
-Hongarije is en blijft het land van belofte voor den vogelkenner.
-Gunstiger gelegen dan eenig ander land van ons werelddeel, tusschen de
-Noordzee en de Zwarte zee, tusschen de Oostzee en de Middellandsche
-zee, tusschen de Alpen en de groote Germaansch-Russische laagvlakte,
-het noorden en het zuiden,—steppen en gebergten, bosschen, groote
-rivieren en moerassen in zich sluitende,—schenkt het aan standvogels
-zoowel als aan strijk- en trekvogels, de grootste voordeelen en
-aantrekkelijkheden, en om deze reden vertoont Hongarije een rijkdom aan
-vogels, gelijk wellicht geen ander land van ons werelddeel. De
-meesterlijke beschrijvingen van dien rijkdom, aan de pen onzer
-uitstekendste geleerden ontvloeid, dragen er niet weinig toe bij om in
-’t hart van alle vogelkundigen een heimelijk verlangen naar Hongarije
-op te wekken. Maar vreemd:—het schoone, rijke land ligt zoo nabij en
-wordt toch zeer zelden door Duitschers bezocht.
-
-Ook ik had alleen zijn hoofdstad gezien en dan nog zooveel als men van
-uit een spoortrein kan waarnemen; steeds sterker werd in mij het
-verlangen, dat heimwee, van hetwelk ik zooeven gewaagde. Dat verlangen
-zou bevredigd worden, maar om spoedig daarna weder vuriger te ontwaken.
-„Niemand wandelt ongestraft onder palmen” en geen vogelminnaar verwijlt
-eenige Meidagen in de Fruškagora zonder later een hartstochtelijk
-verlangen in zich te voelen opkomen, die dreven weder te zien.
-
-„Wilt gij mij,” zoo vroeg mij eens mijn hooge beschermer, kroonprins
-Rudolf, „naar het zuiden van Hongarije op de arendjacht vergezellen? Ik
-heb stellige berichten omtrent twintig adelaarsnesten, en ik vertrouw,
-dat wij allen onze kennis veel zullen vermeerderen, wanneer wij deze
-nesten opzoeken en tevens vlijtig waarnemen.”
-
-Twintig adelaarsnesten. Men moet jarenlang op de kale aardkluiten van
-Noord-Duitschland geketend zijn geweest, men moet zich daarbij de
-heerlijke ontmoetingen van bereisde vogelkenners voor den geest kunnen
-roepen,—en in beide gevallen verkeerde ik—om zich de vreugde te kunnen
-voorstellen, waarmede ik dit aanbod aannam.
-
-Twintig adelaarsnesten, op geen grooten afstand van Weenen, op geringen
-afstand van Pest; ik zou niet mijns vaders naam hebben moeten dragen,
-om hierbij onverschillig te blijven! Tot uren werden de dagen, die
-onder allerlei toebereidselen voorbijvlogen, en tot weken werden ze
-door het ongeduld, met hetwelk ik naar de afreis verlangde.
-
-Het was een klein, maar opgeruimd, hoopvol jacht- en werklustig
-reisgezelschap, dat op Paaschmaandag van het jaar 1878 uit Weenen
-vertrok. Behalve onze aanzienlijke jachtheer en diens doorluchtige
-zwager bevonden zich nog de opperhofmeester Graaf Bombelles, Eugenius
-von Homeijer en ik als verdere jachtgenooten op de snelle en
-behagelijke boot, die ons een dag later, van Pest uit, op de golven van
-den „blonden” Donau stroomafwaarts voerde. Door de morgenzon bestraald
-en overgoten met het waas der lente lag de trotsche keizersburg van
-Ofen voor ons; in ’t eerste voorjaarsgroen prijkten de tuinen van den
-Bloxberg, toen wij in het vroege morgenuur afscheid namen van de
-hoofdstad van Hongarije.
-
-Noch met den Rijn, noch met den bovenloop, ook niet met den benedenloop
-van den Donau laat zich het stuk dezer rivier vergelijken, dat wij
-bereisden. Weinige kilometer reeds beneden de tweelingsteden worden de
-oevers vlak; spoedig krimpen de bergen aan den rechteroever in tot
-onzichtbare heuvels, en slechts in de blauw-nevelige verte aanschouwt
-het oog nog de zacht golvende lijnen van matig hooge bergen. Aan den
-linkeroever breidt zich eene onmetelijke vlakte uit. Onafzienbaar,
-zonder afwisseling, gelijkvormig en eentonig ligt zij daar; zelfs de
-daarin verspreid liggende, aanzienlijke dorpen brengen in die
-eentonigheid nauwelijks eene geringe afwisseling. Hier en daar ziet men
-een herder leunen op zijn zwaren staf; geen vrome schaapjes zijn echter
-aan zijn hoede toevertrouwd, maar knorrende borsteldragers, die
-gezellig rondom den door de zon gebruinden man staan, of in behagelijke
-rust nabij hem zijn gelegerd. Om den poel, die bij dezen hoogen
-waterstand geheel vol is geloopen, beschrijft de kievit wijde kringen;
-over de breede vlakte zwenkt de blauwe kuikendief; voor hunne, in de
-steile oeverwanden gegraven nestholten zweven de oeverzwaluwen heen en
-weder; op de met hout beschoten daken der talrijke scheepsmolens
-trippelen sierlijke kwikstaartjes op en neêr; uit de rivier verheffen
-zich kwakende eenden en aalscholvers; boven het water vliegen en
-zwenken wouwen en bonte kraaien. Zoo ongeveer is het beeld van dit
-landschap.
-
-Weldra evenwel komt daarin verandering. Nog effener wordt de vlakte,
-die de stroom zich zelf eenmaal schiep en die hij thans uitdiept. Over
-uitgestrekte, nog niet ingedijkte, en daarom door elken hoogen vloed
-overstroomde vlakten verdeelt hij zich in een aantal, geen
-afzonderlijke namen dragende armen. Welig opgeschoten hout bedekt de
-oevers en eilanden; dicht begroeide oeverzoomen weren den blik in ’t
-inwendige dezer oerwouden, welke zich mijlen ver langs den horizon
-uitstrekken. In weêrwil der eentonigheid ontstaan en verdwijnen toch
-afwisselende tooneelen, vormen deze zich, verschuiven ze en worden ze
-opgelost, al naar ons vaartuig met den stroom eene andere richting
-aanneemt. Wilgen, abeelen, zilverpeppels en zwarte populieren, olmen en
-eiken, de eerstgenoemde het meest, de laatstgenoemde meer spaarzaam,
-vormen den inhoud. Hooge, oude wilgen steken boven den dichten, bijna
-uitsluitend uit boomen derzelfde soort bestaanden oeverzoom uit; dieper
-naar binnen rijzen zilverpopulieren en zwarte populieren met hunne
-heerlijke kronen omhoog, of steken oude, knoestige eiken de dorre
-takken in de lucht. Met eenen enkelen blik overziet men een geheel
-leven, van het uitspruitend wilgenrijsje af tot den afstervenden
-boomreus; ontspruitende, ontkiemende, opgroeiende, in vollen wasdom
-prijkende struiken en boomgewas, dorre kruinen, door hemel- en aardsch
-vuur gevallen en half verbrande, op den grond liggende en vermolmende
-stammen. Daartusschen blinken stilstaande of stroomende wateren,
-daarboven welft zich de lucht. Uit het geheimzinnig duister klinkt de
-slag van den nachtegaal, van den vink, het gezang van den in liederen
-rijken zanglijster, gilt de valk, schreeuwt de arend, lacht de specht,
-krast de raaf, krijscht de reiger. Nu en dan speurt men eene minder
-dichte plaats in het bosch, een nog niet weder dicht gegroeide, gevelde
-plek, die een blik veroorlooft op het daarachter gelegen landschap, op
-de uitgestrekte vlakte van den rechteroever en den haar begrenzenden
-heuvelzoom, op schier eindelooze akkers, op een dorp, op eene stad. In
-den zomer, wanneer het groen van één tint is, in den naherfst, in den
-winter en het voorjaar, wanneer de boomen bladerloos staan, moge dit
-oeverlandschap vermoeien, nu moge het ook eentonig schijnen, maar het
-is in werkelijkheid bekoorlijk; alle populieren en wilgen prijken thans
-met hun jeugdig, frisch groen, velen met den dos hunner bloemen en zoo
-zien de bosschen er, althans hier en daar, werkelijk teekenachtig uit.
-
-Op weinige plaatsen zijn deze bosschen toegankelijk, omdat zij
-hoofdzakelijk slechts een onafgebroken moeras vormen. Tracht men, nu
-eens langs droge wegen, dan eens langs en op het water tot het
-inwendige door te dringen, men stuit al spoedig op eene wildernis,
-gelijk men ze b.v. in Duitschland niet kent. Op de hoogst gelegen
-plaatsen, daar, waar zich een vette, gedeeltelijk slijkerige grond
-bevindt, wordt men nog eenigszins aan Duitsche bosschen herinnerd. Hier
-ligt wel is waar een weelderig, sappig groen, met witte, geurige
-lelietjes van dalen getooid tapijt ver in ’t rond uitgespreid; maar ook
-hier groeien welig opschietende brandnetels en bramen in zulk eene
-hoeveelheid, en doorvlechten zij de aldaar voorkomende klimplanten zoo
-volkomen, dat het ons onmogelijk wordt verder door te dringen. Op
-andere plaatsen wordt het woud letterlijk tot een meer, uit hetwelk de
-reuzenboomen omhoog stijgen. Zware stammen, door ouderdom, storm,
-bliksem of ’t lichtvaardig vuur van den herder geveld, liggen rottend
-in het water en verstrekken dikwijls reeds tot voedsel voor jong
-opgeschoten heesters, die daaruit opgroeien; andere, minder vergaan,
-versperren den weg. Afgevallen hout, dikke takken en dunne, door den
-wind bijeengehoopte twijgjes vormen drijvende eilandjes en landtongen,
-die zoowel kleine bootjes in hunne vaart hinderen, als den wandelaar,
-die wadend den weg vervolgt. Dergelijke, soms vrij groote, drijvende
-eilanden, uit riet en bies samengesteld, vormen een onzeker, niet te
-vertrouwen dek. Boven den waterspiegel oprijzende kleibanken, op welke
-de zaden van wilgen en populieren een vruchtbaren bodem vonden, zijn
-dicht met genoemde boomsoorten begroeid en betwisten zelfs den grond
-aan de rietbosschen, die oppervlakten innemen van meer dan eene
-vierkante geografische mijl. Dwergwilgen, hier jeugdig en frisch, daar
-grijs van ouderdom, zien er in de verte uit als donkere plekken in dat
-rietbosch. Wat het donkere woud met zijn moerassen en dicht geboomte,
-wat het riet herbergt, zulks blijft voor het zoekend oog des waarnemers
-meerendeels verborgen; alleen de rand dezer wildernissen ligt voor hem
-bloot, het breede vaarwater is de eenige hem toegankelijke weg.
-
-In zulke oorden begonnen wij onze jacht, die eerst op de beheerschers
-der lucht was gemunt. Deze, de arenden, kwamen ons op den eersten
-reisdag echter nog niet onder schot, zelfs niet onder onze oogen; in
-vergoeding hiervoor bezochten wij echter het reeds jarenlang beroemde
-reigereiland Adony en hier hadden wij ruimschoots gelegenheid om het
-leven van genoemde vogels in den broeitijd te leeren kennen. In de
-hooge boomen van dit eiland nestelen sedert twee menschenleeftijden, te
-midden van daar veel langer reeds verblijf houdende roeken, eene
-menigte reigers en schollevaars, en al moge ook in de laatste dertig
-jaren het aantal van laatstgenoemde vogels zeer zijn verminderd,
-verdwenen zijn zij nog niet. Voor veertig jaren nestelden hier volgens
-Landbeck, ongeveer duizend paren kwakken, tweehonderd en vijftig paren
-blauwe reigers, vijftig paren kleine zilverreigers en honderd paren
-schollevaars; heden zijn wederom de roeken het talrijkst, en hun aantal
-kan op 1500 à 2000 paren gesteld worden; de blauwe reigers echter zijn
-tot op ongeveer 150, de kwakken tot op 50 à 40 paren versmolten,
-terwijl de kleine zilverreigers geheel verdwenen zijn, maar de
-schollevaars komen er nog even talrijk voor als vroeger. Toch klonk ons
-nog een nagalm uit het voormalig leven in de ooren, toen wij het eiland
-betraden, en in sommige deelen vertoont het bosch nog vrij wel het oude
-beeld.
-
-Oogenschijnlijk leven die gemengde vogelscharen in volkomen eendracht
-samen, maar werkelijk zijn vrede en vriendschap hier verre. De eene
-vogel verontrust of helpt, brandschat of voedt den ander. In de
-kolonies der roeken laten zich de reigers neder om vrij te zijn van den
-nestbouw; de eersten slepen de takken samen en bouwen de nesten, de
-laatsten verdrijven de roeken van het nest, om zich òf het nest zelf,
-òf de materialen toe te eigenen; nu komen de aalscholvers om wederom de
-reigers den roof te ontnemen en hier ten slotte de beheerschers en
-gebieders van den staat te blijven. Maar neen, ook deze dieven en
-roovers worden op hunne beurt beroofd en bestolen, want kraaien en
-wouwen, welke laatste vogels nimmer in zulk eene kolonie ontbreken,
-voeden zich zelf en hunne jongen voor een goed deel met de visschen,
-die de reigers en aalscholvers naar hunne nesten hadden gesleept.
-
-De eerste ontmoeting dezer verschillende broedvogels is van
-vijandelijken aard. Hevige gevechten hebben plaats, en de tienmaal
-overwonnene opent voor de elfde maal den strijd, alvorens zich bij het
-onvermijdelijke neêr te leggen. Mettertijd evenwel komt er verbetering
-in den toestand; men begint op te merken, dat uit het samenwonen ook
-voordeelen ontspruiten en dat er voor vredelievende buren ruimte genoeg
-overblijft. Wel is waar heerscht er ook nu nog geen volmaakte rust en
-vrede, maar de felle strijd tusschen de verschillende soorten wijkt
-voor meer dragelijke toestanden. Men wordt aan elkander gewoon en maakt
-zich de werkzaamheid van zijne tegenpartij zooveel mogelijk ten nutte.
-Ja, het komt wel eens voor, dat de beroofde den roover, wanneer deze in
-de noodzakelijkheid komt zijn broedplaats elders op te slaan, herwaarts
-volgt.
-
-Zulk een gemengde reigerkolonie levert inderdaad een aantrekkelijk
-gezicht op. „Een boeiender en fraaier tooneel, rijker in afwisseling,”
-zegt Baldamus, „dan deze Hongaarsche moerassen met hare vogelenwereld,
-die zich gelijkelijk onderscheidt door het aantal individuen als door
-verscheidenheid in kleur en vorm, kan men zich bezwaarlijk denken. Men
-beschouwe slechts de meest merkwaardige dezer moerasbewoners in een
-museum, en denke zich dan deze dieren staande, stappende, loopende,
-klimmende, vliegende, kortom, levend, en men zal moeten toegeven, dat
-het vogelleven hier onbeschrijfelijk aantrekkelijk is.” Deze teekening
-is ook dan nog juist, wanneer men haar toepast op het verarmde eiland
-Adony. Hoe gedund ook de eens zoo rijke bevolking zij, nog altijd
-bestaat zij uit duizenden en nog eens duizenden individuen. Ver in het
-rond draagt iedere boom des wouds nesten, sommige van twintig tot
-dertig stuks, en om deze verdringt en beweegt zich het levendige volkje
-der zoo onderscheiden kolonisten. De broeiende wijfjes der roeken,
-blauwe reigers, kwakken en aalscholvers zitten op de nesten, en gluren
-met haar donkere, zwavelgele, bloedroode, of zeegroene oogen naar den
-rustverstoorder, die haar heiligdom betreedt; op de hoogste takken der
-reuzenboomen zitten of klauteren, daarboven fladderen, vliegen en
-zweven allerlei zwarte, bruine, grijze, één- en bontkleurige, doffe en
-glinsterende vogelgedaanten; wouwen beschrijven daarboven hun kringen;
-tegen de stammen hangen en werken de spechten; in de bloesems van een
-pereboom zoeken gladde, vlugge grasmusschen, in de toppen der reeds
-bebladerde vogelkersen vinken en boschzangers hun dagelijksch brood.
