diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-24 19:21:02 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-24 19:21:02 -0800 |
| commit | fc96c2949836a5c466d856f6960b5dcebe683e7a (patch) | |
| tree | 17580feaa45b103b5d2385b21ed87d952de99fd3 /67013-0.txt | |
Diffstat (limited to '67013-0.txt')
| -rw-r--r-- | 67013-0.txt | 4608 |
1 files changed, 4608 insertions, 0 deletions
diff --git a/67013-0.txt b/67013-0.txt new file mode 100644 index 0000000..fc24672 --- /dev/null +++ b/67013-0.txt @@ -0,0 +1,4608 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GE-EFT ACHT! *** + + + + + GE-EFT ACHT! + + SCHETSEN UIT + HET INDISCHE SOLDATENLEVEN + + + DOOR + A. PRELL + + + AMSTERDAM + VAN HOLKEMA & WARENDORF + 1893 + + + + + + + + +INHOUD. + + + Blz. + IETS OVER INDISCHE SOLDATEN 1 + VRIJWILLIGERS 13 + EINDELIJK RECRUUT 25 + ONDER INLANDSCHE RECRUTEN 40 + MIJN EERSTE RAPPORT 62 + KAPITEIN EENOOG 77 + MIJN EERSTE HUISHOUDSTER 92 + ZE HANGT MAAR AAN EEN DRAADJE 104 + ZINGENDE SOLDATEN 125 + PARADE 137 + BESTORMING VAN MANDOEROEIAN 148 + TOEMBANG PATANGAN 166 + + + + + + + + +IETS OVER INDISCHE SOLDATEN. + + +Ieder, die de toestanden in het Indische leger kent, zal zich +verwonderd hebben over al den onzin, die in den laatsten tijd daarover +geschreven en gesproken werd. Voornamelijk enkele hoogmogende +geestelijken en de middernacht-zendelingen, hebben in woord en +geschrift den banvloek uitgesproken over de schurftige schapen onder +hun zoo zorgvol geweide kudde. Zou dit wel de beste weg zijn, om +verdoolden op het goede spoor terug te leiden? Tot nog toe heb ik in ’t +practische leven nooit anders ondervonden, dan dat menschen in ’t kwade +verharden, hoe meer men hun fouten en gebreken wereldkundig maakt en +hen daarbij met verwijtingen en scheldwoorden overlaadt. Uit lang +vervlogen dagen klinken mij nog altijd de woorden in het oor van een +ouden geestelijke, die over naastenliefde sprak. + +„Bestaat er geen naastenliefde meer, of strekt zij zich niet uit tot +den Indischen soldaat?” Als men mocht gelooven al hetgeen de heeren +zeggen, dan bestaat het Indische leger voor het grootste gedeelte uit +menschen, wier hoogste ideaal de jeneverflesch en de dienst van Venus +is. Haast nooit heb ik in hun uitlatingen een lichtpunt kunnen +ontdekken. Satan heeft het geheele leger in erfpacht. Hij beploegt, +bezaait het en oogst er van. + +Volgen wij die heeren eens op hun militaire uitstapjes. Eerst dan naar +Harderwijk. De lieden, die WIJ er aantreffen, zijn geen soldaten van +het Indische leger; het zijn verkleede burgers en eerst na hun +inscheping kunnen zij gerekend worden deel uit te maken van het +Indische leger. Deze verkleede burgers, tot verschillende +nationaliteiten behoorende, zijn saamgepropt in een nest, waar de +verveling ieder mensch op ’t gezicht en ieder huis op de deur te lezen +staat. Hoe zullen deze verkleede burgers, die meest allen, ieder op +zijne wijze, uit den levensbeker van vreugde en leed met volle teugen +gedronken hebben, maanden achtereen, tot zij worden ingescheept, hun +vrijen tijd klein krijgen? De verveling en alleen de verveling is het, +die deze verkleede burgers zoo dikwijls met de jeneverflesch in +aanraking brengt. Deze verkleede burgers zijn het, die men in de +hoofdstad zoo dikwijls in gezelschap van liederlijke vrouwspersonen +langs de straat flaneeren ziet. Aan deze verkleede burgers is het te +wijten, dat het Indische leger zoo ten onrechte bij de burgerij in +slechten reuk is gekomen. Immers zij behooren nog niet tot het Indische +leger. Wat zij misdoen komt voor rekening van de burgerij. + +Hoe geheel anders doet zich dezelfde verkleede burger voor, als hij +soldaat geworden is, als hij discipline geleerd heeft. Nu, een ieder, +die slechts éénmaal zijn neus in een Indische provoost heeft gestoken +of de verhalen heeft aangehoord van soldaten, die bij een hitte van 98° +daar 8 tot 14 dagen hebben doorgebracht, met den rechtervoet aan de +linkerhand geklonken en om den anderen dag gespijzigd met water en +droge rijst—en dat alles omdat zij te veel gedronken hadden—in ’t kort +een ieder, die tot bedoelde bevoorrechten behoort, zal beseffen dat de +jeneverflesch het ideaal van den Indischen soldaat niet zijn kan. Het +beste bewijs daarvoor zijn de strafregisters. Laat het nu gebeuren, dat +werkelijk de eene of andere soldaat eenmaal in het geheele jaar wegens +dronkenschap gestraft wordt; is hij dan een dronkaard? Daarbij moet ik +op den voorgrond stellen, dat men in het Indische leger niet die +talrijke fijne schakeeringen kent, waarvoor in het burgerlijk leven zoo +dikwerf uitdrukkingen gebezigd worden als: goed geamuseerd, een beetje +aangeschoten, even boven zijn theewater, enz. + +Neen! daar laat de wachthebbende onderofficier den verdachte eenvoudig +„rechtsomkeert” maken en zoo hij bij die manoeuvre maar even zwaait, +dan is hij „zuur” en marcheert de provoost in. Gerechte hemel! Hoeveel +„rijksprovoosten” zou de minister van Justitie wel moeten laten bouwen, +indien hij zoo’n ouden Indischen snorrebaard aan de deur van „de Groote +Club”, „de Witte” en meer dergelijke inrichtingen posteerde, met de +opdracht, om ieder, die buiten komt, rechtsomkeert te laten maken en +wanneer hij waggelt, te doen inrekenen. Wie weet of er dan niet +menigeen onder zou zijn, van degenen, die thans met huichelachtige +verdraaiing der oogen bidden: „Heere! Heere! drijf toch den drankduivel +uit het Indische leger!” Om terug te komen op de geestelijkheid, wie +het werkelijk ernst schijnt te zijn, om in het Indische leger zedelijke +verbeteringen tot stand te brengen,—ik veroorloof mij, haar nogmaals te +wijzen op de verkeerde taktiek, sommige gebreken in het openbaar te +gispen of op misstappen opmerkzaam te maken, die door enkelen begaan +worden. Zoo las ik bijvoorbeeld onlangs in de Locomotief een artikel, +onderteekend Roge, waarin een pastoor zich bitter beklaagde over +soldaten, die hij tot kerkzangers had willen opleiden. In den beginne +had hij hun jenever gegeven zooveel zij wilden en toen hij bemerkte, +dat zij zich te buiten gingen, had hij een proef genomen met ijswater +en sigaren; maar toen waren de zangers weggebleven. Doch de pastoor +moest dan toch in ieder geval weten, dat de goede God niet gediend kan +zijn met den lofzang van menschen, wier plotseling opwellende +godsdienstzin door de uitwerking van spiritualiën is teweeggebracht. +Aan den anderen kant kan men het toch den soldaten niet euvel duiden, +dat zij, in de meening dat hun diensten dezelfde bleven, bij verlaging +van loon, het vrome werk staakten. Het is immers de oude geschiedenis +van den hond, die geen brood meer lust, nadat men hem met biefstuk +gevoed heeft. Had de pastoor op het eergevoel dier mannen gewerkt, had +hij hen beschouwd als menschen „van gelijke beweging” als hij, dan zou +hij geen jenever en ook geen ijswater met sigaren noodig hebben gehad. +Deze Pastoor Roge moest zich eens door zijn collega Verbraak op Atjeh +laten leeren hoe met Indische soldaten om te gaan; want die weet het! +Ik geloof, dat niet één soldaat—Christen, Jood, Mohammedaan of heiden, +om ’t even—van Atjeh is weggegaan, die niet met bewondering aan pastoor +Verbraak terugdenkt. Een glimlach helderde als een zonnestraal de +smartelijk verwrongen trekken der gewonden en zieken op, als de pastoor +de ziekenzalen binnentrad en vroeg: „Jongens, heb je ook wat op ’t +hart?” Nooit kwam er een verwijt over zijn lippen. Een vriendelijke +vermaning als: „Jongens, wat heb je nu aan dat vloeken over je pijn!” +was het ergste wat men van hem te hooren kreeg. Menig stervende van een +andere geloofsbelijdenis, die in zijn laatste oogenblikken berouw over +zijn vroeger leven gevoelde en zich tot Verbraak, die aan zijn sponde +bad, wendde met de woorden: „Pastoor, zal uw gebed wel voor een +andersdenkende helpen?” gaf hij ten antwoord: „Voor God zijn wij allen +gelijk en ook u zal Hij niet verstooten. Ge waart immers een braaf +soldaat en sterft voor uw vaderland.” + +Door zulke woorden heeft hij honderden het sterven gemakkelijk gemaakt. + +Wanneer die man zich met het maken van proselieten had willen +bezighouden, dan had hij waarschijnlijk op rijken oogst kunnen rekenen; +doch zulke gedachten bleven den edelen man verre. In den waren zin des +woords is hij „een man Gods”, iemand, die weet wat naastenliefde is en +aan wien zijn collega’s zich kunnen spiegelen. + +Wat is het nu, dat dezen geestelijke de harten opent dier schijnbaar +ongevoelige soldaten? Juist deze liefde tot den naaste en daarbij een +schat van menschenkennis. Weinig geestelijken in Indië kunnen op deze +laatste eigenschap bogen. Ze begrijpen niet, dat door jarenlangen +omgang tusschen de verschillende geestelijke elementen der Indische +soldatenwereld een zekere gelijkheid plaats heeft gegrepen. +Onwillekeurig doet zich op den minder ontwikkelde in het Indische leger +de invloed gevoelen der duizenden meer beschaafden, die gemeenlijk, na +financieel schipbreuk te hebben geleden, in de haven van den militairen +dienst in Indië zijn binnengeloopen. + +In ’t algemeen kan men zeggen, dat het „gladde” of „gare” jongens zijn, +zooals de volkstaal het noemt, die in Indië de uniform dragen; deze +hoedanigheid hebben zij zich op de puinhoopen van hun burgerlijk +bestaan eigen gemaakt. Is het nu niet dwaas, tot zulke mannen +zendelingen af te vaardigen, die indertijd misschien als schoen- of +kleermaker hun sporen verdiend hebben, maar wien het ten eenen male aan +menschenkennis ontbreekt? Nog steeds moet ik aan een doodzieken soldaat +denken, die in het hospitaal te Weltevreden in mijn nabijheid lag. Ook +hem kwam zulk een zendeling bezoeken, die een zeer opwekkende +voordracht hield over de pijnen der hel, de eeuwige verdoemenis en +andere schoone vooruitzichten, die hem aan gene zijde van het graf +wachtten, indien hij zich niet bekeerde. De man kwam daarbij zoo in +vuur, dat hij letterlijk schreeuwde. Toen hij ten slotte een oogenblik +ophield, merkte de kranke cynisch aan: „En daarvoor geven ze je ƒ 300 +in de maand? Dat moesten ze mij eens geven: ik zou de menschen heel wat +anders vertellen.” Het algemeene gelach, dat zich daarop door de +geheele zaal deed hooren, bewees dat hier meer was bedorven dan tien +zendelingen in jaren weder zouden kunnen goedmaken. Men zende daarom +beschaafde, ontwikkelde zendelingen naar Indië, die niet alleen +bijbelvast zijn en ijverige arbeiders in den „wijngaard des Heeren”, +doch ook in staat eenigszins de personen te doorgronden, die zij troost +willen brengen. Ze zullen daar een rijk arbeidsveld vinden, in +samenwerking met officieren en burgerij. Deze samenwerking moet in de +eerste plaats ten doel hebben, om de soldaten in hun vrije uren +afleiding te bezorgen. Vooral is dat noodig bij de depôt-bataljons. +Hier ontvangt de soldaat de eerste indrukken van het Indische militaire +leven en die zijn meestal de blijvende. + +Hoe diep gevoelde ik daar in den eersten tijd van mijn soldatenleven +dat gemis aan bezigheid voor den geest. Niemand bood mij bij mijn +zoeken naar geestesvoedsel de behulpzame hand, totdat eindelijk een +weldenkende chef—kapitein Flier heette de wakkere man—mijn verzoek om +te Meester-Cornelis een militaire zangvereeniging op te richten, +krachtdadig ondersteunde. In minder dan geen tijd waren er ongeveer +twintig, met een goede stem begaafde soldaten gevonden, die elken +avond, wanneer zij geen dienst hadden twee of drie uren lang, ondanks +de groote hitte repeteerden en getrouwelijk alle vijf dagen van hun +karige soldij nog een kleinigheid afzonderden, om zich daarvoor +muziekpapier enz. aan te schaffen. Die mannen dachten niet meer aan de +jeneverflesch. Hoe gelukkig waren zij, als bij een assaut of eenige +andere gelegenheid, hun gezang met geklap van dameshandjes werd beloond +of zich op de strenge gezichten hunner superieuren een welwillende +glimlach vertoonde! Die menschen hadden ook eergevoel en op dat +eergevoel, dat zooveel onverstandige beoordeelaars aan Indische +soldaten willen ontzeggen, moet voortdurend gewerkt worden. + +Moge nu de geestelijkheid haar machtigen invloed eendrachtig aanwenden, +om, door te werken op het eergevoel, bij den soldaat het zedelijk +evenwicht, dat door verschillende slagen van het noodlot aan het +wankelen is gebracht, te herstellen en te bevestigen. Dit kan +gemakkelijk geschieden door hem gelegenheid te geven zich persoonlijk +te doen waardeeren. Men voere lichamelijke spelen in, als schermen, +kolven, kegelen, kaatsen, worstelen, enz. En wanneer er dan wedstrijden +werden uitgeschreven, waarvan officieren en burgers met hun dames +getuigen wilden zijn, zouden honderden soldaten zich beijveren onder +het oog van superieuren en schoone belangstellenden een goed figuur te +maken. + +Een prijs door een dameshand uitgereikt, een welwillend en aanmoedigend +woord van schoone lippen, dat den soldaat zegt: „Ge zijt niet de paria, +het uitvaagsel der maatschappij, waarvoor dwazen in Europa u houden, +die allen omgang met u schuwen, als waart ge een melaatsche,” zou hem +aansporen, zich dat gunstig oordeel waardig te maken. Dan zou de +jeneverflesch geheel verdwijnen en de omgang met vuile deernen +grootendeels ophouden. Met dit laatste wordt evenwel niet bedoeld, dat +de Indische soldaat van zijn huishoudster afstand zou moeten doen. +Neen! Natuur stelt haar wetten en daar kan niet straffeloos tegen +worden gezondigd. Door het oprichten van +liefhebberij-tooneelgezelschappen, het organiseeren van vaderlandsche +spelen, zooals die reeds hier en daar beoefend worden, moet de soldaat +moreel worden opgeheven, gelijk dit mede door het houden van +voordrachten geschieden kan. Wat dit laatste betreft, heeft de +geestelijkheid een goede gelegenheid om op den voorgrond te treden. +Dorre predikatiën, doorspekt met bijbelteksten of diepzinnige +philosophische beschouwingen, zijn hier niet op haar plaats, maar +koddige, pakkende onderwerpen, waarbij drupsgewijze een ernstig, +overtuigend woord wordt ingelascht, dat de toehoorders treft en tot +nadenken stemt. Doch daartoe worden beschaafde, hoog-ontwikkelde +menschen gevorderd. Men biede ook den soldaten de gelegenheid, om over +’t gehoorde te debatteeren, ja, men wekke hen daartoe op. Hoe goed zou +het zijn, als nu en dan ook eens een der oudere officieren zich onder +de soldaten mengde en hun een blik gunde in zijn aan ervaring zoo rijk +militair leven! Men weet toch met welke illusies zoo vele jonge mannen +naar Indië gaan, hoezeer enkelen zich, juist in den eersten tijd, +ontgoocheld gevoelen en dan in hun wanhoop naar de flesch grijpen. +Velen, velen van hen zouden dankbaar zijn, indien zij bij superieuren +en notable burgers de behoefte mochten waarnemen, om hun te toonen, dat +men onder den ruwen bolster de goede kern op prijs stelt. Men late dus +het eeuwigdurende schimpen op den armen soldaat, die dagelijks, ja, +ieder uur, zijn leven veil moet hebben. Het leven wordt hem toch reeds +zuur genoeg gemaakt, als hij in de burgermaatschappij terugkeert. +Overal vindt hij deuren en harten gesloten. Heeft hij gelukkigerwijs +het eerekruis voor „moed, beleid en trouw” op de borst, ja, dan vindt +hij nog wel op voorspraak van invloedrijke mannen een schamel tehuis; +zijn kameraad echter, niet zoo gelukkig om het eeremetaal te kunnen +toonen, al heeft ook hij zich dapper geweerd, kan verder trekken en in +den strijd om het bestaan soms ellendig ondergaan. + +Vele brave soldaten zijn zoo het slachtoffer van den blinden ijver +eeniger geestelijken en van de door haar misleide menigte. Mochten +daarom deze zoo veel vermogende heeren toch eens in boven aangeduide +richting werken. Er worden hier te lande zoovele goede patriotten +gevonden, die in openbare vergaderingen voor algemeenen dienstplicht +ijveren en van den katheder het „Dulce est pro patria mori” verkondigen +en dan naar huis gaan, en een paar bankjes van honderd uit de brandkast +nemen en voor het lieve zoontje een remplaçant koopen. Wanneer deze +zich met die geestelijken vereenigen en hun invloed in dien geest +aanwenden, dat men den Indischen soldaat niet langer een stuk vee +scheldt, dat voor 2 tot 300 gulden gekocht is, om naar de Atjehsche +slachtbank geleid te worden, dan zal ook eens de tijd komen, waarin een +Hollandsche moeder met trots zeggen kan: „Mijn jongen is Indisch +soldaat geweest.” + + + + + + + + +VRIJWILLIGERS. + + +Er zijn toch merkwaardige menschen onder de Hollandsche militaire +artsen. Toen ik indertijd naar Arnhem was gegaan, om te laten +onderzoeken, of mijn corpus ook waardig kon geacht worden om de +Hollandsche driekleur tegen de Atjehers te verdedigen, zeide mij de +dokter: + +„Man, je hebt in je leven veel te veel spek gegeten; je bent te dik en +zoudt onder de stralen der tropische zon wegsmelten als boter in den +zomer.” De dokter in Den Haag daarentegen beweerde, toen ik hem de +opinie van zijn Arnhemschen collega meedeelde: „Er komen nooit vette +moffen naar Holland; dat worden ze eerst, als ze een tijd lang hier +gewoond hebben.” + +Beide heeren hebben zich nogtans in mijn persoon vergist. Ik heb +evenmin vaak spek gegeten, als dat ik in den loop der jaren in Holland +„vet” ben geworden en toch ben ik trotsch van top tot teen een „mof” te +zijn gebleven. Maar versta mij goed, ik bedoel niet van die soort, die +tusschen vier muren, bij gesloten deuren fluisterend verklaren durven: +„ik ben Duitscher” en buitenshuis de huik naar den wind hangen en +doodsangsten uitstaan als deze of gene burger van het land, welks +gastvrijheid zij genieten, hen toevallig op de nationale eksteroogen +trapt; niet zoo een, wiens hart vandaag voor den Adelaar, morgen voor +den Beer en overmorgen voor een ander beestje gloeit, dat hem met +zilverkleurigen blik aanstaart. Vaderlandsliefde laat zich niet als een +vuil hemd afleggen en tegen een ander verwisselen. + +Maar om tot mijn onderwerp terug te keeren, ik was destijds blij, dat +de tweede dokter gelijk kreeg, want in mijn verbeelding zag ik mij +reeds over eenige jaren de luitenantssterren en de eene of andere +Indische koningsdochter met een kruiwagen vol briljanten en eenige +millioenen guldens speldegeld toebedeeld. Het zou werkelijk jammer zijn +geweest, als zoo’n spek-vreezende aesculaap mijne luchtkasteelen omver +had geworpen. + +Nog meer voedsel kreeg mijn verbeeldingskracht, toen ik eene afdeeling +„schutters” had zien exerceeren, die ik voor „echte” soldaten hield. +Jongen, jongen, dacht ik, als de soldaten in Indië precies zoo zijn als +deze „Krähwinkler”, dan, dan.... krijg je al gauw de berenmuts op het +hoofd en kaplaarzen aan de voeten. + +Mijn illusies werden wel wat verzwakt, toen mij een oude snorrebaard +van een korporaal werd toegevoegd, die mij naar het Dorado der +„kolonialen” naar Harderwijk moest brengen. Om aan onze kennismaking +een ietwat hartelijk karakter te verleenen, liet hij mij, bij den +aanvang onzer reis, vijf blinkende patronen zien. „Die zijn allen voor +jou, als je ’t in je hoofd mocht krijgen, om er van door te gaan”, +zeide hij met een grimmig lachje. Ik bedankte voor de attentie, +verklaarde zulke mooie patronen niet waard te zijn en betuigde levendig +mijn spijt, hem niet in de gelegenheid te kunnen stellen, op mij de +zekerheid van zijn schot te bewijzen, daar ik niet naar Holland was +gekomen met de bedoeling om er van door te gaan, maar om te blijven. + +Mijn Cerberus scheen met deze verklaring tevreden. Hij stak een +pruimpje achter de kiezen en spuwde op Moeder Aarde. In Utrecht deed ik +de ontdekking, dat zich ook in Holland de niet-militaire sterveling een +ander begrip van een „vrijwilliger” vormt dan de militaire. De +scherp-geladen korporaal volgde mij, zesjarig-vrijwilliger, op den +voet. Hij dronk ook mijn cognac op, die ik aan het station had gekocht, +waarschijnlijk om zich te overtuigen, dat zich daarin geen ingrediënten +voor adspirant-zelfmoordenaars bevonden. + +Voortdurend omringde ons een nieuwsgierig publiek, uit welks midden +enkele gezegden mijn oor troffen, waaruit ik kon afleiden, dat men zich +omtrent mij nog geen juiste voorstelling vormde. Een meende er, dat ik +wel iemand moest hebben doodgeslagen; een ander verzekerde, mij nog +onlangs in den Haag te hebben gezien op de bank der beschuldigden, +gezeten tusschen een paar andere leden van het edele spitsboevengilde. +In elk geval was ik een interessant iemand. Nogtans zou ik moeten +liegen, als ik beweren wilde, dat de aandacht aan mijn persoon +geschonken, mij aangenaam was. + +In Harderwijk aangekomen, nam mij aan het station een patrouille tegen +een menigte langneuzige menschen in bescherming, die allen naar den +naam Mozes luisterden. Het waren „hoteliers (?)”, die mij in hun +vertrekken het paradijs reeds op aarde voorspiegelden. Daar ik nooit +een vriend van knoflook ben geweest, volgde ik den raad van een +sergeant op en nam mijn intrek in een herberg, in de onmiddellijke +nabijheid der kazerne, die eerst den volgenden morgen zich gastvrij +voor mij zou openen. In de gelagkamer ging het vroolijk toe. Alles zag +er blauw; de lucht van den rook der sigaren, de uniformen en eveneens +gezicht en handen der dragers. De champagne, waarvan kleur en +mousseerende werking sterk herinnerden aan het product der appelboomen +in den omtrek van Sachsenhausen, stroomde rijkelijk over de tafel. + +De waard was een waar menschenvriend. Toen hij bemerkte, dat het edele +nat zijn gasten naar het hoofd begon te stijgen, kwam hij telkens als +er om champagne geroepen werd, met ledige flesschen aandragen, die hij +op tafel zette. Minder menschlievend was het echter, dat hij die ook +voor volle liet betalen. + +De kazerne liet niet in het minst vermoeden, dat men zich in het +schatrijke Holland bevond. Het is een oude, wormstekige kast, die aan +de controle van een adjudant-onderofficier met den omineuzen naam van +„Stier” toevertrouwd was. De man kon er op bogen geen enkelen vriend te +bezitten. En waarom? Omdat hij steeds zijn plicht deed, wat men van de +overige onderofficieren niet kon beweren. + +Nadat ik hem mijn papieren had overhandigd, en het hem, uit mijn +getuigschrift van goed, zedelijk gedrag duidelijk was geworden, dat ik +nooit op gespannen voet had gestaan met de Duitsche politie, zond hij +mij met nog een paar andere Europa-moede jongelingen naar den dokter. +Ja, het zijn voorzichtige menschen, die Hollanders, zij koopen voor 200 +gulden geen kat in den zak. Doch ook deze dokter kon geen +schoonheidsgebreken aan mij ontdekken en ik mocht hem verlaten in het +geruststellend bewustzijn, eindelijk aan het begin van mijn militaire +loopbaan te staan. Weinig genoegen bereidde mij de metamorphose, door +welke ik, burgerlijk embryo, in een schitterenden militairen vlinder +zou worden herschapen. O, die gemeene blauwe kleur der uniformen! Geen +aasje schoonheidsgevoel kan de uitvinder er van hebben bezeten. De +helft van mijn handgeld heb ik in zeep moeten omzetten, om gezicht, +handen en mijn overige corpus van de indigo te reinigen. Eén voordeel +evenwel bezorgt de frissche blauwe kleur den drager; zij maakt hem +tallooze vrienden; zijn verschijning toovert op de tronies der +herbergiers de zonnigste uitdrukking; zelfs korporaals en, nog sterker, +sergeants vertrekken de plichtmatig grimmige gezichten tot een +vriendelijk lachje, want hoe blauwer de vrijwilliger is, hoe meer +guldens van zijn handgeld hem nog in den zak rammelen. + +Tot deze ontdekking kwam ik toen ik de krijgsartikelen, waarvan ik geen +woord verstond, aangehoord had en met den broekzak vol rijksdaalders in +de kazernekamer terugkeerde. Daar ontvingen mij de kameraden met +ongehoorde geestdrift. De één had mijn schoenen gepoetst; een ander +toonde mij mijn kapotjas, in welker knoopen men zich kon spiegelen; een +derde verzekerde, dat ik de aardigste kerel was dien hij ooit had +leeren kennen en dat hij mij vriendschap wilde schenken, waarmede hij +anders zeer spaarzaam omging; kortom allen legden een zoo roerende +blijdschap aan den dag, alsof een engel tot hen was neergedaald. + +Arme, arme rijksdaalders! Hoe rolden ze mij uit den zak! Geruimen tijd +verliep, eer ik mij onder de manschappen wat georiënteerd had. Er waren +gewezen Duitsche corps-studenten onder, gemakkelijk te herkennen aan +hun getatoeëerde gezichten; voormalige officieren, die zich door stem +en loop onderscheidden; ex-leden van het Fransche vreemdenlegioen met +hun magere door de zon verbrande gezichten stonden naast van gezondheid +blozende polderjongens; alle volkslagen, van de bovenste tienduizend +tot de onderste arme massa, hadden haar vertegenwoordigers in het +Indische leger. Een alleraardigste kennismaking had ik op zekeren dag, +toen mij bij het plaatscorvee de taak werd opgedragen, om met nog een +paar manschappen, het gras tusschen de steenen vóór de kazerne uit te +wieden. Het waren bijna allen Duitschers en ik dacht eerst, dat de +menschen gekscheerden, toen zij elkander met Graaf V., Baron van A. en +andere welbekende adellijke namen aanspraken. Tot mijn verbazing +bemerkte ik, dat het werkelijk echte adellijke jongelui waren. Die +blonde kroeskop met zijn kranig kneveltje had nog geen vier weken +geleden als een chique gardeluitenant „unter den Linden” geflaneerd. +Volgens het vertellen van de faam, moet een zeker generaal het hem zeer +kwalijk hebben genomen, dat hij, juist op het oogenblik, dat Zijne +Excellentie zijn jeugdige en bevallige echtgenoote goedennacht wilde +gaan zeggen, uit het venster van het boudoir dier schoone sprong. De +dikke heer, wien de zweetdroppels op het voorhoofd stonden, terwijl hij +met een afgebroken stuk sabel tusschen de steenen wroette, was +luitenant bij de Uhlanen geweest en had met veel hartstocht de rijsport +gehuldigd. Bij wedrennen had hij steeds op zich zelf gewed, doch daar +hij even zwaar was als twee andere ruiters te zamen, was hij steeds +verscheiden paardlengten achtergebleven. Terwijl hij voortdurend dikker +werd, leed zijn porte-monnaie aan vliegende tering. Een man, genaamd +Aäron, behandelde de zieke een tijd lang, doch daar zich geen +verschijnselen van beterschap voordeden, zond hij ten slotte den +regiments-commandant de zeer hooge dokters-rekening. + +Overmatig geldgebrek was bij de meesten de oorzaak van de verandering +van lucht. Het was interessant het dozijn blauw-bloedige heeren te zien +concurreeren met een stuk of wat oude vrouwen, die vóor het hotel +Ducroix aan de overzijde der straat denzelfden arbeid verrichtten. Maar +het is in Harderwijk: gelijke monniken, gelijke kappen. Voor niemand +wordt daar brood apart gebakken. Een andere, niet minder typische +kennis maakte ik eens op een dag, toen ik bevel kreeg tot het reinigen +van „zekere plaatsen.” Ik ontmoette er een heer, die door den geur der +kazerne-viooltjes omgeven, zich aan mij voorstelde als een gewezen +luitenant v. K. Zooals ik van hem vernam en mij later ook bevestigd +werd, had zich de man met de borst toegelegd op het verzamelen van +antiquiteiten, welke hem door een antiquaar zeer bereidwillig werden +geleverd. + +Toen hij nu bij dezen zeer diep in het krijt stond, deed hem de edele +man het voorstel een overoude antiquiteit van hem over te nemen; op die +conditie zou hij de schuld als vereffend beschouwen. De antiquiteit was +juffrouw Bertha, eenige en oudste dochter van den antiquaar. + +„Dan nog liever kazerne-viooltjes plukken,” dacht de luitenant en ik +gaf hem gelijk. + +Doch niet alleen Duitsch blauw bloed stroomde naar Harderwijk; ook +trotsch klinkende Hollandsche namen, waarboven veeltakkige kroontjes +prijkten, werden op het rapport afgelezen. + +Men kan zich voorstellen, dat menige boeren- en andere jongens er een +duivelsch behagen in schepten, zoo’n „monsieur le baron” het leven zuur +te maken. Gebeurde het, dat de een of andere havelooze vagebond, wien +de zon door talrijke luchtgaten op de huid kon schijnen, zich als +vrijwilliger kwam aanmelden, dan hoorde men dadelijk: zeker een +verloopen baron uit Den Haag of een Duitsch officier. Vooral deze +laatsten waren stiefkinderen der publieke opinie. Zelfs de pers +bemoeide zich met hen. + +Op zekeren dag kon men in een te Amsterdam verschijnend blad lezen: +„Naar wij uit goede bron vernemen, bevinden zich te Harderwijk een +aantal Duitsche stafofficieren, waaronder zelfs een majoor, die zich +als vrijwilligers hebben in laten schrijven, natuurlijk alleen om te +spionneeren.” Lieve hemel, hoe naïef! Wat hadden zij door spionneeren +te weten kunnen komen? Bijvoorbeeld de inrichting der faecaliën-kuilen +of hoe men daar de straat wiedt? Dat zou Moltke toch om ’t even kunnen +zijn! Menigeen trok zich dergelijke uitvallen aan en zoo zich de goede +luim van sommigen niet had doen gelden, of indien men niet op zijn +illusies had kunnen teren, dan zou misschien deze of gene met een +knal-effect geëindigd zijn. + +Een der vroolijkste kameraden was de reeds genoemde uhlanen-luitenant +v. A. Die had zoowat door de geheele wereld rondgeboemeld. Vóór hij +naar Harderwijk kwam had hij nog een kort bezoek aan Amerika gebracht. +Daar wilde hij squatter worden en had met een verloopen +huzaren-luitenant tot dat doel voor weinige dollars een groot stuk van +een oerwoud gekocht. Den huzaar echter stonden de handen altoos +verkeerd, als zij een boom wilde omhakken en de uhlaan zat steeds in +angst, dat de huzaar hem bij het boomen-vellen nog eens in de beenen +zou houwen. Beiden lieten daarom de boomen hemelwaarts groeien en +jaagden op buffels en beren, tot de Groschen gevlogen waren. Toen +zetten zij koers naar Harderwijk. V. A. moet inderdaad een weergaloos +genie in het geld-maken geweest zijn. Ontelbaar waren de brieven, die +hij ontving van geldschieters, die hem tegen de kleinigheid van 100 tot +200 % vriendendiensten hadden bewezen. Bij gebrek aan andere lectuur, +moest men zich met de voorlezing van dergelijke epistels vergenoegen, +waarmede vaak een halven avond heen ging. Men zou het nauwelijks kunnen +gelooven hoeveel geld een dozijn officieren bij elkaar kan leenen. +Onder de hier aanwezigen waren er die bijna evenveel brieven ontvingen +als onze v. A. Enkele schuldeischers schenen van de groote bekwaamheden +hunner luitenants zoo doordrongen te zijn, dat zij dezen als +staf-officieren in het Indische leger waanden en hun titels +toedichtten, waarvan men het water in den mond zou krijgen. Anderen +dreigden weer den Hollandschen minister van oorlog voor de +verschuldigde sommen aansprakelijk te zullen stellen. Noch dezen, noch +genen konden geholpen worden. De gemeenschappelijke menage, welke voor +dertien man—zoo groot was onze club—dagelijks