summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/66947-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/66947-0.txt')
-rw-r--r--old/66947-0.txt4011
1 files changed, 0 insertions, 4011 deletions
diff --git a/old/66947-0.txt b/old/66947-0.txt
deleted file mode 100644
index 0a80bc7..0000000
--- a/old/66947-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,4011 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Een Droom, by Henri Borel
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Een Droom
-
-Author: Henri Borel
-
-Release Date: December 15, 2021 [eBook #66947]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for project Gutenberg (prepared
- from scans made available by the Koninklijke Bibliotheek, The
- Hague)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN DROOM ***
-
-
-
- HENRI BOREL
-
- EEN DROOM
-
- DERDE DRUK
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD
-
-(BIJ DEN TWEEDEN DRUK)
-
-
-Sedert de verschijning van dit boek, eerst in de „Gids” en toen in
-boekvorm, in 1899, is in Tosari veel veranderd, vooral wat de
-inrichting der hôtels aldaar en in den omtrek aangaat.
-
-De natuur is er echter, gelukkig, onveranderd, en daar de
-natuurbeschrijving in dit boek hoofdzaak is, meende ik, waar het geheel
-en al uitverkocht was, een tweeden druk niet overbodig.
-
- H. B.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INLEIDING
-
-
-Het Dagboek van Rudolf de Wall ligt voor mij op mijn schrijftafel,
-naast zijn eenigen bundel verzen, de „Winter-Bloemen,” die verleden
-jaar zulk een opgang maakten.
-
-Het verwondert mij dat hij mij dit stuk van zijn intiemste leven heeft
-gestuurd vóór hij stierf, maar tegelijk ben ik er trotsch op. Want
-Rudolf was geen prettig, hartelijk mensch in den omgang. Sedert den
-dood van zijne jonge vrouw werd hij vrijwel ongenaakbaar. Het was maar
-heel zelden, dat ik hem bij mij kreeg en wij samen vertrouwelijk
-praatten, zooals vroeger in Holland, toen wij jong waren. De misère van
-het indische leven, in de materialistische maatschappij, maakte het nog
-erger, en ik zag Rudolf, als zoovele superieure geesten in Indië,
-langzaam, langzaam achteruitgaan en er onder geraken. Verzen schreef
-hij niet meer, en in muziek had hij óók geen lust; ik geloof dat hij
-het grootste deel van den dag versliep. ’s Nachts was er nog heel laat
-licht bij hem op, en dan zat hij verdiept in boeddhistische filosofie
-of in Schopenhauer, dien hij bijna van buiten kende.
-
-Het verwonderde mij, dat hij de weinige plichten van zijn
-ambtenaars-betrekking, die gelukkig vrij wel een sinecure was, nog
-geregeld volvoerde. Hij werd onaangenaam in den omgang, praatte weinig
-meer over literatuur en kunst, en zocht door ruwheid en gemaakt,
-indisch cynisme zijn groot verdriet en de wanhoop van zijn hart voor
-mij te verbergen. Hij begon er al slechter en slechter uit te zien,
-verwaarloosde zijn toilet, en gaf in alles den indruk van langzamerhand
-af te takelen en te abrutisseeren, zooals dat zooveel in Indië
-voorkomt.
-
-Gelukkig dat zijn zuster Mary altijd nog bij hem kon blijven, en hem
-als een kind verzorgen, anders was het zeker nog véél erger met hem
-geloopen. Zij leek wel eerder zijn moeder dan zijn zuster, en hield van
-hem met zoo’n innige aanbidding, dat zij nooit van een anderen man
-heeft kunnen houden, en ook nooit de gedachte in haar was opgekomen om
-nog eens te trouwen, zoolang Rudolf alleen bleef.
-
-In September, hoorde ik, was hij zwaar ziek geworden van malaria. De
-dokter raadde hem aan, naar „boven” te gaan, naar Tosari, waar hij
-stellig beter zou worden. Maar hij wilde er niet van hooren. Met de
-eigenzinnigheid van een koppig kind weigerde hij te gaan. Ik begreep
-wel wat er in hem omging. Het was al zóóver met hem gekomen, dat hij er
-weinig meer aan hechtte of hij leven bleef of niet. Hij vond het
-eenvoudig niet meer de moeite waard om beter te worden, en de misère
-van het indische leven weêr van voren af aan te beginnen. Hij wist ook
-heel goed dat hij de kracht miste, zich boven die misère te verheffen,
-om in de indische maatschappij, die hem zoo drukte, ook het vele mooie
-te gaan zien en, zich schikkend naar de omstandigheden, van dat mooie
-te gaan genieten.
-
-Mary, die hem niet kon overreden, schreef mij een wanhopig briefje, om
-haar toch te komen helpen, want Rudolf ging met den dag achteruit, en
-de dokter had verklaard, dat alleen de heerlijke berglucht van Tosari
-hem nog zou kunnen redden.