-Het heerlijke tapijt van lelietjes van dalen is hier en daar bevuild en
-bemorst door de uitwerpselen der vogels, ontsierd door gebroken eieren
-en de uit het nest gevallen, half vergane visschen.
-
-Het eerste schot uit het geweer van onzen jachtheer roept eene
-onbeschrijfelijke verwarring in ’t leven. Schreeuwend verheffen zich de
-opgeschrikte reigers, oorverdoovend krassen de kraaien; boos grommend
-verlaten ook de aalscholvers hun nesten. Een wolk van vogels zweeft
-over het bosch, drijft heen en weder, op en neêr, breidt een schaduw
-uit over de boomkruinen, spreidt zich in afzonderlijke vlokken uiteen,
-die langzaam naar de zooeven verlaten nesten nederdalen, deze eene poos
-omzweven en aan ’t oog onttrekken, om daarna weder met de hoofdmassa
-ineen te smelten. Het is een geschreeuw, gebrom, gekras en gehuil, dat
-hooren en zien vergaat; elke vogel vliegt weg en keert, beangst om nest
-en eieren, weder terug. Het geheele bosch geraakt in opstand; alleen de
-vink, hierdoor niet medegesleept, blijft doorkweelen met zijn
-lentelied, blijft de specht lachen, blijven de nachtegalen hun
-heerlijke wijsjes slaan, uiten zich deze dichterlijk gestemde zielen te
-midden van roovers en dieven.
-
-Rijk met buit beladen keeren wij na een jacht van vier à vijf uren naar
-de boot, onze woning, ons gezellig verblijf, terug, om terwijl wij
-verder trekken, de gewonnen schatten wetenschappelijk te ordenen. Uren
-lang varen wij langs dergelijke bosschen, gelijk ik schilderde, nu en
-dan ook grootere of kleinere plaatsen, steden en dorpen voorbij, totdat
-de toenemende duisternis halt gebiedt. Tegen het aanbreken van den
-volgenden dag bereiken wij Apatin. Vreugdeschoten, muziek en
-juichkreten begroeten den beminden troonopvolger. Allerlei menschen
-dringen zich om de boot; jagers, die hier wonen, nestenzoekers,
-boombeklimmers, menschen, die de vogels zullen afstroopen, komen aan
-boord; meer dan een dozijn kleine scheepjes, „Czikeln” genoemd, worden
-volgeladen. Weêr stoomt de boot rivierafwaarts, om ons in de nabijheid
-van een breeden arm aan land te zetten. Op dezen arm dringen wij voor
-de eerste maal de natte bosschen in. Alle kleine booten, die wij te
-Apatin hebben volgeladen, volgen de onze, even als kiekens de
-moedereend. Heden vangt de jacht op den arend aan, welke vogel in deze
-bosschen zoo veelvuldig broedt; binnen den omtrek van eene vierkante
-mijl heeft men niet minder dan vijf nesten opgespoord. Vol jachtlust
-scheiden wij, om ons in verschillende richtingen naar die nesten te
-begeven.
-
-Ik kende den koenen, roofgierigen, ofschoon niet-edelen roofvogel van
-vroeger, want ik had hem in Noorwegen en Lapland, alsmede in Siberië en
-Egypte te dikwijls gezien, maar ik had nog nimmer zijn nest aanschouwd;
-de gelegenheid, die zich nu hiervoor aanbood, was mij alzoo hoogst
-welkom. In overeenstemming met zijn naam, bewoont hij met voorliefde de
-zeekusten, maar bovendien de oevers van vischrijke meren en groote
-rivieren. Wordt hij door den winter uit zijn schuilplaats verdreven,
-dan trekt hij zoover zuidwaarts als noodig is om ook in het koude
-jaargetijde niet van honger om te komen. In Hongarije is hij een der
-meest voorkomende groote roofvogels; hij verlaat het land ook in den
-winter niet en onderneemt alleen in zijn jeugd, voordat hij volwassen
-is, verre zwerftochten, even alsof hij eens de proef wilde nemen met
-het vreemde land. In het voorjaar ziet men daarom in dit jachtgebied
-uitsluitend oude, reeds het standvastig vederkleed bezittende, dus
-volwassene, voortplantingsrijpe zeearenden, terwijl daarentegen in den
-herfst en in den winter, behalve de voor eenige maanden uitgevlogen
-jongen, ook nog uit andere streken overgekomen zeearenden deze
-oeverwouden van den Donau bevolken. Zoolang de stroom vrij van ijs
-blijft, valt het den vogels niet moeielijk zich te voeden; zij jagen in
-het water even behendig, zoo niet beter, dan op het land, zweven boven
-de rivier, totdat zij een visch in ’t vizier krijgen, storten zich
-pijlsnel op dit dier neder, verdwijnen, terwijl zij de prooi onder
-water vervolgen, soms geheel onder de golven, werken zich met hun
-krachtige vleugels evenwel snel weder naar boven, brengen den buit,
-dien zij de krachtige klauwen door het schubbenpantser boorden, naar
-eene rustige plaats en verteren dien aldaar op hun gemak. Daar men in
-Hongarije hunne rooverijen niet zoo kwalijk neemt als bij ons, hen
-zelfs met eene onverdiende verschooning behandelt, vindt men deze
-vogels geregeld in de nabijheid der visschershutten, alwaar zij op de
-naburige boomen zitten wachten totdat de visscher hun de doode visschen
-uit zijne vischkaar of anderen afval toewerpt. Op gelijke wijs zorgen
-de Hongaarsche, Servische en Slavonische boeren voor de zeeadelaars,
-door de doode dieren niet te begraven, maar op het veld te laten
-liggen, aan de arenden, alsmede aan de gieren, honden en wolven
-overlatende het aas op te ruimen. Onttrekt een ijskleed de gewone prooi
-aan ’t oog des zeearends, en bevindt zich toevallig ook geen dood aas
-in de nabijheid, zelfs dan nog lijdt hij geen gebrek. Evenals de meer
-edele en meer stoute steenarend, jaagt hij op alle wild, dat hij maar
-overweldigen kan. Hij grijpt den vos en den haas, doodt den egel en de
-rat, den duiker en de wilde gans; hij ontrooft den zeehond diens jong
-en gaat in zijne blinde roofgierigheid zoo ver dat hij zijn sterke
-klauwen in den rug van dolfijnen en steuren slaat; tot loon voor dien
-euvelmoed trekken beide dieren hem naar de diepte en voor het hem
-gelukt is zijn klauwen weder los te maken, is hij verdronken. Soms valt
-hij zelfs den mensch aan. En zoo heeft hij bijna nimmer gebrek, en
-indien men hem niet geregeld vervolgt, leidt hij een vrij aangenaam,
-werkelijk benijdenswaardig leven.
-
-Tot den broeitijd leeft de zeearend met zijns gelijken in vrede en
-eendracht; is die tijd gekomen, dan ontwaakt de strijdlust in zijn door
-jaloerschheid gekweld hart. Zoowel om een nest, als om een wijfje
-machtig te worden vangt hij aan met een zijner soortgenooten hevig te
-vechten. Wel duurt het eenmaal gesloten huwelijk dezer vogels het
-geheele leven door, maar niet langer dan de man in staat is het wijfje
-tegen de aanzoeken van andere mannetjes te beschermen en zich het
-eigendom van zijn nest te verzekeren. Begeerig laat een volwassen,
-geslachtsrijp mannetje zijn oogen rusten op het wijfje van een anderen
-arend en haar nest; beiden gaan den rechtmatigen echtgenoot verloren,
-en zijn den anderen gewonnen, zoo deze overwinnaar blijft. Een strijd
-op leven en dood tegen den indringer, die het huiselijk geluk belaagt,
-volgt; hoog in de lucht vangt het gevecht aan, op den grond wordt de
-strijd beslist. Met snavel en klauwen stooten de vogels op elkander,
-totdat het een hunner gelukt zijn tegenstander te grijpen, terwijl hij
-’t naaste oogenblik weder de nagels van den ander in zijn lijf voelt
-slaan. Gelijk aan twee door en in elkander verwarde veêren ballen
-vallen beide nu omlaag, of in ’t water, of op ’t land, maken de klauwen
-van elkander los, om terstond daarna weder opnieuw het gevecht te
-beginnen. Als woedende hanen worstelen de helden, wanneer zij den
-strijd op den grond voortzetten; losse veêren en bloed wijzen de
-kampplaats aan en bewijzen de hevigheid van dien strijd. Middelerwijl
-beschrijft het wijfje haar kringen om de vechtenden, of het ziet van
-een verheven zitplaats den strijd schijnbaar onverschillig aan; zij zal
-echter den overwinnaar hartelijk liefkoozen, wanneer deze na geëindigd
-gevecht tot haar terugkeert, onverschillig of het de rechtmatige
-echtgenoot of de echtbreukeling is. Wee den eersten, indien het
-krijgsgeluk zijn mededinger gunstig blijft! In de oogen eener
-arendsvrouw komt slechts den sterkeren de eerekroon toe.
-
-Na zegevierend zulke aanvallen te hebben afgeslagen, waarvan geen
-arendsmannetje verschoond blijft, en die telken jare ook in Hongarije
-moeten worden afgespeeld, betrekt het paar, waarschijnlijk het
-langstgehuwde, het oude nest en begint reeds in Februari met dit te
-herstellen. Het materiaal wordt door beide echtgenooten gezamenlijk van
-den grond afgelezen of zij visschen het uit het water op, breken het
-ook wel van de boomen af, om het in de klauwen, soms van heinde en ver
-naar het nest te dragen en hier volgens de regelen der kunst te
-verwerken, zoo goed als een arend zulks vermag. Daar elk jaar deze
-vernieuwing herhaald wordt, nemen de hoogteafmetingen van zulk een nest
-telkens toe, zoodat men daaruit reeds tot deszelfs ouderdom kan
-besluiten; ook leidt men er den duur van het huwelijk uit af, want in
-de oudste nesten huizen ook de oudste paren. Het nest bevindt zich niet
-altijd boven in den top der boomen, maar toch echter altijd vrij hoog
-boven den grond, meer of minder dicht bij den stam en altijd gesteund
-door zware takken, wat noodig is omdat het nest ieder jaar grooter en
-zwaarder wordt. Uit zware en lichtere takken en twijgen, alle los over
-en in elkaar gevlochten, bestaat de onder- en bovenbouw, waarin een
-groot aantal ringelmusschen, die zich onverschrokken en onbevreesd in
-de nabijheid van den machtige wagen, passende holten voor nest en
-schuilplaats vinden.
-
-Tegen het einde van Februari of het begin van Maart legt het wijfje
-twee, hoogstens drie eieren in de vlakke nestholte, en vangt nu aan
-ijverig te broeden. De arend verzorgt zijn broedend wijfje met voedsel,
-verwijdert zich, als hij op roof uitgaat slechts ongaarne ver van het
-nest, en zet zich, als hij genoeg voor zich en zijn wijfje heeft
-verzameld, trouw de wacht houdende, in de nabijheid van het nest op een
-bepaalden boom neder, die meteen tot slaap- en rustplaats wordt. Na
-vier weken broeiens komen de jongen uit; deze zijn aanvankelijk witte
-wolballen, waaruit een zwarte snavel, donkere oogen en reeds zeer
-scherpe klauwen te voorschijn komen; het zijn even sierlijke als reeds
-zich zelf bewuste schepseltjes. Thans hebben vader en moeder volop
-werk. Beiden wisselen elkander af om buit te halen en de jongen te
-bewaken, ofschoon de moeder alleen zich met de eigenlijke verpleging
-belast. Wel staat de vader haar bij om de kindertjes op te voeden, maar
-alleen de moeder is in staat minnediensten te bewijzen. Werd zij aan
-haar jeugdig kroost ontnomen, dit zou evenzeer moeten omkomen als het
-jonge zoogdier, dat men van zijn moeder berooft. Met haar eigen borst
-dekt de moeder-arend haar jongen tegen wind en regen; uit haar eigen
-krop reikt zij dezen het verwarmde, doorweekte, vooraf verteerde
-voedsel. Zulke minnediensten bewijzen kan de vader-arend niet; wel
-neemt hij op later leeftijd, indien alsdan de moeder mocht worden
-weggerukt, gaarne de opvoeding en voeding geheel voor eigen rekening,
-al moge zulks gepaard gaan met veel inspanning en moeite. De jongen
-groeien voorspoedig en snel op. In de derde levensweek hebben zij reeds
-veêren op het bovenlijf gekregen; tegen het einde der Meimaand zijn zij
-volwassen en vliegvaardig. Nu verlaten zij het nest, om onder geleide
-der ouders zich voor een zelfstandig leven voor te bereiden.
-
-Ziedaar, in vluchtige trekken geschilderd, het levensbeeld van den
-adelaar, op welken vogel in de eerstkomende dagen onze jacht gericht
-zou zijn. Niet minder dan negentien bezette nesten werden door ons
-bezocht en hierop met afwisselend geluk jacht gemaakt. Somtijds te
-voet, somtijds in eene kleine boot gezeten, menigmaal springende en
-wadende, kruipende en sluipende, trachtten wij, ongezien en ongehoord,
-de nestboomen te naderen; vol verwachting verbleven wij uren lang in
-fluks opgeslagen loofhutten onder deze boomen en zagen in spanning naar
-de arenden, die door ons zelf of anderen opgeschrikt, hoog in de lucht
-hun kringen beschreven en niet weêr naar het nest wilden terugkeeren,
-maar zulks toch eindelijk zouden moeten doen, om ons ten offer te
-vallen. De eene waarneming werd aan de andere vastgeknoopt, en zoo
-verkreeg deze jacht voor ons allen eene ongemeene bekoring.
-
-Buiten de arenden en andere roofvogels, die almede buit werden gemaakt,
-waren of schenen de zooveel belovende bosschen arm aan gevederd
-gedierte. Het was evenwel nog vroeg in het jaar en de vogels bevonden
-zich nog veel op den trek; ook konden wij weinig meer dan den zoom der
-wouden onderzoeken. Doch ook het aantal vogels, dat teruggekomen was en
-in dien rand verblijf hield, beantwoordde niet aan onze verwachtingen.
-En toch treurden wij het meest om iets anders, n.l. om de schaarschheid
-aan goede zangers. Wel kweelde de zanglijster haar rijke liederen in
-het van voorjaarsluchten geurende woud; wel sloeg hier en daar een
-enkele nachtegaal, en begroette de vink ons allerwege met zijn
-lentezang; wel oefende ook reeds eene grasmusch haar keeltje,—maar noch
-het een, noch het ander was voldoende om onze scherp luisterende ooren
-te bevredigen. Wij bevonden dat het allen slechts stumpers, geen
-meesters waren. En zoo scheen het ons eindelijk bijna toe, alsof het
-genoemde gezang in deze sombere bosschen eigenlijk niet te huis
-behoorde, en ware daarin alleen het geschreeuw van arenden en valken,
-het gehuil van oehoe’s en boschuilen, het geratel van waterhoentjes en
-zeezwaluwen, het gekrijsch van reigers, het gelach van spechten, het
-geroep van koekoeken en het gekir der houtduiven, de meer passende
-melodie; waren hoogstens nog ook de in riet en biezen huizende
-rietzangers, die hun lied grootendeels aan dat der kikvorschen ontleend
-hebben, de eenige van rechtswege daarin behoorende zangvogels.