uit voor 10 cent groene +kaas bestond, verslond namelijk het grootste deel der voorhanden zijnde +geldmiddelen. Waar zijn ze thans, al de vroolijke broeders van +destijds? Twee zijn officier geworden, drie vielen als sergeant in +Atjeh, één erfde veel geld en boemelt nu als Pruisisch ritmeester +ergens aan de Russische grens rond. Waar bleven de anderen? + + + + + + + + +EINDELIJK RECRUUT. + + +Op het voordek der Celebes stond eene groep van ongeveer 30 soldaten, +die allen met schitterende oogen in de verte zagen naar kleine groene +stippen, die zich scherp tegen den gezichteinder afteekenden. Geen +enkele was er onder hen, die niet bij den aanblik der Duizend +Eilanden—want zoo heetten de groene stippen—eene onbeschrijfelijke +vreugde had gesmaakt. Het moest een bijzonder genot zijn, na eene reis +van twee en veertig dagen weer eens vasten grond onder de voeten te +voelen. Zoo velen hunner hadden in Napels, Port Said en Aden de +gelukkige passagiers met jaloersche blikken nageoogd als zij lachend en +schertsend de vreemde kusten betraden. Zoo velen hunner zouden gaarne +zijn meegegaan. Doch dat was niet geoorloofd, want de commandant ging +van de juiste zienswijze uit, dat velen alsdan niet zouden terugkeeren. +Thans echter naderde het oogenblik, waarop allen Insulinde’s bekoring +zouden ondergaan. Reeds kon men aan den „Kleinen Boom” een woud van +masten zien opduiken; reeds suisden kleine met vruchten beladen +zeilscheepjes ons vaartuig op zijde; voer een stoombootje de Celebes +tegemoet om de ongeduldige passagiers af te halen. Met een helsch +spektakel ratelde het zware anker in de leverkleurige golven. Met de +commando’s der scheeps-officieren, het regelmatige gejoel der matrozen +en het geschreeuw der passagiers, bezorgd over hun bagage, vermengden +zich de krijschende stemmen der geelhuidige vruchtenhandelaars. +Gelukkig de weinigen, die nog eenige zilverlingen uit de klauwen der +Harderwijker harpijen gered hadden. + +Zij hadden zich afgezonderd en gaven voor hunne kameraden een +kauwconcert. Dezen liep het water uit den mond, wanneer de eters +sappige, dikke schijven ananas tusschen hunne kaken verdwijnen lieten. +Een Vlaming liet zich zelfs tot eene poging tot landverraad verleiden +en bood het geheele koninkrijk België te koop voor een dubbeltje, +waarmede hij zich een bos pisangs wilde aanschaffen. De aanwezige +Hollanders maakten echter van het aanbod geen gebruik, ofschoon zij zoo +doende weer doodgemoedelijk in het bezit der verloren provincies hadden +kunnen geraken. Zoo behield koning Leopold zijn land en de Maleische +vruchtenkoopman zijn pisangs. + +Nadat de storm onder de passagiers een weinig bedaard was en allen in +de kleine stoomboot waren overgeladen, kwamen ook de soldaten aan de +beurt. Zij hadden zich niet over veel bagage bezorgd te maken. Eene +zwart-lederen kist verborg al de gaven van het goedhartige +gouvernement, van het „jachtgeweer” alias haarkam af, tot den +schoenborstel. Zij hingen de kist over den schouder en zetten zich op +commando in beweging. Het afscheid van de matrozen viel niet zwaar. +Deze geven zich niet gemakkelijk met den koloniaal af. + +Aan wal komende, werden de dertig blauwjurken door den plaatselijken +adjudant van Batavia ontvangen, een kranig officier, wiens borst met de +Militaire Willemsorde versierd was. Hij geleidde het gezelschap naar +een huisje, waar elk een broodje—het eerste wittebrood sedert 42 +dagen—en een glas wijn kreeg. Nadat op deze wijze het lichamelijk +evenwicht hersteld was, werden ook aan den geest eenige indrukken te +verwerken gegeven door voorlezing der krijgsartikelen. Deze kenden +allen bijna van buiten. Tegen ongeveer tien militaire vergrijpen werd +met de galg en tegen een half dozijn andere met den kogel gedreigd. Dit +prettige vooruitzicht had waarlijk niemand bewogen de verre reis te +ondernemen. Onder de dertig soldaten was er niet één, die, ieder op +zijne wijze, het hoofd niet met illusies had volgepropt; kogel en galg +vonden er geen plaats meer. Helaas echter werden de schoone Hindoesche +meisjes, die hier bij zwermen rond moesten loopen en den lezers van +Multatuli en Heine in het hoofd spookten, aan de landingsplaats met +smart gemist. Het eerste exemplaar generis feminini werd in een hoek +van het spoorwegstation ontdekt. Daar ik zelf de gelukkige vinder was, +is het mij ook mogelijk de vondst naar waarheid te beschrijven. + +De dame zat in een donkeren hoek, zoodat ik haar eerst voor een stuk +bagage hield, tot zij plotseling begon te lachen en daarmede mijne +opmerkzaamheid gaande maakte. Bij nauwkeuriger toezien ontdekte ik een +paar geelbruine beenen, die gedeeltelijk met een stuk gekleurde stof +bedekt waren. Uit het gelaat kon ik vijf minuten lang niet wijs worden. +Waar andere menschen den mond hadden, was hier een uitwas van de +grootte van een vuist. Het raadsel werd opgelost, toen de dame den +uitwas wegnam en eene roode vloeistof in een boogvormigen straal naar +mij uitspuwde. + +Nu bemerkte ik eerst, dat zij zich den tijd had gekort met het kauwen +van tabak. Gerechte hemel, welk een monster! Had Heine haar gezicht +kunnen zien, dan zou hij zeker geen rust in zijn graf hebben gehad, +maar onverwijld al zijne gedichten op Hindoemeisjes en Lotosbloemen +vernietigd hebben. Zoo groot kan toch het onderscheid niet zijn +tusschen de Indische meisjes aan den Ganges en die aan de Tjilewong. +Alhoewel ik nu juist geen Lotosbloembedden, gelijk aan de Haarlemmer +tulpenvelden, verwacht had, met in iedere bloemkelk een sluimerend, +naar liefde smachtend Hindoemeisje—het contrast was toch al te sterk. +In den geest legde ik eene gelofte van eeuwige kuischheid af. Zooals ik +later vernam, was het schepsel eene soldatenvrouw, wier sterkere helft +naar Europa was teruggekeerd. + +Bij iedere gelegenheid monsterde zij de nieuw-aangekomenen, doch de +vurig verbeide kwam niet. Dat kon men hem waarachtig niet kwalijk +nemen. Zoo’n gezicht! Ze wacht zeker nog tot op den huidigen dag. + +Intusschen scheen zij wel eenig voorgevoel te hebben van haar +eeuwigdurend onbestorven weduwschap, want ze schold ons na, toen wij +reeds op weg naar Meester-Cornelis waren. Daar werden wij in de +bamboekazerne aan den adjudant van het Suppletie-depot overgeleverd, +een 1sten luitenant met een Hunnengestalte, bij wien vergeleken de +lange plaatselijke adjudant in Batavia nog maar een dwerg was. In zijn +gevolg bevond zich een sergeant, het zuiverste wandelende lexicon voor +gepeperde Kasernhofblüthen. Een proeve van zijn talent genoten wij den +tweeden dag. + +Op den eersten dag mochten wij nog ongestraft onder palmen wandelen. O, +hoe heerlijk was het toch onder de palmen! Daar zaten bruine mannen, +die ons voor twee cent een geheele cocosnoot verkochten, voor drie cent +een ananas en voor 5 cent de geheele muts vol smeerproppen. Men zou +gewenscht hebben een olifantsmaag te bezitten, om al die bekende en +onbekende lekkernijen te gelijk te genieten. Hoofd en maag dreigden mij +bijna te bersten van al de nieuwigheden, die ik er in had opgestapeld. +Ronggengs (danseressen), Chineezen, karbouwen, kokosnoten, ananas, een +biefstuk van een vliegenden hond, versch toebereid „door den landsman +van den Moezel”, een sluwe Chinees, alles en alles danste in dolle +vaart voorbij mijn geestesoog, toen ik doodmoede van het zien, op mijn +stroozak lag uitgestrekt, en de muskieten maakten er de muziek bij. + +Hu! wat liep daar voor een beest over den balk boven mij? Zeker een +schorpioen, een duizendpoot, een vergiftige slang, een ...! Nu bleef +het stil zitten en sperde den muil open. De tong schoot als een pijl +tusschen de kaken te voorschijn en trok een langbeenige, niets kwaads +vermoedende vlieg in den afzichtelijken strot. + +Bah! welk een afschuwelijk dier! Het slokte nog een vlieg op, nog één, +nog een half dozijn. + +Nu moest het monster bersten; het zwol op als een ballon. Neen! het +berstte niet, maar het viel naar beneden, op mijn gezicht, midden op +den mond, waaraan een pijnlijke kreet ontsnapte. „Domkop”, bromde mijn +slaapkameraad „het is maar een „tjitjak”.” + +Maar een „tjitjak”! En dat tegen een hagedis met ijskouden, opgezwollen +buik! Brr! Het ondier vervolgde mij in mijn diepsten droom. Het +verscheen mij als een draak met meters lange tong, die het schuimend +naar mij uitstak. Nu lekte het mij de beenen, nu het lijf, telkens +verder zoog het mij op. Alleen het hoofd staarde nog bevend de +vingerlange tanden aan en de vuisten sloegen in doodsangst tegen de +bloedroode, bliksemende oogen. Daar klonk mij als een bazuin van het +jongste gericht de krachtige stem van den reeds genoemden sergeant in +het oor: „Nu uit de wol; het is vijf uur!” Hij was het, die mij aan de +beenen getrokken had en daardoor mij het gevoel had gegeven, alsof ik +bij stukken in den drakenmuil verdween. + +O, heerlijk, onvergetelijk was deze eerste morgen in Indië! Nog steeg +de damp uit het dal van de Tjilewong. Reusachtige pisangstammen, en nog +hoogere slanke palmen doemden uit de nevelen op, die onder de stralen +der opgaande zon langzaam in de oneindige ruimte vervloeiden. + +Heerlijk geurden de met bloesems beladen twijgen van de „tjampakka”, +maar nog heerlijker geurde de koffie, die ik in den menageketel +huiswaarts droeg. „O, wat een lust, soldaat te zijn”, zongen eenige +kameraden, onder het poetsen hunner knoopen. De illusionisten; zij +waren nog lang geen soldaten! Eerst een half uur later zouden zij tot +den doop worden voorbereid door eene predicatie, welke de reeds +meermalen vermelde sergeant afstak. Zij luidde: „Geeft +acht!—Stommerikken! Je moet niet denken, dat je nog in dat voddige +Harderwijk bent. Daar kon je, als je bezopen waart, ongestraft in de +straatgoot gaan liggen; daar is hier geen denken aan. Hier verlangt men +van ieder die uit de kantine komt, dat hij driemaal achter elkaar +rechtsomkeert maakt en kan hij het niet, dan gaat hij in Zijner +Majesteits snuifdoos. Dat kan vandaag misschien een half dozijn van +jelui gebeuren, die gisteren toen ze thuis kwamen, niet meer wisten, +wat rechts- of linksom was.—Op de plaats rust!” Diepe, eerbiedige +stilte heerschte er na deze geharnaste woorden. Maar lang duurde zij +niet, want de luitenant kwam, om de nieuwe uniformen van den troep in +oogenschouw te nemen. Nooit heb ik later zulk een angst uitgestaan als +bij deze eerste inspectie. Zij begon bij den linkervleugelman. Die +kromp letterlijk ineen onder den handgreep van den luitenant, wiens +bruine vingers zich als vijf cervelaatworsten om hoofd en hals van den +ongelukkigen recruut kromden. „Dat noemt zich soldaat,” riep hij met +dreunende stem en hief den kerel als een veer in de lucht. „Sergeant, +haal een min! Wat moeten we met dat dwergengebroed aanvangen, dat niet +eens de uniform past?” Daarbij stak hij den armen vent twee zijner +cervelaatworsten—vingers wilde ik zeggen—tusschen rokskraag en hals, +zoodat den delinquent de oogen uitpuilden en de tong uit den mond hing. +Op die manier inspecteerde hij den geheelen troep. Hier tilde hij er +een van den grond, terwijl hij ’s mans hoofd tusschen de palmen zijner +handen nam, „om den langen hals nog langer te maken”, zooals hij zich +uitdrukte. Ginds drukte hij een ander de schouders naar achteren, +zoodat het slachtoffer de knoopen van de uniform sprongen. Kortom, +allen ondervonden de reuzenkrachten van den luitenant. + +Nu ja, ieder die wat lang in Indië geweest is, heeft van luitenant D. +gehoord, die eens een Javaansch koetsiertje, dat ongelukkig in volle +vaart tegen hem aanreed, met paard en wagen in de straatgoot wierp. + +Eindelijk was de inspectie afgeloopen en de manschappen werden +ondervraagd naar de wenschen, die zij voor de toekomst koesterden. De +luitenant begon daarmee bij den linkervleugel. „Wat wil je worden?” +vroeg hij den kleinen kerel, wien de uniform niet paste. + +„Officier, luitenant,” was het antwoord. + +„Zoo-o-o! En jij?” vroeg hij een ander. + +„Ook officier, luitenant.” + +„En jij?” + +„Stafmuzikant, luitenant.” + +„Wat speel je voor instrument?” + +„Ocarina, luitenant.” + +Ik dacht, dat het op dat oogenblik met den armen kerel gedaan was; geen +duit gaf ik meer voor hem, toen de luitenant hem bij den kraag pakte en +hem toebulderde: „Jij, lummel, zou je me misschien voor den gek willen +houden? In de provoost kun je ocarina blazen, brutale kerel. Dan kon-je +iederen orgeldraaier wel stafmuzikant maken!” + +Het arme kereltje werd bij de bedreiging doodsbleek. Hij had op de +lange reis van passagiers en kameraden zooveel lof ingeoogst voor zijn +schoon spel, en in de vaste meening verkeerd, dat hij er bij de +stafmuziek wel de andere instrumenten zou bijleeren. Nu was de illusie +vervlogen. + +De luitenant ging verder. + +„Wat wil je worden?” was het tot een mageren ex-candidaat in de +theologie. + +„Ook officier, luitenant.” + +„En jij, en jij, en jij....?” + +„Officier, officier, officier....!” + +Nu barstte hij in bulderend gelach uit: „Ha, ha, ha, maar dat is een +bescheidenheid, die roerend is. Daar hebben we dus onder de dertig +kerels 21 adspirant-officiers, twee sergeants-candidaten, een blazer en +zes soldaten. Jelui kunt allemaal... ha, ha, ha! Rechtsomkeert, +marsch!” + +Goddank, ook deze kelk was aan mij voorbijgegaan. Nu kwam echter nog +een moeilijk oogenblik. Allen, die zich als toekomstige officieren +hadden opgegeven, hadden voor den luitenant een soort examen af te +leggen, waarmee ze het bewijs moesten leveren, dat ze werkelijk iets +geleerd hadden, om later eens op de kaderschool te komen en misschien, +na jaren, op de militaire school. + +Een paar candidaten hadden reeds met hoogroode gezichten het primitieve +examenlokaal in de bamboekazerne verlaten. Thans kwam de beurt aan mij. + +„Zitten,” klonk het kortaf. „Ken je Fransch?” + +„Jawel, mijnheer de luitenant.” + +„Dat „mijnheer” schenk ik je. Voortmaken.” + +Het was eene fabel van Lafontaine, die ik lezen moest; ik deed het tot +tevredenheid van Zijnedelgestrenge. + +„Ken je Latijn,” vroeg hij verder. „Jawel luitenant.” Ik wist reeds, +wat er nu kwam. Mijn vriend Sch., die een jaar geleden hetzelfde examen +had doorstaan, had het mij verraden. De luitenant kende geen Latijn, +maar had, aangezien eenige vermetelen hem reeds een paar maal met hun +keukenlatijn wat hadden voorgelogen, een kapittel uit een Latijnsch +boekje uit het hoofd geleerd. Precies, hij sloeg het zooveelste +hoofdstuk op en ik begon vloeiend te vertalen: Hannibal, postquam Alpes +transiisset, in Italiam incidit, enz. + +„Goed,” zeide hij. + +Nu kwamen wij aan de geographie. + +„Noem mij eens een paar zeeën op,” beval hij. + +Ik begon natuurlijk het eerst met de „Seeën” van mijn vaderland, waarop +ik zoo vaak aan het spelevaren was geweest, de Königssee, Chiemsee, +Kochelsee, Starenbergersee, enz. + +De luitenant zag mij wantrouwend aan en schudde het hoofd. „Wacht,” +dacht ik, „hij wil grootere hebben en ik ging voort: Baikalsee, +Ladogasee.....” + +„Zwijg,” donderde hij, „dat zijn geen zeeën.” + +Nu brak mij het angstzweet uit. Zouden de genoemde seeën hem alle +onbekend zijn? + +„De Müggelsee” riep ik in wanhoop; die moest hij toch kennen. + +„Wat,” barstte hij uit, „de muggenzee? Ben je wel goed, of wil je mij +voor den gek houden? Waar ligt die zee dan?” + +„Bij Berlijn, luitenant,” kreunde ik in mijn angst. + +„Wat wil je voor den donder met al die plasjes?” schreeuwde hij. „Heb +je dan nog nooit van de Middellandsche Zee gehoord, of van de Roode +Zee?” + +„Maar luitenant, dat zijn immers „Meere” en geen „Seeën”?” stotterde +ik. + +„En nu houd je den mond!” donderde hij. „Van de geographie heb je geen +flauw begrip.” + +Nog moest ik de stelling van Pythagoras bewijzen; daarop kon ik gaan. + +„Je behoeft nu niet te denken, dat je morgen al de luitenantssterren op +je kraag krijgt,” riep hij mij nog na. Wat wonder! + +Tien minuten later stond ik voor mijn gapenden, ledigen stroozak en +verwondde mij den vinger aan de stoppelige rijsthalmen, waarmee ik hem +vullen moest. Welk een onderscheid! Voor weinige oogenblikken nog was +ik met Hannibal over de Alpen getrokken en had Italië doen sidderen en +thans..... Daarbij kwam nog het afschuwelijke stof, dat zich uit het +stroo, waaraan groote aardkluiten zaten, losmaakte. „Dat gebeurt +opzettelijk,” zei de sergeant, die goed gemutst scheen te zijn. „Als je +’s nachts op den stroozak klopt, dan komt er stof uit. De muskieten +denken dan: „de kerel rookt” en bijten je niet.” + +Maar niettegenstaande dat beten ze mij toch. + +Wat was ik in mijn schik, toen ik den volgenden morgen bij de 1ste +compagnie van het 1ste depot-bataljon werd ingedeeld! Eindelijk +recruut! Wat had dat lang geduurd! + +Welk een kranige compagnies-commandant was de kapitein v. V....n! + +Welke illusies wekte de aanblik van den held op, wiens borst gesierd +was met de Willemsorde en twee eervolle vermeldingen en aan wiens zijde +de eeresabel kletterde! + +Den een na den ander der recruten riep hij vóór zich, om hem naar één +der verschillende afdeelingen te verwijzen. Er waren er vier. In de +eerste kwamen zij, die nog nooit soldaat geweest waren. + +„Wat was je vroeger?” vroeg hij een Duitscher. + +„Luitenant bij de dragonders!” + +„Tweede afdeeling!” + +„En jij?” + +„Onderofficier in het Keizerin Augusta-regiment.” + +„Derde afdeeling!” + +„En jij?” + +„Korporaal bij het 7e.” + +„Vierde afdeeling!” + +Nu naderde een ventje met een zeer gewichtig gezicht. + +„En jij?” vroeg de kapitein weer, zonder op te zien. + +„Eerste luitenant bij de dienstdoende schutterij,” klonk het in het +volle bewustzijn eener groote waardigheid. + +Het mannetje zette een gezicht, of het zijn onmiddellijke indeeling bij +den generalen staf uit den mond van den kapitein dacht te vernemen. + +Hoe verschrok de arme stakkert, toen de kapitein met een medelijdend +lachje, kalmpjes antwoordde: „Eerste klasse.” + +In deze klasse kreeg het kereltje niet eens een geweer in handen. En +„schutter” komt toch van „schieten”? + +Ja, het is toch merkwaardig, hoe weinig de verdiensten der schutterij +in het leger gewaardeerd worden! + +Een uur later hielden wij exercitie in de „Berenlaan.” Eene aardige +bezigheid bij 95° warmte. Daarbij voelt men het Europeesche vet gram +voor gram wegslinken. Maar wat maakt het uit? Daar ginder, heel, heel +in de verte, blinken immers de korporaalsstrepen! + + + + + + + + +ONDER INLANDSCHE RECRUTEN. + + +Een korporaal der „zandhazen” in Holland zou zeker een zeer verbaasd +gezicht zetten, als hem bij bataljons-order werd aangezegd, dat hij +zich den volgenden morgen naar een garnizoen te begeven had, verwijderd +van het zijne op een afstand als van Amsterdam naar New-York of nog +verder. Zijn Indische kameraad zou een dergelijk bevel met de grootste +onverschilligheid aanhooren, misschien vragen: waar ligt die negorij? +vervolgens zijn ransel pakken en dan het oude garnizoensstof van zijne +pantoffels schudden. + +Ook ik deed eveneens, toen mij de sergeant-majoor mijne overplaatsing +naar de inlandsche compagnie mededeelde. Wel is waar was er in dit +geval slechts sprake van een afstand van eenige honderden meters, +welken ik van de steenen- naar de bamboe-kazerne had af te leggen; doch +de voorbereidende maatregelen bleven volkomen dezelfde als voor eene +wekenlange zeereis. Uniformstukken, kousen, hemden en andere onmisbare +toiletartikelen werden in de gapende kalfshuid neergelaten en mijn +geheele meubilair, bestaande uit een spiegel, laarzenknecht, met nog +andere voorwerpen van weelde, in de modelkist gesloten. Daarna +aanvaardde ik den korten marsch, waarvan het einddoel het bureau van +den „dubbele” [1] der derde compagnie was. + +Bescheiden, gelijk het een korporaal betaamt, klopte ik aan. Maar ik +moest lang wachten voor de „Sesam” zich opende, want het ging +daarbinnen niet malsch toe. Daar regende het uitbranders, scheldwoorden +en andere liefelijkheden. Nog eenmaal waagde ik eene poging, om toegang +te verkrijgen en thans werd ik verhoord. „Binnen!” klonk het met +donderende stem door de deurreet, en gevolg gevende aan deze +vriendelijke uitnoodiging, trad ik binnen. + +In de schemering, welke in het vertrek heerschte, bemerkte ik de +forsche gestalten van eenige Europeesche onderofficieren, die op de rij +af door den „dubbele” niet zoozeer toegesproken als wel toegedonderd +werden. De „moeder der compagnie” was zeker met den „vader”—aan gewone +stervelingen beter bekend onder den titel: kapitein—aan het kijven +geweest, of beter gezegd de „vader” met de „moeder”, want in de +militaire wereld is het de vader, die „de broek aan” heeft. + +Het spreekt vanzelf dat er nu een bliksemafleider noodig was, om de +spanning te ontladen. + +Wie kon daar beter toe dienen dan een korporaal, het laagste punt der +militaire superioriteit, die het wolkje op het voorhoofd van den +bataljonscommandant in den vorm van een donker onweder te aanschouwen +krijgt, nadat het zich aan den horizon van den kapitein, den luitenant, +den sergeant-majoor en de sergeanten tot eene steeds dreigender massa +heeft saamgepakt. Mijne komst maakte het spel compleet. + +„Luiwammes, kun-je nog langer op je laten wachten?” aldus verwelkomde +mij Zijnedelgestrenge. „Je dacht misschien dat je met een rijtuig +gehaald zoudt worden!” + +„Neem me niet kwalijk, majoor...!” + +„Houd je mond, voor den donder, of ik...!” + +De overige woorden slikte hij in, want een spiksplinternieuwe luitenant +verscheen op het tooneel. Als er nu nog gedonderd moest worden, dan +verviel de bevoegdheid daartoe van rechtswege aan den in rang hooger +geplaatste; maar deze onthield zich er van, omdat hij daarvoor nog te +korten tijd in Indië was. + +Het onweder trok dus af, en slechts af en toe schoot nog een +bliksemstraal uit het aangezicht des „dubbelen,” dat zich tot een +bitterzoet glimlachje geplooid had in de richting, waar ik stond. + +„Is de korporaal reeds ingedeeld?” vroeg de binnentredende. + +„Jawel, luitenant, bij uw peloton in de tweede sectie,” antwoordde de +„moeder” op den onderdanigsten toon. + +„Goed, laat hem dan heengaan, want de recruten kunnen ieder oogenblik +van Batavia aankomen.” + +Met de meest militaire stijfheid maakte ik rechtsomkeert en haastte mij +weg te komen uit de schotlinie van den „dubbele” waar ik mij niet weder +onder waagde voor zijn gevoelsbarometer op zonneschijn stond, hetgeen, +tusschen haakjes, slechts uiterst zelden gebeurde. + +In het „kampement” der derde compagnie, in welker centrum de +sergeant-majoor resideerde, ging het intusschen toe als in een +bijenkorf. Hier gebood de rechterhand van den „dubbele” de fourier, de +„meid-alleen,” wien het lichamelijk welzijn der compagnie toevertrouwd +is, de beheerscher der vertrekken voor de provisie en de kleeding +bestemd. Hij zat juist een aantal Europeesche en inlandsche korporaals +achter de vodden, die heilwenschen (?) tusschen de tanden mompelend, +mij voorbijvlogen. Nauwelijks kreeg hij mij in ’t oog, of ik werd er +ook bijgelapt. + +„Hier, jij nieuweling, wees zoo goed en neem de matten voor je kerels +in ontvangst! Als de drommel je ransel af!” bulderde hij me toe. Ter +opheldering moet ik hier bijvoegen, dat den inlandschen soldaten +slechts matten van biezen worden verstrekt, en geen stroozakken, zooals +aan hunne Europeesche krijgsmakkers. Bovendien krijgen ze een met stroo +gevuld hoofdkussen en een katoenen deken, „sprei” genaamd: een +eenvoudig en zeer practisch leger. + +Na weinige oogenblikken was ik reeds druk werkzaam en sorteerde al de +heerlijkheden, waarvoor elken recruut bijzondere zorg wordt aanbevolen. +Midden onder den arbeid werd ik door hoornsignalen opgeschrikt, die +steeds nader en nader klonken. Commando’s werden hoorbaar, ten slotte +eindigend in een langgerekt „halt!” Toen werd het stil, en men hoorde +slechts de barsche stem van den sergeant-majoor, die de recruten bij +hunnen naam riep; terloops aangemerkt: eene ondankbare, tijdroovende +bezigheid, daar de meeste dezer natuurkinderen òf te verlegen zijn, om +hunnen mond open te doen, als hun naam wordt afgeroepen, òf wel +vergeten zijn, hoe zij heeten. Ik verkneuterde er mij in, den „dubbele” +zoo rood als een kalkoenschen haan voor het front op en neer te zien +stappen, terwijl hij in machtelooze woede de arme drommels geheel van +hun stuk bracht met hun de namen in de ooren te brullen en daarop +slechts zulke onvolledige antwoorden kreeg, dat de „rommel” niet +„kloppen” wilde. + +Het was een gezicht om zich den buik vast te houden van het lachen: al +deze kleine, bruine barrevoeters, die tegen elkander stonden +aangedrongen als eene kudde schapen. Ieder oogenblik verwachtte ik dat +zij op de voorpooten—pardon! handen—vallen zouden en tegen de +klapperboomen opklauteren. Daarmede hadden zij ons werkelijk een +grooten dienst bewezen, want het moest een heidensch werk zijn, eerst +menschen en daarna soldaten uit hen te maken. Deze gedachte baarde mij +geen geringe zorg, want ik verstond absoluut geen woord Maleisch, +buiten de hoofdwoorden: makan: eten; minoem: drinken, en pisang-goreng: +[2] smeerproppen of gebakken pisangs. Maar daarmee kon ik toch geen +recruten afexerceeren. + +„Heilige Florian, ontsteek mijn geest!” bad ik in stilte, toen ik op +mijn sergeant toetrad, die met een arme-zondaarsgezicht, evenals ik, +tegen een deurpost geleund stond en in diepe verslagenheid den bruinen +menschenvloed gadesloeg, die onafgebroken zijne sectie binnenstroomde. +Hoeveel dagen kamerarrest en politiekamer stroomden daar wel mede +binnen? Dat kon alleen de goede God weten en de kapitein, de +onze-lieve-Heer der compagnie. + +Tot deze slotsom scheen ook de sergeant gekomen te zijn, want hij +wendde zich met een zucht af. Eerst toen hij mij bemerkte, herkreeg hij +zijn geestelijk evenwicht. + +„De kerels moeten eerst behoorlijk worden afgeschrobd”—d.w.z. zich +baden—„voor ik mij met hen afgeef”, zeide hij en wierp van terzijde een +blik op de recruten, die als eene bende apen dicht op elkaar zaten +neergehurkt. „Daar de vrouwen den weg niet weten, kunnen zij zich bij +den troep aansluiten,” liet hij er nog op volgen. + +Het was zoo, er zaten ook nog vrouwen tusschen die knapen in. Zoo +ongeveer het derde deel hadden hunne huishoudsters meegebracht. Bijeen +geleken zij een grooten vuilnishoop, want zij hadden eene langdurige +scheepsreis achter den rug en hadden al dien tijd bijna geen waschwater +bekomen—voor Javanen, die over het algemeen zeer op reinheid gesteld +zijn, eene ware kwelling. + +„Neem me niet kwalijk, sergeant, maar ik spreek geen Maleisch. Ik weet +niet hoe ik de menschen in het water en er dan weer uit krijgen moet,” +veroorloofde ik mij in het midden te brengen. + +„Mooi zoo! dat wordt eene vroolijke geschiedenis,” riep de sergeant +wrevelig. „Ik ben eerst sedert vier weken bij de apen-compagnie, de +luitenant is kersversch uit Europa aangekomen, en jij kunt ook al niet +anders dan menage lepelen—laat dan de duivel zien, dat hij de kerels +afexerceert! Maak maar dat je wegkomt. Hoe je ’t met de bende klaar +speelt, is me glad onverschillig!” + +Dat ziet er lief uit, dacht ik. Maar de nood maakt vindingrijk. Ik +zocht den grootsten uit den troep, wenkte de anderen en marcheerde de +deur uit. Als eene kudde schapen achter den hamel trappelden de +overigen, en ook de vrouwen, hunnen voorman achterop. Voor de deur +maakten wij nog eerst halt. Ik sorteerde het gezelschap naar de lengte +en geraakte daarbij zoo in vuur, dat ik na gedanen arbeid het commando: +„Met verdubbelde rotten!” weerklinken liet. Ik weet niet wie er op dat +oogenblik wanhopiger uitzag: de Javaantjes of hun korporaal. +Onwillekeurig bedacht ik dat zoo een Javaansche recruut toch stellig +nog minder militair begrip heeft, dan een afgeëxerceerde Amsterdamsche +schutter; ik herriep derhalve het commando, plaatste de luidjes in +rijen van vier achter elkander, hief mijn linkerbeen zoo hoog op, dat +het boven de hoofden der recruten uitstak en kommandeerde: „Marsch!” Ik +had net zoo goed „Hu!” kunnen kommandeeren; misschien hadden zij dat +nog eer verstaan. Nu, de hoofdzaak was: zij zetten zich in beweging. +Maar wat mij niet mocht gelukken, niettegenstaande de waanzinnigste +pogingen, het was om de vier voorsten tot een zelfde marschtempo te +bewegen. De kolonne vertoonde groote gelijkenis met een kruipenden +duizendpoot. Ten slotte gaf ik het op en liet hen loopen zooals zij +wilden. Ik dankte mijnen Schepper, toen wij eindelijk de steenen +kazerne aan de rivier bereikt hadden. Nu plaatste ik mij voor den +troep, strekte den arm uit als een houten wegwijzer en schreeuwde uit +al de kracht mijner longen „Halt!” Wel kregen de eerste paar rijen nog +een geweldigen schok, daar de achter hen aankomenden met hangende +hoofden tegen hunne voorgangers aanstietten; maar eindelijk stond de +geheele troep. Door naar het water te wijzen en het maken van krachtige +zwembewegingen, trachtte ik mijne bedoeling voor de menschen duidelijk +te maken. Dit gelukte boven alle verwachting. Onder luid gejuich vloog +de bende naar den oever, de vrouwen evenzeer. + +„He! dat gaat niet,” riep ik haar toe, „jelui moet naar den anderen +kant!” Maar ik had met engelentong kunnen spreken, zij zouden mij toch +niet verstaan hebben. Gelukkig kwam mij een oude fuselier te hulp, die +de vrouwen begrijpen deed, dat bains mixtes in Indische kazernes niet +thuis behooren, maar dat het eene deel der militaire badkuip voor de +mannen, het andere deel voor de vrouwen bestemd was. De vrouwen +gehoorzaamden, en nu ontwikkelde zich een paradijs-achtig stilleven, +waarin dozijnen Adam’s en Eva’s de stoffeering vormden. „Mama +Gouvernement,” die anders in elk opzicht goed voor hare kinderen zorgt, +heeft er namelijk in het geheel niet aan gedacht hen van zwembroeken te +voorzien. De Tjilewong is daarom ook zoo vriendelijk, hare gele wateren +als een sluier uit te breiden over alles, wat de mensch liefst voor +zijnen evenmensch verborgen houdt. Een kwartiertje lang liet ik de +luidjes in het water spartelen en bracht toen longen en armen weder in +beweging, ten einde mijne kudde weer om mij heen te verzamelen. Dat +duurde tamelijk lang, want de eene natuurknaap had zijn broek achterste +voren toegeknoopt, weer een ander wilde zich niet met zijne jas +verzoenen, daar die hem te warm was, enz. Ten slotte evenwel kreeg ik +hen weer in rij en gelid en overtuigde mij dat er niet één ontbrak. + +Voltallig leverde ik hen weer af aan mijn sergeant. + +Weinige minuten later kwam de fourier al weder aangaloppeeren, die ons +in den looppas naar het magazijn bracht. Daar werden al de +fraaiïgheden, die ik kort te voren gesorteerd