diff options
Diffstat (limited to 'old/66947-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/66947-0.txt | 4011 |
1 files changed, 0 insertions, 4011 deletions
diff --git a/old/66947-0.txt b/old/66947-0.txt deleted file mode 100644 index 0a80bc7..0000000 --- a/old/66947-0.txt +++ /dev/null @@ -1,4011 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Een Droom, by Henri Borel - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Een Droom - -Author: Henri Borel - -Release Date: December 15, 2021 [eBook #66947] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for project Gutenberg (prepared - from scans made available by the Koninklijke Bibliotheek, The - Hague) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN DROOM *** - - - - HENRI BOREL - - EEN DROOM - - DERDE DRUK - - - - - - - - -VOORWOORD - -(BIJ DEN TWEEDEN DRUK) - - -Sedert de verschijning van dit boek, eerst in de „Gids” en toen in -boekvorm, in 1899, is in Tosari veel veranderd, vooral wat de -inrichting der hôtels aldaar en in den omtrek aangaat. - -De natuur is er echter, gelukkig, onveranderd, en daar de -natuurbeschrijving in dit boek hoofdzaak is, meende ik, waar het geheel -en al uitverkocht was, een tweeden druk niet overbodig. - - H. B. - - - - - - - - -INLEIDING - - -Het Dagboek van Rudolf de Wall ligt voor mij op mijn schrijftafel, -naast zijn eenigen bundel verzen, de „Winter-Bloemen,” die verleden -jaar zulk een opgang maakten. - -Het verwondert mij dat hij mij dit stuk van zijn intiemste leven heeft -gestuurd vóór hij stierf, maar tegelijk ben ik er trotsch op. Want -Rudolf was geen prettig, hartelijk mensch in den omgang. Sedert den -dood van zijne jonge vrouw werd hij vrijwel ongenaakbaar. Het was maar -heel zelden, dat ik hem bij mij kreeg en wij samen vertrouwelijk -praatten, zooals vroeger in Holland, toen wij jong waren. De misère van -het indische leven, in de materialistische maatschappij, maakte het nog -erger, en ik zag Rudolf, als zoovele superieure geesten in Indië, -langzaam, langzaam achteruitgaan en er onder geraken. Verzen schreef -hij niet meer, en in muziek had hij óók geen lust; ik geloof dat hij -het grootste deel van den dag versliep. ’s Nachts was er nog heel laat -licht bij hem op, en dan zat hij verdiept in boeddhistische filosofie -of in Schopenhauer, dien hij bijna van buiten kende. - -Het verwonderde mij, dat hij de weinige plichten van zijn -ambtenaars-betrekking, die gelukkig vrij wel een sinecure was, nog -geregeld volvoerde. Hij werd onaangenaam in den omgang, praatte weinig -meer over literatuur en kunst, en zocht door ruwheid en gemaakt, -indisch cynisme zijn groot verdriet en de wanhoop van zijn hart voor -mij te verbergen. Hij begon er al slechter en slechter uit te zien, -verwaarloosde zijn toilet, en gaf in alles den indruk van langzamerhand -af te takelen en te abrutisseeren, zooals dat zooveel in Indië -voorkomt. - -Gelukkig dat zijn zuster Mary altijd nog bij hem kon blijven, en hem -als een kind verzorgen, anders was het zeker nog véél erger met hem -geloopen. Zij leek wel eerder zijn moeder dan zijn zuster, en hield van -hem met zoo’n innige aanbidding, dat zij nooit van een anderen man -heeft kunnen houden, en ook nooit de gedachte in haar was opgekomen om -nog eens te trouwen, zoolang Rudolf alleen bleef. - -In September, hoorde ik, was hij zwaar ziek geworden van malaria. De -dokter raadde hem aan, naar „boven” te gaan, naar Tosari, waar hij -stellig beter zou worden. Maar hij wilde er niet van hooren. Met de -eigenzinnigheid van een koppig kind weigerde hij te gaan. Ik begreep -wel wat er in hem omging. Het was al zóóver met hem gekomen, dat hij er -weinig meer aan hechtte of hij leven bleef of niet. Hij vond het -eenvoudig niet meer de moeite waard om beter te worden, en de misère -van het indische leven weêr van voren af aan te beginnen. Hij wist ook -heel goed dat hij de kracht miste, zich boven die misère te verheffen, -om in de indische maatschappij, die hem zoo drukte, ook het vele mooie -te gaan zien en, zich schikkend naar de omstandigheden, van dat mooie -te gaan genieten. - -Mary, die hem niet kon overreden, schreef mij een wanhopig briefje, om -haar toch te komen helpen, want Rudolf ging met den dag achteruit, en -de dokter had verklaard, dat alleen de heerlijke berglucht van Tosari -hem nog zou kunnen redden. - -Het kostte veel moeite, maar eindelijk kreeg ik hem, als vroeger, heel -lang geleden in Holland, onder mijn invloed, en vond hij het goed dat -wij hem naar „boven” transporteerden. - -Ik kende Tosari al sinds jaren, dat paradijs van Indië. dat mij de Oost -altijd lief en dierbaar zal doen blijven, alléén om de herinnering aan -die reine koele lucht daar boven, die grandioze berggevaarten en die -apothéosen van wolkenpracht. Ik wist dat het zien van die wondere, -grootsche natuur daar hem nog veel meer goed zou doen dan enkel de -zuivere, versterkende lucht, en ik hoopte dat niet alleen zijn lichaam, -maar ook vooral zijn ziel daar zou genezen en herleven. - -Je leeft daar eigenlijk in hoogere, reinere sferen, en wat de aarde -beneden voor je is zijn dáár de wolken. Het is een voortdurend leven in -de wolken eigenlijk, en veelal nog hoog daarboven. Hoe dikwijls, -staande op het terras vóór het Hôtel, met een egaal blauwe lucht boven -je, zie je beneden, vèr, vèr beneden, boven de vlakte, de statige -wolkenstoeten drijven, en sta je uren aan uren te staren naar die -glanzende vluchten van blanke luchtedroomen! En hoe vreemd, hoe héél -anders dan ooit beneden, voel je je, als van omlaag de nevelen óp komen -rijzen, en je ziet ze vooruitschuiven in de ravijnen, en wijd-uit -drijven, en rijzen en weêr rijzen, tot alles één blanke, witte wade -wordt, en eindelijk zie je niets meer dan wolken, wolken, wolken, zóó -dat ze door de ramen van ’t Hôtel trekken, en je ziet ze stuivend en -dampend door de kamers gaan. Toch, vreemd, die nevelen zijn niet -vochtig, maar volkomen droog, en je voelt het heerlijk wèl en krachtig -in je lichaam worden als je er zoo ganschelijk midden in zit, en je -ademt gretig den drogen wolkendamp. - -Ik wist, als iets onzen Rudolf nog genezen kon, dan moest het Tosari -zijn, het laatste en éénige redmiddel voor kwijnende malarialijders en -ernstige hypochonders. De krachtige, innige impuls, dien de reine, ijle -lucht door je lichaam, en de grootsche, statige natuur er door je ziel -doet gaan is zelfs voor de zwaarst zieken meestal onweêrstaanbaar. - -Het was een zware, vermoeiende tocht met den zieke, eerst per trein tot -Pasoeroean, dáár overnachten in het ongezonde, muffe logement, vol -malaria-kiemen, waar de zieken nog erger worden, toen naar Poespo, waar -het kleine, luchtige hôtel gelukkig allerzindelijkst en uitstekend is, -en toen in een zieken-tandoe naar boven, naar Tosari. - -Rudolf had onderweg weinig gesproken, en alles maar lijdzaam met zich -laten doen. Maar,—ik had het wel gedacht,—op den tocht van Poespo naar -Tosari, langs den prachtigen weg de bergen op, met àl koeler en koeler -wordende winden, overal wuivend, schitterend groen, en dichte wouden in -de ravijnen, begon hij zich op te richten in de tandoe, en er kwam een -glans in zijn oogen. - -Bij wijlen, in bochten van den kronkelenden weg, zag je, heel ver, in -’t Westen, diep, diep beneden, de vlakte met de zee, en, zachtblauw, de -nobele vormen van den Ardjoenå en den Penanggoenan, rijzende aan den -horizon. Dan zag ik een glans over zijn gezicht gaan, en hij zei met -iets van de oude geestdrift van in Holland: „Da’s mooi, Henri, da’s -mooi, hè? Kijk die bergen eens!” - -Hij was altijd in extaze als hij bergen zag, die hij nog mooier vond -dan de zee. - -Dan antwoordde ik: „Het wordt nog véél mooier, Ru, wacht maar eens, tot -je boven bent, dan zal je eens zien!” - -En hij zweeg, maar keek met stille, aandachtige oogen in het rond, waar -de wuivende bamboe in wilde pracht omhoog schoot, de fijne, spitse -blaadjes teeder tegen de lucht, en waar, diep in ’t ravijn, onder de -fantastische warreling van boomen en struiken, ongezien, de watervallen -ruischten. - -Een tijd lang sprak hij weer niets. En toen ineens: „Dit zullen mijn -beste vrienden worden, geloof ik.” - -Hij zei dit met een zachte stem, lief als de stem die mij ééns -tegenklonk uit zijn verzen. En hij wees op de ranke, fijne tjemårås op -zij van den weg. - -Dit is dan ook wel de mooiste en de meest karakteristieke boom van den -Tĕnggĕr. [1] Er zijn zoo heel veel soorten en variaties, maar de -mooiste zijn toch wel de kleine denneboomen van Tosari, die in rijen -aan weêrszijden van de groote wegen zijn geplant, en tegen de hellingen -der ravijnen, waar de groentevelden zijn. Zoo teêr en aandoenlijk staan -hun fijne takjes uitgespreid in de lucht, en ze kunnen zich zoo héél -deemoedig en in grooten vrede staan te geven, hoog op een verren -bergrand, tegen een donker-rossigen avondhemel! - -Ik had het wel gedacht, dat die mooie boomen van den Tĕnggĕr hem lief -zouden worden, en ik zei lachend: - -„Weet je nog wel, Ru, hoe we vroeger zeiden dat die dennen onze groote -broêrs waren, in de laantjes om den Bataafschen Boer? Hier heb je ze nu -dan toch in Indië terug, en dat hadt je niet gedacht, hè?” - -Hij keek weêr uit zijn tandoe en lachte mij vriendelijk toe. - -Mary, die naast mij reed—een slanke, ranke figuur, vol gratie op haar -vroolijk dansend damespaardje—keek mij dankbaar aan, en was toch zoo -blij, dat haar broêr weer wat opgemonterd was! Ik voelde mij door dien -éénen blik van haar beloond voor al de moeite, die Rudolf mij gekost -had, - -Zoo ging het al hooger en hooger, met den zieke den berg op, tot hij -eindelijk van vermoeienis in slaap viel, dicht bij de dessa Baledono. -In het Hôtel Tosari aangekomen, werd hij wakker van het overdragen in -zijn bed, en voelde hij zich koortsig, en rillende van de koû. - -De dokter zeide lachend aan Mary, die heel bezorgd keek, dat het binnen -een paar dagen wel in orde zou komen, want de lucht van Tosari deed -wonderen. Als we hem nu maar goed instopten onder de wol, en hem een -paar dagen in bed lieten liggen, zou hij binnen een week misschien al -op de been zijn. - -En werkelijk, het wonder gebeurde, zooals het al zoo dikwijls in Tosari -gebeurd was. Na een week in bed te zijn gebleven,—elken dag zich al wat -beter voelende,—mocht hij den zevenden dag al wat wandelen op het -terras van ’t Hôtel, en aan tafel eten. - -Ik zal niet licht vergeten dien eersten morgen, toen ik hem op het -terras bracht. Het was een mooie ochtend, tegen half zeven. Den hoek -omgekomen van ’t hôtelgebouw naar den tuin, was het als een apothéose. - -Want hier, vanuit dat heel hooge in de hemelen, op dat zachte terras -vol bloeiende boomen, zie je vèr over de wereld, die ligt daar diep, -diep beneden voor je uit. Achter, in ’t Noorden, de hooge, sombere -bergkammen van den Tĕnggĕr, oploopende naar den ronden kratermuur, en -als trotsche, beweginglooze golven, loopt de grandioze bergmassa naar -’t Oosten en Westen met statige lijnen àf naar de vlakte. Het Hôtel, -een soort Zwitsersch châlet, ligt in ’t midden van dien bergkom, op een -verren uitlooper, met aan weerszijden de ooster en wester àfgolvingen -hoog in de lucht, en achter, in ’t Zuiden, den immenzen kraterrand -dreigend in de lucht. Links, in ’t Zuid-Westen, daalt de bergmassa af -naar het verre dal van Malang, waarboven bijna altijd donkere -wolkenmassa’s drijven; rechts, in ’t Oosten, is de muur steiler van -trotsche, ten hemel rijzende gevaarten, die met feller lijnen -wèg-golven naar de zee. - -Aan vèrren horizon, Noord-Westelijk, rijst de statige, machtige -Ardjoenå, met zijn vijf toppen, de heerscher van het geheele landschap, -van hemel, aarde en lucht, en verder Noordelijk, de slanke, grijze -kegel van den Penanggoenan, fijn en teeder aan den horizon. Meer naar -’t Zuiden, nog vóór de Ardjoenå, de drie-golvige Kawi, een slapende -Maagd gelijk, die rust met omhoog getrokken knieën, en zwellende borst, -in de hemelen. - -De vèrre vlakte ligt daarvóór, zoo laag en klein van uit het terras, -met de gele en groene kleuren van de sawahs en rietvelden, en de kleine -witte plekjes van fabrieken en dessa’s! In den morgen beeft daar bijna -altijd een doorschijnend waas van dauw en nevel, met kleuren als van -heel fijn parelmoer, en al vroeg begint de statige tocht van blanke -wolkenstoeten, over de vlakte naar de zee. - -Hier en daar, op de ontzaglijke bergkammen zoo hoog in de lucht, -liggen, rustig en vreezeloos, de prachtige dessa’s, met hun roode en -gele kleuren. Vèr, rechts, de dessa Proewono, en iets verder, meer naar -’t Zuiden, Sidaeng, en, verder, in ’t allerhoogste, Wonokitri. - -Beneden, vóór uit, Telogosari, en, lager, Baledono. - -En, heel in ’t Noorden, vèrder dan de verre vlakte, de zee, met, vaag -aan den horizon, het schemerend eiland Madoera. - -Het is alles zoo oneindig laag en ver, en zelf sta je zoo ontzaglijk -hoog verheven, met die witte wolken-vluchten zoo diep onder je -drijvend, dat het eigenlijk àl te onwaarschijnlijk en onreëel lijkt, of -alles maar een droom is, die dra zal breken.... - -Na ’t triestige, sleurige kantoor-bestaan in Soerabaia, ’t grootste -deel van den dag suffend tusschen vier muren, in een hitte van -negentig, somtijds tot vijf en negentig graden, die alle energie -verdooft, is ’t plotseling overgaan naar Tosari een herleving. De -uiterst reine, ijle, koele berglucht waait de nevelen weg, die -loom-zwaar over je denken hingen, en die het vaag en duister maakten -voor je oogen. - -Dan in eens op dat terras te staan, hoog boven de wereld, in de -zuivere, luchtige sferen, en vèr beneden de lage vlakte te zien rijzen -aan den horizon, en de wolken-stoeten in zoo blanken, heiligen staat, -zoo langzaam-verdroomende, zwaar van licht, en het schitterend glanzen -van de zee, die wègdeinst naar verre hemelen! - -Het is dan een zéér bizondere òmkeer in je, of al het verledene van je -weggaat, of het daar vèr beneden is gebleven in de hitte en den sleur, -of je daar nu heelemaal vrij en onbevangen staat in die allerhoogste -regionen, heerlijk herboren, en of alles nu weer opnieuw kan beginnen, -een nieuw, jong, krachtig leven in de pure, onbesmette lucht, zoo heel -dicht bij den blauwen hemel, nog ver boven de laag-drijvende -wolkenpracht over de aarde. - -Dáárom had ik Rudolf hier gebracht, omdat zijn droef verleden van hem -wèg moest gaan, en hij aan een nieuw leven moest beginnen. - -Hij zeide een tijdlang niets. Stil staarde hij maar in alle richtingen, -naar de bergen, naar de droomende wolken, naar de zee. Hij zag het aan -met een weifelende, kinderlijke verwondering, alsof hij het eigenlijk -nog niet goed kon gelooven. - -De zon begon langzaam op te rijzen achter de Oosterbergen, en de -zachtblauwe Penanggoenan in het Westen beefde opeens van een -rood-gouden glans. Zachtkens vergleed die gouden lichtschaduw door het -parelmoerig waas boven de vlakte, en weldra schitterde ook de Ardjoenå -in rossig-guldenen gloed, wijl ijl-fijne, teêre tinten van lichtgroen -en dof-purper en vaag-violet trilden om zijn stil in de lucht lijnende -contouren. Hij stond daar, doorluchtig en eerwaardig, in den morgen, -als de eeuwig-jeugdige, onverwinlijke helden-God, wiens naam hij voert, -in vlammend goud gewaad tegen den lichtblauwen hemel. - -Daar zei Rudolf ineens, met warme geestdrift in zijn stem, weêr -heelemaal de oude enthousiast van vroeger: „Henri, ik wist niet dat -Indië zóó mooi was!” - -Toen—zóó was hij altijd, óveral zocht hij naast het heel grandioze en -ontzaglijke het uiterst teedere en zwakke,—toen boog hij zich over een -bed wilde viooltjes, die heerlijk geurden over het terras. - -„En dan al dat fijne en teêre,” zei hij, hardop denkend in zich -zelf,—„al dat zwakke en broze hier midden in dat ontzettend groote en -verhevene! Kijk, daar zijn nu toch heusch al mijn lieve, oude bloemen -van Holland weer! Waarachtig! Een bed wilde viooltjes! In hoeveel jaren -niet gezien! En kijk, hier, reseda’s, en héliotrope, en dáár, hoe is ’t -mogelijk, hier in Indië! korenbloemen, en klaver, en kijk eens! een bed -met verbena’s, en hier blauw-hemdjes, en de echte, groote pensées óók -al, en dáár waarachtig die mooie monnikskapjes, en de paarse winde, en -wat ’n theerozen, wat ’n tinten! Maar waarachtig, daar staan de echte -boterbloemen van Holland in ’t gras, en daar zie ik een heel bed met -madeliefjes! Hoe is ’t mogelijk, Henri! Daar is me nu alles zoo maar -inééns terug? En dat in Indië!” - -Ik had er schik in, hem zoo te hooren jubelen. Want dat was de oude -Rudolf van vroeger, met wien ik roovertje had gespeeld in de duinen, en -die altijd zoo’n echte, gezonde hollandsche jongen was. In Indië had ik -hem nooit weer zóó teruggezien, Het was of er daar altijd een donkere -nevel over hem heen was. - -En kijk nu toch eens, wat echt kinderlijk en jongensachtig is die -groote meneer van nu,—hij is al zes en twintig,—die altijd zoo nijdig -en somber kijkt, en die zoo geheele nachten in al die droevige -filosofie van de Ouden zit te studeeren, kijk hem nu eens scharrelen -tusschen die bloemen! - -„Dat moet Mary zien, kerel, dat moet Mary zien!” roept hij enthoesiast, -„wat zál ze blij zijn! Ik ga haar dadelijk halen!” - -En daar vliegt de melancholieke dichter van „Winter-Bloemen” met groote -sprongen, als een wilde schooljongen, het terras over, drie treden -tegelijk bij het naar boven hollen, precies zooals ik het hem—lang o! -lang geleden!—op kostschool had zien doen, bij den grooten, -beslissenden stormaanval op het kamp der Apachen, waarover ik het bevel -voerde. - - - -Mijn zaken en veel litterair werk riepen mij terug in Soerabaia, en -toen ik Rudolf zóó opgefleurd zag, bovendien nog zoo trouw verzorgd -door een teedere, lieve vrouw als Mary, ging ik met een gerust hart -weer naar „beneden.” - -Ik had eerst nog een lang gesprek met den dokter van het établissement. -Hij verzekerde mij, dat hij instond voor de genezing van Rudolf’s -malaria, en vertelde mij nog een aantal merkwaardige gevallen van -herstel, door de gezonde, ijle lucht van Tosari. Zieken, die in -Soekaboemi en elders in de Preanger geen baat hadden gevonden, en die -hier, bijna stervende, waren aangebracht, had hij, dikwijls zonder -chinine, enkel door de geneeskrachtige inwerking van de lucht, zien -beter worden. Maar hij had één leelijk ding bij Rudolf geconstateerd, -een hartziekte. En wel een hartziekte, zooals er zooveel zijn van dien -aard; je kon er honderd jaar mede worden, maar je kon ook binnen een -jaar dood zijn. - -Het was nog niet erg, een flauw begin nog maar, zóó zwakjes nog dat hij -Rudolf niet eens het paardrijden er om zou verbieden. Als hij maar geen -al te hevige emoties kreeg, en geen zware, moreele schokken, was er -geen oogenblikkelijk gevaar bij. De dokter vroeg mij, of hij niet een -of ander groot verdriet had ondervonden, en ik vertelde hem van den -verschrikkelijken dood zijner beide ouders bij het vergaan van de -engelsche mailboot „Bokhara,” en het vroege sterven van zijn jonge -vrouw. Zoolang er maar geen nieuwe, heftige schokken bijkwamen, zou het -met Rudolf wel losloopen, verzekerde de dokter mij nog bij het -heengaan. - -Ik hoorde niet veel van hem toen ik weer terug was in Soerabaia. Maar -tusschenbeide schreef Mary mij, dat het goed met hem ging, dat zijn -malaria heelemaal over was, en hij er door en door gezond uitzag, met -een kleur op zijn wangen. Hij liet haar telkens zijne hartelijke -groeten aan mij overbrengen, en een belofte, dat hij nu heúsch, over -een paar dagen, zou schrijven. Maar er is nooit iets van dien brief -gekomen, ofschoon ik hem zelf van tijd tot tijd schreef. - -Ik dacht dat hij er geen tijd voor had, en zeker aan een nieuwe reeks -verzen zou zijn begonnen, en ik verheugde mij er al op, wat daar van -komen zou. Want de stem, die zoo doodsdroef in melodieus beklaag van -zielesmart gezongen had in „Winter-Bloemen,” zou die nu misschien niet -uitjuichen in heerlijk schaterend gejubel, onder den impuls van een -nieuwe, krachtige jeugd in die hooge, reine sferen, omwaaid door die -pure, ijle lucht?.... - - - -Toen, opeens, nog geen drie maanden nadat ik hem het laatst gezien had, -kreeg ik een telegram van Mary. - -Rudolf was dood.... - -Hij was inééns gestorven, als zoo vele hartlijders, gestorven in wat de -bloei van zijn jeugd leek, flink en krachtig gebouwd, met een -gezondheidsblos op zijn wangen. ’s Ochtends, na een wandeling, was hij -plotseling op den grond gevallen, had nog een paar uur op bed gelegen, -pratende met Mary, en was toen ineens dood geweest. „Hartverlamming,” -had de dokter geconstateerd. - -Een paar dagen later kwam Mary bij me, en bracht me een dagboek, door -Rudolf in Tosari aangehouden. Hij had haar kort vóór zijn dood -gevraagd, dit als een laatste aandenken aan mij over te geven. - -En nu ligt het Dagboek van Rudolf de Wall vóór mij. Ik heb het gelezen. -Ik weet nu dat hij gestorven is na een schoonen droom. En ik benijd -hem. Het is zoo vol liefde voor het leven, en vol voorgevoel van den -dood. Het is of zijn ziel altijd geweten heeft, dat hij nu wel gauw zou -sterven, want op meer dan ééne plaats in zijn dagboek voelt hij zich al -bijna verdroomen in de natuur, en één worden met Gods innigste wezen, -dat hij er in leven voelde. - -Het lijkt misschien wat wreed, maar ik vind het gelukkig, dat Rudolf -daar boven is gestorven, en nu één is met de reinste essence van al het -verheven schoon, dat hij daar in zijn láátsten levensdroom mocht -aanschouwen. - -Wat zou er van hem geworden zijn, als hij met zijn overgevoelige, -teedere, kinderlijke ziel, met al die jonge, nieuwe geestdrift, weer -was teruggekomen in ’t démoraliseerende, wreede, harde leven hier -beneden? Wat, als hij de vrouw, die hij zoo verheerlijkt zag,—en die -ook misschien daar bóven wel éven reiner en puurder is geweest in die -alles zuiverende, hooge lucht,—later hier had moeten weêrzien, -teruggezonken in den sleur van het indische leven, een heel gewoon, -oppervlakkig wezentje, niets beter en niets slechter dan de anderen, -van wie hij zich altijd zoo ver hield? Hoe zou hij hebben geleden, als -hij haar langzamerhand, niet meer onder den invloed van de zoo ideaal -en geestdriftig stemmende berglucht, zou hebben gezien zooals ik haar -leerde kennen, en zooals zij werkelijk was; het ergste wat er voor hem -kon bestaan: een flirt, en als hij had begrepen, hoe hij de liefste en -beste dingen van zijn ziel weêr had weggegeven in het ledig, als -vergooid in ’t niet? - -En—wie kan zeggen wat reëeler is, de werkelijkheid of de droom? Het kan -heel goed zijn dat Annie, de vrouw die hij zoo liefhad, daarboven éven -was opgerezen tot de reinheid en de zielezachte gratie, die hij in haar -vermoedde, en dat het heusch wel ganschelijk reëel was, wat hij van -haar voelde. Het is de majestueuze schoonheid van de bergen en de -hemelen, die de ziel zoo verreint, en de pure, koele winden, door