-
-Het kostte veel moeite, maar eindelijk kreeg ik hem, als vroeger, heel
-lang geleden in Holland, onder mijn invloed, en vond hij het goed dat
-wij hem naar „boven” transporteerden.
-
-Ik kende Tosari al sinds jaren, dat paradijs van Indië. dat mij de Oost
-altijd lief en dierbaar zal doen blijven, alléén om de herinnering aan
-die reine koele lucht daar boven, die grandioze berggevaarten en die
-apothéosen van wolkenpracht. Ik wist dat het zien van die wondere,
-grootsche natuur daar hem nog veel meer goed zou doen dan enkel de
-zuivere, versterkende lucht, en ik hoopte dat niet alleen zijn lichaam,
-maar ook vooral zijn ziel daar zou genezen en herleven.
-
-Je leeft daar eigenlijk in hoogere, reinere sferen, en wat de aarde
-beneden voor je is zijn dáár de wolken. Het is een voortdurend leven in
-de wolken eigenlijk, en veelal nog hoog daarboven. Hoe dikwijls,
-staande op het terras vóór het Hôtel, met een egaal blauwe lucht boven
-je, zie je beneden, vèr, vèr beneden, boven de vlakte, de statige
-wolkenstoeten drijven, en sta je uren aan uren te staren naar die
-glanzende vluchten van blanke luchtedroomen! En hoe vreemd, hoe héél
-anders dan ooit beneden, voel je je, als van omlaag de nevelen óp komen
-rijzen, en je ziet ze vooruitschuiven in de ravijnen, en wijd-uit
-drijven, en rijzen en weêr rijzen, tot alles één blanke, witte wade
-wordt, en eindelijk zie je niets meer dan wolken, wolken, wolken, zóó
-dat ze door de ramen van ’t Hôtel trekken, en je ziet ze stuivend en
-dampend door de kamers gaan. Toch, vreemd, die nevelen zijn niet
-vochtig, maar volkomen droog, en je voelt het heerlijk wèl en krachtig
-in je lichaam worden als je er zoo ganschelijk midden in zit, en je
-ademt gretig den drogen wolkendamp.
-
-Ik wist, als iets onzen Rudolf nog genezen kon, dan moest het Tosari
-zijn, het laatste en éénige redmiddel voor kwijnende malarialijders en
-ernstige hypochonders. De krachtige, innige impuls, dien de reine, ijle
-lucht door je lichaam, en de grootsche, statige natuur er door je ziel
-doet gaan is zelfs voor de zwaarst zieken meestal onweêrstaanbaar.
-
-Het was een zware, vermoeiende tocht met den zieke, eerst per trein tot
-Pasoeroean, dáár overnachten in het ongezonde, muffe logement, vol
-malaria-kiemen, waar de zieken nog erger worden, toen naar Poespo, waar
-het kleine, luchtige hôtel gelukkig allerzindelijkst en uitstekend is,
-en toen in een zieken-tandoe naar boven, naar Tosari.
-
-Rudolf had onderweg weinig gesproken, en alles maar lijdzaam met zich
-laten doen. Maar,—ik had het wel gedacht,—op den tocht van Poespo naar
-Tosari, langs den prachtigen weg de bergen op, met àl koeler en koeler
-wordende winden, overal wuivend, schitterend groen, en dichte wouden in
-de ravijnen, begon hij zich op te richten in de tandoe, en er kwam een
-glans in zijn oogen.
-
-Bij wijlen, in bochten van den kronkelenden weg, zag je, heel ver, in
-’t Westen, diep, diep beneden, de vlakte met de zee, en, zachtblauw, de
-nobele vormen van den Ardjoenå en den Penanggoenan, rijzende aan den
-horizon. Dan zag ik een glans over zijn gezicht gaan, en hij zei met
-iets van de oude geestdrift van in Holland: „Da’s mooi, Henri, da’s
-mooi, hè? Kijk die bergen eens!”
-
-Hij was altijd in extaze als hij bergen zag, die hij nog mooier vond
-dan de zee.
-
-Dan antwoordde ik: „Het wordt nog véél mooier, Ru, wacht maar eens, tot
-je boven bent, dan zal je eens zien!”
-
-En hij zweeg, maar keek met stille, aandachtige oogen in het rond, waar
-de wuivende bamboe in wilde pracht omhoog schoot, de fijne, spitse
-blaadjes teeder tegen de lucht, en waar, diep in ’t ravijn, onder de
-fantastische warreling van boomen en struiken, ongezien, de watervallen
-ruischten.
-
-Een tijd lang sprak hij weer niets. En toen ineens: „Dit zullen mijn
-beste vrienden worden, geloof ik.”
-
-Hij zei dit met een zachte stem, lief als de stem die mij ééns
-tegenklonk uit zijn verzen. En hij wees op de ranke, fijne tjemårås op
-zij van den weg.