-
-De vierde jachtdag was bestemd voor het op eenige mijlen van de
-Donau-oevers gelegen Keskenderwoud. Toen wij de rivierbosschen verlaten
-hadden, kwamen wij in eene uitgestrekte, eerst op grooten afstand door
-een landrug begrensde vlakte; door goed bebouwde akkers van de groote,
-voorbeeldig bestuurde heerlijkheid Bellye voerde een weg, dien wij in
-vluggen draf te paard aflegden. Hier en daar moerassige weiden met
-poelen en slooten, een boschje, een groote door knoestige eiken omgeven
-herberg, een gehucht, een dorp, verder boomlooze velden,—zoo zag het
-landschap er uit, dat wij doorsnelden. Boven de velden steigeren
-duizenden zingende leeuweriken; op de wegen trippelen aardige
-kwikstaarten; op de heggen langs den weg zitten klauwieren en
-grauwgorzen; in de kruinen der eiken schreeuwen en zingen de daar
-nestelende kerkkauwen en spreeuwen; boven de waterplassen trekken
-visschende vischarenden en tuimelen sierlijke zeezwaluwen in
-zigzaglijnen; in het moeras loopt de kievit heen en weder, maar van
-andere vogels bemerken wij weinig. Ook het Keskenderwoud, een goed
-onderhouden bosch, dat wij na een rit van twee uren bereikten, was in
-weêrwil van zijn afwisselend geboomte arm in soorten; maar hier
-nestelden schreeuwadelaars en vischarenden, arendbuizerden en gewone
-buizerden, valken en uilen en vooral zwarte of boschooievaars in groot
-aantal, en zoo viel onze jacht boven alle verwachting goed uit. En toch
-kenden de boschwachters, die eerst voor weinige dagen kondschap hadden
-gekregen van het te verwachten bezoek van onzen doorluchtigen
-jachtheer, en het bosch in alle richtingen hadden doorzocht om nesten
-op te sporen om deze op eene schielijk vervaardigde kaart aan te
-duiden, bij lange na niet alle in dit ééne woud verblijf houdende
-roofvogels en zwarte ooievaars. „Het zijn paradijsachtige toestanden,”
-merkte kroonprins Rudolf op en drukte in deze enkele woorden zeer juist
-de verhouding uit, die er bestaat tusschen de menschen en dieren van
-Hongarije. Evenals de oosterling kent ook de Hongaar gelukkig de
-moordzucht niet, waardoor de dieren in West-Europa zoo schuw zijn
-geworden en die hun aantal, helaas! zoozeer heeft doen verminderen; hij
-gunt zelfs gaarne aan den roofvogel een plaatsje op zijn eigendommen en
-grijpt niet voortdurend ruw en wreed in de dierenwereld in, die om hem
-leeft en zich beweegt. Niet eens het schandelijk egoïsme, dat
-tegenwoordig elk jaar hebzuchtige kooplieden in vederen aanspoort tot
-rooftochten op den beneden-Donau, ten einde honderdduizenden,
-levenslustige lieve vogels ter wille van hun gevederte op te offeren,
-heeft den Magyaar kunnen bewegen van zijne goede oude zeden af te
-wijken. Onverschilligheid omtrent de hem omgevende dierenwereld moge
-daartoe grootelijks bijdragen, maar de gastvrijheid, die hij den vogels
-bewijst, komt dikwijls uit het hart en verdelgingswoede blijft hem
-vreemd. Zonder van vrees te doen blijken vertoeven de dieren,
-voornamelijk de vogels, in de nabijheid van den mensch; zij doen alsof
-zij alleen waren. De arend nestelt aan den weg in het bosch; de gewone
-raaf in het boschje langs den akker; de zwarte ooievaar is niet
-schuwer, dan bij ons de heilige, gewone ooievaar; het wild staat niet
-van zijn leger op, wanneer de wagen tot op geweerschotsafstand
-voorbijrolt. Het zijn werkelijk paradijsachtige toestanden.
-
-Zulke toestanden zouden wij evenwel ook nog buiten het Keskenderwoud
-leeren kennen. Nadat wij dit laatste nog in verschillende richtingen
-hadden doorkruist, de nesten van meer dan twintig arendbuizerden en
-vischarenden, alsmede van den zwarten ooievaar bezocht en bejaagd, ons
-met een heerlijk ontbijt en nog meer met den heerlijken wijn van dit
-land verkwikt en gelaafd, vingen wij, door eene dreigende onweêrswolk
-tot spoed aangezet, onze terugreis naar het vaartuig aan, steeds
-jagende en verzamelende, zooveel de gelegenheid veroorloofde. De weg,
-langs welken wij terugreisden, was een andere, dan die, welken wij op
-de heenreis hadden genomen, n.l. een groote heirbaan, die verschillende
-dorpen verbond. Een aantal dezer laatste hadden wij reeds achter den
-rug, toen wij opnieuw tusschen huizen doorreden. Aan de gebouwen was
-niets bijzonders te zien, maar aan de bewoners meer dan ik ooit had
-kunnen denken. De bevolking van het dorp Dalyck bestaat bijna
-uitsluitend uit Schokazen of katholieke Serben, die tijdens de
-heerschappij der Turken uit het Balkan-schiereiland naar hier zijn
-vertrokken, liever, door de Turken herwaarts gebracht. Het zijn
-schoone, slanke menschen, deze Schokazen. De mannen zijn groot en
-sterk; de vrouwen in dit opzicht op de mannen gelijkende, zijn zeer
-goed gebouwd en waarschijnlijk niet van schoonheid ontbloot. Het eerste
-viel te beoordeelen, voor het laatste moest de fantasie ons te hulp
-komen; de Schokazinnen toch dragen een kleed, gelijk zeker nergens in
-Europa gezien wordt, en door onzen hoogen jachtheer, steeds vindingrijk
-en veelbeteekenend in zijn uitdrukkingen, mythologisch genoemd. Wanneer
-ik zeg dat het hoofd en het aangezicht bijna geheel omhuld worden door
-op zeer eigenaardige, maar volstrekt niet smakelooze wijze
-ineengewonden en toegeknoopte doeken, terwijl de rok vervangen wordt
-door twee bontgekleurde, op een schort gelijkende, losse stukken doek,
-mag ik overigens aan de verbeelding volle vrijheid veroorlooven, zonder
-mij bevreesd te maken, dat zij al te zeer de haar gestelde perken zal
-overschrijden. Ik zelf werd levendig herinnerd aan het kamp Arabische
-nomaden, dat ik eens in de oerwouden van Centraal-Afrika bezocht.
-
-Onder een stortregen bereikten wij tegen ’t vallen van den avond ons
-gezellig vaartuig. Regenachtig is ook de volgende ochtend, bewolkt de
-dag en weinig winstgevend de jacht. Zulks noopt ons verder te reizen,
-hoe dankbaar wij ook waren voor de dagen in de heerlijkheid Bellye
-doorgebracht, en hoe rijk de oogst misschien ook zou geweest zijn,
-indien wij hier nog ettelijke dagen hadden vertoefd, waargenomen en
-verzameld. Met een hartelijke en welverdiende dankbetuiging nam onze
-jachtheer afscheid van den beambte der aartshertogelijke heerlijkheid;
-nog een blik op de wouden, die ons zooveel goeds hadden geschonken, en
-nogmaals stoomt ons snelvarend scheepje den Donau af. Binnen weinige
-uren bereiken wij Draueck, den mond der Drave, welke rivier voortaan de
-richting van de bedding der rivier schijnt te bepalen. Een der meest
-grootsche rivierlandschappen, die ik ooit gezien heb, ligt thans voor
-ons. Een breed watervlak strekt zich voor onze oogen uit; in ’t zuiden
-wordt het begrensd door lachende heuvelen, naar alle andere zijden
-breiden zich bosschen uit, gelijk wij nog niet gezien hebben. Noch de
-loop van den hoofdstroom, noch die van zijn nevenrivier laat zich
-vervolgen; de ontzettende watermassa gelijkt op eene van alle kanten
-ingesloten zee, welker oevers slechts bij den straks vermelden
-heuvelketen duidelijk te voorschijn treden; want zelfs tusschen het
-groen der bosschen door, op plaatsen, waar openingen het gezicht vrij
-laten, ziet men wederom water, woud en rietbosschen, welke laatste den
-vele mijlen grooten plas Hullo bedekken, in eindeloos schijnende
-uitgestrektheid. Reusachtige boomstammen, door beide rivieren
-aangevoerd en half onder ’t water verscholen, half daarboven drijvende,
-nemen allerlei fantastische vormen aan; het schijnen de fabelachtige
-dieren der voorwereld te zijn, die hun gepantserde lichamen boven de
-donkere golven uitsteken. Want donker, bijna zwart stroomt de „blonde
-Donau” daar heen, terwijl ons vaartuig Draueck voorbijstoomt.
-Grijsachtig zwarte en loodkleurige onweêrswolken bedekken den hemel;
-oogenschijnlijk zweven ook zij tusschen het honderdvoudig geschakeerde
-groen der bosschen en hangen zij boven de eentonig vaalgeel gekleurde
-rietvelden. Bliksemstralen werpen een schel licht op dit tooneel; de
-regen stroomt kletterend naar beneden, de donder laat zijn gerommel
-hooren, de stormwind huilt in de hooge toppen der oude boomen, woelt in
-de wateren en kroont de donkere toppen der golven met een grijsachtig
-wit schuim; beneden, in het zuidoosten echter breekt de zon door het
-zwarte floers des hemels, omzoomt dit met purper en goud, en werpt
-daarover een helder licht, zoodat de zware schaduwen nog scherper
-uitkomen; fonkelend straalt het op de bonte heuvels, die in de verte
-tot een gebergte opstijgen. Daarbeneden, daar aan gindschen kant liggen
-gehuchten en dorpen; hierboven wordt de oorspronkelijkheid van het
-grootsche, in zijn wildheid en momenteele verlichting en beweging zoo
-verheven tooneel slechts gebroken door eene enkele, kegelvormige, met
-riet gedekte visschershut.
-
-In ’t oog vallend is de armoede aan vogels, in ’t algemeen de
-eenzaamheid der uitgestrekte watervlakte. Geen meeuw zweeft over den
-spiegel van den Donau, geen zeezwaluw vliegt in zigzaglijnen op en
-neder; hoogstens verheffen zich enkele woerden uit den stroom. Nu en
-dan ziet men nog een blauwen reiger, eene vlucht kwakken, een
-zeeadelaar, eenige wouwen, raven en bonte kraaien, misschien wel een
-troep kieviten, en de opsomming der hier aanwezige vogels is geëindigd.
-
-Van den volgenden dag af trekken wij jagend en waarnemend door een
-wonderschoon gebied. De blauwe bergen voor en op welke gisteren in den
-onweêrsnacht heldere, gouden zonnestralen vielen, zijn de hoogten der
-Fruškagora, een boschrijk middelgebergte van de heerlijkste soort.
-Graaf Rudolf Chotek had op de voorbeeldigste wijze alles voor eene
-waardige ontvangst van onzen hoogen jachtheer voorbereid en zoo
-wachtten ieder onzer onvergetelijke dagen. Van het dorp Cerewic uit,
-boven hetwelk onze boot ligt, rijden wij elken dag door de kloven,
-beklimmen wij in den wagen of te paard, of wandelende, de hoogten van
-het gebergte, om elken avond vol zaligheid en geluk weder huiswaarts te
-keeren. De gulden Meimaand verkwikt geest en lichaam, hart en ziel, en
-onze gastheer is zoo onuitputtelijk in attenties, voorkomendheid,
-vriendschapsbewijzen en gulheid, dat de dagen, door ons in de
-Fruškagora doorgebracht, wel voor immer onvergetelijk zullen blijven;
-zij behooren tot de rijkste en schoonste der geheele reis.
-
-De streek, dagelijks door ons bezocht, is meer dan liefelijk. In de
-nabijheid van het dorp breiden zich akkers uit; achter deze begint de
-gordel van wijnbergen, die zich uitstrekken tot aan den zoom des wouds;
-in de dalen en ravijnen daartusschen bloeien en geuren tal van
-ooftboomen, die aan het landschap eene ongemeene bekoorlijkheid
-schenken; aan de hellingen der wegen, die gewoonlijk den loop der dalen
-volgen, woekert een dicht struikgewas, terwijl het oog zich vermeit in
-eene bloemenpracht, die in deze dalen, waar geen watergebrek heerscht
-en murmelende beekjes hun aangenaam geruisch laten hooren, weelderig
-ontluikt. Op de eerste hoogten heeft men een verrassend schoon
-vergezicht. Beneden op den voorgrond teekent het dorp Cerewic zich
-schilderachtig af; dan volgt de breede Donau met zijn lage
-oeverbosschen aan den overkant; achter de rivier en de bosschen breidt
-zich de eindelooze Hongaarsche laagvlakte uit, en toont den waarnemer
-haar weilanden en akkers, haar bosschen en poelen, haar dorpen en
-marktvlekken in een onzeker, en juist daardoor te meer boeiend licht;
-in het oosten troont de vesting Peterwardein.
-
-Boven de akkers verheffen zich zingende leeuweriken; uit de struiken
-klinkt uit honderden kelen de slag van den nachtegaal; uit de
-wijnbergen schalt het vroolijk lied van den steenlijster en hoog in de
-lucht beschrijven twee giersoorten en drie verschillende arenden hun
-wijde kringen.
-
-Na een korten tocht verdwijnen stroom, dorpen en akkers, en een
-heerlijk boschrijk dal neemt ons op. Steil vallen de bergen weêrszijds
-af; kam en rug zijn dicht met niet al te hoog geboomte bezet. Eiken,
-linden, olmen en platanen maken hier, beuken en hoornboomen ginds de
-bevolking uit; dicht en laag struikgewas, waar de nachtegalen verblijf
-houden, vormen de omgrenzing. Geen grootsch vergezicht loont den
-wandelaar, die de hoogste ruggen beklimt en in ’t noorden Hongarije, in
-het zuiden Servië voor zich ziet liggen, maar hart en zinnen worden
-gestreeld door een plechtig, rustig schemerdonker. Van de hoofdkam, die
-niet hooger dan tot 900 meter opstijgt, scheiden zich, in min of meer
-loodrechte richting verloopende, naar beide zijden een aantal ketens
-af, die van welken kant ook beschouwd, dikwijls een verrukkelijk
-gezicht opleveren. Zij eindigen in dalen of sluiten ketels in, welker
-hellingen tot nog toe geen hout hebben afgevoerd en deswege prijken in
-al de schoonheid van een oorspronkelijk woud. Reusachtige, recht
-opgeschoten, tot aan de hooge kruinen gladstammige beuken rijzen uit
-een veenlaag van bladeren omhoog, waarin de jager tot zijn knieën
-inzinkt; knoestige eiken steken de takken hunner kruinen hoog in de
-lucht, alsof zij alle roofvogels wilden uitnoodigen hun nesten hier op
-te slaan; gewelfde linden vormen hier en daar zulk een dicht gesloten
-bladerendak, dat de stralen der zon slechts na veelvuldige
-terugkaatsing den grond bereiken. Zanglijsters en merels, wielewalen en
-roodborstjes, schildvinken en fluiters, zijn, behalve de overal
-verspreide nachtegaal de zangers van dit woud; de koekoek roept zijn
-lentegroet van berg tot berg; zwarte en groene spechten, boomklevers en
-meezen, houtduiven en kleine boschduiven merkt men almede op.