het -lichaam waaiend, die het beste en edelste in den mensch—jaren lang -verdoofd en onmacht gebleven—daar heerlijk doen opleven, in die zuivere -sferen. - -Al is het dan dat later, later, beneden terug, het éven uitgebloeide -mooi weer droef verzinkt in de muffe hitte, en den saaien sleur, en de -huichelachtige conventie van het alledaagsche, geestdoodende indische -leven.... - -Hier is dan nu het Dagboek van Rudolf de Wall, zooals ik het aannam uit -de zachte handen van zijn zuster. Het heeft niet veel van een roman, en -de intrigue ontbreekt geheel, die velen het voornaamste vinden van -lectuur. Het zijn somtijds maar wat korte fragmenten, de wisselende -stemmingen van zijn ziel onder den invloed van het wisselende schoon -der dagen en nachten in den Tĕnggĕr. - -Toets het toch niet aan de werkelijkheid, en zeg toch niet, dat dìt -dwaas en dàt verkeerd van hem was, en dat hij wijzer had moeten zijn, -en beter menschen leeren kennen vóór hij ze waard vond het liefste van -zijn ziel! - -Want ik zeg u, hij is gelukkiger geweest met zijn verbeeldingen en -fantasieën dan één van ons, verstandige menschen, en in stilte heb ik -hem benijd om wat ik nooit zoo kon genieten in mijn grootere wijsheid. - -Want gelukkig! o! gelukkig zijn zij, die niet het harde leven zien, -maar veilig óprijzen in hun eigen, schoone droomen!.... - - - - - - - - -UIT HET DAGBOEK VAN RUDOLF DE WALL [2] - - -Ik ben vandaag voor ’t eerst uit mijn bed geweest. Zeven lange dagen en -nachten in een kleine kamer! - -En toch was ’t zoo erg niet. Ik voelde langzaam, langzaam een goede, -reine lucht in mij stroomen, en, zooals je mond als je water drinkt, -werd mijn lichaam koel en frisch. - -Mary schoof soms de gordijntjes open voor mijn raam, en dan zag ik -overal bergen, bergen, bergen, en witte wolken, zeilende door de lucht. -Maar ’t mooiste van alles misschien wel de kleine, deemoedige dennen, -de tjemårås, zoo zachtjes ópklimmende tegen hellingen, en in rechte -rijen langs paadjes staande. Overal smalle, windende weggetjes, zooals -je ze wel ziet op den achtergrond van primitieven, Van der Weijden, of -Van Eijck. - -En aldoor dat reine ruischen van watervallen, ongezien, diep in -ravijnen.... - -Nu ben ik dan eindelijk weêr opgestaan, en ik ga een nieuw dagboek -beginnen. Het moois dat ik hier zien ga mag niet zóó maar weer -vervlieden in de tijden. Ik heb zoo’n voorgevoel, of het nú wel weer de -moeite waard zal worden, een dagboek, dat ik sedert jaren niet meer -aanhield. - -Wat hebben Mary en Henri mij goed opgepast, hoe hartelijk en lief! Ik -zal nu al het moois dat hier gaat komen, probeeren te bewaren in dit -boek, en later, als ik weer gezond beneden terug ben, laat ik het hun -lezen. - -Ik mag mij vooràl niet vermoeien, zegt de dokter, en alleen nog maar -wat wandelen op het terras.... - -Maar mijn Dagboek ga ik toch beginnen, dat zal zoo’n kwaad niet doen, -zoo één uurtje maar. - -Wat zou er komen?.... wat zou er komen?.... o! zou er nog iets voor mij -kunnen komen?.... - - - -Zóó was het broze droom-gezicht van morgen, toen ik op het terras Gods -wereld zag, vèr en diep aan mijne voeten: - -Een vage, waze wade wijd over de vèrre, dof glinsterende vlakte. Het -teêre, zachte, milde morgenlicht voorzichtig brekend daar doorheen. - -De Ardjoenå, zonder materie, luchtig vervluchtigd, vèr in dat waze, -droomende maar ijl en éven, als een essence. De ziel van zijn zwaar -massale goden-lichaam nu, schuchter, bloot, zijn eigenlijke, innigste -Wezen éven bevende óp, in dit teedere licht van den morgen.... - -Ook, vaag vermoed, de luchte Penanggoenankegel, en de zachte golvende -Kawi, en vèr, de parele, glanzende zee, ten horizon verdroomend.. - -De luchte essence van het wereld-wezen beeft zachtekens voor mijne -oogen, in het kuisch-eerwaarde, schemer-teeder maagde-licht van den -jongen morgen.... - -Hoe ijl, hoe ijl is de dunne, reine lucht.... hoe licht voel ik mijn -eigen wezen voorzichtiglijk zich uitspreiden in die wijde, wijde -ruimten.... - -En het is mij, of het zachte, kuische einde nu wel drâ zal komen, en -mijn ziel nu aanstonds zal verdroomen in die teêre, broze sferen, ver -over de glanzende vlakten, over de vage horizonnen van de zee.... - - - -Dat was een heel curieus gesprek vanochtend! Ik schijn dan toch wèl in -het rijk der wonderen te zijn aangeland. - -Ik was op een bankje gaan zitten op het terras, toen de oude heer -Mehrmann bij me kwam, die Tosari zoo dóór en dóór kent, en er zooveel -over geschreven heeft. Hij heeft me op een heel eigenaardige manier -uitgelegd, wat de invloed van deze reine, ijle, aeterische atmosfeer is -op de menschen. En als hij het bij ’t rechte eind heeft is het hier -zeker een uniek oord van wonderen in de wereld. - -„Ik moet u eens waarschuwen,” zeide hij, „dat de menschen, die u hier -zult leeren kennen, héél anders zijn dan zij zich later „beneden” weêr -zullen toonen. Het is dan ook heel gevaarlijk, hier vriendschap—en nog -gevaarlijker liefde—voor iemand te gaan gevoelen, want daar zal beneden -niets dan ellende en teleurstelling op volgen. Wat het is,—ik geloof -niet dat het alleen de ijle lucht is—weet ik niet, maar de menschen -leven hier eigenlijk in een droom. Misschien is het óók de grandioze, -simpele, strenge pracht van de natuur, die het ’m doet, maar zij worden -hier veel beter en zuiverder dan ze beneden zijn. Het is zeker door het -eindelooze van al die heerlijke horizonnen hier om je heen, dat ze -ruimer van opvatting worden, dat de engheden van de conventie -wègvallen, en de stijve, deftige luidjes van beneden hier vrije, -natuurlijke, oprechtere menschen worden. Ik geloof niet, zooals de -dokter, dat het alleen de dood is van de malaria-bacillen, die dit -wonder tot stand brengt. Ik geloof dat de invloed, door de psyche -uitgeoefend, hier veel grooter is dan men vermoedt, ja, dat eigenlijk -het psychische proces de hoofdrol speelt, en den stoot geeft aan het -physische. Je kunt over het algemeen zeggen, dat je hier op Tosari met -een verbeterd, hooger soort menschen te doen hebt dan beneden. En dit -is zóó erg dat ik menschen, die ik beneden heel onsympathiek vond, en -in wien ik geen glimpje van zielemooi meer vermoedde, zóó diep als ze -gezonken waren in den duffen sleur van ’t alledaagsche, hier opeens met -lieve, teedere en subtiele dingen voor den dag heb zien komen. Mooie -dingen, die jaren in hen geslapen hebben, worden hier ineens weer -wakker, en menschen, waar je ’t nooit achter gezocht zou hebben, -spreken hier weer van illusies, en idealen, en poëzie. Het is heusch of -met de reinere, zuivere lucht hier ook de ziel reiner en zuiverder -wordt, en de nevelen er van wegwaaien.” - -—„Maar hoe dan, als ze weêr beneden komen?” vroeg ik nieuwsgierig, en -in spanning. - -—„Ja, ziet u, dát is nu juist de ellende,” zei de oude heer. „Zoodra de -menschen een tijdje terug zijn, beneden, in de hitte, is het weer mis. -Ze zinken binnen een paar dagen weêr in den sleur terug. Menschen, die -hier dag en dag allerintiemst met elkaar omgingen, en om zoo te zeggen -geen oogenblik van elkaar af waren te slaan, gaan elkaar later in -Soerabaia met een stijf knikje voorbij, of ze elkaar nooit gekend -hadden. Het is of ze zich daar schamen voor het mooie, natuurlijke -gevoel dat ze elkaar boven getoond hebben, of ze verlegen zijn, daar -even een gewoon, natuurlijk mensch te zijn geweest. Daarom is het zoo -heel gevaarlijk, hier erg van iemand te gaan houden. Want het is niet -die iemand zelf, waar je dan van houdt, maar de illusie, de droom er -van, zooals die hier even, in die reine lucht, is ópgebloeid. Ik heb -hier een jongmensch gekend, een bizonder gevoeligen jongen, die -vrééselijk is gaan houden van een lief meisje. Zij nam hem zoo’n beetje -als haar cavalier aan, en ze waren altijd samen, en leken wel twee -inséparables. ’s Avonds laat zag ik ze wel eens minnekoozen in een -priëel. Hij stuurde haar verzen en bloemen, enfin, u kent dat wel. Toen -ik hem later nog eens „beneden” ontmoette—ik was erg intiem met hem—en -hem naar het meisje vroeg, zag hij er uit of hij zich schaamde. „Ze is -een héél gewoon meisje, als duizend anderen,” zei hij. „Ze was zoo -stijf, toen ik haar opzocht, alsof ze me bijna niet kende. Er is niets -bizonders aan. En ik begrijp maar niet hoe ik ooit iets in haar gezien -kan hebben.” Maar hij vergat dat ze werkelijk wáár en oprecht, en dus -ook werkelijk bizonder was geweest boven. Ze was alleen maar in den -sleur en de doffe conventie teruggevallen zoodrá ze weer beneden was. -En zoo gaat het met bijna alle menschen hier. Daarom, wanneer u als -jonge man een goeden raad van mij aan wilt nemen, geniet dan hier zoo -véél mogelijk van de natuur, maar neem de luitjes niet al te veel au -sérieux. Je zoudt het hier een tijdelijke, verbeterde editie van -menschen kunnen noemen. Ze zijn allen zoo ongedwongen en zoo lief en -zoo hartelijk. Je zoudt denken, wat is de wereld toch goed, en wat zijn -de menschen toch allemaal beminnelijk! Maar het is héél bedriegelijk, -en iemand met een beetje hart, die wat erg gevoelig is, en zich gauw -aan vrienden hecht, geeft het later niets dan bittere teleurstellingen. - -„En dan is er nog iets. De grandioze horizonnen en vergezichten -verruimen de ziel, maar de ijle, prikkelende lucht werkt heel sterk op -de zinnen, vooral bij vrouwen. Véél wat ge voor lief en adorabel zoudt -aanzien in de uitgelaten vroolijkheid is au fond niets dan -overprikkeling van de zinnen, en het schijnbaar teedere is dikwijls -enkel sensueel. Het is hier dan ook een gevaarlijk land voor jonge -vrouwtjes, en ik heb hier in al de jaren, dat ik Tosari ken, al heel -wat ongerechtigheden zien begaan voor mijn oogen. Maar u moet het nu -maar eens zelf gaan opmerken. U is nu gewaarschuwd, en dat is altijd -een goed ding.” - -Vreemde, oude knorrepot! En toch zoo’n goedig, vriendelijk gezicht.... - -In wat vreemd land van wonderen ben ik terecht gekomen! Een droomland, -waar de menschen allemaal beter zijn dan ze eigenlijk zijn! En ik, die -nog altijd maar niet wijs kan worden, en nog altijd naïef ben gebleven, -ik die met één lief lachje en vriendelijk handgebaar zoo dadelijk ben -te winnen!.... - -Ik ben benieuwd wat daar van komen zal.... - - - - ’s Ochtends op het terras. - -De zon is niet te zien achter de Oosterbergen. - -De vlakte ligt in een zacht-roze gloed van verwachting, een Liefste, -die haar verren Minnaar wacht, en vage blozet. De bergruggen rechts, -met rijen donkere boompjes, liggen blauwzwart in zilverig wit -parellicht. Wat lage cypressen op zijde van het huis staan doodstil in -de lucht.... - -Langzaam vaart een roze gloeien door de hemelen, en er is een zachte -beving, vaag voorgevoel van kleur in de lucht. Eén eenzaam, smal -streepje reeds hangt eenzaam in het Oosten, ijl en bizonder. Het drijft -er vreemd en verloren, maar toch zeer rustiglijk verheven, en door -eigen, innerlijken glans gedragen. Plotseling weêr vervloden.... -Waarheen?.... Fragiele teederheid van èven mooi, en dan niet meer, als -een broze droom, die breekt in ’t niets.... - -De wereld ligt te wachten, te wachten, in vaag verlangen. - -Als eindelijk de zon boven hoogen bergwand opsteekt, een -schitterstralend schild, wègspitsend goud-flonkerende pijlen, gaat een -schok van warmte door de wijd-bevende lucht.... - -De lagere bergheuvelen van het Malangsche in ’t Zuid-Westen liggen nog -onbestemd, droef te peinzen in floers van maar langzaam verblankende, -donkergrijze wolken. Ook laag om den voet van den Ardjoenå ligt nog -weifeling van wolkennevel, sombere drooming. - -Maar vreezeloos, in een luchte verreining, rijst Ardjoenå’s lichaam in -zacht rozen gloed omhoog, zijne fijne omtrekken bevende in ’t licht. -Met een rustigen glimlach ziet hij, als een God eerwaardig, naar de -zon, zijn toppen rood-vergulden. - -Verder westelijk, bij den Penanggoenan, waar ’t ál ligt te wazen, is -het een begin, een vaag vermoeden maar, in zacht ontwaken, waar hij -blauw-grijze droomende omhoog rijst, uit waduwe wade van morgendauw. - -Geel en groen en goud, in zachte verdooving van glanzen, lichten sawahs -en velden door de wijkende nevelen. - -De vlakte is dof tintelend, als een immenze schelp van parelmoêr. - -De zonnestralen vallen breeder en breeder, als fonkelend-gouden staven -uit de lucht, en slaan de bergen met schitterend licht. - -En overal, wijd-rondom, het recht-óppe, evenwijdige staan van de -kuische tjemårås, verspreid op bergkammen en hooge heuvelruggen als -kalme kudden, zéér deemoedig, en zéér tevreden in al het geluk van het -licht.... - - - -Er heerscht een prettige, ongedwongen vroolijkheid aan tafel. Het -lijken werkelijk allen beminnelijke menschen, juist zooals de oude heer -Mehrmann gezegd heeft. En—o wonder—niets van de pseudo-gewichtige -stijfheid en de ridicule afscheiding van rangen, die de indische -maatschappij zoo bederft. Er is een President van den Landraad met zijn -vrouw, een assistent-resident, een kommies, een officier, een employé -in den handel, een chemiker, een controleursvrouwtje, en zoo meer, -allen door elkaar, en allen even hartelijk en vroolijk. - -Mary zit aan mijn linkerhand, en mijn buurvrouwtje aan den rechterhand -is een mevrouw de Vallère. Ik vind haar niet erg mooi; laat ik maar -zeggen leelijk. Ze heeft goud-blonde krullen, los neêrhangend tot op -haar schouders. Nog erg meisjesachtig. Wat heeft ze een vreemd gezicht, -met zoo’n spits toeloopend kinnetje, en wat is ze bleek, met twee -ouwelijke trekken om haar mond! Alleen haar bruine, bijna zwarte -oogen—zoo heel zeldzaam, zwarte oogen en goudblond haar—hebben iets -bizonders, iets koddigs en guitigs, of ze met alles zoowat spotten. Ook -haar neus, een echt mopneusje, heeft zoo iets grappigs. Ze doet erg -vroolijk, en zegt allerlei dolle dingen, maar het gaat haar nog niet -goed af. Ze ziet te bleek, en die trekken om haar mond maken haar te -ouwelijk. Ik vind haar niet prettig om te zien, en had wel een ander -buurvrouwtje willen hebben aan tafel. - -Mary zegt dat ik het zoo niet zie, maar dat er iets erg liefs en teêrs -aan haar is, en dat ze haar graag lijden mag. Ze heeft haar als meisje -in Holland gekend. Daarom ben ik óók een beetje vriendelijk tegen haar, -en bewijs haar attenties aan tafel. - -Maar het ziet er nog heelemaal niet uit of ik mij hier erg aan iemand -zal hechten. De menschen zijn druk, en luidruchtig, en wel aardig. Maar -toch niet om bizonder mee weg te loopen. Ik zal het dus alleen van de -natuur moeten hebben, en van de menschen zal alleen Mary mij innig lief -zijn, mijn goede, zachte zuster.... - - - -’s Ochtends, dikwijls al om tien uur, begint een somber droomen-spel. - -Alles was zoo licht, zoo puur, zoo klaar, een groote glorie was de -wereld in de zon. - -Dáár rijst opeens, langzaam, langzaam, een grijs wolkgordijn, wijd -uit-waaiende over de vlakte, en alles, de blinkende sawahs en velden, -de machtige Ardjoenå, en de Kawi, en de Penanggoenan, zinkt -geruischloos weg. Al hooger rijst het, en hooger. Van uit de diepten -der ravijnen stijgen duistere, sluipende nevelen, glijden voort als -trage slangen, kruipen omhoog tegen de hellingen, en spreiden zich -langzaam, langzaam uit in wuivende sleepgewaden. - -De treurig-grijzende misten drijven over de bergkammen, -droevig-dreigend, en de teêre tjemårås zinken dieper, dieper in het -niet. Hier en daar blinkt nog een glanzend koolveld tegen bergwand, en -een eenzaam groepje boomen staat vreezeloos op hoogsten top, tot ook -dáár de vage nevelen rijzen, en de wijde, witte wade wuivende vaart. - -Het lijkt nu alles eeuwen, eeuwen oud, en van een vèr verleden.... - -Al hooger en hooger gaat het, zwijgend, somber, onverbiddelijk, en des -doods.... - -Al ’t schitterende schoon van nog zoo kort geleden is nu duizel-diep -gezonken. - -Overal, dik-grijs, de wolken en de zware nevel, langzaam wuivend en -wemelend, met stuivenden damp. - -Koud en eenzaam sta ik op het terras, en huiver. - -Overal, òm mij, boven en beneden, een grijze woestenij, het is als -duistere, duistere zonde, alle dingen zijn dood, en vèr-verloren. Het -is als een wreede creatie van kwaad, die daar ligt te broeien in -somberen, zwarten nacht, meedoogenloos en onverzoenlijk.... - -Nu gaat het àl verzinken, het leven en het licht, en niets is òm mij -dan de wijde, wilde chaos van duister Niets.... - - - -Vannacht, het was tegen drie uur, werd ik wakker. Nu even op het -achtergalerijtje gaan kijken in den nacht.... - -De nevelen hadden de bergen weêr genomen. Ik staarde, staarde, maar -niets was te zien dan de dikke, grijze mist. Alleen de vage vormen van -een paar tjemårås, weifelend en onreëel. - -Het zachte vallen van dauwdroppen door bladeren.... - -Het eenzaam getjirp van een krekel maakt den nacht nog stiller. - -Nu en dan sonore vlagen, het statig-streng metaal-gezang van den wind -in dennen. - -De koude nachtlucht huiverend langs mijn hoofd. - -Alles zoo duister, zoo vol bang geheim in fantastischen nevel, en de -lucht zoo wreedelijk koud.... - -Maar hoor! hoor! daar diep in het donker ravijn beneden, het reine -ruischen van een waterval, zachte rythmen in den nacht, zoo vertrouwd, -zoo altijd door bereid, in rustelooze laving. Het is als een -wèl-bekende stem in ’t diepe duister, klinkend van liefelijken troost, -zoo van: „het zal toch heusch wel goed worden,.... alles komt in -orde,.... blijf maar vást vertrouwen”.... - -En van een grooten vrede vervuld, gansch rustig, leg ik mij weer te -droomen in het zachte bed. - - - -Ik mag nog niet uit, en moet nog een paar dagen binnen blijven. Alleen -mag ik wat heen en weêr wandelen op het terras. - -Maar ik hoor zoo aan tafel allerlei verhalen van wandelingen, die ik -later natuurlijk óók ga maken. Er zijn hier overal mooie plekjes en -wegen, hoor ik, met aparte namen. Dat klinkt zoo intiem en zoo prettig, -net als vroeger de wandelingen in Holland. Ik heb dat in Indië nooit -meer gehad. Het is er te warm, en te drukkend, om veel te loopen, en de -zon schijnt er dadelijk te fel. Maar hier komt alles van Holland -blijkbaar weêr even mooi terug. - -Ik heb die namen allemaal opgeschreven om ze goed te onthouden voor -later. Je hebt b. v. het Leverlaantje,—dat hóór ik nog ’t meest -noemen,—het eenige laantje hier, dat bijna geheel vlak is, en waar je -niet behoeft te klimmen, zoodat zelfs leverlijders er kunnen -wandelen,—je hebt het Meijer- of echo-laantje, den weg naar de -Moulijnsbronnen, de wandeling langs „de drie dessa’s,” [3] en het -Karrenplateau. Je hebt de Doktersvallei, de „dertien watervallen,” het -Junghuhn-pad, het Voorhoeve-plateau, de Veths-hoogte. De grootste -uitstapjes zijn naar de Zandzee,—den grooten Tĕnggĕr-krater, met zijn -drie vulkanen, de Bromo, de Batok, en de Widodaren,—naar den -Penandjaän, den hoogsten top van het gebergte naar Soekapoera, door de -Zandzee over Ngadisari,—en naar Nongko Djadjar. - -Sommigen gaan nog veel verder, naar de meren van den Semeroe, naar den -Semeroe zelf, maar dat zijn tochten van vijf, zes dagen, en daar zal ik -vooreerst wel niet aan mogen denken.... - -Ik luister nu maar vast heel tevreden naar al de verhalen daarover aan -tafel, en probeer mij een voorstelling te maken van al wat mij nog te -wachten staat. - -Vooral mijn buurvrouwtje, mevrouw de Vallère, houdt mij goed op de -hoogte. Ze is al in de drie weken dat ze hier is zoo wat overal -geweest. In de laatste week ging ze iederen dag heel vroeg met Mary -uit, om zes uur ’s morgens, en ze klimmen twee uur lang over bergen en -scharrelen door woeste, dichtbegroeide ravijnen of het zoo niets is. -Mevrouw de Vallère, of laat ik maar liever zeggen Annie, want zoo noemt -Mary haar immers altijd, is een onvermoeide bergwandelaarster. Mary -plaagt haar door haar „een klipgeit” te noemen, omdat ze zoo vlug over -de rotsblokken en beekjes heenspringt. - -Het is merkwaardig, zooals dat vrouwtje hier verandert. In ’t eerst -vond ik haar bijna leelijk, zoo bleek en afgemat zag ze er uit. En nu -is ze heusch bijna mooi, en zeker erg, erg lief. Het is of die -heerlijke lucht hier een nieuw, jong leven in haar gewaaid heeft. Ze -heeft een prettigen, rooden blos op haar wangen gekregen, haar oogen -zijn gaan schitteren, en er is, ik weet niet wat voor veerkrachtigs, -levenslustigs en prettigs om aan te zien aan haar gekomen. Het is nu of -er een warm, tintelend leven uit haar stroomt. - -En die vroolijkheid, die kinderlijke, ongedwongen, dolle pret die ze -kan hebben! Die hebben wel is waar bijna alle gasten gekregen, maar zij -toch wel het ergst. Ze komt soms dansende en zingende aan tafel, gooit -een paar kennissen met bloemen en water, maakt de koddigste grappen om -niets, en ziet van alles alleen het kluchtige en het aardige. - -Vroeger zou ik dat, geloof ik, te bruyant hebben gevonden, en niet te -hebben. Maar hier doet het mij goed. Het is toch heusch wel eens -prettig, zoo gul te hooren lachen en zoo’n vreugde om het leven te -zien. Het hoort zoo heelemaal bij de omgeving hier, en bij die reine, -zuivere lucht. Ze lijkt eigenlijk nog een groot, dwaas kind, altijd vol -grappen en streken. Ik noem haar dikwijls plagend „het clowntje,” en ik -geloof dat ze een beetje trotsch is op dat naampje. Toch heeft ze veel -verdriet gehad, zegt Mary. - -Toen ze achttien jaar was, nog een erg kind, is ze getrouwd met een -vriend uit haar jeugd, van wien ze dol veel moet gehouden hebben, een -echte jonge-meisjes verliefdheid. - -Twee maanden na het huwelijk stierf hij aan acute longontsteking, een -gevolg van influenza. Het eenige dat zij van hem terugzag was haar -kindje, dat acht maanden na zijn dood werd geboren, en sprekend op hem -geleek. Ze is dan ook dol op het kereltje, omdat het de mooie oogen van -zijn vader heeft, en in al zijn beweginkjes en gebaartjes aan hem -herinnert. Toen ze pas negentien jaar was, kwam er al grijs haar -tusschen haar blonde krullen, zegt Mary, en het was aandoenlijk om te -zien, dat kind-vrouwtje met die grijze haren. Nu ze haar krullen los -draagt, zie je ’t niet meer zoo, en weet ze het te bedekken. - -Maar Annie was te levenslustig en te vroolijk om lang te treuren. Een -groot verdriet paste zóó heelemaal niet bij haar, dat ze heel kort na -den dood van haar man weer uitging en pret maakte. Zoo was ze nu -eenmaal, ze kon er niets aan doen. Er zat te veel jong, bruischend -leven in haar. - -Nù was ze weer hertrouwd, met een majoor van het indische leger, een -vriend van haar vader, die al met haar gespeeld had toen ze nog een -kleine kleuter was. Ze is een „handschoentje,” zooals ze dat hier -noemen. Juist toen ze op zee was, werd hij naar Pedir overgeplaatst, -zoodat ze haar man nog niet gezien heeft. Ze heeft toen eerst bij zijn -moeder in Semarang gewoond, maar daar pakte de malaria haar zoo aan, -dat de dokter haar aanraadde, direct naar Tosari te gaan. - -Mary gelooft niet dat Annie erg diep en innig van haar man houdt; zij -ziet meer in hem een vriend van haar vader, iets sterks, waar ze zich -aan hechten kan, zwak en teêr als ze is, iets veiligs, en veel grooter -dan zij, dat haar beschermen kan, en waar ze goed „bezorgd” bij is met -haar kindje. Ook vindt ze het wel goed staan om majoorsvrouw te wezen, -en een beetje deftig te zijn, zegt Mary. Maar zusje vindt het toch niet -sympathiek, dat nieuwe huwelijk van haar. Annie weet nog in ’t geheel -niet wat eigenlijk echte liefde is, zegt Mary, het is nog maar enkel -een simpel, groot kind, dat van het leven niets begrijpt. - -En Mary, die zoo gauw iemand doorziet, en die Annie al als schoolmeisje -heeft gekend, zal zeker wel gelijk hebben. - -Maar ik ben toch blij, dat zoo’n vriendelijk, vroolijk wezentje, zoo -heelemaal „débordant de vie,” zooals een fransch schrijver zou zeggen, -hier opeens zingend en lachend in mijn leven is komen staan. Je voelt -je waarachtig zélf weer een beetje kind worden als ze bij je is. - -Ze steekt het geheele hôtel aan met haar uitgelaten vroolijkheid. - -’s Avonds, in de conversatie-zaal, verzint ze allerlei spelletjes, en -je ziet er van die deftige heeren en dames uit Soerabaia, die blindeman -spelen, en slofje onder, en pandverbeuren, of ze nog in hun eerste -jeugd zijn. - -En, waarachtig, ik schaam me een beetje voor mij zelf—wat zouden al die -„artiesten” in Holland wel zeggen, als ze ’t wisten!