-
-Dit is dan ook wel de mooiste en de meest karakteristieke boom van den
-Tĕnggĕr. [1] Er zijn zoo heel veel soorten en variaties, maar de
-mooiste zijn toch wel de kleine denneboomen van Tosari, die in rijen
-aan weêrszijden van de groote wegen zijn geplant, en tegen de hellingen
-der ravijnen, waar de groentevelden zijn. Zoo teêr en aandoenlijk staan
-hun fijne takjes uitgespreid in de lucht, en ze kunnen zich zoo héél
-deemoedig en in grooten vrede staan te geven, hoog op een verren
-bergrand, tegen een donker-rossigen avondhemel!
-
-Ik had het wel gedacht, dat die mooie boomen van den Tĕnggĕr hem lief
-zouden worden, en ik zei lachend:
-
-„Weet je nog wel, Ru, hoe we vroeger zeiden dat die dennen onze groote
-broêrs waren, in de laantjes om den Bataafschen Boer? Hier heb je ze nu
-dan toch in Indië terug, en dat hadt je niet gedacht, hè?”
-
-Hij keek weêr uit zijn tandoe en lachte mij vriendelijk toe.
-
-Mary, die naast mij reed—een slanke, ranke figuur, vol gratie op haar
-vroolijk dansend damespaardje—keek mij dankbaar aan, en was toch zoo
-blij, dat haar broêr weer wat opgemonterd was! Ik voelde mij door dien
-éénen blik van haar beloond voor al de moeite, die Rudolf mij gekost
-had,
-
-Zoo ging het al hooger en hooger, met den zieke den berg op, tot hij
-eindelijk van vermoeienis in slaap viel, dicht bij de dessa Baledono.
-In het Hôtel Tosari aangekomen, werd hij wakker van het overdragen in
-zijn bed, en voelde hij zich koortsig, en rillende van de koû.
-
-De dokter zeide lachend aan Mary, die heel bezorgd keek, dat het binnen
-een paar dagen wel in orde zou komen, want de lucht van Tosari deed
-wonderen. Als we hem nu maar goed instopten onder de wol, en hem een
-paar dagen in bed lieten liggen, zou hij binnen een week misschien al
-op de been zijn.
-
-En werkelijk, het wonder gebeurde, zooals het al zoo dikwijls in Tosari
-gebeurd was. Na een week in bed te zijn gebleven,—elken dag zich al wat
-beter voelende,—mocht hij den zevenden dag al wat wandelen op het
-terras van ’t Hôtel, en aan tafel eten.
-
-Ik zal niet licht vergeten dien eersten morgen, toen ik hem op het
-terras bracht. Het was een mooie ochtend, tegen half zeven. Den hoek
-omgekomen van ’t hôtelgebouw naar den tuin, was het als een apothéose.
-
-Want hier, vanuit dat heel hooge in de hemelen, op dat zachte terras
-vol bloeiende boomen, zie je vèr over de wereld, die ligt daar diep,
-diep beneden voor je uit. Achter, in ’t Noorden, de hooge, sombere
-bergkammen van den Tĕnggĕr, oploopende naar den ronden kratermuur, en
-als trotsche, beweginglooze golven, loopt de grandioze bergmassa naar
-’t Oosten en Westen met statige lijnen àf naar de vlakte. Het Hôtel,
-een soort Zwitsersch châlet, ligt in ’t midden van dien bergkom, op een
-verren uitlooper, met aan weerszijden de ooster en wester àfgolvingen
-hoog in de lucht, en achter, in ’t Zuiden, den immenzen kraterrand
-dreigend in de lucht. Links, in ’t Zuid-Westen, daalt de bergmassa af
-naar het verre dal van Malang, waarboven bijna altijd donkere
-wolkenmassa’s drijven; rechts, in ’t Oosten, is de muur steiler van
-trotsche, ten hemel rijzende gevaarten, die met feller lijnen
-wèg-golven naar de zee.
-
-Aan vèrren horizon, Noord-Westelijk, rijst de statige, machtige
-Ardjoenå, met zijn vijf toppen, de heerscher van het geheele landschap,
-van hemel, aarde en lucht, en verder Noordelijk, de slanke, grijze
-kegel van den Penanggoenan, fijn en teeder aan den horizon. Meer naar
-’t Zuiden, nog vóór de Ardjoenå, de drie-golvige Kawi, een slapende
-Maagd gelijk, die rust met omhoog getrokken knieën, en zwellende borst,
-in de hemelen.
-
-De vèrre vlakte ligt daarvóór, zoo laag en klein van uit het terras,
-met de gele en groene kleuren van de sawahs en rietvelden, en de kleine
-witte plekjes van fabrieken en dessa’s! In den morgen beeft daar bijna
-altijd een doorschijnend waas van dauw en nevel, met kleuren als van
-heel fijn parelmoer, en al vroeg begint de statige tocht van blanke
-wolkenstoeten, over de vlakte naar de zee.
-
-Hier en daar, op de ontzaglijke bergkammen zoo hoog in de lucht,
-liggen, rustig en vreezeloos, de prachtige dessa’s, met hun roode en
-gele kleuren. Vèr, rechts, de dessa Proewono, en iets verder, meer naar
-’t Zuiden, Sidaeng, en, verder, in ’t allerhoogste, Wonokitri.
