summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/67013-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '67013-0.txt')
-rw-r--r--67013-0.txt4608
1 files changed, 4608 insertions, 0 deletions
diff --git a/67013-0.txt b/67013-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..fc24672
--- /dev/null
+++ b/67013-0.txt
@@ -0,0 +1,4608 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GE-EFT ACHT! ***
+
+
+
+
+ GE-EFT ACHT!
+
+ SCHETSEN UIT
+ HET INDISCHE SOLDATENLEVEN
+
+
+ DOOR
+ A. PRELL
+
+
+ AMSTERDAM
+ VAN HOLKEMA & WARENDORF
+ 1893
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Blz.
+ IETS OVER INDISCHE SOLDATEN 1
+ VRIJWILLIGERS 13
+ EINDELIJK RECRUUT 25
+ ONDER INLANDSCHE RECRUTEN 40
+ MIJN EERSTE RAPPORT 62
+ KAPITEIN EENOOG 77
+ MIJN EERSTE HUISHOUDSTER 92
+ ZE HANGT MAAR AAN EEN DRAADJE 104
+ ZINGENDE SOLDATEN 125
+ PARADE 137
+ BESTORMING VAN MANDOEROEIAN 148
+ TOEMBANG PATANGAN 166
+
+
+
+
+
+
+
+
+IETS OVER INDISCHE SOLDATEN.
+
+
+Ieder, die de toestanden in het Indische leger kent, zal zich
+verwonderd hebben over al den onzin, die in den laatsten tijd daarover
+geschreven en gesproken werd. Voornamelijk enkele hoogmogende
+geestelijken en de middernacht-zendelingen, hebben in woord en
+geschrift den banvloek uitgesproken over de schurftige schapen onder
+hun zoo zorgvol geweide kudde. Zou dit wel de beste weg zijn, om
+verdoolden op het goede spoor terug te leiden? Tot nog toe heb ik in ’t
+practische leven nooit anders ondervonden, dan dat menschen in ’t kwade
+verharden, hoe meer men hun fouten en gebreken wereldkundig maakt en
+hen daarbij met verwijtingen en scheldwoorden overlaadt. Uit lang
+vervlogen dagen klinken mij nog altijd de woorden in het oor van een
+ouden geestelijke, die over naastenliefde sprak.
+
+„Bestaat er geen naastenliefde meer, of strekt zij zich niet uit tot
+den Indischen soldaat?” Als men mocht gelooven al hetgeen de heeren
+zeggen, dan bestaat het Indische leger voor het grootste gedeelte uit
+menschen, wier hoogste ideaal de jeneverflesch en de dienst van Venus
+is. Haast nooit heb ik in hun uitlatingen een lichtpunt kunnen
+ontdekken. Satan heeft het geheele leger in erfpacht. Hij beploegt,
+bezaait het en oogst er van.
+
+Volgen wij die heeren eens op hun militaire uitstapjes. Eerst dan naar
+Harderwijk. De lieden, die WIJ er aantreffen, zijn geen soldaten van
+het Indische leger; het zijn verkleede burgers en eerst na hun
+inscheping kunnen zij gerekend worden deel uit te maken van het
+Indische leger. Deze verkleede burgers, tot verschillende
+nationaliteiten behoorende, zijn saamgepropt in een nest, waar de
+verveling ieder mensch op ’t gezicht en ieder huis op de deur te lezen
+staat. Hoe zullen deze verkleede burgers, die meest allen, ieder op
+zijne wijze, uit den levensbeker van vreugde en leed met volle teugen
+gedronken hebben, maanden achtereen, tot zij worden ingescheept, hun
+vrijen tijd klein krijgen? De verveling en alleen de verveling is het,
+die deze verkleede burgers zoo dikwijls met de jeneverflesch in
+aanraking brengt. Deze verkleede burgers zijn het, die men in de
+hoofdstad zoo dikwijls in gezelschap van liederlijke vrouwspersonen
+langs de straat flaneeren ziet. Aan deze verkleede burgers is het te
+wijten, dat het Indische leger zoo ten onrechte bij de burgerij in
+slechten reuk is gekomen. Immers zij behooren nog niet tot het Indische
+leger. Wat zij misdoen komt voor rekening van de burgerij.
+
+Hoe geheel anders doet zich dezelfde verkleede burger voor, als hij
+soldaat geworden is, als hij discipline geleerd heeft. Nu, een ieder,
+die slechts éénmaal zijn neus in een Indische provoost heeft gestoken
+of de verhalen heeft aangehoord van soldaten, die bij een hitte van 98°
+daar 8 tot 14 dagen hebben doorgebracht, met den rechtervoet aan de
+linkerhand geklonken en om den anderen dag gespijzigd met water en
+droge rijst—en dat alles omdat zij te veel gedronken hadden—in ’t kort
+een ieder, die tot bedoelde bevoorrechten behoort, zal beseffen dat de
+jeneverflesch het ideaal van den Indischen soldaat niet zijn kan. Het
+beste bewijs daarvoor zijn de strafregisters. Laat het nu gebeuren, dat
+werkelijk de eene of andere soldaat eenmaal in het geheele jaar wegens
+dronkenschap gestraft wordt; is hij dan een dronkaard? Daarbij moet ik
+op den voorgrond stellen, dat men in het Indische leger niet die
+talrijke fijne schakeeringen kent, waarvoor in het burgerlijk leven zoo
+dikwerf uitdrukkingen gebezigd worden als: goed geamuseerd, een beetje
+aangeschoten, even boven zijn theewater, enz.
+
+Neen! daar laat de wachthebbende onderofficier den verdachte eenvoudig
+„rechtsomkeert” maken en zoo hij bij die manoeuvre maar even zwaait,
+dan is hij „zuur” en marcheert de provoost in. Gerechte hemel! Hoeveel
+„rijksprovoosten” zou de minister van Justitie wel moeten laten bouwen,
+indien hij zoo’n ouden Indischen snorrebaard aan de deur van „de Groote
+Club”, „de Witte” en meer dergelijke inrichtingen posteerde, met de
+opdracht, om ieder, die buiten komt, rechtsomkeert te laten maken en
+wanneer hij waggelt, te doen inrekenen. Wie weet of er dan niet
+menigeen onder zou zijn, van degenen, die thans met huichelachtige
+verdraaiing der oogen bidden: „Heere! Heere! drijf toch den drankduivel
+uit het Indische leger!” Om terug te komen op de geestelijkheid, wie
+het werkelijk ernst schijnt te zijn, om in het Indische leger zedelijke
+verbeteringen tot stand te brengen,—ik veroorloof mij, haar nogmaals te
+wijzen op de verkeerde taktiek, sommige gebreken in het openbaar te
+gispen of op misstappen opmerkzaam te maken, die door enkelen begaan
+worden. Zoo las ik bijvoorbeeld onlangs in de Locomotief een artikel,
+onderteekend Roge, waarin een pastoor zich bitter beklaagde over
+soldaten, die hij tot kerkzangers had willen opleiden. In den beginne
+had hij hun jenever gegeven zooveel zij wilden en toen hij bemerkte,
+dat zij zich te buiten gingen, had hij een proef genomen met ijswater
+en sigaren; maar toen waren de zangers weggebleven. Doch de pastoor
+moest dan toch in ieder geval weten, dat de goede God niet gediend kan
+zijn met den lofzang van menschen, wier plotseling opwellende
+godsdienstzin door de uitwerking van spiritualiën is teweeggebracht.
+Aan den anderen kant kan men het toch den soldaten niet euvel duiden,
+dat zij, in de meening dat hun diensten dezelfde bleven, bij verlaging
+van loon, het vrome werk staakten. Het is immers de oude geschiedenis
+van den hond, die geen brood meer lust, nadat men hem met biefstuk
+gevoed heeft. Had de pastoor op het eergevoel dier mannen gewerkt, had
+hij hen beschouwd als menschen „van gelijke beweging” als hij, dan zou
+hij geen jenever en ook geen ijswater met sigaren noodig hebben gehad.
+Deze Pastoor Roge moest zich eens door zijn collega Verbraak op Atjeh
+laten leeren hoe met Indische soldaten om te gaan; want die weet het!
+Ik geloof, dat niet één soldaat—Christen, Jood, Mohammedaan of heiden,
+om ’t even—van Atjeh is weggegaan, die niet met bewondering aan pastoor
+Verbraak terugdenkt. Een glimlach helderde als een zonnestraal de
+smartelijk verwrongen trekken der gewonden en zieken op, als de pastoor
+de ziekenzalen binnentrad en vroeg: „Jongens, heb je ook wat op ’t
+hart?” Nooit kwam er een verwijt over zijn lippen. Een vriendelijke
+vermaning als: „Jongens, wat heb je nu aan dat vloeken over je pijn!”
+was het ergste wat men van hem te hooren kreeg. Menig stervende van een
+andere geloofsbelijdenis, die in zijn laatste oogenblikken berouw over
+zijn vroeger leven gevoelde en zich tot Verbraak, die aan zijn sponde
+bad, wendde met de woorden: „Pastoor, zal uw gebed wel voor een
+andersdenkende helpen?” gaf hij ten antwoord: „Voor God zijn wij allen
+gelijk en ook u zal Hij niet verstooten. Ge waart immers een braaf
+soldaat en sterft voor uw vaderland.”
+
+Door zulke woorden heeft hij honderden het sterven gemakkelijk gemaakt.
+
+Wanneer die man zich met het maken van proselieten had willen
+bezighouden, dan had hij waarschijnlijk op rijken oogst kunnen rekenen;
+doch zulke gedachten bleven den edelen man verre. In den waren zin des
+woords is hij „een man Gods”, iemand, die weet wat naastenliefde is en
+aan wien zijn collega’s zich kunnen spiegelen.
+
+Wat is het nu, dat dezen geestelijke de harten opent dier schijnbaar
+ongevoelige soldaten? Juist deze liefde tot den naaste en daarbij een
+schat van menschenkennis. Weinig geestelijken in Indië kunnen op deze
+laatste eigenschap bogen. Ze begrijpen niet, dat door jarenlangen
+omgang tusschen de verschillende geestelijke elementen der Indische
+soldatenwereld een zekere gelijkheid plaats heeft gegrepen.
+Onwillekeurig doet zich op den minder ontwikkelde in het Indische leger
+de invloed gevoelen der duizenden meer beschaafden, die gemeenlijk, na
+financieel schipbreuk te hebben geleden, in de haven van den militairen
+dienst in Indië zijn binnengeloopen.
+
+In ’t algemeen kan men zeggen, dat het „gladde” of „gare” jongens zijn,
+zooals de volkstaal het noemt, die in Indië de uniform dragen; deze
+hoedanigheid hebben zij zich op de puinhoopen van hun burgerlijk
+bestaan eigen gemaakt. Is het nu niet dwaas, tot zulke mannen
+zendelingen af te vaardigen, die indertijd misschien als schoen- of
+kleermaker hun sporen verdiend hebben, maar wien het ten eenen male aan
+menschenkennis ontbreekt? Nog steeds moet ik aan een doodzieken soldaat
+denken, die in het hospitaal te Weltevreden in mijn nabijheid lag. Ook
+hem kwam zulk een zendeling bezoeken, die een zeer opwekkende
+voordracht hield over de pijnen der hel, de eeuwige verdoemenis en
+andere schoone vooruitzichten, die hem aan gene zijde van het graf
+wachtten, indien hij zich niet bekeerde. De man kwam daarbij zoo in
+vuur, dat hij letterlijk schreeuwde. Toen hij ten slotte een oogenblik
+ophield, merkte de kranke cynisch aan: „En daarvoor geven ze je ƒ 300
+in de maand? Dat moesten ze mij eens geven: ik zou de menschen heel wat
+anders vertellen.” Het algemeene gelach, dat zich daarop door de
+geheele zaal deed hooren, bewees dat hier meer was bedorven dan tien
+zendelingen in jaren weder zouden kunnen goedmaken. Men zende daarom
+beschaafde, ontwikkelde zendelingen naar Indië, die niet alleen
+bijbelvast zijn en ijverige arbeiders in den „wijngaard des Heeren”,
+doch ook in staat eenigszins de personen te doorgronden, die zij troost
+willen brengen. Ze zullen daar een rijk arbeidsveld vinden, in
+samenwerking met officieren en burgerij. Deze samenwerking moet in de
+eerste plaats ten doel hebben, om de soldaten in hun vrije uren
+afleiding te bezorgen. Vooral is dat noodig bij de depôt-bataljons.
+Hier ontvangt de soldaat de eerste indrukken van het Indische militaire
+leven en die zijn meestal de blijvende.
+
+Hoe diep gevoelde ik daar in den eersten tijd van mijn soldatenleven
+dat gemis aan bezigheid voor den geest. Niemand bood mij bij mijn
+zoeken naar geestesvoedsel de behulpzame hand, totdat eindelijk een
+weldenkende chef—kapitein Flier heette de wakkere man—mijn verzoek om
+te Meester-Cornelis een militaire zangvereeniging op te richten,
+krachtdadig ondersteunde. In minder dan geen tijd waren er ongeveer
+twintig, met een goede stem begaafde soldaten gevonden, die elken
+avond, wanneer zij geen dienst hadden twee of drie uren lang, ondanks
+de groote hitte repeteerden en getrouwelijk alle vijf dagen van hun
+karige soldij nog een kleinigheid afzonderden, om zich daarvoor
+muziekpapier enz. aan te schaffen. Die mannen dachten niet meer aan de
+jeneverflesch. Hoe gelukkig waren zij, als bij een assaut of eenige
+andere gelegenheid, hun gezang met geklap van dameshandjes werd beloond
+of zich op de strenge gezichten hunner superieuren een welwillende
+glimlach vertoonde! Die menschen hadden ook eergevoel en op dat
+eergevoel, dat zooveel onverstandige beoordeelaars aan Indische
+soldaten willen ontzeggen, moet voortdurend gewerkt worden.
+
+Moge nu de geestelijkheid haar machtigen invloed eendrachtig aanwenden,
+om, door te werken op het eergevoel, bij den soldaat het zedelijk
+evenwicht, dat door verschillende slagen van het noodlot aan het
+wankelen is gebracht, te herstellen en te bevestigen. Dit kan
+gemakkelijk geschieden door hem gelegenheid te geven zich persoonlijk
+te doen waardeeren. Men voere lichamelijke spelen in, als schermen,
+kolven, kegelen, kaatsen, worstelen, enz. En wanneer er dan wedstrijden
+werden uitgeschreven, waarvan officieren en burgers met hun dames
+getuigen wilden zijn, zouden honderden soldaten zich beijveren onder
+het oog van superieuren en schoone belangstellenden een goed figuur te
+maken.
+
+Een prijs door een dameshand uitgereikt, een welwillend en aanmoedigend
+woord van schoone lippen, dat den soldaat zegt: „Ge zijt niet de paria,
+het uitvaagsel der maatschappij, waarvoor dwazen in Europa u houden,
+die allen omgang met u schuwen, als waart ge een melaatsche,” zou hem
+aansporen, zich dat gunstig oordeel waardig te maken. Dan zou de
+jeneverflesch geheel verdwijnen en de omgang met vuile deernen
+grootendeels ophouden. Met dit laatste wordt evenwel niet bedoeld, dat
+de Indische soldaat van zijn huishoudster afstand zou moeten doen.
+Neen! Natuur stelt haar wetten en daar kan niet straffeloos tegen
+worden gezondigd. Door het oprichten van
+liefhebberij-tooneelgezelschappen, het organiseeren van vaderlandsche
+spelen, zooals die reeds hier en daar beoefend worden, moet de soldaat
+moreel worden opgeheven, gelijk dit mede door het houden van
+voordrachten geschieden kan. Wat dit laatste betreft, heeft de
+geestelijkheid een goede gelegenheid om op den voorgrond te treden.
+Dorre predikatiën, doorspekt met bijbelteksten of diepzinnige
+philosophische beschouwingen, zijn hier niet op haar plaats, maar
+koddige, pakkende onderwerpen, waarbij drupsgewijze een ernstig,
+overtuigend woord wordt ingelascht, dat de toehoorders treft en tot
+nadenken stemt. Doch daartoe worden beschaafde, hoog-ontwikkelde
+menschen gevorderd. Men biede ook den soldaten de gelegenheid, om over
+’t gehoorde te debatteeren, ja, men wekke hen daartoe op. Hoe goed zou
+het zijn, als nu en dan ook eens een der oudere officieren zich onder
+de soldaten mengde en hun een blik gunde in zijn aan ervaring zoo rijk
+militair leven! Men weet toch met welke illusies zoo vele jonge mannen
+naar Indië gaan, hoezeer enkelen zich, juist in den eersten tijd,
+ontgoocheld gevoelen en dan in hun wanhoop naar de flesch grijpen.
+Velen, velen van hen zouden dankbaar zijn, indien zij bij superieuren
+en notable burgers de behoefte mochten waarnemen, om hun te toonen, dat
+men onder den ruwen bolster de goede kern op prijs stelt. Men late dus
+het eeuwigdurende schimpen op den armen soldaat, die dagelijks, ja,
+ieder uur, zijn leven veil moet hebben. Het leven wordt hem toch reeds
+zuur genoeg gemaakt, als hij in de burgermaatschappij terugkeert.
+Overal vindt hij deuren en harten gesloten. Heeft hij gelukkigerwijs
+het eerekruis voor „moed, beleid en trouw” op de borst, ja, dan vindt
+hij nog wel op voorspraak van invloedrijke mannen een schamel tehuis;
+zijn kameraad echter, niet zoo gelukkig om het eeremetaal te kunnen
+toonen, al heeft ook hij zich dapper geweerd, kan verder trekken en in
+den strijd om het bestaan soms ellendig ondergaan.
+
+Vele brave soldaten zijn zoo het slachtoffer van den blinden ijver
+eeniger geestelijken en van de door haar misleide menigte. Mochten
+daarom deze zoo veel vermogende heeren toch eens in boven aangeduide
+richting werken. Er worden hier te lande zoovele goede patriotten
+gevonden, die in openbare vergaderingen voor algemeenen dienstplicht
+ijveren en van den katheder het „Dulce est pro patria mori” verkondigen
+en dan naar huis gaan, en een paar bankjes van honderd uit de brandkast
+nemen en voor het lieve zoontje een remplaçant koopen. Wanneer deze
+zich met die geestelijken vereenigen en hun invloed in dien geest
+aanwenden, dat men den Indischen soldaat niet langer een stuk vee
+scheldt, dat voor 2 tot 300 gulden gekocht is, om naar de Atjehsche
+slachtbank geleid te worden, dan zal ook eens de tijd komen, waarin een
+Hollandsche moeder met trots zeggen kan: „Mijn jongen is Indisch
+soldaat geweest.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+VRIJWILLIGERS.
+
+
+Er zijn toch merkwaardige menschen onder de Hollandsche militaire
+artsen. Toen ik indertijd naar Arnhem was gegaan, om te laten
+onderzoeken, of mijn corpus ook waardig kon geacht worden om de
+Hollandsche driekleur tegen de Atjehers te verdedigen, zeide mij de
+dokter:
+
+„Man, je hebt in je leven veel te veel spek gegeten; je bent te dik en
+zoudt onder de stralen der tropische zon wegsmelten als boter in den
+zomer.” De dokter in Den Haag daarentegen beweerde, toen ik hem de
+opinie van zijn Arnhemschen collega meedeelde: „Er komen nooit vette
+moffen naar Holland; dat worden ze eerst, als ze een tijd lang hier
+gewoond hebben.”
+
+Beide heeren hebben zich nogtans in mijn persoon vergist. Ik heb
+evenmin vaak spek gegeten, als dat ik in den loop der jaren in Holland
+„vet” ben geworden en toch ben ik trotsch van top tot teen een „mof” te
+zijn gebleven. Maar versta mij goed, ik bedoel niet van die soort, die
+tusschen vier muren, bij gesloten deuren fluisterend verklaren durven:
+„ik ben Duitscher” en buitenshuis de huik naar den wind hangen en
+doodsangsten uitstaan als deze of gene burger van het land, welks
+gastvrijheid zij genieten, hen toevallig op de nationale eksteroogen
+trapt; niet zoo een, wiens hart vandaag voor den Adelaar, morgen voor
+den Beer en overmorgen voor een ander beestje gloeit, dat hem met
+zilverkleurigen blik aanstaart. Vaderlandsliefde laat zich niet als een
+vuil hemd afleggen en tegen een ander verwisselen.
+
+Maar om tot mijn onderwerp terug te keeren, ik was destijds blij, dat
+de tweede dokter gelijk kreeg, want in mijn verbeelding zag ik mij
+reeds over eenige jaren de luitenantssterren en de eene of andere
+Indische koningsdochter met een kruiwagen vol briljanten en eenige
+millioenen guldens speldegeld toebedeeld. Het zou werkelijk jammer zijn
+geweest, als zoo’n spek-vreezende aesculaap mijne luchtkasteelen omver
+had geworpen.
+
+Nog meer voedsel kreeg mijn verbeeldingskracht, toen ik eene afdeeling
+„schutters” had zien exerceeren, die ik voor „echte” soldaten hield.
+Jongen, jongen, dacht ik, als de soldaten in Indië precies zoo zijn als
+deze „Krähwinkler”, dan, dan.... krijg je al gauw de berenmuts op het
+hoofd en kaplaarzen aan de voeten.
+
+Mijn illusies werden wel wat verzwakt, toen mij een oude snorrebaard
+van een korporaal werd toegevoegd, die mij naar het Dorado der
+„kolonialen” naar Harderwijk moest brengen. Om aan onze kennismaking
+een ietwat hartelijk karakter te verleenen, liet hij mij, bij den
+aanvang onzer reis, vijf blinkende patronen zien. „Die zijn allen voor
+jou, als je ’t in je hoofd mocht krijgen, om er van door te gaan”,
+zeide hij met een grimmig lachje. Ik bedankte voor de attentie,
+verklaarde zulke mooie patronen niet waard te zijn en betuigde levendig
+mijn spijt, hem niet in de gelegenheid te kunnen stellen, op mij de
+zekerheid van zijn schot te bewijzen, daar ik niet naar Holland was
+gekomen met de bedoeling om er van door te gaan, maar om te blijven.
+
+Mijn Cerberus scheen met deze verklaring tevreden. Hij stak een
+pruimpje achter de kiezen en spuwde op Moeder Aarde. In Utrecht deed ik
+de ontdekking, dat zich ook in Holland de niet-militaire sterveling een
+ander begrip van een „vrijwilliger” vormt dan de militaire. De
+scherp-geladen korporaal volgde mij, zesjarig-vrijwilliger, op den
+voet. Hij dronk ook mijn cognac op, die ik aan het station had gekocht,
+waarschijnlijk om zich te overtuigen, dat zich daarin geen ingrediënten
+voor adspirant-zelfmoordenaars bevonden.
+
+Voortdurend omringde ons een nieuwsgierig publiek, uit welks midden
+enkele gezegden mijn oor troffen, waaruit ik kon afleiden, dat men zich
+omtrent mij nog geen juiste voorstelling vormde. Een meende er, dat ik
+wel iemand moest hebben doodgeslagen; een ander verzekerde, mij nog
+onlangs in den Haag te hebben gezien op de bank der beschuldigden,
+gezeten tusschen een paar andere leden van het edele spitsboevengilde.
+In elk geval was ik een interessant iemand. Nogtans zou ik moeten
+liegen, als ik beweren wilde, dat de aandacht aan mijn persoon
+geschonken, mij aangenaam was.
+
+In Harderwijk aangekomen, nam mij aan het station een patrouille tegen
+een menigte langneuzige menschen in bescherming, die allen naar den
+naam Mozes luisterden. Het waren „hoteliers (?)”, die mij in hun
+vertrekken het paradijs reeds op aarde voorspiegelden. Daar ik nooit
+een vriend van knoflook ben geweest, volgde ik den raad van een
+sergeant op en nam mijn intrek in een herberg, in de onmiddellijke
+nabijheid der kazerne, die eerst den volgenden morgen zich gastvrij
+voor mij zou openen. In de gelagkamer ging het vroolijk toe. Alles zag
+er blauw; de lucht van den rook der sigaren, de uniformen en eveneens
+gezicht en handen der dragers. De champagne, waarvan kleur en
+mousseerende werking sterk herinnerden aan het product der appelboomen
+in den omtrek van Sachsenhausen, stroomde rijkelijk over de tafel.
+
+De waard was een waar menschenvriend. Toen hij bemerkte, dat het edele
+nat zijn gasten naar het hoofd begon te stijgen, kwam hij telkens als
+er om champagne geroepen werd, met ledige flesschen aandragen, die hij
+op tafel zette. Minder menschlievend was het echter, dat hij die ook
+voor volle liet betalen.
+
+De kazerne liet niet in het minst vermoeden, dat men zich in het
+schatrijke Holland bevond. Het is een oude, wormstekige kast, die aan
+de controle van een adjudant-onderofficier met den omineuzen naam van
+„Stier” toevertrouwd was. De man kon er op bogen geen enkelen vriend te
+bezitten. En waarom? Omdat hij steeds zijn plicht deed, wat men van de
+overige onderofficieren niet kon beweren.
+
+Nadat ik hem mijn papieren had overhandigd, en het hem, uit mijn
+getuigschrift van goed, zedelijk gedrag duidelijk was geworden, dat ik
+nooit op gespannen voet had gestaan met de Duitsche politie, zond hij
+mij met nog een paar andere Europa-moede jongelingen naar den dokter.
+Ja, het zijn voorzichtige menschen, die Hollanders, zij koopen voor 200
+gulden geen kat in den zak. Doch ook deze dokter kon geen
+schoonheidsgebreken aan mij ontdekken en ik mocht hem verlaten in het
+geruststellend bewustzijn, eindelijk aan het begin van mijn militaire
+loopbaan te staan. Weinig genoegen bereidde mij de metamorphose, door
+welke ik, burgerlijk embryo, in een schitterenden militairen vlinder
+zou worden herschapen. O, die gemeene blauwe kleur der uniformen! Geen
+aasje schoonheidsgevoel kan de uitvinder er van hebben bezeten. De
+helft van mijn handgeld heb ik in zeep moeten omzetten, om gezicht,
+handen en mijn overige corpus van de indigo te reinigen. Eén voordeel
+evenwel bezorgt de frissche blauwe kleur den drager; zij maakt hem
+tallooze vrienden; zijn verschijning toovert op de tronies der
+herbergiers de zonnigste uitdrukking; zelfs korporaals en, nog sterker,
+sergeants vertrekken de plichtmatig grimmige gezichten tot een
+vriendelijk lachje, want hoe blauwer de vrijwilliger is, hoe meer
+guldens van zijn handgeld hem nog in den zak rammelen.
+
+Tot deze ontdekking kwam ik toen ik de krijgsartikelen, waarvan ik geen
+woord verstond, aangehoord had en met den broekzak vol rijksdaalders in
+de kazernekamer terugkeerde. Daar ontvingen mij de kameraden met
+ongehoorde geestdrift. De één had mijn schoenen gepoetst; een ander
+toonde mij mijn kapotjas, in welker knoopen men zich kon spiegelen; een
+derde verzekerde, dat ik de aardigste kerel was dien hij ooit had
+leeren kennen en dat hij mij vriendschap wilde schenken, waarmede hij
+anders zeer spaarzaam omging; kortom allen legden een zoo roerende
+blijdschap aan den dag, alsof een engel tot hen was neergedaald.
+
+Arme, arme rijksdaalders! Hoe rolden ze mij uit den zak! Geruimen tijd
+verliep, eer ik mij onder de manschappen wat georiënteerd had. Er waren
+gewezen Duitsche corps-studenten onder, gemakkelijk te herkennen aan
+hun getatoeëerde gezichten; voormalige officieren, die zich door stem
+en loop onderscheidden; ex-leden van het Fransche vreemdenlegioen met
+hun magere door de zon verbrande gezichten stonden naast van gezondheid
+blozende polderjongens; alle volkslagen, van de bovenste tienduizend
+tot de onderste arme massa, hadden haar vertegenwoordigers in het
+Indische leger. Een alleraardigste kennismaking had ik op zekeren dag,
+toen mij bij het plaatscorvee de taak werd opgedragen, om met nog een
+paar manschappen, het gras tusschen de steenen vóór de kazerne uit te
+wieden. Het waren bijna allen Duitschers en ik dacht eerst, dat de
+menschen gekscheerden, toen zij elkander met Graaf V., Baron van A. en
+andere welbekende adellijke namen aanspraken. Tot mijn verbazing
+bemerkte ik, dat het werkelijk echte adellijke jongelui waren. Die
+blonde kroeskop met zijn kranig kneveltje had nog geen vier weken
+geleden als een chique gardeluitenant „unter den Linden” geflaneerd.
+Volgens het vertellen van de faam, moet een zeker generaal het hem zeer
+kwalijk hebben genomen, dat hij, juist op het oogenblik, dat Zijne
+Excellentie zijn jeugdige en bevallige echtgenoote goedennacht wilde
+gaan zeggen, uit het venster van het boudoir dier schoone sprong. De
+dikke heer, wien de zweetdroppels op het voorhoofd stonden, terwijl hij
+met een afgebroken stuk sabel tusschen de steenen wroette, was
+luitenant bij de Uhlanen geweest en had met veel hartstocht de rijsport
+gehuldigd. Bij wedrennen had hij steeds op zich zelf gewed, doch daar
+hij even zwaar was als twee andere ruiters te zamen, was hij steeds
+verscheiden paardlengten achtergebleven. Terwijl hij voortdurend dikker
+werd, leed zijn porte-monnaie aan vliegende tering. Een man, genaamd
+Aäron, behandelde de zieke een tijd lang, doch daar zich geen
+verschijnselen van beterschap voordeden, zond hij ten slotte den
+regiments-commandant de zeer hooge dokters-rekening.
+
+Overmatig geldgebrek was bij de meesten de oorzaak van de verandering
+van lucht. Het was interessant het dozijn blauw-bloedige heeren te zien
+concurreeren met een stuk of wat oude vrouwen, die vóor het hotel
+Ducroix aan de overzijde der straat denzelfden arbeid verrichtten. Maar
+het is in Harderwijk: gelijke monniken, gelijke kappen. Voor niemand
+wordt daar brood apart gebakken. Een andere, niet minder typische
+kennis maakte ik eens op een dag, toen ik bevel kreeg tot het reinigen
+van „zekere plaatsen.” Ik ontmoette er een heer, die door den geur der
+kazerne-viooltjes omgeven, zich aan mij voorstelde als een gewezen
+luitenant v. K. Zooals ik van hem vernam en mij later ook bevestigd
+werd, had zich de man met de borst toegelegd op het verzamelen van
+antiquiteiten, welke hem door een antiquaar zeer bereidwillig werden
+geleverd.
+
+Toen hij nu bij dezen zeer diep in het krijt stond, deed hem de edele
+man het voorstel een overoude antiquiteit van hem over te nemen; op die
+conditie zou hij de schuld als vereffend beschouwen. De antiquiteit was
+juffrouw Bertha, eenige en oudste dochter van den antiquaar.
+
+„Dan nog liever kazerne-viooltjes plukken,” dacht de luitenant en ik
+gaf hem gelijk.
+
+Doch niet alleen Duitsch blauw bloed stroomde naar Harderwijk; ook
+trotsch klinkende Hollandsche namen, waarboven veeltakkige kroontjes
+prijkten, werden op het rapport afgelezen.
+
+Men kan zich voorstellen, dat menige boeren- en andere jongens er een
+duivelsch behagen in schepten, zoo’n „monsieur le baron” het leven zuur
+te maken. Gebeurde het, dat de een of andere havelooze vagebond, wien
+de zon door talrijke luchtgaten op de huid kon schijnen, zich als
+vrijwilliger kwam aanmelden, dan hoorde men dadelijk: zeker een
+verloopen baron uit Den Haag of een Duitsch officier. Vooral deze
+laatsten waren stiefkinderen der publieke opinie. Zelfs de pers
+bemoeide zich met hen.
+
+Op zekeren dag kon men in een te Amsterdam verschijnend blad lezen:
+„Naar wij uit goede bron vernemen, bevinden zich te Harderwijk een
+aantal Duitsche stafofficieren, waaronder zelfs een majoor, die zich
+als vrijwilligers hebben in laten schrijven, natuurlijk alleen om te
+spionneeren.” Lieve hemel, hoe naïef! Wat hadden zij door spionneeren
+te weten kunnen komen? Bijvoorbeeld de inrichting der faecaliën-kuilen
+of hoe men daar de straat wiedt? Dat zou Moltke toch om ’t even kunnen
+zijn! Menigeen trok zich dergelijke uitvallen aan en zoo zich de goede
+luim van sommigen niet had doen gelden, of indien men niet op zijn
+illusies had kunnen teren, dan zou misschien deze of gene met een
+knal-effect geëindigd zijn.
+
+Een der vroolijkste kameraden was de reeds genoemde uhlanen-luitenant
+v. A. Die had zoowat door de geheele wereld rondgeboemeld. Vóór hij
+naar Harderwijk kwam had hij nog een kort bezoek aan Amerika gebracht.
+Daar wilde hij squatter worden en had met een verloopen
+huzaren-luitenant tot dat doel voor weinige dollars een groot stuk van
+een oerwoud gekocht. Den huzaar echter stonden de handen altoos
+verkeerd, als zij een boom wilde omhakken en de uhlaan zat steeds in
+angst, dat de huzaar hem bij het boomen-vellen nog eens in de beenen
+zou houwen. Beiden lieten daarom de boomen hemelwaarts groeien en
+jaagden op buffels en beren, tot de Groschen gevlogen waren. Toen
+zetten zij koers naar Harderwijk. V. A. moet inderdaad een weergaloos
+genie in het geld-maken geweest zijn. Ontelbaar waren de brieven, die
+hij ontving van geldschieters, die hem tegen de kleinigheid van 100 tot
+200 % vriendendiensten hadden bewezen. Bij gebrek aan andere lectuur,
+moest men zich met de voorlezing van dergelijke epistels vergenoegen,
+waarmede vaak een halven avond heen ging. Men zou het nauwelijks kunnen
+gelooven hoeveel geld een dozijn officieren bij elkaar kan leenen.
+Onder de hier aanwezigen waren er die bijna evenveel brieven ontvingen
+als onze v. A. Enkele schuldeischers schenen van de groote bekwaamheden
+hunner luitenants zoo doordrongen te zijn, dat zij dezen als
+staf-officieren in het Indische leger waanden en hun titels
+toedichtten, waarvan men het water in den mond zou krijgen. Anderen
+dreigden weer den Hollandschen minister van oorlog voor de
+verschuldigde sommen aansprakelijk te zullen stellen. Noch dezen, noch
+genen konden geholpen worden. De gemeenschappelijke menage, welke voor
+dertien man—zoo groot was onze club—dagelijks uit voor 10 cent groene
+kaas bestond, verslond namelijk het grootste deel der voorhanden zijnde
+geldmiddelen. Waar zijn ze thans, al de vroolijke broeders van
+destijds? Twee zijn officier geworden, drie vielen als sergeant in
+Atjeh, één erfde veel geld en boemelt nu als Pruisisch ritmeester
+ergens aan de Russische grens rond. Waar bleven de anderen?
+
+
+
+
+
+
+
+
+EINDELIJK RECRUUT.