had, verdeeld en in de +eerste plaats de menageketels naar de keuken geëxpedieerd. Was het +verstand of instinct, dat het volkje in vroolijke groepen naar de +keuken dreef, toen het signaal voor het eten geblazen werd? Zij hadden +het toch nog nooit gehoord. De korporaals hadden heel wat moeite, om de +hongerige bruintjes in toom te houden. Messen en vorken zijn hun maar +ongemakkelijk; de vijf vingers verrichten denzelfden dienst. Luid +gesmak verkondigde weldra de tevredenheid van het gezelschap, waarbij +zich nu ook de vrouwen gevoegd hadden, die tijdens den dienst hare +tenten in den „warong” hadden opgeslagen. In het voorbijgaan was door +mij opgemerkt, met welke nuttige bezigheid zij zich na het bad onledig +hielden. In een kring gezeten, zoodat geen van het clubje te kort kwam, +woelden zij in elkander’s haren om en bewezen elkaar wederzijds de +kleine diensten, welke onze voorouders, volgens Darwin’s theorie, huns +gelijken zoo gaarne betoonen. ’s Lands wijs ’s lands eer! + +Zij die zich in het bezit van bijzonder ontwikkelde reukzenuwen +verheugen en op een fatsoenlijk gedrag aan tafel gesteld zijn, zullen +wel doen met eene dineerende compagnie inlanders te mijden. De sterk +riekende vruchten, welke zij voor dessert gebruiken, als „doerian’s, +zuurzakken”, enz., verpesten den omtrek in die mate, dat het bijna niet +is uit te houden. Buitendien huldigen die natuurkinderen de +onbehaaglijke gewoonte om, zoodra zij zich aangenaam verzadigd +gevoelen, een vocaal concert te beginnen, dat meer uit de maag dan uit +de borst wordt gezongen en allesbehalve welluidend klinkt. + +Deze ondervinding moest ik opdoen, toen ik mij naast onzen inlandschen +sergeant had neergezet. Hij was een merkwaardig heer. Zijn kameraad had +mij naar hem verwezen, omdat hij wat Hollandsch sprak, en dus in staat +was mij in de geheimenissen der Maleische taal in te wijden. Ik had +omtrent zijnen persoon de volgende inlichtingen ontvangen: „de sergeant +is ijdel; hij draagt laarzen onder voorgeven dat hij gevoelige voeten +heeft, in werkelijkheid echter omdat hij den half-Europeaan zou kunnen +uithangen, wat hij niet is.” Dit alles had ik mij in het oor geknoopt, +en ik nam mij voor op zijne ijdelheid te werken. Ik wachtte behoorlijk +tot mijn meerdere in rang zijnen maaltijd beëindigd had en zette hem +toen het doel mijner komst uiteen. Ik verklaarde hem, dat mij zijne +gelijkenis met een Indo-Europeaan, dien ik eens ontmoet had, sterk had +getroffen en vroeg hem of hij niet een broeder in Holland had. Hij +schudde weemoedig het hoofd, trok aan de vier of vijf knevelharen, die +hij tegen de gewoonte zijner landslieden liet staan en sprak +fluisterend: „Ik helaas niet Hollander, maar”—voegde hij er op +geheimzinnigen toon aan toe—„grootmoeder van mij was baboe +(kindermeisje) bij „toewan” kolonel.” + +„Oei....!” ontsnapte mij onwillekeurig. Zoo’n opsnijder! Waarom niet in +eens baboe bij den legercommandant? „Jammer,” zeide ik en reikte hem de +hand. Wat jammer was, wist ik eigenlijk zelf niet; hij denkelijk ook +niet; maar desniettemin schudden wij elkander vriendschappelijk de +hand. Nu kwam ik met mijn verzoek voor den dag: of hij wel zoo goed zou +willen zijn, mij wat Maleisch te leeren? Hij knikte genadig en zeide: + +Kossok beteekent: poetsen. + +„Prachtig!” riep ik met onwillekeurige geestdrift uit. Met dit enkele +woord kon ik de geheele week volstaan, want „poetsen” is het militaire +Alpha en Omega. Het zonlicht, het maanlicht en het licht der walmende +petroleumlamp zien den Indischen soldaat aan het poetsen en ondanks +alle inspanning wordt hij nog dikwerf ter zake van onvoldoend poetsen: +„heruntergeputzt,” zooals de Duitschers zeggen. Nog drie woorden: mari +sini (kom hier) en lakas (snel)—want onder militairen moet alles snel +gaan—leerde ik en verwijderde mij toen onder duizend dankbetuigingen +aan den sergeant, wiens wederhelft reeds geruimen tijd op de +gelegenheid gewacht had, om den nakomeling der „baboe” van den +„toewan”-kolonel te „pidjetten.” [3] + +Niet lang duurde het meer of de eerste dag was ten einde. In de lange +gangen van het „kampement” flikkerden de lampen en wierpen haar +schijnsel op verschillende groepen soldaten, die, blijde de drukkende +uniform te mogen afleggen, in primitief negligé samenhokten. Boven +hunne hoofden zweefde een afschuwelijk riekende wolk, van den rook der +„strootjes” [4] afkomstig en aan hunne voeten stonden uit +sigarenkistjes geïmproviseerde spuwbakken gereed, om het roode sap der +sirihpruim op te vangen. Anderen hadden zich in hun boudoir +teruggetrokken, en rustten op hunne schatten uit. De gehuwde Javaansche +soldaten namelijk, die allen zonder uitzondering—ook de ongehuwden—zeer +veel schaamtegevoel bezitten, toonen in vele gevallen eene kieschheid, +die den Europeanen vreemd is. Door katoenen gordijnen aan de brits te +bevestigen, scheppen zij zich een gezellig hoekje, waar zij hunne +rijkdommen, enkele kapok-kussens, somtijds zelfs een matras, verbergen. +Daar trekken zij zich na de vermoeienissen des daags terug en slapen +gerust, niettegenstaande het krachtige gesnork der slapers, die hunne +matjes op de brits boven hun hoofd hebben opgeslagen. + +Ook ik volgde dit voorbeeld en ging op éen oor liggen, hoewel het nog +lang geen „taptoe” was. Zacht drong in mijn vertrek een eentonig door +den neus klinkend gezang door, dat door handgeklap begeleid werd. +Waarschijnlijk waren het herinneringen aan hun tehuis, die de bruine +schepsels in hunne liederen bezongen. Ja, ook deze natuurkinderen +lijden aan heimwee; zij zijn niet de gevoellooze wezens, waarvoor zoo +velen hen houden, zij gevoelen dikwerf veel dieper dan de Europeaan, +die zich naar den geest hun meerdere acht. Het slaperige gezang bracht +mij in eenen toestand tusschen waken en droomen. Het was mij, alsof ook +mij uit het lieve, verre vaderland bekende geluiden toeklonken. +Onzichtbare handen droegen mij derwaarts over. Ik zat in den kring van +oude bekenden, vroolijke drinkliederen weergalmden en de schuimende +bierkruik ging lustig rond, toen... een zacht gegons aan mijn oor, een +doordringende pijnlijke steek in de wang—weg waren vaderland, weg de +vrienden, weg het heerlijke bier. Wat mij stoorde, was de prik van een +muskieten-angel. De steek is nog zoo erg niet, maar de lange tijd, die +er verloopt tusschen het aanvliegen en het steken, kan een mensch +radeloos maken. De vermoeide hand slaat vergeefs in het rond. +Gewoonlijk steekt u het bloedgierige gespuis juist op eene plaats, waar +ge het niet verwacht. Alleen een „klamboe” [5] kan hier helpen, en die +had ik mij, ondanks alle zuinigheid, nog niet kunnen verschaffen. Doch +de goede Morpheus had medelijden. Hij liet zijn droomensluier op mij +nederzinken, en slechts als een verwijderde echo drong de klagende toon +van het taptoesignaal tot mijn verflauwend bewustzijn door. Ongestoord +zwelgden de muskieten—de kazernevloo is in Indië, Goddank! +onbekend—mijn bloed. + +Als den volgenden morgen een oningewijde het „kampement” betreden had, +zou hij zich zeker in eene kleermakerswerkplaats met een +schildersatelier verbonden, verplaatst hebben gemeend. + +Al de superieuren, met uitzondering van den „vader” en de „moeder,” +waren bezig hunne beschermelingen een menschelijk aanzien te geven. Met +de pantalons had men gemakkelijk werk, niet echter met de jassen. Den +eenen borst was de snit te ruim, den anderen de kraag te nauw; den +derden hing iedere jas als een meelzak over den rug. Het was om er +wanhopig van te worden. Daarbij kwam nog de booze luim van den fourier, +die telkens woedend werd als hij een nieuw kleedingstuk uit zijn net +geordenden voorraad moest afstaan, en de vinnige aanmerkingen van den +luitenant, wien alles veel te langzaam ging. Doch dat had zich alleen +de sergeant aan te trekken, want mij was de gewichtige taak opgedragen, +alle uniformstukken van „boezeroen” tot „kapotjas,” met roodgeverfde +stamboeknummers te voorzien. Een geluk was het dat er geen kousen en +schoenen te nummeren waren—de inlandsche troepen marcheeren +barrevoets—dan had het werk zeker nog langer dan een dag geduurd, +ofschoon het vlot van stapel liep. + +Voortdurend liet ik mijn Maleischen taalschat schitteren, door het +geroep van: „Mari sini lakas!” zoodat zelfs de luitenant opmerkzaam +werd en mij vroeg: „Spreekt ge Maleisch?” Met de grootste +koelbloedigheid, antwoordde ik: „Zoo tamelijk, luitenant!” Dat zou voor +mij noodlottig worden, want onmiddellijk liet de luitenant er op +volgen: „Dan kun je later je manschappen eenig onderricht geven in het +militair saluut en dergelijke zaken meer!” Daar had ik mij aardig +ingewerkt. Het was mijn verdiende loon. Ik had mij zelf eene oorveeg +kunnen geven over mijne domheid. Het was nu te laat om haar te +herstellen, en er bleef mij niets anders over dan bij den nakomeling +der „baboe” van den kolonel te biecht te gaan, die mij uit de +moeielijkheid hielp door later zelf het verlangde onderwijs te geven en +mij aan den fourier, met wien hij op geen goeden voet stond, ter +assistentie overleverde. + +Toen de uitmonstering der Javaantjes afgeloopen was, begon het poetsen, +want de kapitein zou den volgenden dag eene inspectie komen houden. Dit +woord „inspectie” is een der geduchtste termen uit de militaire +grammatica. Het bezorgt iedereen de nachtmerrie, van den luitenant tot +den soldaat. In het burgerlijke leven is het ongeveer te vergelijken +met een schoonmaak van het geheele huis, als men voorname gasten wacht. +Nu stelle zich eens eene huisvrouw voor, dat zij uitsluitend +„schoonmaaksters” in dienst heeft, die niet weten hoe zij een bezem +moeten hanteeren en niets dan Fransch kunnen spreken, terwijl zij, als +huisvrouw, alleen Hollandsch verstaat. Zij kan zich dan een zwak begrip +vormen van eenen namiddag bij eene Javaansche recruten-compagnie, vóór +den ochtend eener kapiteins-inspectie. + +Men hoorde niets anders roepen dan: Kossok! Lakas, Lakas, Lakas!... + +Ja, als het met bevelen alleen te doen was! De kerels wisten immers +niet eens, hoe zij met de knoopenschaar moesten omgaan, en dat het heft +van het kapmes blinken moest als zilver, scheen hun onverklaarbaar. Bij +eene Europeesche compagnie kan men bij dergelijke gelegenheden zijnen +toorn tenminste nog door eenige kazernevloeken lucht geven, doch dat +valt bij eene inlandsche compagnie uiterst moeilijk, vooral als men de +taal niet kent. Ofschoon ik een bijzonder grooten domoor den eenen +orang oetan na den ander naar het hoofd wierp, gaf hij geen blijk het +zich ook maar eenigszins aan te trekken; de kerel verstond niet eens +zijne eigen taal. Er bleef niets anders over dan zelf de hand aan het +werk te slaan, uit den treure knoopen te poetsen, stukken van uniformen +te zoomen, te vouwen en netjes op de „planken” te schikken. Dit duurde +tot laat in den nacht. Nog in den droom hoorde ik mijnen collega met +schorre stem roepen: kossok lakas! kapitein datang [6]. + +De gevreesde dag brak aan. Te gelijk met den haan van den +kompagnies-kok kraaide ook de sergeant-majoor, en diens stem werkte +electriseerend. In minder dan geen tijd was ieder op zijnen post. +Nogmaals de knoopenscharen te voorschijn gehaald. Thans ging het +poetsen veel beter. De kereltjes waren leerzaam. Tallooze bezems deden +dichte wolken stof opdwarrelen, welke weder door zachte stofdoeken +onbarmhartig werden weggenomen. De „kamerwacht”, een oude fuselier, +liep met een angstig gezicht ieder stroohalmpje na, dat de wind door de +lange gangen joeg. De „moeder” liep voor hem uit en voelde in alle +hoeken en gaatjes, om zich te vergewissen dat er geen stofje meer te +vinden was. Zij scheen tevreden. Minder vergenoegd waren de arme +sergeanten en korporaals. Daar had een hunner een recruut onder handen, +wiens kraag steeds weder tegen den langen hals opschoof; ginds wendde +een korporaal vergeefsche pogingen aan om een klein ventje de muts +recht op het hoofd te zetten; de schedel was zoo gebouwd, dat het +hoofddeksel telkens weer in den nek gleed. Ik was haast van schrik +flauw gevallen, toen ik ontdekte dat de een of andere ellendeling één +mijner manschappen twee knoopen van de uniform had afgesneden; +waarschijnlijk om ze aan zijne eigen kapotjas te zetten. Snel moest in +het onheil voorzien worden, want de luitenant was reeds in aantocht, en +een luitenant kan onder zekere omstandigheden al even onuitstaanbaar +wezen als een kapitein. + +Eindelijk was alles tot de groote ontvangst gereed. In lange rijen +stonden de recruten vóór hunne slaaptafels en wachtten op de dingen, +die komen zouden. Een gewoon sterveling heeft niet het minste begrip +van het gewicht van een kapitein. Menige pennelikker, met een +jaarlijksch salaris van 600 gulden en eene geborgde jas aan het lijf, +gelooft zich ver verheven boven den „vergulden bedelaar,” zooals +neuswijze heertjes zich gelieven uit te drukken; zij behoefden slechts +ééne inspectie bij te wonen om van hunnen waan genezen te worden. Er is +een reusachtig onderscheid tusschen den kapitein in dienst en in de +samenleving. Wie hem zoo ziet zitten aan het venster van een der groote +café’s in de Kalverstraat, terwijl hij met een tevreden glimlach naar +de menschenmassa kijkt en met een stil genoegen zijn bittertje slurpt, +zou licht op de gedachte kunnen komen: „dat is een man om omver te +loopen!” Jawel, goeden morgen! Men moet hem in zijn element zien en dan +in de eerste plaats bij eene inspectie: dan is hij Jupiter gelijk. Dan +brult zijn mond als de donder, en zijne oogen schieten bliksemstralen; +waar die inslaan, ligt de getroffene van 8 tot 14 dagen krom. Zoo zijn +zij allen, en zoo was ook onze kapitein, wiens komst wij in duizend +vreezen te gemoet zagen. + +Eindelijk klonk het bevel: „Geeft acht!” De luitenants zetten eene +hooge borst, snelden naar den ingang, en wij stonden als stokken aan +den grond genageld. Langzaam naderde het onweder. Onheilspellend +fonkelde de portefeuille van den sergeant-majoor, die het gevreesde +potlood, als eene lans tegen het front van den troep gericht, droeg. De +inspectie begon. Onze sectie was aan de beurt, en de sergeant volgde +met een gezicht, dat wel wat bleek zag. Het scheen of hem het +stereotype: „Sergeant-majoor, schrijf op: zoo en zooveel dagen arrest!” +reeds in de ooren klonk. Ieder oogenblik verwachte ik een: „Hum, hum!” +van den kapitein; onder broeders beteekende dat eenige dagen +kamerarrest. Zeide hij echter: „Smeerpoes!” dan kwam men er niet zonder +„politiekamer” af. Daarin deelen dan in den regel de berispte, de +korporaal en de sergeant broederlijk. Boven verwachting liep het +prachtig voor ons af. Het onweder trok voorbij, zonder in te slaan. De +kapitein was dien dag niet alleen God, hij was ook mensch, en zag dat +het mogelijke gedaan was. Toen hij zelfs ten slotte zeide: „Goed!” +hadden wij hem van blijdschap wel om den hals willen vliegen, als dit +niet in strijd geweest ware met alle begrippen van subordinatie. + +Na afloop der inspectie was het uitbetaling van traktement, en toen ik +mijne 90 cents voor de drie dagen in handen hield, dacht ik bij mij +zelven: „Mama Gouvernement is toch eene brave ziel; zij beloont steeds +naar verdienste.” Daarop vergunde ik mij de weelde van vijf kop koffie +en een dozijn „smeerproppen,” en hiermede waren de eerste drie dagen +ten einde. + + + + + + + + +MIJN EERSTE RAPPORT. + + +„Zeg eens, jij lange, je zet zoo’n gewichtig gezicht, alsof je een +conferentie met Bismarck gehad hebt,” riep mij de snerpende stem van +Von Sch. toe, terwijl ik met groote passen naar de bamboekazerne +stapte. Die von Sch. was een aardige kerel. Nauwelijks twee jaar +geleden had zijne sabel nog op het asphalt Unter den Linden gekletterd +en had zijn ook nu nog welverzorgde knevel jonge schoonen tot het maken +van gedichten bezield; en thans droeg hij de strepen van den sergeant +van het Indische leger. Een man, Isaäc geheeten en behoorende tot de +wijdvertakte familie van Sem, had hem geld tegen „papiertjes” gegeven, +wat aan de verandering zijner uniform schuld moet hebben gehad. Doch +zoo iets is onder kameraden janz ejal. En hij had veel kameraden; ik +was er één van. Altoos had hij een passenden kwinkslag tot zijn dienst, +als een van zijne voormalige of hem nog overgebleven kameraden om de +eene of andere reden „het land” had. Zijn humor was tegen alles bestand +en leed eenige jaren later volstrekt niet onder het bericht, dat eene +verstandige, oude tante hem, nevens een stuk of wat smousjes en katten, +ook haar vrij aanzienlijk vermogen had nagelaten. + +Sergeant Von Sch. dan riep mij op de bovenbeschreven wijze toe en +plaatste zich wijdbeens vóór mij, in afwachting van eene verklaring. + +„Nu, van zooveel belang als een onderhoud met den ouden Bismarck is het +wel niet, maar het scheelt toch niet veel; ik moet mijn eerste +korporaalswacht afsteken en zit duchtig in den brand over het +schriftelijk rapport, ingeval er iets mocht voorvallen,” was mijn +bescheid. + +„Och kom, wat kan er nu op zoo’n korporaalswacht gebeuren?” vroeg hij. +„Zou je het misschien willen rapporteeren, als twee kakkerlakken +elkander den kop afbijten of je een tjitjak [7] op het hoofd valt? Op +die wacht is er immers nog nooit iets voorgekomen? En als er werkelijk +iets gebeuren mocht en je kunt er geen Hollandsch woord voor vinden, +dan omschrijf je eenvoudig. Maar je moet je toeleggen op mooi schrift: +de inhoud komt er minder op aan.” + +Na deze vaderlijke vermaning verwijderde hij zich lachend, en ik +vervolgde mijnen weg. + +Een uurtje later betrok ik met mijn drie man de wacht, nam vol +welgevallen het beheer over de ledige arrestlokalen van mijnen +voorganger over en vlijde mij, na gedanen arbeid, behaaglijk in een +matten stoel neder. Het was een heerlijke, zonnige dag. Den nacht te +voren had het geregend, en nu slurpten zonnestralen en planten het +kostelijke nat gretig op. De lucht was helder, zoodat men in de verte +de blauwe omtrekken van het gebergte onderscheiden kon. De Tjilewong +verhaalde zachtkens, in vriendelijk gebabbel, van die reuzen daarginds, +waartoe ik mij zoo machtig voelde aangetrokken door de herinnering aan +mijn bergachtig vaderland. Zoet geurden de twijgen van den „tjampakka” +boven mijn hoofd, en wanneer een zoel windje van het naburige zeestrand +door het gebladerte streek, viel er een bloesemregen neder en omhulde +mij als met eenen mantel van het teêrste dons. + +Het was werkelijk niet noodig Duitscher te zijn, om in eene zoo +paradijsachtige omgeving te dwepen, luchtkasteelen te bouwen en zich de +toekomst in de liefelijkste kleuren af te schilderen. + +Het waren stoute droomen, die mijne verbeelding voortbracht. Al de +makke Javaantjes, die daar ginder in den looppas heen en weer snelden, +of, al naar de velddienst het vorderde, als slangen over den grond +kropen, herschiep zij in bloeddorstige oproerlingen, die het moordende +staal ophieven tegen het handjevol Europeanen in hun midden. + +Dezen zag ik met den moed der wanhoop tegen de overmacht strijden; meer +en meer dunde het hoopje mijner kameraden; zij zouden het onderspit +delven! Daar snelde ik toe met mijne drie man, schoot, hieuw en stak +als een bezetene; de kameraden herademden, keerden zich opnieuw tegen +den vijand. + +Victorie! de zege was ons. + +Wat heerlijke aanblik! Het „Waterlooplein” gevuld met duizenden +toeschouwers. + +Het geheele garnizoen opgesteld in parade-orde. Aller blikken zijn naar +het midden van het plein gewend; dáár, namelijk, sta ik en hoor met +vurig oog en duizelend hoofd de krachtige toespraak aan, welke de +legercommandant tot mij richt. Zijne hand rust op mijnen schouder en +met luider stemme zegt hij: + +„Het heeft Zijner Majesteit behaagd u tot ridder van de Militaire +Willemsorde...” „Toeloeng! toeloeng!” [8] krijscht op eens eene +vrouwenstem en overschreeuwt de beteekenisvolle slotwoorden, waarmee +mijn fantasie-generaal op het punt stond zijne rede te besluiten. Uit +was mijn droom. Met één sprong was ik op de been, beval een der +soldaten, die dommelend in het gras lag, mij te volgen en snelde zoo +spoedig mijne lange beenen mij dragen konden naar eene naburige loods, +waaruit het hulpgeroep geklonken had. Daar vond ik een inlandschen +soldaat, die de knie op de borst eener vrouw gedrukt hield en zonder +ophouden met een steen op haar sloeg. Natuurlijk greep ik hem onzacht +in den nek en sleepte hem naar de wacht. De vrouw liet ik naar de +ziekenzaal brengen. Gedurende zijn transport huilde de kerel als een +oud wijf en deed niet de geringste poging om zich te verweren. Geen +enkele maal zelfs beet of krabde hij. + +Huilend ging hij het arrestlokaal binnen en huilend beantwoordde hij +mijne vragen. Hij huilde zelfs nog, toen ik met mijn rapport bijna +gereed was, en dat duurde lang, want het Hollandsch wilde mij niet +gemakkelijk uit de pen. + +Te langen leste had ik het epistel toch klaar en verdiepte mij met +welgevallen in den inhoud van het dienstbriefje: „De inlander Sowodrono +heeft zijn huishouderesse met een steen geslagen. Daarom heb ik hem +arrestierd.” + +Reeds maakte zich een fuselier gereed om het rapport naar de hoofdwacht +te brengen, toen de schildwacht door het venster naar binnen riep: „Ik +geloof waarachtig, dat de kerel in de gevangenis zich heeft +opgehangen!” + +Deze woorden deden mij zóó ontstellen, dat ik onder de vele verroeste +en overtollige sleutels, die aan mijn zorg waren toevertrouwd, den +juisten niet vinden kon. Het gerochel, dat uit de cel tot mij +doordrong, was niet geschikt mij op mijn gemak te brengen. Ik bezon mij +daarom niet lang, liep met den schouder tegen den deurpost en wierp de +halve gevangenis omver, die, terloops aangemerkt, uit bamboe was +opgetrokken. Ter eere van de gevangenissen in Indië dient echter +verklaard, dat niet alle van zulk een zwakken bouw zijn. Anders mocht +het eene of andere lid van het edele Europeesche boevengilde eens lust +krijgen, het veld zijner kunstverrichtingen naar dit Dorado te +verplaatsen. + +Met twee sprongen was ik over de splinters heen, en bij den +ongelukkige, die aan zijnen halsdoek hing te bungelen. + +Een fuselier sneed hem af en ik diende den zelfmoord-candidaat een paar +oorvijgen toe, die zijne ademhalingsorganen weder in functie brachten. +Daarna tooide ik hem met ijzeren hand-manchetten en liet hem naar de +hoofdwacht brengen. Maar nu kwam de grootste moeielijkheid aan; er +moest een nieuw rapport worden opgesteld en dat wel zoo spoedig +mogelijk, anders kreeg ik met den commandant der hoofdwacht te doen. +Als gewoonlijk schreef ik dezen dienstbrief eerst in het Duitsch en +vertaalde hem daarna woord voor woord. Hij luidde: Der gefangene +Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen; ich habe ihn +desswegen gefesselt. + +Het eerste deel van dit rapport was, meende ik gemakkelijk te vertalen; +maar met de slotwoorden haperde het. + +Wat beteekent toch ook weer Fesseln in het Hollandsch? „Fetteln?” +Neen.—„Fetseln?”—ook niet! Lieve hemel, er moet toch een woord voor +zijn! + +Daar ging mij een licht op. „Omschrijven, als men het juiste woord niet +vindt,” had Von Sch. dien morgen gezegd. Precies! Hoe zou het zijn, als +ik eens schreef: ich habe ihn desswegen in Ketten gelegt? Dat klonk wel +wat middeleeuwsch en rook naar burcht-kelders en pijnigende +roofridders, maar het was toch verstaanbaar. + +Doch nu haperde het met de vertaling weer. Kette beteekent in het +Hollandsch „ketting,” bijgevolg beteekent in Ketten: „in kettingen.” +Die uitdrukking kwam mij echter verdacht voor, ik had haar nog nooit +gehoord. Het angstzweet brak mij uit! Er wilde mij niets invallen, +ofschoon ik reeds den halven penhouder had afgeknaagd. Daarbij kwam +nog, dat de twee fuseliers vlak naast me op het geschrift zaten te +wachten. Hoe benijdde ik de kerels! Ze spraken beiden perfect +Hollandsch, want het waren Hollanders; maar ik durfde hun toch niets +vragen. Daarmede zou ik mijn gezag verloren hebben en den volgenden dag +hadden de kameraden verteld: „de vent laat zich zijn rapporten door de +wachthebbende manschappen dicteeren.” + +Als ik eens wat diplomatisch te werk ging, misschien dat ik dan toch +nog te weten kwam welke de juiste uitdrukking was. Zonder langer te +aarzelen, wendde ik mij dus tot een der beide mannen en vroeg zoo +losjesweg: „Zegt men in de streek, waar jij vandaan komt, ook „in +kettingen gelegd?”” + +De man keek mij verbaasd aan; hij begreep blijkbaar niet wat ik wilde. +Hij bezon zich een oogenblik en sprak dan: „Nee koproal! Bij ons thuus +zeggen ze: oan de ketting legd.” + +Goddank! Nu wist ik het. Nu maar snel geschreven! Daar gaat-i: „Der +Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen” = „De inlander +Sowodrono heeft verzocht zich op te hangen”—„ich habe ihn desswegen in +Ketten gelegt” = „ik heb hem daarom aan de ketting gelegd.” + +Ziezoo! maar nu ook als de wind naar de hoofdwacht er mee! Was me dat +een karwei! + +De fuseliers schenen van dezelfde meening, want één hunner vroeg mij: +„Zeg eens, korporaal, het is zeker zoo gemakkelijk niet, om eene +vreemde taal te leeren? U kent er zeker wel zoo’n stuk of wat?” + +„Natuurlijk, vrindje!” antwoordde ik, „zoo’n beetje Latijn, Grieksch, +Fransch, Duitsch, Maleisch (ik wist nauwelijks tien woorden dier taal) +en natuurlijk Hollandsch ken ik wel. Met het Hollandsch spreken wil het +nog niet recht vlotten—nu dat hoor je zelf—maar schrijven, schrijven, +zie je, kan ik het als mijn moedertaal.” Ik had het immers zoo juist +bewezen. + +Eindelijk en ten laatste kon ik weer eens wat rust nemen! In het zalig +besef een groot werk verricht te hebben, vlijde ik mij neer in mijnen +stoel en nam één der heerlijke manilla’s uit den zak, waarvan men er +bij den dikken Chinees op den passer zes voor een dubbeltje koopt. + +Scherts ter zijde,—het waren echte manilla’s; maar zij hadden één +gebrek, dat haar voor de rooktafel der „buikjes” ongeschikt maakte: er +bevonden zich tallooze gaatjes in het dekblad, welke diep in het +binnenwerk doordrongen, en daarin zaten kleine wormpjes. Als men nu +zulk een sigaar wil rooken, dan moet men eerst de gaten met papier +beplakken, en dat is niet ieders werk. Als zoo’n sigaar „gereed was om +te vuren,” zag zij er steeds als eene dikke papierrol uit. + +Ik bereidde mij dus zulk een exemplaar toe, stak er den brand in en gaf +mij weer over aan mijne droomen, die zoo ruw verstoord waren geworden +en thans door het rooken mij in eene andere, meer materieele, sfeer +verplaatsten. Telkens namelijk, als het vuur der sigaar een der +verstopte gaten bereikte, klonk het „Pschi!” en steeg er een soort van +braadlucht in mijn neus, afkomstig van een wormpje, dat door het papier +den terugtocht was afgesneden. Ik telde de gaatjes. Er waren er negen. +Een rijk menu waarlijk. + +„Pschi!” Gebakken oesters.—Pschi! hoendersoep.—Pschi! zalm met +Hollandsche saus.—Goeie God, wat rook die saus heerlijk!—Pschi! +Ossehaas.—Pschi! Pschi!—He, kellner! niet zoo vlug achter elkaar +opdienen! Daar brengt me nu de kerel kip en kreeftenmaijonaise +tegelijk! (Het vuur had namelijk twee wormpjes achter elkaar +aangetast.) Misschien dat ik wat te luid gedacht had, want de fuselier, +die tot dusver rustig had zitten lezen, sprong op en vroeg: „Zei u wat, +korporaal?” + +„Houd je mond!” riep ik geërgerd. + +De kerels kunnen je niet eens met rust laten eten. Het geheele dessert +en de kaas gingen door die domme vraag voor mij verloren, want er waren +nog twee gaatjes in de sigaar. Thans smaakte mij het rooken niet meer; +ik kon niet meer in de stemming komen, die voor het besluit van het +aangebroken diner vereischt werd. + +Ook nog het laatste restje mijner goede stemming vervloog, toen een +korporaal in volle uniform op mij toesnelde en reeds uit de verte riep: +„Gauw, gauw, je moet op het bataljonsrapport!” + +Vreeselijk woord: rapport! „compagniesrapport” is reeds genoeg om +iemand kippevel te doen krijgen van angst, en nu bataljonsrapport!