summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 09:45:59 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 09:45:59 -0800
commitff6e8465861acde7f3b0fc4621556ceddde3ab6a (patch)
tree877895028533a2c789f0573189b5ff46a7b03d96
parent0d72001f460c51bae8127b6959143770f3488d6f (diff)
NormalizeHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/66947-0.txt4011
-rw-r--r--old/66947-0.zipbin78133 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66947-h.zipbin128340 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66947-h/66947-h.htm4451
-rw-r--r--old/66947-h/images/new-cover.jpgbin40849 -> 0 bytes
8 files changed, 17 insertions, 8462 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..ed05055
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #66947 (https://www.gutenberg.org/ebooks/66947)
diff --git a/old/66947-0.txt b/old/66947-0.txt
deleted file mode 100644
index 0a80bc7..0000000
--- a/old/66947-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,4011 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Een Droom, by Henri Borel
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Een Droom
-
-Author: Henri Borel
-
-Release Date: December 15, 2021 [eBook #66947]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for project Gutenberg (prepared
- from scans made available by the Koninklijke Bibliotheek, The
- Hague)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN DROOM ***
-
-
-
- HENRI BOREL
-
- EEN DROOM
-
- DERDE DRUK
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD
-
-(BIJ DEN TWEEDEN DRUK)
-
-
-Sedert de verschijning van dit boek, eerst in de „Gids” en toen in
-boekvorm, in 1899, is in Tosari veel veranderd, vooral wat de
-inrichting der hôtels aldaar en in den omtrek aangaat.
-
-De natuur is er echter, gelukkig, onveranderd, en daar de
-natuurbeschrijving in dit boek hoofdzaak is, meende ik, waar het geheel
-en al uitverkocht was, een tweeden druk niet overbodig.
-
- H. B.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INLEIDING
-
-
-Het Dagboek van Rudolf de Wall ligt voor mij op mijn schrijftafel,
-naast zijn eenigen bundel verzen, de „Winter-Bloemen,” die verleden
-jaar zulk een opgang maakten.
-
-Het verwondert mij dat hij mij dit stuk van zijn intiemste leven heeft
-gestuurd vóór hij stierf, maar tegelijk ben ik er trotsch op. Want
-Rudolf was geen prettig, hartelijk mensch in den omgang. Sedert den
-dood van zijne jonge vrouw werd hij vrijwel ongenaakbaar. Het was maar
-heel zelden, dat ik hem bij mij kreeg en wij samen vertrouwelijk
-praatten, zooals vroeger in Holland, toen wij jong waren. De misère van
-het indische leven, in de materialistische maatschappij, maakte het nog
-erger, en ik zag Rudolf, als zoovele superieure geesten in Indië,
-langzaam, langzaam achteruitgaan en er onder geraken. Verzen schreef
-hij niet meer, en in muziek had hij óók geen lust; ik geloof dat hij
-het grootste deel van den dag versliep. ’s Nachts was er nog heel laat
-licht bij hem op, en dan zat hij verdiept in boeddhistische filosofie
-of in Schopenhauer, dien hij bijna van buiten kende.
-
-Het verwonderde mij, dat hij de weinige plichten van zijn
-ambtenaars-betrekking, die gelukkig vrij wel een sinecure was, nog
-geregeld volvoerde. Hij werd onaangenaam in den omgang, praatte weinig
-meer over literatuur en kunst, en zocht door ruwheid en gemaakt,
-indisch cynisme zijn groot verdriet en de wanhoop van zijn hart voor
-mij te verbergen. Hij begon er al slechter en slechter uit te zien,
-verwaarloosde zijn toilet, en gaf in alles den indruk van langzamerhand
-af te takelen en te abrutisseeren, zooals dat zooveel in Indië
-voorkomt.
-
-Gelukkig dat zijn zuster Mary altijd nog bij hem kon blijven, en hem
-als een kind verzorgen, anders was het zeker nog véél erger met hem
-geloopen. Zij leek wel eerder zijn moeder dan zijn zuster, en hield van
-hem met zoo’n innige aanbidding, dat zij nooit van een anderen man
-heeft kunnen houden, en ook nooit de gedachte in haar was opgekomen om
-nog eens te trouwen, zoolang Rudolf alleen bleef.
-
-In September, hoorde ik, was hij zwaar ziek geworden van malaria. De
-dokter raadde hem aan, naar „boven” te gaan, naar Tosari, waar hij
-stellig beter zou worden. Maar hij wilde er niet van hooren. Met de
-eigenzinnigheid van een koppig kind weigerde hij te gaan. Ik begreep
-wel wat er in hem omging. Het was al zóóver met hem gekomen, dat hij er
-weinig meer aan hechtte of hij leven bleef of niet. Hij vond het
-eenvoudig niet meer de moeite waard om beter te worden, en de misère
-van het indische leven weêr van voren af aan te beginnen. Hij wist ook
-heel goed dat hij de kracht miste, zich boven die misère te verheffen,
-om in de indische maatschappij, die hem zoo drukte, ook het vele mooie
-te gaan zien en, zich schikkend naar de omstandigheden, van dat mooie
-te gaan genieten.
-
-Mary, die hem niet kon overreden, schreef mij een wanhopig briefje, om
-haar toch te komen helpen, want Rudolf ging met den dag achteruit, en
-de dokter had verklaard, dat alleen de heerlijke berglucht van Tosari
-hem nog zou kunnen redden.
-
-Het kostte veel moeite, maar eindelijk kreeg ik hem, als vroeger, heel
-lang geleden in Holland, onder mijn invloed, en vond hij het goed dat
-wij hem naar „boven” transporteerden.
-
-Ik kende Tosari al sinds jaren, dat paradijs van Indië. dat mij de Oost
-altijd lief en dierbaar zal doen blijven, alléén om de herinnering aan
-die reine koele lucht daar boven, die grandioze berggevaarten en die
-apothéosen van wolkenpracht. Ik wist dat het zien van die wondere,
-grootsche natuur daar hem nog veel meer goed zou doen dan enkel de
-zuivere, versterkende lucht, en ik hoopte dat niet alleen zijn lichaam,
-maar ook vooral zijn ziel daar zou genezen en herleven.
-
-Je leeft daar eigenlijk in hoogere, reinere sferen, en wat de aarde
-beneden voor je is zijn dáár de wolken. Het is een voortdurend leven in
-de wolken eigenlijk, en veelal nog hoog daarboven. Hoe dikwijls,
-staande op het terras vóór het Hôtel, met een egaal blauwe lucht boven
-je, zie je beneden, vèr, vèr beneden, boven de vlakte, de statige
-wolkenstoeten drijven, en sta je uren aan uren te staren naar die
-glanzende vluchten van blanke luchtedroomen! En hoe vreemd, hoe héél
-anders dan ooit beneden, voel je je, als van omlaag de nevelen óp komen
-rijzen, en je ziet ze vooruitschuiven in de ravijnen, en wijd-uit
-drijven, en rijzen en weêr rijzen, tot alles één blanke, witte wade
-wordt, en eindelijk zie je niets meer dan wolken, wolken, wolken, zóó
-dat ze door de ramen van ’t Hôtel trekken, en je ziet ze stuivend en
-dampend door de kamers gaan. Toch, vreemd, die nevelen zijn niet
-vochtig, maar volkomen droog, en je voelt het heerlijk wèl en krachtig
-in je lichaam worden als je er zoo ganschelijk midden in zit, en je
-ademt gretig den drogen wolkendamp.
-
-Ik wist, als iets onzen Rudolf nog genezen kon, dan moest het Tosari
-zijn, het laatste en éénige redmiddel voor kwijnende malarialijders en
-ernstige hypochonders. De krachtige, innige impuls, dien de reine, ijle
-lucht door je lichaam, en de grootsche, statige natuur er door je ziel
-doet gaan is zelfs voor de zwaarst zieken meestal onweêrstaanbaar.
-
-Het was een zware, vermoeiende tocht met den zieke, eerst per trein tot
-Pasoeroean, dáár overnachten in het ongezonde, muffe logement, vol
-malaria-kiemen, waar de zieken nog erger worden, toen naar Poespo, waar
-het kleine, luchtige hôtel gelukkig allerzindelijkst en uitstekend is,
-en toen in een zieken-tandoe naar boven, naar Tosari.
-
-Rudolf had onderweg weinig gesproken, en alles maar lijdzaam met zich
-laten doen. Maar,—ik had het wel gedacht,—op den tocht van Poespo naar
-Tosari, langs den prachtigen weg de bergen op, met àl koeler en koeler
-wordende winden, overal wuivend, schitterend groen, en dichte wouden in
-de ravijnen, begon hij zich op te richten in de tandoe, en er kwam een
-glans in zijn oogen.
-
-Bij wijlen, in bochten van den kronkelenden weg, zag je, heel ver, in
-’t Westen, diep, diep beneden, de vlakte met de zee, en, zachtblauw, de
-nobele vormen van den Ardjoenå en den Penanggoenan, rijzende aan den
-horizon. Dan zag ik een glans over zijn gezicht gaan, en hij zei met
-iets van de oude geestdrift van in Holland: „Da’s mooi, Henri, da’s
-mooi, hè? Kijk die bergen eens!”
-
-Hij was altijd in extaze als hij bergen zag, die hij nog mooier vond
-dan de zee.
-
-Dan antwoordde ik: „Het wordt nog véél mooier, Ru, wacht maar eens, tot
-je boven bent, dan zal je eens zien!”
-
-En hij zweeg, maar keek met stille, aandachtige oogen in het rond, waar
-de wuivende bamboe in wilde pracht omhoog schoot, de fijne, spitse
-blaadjes teeder tegen de lucht, en waar, diep in ’t ravijn, onder de
-fantastische warreling van boomen en struiken, ongezien, de watervallen
-ruischten.
-
-Een tijd lang sprak hij weer niets. En toen ineens: „Dit zullen mijn
-beste vrienden worden, geloof ik.”
-
-Hij zei dit met een zachte stem, lief als de stem die mij ééns
-tegenklonk uit zijn verzen. En hij wees op de ranke, fijne tjemårås op
-zij van den weg.
-
-Dit is dan ook wel de mooiste en de meest karakteristieke boom van den
-Tĕnggĕr. [1] Er zijn zoo heel veel soorten en variaties, maar de
-mooiste zijn toch wel de kleine denneboomen van Tosari, die in rijen
-aan weêrszijden van de groote wegen zijn geplant, en tegen de hellingen
-der ravijnen, waar de groentevelden zijn. Zoo teêr en aandoenlijk staan
-hun fijne takjes uitgespreid in de lucht, en ze kunnen zich zoo héél
-deemoedig en in grooten vrede staan te geven, hoog op een verren
-bergrand, tegen een donker-rossigen avondhemel!
-
-Ik had het wel gedacht, dat die mooie boomen van den Tĕnggĕr hem lief
-zouden worden, en ik zei lachend:
-
-„Weet je nog wel, Ru, hoe we vroeger zeiden dat die dennen onze groote
-broêrs waren, in de laantjes om den Bataafschen Boer? Hier heb je ze nu
-dan toch in Indië terug, en dat hadt je niet gedacht, hè?”
-
-Hij keek weêr uit zijn tandoe en lachte mij vriendelijk toe.
-
-Mary, die naast mij reed—een slanke, ranke figuur, vol gratie op haar
-vroolijk dansend damespaardje—keek mij dankbaar aan, en was toch zoo
-blij, dat haar broêr weer wat opgemonterd was! Ik voelde mij door dien
-éénen blik van haar beloond voor al de moeite, die Rudolf mij gekost
-had,
-
-Zoo ging het al hooger en hooger, met den zieke den berg op, tot hij
-eindelijk van vermoeienis in slaap viel, dicht bij de dessa Baledono.
-In het Hôtel Tosari aangekomen, werd hij wakker van het overdragen in
-zijn bed, en voelde hij zich koortsig, en rillende van de koû.
-
-De dokter zeide lachend aan Mary, die heel bezorgd keek, dat het binnen
-een paar dagen wel in orde zou komen, want de lucht van Tosari deed
-wonderen. Als we hem nu maar goed instopten onder de wol, en hem een
-paar dagen in bed lieten liggen, zou hij binnen een week misschien al
-op de been zijn.
-
-En werkelijk, het wonder gebeurde, zooals het al zoo dikwijls in Tosari
-gebeurd was. Na een week in bed te zijn gebleven,—elken dag zich al wat
-beter voelende,—mocht hij den zevenden dag al wat wandelen op het
-terras van ’t Hôtel, en aan tafel eten.
-
-Ik zal niet licht vergeten dien eersten morgen, toen ik hem op het
-terras bracht. Het was een mooie ochtend, tegen half zeven. Den hoek
-omgekomen van ’t hôtelgebouw naar den tuin, was het als een apothéose.
-
-Want hier, vanuit dat heel hooge in de hemelen, op dat zachte terras
-vol bloeiende boomen, zie je vèr over de wereld, die ligt daar diep,
-diep beneden voor je uit. Achter, in ’t Noorden, de hooge, sombere
-bergkammen van den Tĕnggĕr, oploopende naar den ronden kratermuur, en
-als trotsche, beweginglooze golven, loopt de grandioze bergmassa naar
-’t Oosten en Westen met statige lijnen àf naar de vlakte. Het Hôtel,
-een soort Zwitsersch châlet, ligt in ’t midden van dien bergkom, op een
-verren uitlooper, met aan weerszijden de ooster en wester àfgolvingen
-hoog in de lucht, en achter, in ’t Zuiden, den immenzen kraterrand
-dreigend in de lucht. Links, in ’t Zuid-Westen, daalt de bergmassa af
-naar het verre dal van Malang, waarboven bijna altijd donkere
-wolkenmassa’s drijven; rechts, in ’t Oosten, is de muur steiler van
-trotsche, ten hemel rijzende gevaarten, die met feller lijnen
-wèg-golven naar de zee.
-
-Aan vèrren horizon, Noord-Westelijk, rijst de statige, machtige
-Ardjoenå, met zijn vijf toppen, de heerscher van het geheele landschap,
-van hemel, aarde en lucht, en verder Noordelijk, de slanke, grijze
-kegel van den Penanggoenan, fijn en teeder aan den horizon. Meer naar
-’t Zuiden, nog vóór de Ardjoenå, de drie-golvige Kawi, een slapende
-Maagd gelijk, die rust met omhoog getrokken knieën, en zwellende borst,
-in de hemelen.
-
-De vèrre vlakte ligt daarvóór, zoo laag en klein van uit het terras,
-met de gele en groene kleuren van de sawahs en rietvelden, en de kleine
-witte plekjes van fabrieken en dessa’s! In den morgen beeft daar bijna
-altijd een doorschijnend waas van dauw en nevel, met kleuren als van
-heel fijn parelmoer, en al vroeg begint de statige tocht van blanke
-wolkenstoeten, over de vlakte naar de zee.
-
-Hier en daar, op de ontzaglijke bergkammen zoo hoog in de lucht,
-liggen, rustig en vreezeloos, de prachtige dessa’s, met hun roode en
-gele kleuren. Vèr, rechts, de dessa Proewono, en iets verder, meer naar
-’t Zuiden, Sidaeng, en, verder, in ’t allerhoogste, Wonokitri.
-
-Beneden, vóór uit, Telogosari, en, lager, Baledono.
-
-En, heel in ’t Noorden, vèrder dan de verre vlakte, de zee, met, vaag
-aan den horizon, het schemerend eiland Madoera.
-
-Het is alles zoo oneindig laag en ver, en zelf sta je zoo ontzaglijk
-hoog verheven, met die witte wolken-vluchten zoo diep onder je
-drijvend, dat het eigenlijk àl te onwaarschijnlijk en onreëel lijkt, of
-alles maar een droom is, die dra zal breken....
-
-Na ’t triestige, sleurige kantoor-bestaan in Soerabaia, ’t grootste
-deel van den dag suffend tusschen vier muren, in een hitte van
-negentig, somtijds tot vijf en negentig graden, die alle energie
-verdooft, is ’t plotseling overgaan naar Tosari een herleving. De
-uiterst reine, ijle, koele berglucht waait de nevelen weg, die
-loom-zwaar over je denken hingen, en die het vaag en duister maakten
-voor je oogen.
-
-Dan in eens op dat terras te staan, hoog boven de wereld, in de
-zuivere, luchtige sferen, en vèr beneden de lage vlakte te zien rijzen
-aan den horizon, en de wolken-stoeten in zoo blanken, heiligen staat,
-zoo langzaam-verdroomende, zwaar van licht, en het schitterend glanzen
-van de zee, die wègdeinst naar verre hemelen!
-
-Het is dan een zéér bizondere òmkeer in je, of al het verledene van je
-weggaat, of het daar vèr beneden is gebleven in de hitte en den sleur,
-of je daar nu heelemaal vrij en onbevangen staat in die allerhoogste
-regionen, heerlijk herboren, en of alles nu weer opnieuw kan beginnen,
-een nieuw, jong, krachtig leven in de pure, onbesmette lucht, zoo heel
-dicht bij den blauwen hemel, nog ver boven de laag-drijvende
-wolkenpracht over de aarde.
-
-Dáárom had ik Rudolf hier gebracht, omdat zijn droef verleden van hem
-wèg moest gaan, en hij aan een nieuw leven moest beginnen.
-
-Hij zeide een tijdlang niets. Stil staarde hij maar in alle richtingen,
-naar de bergen, naar de droomende wolken, naar de zee. Hij zag het aan
-met een weifelende, kinderlijke verwondering, alsof hij het eigenlijk
-nog niet goed kon gelooven.
-
-De zon begon langzaam op te rijzen achter de Oosterbergen, en de
-zachtblauwe Penanggoenan in het Westen beefde opeens van een
-rood-gouden glans. Zachtkens vergleed die gouden lichtschaduw door het
-parelmoerig waas boven de vlakte, en weldra schitterde ook de Ardjoenå
-in rossig-guldenen gloed, wijl ijl-fijne, teêre tinten van lichtgroen
-en dof-purper en vaag-violet trilden om zijn stil in de lucht lijnende
-contouren. Hij stond daar, doorluchtig en eerwaardig, in den morgen,
-als de eeuwig-jeugdige, onverwinlijke helden-God, wiens naam hij voert,
-in vlammend goud gewaad tegen den lichtblauwen hemel.
-
-Daar zei Rudolf ineens, met warme geestdrift in zijn stem, weêr
-heelemaal de oude enthousiast van vroeger: „Henri, ik wist niet dat
-Indië zóó mooi was!”
-
-Toen—zóó was hij altijd, óveral zocht hij naast het heel grandioze en
-ontzaglijke het uiterst teedere en zwakke,—toen boog hij zich over een
-bed wilde viooltjes, die heerlijk geurden over het terras.
-
-„En dan al dat fijne en teêre,” zei hij, hardop denkend in zich
-zelf,—„al dat zwakke en broze hier midden in dat ontzettend groote en
-verhevene! Kijk, daar zijn nu toch heusch al mijn lieve, oude bloemen
-van Holland weer! Waarachtig! Een bed wilde viooltjes! In hoeveel jaren
-niet gezien! En kijk, hier, reseda’s, en héliotrope, en dáár, hoe is ’t
-mogelijk, hier in Indië! korenbloemen, en klaver, en kijk eens! een bed
-met verbena’s, en hier blauw-hemdjes, en de echte, groote pensées óók
-al, en dáár waarachtig die mooie monnikskapjes, en de paarse winde, en
-wat ’n theerozen, wat ’n tinten! Maar waarachtig, daar staan de echte
-boterbloemen van Holland in ’t gras, en daar zie ik een heel bed met
-madeliefjes! Hoe is ’t mogelijk, Henri! Daar is me nu alles zoo maar
-inééns terug? En dat in Indië!”
-
-Ik had er schik in, hem zoo te hooren jubelen. Want dat was de oude
-Rudolf van vroeger, met wien ik roovertje had gespeeld in de duinen, en
-die altijd zoo’n echte, gezonde hollandsche jongen was. In Indië had ik
-hem nooit weer zóó teruggezien, Het was of er daar altijd een donkere
-nevel over hem heen was.
-
-En kijk nu toch eens, wat echt kinderlijk en jongensachtig is die
-groote meneer van nu,—hij is al zes en twintig,—die altijd zoo nijdig
-en somber kijkt, en die zoo geheele nachten in al die droevige
-filosofie van de Ouden zit te studeeren, kijk hem nu eens scharrelen
-tusschen die bloemen!
-
-„Dat moet Mary zien, kerel, dat moet Mary zien!” roept hij enthoesiast,
-„wat zál ze blij zijn! Ik ga haar dadelijk halen!”
-
-En daar vliegt de melancholieke dichter van „Winter-Bloemen” met groote
-sprongen, als een wilde schooljongen, het terras over, drie treden
-tegelijk bij het naar boven hollen, precies zooals ik het hem—lang o!
-lang geleden!—op kostschool had zien doen, bij den grooten,
-beslissenden stormaanval op het kamp der Apachen, waarover ik het bevel
-voerde.
-
-
-
-Mijn zaken en veel litterair werk riepen mij terug in Soerabaia, en
-toen ik Rudolf zóó opgefleurd zag, bovendien nog zoo trouw verzorgd
-door een teedere, lieve vrouw als Mary, ging ik met een gerust hart
-weer naar „beneden.”
-
-Ik had eerst nog een lang gesprek met den dokter van het établissement.
-Hij verzekerde mij, dat hij instond voor de genezing van Rudolf’s
-malaria, en vertelde mij nog een aantal merkwaardige gevallen van
-herstel, door de gezonde, ijle lucht van Tosari. Zieken, die in
-Soekaboemi en elders in de Preanger geen baat hadden gevonden, en die
-hier, bijna stervende, waren aangebracht, had hij, dikwijls zonder
-chinine, enkel door de geneeskrachtige inwerking van de lucht, zien
-beter worden. Maar hij had één leelijk ding bij Rudolf geconstateerd,
-een hartziekte. En wel een hartziekte, zooals er zooveel zijn van dien
-aard; je kon er honderd jaar mede worden, maar je kon ook binnen een
-jaar dood zijn.
-
-Het was nog niet erg, een flauw begin nog maar, zóó zwakjes nog dat hij
-Rudolf niet eens het paardrijden er om zou verbieden. Als hij maar geen
-al te hevige emoties kreeg, en geen zware, moreele schokken, was er
-geen oogenblikkelijk gevaar bij. De dokter vroeg mij, of hij niet een
-of ander groot verdriet had ondervonden, en ik vertelde hem van den
-verschrikkelijken dood zijner beide ouders bij het vergaan van de
-engelsche mailboot „Bokhara,” en het vroege sterven van zijn jonge
-vrouw. Zoolang er maar geen nieuwe, heftige schokken bijkwamen, zou het
-met Rudolf wel losloopen, verzekerde de dokter mij nog bij het
-heengaan.
-
-Ik hoorde niet veel van hem toen ik weer terug was in Soerabaia. Maar
-tusschenbeide schreef Mary mij, dat het goed met hem ging, dat zijn
-malaria heelemaal over was, en hij er door en door gezond uitzag, met
-een kleur op zijn wangen. Hij liet haar telkens zijne hartelijke
-groeten aan mij overbrengen, en een belofte, dat hij nu heúsch, over
-een paar dagen, zou schrijven. Maar er is nooit iets van dien brief
-gekomen, ofschoon ik hem zelf van tijd tot tijd schreef.
-
-Ik dacht dat hij er geen tijd voor had, en zeker aan een nieuwe reeks
-verzen zou zijn begonnen, en ik verheugde mij er al op, wat daar van
-komen zou. Want de stem, die zoo doodsdroef in melodieus beklaag van
-zielesmart gezongen had in „Winter-Bloemen,” zou die nu misschien niet
-uitjuichen in heerlijk schaterend gejubel, onder den impuls van een
-nieuwe, krachtige jeugd in die hooge, reine sferen, omwaaid door die
-pure, ijle lucht?....
-
-
-
-Toen, opeens, nog geen drie maanden nadat ik hem het laatst gezien had,
-kreeg ik een telegram van Mary.
-
-Rudolf was dood....
-
-Hij was inééns gestorven, als zoo vele hartlijders, gestorven in wat de
-bloei van zijn jeugd leek, flink en krachtig gebouwd, met een
-gezondheidsblos op zijn wangen. ’s Ochtends, na een wandeling, was hij
-plotseling op den grond gevallen, had nog een paar uur op bed gelegen,
-pratende met Mary, en was toen ineens dood geweest. „Hartverlamming,”
-had de dokter geconstateerd.
-
-Een paar dagen later kwam Mary bij me, en bracht me een dagboek, door
-Rudolf in Tosari aangehouden. Hij had haar kort vóór zijn dood
-gevraagd, dit als een laatste aandenken aan mij over te geven.
-
-En nu ligt het Dagboek van Rudolf de Wall vóór mij. Ik heb het gelezen.
-Ik weet nu dat hij gestorven is na een schoonen droom. En ik benijd
-hem. Het is zoo vol liefde voor het leven, en vol voorgevoel van den
-dood. Het is of zijn ziel altijd geweten heeft, dat hij nu wel gauw zou
-sterven, want op meer dan ééne plaats in zijn dagboek voelt hij zich al
-bijna verdroomen in de natuur, en één worden met Gods innigste wezen,
-dat hij er in leven voelde.
-
-Het lijkt misschien wat wreed, maar ik vind het gelukkig, dat Rudolf
-daar boven is gestorven, en nu één is met de reinste essence van al het
-verheven schoon, dat hij daar in zijn láátsten levensdroom mocht
-aanschouwen.
-
-Wat zou er van hem geworden zijn, als hij met zijn overgevoelige,
-teedere, kinderlijke ziel, met al die jonge, nieuwe geestdrift, weer
-was teruggekomen in ’t démoraliseerende, wreede, harde leven hier
-beneden? Wat, als hij de vrouw, die hij zoo verheerlijkt zag,—en die
-ook misschien daar bóven wel éven reiner en puurder is geweest in die
-alles zuiverende, hooge lucht,—later hier had moeten weêrzien,
-teruggezonken in den sleur van het indische leven, een heel gewoon,
-oppervlakkig wezentje, niets beter en niets slechter dan de anderen,
-van wie hij zich altijd zoo ver hield? Hoe zou hij hebben geleden, als
-hij haar langzamerhand, niet meer onder den invloed van de zoo ideaal
-en geestdriftig stemmende berglucht, zou hebben gezien zooals ik haar
-leerde kennen, en zooals zij werkelijk was; het ergste wat er voor hem
-kon bestaan: een flirt, en als hij had begrepen, hoe hij de liefste en
-beste dingen van zijn ziel weêr had weggegeven in het ledig, als
-vergooid in ’t niet?
-
-En—wie kan zeggen wat reëeler is, de werkelijkheid of de droom? Het kan
-heel goed zijn dat Annie, de vrouw die hij zoo liefhad, daarboven éven
-was opgerezen tot de reinheid en de zielezachte gratie, die hij in haar
-vermoedde, en dat het heusch wel ganschelijk reëel was, wat hij van
-haar voelde. Het is de majestueuze schoonheid van de bergen en de
-hemelen, die de ziel zoo verreint, en de pure, koele winden, door het
-lichaam waaiend, die het beste en edelste in den mensch—jaren lang
-verdoofd en onmacht gebleven—daar heerlijk doen opleven, in die zuivere
-sferen.
-
-Al is het dan dat later, later, beneden terug, het éven uitgebloeide
-mooi weer droef verzinkt in de muffe hitte, en den saaien sleur, en de
-huichelachtige conventie van het alledaagsche, geestdoodende indische
-leven....
-
-Hier is dan nu het Dagboek van Rudolf de Wall, zooals ik het aannam uit
-de zachte handen van zijn zuster. Het heeft niet veel van een roman, en
-de intrigue ontbreekt geheel, die velen het voornaamste vinden van
-lectuur. Het zijn somtijds maar wat korte fragmenten, de wisselende
-stemmingen van zijn ziel onder den invloed van het wisselende schoon
-der dagen en nachten in den Tĕnggĕr.
-
-Toets het toch niet aan de werkelijkheid, en zeg toch niet, dat dìt
-dwaas en dàt verkeerd van hem was, en dat hij wijzer had moeten zijn,
-en beter menschen leeren kennen vóór hij ze waard vond het liefste van
-zijn ziel!
-
-Want ik zeg u, hij is gelukkiger geweest met zijn verbeeldingen en
-fantasieën dan één van ons, verstandige menschen, en in stilte heb ik
-hem benijd om wat ik nooit zoo kon genieten in mijn grootere wijsheid.
-
-Want gelukkig! o! gelukkig zijn zij, die niet het harde leven zien,
-maar veilig óprijzen in hun eigen, schoone droomen!....
-
-
-
-
-
-
-
-
-UIT HET DAGBOEK VAN RUDOLF DE WALL [2]
-
-
-Ik ben vandaag voor ’t eerst uit mijn bed geweest. Zeven lange dagen en
-nachten in een kleine kamer!
-
-En toch was ’t zoo erg niet. Ik voelde langzaam, langzaam een goede,
-reine lucht in mij stroomen, en, zooals je mond als je water drinkt,
-werd mijn lichaam koel en frisch.
-
-Mary schoof soms de gordijntjes open voor mijn raam, en dan zag ik
-overal bergen, bergen, bergen, en witte wolken, zeilende door de lucht.
-Maar ’t mooiste van alles misschien wel de kleine, deemoedige dennen,
-de tjemårås, zoo zachtjes ópklimmende tegen hellingen, en in rechte
-rijen langs paadjes staande. Overal smalle, windende weggetjes, zooals
-je ze wel ziet op den achtergrond van primitieven, Van der Weijden, of
-Van Eijck.
-
-En aldoor dat reine ruischen van watervallen, ongezien, diep in
-ravijnen....
-
-Nu ben ik dan eindelijk weêr opgestaan, en ik ga een nieuw dagboek
-beginnen. Het moois dat ik hier zien ga mag niet zóó maar weer
-vervlieden in de tijden. Ik heb zoo’n voorgevoel, of het nú wel weer de
-moeite waard zal worden, een dagboek, dat ik sedert jaren niet meer
-aanhield.
-
-Wat hebben Mary en Henri mij goed opgepast, hoe hartelijk en lief! Ik
-zal nu al het moois dat hier gaat komen, probeeren te bewaren in dit
-boek, en later, als ik weer gezond beneden terug ben, laat ik het hun
-lezen.
-
-Ik mag mij vooràl niet vermoeien, zegt de dokter, en alleen nog maar
-wat wandelen op het terras....
-
-Maar mijn Dagboek ga ik toch beginnen, dat zal zoo’n kwaad niet doen,
-zoo één uurtje maar.
-
-Wat zou er komen?.... wat zou er komen?.... o! zou er nog iets voor mij
-kunnen komen?....
-
-
-
-Zóó was het broze droom-gezicht van morgen, toen ik op het terras Gods
-wereld zag, vèr en diep aan mijne voeten:
-
-Een vage, waze wade wijd over de vèrre, dof glinsterende vlakte. Het
-teêre, zachte, milde morgenlicht voorzichtig brekend daar doorheen.
-
-De Ardjoenå, zonder materie, luchtig vervluchtigd, vèr in dat waze,
-droomende maar ijl en éven, als een essence. De ziel van zijn zwaar
-massale goden-lichaam nu, schuchter, bloot, zijn eigenlijke, innigste
-Wezen éven bevende óp, in dit teedere licht van den morgen....
-
-Ook, vaag vermoed, de luchte Penanggoenankegel, en de zachte golvende
-Kawi, en vèr, de parele, glanzende zee, ten horizon verdroomend..
-
-De luchte essence van het wereld-wezen beeft zachtekens voor mijne
-oogen, in het kuisch-eerwaarde, schemer-teeder maagde-licht van den
-jongen morgen....
-
-Hoe ijl, hoe ijl is de dunne, reine lucht.... hoe licht voel ik mijn
-eigen wezen voorzichtiglijk zich uitspreiden in die wijde, wijde
-ruimten....
-
-En het is mij, of het zachte, kuische einde nu wel drâ zal komen, en
-mijn ziel nu aanstonds zal verdroomen in die teêre, broze sferen, ver
-over de glanzende vlakten, over de vage horizonnen van de zee....
-
-
-
-Dat was een heel curieus gesprek vanochtend! Ik schijn dan toch wèl in
-het rijk der wonderen te zijn aangeland.
-
-Ik was op een bankje gaan zitten op het terras, toen de oude heer
-Mehrmann bij me kwam, die Tosari zoo dóór en dóór kent, en er zooveel
-over geschreven heeft. Hij heeft me op een heel eigenaardige manier
-uitgelegd, wat de invloed van deze reine, ijle, aeterische atmosfeer is
-op de menschen. En als hij het bij ’t rechte eind heeft is het hier
-zeker een uniek oord van wonderen in de wereld.
-
-„Ik moet u eens waarschuwen,” zeide hij, „dat de menschen, die u hier
-zult leeren kennen, héél anders zijn dan zij zich later „beneden” weêr
-zullen toonen. Het is dan ook heel gevaarlijk, hier vriendschap—en nog
-gevaarlijker liefde—voor iemand te gaan gevoelen, want daar zal beneden
-niets dan ellende en teleurstelling op volgen. Wat het is,—ik geloof
-niet dat het alleen de ijle lucht is—weet ik niet, maar de menschen
-leven hier eigenlijk in een droom. Misschien is het óók de grandioze,
-simpele, strenge pracht van de natuur, die het ’m doet, maar zij worden
-hier veel beter en zuiverder dan ze beneden zijn. Het is zeker door het
-eindelooze van al die heerlijke horizonnen hier om je heen, dat ze
-ruimer van opvatting worden, dat de engheden van de conventie
-wègvallen, en de stijve, deftige luidjes van beneden hier vrije,
-natuurlijke, oprechtere menschen worden. Ik geloof niet, zooals de
-dokter, dat het alleen de dood is van de malaria-bacillen, die dit
-wonder tot stand brengt. Ik geloof dat de invloed, door de psyche
-uitgeoefend, hier veel grooter is dan men vermoedt, ja, dat eigenlijk
-het psychische proces de hoofdrol speelt, en den stoot geeft aan het
-physische. Je kunt over het algemeen zeggen, dat je hier op Tosari met
-een verbeterd, hooger soort menschen te doen hebt dan beneden. En dit
-is zóó erg dat ik menschen, die ik beneden heel onsympathiek vond, en
-in wien ik geen glimpje van zielemooi meer vermoedde, zóó diep als ze
-gezonken waren in den duffen sleur van ’t alledaagsche, hier opeens met
-lieve, teedere en subtiele dingen voor den dag heb zien komen. Mooie
-dingen, die jaren in hen geslapen hebben, worden hier ineens weer
-wakker, en menschen, waar je ’t nooit achter gezocht zou hebben,
-spreken hier weer van illusies, en idealen, en poëzie. Het is heusch of
-met de reinere, zuivere lucht hier ook de ziel reiner en zuiverder
-wordt, en de nevelen er van wegwaaien.”
-
-—„Maar hoe dan, als ze weêr beneden komen?” vroeg ik nieuwsgierig, en
-in spanning.
-
-—„Ja, ziet u, dát is nu juist de ellende,” zei de oude heer. „Zoodra de
-menschen een tijdje terug zijn, beneden, in de hitte, is het weer mis.
-Ze zinken binnen een paar dagen weêr in den sleur terug. Menschen, die
-hier dag en dag allerintiemst met elkaar omgingen, en om zoo te zeggen
-geen oogenblik van elkaar af waren te slaan, gaan elkaar later in
-Soerabaia met een stijf knikje voorbij, of ze elkaar nooit gekend
-hadden. Het is of ze zich daar schamen voor het mooie, natuurlijke
-gevoel dat ze elkaar boven getoond hebben, of ze verlegen zijn, daar
-even een gewoon, natuurlijk mensch te zijn geweest. Daarom is het zoo
-heel gevaarlijk, hier erg van iemand te gaan houden. Want het is niet
-die iemand zelf, waar je dan van houdt, maar de illusie, de droom er
-van, zooals die hier even, in die reine lucht, is ópgebloeid. Ik heb
-hier een jongmensch gekend, een bizonder gevoeligen jongen, die
-vrééselijk is gaan houden van een lief meisje. Zij nam hem zoo’n beetje
-als haar cavalier aan, en ze waren altijd samen, en leken wel twee
-inséparables. ’s Avonds laat zag ik ze wel eens minnekoozen in een
-priëel. Hij stuurde haar verzen en bloemen, enfin, u kent dat wel. Toen
-ik hem later nog eens „beneden” ontmoette—ik was erg intiem met hem—en
-hem naar het meisje vroeg, zag hij er uit of hij zich schaamde. „Ze is
-een héél gewoon meisje, als duizend anderen,” zei hij. „Ze was zoo
-stijf, toen ik haar opzocht, alsof ze me bijna niet kende. Er is niets
-bizonders aan. En ik begrijp maar niet hoe ik ooit iets in haar gezien
-kan hebben.” Maar hij vergat dat ze werkelijk wáár en oprecht, en dus
-ook werkelijk bizonder was geweest boven. Ze was alleen maar in den
-sleur en de doffe conventie teruggevallen zoodrá ze weer beneden was.
-En zoo gaat het met bijna alle menschen hier. Daarom, wanneer u als
-jonge man een goeden raad van mij aan wilt nemen, geniet dan hier zoo
-véél mogelijk van de natuur, maar neem de luitjes niet al te veel au
-sérieux. Je zoudt het hier een tijdelijke, verbeterde editie van
-menschen kunnen noemen. Ze zijn allen zoo ongedwongen en zoo lief en
-zoo hartelijk. Je zoudt denken, wat is de wereld toch goed, en wat zijn
-de menschen toch allemaal beminnelijk! Maar het is héél bedriegelijk,
-en iemand met een beetje hart, die wat erg gevoelig is, en zich gauw
-aan vrienden hecht, geeft het later niets dan bittere teleurstellingen.
-
-„En dan is er nog iets. De grandioze horizonnen en vergezichten
-verruimen de ziel, maar de ijle, prikkelende lucht werkt heel sterk op
-de zinnen, vooral bij vrouwen. Véél wat ge voor lief en adorabel zoudt
-aanzien in de uitgelaten vroolijkheid is au fond niets dan
-overprikkeling van de zinnen, en het schijnbaar teedere is dikwijls
-enkel sensueel. Het is hier dan ook een gevaarlijk land voor jonge
-vrouwtjes, en ik heb hier in al de jaren, dat ik Tosari ken, al heel
-wat ongerechtigheden zien begaan voor mijn oogen. Maar u moet het nu
-maar eens zelf gaan opmerken. U is nu gewaarschuwd, en dat is altijd
-een goed ding.”
-
-Vreemde, oude knorrepot! En toch zoo’n goedig, vriendelijk gezicht....
-
-In wat vreemd land van wonderen ben ik terecht gekomen! Een droomland,
-waar de menschen allemaal beter zijn dan ze eigenlijk zijn! En ik, die
-nog altijd maar niet wijs kan worden, en nog altijd naïef ben gebleven,
-ik die met één lief lachje en vriendelijk handgebaar zoo dadelijk ben
-te winnen!....
-
-Ik ben benieuwd wat daar van komen zal....
-
-
-
- ’s Ochtends op het terras.
-
-De zon is niet te zien achter de Oosterbergen.
-
-De vlakte ligt in een zacht-roze gloed van verwachting, een Liefste,
-die haar verren Minnaar wacht, en vage blozet. De bergruggen rechts,
-met rijen donkere boompjes, liggen blauwzwart in zilverig wit
-parellicht. Wat lage cypressen op zijde van het huis staan doodstil in
-de lucht....
-
-Langzaam vaart een roze gloeien door de hemelen, en er is een zachte
-beving, vaag voorgevoel van kleur in de lucht. Eén eenzaam, smal
-streepje reeds hangt eenzaam in het Oosten, ijl en bizonder. Het drijft
-er vreemd en verloren, maar toch zeer rustiglijk verheven, en door
-eigen, innerlijken glans gedragen. Plotseling weêr vervloden....
-Waarheen?.... Fragiele teederheid van èven mooi, en dan niet meer, als
-een broze droom, die breekt in ’t niets....
-
-De wereld ligt te wachten, te wachten, in vaag verlangen.
-
-Als eindelijk de zon boven hoogen bergwand opsteekt, een
-schitterstralend schild, wègspitsend goud-flonkerende pijlen, gaat een
-schok van warmte door de wijd-bevende lucht....
-
-De lagere bergheuvelen van het Malangsche in ’t Zuid-Westen liggen nog
-onbestemd, droef te peinzen in floers van maar langzaam verblankende,
-donkergrijze wolken. Ook laag om den voet van den Ardjoenå ligt nog
-weifeling van wolkennevel, sombere drooming.
-
-Maar vreezeloos, in een luchte verreining, rijst Ardjoenå’s lichaam in
-zacht rozen gloed omhoog, zijne fijne omtrekken bevende in ’t licht.
-Met een rustigen glimlach ziet hij, als een God eerwaardig, naar de
-zon, zijn toppen rood-vergulden.
-
-Verder westelijk, bij den Penanggoenan, waar ’t ál ligt te wazen, is
-het een begin, een vaag vermoeden maar, in zacht ontwaken, waar hij
-blauw-grijze droomende omhoog rijst, uit waduwe wade van morgendauw.
-
-Geel en groen en goud, in zachte verdooving van glanzen, lichten sawahs
-en velden door de wijkende nevelen.
-
-De vlakte is dof tintelend, als een immenze schelp van parelmoêr.
-
-De zonnestralen vallen breeder en breeder, als fonkelend-gouden staven
-uit de lucht, en slaan de bergen met schitterend licht.
-
-En overal, wijd-rondom, het recht-óppe, evenwijdige staan van de
-kuische tjemårås, verspreid op bergkammen en hooge heuvelruggen als
-kalme kudden, zéér deemoedig, en zéér tevreden in al het geluk van het
-licht....
-
-
-
-Er heerscht een prettige, ongedwongen vroolijkheid aan tafel. Het
-lijken werkelijk allen beminnelijke menschen, juist zooals de oude heer
-Mehrmann gezegd heeft. En—o wonder—niets van de pseudo-gewichtige
-stijfheid en de ridicule afscheiding van rangen, die de indische
-maatschappij zoo bederft. Er is een President van den Landraad met zijn
-vrouw, een assistent-resident, een kommies, een officier, een employé
-in den handel, een chemiker, een controleursvrouwtje, en zoo meer,
-allen door elkaar, en allen even hartelijk en vroolijk.
-
-Mary zit aan mijn linkerhand, en mijn buurvrouwtje aan den rechterhand
-is een mevrouw de Vallère. Ik vind haar niet erg mooi; laat ik maar
-zeggen leelijk. Ze heeft goud-blonde krullen, los neêrhangend tot op
-haar schouders. Nog erg meisjesachtig. Wat heeft ze een vreemd gezicht,
-met zoo’n spits toeloopend kinnetje, en wat is ze bleek, met twee
-ouwelijke trekken om haar mond! Alleen haar bruine, bijna zwarte
-oogen—zoo heel zeldzaam, zwarte oogen en goudblond haar—hebben iets
-bizonders, iets koddigs en guitigs, of ze met alles zoowat spotten. Ook
-haar neus, een echt mopneusje, heeft zoo iets grappigs. Ze doet erg
-vroolijk, en zegt allerlei dolle dingen, maar het gaat haar nog niet
-goed af. Ze ziet te bleek, en die trekken om haar mond maken haar te
-ouwelijk. Ik vind haar niet prettig om te zien, en had wel een ander
-buurvrouwtje willen hebben aan tafel.
-
-Mary zegt dat ik het zoo niet zie, maar dat er iets erg liefs en teêrs
-aan haar is, en dat ze haar graag lijden mag. Ze heeft haar als meisje
-in Holland gekend. Daarom ben ik óók een beetje vriendelijk tegen haar,
-en bewijs haar attenties aan tafel.
-
-Maar het ziet er nog heelemaal niet uit of ik mij hier erg aan iemand
-zal hechten. De menschen zijn druk, en luidruchtig, en wel aardig. Maar
-toch niet om bizonder mee weg te loopen. Ik zal het dus alleen van de
-natuur moeten hebben, en van de menschen zal alleen Mary mij innig lief
-zijn, mijn goede, zachte zuster....
-
-
-
-’s Ochtends, dikwijls al om tien uur, begint een somber droomen-spel.
-
-Alles was zoo licht, zoo puur, zoo klaar, een groote glorie was de
-wereld in de zon.
-
-Dáár rijst opeens, langzaam, langzaam, een grijs wolkgordijn, wijd
-uit-waaiende over de vlakte, en alles, de blinkende sawahs en velden,
-de machtige Ardjoenå, en de Kawi, en de Penanggoenan, zinkt
-geruischloos weg. Al hooger rijst het, en hooger. Van uit de diepten
-der ravijnen stijgen duistere, sluipende nevelen, glijden voort als
-trage slangen, kruipen omhoog tegen de hellingen, en spreiden zich
-langzaam, langzaam uit in wuivende sleepgewaden.
-
-De treurig-grijzende misten drijven over de bergkammen,
-droevig-dreigend, en de teêre tjemårås zinken dieper, dieper in het
-niet. Hier en daar blinkt nog een glanzend koolveld tegen bergwand, en
-een eenzaam groepje boomen staat vreezeloos op hoogsten top, tot ook
-dáár de vage nevelen rijzen, en de wijde, witte wade wuivende vaart.
-
-Het lijkt nu alles eeuwen, eeuwen oud, en van een vèr verleden....
-
-Al hooger en hooger gaat het, zwijgend, somber, onverbiddelijk, en des
-doods....
-
-Al ’t schitterende schoon van nog zoo kort geleden is nu duizel-diep
-gezonken.
-
-Overal, dik-grijs, de wolken en de zware nevel, langzaam wuivend en
-wemelend, met stuivenden damp.
-
-Koud en eenzaam sta ik op het terras, en huiver.
-
-Overal, òm mij, boven en beneden, een grijze woestenij, het is als
-duistere, duistere zonde, alle dingen zijn dood, en vèr-verloren. Het
-is als een wreede creatie van kwaad, die daar ligt te broeien in
-somberen, zwarten nacht, meedoogenloos en onverzoenlijk....
-
-Nu gaat het àl verzinken, het leven en het licht, en niets is òm mij
-dan de wijde, wilde chaos van duister Niets....
-
-
-
-Vannacht, het was tegen drie uur, werd ik wakker. Nu even op het
-achtergalerijtje gaan kijken in den nacht....
-
-De nevelen hadden de bergen weêr genomen. Ik staarde, staarde, maar
-niets was te zien dan de dikke, grijze mist. Alleen de vage vormen van
-een paar tjemårås, weifelend en onreëel.
-
-Het zachte vallen van dauwdroppen door bladeren....
-
-Het eenzaam getjirp van een krekel maakt den nacht nog stiller.
-
-Nu en dan sonore vlagen, het statig-streng metaal-gezang van den wind
-in dennen.
-
-De koude nachtlucht huiverend langs mijn hoofd.
-
-Alles zoo duister, zoo vol bang geheim in fantastischen nevel, en de
-lucht zoo wreedelijk koud....
-
-Maar hoor! hoor! daar diep in het donker ravijn beneden, het reine
-ruischen van een waterval, zachte rythmen in den nacht, zoo vertrouwd,
-zoo altijd door bereid, in rustelooze laving. Het is als een
-wèl-bekende stem in ’t diepe duister, klinkend van liefelijken troost,
-zoo van: „het zal toch heusch wel goed worden,.... alles komt in
-orde,.... blijf maar vást vertrouwen”....
-
-En van een grooten vrede vervuld, gansch rustig, leg ik mij weer te
-droomen in het zachte bed.
-
-
-
-Ik mag nog niet uit, en moet nog een paar dagen binnen blijven. Alleen
-mag ik wat heen en weêr wandelen op het terras.
-
-Maar ik hoor zoo aan tafel allerlei verhalen van wandelingen, die ik
-later natuurlijk óók ga maken. Er zijn hier overal mooie plekjes en
-wegen, hoor ik, met aparte namen. Dat klinkt zoo intiem en zoo prettig,
-net als vroeger de wandelingen in Holland. Ik heb dat in Indië nooit
-meer gehad. Het is er te warm, en te drukkend, om veel te loopen, en de
-zon schijnt er dadelijk te fel. Maar hier komt alles van Holland
-blijkbaar weêr even mooi terug.
-
-Ik heb die namen allemaal opgeschreven om ze goed te onthouden voor
-later. Je hebt b. v. het Leverlaantje,—dat hóór ik nog ’t meest
-noemen,—het eenige laantje hier, dat bijna geheel vlak is, en waar je
-niet behoeft te klimmen, zoodat zelfs leverlijders er kunnen
-wandelen,—je hebt het Meijer- of echo-laantje, den weg naar de
-Moulijnsbronnen, de wandeling langs „de drie dessa’s,” [3] en het
-Karrenplateau. Je hebt de Doktersvallei, de „dertien watervallen,” het
-Junghuhn-pad, het Voorhoeve-plateau, de Veths-hoogte. De grootste
-uitstapjes zijn naar de Zandzee,—den grooten Tĕnggĕr-krater, met zijn
-drie vulkanen, de Bromo, de Batok, en de Widodaren,—naar den
-Penandjaän, den hoogsten top van het gebergte naar Soekapoera, door de
-Zandzee over Ngadisari,—en naar Nongko Djadjar.
-
-Sommigen gaan nog veel verder, naar de meren van den Semeroe, naar den
-Semeroe zelf, maar dat zijn tochten van vijf, zes dagen, en daar zal ik
-vooreerst wel niet aan mogen denken....
-
-Ik luister nu maar vast heel tevreden naar al de verhalen daarover aan
-tafel, en probeer mij een voorstelling te maken van al wat mij nog te
-wachten staat.
-
-Vooral mijn buurvrouwtje, mevrouw de Vallère, houdt mij goed op de
-hoogte. Ze is al in de drie weken dat ze hier is zoo wat overal
-geweest. In de laatste week ging ze iederen dag heel vroeg met Mary
-uit, om zes uur ’s morgens, en ze klimmen twee uur lang over bergen en
-scharrelen door woeste, dichtbegroeide ravijnen of het zoo niets is.
-Mevrouw de Vallère, of laat ik maar liever zeggen Annie, want zoo noemt
-Mary haar immers altijd, is een onvermoeide bergwandelaarster. Mary
-plaagt haar door haar „een klipgeit” te noemen, omdat ze zoo vlug over
-de rotsblokken en beekjes heenspringt.
-
-Het is merkwaardig, zooals dat vrouwtje hier verandert. In ’t eerst
-vond ik haar bijna leelijk, zoo bleek en afgemat zag ze er uit. En nu
-is ze heusch bijna mooi, en zeker erg, erg lief. Het is of die
-heerlijke lucht hier een nieuw, jong leven in haar gewaaid heeft. Ze
-heeft een prettigen, rooden blos op haar wangen gekregen, haar oogen
-zijn gaan schitteren, en er is, ik weet niet wat voor veerkrachtigs,
-levenslustigs en prettigs om aan te zien aan haar gekomen. Het is nu of
-er een warm, tintelend leven uit haar stroomt.
-
-En die vroolijkheid, die kinderlijke, ongedwongen, dolle pret die ze
-kan hebben! Die hebben wel is waar bijna alle gasten gekregen, maar zij
-toch wel het ergst. Ze komt soms dansende en zingende aan tafel, gooit
-een paar kennissen met bloemen en water, maakt de koddigste grappen om
-niets, en ziet van alles alleen het kluchtige en het aardige.
-
-Vroeger zou ik dat, geloof ik, te bruyant hebben gevonden, en niet te
-hebben. Maar hier doet het mij goed. Het is toch heusch wel eens
-prettig, zoo gul te hooren lachen en zoo’n vreugde om het leven te
-zien. Het hoort zoo heelemaal bij de omgeving hier, en bij die reine,
-zuivere lucht. Ze lijkt eigenlijk nog een groot, dwaas kind, altijd vol
-grappen en streken. Ik noem haar dikwijls plagend „het clowntje,” en ik
-geloof dat ze een beetje trotsch is op dat naampje. Toch heeft ze veel
-verdriet gehad, zegt Mary.
-
-Toen ze achttien jaar was, nog een erg kind, is ze getrouwd met een
-vriend uit haar jeugd, van wien ze dol veel moet gehouden hebben, een
-echte jonge-meisjes verliefdheid.
-
-Twee maanden na het huwelijk stierf hij aan acute longontsteking, een
-gevolg van influenza. Het eenige dat zij van hem terugzag was haar
-kindje, dat acht maanden na zijn dood werd geboren, en sprekend op hem
-geleek. Ze is dan ook dol op het kereltje, omdat het de mooie oogen van
-zijn vader heeft, en in al zijn beweginkjes en gebaartjes aan hem
-herinnert. Toen ze pas negentien jaar was, kwam er al grijs haar
-tusschen haar blonde krullen, zegt Mary, en het was aandoenlijk om te
-zien, dat kind-vrouwtje met die grijze haren. Nu ze haar krullen los
-draagt, zie je ’t niet meer zoo, en weet ze het te bedekken.
-
-Maar Annie was te levenslustig en te vroolijk om lang te treuren. Een
-groot verdriet paste zóó heelemaal niet bij haar, dat ze heel kort na
-den dood van haar man weer uitging en pret maakte. Zoo was ze nu
-eenmaal, ze kon er niets aan doen. Er zat te veel jong, bruischend
-leven in haar.
-
-Nù was ze weer hertrouwd, met een majoor van het indische leger, een
-vriend van haar vader, die al met haar gespeeld had toen ze nog een
-kleine kleuter was. Ze is een „handschoentje,” zooals ze dat hier
-noemen. Juist toen ze op zee was, werd hij naar Pedir overgeplaatst,
-zoodat ze haar man nog niet gezien heeft. Ze heeft toen eerst bij zijn
-moeder in Semarang gewoond, maar daar pakte de malaria haar zoo aan,
-dat de dokter haar aanraadde, direct naar Tosari te gaan.
-
-Mary gelooft niet dat Annie erg diep en innig van haar man houdt; zij
-ziet meer in hem een vriend van haar vader, iets sterks, waar ze zich
-aan hechten kan, zwak en teêr als ze is, iets veiligs, en veel grooter
-dan zij, dat haar beschermen kan, en waar ze goed „bezorgd” bij is met
-haar kindje. Ook vindt ze het wel goed staan om majoorsvrouw te wezen,
-en een beetje deftig te zijn, zegt Mary. Maar zusje vindt het toch niet
-sympathiek, dat nieuwe huwelijk van haar. Annie weet nog in ’t geheel
-niet wat eigenlijk echte liefde is, zegt Mary, het is nog maar enkel
-een simpel, groot kind, dat van het leven niets begrijpt.
-
-En Mary, die zoo gauw iemand doorziet, en die Annie al als schoolmeisje
-heeft gekend, zal zeker wel gelijk hebben.
-
-Maar ik ben toch blij, dat zoo’n vriendelijk, vroolijk wezentje, zoo
-heelemaal „débordant de vie,” zooals een fransch schrijver zou zeggen,
-hier opeens zingend en lachend in mijn leven is komen staan. Je voelt
-je waarachtig zélf weer een beetje kind worden als ze bij je is.
-
-Ze steekt het geheele hôtel aan met haar uitgelaten vroolijkheid.
-
-’s Avonds, in de conversatie-zaal, verzint ze allerlei spelletjes, en
-je ziet er van die deftige heeren en dames uit Soerabaia, die blindeman
-spelen, en slofje onder, en pandverbeuren, of ze nog in hun eerste
-jeugd zijn.
-
-En, waarachtig, ik schaam me een beetje voor mij zelf—wat zouden al die
-„artiesten” in Holland wel zeggen, als ze ’t wisten!—ik ben zelf óók
-meê gaan doen, toen Annie het zoo lief kwam vragen, en ik ben de blinde
-man geweest, toen er voor het eerst dat dolle spel gespeeld werd,
-„American Post.”
-
-Waar je al niet toe komt, zoo hoog in de witte wolken!