-
-Beneden, vóór uit, Telogosari, en, lager, Baledono.
-
-En, heel in ’t Noorden, vèrder dan de verre vlakte, de zee, met, vaag
-aan den horizon, het schemerend eiland Madoera.
-
-Het is alles zoo oneindig laag en ver, en zelf sta je zoo ontzaglijk
-hoog verheven, met die witte wolken-vluchten zoo diep onder je
-drijvend, dat het eigenlijk àl te onwaarschijnlijk en onreëel lijkt, of
-alles maar een droom is, die dra zal breken....
-
-Na ’t triestige, sleurige kantoor-bestaan in Soerabaia, ’t grootste
-deel van den dag suffend tusschen vier muren, in een hitte van
-negentig, somtijds tot vijf en negentig graden, die alle energie
-verdooft, is ’t plotseling overgaan naar Tosari een herleving. De
-uiterst reine, ijle, koele berglucht waait de nevelen weg, die
-loom-zwaar over je denken hingen, en die het vaag en duister maakten
-voor je oogen.
-
-Dan in eens op dat terras te staan, hoog boven de wereld, in de
-zuivere, luchtige sferen, en vèr beneden de lage vlakte te zien rijzen
-aan den horizon, en de wolken-stoeten in zoo blanken, heiligen staat,
-zoo langzaam-verdroomende, zwaar van licht, en het schitterend glanzen
-van de zee, die wègdeinst naar verre hemelen!
-
-Het is dan een zéér bizondere òmkeer in je, of al het verledene van je
-weggaat, of het daar vèr beneden is gebleven in de hitte en den sleur,
-of je daar nu heelemaal vrij en onbevangen staat in die allerhoogste
-regionen, heerlijk herboren, en of alles nu weer opnieuw kan beginnen,
-een nieuw, jong, krachtig leven in de pure, onbesmette lucht, zoo heel
-dicht bij den blauwen hemel, nog ver boven de laag-drijvende
-wolkenpracht over de aarde.
-
-Dáárom had ik Rudolf hier gebracht, omdat zijn droef verleden van hem
-wèg moest gaan, en hij aan een nieuw leven moest beginnen.
-
-Hij zeide een tijdlang niets. Stil staarde hij maar in alle richtingen,
-naar de bergen, naar de droomende wolken, naar de zee. Hij zag het aan
-met een weifelende, kinderlijke verwondering, alsof hij het eigenlijk
-nog niet goed kon gelooven.
-
-De zon begon langzaam op te rijzen achter de Oosterbergen, en de
-zachtblauwe Penanggoenan in het Westen beefde opeens van een
-rood-gouden glans. Zachtkens vergleed die gouden lichtschaduw door het
-parelmoerig waas boven de vlakte, en weldra schitterde ook de Ardjoenå
-in rossig-guldenen gloed, wijl ijl-fijne, teêre tinten van lichtgroen
-en dof-purper en vaag-violet trilden om zijn stil in de lucht lijnende
-contouren. Hij stond daar, doorluchtig en eerwaardig, in den morgen,
-als de eeuwig-jeugdige, onverwinlijke helden-God, wiens naam hij voert,
-in vlammend goud gewaad tegen den lichtblauwen hemel.
-
-Daar zei Rudolf ineens, met warme geestdrift in zijn stem, weêr
-heelemaal de oude enthousiast van vroeger: „Henri, ik wist niet dat
-Indië zóó mooi was!”
-
-Toen—zóó was hij altijd, óveral zocht hij naast het heel grandioze en
-ontzaglijke het uiterst teedere en zwakke,—toen boog hij zich over een
-bed wilde viooltjes, die heerlijk geurden over het terras.
-
-„En dan al dat fijne en teêre,” zei hij, hardop denkend in zich
-zelf,—„al dat zwakke en broze hier midden in dat ontzettend groote en
-verhevene! Kijk, daar zijn nu toch heusch al mijn lieve, oude bloemen
-van Holland weer! Waarachtig! Een bed wilde viooltjes! In hoeveel jaren
-niet gezien! En kijk, hier, reseda’s, en héliotrope, en dáár, hoe is ’t
-mogelijk, hier in Indië! korenbloemen, en klaver, en kijk eens! een bed
-met verbena’s, en hier blauw-hemdjes, en de echte, groote pensées óók
-al, en dáár waarachtig die mooie monnikskapjes, en de paarse winde, en
-wat ’n theerozen, wat ’n tinten! Maar waarachtig, daar staan de echte
-boterbloemen van Holland in ’t gras, en daar zie ik een heel bed met
-madeliefjes! Hoe is ’t mogelijk, Henri! Daar is me nu alles zoo maar
-inééns terug? En dat in Indië!”