—ik ben zelf óók -meê gaan doen, toen Annie het zoo lief kwam vragen, en ik ben de blinde -man geweest, toen er voor het eerst dat dolle spel gespeeld werd, -„American Post.” - -Waar je al niet toe komt, zoo hoog in de witte wolken! - - - -Vanmiddag, in een fuchsia-struik voor mijn venster, zag ik een wonder -vogeltje. [4] Ik heb nog nooit ergens zóó intenze, schitterende kleur -gezien. Boven op den kop fonkelde lichtgroen. De rug licht-grijs met -een smal dons van wit bont als rand er omheen. Het borstje licht -vuurrood, sterk hel, en ’t buikje zwart. Het rood is ’t innigste en -vlamt boven de andere kleuren uit. - -Dit is een van die vogeltjes, die je plotseling in een wolk uit -rood-bebloesemde dadap-boomen ziet vliegen, en zóó schitteren hun -borstjes in de zon, dat ze zijn als vliegende, roode bloemen, die van -louter vreugde opeens opjubelen in de lucht.... - -Stil, voorzichtig, heb ik zitten spieden. Het keek in een kelkhart, -pikte even, en dan, trip, op een ander. Zóó licht is het, dat de lichte -bloem bijna niet beweegt. Dan, ineens, wiet! weg, en daar gaat het, als -een fonkelende vonk vuur, rank, kleurig gelukje, hoog in de lucht.... - - - - 23 October. - -Van ochtend vroeg stond ik op het terras vóór het Hôtel, en zag vèr -over de wereld beneden mij. - -Klaar en luister was de morgen boven de lichte vlakte van het paradijs. -Een wijde schittering van kleuren, geel, en groen, en goud, van -dauwe-vochte sawahs en velden in de zon. - -Het dal tusschen Ardjoenå en Tĕnggĕr, daar in het zuidwesten, waar -ergens Malang ligt, is een bed van sneeuwen wolken, glinsterende -prachtwolken, als glanzend blanke stoom opgehoopt, in stralende glorie. -Daarboven rijst de Ardjoenå lichtblauw in de jonge lucht. - -Hoe stil en heilig ligt dat sneeuwen wolkenlandschap daar, door glans -van eigen goedheid gedragen! Roerloos ligt het te schitteren in zijn -vlekkelooze schoonheid, en toch beweegt het, ziet hoe langzaam, -langzaam drijvende die blanke lichtwolken zweven àf, en zachtkens vèr -en verder, rijende tot eindelooze krans van sneeuwen bloemen in de -lucht! Rondom, wijd uit—van het donzen dal is het aangekomen—droomen -die blanke lichtengelen door de hemelen, in schitterende gewaden, en -verzweven zoo zachtekens, zoo zachtekens boven de zonnige vlakte, naar -de horizonnen van de zee. - -Vèr over die verre wateren, die lumineeren van bevend licht, het -goudgroene eiland Madoera, vaag en weifelend als een zachte belofte van -liefde.... - - - - ’s Avonds. - -In de late schemering weer op het terras, en.... wonder! wonder! - -Waren uchtends die witte wolken uitgevaren, in zoo kalme, blanke -pracht, en dreven luchtig van boven de vlakte wèg naar de zee, in zoo -blinkende vreugde, nu is het donkere lijden in de hemelen gekomen, en -weedom waart rondomme. - -Ziet, loome en droevig zweven de smartwolken aan van de zee, langzaam -drijvende naar het dal, waar ze doodmoê gaan liggen, somber-donzende de -een op de ander, een donkere droom. - -Die zwartende sneeuw daalt over het duistere dal, zwaar-gedragen. Het -groote godenlichaam van Ardjoenå is van die droefenis overtogen, maar -zijn heilig hoofd heft hij kalm en statig daarboven, en in een eenzaam, -wijs gelooven rijst hij rustig boven het donkere leed. Om zijn trotsche -toppen een zwevende wolkenwade, die het scherpe verreint tot een -effenheid van zachte, gelatene lijning. Lichtgrijs staat hij verrezen -tegen donker-leiblauwe lucht. - -Lange sleepgewaden waaien wijd over de vlakte, wuiven en wuiven, -verglijden langs dalen en ravijnen, en trekken rekkend, langzaam -langend òp tot hooge hellingen. - -En daar vér, vér, achter nevelsluieren, die vaag waaiende heen en weer, -de zee, in duisteren deemoed.... - -O! Het doodsdroeve, stille lijdensdal daar beneden, onder het grauwe -dek van sombere wolken-sneeuw, zoo donzen-donker, en eindeloos -zacht!.... - -Maar, wonder van genade, in ’t Oosten, in reflectie van zinkende zon -achter Westerbergen, hóóg in de hemelen, één groote, blanke triomfwolk, -schitterend met gouden randen, door een innerlijken, heiligen glans -gedragen, zoo hoog en veilig, vèr van het donkere leed, een mirakel van -glorieuze goedheid in de lucht, rayonneerend en lumineerend als een God -de Vader.... - -Stiller wordt het, en stiller.... - -Doodszacht, en langzaam verdonkerend tot zwartblauw de donzen -lijdenswolken boven het dal. - -En de Ardjoenå, zoo wèl-bewust, en gansch gelaten, rijst nog altijd met -omsluierd hoofd boven dat hooger en hooger stijgende leed, en ziet met -een subliem, wijs gelaat in de eindeloosheid, eenzaam en grandioos -boven de werelden. Een groote wijding beeft om hem heen.... - -In de verte kwijnt de slanke kegel van den Penanggoenan langzaam àf in -het waze; nog èven, èven, en zinkt zachtekens weg in het niet.... - -Zwaarder en zwaarder daalt de avond-nacht met sombere schaduwen.... - -En plots, uit de groote schitterwolk, weerkaatsend over al het donzen -donker met rillend huivertrillen, schiet de blanke bliksem door de -hemelwerelden, straal-vliegend door het firmament. - -Even beeft het over het wijze hoofd van den Ardjoenå, met wonderen -glans.... - -En, zóó verrezen, drâ weer weg boven de èven lichtende bliksemsneeuw, -de zachte, blauwe golvingen van den Kawi, die ligt als een slapende -Maagde in den nacht.... - -Somber gromt de donder mompelend over de donkere bergen, met -droef-sonoor oproer-gerucht roerend de lucht.... - -Dàn is het weer stil, en geen geluid stoort het zware zwijgen. Donkere -schaduwen waren rond, als sombere giganten. De schitterwolk wordt zwart -en zwarter, en zijn glans vergaat.... - -Maar, hoog en vreemd, in open-drijvend hemelmeer van ernstig blauw, één -stille ster, zéér rustig en sereen.... Het droeve wereld-leed is daar -gansch vèr beneden en zij staat daar, veilig en onvervaard, een wonder -van goedheid in de lucht. Lichter en lichter straalt zij, nu het -duister al zwaarder en zwaarder neêrzijgt over de wijde wereld-nacht, -zijn breede, zwarte wieken spreidend boven den donkeren chaos van -wolken, wijl de bliksem bij korte poozen zijn wit-stralend licht flitst -boven het diepe, droeve Niets van nacht-mysterie.... - -En ik, moede zwerver, sta daar, bang bevangen boven die eindeloosheid -van donker lijden, waar mijn ziel van weent. - -Eenzaam en grandioos ligt de sombere wereld-droom aan mijne voeten.... - - - -Met een vreemde beklemming bevangt mij de gedachte dat dáár, vèr in ’t -Zuiden, waar de hoogste bergruggen uitloopen in kringvormigen rand, -ergens in een diep, diep dal, de wijde zandwoestijn moet liggen, waar -de sombere Bromo broeit. Ik hoor er elken dag over praten door -menschen, die er geweest zijn, en elken dag lees ik er over in -Junghuhn’s werk. - -De Dâsar, of Zandzee, [5] een zandvlakte van een gehééle geographische -mijl middenlijn, is ééns één groote krater geweest, de groote krater -van den Tĕnggĕr! Later is de ontzaglijke krater met zand bedekt, maar -nieuwe kraters vormden zich in die woestijn, de Widodaren, de Giri, de -Bromo, de Batok, de eerste drie bij de eruptie vretend in elkaar, de -laatste apart en ongeschonden. De Bromo alleen is nog actief, en werpt -dikke rookwolken op, somtijds—om de zeven jaren, hoor ik—uitbrekend in -eruptie. - -De reizigers gaan van hieruit naar den Moengal-berg, aan den -Noordelijken kraterrand, om langs den Moengal-pas af te dalen in de -Zandzee Dâsar. - -Maar het mooiste gezicht op de zandwoestijn moet zijn van den hoogsten -bergtop in het Zuid-Oosten, de Penandjaän. - -Vanuit den Moengal en den Penandjaän moet ook de Semeroe te zien zijn, -of Maha-Meroe, de hoogste vulkaan van Java, altijd door in werking. - -Als ik zoo het groote licht hier zie over de bergen met blinkende -koolvelden, en de kuische tjemårås staan zoo teer tegen de blij-blauwe -lucht, alles zoo vol vreugde en leven, dan word ik bang bevangen door -het denkbeeld dat, dààr, achter de hooge bergwanden van ’t Noorden, in -wreede, diepe wonde, steil in dal van afgrond, die dorre, grauwe -woestijn ligt, met dien somberen, rookenden vulkaan, en het wereld-vuur -brullend en broeiend onder de aarde. - -Het moet wel zijn als inééns de dood na het lichte leven, als de zonde -na heilige deugd, als het kwaad, grimmig en fel, na ’t warme, zachte -goede. - -Een duitsch reiziger noemde het hier dan ook „Ein Paradies am -Höllenrand,” hetzelfde wat een bekend geograaf van de Sandwich-eilanden -zeide. - -En het enkele idee van die wijde, wijde woestijn, dáár ergens achter -die hooge bergmuren, vermengt het lichte geluk om al het schoone rondom -met een droeve, altijd-door terugkomende sensatie van sterven, en -vergankelijkheid, en zonde. - -Somtijds, heel zelden, stijgt plotseling een groote rookwolk, -zwaar-grijs, triomfantelijk boven de donkere bergkammen in ’t Zuiden, -opgerezen uit den somberen muil van den krater, diep uit het vuurgewoel -der brandende aarde...... - - - -Vanavond, op het terras vóór het Hôtel, uitziende in de schemering, na -zware regenbuien, en verwachtend niets dan dikzwart donker, half bang -even kijkende. En plotseling, o heerlijk wonder, een apothéose van -teederheid. - -Door den regen ópgeklaard tot allerteêrsten, zachtst schitterenden -staat, was de verreinde avondlucht vaag wemelende over de wereld daar -vèr, vèr beneden, bevende in zóó broze breekbare essence. - -De kuische atmosfeer van schemering was als een reine engelen-aether -over verheerlijkte regionen. En in die wijding van trillend, -doorschijnend licht lag de vlakte, in zacht avondblauw, zóó -wondervreemd, in zóó subtiele, vaag vervluchtigende kleuren, dat het -geen werkelijkheid meer leek, maar een goddelijk visioen. - -De Ardjoenå, èven maar zichtbaar, waasde weifelend in het duister van -de hemelen, en de maagdelijke lijn, die van zijn hooge toppen af droomt -langs de vlakte, om dan zacht óp te vleien naar den kuischen -Penanggoenankegel, vèr en vèr, beefde door de lucht in zachte -verteedering, als een vage melodie.... - -Ik staarde, en staarde, en kón het niet gelooven, dat zóó schoon mijn -wereld was. Even zag mijn ziel de ziel van het avondlandschap, zoo -eerwaardig opgeschenen in dat heilig uur, die zich in zóó groote -teêrheid wel even, in allerreinste essence kon geven.... - -Toen verging het zachtjes, in vage wazing, langzaam en voorzichtig, -droomelend weg in dommelend vervlieden.... Zóó ging het vàn mij, -zachtekens verzwevend, als alles wat héél schoon is, te broos om lang -te wijlen.... En een ijle, witte nevelwade voer loome aan, van vèr uit -de zee, en hulde het alles kuischelijk in blanke gewaden, fijn als -engelen-sluieren, in zachte schittering van transparant licht, onder -het teeder doorbreken van een milde maan.... - - - -Den gehéélen middag had het geregend. Om half zeven ging ik nog even -wandelen in ’t Leverlaantje. De avondhemel was zacht opgeklaard, met -vegen wolken, en van een diep, ernstig blauw, met hier en daar vage -vlagen rood en rose. Ik wandelde even door het intieme, vertrouwde -laantje, zachtjes dalend. Peinzend op den heuvelrug rechts boven mij -een groep stille tjemårås. Hun roerlooze vederpluimen bewegen niet in -de zachte lucht. Een vrome wijding beeft om hen heen. Zacht vallen de -regendroppelen, met licht gerucht. De ravijnen links zijn donker, met -de zwarte contouren van boomen vaag te zien in het duister. - -Nu, een hoek om, en dan ineens, recht voor mij uit! - -Hoe ontzaglijk golven de donkere ruglijnen der bergkammen, een sombere -melodie in het avondblauw! Overal, ringsom, die hooge muren, zwart en -somber. Ziet, in het Zuid-Oosten, de ópblokkende massa van den -Penandjaän! Ik weet, ik weet, daarachter ligt de vale Vallei des Doods! -Maar naast mij weer de kleine dennen, met hun neêrhangende vedertakken, -onbewegelijk. En hoor! hoor! het beekje ruischt in ’t ravijn beneê, -murmelend lief mysterie, dat niemand weet.... - -Hoog in de bergen, bij Wonokitri, lacht een jongen, en jodelt hoog in -de lucht.... Dàn even stilte.... En vér beneden, in ’t ravijn, -antwoordt een ander.... - -Ziet, een ster blinkt met zachte praal hoog in ’t pieuze donkerblauw -van den avond.... - -Het is stil nu, en ik ben zoo gansch alleen. Vèr zijn de geruchten der -wereld.... - -En, in de zachte daling van den nacht, met die roerloos staande boomen, -onder het ritselend vallen der reine regendroppen, komt een oud leed -langzaam opwellen naar mijn oogen, het leed om de Eéne, die lang -verloren, maar nooit vergeten.. - -En het is mij opeens, als voel ik om mij henen de essence van wat het -edelste en immaterieel in haar was, en wat onvergankelijk is. Neen, -nooit, nooit kan het sterven, en het is nu bevende in het ernstige -schoon van de werelden, waar het ééns van uitstraalde in háár teêr, -bloemeblank lichaam, en toen weer zacht henedroomde, puur en onbesmet, -in allerreinsten staat.... - - - -Ik begin nu kleine wandelingen te maken. - -Den weg achter het Hôtel loopende, en nu niet links afslaande naar het -Leverlaantje, maar recht door, kom ik langs het berri-berri-gesticht en -de dessa Ledoq. Daar wordt het pad smaller, en begint te dalen, -plotseling àfloopende in een smal, nauw dal tusschen hooge, massale, -zwaar-schaduwende bergen. - -Overal, rondom, in ’t hooge, rijzen de sombere gevaarten, met breede -hellingen vol koolvelden en rijen tjemårås. Ik zie het, klein, van -beneden eerbiedig aan. - -Hoe kalm en eenzaam hier! - -Een beekje klatert stil-kletterend van rotsen, en vult de ijle lucht -met zacht gepraat.... En hoor, daarginds, nòg zoo’n vaag-murmelend -geraas... Twee stemmen in de stilte, zoo rustig, zoo stemmig -bescheiden.... - -Nu even hier zitten op een grijs rotsblok, met het water onder mij -door. Die heilige, zware, zwijgende stilte rond-om!.... In de verte -alleen nog het zacht-bronzen klokgeklingel van een pikelpaard. - -....Héél ver en hoog, langs het steile, smalwindende pad van Ngadiwono -om den bergwand, komt een paardje, beladen met gras, voorzichtig -stappend, voorzichtig.... Hoe ernstig klinkt dat klokje om zijn -hals!.... - -Hoe plechtig staan die stille, wijze varens langs de hellingen, wijd -uitplooiend hun wuif-waaiende waaierbladen! Hoe innig staan de ranke -tjemårås omhoog naar het licht! - -En die lucht, die heerlijke, goedertieren, versterkende berglucht in je -longen! Je voelt het pure leven wijd-ademend in je lichaam vloeien. - -Die koelte, die kalmte, die reinheid, die rust! O! ik dank u wel zéér, -Gij die dit alles gegeven, uit Wien ál deze weldaden zoo gul -gevloeid!.... Luister nu, luister naar ’t zacht gepraat van het beekje, -dat in vreugde-ruischend rythme langs de rotsen schiet, en heel de -lucht wordt melodieus van zijn lief gerucht.... - -Heb ik ’t dan nu eindelijk gevonden? - -Niets dan dit:.... de blauwe zomerhemel, de goede bergen, de heilige -boomen naar ’t licht, en ’t wuivende groen.... - -Dit is het ware, simpele leven. Ik ben een rustig, rein kind van de -Natuur. Ik ben als een boom, als een blanke bloem in dit schoon.... - -En mijn goede Moeder buigt zich zacht over mij heen, licht en -liefelijk.... - - - -Wat hebben al die dessa’s hier dichterlijke namen! b. v. Tosari, dat -wel een afkorting, of samentrekking zal zijn van Kertosari, beteekent, -„heilzame bloem;” „bloem, [6] die heil aanbrengt.” Telogosari beteekent -„bloemvijver” (in het bosch of struikgewas); Baledono „een rustplaats -(divan) gevend;” Wonokitri „een bosch van vruchtboomen;” Proewono -„reeds van de vroegste tijden bestaan;” Sedaeng „plaats waar -buitengewone sirih groeit;” Ngadiwono „gelijk een bosch;” Ngadisari -„gelijk een bloem;” Kertanom „heilrijke jeugd;” Wonomerto -„heilaanbrengend bosch;” Nongko Djadjar „nangka-boomen, op rijen -geplant.” En, eigenaardig, de hooge dessa Pådåkåjå, in ’t Zuiden -tegenover ’t Hôtel, heet „allen even rijk,” een bijnaam, spottend door -de andere dessabewoners gegeven, toen deze dessa het eerst een gamĕlan -had aangeschaft. - -De Tenggereezen, die hier wonen, het overblijfsel van de Boeddhisten, -voor den Islam hier naar de bergen gevlucht, zijn een eenvoudig -natuurvolk, weinig hartstochtelijk, en simpel van zeden. -Vrouwen-perkaras komen hier nooit voor. Diefstal is zoo goed als -onbekend, en de huizen zijn ’s nachts voor het meerendeel open. Alleen -dáár, waar het volk met Europeanen van nabij in aanraking komt, b. v. -in de dessa Tosari, is het wat ontaard en bedorven. Maar dieper de -bergen in, is het weer beter. - -Als ik zoo het harde, simpele leven zie van die eenvoudige bergmenschen -hier, dan schaam ik mij over het weeke, onnatuurlijke van ons zoo -verfijnd bestaan. Misschien zijn die menschen in hun ruwheid en -onwetendheid, toch heel wat zuiverder dan wij, omdat ze bijna heelemaal -één zijn met de natuur. - -Vanochtend zat ik weêr in het dal bij de watervalletjes, op den weg van -Tosari over Ledoq naar Ngadiwono. Overal in het rond de hoog-rijzende -berggevaarten, die het dal ringsòm omsluiten, met de blinkend groene -koolvelden tegen de hellingen. - -Wat jongens boven in die velden, zij jodelen en zingen van pleizier, -schelle keelgeluiden, hel door de ijle lucht. Zij die nog aankomen, vèr -beneden langs smalle paadjes, zingen lagere, somberder tonen. En ’t is -merkwaardig, hoe harmonieus dat gezang samensmelt met het murmelend -geruisch van de watervallen, met het bronzen klokgeklingel van -paardebellen, met het zacht gonzend metaalgezang van den wind in -dennen.. - -Daar komt een vrouw aan, in donkere lompen, een zuigeling vastgesjord -op den rug. Achter haar een meisje van een jaar of acht, óók al met een -klein kleutertje op den rug. En een naakt klein kereltje er springend -achter. Ze dragen messen en sikkels, gaan hout hakken en kool snijden, -hoog in de bergen. Hoe resoluut stappen zij voort, de vrouw diep -gebogen, in tegenwicht voor het kind op den rug; hoe vlug gaat het den -berg op, zonder morren, gewoon als zij zijn aan het zwoegen, gansch -onvervaard.... - -Nu komt een oude inlander op een klein, vuil paard, op een hard, houten -zadel. Hoe het beestje dapper het steile pad opklimt, zoo vlug en toch -voorzichtig zijn pooten zettend op den rotsigen grond! - -En nu, ineens, ik kijk er verschrikt van op, een mooi kind van den -Tĕnggĕr, een meisje van, geloof ik, veertien jaar, groot en sterk. -Zooals ze daar met den mooien berggang, diep in de knieën zinkend, -omhoog loopt. Een prachtige, donkerroode gloedkleur op het bruine -gezicht, en haar groote, zwarte oogen vol glans van de zon. Ze heeft -een langen, puntigen stok in de eene hand, een kleine sikkel in de -andere. Ze is vuil, maar van een grandioze vuilheid. Er is iets -heerlijk gezonds, jongs, krachtigs aan haar. Je kunt zien, ze is al zoo -wat één met de bergen, de vruchtbare aarde, en de reine lucht, ze lijkt -er zóó uit ópgebloeid vol sterk, zwellend leven. En ik voel ineens een -vreemde sympathie voor haar, een warme aantrekking voor al dat -natuurlijke, hartelijke, gezonde. - -Daar gaat ze, mijn brave meid, met stevige stappen den steilen berg op, -doorneigend in de knieën, zoo heelemaal aangepast aan al het sterke en -zuivere van de natuur om haar heen, een kind van den Tĕnggĕr.... - -En opeens, ze weet het zelve wel niet, zingt haar schelle, hooge -sopraan een jodelenden jubel in de lucht, onbewust, zooals een vogel -wel zingt tegen het licht. Tonen van trillende vreugde in het leven, -van heerlijk gezond plezier om het mooi rondom, van zelf opgeweld uit -haar jong, onbezorgd gemoed. - -Zóó gaat ze me jubelend voorbij, de stevige borsten gespannen, -trillende in het half-open baadje, haar jong, mooi meisjeslichaam -zwellend in welige vormen, haar krachtige heupen nauw omsloten door de -strakke sarong, met de prachtige, gespierde beenen naakt in de zon, -vliedend zoo vlug en geruischloos over den rotsigen grond.... - -En dit is misschien de eerste keer, dat ik een zuiver, gezond meisje -gezien heb, zooals het, simpel en onbewust, bedoeld is, in de pure, -reine, goddelijke natuur.... - - - -Niets dan dit: - -Ik zit in het eerste priëel op het terras, het mooie, dat zoo dicht -omlooverd door indische kers. Het is bijna nacht. Vèr, in -maanlichtwaze, de al-goede Ardjoenå, die uit lichten nevelwaduw rustig -rijzend, het godgenadig hoofd opricht, in kalm geheven staat.... - -Vlak vóór mij een groote, wijze varen, wijd-uitspreidend zijne -prachtwaaieren in ’t maanlicht, in rein zich geven.... Zóó is het goed, -zóó is het goed, en zij beweegt niet in de stille lucht, zóó gansch -tevreden.... - -Een krekel neuriet zacht in ’t gras, en piept de diepe stilte somtijds -dieper, stiller.... - -De statige sterren klaar en pralend in egaal-blauwen -maannacht-hemel.... - -En, opeens bewust gezien, de zwaar-zwartende golflijn van den bergrug -links, in ’t Westen, zoo donkerscherp tegen de lichtende lucht. Dat -zware ópgaan, dat zwijgend rekken, dat zacht weer neer, want wel -moéten, maar toch weer strekkend rekken, rekken, rekken, angstig zwart. -Ai! het scheurt de stille lucht.... - -En een vreemde angst bevangt mij, zóó dat ik huiver, en ijlings terug -vlucht waar het huis is, waar de lampen branden, en misschien nog -menschen zijn.... - -Dáár is de vreugde en ’t leven.... En Mary.... En Annie, die lieve -vrouw.... Zou zij er nog wezen?.... Zou zij nog niet zijn slapen -gegaan?... O, nú haar rank, lucht figuurtje, nú haar vriendelijk -gezichtje met den warmen, lichten lach!.... O, nu wat liefs en zachts -voor mijn arm, kloppend hart!.... - - - -Weêr een wandeling in het lievelingspaadje, bij vallenden avond.... Het -Leverlaantje.... Overal die hooge, hooge bergkammen.... Die weggetjes -daar zoo zacht tegen.... In de