—Het +woord alleen gaf mij een gevoel of ik door den grond zou zinken. + +Wat kon ik in ’s hemelsnaam hebben uitgevoerd? Mijn geweten was +engelrein. Maar wat hielp mij dat? Onder militairen, vooral in Indië, +staat men steeds met één been in arrest. + +Mijn kameraad kon mij ook geen opheldering geven. Hij had alleen bevel +gekregen mij terstond af te lossen. Wel had de adjudant gelachen, toen +hij het bevel gaf. Maar een adjudant kan zelfs lachen als hij eene +geheele sectie naar de provoost stuurt. Dat was dus geen troost. + +Vervuld van bange gevoelens, marcheerde ik naar de kazerne. Daar +verwelkomde mij de „dubbele” met eenige weinig liefelijke toespelingen. +Ook de sergeanten en korporaals staken de hoofden bijeen en namen mij +van alle kanten op. Dat maakte mij hoe langer hoe ongeruster. Vergeefs +pijnigde ik mijne hersenen om mij het eene of andere misdrijf te +herinneren; maar ik moest het opgeven. In gezelschap van een stuk of +wat op opiumschuiven betrapte Javaansche soldaten, volgde ik den +„dubbele” naar den majoor. + +Op de veranda voor het bataljons-bureau heerschte eene heilige stilte, +ofschoon een dertigtal soldaten in groote tenue daar bijeen waren. +Zelfs de vier „dubbelen”, die overigens niet op hun mond gevallen +waren, zwegen als moffen. Ieder, die een slecht geweten had, stond dit +op het gezicht te lezen. Mij neep de angst letterlijk de keel toe; ik +snakte naar adem als een visch op het droge naar water. + +Daar ging de deur van het bureau open. De bataljons-adjudant verscheen, +en allen stonden als zoutpilaren. Hij telde de manschappen, vergeleek +de rapporten en verdween weder. + +Nog vijf minuten uitstel van executie; zij schenen ons zooveel uren. + +Eindelijk kwam de majoor. Met één oogopslag overzag hij de aanwezigen. + +„Waar is de korporaal, die van morgen het rapport over den +adspirant-zelfmoordenaar heeft ingezonden?” vroeg hij met dreigende +stem. + +„Present, majoor!” riep ik en deed een stap voorwaarts. + +De bataljons-commandant monsterde mij met een langen blik; onderwijl +vertoonde zich bij hem eene eigenaardige trekking om den mondhoek. + +„Je hebt zware straffen verdiend, wegens twee militaire vergrijpen,” +begon hij. + +Al het bloed drong mij naar het hart; toch hield ik zijnen blik uit. + +„Waarom heb je den soldaat Sowodrono permissie gegeven, zich op te +hangen?” + +Gerechte hemel, wat moest dat beteekenen! + +„Neem mij niet kwalijk, majoor, ik kan bezweren, dat de man mij geen +verlof gevraagd heeft,” stotterde ik. + +„En je schrijft zelf, dat de man je verzocht heeft, zich te mogen +ophangen!” + +Nu begon er in mijne arme hersenkas eenig licht te komen. + +„Verder heb je den man behandeld op eene wijze, die den soldaat +onwaardig is, door hem als een hond aan een ketting te leggen, zooals +je ook zelf schrijft”, ging hij voort. + +Ik moet er op dat oogenblik niet bijster snugger hebben uitgezien, ten +minste naar de gelaatstrekken der omstanders te oordeelen, die slechts +met moeite hun lachen schenen te bedwingen. + +Het kan voorkomen dat een soldaat meesmuilend lacht, als een luitenant +beweert, zijn leven lang geen grooteren os gezien te hebben dan hij. +Het is ook mogelijk dat een soldaat pijnlijk lacht, als hij boven aan +eene trap toevallig bij het opengaan der deur zijnen kapitein tegen het +lijf loopt, achterover naar beneden tuimelt en op de vraag van den +kapitein: „kerel, ben je dood?” ten antwoord geeft: „met uw verlof nog +niet, kapitein!” Maar tegen een majoor te lachen, dat zal een soldaat +zelfs in den dood niet overkomen. En hier, in mijne naaste omgeving, +stonden 1 onder-adjudant, 4 sergeant-majoors, 4 sergeanten, 4 +korporaals en eene geheele bende arme zondaars en lachten, waar de +majoor bijstond! Maar wat het onverklaarbaarst was, de majoor zelf +lachte, lachte, dat zijn buikje er van schudde. Een majoor, die in +diensttijd lacht! Een majoor, die lacht tegen een korporaal! + +Zoo de beroemde weer-professor Falb in mijne plaats ware geweest, dan +zou hij dezen dag zeker als een kritieke dag van de hoogste orde hebben +aangemerkt en de latere uitbarsting van den Krakatau met dit oogenblik +in verband hebben gebracht. + +Eene heele poos duurde het, alvorens de gemoederen weder tot bedaren +kwamen. Daarop commandeerde de majoor: „rechtsomkeert, marsch!” + +Hij riep mij nog na: + +„Je wordt ersucht beter Hollandsch te leeren, anders blijf je nog lang +aan den korporaals-ketting liggen.” + +Ik zag of hoorde niets meer—ik zweefde letterlijk over de aarde. Het +beeld van den lachenden majoor vergezelde mij naar de kazerne. Daar +schoten van alle kanten de korporaals op mij toe en vroegen deelnemend: +„Wat is je toch om ’s hemels wil gebeurd? Je ziet zoo bleek als een +doode!” + +Ik kon alleen maar uitbrengen: + +„Ik heb een lachenden majoor gezien!” + +„Wa-a-at blief je?” + + + + + + + + +KAPITEIN „EENOOG”. + + +Zooals bekend is, zijn de Indische kazernes niet zoo kolossaal gebouwd, +dat iedere korporaal of zelfs iedere sergeant over een eigen vertrek +beschikken kan. Gewoonlijk deelen twee in rang gelijke militairen met +elkander ééne kamer. Zoo ook in de bamboe-kazerne, waar ik met een +ouden gemoedelijken korporaal en den „kapitein” samenwoonde. Wie de +„kapitein” was? Dat was eene reusachtige Makassaarsche huishoudster, +die mijn kameraad van Celebes had meegebracht. Wegens hare basstem, +waarmede zij alle overige huishoudsters—die van den sergeant-majoor er +onder begrepen—commandeerde, en wegens de energieke wijze, waarop zij +over mijn kameraad de pantoffel zwaaide, had men haar den titel van +kapitein verleend. Voluit heette zij kapitein „Eenoog”. Zij bezat +namelijk maar één oog. Of het andere door een vroegeren „laki” +toegeslagen werd,—haar huidige sterkere wederhelft had het zeker niet +gedaan, want die bezat niet eens den moed „ja” te zeggen, als zij +„neen” zeide—of dat het van zelve was dichtgegroeid, weet ik niet. In +elk geval zag zij met dat ééne oog zoo scherp als een werkelijke +kapitein met twee, eene omstandigheid, waaronder haar echtvriend veel +te lijden had. Want of hij ook te midden van een heele bende korporaals +naar de kantine sloop met het doel „er eentje te koopen” en zich daar +in het meest verborgen hoekje terugtrok, om niet gezien te worden, +kapitein „Eenoog” wist hem onder allen uit te vinden. De vrouw oefende +eene merkwaardige heerschappij over hem uit, die zij evenwel—het zij +tot hare eer gezegd—slechts tot zijn bestwil aanwendde. Zoo kon zij +bijvoorbeeld jenever zien noch luchten; hij daarentegen opperbest. Als +het nu nog maar bij ruiken gebleven was! Maar hij dronk het Schiedammer +nat ook, en dat was meer dan zij verdragen kon. Dan blies zij als een +wilde kat en haar oog fonkelde als eene gloeiende kool. Het eten was +dan steeds aangebrand en de koffie geleek op gootwater. + +Het afschuwelijkste echter was het bedsermoen, dat des nachts achter +den klamboe werd afgestoken; want ongelukkig genoeg moest ik dat altijd +mede aanhooren, en of ik ook honderdmaal riep: Toetoep moeloet! (op +zijn Hollandsch: houd je snater)—de „kapitein” liet zich door geen +korporaal de wet stellen, maar ratelde door tot zij van vermoeidheid +mond en oog sloot. Dergelijke tooneelen zocht mijn collega natuurlijk +te vermijden, en hij scherpte zijn geest zooveel hij kon, om te +trachten zijn „ouwe” te verschalken, maar die liet zich niet beetnemen, +en zoo viel hij steeds weer door de ben. Had hij bijvoorbeeld eens een +borrel naar binnen gespeeld, dan poetste hij zich eerst de tanden en +spoelde vervolgens den mond, voor hij bij „kapitein Eenoog” op het +appèl verscheen. Eerst kwam hij dan nog bij mij, ademde mij onder den +neus en vroeg „ruik je nog wat?” + +Het was mij natuurlijk ook niet altijd aangenaam aan een andermans mond +te moeten ruiken en ik liet hem daarom steeds een paar menage-ketels +vol slappe thee opslobberen, vóór ik verklaarde niets meer te ruiken. +Kapitein Eenoog echter rook het, want evenals haar gezichtsvermogen was +bij haar het reuk-orgaan sterk ontwikkeld. „Ze ruikt als een +jachthond,” jammerde mijn kameraad steeds. „Nauwelijks ben ik in de +kantine, of het is dadelijk: „Brammetje, geef acht, de kapitein komt!” +En dan heb ik nog maar even den tijd om te verdwijnen”. + +Ja, de kapitein was eene model-huishoudster. Iederen halven cent keerde +zij driemaal om, vóór ze hem uitgaf, en ze had veel halve centen. Ze +was rijk; men mompelde van eene heele kous vol „ringgits” en „roepia’s” +[9] welke zij verborgen hield. Als dat eene kous van haar was geweest, +dan had zij werkelijk rijk moeten zijn, want naar haar stappers en de +bevallige ronding harer kuiten welke de sarong liet doorschemeren te +oordeelen, moest zulk eene beenbekleeding geweldige afmetingen hebben. +Maar inlandsche vrouwen dragen, zooals men weet, geen kousen, en +soldaten-kousen zijn niet overgroot, daarvoor zorgen de leveranciers. +Het geld verdiende zij met wasschen, naaien en handeldrijven, want zij +had een goeden stand in den warong. Natuurlijk profiteerde mijn +kameraad daar ook van. Zijn rijsttafel moest den grootsten fijnproever +bevredigen en zijn slaapbroeken en kabaaien waren steeds van den +smaakvolsten snit. Geen wonder dus, dat hij voor zijn „kapitein” een +razenden eerbied had. Zooals vanzelf spreekt, had de „kapitein”, zoo +goed als haar overige zusteren, hare kleine zwakheden. Zij was een +beetje koket, zalfde en blankette zich als eene Parisienne en was min +of meer hoovaardig. + +Dolgraag zou zij gezien hebben, dat haar korporaal, die zijn katoenen +streep nu reeds bijna 15 jaar met eere gedragen had, die met de gouden +chevron had verwisseld; maar dat gebeurde niet, alhoewel de man +dagelijks met papier, schrijfgereedschap en reglementen zwaar beladen +naar de kaderschool trok. „Ze willen maar prefesters van ons maken,” +klaagde hij. „Vraagt me daar de sergeant niet, hoeveel steenen van 10 +cM. lengte en 5 cM. breedte ik voor een muur noodig heb die 6 meter +lang en 3 meter hoog is. Ik wil toch waarachtig onderofficier en geen +metselaar worden! Wat gaat het mij aan, dat Weenen de hoofdstad van het +Duitsche rijk is! Als ik maar weet, hoe het er bij ons in Holland en +Indië uitziet. Naar Duitschland ga ik toch niet!” Zoo mopperde hij dag +in dag uit, maar ging niettemin getrouw ter school en trachtte +tevergeefs zijne arme hersenen te bewegen den regel van drieën op te +nemen. Sergeant is hij nooit geworden. + +Met deze twee brave menschen deelde ik dus de kamer en ook vreugde en +leed. Kapitein „Eenoog” mocht mij gaarne lijden, want ik was een goede +klant van haar. Twee derden mijner soldij, een gulden dus, vond in +plaats van naar de kantine den weg naar hare woning, waar ik onder de +stapels smeerproppen steeds eene vreeselijke verwoesting aanrichtte. +Dikwerf wees zij haren korporaal, als deze buitengewoon zuur uit den +mond rook, mij als voorbeeld ter navolging aan, wat den armen man niet +weinig verdroot. Het moet daarom voor hem werkelijk een zalig gevoel +zijn geweest, toen hij den „kapitein” op zekeren dag „boven haar +theewater” zag. Dat droeg zich als volgt toe. + +Het was Oudejaarsavond. Reeds een paar dagen te voren had mijn kameraad +mij weten over te halen dien avond waardig te vieren; alleen over het +financieele punt waren wij het nog niet eens. Punch toch kost geld. Ik +had wel 2½ gulden goed bewaard in mijne kast liggen, maar die waren +voor een klamboe bestemd. Doch wat deed het er ook eigenlijk toe, of de +muskieten nog een paar weken langer mijn corpus martelden; het is maar +eens in ’t jaar oudejaarsavond. Het vorige jaar had ik hem nog ver over +den oceaan onder eene flesch champagne gevierd; ditmaal mocht een +plechtige punchbowl de herinnering aan die schoone dagen wel +opfrisschen! Ik offerde alzoo vijftig cent voor eieren en besten arak. +De „kapitein” zorgde voor heet water, suiker en kinnebakswerk; de +zwelgpartij kon dus beginnen. Bij gebrek aan eenigerlei ander vaatwerk, +geschikt tot het aanmaken van punch, gebruikte ik voor dat doel onze +gemeenschappelijke waschkom; die was tamelijk groot. Weldra dampte er +het zoete brouwsel in en vermengde zijnen geur met den heeten walm, die +opsteeg uit de heerlijkste smeerproppen ooit door de vaardige vingers +van den „kapitein” gerold. Galant, gelijk het een korporaal betaamt, +presenteerde ik „Eenoog” het eerst een klein glaasje. Ik moet bekennen, +dat ik daarbij van de booze onderstelling uitging, dat het geen kwaad +kon, zoo Adam eens voor een keer Eva den appel aanbood. De „kapitein” +bracht de punch eerst onder den neus, maar zette daarop een gezicht als +een mopshond, dien men aan een peperbus laat ruiken. + +Vastberaden schudde zij het hoofd. Ten leste liet zij zich toch bewegen +het goedje te proeven, stak den vinger in het glas en likte hem toen +af. „Enak betoel” [10] mompelde ze en smakte met de tong. Spoedig +gebruikte zij niet meer den vinger, maar dronk, evenals wij, uit het +glas. De verleider had gezegevierd, tot groote vreugde van mijnen +kameraad, die thans onder de oogen der hooge politie tot dusver +verboden lusten mocht botvieren. Dat deden we alle drie in ruime mate +en geraakten daardoor in zulk eene vroolijke stemming, dat wij om de +geringste flauwiteit tranen konden lachen. Wat zou echter Wein und Weib +zonder gezang zijn? Dus de gitaar van den wand genomen, heure snaren +getokkeld en den lof gezongen van onzen wakkeren kapitein „Eenoog”. +Deze scheen het stemmen van het instrument reeds voor de eigenlijke +muziek te houden; de dreunende tonen kwamen ook merkwaardig veel +overeen met de welluidende muziek van een gamalang. Met eene vlugheid, +die ik met haar 250 pond vleesch onvereenigbaar zou hebben geacht, +sprong zij op en nam de verleidelijke houding van eene „ronggeng” [11] +aan. + +„Ha! ha!” Het gezicht, dat mijn kameraad zette bij deze beweeglijkheid, +was allerdolst. Zijn kapitein aan het dansen! Dat was onbetaalbaar. In +minder dan geen tijd had hij een menageketel omgekeerd tusschen de +knieën en sloeg er op los of hemel en aarde vergaan moesten. Daarmede +vereenigden zich de valsche tonen van mijn edel instrument tot eene +dansmuziek, die ons trommelvlies dreigde te verscheuren, doch de +kapitein in verrukking scheen te brengen. Die wiegde zich op de heupen +als een eikeboom in den storm en trippelde over den vloer gelijk een +dansende beer. + +„Wat zou je er van denken,” riep ik overmoedig, „als wij de kapitein +eens een ring door den neus boorden en haar voor geld lieten kijken?” + +Maar daarmede kwam ik bij mijnen kameraad leelijk te pas. „Als je een +paar blauwe oogen er aan wagen wilt, dan zeg je dat nog eens!” riep +hij. Maar die verwenschte punch maakte mij steeds overmoediger. Ik +wilde mijnen kameraad een beetje jaloersch maken en zong alle mogelijke +minneliederen, die voor de „kapitein” echter onverstaanbaar waren. Zij +bleef zich maar op de heupen wiegen, klapte daarbij in de handen en +zong zacht door den neus. Mijn kameraad daarentegen schoof steeds +dichter naar mij toe en siste mij in het oor: „Laat mijn „kapitein” met +vrede!” Hij riep in de woestijn! Bij den aanblik van een oog, als +„kapitein Eenoog” bezat, kon ik de verzoeking geen weerstand bieden en +hief uit volle borst aan: „Du holdes Aug’ du lieber Stern!” Nauwelijks +had ik deze hymne op het oog van de kapitein aangeheven, of daar voelde +ik ook reeds de vonken uit het mijne vliegen. De vuist van mijn +kameraad had er kennis mede gemaakt. + +Mijn instrument om te keeren en het met kracht op den neus van mijn +aanvaller te laten neerkomen, was het werk van een oogenblik. In het +volgende rolden wij over den vloer en beukten op elkander los als +smeden op het aanbeeld. De „kapitein”, die van het geheele tooneel +niets begreep, stond onze krachtoefeningen aanvankelijk met open mond +aan te staren, maar stiet, toen zij den ernst van den toestand inzag, +zulk een vervaarlijk gebrul uit, dat voor onze deur een volslagen +oploop ontstond. Wij waren juist van den stoffigen vloer opgestaan en +poogden ons gehavend toilet wat in orde te brengen, toen de deur werd +opengerukt en op den drempel met een hoogrood gezicht de „dubbele” +verscheen. + +„Wat gebeurt hier?” donderde zijne stem. „Wat! jelui bent aan het +bakkeleien geweest? En”—hierbij snoof hij een paar maal de lucht +in—„sterken drank heb jelui gedronken? Dat zal je voor den duivel....” + +De verschijning van den sergeant-majoor en de vrees voor de gevolgen +eener mogelijke ontdekking van onze geurige contrabande maakten mij zoo +nuchter als een pasgeboren kalf. Ook kapitein „Eenoog” scheen haar +tegenwoordigheid van geest herkregen te hebben. Toen zij bemerkte, hoe +de blik van den „dubbele” onderzoekend in alle hoeken drong, hurkte zij +achter de tafel, waar zij bij den aanvang der handtastelijkheden de +waschkom met godendrank in veiligheid had gebracht, en—ik vertrouwde +mijne oogen niet—zette zich, als een evenknie van Mucius Scaevola, +midden in de eieren-punch. Deze heldhaftige daad van de „kapitein” zal +ik mijn leven niet vergeten, want de punch stond op een komfoor en was +gloeiend heet, en ik bedacht met eene lichte rilling, dat „Eenoog” +niets aan had dan een dunne sarong. + +Gelukkig zocht de „dubbele” niet lang, anders zou „Eenoog” levend +gekookt zijn geworden. Met de troostrijke opmerking: „Morgen op het +rapport!” verliet de gevreesde moeder der compagnie het tooneel van den +strijd. Wij, van onzen kant, zochten met verdeelde gevoelens onze +stroozakken op, nadat zich de „kapitein” nog eerst in alle +verborgenheid het benedenste deel van den rug met verkoelende zalven +had ingewreven. + +Deze nacht was de afschuwelijkste mijns levens. De koppige arak had +alle sluimerende geesten in mijn lichaam gewekt en deze bonsden en +hamerden nu in mijn schedel, zoodat ik vreesde dat hij zou barsten. In +dien arbeid werden zij nog bijgestaan door het ééne oog van de +„kapitein,” dat in mijne verbeelding mij verwijtend aanstaarde, en zoo +gloeiend was die blik, dat het mij scheen of alle speeksel in mond en +keel er door verdroogde. Door een razende hoofdpijn en het branden +mijner oogen gekweld, zocht ik nog in den nacht de rivier op en bette +en wiesch mij in hare golven; dat verfrischte. Geheele emmers water +zwelgde ik in, maar steeds had ik een gevoel alsof ik een dozijn +haringkoppen had opgeslokt. Lichamelijk en geestelijk gefolterd, legde +ik mij weder op mijn stroozak neer en luisterde naar het zachte gekreun +van de arme „kapitein”, die maar aldoor jammerde o, o, sakit sakit. +[12] De ochtendzon van den 1en. Januari bestraalde een treurig +gezelschap. + +In de eerste plaats de dikke „kapitein”, die met omfloersd oog en het +hoofd krampachtig tusschen de handen geklemd, van achter de „klamboe” +te voorschijn kwam. + +Kassian, kassian! jammerde ze, sakit sakit, saja poenja badan, [13] en +daarbij greep zij zich meewarig onder in den rug. Zij scheen nog maar +eene flauwe voorstelling te hebben van het voorgevallene op den vorigen +avond. + +Daarentegen had zij eene katterigheid, die door geen twee „rolmops” te +genezen scheen. Nog grooter werd de verbazing van „Eenoog” toen zij den +gezwollen neus van haar korporaal en mijn blond en blauw geteekend oog +zag. + +Bageh mana! [14] riep ze uit en kwam met een flesch obat [15] +aandragen, waarmede zij het gezwollen lichaamsdeel van mijn kameraad +zoolang bestreek, tot het glansde als koper. Ook over mijne oogen +ontfermde zij zich. Eene poos lang zaten we zwijgend tegenover elkaar. +Eindelijk zegevierde de goedhartigheid van mijn kameraad over zijn +wrok, en hij vroeg mij, of ik nog kwaad was. + +„Ik zou wel eens willen weten, waarom!” antwoordde ik. „Jij hebt je +portie beet en ik de mijne. We hebben elkaar niets te verwijten. Maar +het kan vandaag slecht met ons afloopen bij den compagnies-commandant. +Je weet, dat de „dubbele” rapport gemaakt heeft.” + +„Ja”, zuchtte hij, „helaas! Maar wat moeten we als oorzaak opgeven, dat +we elkander hebben afgeranseld?” + +Ik dacht eenige oogenblikken na. Daar kreeg ik een goeden inval. Onze +compagnies-commandant had eene ronde, eerlijke soldatennatuur. Hij +zeide het altoos precies zooals hij ’t meende. Toen onlangs een +fuselier een ander had aangegeven, omdat deze hem een pak ransel had +toegediend, en beiden op het appèl verschenen, vroeg hij den aanklager: +„heb je teruggeslagen?” En toen deze hierop ontkennend antwoordde, +mompelde hij zoo iets van lafaard, en gaf den ander maar één dag +strafexercitie, „om de krachten, die hij te veel had, niet te +misbruiken,” merkte hij er bij op. Eene zware straf stond ons dus niet +te wachten, als wij maar eene geschikte verklaring konden vinden. + +„Weet je wat,” zeide ik, „we vertellen hem, dat we twist hebben +gekregen over de vraag, wie van beiden grooter is: Kareltje van der +Heyden of Moltke. Ten slotte waren we elkander in het haar gevlogen. +Laat mij maar spreken.” + +„Goed,” beaamde mijn kameraad. „Ik heb het dus voor Kareltje opgenomen +en jij voor den mof. Dat is afgesproken!” + +Daarop togen wij aan ’t poetsen, want met helder gepoetste knoopen en +schoenen kan men dikwerf een knorrigen superieur verteederen. Een uur +later stonden wij tegenover den compagnies-commandant, die met een +kritischen blik onze getatoeëerde gezichten monsterde. + +„Zeg eens!” vroeg hij mijnen kameraad, terwijl hij op mij wees, „hoe +komt het, dat je hem zoo hebt toegetakeld?” + +Ongelukkig echter was de aangesprokene zeer zenuwachtig en flapte er +zonder nadenken uit: „Hij heeft op generaal Van der Heyden gescholden!” + +Ik dacht op dat moment, dat ik eene beroerte kreeg. Zoo’n stommerik! +Geheel van mijn stuk, vergat ik een oogenblik de disciplinaire +voorschriften en riep: „Neem me niet kwalijk, kapitein....” Verder kwam +ik niet, want met een donkeren blik snauwde hij me toe: „Houd je mond, +kerel, tot je gevraagd wordt!” + +En zich tot mijnen kameraad wendende, vervolgde hij: „Wat heeft hij +over den generaal gezegd?” De arme man wist niet wat daarop te +antwoorden, en geheel in de war, stotterde hij: „Dat weet ik niet +meer!” + +„Ben je dan dronken geweest?” donderde het compagnieshoofd. Daarop +beval hij mij te zeggen, hoe de zaak zich had toegedragen, en waarom +wij elkander zoo mooi hadden gemaakt. + +Ik dischte hem het sprookje op, dat wij er over hadden getwist wie +grooter krijgskundige was: Van der Heyden of Moltke. Eerst hadden wij +geschertst, vervolgens was het meenens geworden en ten slotte: de +koperen neus en de blauwe oogen. + +Toen ik mijn verhaal gedaan had, keek de kapitein mij van onder tot +boven met een eigenaardigen blik aan, als wilde hij zeggen: „Kerel, wat +kun jij liegen!” En zich tot den sergeant-majoor keerende, zeide hij: +„Schrijf op voor ieder drie dagen kamerarrest!” + +Dat was genadig afgeloopen. Terwijl we afmarcheerden, riep ons de +kapitein na: „Als jelui weer eens op het rapport komt, dan moet je te +voren beter afspreken!” + +Daar had ik de quitantie voor mijn leugen om bestwil. + +„Kapitein Eenoog” wachtte ons intusschen in de grootste bezorgdheid op. +Zij zat er danig over in den angst, dat haar korporaal met de provoost +zou moeten kennis maken. De drie dagen kwartier-arrest waren voor haar +een meevaller van belang. Gedurende dien tijd onthield zij haren +korporaal ook nog den éénen borrel, dien zij hem grootmoediglijk had +toegestaan. Wat straf heet, moet ook straf zijn! + +Ik behoef niet te zeggen, dat ik mij van dien dag af weder meer dan +ooit tot koffie en smeerproppen bepaalde. Alleen een goed gesternte en +„Eenoog’s” heldhaftige daad hadden mij voor provoost bewaard. + + + + + + + + +MIJNE EERSTE HUISHOUDSTER + + +Tot nog toe werd ik steeds uitgelachen, wanneer ik iemand vertelde, dat +ik, als korporaal van het Indische leger, mijne eerste huishoudster +alléén nam om geen honger meer te lijden. + +Ik kan ’t den menschen niet euvel duiden dat zij lachen; want naar +Europeesche begrippen, schaft iemand, die doorgaans honger lijdt, zijne +huishoudster af. In Indië d.w.z. in het Indische leger, zijn er evenwel +vele toestanden, welke geheel verschillen van die eener Europeesche +maatschappij. Zoo’n Javaansche soldatenhuishoudster komt in +verschillende opzichten overeen met een Franschen kok. Maakt de laatste +misschien uit een paar oude schoenzolen een ragoût met pikante saus, de +eerste gaat verder: zij maakt uit niets—iets. Als zij namelijk voor +haar „laki” niets te schaften heeft, ziet zij er weinig bezwaar in om, +waar ze eenigszins kan, op geslepen wijze het noodige machtig te +worden; en daartoe wordt menige Javaansche vrouw, die het ongeluk heeft +met haar gebieder bij een depot-bataljon terecht te komen, bijna +gedwongen. + +Ik moet ronduit verklaren, dat de pas bij de depot-bataljons aangekomen +soldaten honger lijden. Uit de volgende „schaftorder” kan men zulks +spoedig gewaar worden. + +Des morgens ontvangt ieder soldaat koffie en een broodje, zwaar 2 H.G., +waarvan natuurlijk geen kruimel overblijft; om 10 uur wordt soep met +vleesch en rijst en ten 3½ ure rijst, sajor (groenten) en een +miniatuur-portie vleesch verstrekt. Van 3½ uur ’s namiddags tot den +volgenden morgen 5 uur is het pauze, ofschoon een vermoeiende exercitie +van 4½–6 uur waarlijk voldoende is om het sobere maal te doen verteren. +Van de waarheid hiervan heb ik mij herhaaldelijk overtuigd, wanneer ’s +avonds om 7 uur het signaal voor ’t eten der onder-officieren gegeven +werd. Dan slenterden vele pas uit Europa aangekomen recruten, waaronder +mannen met aartsvaderlijke baarden, die zich nog niet aan rijst met +sambal hadden weten te gewennen, om de onder-officiers keuken rond, +terugsnakkende naar het Harderwijker kommiesbrood, als vroeger de +kinderen Israëls naar de vleeschpotten van Egypte. + +Waren eindelijk de onderofficieren opgestaan en verscheen de kok met +den kookketel, waarin het restant boeboer (rijstebrei) zich bevond, dan +vielen de mannen er als uitgehongerde wolven op aan, om ieder zijn deel +machtig te worden. + +Hoe dikwijls heb ik zelf niet in den droom, schotels welriekende Knödel +als een fata morgana voorbij mij heen zien trekken! + +„Zijn er dan in Indië geen keukendragonders?” zal misschien menig lezer +vragen, die zich moeilijk een soldaat anders kan voorstellen dan aan +den arm van eene keukenprinses, die hem behoorlijk van het noodige +voorziet. + +Het antwoord moet luiden: „Helaas, neen!” + +Het ergste is nog, dat het Gouvernement zich volstrekt niet gedrongen +voelt om in dat gebrek ook maar eenigszins te voorzien. Met het oog +hierop is het dan ook niet te verwonderen dat vele soldaten, ziende +welk een naarstigheid zoo’n inlandsche huishoudster ten toon spreidt, +besluiten ook den stap te wagen, zoodra zij zijn afgeëxerceerd. +Bovendien gebeurt het niet zelden dat zulk een morganatisch gehuwd +fuselier als zindelijk en oppassend soldaat aan anderen ten voorbeeld +wordt gesteld. + +In den beginne is het moeilijk met dien toestand vrede te hebben. Die +paartjes huizen namelijk met andere soldaten in dezelfde kamer, doch, +het zij hier onmiddellijk bijgevoegd, iets wat aanstoot kan geven, komt +hoogst zelden voor. Bij de inlandsche vrouwen toch, is over ’t algemeen +het schaamtegevoel sterk ontwikkeld en zij kunnen in dit opzicht op +verre na niet gelijk gesteld worden met hare zusteren in Europa, die in +dezelfde omstandigheden verkeeren. Bovendien wordt de overtreding van +het zesde gebod streng gestraft. + +Zij wordt uit het kampement gejaagd en hij gaat voor veertien dagen de +provoost in. Voorwaar geen aanlokkend vooruitzicht! + +Na deze kleine uitweiding moet ik mij weer met mijn eigen ik bezig +houden. Een machtwoord van den allesvermogenden bataljonscommandant had +mij als korporaal overgeplaatst bij eene inlandsche compagnie, waar +vóór eenige dagen een detachement kersversche Javaansche recruten was +aangekomen. Mijn escouade alleen was ± 50 man sterk, waarlijk geen +kleinigheid, wanneer men nagaat, dat de meesten zelfs niet wisten hoe +ze een broek moesten aantrekken. Vermoeienis en wrevel waren dan ook +aan de orde van den dag en gaven mij soms een geweldigen honger. + +Tot mijn ongeluk moest ik mijn menageketel in de keuken der Europeanen +doen afhalen. + +„Tot mijn ongeluk!” zeg ik, want de tamboer, die gewoon was mij het +maal te brengen, hield zulk een nauwkeurige inspectie over mijn +soepketel, dat ik alleen beenderen af te kluiven kreeg. Ook wist hij, +misschien met de beste bedoelingen, het zorgvuldig dáárheen te leiden, +dat ik mij niet te buiten ging aan gebakken visch. Meestal toch +ontdekte ik bij het openen van den ketel een vischkop, (’t achterdeel +ontbrak bijna altijd) die mij weemoedig aanstaarde. Zoo nu en dan kon +ik tusschen 2,5 H.G. rijst een z.g. frikkadel ontdekken ter grootte +ongeveer van een walnoot. + +Doch niet geklaagd, zoolang de soldij nog voldoende is om de ledige +maag te vullen met smeerproppen. Was ’t evenwel ook daarmede gedaan, +dan kon ik het bijna niet meer uithouden. Ik watertandde, wanneer van +alle zijden welriekende geuren mij in den neus kwamen, afkomstig van de +gerechten, die de inlandsche vrouwen voor haar gebieders gereed hadden +gemaakt. In kleine groepen hurkten zij vóór de kazerne neer en deden +zich te goed aan de verblindend witte rijst met daarbij behoorende +toespijzen, terwijl ik, gewapend met een stopnaald, vergeefsche +pogingen aanwendde om de vuistgroote gaten in mijn sokken te dichten en +mijn schreeuwende maag slechts kon troosten met het uitzicht op een +volgenden traktementsdag. + +Neen! aan dien toestand moest een einde komen. Ik deed er een eed op +dat dit de laatste sok was, die ik gestopt had. ’t Mocht kosten wat het +wilde—d.w.z. ƒ 1.50 per vijf dagen, want zooveel bedroeg mijn +soldij—eene huishoudster moest ik hebben om voor mijn maag en sokken te +zorgen. In de krijgsartikelen stond wel veel geschreven over kogel en +strop, doch van celibaat was daarin geen sprake en bovendien—een +korporaal is geen kloosterling. + +Waar moest ik echter zoo’n schepsel vandaan halen? + +Het toeval was mij gunstig. Een hoornblazer van het garnizoen te +Weltevreden, die naar Europa dacht te vertrekken, wilde mij zijne +wederhelft kosteloos overdoen. Naar zijne beschrijving te oordeelen +moest zij minst genomen een engel zijn. Zij bezat een massa +barang-barang (huisraad), kon koken, o, zoo heerlijk! was trouw als een +mopshond en och, zoo schoon! + +„Laat haar dan maar opkomen,” zei ik en de overeenkomst werd bezegeld +met een handslag en een glas ijswater met stroop. + +Toen ik den volgenden morgen van de exercitie terugkeerde, trof ik de +dame, op een mat gezeten, reeds in mijn kamer aan. Zij zag er werkelijk +niet kwaad uit en ik trachtte een gesprek aan te knoopen door naar haar +naam te vragen, doch kreeg hetzelfde resultaat als de examinatoren van +den candidaat Jobs n.l. een hardnekkig hoofdschudden. Een nieuwe +poging, die ik aanwendde, door wat luider te zeggen: „noem dan toch een +naam; waar komt ge vandaan en hebt ge nog familie?” werd met denzelfden +uitslag bekroond. + +„Lieve Heer” dacht ik „zou ze misschien doofstom zijn?” Dat was een +mooi geschenk. Ook was het mij niet mogelijk, niettegenstaande ik mijn +oogen goed den kost gaf, iets anders te ontdekken van de zoo +opgehemelde barang-barang, die mijn huishouding zoo in eens op de been +zou helpen, dan een ijzeren pan, waarin de inlanders gewoon zijn zoowat +alles te bakken en te braden. Heerlijk vooruitzicht! + +Verduiveld! Daar werd reeds ’t signaal gegeven voor het +compagniesrapport. Ik moest kennis geven, dat ik eene huishoudster had +genomen en wist nog niet eens haar naam! + +Of ik mijn hersenen ook al pijnigde door het zoeken naar middelen om +mij voor de vrouw begrijpelijk te maken—het lukte niet, en toen ik den +sergeant-majoor op onheilspellende wijze mijn naam hoorde uitbrullen, +ijlde ik naar het rapport om den zegen van den vader en de moeder der +compagnie deelachtig te worden. + +De vader (de kapitein) vroeg: mij „hoe heet de meid?” + +„Ik weet het niet! ik geloof dat ze doofstom is, kapitein.” + +„Wat doe je er dan mee?” + +„Ze kan heerlijk koken, kapitein.” + +„Smulpaap!” bromde deze en zich tot den sergeant-majoor wendende, zei +hij: „Schrijf op, de meid heet Salima.” + +„Waar ze thuis hoort weet je natuurlijk ook niet?” vervolgde hij en op +mijn ontkennend antwoord gelastte hij den sergeant-majoor maar eene of +andere kampong van Java op te schrijven. + +Hiermede waren de formaliteiten van den burgerlijken stand afgeloopen +en met zeer verdeelde gevoelens kon ik naar mijne kamer terugkeeren. + +Toen ik weer binnenkwam vond ik de pas herdoopte Salima in dezelfde +houding nog op dezelfde plaats, alleen met dit onderscheid, dat ze +thans een pruim tabak, ter grootte van een vuist, benevens de noodige +„sirih” in den mond had gestoken en bezig was daaraan te zuigen als een +kind aan de moederborst. De geheele omgeving was met rood sap bespogen, +zoodat mijn kamer er uitzag als een slagveld. + +Nu bestaat er voor een Indischen korporaal geen grooter gruwel dan +onzindelijkheid en wanorde. Daarom wees ik met strengen blik, alsof ik +op al de geweren van mijn escouade roestvlekken ontdekt had, op den +vloer. En wat deed nu dat vrouwspersoon? Zij trok den mond samen en +spuwde mij met ontzettende zekerheid een geheele lading tabakssap over +den