+
+
+Op het voordek der Celebes stond eene groep van ongeveer 30 soldaten,
+die allen met schitterende oogen in de verte zagen naar kleine groene
+stippen, die zich scherp tegen den gezichteinder afteekenden. Geen
+enkele was er onder hen, die niet bij den aanblik der Duizend
+Eilanden—want zoo heetten de groene stippen—eene onbeschrijfelijke
+vreugde had gesmaakt. Het moest een bijzonder genot zijn, na eene reis
+van twee en veertig dagen weer eens vasten grond onder de voeten te
+voelen. Zoo velen hunner hadden in Napels, Port Said en Aden de
+gelukkige passagiers met jaloersche blikken nageoogd als zij lachend en
+schertsend de vreemde kusten betraden. Zoo velen hunner zouden gaarne
+zijn meegegaan. Doch dat was niet geoorloofd, want de commandant ging
+van de juiste zienswijze uit, dat velen alsdan niet zouden terugkeeren.
+Thans echter naderde het oogenblik, waarop allen Insulinde’s bekoring
+zouden ondergaan. Reeds kon men aan den „Kleinen Boom” een woud van
+masten zien opduiken; reeds suisden kleine met vruchten beladen
+zeilscheepjes ons vaartuig op zijde; voer een stoombootje de Celebes
+tegemoet om de ongeduldige passagiers af te halen. Met een helsch
+spektakel ratelde het zware anker in de leverkleurige golven. Met de
+commando’s der scheeps-officieren, het regelmatige gejoel der matrozen
+en het geschreeuw der passagiers, bezorgd over hun bagage, vermengden
+zich de krijschende stemmen der geelhuidige vruchtenhandelaars.
+Gelukkig de weinigen, die nog eenige zilverlingen uit de klauwen der
+Harderwijker harpijen gered hadden.
+
+Zij hadden zich afgezonderd en gaven voor hunne kameraden een
+kauwconcert. Dezen liep het water uit den mond, wanneer de eters
+sappige, dikke schijven ananas tusschen hunne kaken verdwijnen lieten.
+Een Vlaming liet zich zelfs tot eene poging tot landverraad verleiden
+en bood het geheele koninkrijk België te koop voor een dubbeltje,
+waarmede hij zich een bos pisangs wilde aanschaffen. De aanwezige
+Hollanders maakten echter van het aanbod geen gebruik, ofschoon zij zoo
+doende weer doodgemoedelijk in het bezit der verloren provincies hadden
+kunnen geraken. Zoo behield koning Leopold zijn land en de Maleische
+vruchtenkoopman zijn pisangs.
+
+Nadat de storm onder de passagiers een weinig bedaard was en allen in
+de kleine stoomboot waren overgeladen, kwamen ook de soldaten aan de
+beurt. Zij hadden zich niet over veel bagage bezorgd te maken. Eene
+zwart-lederen kist verborg al de gaven van het goedhartige
+gouvernement, van het „jachtgeweer” alias haarkam af, tot den
+schoenborstel. Zij hingen de kist over den schouder en zetten zich op
+commando in beweging. Het afscheid van de matrozen viel niet zwaar.
+Deze geven zich niet gemakkelijk met den koloniaal af.
+
+Aan wal komende, werden de dertig blauwjurken door den plaatselijken
+adjudant van Batavia ontvangen, een kranig officier, wiens borst met de
+Militaire Willemsorde versierd was. Hij geleidde het gezelschap naar
+een huisje, waar elk een broodje—het eerste wittebrood sedert 42
+dagen—en een glas wijn kreeg. Nadat op deze wijze het lichamelijk
+evenwicht hersteld was, werden ook aan den geest eenige indrukken te
+verwerken gegeven door voorlezing der krijgsartikelen. Deze kenden
+allen bijna van buiten. Tegen ongeveer tien militaire vergrijpen werd
+met de galg en tegen een half dozijn andere met den kogel gedreigd. Dit
+prettige vooruitzicht had waarlijk niemand bewogen de verre reis te
+ondernemen. Onder de dertig soldaten was er niet één, die, ieder op
+zijne wijze, het hoofd niet met illusies had volgepropt; kogel en galg
+vonden er geen plaats meer. Helaas echter werden de schoone Hindoesche
+meisjes, die hier bij zwermen rond moesten loopen en den lezers van
+Multatuli en Heine in het hoofd spookten, aan de landingsplaats met
+smart gemist. Het eerste exemplaar generis feminini werd in een hoek
+van het spoorwegstation ontdekt. Daar ik zelf de gelukkige vinder was,
+is het mij ook mogelijk de vondst naar waarheid te beschrijven.
+
+De dame zat in een donkeren hoek, zoodat ik haar eerst voor een stuk
+bagage hield, tot zij plotseling begon te lachen en daarmede mijne
+opmerkzaamheid gaande maakte. Bij nauwkeuriger toezien ontdekte ik een
+paar geelbruine beenen, die gedeeltelijk met een stuk gekleurde stof
+bedekt waren. Uit het gelaat kon ik vijf minuten lang niet wijs worden.
+Waar andere menschen den mond hadden, was hier een uitwas van de
+grootte van een vuist. Het raadsel werd opgelost, toen de dame den
+uitwas wegnam en eene roode vloeistof in een boogvormigen straal naar
+mij uitspuwde.
+
+Nu bemerkte ik eerst, dat zij zich den tijd had gekort met het kauwen
+van tabak. Gerechte hemel, welk een monster! Had Heine haar gezicht
+kunnen zien, dan zou hij zeker geen rust in zijn graf hebben gehad,
+maar onverwijld al zijne gedichten op Hindoemeisjes en Lotosbloemen
+vernietigd hebben. Zoo groot kan toch het onderscheid niet zijn
+tusschen de Indische meisjes aan den Ganges en die aan de Tjilewong.
+Alhoewel ik nu juist geen Lotosbloembedden, gelijk aan de Haarlemmer
+tulpenvelden, verwacht had, met in iedere bloemkelk een sluimerend,
+naar liefde smachtend Hindoemeisje—het contrast was toch al te sterk.
+In den geest legde ik eene gelofte van eeuwige kuischheid af. Zooals ik
+later vernam, was het schepsel eene soldatenvrouw, wier sterkere helft
+naar Europa was teruggekeerd.
+
+Bij iedere gelegenheid monsterde zij de nieuw-aangekomenen, doch de
+vurig verbeide kwam niet. Dat kon men hem waarachtig niet kwalijk
+nemen. Zoo’n gezicht! Ze wacht zeker nog tot op den huidigen dag.
+
+Intusschen scheen zij wel eenig voorgevoel te hebben van haar
+eeuwigdurend onbestorven weduwschap, want ze schold ons na, toen wij
+reeds op weg naar Meester-Cornelis waren. Daar werden wij in de
+bamboekazerne aan den adjudant van het Suppletie-depot overgeleverd,
+een 1sten luitenant met een Hunnengestalte, bij wien vergeleken de
+lange plaatselijke adjudant in Batavia nog maar een dwerg was. In zijn
+gevolg bevond zich een sergeant, het zuiverste wandelende lexicon voor
+gepeperde Kasernhofblüthen. Een proeve van zijn talent genoten wij den
+tweeden dag.
+
+Op den eersten dag mochten wij nog ongestraft onder palmen wandelen. O,
+hoe heerlijk was het toch onder de palmen! Daar zaten bruine mannen,
+die ons voor twee cent een geheele cocosnoot verkochten, voor drie cent
+een ananas en voor 5 cent de geheele muts vol smeerproppen. Men zou
+gewenscht hebben een olifantsmaag te bezitten, om al die bekende en
+onbekende lekkernijen te gelijk te genieten. Hoofd en maag dreigden mij
+bijna te bersten van al de nieuwigheden, die ik er in had opgestapeld.
+Ronggengs (danseressen), Chineezen, karbouwen, kokosnoten, ananas, een
+biefstuk van een vliegenden hond, versch toebereid „door den landsman
+van den Moezel”, een sluwe Chinees, alles en alles danste in dolle
+vaart voorbij mijn geestesoog, toen ik doodmoede van het zien, op mijn
+stroozak lag uitgestrekt, en de muskieten maakten er de muziek bij.
+
+Hu! wat liep daar voor een beest over den balk boven mij? Zeker een
+schorpioen, een duizendpoot, een vergiftige slang, een ...! Nu bleef
+het stil zitten en sperde den muil open. De tong schoot als een pijl
+tusschen de kaken te voorschijn en trok een langbeenige, niets kwaads
+vermoedende vlieg in den afzichtelijken strot.
+
+Bah! welk een afschuwelijk dier! Het slokte nog een vlieg op, nog één,
+nog een half dozijn.
+
+Nu moest het monster bersten; het zwol op als een ballon. Neen! het
+berstte niet, maar het viel naar beneden, op mijn gezicht, midden op
+den mond, waaraan een pijnlijke kreet ontsnapte. „Domkop”, bromde mijn
+slaapkameraad „het is maar een „tjitjak”.”
+
+Maar een „tjitjak”! En dat tegen een hagedis met ijskouden, opgezwollen
+buik! Brr! Het ondier vervolgde mij in mijn diepsten droom. Het
+verscheen mij als een draak met meters lange tong, die het schuimend
+naar mij uitstak. Nu lekte het mij de beenen, nu het lijf, telkens
+verder zoog het mij op. Alleen het hoofd staarde nog bevend de
+vingerlange tanden aan en de vuisten sloegen in doodsangst tegen de
+bloedroode, bliksemende oogen. Daar klonk mij als een bazuin van het
+jongste gericht de krachtige stem van den reeds genoemden sergeant in
+het oor: „Nu uit de wol; het is vijf uur!” Hij was het, die mij aan de
+beenen getrokken had en daardoor mij het gevoel had gegeven, alsof ik
+bij stukken in den drakenmuil verdween.
+
+O, heerlijk, onvergetelijk was deze eerste morgen in Indië! Nog steeg
+de damp uit het dal van de Tjilewong. Reusachtige pisangstammen, en nog
+hoogere slanke palmen doemden uit de nevelen op, die onder de stralen
+der opgaande zon langzaam in de oneindige ruimte vervloeiden.
+
+Heerlijk geurden de met bloesems beladen twijgen van de „tjampakka”,
+maar nog heerlijker geurde de koffie, die ik in den menageketel
+huiswaarts droeg. „O, wat een lust, soldaat te zijn”, zongen eenige
+kameraden, onder het poetsen hunner knoopen. De illusionisten; zij
+waren nog lang geen soldaten! Eerst een half uur later zouden zij tot
+den doop worden voorbereid door eene predicatie, welke de reeds
+meermalen vermelde sergeant afstak. Zij luidde: „Geeft
+acht!—Stommerikken! Je moet niet denken, dat je nog in dat voddige
+Harderwijk bent. Daar kon je, als je bezopen waart, ongestraft in de
+straatgoot gaan liggen; daar is hier geen denken aan. Hier verlangt men
+van ieder die uit de kantine komt, dat hij driemaal achter elkaar
+rechtsomkeert maakt en kan hij het niet, dan gaat hij in Zijner
+Majesteits snuifdoos. Dat kan vandaag misschien een half dozijn van
+jelui gebeuren, die gisteren toen ze thuis kwamen, niet meer wisten,
+wat rechts- of linksom was.—Op de plaats rust!” Diepe, eerbiedige
+stilte heerschte er na deze geharnaste woorden. Maar lang duurde zij
+niet, want de luitenant kwam, om de nieuwe uniformen van den troep in
+oogenschouw te nemen. Nooit heb ik later zulk een angst uitgestaan als
+bij deze eerste inspectie. Zij begon bij den linkervleugelman. Die
+kromp letterlijk ineen onder den handgreep van den luitenant, wiens
+bruine vingers zich als vijf cervelaatworsten om hoofd en hals van den
+ongelukkigen recruut kromden. „Dat noemt zich soldaat,” riep hij met
+dreunende stem en hief den kerel als een veer in de lucht. „Sergeant,
+haal een min! Wat moeten we met dat dwergengebroed aanvangen, dat niet
+eens de uniform past?” Daarbij stak hij den armen vent twee zijner
+cervelaatworsten—vingers wilde ik zeggen—tusschen rokskraag en hals,
+zoodat den delinquent de oogen uitpuilden en de tong uit den mond hing.
+Op die manier inspecteerde hij den geheelen troep. Hier tilde hij er
+een van den grond, terwijl hij ’s mans hoofd tusschen de palmen zijner
+handen nam, „om den langen hals nog langer te maken”, zooals hij zich
+uitdrukte. Ginds drukte hij een ander de schouders naar achteren,
+zoodat het slachtoffer de knoopen van de uniform sprongen. Kortom,
+allen ondervonden de reuzenkrachten van den luitenant.
+
+Nu ja, ieder die wat lang in Indië geweest is, heeft van luitenant D.
+gehoord, die eens een Javaansch koetsiertje, dat ongelukkig in volle
+vaart tegen hem aanreed, met paard en wagen in de straatgoot wierp.
+
+Eindelijk was de inspectie afgeloopen en de manschappen werden
+ondervraagd naar de wenschen, die zij voor de toekomst koesterden. De
+luitenant begon daarmee bij den linkervleugel. „Wat wil je worden?”
+vroeg hij den kleinen kerel, wien de uniform niet paste.
+
+„Officier, luitenant,” was het antwoord.
+
+„Zoo-o-o! En jij?” vroeg hij een ander.
+
+„Ook officier, luitenant.”
+
+„En jij?”
+
+„Stafmuzikant, luitenant.”
+
+„Wat speel je voor instrument?”
+
+„Ocarina, luitenant.”
+
+Ik dacht, dat het op dat oogenblik met den armen kerel gedaan was; geen
+duit gaf ik meer voor hem, toen de luitenant hem bij den kraag pakte en
+hem toebulderde: „Jij, lummel, zou je me misschien voor den gek willen
+houden? In de provoost kun je ocarina blazen, brutale kerel. Dan kon-je
+iederen orgeldraaier wel stafmuzikant maken!”
+
+Het arme kereltje werd bij de bedreiging doodsbleek. Hij had op de
+lange reis van passagiers en kameraden zooveel lof ingeoogst voor zijn
+schoon spel, en in de vaste meening verkeerd, dat hij er bij de
+stafmuziek wel de andere instrumenten zou bijleeren. Nu was de illusie
+vervlogen.
+
+De luitenant ging verder.
+
+„Wat wil je worden?” was het tot een mageren ex-candidaat in de
+theologie.
+
+„Ook officier, luitenant.”
+
+„En jij, en jij, en jij....?”
+
+„Officier, officier, officier....!”
+
+Nu barstte hij in bulderend gelach uit: „Ha, ha, ha, maar dat is een
+bescheidenheid, die roerend is. Daar hebben we dus onder de dertig
+kerels 21 adspirant-officiers, twee sergeants-candidaten, een blazer en
+zes soldaten. Jelui kunt allemaal... ha, ha, ha! Rechtsomkeert,
+marsch!”
+
+Goddank, ook deze kelk was aan mij voorbijgegaan. Nu kwam echter nog
+een moeilijk oogenblik. Allen, die zich als toekomstige officieren
+hadden opgegeven, hadden voor den luitenant een soort examen af te
+leggen, waarmee ze het bewijs moesten leveren, dat ze werkelijk iets
+geleerd hadden, om later eens op de kaderschool te komen en misschien,
+na jaren, op de militaire school.
+
+Een paar candidaten hadden reeds met hoogroode gezichten het primitieve
+examenlokaal in de bamboekazerne verlaten. Thans kwam de beurt aan mij.
+
+„Zitten,” klonk het kortaf. „Ken je Fransch?”
+
+„Jawel, mijnheer de luitenant.”
+
+„Dat „mijnheer” schenk ik je. Voortmaken.”
+
+Het was eene fabel van Lafontaine, die ik lezen moest; ik deed het tot
+tevredenheid van Zijnedelgestrenge.
+
+„Ken je Latijn,” vroeg hij verder. „Jawel luitenant.” Ik wist reeds,
+wat er nu kwam. Mijn vriend Sch., die een jaar geleden hetzelfde examen
+had doorstaan, had het mij verraden. De luitenant kende geen Latijn,
+maar had, aangezien eenige vermetelen hem reeds een paar maal met hun
+keukenlatijn wat hadden voorgelogen, een kapittel uit een Latijnsch
+boekje uit het hoofd geleerd. Precies, hij sloeg het zooveelste
+hoofdstuk op en ik begon vloeiend te vertalen: Hannibal, postquam Alpes
+transiisset, in Italiam incidit, enz.
+
+„Goed,” zeide hij.
+
+Nu kwamen wij aan de geographie.
+
+„Noem mij eens een paar zeeën op,” beval hij.
+
+Ik begon natuurlijk het eerst met de „Seeën” van mijn vaderland, waarop
+ik zoo vaak aan het spelevaren was geweest, de Königssee, Chiemsee,
+Kochelsee, Starenbergersee, enz.
+
+De luitenant zag mij wantrouwend aan en schudde het hoofd. „Wacht,”
+dacht ik, „hij wil grootere hebben en ik ging voort: Baikalsee,
+Ladogasee.....”
+
+„Zwijg,” donderde hij, „dat zijn geen zeeën.”
+
+Nu brak mij het angstzweet uit. Zouden de genoemde seeën hem alle
+onbekend zijn?
+
+„De Müggelsee” riep ik in wanhoop; die moest hij toch kennen.
+
+„Wat,” barstte hij uit, „de muggenzee? Ben je wel goed, of wil je mij
+voor den gek houden? Waar ligt die zee dan?”
+
+„Bij Berlijn, luitenant,” kreunde ik in mijn angst.
+
+„Wat wil je voor den donder met al die plasjes?” schreeuwde hij. „Heb
+je dan nog nooit van de Middellandsche Zee gehoord, of van de Roode
+Zee?”
+
+„Maar luitenant, dat zijn immers „Meere” en geen „Seeën”?” stotterde
+ik.
+
+„En nu houd je den mond!” donderde hij. „Van de geographie heb je geen
+flauw begrip.”
+
+Nog moest ik de stelling van Pythagoras bewijzen; daarop kon ik gaan.
+
+„Je behoeft nu niet te denken, dat je morgen al de luitenantssterren op
+je kraag krijgt,” riep hij mij nog na. Wat wonder!
+
+Tien minuten later stond ik voor mijn gapenden, ledigen stroozak en
+verwondde mij den vinger aan de stoppelige rijsthalmen, waarmee ik hem
+vullen moest. Welk een onderscheid! Voor weinige oogenblikken nog was
+ik met Hannibal over de Alpen getrokken en had Italië doen sidderen en
+thans..... Daarbij kwam nog het afschuwelijke stof, dat zich uit het
+stroo, waaraan groote aardkluiten zaten, losmaakte. „Dat gebeurt
+opzettelijk,” zei de sergeant, die goed gemutst scheen te zijn. „Als je
+’s nachts op den stroozak klopt, dan komt er stof uit. De muskieten
+denken dan: „de kerel rookt” en bijten je niet.”
+
+Maar niettegenstaande dat beten ze mij toch.
+
+Wat was ik in mijn schik, toen ik den volgenden morgen bij de 1ste
+compagnie van het 1ste depot-bataljon werd ingedeeld! Eindelijk
+recruut! Wat had dat lang geduurd!
+
+Welk een kranige compagnies-commandant was de kapitein v. V....n!
+
+Welke illusies wekte de aanblik van den held op, wiens borst gesierd
+was met de Willemsorde en twee eervolle vermeldingen en aan wiens zijde
+de eeresabel kletterde!
+
+Den een na den ander der recruten riep hij vóór zich, om hem naar één
+der verschillende afdeelingen te verwijzen. Er waren er vier. In de
+eerste kwamen zij, die nog nooit soldaat geweest waren.
+
+„Wat was je vroeger?” vroeg hij een Duitscher.
+
+„Luitenant bij de dragonders!”
+
+„Tweede afdeeling!”
+
+„En jij?”
+
+„Onderofficier in het Keizerin Augusta-regiment.”
+
+„Derde afdeeling!”
+
+„En jij?”
+
+„Korporaal bij het 7e.”
+
+„Vierde afdeeling!”
+
+Nu naderde een ventje met een zeer gewichtig gezicht.
+
+„En jij?” vroeg de kapitein weer, zonder op te zien.
+
+„Eerste luitenant bij de dienstdoende schutterij,” klonk het in het
+volle bewustzijn eener groote waardigheid.
+
+Het mannetje zette een gezicht, of het zijn onmiddellijke indeeling bij
+den generalen staf uit den mond van den kapitein dacht te vernemen.
+
+Hoe verschrok de arme stakkert, toen de kapitein met een medelijdend
+lachje, kalmpjes antwoordde: „Eerste klasse.”
+
+In deze klasse kreeg het kereltje niet eens een geweer in handen. En
+„schutter” komt toch van „schieten”?
+
+Ja, het is toch merkwaardig, hoe weinig de verdiensten der schutterij
+in het leger gewaardeerd worden!
+
+Een uur later hielden wij exercitie in de „Berenlaan.” Eene aardige
+bezigheid bij 95° warmte. Daarbij voelt men het Europeesche vet gram
+voor gram wegslinken. Maar wat maakt het uit? Daar ginder, heel, heel
+in de verte, blinken immers de korporaalsstrepen!
+
+
+
+
+
+
+
+
+ONDER INLANDSCHE RECRUTEN.
+
+
+Een korporaal der „zandhazen” in Holland zou zeker een zeer verbaasd
+gezicht zetten, als hem bij bataljons-order werd aangezegd, dat hij
+zich den volgenden morgen naar een garnizoen te begeven had, verwijderd
+van het zijne op een afstand als van Amsterdam naar New-York of nog
+verder. Zijn Indische kameraad zou een dergelijk bevel met de grootste
+onverschilligheid aanhooren, misschien vragen: waar ligt die negorij?
+vervolgens zijn ransel pakken en dan het oude garnizoensstof van zijne
+pantoffels schudden.
+
+Ook ik deed eveneens, toen mij de sergeant-majoor mijne overplaatsing
+naar de inlandsche compagnie mededeelde. Wel is waar was er in dit
+geval slechts sprake van een afstand van eenige honderden meters,
+welken ik van de steenen- naar de bamboe-kazerne had af te leggen; doch
+de voorbereidende maatregelen bleven volkomen dezelfde als voor eene
+wekenlange zeereis. Uniformstukken, kousen, hemden en andere onmisbare
+toiletartikelen werden in de gapende kalfshuid neergelaten en mijn
+geheele meubilair, bestaande uit een spiegel, laarzenknecht, met nog
+andere voorwerpen van weelde, in de modelkist gesloten. Daarna
+aanvaardde ik den korten marsch, waarvan het einddoel het bureau van
+den „dubbele” [1] der derde compagnie was.
+
+Bescheiden, gelijk het een korporaal betaamt, klopte ik aan. Maar ik
+moest lang wachten voor de „Sesam” zich opende, want het ging
+daarbinnen niet malsch toe. Daar regende het uitbranders, scheldwoorden
+en andere liefelijkheden. Nog eenmaal waagde ik eene poging, om toegang
+te verkrijgen en thans werd ik verhoord. „Binnen!” klonk het met
+donderende stem door de deurreet, en gevolg gevende aan deze
+vriendelijke uitnoodiging, trad ik binnen.
+
+In de schemering, welke in het vertrek heerschte, bemerkte ik de
+forsche gestalten van eenige Europeesche onderofficieren, die op de rij
+af door den „dubbele” niet zoozeer toegesproken als wel toegedonderd
+werden. De „moeder der compagnie” was zeker met den „vader”—aan gewone
+stervelingen beter bekend onder den titel: kapitein—aan het kijven
+geweest, of beter gezegd de „vader” met de „moeder”, want in de
+militaire wereld is het de vader, die „de broek aan” heeft.
+
+Het spreekt vanzelf dat er nu een bliksemafleider noodig was, om de
+spanning te ontladen.
+
+Wie kon daar beter toe dienen dan een korporaal, het laagste punt der
+militaire superioriteit, die het wolkje op het voorhoofd van den
+bataljonscommandant in den vorm van een donker onweder te aanschouwen
+krijgt, nadat het zich aan den horizon van den kapitein, den luitenant,
+den sergeant-majoor en de sergeanten tot eene steeds dreigender massa
+heeft saamgepakt. Mijne komst maakte het spel compleet.
+
+„Luiwammes, kun-je nog langer op je laten wachten?” aldus verwelkomde
+mij Zijnedelgestrenge. „Je dacht misschien dat je met een rijtuig
+gehaald zoudt worden!”
+
+„Neem me niet kwalijk, majoor...!”
+
+„Houd je mond, voor den donder, of ik...!”
+
+De overige woorden slikte hij in, want een spiksplinternieuwe luitenant
+verscheen op het tooneel. Als er nu nog gedonderd moest worden, dan
+verviel de bevoegdheid daartoe van rechtswege aan den in rang hooger
+geplaatste; maar deze onthield zich er van, omdat hij daarvoor nog te
+korten tijd in Indië was.
+
+Het onweder trok dus af, en slechts af en toe schoot nog een
+bliksemstraal uit het aangezicht des „dubbelen,” dat zich tot een
+bitterzoet glimlachje geplooid had in de richting, waar ik stond.
+
+„Is de korporaal reeds ingedeeld?” vroeg de binnentredende.
+
+„Jawel, luitenant, bij uw peloton in de tweede sectie,” antwoordde de
+„moeder” op den onderdanigsten toon.
+
+„Goed, laat hem dan heengaan, want de recruten kunnen ieder oogenblik
+van Batavia aankomen.”
+
+Met de meest militaire stijfheid maakte ik rechtsomkeert en haastte mij
+weg te komen uit de schotlinie van den „dubbele” waar ik mij niet weder
+onder waagde voor zijn gevoelsbarometer op zonneschijn stond, hetgeen,
+tusschen haakjes, slechts uiterst zelden gebeurde.
+
+In het „kampement” der derde compagnie, in welker centrum de
+sergeant-majoor resideerde, ging het intusschen toe als in een
+bijenkorf. Hier gebood de rechterhand van den „dubbele” de fourier, de
+„meid-alleen,” wien het lichamelijk welzijn der compagnie toevertrouwd
+is, de beheerscher der vertrekken voor de provisie en de kleeding
+bestemd. Hij zat juist een aantal Europeesche en inlandsche korporaals
+achter de vodden, die heilwenschen (?) tusschen de tanden mompelend,
+mij voorbijvlogen. Nauwelijks kreeg hij mij in ’t oog, of ik werd er
+ook bijgelapt.
+
+„Hier, jij nieuweling, wees zoo goed en neem de matten voor je kerels
+in ontvangst! Als de drommel je ransel af!” bulderde hij me toe. Ter
+opheldering moet ik hier bijvoegen, dat den inlandschen soldaten
+slechts matten van biezen worden verstrekt, en geen stroozakken, zooals
+aan hunne Europeesche krijgsmakkers. Bovendien krijgen ze een met stroo
+gevuld hoofdkussen en een katoenen deken, „sprei” genaamd: een
+eenvoudig en zeer practisch leger.
+
+Na weinige oogenblikken was ik reeds druk werkzaam en sorteerde al de
+heerlijkheden, waarvoor elken recruut bijzondere zorg wordt aanbevolen.
+Midden onder den arbeid werd ik door hoornsignalen opgeschrikt, die
+steeds nader en nader klonken. Commando’s werden hoorbaar, ten slotte
+eindigend in een langgerekt „halt!” Toen werd het stil, en men hoorde
+slechts de barsche stem van den sergeant-majoor, die de recruten bij
+hunnen naam riep; terloops aangemerkt: eene ondankbare, tijdroovende
+bezigheid, daar de meeste dezer natuurkinderen òf te verlegen zijn, om
+hunnen mond open te doen, als hun naam wordt afgeroepen, òf wel
+vergeten zijn, hoe zij heeten. Ik verkneuterde er mij in, den „dubbele”
+zoo rood als een kalkoenschen haan voor het front op en neer te zien
+stappen, terwijl hij in machtelooze woede de arme drommels geheel van
+hun stuk bracht met hun de namen in de ooren te brullen en daarop
+slechts zulke onvolledige antwoorden kreeg, dat de „rommel” niet
+„kloppen” wilde.
+
+Het was een gezicht om zich den buik vast te houden van het lachen: al
+deze kleine, bruine barrevoeters, die tegen elkander stonden
+aangedrongen als eene kudde schapen. Ieder oogenblik verwachtte ik dat
+zij op de voorpooten—pardon! handen—vallen zouden en tegen de
+klapperboomen opklauteren. Daarmede hadden zij ons werkelijk een
+grooten dienst bewezen, want het moest een heidensch werk zijn, eerst
+menschen en daarna soldaten uit hen te maken. Deze gedachte baarde mij
+geen geringe zorg, want ik verstond absoluut geen woord Maleisch,
+buiten de hoofdwoorden: makan: eten; minoem: drinken, en pisang-goreng:
+[2] smeerproppen of gebakken pisangs. Maar daarmee kon ik toch geen
+recruten afexerceeren.
+
+„Heilige Florian, ontsteek mijn geest!” bad ik in stilte, toen ik op
+mijn sergeant toetrad, die met een arme-zondaarsgezicht, evenals ik,
+tegen een deurpost geleund stond en in diepe verslagenheid den bruinen
+menschenvloed gadesloeg, die onafgebroken zijne sectie binnenstroomde.
+Hoeveel dagen kamerarrest en politiekamer stroomden daar wel mede
+binnen? Dat kon alleen de goede God weten en de kapitein, de
+onze-lieve-Heer der compagnie.
+
+Tot deze slotsom scheen ook de sergeant gekomen te zijn, want hij
+wendde zich met een zucht af. Eerst toen hij mij bemerkte, herkreeg hij
+zijn geestelijk evenwicht.
+
+„De kerels moeten eerst behoorlijk worden afgeschrobd”—d.w.z. zich
+baden—„voor ik mij met hen afgeef”, zeide hij en wierp van terzijde een
+blik op de recruten, die als eene bende apen dicht op elkaar zaten
+neergehurkt. „Daar de vrouwen den weg niet weten, kunnen zij zich bij
+den troep aansluiten,” liet hij er nog op volgen.
+
+Het was zoo, er zaten ook nog vrouwen tusschen die knapen in. Zoo
+ongeveer het derde deel hadden hunne huishoudsters meegebracht. Bijeen
+geleken zij een grooten vuilnishoop, want zij hadden eene langdurige
+scheepsreis achter den rug en hadden al dien tijd bijna geen waschwater
+bekomen—voor Javanen, die over het algemeen zeer op reinheid gesteld
+zijn, eene ware kwelling.
+
+„Neem me niet kwalijk, sergeant, maar ik spreek geen Maleisch. Ik weet
+niet hoe ik de menschen in het water en er dan weer uit krijgen moet,”
+veroorloofde ik mij in het midden te brengen.
+
+„Mooi zoo! dat wordt eene vroolijke geschiedenis,” riep de sergeant
+wrevelig. „Ik ben eerst sedert vier weken bij de apen-compagnie, de
+luitenant is kersversch uit Europa aangekomen, en jij kunt ook al niet
+anders dan menage lepelen—laat dan de duivel zien, dat hij de kerels
+afexerceert! Maak maar dat je wegkomt. Hoe je ’t met de bende klaar
+speelt, is me glad onverschillig!”
+
+Dat ziet er lief uit, dacht ik. Maar de nood maakt vindingrijk. Ik
+zocht den grootsten uit den troep, wenkte de anderen en marcheerde de
+deur uit. Als eene kudde schapen achter den hamel trappelden de
+overigen, en ook de vrouwen, hunnen voorman achterop. Voor de deur
+maakten wij nog eerst halt. Ik sorteerde het gezelschap naar de lengte
+en geraakte daarbij zoo in vuur, dat ik na gedanen arbeid het commando:
+„Met verdubbelde rotten!” weerklinken liet. Ik weet niet wie er op dat
+oogenblik wanhopiger uitzag: de Javaantjes of hun korporaal.
+Onwillekeurig bedacht ik dat zoo een Javaansche recruut toch stellig
+nog minder militair begrip heeft, dan een afgeëxerceerde Amsterdamsche
+schutter; ik herriep derhalve het commando, plaatste de luidjes in
+rijen van vier achter elkander, hief mijn linkerbeen zoo hoog op, dat
+het boven de hoofden der recruten uitstak en kommandeerde: „Marsch!” Ik
+had net zoo goed „Hu!” kunnen kommandeeren; misschien hadden zij dat
+nog eer verstaan. Nu, de hoofdzaak was: zij zetten zich in beweging.
+Maar wat mij niet mocht gelukken, niettegenstaande de waanzinnigste
+pogingen, het was om de vier voorsten tot een zelfde marschtempo te
+bewegen. De kolonne vertoonde groote gelijkenis met een kruipenden
+duizendpoot. Ten slotte gaf ik het op en liet hen loopen zooals zij
+wilden. Ik dankte mijnen Schepper, toen wij eindelijk de steenen
+kazerne aan de rivier bereikt hadden. Nu plaatste ik mij voor den
+troep, strekte den arm uit als een houten wegwijzer en schreeuwde uit
+al de kracht mijner longen „Halt!” Wel kregen de eerste paar rijen nog
+een geweldigen schok, daar de achter hen aankomenden met hangende
+hoofden tegen hunne voorgangers aanstietten; maar eindelijk stond de
+geheele troep. Door naar het water te wijzen en het maken van krachtige
+zwembewegingen, trachtte ik mijne bedoeling voor de menschen duidelijk
+te maken. Dit gelukte boven alle verwachting. Onder luid gejuich vloog
+de bende naar den oever, de vrouwen evenzeer.
+
+„He! dat gaat niet,” riep ik haar toe, „jelui moet naar den anderen
+kant!” Maar ik had met engelentong kunnen spreken, zij zouden mij toch
+niet verstaan hebben. Gelukkig kwam mij een oude fuselier te hulp, die
+de vrouwen begrijpen deed, dat bains mixtes in Indische kazernes niet
+thuis behooren, maar dat het eene deel der militaire badkuip voor de
+mannen, het andere deel voor de vrouwen bestemd was. De vrouwen
+gehoorzaamden, en nu ontwikkelde zich een paradijs-achtig stilleven,
+waarin dozijnen Adam’s en Eva’s de stoffeering vormden. „Mama
+Gouvernement,” die anders in elk opzicht goed voor hare kinderen zorgt,
+heeft er namelijk in het geheel niet aan gedacht hen van zwembroeken te
+voorzien. De Tjilewong is daarom ook zoo vriendelijk, hare gele wateren
+als een sluier uit te breiden over alles, wat de mensch liefst voor
+zijnen evenmensch verborgen houdt. Een kwartiertje lang liet ik de
+luidjes in het water spartelen en bracht toen longen en armen weder in
+beweging, ten einde mijne kudde weer om mij heen te verzamelen. Dat
+duurde tamelijk lang, want de eene natuurknaap had zijn broek achterste
+voren toegeknoopt, weer een ander wilde zich niet met zijne jas
+verzoenen, daar die hem te warm was, enz. Ten slotte evenwel kreeg ik
+hen weer in rij en gelid en overtuigde mij dat er niet één ontbrak.
+
+Voltallig leverde ik hen weer af aan mijn sergeant.