-
-
-
-Vanmiddag, in een fuchsia-struik voor mijn venster, zag ik een wonder
-vogeltje. [4] Ik heb nog nooit ergens zóó intenze, schitterende kleur
-gezien. Boven op den kop fonkelde lichtgroen. De rug licht-grijs met
-een smal dons van wit bont als rand er omheen. Het borstje licht
-vuurrood, sterk hel, en ’t buikje zwart. Het rood is ’t innigste en
-vlamt boven de andere kleuren uit.
-
-Dit is een van die vogeltjes, die je plotseling in een wolk uit
-rood-bebloesemde dadap-boomen ziet vliegen, en zóó schitteren hun
-borstjes in de zon, dat ze zijn als vliegende, roode bloemen, die van
-louter vreugde opeens opjubelen in de lucht....
-
-Stil, voorzichtig, heb ik zitten spieden. Het keek in een kelkhart,
-pikte even, en dan, trip, op een ander. Zóó licht is het, dat de lichte
-bloem bijna niet beweegt. Dan, ineens, wiet! weg, en daar gaat het, als
-een fonkelende vonk vuur, rank, kleurig gelukje, hoog in de lucht....
-
-
-
- 23 October.
-
-Van ochtend vroeg stond ik op het terras vóór het Hôtel, en zag vèr
-over de wereld beneden mij.
-
-Klaar en luister was de morgen boven de lichte vlakte van het paradijs.
-Een wijde schittering van kleuren, geel, en groen, en goud, van
-dauwe-vochte sawahs en velden in de zon.
-
-Het dal tusschen Ardjoenå en Tĕnggĕr, daar in het zuidwesten, waar
-ergens Malang ligt, is een bed van sneeuwen wolken, glinsterende
-prachtwolken, als glanzend blanke stoom opgehoopt, in stralende glorie.
-Daarboven rijst de Ardjoenå lichtblauw in de jonge lucht.
-
-Hoe stil en heilig ligt dat sneeuwen wolkenlandschap daar, door glans
-van eigen goedheid gedragen! Roerloos ligt het te schitteren in zijn
-vlekkelooze schoonheid, en toch beweegt het, ziet hoe langzaam,
-langzaam drijvende die blanke lichtwolken zweven àf, en zachtkens vèr
-en verder, rijende tot eindelooze krans van sneeuwen bloemen in de
-lucht! Rondom, wijd uit—van het donzen dal is het aangekomen—droomen
-die blanke lichtengelen door de hemelen, in schitterende gewaden, en
-verzweven zoo zachtekens, zoo zachtekens boven de zonnige vlakte, naar
-de horizonnen van de zee.
-
-Vèr over die verre wateren, die lumineeren van bevend licht, het
-goudgroene eiland Madoera, vaag en weifelend als een zachte belofte van
-liefde....
-
-
-
- ’s Avonds.
-
-In de late schemering weer op het terras, en.... wonder! wonder!
-
-Waren uchtends die witte wolken uitgevaren, in zoo kalme, blanke
-pracht, en dreven luchtig van boven de vlakte wèg naar de zee, in zoo
-blinkende vreugde, nu is het donkere lijden in de hemelen gekomen, en
-weedom waart rondomme.
-
-Ziet, loome en droevig zweven de smartwolken aan van de zee, langzaam
-drijvende naar het dal, waar ze doodmoê gaan liggen, somber-donzende de
-een op de ander, een donkere droom.
-
-Die zwartende sneeuw daalt over het duistere dal, zwaar-gedragen. Het
-groote godenlichaam van Ardjoenå is van die droefenis overtogen, maar
-zijn heilig hoofd heft hij kalm en statig daarboven, en in een eenzaam,
-wijs gelooven rijst hij rustig boven het donkere leed. Om zijn trotsche
-toppen een zwevende wolkenwade, die het scherpe verreint tot een
-effenheid van zachte, gelatene lijning. Lichtgrijs staat hij verrezen
-tegen donker-leiblauwe lucht.
-
-Lange sleepgewaden waaien wijd over de vlakte, wuiven en wuiven,
-verglijden langs dalen en ravijnen, en trekken rekkend, langzaam
-langend òp tot hooge hellingen.
-
-En daar vér, vér, achter nevelsluieren, die vaag waaiende heen en weer,
-de zee, in duisteren deemoed....
-
-O! Het doodsdroeve, stille lijdensdal daar beneden, onder het grauwe
-dek van sombere wolken-sneeuw, zoo donzen-donker, en eindeloos
-zacht!....
-
-Maar, wonder van genade, in ’t Oosten, in reflectie van zinkende zon
-achter Westerbergen, hóóg in de hemelen, één groote, blanke triomfwolk,
-schitterend met gouden randen, door een innerlijken, heiligen glans
-gedragen, zoo hoog en veilig, vèr van het donkere leed, een mirakel van
-glorieuze goedheid in de lucht, rayonneerend en lumineerend als een God
-de Vader....
-
-Stiller wordt het, en stiller....
-
-Doodszacht, en langzaam verdonkerend tot zwartblauw de donzen
-lijdenswolken boven het dal.
-
-En de Ardjoenå, zoo wèl-bewust, en gansch gelaten, rijst nog altijd met
-omsluierd hoofd boven dat hooger en hooger stijgende leed, en ziet met
-een subliem, wijs gelaat in de eindeloosheid, eenzaam en grandioos
-boven de werelden. Een groote wijding beeft om hem heen....
-
-In de verte kwijnt de slanke kegel van den Penanggoenan langzaam àf in
-het waze; nog èven, èven, en zinkt zachtekens weg in het niet....
-
-Zwaarder en zwaarder daalt de avond-nacht met sombere schaduwen....
-
-En plots, uit de groote schitterwolk, weerkaatsend over al het donzen
-donker met rillend huivertrillen, schiet de blanke bliksem door de
-hemelwerelden, straal-vliegend door het firmament.
-
-Even beeft het over het wijze hoofd van den Ardjoenå, met wonderen
-glans....
-
-En, zóó verrezen, drâ weer weg boven de èven lichtende bliksemsneeuw,
-de zachte, blauwe golvingen van den Kawi, die ligt als een slapende
-Maagde in den nacht....
-
-Somber gromt de donder mompelend over de donkere bergen, met
-droef-sonoor oproer-gerucht roerend de lucht....
-
-Dàn is het weer stil, en geen geluid stoort het zware zwijgen. Donkere
-schaduwen waren rond, als sombere giganten. De schitterwolk wordt zwart
-en zwarter, en zijn glans vergaat....
-
-Maar, hoog en vreemd, in open-drijvend hemelmeer van ernstig blauw, één
-stille ster, zéér rustig en sereen.... Het droeve wereld-leed is daar
-gansch vèr beneden en zij staat daar, veilig en onvervaard, een wonder
-van goedheid in de lucht. Lichter en lichter straalt zij, nu het
-duister al zwaarder en zwaarder neêrzijgt over de wijde wereld-nacht,
-zijn breede, zwarte wieken spreidend boven den donkeren chaos van
-wolken, wijl de bliksem bij korte poozen zijn wit-stralend licht flitst
-boven het diepe, droeve Niets van nacht-mysterie....
-
-En ik, moede zwerver, sta daar, bang bevangen boven die eindeloosheid
-van donker lijden, waar mijn ziel van weent.
-
-Eenzaam en grandioos ligt de sombere wereld-droom aan mijne voeten....
-
-
-
-Met een vreemde beklemming bevangt mij de gedachte dat dáár, vèr in ’t
-Zuiden, waar de hoogste bergruggen uitloopen in kringvormigen rand,
-ergens in een diep, diep dal, de wijde zandwoestijn moet liggen, waar
-de sombere Bromo broeit. Ik hoor er elken dag over praten door
-menschen, die er geweest zijn, en elken dag lees ik er over in
-Junghuhn’s werk.
-
-De Dâsar, of Zandzee, [5] een zandvlakte van een gehééle geographische
-mijl middenlijn, is ééns één groote krater geweest, de groote krater
-van den Tĕnggĕr! Later is de ontzaglijke krater met zand bedekt, maar
-nieuwe kraters vormden zich in die woestijn, de Widodaren, de Giri, de
-Bromo, de Batok, de eerste drie bij de eruptie vretend in elkaar, de
-laatste apart en ongeschonden. De Bromo alleen is nog actief, en werpt
-dikke rookwolken op, somtijds—om de zeven jaren, hoor ik—uitbrekend in
-eruptie.
-
-De reizigers gaan van hieruit naar den Moengal-berg, aan den
-Noordelijken kraterrand, om langs den Moengal-pas af te dalen in de
-Zandzee Dâsar.
-
-Maar het mooiste gezicht op de zandwoestijn moet zijn van den hoogsten
-bergtop in het Zuid-Oosten, de Penandjaän.
-
-Vanuit den Moengal en den Penandjaän moet ook de Semeroe te zien zijn,
-of Maha-Meroe, de hoogste vulkaan van Java, altijd door in werking.
-
-Als ik zoo het groote licht hier zie over de bergen met blinkende
-koolvelden, en de kuische tjemårås staan zoo teer tegen de blij-blauwe
-lucht, alles zoo vol vreugde en leven, dan word ik bang bevangen door
-het denkbeeld dat, dààr, achter de hooge bergwanden van ’t Noorden, in
-wreede, diepe wonde, steil in dal van afgrond, die dorre, grauwe
-woestijn ligt, met dien somberen, rookenden vulkaan, en het wereld-vuur
-brullend en broeiend onder de aarde.
-
-Het moet wel zijn als inééns de dood na het lichte leven, als de zonde
-na heilige deugd, als het kwaad, grimmig en fel, na ’t warme, zachte
-goede.
-
-Een duitsch reiziger noemde het hier dan ook „Ein Paradies am
-Höllenrand,” hetzelfde wat een bekend geograaf van de Sandwich-eilanden
-zeide.
-
-En het enkele idee van die wijde, wijde woestijn, dáár ergens achter
-die hooge bergmuren, vermengt het lichte geluk om al het schoone rondom
-met een droeve, altijd-door terugkomende sensatie van sterven, en
-vergankelijkheid, en zonde.
-
-Somtijds, heel zelden, stijgt plotseling een groote rookwolk,
-zwaar-grijs, triomfantelijk boven de donkere bergkammen in ’t Zuiden,
-opgerezen uit den somberen muil van den krater, diep uit het vuurgewoel
-der brandende aarde......
-
-
-
-Vanavond, op het terras vóór het Hôtel, uitziende in de schemering, na
-zware regenbuien, en verwachtend niets dan dikzwart donker, half bang
-even kijkende. En plotseling, o heerlijk wonder, een apothéose van
-teederheid.
-
-Door den regen ópgeklaard tot allerteêrsten, zachtst schitterenden
-staat, was de verreinde avondlucht vaag wemelende over de wereld daar
-vèr, vèr beneden, bevende in zóó broze breekbare essence.
-
-De kuische atmosfeer van schemering was als een reine engelen-aether
-over verheerlijkte regionen. En in die wijding van trillend,
-doorschijnend licht lag de vlakte, in zacht avondblauw, zóó
-wondervreemd, in zóó subtiele, vaag vervluchtigende kleuren, dat het
-geen werkelijkheid meer leek, maar een goddelijk visioen.
-
-De Ardjoenå, èven maar zichtbaar, waasde weifelend in het duister van
-de hemelen, en de maagdelijke lijn, die van zijn hooge toppen af droomt
-langs de vlakte, om dan zacht óp te vleien naar den kuischen
-Penanggoenankegel, vèr en vèr, beefde door de lucht in zachte
-verteedering, als een vage melodie....
-
-Ik staarde, en staarde, en kón het niet gelooven, dat zóó schoon mijn
-wereld was. Even zag mijn ziel de ziel van het avondlandschap, zoo
-eerwaardig opgeschenen in dat heilig uur, die zich in zóó groote
-teêrheid wel even, in allerreinste essence kon geven....
-
-Toen verging het zachtjes, in vage wazing, langzaam en voorzichtig,
-droomelend weg in dommelend vervlieden.... Zóó ging het vàn mij,
-zachtekens verzwevend, als alles wat héél schoon is, te broos om lang
-te wijlen.... En een ijle, witte nevelwade voer loome aan, van vèr uit
-de zee, en hulde het alles kuischelijk in blanke gewaden, fijn als
-engelen-sluieren, in zachte schittering van transparant licht, onder
-het teeder doorbreken van een milde maan....
-
-
-
-Den gehéélen middag had het geregend. Om half zeven ging ik nog even
-wandelen in ’t Leverlaantje. De avondhemel was zacht opgeklaard, met
-vegen wolken, en van een diep, ernstig blauw, met hier en daar vage
-vlagen rood en rose. Ik wandelde even door het intieme, vertrouwde
-laantje, zachtjes dalend. Peinzend op den heuvelrug rechts boven mij
-een groep stille tjemårås. Hun roerlooze vederpluimen bewegen niet in
-de zachte lucht. Een vrome wijding beeft om hen heen. Zacht vallen de
-regendroppelen, met licht gerucht. De ravijnen links zijn donker, met
-de zwarte contouren van boomen vaag te zien in het duister.
-
-Nu, een hoek om, en dan ineens, recht voor mij uit!
-
-Hoe ontzaglijk golven de donkere ruglijnen der bergkammen, een sombere
-melodie in het avondblauw! Overal, ringsom, die hooge muren, zwart en
-somber. Ziet, in het Zuid-Oosten, de ópblokkende massa van den
-Penandjaän! Ik weet, ik weet, daarachter ligt de vale Vallei des Doods!
-Maar naast mij weer de kleine dennen, met hun neêrhangende vedertakken,
-onbewegelijk. En hoor! hoor! het beekje ruischt in ’t ravijn beneê,
-murmelend lief mysterie, dat niemand weet....
-
-Hoog in de bergen, bij Wonokitri, lacht een jongen, en jodelt hoog in
-de lucht.... Dàn even stilte.... En vér beneden, in ’t ravijn,
-antwoordt een ander....
-
-Ziet, een ster blinkt met zachte praal hoog in ’t pieuze donkerblauw
-van den avond....
-
-Het is stil nu, en ik ben zoo gansch alleen. Vèr zijn de geruchten der
-wereld....
-
-En, in de zachte daling van den nacht, met die roerloos staande boomen,
-onder het ritselend vallen der reine regendroppen, komt een oud leed
-langzaam opwellen naar mijn oogen, het leed om de Eéne, die lang
-verloren, maar nooit vergeten..
-
-En het is mij opeens, als voel ik om mij henen de essence van wat het
-edelste en immaterieel in haar was, en wat onvergankelijk is. Neen,
-nooit, nooit kan het sterven, en het is nu bevende in het ernstige
-schoon van de werelden, waar het ééns van uitstraalde in háár teêr,
-bloemeblank lichaam, en toen weer zacht henedroomde, puur en onbesmet,
-in allerreinsten staat....
-
-
-
-Ik begin nu kleine wandelingen te maken.
-
-Den weg achter het Hôtel loopende, en nu niet links afslaande naar het
-Leverlaantje, maar recht door, kom ik langs het berri-berri-gesticht en
-de dessa Ledoq. Daar wordt het pad smaller, en begint te dalen,
-plotseling àfloopende in een smal, nauw dal tusschen hooge, massale,
-zwaar-schaduwende bergen.
-
-Overal, rondom, in ’t hooge, rijzen de sombere gevaarten, met breede
-hellingen vol koolvelden en rijen tjemårås. Ik zie het, klein, van
-beneden eerbiedig aan.
-
-Hoe kalm en eenzaam hier!
-
-Een beekje klatert stil-kletterend van rotsen, en vult de ijle lucht
-met zacht gepraat.... En hoor, daarginds, nòg zoo’n vaag-murmelend
-geraas... Twee stemmen in de stilte, zoo rustig, zoo stemmig
-bescheiden....
-
-Nu even hier zitten op een grijs rotsblok, met het water onder mij
-door. Die heilige, zware, zwijgende stilte rond-om!.... In de verte
-alleen nog het zacht-bronzen klokgeklingel van een pikelpaard.
-
-....Héél ver en hoog, langs het steile, smalwindende pad van Ngadiwono
-om den bergwand, komt een paardje, beladen met gras, voorzichtig
-stappend, voorzichtig.... Hoe ernstig klinkt dat klokje om zijn
-hals!....
-
-Hoe plechtig staan die stille, wijze varens langs de hellingen, wijd
-uitplooiend hun wuif-waaiende waaierbladen! Hoe innig staan de ranke
-tjemårås omhoog naar het licht!
-
-En die lucht, die heerlijke, goedertieren, versterkende berglucht in je
-longen! Je voelt het pure leven wijd-ademend in je lichaam vloeien.
-
-Die koelte, die kalmte, die reinheid, die rust! O! ik dank u wel zéér,
-Gij die dit alles gegeven, uit Wien ál deze weldaden zoo gul
-gevloeid!.... Luister nu, luister naar ’t zacht gepraat van het beekje,
-dat in vreugde-ruischend rythme langs de rotsen schiet, en heel de
-lucht wordt melodieus van zijn lief gerucht....
-
-Heb ik ’t dan nu eindelijk gevonden?
-
-Niets dan dit:.... de blauwe zomerhemel, de goede bergen, de heilige
-boomen naar ’t licht, en ’t wuivende groen....
-
-Dit is het ware, simpele leven. Ik ben een rustig, rein kind van de
-Natuur. Ik ben als een boom, als een blanke bloem in dit schoon....
-
-En mijn goede Moeder buigt zich zacht over mij heen, licht en
-liefelijk....
-
-
-
-Wat hebben al die dessa’s hier dichterlijke namen! b. v. Tosari, dat
-wel een afkorting, of samentrekking zal zijn van Kertosari, beteekent,
-„heilzame bloem;” „bloem, [6] die heil aanbrengt.” Telogosari beteekent
-„bloemvijver” (in het bosch of struikgewas); Baledono „een rustplaats
-(divan) gevend;” Wonokitri „een bosch van vruchtboomen;” Proewono
-„reeds van de vroegste tijden bestaan;” Sedaeng „plaats waar
-buitengewone sirih groeit;” Ngadiwono „gelijk een bosch;” Ngadisari
-„gelijk een bloem;” Kertanom „heilrijke jeugd;” Wonomerto
-„heilaanbrengend bosch;” Nongko Djadjar „nangka-boomen, op rijen
-geplant.” En, eigenaardig, de hooge dessa Pådåkåjå, in ’t Zuiden
-tegenover ’t Hôtel, heet „allen even rijk,” een bijnaam, spottend door
-de andere dessabewoners gegeven, toen deze dessa het eerst een gamĕlan
-had aangeschaft.
-
-De Tenggereezen, die hier wonen, het overblijfsel van de Boeddhisten,
-voor den Islam hier naar de bergen gevlucht, zijn een eenvoudig
-natuurvolk, weinig hartstochtelijk, en simpel van zeden.
-Vrouwen-perkaras komen hier nooit voor. Diefstal is zoo goed als
-onbekend, en de huizen zijn ’s nachts voor het meerendeel open. Alleen
-dáár, waar het volk met Europeanen van nabij in aanraking komt, b. v.
-in de dessa Tosari, is het wat ontaard en bedorven. Maar dieper de
-bergen in, is het weer beter.
-
-Als ik zoo het harde, simpele leven zie van die eenvoudige bergmenschen
-hier, dan schaam ik mij over het weeke, onnatuurlijke van ons zoo
-verfijnd bestaan. Misschien zijn die menschen in hun ruwheid en
-onwetendheid, toch heel wat zuiverder dan wij, omdat ze bijna heelemaal
-één zijn met de natuur.
-
-Vanochtend zat ik weêr in het dal bij de watervalletjes, op den weg van
-Tosari over Ledoq naar Ngadiwono. Overal in het rond de hoog-rijzende
-berggevaarten, die het dal ringsòm omsluiten, met de blinkend groene
-koolvelden tegen de hellingen.
-
-Wat jongens boven in die velden, zij jodelen en zingen van pleizier,
-schelle keelgeluiden, hel door de ijle lucht. Zij die nog aankomen, vèr
-beneden langs smalle paadjes, zingen lagere, somberder tonen. En ’t is
-merkwaardig, hoe harmonieus dat gezang samensmelt met het murmelend
-geruisch van de watervallen, met het bronzen klokgeklingel van
-paardebellen, met het zacht gonzend metaalgezang van den wind in
-dennen..
-
-Daar komt een vrouw aan, in donkere lompen, een zuigeling vastgesjord
-op den rug. Achter haar een meisje van een jaar of acht, óók al met een
-klein kleutertje op den rug. En een naakt klein kereltje er springend
-achter. Ze dragen messen en sikkels, gaan hout hakken en kool snijden,
-hoog in de bergen. Hoe resoluut stappen zij voort, de vrouw diep
-gebogen, in tegenwicht voor het kind op den rug; hoe vlug gaat het den
-berg op, zonder morren, gewoon als zij zijn aan het zwoegen, gansch
-onvervaard....
-
-Nu komt een oude inlander op een klein, vuil paard, op een hard, houten
-zadel. Hoe het beestje dapper het steile pad opklimt, zoo vlug en toch
-voorzichtig zijn pooten zettend op den rotsigen grond!
-
-En nu, ineens, ik kijk er verschrikt van op, een mooi kind van den
-Tĕnggĕr, een meisje van, geloof ik, veertien jaar, groot en sterk.
-Zooals ze daar met den mooien berggang, diep in de knieën zinkend,
-omhoog loopt. Een prachtige, donkerroode gloedkleur op het bruine
-gezicht, en haar groote, zwarte oogen vol glans van de zon. Ze heeft
-een langen, puntigen stok in de eene hand, een kleine sikkel in de
-andere. Ze is vuil, maar van een grandioze vuilheid. Er is iets
-heerlijk gezonds, jongs, krachtigs aan haar. Je kunt zien, ze is al zoo
-wat één met de bergen, de vruchtbare aarde, en de reine lucht, ze lijkt
-er zóó uit ópgebloeid vol sterk, zwellend leven. En ik voel ineens een
-vreemde sympathie voor haar, een warme aantrekking voor al dat
-natuurlijke, hartelijke, gezonde.
-
-Daar gaat ze, mijn brave meid, met stevige stappen den steilen berg op,
-doorneigend in de knieën, zoo heelemaal aangepast aan al het sterke en
-zuivere van de natuur om haar heen, een kind van den Tĕnggĕr....
-
-En opeens, ze weet het zelve wel niet, zingt haar schelle, hooge
-sopraan een jodelenden jubel in de lucht, onbewust, zooals een vogel
-wel zingt tegen het licht. Tonen van trillende vreugde in het leven,
-van heerlijk gezond plezier om het mooi rondom, van zelf opgeweld uit
-haar jong, onbezorgd gemoed.
-
-Zóó gaat ze me jubelend voorbij, de stevige borsten gespannen,
-trillende in het half-open baadje, haar jong, mooi meisjeslichaam
-zwellend in welige vormen, haar krachtige heupen nauw omsloten door de
-strakke sarong, met de prachtige, gespierde beenen naakt in de zon,
-vliedend zoo vlug en geruischloos over den rotsigen grond....
-
-En dit is misschien de eerste keer, dat ik een zuiver, gezond meisje
-gezien heb, zooals het, simpel en onbewust, bedoeld is, in de pure,
-reine, goddelijke natuur....
-
-
-
-Niets dan dit:
-
-Ik zit in het eerste priëel op het terras, het mooie, dat zoo dicht
-omlooverd door indische kers. Het is bijna nacht. Vèr, in
-maanlichtwaze, de al-goede Ardjoenå, die uit lichten nevelwaduw rustig
-rijzend, het godgenadig hoofd opricht, in kalm geheven staat....
-
-Vlak vóór mij een groote, wijze varen, wijd-uitspreidend zijne
-prachtwaaieren in ’t maanlicht, in rein zich geven.... Zóó is het goed,
-zóó is het goed, en zij beweegt niet in de stille lucht, zóó gansch
-tevreden....
-
-Een krekel neuriet zacht in ’t gras, en piept de diepe stilte somtijds
-dieper, stiller....
-
-De statige sterren klaar en pralend in egaal-blauwen
-maannacht-hemel....
-
-En, opeens bewust gezien, de zwaar-zwartende golflijn van den bergrug
-links, in ’t Westen, zoo donkerscherp tegen de lichtende lucht. Dat
-zware ópgaan, dat zwijgend rekken, dat zacht weer neer, want wel
-moéten, maar toch weer strekkend rekken, rekken, rekken, angstig zwart.
-Ai! het scheurt de stille lucht....
-
-En een vreemde angst bevangt mij, zóó dat ik huiver, en ijlings terug
-vlucht waar het huis is, waar de lampen branden, en misschien nog
-menschen zijn....
-
-Dáár is de vreugde en ’t leven.... En Mary.... En Annie, die lieve
-vrouw.... Zou zij er nog wezen?.... Zou zij nog niet zijn slapen
-gegaan?... O, nú haar rank, lucht figuurtje, nú haar vriendelijk
-gezichtje met den warmen, lichten lach!.... O, nu wat liefs en zachts
-voor mijn arm, kloppend hart!....
-
-
-
-Weêr een wandeling in het lievelingspaadje, bij vallenden avond.... Het
-Leverlaantje.... Overal die hooge, hooge bergkammen.... Die weggetjes
-daar zoo zacht tegen.... In de ravijnen hangen zware nevelen,
-onmerkbaar langzaam stijgende.
-
-Zóó loopen droomelen, zonder eigenlijk te weten van wat rondom. En in
-eens:
-
-O! hoe daar boven op dien donkeren bergrug, tegen zilverparelige lucht,
-hier en daar droef van moede, grijze wolken, de stille tjemårås staan!
-Zoo vreezeloos, en toch zoo diep in deemoed, staan zij te wachten, te
-wachten in het late licht.. Die fijne stammetjes, zoo teêr òpgaande,
-evenwijdig, zonder verschil, zoo zacht-tevreden! Die kuische takjes zoo
-zoet uitgespreid in dat parele, milde schemerlicht.... Die roerlooze
-vederpluimen, zoo plechtig nederneigend, in heilige stonde.... Zoo
-hoog, zoo vèr-hoog staan ze, op donkeren bergkam! Zóó rijen ze, hand
-aan hand, de liefelijk gelede, en kijken zoo zacht van uit die duistere
-hoogte, vèr in het eenzame eindeloos van de hemelen, onvervaard, en
-kalm als kinderen....
-
-En een groote teederheid daalt zachtkens over mijn hart.... O! om een
-lieve hand nu, om stil te strelen, o! om wat vriendelijk lachen nu van
-een milden mond, o! om een héél klein beetje geluk nu voor een armen,
-moeden zwerver....
-
-
-
-Vreemd, vreemd.... Ik begin mij zoo aan dat vroolijke vrouwtje Annie te
-hechten.... Ik voel me zoo blij, als ze ineens de kamer binnenkomt, en
-ze lacht me vriendelijk toe.... Het doet me zoo goed, in haar
-schitterende, donkere oogen te zien, en haar stem te hooren.... Ze is
-zoo iets echt gezonds, vol vreugde, en vol levenslust, er is iets van
-de reine berglucht aan haar, en de pure winden, en het blinkend
-groen... Ze hoort zoo heelemaal bij de eenvoudige, groote natuur hier!
-
-Mary plaagt me er al meê, en zegt, dat ik nog eens „verliefd” zal
-worden. Ik verliefd! Neen, dát is het niet, dat is héél anders. Maar
-wat is het dan?.... Het is, geloof ik, alleen het gezonde leven, dat me
-zoo in haar aantrekt, het simpele, onbewuste, zonder denken gelukkig
-zijn.... En toch nog iets méér ook....
-
-Maar ik wéét het niet, en ik behoef het ook niet te weten. Alleen voel
-ik heel vast en zeker, dat het rein is en zonder slechtheid. Ze is voor
-mijn ziel wat de zuivere, klare, pure lucht is voor mijn lichaam....
-
-
-
-Wij hebben nog een paar prettige menschen gevonden. Sophie Wouters, een
-allerliefst jong meisje, met haar broer Hendrik, een controleur. En we
-hebben afgesproken, met ons vijven een clubje te vormen om wandelingen
-en rijtochten te maken.
-
-Morgen gaan we naar den Penandjaän, om van uit de hoogte neêr te zien
-in de Zandzee. De dokter is bang dat het mij te erg zal aandoen. Maar
-ik zal het er toch op wagen.
-
-
-
- 2 November....
-
-Hendrik Wouters was een beetje koortsig vanmorgen, en zijn zuster wilde
-absoluut bij hem blijven. Ik ging dus alléén met Mary en Annie naar den
-Penandjaän. Wij namen shawls en wollen dekens en verwarmende dranken
-mee, voor de koû....
-
-Om half zes reden we al uit, met een gids voorop. Dáár ergens in ’t
-Zuid-Oosten, héél ver, ligt de Penandjaän, aan den somberen, hoogen
-kratermuur om de Zandzee. Dáár gaat op eens het gebergte open, in
-diepe, donkere wonde, waar in vale, veege vallei het vuur woelt onder
-de aarde.... Daár is het, dat de sombere Bromo broeit....
-
-Het denken aan dien duisteren krater, in de eenzaamheid van de
-zandwoestijn, beving mij met een angstige beklemming, zóó, dat ik het
-mooie om mij heen bijna niet zag. Ik weet, wij gingen in diep ravijn,
-en òp aan de overzijde naar Wonokitri, en vèrder en vèrder, met wolken,
-en bergen, en horizonnen rondom. Toèn, langs rotsige paden, ineens in
-een stil, vredig denne-bosch. De grond was zacht van de bruine naalden.
-Hoe stil en rustig werd het dáár! Hoe gracieus stapten de twee
-damespaardjes voor mij uit, en hoe vertrouwd en intiem was het, daar
-Mary en Annie zoo vroolijk pratend voor mij uit te zien rijden, in de
-rustige stilte van het dennewoud! Zóó klommen wij door het bosch den
-hoogen bergkam op naar ’t Zuiden. Die heerlijke, gezonde geur van de
-dennen.... En die stilte, die stemmige stilte rondom....
-
-Maar het angstige denken àldoor maar rondgaande in mijn hoofd, dat
-straks, inééns, in wreeden val, de aarde zal opengaan, naar wreede,
-droeve, vallei des doods....
-
-Ik hoor wel Mary en Annie zooiets zeggen van hoe mooi, en van
-edelweiss, en alpenkruiden, en viooltjes.... Ik zie ook de teêre,
-bleek-blauwe vergeet-mij-nietjes, bloeiend in het groen.... en even
-hoor ik het blij getjiep van vogels....
-
-Maar al dichter en dichterbij, zonder te zien, voel ik den krater. Mijn
-ziel voelt het sombere, donkere, zondige wat nu gaat komen....
-
-Dit lijkt wel uren en uren te duren, tot opeens, met een schok in mijn
-hoofd, het bosch opengaat, en een ijzige, scherpe wind snijdt fel om
-mijn ooren.... Een koude, wreede woestijn-wind, zonder erbarmen.....
-„De Goenoeng Pret,” zegt de gids. En wij staan bij den berg, aan den
-rand van den kratermuur.
-
-Opeens, een apothéose van verre bergen, van luchten, en horizonnen....
-Hoog in ’t Zuid-Westen rijst de blauwe Semeroe grootmachtig in de
-lucht....
-
-En beneden, beneden.... Maar „nog niet kijken” heeft een toerist in ’t
-Hôtel mij gezegd. „Bij den Goenoeng Pret nog niet kijken, als ge kunt.
-Dadelijk links af naar den Penandjaän gaan.”
-
-Ik voél, even, een duizeling, ik zie het vèr, vèr beneden, grauw, vaal,
-en des doods.... Een somber, veeg mysterie....
-
-Maar ik wend mijn hoofd om, en rijd, met afgekeerd gelaat, naar ’t
-Noorden, linksom een hoogeren berg op. Weer door boschjes, en wilde
-struiken, een moeilijk, steil pad, met de paarden voorzichtig, langzaam
-stappend, zoekend een steun met de tastende pooten.
-
-Dán ligt de Penandjaän-top voor ons, begroeid met ruw geel helm, als
-een duin.
-
-Nu klimmen, klimmen den kalen top op, de paarden moeilijk loopend door
-het mulle, witte zand. Stijgen, stijgen met een kouden wind snijdend
-langs je ooren, en een bange beklemming om je hart, een voorgevoel van
-iets verschrikkelijks dat komen gaat, iets ontzettend doodsch en ijzig,
-uit den Booze, dat straks inééns voor je oogen zal zijn.
-
-Dáár gaat het, langzaam, langzaam den hoogsten top op en, plotseling,
-een ruk aan de teugels, dat het paard steigerend achteruit wijkt, een
-duizeling in je hoofd, en het koude zweet parelend langs je slapen....
-
-Want dáár, diep, diep onder je, is het eensklaps wijd, vèr opengegaan,
-en, dreigend, in een ijzig, somber zwijgen, ligt de vale Vallei des
-Doods, de Zandzee Dasar....
-
-Een diep, roerloos meer, vaal blikkerend, grauw-grijs in kille
-verstarring, wijd-gapend in den afgrond beneden.... De zware, zondige
-stilte over dat eeuwig beslotene, het in woeste wanhoop verstomde
-zwijgen zwáár broeiend boven die veege vallei.... Is het een meer van
-ijs?.... Van onder giftigen adem roerloos geslagen water?.... Is het
-een wilde woestijn van zand?.... Diepe wreede voren rekken als stijf
-versteende slangen in alle richtingen er over heen.... Koud en
-genadeloos wreed blikt het vaalgrauwe woestijn-gelaat òp ten hemel, uit
-de donkere afgrond-diepte daar vèr, vèr beneden....
-
-Het ligt daar zoo gansch droef verloren, onverbiddelijk en
-onherroepelijk, in een sombere, genadelooze ommuring van hooge
-rotsgevaarten àlom. Als donkere, gigantische wachters staan aan alle
-zijden de resoluut-rijzende, steile berg-wanden, wakend over dat vale,
-veege dal des doods....
-
-Dáár, diep in dien wijd-uitgestrekten, eindeloos lijkenden afgrond
-rijzen, als mysterieuze, sombere eilanden, drie groote, grillige
-eruptie-kraters, ontzaglijk en satanisch grandioos. Geel-groen, met
-glinsterende kleuren als van slangen, de ruige tulband van den Batok,
-daarachter, naar ’t Zuid-Westen, de donkerzwartige, zwaar-geribde massa
-van den Widodaren, maar o! daar vooruit, naast den Batok, naar ’t
-Zuid-Oosten, de slijkgrijzige en vaal-gele krater van den Bromo, als
-een groote, gapende wonde met wreed-puntige omranding, een ding des
-doods, vol somber geheim....
-
-Langzaam, langzaam stijgt een blauwe rookdamp daaruit omhoog, rijst
-hooger en hooger, in trage, wanhopig-droeve rekking, spreidt zich wijd
-en wijder uit, en vaart in een statig-geplooiden wolkpluim, met
-vaal-gele glanzen, dreigend omhoog....
-
-Maar zoo langzaam, zoo langzaam, of de minste ontroering die kille rust
-der ijswoestijn verstoren zou, met de nauw merkbare, spookachtige
-beweging des doods....
-
-Moeilijk-zwaar wolkt de rook-kolom de lucht in. dof neêrgehouden door
-het ijzig zwijgen dat loom als lood over het dal van droefenis
-hangt....
-
-Leêg en kaal ligt de vallei, onder den druk van een eeuwigen,
-genadeloozen vloek.... Dit is de zonde, de donkere, sombere zonde, dit
-is het absolute, gansch volmaakte kwaad, waar nooit een zweem van ’t
-goede in kan wonen, dit is de koude levenshaat, de kille Gods-negatie,
-dit is dan eindelijk gezien, van aangezicht tot aangezicht, in
-onuitwischbaar, veeg visioen, het Rijk der Duisternis, het starre,
-naakte dooden-land van Satan, den valen vijand van het Licht en het
-Leven....
-
-IJzig snijdt de scherpe wind langs mijn suizende ooren, en loeiend
-galmt het langs de scherpe ruggen der berggevaarten. Een donderend
-gerommel mompelt dof-zwaar in de verte.... Is het de droeve beroering
-van ’t helle-vuur onder de aarde?.... Is het een onweer, broeiend in
-verre, donkere wolken?....
-
-De diepte trekt mij aan, het is om nu maar alle hoop te laten varen,
-en, gehoorzaam aan ’t duister Noodlot, met een angstig gillen in ’t
-donker omlaag te duizelen, waar de sombere zonde ligt verstard....
-
-Maar ’t leven is nog sterk in mij. Ik stijg van ’t paard, en deins weêr
-achteruit, ga voorzichtig zitten op een goed beschutte plek. Nu even
-niet meer kijken in dien afgrond, nu recht vooruit zien, zonder
-vreezen....
-
-En het is een apothéose....
-
-Vèr over het dooden-rijk zien mijn oogen in de levende wereld.
-
-Rechts, in ’t Zuid-Westen, vèr achter den kratermuur, in een licht,
-teeder blauw als van een maagde, rijst de ontzaglijke, zachte
-reuzen-bol van den Semeroe hoog in de hoogste luchten. Hij staat daar
-glanzend als een heilige Hemel-God, van majesteit overtogen. En ziet!
-met een machtigen stoot schiet een blanke licht-wolk uit zijn top, een
-sneeuwen smettelooze puurheid, fèl in de lucht. Hoe triomfantelijk
-vliegt die witte rook-panache in de lichte hemelen, ziet, hoe zij zich
-plooit, en spreidt, en kronkelt, hoe dat blinkende, schitterende wezen
-daar ópdroomt in de hoogste sferen, en dan langzaam, langzaam
-henedrijft, in wuivend, wit gewaad, stralend van zoo statige, blanke
-glorie......
-
-Links, vèr in ’t Oosten, rijzen grillige, kartelige berggevaarten aan
-den horizon, de reuzen-massa’s van het Yang-Plateau, de Argapoera, en,
-dichterbij, de blauwe kegel van den Lamongan, een rookwolk om zijn
-top....
-
-Nu even òmzien, met den rug naar den grauwen afgrond, naar den kant van
-waar wij zijn gekomen.
-
-Dáár liggen de golvende bergkammen, en de ravijnen, daar blinken de
-prachtige dessa’s, en vèr, vèr schemert de vlakte, en de zee, en ziet!
-rijst daar niet, in ’t allerverste Westen, aan den lichten horizon,
-Ardjoenå’s goddelijk lichaam in maagdelijk blauw omhoog, met een
-blinkende glorie van witte, pure wolken droomende om zijn statig
-hoofd?....
-
-Het is of de wereld nu àl grooter wordt, àl grooter.... het is of mijn
-ziel zich nu àl wijder spreidt, àl wijder.... Het is zoo zalig en zoo
-rijk van licht, het is zoo in volmaakte, grenzelooze goedheid uit een
-God gegeven, het is blinkend, het is aanbiddelijk, en het is
-eindeloos.... Is het niet, om nu ál hooger en hooger òp te rijzen,
-hooger dan deze hoogste top van den Penandjaän, en met een luiden jubel
-in de lichte hemelen te vergaan!....
-
-Zóó sta ik lang te staren, totdat ik mij eindelijk weer omwend. En het
-is als een wonder, opeens gebeurd. De lichte Semeroe is verdwenen
-achter nevelen, de verre apothéose in het Oosten, van het Yang-Plateau,
-wordt door wolken verduisterd.
-
-Beneden, in het doodendal, is het nog donker licht. Over mij, in ’t
-Zuiden, staat de Ider-Ider-muur nog onbeneveld, recht omhoog; de
-Moengal-muur, naar rechts in ’t Noorden, begint te deinzen in een
-fijnen mist, en vèr in ’t Westen is de Idjo al niet meer te
-onderscheiden.
-
-En nu zie ik voor het eerst, daar vlak beneden mij, den lagen wal, die
-in een bijna rechte lijn de Noordelijke en Zuidelijke muren van den
-kraterrand verbindt. De Penandjaän, waar ik sta, is al over den wal
-heen, aan den overkant is de hoogste Ider-Ider berg, de Poendaq-Lemboe,
-al van een wolkensluier overtogen.
-
-Die wal, de Tjemara-Lawang, de scheiding van een paradijs en een hel!
-Rechts ligt de vale vallei der dooden, naakt en kaal. Links, boven de
-lava-beddingen, van den wal, liggen àl bloeiende terrassen en velden,
-rijk begroeid, en blinkende van lichte, gele en groene kleuren. Het
-stralende, glanzende Leven, vlak aan den rand van den Dood....
-
-Maar dra verdooft nu ook die glans van blijde weelde. Want van den
-Tjemara-Lawang komt het nu aan, daar komen de grijze, vale
-wolken-nevelen aan....
-
-En ’t is of ’t Licht nu wel voor goed daar sterven zal, want langzaam,
-langzaam begint het wreede spel des doods.
-
-Als vage geesten drijven de grauwe nevelen, over den bloeienden
-paradijswand, naar de duistere vallei. Hoe langzaam, langzaam schuiven
-zij voort, en waaien traag en troosteloos over de starre, kille
-woestijn! Zij wolken in de laagte, maar rijzen weer terug, zich
-òpstrekkend tegen de muren, met gebaren als van hopeloos smeeken en
-droef weêr vallen, zij wijken weêr rechts en links, kruipen angstig
-over de kraters, en zinken geruischloos weêr neder in het dal. Het
-lijken geen wolken meer, het zijn de vale, droef-verdoemde geesten van
-dit duistere rijk van den Booze, die daar eeuwigzwijgend rondwaren in
-de vervloekte doodenvelden, eindeloos en onherroepelijk verloren....
-
-De slijkgrauwe wonde van den Bromo gaapt nog door de wolken-warreling
-heen.... Nog éven lichten de groene en valsch-gele ribben van den
-Batok. Op den Widodaren [7] zetelen de zwarte, donkere wolken-massa’s,
-in somberen triomf.
-
-En altijd de doffe, blauwe rook-kolommen, met gelige glanzen,
-langzaam-traag ópstijgend uit de duistere diepten onder den Bromo,
-treurig wègdrijvend door den mist, met de wanhopige, troostelooze
-traagheid des doods....
-
-En het loeiend metaal-gezang van den wind langs scherpe bergruggen....
-en het rommelend mompelen van verren donder....
-
-Het trekt mij aan, met een vreemde bekoring, als van haat, en negatie,
-en zonde. Ik voel mij buigen naar het wolken-omnevelde dal in den
-afgrond beneden mijne voeten....
-
-En het is als boog ik mij nu droevig over mijn eigen ziel, en of het
-mijn eigen, eenzaam leven is, daar zoo ganschelijk verloren, in dorre
-woestenij....
-
-Zóó, koud-negeerend, zonder liefde, met het warmste en allerbeste
-kil-versteend, verteerd in zich zelf....
-
-Maar ik wil dien dood niet, o! ik voel het nu, ik haat het, ik haat dit
-schoon, dat uit den Booze is, ik haat den dorren, starren dood! Nu ik
-hem heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, in zijn koud, vaalbleek
-nacht-gelaat, nu haat ik hem, en ik wil het leven weêr, het Leven, het
-Leven!....
-
-
-
-Toen,.... een lieve, vriendelijke stem, een stem als uit heel oude
-tijden, lang geleên....
-
-En Annie zit naast mij, boven het dorre dooden-dal. Zij kijkt nu niet
-kluchtig meer, er is een zachte, teedere uitdrukking in haar oogen.
-
-„Wat rilt u,” zegt ze, „is de koorts weer terug?.... Kom maar gerust
-hier bij me liggen in mijn schoot.... hier heb ik een warme wollen
-deken.... Mary haalt wat wijn bij de koelie’s, dat zal u goed doen....
-wat is uw hoofd koud, en wat ziet u bleek!.... kom nu maar even bij me
-rusten.... en nu niet meer naar beneden kijken..”
-
-Ik schrik op, als uit een bangen, boozen droom.. Haar lief, vriendelijk
-gezicht, haar warme stralende oogen.... Zij is de blijheid, en de
-vreugde, en het geluk.... Zij is het lachen, en het licht, en het
-leven.... En het roept mij, het roept mij, hoor! het Leven roept mij
-terug!....
-
-
-
-Toen heb ik mij afgewend van het droeve dal des doods, en mijn hoofd
-heb ik heel stil gelegd in haar veiligen schoot..... Ik voel, hoe zij
-bezorgd de warme deken over mij uitspreidt, ik hoor de muziek van haar
-stem, die mij zegt te rusten.... te rusten,.... ik wil niet den
-duisteren dood, maar het Lichte Leven,.... en zachtjes, zachtjes lig ik
-te snikken, te snikken van vreugde en berouw, met haar handen
-lief-troostend op mijn hoofd....
-
-
-
-Nu is het inééns bewust in me, als een groot licht na lang, lang
-duister over mijn arm hart: „Ik hoû van haar, ik hoû van haar!”
-
-O! ik hoû van haar, omdat mijn hart weer sterk en jong is, en weer
-lieven kan; het is door de groote kracht, die de milde lucht mijn lijf
-gegeven heeft, en haar lichte lachen mijn ziel. Ik hoû van haar, omdat
-de wereld zoo eindeloos schoon is, omdat het groen zoo blinkt, en de
-blanke bloemen, omdat de vogels zoo zingen in de boomen, omdat de
-bergen zoo hoog ten hemel staan, en zoo zalig glanst Gods groote licht
-over de schitterende vlakte en de zee.
-
-Ik hoû van je, inééns, inééns, mijn lief vrouwtje, dat àl maar lachen
-doet en, gansch niet wetend, je vreugde zingt door het wereld-leed. Ik
-hoû van je, omdat je lief tegen me geweest bent, waar jaren lang mijn
-hart alleen maar droefenis kende en sombere gepeinzen; omdat je heel
-niet bang was voor dat strakke kijken van mijn donker gezicht; omdat je
-zoo vreezeloos je zachte handjes gelegd hebt op mijn arm, moê hoofd,
-dat maar niet rusten kon.
-
-Inééns heb ik het gezien, in je oogen. Ik vond je vroeger leelijk, mijn
-lief, klein vrouwtje, met je bleeke wangen en die oude trekken om je
-mond. Ik kon het toen nog niet zien, wat achter je oogen was. Je
-zachte, zuivere ziel zag ik niet, die onbesmet was van het leven, en
-waar Gods licht mysterie ongerept in woont. Dat heeft het droeve
-vrouweleven, en de hartstocht waar je doorheen gegaan bent, toch nooit
-in je kunnen dooden, het lieve, zachte, milde, maagdelijke in je, dat
-je voor den eersten keer aan mij gegeven hebt. Die lieve gratie is in
-het geluid van je stem, mijn lieveling, en in je zachte bewegingen, als
-je je hand even over je voorhoofd strijkt, en als je een bloem plukt
-met zoo teêre vingers, en het is in je voetjes, die gaan zoo zachtekens
-op rythmischen stap. Zóó teeder-lucht beweeg je, als een lieve melodie.
-Alleen je zien is al zoo zalig, en mijn ziel beeft vol van vreugde, als
-je lichte lichaam vóór mij zweeft.
-
-Heb je me dan weêr jong en sterk gemaakt, mijn vriendelijk vrouwtje,
-jij zoo klein en broos maar, ik zoo donker-groot? Heb ik dan ál die
-jaren in mijn sombere gepeinzen gansch niet meer geweten wat het leven
-was, en heb jij met één vriendelijk knikje en één zachten handdruk mij
-dan weêr geleerd dat leven lieven is en Liefde ’t eenig doel van ’t
-wereld-wezen? Ik begrijp het nog niet goed, mijn lieveling, ik kan het
-nog niet goed gelooven. Wat is toch in je, dat mij zoo bevangt van lief
-verlangen? Je weet zou weinig, en toch weet je méér dan al mijn droef
-gevonden wijsheid. Want je zacht gezicht ziet zoo blij en vreezeloos in
-de wereld, en het mooie om je heen maakt je zoo dankbaar, dat je ál
-maar liefelijk-lachend door de lichte dagen gaat, met zoete gratie, als
-één van Godes engelen, wier ziel een lichte vreugde is van zalig
-rein-zijn.
-
-Nooit droomde ik, dat dit nog ééns voor mij kon komen. Ik dacht, de
-droeve dood was alles wat mij nog kon wachten.
-
-O! die eenzaam-stille nachten, bij ’t bleeke lamplicht in zoo duister
-peinzen, met al die troostelooze boeken, waar geen liefde uit sprak!
-Mijn aangezicht was bleek, mijn liefste, en mijn oogen stonden droeve.
-Mijn hart, het klopte maar zoo traag, en van verlangen ganschelijk
-ledig kwijnde klagelijk mijn ziel.
-
-Is het de goede bergwind, die de nevelen uit mij waaide? Is het de
-nieuwe, warme kracht, die in mijn aderen stroomt? Of is het enkel jouw
-lichte lachen, en al die zoete muziek van je lieve stem? Hoe heb jij
-dat gedaan, mijn ranke vrouwtje, het jonge leven weer te wekken in mijn
-stervend hart? Zoo klein ben je, en zoo broos. Je handjes kan ik wel
-breken in de mijne, je hoofdje reikt maar éven aan mijn schouders, en
-ik zou heel bang zijn om mijn sterke armen om je heen te slaan. Hoe heb
-je ’t toch gedaan, om al mijn trots te breken, en ’t donker hoofd, dat
-voor de gróótsten niet wou buigen, zoo heél diep neigen te doen voor
-jouw zoo teêre, zwakke gratie? Met één lachje en wat vriendelijk kijken
-heb je dan dit groote hart zoo zachtelijk overheerd, dat zich aan ’t
-allerschoonste nooit geheel kon geven!
-
-De vreugde is mij vreemd geweest, mijn Lief, zoo lange, lange jaren. Ik
-had zoo’n honger en zoo grooten dorst. En nu ben ik al zoo héél, héél
-blij als je zachte hand maar in de mijne gloeit, en zalig klopt mijn
-hart als ik je rok hoor ruischen, en een stroom van warm, warm geluk
-beeft door mijn lijf als je vriendelijk hoofdje maar even rustiglijk op
-mijn schouder rust.
-
-En alles zoo grandioos en statig-schoon rondom! Die wijze bergen,
-rijzend hoog ten hemel, die ijle, reine luchten, en die koele wind! Het
-lijkt hier wel een zalig paradijs, en vèr is nu de droge, heete aarde
-van weleer, waar ééns mijn lijf in smachtte. Alles is hier zoo
-ganschelijk puur, en recht, en kuisch van wezen. En jij bent hier ook
-eigenlijk wèl tehuis, die zuivere atmosfeer hoort bij je lieve gratie.
-Het is nu een wondere, lichte droom, na ál dat droeve, duistere leven.
-Dat lijkt van lang, o! lang geleden, en we hebben ’t ganschelijk
-wèggedaan. De koele wind heeft het verwaaid, mijn Lief, en wèl zijn wij
-nu blank gereinigd, en waardig het geluk.
-
-Ik weet, mijn Lief, dit kan niet blijven. Het leven is te hard, en
-teêre, broze ziele-dingen breken, als niet de dood ze veilig bergt. Ik
-weet, mijn Lief, hoe ’t ál te mooi zou wezen, als dit zóó kon duren. ’t
-Leven is een droeve kruisgang, en zóó, aan uw zachte hand, met uw licht
-lachen in de klare lucht, en al de bergen en dat blinkend groen rondom,
-zou ’t ééne lange zaligheid worden, een eindelooze vreugde als van
-zielen, die der droeve aarde ontstegen, herrezen in het Groote Licht.
-
-Maar éven, voor een korte poos, mogen wij ’t misschien wel nemen, en,
-der duist’re werkelijkheid onttogen, een korten droom droomen, in de
-reine regionen van ’t geluk, hier in dit hooge land, zoo veilig vèr
-boven der menschen stedingen, waar de zonde en de weedom wonen....
-
-
-
-Zóó zag ik de vredige dessa Ngadiwono, [8] in het diepe dal van rust.
-
-Een tocht, door lichte zon begonnen, te paard het steile bergpad op
-naar Pådåkåjå, de schamele, simpele dessa, op den hoogen bergrug in ’t
-Zuiden. Klimmen, klimmen, hooge bergpaden langs diepe ravijnen. Overal
-bergkammen, waar het zien tegen stuit. Boven een rijzenden rotswand
-vóór mij steekt langzaam het hoofd op een blanke prachtwolk, zwaar van
-licht.... Het stijgen gaat langzaam naar dat geluk....
-
-Nu langs de grillige grot van Pådåkåjå, en rechts een smal zijpad, en
-weer links, langs hoog ravijn, met groene koolvelden langs hellingen,
-zóó gaat het windend en slingerend door in die hooge regionen, tot
-plotseling een hoek om, en ziet! vóór ons, liefelijk aan onze voeten,
-het groote vrije opene, onverwacht, waar we langs smal bergpad gaan.
-Aan de rechterhand, vlakbij, rakelings, de bergmuur; achter, in ’t
-Zuiden, de donkere, sombere krater-randen, waarachter, bang vermoed, de
-dorre woestijn des doods. Vóór, in ’t Noorden, hoog opgaande
-berg-golven, maar links, naar ’t Westen, is ’t opengegaan en, diep
-beneden, in wijdingsvolle stilte, ligt een liefelijk, vreedzaam dal.
-Stil en rustig ligt daarin de dessa Ngadiwono, als een oord van
-gelukzaligen. Wijd en wijd gaat alles nu open daarachter, vèr en vèr
-spreidt zich, in ’t lage, de glanzende vlakte uit, in gouden
-schitterlicht van den morgen. En in ijle, lente-blauwe lucht, waar héél
-fijne nevel trilt, rijst Ardjoenå, in transparant parelgrijs
-morgengewaad, een blanke god gelijk, in ’t bevende edele ochtendlicht.
-O! hoe hij daar, na àl ’t beslotene van overal rondom bergruggen,
-opeens, aan ’t einde der open, ruime vlakte oprijst, zoo
-kuisch-eerwaarde, in parelen glans!.... De hooge, heilige heerscher, de
-zachte-machtige, van deze wijde werelden....
-
-En die kleine, simpele dessa, stemmige hutten met daken van lichtgele
-bamboe, zoo blank en schoon, zoo zacht-tevreden en gansch vertrouwd,
-daar zoo diep beneden aan mijne voeten, is in ’t vredig dal van deemoed
-zoo rustiglijk gelegen, als een kind, zacht in den schoot van zijn
-algoede Moeder....
-
-Niets dan dit; de parelgrijze Ardjoenå, statig rijzende in ’t blanke
-morgenlicht, de verre vlakte naar vage horizonnen van glans, de
-vredig-zachte dessa, diep in dal van deemoed, waar ’t simpele
-menschenleven woont....
-
-Ik houd mijn paard in, en zie het éven, zalig, aan, van aangezicht tot
-aangezicht.... En ’t is mij ineens zoo hoogheerlijk zeker, dat ik nu
-Gods eigen, heilig Wezen zacht voor mijne aandachtige oogen voel, want
-is dit niet Zijn rustige, sereene schoonheid, die daar voor mij troont
-en praalt, in zoo prachtig-kalme staatsie?....
-
-
-
-Er is in die vrouw zoo iets essentieel liefs, stellig buiten alle
-zinnelijke attractie òm, dat bijvoorbeeld haar eenvoudigste gebaren
-soms, als aan tafel het aanreiken van een gewone schaal vruchten met
-een lief-vragend stemmetje: „Mag ik u dit eens geven!” opeens mijn ziel
-op ’t allerwonderbaarst beroert. Ik geloof dat ik de éénige ben, die
-dat ooit van haar gevoeld heeft, en wien zij dus het allerbeste en
-zuiverste van haar heeft geschonken....
-
-Ze is toch eerder leelijk dan mooi.... er is, zou je zoo op ’t eerste
-gezicht zeggen, in ’t geheel niets bijzonders aan haar.... Haar trekken
-zijn niet zoo erg fijn en om haar mond wat ouwelijk; haar glanzige,
-blonde krullen zijn hier en daar wat grijs, en o, jee! haar zotte
-neusje, en die twee dolle kuiltjes op zij van haar smalle, koddige
-kin!....