ravijnen hangen zware nevelen, -onmerkbaar langzaam stijgende. - -Zóó loopen droomelen, zonder eigenlijk te weten van wat rondom. En in -eens: - -O! hoe daar boven op dien donkeren bergrug, tegen zilverparelige lucht, -hier en daar droef van moede, grijze wolken, de stille tjemårås staan! -Zoo vreezeloos, en toch zoo diep in deemoed, staan zij te wachten, te -wachten in het late licht.. Die fijne stammetjes, zoo teêr òpgaande, -evenwijdig, zonder verschil, zoo zacht-tevreden! Die kuische takjes zoo -zoet uitgespreid in dat parele, milde schemerlicht.... Die roerlooze -vederpluimen, zoo plechtig nederneigend, in heilige stonde.... Zoo -hoog, zoo vèr-hoog staan ze, op donkeren bergkam! Zóó rijen ze, hand -aan hand, de liefelijk gelede, en kijken zoo zacht van uit die duistere -hoogte, vèr in het eenzame eindeloos van de hemelen, onvervaard, en -kalm als kinderen.... - -En een groote teederheid daalt zachtkens over mijn hart.... O! om een -lieve hand nu, om stil te strelen, o! om wat vriendelijk lachen nu van -een milden mond, o! om een héél klein beetje geluk nu voor een armen, -moeden zwerver.... - - - -Vreemd, vreemd.... Ik begin mij zoo aan dat vroolijke vrouwtje Annie te -hechten.... Ik voel me zoo blij, als ze ineens de kamer binnenkomt, en -ze lacht me vriendelijk toe.... Het doet me zoo goed, in haar -schitterende, donkere oogen te zien, en haar stem te hooren.... Ze is -zoo iets echt gezonds, vol vreugde, en vol levenslust, er is iets van -de reine berglucht aan haar, en de pure winden, en het blinkend -groen... Ze hoort zoo heelemaal bij de eenvoudige, groote natuur hier! - -Mary plaagt me er al meê, en zegt, dat ik nog eens „verliefd” zal -worden. Ik verliefd! Neen, dát is het niet, dat is héél anders. Maar -wat is het dan?.... Het is, geloof ik, alleen het gezonde leven, dat me -zoo in haar aantrekt, het simpele, onbewuste, zonder denken gelukkig -zijn.... En toch nog iets méér ook.... - -Maar ik wéét het niet, en ik behoef het ook niet te weten. Alleen voel -ik heel vast en zeker, dat het rein is en zonder slechtheid. Ze is voor -mijn ziel wat de zuivere, klare, pure lucht is voor mijn lichaam.... - - - -Wij hebben nog een paar prettige menschen gevonden. Sophie Wouters, een -allerliefst jong meisje, met haar broer Hendrik, een controleur. En we -hebben afgesproken, met ons vijven een clubje te vormen om wandelingen -en rijtochten te maken. - -Morgen gaan we naar den Penandjaän, om van uit de hoogte neêr te zien -in de Zandzee. De dokter is bang dat het mij te erg zal aandoen. Maar -ik zal het er toch op wagen. - - - - 2 November.... - -Hendrik Wouters was een beetje koortsig vanmorgen, en zijn zuster wilde -absoluut bij hem blijven. Ik ging dus alléén met Mary en Annie naar den -Penandjaän. Wij namen shawls en wollen dekens en verwarmende dranken -mee, voor de koû.... - -Om half zes reden we al uit, met een gids voorop. Dáár ergens in ’t -Zuid-Oosten, héél ver, ligt de Penandjaän, aan den somberen, hoogen -kratermuur om de Zandzee. Dáár gaat op eens het gebergte open, in -diepe, donkere wonde, waar in vale, veege vallei het vuur woelt onder -de aarde.... Daár is het, dat de sombere Bromo broeit.... - -Het denken aan dien duisteren krater, in de eenzaamheid van de -zandwoestijn, beving mij met een angstige beklemming, zóó, dat ik het -mooie om mij heen bijna niet zag. Ik weet, wij gingen in diep ravijn, -en òp aan de overzijde naar Wonokitri, en vèrder en vèrder, met wolken, -en bergen, en horizonnen rondom. Toèn, langs rotsige paden, ineens in -een stil, vredig denne-bosch. De grond was zacht van de bruine naalden. -Hoe stil en rustig werd het dáár! Hoe gracieus stapten de twee -damespaardjes voor mij uit, en hoe vertrouwd en intiem was het, daar -Mary en Annie zoo vroolijk pratend voor mij uit te zien rijden, in de -rustige stilte van het dennewoud! Zóó klommen wij door het bosch den -hoogen bergkam op naar ’t Zuiden. Die heerlijke, gezonde geur van de -dennen.... En die stilte, die stemmige stilte rondom.... - -Maar het angstige denken àldoor maar rondgaande in mijn hoofd, dat -straks, inééns, in wreeden val, de aarde zal opengaan, naar wreede, -droeve, vallei des doods.... - -Ik hoor wel Mary en Annie zooiets zeggen van hoe mooi, en van -edelweiss, en alpenkruiden, en viooltjes.... Ik zie ook de teêre, -bleek-blauwe vergeet-mij-nietjes, bloeiend in het groen.... en even -hoor ik het blij getjiep van vogels.... - -Maar al dichter en dichterbij, zonder te zien, voel ik den krater. Mijn -ziel voelt het sombere, donkere, zondige wat nu gaat komen.... - -Dit lijkt wel uren en uren te duren, tot opeens, met een schok in mijn -hoofd, het bosch opengaat, en een ijzige, scherpe wind snijdt fel om -mijn ooren.... Een koude, wreede woestijn-wind, zonder erbarmen..... -„De Goenoeng Pret,” zegt de gids. En wij staan bij den berg, aan den -rand van den kratermuur. - -Opeens, een apothéose van verre bergen, van luchten, en horizonnen.... -Hoog in ’t Zuid-Westen rijst de blauwe Semeroe grootmachtig in de -lucht.... - -En beneden, beneden.... Maar „nog niet kijken” heeft een toerist in ’t -Hôtel mij gezegd. „Bij den Goenoeng Pret nog niet kijken, als ge kunt. -Dadelijk links af naar den Penandjaän gaan.” - -Ik voél, even, een duizeling, ik zie het vèr, vèr beneden, grauw, vaal, -en des doods.... Een somber, veeg mysterie.... - -Maar ik wend mijn hoofd om, en rijd, met afgekeerd gelaat, naar ’t -Noorden, linksom een hoogeren berg op. Weer door boschjes, en wilde -struiken, een moeilijk, steil pad, met de paarden voorzichtig, langzaam -stappend, zoekend een steun met de tastende pooten. - -Dán ligt de Penandjaän-top voor ons, begroeid met ruw geel helm, als -een duin. - -Nu klimmen, klimmen den kalen top op, de paarden moeilijk loopend door -het mulle, witte zand. Stijgen, stijgen met een kouden wind snijdend -langs je ooren, en een bange beklemming om je hart, een voorgevoel van -iets verschrikkelijks dat komen gaat, iets ontzettend doodsch en ijzig, -uit den Booze, dat straks inééns voor je oogen zal zijn. - -Dáár gaat het, langzaam, langzaam den hoogsten top op en, plotseling, -een ruk aan de teugels, dat het paard steigerend achteruit wijkt, een -duizeling in je hoofd, en het koude zweet parelend langs je slapen.... - -Want dáár, diep, diep onder je, is het eensklaps wijd, vèr opengegaan, -en, dreigend, in een ijzig, somber zwijgen, ligt de vale Vallei des -Doods, de Zandzee Dasar.... - -Een diep, roerloos meer, vaal blikkerend, grauw-grijs in kille -verstarring, wijd-gapend in den afgrond beneden.... De zware, zondige -stilte over dat eeuwig beslotene, het in woeste wanhoop verstomde -zwijgen zwáár broeiend boven die veege vallei.... Is het een meer van -ijs?.... Van onder giftigen adem roerloos geslagen water?.... Is het -een wilde woestijn van zand?.... Diepe wreede voren rekken als stijf -versteende slangen in alle richtingen er over heen.... Koud en -genadeloos wreed blikt het vaalgrauwe woestijn-gelaat òp ten hemel, uit -de donkere afgrond-diepte daar vèr, vèr beneden.... - -Het ligt daar zoo gansch droef verloren, onverbiddelijk en -onherroepelijk, in een sombere, genadelooze ommuring van hooge -rotsgevaarten àlom. Als donkere, gigantische wachters staan aan alle -zijden de resoluut-rijzende, steile berg-wanden, wakend over dat vale, -veege dal des doods.... - -Dáár, diep in dien wijd-uitgestrekten, eindeloos lijkenden afgrond -rijzen, als mysterieuze, sombere eilanden, drie groote, grillige -eruptie-kraters, ontzaglijk en satanisch grandioos. Geel-groen, met -glinsterende kleuren als van slangen, de ruige tulband van den Batok, -daarachter, naar ’t Zuid-Westen, de donkerzwartige, zwaar-geribde massa -van den Widodaren, maar o! daar vooruit, naast den Batok, naar ’t -Zuid-Oosten, de slijkgrijzige en vaal-gele krater van den Bromo, als -een groote, gapende wonde met wreed-puntige omranding, een ding des -doods, vol somber geheim.... - -Langzaam, langzaam stijgt een blauwe rookdamp daaruit omhoog, rijst -hooger en hooger, in trage, wanhopig-droeve rekking, spreidt zich wijd -en wijder uit, en vaart in een statig-geplooiden wolkpluim, met -vaal-gele glanzen, dreigend omhoog.... - -Maar zoo langzaam, zoo langzaam, of de minste ontroering die kille rust -der ijswoestijn verstoren zou, met de nauw merkbare, spookachtige -beweging des doods.... - -Moeilijk-zwaar wolkt de rook-kolom de lucht in. dof neêrgehouden door -het ijzig zwijgen dat loom als lood over het dal van droefenis -hangt.... - -Leêg en kaal ligt de vallei, onder den druk van een eeuwigen, -genadeloozen vloek.... Dit is de zonde, de donkere, sombere zonde, dit -is het absolute, gansch volmaakte kwaad, waar nooit een zweem van ’t -goede in kan wonen, dit is de koude levenshaat, de kille Gods-negatie, -dit is dan eindelijk gezien, van aangezicht tot aangezicht, in -onuitwischbaar, veeg visioen, het Rijk der Duisternis, het starre, -naakte dooden-land van Satan, den valen vijand van het Licht en het -Leven.... - -IJzig snijdt de scherpe wind langs mijn suizende ooren, en loeiend -galmt het langs de scherpe ruggen der berggevaarten. Een donderend -gerommel mompelt dof-zwaar in de verte.... Is het de droeve beroering -van ’t helle-vuur onder de aarde?.... Is het een onweer, broeiend in -verre, donkere wolken?.... - -De diepte trekt mij aan, het is om nu maar alle hoop te laten varen, -en, gehoorzaam aan ’t duister Noodlot, met een angstig gillen in ’t -donker omlaag te duizelen, waar de sombere zonde ligt verstard.... - -Maar ’t leven is nog sterk in mij. Ik stijg van ’t paard, en deins weêr -achteruit, ga voorzichtig zitten op een goed beschutte plek. Nu even -niet meer kijken in dien afgrond, nu recht vooruit zien, zonder -vreezen.... - -En het is een apothéose.... - -Vèr over het dooden-rijk zien mijn oogen in de levende wereld. - -Rechts, in ’t Zuid-Westen, vèr achter den kratermuur, in een licht, -teeder blauw als van een maagde, rijst de ontzaglijke, zachte -reuzen-bol van den Semeroe hoog in de hoogste luchten. Hij staat daar -glanzend als een heilige Hemel-God, van majesteit overtogen. En ziet! -met een machtigen stoot schiet een blanke licht-wolk uit zijn top, een -sneeuwen smettelooze puurheid, fèl in de lucht. Hoe triomfantelijk -vliegt die witte rook-panache in de lichte hemelen, ziet, hoe zij zich -plooit, en spreidt, en kronkelt, hoe dat blinkende, schitterende wezen -daar ópdroomt in de hoogste sferen, en dan langzaam, langzaam -henedrijft, in wuivend, wit gewaad, stralend van zoo statige, blanke -glorie...... - -Links, vèr in ’t Oosten, rijzen grillige, kartelige berggevaarten aan -den horizon, de reuzen-massa’s van het Yang-Plateau, de Argapoera, en, -dichterbij, de blauwe kegel van den Lamongan, een rookwolk om zijn -top.... - -Nu even òmzien, met den rug naar den grauwen afgrond, naar den kant van -waar wij zijn gekomen. - -Dáár liggen de golvende bergkammen, en de ravijnen, daar blinken de -prachtige dessa’s, en vèr, vèr schemert de vlakte, en de zee, en ziet! -rijst daar niet, in ’t allerverste Westen, aan den lichten horizon, -Ardjoenå’s goddelijk lichaam in maagdelijk blauw omhoog, met een -blinkende glorie van witte, pure wolken droomende om zijn statig -hoofd?.... - -Het is of de wereld nu àl grooter wordt, àl grooter.... het is of mijn -ziel zich nu àl wijder spreidt, àl wijder.... Het is zoo zalig en zoo -rijk van licht, het is zoo in volmaakte, grenzelooze goedheid uit een -God gegeven, het is blinkend, het is aanbiddelijk, en het is -eindeloos.... Is het niet, om nu ál hooger en hooger òp te rijzen, -hooger dan deze hoogste top van den Penandjaän, en met een luiden jubel -in de lichte hemelen te vergaan!.... - -Zóó sta ik lang te staren, totdat ik mij eindelijk weer omwend. En het -is als een wonder, opeens gebeurd. De lichte Semeroe is verdwenen -achter nevelen, de verre apothéose in het Oosten, van het Yang-Plateau, -wordt door wolken verduisterd. - -Beneden, in het doodendal, is het nog donker licht. Over mij, in ’t -Zuiden, staat de Ider-Ider-muur nog onbeneveld, recht omhoog; de -Moengal-muur, naar rechts in ’t Noorden, begint te deinzen in een -fijnen mist, en vèr in ’t Westen is de Idjo al niet meer te -onderscheiden. - -En nu zie ik voor het eerst, daar vlak beneden mij, den lagen wal, die -in een bijna rechte lijn de Noordelijke en Zuidelijke muren van den -kraterrand verbindt. De Penandjaän, waar ik sta, is al over den wal -heen, aan den overkant is de hoogste Ider-Ider berg, de Poendaq-Lemboe, -al van een wolkensluier overtogen. - -Die wal, de Tjemara-Lawang, de scheiding van een paradijs en een hel! -Rechts ligt de vale vallei der dooden, naakt en kaal. Links, boven de -lava-beddingen, van den wal, liggen àl bloeiende terrassen en velden, -rijk begroeid, en blinkende van lichte, gele en groene kleuren. Het -stralende, glanzende Leven, vlak aan den rand van den Dood.... - -Maar dra verdooft nu ook die glans van blijde weelde. Want van den -Tjemara-Lawang komt het nu aan, daar komen de grijze, vale -wolken-nevelen aan.... - -En ’t is of ’t Licht nu wel voor goed daar sterven zal, want langzaam, -langzaam begint het wreede spel des doods. - -Als vage geesten drijven de grauwe nevelen, over den bloeienden -paradijswand, naar de duistere vallei. Hoe langzaam, langzaam schuiven -zij voort, en waaien traag en troosteloos over de starre, kille -woestijn! Zij wolken in de laagte, maar rijzen weer terug, zich -òpstrekkend tegen de muren, met gebaren als van hopeloos smeeken en -droef weêr vallen, zij wijken weêr rechts en links, kruipen angstig -over de kraters, en zinken geruischloos weêr neder in het dal. Het -lijken geen wolken meer, het zijn de vale, droef-verdoemde geesten van -dit duistere rijk van den Booze, die daar eeuwigzwijgend rondwaren in -de vervloekte doodenvelden, eindeloos en onherroepelijk verloren.... - -De slijkgrauwe wonde van den Bromo gaapt nog door de wolken-warreling -heen.... Nog éven lichten de groene en valsch-gele ribben van den -Batok. Op den Widodaren [7] zetelen de zwarte, donkere wolken-massa’s, -in somberen triomf. - -En altijd de doffe, blauwe rook-kolommen, met gelige glanzen, -langzaam-traag ópstijgend uit de duistere diepten onder den Bromo, -treurig wègdrijvend door den mist, met de wanhopige, troostelooze -traagheid des doods.... - -En het loeiend metaal-gezang van den wind langs scherpe bergruggen.... -en het rommelend mompelen van verren donder.... - -Het trekt mij aan, met een vreemde bekoring, als van haat, en negatie, -en zonde. Ik voel mij buigen naar het wolken-omnevelde dal in den -afgrond beneden mijne voeten.... - -En het is als boog ik mij nu droevig over mijn eigen ziel, en of het -mijn eigen, eenzaam leven is, daar zoo ganschelijk verloren, in dorre -woestenij.... - -Zóó, koud-negeerend, zonder liefde, met het warmste en allerbeste -kil-versteend, verteerd in zich zelf.... - -Maar ik wil dien dood niet, o! ik voel het nu, ik haat het, ik haat dit -schoon, dat uit den Booze is, ik haat den dorren, starren dood! Nu ik -hem heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, in zijn koud, vaalbleek -nacht-gelaat, nu haat ik hem, en ik wil het leven weêr, het Leven, het -Leven!.... - - - -Toen,.... een lieve, vriendelijke stem, een stem als uit heel oude -tijden, lang geleên.... - -En Annie zit naast mij, boven het dorre dooden-dal. Zij kijkt nu niet -kluchtig meer, er is een zachte, teedere uitdrukking in haar oogen. - -„Wat rilt u,” zegt ze, „is de koorts weer terug?.... Kom maar gerust -hier bij me liggen in mijn schoot.... hier heb ik een warme wollen -deken.... Mary haalt wat wijn bij de koelie’s, dat zal u goed doen.... -wat is uw hoofd koud, en wat ziet u bleek!.... kom nu maar even bij me -rusten.... en nu niet meer naar beneden kijken..” - -Ik schrik op, als uit een bangen, boozen droom.. Haar lief, vriendelijk -gezicht, haar warme stralende oogen.... Zij is de blijheid, en de -vreugde, en het geluk.... Zij is het lachen, en het licht, en het -leven.... En het roept mij, het roept mij, hoor! het Leven roept mij -terug!.... - - - -Toen heb ik mij afgewend van het droeve dal des doods, en mijn hoofd -heb ik heel stil gelegd in haar veiligen schoot..... Ik voel, hoe zij -bezorgd de warme deken over mij uitspreidt, ik hoor de muziek van haar -stem, die mij zegt te rusten.... te rusten,.... ik wil niet den -duisteren dood, maar het Lichte Leven,.... en zachtjes, zachtjes lig ik -te snikken, te snikken van vreugde en berouw, met haar handen -lief-troostend op mijn hoofd.... - - - -Nu is het inééns bewust in me, als een groot licht na lang, lang -duister over mijn arm hart: „Ik hoû van haar, ik hoû van haar!” - -O! ik hoû van haar, omdat mijn hart weer sterk en jong is, en weer -lieven kan; het is door de groote kracht, die de milde lucht mijn lijf -gegeven heeft, en haar lichte lachen mijn ziel. Ik hoû van haar, omdat -de wereld zoo eindeloos schoon is, omdat het groen zoo blinkt, en de -blanke bloemen, omdat de vogels zoo zingen in de boomen, omdat de -bergen zoo hoog ten hemel staan, en zoo zalig glanst Gods groote licht -over de schitterende vlakte en de zee. - -Ik hoû van je, inééns, inééns, mijn lief vrouwtje, dat àl maar lachen -doet en, gansch niet wetend, je vreugde zingt door het wereld-leed. Ik -hoû van je, omdat je lief tegen me geweest bent, waar jaren lang mijn -hart alleen maar droefenis kende en sombere gepeinzen; omdat je heel -niet bang was voor dat strakke kijken van mijn donker gezicht; omdat je -zoo vreezeloos je zachte handjes gelegd hebt op mijn arm, moê hoofd, -dat maar niet rusten kon. - -Inééns heb ik het gezien, in je oogen. Ik vond je vroeger leelijk, mijn -lief, klein vrouwtje, met je bleeke wangen en die oude trekken om je -mond. Ik kon het toen nog niet zien, wat achter je oogen was. Je -zachte, zuivere ziel zag ik niet, die onbesmet was van het leven, en -waar Gods licht mysterie ongerept in woont. Dat heeft het droeve -vrouweleven, en de hartstocht waar je doorheen gegaan bent, toch nooit -in je kunnen dooden, het lieve, zachte, milde, maagdelijke in je, dat -je voor den eersten keer aan mij gegeven hebt. Die lieve gratie is in -het geluid van je stem, mijn lieveling, en in je zachte bewegingen, als -je je hand even over je voorhoofd strijkt, en als je een bloem plukt -met zoo teêre vingers, en het is in je voetjes, die gaan zoo zachtekens -op rythmischen stap. Zóó teeder-lucht beweeg je, als een lieve melodie. -Alleen je zien is al zoo zalig, en mijn ziel beeft vol van vreugde, als -je lichte lichaam vóór mij zweeft. - -Heb je me dan weêr jong en sterk gemaakt, mijn vriendelijk vrouwtje, -jij zoo klein en broos maar, ik zoo donker-groot? Heb ik dan ál die -jaren in mijn sombere gepeinzen gansch niet meer geweten wat het leven -was, en heb jij met één vriendelijk knikje en één zachten handdruk mij -dan weêr geleerd dat leven lieven is en Liefde ’t eenig doel van ’t -wereld-wezen? Ik begrijp het nog niet goed, mijn lieveling, ik kan het -nog niet goed gelooven. Wat is toch in je, dat mij zoo bevangt van lief -verlangen? Je weet zou weinig, en toch weet je méér dan al mijn droef -gevonden wijsheid. Want je zacht gezicht ziet zoo blij en vreezeloos in -de wereld, en het mooie om je heen maakt je zoo dankbaar, dat je ál -maar liefelijk-lachend door de lichte dagen gaat, met zoete gratie, als -één van Godes engelen, wier ziel een lichte vreugde is van zalig -rein-zijn. - -Nooit droomde ik, dat dit nog ééns voor mij kon komen. Ik dacht, de -droeve dood was alles wat mij nog kon wachten. - -O! die eenzaam-stille nachten, bij ’t bleeke lamplicht in zoo duister -peinzen, met al die troostelooze boeken, waar geen liefde uit sprak! -Mijn aangezicht was bleek, mijn liefste, en mijn oogen stonden droeve. -Mijn hart, het klopte maar zoo traag, en van verlangen ganschelijk -ledig kwijnde klagelijk mijn ziel. - -Is het de goede bergwind, die de nevelen uit mij waaide? Is het de -nieuwe, warme kracht, die in mijn aderen stroomt? Of is het enkel jouw -lichte lachen, en al die zoete muziek van je lieve stem? Hoe heb jij -dat gedaan, mijn ranke vrouwtje, het jonge leven weer te wekken in mijn -stervend hart? Zoo klein ben je, en zoo broos. Je handjes kan ik wel -breken in de mijne, je hoofdje reikt maar éven aan mijn schouders, en -ik zou heel bang zijn om mijn sterke armen om je heen te slaan. Hoe heb -je ’t toch gedaan, om al mijn trots te breken, en ’t donker hoofd, dat -voor de gróótsten niet wou buigen, zoo heél diep neigen te doen voor -jouw zoo teêre, zwakke gratie? Met één lachje en wat vriendelijk kijken -heb je dan dit groote hart zoo zachtelijk overheerd, dat zich aan ’t -allerschoonste nooit geheel kon geven! - -De vreugde is mij vreemd geweest, mijn Lief, zoo lange, lange jaren. Ik -had zoo’n honger en zoo grooten dorst. En nu ben ik al zoo héél, héél -blij als je zachte hand maar in de mijne gloeit, en zalig klopt mijn -hart als ik je rok hoor ruischen, en een stroom van warm, warm geluk -beeft door mijn lijf als je vriendelijk hoofdje maar even rustiglijk op -mijn schouder rust. - -En alles zoo grandioos en statig-schoon rondom! Die wijze bergen, -rijzend hoog ten hemel, die ijle, reine luchten, en die koele wind! Het -lijkt hier wel een zalig paradijs, en vèr is nu de droge, heete aarde -van weleer, waar ééns mijn lijf in smachtte. Alles is hier zoo -ganschelijk puur, en recht, en kuisch van wezen. En jij bent hier ook -eigenlijk wèl tehuis, die zuivere atmosfeer hoort bij je lieve gratie. -Het is nu een wondere, lichte droom, na ál dat droeve, duistere leven. -Dat lijkt van lang, o! lang geleden, en we hebben ’t ganschelijk -wèggedaan. De koele wind heeft het verwaaid, mijn Lief, en wèl zijn wij -nu blank gereinigd, en waardig het geluk. - -Ik weet, mijn Lief, dit kan niet blijven. Het leven is te hard, en -teêre, broze ziele-dingen breken, als niet de dood ze veilig bergt. Ik -weet, mijn Lief, hoe ’t ál te mooi zou wezen, als dit zóó kon duren. ’t -Leven is een droeve kruisgang, en zóó, aan uw zachte hand, met uw licht -lachen in de klare lucht, en al de bergen en dat blinkend groen rondom, -zou ’t ééne lange zaligheid worden, een eindelooze vreugde als van -zielen, die der droeve aarde ontstegen, herrezen in het Groote Licht. - -Maar éven, voor een korte poos, mogen wij ’t misschien wel nemen, en, -der duist’re werkelijkheid onttogen, een korten droom droomen, in de -reine regionen van ’t geluk, hier in dit hooge land, zoo veilig vèr -boven der menschen stedingen, waar de zonde en de weedom wonen.... - - - -Zóó zag ik de vredige dessa Ngadiwono, [8] in het diepe dal van rust. - -Een tocht, door lichte zon begonnen, te paard het steile bergpad op -naar Pådåkåjå, de schamele, simpele dessa, op den hoogen bergrug in ’t -Zuiden. Klimmen, klimmen, hooge bergpaden langs diepe ravijnen. Overal -bergkammen, waar het zien tegen stuit. Boven een rijzenden rotswand -vóór mij steekt langzaam het hoofd op een blanke prachtwolk, zwaar van -licht.... Het stijgen gaat langzaam naar dat geluk.... - -Nu langs de grillige grot van Pådåkåjå, en rechts een smal zijpad, en -weer links, langs hoog ravijn, met groene koolvelden langs hellingen, -zóó gaat het windend en slingerend door in die hooge regionen, tot -plotseling een hoek om, en ziet! vóór ons, liefelijk aan onze voeten, -het groote vrije opene, onverwacht, waar we langs smal bergpad gaan. -Aan de rechterhand, vlakbij, rakelings, de bergmuur; achter, in ’t -Zuiden, de donkere, sombere krater-randen, waarachter, bang vermoed, de -dorre woestijn des doods. Vóór, in ’t Noorden, hoog opgaande -berg-golven, maar links, naar ’t Westen, is ’t opengegaan en, diep -beneden, in wijdingsvolle stilte, ligt een liefelijk, vreedzaam dal. -Stil en rustig ligt daarin de dessa Ngadiwono, als een oord van -gelukzaligen. Wijd en wijd gaat alles nu open daarachter, vèr en vèr -spreidt zich, in ’t lage, de glanzende vlakte uit, in gouden -schitterlicht van den morgen. En in ijle, lente-blauwe lucht, waar héél -fijne nevel trilt, rijst Ardjoenå, in transparant parelgrijs -morgengewaad, een blanke god gelijk, in ’t bevende edele ochtendlicht. -O! hoe hij daar, na àl ’t beslotene van overal rondom bergruggen, -opeens, aan ’t einde der open, ruime vlakte oprijst, zoo -kuisch-eerwaarde, in parelen glans!.... De hooge, heilige heerscher, de -zachte-machtige, van deze wijde werelden.... - -En die kleine, simpele dessa, stemmige hutten met daken van lichtgele -bamboe, zoo blank en schoon, zoo zacht-tevreden en gansch vertrouwd, -daar zoo diep beneden aan mijne voeten, is in ’t vredig dal van deemoed -zoo rustiglijk gelegen, als een kind, zacht in den schoot van zijn -algoede Moeder.... - -Niets dan dit; de parelgrijze Ardjoenå, statig rijzende in ’t blanke -morgenlicht, de verre vlakte naar vage horizonnen van glans, de -vredig-zachte dessa, diep in dal van deemoed, waar ’t simpele -menschenleven woont.... - -Ik houd mijn paard in, en zie het éven, zalig, aan, van aangezicht tot -aangezicht.... En ’t is mij ineens zoo hoogheerlijk zeker, dat ik nu -Gods eigen, heilig Wezen zacht voor mijne aandachtige oogen voel, want -is dit niet Zijn rustige, sereene schoonheid, die daar voor mij troont -en praalt, in zoo prachtig-kalme staatsie?.... - - - -Er is in die vrouw zoo iets essentieel liefs, stellig buiten alle -zinnelijke attractie òm, dat bijvoorbeeld haar eenvoudigste gebaren -soms, als aan tafel het aanreiken van een gewone schaal vruchten met -een lief-vragend stemmetje: „Mag ik u dit eens geven!” opeens mijn ziel -op ’t allerwonderbaarst beroert. Ik geloof dat ik de éénige ben, die -dat ooit van haar gevoeld heeft, en wien zij dus het allerbeste en -zuiverste van haar heeft geschonken.... - -Ze is toch eerder leelijk dan mooi.... er is, zou je zoo op ’t eerste -gezicht zeggen, in ’t geheel niets bijzonders aan haar.... Haar trekken -zijn niet zoo erg fijn en om haar mond wat ouwelijk; haar glanzige, -blonde krullen zijn hier en daar wat grijs, en o, jee! haar zotte -neusje, en die twee dolle kuiltjes op zij van haar smalle, koddige -kin!.... - -Maar wat is het dan toch eigenlijk, dat van dat zelfde gezichtje zoo -allerliefst over mij komt, met zoo warme goedheid, dat het me zoo wèl -en zalig wordt van binnen als ze mij vriendelijk lachend aanziet? En -wat is er dan toch voor heerlijk zachts overal aan haar lijf, dat ik -met al mijn trots en donkeren weemoed als een kind het hoofd wel graag -wil leggen in haar zoeten schoot, en in zoo diepen eerbied wel het stof -wil kussen van haar voeten, en wel véél van mijn allerkostbaarst weten -zou willen geven, om nog jong met haar te zijn, in den tijd, toen ik -nog vragen kon of zij haar zachte ziel en lieve leden aan mijne liefde -wel wou geven? - - - -Vanmiddag tegen zes uur wandelde ik op den weg naar ’t Leverlaantje, om -rechtsaf naar het „karrenplateau” te gaan. Het was een wandeling door -dikken, zwaren mist. Overal wolken de grijze nevelen wijd uit. In een -ravijn links, dat nog niet vol is, drijft langzaam een grauwe wolk, -somber onheilspellend, zich kronkelend en rekkend als een immense -slang. Boomen noch bergen zijn te zien. Het gaan is door een vaag, -grauw duister, onzeker en mysterieus. - -Alleen, ziet! door vreemden weerschijn van ergens in ’t Westen -ondergaande zon, op een bergkruin boven het paadje, waar ik loop, -staat, apart en bizonder, een licht geluk. Een kleine groep -tjemårå-boomen, heel stil en rustig, onder een stuk open, teederen -hemel van een zacht, engelrein blauw, met vaag roze van avondrood -door-droomd. Alles is grijs en duister en droef. Maar die kalme groep -daar staat in een vreemde sfeer van reinen aether, zachtjes lichtend, -ongelooflijk en onreëel. Een fijne japansche teekening.... - -Alóm dat zware, donkere, grijze, dat alles omhult, en de dikke -mist-afgronden der ravijnen, en zwartende bergen in nevel, -somber-stom.... - -Maar hoog in ’t hooge daar boven mij, in een aparte sfeer, eenzaam en -vreezeloos, met zulk een vrome wijding van vrede overtogen, de stille, -maagderanke boomen in dat zacht-bloze, rein-roze licht, -liefelijk-lachend, als de morgen lacht boven den nacht.... - -Zóó staat het broos geluk te lichten, overtogen van zoo wonder-teederen -gloed, tot de nevelen hooger rijzen, hooger en hooger, en zachtjes -kwijnt het weg, als alles wat héél broos is en te teêr om lang te -wijlen.... - - - - 18 November. - -Stel je nu voor, zoo’n eenzaam, ongezellig mensch als ik, die de leêge -vreugde jaren schuwde, en nu gaat meêdoen aan een bal-masqué! - -Stel je voor, al die dwazen van ’t Hôtel, die „zachtzinnige -krankzinnigen,” zooals de dokter ze noemt, in lange, witte beddelakens, -op het hoofd geplooid tot capuchons, met overal blauwe en rose -strikken, en maskers, gemaakt van japansche waaiers, als even zooveel -dolle geesten rondspokende door het Hôtel, onder hooge -fausset-geluiden. Ikzelf doe ’t hardste meê, en ben een kind geworden, -een dwaas, groot kind. - -En dat alles om dat ééne, ranke figuurtje, dat ik dadelijk herken onder -de wijde, witte wade, al wil ik het niet weten, om haar pleizier te -doen. Ze heeft vuurroode strikken om den hals en om het middel, en haar -vriendelijke oogen blinken als sterren door het masker. Zij komt me -plagen, en malle dingen zeggen, en ik houd me of ik haar niet ken, en -laat me beetnemen, want ik weet hoe innig zoo’n kluchtig clowntje daar -in groeit. En we gaan dansen, waarachtig! dansen, ik, die dat altijd -zoo afschuwelijk vond. O! maar met háár warm, zacht lijf tegen je aan, -zoo donzen, en met haar zoete-geur van jong vrouwtje om je heen, en de -muziek van haar stem zoo melodieus streelende over je ziel, zou je zoo -niet áltijd doordansen, en, alles vergetend, héél niets meer voelen dan -één groote zaligheid van twee minnende zielen, zwevend op luchten -cadans, in reine rythmen óp naar ’t licht geluk van liefde? O! Niets -dan muziek zijn en rythme, en samen wègdroomen in allerzoetst vergeten, -zóó zacht-dansend verglijden in extaze, als twee lichte wolkjes, die -lucht in zeeë-horizon vergaan, door koelen winde-adem gedreven! - -Zóó duurt het lange uren. Er wordt wijn geschonken, serpentines -warrelen door de recreatiezaal, en het sneeuwt confetti. Het wordt warm -en benauwd. - -„Kom, laten we wat buiten gaan,” roept het clowntje, „ik hijg naar -versche lucht.” - -En met ons vijven gaan we, met Mary, Annie, Sophie Wouters en haar -broer. - -Het is zwaar-donkere nacht buiten, zonder maan, alleen doortinteld door -der sterren fonkelend licht. Annie heeft mijn arm gegrepen. - -„Ik zal je Geloof, Hoop en Liefde laten zien,” zegt ze zacht. - -Maar nu den weg te vinden in het donker! - -Voetje voor voetje gaat het voort, rechts den hoek om, langs de kamers -van den administrateur, en dàn het trapje af naar het terras. Wij zijn -de achtersten. Ze is zoo bang dat ik zal vallen! Ze weet dat ik in -donker zoo slecht kan zien, en de grond is glad. Zij zal niet -struikelen, ze is immers zoo’n klip-geit, zegt ze. En ze stapt vooruit, -en leidt me aan haar hand. Zij, zacht, broos wezentje, en ik, zoo -groote, sterke man! En veilig kom ik beneden, op het terras. Waar zijn -de anderen? O! dáár, rechts, in het priëel, ze zingen en lachen. - -Zoo doodstil is het rondom! Vaag staan de dingen in het duister. Hier -en daar, hoog in de lucht, de donkere contouren van bergen. En vèr, -daar in de vlakte diep beneê, een eenzaam, droevig lichtje. Zacht -metaal-gezang van wind in duistere dennen.... - -Een krekel neuriet wat.... - -En de sterren zien het rustig aan, met liefdevol geschitter in den -nacht.... - -We zwijgen beiden. O neen! niet in dat priëel gaan, waar de anderen -zijn. Niet lachen nu en zingen. Stil verder loopen, naar ’t uiterste -einde van het terras. Zou ze meêgaan? Ik leg mijn arm in de hare, en -trek haar zachtekens voort. En ze gaat. Haar ziel volgt zacht de mijne -in den nacht.... - -We komen achter, bij drie bloemperken. Het eene is in een kruisvorm, -het andere is een hart, het derde een anker. Stil buigt ze zich over de -bloemen heen. Hoe fijn is haar figuurtje in het donker! Het lijkt zoo -immateriëel, zóó rein staat ze daar genegen, ze lijkt nu wel enkel een -zachte ziel, ootmoedig buigend. Ik vergeet het banale van die -perkenvormen en dien tuinmans-smaak. - -„Dit is geloof, dit is hoop, dit is liefde,” zegt ze. „Ik heb die -perken zoo genoemd.” - -Ze is nu het clowntje niet meer. Zoo ernstig klinkt haar stem! - -Een zoete geur van héliotrope droomt omhoog, en vergaat langs onze -hoofden.... - -Ik leg mijn arm om haar middel. Ze laat het toe, en is niet boos. Zacht -druk ik haar lief lichaampje tegen mij aan. Gewillig laat ze ’t rusten. - -„Wat is ’t donker,” zegt ze fluisterend, „heb je ’t niet koud? Wil je -niet een stukje van mijn shawl hebben?” - -En ze staat wat van haar wollen shawl, die om haar schouders ligt, -bezorgd om mijn hals. Onze hoofden zijn daardoor heel dicht bij elkaar. -Wij wandelen nu zacht op en neer, vèr van de anderen. - -Een groote teederheid welt in mij op. Lief, rank wezentje dáár naast -mij, dat nooit door één gekend is in je zachte gratie! Ben je dan zóó, -steeds ongekend door ’t leven gegaan, heeft het je gestuwd door -hartstocht, heb je een kind gebaard, en al de droeve menschen-dingen -meêgemaakt, en heeft niemand, ook je man niet, ooit gezien het licht -mysterie in je lieve ziel? Heeft dan niemand ooit gebogen voor het -diepste wezen van je vrouw-zijn, voor dat teedere, heilige in je, dat -het leven niet kon schenden, en nog altijd ongerept gebleven, door je -zachte oogen heenblinkt in zoo vlekkeloozen staat? Heb je dan dat -allerbeste van je, dat niemand kende, kuisch alleen voor mij bewaard, -en mag ik dan nu nemen, wat er maagdelijk en reinst van je gebleven is? - -O! dat het nooit mag breken, liefste, dat het altijd rein tusschen ons -moge blijven, en ik sterk raag wezen nu niet méér te vragen dan je -geven mag in kuischheid! - -Zij laat zich nu gewillig leiden. Ze vraagt niet om terug te gaan. Ik -streel haar zachte hand. Mijn arm blijft om haar heen. Vertrouwelijk -ziet zij naar mij op. Ik weet, zij heeft zich nu ganschelijk gegeven. -Wat ik nu met haar doen zal is goed. Zij zal niet wederstreven. Maar ik -zal sterk blijven, en een reine ridder zijn.... - -De droom, de droom is òver ons gekomen.... - -Het verleden is vergeten. Het lijkt zoo vèr, zoo vèr, en het was zoo -héél, héél diep beneden, dáár, duizel-diep beneden, waar wat droeve -lichtjes branden, en de duistere menschen zijn.... - -Nu zijn we het ontstegen, en zoo hoog, hoog in de wolken zijn wij vrij -en rein van al wat lang geleên. Onze hoofden zijn nu zacht elkaar -genegen, en eindelijk, na al het droeve leven, hebben wij elkaar dan -gevonden, en we weten niets, dan dat we bij elkander zijn. - -„Ik ben zoo van je gaan houën,” zeg ik zacht. „Ik heb zoo lang alléén -geleden. Maar nu heb ik je gevonden. En hier bóven màg ’t wel. Ik mag -wel van je houën, zeg?” - -Ze zegt niet neen. Haar ranke lijf, dat zachtkens beeft, blijft tegen -mij gevleid, en mijn arm is streelend om haar heen. Ik hoor het ademen -van haar mond, en voel het kloppen van haar hart. Haar oogen zien -getrouwelijk mij aan, gansch vreezeloos en onvervaard. - -En, door een reinen aandrang van mijn ziel gedreven, voel ik mijn hoofd -naar ’t hare neigen, en mijn lippen droomen op haar zachte wang, in -teederen, kuischen kus. - -Zóó staan wij, zwijgend, ziel aan ziel, der werkelijkheid ontstegen, en -voelen onze harten samen kloppen. Twee droeve, arme wezens, die elkaar -éven in een droom ontmoeten, en dra, dra weer henegaan in ’t harde -leven.... - -Ik wéét, ai mij! ik weet, dit kan niet duren.... het leven mág geen -zoete wonne zijn van liefde.... het Leven is lijden, lijden, lijden, en -eenzaam weenen.... - -Maar vast omstrengelt mijn arm haar teêre leden, en nógmaals kus ik -haar lief gelaat; nog éven mag de kuische droom wel duren, en ik -fluister zacht, o! zoo heel, heel zacht tegen haar lieve ziel: - -„Ik hoû van je, ik hoû van je”.... - - - -Ik heb weer op het eerste bankje in het Leverlaantje gezeten, van -avond, in de schemering. Boven was alles weer mistig en vaag, maar -beneden, in de ravijnen, was ’t nog helder. En niets dan dit: - -Boven, tegenover mij, aan de andere, hooge zijde van ’t ravijn, het -weggetje naar Wonokitri, twee paarden, achter elkaar, een bruin en een -wit, langzaam, naar huis. Zoo teer en gevoelig is dat aan ’t gebeuren, -tusschen de fijne stammetjes der stille tjemårås, aan weerszijden van -het wegje. - -Beneden in de diepte, heel ver en klein, een mannetje; plukt gras, -heeft een stier aan een touw. Een zwarte koe en een bruine, aan ’t -grazen, scharrelen langzaam door het groen en de varens. Nu hier, dan -daar, loom-zalig. Eindelijk gaat het mannetje door, een grooten bundel -gras op den rug, den stier aan het touw. Hij roept de koeien, die -langzaam-lijzig komen, ver van elkaar, en één blijft weer achter, -grazend.... - -Ruischen, ruischen de vallende beekjes, zoo stemmig in den avond-vrede, -zacht intiem gepraat.. - -De man staat stil, roept weêr de koeien.... - -De bruine blijft stilstaan, ziet òm, met den kop geheven, droomerig in -de lucht.... De andere komt langzaam, zoo langzaam.... De man roept -niet meer, staat stil in den avond, en kijkt omhoog, vergeet, -vergeet.... Ver boven, de keelstem van een jongen, die jubelt ineens -héél hoog in de lucht, van vreugde.... De koe met opgeheven kop, staart -droomerig.... De ander komt zoo langzaam.... De heel stille man.... -Alles zoo stil, zoo stil.... Ruischt zoo rustig het water.... Zachtjes, -zachtjes klimmen de kuische tjemårås op ten hooge.... - - - -Dit is het goede leven, en dit is de wijding, mijn ziel, die gij zoo -lang hebt gezocht.... - - - -Dát was een droevig, pijnlijk ding voor mij van morgen, dat gesprek met -Mary. Ik was begonnen over Annie, en dat ik haar toch zoo’n innig lief -wezentje vond. - -„Ja, o! zoo lief!” zei Mary ernstig, „er is iets aan haar, je weet niet -wat het is, waardoor je vreeselijk van haar gaat hoûen, of je wilt of -niet: Maar o! het is tegelijk zoo’n zwak poppetje, zoo’n kind nog.” - -„Hoe bedoel je dat: zwak?” - -„Ik bedoel niet zwak van lichaam of zoo, want ze is nu weer heel -gezond, en ze heeft rozen op haar wangen. Maar zwak van karakter. Ze -heeft zelf eigenlijk heelemaal geen bestaan. Ze is altijd onder den -invloed van een ander. En ze is een echt kindje van het oogenblik.” - -„Ik begrijp je nog niet goed.” - -„Kijk, zóó bedoel ik het. Ze is nog zoo’n gansje. Ze weet nog zoo -weinig van de menschen en de wereld. Ze vindt het bijvoorbeeld -vreeselijk om alléén te zijn. Ze heeft een groote behoefte om -gekoesterd en lief gedaan te worden, en zich tegen iemand aan te -vleien, die grooter is. Ze is net een wassen poppetje. Je kunt haar -kneden zooals je wilt. Iedereen krijgt haar weer onder een anderen -indruk. Maar het blijft niet lang bij haar, zoodra ze weer alleen is. -Je zou eigenlijk aldoor bij haar moeten zijn om iets heel goeds van -haar te maken. En nu wou ik je nog wel eens iets zeggen, maar je mag -niet boos worden?” - -„—Neen, heusch niet, je weet wel, dat ik ’t van jou wel verdragen kan.” - -„Nu dan, ik heb gehoord dat je eergisterenavond erg lief met Annie -geweest bent op het terras, en dat je haar gezoend hebt. En dat vind ik -niet mooi van jou, en vooral niet van Annie. Het is onverantwoordelijk -van haar.” - -Een vlijmende pijn steekt in mijn hart. En ik zeg eerlijk: - -„Ik kon het niet helpen, beste zus. Het is zoo inééns gekomen, ik was -alles vergeten. Je zult wel gemerkt hebben, hoe innig ik mij aan dat -lieve, teêre wezentje gehecht heb, al begrijp ik het zelf niet van me.” - -„Juist dáárom, Rudolf. Van jou kan ik het me begrijpen, zelfs al was je -nog getrouwd met je lieve Louise, die toch eigenlijk meer een zuster -voor je was. Maar juist omdat jij Rudolf de Wall bent, en omdat ze uit -je verzen weet, hoe diep je voelt, zooveel dieper dan anderen, en omdat -ze heel goed weet hoe mooi en innig je van haar bent gaan houden,—dát -heeft ze wel gezien, hoor!—daarom had ze dadelijk van je weg moeten -loopen, en zich niet laten liefkoozen, en niet door haar blijven je -doen voelen, dat ze het prettig vond.” - -„Maar waaròm dan toch, zusje?” - -„Waarom? Maar zie je dat dan niet? Om het vreeselijke verdriet dat ze -je zal aandoen later. Ze blijft nog maar heel kort hier. Ze zal -doorgaan, lief met je te wezen. Ze zal doorgaan met van de anderen weg -te loopen om alleen op eenzame plekjes met je te zijn, en ze zal zich -laten kussen en liefkoozen en lieve, prettige dingen door je laten -zeggen, en je nog véél verliefder maken dan je al bent. Ze zal je -vragen om wandelingen te maken en dan met je op eenzame plekjes zitten -en een echte lieveling voor je blijven. En niet uit coquetterie of -flirtation, maar omdat het lieve kind heusch veel van je is gaan -honden. Maar vergeet je haar man dan? Is het eerlijk en oprecht tegen -haar man? Heb je daar nooit eens over gedacht?” - -O! o! de pijn, de vlijmende, scherpe pijn ineens in mijn hart! - -En Mary gaat door, op haar vriendelijken, moederlijken toon: - -„En als ze dan weg is? Zal het dan voor jou voorbij zijn? Zal je dan -niet vrééselijk van haar zijn gaan houden? Je voelt het zooveel sterker -dan zij. Want zij kan het beter vergeten. En zal je dan niet véél -ongelukkiger zijn dan vóór je hier kwam?” - -Ik probeer nog te zeggen: „Ik zal haar toch nog wel eens zien. Wie -weet, wordt haar man nog niet eens in Soerabaia geplaatst. En ze komt -nog eerst in Soerabaia logeeren, als ze van hier weggaat, zegt ze.” - -„Dat zal ze niet, Ru. Dat weet je heel goed. Misschien in ’t begin, dat -ze nog wel eens probeeren zal je te ontmoeten. Maar die indruk van -Tosari zal hoe langer hoe zwakker bij haar worden. Ze is veel te zwak -van karakter om lang iets groots te voelen. Ze zal het vergeten zijn, -als een mooien, prettigen droom dien ze had. En inplaats van jouw -invloed komt dan weer de invloed van haar man. Want ze is altijd onder -den indruk van wie het meest en dichtst bij haar is. Ik zei, ze is een -kindje van het oogenblik. En ze zal terugzinken in den sleur van het -alledaagsch leventje, van haar huishouden, haar man, haar kinderen die -ze zal krijgen, haar visites, haar dinertjes, en je heelemaal vergeten, -ook omdat haar man nu haar verliefdheid anders zal bevredigen. Ik weet -dat het hard klinkt, Ru, maar ’t is goed dat je ’t eens hoort. En ik -ben niet zoo’n heel jong meisje meer, ik mag je dat best zóó zeggen. Ze -zal je vergeten, en je zult haar onverschillig worden. En als jij dan -misschien ’s nachts om haar zult liggen snikken, en je droef leven nog -véél droever zal zijn geworden dan vóór je haar kende, dan zal zij geen -oogenblik zelfs maar denken aan hoe je lijdt en hoe je hart pijn heeft, -maar in de armen liggen van haar man. En dat is onrecht, Ru, dat is -wreed, wreed onrecht, dat kan nooit goed zijn. Ze zal het nooit -beseffen, omdat ze eigenlijk maar een zwak, lichtzinnig kindje is. Maar -ze zal je ’n vreeselijk groot verdriet aandoen....” - -Ze spreekt niet door, want ze ziet de tranen in mijn oogen staan. - -Ja, ik wéét het, ik wéét het, dat Mary gelijk heeft. Maar ik antwoord -heel gelaten: - -„Ik wéét het, zusje. Maar ik heb nu zóó jaren lang verdriet gehad en me -zoo eenzaam gevoeld, dat ik nu o! zoo graag ook eens een klein beetje -geluk zou willen proeven. Laat me nu dien héél korten tijd nog maar -éven gelukkig zijn met mijn droom. Dan wil ik er graag later weer erg -voor lijden. En al doet ze dan ook nog zoo wreed en koud en ondankbaar -tegen me, tóch zal ik haar altijd blijven zegenen voor het geluk dat ze -mij gegeven heeft, voor al het lieve en vriendelijke en warm-weldadige, -dat mijn eenzaam leven ééns van haar heeft mogen krijgen.” - -Mary schudt het hoofd en zegt: „Je bent een dwaze droomer, Ru. En je -zult je zelf altijd ongelukkig maken.” - -En ik weet ineens, wat ik moet antwoorden, dat ze niets meer terug kan -zeggen: - -„Het zijn heel teêre dingen, zusje, om over te spreken. Maar zóó zou ik -het u kunnen uitleggen. Ik geloof dat Annie zelf niet weet, hoe ’n -zachte, teêre ziel van God ze heeft. Ze mag getrouwd zijn geweest, en -nu gauw weer naar haar tweeden man gaan, en zich aan hem geven. Maar -het allermooiste van haar heb ik toch gehad. Ik heb haar lieve ziel -gezien, en die heeft ze aan mij gegeven, al weet ze ’t zelf misschien -niet zoo. ’t Is heelemaal zonder iets onreins geweest wat ik voor haar -voel. Alleen een groote, groote teederheid, bijna als voor een kind. -Ja, soms,—ik ben geen engel,—héél enkele keeren, is het heviger -geworden, maar ik heb er niet aan toegegeven. Ze lijkt me eigenlijk -véél te lief en te broos voor iets anders. Noem ’t maar een beetje -ziekelijk, misschien is ’t dat ook wel. Maar ik kan er niets aan doen. -Ik heb alleen van de zachte ziel gehouden, die door haar lieve leden -heenschijnt, het allerreinste van haar heb ik gehad, en nooit kan dat -een ander krijgen.” - - - -Ze is toch zoo’n dom gansje. Ze weet niets. Ze heeft bijna niets -gelezen, zoo goed als geen muziek gehoord, en weet ook maar niet het -allereerste beginsel van de groote sociale vraagstukken, die de wereld -vervullen. Ze staat heel vèr buiten mijn ideeën, en zou me in niets -kunnen helpen, en in ’t geheel niet met mij meê kunnen leven als ze -eens bij mij was. - -En toch kan het heel goed zijn dat zij dichter bij de hoogste wijsheid -is dan ik. Want de hoogste wijsheid, niet waar, moet zoo uiterst simpel -zijn, en zonder denken, vèr boven gedachten uit, aanlanden in de reine -rust van ’t onbewust-natuurlijke. Bijvoorbeeld zooals een bloem staat, -stil in den avond, gedachteloos, zwijgend van innig gevoel, of zooals -een heel klein kindje, dat zachtjes ligt te lachen tegen moeder. En zóó -lijkt me mijn lieveling al het moois om haar heen te zien. Als ik ’s -avonds met haar in ’t priëel zit op