-
-Ik had er schik in, hem zoo te hooren jubelen. Want dat was de oude
-Rudolf van vroeger, met wien ik roovertje had gespeeld in de duinen, en
-die altijd zoo’n echte, gezonde hollandsche jongen was. In Indië had ik
-hem nooit weer zóó teruggezien, Het was of er daar altijd een donkere
-nevel over hem heen was.
-
-En kijk nu toch eens, wat echt kinderlijk en jongensachtig is die
-groote meneer van nu,—hij is al zes en twintig,—die altijd zoo nijdig
-en somber kijkt, en die zoo geheele nachten in al die droevige
-filosofie van de Ouden zit te studeeren, kijk hem nu eens scharrelen
-tusschen die bloemen!
-
-„Dat moet Mary zien, kerel, dat moet Mary zien!” roept hij enthoesiast,
-„wat zál ze blij zijn! Ik ga haar dadelijk halen!”
-
-En daar vliegt de melancholieke dichter van „Winter-Bloemen” met groote
-sprongen, als een wilde schooljongen, het terras over, drie treden
-tegelijk bij het naar boven hollen, precies zooals ik het hem—lang o!
-lang geleden!—op kostschool had zien doen, bij den grooten,
-beslissenden stormaanval op het kamp der Apachen, waarover ik het bevel
-voerde.
-
-
-
-Mijn zaken en veel litterair werk riepen mij terug in Soerabaia, en
-toen ik Rudolf zóó opgefleurd zag, bovendien nog zoo trouw verzorgd
-door een teedere, lieve vrouw als Mary, ging ik met een gerust hart
-weer naar „beneden.”
-
-Ik had eerst nog een lang gesprek met den dokter van het établissement.
-Hij verzekerde mij, dat hij instond voor de genezing van Rudolf’s
-malaria, en vertelde mij nog een aantal merkwaardige gevallen van
-herstel, door de gezonde, ijle lucht van Tosari. Zieken, die in
-Soekaboemi en elders in de Preanger geen baat hadden gevonden, en die
-hier, bijna stervende, waren aangebracht, had hij, dikwijls zonder
-chinine, enkel door de geneeskrachtige inwerking van de lucht, zien
-beter worden. Maar hij had één leelijk ding bij Rudolf geconstateerd,
-een hartziekte. En wel een hartziekte, zooals er zooveel zijn van dien
-aard; je kon er honderd jaar mede worden, maar je kon ook binnen een
-jaar dood zijn.
-
-Het was nog niet erg, een flauw begin nog maar, zóó zwakjes nog dat hij
-Rudolf niet eens het paardrijden er om zou verbieden. Als hij maar geen
-al te hevige emoties kreeg, en geen zware, moreele schokken, was er
-geen oogenblikkelijk gevaar bij. De dokter vroeg mij, of hij niet een
-of ander groot verdriet had ondervonden, en ik vertelde hem van den
-verschrikkelijken dood zijner beide ouders bij het vergaan van de
-engelsche mailboot „Bokhara,” en het vroege sterven van zijn jonge
-vrouw. Zoolang er maar geen nieuwe, heftige schokken bijkwamen, zou het
-met Rudolf wel losloopen, verzekerde de dokter mij nog bij het
-heengaan.
-
-Ik hoorde niet veel van hem toen ik weer terug was in Soerabaia. Maar
-tusschenbeide schreef Mary mij, dat het goed met hem ging, dat zijn
-malaria heelemaal over was, en hij er door en door gezond uitzag, met
-een kleur op zijn wangen. Hij liet haar telkens zijne hartelijke
-groeten aan mij overbrengen, en een belofte, dat hij nu heúsch, over
-een paar dagen, zou schrijven. Maar er is nooit iets van dien brief
-gekomen, ofschoon ik hem zelf van tijd tot tijd schreef.
-
-Ik dacht dat hij er geen tijd voor had, en zeker aan een nieuwe reeks
-verzen zou zijn begonnen, en ik verheugde mij er al op, wat daar van
-komen zou. Want de stem, die zoo doodsdroef in melodieus beklaag van
-zielesmart gezongen had in „Winter-Bloemen,” zou die nu misschien niet
-uitjuichen in heerlijk schaterend gejubel, onder den impuls van een
-nieuwe, krachtige jeugd in die hooge, reine sferen, omwaaid door die
-pure, ijle lucht?....
-
-
-
-Toen, opeens, nog geen drie maanden nadat ik hem het laatst gezien had,
-kreeg ik een telegram van Mary.
-
-Rudolf was dood....
-
-Hij was inééns gestorven, als zoo vele hartlijders, gestorven in wat de
-bloei van zijn jeugd leek, flink en krachtig gebouwd, met een
-gezondheidsblos op zijn wangen. ’s Ochtends, na een wandeling, was hij
-plotseling op den grond gevallen, had nog een paar uur op bed gelegen,
-pratende met Mary, en was toen ineens dood geweest. „Hartverlamming,”
-had de dokter geconstateerd.
-
-Een paar dagen later kwam Mary bij me, en bracht me een dagboek, door
-Rudolf in Tosari aangehouden. Hij had haar kort vóór zijn dood
-gevraagd, dit als een laatste aandenken aan mij over te geven.