-
-Onze jacht was hoofdzakelijk gericht op den grootsten aller Europeesche
-roofvogels, den grauwen gier, wiens noordelijkste broedgebiedsgrenzen
-in de Fruškagora schijnen gelegen te zijn. Bij dezen vogel heeft zich
-onlangs, wellicht gelokt door de ongelukkige offers van den Servischen
-oorlog, de tweede groote gier van Europa gevoegd, en beiden broeden
-hier onder de niet moeielijk te verklaren bescherming van den
-dierkundigen en dieren-minnenden eigenaar des wouds. Ik kende van
-vroegere reizen beide soorten, maar niettemin verheugde ik mij
-uitermate, ze hier op hun broedplaatsen te kunnen waarnemen en
-mededeelingen te mogen ontvangen van een jager, gelijk Graaf Choteks;
-waarneming, uitvorsching van het leven der dieren, was trouwens bij ons
-hoofdzaak. En weder knoopten wij de eene waarneming aan de andere, en
-menige ons nog donkere zijde van het leven dezer beide reuzen onder de
-vogels werd door dit onderzoek opgehelderd en verklaard.
-
-De grauwe of monniksgier, wiens verbreidingsgebied niet alleen de drie
-zuidelijke schiereilanden van Europa omvat, maar bovendien West- en
-Middel-Azië tot aan Indië en China in zich sluit, is een standvogel der
-Fruškagora, die echter na den broeitijd gaarne zwerftochten onderneemt,
-welke hem geregeld tot in het noorden van Hongarije, soms tot naar
-Moravië, Bohemen en Silezië voert. Krachtige vleugels stellen hem in
-staat zulke tochten zonder veel inspanning te ondernemen. Wanneer de
-eieren of hulpbehoevende jongen hem niet aan de plaats binden, vliegt
-hij in den vroegen voormiddag van den boom, waar hij den nacht
-doorbracht, stijgt in schroeflijnen omhoog, zoo hoog, dat het
-ongewapende oog hem niet meer kan volgen, ziet van hier met zijn
-weêrgaloos scherp, voor de meest verschillende afstanden geaccomodeerd
-gezichtsorgaan groote vlakten over, terwijl niets zijn blik ontgaat;
-hij speurt zelfs het kleinste aas, en zoodra iets, dat van zijn gading
-is, ontdekt wordt, stort hij zich uit de hoogte daarop neder. Na dit,
-òf opgegeten, òf althans voorloopig in den krop geborgen te hebben,
-neemt hij den terugtocht aan of zwerft nog eenigen tijd doelloos rond.
-Even gelijk hij het beneden hem gelegen, vele vierkante geografische
-mijlen omvattend, voor zijn oogen geheel ontsloten gebied afleest, let
-hij eveneens op de bewegingen van eigen soortgenooten, of van andere
-groote, aasvretende roofvogels in ’t algemeen, om van deze waarnemingen
-zooveel mogelijk partij te trekken. Hierin vindt men de verklaring van
-het feit, dat dikwijls zoovele gieren tegelijk plotseling bij een of
-ander groot aas verschijnen, en dit zelfs in streken, waar zij
-gewoonlijk niet verblijven. Niet het vrij zwakke reukvermogen, maar
-alleen het scherpe gezicht is hun op deze rooftochten van dienst. De
-een vliegt den ander na, zoodra hij bemerkt, dat deze eene prooi heeft
-opgespoord, en de snelheid van zijn vlucht is zoo groot, dat hij
-dikwijls nog intijds bij het feestmaal is aangekomen en reeds bezig is
-met smullen, terwijl de ontdekker daar nog zijn kringen boven
-beschrijft. Talmen mag hij niet, want niet tevergeefs dragen deze
-vogels hun naam; hunne vraatgierigheid gaat alle perken te buiten.
-Weinige minuten zijn voor drie of vier gieren voldoende om een dooden
-hond of een dood schaap bijkans geheel te verslinden, zoodat de
-maaltijd met onbegrijpelijke snelheid verloopt en hij, die te laat
-komt, den hond in den pot vindt.
-
-De gieren der Fruškagora vinden overigens, behalve groot aas, hier ook
-nog veel goeds voor krop en maag in andere dieren, want wij troffen in
-het spijskanaal van een door ons gedooden vogel de overblijfsels aan
-van ziesels en groote hagedissen, welke dieren hoogst waarschijnlijk
-niet dood gevonden, maar levend gegrepen zijn geworden.
-
-In overeenstemming met de meer noordelijke ligging der Fruškagora en de
-voor gieren minder gunstige geregelde toestanden van het omliggende
-land, zaten de monniksgieren tijdens ons verblijf nog op de eieren te
-broeden, terwijl diezelfde vogels in meer zuidelijke streken zeker
-reeds jongen hadden. De nesten bevonden zich op de hoogste boomen van
-het bosch, veelal op meer dan twee derde van de hoogte der
-berghellingen. Graaf Choteks kende velen hunner, daar zij sedert
-twintig jaren steeds geregeld naar dezelfde broedplaats terugkeerden,
-terwijl menig nest al dien tijd hetzelfde paar had gediend en elk jaar
-nieuwen toevoer van bouwstoffen erlangd, zoodat sommige eene verbazende
-afmeting hadden verkregen. Enkele nesten waren van later dagteekening.
-Alle evenwel waren het bouwgewrocht der vogels zelf. In het oudste en
-grootste had een volwassen mensch kunnen liggen zonder met het hoofd of
-de voeten veel over den rand heen te steken.
-
-Wij zetten ons onder deze nesten neder om het leven en bedrijf in het
-woud aandachtig na te gaan, tevens hier de terugkomst der voor ons
-gevluchte gieren af te wachten, en hun een zeker schot in ’t lijf te
-jagen. Vier achtereenvolgende dagen togen wij elken morgen naar dat
-heerlijk woud, en geen enkelen dag keerden wij zonder buit naar de
-rivier terug. Niet minder dan acht groote gieren, een aantal arenden,
-en ontzaglijk veel klein gevogelte van verschillende soort maakten wij
-buit, terwijl het jachtvermaak nog werd gekruid en gewijd door hoogst
-belangrijke, ons allen boeiende waarnemingen. Wanneer de laatste
-zonnestraal was verdwenen, verzamelden de jonge dorpsbewoners zich om
-ons vaartuig. Viool en doedelzak vereenigden zich tot eene liefelijke,
-alhoewel eenvoudige melodie, en meisjes en jongens bewogen zich, den
-hoogen gast ter eere, in den gelijkmatig zwevenden volksdans.
-
-Nadat wij ook aan den anderen oever van den Donau met gelijk geluk
-hadden gejaagd, namen wij eindelijk, op den vijfden dag, afscheid van
-onzen meer dan oplettenden gastheer, den eigenaar der bezitting, en
-vervolgden de reis, altijd stroomafwaarts trekkende. Na eene vaart van
-drie kwart uurs bereiken wij Peterwardein, de kleine, nu verouderde,
-maar schoon en schilderachtig gelegen vesting, anderhalf uur later
-Karlowitz, in welker nabijheid wij den nacht doorbrengen. Den volgenden
-morgen bereiken wij Kovil, het einddoel van den tocht.
-
-In de nabijheid van dit groote dorp bevinden zich door akkers
-ingesloten bosschen, waarvan eiken het hoofdbestanddeel uitmaken, maar
-waarin zich zulk een dicht onderhout bevindt, dat de wolf en wilde kat,
-ondanks de nabijheid van vele bewoonde plaatsen, hier een schier
-ongestoord leven leiden. Geen wonder dus, dat ook roofvogels van
-allerlei soort, vooral zee-, konings-, schreeuw- en dwergarenden,
-arend-buizerden, wouwen, haviken, oehoe’s, alsmede andere uilen, hier
-hunne nesten opsloegen; allerlei klein gevogelte houdt hier almede
-verblijf. Onze hooge jachtheer en zijn doorluchtige zwager beproefden
-in de bosschen hun geluk, terwijl Eugenius von Homeyer en ik gingen
-jagen in een hoogerop gelegen moeras, dat door den hoogen waterstand nu
-tot een wijde zee was geworden.
-
-In dit moeras,—op dit tijdstip evenwel waren de vogels nog niet alle
-aangekomen, daar de trek nog in vollen gang was—in dit moeras heerschte
-het rijkste en veelsoortigste dierenleven. In bijna onafgebroken
-opvolging trekken sterke vluchten zwarte zeezwaluwen naar den Donau, nu
-eens in dichte drommen, dan weêr zich verdeelende over de geheele
-breedte van den buiten zijn oevers getreden stroom; ongetwijfeld naar
-nestplaatsen zoekende, reizen honderden zwarte ibissen, in den gewonen
-V-vorm vliegende, stroomopwaarts en stroomafwaarts, naar de Theis zich
-begevende of van deze rivier terugkeerende; purperreigers, blauwe
-reigers en ralreigers loopen visschende heen en weder; rietwouwen,
-lange rietstengels naar het nest dragende, vliegen langs oude, bekende
-wegen; opnieuw gepaarde eenden, wier wijfjes door den hoogen waterstand
-van hare eieren beroofd werden, verheffen zich bij ’t naderen onzer
-kleine boot schreeuwend boven het water, terwijl futen en waterhoentjes
-in de diepte eene schuilplaats zoeken; kortom, geen plekje der groote
-watervlakte is onbezet en zonder leven. Een houtvester, met de wegen
-vertrouwd van een overstroomd bosch, wacht ons op in zijne woning, die
-als een eilandje boven het water uitsteekt, om onze gids te zijn in
-deze boschwoestijn, die alle vroeger bezochte verre achter zich laat,
-omdat de hooge waterstand nieuwe hindernissen voegde bij de reeds
-bestaande. Ons vasthoudende aan de in gewone omstandigheden tamelijk
-hoog boven den grond verheven takken, dikwijls gebukt onder andere, die
-den weg versperren, heen trekkende, trachten wij door de breede
-watervlakte, tusschen half en geheel omgevallen boomen en drijvende
-stukken hout, groot en klein, een weg te banen om binnen in het woud te
-dringen. Wilde eenden, die op knotwilgen zitten te broeien, blijven
-gerust op de eieren en laten zich door ons niet storen, al naderen wij
-hen tot op een meter afstand. Geoorde futen, die het vrije water hebben
-opgezocht, zwemmen, zoodra zij ons in ’t gezicht krijgen, naar het
-groene loof der tot aan hun kronen in ’t water staande
-boomen,—hoofdzakelijk wilgen; kwikstaarten springen van het eene stuk
-drijfhout op het andere; bonte spechten en boomklevers hangen dicht bij
-de oppervlakte van het water tegen de boomstammen, om op de hun gewone
-wijze naar voedsel te zoeken. Het eene beeld uit het leven der vogels
-verdringt het andere; ieder tooneel schijnt echter iets ongewoons,
-omdat de bijzondere omstandigheden daarin zekere wijziging hebben
-gebracht. Om bij het nest van een zeearend te komen, moeten wij ver
-door het water baden; om dat van eene kraai te naderen moeten wij een
-langen omweg maken. Regelrecht op het jachtdoel afgaan is hier
-onmogelijk, en toch is de jacht meer dan winstgevend. Ik had
-persoonlijk het genoegen en voorrecht een der uitstekendste
-bouwkunstenaars van ons werelddeel, den buidelmuis, bij zijn werk gade
-te slaan; ’t was voor ’t eerst van mijn leven.
-
-Den volgenden dag vereenigde zich het geheele jachtgezelschap in een
-der genoemde boschjes tusschen de akkers. Een Hongaarsche houtvester
-had eene groote drijfjacht op wolven voorbereid, maar deze zoo
-onverstandig ingericht, dat vriend Isegrim ongezien weg kon sluipen. De
-weinig hoopgevende jacht werd dan ook spoedig gestaakt, terwijl wij nu
-nog het overige van den tijd zooveel mogelijk nuttig besteedden tot het
-doen van waarnemingen omtrent het leven der deze bosschen bewonende
-vogels.
-
-Nog in den loop van dienzelfden dag verlaten wij Kovil, bereiken tegen
-zonsondergang wederom Peterwardein, varen in de eerste uren van den
-nacht de Fruškagora nogmaals voorbij, verlaten den volgenden dag nog
-eenmaal ons vaartuig, om in het rietbosch Hullo te jagen en daar
-waarnemingen te doen, krijgen hier eindelijk den te vergeefs gezochten
-grooten zilverreiger te zien, moeten evenwel met den ons nog slechts
-spaarzaam toebedeelden tijd rekening houden en verder stoomen, teneinde
-den sneltrein naar Weenen niet te missen.
-
-Dankbaar de laatste dagen gedenkende, tevens den snellen voortgang
-hunner uren beklagende, varen wij weder de oeverbosschen, die ons
-zooveel genot hadden geschonken, voorbij, en met den wensch in het hart
-nog eenmaal deze oorden te bezoeken, en dan voor langer tijd daar te
-vertoeven, nemen wij voor ditmaal afscheid van een even rijk als
-eigenaardig land.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ALPHABETISCHE LIJST VAN DE WETENSCHAPPELIJKE NAMEN
-DER IN DEN TEKST VERMELDE DIEREN EN PLANTEN. [2]
-
-
-A.
-
-Aalscholver, Carbo cormoranus.
-Aard- of grondeekhoorntjes, soorten van Tamias.
-Aboe-Tok, Rhynchaceros erythrorhynchus.
-Aboe-Risch, Nectarinia metallica.
-Abrikoos, Prunus armeniaca.
-Absinth, Artemisia absinthium.
-Adders:
- Hoornadder of Cerastes, Cerastes cornutus.
- Groefadders, zoo genoemd naar eene groeve tusschen de oogen en de
- neusgaten. Hiertoe behoort o.a. de ratelslang.
- Halys-adder, Vipera halys.
- Gewone adder, V. berus.
-Alken:
- Tordalk, Alca torda.
- Groote alk, A. impennis.
-Alpenzwaluw, zie Zwaluwen.
-Alpenkraai, Pyrrhocorax alpinus.
-Alpenerwt, Orobus alpestris.
-Altaïden of Siberische den, Abies Pichta.
-Alarmvogel, Schizorhis zonurus.
-Alpenhaas, Lepus variabilis.
-Amandel, Amygdalis communis.
-Amadina’s, Prachtvinken.
-Anarnak, Groenlandsche benaming voor de dolfijnsoort; Hyperöodon
-rostratus.
-Antilopen:
- Gazelle, Antilope dorcas.
- Saiga of Steppen-antilope, A. saiga.
- Windhond-antilope, of Beni-Israël, Antilope hemprichiana.
- Gems, A. rupi capra.
- Krop-Antilope, Cervicapra saigas.
- Gnoe, Antilope gnu.
- Springbok, A. euchore.
-Anjelier, Dianthus caryophyllus.
-Apen: In de nieuwe uitgaaf van Brehms „Tierleben” wordt de volgende
- indeeling dezer orde gegeven:
-
- 1e Familie, Smalneuzen (Catarrhini), apen der Oude Wereld.
- 2e ,, Breedneuzen (Platyrhini) } apen der N.W.
- 3e ,, Klauwapen (Arctopitheci) }
-
- 1e Familie.
- Smalneuzen.
-
- a. Menschapen (Anthropomorpha).
- b. Hondsapen (Cynopithecini).
-
- a. Menschapen.
- Gorilla, Gorilla gina.
- Chimpanzee, Simia troglodytes.
- Orang-oetan, S. satyrus.
- Gibbons. Het geslacht Hylobates, b.v. siamang, H.
- syndactylus.
- b. Hondsapen.
- Slankapen, Semnopithecus, b.v.