uitgestrekten wijsvinger. + +Hemelsche gerechtigheid, bestaan er dan geen straffen meer voor zulk +een beleediging van een autoriteit als ik? Ik stond geheel versteld. +Maar hoe moest ik die doofstomme vrouw te verstaan geven, dat een +dergelijke handelwijze onvergeeflijk was? In mijn verwarring riep ik +een inlandschen korporaal—een jong, slim kereltje—die met de Indische +talen beter op de hoogte was dan ik. Nauwelijks had hij den mond +opengedaan of—wonder boven wonder—daar ratelde het van haar lippen als +bij een afloopende wekker-klok. Nu helderde zich de zaak op: zij kende +alleen de Javaansche taal en ik had getracht mij in ’t Maleisch +verstaanbaar te maken. Een prettige toekomst! Ik kon dien korporaal +toch niet altijd als vertolker mijner gevoelens gebruiken! + +Om te beginnen droeg ik hem op te vragen, waar toch wel al die +huishoudelijke benoodigdheden waren. + +Het antwoord luidde: „Ik heb niets, dan wat ik aan het lichaam draag.” +Nota bene een sarong, een kabaia en een gescheurde slendang. Een goed +begin. + +„En hoe staat het met de kookkunst?” zoo liet ik den korporaal het +onderzoek voortzetten. + +„Daar verstaat ze niets van, maar zij heeft honger,” vertaalde deze. + +Ik dacht dat ik een beroerte kreeg. Wat had me die vervloekte +hoornblazer te pakken genomen! Wat bleef er eigenlijk wel van al de +goede eigenschappen van die vrouw over? + +Een weinigje twijfelachtige schoonheid en „trouw”; maar daarmee kon ik +mijn hongerige maag niet tevreden stellen. Ze was in staat om mijn +geheele soldij alleen aan pruimtabak en sirih op te maken en hoe kwam +ik dan aan mijn geliefde smeerproppen en gezouten eieren? + +Ik was geheel terneergeslagen. + +De inlandsche korporaal was heengegaan en ik bleef met mijn smart en de +kauwende dame alleen. + +Daar naakte het middageten. Goddank! Er werd erwtensoep met +varkensvleesch geschaft en die kost is den geloovigen Javaan een +gruwel. Toch kon ik niet nalaten die levende tabakszak mijn menageketel +eens eventjes onder den neus te houden. Toen daar evenwel een gedeelte +van een varkenskop uit opdook, kroop zij verschrikt terug en kwam eerst +tot zichzelve, toen ik haar mijn ketel met rijst toeschoof en daarbij +nog vijf klinkende centen voegde voor sajor en deng-deng. Deze +lekkernijen waren tot billijken prijs in de warong verkrijgbaar en, te +oordeelen naar de snelheid, waarmede ze daarheen toog, moest ze grooten +honger hebben. + +Toen zij terugkeerde nam ze zeer deftig de tabakspruim uit den mond en +stopte die heel gemoedelijk in mijn patroontasch, die spiegelglad aan +den wand hing. + +Wilde dat mensch mij dan met alle geweld te gronde richten? ’s +Namiddags moest ik op wacht trekken. Verbeeld u, dat de luitenant van +piket dat vieze zoodje in mijn patroontasch had gevonden! Dat zou me +minstens op veertien dagen politiekamer zijn te staan gekomen. + +Buiten mijzelven van toorn smeet ik het kauwsel uit het venster. Zij +evenwel bleef kalm dooreten en dacht misschien: „Gij moet me toch +andere tabak koopen.” + +Met een zucht deed ik mijn wapenen om, hing den ransel over de +schouders en marcheerde af om mijn post in de „bamboe-kazerne” te +betrekken. + +Tegen den avond echter veroorloofde ik mij de vrijheid om voor een +oogenblik de wacht te verlaten, ten einde eens te gaan zien wat Salima +wel in de nieuwe huishouding uitvoerde. Voorzichtig opende ik de deur +en zag haar in een erg vertrouwelijk onderhoud met den inlandschen +korporaal, die des morgens mijn tolk was geweest. + +Nu was ook de laatste der hooggeprezen eigenschappen, de trouw, naar +den bl.... + +Ellendige hoornblazer! + +Thans moest met spoed gehandeld worden. Een revolver of vitriool had ik +niet bij de hand, doch een paar stevige vuisten waren tot mijn +beschikking en daarmede bewerkte ik de oogen van den Don Juan zoodanig, +dat zij zich weldra blauw verfden als de hemel boven ons. + +Salima had er intusschen de voorkeur aan gegeven om spoorloos te +verdwijnen en te Meester-Cornelis werd zij niet meer gezien. Ik droeg +mijn smart zooals het een korporaal betaamt. + +Toen den volgenden morgen aan mijn inlandschen collega door den +kapitein gevraagd werd waar hij die blauwe oogen had opgeloopen, +antwoordde hij met een schuinen blik op mij: „Een kebo heeft mij +gestooten.” + +Nu, toen ik van wacht terugkwam, heeft diezelfde kebo hem nog eens +ongenadig toegetakeld. + +Eenige weken hield ik het weer alleen uit. Toen zond een kameraad, die +medelijden met mij kreeg, uit Batavia een van die oude erfstukken, +die—zooals de soldaten zich uitdrukken—voor de derde maal kiezen +krijgen. + +Met mijn maag stond zij op zeer goeden voet, want ze kookte heerlijk. +Daarenboven wist ze zooveel van mijn soldij over te houden, dat mijn +kleerkist zich langzamerhand met slaapbroeken en kabaaien vulde, doch +van mijn hart bleef zij verre. + + + + + + + + +„ZIJ HANGT MAAR AAN EEN DRAADJE!” + + +„Wacht aantreden!” klonk het door de lange chambrée der 1ste compagnie. +De kamerwacht herhaalde het bevel en de huishoudster van den +almachtigen sergeant-majoor, die juist bezig was haar lievelingsaap +behulpzaam te zijn bij eene drijfjacht op zekere parasieten, mompelde +het na. Nauwelijks was de order gegeven, of reeds wemelde de trap van +manschappen. Vooraan eenige jonge soldaten, wien de malaria de +Europeesche kleur nog niet van de wangen had geroofd; uit de +gejaagdheid en het angstige gezicht, waarmede zij hun wapenen en +kleeding monsterden, kon men dadelijk opmaken dat zij hun eerste +„wachtje snapten”. Daarop volgden met een onverschillig gezicht de +oudere fuseliers, meest magere, bruingebrande mannen, die reeds menigen +vijand met de punt der bajonet hadden doen kennis maken. Een jong +korporaaltje, wien de zaak te langzaam ging, trachtte naar voren te +dringen om toch vooral niet te laat te komen, en achteraan daalde de +trappen af—ikzelf, de nieuwbakken sergeant, geheel onder den indruk van +de waardigheid, waarmede mijn nieuwe titel mij bekleed had. + +Wat weet een gewoon sterveling van het gevoel eens korporaals, wien men +plotseling de katoenen streep van de mouw neemt en er de gouden voor in +de plaats hangt? Die indruk is niet te beschrijven, men moet dat hebben +doorleefd; eerst dan kan men begrijpen wat het zeggen wil uit den kring +der gewone soldaten, waarin de korporaal steeds verkeert, opgeheven te +worden tot den onderofficiersstand. Bovendien schitteren nu in het +verschiet de luitenantssterren! + +Daarbij kwam nog de feestelijke toespraak van onzen kranigen kapitein +v. V..., van wien men vertelde dat niemand hem ooit had zien lachen, +behalve wanneer de Atjehers schrikkelijk slaag kregen. + +Het duizelt mij nog wanneer ik aan dien tijd denk. Ik gevoelde mij zoo +nietig, zoo geheel gelijk nul, toen ik tegenover mijnen +compagnies-commandant stond, wiens borst versierd was met het kruis der +Militaire Willemsorde, en wiens linkerhand rustte op een eeresabel. + +Zijne toespraak was kort. „Denk er om, zij hangt slechts aan een +draadje,” zeide hij op mijne gouden streep wijzende, en in zijne +woorden lag groote waarheid, zoowel in figuurlijken als in werkelijken +zin. Ik had er niets op kunnen antwoorden, want door vreugde overmand, +stokte de stem mij in de keel. + +Nu stond ik op de bovenste trede der trap en monsterde als een veldheer +mijnen troep. De soldaten keken tersluiks naar boven. Verbeeldde ik het +mij of lag er werkelijk op hunne aangezichten eene niet thuis te +brengen uitdrukking, zoo’n soort van onderworpenheid, waarbij men zijn +lachen moeilijk bedwingen kon? Mij ging het trouwens evenzoo. Telkens +weder gaf ik mij moeite om een nijdig gezicht te trekken, zooals een +sergeant betaamt, doch het hielp weinig. Ik moet bij die pogingen om +mijne waardigheid op te houden een onbeschrijfelijk dom gezicht +getrokken hebben, althans toen ik trotsch langs het front stapte, +konden de mannen zich slechts met moeite inhouden. „Wacht maar jongens, +dat zal ik jelui inpeperen,” dacht ik. + +„Geeft acht!” commandeerde ik met donderende stem, zoodat de pas +afgeëxerceerde soldaten van schrik bijna omvervielen. Met het lachen +was het natuurlijk in eens gedaan. Daarna begon de inspectie. Eerst +waren de geweren aan de beurt. „Een koninkrijk voor een roestvlek”, +bood ik in stilte; zoo gaarne had ik aanmerkingen gemaakt en standjes +uitgedeeld, doch er was geen smetje te ontdekken. Even weinig geluk had +ik met de uniformknoopen; ze zaten als vastgenageld. Het was werkelijk +een schandaal—reeds een half uur sergeant, en nog niet éénmaal eens +flink uitgevaren. Ja, het noodlot deelt soms harde slagen uit. Er +schoot mij niets anders over dan „op de plaats rust!” te commanderen. +Die rust duurde evenwel niet lang, want onder de poort der kazerne +verscheen reeds de gestalte van den luitenant van piket om de wachten +nogmaals te inspecteeren. + +Het is moeilijk te gelooven welk eene afkoelende uitwerking zoo’n +luitenants-uniform op een met eenige phantasie behepten sergeant heeft. +Had ik mij ook al een oogenblik te voren verbeeld een militair „iets” +te zijn, bij de verschijning van den luitenant verdween ik weer in het +niet. + +Met geschouderd geweer meldde ik mij bij den jongen officier, en met +stil genoegen hoorde ik de woorden aan, waarmede hij mij met mijne +bevordering gelukwenschte. Een welwillend lachje van den luitenant +verplaatste mij bijna in den zevenden hemel; het kan een sergeant soms +gaan als een bakvischje. Het was mij evenwel opgelegd het: Himmelhoch +jauchzend, zum Tode betrübt in een halfuur tijds tweemaal te moeten +doorleven, want daar zag ik met groote stappen den kapitein van de week +aankomen om nog een nader onderzoek in te stellen naar roestvlekken en +stofjes. Met een blik, die tot in de geweerloopen en tot aan de hakken +der schoenen doordrong, overtuigde hij zich van het onberispelijke +uiterlijk der manschappen, gaf eenige korte bevelen, en rechts en links +zwenkten de verschillende wachten de poorten uit. Hoe grooter de +afstand tusschen de inspecteerende officieren en mij werd, des te meer +keerde mijn gevoel van eigenwaarde terug, en toen ik den hoek, waar het +huis van den bataljonscommandant stond, achter mij had, gevoelde ik mij +zóó verheven boven alle „buikjes”, dat ik een razenden trek kreeg om +een voorbijgaanden Chinees, die mij erg onbeschaamd aanstaarde, bij den +nek te pakken. Ik deed het evenwel niet, gedachtig aan de waarschuwing: +„zij hangt maar aan een draadje.” + +Toen ik voorbij de militaire school marcheerde, hoorde ik eene +vroolijke stem roepen: „Goeden morgen, collega!” In mijne vreugde +verbeeldde ik mij dat zij kwam van een élève dier inrichting, doch ik +vergiste mij. Die heeren zijn nog hooghartiger dan een pasgebakken +sergeant. Het was slechts een sergeant van politie, die mij gegroet +had. Ook de njonja [16] van den kapelmeester lachte mij vriendelijk toe +als ik haar voorbijging. Toen ik nog korporaal was, kwam daar niets van +in; volgens haar werd iemand eerst een mensch als hij den graad van +sergeant had bereikt. + +Ja, alles werkte mede om mij gelukkig te maken. Ik had kunnen juichen +van vreugde, doch dat was in dienst verboden en de manschappen zouden +er moeilijk eene goede verklaring voor hebben kunnen vinden. + +Dus—hou je goed! + +In flinken pas marcheerden wij door Meester-Cornelis langs den +stoffigen weg naar de passar [17]. „Met rotten rechts!” + +Nog eenige schreden, en daar stonden wij voor de gevangenis, die voor +een etmaal aan onze hoede zou worden toevertrouwd. De wacht stond reeds +in het geweer en wisselde met ons de voorgeschreven eerbewijzen. De +commandant, een sergeant evenals ik, gaf mij de wacht over. Hij was pas +uit Europa gekomen en had eenigen tijd in den zoeten waan verkeerd, dat +in Indië de officierssterren als rijpe kokosnoten van de boomen vallen. +Tot zijne niet geringe ontzetting had hij evenwel spoedig bemerkt, dat +het hier vrij wat gemakkelijker was achteruit dan vooruit te komen. + +Ik zag den inventaris na, bestaande uit patronen, een inktpot, eene +olielamp en dergelijke kostbare zaken meer, waarvan evenwel het zoek +raken zwaar geboet moest worden. De cipier ontsloot de verschillende +strafkamers en liet toe dat ik er mijn neus in stak. Ik wist echter +niet hoe gauw ik hem weer zou terugtrekken, uit hoofde van de +onaangename prikkeling, die mijne reukorganen ondervonden. + +Eindelijk was de inspectie afgeloopen en de oude wacht marcheerde af. +Ik zette mij voor het wachthuis neder en liet mijne blikken gaan over +het bonte gewoel op de passar. Thans gevoelde ik mij een volkomen +alleenheerscher. + +Reeds dikwijls, wanneer ik als soldaat op post stond en ook later als +korporaal, had ik mij vermeid in het aanschouwen van dat gewriemel, +doch nu was het alsof ik door andere oogen zag. Dat was alleen de +schuld van die mooie gouden streep. Ik keek er eens naar; zij hing nog. +Van louter pleizier had ik tot nog toe niets van eetlust bemerkt, doch +toen de verschillende scherpe geuren uit de nabijgelegen warongs [18] +mij in den neus kwamen, begon mijne maag hare rechten te doen gelden. +Gelukkig, daar naderde reeds de etendrager. + +Mijn eerste maaltijd uit de onderofficierskeuken! Het liefst was ik den +man te gemoet gegaan en had hem zijn draagkorf afgenomen, daar hij mij +te langzaam liep, doch dat zou beneden mijne waardigheid geweest zijn. +Hoewel mij het water bijna uit den mond liep, verwaardigde ik den +brenger met geen blik, toen ik hem achtereenvolgens biefstuk, +aardappelen, rijst, roode vischjes en nog andere heerlijkheden zag +uitpakken. En daarbij porseleinen borden en schotels! Neen, zulk eene +weelde... + +Reeds zoo lang had ik mijn maal uit een menageketel genuttigd en het +had mij altijd goed gesmaakt; hoe moest het dan wel smaken uit +porselein? + +Nauwelijks had de etendrager zijn „slamat makan” [19] uitgesproken, of +ik viel op het eten aan alsof ik veertig dagen gevast had. Er bleef +geen rijstkorreltje over, en om den manschappen geen aanstoot te geven +en niet voor een veelvraat door te gaan, riep ik een gladdakker [20] +binnen en liet hem de ledige borden aflikken. Een eerste staaltje van +sergeantsdiplomatie. + +Langzaam kropen de middaguren voorbij. Naarmate de zon den horizont +naderde, werd de passar meer en meer ontvolkt en toen het geheel +duister was geworden, werden er obor’s [21] en olielampjes aangestoken, +die op de warongs en de zich daaromheen groepeerende inlanders een +phantastisch licht wierpen. Nu begon er ook weer meer levendigheid te +komen; gestaarte zonen van het Hemelsche Rijk pikelden [22] hun +vrachten op een sukkeldrafje voorbij, en troepjes soldaten, pas uit +Europa gekomen, trokken zingende van de eene warong naar de andere. + +De indruk van dit woelige tooneel werd nog verhoogd door de +donkergroene pisang- en klapperboomen op den achtergrond en den +onbewolkten, met fonkelende sterren bezaaiden hemel. Ook dit +aantrekkelijk beeld verdween langzamerhand, naarmate de nacht zijne +vleugelen verder uitbreidde. Ik bleef alleen met mijne luchtkasteelen +en mijn geluk. Werktuiglijk nam ik een boek ter hand; het was +Perelaer’s: Een kwart eeuw tusschen de keerkringen, waarin de +lotgevallen van twee sergeanten geïdealiseerd worden. Het eerste deel +had ik reeds doorgelezen, en thans trachtte ik het tweede door te +worstelen, waarin de beide helden, Frank en Herman, evenals jonge dames +van eene kostschool, elkander bezingen met alle mogelijke citaten uit +verschillende dichtwerken. Zulke sergeanten had ik in de werkelijkheid +nog niet aangetroffen. Toen ik echter op bladzijde 103 aan dat gedeelte +kwam, waarin Frank zijnen vriend omarmt en hem toefluistert: „lieve +dweper!”—toen kon ik de oogen niet meer open houden, ik sliep weldra in +en droomde. Ik waande mij gezeten naast den braven Hendrik Meijer, den +gebaarden sergeant, die van mij een onderofficier gemaakt had. De brave +Hendrik had zijn hoofd aan mijne trouwe vriendenborst gelegd, terwijl +hij de oogen smachtend naar den hemel opsloeg. Hij verhaalde mij de +geschiedenis van zijne laatste liefde. „Ach, ge hadt het meisje moeten +kennen,” zuchtte hij, „zij was een engel! Elken Maandag bracht zij +roast-beef, ’s Woensdags varkenskarbonade en op Zaterdag een heele +flesch wijn, want ge moet weten dat het lieve kind bij een +wijnhandelaar in dienst was. Hoeveel gelukkige uren heb ik niet met +haar in Velp doorgebracht, en telkens betaalde zij, dat ideaal van een +meisje! Mijn hart en maag breken nog als ik er aan denk, dat zij mij +ontrouw geworden is. Het was op een Zaterdag, en zij bracht mij slechts +eene halve flesch wijn. Mijn God, dacht ik, zou ze mij niet meer zoo +oprecht liefhebben als vroeger? Die onzekerheid wond mij zoodanig op, +dat de wijn mij niet smaakte. Toen zij bovendien nog een half uur +vroeger dan gewoonlijk afscheid nam, werd mijn vermoeden zekerheid. Ik +volgde haar op eenigen afstand; zij sloop een zijstraatje in en greep +bijna onmiddellijk daarna den arm van een sergeant der rijdende +artillerie. Duidelijk hoorde ik het klokken van mijn halve flesch wijn +in zijn keel. Met elk geklok werd een der banden verbroken, die mijn +hart nog aan de trouwelooze hechtten. Doch mijn hartzeer heb ik +overwonnen; ik ben er ten minste niet van gestorven.” + +„Lieve dweper,” lispelde ik, en toen ik hem daar zoo zag, geheel +terneergeslagen door die treurige herinnering, trachtte ik den arm om +zijn hals te slaan. + +„Ben je nou heelemaal gek?” riep hij plotseling uit en legde zijn vuist +onzacht op mijn aangezicht. „Ik heb eene andere genomen; in Arnhem zijn +mooie meisjes genoeg!” + +Deze ruwe bejegening deed mij uit mijne sluimering ontwaken. Het hoofd +was mij van den arm gegleden en thans lag ik met den neus in den +inktpot. + +Verschrikt sprong ik op. Heer in den hemel, hoe was ’t mogelijk dat ik +op wacht kon inslapen! Dat zou mij mijne streep kunnen kosten. Goddank, +zij hing nog. Eigenlijk had ik geen schuld, doch alleen die overste +Perelaer. Waarom liet hij die Frank en Herman zulke wonderlijke dingen +doen? + +Er bleef mij weinig tijd om over mijn verzuim na te denken, want +plotseling verscheen de gestalte eens fuseliers in de deur, die mij +rapporteerde dat in de „roemah pandjang” (eene philantropische +inrichting) eene patrouille zich aan allerlei onbehoorlijkheden +schuldig maakte. Dat was toch wel een beetje sterk. Eene patrouille, +wier plicht het was de orde te handhaven, verstoorde die zelf. Wee u, +korporaal, de straf volgt de zonde! + +Nadat ik het commando over de wacht aan eenen korporaal had +overgegeven, snelde ik met vier man naar de bedoelde plaats en trad het +huis binnen. Daar ik bij ondervinding van vroegere +patrouilleeringen—men denke niet aan iets kwaads—wist, dat het lokaal +ook nog een achterdeurtje had, posteerde ik daar twee man en meende +daardoor al een buitengewoon strategisch talent te hebben ontwikkeld. +Het rapport van den fuselier bleek volkomen juist te zijn; het gansche +gezelschap was aan ’t dansen. + +Als de bliksem voor de voeten van deze ontrouwe zonen van Mars ware +ingeslagen, zouden ze niet heviger hebben kunnen schrikken dan bij mijn +verschijnen. Nu had ik gelegenheid de sluizen mijner welsprekendheid +open te zetten en de woordenlijst van krachtige militaire uitdrukkingen +met eenige te verrijken. + +„Vervloekte kerels!” zoo begon ik, „denkt ge dat ge hier nog in het +ellendige Harderwijk zijt? De duivel zal jelui halen, wanneer je niet +als de bliksem maakt dat je er uit komt!” + +Met den commandant der patrouille, een jongen korporaal, rekende ik +afzonderlijk af. Ik stelde hem provoost en cachot in ’t vooruitzicht, +doch mijne hoogste troef speelde ik uit met de woorden, die mij zoo +angstwekkend in de ooren hadden geklonken: „Denk er om, de +korporaalsstreep hangt maar aan een draadje.” + +Het kereltje was geheel uit het veld geslagen. Hij bezwoer mij, hem +niet ongelukkig te maken; veertig dagen had hij op zee doorgebracht en +na het aan wal stappen was het hoofd hem een weinig op hol geraakt. +Natuurlijk deed ik alsof zoo iets voor mij geheel onverklaarbaar was, +en op zijn bidden en smeeken gaf ik slechts kort ten antwoord: +„gestraft moet je worden!” + +In stilte, en vervuld van een angstig voorgevoel, trok de patrouille +huiswaarts. Ikzelf begaf mij met het gezicht van een Nemesis naar de +wacht terug en overlegde onderweg of ik van de zaak al dan niet rapport +zou maken. Mijn „korporaal van aflossing” trachtte eenige woorden ten +gunste van den zondaar te spreken, doch een kort: „hou je mond!” deed +hem afdruipen. Het was een moeilijk geval. Zweeg ik en werd de zaak +buiten mij om ruchtbaar, dan kon mijn kapitein gelijk gehad hebben, +toen hij zeide: denk er aan....!” Maakte ik rapport, dan zou het +vermoedelijk den patrouillecommandant zijne streep kosten, en dat zou +mij voor het arme ventje leed gedaan hebben. Ik wist bij ondervinding +hoe gelukkig iemand reeds door de katoenen streep wordt gemaakt—hoeveel +te meer dan nog door den gouden chevron! Lang dacht ik na, zonder een +uitweg te vinden. Daar viel mij iets in. De korporaal en de manschappen +droegen kennis van het voorval; ik moest hen dus in de meening doen +verkeeren dat ik rapport gemaakt had. Snel nam ik een vel papier, +linieerde het volgens voorschrift en schreef: + +„Beste Hendrik! Morgen hoop ik u en andere collega’s van de eerste +compagnie in de kantine aan te treffen. Ik trakteer op een paar +flesschen prinsessenbier. Salut!” + +Dezen brief vouwde ik dicht in den vorm van een rapport, riep een +inlandsch fuselier, die toch niet lezen kon en zond hem daarmede naar +mijn vriend Hendrik aan de hoofdwacht. Korporaal en soldaten dachten +natuurlijk dat het een rapport was omtrent de patrouille, die zoozeer +haren plicht vergeten had. Hier en daar hoorde ik zelfs iets mompelen +over mijne hardvochtige strengheid. Ik evenwel, zette mij tevreden op +eenen stoel neer en verdiepte mij in overpeinzingen over de +duurzaamheid van gouden strepen. Daar werd zachtjes aan de deur getikt +en binnen trad een Javaansch meisje met eene flesch in de hand. + +Wat moest dat beduiden? Een vrouwspersoon binnen de heilige muren eener +wachtkamer! + +De bruine schoone liet mij evenwel niet lang in onzekerheid. Met een +betooverend lachje bracht zij mij de groeten over van haren gebieder, +den houder van de roemah pandjang, die mij uit dankbaarheid voor mijne +bemoeiingen, eene flesch druivensap deed toekomen. De geslepen Chinees +had het niet raadzaam geoordeeld zelf te komen; misschien had hij er +een voorgevoel van dat ik hem met zijne flesch wijn vierkant de trap +zou hebben afgesmeten. Wat dacht zoo’n langstaart wel van een sergeant? +Meende die spekverzwelgende dikbuik misschien, dat ik om zijnentwille +de patrouille uit zijn huis verwijderd had? + +Tegenover dit meisje ging het evenwel niet aan grof te worden; zij had +zulke verliefde oogen, zulke schoone zwarte tanden, en hare huid was +zoo sierlijk met gele oker besmeerd, dat de aangeboren ridderlijkheid +van een sergeant zoo iets niet gedoogde. Ik loodste haar daarom met een +zoet lijntje naar de deur, en wilde haar juist als loon voor de +boodschap een kus op den mopneus drukken, toen plotseling het geroep +van den schildwacht weerklonk: „Werda?” en kort daarop: „Halt, +korporaal heraus, rond-luitenant!” + +Heere bewaar ons! Ongelukkiger kon het niet treffen. Wat moest daarvan +terecht komen! De ronde naderde en nog altijd bevond het meisje zich in +de wachtkamer. Met eene enkele handbeweging wierp ik haar onder de +tafel, bedekte haar zoo goed en zoo kwaad als het ging met mijn +kapotjas, greep mijn geweer en snelde naar buiten. Daar zag ik ook +reeds op de passar het licht eener kleine lantaarn en bij het zwakke +schijnsel daarvan bemerkte ik duidelijk de oranjekleurige sjerp van den +luitenant van piket. Met van angst trillende stem deed ik de noodige +commando’s, trad vooruit en meldde: „Niets nieuws.” + +„Laat de manschappen inrukken en geef mij het rapport ter teekening,” +luidde het bevel. + +Bevend voldeed ik aan dien last en volgde den officier in de +wachtkamer, een lam gelijk, dat ter slachtbank wordt geleid. + +Het rapport lag op de tafel, de luitenant ging zitten en strekte +geeuwend zijne lange beenen uit. Ik dacht dat mijn vonnis geveld was. +Het kon bijna niet anders of hij moest tegen de vrouw trappen. + +Het koude angstzweet brak mij uit en de pen sidderde in mijne hand, +toen ik haar den luitenant aanbood. Mijn ontsteld uiterlijk viel hem op +en deelnemend vroeg hij: „Zijt ge misschien ziek?” + +„Neen, luitenant,” antwoordde ik, nog meer in de war; „ik ben voor het +eerst wachtcommandant en de... de... de groote verantwoordelijkheid...” +en meteen greep ik krampachtig naar mijn gouden streep. + +„Je hebt toch, hoop ik, niet te diep in het glas gekeken?” vroeg hij, +tegelijkertijd een onderzoekenden blik op mijn ontdaan gelaat +richtende. + +Deze veronderstelling bracht mij weder tot bezinning. Wat, ik, die +nooit iets anders over de lippen bracht dan koffie en thee met en +benevens dozijnen „smeerproppen”, waarvoor ik zelfs den eeretitel +„smeerproppenvreter” verworven had, ik zou dronken zijn? + +Het met volle overtuiging uitgesproken „neen” scheen dan ook den +officier voldoende te zijn, ten minste hij stond op. Alvorens te +vertrekken kon hij toch niet nalaten mij nog even toe te voegen: „Denk +er om, drinken op wacht wordt zwaar gestraft; de gouden streep hangt +maar aan een draadje.” + +Waarachtig, de luitenant had gelijk, en onwillekeurig tastte ik weer +naar mijn chevron; er naar zien durfde ik niet. Als een steenen beeld +bleef ik voor den officier staan, toen hij mij nog eenige wenken gaf +tot het voorkomen van malaria en buikpijn. + +Doch neen, zoo hoog zat mijn kwaal niet, noch in het hoofd, noch in den +buik, zij zat op een pas van ons af onder de tafel. + +Eindelijk, eindelijk ging hij heen en ik volgde hem, de deur +voorzichtig achter mij dichttrekkend. Nog een genadig hoofdknikken, en +hij verdween met zijn lantaarndrager in de richting van het +kruitmagazijn. + +Toen het geluid van zijne voetstappen in de nachtelijke stilte was +weggestorven, ijlde ik naar de wachtkamer terug en kwam daar juist aan, +toen de oorzaak van mijn angst van onder de tafel te voorschijn kroop. + +Op dit gezicht werd ik woedend, en de deur openrukkende schreeuwde ik +met al de kracht, die mijn longen mij veroorloofden: „Rrraus!” + +De aartsengel Gabriël kan er niet onrustbarender hebben uitgezien, toen +hij Eva uit het paradijs verjoeg, dan ik op dat oogenblik. + +Het meisje scheen het ook te vinden, want zij vloog letterlijk. +Tegelijkertijd stormden evenwel ook mijne manschappen naar buiten, daar +zij dachten dat het „heraus” hen gegolden had. Moest dan alles +samenwerken om mij ten val te brengen? + +Dewijl in oogenblikken van gevaar een commandant der wacht altijd de +grootste tegenwoordigheid van geest moet hebben, ging ik onmiddellijk +op den schildwacht „voor het geweer” af, en vroeg hem of hij die meid +niet in de wachtkamer had zien sluipen. Hij ontkende, en met recht, +want het vrouwspersoon was binnengekomen toen er een ander op post +stond. Nu schopte ik hem een standje, dat klonk als een klok: „Heb je +dan geen oogen in ’t hoofd? Moet ik soms een baboe bij je zetten om op +je te passen? Weet je niet, dat je eene zware straf verdiend hebt?” + +Zoo ging ik een oogenblik voort en daarna gevoelde ik mij zoo licht als +een vogel; er was mij een steen van ’t hart gevallen. + +Het was een mooi begin van mijne loopbaan als sergeant! + +Door de ondervonden wederwaardigheden uitgeput, strekte ik mij voor de +wachtkamer op een bank uit en de diepe rust, die in de natuur +heerschte, liet niet na haar weldadigen invloed op mijne geschokte +zenuwen te doen gevoelen. Geen blad ritselde; het eenige wat mijn oor +trof was het kabbelen van de Tjilewong en de eentonige stap van den +schildwacht. Weldra werd de maan door het geboomte zichtbaar, en +wanneer een der reuzenbladeren van een pisangboom zich voor haar bleek +aanschijn heen en weer wiegelde, scheen het mij toe alsof die oude +vrijster mij, arm geplaagd menschenkind, uitlachte. Lach maar! Ik lach +ook, want heden heb ik de zekerheid gekregen, dat ik lang zoo onhandig +niet ben als ik wel gedacht had. + +Daar kraaide in de verte een haan. Goddank, de morgenschemering brak +door. Reeds kwamen talrijke inlanders met hunne krakende pikolan’s +[23], zwaar beladen met sterk riekende vruchten en andere koopwaren, +naar de passar. Die lucht, vermengd met de uit den bodem opstijgende +dampen, drukte mij loodzwaar op de borst, en mij overviel eene +huivering alsof ik de koorts had. + +Ik wist—de luitenant had er mij trouwens pas aan herinnerd—dat het +liggen in de open lucht in Indië zeer schadelijk voor de gezondheid is. + +Op! dus, daar komt reeds de koffie; die zal mij weer uit mijn gedommel +wekken. Hare komst kondigde tevens aan, dat de eerste nachtwacht begon +te „draaien” d.w.z. ten einde spoedde. + +Weldra kwam de aflossing, en in den versnelden pas begaf ik mij met de +manschappen naar de kazerne terug. Reeds op een afstand zag ik den +patrouille-commandant van den vorigen avond staan. Het ventje zag er +bleek en ontdaan uit en met angstige stem vroeg hij: „Sergeant, hebt u +rapport gemaakt?” + +„Neen,” antwoordde ik, „ge hadt het dubbel en dwars verdiend, doch voor +ditmaal heb ik het door de vingers gezien; zorg dat het niet weer +gebeurt!” + +De blijdschap van den armen jongen was onbeschrijfelijk. Den ganschen +nacht had hij wakende doorgebracht, met de treurige gedachte dat hij +misschien den volgenden morgen zijne streep zou moeten missen, en dat +zou jammer voor hem geweest zijn. Thans is hij reeds jaren lang +officier. + +Toen ik voorbij mijn vriend Hendrik marcheerde, riep deze mij toe: +„Denk er om!” + +„Ja, ik weet het al,” antwoordde ik, „zij hangt maar aan een draadje!” + +„Ben je gek, kaffer! Je moet van avond op bier trakteeren!” + +„O, meen je dat? Dan is het in orde!” + +In drie sprongen vloog ik de trappen naar mijne kamer op, want er werd +geblazen voor het eten en ik moest mij nog voorstellen aan de +collega’s. Snel mijn ransel losgemaakt en het kapmes afgeworpen. + +Goede God! Wat is dat? Waar is mijn gouden streep? Daar hing ze aan den +ranselhaak, die haar van mijn mouw had gescheurd. Nu, nog mooier! Ze +hing immers ook maar aan een draadje! + +Snel nam ik naald en draad en naaide haar ditmaal zelf vast, en ze +bleef hangen. + + + + + + + + +ZINGENDE SOLDATEN. + + +Een oom van mij, die zich reeds op zijn twintigste levensjaar in zulk +een lichaamsomvang verheugde, dat ’s konings rok hem te klein