-
-Maar wat is het dan toch eigenlijk, dat van dat zelfde gezichtje zoo
-allerliefst over mij komt, met zoo warme goedheid, dat het me zoo wèl
-en zalig wordt van binnen als ze mij vriendelijk lachend aanziet? En
-wat is er dan toch voor heerlijk zachts overal aan haar lijf, dat ik
-met al mijn trots en donkeren weemoed als een kind het hoofd wel graag
-wil leggen in haar zoeten schoot, en in zoo diepen eerbied wel het stof
-wil kussen van haar voeten, en wel véél van mijn allerkostbaarst weten
-zou willen geven, om nog jong met haar te zijn, in den tijd, toen ik
-nog vragen kon of zij haar zachte ziel en lieve leden aan mijne liefde
-wel wou geven?
-
-
-
-Vanmiddag tegen zes uur wandelde ik op den weg naar ’t Leverlaantje, om
-rechtsaf naar het „karrenplateau” te gaan. Het was een wandeling door
-dikken, zwaren mist. Overal wolken de grijze nevelen wijd uit. In een
-ravijn links, dat nog niet vol is, drijft langzaam een grauwe wolk,
-somber onheilspellend, zich kronkelend en rekkend als een immense
-slang. Boomen noch bergen zijn te zien. Het gaan is door een vaag,
-grauw duister, onzeker en mysterieus.
-
-Alleen, ziet! door vreemden weerschijn van ergens in ’t Westen
-ondergaande zon, op een bergkruin boven het paadje, waar ik loop,
-staat, apart en bizonder, een licht geluk. Een kleine groep
-tjemårå-boomen, heel stil en rustig, onder een stuk open, teederen
-hemel van een zacht, engelrein blauw, met vaag roze van avondrood
-door-droomd. Alles is grijs en duister en droef. Maar die kalme groep
-daar staat in een vreemde sfeer van reinen aether, zachtjes lichtend,
-ongelooflijk en onreëel. Een fijne japansche teekening....
-
-Alóm dat zware, donkere, grijze, dat alles omhult, en de dikke
-mist-afgronden der ravijnen, en zwartende bergen in nevel,
-somber-stom....
-
-Maar hoog in ’t hooge daar boven mij, in een aparte sfeer, eenzaam en
-vreezeloos, met zulk een vrome wijding van vrede overtogen, de stille,
-maagderanke boomen in dat zacht-bloze, rein-roze licht,
-liefelijk-lachend, als de morgen lacht boven den nacht....
-
-Zóó staat het broos geluk te lichten, overtogen van zoo wonder-teederen
-gloed, tot de nevelen hooger rijzen, hooger en hooger, en zachtjes
-kwijnt het weg, als alles wat héél broos is en te teêr om lang te
-wijlen....
-
-
-
- 18 November.
-
-Stel je nu voor, zoo’n eenzaam, ongezellig mensch als ik, die de leêge
-vreugde jaren schuwde, en nu gaat meêdoen aan een bal-masqué!
-
-Stel je voor, al die dwazen van ’t Hôtel, die „zachtzinnige
-krankzinnigen,” zooals de dokter ze noemt, in lange, witte beddelakens,
-op het hoofd geplooid tot capuchons, met overal blauwe en rose
-strikken, en maskers, gemaakt van japansche waaiers, als even zooveel
-dolle geesten rondspokende door het Hôtel, onder hooge
-fausset-geluiden. Ikzelf doe ’t hardste meê, en ben een kind geworden,
-een dwaas, groot kind.
-
-En dat alles om dat ééne, ranke figuurtje, dat ik dadelijk herken onder
-de wijde, witte wade, al wil ik het niet weten, om haar pleizier te
-doen. Ze heeft vuurroode strikken om den hals en om het middel, en haar
-vriendelijke oogen blinken als sterren door het masker. Zij komt me
-plagen, en malle dingen zeggen, en ik houd me of ik haar niet ken, en
-laat me beetnemen, want ik weet hoe innig zoo’n kluchtig clowntje daar
-in groeit. En we gaan dansen, waarachtig! dansen, ik, die dat altijd
-zoo afschuwelijk vond. O! maar met háár warm, zacht lijf tegen je aan,
-zoo donzen, en met haar zoete-geur van jong vrouwtje om je heen, en de
-muziek van haar stem zoo melodieus streelende over je ziel, zou je zoo
-niet áltijd doordansen, en, alles vergetend, héél niets meer voelen dan
-één groote zaligheid van twee minnende zielen, zwevend op luchten
-cadans, in reine rythmen óp naar ’t licht geluk van liefde? O! Niets
-dan muziek zijn en rythme, en samen wègdroomen in allerzoetst vergeten,
-zóó zacht-dansend verglijden in extaze, als twee lichte wolkjes, die
-lucht in zeeë-horizon vergaan, door koelen winde-adem gedreven!
-
-Zóó duurt het lange uren. Er wordt wijn geschonken, serpentines
-warrelen door de recreatiezaal, en het sneeuwt confetti. Het wordt warm
-en benauwd.
-
-„Kom, laten we wat buiten gaan,” roept het clowntje, „ik hijg naar
-versche lucht.”
-
-En met ons vijven gaan we, met Mary, Annie, Sophie Wouters en haar
-broer.
-
-Het is zwaar-donkere nacht buiten, zonder maan, alleen doortinteld door
-der sterren fonkelend licht. Annie heeft mijn arm gegrepen.
-
-„Ik zal je Geloof, Hoop en Liefde laten zien,” zegt ze zacht.
-
-Maar nu den weg te vinden in het donker!
-
-Voetje voor voetje gaat het voort, rechts den hoek om, langs de kamers
-van den administrateur, en dàn het trapje af naar het terras. Wij zijn
-de achtersten. Ze is zoo bang dat ik zal vallen! Ze weet dat ik in
-donker zoo slecht kan zien, en de grond is glad. Zij zal niet
-struikelen, ze is immers zoo’n klip-geit, zegt ze. En ze stapt vooruit,
-en leidt me aan haar hand. Zij, zacht, broos wezentje, en ik, zoo
-groote, sterke man! En veilig kom ik beneden, op het terras. Waar zijn
-de anderen? O! dáár, rechts, in het priëel, ze zingen en lachen.
-
-Zoo doodstil is het rondom! Vaag staan de dingen in het duister. Hier
-en daar, hoog in de lucht, de donkere contouren van bergen. En vèr,
-daar in de vlakte diep beneê, een eenzaam, droevig lichtje. Zacht
-metaal-gezang van wind in duistere dennen....
-
-Een krekel neuriet wat....
-
-En de sterren zien het rustig aan, met liefdevol geschitter in den
-nacht....
-
-We zwijgen beiden. O neen! niet in dat priëel gaan, waar de anderen
-zijn. Niet lachen nu en zingen. Stil verder loopen, naar ’t uiterste
-einde van het terras. Zou ze meêgaan? Ik leg mijn arm in de hare, en
-trek haar zachtekens voort. En ze gaat. Haar ziel volgt zacht de mijne
-in den nacht....
-
-We komen achter, bij drie bloemperken. Het eene is in een kruisvorm,
-het andere is een hart, het derde een anker. Stil buigt ze zich over de
-bloemen heen. Hoe fijn is haar figuurtje in het donker! Het lijkt zoo
-immateriëel, zóó rein staat ze daar genegen, ze lijkt nu wel enkel een
-zachte ziel, ootmoedig buigend. Ik vergeet het banale van die
-perkenvormen en dien tuinmans-smaak.
-
-„Dit is geloof, dit is hoop, dit is liefde,” zegt ze. „Ik heb die
-perken zoo genoemd.”
-
-Ze is nu het clowntje niet meer. Zoo ernstig klinkt haar stem!
-
-Een zoete geur van héliotrope droomt omhoog, en vergaat langs onze
-hoofden....
-
-Ik leg mijn arm om haar middel. Ze laat het toe, en is niet boos. Zacht
-druk ik haar lief lichaampje tegen mij aan. Gewillig laat ze ’t rusten.
-
-„Wat is ’t donker,” zegt ze fluisterend, „heb je ’t niet koud? Wil je
-niet een stukje van mijn shawl hebben?”
-
-En ze staat wat van haar wollen shawl, die om haar schouders ligt,
-bezorgd om mijn hals. Onze hoofden zijn daardoor heel dicht bij elkaar.
-Wij wandelen nu zacht op en neer, vèr van de anderen.
-
-Een groote teederheid welt in mij op. Lief, rank wezentje dáár naast
-mij, dat nooit door één gekend is in je zachte gratie! Ben je dan zóó,
-steeds ongekend door ’t leven gegaan, heeft het je gestuwd door
-hartstocht, heb je een kind gebaard, en al de droeve menschen-dingen
-meêgemaakt, en heeft niemand, ook je man niet, ooit gezien het licht
-mysterie in je lieve ziel? Heeft dan niemand ooit gebogen voor het
-diepste wezen van je vrouw-zijn, voor dat teedere, heilige in je, dat
-het leven niet kon schenden, en nog altijd ongerept gebleven, door je
-zachte oogen heenblinkt in zoo vlekkeloozen staat? Heb je dan dat
-allerbeste van je, dat niemand kende, kuisch alleen voor mij bewaard,
-en mag ik dan nu nemen, wat er maagdelijk en reinst van je gebleven is?
-
-O! dat het nooit mag breken, liefste, dat het altijd rein tusschen ons
-moge blijven, en ik sterk raag wezen nu niet méér te vragen dan je
-geven mag in kuischheid!
-
-Zij laat zich nu gewillig leiden. Ze vraagt niet om terug te gaan. Ik
-streel haar zachte hand. Mijn arm blijft om haar heen. Vertrouwelijk
-ziet zij naar mij op. Ik weet, zij heeft zich nu ganschelijk gegeven.
-Wat ik nu met haar doen zal is goed. Zij zal niet wederstreven. Maar ik
-zal sterk blijven, en een reine ridder zijn....
-
-De droom, de droom is òver ons gekomen....
-
-Het verleden is vergeten. Het lijkt zoo vèr, zoo vèr, en het was zoo
-héél, héél diep beneden, dáár, duizel-diep beneden, waar wat droeve
-lichtjes branden, en de duistere menschen zijn....
-
-Nu zijn we het ontstegen, en zoo hoog, hoog in de wolken zijn wij vrij
-en rein van al wat lang geleên. Onze hoofden zijn nu zacht elkaar
-genegen, en eindelijk, na al het droeve leven, hebben wij elkaar dan
-gevonden, en we weten niets, dan dat we bij elkander zijn.
-
-„Ik ben zoo van je gaan houën,” zeg ik zacht. „Ik heb zoo lang alléén
-geleden. Maar nu heb ik je gevonden. En hier bóven màg ’t wel. Ik mag
-wel van je houën, zeg?”
-
-Ze zegt niet neen. Haar ranke lijf, dat zachtkens beeft, blijft tegen
-mij gevleid, en mijn arm is streelend om haar heen. Ik hoor het ademen
-van haar mond, en voel het kloppen van haar hart. Haar oogen zien
-getrouwelijk mij aan, gansch vreezeloos en onvervaard.
-
-En, door een reinen aandrang van mijn ziel gedreven, voel ik mijn hoofd
-naar ’t hare neigen, en mijn lippen droomen op haar zachte wang, in
-teederen, kuischen kus.
-
-Zóó staan wij, zwijgend, ziel aan ziel, der werkelijkheid ontstegen, en
-voelen onze harten samen kloppen. Twee droeve, arme wezens, die elkaar
-éven in een droom ontmoeten, en dra, dra weer henegaan in ’t harde
-leven....
-
-Ik wéét, ai mij! ik weet, dit kan niet duren.... het leven mág geen
-zoete wonne zijn van liefde.... het Leven is lijden, lijden, lijden, en
-eenzaam weenen....
-
-Maar vast omstrengelt mijn arm haar teêre leden, en nógmaals kus ik
-haar lief gelaat; nog éven mag de kuische droom wel duren, en ik
-fluister zacht, o! zoo heel, heel zacht tegen haar lieve ziel:
-
-„Ik hoû van je, ik hoû van je”....
-
-
-
-Ik heb weer op het eerste bankje in het Leverlaantje gezeten, van
-avond, in de schemering. Boven was alles weer mistig en vaag, maar
-beneden, in de ravijnen, was ’t nog helder. En niets dan dit:
-
-Boven, tegenover mij, aan de andere, hooge zijde van ’t ravijn, het
-weggetje naar Wonokitri, twee paarden, achter elkaar, een bruin en een
-wit, langzaam, naar huis. Zoo teer en gevoelig is dat aan ’t gebeuren,
-tusschen de fijne stammetjes der stille tjemårås, aan weerszijden van
-het wegje.
-
-Beneden in de diepte, heel ver en klein, een mannetje; plukt gras,
-heeft een stier aan een touw. Een zwarte koe en een bruine, aan ’t
-grazen, scharrelen langzaam door het groen en de varens. Nu hier, dan
-daar, loom-zalig. Eindelijk gaat het mannetje door, een grooten bundel
-gras op den rug, den stier aan het touw. Hij roept de koeien, die
-langzaam-lijzig komen, ver van elkaar, en één blijft weer achter,
-grazend....
-
-Ruischen, ruischen de vallende beekjes, zoo stemmig in den avond-vrede,
-zacht intiem gepraat..
-
-De man staat stil, roept weêr de koeien....
-
-De bruine blijft stilstaan, ziet òm, met den kop geheven, droomerig in
-de lucht.... De andere komt langzaam, zoo langzaam.... De man roept
-niet meer, staat stil in den avond, en kijkt omhoog, vergeet,
-vergeet.... Ver boven, de keelstem van een jongen, die jubelt ineens
-héél hoog in de lucht, van vreugde.... De koe met opgeheven kop, staart
-droomerig.... De ander komt zoo langzaam.... De heel stille man....
-Alles zoo stil, zoo stil.... Ruischt zoo rustig het water.... Zachtjes,
-zachtjes klimmen de kuische tjemårås op ten hooge....
-
-
-
-Dit is het goede leven, en dit is de wijding, mijn ziel, die gij zoo
-lang hebt gezocht....
-
-
-
-Dát was een droevig, pijnlijk ding voor mij van morgen, dat gesprek met
-Mary. Ik was begonnen over Annie, en dat ik haar toch zoo’n innig lief
-wezentje vond.
-
-„Ja, o! zoo lief!” zei Mary ernstig, „er is iets aan haar, je weet niet
-wat het is, waardoor je vreeselijk van haar gaat hoûen, of je wilt of
-niet: Maar o! het is tegelijk zoo’n zwak poppetje, zoo’n kind nog.”
-
-„Hoe bedoel je dat: zwak?”
-
-„Ik bedoel niet zwak van lichaam of zoo, want ze is nu weer heel
-gezond, en ze heeft rozen op haar wangen. Maar zwak van karakter. Ze
-heeft zelf eigenlijk heelemaal geen bestaan. Ze is altijd onder den
-invloed van een ander. En ze is een echt kindje van het oogenblik.”
-
-„Ik begrijp je nog niet goed.”
-
-„Kijk, zóó bedoel ik het. Ze is nog zoo’n gansje. Ze weet nog zoo
-weinig van de menschen en de wereld. Ze vindt het bijvoorbeeld
-vreeselijk om alléén te zijn. Ze heeft een groote behoefte om
-gekoesterd en lief gedaan te worden, en zich tegen iemand aan te
-vleien, die grooter is. Ze is net een wassen poppetje. Je kunt haar
-kneden zooals je wilt. Iedereen krijgt haar weer onder een anderen
-indruk. Maar het blijft niet lang bij haar, zoodra ze weer alleen is.
-Je zou eigenlijk aldoor bij haar moeten zijn om iets heel goeds van
-haar te maken. En nu wou ik je nog wel eens iets zeggen, maar je mag
-niet boos worden?”
-
-„—Neen, heusch niet, je weet wel, dat ik ’t van jou wel verdragen kan.”
-
-„Nu dan, ik heb gehoord dat je eergisterenavond erg lief met Annie
-geweest bent op het terras, en dat je haar gezoend hebt. En dat vind ik
-niet mooi van jou, en vooral niet van Annie. Het is onverantwoordelijk
-van haar.”
-
-Een vlijmende pijn steekt in mijn hart. En ik zeg eerlijk:
-
-„Ik kon het niet helpen, beste zus. Het is zoo inééns gekomen, ik was
-alles vergeten. Je zult wel gemerkt hebben, hoe innig ik mij aan dat
-lieve, teêre wezentje gehecht heb, al begrijp ik het zelf niet van me.”
-
-„Juist dáárom, Rudolf. Van jou kan ik het me begrijpen, zelfs al was je
-nog getrouwd met je lieve Louise, die toch eigenlijk meer een zuster
-voor je was. Maar juist omdat jij Rudolf de Wall bent, en omdat ze uit
-je verzen weet, hoe diep je voelt, zooveel dieper dan anderen, en omdat
-ze heel goed weet hoe mooi en innig je van haar bent gaan houden,—dát
-heeft ze wel gezien, hoor!—daarom had ze dadelijk van je weg moeten
-loopen, en zich niet laten liefkoozen, en niet door haar blijven je
-doen voelen, dat ze het prettig vond.”
-
-„Maar waaròm dan toch, zusje?”
-
-„Waarom? Maar zie je dat dan niet? Om het vreeselijke verdriet dat ze
-je zal aandoen later. Ze blijft nog maar heel kort hier. Ze zal
-doorgaan, lief met je te wezen. Ze zal doorgaan met van de anderen weg
-te loopen om alleen op eenzame plekjes met je te zijn, en ze zal zich
-laten kussen en liefkoozen en lieve, prettige dingen door je laten
-zeggen, en je nog véél verliefder maken dan je al bent. Ze zal je
-vragen om wandelingen te maken en dan met je op eenzame plekjes zitten
-en een echte lieveling voor je blijven. En niet uit coquetterie of
-flirtation, maar omdat het lieve kind heusch veel van je is gaan
-honden. Maar vergeet je haar man dan? Is het eerlijk en oprecht tegen
-haar man? Heb je daar nooit eens over gedacht?”
-
-O! o! de pijn, de vlijmende, scherpe pijn ineens in mijn hart!
-
-En Mary gaat door, op haar vriendelijken, moederlijken toon:
-
-„En als ze dan weg is? Zal het dan voor jou voorbij zijn? Zal je dan
-niet vrééselijk van haar zijn gaan houden? Je voelt het zooveel sterker
-dan zij. Want zij kan het beter vergeten. En zal je dan niet véél
-ongelukkiger zijn dan vóór je hier kwam?”
-
-Ik probeer nog te zeggen: „Ik zal haar toch nog wel eens zien. Wie
-weet, wordt haar man nog niet eens in Soerabaia geplaatst. En ze komt
-nog eerst in Soerabaia logeeren, als ze van hier weggaat, zegt ze.”
-
-„Dat zal ze niet, Ru. Dat weet je heel goed. Misschien in ’t begin, dat
-ze nog wel eens probeeren zal je te ontmoeten. Maar die indruk van
-Tosari zal hoe langer hoe zwakker bij haar worden. Ze is veel te zwak
-van karakter om lang iets groots te voelen. Ze zal het vergeten zijn,
-als een mooien, prettigen droom dien ze had. En inplaats van jouw
-invloed komt dan weer de invloed van haar man. Want ze is altijd onder
-den indruk van wie het meest en dichtst bij haar is. Ik zei, ze is een
-kindje van het oogenblik. En ze zal terugzinken in den sleur van het
-alledaagsch leventje, van haar huishouden, haar man, haar kinderen die
-ze zal krijgen, haar visites, haar dinertjes, en je heelemaal vergeten,
-ook omdat haar man nu haar verliefdheid anders zal bevredigen. Ik weet
-dat het hard klinkt, Ru, maar ’t is goed dat je ’t eens hoort. En ik
-ben niet zoo’n heel jong meisje meer, ik mag je dat best zóó zeggen. Ze
-zal je vergeten, en je zult haar onverschillig worden. En als jij dan
-misschien ’s nachts om haar zult liggen snikken, en je droef leven nog
-véél droever zal zijn geworden dan vóór je haar kende, dan zal zij geen
-oogenblik zelfs maar denken aan hoe je lijdt en hoe je hart pijn heeft,
-maar in de armen liggen van haar man. En dat is onrecht, Ru, dat is
-wreed, wreed onrecht, dat kan nooit goed zijn. Ze zal het nooit
-beseffen, omdat ze eigenlijk maar een zwak, lichtzinnig kindje is. Maar
-ze zal je ’n vreeselijk groot verdriet aandoen....”
-
-Ze spreekt niet door, want ze ziet de tranen in mijn oogen staan.
-
-Ja, ik wéét het, ik wéét het, dat Mary gelijk heeft. Maar ik antwoord
-heel gelaten:
-
-„Ik wéét het, zusje. Maar ik heb nu zóó jaren lang verdriet gehad en me
-zoo eenzaam gevoeld, dat ik nu o! zoo graag ook eens een klein beetje
-geluk zou willen proeven. Laat me nu dien héél korten tijd nog maar
-éven gelukkig zijn met mijn droom. Dan wil ik er graag later weer erg
-voor lijden. En al doet ze dan ook nog zoo wreed en koud en ondankbaar
-tegen me, tóch zal ik haar altijd blijven zegenen voor het geluk dat ze
-mij gegeven heeft, voor al het lieve en vriendelijke en warm-weldadige,
-dat mijn eenzaam leven ééns van haar heeft mogen krijgen.”
-
-Mary schudt het hoofd en zegt: „Je bent een dwaze droomer, Ru. En je
-zult je zelf altijd ongelukkig maken.”
-
-En ik weet ineens, wat ik moet antwoorden, dat ze niets meer terug kan
-zeggen:
-
-„Het zijn heel teêre dingen, zusje, om over te spreken. Maar zóó zou ik
-het u kunnen uitleggen. Ik geloof dat Annie zelf niet weet, hoe ’n
-zachte, teêre ziel van God ze heeft. Ze mag getrouwd zijn geweest, en
-nu gauw weer naar haar tweeden man gaan, en zich aan hem geven. Maar
-het allermooiste van haar heb ik toch gehad. Ik heb haar lieve ziel
-gezien, en die heeft ze aan mij gegeven, al weet ze ’t zelf misschien
-niet zoo. ’t Is heelemaal zonder iets onreins geweest wat ik voor haar
-voel. Alleen een groote, groote teederheid, bijna als voor een kind.
-Ja, soms,—ik ben geen engel,—héél enkele keeren, is het heviger
-geworden, maar ik heb er niet aan toegegeven. Ze lijkt me eigenlijk
-véél te lief en te broos voor iets anders. Noem ’t maar een beetje
-ziekelijk, misschien is ’t dat ook wel. Maar ik kan er niets aan doen.
-Ik heb alleen van de zachte ziel gehouden, die door haar lieve leden
-heenschijnt, het allerreinste van haar heb ik gehad, en nooit kan dat
-een ander krijgen.”
-
-
-
-Ze is toch zoo’n dom gansje. Ze weet niets. Ze heeft bijna niets
-gelezen, zoo goed als geen muziek gehoord, en weet ook maar niet het
-allereerste beginsel van de groote sociale vraagstukken, die de wereld
-vervullen. Ze staat heel vèr buiten mijn ideeën, en zou me in niets
-kunnen helpen, en in ’t geheel niet met mij meê kunnen leven als ze
-eens bij mij was.
-
-En toch kan het heel goed zijn dat zij dichter bij de hoogste wijsheid
-is dan ik. Want de hoogste wijsheid, niet waar, moet zoo uiterst simpel
-zijn, en zonder denken, vèr boven gedachten uit, aanlanden in de reine
-rust van ’t onbewust-natuurlijke. Bijvoorbeeld zooals een bloem staat,
-stil in den avond, gedachteloos, zwijgend van innig gevoel, of zooals
-een heel klein kindje, dat zachtjes ligt te lachen tegen moeder. En zóó
-lijkt me mijn lieveling al het moois om haar heen te zien. Als ik ’s
-avonds met haar in ’t priëel zit op het terras, en we kijken naar de
-vage berglijnen en den praal der sterren, dan heeft ze geen behoefte,
-zooals ik, om zich te uiten en te zeggen hoe mooi het wel is. Ze zit
-maar stil te kijken, zooals een bloem, geloof ik, naar de sterren ziet,
-zoo stil en onbewust. Het is niet eens apart mooi voor haar, maar heel
-gewoon, eenvoudig de simpele schoonheid, die nu eenmaal past bij hare
-lieve ziel en zachte gratie....
-
-Ik zie haar ook het liefst in heel gewone dingen; er moet vooral niets
-bijzonders aan haar zijn. Als zij speelt met haar kindje, en er lief
-tegen doet. Als zij zit te lezen, en het verhaal boeit haar, zoodat
-haar gezicht opeens heel ernstig wordt, en haar oogen in spanning de
-regels volgen. Als zij heel gewoon me iets aangeeft, en de
-vriendelijkheid, waarmeê ze dat doet! of wel, als ik haar tegenkom, en
-hoe ze dan melodieus „Dág!.... Dág!....” kan roepen, lang uitgehaald,
-en met zoo’n warme, doordringende liefheid, dat je de tranen in de
-oogen komen. En hoe ze een bloem plukt, die heel innig aanziet, en dan
-voorzichtig in haar ceinture steekt!
-
-In al die kleine gebeurlijkheden, door al die heel gewone gebaren licht
-de kalme gratie van Gods zachte engelen, en in die lieve menschen-vrouw
-woont onbewust de ziele van een serafijn.
-
-Ze weet het niet, ze weet het niet.... En dit is wel juist het
-mooiste.... Het is ook nooit door anderen gezien, ik ben de éénige die
-door haar uiterlijken schijn haar reinste, innigste wezen heb
-vermoed....
-
-Door ’t leven hier en dáár gedreven, door hartstocht heen en
-barensnood, een frêle, zwak wezentje, beland in ruwe mannenarmen, en
-doende al de droeve, duistere dingen die des levens zijn....
-
-Maar haar lichte ziel, uit God gegeven, is toch áltijd onbesmet
-gebleven, én ik kniel in deemoed voor háár neer....
-
-Uw zachte gratie, uw lichte engelenschijn, mijn liefste, zijn voor mij,
-en wat ik in u zie en liefheb is beter dan wat gij zelve denkt te
-zijn....
-
-Het spreekt zoo liefelijk tegen mijn ziel in al uw reine
-vrouwe-gebaren, in ’t lachen van uw oogen, in ’t wuiven van uw hand, in
-’t blij goêdag-zeggen van uw stem, en o! in ’t rustiglijk neêrvleien
-van uw zacht hoofd aan mijnen schouder....
-
-En dáárom heb ik u lief, dáárom alléén, en dit is reiner en beter dan
-waarom anderen u ooit hebben liefgehad of lief zullen hebben.
-
-Want ik heb lief in u wat onvergankelijk is en nooit kan sterven, wat
-maar héél kort nog wijlen kun in uw teêre lijf en zachte leden, om
-éenmaal weer in Gods eigen wezen te verdroomen, in puren, onbevlekten
-staat....
-
-
-
-Van de hôtel-gasten wil ik liefst zoo weinig mogelijk zeggen in mijn
-dagboek. Maar éven toch dit. Als de indische maatschappij maar aldoor
-zóó was als hier, dan zou het er heusch wel in uit te houden zijn. De
-heerlijke berglucht waait hier al het ridicule poeha en de larie weg,
-en maakt weer gewone, prettige menschen van al de pseudo-gewichtige
-grootheden en potentaten. En me dunkt, het kán ook moeilijk anders. Wie
-kan zich nog een sommiteit, een allerhoogste hoogheid vinden, als hij
-van den Penandjaän in het ontzaglijk dal der dooden staart?
-
-Wèl worden er dolle dingen gedaan; men gaat b. v. met geheele benden
-naar den Bromo, en speelt al de spelletjes van ’s avonds nog eens
-over.... in de Zandzee, ongevoelig voor het schoon rondom. Maar men
-behoeft zich niet te ergeren, door eenvoudig niet meê te gaan.
-
-Ook is het ras der poenen nergens heelemaal afwezig, en ook hier
-slenteren er een paar van rond.
-
-En het is hard en pijnlijk, een lief, rein wezen als Annie ’s avonds in
-de recreatiezaal te zien dansen in de armen van den eersten den besten
-vlegel, die niet waard is, maar éven in haar oogen te zien. Maar zij
-wéét het niet, en ik vind het beter, er haar niets van te zeggen. Laat
-zij de menschen maar allen lief en goed zien! Dat hoort zoo heelemaal
-bij haar altijd-lachend gezicht, en haar kinderlijke vroolijkheid van
-levenslustig, gezond vrouwtje!
-
-Het is of van haar een glans uitgaat van innerlijke reinheid, die over
-álle donkere menschen-gezichten een zacht licht doet gaan.
-
-En als ik haar zoo vriendelijk en hartelijk zie doen met iedereen, zoo
-heelemaal nog als een kind, en of er geen zonde of kwaad bestond, dan
-wilde ik wel heel graag al mijn droeve weten en mijn bittere wijsheid
-geven voor háár zuiver, vreugdevol gemoed, zoo licht van eigen
-blijheidsglans, dat al het duistere rondom in zachte glorie staat....
-
-
-
-Vanmorgen hebben wij gewandeld in de „Doktersvallei,” een van de
-mooiste wandelingen, die hier zijn.
-
-Annie zou ons den weg wijzen, Mary, Sophie en mij. Om half zeven ’s
-ochtends gingen wij uit. Eerst rechts van het Hôtel, den weg naar
-Telegosari, maar dan, inplaats van recht door, linksaf, en langs die
-mooie, schilderachtige plek, die „de koeienweide” heet. Een smal pad
-voert langs een plateau met hooge, ranke tjemårås, een open grasveld
-aan den voet, waar koeien grazen.
-
-Van daar uit ligt de vlakte open voor ons, met vèr de heuvelruggen om
-’t Malangsche, en daarachter de Ardjoenå, die het gansche landschap
-houdt.
-
-Rein als een jonge God rees Ardjoenå omhoog in ’t morgenlicht. Langs
-zijn toppen een blinkend, verblindend blanke streep sneeuwwit,
-onbewegelijk, een hooge lucht-band eindeloos wijd over de hemelen, vèr
-en vèr. En aan zijn voet een offering van witte wolkbloemen, van een
-allerreinst, smetteloos wit, ontzaglijk en toch zoo donzen-zacht, lucht
-zwevende in het April-blauw van de hemelen....
-
-Wij komen bij de dessa Kertoanom, een echt Tenggerdorp van schamele,
-lage hutten, en nu gaat opeens een steil, glibberig pad verticaal naar
-beneden, in eene diepe ravijnkloof.
-
-Nu is Annie in haar element! Wie zal het eerst vallen? De grond is zoo
-glad van den regen! Je moet een klipgeit wezen om daar af te komen! Zij
-zal wel voorgaan, ze is niet bang, hoor! Ze heeft het méér gedaan, en
-ze weet den weg! En daar gaat ze, haar lucht, rank figuurtje in de
-wijd-waaiende, licht-rose baby, met de breede kanten van haar witte
-kraag als blanke bloemen om haar hals. Hoe vlug trippen haar gele
-schoentjes over den gladden grond! Ze lijkt wel te zweven, als een
-groote, rose kapel.... Ik volg, vlák achter haar, maar met veel moeite.
-Plof! daar lig ik in den modder, potsierlijk. En ik ben er half blij
-om, nu zij hoog uitschatert haar koddig lachen om het dolle geval. Wat
-doet het goed aan je hart dat gulle, blijde lachen, als je zoo héél,
-héél lang maar niets dan peinzen en droefheid hebt gekend, en niet meer
-wist wat vreugde was! En nu, als ze flink heeft uitgelachen, de zachte,
-warme hand die ze je toesteekt, om je óp te helpen! En dat vriendelijke
-bezorgde vragen, of je je soms pijn hebt gedaan.
-
-Ze laat me nu haar hand, en zóó komen we, als twee groote kinderen, in
-een diepe valeikloof. De anderen zijn natuurlijk weer achtergebleven.
-We zijn hun veel te vlug af met ons beidjes.
-
-Hoe diep staan we nu beneden! Overal, wáár onze oogen ook komen, glanst
-groen van boomen en varens, immense boeketten, hoog klimmende tegen de
-hellingen. Het welft zich boven onze hoofden in zware, breede bogen, en
-buigt zich beschuttend over ons heen. Hoe sterk, en toch hoe teeder,
-dat opschietende, hooge bamboe, neêr-zegenend in zoo fijne, spitse
-loovertjes! Hoe wijs en wèl-bewust die veêren varens, lucht wiegende op
-winde-adem, zoo teêr-trillende als zachte zielen!
-
-En hoor! overal, van rechts, van links, van boven, van beneden, de
-zoete muziek van ruischende wateren, liefelijk en melodieus....
-
-Het pad is sinds lang niet meer onderhouden, en hooghalmend gras is er
-overheen gegroeid, in wilde verwarring. Maar Annie weet er den weg als
-een kind van het bosch. Haar rose baby waait als een zacht-wuivende
-vlag van liefde door het groen. Dra moeten we weer klimmen, de andere
-helling van ’t ravijn op. Ze blijft me altijd maar vóór, vlug, licht
-wezentje dat ze is. Als ze op een hoog punt is gekomen staat ze stil en
-wacht op mij. Hoe lief is dan haar hoofd genegen, en hoe vriendelijk
-reikt ze me haar handen toe! Hoe frisch en blozend haar kluchtige,
-prettige gezichtje uitkijkend van onder haar breeden, slappen zonnehoed
-vol plooien en deuken! Wat licht en glanzend blij, zoo’n stralend jong
-vrouwtje onder het welvende groen, donker-belommerd!
-
-Telkens wijst ze me ondeugend op intieme, heerlijke plekjes, zacht
-beschaduwde priëelen onder bamboe-loover, waar het zoo heel zacht
-rusten moet zijn. Maar het mooiste komt pas later. Opeens, ergens, een
-open plek, waar boven lichte, blauwe hemel schijnt. Een blanke,
-zilveren waterval schiet zacht-zingend van rotsen, en groote
-steenblokken liggen verspreid als zetels, waar het water langs ruischt.
-
-Een groote, weldadige koelte waait er van in de lucht. Je voelt een
-jonge, reine kracht in je longen stroomen, en ’t is of je één wordt met
-de boomen om je heen, zóó thuis voel je je ineens in de natuur.
-
-Groen, groen, glanzend, schitterend groen rondom. De lichtblauwe hemel,
-klaar-stralend. Het reine, goede, lavende water Gods, als een zegen
-daar neêrgelaten van boven. Vogelen zingen van vreugde in het rond.
-
-En een groote, breed-ópdeinende behoefte om weer jong te zijn, en niet
-te weten, dwalende, dwalende met de liefste door Gods glanzende natuur,
-en te drinken van de klare berglucht, en te luisteren naar het ruischen
-der wuivende bamboe, en het klaterend gepraat van het water, intiem en
-vertrouwd, en het zacht, gelijkmatig geklop te voelen van twee in
-zaligheid tegen elkaar bevende harten.... O! een groot, groot verlangen
-om al het verleden en het leed met één forschen zwaai van me àf te
-schudden, en luid-uitjubelend van levens-lust de jonge Liefste aan het
-van jonge liefde hamerend hart te prangen....
-
-Ze staat stil. De wijde, rose baby met golvende plooien om haar heen.
-Ze is zacht als een teedere bloem in al het schoon rondom. Ze is een
-zoete, rose roos in het groen, rank oprijzend omhoog....
-
-En ik weet niets meer, ik weet niets meer dan dat ik haar liefheb, ik
-weet niet van tijd en verleden en van wat moet komen.... Mijn zachte,
-lichte lieveling.... Mijn blijde, blozende bloem..
-
-Zacht-streelend omvat mijn arm haar teedere leden, en mijn lippen, zij
-zweven langs haar voorhoofd, haar wangen en haar hals, zoo voorzichtig,
-zonder kus, als rose vlinders langs ranke bloemen, want dit is de
-droom, de broze droom, die niet mag duren, en bij hoogste spanning
-breekt.... Ik zie diep in haar oogen het reine glanzen van haar ziel,
-ik voel een warme, zoete strooming van haar lijf in ’t mijne vloeien,
-waar ze zich blozende tegen mij heeft aangevlijd, en ’t is mij in die
-kuische omarmimg of ik één leven met haar ben, één leven van niets dan
-vreugde en geluk, onbewust en tevreden, als van een tweelingbloem,
-rustig-rijzende naar ’t licht....
-
-
-
-Dat was mooi van avond!
-
-Met Mary in het eerste priëel gezeten, links op het terras, bij laten
-zonsondergang.
-
-In ’t Westen de donkere, sombere trots-lijnen van de bergkammen,
-fèl-zwart in rooden brand van de lucht. Om den Ardjoenå zware,
-witgrijze triomfwolken, waartusschen, heel in ’t midden, een veeg
-intens bloedrood. Als een donkere, blauw-grijze bol stijgt hij op in ’t
-rossig-grauwe duister, zijne toppen verdwijnend in nevel. Alles is
-rood-donkere sombernis daar vóór mij....
-
-Maar als ik mij nu omwend is o! daar achter, in ’t Oosten, alles
-lichter, lichter, in een zacht vrede-willen. De lijnen der bergruggen
-zweven daar, bevende contouren, langzaam biddend langs lichte lucht.
-
-Benèden, vèr, in luchte waze van transparante aether-schittering, ligt
-de vage vlakte.
-
-Een rij grijze wolken drijft langzaam, langzaam boven de bergen-golven,
-één groote heeft licht-zilveren randen. Een voorgevoel van vreemde
-zaligheid beeft zacht trillende in die teêre sfeer....
-
-Tot statig heft óp het lumineerend bleeke hoofd, boven de reine
-wolkenranden, de milde maan, schitterend van vrede. Een groote liefde
-licht vèr en vèr door de lucht....
-
-Rijst nu langzaam, langzaam boven de biddende bergen dat volle,
-blank-blinkende maan-gelaat, en ziet met zacht-wijzen, àl-goeden blik
-over de wereld, veilig in eigen, eindeloozen glans van puurheid.
-
-En de wolken drijven zacht-waaiend uiteen, en worden lange, wijde vegen
-schitterlicht, wuivend vèr door de hemelen, als gewaden van droomende
-engelen.
-
-De bergen zoo gansch tevreden daaronder, deemoedig geknield, in
-zilveren schijn.
-
-En de vlakte daar ginds, zoo vèr en vèr beneden, in een doorschijnende
-mane-waze, één wijde beving van licht door trillenden avondnevel, als
-toegedekt in haren droomeslaap door een aetherische wade, vaag als een
-vèr visioen.... Maar in het hóógste hooge is de atmosfeer helder en
-klaar, en boven de fijne neveldroomen hangt het heilig Godsgewelf,
-maagdenblauw in engelenkleur, met het sereene, wijze maangezicht
-glanzende van liefde, en der vrome sterren zacht-tintelenden blik....
-
-
-
-Droom nu, droom nu, mijn ziel, want die vrede zijt gij zelve, en tot
-vrede zult gij éénmaal wederkeeren, als dit arm hart niet meer zal
-kloppen, dat àl maar langt naar liefde, en maar niet rusten wil....
-
-
-
-Gisteren ben ik met Mary naar Nongko Djadjar geweest. Annie voelde zich
-niet wel en kon niet meê.
-
-Wat een héél ander mooi weer, dat Nongko Djadjar, dan Tosari! Het is
-maar 9¼ paal verder, en 570 M. lager gelegen, en hoe héél anders is
-daar ineens de natuur! In plaats van de kale bergen, enkel glinsterend
-van kool-velden, met hier en daar stille, eenzame rijen tjemårås, nu
-ineens het wilde wouden-mooi, in dichte pracht van glorieus groen!
-
-Wij reden uit in den ochtend, tegen half zes, het steile bergpad op
-naar Pådåkåjå, ineens weer hóóg de lucht in. Omkijkend in den zadel zie
-je vèr de vlakte, nog vage, en wazend in den dauwen nevel. De Ardjoenå
-donkerpurper blozend in eersten zonne-gloed van den morgen, een
-keizerlijk heerscher van de wereld rondom.
-
-Het ging in galop, lustig door jonge winden, langs diepe ravijnen en
-kloven, langs ’t vrede-dal van Ngadiwono, en dan al maar recht door,
-tot aan een nauw paadje, hoog tusschen bergwanden. Dáár staat ineens,
-in vèrre verte, boven lager bergen triomfantelijk opgerezen, in zacht
-grijs-blauw, de bolronde top van den Semeroe, pralend in de lucht.
-
-Nu weêr rechtsaf, door lager glooiende wegen, al lager en lager. Er
-komen al meer en méér boomen, al bijna bosschen, en zachter-zoeler
-wordt al de lucht. Tot eindelijk, na anderhalf uur flink rijden, een
-steil rots-pad diep neêr gaat in nauwe kloof. Dit is de Kletta-pas,
-naar Nongko Djadjar.
-
-Het steil-dalende rotspad vol zware steenblokken daalt langs rechten
-hoogen bergwand naar diep ravijn. Maar het zijn bergen van blinkend
-groen, want alles is dicht, zwaar begroeid, tot hóóg in de hóógste
-toppen, òveral, òveral boomen, hoog boven elkaar; ze schijnen aan
-weerszijden te zweven in de lucht, immense reuzen-varens, groot als
-palmen, en breed-gepluimde bladerkronen van onbekenden vreemden
-woud-bloei, en glorieuze bloesem-boeketten, hangend in de lucht. Links
-langs de helling boven liggen verlaten kina-plantages, al jaren
-verwilderd in weelderige pracht, rechts van ’t ravijn stijgt het
-oer-woud, nog gaaf en ongeschonden, in maagdelijken staat. Het zijn
-hooge bergen van boomen en bloemen, oprijzend in de lucht, in een
-triomf van wijd-waaierende varens, wuivend in den wind, en
-hoog-opschietende bamboe, met zwaar-neigende pluimen. En ongezien
-storten groote water-vallen klaterend langs de bergwanden. Nu niet meer
-het zacht geruisch der beekjes als in Tosari, maar luid-schaterend
-orchest van zware waterstroomen, schetterend in het rond. Het is
-òveral, boven je hoofd, en op zijde, en beneden, je weet niet wáár,
-maar het loeit en brult en klatert langs je heen.
-
-De paarden stappen voorzichtig over de harde rotsblokken van de pas,
-waar de weg met grillige windingen daalt. En bij iedere bocht weer
-nieuwe pracht van boomen en veeren varens, en hoog-opschietende
-bamboe-boeketten met zware, breede wuive-pluimen. Even, dàn weer weg,
-zie je zoo’n breede, zilveren water-kolom flikkerend door het groen
-vallen. De lucht is gansch puur, in klare koelte van dat frissche,
-zuiverende water. Je voelt het heerlijk lavend door je lichaam gaan, en
-je bent blij, te ademen in dit reine schoon.
-
-Nog dalen, en dalen, en altijd dalen, tot een smal, zacht hellend
-paadje het bosch in leidt. Nu is de moeilijkste weg voorbij, want na
-een half uur kalm draven houdt je stil voor het rustige, eenvoudige
-hôtel van Weyrich, waar een stevig ontbijt al klaar staat. Hoe heerlijk
-is het te eten, na zoo’n langen, vermoeienden rit, met al die klare,
-koele berglucht in je longen! Waar is nu het leed, en het duister, en
-de droevige gedachten?.... Leven, leven, en de lucht te drinken in de
-bergen, en blij te kijken in het blinkende groen, waar het luistere
-licht glanst over de vòl-schoone wereld!
-
-
-
-Zoo stemmig en rustig dat huisje van Weyrich in dat groene bosch! Wij
-hebben den geheelen ochtend zitten praten in de voorgalerij, en zijn
-toen bloemen gaan plukken, als kinderen. ’s Middags na de rijsttafel
-hebben we wat geslapen, en zijn toen, na het theedrinken, het bosch in
-gegaan. Eerst liepen wij door de kampong, met haar eenvoudige, bamboe
-huisjes, en toen kwamen we op een smal bosch-pad langs een diep ravijn.
-
-O! die heerlijke bosch-eenzaamheid daar! Dat dichte, majestueuze
-natuur-woud daar diep beneden, en dan stijgend, stijgend langs de
-wanden omhoog. Die vreemde, en toch wèlbekende boomen overal, heel niet
-indisch lijkend, eerder hollandsch en van lang geleden, nu ineens weêr
-terug.
-
-Het echte wouden-mooi van heerlijk Holland! In de plechtige
-vóóravond-stilte, onder het donkergroene lommer, het tikken van een
-specht op een stam, het krassen van een raaf, en het melancholiek
-geschreeuw van een uil. En hóór, daar vèr—de stilte wordt nog
-stiller—roept de koekkoek.
-
-Opeens, vlakbij, in ’t ravijn, een luid geruisch in de boomen, en kijk,
-daar zwaait een zwarte aap door het groen, vliegend van tak tot tak.
-Kijk, nóg een, en nóg een, in slingers springen zij achter elkaar, van
-den eenen boom in den anderen. Eén groote, zeker een oude, zwart met
-dik-wollen vacht, blijft stil zitten, en kijkt ons aandachtig aan. Zijn
-lange staart hangt roerloos van een tak naar beneden. Mary wuift hem
-toe met haar zakdoek. Een grijns, een schreeuw, en hij laat zich
-loodrecht naar beneden vallen, en verdwijnt in de struiken, diep in ’t
-ravijn. Dàn is alles weer stil. Tot weer èven de koekkoek roept in de
-verte, en de specht de stammen tikt.
-
-Zóó hebben wij geloopen door het bosch, en hebben onzen naam gesneden
-in een boom, en wilde rozen geplukt, die bloeien langs den weg. Het was
-niet meer te gelooven, dat we nu heusch nog in Indië waren. Het was een
-oud, mooi bosch in Holland, waar we als kinderen dwaalden, broertje en
-zusje, en elkaar sprookjes vertelden van feeën en kabouters, om, straks
-bang geworden door onze eigen fantasie, de handen stijf te zaâm
-geknepen, en dicht tegen elkaar aan gedrongen, angstig zwijgend naar
-huis te gaan,—wijl de avond zwaar-schaduwend neêrdaalt over de stille
-boomen, waar de vogels nog maar héél even ritselen in ’t groen....
-
-Het stemmige, rustige, intieme, het grootsche en toch gansch eenvoudige
-van een sprookjesbosch, dat was voor mij de impressie van de wandeling
-in Nongko Djadjar.
-
-
-
-O! Die kleine, innige liefheden van het verliefd-zijn! Ben ik dan een
-kind geworden?
-
-Waar is dan nu mijn wijsheid, die ik zoo staâg vergaarde, in jarenlange
-studie, en nacht aan nacht zorgvuldig zamelde bij ’t late lamplicht? En
-al mijn verzen van de reine eenzaamheid, en ’t, ongerept van liefde,
-veilig leven in de kalme contemplatie!
-
-Zie me nu ’s ochtends een boeketje rozen zetten in een glas naast haar
-bord! Als ze aan tafel komt,—wat laat altijd, als de andere gasten al
-weg zijn,—lacht ze zacht tegen mijn bloemen, en knikt me dankbaar toe.
-Ze heeft ook wel eens wilde viooltjes geplukt in den tuin, en één zoo’n
-teêr bloemetje houdt ze spelend in haar mond. Dat vraag ik dan, en kus
-het, en bewaar het in een liefste boek, Verlaine, of Van Eeden.
-
-’s Avonds vóór het diner, om acht uur, sta ik te wachten, met een
-groote, donkere roos, of ze nog niet het pleintje bij haar kamer
-afkomt. En als haar lieve voeten zachtekens komen aangetript, klopt
-toch zoo mijn hart! Dan mag ik zelf mijn roos vaststeken tusschen haar
-ceinture, en ik voel haar zacht, warm lijf zoo heel dicht hij mij. Soms
-kus ik dan even het donzen vleesch van haar arm.
-
-Na het spelen of lezen in de recreatiezaal, na ’t eten, vóór ze naar
-bed gaat, houdt ze er van, nog wat heen en weer te wandelen, op ’t
-achterpleintje. „IJsberen” noemen we dat. Met ons vieren, Annie, Mary,
-Sophie en ik. Ze heeft dan haar bruine, groote shawl om. En ze wil wel,
-dat ik onder de shawl door mijn arm in den hare leg, en ik streel haar
-warme, zachte hand, en speel met hare vingers. Die heerlijk koude
-lucht; is ’t niet of je in Holland bent? Wat is ’t dan zalig warm daar
-aan haar lijf, hoe veilig is ’t dan bij haar. O ja, ik weet het wel,
-het blijft niet altijd teêr en zoo heel zacht in mij. Somtijds gaat mij
-een lange rilling door het lijf, als mijn arm haar lief lichaam even
-omstrengelt, en ik voel het bloed, dat stijgt naar mijn hoofd, en ik
-duizel, en mijn hart klopt hamerend. Dat is het verlangen.... ik wéét,
-dat is het verlangen.... O! Nu haar meê te nemen, waar het eenzaam is
-en veilig, tusschen goede muren, met haar neêr te zinken op zachte,
-donzen sponde, en haar heerlijk lijf te omvatten in vlammend begeeren!
-Haar héélemaal te nemen, van haar zoeten mond te drinken, ál haar lieve
-leden langs te kussen, héélemaal één met haar eigen, warme lijf in
-zalig zwijmelen snikkend te vergaan!
-
-Maar sterker is dat ééne, groote gevoel in mij. „Je moet een reine
-ridder zijn.... het mag niet breken.... zij hoort een ander toe....
-alleen haar ziel is je van God gegeven.... bedenk dat wèl.”
-
-Ja, Mary had wel gelijk, zoo’n teêr, zwak vrouwtje is Annie toch.
-Somtijds, als ze met zus op de canapé zit te praten, wordt ze ineens
-stil, legt zacht haar krullekopje op haar schouder, en nestelt zich
-dicht tegen haar aan. ’t Is dan of haar schuchtere ziel opeens
-geschrokken is van ’t harde leven, en ze zich tegen een vriendin moet
-vleien om bescherming.
-
-Ik zal dat zachte neigen van haar hoofd niet licht vergeten. Hoe zal ’t
-altijd bij me zijn, als ik later weer alleen zit op mijn kamer, bij ’t
-bleeke lamplicht, en de sombere gepeinzen van twijfel komen! Ik geloof,
-als ik dan weêr wanhoop, en ’t allerergste lijkt me droevig-waar, dan
-zal ik háár liefgenegen hoofd weer voor me zien en weten, dat alles
-goed is, en van God gegeven, al lijkt het kwade ’t meest reëel.
-
-Gisteren-avond zaten we buiten, in de vóórgalerij vóór Mary’s kamer, in
-lange luierstoelen. Ze had het koud, zei ze. Ik mocht haar shawl halen,
-en haar die omslaan. Maar nóg beefde ze een beetje. Toen heb ik een
-wollen deken gehaald, en als een kind haar warmpjes ingestopt. Haar
-voeten goed er onder, en haar handen. En ik heb haar een glas warme
-punch gebracht. Mary en Sophie Wouters hadden er schik in, en lachten
-dat ik haar vader was. En werkelijk, het was of ze alleen maar mijn
-zachte kind was, dat ik beschutten moest tegen koû. Zoo is ze heel stil
-blijven liggen, terwijl wij drieën vroolijk doorpraatten, en gekheid
-maakten. Nu en dan klonk alleen haar heldere lach als ze iets bijzonder
-koddig vond. Zóó lag ze daar stil pleizier te hebben.
-
-Buiten, vóór mij, in het Zuiden, zag ik de donkere berggevaarten,
-zwart-sombere rijzenis in den nacht. Zwaar-donkere wolken dreven laag
-in de lucht. En de wind waaide soms met wilde vlagen.
-
-Wij zaten goed beschut, met de heete punch ons warmend, maar ik zag
-toch heel goed dat sombere mysterie van den nacht, dat woeste, zwarte
-wereld-wezen zoo groot en hoog daarbuiten.
-
-En opeens voelde ik een groote teederheid in mij opwellen voor het
-zwakke broze wezentje daar vóór mij, zoo teêr en hulpeloos in het
-groote leven, en zoo maar voortgestuwd door de macht der dingen, zonder
-eigen kracht; een lief, zacht lam in droeve, duistere heide. O! Nu het
-op te mogen nemen in mijn sterke armen en het altijd warm te schutten
-met mijn liefde! Haar ál het mooi te leeren, waar ze niet van weet, het
-moois van Gods groote natuur, en van de kunst, haar zwakke oogen
-langzaam, langzaam òp te leeren zien in het Groote Licht! En ik zelf
-mij veiligend voor zondig-duistere gedachten, met de reine intuïtie van
-haar ziel, die allerkostbaarste gave, die de vrouw van God gegeven is!
-
-Toen het laat werd is ze stil opgestaan, heeft nog even lief goênacht
-gezegd, en is toen slapen gegaan. Nóg hoor ik het zacht gerucht van
-hare lieve voeten, wegtrippend in den nacht....
-
-Maar ik heb nog héél lang eenzaam op en neêr gewandeld, waar het donker
-was en zwart. En aldoor zag ik maar vóór me haar lieve lichaam zoo
-droomerig uitgestrekt in den stoel, mijn groote kind, door mij
-toegedekt, en tegen koû beschut.
-
-Ééns, ééns zal komen de tijd, dat zij is heengegaan, dat zij een
-vreemde is onder ál vreemde menschen, en in leed of vreugde, in
-zaligheid of pijn, mag mijn arm niet òm haar zijn. Ze zal mij niet
-meer kennen, en als ik ééns moet sterven zal zij vèrre van mij wezen,
-en nimmer weenen. Haar lach zal nooit meer lichten in mijn leven, en
-al het lieve, teêre, heilige, dat nu tusschen onze zielen leeft, zal
-vergeten zijn....
-
-Zóó loop ik droef te peinzen, in den zwarten, kouden nacht, waar
-zooéven zacht verstierf het ruischen van haar rok, het lucht gerucht
-van hare lieve voeten....
-
-En tòch moet er een „Dieu clément” zijn.... een wijze, ál-gerechte God,
-die enkel ’t goede wil....
-
-
-
-Ik heb wat koorts, van den vermoeienden tocht naar den Bromo, en
-vanmiddag had ik zoo hevige hartkloppingen, dat ik mij erg ongerust
-maakte. Maar ik wil toch nog even iets opschrijven van dezen grootschen
-gang. Annie was niet wel. Ik ging met Mary alleen. Het rijden er heen
-is langs een anderen weg, maar van dezelfde natuur als naar den
-Penandjaän. Eerst de steile hoogte op naar Wonomerto bij Pådåkåjå, dan
-den weg naar Ngadiwono, om ineens links af te slaan, en dan, stijgende,
-door een hoog en hooger klimmend dennebosch. Het heel intieme en
-vertrouwde daar, alsof er niets vreeselijks verder ging gebeuren.
-Overal de lieve bloemen en kruiden van Holland, wilde rozen, ranonkels,
-wilde viooltjes, klaverbloemen, weegbree, kruisemunt, vleesch-bloemen,
-kattestaart, margrietjes, bramen, en alle anderen. De boomen aan
-weerszijden van de paadjes zijn tjemårås en kemlendingans. Mooi doet
-vooral het heilige kruid der Tenggereezen, de tinolajoe.
-
-Even wordt het dichte dennebosch verbroken op een open hoogte, de
-Poessoeng Lepitan, vanwaar je rechts in ’t Noord-Westen, opeens vèr,
-den blauwen kegel van den Semeroe ziet oprijzen, majestueus heerscher
-van de hoogste luchten. Dàn daalt het pad weêr in nieuw dennewoud, gaat
-om den kalen bol-berg Boekwanter, en stijgt langzaam op naar den
-krater-muur.
-
-Stijgen, stijgen, dan een klein steil paadje op, links, en je staat aan
-den rand van de Moengal-pas, boven den afgrond naar de grauwe
-Zandzee....