-
-En nu ligt het Dagboek van Rudolf de Wall vóór mij. Ik heb het gelezen.
-Ik weet nu dat hij gestorven is na een schoonen droom. En ik benijd
-hem. Het is zoo vol liefde voor het leven, en vol voorgevoel van den
-dood. Het is of zijn ziel altijd geweten heeft, dat hij nu wel gauw zou
-sterven, want op meer dan ééne plaats in zijn dagboek voelt hij zich al
-bijna verdroomen in de natuur, en één worden met Gods innigste wezen,
-dat hij er in leven voelde.
-
-Het lijkt misschien wat wreed, maar ik vind het gelukkig, dat Rudolf
-daar boven is gestorven, en nu één is met de reinste essence van al het
-verheven schoon, dat hij daar in zijn láátsten levensdroom mocht
-aanschouwen.
-
-Wat zou er van hem geworden zijn, als hij met zijn overgevoelige,
-teedere, kinderlijke ziel, met al die jonge, nieuwe geestdrift, weer
-was teruggekomen in ’t démoraliseerende, wreede, harde leven hier
-beneden? Wat, als hij de vrouw, die hij zoo verheerlijkt zag,—en die
-ook misschien daar bóven wel éven reiner en puurder is geweest in die
-alles zuiverende, hooge lucht,—later hier had moeten weêrzien,
-teruggezonken in den sleur van het indische leven, een heel gewoon,
-oppervlakkig wezentje, niets beter en niets slechter dan de anderen,
-van wie hij zich altijd zoo ver hield? Hoe zou hij hebben geleden, als
-hij haar langzamerhand, niet meer onder den invloed van de zoo ideaal
-en geestdriftig stemmende berglucht, zou hebben gezien zooals ik haar
-leerde kennen, en zooals zij werkelijk was; het ergste wat er voor hem
-kon bestaan: een flirt, en als hij had begrepen, hoe hij de liefste en
-beste dingen van zijn ziel weêr had weggegeven in het ledig, als
-vergooid in ’t niet?
-
-En—wie kan zeggen wat reëeler is, de werkelijkheid of de droom? Het kan
-heel goed zijn dat Annie, de vrouw die hij zoo liefhad, daarboven éven
-was opgerezen tot de reinheid en de zielezachte gratie, die hij in haar
-vermoedde, en dat het heusch wel ganschelijk reëel was, wat hij van
-haar voelde. Het is de majestueuze schoonheid van de bergen en de
-hemelen, die de ziel zoo verreint, en de pure, koele winden, door het
-lichaam waaiend, die het beste en edelste in den mensch—jaren lang
-verdoofd en onmacht gebleven—daar heerlijk doen opleven, in die zuivere
-sferen.
-
-Al is het dan dat later, later, beneden terug, het éven uitgebloeide
-mooi weer droef verzinkt in de muffe hitte, en den saaien sleur, en de
-huichelachtige conventie van het alledaagsche, geestdoodende indische
-leven....
-
-Hier is dan nu het Dagboek van Rudolf de Wall, zooals ik het aannam uit
-de zachte handen van zijn zuster. Het heeft niet veel van een roman, en
-de intrigue ontbreekt geheel, die velen het voornaamste vinden van
-lectuur. Het zijn somtijds maar wat korte fragmenten, de wisselende
-stemmingen van zijn ziel onder den invloed van het wisselende schoon
-der dagen en nachten in den Tĕnggĕr.
-
-Toets het toch niet aan de werkelijkheid, en zeg toch niet, dat dìt
-dwaas en dàt verkeerd van hem was, en dat hij wijzer had moeten zijn,
-en beter menschen leeren kennen vóór hij ze waard vond het liefste van
-zijn ziel!
-
-Want ik zeg u, hij is gelukkiger geweest met zijn verbeeldingen en
-fantasieën dan één van ons, verstandige menschen, en in stilte heb ik
-hem benijd om wat ik nooit zoo kon genieten in mijn grootere wijsheid.
-
-Want gelukkig! o! gelukkig zijn zij, die niet het harde leven zien,
-maar veilig óprijzen in hun eigen, schoone droomen!....
-
-
-
-
-
-
-
-
-UIT HET DAGBOEK VAN RUDOLF DE WALL [2]
-
-
-Ik ben vandaag voor ’t eerst uit mijn bed geweest. Zeven lange dagen en
-nachten in een kleine kamer!
-
-En toch was ’t zoo erg niet. Ik voelde langzaam, langzaam een goede,
-reine lucht in mij stroomen, en, zooals je mond als je water drinkt,
-werd mijn lichaam koel en frisch.
-
-Mary schoof soms de gordijntjes open voor mijn raam, en dan zag ik
-overal bergen, bergen, bergen, en witte wolken, zeilende door de lucht.