- hulman, S. extellus.
- boedeng, S. maurus.
- Neusapen, Nasalis.
- Kortduimigen, Colobus, b.v.
- guereza, C. guereza.
- satansaap, C. satanas.
- Meerkatten, Cercopithecus, b.v.
- groenaap, C. sabaeus.
- mooraap, C. fuliginosus.
- Makako’s, Macacus, b.v.
- Javaanaap, M. cynomolgus.
- hoedaap, M. sinicus.
- boender of rhesus, M. rhesus.
- laponderaap, M. nemestrinus.
- magot, M. inuus of Inuus ecaudatus; deze soort komt nog
- voor op de rotsen van Gibraltar.
- Bavianen of hondskopapen, Cynocephalus, b.v.
- moorbaviaan, C. niger.
- mantelbaviaan, C. hamadryas.
- dschelada, C. gelada.
- mandril, C. mormon.
- dril, C. leucophaeus.
-
- 2e Familie.
- Breedneuzen.
-
- Brulapen, Mycetes, b.v.
- roode brulaap, M. seniculus.
- zwarte ,, M. niger.
- Spinapen, Ateles, b.v.
- marimonda of aroe, A. beelzebuth.
- koata, A. paniscus.
- Wolapen, Lagothrix.
- Rolapen, Cebus, b.v.
- kapucijneraap, C. capucinus.
-
- De voorgaande Amerik. soorten waren voorzien van een
- grijpstaart. Zonder dit orgaan zijn:
-
- Zweepapen, Pithecia, b.v.
- satansaap, P. satanas.
- Springapen, Callithrix.
- Saimiri’s, Chrysothrix, b.v.
- doodskopaapje, C. sciurea.
- Nachtapen, Nyctipithecus.
-
- 3e Familie.
- Klauwapen of Eekhoornapen.
-
- Voorbeelden:
- leeuwaapje, Hapale leonina.
- midas of jacchus, H. rosalia.
- ouïstiti of zijdeaapje, H. jacchus.
- dwergaapje, H. pygmaea.
-
- Afgescheiden van bovenstaande ware apen moeten beschouwd worden de
- bastaard-apen of halfapen, die voornamelijk op Madagaskar en
- naburige landen worden aangetroffen. Men geeft ze ook wel den naam
- van lemurinen.
-
-Apenbroodboom, Adansonia digitata.
-Arenden:
- Koningsarend, Aquila imperialis.
- Steenarend, A. chrysaëtos of fulva.
- Zeearend, Haliaëtus albicilla.
- Dwergarend, A. minuta.
- Vischarend, Pandion haliaëtus.
- Slangenarend of Slangenbuizerd, Cyrcaëtus gallicus.
- Schreeuwarend, Aquila naevia.
- Schreeuwzeearend, Haliaëtus vocifer.
- Arts-adelaar, zie goochelaar, Helotarsus ecaudatus.
- Dwergarend, Aquila pennata.
- Gierarend, baardgier, lammergier, Gypaëtus barbatus. (zie Gieren).
-Archar of Arkar (bij de Kirgiezen), Argali (bij de Mongolen), Ovis
-argali of ammon.
-Arara’s, langstaartige papegaaien van Zuid-Amerika.
-Aspis, Naja haje.
-Auerhoen, zie Hoenders.
-
-
-
-B.
-
-Baardvogel, Bucco viridis, e.a. s. zij worden zoo genoemd naar de 5
-bundels borstelharen aan den wortel des snavels.
-Basterdnachtegaal, Aedon galactodes.
-Banaan = pisang, soorten van Musa.
-Baardmees of Rietmees, Parus biarmicus.
-Baobab of apenbroodboom, Adansonia digitata.
-Baviaan, zie Apen.
-Basterd-lijsters, het geslacht Crateropus, b.v. C. leucopygius.
-Bessen (roode), Ribes rubrum.
-Berghoen, Caccabis of Perdix graeca en saxatilis.
-Beren:
- Bruine of Gewone beer, Ursus arctos.
- Grijze beer, Griszly-beer, U. cinereus of ferox.
- Baribal of Amerik. beer, U. americanus.
- IJsbeer, U. maritimus.
-Besheide, Empetrum nigrum.
-Bison (Amerik.), Bos bison.
-Bieslook, Allium schoenoprasum.
-Bijeneter, Merops apiastes, Edolius paradisius.
-Bijeneters, het geslacht Meropes. De op pag. 137 en 161 van den tekst
-bedoelde soort is Merops Nubicus.
-Bijvoet, Artemisia vulgaris, maritima, e.a. s.
-Blauwborstje, Lusciola suecica.
-Blauwe boschbes, Vaccinium Myrtillus.
-Blauwmerel, Turdus cyanus.
-Blindmol, Talpa coeca.
-Bloedvink of amarant, Habropyga of Lagonosticta minima.
-Boel-boel, Pycnonotus Vaillantii. De Boelboel der Perzen is Luscinia
-hafizii.
-Boerenzwaluw, zie Zwaluw.
-Bokje of moerassnip, Scolopax gallinula.
-Boomeekhoorntjes, eekh. die op boomen leven, even gelijk ons gewone
-eekhoorntje, Sciurus vulgaris.
-Boomhop, Irrisor erythorhynchus.
-Boomklever, Sitta caesia.
-Boompieper, Anthus arboreus.
-Boschbes, Vaccinium vitis idaea (de roode).
-Boschhoenders, zie Hoenders.
-Braambessen, soorten van Rubus, zooals: R. suberectus, R. caesius, R.
-fissus, enz. De wetenschappelijke naam der framboos is Rubus idaeus.
-Broodvrucht, Artocarpus incisa, e.a. s.
-Buizerden:
- Ruigpootbuizerd, Buteo lagopus.
- Slangen- of arendbuizerd, Circaëtus gallicus.
-Burgemeesters, zie Meeuwen.
-
-
-
-C.
-
-Cederden, Pinus cembra (ook wel Arve genoemd).
-Cerastes of hoornadder, Cerastes cornutus.
-Christusdoorn, Rhamnus spinae Cristi.
-Condor, Sarcoramphus gryphus.
-
-
-
-D.
-
-Dauw, Equus Burchelli. De zebra, Equus zebra, is geheel gestreept; bij
-den quagga, E. quagga, ontbreken de strepen, behalve op het achterste
-gedeelte des lichaams ook op de pooten, en bij den dauw alleen op de
-pooten.
-Das, Meles taxus.
-Dennen:
- Cederden, Arve, Pinus cembra.
- Schotsche den, P. sylvestris (Föhre, gemeine Kiefer).
- Dwergden, P. Mughes of Pumilio (Zwergkiefer).
- ,, P. Pinea (Pinie).
- Weymouthsden, P. Strobus.
- Spar, Abies excelsa (Fichte, Rothtanne).
- Zilverden, A. pectinata of Pinus picea (Edeltanne).
- Larix, Abies larix of Pinus larix.
- Ceder, Pinus Cedrus.
-Delebpalm, Borassus aethiopicum.
-Doornkruiper, Basterdnachtegaal, Accentor modularis.
-Dompalm, doempalm, Hyphaene thebaica.
-Doerrha, Sorghum vulgare.
-Drongo, klauwierachtige vogels, die men vereenigt in het geslacht
-Dicrurus of Edolius.
-Druif, Vitis vinifera.
-Dschiggetai (langoor), de Mongoolsche naam van den Koelan der
-Kirgiezen, den Dschan der Toengoezen, of den Kiang der Tibethanen, den
-Equus hemionus of Asinus hemionus der wetenschap. De Onager van den
-bijbel is waarschijnlijk eene variëteit van den Koelan; als bijzondere
-soort beschouwd draagt de onager den naam van Equus (Asinus) Onager.
-Duiven:
- Rotsduif, Columba livia.
- Guineaduif, Columba guinea.
- Ringduif, Columba palumbus.
- Kleine boschduif, Columba oenas.
-Duitsche papegaai, Coracias garrula.
-Dwergamandel, Amygdalus nana.
-Dwergtrap, Tetrax campestris.
-Dwergels, Alnus nana.
-Dwergberk, Betula nana.
-
-
-
-E.
-
-Edelmarter, zie Marters.
-Eekhoorntjes:
- Gewone eekhoorntje, Sciurus vulgaris.
- Gestreepte eekhoorntje, Sc. striatus.
- Vliegende eekhoorn, Pteromys volans.
-Eenden:
- IJseend, Harelda glacialis.
- Pijlstaart, Anas acuta.
- Roesteend of holeneend, kasarka, Anas rufila.
- Eidereend, Fulix molissima; twee andere soorten zijn F. spectabilis
- en F. Stelleri. Ook aan onze kusten verschijnen nu en dan deze
- vogels.
- Krakeend, A. strepera.
- Wilde eend, A. boschas.
- Wintertaling, A. crecca.
-Ekster, Pica caudata of varia.
-Eland, Cervus alces.
-Els (witte), Alnus incana.
-Erwtenstruik, ?
-Erwtenboom, Caragana arborescens.
-Essek, Pennisetum distichum.
-
-
-
-F.
-
-Fennek, Vulpes zerda, zie Vossen.
-Fitis, Ficedula trochilus.
-Fluiter, Ficedula sibelatrix.
-Frankolijn, eene patrijzensoort, Perdix francolinus.
-Framboos, Rubus idaeus.
-Fuut (Geoorde), Podiceps auritus.
-
-
-
-G.
-
-Gaai (Vlaamsche) Garrulus glandarius.
-Ganzen:
- Vosgans, Nijlgans, Egypt. gans, Chenalopex aegypticus, e.a. s.
- Spoorgans, Plectropterus Gambensis.
- Lapgans, ?
-Gaperbek, Anastomas lamelligerus.
-Garakan, ?
-Gazelle, zie Antilope.
-Geitenmelkers of Nachtzwaluwen, door de Duitschers Nachtschatten
-genoemd:
- Gewone geitenmelker, Caprimulgus europaeus.
- Roodhalzige geitenm., C. ruficollis.
- Klagende geitenmelker, de Whip-poor-will der Amerikanen, C.
- vociferus.
- Sleepnachtzwaluw, Scotornis longicaudus.
- Waternachtzwaluwen, Hydropsalis spec.
- Liernachtzwaluw, Hydropsalis forcipatus.
- Vlag-nachtzwaluw, Cosmetornis vexillarius.
- Viervleugelige nachtzwaluw, Macrodipteryx longipennis.
- Woestijn-nachtzwaluw, Caprimulgus isabellinus.
- Pracht-nachtzwaluw, C. eximius.
-Gems, zie Antilope.
-Gekko, Platydactylus guttatus, e.a. s.
-Gieren:
- In de Oude Wereld.
- Kuifgieren:
- de grauwe of monniksgier, Vultur monachus.
- de oorgier, V. auriculus.
- de kaalkopgier, V. calvus.
- Aasgieren of gansgieren:
- de witkopgier, Gyps fulvus.
- de sperwergier, G. rüpellii.
- de witte aasgier, (hen der Pharao’s) Neophron percnopterus.
- de monniksaasgier, N. pileatus.
- In de Nieuwe Wereld.
- Kamgieren:
- de condor, Sarcoramphus gryphus.
- de koningsgier, S. papa.
- Hoendergieren:
- de kalkoengier, Catharista aura.
- de raafgier, C. atrata.
- de kraangier of sekretaris, Serpentarius secretarius, wordt het
- gevoegelijkst tot de valkachtige vogels gebracht, terwijl de
- lammergier of baardgier, Gypaëtus barbatus een overgang vormt
- tusschen gieren en valkachtigen.
-Glansspreeuw, Lamprocolius nitens.
-Gnoe, zie Antilope.
-Goochelaar, Artsadelaar, hemelaap, Helotarsus ecaudatus.
-Goudwever, Ploceus galbula, zie Wevervogels.
-Goudkoekoek, Chrysococyx auratus.
-Goudvinken:
- Gewone goudvink, Phyrrhula erythrina.
- Steengoudvink = Woestijn-goudvink? (Pyrrhula githaginea).
-Goudplevier, Charadrius auratus of pluvialis.
-Gorzen:
- Sneeuwgors, Emberiza nivalis.
- Spoorgors, E. lapponica.
- Steengors, E. cia?
- Geelgors of haverkneu, E. citrinella.
- Grauwgors, E. miliaris.
- Rietgors, E. schoeniclus.
- Ortelaan, E. hortulana.
- De gorzen maken met de vinken ééne familie uit.
-Grasmusschen:
- Gewone grasmusch of doorn-grasm., Curruca (Sylvia) cinerea.
- Meesterzanger, C. Orphea.
- Zwartkapje, D. atricapilla.
- Tuinfluiter, C. hortensis.
- Molenaar, G. garrula.
- Sperwer-grasmusch, C. nisoria.
- Zanger der Provence, Pyrophtalma provincialis.
-Groef-adders, zie Adders.
-Guanaco, Auchenia huanaco; waarschijnlijk de stamsoort der lama’s.
-Grasmusch, Sylvia cinerea.
-Groenvink of vlasvink, Fringilla chloris.
-Granaat, Punica granatum.
-Griel, Oedicnemus crepitans.
-
-
-
-H.
-
-Haakvink, zie vinken.
-Hagedasch of bosch-ibis, Ibis Hagedasch.
-Hamster, Cricetus fromentarius.
-Havik, Astur palumbarius.
-Hazen:
- Poolhaas of Sneeuwhaas, Lepus glacialis; misschien dezelfde soort als
- de
- Alpenhaas, Lepus timidus, variabilis, albus of alpinus.
- Gewone haas, Lepus vulgaris.
-Hazelhoen, (zie Hoenders), Tetrao bonasia.
-Halfa, ?
-Haringmeeuw, zie Meeuwen.
-Hemelaap, goochelaar of hansworst, artsadelaar, Helotarsus ecaudatus.
-De kaapsche boeren noemen dezen vogel berghaan.
-Heideroosje, Helianthemum fumana.
-Hermelijn, Mustela erminea.
-Helmvogel, Corythaix leucotis = Musophaga violacea.
-Herten:
- Rendier, Cervus tarandus.
- Maralhert, C. maral.
- Reuzenree, Capreolus pyrargus.
- Ree, C. capraea.
-Hoornfazant of satyrhoen, Ceratornis satyra.
-Honigzuigers, kleine, sierlijk gebouwde vogels, die in de oude wereld
-de kolibri’s van Amerika vervangen; de op pag. 161 en 301 bedoelde
-soort is, Nectarinia (Hedydipna) metallica.
-Honden:
- Indische wilde hond of kolsoen, Canis dukhanensis.
- Maleische wilde hond, Canis rutilans.
- Alpenhond, Canis alpinus (in Azië).
- Dingo, Canis dingo, (verwilderde Austral. huishond).
- Hyaenahond of steppenhond, Canis pictus, of sinensis. Linnaeus bracht
- dit dier tot de hyena’s.
- Huishond, Canis familiaris.
-Hop, Humulus lupulus.
-Hoenders:
- a. Woestijnhoenders, die den overgang vormen tusschen de duiven en
- de eigenlijke hoenders.
- Voorbeelden:
- het steppenhoen, Syrrhaptes paradoxus.
- de ganga, Pterocles arenarius.
- de khata, Pt. alchata.
- het zandhoen, Pt. exustus.
- b. Ruigpoothoenders, verdeeld in boschhoenders en sneeuwhoenders.
- Voorbeelden van boschhoenders:
- Auerhoen, Tetrao urogallus.
- Korhoen of berkhoen, T. tetrix.
- Hazelhoen, T. bonasia.
- Voorbeelden van sneeuwhoenders:
- Moerashoen, Lagopus albus.
- Moeras-berkhoen, L. lagopoides.