het terras, en we kijken naar de -vage berglijnen en den praal der sterren, dan heeft ze geen behoefte, -zooals ik, om zich te uiten en te zeggen hoe mooi het wel is. Ze zit -maar stil te kijken, zooals een bloem, geloof ik, naar de sterren ziet, -zoo stil en onbewust. Het is niet eens apart mooi voor haar, maar heel -gewoon, eenvoudig de simpele schoonheid, die nu eenmaal past bij hare -lieve ziel en zachte gratie.... - -Ik zie haar ook het liefst in heel gewone dingen; er moet vooral niets -bijzonders aan haar zijn. Als zij speelt met haar kindje, en er lief -tegen doet. Als zij zit te lezen, en het verhaal boeit haar, zoodat -haar gezicht opeens heel ernstig wordt, en haar oogen in spanning de -regels volgen. Als zij heel gewoon me iets aangeeft, en de -vriendelijkheid, waarmeê ze dat doet! of wel, als ik haar tegenkom, en -hoe ze dan melodieus „Dág!.... Dág!....” kan roepen, lang uitgehaald, -en met zoo’n warme, doordringende liefheid, dat je de tranen in de -oogen komen. En hoe ze een bloem plukt, die heel innig aanziet, en dan -voorzichtig in haar ceinture steekt! - -In al die kleine gebeurlijkheden, door al die heel gewone gebaren licht -de kalme gratie van Gods zachte engelen, en in die lieve menschen-vrouw -woont onbewust de ziele van een serafijn. - -Ze weet het niet, ze weet het niet.... En dit is wel juist het -mooiste.... Het is ook nooit door anderen gezien, ik ben de éénige die -door haar uiterlijken schijn haar reinste, innigste wezen heb -vermoed.... - -Door ’t leven hier en dáár gedreven, door hartstocht heen en -barensnood, een frêle, zwak wezentje, beland in ruwe mannenarmen, en -doende al de droeve, duistere dingen die des levens zijn.... - -Maar haar lichte ziel, uit God gegeven, is toch áltijd onbesmet -gebleven, én ik kniel in deemoed voor háár neer.... - -Uw zachte gratie, uw lichte engelenschijn, mijn liefste, zijn voor mij, -en wat ik in u zie en liefheb is beter dan wat gij zelve denkt te -zijn.... - -Het spreekt zoo liefelijk tegen mijn ziel in al uw reine -vrouwe-gebaren, in ’t lachen van uw oogen, in ’t wuiven van uw hand, in -’t blij goêdag-zeggen van uw stem, en o! in ’t rustiglijk neêrvleien -van uw zacht hoofd aan mijnen schouder.... - -En dáárom heb ik u lief, dáárom alléén, en dit is reiner en beter dan -waarom anderen u ooit hebben liefgehad of lief zullen hebben. - -Want ik heb lief in u wat onvergankelijk is en nooit kan sterven, wat -maar héél kort nog wijlen kun in uw teêre lijf en zachte leden, om -éenmaal weer in Gods eigen wezen te verdroomen, in puren, onbevlekten -staat.... - - - -Van de hôtel-gasten wil ik liefst zoo weinig mogelijk zeggen in mijn -dagboek. Maar éven toch dit. Als de indische maatschappij maar aldoor -zóó was als hier, dan zou het er heusch wel in uit te houden zijn. De -heerlijke berglucht waait hier al het ridicule poeha en de larie weg, -en maakt weer gewone, prettige menschen van al de pseudo-gewichtige -grootheden en potentaten. En me dunkt, het kán ook moeilijk anders. Wie -kan zich nog een sommiteit, een allerhoogste hoogheid vinden, als hij -van den Penandjaän in het ontzaglijk dal der dooden staart? - -Wèl worden er dolle dingen gedaan; men gaat b. v. met geheele benden -naar den Bromo, en speelt al de spelletjes van ’s avonds nog eens -over.... in de Zandzee, ongevoelig voor het schoon rondom. Maar men -behoeft zich niet te ergeren, door eenvoudig niet meê te gaan. - -Ook is het ras der poenen nergens heelemaal afwezig, en ook hier -slenteren er een paar van rond. - -En het is hard en pijnlijk, een lief, rein wezen als Annie ’s avonds in -de recreatiezaal te zien dansen in de armen van den eersten den besten -vlegel, die niet waard is, maar éven in haar oogen te zien. Maar zij -wéét het niet, en ik vind het beter, er haar niets van te zeggen. Laat -zij de menschen maar allen lief en goed zien! Dat hoort zoo heelemaal -bij haar altijd-lachend gezicht, en haar kinderlijke vroolijkheid van -levenslustig, gezond vrouwtje! - -Het is of van haar een glans uitgaat van innerlijke reinheid, die over -álle donkere menschen-gezichten een zacht licht doet gaan. - -En als ik haar zoo vriendelijk en hartelijk zie doen met iedereen, zoo -heelemaal nog als een kind, en of er geen zonde of kwaad bestond, dan -wilde ik wel heel graag al mijn droeve weten en mijn bittere wijsheid -geven voor háár zuiver, vreugdevol gemoed, zoo licht van eigen -blijheidsglans, dat al het duistere rondom in zachte glorie staat.... - - - -Vanmorgen hebben wij gewandeld in de „Doktersvallei,” een van de -mooiste wandelingen, die hier zijn. - -Annie zou ons den weg wijzen, Mary, Sophie en mij. Om half zeven ’s -ochtends gingen wij uit. Eerst rechts van het Hôtel, den weg naar -Telegosari, maar dan, inplaats van recht door, linksaf, en langs die -mooie, schilderachtige plek, die „de koeienweide” heet. Een smal pad -voert langs een plateau met hooge, ranke tjemårås, een open grasveld -aan den voet, waar koeien grazen. - -Van daar uit ligt de vlakte open voor ons, met vèr de heuvelruggen om -’t Malangsche, en daarachter de Ardjoenå, die het gansche landschap -houdt. - -Rein als een jonge God rees Ardjoenå omhoog in ’t morgenlicht. Langs -zijn toppen een blinkend, verblindend blanke streep sneeuwwit, -onbewegelijk, een hooge lucht-band eindeloos wijd over de hemelen, vèr -en vèr. En aan zijn voet een offering van witte wolkbloemen, van een -allerreinst, smetteloos wit, ontzaglijk en toch zoo donzen-zacht, lucht -zwevende in het April-blauw van de hemelen.... - -Wij komen bij de dessa Kertoanom, een echt Tenggerdorp van schamele, -lage hutten, en nu gaat opeens een steil, glibberig pad verticaal naar -beneden, in eene diepe ravijnkloof. - -Nu is Annie in haar element! Wie zal het eerst vallen? De grond is zoo -glad van den regen! Je moet een klipgeit wezen om daar af te komen! Zij -zal wel voorgaan, ze is niet bang, hoor! Ze heeft het méér gedaan, en -ze weet den weg! En daar gaat ze, haar lucht, rank figuurtje in de -wijd-waaiende, licht-rose baby, met de breede kanten van haar witte -kraag als blanke bloemen om haar hals. Hoe vlug trippen haar gele -schoentjes over den gladden grond! Ze lijkt wel te zweven, als een -groote, rose kapel.... Ik volg, vlák achter haar, maar met veel moeite. -Plof! daar lig ik in den modder, potsierlijk. En ik ben er half blij -om, nu zij hoog uitschatert haar koddig lachen om het dolle geval. Wat -doet het goed aan je hart dat gulle, blijde lachen, als je zoo héél, -héél lang maar niets dan peinzen en droefheid hebt gekend, en niet meer -wist wat vreugde was! En nu, als ze flink heeft uitgelachen, de zachte, -warme hand die ze je toesteekt, om je óp te helpen! En dat vriendelijke -bezorgde vragen, of je je soms pijn hebt gedaan. - -Ze laat me nu haar hand, en zóó komen we, als twee groote kinderen, in -een diepe valeikloof. De anderen zijn natuurlijk weer achtergebleven. -We zijn hun veel te vlug af met ons beidjes. - -Hoe diep staan we nu beneden! Overal, wáár onze oogen ook komen, glanst -groen van boomen en varens, immense boeketten, hoog klimmende tegen de -hellingen. Het welft zich boven onze hoofden in zware, breede bogen, en -buigt zich beschuttend over ons heen. Hoe sterk, en toch hoe teeder, -dat opschietende, hooge bamboe, neêr-zegenend in zoo fijne, spitse -loovertjes! Hoe wijs en wèl-bewust die veêren varens, lucht wiegende op -winde-adem, zoo teêr-trillende als zachte zielen! - -En hoor! overal, van rechts, van links, van boven, van beneden, de -zoete muziek van ruischende wateren, liefelijk en melodieus.... - -Het pad is sinds lang niet meer onderhouden, en hooghalmend gras is er -overheen gegroeid, in wilde verwarring. Maar Annie weet er den weg als -een kind van het bosch. Haar rose baby waait als een zacht-wuivende -vlag van liefde door het groen. Dra moeten we weer klimmen, de andere -helling van ’t ravijn op. Ze blijft me altijd maar vóór, vlug, licht -wezentje dat ze is. Als ze op een hoog punt is gekomen staat ze stil en -wacht op mij. Hoe lief is dan haar hoofd genegen, en hoe vriendelijk -reikt ze me haar handen toe! Hoe frisch en blozend haar kluchtige, -prettige gezichtje uitkijkend van onder haar breeden, slappen zonnehoed -vol plooien en deuken! Wat licht en glanzend blij, zoo’n stralend jong -vrouwtje onder het welvende groen, donker-belommerd! - -Telkens wijst ze me ondeugend op intieme, heerlijke plekjes, zacht -beschaduwde priëelen onder bamboe-loover, waar het zoo heel zacht -rusten moet zijn. Maar het mooiste komt pas later. Opeens, ergens, een -open plek, waar boven lichte, blauwe hemel schijnt. Een blanke, -zilveren waterval schiet zacht-zingend van rotsen, en groote -steenblokken liggen verspreid als zetels, waar het water langs ruischt. - -Een groote, weldadige koelte waait er van in de lucht. Je voelt een -jonge, reine kracht in je longen stroomen, en ’t is of je één wordt met -de boomen om je heen, zóó thuis voel je je ineens in de natuur. - -Groen, groen, glanzend, schitterend groen rondom. De lichtblauwe hemel, -klaar-stralend. Het reine, goede, lavende water Gods, als een zegen -daar neêrgelaten van boven. Vogelen zingen van vreugde in het rond. - -En een groote, breed-ópdeinende behoefte om weer jong te zijn, en niet -te weten, dwalende, dwalende met de liefste door Gods glanzende natuur, -en te drinken van de klare berglucht, en te luisteren naar het ruischen -der wuivende bamboe, en het klaterend gepraat van het water, intiem en -vertrouwd, en het zacht, gelijkmatig geklop te voelen van twee in -zaligheid tegen elkaar bevende harten.... O! een groot, groot verlangen -om al het verleden en het leed met één forschen zwaai van me àf te -schudden, en luid-uitjubelend van levens-lust de jonge Liefste aan het -van jonge liefde hamerend hart te prangen.... - -Ze staat stil. De wijde, rose baby met golvende plooien om haar heen. -Ze is zacht als een teedere bloem in al het schoon rondom. Ze is een -zoete, rose roos in het groen, rank oprijzend omhoog.... - -En ik weet niets meer, ik weet niets meer dan dat ik haar liefheb, ik -weet niet van tijd en verleden en van wat moet komen.... Mijn zachte, -lichte lieveling.... Mijn blijde, blozende bloem.. - -Zacht-streelend omvat mijn arm haar teedere leden, en mijn lippen, zij -zweven langs haar voorhoofd, haar wangen en haar hals, zoo voorzichtig, -zonder kus, als rose vlinders langs ranke bloemen, want dit is de -droom, de broze droom, die niet mag duren, en bij hoogste spanning -breekt.... Ik zie diep in haar oogen het reine glanzen van haar ziel, -ik voel een warme, zoete strooming van haar lijf in ’t mijne vloeien, -waar ze zich blozende tegen mij heeft aangevlijd, en ’t is mij in die -kuische omarmimg of ik één leven met haar ben, één leven van niets dan -vreugde en geluk, onbewust en tevreden, als van een tweelingbloem, -rustig-rijzende naar ’t licht.... - - - -Dat was mooi van avond! - -Met Mary in het eerste priëel gezeten, links op het terras, bij laten -zonsondergang. - -In ’t Westen de donkere, sombere trots-lijnen van de bergkammen, -fèl-zwart in rooden brand van de lucht. Om den Ardjoenå zware, -witgrijze triomfwolken, waartusschen, heel in ’t midden, een veeg -intens bloedrood. Als een donkere, blauw-grijze bol stijgt hij op in ’t -rossig-grauwe duister, zijne toppen verdwijnend in nevel. Alles is -rood-donkere sombernis daar vóór mij.... - -Maar als ik mij nu omwend is o! daar achter, in ’t Oosten, alles -lichter, lichter, in een zacht vrede-willen. De lijnen der bergruggen -zweven daar, bevende contouren, langzaam biddend langs lichte lucht. - -Benèden, vèr, in luchte waze van transparante aether-schittering, ligt -de vage vlakte. - -Een rij grijze wolken drijft langzaam, langzaam boven de bergen-golven, -één groote heeft licht-zilveren randen. Een voorgevoel van vreemde -zaligheid beeft zacht trillende in die teêre sfeer.... - -Tot statig heft óp het lumineerend bleeke hoofd, boven de reine -wolkenranden, de milde maan, schitterend van vrede. Een groote liefde -licht vèr en vèr door de lucht.... - -Rijst nu langzaam, langzaam boven de biddende bergen dat volle, -blank-blinkende maan-gelaat, en ziet met zacht-wijzen, àl-goeden blik -over de wereld, veilig in eigen, eindeloozen glans van puurheid. - -En de wolken drijven zacht-waaiend uiteen, en worden lange, wijde vegen -schitterlicht, wuivend vèr door de hemelen, als gewaden van droomende -engelen. - -De bergen zoo gansch tevreden daaronder, deemoedig geknield, in -zilveren schijn. - -En de vlakte daar ginds, zoo vèr en vèr beneden, in een doorschijnende -mane-waze, één wijde beving van licht door trillenden avondnevel, als -toegedekt in haren droomeslaap door een aetherische wade, vaag als een -vèr visioen.... Maar in het hóógste hooge is de atmosfeer helder en -klaar, en boven de fijne neveldroomen hangt het heilig Godsgewelf, -maagdenblauw in engelenkleur, met het sereene, wijze maangezicht -glanzende van liefde, en der vrome sterren zacht-tintelenden blik.... - - - -Droom nu, droom nu, mijn ziel, want die vrede zijt gij zelve, en tot -vrede zult gij éénmaal wederkeeren, als dit arm hart niet meer zal -kloppen, dat àl maar langt naar liefde, en maar niet rusten wil.... - - - -Gisteren ben ik met Mary naar Nongko Djadjar geweest. Annie voelde zich -niet wel en kon niet meê. - -Wat een héél ander mooi weer, dat Nongko Djadjar, dan Tosari! Het is -maar 9¼ paal verder, en 570 M. lager gelegen, en hoe héél anders is -daar ineens de natuur! In plaats van de kale bergen, enkel glinsterend -van kool-velden, met hier en daar stille, eenzame rijen tjemårås, nu -ineens het wilde wouden-mooi, in dichte pracht van glorieus groen! - -Wij reden uit in den ochtend, tegen half zes, het steile bergpad op -naar Pådåkåjå, ineens weer hóóg de lucht in. Omkijkend in den zadel zie -je vèr de vlakte, nog vage, en wazend in den dauwen nevel. De Ardjoenå -donkerpurper blozend in eersten zonne-gloed van den morgen, een -keizerlijk heerscher van de wereld rondom. - -Het ging in galop, lustig door jonge winden, langs diepe ravijnen en -kloven, langs ’t vrede-dal van Ngadiwono, en dan al maar recht door, -tot aan een nauw paadje, hoog tusschen bergwanden. Dáár staat ineens, -in vèrre verte, boven lager bergen triomfantelijk opgerezen, in zacht -grijs-blauw, de bolronde top van den Semeroe, pralend in de lucht. - -Nu weêr rechtsaf, door lager glooiende wegen, al lager en lager. Er -komen al meer en méér boomen, al bijna bosschen, en zachter-zoeler -wordt al de lucht. Tot eindelijk, na anderhalf uur flink rijden, een -steil rots-pad diep neêr gaat in nauwe kloof. Dit is de Kletta-pas, -naar Nongko Djadjar. - -Het steil-dalende rotspad vol zware steenblokken daalt langs rechten -hoogen bergwand naar diep ravijn. Maar het zijn bergen van blinkend -groen, want alles is dicht, zwaar begroeid, tot hóóg in de hóógste -toppen, òveral, òveral boomen, hoog boven elkaar; ze schijnen aan -weerszijden te zweven in de lucht, immense reuzen-varens, groot als -palmen, en breed-gepluimde bladerkronen van onbekenden vreemden -woud-bloei, en glorieuze bloesem-boeketten, hangend in de lucht. Links -langs de helling boven liggen verlaten kina-plantages, al jaren -verwilderd in weelderige pracht, rechts van ’t ravijn stijgt het -oer-woud, nog gaaf en ongeschonden, in maagdelijken staat. Het zijn -hooge bergen van boomen en bloemen, oprijzend in de lucht, in een -triomf van wijd-waaierende varens, wuivend in den wind, en -hoog-opschietende bamboe, met zwaar-neigende pluimen. En ongezien -storten groote water-vallen klaterend langs de bergwanden. Nu niet meer -het zacht geruisch der beekjes als in Tosari, maar luid-schaterend -orchest van zware waterstroomen, schetterend in het rond. Het is -òveral, boven je hoofd, en op zijde, en beneden, je weet niet wáár, -maar het loeit en brult en klatert langs je heen. - -De paarden stappen voorzichtig over de harde rotsblokken van de pas, -waar de weg met grillige windingen daalt. En bij iedere bocht weer -nieuwe pracht van boomen en veeren varens, en hoog-opschietende -bamboe-boeketten met zware, breede wuive-pluimen. Even, dàn weer weg, -zie je zoo’n breede, zilveren water-kolom flikkerend door het groen -vallen. De lucht is gansch puur, in klare koelte van dat frissche, -zuiverende water. Je voelt het heerlijk lavend door je lichaam gaan, en -je bent blij, te ademen in dit reine schoon. - -Nog dalen, en dalen, en altijd dalen, tot een smal, zacht hellend -paadje het bosch in leidt. Nu is de moeilijkste weg voorbij, want na -een half uur kalm draven houdt je stil voor het rustige, eenvoudige -hôtel van Weyrich, waar een stevig ontbijt al klaar staat. Hoe heerlijk -is het te eten, na zoo’n langen, vermoeienden rit, met al die klare, -koele berglucht in je longen! Waar is nu het leed, en het duister, en -de droevige gedachten?.... Leven, leven, en de lucht te drinken in de -bergen, en blij te kijken in het blinkende groen, waar het luistere -licht glanst over de vòl-schoone wereld! - - - -Zoo stemmig en rustig dat huisje van Weyrich in dat groene bosch! Wij -hebben den geheelen ochtend zitten praten in de voorgalerij, en zijn -toen bloemen gaan plukken, als kinderen. ’s Middags na de rijsttafel -hebben we wat geslapen, en zijn toen, na het theedrinken, het bosch in -gegaan. Eerst liepen wij door de kampong, met haar eenvoudige, bamboe -huisjes, en toen kwamen we op een smal bosch-pad langs een diep ravijn. - -O! die heerlijke bosch-eenzaamheid daar! Dat dichte, majestueuze -natuur-woud daar diep beneden, en dan stijgend, stijgend langs de -wanden omhoog. Die vreemde, en toch wèlbekende boomen overal, heel niet -indisch lijkend, eerder hollandsch en van lang geleden, nu ineens weêr -terug. - -Het echte wouden-mooi van heerlijk Holland! In de plechtige -vóóravond-stilte, onder het donkergroene lommer, het tikken van een -specht op een stam, het krassen van een raaf, en het melancholiek -geschreeuw van een uil. En hóór, daar vèr—de stilte wordt nog -stiller—roept de koekkoek. - -Opeens, vlakbij, in ’t ravijn, een luid geruisch in de boomen, en kijk, -daar zwaait een zwarte aap door het groen, vliegend van tak tot tak. -Kijk, nóg een, en nóg een, in slingers springen zij achter elkaar, van -den eenen boom in den anderen. Eén groote, zeker een oude, zwart met -dik-wollen vacht, blijft stil zitten, en kijkt ons aandachtig aan. Zijn -lange staart hangt roerloos van een tak naar beneden. Mary wuift hem -toe met haar zakdoek. Een grijns, een schreeuw, en hij laat zich -loodrecht naar beneden vallen, en verdwijnt in de struiken, diep in ’t -ravijn. Dàn is alles weer stil. Tot weer èven de koekkoek roept in de -verte, en de specht de stammen tikt. - -Zóó hebben wij geloopen door het bosch, en hebben onzen naam gesneden -in een boom, en wilde rozen geplukt, die bloeien langs den weg. Het was -niet meer te gelooven, dat we nu heusch nog in Indië waren. Het was een -oud, mooi bosch in Holland, waar we als kinderen dwaalden, broertje en -zusje, en elkaar sprookjes vertelden van feeën en kabouters, om, straks -bang geworden door onze eigen fantasie, de handen stijf te zaâm -geknepen, en dicht tegen elkaar aan gedrongen, angstig zwijgend naar -huis te gaan,—wijl de avond zwaar-schaduwend neêrdaalt over de stille -boomen, waar de vogels nog maar héél even ritselen in ’t groen.... - -Het stemmige, rustige, intieme, het grootsche en toch gansch eenvoudige -van een sprookjesbosch, dat was voor mij de impressie van de wandeling -in Nongko Djadjar. - - - -O! Die kleine, innige liefheden van het verliefd-zijn! Ben ik dan een -kind geworden? - -Waar is dan nu mijn wijsheid, die ik zoo staâg vergaarde, in jarenlange -studie, en nacht aan nacht zorgvuldig zamelde bij ’t late lamplicht? En -al mijn verzen van de reine eenzaamheid, en ’t, ongerept van liefde, -veilig leven in de kalme contemplatie! - -Zie me nu ’s ochtends een boeketje rozen zetten in een glas naast haar -bord! Als ze aan tafel komt,—wat laat altijd, als de andere gasten al -weg zijn,—lacht ze zacht tegen mijn bloemen, en knikt me dankbaar toe. -Ze heeft ook wel eens wilde viooltjes geplukt in den tuin, en één zoo’n -teêr bloemetje houdt ze spelend in haar mond. Dat vraag ik dan, en kus -het, en bewaar het in een liefste boek, Verlaine, of Van Eeden. - -’s Avonds vóór het diner, om acht uur, sta ik te wachten, met een -groote, donkere roos, of ze nog niet het pleintje bij haar kamer -afkomt. En als haar lieve voeten zachtekens komen aangetript, klopt -toch zoo mijn hart! Dan mag ik zelf mijn roos vaststeken tusschen haar -ceinture, en ik voel haar zacht, warm lijf zoo heel dicht hij mij. Soms -kus ik dan even het donzen vleesch van haar arm. - -Na het spelen of lezen in de recreatiezaal, na ’t eten, vóór ze naar -bed gaat, houdt ze er van, nog wat heen en weer te wandelen, op ’t -achterpleintje. „IJsberen” noemen we dat. Met ons vieren, Annie, Mary, -Sophie en ik. Ze heeft dan haar bruine, groote shawl om. En ze wil wel, -dat ik onder de shawl door mijn arm in den hare leg, en ik streel haar -warme, zachte hand, en speel met hare vingers. Die heerlijk koude -lucht; is ’t niet of je in Holland bent? Wat is ’t dan zalig warm daar -aan haar lijf, hoe veilig is ’t dan bij haar. O ja, ik weet het wel, -het blijft niet altijd teêr en zoo heel zacht in mij. Somtijds gaat mij -een lange rilling door het lijf, als mijn arm haar lief lichaam even -omstrengelt, en ik voel het bloed, dat stijgt naar mijn hoofd, en ik -duizel, en mijn hart klopt hamerend. Dat is het verlangen.... ik wéét, -dat is het verlangen.... O! Nu haar meê te nemen, waar het eenzaam is -en veilig, tusschen goede muren, met haar neêr te zinken op zachte, -donzen sponde, en haar heerlijk lijf te omvatten in vlammend begeeren! -Haar héélemaal te nemen, van haar zoeten mond te drinken, ál haar lieve -leden langs te kussen, héélemaal één met haar eigen, warme lijf in -zalig zwijmelen snikkend te vergaan! - -Maar sterker is dat ééne, groote gevoel in mij. „Je moet een reine -ridder zijn.... het mag niet breken.... zij hoort een ander toe.... -alleen haar ziel is je van God gegeven.... bedenk dat wèl.” - -Ja, Mary had wel gelijk, zoo’n teêr, zwak vrouwtje is Annie toch. -Somtijds, als ze met zus op de canapé zit te praten, wordt ze ineens -stil, legt zacht haar krullekopje op haar schouder, en nestelt zich -dicht tegen haar aan. ’t Is dan of haar schuchtere ziel opeens -geschrokken is van ’t harde leven, en ze zich tegen een vriendin moet -vleien om bescherming. - -Ik zal dat zachte neigen van haar hoofd niet licht vergeten. Hoe zal ’t -altijd bij me zijn, als ik later weer alleen zit op mijn kamer, bij ’t -bleeke lamplicht, en de sombere gepeinzen van twijfel komen! Ik geloof, -als ik dan weêr wanhoop, en ’t allerergste lijkt me droevig-waar, dan -zal ik háár liefgenegen hoofd weer voor me zien en weten, dat alles -goed is, en van God gegeven, al lijkt het kwade ’t meest reëel. - -Gisteren-avond zaten we buiten, in