+
+Weinige minuten later kwam de fourier al weder aangaloppeeren, die ons
+in den looppas naar het magazijn bracht. Daar werden al de
+fraaiïgheden, die ik kort te voren gesorteerd had, verdeeld en in de
+eerste plaats de menageketels naar de keuken geëxpedieerd. Was het
+verstand of instinct, dat het volkje in vroolijke groepen naar de
+keuken dreef, toen het signaal voor het eten geblazen werd? Zij hadden
+het toch nog nooit gehoord. De korporaals hadden heel wat moeite, om de
+hongerige bruintjes in toom te houden. Messen en vorken zijn hun maar
+ongemakkelijk; de vijf vingers verrichten denzelfden dienst. Luid
+gesmak verkondigde weldra de tevredenheid van het gezelschap, waarbij
+zich nu ook de vrouwen gevoegd hadden, die tijdens den dienst hare
+tenten in den „warong” hadden opgeslagen. In het voorbijgaan was door
+mij opgemerkt, met welke nuttige bezigheid zij zich na het bad onledig
+hielden. In een kring gezeten, zoodat geen van het clubje te kort kwam,
+woelden zij in elkander’s haren om en bewezen elkaar wederzijds de
+kleine diensten, welke onze voorouders, volgens Darwin’s theorie, huns
+gelijken zoo gaarne betoonen. ’s Lands wijs ’s lands eer!
+
+Zij die zich in het bezit van bijzonder ontwikkelde reukzenuwen
+verheugen en op een fatsoenlijk gedrag aan tafel gesteld zijn, zullen
+wel doen met eene dineerende compagnie inlanders te mijden. De sterk
+riekende vruchten, welke zij voor dessert gebruiken, als „doerian’s,
+zuurzakken”, enz., verpesten den omtrek in die mate, dat het bijna niet
+is uit te houden. Buitendien huldigen die natuurkinderen de
+onbehaaglijke gewoonte om, zoodra zij zich aangenaam verzadigd
+gevoelen, een vocaal concert te beginnen, dat meer uit de maag dan uit
+de borst wordt gezongen en allesbehalve welluidend klinkt.
+
+Deze ondervinding moest ik opdoen, toen ik mij naast onzen inlandschen
+sergeant had neergezet. Hij was een merkwaardig heer. Zijn kameraad had
+mij naar hem verwezen, omdat hij wat Hollandsch sprak, en dus in staat
+was mij in de geheimenissen der Maleische taal in te wijden. Ik had
+omtrent zijnen persoon de volgende inlichtingen ontvangen: „de sergeant
+is ijdel; hij draagt laarzen onder voorgeven dat hij gevoelige voeten
+heeft, in werkelijkheid echter omdat hij den half-Europeaan zou kunnen
+uithangen, wat hij niet is.” Dit alles had ik mij in het oor geknoopt,
+en ik nam mij voor op zijne ijdelheid te werken. Ik wachtte behoorlijk
+tot mijn meerdere in rang zijnen maaltijd beëindigd had en zette hem
+toen het doel mijner komst uiteen. Ik verklaarde hem, dat mij zijne
+gelijkenis met een Indo-Europeaan, dien ik eens ontmoet had, sterk had
+getroffen en vroeg hem of hij niet een broeder in Holland had. Hij
+schudde weemoedig het hoofd, trok aan de vier of vijf knevelharen, die
+hij tegen de gewoonte zijner landslieden liet staan en sprak
+fluisterend: „Ik helaas niet Hollander, maar”—voegde hij er op
+geheimzinnigen toon aan toe—„grootmoeder van mij was baboe
+(kindermeisje) bij „toewan” kolonel.”
+
+„Oei....!” ontsnapte mij onwillekeurig. Zoo’n opsnijder! Waarom niet in
+eens baboe bij den legercommandant? „Jammer,” zeide ik en reikte hem de
+hand. Wat jammer was, wist ik eigenlijk zelf niet; hij denkelijk ook
+niet; maar desniettemin schudden wij elkander vriendschappelijk de
+hand. Nu kwam ik met mijn verzoek voor den dag: of hij wel zoo goed zou
+willen zijn, mij wat Maleisch te leeren? Hij knikte genadig en zeide:
+
+Kossok beteekent: poetsen.
+
+„Prachtig!” riep ik met onwillekeurige geestdrift uit. Met dit enkele
+woord kon ik de geheele week volstaan, want „poetsen” is het militaire
+Alpha en Omega. Het zonlicht, het maanlicht en het licht der walmende
+petroleumlamp zien den Indischen soldaat aan het poetsen en ondanks
+alle inspanning wordt hij nog dikwerf ter zake van onvoldoend poetsen:
+„heruntergeputzt,” zooals de Duitschers zeggen. Nog drie woorden: mari
+sini (kom hier) en lakas (snel)—want onder militairen moet alles snel
+gaan—leerde ik en verwijderde mij toen onder duizend dankbetuigingen
+aan den sergeant, wiens wederhelft reeds geruimen tijd op de
+gelegenheid gewacht had, om den nakomeling der „baboe” van den
+„toewan”-kolonel te „pidjetten.” [3]
+
+Niet lang duurde het meer of de eerste dag was ten einde. In de lange
+gangen van het „kampement” flikkerden de lampen en wierpen haar
+schijnsel op verschillende groepen soldaten, die, blijde de drukkende
+uniform te mogen afleggen, in primitief negligé samenhokten. Boven
+hunne hoofden zweefde een afschuwelijk riekende wolk, van den rook der
+„strootjes” [4] afkomstig en aan hunne voeten stonden uit
+sigarenkistjes geïmproviseerde spuwbakken gereed, om het roode sap der
+sirihpruim op te vangen. Anderen hadden zich in hun boudoir
+teruggetrokken, en rustten op hunne schatten uit. De gehuwde Javaansche
+soldaten namelijk, die allen zonder uitzondering—ook de ongehuwden—zeer
+veel schaamtegevoel bezitten, toonen in vele gevallen eene kieschheid,
+die den Europeanen vreemd is. Door katoenen gordijnen aan de brits te
+bevestigen, scheppen zij zich een gezellig hoekje, waar zij hunne
+rijkdommen, enkele kapok-kussens, somtijds zelfs een matras, verbergen.
+Daar trekken zij zich na de vermoeienissen des daags terug en slapen
+gerust, niettegenstaande het krachtige gesnork der slapers, die hunne
+matjes op de brits boven hun hoofd hebben opgeslagen.
+
+Ook ik volgde dit voorbeeld en ging op éen oor liggen, hoewel het nog
+lang geen „taptoe” was. Zacht drong in mijn vertrek een eentonig door
+den neus klinkend gezang door, dat door handgeklap begeleid werd.
+Waarschijnlijk waren het herinneringen aan hun tehuis, die de bruine
+schepsels in hunne liederen bezongen. Ja, ook deze natuurkinderen
+lijden aan heimwee; zij zijn niet de gevoellooze wezens, waarvoor zoo
+velen hen houden, zij gevoelen dikwerf veel dieper dan de Europeaan,
+die zich naar den geest hun meerdere acht. Het slaperige gezang bracht
+mij in eenen toestand tusschen waken en droomen. Het was mij, alsof ook
+mij uit het lieve, verre vaderland bekende geluiden toeklonken.
+Onzichtbare handen droegen mij derwaarts over. Ik zat in den kring van
+oude bekenden, vroolijke drinkliederen weergalmden en de schuimende
+bierkruik ging lustig rond, toen... een zacht gegons aan mijn oor, een
+doordringende pijnlijke steek in de wang—weg waren vaderland, weg de
+vrienden, weg het heerlijke bier. Wat mij stoorde, was de prik van een
+muskieten-angel. De steek is nog zoo erg niet, maar de lange tijd, die
+er verloopt tusschen het aanvliegen en het steken, kan een mensch
+radeloos maken. De vermoeide hand slaat vergeefs in het rond.
+Gewoonlijk steekt u het bloedgierige gespuis juist op eene plaats, waar
+ge het niet verwacht. Alleen een „klamboe” [5] kan hier helpen, en die
+had ik mij, ondanks alle zuinigheid, nog niet kunnen verschaffen. Doch
+de goede Morpheus had medelijden. Hij liet zijn droomensluier op mij
+nederzinken, en slechts als een verwijderde echo drong de klagende toon
+van het taptoesignaal tot mijn verflauwend bewustzijn door. Ongestoord
+zwelgden de muskieten—de kazernevloo is in Indië, Goddank!
+onbekend—mijn bloed.
+
+Als den volgenden morgen een oningewijde het „kampement” betreden had,
+zou hij zich zeker in eene kleermakerswerkplaats met een
+schildersatelier verbonden, verplaatst hebben gemeend.
+
+Al de superieuren, met uitzondering van den „vader” en de „moeder,”
+waren bezig hunne beschermelingen een menschelijk aanzien te geven. Met
+de pantalons had men gemakkelijk werk, niet echter met de jassen. Den
+eenen borst was de snit te ruim, den anderen de kraag te nauw; den
+derden hing iedere jas als een meelzak over den rug. Het was om er
+wanhopig van te worden. Daarbij kwam nog de booze luim van den fourier,
+die telkens woedend werd als hij een nieuw kleedingstuk uit zijn net
+geordenden voorraad moest afstaan, en de vinnige aanmerkingen van den
+luitenant, wien alles veel te langzaam ging. Doch dat had zich alleen
+de sergeant aan te trekken, want mij was de gewichtige taak opgedragen,
+alle uniformstukken van „boezeroen” tot „kapotjas,” met roodgeverfde
+stamboeknummers te voorzien. Een geluk was het dat er geen kousen en
+schoenen te nummeren waren—de inlandsche troepen marcheeren
+barrevoets—dan had het werk zeker nog langer dan een dag geduurd,
+ofschoon het vlot van stapel liep.
+
+Voortdurend liet ik mijn Maleischen taalschat schitteren, door het
+geroep van: „Mari sini lakas!” zoodat zelfs de luitenant opmerkzaam
+werd en mij vroeg: „Spreekt ge Maleisch?” Met de grootste
+koelbloedigheid, antwoordde ik: „Zoo tamelijk, luitenant!” Dat zou voor
+mij noodlottig worden, want onmiddellijk liet de luitenant er op
+volgen: „Dan kun je later je manschappen eenig onderricht geven in het
+militair saluut en dergelijke zaken meer!” Daar had ik mij aardig
+ingewerkt. Het was mijn verdiende loon. Ik had mij zelf eene oorveeg
+kunnen geven over mijne domheid. Het was nu te laat om haar te
+herstellen, en er bleef mij niets anders over dan bij den nakomeling
+der „baboe” van den kolonel te biecht te gaan, die mij uit de
+moeielijkheid hielp door later zelf het verlangde onderwijs te geven en
+mij aan den fourier, met wien hij op geen goeden voet stond, ter
+assistentie overleverde.
+
+Toen de uitmonstering der Javaantjes afgeloopen was, begon het poetsen,
+want de kapitein zou den volgenden dag eene inspectie komen houden. Dit
+woord „inspectie” is een der geduchtste termen uit de militaire
+grammatica. Het bezorgt iedereen de nachtmerrie, van den luitenant tot
+den soldaat. In het burgerlijke leven is het ongeveer te vergelijken
+met een schoonmaak van het geheele huis, als men voorname gasten wacht.
+Nu stelle zich eens eene huisvrouw voor, dat zij uitsluitend
+„schoonmaaksters” in dienst heeft, die niet weten hoe zij een bezem
+moeten hanteeren en niets dan Fransch kunnen spreken, terwijl zij, als
+huisvrouw, alleen Hollandsch verstaat. Zij kan zich dan een zwak begrip
+vormen van eenen namiddag bij eene Javaansche recruten-compagnie, vóór
+den ochtend eener kapiteins-inspectie.
+
+Men hoorde niets anders roepen dan: Kossok! Lakas, Lakas, Lakas!...
+
+Ja, als het met bevelen alleen te doen was! De kerels wisten immers
+niet eens, hoe zij met de knoopenschaar moesten omgaan, en dat het heft
+van het kapmes blinken moest als zilver, scheen hun onverklaarbaar. Bij
+eene Europeesche compagnie kan men bij dergelijke gelegenheden zijnen
+toorn tenminste nog door eenige kazernevloeken lucht geven, doch dat
+valt bij eene inlandsche compagnie uiterst moeilijk, vooral als men de
+taal niet kent. Ofschoon ik een bijzonder grooten domoor den eenen
+orang oetan na den ander naar het hoofd wierp, gaf hij geen blijk het
+zich ook maar eenigszins aan te trekken; de kerel verstond niet eens
+zijne eigen taal. Er bleef niets anders over dan zelf de hand aan het
+werk te slaan, uit den treure knoopen te poetsen, stukken van uniformen
+te zoomen, te vouwen en netjes op de „planken” te schikken. Dit duurde
+tot laat in den nacht. Nog in den droom hoorde ik mijnen collega met
+schorre stem roepen: kossok lakas! kapitein datang [6].
+
+De gevreesde dag brak aan. Te gelijk met den haan van den
+kompagnies-kok kraaide ook de sergeant-majoor, en diens stem werkte
+electriseerend. In minder dan geen tijd was ieder op zijnen post.
+Nogmaals de knoopenscharen te voorschijn gehaald. Thans ging het
+poetsen veel beter. De kereltjes waren leerzaam. Tallooze bezems deden
+dichte wolken stof opdwarrelen, welke weder door zachte stofdoeken
+onbarmhartig werden weggenomen. De „kamerwacht”, een oude fuselier,
+liep met een angstig gezicht ieder stroohalmpje na, dat de wind door de
+lange gangen joeg. De „moeder” liep voor hem uit en voelde in alle
+hoeken en gaatjes, om zich te vergewissen dat er geen stofje meer te
+vinden was. Zij scheen tevreden. Minder vergenoegd waren de arme
+sergeanten en korporaals. Daar had een hunner een recruut onder handen,
+wiens kraag steeds weder tegen den langen hals opschoof; ginds wendde
+een korporaal vergeefsche pogingen aan om een klein ventje de muts
+recht op het hoofd te zetten; de schedel was zoo gebouwd, dat het
+hoofddeksel telkens weer in den nek gleed. Ik was haast van schrik
+flauw gevallen, toen ik ontdekte dat de een of andere ellendeling één
+mijner manschappen twee knoopen van de uniform had afgesneden;
+waarschijnlijk om ze aan zijne eigen kapotjas te zetten. Snel moest in
+het onheil voorzien worden, want de luitenant was reeds in aantocht, en
+een luitenant kan onder zekere omstandigheden al even onuitstaanbaar
+wezen als een kapitein.
+
+Eindelijk was alles tot de groote ontvangst gereed. In lange rijen
+stonden de recruten vóór hunne slaaptafels en wachtten op de dingen,
+die komen zouden. Een gewoon sterveling heeft niet het minste begrip
+van het gewicht van een kapitein. Menige pennelikker, met een
+jaarlijksch salaris van 600 gulden en eene geborgde jas aan het lijf,
+gelooft zich ver verheven boven den „vergulden bedelaar,” zooals
+neuswijze heertjes zich gelieven uit te drukken; zij behoefden slechts
+ééne inspectie bij te wonen om van hunnen waan genezen te worden. Er is
+een reusachtig onderscheid tusschen den kapitein in dienst en in de
+samenleving. Wie hem zoo ziet zitten aan het venster van een der groote
+café’s in de Kalverstraat, terwijl hij met een tevreden glimlach naar
+de menschenmassa kijkt en met een stil genoegen zijn bittertje slurpt,
+zou licht op de gedachte kunnen komen: „dat is een man om omver te
+loopen!” Jawel, goeden morgen! Men moet hem in zijn element zien en dan
+in de eerste plaats bij eene inspectie: dan is hij Jupiter gelijk. Dan
+brult zijn mond als de donder, en zijne oogen schieten bliksemstralen;
+waar die inslaan, ligt de getroffene van 8 tot 14 dagen krom. Zoo zijn
+zij allen, en zoo was ook onze kapitein, wiens komst wij in duizend
+vreezen te gemoet zagen.
+
+Eindelijk klonk het bevel: „Geeft acht!” De luitenants zetten eene
+hooge borst, snelden naar den ingang, en wij stonden als stokken aan
+den grond genageld. Langzaam naderde het onweder. Onheilspellend
+fonkelde de portefeuille van den sergeant-majoor, die het gevreesde
+potlood, als eene lans tegen het front van den troep gericht, droeg. De
+inspectie begon. Onze sectie was aan de beurt, en de sergeant volgde
+met een gezicht, dat wel wat bleek zag. Het scheen of hem het
+stereotype: „Sergeant-majoor, schrijf op: zoo en zooveel dagen arrest!”
+reeds in de ooren klonk. Ieder oogenblik verwachte ik een: „Hum, hum!”
+van den kapitein; onder broeders beteekende dat eenige dagen
+kamerarrest. Zeide hij echter: „Smeerpoes!” dan kwam men er niet zonder
+„politiekamer” af. Daarin deelen dan in den regel de berispte, de
+korporaal en de sergeant broederlijk. Boven verwachting liep het
+prachtig voor ons af. Het onweder trok voorbij, zonder in te slaan. De
+kapitein was dien dag niet alleen God, hij was ook mensch, en zag dat
+het mogelijke gedaan was. Toen hij zelfs ten slotte zeide: „Goed!”
+hadden wij hem van blijdschap wel om den hals willen vliegen, als dit
+niet in strijd geweest ware met alle begrippen van subordinatie.
+
+Na afloop der inspectie was het uitbetaling van traktement, en toen ik
+mijne 90 cents voor de drie dagen in handen hield, dacht ik bij mij
+zelven: „Mama Gouvernement is toch eene brave ziel; zij beloont steeds
+naar verdienste.” Daarop vergunde ik mij de weelde van vijf kop koffie
+en een dozijn „smeerproppen,” en hiermede waren de eerste drie dagen
+ten einde.
+
+
+
+
+
+
+
+
+MIJN EERSTE RAPPORT.
+
+
+„Zeg eens, jij lange, je zet zoo’n gewichtig gezicht, alsof je een
+conferentie met Bismarck gehad hebt,” riep mij de snerpende stem van
+Von Sch. toe, terwijl ik met groote passen naar de bamboekazerne
+stapte. Die von Sch. was een aardige kerel. Nauwelijks twee jaar
+geleden had zijne sabel nog op het asphalt Unter den Linden gekletterd
+en had zijn ook nu nog welverzorgde knevel jonge schoonen tot het maken
+van gedichten bezield; en thans droeg hij de strepen van den sergeant
+van het Indische leger. Een man, Isaäc geheeten en behoorende tot de
+wijdvertakte familie van Sem, had hem geld tegen „papiertjes” gegeven,
+wat aan de verandering zijner uniform schuld moet hebben gehad. Doch
+zoo iets is onder kameraden janz ejal. En hij had veel kameraden; ik
+was er één van. Altoos had hij een passenden kwinkslag tot zijn dienst,
+als een van zijne voormalige of hem nog overgebleven kameraden om de
+eene of andere reden „het land” had. Zijn humor was tegen alles bestand
+en leed eenige jaren later volstrekt niet onder het bericht, dat eene
+verstandige, oude tante hem, nevens een stuk of wat smousjes en katten,
+ook haar vrij aanzienlijk vermogen had nagelaten.
+
+Sergeant Von Sch. dan riep mij op de bovenbeschreven wijze toe en
+plaatste zich wijdbeens vóór mij, in afwachting van eene verklaring.
+
+„Nu, van zooveel belang als een onderhoud met den ouden Bismarck is het
+wel niet, maar het scheelt toch niet veel; ik moet mijn eerste
+korporaalswacht afsteken en zit duchtig in den brand over het
+schriftelijk rapport, ingeval er iets mocht voorvallen,” was mijn
+bescheid.
+
+„Och kom, wat kan er nu op zoo’n korporaalswacht gebeuren?” vroeg hij.
+„Zou je het misschien willen rapporteeren, als twee kakkerlakken
+elkander den kop afbijten of je een tjitjak [7] op het hoofd valt? Op
+die wacht is er immers nog nooit iets voorgekomen? En als er werkelijk
+iets gebeuren mocht en je kunt er geen Hollandsch woord voor vinden,
+dan omschrijf je eenvoudig. Maar je moet je toeleggen op mooi schrift:
+de inhoud komt er minder op aan.”
+
+Na deze vaderlijke vermaning verwijderde hij zich lachend, en ik
+vervolgde mijnen weg.
+
+Een uurtje later betrok ik met mijn drie man de wacht, nam vol
+welgevallen het beheer over de ledige arrestlokalen van mijnen
+voorganger over en vlijde mij, na gedanen arbeid, behaaglijk in een
+matten stoel neder. Het was een heerlijke, zonnige dag. Den nacht te
+voren had het geregend, en nu slurpten zonnestralen en planten het
+kostelijke nat gretig op. De lucht was helder, zoodat men in de verte
+de blauwe omtrekken van het gebergte onderscheiden kon. De Tjilewong
+verhaalde zachtkens, in vriendelijk gebabbel, van die reuzen daarginds,
+waartoe ik mij zoo machtig voelde aangetrokken door de herinnering aan
+mijn bergachtig vaderland. Zoet geurden de twijgen van den „tjampakka”
+boven mijn hoofd, en wanneer een zoel windje van het naburige zeestrand
+door het gebladerte streek, viel er een bloesemregen neder en omhulde
+mij als met eenen mantel van het teêrste dons.
+
+Het was werkelijk niet noodig Duitscher te zijn, om in eene zoo
+paradijsachtige omgeving te dwepen, luchtkasteelen te bouwen en zich de
+toekomst in de liefelijkste kleuren af te schilderen.
+
+Het waren stoute droomen, die mijne verbeelding voortbracht. Al de
+makke Javaantjes, die daar ginder in den looppas heen en weer snelden,
+of, al naar de velddienst het vorderde, als slangen over den grond
+kropen, herschiep zij in bloeddorstige oproerlingen, die het moordende
+staal ophieven tegen het handjevol Europeanen in hun midden.
+
+Dezen zag ik met den moed der wanhoop tegen de overmacht strijden; meer
+en meer dunde het hoopje mijner kameraden; zij zouden het onderspit
+delven! Daar snelde ik toe met mijne drie man, schoot, hieuw en stak
+als een bezetene; de kameraden herademden, keerden zich opnieuw tegen
+den vijand.
+
+Victorie! de zege was ons.
+
+Wat heerlijke aanblik! Het „Waterlooplein” gevuld met duizenden
+toeschouwers.
+
+Het geheele garnizoen opgesteld in parade-orde. Aller blikken zijn naar
+het midden van het plein gewend; dáár, namelijk, sta ik en hoor met
+vurig oog en duizelend hoofd de krachtige toespraak aan, welke de
+legercommandant tot mij richt. Zijne hand rust op mijnen schouder en
+met luider stemme zegt hij:
+
+„Het heeft Zijner Majesteit behaagd u tot ridder van de Militaire
+Willemsorde...” „Toeloeng! toeloeng!” [8] krijscht op eens eene
+vrouwenstem en overschreeuwt de beteekenisvolle slotwoorden, waarmee
+mijn fantasie-generaal op het punt stond zijne rede te besluiten. Uit
+was mijn droom. Met één sprong was ik op de been, beval een der
+soldaten, die dommelend in het gras lag, mij te volgen en snelde zoo
+spoedig mijne lange beenen mij dragen konden naar eene naburige loods,
+waaruit het hulpgeroep geklonken had. Daar vond ik een inlandschen
+soldaat, die de knie op de borst eener vrouw gedrukt hield en zonder
+ophouden met een steen op haar sloeg. Natuurlijk greep ik hem onzacht
+in den nek en sleepte hem naar de wacht. De vrouw liet ik naar de
+ziekenzaal brengen. Gedurende zijn transport huilde de kerel als een
+oud wijf en deed niet de geringste poging om zich te verweren. Geen
+enkele maal zelfs beet of krabde hij.
+
+Huilend ging hij het arrestlokaal binnen en huilend beantwoordde hij
+mijne vragen. Hij huilde zelfs nog, toen ik met mijn rapport bijna
+gereed was, en dat duurde lang, want het Hollandsch wilde mij niet
+gemakkelijk uit de pen.
+
+Te langen leste had ik het epistel toch klaar en verdiepte mij met
+welgevallen in den inhoud van het dienstbriefje: „De inlander Sowodrono
+heeft zijn huishouderesse met een steen geslagen. Daarom heb ik hem
+arrestierd.”
+
+Reeds maakte zich een fuselier gereed om het rapport naar de hoofdwacht
+te brengen, toen de schildwacht door het venster naar binnen riep: „Ik
+geloof waarachtig, dat de kerel in de gevangenis zich heeft
+opgehangen!”
+
+Deze woorden deden mij zóó ontstellen, dat ik onder de vele verroeste
+en overtollige sleutels, die aan mijn zorg waren toevertrouwd, den
+juisten niet vinden kon. Het gerochel, dat uit de cel tot mij
+doordrong, was niet geschikt mij op mijn gemak te brengen. Ik bezon mij
+daarom niet lang, liep met den schouder tegen den deurpost en wierp de
+halve gevangenis omver, die, terloops aangemerkt, uit bamboe was
+opgetrokken. Ter eere van de gevangenissen in Indië dient echter
+verklaard, dat niet alle van zulk een zwakken bouw zijn. Anders mocht
+het eene of andere lid van het edele Europeesche boevengilde eens lust
+krijgen, het veld zijner kunstverrichtingen naar dit Dorado te
+verplaatsen.
+
+Met twee sprongen was ik over de splinters heen, en bij den
+ongelukkige, die aan zijnen halsdoek hing te bungelen.
+
+Een fuselier sneed hem af en ik diende den zelfmoord-candidaat een paar
+oorvijgen toe, die zijne ademhalingsorganen weder in functie brachten.
+Daarna tooide ik hem met ijzeren hand-manchetten en liet hem naar de
+hoofdwacht brengen. Maar nu kwam de grootste moeielijkheid aan; er
+moest een nieuw rapport worden opgesteld en dat wel zoo spoedig
+mogelijk, anders kreeg ik met den commandant der hoofdwacht te doen.
+Als gewoonlijk schreef ik dezen dienstbrief eerst in het Duitsch en
+vertaalde hem daarna woord voor woord. Hij luidde: Der gefangene
+Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen; ich habe ihn
+desswegen gefesselt.
+
+Het eerste deel van dit rapport was, meende ik gemakkelijk te vertalen;
+maar met de slotwoorden haperde het.
+
+Wat beteekent toch ook weer Fesseln in het Hollandsch? „Fetteln?”
+Neen.—„Fetseln?”—ook niet! Lieve hemel, er moet toch een woord voor
+zijn!
+
+Daar ging mij een licht op. „Omschrijven, als men het juiste woord niet
+vindt,” had Von Sch. dien morgen gezegd. Precies! Hoe zou het zijn, als
+ik eens schreef: ich habe ihn desswegen in Ketten gelegt? Dat klonk wel
+wat middeleeuwsch en rook naar burcht-kelders en pijnigende
+roofridders, maar het was toch verstaanbaar.
+
+Doch nu haperde het met de vertaling weer. Kette beteekent in het
+Hollandsch „ketting,” bijgevolg beteekent in Ketten: „in kettingen.”
+Die uitdrukking kwam mij echter verdacht voor, ik had haar nog nooit
+gehoord. Het angstzweet brak mij uit! Er wilde mij niets invallen,
+ofschoon ik reeds den halven penhouder had afgeknaagd. Daarbij kwam
+nog, dat de twee fuseliers vlak naast me op het geschrift zaten te
+wachten. Hoe benijdde ik de kerels! Ze spraken beiden perfect
+Hollandsch, want het waren Hollanders; maar ik durfde hun toch niets
+vragen. Daarmede zou ik mijn gezag verloren hebben en den volgenden dag
+hadden de kameraden verteld: „de vent laat zich zijn rapporten door de
+wachthebbende manschappen dicteeren.”
+
+Als ik eens wat diplomatisch te werk ging, misschien dat ik dan toch
+nog te weten kwam welke de juiste uitdrukking was. Zonder langer te
+aarzelen, wendde ik mij dus tot een der beide mannen en vroeg zoo
+losjesweg: „Zegt men in de streek, waar jij vandaan komt, ook „in
+kettingen gelegd?””
+
+De man keek mij verbaasd aan; hij begreep blijkbaar niet wat ik wilde.
+Hij bezon zich een oogenblik en sprak dan: „Nee koproal! Bij ons thuus
+zeggen ze: oan de ketting legd.”
+
+Goddank! Nu wist ik het. Nu maar snel geschreven! Daar gaat-i: „Der
+Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen” = „De inlander
+Sowodrono heeft verzocht zich op te hangen”—„ich habe ihn desswegen in
+Ketten gelegt” = „ik heb hem daarom aan de ketting gelegd.”
+
+Ziezoo! maar nu ook als de wind naar de hoofdwacht er mee! Was me dat
+een karwei!
+
+De fuseliers schenen van dezelfde meening, want één hunner vroeg mij:
+„Zeg eens, korporaal, het is zeker zoo gemakkelijk niet, om eene
+vreemde taal te leeren? U kent er zeker wel zoo’n stuk of wat?”
+
+„Natuurlijk, vrindje!” antwoordde ik, „zoo’n beetje Latijn, Grieksch,
+Fransch, Duitsch, Maleisch (ik wist nauwelijks tien woorden dier taal)
+en natuurlijk Hollandsch ken ik wel. Met het Hollandsch spreken wil het
+nog niet recht vlotten—nu dat hoor je zelf—maar schrijven, schrijven,
+zie je, kan ik het als mijn moedertaal.” Ik had het immers zoo juist
+bewezen.
+
+Eindelijk en ten laatste kon ik weer eens wat rust nemen! In het zalig
+besef een groot werk verricht te hebben, vlijde ik mij neer in mijnen
+stoel en nam één der heerlijke manilla’s uit den zak, waarvan men er
+bij den dikken Chinees op den passer zes voor een dubbeltje koopt.
+
+Scherts ter zijde,—het waren echte manilla’s; maar zij hadden één
+gebrek, dat haar voor de rooktafel der „buikjes” ongeschikt maakte: er
+bevonden zich tallooze gaatjes in het dekblad, welke diep in het
+binnenwerk doordrongen, en daarin zaten kleine wormpjes. Als men nu
+zulk een sigaar wil rooken, dan moet men eerst de gaten met papier
+beplakken, en dat is niet ieders werk. Als zoo’n sigaar „gereed was om
+te vuren,” zag zij er steeds als eene dikke papierrol uit.
+
+Ik bereidde mij dus zulk een exemplaar toe, stak er den brand in en gaf
+mij weer over aan mijne droomen, die zoo ruw verstoord waren geworden
+en thans door het rooken mij in eene andere, meer materieele, sfeer
+verplaatsten. Telkens namelijk, als het vuur der sigaar een der
+verstopte gaten bereikte, klonk het „Pschi!” en steeg er een soort van
+braadlucht in mijn neus, afkomstig van een wormpje, dat door het papier
+den terugtocht was afgesneden. Ik telde de gaatjes. Er waren er negen.
+Een rijk menu waarlijk.
+
+„Pschi!” Gebakken oesters.—Pschi! hoendersoep.—Pschi! zalm met
+Hollandsche saus.—Goeie God, wat rook die saus heerlijk!—Pschi!
+Ossehaas.—Pschi! Pschi!—He, kellner! niet zoo vlug achter elkaar
+opdienen! Daar brengt me nu de kerel kip en kreeftenmaijonaise
+tegelijk! (Het vuur had namelijk twee wormpjes achter elkaar
+aangetast.) Misschien dat ik wat te luid gedacht had, want de fuselier,
+die tot dusver rustig had zitten lezen, sprong op en vroeg: „Zei u wat,
+korporaal?”
+
+„Houd je mond!” riep ik geërgerd.
+
+De kerels kunnen je niet eens met rust laten eten. Het geheele dessert
+en de kaas gingen door die domme vraag voor mij verloren, want er waren
+nog twee gaatjes in de sigaar. Thans smaakte mij het rooken niet meer;
+ik kon niet meer in de stemming komen, die voor het besluit van het
+aangebroken diner vereischt werd.
+
+Ook nog het laatste restje mijner goede stemming vervloog, toen een
+korporaal in volle uniform op mij toesnelde en reeds uit de verte riep:
+„Gauw, gauw, je moet op het bataljonsrapport!”
+
+Vreeselijk woord: rapport! „compagniesrapport” is reeds genoeg om
+iemand kippevel te doen krijgen van angst, en nu bataljonsrapport!—Het
+woord alleen gaf mij een gevoel of ik door den grond zou zinken.
+
+Wat kon ik in ’s hemelsnaam hebben uitgevoerd? Mijn geweten was
+engelrein. Maar wat hielp mij dat? Onder militairen, vooral in Indië,
+staat men steeds met één been in arrest.
+
+Mijn kameraad kon mij ook geen opheldering geven. Hij had alleen bevel
+gekregen mij terstond af te lossen. Wel had de adjudant gelachen, toen
+hij het bevel gaf. Maar een adjudant kan zelfs lachen als hij eene
+geheele sectie naar de provoost stuurt. Dat was dus geen troost.
+
+Vervuld van bange gevoelens, marcheerde ik naar de kazerne. Daar
+verwelkomde mij de „dubbele” met eenige weinig liefelijke toespelingen.
+Ook de sergeanten en korporaals staken de hoofden bijeen en namen mij
+van alle kanten op. Dat maakte mij hoe langer hoe ongeruster. Vergeefs
+pijnigde ik mijne hersenen om mij het eene of andere misdrijf te
+herinneren; maar ik moest het opgeven. In gezelschap van een stuk of
+wat op opiumschuiven betrapte Javaansche soldaten, volgde ik den
+„dubbele” naar den majoor.
+
+Op de veranda voor het bataljons-bureau heerschte eene heilige stilte,
+ofschoon een dertigtal soldaten in groote tenue daar bijeen waren.
+Zelfs de vier „dubbelen”, die overigens niet op hun mond gevallen
+waren, zwegen als moffen. Ieder, die een slecht geweten had, stond dit
+op het gezicht te lezen. Mij neep de angst letterlijk de keel toe; ik
+snakte naar adem als een visch op het droge naar water.
+
+Daar ging de deur van het bureau open. De bataljons-adjudant verscheen,
+en allen stonden als zoutpilaren. Hij telde de manschappen, vergeleek
+de rapporten en verdween weder.
+
+Nog vijf minuten uitstel van executie; zij schenen ons zooveel uren.
+
+Eindelijk kwam de majoor. Met één oogopslag overzag hij de aanwezigen.
+
+„Waar is de korporaal, die van morgen het rapport over den
+adspirant-zelfmoordenaar heeft ingezonden?” vroeg hij met dreigende
+stem.
+
+„Present, majoor!” riep ik en deed een stap voorwaarts.
+
+De bataljons-commandant monsterde mij met een langen blik; onderwijl
+vertoonde zich bij hem eene eigenaardige trekking om den mondhoek.
+
+„Je hebt zware straffen verdiend, wegens twee militaire vergrijpen,”
+begon hij.
+
+Al het bloed drong mij naar het hart; toch hield ik zijnen blik uit.
+
+„Waarom heb je den soldaat Sowodrono permissie gegeven, zich op te
+hangen?”