- Sneeuwhoen, L. mutus of alpinus.
- c. Veldhoenders.
- Voorbeelden:
- Steenhoen, Cacabis saxatilis. } Berghoenders.
- Grieksche steenhoen, C. graeca. }
- Roodhoen, C. rufa.
- Kliphoen, C. petrosa.
- Patrijs, Perdix cinerea.
- Oelaar, Megaloperdix himalayensis.
- Frankolijn, Pternistes vulgaris, Francolinus vulgaris of
- Perdix francolinus.
- Rots- of Alpenhoenders, Megaloperdix spec.
- Kwartel, Coturnix communis.
- d. Fazanten.
- Bankivahoen (stamsoort onzer tamme hoenders), Gallus bankiva.
- Zilverfazant, Euplocomus nycthemerus.
- Gewone fazant, Edelfazant, Phasianus cholchicus.
- Goudfazant, Ph. pictus.
- Diamantfazant, Ph. amherstiae.
- Gewone Pauw, Pavo cristatus.
- Glansfazant, Lophophorus impeyanus.
- Satyrhoen, Ceratornis satyra.
- Spiegelpauw, Polyplectron chinquis.
- Argusfazant, Arguspauw, Argus giganteus.
- e. Kalkoenen.
- Kalkoen, Meleagris gallopavo.
- Pauwkalkoen, M. ocellata.
- Parelhoen, Numida meleagris, e.a. s.
- f. Hokko’s (in Amerika).
- g. Heuvelbouwers.
-Hiëroglyphenslang, Python sebae.
-Huiszwaluw, Hirunda urbica.
-Hulman, zie Apen.
-
-
-
-I.
-
-Ibis, soorten van Ibis.
- Boschibis of hagedasch, Ibis Hagedasch.
-Immortellen, verschillende bloemen, wier droge (bloem)blaadjes niet
-spoedig verflensen en daarom lang bewaard kunnen blijven. In den
-volksmond dragen zij den naam van stroobloemen. Men vindt ze veel onder
-de composieten, zooals ons inlandsch Gnaphalium (dioecum e.a. s.).
-Irbis, Felis uncia.
-
-
-
-J.
-
-Jabiroe, Mycteria senegalensis of Ciconia mycteria.
-Jachttijger, Felis guttata, e.a. s.
-Jachtvalk of Noordsche v., zie Valken.
-Jakhals, Canis (Lupus) aureus.
-Jeneverbes, Juniperus communis.
-Jufferkraan, Grus virgo.
-
-
-
-K.
-
-Kaapsche duif, Procellaria capensis.
-Kameelen:
- éénbultige of dromedaris, Camelus dromedarius.
- tweebultige of kameel, C. bactrianus.
-Karakal, Felis caracal.
-Kauw, zie Kraaien.
-Kasarka, de Russische naam voor Anas rufila, de holeneend.
-Kalanderleeuwerik, zie Leeuwerik.
-Kamperfoelie, Lonicera Periclymenum.
-Kalong of vliegende hond, Pteropus edulis.
-Kat:
- tamme kat, Felis domestica.
- wilde ,, F. catus.
-Kalkoen, Meleagris gallopavo.
-Keelvogeltje = Roodborstje? Ficedula (Erithacus) rubecola.
-Kers, Cardamine pratense.
-Kigelia, een geslacht behoorende tot de familie der Gesneraceeën.
-Kievit (kudden), misschien de steppen-kievit, Vanellus gregarius?
-Klauwieren of Worgers:
- Struikklauwieren, Laniarius. (soorten van).
- Scharlaken klauwier, L. erythrogaster.
- Fluitklauwier, L. aethyopicus.
-Klipdas, Hyrax capensis.
-Klokjes, soorten van Campanula.
-Kluit, Recurvirostra avocetta.
-Kneutje, Fringilla cannabina.
-Korsak of steppenvos, Vulpes corsac.
-Kolokwinten, Cucumis Colocynthis.
-Kolonok, Siberische marter, vuurmarter (= Mustela sarmatica of
-Tijger-iltis?).
-Korhoen, zie Hoenders.
-Koet, Fulica atra.
-Koelan, zie Dschiggetai.
-Krokodil, soorten van Crocodilus, Alligator, Caiman, en Gavialis.
-Kramsvogel, Turdus pilaris.
-Kraaien:
- Bonte kraai, Corvus cornix.
- Gewone kraai, C. corane.
- Kauw of torenkraai, C. monedula.
- Raaf, C. corax.
- Rock, C. frugilegus.
-Kraanvogels:
- (Gewone) kraan, Grus cinerea, of communis.
- Jufferkraan, G. virgo.
- Kroon-kraanvogel, G. pavonina of Balearica pavonina.
- Numidische Kraai of Ombervogel, Scopus umbretta.
-Kraagtrap, Otis Macqueni.
-Krokodilwachter, Charadrius (Hya) Aegyptiacus.
-Kuikendief (Bruine) of rietwouw, Circus aeruginosus, rufus.
- ,, (Grauwe) C. pygargus, cineraceus.
- ,, (Blauwe) of korenwouw, C. cyaneus.
-Kwikstaart, Motacilla alba.
- ,, (Gele), Motacilla flava.
-Kwak, Ardea nycticorna.
-
-
-
-L.
-
-Laurierwilg, Salix pentandra.
-Lachmeeuw, zie Meeuwen.
-Lapgans, zie Ganzen.
-Lazuurmees, Parus cyanus.
-Larix, Pinus Larix of Abies Larix.
-Leeuw, Felis Leo.
-Lepelaar, Platalea leucorodia.
-Lelie van Dalen, Convallaria majalis.
-Leeuweriken:
- Woestijn-leeuwerik, Ammomanes deserti.
- Kalander ,, Alauda calandra.
- Akker ,, A. arvensis.
- Siberische ,, A. sibirica, of Melanocorypha sibirica.
- Moor ,, A. tatarica.
- Rood ,, A. rufa?
- Kortteenige ,, A. (M.) brachydactyla.
-Lemming, Lemmus norwegicus of Mus lemmus. Deze soort komt in Noorwegen
-voor; bovendien heeft men nog: L. torquatus, L. lagurus en L. obensis
-in Rusl. en Sib.
-Liestvogels, na verwant aan de gewone ijsvogels, beter vliegers dan
-deze en enkel te huis in Afrika, Zuid-Azië en Australië.
- Voorbeelden:
- Boomliest, Halcyon semi coeruleus.
- Jagerliest, H. giganteus.
-Loof- of Boschzangers, soorten van Hypolais, Ficedula, e.a.
-Loogkruid, Salsola kali.
-Lommen, de grootste soorten van zeekoeten, zooals: Uria troile, U.
-ringvia, U. Bruennichii.
-Losch of Lynx, Felis Lynx.
-Lijsterbes, Sorbus aucuparia.
-Lijsters:
- Groote lijster, Turdus viscivorus.
- Merel, T. merula.
- Kramsvogel, T. pilaris.
- Beflijster, T. torquatus.
- Koperwiek, T. iliacus.
- Steenlijster, T. saxatilis.
- Blauwmerel, T. cyanus.
-Luipaard, zie Panter.
-
-
-
-M.
-
-Mammoeth, uitgestorven olifant, Elephas primigenius.
-Maraboe, Ciconia maraboe, Leptoptilus crumenifer.
-Mantelbaviaan, zie Apen.
-Magot, ,, ,,
-Makako, ,, ,,
-Marmot, Arctomys marmotta.
-Marters:
- Edelmarter, Mustela martes.
- Steenmarter, M. foina.
- Sabelmarter, M. zibelina.
- Hermelijn, M. erminea.
- Mink, M. vison.
- Wezel, M. vulgaris.
-Maralhert, Cervus Maral.
-Mantelmeeuw, zie Meeuwen.
-Meeuwen:
- Zilvermeeuw, Larus argentatus.
- Haringmeeuw of kleine mantelmeeuw, L. fuscus.
- Mantelmeeuw, L. marinus.
- Stormmeeuw, L. canus.
- Drieteenige meeuw, L. tridactylus.
- Kleine roofmeeuw, L. parasita.
- Onder vischmeeuwen verstaat men alle grootere soorten van meeuwen,
- zooals: L. marinus, L. glaucus, L. argentatus.
- Lachmeeuw of kokmeeuw, L. ridibundus.
- Groote burgemeester, L. glaucus.
- Kleine burgemeester, L. leucopterus.
-Meervleêrmuis, Vespertilio dasycnemus.
-Meerval, Silurus glanis.
-Meerkat, zie Apen.
-Menschapen, zie Apen.
-Meloen, Cucumis Melo.
-Meezen:
- Baardmees, rietmees, Parus biarmicus.
- Milaan, zie Wouw.
- Buidelmees, Parus pendulinus.
-Mimosa’s, Planten, verwant aan de vlinderbloemigen.
-Molenaartje, Sylvia curruca.
-Mink, Mustela vison, zie Marters.
-Moerasuil, Otus of Strix brachyotes.
-Moerasbes, rijsbes, zwarte boschbes, Vaccinium uliginosum.
-Muskusdier, Moschus moschifera.
-Muskus-os, Ovibos moschatus.
-Muskieten, soorten van Culex, (C. molestus, trifurcatus, pulicaris,
-e.a.).
-Muggen (der Toendra), soorten van Culex, (b.v. C. pipiens en annulatus,
-bij ons steekmuggen geheeten, en Anopheles maculipennis).
-Muisvogels, soorten van Colius.
-
-
-
-N.
-
-Nachtegaal (Poolsche), Lusciola philomela.
-Gewone nachtegaal, L. luscinia.
-Nachtegaal (Basterd-), Aedon galactodes.
-Nachtzwaluwen, zie Geitenmelkers.
-Neushoornvogel; waarschijnlijk wordt in den tekst op pag. 161 bedoeld:
- Bucorax Abyssinicus.
-Neushoorn of rhinoceros, Rhinoceros.
-Nimmerzat of Tantalus, Tantalus ibis.
-Nieskruid, Helleborus viridis en niger.
-Nonnetje, Mergus albellus.
-Nijlgans of Vosgans, Chenalopex Aegyptiacus.
-Nijlpaard, Hippopotamus.
-
-
-
-O.
-
-Oeverloopers, soorten van Totanus, zie Waterloopers.
-Oestervisscher, zie Scholekster.
-Oeverzwaluw, Hirundo riparia.
-Oehoe, Uhu of groote ooruil, Bubo maximus of Strix bubo.
-Oeverzwaluw, zie Zwaluw.
-Oelaren, Megaloperdix himalayensis.
-Olijfboom, Olea Europaea.
-Olifant (Afrik.), Elephas africanus.
- ,, (Aziat.), E. asiaticus.
-Ooievaar, (Gewone of witte), Ciconia alba.
- ,, (Zwarte of bosch-), Ciconia nigra.
- ,, Simbil, Ciconia abdimii.
-Reuzen-ooievaars, Mycteria sp.
-Ombervleêrmuis, of trekvleêrmuis, Vesperugo nilssonii.
-Oranje-appel, Citris communis.
-Ombervogel, of Numidische kraan, Scopus umbretta.
-Ortelaan, Emberiza hortulana.
-Ossenpikkers, spreeuwachtige vogels, die tevens veel overeenkomst
-hebben met de wevers; men brengt ze tot het geslacht Textor of Buphago,
-b.v. Textor erythrorhynchus.
-Otter, Lutra vulgaris.
- zeeotter, L. (Enhydris) marina.
-
-
-
-P.
-
-Parelhoen, zie Hoenders.
-Paradijsvogels, soorten van Paradisea.
-Paradijsvliegenvangers, Terpsiphone melanogastra of Muscipeta paradisi.
-Papegaaiduiker, Mormon arcticus of fratercula.
-Papegaaien:
- In Afrika komen o.a. voor:
- Grijze papegaai of Jako, Psittacus erithacus of cinereus.
- Rozenpapegaai, Agapornis roseicollis.
- Groene edelpapegaai, Eclectus pectoralis.
- Halsbandparakiet, Palaeornis torquatus.
-Panters:
- Panter, Felis panthera, Leopardus panthera.
- Luipaard, Felis pardus, Leopardus antiquorum.
- Soenda panter, Felis variegata, L. pantherinus.
- Zwarte panter, F. melas, L. melas.
- Sneeuwluipaard, Irbis, F. uncia, L. irbis.
-Pelikaan, Pelecanus onocrotalus.
-Piniolen, de zaden der Arve, Pinus cembra.
-Piepers:
- Boompieper, Anthus arboreus, trivialis.
- Waterpieper, A. aquaticus, spipoletta.
- Rotspieper of Oeverpieper, A. obscurus.
-Plevieren:
- Kleine plevier, Charadrius minor.
- Goudplevier, Charadrius auratus of pluvialis.
- Krokodilwachter, Ch. Aegypticus.
-Pluimgras, Festuca spec.
-Populieren:
- Zilverpeppel, Populus alba.
- Ratelpopulier, P. tremula.
-Poolsche Nachtegaal, Lusciola philomela.
-Poolhaas, zie Haas.
-Poolvos, Canis lagopus.
-Pijlstaart, zie Eenden.
-Prachtvinken, soorten van Habropyga (wevertjes).
-
-
-
-Q.
-
-Quagga, Equus quagga, zie Dauw.
-
-
-
-R.
-
-Rangkong, Buceros rhinoceros (Een Neushoornvogel).
-Rat (zwarte), Mus rattus.
-,, (bruine of trekrat), M. decumanus.
-Ramstruik, ?
-Ratelpopulier, Populus tremula.
-Rendiermos, Cladonia rangiferina, een korstmos.
-Reuzenhert (uitgestorven), Cervus megaceros.
-Rendier, Cervus tarandus; zie Herten.
-Reigers:
- Reuzenreiger, Ardea goliath.
- Groote zilverreiger, A. alba.
- Kleine ,, A. garzetta.
- Woudaapje, A. minuta.
- Purperreiger, A. purpura.
- Blauwe reiger, Ardea cinerea.
- Ralreiger, A. comata.
- Koereiger, Bubulcus (A.) ibis.
- Roerdomp, Botaurus A. stellaris.
-Ree, Capreolus capraea.
-Reuzenree, Capreolus pygargus.
-Ringduif, Columba palumbus.
-Rosé-spreeuw, Pastor roseus.
-Rozemarijnheide, Andromeda polifolia.
-Roodhoenders, zie Hoenders.
-Rouw-tapuit, Saxicola leucura.
-Rotspieper, zie Piepers.
-Rozemarijnwilg, Salix rosmarinifolius.
-Ruigpootbuizerd, Buteo lagopus.
-Ruigpoothoenders, zie Hoenders.
-Runder-troepiaal, Icterus pecoris.
-Rotshoen, Cacabis petrosa?
-Rijsbes, zwarte boschbes, moerasbes, Vaccinium uliginosum.
-Ruiter (groenpootige), Totanus glottis.
-
-
-
-S.
-
-Salamandervisch, Protopterus annectens.
-Salanganen, zie Zwaluwen.
-Salicaria, Lythrum salicaria, Wederik.
-Satyrhoen, hoornfazant, Ceriornis satyra.
-Schaarbek, Rhynchops flavirostris of orientalis.
-Scharrelaars, Coracias en Colaris spec.
-Scholekster, Haematopus ostralegus.
-Schollevaar, Carbo cormoranus.
-Schreeuwarend, Aquila naevia.
-Sennah, Cassia lenitiva.
-Sekretaris of kraangier, Serpentarius secretarius.
-Sijsje, Fringilla spinus.
-Simbil, Ciconia of Sphenorhynchus abdimii, eene ooievaarsoort van
-centraal-Afrika, verwant aan den zwarten Ooievaar, Ciconia nigra, maar
-kleiner.