was, +verklaarde mij dikwerf hoofdschuddende: „Ik begrijp niet, hoe het +mogelijk is, dat soldaten met den ransel op den rug, het geweer op den +nek en een massa patronen voor den buik, bij een hitte van tachtig +graden op den stoffigen straatweg zingen kunnen.” Deze zienswijze was +den goeden man niet kwalijk te nemen. Het ging hem juist als vele +Hollandsche staatsburgers, die nog nooit het schoone lied hebben +medegezongen: „O, welk een lust soldaat te zijn!” maar zich voor een +paar honderd gulden iemand koopen, die voor hen dezen lust botviert. +Hij weet niet, dat het een zeer slecht teeken is, als een kolonne stil +haars weegs gaat; als de manschappen met slependen tred en hangende +hoofden achter elkander aanstrompelen. Dan duurt het niet lang meer, of +de een na den ander zakt aan den kant van den weg ineen, bleek als een +doode, bezwijkende van vermoeienis. Welk een verschil tusschen zulk een +troep en één uit welks rijen, van de eerste sectie tot de laatste, de +melodieën van bekende marschliederen weerklinken. Als op de parade, zoo +gelijk gaan de beenen op en neder; het is of de geheele kolonne +marcheert als één man, en trotsch schrijdt zij voorwaarts. Geleden zijn +honger en dorst, verdwenen is alle vermoeidheid. De officieren weten +dat wel. Zij wekken hun manschappen tot zingen op en stoppen ook de +ooren niet dicht, als er zoo nu en dan een lied onder doorloopt, +waarvan het refrein een keukenprinses misschien zou doen blozen. Het +kan zelfs voorkomen, dat de gestrenge heer kapitein in eigen persoon +aan den koorzang deelneemt en enkele klanken uit zijn keel laat +opwellen, die van de gebruikelijke commando’s ten eenenmale afwijken. +Deze eer viel der eerste compagnie van het 1e depot-bataljon in +Meester-Cornelis herhaaldelijk te beurt, want haar kapitein was een +zeer muzikaal man, van wien zelfs het gerucht liep, dat hij in zijn +ledige uren viool speelde. Was het bataljon uitgerukt tot het maken +eener militaire wandeling en weergalmde zoo om en bij de „Berenlaan” +het commando: „uit den pas”, dan kon men onzen kapitein ook weldra +hooren roepen: „Komaan, jongens, doet nu eens flink den mond open,” en +daarop hief de geheele „eerste” het bekende Piet Hein aan, dat het een +lust was om te hooren. Was het Piet-Hein-lied uitgezongen, dan volgde +Die Wacht am Rhein en daarna de Marseillaise of eerst de Marseillaise +en dan Die Wacht am Rhein, al naarmate het grootste gedeelte met de +eene of andere hymne instemde. Bij dergelijke gelegenheden verbaasde ik +mij steeds over het gebrek aan Hollandsche soldatenliederen in het +Indische leger. Piet Hein was vrij wel het eenige lied, op welks +kranige, rythmische melodie men goed kon marcheeren. De overige +liederen waren grootendeels van draaiorgels afgeluisterd en van alles +behalve geestige teksten voorzien, als: „Ik zal het zeggen aan je +moeder,” of „Hou jij van soep met balletjes?” enz. Waarschijnlijk ook +lachte daarom de kapitein zoo welwillend, toen ik hem, bij gelegenheid +van het compagniesrapport, om de vergunning verzocht, een +zangvereeniging te mogen oprichten. Toevallig was mij een Duitsch +liederenboek voor vierstemmigen mannenzang in handen gekomen en daarop +had ik mijn plan gebouwd. De kapitein gaf zijn toestemming. Hij scheen +het niet meer dan natuurlijk te vinden, dat een sergeant, die dagelijks +vijf uur geëxerceerd, twee uur theoretisch onderwijs gegeven en nog +weder vijf uur als „sergeant van de week” in de kazerne +rondgegaloppeerd heeft, behoefte had aan eenige uitspanning. + +Intusschen was deze uitspanning wel van ietwat twijfelachtig gehalte, +want het kwam er hier op aan bij een hitte van 70° negen Duitschers en +drie Hollanders in de geheimen der edele toonkunst in te wijden. Als +kunsttempel fungeerde de eetzaal der onderofficieren. Dat was een groot +euvel, want de etenslucht, die was blijven hangen, bewerkte steeds, dat +de zangers binnen het eerste halfuur het water in den mond kregen en +dat kon men den menschen niet kwalijk nemen; immers zij hadden honger. +Bij het eerste bataljon is namelijk de etenstijd zoo vastgesteld, dat +het laatste maal des middags omstreeks half vier verstrekt wordt. Na +dien tijd krijgen de manschappen niets meer voor des anderen daags 5 +uur in den morgen, wanneer zich de jeukende maag aan koffie met brood +mag te goed doen. In dien tusschentijd moet er echter nog twee uren +dapper geëxerceerd worden. De honger is dus volkomen gerechtvaardigd. +Ik kon den menschen evenwel niets anders aanbieden dan de noten bij het +lied van Abt: Die Abendglocken klingen. Ze slikten die dan ook met het +grootste genoegen, doch werden er niet dik van. Bij het instudeeren +bediende ik mij van een guitaar, die onder de tropische hitte reeds +danig had geleden. De gelijmde klankbodem was losgegaan en had met de +spijkertjes van een sigarenkistje weer bevestigd moeten worden, door +welke bewerking de toon van het instrument nu juist niet aan +welluidendheid had gewonnen. Ook waren twee snaren onder den tand des +tijds bezweken en moest ik met de grootste behendigheid op de bassnaar +manoeuvreeren, om daaraan de vereischte melodie te ontlokken. Deze +klonk dan ook zeer erbarmelijk en herinnerde in niets aan de bekende +„Abendglocken”. + +Niettemin scheen zij een bijzonderen indruk te maken op de +toeluisterende Javaantjes. Waar sinds de eerste repetities een stuk of +wat van die kereltjes bijeenstonden of -zaten, daar hoorde men hen +neuriën: „Abenlokkenlingen, Abenlokkenlingen.” In de slaapzaal, bij het +baden, zelfs in de keuken bromde de Javaansche koelie: +„Abenlokkenlingen.” Wat hielp het, of ik den kerels al toebulderde: +„Houdt den mond!” Geheel in gedachten neurieden zij een minuut later +weder „Abenlokkenlingen.” + +Maar dit concert zou ten slotte nog zijn te verdragen geweest, echter +niet dat mijner scholieren, die in den eersten tijd de vastgewortelde +overtuiging niet prijs wilden geven, dat het lied unisono gezongen +moest worden. Mocht het al zijn, dat ik de tweede tenoren of bassen zoo +ver had gekregen, dat zij, ieder afzonderlijk, hun melodie vlekkeloos +konden voordragen, nauwelijks zongen zij te zamen, of het tonengebouw +lag weder in puin. Zegepralend schetterde dan de geheele schaar +eenstemmig: „Die Abendglocken klingen.” Toen ik na wekenlangen strijd +toch eindelijk in het slechte gehoor mijner leerlingen bres had +geschoten en mijn begrip van vierstemmig gezang tot hen was +doorgedrongen, overkwam mij het ongeluk, dat een mijner eerste tenoren +ziek werd en in het hospitaal moest worden opgenomen. Wilde ik de +schitterende uitkomst mijner volharding nu niet weer verloren zien +gaan, dan moest ik onvoorwaardelijk zelf inspringen, want er viel niet +aan te denken, de opengevallen plaats door een ander te doen innemen. +Nu zal mij ieder maar eenigszins muzikaal ontwikkeld mensch toegeven, +dat het iemand, die zoo half en half reeds als bas in de wereld is +gekomen, wiens stem in den loop der jaren zich voortdurend meer in de +laagte heeft uitgezet en die ten gevolge van zijn functie als sergeant +zedelijk verplicht is zijn keel, bij het omscheppen van gewone +stervelingen in soldaten, dagelijks buitengemeen in te spannen,—dat het +zoo iemand, zeg ik, uiterst zwaar moet vallen zijn stem eenige octaven +hooger te schroeven. Doch is een Indisch sergeant niet tot alles in +staat, als hij door ’t noodlot gesard wordt? Spoedig tot een besluit +gekomen, sloot ik mij in mijn kamer op en traineerde mijn stem in de +hoogste falset. Kon ik het helpen, dat de schoonste tonen altijd +oversloegen en af en toe een geluid werd voortgebracht, dat precies op +dat van een hond geleek, dien men op den staart trapt? Mijn Javaantjes +waren aanvankelijk geheel in de war over mijn gewaagde +strottenhoofdexercitiën en meer dan eens hoorde ik hen achter mijn rug +mompelen: „Kassian! sergeant pandjang sakit proet.” (De lange sergeant +heeft buikpijn). Ik vervolgde onversaagd mijn glibberige loopbaan als +tenor en bereikte eindelijk het stadium, dat ik het wagen kon mij te +laten hooren. Voorzichtigheidshalve stemde ik evenwel bij voorbaat mijn +guitaar nog drie tonen lager. Dit verschil scheen zelfs mijn +tweede-bassen—terloops gezegd de domsten mijner leerlingen—op te +vallen, want één hunner veroorloofde zich de opmerking, dat de +„Abendglocken” veel lager gestemd waren dan vroeger. Maar daar diende +ik hem op! „Weet je iets van de harmonieleer en het contrapunt af?” +vroeg ik hem. En toen hij daarop „neen” antwoordde, snauwde ik hem toe: +„Houd dan je mond!” + +Nu wist ik wel is waar zelf niets van de geheimenissen dezer zuilen der +toonkunst en had een sterk vermoeden, dat ook de „Abendglocken” er +geheel vreemd aan waren, doch men mag, om der wille van de discipline, +bij een soldaat nooit het denkbeeld doen opkomen, dat er iets ter +wereld bestaat of bestaan kan, waarvan de sergeant—en vooral de +Indische sergeant—geen kennis draagt. Maar helaas, ik kon er mijn +bassen niet toe krijgen, drie tonen lager te zingen. Zij vertrokken den +mond wel op alle mogelijke manieren en zetten daarbij de jammerlijkste +gezichten, doch de tonen, die zij zoodoende voortbrachten, waren +werkelijk onbruikbaar. Ten slotte maakten zij strike, dat wil zeggen, +zij hielden den mond. Daarin had zelfs de strengste kapitein geen grond +kunnen vinden om de kerels in „Zijner Majesteits snuifdoos” te stoppen; +zij konden toch even zoo min lager komen, als het mij mogelijk was om +hooger toon te bereiken. Wij luidden derhalve een tijd lang de +„Abendglocken” niet meer, tot groot leedwezen mijner Javaantjes, maar +legden ons op marschliederen toe, totdat mijn tenor behoorlijk rijp zou +zijn. De kapitein keek zielsvergenoegd, toen wij ons bij den +eerstvolgenden „militairen marsch” aan het hoofd der compagnie stelden +en het eene lied na het andere aanhieven, met welks slotrefrein dan +steeds de geheele compagnie instemde. + +Het best beviel hem de marsch: + + + „Wenn die Soldaten durch die Stadt marschiren, + Oeffnen die Mädchen Fenster und Thüren, + Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum Vallera, + Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum!” + + +Dat „Bum Vallera” heeft mij menige sigaar van hem opgebracht en zeker +ook mij menigen dag kamerarrest genadiglijk bespaard. Na eenige weken +was het met mijn tenor eindelijk in orde. + +Het was hoog tijd, want St. Nicolaas stond voor de deur en wij hadden +van den kapitein de opdracht gekregen, in de officieren-sociëteit, ter +gelegenheid van het kinderfeest, eenige passende liederen te zingen. +Als eerste nummer op het programma prijkte het Wien Neerlandsch bloed. +Later werd beweerd: men had van den tekst geen woord verstaan, wij +hadden even zoo goed „Sauerkraut mit Leberwurst” kunnen zingen; doch +dat zal wel vuige laster geweest zijn. Het tweede lied heette: O du +fröhliche Weihnachtszeit, en het slot vormden Die Abendglocken. + +Ik beefde aan handen en knieën, toen ik met mijn schaar het podium +betrad en een heimelijken blik op het publiek wierp. Daar, geheel +vooraan, in de eerste rij, zat de bataljonscommandant, wiens gestreng +voorkomen scheen uit te drukken: „Kerel, voor elke noot, die je valsch +laat zingen, krijg je een dag kamerarrest.” Daar achter, naast een +pilaar, stond mijn kapitein met dreigend opgeheven vinger, schijnbaar +om mij moed (?) in te spreken, en naast mij in de coulisse verscheen +mijn peletonscommandant, die mij toefluisterde: „Sergeant, je hebt +immers geen dirigeerstok.” Gerechte hemel, daar had ik in ’t geheel +niet aan gedacht! Gewoonlijk had ik daarvoor mijn wijsvinger gebruikt +en, wanneer ik wat in vuur kwam, mijn guitaar. „Luitenant, zou u zoo +goed willen zijn, mij uw potlood te leenen?” smeekte ik, en hij was zoo +menschlievend, mijn verzoek in te willigen. Nu kon het beginnen. Ik +draaide mij met knikkende knieën naar het publiek. Daarbij gevoelde ik +mij zoo ellendig, dat ik onder het maken van mijn buiging bijna van het +podium naar beneden in den schoot van mevrouw de majoorsche zou +gevallen zijn; maar, God zij dank, brachten mij de glimlachende +damesgezichten weder in evenwicht. Nu verhief ik het potlood, telde +een, twee, drie, en zette mijn tenor in beweging. Het Wien Neerlandsch +bloed liep uitstekend van stapel, ofschoon niet zonder dat „von der +Stirne heiss” mij „der Schweiss” droop. Luide toejuichingen waren het +loon voor den moeitevollen arbeid. Alleen de bataljonsadjudant moest +weer eens een aanmerking maken. „Je moet bij het dirigeeren den arm +meer zwaaien, niet zoo gebogen staan en het hoofd niet zoo voorover +laten hangen,” zeide hij. De goede man begreep blijkbaar niet, welk een +reuzenarbeid op mijn schouders drukte. Een tenorpartij zingen, voor +twaalf man angst uitstaan en daarbij nog de maat aangeven, dat scheen +hem zeker maar een kleinigheid. Ik zou er ook nog den arm bij moeten +zwaaien! Om dat alles te doen en bovendien het hoofd omhoog en de +schouders naar achter te houden, zou men de legercommandant in hoogst +eigen persoon moeten wezen. Dien kan niemand het lastig maken, als zijn +stem overslaat, doch een sergeant kan men het wel doen. Natuurlijk +hoedde ik er mij voor, den adjudant mijn gedachten bloot te leggen, +maar beloofde beterschap. De beide andere nummers werden eveneens +schitterend uitgevoerd; vooral de „Abendglocken”, waarbij mijn tenor in +smeltende klanken over de golvende tonenzee heenzeilde, oogstte +daverenden bijval. Zelfs de dikke bataljonscommandant—van wiens +muzikaliteit men verhaalde dat hij alleen met militaire signalen ophad +en van deze het meest met het signaal voor het middageten: „Ketels in +de keuken! Kamerwacht geef acht!”—zelfs hij knikte goedkeurend! De +beste waardeering voor hetgeen ik gepresteerd had, vond ik evenwel in +mijn kamer, werwaarts ik eenigen tijd later terugkeerde, en wel in den +vorm van een flesch rooden wijn en een kistje sigaren. Ik vermoedde, +dat deze goede gaven van den kapitein afkomstig waren. Intusschen brak +ik mij het hoofd daar niet lang mee, maar ledigde de flesch tot op den +bodem. Daarop kroop ik onder de wol. Mijn Javaantjes zongen mij een +slaaplied. Het luidde: „Abenlokkenlingen”. + + + + + + + + +PARADE. + + +„Oranje boven! De koningin is bevallen van een prins!” Onder luid hoera +van „de Eerste” had Jan Kloet, de grappenmaker der compagnie, deze +gewichtige woorden in de wachtkamer der manschappen geslingerd, waar de +verschillende korporaalsafdeelingen onder toezicht harer +sectie-commandanten ernstig bezig waren met wapens en uniformen in +gereedheid te brengen voor de parade op den dag van morgen, ’s Konings +verjaardag. + +„Hoort maar, ze schieten op de reede”, riep Jan opgewonden. Het werd +doodstil in het vertrek. Allen spitsten de ooren. Werkelijk: +boem-boem-boem! dreunde het dof van de kust herwaarts. + +„Waarachtig, het is een prins!” klonk het jubelend van alle kanten. +Slechts één was er, die een bedrukt gezicht zette. Dat was de dikke, +eeuwig hongerige Kees Kool. „Hoe jammer!” zuchtte hij, „hoe jammer!” + +„Wat is jammer?” vroeg hem een Oranjeman met dreigend gebaar. + +„Dat het niet een paar dagen vroeger of later gebeurd is. Je zult het +zien, de Oomes in Batavia laten de verjaardagen van den koning en den +kroonprins niet op twee achtereenvolgende dagen vieren, ze maken er één +dag van. + +„Waar blijft dan onze dubbele menage? waar onze halve flesch wijn, de +oorlam en het kwartje, dat we op ’s konings verjaardag krijgen?” + +„Bliksems, Kees heeft gelijk,” mompelden er een paar met lange +gezichten. + +„Ja, ja,” ging hij intusschen voort „als de buikjes een armen soldaat +wat kunnen aftroggelen, dan doen ze dat met het grootste plezier. De +koning betaalt natuurlijk voor den kroonprins uit zijn eigen zak toch +onze dubbele menage, den wijn, den oorlam en het kwartje en dat +verdeelen de buikjes onder elkaar. Maar laten ze oppassen, dat onze +leger-commandant het niet merkt! Dat is een haan, die er van kraaien +zou. Ik heb een beetje verstand van politiek, want mijn neef, die ze +verleden jaar in Atjeh zijn linkervlerk hebben stukgeschoten, is +schrijver op de „weeskamer.” En als de schrijvers bij elkaar komen, +jongens, jongens, dan hoor-je mooie geschiedenissen. + +„Mond houden!” riep nu de sectie-commandant: „Zie liever, dat je de +soepvlekken uit je uniform krijgt en hier—ratsch! vloog er een knoop +van de kapotjas—naai je knoopen steviger vast, waarachter je dien +dikken buik moet wegbergen. Als je morgenvroeg niet netjes op ’t appèl +komt, ben je zoo „zuur als azijn.”” + +Diepe stilte heerschte er na het scherpe sermoen. + +Weer ging de deur open. De korporaal „van de week” verscheen. Hij trad +op de groep onderofficieren toe, die levendig gesticuleerend zich in +allerlei gissingen omtrent ’s prinsen bestaan verdiepten en zeide op +gedempten toon, maar nogtans luid genoeg om verstaan te worden door de +ademloos toeluisterende manschappen: „Ik kom van het staf-bureau. De +staf-fourier heeft een telegram van zijn collega in Batavia ontvangen: +er is geen quaestie van een kroonprins! Een paar vreemde oorlogsschepen +zijn gelijktijdig op de reede aangekomen en hebben zoo hard +gebombardeerd.” „O....o.o.o.o.o.o.. hoe jammer!” klonk het in het rond. +Adjuus, dubbele menage, oorlam, wijn, kwartje twee dagen achtereen. + +Nog uren later werd er over den weggebleven kroonprins gemopperd en Jan +Kloet, de vader van het gerucht, kreeg mildelijk ribbestooten voor de +vervroegde geboorte-aankondiging. + +Inmiddels werd gepoetst, dat de zweetdroppels van de voorhoofden +rolden, want morgen zouden ontelbare oogen er op uit zijn, +mat-blinkende knoopen aan de uniform en roestvlekken aan het geweer te +ontdekken. Eerst zou de korporaal, dan de sergeant, daarna de +luitenant, vervolgens de kapitein, ten slotte de majoor alles bekijken, +en wie weet? misschien zou ook de „toewan besaar” te Buitenzorg zijn +militaire been voorzetten en eveneens komen inspecteeren. + +Voor het garnizoen van Meester Cornelis, dat eerst een kleine wandeling +van anderhalf uur moest maken, om het parade-veld op het Waterlooplein +te Batavia te bereiken, was het uitzicht op een parade volstrekt niet +aanlokkelijk, doch—zooals gezegd—de hoop op al de heerlijkheden, die +keuken en kelder (!) op dezen dag zouden bieden, voorts het bewustzijn, +dat duizenden kritische mannelijke en vrouwelijke blikken op hen rusten +zouden en dan de liefde voor den ouden koning, die onze Indische +generaals Verspijck en Van der Heyden zoo hoog in eere hield, oefende +op ieder afzonderlijk een bezielenden invloed uit. + +Het donderend: „Er uit! Onder de wol uit!” der korporaals was ditmaal +dan ook overtollig. Nauwelijks waren de laatste klanken der reveille +weggestorven, of daar vlogen reeds dozijnen witte gestalten in het +schemerlicht der petroleum-lampen door de slaapzaal. Alles stormde naar +de kali, die weldra op een met zeepschuim gekroonde waschtobbe geleek, +waaruit proestende hoofden te voorschijn staken. Daarop ging het naar +de keuken, waar de koelie de koffie uit den pruttelenden ketel schepte +en de sergeant onder een hoeraatje de op koningsverjaardag’s met ham +belegde broodjes verdeelde. + +Vijf minuten tijd, om de traktatie naar binnen te werken. Daarna werden +weder de knoopvorken gezwaaid, de lemmetten der kapmessen blonken in de +lucht, geweerkolven dreunden op den vloer. + +Als weer vijf minuten verloopen waren, weerklonk het langgerekte +commando: „Aantreden!” en stommelend ging het de trap af. Zien kon men +niet veel—het was pikdonker—maar hooren kon men iederen +sectie-commandant. + +„Eerste sectie hier aantreden!” bulderde een zware stem. „Kerel, steek +me je bajonet niet door het lijf!” dreunde de bas van den sergeant aan +den linkervleugel. + +Nog een poos lang duurde het rumoer; eindelijk riep een heldere stem: +„Geeft acht!” terstond gevolgd door een doodelijke stilte, die slechts +verbroken werd door het geluid van eenige zware voetstappen en het +kletteren van een sabel. De kapitein naderde en ontving het rapport uit +de handen van den oudsten luitenant. Daarop trok hij de sabel, enkele +commando’s weerklonken en met zwaar-dreunenden stap marcheerde „de +Eerste” de poort door aan het hoofd van het bataljon. Daar stonden +reeds de élèves der militaire school in het gelid, die hun geleerde +gezichten naar een venster gekeerd hielden, waaraan bij het licht van +kaarsen het frissche kopje van onze mooie „majoorsche” zichtbaar was. + +In de verte weerklonken tromgeroffel en hoorngetoet. Het kwam nader en +nader. Een donkere massa golfde bijna onhoorbaar naderbij. Het was de +derde compagnie, louter Javanen, wier supérieuren juist bij een parade +het gemis van schoenen bij hun ondergeschikten smartelijk gevoelen. Het +oor wil zich toch ook verkwikken aan den zwaren paradestap, zooals het +oog aan de zuiver rechte lijn der gestrekte voeten. + +Nu kwam de muziek. Ternauwernood was zij opgesteld, of de +bataljons-commandant kwam zijn woning uit. Commando’s weerklonken en +vereenigden zich met het gekletter der wapenen; de muziek speelde den +parademarsch en onder die tonen reed de majoor langs het front. Maar +zelden kreeg men den kleinen, dikken heer te aanschouwen; doch als hij +verscheen en zijn oog over de colonnes liet gaan, dan schenen de lange +rijen in breedte en hoogte te groeien. Met verdubbelde rotten ging het +nu den grooten postweg naar Batavia op, waar tusschen het geboomte de +woningen der officieren vriendelijk uitkeken en vrouwtjelief den +kranigen echtgenoot kushandjes tot afscheid toewierp. + +De natuur ontwaakte. In de twijgen der bosschages werd het levendig. De +vogels piepten en krijschten. De wind ruischte zachtkens door de +bladeren en schudde millioenen dauwdruppels naar omlaag. Daar brak de +zon door, die roodgloeiend achter de woudreuzen was opgegaan en met +haar stralen alles overstroomde. De punten der bajonetten schitterden +alsof zij in purper waren gedoopt; zij wedijverden in vroolijken glans +met de opgewekte gezichten der dragers. Een overvol gemoed gaf zich +lucht in het heerlijke lied: „Wilhelmus van Nassouwen” en, kon men er +ook zoo goed niet op marcheeren—het gezang plantte zich van compagnie +tot compagnie voort—echt en goed gemeend was het toch. + +Bij het binnen-marcheeren van Kramat kon men bemerken, dat er iets „aan +de hand” was; alle huizen waren gesloten en slechts enkele dos à dos +snelden zoo vlug als de wind in één en dezelfde richting. Een eindweegs +verder stiet men op groepen feestelijk uitgedoste Javanen en Chineezen; +ook eenige „klipsteenen”, die zich de weelde van een „kar” niet konden +veroorloven, bevonden zich onder hen. + +Van de „haute volée” was nog niets te bemerken. In sierlijken galop +kwam nu een adjudant ons bataljon te gemoet; waarschijnlijk bracht hij +beschikkingen, omtrent onze opstelling over, want hij wees naar het +Waterlooplein, welks boomreeksen ons, het welkom toewenkten. Onder de +vroolijke tonen van den Lindenau-marsch zwenkten wij de allee in en +marcheerden met krachtigen pas, langs het garnizoen van Weltevreden, +naar onze stelling. + +Van daar uit hadden wij een prachtig gezicht over het geheele terrein. +Tegenover ons stond de „Schutterij”, goed in rijen geschaarde in het +wit gekleede „buikjes”, die, in zwarte sabelkoppels gesnoerd, op +fraaie, vlekkelooze winkelprentjes geleken. Rechts reden ons de +elegante equipages der suiker-baronnen en koffie-graven voorbij, +waaruit vrouwenoogen fonkelende blikken wierpen, die in schittering +wedijverden met de talrijke briljanten der eigenaressen. De +afwisselende tooneelen deden hitte en dorst vergeten. + +Eensklaps rekten zich alle hoofden naar ééne richting; er liep iets als +een huivering door de lange, blinkende rijen. In fieren galop kwam een +ruiter over het groote plein aangesneld. + +Donderende commando’s ontwelden aan zijn mond en de bataljons stonden, +of zij uit erts waren gehouwen. + +Omgeven door een schitterenden stoet officieren naderde nu een vergulde +heer, die lang niet onverschillig was onder de wilde sprongen van zijn +door de drukte schichtig geworden schimmel. Waarschijnlijk om niet +Moeder Aarde te moeten kussen, beval hij een knecht het dier vast te +houden en verdeelde nu zijn aandacht tusschen het paard en de voor hem +’t geweer presenteerende troepen. Misschien dacht onder dezen menigeen: +„Nu, die ziet er ook niet naar uit, of hij ’t onderscheid kan zien +tusschen een knoop, die vastgenaaid en één die met een lucifer +bevestigd is.” + +De gouverneur-generaal—want dat was de heer op den schimmel—was zeker +blij dat hij weer rustig kon stilzitten en ons laten voorbijmarcheeren. +Vol waardigheid zag hij op de colonnes der compagnie neer en glimlachte +goedkeurend, zoo dikwijls de beenen der manschappen als uit een kanon +geschoten zijn schimmel op eenigen afstand langs den neus vlogen. + +Een heerlijke aanblik was het, toen artillerie en cavalerie op hun +kleine, flinke paarden als een wervelwind over het paradeveld stoven. +De schimmel had gaarne, zonder verlof van zijn heer, meegerend, maar +een adjudant naast het dier liet het niet toe. + +Men moet eerlijk erkennen; een parade, die niet door een militair wordt +geïnspecteerd, mist haar doel. Officieren en soldaten verlangen +waardeering der afgelegde proeven. En zoo hun die ook in ruime mate +wordt geschonken, zij verschaft hun niet de gewenschte voldoening, want +zij is niet die van een deskundige; ze blijft een nietszeggend +compliment. De soldaat is er toch steeds op uit, om van elke situatie +de belachelijke zijde op te merken en als dit ten koste van den +hoogstgeplaatsten persoon des lands geschiedt, dan lijdt diens prestige +daardoor. + +Er werden dan ook veel „moppen getapt”, toen na afloop der parade het +bataljon zich door het stof, dat een voet hoog den weg bedekte, weder +naar het garnizoen van Meester Cornelis voortbewoog. Verzengend schoten +thans de zonnestralen op de witgepoederde soldaten neer, die elkander +de beloofde heerlijkheden uit den kelder (?) voorspiegelden, om +zoodoende den dorst nog te vergrooten. + +„Nog maar een halfuurtje stevig doormarcheeren en dan zijn we er”, +hoorde men allerwege. + +Het zou niet eens zoo lang duren. Met de snelheid van den wind trokken +achter ons dichte wolkenmassa’s op. Het opgejaagde stof herschiep ons +in wandelende molenaars, die door onheilspellend rollende donderslagen +letterlijk tot den looppas werden aangezet. Het mocht niet baten; met +een onweer in Indië kan men niet om het hardst loopen. Binnen weinige +minuten stroomde ons het water uit de schoenkappen. + +Voor de eerste sectie had het onweer ten minste nog een nuttige zijde. +De bombardonist die voor haar uit marcheerde, hield namelijk de +windpijp van zijn instrument uitdagend ten hemel en verzamelde het +stroomende nat. De een na den ander mocht dan aan het mondstuk van den +bombardon zuigen en zijn dorst lesschen. Het was wel niet smakelijk, +want de man pruimde, maar het deed toch goed. + +Twee uur later zat de geheele compagnie bij de dubbele menage en de +halve flesch wijn en Kees Kool hield een redevoering waarin hij het +Oranjehuis elk jaar een mannelijken telg toewenschte. „Maar niet op +denzelfden dag, want de oomes in Batavia... we weten er alles van.” + + + + + + + + +DE BESTORMING DER BENTENG MANDOEROEIAN. + +(Zuider- en Ooster-Afdeeling van Borneo, den 20sten Sept. 1883.) + + +„Sergeant! de kettingganger Panglima Alie is gedrost, en heeft van mij +een splinternieuw slagersmes medegenomen.” + +Met deze woorden naderde de fuselier Van Zijl, die in de kleine +versterking te Moeara Teweh naast de betrekking van kok ook het +bloedige ambt van slachter uitoefende, den menagemeester. Deze trok een +bedenkelijk gezicht, krabde zich achter de ooren en zeide tot een +sergeant die in de nabijheid stond: „Dat heb ik wel zien aankomen. Hoe +kon men ook zoo onverstandig zijn om een veroordeeld Atjehsch hoofd +naar eene streek te zenden, waar de bevolking in verzet is en Mohamad +Seman nog veel invloed bezit?” + +„Wat kan het jou schelen,” antwoordde de ander, „laat het civiel +bestuur dat maar uitmaken.” + +„Je hebt gelijk,” mompelde de menagemeester en begaf zich naar den +sergeant-majoor, die de jobstijding aan den post-commandant overbracht. + +Spoedig daarop rukten twee patrouilles uit, die in verschillende +richtingen in het woud op verkenning gingen, terwijl eene gewapende +sloep van den oorlogsstoomer, die voor de benteng op de Barito voor +anker lag, stroomopwaarts voer om zoo mogelijk den vluchteling in +handen te krijgen. + +Tegen den avond keerden allen naar Teweh terug, wel met vermoeide +beenen, doch zonder Panglima Alie. + +Eenige weken waren sinds dat voorval voorbijgegaan. Het leven van het +garnizoen bleef vervelend, zooals het alleen op buitenposten zijn kan. +De manschappen exerceerden, werden geoefend in het schijfschieten en in +hunne vrije uren speelden zij, onder het genot van wat slappe thee, +pandoer om een halven cent de 10 punten. De officieren exerceerden +natuurlijk ook mede, maakten daarna hun omberpartijtje (waarschijnlijk +hooger dan om een halven cent de 10 punten) en dronken daarbij geen +thee. + +In dat gemoedelijke leven kwam plotseling verandering, toen op zekeren +dag het hoofd van een der omliggende bevriende kampongs in groote +opgewondenheid binnen de benteng kwam en den commandant mededeelde, dat +eene bende Doessoeners, onder bevel van den pretendent-sultan Mohamad +Seman, van de bovenstreken was afgezakt en vijandelijkheden begon tegen +alle kampongs, die geen gemeene zaak met hem wilden maken. Eenige dagen +later werd een troep, die van het schijfschieten terugkeerde, uit de +rimboe [24] beschoten. Daar de onzichtbare schutters zich op een +behoorlijken afstand hielden en waarschijnlijk ook een weinig aan +beverigheid laboreerden, bezorgde ons dat geschiet geen verliezen. Den +postcommandant werd de zaak evenwel een weinig te bar. Toen hij bekend +was geworden met de schuilplaats der opstandelingen, zond hij daarheen +een detachement infanterie onder aanvoering van een officier, dat den +vijand overviel, de benteng bestormde en met den grond gelijk maakte. +Doch indien de bevelhebber had gedacht daarmede den vijand onschadelijk +te hebben gemaakt, dan vergiste hij zich schromelijk. Elken dag traden +de opstandelingen brutaler op. Bij honderden nestelden zij zich op de +omliggende hoogten en richtten hun vuur op onze versterking en op het +oorlogsstoomschip Onrust. + +Te Bandjermasin waren deze gebeurtenissen natuurlijk niet onbekend +gebleven. Op zekeren dag duidde dan ook eene rookkolom de nadering aan +van een stoomschip, en korten tijd daarna