de vóórgalerij vóór Mary’s kamer, in -lange luierstoelen. Ze had het koud, zei ze. Ik mocht haar shawl halen, -en haar die omslaan. Maar nóg beefde ze een beetje. Toen heb ik een -wollen deken gehaald, en als een kind haar warmpjes ingestopt. Haar -voeten goed er onder, en haar handen. En ik heb haar een glas warme -punch gebracht. Mary en Sophie Wouters hadden er schik in, en lachten -dat ik haar vader was. En werkelijk, het was of ze alleen maar mijn -zachte kind was, dat ik beschutten moest tegen koû. Zoo is ze heel stil -blijven liggen, terwijl wij drieën vroolijk doorpraatten, en gekheid -maakten. Nu en dan klonk alleen haar heldere lach als ze iets bijzonder -koddig vond. Zóó lag ze daar stil pleizier te hebben. - -Buiten, vóór mij, in het Zuiden, zag ik de donkere berggevaarten, -zwart-sombere rijzenis in den nacht. Zwaar-donkere wolken dreven laag -in de lucht. En de wind waaide soms met wilde vlagen. - -Wij zaten goed beschut, met de heete punch ons warmend, maar ik zag -toch heel goed dat sombere mysterie van den nacht, dat woeste, zwarte -wereld-wezen zoo groot en hoog daarbuiten. - -En opeens voelde ik een groote teederheid in mij opwellen voor het -zwakke broze wezentje daar vóór mij, zoo teêr en hulpeloos in het -groote leven, en zoo maar voortgestuwd door de macht der dingen, zonder -eigen kracht; een lief, zacht lam in droeve, duistere heide. O! Nu het -op te mogen nemen in mijn sterke armen en het altijd warm te schutten -met mijn liefde! Haar ál het mooi te leeren, waar ze niet van weet, het -moois van Gods groote natuur, en van de kunst, haar zwakke oogen -langzaam, langzaam òp te leeren zien in het Groote Licht! En ik zelf -mij veiligend voor zondig-duistere gedachten, met de reine intuïtie van -haar ziel, die allerkostbaarste gave, die de vrouw van God gegeven is! - -Toen het laat werd is ze stil opgestaan, heeft nog even lief goênacht -gezegd, en is toen slapen gegaan. Nóg hoor ik het zacht gerucht van -hare lieve voeten, wegtrippend in den nacht.... - -Maar ik heb nog héél lang eenzaam op en neêr gewandeld, waar het donker -was en zwart. En aldoor zag ik maar vóór me haar lieve lichaam zoo -droomerig uitgestrekt in den stoel, mijn groote kind, door mij -toegedekt, en tegen koû beschut. - -Ééns, ééns zal komen de tijd, dat zij is heengegaan, dat zij een -vreemde is onder ál vreemde menschen, en in leed of vreugde, in -zaligheid of pijn, mag mijn arm niet òm haar zijn. Ze zal mij niet -meer kennen, en als ik ééns moet sterven zal zij vèrre van mij wezen, -en nimmer weenen. Haar lach zal nooit meer lichten in mijn leven, en -al het lieve, teêre, heilige, dat nu tusschen onze zielen leeft, zal -vergeten zijn.... - -Zóó loop ik droef te peinzen, in den zwarten, kouden nacht, waar -zooéven zacht verstierf het ruischen van haar rok, het lucht gerucht -van hare lieve voeten.... - -En tòch moet er een „Dieu clément” zijn.... een wijze, ál-gerechte God, -die enkel ’t goede wil.... - - - -Ik heb wat koorts, van den vermoeienden tocht naar den Bromo, en -vanmiddag had ik zoo hevige hartkloppingen, dat ik mij erg ongerust -maakte. Maar ik wil toch nog even iets opschrijven van dezen grootschen -gang. Annie was niet wel. Ik ging met Mary alleen. Het rijden er heen -is langs een anderen weg, maar van dezelfde natuur als naar den -Penandjaän. Eerst de steile hoogte op naar Wonomerto bij Pådåkåjå, dan -den weg naar Ngadiwono, om ineens links af te slaan, en dan, stijgende, -door een hoog en hooger klimmend dennebosch. Het heel intieme en -vertrouwde daar, alsof er niets vreeselijks verder ging gebeuren. -Overal de lieve bloemen en kruiden van Holland, wilde rozen, ranonkels, -wilde viooltjes, klaverbloemen, weegbree, kruisemunt, vleesch-bloemen, -kattestaart, margrietjes, bramen, en alle anderen. De boomen aan -weerszijden van de paadjes zijn tjemårås en kemlendingans. Mooi doet -vooral het heilige kruid der Tenggereezen, de tinolajoe. - -Even wordt het dichte dennebosch verbroken op een open hoogte, de -Poessoeng Lepitan, vanwaar je rechts in ’t Noord-Westen, opeens vèr, -den blauwen kegel van den Semeroe ziet oprijzen, majestueus heerscher -van de hoogste luchten. Dàn daalt het pad weêr in nieuw dennewoud, gaat -om den kalen bol-berg Boekwanter, en stijgt langzaam op naar den -krater-muur. - -Stijgen, stijgen, dan een klein steil paadje op, links, en je staat aan -den rand van de Moengal-pas, boven den afgrond naar de grauwe -Zandzee.... - -Maar het plotselinge gezicht beneden was niet zoo immens overweldigend -als van den Penandjaän. De zon was al lang doorgebroken, en scheen -goedheid in de doodsche vallei. Overal zongen vogeltjes in de struiken, -en er was een krans van levend gezang, wijd in het rond, boven het -stille dal. De kleuren beneden waren, door de regens van veel nachten, -wat lichter en blijer dan voorheen. De ribben van den Batok glansden -van een rijk goudgroen, en er lag goudgeel te gloeien over het -slijkgrauw van de Zandzee. - -Alleen de Bromo, daar vèr, was even doodsch en koud als voorheen, en -lag grimmig te broeien, dikblauwe rookwolken uitstootend met langzamen, -treurigen adem; een ongeneeslijke, gore wonde, zwaar op het lijf der -aarde. En de wind, gierend langs hoekige ribben en ruggen, neêrjoelend -over den Ider-Ider muur, vulde de hooge stilte met huilend geklaag. - -Hoe vèr, hoe vèr lijkt de zandwoestijn aan onze voeten! Daar ginds -zwarte stokjes, zoo nietig; het zijn tjemårås, die ergens bij den Batok -groeien. Overal, vèr uit, de slijkgrauwe, dorre zee van zand. Het lijkt -eindeloos. Je huivert om straks daarin te zijn.... - -Maar toch gaan we nu, dalende, daarheen. De weg is te steil om te -rijden, en wij loopen moeilijk, over rotsblokken en lavaklompen, met de -paarden achter ons aan, die gewillig volgen. Zóó gaat het, een half uur -lang, en we staan ineens in de Zandzee die nu grooter, veel grooter dan -ooit gedacht. Zij ligt daar, grauw-geel, te gloeien in de heete zon, -maar met ijzige winden koud-gierend er over heen. Het vogelengezang van -boven is niet meer te hooren. De paarden, dronken van de wijde, wijde -ruimte voor hen, worden vurig, en in vliegenden galop rennen we nu door -de wilde woestijn, en voelen ons als Bedouïnen, jagend door de Sahara. -De hoefslagen der paarden klinken hol op den bodem. - -Zóó gaat het, met een vreemd-bang en toch heerlijk gevoel van onbekend -gevaar, hollend door de sombere woestenij, langs den kolossalen, -ruig-geribden tulband van den Batok, al dichter en dichter bij den -Bromo. Groote lava-blokken, van een laatste uitbarsting, liggen -verspreid. - -Nu ligt het bleeke, geel-grauwe monster vóór ons, een ronde, hoekige -bult op de aarde, goor en grijnzend. Langzaam stijgt een blauwe -dampwolk er uit omhoog, en het lijkt een rookende wonde, heet van -broeiing.... - -Toen zijn wij tegen de gele belt opgereden, hebben de paarden laten -staan bij een trap van bamboe, en zijn omhoog geklauterd, moeilijk, tot -aan den rand. - -Beneden, peilloos diep, een sombere koker, een eindelooze -helle-trechter, donker, vol ongure, heillooze dingen.... Beneden, diep, -diep, gloeit roode vuurschijn, gloort loensche, valsch gele schijn van -zwavel; sissend stoomen blauwe wolkjes uit nauwe gaten, overal rooken -solfataren, en een dunne wolk zwaveldamp stijgt op van heel beneden, -eerst ijl als een sluier, dán dikker en dikker uitpuilend, tot een -zware kolom langzaam-treurig omhoog rijst, met de hopelooze traagheid -des doods, in een hijgen en zieden en bliksemend sissen beneden, als -van woedende machines onder te zwaren druk.... - -Ik kon het niet lang aanzien, dit gloeiende helleding, dien kokenden -krater van duisteren haat, met de satanische prikkeling van -zwavellucht, het joelend rumoer van ondergrondsch, ziedend water, en -het valsch geglim van gele zwavel.... Het beklemde mij met een angst -alsof het liefste in mij zou gaan breken. De Bromo, duistere broeiing, -als van zonde, en nacht, en negatie.... hoe haat ik hem!.... - -Toen weêr afgedaald, en de paarden bestegen, die weer in vliegenden -galop voortrenden door de grauwe zandwoestijn. Dalende luchtstroomen -gierden fluitend over de hooge bergribben rondom, en een ijzige wind -snerpte snijdend langs mijne wangen. Hier is hel, en koude, en dorheid; -hier is woestenij, en droefenis, en dood.... - -Toen...., nooit, nooit zal ik het vergeten,.... midden in de grauwe -woestijn, in de ijzige, sombere stilte van verdoemenis, diep en -reddeloos verloren in die vale vallei des doods, bloeide daar opeens -voor mijn oogen, tusschen wat armoedig gras, een groepje -vergeet-mij-niet. Vanwaar hier gekomen, door welke liefde hier midden -in doodsche sombernis verspreid, van welke sappen levend, hier in ál -droogte en dorren dorst? Vreezeloos keken ze op uit den harden grond, -een wonder van teederheid in het wreede en koude rondom. -Vergeet-mij-niet, van een zwakker blauw dan in Holland, -vergeet-mij-niet, bleek van heimwee, maar tòch liefelijk lachend, en -gansch zich gevend in volle, maagdelijke broosheid, midden in die kille -verstarring van dorre woestenij! Ik weet niet wat er was tusschen die -bloemen en mijn ziel, maar ik heb opeens de warme tranen gevoeld in -mijn oogen, en ik heb geschreid om het leed dier heimwee-bleeke -vergeet-mij-nietjes, daar zoo ganschelijk verloren in de woestijn, maar -tóch nog liefelijk lachend, in wondere, nooit verzwakte teederheid.... - -En het ontzaglijk wreede van die wijde woestenij, de heete helle-haat -van den broeienden krater, de sombere rijzenis van de steile, dreigende -rotsenmuren álom, het leek mij opeens toch maar zwak en nietig bij de -wonderteêre, maar goddelijk sterke liefde van die bleek-blauwe bloemen, -zoo broos, en zoo gansch vreezeloos, ál maar liefelijk lachend, -ofschoon stervend van heimwee, tegen de donkere zonde en den grauwen -haat rondòm.... - - - -Vanmorgen kwam ik haar witte rozen brengen, en zette ze in een vaas op -de tafel voor haar kamer, zooals ik wel meer deed. - -Daar stond ze inééns voor me, bleek en ernstig, zooals ik haar nog -nooit had gezien. Ze hield een telegram in haar hand. - -„Een telegram.... van mijn man....,” zeide ze,—hoe hard en fèl klonk -dat voor me, „mijn man,”—„hij is met koorts geëvacueerd naar Padang.... -hij vraagt of ik bij hem kom.... den 12den gaat er een boot van -Soerabaia.... en over vier dagen ga ik weg....” - -Ik voel het duizelen in mijn hoofd. Ik kan het nog niet goed begrijpen. - -„Ga je wèg.... ga je wèg....?” zeg ik.... „zal ik dan nooit meer met je -wandelen?.... en nooit meer bij je zijn, en je hand in mijn hand -houden, en nooit meer gelukkig zijn?.... en ik hoû zoo van je, -Annie....” - -Maar ze blijft heel ernstig. Het is of er een andere Annie staat -ineens. - -„Dat mag je niet zeggen, Rudolf.... weet je dat dan niet....? dat hadt -je nooit mogen zeggen.... hoe heb je ’t dan kunnen vergeten.... ik ben -getrouwd, Rudolf.... alleen mijn man mag dat zeggen.... en het spijt me -zoo dat je zoo lief tegen me bent.... en ik ben zelf óók zoo zwak -geweest.... Ik ben nog zoo’n kind soms.... En nu ineens dat telegram -van mijn man....” - -Ik kàn het niet langer hooren, ik kàn niet.... En ik zeg met tranen in -mijn oogen: - -„Ik zal het niet meer zeggen.... je hebt gelijk Annie.... wees niet -boos.... ik zal je óók niet meer vragen om nog meê te gaan.... ik zal -je alleen wegbrengen tot Poespo, dat mag wel, hè, met de anderen -samen....? Maar doe mij dan ook één pleizier.... Zeg dat nooit meer -waar ik bij ben: „mijn man,” ik kán het niet hooren, ik kán het niet. -Het klinkt zoo grof voor me, zoo hard, ik weet niet wat het is, maar -het is verschrikkelijk....” - -En ik loop weg, bang om ineens uit te snikken, als een kind. - - - -Vreemd, ’s avonds na ’t eten, in de conversatiezaal, is ze weer -heelemaal de oude. Ze kàn nu eenmaal niet lang droevig of ernstig zijn. -Ze heeft weer een pret als een jong meisje. We spelen allerlei dolle -spelletjes, als kinderen. Ze gooien met serpentines en confetti, en er -wordt warme bowl geschonken. Er wordt pand verbeurd en gekust. Ik zoen -haar als een wilde jongen een meisje van kostschool, als ze haar pand -moet inlossen. Ze doet weer niets dan lachen en dansen, en zingen van -pleizier. - -En de Annie van vanmorgen is weer heelemaal weg. Het is als een bange -droom geweest. Maar nu is alles weer goed en gewoon, en er is niets -verloren.... - - - -Mary was met Sophie en een paar jongelui nog eens naar Ngadiwono -gegaan. Annie had beloofd, óók klaar te staan om zes uur, en haar -mooie, lichtgele paardje Gambir stond beneden aan de trap, bij de -andere paarden, met de fijne voorbeenen stampend op den grond. Maar wat -een teleurstelling! Ze kon niet mee; haar kindje had wat koorts -gekregen, en zij wilde het niet alleen laten. En dat de vóórlaatste dag -van haar heengaan! Ik was er zoo geslagen van, dat ik onmogelijk met -het vroolijke troepje meêkon, en, bij het steile pad naar Pådåkåjå -gekomen, plotseling mijn paard omwendde en weggaloppeerde. - -Waar nu naar toe te gaan? Met die bittere teleurstelling bijtende in -mijn hart, en dat verlangen naar het zonnestraaltje van haar lach, haar -vriendelijken morgengroet, die een geheelen dag zoo blij kon maken! Nu -maar weer het Leverlaantje ingereden. - -En kijk, dicht bij het eerste bankje vloog ineens zoo’n wonder rood -vogeltje uit het ravijn, als een vliegende bloem, en bleef in een -struik zich wiegen op een tak. Schitterend als vuur blonk het even voor -mijn oogen, en flikkerde toen brandend òp, hoog in de lucht. En het -zien van dit glanzende stukje schoonheid maakte me waarlijk weer gansch -blij en vol hoop. - -Nu maar teruggaan, het ravijn in, en dan stijgen naar Wonokitri, om den -tocht door „de drie dessa’s” te maken. Kranig liep mijn paardje Radjek -het ravijn in, toen het steile pad op tegen den berg, en al heel gauw -was ik in Wonokitri. Daar éven, stil, over de wereld zien, en groeten -den machtigen Ardjoenå, daar vèr boven de verre vlakte, en dan, door -allerlei steegjes en paadjes, opeens in een heerlijk dennelaantje. Wat -een laantje! Heel smal, met aan weerszijden kleine tjemårås, en -daarachter dicht groen. Het lijkt wel wat op de dennelaantjes bij den -Bataafschen Boer in de Haagsche Boschjes. Nu maar zacht rijden, om het -lang te genieten. - -En een denken: „dit is nu eerst een paadje om met háár te gaan. Ging -zij nu maar op haar gele paardje vóór me, met haar ranke lijf zoo -teeder wiegend als een wiegelende bloem!” - -Maar dat zal wel nooit gebeuren, en o! overmorgen is ze weg! - -Een verrukkelijke rit door die dennen, tot eindelijk, na een groot -kwartier, de weg breeder wordt, en opeens gaat het steil naar beneden, -en het ravijn in. - -En opeens een glorie van groen, in heerlijk verkwikkende koelte. Het -was als een zachte neêrglijding in het geluk. Overal zwaar lommer van -boomen, uit-waaiende pracht van kolossale varens, en breede -neêr-pluiming van wijd-uitneigend bamboe, een liefelijke wildernis van -schitterend groen. Nu je paard stil laten gaan, het zal den weg wel -vinden, en nu àl maar kijken naar dat milde groen, rechts, links en -over je hoofd, en overal, en het zingen te hooren van de vogels, en -hoor! het bruisend geruisch van de watervallen, en de lucht te drinken, -die ál maar koeler en koeler, en de wind waait zoo groote kracht door -je ziel, die al rein en reiner! O ja, o ja, jong zijn, jong zijn, niet -meer weten en niet meer denken, enkel leven, leven. O God! ik dank u -voor dit goede, goede leven! Nu zingen en jubileeren, en liefhebben, en -gelukkig zijn! - -Zóó, met al die vreugde in mijn ziel, was ik ál maar doorgereden, tot -onverwacht, bij òmmegang van een paadje, van hoogen rotswand -loodrecht-steil naar beneden stort een breede stroom bruisend water, -die de geheele lucht melodieus maakt van zijn rein geruisch. Hoe blinkt -die blanke waterstroom daar schitterend in de lucht, en hoe moedig ijlt -hij van die hooge hoogte zingend naar beneden, fonkelstralend in zijn -klaren val! Heel de atmosfeer is puur en koel van zijn volmaakte -reinheid. O! Dat lavende, heilige water, daar als een groote goedheid -neêrgelaten van het dichte, blinkende groen boven den rotswand, dat -daar ál maar stijgende is en stijgende, een triomf van lichtende, -tintelende schoonheid, tot in ’t hooge-hooge, waar op den ravijn-kam de -stille tjemårås staan, vòl-gelukkig onder den doorschemerenden hemel, -hun pluimen toppen óp naar ’t licht! - -Beneden, aan den rand van de waterkom, waar de stroom plitsplassend -neêrstort, met kletterend geraas, tusschen breede blokken rots, en het -water dan langzaam murmelt dóór, gekalmeerd en moede van den val, -staan, eenzaam en bizonder, wat wilde azalea’s, van een ernstig -donkerroode kleur in al ’t groen overal rondom, en zien het rustig -peinzend aan. - -Ik heb daar even in groote aandacht stilgestaan. Toen weêr doorgereden, -en na een korte poos hield ik mijn paard in voor een mooie plek. Wild -dooreen liggen groote rotsblokken, waar stemmig een stroompje ruischt. -Overal in ’t rond hooge bamboes, die, stam aan stam, hoog als -vuurpijlen opschietend, zich dán kuischelijk nederneigen in statige -pluimen. O! die fijne, spitse bladertjes, hoe die zich toch zoo gansch -staan te geven! Kijk, daar links, gaat het water door onder donker -priëel, en hoe zacht is het gras daaronder! Hoe heerlijk moet het zijn, -daar te liggen, met het bamboe-lommer boven je hoofd, in koele schaduw, -het water zoo klaar ruischende aan je voorbij! O, mijn lieve vrouw, was -je nu maar hier, was je nu maar bij me, in dat zalige priëel; met mijn -hoofd zou ik zoo heel zacht rusten in je schoot, en zou ik niet je -rozige, warme hand voelen in de mijne, en het licht van je vriendelijke -oogen drinken, en gelukkig zijn van je melodieuze stem, en o! misschien -héél, héél even een kus droomen op je roode lippen! Het is toch niet -zoo véél, het geluk, waar ik vroeger zoo lange nachten over peinsde, en -dat ik maar nooit, nooit vatten kon. Enkel wat vriendelijk -oogenschijnen, wat lichte lachjes, en wat zoeten kus, en dan al zoo -heel, heel tevreden zijn! - -Maar o! mijn arm hart, dit zal toch nooit, nooit voor je gebeuren. Ai! -één dag nog maar en mijn lieveling gaat hene, en de droom, de droom is -voorbij!.... - -Zóó, wat droef, en bang voor wat zoo gauw zou komen, reed ik door, nú -stijgende, ál maar stijgende op mijn hijgend paard, tot bij de laatste -dessa Proewånå. Een klein, steil paadje nu nog, links naar boven, en ik -stond op het heerlijke „Karrenplateau,” hoog-apart. - -En opeens, plotseling geopenbaard, het vèrre vergezicht op de wijde, -wijde wereld, met de blinkende sawahs en de tuinen, en de bergen, en de -luchten en de zee. Het lag alles in het jonge, reine morgenlicht, met -zonneglans door transparanten, vochten sluier, in een zacht beven, als -een groote ziel, die bewust wordt. De lijnen en kleuren verteederd en -vervluchtigd in zacht-tintelende waze van parelmoeren zonneglans. Zoo -onreëel en ongeloofelijk. als in een andere sfeer, waar al ’t harde en -helle is verreind tot aetherischen adem van essence. De zachtblauwe -Ardjoenå geruischloos rijzend aan den vagen horizon, met vreemd groene -en vaag-violette tinten bevende om zijn droomende golvingen, de -Penanggoenan wègwazende in de wemelende wade van licht, en de Kawi, als -een rustig-sluimerende maagd onder den blauwen hemel. - -Alles zoo vèr, vèr beneden in ’t lage, en ik zelf zoo hoog in ’t hooge -licht. Eenzaam zag ik het van boven aan en liet het zalig onder mij -gebeuren.... - -Wat puur-witte wolkjes zwevende vèr beneden, boven de vlakte, -schitterend in blanken staat; zachtkens, zachtkens droomden zij voort -naar de horizonnen van de zee, als lichte zielen, uitvarende in de -eindeloosheid.... - -Waar ik staarde, overal, naar alle zijden uit, was de wereld in -zacht-bevend, transparant licht, en een groote liefde lag er wijd -uitgespreid, in glanzende genade. - -En opeens een voelend weten: „Het is alles goed, en van God gegeven, in -groote eerwaardigheid, van een eeuwig, onsterfelijk schoon....” - -Lang, lang heb ik het aangezien.... - -Klonk van verre het gekraai van een haan, en hoor, een antwoord; -zingelt nu het lachen van een meisje óp in de ijle lucht; loeit een -koe; en klagend blaat een schaap, van diep beneden. - -Vaag en onbestemd, een zacht ruischen omhoog van de levende wereld, -liefelijk en harmonieus.... - -Wèg-rijende bosschen ten horizon, groen-goudenen sawahs en velden, -vèr-tintelende zee, en rustig-rijzende bergen, het golft en wemelt en -glanst aan mijne voeten.... - -O! Het Leven, het Leven is mij gegeven, o! dank toch! dank! en is er -mijn Lief niet licht, en staat er de wereld niet blinkend in klare -couleur?.... - - - -Het is de láátste dag. - -Ik zit met Mary op het bankje, in het eerste priëel, op het terras. De -lucht is van een teeder, ijl Aprilblauw, transparant als heel fijn -chineesch porselein. De jonge morgen lacht liefelijk boven de blijde -wereld. En het gansche bestaan lijkt wel louter liefde. - -Zou er nu niet nog ééns iets komen? Nog ééns, voor ’t laatst? - -Het lucht gerucht van voeten in het zand, het zacht frou-frou van -ruischende rokken, daar komt een lieve vrouw aan. Annie, in wijde, -donkerblauwe baby, haar vriendelijk gezicht licht lachend in den -morgen. Een groote vreugde gaat over mijn ziel. - -Nu is ze toch vanzelf gekomen! Zou ze nog meêwillen? Ze moet het nu -zelf maar vragen. - -En zoo vriendelijk haar stem: „Zeg, gaan jullie nog eens meê, voor den -laatsten keer? Je hebt gisteren immers zoo’n mooien tocht gemaakt in de -drie dessa’s? Dat moet ik toch absoluut nog eens zien vóór ik wegga. -Zeg nu maar ja, jullie gaat meê, hè?” - -Ze is een beetje verlegen, dat ze nu zelf is komen vragen, en plukt wat -indische kers, om zich een beweging te geven. - -Mary kijkt me eens aan. Ze vindt het niet goed. Ik wéét wat ze denkt. -Ze vindt het wreed van Annie, mij nog voor ’t laatst te doen proeven -van ’t geluk, dat morgen dood zal gaan, en nu het scheiden nog véél -pijnlijker zal maken. - -„Ik kan niet mee,” zegt ze, „het spijt me, ik hèb nog zoo véél te -doen.” - -En ze kijkt mij aan, verwachtende dat ik sterk zal zijn. - -Maar ik bén niet sterk als Annie vóór mij staat, liefelijk als een -meisje, in haar wijde, wallende baby, met de fijne kanten figuurtjes -over haar borst, en bloemen in haar handen. Zóó, als ze daar staat, -zacht-lachend, bloeiend van jong, warm leven, rank, lief wezentje van -geluk onder den blauwen hemel! - -„Ik ga héél graag mee, dat weet je wel,” roep ik blij. „Wie gaan nog -meer mee?” - -—„Sophie en Hendrik Wouters.