-Slechtvalk, zie Valken.
-Slangen-buizerd of arend-buizerd, Circaëtus gallicus.
-Slangensperwer, Polyboroïdes typicus.
-Slangenhalsvogels, Plotus vaillantii.
-Slechtvalk (Dwerg-), Falco minor.
-Smalbladig zonnekruid, Helianthemum fumana.
-Sneeuwuil, Surnia nivea of nyctea.
-Snijdervogel, Orthotomus longicauda.
-Springwal, Balaenoptera longimana.
-Specht (zwarte), Picus martius.
- ,, (groene), P. viridis.
- ,, (groote bonte), P. major.
-Sperwer (zang-), Asturina musicus.
-Spoorgans, zie Ganzen.
-Speerkruid, soorten van Polemonium.
-Spreeuw (Rosé), Pastor roseus.
-Springmuis, soorten van Pedetes en Dipus. De soort op pag. 68 bedoelde
-is Dipus jaculus, paardenspringer; de Mongolen noemen haar Alagtaga,
-(bont-kuiken), de Tataren Tya-Jelman, (kameelhaas), de bewoners van de
-oevers der Jaïk, Tuschkantschick (haasje) en de Russen Semljanoi-Saëz,
-d.i. aardhaas.
-Sperwer-grasmusch, Sylvia nisoria.
-Spreeuw (Glans-), Lamprocolius nitens.
-Spotvogel, Ficedula hypolais.
-Spiraea’s; de bij ons gekweekte Sp. filipendula en de hier wild
-groeiende Sp. ulmaria komen veel in de Russische steppen voor.
-Steenarend, Aquila chrysaëtos of fulva.
-Staalvink, ?
-Steppen-antilope of saiga, Antilope saiga.
- ,, leeuwerik, Saxilauda tartarica.
-Steenlijster, Turdus saxatilis.
-Steltkluit, Himantopus rufus of Hypsibates himantopus.
-Steppenwouw, Strigiceps pallidus, iets kleiner dan de blauwe
-kuikendief.
-Steppenvalk of steppenbuizerd, Buteo of Falco desertorum.
-Steppenhond, Canis pictus, zie Honden.
-Stormmeeuw, Larus canus.
-Steenbok, Capra ibex.
- woestijn-steenbok, ?
-Strandloopers, soorten van Tringa, zie Waterloopers.
-Steppenhoen, zie Hoenders. Het Aziatische Steppenhoen (Fausthuhn)
-Syrrhaptes paradoxus, dwaalt soms tot West-Europa af, om echter al
-spoedig weder te verdwijnen.
-Struisvogel, Struthio camelus.
-Sykomoor, Ficus sycomora.
-
-
-
-T.
-
-Tamarinde, Tamarindus indica.
-Tarantula, Lycosa tarantula.
-Tantalus of Nimmerzat, Tantalus ibis.
-Taxus, Taxus baccata.
-Tapuit, Saxicola oenanthe.
-Tarpan, een verwilderd, of het oorspronkelijk wilde paard. Men zou het
-als afzonderlijke soort kunnen noemen: Equus Tarpan.
-Tegelthee, Koeken, bestaande uit afval van thee, tot een deeg
-aangemengd met rijstewater en schapenbloed, en daarna gedroogd. De
-Chineezen verzenden deze koeken in groote hoeveelheid naar Rusland en
-Siberië.
-Teisten, de kleine soorten van zeekoeten.
-Thyrsagras, Stipa Thyrsa.
-Thym, Thymus serpyllum, e.a. s.
-Tjif-tjaf, Ficedula rufa.
-Torenzwaluw, Cypselus murarius of apus. (zie Zwaluwen.)
-Tompalm, ? (Misschien dezelfde soort als de Dompalm?)
-Torenvalk, zie Valk.
-Trappen:
- Groote trap, Otis tarda.
- Kraagtrap, O. Macqueni.
- Dwergtrap, Tetrax campestris.
-Treksprinkhaan, Acridium migratorium.
-Tijger (Jacht-), Felis guttata, e.a. s.
-Tureluur, Totanus calidris.
-Tijger, Felis tigris.
-
-
-
-U.
-
-Uhu, zie Oehoe.
-
-
-
-V.
-
-Valeriaan, Valeriana officinalis, e.a. s.
-Valken:
- Jachtvalk of Noordsche valk, Falco candicans.
- Trekvalk of Slechtvalk, F. communis of peregrinus.
- Torenvalk of zwemmer, F. tinnunculus.
- Kleine torenvalk, F. cenchris of tinnunculoides.
- Avondvalk of roodvoetvalk, F. vespertinus of rufipes.
-Veenmossen, soorten van Sphagnum.
-Vergeet-mij-niet, Myosotis palustris, e.a. s.
-Veenbes, Vaccinium Oxycoccus.
-Veldmuis, Hypudaeus arvalis.
-Veelvraat, Gulo arcticus.
-Vinken:
- Kardinaal, Coccoborus virginianus, Fringilla cardinalis.
- Goudvink, bloedvink, Pyrrhula europaea, Fr. pyrrhula.
- Woestijnvink, P. githaginea.
- Sparrevink of haakvink, Pinicola, (Fr.) enucleator.
- Gewone vink, Fringilla coelebs.
- Keep, bergvink, F. montifringilla.
- Sneeuwvink, F. nivalis.
- Vlasvink, groenling, Chloris hortensis (Fr. chloris).
- Kneutje, Acanthis (Fr.) cannabina.
- Fratertje, A. flavirostris, Fr. flavir. of montium.
- Paapje, Steenbarm, A. (Fr.) linaria.
- Sijsje, Chrysomitris (Fr.) spinus.
- Citroenvink, C. citronella.
- Putter, Distelvink, Carduelis elegans, Fringilla carduelis.
- Kanarie, Serinus canarius, Fringilla canaria.
- Kruisbekken, Kruisvinken, Loxia.
- Appelvinken, Coccothraustes.
- Musschen, Passer.
-Vingerkruid, soorten van Potentilla.
-Vingerhoedkruid, soorten van Digitalis.
-Vischmeeuwen, zie Meeuwen.
-Vischotter, Otter, Lutra vulgaris.
-Vinvisch, Balaenoptera boops of arctica.
-Vidua, zie Whidah.
-Vogelwikke, Vicia cracca.
-Vosgans of Egyptische of Nijlgans, Chenalopex aegyptiacus.
-Vogelkers, Prunus Padus.
-Vliegende eekhoorn, Pteromys volans.
-Vossen:
- Gewone vos, Vulpes vulgaris, Canis vulpes.
- Poolvos, IJsvos, Steenvos, Vulpes lagopus.
- Steppenvos, Korsak, Vulpes corsac.
- Fenek, Woestijnvos, Vulpes zerdo.
-Vrouwenhaargrassen, soorten van Stipa?
-Vuurvink, of Vuurwever, Euplectes franciscanus.
-Vijgencactus, Opuntia vulgaris.
-Vijg, Ficus carica.
-Vuur-wevervogel, of vuurvink, Euplectes franciscanus.
-
-
-
-W.
-
-Waterloopers, Totaninae, eene afdeeling der moerasvogels, bevattende
-o.a. de geslachten:
- Numenius, b.v. N. arcuatus, wulp.
- Limosa, b.v. Limosa lapponica, poelsnip, L. aegocephala, grutto.
- Totanus, waterloopers in engeren zin, b.v.
- Totanus pugnax, kemphaan.
- T. littoreus of glottis, groenpootige ruiter.
- T. calidris, tureluur, T. hypoleucos, oeverlooper, steenvink.
- Tringa, strandloopers, zooals:
- T. canutus, Kanoet-strandlooper.
- T. subarquata, Kroonbek-strandlooper enz.
-Watertreders. Ook deze vormen een geslacht der Totaninae. Hiertoe
-behooren:
- Phalaropus hyperboreus, Odinshen.
- Ph. fulicarius, franjepoot.
-Waterhennetje, Gallinula chloropus.
-Watersnip, Scolopax gallinago.
-Wegedoorn, Rhamnus frangula.
-Wederik, soorten van Epilobium.
-Wevers. Hieronder verstaat men eene familie van zangvogels, die meer
-dan 300 soorten telt en in de warme gewesten van Afrika en Azië thuis
-behooren. Enkele soorten bewonen Australië.
- Voorbeelden:
- het geslacht Textor, zooals: de Alektowever, T. albirostris.
- het geslacht Ploceus, zooals: de Wielewaal-wever, Pl. galbula, de
- Abessynische wever, Pl. abessinicus.
- het geslacht Euplectes, zooals: de Vuurwever of vuurvink, E.
- franciscanus.
- het geslacht Vidua (weduwen), b.v. de Paradijsweduwe, V.
- paradisea.
- het geslacht Habropyga (Prachtvinken), b.v. bloedvink, H. minima.
- ,, ,, Spermestes (Amadina’s), b.v. Halsbandvink, Sp.
- fasciata.
- Rijstvogel, Sp. oryzivora.
-Whidah, soorten van Vidua, gewoonlijk „weduwen” genoemd, eene
-verbastering van Whidah, den naam van het Afrikaansche koninkrijk, van
-waar deze vogels het eerst door de Portugeezen naar Europa zijn
-vervoerd. Zij vormen met de amadina’s en wevers in engeren zin eene
-onderling naverwante groep van vogels, die alle in de warme gewesten te
-huis behooren, de weduwen uitsluitend in Afrika, de amadina’s en wevers
-zoowel in dit werelddeel als in Indië. Zie Wevers.
-Wintertaling, Anas crecca, zie Eenden.
-Witte Els, Alnus incana.
-Wolf, Canis lupus, Lupus lupus, L. vulgaris.
-Woestijn-leeuwerik, Ammomanes deserti.
-Woestijn-steenbok, zie Steenbok.
-Woestijnhoenders, zie Hoenders.
-Woestijnvos, Fenek, Vulpes zerdo.
-Worger of Klauwier, soorten van Lanius.
-Wolwilg, Salix pentandra. ?
-Woudaapje, Ardea minuta.
-Wortelmuis, Hypudaeus oeconomus.
-Wulp, Numenius arcuatus.
-Wouwen of milanen, roofvogels, die veel overeenkomst hebben met de
-buizerden.
- Soorten: Koningswouw, Milvus ictinus of regalis.
- Milaan, M. migrans.
- Roofwouw, roofmilaan, M. aegypticus.
- Veldwouw of grauwe kuikendief, Circus pygargus.
- Steppenwouw, C. macrurus.
- Rietwouw of bruine kuikendief, C. aeruginosus.
- Koornwouw of blauwe kuikendief, C. cyaneus.
- Steppenkuikendief, Strigiceps pallidus.
-
-
-
-IJ.
-
-IJseend, Harelda glacialis.
-IJsbeer, Ursus maritimus.
-IJsvogel, Alcedo ispida.
-
-
-
-X.
-
-Zaagbekken, soorten van Mergus.
-Zangers, Sylviidae.
-Zangsperwer, Asturina musicus.
-Zebra, (zie Dschiggetai) Equus zebra.
-Zeezwaluwen, soorten van Sterna.
-Zeekoeten of Teisten, lommen, alken, zooals: Uria Grylle; U. troile; U.
-Brunnichi. De soort op pag. 14 bedoeld, is waarschijnlijk U. Grylle,
-een alk met langen snavel, ook meer bepaald zeekoet geheeten.
-Zeeduikers, soorten van Colymbus.
-Zeearend, zie Arend.
-Zeggegras, soorten van Carex.
-Ziesel, Spermophilus citillus.
-Zilverden, Pinus picea, of Abies pectinata.
-Zilverreigers, zie Reigers.
-Zingzwaan, Cygnus musicus.
-Zilvermeeuw, Larus argentatus, zie Meeuwen.
-Zwaluwen:
- Huiszwaluw, Hirundo urbica.
- Boerenzwaluw, H. rustica.
- Oeverzwaluw, H. riparia.
- Torenzwaluw, Gierzwaluw, Cypselus murarius of apus.
- Alpenzwaluw, Cypselus melba.
- Salanganen, Cypselus nidificus en C. esculentes.
-Zwarte zeezwaluw, Sterna nigra.
-Zwijn (wild), Sus scrofa.
-
-
- R. E. de Haan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NAAMLIJST VAN INTEEKENAREN.
-
-
-Bibliotheek van Hare Majesteit de Koningin.
-
-Hare Majesteit de Koningin-Regentes.
-
-
-
-A.
-
-Adriani, A. H., Boekhandelaar, Leiden, 2 Exempl.
-Albrecht, G. J., Boekhandelaar, Winterswijk, 10 Exempl.
-Alsche, Mr. T. C. P., Velp bij Arnhem.
-Ammers, F. L. van, Boekhandelaar, ’s Hertogenbosch, 2 Exempl.
-Arrondissements-Bibliotheek der Onderwijzers, Dordrecht.
-
-
-
-B.
-
-Balen, J. N. Plemper van, Boekhandelaar, Alkmaar, 2 Exempl.
-Ballot, G., Soekoeboemi (Java).
-Beek, M. van der, Boekhandelaar, ’s Gravenhage, 4 Exempl.
-Bekker, F. H. M. de, Vucht.
-Benthem & Jutting, Van, Boekhandelaars, Middelburg.
-Berends, J.Jz., W. J., Boekhandelaar, Zwolle, 2 Exempl.
-Berghuijs, B., Boekhandelaar, Kampen.
-Bergsma, Th. P., Predikant, Winterswijk.
-Bettink, J. G., Hoofd der School No. 1, Bergambacht.
-Beijers, Firma J. L., Boekhandel, Utrecht.
-Blaauw, A. J., Amsterdam.
-Blaauw, J. F., Emeritus-Predikant, Arnhem.
-Blees, G. J., Zaandam.
-Blees Gz., K., Boekhandelaar, Zaandam, 2 Exempl.
-Blok, A., Schoolopziener, Geertruidenberg.
-Blussé & Van Braam, Boekhandelaars, Dordrecht, 7 Exempl.
-Bolland, A. A. W., Boekhandelaar, Goes.
-Bontamps, Firma Wed. H., Papierhandel, Amsterdam.
-Bonten, A., Burgemeester, Papendrecht.
-Boomsma, R. & A., Boekhandelaars, Harlingen, 2 Exempl.
-Borgesius, J., Boekhandelaar, Sappemeer.
-Borgman, Dr. A., Leeraar aan het Gymnasium, ’s Gravenhage.
-Borski, Van Noord, Particulier, Nieuwer-Amstel.
-Bouma Gz., A., Ede.
-Braak, H. E. G. ter, Eibergen.
-Braband, Maria T. J. van, Boekhandel, Hontenisse.
-Brentano, Mej. C., Ede.
-Breijer, C. H. E., Boekhandelaar, Utrecht.
-Brink & De Vries, Ten, Boekhandelaars, Amsterdam.
-Broese & Co., Boekhandelaars, Breda.
-Brouwer, A. J. E., ’s Gravenhage.
-Brouwer, W., Onderwijzer, Schoonhoven.
-Brouwers, J. H., Onderwijzer, Sittard.
-Brunt & Zoon, J., Boekhandelaars, ’s Gravenhage, 2 Exempl.
-
-
-
-C.
-
-Cannegieter, J., Emeritus-Predikant, Groningen.
-Casembroot, Jhr. Mr. E. A. O. de, Middelburg.
-Cate, A. W. Naudin ten, Sergeant Instr.-Bat., Kampen.
-Collot d’Escury, K. J. A. G. Baron, Arr.-Schoolopziener, Boschkapelle.
-Cransberg, H., Onderwijzer, Schoonhoven.
-Creutz, S. A. F. Baron, Particulier, Dordrecht.
-
-
-
-D.
-
-Denekamp, Mr. B., Advocaat en Procureur, Rotterdam.