liet de Boni, tot groot +genoegen van het garnizoen, haar anker vallen voor de versterking, +medebrengende 60 man infanterie tot versterking van de bezetting. De +Doessoeners, die waarschijnlijk van oordeel waren dat twee schepen +gemakkelijker zijn te treffen dan één, namen nu ook de Boni onder vuur, +zonder evenwel veel schade aan te richten. + +Een paar dagen later stoomden beide schepen met 100 man infanterie aan +boord de Barito verder op. Spionnen hadden bericht dat de vijand in het +stroomopwaarts gelegen Telok Mayang een sterken voorpost had opgesteld, +die zoowel de versterking te Teweh als de omliggende kampongs +aanhoudend verontrustte. De troepen, die de vijandelijke benteng van +twee zijden naderden, vonden haar verlaten, doch men kwam te weten, dat +de opstandelingen zich op ongeveer drie uren stoomens boven Teweh aan +eene linker zijrivier (de Lahei) op een 40 meter hoogen heuvel sterk +verschanst hadden. Aanvoerder van de bende was Panglima Alie, de +gevluchte dwangarbeider, die tegenover de bevolking volhield dat +Mandoeroeian—zoo heet de heuvel—voor onze troepen onneembaar was. +Dientengevolge waren, te oordeelen naar de ontvolkte kampongs, vele +gewapende mannen naar den vijand overgeloopen. Het werd daarom hoog +tijd dien Atjeher eens eene gevoelige les te geven. Op den 19den +September kwam daartoe de gouvernementsstoomer Djambi te Teweh aan, met +den resident, den gewestelijken militairen commandant en een +detachement infanterie van 50 man aan boord. Onmiddellijk werd met de +bevelvoerende officieren overleg gehouden, en besloten zoo spoedig +mogelijk tot den aanval over te gaan. Met onverholen vreugde werd deze +tijding door de troepen vernomen, vooral door de vaste bezetting, die +reeds zoo lang tot levende schijf gediend had, en zich zoo gaarne met +den vijand zou hebben gemeten, indien de postcommandant slechts het +bevel daartoe had willen geven. De aanval werd vastgesteld op den +volgenden morgen. + +In de soldatenkamers ontstond nu groote bedrijvigheid. Hier gaf er een +zijnen geweerloop—toch reeds zoo blank als een spiegel—nog eens een +extra olielaagje; daar onderzocht een ander de scherpte van zijn +kapmes, kortom alles was leven en beweging. + +„Zeg eens, Piet,” riep een fuselier zijnen kameraad Van Zijl toe, die, +met het hoofd tusschen de handen, met starre blikken voor zich uit zat +te kijken, „wil ik je vriend Alie niet de groeten overbrengen en hem +vragen of hij je slagersmes wil teruggeven?” Op deze woorden volgde een +schaterlach van de omstaande soldaten. De aangesprokene stond driftig +op en met een gelaat, vuurrood van toorn, verliet hij de kamer. + +„Plaag dien armen kerel toch zoo niet,” bracht een oude korporaal in +het midden, „het is al hard genoeg, dat hij morgen niet mee mag, omdat +hij toevallig kok is.” + +Eenige minuten later stormde Van Zijl, gloeiend van opgewondenheid, de +chambree weer binnen en riep luide: „Hoera! leve de kapitein! ik heb +vergunning gekregen om mee te gaan. Nu zal ik mijn mes zelf halen, of +de duivel mag het mij doen.” + +Van alle zijden hoorde men met genoegen dat de bij zijne kameraden en +superieuren geziene kok, slachter, enz., mede van de partij zou zijn. + +„Niet waar, Piet, van middag krijgen we grootere porties, is ’t niet?” +vroegen hem enkele manschappen. + +„Loop naar de maan!” antwoordde hij en ijlde naar zijn heiligdom, daar +de hoornblazer reeds het signaal „voor den kok in de keuken” deed +weerklinken. + +„Bruine boonen met spek,” mompelde de oude korporaal, terwijl hij met +welgevallen den neus in zijn menageketel stak. „Piet heeft eer van zijn +werk. Sedert Alie er met dat groote mes van door is gegaan, komt het me +voor dat de rations grooter zijn. Er bleef misschien veel aan dat mes +hangen.” + +De manschappen schenen van dezelfde meening te zijn, ten minste er +heerschte eene diepe stilte, slechts afgebroken door het eigenaardige +geluid van etende menschen en het gekletter van lepels en vorken. + +Daar knalden plotseling van buiten een paar schoten, eenige kogels +vlogen over de hoofden der manschappen en drongen in de wanden. +Verschrikt sprongen de jongere soldaten op. De oude korporaal bleef +echter rustig zitten en zeide kalm: „Bruine en blauwe boonen onder +mekaar kan geen korporaalsmaag verdragen. Zet de slaaptafels voor de +vensters!” en toen dat geschied was vervolgde hij: „Ga nou je gang maar +weer met eten.” + +Er waren evenwel toch enkelen, die na dat geschiet weinig eetlust +hadden, daar eenige vijanden uit nabijzijnde boomtoppen een levendig +vuur onderhielden. Ook de officieren hadden hunne eetzaal op dezelfde +wijze gebarricadeerd om niet te veel blootgesteld te zijn. Allen +troostten zich echter met de gedachte: „morgen zullen we het jelui wel +afleeren.” + +Reeds vóór de morgen, waarnaar zoo verlangd werd, was aangebroken, +stonden de manschappen van het garnizoen, die ook aan de expeditie +zouden deelnemen, op de binnenplaats aangetreden. Een paar gedempte +commando’s lieten zich hooren, en weldra marcheerde de troep naar +buiten om zich naar den rivieroever te begeven, waar de Boni gereed lag +om hen op te nemen. + +Het was nog stikdonker, daarbij hing er een dichte nevel over het +water, zoodat men geen pas voor zich uit kon zien. Voelend en tastend +gingen de manschappen een voor een over de glibberige loopplank op het +stoomschip. Van de overige schepen was niets te zien. Slechts hoorde +men nu en dan het sissen van ontsnappenden stoom en het geluid van +menschenstemmen. + +Op het achterdek van de Boni stond de luitenant-adjudant C., die in +plaats van den ongesteld geworden kapitein, wien aanvankelijk het +commando was opgedragen, de aanvaltroepen zou aanvoeren, in druk +gesprek met een paar andere officieren. Nu en dan ontsnapte hem eene +kernachtige verwensching tegen den nevel, die maar niet wilde optrekken +en het vertrek vertraagde. De handen schenen hem te jeuken. + +Eindelijk—het was ongeveer halfzeven—klaarde het op en zette de +flottille zich in beweging. Voorop de Boni, daarna de Onrust en +eindelijk de Djambi. Toen eerstgenoemd schip in de nabijheid van de +kampong Ipoe gekomen was, zag de bemanning op grooten afstand eene +prauw, bemand met ongeveer tien personen, stroomopwaarts roeien. Zeker +waren dit vijandelijke verspieders, die onze komst moesten berichten, +althans te oordeelen naar de snelheid, waarmede zij zich uit de voeten +maakten, konden zij onmogelijk een zuiver geweten hebben. Het doel van +den tocht kon nu niet ver meer zijn. + +Het was ongeveer drie uren na de afvaart, toen bij eene kromming der +rivier de vijandelijke versterking in het gezicht kwam. Hoog boven de +palissaden wapperde uitdagend de roode sultansvlag. Met volle kracht +stoomde nu de Boni vooruit. Alles was aan boord tot een gevecht in +gereedheid gebracht, doch aan ’s vijands zijde werd nog geen leven +bemerkt. Nauwelijks evenwel was het schip binnen het bereik van de +vijandelijke kogels gekomen, of een hevig vuur barstte los, zonder +echter belangrijke schade aan te richten. Men bleef natuurlijk het +antwoord niet schuldig. Een kort commando weerklonk, en een kanon van 5 +cM. verhief zijne stem, om in den vorm van eenige ijzeren +suikerbroodjes de groeten over te brengen. Nog eenige +infanterie-salvo’s en de vijand liet de Boni ongemoeid, om meer +aandacht te wijden aan de Onrust en de Djambi. De Boni ging voor den +mond van de Lahei ten anker. De Onrust opende op ongeveer 500 meter +benedenstrooms het vuur, dat door den vijand levendig beantwoord werd. +De leiding der verdediging scheen niet in slechte handen te zijn. De +lilla’s [25] waren goed gericht, doch werkten weinig uit, daar de +afstand te groot was. + +De Onrust had het ongeluk, dat bij eene poging om van de kleine +kanonnen op het achterschip gebruik te maken en daartoe dwarsstrooms te +gaan liggen, wegens den snellen stroom een anker moest worden gekapt. +Daarna stoomde dit schip voorwaarts, kwam 400 meter benoorden de +vijandelijke benteng weer ten anker en opende nogmaals het vuur, nu ook +uit een kanon van 16 cM. De projectielen, daaruit geworpen, konden +evenwel den heuveltop niet bereiken, daar aan het stuk geen voldoende +elevatie kon worden gegeven. Met des te meer nadruk werd evenwel het +vuur onderhouden uit de kleinere kanonnen, en blijkbaar niet zonder +gevolg. + +De geschutstrijd had ongeveer een uur aangehouden, toen het +vijandelijke vuur eenigermate verflauwde, en de overste het oogenblik +gekomen achtte om tot den aanval over te gaan. Hij gaf dus last de +troepen te ontschepen. Vooruit twee sloepen van de Boni met den +voortroep onder het bevel van een luitenant, ten einde de nakomenden +voor een overval te beveiligen. Na een half uur stonden ongeveer 170 +man, onder bevel van zes officieren, gereed het gevecht te beginnen. +Zooals reeds van de schepen was opgemerkt, was de benteng aan drie +zijden van zware verhakkingen voorzien, en moest men dus trachten aan +den achterkant (noordzijde) te naderen. + +Een dajak, die door Panglima Alie genoodzaakt was geworden aan het +opwerpen der versterking mede te werken, doch later gelegenheid had +gevonden om te ontvluchten, werd door den controleur onder +voorspiegeling van eene ruime belooning overgehaald tot gids te dienen. +De man scheen niet bijster met die taak ingenomen, doch toen de +commandant van den voortroep hem toevertrouwde aan de zorg van twee +stevige fuseliers, die hem kort en bondig te kennen gaven, dat hij, bij +de minste poging tot ontvluchten, als zijnde geen schot kruit waard, +aan de bajonet zou worden geregen, schikte hij zich in zijn lot. + +In de volgende orde werd afgemarcheerd: aan het hoofd eene spits van +zes man onder een sergeant, waarbij zich ook de commandant van den +voortroep bevond; onmiddellijk daarachter de voortroep, sterk 30 +Europeanen en Amboineezen, vervolgens het gros van de voorhoede, de +hoofdtroep, sterk 79 man en eindelijk eene achterhoede van 30 man. In +de grootste stilte werd afgemarcheerd, slechts hier en daar kraakte een +dorre tak onder de voeten van een minder oplettend soldaat, doch een +bestraffende blik van den bevelvoerenden officier was voldoende om tot +meer voorzichtigheid aan te sporen. Na een marsch van een kwartier kwam +men voor een ravijn van ongeveer 10 meter diepte en 15 meter breedte, +met zeer steile wanden. Een boomstam moest hier als brug dienst doen. +De inlanders dansten er overheen alsof het een parketvloer ware +geweest; ook de commandant van den voortroep balanceerde nog vlug naar +den overkant. Moeielijker evenwel was de overtocht voor de volgende +manschappen, daar de dunne boomstam door de bemodderde voeten hunner +voorgangers glibberig was geworden. De meeste officieren en manschappen +gaven er dan ook de voorkeur aan om schrijlings den overtocht te +bewerkstelligen door het beurtelings verplaatsen van handen en +posteriora, een kunststuk, dat eenen luitenant, die een weinig dik was +uitgevallen, menigen zucht ontlokte. Dit veroorzaakte nog al oponthoud. +De voortroep zette inmiddels den marsch voort en kreeg, na ongeveer een +kwartier stijgen op aanwijzing van den gids, de benteng in ’t gezicht. + +„Links aanhouden!” klonk het uit den mond van den luitenant. De steile +helling, waarvoor de gids den voortroep had gebracht, was voor eenen +aanval alles behalve gunstig. Sidderend als een espenblad verzocht de +gids, bevreesd voor de wraak zijner landgenooten, thans naar de +achterhoede te mogen gaan. Het werd hem toegestaan. Weldra was de +achterzijde der benteng bereikt. „Aan! vuur!” klonk het, en de knal van +het salvo, honderdvoudig door het gebergte weerkaatst, waarschuwde de +nog achter zijnde kameraden dat het doel bereikt was. Een krachtig +hoera weerklonk, en als in een wedren doorschreden de manschappen van +den voortroep de kleine ruimte, die den boschrand van de versterking +scheidde. Snel werden de geweren door de schietgaten gestoken en een +ware kogelregen op de binnen opgehoopte vijanden uitgestort. Deze waren +echter niet genegen spoedig den kamp op te geven. + +Bijna borst tegen borst, slechts door de palissaden gescheiden, stonden +onze soldaten tegenover den vijand. Aanhoudend spoorde het Atjehsche +hoofd zijne onderhoorigen aan om eenen aanval met de blanke wapenen te +doen. De commandant, hiervoor beducht, trachtte tot tweemaal de benteng +te beklimmen, zeker dat hij door de soldaten gevolgd zou worden. Bij de +eerste poging evenwel ontving hij een schot door den linkerarm, dat hem +deed neerstorten. Ook de tweede poging mislukte. + +Intusschen had de commandant der colonne zich bij den voortroep +gevoegd. Hij had sabel en revolver achtergelaten en alleen een dun +stukje bamboe in de hand, waarmede hij zoo nu en dan het stof uit zijn +broek klopte. + +„Hij heeft gelijk,” mompelde de oude korporaal, „ik ken hem van Atjeh. +Als die een sabel in de vuist heeft en er moet gestormd worden, dan +houden hem geen tien paarden; maar nu moet hij zijn kop bij elkaar +houden.” + +„Verduiveld,” mopperde Van Zijl, „mogen we er dan nooit in?” + +Verlangend wendden zich veler blikken naar de plaats, waar de +commandant stond. Kalm en bedaard wees deze de nakomende troepen, die +door het overtrekken van het ravijn eenigszins waren opgehouden, hunne +standplaats aan. Eindelijk was ook de achterhoede aangekomen. Deze werd +zoodanig opgesteld, dat zij een aanval in den rug kon afwijzen. Spoedig +daarop weerklonk het commando „Attaqueeren!” Eenige fuseliers +klauterden als apen tegen de palissadeering op, terwijl anderen met de +van boord meegenomen handspaken en breekijzers eene kleine opening +maakten, waardoor andere manschappen binnendrongen en waarin de dikke +luitenant, die het op bovenvermelden boomstam zoo zwaar te +verantwoorden had gehad, bijna bleef steken. + +Een Amboineesche fuselier was de eerste, die met zijn geweer boven het +hoofd te midden der vijanden sprong. Een Europeaan was de tweede. Van +Zijl, die met den uitroep: „Mijn broeder was ridder, ik wil het ook +worden!” in de benteng drong, vloog met opgeheven geweerkolf te midden +der zich met vertwijfeling verdedigende opstandelingen. Doch deze +konden tegen de steeds voorwaarts dringende soldaten geen stand meer +houden. Een klein troepje wierp zich nog met de woede der wanhoop op +onze manschappen, doch zij boetten die vermetelheid met hun leven. Toen +de overigen hunne voornaamste aanvoerders hadden zien vallen, greep een +panische schrik hen aan. In doodsangst vluchtten zij over de palissaden +en stortten zich van eene hoogte van wel 10 meter in de versperring, +die zij tot hunne eigene veiligheid hadden aangelegd. Achter hen +klonken de salvo’s der overwinnaars, waardoor nog menige vluchteling +gedood of gewond werd. + +Het was ongeveer halfeen, toen de drie sultansvlaggen, die aan onze +soldaten den weg ter overwinning hadden gewezen, werden neergerukt, en +de Nederlandsche driekleur zich ontplooide, luide begroet door de +zegevierende troepen. + +Het wekte verbazing te zien, hoe dit bolwerk door den Atjehschen +panglima gedeeltelijk naar de voorschriften der Europeesche +versterkingskunst was ingericht. Drie rijen schietgaten van bamboe +waren aan het ondereinde der palissadeering aangebracht en daarboven +een banket, van een afdak voorzien, ten einde geen last te hebben van +handgranaten. De kanonnen waren zóó opgesteld, dat zij het voorterrein +en de rivier geheel konden bestrijken. + +Hoe hardnekkig de verdediging was geweest, bewezen 18 dooden binnen de +versterking en een tiental, die daarbuiten waren neergeschoten. Om de +gewonden heen stonden vele soldaten, vooral bij Van Zijl. Aller oogen +vestigden zich op den ouden korporaal. + +„Heb je nog iets op je hart?” vroeg deze. + +„Is Alie, die smeerlap, dood?” was de wedervraag. + +„Hier ligt hij vlak bij je,” zei de korporaal op het lijk van den +panglima wijzende, wiens hoofd letterlijk verbrijzeld was. + +„Ja, hij heeft me mijn mes in den buik gestooten, doch ik heb hem goed +op zijn kersepit geraakt.” + +Allen wilden afscheid van hem nemen, doch hij drukte, geheel afgemat, +alleen de handen van den ouden korporaal. + +Toen hij aan boord van de Onrust gebracht werd, waar de officier van +gezondheid zich bevond, had het leven hem verlaten. + +Van Zijl was onze eenige doode. Gewond waren een officier en drie +fuseliers. Onder de gesneuvelden des vijands waren vijf hoofden, +namelijk: Panglima Alie; Pangeran Kertas Melajang, de Imam Mahdi, die +den heiligen oorlog geproclameerd had; Pangeran Praboe Anoem, een neef +van den pretendent-sultan; Panglima Naja, die den 27sten Februari een +prauw met levensmiddelen had overvallen en zeven der opvarenden gedood +had; Andin Loetoeng, een der voornaamste hoofden van de Soengei Lahei. + +Vier kanonnen, vijf-en-twintig geweren en eene menigte klewangs, lansen +en mandau’s werden buitgemaakt. + +Bij het lezen dezer regelen zou menigeen misschien geneigd zijn de +overwinning gering te schatten, wegens het klein aantal dooden en +gewonden, dat de aanvallers bekwamen. Dit zou evenwel onjuist zijn. +Niets ware den aanvoerder lichter gevallen dan de versterking in front +te doen aangrijpen. Ook dan zou de verovering wel gelukt zijn, maar +hoeveel dapperen hadden dan daarbij het leven niet moeten laten? + +Welke ver reikende gevolgen onze overwinning moest hebben, kan hij het +best beoordeelen, die op de hoogte is van Indische toestanden, +inzonderheid van de Borneosche. Wie daaromtrent meer wil weten leze: De +Banjermassingsche krijg van 1859–62. + +De Dajaks uit die jaren, ten minste die uit de bovenstreken, zijn nog +geheel dezelfden gebleven. Antassari is vervangen door Mohamad Seman. +Aanhoudend weet deze geslepen vorst de gemoederen dier natuurkinderen +op te winden en ze bij honderden ter slachtbank te voeren. Dit laatste +blijkt uit eenen opstand, die vier jaren later daar weer uitbrak en +eindigde met de verovering van Toembang Patangan. + +Ware de bestorming van Mandoeroeian niet gelukt, dan zou als een +loopend vuur door het geheele land het gerucht verspreid zijn van de +onneembaarheid der benteng en de onoverwinnelijkheid van haren +verdediger Panglima Alie. De gevolgen zouden niet te overzien zijn +geweest. + +Onze dappere soldaten en hunne kalme aanvoerders hebben dus door hunne +overwinning aan het Nederlandsche gezag eenen gewichtigen dienst +bewezen. + + + + + + + + +DE VEROVERING VAN DE VERSTERKING TE TOEMBANG PATANGAN. + +(Z. en O. Afd. van Borneo) op den 18den Maart 1887. + + +De beweging op koloniaal gebied heeft tegenwoordig in de meeste landen +van Europa alle klassen der maatschappij aangegrepen en meegesleept. +Werkelijke en salon-ontdekkers doorzoeken met begeerige oogen elk +werelddeel, om nog ergens een vergeten plekje grond te vinden, dat in +bezit genomen zou kunnen worden. Oude en nieuwe akten worden +doorsnuffeld om eene paragraaf te ontdekken, die voor tweeledige +uitlegging vatbaar is, en waaruit misschien een schijn van recht tot +inbezitname is af te leiden. In het kort, een levendig verlangen naar +uitbreiding van gebied doet zich overal gevoelen, en het oude liedje: +Mein Vaterland muss grösser sein, zweeft meer dan ooit op de lippen van +geestdriftvolle patriotten. + +Dit jagen naar eene aanwinst, die meestal slechts in de verbeelding +bestaat, trekt de aandacht van de binnenlandsche aangelegenheden der in +bezit te nemen landen af; hoewel het toch noodig is daaraan in de +eerste plaats de opmerkzaamheid te wijden, om de vernietiging van +bestaande welvaart, ja zelfs het verlies van de geheele bezitting in de +toekomst te voorkomen. + +Zelfs mogendheden, die eeuwenlang in het bezit waren van uitgestrekte +koloniën, die beroemd zijn wegens hun uitstekend bestuur, moeten +ondervinden dat een maatregel, die op zichzelf van weinig gewicht +schijnt, aanleiding geeft tot jarenlange woelingen, die slechts met de +bajonet kunnen worden bedwongen. + +Een voorbeeld hiertoe leveren de militaire operatiën der Nederlanders +op het eiland Borneo, die plaats hebben, zonder dat de buitenwereld er +veel van bemerkt. + +Lang voordat de Islam op Java was doorgedrongen, hadden Javanen reeds +koloniën gesticht aan de zuidkust van Borneo, terwijl Boegineezen en +andere Maleiers zich op de oostkust hadden gevestigd. Deze kolonisten +vermengden zich langzamerhand met de oorspronkelijke bewoners des +lands, de Dajaks, en deden zoo het gemengde ras ontstaan, dat +tegenwoordig de kuststaten van Borneo bevolkt. De Dajaks werden allengs +meer en meer naar de binnenlanden teruggedrongen, en het viel den +kolonisten, die in ontwikkeling verre boven de oorspronkelijke bewoners +stonden, niet moeilijk zich als beheerschers van het land te doen +eerbiedigen. Zoo werden de verschillende Maleische staten gegrondvest, +waarvan Bandjermasin het machtigst was. Toen de Nederlanders hun gezag +ook over Borneo uitstrekten, lieten zij het inwendig bestuur aan de +vorsten over, in de uitoefening waarvan deze natuurlijk werden +bijgestaan en geleid door Europeesche ambtenaren, zoodat de +Nederlandsche regeering eene voortdurende contrôle op hunne handelingen +uitoefende. + +De rust bleef ongestoord, totdat in het jaar 1857 sultan Adam overleed, +en in diens plaats Tamdjid’oellah door de regeering tot sultan van +Bandjermasin werd benoemd, terwijl een kleinzoon van den overledene, +Hidajat’oellah, tot rijksbestierder werd aangesteld. Deze +regeeringsmaatregelen wekten ontevredenheid. Hidajat, Antasari, Demang +Lehman en andere hoofden wisten in het geheim de bevolking tot verzet +aan te sporen, en in het jaar 1859 werd openlijk de vaan des opstands +ontrold. Slechts na groote krachtsinspanning en ten koste van talrijke +offers mocht het den Nederlanders gelukken den opstand te bedwingen, en +in 1860 werd het rijk van Bandjermasin bij het Nederlandsche gebied +ingelijfd. Hiermede was evenwel nog op verre na de rust niet hersteld. +Met korte tusschenpoozen bleven de woelingen aanhouden, waarvan, na het +overlijden of onschadelijk maken van bovengenoemde aanvoerders, de zoon +van Antasari, Goesti Mohamad Seman, het hoofd was. Met eene +hardnekkigheid, eener betere zaak waardig, bleef deze zich verzetten, +en hij wist de lichtgeloovige inboorlingen gemakkelijk voor zijne zaak +te winnen. + +Nog steeds zwerft hij, zich sultan noemende, omringd door eene kleine +schaar van ontevreden hoofden, door Borneo’s wildernissen. Tot heden +heeft hij alle toenadering tot het gouvernement geweigerd. Hij wil +alleenheerscher zijn. + +Bij vele zijner in de herhaalde gevechten gesneuvelde volgelingen vond +men akten van aanstelling, waarin die verblinden tot regent, +opperpriester of andere aanzienlijke ambten in zijn te stichten rijk +werden benoemd. + +In zijn onderhoud voorziet hij door afpersingen van weerlooze +kampongbewoners, die hij tevens door valsche voorspiegelingen of door +geweld dikwijls tot verzet weet over te halen. + +Van elke ontevredenheid der bevolking, al heeft de oorzaak daarvan in +de verte met zijne zaak niets uitstaande, maakt hij gretig gebruik om +de domme, goedgeloovige Dajaks tot opstand aan te zetten en hen +zoodoende ter slachtbank te voeren. Zelf houdt hij zich steeds +voorzichtig buiten schot, en dit doet hem bij weldenkenden zeker niet +in achting rijzen. Zoo sneuvelden in het jaar 1883, bij de bestorming +van Mandoeroeian door onze troepen, velen van zijne trouwste +aanhangers, terwijl hijzelf op behoorlijken afstand in de wildernis van +eene zekere overwinning droomde. Gelijk een wild dier werd hij toen +opgejaagd, doch het mocht ons niet gelukken hem te vangen. Steeds wist +hij in de ontoegankelijke bovenstreken te ontkomen. Dit zal menigeen, +die met de toestanden van het land niet bekend is, onverklaarbaar +voorkomen. Voornamelijk door Duitsche „Colonialschwärmer” hoort men +dikwijls met zekere minachting spreken over de weinige voortvarendheid, +waarmede de Nederlanders tegen hunne oproerige overzeesche onderdanen +optreden. Doch hoe spoedig zouden zij van gedachten veranderen, indien +zij het land eens met eigen oogen konden aanschouwen! + +Onderscheidene bergruggen strekken zich op Borneo van het +centraalgebergte tot aan de zee uit. Hiertusschen liggen onmetelijke +laagvlakten, doorsneden door kolossale stroomen en bedekt met +eeuwenoude wouden, die slechts langs enkele, bijna niet te +onderscheiden voetpaden en met behulp van een inlandschen gids kunnen +worden binnengedrongen. Eb en vloed doen zich op de rivieren tot ver in +het binnenland gevoelen, en de lagere terreingedeelten worden dan ook +geregeld onder water gezet. + +De stroomen zijn in dezen wilden chaos bijna de eenige verkeerswegen. + +Langs de oevers vindt men hier en daar, op groote afstanden van +elkander verwijderd, kleine Dajaksche kampongs met de daarbij gelegen +ladangs (droge rijstvelden), want ook de inboorlingen vestigen zich +natuurlijk bij voorkeur aan de gemeenschapswegen. + +Langs de rivieren bewegen zich ook bijna uitsluitend de militaire +expeditiën. Waar zij voldoende diepte hebben, wordt gebruik gemaakt van +stoomschepen of groote prauwen. Nadert men evenwel de bovenstreken, +waar breedte en diepte afnemen, dan moeten manschappen, munitie en +vivres in djoekongs (uitgeholde boomstammen) worden overgeladen. + +Prauwen en djoekongs worden door inboorlingen geroeid, die met hunne +korte spadevormige pagaaien aan die vaartuigen eene verbazende snelheid +weten te geven. + +Opmerkenswaard bij die menschen is de buiten verhouding sterke +ontwikkeling der armspieren, vergeleken met de dunne, dikwijls kromme +beenen. De oorzaak daarvan is evenwel niet ver te zoeken. Slechts korte +afstanden worden door den inlander te voet afgelegd. Moet hij eene +grootere reis ondernemen, dan neemt hij zijn pagaai, plaatst zich met +de beenen onder het lichaam gekruist in zijn djoekong, en voort gaat +het. Het valt hem niet moeilijk om zoo zes-en-dertig uur achter elkaar +door te roeien, zonder meer tusschenpoozen dan den tijd, die noodig is +voor het bereiden en verorberen van het eten. + +De voor eene militaire expeditie benoodigde roeiers behooren òf tot de +hulptroepen, die onder hunne eigen hoofden de expeditie vergezellen, òf +het zijn andere inboorlingen, die tegen betaling tot dien dienst +verplicht worden. In beide gevallen zijn zij weinig te vertrouwen. Niet +zelden kwam het voor, dat bij een vijandelijken aanval de roeiers ’s +vijands zijde kozen en zich op de argelooze soldaten stortten. Andere +malen gebeurde het, dat zij bij het eerste schot overboord sprongen en +naar land zwommen om van daar uit, behoorlijk gedekt opgesteld, het +verder verloop der dingen gade te slaan. Welk eene heillooze verwarring +hierdoor werd gesticht, kan men zich voorstellen, wanneer men weet dat +de soldaten in het hanteeren der pagaaien onbedreven zijn. Doch niet +alleen met de trouweloosheid van hulptroepen en roeiers hebben de +militaire expeditiën te kampen. Ook de natuur en de listen des vijands, +die met groote scherpzinnigheid van de voordeelen, welke het terrein +hem biedt, weet gebruik te maken, stellen volharding en moed der +soldaten op eene zware proef. + +Talrijke stroomversnellingen en neergestorte rotsblokken maken de vaart +op de bovenrivieren reeds moeilijk. Op verschillende plaatsen worden +bovendien door den vijand nog versperringen van omgekapte boomen enz. +aangelegd. In het dichte woud aan den oever verscholen, wacht hij de +komst der troepen af. Nauwelijks is de colonne de versperring genaderd +en wil die omtrekken of opruimen, of eene hagelbui van kogels, pijlen +en werpschichten overstelpt de verraste soldaten. Van alle zijden +schieten uit kleine soengei’s de halfnaakte inlanders, onder luid +geschrei, in hunne lichte vaartuigen te voorschijn. Boomen, aan den +voet bijna geheel doorgekapt en slechts door een rotankabel staande +gehouden, worden losgemaakt en storten op de strijdende dapperen, die +met den moed der vertwijfeling hun leven verdedigen. Thans komt het er +op aan bij elkander te blijven, kalm te zijn en vooral snel en juist te +schieten. + +Dit laatste is voorwaar geen kleinigheid in die kleine smalle +djoekongs, die bij de minste onvoorzichtige beweging omslaan. + +Het gevecht heeft nog slechts kort geduurd, doch van de eerste +verrassing bekomen, hebben de soldaten zich weder geordend en brengen +op hunne beurt den vijand groote verliezen toe. Reeds zijn verscheidene +van zijne djoekongs zonder bemanning en drijven de rivier af, terwijl +de lijken der gesneuvelden eene prooi worden der talrijke kaaimans, die +zich in deze wateren ophouden. + +Nog een laatste wanhopige aanval, die zegevierend wordt afgeslagen, en +even snel als zij gekomen zijn, verlaten de aanvallers in overhaaste +vlucht het tooneel van den strijd. Die aanval heeft ons menig offer +gekost. + +De verliezen worden opgenomen, de gewonden verbonden, en zoo mogelijk +onder dekking teruggezonden. Daarna wordt de tocht naar het +operatie-object zoo spoedig mogelijk voortgezet om misschien bij eene +volgende kronkeling der rivier in eene zelfde hinderlaag te vallen. + +Laat nu nog iemand spreken van geregeld oorlogvoeren! + +In onrustige streken worden dikwijls ver vooruitgeschoven tijdelijke +militaire posten opgericht, met het tweeledig doel de omwonende +bevolking vertrouwen op ons gezag in te boezemen en als operatie-basis +te dienen voor mogelijke expeditiën. Zulke posten zijn al zeer +eenvoudig ingericht. Eene palissadeering uit ruwe boomstammen +bestaande, met twee cirkel-bastions, waarop een paar gladde ijzeren +kanonnen in batterij staan, omgeeft de gebouwen. Deze, die bestaan uit +de woningen voor den commandeerenden officier en de manschappen, +vivres- en munitiemagazijnen en meestal een klein hospitaal, worden van +bamboe opgetrokken en met atap gedekt. + +Welk een ongunstigen invloed het verblijf in zulk eene versterking, die +meestal is gebouwd op een vochtigen, met rottende plantaardige stoffen +overdekten bodem, moet uitoefenen op de gezondheid, zal een ieder, die +wel eens beschrijvingen van tropische landen gelezen heeft, gemakkelijk +begrijpen. + +Dysenterie, malaria en beri-beri dunnen aanhoudend de bezetting. + +In dit opzicht was Toejoen, het uitgangspunt van de hierna te vermelden +expeditie, berucht. + +Reeds vóór het oprichten van den post te Toejoen waren bij het bestuur +berichten ontvangen omtrent woelingen onder de bevolking aan de +Boven-Kahajan. + +Mohamad Seman wist eene door lieden van de benedenstreken ondernomen +plundering op rekening van het Nederlandsche gouvernement te schuiven, +en weldra had hij de geheele Boven-Kahajan in vollen opstand gebracht. +Thans moest snel gehandeld worden. Om te beletten dat de