+
+Gerechte hemel, wat moest dat beteekenen!
+
+„Neem mij niet kwalijk, majoor, ik kan bezweren, dat de man mij geen
+verlof gevraagd heeft,” stotterde ik.
+
+„En je schrijft zelf, dat de man je verzocht heeft, zich te mogen
+ophangen!”
+
+Nu begon er in mijne arme hersenkas eenig licht te komen.
+
+„Verder heb je den man behandeld op eene wijze, die den soldaat
+onwaardig is, door hem als een hond aan een ketting te leggen, zooals
+je ook zelf schrijft”, ging hij voort.
+
+Ik moet er op dat oogenblik niet bijster snugger hebben uitgezien, ten
+minste naar de gelaatstrekken der omstanders te oordeelen, die slechts
+met moeite hun lachen schenen te bedwingen.
+
+Het kan voorkomen dat een soldaat meesmuilend lacht, als een luitenant
+beweert, zijn leven lang geen grooteren os gezien te hebben dan hij.
+Het is ook mogelijk dat een soldaat pijnlijk lacht, als hij boven aan
+eene trap toevallig bij het opengaan der deur zijnen kapitein tegen het
+lijf loopt, achterover naar beneden tuimelt en op de vraag van den
+kapitein: „kerel, ben je dood?” ten antwoord geeft: „met uw verlof nog
+niet, kapitein!” Maar tegen een majoor te lachen, dat zal een soldaat
+zelfs in den dood niet overkomen. En hier, in mijne naaste omgeving,
+stonden 1 onder-adjudant, 4 sergeant-majoors, 4 sergeanten, 4
+korporaals en eene geheele bende arme zondaars en lachten, waar de
+majoor bijstond! Maar wat het onverklaarbaarst was, de majoor zelf
+lachte, lachte, dat zijn buikje er van schudde. Een majoor, die in
+diensttijd lacht! Een majoor, die lacht tegen een korporaal!
+
+Zoo de beroemde weer-professor Falb in mijne plaats ware geweest, dan
+zou hij dezen dag zeker als een kritieke dag van de hoogste orde hebben
+aangemerkt en de latere uitbarsting van den Krakatau met dit oogenblik
+in verband hebben gebracht.
+
+Eene heele poos duurde het, alvorens de gemoederen weder tot bedaren
+kwamen. Daarop commandeerde de majoor: „rechtsomkeert, marsch!”
+
+Hij riep mij nog na:
+
+„Je wordt ersucht beter Hollandsch te leeren, anders blijf je nog lang
+aan den korporaals-ketting liggen.”
+
+Ik zag of hoorde niets meer—ik zweefde letterlijk over de aarde. Het
+beeld van den lachenden majoor vergezelde mij naar de kazerne. Daar
+schoten van alle kanten de korporaals op mij toe en vroegen deelnemend:
+„Wat is je toch om ’s hemels wil gebeurd? Je ziet zoo bleek als een
+doode!”
+
+Ik kon alleen maar uitbrengen:
+
+„Ik heb een lachenden majoor gezien!”
+
+„Wa-a-at blief je?”
+
+
+
+
+
+
+
+
+KAPITEIN „EENOOG”.
+
+
+Zooals bekend is, zijn de Indische kazernes niet zoo kolossaal gebouwd,
+dat iedere korporaal of zelfs iedere sergeant over een eigen vertrek
+beschikken kan. Gewoonlijk deelen twee in rang gelijke militairen met
+elkander ééne kamer. Zoo ook in de bamboe-kazerne, waar ik met een
+ouden gemoedelijken korporaal en den „kapitein” samenwoonde. Wie de
+„kapitein” was? Dat was eene reusachtige Makassaarsche huishoudster,
+die mijn kameraad van Celebes had meegebracht. Wegens hare basstem,
+waarmede zij alle overige huishoudsters—die van den sergeant-majoor er
+onder begrepen—commandeerde, en wegens de energieke wijze, waarop zij
+over mijn kameraad de pantoffel zwaaide, had men haar den titel van
+kapitein verleend. Voluit heette zij kapitein „Eenoog”. Zij bezat
+namelijk maar één oog. Of het andere door een vroegeren „laki”
+toegeslagen werd,—haar huidige sterkere wederhelft had het zeker niet
+gedaan, want die bezat niet eens den moed „ja” te zeggen, als zij
+„neen” zeide—of dat het van zelve was dichtgegroeid, weet ik niet. In
+elk geval zag zij met dat ééne oog zoo scherp als een werkelijke
+kapitein met twee, eene omstandigheid, waaronder haar echtvriend veel
+te lijden had. Want of hij ook te midden van een heele bende korporaals
+naar de kantine sloop met het doel „er eentje te koopen” en zich daar
+in het meest verborgen hoekje terugtrok, om niet gezien te worden,
+kapitein „Eenoog” wist hem onder allen uit te vinden. De vrouw oefende
+eene merkwaardige heerschappij over hem uit, die zij evenwel—het zij
+tot hare eer gezegd—slechts tot zijn bestwil aanwendde. Zoo kon zij
+bijvoorbeeld jenever zien noch luchten; hij daarentegen opperbest. Als
+het nu nog maar bij ruiken gebleven was! Maar hij dronk het Schiedammer
+nat ook, en dat was meer dan zij verdragen kon. Dan blies zij als een
+wilde kat en haar oog fonkelde als eene gloeiende kool. Het eten was
+dan steeds aangebrand en de koffie geleek op gootwater.
+
+Het afschuwelijkste echter was het bedsermoen, dat des nachts achter
+den klamboe werd afgestoken; want ongelukkig genoeg moest ik dat altijd
+mede aanhooren, en of ik ook honderdmaal riep: Toetoep moeloet! (op
+zijn Hollandsch: houd je snater)—de „kapitein” liet zich door geen
+korporaal de wet stellen, maar ratelde door tot zij van vermoeidheid
+mond en oog sloot. Dergelijke tooneelen zocht mijn collega natuurlijk
+te vermijden, en hij scherpte zijn geest zooveel hij kon, om te
+trachten zijn „ouwe” te verschalken, maar die liet zich niet beetnemen,
+en zoo viel hij steeds weer door de ben. Had hij bijvoorbeeld eens een
+borrel naar binnen gespeeld, dan poetste hij zich eerst de tanden en
+spoelde vervolgens den mond, voor hij bij „kapitein Eenoog” op het
+appèl verscheen. Eerst kwam hij dan nog bij mij, ademde mij onder den
+neus en vroeg „ruik je nog wat?”
+
+Het was mij natuurlijk ook niet altijd aangenaam aan een andermans mond
+te moeten ruiken en ik liet hem daarom steeds een paar menage-ketels
+vol slappe thee opslobberen, vóór ik verklaarde niets meer te ruiken.
+Kapitein Eenoog echter rook het, want evenals haar gezichtsvermogen was
+bij haar het reuk-orgaan sterk ontwikkeld. „Ze ruikt als een
+jachthond,” jammerde mijn kameraad steeds. „Nauwelijks ben ik in de
+kantine, of het is dadelijk: „Brammetje, geef acht, de kapitein komt!”
+En dan heb ik nog maar even den tijd om te verdwijnen”.
+
+Ja, de kapitein was eene model-huishoudster. Iederen halven cent keerde
+zij driemaal om, vóór ze hem uitgaf, en ze had veel halve centen. Ze
+was rijk; men mompelde van eene heele kous vol „ringgits” en „roepia’s”
+[9] welke zij verborgen hield. Als dat eene kous van haar was geweest,
+dan had zij werkelijk rijk moeten zijn, want naar haar stappers en de
+bevallige ronding harer kuiten welke de sarong liet doorschemeren te
+oordeelen, moest zulk eene beenbekleeding geweldige afmetingen hebben.
+Maar inlandsche vrouwen dragen, zooals men weet, geen kousen, en
+soldaten-kousen zijn niet overgroot, daarvoor zorgen de leveranciers.
+Het geld verdiende zij met wasschen, naaien en handeldrijven, want zij
+had een goeden stand in den warong. Natuurlijk profiteerde mijn
+kameraad daar ook van. Zijn rijsttafel moest den grootsten fijnproever
+bevredigen en zijn slaapbroeken en kabaaien waren steeds van den
+smaakvolsten snit. Geen wonder dus, dat hij voor zijn „kapitein” een
+razenden eerbied had. Zooals vanzelf spreekt, had de „kapitein”, zoo
+goed als haar overige zusteren, hare kleine zwakheden. Zij was een
+beetje koket, zalfde en blankette zich als eene Parisienne en was min
+of meer hoovaardig.
+
+Dolgraag zou zij gezien hebben, dat haar korporaal, die zijn katoenen
+streep nu reeds bijna 15 jaar met eere gedragen had, die met de gouden
+chevron had verwisseld; maar dat gebeurde niet, alhoewel de man
+dagelijks met papier, schrijfgereedschap en reglementen zwaar beladen
+naar de kaderschool trok. „Ze willen maar prefesters van ons maken,”
+klaagde hij. „Vraagt me daar de sergeant niet, hoeveel steenen van 10
+cM. lengte en 5 cM. breedte ik voor een muur noodig heb die 6 meter
+lang en 3 meter hoog is. Ik wil toch waarachtig onderofficier en geen
+metselaar worden! Wat gaat het mij aan, dat Weenen de hoofdstad van het
+Duitsche rijk is! Als ik maar weet, hoe het er bij ons in Holland en
+Indië uitziet. Naar Duitschland ga ik toch niet!” Zoo mopperde hij dag
+in dag uit, maar ging niettemin getrouw ter school en trachtte
+tevergeefs zijne arme hersenen te bewegen den regel van drieën op te
+nemen. Sergeant is hij nooit geworden.
+
+Met deze twee brave menschen deelde ik dus de kamer en ook vreugde en
+leed. Kapitein „Eenoog” mocht mij gaarne lijden, want ik was een goede
+klant van haar. Twee derden mijner soldij, een gulden dus, vond in
+plaats van naar de kantine den weg naar hare woning, waar ik onder de
+stapels smeerproppen steeds eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.
+Dikwerf wees zij haren korporaal, als deze buitengewoon zuur uit den
+mond rook, mij als voorbeeld ter navolging aan, wat den armen man niet
+weinig verdroot. Het moet daarom voor hem werkelijk een zalig gevoel
+zijn geweest, toen hij den „kapitein” op zekeren dag „boven haar
+theewater” zag. Dat droeg zich als volgt toe.
+
+Het was Oudejaarsavond. Reeds een paar dagen te voren had mijn kameraad
+mij weten over te halen dien avond waardig te vieren; alleen over het
+financieele punt waren wij het nog niet eens. Punch toch kost geld. Ik
+had wel 2½ gulden goed bewaard in mijne kast liggen, maar die waren
+voor een klamboe bestemd. Doch wat deed het er ook eigenlijk toe, of de
+muskieten nog een paar weken langer mijn corpus martelden; het is maar
+eens in ’t jaar oudejaarsavond. Het vorige jaar had ik hem nog ver over
+den oceaan onder eene flesch champagne gevierd; ditmaal mocht een
+plechtige punchbowl de herinnering aan die schoone dagen wel
+opfrisschen! Ik offerde alzoo vijftig cent voor eieren en besten arak.
+De „kapitein” zorgde voor heet water, suiker en kinnebakswerk; de
+zwelgpartij kon dus beginnen. Bij gebrek aan eenigerlei ander vaatwerk,
+geschikt tot het aanmaken van punch, gebruikte ik voor dat doel onze
+gemeenschappelijke waschkom; die was tamelijk groot. Weldra dampte er
+het zoete brouwsel in en vermengde zijnen geur met den heeten walm, die
+opsteeg uit de heerlijkste smeerproppen ooit door de vaardige vingers
+van den „kapitein” gerold. Galant, gelijk het een korporaal betaamt,
+presenteerde ik „Eenoog” het eerst een klein glaasje. Ik moet bekennen,
+dat ik daarbij van de booze onderstelling uitging, dat het geen kwaad
+kon, zoo Adam eens voor een keer Eva den appel aanbood. De „kapitein”
+bracht de punch eerst onder den neus, maar zette daarop een gezicht als
+een mopshond, dien men aan een peperbus laat ruiken.
+
+Vastberaden schudde zij het hoofd. Ten leste liet zij zich toch bewegen
+het goedje te proeven, stak den vinger in het glas en likte hem toen
+af. „Enak betoel” [10] mompelde ze en smakte met de tong. Spoedig
+gebruikte zij niet meer den vinger, maar dronk, evenals wij, uit het
+glas. De verleider had gezegevierd, tot groote vreugde van mijnen
+kameraad, die thans onder de oogen der hooge politie tot dusver
+verboden lusten mocht botvieren. Dat deden we alle drie in ruime mate
+en geraakten daardoor in zulk eene vroolijke stemming, dat wij om de
+geringste flauwiteit tranen konden lachen. Wat zou echter Wein und Weib
+zonder gezang zijn? Dus de gitaar van den wand genomen, heure snaren
+getokkeld en den lof gezongen van onzen wakkeren kapitein „Eenoog”.
+Deze scheen het stemmen van het instrument reeds voor de eigenlijke
+muziek te houden; de dreunende tonen kwamen ook merkwaardig veel
+overeen met de welluidende muziek van een gamalang. Met eene vlugheid,
+die ik met haar 250 pond vleesch onvereenigbaar zou hebben geacht,
+sprong zij op en nam de verleidelijke houding van eene „ronggeng” [11]
+aan.
+
+„Ha! ha!” Het gezicht, dat mijn kameraad zette bij deze beweeglijkheid,
+was allerdolst. Zijn kapitein aan het dansen! Dat was onbetaalbaar. In
+minder dan geen tijd had hij een menageketel omgekeerd tusschen de
+knieën en sloeg er op los of hemel en aarde vergaan moesten. Daarmede
+vereenigden zich de valsche tonen van mijn edel instrument tot eene
+dansmuziek, die ons trommelvlies dreigde te verscheuren, doch de
+kapitein in verrukking scheen te brengen. Die wiegde zich op de heupen
+als een eikeboom in den storm en trippelde over den vloer gelijk een
+dansende beer.
+
+„Wat zou je er van denken,” riep ik overmoedig, „als wij de kapitein
+eens een ring door den neus boorden en haar voor geld lieten kijken?”
+
+Maar daarmede kwam ik bij mijnen kameraad leelijk te pas. „Als je een
+paar blauwe oogen er aan wagen wilt, dan zeg je dat nog eens!” riep
+hij. Maar die verwenschte punch maakte mij steeds overmoediger. Ik
+wilde mijnen kameraad een beetje jaloersch maken en zong alle mogelijke
+minneliederen, die voor de „kapitein” echter onverstaanbaar waren. Zij
+bleef zich maar op de heupen wiegen, klapte daarbij in de handen en
+zong zacht door den neus. Mijn kameraad daarentegen schoof steeds
+dichter naar mij toe en siste mij in het oor: „Laat mijn „kapitein” met
+vrede!” Hij riep in de woestijn! Bij den aanblik van een oog, als
+„kapitein Eenoog” bezat, kon ik de verzoeking geen weerstand bieden en
+hief uit volle borst aan: „Du holdes Aug’ du lieber Stern!” Nauwelijks
+had ik deze hymne op het oog van de kapitein aangeheven, of daar voelde
+ik ook reeds de vonken uit het mijne vliegen. De vuist van mijn
+kameraad had er kennis mede gemaakt.
+
+Mijn instrument om te keeren en het met kracht op den neus van mijn
+aanvaller te laten neerkomen, was het werk van een oogenblik. In het
+volgende rolden wij over den vloer en beukten op elkander los als
+smeden op het aanbeeld. De „kapitein”, die van het geheele tooneel
+niets begreep, stond onze krachtoefeningen aanvankelijk met open mond
+aan te staren, maar stiet, toen zij den ernst van den toestand inzag,
+zulk een vervaarlijk gebrul uit, dat voor onze deur een volslagen
+oploop ontstond. Wij waren juist van den stoffigen vloer opgestaan en
+poogden ons gehavend toilet wat in orde te brengen, toen de deur werd
+opengerukt en op den drempel met een hoogrood gezicht de „dubbele”
+verscheen.
+
+„Wat gebeurt hier?” donderde zijne stem. „Wat! jelui bent aan het
+bakkeleien geweest? En”—hierbij snoof hij een paar maal de lucht
+in—„sterken drank heb jelui gedronken? Dat zal je voor den duivel....”
+
+De verschijning van den sergeant-majoor en de vrees voor de gevolgen
+eener mogelijke ontdekking van onze geurige contrabande maakten mij zoo
+nuchter als een pasgeboren kalf. Ook kapitein „Eenoog” scheen haar
+tegenwoordigheid van geest herkregen te hebben. Toen zij bemerkte, hoe
+de blik van den „dubbele” onderzoekend in alle hoeken drong, hurkte zij
+achter de tafel, waar zij bij den aanvang der handtastelijkheden de
+waschkom met godendrank in veiligheid had gebracht, en—ik vertrouwde
+mijne oogen niet—zette zich, als een evenknie van Mucius Scaevola,
+midden in de eieren-punch. Deze heldhaftige daad van de „kapitein” zal
+ik mijn leven niet vergeten, want de punch stond op een komfoor en was
+gloeiend heet, en ik bedacht met eene lichte rilling, dat „Eenoog”
+niets aan had dan een dunne sarong.
+
+Gelukkig zocht de „dubbele” niet lang, anders zou „Eenoog” levend
+gekookt zijn geworden. Met de troostrijke opmerking: „Morgen op het
+rapport!” verliet de gevreesde moeder der compagnie het tooneel van den
+strijd. Wij, van onzen kant, zochten met verdeelde gevoelens onze
+stroozakken op, nadat zich de „kapitein” nog eerst in alle
+verborgenheid het benedenste deel van den rug met verkoelende zalven
+had ingewreven.
+
+Deze nacht was de afschuwelijkste mijns levens. De koppige arak had
+alle sluimerende geesten in mijn lichaam gewekt en deze bonsden en
+hamerden nu in mijn schedel, zoodat ik vreesde dat hij zou barsten. In
+dien arbeid werden zij nog bijgestaan door het ééne oog van de
+„kapitein,” dat in mijne verbeelding mij verwijtend aanstaarde, en zoo
+gloeiend was die blik, dat het mij scheen of alle speeksel in mond en
+keel er door verdroogde. Door een razende hoofdpijn en het branden
+mijner oogen gekweld, zocht ik nog in den nacht de rivier op en bette
+en wiesch mij in hare golven; dat verfrischte. Geheele emmers water
+zwelgde ik in, maar steeds had ik een gevoel alsof ik een dozijn
+haringkoppen had opgeslokt. Lichamelijk en geestelijk gefolterd, legde
+ik mij weder op mijn stroozak neer en luisterde naar het zachte gekreun
+van de arme „kapitein”, die maar aldoor jammerde o, o, sakit sakit.
+[12] De ochtendzon van den 1en. Januari bestraalde een treurig
+gezelschap.
+
+In de eerste plaats de dikke „kapitein”, die met omfloersd oog en het
+hoofd krampachtig tusschen de handen geklemd, van achter de „klamboe”
+te voorschijn kwam.
+
+Kassian, kassian! jammerde ze, sakit sakit, saja poenja badan, [13] en
+daarbij greep zij zich meewarig onder in den rug. Zij scheen nog maar
+eene flauwe voorstelling te hebben van het voorgevallene op den vorigen
+avond.
+
+Daarentegen had zij eene katterigheid, die door geen twee „rolmops” te
+genezen scheen. Nog grooter werd de verbazing van „Eenoog” toen zij den
+gezwollen neus van haar korporaal en mijn blond en blauw geteekend oog
+zag.
+
+Bageh mana! [14] riep ze uit en kwam met een flesch obat [15]
+aandragen, waarmede zij het gezwollen lichaamsdeel van mijn kameraad
+zoolang bestreek, tot het glansde als koper. Ook over mijne oogen
+ontfermde zij zich. Eene poos lang zaten we zwijgend tegenover elkaar.
+Eindelijk zegevierde de goedhartigheid van mijn kameraad over zijn
+wrok, en hij vroeg mij, of ik nog kwaad was.
+
+„Ik zou wel eens willen weten, waarom!” antwoordde ik. „Jij hebt je
+portie beet en ik de mijne. We hebben elkaar niets te verwijten. Maar
+het kan vandaag slecht met ons afloopen bij den compagnies-commandant.
+Je weet, dat de „dubbele” rapport gemaakt heeft.”
+
+„Ja”, zuchtte hij, „helaas! Maar wat moeten we als oorzaak opgeven, dat
+we elkander hebben afgeranseld?”
+
+Ik dacht eenige oogenblikken na. Daar kreeg ik een goeden inval. Onze
+compagnies-commandant had eene ronde, eerlijke soldatennatuur. Hij
+zeide het altoos precies zooals hij ’t meende. Toen onlangs een
+fuselier een ander had aangegeven, omdat deze hem een pak ransel had
+toegediend, en beiden op het appèl verschenen, vroeg hij den aanklager:
+„heb je teruggeslagen?” En toen deze hierop ontkennend antwoordde,
+mompelde hij zoo iets van lafaard, en gaf den ander maar één dag
+strafexercitie, „om de krachten, die hij te veel had, niet te
+misbruiken,” merkte hij er bij op. Eene zware straf stond ons dus niet
+te wachten, als wij maar eene geschikte verklaring konden vinden.
+
+„Weet je wat,” zeide ik, „we vertellen hem, dat we twist hebben
+gekregen over de vraag, wie van beiden grooter is: Kareltje van der
+Heyden of Moltke. Ten slotte waren we elkander in het haar gevlogen.
+Laat mij maar spreken.”
+
+„Goed,” beaamde mijn kameraad. „Ik heb het dus voor Kareltje opgenomen
+en jij voor den mof. Dat is afgesproken!”
+
+Daarop togen wij aan ’t poetsen, want met helder gepoetste knoopen en
+schoenen kan men dikwerf een knorrigen superieur verteederen. Een uur
+later stonden wij tegenover den compagnies-commandant, die met een
+kritischen blik onze getatoeëerde gezichten monsterde.
+
+„Zeg eens!” vroeg hij mijnen kameraad, terwijl hij op mij wees, „hoe
+komt het, dat je hem zoo hebt toegetakeld?”
+
+Ongelukkig echter was de aangesprokene zeer zenuwachtig en flapte er
+zonder nadenken uit: „Hij heeft op generaal Van der Heyden gescholden!”
+
+Ik dacht op dat moment, dat ik eene beroerte kreeg. Zoo’n stommerik!
+Geheel van mijn stuk, vergat ik een oogenblik de disciplinaire
+voorschriften en riep: „Neem me niet kwalijk, kapitein....” Verder kwam
+ik niet, want met een donkeren blik snauwde hij me toe: „Houd je mond,
+kerel, tot je gevraagd wordt!”
+
+En zich tot mijnen kameraad wendende, vervolgde hij: „Wat heeft hij
+over den generaal gezegd?” De arme man wist niet wat daarop te
+antwoorden, en geheel in de war, stotterde hij: „Dat weet ik niet
+meer!”
+
+„Ben je dan dronken geweest?” donderde het compagnieshoofd. Daarop
+beval hij mij te zeggen, hoe de zaak zich had toegedragen, en waarom
+wij elkander zoo mooi hadden gemaakt.
+
+Ik dischte hem het sprookje op, dat wij er over hadden getwist wie
+grooter krijgskundige was: Van der Heyden of Moltke. Eerst hadden wij
+geschertst, vervolgens was het meenens geworden en ten slotte: de
+koperen neus en de blauwe oogen.
+
+Toen ik mijn verhaal gedaan had, keek de kapitein mij van onder tot
+boven met een eigenaardigen blik aan, als wilde hij zeggen: „Kerel, wat
+kun jij liegen!” En zich tot den sergeant-majoor keerende, zeide hij:
+„Schrijf op voor ieder drie dagen kamerarrest!”
+
+Dat was genadig afgeloopen. Terwijl we afmarcheerden, riep ons de
+kapitein na: „Als jelui weer eens op het rapport komt, dan moet je te
+voren beter afspreken!”
+
+Daar had ik de quitantie voor mijn leugen om bestwil.
+
+„Kapitein Eenoog” wachtte ons intusschen in de grootste bezorgdheid op.
+Zij zat er danig over in den angst, dat haar korporaal met de provoost
+zou moeten kennis maken. De drie dagen kwartier-arrest waren voor haar
+een meevaller van belang. Gedurende dien tijd onthield zij haren
+korporaal ook nog den éénen borrel, dien zij hem grootmoediglijk had
+toegestaan. Wat straf heet, moet ook straf zijn!
+
+Ik behoef niet te zeggen, dat ik mij van dien dag af weder meer dan
+ooit tot koffie en smeerproppen bepaalde. Alleen een goed gesternte en
+„Eenoog’s” heldhaftige daad hadden mij voor provoost bewaard.
+
+
+
+
+
+
+
+
+MIJNE EERSTE HUISHOUDSTER
+
+
+Tot nog toe werd ik steeds uitgelachen, wanneer ik iemand vertelde, dat
+ik, als korporaal van het Indische leger, mijne eerste huishoudster
+alléén nam om geen honger meer te lijden.
+
+Ik kan ’t den menschen niet euvel duiden dat zij lachen; want naar
+Europeesche begrippen, schaft iemand, die doorgaans honger lijdt, zijne
+huishoudster af. In Indië d.w.z. in het Indische leger, zijn er evenwel
+vele toestanden, welke geheel verschillen van die eener Europeesche
+maatschappij. Zoo’n Javaansche soldatenhuishoudster komt in
+verschillende opzichten overeen met een Franschen kok. Maakt de laatste
+misschien uit een paar oude schoenzolen een ragoût met pikante saus, de
+eerste gaat verder: zij maakt uit niets—iets. Als zij namelijk voor
+haar „laki” niets te schaften heeft, ziet zij er weinig bezwaar in om,
+waar ze eenigszins kan, op geslepen wijze het noodige machtig te
+worden; en daartoe wordt menige Javaansche vrouw, die het ongeluk heeft
+met haar gebieder bij een depot-bataljon terecht te komen, bijna
+gedwongen.
+
+Ik moet ronduit verklaren, dat de pas bij de depot-bataljons aangekomen
+soldaten honger lijden. Uit de volgende „schaftorder” kan men zulks
+spoedig gewaar worden.
+
+Des morgens ontvangt ieder soldaat koffie en een broodje, zwaar 2 H.G.,
+waarvan natuurlijk geen kruimel overblijft; om 10 uur wordt soep met
+vleesch en rijst en ten 3½ ure rijst, sajor (groenten) en een
+miniatuur-portie vleesch verstrekt. Van 3½ uur ’s namiddags tot den
+volgenden morgen 5 uur is het pauze, ofschoon een vermoeiende exercitie
+van 4½–6 uur waarlijk voldoende is om het sobere maal te doen verteren.
+Van de waarheid hiervan heb ik mij herhaaldelijk overtuigd, wanneer ’s
+avonds om 7 uur het signaal voor ’t eten der onder-officieren gegeven
+werd. Dan slenterden vele pas uit Europa aangekomen recruten, waaronder
+mannen met aartsvaderlijke baarden, die zich nog niet aan rijst met
+sambal hadden weten te gewennen, om de onder-officiers keuken rond,
+terugsnakkende naar het Harderwijker kommiesbrood, als vroeger de
+kinderen Israëls naar de vleeschpotten van Egypte.
+
+Waren eindelijk de onderofficieren opgestaan en verscheen de kok met
+den kookketel, waarin het restant boeboer (rijstebrei) zich bevond, dan
+vielen de mannen er als uitgehongerde wolven op aan, om ieder zijn deel
+machtig te worden.
+
+Hoe dikwijls heb ik zelf niet in den droom, schotels welriekende Knödel
+als een fata morgana voorbij mij heen zien trekken!
+
+„Zijn er dan in Indië geen keukendragonders?” zal misschien menig lezer
+vragen, die zich moeilijk een soldaat anders kan voorstellen dan aan
+den arm van eene keukenprinses, die hem behoorlijk van het noodige
+voorziet.
+
+Het antwoord moet luiden: „Helaas, neen!”
+
+Het ergste is nog, dat het Gouvernement zich volstrekt niet gedrongen
+voelt om in dat gebrek ook maar eenigszins te voorzien. Met het oog
+hierop is het dan ook niet te verwonderen dat vele soldaten, ziende
+welk een naarstigheid zoo’n inlandsche huishoudster ten toon spreidt,
+besluiten ook den stap te wagen, zoodra zij zijn afgeëxerceerd.
+Bovendien gebeurt het niet zelden dat zulk een morganatisch gehuwd
+fuselier als zindelijk en oppassend soldaat aan anderen ten voorbeeld
+wordt gesteld.
+
+In den beginne is het moeilijk met dien toestand vrede te hebben. Die
+paartjes huizen namelijk met andere soldaten in dezelfde kamer, doch,
+het zij hier onmiddellijk bijgevoegd, iets wat aanstoot kan geven, komt
+hoogst zelden voor. Bij de inlandsche vrouwen toch, is over ’t algemeen
+het schaamtegevoel sterk ontwikkeld en zij kunnen in dit opzicht op
+verre na niet gelijk gesteld worden met hare zusteren in Europa, die in
+dezelfde omstandigheden verkeeren. Bovendien wordt de overtreding van
+het zesde gebod streng gestraft.
+
+Zij wordt uit het kampement gejaagd en hij gaat voor veertien dagen de
+provoost in. Voorwaar geen aanlokkend vooruitzicht!
+
+Na deze kleine uitweiding moet ik mij weer met mijn eigen ik bezig
+houden. Een machtwoord van den allesvermogenden bataljonscommandant had
+mij als korporaal overgeplaatst bij eene inlandsche compagnie, waar
+vóór eenige dagen een detachement kersversche Javaansche recruten was
+aangekomen. Mijn escouade alleen was ± 50 man sterk, waarlijk geen
+kleinigheid, wanneer men nagaat, dat de meesten zelfs niet wisten hoe
+ze een broek moesten aantrekken. Vermoeienis en wrevel waren dan ook
+aan de orde van den dag en gaven mij soms een geweldigen honger.
+
+Tot mijn ongeluk moest ik mijn menageketel in de keuken der Europeanen
+doen afhalen.
+
+„Tot mijn ongeluk!” zeg ik, want de tamboer, die gewoon was mij het
+maal te brengen, hield zulk een nauwkeurige inspectie over mijn
+soepketel, dat ik alleen beenderen af te kluiven kreeg. Ook wist hij,
+misschien met de beste bedoelingen, het zorgvuldig dáárheen te leiden,
+dat ik mij niet te buiten ging aan gebakken visch. Meestal toch
+ontdekte ik bij het openen van den ketel een vischkop, (’t achterdeel
+ontbrak bijna altijd) die mij weemoedig aanstaarde. Zoo nu en dan kon
+ik tusschen 2,5 H.G. rijst een z.g. frikkadel ontdekken ter grootte
+ongeveer van een walnoot.
+
+Doch niet geklaagd, zoolang de soldij nog voldoende is om de ledige
+maag te vullen met smeerproppen. Was ’t evenwel ook daarmede gedaan,
+dan kon ik het bijna niet meer uithouden. Ik watertandde, wanneer van
+alle zijden welriekende geuren mij in den neus kwamen, afkomstig van de
+gerechten, die de inlandsche vrouwen voor haar gebieders gereed hadden
+gemaakt. In kleine groepen hurkten zij vóór de kazerne neer en deden
+zich te goed aan de verblindend witte rijst met daarbij behoorende
+toespijzen, terwijl ik, gewapend met een stopnaald, vergeefsche
+pogingen aanwendde om de vuistgroote gaten in mijn sokken te dichten en
+mijn schreeuwende maag slechts kon troosten met het uitzicht op een
+volgenden traktementsdag.
+
+Neen! aan dien toestand moest een einde komen. Ik deed er een eed op
+dat dit de laatste sok was, die ik gestopt had. ’t Mocht kosten wat het
+wilde—d.w.z. ƒ 1.50 per vijf dagen, want zooveel bedroeg mijn
+soldij—eene huishoudster moest ik hebben om voor mijn maag en sokken te
+zorgen. In de krijgsartikelen stond wel veel geschreven over kogel en
+strop, doch van celibaat was daarin geen sprake en bovendien—een
+korporaal is geen kloosterling.
+
+Waar moest ik echter zoo’n schepsel vandaan halen?
+
+Het toeval was mij gunstig. Een hoornblazer van het garnizoen te
+Weltevreden, die naar Europa dacht te vertrekken, wilde mij zijne
+wederhelft kosteloos overdoen. Naar zijne beschrijving te oordeelen
+moest zij minst genomen een engel zijn. Zij bezat een massa
+barang-barang (huisraad), kon koken, o, zoo heerlijk! was trouw als een
+mopshond en och, zoo schoon!
+
+„Laat haar dan maar opkomen,” zei ik en de overeenkomst werd bezegeld
+met een handslag en een glas ijswater met stroop.
+
+Toen ik den volgenden morgen van de exercitie terugkeerde, trof ik de
+dame, op een mat gezeten, reeds in mijn kamer aan. Zij zag er werkelijk
+niet kwaad uit en ik trachtte een gesprek aan te knoopen door naar haar
+naam te vragen, doch kreeg hetzelfde resultaat als de examinatoren van
+den candidaat Jobs n.l. een hardnekkig hoofdschudden. Een nieuwe
+poging, die ik aanwendde, door wat luider te zeggen: „noem dan toch een
+naam; waar komt ge vandaan en hebt ge nog familie?” werd met denzelfden
+uitslag bekroond.
+
+„Lieve Heer” dacht ik „zou ze misschien doofstom zijn?” Dat was een
+mooi geschenk. Ook was het mij niet mogelijk, niettegenstaande ik mijn
+oogen goed den kost gaf, iets anders te ontdekken van de zoo
+opgehemelde barang-barang, die mijn huishouding zoo in eens op de been
+zou helpen, dan een ijzeren pan, waarin de inlanders gewoon zijn zoowat
+alles te bakken en te braden. Heerlijk vooruitzicht!
+
+Verduiveld! Daar werd reeds ’t signaal gegeven voor het
+compagniesrapport. Ik moest kennis geven, dat ik eene huishoudster had
+genomen en wist nog niet eens haar naam!
+
+Of ik mijn hersenen ook al pijnigde door het zoeken naar middelen om
+mij voor de vrouw begrijpelijk te maken—het lukte niet, en toen ik den
+sergeant-majoor op onheilspellende wijze mijn naam hoorde uitbrullen,
+ijlde ik naar het rapport om den zegen van den vader en de moeder der
+compagnie deelachtig te worden.
+
+De vader (de kapitein) vroeg: mij „hoe heet de meid?”
+
+„Ik weet het niet! ik geloof dat ze doofstom is, kapitein.”
+
+„Wat doe je er dan mee?”
+
+„Ze kan heerlijk koken, kapitein.”
+
+„Smulpaap!” bromde deze en zich tot den sergeant-majoor wendende, zei
+hij: „Schrijf op, de meid heet Salima.”
+
+„Waar ze thuis hoort weet je natuurlijk ook niet?” vervolgde hij en op
+mijn ontkennend antwoord gelastte hij den sergeant-majoor maar eene of
+andere kampong van Java op te schrijven.