-
-Maar het plotselinge gezicht beneden was niet zoo immens overweldigend
-als van den Penandjaän. De zon was al lang doorgebroken, en scheen
-goedheid in de doodsche vallei. Overal zongen vogeltjes in de struiken,
-en er was een krans van levend gezang, wijd in het rond, boven het
-stille dal. De kleuren beneden waren, door de regens van veel nachten,
-wat lichter en blijer dan voorheen. De ribben van den Batok glansden
-van een rijk goudgroen, en er lag goudgeel te gloeien over het
-slijkgrauw van de Zandzee.
-
-Alleen de Bromo, daar vèr, was even doodsch en koud als voorheen, en
-lag grimmig te broeien, dikblauwe rookwolken uitstootend met langzamen,
-treurigen adem; een ongeneeslijke, gore wonde, zwaar op het lijf der
-aarde. En de wind, gierend langs hoekige ribben en ruggen, neêrjoelend
-over den Ider-Ider muur, vulde de hooge stilte met huilend geklaag.
-
-Hoe vèr, hoe vèr lijkt de zandwoestijn aan onze voeten! Daar ginds
-zwarte stokjes, zoo nietig; het zijn tjemårås, die ergens bij den Batok
-groeien. Overal, vèr uit, de slijkgrauwe, dorre zee van zand. Het lijkt
-eindeloos. Je huivert om straks daarin te zijn....
-
-Maar toch gaan we nu, dalende, daarheen. De weg is te steil om te
-rijden, en wij loopen moeilijk, over rotsblokken en lavaklompen, met de
-paarden achter ons aan, die gewillig volgen. Zóó gaat het, een half uur
-lang, en we staan ineens in de Zandzee die nu grooter, veel grooter dan
-ooit gedacht. Zij ligt daar, grauw-geel, te gloeien in de heete zon,
-maar met ijzige winden koud-gierend er over heen. Het vogelengezang van
-boven is niet meer te hooren. De paarden, dronken van de wijde, wijde
-ruimte voor hen, worden vurig, en in vliegenden galop rennen we nu door
-de wilde woestijn, en voelen ons als Bedouïnen, jagend door de Sahara.
-De hoefslagen der paarden klinken hol op den bodem.
-
-Zóó gaat het, met een vreemd-bang en toch heerlijk gevoel van onbekend
-gevaar, hollend door de sombere woestenij, langs den kolossalen,
-ruig-geribden tulband van den Batok, al dichter en dichter bij den
-Bromo. Groote lava-blokken, van een laatste uitbarsting, liggen
-verspreid.
-
-Nu ligt het bleeke, geel-grauwe monster vóór ons, een ronde, hoekige
-bult op de aarde, goor en grijnzend. Langzaam stijgt een blauwe
-dampwolk er uit omhoog, en het lijkt een rookende wonde, heet van
-broeiing....
-
-Toen zijn wij tegen de gele belt opgereden, hebben de paarden laten
-staan bij een trap van bamboe, en zijn omhoog geklauterd, moeilijk, tot
-aan den rand.
-
-Beneden, peilloos diep, een sombere koker, een eindelooze
-helle-trechter, donker, vol ongure, heillooze dingen.... Beneden, diep,
-diep, gloeit roode vuurschijn, gloort loensche, valsch gele schijn van
-zwavel; sissend stoomen blauwe wolkjes uit nauwe gaten, overal rooken
-solfataren, en een dunne wolk zwaveldamp stijgt op van heel beneden,
-eerst ijl als een sluier, dán dikker en dikker uitpuilend, tot een
-zware kolom langzaam-treurig omhoog rijst, met de hopelooze traagheid
-des doods, in een hijgen en zieden en bliksemend sissen beneden, als
-van woedende machines onder te zwaren druk....
-
-Ik kon het niet lang aanzien, dit gloeiende helleding, dien kokenden
-krater van duisteren haat, met de satanische prikkeling van
-zwavellucht, het joelend rumoer van ondergrondsch, ziedend water, en
-het valsch geglim van gele zwavel.... Het beklemde mij met een angst
-alsof het liefste in mij zou gaan breken. De Bromo, duistere broeiing,
-als van zonde, en nacht, en negatie.... hoe haat ik hem!....
-
-Toen weêr afgedaald, en de paarden bestegen, die weer in vliegenden
-galop voortrenden door de grauwe zandwoestijn. Dalende luchtstroomen
-gierden fluitend over de hooge bergribben rondom, en een ijzige wind
-snerpte snijdend langs mijne wangen. Hier is hel, en koude, en dorheid;
-hier is woestenij, en droefenis, en dood....
-
-Toen...., nooit, nooit zal ik het vergeten,.... midden in de grauwe
-woestijn, in de ijzige, sombere stilte van verdoemenis, diep en
-reddeloos verloren in die vale vallei des doods, bloeide daar opeens
-voor mijn oogen, tusschen wat armoedig gras, een groepje
-vergeet-mij-niet. Vanwaar hier gekomen, door welke liefde hier midden
-in doodsche sombernis verspreid, van welke sappen levend, hier in ál
-droogte en dorren dorst? Vreezeloos keken ze op uit den harden grond,
-een wonder van teederheid in het wreede en koude rondom.
-Vergeet-mij-niet, van een zwakker blauw dan in Holland,
-vergeet-mij-niet, bleek van heimwee, maar tòch liefelijk lachend, en
-gansch zich gevend in volle, maagdelijke broosheid, midden in die kille
-verstarring van dorre woestenij! Ik weet niet wat er was tusschen die
-bloemen en mijn ziel, maar ik heb opeens de warme tranen gevoeld in
-mijn oogen, en ik heb geschreid om het leed dier heimwee-bleeke
-vergeet-mij-nietjes, daar zoo ganschelijk verloren in de woestijn, maar
-tóch nog liefelijk lachend, in wondere, nooit verzwakte teederheid....
-
-En het ontzaglijk wreede van die wijde woestenij, de heete helle-haat
-van den broeienden krater, de sombere rijzenis van de steile, dreigende
-rotsenmuren álom, het leek mij opeens toch maar zwak en nietig bij de
-wonderteêre, maar goddelijk sterke liefde van die bleek-blauwe bloemen,
-zoo broos, en zoo gansch vreezeloos, ál maar liefelijk lachend,
-ofschoon stervend van heimwee, tegen de donkere zonde en den grauwen
-haat rondòm....
-
-
-
-Vanmorgen kwam ik haar witte rozen brengen, en zette ze in een vaas op
-de tafel voor haar kamer, zooals ik wel meer deed.
-
-Daar stond ze inééns voor me, bleek en ernstig, zooals ik haar nog
-nooit had gezien. Ze hield een telegram in haar hand.
-
-„Een telegram.... van mijn man....,” zeide ze,—hoe hard en fèl klonk
-dat voor me, „mijn man,”—„hij is met koorts geëvacueerd naar Padang....
-hij vraagt of ik bij hem kom.... den 12den gaat er een boot van
-Soerabaia.... en over vier dagen ga ik weg....”
-
-Ik voel het duizelen in mijn hoofd. Ik kan het nog niet goed begrijpen.
-
-„Ga je wèg.... ga je wèg....?” zeg ik.... „zal ik dan nooit meer met je
-wandelen?.... en nooit meer bij je zijn, en je hand in mijn hand
-houden, en nooit meer gelukkig zijn?.... en ik hoû zoo van je,
-Annie....”
-
-Maar ze blijft heel ernstig. Het is of er een andere Annie staat
-ineens.
-
-„Dat mag je niet zeggen, Rudolf.... weet je dat dan niet....? dat hadt
-je nooit mogen zeggen.... hoe heb je ’t dan kunnen vergeten.... ik ben
-getrouwd, Rudolf.... alleen mijn man mag dat zeggen.... en het spijt me
-zoo dat je zoo lief tegen me bent.... en ik ben zelf óók zoo zwak
-geweest.... Ik ben nog zoo’n kind soms.... En nu ineens dat telegram
-van mijn man....”
-
-Ik kàn het niet langer hooren, ik kàn niet.... En ik zeg met tranen in
-mijn oogen:
-
-„Ik zal het niet meer zeggen.... je hebt gelijk Annie.... wees niet
-boos.... ik zal je óók niet meer vragen om nog meê te gaan.... ik zal
-je alleen wegbrengen tot Poespo, dat mag wel, hè, met de anderen
-samen....? Maar doe mij dan ook één pleizier.... Zeg dat nooit meer
-waar ik bij ben: „mijn man,” ik kán het niet hooren, ik kán het niet.
-Het klinkt zoo grof voor me, zoo hard, ik weet niet wat het is, maar
-het is verschrikkelijk....”
-
-En ik loop weg, bang om ineens uit te snikken, als een kind.
-
-
-
-Vreemd, ’s avonds na ’t eten, in de conversatiezaal, is ze weer
-heelemaal de oude. Ze kàn nu eenmaal niet lang droevig of ernstig zijn.
-Ze heeft weer een pret als een jong meisje. We spelen allerlei dolle
-spelletjes, als kinderen. Ze gooien met serpentines en confetti, en er
-wordt warme bowl geschonken. Er wordt pand verbeurd en gekust. Ik zoen
-haar als een wilde jongen een meisje van kostschool, als ze haar pand
-moet inlossen. Ze doet weer niets dan lachen en dansen, en zingen van
-pleizier.
-
-En de Annie van vanmorgen is weer heelemaal weg. Het is als een bange
-droom geweest. Maar nu is alles weer goed en gewoon, en er is niets
-verloren....
-
-
-
-Mary was met Sophie en een paar jongelui nog eens naar Ngadiwono
-gegaan. Annie had beloofd, óók klaar te staan om zes uur, en haar
-mooie, lichtgele paardje Gambir stond beneden aan de trap, bij de
-andere paarden, met de fijne voorbeenen stampend op den grond. Maar wat
-een teleurstelling! Ze kon niet mee; haar kindje had wat koorts
-gekregen, en zij wilde het niet alleen laten. En dat de vóórlaatste dag
-van haar heengaan! Ik was er zoo geslagen van, dat ik onmogelijk met
-het vroolijke troepje meêkon, en, bij het steile pad naar Pådåkåjå
-gekomen, plotseling mijn paard omwendde en weggaloppeerde.
-
-Waar nu naar toe te gaan? Met die bittere teleurstelling bijtende in
-mijn hart, en dat verlangen naar het zonnestraaltje van haar lach, haar
-vriendelijken morgengroet, die een geheelen dag zoo blij kon maken! Nu
-maar weer het Leverlaantje ingereden.
-
-En kijk, dicht bij het eerste bankje vloog ineens zoo’n wonder rood
-vogeltje uit het ravijn, als een vliegende bloem, en bleef in een
-struik zich wiegen op een tak. Schitterend als vuur blonk het even voor
-mijn oogen, en flikkerde toen brandend òp, hoog in de lucht. En het
-zien van dit glanzende stukje schoonheid maakte me waarlijk weer gansch
-blij en vol hoop.
-
-Nu maar teruggaan, het ravijn in, en dan stijgen naar Wonokitri, om den
-tocht door „de drie dessa’s” te maken. Kranig liep mijn paardje Radjek
-het ravijn in, toen het steile pad op tegen den berg, en al heel gauw
-was ik in Wonokitri. Daar éven, stil, over de wereld zien, en groeten
-den machtigen Ardjoenå, daar vèr boven de verre vlakte, en dan, door
-allerlei steegjes en paadjes, opeens in een heerlijk dennelaantje. Wat
-een laantje! Heel smal, met aan weerszijden kleine tjemårås, en
-daarachter dicht groen. Het lijkt wel wat op de dennelaantjes bij den
-Bataafschen Boer in de Haagsche Boschjes. Nu maar zacht rijden, om het
-lang te genieten.
-
-En een denken: „dit is nu eerst een paadje om met háár te gaan. Ging
-zij nu maar op haar gele paardje vóór me, met haar ranke lijf zoo
-teeder wiegend als een wiegelende bloem!”
-
-Maar dat zal wel nooit gebeuren, en o! overmorgen is ze weg!
-
-Een verrukkelijke rit door die dennen, tot eindelijk, na een groot
-kwartier, de weg breeder wordt, en opeens gaat het steil naar beneden,
-en het ravijn in.
-
-En opeens een glorie van groen, in heerlijk verkwikkende koelte. Het
-was als een zachte neêrglijding in het geluk. Overal zwaar lommer van
-boomen, uit-waaiende pracht van kolossale varens, en breede
-neêr-pluiming van wijd-uitneigend bamboe, een liefelijke wildernis van
-schitterend groen. Nu je paard stil laten gaan, het zal den weg wel
-vinden, en nu àl maar kijken naar dat milde groen, rechts, links en
-over je hoofd, en overal, en het zingen te hooren van de vogels, en
-hoor! het bruisend geruisch van de watervallen, en de lucht te drinken,
-die ál maar koeler en koeler, en de wind waait zoo groote kracht door
-je ziel, die al rein en reiner! O ja, o ja, jong zijn, jong zijn, niet
-meer weten en niet meer denken, enkel leven, leven. O God! ik dank u
-voor dit goede, goede leven! Nu zingen en jubileeren, en liefhebben, en
-gelukkig zijn!
-
-Zóó, met al die vreugde in mijn ziel, was ik ál maar doorgereden, tot
-onverwacht, bij òmmegang van een paadje, van hoogen rotswand
-loodrecht-steil naar beneden stort een breede stroom bruisend water,
-die de geheele lucht melodieus maakt van zijn rein geruisch. Hoe blinkt
-die blanke waterstroom daar schitterend in de lucht, en hoe moedig ijlt
-hij van die hooge hoogte zingend naar beneden, fonkelstralend in zijn
-klaren val! Heel de atmosfeer is puur en koel van zijn volmaakte
-reinheid. O! Dat lavende, heilige water, daar als een groote goedheid
-neêrgelaten van het dichte, blinkende groen boven den rotswand, dat
-daar ál maar stijgende is en stijgende, een triomf van lichtende,
-tintelende schoonheid, tot in ’t hooge-hooge, waar op den ravijn-kam de
-stille tjemårås staan, vòl-gelukkig onder den doorschemerenden hemel,
-hun pluimen toppen óp naar ’t licht!
-
-Beneden, aan den rand van de waterkom, waar de stroom plitsplassend
-neêrstort, met kletterend geraas, tusschen breede blokken rots, en het
-water dan langzaam murmelt dóór, gekalmeerd en moede van den val,
-staan, eenzaam en bizonder, wat wilde azalea’s, van een ernstig
-donkerroode kleur in al ’t groen overal rondom, en zien het rustig
-peinzend aan.
-
-Ik heb daar even in groote aandacht stilgestaan. Toen weêr doorgereden,
-en na een korte poos hield ik mijn paard in voor een mooie plek. Wild
-dooreen liggen groote rotsblokken, waar stemmig een stroompje ruischt.
-Overal in ’t rond hooge bamboes, die, stam aan stam, hoog als
-vuurpijlen opschietend, zich dán kuischelijk nederneigen in statige
-pluimen. O! die fijne, spitse bladertjes, hoe die zich toch zoo gansch
-staan te geven! Kijk, daar links, gaat het water door onder donker
-priëel, en hoe zacht is het gras daaronder! Hoe heerlijk moet het zijn,
-daar te liggen, met het bamboe-lommer boven je hoofd, in koele schaduw,
-het water zoo klaar ruischende aan je voorbij! O, mijn lieve vrouw, was
-je nu maar hier, was je nu maar bij me, in dat zalige priëel; met mijn
-hoofd zou ik zoo heel zacht rusten in je schoot, en zou ik niet je
-rozige, warme hand voelen in de mijne, en het licht van je vriendelijke
-oogen drinken, en gelukkig zijn van je melodieuze stem, en o! misschien
-héél, héél even een kus droomen op je roode lippen! Het is toch niet
-zoo véél, het geluk, waar ik vroeger zoo lange nachten over peinsde, en
-dat ik maar nooit, nooit vatten kon. Enkel wat vriendelijk
-oogenschijnen, wat lichte lachjes, en wat zoeten kus, en dan al zoo
-heel, heel tevreden zijn!
-
-Maar o! mijn arm hart, dit zal toch nooit, nooit voor je gebeuren. Ai!
-één dag nog maar en mijn lieveling gaat hene, en de droom, de droom is
-voorbij!....
-
-Zóó, wat droef, en bang voor wat zoo gauw zou komen, reed ik door, nú
-stijgende, ál maar stijgende op mijn hijgend paard, tot bij de laatste
-dessa Proewånå. Een klein, steil paadje nu nog, links naar boven, en ik
-stond op het heerlijke „Karrenplateau,” hoog-apart.
-
-En opeens, plotseling geopenbaard, het vèrre vergezicht op de wijde,
-wijde wereld, met de blinkende sawahs en de tuinen, en de bergen, en de
-luchten en de zee. Het lag alles in het jonge, reine morgenlicht, met
-zonneglans door transparanten, vochten sluier, in een zacht beven, als
-een groote ziel, die bewust wordt. De lijnen en kleuren verteederd en
-vervluchtigd in zacht-tintelende waze van parelmoeren zonneglans. Zoo
-onreëel en ongeloofelijk. als in een andere sfeer, waar al ’t harde en
-helle is verreind tot aetherischen adem van essence. De zachtblauwe
-Ardjoenå geruischloos rijzend aan den vagen horizon, met vreemd groene
-en vaag-violette tinten bevende om zijn droomende golvingen, de
-Penanggoenan wègwazende in de wemelende wade van licht, en de Kawi, als
-een rustig-sluimerende maagd onder den blauwen hemel.
-
-Alles zoo vèr, vèr beneden in ’t lage, en ik zelf zoo hoog in ’t hooge
-licht. Eenzaam zag ik het van boven aan en liet het zalig onder mij
-gebeuren....
-
-Wat puur-witte wolkjes zwevende vèr beneden, boven de vlakte,
-schitterend in blanken staat; zachtkens, zachtkens droomden zij voort
-naar de horizonnen van de zee, als lichte zielen, uitvarende in de
-eindeloosheid....
-
-Waar ik staarde, overal, naar alle zijden uit, was de wereld in
-zacht-bevend, transparant licht, en een groote liefde lag er wijd
-uitgespreid, in glanzende genade.
-
-En opeens een voelend weten: „Het is alles goed, en van God gegeven, in
-groote eerwaardigheid, van een eeuwig, onsterfelijk schoon....”
-
-Lang, lang heb ik het aangezien....
-
-Klonk van verre het gekraai van een haan, en hoor, een antwoord;
-zingelt nu het lachen van een meisje óp in de ijle lucht; loeit een
-koe; en klagend blaat een schaap, van diep beneden.
-
-Vaag en onbestemd, een zacht ruischen omhoog van de levende wereld,
-liefelijk en harmonieus....
-
-Wèg-rijende bosschen ten horizon, groen-goudenen sawahs en velden,
-vèr-tintelende zee, en rustig-rijzende bergen, het golft en wemelt en
-glanst aan mijne voeten....
-
-O! Het Leven, het Leven is mij gegeven, o! dank toch! dank! en is er
-mijn Lief niet licht, en staat er de wereld niet blinkend in klare
-couleur?....
-
-
-
-Het is de láátste dag.
-
-Ik zit met Mary op het bankje, in het eerste priëel, op het terras. De
-lucht is van een teeder, ijl Aprilblauw, transparant als heel fijn
-chineesch porselein. De jonge morgen lacht liefelijk boven de blijde
-wereld. En het gansche bestaan lijkt wel louter liefde.
-
-Zou er nu niet nog ééns iets komen? Nog ééns, voor ’t laatst?
-
-Het lucht gerucht van voeten in het zand, het zacht frou-frou van
-ruischende rokken, daar komt een lieve vrouw aan. Annie, in wijde,
-donkerblauwe baby, haar vriendelijk gezicht licht lachend in den
-morgen. Een groote vreugde gaat over mijn ziel.
-
-Nu is ze toch vanzelf gekomen! Zou ze nog meêwillen? Ze moet het nu
-zelf maar vragen.
-
-En zoo vriendelijk haar stem: „Zeg, gaan jullie nog eens meê, voor den
-laatsten keer? Je hebt gisteren immers zoo’n mooien tocht gemaakt in de
-drie dessa’s? Dat moet ik toch absoluut nog eens zien vóór ik wegga.
-Zeg nu maar ja, jullie gaat meê, hè?”
-
-Ze is een beetje verlegen, dat ze nu zelf is komen vragen, en plukt wat
-indische kers, om zich een beweging te geven.
-
-Mary kijkt me eens aan. Ze vindt het niet goed. Ik wéét wat ze denkt.
-Ze vindt het wreed van Annie, mij nog voor ’t laatst te doen proeven
-van ’t geluk, dat morgen dood zal gaan, en nu het scheiden nog véél
-pijnlijker zal maken.
-
-„Ik kan niet mee,” zegt ze, „het spijt me, ik hèb nog zoo véél te
-doen.”
-
-En ze kijkt mij aan, verwachtende dat ik sterk zal zijn.
-
-Maar ik bén niet sterk als Annie vóór mij staat, liefelijk als een
-meisje, in haar wijde, wallende baby, met de fijne kanten figuurtjes
-over haar borst, en bloemen in haar handen. Zóó, als ze daar staat,
-zacht-lachend, bloeiend van jong, warm leven, rank, lief wezentje van
-geluk onder den blauwen hemel!
-
-„Ik ga héél graag mee, dat weet je wel,” roep ik blij. „Wie gaan nog
-meer mee?”
-
-—„Sophie en Hendrik Wouters.—Dus we gaan met ons viertjes.”
-
-Ik wéét wat het zeggen wil. Ze zal haar paard weer aansporen en vooruit
-galoppeeren om met me alleen te zijn, en lief te worden gedaan. Ze kan
-het toch niet laten. En het zal weer erg intiem en gelukkig tusschen
-ons worden, en morgen zal het scheiden nog véél droever zijn. Ik zie
-ineens het dennelaantje van gisteren, en de bloemen bij den waterval,
-en de rotsblokken, waar ik zoo naar haar verlangde.
-
-Maar ik ga meê. Daar gaan we weer samen naar boven, en hand aan hand de
-trappen op, als twee groote kinderen, die we zijn.
-
-Ze krijgt haar wit-gele paardje Gambir, dat nu eenmaal bij haar hoort,
-fijn, gracieus beestje als het is.
-
-En daar rijden we met ons vieren weer uit, in den lichten morgen,
-drinkend van den frisschen wind, door der bergen statige pracht. Ik
-weer vlak achter haar, mijn oogen niet afwendend van haar lieve leden,
-waar ze als een groot meisje, in haar blauwe baby, voor mij uit wiegt,
-op het luchte rythmusje van haar dansend paardje. Wij zijn de anderen
-weêr een beetje vooruit; als wij in de hoogte staan bij Wonokitri zijn
-ze nog stijgende, beneden in ’t ravijn.
-
-„Waar is nu ergens dat mooie dennelaantje, waar je zoo over uit was?”
-vraagt ze, met een ondeugend trekje om haar mond.
-
-„Het is vlakbij, als je maar recht dit pad dóórrijdt,” antwoord ik,
-„Maar weet je dat de anderen nog achter zijn? We zullen een heel eind
-vooruit komen, hoor!”
-
-Ze wil het niet begrijpen, en tikt haar vurig paardje met de karwats,
-dat het opeens in galop voortrent. Ik haar achterna.
-
-En daar rijden we nu samen in de dennelaan, precies zooals ik gisteren
-zoo verlangde. Het lijkt wel de vervulling van een wensch uit een
-sprookje. Als wij een goed eind vooruit zijn houdt ze haar paard in, en
-we gaan stapvoets naast elkaar.
-
-Als ze rijdt is ze nog gracieuzer dan anders. Het is haar licht naar
-rechts gebogen hoofdje, dat dan iets heel apart teêrs en fragiels aan
-haar geeft. En ze wiegt op het rythmusje van haar paardje, als een
-bloem, zacht in den wind.
-
-„Nu zijn we toch weer alleen,” zeg ik. „En je weet dat het niet goed
-is. Nu ga ik je tòch weer zeggen, hoe lief ik je vind, en hoe ik van je
-hoû. Je weet dat ik het toch niet laten kan.”
-
-Zij kijkt een beetje strak.
-
-„Begin je nu weer?” zegt ze verwijtend.
-
-Ze wil lief gedaan wezen. Ze wil heel alleen met me zijn, en ik mag
-haar ook wel liefkoozen en kussen. Maar ik mag het niet zeggen. Het mag
-nooit gezegd worden wat onze zielen alleen weten. Ze heeft geen
-behoefte aan uiten, zooals ik. Ze houdt alleen van ’t stille ondergaan.
-
-Want als ik nu, stilhoudende, haar hand neem, en zachtkens kus, trekt
-zij die niet terug, en ziet me tevreden-lachend aan. En dàn rijden we
-zwijgend verder, zonder iets te zeggen, al heel gelukkig met bij elkaar
-te zijn in het geurige dennelaantje, onze paarden stil stappend op den
-grond vol zachte, bruine naalden. Zij spreekt niet, en ziet me alleen
-maar vriendelijk aan. Maar ik voel haar lieve ziel zoo héél, héél dicht
-aan de mijne, dat ik denk haar zelf te zijn....
-
-Bij Sidaĕng gekomen, waar de stille laan opeens uitloopt in steile
-rotspaden, en het ópene wijd onder ons ligt, blijven we wachten op de
-anderen. Het is of het donkere laantje, waar we even in terugzien, vol
-van geluk is, dat wij er achterlieten.
-
-Als Sophie en Wouters zijn gekomen, gaan we verder. Denzelfden weg van
-gisteren, maar hoe héél, héél anders, nu haar lief figuurtje voor mij
-uit wiegt op het lichtgele paard! Zoo met al het licht en het groen,
-onder het pure blauw van den hemel, met die frissche, ijle lucht,
-lavend je longen, is het als een tocht met je Liefste door een
-paradijs. Het lijkt nu zoo onbestaanbaar en onreëel dat ik ooit geleefd
-heb het triestige, vreugdelooze leven in Soerabaia, hijgend naar lucht,
-en leêg van liefde, Ik voel me herboren in veel reinere gewesten, waar
-alles blijheid is en liefde.
-
-Bij den waterval gekomen is de weg moeilijk voor de paarden. Ik stijg
-af, en leid Gambir bij den teugel. En even kus ik haar hand. Ze vindt
-het zoo prettig, zoo’n kleine attentie, en lacht een beetje verlegen,
-als een meisje dat door een jongen wordt gezoend.
-
-Eindelijk zijn we bij de rotspartij, waar de rotsblokken liggen
-opgestapeld in het groen, en waar het water liefelijk ruischt, diep in
-het ravijn. De hoog pluimende bamboes neigen zegenend over onze
-hoofden, zacht-wuivende. Overal is vogelgekweel en bladerengeruisch.
-
-Annie is afgestegen, en vindt het hier een goed plekje om wat te
-rusten. De koelies leiden de paarden heen om te grazen. Zij ziet een
-hoog rotsblok, en klimt er vlug tegen op. Boven gekomen roept ze
-plagend als een kind: „Je kunt tóch niet bij me komen! Er is nog net
-één plaatsje over!”
-
-En natuurlijk klim ik bij haar. Eigenlijk is er géén plaats meer. Ik
-kan alleen mijn evenwicht houden als ik mijn arm om haar heen sla. En
-zóó blijven we zitten, héél dicht bij elkaar. Hoe vlák bij is ze nu.
-Het lijkt zoo onmogelijk dat ze ooit weg zal zijn. Waaien haar krullen
-niet tegen mijn wang, en voel ik niet tegen mij aandeinen het zacht
-ademhalen van haar borst? Mijn lippen zijn zoo dicht bij haar hals.
-Even, even, heel zacht, een kus. Ze lijkt nu wel ganschelijk van mij,
-mij altijd te behooren....
-
-Ze wijst me op het priëel óver ons, het priëel, dat ik gisteren al zag,
-en waarbij ik zoo naar haar te verlangen stond.
-
-„Jammer dat het er zoo nat is,” zegt ze ondeugend. „Dát zou pas een
-heerlijk plekje zijn.”
-
-Ze is òf heel naïef, òf heel wreed, denk ik even. Maar als ik in haar
-kinderlijke oogen zie, weet ik dat het enkel groote naïefheid is. En
-toch ril ik even zachtjes bij het denkbeeld, met haar te droomen onder
-dat zware, donkere lommer, en haar daar rusten te doen in mijn armen.
-
-Nu komt een „spada” van het Hôtel met ajer blanda, en wij drinken, vlak
-naast elkaar, het verkwikkende vocht. Hoe idyllisch lijkt het, zoo met
-je tweeën op een rotsblok, diep in ’t ravijn, met óveral groen rondom,
-en water ruischend aan je voeten. Zij in haar blauwe, wijde baby, als
-een groot kind, ik in een glanzend wit pak. Alles is zomer-luchtigheid,
-en zonneschijn, en koelte, en geluk. Het licht blinkt op de groene
-blâren, de wind suist door het riet, en haar lief gezicht lijkt zoo
-gansch te behooren bij al het moois rondom, het lijkt zóó uit al die
-welige weelde opgebloeid, als een zachte, roode bloem. En dit, geloof
-ik nu, zou wel de simpele wijsheid kunnen zijn, waar ik zoo lang en
-droef naar zocht: „Eén zijn met de groote, àlgoede natuur, ademen één
-zelfden, reinen adem met de blijde bloemen en de bloesemende boomen,
-met naast je de goede, lichte Liefste, die dáár is, om je leven te
-volmaken, dat alléén zijn harmonie niet vindt. Niet denken, en niet
-willen, en niet weten. Maar stil-tevreden leven met het Lief, twee
-zachte, simpele bloemen onder Gods blauwen hemel, in deemoed bloeiend
-omhoog.”
-
-En werkelijk, zóó als ze daar dicht tegen me aanzat, waar ik haar hart
-kon voelen kloppen, en de zachte strooming van haar leven voelde
-vloeien langs ’t mijne, heb ik even gekend dat zoo eenvoudige en kalme
-geluk, dat ik zoo verre, verre zocht, maar dat vlakbij gevonden wordt,
-als Liefde’s Licht maar schijnt....
-
-Al ’t lieve moet voorbij gaan, als een droom, anders zou ’t leven hier
-één eindelooze zaligheid worden, en hemel zijn....
-
-Wij stijgen weêr in ’t zadel, en nu gaat het berg op, moeilijk, met
-hijgende paarden, tot bij Proewono, waar een steil, smal zijpad opklimt
-naar het „Karrenplateau.”
-
-En het is weêr een zelfde apothéose als gisteren. Van het hooge, kleine
-plateau opééns uitziende op de wijde, wijde wereld daar vér onder ons.
-Bevende, wemelende horizonnen van zee en licht en lucht. Geelgouden en
-smaragdgroene schittering van sawahs en tuinen. Maagdelijke rijzenis
-van zachtblauwe bergen, nevel-omdroomd, die als wèl-bewuste wijsheid
-kuischelijk ópstaan boven de lage vlakte, hoog ten hemel. Blanke,
-lumineerende wolkjes, die als lichtende engelen zachtkens, zachtkens
-voortzweven aan blinkende transen. Wijd ligt de wondere wereld ónder
-ons. in een goddelijke zaligheid van licht, en kleur, en nuance, en
-beweeg....
-
-Wij zijn afgestegen, en ik bind de paarden aan een boom. Ik sta met
-haar op den rand van het plateau, vlak bij de helling. Ik houd haar
-hand in de mijne.
-
-„Vin je dat nu niet héél mooi?” vraag ik haar. „Zie je die blanke
-wolkjes daar? O! kon ik met jou zóó samen aan den hemel drijven, zoo
-heel zacht naast elkaar, en nooit meer scheiden!”
-
-„Je wordt weer poëtisch!” plaagt ze lief. Maar ze kijkt aandachtig naar
-de lichte, blinkende wezens, die daar voortdrijven naar de zee, in
-sneeuwen reinheid.
-
-„Wat is het alles laag en vèr beneden,” zeg ik weêr, hardop denkende.
-„En wat staan wij hier héél hoog er boven. Wat kijk je lief-lachend
-naar omlaag! Hoe teêr en fijn is nu je gezicht, hier zoo bizonder
-glanzend, in die hooge regionen! Je lijkt nu wel een zachte engel, die
-vóór den hemel staat, en uitziet op de aarde vér beneden. The Blessed
-Damozel....”
-
-Ze lacht wat, en begrijpt me niet heel goed. Ze is moê, zegt ze en gaat
-liggen in het gras, haar baby in wijde plooien om haar heen, als de
-bladen van een bloem.
-
-„Mag ik bij je komen? Zal je niet boos zijn?”
-
-„—Neen, maar je mag niets zeggen, zooals verleden. Je mag er niet over
-praten.”
-
-Neen, spreken zal ik er niet meer over, en haar niet meer vragen of ze
-van me houdt. Ik zal alleen maar naast haar liggen, mijn hoofd doen
-rusten in haar zachten schoot, en haar handen streelen in de mijne. Zij
-houdt haar grooten strooien zonnehoed beschermend boven mij, en haar
-lief gelaat buigt zich over het mijne, vriendelijk lachend. Zóó zegt ze
-het me dat ze heusch wel van me houdt, al mag ze het niet uitspreken in
-woorden. Hoe heerlijk is het, zoo te liggen! Hoe warm en veilig is het
-bij haar!
-
-Zoo hoog, zoo hoog boven de wereld, in de ijle, fijne, pure lucht! Wij
-ademen in zoo gansch zuivere sferen hier, waar ’t geluk wel bloeien kan
-in onze zielen rein. Vèr onder ons is der wereld droef gerucht....
-
-„Weet je wat nu ’t geluk is?” fluister ik haar toe. „Hier altijd
-blijven droomen in je schoot, en somtijds heel even wakker worden, en
-dan de sterren zien van je oogen, en dan een kus van je krijgen, en dan
-weer droomen van dien kus....”
-
-Zij legt een vinger op haar lippen, wenkend dat ik niet spreken mag, en
-zóó heel stil moet blijven.
-
-Totdat de anderen komen, die nog achterbleven, lig ik in het blinkende,
-groene gras, en rust mijn hoofd in haar schoot, waar zij liefderijk
-over mij zit heengebogen, als een stille, wakende engel, zwijgend, in
-groote eerwaardigheid. En zóó ver, zoo héél ver beneden ligt de wereld,
-en zóó hoog in ’t hooge zijn we hier verheven, dat het mij is, of nu
-het einde is gekomen, en ik enkel een ziel ben die, der droeve aarde
-ontstegen, hier landde in Gods reinere regionen, waar één van Zijn
-lichte engelen haar wachtte, en zacht-genadig opnam in zoo kuischen
-schoot....
-
-
-
-Alle gasten in ’t hôtel hebben een feestje bereid den avond vóór
-Annie’s vertrek. Er is muziek gemaakt, en gedanst en champagne
-geschonken. En doodmoe ging ik ’s avonds laat naar bed.
-
-Na een koortsachtigen, bangen slaap word ik om zes uur wakker. De zon
-is opgekomen, en jonge stralen lichten in mijn kamer.
-
-En ineens, benauwend, een denken: „Ze gaat weg, ze gaat wég.”
-
-Ik ril en huiver.
-
-Gauw nu aankleeden, en naar buiten, naar het terras. Hoe heerlijk
-schoon is de morgen! De wereld is een puur paradijs van lichten vrede.
-Hoe blij en liefelijk staan de bloemen om mij heen! De rozen, de
-viooltjes, de blauwe verbenas, de resedas, de heliotropes! Hoog rijzen
-de goede bergen ten hemel. Ardjoenå lacht zijn goden-lachen in de
-stralende zon. Beneden ligt de vlakte in gouden waze, met verheerlijkte
-kleuren, Er lijkt niets veranderd. Blinkend blaakt nog de droom...
-
-En ik kán, ik kán het niet gelooven. Het is alles zoo goed en warm en
-licht rondom! Ik buig mij over zachte bloemen, en pluk ze, voorzichtig,
-nog nat van dauw. Dit zullen mijn láátste bloemen zijn.... De
-allerlààtste bloemen van liefde, die ik nog ooit een lieve vrouw zal
-geven....
-
-Nu naar haar kamer. Gelukkig is er nog niemand op het plein. En daar
-staat ze voor de deur. Zoo licht, zoo glanzend van warme goedheid in
-den morgen, haar kindje naast haar.... Een zachte wijding is om haar
-heen.... Liefelijk lichten daarin haar oogen....
-
-„Dag Annie, dag lief mevrouwtje,” zeg ik, en ik houd me goed, waar
-tranen in mijn oogen staan. „Ik heb voor ’t laatst nog wat rozen en
-héliotrope geplukt, de afscheidsbloemen....”
-
-Het vriendelijk lachen van haar licht gezicht.... O! het gebaar,
-waarmee ze nu mijn bloemen aanneemt!.... Wie heeft gelegd de vrome
-gratie in die teêre leden, dat elk gebaar zoo zacht maakt als
-gebed?.... En uit haar lieve ziel komt die stem, die dankbaar zegt:
-
-„Dank je wel, hoor, ik ben er héél blij meê, ik zal ze goed
-bewaren....”
-
-Dàn, inééns heel hartelijk, en verontschuldigend voor gisteren:
-
-„Het spijt me zoo dat we gisteren avond niet wat alléén konden zijn, en
-al die menschen er bij kwamen. Het zou met ons vijven zoo véél
-gezelliger zijn geweest. Maar ik kon er niets aan doen.”
-
-Hoe klein is ze nog! Ze lijkt wel de groote zuster van haar kindje! Ze
-is nog zoo héél erg een Meisje zooals ze daar staat! Ze heeft haar
-blauwe blouse aan met witte cirkeltjes. Haar parelgrijze rijrok, die
-zoo ruischt. De blanke, ópgeslagen manchetten, en het ópstaande
-boordje, met de groote, witte das. Een wit stroo matelotje op, met wit
-zijden lint. Zoo blij, dat blauw in den morgen! Alles zoo frisch en
-blank aan haar! Wat is ze nu dicht bij me, nu ik haar hand nog
-vasthoud! Ik zie het héél fijne, blonde dons op haar wangen, en een
-teêre ader, bleek-blauw, bij haar slaap. Haar glanzende gouden krullen
-bewegen een beetje in den wind. Ze lijkt zoo héél voor mij, zóó, even
-maar te grijpen, en dan te houden, o! vást, vást te houden voor héél
-het leven, en nooit weêr af te staan!
-
-En straks zoo vèr, zoo vèr, zoo vèr.... Dra is de lieve droom
-voorbij....
-
-Ik buig mij over haar kindje, en kijk het kereltje in zijn koddige,
-blauwe oogjes. De oogen van zijn moeder! Ik vraag hem, of hij blij is,
-weer terug naar de stad te gaan.
-
-„Fritsje liever hier blijven,” zegt zijn stemmetje.
-
-Een fijne, nog heel zachte stem, met iets oneindig teeders en bedeesds.
-Zoo’n klein, klein kleutertje! Hij is een heel klein stukje ziel van
-Annie, uit háár zachte gratie weggedroomd, hier in ’t harde leven.
-
-En ineens, heel klaar en pijnlijk vóór me, als een zaligheid hopeloos
-onbereikbaar: Een kindje van mij en Annie! Door mij uit haar lieve lijf
-gewekt, en mijn ziel met háár lieve ziel te zamen!
-
-Ik zie haar droevig aan, en zwijgend ziet ze in mijn oogen. Zou ze het
-hebben gelezen, mijn lief geheim?
-
-Daar komt Sophie haar kamer uit, en maakt een einde aan de spanning,
-die ontstond. Ze ziet wel dat er iets gebeurt en spreekt van ’t mooie
-weer, en den heerlijken rit die nog te maken is, en van nu nog maar
-eens goed profiteeren. En daar komt Mary ook, mijn trouwe, zachte
-zuster. Ze kijkt heel bezorgd naar me, wetende wat nu voor mij gebeuren
-gaat. Nu even nog naar het achterplein van ’t hôtel gaan, en groeten,
-en handen geven aan wat gasten, dan de trap af, naar de paarden, die
-beneden staan.
-
-Wiono, het mooie goudvosje, zal haar wegbrengen.
-
-Daar staat ze weer naast haar paard, zooals zoovele, heerlijke malen!
-Het is of ’t weer een nieuwen pleiziertocht geldt, zoo in den jongen
-morgen, met al de bergen zoo licht in de zon, en de wind zoo blijde
-waaiend. De droom blinkt nog in volle glorie....
-
-Nu weer de handen saâmgevouwen voor haar òphouden, en hoe lucht, als
-een vogeltje dat vliegen gaat, springt ze in het zadel! Zie nu haar
-kleine voetje in den beugel steken! Hoe fijn, haar broze enkel. Wat is
-zoo’n lieve vrouw toch van louter zachtheid en teederheid gemaakt! Hoe
-is dit toch bestaanbaar in het harde, harde leven.... Maar neen, het
-leven is niet hard; zie nu toch die bergen, glanzende in de zon, die
-blinkende hemelen, waar de blanke wolkenstoeten drijven!.... Het leven
-is licht, en vreugde, en geluk....
-
-Nu rijden wij weg, Mary met Sophie en Hendrik Wouters een eind achter,
-Annie en ik weer vooruit. Hoe zet zij haar paardje weer aan! Al heel
-gauw rijden wij alleen.
-
-Er gaat een zachte gedachte in mij om, heel droef. „Ze gaat wèg van je,
-Rudolf, wèg, wèg....”
-
-Maar het lijkt te onbestaanbaar.... Het komt zoo héélemaal niet bij het
-lichte geluk rondom.... En ik lách even om mijn eigen vrees.... Dáár is
-ze immers vlák, vlàk bij mij.... Als ik éven mijn hand uitsteek voel ik
-haar zachten arm.... Ik zie de goudblonde krullen, zachtjes waaiend om
-haar hoofd.... Hoe lief lacht ze mij toe, hoe hoort haar vriendelijk
-oogenschijnen zoo ganschelijk bij mijn ziel....
-
-Wij spreken ook héél niet over scheiden. Wij spreken over hoe mooi het
-is rondom, waar wij zachtjes dravend door den breeden weg gaan, met
-overal in de verte bergen, en wolken, en horizonnen, en rechts de diepe
-ravijnen, waar de zon schittert en flikkert in licht bewegend groen.
-Zij is weer zoo blij en lacherig als een kind in den jongen morgen, en
-het leven is goed, o! het leven is goed en gelukkig, met het lief
-gekweel van vogelen rondòm, en het liever klinken van haar melodieuze
-stem!
-
-En tòch, en tòch, heel zacht, die vreemde weifeling héél vèr van binnen
-in mijn ziel: „Dit is het einde, dit is het einde... nu komt de nacht
-weer voor je, de lange, bange nacht”.... Dan rijd ik heel dicht naast
-haar, en neem haar hand in de mijne, en voel wat angstig of het nog
-heúsch, heúsch wel waar is, als een, die in een droom de dingen angstig
-betast, bang dat hij aanstonds weêr zal ontwaken....
-
-Zij laat haar hand gewillig in de mijne. De paarden loopen even naast
-elkaar.—Somtijds wil ik nog vragen: „Annie, je gaat toch niet weg, hè?
-het is maar wat jokken, hè, van dat weggaan? Je blijft nog bij me?....”
-
-Maar ik ben bang, o! bang om het te zeggen. Er gaat een duizeling door
-mijn hoofd. En mijn hart hoor ik hamerend kloppen....
-
-En het kán niet, het kán niet! Kijk! alles is immers nog éven mooi....
-De koele, reine lucht, en al dat groen, dat blinkende, wuivende,
-ruischende groen rondom.... Alles is er nog, alles, éven mooi.... Dáár,
-kijk, de figuurtjes in haar blouse, zoo wèlbekend, dáár is haar dasje,
-haar hoed, haar ceinture.... Het is vlák naast me, als ik éven de hand
-uitsteek is het mijn....
-
-Voel maar, hier is haar eigen hand, zoo zacht en warm....
-
-Maar nu voel ik het weer warrelen en duizelen in mijn hoofd nu ik dit
-schrijf.... En toch, het móet, ik wíl het, ik wil het neêrzetten in dit
-dagboek.... Maar ik wéét het niet meer, ik wéét het heusch niet
-meer.... Hoe is het ook weer gebeurd....? Ai! mijn hart klopt zoo, mijn
-hart klopt zoo.... O ja.... we waren, inééns, en toch moet het eerst na
-anderhalf uur zijn geweest, we waren ineens in het kleine, stille Hôtel
-van Poespo. De anderen waren ook gekomen. Er was een tafel gedekt. En
-we hebben samen ontbeten. Er is gelachen, en gezongen, en wijn
-gedronken. Het was zoo verschrikkelijk prettig.... Toen kwam er iemand
-iets zeggen van hoe laat, en van den trein in Pasoeroean.... Wat?....
-ja, de trein.... in Pasoeroean....
-
-En Annie staat ineens op, en loopt weg van tafel. Ik haar na. Ik begin
-weer te begrijpen....
-
-Ze staat opeens met me achter, bij de bijgebouwen, waar het water uit
-een bergwand schiet....
-
-„Ik ga weg,” zegt ze, „ik ga weg.... ik vind het verschrikkelijk, zoo’n
-afscheid.... het héérlijke Tosari, het héérlijke, verrukkelijke
-Tosari.... maar ik moet weg.... ik moet naar mijn man, hoor je ’t, naar
-mijn man.... dag Rudolf....”
-
-Dit is niet meer mijn vroolijke Annie. Dit is al niet meer haar
-stem.... Dit droeve en zoo vast serieuze is niet van Annie.... Ik
-probeer haar niet tegen te houden. Het is onherroepelijk.... Want,
-opééns wéét ik het weêr, fèl, scherp, hard wéét ik het, dit is het
-einde van een droom.... het hel ontwaken.... het is onverbiddelijk,
-genadeloos....
-
-Ik kan niet spreken. Ik voel de groote tranen in mijn oogen. Ik durf
-haar niet meer te kussen, ze is al te vèr, de droom is nu al veel te
-broos op ’t breken.... Ik voel dat ze mijn hand drukt, en de tranen nu
-langs mijn wangen gaan....
-
-„Ik kán ’t niet zien, ik kán ’t niet zien,” roept ze angstig. „O! laat
-ik nu toch weggaan!....”
-
-Daar vóór het huis staan karretjes klaar. Ik zie het nu zwijgend aan.
-Er worden koffers opgeladen. De anderen zijn er nu ook, maar ik weet
-niet wat te zeggen. Ik zie alléén dat Annie nu in het achterste
-karretje stapt, en haar kindje bij zich heeft.... Mary kust haar, en
-zij geeft Wouters en Sophie een hand.... en roept nog wat liefs....
-
-Langzaam, langzaam rolt het wagentje vooruit... Dáár, dáár.... wèg,
-wèg.... Nog even, nog éven. Ik ren nog éven vooruit, en ’t wagentje
-houdt op.... „Annie! Annie!” roep ik.
-
-Ze zit zoo héél, héél stil.... Haar donkere oogen blinken van zoo
-zachten glans.... O! die zachte tranen, uit haar ziel geweld om
-mij!....
-
-„Annie! zal je nog wel eens een héél enkelen keer om mij denken? Zal je
-me niet héélemaal vergeten?....”
-
-„Neen, Rudolf, dat wéét je wel.... Kijk, je bloemen van vanochtend, die
-ik in de tandoe bij mijn kindje heb gelegd, ze zijn al heelemaal
-verlept.... maar ik zal ze áltijd, áltijd bewaren als een aandenken....
-ik zal altijd aan je denken....”
-
-Nog éven voel ik haar handen op mijn brandend hoofd, troostend en
-zegenend, waar ik mij diep heb gebogen voor haar zachte gratie.... Ik
-hoor haar stem nog éven klinken vol droefenis, waar ze mij vaarwel
-zegt.... O! nog éven zie ik haar zachte ziel, blinkend in haar
-oogen....
-
-Dan gaat het vàn mij, ver en verder....
-
-Daar gáát ze, o God, mijn God, daar gáát ze.... Ze wuift en wuift nog
-met haar zakdoek, ze roept nog lief gedag, en wuift en wuift.... mijn
-arme, verlepte rozen en héliotropen verspreid over haar schoot, met
-haar kindje tegen zich aan....
-
-Nu is het over.... Nog èven, èven, een winding van den weg... Haar
-rank, licht figuurtje... Ze wuift en wuift....
-
-
-
-En de droom, de droom is voorbij....
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] De tjemara, een conifeer, is een boom die een indische den lijkt
-maar toch geen den is (casuarina montana).
-
-[2] Maar heel zelden zijn datums vermeld. Achter elken dag liet hij een
-kleine ruimte open.
-
-[3] Wonokitri—Sedaeng—Proewono.
-
-[4] Dit vogeltje is de „telèdèkan” (dansmeisje), zoo genoemd om zijn
-schitterende kleuren.
-
-[5] Eigenlijk beteekent Dasar „grond, bodem enz.,” dus meer bodem van
-de Zandzee. Zandzee is „Segoro Wedi.”
-
-[6] Eigenlijk is dit „sari” niet de bloem zelf, maar het intiemste
-centrum der bloem, de plaats van den fijnsten geur, de essence.
-
-[7] Widodaren = luchtgeest.
-
-[8] Dicht bij deze dessa ligt het rustige Hôtel Tengger van den heer
-Elfferich, in een zeer schoon, vredig dal.
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN DROOM ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/66947-0.zip b/old/66947-0.zip
deleted file mode 100644
index d1cb09e..0000000
--- a/old/66947-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66947-h.zip b/old/66947-h.zip
deleted file mode 100644
index 52f2e79..0000000
--- a/old/66947-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66947-h/66947-h.htm b/old/66947-h/66947-h.htm
deleted file mode 100644
index f819a80..0000000
--- a/old/66947-h/66947-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,4451 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-12-15T21:26:03Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Een Droom</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Henri Jean François Borel (1869–1933)">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Henri Jean François Borel (1869–1933)">
-<meta name="DC.Title" content="Een Droom">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-margin-left: -0.1em;
-margin-top: 0.9em;
-min-width: 1.0em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-.apparatusnote:target, .fndiv:target {
-background-color: #eaf3ff;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 8.4pt;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-letter-spacing: normal;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:480px;
-}
-.xd31e88 {
-text-align:center; font-size:large;
-}
-.xd31e332 {
-text-align:right;
-}
-@media handheld {
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-
-<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Een Droom, by Henri Borel</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Een Droom</p>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Henri Borel</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: December 15, 2021 [eBook #66947]</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div>
-
-<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for project Gutenberg (prepared from scans made available by the Koninklijke Bibliotheek, The Hague)</div>
-
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN DROOM ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd31e88">EEN DROOM
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">NEDERLANDSCHE BIBLIOTHEEK</div>
-</div>
-<div class="byline"><span class="sc">Onder leiding van L. Simons.</span></div>
-<div class="docImprint">UITGEGEVEN DOOR:<br>
-DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN<br>
-GOEDKOOPE LECTUUR · AMSTERDAM</div>
-</div>
-<p></p>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="byline"><span class="docAuthor">HENRI BOREL</span></div>
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">EEN DROOM</div>
-</div>
-<div class="docImprint">DERDE DRUK</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.v">[<a href="#pb.v">V</a>]</span></p>
-<div id="voorwoord" class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#voorwoord.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VOORWOORD</h2>
-<h2 class="sub">(BIJ DEN TWEEDEN DRUK)</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Sedert de verschijning van dit boek, eerst in de „Gids” en toen in boekvorm, in 1899,
-is in Tosari veel veranderd, vooral wat de inrichting der hôtels aldaar en in den
-omtrek aangaat.
-</p>
-<p>De natuur is er echter, gelukkig, onveranderd, en daar de natuurbeschrijving in dit
-boek hoofdzaak is, meende ik, waar het geheel en al uitverkocht was, een tweeden druk
-niet overbodig.
-</p>
-<p class="signed">H. B.
-<span class="pageNum" id="pb.vii">[<a href="#pb.vii">VII</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="inleiding" class="div1 introduction"><span class="pageNum">[<a href="#inleiding.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">INLEIDING</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het Dagboek van Rudolf de Wall ligt voor mij op mijn schrijftafel, naast zijn eenigen
-bundel verzen, de „Winter-Bloemen,” die verleden jaar zulk een opgang maakten.
-</p>
-<p>Het verwondert mij dat hij mij dit stuk van zijn intiemste leven heeft gestuurd vóór
-hij stierf, maar tegelijk ben ik er trotsch op. Want Rudolf was geen prettig, hartelijk
-mensch in den omgang. Sedert den dood van zijne jonge vrouw werd hij vrijwel ongenaakbaar.
-Het was maar heel zelden, dat ik hem bij mij kreeg en wij samen vertrouwelijk praatten,
-zooals vroeger in Holland, toen wij jong waren. De misère van het indische leven,
-in de materialistische maatschappij, maakte het nog erger, en ik zag Rudolf, als zoovele
-superieure geesten in Indië, langzaam, langzaam achteruitgaan en er onder geraken.
-Verzen schreef hij niet meer, en in muziek had hij óók geen <span class="pageNum" id="pb.viii">[<a href="#pb.viii">VIII</a>]</span>lust; ik geloof dat hij het grootste deel van den dag versliep. ’s Nachts was er nog
-heel laat licht bij hem op, en dan zat hij verdiept in boeddhistische filosofie of
-in Schopenhauer, dien hij bijna van buiten kende.
-</p>
-<p>Het verwonderde mij, dat hij de weinige plichten van zijn ambtenaars-betrekking, die
-gelukkig vrij wel een sinecure was, nog geregeld volvoerde. Hij werd onaangenaam in
-den omgang, praatte weinig meer over literatuur en kunst, en zocht door ruwheid en
-gemaakt, indisch cynisme zijn groot verdriet en de wanhoop van zijn hart voor mij
-te verbergen. Hij begon er al slechter en slechter uit te zien, verwaarloosde zijn
-toilet, en gaf in alles den indruk van langzamerhand af te takelen en te abrutisseeren,
-zooals dat zooveel in Indië voorkomt.
-</p>
-<p>Gelukkig dat zijn zuster Mary altijd nog bij hem kon blijven, en hem als een kind
-verzorgen, anders was het zeker nog véél erger met hem geloopen. Zij leek wel eerder
-zijn moeder dan zijn zuster, en hield van hem met zoo’n innige aanbidding, dat zij
-nooit van een anderen man heeft kunnen houden, en ook nooit de gedachte in haar was
-opgekomen om nog eens te trouwen, zoolang Rudolf alleen bleef.
-</p>
-<p>In September, hoorde ik, was hij zwaar ziek geworden van malaria. De dokter raadde
-hem aan, naar „boven” te gaan, naar Tosari, waar hij stellig beter zou worden. Maar
-hij wilde er niet <span class="pageNum" id="pb.ix">[<a href="#pb.ix">IX</a>]</span>van hooren. Met de eigenzinnigheid van een koppig kind weigerde hij te gaan. Ik begreep
-wel wat er in hem omging. Het was al zóóver met hem gekomen, dat hij er weinig meer
-aan hechtte of hij leven bleef of niet. Hij vond het eenvoudig niet meer de moeite
-waard om beter te worden, en de misère van het indische leven weêr van voren af aan
-te beginnen. Hij wist ook heel goed dat hij de kracht miste, zich boven die misère
-te verheffen, om in de indische maatschappij, die hem zoo drukte, ook het vele mooie
-te gaan zien en, zich schikkend naar de omstandigheden, van dat mooie te gaan genieten.
-</p>
-<p>Mary, die hem niet kon overreden, schreef mij een wanhopig briefje, om haar toch te
-komen helpen, want Rudolf ging met den dag achteruit, en de dokter had verklaard,
-dat alleen de heerlijke berglucht van Tosari hem nog zou kunnen redden.
-</p>
-<p>Het kostte veel moeite, maar eindelijk kreeg ik hem, als vroeger, heel lang geleden
-in Holland, onder mijn invloed, en vond hij het goed dat wij hem naar „boven” transporteerden.