-Maar ’t mooiste van alles misschien wel de kleine, deemoedige dennen,
-de tjemårås, zoo zachtjes ópklimmende tegen hellingen, en in rechte
-rijen langs paadjes staande. Overal smalle, windende weggetjes, zooals
-je ze wel ziet op den achtergrond van primitieven, Van der Weijden, of
-Van Eijck.
-
-En aldoor dat reine ruischen van watervallen, ongezien, diep in
-ravijnen....
-
-Nu ben ik dan eindelijk weêr opgestaan, en ik ga een nieuw dagboek
-beginnen. Het moois dat ik hier zien ga mag niet zóó maar weer
-vervlieden in de tijden. Ik heb zoo’n voorgevoel, of het nú wel weer de
-moeite waard zal worden, een dagboek, dat ik sedert jaren niet meer
-aanhield.
-
-Wat hebben Mary en Henri mij goed opgepast, hoe hartelijk en lief! Ik
-zal nu al het moois dat hier gaat komen, probeeren te bewaren in dit
-boek, en later, als ik weer gezond beneden terug ben, laat ik het hun
-lezen.
-
-Ik mag mij vooràl niet vermoeien, zegt de dokter, en alleen nog maar
-wat wandelen op het terras....
-
-Maar mijn Dagboek ga ik toch beginnen, dat zal zoo’n kwaad niet doen,
-zoo één uurtje maar.
-
-Wat zou er komen?.... wat zou er komen?.... o! zou er nog iets voor mij
-kunnen komen?....
-
-
-
-Zóó was het broze droom-gezicht van morgen, toen ik op het terras Gods
-wereld zag, vèr en diep aan mijne voeten:
-
-Een vage, waze wade wijd over de vèrre, dof glinsterende vlakte. Het
-teêre, zachte, milde morgenlicht voorzichtig brekend daar doorheen.
-
-De Ardjoenå, zonder materie, luchtig vervluchtigd, vèr in dat waze,
-droomende maar ijl en éven, als een essence. De ziel van zijn zwaar
-massale goden-lichaam nu, schuchter, bloot, zijn eigenlijke, innigste
-Wezen éven bevende óp, in dit teedere licht van den morgen....
-
-Ook, vaag vermoed, de luchte Penanggoenankegel, en de zachte golvende
-Kawi, en vèr, de parele, glanzende zee, ten horizon verdroomend..
-
-De luchte essence van het wereld-wezen beeft zachtekens voor mijne
-oogen, in het kuisch-eerwaarde, schemer-teeder maagde-licht van den
-jongen morgen....
-
-Hoe ijl, hoe ijl is de dunne, reine lucht.... hoe licht voel ik mijn
-eigen wezen voorzichtiglijk zich uitspreiden in die wijde, wijde
-ruimten....
-
-En het is mij, of het zachte, kuische einde nu wel drâ zal komen, en
-mijn ziel nu aanstonds zal verdroomen in die teêre, broze sferen, ver
-over de glanzende vlakten, over de vage horizonnen van de zee....
-
-
-
-Dat was een heel curieus gesprek vanochtend! Ik schijn dan toch wèl in
-het rijk der wonderen te zijn aangeland.
-
-Ik was op een bankje gaan zitten op het terras, toen de oude heer
-Mehrmann bij me kwam, die Tosari zoo dóór en dóór kent, en er zooveel
-over geschreven heeft. Hij heeft me op een heel eigenaardige manier
-uitgelegd, wat de invloed van deze reine, ijle, aeterische atmosfeer is
-op de menschen. En als hij het bij ’t rechte eind heeft is het hier
-zeker een uniek oord van wonderen in de wereld.
-
-„Ik moet u eens waarschuwen,” zeide hij, „dat de menschen, die u hier
-zult leeren kennen, héél anders zijn dan zij zich later „beneden” weêr
-zullen toonen. Het is dan ook heel gevaarlijk, hier vriendschap—en nog
-gevaarlijker liefde—voor iemand te gaan gevoelen, want daar zal beneden
-niets dan ellende en teleurstelling op volgen. Wat het is,—ik geloof
-niet dat het alleen de ijle lucht is—weet ik niet, maar de menschen
-leven hier eigenlijk in een droom. Misschien is het óók de grandioze,
-simpele, strenge pracht van de natuur, die het ’m doet, maar zij worden
-hier veel beter en zuiverder dan ze beneden zijn. Het is zeker door het
-eindelooze van al die heerlijke horizonnen hier om je heen, dat ze
-ruimer van opvatting worden, dat de engheden van de conventie
-wègvallen, en de stijve, deftige luidjes van beneden hier vrije,
-natuurlijke, oprechtere menschen worden. Ik geloof niet, zooals de
-dokter, dat het alleen de dood is van de malaria-bacillen, die dit
-wonder tot stand brengt. Ik geloof dat de invloed, door de psyche
-uitgeoefend, hier veel grooter is dan men vermoedt, ja, dat eigenlijk
-het psychische proces de hoofdrol speelt, en den stoot geeft aan het
-physische. Je kunt over het algemeen zeggen, dat je hier op Tosari met
-een verbeterd, hooger soort menschen te doen hebt dan beneden. En dit
-is zóó erg dat ik menschen, die ik beneden heel onsympathiek vond, en
-in wien ik geen glimpje van zielemooi meer vermoedde, zóó diep als ze
-gezonken waren in den duffen sleur van ’t alledaagsche, hier opeens met
-lieve, teedere en subtiele dingen voor den dag heb zien komen. Mooie
-dingen, die jaren in hen geslapen hebben, worden hier ineens weer
-wakker, en menschen, waar je ’t nooit achter gezocht zou hebben,
-spreken hier weer van illusies, en idealen, en poëzie. Het is heusch of
-met de reinere, zuivere lucht hier ook de ziel reiner en zuiverder
-wordt, en de nevelen er van wegwaaien.”