+
+Hiermede waren de formaliteiten van den burgerlijken stand afgeloopen
+en met zeer verdeelde gevoelens kon ik naar mijne kamer terugkeeren.
+
+Toen ik weer binnenkwam vond ik de pas herdoopte Salima in dezelfde
+houding nog op dezelfde plaats, alleen met dit onderscheid, dat ze
+thans een pruim tabak, ter grootte van een vuist, benevens de noodige
+„sirih” in den mond had gestoken en bezig was daaraan te zuigen als een
+kind aan de moederborst. De geheele omgeving was met rood sap bespogen,
+zoodat mijn kamer er uitzag als een slagveld.
+
+Nu bestaat er voor een Indischen korporaal geen grooter gruwel dan
+onzindelijkheid en wanorde. Daarom wees ik met strengen blik, alsof ik
+op al de geweren van mijn escouade roestvlekken ontdekt had, op den
+vloer. En wat deed nu dat vrouwspersoon? Zij trok den mond samen en
+spuwde mij met ontzettende zekerheid een geheele lading tabakssap over
+den uitgestrekten wijsvinger.
+
+Hemelsche gerechtigheid, bestaan er dan geen straffen meer voor zulk
+een beleediging van een autoriteit als ik? Ik stond geheel versteld.
+Maar hoe moest ik die doofstomme vrouw te verstaan geven, dat een
+dergelijke handelwijze onvergeeflijk was? In mijn verwarring riep ik
+een inlandschen korporaal—een jong, slim kereltje—die met de Indische
+talen beter op de hoogte was dan ik. Nauwelijks had hij den mond
+opengedaan of—wonder boven wonder—daar ratelde het van haar lippen als
+bij een afloopende wekker-klok. Nu helderde zich de zaak op: zij kende
+alleen de Javaansche taal en ik had getracht mij in ’t Maleisch
+verstaanbaar te maken. Een prettige toekomst! Ik kon dien korporaal
+toch niet altijd als vertolker mijner gevoelens gebruiken!
+
+Om te beginnen droeg ik hem op te vragen, waar toch wel al die
+huishoudelijke benoodigdheden waren.
+
+Het antwoord luidde: „Ik heb niets, dan wat ik aan het lichaam draag.”
+Nota bene een sarong, een kabaia en een gescheurde slendang. Een goed
+begin.
+
+„En hoe staat het met de kookkunst?” zoo liet ik den korporaal het
+onderzoek voortzetten.
+
+„Daar verstaat ze niets van, maar zij heeft honger,” vertaalde deze.
+
+Ik dacht dat ik een beroerte kreeg. Wat had me die vervloekte
+hoornblazer te pakken genomen! Wat bleef er eigenlijk wel van al de
+goede eigenschappen van die vrouw over?
+
+Een weinigje twijfelachtige schoonheid en „trouw”; maar daarmee kon ik
+mijn hongerige maag niet tevreden stellen. Ze was in staat om mijn
+geheele soldij alleen aan pruimtabak en sirih op te maken en hoe kwam
+ik dan aan mijn geliefde smeerproppen en gezouten eieren?
+
+Ik was geheel terneergeslagen.
+
+De inlandsche korporaal was heengegaan en ik bleef met mijn smart en de
+kauwende dame alleen.
+
+Daar naakte het middageten. Goddank! Er werd erwtensoep met
+varkensvleesch geschaft en die kost is den geloovigen Javaan een
+gruwel. Toch kon ik niet nalaten die levende tabakszak mijn menageketel
+eens eventjes onder den neus te houden. Toen daar evenwel een gedeelte
+van een varkenskop uit opdook, kroop zij verschrikt terug en kwam eerst
+tot zichzelve, toen ik haar mijn ketel met rijst toeschoof en daarbij
+nog vijf klinkende centen voegde voor sajor en deng-deng. Deze
+lekkernijen waren tot billijken prijs in de warong verkrijgbaar en, te
+oordeelen naar de snelheid, waarmede ze daarheen toog, moest ze grooten
+honger hebben.
+
+Toen zij terugkeerde nam ze zeer deftig de tabakspruim uit den mond en
+stopte die heel gemoedelijk in mijn patroontasch, die spiegelglad aan
+den wand hing.
+
+Wilde dat mensch mij dan met alle geweld te gronde richten? ’s
+Namiddags moest ik op wacht trekken. Verbeeld u, dat de luitenant van
+piket dat vieze zoodje in mijn patroontasch had gevonden! Dat zou me
+minstens op veertien dagen politiekamer zijn te staan gekomen.
+
+Buiten mijzelven van toorn smeet ik het kauwsel uit het venster. Zij
+evenwel bleef kalm dooreten en dacht misschien: „Gij moet me toch
+andere tabak koopen.”
+
+Met een zucht deed ik mijn wapenen om, hing den ransel over de
+schouders en marcheerde af om mijn post in de „bamboe-kazerne” te
+betrekken.
+
+Tegen den avond echter veroorloofde ik mij de vrijheid om voor een
+oogenblik de wacht te verlaten, ten einde eens te gaan zien wat Salima
+wel in de nieuwe huishouding uitvoerde. Voorzichtig opende ik de deur
+en zag haar in een erg vertrouwelijk onderhoud met den inlandschen
+korporaal, die des morgens mijn tolk was geweest.
+
+Nu was ook de laatste der hooggeprezen eigenschappen, de trouw, naar
+den bl....
+
+Ellendige hoornblazer!
+
+Thans moest met spoed gehandeld worden. Een revolver of vitriool had ik
+niet bij de hand, doch een paar stevige vuisten waren tot mijn
+beschikking en daarmede bewerkte ik de oogen van den Don Juan zoodanig,
+dat zij zich weldra blauw verfden als de hemel boven ons.
+
+Salima had er intusschen de voorkeur aan gegeven om spoorloos te
+verdwijnen en te Meester-Cornelis werd zij niet meer gezien. Ik droeg
+mijn smart zooals het een korporaal betaamt.
+
+Toen den volgenden morgen aan mijn inlandschen collega door den
+kapitein gevraagd werd waar hij die blauwe oogen had opgeloopen,
+antwoordde hij met een schuinen blik op mij: „Een kebo heeft mij
+gestooten.”
+
+Nu, toen ik van wacht terugkwam, heeft diezelfde kebo hem nog eens
+ongenadig toegetakeld.
+
+Eenige weken hield ik het weer alleen uit. Toen zond een kameraad, die
+medelijden met mij kreeg, uit Batavia een van die oude erfstukken,
+die—zooals de soldaten zich uitdrukken—voor de derde maal kiezen
+krijgen.
+
+Met mijn maag stond zij op zeer goeden voet, want ze kookte heerlijk.
+Daarenboven wist ze zooveel van mijn soldij over te houden, dat mijn
+kleerkist zich langzamerhand met slaapbroeken en kabaaien vulde, doch
+van mijn hart bleef zij verre.
+
+
+
+
+
+
+
+
+„ZIJ HANGT MAAR AAN EEN DRAADJE!”
+
+
+„Wacht aantreden!” klonk het door de lange chambrée der 1ste compagnie.
+De kamerwacht herhaalde het bevel en de huishoudster van den
+almachtigen sergeant-majoor, die juist bezig was haar lievelingsaap
+behulpzaam te zijn bij eene drijfjacht op zekere parasieten, mompelde
+het na. Nauwelijks was de order gegeven, of reeds wemelde de trap van
+manschappen. Vooraan eenige jonge soldaten, wien de malaria de
+Europeesche kleur nog niet van de wangen had geroofd; uit de
+gejaagdheid en het angstige gezicht, waarmede zij hun wapenen en
+kleeding monsterden, kon men dadelijk opmaken dat zij hun eerste
+„wachtje snapten”. Daarop volgden met een onverschillig gezicht de
+oudere fuseliers, meest magere, bruingebrande mannen, die reeds menigen
+vijand met de punt der bajonet hadden doen kennis maken. Een jong
+korporaaltje, wien de zaak te langzaam ging, trachtte naar voren te
+dringen om toch vooral niet te laat te komen, en achteraan daalde de
+trappen af—ikzelf, de nieuwbakken sergeant, geheel onder den indruk van
+de waardigheid, waarmede mijn nieuwe titel mij bekleed had.
+
+Wat weet een gewoon sterveling van het gevoel eens korporaals, wien men
+plotseling de katoenen streep van de mouw neemt en er de gouden voor in
+de plaats hangt? Die indruk is niet te beschrijven, men moet dat hebben
+doorleefd; eerst dan kan men begrijpen wat het zeggen wil uit den kring
+der gewone soldaten, waarin de korporaal steeds verkeert, opgeheven te
+worden tot den onderofficiersstand. Bovendien schitteren nu in het
+verschiet de luitenantssterren!
+
+Daarbij kwam nog de feestelijke toespraak van onzen kranigen kapitein
+v. V..., van wien men vertelde dat niemand hem ooit had zien lachen,
+behalve wanneer de Atjehers schrikkelijk slaag kregen.
+
+Het duizelt mij nog wanneer ik aan dien tijd denk. Ik gevoelde mij zoo
+nietig, zoo geheel gelijk nul, toen ik tegenover mijnen
+compagnies-commandant stond, wiens borst versierd was met het kruis der
+Militaire Willemsorde, en wiens linkerhand rustte op een eeresabel.
+
+Zijne toespraak was kort. „Denk er om, zij hangt slechts aan een
+draadje,” zeide hij op mijne gouden streep wijzende, en in zijne
+woorden lag groote waarheid, zoowel in figuurlijken als in werkelijken
+zin. Ik had er niets op kunnen antwoorden, want door vreugde overmand,
+stokte de stem mij in de keel.
+
+Nu stond ik op de bovenste trede der trap en monsterde als een veldheer
+mijnen troep. De soldaten keken tersluiks naar boven. Verbeeldde ik het
+mij of lag er werkelijk op hunne aangezichten eene niet thuis te
+brengen uitdrukking, zoo’n soort van onderworpenheid, waarbij men zijn
+lachen moeilijk bedwingen kon? Mij ging het trouwens evenzoo. Telkens
+weder gaf ik mij moeite om een nijdig gezicht te trekken, zooals een
+sergeant betaamt, doch het hielp weinig. Ik moet bij die pogingen om
+mijne waardigheid op te houden een onbeschrijfelijk dom gezicht
+getrokken hebben, althans toen ik trotsch langs het front stapte,
+konden de mannen zich slechts met moeite inhouden. „Wacht maar jongens,
+dat zal ik jelui inpeperen,” dacht ik.
+
+„Geeft acht!” commandeerde ik met donderende stem, zoodat de pas
+afgeëxerceerde soldaten van schrik bijna omvervielen. Met het lachen
+was het natuurlijk in eens gedaan. Daarna begon de inspectie. Eerst
+waren de geweren aan de beurt. „Een koninkrijk voor een roestvlek”,
+bood ik in stilte; zoo gaarne had ik aanmerkingen gemaakt en standjes
+uitgedeeld, doch er was geen smetje te ontdekken. Even weinig geluk had
+ik met de uniformknoopen; ze zaten als vastgenageld. Het was werkelijk
+een schandaal—reeds een half uur sergeant, en nog niet éénmaal eens
+flink uitgevaren. Ja, het noodlot deelt soms harde slagen uit. Er
+schoot mij niets anders over dan „op de plaats rust!” te commanderen.
+Die rust duurde evenwel niet lang, want onder de poort der kazerne
+verscheen reeds de gestalte van den luitenant van piket om de wachten
+nogmaals te inspecteeren.
+
+Het is moeilijk te gelooven welk eene afkoelende uitwerking zoo’n
+luitenants-uniform op een met eenige phantasie behepten sergeant heeft.
+Had ik mij ook al een oogenblik te voren verbeeld een militair „iets”
+te zijn, bij de verschijning van den luitenant verdween ik weer in het
+niet.
+
+Met geschouderd geweer meldde ik mij bij den jongen officier, en met
+stil genoegen hoorde ik de woorden aan, waarmede hij mij met mijne
+bevordering gelukwenschte. Een welwillend lachje van den luitenant
+verplaatste mij bijna in den zevenden hemel; het kan een sergeant soms
+gaan als een bakvischje. Het was mij evenwel opgelegd het: Himmelhoch
+jauchzend, zum Tode betrübt in een halfuur tijds tweemaal te moeten
+doorleven, want daar zag ik met groote stappen den kapitein van de week
+aankomen om nog een nader onderzoek in te stellen naar roestvlekken en
+stofjes. Met een blik, die tot in de geweerloopen en tot aan de hakken
+der schoenen doordrong, overtuigde hij zich van het onberispelijke
+uiterlijk der manschappen, gaf eenige korte bevelen, en rechts en links
+zwenkten de verschillende wachten de poorten uit. Hoe grooter de
+afstand tusschen de inspecteerende officieren en mij werd, des te meer
+keerde mijn gevoel van eigenwaarde terug, en toen ik den hoek, waar het
+huis van den bataljonscommandant stond, achter mij had, gevoelde ik mij
+zóó verheven boven alle „buikjes”, dat ik een razenden trek kreeg om
+een voorbijgaanden Chinees, die mij erg onbeschaamd aanstaarde, bij den
+nek te pakken. Ik deed het evenwel niet, gedachtig aan de waarschuwing:
+„zij hangt maar aan een draadje.”
+
+Toen ik voorbij de militaire school marcheerde, hoorde ik eene
+vroolijke stem roepen: „Goeden morgen, collega!” In mijne vreugde
+verbeeldde ik mij dat zij kwam van een élève dier inrichting, doch ik
+vergiste mij. Die heeren zijn nog hooghartiger dan een pasgebakken
+sergeant. Het was slechts een sergeant van politie, die mij gegroet
+had. Ook de njonja [16] van den kapelmeester lachte mij vriendelijk toe
+als ik haar voorbijging. Toen ik nog korporaal was, kwam daar niets van
+in; volgens haar werd iemand eerst een mensch als hij den graad van
+sergeant had bereikt.
+
+Ja, alles werkte mede om mij gelukkig te maken. Ik had kunnen juichen
+van vreugde, doch dat was in dienst verboden en de manschappen zouden
+er moeilijk eene goede verklaring voor hebben kunnen vinden.
+
+Dus—hou je goed!
+
+In flinken pas marcheerden wij door Meester-Cornelis langs den
+stoffigen weg naar de passar [17]. „Met rotten rechts!”
+
+Nog eenige schreden, en daar stonden wij voor de gevangenis, die voor
+een etmaal aan onze hoede zou worden toevertrouwd. De wacht stond reeds
+in het geweer en wisselde met ons de voorgeschreven eerbewijzen. De
+commandant, een sergeant evenals ik, gaf mij de wacht over. Hij was pas
+uit Europa gekomen en had eenigen tijd in den zoeten waan verkeerd, dat
+in Indië de officierssterren als rijpe kokosnoten van de boomen vallen.
+Tot zijne niet geringe ontzetting had hij evenwel spoedig bemerkt, dat
+het hier vrij wat gemakkelijker was achteruit dan vooruit te komen.
+
+Ik zag den inventaris na, bestaande uit patronen, een inktpot, eene
+olielamp en dergelijke kostbare zaken meer, waarvan evenwel het zoek
+raken zwaar geboet moest worden. De cipier ontsloot de verschillende
+strafkamers en liet toe dat ik er mijn neus in stak. Ik wist echter
+niet hoe gauw ik hem weer zou terugtrekken, uit hoofde van de
+onaangename prikkeling, die mijne reukorganen ondervonden.
+
+Eindelijk was de inspectie afgeloopen en de oude wacht marcheerde af.
+Ik zette mij voor het wachthuis neder en liet mijne blikken gaan over
+het bonte gewoel op de passar. Thans gevoelde ik mij een volkomen
+alleenheerscher.
+
+Reeds dikwijls, wanneer ik als soldaat op post stond en ook later als
+korporaal, had ik mij vermeid in het aanschouwen van dat gewriemel,
+doch nu was het alsof ik door andere oogen zag. Dat was alleen de
+schuld van die mooie gouden streep. Ik keek er eens naar; zij hing nog.
+Van louter pleizier had ik tot nog toe niets van eetlust bemerkt, doch
+toen de verschillende scherpe geuren uit de nabijgelegen warongs [18]
+mij in den neus kwamen, begon mijne maag hare rechten te doen gelden.
+Gelukkig, daar naderde reeds de etendrager.
+
+Mijn eerste maaltijd uit de onderofficierskeuken! Het liefst was ik den
+man te gemoet gegaan en had hem zijn draagkorf afgenomen, daar hij mij
+te langzaam liep, doch dat zou beneden mijne waardigheid geweest zijn.
+Hoewel mij het water bijna uit den mond liep, verwaardigde ik den
+brenger met geen blik, toen ik hem achtereenvolgens biefstuk,
+aardappelen, rijst, roode vischjes en nog andere heerlijkheden zag
+uitpakken. En daarbij porseleinen borden en schotels! Neen, zulk eene
+weelde...
+
+Reeds zoo lang had ik mijn maal uit een menageketel genuttigd en het
+had mij altijd goed gesmaakt; hoe moest het dan wel smaken uit
+porselein?
+
+Nauwelijks had de etendrager zijn „slamat makan” [19] uitgesproken, of
+ik viel op het eten aan alsof ik veertig dagen gevast had. Er bleef
+geen rijstkorreltje over, en om den manschappen geen aanstoot te geven
+en niet voor een veelvraat door te gaan, riep ik een gladdakker [20]
+binnen en liet hem de ledige borden aflikken. Een eerste staaltje van
+sergeantsdiplomatie.
+
+Langzaam kropen de middaguren voorbij. Naarmate de zon den horizont
+naderde, werd de passar meer en meer ontvolkt en toen het geheel
+duister was geworden, werden er obor’s [21] en olielampjes aangestoken,
+die op de warongs en de zich daaromheen groepeerende inlanders een
+phantastisch licht wierpen. Nu begon er ook weer meer levendigheid te
+komen; gestaarte zonen van het Hemelsche Rijk pikelden [22] hun
+vrachten op een sukkeldrafje voorbij, en troepjes soldaten, pas uit
+Europa gekomen, trokken zingende van de eene warong naar de andere.
+
+De indruk van dit woelige tooneel werd nog verhoogd door de
+donkergroene pisang- en klapperboomen op den achtergrond en den
+onbewolkten, met fonkelende sterren bezaaiden hemel. Ook dit
+aantrekkelijk beeld verdween langzamerhand, naarmate de nacht zijne
+vleugelen verder uitbreidde. Ik bleef alleen met mijne luchtkasteelen
+en mijn geluk. Werktuiglijk nam ik een boek ter hand; het was
+Perelaer’s: Een kwart eeuw tusschen de keerkringen, waarin de
+lotgevallen van twee sergeanten geïdealiseerd worden. Het eerste deel
+had ik reeds doorgelezen, en thans trachtte ik het tweede door te
+worstelen, waarin de beide helden, Frank en Herman, evenals jonge dames
+van eene kostschool, elkander bezingen met alle mogelijke citaten uit
+verschillende dichtwerken. Zulke sergeanten had ik in de werkelijkheid
+nog niet aangetroffen. Toen ik echter op bladzijde 103 aan dat gedeelte
+kwam, waarin Frank zijnen vriend omarmt en hem toefluistert: „lieve
+dweper!”—toen kon ik de oogen niet meer open houden, ik sliep weldra in
+en droomde. Ik waande mij gezeten naast den braven Hendrik Meijer, den
+gebaarden sergeant, die van mij een onderofficier gemaakt had. De brave
+Hendrik had zijn hoofd aan mijne trouwe vriendenborst gelegd, terwijl
+hij de oogen smachtend naar den hemel opsloeg. Hij verhaalde mij de
+geschiedenis van zijne laatste liefde. „Ach, ge hadt het meisje moeten
+kennen,” zuchtte hij, „zij was een engel! Elken Maandag bracht zij
+roast-beef, ’s Woensdags varkenskarbonade en op Zaterdag een heele
+flesch wijn, want ge moet weten dat het lieve kind bij een
+wijnhandelaar in dienst was. Hoeveel gelukkige uren heb ik niet met
+haar in Velp doorgebracht, en telkens betaalde zij, dat ideaal van een
+meisje! Mijn hart en maag breken nog als ik er aan denk, dat zij mij
+ontrouw geworden is. Het was op een Zaterdag, en zij bracht mij slechts
+eene halve flesch wijn. Mijn God, dacht ik, zou ze mij niet meer zoo
+oprecht liefhebben als vroeger? Die onzekerheid wond mij zoodanig op,
+dat de wijn mij niet smaakte. Toen zij bovendien nog een half uur
+vroeger dan gewoonlijk afscheid nam, werd mijn vermoeden zekerheid. Ik
+volgde haar op eenigen afstand; zij sloop een zijstraatje in en greep
+bijna onmiddellijk daarna den arm van een sergeant der rijdende
+artillerie. Duidelijk hoorde ik het klokken van mijn halve flesch wijn
+in zijn keel. Met elk geklok werd een der banden verbroken, die mijn
+hart nog aan de trouwelooze hechtten. Doch mijn hartzeer heb ik
+overwonnen; ik ben er ten minste niet van gestorven.”
+
+„Lieve dweper,” lispelde ik, en toen ik hem daar zoo zag, geheel
+terneergeslagen door die treurige herinnering, trachtte ik den arm om
+zijn hals te slaan.
+
+„Ben je nou heelemaal gek?” riep hij plotseling uit en legde zijn vuist
+onzacht op mijn aangezicht. „Ik heb eene andere genomen; in Arnhem zijn
+mooie meisjes genoeg!”
+
+Deze ruwe bejegening deed mij uit mijne sluimering ontwaken. Het hoofd
+was mij van den arm gegleden en thans lag ik met den neus in den
+inktpot.
+
+Verschrikt sprong ik op. Heer in den hemel, hoe was ’t mogelijk dat ik
+op wacht kon inslapen! Dat zou mij mijne streep kunnen kosten. Goddank,
+zij hing nog. Eigenlijk had ik geen schuld, doch alleen die overste
+Perelaer. Waarom liet hij die Frank en Herman zulke wonderlijke dingen
+doen?
+
+Er bleef mij weinig tijd om over mijn verzuim na te denken, want
+plotseling verscheen de gestalte eens fuseliers in de deur, die mij
+rapporteerde dat in de „roemah pandjang” (eene philantropische
+inrichting) eene patrouille zich aan allerlei onbehoorlijkheden
+schuldig maakte. Dat was toch wel een beetje sterk. Eene patrouille,
+wier plicht het was de orde te handhaven, verstoorde die zelf. Wee u,
+korporaal, de straf volgt de zonde!
+
+Nadat ik het commando over de wacht aan eenen korporaal had
+overgegeven, snelde ik met vier man naar de bedoelde plaats en trad het
+huis binnen. Daar ik bij ondervinding van vroegere
+patrouilleeringen—men denke niet aan iets kwaads—wist, dat het lokaal
+ook nog een achterdeurtje had, posteerde ik daar twee man en meende
+daardoor al een buitengewoon strategisch talent te hebben ontwikkeld.
+Het rapport van den fuselier bleek volkomen juist te zijn; het gansche
+gezelschap was aan ’t dansen.
+
+Als de bliksem voor de voeten van deze ontrouwe zonen van Mars ware
+ingeslagen, zouden ze niet heviger hebben kunnen schrikken dan bij mijn
+verschijnen. Nu had ik gelegenheid de sluizen mijner welsprekendheid
+open te zetten en de woordenlijst van krachtige militaire uitdrukkingen
+met eenige te verrijken.
+
+„Vervloekte kerels!” zoo begon ik, „denkt ge dat ge hier nog in het
+ellendige Harderwijk zijt? De duivel zal jelui halen, wanneer je niet
+als de bliksem maakt dat je er uit komt!”
+
+Met den commandant der patrouille, een jongen korporaal, rekende ik
+afzonderlijk af. Ik stelde hem provoost en cachot in ’t vooruitzicht,
+doch mijne hoogste troef speelde ik uit met de woorden, die mij zoo
+angstwekkend in de ooren hadden geklonken: „Denk er om, de
+korporaalsstreep hangt maar aan een draadje.”
+
+Het kereltje was geheel uit het veld geslagen. Hij bezwoer mij, hem
+niet ongelukkig te maken; veertig dagen had hij op zee doorgebracht en
+na het aan wal stappen was het hoofd hem een weinig op hol geraakt.
+Natuurlijk deed ik alsof zoo iets voor mij geheel onverklaarbaar was,
+en op zijn bidden en smeeken gaf ik slechts kort ten antwoord:
+„gestraft moet je worden!”
+
+In stilte, en vervuld van een angstig voorgevoel, trok de patrouille
+huiswaarts. Ikzelf begaf mij met het gezicht van een Nemesis naar de
+wacht terug en overlegde onderweg of ik van de zaak al dan niet rapport
+zou maken. Mijn „korporaal van aflossing” trachtte eenige woorden ten
+gunste van den zondaar te spreken, doch een kort: „hou je mond!” deed
+hem afdruipen. Het was een moeilijk geval. Zweeg ik en werd de zaak
+buiten mij om ruchtbaar, dan kon mijn kapitein gelijk gehad hebben,
+toen hij zeide: denk er aan....!” Maakte ik rapport, dan zou het
+vermoedelijk den patrouillecommandant zijne streep kosten, en dat zou
+mij voor het arme ventje leed gedaan hebben. Ik wist bij ondervinding
+hoe gelukkig iemand reeds door de katoenen streep wordt gemaakt—hoeveel
+te meer dan nog door den gouden chevron! Lang dacht ik na, zonder een
+uitweg te vinden. Daar viel mij iets in. De korporaal en de manschappen
+droegen kennis van het voorval; ik moest hen dus in de meening doen
+verkeeren dat ik rapport gemaakt had. Snel nam ik een vel papier,
+linieerde het volgens voorschrift en schreef:
+
+„Beste Hendrik! Morgen hoop ik u en andere collega’s van de eerste
+compagnie in de kantine aan te treffen. Ik trakteer op een paar
+flesschen prinsessenbier. Salut!”
+
+Dezen brief vouwde ik dicht in den vorm van een rapport, riep een
+inlandsch fuselier, die toch niet lezen kon en zond hem daarmede naar
+mijn vriend Hendrik aan de hoofdwacht. Korporaal en soldaten dachten
+natuurlijk dat het een rapport was omtrent de patrouille, die zoozeer
+haren plicht vergeten had. Hier en daar hoorde ik zelfs iets mompelen
+over mijne hardvochtige strengheid. Ik evenwel, zette mij tevreden op
+eenen stoel neer en verdiepte mij in overpeinzingen over de
+duurzaamheid van gouden strepen. Daar werd zachtjes aan de deur getikt
+en binnen trad een Javaansch meisje met eene flesch in de hand.
+
+Wat moest dat beduiden? Een vrouwspersoon binnen de heilige muren eener
+wachtkamer!
+
+De bruine schoone liet mij evenwel niet lang in onzekerheid. Met een
+betooverend lachje bracht zij mij de groeten over van haren gebieder,
+den houder van de roemah pandjang, die mij uit dankbaarheid voor mijne
+bemoeiingen, eene flesch druivensap deed toekomen. De geslepen Chinees
+had het niet raadzaam geoordeeld zelf te komen; misschien had hij er
+een voorgevoel van dat ik hem met zijne flesch wijn vierkant de trap
+zou hebben afgesmeten. Wat dacht zoo’n langstaart wel van een sergeant?
+Meende die spekverzwelgende dikbuik misschien, dat ik om zijnentwille
+de patrouille uit zijn huis verwijderd had?
+
+Tegenover dit meisje ging het evenwel niet aan grof te worden; zij had
+zulke verliefde oogen, zulke schoone zwarte tanden, en hare huid was
+zoo sierlijk met gele oker besmeerd, dat de aangeboren ridderlijkheid
+van een sergeant zoo iets niet gedoogde. Ik loodste haar daarom met een
+zoet lijntje naar de deur, en wilde haar juist als loon voor de
+boodschap een kus op den mopneus drukken, toen plotseling het geroep
+van den schildwacht weerklonk: „Werda?” en kort daarop: „Halt,
+korporaal heraus, rond-luitenant!”
+
+Heere bewaar ons! Ongelukkiger kon het niet treffen. Wat moest daarvan
+terecht komen! De ronde naderde en nog altijd bevond het meisje zich in
+de wachtkamer. Met eene enkele handbeweging wierp ik haar onder de
+tafel, bedekte haar zoo goed en zoo kwaad als het ging met mijn
+kapotjas, greep mijn geweer en snelde naar buiten. Daar zag ik ook
+reeds op de passar het licht eener kleine lantaarn en bij het zwakke
+schijnsel daarvan bemerkte ik duidelijk de oranjekleurige sjerp van den
+luitenant van piket. Met van angst trillende stem deed ik de noodige
+commando’s, trad vooruit en meldde: „Niets nieuws.”
+
+„Laat de manschappen inrukken en geef mij het rapport ter teekening,”
+luidde het bevel.
+
+Bevend voldeed ik aan dien last en volgde den officier in de
+wachtkamer, een lam gelijk, dat ter slachtbank wordt geleid.
+
+Het rapport lag op de tafel, de luitenant ging zitten en strekte
+geeuwend zijne lange beenen uit. Ik dacht dat mijn vonnis geveld was.
+Het kon bijna niet anders of hij moest tegen de vrouw trappen.
+
+Het koude angstzweet brak mij uit en de pen sidderde in mijne hand,
+toen ik haar den luitenant aanbood. Mijn ontsteld uiterlijk viel hem op
+en deelnemend vroeg hij: „Zijt ge misschien ziek?”
+
+„Neen, luitenant,” antwoordde ik, nog meer in de war; „ik ben voor het
+eerst wachtcommandant en de... de... de groote verantwoordelijkheid...”
+en meteen greep ik krampachtig naar mijn gouden streep.
+
+„Je hebt toch, hoop ik, niet te diep in het glas gekeken?” vroeg hij,
+tegelijkertijd een onderzoekenden blik op mijn ontdaan gelaat
+richtende.
+
+Deze veronderstelling bracht mij weder tot bezinning. Wat, ik, die
+nooit iets anders over de lippen bracht dan koffie en thee met en
+benevens dozijnen „smeerproppen”, waarvoor ik zelfs den eeretitel
+„smeerproppenvreter” verworven had, ik zou dronken zijn?
+
+Het met volle overtuiging uitgesproken „neen” scheen dan ook den
+officier voldoende te zijn, ten minste hij stond op. Alvorens te
+vertrekken kon hij toch niet nalaten mij nog even toe te voegen: „Denk
+er om, drinken op wacht wordt zwaar gestraft; de gouden streep hangt
+maar aan een draadje.”
+
+Waarachtig, de luitenant had gelijk, en onwillekeurig tastte ik weer
+naar mijn chevron; er naar zien durfde ik niet. Als een steenen beeld
+bleef ik voor den officier staan, toen hij mij nog eenige wenken gaf
+tot het voorkomen van malaria en buikpijn.
+
+Doch neen, zoo hoog zat mijn kwaal niet, noch in het hoofd, noch in den
+buik, zij zat op een pas van ons af onder de tafel.
+
+Eindelijk, eindelijk ging hij heen en ik volgde hem, de deur
+voorzichtig achter mij dichttrekkend. Nog een genadig hoofdknikken, en
+hij verdween met zijn lantaarndrager in de richting van het
+kruitmagazijn.
+
+Toen het geluid van zijne voetstappen in de nachtelijke stilte was
+weggestorven, ijlde ik naar de wachtkamer terug en kwam daar juist aan,
+toen de oorzaak van mijn angst van onder de tafel te voorschijn kroop.
+
+Op dit gezicht werd ik woedend, en de deur openrukkende schreeuwde ik
+met al de kracht, die mijn longen mij veroorloofden: „Rrraus!”
+
+De aartsengel Gabriël kan er niet onrustbarender hebben uitgezien, toen
+hij Eva uit het paradijs verjoeg, dan ik op dat oogenblik.
+
+Het meisje scheen het ook te vinden, want zij vloog letterlijk.
+Tegelijkertijd stormden evenwel ook mijne manschappen naar buiten, daar
+zij dachten dat het „heraus” hen gegolden had. Moest dan alles
+samenwerken om mij ten val te brengen?
+
+Dewijl in oogenblikken van gevaar een commandant der wacht altijd de
+grootste tegenwoordigheid van geest moet hebben, ging ik onmiddellijk
+op den schildwacht „voor het geweer” af, en vroeg hem of hij die meid
+niet in de wachtkamer had zien sluipen. Hij ontkende, en met recht,
+want het vrouwspersoon was binnengekomen toen er een ander op post
+stond. Nu schopte ik hem een standje, dat klonk als een klok: „Heb je
+dan geen oogen in ’t hoofd? Moet ik soms een baboe bij je zetten om op
+je te passen? Weet je niet, dat je eene zware straf verdiend hebt?”
+
+Zoo ging ik een oogenblik voort en daarna gevoelde ik mij zoo licht als
+een vogel; er was mij een steen van ’t hart gevallen.
+
+Het was een mooi begin van mijne loopbaan als sergeant!
+
+Door de ondervonden wederwaardigheden uitgeput, strekte ik mij voor de
+wachtkamer op een bank uit en de diepe rust, die in de natuur
+heerschte, liet niet na haar weldadigen invloed op mijne geschokte
+zenuwen te doen gevoelen. Geen blad ritselde; het eenige wat mijn oor
+trof was het kabbelen van de Tjilewong en de eentonige stap van den
+schildwacht. Weldra werd de maan door het geboomte zichtbaar, en
+wanneer een der reuzenbladeren van een pisangboom zich voor haar bleek
+aanschijn heen en weer wiegelde, scheen het mij toe alsof die oude
+vrijster mij, arm geplaagd menschenkind, uitlachte. Lach maar! Ik lach
+ook, want heden heb ik de zekerheid gekregen, dat ik lang zoo onhandig
+niet ben als ik wel gedacht had.
+
+Daar kraaide in de verte een haan. Goddank, de morgenschemering brak
+door. Reeds kwamen talrijke inlanders met hunne krakende pikolan’s
+[23], zwaar beladen met sterk riekende vruchten en andere koopwaren,
+naar de passar. Die lucht, vermengd met de uit den bodem opstijgende
+dampen, drukte mij loodzwaar op de borst, en mij overviel eene
+huivering alsof ik de koorts had.
+
+Ik wist—de luitenant had er mij trouwens pas aan herinnerd—dat het
+liggen in de open lucht in Indië zeer schadelijk voor de gezondheid is.
+
+Op! dus, daar komt reeds de koffie; die zal mij weer uit mijn gedommel
+wekken. Hare komst kondigde tevens aan, dat de eerste nachtwacht begon
+te „draaien” d.w.z. ten einde spoedde.
+
+Weldra kwam de aflossing, en in den versnelden pas begaf ik mij met de
+manschappen naar de kazerne terug. Reeds op een afstand zag ik den
+patrouille-commandant van den vorigen avond staan. Het ventje zag er
+bleek en ontdaan uit en met angstige stem vroeg hij: „Sergeant, hebt u
+rapport gemaakt?”
+
+„Neen,” antwoordde ik, „ge hadt het dubbel en dwars verdiend, doch voor
+ditmaal heb ik het door de vingers gezien; zorg dat het niet weer
+gebeurt!”