-</p>
-<p>Ik kende Tosari al sinds jaren, dat paradijs van Indië. dat mij de Oost altijd lief
-en dierbaar zal doen blijven, alléén om de herinnering aan die reine koele lucht daar
-boven, die grandioze berggevaarten en die <span class="corr" id="xd31e143" title="Bron: apothéozen">apothéosen</span> van wolkenpracht. Ik wist dat het zien van die wondere, grootsche natuur daar hem
-nog veel meer goed zou doen dan enkel de zuivere, versterkende lucht, en ik <span class="pageNum" id="pb.x">[<a href="#pb.x">X</a>]</span>hoopte dat niet alleen zijn lichaam, maar ook vooral zijn ziel daar zou genezen en
-herleven.
-</p>
-<p>Je leeft daar eigenlijk in hoogere, reinere sferen, en wat de aarde beneden voor je
-is zijn dáár de wolken. Het is een voortdurend leven in de wolken eigenlijk, en veelal
-nog hoog daarboven. Hoe dikwijls, staande op het terras vóór het Hôtel, met een egaal
-blauwe lucht boven je, zie je beneden, vèr, vèr beneden, boven de vlakte, de statige
-wolkenstoeten drijven, en sta je uren aan uren te staren naar die glanzende vluchten
-van blanke luchtedroomen! En hoe vreemd, hoe héél anders dan ooit beneden, voel je
-je, als van omlaag de nevelen óp komen rijzen, en je ziet ze vooruitschuiven in de
-ravijnen, en wijd-uit drijven, en rijzen en weêr rijzen, tot alles één blanke, witte
-wade wordt, en eindelijk zie je niets meer dan wolken, wolken, wolken, zóó dat ze
-door de ramen van ’t Hôtel trekken, en je ziet ze stuivend en dampend door de kamers
-gaan. Toch, vreemd, die nevelen zijn niet vochtig, maar volkomen droog, en je voelt
-het heerlijk wèl en krachtig in je lichaam worden als je er zoo ganschelijk midden
-in zit, en je ademt gretig den drogen wolkendamp.
-</p>
-<p>Ik wist, als iets onzen Rudolf nog genezen kon, dan moest het Tosari zijn, het laatste
-en éénige redmiddel voor kwijnende malarialijders en ernstige hypochonders. De krachtige,
-innige impuls, dien de reine, ijle lucht door je lichaam, en de <span class="pageNum" id="pb.xi">[<a href="#pb.xi">XI</a>]</span>grootsche, statige natuur er door je ziel doet gaan is zelfs voor de zwaarst zieken
-meestal onweêrstaanbaar.
-</p>
-<p>Het was een zware, vermoeiende tocht met den zieke, eerst per trein tot Pasoeroean,
-dáár overnachten in het ongezonde, muffe logement, vol malaria-kiemen, waar de zieken
-nog erger worden, toen naar Poespo, waar het kleine, luchtige hôtel gelukkig allerzindelijkst
-en uitstekend is, en toen in een zieken-tandoe naar boven, naar Tosari.
-</p>
-<p>Rudolf had onderweg weinig gesproken, en alles maar lijdzaam met zich laten doen.
-Maar,—ik had het wel gedacht,—op den tocht van Poespo naar Tosari, langs den prachtigen
-weg de bergen op, met àl koeler en koeler wordende winden, overal wuivend, schitterend
-groen, en dichte wouden in de ravijnen, begon hij zich op te richten in de tandoe,
-en er kwam een glans in zijn oogen.
-</p>
-<p>Bij wijlen, in bochten van den kronkelenden weg, zag je, heel ver, in ’t Westen, diep,
-diep beneden, de vlakte met de zee, en, zachtblauw, de nobele vormen van den Ardjoenå
-en den Penanggoenan, rijzende aan den horizon. Dan zag ik een glans over zijn gezicht
-gaan, en hij zei met iets van de oude geestdrift van in Holland: „Da’s mooi, Henri,
-da’s mooi, hè? Kijk die bergen eens!”
-</p>
-<p>Hij was altijd in extaze als hij bergen zag, die hij nog mooier vond dan de zee.
-</p>
-<p>Dan antwoordde ik: „Het wordt nog véél <span class="pageNum" id="pb.xii">[<a href="#pb.xii">XII</a>]</span>mooier, Ru, wacht maar eens, tot je boven bent, dan zal je eens zien!”
-</p>
-<p>En hij zweeg, maar keek met stille, aandachtige oogen in het rond, waar de wuivende
-bamboe in wilde pracht omhoog schoot, de fijne, spitse blaadjes teeder tegen de lucht,
-en waar, diep in ’t ravijn, onder de fantastische warreling van boomen en struiken,
-ongezien, de watervallen ruischten.
-</p>
-<p>Een tijd lang sprak hij weer niets. En toen ineens: „<i>Dit</i> zullen mijn beste vrienden worden, geloof ik.”
-</p>
-<p>Hij zei dit met een zachte stem, lief als de stem die mij ééns tegenklonk uit zijn
-verzen. En hij wees op de ranke, fijne tjemårås op zij van den weg.
-</p>
-<p>Dit is dan ook wel de mooiste en de meest karakteristieke boom van den Tĕnggĕr.<a class="noteRef" id="xd31e170src" href="#xd31e170">1</a> Er zijn zoo heel veel soorten en variaties, maar de mooiste zijn toch wel de kleine
-denneboomen van Tosari, die in rijen aan weêrszijden van de groote wegen zijn geplant,
-en tegen de hellingen der ravijnen, waar de groentevelden zijn. Zoo teêr en aandoenlijk
-staan hun fijne takjes uitgespreid in de lucht, en ze kunnen zich zoo héél deemoedig
-en in grooten vrede staan te geven, hoog op een verren bergrand, tegen een donker-rossigen
-avondhemel!
-</p>
-<p>Ik had het wel gedacht, dat die mooie boomen <span class="pageNum" id="pb.xiii">[<a href="#pb.xiii">XIII</a>]</span>van den Tĕnggĕr hem lief zouden worden, en ik zei lachend:
-</p>
-<p>„Weet je nog wel, Ru, hoe we vroeger zeiden dat die dennen onze groote broêrs waren,
-in de laantjes om den Bataafschen Boer? Hier heb je ze nu dan toch in Indië terug,
-en dat hadt je niet gedacht, hè?”
-</p>
-<p>Hij keek weêr uit zijn tandoe en lachte mij vriendelijk toe.
-</p>
-<p>Mary, die naast mij reed—een slanke, ranke figuur, vol gratie op haar vroolijk dansend
-damespaardje—keek mij dankbaar aan, en was toch zoo blij, dat haar broêr weer wat
-opgemonterd was! Ik voelde mij door dien éénen blik van haar beloond voor al de moeite,
-die Rudolf mij gekost had,
-</p>
-<p>Zoo ging het al hooger en hooger, met den zieke den berg op, tot hij eindelijk van
-vermoeienis in slaap viel, dicht bij de dessa Baledono. In het Hôtel Tosari aangekomen,
-werd hij wakker van het overdragen in zijn bed, en voelde hij zich koortsig, en rillende
-van de koû.
-</p>
-<p>De dokter zeide lachend aan Mary, die heel bezorgd keek, dat het binnen een paar dagen
-wel in orde zou komen, want de lucht van Tosari deed wonderen. Als we hem nu maar
-goed instopten onder de wol, en hem een paar dagen in bed lieten liggen, zou hij binnen
-een week misschien al op de been zijn.
-<span class="pageNum" id="pb.xiv">[<a href="#pb.xiv">XIV</a>]</span></p>
-<p>En werkelijk, het wonder gebeurde, zooals het al zoo dikwijls in Tosari gebeurd was.
-Na een week in bed te zijn gebleven,—elken dag zich al wat beter voelende,—mocht hij
-den zevenden dag al wat wandelen op het terras van ’t Hôtel, en aan tafel eten.
-</p>
-<p>Ik zal niet licht vergeten dien eersten morgen, toen ik hem op het terras bracht.
-Het was een mooie ochtend, tegen half zeven. Den hoek omgekomen van ’t hôtelgebouw
-naar den tuin, was het als een <span class="corr" id="xd31e188" title="Bron: apothéoze">apothéose</span>.
-</p>
-<p>Want hier, vanuit dat heel hooge in de hemelen, op dat zachte terras vol bloeiende
-boomen, zie je vèr over de wereld, die ligt daar diep, diep beneden voor je uit. Achter,
-in ’t Noorden, de hooge, sombere bergkammen van den Tĕnggĕr, oploopende naar den ronden
-kratermuur, en als trotsche, beweginglooze golven, loopt de grandioze bergmassa naar
-’t Oosten en Westen met statige lijnen àf naar de vlakte. Het Hôtel, een soort Zwitsersch
-châlet, ligt in ’t midden van dien bergkom, op een verren uitlooper, met aan weerszijden
-de ooster en wester àfgolvingen hoog in de lucht, en achter, in ’t Zuiden, den immenzen
-kraterrand dreigend in de lucht. Links, in ’t Zuid-Westen, daalt de bergmassa af naar
-het verre dal van Malang, waarboven bijna altijd donkere wolkenmassa’s drijven; rechts,
-in ’t Oosten, is de muur steiler van trotsche, ten hemel rijzende gevaarten, die met
-feller lijnen wèg-golven naar de zee.
-<span class="pageNum" id="pb.xv">[<a href="#pb.xv">XV</a>]</span></p>
-<p>Aan vèrren horizon, Noord-Westelijk, rijst de statige, machtige Ardjoenå, met zijn
-vijf toppen, de heerscher van het geheele landschap, van hemel, aarde en lucht, en
-verder Noordelijk, de slanke, grijze kegel van den Penanggoenan, fijn en teeder aan
-den horizon. Meer naar ’t Zuiden, nog vóór de Ardjoenå, de drie-golvige Kawi, een
-slapende Maagd gelijk, die rust met omhoog getrokken knieën, en zwellende borst, in
-de hemelen.
-</p>
-<p>De vèrre vlakte ligt daarvóór, zoo laag en klein van uit het terras, met de gele en
-groene kleuren van de sawahs en rietvelden, en de kleine witte plekjes van fabrieken
-en dessa’s! In den morgen beeft daar bijna altijd een doorschijnend waas van dauw
-en nevel, met kleuren als van heel fijn parelmoer, en al vroeg begint de statige tocht
-van blanke wolkenstoeten, over de vlakte naar de zee.
-</p>
-<p>Hier en daar, op de ontzaglijke bergkammen zoo hoog in de lucht, liggen, rustig en
-vreezeloos, de prachtige dessa’s, met hun roode en gele kleuren. Vèr, rechts, de dessa
-Proewono, en iets verder, meer naar ’t Zuiden, Sidaeng, en, verder, in ’t allerhoogste,
-Wonokitri.
-</p>
-<p>Beneden, vóór uit, Telogosari, en, lager, Baledono.
-</p>
-<p>En, heel in ’t Noorden, vèrder dan de verre vlakte, de zee, met, vaag aan den horizon,
-het schemerend eiland Madoera.
-</p>
-<p>Het is alles zoo oneindig laag en ver, en zelf sta je zoo ontzaglijk hoog verheven,
-met die witte <span class="pageNum" id="pb.xvi">[<a href="#pb.xvi">XVI</a>]</span>wolken-vluchten zoo diep onder je drijvend, dat het eigenlijk àl te onwaarschijnlijk
-en onreëel lijkt, of alles maar een droom is, die dra zal breken.…
-</p>
-<p>Na ’t triestige, sleurige kantoor-bestaan in Soerabaia, ’t grootste deel van den dag
-suffend tusschen vier muren, in een hitte van negentig, somtijds tot vijf en negentig
-graden, die alle energie verdooft, is ’t plotseling overgaan naar Tosari een herleving.
-De uiterst reine, ijle, koele berglucht waait de nevelen weg, die loom-zwaar over
-je denken hingen, en die het vaag en duister maakten voor je oogen.
-</p>
-<p>Dan in eens op dat terras te staan, hoog boven de wereld, in de zuivere, luchtige
-sferen, en vèr beneden de lage vlakte te zien rijzen aan den horizon, en de wolken-stoeten
-in zoo blanken, heiligen staat, zoo langzaam-verdroomende, zwaar van licht, en het
-schitterend glanzen van de zee, die wègdeinst naar verre hemelen!
-</p>
-<p>Het is dan een zéér bizondere òmkeer in je, of al het verledene van je weggaat, of
-het daar vèr beneden is gebleven in de hitte en den sleur, of je daar nu heelemaal
-vrij en onbevangen staat in die allerhoogste regionen, heerlijk herboren, en of alles
-nu weer opnieuw kan beginnen, een nieuw, jong, krachtig leven in de pure, onbesmette
-lucht, zoo heel dicht bij den blauwen hemel, nog ver boven de laag-drijvende wolkenpracht
-over de aarde.
-</p>
-<p>Dáárom had ik Rudolf hier gebracht, omdat zijn <span class="pageNum" id="pb.xvii">[<a href="#pb.xvii">XVII</a>]</span>droef verleden van hem wèg moest gaan, en hij aan een nieuw leven moest beginnen.
-</p>
-<p>Hij zeide een tijdlang niets. Stil staarde hij maar in alle richtingen, naar de bergen,
-naar de droomende wolken, naar de zee. Hij zag het aan met een weifelende, kinderlijke
-verwondering, alsof hij het eigenlijk nog niet goed kon gelooven.
-</p>
-<p>De zon begon langzaam op te rijzen achter de Oosterbergen, en de zachtblauwe Penanggoenan
-in het Westen beefde opeens van een rood-gouden glans. Zachtkens vergleed die gouden
-lichtschaduw door het parelmoerig waas boven de vlakte, en weldra schitterde ook de
-Ardjoenå in rossig-guldenen gloed, wijl ijl-fijne, teêre tinten van lichtgroen en
-dof-purper en vaag-violet trilden om zijn stil in de lucht lijnende contouren. Hij
-stond daar, doorluchtig en eerwaardig, in den morgen, als de eeuwig-jeugdige, onverwinlijke
-helden-God, wiens naam hij voert, in vlammend goud gewaad tegen den lichtblauwen hemel.
-</p>
-<p>Daar zei Rudolf ineens, met warme geestdrift in zijn stem, weêr heelemaal de oude
-enthousiast van vroeger: „Henri, ik wist niet dat Indië zóó mooi was!”
-</p>
-<p>Toen—zóó was hij altijd, óveral zocht hij naast het heel grandioze en ontzaglijke
-het uiterst teedere en zwakke,—toen boog hij zich over een bed wilde viooltjes, die
-heerlijk geurden over het terras.
-</p>
-<p>„En dan al dat fijne en teêre,” zei hij, hardop <span class="pageNum" id="pb.xviii">[<a href="#pb.xviii">XVIII</a>]</span>denkend in zich zelf,—„al dat zwakke en broze hier midden in dat ontzettend groote
-en verhevene! Kijk, daar zijn nu toch heusch al mijn lieve, oude bloemen van Holland
-weer! Waarachtig! Een bed wilde viooltjes! In hoeveel jaren niet gezien! En kijk,
-hier, reseda’s, en héliotrope, en dáár, hoe is ’t mogelijk, hier in Indië! korenbloemen,
-en klaver, en kijk eens! een bed met verbena’s, en hier blauw-hemdjes, en de echte,
-groote pensées óók al, en dáár waarachtig die mooie monnikskapjes, en de paarse winde,
-en wat ’n theerozen, wat ’n tinten! Maar waarachtig, daar staan de echte boterbloemen
-van Holland in ’t gras, en daar zie ik een heel bed met madeliefjes! Hoe is ’t mogelijk,
-Henri! Daar is me nu alles zoo maar inééns terug? En dat in Indië!”
-</p>
-<p>Ik had er schik in, hem zoo te hooren jubelen. Want dat was de oude Rudolf van vroeger,
-met wien ik roovertje had gespeeld in de duinen, en die altijd zoo’n echte, gezonde
-hollandsche jongen was. In Indië had ik hem nooit weer zóó teruggezien, Het was of
-er daar altijd een donkere nevel over hem heen was.
-</p>
-<p>En kijk nu toch eens, wat echt kinderlijk en jongensachtig is die groote meneer van
-nu,—hij is al zes en twintig,—die altijd zoo nijdig en somber kijkt, en die zoo geheele
-nachten in al die droevige filosofie van de Ouden zit te studeeren, kijk hem nu eens
-scharrelen tusschen die bloemen!
-<span class="pageNum" id="pb.xix">[<a href="#pb.xix">XIX</a>]</span></p>
-<p>„Dat moet Mary zien, kerel, dat moet Mary zien!” roept hij enthoesiast, „wat zál ze
-blij zijn! Ik ga haar dadelijk halen!”
-</p>
-<p>En daar vliegt de melancholieke dichter van „Winter-Bloemen” met groote sprongen,
-als een wilde schooljongen, het terras over, drie treden tegelijk bij het naar boven
-hollen, precies zooals ik het hem—lang o! lang geleden!—op kostschool had zien doen,
-bij den grooten, beslissenden stormaanval op het kamp der Apachen, waarover ik het
-bevel voerde.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Mijn zaken en veel litterair werk riepen mij terug in Soerabaia, en toen ik Rudolf
-zóó opgefleurd zag, bovendien nog zoo trouw verzorgd door een teedere, lieve vrouw
-als Mary, ging ik met een gerust hart weer naar „beneden.”
-</p>
-<p>Ik had eerst nog een lang gesprek met den dokter van het établissement. Hij verzekerde
-mij, dat hij instond voor de genezing van Rudolf’s malaria, en vertelde mij nog een
-aantal merkwaardige gevallen van herstel, door de gezonde, ijle lucht van Tosari.
-Zieken, die in Soekaboemi en elders in de Preanger geen baat hadden gevonden, en die
-hier, bijna stervende, waren aangebracht, had hij, dikwijls zonder chinine, enkel
-door de geneeskrachtige inwerking van de lucht, zien beter worden. Maar hij had één
-leelijk ding bij Rudolf geconstateerd, een hartziekte. En wel <span class="pageNum" id="pb.xx">[<a href="#pb.xx">XX</a>]</span>een hartziekte, zooals er zooveel zijn van dien aard; je kon er honderd jaar mede
-worden, maar je kon ook binnen een jaar dood zijn.
-</p>
-<p>Het was nog niet erg, een flauw begin nog maar, zóó zwakjes nog dat hij Rudolf niet
-eens het paardrijden er om zou verbieden. Als hij maar geen al te hevige emoties kreeg,
-en geen zware, moreele schokken, was er geen oogenblikkelijk gevaar bij. De dokter
-vroeg mij, of hij niet een of ander groot verdriet had ondervonden, en ik vertelde
-hem van den verschrikkelijken dood zijner beide ouders bij het vergaan van de engelsche
-mailboot „Bokhara,” en het vroege sterven van zijn jonge vrouw. Zoolang er maar geen
-nieuwe, heftige schokken bijkwamen, zou het met Rudolf wel losloopen, verzekerde de
-dokter mij nog bij het heengaan.
-</p>
-<p>Ik hoorde niet veel van hem toen ik weer terug was in Soerabaia. Maar tusschenbeide
-schreef Mary mij, dat het goed met hem ging, dat zijn malaria heelemaal over was,
-en hij er door en door gezond uitzag, met een kleur op zijn wangen. Hij liet haar
-telkens zijne hartelijke groeten aan mij overbrengen, en een belofte, dat hij nu heúsch,
-over een paar dagen, zou schrijven. Maar er is nooit iets van dien brief gekomen,
-ofschoon ik hem zelf van tijd tot tijd schreef.
-</p>
-<p>Ik dacht dat hij er geen tijd voor had, en zeker aan een nieuwe reeks verzen zou zijn
-begonnen, en ik verheugde mij er al op, wat daar <span class="pageNum" id="pb.xxi">[<a href="#pb.xxi">XXI</a>]</span>van komen zou. Want de stem, die zoo doodsdroef in melodieus beklaag van zielesmart
-gezongen had in „Winter-Bloemen,” zou die nu misschien niet uitjuichen in heerlijk
-schaterend gejubel, onder den impuls van een nieuwe, krachtige jeugd in die hooge,
-reine sferen, omwaaid door die pure, ijle lucht?.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Toen, opeens, nog geen drie maanden nadat ik hem het laatst gezien had, kreeg ik een
-telegram van Mary.
-</p>
-<p>Rudolf was dood.…
-</p>
-<p>Hij was inééns gestorven, als zoo vele hartlijders, gestorven in wat de bloei van
-zijn jeugd leek, flink en krachtig gebouwd, met een gezondheidsblos op zijn wangen.
-’s Ochtends, na een wandeling, was hij plotseling op den grond gevallen, had nog een
-paar uur op bed gelegen, pratende met Mary, en was toen ineens dood geweest. „Hartverlamming,”
-had de dokter geconstateerd.
-</p>
-<p>Een paar dagen later kwam Mary bij me, en bracht me een dagboek, door Rudolf in Tosari
-aangehouden. Hij had haar kort vóór zijn dood gevraagd, dit als een laatste aandenken
-aan mij over te geven.
-</p>
-<p>En nu ligt het Dagboek van Rudolf de Wall vóór mij. Ik heb het gelezen. Ik weet nu
-dat hij gestorven is na een schoonen droom. En ik benijd <span class="pageNum" id="pb.xxii">[<a href="#pb.xxii">XXII</a>]</span>hem. Het is zoo vol liefde voor het leven, en vol voorgevoel van den dood. Het is
-of zijn ziel altijd geweten heeft, dat hij nu wel gauw zou sterven, want op meer dan
-ééne plaats in zijn dagboek voelt hij zich al bijna verdroomen in de natuur, en één
-worden met Gods innigste wezen, dat hij er in leven voelde.
-</p>
-<p>Het lijkt misschien wat wreed, maar ik vind het gelukkig, dat Rudolf daar boven is
-gestorven, en nu één is met de reinste essence van al het verheven schoon, dat hij
-daar in zijn láátsten levensdroom mocht aanschouwen.
-</p>
-<p>Wat zou er van hem geworden zijn, als hij met zijn overgevoelige, teedere, kinderlijke
-ziel, met al die jonge, nieuwe geestdrift, weer was teruggekomen in ’t démoraliseerende,
-wreede, harde leven hier beneden? Wat, als hij de vrouw, die hij zoo verheerlijkt
-zag,—en die ook misschien daar bóven wel éven reiner en puurder is geweest in die
-alles zuiverende, hooge lucht,—later hier had moeten weêrzien, teruggezonken in den
-sleur van het indische leven, een heel gewoon, oppervlakkig wezentje, niets beter
-en niets slechter dan de anderen, van wie hij zich altijd zoo ver hield? Hoe zou hij
-hebben geleden, als hij haar langzamerhand, niet meer onder den invloed van de zoo
-ideaal en geestdriftig stemmende berglucht, zou hebben gezien zooals ik haar leerde
-kennen, en zooals zij werkelijk was; het ergste wat er voor hem kon bestaan: een flirt,
-en als hij had begrepen, <span class="pageNum" id="pb.xxiii">[<a href="#pb.xxiii">XXIII</a>]</span>hoe hij de liefste en beste dingen van zijn ziel weêr had weggegeven in het ledig,
-als vergooid in ’t niet?
-</p>
-<p>En—wie kan zeggen wat reëeler is, de werkelijkheid of de droom? Het kan heel goed
-zijn dat Annie, de vrouw die hij zoo liefhad, daarboven éven was opgerezen tot de
-reinheid en de zielezachte gratie, die hij in haar vermoedde, en dat het heusch wel
-ganschelijk reëel was, wat hij van haar voelde. Het is de majestueuze schoonheid van
-de bergen en de hemelen, die de ziel zoo verreint, en de pure, koele winden, door
-het lichaam waaiend, die het beste en edelste in den mensch—jaren lang verdoofd en
-onmacht gebleven—daar heerlijk doen opleven, in die zuivere sferen.
-</p>
-<p>Al is het dan dat later, later, beneden terug, het éven uitgebloeide mooi weer droef
-verzinkt in de muffe hitte, en den saaien sleur, en de huichelachtige conventie van
-het alledaagsche, geestdoodende indische leven.…
-</p>
-<p>Hier is dan nu het Dagboek van Rudolf de Wall, zooals ik het aannam uit de zachte
-handen van zijn zuster. Het heeft niet veel van een roman, en de intrigue ontbreekt
-geheel, die velen het voornaamste vinden van lectuur. Het zijn somtijds maar wat korte
-fragmenten, de wisselende stemmingen van zijn ziel onder den invloed van het wisselende
-schoon der dagen en nachten in den Tĕnggĕr.
-<span class="pageNum" id="pb.xxiv">[<a href="#pb.xxiv">XXIV</a>]</span></p>
-<p>Toets het toch niet aan de werkelijkheid, en zeg toch niet, dat dìt dwaas en dàt verkeerd
-van hem was, en dat hij wijzer had moeten zijn, en beter menschen leeren kennen vóór
-hij ze waard vond het liefste van zijn ziel!
-</p>
-<p>Want ik zeg u, hij is gelukkiger geweest met zijn verbeeldingen en fantasieën dan
-één van ons, verstandige menschen, en in stilte heb ik hem benijd om wat ik nooit
-zoo kon genieten in mijn grootere wijsheid.
-</p>
-<p>Want gelukkig! o! gelukkig zijn zij, die niet het harde leven zien, maar veilig óprijzen
-in hun eigen, schoone droomen!.…
-<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e170">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e170src">1</a></span> De tjemara, een conifeer, is een boom die een indische den lijkt maar toch geen den
-is (casuarina montana).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e170src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="dagboek" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#dagboek.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">UIT HET DAGBOEK VAN RUDOLF DE WALL<a class="noteRef" id="xd31e270src" href="#xd31e270">1</a></h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ik ben vandaag voor ’t eerst uit mijn bed geweest. Zeven lange dagen en nachten in
-een kleine kamer!
-</p>
-<p>En toch was ’t zoo erg niet. Ik voelde langzaam, langzaam een goede, reine lucht in
-mij stroomen, en, zooals je mond als je water drinkt, werd mijn lichaam koel en frisch.
-</p>
-<p>Mary schoof soms de gordijntjes open voor mijn raam, en dan zag ik overal bergen,
-bergen, bergen, en witte wolken, zeilende door de lucht. Maar ’t mooiste van alles
-misschien wel de kleine, deemoedige dennen, de tjemårås, zoo zachtjes ópklimmende
-tegen hellingen, en in rechte rijen langs paadjes staande. Overal smalle, windende
-weggetjes, zooals je ze wel ziet op den achtergrond van primitieven, Van der Weijden,
-of Van Eijck.
-<span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span></p>
-<p>En aldoor dat reine ruischen van watervallen, ongezien, diep in ravijnen.…
-</p>
-<p>Nu ben ik dan eindelijk weêr opgestaan, en ik ga een nieuw dagboek beginnen. Het moois
-dat ik hier zien ga mag niet zóó maar weer vervlieden in de tijden. Ik heb zoo’n voorgevoel,
-of het nú wel weer de moeite waard zal worden, een dagboek, dat ik sedert jaren niet
-meer aanhield.
-</p>
-<p>Wat hebben Mary en Henri mij goed opgepast, hoe hartelijk en lief! Ik zal nu al het
-moois dat hier gaat komen, probeeren te bewaren in dit boek, en later, als ik weer
-gezond beneden terug ben, laat ik het hun lezen.
-</p>
-<p>Ik mag mij vooràl niet vermoeien, zegt de dokter, en alleen nog maar wat wandelen
-op het terras.…
-</p>
-<p>Maar mijn Dagboek ga ik toch beginnen, dat zal zoo’n kwaad niet doen, zoo één uurtje
-maar.
-</p>
-<p>Wat zou er komen?.… wat zou er komen?.… o! zou er nog iets voor mij kunnen komen?.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Zóó was het broze droom-gezicht van morgen, toen ik op het terras Gods wereld zag,
-vèr en diep aan mijne voeten:
-</p>
-<p>Een vage, waze wade wijd over de vèrre, dof glinsterende vlakte. Het teêre, zachte,
-milde morgenlicht voorzichtig brekend daar doorheen.
-</p>
-<p>De Ardjoenå, zonder materie, luchtig vervluchtigd, vèr in dat waze, droomende maar
-ijl en éven, <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>als een essence. De ziel van zijn zwaar massale goden-lichaam nu, schuchter, bloot,
-zijn eigenlijke, innigste Wezen éven bevende óp, in dit teedere licht van den morgen.…
-</p>
-<p>Ook, vaag vermoed, de luchte Penanggoenankegel, en de zachte golvende Kawi, en vèr,
-de parele, glanzende zee, ten horizon verdroomend..
-</p>
-<p>De luchte essence van het wereld-wezen beeft zachtekens voor mijne oogen, in het kuisch-eerwaarde,
-schemer-teeder maagde-licht van den jongen morgen.…
-</p>
-<p>Hoe ijl, hoe ijl is de dunne, reine lucht.… hoe licht voel ik mijn eigen wezen voorzichtiglijk
-zich uitspreiden in die wijde, wijde ruimten.…
-</p>
-<p>En het is mij, of het zachte, kuische einde nu wel drâ zal komen, en mijn ziel nu
-aanstonds zal verdroomen in die teêre, broze sferen, ver over de glanzende vlakten,
-over de vage horizonnen van de zee.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Dat was een heel curieus gesprek vanochtend! Ik schijn dan toch wèl in het rijk der
-wonderen te zijn aangeland.
-</p>
-<p>Ik was op een bankje gaan zitten op het terras, toen de oude heer Mehrmann bij me
-kwam, die Tosari zoo dóór en dóór kent, en er zooveel over geschreven heeft. Hij heeft
-me op een heel eigenaardige manier uitgelegd, wat de invloed van deze reine, ijle,
-aeterische atmosfeer is op de <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>menschen. En als hij het bij ’t rechte eind heeft is het hier zeker een uniek oord
-van wonderen in de wereld.
-</p>
-<p>„Ik moet u eens waarschuwen,” zeide hij, „dat de menschen, die u hier zult leeren
-kennen, héél anders zijn dan zij zich later „beneden” weêr zullen toonen. Het is dan
-ook heel gevaarlijk, hier vriendschap—en nog gevaarlijker liefde—voor iemand te gaan
-gevoelen, want daar zal beneden niets dan ellende en teleurstelling op volgen. Wat
-het is,—ik geloof niet dat het alleen de ijle lucht is—weet ik niet, maar de menschen
-leven hier eigenlijk in een droom. Misschien is het óók de grandioze, simpele, strenge
-pracht van de natuur, die het ’m doet, maar zij worden hier veel beter en zuiverder
-dan ze beneden zijn. Het is zeker door het eindelooze van al die heerlijke horizonnen
-hier om je heen, dat ze ruimer van opvatting worden, dat de engheden van de conventie
-wègvallen, en de stijve, deftige luidjes van beneden hier vrije, natuurlijke, oprechtere
-menschen worden. Ik geloof niet, zooals de dokter, dat het alleen de dood is van de
-malaria-bacillen, die dit wonder tot stand brengt. Ik geloof dat de invloed, door
-de psyche uitgeoefend, hier veel grooter is dan men vermoedt, ja, dat eigenlijk het
-psychische proces de hoofdrol speelt, en den stoot geeft aan het physische. Je kunt
-over het algemeen zeggen, dat je hier op Tosari met een verbeterd, hooger soort <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>menschen te doen hebt dan beneden. En dit is zóó erg dat ik menschen, die ik beneden
-heel onsympathiek vond, en in wien ik geen glimpje van zielemooi meer vermoedde, zóó
-diep als ze gezonken waren in den duffen sleur van ’t alledaagsche, hier opeens met
-lieve, teedere en subtiele dingen voor den dag heb zien komen. Mooie dingen, die jaren
-in hen geslapen hebben, worden hier ineens weer wakker, en menschen, waar je ’t nooit
-achter gezocht zou hebben, spreken hier weer van illusies, en idealen, en poëzie.
-Het is heusch of met de reinere, zuivere lucht hier ook de ziel reiner en zuiverder
-wordt, en de nevelen er van wegwaaien.”
-</p>
-<p>—„Maar hoe dan, als ze weêr beneden komen?” vroeg ik nieuwsgierig, en in spanning.
-</p>
-<p>—„Ja, ziet u, dát is nu juist de ellende,” zei de oude heer. „Zoodra de menschen een
-tijdje terug zijn, beneden, in de hitte, is het weer mis. Ze zinken binnen een paar
-dagen weêr in den sleur terug. Menschen, die hier dag en dag allerintiemst met elkaar
-omgingen, en om zoo te zeggen geen oogenblik van elkaar af waren te slaan, gaan elkaar
-later in Soerabaia met een stijf knikje voorbij, of ze elkaar nooit gekend hadden.
-Het is of ze zich daar schamen voor het mooie, natuurlijke gevoel dat ze elkaar boven
-getoond hebben, of ze verlegen zijn, daar even een gewoon, natuurlijk mensch te zijn
-geweest. Daarom is het zoo heel gevaarlijk, hier erg van iemand te gaan houden. Want
-<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>het is niet die iemand zelf, waar je dan van houdt, maar de illusie, de droom er van,
-zooals die hier even, in die reine lucht, is ópgebloeid. Ik heb hier een jongmensch
-gekend, een bizonder gevoeligen jongen, die vrééselijk is gaan houden van een lief
-meisje. Zij nam hem zoo’n beetje als haar cavalier aan, en ze waren altijd samen,
-en leken wel twee inséparables. ’s Avonds laat zag ik ze wel eens minnekoozen in een
-priëel. Hij stuurde haar verzen en bloemen, enfin, u kent dat wel. Toen ik hem later
-nog eens „beneden” ontmoette—ik was erg intiem met hem—en hem naar het meisje vroeg,
-zag hij er uit of hij zich schaamde. „Ze is een héél gewoon meisje, als duizend anderen,”
-zei hij. „Ze was zoo stijf, toen ik haar opzocht, alsof ze me bijna niet kende. Er
-is niets bizonders aan. En ik begrijp maar niet hoe ik ooit iets in haar gezien kan
-hebben.” Maar hij vergat dat ze werkelijk wáár en oprecht, en dus ook werkelijk bizonder
-was geweest boven. Ze was alleen maar in den sleur en de doffe conventie teruggevallen
-zoodrá ze weer beneden was. En zoo gaat het met bijna alle menschen hier. Daarom,
-wanneer u als jonge man een goeden raad van mij aan wilt nemen, geniet dan hier zoo
-véél mogelijk van de natuur, maar neem de luitjes niet al te veel <span lang="fr">au sérieux</span>. Je zoudt het hier een tijdelijke, verbeterde editie van menschen kunnen noemen.
-Ze zijn allen zoo ongedwongen en zoo lief en zoo hartelijk. Je zoudt denken, wat is
-de wereld <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>toch goed, en wat zijn de menschen toch allemaal beminnelijk! Maar het is héél bedriegelijk,
-en iemand met een beetje hart, die wat erg gevoelig is, en zich gauw aan vrienden
-hecht, geeft het later niets dan bittere teleurstellingen.
-</p>
-<p>„En dan is er nog iets. De grandioze horizonnen en vergezichten verruimen de ziel,
-maar de ijle, prikkelende lucht werkt heel sterk op de zinnen, vooral bij vrouwen.
-Véél wat ge voor lief en adorabel zoudt aanzien in de uitgelaten vroolijkheid is <span lang="fr">au fond</span> niets dan overprikkeling van de zinnen, en het schijnbaar teedere is dikwijls enkel
-sensueel. Het is hier dan ook een gevaarlijk land voor jonge vrouwtjes, en ik heb
-hier in al de jaren, dat ik Tosari ken, al heel wat ongerechtigheden zien begaan voor
-mijn oogen. Maar u moet het nu maar eens zelf gaan opmerken. U is nu gewaarschuwd,
-en dat is altijd een goed ding.”
-</p>
-<p>Vreemde, oude knorrepot! En toch zoo’n goedig, vriendelijk gezicht.…
-</p>
-<p>In wat vreemd land van wonderen ben ik terecht gekomen! Een droomland, waar de menschen
-allemaal beter zijn dan ze eigenlijk zijn! En ik, die nog altijd maar niet wijs kan
-worden, en nog altijd naïef ben gebleven, ik die met één lief lachje en vriendelijk
-handgebaar zoo dadelijk ben te winnen!.…
-</p>
-<p>Ik ben benieuwd wat daar van komen zal.…
-<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p class="xd31e332">’s Ochtends op het terras.
-</p>
-<p>De zon is niet te zien achter de Oosterbergen.
-</p>
-<p>De vlakte ligt in een zacht-roze gloed van verwachting, een Liefste, die haar verren
-Minnaar wacht, en vage blozet. De bergruggen rechts, met rijen donkere boompjes, liggen
-blauwzwart in zilverig wit parellicht. Wat lage cypressen op zijde van het huis staan
-doodstil in de lucht.…
-</p>
-<p>Langzaam vaart een roze gloeien door de hemelen, en er is een zachte beving, vaag
-voorgevoel van kleur in de lucht. Eén eenzaam, smal streepje reeds hangt eenzaam in
-het Oosten, ijl en bizonder. Het drijft er vreemd en verloren, maar toch zeer rustiglijk
-verheven, en door eigen, innerlijken glans gedragen. Plotseling weêr vervloden.… Waarheen?.…
-Fragiele teederheid van èven mooi, en dan niet meer, als een broze droom, die breekt
-in ’t niets.…
-</p>
-<p>De wereld ligt te wachten, te wachten, in vaag verlangen.
-</p>
-<p>Als eindelijk de zon boven hoogen bergwand opsteekt, een schitterstralend schild,
-wègspitsend goud-flonkerende pijlen, gaat een schok van warmte door de wijd-bevende
-lucht.…
-</p>
-<p>De lagere bergheuvelen van het Malangsche in ’t Zuid-Westen liggen nog onbestemd,
-droef te peinzen in floers van maar langzaam verblankende, donkergrijze wolken. Ook
-laag om den voet van <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>den Ardjoenå ligt nog weifeling van wolkennevel, sombere drooming.
-</p>
-<p>Maar vreezeloos, in een luchte verreining, rijst Ardjoenå’s lichaam in zacht rozen
-gloed omhoog, zijne fijne omtrekken bevende in ’t licht. Met een rustigen glimlach
-ziet hij, als een God eerwaardig, naar de zon, zijn toppen rood-vergulden.
-</p>
-<p>Verder westelijk, bij den Penanggoenan, waar ’t ál ligt te wazen, is het een begin,
-een vaag vermoeden maar, in zacht ontwaken, waar hij blauw-grijze droomende omhoog
-rijst, uit <span class="sic">waduwe</span> wade van morgendauw.
-</p>
-<p>Geel en groen en goud, in zachte verdooving van glanzen, lichten sawahs en velden
-door de wijkende nevelen.
-</p>
-<p>De vlakte is dof tintelend, als een immenze schelp van parelmoêr.
-</p>
-<p>De zonnestralen vallen breeder en breeder, als fonkelend-gouden staven uit de lucht,
-en slaan de bergen met schitterend licht.
-</p>
-<p>En overal, wijd-rondom, het recht-óppe, evenwijdige staan van de kuische tjemårås,
-verspreid op bergkammen en hooge heuvelruggen als kalme kudden, zéér deemoedig, en
-zéér tevreden in al het geluk van het licht.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Er heerscht een prettige, ongedwongen vroolijkheid aan tafel. Het lijken werkelijk
-allen beminnelijke menschen, juist zooals de oude heer Mehrmann <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>gezegd heeft. En—o wonder—niets van de pseudo-gewichtige stijfheid en de ridicule
-afscheiding van rangen, die de indische maatschappij zoo bederft. Er is een President
-van den Landraad met zijn vrouw, een assistent-resident, een kommies, een officier,
-een employé in den handel, een chemiker, een controleursvrouwtje, en zoo meer, allen
-door elkaar, en allen even hartelijk en vroolijk.
-</p>
-<p>Mary zit aan mijn linkerhand, en mijn buurvrouwtje aan den rechterhand is een mevrouw
-de Vallère. Ik vind haar niet erg mooi; laat ik maar zeggen leelijk. Ze heeft goud-blonde
-krullen, los neêrhangend tot op haar schouders. Nog erg meisjesachtig. Wat heeft ze
-een vreemd gezicht, met zoo’n spits toeloopend kinnetje, en wat is ze bleek, met twee
-ouwelijke trekken om haar mond! Alleen haar bruine, bijna zwarte oogen—zoo heel zeldzaam,
-zwarte oogen en goudblond haar—hebben iets bizonders, iets koddigs en guitigs, of
-ze met alles zoowat spotten. Ook haar neus, een echt mopneusje, heeft zoo iets grappigs.
-Ze doet erg vroolijk, en zegt allerlei dolle dingen, maar het gaat haar nog niet goed
-af. Ze ziet te bleek, en die trekken om haar mond maken haar te ouwelijk. Ik vind
-haar niet prettig om te zien, en had wel een ander buurvrouwtje willen hebben aan
-tafel.
-</p>
-<p>Mary zegt dat ik het zoo niet zie, maar dat er iets erg liefs en teêrs aan haar is,
-en dat ze haar <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>graag lijden mag. Ze heeft haar als meisje in Holland gekend. Daarom ben ik óók een
-beetje vriendelijk tegen haar, en bewijs haar attenties aan tafel.
-</p>
-<p>Maar het ziet er nog heelemaal niet uit of ik mij hier erg aan iemand zal hechten.
-De menschen zijn druk, en luidruchtig, en wel aardig. Maar toch niet om bizonder mee
-weg te loopen. Ik zal het dus alleen van de natuur moeten hebben, en van de menschen
-zal alleen Mary mij innig lief zijn, mijn goede, zachte zuster.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>’s Ochtends, dikwijls al om tien uur, begint een somber droomen-spel.
-</p>
-<p>Alles was zoo licht, zoo puur, zoo klaar, een groote glorie was de wereld in de zon.
-</p>
-<p>Dáár rijst opeens, langzaam, langzaam, een grijs wolkgordijn, wijd uit-waaiende over
-de vlakte, en alles, de blinkende sawahs en velden, de machtige Ardjoenå, en de Kawi,
-en de Penanggoenan, zinkt geruischloos weg. Al hooger rijst het, en hooger. Van uit
-de diepten der ravijnen stijgen duistere, sluipende nevelen, glijden voort als trage
-slangen, kruipen omhoog tegen de hellingen, en spreiden zich langzaam, langzaam uit
-in wuivende sleepgewaden.
-</p>
-<p>De treurig-grijzende misten drijven over de bergkammen, droevig-dreigend, en de teêre
-tjemårås zinken dieper, dieper in het niet. Hier en <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>daar blinkt nog een glanzend koolveld tegen bergwand, en een eenzaam groepje boomen
-staat vreezeloos op hoogsten top, tot ook dáár de vage nevelen rijzen, en de wijde,
-witte wade wuivende vaart.
-</p>
-<p>Het lijkt nu alles eeuwen, eeuwen oud, en van een vèr verleden.…
-</p>
-<p>Al hooger en hooger gaat het, zwijgend, somber, onverbiddelijk, en des doods.…
-</p>
-<p>Al ’t schitterende schoon van nog zoo kort geleden is nu duizel-diep gezonken.
-</p>
-<p>Overal, dik-grijs, de wolken en de zware nevel, langzaam wuivend en wemelend, met
-stuivenden damp.
-</p>
-<p>Koud en eenzaam sta ik op het terras, en huiver.
-</p>
-<p>Overal, òm mij, boven en beneden, een grijze woestenij, het is als duistere, duistere
-zonde, alle dingen zijn dood, en vèr-verloren. Het is als een wreede creatie van kwaad,
-die daar ligt te broeien in somberen, zwarten nacht, meedoogenloos en onverzoenlijk.…
-</p>
-<p>Nu gaat het àl verzinken, het leven en het licht, en niets is òm mij dan de wijde,
-wilde chaos van duister Niets.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Vannacht, het was tegen drie uur, werd ik wakker. Nu even op het achtergalerijtje
-gaan kijken in den nacht.…
-</p>
-<p>De nevelen hadden de bergen weêr genomen. <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>Ik staarde, staarde, maar niets was te zien dan de dikke, grijze mist. Alleen de vage
-vormen van een paar tjemårås, weifelend en onreëel.
-</p>
-<p>Het zachte vallen van dauwdroppen door bladeren.…
-</p>
-<p>Het eenzaam getjirp van een krekel maakt den nacht nog stiller.
-</p>
-<p>Nu en dan sonore vlagen, het statig-streng metaal-gezang van den wind in dennen.
-</p>
-<p>De koude nachtlucht huiverend langs mijn hoofd.
-</p>
-<p>Alles zoo duister, zoo vol bang geheim in fantastischen nevel, en de lucht zoo wreedelijk
-koud.…
-</p>
-<p>Maar hoor! hoor! daar diep in het donker ravijn beneden, het reine ruischen van een
-waterval, zachte rythmen in den nacht, zoo vertrouwd, zoo altijd door bereid, in rustelooze
-laving. Het is als een wèl-bekende stem in ’t diepe duister, klinkend van liefelijken
-troost, zoo van: „het zal toch heusch wel goed worden,.… alles komt in orde,.… blijf
-maar vást vertrouwen”.…
-</p>
-<p>En van een grooten vrede vervuld, gansch rustig, leg ik mij weer te droomen in het
-zachte bed.
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Ik mag nog niet uit, en moet nog een paar dagen binnen blijven. Alleen mag ik wat
-heen en weêr wandelen op het terras.
-</p>
-<p>Maar ik hoor zoo aan tafel allerlei verhalen van wandelingen, die ik later natuurlijk
-óók ga maken. <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>Er zijn hier overal mooie plekjes en wegen, hoor ik, met aparte namen. Dat klinkt
-zoo intiem en zoo prettig, net als vroeger de wandelingen in Holland. Ik heb dat in
-Indië nooit meer gehad. Het is er te warm, en te drukkend, om veel te loopen, en de
-zon schijnt er dadelijk te fel. Maar hier komt alles van Holland blijkbaar weêr even
-mooi terug.
-</p>
-<p>Ik heb die namen allemaal opgeschreven om ze goed te onthouden voor later. Je hebt
-b. v. het Leverlaantje,—dat hóór ik nog ’t meest noemen,—het eenige laantje hier,
-dat bijna geheel vlak is, en waar je niet behoeft te klimmen, zoodat zelfs leverlijders
-er kunnen wandelen,—je hebt het Meijer- of echo-laantje, den weg naar de Moulijnsbronnen,
-de wandeling langs „de drie dessa’s,”<a class="noteRef" id="xd31e410src" href="#xd31e410">2</a> en het Karrenplateau. Je hebt de Doktersvallei, de „dertien watervallen,” het Junghuhn-pad,
-het Voorhoeve-plateau, de Veths-hoogte. De grootste uitstapjes zijn naar de Zandzee,—den
-grooten Tĕnggĕr-krater, met zijn drie vulkanen, de Bromo, de Batok, en de Widodaren,—naar
-den Penandjaän, den hoogsten top van het gebergte naar Soekapoera, door de Zandzee
-over Ngadisari,—en naar Nongko Djadjar.
-</p>
-<p>Sommigen gaan nog veel verder, naar de meren van den Semeroe, naar den Semeroe zelf,
-maar dat <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>zijn tochten van vijf, zes dagen, en daar zal ik vooreerst wel niet aan mogen denken.…
-</p>
-<p>Ik luister nu maar vast heel tevreden naar al de verhalen daarover aan tafel, en probeer
-mij een voorstelling te maken van al wat mij nog te wachten staat.
-</p>
-<p>Vooral mijn buurvrouwtje, mevrouw de Vallère, houdt mij goed op de hoogte. Ze is al
-in de drie weken dat ze hier is zoo wat overal geweest. In de laatste week ging ze
-iederen dag heel vroeg met Mary uit, om zes uur ’s morgens, en ze klimmen twee uur
-lang over bergen en scharrelen door woeste, dichtbegroeide ravijnen of het zoo niets
-is. Mevrouw de Vallère, of laat ik maar liever zeggen Annie, want zoo noemt Mary haar
-immers altijd, is een onvermoeide bergwandelaarster. Mary plaagt haar door haar „een
-klipgeit” te noemen, omdat ze zoo vlug over de rotsblokken en beekjes heenspringt.
-</p>
-<p>Het is merkwaardig, zooals dat vrouwtje hier verandert. In ’t eerst vond ik haar bijna
-leelijk, zoo bleek en afgemat zag ze er uit. En nu is ze heusch bijna mooi, en zeker
-erg, erg lief. Het is of die heerlijke lucht hier een nieuw, jong leven in haar gewaaid
-heeft. Ze heeft een prettigen, rooden blos op haar wangen gekregen, haar oogen zijn
-gaan schitteren, en er is, ik weet niet wat voor veerkrachtigs, levenslustigs en prettigs
-om aan te zien aan haar gekomen. Het is nu of er een warm, tintelend leven uit haar
-stroomt.
-<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span></p>
-<p>En die vroolijkheid, die kinderlijke, ongedwongen, dolle pret die ze kan hebben! Die
-hebben wel is waar bijna alle gasten gekregen, maar zij toch wel het ergst. Ze komt
-soms dansende en zingende aan tafel, gooit een paar kennissen met bloemen en water,
-maakt de koddigste grappen om niets, en ziet van alles alleen het kluchtige en het
-aardige.
-</p>
-<p>Vroeger zou ik dat, geloof ik, te bruyant hebben gevonden, en niet te hebben. Maar
-hier doet het mij goed. Het is toch heusch wel eens prettig, zoo gul te hooren lachen
-en zoo’n vreugde om het leven te zien. Het hoort zoo heelemaal bij de omgeving hier,
-en bij die reine, zuivere lucht. Ze lijkt eigenlijk nog een groot, dwaas kind, altijd
-vol grappen en streken. Ik noem haar dikwijls plagend „het clowntje,” en ik geloof
-dat ze een beetje trotsch is op dat naampje. Toch heeft ze veel verdriet gehad, zegt
-Mary.
-</p>
-<p>Toen ze achttien jaar was, nog een erg kind, is ze getrouwd met een vriend uit haar
-jeugd, van wien ze dol veel moet gehouden hebben, een echte jonge-meisjes verliefdheid.
-</p>
-<p>Twee maanden na het huwelijk stierf hij aan acute longontsteking, een gevolg van influenza.
-Het eenige dat zij van hem terugzag was haar kindje, dat acht maanden na zijn dood
-werd geboren, en sprekend op hem geleek. Ze is dan ook dol op het kereltje, omdat
-het de mooie oogen van zijn vader heeft, en in al zijn beweginkjes <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>en gebaartjes aan hem herinnert. Toen ze pas negentien jaar was, kwam er al grijs
-haar tusschen haar blonde krullen, zegt Mary, en het was aandoenlijk om te zien, dat
-kind-vrouwtje met die grijze haren. Nu ze haar krullen los draagt, zie je ’t niet
-meer zoo, en weet ze het te bedekken.
-</p>
-<p>Maar Annie was te levenslustig en te vroolijk om lang te treuren. Een groot verdriet
-paste zóó heelemaal niet bij haar, dat ze heel kort na den dood van haar man weer
-uitging en pret maakte. Zoo was ze nu eenmaal, ze kon er niets aan doen. Er zat te
-veel jong, bruischend leven in haar.
-</p>
-<p>Nù was ze weer hertrouwd, met een majoor van het indische leger, een vriend van haar
-vader, die al met haar gespeeld had toen ze nog een kleine kleuter was. Ze is een
-„handschoentje,” zooals ze dat hier noemen. Juist toen ze op zee was, werd hij naar
-Pedir overgeplaatst, zoodat ze haar man nog niet gezien heeft. Ze heeft toen eerst
-bij zijn moeder in Semarang gewoond, maar daar pakte de malaria haar zoo aan, dat
-de dokter haar aanraadde, direct naar Tosari te gaan.
-</p>
-<p>Mary gelooft niet dat Annie erg diep en innig van haar man houdt; zij ziet meer in
-hem een vriend van haar vader, iets sterks, waar ze zich aan hechten kan, zwak en
-teêr als ze is, iets veiligs, en veel grooter dan zij, dat haar beschermen kan, en
-waar ze goed „bezorgd” bij is met haar kindje. Ook vindt ze het wel goed staan om
-majoorsvrouw te wezen, en een beetje deftig te <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>zijn, zegt Mary. Maar zusje vindt het toch niet sympathiek, dat nieuwe huwelijk van
-haar. Annie weet nog in ’t geheel niet wat eigenlijk echte liefde is, zegt Mary, het
-is nog maar enkel een simpel, groot kind, dat van het leven niets begrijpt.
-</p>
-<p>En Mary, die zoo gauw iemand doorziet, en die Annie al als schoolmeisje heeft gekend,
-zal zeker wel gelijk hebben.
-</p>
-<p>Maar ik ben toch blij, dat zoo’n vriendelijk, vroolijk wezentje, zoo heelemaal „<span lang="fr">débordant de vie</span>,” zooals een fransch schrijver zou zeggen, hier opeens zingend en lachend in mijn
-leven is komen staan. Je voelt je waarachtig zélf weer een beetje kind worden als
-ze bij je is.
-</p>
-<p>Ze steekt het geheele hôtel aan met haar uitgelaten vroolijkheid.
-</p>
-<p>’s Avonds, in de conversatie-zaal, verzint ze allerlei spelletjes, en je ziet er van
-die deftige heeren en dames uit Soerabaia, die blindeman spelen, en slofje onder,
-en pandverbeuren, of ze nog in hun eerste jeugd zijn.
-</p>
-<p>En, waarachtig, ik schaam me een beetje voor mij zelf—wat zouden al die „artiesten”
-in Holland wel zeggen, als ze ’t wisten!—ik ben zelf óók meê gaan doen, toen Annie
-het zoo lief kwam vragen, en ik ben de blinde man geweest, toen er voor het eerst
-dat dolle spel gespeeld werd, „<span lang="en">American Post</span>.”
-</p>
-<p>Waar je al niet toe komt, zoo hoog in de witte wolken!
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-<span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span></p>
-<p>Vanmiddag, in een fuchsia-struik voor mijn venster, zag ik een wonder vogeltje.<a class="noteRef" id="xd31e457src" href="#xd31e457">3</a> Ik heb nog nooit ergens zóó intenze, schitterende kleur gezien. Boven op den kop
-fonkelde lichtgroen. De rug licht-grijs met een smal dons van wit bont als rand er
-omheen. Het borstje licht vuurrood, sterk hel, en ’t buikje zwart. Het rood is ’t
-innigste en vlamt boven de andere kleuren uit.
-</p>
-<p>Dit is een van die vogeltjes, die je plotseling in een wolk uit rood-bebloesemde dadap-boomen
-ziet vliegen, en zóó schitteren hun borstjes in de zon, dat ze zijn als vliegende,
-roode bloemen, die van louter vreugde opeens opjubelen in de lucht.…
-</p>
-<p>Stil, voorzichtig, heb ik zitten spieden. Het keek in een kelkhart, pikte even, en
-dan, trip, op een ander. Zóó licht is het, dat de <span class="corr" id="xd31e463" title="Bron: luchte">lichte</span> bloem bijna niet beweegt. Dan, ineens, wiet! weg, en daar gaat het, als een fonkelende
-vonk vuur, rank, kleurig gelukje, hoog in de lucht.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p class="xd31e332">23 October.
-</p>
-<p>Van ochtend vroeg stond ik op het terras vóór het Hôtel, en zag vèr over de wereld
-beneden mij.
-</p>
-<p>Klaar en luister was de morgen boven de lichte vlakte van het paradijs. Een wijde
-schittering <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>van kleuren, geel, en groen, en goud, van dauwe-vochte sawahs en velden in de zon.
-</p>
-<p>Het dal tusschen Ardjoenå en Tĕnggĕr, daar in het zuidwesten, waar ergens Malang ligt,
-is een bed van sneeuwen wolken, glinsterende prachtwolken, als glanzend blanke stoom
-opgehoopt, in stralende glorie. Daarboven rijst de Ardjoenå lichtblauw in de jonge
-lucht.
-</p>
-<p>Hoe stil en heilig ligt dat sneeuwen wolkenlandschap daar, door glans van eigen goedheid
-gedragen! Roerloos ligt het te schitteren in zijn vlekkelooze schoonheid, en toch
-beweegt het, ziet hoe langzaam, langzaam drijvende die blanke lichtwolken zweven àf,
-en zachtkens vèr en verder, rijende tot eindelooze krans van sneeuwen bloemen in de
-lucht! Rondom, wijd uit—van het donzen dal is het aangekomen—droomen die blanke lichtengelen
-door de hemelen, in schitterende gewaden, en verzweven zoo zachtekens, zoo zachtekens
-boven de zonnige vlakte, naar de horizonnen van de zee.