-Dhuy, F. P., Boekhandelaar, Middelburg.
-Dibbetz, J. C., Utrecht.
-Dibbits, Dr. H. C., Hoogleeraar, Utrecht.
-Diemen, J. M. van, Boekhandelaar, Amsterdam.
-Dirix, Théophile, Rentenier, Roermond.
-Doesburg, Mej. C. H., ’s Gravenhage.
-Doorn & Zoon, C. van, Boekhandelaars, ’s Gravenhage, 2 Exempl.
-Douma, R., Landbouwer, Oostrum.
-Dunk, J. H., Boekhandelaar, Rotterdam, 2 Exempl.
-Duijkers, H. W., Steenbergen.
-Duijm, Mej. H. van, Nijmegen.
-
-
-
-E.
-
-Endt & Zoon, J. van der, Boekhandelaars, Maassluis.
-Esterik, A. van, Schoonhoven.
-
-
-
-F.
-
-Fangman, Mr. H. W., Kantonrechter, Dordrecht.
-Feenstra Johz., R., Boekhandelaar, Sneek, 2 Exempl.
-Fellinga, W., Boekhandelaar, Nijmegen, 2 Exempl.
-Fortuijn, J. A., Boekhandelaar, Amsterdam, 4 Exempl.
-
-
-
-G.
-
-Geelhoed, H. G., Gemeente-Secretaris, Schoonhoven.
-Geradts & Co., Joh., Boekhandelaars, Hilversum.
-Gerretsen, Firma H. J., Boekhandel, ’s Gravenhage.
-Geijl, Dr. A., Geneesheer, Dordrecht.
-Gieseke, H. F., Hoofd-Onderwijzer, Amsterdam.
-Gils, J. C. van, Onderwijzer, Wijchen.
-Goederen, C. H. de, Onderwijzer, Amsterdam.
-Goethart, Dr. J. W. Chr., Amsterdam.
-Gorkom, E. van, Public Notary, Johannesburg (South African Republic).
-Grondijs, H., Hoofdonderwijzer, Bojolali (N. I.).
-Grotendorst, F. W., Arts, Harlingen.
-Gunning Wz., Dr. J. H., Conrector Gymnasium, Zwolle.
-Gymnasium, Bibliotheek van het Amsterdamsch, Amsterdam.
-Gymnasium te Groningen.
-
-
-
-H.
-
-Haan, Mej. A. M. de, Pleegzuster v. h. W. Kr., Dordrecht.
-Haan, W. de, Winterswijk.
-Haas, H. de, Drogist, Arnhem.
-Hamburg, L. van, ’s Gravenhage.
-Hansma, L., Boekhandelaar, Assen.
-Harte, P., Boekhandelaar, Bergen-op-Zoom.
-Hasselt, A. L. van, Resident van Riouw en Onderhoorigheden.
-Haver Droeze, Dr. J. J., Geneesheer, Dordrecht.
-Hazewinkel, J. H. O., Candidaat-Notaris, Hilversum.
-Heek, J., Boekhandelaar, Hilversum.
-Hengel, W. J. van, Boekhandelaar, Rotterdam.
-Henneveld, H. P., Boekhandelaar, Delft.
-Henstëdt, H. L., Onderwijzer, Schoonhoven.
-Hessel, F., Boekhandelaar, Heerenveen.
-Heteren, J. H. & G. van, Boekhandelaars, Amsterdam, 2 Exempl.
-Heuff Ez., J. A., Koopman, Tiel.
-Heuvelink, J., Boekhandelaar, Arnhem, 2 Exempl.
-Heijde, H. C. van der, Hoofd eener School, Leiden.
-Heijt, W., Gemeente-Ontvanger, Schoonhoven.
-Hoek, L. G. Krol van der, Kapitein der Genie O.-I. Leger, Goes.
-Hoekstra, L., Onderwijzer, Sneek.
-Hoet, Firma H. ten, Boekhandel, Nijmegen, 2 Exempl.
-Hogeweg, J. J., Directeur Post- en Telegraafkantoor, Winterswijk.
-Hollert CLz., J. L., Particulier, Kralingen.
-Hooft, G. B. ‘t, Boekhandelaar, Rotterdam.
-Hoogere Burgerschool voor Meisjes, ’s Gravenhage.
-Hoogere Burgerschool met 3-jarigen cursus, ’s Gravenhage.
-Hoogere Burgerschool te Soerabaia.
-Hooijkaas, J., Onderwijzer, Schoonhoven.
-Houten, E. F. ten, Kassier, Winterswijk.
-Houwens, H., Cargadoor, Rotterdam.
-Höveker’s Boekhandel, Amsterdam, 4 Exempl.
-Huet, Dr. J. A. Gallandat, Arts, Schoonhoven.
-Hulst, Laurens van, Boekhandelaar, Kampen.
-
-
-
-I.
-
-Idema, K. H., Boekhandelaar, Medemblik.
-
-
-
-J.
-
-Jong Kz., A. de, Onderwijzer, Ammerstol.
-
-
-
-K.
-
-Kampen & Zoon, P. N. van, Boekhandelaars, Amsterdam, 2 Exempl.
-Kapteijn, J. M. N., Boekhandelaar, Leiden.
-Kervezee, Firma J. M., Boekhandel, Rotterdam.
-Kirberger & Kesper, Boekhandelaars, Amsterdam.
-Kleijn, H., Bierhandelaar, Maassluis.
-Koldeweij, G. J., Boekhandelaar, Eibergen.
-Kolff & Go., G., Boekhandelaars, Batavia, 15 Exempl.
-Koller, Adr., Boekhandelaar, Rotterdam, 2 Exempl.
-Koning Pz., J., Krimpen a/d IJsel.
-Kool, Firma P. P., Boekhandel, Weesp.
-Koppeschaar, W. F., Leeraar R. H. B. S., Alkmaar.
-Kraan, J., Boekhandelaar, Amsterdam, 2 Exempl.
-Kraft, P. J., Boekhandelaar, ’s Gravenhage.
-Kruijt, A., Onderwijzer, Schoonhoven.
-Krijnen, Jos. M., Boekhandelaar, Vucht.
-Kuen, R., Boekhandelaar, Delfzijl.
-Kuiper & Taconis, Firma, Boekhandel, Meppel.
-Kuipers, T. J. (Firma J. Creemer), Boekhandelaar, Groningen.
-
-
-
-L.
-
-Lammerts, F., Landmeter b/h kadaster, Tiel.
-Land Ez., A., Boekhandelaar, Harlingen.
-Lange, Allert de, Boekhandelaar, Amsterdam.
-Lechner, A. A. van Pelt, Secretaris der gemeente Aarlanderveen, Alfen
-a/d Rijn.
-Leesbibliotheek der Herv. Gemeente te St. Maarten en Valkoog.
-Leesgezelschap te Beverwijk.
-Leesgezelschap „Kosmos”, Soerabaia.
-Leesgezelschap „Nut en Genoegen”, Heerde.
-Leesgezelschap R. F., Soerabaia.
-Liedermooij, D. B., Drogist, Winterswijk.
-Linden, P. J. van der, Boekhandelaar, Alfen.
-Loep, A. F. W., Onderwijzer, Rotterdam.
-
-
-
-M.
-
-Maatschappij „Vooruit”, Socialistische, Gent, 3 Exempl.
-Man, M. J. de, Burgemeester, Hof van Delft.
-Meer, Jac. van der, Boekhandelaar, Deventer.
-Menger, Th., Boekhandelaar, Ede, 2 Exempl.
-Mensing & Visser, Boekhandelaars, ’s Gravenhage, 3 Exempl.
-Meulen, Gebr. van der, Boekhandelaars, Bergum.
-Michelsen, Mej. A. E. S., Leerares H. B. S. voor meisjes, Leiden.
-Mühring, Mej. B. H., Amsterdam.
-Mühring, Mej. G., Leerares aan de H. B. S. voor meisjes, Rotterdam.
-Mühring, J. H., Predikant Ned. Herv. Gem., St. Maarten en Valkoog.
-Mul, H. N., Boekhandelaar, Haarlem.
-Mijs, D., Boekhandelaar, Tiel, 4 Exempl.
-
-
-
-N.
-
-Nauta, C. Star, Kleinemeer, Gem. Sappemeer.
-Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen.
-Nieuwenhuijs, P. B., Boekhandelaar, Breda.
-Noordhoff, P., Boekhandelaar, Groningen.
-Noording, K. L., Boekhandelaar, Groningen.
-Nooten, Dr. J. C. C. W. van, Leeraar aan de H. B. S., Soerabaia.
-Nooten, S. E. van, Uitgever, Schoonhoven.
-Nooten, S. I. van, Kapitein der Artillerie, Delft.
-Nooten, U. J. W. van, Ontv. der Registr. en Dom., Dirksland.
-Nooten, W. H. J. van, Uitgever, Haarlem.
-Normaalschool Hoofdonderwijzers, Soerabaia.
-
-
-
-O.
-
-Odé, G., Boekhandelaar, Schiedam.
-Onderwijzers-bibliotheek in het Arrondissement Kampen.
-Oomkens, A., Particulier, Assen.
-Out, P., Boekhandelaar, Koog a/d Zaan.
-Overbeek, J. H., Expediteur, Arnhem.
-Overdijkink, A. J., Wijnhandelaar, Schoonhoven.
-
-
-
-P.
-
-Pateer, A., Opzichter rijks-waterstaat, Harlingen.
-Peaux, P., Rustend Apotheker, Heerenveen.
-Pel, Dr. P. K., Hoogleeraar, Amsterdam.
-Pesters, Jhr. Mr. C. C. G. de, Nijmegen.
-Post, Mej. IJ., Leerares aan de H. B. S. voor meisjes, Rotterdam.
-Pouw, Mr. H., Advocaat, Amsterdam.
-
-
-
-R.
-
-Raadman, J. W. R., Aannemer, Nijmegen.
-Reinhold, H., Amsterdam.
-Remeijn, A. J., Onderwijzer, Middelburg.
-Riff, Mej. E., ’s Gravenhage.
-Rive Box, N. W. de la, Tabakshandelaar, Groningen.
-Rodenhuis, S., Niehove.
-Roelfsema, H. R., Boekhandelaar, Groningen.
-Roelvink, Jongeheer B. A., Winterswijk.
-Romen & Zonen, J. J., Boekhandelaars, Roermond.
-Rosenthal, W. C. A. Ziegenhirt von, Nijmegen.
-Ruijter, W. J., Boekhandelaar, Amsterdam.
-Rijks Hoogere Burgerschool te Winterswijk.
-Rijksnormaalschool te Schoonhoven, Bibliotheek der
-
-
-
-S.
-
-Schaafsma, A., Boekhandelaar, Dokkum, 2 Exempl.
-Schalekamp, v. d. Grampel & Bakker, Boekh., Amsterdam, 2 Exempl.
-Schallenberg, E. W., Particulier, Rotterdam.
-Scholten, A., Koopman, Winterswijk.
-Schoor, Dr. W. R. J., Leeraar in de natuur-, schei-, plant- en
-dierkunde aa de R. H. B. S. met 3-j. cursus, Meppel.
-Schröder, Gebr., Boekhandelaars, Amsterdam, 3 Exempl.
-Schröfer, E. J., Scheveningen.
-Schutte, G., Hoofdonderwijzer, Amsterdam.
-Seijffardt’s Boekhandel, Amsterdam.
-Slotboom, D. S., Boekhandelaar, Beverwijk.
-Slothouwer, G. J., Boekhandelaar, Amersfoort.
-Slijksteeg, W., Twisk.
-Smeding, S., Boekhandelaar, Leeuwarden.
-Smit, J. van der, Hoofdonderwijzer, Hilversum.
-Someren, Firma A. E. C. van, Boekhandel, Zutfen.
-Spoon, L. (Firma A. J. Knoop), Boekhandelaar, Haarlem.
-Steeksma, J., Kapitein „Swanland”, Hull.
-Stemler Cz., Joh. G., Boekhandelaar, Amsterdam.
-Stenfert Kroese & Van der Zande, Boekh., Arnhem, 2 Exempl.
-Stort, A. G. H. van Genderen, Oogarts, Haarlem.
-Stuur, C., Tramchef, Veenwouden.
-Sulpke’s Boekhandel, Amsterdam.
-
-
-
-T.
-
-Tacoma, G., Indië.
-Theunissen, Luitenant-Kolonel J. A. P., Breda.
-Thieme’s Boekhandel, H. C. A., Nijmegen, 2 Exempl.
-Trap, P. W. M., Boekhandelaar, Leiden.
-Tydeman, Mr. M., Directeur der Nederl. Maatsch. van Brandverzekering te
-Tiel, Tiel.
-
-
-
-V.
-
-Vattier Kraane, M. G., Boekhandelaar, Tilburg.
-Veenenbos, Dr. C. M., Arts, Oosterbeek.
-Velsing, S., Hoofd der School No. 2, Bergambacht.
-Verlooij, P. J., Boekhandelaar, Rotterdam.
-Vermeulen, P. A., Boekhandelaar, Steenbergen.
-Verwer, Mej. M. J. de, Schoorl.
-Visser, L. J. C. de, ’s Gravenhage.
-Vries Tz., C. de, Zaandam.
-Vuijck, L., Phil.-Docts., Assistent Botanie, Zoeterwoude.
-
-
-
-W.
-
-Waltman Jr., J., Boekhandelaar, Delft.
-Wamel, A. van, Hoofd eener school, Amsterdam.
-Weeldenburg, N. J., Phil. Professor a/h Seminarie der
-Oud-Bisschoppelijke Clerezy, Amersfoort.
-Wegerif, G., Instituteur, Nijmegen.
-Westbroek, G. H., Ex-Instituteur, Schoonhoven.
-Willeumier, J. P., Amsterdam.
-Willink, N., Fabrikant, Winterswijk.
-Willink, W. E. J. Tjeenk, Boekhandelaar, Zwolle.
-Winkel, J., Boekhandelaar, Schagen.
-Wit, J. H. de, Boekhandelaar, Amsterdam.
-Woltjer, F., Kantoorbediende, Groningen.
-Wijdenes, P., Onderwijzer, Amsterdam.
-Wijnen, K. van, Onderwijzer, Schoonhoven.
-Wijnpersse, A. van de, Directeur der R. H. B. S., Bergen-op-Zoom.
-Wijt, M. N., Nijmegen.
-
-
-
-Y.
-
-Ybes & Co., Ybe, Boekhandelaars, Velp.
-
-
-
-Z.
-
-Zuidema, E., Leeraar R. H. B. S., Zwolle.
-Zijl, A. van der, Particulier, Offingawier.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Karroe, inlandsche naam voor deze steppe.
-
-[2] Brehm gebruikt, ter vermijding van elken schijn van geleerdheid, de
-volksnamen, of, waar deze niet bestaan, de vertaling der
-wetenschappelijke namen. Waren deze slechts algemeen bekend, of luidden
-zij overal gelijk, de herkenning zou niet moeilijk vallen. Men weet
-evenwel hoe het te dien aanzien gesteld is, en om deze reden heb ik het
-wenschelijk geoordeeld de volgende tabel samen te stellen, waarin zij,
-die zulks verlangen, kunnen nagaan, welke soorten door Brehm bedoeld
-zijn. Het opmaken dezer lijst was geen gemakkelijke zaak; eene vrij
-uitgebreide litteratuur liet mij somwijlen nog in onzekerheid. Zelfs
-riep ik niet altijd met gunstig gevolg de hulp in van erkende
-autoriteiten. Van daar dat enkele namen onverklaard moesten blijven.
-
- R. E. de Haan.
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN DEN NOORDPOOL NAAR DEN
-AEQUATOR ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.