+
+De blijdschap van den armen jongen was onbeschrijfelijk. Den ganschen
+nacht had hij wakende doorgebracht, met de treurige gedachte dat hij
+misschien den volgenden morgen zijne streep zou moeten missen, en dat
+zou jammer voor hem geweest zijn. Thans is hij reeds jaren lang
+officier.
+
+Toen ik voorbij mijn vriend Hendrik marcheerde, riep deze mij toe:
+„Denk er om!”
+
+„Ja, ik weet het al,” antwoordde ik, „zij hangt maar aan een draadje!”
+
+„Ben je gek, kaffer! Je moet van avond op bier trakteeren!”
+
+„O, meen je dat? Dan is het in orde!”
+
+In drie sprongen vloog ik de trappen naar mijne kamer op, want er werd
+geblazen voor het eten en ik moest mij nog voorstellen aan de
+collega’s. Snel mijn ransel losgemaakt en het kapmes afgeworpen.
+
+Goede God! Wat is dat? Waar is mijn gouden streep? Daar hing ze aan den
+ranselhaak, die haar van mijn mouw had gescheurd. Nu, nog mooier! Ze
+hing immers ook maar aan een draadje!
+
+Snel nam ik naald en draad en naaide haar ditmaal zelf vast, en ze
+bleef hangen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZINGENDE SOLDATEN.
+
+
+Een oom van mij, die zich reeds op zijn twintigste levensjaar in zulk
+een lichaamsomvang verheugde, dat ’s konings rok hem te klein was,
+verklaarde mij dikwerf hoofdschuddende: „Ik begrijp niet, hoe het
+mogelijk is, dat soldaten met den ransel op den rug, het geweer op den
+nek en een massa patronen voor den buik, bij een hitte van tachtig
+graden op den stoffigen straatweg zingen kunnen.” Deze zienswijze was
+den goeden man niet kwalijk te nemen. Het ging hem juist als vele
+Hollandsche staatsburgers, die nog nooit het schoone lied hebben
+medegezongen: „O, welk een lust soldaat te zijn!” maar zich voor een
+paar honderd gulden iemand koopen, die voor hen dezen lust botviert.
+Hij weet niet, dat het een zeer slecht teeken is, als een kolonne stil
+haars weegs gaat; als de manschappen met slependen tred en hangende
+hoofden achter elkander aanstrompelen. Dan duurt het niet lang meer, of
+de een na den ander zakt aan den kant van den weg ineen, bleek als een
+doode, bezwijkende van vermoeienis. Welk een verschil tusschen zulk een
+troep en één uit welks rijen, van de eerste sectie tot de laatste, de
+melodieën van bekende marschliederen weerklinken. Als op de parade, zoo
+gelijk gaan de beenen op en neder; het is of de geheele kolonne
+marcheert als één man, en trotsch schrijdt zij voorwaarts. Geleden zijn
+honger en dorst, verdwenen is alle vermoeidheid. De officieren weten
+dat wel. Zij wekken hun manschappen tot zingen op en stoppen ook de
+ooren niet dicht, als er zoo nu en dan een lied onder doorloopt,
+waarvan het refrein een keukenprinses misschien zou doen blozen. Het
+kan zelfs voorkomen, dat de gestrenge heer kapitein in eigen persoon
+aan den koorzang deelneemt en enkele klanken uit zijn keel laat
+opwellen, die van de gebruikelijke commando’s ten eenenmale afwijken.
+Deze eer viel der eerste compagnie van het 1e depot-bataljon in
+Meester-Cornelis herhaaldelijk te beurt, want haar kapitein was een
+zeer muzikaal man, van wien zelfs het gerucht liep, dat hij in zijn
+ledige uren viool speelde. Was het bataljon uitgerukt tot het maken
+eener militaire wandeling en weergalmde zoo om en bij de „Berenlaan”
+het commando: „uit den pas”, dan kon men onzen kapitein ook weldra
+hooren roepen: „Komaan, jongens, doet nu eens flink den mond open,” en
+daarop hief de geheele „eerste” het bekende Piet Hein aan, dat het een
+lust was om te hooren. Was het Piet-Hein-lied uitgezongen, dan volgde
+Die Wacht am Rhein en daarna de Marseillaise of eerst de Marseillaise
+en dan Die Wacht am Rhein, al naarmate het grootste gedeelte met de
+eene of andere hymne instemde. Bij dergelijke gelegenheden verbaasde ik
+mij steeds over het gebrek aan Hollandsche soldatenliederen in het
+Indische leger. Piet Hein was vrij wel het eenige lied, op welks
+kranige, rythmische melodie men goed kon marcheeren. De overige
+liederen waren grootendeels van draaiorgels afgeluisterd en van alles
+behalve geestige teksten voorzien, als: „Ik zal het zeggen aan je
+moeder,” of „Hou jij van soep met balletjes?” enz. Waarschijnlijk ook
+lachte daarom de kapitein zoo welwillend, toen ik hem, bij gelegenheid
+van het compagniesrapport, om de vergunning verzocht, een
+zangvereeniging te mogen oprichten. Toevallig was mij een Duitsch
+liederenboek voor vierstemmigen mannenzang in handen gekomen en daarop
+had ik mijn plan gebouwd. De kapitein gaf zijn toestemming. Hij scheen
+het niet meer dan natuurlijk te vinden, dat een sergeant, die dagelijks
+vijf uur geëxerceerd, twee uur theoretisch onderwijs gegeven en nog
+weder vijf uur als „sergeant van de week” in de kazerne
+rondgegaloppeerd heeft, behoefte had aan eenige uitspanning.
+
+Intusschen was deze uitspanning wel van ietwat twijfelachtig gehalte,
+want het kwam er hier op aan bij een hitte van 70° negen Duitschers en
+drie Hollanders in de geheimen der edele toonkunst in te wijden. Als
+kunsttempel fungeerde de eetzaal der onderofficieren. Dat was een groot
+euvel, want de etenslucht, die was blijven hangen, bewerkte steeds, dat
+de zangers binnen het eerste halfuur het water in den mond kregen en
+dat kon men den menschen niet kwalijk nemen; immers zij hadden honger.
+Bij het eerste bataljon is namelijk de etenstijd zoo vastgesteld, dat
+het laatste maal des middags omstreeks half vier verstrekt wordt. Na
+dien tijd krijgen de manschappen niets meer voor des anderen daags 5
+uur in den morgen, wanneer zich de jeukende maag aan koffie met brood
+mag te goed doen. In dien tusschentijd moet er echter nog twee uren
+dapper geëxerceerd worden. De honger is dus volkomen gerechtvaardigd.
+Ik kon den menschen evenwel niets anders aanbieden dan de noten bij het
+lied van Abt: Die Abendglocken klingen. Ze slikten die dan ook met het
+grootste genoegen, doch werden er niet dik van. Bij het instudeeren
+bediende ik mij van een guitaar, die onder de tropische hitte reeds
+danig had geleden. De gelijmde klankbodem was losgegaan en had met de
+spijkertjes van een sigarenkistje weer bevestigd moeten worden, door
+welke bewerking de toon van het instrument nu juist niet aan
+welluidendheid had gewonnen. Ook waren twee snaren onder den tand des
+tijds bezweken en moest ik met de grootste behendigheid op de bassnaar
+manoeuvreeren, om daaraan de vereischte melodie te ontlokken. Deze
+klonk dan ook zeer erbarmelijk en herinnerde in niets aan de bekende
+„Abendglocken”.
+
+Niettemin scheen zij een bijzonderen indruk te maken op de
+toeluisterende Javaantjes. Waar sinds de eerste repetities een stuk of
+wat van die kereltjes bijeenstonden of -zaten, daar hoorde men hen
+neuriën: „Abenlokkenlingen, Abenlokkenlingen.” In de slaapzaal, bij het
+baden, zelfs in de keuken bromde de Javaansche koelie:
+„Abenlokkenlingen.” Wat hielp het, of ik den kerels al toebulderde:
+„Houdt den mond!” Geheel in gedachten neurieden zij een minuut later
+weder „Abenlokkenlingen.”
+
+Maar dit concert zou ten slotte nog zijn te verdragen geweest, echter
+niet dat mijner scholieren, die in den eersten tijd de vastgewortelde
+overtuiging niet prijs wilden geven, dat het lied unisono gezongen
+moest worden. Mocht het al zijn, dat ik de tweede tenoren of bassen zoo
+ver had gekregen, dat zij, ieder afzonderlijk, hun melodie vlekkeloos
+konden voordragen, nauwelijks zongen zij te zamen, of het tonengebouw
+lag weder in puin. Zegepralend schetterde dan de geheele schaar
+eenstemmig: „Die Abendglocken klingen.” Toen ik na wekenlangen strijd
+toch eindelijk in het slechte gehoor mijner leerlingen bres had
+geschoten en mijn begrip van vierstemmig gezang tot hen was
+doorgedrongen, overkwam mij het ongeluk, dat een mijner eerste tenoren
+ziek werd en in het hospitaal moest worden opgenomen. Wilde ik de
+schitterende uitkomst mijner volharding nu niet weer verloren zien
+gaan, dan moest ik onvoorwaardelijk zelf inspringen, want er viel niet
+aan te denken, de opengevallen plaats door een ander te doen innemen.
+Nu zal mij ieder maar eenigszins muzikaal ontwikkeld mensch toegeven,
+dat het iemand, die zoo half en half reeds als bas in de wereld is
+gekomen, wiens stem in den loop der jaren zich voortdurend meer in de
+laagte heeft uitgezet en die ten gevolge van zijn functie als sergeant
+zedelijk verplicht is zijn keel, bij het omscheppen van gewone
+stervelingen in soldaten, dagelijks buitengemeen in te spannen,—dat het
+zoo iemand, zeg ik, uiterst zwaar moet vallen zijn stem eenige octaven
+hooger te schroeven. Doch is een Indisch sergeant niet tot alles in
+staat, als hij door ’t noodlot gesard wordt? Spoedig tot een besluit
+gekomen, sloot ik mij in mijn kamer op en traineerde mijn stem in de
+hoogste falset. Kon ik het helpen, dat de schoonste tonen altijd
+oversloegen en af en toe een geluid werd voortgebracht, dat precies op
+dat van een hond geleek, dien men op den staart trapt? Mijn Javaantjes
+waren aanvankelijk geheel in de war over mijn gewaagde
+strottenhoofdexercitiën en meer dan eens hoorde ik hen achter mijn rug
+mompelen: „Kassian! sergeant pandjang sakit proet.” (De lange sergeant
+heeft buikpijn). Ik vervolgde onversaagd mijn glibberige loopbaan als
+tenor en bereikte eindelijk het stadium, dat ik het wagen kon mij te
+laten hooren. Voorzichtigheidshalve stemde ik evenwel bij voorbaat mijn
+guitaar nog drie tonen lager. Dit verschil scheen zelfs mijn
+tweede-bassen—terloops gezegd de domsten mijner leerlingen—op te
+vallen, want één hunner veroorloofde zich de opmerking, dat de
+„Abendglocken” veel lager gestemd waren dan vroeger. Maar daar diende
+ik hem op! „Weet je iets van de harmonieleer en het contrapunt af?”
+vroeg ik hem. En toen hij daarop „neen” antwoordde, snauwde ik hem toe:
+„Houd dan je mond!”
+
+Nu wist ik wel is waar zelf niets van de geheimenissen dezer zuilen der
+toonkunst en had een sterk vermoeden, dat ook de „Abendglocken” er
+geheel vreemd aan waren, doch men mag, om der wille van de discipline,
+bij een soldaat nooit het denkbeeld doen opkomen, dat er iets ter
+wereld bestaat of bestaan kan, waarvan de sergeant—en vooral de
+Indische sergeant—geen kennis draagt. Maar helaas, ik kon er mijn
+bassen niet toe krijgen, drie tonen lager te zingen. Zij vertrokken den
+mond wel op alle mogelijke manieren en zetten daarbij de jammerlijkste
+gezichten, doch de tonen, die zij zoodoende voortbrachten, waren
+werkelijk onbruikbaar. Ten slotte maakten zij strike, dat wil zeggen,
+zij hielden den mond. Daarin had zelfs de strengste kapitein geen grond
+kunnen vinden om de kerels in „Zijner Majesteits snuifdoos” te stoppen;
+zij konden toch even zoo min lager komen, als het mij mogelijk was om
+hooger toon te bereiken. Wij luidden derhalve een tijd lang de
+„Abendglocken” niet meer, tot groot leedwezen mijner Javaantjes, maar
+legden ons op marschliederen toe, totdat mijn tenor behoorlijk rijp zou
+zijn. De kapitein keek zielsvergenoegd, toen wij ons bij den
+eerstvolgenden „militairen marsch” aan het hoofd der compagnie stelden
+en het eene lied na het andere aanhieven, met welks slotrefrein dan
+steeds de geheele compagnie instemde.
+
+Het best beviel hem de marsch:
+
+
+ „Wenn die Soldaten durch die Stadt marschiren,
+ Oeffnen die Mädchen Fenster und Thüren,
+ Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum Vallera,
+ Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum!”
+
+
+Dat „Bum Vallera” heeft mij menige sigaar van hem opgebracht en zeker
+ook mij menigen dag kamerarrest genadiglijk bespaard. Na eenige weken
+was het met mijn tenor eindelijk in orde.
+
+Het was hoog tijd, want St. Nicolaas stond voor de deur en wij hadden
+van den kapitein de opdracht gekregen, in de officieren-sociëteit, ter
+gelegenheid van het kinderfeest, eenige passende liederen te zingen.
+Als eerste nummer op het programma prijkte het Wien Neerlandsch bloed.
+Later werd beweerd: men had van den tekst geen woord verstaan, wij
+hadden even zoo goed „Sauerkraut mit Leberwurst” kunnen zingen; doch
+dat zal wel vuige laster geweest zijn. Het tweede lied heette: O du
+fröhliche Weihnachtszeit, en het slot vormden Die Abendglocken.
+
+Ik beefde aan handen en knieën, toen ik met mijn schaar het podium
+betrad en een heimelijken blik op het publiek wierp. Daar, geheel
+vooraan, in de eerste rij, zat de bataljonscommandant, wiens gestreng
+voorkomen scheen uit te drukken: „Kerel, voor elke noot, die je valsch
+laat zingen, krijg je een dag kamerarrest.” Daar achter, naast een
+pilaar, stond mijn kapitein met dreigend opgeheven vinger, schijnbaar
+om mij moed (?) in te spreken, en naast mij in de coulisse verscheen
+mijn peletonscommandant, die mij toefluisterde: „Sergeant, je hebt
+immers geen dirigeerstok.” Gerechte hemel, daar had ik in ’t geheel
+niet aan gedacht! Gewoonlijk had ik daarvoor mijn wijsvinger gebruikt
+en, wanneer ik wat in vuur kwam, mijn guitaar. „Luitenant, zou u zoo
+goed willen zijn, mij uw potlood te leenen?” smeekte ik, en hij was zoo
+menschlievend, mijn verzoek in te willigen. Nu kon het beginnen. Ik
+draaide mij met knikkende knieën naar het publiek. Daarbij gevoelde ik
+mij zoo ellendig, dat ik onder het maken van mijn buiging bijna van het
+podium naar beneden in den schoot van mevrouw de majoorsche zou
+gevallen zijn; maar, God zij dank, brachten mij de glimlachende
+damesgezichten weder in evenwicht. Nu verhief ik het potlood, telde
+een, twee, drie, en zette mijn tenor in beweging. Het Wien Neerlandsch
+bloed liep uitstekend van stapel, ofschoon niet zonder dat „von der
+Stirne heiss” mij „der Schweiss” droop. Luide toejuichingen waren het
+loon voor den moeitevollen arbeid. Alleen de bataljonsadjudant moest
+weer eens een aanmerking maken. „Je moet bij het dirigeeren den arm
+meer zwaaien, niet zoo gebogen staan en het hoofd niet zoo voorover
+laten hangen,” zeide hij. De goede man begreep blijkbaar niet, welk een
+reuzenarbeid op mijn schouders drukte. Een tenorpartij zingen, voor
+twaalf man angst uitstaan en daarbij nog de maat aangeven, dat scheen
+hem zeker maar een kleinigheid. Ik zou er ook nog den arm bij moeten
+zwaaien! Om dat alles te doen en bovendien het hoofd omhoog en de
+schouders naar achter te houden, zou men de legercommandant in hoogst
+eigen persoon moeten wezen. Dien kan niemand het lastig maken, als zijn
+stem overslaat, doch een sergeant kan men het wel doen. Natuurlijk
+hoedde ik er mij voor, den adjudant mijn gedachten bloot te leggen,
+maar beloofde beterschap. De beide andere nummers werden eveneens
+schitterend uitgevoerd; vooral de „Abendglocken”, waarbij mijn tenor in
+smeltende klanken over de golvende tonenzee heenzeilde, oogstte
+daverenden bijval. Zelfs de dikke bataljonscommandant—van wiens
+muzikaliteit men verhaalde dat hij alleen met militaire signalen ophad
+en van deze het meest met het signaal voor het middageten: „Ketels in
+de keuken! Kamerwacht geef acht!”—zelfs hij knikte goedkeurend! De
+beste waardeering voor hetgeen ik gepresteerd had, vond ik evenwel in
+mijn kamer, werwaarts ik eenigen tijd later terugkeerde, en wel in den
+vorm van een flesch rooden wijn en een kistje sigaren. Ik vermoedde,
+dat deze goede gaven van den kapitein afkomstig waren. Intusschen brak
+ik mij het hoofd daar niet lang mee, maar ledigde de flesch tot op den
+bodem. Daarop kroop ik onder de wol. Mijn Javaantjes zongen mij een
+slaaplied. Het luidde: „Abenlokkenlingen”.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PARADE.
+
+
+„Oranje boven! De koningin is bevallen van een prins!” Onder luid hoera
+van „de Eerste” had Jan Kloet, de grappenmaker der compagnie, deze
+gewichtige woorden in de wachtkamer der manschappen geslingerd, waar de
+verschillende korporaalsafdeelingen onder toezicht harer
+sectie-commandanten ernstig bezig waren met wapens en uniformen in
+gereedheid te brengen voor de parade op den dag van morgen, ’s Konings
+verjaardag.
+
+„Hoort maar, ze schieten op de reede”, riep Jan opgewonden. Het werd
+doodstil in het vertrek. Allen spitsten de ooren. Werkelijk:
+boem-boem-boem! dreunde het dof van de kust herwaarts.
+
+„Waarachtig, het is een prins!” klonk het jubelend van alle kanten.
+Slechts één was er, die een bedrukt gezicht zette. Dat was de dikke,
+eeuwig hongerige Kees Kool. „Hoe jammer!” zuchtte hij, „hoe jammer!”
+
+„Wat is jammer?” vroeg hem een Oranjeman met dreigend gebaar.
+
+„Dat het niet een paar dagen vroeger of later gebeurd is. Je zult het
+zien, de Oomes in Batavia laten de verjaardagen van den koning en den
+kroonprins niet op twee achtereenvolgende dagen vieren, ze maken er één
+dag van.
+
+„Waar blijft dan onze dubbele menage? waar onze halve flesch wijn, de
+oorlam en het kwartje, dat we op ’s konings verjaardag krijgen?”
+
+„Bliksems, Kees heeft gelijk,” mompelden er een paar met lange
+gezichten.
+
+„Ja, ja,” ging hij intusschen voort „als de buikjes een armen soldaat
+wat kunnen aftroggelen, dan doen ze dat met het grootste plezier. De
+koning betaalt natuurlijk voor den kroonprins uit zijn eigen zak toch
+onze dubbele menage, den wijn, den oorlam en het kwartje en dat
+verdeelen de buikjes onder elkaar. Maar laten ze oppassen, dat onze
+leger-commandant het niet merkt! Dat is een haan, die er van kraaien
+zou. Ik heb een beetje verstand van politiek, want mijn neef, die ze
+verleden jaar in Atjeh zijn linkervlerk hebben stukgeschoten, is
+schrijver op de „weeskamer.” En als de schrijvers bij elkaar komen,
+jongens, jongens, dan hoor-je mooie geschiedenissen.
+
+„Mond houden!” riep nu de sectie-commandant: „Zie liever, dat je de
+soepvlekken uit je uniform krijgt en hier—ratsch! vloog er een knoop
+van de kapotjas—naai je knoopen steviger vast, waarachter je dien
+dikken buik moet wegbergen. Als je morgenvroeg niet netjes op ’t appèl
+komt, ben je zoo „zuur als azijn.””
+
+Diepe stilte heerschte er na het scherpe sermoen.
+
+Weer ging de deur open. De korporaal „van de week” verscheen. Hij trad
+op de groep onderofficieren toe, die levendig gesticuleerend zich in
+allerlei gissingen omtrent ’s prinsen bestaan verdiepten en zeide op
+gedempten toon, maar nogtans luid genoeg om verstaan te worden door de
+ademloos toeluisterende manschappen: „Ik kom van het staf-bureau. De
+staf-fourier heeft een telegram van zijn collega in Batavia ontvangen:
+er is geen quaestie van een kroonprins! Een paar vreemde oorlogsschepen
+zijn gelijktijdig op de reede aangekomen en hebben zoo hard
+gebombardeerd.” „O....o.o.o.o.o.o.. hoe jammer!” klonk het in het rond.
+Adjuus, dubbele menage, oorlam, wijn, kwartje twee dagen achtereen.
+
+Nog uren later werd er over den weggebleven kroonprins gemopperd en Jan
+Kloet, de vader van het gerucht, kreeg mildelijk ribbestooten voor de
+vervroegde geboorte-aankondiging.
+
+Inmiddels werd gepoetst, dat de zweetdroppels van de voorhoofden
+rolden, want morgen zouden ontelbare oogen er op uit zijn,
+mat-blinkende knoopen aan de uniform en roestvlekken aan het geweer te
+ontdekken. Eerst zou de korporaal, dan de sergeant, daarna de
+luitenant, vervolgens de kapitein, ten slotte de majoor alles bekijken,
+en wie weet? misschien zou ook de „toewan besaar” te Buitenzorg zijn
+militaire been voorzetten en eveneens komen inspecteeren.
+
+Voor het garnizoen van Meester Cornelis, dat eerst een kleine wandeling
+van anderhalf uur moest maken, om het parade-veld op het Waterlooplein
+te Batavia te bereiken, was het uitzicht op een parade volstrekt niet
+aanlokkelijk, doch—zooals gezegd—de hoop op al de heerlijkheden, die
+keuken en kelder (!) op dezen dag zouden bieden, voorts het bewustzijn,
+dat duizenden kritische mannelijke en vrouwelijke blikken op hen rusten
+zouden en dan de liefde voor den ouden koning, die onze Indische
+generaals Verspijck en Van der Heyden zoo hoog in eere hield, oefende
+op ieder afzonderlijk een bezielenden invloed uit.
+
+Het donderend: „Er uit! Onder de wol uit!” der korporaals was ditmaal
+dan ook overtollig. Nauwelijks waren de laatste klanken der reveille
+weggestorven, of daar vlogen reeds dozijnen witte gestalten in het
+schemerlicht der petroleum-lampen door de slaapzaal. Alles stormde naar
+de kali, die weldra op een met zeepschuim gekroonde waschtobbe geleek,
+waaruit proestende hoofden te voorschijn staken. Daarop ging het naar
+de keuken, waar de koelie de koffie uit den pruttelenden ketel schepte
+en de sergeant onder een hoeraatje de op koningsverjaardag’s met ham
+belegde broodjes verdeelde.
+
+Vijf minuten tijd, om de traktatie naar binnen te werken. Daarna werden
+weder de knoopvorken gezwaaid, de lemmetten der kapmessen blonken in de
+lucht, geweerkolven dreunden op den vloer.
+
+Als weer vijf minuten verloopen waren, weerklonk het langgerekte
+commando: „Aantreden!” en stommelend ging het de trap af. Zien kon men
+niet veel—het was pikdonker—maar hooren kon men iederen
+sectie-commandant.
+
+„Eerste sectie hier aantreden!” bulderde een zware stem. „Kerel, steek
+me je bajonet niet door het lijf!” dreunde de bas van den sergeant aan
+den linkervleugel.
+
+Nog een poos lang duurde het rumoer; eindelijk riep een heldere stem:
+„Geeft acht!” terstond gevolgd door een doodelijke stilte, die slechts
+verbroken werd door het geluid van eenige zware voetstappen en het
+kletteren van een sabel. De kapitein naderde en ontving het rapport uit
+de handen van den oudsten luitenant. Daarop trok hij de sabel, enkele
+commando’s weerklonken en met zwaar-dreunenden stap marcheerde „de
+Eerste” de poort door aan het hoofd van het bataljon. Daar stonden
+reeds de élèves der militaire school in het gelid, die hun geleerde
+gezichten naar een venster gekeerd hielden, waaraan bij het licht van
+kaarsen het frissche kopje van onze mooie „majoorsche” zichtbaar was.
+
+In de verte weerklonken tromgeroffel en hoorngetoet. Het kwam nader en
+nader. Een donkere massa golfde bijna onhoorbaar naderbij. Het was de
+derde compagnie, louter Javanen, wier supérieuren juist bij een parade
+het gemis van schoenen bij hun ondergeschikten smartelijk gevoelen. Het
+oor wil zich toch ook verkwikken aan den zwaren paradestap, zooals het
+oog aan de zuiver rechte lijn der gestrekte voeten.
+
+Nu kwam de muziek. Ternauwernood was zij opgesteld, of de
+bataljons-commandant kwam zijn woning uit. Commando’s weerklonken en
+vereenigden zich met het gekletter der wapenen; de muziek speelde den
+parademarsch en onder die tonen reed de majoor langs het front. Maar
+zelden kreeg men den kleinen, dikken heer te aanschouwen; doch als hij
+verscheen en zijn oog over de colonnes liet gaan, dan schenen de lange
+rijen in breedte en hoogte te groeien. Met verdubbelde rotten ging het
+nu den grooten postweg naar Batavia op, waar tusschen het geboomte de
+woningen der officieren vriendelijk uitkeken en vrouwtjelief den
+kranigen echtgenoot kushandjes tot afscheid toewierp.
+
+De natuur ontwaakte. In de twijgen der bosschages werd het levendig. De
+vogels piepten en krijschten. De wind ruischte zachtkens door de
+bladeren en schudde millioenen dauwdruppels naar omlaag. Daar brak de
+zon door, die roodgloeiend achter de woudreuzen was opgegaan en met
+haar stralen alles overstroomde. De punten der bajonetten schitterden
+alsof zij in purper waren gedoopt; zij wedijverden in vroolijken glans
+met de opgewekte gezichten der dragers. Een overvol gemoed gaf zich
+lucht in het heerlijke lied: „Wilhelmus van Nassouwen” en, kon men er
+ook zoo goed niet op marcheeren—het gezang plantte zich van compagnie
+tot compagnie voort—echt en goed gemeend was het toch.
+
+Bij het binnen-marcheeren van Kramat kon men bemerken, dat er iets „aan
+de hand” was; alle huizen waren gesloten en slechts enkele dos à dos
+snelden zoo vlug als de wind in één en dezelfde richting. Een eindweegs
+verder stiet men op groepen feestelijk uitgedoste Javanen en Chineezen;
+ook eenige „klipsteenen”, die zich de weelde van een „kar” niet konden
+veroorloven, bevonden zich onder hen.
+
+Van de „haute volée” was nog niets te bemerken. In sierlijken galop
+kwam nu een adjudant ons bataljon te gemoet; waarschijnlijk bracht hij
+beschikkingen, omtrent onze opstelling over, want hij wees naar het
+Waterlooplein, welks boomreeksen ons, het welkom toewenkten. Onder de
+vroolijke tonen van den Lindenau-marsch zwenkten wij de allee in en
+marcheerden met krachtigen pas, langs het garnizoen van Weltevreden,
+naar onze stelling.
+
+Van daar uit hadden wij een prachtig gezicht over het geheele terrein.
+Tegenover ons stond de „Schutterij”, goed in rijen geschaarde in het
+wit gekleede „buikjes”, die, in zwarte sabelkoppels gesnoerd, op
+fraaie, vlekkelooze winkelprentjes geleken. Rechts reden ons de
+elegante equipages der suiker-baronnen en koffie-graven voorbij,
+waaruit vrouwenoogen fonkelende blikken wierpen, die in schittering
+wedijverden met de talrijke briljanten der eigenaressen. De
+afwisselende tooneelen deden hitte en dorst vergeten.
+
+Eensklaps rekten zich alle hoofden naar ééne richting; er liep iets als
+een huivering door de lange, blinkende rijen. In fieren galop kwam een
+ruiter over het groote plein aangesneld.
+
+Donderende commando’s ontwelden aan zijn mond en de bataljons stonden,
+of zij uit erts waren gehouwen.
+
+Omgeven door een schitterenden stoet officieren naderde nu een vergulde
+heer, die lang niet onverschillig was onder de wilde sprongen van zijn
+door de drukte schichtig geworden schimmel. Waarschijnlijk om niet
+Moeder Aarde te moeten kussen, beval hij een knecht het dier vast te
+houden en verdeelde nu zijn aandacht tusschen het paard en de voor hem
+’t geweer presenteerende troepen. Misschien dacht onder dezen menigeen:
+„Nu, die ziet er ook niet naar uit, of hij ’t onderscheid kan zien
+tusschen een knoop, die vastgenaaid en één die met een lucifer
+bevestigd is.”
+
+De gouverneur-generaal—want dat was de heer op den schimmel—was zeker
+blij dat hij weer rustig kon stilzitten en ons laten voorbijmarcheeren.
+Vol waardigheid zag hij op de colonnes der compagnie neer en glimlachte
+goedkeurend, zoo dikwijls de beenen der manschappen als uit een kanon
+geschoten zijn schimmel op eenigen afstand langs den neus vlogen.
+
+Een heerlijke aanblik was het, toen artillerie en cavalerie op hun
+kleine, flinke paarden als een wervelwind over het paradeveld stoven.
+De schimmel had gaarne, zonder verlof van zijn heer, meegerend, maar
+een adjudant naast het dier liet het niet toe.
+
+Men moet eerlijk erkennen; een parade, die niet door een militair wordt
+geïnspecteerd, mist haar doel. Officieren en soldaten verlangen
+waardeering der afgelegde proeven. En zoo hun die ook in ruime mate
+wordt geschonken, zij verschaft hun niet de gewenschte voldoening, want
+zij is niet die van een deskundige; ze blijft een nietszeggend
+compliment. De soldaat is er toch steeds op uit, om van elke situatie
+de belachelijke zijde op te merken en als dit ten koste van den
+hoogstgeplaatsten persoon des lands geschiedt, dan lijdt diens prestige
+daardoor.
+
+Er werden dan ook veel „moppen getapt”, toen na afloop der parade het
+bataljon zich door het stof, dat een voet hoog den weg bedekte, weder
+naar het garnizoen van Meester Cornelis voortbewoog. Verzengend schoten
+thans de zonnestralen op de witgepoederde soldaten neer, die elkander
+de beloofde heerlijkheden uit den kelder (?) voorspiegelden, om
+zoodoende den dorst nog te vergrooten.
+
+„Nog maar een halfuurtje stevig doormarcheeren en dan zijn we er”,
+hoorde men allerwege.
+
+Het zou niet eens zoo lang duren. Met de snelheid van den wind trokken
+achter ons dichte wolkenmassa’s op. Het opgejaagde stof herschiep ons
+in wandelende molenaars, die door onheilspellend rollende donderslagen
+letterlijk tot den looppas werden aangezet. Het mocht niet baten; met
+een onweer in Indië kan men niet om het hardst loopen. Binnen weinige
+minuten stroomde ons het water uit de schoenkappen.
+
+Voor de eerste sectie had het onweer ten minste nog een nuttige zijde.
+De bombardonist die voor haar uit marcheerde, hield namelijk de
+windpijp van zijn instrument uitdagend ten hemel en verzamelde het
+stroomende nat. De een na den ander mocht dan aan het mondstuk van den
+bombardon zuigen en zijn dorst lesschen. Het was wel niet smakelijk,
+want de man pruimde, maar het deed toch goed.
+
+Twee uur later zat de geheele compagnie bij de dubbele menage en de
+halve flesch wijn en Kees Kool hield een redevoering waarin hij het
+Oranjehuis elk jaar een mannelijken telg toewenschte. „Maar niet op
+denzelfden dag, want de oomes in Batavia... we weten er alles van.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE BESTORMING DER BENTENG MANDOEROEIAN.
+
+(Zuider- en Ooster-Afdeeling van Borneo, den 20sten Sept. 1883.)
+
+
+„Sergeant! de kettingganger Panglima Alie is gedrost, en heeft van mij
+een splinternieuw slagersmes medegenomen.”
+
+Met deze woorden naderde de fuselier Van Zijl, die in de kleine
+versterking te Moeara Teweh naast de betrekking van kok ook het
+bloedige ambt van slachter uitoefende, den menagemeester. Deze trok een
+bedenkelijk gezicht, krabde zich achter de ooren en zeide tot een
+sergeant die in de nabijheid stond: „Dat heb ik wel zien aankomen. Hoe
+kon men ook zoo onverstandig zijn om een veroordeeld Atjehsch hoofd
+naar eene streek te zenden, waar de bevolking in verzet is en Mohamad
+Seman nog veel invloed bezit?”
+
+„Wat kan het jou schelen,” antwoordde de ander, „laat het civiel
+bestuur dat maar uitmaken.”
+
+„Je hebt gelijk,” mompelde de menagemeester en begaf zich naar den
+sergeant-majoor, die de jobstijding aan den post-commandant overbracht.
+
+Spoedig daarop rukten twee patrouilles uit, die in verschillende
+richtingen in het woud op verkenning gingen, terwijl eene gewapende
+sloep van den oorlogsstoomer, die voor de benteng op de Barito voor
+anker lag, stroomopwaarts voer om zoo mogelijk den vluchteling in
+handen te krijgen.
+
+Tegen den avond keerden allen naar Teweh terug, wel met vermoeide
+beenen, doch zonder Panglima Alie.
+
+Eenige weken waren sinds dat voorval voorbijgegaan. Het leven van het
+garnizoen bleef vervelend, zooals het alleen op buitenposten zijn kan.
+De manschappen exerceerden, werden geoefend in het schijfschieten en in
+hunne vrije uren speelden zij, onder het genot van wat slappe thee,
+pandoer om een halven cent de 10 punten. De officieren exerceerden
+natuurlijk ook mede, maakten daarna hun omberpartijtje (waarschijnlijk
+hooger dan om een halven cent de 10 punten) en dronken daarbij geen
+thee.
+
+In dat gemoedelijke leven kwam plotseling verandering, toen op zekeren
+dag het hoofd van een der omliggende bevriende kampongs in groote
+opgewondenheid binnen de benteng kwam en den commandant mededeelde, dat
+eene bende Doessoeners, onder bevel van den pretendent-sultan Mohamad
+Seman, van de bovenstreken was afgezakt en vijandelijkheden begon tegen
+alle kampongs, die geen gemeene zaak met hem wilden maken. Eenige dagen
+later werd een troep, die van het schijfschieten terugkeerde, uit de
+rimboe [24] beschoten. Daar de onzichtbare schutters zich op een
+behoorlijken afstand hielden en waarschijnlijk ook een weinig aan
+beverigheid laboreerden, bezorgde ons dat geschiet geen verliezen. Den
+postcommandant werd de zaak evenwel een weinig te bar. Toen hij bekend
+was geworden met de schuilplaats der opstandelingen, zond hij daarheen
+een detachement infanterie onder aanvoering van een officier, dat den
+vijand overviel, de benteng bestormde en met den grond gelijk maakte.