opstand ook op +den meer benedenstrooms wonenden stam der Oeloeh Baranarè zou +overslaan, werd te Tewah eene tijdelijke versterking opgericht in de +nabijheid der woning van het ons getrouwe hoofd Temanggoeng Mangkoe +Kenjapi en door 40 man hulptroepen onder het flinke districtshoofd van +Klein-Dajak, Radhen Johannes Karsa Negara, bezet. + +Een ander belangrijk punt, de kampong Toembang Koeroen, ongeveer vier +uren roeiens stroomafwaarts van Tewah aan de soengei van denzelfden +naam gelegen, werd bezet door eene bende hulptroepen onder het hoofd +van Groot-Dajak, Demang Anoem Djaja Karsa. Dit punt was daarom van veel +belang, omdat genoemde soengei den hoofdverbindingsweg vormde met de +Boven-Kapoens. + +Niettegenstaande al deze voorzorgsmaatregelen gelukte het eene kleine +vijandelijke bende, onder aanvoering van een paar mindere hoofden, in +een donkeren nacht onze versterking te Tewah voorbij te sluipen en den +meergenoemden stam der Oeloeh Baranarè in opstand te brengen. De +toestand van den controleur, die zich te Tewah bevond, dreigde nu zeer +hachelijk te worden. Beide bovengenoemde districtshoofden snelden +evenwel ter hulpe, verdreven de vijandelijke bende en herstelden de +rust. + +Thans werd de militaire post te Toejoen opgericht en bezet door 50 man +onder een luitenant. Ook de controleur vestigde zich nu te Toejoen. + +De vijand zat intusschen niet stil. + +Onze hulptroepen werden in de versterking te Tewah aanhoudend bestookt. + +Een inlander, Koesin, die door den controleur met eenige manschappen +naar de bovenstreken was gezonden om te trachten den stam der +Ot-Danoems te bewegen zich in hun eigen belang niet bij den opstand aan +te sluiten, werd even boven Tewah uit eene vijandelijke versterking +beschoten, tengevolge waarvan hij en een zijner volgelingen gewond +werden. Met een duren eed zwoer hij bloedige wraak te zullen nemen. Dat +hij dien eed gestand deed, zullen wij hieronder zien. + +Eenigen tijd ging nu voorbij, zonder dat er veel belangrijks voorviel, +totdat in het begin van 1887 de controleur plotseling te Toejoen onder +eenigszins geheimzinnige omstandigheden overleed. + +Mohamad Seman, die inmiddels aanzienlijke versterkingen bekomen had, +wist aan dit feit in de oogen der lichtgeloovige bevolking zulk eene +beteekenis te geven, dat hij zich weldra in staat zag gesteld om +aanvallend op te treden. + +Te Batoe Njewoek, vier uur roeiens boven Tewah, werd op zijn bevel eene +versterking gebouwd, waarbinnen hij zelf zijn verblijf vestigde, en van +waar hij zijne panglima’s uitzond om de Ot-Danoem tot den strijd op te +roepen. Die zending gelukte maar al te wel. In korten tijd was zijne +macht met pl. m. 500 strijdbare mannen van genoemden stam vermeerderd, +die deels vrijwillig, deels gedwongen, zich onder zijne vanen +schaarden. + +De toestand werd thans bedenkelijk. + +Door het opwerpen van eene versterking te Tamboeng Patangan, +benedenstrooms van Tewah, was laatstgenoemde plaats geheel ingesloten, +en de bezetting zag reeds het oogenblik naderen, dat zij, door honger +gedwongen, voor de muitelingen zou moeten zwichten. Zóóver zou het +evenwel niet komen, dank zij het energiek optreden van den pas met het +bestuur belasten controleur Aernout. Deze had reeds op zijne vorige +standplaats, Koeala-Kapoeas, de tijding van de meerdere werkzaamheid +des vijands vernomen. Met den meesten spoed verzamelde hij eene bende +hulptroepen en begaf zich aan het hoofd daarvan naar de Kahajan-rivier, +waar hij zich op het gouvernements-stoomschip Boni inscheepte en den +12den Maart Pahawan, de hoofdplaats van Midden-Kahajan, bereikte. + +Inmiddels was het een man der bezetting van Tewah gelukt een brief van +het districtshoofd, Radhen Johannes, naar Toejoen over te brengen. In +dit schrijven werd de toestand blootgelegd en hulp verzocht. + +In den voormiddag van den 13den Maart bereikte de controleur met de +hulptroepen Toejoen, met vreugde begroet door de bezetting, die nu het +vooruitzicht had op eenige afwisseling in den vervelenden +garnizoensdienst. + +Terwijl de controleur met den militairen commandant in overleg trad, +leverde het terrein buiten de versterking een schouwspel op van enkel +leven en bedrijvigheid. + +Bonte groepen van in veelkleurige kleeding gedoste krijgers legerden +zich om de hoog opvlammende vuren. Eene lucht van geroosterde visch en +andere spijzen, die straks dien hongerigen mannen tot maaltijd zouden +strekken, prikkelde de reukorganen. Hier zag men er eenigen bezig met +het nazien en schoonmaken van hunne tromplaadgeweren; daar scherpten +anderen klewang of kris voor den aanstaanden strijd. + +Het was een fantastisch tooneel. + +Als gevolg van de conferentie tusschen den militairen commandant en den +controleur ontving de Europeesche sergeant Loessl het bevel zich met +een detachement, sterk één Inl. sergeant, één Eur. en één Inl. +korporaal en zestien fuseliers, waaronder zes Europeanen, den volgenden +dag bij de hulptroepen aan te sluiten, ten einde bij den aanval op de +benedenstrooms Tewah gelegen vijandelijke versterking, hun tot +zedelijken steun te strekken en tevens voor de persoonlijke veiligheid +van den controleur te waken. + +Den 14den tegen den middag brak de colonne op. De soldaten, voor wie +het bijna ondoenlijk was zich in de kleine djoekongs in evenwicht te +houden, werden in breedere platboomde vaartuigen geplaatst. Tevens +werden uit voorzorg slechts aan de helft der roeiers geweren verstrekt, +om te voorkomen, dat bij een plotseling treffen met den vijand, een +ieder naar de wapenen zou grijpen en dientengevolge de colonne in +verwarring zou geraken. + +In de diepste stilte gleden de vaartuigen langs den stroom. Op eenigen +afstand snelden een paar lichte djoekongs vooruit, wier bemanning met +scherpen blik den oeverrand bespiedde, om te ontdekken of niet de +muitelingen ons door eene hinderlaag of versperring een poets zouden +trachten te spelen, doch geen spoor van vijanden werd, zoover het oog +reikte, bespeurd. Zoo vervolgde de colonne gedurende twee dagen haren +weg. In den namiddag van den 16den werd de reeds vroeger vermelde +kampong Toembang Koeroen bereikt. + +Hier sloot zich het districtshoofd van Groot-Dajak, Demang Anoem Djaja +Karsa, met zijne volgelingen bij de colonne aan. Men was nu in de +onmiddellijke nabijheid des vijands. De daken werden van de vaartuigen +genomen om geen hinder bij het vuren te ondervinden. + +Den 17den werd de tocht vervolgd. De zon zond hare brandende stralen +loodrecht op de donkere uniformen der soldaten; tallooze steekvliegen +en muskieten maakten het stilzitten bijna onmogelijk. Hartelijk +verheugd was dan ook ieder, toen in den namiddag de kampong Toembang +Padjangei bereikt werd, waar zich een kleine wachtpost bevond, onder +het kamponghoofd Doembang Pa Randan. Men was hier nog slechts twee uren +roeiens verwijderd van het doel van den tocht, de vijandelijke +versterking te Toembang Patangan. + +Om te voorkomen dat de colonne in de duisternis het gevecht zou moeten +aannemen, waarbij de hulptroepen moeilijk van den vijand te +onderscheiden zouden zijn, werd besloten hier te overnachten. + +Met den commandant van het militair detachement werden de maatregelen +besproken voor den aanval van den volgenden dag. Uit verschillende +berichten was den controleur gebleken, dat het zoo goed als ondoenlijk +was, de vijandelijke benting van de rivierzijde aan te vallen. De +waterstand was laag en de oever steil, terwijl de vijand, die +natuurlijk van die zijde den aanval verwachtte, zich daar geducht +versterkt had. Het zou onder die omstandigheden waarschijnlijk +onmogelijk blijken om de hulptroepen vooruit te krijgen. Men moest dus +trachten over land in den rug der versterking te komen, doch omtrent +een voetpad daarheen was den controleur niets bekend. Gelukkig wist +bovengenoemde Doembang Pa Randan hieromtrent eenige inlichtingen te +geven. Voor eenige dagen had hij getracht levensmiddelen aan de +belegerden in Tewah te doen toekomen, doch was bij die poging +benedenstrooms van de vijandelijke versterking hevig beschoten +geworden, zoodat hij met eenige gewonden moest terugkeeren. Daar in den +omtrek van de plaats van den aanval geen prauwen te zien waren, leidde +de controleur hieruit af, dat de vijandelijke afdeeling, die +waarschijnlijk uit de benting beneden Tewah afkomstig was, over land +daarheen gekomen moest zijn. Hij besloot dus bij den opmarsch van den +landweg gebruik te maken. Het bleek later dat hij volkomen juist had +gezien. + +Bovendien was het hem bekend, dat de inlandsche vijand, uit vrees voor +overklimming, de palissaden veel te hoog maakt, zoodat het bij een +aanval zaak is, zoo spoedig mogelijk den voet der palissadeering te +bereiken, waar men voor zijn geweervuur betrekkelijk veilig is. + +Er werd dan besloten dat, zoodra de soldaten in den rug der versterking +zouden gekomen zijn, een paar salvo’s gegeven en onmiddellijk daarna +tot de bestorming zou worden overgegaan. + +Ook het te Tewah bevelvoerende districtshoofd wilde de controleur met +zijn plannen in kennis stellen. Hij schreef een brief, waarin hij hem +tevens gelastte om, zoodra hij bemerkte dat de colonne voor de +vijandelijke versterking was aangekomen, met een gedeelte zijner +troepen een uitval te doen. + +Het overbrengen van dit schrijven werd opgedragen aan eenige +manschappen der hulptroepen. Na een paar uren kwamen deze evenwel +onverrichterzake terug. + +Zij hadden op hunnen tocht een zestal sterk bemande vijandelijke +rangkans (platboomde vaartuigen) ontmoet en waren daarvoor +teruggedeinsd. Thans werden vrijwilligers opgeroepen om tegen groote +geldelijke belooning den brief over te brengen. Weldra boden er zich +drie aan, waaronder de hierna te noemen Toenda en Bakal. + +Het gelukte hun overland Tewah te bereiken, hoewel zij eenmaal door een +vijandelijken post waren aangeroepen. + +Den terugweg legden zij te water af. Nabij de vijandelijke versterking +legden zij zich plat op den bodem van het vaartuig. Op het aanroepen +van den vijand werd natuurlijk geen antwoord gegeven, en deze verkeerde +waarschijnlijk in de meening, dat het vaartuig een losgeraakte djoekong +was, die stroomafwaarts dreef. Zoodra was niet het gevaar gepasseerd, +of met alle kracht werd doorgeroeid, en des morgens om halfvijf konden +zij den controleur den goeden uitslag van hunne zending mededeelen. + +De troepen hadden dezen nacht veel te doorstaan. In de smalle prauwen +gezeten, nu en dan doorweekt door eene tropische regenbui, wachtten zij +reikhalzend het aanbreken van den morgen af. Nu en dan vertoonde de +maan haar bleek aangezicht voor korten tijd, om zich het volgend +oogenblik weder achter zware wolken te verschuilen en het omliggend +woud in duisternis te hullen. + +De diepe nachtelijke stilte werd slechts afgebroken door het kletteren +van den regen, het kraken van een neerstortenden tak of het gekras van +een nachtvogel. Zwermen muskieten maakten den doodmoeden mannen zelfs +het stilzitten bijna onmogelijk. Er scheen aan dien nacht geen einde te +zullen komen. Eindelijk, eindelijk verkondigde eene lichtstreep in het +oosten, dat het lijden ten einde spoedde. + +Een oogenblik begaven zich de manschappen aan wal om aan de verstijfde +ledematen eenige beweging te gunnen. Om 7 uur ging alles weder aan +boord en werd de tocht voortgezet. Tot voorhoede was aangewezen eene +afdeeling hulptroepen sterk 60 man in zes prauwen onder bevel van het +districtshoofd Demang Anoem Djaja Karsa. Deze moest de oevers +nauwkeurig onderzoeken en bij een vijandelijken aanval positie nemen en +de hoofdwacht afwachten. + +Langzaam trok de colonne voort. + +Gesproken werd er niet meer; alle bevelen werden door teekens gegeven. +Elk oogenblik kon men op den vijand stuiten. + +Ook de roeiers waren zich het gevaar bewust. Loodrecht dompelden zij +hun pagaaien in den vloed, vooral zorgende met hun riemen de vaartuigen +niet aan te raken, opdat geen geluid den vijand het naderen der onzen +verraden mocht + +Men zag hunne armspieren zwellen onder de buitengewone +krachtsinspanning, die deze wijze van roeien vorderde. + +Te midden van eene drukkende stilte als die welke een onweder +voorafgaat, gleed de flottille langs den stroom. + +Daar werd door de voorhoede een teeken gegeven. + +Zij had de plaats bereikt waar Doembang Pa Randan beschoten was. Eenige +manschappen gingen aan land en doorzochten, zich als slangen door het +woud bewegende, het omliggend terrein. Weldra gaven zij door teekens te +kennen, dat van den vijand niets te bespeuren was. + +Met een zucht van verlichting sprongen de soldaten aan land. + +„Als de tocht nog een paar dagen langer geduurd had, was ik een visch +geworden,” meende er een. + +„Kijk mijn klavieren [26] eens aan!” zei een ander, terwijl hij beide +handen uitstrekte, welke er uitgeweekt en gerimpeld uitzagen als die +eener waschvrouw. „Dat komt er niet op aan,” voegde de korporaal hem +toe, „ze zullen toch nog wel deugen om er op te slaan?” + +„Als onze bruine broeders er bij het eerste schot maar niet van door +gaan.” zei degene, die ’t eerst gesproken had, op de hulptroepen +wijzende, „doch ik laat liever deng-deng [27] van mij maken dan dat ik +die kerels naloop,” voegde hij er bij. + +„Wij ook!” riepen de anderen. + +De komst van den controleur maakte aan het gesprek een einde. + +Alle manschappen waren intusschen ontscheept. Eene sterke afdeeling +hulptroepen werd aangewezen om de vaartuigen te bewaken. Vijftien man +werden bestemd tot verdediging van de ambulance. Slechts ongeveer 100 +man van de hulpbenden bleken moed genoeg te bezitten om den aanval mede +te maken. + +De soldaten waren voorzien van 50 patronen per man, terwijl nog een +reserve van 500 stuks in een vaatje zich bij de ambulance bevond. + +De hulptroepen hadden per man 20 patronen en 30 slaghoedjes. + +In alle stilte werd de marsch aanvaard. Vooruit marcheerde het +districtshoofd van Groot-Dajak met 25 inboorlingen. Daarop volgde de +spits van het militair detachement onder den korporaal Mattis. De +hoofdtroep werd gevormd door de overige soldaten onder den sergeant +Loessl en de bevolkingstroepen. Hierbij bevond zich ook de controleur. + +Het voetpad, dat men volgde, bleek in den laatsten tijd veel gebruikt +te zijn. Het leidde door een verlaten rijstveld, te midden waarvan zich +een huisje bevond. Snel werd dit doorzocht doch er vertoonde zich geen +levende ziel. Eenige oogenblikken later kwam een andere woning in het +gezicht, die verder afgelegen was en waarin het scherpe oog van het +districtshoofd beweging meende te bespeuren. Doch de controleur +gelastte door te marcheeren, men mocht zich niet laten ophouden. Later +bleek dat bedoelde woning een wachtpost van den vijand had gehuisvest. + +Reeds spoedig viel aan de houding van de voorhoede op te merken dat men +de vijandelijke versterking naderde. Als slangen kropen de mannen over +den grond. Eerst moest evenwel nog eene kleine, doch tamelijk diepe +soengei worden overgetrokken. Een enkele bamboe diende tot brug. + +De voorhoede was spoedig aan de overzijde, doch toen de korporaal +Mattis ook den overtocht wilde beproeven, brak plotseling de bamboe, en +met den uitroep: „daar heb je nou het gedonder al!” stortte hij in het +riviertje. + +Poedelnat bereikte hij de overzijde, waar hij spoedig op het droge werd +geholpen. Een geluk was het nog, dat zijn geladen geweer bij den val +niet afging, anders zou de vijand ontijdig van onze komst verwittigd +zijn geworden. + +In de grootste orde werd nu door de volgende troepen de rivier +doorwaad, waarbij het water hun soms tot aan de kin reikte. Na nog een +vijftig schreden te zijn doorgemarcheerd, ontdekte de voorhoede op pl. +m. 50 M. afstand de vijandelijke benting. + +De gele, driehoekige sultansvlag, met twee roode gekruiste zwaarden in +het midden, wapperde uitdagend van den hoogen vlaggemast. + +Het militaire detachement marcheerde nu rechts op. De controleur bleef +met de hulpbenden het voetpad volgen. Toen hij deze aan den boschrand +had opgesteld en zich even buiten het struikgewas vertoonde, werd hij +door den vijand met geweerschoten begroet. + +Een hevig geweervuur ontwikkelde zich nu. Boven het knetteren der +geweren klonk het tartend geschreeuw des vijands: madjoe andjing +blanda, madjoe kafir! [28] + +Spoedig bekwamen wij eenige gewonden. De politiedienaar Thaib, die +naast den controleur stond, werd door een schot in den elleboog +getroffen, terwijl een man van de hulptroepen eveneens een kogel door +den arm kreeg. + +Inmiddels was ook het militair detachement opgesteld, en na eenige goed +gerichte salvo’s klonken reeds spoedig de commando’s: „avanceeren, +attaqueeren!” Door eenige inlanders gevolgd stormden de soldaten als +duivels op de versterking los. Zij stuitten echter op een 2.5 M. hooge +en van borstrandjoes voorziene bamboeversperring, waarin evenwel eene +kleine opening voor den terugtocht was gelaten. + +Hiervan maakte de Eur. fuselier Lebrun gebruik om tot de palissaden +door te dringen en door een der schietgaten een levendig vuur op de +binnen de versterking opgehoopte vijanden te openen. Het gevecht nam in +hevigheid toe. Het gekerm der gewonden vermengde zich met de +scheldwoorden, die de vijand onzen soldaten naar het hoofd slingerde. +Doch deze lieten zich daardoor niet in de war brengen; ze kenden hun +luidjes. Telkens wanneer zoo’n zwarte kop zich boven de palissaden +vertoonde, klonk een doffe kolfslag of kraakte een schot, en de +boeventronie verdween om niet weer te voorschijn te komen. + +Sergeant Loessl weerde zich dapper. + +Behalve eenige andere muitelingen, had hij ook een der hoofdaanvoerders +Naia, door een welgericht schot, van het banket doen tuimelen. + +Het vuurgevecht begon blijkbaar den inlander Toenda te vervelen. +Vastberaden trok hij zijn mandau en begon daarmede de bamboeversperring +om te kappen. + +Een op hem gericht schot trof den Eur. fuselier Hess door de beide +handen. Met een smartkreet liet deze zijn geweer vallen. + +„Piet,” riep hij den achter hem staanden fuselier Bezem toe, „mijn +beide vlerken zijn naar de bl....” + +„Klets niet,” antwoordde deze, „ik kan mijn duim niet meer vinden.” +Dezelfde kogel had hem den duim weggenomen. + +„Hier hebt ge een zakdoek, blijf maar rustig liggen,” voer hij voort, +„eerst moet ik het dien smeerlap betaald zetten.” Met deze woorden +legde hij op den panglima Tjagat, die het schot gelost had, aan en +doorboorde hem de hersens. + +„Adoe!” klonk het van de lippen eens inlandschen fuseliers in de +nabijheid. De arme kerel had de volle lading van een donderbus door den +arm gekregen. Zooals later bleek waren zelfs enkele kogels tot in de +lever doorgedrongen. „Wacht maar, arme bliksem, ze zullen er van langs +hebben!” troostten hem de Europeesche kameraden. + +Onder de vijanden weerde een hoofd, zekere Bahoeta, zich het meest. +Hoewel reeds in de zijde gewond, bleef hij de zijnen aanvuren en zelf, +met een donderbus gewapend, den strijd hardnekkig voortzetten. + +„Piet,” zei Hess, terwijl hij bezig was met de eene punt van zijn +zakdoek in den mond zijn gewonde handen te verbinden, „kun je dien vent +niet neerleggen? Ik geef een rondje als we terug zijn.” + +„Je bent het kwijt!” riep kort daarop de aangesprokene, nadat hij den +opstandeling een kogel door het hart had gejaagd. + +Waar het ’t heetst toeging was de controleur te vinden. „Madjoe!” +(vooruit) hoorde men hem aanhoudend de hulpbenden toeroepen. Juist had +hij zich naar de andere zijde der versterking begeven om de daar +geposteerde inlanders aan te vuren, toen een achttal vijanden over de +palissaden sprongen met het doel te ontvluchten. + +Hunne poging mislukte. Zij vielen onder de klewangs en krissen der +inboorlingen. + +Een windvlaag vaagde een oogenblik den kruitdamp weg. Daar zag de +controleur de bezetting van Tewah, ingevolge zijn last, ter hulpe +snellen. In den looppas naderden zij, juichend in het vooruitzicht +wraak te kunnen nemen op de vijanden, die hun zoo lang hadden doen +honger lijden. Als de bliksem schoot den controleur de gedachte door +het hoofd, dat deze mannen wellicht door onze soldaten voor vijanden +zouden worden aangezien. Zich om den kogelregen niet bekommerende, +ijlde hij hen te gemoet en wist hen door teekens tot staan te brengen. +Bijna in hetzelfde oogenblik trof van eene andere zijde het geroep zijn +oor: „soldadoe koerang patroon!” (de soldaten hebben gebrek aan +patronen). + +Zoo spoedig hij kon, snelde hij nu naar de ambulance, waar zich de +reserve-patronen bevonden. Niemand der inlanders wilde echter den +gevaarlijken tocht ondernemen. + +Kort besloten nam hij toen zelf het vaatje op den nek en torste het +naar de versterking. Gelukkig bleek het dat bij de soldaten nog +patronen genoeg waren. + +Het vuurgevecht had thans ongeveer een half uur geduurd. De kracht der +verdediging begon aanmerkelijk te verflauwen. Er scheen verdeeldheid +onder de muitelingen te heerschen. + +Uit de benting klonk een verward geschreeuw, waarboven men de +uitdrukkingen: „balakoe ampoen!” (wij vragen vergiffenis) en: „mamoek +itah!” (laat ons amok maken) duidelijk kon onderscheiden. + +Van deze stemming maakte de controleur gebruik om de bezetting tot +overgave te bewegen. Hij gelastte het kampong-hoofd Djaga Saki, wiens +schoonvader een der aanvoerders van de muitelingen was, dezen toe te +roepen om zich over te geven. Het duurde niet lang of bedoelde +schoonpapa sprong over de palissadeering, legde zijn wapenen af en gaf +zich gevangen. Spoedig volgden er meer. Een Dajak, die reeds zijn +geweer had afgegeven, trok onverwacht zijn mandau en wilde amok maken. +In het volgend oogenblik lag hij evenwel rochelend op den grond, door +den fuselier Bezem met een steek in de borst en een schot door het hart +doodelijk getroffen. + +Een klein gedeelte der bezetting bleef op aansporing der hoofden den +strijd nog voortzetten. Daar weerklonken aan de andere zijde der +versterking klewangslagen. Het was de reeds genoemde Koesin, die met +een gedeelte der bezetting van Tewah bezig was de deur der versterking +te vernielen. Van alle zijden werd nu opgedrongen. De soldaten +beklommen, dapper voorgegaan door hun aanvoerder, sergeant Loessl, de +palissaden en kwamen, tegelijk met de hulptroepen onder Koesin, binnen. +Een kort, doch bloedig gevecht volgde nu. Bajonet, klewang en mandau +kruisten elkander en het wapengekletter vermengde zich met het gehuil +van den vijand. Weldra lag een gedeelte der muitelingen in hun bloed +badende op den grond; de overigen smeekten om genade. + +Het restantje verdedigers, meestal hoofden, waaronder negen gewonden, +werd man voor man gevangen genomen. Toen volgde een treffend tooneel. + +Bliksemsnel werd de hatelijke sultansvlag naar beneden gerukt en in +hare plaats ontplooide zich statig de Nederlandsche driekleur boven de +zoo hardnekkig verdedigde benteng. + +Als op commando vlogen de helmen van de hoofden der soldaten. + +Een oogenblik heerschte er eerbiedige stilte. Toen barstte het gejubel +los. + +„Hoera!” brulden de soldaten. + +„Halap, halap!” krijschten de Dajaksche hulptroepen. + +Er scheen aan ’t gejuich geen einde te zullen komen. + +De verliezen van den vijand waren groot. Veertien dooden bleven in de +versterking liggen, terwijl drieënveertig man, waaronder vele +panglima’s, waren gevangen genomen. + +Thans werd overgegaan tot het vernielen van de benteng. De palissaden +werden omvergehaald en weldra verkondigde eene zware rookkolom en +daarna eene hooge vlam, ver in den omtrek aan de bevolking, hoe het was +afgeloopen met hen, die zich tegen het Nederlandsch gezag hadden +verzet. + +Met verbeten woede zagen de gevangenen dit tooneel aan. Met op den rug +gebonden handen staarden de hoofden met verwezen blikken in de lustig +opflikkerende vlammen. + +De toekomst was voor hen treurig genoeg! + +Mocht het hun gelukken den strop te ontloopen, dan toch zouden zij hun +verder leven, verre van het vaderland, als dwangarbeider moeten +doorbrengen. + +En, o, schande! wanneer een hunner zonen zijne moeder zou vragen: „Wijs +mij het graf mijns vaders, opdat ik vandaar mijn gebeden tot Allah +opzende!” wat zou zij moeten antwoorden? + +Weenend zou zij vol schaamte het hoofd verbergen en antwoorden: „Uw +vader, die eens hier gezien was onder de hoofden des lands, is, verre +van zijn vaderland, in dienstbaarheid van heimwee gestorven, omdat hij +zich verzet had tegen den grooten vorst, die aan gene zijde van de zee +regeert.” + +Schijnbaar onverschillig lieten de gevangenen zich aan elkander binden, +en onder behoorlijk geleide werden zij met de gewonden naar Toejoen +gebracht, waar zij nog denzelfden dag aankwamen. + +Den volgenden morgen werd door den controleur eene bevolkingspatrouille +onder Temanggoeng Mankoe Kenjapi uitgezonden naar de bovenstrooms Tewah +gelegen vijandelijke benteng. Die versterking werd verlaten bevonden en +in de asch gelegd. De pretendent-sultan had met zijn gansche gevolg de +vlucht genomen, te laf om, evenals zijn verblinde volgelingen, zijn +vermeende rechten met de wapenen te verdedigen. + +Rusteloos zwerft hij thans weder in de wildernis rond, totdat hij +eindelijk in de handen van onze troepen valt of getroffen wordt door +het staal van een zijner misleide slachtoffers. + +Toen de colonne eindelijk te Toejoen terugkeerde, heerschte daar eene +recht feestelijke stemming. De militaire commandant liet onmiddellijk +„extra oorlam” blazen, (wees niet bang, vaderlander, voor eene +verhooging der koloniale begrooting: de luitenant betaalde het uit zijn +eigen zak). + +In opgeruimde stemming verhaalden de soldaten aan de noode +achtergebleven kameraden hunne wedervaringen. + +De aan beide handen verwonde fuselier Hess was reeds eenige dagen te +voren in de ziekenzaal opgenomen. + +Bezem ging hem daar opzoeken. „Kerel, ik krijg nog een borrel van je, +weet je wel, we moeten dien pangelman (panglima) nog dood drinken.” + +„Het spijt mij duivelsch,” antwoordde Hess, „maar het zit er niet aan; +mijn laatste kwartje heb ik gebruikt voor een brief aan de oude vrouw. +Het goede mensch zou anders misschien denken dat ik dood was.” + +„Nu, dan zal ik trakteeren,” zei Bezem. + +„Jongen, als de dokter het ruikt, ga ik de blokzaal [29] in”, merkte +Hess schertsend op. + +„Ben je mal, het is vandaag feest, ga maar mee!” en Hess liet zich +meetroonen. + +Een glaasje werd op beider gezondheid gedronken en de gewonde sloop +naar de ziekenzaal terug. + +De regeering heeft de daden van den dapperen controleur en de +onversaagde troepen beloond. + +Aernout en Loessl werden tot ridder 4e klasse der Militaire Willemsorde +benoemd. De Europeesche fuseliers Lebrun en Bezem en de inlandsche +fuselier Longko werden eervol vermeld, terwijl aan de districtshoofden +van Groot- en Klein-Dajak, Radhen Johannes Karsa Negara en Demang Anoem +Djaja Karsa de zilveren en aan de inlanders Koesin, Toen en Djaga Saki +de bronzen medaille voor moed en trouw werd toegekend. + +Doch ook gij, Nederlanders, moogt dezen mannen, die elk uur van den dag +hun leven voor uwe belangen veil hebben, dankbaarheid toonen. Wanneer +zoo’n oud soldaat met dien „blikslagerswinkel op zijn d.....” [30] bij +u komt, laat u dan niet door zijn schuchter optreden afschrikken. +Zichzelf op den voorgrond plaatsen, heeft hij in zijn langen diensttijd +verleerd. + +Vraag hem eens af, of hij gedurende zijn vele en langdurige +krijgstochten veel heeft moeten uitstaan en hij zal u glimlachend +antwoorden: „Mijnheer, wat zal ik u zeggen? We hebben wel eens honger +moeten lijden en lang moeten sjouwen voor we de kerels te pakken +kregen; maar dan hebben ze er duchtig van langs gehad.” + +In die weinige woorden ligt een geheele lijdensgeschiedenis opgesloten. +Doch deze man heeft niet de phantasie van een Stanley, wiens +reisbeschrijving thans door iederen Nederlander verslonden wordt. + +Een profeet is niet geëerd in zijn vaderland, vooral niet wanneer dat +vaderland Nederland heet. + +Zie de uitgeteerde en vermagerde gezichten van onze Indische officieren +en soldaten eens aan, als zij in het vaderland herstel komen zoeken +voor hun ondermijnde gezondheid, om, wanneer ze weer eenigszins daartoe +in staat zijn, den strijd opnieuw voor u, Nederlanders, te gaan +aanvaarden. Vraag hun eens af of ze niet dagen lang met sabel of geweer +in de eene en het kapmes in de andere hand, in de Indische wildernissen +hebben moeten doordringen, evenals Stanley voor wien iedere gevelde +boom een eerezuil geworden is! + +Vraag hun af of ze niet uit zuiver plichtgevoel dagen lang honger en +dorst gestild hebben met een handvol droge rijst en een slok stinkend +sawah-water! + +Daarbij waren ze niet, evenals Stanley, omringd door laffe +natuurkinderen, die bij het afgaan van een geweer de vlucht namen. + +Neen, dappere krijgers, die zich met de grootste doodsverachting in den +strijd stortten, waren dagelijks hun tegenstanders! + +Hun leven hing bijna altijd aan de punt van sabel of bajonet. Wanneer +dan zulk een oud-Indisch soldaat tot u komt en u om eene voor hem +geschikte betrekking vraagt, die gij te vergeven hebt, laat dan die zoo +dikwijls belachelijk gemaakte „blikslagerswinkel” eene betere +aanbeveling zijn dan niets zeggende recommandatiebrieven. Dan zal er +eenmaal een tijd geboren worden dat elk gewezen Indisch militair met +trots zal kunnen zeggen: + +„Ik ben koloniaal geweest.” + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Bijnaam voor sergeant-majoor, wegens de dubbele gouden chevrons, +die zijne uniform versieren. + +[2] Gebakken pisang. + +[3] Masseeren. + +[4] Stroosigaren. + +[5] Muskieten-gordijn. + +[6] Komt. + +[7] Hagedis. + +[8] Help, help! + +[9] Rijksdaalders en guldens. + +[10] Waarachtig lekker! + +[11] Dansmeid. + +[12] O, wat ben ik ziek! + +[13] Help, help, wat doet mijn lichaam mij pijn! + +[14] Wel verbazend! + +[15] Artsenij. + +[16] Vrouw. + +[17] Markt. + +[18] Gaarkeukentjes. + +[19] Smakelijk eten. + +[20] Inlandsche hond. + +[21] Fakkels. + +[22] Droegen. + +[23] Draagstokken. + +[24] Dicht struikgewas. + +[25] Kleine kanonnen. + +[26] Handen. + +[27] Aan reepen gesneden en gedroogd vleesch. + +[28] Vooruit Hollandsche honden, vooruit ongeloovigen! + +[29] In groote hospitalen een afzonderlijke zaal, waarin lichte zieken, +die zich aan de tucht vergrepen hebben, verpleegd worden. + +[30] Lievelings-uitdrukking van fatten, die nooit grooter gevaar onder +de oogen hebben gezien dan het op- en afspringen van een tram, voor de +eereteekenen, waarmede in den regel een Indisch militair is versierd. + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GE-EFT ACHT! *** |