-</p>
-<p>Vèr over die verre wateren, die lumineeren van bevend licht, het goudgroene eiland
-Madoera, vaag en weifelend als een zachte belofte van liefde.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p class="xd31e332">’s Avonds.
-</p>
-<p>In de late schemering weer op het terras, en.… wonder! wonder!
-</p>
-<p>Waren <span class="sic">uchtends</span> die witte wolken uitgevaren, in <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>zoo kalme, blanke pracht, en dreven luchtig van boven de vlakte wèg naar de zee, in
-zoo blinkende vreugde, nu is het donkere lijden in de hemelen gekomen, en weedom waart
-rondomme.
-</p>
-<p>Ziet, loome en droevig zweven de smartwolken aan van de zee, langzaam drijvende naar
-het dal, waar ze doodmoê gaan liggen, somber-donzende de een op de ander, een donkere
-droom.
-</p>
-<p>Die zwartende sneeuw daalt over het duistere dal, zwaar-gedragen. Het groote godenlichaam
-van Ardjoenå is van die droefenis overtogen, maar zijn heilig hoofd heft hij kalm
-en statig daarboven, en in een eenzaam, wijs gelooven rijst hij rustig boven het donkere
-leed. Om zijn trotsche toppen een zwevende wolkenwade, die het scherpe verreint tot
-een effenheid van zachte, gelatene lijning. Lichtgrijs staat hij verrezen tegen donker-leiblauwe
-lucht.
-</p>
-<p>Lange sleepgewaden waaien wijd over de vlakte, wuiven en wuiven, verglijden langs
-dalen en ravijnen, en trekken rekkend, langzaam langend òp tot hooge hellingen.
-</p>
-<p>En daar vér, vér, achter nevelsluieren, die vaag waaiende heen en weer, de zee, in
-duisteren deemoed.…
-</p>
-<p>O! Het doodsdroeve, stille lijdensdal daar beneden, onder het grauwe dek van sombere
-wolken-sneeuw, zoo donzen-donker, en eindeloos zacht!.…
-</p>
-<p>Maar, wonder van genade, in ’t Oosten, in reflectie van zinkende zon achter Westerbergen,
-<span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>hóóg in de hemelen, één groote, blanke triomfwolk, schitterend met gouden randen,
-door een innerlijken, heiligen glans gedragen, zoo hoog en veilig, vèr van het donkere
-leed, een mirakel van glorieuze goedheid in de lucht, rayonneerend en lumineerend
-als een God de Vader.…
-</p>
-<p>Stiller wordt het, en stiller.…
-</p>
-<p>Doodszacht, en langzaam verdonkerend tot zwartblauw de donzen lijdenswolken boven
-het dal.
-</p>
-<p>En de Ardjoenå, zoo wèl-bewust, en gansch gelaten, rijst nog altijd met omsluierd
-hoofd boven dat hooger en hooger stijgende leed, en ziet met een subliem, wijs gelaat
-in de eindeloosheid, eenzaam en grandioos boven de werelden. Een groote wijding beeft
-om hem heen.…
-</p>
-<p>In de verte kwijnt de slanke kegel van den Penanggoenan langzaam àf in het waze; nog
-èven, èven, en zinkt zachtekens weg in het niet.…
-</p>
-<p>Zwaarder en zwaarder daalt de avond-nacht met sombere schaduwen.…
-</p>
-<p>En plots, uit de groote schitterwolk, weerkaatsend over al het donzen donker met rillend
-huivertrillen, schiet de blanke bliksem door de hemelwerelden, straal-vliegend door
-het firmament.
-</p>
-<p>Even beeft het over het wijze hoofd van den Ardjoenå, met wonderen glans.…
-</p>
-<p>En, zóó verrezen, drâ weer weg boven de èven lichtende bliksemsneeuw, de zachte, blauwe
-golvingen van den Kawi, die ligt als een slapende Maagde in den nacht.…
-<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p>
-<p>Somber gromt de donder mompelend over de donkere bergen, met droef-sonoor oproer-gerucht
-roerend de lucht.…
-</p>
-<p>Dàn is het weer stil, en geen geluid stoort het zware zwijgen. Donkere schaduwen waren
-rond, als sombere giganten. De schitterwolk wordt zwart en zwarter, en zijn glans
-vergaat.…
-</p>
-<p>Maar, hoog en vreemd, in open-drijvend hemelmeer van ernstig blauw, één stille ster,
-zéér rustig en sereen.… Het droeve wereld-leed is daar gansch vèr beneden en zij staat
-daar, veilig en onvervaard, een wonder van goedheid in de lucht. Lichter en lichter
-straalt zij, nu het duister al zwaarder en zwaarder neêrzijgt over de wijde wereld-nacht,
-zijn breede, zwarte wieken spreidend boven den donkeren chaos van wolken, wijl de
-bliksem bij korte poozen zijn wit-stralend licht flitst boven het diepe, droeve Niets
-van nacht-mysterie.…
-</p>
-<p>En ik, moede zwerver, sta daar, bang bevangen boven die eindeloosheid van donker lijden,
-waar mijn ziel van weent.
-</p>
-<p>Eenzaam en grandioos ligt de sombere wereld-droom aan mijne voeten.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Met een vreemde beklemming bevangt mij de gedachte dat dáár, vèr in ’t Zuiden, waar
-de hoogste bergruggen uitloopen in kringvormigen rand, ergens in een diep, diep dal,
-de wijde zandwoestijn <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>moet liggen, waar de sombere Bromo broeit. Ik hoor er elken dag over praten door menschen,
-die er geweest zijn, en elken dag lees ik er over in Junghuhn’s werk.
-</p>
-<p>De Dâsar, of Zandzee,<a class="noteRef" id="xd31e526src" href="#xd31e526">4</a> een zandvlakte van een gehééle geographische mijl middenlijn, is ééns één groote
-krater geweest, <i>de</i> groote krater van den Tĕnggĕr! Later is de ontzaglijke krater met zand bedekt, maar
-nieuwe kraters vormden zich in die woestijn, de Widodaren, de Giri, de Bromo, de Batok,
-de eerste drie bij de eruptie vretend in elkaar, de laatste apart en ongeschonden.
-De Bromo alleen is nog actief, en werpt dikke rookwolken op, somtijds—om de zeven
-jaren, hoor ik—uitbrekend in eruptie.
-</p>
-<p>De reizigers gaan van hieruit naar den Moengal-berg, aan den Noordelijken kraterrand,
-om langs den Moengal-pas af te dalen in de Zandzee Dâsar.
-</p>
-<p>Maar het mooiste gezicht op de zandwoestijn moet zijn van den hoogsten bergtop in
-het Zuid-Oosten, de Penandjaän.
-</p>
-<p>Vanuit den Moengal en den Penandjaän moet ook de Semeroe te zien zijn, of Maha-Meroe,
-de hoogste vulkaan van Java, altijd door in werking.
-</p>
-<p>Als ik zoo het groote licht hier zie over de bergen met blinkende koolvelden, en de
-kuische tjemårås staan zoo teer tegen de blij-blauwe lucht, <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>alles zoo vol vreugde en leven, dan word ik bang bevangen door het denkbeeld dat,
-dààr, achter de hooge bergwanden van ’t Noorden, in wreede, diepe wonde, steil in
-dal van afgrond, die dorre, grauwe woestijn ligt, met dien somberen, rookenden vulkaan,
-en het wereld-vuur brullend en broeiend onder de aarde.
-</p>
-<p>Het moet wel zijn als inééns de dood na het lichte leven, als de zonde na heilige
-deugd, als het kwaad, grimmig en fel, na ’t warme, zachte goede.
-</p>
-<p>Een duitsch reiziger noemde het hier dan ook „<span lang="de">Ein Paradies am Höllenrand</span>,” hetzelfde wat een bekend geograaf van de Sandwich-eilanden zeide.
-</p>
-<p>En het enkele idee van die wijde, wijde woestijn, dáár ergens achter die hooge bergmuren,
-vermengt het lichte geluk om al het schoone rondom met een droeve, altijd-door terugkomende
-sensatie van sterven, en vergankelijkheid, en zonde.
-</p>
-<p>Somtijds, heel zelden, stijgt plotseling een groote rookwolk, zwaar-grijs, triomfantelijk
-boven de donkere bergkammen in ’t Zuiden, opgerezen uit den somberen muil van den
-krater, diep uit het vuurgewoel der brandende aarde.…..
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Vanavond, op het terras vóór het Hôtel, uitziende in de schemering, na zware regenbuien,
-en verwachtend niets dan dikzwart donker, half bang <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>even kijkende. En plotseling, o heerlijk wonder, een apothéose van teederheid.
-</p>
-<p>Door den regen ópgeklaard tot allerteêrsten, zachtst schitterenden staat, was de verreinde
-avondlucht vaag wemelende over de wereld daar vèr, vèr beneden, bevende in zóó broze
-breekbare essence.
-</p>
-<p>De kuische atmosfeer van schemering was als een reine engelen-aether over verheerlijkte
-regionen. En in die wijding van trillend, doorschijnend licht lag de vlakte, in zacht
-avondblauw, zóó wondervreemd, in zóó subtiele, vaag vervluchtigende kleuren, dat het
-geen werkelijkheid meer leek, maar een goddelijk visioen.
-</p>
-<p>De Ardjoenå, èven maar zichtbaar, waasde weifelend in het duister van de hemelen,
-en de maagdelijke lijn, die van zijn hooge toppen af droomt langs de vlakte, om dan
-zacht óp te vleien naar den kuischen Penanggoenankegel, vèr en vèr, beefde door de
-lucht in zachte verteedering, als een vage melodie.…
-</p>
-<p>Ik staarde, en staarde, en kón het niet gelooven, dat zóó schoon mijn wereld was.
-Even zag mijn ziel de ziel van het avondlandschap, zoo eerwaardig opgeschenen in dat
-heilig uur, die zich in zóó groote teêrheid wel even, in allerreinste essence kon
-geven.…
-</p>
-<p>Toen verging het zachtjes, in vage wazing, langzaam en voorzichtig, droomelend weg
-in dommelend vervlieden.… Zóó ging het vàn mij, zachtekens <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>verzwevend, als alles wat héél schoon is, te broos om lang te wijlen.… En een ijle,
-witte nevelwade voer loome aan, van vèr uit de zee, en hulde het alles kuischelijk
-in blanke gewaden, fijn als engelen-sluieren, in zachte schittering van transparant
-licht, onder het teeder doorbreken van een milde maan.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Den gehéélen middag had het geregend. Om half zeven ging ik nog even wandelen in ’t
-Leverlaantje. De avondhemel was zacht opgeklaard, met vegen wolken, en van een diep,
-ernstig blauw, met hier en daar vage vlagen rood en rose. Ik wandelde even door het
-intieme, vertrouwde laantje, zachtjes dalend. Peinzend op den heuvelrug rechts boven
-mij een groep stille tjemårås. Hun roerlooze vederpluimen bewegen niet in de zachte
-lucht. Een vrome wijding beeft om hen heen. Zacht vallen de regendroppelen, met <span class="corr" id="xd31e569" title="Bron: lucht">licht</span> gerucht. De ravijnen links zijn donker, met de zwarte contouren van boomen vaag te
-zien in het duister.
-</p>
-<p>Nu, een hoek om, en dan ineens, recht voor mij uit!
-</p>
-<p>Hoe ontzaglijk golven de donkere ruglijnen der bergkammen, een sombere melodie in
-het avondblauw! Overal, ringsom, die hooge muren, zwart en somber. Ziet, in het Zuid-Oosten,
-de ópblokkende massa van den Penandjaän! Ik weet, ik weet, daarachter ligt de vale
-Vallei des Doods! <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>Maar naast mij weer de kleine dennen, met hun neêrhangende vedertakken, onbewegelijk.
-En hoor! hoor! het beekje ruischt in ’t ravijn beneê, murmelend lief mysterie, dat
-niemand weet.…
-</p>
-<p>Hoog in de bergen, bij Wonokitri, lacht een jongen, en jodelt hoog in de lucht.… Dàn
-even stilte.… En vér beneden, in ’t ravijn, antwoordt een ander.…
-</p>
-<p>Ziet, een ster blinkt met zachte praal hoog in ’t pieuze donkerblauw van den avond.…
-</p>
-<p>Het is stil nu, en ik ben zoo gansch alleen. Vèr zijn de geruchten der wereld.…
-</p>
-<p>En, in de zachte daling van den nacht, met die roerloos staande boomen, onder het
-ritselend vallen der reine regendroppen, komt een oud leed langzaam opwellen naar
-mijn oogen, het leed om de Eéne, die lang verloren, maar nooit vergeten..
-</p>
-<p>En het is mij opeens, als voel ik om mij henen de essence van wat het edelste en immaterieel
-in haar was, en wat onvergankelijk is. Neen, nooit, nooit kan het sterven, en het
-is nu bevende in het ernstige schoon van de werelden, waar het ééns van uitstraalde
-in háár teêr, bloemeblank lichaam, en toen weer zacht henedroomde, puur en onbesmet,
-in allerreinsten staat.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Ik begin nu kleine wandelingen te maken.
-</p>
-<p>Den weg achter het Hôtel loopende, en nu niet links afslaande naar het Leverlaantje,
-maar recht <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>door, kom ik langs het berri-berri-gesticht en de dessa Ledoq. Daar wordt het pad
-smaller, en begint te dalen, plotseling àfloopende in een smal, nauw dal tusschen
-hooge, massale, zwaar-schaduwende bergen.
-</p>
-<p>Overal, rondom, in ’t hooge, rijzen de sombere gevaarten, met breede hellingen vol
-koolvelden en rijen tjemårås. Ik zie het, klein, van beneden eerbiedig aan.
-</p>
-<p>Hoe kalm en eenzaam hier!
-</p>
-<p>Een beekje klatert stil-kletterend van rotsen, en vult de ijle lucht met zacht gepraat.…
-En hoor, daarginds, nòg zoo’n vaag-murmelend geraas … Twee stemmen in de stilte, zoo
-rustig, zoo stemmig bescheiden.…
-</p>
-<p>Nu even hier zitten op een grijs rotsblok, met het water onder mij door. Die heilige,
-zware, zwijgende stilte rond-om!.… In de verte alleen nog het zacht-bronzen klokgeklingel
-van een pikelpaard.
-</p>
-<p>.… Héél ver en hoog, langs het steile, smalwindende pad van Ngadiwono om den bergwand,
-komt een paardje, beladen met gras, voorzichtig stappend, voorzichtig.… Hoe ernstig
-klinkt dat klokje om zijn hals!.…
-</p>
-<p>Hoe plechtig staan die stille, wijze varens langs de hellingen, wijd uitplooiend hun
-wuif-waaiende waaierbladen! Hoe innig staan de ranke tjemårås omhoog naar het licht!
-</p>
-<p>En die lucht, die heerlijke, goedertieren, versterkende <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>berglucht in je longen! Je voelt het pure leven wijd-ademend in je lichaam vloeien.
-</p>
-<p>Die koelte, die kalmte, die reinheid, die rust! O! ik dank u wel zéér, Gij die dit
-alles gegeven, uit Wien ál deze weldaden zoo gul gevloeid!.… Luister nu, luister naar
-’t zacht gepraat van het beekje, dat in vreugde-ruischend rythme langs de rotsen schiet,
-en heel de lucht wordt melodieus van zijn lief gerucht.…
-</p>
-<p>Heb ik ’t dan nu eindelijk gevonden?
-</p>
-<p>Niets dan dit:.… de blauwe zomerhemel, de goede bergen, de heilige boomen naar ’t
-licht, en ’t wuivende groen.…
-</p>
-<p>Dit is het ware, simpele leven. Ik ben een rustig, rein kind van de Natuur. Ik ben
-als een boom, als een blanke bloem in dit schoon.…
-</p>
-<p>En mijn goede Moeder buigt zich zacht over mij heen, licht en liefelijk.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Wat hebben al die dessa’s hier dichterlijke namen! b. v. Tosari, dat wel een afkorting,
-of samentrekking zal zijn van Kertosari, beteekent, „heilzame bloem;” „bloem,<a class="noteRef" id="xd31e612src" href="#xd31e612">5</a> die heil aanbrengt.” Telogosari beteekent „bloemvijver” (in het bosch of struikgewas);
-Baledono „een rustplaats (divan) gevend;” Wonokitri „een bosch van vruchtboomen;”
-<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>Proewono „reeds van de vroegste tijden bestaan;” Sedaeng „plaats waar buitengewone
-sirih groeit;” Ngadiwono „gelijk een bosch;” Ngadisari „gelijk een bloem;” Kertanom
-„heilrijke jeugd;” Wonomerto „heilaanbrengend bosch;” Nongko Djadjar „nangka-boomen,
-op rijen geplant.” En, eigenaardig, de hooge dessa Pådåkåjå, in ’t Zuiden tegenover
-’t <span class="corr" id="xd31e617" title="Bron: Hotel">Hôtel</span>, heet „allen even rijk,” een bijnaam, spottend door de andere dessabewoners gegeven,
-toen deze dessa het eerst een gamĕlan had aangeschaft.
-</p>
-<p>De Tenggereezen, die hier wonen, het overblijfsel van de Boeddhisten, voor den Islam
-hier naar de bergen gevlucht, zijn een eenvoudig natuurvolk, weinig hartstochtelijk,
-en simpel van zeden. Vrouwen-perkaras komen hier nooit voor. Diefstal is zoo goed
-als onbekend, en de huizen zijn ’s nachts voor het meerendeel open. Alleen dáár, waar
-het volk met Europeanen van nabij in aanraking komt, b. v. in de dessa Tosari, is
-het wat ontaard en bedorven. Maar dieper de bergen in, is het weer beter.
-</p>
-<p>Als ik zoo het harde, simpele leven zie van die eenvoudige bergmenschen hier, dan
-schaam ik mij over het weeke, onnatuurlijke van ons zoo verfijnd bestaan. Misschien
-zijn die menschen in hun ruwheid en onwetendheid, toch heel wat zuiverder dan wij,
-omdat ze bijna heelemaal één zijn met de natuur.
-</p>
-<p>Vanochtend zat ik weêr in het dal bij de watervalletjes, <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>op den weg van Tosari over Ledoq naar Ngadiwono. Overal in het rond de hoog-rijzende
-berggevaarten, die het dal ringsòm omsluiten, met de blinkend groene koolvelden tegen
-de hellingen.
-</p>
-<p>Wat jongens boven in die velden, zij jodelen en zingen van pleizier, schelle keelgeluiden,
-hel door de ijle lucht. Zij die nog aankomen, vèr beneden langs smalle paadjes, zingen
-lagere, somberder tonen. En ’t is merkwaardig, hoe harmonieus dat gezang samensmelt
-met het murmelend geruisch van de watervallen, met het bronzen klokgeklingel van paardebellen,
-met het zacht gonzend metaalgezang van den wind in dennen..
-</p>
-<p>Daar komt een vrouw aan, in donkere lompen, een zuigeling vastgesjord op den rug.
-Achter haar een meisje van een jaar of acht, óók al met een klein kleutertje op den
-rug. En een naakt klein kereltje er springend achter. Ze dragen messen en sikkels,
-gaan hout hakken en kool snijden, hoog in de bergen. Hoe resoluut stappen zij voort,
-de vrouw diep gebogen, in tegenwicht voor het kind op den rug; hoe vlug gaat het den
-berg op, zonder morren, gewoon als zij zijn aan het zwoegen, gansch onvervaard.…
-</p>
-<p>Nu komt een oude inlander op een klein, vuil paard, op een hard, houten zadel. Hoe
-het beestje dapper het steile pad opklimt, zoo vlug en toch voorzichtig zijn pooten
-zettend op den rotsigen grond!
-</p>
-<p>En nu, ineens, ik kijk er verschrikt van op, een <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>mooi kind van den Tĕnggĕr, een meisje van, geloof ik, veertien jaar, groot en sterk.
-Zooals ze daar met den mooien berggang, diep in de knieën zinkend, omhoog loopt. Een
-prachtige, donkerroode gloedkleur op het bruine gezicht, en haar groote, zwarte oogen
-vol glans van de zon. Ze heeft een langen, puntigen stok in de eene hand, een kleine
-sikkel in de andere. Ze is vuil, maar van een grandioze vuilheid. Er is iets heerlijk
-gezonds, jongs, krachtigs aan haar. Je kunt zien, ze is al zoo wat één met de bergen,
-de vruchtbare aarde, en de reine lucht, ze lijkt er zóó uit ópgebloeid vol sterk,
-zwellend leven. En ik voel ineens een vreemde sympathie voor haar, een warme aantrekking
-voor al dat natuurlijke, hartelijke, gezonde.
-</p>
-<p>Daar gaat ze, mijn brave meid, met stevige stappen den steilen berg op, doorneigend
-in de knieën, zoo heelemaal aangepast aan al het sterke en zuivere van de natuur om
-haar heen, een kind van den Tĕnggĕr.…
-</p>
-<p>En opeens, ze weet het zelve wel niet, zingt haar schelle, hooge sopraan een jodelenden
-jubel in de lucht, onbewust, zooals een vogel wel zingt tegen het licht. Tonen van
-trillende vreugde in het leven, van heerlijk gezond plezier om het mooi rondom, van
-zelf opgeweld uit haar jong, onbezorgd gemoed.
-</p>
-<p>Zóó gaat ze me jubelend voorbij, de stevige borsten gespannen, trillende in het half-open
-baadje, haar jong, mooi meisjeslichaam zwellend <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>in welige vormen, haar krachtige heupen nauw omsloten door de strakke sarong, met
-de prachtige, gespierde beenen naakt in de zon, vliedend zoo vlug en geruischloos
-over den rotsigen grond.…
-</p>
-<p>En dit is misschien de eerste keer, dat ik een zuiver, gezond meisje gezien heb, zooals
-het, simpel en onbewust, bedoeld is, in de pure, reine, goddelijke natuur.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Niets dan dit:
-</p>
-<p>Ik zit in het eerste priëel op het terras, het mooie, dat zoo dicht omlooverd door
-indische kers. Het is bijna nacht. Vèr, in maanlichtwaze, de al-goede Ardjoenå, die
-uit lichten nevelwaduw rustig rijzend, het godgenadig hoofd opricht, in kalm geheven
-staat.…
-</p>
-<p>Vlak vóór mij een groote, wijze varen, wijd-uitspreidend zijne prachtwaaieren in ’t
-maanlicht, in rein zich geven.… Zóó is het goed, zóó is het goed, en zij beweegt niet
-in de stille lucht, zóó gansch tevreden.…
-</p>
-<p>Een krekel neuriet zacht in ’t gras, en piept de diepe stilte somtijds dieper, stiller.…
-</p>
-<p>De statige sterren klaar en pralend in egaal-blauwen maannacht-hemel.…
-</p>
-<p>En, opeens bewust gezien, de zwaar-zwartende golflijn van den bergrug links, in ’t
-Westen, zoo donkerscherp tegen de lichtende lucht. Dat zware ópgaan, dat zwijgend
-rekken, dat zacht weer neer, <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>want wel moéten, maar toch weer strekkend rekken, rekken, rekken, angstig zwart. Ai!
-het scheurt de stille lucht.…
-</p>
-<p>En een vreemde angst bevangt mij, zóó dat ik huiver, en ijlings terug vlucht waar
-het huis is, waar de lampen branden, en misschien nog menschen zijn.…
-</p>
-<p>Dáár is de vreugde en ’t leven.… En Mary.… En Annie, die lieve vrouw.… Zou zij er
-nog wezen?.… Zou zij nog niet zijn slapen gegaan?<span class="corr" id="xd31e657" title="Bron: ..">…</span> O, nú haar rank, lucht figuurtje, nú haar vriendelijk gezichtje met den warmen, lichten
-lach!.… O, nu wat liefs en zachts voor mijn arm, kloppend hart!.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Weêr een wandeling in het lievelingspaadje, bij vallenden avond.… Het Leverlaantje.…
-Overal die hooge, hooge bergkammen.… Die weggetjes daar zoo zacht tegen.… In de ravijnen
-hangen zware nevelen, onmerkbaar langzaam stijgende.
-</p>
-<p>Zóó loopen droomelen, zonder eigenlijk te weten van wat rondom. En in eens:
-</p>
-<p>O! hoe daar boven op dien donkeren bergrug, tegen zilverparelige lucht, hier en daar
-droef van moede, grijze wolken, de stille tjemårås staan! Zoo vreezeloos, en toch
-zoo diep in deemoed, staan zij te wachten, te wachten in het late licht.. Die fijne
-stammetjes, zoo teêr òpgaande, evenwijdig, zonder verschil, zoo zacht-tevreden! Die
-<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>kuische takjes zoo zoet uitgespreid in dat parele, milde schemerlicht.… Die roerlooze
-vederpluimen, zoo plechtig nederneigend, in heilige stonde.… Zoo hoog, zoo vèr-hoog
-staan ze, op donkeren bergkam! Zóó rijen ze, hand aan hand, de liefelijk gelede, en
-kijken zoo zacht van uit die duistere hoogte, vèr in het eenzame eindeloos van de
-hemelen, onvervaard, en kalm als kinderen.…
-</p>
-<p>En een groote teederheid daalt zachtkens over mijn hart.… O! om een lieve hand nu,
-om stil te strelen, o! om wat vriendelijk lachen nu van een milden mond, o! om een
-héél klein beetje geluk nu voor een armen, moeden zwerver.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Vreemd, vreemd.… Ik begin mij zoo aan dat vroolijke vrouwtje Annie te hechten.… Ik
-voel me zoo blij, als ze ineens de kamer binnenkomt, en ze lacht me vriendelijk toe.…
-Het doet me zoo goed, in haar schitterende, donkere oogen te zien, en haar stem te
-hooren.… Ze is zoo iets echt gezonds, vol vreugde, en vol levenslust, er is iets van
-de reine berglucht aan haar, en de pure winden, en het blinkend groen … Ze hoort zoo
-heelemaal bij de eenvoudige, groote natuur hier!
-</p>
-<p>Mary plaagt me er al meê, en zegt, dat ik nog eens „verliefd” zal worden. <i>Ik</i> verliefd! Neen, dát is het niet, dat is héél anders. Maar wat is het dan?.… Het is,
-geloof ik, alleen het gezonde leven, dat me zoo in haar aantrekt, het simpele, <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>onbewuste, zonder denken gelukkig zijn.… En toch nog iets méér ook.…
-</p>
-<p>Maar ik wéét het niet, en ik behoef het ook niet te weten. Alleen voel ik heel vast
-en zeker, dat het rein is en zonder slechtheid. Ze is voor mijn ziel wat de zuivere,
-klare, pure lucht is voor mijn lichaam.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Wij hebben nog een paar prettige menschen gevonden. Sophie Wouters, een allerliefst
-jong meisje, met haar broer Hendrik, een controleur. En we hebben afgesproken, met
-ons vijven een clubje te vormen om wandelingen en rijtochten te maken.
-</p>
-<p>Morgen gaan we naar den Penandjaän, om van uit de hoogte neêr te zien in de Zandzee.
-De dokter is bang dat het mij te erg zal aandoen. Maar ik zal het er toch op wagen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p class="xd31e332">2 November.…
-</p>
-<p>Hendrik Wouters was een beetje koortsig vanmorgen, en zijn zuster wilde absoluut bij
-hem blijven. Ik ging dus alléén met Mary en Annie naar den Penandjaän. Wij namen shawls
-en wollen dekens en verwarmende dranken mee, voor de koû.…
-</p>
-<p>Om half zes reden we al uit, met een gids <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>voorop. Dáár ergens in ’t Zuid-Oosten, héél ver, ligt de Penandjaän, aan den somberen,
-hoogen kratermuur om de Zandzee. Dáár gaat op eens het gebergte open, in diepe, donkere
-wonde, waar in vale, veege vallei het vuur woelt onder de aarde.… Daár is het, dat
-de sombere Bromo broeit.…
-</p>
-<p>Het denken aan dien duisteren krater, in de eenzaamheid van de zandwoestijn, beving
-mij met een angstige beklemming, zóó, dat ik het mooie om mij heen bijna niet zag.
-Ik weet, wij gingen in diep ravijn, en òp aan de overzijde naar Wonokitri, en vèrder
-en vèrder, met wolken, en bergen, en horizonnen rondom. Toèn, langs rotsige paden,
-ineens in een stil, vredig denne-bosch. De grond was zacht van de bruine naalden.
-Hoe stil en rustig werd het dáár! Hoe gracieus stapten de twee damespaardjes voor
-mij uit, en hoe vertrouwd en intiem was het, daar Mary en Annie zoo vroolijk pratend
-voor mij uit te zien rijden, in de rustige stilte van het dennewoud! Zóó klommen wij
-door het bosch den hoogen bergkam op naar ’t Zuiden. Die heerlijke, gezonde geur van
-de dennen.… En die stilte, die stemmige stilte rondom.…
-</p>
-<p>Maar het angstige denken àldoor maar rondgaande in mijn hoofd, dat straks, inééns,
-in wreeden val, de aarde zal opengaan, naar wreede, droeve, vallei des doods.…
-</p>
-<p>Ik hoor wel Mary en Annie zooiets zeggen van hoe mooi, en van edelweiss, en alpenkruiden,
-en <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>viooltjes.… Ik zie ook de teêre, bleek-blauwe vergeet-mij-nietjes, bloeiend in het
-groen.… en even hoor ik het blij getjiep van vogels.…
-</p>
-<p>Maar al dichter en dichterbij, zonder te zien, <i>voel</i> ik den krater. Mijn ziel <i>voelt</i> het sombere, donkere, zondige wat nu gaat komen.…
-</p>
-<p>Dit lijkt wel uren en uren te duren, tot opeens, met een schok in mijn hoofd, het
-bosch opengaat, en een ijzige, scherpe wind snijdt fel om mijn ooren.… Een koude,
-wreede woestijn-wind, zonder erbarmen.…. „De Goenoeng Pret,” zegt de gids. En wij
-staan bij den berg, aan den rand van den kratermuur.
-</p>
-<p>Opeens, een apothéose van verre bergen, van luchten, en horizonnen.… Hoog in ’t Zuid-Westen
-rijst de blauwe Semeroe grootmachtig in de lucht.…
-</p>
-<p>En beneden, beneden.… Maar „nog niet kijken” heeft een toerist in ’t Hôtel mij gezegd.
-„Bij den Goenoeng Pret nog niet kijken, als ge kunt. Dadelijk links af naar den Penandjaän
-gaan.”
-</p>
-<p>Ik voél, even, een duizeling, ik zie het vèr, vèr beneden, grauw, vaal, en des doods.…
-Een somber, veeg mysterie.…
-</p>
-<p>Maar ik wend mijn hoofd om, en rijd, met afgekeerd gelaat, naar ’t Noorden, linksom
-een hoogeren berg op. Weer door boschjes, en wilde struiken, een moeilijk, steil pad,
-met de paarden voorzichtig, langzaam stappend, zoekend een steun met de tastende pooten.
-<span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span></p>
-<p>Dán ligt de Penandjaän-top voor ons, begroeid met ruw geel helm, als een duin.
-</p>
-<p>Nu klimmen, klimmen den kalen top op, de paarden moeilijk loopend door het mulle,
-witte zand. Stijgen, stijgen met een kouden wind snijdend langs je ooren, en een bange
-beklemming om je hart, een voorgevoel van iets verschrikkelijks dat komen gaat, iets
-ontzettend doodsch en ijzig, uit den Booze, dat straks inééns voor je oogen zal zijn.
-</p>
-<p>Dáár gaat het, langzaam, langzaam den hoogsten top op en, plotseling, een ruk aan
-de teugels, dat het paard steigerend achteruit wijkt, een duizeling in je hoofd, en
-het koude zweet parelend langs je slapen.…
-</p>
-<p>Want dáár, diep, diep onder je, is het eensklaps wijd, vèr opengegaan, en, dreigend,
-in een ijzig, somber zwijgen, ligt de vale Vallei des Doods, de Zandzee Dasar.…
-</p>
-<p>Een diep, roerloos meer, vaal blikkerend, grauw-grijs in kille verstarring, wijd-gapend
-in den afgrond beneden.… De zware, zondige stilte over dat eeuwig beslotene, het in
-woeste wanhoop verstomde zwijgen zwáár broeiend boven die veege vallei.… Is het een
-meer van ijs?.… Van onder giftigen adem roerloos geslagen water?.… Is het een wilde
-woestijn van zand?.… Diepe wreede voren rekken als stijf versteende slangen in alle
-richtingen er over heen.… Koud en genadeloos wreed blikt het vaalgrauwe woestijn-gelaat
-<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>òp ten hemel, uit de donkere afgrond-diepte daar vèr, vèr beneden.…
-</p>
-<p>Het ligt daar zoo gansch droef verloren, onverbiddelijk en onherroepelijk, in een
-sombere, genadelooze ommuring van hooge rotsgevaarten àlom. Als donkere, gigantische
-wachters staan aan alle zijden de resoluut-rijzende, steile berg-wanden, wakend over
-dat vale, veege dal des doods.…
-</p>
-<p>Dáár, diep in dien wijd-uitgestrekten, eindeloos lijkenden afgrond rijzen, als mysterieuze,
-sombere eilanden, drie groote, grillige eruptie-kraters, ontzaglijk en satanisch grandioos.
-Geel-groen, met glinsterende kleuren als van slangen, de ruige tulband van den Batok,
-daarachter, naar ’t Zuid-Westen, de donkerzwartige, zwaar-geribde massa van den Widodaren,
-maar o! daar vooruit, naast den Batok, naar ’t Zuid-Oosten, de slijkgrijzige en vaal-gele
-krater van den Bromo, als een groote, gapende wonde met wreed-puntige omranding, een
-ding des doods, vol somber geheim.…
-</p>
-<p>Langzaam, langzaam stijgt een blauwe rookdamp daaruit omhoog, rijst hooger en hooger,
-in trage, wanhopig-droeve rekking, spreidt zich wijd en wijder uit, en vaart in een
-statig-geplooiden wolkpluim, met vaal-gele glanzen, dreigend omhoog.…
-</p>
-<p>Maar zoo langzaam, zoo langzaam, of de minste ontroering die kille rust der ijswoestijn
-verstoren zou, met de nauw merkbare, spookachtige beweging des doods.…
-</p>
-<p>Moeilijk-zwaar wolkt de rook-kolom de lucht in. <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>dof neêrgehouden door het ijzig zwijgen dat loom als lood over het dal van droefenis
-hangt.…
-</p>
-<p>Leêg en kaal ligt de vallei, onder den druk van een eeuwigen, genadeloozen vloek.…
-Dit is de zonde, de donkere, sombere zonde, dit is het absolute, gansch volmaakte
-kwaad, waar nooit een zweem van ’t goede in kan wonen, dit is de koude levenshaat,
-de kille Gods-negatie, dit is dan eindelijk gezien, van aangezicht tot aangezicht,
-in onuitwischbaar, veeg visioen, het Rijk der Duisternis, het starre, naakte dooden-land
-van Satan, den valen vijand van het Licht en het Leven.…
-</p>
-<p>IJzig snijdt de scherpe wind langs mijn suizende ooren, en loeiend galmt het langs
-de scherpe ruggen der berggevaarten. Een donderend gerommel mompelt dof-zwaar in de
-verte.… Is het de droeve beroering van ’t helle-vuur onder de aarde?.… Is het een
-onweer, broeiend in verre, donkere wolken?.…
-</p>
-<p>De diepte trekt mij aan, het is om nu maar alle hoop te laten varen, en, gehoorzaam
-aan ’t duister Noodlot, met een angstig gillen in ’t donker omlaag te duizelen, waar
-de sombere zonde ligt verstard.…
-</p>
-<p>Maar ’t leven is nog sterk in mij. Ik stijg van ’t paard, en deins weêr achteruit,
-ga voorzichtig zitten op een goed beschutte plek. Nu even niet meer kijken in dien
-afgrond, nu recht vooruit zien, zonder vreezen.…
-</p>
-<p>En het is een apothéose.…
-<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span></p>
-<p>Vèr over het dooden-rijk zien mijn oogen in de levende wereld.
-</p>
-<p>Rechts, in ’t Zuid-Westen, vèr achter den kratermuur, in een licht, teeder blauw als
-van een maagde, rijst de ontzaglijke, zachte reuzen-bol van den Semeroe hoog in de
-hoogste luchten. Hij staat daar glanzend als een heilige Hemel-God, van majesteit
-overtogen. En ziet! met een machtigen stoot schiet een blanke licht-wolk uit zijn
-top, een sneeuwen smettelooze puurheid, fèl in de lucht. Hoe triomfantelijk vliegt
-die witte rook-panache in de lichte hemelen, ziet, hoe zij zich plooit, en spreidt,
-en kronkelt, hoe dat blinkende, schitterende wezen daar ópdroomt in de hoogste sferen,
-en dan langzaam, langzaam henedrijft, in wuivend, wit gewaad, stralend van zoo statige,
-blanke glorie.…..
-</p>
-<p>Links, vèr in ’t Oosten, rijzen grillige, kartelige berggevaarten aan den horizon,
-de reuzen-massa’s van het Yang-Plateau, de Argapoera, en, dichterbij, de blauwe kegel
-van den Lamongan, een rookwolk om zijn top.…
-</p>
-<p>Nu even òmzien, met den rug naar den grauwen afgrond, naar den kant van waar wij zijn
-gekomen.
-</p>
-<p>Dáár liggen de golvende bergkammen, en de ravijnen, daar blinken de prachtige dessa’s,
-en vèr, vèr schemert de vlakte, en de zee, en ziet! rijst daar niet, in ’t allerverste
-Westen, aan den lichten horizon, Ardjoenå’s goddelijk lichaam in maagdelijk <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>blauw omhoog, met een blinkende glorie van witte, pure wolken droomende om zijn statig
-hoofd?.…
-</p>
-<p>Het is of de wereld nu àl grooter wordt, àl grooter.… het is of mijn ziel zich nu
-àl wijder spreidt, àl wijder.… Het is zoo zalig en zoo rijk van licht, het is zoo
-in volmaakte, grenzelooze goedheid uit een God gegeven, het is blinkend, het is aanbiddelijk,
-en het is eindeloos.… Is het niet, om nu ál hooger en hooger òp te rijzen, hooger
-dan deze hoogste top van den Penandjaän, en met een luiden jubel in de lichte hemelen
-te vergaan!.…
-</p>
-<p>Zóó sta ik lang te staren, totdat ik mij eindelijk weer omwend. En het is als een
-wonder, opeens gebeurd. De lichte Semeroe is verdwenen achter nevelen, de verre apothéose
-in het Oosten, van het Yang-Plateau, wordt door wolken verduisterd.
-</p>
-<p>Beneden, in het doodendal, is het nog donker licht. Over mij, in ’t Zuiden, staat
-de Ider-Ider-muur nog onbeneveld, recht omhoog; de Moengal-muur, naar rechts in ’t
-Noorden, begint te deinzen in een fijnen mist, en vèr in ’t Westen is de Idjo al niet
-meer te onderscheiden.
-</p>
-<p>En nu zie ik voor het eerst, daar vlak beneden mij, den lagen wal, die in een bijna
-rechte lijn de Noordelijke en Zuidelijke muren van den kraterrand verbindt. De Penandjaän,
-waar ik sta, is al over den wal heen, aan den overkant is de <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>hoogste Ider-Ider berg, de Poendaq-Lemboe, al van een wolkensluier overtogen.
-</p>
-<p>Die wal, de Tjemara-Lawang, de scheiding van een paradijs en een hel! Rechts ligt
-de vale vallei der dooden, naakt en kaal. Links, boven de lava-beddingen, van den
-wal, liggen àl bloeiende terrassen en velden, rijk begroeid, en blinkende van lichte,
-gele en groene kleuren. Het stralende, glanzende Leven, vlak aan den rand van den
-Dood.…
-</p>
-<p>Maar dra verdooft nu ook die glans van blijde weelde. Want van den Tjemara-Lawang
-komt het nu aan, daar komen de grijze, vale wolken-nevelen aan.…
-</p>
-<p>En ’t is of ’t Licht nu wel voor goed daar sterven zal, want langzaam, langzaam begint
-het wreede spel des doods.
-</p>
-<p>Als vage geesten drijven de grauwe nevelen, over den bloeienden paradijswand, naar
-de duistere vallei. Hoe langzaam, langzaam schuiven zij voort, en waaien traag en
-troosteloos over de starre, kille woestijn! Zij wolken in de laagte, maar rijzen weer
-terug, zich òpstrekkend tegen de muren, met gebaren als van hopeloos smeeken en droef
-weêr vallen, zij wijken weêr rechts en links, kruipen angstig over de kraters, en
-zinken geruischloos weêr neder in het dal. Het lijken geen wolken meer, het zijn de
-vale, droef-verdoemde geesten van dit duistere rijk van den Booze, die daar eeuwigzwijgend
-rondwaren in de vervloekte doodenvelden, <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>eindeloos en onherroepelijk verloren.…
-</p>
-<p>De slijkgrauwe wonde van den Bromo gaapt nog door de wolken-warreling heen.… Nog éven
-lichten de groene en valsch-gele ribben van den Batok. Op den Widodaren<a class="noteRef" id="xd31e766src" href="#xd31e766">6</a> zetelen de zwarte, donkere wolken-massa’s, in somberen triomf.
-</p>
-<p>En altijd de doffe, blauwe rook-kolommen, met gelige glanzen, langzaam-traag ópstijgend
-uit de duistere diepten onder den Bromo, treurig wègdrijvend door den mist, met de
-wanhopige, troostelooze traagheid des doods.…
-</p>
-<p>En het loeiend metaal-gezang van den wind langs scherpe bergruggen.… en het rommelend
-mompelen van verren donder.…
-</p>
-<p>Het trekt mij aan, met een vreemde bekoring, als van haat, en negatie, en zonde. Ik
-voel mij buigen naar het wolken-omnevelde dal in den afgrond beneden mijne voeten.…
-</p>
-<p>En het is als boog ik mij nu droevig over mijn eigen ziel, en of het mijn eigen, eenzaam
-leven is, daar zoo ganschelijk verloren, in dorre woestenij.…
-</p>
-<p>Zóó, koud-negeerend, zonder liefde, met het warmste en allerbeste kil-versteend, verteerd
-in zich zelf.…
-</p>
-<p>Maar ik <i>wil</i> dien dood niet, o! ik voel het nu, ik <i>haat</i> het, ik <i>haat</i> dit schoon, dat uit den Booze is, ik <i>haat</i> den dorren, starren dood! Nu ik hem <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, in zijn koud, vaalbleek nacht-gelaat, nu
-<i>haat</i> ik hem, en ik wil het leven weêr, het Leven, het Leven!.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Toen,.… een lieve, vriendelijke stem, een stem als uit heel oude tijden, lang geleên.…
-</p>
-<p>En Annie zit naast mij, boven het dorre dooden-dal. Zij kijkt nu niet kluchtig meer,
-er is een zachte, teedere uitdrukking in haar oogen.
-</p>
-<p>„Wat rilt u,” zegt ze, „is de koorts weer terug?.… Kom maar gerust hier bij me liggen
-in mijn schoot.… hier heb ik een warme wollen deken.… Mary haalt wat wijn bij de koelie’s,
-dat zal u goed doen.… wat is uw hoofd koud, en wat ziet u bleek!.… kom nu maar even
-bij me rusten.… en nu niet meer naar beneden kijken..”
-</p>
-<p>Ik schrik op, als uit een bangen, boozen droom.. Haar lief, vriendelijk gezicht, haar
-warme stralende oogen.… Zij is de blijheid, en de vreugde, en het geluk.… Zij is het
-lachen, en het licht, en het leven.… En het roept mij, het roept mij, hoor! het Leven
-roept mij terug!.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Toen heb ik mij afgewend van het droeve dal des doods, en mijn hoofd heb ik heel stil
-gelegd in haar veiligen schoot.…. Ik voel, hoe zij bezorgd de warme deken over mij
-uitspreidt, ik hoor de muziek van haar stem, die mij zegt te rusten.… te rusten,.…
-ik wil niet den duisteren dood, maar <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>het Lichte Leven,.… en zachtjes, zachtjes lig ik te snikken, te snikken van vreugde
-en berouw, met haar handen lief-troostend op mijn hoofd.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Nu is het inééns bewust in me, als een groot licht na lang, lang duister over mijn
-arm hart: „Ik hoû van haar, ik hoû van haar!”
-</p>
-<p>O! ik hoû van haar, omdat mijn hart weer sterk en jong is, en weer lieven kan; het
-is door de groote kracht, die de milde lucht mijn lijf gegeven heeft, en haar lichte
-lachen mijn ziel. Ik hoû van haar, omdat de wereld zoo eindeloos schoon is, omdat
-het groen zoo blinkt, en de blanke bloemen, omdat de vogels zoo zingen in de boomen,
-omdat de bergen zoo hoog ten hemel staan, en zoo zalig glanst Gods groote licht over
-de schitterende vlakte en de zee.
-</p>
-<p>Ik hoû van je, inééns, inééns, mijn lief vrouwtje, dat àl maar lachen doet en, gansch
-niet wetend, je vreugde zingt door het wereld-leed. Ik hoû van je, omdat je lief tegen
-me geweest bent, waar jaren lang mijn hart alleen maar droefenis kende en sombere
-gepeinzen; omdat je heel niet bang was voor dat strakke kijken van mijn donker gezicht;
-omdat je zoo vreezeloos je zachte handjes gelegd hebt op mijn arm, moê hoofd, dat
-maar niet rusten kon.
-</p>
-<p>Inééns heb ik het gezien, in je oogen. Ik vond je vroeger leelijk, mijn lief, klein
-vrouwtje, met <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>je bleeke wangen en die oude trekken om je mond. Ik kon het toen nog niet zien, wat
-achter je oogen was. Je zachte, zuivere ziel zag ik niet, die onbesmet was van het
-leven, en waar Gods licht mysterie ongerept in woont. Dat heeft het droeve vrouweleven,
-en de hartstocht waar je doorheen gegaan bent, toch nooit in je kunnen dooden, het
-lieve, zachte, milde, maagdelijke in je, dat je voor den eersten keer aan mij gegeven
-hebt. Die lieve gratie is in het geluid van je stem, mijn lieveling, en in je zachte
-bewegingen, als je je hand even over je voorhoofd strijkt, en als je een bloem plukt
-met zoo teêre vingers, en het is in je voetjes, die gaan zoo zachtekens op rythmischen
-stap. Zóó teeder-lucht beweeg je, als een lieve melodie. Alleen je zien is al zoo
-zalig, en mijn ziel beeft vol van vreugde, als je lichte lichaam vóór mij zweeft.
-</p>
-<p>Heb je me dan weêr jong en sterk gemaakt, mijn vriendelijk vrouwtje, jij zoo klein
-en broos maar, ik zoo donker-groot? Heb ik dan ál die jaren in mijn sombere gepeinzen
-gansch niet meer geweten wat het leven was, en heb jij met één vriendelijk knikje
-en één zachten handdruk mij dan weêr geleerd dat leven lieven is en Liefde ’t eenig
-doel van ’t wereld-wezen? Ik begrijp het nog niet goed, mijn lieveling, ik kan het
-nog niet goed gelooven. Wat is toch in je, dat mij zoo bevangt van lief verlangen?
-Je weet zou weinig, en toch weet je méér dan al mijn droef gevonden wijsheid. Want
-je zacht gezicht ziet zoo blij en <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>vreezeloos in de wereld, en het mooie om je heen maakt je zoo dankbaar, dat je ál
-maar liefelijk-lachend door de lichte dagen gaat, met zoete gratie, als één van Godes
-engelen, wier ziel een lichte vreugde is van zalig rein-zijn.
-</p>
-<p>Nooit droomde ik, dat dit nog ééns voor mij kon komen. Ik dacht, de droeve dood was
-alles wat mij nog kon wachten.
-</p>
-<p>O! die eenzaam-stille nachten, bij ’t bleeke lamplicht in zoo duister peinzen, met
-al die troostelooze boeken, waar geen liefde uit sprak! Mijn aangezicht was bleek,
-mijn liefste, en mijn oogen stonden droeve. Mijn hart, het klopte maar zoo traag,
-en van verlangen ganschelijk ledig kwijnde klagelijk mijn ziel.
-</p>
-<p>Is het de goede bergwind, die de nevelen uit mij waaide? Is het de nieuwe, warme kracht,
-die in mijn aderen stroomt? Of is het enkel jouw lichte lachen, en al die zoete muziek
-van je lieve stem? Hoe heb jij dat gedaan, mijn ranke vrouwtje, het jonge leven weer
-te wekken in mijn stervend hart? Zoo klein ben je, en zoo broos. Je handjes kan ik
-wel breken in de mijne, je hoofdje reikt maar éven aan mijn schouders, en ik zou heel
-bang zijn om mijn sterke armen om je heen te slaan. Hoe heb je ’t toch gedaan, om
-al mijn trots te breken, en ’t donker hoofd, dat voor de gróótsten niet wou buigen,
-zoo heél diep neigen te doen voor jouw zoo teêre, zwakke gratie? Met één lachje en
-wat vriendelijk kijken heb je dan dit <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>groote hart zoo zachtelijk overheerd, dat zich aan ’t allerschoonste nooit geheel
-kon geven!
-</p>
-<p>De vreugde is mij vreemd geweest, mijn Lief, zoo lange, lange jaren. Ik had zoo’n
-honger en zoo grooten dorst. En nu ben ik al zoo héél, héél blij als je zachte hand
-maar in de mijne gloeit, en zalig klopt mijn hart als ik je rok hoor ruischen, en
-een stroom van warm, warm geluk beeft door mijn lijf als je vriendelijk hoofdje maar
-even rustiglijk op mijn schouder rust.
-</p>
-<p>En alles zoo grandioos en statig-schoon rondom! Die wijze bergen, rijzend hoog ten
-hemel, die ijle, reine luchten, en die koele wind! Het lijkt hier wel een zalig paradijs,
-en vèr is nu de droge, heete aarde van weleer, waar ééns mijn lijf in smachtte. Alles
-is hier zoo ganschelijk puur, en recht, en kuisch van wezen. En jij bent hier ook
-eigenlijk wèl tehuis, die zuivere atmosfeer hoort bij je lieve gratie. Het is nu een
-wondere, lichte droom, na ál dat droeve, duistere leven. Dat lijkt van lang, o! lang
-geleden, en we hebben ’t ganschelijk wèggedaan. De koele wind heeft het verwaaid,
-mijn Lief, en wèl zijn wij nu blank gereinigd, en waardig het geluk.
-</p>
-<p>Ik weet, mijn Lief, dit kan niet blijven. Het leven is te hard, en teêre, broze ziele-dingen
-breken, als niet de dood ze veilig bergt. Ik weet, mijn Lief, hoe ’t ál te mooi zou
-wezen, als dit zóó kon duren. ’t Leven is een droeve kruisgang, en zóó, aan uw zachte
-hand, met uw licht lachen <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>in de klare lucht, en al de bergen en dat blinkend groen rondom, zou ’t ééne lange
-zaligheid worden, een eindelooze vreugde als van zielen, die der droeve aarde ontstegen,
-herrezen in het Groote Licht.
-</p>
-<p>Maar éven, voor een korte poos, mogen wij ’t misschien wel nemen, en, der duist’re
-werkelijkheid onttogen, een korten droom droomen, in de reine regionen van ’t geluk,
-hier in dit hooge land, zoo veilig vèr boven der menschen stedingen, waar de zonde
-en de weedom wonen.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Zóó zag ik de vredige dessa Ngadiwono,<a class="noteRef" id="xd31e835src" href="#xd31e835">7</a> in het diepe dal van rust.
-</p>
-<p>Een tocht, door lichte zon begonnen, te paard het steile bergpad op naar Pådåkåjå,
-de schamele, simpele dessa, op den hoogen bergrug in ’t Zuiden. Klimmen, klimmen,
-hooge bergpaden langs diepe ravijnen. Overal bergkammen, waar het zien tegen stuit.
-Boven een rijzenden rotswand vóór mij steekt langzaam het hoofd op een blanke prachtwolk,
-zwaar van licht.… Het stijgen gaat langzaam naar dat geluk.…
-</p>
-<p>Nu langs de grillige grot van Pådåkåjå, en rechts een smal zijpad, en weer links,
-langs hoog ravijn, met groene koolvelden langs hellingen, zóó gaat het windend en
-slingerend door in die hooge regionen, tot plotseling een hoek om, en ziet! <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>vóór ons, liefelijk aan onze voeten, het groote vrije opene, onverwacht, waar we langs
-smal bergpad gaan. Aan de rechterhand, vlakbij, rakelings, de bergmuur; achter, in
-’t Zuiden, de donkere, sombere krater-randen, waarachter, bang vermoed, de dorre woestijn
-des doods. Vóór, in ’t Noorden, hoog opgaande berg-golven, maar links, naar ’t Westen,
-is ’t opengegaan en, diep beneden, in wijdingsvolle stilte, ligt een liefelijk, vreedzaam
-dal. Stil en rustig ligt daarin de dessa Ngadiwono, als een oord van gelukzaligen.
-Wijd en wijd gaat alles nu open daarachter, vèr en vèr spreidt zich, in ’t lage, de
-glanzende vlakte uit, in gouden schitterlicht van den morgen. En in ijle, lente-blauwe
-lucht, waar héél fijne nevel trilt, rijst Ardjoenå, in transparant parelgrijs morgengewaad,
-een blanke god gelijk, in ’t bevende edele ochtendlicht. O! hoe hij daar, na àl ’t
-beslotene van overal rondom bergruggen, opeens, aan ’t einde der open, ruime vlakte
-oprijst, zoo kuisch-eerwaarde, in parelen glans!.… De hooge, heilige heerscher, de
-zachte-machtige, van deze wijde werelden.…
-</p>
-<p>En die kleine, simpele dessa, stemmige hutten met daken van lichtgele bamboe, zoo
-blank en schoon, zoo zacht-tevreden en gansch vertrouwd, daar zoo diep beneden aan
-mijne voeten, is in ’t vredig dal van deemoed zoo rustiglijk gelegen, als een kind,
-zacht in den schoot van zijn algoede Moeder.…
-<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p>
-<p>Niets dan dit; de parelgrijze Ardjoenå, statig rijzende in ’t blanke morgenlicht,
-de verre vlakte naar vage horizonnen van glans, de vredig-zachte dessa, diep in dal
-van deemoed, waar ’t simpele menschenleven woont.…
-</p>
-<p>Ik houd mijn paard in, en zie het éven, zalig, aan, van aangezicht tot aangezicht.…
-En ’t is mij ineens zoo hoogheerlijk zeker, dat ik nu Gods eigen, heilig Wezen zacht
-voor mijne aandachtige oogen voel, want is dit niet Zijn rustige, sereene schoonheid,
-die daar voor mij troont en praalt, in zoo prachtig-kalme staatsie?.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Er is in die vrouw zoo iets essentieel liefs, stellig buiten alle zinnelijke attractie
-òm, dat bijvoorbeeld haar eenvoudigste gebaren soms, als aan tafel het aanreiken van
-een gewone schaal vruchten met een lief-vragend stemmetje: „Mag ik u dit eens geven!”