+Doch indien de bevelhebber had gedacht daarmede den vijand onschadelijk
+te hebben gemaakt, dan vergiste hij zich schromelijk. Elken dag traden
+de opstandelingen brutaler op. Bij honderden nestelden zij zich op de
+omliggende hoogten en richtten hun vuur op onze versterking en op het
+oorlogsstoomschip Onrust.
+
+Te Bandjermasin waren deze gebeurtenissen natuurlijk niet onbekend
+gebleven. Op zekeren dag duidde dan ook eene rookkolom de nadering aan
+van een stoomschip, en korten tijd daarna liet de Boni, tot groot
+genoegen van het garnizoen, haar anker vallen voor de versterking,
+medebrengende 60 man infanterie tot versterking van de bezetting. De
+Doessoeners, die waarschijnlijk van oordeel waren dat twee schepen
+gemakkelijker zijn te treffen dan één, namen nu ook de Boni onder vuur,
+zonder evenwel veel schade aan te richten.
+
+Een paar dagen later stoomden beide schepen met 100 man infanterie aan
+boord de Barito verder op. Spionnen hadden bericht dat de vijand in het
+stroomopwaarts gelegen Telok Mayang een sterken voorpost had opgesteld,
+die zoowel de versterking te Teweh als de omliggende kampongs
+aanhoudend verontrustte. De troepen, die de vijandelijke benteng van
+twee zijden naderden, vonden haar verlaten, doch men kwam te weten, dat
+de opstandelingen zich op ongeveer drie uren stoomens boven Teweh aan
+eene linker zijrivier (de Lahei) op een 40 meter hoogen heuvel sterk
+verschanst hadden. Aanvoerder van de bende was Panglima Alie, de
+gevluchte dwangarbeider, die tegenover de bevolking volhield dat
+Mandoeroeian—zoo heet de heuvel—voor onze troepen onneembaar was.
+Dientengevolge waren, te oordeelen naar de ontvolkte kampongs, vele
+gewapende mannen naar den vijand overgeloopen. Het werd daarom hoog
+tijd dien Atjeher eens eene gevoelige les te geven. Op den 19den
+September kwam daartoe de gouvernementsstoomer Djambi te Teweh aan, met
+den resident, den gewestelijken militairen commandant en een
+detachement infanterie van 50 man aan boord. Onmiddellijk werd met de
+bevelvoerende officieren overleg gehouden, en besloten zoo spoedig
+mogelijk tot den aanval over te gaan. Met onverholen vreugde werd deze
+tijding door de troepen vernomen, vooral door de vaste bezetting, die
+reeds zoo lang tot levende schijf gediend had, en zich zoo gaarne met
+den vijand zou hebben gemeten, indien de postcommandant slechts het
+bevel daartoe had willen geven. De aanval werd vastgesteld op den
+volgenden morgen.
+
+In de soldatenkamers ontstond nu groote bedrijvigheid. Hier gaf er een
+zijnen geweerloop—toch reeds zoo blank als een spiegel—nog eens een
+extra olielaagje; daar onderzocht een ander de scherpte van zijn
+kapmes, kortom alles was leven en beweging.
+
+„Zeg eens, Piet,” riep een fuselier zijnen kameraad Van Zijl toe, die,
+met het hoofd tusschen de handen, met starre blikken voor zich uit zat
+te kijken, „wil ik je vriend Alie niet de groeten overbrengen en hem
+vragen of hij je slagersmes wil teruggeven?” Op deze woorden volgde een
+schaterlach van de omstaande soldaten. De aangesprokene stond driftig
+op en met een gelaat, vuurrood van toorn, verliet hij de kamer.
+
+„Plaag dien armen kerel toch zoo niet,” bracht een oude korporaal in
+het midden, „het is al hard genoeg, dat hij morgen niet mee mag, omdat
+hij toevallig kok is.”
+
+Eenige minuten later stormde Van Zijl, gloeiend van opgewondenheid, de
+chambree weer binnen en riep luide: „Hoera! leve de kapitein! ik heb
+vergunning gekregen om mee te gaan. Nu zal ik mijn mes zelf halen, of
+de duivel mag het mij doen.”
+
+Van alle zijden hoorde men met genoegen dat de bij zijne kameraden en
+superieuren geziene kok, slachter, enz., mede van de partij zou zijn.
+
+„Niet waar, Piet, van middag krijgen we grootere porties, is ’t niet?”
+vroegen hem enkele manschappen.
+
+„Loop naar de maan!” antwoordde hij en ijlde naar zijn heiligdom, daar
+de hoornblazer reeds het signaal „voor den kok in de keuken” deed
+weerklinken.
+
+„Bruine boonen met spek,” mompelde de oude korporaal, terwijl hij met
+welgevallen den neus in zijn menageketel stak. „Piet heeft eer van zijn
+werk. Sedert Alie er met dat groote mes van door is gegaan, komt het me
+voor dat de rations grooter zijn. Er bleef misschien veel aan dat mes
+hangen.”
+
+De manschappen schenen van dezelfde meening te zijn, ten minste er
+heerschte eene diepe stilte, slechts afgebroken door het eigenaardige
+geluid van etende menschen en het gekletter van lepels en vorken.
+
+Daar knalden plotseling van buiten een paar schoten, eenige kogels
+vlogen over de hoofden der manschappen en drongen in de wanden.
+Verschrikt sprongen de jongere soldaten op. De oude korporaal bleef
+echter rustig zitten en zeide kalm: „Bruine en blauwe boonen onder
+mekaar kan geen korporaalsmaag verdragen. Zet de slaaptafels voor de
+vensters!” en toen dat geschied was vervolgde hij: „Ga nou je gang maar
+weer met eten.”
+
+Er waren evenwel toch enkelen, die na dat geschiet weinig eetlust
+hadden, daar eenige vijanden uit nabijzijnde boomtoppen een levendig
+vuur onderhielden. Ook de officieren hadden hunne eetzaal op dezelfde
+wijze gebarricadeerd om niet te veel blootgesteld te zijn. Allen
+troostten zich echter met de gedachte: „morgen zullen we het jelui wel
+afleeren.”
+
+Reeds vóór de morgen, waarnaar zoo verlangd werd, was aangebroken,
+stonden de manschappen van het garnizoen, die ook aan de expeditie
+zouden deelnemen, op de binnenplaats aangetreden. Een paar gedempte
+commando’s lieten zich hooren, en weldra marcheerde de troep naar
+buiten om zich naar den rivieroever te begeven, waar de Boni gereed lag
+om hen op te nemen.
+
+Het was nog stikdonker, daarbij hing er een dichte nevel over het
+water, zoodat men geen pas voor zich uit kon zien. Voelend en tastend
+gingen de manschappen een voor een over de glibberige loopplank op het
+stoomschip. Van de overige schepen was niets te zien. Slechts hoorde
+men nu en dan het sissen van ontsnappenden stoom en het geluid van
+menschenstemmen.
+
+Op het achterdek van de Boni stond de luitenant-adjudant C., die in
+plaats van den ongesteld geworden kapitein, wien aanvankelijk het
+commando was opgedragen, de aanvaltroepen zou aanvoeren, in druk
+gesprek met een paar andere officieren. Nu en dan ontsnapte hem eene
+kernachtige verwensching tegen den nevel, die maar niet wilde optrekken
+en het vertrek vertraagde. De handen schenen hem te jeuken.
+
+Eindelijk—het was ongeveer halfzeven—klaarde het op en zette de
+flottille zich in beweging. Voorop de Boni, daarna de Onrust en
+eindelijk de Djambi. Toen eerstgenoemd schip in de nabijheid van de
+kampong Ipoe gekomen was, zag de bemanning op grooten afstand eene
+prauw, bemand met ongeveer tien personen, stroomopwaarts roeien. Zeker
+waren dit vijandelijke verspieders, die onze komst moesten berichten,
+althans te oordeelen naar de snelheid, waarmede zij zich uit de voeten
+maakten, konden zij onmogelijk een zuiver geweten hebben. Het doel van
+den tocht kon nu niet ver meer zijn.
+
+Het was ongeveer drie uren na de afvaart, toen bij eene kromming der
+rivier de vijandelijke versterking in het gezicht kwam. Hoog boven de
+palissaden wapperde uitdagend de roode sultansvlag. Met volle kracht
+stoomde nu de Boni vooruit. Alles was aan boord tot een gevecht in
+gereedheid gebracht, doch aan ’s vijands zijde werd nog geen leven
+bemerkt. Nauwelijks evenwel was het schip binnen het bereik van de
+vijandelijke kogels gekomen, of een hevig vuur barstte los, zonder
+echter belangrijke schade aan te richten. Men bleef natuurlijk het
+antwoord niet schuldig. Een kort commando weerklonk, en een kanon van 5
+cM. verhief zijne stem, om in den vorm van eenige ijzeren
+suikerbroodjes de groeten over te brengen. Nog eenige
+infanterie-salvo’s en de vijand liet de Boni ongemoeid, om meer
+aandacht te wijden aan de Onrust en de Djambi. De Boni ging voor den
+mond van de Lahei ten anker. De Onrust opende op ongeveer 500 meter
+benedenstrooms het vuur, dat door den vijand levendig beantwoord werd.
+De leiding der verdediging scheen niet in slechte handen te zijn. De
+lilla’s [25] waren goed gericht, doch werkten weinig uit, daar de
+afstand te groot was.
+
+De Onrust had het ongeluk, dat bij eene poging om van de kleine
+kanonnen op het achterschip gebruik te maken en daartoe dwarsstrooms te
+gaan liggen, wegens den snellen stroom een anker moest worden gekapt.
+Daarna stoomde dit schip voorwaarts, kwam 400 meter benoorden de
+vijandelijke benteng weer ten anker en opende nogmaals het vuur, nu ook
+uit een kanon van 16 cM. De projectielen, daaruit geworpen, konden
+evenwel den heuveltop niet bereiken, daar aan het stuk geen voldoende
+elevatie kon worden gegeven. Met des te meer nadruk werd evenwel het
+vuur onderhouden uit de kleinere kanonnen, en blijkbaar niet zonder
+gevolg.
+
+De geschutstrijd had ongeveer een uur aangehouden, toen het
+vijandelijke vuur eenigermate verflauwde, en de overste het oogenblik
+gekomen achtte om tot den aanval over te gaan. Hij gaf dus last de
+troepen te ontschepen. Vooruit twee sloepen van de Boni met den
+voortroep onder het bevel van een luitenant, ten einde de nakomenden
+voor een overval te beveiligen. Na een half uur stonden ongeveer 170
+man, onder bevel van zes officieren, gereed het gevecht te beginnen.
+Zooals reeds van de schepen was opgemerkt, was de benteng aan drie
+zijden van zware verhakkingen voorzien, en moest men dus trachten aan
+den achterkant (noordzijde) te naderen.
+
+Een dajak, die door Panglima Alie genoodzaakt was geworden aan het
+opwerpen der versterking mede te werken, doch later gelegenheid had
+gevonden om te ontvluchten, werd door den controleur onder
+voorspiegeling van eene ruime belooning overgehaald tot gids te dienen.
+De man scheen niet bijster met die taak ingenomen, doch toen de
+commandant van den voortroep hem toevertrouwde aan de zorg van twee
+stevige fuseliers, die hem kort en bondig te kennen gaven, dat hij, bij
+de minste poging tot ontvluchten, als zijnde geen schot kruit waard,
+aan de bajonet zou worden geregen, schikte hij zich in zijn lot.
+
+In de volgende orde werd afgemarcheerd: aan het hoofd eene spits van
+zes man onder een sergeant, waarbij zich ook de commandant van den
+voortroep bevond; onmiddellijk daarachter de voortroep, sterk 30
+Europeanen en Amboineezen, vervolgens het gros van de voorhoede, de
+hoofdtroep, sterk 79 man en eindelijk eene achterhoede van 30 man. In
+de grootste stilte werd afgemarcheerd, slechts hier en daar kraakte een
+dorre tak onder de voeten van een minder oplettend soldaat, doch een
+bestraffende blik van den bevelvoerenden officier was voldoende om tot
+meer voorzichtigheid aan te sporen. Na een marsch van een kwartier kwam
+men voor een ravijn van ongeveer 10 meter diepte en 15 meter breedte,
+met zeer steile wanden. Een boomstam moest hier als brug dienst doen.
+De inlanders dansten er overheen alsof het een parketvloer ware
+geweest; ook de commandant van den voortroep balanceerde nog vlug naar
+den overkant. Moeielijker evenwel was de overtocht voor de volgende
+manschappen, daar de dunne boomstam door de bemodderde voeten hunner
+voorgangers glibberig was geworden. De meeste officieren en manschappen
+gaven er dan ook de voorkeur aan om schrijlings den overtocht te
+bewerkstelligen door het beurtelings verplaatsen van handen en
+posteriora, een kunststuk, dat eenen luitenant, die een weinig dik was
+uitgevallen, menigen zucht ontlokte. Dit veroorzaakte nog al oponthoud.
+De voortroep zette inmiddels den marsch voort en kreeg, na ongeveer een
+kwartier stijgen op aanwijzing van den gids, de benteng in ’t gezicht.
+
+„Links aanhouden!” klonk het uit den mond van den luitenant. De steile
+helling, waarvoor de gids den voortroep had gebracht, was voor eenen
+aanval alles behalve gunstig. Sidderend als een espenblad verzocht de
+gids, bevreesd voor de wraak zijner landgenooten, thans naar de
+achterhoede te mogen gaan. Het werd hem toegestaan. Weldra was de
+achterzijde der benteng bereikt. „Aan! vuur!” klonk het, en de knal van
+het salvo, honderdvoudig door het gebergte weerkaatst, waarschuwde de
+nog achter zijnde kameraden dat het doel bereikt was. Een krachtig
+hoera weerklonk, en als in een wedren doorschreden de manschappen van
+den voortroep de kleine ruimte, die den boschrand van de versterking
+scheidde. Snel werden de geweren door de schietgaten gestoken en een
+ware kogelregen op de binnen opgehoopte vijanden uitgestort. Deze waren
+echter niet genegen spoedig den kamp op te geven.
+
+Bijna borst tegen borst, slechts door de palissaden gescheiden, stonden
+onze soldaten tegenover den vijand. Aanhoudend spoorde het Atjehsche
+hoofd zijne onderhoorigen aan om eenen aanval met de blanke wapenen te
+doen. De commandant, hiervoor beducht, trachtte tot tweemaal de benteng
+te beklimmen, zeker dat hij door de soldaten gevolgd zou worden. Bij de
+eerste poging evenwel ontving hij een schot door den linkerarm, dat hem
+deed neerstorten. Ook de tweede poging mislukte.
+
+Intusschen had de commandant der colonne zich bij den voortroep
+gevoegd. Hij had sabel en revolver achtergelaten en alleen een dun
+stukje bamboe in de hand, waarmede hij zoo nu en dan het stof uit zijn
+broek klopte.
+
+„Hij heeft gelijk,” mompelde de oude korporaal, „ik ken hem van Atjeh.
+Als die een sabel in de vuist heeft en er moet gestormd worden, dan
+houden hem geen tien paarden; maar nu moet hij zijn kop bij elkaar
+houden.”
+
+„Verduiveld,” mopperde Van Zijl, „mogen we er dan nooit in?”
+
+Verlangend wendden zich veler blikken naar de plaats, waar de
+commandant stond. Kalm en bedaard wees deze de nakomende troepen, die
+door het overtrekken van het ravijn eenigszins waren opgehouden, hunne
+standplaats aan. Eindelijk was ook de achterhoede aangekomen. Deze werd
+zoodanig opgesteld, dat zij een aanval in den rug kon afwijzen. Spoedig
+daarop weerklonk het commando „Attaqueeren!” Eenige fuseliers
+klauterden als apen tegen de palissadeering op, terwijl anderen met de
+van boord meegenomen handspaken en breekijzers eene kleine opening
+maakten, waardoor andere manschappen binnendrongen en waarin de dikke
+luitenant, die het op bovenvermelden boomstam zoo zwaar te
+verantwoorden had gehad, bijna bleef steken.
+
+Een Amboineesche fuselier was de eerste, die met zijn geweer boven het
+hoofd te midden der vijanden sprong. Een Europeaan was de tweede. Van
+Zijl, die met den uitroep: „Mijn broeder was ridder, ik wil het ook
+worden!” in de benteng drong, vloog met opgeheven geweerkolf te midden
+der zich met vertwijfeling verdedigende opstandelingen. Doch deze
+konden tegen de steeds voorwaarts dringende soldaten geen stand meer
+houden. Een klein troepje wierp zich nog met de woede der wanhoop op
+onze manschappen, doch zij boetten die vermetelheid met hun leven. Toen
+de overigen hunne voornaamste aanvoerders hadden zien vallen, greep een
+panische schrik hen aan. In doodsangst vluchtten zij over de palissaden
+en stortten zich van eene hoogte van wel 10 meter in de versperring,
+die zij tot hunne eigene veiligheid hadden aangelegd. Achter hen
+klonken de salvo’s der overwinnaars, waardoor nog menige vluchteling
+gedood of gewond werd.
+
+Het was ongeveer halfeen, toen de drie sultansvlaggen, die aan onze
+soldaten den weg ter overwinning hadden gewezen, werden neergerukt, en
+de Nederlandsche driekleur zich ontplooide, luide begroet door de
+zegevierende troepen.
+
+Het wekte verbazing te zien, hoe dit bolwerk door den Atjehschen
+panglima gedeeltelijk naar de voorschriften der Europeesche
+versterkingskunst was ingericht. Drie rijen schietgaten van bamboe
+waren aan het ondereinde der palissadeering aangebracht en daarboven
+een banket, van een afdak voorzien, ten einde geen last te hebben van
+handgranaten. De kanonnen waren zóó opgesteld, dat zij het voorterrein
+en de rivier geheel konden bestrijken.
+
+Hoe hardnekkig de verdediging was geweest, bewezen 18 dooden binnen de
+versterking en een tiental, die daarbuiten waren neergeschoten. Om de
+gewonden heen stonden vele soldaten, vooral bij Van Zijl. Aller oogen
+vestigden zich op den ouden korporaal.
+
+„Heb je nog iets op je hart?” vroeg deze.
+
+„Is Alie, die smeerlap, dood?” was de wedervraag.
+
+„Hier ligt hij vlak bij je,” zei de korporaal op het lijk van den
+panglima wijzende, wiens hoofd letterlijk verbrijzeld was.
+
+„Ja, hij heeft me mijn mes in den buik gestooten, doch ik heb hem goed
+op zijn kersepit geraakt.”
+
+Allen wilden afscheid van hem nemen, doch hij drukte, geheel afgemat,
+alleen de handen van den ouden korporaal.
+
+Toen hij aan boord van de Onrust gebracht werd, waar de officier van
+gezondheid zich bevond, had het leven hem verlaten.
+
+Van Zijl was onze eenige doode. Gewond waren een officier en drie
+fuseliers. Onder de gesneuvelden des vijands waren vijf hoofden,
+namelijk: Panglima Alie; Pangeran Kertas Melajang, de Imam Mahdi, die
+den heiligen oorlog geproclameerd had; Pangeran Praboe Anoem, een neef
+van den pretendent-sultan; Panglima Naja, die den 27sten Februari een
+prauw met levensmiddelen had overvallen en zeven der opvarenden gedood
+had; Andin Loetoeng, een der voornaamste hoofden van de Soengei Lahei.
+
+Vier kanonnen, vijf-en-twintig geweren en eene menigte klewangs, lansen
+en mandau’s werden buitgemaakt.
+
+Bij het lezen dezer regelen zou menigeen misschien geneigd zijn de
+overwinning gering te schatten, wegens het klein aantal dooden en
+gewonden, dat de aanvallers bekwamen. Dit zou evenwel onjuist zijn.
+Niets ware den aanvoerder lichter gevallen dan de versterking in front
+te doen aangrijpen. Ook dan zou de verovering wel gelukt zijn, maar
+hoeveel dapperen hadden dan daarbij het leven niet moeten laten?
+
+Welke ver reikende gevolgen onze overwinning moest hebben, kan hij het
+best beoordeelen, die op de hoogte is van Indische toestanden,
+inzonderheid van de Borneosche. Wie daaromtrent meer wil weten leze: De
+Banjermassingsche krijg van 1859–62.
+
+De Dajaks uit die jaren, ten minste die uit de bovenstreken, zijn nog
+geheel dezelfden gebleven. Antassari is vervangen door Mohamad Seman.
+Aanhoudend weet deze geslepen vorst de gemoederen dier natuurkinderen
+op te winden en ze bij honderden ter slachtbank te voeren. Dit laatste
+blijkt uit eenen opstand, die vier jaren later daar weer uitbrak en
+eindigde met de verovering van Toembang Patangan.
+
+Ware de bestorming van Mandoeroeian niet gelukt, dan zou als een
+loopend vuur door het geheele land het gerucht verspreid zijn van de
+onneembaarheid der benteng en de onoverwinnelijkheid van haren
+verdediger Panglima Alie. De gevolgen zouden niet te overzien zijn
+geweest.
+
+Onze dappere soldaten en hunne kalme aanvoerders hebben dus door hunne
+overwinning aan het Nederlandsche gezag eenen gewichtigen dienst
+bewezen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE VEROVERING VAN DE VERSTERKING TE TOEMBANG PATANGAN.
+
+(Z. en O. Afd. van Borneo) op den 18den Maart 1887.
+
+
+De beweging op koloniaal gebied heeft tegenwoordig in de meeste landen
+van Europa alle klassen der maatschappij aangegrepen en meegesleept.
+Werkelijke en salon-ontdekkers doorzoeken met begeerige oogen elk
+werelddeel, om nog ergens een vergeten plekje grond te vinden, dat in
+bezit genomen zou kunnen worden. Oude en nieuwe akten worden
+doorsnuffeld om eene paragraaf te ontdekken, die voor tweeledige
+uitlegging vatbaar is, en waaruit misschien een schijn van recht tot
+inbezitname is af te leiden. In het kort, een levendig verlangen naar
+uitbreiding van gebied doet zich overal gevoelen, en het oude liedje:
+Mein Vaterland muss grösser sein, zweeft meer dan ooit op de lippen van
+geestdriftvolle patriotten.
+
+Dit jagen naar eene aanwinst, die meestal slechts in de verbeelding
+bestaat, trekt de aandacht van de binnenlandsche aangelegenheden der in
+bezit te nemen landen af; hoewel het toch noodig is daaraan in de
+eerste plaats de opmerkzaamheid te wijden, om de vernietiging van
+bestaande welvaart, ja zelfs het verlies van de geheele bezitting in de
+toekomst te voorkomen.
+
+Zelfs mogendheden, die eeuwenlang in het bezit waren van uitgestrekte
+koloniën, die beroemd zijn wegens hun uitstekend bestuur, moeten
+ondervinden dat een maatregel, die op zichzelf van weinig gewicht
+schijnt, aanleiding geeft tot jarenlange woelingen, die slechts met de
+bajonet kunnen worden bedwongen.
+
+Een voorbeeld hiertoe leveren de militaire operatiën der Nederlanders
+op het eiland Borneo, die plaats hebben, zonder dat de buitenwereld er
+veel van bemerkt.
+
+Lang voordat de Islam op Java was doorgedrongen, hadden Javanen reeds
+koloniën gesticht aan de zuidkust van Borneo, terwijl Boegineezen en
+andere Maleiers zich op de oostkust hadden gevestigd. Deze kolonisten
+vermengden zich langzamerhand met de oorspronkelijke bewoners des
+lands, de Dajaks, en deden zoo het gemengde ras ontstaan, dat
+tegenwoordig de kuststaten van Borneo bevolkt. De Dajaks werden allengs
+meer en meer naar de binnenlanden teruggedrongen, en het viel den
+kolonisten, die in ontwikkeling verre boven de oorspronkelijke bewoners
+stonden, niet moeilijk zich als beheerschers van het land te doen
+eerbiedigen. Zoo werden de verschillende Maleische staten gegrondvest,
+waarvan Bandjermasin het machtigst was. Toen de Nederlanders hun gezag
+ook over Borneo uitstrekten, lieten zij het inwendig bestuur aan de
+vorsten over, in de uitoefening waarvan deze natuurlijk werden
+bijgestaan en geleid door Europeesche ambtenaren, zoodat de
+Nederlandsche regeering eene voortdurende contrôle op hunne handelingen
+uitoefende.
+
+De rust bleef ongestoord, totdat in het jaar 1857 sultan Adam overleed,
+en in diens plaats Tamdjid’oellah door de regeering tot sultan van
+Bandjermasin werd benoemd, terwijl een kleinzoon van den overledene,
+Hidajat’oellah, tot rijksbestierder werd aangesteld. Deze
+regeeringsmaatregelen wekten ontevredenheid. Hidajat, Antasari, Demang
+Lehman en andere hoofden wisten in het geheim de bevolking tot verzet
+aan te sporen, en in het jaar 1859 werd openlijk de vaan des opstands
+ontrold. Slechts na groote krachtsinspanning en ten koste van talrijke
+offers mocht het den Nederlanders gelukken den opstand te bedwingen, en
+in 1860 werd het rijk van Bandjermasin bij het Nederlandsche gebied
+ingelijfd. Hiermede was evenwel nog op verre na de rust niet hersteld.
+Met korte tusschenpoozen bleven de woelingen aanhouden, waarvan, na het
+overlijden of onschadelijk maken van bovengenoemde aanvoerders, de zoon
+van Antasari, Goesti Mohamad Seman, het hoofd was. Met eene
+hardnekkigheid, eener betere zaak waardig, bleef deze zich verzetten,
+en hij wist de lichtgeloovige inboorlingen gemakkelijk voor zijne zaak
+te winnen.
+
+Nog steeds zwerft hij, zich sultan noemende, omringd door eene kleine
+schaar van ontevreden hoofden, door Borneo’s wildernissen. Tot heden
+heeft hij alle toenadering tot het gouvernement geweigerd. Hij wil
+alleenheerscher zijn.
+
+Bij vele zijner in de herhaalde gevechten gesneuvelde volgelingen vond
+men akten van aanstelling, waarin die verblinden tot regent,
+opperpriester of andere aanzienlijke ambten in zijn te stichten rijk
+werden benoemd.
+
+In zijn onderhoud voorziet hij door afpersingen van weerlooze
+kampongbewoners, die hij tevens door valsche voorspiegelingen of door
+geweld dikwijls tot verzet weet over te halen.
+
+Van elke ontevredenheid der bevolking, al heeft de oorzaak daarvan in
+de verte met zijne zaak niets uitstaande, maakt hij gretig gebruik om
+de domme, goedgeloovige Dajaks tot opstand aan te zetten en hen
+zoodoende ter slachtbank te voeren. Zelf houdt hij zich steeds
+voorzichtig buiten schot, en dit doet hem bij weldenkenden zeker niet
+in achting rijzen. Zoo sneuvelden in het jaar 1883, bij de bestorming
+van Mandoeroeian door onze troepen, velen van zijne trouwste
+aanhangers, terwijl hijzelf op behoorlijken afstand in de wildernis van
+eene zekere overwinning droomde. Gelijk een wild dier werd hij toen
+opgejaagd, doch het mocht ons niet gelukken hem te vangen. Steeds wist
+hij in de ontoegankelijke bovenstreken te ontkomen. Dit zal menigeen,
+die met de toestanden van het land niet bekend is, onverklaarbaar
+voorkomen. Voornamelijk door Duitsche „Colonialschwärmer” hoort men
+dikwijls met zekere minachting spreken over de weinige voortvarendheid,
+waarmede de Nederlanders tegen hunne oproerige overzeesche onderdanen
+optreden. Doch hoe spoedig zouden zij van gedachten veranderen, indien
+zij het land eens met eigen oogen konden aanschouwen!
+
+Onderscheidene bergruggen strekken zich op Borneo van het
+centraalgebergte tot aan de zee uit. Hiertusschen liggen onmetelijke
+laagvlakten, doorsneden door kolossale stroomen en bedekt met
+eeuwenoude wouden, die slechts langs enkele, bijna niet te
+onderscheiden voetpaden en met behulp van een inlandschen gids kunnen
+worden binnengedrongen. Eb en vloed doen zich op de rivieren tot ver in
+het binnenland gevoelen, en de lagere terreingedeelten worden dan ook
+geregeld onder water gezet.
+
+De stroomen zijn in dezen wilden chaos bijna de eenige verkeerswegen.
+
+Langs de oevers vindt men hier en daar, op groote afstanden van
+elkander verwijderd, kleine Dajaksche kampongs met de daarbij gelegen
+ladangs (droge rijstvelden), want ook de inboorlingen vestigen zich
+natuurlijk bij voorkeur aan de gemeenschapswegen.
+
+Langs de rivieren bewegen zich ook bijna uitsluitend de militaire
+expeditiën. Waar zij voldoende diepte hebben, wordt gebruik gemaakt van
+stoomschepen of groote prauwen. Nadert men evenwel de bovenstreken,
+waar breedte en diepte afnemen, dan moeten manschappen, munitie en
+vivres in djoekongs (uitgeholde boomstammen) worden overgeladen.
+
+Prauwen en djoekongs worden door inboorlingen geroeid, die met hunne
+korte spadevormige pagaaien aan die vaartuigen eene verbazende snelheid
+weten te geven.
+
+Opmerkenswaard bij die menschen is de buiten verhouding sterke
+ontwikkeling der armspieren, vergeleken met de dunne, dikwijls kromme
+beenen. De oorzaak daarvan is evenwel niet ver te zoeken. Slechts korte
+afstanden worden door den inlander te voet afgelegd. Moet hij eene
+grootere reis ondernemen, dan neemt hij zijn pagaai, plaatst zich met
+de beenen onder het lichaam gekruist in zijn djoekong, en voort gaat
+het. Het valt hem niet moeilijk om zoo zes-en-dertig uur achter elkaar
+door te roeien, zonder meer tusschenpoozen dan den tijd, die noodig is
+voor het bereiden en verorberen van het eten.
+
+De voor eene militaire expeditie benoodigde roeiers behooren òf tot de
+hulptroepen, die onder hunne eigen hoofden de expeditie vergezellen, òf
+het zijn andere inboorlingen, die tegen betaling tot dien dienst
+verplicht worden. In beide gevallen zijn zij weinig te vertrouwen. Niet
+zelden kwam het voor, dat bij een vijandelijken aanval de roeiers ’s
+vijands zijde kozen en zich op de argelooze soldaten stortten. Andere
+malen gebeurde het, dat zij bij het eerste schot overboord sprongen en
+naar land zwommen om van daar uit, behoorlijk gedekt opgesteld, het
+verder verloop der dingen gade te slaan. Welk eene heillooze verwarring
+hierdoor werd gesticht, kan men zich voorstellen, wanneer men weet dat
+de soldaten in het hanteeren der pagaaien onbedreven zijn. Doch niet
+alleen met de trouweloosheid van hulptroepen en roeiers hebben de
+militaire expeditiën te kampen. Ook de natuur en de listen des vijands,
+die met groote scherpzinnigheid van de voordeelen, welke het terrein
+hem biedt, weet gebruik te maken, stellen volharding en moed der
+soldaten op eene zware proef.
+
+Talrijke stroomversnellingen en neergestorte rotsblokken maken de vaart
+op de bovenrivieren reeds moeilijk. Op verschillende plaatsen worden
+bovendien door den vijand nog versperringen van omgekapte boomen enz.
+aangelegd. In het dichte woud aan den oever verscholen, wacht hij de
+komst der troepen af. Nauwelijks is de colonne de versperring genaderd
+en wil die omtrekken of opruimen, of eene hagelbui van kogels, pijlen
+en werpschichten overstelpt de verraste soldaten. Van alle zijden
+schieten uit kleine soengei’s de halfnaakte inlanders, onder luid
+geschrei, in hunne lichte vaartuigen te voorschijn. Boomen, aan den
+voet bijna geheel doorgekapt en slechts door een rotankabel staande
+gehouden, worden losgemaakt en storten op de strijdende dapperen, die
+met den moed der vertwijfeling hun leven verdedigen. Thans komt het er
+op aan bij elkander te blijven, kalm te zijn en vooral snel en juist te
+schieten.
+
+Dit laatste is voorwaar geen kleinigheid in die kleine smalle
+djoekongs, die bij de minste onvoorzichtige beweging omslaan.
+
+Het gevecht heeft nog slechts kort geduurd, doch van de eerste
+verrassing bekomen, hebben de soldaten zich weder geordend en brengen
+op hunne beurt den vijand groote verliezen toe. Reeds zijn verscheidene
+van zijne djoekongs zonder bemanning en drijven de rivier af, terwijl
+de lijken der gesneuvelden eene prooi worden der talrijke kaaimans, die
+zich in deze wateren ophouden.
+
+Nog een laatste wanhopige aanval, die zegevierend wordt afgeslagen, en
+even snel als zij gekomen zijn, verlaten de aanvallers in overhaaste
+vlucht het tooneel van den strijd. Die aanval heeft ons menig offer
+gekost.
+
+De verliezen worden opgenomen, de gewonden verbonden, en zoo mogelijk
+onder dekking teruggezonden. Daarna wordt de tocht naar het
+operatie-object zoo spoedig mogelijk voortgezet om misschien bij eene
+volgende kronkeling der rivier in eene zelfde hinderlaag te vallen.
+
+Laat nu nog iemand spreken van geregeld oorlogvoeren!
+
+In onrustige streken worden dikwijls ver vooruitgeschoven tijdelijke
+militaire posten opgericht, met het tweeledig doel de omwonende
+bevolking vertrouwen op ons gezag in te boezemen en als operatie-basis
+te dienen voor mogelijke expeditiën. Zulke posten zijn al zeer
+eenvoudig ingericht. Eene palissadeering uit ruwe boomstammen
+bestaande, met twee cirkel-bastions, waarop een paar gladde ijzeren
+kanonnen in batterij staan, omgeeft de gebouwen. Deze, die bestaan uit
+de woningen voor den commandeerenden officier en de manschappen,
+vivres- en munitiemagazijnen en meestal een klein hospitaal, worden van
+bamboe opgetrokken en met atap gedekt.
+
+Welk een ongunstigen invloed het verblijf in zulk eene versterking, die
+meestal is gebouwd op een vochtigen, met rottende plantaardige stoffen
+overdekten bodem, moet uitoefenen op de gezondheid, zal een ieder, die
+wel eens beschrijvingen van tropische landen gelezen heeft, gemakkelijk
+begrijpen.
+
+Dysenterie, malaria en beri-beri dunnen aanhoudend de bezetting.
+
+In dit opzicht was Toejoen, het uitgangspunt van de hierna te vermelden
+expeditie, berucht.
+
+Reeds vóór het oprichten van den post te Toejoen waren bij het bestuur
+berichten ontvangen omtrent woelingen onder de bevolking aan de
+Boven-Kahajan.