—Dus we gaan met ons viertjes.” - -Ik wéét wat het zeggen wil. Ze zal haar paard weer aansporen en vooruit -galoppeeren om met me alleen te zijn, en lief te worden gedaan. Ze kan -het toch niet laten. En het zal weer erg intiem en gelukkig tusschen -ons worden, en morgen zal het scheiden nog véél droever zijn. Ik zie -ineens het dennelaantje van gisteren, en de bloemen bij den waterval, -en de rotsblokken, waar ik zoo naar haar verlangde. - -Maar ik ga meê. Daar gaan we weer samen naar boven, en hand aan hand de -trappen op, als twee groote kinderen, die we zijn. - -Ze krijgt haar wit-gele paardje Gambir, dat nu eenmaal bij haar hoort, -fijn, gracieus beestje als het is. - -En daar rijden we met ons vieren weer uit, in den lichten morgen, -drinkend van den frisschen wind, door der bergen statige pracht. Ik -weer vlak achter haar, mijn oogen niet afwendend van haar lieve leden, -waar ze als een groot meisje, in haar blauwe baby, voor mij uit wiegt, -op het luchte rythmusje van haar dansend paardje. Wij zijn de anderen -weêr een beetje vooruit; als wij in de hoogte staan bij Wonokitri zijn -ze nog stijgende, beneden in ’t ravijn. - -„Waar is nu ergens dat mooie dennelaantje, waar je zoo over uit was?” -vraagt ze, met een ondeugend trekje om haar mond. - -„Het is vlakbij, als je maar recht dit pad dóórrijdt,” antwoord ik, -„Maar weet je dat de anderen nog achter zijn? We zullen een heel eind -vooruit komen, hoor!” - -Ze wil het niet begrijpen, en tikt haar vurig paardje met de karwats, -dat het opeens in galop voortrent. Ik haar achterna. - -En daar rijden we nu samen in de dennelaan, precies zooals ik gisteren -zoo verlangde. Het lijkt wel de vervulling van een wensch uit een -sprookje. Als wij een goed eind vooruit zijn houdt ze haar paard in, en -we gaan stapvoets naast elkaar. - -Als ze rijdt is ze nog gracieuzer dan anders. Het is haar licht naar -rechts gebogen hoofdje, dat dan iets heel apart teêrs en fragiels aan -haar geeft. En ze wiegt op het rythmusje van haar paardje, als een -bloem, zacht in den wind. - -„Nu zijn we toch weer alleen,” zeg ik. „En je weet dat het niet goed -is. Nu ga ik je tòch weer zeggen, hoe lief ik je vind, en hoe ik van je -hoû. Je weet dat ik het toch niet laten kan.” - -Zij kijkt een beetje strak. - -„Begin je nu weer?” zegt ze verwijtend. - -Ze wil lief gedaan wezen. Ze wil heel alleen met me zijn, en ik mag -haar ook wel liefkoozen en kussen. Maar ik mag het niet zeggen. Het mag -nooit gezegd worden wat onze zielen alleen weten. Ze heeft geen -behoefte aan uiten, zooals ik. Ze houdt alleen van ’t stille ondergaan. - -Want als ik nu, stilhoudende, haar hand neem, en zachtkens kus, trekt -zij die niet terug, en ziet me tevreden-lachend aan. En dàn rijden we -zwijgend verder, zonder iets te zeggen, al heel gelukkig met bij elkaar -te zijn in het geurige dennelaantje, onze paarden stil stappend op den -grond vol zachte, bruine naalden. Zij spreekt niet, en ziet me alleen -maar vriendelijk aan. Maar ik voel haar lieve ziel zoo héél, héél dicht -aan de mijne, dat ik denk haar zelf te zijn.... - -Bij Sidaĕng gekomen, waar de stille laan opeens uitloopt in steile -rotspaden, en het ópene wijd onder ons ligt, blijven we wachten op de -anderen. Het is of het donkere laantje, waar we even in terugzien, vol -van geluk is, dat wij er achterlieten. - -Als Sophie en Wouters zijn gekomen, gaan we verder. Denzelfden weg van -gisteren, maar hoe héél, héél anders, nu haar lief figuurtje voor mij -uit wiegt op het lichtgele paard! Zoo met al het licht en het groen, -onder het pure blauw van den hemel, met die frissche, ijle lucht, -lavend je longen, is het als een tocht met je Liefste door een -paradijs. Het lijkt nu zoo onbestaanbaar en onreëel dat ik ooit geleefd -heb het triestige, vreugdelooze leven in Soerabaia, hijgend naar lucht, -en leêg van liefde, Ik voel me herboren in veel reinere gewesten, waar -alles blijheid is en liefde. - -Bij den waterval gekomen is de weg moeilijk voor de paarden. Ik stijg -af, en leid Gambir bij den teugel. En even kus ik haar hand. Ze vindt -het zoo prettig, zoo’n kleine attentie, en lacht een beetje verlegen, -als een meisje dat door een jongen wordt gezoend. - -Eindelijk zijn we bij de rotspartij, waar de rotsblokken liggen -opgestapeld in het groen, en waar het water liefelijk ruischt, diep in -het ravijn. De hoog pluimende bamboes neigen zegenend over onze -hoofden, zacht-wuivende. Overal is vogelgekweel en bladerengeruisch. - -Annie is afgestegen, en vindt het hier een goed plekje om wat te -rusten. De koelies leiden de paarden heen om te grazen. Zij ziet een -hoog rotsblok, en klimt er vlug tegen op. Boven gekomen roept ze -plagend als een kind: „Je kunt tóch niet bij me komen! Er is nog net -één plaatsje over!” - -En natuurlijk klim ik bij haar. Eigenlijk is er géén plaats meer. Ik -kan alleen mijn evenwicht houden als ik mijn arm om haar heen sla. En -zóó blijven we zitten, héél dicht bij elkaar. Hoe vlák bij is ze nu. -Het lijkt zoo onmogelijk dat ze ooit weg zal zijn. Waaien haar krullen -niet tegen mijn wang, en voel ik niet tegen mij aandeinen het zacht -ademhalen van haar borst? Mijn lippen zijn zoo dicht bij haar hals. -Even, even, heel zacht, een kus. Ze lijkt nu wel ganschelijk van mij, -mij altijd te behooren.... - -Ze wijst me op het priëel óver ons, het priëel, dat ik gisteren al zag, -en waarbij ik zoo naar haar te verlangen stond. - -„Jammer dat het er zoo nat is,” zegt ze ondeugend. „Dát zou pas een -heerlijk plekje zijn.” - -Ze is òf heel naïef, òf heel wreed, denk ik even. Maar als ik in haar -kinderlijke oogen zie, weet ik dat het enkel groote naïefheid is. En -toch ril ik even zachtjes bij het denkbeeld, met haar te droomen onder -dat zware, donkere lommer, en haar daar rusten te doen in mijn armen. - -Nu komt een „spada” van het Hôtel met ajer blanda, en wij drinken, vlak -naast elkaar, het verkwikkende vocht. Hoe idyllisch lijkt het, zoo met -je tweeën op een rotsblok, diep in ’t ravijn, met óveral groen rondom, -en water ruischend aan je voeten. Zij in haar blauwe, wijde baby, als -een groot kind, ik in een glanzend wit pak. Alles is zomer-luchtigheid, -en zonneschijn, en koelte, en geluk. Het licht blinkt op de groene -blâren, de wind suist door het riet, en haar lief gezicht lijkt zoo -gansch te behooren bij al het moois rondom, het lijkt zóó uit al die -welige weelde opgebloeid, als een zachte, roode bloem. En dit, geloof -ik nu, zou wel de simpele wijsheid kunnen zijn, waar ik zoo lang en -droef naar zocht: „Eén zijn met de groote, àlgoede natuur, ademen één -zelfden, reinen adem met de blijde bloemen en de bloesemende boomen, -met naast je de goede, lichte Liefste, die dáár is, om je leven te -volmaken, dat alléén zijn harmonie niet vindt. Niet denken, en niet -willen, en niet weten. Maar stil-tevreden leven met het Lief, twee -zachte, simpele bloemen onder Gods blauwen hemel, in deemoed bloeiend -omhoog.” - -En werkelijk, zóó als ze daar dicht tegen me aanzat, waar ik haar hart -kon voelen kloppen, en de zachte strooming van haar leven voelde -vloeien langs ’t mijne, heb ik even gekend dat zoo eenvoudige en kalme -geluk, dat ik zoo verre, verre zocht, maar dat vlakbij gevonden wordt, -als Liefde’s Licht maar schijnt.... - -Al ’t lieve moet voorbij gaan, als een droom, anders zou ’t leven hier -één eindelooze zaligheid worden, en hemel zijn.... - -Wij stijgen weêr in ’t zadel, en nu gaat het berg op, moeilijk, met -hijgende paarden, tot bij Proewono, waar een steil, smal zijpad opklimt -naar het „Karrenplateau.” - -En het is weêr een zelfde apothéose als gisteren. Van het hooge, kleine -plateau opééns uitziende op de wijde, wijde wereld daar vér onder ons. -Bevende, wemelende horizonnen van zee en licht en lucht. Geelgouden en -smaragdgroene schittering van sawahs en tuinen. Maagdelijke rijzenis -van zachtblauwe bergen, nevel-omdroomd, die als wèl-bewuste wijsheid -kuischelijk ópstaan boven de lage vlakte, hoog ten hemel. Blanke, -lumineerende wolkjes, die als lichtende engelen zachtkens, zachtkens -voortzweven aan blinkende transen. Wijd ligt de wondere wereld ónder -ons. in een goddelijke zaligheid van licht, en kleur, en nuance, en -beweeg.... - -Wij zijn afgestegen, en ik bind de paarden aan een boom. Ik sta met -haar op den rand van het plateau, vlak bij de helling. Ik houd haar -hand in de mijne. - -„Vin je dat nu niet héél mooi?” vraag ik haar. „Zie je die blanke -wolkjes daar? O! kon ik met jou zóó samen aan den hemel drijven, zoo -heel zacht naast elkaar, en nooit meer scheiden!” - -„Je wordt weer poëtisch!” plaagt ze lief. Maar ze kijkt aandachtig naar -de lichte, blinkende wezens, die daar voortdrijven naar de zee, in -sneeuwen reinheid. - -„Wat is het alles laag en vèr beneden,” zeg ik weêr, hardop denkende. -„En wat staan wij hier héél hoog er boven. Wat kijk je lief-lachend -naar omlaag! Hoe teêr en fijn is nu je gezicht, hier zoo bizonder -glanzend, in die hooge regionen! Je lijkt nu wel een zachte engel, die -vóór den hemel staat, en uitziet op de aarde vér beneden. The Blessed -Damozel....” - -Ze lacht wat, en begrijpt me niet heel goed. Ze is moê, zegt ze en gaat -liggen in het gras, haar baby in wijde plooien om haar heen, als de -bladen van een bloem. - -„Mag ik bij je komen? Zal je niet boos zijn?” - -„—Neen, maar je mag niets zeggen, zooals verleden. Je mag er niet over -praten.” - -Neen, spreken zal ik er niet meer over, en haar niet meer vragen of ze -van me houdt. Ik zal alleen maar naast haar liggen, mijn hoofd doen -rusten in haar zachten schoot, en haar handen streelen in de mijne. Zij -houdt haar grooten strooien zonnehoed beschermend boven mij, en haar -lief gelaat buigt zich over het mijne, vriendelijk lachend. Zóó zegt ze -het me dat ze heusch wel van me houdt, al mag ze het niet uitspreken in -woorden. Hoe heerlijk is het, zoo te liggen! Hoe warm en veilig is het -bij haar! - -Zoo hoog, zoo hoog boven de wereld, in de ijle, fijne, pure lucht! Wij -ademen in zoo gansch zuivere sferen hier, waar ’t geluk wel bloeien kan -in onze zielen rein. Vèr onder ons is der wereld droef gerucht.... - -„Weet je wat nu ’t geluk is?” fluister ik haar toe. „Hier altijd -blijven droomen in je schoot, en somtijds heel even wakker worden, en -dan de sterren zien van je oogen, en dan een kus van je krijgen, en dan -weer droomen van dien kus....” - -Zij legt een vinger op haar lippen, wenkend dat ik niet spreken mag, en -zóó heel stil moet blijven. - -Totdat de anderen komen, die nog achterbleven, lig ik in het blinkende, -groene gras, en rust mijn hoofd in haar schoot, waar zij liefderijk -over mij zit heengebogen, als een stille, wakende engel, zwijgend, in -groote eerwaardigheid. En zóó ver, zoo héél ver beneden ligt de wereld, -en zóó hoog in ’t hooge zijn we hier verheven, dat het mij is, of nu -het einde is gekomen, en ik enkel een ziel ben die, der droeve aarde -ontstegen, hier landde in Gods reinere regionen, waar één van Zijn -lichte engelen haar wachtte, en zacht-genadig opnam in zoo kuischen -schoot.... - - - -Alle gasten in ’t hôtel hebben een feestje bereid den avond vóór -Annie’s vertrek. Er is muziek gemaakt, en gedanst en champagne -geschonken. En doodmoe ging ik ’s avonds laat naar bed. - -Na een koortsachtigen, bangen slaap word ik om zes uur wakker. De zon -is opgekomen, en jonge stralen lichten in mijn kamer. - -En ineens, benauwend, een denken: „Ze gaat weg, ze gaat wég.” - -Ik ril en huiver. - -Gauw nu aankleeden, en naar buiten, naar het terras. Hoe heerlijk -schoon is de morgen! De wereld is een puur paradijs van lichten vrede. -Hoe blij en liefelijk staan de bloemen om mij heen! De rozen, de -viooltjes, de blauwe verbenas, de resedas, de heliotropes! Hoog rijzen -de goede bergen ten hemel. Ardjoenå lacht zijn goden-lachen in de -stralende zon. Beneden ligt de vlakte in gouden waze, met verheerlijkte -kleuren, Er lijkt niets veranderd. Blinkend blaakt nog de droom... - -En ik kán, ik kán het niet gelooven. Het is alles zoo goed en warm en -licht rondom! Ik buig mij over zachte bloemen, en pluk ze, voorzichtig, -nog nat van dauw. Dit zullen mijn láátste bloemen zijn.... De -allerlààtste bloemen van liefde, die ik nog ooit een lieve vrouw zal -geven.... - -Nu naar haar kamer. Gelukkig is er nog niemand op het plein. En daar -staat ze voor de deur. Zoo licht, zoo glanzend van warme goedheid in -den morgen, haar kindje naast haar.... Een zachte wijding is om haar -heen.... Liefelijk lichten daarin haar oogen.... - -„Dag Annie, dag lief mevrouwtje,” zeg ik, en ik houd me goed, waar -tranen in mijn oogen staan. „Ik heb voor ’t laatst nog wat rozen en -héliotrope geplukt, de afscheidsbloemen....” - -Het vriendelijk lachen van haar licht gezicht.... O! het gebaar, -waarmee ze nu mijn bloemen aanneemt!.... Wie heeft gelegd de vrome -gratie in die teêre leden, dat elk gebaar zoo zacht maakt als -gebed?.... En uit haar lieve ziel komt die stem, die dankbaar zegt: - -„Dank je wel, hoor, ik ben er héél blij meê, ik zal ze goed -bewaren....” - -Dàn, inééns heel hartelijk, en verontschuldigend voor gisteren: - -„Het spijt me zoo dat we gisteren avond niet wat alléén konden zijn, en -al die menschen er bij kwamen. Het zou met ons vijven zoo véél -gezelliger zijn geweest. Maar ik kon er niets aan doen.” - -Hoe klein is ze nog! Ze lijkt wel de groote zuster van haar kindje! Ze -is nog zoo héél erg een Meisje zooals ze daar staat! Ze heeft haar -blauwe blouse aan met witte cirkeltjes. Haar parelgrijze rijrok, die -zoo ruischt. De blanke, ópgeslagen manchetten, en het ópstaande -boordje, met de groote, witte das. Een wit stroo matelotje op, met wit -zijden lint. Zoo blij, dat blauw in den morgen! Alles zoo frisch en -blank aan haar! Wat is ze nu dicht bij me, nu ik haar hand nog -vasthoud! Ik zie het héél fijne, blonde dons op haar wangen, en een -teêre ader, bleek-blauw, bij haar slaap. Haar glanzende gouden krullen -bewegen een beetje in den wind. Ze lijkt zoo héél voor mij, zóó, even -maar te grijpen, en dan te houden, o! vást, vást te houden voor héél -het leven, en nooit weêr af te staan! - -En straks zoo vèr, zoo vèr, zoo vèr.... Dra is de lieve droom -voorbij.... - -Ik buig mij over haar kindje, en kijk het kereltje in zijn koddige, -blauwe oogjes. De oogen van zijn moeder! Ik vraag hem, of hij blij is, -weer terug naar de stad te gaan. - -„Fritsje liever hier blijven,” zegt zijn stemmetje. - -Een fijne, nog heel zachte stem, met iets oneindig teeders en bedeesds. -Zoo’n klein, klein kleutertje! Hij is een heel klein stukje ziel van -Annie, uit háár zachte gratie weggedroomd, hier in ’t harde leven. - -En ineens, heel klaar en pijnlijk vóór me, als een zaligheid hopeloos -onbereikbaar: Een kindje van mij en Annie! Door mij uit haar lieve lijf -gewekt, en mijn ziel met háár lieve ziel te zamen! - -Ik zie haar droevig aan, en zwijgend ziet ze in mijn oogen. Zou ze het -hebben gelezen, mijn lief geheim? - -Daar komt Sophie haar kamer uit, en maakt een einde aan de spanning, -die ontstond. Ze ziet wel dat er iets gebeurt en spreekt van ’t mooie -weer, en den heerlijken rit die nog te maken is, en van nu nog maar -eens goed profiteeren. En daar komt Mary ook, mijn trouwe, zachte -zuster. Ze kijkt heel bezorgd naar me, wetende wat nu voor mij gebeuren -gaat. Nu even nog naar het achterplein van ’t hôtel gaan, en groeten, -en handen geven aan wat gasten, dan de trap af, naar de paarden, die -beneden staan. - -Wiono, het mooie goudvosje, zal haar wegbrengen. - -Daar staat ze weer naast haar paard, zooals zoovele, heerlijke malen! -Het is of ’t weer een nieuwen pleiziertocht geldt, zoo in den jongen -morgen, met al de bergen zoo licht in de zon, en de wind zoo blijde -waaiend. De droom blinkt nog in volle glorie.... - -Nu weer de handen saâmgevouwen voor haar òphouden, en hoe lucht, als -een vogeltje dat vliegen gaat, springt ze in het zadel! Zie nu haar -kleine voetje in den beugel steken! Hoe fijn, haar broze enkel. Wat is -zoo’n lieve vrouw toch van louter zachtheid en teederheid gemaakt! Hoe -is dit toch bestaanbaar in het harde, harde leven.... Maar neen, het -leven is niet hard; zie nu toch die bergen, glanzende in de zon, die -blinkende hemelen, waar de blanke wolkenstoeten drijven!.... Het leven -is licht, en vreugde, en geluk.... - -Nu rijden wij weg, Mary met Sophie en Hendrik Wouters een eind achter, -Annie en ik weer vooruit. Hoe zet zij haar paardje weer aan! Al heel -gauw rijden wij alleen. - -Er gaat een zachte gedachte in mij om, heel droef. „Ze gaat wèg van je, -Rudolf, wèg, wèg....” - -Maar het lijkt te onbestaanbaar.... Het komt zoo héélemaal niet bij het -lichte geluk rondom.... En ik lách even om mijn eigen vrees.... Dáár is -ze immers vlák, vlàk bij mij.... Als ik éven mijn hand uitsteek voel ik -haar zachten arm.... Ik zie de goudblonde krullen, zachtjes waaiend om -haar hoofd.... Hoe lief lacht ze mij toe, hoe hoort haar vriendelijk -oogenschijnen zoo ganschelijk bij mijn ziel.... - -Wij spreken ook héél niet over scheiden. Wij spreken over hoe mooi het -is rondom, waar wij zachtjes dravend door den breeden weg gaan, met -overal in de verte bergen, en wolken, en horizonnen, en rechts de diepe -ravijnen, waar de zon schittert en flikkert in licht bewegend groen. -Zij is weer zoo blij en lacherig als een kind in den jongen morgen, en -het leven is goed, o! het leven is goed en gelukkig, met het lief -gekweel van vogelen rondòm, en het liever klinken van haar melodieuze -stem! - -En tòch, en tòch, heel zacht, die vreemde weifeling héél vèr van binnen -in mijn ziel: „Dit is het einde, dit is het einde... nu komt de nacht -weer voor je, de lange, bange nacht”.... Dan rijd ik heel dicht naast -haar, en neem haar hand in de mijne, en voel wat angstig of het nog -heúsch, heúsch wel waar is, als een, die in een droom de dingen angstig -betast, bang dat hij aanstonds weêr zal ontwaken.... - -Zij laat haar hand gewillig in de mijne. De paarden loopen even naast -elkaar.—Somtijds wil ik nog vragen: „Annie, je gaat toch niet weg, hè? -het is maar wat jokken, hè, van dat weggaan? Je blijft nog bij me?....” - -Maar ik ben bang, o! bang om het te zeggen. Er gaat een duizeling door -mijn hoofd. En mijn hart hoor ik hamerend kloppen.... - -En het kán niet, het kán niet! Kijk! alles is immers nog éven mooi.... -De koele, reine lucht, en al dat groen, dat blinkende, wuivende, -ruischende groen rondom.... Alles is er nog, alles, éven mooi.... Dáár, -kijk, de figuurtjes in haar blouse, zoo wèlbekend, dáár is haar dasje, -haar hoed, haar ceinture.... Het is vlák naast me, als ik éven de hand -uitsteek is het mijn.... - -Voel maar, hier is haar eigen hand, zoo zacht en warm.... - -Maar nu voel ik het weer warrelen en duizelen in mijn hoofd nu ik dit -schrijf.... En toch, het móet, ik wíl het, ik wil het neêrzetten in dit -dagboek.... Maar ik wéét het niet meer, ik wéét het heusch niet -meer.... Hoe is het ook weer gebeurd....? Ai! mijn hart klopt zoo, mijn -hart klopt zoo.... O ja.... we waren, inééns, en toch moet het eerst na -anderhalf uur zijn geweest, we waren ineens in het kleine, stille Hôtel -van Poespo. De anderen waren ook gekomen. Er was een tafel gedekt. En -we hebben samen ontbeten. Er is gelachen, en gezongen, en wijn -gedronken. Het was zoo verschrikkelijk prettig.... Toen kwam er iemand -iets zeggen van hoe laat, en van den trein in Pasoeroean.... Wat?.... -ja, de trein.... in Pasoeroean.... - -En Annie staat ineens op, en loopt weg van tafel. Ik haar na. Ik begin -weer te begrijpen.... - -Ze staat opeens met me achter, bij de bijgebouwen, waar het water uit -een bergwand schiet.... - -„Ik ga weg,” zegt ze, „ik ga weg.... ik vind het verschrikkelijk, zoo’n -afscheid.... het héérlijke Tosari, het héérlijke, verrukkelijke -Tosari.... maar ik moet weg.... ik moet naar mijn man, hoor je ’t, naar -mijn man.... dag Rudolf....” - -Dit is niet meer mijn vroolijke Annie. Dit is al niet meer haar -stem.... Dit droeve en zoo vast serieuze is niet van Annie.... Ik -probeer haar niet tegen te houden. Het is onherroepelijk.... Want, -opééns wéét ik het weêr, fèl, scherp, hard wéét ik het, dit is het -einde van een droom.... het hel ontwaken.... het is onverbiddelijk, -genadeloos.... - -Ik kan niet spreken. Ik voel de groote tranen in mijn oogen. Ik durf -haar niet meer te kussen, ze is al te vèr, de droom is nu al veel te -broos op ’t breken.... Ik voel dat ze mijn hand drukt, en de tranen nu -langs mijn wangen gaan.... - -„Ik kán ’t niet zien, ik kán ’t niet zien,” roept ze angstig. „O! laat -ik nu toch weggaan!....” - -Daar vóór het huis staan karretjes klaar. Ik zie het nu zwijgend aan. -Er worden koffers opgeladen. De anderen zijn er nu ook, maar ik weet -niet wat te zeggen. Ik zie alléén dat Annie nu in het achterste -karretje stapt, en haar kindje bij zich heeft.... Mary kust haar, en -zij geeft Wouters en Sophie een hand.... en roept nog wat liefs.... - -Langzaam, langzaam rolt het wagentje vooruit... Dáár, dáár.... wèg, -wèg.... Nog even, nog éven. Ik ren nog éven vooruit, en ’t wagentje -houdt op.... „Annie! Annie!” roep ik. - -Ze zit zoo héél, héél stil.... Haar donkere oogen blinken van zoo -zachten glans.... O! die zachte tranen, uit haar ziel geweld om -mij!.... - -„Annie! zal je nog wel eens een héél enkelen keer om mij denken? Zal je -me niet héélemaal vergeten?....” - -„Neen, Rudolf, dat wéét je wel.... Kijk, je bloemen van vanochtend, die -ik in de tandoe bij mijn kindje heb gelegd, ze zijn al heelemaal -verlept.... maar ik zal ze áltijd, áltijd bewaren als een aandenken.... -ik zal altijd aan je denken....” - -Nog éven voel ik haar handen op mijn brandend hoofd, troostend en -zegenend, waar ik mij diep heb gebogen voor haar zachte gratie.... Ik -hoor haar stem nog éven klinken vol droefenis, waar ze mij vaarwel -zegt.... O! nog éven zie ik haar zachte ziel, blinkend in haar -oogen.... - -Dan gaat het vàn mij, ver en verder.... - -Daar gáát ze, o God, mijn God, daar gáát ze.... Ze wuift en wuift nog -met haar zakdoek, ze roept nog lief gedag, en wuift en wuift.... mijn -arme, verlepte rozen en héliotropen verspreid over haar schoot, met -haar kindje tegen zich aan.... - -Nu is het over.... Nog èven, èven, een winding van den weg... Haar -rank, licht figuurtje... Ze wuift en wuift.... - - - -En de droom, de droom is voorbij.... - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] De tjemara, een conifeer, is een boom die een indische den lijkt -maar toch geen den is (casuarina montana). - -[2] Maar heel zelden zijn datums vermeld. Achter elken dag liet hij een -kleine ruimte open. - -[3] Wonokitri—Sedaeng—Proewono. - -[4] Dit vogeltje is de „telèdèkan” (dansmeisje), zoo genoemd om zijn -schitterende kleuren. - -[5] Eigenlijk beteekent Dasar „grond, bodem enz.,” dus meer bodem van -de Zandzee. Zandzee is „Segoro Wedi.” - -[6] Eigenlijk is dit „sari” niet de bloem zelf, maar het intiemste -centrum der bloem, de plaats van den fijnsten geur, de essence. - -[7] Widodaren = luchtgeest. - -[8] Dicht bij deze dessa ligt het rustige Hôtel Tengger van den heer -Elfferich, in een zeer schoon, vredig dal. - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN DROOM *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