-opeens mijn ziel op ’t allerwonderbaarst beroert. Ik geloof dat ik de éénige ben,
-die dat ooit van haar gevoeld heeft, en wien zij dus het allerbeste en zuiverste van
-haar heeft geschonken.…
-</p>
-<p>Ze is toch eerder leelijk dan mooi.… er is, zou je zoo op ’t eerste gezicht zeggen,
-in ’t geheel niets bijzonders aan haar.… Haar trekken zijn niet zoo erg fijn en om
-haar mond wat ouwelijk; haar glanzige, blonde krullen zijn hier en daar wat grijs,
-en o, jee! haar zotte neusje, en die twee <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>dolle kuiltjes op zij van haar smalle, koddige kin!.…
-</p>
-<p>Maar wat is het dan toch eigenlijk, dat van dat zelfde gezichtje zoo allerliefst over
-mij komt, met zoo warme goedheid, dat het me zoo wèl en zalig wordt van binnen als
-ze mij vriendelijk lachend aanziet? En wat is er dan toch voor heerlijk zachts overal
-aan haar lijf, dat ik met al mijn trots en donkeren weemoed als een kind het hoofd
-wel graag wil leggen in haar zoeten schoot, en in zoo diepen eerbied wel het stof
-wil kussen van haar voeten, en wel véél van mijn allerkostbaarst weten zou willen
-geven, om nog jong met haar te zijn, in den tijd, toen ik nog vragen kon of zij haar
-zachte ziel en lieve leden aan mijne liefde wel wou geven?
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Vanmiddag tegen zes uur wandelde ik op den weg naar ’t Leverlaantje, om rechtsaf naar
-het „karrenplateau” te gaan. Het was een wandeling door dikken, zwaren mist. Overal
-wolken de grijze nevelen wijd uit. In een ravijn links, dat nog niet vol is, drijft
-langzaam een grauwe wolk, somber onheilspellend, zich kronkelend en rekkend als een
-immense slang. Boomen noch bergen zijn te zien. Het gaan is door een vaag, grauw duister,
-onzeker en mysterieus.
-</p>
-<p>Alleen, ziet! door vreemden weerschijn van ergens in ’t Westen ondergaande zon, op
-een <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>bergkruin boven het paadje, waar ik loop, staat, apart en bizonder, een licht geluk.
-Een kleine groep tjemårå-boomen, heel stil en rustig, onder een stuk open, teederen
-hemel van een zacht, engelrein blauw, met vaag roze van avondrood door-droomd. Alles
-is grijs en duister en droef. Maar die kalme groep daar staat in een vreemde sfeer
-van reinen aether, zachtjes lichtend, ongelooflijk en onreëel. Een fijne japansche
-teekening.…
-</p>
-<p>Alóm dat zware, donkere, grijze, dat alles omhult, en de dikke mist-afgronden der
-ravijnen, en zwartende bergen in nevel, somber-stom.…
-</p>
-<p>Maar hoog in ’t hooge daar boven mij, in een aparte sfeer, eenzaam en vreezeloos,
-met zulk een vrome wijding van vrede overtogen, de stille, maagderanke boomen in dat
-zacht-bloze, rein-roze licht, liefelijk-lachend, als de morgen lacht boven den nacht.…
-</p>
-<p>Zóó staat het broos geluk te lichten, overtogen van zoo wonder-teederen gloed, tot
-de nevelen hooger rijzen, hooger en hooger, en zachtjes kwijnt het weg, als alles
-wat héél broos is en te teêr om lang te wijlen.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p class="xd31e332">18 November.
-</p>
-<p>Stel je nu voor, zoo’n eenzaam, ongezellig mensch als ik, die de leêge vreugde jaren
-schuwde, en nu gaat meêdoen aan een bal-masqué!
-</p>
-<p>Stel je voor, al die dwazen van ’t Hôtel, die <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>„zachtzinnige krankzinnigen,” zooals de dokter ze noemt, in lange, witte beddelakens,
-op het hoofd geplooid tot capuchons, met overal blauwe en rose strikken, en maskers,
-gemaakt van japansche waaiers, als even zooveel dolle geesten rondspokende door het
-Hôtel, onder hooge fausset-geluiden. Ikzelf doe ’t hardste meê, en ben een kind geworden,
-een dwaas, groot kind.
-</p>
-<p>En dat alles om dat ééne, ranke figuurtje, dat ik dadelijk herken onder de wijde,
-witte wade, al wil ik het niet weten, om haar pleizier te doen. Ze heeft vuurroode
-strikken om den hals en om het middel, en haar vriendelijke oogen blinken als sterren
-door het masker. Zij komt me plagen, en malle dingen zeggen, en ik houd me of ik haar
-niet ken, en laat me beetnemen, want ik weet hoe innig zoo’n kluchtig clowntje daar
-in groeit. En we gaan dansen, waarachtig! dansen, ik, die dat altijd zoo afschuwelijk
-vond. O! maar met háár warm, zacht lijf tegen je aan, zoo donzen, en met haar zoete-geur
-van jong vrouwtje om je heen, en de muziek van haar stem zoo melodieus streelende
-over je ziel, zou je zoo niet áltijd doordansen, en, alles vergetend, héél niets meer
-voelen dan één groote zaligheid van twee minnende zielen, zwevend op luchten cadans,
-in reine rythmen óp naar ’t licht geluk van liefde? O! Niets dan muziek zijn en rythme,
-en samen wègdroomen in allerzoetst vergeten, zóó zacht-dansend verglijden in extaze,
-als twee lichte wolkjes, die lucht in zeeë-horizon <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>vergaan, door koelen winde-adem gedreven!
-</p>
-<p>Zóó duurt het lange uren. Er wordt wijn geschonken, serpentines warrelen door de recreatiezaal,
-en het sneeuwt confetti. Het wordt warm en benauwd.
-</p>
-<p>„Kom, laten we wat buiten gaan,” roept het clowntje, „ik hijg naar versche lucht.”
-</p>
-<p>En met ons vijven gaan we, met Mary, Annie, Sophie Wouters en haar broer.
-</p>
-<p>Het is zwaar-donkere nacht buiten, zonder maan, alleen doortinteld door der sterren
-fonkelend licht. Annie heeft mijn arm gegrepen.
-</p>
-<p>„Ik zal je Geloof, Hoop en Liefde laten zien,” zegt ze zacht.
-</p>
-<p>Maar nu den weg te vinden in het donker!
-</p>
-<p>Voetje voor voetje gaat het voort, rechts den hoek om, langs de kamers van den administrateur,
-en dàn het trapje af naar het terras. Wij zijn de achtersten. Ze is zoo bang dat ik
-zal vallen! Ze weet dat ik in donker zoo slecht kan zien, en de grond is glad. Zij
-zal niet struikelen, ze is immers zoo’n klip-geit, zegt ze. En ze stapt vooruit, en
-leidt me aan haar hand. Zij, zacht, broos wezentje, en ik, zoo groote, sterke man!
-En veilig kom ik beneden, op het terras. Waar zijn de anderen? O! dáár, rechts, in
-het priëel, ze zingen en lachen.
-</p>
-<p>Zoo doodstil is het rondom! Vaag staan de dingen in het duister. Hier en daar, hoog
-in de lucht, de donkere contouren van bergen. En vèr, daar in de vlakte diep beneê,
-een eenzaam, droevig <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>lichtje. Zacht metaal-gezang van wind in duistere dennen.…
-</p>
-<p>Een krekel neuriet wat.…
-</p>
-<p>En de sterren zien het rustig aan, met liefdevol geschitter in den nacht.…
-</p>
-<p>We zwijgen beiden. O neen! niet in dat priëel gaan, waar de anderen zijn. Niet lachen
-nu en zingen. Stil verder loopen, naar ’t uiterste einde van het terras. Zou ze meêgaan?
-Ik leg mijn arm in de hare, en trek haar zachtekens voort. En ze gaat. Haar ziel volgt
-zacht de mijne in den nacht.…
-</p>
-<p>We komen achter, bij drie bloemperken. Het eene is in een kruisvorm, het andere is
-een hart, het derde een anker. Stil buigt ze zich over de bloemen heen. Hoe fijn is
-haar figuurtje in het donker! Het lijkt zoo immateriëel, zóó rein staat ze daar genegen,
-ze lijkt nu wel enkel een zachte ziel, ootmoedig buigend. Ik vergeet het banale van
-die perkenvormen en dien tuinmans-smaak.
-</p>
-<p>„Dit is geloof, dit is hoop, dit is liefde,” zegt ze. „Ik heb die perken zoo genoemd.”
-</p>
-<p>Ze is nu het clowntje niet meer. Zoo ernstig klinkt haar stem!
-</p>
-<p>Een zoete geur van héliotrope droomt omhoog, en vergaat langs onze hoofden.…
-</p>
-<p>Ik leg mijn arm om haar middel. Ze laat het toe, en is niet boos. Zacht druk ik haar
-lief lichaampje tegen mij aan. Gewillig laat ze ’t rusten.
-</p>
-<p>„Wat is ’t donker,” zegt ze fluisterend, „heb <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>je ’t niet koud? Wil je niet een stukje van mijn shawl hebben?”
-</p>
-<p>En ze staat wat van haar wollen shawl, die om haar schouders ligt, bezorgd om mijn
-hals. Onze hoofden zijn daardoor heel dicht bij elkaar. Wij wandelen nu zacht op en
-neer, vèr van de anderen.
-</p>
-<p>Een groote teederheid welt in mij op. Lief, rank wezentje dáár naast mij, dat nooit
-door één gekend is in je zachte gratie! Ben je dan zóó, steeds ongekend door ’t leven
-gegaan, heeft het je gestuwd door hartstocht, heb je een kind gebaard, en al de droeve
-menschen-dingen meêgemaakt, en heeft niemand, ook je man niet, ooit gezien het licht
-mysterie in je lieve ziel? Heeft dan niemand ooit gebogen voor het diepste wezen van
-je vrouw-zijn, voor dat teedere, heilige in je, dat het leven niet kon schenden, en
-nog altijd ongerept gebleven, door je zachte oogen heenblinkt in zoo vlekkeloozen
-staat? Heb je dan dat allerbeste van je, dat niemand kende, kuisch alleen voor mij
-bewaard, en mag ik dan nu nemen, wat er maagdelijk en reinst van je gebleven is?
-</p>
-<p>O! dat het nooit mag breken, liefste, dat het altijd rein tusschen ons moge blijven,
-en ik sterk raag wezen nu niet méér te vragen dan je geven mag in kuischheid!
-</p>
-<p>Zij laat zich nu gewillig leiden. Ze vraagt niet om terug te gaan. Ik streel haar
-zachte hand. Mijn arm blijft om haar heen. Vertrouwelijk ziet <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>zij naar mij op. Ik weet, zij heeft zich nu ganschelijk gegeven. Wat ik nu met haar
-doen zal is goed. Zij zal niet wederstreven. Maar ik zal sterk blijven, en een reine
-ridder zijn.…
-</p>
-<p>De droom, de droom is òver ons gekomen.…
-</p>
-<p>Het verleden is vergeten. Het lijkt zoo vèr, zoo vèr, en het was zoo héél, héél diep
-beneden, dáár, duizel-diep beneden, waar wat droeve lichtjes branden, en de duistere
-menschen zijn.…
-</p>
-<p>Nu zijn we het ontstegen, en zoo hoog, hoog in de wolken zijn wij vrij en rein van
-al wat lang geleên. Onze hoofden zijn nu zacht elkaar genegen, en eindelijk, na al
-het droeve leven, hebben wij elkaar dan gevonden, en we weten niets, dan dat we bij
-elkander zijn.
-</p>
-<p>„Ik ben zoo van je gaan houën,” zeg ik zacht. „Ik heb zoo lang alléén geleden. Maar
-nu heb ik je gevonden. En hier bóven màg ’t wel. Ik mag wel van je houën, zeg?”
-</p>
-<p>Ze zegt niet neen. Haar ranke lijf, dat zachtkens beeft, blijft tegen mij gevleid,
-en mijn arm is streelend om haar heen. Ik hoor het ademen van haar mond, en voel het
-kloppen van haar hart. Haar oogen zien getrouwelijk mij aan, gansch vreezeloos en
-onvervaard.
-</p>
-<p>En, door een reinen aandrang van mijn ziel gedreven, voel ik mijn hoofd naar ’t hare
-neigen, en mijn lippen droomen op haar zachte wang, in teederen, kuischen kus.
-</p>
-<p>Zóó staan wij, zwijgend, ziel aan ziel, der werkelijkheid <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>ontstegen, en voelen onze harten samen kloppen. Twee droeve, arme wezens, die elkaar
-éven in een droom ontmoeten, en dra, dra weer henegaan in ’t harde leven.…
-</p>
-<p>Ik wéét, ai mij! ik weet, dit kan niet duren.… het leven mág geen zoete wonne zijn
-van liefde.… het Leven is lijden, lijden, lijden, en eenzaam weenen.…
-</p>
-<p>Maar vast omstrengelt mijn arm haar teêre leden, en nógmaals kus ik haar lief gelaat;
-nog éven mag de kuische droom wel duren, en ik fluister zacht, o! zoo heel, heel zacht
-tegen haar lieve ziel:
-</p>
-<p>„Ik hoû van je, ik hoû van je”.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Ik heb weer op het eerste bankje in het Leverlaantje gezeten, van avond, in de schemering.
-Boven was alles weer mistig en vaag, maar beneden, in de ravijnen, was ’t nog helder.
-En niets dan dit:
-</p>
-<p>Boven, tegenover mij, aan de andere, hooge zijde van ’t ravijn, het weggetje naar
-Wonokitri, twee paarden, achter elkaar, een bruin en een wit, langzaam, naar huis.
-Zoo teer en gevoelig is dat aan ’t gebeuren, tusschen de fijne stammetjes der stille
-tjemårås, aan weerszijden van het wegje.
-</p>
-<p>Beneden in de diepte, heel ver en klein, een mannetje; plukt gras, heeft een stier
-aan een touw. Een zwarte koe en een bruine, aan ’t grazen, <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>scharrelen langzaam door het groen en de varens. Nu hier, dan daar, loom-zalig. Eindelijk
-gaat het mannetje door, een grooten bundel gras op den rug, den stier aan het touw.
-Hij roept de koeien, die langzaam-lijzig komen, ver van elkaar, en één blijft weer
-achter, grazend.…
-</p>
-<p>Ruischen, ruischen de vallende beekjes, zoo stemmig in den avond-vrede, zacht intiem
-gepraat..
-</p>
-<p>De man staat stil, roept weêr de koeien.…
-</p>
-<p>De bruine blijft stilstaan, ziet òm, met den kop geheven, droomerig in de lucht.…
-De andere komt langzaam, zoo langzaam.… De man roept niet meer, staat stil in den
-avond, en kijkt omhoog, vergeet, vergeet.… Ver boven, de keelstem van een jongen,
-die jubelt ineens héél hoog in de lucht, van vreugde.… De koe met opgeheven kop, staart
-droomerig.… De ander komt zoo langzaam.… De heel stille man.… Alles zoo stil, zoo
-stil.… Ruischt zoo rustig het water.… Zachtjes, zachtjes klimmen de kuische tjemårås
-op ten hooge.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Dit is het goede leven, en dit is de wijding, mijn ziel, die gij zoo lang hebt gezocht.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Dát was een droevig, pijnlijk ding voor mij van morgen, dat gesprek met Mary. Ik was
-begonnen over Annie, en dat ik haar toch zoo’n innig lief wezentje vond.
-<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p>
-<p>„Ja, o! zoo lief!” zei Mary ernstig, „er is iets aan haar, je weet niet wat het is,
-waardoor je vreeselijk van haar gaat hoûen, of je wilt of niet: Maar o! het is tegelijk
-zoo’n zwak poppetje, zoo’n kind nog.”
-</p>
-<p>„Hoe bedoel je dat: zwak?”
-</p>
-<p>„Ik bedoel niet zwak van lichaam of zoo, want ze is nu weer heel gezond, en ze heeft
-rozen op haar wangen. Maar zwak van karakter. Ze heeft zelf eigenlijk heelemaal geen
-bestaan. Ze is altijd onder den invloed van een ander. En ze is een echt kindje van
-het oogenblik.”
-</p>
-<p>„Ik begrijp je nog niet goed.”
-</p>
-<p>„Kijk, zóó bedoel ik het. Ze is nog zoo’n gansje. Ze weet nog zoo weinig van de menschen
-en de wereld. Ze vindt het bijvoorbeeld vreeselijk om alléén te zijn. Ze heeft een
-groote behoefte om gekoesterd en lief gedaan te worden, en zich tegen iemand aan te
-vleien, die grooter is. Ze is net een wassen poppetje. Je kunt haar kneden zooals
-je wilt. Iedereen krijgt haar weer onder een anderen indruk. Maar het blijft niet
-lang bij haar, zoodra ze weer alleen is. Je zou eigenlijk aldoor bij haar moeten zijn
-om iets heel goeds van haar te maken. En nu wou ik je nog wel eens iets zeggen, maar
-je mag niet boos worden?”
-</p>
-<p>„—Neen, heusch niet, je weet wel, dat ik ’t van jou wel verdragen kan.”
-</p>
-<p>„Nu dan, ik heb gehoord dat je eergisterenavond erg lief met Annie geweest bent op
-het <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>terras, en dat je haar gezoend hebt. En dat vind ik niet mooi van jou, en vooral niet
-van Annie. Het is onverantwoordelijk van haar.”
-</p>
-<p>Een vlijmende pijn steekt in mijn hart. En ik zeg eerlijk:
-</p>
-<p>„Ik kon het niet helpen, beste zus. Het is zoo inééns gekomen, ik was alles vergeten.
-Je zult wel gemerkt hebben, hoe innig ik mij aan dat lieve, <span class="corr" id="xd31e966" title="Bron: teere">teêre</span> wezentje gehecht heb, al begrijp ik het zelf niet van me.”
-</p>
-<p>„Juist dáárom, Rudolf. Van jou kan ik het me begrijpen, zelfs al was je nog getrouwd
-met je lieve Louise, die toch eigenlijk meer een zuster voor je was. Maar juist omdat
-jij Rudolf de Wall bent, en omdat ze uit je verzen weet, hoe diep je voelt, zooveel
-dieper dan anderen, en omdat ze heel goed weet hoe mooi en innig je van haar bent
-gaan houden,—dát heeft ze wel gezien, hoor!—daarom had ze dadelijk van je weg moeten
-loopen, en zich niet laten liefkoozen, en niet door haar blijven je doen voelen, dat
-ze het prettig vond.”
-</p>
-<p>„Maar waaròm dan toch, zusje?<span class="corr" id="xd31e972" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Waarom? Maar zie je dat dan niet? Om het vreeselijke verdriet dat ze je zal aandoen
-later. Ze blijft nog maar heel kort hier. Ze zal doorgaan, lief met je te wezen. Ze
-zal doorgaan met van de anderen weg te loopen om alleen op eenzame plekjes met je
-te zijn, en ze zal zich laten kussen en liefkoozen en lieve, prettige dingen door
-je <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>laten zeggen, en je nog véél verliefder maken dan je al bent. Ze zal je vragen om
-wandelingen te maken en dan met je op eenzame plekjes zitten en een echte lieveling
-voor je blijven. En niet uit coquetterie of flirtation, maar omdat het lieve kind
-heusch veel van je is gaan honden. Maar vergeet je haar man dan? Is het eerlijk en
-oprecht tegen haar man? Heb je daar nooit eens over gedacht?”
-</p>
-<p>O! o! de pijn, de vlijmende, scherpe pijn ineens in mijn hart!
-</p>
-<p>En Mary gaat door, op haar vriendelijken, moederlijken toon:
-</p>
-<p>„En als ze dan weg is? Zal het dan voor jou voorbij zijn? Zal je dan niet vrééselijk
-van haar zijn gaan houden? Je voelt het zooveel sterker dan zij. Want zij kan het
-beter vergeten. En zal je dan niet véél ongelukkiger zijn dan vóór je hier kwam?”
-</p>
-<p>Ik probeer nog te zeggen: „Ik zal haar toch nog wel eens zien. Wie weet, wordt haar
-man nog niet eens in Soerabaia geplaatst. En ze komt nog eerst in Soerabaia logeeren,
-als ze van hier weggaat, zegt ze.”
-</p>
-<p>„Dat zal ze niet, Ru. Dat weet je heel goed. Misschien in ’t begin, dat ze nog wel
-eens probeeren zal je te ontmoeten. Maar die indruk van Tosari zal hoe langer hoe
-zwakker bij haar worden. Ze is veel te zwak van karakter om lang iets groots te voelen.
-Ze zal het vergeten zijn, als een <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>mooien, prettigen droom dien ze had. En inplaats van jouw invloed komt dan weer de
-invloed van haar man. Want ze is altijd onder den indruk van wie het meest en dichtst
-bij haar is. Ik zei, ze is een kindje van het oogenblik. En ze zal terugzinken in
-den sleur van het alledaagsch leventje, van haar huishouden, haar man, haar kinderen
-die ze zal krijgen, haar visites, haar dinertjes, en je heelemaal vergeten, ook omdat
-haar man nu haar verliefdheid anders zal bevredigen. Ik weet dat het hard klinkt,
-Ru, maar ’t is goed dat je ’t eens hoort. En ik ben niet zoo’n heel jong meisje meer,
-ik mag je dat best zóó zeggen. Ze zal je vergeten, en je zult haar onverschillig worden.
-En als jij dan misschien ’s nachts om haar zult liggen snikken, en je droef leven
-nog véél droever zal zijn geworden dan vóór je haar kende, dan zal zij geen oogenblik
-zelfs maar denken aan hoe je lijdt en hoe je hart pijn heeft, maar in de armen liggen
-van haar man. En dat is onrecht, Ru, dat is wreed, wreed onrecht, dat kan nooit goed
-zijn. Ze zal het nooit beseffen, omdat ze eigenlijk maar een zwak, lichtzinnig kindje
-is. Maar ze zal je ’n vreeselijk groot verdriet aandoen.…”
-</p>
-<p>Ze spreekt niet door, want ze ziet de tranen in mijn oogen staan.
-</p>
-<p>Ja, ik wéét het, ik wéét het, dat Mary gelijk heeft. Maar ik antwoord heel gelaten:
-</p>
-<p>„Ik wéét het, zusje. Maar ik heb nu zóó jaren lang verdriet gehad en me zoo eenzaam
-gevoeld, <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>dat ik nu o! zoo graag ook eens een klein beetje geluk zou willen proeven. Laat me
-nu dien héél korten tijd nog maar éven gelukkig zijn met mijn droom. Dan wil ik er
-graag later weer erg voor lijden. En al doet ze dan ook nog zoo wreed en koud en ondankbaar
-tegen me, tóch zal ik haar altijd blijven zegenen voor het geluk dat ze mij gegeven
-heeft, voor al het lieve en vriendelijke en warm-weldadige, dat mijn eenzaam leven
-ééns van haar heeft mogen krijgen.”
-</p>
-<p>Mary schudt het hoofd en zegt: „Je bent een dwaze droomer, Ru. En je zult je zelf
-altijd ongelukkig maken.”
-</p>
-<p>En ik weet ineens, wat ik moet antwoorden, dat ze niets meer terug kan zeggen:
-</p>
-<p>„Het zijn heel teêre dingen, zusje, om over te spreken. Maar zóó zou ik het u kunnen
-uitleggen. Ik geloof dat Annie zelf niet weet, hoe ’n zachte, <span class="corr" id="xd31e997" title="Bron: teere">teêre</span> ziel van God ze heeft. Ze mag getrouwd zijn geweest, en nu gauw weer naar haar tweeden
-man gaan, en zich aan hem geven. Maar het allermooiste van haar heb <i>ik</i> toch gehad. <i>Ik</i> heb haar lieve ziel gezien, en die heeft ze aan mij gegeven, al weet ze ’t zelf misschien
-niet zoo. ’t Is heelemaal zonder iets onreins geweest wat ik voor haar voel. Alleen
-een groote, groote teederheid, bijna als voor een kind. Ja, soms,—ik ben geen engel,—héél
-enkele keeren, is het heviger geworden, maar ik heb er niet aan toegegeven. Ze lijkt
-me eigenlijk véél te lief en te broos voor <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>iets anders. Noem ’t maar een beetje ziekelijk, misschien is ’t dat ook wel. Maar
-ik kan er niets aan doen. Ik heb alleen van de zachte ziel gehouden, die door haar
-lieve leden heenschijnt, het allerreinste van haar heb ik gehad, en nooit kan dat
-een ander krijgen.”
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Ze is toch zoo’n dom gansje. Ze weet niets. Ze heeft bijna niets gelezen, zoo goed
-als geen muziek gehoord, en weet ook maar niet het allereerste beginsel van de groote
-sociale vraagstukken, die de wereld vervullen. Ze staat heel vèr buiten mijn ideeën,
-en zou me in niets kunnen helpen, en in ’t geheel niet met mij meê kunnen leven als
-ze eens bij mij was.
-</p>
-<p>En toch kan het heel goed zijn dat zij dichter bij de hoogste wijsheid is dan ik.
-Want de hoogste wijsheid, niet waar, moet zoo uiterst simpel zijn, en zonder denken,
-vèr boven gedachten uit, aanlanden in de reine rust van ’t onbewust-natuurlijke. Bijvoorbeeld
-zooals een bloem staat, stil in den avond, gedachteloos, zwijgend van innig gevoel,
-of zooals een heel klein kindje, dat zachtjes ligt te lachen tegen moeder. En zóó
-lijkt me mijn lieveling al het moois om haar heen te zien. Als ik ’s avonds met haar
-in ’t priëel zit op het terras, en we kijken naar de vage berglijnen en den praal
-der sterren, dan heeft ze geen behoefte, zooals ik, om zich te uiten en te zeggen
-hoe mooi <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>het wel is. Ze zit maar stil te kijken, zooals een bloem, geloof ik, naar de sterren
-ziet, zoo stil en onbewust. Het is niet eens apart mooi voor haar, maar heel gewoon,
-eenvoudig de simpele schoonheid, die nu eenmaal past bij hare lieve ziel en zachte
-gratie.…
-</p>
-<p>Ik zie haar ook het liefst in heel gewone dingen; er moet vooral niets bijzonders
-aan haar zijn. Als zij speelt met haar kindje, en er lief tegen doet. Als zij zit
-te lezen, en het verhaal boeit haar, zoodat haar gezicht opeens heel ernstig wordt,
-en haar oogen in spanning de regels volgen. Als zij heel gewoon me iets aangeeft,
-en de vriendelijkheid, <span class="corr" id="xd31e1015" title="Bron: waarmêe">waarmeê</span> ze dat doet! of wel, als ik haar tegenkom, en hoe ze dan melodieus „Dág!.… Dág!.…”
-kan roepen, lang uitgehaald, en met zoo’n warme, doordringende liefheid, dat je de
-tranen in de oogen komen. En hoe ze een bloem plukt, die heel innig aanziet, en dan
-voorzichtig in haar ceinture steekt!
-</p>
-<p>In al die kleine gebeurlijkheden, door al die heel gewone gebaren licht de kalme gratie
-van Gods zachte engelen, en in die lieve menschen-vrouw woont onbewust de ziele van
-een serafijn.
-</p>
-<p>Ze weet het niet, ze weet het niet.… En dit is wel juist het mooiste.… Het is ook
-nooit door anderen gezien, ik ben de éénige die door haar uiterlijken schijn haar
-reinste, innigste wezen heb vermoed.…
-</p>
-<p>Door ’t leven hier en dáár gedreven, door <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>hartstocht heen en barensnood, een frêle, zwak wezentje, beland in ruwe mannenarmen,
-en doende al de droeve, duistere dingen die des levens zijn.…
-</p>
-<p>Maar haar lichte ziel, uit God gegeven, is toch áltijd onbesmet gebleven, én ik kniel
-in deemoed voor háár neer.…
-</p>
-<p>Uw zachte gratie, uw lichte engelenschijn, mijn liefste, zijn voor mij, en wat ik
-in u zie en liefheb is beter dan wat gij zelve denkt te zijn.…
-</p>
-<p>Het spreekt zoo liefelijk tegen mijn ziel in al uw reine vrouwe-gebaren, in ’t lachen
-van uw oogen, in ’t wuiven van uw hand, in ’t blij goêdag-zeggen van uw stem, en o!
-in ’t rustiglijk neêrvleien van uw zacht hoofd aan mijnen schouder.…
-</p>
-<p>En dáárom heb ik u lief, dáárom alléén, en dit is reiner en beter dan waarom anderen
-u ooit hebben liefgehad of lief zullen hebben.
-</p>
-<p>Want ik heb lief in u wat onvergankelijk is en nooit kan sterven, wat maar héél kort
-nog wijlen kun in uw teêre lijf en zachte leden, om éenmaal weer in Gods eigen wezen
-te verdroomen, in puren, onbevlekten staat.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Van de <span class="corr" id="xd31e1035" title="Bron: hotel-gasten">hôtel-gasten</span> wil ik liefst zoo weinig mogelijk zeggen in mijn dagboek. Maar éven toch dit. Als
-de indische maatschappij maar aldoor zóó was als hier, dan zou het er heusch wel in
-uit te houden zijn. De heerlijke berglucht waait <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>hier al het ridicule poeha en de larie weg, en maakt weer gewone, prettige menschen
-van al de pseudo-gewichtige grootheden en potentaten. En me dunkt, het kán ook moeilijk
-anders. Wie kan zich nog een sommiteit, een allerhoogste hoogheid vinden, als hij
-van den Penandjaän in het ontzaglijk dal der dooden staart?
-</p>
-<p>Wèl worden er dolle dingen gedaan; men gaat b. v. met geheele benden naar den Bromo,
-en speelt al de spelletjes van ’s avonds nog eens over.… in de Zandzee, ongevoelig
-voor het schoon rondom. Maar men behoeft zich niet te ergeren, door eenvoudig niet
-meê te gaan.
-</p>
-<p>Ook is het ras der poenen nergens heelemaal afwezig, en ook hier slenteren er een
-paar van rond.
-</p>
-<p>En het is hard en pijnlijk, een lief, rein wezen als Annie ’s avonds in de recreatiezaal
-te zien dansen in de armen van den eersten den besten vlegel, die niet waard is, maar
-éven in haar oogen te zien. Maar zij wéét het niet, en ik vind het beter, er haar
-niets van te zeggen. Laat zij de menschen maar allen lief en goed zien! Dat hoort
-zoo heelemaal bij haar altijd-lachend gezicht, en haar kinderlijke vroolijkheid van
-levenslustig, gezond vrouwtje!
-</p>
-<p>Het is of van haar een glans uitgaat van innerlijke reinheid, die over álle donkere
-menschen-gezichten een zacht licht doet gaan.
-</p>
-<p>En als ik haar zoo vriendelijk en hartelijk zie doen met iedereen, zoo heelemaal nog
-als een <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>kind, en of er geen zonde of kwaad bestond, dan wilde ik wel heel graag al mijn droeve
-weten en mijn bittere wijsheid geven voor háár zuiver, vreugdevol gemoed, zoo licht
-van eigen blijheidsglans, dat al het duistere rondom in zachte glorie staat.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Vanmorgen hebben wij gewandeld in de „Doktersvallei,” een van de mooiste wandelingen,
-die hier zijn.
-</p>
-<p>Annie zou ons den weg wijzen, Mary, Sophie en mij. Om half zeven ’s ochtends gingen
-wij uit. Eerst rechts van het <span class="corr" id="xd31e1054" title="Bron: Hotel">Hôtel</span>, den weg naar Telegosari, maar dan, inplaats van recht door, linksaf, en langs die
-mooie, schilderachtige plek, die „de koeienweide” heet. Een smal pad voert langs een
-plateau met hooge, ranke tjemårås, een open grasveld aan den voet, waar koeien grazen.
-</p>
-<p>Van daar uit ligt de vlakte open voor ons, met vèr de heuvelruggen om ’t Malangsche,
-en daarachter de Ardjoenå, die het gansche landschap houdt.
-</p>
-<p>Rein als een jonge God rees Ardjoenå omhoog in ’t morgenlicht. Langs zijn toppen een
-blinkend, verblindend blanke streep sneeuwwit, onbewegelijk, een hooge lucht-band
-eindeloos wijd over de hemelen, vèr en vèr. En aan zijn voet een offering van witte
-wolkbloemen, van een allerreinst, smetteloos wit, ontzaglijk en toch zoo donzen-zacht,
-<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>lucht zwevende in het April-blauw van de hemelen.…
-</p>
-<p>Wij komen bij de dessa Kertoanom, een echt Tenggerdorp van schamele, lage hutten,
-en nu gaat opeens een steil, glibberig pad verticaal naar beneden, in eene diepe ravijnkloof.
-</p>
-<p>Nu is Annie in haar element! Wie zal het eerst vallen? De grond is zoo glad van den
-regen! Je moet een klipgeit wezen om daar af te komen! Zij zal wel voorgaan, ze is
-niet bang, hoor! Ze heeft het méér gedaan, en ze weet den weg! En daar gaat ze, haar
-lucht, rank figuurtje in de wijd-waaiende, licht-rose baby, met de breede kanten van
-haar witte kraag als blanke bloemen om haar hals. Hoe vlug trippen haar gele schoentjes
-over den gladden grond! Ze lijkt wel te zweven, als een groote, rose kapel.… Ik volg,
-vlák achter haar, maar met veel moeite. Plof! daar lig ik in den modder, potsierlijk.
-En ik ben er half blij om, nu zij hoog uitschatert haar koddig lachen om het dolle
-geval. Wat doet het goed aan je hart dat gulle, blijde lachen, als je zoo héél, héél
-lang maar niets dan peinzen en droefheid hebt gekend, en niet meer wist wat vreugde
-was! En nu, als ze flink heeft uitgelachen, de zachte, warme hand die ze je toesteekt,
-om je óp te helpen! En dat vriendelijke bezorgde vragen, of je je soms pijn hebt gedaan.
-</p>
-<p>Ze laat me nu haar hand, en zóó komen we, als twee groote kinderen, in een diepe valeikloof.
-<span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>De anderen zijn natuurlijk weer achtergebleven. We zijn hun veel te vlug af met ons
-beidjes.
-</p>
-<p>Hoe diep staan we nu beneden! Overal, wáár onze oogen ook komen, glanst groen van
-boomen en varens, immense boeketten, hoog klimmende tegen de hellingen. Het welft
-zich boven onze hoofden in zware, breede bogen, en buigt zich beschuttend over ons
-heen. Hoe sterk, en toch hoe teeder, dat opschietende, hooge bamboe, neêr-zegenend
-in zoo fijne, spitse loovertjes! Hoe wijs en wèl-bewust die veêren varens, lucht wiegende
-op winde-adem, zoo teêr-trillende als zachte zielen!
-</p>
-<p>En hoor! overal, van rechts, van links, van boven, van beneden, de zoete muziek van
-ruischende wateren, liefelijk en melodieus.…
-</p>
-<p>Het pad is sinds lang niet meer onderhouden, en hooghalmend gras is er overheen gegroeid,
-in wilde verwarring. Maar Annie weet er den weg als een kind van het bosch. Haar rose
-baby waait als een zacht-wuivende vlag van liefde door het groen. Dra moeten we weer
-klimmen, de andere helling van ’t ravijn op. Ze blijft me altijd maar vóór, vlug,
-licht wezentje dat ze is. Als ze op een hoog punt is gekomen staat ze stil en wacht
-op mij. Hoe lief is dan haar hoofd genegen, en hoe vriendelijk reikt ze me haar handen
-toe! Hoe frisch en blozend haar kluchtige, prettige gezichtje uitkijkend van onder
-haar breeden, slappen zonnehoed vol plooien en deuken! Wat licht en <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>glanzend blij, zoo’n stralend jong vrouwtje onder het welvende groen, donker-belommerd!
-</p>
-<p>Telkens wijst ze me ondeugend op intieme, heerlijke plekjes, zacht beschaduwde priëelen
-onder bamboe-loover, waar het zoo heel zacht rusten moet zijn. Maar het mooiste komt
-pas later. Opeens, ergens, een open plek, waar boven lichte, blauwe hemel schijnt.
-Een blanke, zilveren waterval schiet zacht-zingend van rotsen, en groote steenblokken
-liggen verspreid als zetels, waar het water langs ruischt.
-</p>
-<p>Een groote, weldadige koelte waait er van in de lucht. Je voelt een jonge, reine kracht
-in je longen stroomen, en ’t is of je één wordt met de boomen om je heen, zóó thuis
-voel je je ineens in de natuur.
-</p>
-<p>Groen, groen, glanzend, schitterend groen rondom. De lichtblauwe hemel, klaar-stralend.
-Het reine, goede, lavende water Gods, als een zegen daar neêrgelaten van boven. Vogelen
-zingen van vreugde in het rond.
-</p>
-<p>En een groote, breed-ópdeinende behoefte om weer jong te zijn, en niet te weten, dwalende,
-dwalende met de liefste door Gods glanzende natuur, en te drinken van de klare berglucht,
-en te luisteren naar het ruischen der wuivende bamboe, en het klaterend gepraat van
-het water, intiem en vertrouwd, en het zacht, gelijkmatig geklop te voelen van twee
-in zaligheid tegen elkaar bevende harten.… O! een groot, groot verlangen om al het
-verleden en het leed met één forschen zwaai <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>van me àf te schudden, en luid-uitjubelend van levens-lust de jonge Liefste aan het
-van jonge liefde hamerend hart te prangen.…
-</p>
-<p>Ze staat stil. De wijde, rose baby met golvende plooien om haar heen. Ze is zacht
-als een teedere bloem in al het schoon rondom. Ze is een zoete, rose roos in het groen,
-rank oprijzend omhoog.…
-</p>
-<p>En ik weet niets meer, ik weet niets meer dan dat ik haar liefheb, ik weet niet van
-tijd en verleden en van wat moet komen.… Mijn zachte, lichte lieveling.… Mijn blijde,
-blozende bloem..
-</p>
-<p>Zacht-streelend omvat mijn arm haar teedere leden, en mijn lippen, zij zweven langs
-haar voorhoofd, haar wangen en haar hals, zoo voorzichtig, zonder kus, als rose vlinders
-langs ranke bloemen, want dit is de droom, de broze droom, die niet mag duren, en
-bij hoogste spanning breekt.… Ik zie diep in haar oogen het reine glanzen van haar
-ziel, ik voel een warme, zoete strooming van haar lijf in ’t mijne vloeien, waar ze
-zich blozende tegen mij heeft aangevlijd, en ’t is mij in die kuische omarmimg of
-ik één leven met haar ben, één leven van niets dan vreugde en geluk, onbewust en tevreden,
-als van een tweelingbloem, rustig-rijzende naar ’t licht.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Dat was mooi van avond!
-</p>
-<p>Met Mary in het eerste priëel gezeten, links op het terras, bij laten zonsondergang.
-<span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span></p>
-<p>In ’t Westen de donkere, sombere trots-lijnen van de bergkammen, fèl-zwart in rooden
-brand van de lucht. Om den Ardjoenå zware, witgrijze triomfwolken, waartusschen, heel
-in ’t midden, een veeg intens bloedrood. Als een donkere, blauw-grijze bol stijgt
-hij op in ’t rossig-grauwe duister, zijne toppen verdwijnend in nevel. Alles is rood-donkere
-sombernis daar vóór mij.…
-</p>
-<p>Maar als ik mij nu omwend is o! daar achter, in ’t Oosten, alles lichter, lichter,
-in een zacht vrede-willen. De lijnen der bergruggen zweven daar, bevende contouren,
-langzaam biddend langs lichte lucht.
-</p>
-<p>Benèden, vèr, in luchte waze van transparante aether-schittering, ligt de vage vlakte.
-</p>
-<p>Een rij grijze wolken drijft langzaam, langzaam boven de bergen-golven, één groote
-heeft licht-zilveren randen. Een voorgevoel van vreemde zaligheid beeft zacht trillende
-in die teêre sfeer.…
-</p>
-<p>Tot statig heft óp het lumineerend bleeke hoofd, boven de reine wolkenranden, de milde
-maan, schitterend van vrede. Een groote liefde licht vèr en vèr door de lucht.…
-</p>
-<p>Rijst nu langzaam, langzaam boven de biddende bergen dat volle, blank-blinkende maan-gelaat,
-en ziet met zacht-wijzen, àl-goeden blik over de wereld, veilig in eigen, eindeloozen
-glans van puurheid.
-</p>
-<p>En de wolken drijven zacht-waaiend uiteen, en worden lange, wijde vegen schitterlicht,
-wuivend <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>vèr door de hemelen, als gewaden van droomende engelen.
-</p>
-<p>De bergen zoo gansch tevreden daaronder, deemoedig geknield, in zilveren schijn.
-</p>
-<p>En de vlakte daar ginds, zoo vèr en vèr beneden, in een doorschijnende mane-waze,
-één wijde beving van licht door trillenden avondnevel, als toegedekt in haren droomeslaap
-door een aetherische wade, vaag als een vèr visioen.… Maar in het hóógste hooge is
-de atmosfeer helder en klaar, en boven de fijne neveldroomen hangt het heilig Godsgewelf,
-maagdenblauw in engelenkleur, met het sereene, wijze maangezicht glanzende van liefde,
-en der vrome sterren zacht-tintelenden blik.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Droom nu, droom nu, mijn ziel, want die vrede zijt gij zelve, en tot vrede zult gij
-éénmaal wederkeeren, als dit arm hart niet meer zal kloppen, dat àl maar langt naar
-liefde, en maar niet rusten wil.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Gisteren ben ik met Mary naar Nongko Djadjar geweest. Annie voelde zich niet wel en
-kon niet meê.
-</p>
-<p>Wat een héél ander mooi weer, dat Nongko Djadjar, dan Tosari! Het is maar 9¼ paal
-verder, en 570 M. lager gelegen, en hoe héél anders is daar ineens de natuur! In plaats
-van de kale bergen, enkel glinsterend van kool-velden, met <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>hier en daar stille, eenzame rijen tjemårås, nu ineens het wilde wouden-mooi, in dichte
-pracht van glorieus groen!
-</p>
-<p>Wij reden uit in den ochtend, tegen half zes, het steile bergpad op naar Pådåkåjå,
-ineens weer hóóg de lucht in. Omkijkend in den zadel zie je vèr de vlakte, nog vage,
-en wazend in den dauwen nevel. De Ardjoenå donkerpurper blozend in eersten zonne-gloed
-van den morgen, een keizerlijk heerscher van de wereld rondom.
-</p>
-<p>Het ging in galop, lustig door jonge winden, langs diepe ravijnen en kloven, langs
-’t vrede-dal van Ngadiwono, en dan al maar recht door, tot aan een nauw paadje, hoog
-tusschen bergwanden. Dáár staat ineens, in vèrre verte, boven lager bergen triomfantelijk
-opgerezen, in zacht grijs-blauw, de bolronde top van den Semeroe, pralend in de lucht.
-</p>
-<p>Nu weêr rechtsaf, door lager glooiende wegen, al lager en lager. Er komen al meer
-en méér boomen, al bijna bosschen, en zachter-zoeler wordt al de lucht. Tot eindelijk,
-na anderhalf uur flink rijden, een steil rots-pad diep neêr gaat in nauwe kloof. Dit
-is de Kletta-pas, naar Nongko Djadjar.
-</p>
-<p>Het steil-dalende rotspad vol zware steenblokken daalt langs rechten hoogen bergwand
-naar diep ravijn. Maar het zijn bergen van blinkend groen, want alles is dicht, zwaar
-begroeid, tot hóóg in de hóógste toppen, òveral, òveral boomen, hoog boven elkaar;
-ze schijnen aan weerszijden <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>te zweven in de lucht, immense reuzen-varens, groot als palmen, en breed-gepluimde
-bladerkronen van onbekenden vreemden woud-bloei, en glorieuze bloesem-boeketten, hangend
-in de lucht. Links langs de helling boven liggen verlaten kina-plantages, al jaren
-verwilderd in weelderige pracht, rechts van ’t ravijn stijgt het oer-woud, nog gaaf
-en ongeschonden, in maagdelijken staat. Het zijn hooge bergen van boomen en bloemen,
-oprijzend in de lucht, in een triomf van wijd-waaierende varens, wuivend in den wind,
-en hoog-opschietende bamboe, met zwaar-neigende pluimen. En ongezien storten groote
-water-vallen klaterend langs de bergwanden. Nu niet meer het zacht geruisch der beekjes
-als in Tosari, maar luid-schaterend orchest van zware waterstroomen, schetterend in
-het rond. Het is òveral, boven je hoofd, en op zijde, en beneden, je weet niet wáár,
-maar het loeit en brult en klatert langs je heen.
-</p>
-<p>De paarden stappen voorzichtig over de harde rotsblokken van de pas, waar de weg met
-grillige windingen daalt. En bij iedere bocht weer nieuwe pracht van boomen en veeren
-varens, en hoog-opschietende bamboe-boeketten met zware, breede wuive-pluimen. Even,
-dàn weer weg, zie je zoo’n breede, zilveren water-kolom flikkerend door het groen
-vallen. De lucht is gansch puur, in klare koelte van dat frissche, zuiverende water.
-Je voelt het heerlijk lavend door je lichaam gaan, en je bent blij, te ademen in dit
-reine schoon.
-<span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span></p>
-<p>Nog dalen, en dalen, en altijd dalen, tot een smal, zacht hellend paadje het bosch
-in leidt. Nu is de moeilijkste weg voorbij, want na een half uur kalm draven houdt
-je stil voor het rustige, eenvoudige <span class="corr" id="xd31e1130" title="Bron: hotel">hôtel</span> van Weyrich, waar een stevig ontbijt al klaar staat. Hoe heerlijk is het te eten,
-na zoo’n langen, vermoeienden rit, met al die klare, koele berglucht in je longen!
-Waar is nu het leed, en het duister, en de droevige gedachten?.… Leven, leven, en
-de lucht te drinken in de bergen, en blij te kijken in het blinkende groen, waar het
-luistere licht glanst over de vòl-schoone wereld!
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Zoo stemmig en rustig dat huisje van Weyrich in dat groene bosch! Wij hebben den geheelen
-ochtend zitten praten in de voorgalerij, en zijn toen bloemen gaan plukken, als kinderen.
-’s Middags na de rijsttafel hebben we wat geslapen, en zijn toen, na het theedrinken,
-het bosch in gegaan. Eerst liepen wij door de kampong, met haar eenvoudige, bamboe
-huisjes, en toen kwamen we op een smal bosch-pad langs een diep ravijn.
-</p>
-<p>O! die heerlijke bosch-eenzaamheid daar! Dat dichte, majestueuze natuur-woud daar
-diep beneden, en dan stijgend, stijgend langs de wanden omhoog. Die vreemde, en toch
-wèlbekende boomen overal, heel niet indisch lijkend, eerder hollandsch en van lang
-geleden, nu ineens weêr terug.
-</p>
-<p>Het echte wouden-mooi van heerlijk Holland! <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>In de plechtige vóóravond-stilte, onder het donkergroene lommer, het tikken van een
-specht op een stam, het krassen van een raaf, en het melancholiek geschreeuw van een
-uil. En hóór, daar vèr—de stilte wordt nog stiller—roept de koekkoek.
-</p>
-<p>Opeens, vlakbij, in ’t ravijn, een luid geruisch in de boomen, en kijk, daar zwaait
-een zwarte aap door het groen, vliegend van tak tot tak. Kijk, nóg een, en nóg een,
-in slingers springen zij achter elkaar, van den eenen boom in den anderen. Eén groote,
-zeker een oude, zwart met dik-wollen vacht, blijft stil zitten, en kijkt ons aandachtig
-aan. Zijn lange staart hangt roerloos van een tak naar beneden. Mary wuift hem toe
-met haar zakdoek. Een grijns, een schreeuw, en hij laat zich loodrecht naar beneden
-vallen, en verdwijnt in de struiken, diep in ’t ravijn. Dàn is alles weer stil. Tot
-weer èven de koekkoek roept in de verte, en de specht de stammen tikt.
-</p>
-<p>Zóó hebben wij geloopen door het bosch, en hebben onzen naam gesneden in een boom,
-en wilde rozen geplukt, die bloeien langs den weg. Het was niet meer te gelooven,
-dat we nu heusch nog in Indië waren. Het was een oud, mooi bosch in Holland, waar
-we als kinderen dwaalden, broertje en zusje, en elkaar sprookjes vertelden van feeën
-en kabouters, om, straks bang geworden door onze eigen fantasie, de handen stijf te
-zaâm geknepen, en dicht tegen elkaar aan gedrongen, angstig zwijgend naar huis te
-gaan,—wijl de <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>avond zwaar-schaduwend neêrdaalt over de stille boomen, waar de vogels nog maar héél
-even ritselen in ’t groen.…
-</p>
-<p>Het stemmige, rustige, intieme, het grootsche en toch gansch eenvoudige van een sprookjesbosch,
-dat was voor mij de impressie van de wandeling in Nongko Djadjar.
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>O! Die kleine, innige liefheden van het verliefd-zijn! Ben ik dan een kind geworden?
-</p>
-<p>Waar is dan nu mijn wijsheid, die ik zoo staâg vergaarde, in jarenlange studie, en
-nacht aan nacht zorgvuldig zamelde bij ’t late lamplicht? En al mijn verzen van de
-reine eenzaamheid, en ’t, ongerept van liefde, veilig leven in de kalme contemplatie!
-</p>
-<p>Zie me nu ’s ochtends een boeketje rozen zetten in een glas naast haar bord! Als ze
-aan tafel komt,—wat laat altijd, als de andere gasten al weg zijn,—lacht ze zacht
-tegen mijn bloemen, en knikt me dankbaar toe. Ze heeft ook wel eens wilde viooltjes
-geplukt in den tuin, en één zoo’n teêr bloemetje houdt ze spelend in haar mond. Dat
-vraag ik dan, en kus het, en bewaar het in een liefste boek, Verlaine, of Van Eeden.
-</p>
-<p>’s Avonds vóór het diner, om acht uur, sta ik te wachten, met een groote, donkere
-roos, of ze nog niet het pleintje bij haar kamer afkomt. En als haar lieve voeten
-zachtekens komen aangetript, klopt toch zoo mijn hart! Dan mag ik zelf mijn <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>roos vaststeken tusschen haar ceinture, en ik voel haar zacht, warm lijf zoo heel
-dicht hij mij. Soms kus ik dan even het donzen vleesch van haar arm.
-</p>
-<p>Na het spelen of lezen in de recreatiezaal, na ’t eten, vóór ze naar bed gaat, houdt
-ze er van, nog wat heen en weer te wandelen, op ’t achterpleintje. „IJsberen” noemen
-we dat. Met ons vieren, Annie, Mary, Sophie en ik. Ze heeft dan haar bruine, groote
-shawl om. En ze wil wel, dat ik onder de shawl door mijn arm in den hare leg, en ik
-streel haar warme, zachte hand, en speel met hare vingers. Die heerlijk koude lucht;
-is ’t niet of je in Holland bent? Wat is ’t dan zalig warm daar aan haar lijf, hoe
-veilig is ’t dan bij haar. O ja, ik weet het wel, het blijft niet altijd teêr en zoo
-heel zacht in mij. Somtijds gaat mij een lange rilling door het lijf, als mijn arm
-haar lief lichaam even omstrengelt, en ik voel het bloed, dat stijgt naar mijn hoofd,
-en ik duizel, en mijn hart klopt hamerend. Dat is het verlangen.… ik wéét, dat is
-het verlangen.… O! Nu haar meê te nemen, waar het eenzaam is en veilig, tusschen goede
-muren, met haar neêr te zinken op zachte, donzen sponde, en haar heerlijk lijf te
-omvatten in vlammend begeeren! Haar héélemaal te nemen, van haar zoeten mond te drinken,
-ál haar lieve leden langs te kussen, héélemaal één met haar eigen, warme lijf in zalig
-zwijmelen snikkend te vergaan!
-</p>
-<p>Maar sterker is dat ééne, groote gevoel in mij. „Je moet een reine ridder zijn.… het
-mag niet <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>breken.… zij hoort een ander toe.… alleen haar ziel is je van God gegeven.… bedenk
-dat wèl.”
-</p>
-<p>Ja, Mary had wel gelijk, zoo’n teêr, zwak vrouwtje is Annie toch. Somtijds, als ze
-met zus op de canapé zit te praten, wordt ze ineens stil, legt zacht haar krullekopje
-op haar schouder, en nestelt zich dicht tegen haar aan. ’t Is dan of haar schuchtere
-ziel opeens geschrokken is van ’t harde leven, en ze zich tegen een vriendin moet
-vleien om bescherming.
-</p>
-<p>Ik zal dat zachte neigen van haar hoofd niet licht vergeten. Hoe zal ’t altijd bij
-me zijn, als ik later weer alleen zit op mijn kamer, bij ’t bleeke lamplicht, en de
-sombere gepeinzen van twijfel komen! Ik geloof, als ik dan weêr wanhoop, en ’t allerergste
-lijkt me droevig-waar, dan zal ik háár liefgenegen hoofd weer voor me zien en weten,
-dat alles goed is, en van God gegeven, al lijkt het kwade ’t meest reëel.
-</p>
-<p>Gisteren-avond zaten we buiten, in de vóórgalerij vóór Mary’s kamer, in lange luierstoelen.
-Ze had het koud, zei ze. Ik mocht haar shawl halen, en haar die omslaan. Maar nóg
-beefde ze een beetje. Toen heb ik een wollen deken gehaald, en als een kind haar warmpjes
-ingestopt. Haar voeten goed er onder, en haar handen. En ik heb haar een glas warme
-punch gebracht. Mary en Sophie Wouters hadden er schik in, en lachten dat ik haar
-vader was. En werkelijk, het was of ze alleen maar mijn zachte kind was, dat ik beschutten
-<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>moest tegen koû. Zoo is ze heel stil blijven liggen, terwijl wij drieën vroolijk doorpraatten,
-en gekheid maakten. Nu en dan klonk alleen haar heldere lach als ze iets bijzonder
-koddig vond. Zóó lag ze daar stil pleizier te hebben.
-</p>
-<p>Buiten, vóór mij, in het Zuiden, zag ik de donkere berggevaarten, zwart-sombere rijzenis
-in den nacht. Zwaar-donkere wolken dreven laag in de lucht. En de wind waaide soms
-met wilde vlagen.
-</p>
-<p>Wij zaten goed beschut, met de heete punch ons warmend, maar ik zag toch heel goed
-dat sombere mysterie van den nacht, dat woeste, zwarte wereld-wezen zoo groot en hoog
-daarbuiten.
-</p>
-<p>En opeens voelde ik een groote teederheid in mij opwellen voor het zwakke broze wezentje
-daar vóór mij, zoo teêr en hulpeloos in het groote leven, en zoo maar voortgestuwd
-door de macht der dingen, zonder eigen kracht; een lief, zacht lam in droeve, duistere
-heide. O! Nu het op te mogen nemen in mijn sterke armen en het altijd warm te schutten
-met mijn liefde! Haar ál het mooi te leeren, waar ze niet van weet, het moois van
-Gods groote natuur, en van de kunst, haar zwakke oogen langzaam, langzaam òp te leeren
-zien in het Groote Licht! En ik zelf mij veiligend voor zondig-duistere gedachten,
-met de reine intuïtie van haar ziel, die allerkostbaarste gave, die de vrouw van God
-gegeven is!
-</p>
-<p>Toen het laat werd is ze stil opgestaan, heeft <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>nog even lief goênacht gezegd, en is toen slapen gegaan. Nóg hoor ik het zacht gerucht
-van hare lieve voeten, wegtrippend in den nacht.…
-</p>
-<p>Maar ik heb nog héél lang eenzaam op en neêr gewandeld, waar het donker was en zwart.
-En aldoor zag ik maar vóór me haar lieve lichaam zoo droomerig uitgestrekt in den
-stoel, mijn groote kind, door mij toegedekt, en tegen koû beschut.