+
+Mohamad Seman wist eene door lieden van de benedenstreken ondernomen
+plundering op rekening van het Nederlandsche gouvernement te schuiven,
+en weldra had hij de geheele Boven-Kahajan in vollen opstand gebracht.
+Thans moest snel gehandeld worden. Om te beletten dat de opstand ook op
+den meer benedenstrooms wonenden stam der Oeloeh Baranarè zou
+overslaan, werd te Tewah eene tijdelijke versterking opgericht in de
+nabijheid der woning van het ons getrouwe hoofd Temanggoeng Mangkoe
+Kenjapi en door 40 man hulptroepen onder het flinke districtshoofd van
+Klein-Dajak, Radhen Johannes Karsa Negara, bezet.
+
+Een ander belangrijk punt, de kampong Toembang Koeroen, ongeveer vier
+uren roeiens stroomafwaarts van Tewah aan de soengei van denzelfden
+naam gelegen, werd bezet door eene bende hulptroepen onder het hoofd
+van Groot-Dajak, Demang Anoem Djaja Karsa. Dit punt was daarom van veel
+belang, omdat genoemde soengei den hoofdverbindingsweg vormde met de
+Boven-Kapoens.
+
+Niettegenstaande al deze voorzorgsmaatregelen gelukte het eene kleine
+vijandelijke bende, onder aanvoering van een paar mindere hoofden, in
+een donkeren nacht onze versterking te Tewah voorbij te sluipen en den
+meergenoemden stam der Oeloeh Baranarè in opstand te brengen. De
+toestand van den controleur, die zich te Tewah bevond, dreigde nu zeer
+hachelijk te worden. Beide bovengenoemde districtshoofden snelden
+evenwel ter hulpe, verdreven de vijandelijke bende en herstelden de
+rust.
+
+Thans werd de militaire post te Toejoen opgericht en bezet door 50 man
+onder een luitenant. Ook de controleur vestigde zich nu te Toejoen.
+
+De vijand zat intusschen niet stil.
+
+Onze hulptroepen werden in de versterking te Tewah aanhoudend bestookt.
+
+Een inlander, Koesin, die door den controleur met eenige manschappen
+naar de bovenstreken was gezonden om te trachten den stam der
+Ot-Danoems te bewegen zich in hun eigen belang niet bij den opstand aan
+te sluiten, werd even boven Tewah uit eene vijandelijke versterking
+beschoten, tengevolge waarvan hij en een zijner volgelingen gewond
+werden. Met een duren eed zwoer hij bloedige wraak te zullen nemen. Dat
+hij dien eed gestand deed, zullen wij hieronder zien.
+
+Eenigen tijd ging nu voorbij, zonder dat er veel belangrijks voorviel,
+totdat in het begin van 1887 de controleur plotseling te Toejoen onder
+eenigszins geheimzinnige omstandigheden overleed.
+
+Mohamad Seman, die inmiddels aanzienlijke versterkingen bekomen had,
+wist aan dit feit in de oogen der lichtgeloovige bevolking zulk eene
+beteekenis te geven, dat hij zich weldra in staat zag gesteld om
+aanvallend op te treden.
+
+Te Batoe Njewoek, vier uur roeiens boven Tewah, werd op zijn bevel eene
+versterking gebouwd, waarbinnen hij zelf zijn verblijf vestigde, en van
+waar hij zijne panglima’s uitzond om de Ot-Danoem tot den strijd op te
+roepen. Die zending gelukte maar al te wel. In korten tijd was zijne
+macht met pl. m. 500 strijdbare mannen van genoemden stam vermeerderd,
+die deels vrijwillig, deels gedwongen, zich onder zijne vanen
+schaarden.
+
+De toestand werd thans bedenkelijk.
+
+Door het opwerpen van eene versterking te Tamboeng Patangan,
+benedenstrooms van Tewah, was laatstgenoemde plaats geheel ingesloten,
+en de bezetting zag reeds het oogenblik naderen, dat zij, door honger
+gedwongen, voor de muitelingen zou moeten zwichten. Zóóver zou het
+evenwel niet komen, dank zij het energiek optreden van den pas met het
+bestuur belasten controleur Aernout. Deze had reeds op zijne vorige
+standplaats, Koeala-Kapoeas, de tijding van de meerdere werkzaamheid
+des vijands vernomen. Met den meesten spoed verzamelde hij eene bende
+hulptroepen en begaf zich aan het hoofd daarvan naar de Kahajan-rivier,
+waar hij zich op het gouvernements-stoomschip Boni inscheepte en den
+12den Maart Pahawan, de hoofdplaats van Midden-Kahajan, bereikte.
+
+Inmiddels was het een man der bezetting van Tewah gelukt een brief van
+het districtshoofd, Radhen Johannes, naar Toejoen over te brengen. In
+dit schrijven werd de toestand blootgelegd en hulp verzocht.
+
+In den voormiddag van den 13den Maart bereikte de controleur met de
+hulptroepen Toejoen, met vreugde begroet door de bezetting, die nu het
+vooruitzicht had op eenige afwisseling in den vervelenden
+garnizoensdienst.
+
+Terwijl de controleur met den militairen commandant in overleg trad,
+leverde het terrein buiten de versterking een schouwspel op van enkel
+leven en bedrijvigheid.
+
+Bonte groepen van in veelkleurige kleeding gedoste krijgers legerden
+zich om de hoog opvlammende vuren. Eene lucht van geroosterde visch en
+andere spijzen, die straks dien hongerigen mannen tot maaltijd zouden
+strekken, prikkelde de reukorganen. Hier zag men er eenigen bezig met
+het nazien en schoonmaken van hunne tromplaadgeweren; daar scherpten
+anderen klewang of kris voor den aanstaanden strijd.
+
+Het was een fantastisch tooneel.
+
+Als gevolg van de conferentie tusschen den militairen commandant en den
+controleur ontving de Europeesche sergeant Loessl het bevel zich met
+een detachement, sterk één Inl. sergeant, één Eur. en één Inl.
+korporaal en zestien fuseliers, waaronder zes Europeanen, den volgenden
+dag bij de hulptroepen aan te sluiten, ten einde bij den aanval op de
+benedenstrooms Tewah gelegen vijandelijke versterking, hun tot
+zedelijken steun te strekken en tevens voor de persoonlijke veiligheid
+van den controleur te waken.
+
+Den 14den tegen den middag brak de colonne op. De soldaten, voor wie
+het bijna ondoenlijk was zich in de kleine djoekongs in evenwicht te
+houden, werden in breedere platboomde vaartuigen geplaatst. Tevens
+werden uit voorzorg slechts aan de helft der roeiers geweren verstrekt,
+om te voorkomen, dat bij een plotseling treffen met den vijand, een
+ieder naar de wapenen zou grijpen en dientengevolge de colonne in
+verwarring zou geraken.
+
+In de diepste stilte gleden de vaartuigen langs den stroom. Op eenigen
+afstand snelden een paar lichte djoekongs vooruit, wier bemanning met
+scherpen blik den oeverrand bespiedde, om te ontdekken of niet de
+muitelingen ons door eene hinderlaag of versperring een poets zouden
+trachten te spelen, doch geen spoor van vijanden werd, zoover het oog
+reikte, bespeurd. Zoo vervolgde de colonne gedurende twee dagen haren
+weg. In den namiddag van den 16den werd de reeds vroeger vermelde
+kampong Toembang Koeroen bereikt.
+
+Hier sloot zich het districtshoofd van Groot-Dajak, Demang Anoem Djaja
+Karsa, met zijne volgelingen bij de colonne aan. Men was nu in de
+onmiddellijke nabijheid des vijands. De daken werden van de vaartuigen
+genomen om geen hinder bij het vuren te ondervinden.
+
+Den 17den werd de tocht vervolgd. De zon zond hare brandende stralen
+loodrecht op de donkere uniformen der soldaten; tallooze steekvliegen
+en muskieten maakten het stilzitten bijna onmogelijk. Hartelijk
+verheugd was dan ook ieder, toen in den namiddag de kampong Toembang
+Padjangei bereikt werd, waar zich een kleine wachtpost bevond, onder
+het kamponghoofd Doembang Pa Randan. Men was hier nog slechts twee uren
+roeiens verwijderd van het doel van den tocht, de vijandelijke
+versterking te Toembang Patangan.
+
+Om te voorkomen dat de colonne in de duisternis het gevecht zou moeten
+aannemen, waarbij de hulptroepen moeilijk van den vijand te
+onderscheiden zouden zijn, werd besloten hier te overnachten.
+
+Met den commandant van het militair detachement werden de maatregelen
+besproken voor den aanval van den volgenden dag. Uit verschillende
+berichten was den controleur gebleken, dat het zoo goed als ondoenlijk
+was, de vijandelijke benting van de rivierzijde aan te vallen. De
+waterstand was laag en de oever steil, terwijl de vijand, die
+natuurlijk van die zijde den aanval verwachtte, zich daar geducht
+versterkt had. Het zou onder die omstandigheden waarschijnlijk
+onmogelijk blijken om de hulptroepen vooruit te krijgen. Men moest dus
+trachten over land in den rug der versterking te komen, doch omtrent
+een voetpad daarheen was den controleur niets bekend. Gelukkig wist
+bovengenoemde Doembang Pa Randan hieromtrent eenige inlichtingen te
+geven. Voor eenige dagen had hij getracht levensmiddelen aan de
+belegerden in Tewah te doen toekomen, doch was bij die poging
+benedenstrooms van de vijandelijke versterking hevig beschoten
+geworden, zoodat hij met eenige gewonden moest terugkeeren. Daar in den
+omtrek van de plaats van den aanval geen prauwen te zien waren, leidde
+de controleur hieruit af, dat de vijandelijke afdeeling, die
+waarschijnlijk uit de benting beneden Tewah afkomstig was, over land
+daarheen gekomen moest zijn. Hij besloot dus bij den opmarsch van den
+landweg gebruik te maken. Het bleek later dat hij volkomen juist had
+gezien.
+
+Bovendien was het hem bekend, dat de inlandsche vijand, uit vrees voor
+overklimming, de palissaden veel te hoog maakt, zoodat het bij een
+aanval zaak is, zoo spoedig mogelijk den voet der palissadeering te
+bereiken, waar men voor zijn geweervuur betrekkelijk veilig is.
+
+Er werd dan besloten dat, zoodra de soldaten in den rug der versterking
+zouden gekomen zijn, een paar salvo’s gegeven en onmiddellijk daarna
+tot de bestorming zou worden overgegaan.
+
+Ook het te Tewah bevelvoerende districtshoofd wilde de controleur met
+zijn plannen in kennis stellen. Hij schreef een brief, waarin hij hem
+tevens gelastte om, zoodra hij bemerkte dat de colonne voor de
+vijandelijke versterking was aangekomen, met een gedeelte zijner
+troepen een uitval te doen.
+
+Het overbrengen van dit schrijven werd opgedragen aan eenige
+manschappen der hulptroepen. Na een paar uren kwamen deze evenwel
+onverrichterzake terug.
+
+Zij hadden op hunnen tocht een zestal sterk bemande vijandelijke
+rangkans (platboomde vaartuigen) ontmoet en waren daarvoor
+teruggedeinsd. Thans werden vrijwilligers opgeroepen om tegen groote
+geldelijke belooning den brief over te brengen. Weldra boden er zich
+drie aan, waaronder de hierna te noemen Toenda en Bakal.
+
+Het gelukte hun overland Tewah te bereiken, hoewel zij eenmaal door een
+vijandelijken post waren aangeroepen.
+
+Den terugweg legden zij te water af. Nabij de vijandelijke versterking
+legden zij zich plat op den bodem van het vaartuig. Op het aanroepen
+van den vijand werd natuurlijk geen antwoord gegeven, en deze verkeerde
+waarschijnlijk in de meening, dat het vaartuig een losgeraakte djoekong
+was, die stroomafwaarts dreef. Zoodra was niet het gevaar gepasseerd,
+of met alle kracht werd doorgeroeid, en des morgens om halfvijf konden
+zij den controleur den goeden uitslag van hunne zending mededeelen.
+
+De troepen hadden dezen nacht veel te doorstaan. In de smalle prauwen
+gezeten, nu en dan doorweekt door eene tropische regenbui, wachtten zij
+reikhalzend het aanbreken van den morgen af. Nu en dan vertoonde de
+maan haar bleek aangezicht voor korten tijd, om zich het volgend
+oogenblik weder achter zware wolken te verschuilen en het omliggend
+woud in duisternis te hullen.
+
+De diepe nachtelijke stilte werd slechts afgebroken door het kletteren
+van den regen, het kraken van een neerstortenden tak of het gekras van
+een nachtvogel. Zwermen muskieten maakten den doodmoeden mannen zelfs
+het stilzitten bijna onmogelijk. Er scheen aan dien nacht geen einde te
+zullen komen. Eindelijk, eindelijk verkondigde eene lichtstreep in het
+oosten, dat het lijden ten einde spoedde.
+
+Een oogenblik begaven zich de manschappen aan wal om aan de verstijfde
+ledematen eenige beweging te gunnen. Om 7 uur ging alles weder aan
+boord en werd de tocht voortgezet. Tot voorhoede was aangewezen eene
+afdeeling hulptroepen sterk 60 man in zes prauwen onder bevel van het
+districtshoofd Demang Anoem Djaja Karsa. Deze moest de oevers
+nauwkeurig onderzoeken en bij een vijandelijken aanval positie nemen en
+de hoofdwacht afwachten.
+
+Langzaam trok de colonne voort.
+
+Gesproken werd er niet meer; alle bevelen werden door teekens gegeven.
+Elk oogenblik kon men op den vijand stuiten.
+
+Ook de roeiers waren zich het gevaar bewust. Loodrecht dompelden zij
+hun pagaaien in den vloed, vooral zorgende met hun riemen de vaartuigen
+niet aan te raken, opdat geen geluid den vijand het naderen der onzen
+verraden mocht
+
+Men zag hunne armspieren zwellen onder de buitengewone
+krachtsinspanning, die deze wijze van roeien vorderde.
+
+Te midden van eene drukkende stilte als die welke een onweder
+voorafgaat, gleed de flottille langs den stroom.
+
+Daar werd door de voorhoede een teeken gegeven.
+
+Zij had de plaats bereikt waar Doembang Pa Randan beschoten was. Eenige
+manschappen gingen aan land en doorzochten, zich als slangen door het
+woud bewegende, het omliggend terrein. Weldra gaven zij door teekens te
+kennen, dat van den vijand niets te bespeuren was.
+
+Met een zucht van verlichting sprongen de soldaten aan land.
+
+„Als de tocht nog een paar dagen langer geduurd had, was ik een visch
+geworden,” meende er een.
+
+„Kijk mijn klavieren [26] eens aan!” zei een ander, terwijl hij beide
+handen uitstrekte, welke er uitgeweekt en gerimpeld uitzagen als die
+eener waschvrouw. „Dat komt er niet op aan,” voegde de korporaal hem
+toe, „ze zullen toch nog wel deugen om er op te slaan?”
+
+„Als onze bruine broeders er bij het eerste schot maar niet van door
+gaan.” zei degene, die ’t eerst gesproken had, op de hulptroepen
+wijzende, „doch ik laat liever deng-deng [27] van mij maken dan dat ik
+die kerels naloop,” voegde hij er bij.
+
+„Wij ook!” riepen de anderen.
+
+De komst van den controleur maakte aan het gesprek een einde.
+
+Alle manschappen waren intusschen ontscheept. Eene sterke afdeeling
+hulptroepen werd aangewezen om de vaartuigen te bewaken. Vijftien man
+werden bestemd tot verdediging van de ambulance. Slechts ongeveer 100
+man van de hulpbenden bleken moed genoeg te bezitten om den aanval mede
+te maken.
+
+De soldaten waren voorzien van 50 patronen per man, terwijl nog een
+reserve van 500 stuks in een vaatje zich bij de ambulance bevond.
+
+De hulptroepen hadden per man 20 patronen en 30 slaghoedjes.
+
+In alle stilte werd de marsch aanvaard. Vooruit marcheerde het
+districtshoofd van Groot-Dajak met 25 inboorlingen. Daarop volgde de
+spits van het militair detachement onder den korporaal Mattis. De
+hoofdtroep werd gevormd door de overige soldaten onder den sergeant
+Loessl en de bevolkingstroepen. Hierbij bevond zich ook de controleur.
+
+Het voetpad, dat men volgde, bleek in den laatsten tijd veel gebruikt
+te zijn. Het leidde door een verlaten rijstveld, te midden waarvan zich
+een huisje bevond. Snel werd dit doorzocht doch er vertoonde zich geen
+levende ziel. Eenige oogenblikken later kwam een andere woning in het
+gezicht, die verder afgelegen was en waarin het scherpe oog van het
+districtshoofd beweging meende te bespeuren. Doch de controleur
+gelastte door te marcheeren, men mocht zich niet laten ophouden. Later
+bleek dat bedoelde woning een wachtpost van den vijand had gehuisvest.
+
+Reeds spoedig viel aan de houding van de voorhoede op te merken dat men
+de vijandelijke versterking naderde. Als slangen kropen de mannen over
+den grond. Eerst moest evenwel nog eene kleine, doch tamelijk diepe
+soengei worden overgetrokken. Een enkele bamboe diende tot brug.
+
+De voorhoede was spoedig aan de overzijde, doch toen de korporaal
+Mattis ook den overtocht wilde beproeven, brak plotseling de bamboe, en
+met den uitroep: „daar heb je nou het gedonder al!” stortte hij in het
+riviertje.
+
+Poedelnat bereikte hij de overzijde, waar hij spoedig op het droge werd
+geholpen. Een geluk was het nog, dat zijn geladen geweer bij den val
+niet afging, anders zou de vijand ontijdig van onze komst verwittigd
+zijn geworden.
+
+In de grootste orde werd nu door de volgende troepen de rivier
+doorwaad, waarbij het water hun soms tot aan de kin reikte. Na nog een
+vijftig schreden te zijn doorgemarcheerd, ontdekte de voorhoede op pl.
+m. 50 M. afstand de vijandelijke benting.
+
+De gele, driehoekige sultansvlag, met twee roode gekruiste zwaarden in
+het midden, wapperde uitdagend van den hoogen vlaggemast.
+
+Het militaire detachement marcheerde nu rechts op. De controleur bleef
+met de hulpbenden het voetpad volgen. Toen hij deze aan den boschrand
+had opgesteld en zich even buiten het struikgewas vertoonde, werd hij
+door den vijand met geweerschoten begroet.
+
+Een hevig geweervuur ontwikkelde zich nu. Boven het knetteren der
+geweren klonk het tartend geschreeuw des vijands: madjoe andjing
+blanda, madjoe kafir! [28]
+
+Spoedig bekwamen wij eenige gewonden. De politiedienaar Thaib, die
+naast den controleur stond, werd door een schot in den elleboog
+getroffen, terwijl een man van de hulptroepen eveneens een kogel door
+den arm kreeg.
+
+Inmiddels was ook het militair detachement opgesteld, en na eenige goed
+gerichte salvo’s klonken reeds spoedig de commando’s: „avanceeren,
+attaqueeren!” Door eenige inlanders gevolgd stormden de soldaten als
+duivels op de versterking los. Zij stuitten echter op een 2.5 M. hooge
+en van borstrandjoes voorziene bamboeversperring, waarin evenwel eene
+kleine opening voor den terugtocht was gelaten.
+
+Hiervan maakte de Eur. fuselier Lebrun gebruik om tot de palissaden
+door te dringen en door een der schietgaten een levendig vuur op de
+binnen de versterking opgehoopte vijanden te openen. Het gevecht nam in
+hevigheid toe. Het gekerm der gewonden vermengde zich met de
+scheldwoorden, die de vijand onzen soldaten naar het hoofd slingerde.
+Doch deze lieten zich daardoor niet in de war brengen; ze kenden hun
+luidjes. Telkens wanneer zoo’n zwarte kop zich boven de palissaden
+vertoonde, klonk een doffe kolfslag of kraakte een schot, en de
+boeventronie verdween om niet weer te voorschijn te komen.
+
+Sergeant Loessl weerde zich dapper.
+
+Behalve eenige andere muitelingen, had hij ook een der hoofdaanvoerders
+Naia, door een welgericht schot, van het banket doen tuimelen.
+
+Het vuurgevecht begon blijkbaar den inlander Toenda te vervelen.
+Vastberaden trok hij zijn mandau en begon daarmede de bamboeversperring
+om te kappen.
+
+Een op hem gericht schot trof den Eur. fuselier Hess door de beide
+handen. Met een smartkreet liet deze zijn geweer vallen.
+
+„Piet,” riep hij den achter hem staanden fuselier Bezem toe, „mijn
+beide vlerken zijn naar de bl....”
+
+„Klets niet,” antwoordde deze, „ik kan mijn duim niet meer vinden.”
+Dezelfde kogel had hem den duim weggenomen.
+
+„Hier hebt ge een zakdoek, blijf maar rustig liggen,” voer hij voort,
+„eerst moet ik het dien smeerlap betaald zetten.” Met deze woorden
+legde hij op den panglima Tjagat, die het schot gelost had, aan en
+doorboorde hem de hersens.
+
+„Adoe!” klonk het van de lippen eens inlandschen fuseliers in de
+nabijheid. De arme kerel had de volle lading van een donderbus door den
+arm gekregen. Zooals later bleek waren zelfs enkele kogels tot in de
+lever doorgedrongen. „Wacht maar, arme bliksem, ze zullen er van langs
+hebben!” troostten hem de Europeesche kameraden.
+
+Onder de vijanden weerde een hoofd, zekere Bahoeta, zich het meest.
+Hoewel reeds in de zijde gewond, bleef hij de zijnen aanvuren en zelf,
+met een donderbus gewapend, den strijd hardnekkig voortzetten.
+
+„Piet,” zei Hess, terwijl hij bezig was met de eene punt van zijn
+zakdoek in den mond zijn gewonde handen te verbinden, „kun je dien vent
+niet neerleggen? Ik geef een rondje als we terug zijn.”
+
+„Je bent het kwijt!” riep kort daarop de aangesprokene, nadat hij den
+opstandeling een kogel door het hart had gejaagd.
+
+Waar het ’t heetst toeging was de controleur te vinden. „Madjoe!”
+(vooruit) hoorde men hem aanhoudend de hulpbenden toeroepen. Juist had
+hij zich naar de andere zijde der versterking begeven om de daar
+geposteerde inlanders aan te vuren, toen een achttal vijanden over de
+palissaden sprongen met het doel te ontvluchten.
+
+Hunne poging mislukte. Zij vielen onder de klewangs en krissen der
+inboorlingen.
+
+Een windvlaag vaagde een oogenblik den kruitdamp weg. Daar zag de
+controleur de bezetting van Tewah, ingevolge zijn last, ter hulpe
+snellen. In den looppas naderden zij, juichend in het vooruitzicht
+wraak te kunnen nemen op de vijanden, die hun zoo lang hadden doen
+honger lijden. Als de bliksem schoot den controleur de gedachte door
+het hoofd, dat deze mannen wellicht door onze soldaten voor vijanden
+zouden worden aangezien. Zich om den kogelregen niet bekommerende,
+ijlde hij hen te gemoet en wist hen door teekens tot staan te brengen.
+Bijna in hetzelfde oogenblik trof van eene andere zijde het geroep zijn
+oor: „soldadoe koerang patroon!” (de soldaten hebben gebrek aan
+patronen).
+
+Zoo spoedig hij kon, snelde hij nu naar de ambulance, waar zich de
+reserve-patronen bevonden. Niemand der inlanders wilde echter den
+gevaarlijken tocht ondernemen.
+
+Kort besloten nam hij toen zelf het vaatje op den nek en torste het
+naar de versterking. Gelukkig bleek het dat bij de soldaten nog
+patronen genoeg waren.
+
+Het vuurgevecht had thans ongeveer een half uur geduurd. De kracht der
+verdediging begon aanmerkelijk te verflauwen. Er scheen verdeeldheid
+onder de muitelingen te heerschen.
+
+Uit de benting klonk een verward geschreeuw, waarboven men de
+uitdrukkingen: „balakoe ampoen!” (wij vragen vergiffenis) en: „mamoek
+itah!” (laat ons amok maken) duidelijk kon onderscheiden.
+
+Van deze stemming maakte de controleur gebruik om de bezetting tot
+overgave te bewegen. Hij gelastte het kampong-hoofd Djaga Saki, wiens
+schoonvader een der aanvoerders van de muitelingen was, dezen toe te
+roepen om zich over te geven. Het duurde niet lang of bedoelde
+schoonpapa sprong over de palissadeering, legde zijn wapenen af en gaf
+zich gevangen. Spoedig volgden er meer. Een Dajak, die reeds zijn
+geweer had afgegeven, trok onverwacht zijn mandau en wilde amok maken.
+In het volgend oogenblik lag hij evenwel rochelend op den grond, door
+den fuselier Bezem met een steek in de borst en een schot door het hart
+doodelijk getroffen.
+
+Een klein gedeelte der bezetting bleef op aansporing der hoofden den
+strijd nog voortzetten. Daar weerklonken aan de andere zijde der
+versterking klewangslagen. Het was de reeds genoemde Koesin, die met
+een gedeelte der bezetting van Tewah bezig was de deur der versterking
+te vernielen. Van alle zijden werd nu opgedrongen. De soldaten
+beklommen, dapper voorgegaan door hun aanvoerder, sergeant Loessl, de
+palissaden en kwamen, tegelijk met de hulptroepen onder Koesin, binnen.
+Een kort, doch bloedig gevecht volgde nu. Bajonet, klewang en mandau
+kruisten elkander en het wapengekletter vermengde zich met het gehuil
+van den vijand. Weldra lag een gedeelte der muitelingen in hun bloed
+badende op den grond; de overigen smeekten om genade.
+
+Het restantje verdedigers, meestal hoofden, waaronder negen gewonden,
+werd man voor man gevangen genomen. Toen volgde een treffend tooneel.
+
+Bliksemsnel werd de hatelijke sultansvlag naar beneden gerukt en in
+hare plaats ontplooide zich statig de Nederlandsche driekleur boven de
+zoo hardnekkig verdedigde benteng.
+
+Als op commando vlogen de helmen van de hoofden der soldaten.
+
+Een oogenblik heerschte er eerbiedige stilte. Toen barstte het gejubel
+los.
+
+„Hoera!” brulden de soldaten.
+
+„Halap, halap!” krijschten de Dajaksche hulptroepen.
+
+Er scheen aan ’t gejuich geen einde te zullen komen.
+
+De verliezen van den vijand waren groot. Veertien dooden bleven in de
+versterking liggen, terwijl drieënveertig man, waaronder vele
+panglima’s, waren gevangen genomen.
+
+Thans werd overgegaan tot het vernielen van de benteng. De palissaden
+werden omvergehaald en weldra verkondigde eene zware rookkolom en
+daarna eene hooge vlam, ver in den omtrek aan de bevolking, hoe het was
+afgeloopen met hen, die zich tegen het Nederlandsch gezag hadden
+verzet.
+
+Met verbeten woede zagen de gevangenen dit tooneel aan. Met op den rug
+gebonden handen staarden de hoofden met verwezen blikken in de lustig
+opflikkerende vlammen.
+
+De toekomst was voor hen treurig genoeg!
+
+Mocht het hun gelukken den strop te ontloopen, dan toch zouden zij hun
+verder leven, verre van het vaderland, als dwangarbeider moeten
+doorbrengen.
+
+En, o, schande! wanneer een hunner zonen zijne moeder zou vragen: „Wijs
+mij het graf mijns vaders, opdat ik vandaar mijn gebeden tot Allah
+opzende!” wat zou zij moeten antwoorden?
+
+Weenend zou zij vol schaamte het hoofd verbergen en antwoorden: „Uw
+vader, die eens hier gezien was onder de hoofden des lands, is, verre
+van zijn vaderland, in dienstbaarheid van heimwee gestorven, omdat hij
+zich verzet had tegen den grooten vorst, die aan gene zijde van de zee
+regeert.”
+
+Schijnbaar onverschillig lieten de gevangenen zich aan elkander binden,
+en onder behoorlijk geleide werden zij met de gewonden naar Toejoen
+gebracht, waar zij nog denzelfden dag aankwamen.
+
+Den volgenden morgen werd door den controleur eene bevolkingspatrouille
+onder Temanggoeng Mankoe Kenjapi uitgezonden naar de bovenstrooms Tewah
+gelegen vijandelijke benteng. Die versterking werd verlaten bevonden en
+in de asch gelegd. De pretendent-sultan had met zijn gansche gevolg de
+vlucht genomen, te laf om, evenals zijn verblinde volgelingen, zijn
+vermeende rechten met de wapenen te verdedigen.
+
+Rusteloos zwerft hij thans weder in de wildernis rond, totdat hij
+eindelijk in de handen van onze troepen valt of getroffen wordt door
+het staal van een zijner misleide slachtoffers.
+
+Toen de colonne eindelijk te Toejoen terugkeerde, heerschte daar eene
+recht feestelijke stemming. De militaire commandant liet onmiddellijk
+„extra oorlam” blazen, (wees niet bang, vaderlander, voor eene
+verhooging der koloniale begrooting: de luitenant betaalde het uit zijn
+eigen zak).
+
+In opgeruimde stemming verhaalden de soldaten aan de noode
+achtergebleven kameraden hunne wedervaringen.
+
+De aan beide handen verwonde fuselier Hess was reeds eenige dagen te
+voren in de ziekenzaal opgenomen.
+
+Bezem ging hem daar opzoeken. „Kerel, ik krijg nog een borrel van je,
+weet je wel, we moeten dien pangelman (panglima) nog dood drinken.”
+
+„Het spijt mij duivelsch,” antwoordde Hess, „maar het zit er niet aan;
+mijn laatste kwartje heb ik gebruikt voor een brief aan de oude vrouw.
+Het goede mensch zou anders misschien denken dat ik dood was.”
+
+„Nu, dan zal ik trakteeren,” zei Bezem.
+
+„Jongen, als de dokter het ruikt, ga ik de blokzaal [29] in”, merkte
+Hess schertsend op.
+
+„Ben je mal, het is vandaag feest, ga maar mee!” en Hess liet zich
+meetroonen.
+
+Een glaasje werd op beider gezondheid gedronken en de gewonde sloop
+naar de ziekenzaal terug.
+
+De regeering heeft de daden van den dapperen controleur en de
+onversaagde troepen beloond.
+
+Aernout en Loessl werden tot ridder 4e klasse der Militaire Willemsorde
+benoemd. De Europeesche fuseliers Lebrun en Bezem en de inlandsche
+fuselier Longko werden eervol vermeld, terwijl aan de districtshoofden
+van Groot- en Klein-Dajak, Radhen Johannes Karsa Negara en Demang Anoem
+Djaja Karsa de zilveren en aan de inlanders Koesin, Toen en Djaga Saki
+de bronzen medaille voor moed en trouw werd toegekend.
+
+Doch ook gij, Nederlanders, moogt dezen mannen, die elk uur van den dag
+hun leven voor uwe belangen veil hebben, dankbaarheid toonen. Wanneer
+zoo’n oud soldaat met dien „blikslagerswinkel op zijn d.....” [30] bij
+u komt, laat u dan niet door zijn schuchter optreden afschrikken.
+Zichzelf op den voorgrond plaatsen, heeft hij in zijn langen diensttijd
+verleerd.
+
+Vraag hem eens af, of hij gedurende zijn vele en langdurige
+krijgstochten veel heeft moeten uitstaan en hij zal u glimlachend
+antwoorden: „Mijnheer, wat zal ik u zeggen? We hebben wel eens honger
+moeten lijden en lang moeten sjouwen voor we de kerels te pakken
+kregen; maar dan hebben ze er duchtig van langs gehad.”
+
+In die weinige woorden ligt een geheele lijdensgeschiedenis opgesloten.
+Doch deze man heeft niet de phantasie van een Stanley, wiens
+reisbeschrijving thans door iederen Nederlander verslonden wordt.
+
+Een profeet is niet geëerd in zijn vaderland, vooral niet wanneer dat
+vaderland Nederland heet.
+
+Zie de uitgeteerde en vermagerde gezichten van onze Indische officieren
+en soldaten eens aan, als zij in het vaderland herstel komen zoeken
+voor hun ondermijnde gezondheid, om, wanneer ze weer eenigszins daartoe
+in staat zijn, den strijd opnieuw voor u, Nederlanders, te gaan
+aanvaarden. Vraag hun eens af of ze niet dagen lang met sabel of geweer
+in de eene en het kapmes in de andere hand, in de Indische wildernissen
+hebben moeten doordringen, evenals Stanley voor wien iedere gevelde
+boom een eerezuil geworden is!
+
+Vraag hun af of ze niet uit zuiver plichtgevoel dagen lang honger en
+dorst gestild hebben met een handvol droge rijst en een slok stinkend
+sawah-water!
+
+Daarbij waren ze niet, evenals Stanley, omringd door laffe
+natuurkinderen, die bij het afgaan van een geweer de vlucht namen.
+
+Neen, dappere krijgers, die zich met de grootste doodsverachting in den
+strijd stortten, waren dagelijks hun tegenstanders!
+
+Hun leven hing bijna altijd aan de punt van sabel of bajonet. Wanneer
+dan zulk een oud-Indisch soldaat tot u komt en u om eene voor hem
+geschikte betrekking vraagt, die gij te vergeven hebt, laat dan die zoo
+dikwijls belachelijk gemaakte „blikslagerswinkel” eene betere
+aanbeveling zijn dan niets zeggende recommandatiebrieven. Dan zal er
+eenmaal een tijd geboren worden dat elk gewezen Indisch militair met
+trots zal kunnen zeggen:
+
+„Ik ben koloniaal geweest.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Bijnaam voor sergeant-majoor, wegens de dubbele gouden chevrons,
+die zijne uniform versieren.
+
+[2] Gebakken pisang.
+
+[3] Masseeren.
+
+[4] Stroosigaren.
+
+[5] Muskieten-gordijn.
+
+[6] Komt.
+
+[7] Hagedis.
+
+[8] Help, help!
+
+[9] Rijksdaalders en guldens.
+
+[10] Waarachtig lekker!
+
+[11] Dansmeid.
+
+[12] O, wat ben ik ziek!
+
+[13] Help, help, wat doet mijn lichaam mij pijn!
+
+[14] Wel verbazend!
+
+[15] Artsenij.
+
+[16] Vrouw.
+
+[17] Markt.
+
+[18] Gaarkeukentjes.
+
+[19] Smakelijk eten.
+
+[20] Inlandsche hond.
+
+[21] Fakkels.
+
+[22] Droegen.
+
+[23] Draagstokken.
+
+[24] Dicht struikgewas.
+
+[25] Kleine kanonnen.
+
+[26] Handen.
+
+[27] Aan reepen gesneden en gedroogd vleesch.
+
+[28] Vooruit Hollandsche honden, vooruit ongeloovigen!
+
+[29] In groote hospitalen een afzonderlijke zaal, waarin lichte zieken,
+die zich aan de tucht vergrepen hebben, verpleegd worden.
+
+[30] Lievelings-uitdrukking van fatten, die nooit grooter gevaar onder
+de oogen hebben gezien dan het op- en afspringen van een tram, voor de
+eereteekenen, waarmede in den regel een Indisch militair is versierd.
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GE-EFT ACHT! ***