-</p>
-<p>Ééns, ééns zal komen de tijd, dat zij is heengegaan, dat zij een vreemde is onder
-ál vreemde menschen, en in leed of vreugde, in zaligheid of pijn, mag mijn arm niet
-òm haar zijn. Ze zal mij niet meer kennen, en als ik ééns moet sterven zal zij vèrre
-van mij wezen, en nimmer weenen. Haar lach zal nooit meer lichten in mijn leven, en
-al het lieve, <span class="corr" id="xd31e1180" title="Bron: teere">teêre</span>, heilige, dat nu tusschen onze zielen leeft, zal vergeten zijn.…
-</p>
-<p>Zóó loop ik droef te peinzen, in den zwarten, kouden nacht, waar zooéven zacht verstierf
-het ruischen van haar rok, het lucht gerucht van hare lieve voeten.…
-</p>
-<p>En tòch moet er een „<span lang="fr">Dieu clément</span>” zijn.… een wijze, ál-gerechte God, die enkel ’t goede wil.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Ik heb wat koorts, van den vermoeienden tocht naar den Bromo, en vanmiddag had ik
-zoo hevige hartkloppingen, dat ik mij erg ongerust maakte. <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>Maar ik wil toch nog even iets opschrijven van dezen grootschen gang. Annie was niet
-wel. Ik ging met Mary alleen. Het rijden er heen is langs een anderen weg, maar van
-dezelfde natuur als naar den Penandjaän. Eerst de steile hoogte op naar Wonomerto
-bij Pådåkåjå, dan den weg naar Ngadiwono, om ineens links af te slaan, en dan, stijgende,
-door een hoog en hooger klimmend dennebosch. Het heel intieme en vertrouwde daar,
-alsof er niets vreeselijks verder ging gebeuren. Overal de lieve bloemen en kruiden
-van Holland, wilde rozen, ranonkels, wilde viooltjes, klaverbloemen, weegbree, kruisemunt,
-vleesch-bloemen, kattestaart, margrietjes, bramen, en alle anderen. De boomen aan
-weerszijden van de paadjes zijn tjemårås en kemlendingans. Mooi doet vooral het heilige
-kruid der Tenggereezen, de tinolajoe.
-</p>
-<p>Even wordt het dichte dennebosch verbroken op een open hoogte, de Poessoeng Lepitan,
-vanwaar je rechts in ’t Noord-Westen, opeens vèr, den blauwen kegel van den Semeroe
-ziet oprijzen, majestueus heerscher van de hoogste luchten. Dàn daalt het pad weêr
-in nieuw dennewoud, gaat om den kalen bol-berg Boekwanter, en stijgt langzaam op naar
-den krater-muur.
-</p>
-<p>Stijgen, stijgen, dan een klein steil paadje op, links, en je staat aan den rand van
-de Moengal-pas, boven den afgrond naar de grauwe Zandzee.…
-</p>
-<p>Maar het plotselinge gezicht beneden was niet <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>zoo immens overweldigend als van den Penandjaän. De zon was al lang doorgebroken,
-en scheen goedheid in de doodsche vallei. Overal zongen vogeltjes in de struiken,
-en er was een krans van levend gezang, wijd in het rond, boven het stille dal. De
-kleuren beneden waren, door de regens van veel nachten, wat lichter en blijer dan
-voorheen. De ribben van den Batok glansden van een rijk goudgroen, en er lag goudgeel
-te gloeien over het slijkgrauw van de Zandzee.
-</p>
-<p>Alleen de Bromo, daar vèr, was even doodsch en koud als voorheen, en lag grimmig te
-broeien, dikblauwe rookwolken uitstootend met langzamen, treurigen adem; een ongeneeslijke,
-gore wonde, zwaar op het lijf der aarde. En de wind, gierend langs hoekige ribben
-en ruggen, neêrjoelend over den Ider-Ider muur, vulde de hooge stilte met huilend
-geklaag.
-</p>
-<p>Hoe vèr, hoe vèr lijkt de zandwoestijn aan onze voeten! Daar ginds zwarte stokjes,
-zoo nietig; het zijn tjemårås, die ergens bij den Batok groeien. Overal, vèr uit,
-de slijkgrauwe, dorre zee van zand. Het lijkt eindeloos. Je huivert om straks daarin
-te zijn.…
-</p>
-<p>Maar toch gaan we nu, dalende, daarheen. De weg is te steil om te rijden, en wij loopen
-moeilijk, over rotsblokken en lavaklompen, met de paarden achter ons aan, die gewillig
-volgen. Zóó gaat het, een half uur lang, en we staan ineens in de Zandzee die nu grooter,
-veel grooter dan <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>ooit gedacht. Zij ligt daar, grauw-geel, te gloeien in de heete zon, maar met ijzige
-winden koud-gierend er over heen. Het vogelengezang van boven is niet meer te hooren.
-De paarden, dronken van de wijde, wijde ruimte voor hen, worden vurig, en in vliegenden
-galop rennen we nu door de wilde woestijn, en voelen ons als Bedouïnen, jagend door
-de Sahara. De hoefslagen der paarden klinken hol op den bodem.
-</p>
-<p>Zóó gaat het, met een vreemd-bang en toch heerlijk gevoel van onbekend gevaar, hollend
-door de sombere woestenij, langs den kolossalen, ruig-geribden tulband van den Batok,
-al dichter en dichter bij den Bromo. Groote lava-blokken, van een laatste uitbarsting,
-liggen verspreid.
-</p>
-<p>Nu ligt het bleeke, geel-grauwe monster vóór ons, een ronde, hoekige bult op de aarde,
-goor en grijnzend. Langzaam stijgt een blauwe dampwolk er uit omhoog, en het lijkt
-een rookende wonde, heet van <span class="corr" id="xd31e1211" title="Bron: broeiïng">broeiing</span>.…
-</p>
-<p>Toen zijn wij tegen de gele belt opgereden, hebben de paarden laten staan bij een
-trap van bamboe, en zijn omhoog geklauterd, moeilijk, tot aan den rand.
-</p>
-<p>Beneden, peilloos diep, een sombere koker, een eindelooze helle-trechter, donker,
-vol ongure, heillooze dingen.… Beneden, diep, diep, gloeit roode vuurschijn, gloort
-loensche, valsch gele schijn van zwavel; sissend stoomen blauwe wolkjes uit nauwe
-gaten, overal rooken solfataren, en een <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>dunne wolk zwaveldamp stijgt op van heel beneden, eerst ijl als een sluier, dán dikker
-en dikker uitpuilend, tot een zware kolom langzaam-treurig omhoog rijst, met de hopelooze
-traagheid des doods, in een hijgen en zieden en bliksemend sissen beneden, als van
-woedende machines onder te zwaren druk.…
-</p>
-<p>Ik kon het niet lang aanzien, dit gloeiende helleding, dien kokenden krater van duisteren
-haat, met de satanische prikkeling van zwavellucht, het joelend rumoer van ondergrondsch,
-ziedend water, en het valsch geglim van gele zwavel.… Het beklemde mij met een angst
-alsof het liefste in mij zou gaan breken. De Bromo, duistere broeiing, als van zonde,
-en nacht, en negatie.… hoe haat ik hem!.…
-</p>
-<p>Toen weêr afgedaald, en de paarden bestegen, die weer in vliegenden galop voortrenden
-door de grauwe zandwoestijn. Dalende luchtstroomen gierden fluitend over de hooge
-bergribben rondom, en een ijzige wind snerpte snijdend langs mijne wangen. Hier is
-hel, en koude, en dorheid; hier is woestenij, en droefenis, en dood.…
-</p>
-<p>Toen.…, nooit, nooit zal ik het vergeten,.… midden in de grauwe woestijn, in de ijzige,
-sombere stilte van verdoemenis, diep en reddeloos verloren in die vale vallei des
-doods, bloeide daar opeens voor mijn oogen, tusschen wat armoedig gras, een groepje
-vergeet-mij-niet. Vanwaar hier gekomen, door welke liefde hier midden in doodsche
-<span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>sombernis verspreid, van welke sappen levend, hier in ál droogte en dorren dorst?
-Vreezeloos keken ze op uit den harden grond, een wonder van teederheid in het wreede
-en koude rondom. Vergeet-mij-niet, van een zwakker blauw dan in Holland, vergeet-mij-niet,
-bleek van heimwee, maar tòch liefelijk lachend, en gansch zich gevend in volle, maagdelijke
-broosheid, midden in die kille verstarring van dorre woestenij! Ik weet niet wat er
-was tusschen die bloemen en mijn ziel, maar ik heb opeens de warme tranen gevoeld
-in mijn oogen, en ik heb geschreid om het leed dier heimwee-bleeke vergeet-mij-nietjes,
-daar zoo ganschelijk verloren in de woestijn, maar tóch nog liefelijk lachend, in
-wondere, nooit verzwakte teederheid.…
-</p>
-<p>En het ontzaglijk wreede van die wijde woestenij, de heete helle-haat van den broeienden
-krater, de sombere rijzenis van de steile, dreigende rotsenmuren álom, het leek mij
-opeens toch maar zwak en nietig bij de wonderteêre, maar goddelijk sterke liefde van
-die bleek-blauwe bloemen, zoo broos, en zoo gansch vreezeloos, ál maar liefelijk lachend,
-ofschoon stervend van heimwee, tegen de donkere zonde en den grauwen haat rondòm.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Vanmorgen kwam ik haar witte rozen brengen, en zette ze in een vaas op de tafel voor
-haar kamer, zooals ik wel meer deed.
-<span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span></p>
-<p>Daar stond ze inééns voor me, bleek en ernstig, zooals ik haar nog nooit had gezien.
-Ze hield een telegram in haar hand.
-</p>
-<p>„Een telegram.… van mijn man.…,” zeide ze,—hoe hard en fèl klonk dat voor me, „mijn
-man,”—„hij is met koorts geëvacueerd naar Padang.… hij vraagt of ik bij hem kom.…
-den 12den gaat er een boot van Soerabaia.… en over vier dagen ga ik weg.…”
-</p>
-<p>Ik voel het duizelen in mijn hoofd. Ik kan het nog niet goed begrijpen.
-</p>
-<p>„Ga je wèg.… ga je wèg.…?” zeg ik.… „zal ik dan nooit meer met je wandelen?.… en nooit
-meer bij je zijn, en je hand in mijn hand houden, en nooit meer gelukkig zijn?.… en
-ik hoû zoo van je, Annie.…”
-</p>
-<p>Maar ze blijft heel ernstig. Het is of er een andere Annie staat ineens.
-</p>
-<p>„Dat mag je niet zeggen, Rudolf.… weet je dat dan niet.…? dat hadt je nooit mogen
-zeggen.… hoe heb je ’t dan kunnen vergeten.… ik ben getrouwd, Rudolf.… alleen mijn
-man mag dat zeggen.… en het spijt me zoo dat je zoo lief tegen me bent.… en ik ben
-zelf óók zoo zwak geweest.… Ik ben nog zoo’n kind soms.… En nu ineens dat telegram
-van mijn man.…”
-</p>
-<p>Ik kàn het niet langer hooren, ik kàn niet.… En ik zeg met tranen in mijn oogen:
-</p>
-<p>„Ik zal het niet meer zeggen.… je hebt gelijk Annie.… wees niet boos.… ik zal je óók
-niet <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>meer vragen om nog meê te gaan.… ik zal je alleen wegbrengen tot Poespo, dat mag wel,
-hè, met de anderen samen.…? Maar doe mij dan ook één pleizier.… Zeg dat nooit meer
-waar ik bij ben: „<i>mijn man</i>,” ik <i>kán</i> het niet hooren, ik <i>kán</i> het niet. Het klinkt zoo grof voor me, zoo hard, ik weet niet wat het is, maar het
-is verschrikkelijk.…”
-</p>
-<p>En ik loop weg, bang om ineens uit te snikken, als een kind.
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Vreemd, ’s avonds na ’t eten, in de conversatiezaal, is ze weer heelemaal de oude.
-Ze kàn nu eenmaal niet lang droevig of ernstig zijn. Ze heeft weer een pret als een
-jong meisje. We spelen allerlei dolle spelletjes, als kinderen. Ze gooien met serpentines
-en confetti, en er wordt warme bowl geschonken. Er wordt pand verbeurd en gekust.
-Ik zoen haar als een wilde jongen een meisje van kostschool, als ze haar pand moet
-inlossen. Ze doet weer niets dan lachen en dansen, en zingen van pleizier.
-</p>
-<p>En de Annie van vanmorgen is weer heelemaal weg. Het is als een bange droom geweest.
-Maar nu is alles weer goed en gewoon, en er is niets verloren.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Mary was met Sophie en een paar jongelui nog eens naar Ngadiwono gegaan. Annie had
-beloofd, <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>óók klaar te staan om zes uur, en haar mooie, lichtgele paardje Gambir stond beneden
-aan de trap, bij de andere paarden, met de fijne voorbeenen stampend op den grond.
-Maar wat een teleurstelling! Ze kon niet mee; haar kindje had wat koorts gekregen,
-en zij wilde het niet alleen laten. En dat de vóórlaatste dag van haar heengaan! Ik
-was er zoo geslagen van, dat ik onmogelijk met het vroolijke troepje meêkon, en, bij
-het steile pad naar Pådåkåjå gekomen, plotseling mijn paard omwendde en weggaloppeerde.
-</p>
-<p>Waar nu naar toe te gaan? Met die bittere teleurstelling bijtende in mijn hart, en
-dat verlangen naar het zonnestraaltje van haar lach, haar vriendelijken morgengroet,
-die een geheelen dag zoo blij kon maken! Nu maar weer het Leverlaantje ingereden.
-</p>
-<p>En kijk, dicht bij het eerste bankje vloog ineens zoo’n wonder rood vogeltje uit het
-ravijn, als een vliegende bloem, en bleef in een struik zich wiegen op een tak. Schitterend
-als vuur blonk het even voor mijn oogen, en flikkerde toen brandend òp, hoog in de
-lucht. En het zien van dit glanzende stukje schoonheid maakte me waarlijk weer gansch
-blij en vol hoop.
-</p>
-<p>Nu maar teruggaan, het ravijn in, en dan stijgen naar Wonokitri, om den tocht door
-„de drie dessa’s” te maken. Kranig liep mijn paardje Radjek het ravijn in, toen het
-steile pad op tegen den berg, en al heel gauw was ik in Wonokitri. <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>Daar éven, stil, over de wereld zien, en groeten den machtigen Ardjoenå, daar vèr
-boven de verre vlakte, en dan, door allerlei steegjes en paadjes, opeens in een heerlijk
-dennelaantje. Wat een laantje! Heel smal, met aan weerszijden kleine tjemårås, en
-daarachter dicht groen. Het lijkt wel wat op de dennelaantjes bij den Bataafschen
-Boer in de Haagsche Boschjes. Nu maar zacht rijden, om het lang te genieten.
-</p>
-<p>En een denken: „dit is nu eerst een paadje om met háár te gaan. Ging zij nu maar op
-haar gele paardje vóór me, met haar ranke lijf zoo teeder wiegend als een wiegelende
-bloem!”
-</p>
-<p>Maar dat zal wel nooit gebeuren, en o! overmorgen is ze weg!
-</p>
-<p>Een verrukkelijke rit door die dennen, tot eindelijk, na een groot kwartier, de weg
-breeder wordt, en opeens gaat het steil naar beneden, en het ravijn in.
-</p>
-<p>En opeens een glorie van groen, in heerlijk verkwikkende koelte. Het was als een zachte
-neêrglijding in het geluk. Overal zwaar lommer van boomen, uit-waaiende pracht van
-kolossale varens, en breede neêr-pluiming van wijd-uitneigend bamboe, een liefelijke
-wildernis van schitterend groen. Nu je paard stil laten gaan, het zal den weg wel
-vinden, en nu àl maar kijken naar dat milde groen, rechts, links en over je hoofd,
-en overal, en het zingen te hooren van de vogels, en hoor! het bruisend geruisch van
-de watervallen, en de lucht <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>te drinken, die ál maar koeler en koeler, en de wind waait zoo groote kracht door
-je ziel, die al rein en reiner! O ja, o ja, jong zijn, jong zijn, niet meer weten
-en niet meer denken, enkel leven, leven. O God! ik dank u voor dit goede, goede leven!
-Nu zingen en jubileeren, en liefhebben, en gelukkig zijn!
-</p>
-<p>Zóó, met al die vreugde in mijn ziel, was ik ál maar doorgereden, tot onverwacht,
-bij òmmegang van een paadje, van hoogen rotswand loodrecht-steil naar beneden stort
-een breede stroom bruisend water, die de geheele lucht melodieus maakt van zijn rein
-geruisch. Hoe blinkt die blanke waterstroom daar schitterend in de lucht, en hoe moedig
-ijlt hij van die hooge hoogte zingend naar beneden, fonkelstralend in zijn klaren
-val! Heel de atmosfeer is puur en koel van zijn volmaakte reinheid. O! Dat lavende,
-heilige water, daar als een groote goedheid neêrgelaten van het dichte, blinkende
-groen boven den rotswand, dat daar ál maar stijgende is en stijgende, een triomf van
-lichtende, tintelende schoonheid, tot in ’t hooge-hooge, waar op den ravijn-kam de
-stille tjemårås staan, vòl-gelukkig onder den doorschemerenden hemel, hun pluimen
-toppen óp naar ’t licht!
-</p>
-<p>Beneden, aan den rand van de waterkom, waar de stroom plitsplassend neêrstort, met
-kletterend geraas, tusschen breede blokken rots, en het water dan langzaam murmelt
-dóór, gekalmeerd en moede van den val, staan, eenzaam en bizonder, <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>wat wilde azalea’s, van een ernstig donkerroode kleur in al ’t groen overal rondom,
-en zien het rustig peinzend aan.
-</p>
-<p>Ik heb daar even in groote aandacht stilgestaan. Toen weêr doorgereden, en na een
-korte poos hield ik mijn paard in voor een mooie plek. Wild dooreen liggen groote
-rotsblokken, waar stemmig een stroompje ruischt. Overal in ’t rond hooge bamboes,
-die, stam aan stam, hoog als vuurpijlen opschietend, zich dán kuischelijk nederneigen
-in statige pluimen. O! die fijne, spitse bladertjes, hoe die zich toch zoo gansch
-staan te geven! Kijk, daar links, gaat het water door onder donker priëel, en hoe
-zacht is het gras daaronder! Hoe heerlijk moet het zijn, daar te liggen, met het bamboe-lommer
-boven je hoofd, in koele schaduw, het water zoo klaar ruischende aan je voorbij! O,
-mijn lieve vrouw, was je nu maar hier, was je nu maar bij me, in dat zalige priëel;
-met mijn hoofd zou ik zoo heel zacht rusten in je schoot, en zou ik niet je rozige,
-warme hand voelen in de mijne, en het licht van je vriendelijke oogen drinken, en
-gelukkig zijn van je melodieuze stem, en o! misschien héél, héél even een kus droomen
-op je roode lippen! Het is toch niet zoo véél, het geluk, waar ik vroeger zoo lange
-nachten over peinsde, en dat ik maar nooit, nooit vatten kon. Enkel wat vriendelijk
-oogenschijnen, wat lichte lachjes, en wat zoeten kus, en dan al zoo heel, heel tevreden
-zijn!
-<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p>
-<p>Maar o! mijn arm hart, dit zal toch nooit, nooit voor je gebeuren. Ai! één dag nog
-maar en mijn lieveling gaat hene, en de droom, de droom is voorbij!.…
-</p>
-<p>Zóó, wat droef, en bang voor wat zoo gauw zou komen, reed ik door, nú stijgende, ál
-maar stijgende op mijn hijgend paard, tot bij de laatste dessa Proewånå. Een klein,
-steil paadje nu nog, links naar boven, en ik stond op het heerlijke „Karrenplateau,”
-hoog-apart.
-</p>
-<p>En opeens, plotseling geopenbaard, het vèrre vergezicht op de wijde, wijde wereld,
-met de blinkende sawahs en de tuinen, en de bergen, en de luchten en de zee. Het lag
-alles in het jonge, reine morgenlicht, met zonneglans door transparanten, vochten
-sluier, in een zacht beven, als een groote ziel, die bewust wordt. De lijnen en kleuren
-verteederd en vervluchtigd in zacht-tintelende waze van parelmoeren zonneglans. Zoo
-onreëel en ongeloofelijk. als in een andere sfeer, waar al ’t harde en helle is verreind
-tot aetherischen adem van essence. De zachtblauwe Ardjoenå geruischloos rijzend aan
-den vagen horizon, met vreemd groene en vaag-violette tinten bevende om zijn droomende
-golvingen, de Penanggoenan wègwazende in de wemelende wade van licht, en de Kawi,
-als een rustig-sluimerende maagd onder den blauwen hemel.
-</p>
-<p>Alles zoo vèr, vèr beneden in ’t lage, en ik zelf zoo hoog in ’t hooge licht. Eenzaam
-zag ik <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>het van boven aan en liet het zalig onder mij gebeuren.…
-</p>
-<p>Wat puur-witte wolkjes zwevende vèr beneden, boven de vlakte, schitterend in blanken
-staat; zachtkens, zachtkens droomden zij voort naar de horizonnen van de zee, als
-lichte zielen, uitvarende in de eindeloosheid.…
-</p>
-<p>Waar ik staarde, overal, naar alle zijden uit, was de wereld in zacht-bevend, transparant
-licht, en een groote liefde lag er wijd uitgespreid, in glanzende genade.
-</p>
-<p>En opeens een voelend weten: „Het is alles goed, en van God gegeven, in groote eerwaardigheid,
-van een eeuwig, onsterfelijk schoon.…”
-</p>
-<p>Lang, lang heb ik het aangezien.…
-</p>
-<p>Klonk van verre het gekraai van een haan, en hoor, een antwoord; zingelt nu het lachen
-van een meisje óp in de ijle lucht; loeit een koe; en klagend blaat een schaap, van
-diep beneden.
-</p>
-<p>Vaag en onbestemd, een zacht ruischen omhoog van de levende wereld, liefelijk en harmonieus.…
-</p>
-<p>Wèg-rijende bosschen ten horizon, groen-goudenen sawahs en velden, vèr-tintelende
-zee, en rustig-rijzende bergen, het golft en wemelt en glanst aan mijne voeten.…
-</p>
-<p>O! Het Leven, het Leven is mij gegeven, o! dank toch! dank! en is er mijn Lief niet
-licht, en staat er de wereld niet blinkend in klare couleur?.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-<span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span></p>
-<p>Het is de láátste dag.
-</p>
-<p>Ik zit met Mary op het bankje, in het eerste priëel, op het terras. De lucht is van
-een teeder, ijl Aprilblauw, transparant als heel fijn chineesch porselein. De jonge
-morgen lacht liefelijk boven de blijde wereld. En het gansche bestaan lijkt wel louter
-liefde.
-</p>
-<p>Zou er nu niet nog ééns iets komen? Nog ééns, voor ’t laatst?
-</p>
-<p>Het lucht gerucht van voeten in het zand, het zacht frou-frou van ruischende rokken,
-daar komt een lieve vrouw aan. Annie, in wijde, donkerblauwe baby, haar vriendelijk
-gezicht licht lachend in den morgen. Een groote vreugde gaat over mijn ziel.
-</p>
-<p>Nu is ze toch vanzelf gekomen! Zou ze nog meêwillen? Ze moet het nu zelf maar vragen.
-</p>
-<p>En zoo vriendelijk haar stem: „Zeg, gaan jullie nog eens meê, voor den laatsten keer?
-Je hebt gisteren immers zoo’n mooien tocht gemaakt in de drie dessa’s? Dat moet ik
-toch absoluut nog eens zien vóór ik wegga. Zeg nu maar ja, jullie gaat meê, hè?”
-</p>
-<p>Ze is een beetje verlegen, dat ze nu zelf is komen vragen, en plukt wat indische kers,
-om zich een beweging te geven.
-</p>
-<p>Mary kijkt me eens aan. Ze vindt het niet goed. Ik wéét wat ze denkt. Ze vindt het
-wreed van Annie, mij nog voor ’t laatst te doen proeven van ’t geluk, dat morgen dood
-zal gaan, en nu het scheiden nog véél pijnlijker zal maken.
-<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span></p>
-<p>„Ik kan niet mee,” zegt ze, „het spijt me, ik hèb nog zoo véél te doen.”
-</p>
-<p>En ze kijkt mij aan, verwachtende dat ik sterk zal zijn.
-</p>
-<p>Maar ik bén niet sterk als Annie vóór mij staat, liefelijk als een meisje, in haar
-wijde, wallende baby, met de fijne kanten figuurtjes over haar borst, en bloemen in
-haar handen. Zóó, als ze daar staat, zacht-lachend, bloeiend van jong, warm leven,
-rank, lief wezentje van geluk onder den blauwen hemel!
-</p>
-<p>„Ik ga héél graag mee, dat weet je wel,” roep ik blij. „Wie gaan nog meer mee?”
-</p>
-<p>—„Sophie en Hendrik Wouters.—Dus we gaan met ons viertjes.”
-</p>
-<p>Ik wéét wat het zeggen wil. Ze zal haar paard weer aansporen en vooruit galoppeeren
-om met me alleen te zijn, en lief te worden gedaan. Ze kan het toch niet laten. En
-het zal weer erg intiem en gelukkig tusschen ons worden, en morgen zal het scheiden
-nog véél droever zijn. Ik zie ineens het dennelaantje van gisteren, en de bloemen
-bij den waterval, en de rotsblokken, waar ik zoo naar haar verlangde.
-</p>
-<p>Maar ik ga meê. Daar gaan we weer samen naar boven, en hand aan hand de trappen op,
-als twee groote kinderen, die we zijn.
-</p>
-<p>Ze krijgt haar wit-gele paardje Gambir, dat nu eenmaal bij haar hoort, fijn, gracieus
-beestje als het is.
-<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p>
-<p>En daar rijden we met ons vieren weer uit, in den lichten morgen, drinkend van den
-frisschen wind, door der bergen statige pracht. Ik weer vlak achter haar, mijn oogen
-niet afwendend van haar lieve leden, waar ze als een groot meisje, in haar blauwe
-baby, voor mij uit wiegt, op het luchte rythmusje van haar dansend paardje. Wij zijn
-de anderen weêr een beetje vooruit; als wij in de hoogte staan bij Wonokitri zijn
-ze nog stijgende, beneden in ’t ravijn.
-</p>
-<p>„Waar is nu ergens dat mooie dennelaantje, waar je zoo over uit was?” vraagt ze, met
-een ondeugend trekje om haar mond.
-</p>
-<p>„Het is vlakbij, als je maar recht dit pad dóórrijdt,” antwoord ik, „Maar weet je
-dat de anderen nog achter zijn? We zullen een heel eind vooruit komen, hoor!”
-</p>
-<p>Ze wil het niet begrijpen, en tikt haar vurig paardje met de karwats, dat het opeens
-in galop voortrent. Ik haar achterna.
-</p>
-<p>En daar rijden we nu samen in de dennelaan, precies zooals ik gisteren zoo verlangde.
-Het lijkt wel de vervulling van een wensch uit een sprookje. Als wij een goed eind
-vooruit zijn houdt ze haar paard in, en we gaan stapvoets naast elkaar.
-</p>
-<p>Als ze rijdt is ze nog gracieuzer dan anders. Het is haar licht naar rechts gebogen
-hoofdje, dat dan iets heel apart teêrs en fragiels aan haar geeft. En ze wiegt op
-het rythmusje van haar paardje, als een bloem, zacht in den wind.
-<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p>
-<p>„Nu zijn we toch weer alleen,” zeg ik. „En je weet dat het niet goed is. Nu ga ik
-je tòch weer zeggen, hoe lief ik je vind, en hoe ik van je hoû. Je weet dat ik het
-toch niet laten kan.”
-</p>
-<p>Zij kijkt een beetje strak.
-</p>
-<p>„Begin je nu weer?” zegt ze verwijtend.
-</p>
-<p>Ze wil lief gedaan wezen. Ze wil heel alleen met me zijn, en ik mag haar ook wel liefkoozen
-en kussen. Maar ik mag het niet zeggen. Het mag nooit gezegd worden wat onze zielen
-alleen weten. Ze heeft geen behoefte aan uiten, zooals ik. Ze houdt alleen van ’t
-stille ondergaan.
-</p>
-<p>Want als ik nu, stilhoudende, haar hand neem, en zachtkens kus, trekt zij die niet
-terug, en ziet me tevreden-lachend aan. En dàn rijden we zwijgend verder, zonder iets
-te zeggen, al heel gelukkig met bij elkaar te zijn in het geurige dennelaantje, onze
-paarden stil stappend op den grond vol zachte, bruine naalden. Zij spreekt niet, en
-ziet me alleen maar vriendelijk aan. Maar ik voel haar lieve ziel zoo héél, héél dicht
-aan de mijne, dat ik denk haar zelf te zijn.…
-</p>
-<p>Bij Sidaĕng gekomen, waar de stille laan opeens uitloopt in steile rotspaden, en het
-ópene wijd onder ons ligt, blijven we wachten op de anderen. Het is of het donkere
-laantje, waar we even in terugzien, vol van geluk is, dat wij er achterlieten.
-</p>
-<p>Als Sophie en Wouters zijn gekomen, gaan we verder. Denzelfden weg van gisteren, maar
-hoe héél, héél anders, nu haar lief figuurtje voor <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>mij uit wiegt op het lichtgele paard! Zoo met al het licht en het groen, onder het
-pure blauw van den hemel, met die frissche, ijle lucht, lavend je longen, is het als
-een tocht met je Liefste door een paradijs. Het lijkt nu zoo onbestaanbaar en onreëel
-dat ik ooit geleefd heb het triestige, vreugdelooze leven in Soerabaia, hijgend naar
-lucht, en leêg van liefde, Ik voel me herboren in veel reinere gewesten, waar alles
-blijheid is en liefde.
-</p>
-<p>Bij den waterval gekomen is de weg moeilijk voor de paarden. Ik stijg af, en leid
-Gambir bij den teugel. En even kus ik haar hand. Ze vindt het zoo prettig, zoo’n kleine
-attentie, en lacht een beetje verlegen, als een meisje dat door een jongen wordt gezoend.
-</p>
-<p>Eindelijk zijn we bij de rotspartij, waar de rotsblokken liggen opgestapeld in het
-groen, en waar het water liefelijk ruischt, diep in het ravijn. De hoog pluimende
-bamboes neigen zegenend over onze hoofden, zacht-wuivende. Overal is vogelgekweel
-en bladerengeruisch.
-</p>
-<p>Annie is afgestegen, en vindt het hier een goed plekje om wat te rusten. De koelies
-leiden de paarden heen om te grazen. Zij ziet een hoog rotsblok, en klimt er vlug
-tegen op. Boven gekomen roept ze plagend als een kind: „Je kunt tóch niet bij me komen!
-Er is nog net één plaatsje over!”
-</p>
-<p>En natuurlijk klim ik bij haar. Eigenlijk is er géén plaats meer. Ik kan alleen mijn
-evenwicht <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>houden als ik mijn arm om haar heen sla. En zóó blijven we zitten, héél dicht bij
-elkaar. Hoe vlák bij is ze nu. Het lijkt zoo onmogelijk dat ze ooit weg zal zijn.
-Waaien haar krullen niet tegen mijn wang, en voel ik niet tegen mij aandeinen het
-zacht ademhalen van haar borst? Mijn lippen zijn zoo dicht bij haar hals. Even, even,
-heel zacht, een kus. Ze lijkt nu wel ganschelijk van mij, mij altijd te behooren.…
-</p>
-<p>Ze wijst me op het priëel óver ons, het priëel, dat ik gisteren al zag, en waarbij
-ik zoo naar haar te verlangen stond.
-</p>
-<p>„Jammer dat het er zoo nat is,” zegt ze ondeugend. „Dát zou pas een heerlijk plekje
-zijn.”
-</p>
-<p>Ze is òf heel naïef, òf heel wreed, denk ik even. Maar als ik in haar kinderlijke
-oogen zie, weet ik dat het enkel groote naïefheid is. En toch ril ik even zachtjes
-bij het denkbeeld, met haar te droomen onder dat zware, donkere lommer, en haar daar
-rusten te doen in mijn armen.
-</p>
-<p>Nu komt een „spada” van het <span class="corr" id="xd31e1359" title="Bron: Hotel">Hôtel</span> met ajer blanda, en wij drinken, vlak naast elkaar, het verkwikkende vocht. Hoe idyllisch
-lijkt het, zoo met je tweeën op een rotsblok, diep in ’t ravijn, met óveral groen
-rondom, en water ruischend aan je voeten. Zij in haar blauwe, wijde baby, als een
-groot kind, ik in een glanzend wit pak. Alles is zomer-luchtigheid, en zonneschijn,
-en koelte, en geluk. Het licht blinkt op de groene blâren, de wind suist door het
-riet, en haar lief gezicht lijkt <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>zoo gansch te behooren bij al het moois rondom, het lijkt zóó uit al die welige weelde
-opgebloeid, als een zachte, roode bloem. En dit, geloof ik nu, zou wel de simpele
-wijsheid kunnen zijn, waar ik zoo lang en droef naar zocht: „Eén zijn met de groote,
-àlgoede natuur, ademen één zelfden, reinen adem met de blijde bloemen en de bloesemende
-boomen, met naast je de goede, lichte Liefste, die dáár is, om je leven te volmaken,
-dat alléén zijn harmonie niet vindt. Niet denken, en niet willen, en niet weten. Maar
-stil-tevreden leven met het Lief, twee zachte, simpele bloemen onder Gods blauwen
-hemel, in deemoed bloeiend omhoog.”
-</p>
-<p>En werkelijk, zóó als ze daar dicht tegen me aanzat, waar ik haar hart kon voelen
-kloppen, en de zachte strooming van haar leven voelde vloeien langs ’t mijne, heb
-ik even gekend dat zoo eenvoudige en kalme geluk, dat ik zoo verre, verre zocht, maar
-dat vlakbij gevonden wordt, als Liefde’s Licht maar schijnt.…
-</p>
-<p>Al ’t lieve moet voorbij gaan, als een droom, anders zou ’t leven hier één eindelooze
-zaligheid worden, en hemel zijn.…
-</p>
-<p>Wij stijgen weêr in ’t zadel, en nu gaat het berg op, moeilijk, met hijgende paarden,
-tot bij Proewono, waar een steil, smal zijpad opklimt naar het „Karrenplateau.”
-</p>
-<p>En het is weêr een zelfde <span class="corr" id="xd31e1369" title="Bron: apothéoze">apothéose</span> als gisteren. Van het hooge, kleine plateau opééns uitziende op de wijde, wijde wereld
-daar vér onder <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>ons. Bevende, wemelende horizonnen van zee en licht en lucht. Geelgouden en smaragdgroene
-schittering van sawahs en tuinen. Maagdelijke rijzenis van zachtblauwe bergen, nevel-omdroomd,
-die als wèl-bewuste wijsheid kuischelijk ópstaan boven de lage vlakte, hoog ten hemel.
-Blanke, lumineerende wolkjes, die als lichtende engelen zachtkens, zachtkens voortzweven
-aan blinkende transen. Wijd ligt de wondere wereld ónder ons. in een goddelijke zaligheid
-van licht, en kleur, en nuance, en beweeg.…
-</p>
-<p>Wij zijn afgestegen, en ik bind de paarden aan een boom. Ik sta met haar op den rand
-van het plateau, vlak bij de helling. Ik houd haar hand in de mijne.
-</p>
-<p>„Vin je dat nu niet héél mooi?” vraag ik haar. „Zie je die blanke wolkjes daar? O!
-kon ik met jou zóó samen aan den hemel drijven, zoo heel zacht naast elkaar, en nooit
-meer scheiden!”
-</p>
-<p>„Je wordt weer poëtisch!” plaagt ze lief. Maar ze kijkt aandachtig naar de lichte,
-blinkende wezens, die daar voortdrijven naar de zee, in sneeuwen reinheid.
-</p>
-<p>„Wat is het alles laag en vèr beneden,” zeg ik weêr, hardop denkende. „En wat staan
-wij hier héél hoog er boven. Wat kijk je lief-lachend naar omlaag! Hoe teêr en fijn
-is nu je gezicht, hier zoo bizonder glanzend, in die hooge regionen! Je lijkt nu wel
-een zachte engel, die vóór den hemel staat, en uitziet op de aarde vér beneden. <span lang="en">The Blessed Damozel</span>.…”
-<span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span></p>
-<p>Ze lacht wat, en begrijpt me niet heel goed. Ze is moê, zegt ze en gaat liggen in
-het gras, haar baby in wijde plooien om haar heen, als de bladen van een bloem.
-</p>
-<p>„Mag ik bij je komen? Zal je niet boos zijn?”
-</p>
-<p>„—Neen, maar je mag niets zeggen, zooals verleden. Je mag er niet over praten.”
-</p>
-<p>Neen, spreken zal ik er niet meer over, en haar niet meer vragen of ze van me houdt.
-Ik zal alleen maar naast haar liggen, mijn hoofd doen rusten in haar zachten schoot,
-en haar handen streelen in de mijne. Zij houdt haar grooten strooien zonnehoed beschermend
-boven mij, en haar lief gelaat buigt zich over het mijne, vriendelijk lachend. Zóó
-zegt ze het me dat ze heusch wel van me <span class="corr" id="xd31e1389" title="Bron: houd">houdt</span>, al mag ze het niet uitspreken in woorden. Hoe heerlijk is het, zoo te liggen! Hoe
-warm en veilig is het bij haar!
-</p>
-<p>Zoo hoog, zoo hoog boven de wereld, in de ijle, fijne, pure lucht! Wij ademen in zoo
-gansch zuivere sferen hier, waar ’t geluk wel bloeien kan in onze zielen rein. Vèr
-onder ons is der wereld droef gerucht.…
-</p>
-<p>„Weet je wat nu ’t geluk is?” fluister ik haar toe. „Hier altijd blijven droomen in
-je schoot, en somtijds heel even wakker worden, en dan de sterren zien van je oogen,
-en dan een kus van je krijgen, en dan weer droomen van dien kus.…”
-</p>
-<p>Zij legt een vinger op haar lippen, wenkend dat ik niet spreken mag, en zóó heel stil
-moet blijven.
-<span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span></p>
-<p>Totdat de anderen komen, die nog achterbleven, lig ik in het blinkende, groene gras,
-en rust mijn hoofd in haar schoot, waar zij liefderijk over mij zit heengebogen, als
-een stille, wakende engel, zwijgend, in groote eerwaardigheid. En zóó ver, zoo héél
-ver beneden ligt de wereld, en zóó hoog in ’t hooge zijn we hier verheven, dat het
-mij is, of nu het einde is gekomen, en ik enkel een ziel ben die, der droeve aarde
-ontstegen, hier landde in Gods reinere regionen, waar één van Zijn lichte engelen
-haar wachtte, en zacht-genadig opnam in zoo kuischen schoot.…
-</p>
-<p class="tb">⁂</p><p>
-</p>
-<p>Alle gasten in ’t <span class="corr" id="xd31e1403" title="Bron: hotel">hôtel</span> hebben een feestje bereid den avond vóór Annie’s vertrek. Er is muziek gemaakt, en
-gedanst en champagne geschonken. En doodmoe ging ik ’s avonds laat naar bed.
-</p>
-<p>Na een koortsachtigen, bangen slaap word ik om zes uur wakker. De zon is opgekomen,
-en jonge stralen lichten in mijn kamer.
-</p>
-<p>En ineens, benauwend, een denken: „Ze gaat weg, ze gaat wég.”
-</p>
-<p>Ik ril en huiver.
-</p>
-<p>Gauw nu aankleeden, en naar buiten, naar het terras. Hoe heerlijk schoon is de morgen!
-De wereld is een puur paradijs van lichten vrede. Hoe blij en liefelijk staan de bloemen
-om mij heen! De rozen, de viooltjes, de blauwe verbenas, de resedas, de heliotropes!
-Hoog rijzen de goede <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>bergen ten hemel. Ardjoenå lacht zijn goden-lachen in de stralende zon. Beneden ligt
-de vlakte in gouden waze, met verheerlijkte kleuren, Er lijkt niets veranderd. Blinkend
-blaakt nog de droom …
-</p>
-<p>En ik kán, ik kán het niet gelooven. Het is alles zoo goed en warm en licht rondom!
-Ik buig mij over zachte bloemen, en pluk ze, voorzichtig, nog nat van dauw. Dit zullen
-mijn láátste bloemen zijn.… De allerlààtste bloemen van liefde, die ik nog ooit een
-lieve vrouw zal geven.…
-</p>
-<p>Nu naar haar kamer. Gelukkig is er nog niemand op het plein. En daar staat ze voor
-de deur. Zoo licht, zoo glanzend van warme goedheid in den morgen, haar kindje naast
-haar.… Een zachte wijding is om haar heen.… Liefelijk lichten daarin haar oogen.…
-</p>
-<p>„Dag Annie, dag lief mevrouwtje,” zeg ik, en ik houd me goed, waar tranen in mijn
-oogen staan. „Ik heb voor ’t laatst nog wat rozen en héliotrope geplukt, de afscheidsbloemen.…”
-</p>
-<p>Het vriendelijk lachen van haar licht gezicht.… O! het gebaar, waarmee ze nu mijn
-bloemen aanneemt!.… Wie heeft gelegd de vrome gratie in die <span class="corr" id="xd31e1419" title="Bron: teere">teêre</span> leden, dat elk gebaar zoo zacht maakt als gebed?.… En uit haar lieve ziel komt die
-stem, die dankbaar zegt:
-</p>
-<p>„Dank je wel, hoor, ik ben er héél blij meê, ik zal ze goed bewaren.…”
-</p>
-<p>Dàn, inééns heel hartelijk, en verontschuldigend voor gisteren:
-<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p>
-<p>„Het spijt me zoo dat we gisteren avond niet wat alléén konden zijn, en al die menschen
-er bij kwamen. Het zou met ons vijven zoo véél gezelliger zijn geweest. Maar ik kon
-er niets aan doen.”
-</p>
-<p>Hoe klein is ze nog! Ze lijkt wel de groote zuster van haar kindje! Ze is nog zoo
-héél erg een Meisje zooals ze daar staat! Ze heeft haar blauwe blouse aan met witte
-cirkeltjes. Haar parelgrijze rijrok, die zoo ruischt. De blanke, ópgeslagen manchetten,
-en het ópstaande boordje, met de groote, witte das. Een wit stroo matelotje op, met
-wit zijden lint. Zoo blij, dat blauw in den morgen! Alles zoo frisch en blank aan
-haar! Wat is ze nu dicht bij me, nu ik haar hand nog vasthoud! Ik zie het héél fijne,
-blonde dons op haar wangen, en een teêre ader, bleek-blauw, bij haar slaap. Haar glanzende
-gouden krullen bewegen een beetje in den wind. Ze lijkt zoo héél voor mij, zóó, even
-maar te grijpen, en dan te houden, o! vást, vást te houden voor héél het leven, en
-nooit weêr af te staan!
-</p>
-<p>En straks zoo vèr, zoo vèr, zoo vèr.… Dra is de lieve droom voorbij.…
-</p>
-<p>Ik buig mij over haar kindje, en kijk het kereltje in zijn koddige, blauwe oogjes.
-De oogen van zijn moeder! Ik vraag hem, of hij blij is, weer terug naar de stad te
-gaan.
-</p>
-<p>„Fritsje liever hier blijven,” zegt zijn stemmetje.
-<span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span></p>
-<p>Een fijne, nog heel zachte stem, met iets oneindig teeders en bedeesds. Zoo’n klein,
-klein kleutertje! Hij is een heel klein stukje ziel van Annie, uit háár zachte gratie
-weggedroomd, hier in ’t harde leven.
-</p>
-<p>En ineens, heel klaar en pijnlijk vóór me, als een zaligheid hopeloos onbereikbaar:
-Een kindje van mij en Annie! Door mij uit haar lieve lijf gewekt, en mijn ziel met
-háár lieve ziel te zamen!
-</p>
-<p>Ik zie haar droevig aan, en zwijgend ziet ze in mijn oogen. Zou ze het hebben gelezen,
-mijn lief geheim?
-</p>
-<p>Daar komt Sophie haar kamer uit, en maakt een einde aan de spanning, die ontstond.
-Ze ziet wel dat er iets gebeurt en spreekt van ’t mooie weer, en den heerlijken rit
-die nog te maken is, en van nu nog maar eens goed profiteeren. En daar komt Mary ook,
-mijn trouwe, zachte zuster. Ze kijkt heel bezorgd naar me, wetende wat nu voor mij
-gebeuren gaat. Nu even nog naar het achterplein van ’t <span class="corr" id="xd31e1439" title="Bron: hotel">hôtel</span> gaan, en groeten, en handen geven aan wat gasten, dan de trap af, naar de paarden,
-die beneden staan.
-</p>
-<p>Wiono, het mooie goudvosje, zal haar wegbrengen.
-</p>
-<p>Daar staat ze weer naast haar paard, zooals zoovele, heerlijke malen! Het is of ’t
-weer een nieuwen pleiziertocht geldt, zoo in den jongen morgen, met al de bergen zoo
-licht in de zon, en de wind zoo blijde waaiend. De droom blinkt nog in volle glorie.…
-<span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span></p>
-<p>Nu weer de handen saâmgevouwen voor haar òphouden, en hoe lucht, als een vogeltje
-dat vliegen gaat, springt ze in het zadel! Zie nu haar kleine voetje in den beugel
-steken! Hoe fijn, haar broze enkel. Wat is zoo’n lieve vrouw toch van louter zachtheid
-en teederheid gemaakt! Hoe is dit toch bestaanbaar in het harde, harde leven.… Maar
-neen, het leven is niet hard; zie nu toch die bergen, glanzende in de zon, die blinkende
-hemelen, waar de blanke wolkenstoeten drijven!.… Het leven is licht, en vreugde, en
-geluk.…
-</p>
-<p>Nu rijden wij weg, Mary met Sophie en Hendrik Wouters een eind achter, Annie en ik
-weer vooruit. Hoe zet zij haar paardje weer aan! Al heel gauw rijden wij alleen.
-</p>
-<p>Er gaat een zachte gedachte in mij om, heel droef. „Ze gaat wèg van je, Rudolf, wèg,
-wèg.…”
-</p>
-<p>Maar het lijkt te onbestaanbaar.… Het komt zoo héélemaal niet bij het lichte geluk
-rondom.… En ik lách even om mijn eigen vrees.… Dáár is ze immers vlák, vlàk bij mij.…
-Als ik éven mijn hand uitsteek voel ik haar zachten arm.… Ik zie de goudblonde krullen,
-zachtjes waaiend om haar hoofd.… Hoe lief lacht ze mij toe, hoe hoort haar vriendelijk
-oogenschijnen zoo ganschelijk bij mijn ziel.…
-</p>
-<p>Wij spreken ook héél niet over scheiden. Wij spreken over hoe mooi het is rondom,
-waar wij zachtjes dravend door den breeden weg gaan, met overal in de verte bergen,
-en wolken, en <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>horizonnen, en rechts de diepe ravijnen, waar de zon schittert en flikkert in licht
-bewegend groen. Zij is weer zoo blij en lacherig als een kind in den jongen morgen,
-en het leven is goed, o! het leven is goed en gelukkig, met het lief gekweel van vogelen
-rondòm, en het liever klinken van haar melodieuze stem!
-</p>
-<p>En tòch, en tòch, heel zacht, die vreemde weifeling héél vèr van binnen in mijn ziel:
-„Dit is het einde, dit is het einde … nu komt de nacht weer voor je, de lange, bange
-nacht”.… Dan rijd ik heel dicht naast haar, en neem haar hand in de mijne, en voel
-wat angstig of het nog heúsch, heúsch wel waar is, als een, die in een droom de dingen
-angstig betast, bang dat hij aanstonds weêr zal ontwaken.…
-</p>
-<p>Zij laat haar hand gewillig in de mijne. De paarden loopen even naast elkaar.—Somtijds
-wil ik nog vragen: „Annie, je gaat toch niet weg, hè? het is maar wat jokken, hè,
-van dat weggaan? Je blijft nog bij me?.…”
-</p>
-<p>Maar ik ben bang, o! bang om het te zeggen. Er gaat een duizeling door mijn hoofd.
-En mijn hart hoor ik hamerend kloppen.…
-</p>
-<p>En het kán niet, het kán niet! Kijk! alles is immers nog éven mooi.… De koele, reine
-lucht, en al dat groen, dat blinkende, wuivende, ruischende groen rondom.… Alles is
-er nog, alles, éven mooi.… Dáár, kijk, de figuurtjes in haar blouse, zoo wèlbekend,
-dáár is haar dasje, haar hoed, <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>haar ceinture.… Het is vlák naast me, als ik éven de hand uitsteek is het mijn.…
-</p>
-<p>Voel maar, hier is haar eigen hand, zoo zacht en warm.…
-</p>
-<p>Maar nu voel ik het weer warrelen en duizelen in mijn hoofd nu ik dit schrijf.… En
-toch, het móet, ik wíl het, ik wil het neêrzetten in dit dagboek.… Maar ik wéét het
-niet meer, ik wéét het heusch niet meer.… Hoe is het ook weer gebeurd.…? Ai! mijn
-hart klopt zoo, mijn hart klopt zoo.… O ja.… we waren, inééns, en toch moet het eerst
-na anderhalf uur zijn geweest, we waren ineens in het kleine, stille <span class="corr" id="xd31e1465" title="Bron: Hotel">Hôtel</span> van Poespo. De anderen waren ook gekomen. Er was een tafel gedekt. En we hebben samen
-ontbeten. Er is gelachen, en gezongen, en wijn gedronken. Het was zoo verschrikkelijk
-prettig.… Toen kwam er iemand iets zeggen van hoe laat, en van den trein in Pasoeroean.…
-Wat?.… ja, de trein.… in Pasoeroean.…
-</p>
-<p>En Annie staat ineens op, en loopt weg van tafel. Ik haar na. Ik begin weer te begrijpen.…
-</p>
-<p>Ze staat opeens met me achter, bij de bijgebouwen, waar het water uit een bergwand
-schiet.…
-</p>
-<p>„Ik ga weg,” zegt ze, „ik ga weg.… ik vind het verschrikkelijk, zoo’n afscheid.… het
-héérlijke Tosari, het héérlijke, verrukkelijke Tosari.… maar ik moet weg.… ik moet
-<i>naar mijn man</i>, hoor je ’t, <i>naar mijn man</i>.… dag Rudolf.…”
-<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span></p>
-<p>Dit is niet meer mijn vroolijke Annie. Dit is al niet meer haar stem.… Dit droeve
-en zoo vast serieuze is niet van Annie.… Ik probeer haar niet tegen te houden. Het
-is onherroepelijk.… Want, opééns wéét ik het weêr, fèl, scherp, hard wéét ik het,
-dit is het einde van een droom.… het hel ontwaken.… het is onverbiddelijk, genadeloos.…
-</p>
-<p>Ik kan niet spreken. Ik voel de groote tranen in mijn oogen. Ik durf haar niet meer
-te kussen, ze is al te vèr, de droom is nu al veel te broos op ’t breken.… Ik voel
-dat ze mijn hand drukt, en de tranen nu langs mijn wangen gaan.…
-</p>
-<p>„Ik kán ’t niet zien, ik kán ’t niet zien,” roept ze angstig. „O! laat ik nu toch
-weggaan!.…”
-</p>
-<p>Daar vóór het huis staan karretjes klaar. Ik zie het nu zwijgend aan. Er worden koffers
-opgeladen. De anderen zijn er nu ook, maar ik weet niet wat te zeggen. Ik zie alléén
-dat Annie nu in het achterste karretje stapt, en haar kindje bij zich heeft.… Mary
-kust haar, en zij geeft Wouters en Sophie een hand.… en roept nog wat liefs.…
-</p>
-<p>Langzaam, langzaam rolt het wagentje vooruit … Dáár, dáár.… wèg, wèg.… Nog even, nog
-éven. Ik ren nog éven vooruit, en ’t wagentje houdt op.… „Annie! Annie!” roep ik.
-</p>
-<p>Ze zit zoo héél, héél stil.… Haar donkere oogen blinken van zoo zachten glans.… O!
-die <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>zachte tranen, uit haar ziel geweld om mij!.…
-</p>
-<p>„Annie! zal je nog wel eens een héél enkelen keer om mij denken? Zal je me niet héélemaal
-vergeten?.…”
-</p>
-<p>„Neen, Rudolf, dat wéét je wel.… Kijk, je bloemen van vanochtend, die ik in de tandoe
-bij mijn kindje heb gelegd, ze zijn al heelemaal verlept.… maar ik zal ze áltijd,
-áltijd bewaren als een aandenken.… ik zal altijd aan je denken.…”
-</p>
-<p>Nog éven voel ik haar handen op mijn brandend hoofd, troostend en zegenend, waar ik
-mij diep heb gebogen voor haar zachte gratie.… Ik hoor haar stem nog éven klinken
-vol droefenis, waar ze mij vaarwel zegt.… O! nog éven zie ik haar zachte ziel, blinkend
-in haar oogen.…
-</p>
-<p>Dan gaat het vàn mij, ver en verder.…
-</p>
-<p>Daar gáát ze, o God, mijn God, daar gáát ze.… Ze wuift en wuift nog met haar zakdoek,
-ze roept nog lief gedag, en wuift en wuift.… mijn arme, verlepte rozen en héliotropen
-verspreid over haar schoot, met haar kindje tegen zich aan.…
-</p>
-<p>Nu is het over.… Nog èven, èven, een winding van den weg … Haar rank, licht figuurtje …
-Ze wuift en wuift.…
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>En de droom, de droom is voorbij.…
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div class="fndiv" id="xd31e270">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e270src">1</a></span> Maar heel zelden zijn datums vermeld. Achter elken dag liet hij een kleine ruimte
-open.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e270src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e410">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e410src">2</a></span> Wonokitri—Sedaeng—Proewono.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e410src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e457">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e457src">3</a></span> Dit vogeltje is de „telèdèkan” (dansmeisje), zoo genoemd om zijn schitterende kleuren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e457src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e526">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e526src">4</a></span> Eigenlijk beteekent Dasar „grond, bodem enz.,” dus meer bodem <span class="ex">van</span> de Zandzee. Zandzee is „Segoro Wedi.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e526src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e612">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e612src">5</a></span> Eigenlijk is dit „sari” niet de bloem zelf, maar het intiemste centrum der bloem,
-de plaats van den fijnsten geur, de essence.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e612src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e766">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e766src">6</a></span> Widodaren = luchtgeest.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e766src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div class="fndiv" id="xd31e835">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e835src">7</a></span> Dicht bij deze dessa ligt het rustige Hôtel Tengger van den heer Elfferich, in een
-zeer schoon, vredig dal.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e835src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="div1" id="toc">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table summary="Inhoudsopgave">
-<tr id="voorwoord.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorwoord">VOORWOORD (BIJ DEN TWEEDEN DRUK)</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorwoord">V</a></td>
-</tr>
-<tr id="inleiding.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#inleiding">INLEIDING</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#inleiding">VII</a></td>
-</tr>
-<tr id="dagboek.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#dagboek">UIT HET DAGBOEK VAN RUDOLF DE WALL</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#dagboek">1</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e40" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e40" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Een Droom</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Henri Jean François Borel (1869–1933)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/71515941/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1919</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2021-12-14 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e143">IX</a></td>
-<td class="width40 bottom">apothéozen</td>
-<td class="width40 bottom">apothéosen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e188">XIV</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1369">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">apothéoze</td>
-<td class="width40 bottom">apothéose</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e463">19</a></td>
-<td class="width40 bottom">luchte</td>
-<td class="width40 bottom">lichte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e569">27</a></td>
-<td class="width40 bottom">lucht</td>
-<td class="width40 bottom">licht</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e617">31</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1054">73</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1359">107</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1465">117</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hotel</td>
-<td class="width40 bottom">Hôtel</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e657">35</a></td>
-<td class="width40 bottom">..</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e966">65</a>, <a class="pageref" href="#xd31e997">68</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1180">88</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1419">112</a></td>
-<td class="width40 bottom">teere</td>
-<td class="width40 bottom">teêre</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e972">65</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1015">70</a></td>
-<td class="width40 bottom">waarmêe</td>
-<td class="width40 bottom">waarmeê</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1035">71</a></td>
-<td class="width40 bottom">hotel-gasten</td>
-<td class="width40 bottom">hôtel-gasten</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1130">82</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1403">111</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1439">114</a></td>
-<td class="width40 bottom">hotel</td>
-<td class="width40 bottom">hôtel</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1211">91</a></td>
-<td class="width40 bottom">broeiïng</td>
-<td class="width40 bottom">broeiing</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1389">110</a></td>
-<td class="width40 bottom">houd</td>
-<td class="width40 bottom">houdt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN DROOM ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br>
-<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br>
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
diff --git a/old/66947-h/images/new-cover.jpg b/old/66947-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index 6f5e984..0000000
--- a/old/66947-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