-
-—„Maar hoe dan, als ze weêr beneden komen?” vroeg ik nieuwsgierig, en
-in spanning.
-
-—„Ja, ziet u, dát is nu juist de ellende,” zei de oude heer. „Zoodra de
-menschen een tijdje terug zijn, beneden, in de hitte, is het weer mis.
-Ze zinken binnen een paar dagen weêr in den sleur terug. Menschen, die
-hier dag en dag allerintiemst met elkaar omgingen, en om zoo te zeggen
-geen oogenblik van elkaar af waren te slaan, gaan elkaar later in
-Soerabaia met een stijf knikje voorbij, of ze elkaar nooit gekend
-hadden. Het is of ze zich daar schamen voor het mooie, natuurlijke
-gevoel dat ze elkaar boven getoond hebben, of ze verlegen zijn, daar
-even een gewoon, natuurlijk mensch te zijn geweest. Daarom is het zoo
-heel gevaarlijk, hier erg van iemand te gaan houden. Want het is niet
-die iemand zelf, waar je dan van houdt, maar de illusie, de droom er
-van, zooals die hier even, in die reine lucht, is ópgebloeid. Ik heb
-hier een jongmensch gekend, een bizonder gevoeligen jongen, die
-vrééselijk is gaan houden van een lief meisje. Zij nam hem zoo’n beetje
-als haar cavalier aan, en ze waren altijd samen, en leken wel twee
-inséparables. ’s Avonds laat zag ik ze wel eens minnekoozen in een
-priëel. Hij stuurde haar verzen en bloemen, enfin, u kent dat wel. Toen
-ik hem later nog eens „beneden” ontmoette—ik was erg intiem met hem—en
-hem naar het meisje vroeg, zag hij er uit of hij zich schaamde. „Ze is
-een héél gewoon meisje, als duizend anderen,” zei hij. „Ze was zoo
-stijf, toen ik haar opzocht, alsof ze me bijna niet kende. Er is niets
-bizonders aan. En ik begrijp maar niet hoe ik ooit iets in haar gezien
-kan hebben.” Maar hij vergat dat ze werkelijk wáár en oprecht, en dus
-ook werkelijk bizonder was geweest boven. Ze was alleen maar in den
-sleur en de doffe conventie teruggevallen zoodrá ze weer beneden was.
-En zoo gaat het met bijna alle menschen hier. Daarom, wanneer u als
-jonge man een goeden raad van mij aan wilt nemen, geniet dan hier zoo
-véél mogelijk van de natuur, maar neem de luitjes niet al te veel au
-sérieux. Je zoudt het hier een tijdelijke, verbeterde editie van
-menschen kunnen noemen. Ze zijn allen zoo ongedwongen en zoo lief en
-zoo hartelijk. Je zoudt denken, wat is de wereld toch goed, en wat zijn
-de menschen toch allemaal beminnelijk! Maar het is héél bedriegelijk,
-en iemand met een beetje hart, die wat erg gevoelig is, en zich gauw
-aan vrienden hecht, geeft het later niets dan bittere teleurstellingen.
-
-„En dan is er nog iets. De grandioze horizonnen en vergezichten
-verruimen de ziel, maar de ijle, prikkelende lucht werkt heel sterk op
-de zinnen, vooral bij vrouwen. Véél wat ge voor lief en adorabel zoudt
-aanzien in de uitgelaten vroolijkheid is au fond niets dan
-overprikkeling van de zinnen, en het schijnbaar teedere is dikwijls
-enkel sensueel. Het is hier dan ook een gevaarlijk land voor jonge
-vrouwtjes, en ik heb hier in al de jaren, dat ik Tosari ken, al heel
-wat ongerechtigheden zien begaan voor mijn oogen. Maar u moet het nu
-maar eens zelf gaan opmerken. U is nu gewaarschuwd, en dat is altijd
-een goed ding.”
-
-Vreemde, oude knorrepot! En toch zoo’n goedig, vriendelijk gezicht....
-
-In wat vreemd land van wonderen ben ik terecht gekomen! Een droomland,
-waar de menschen allemaal beter zijn dan ze eigenlijk zijn! En ik, die
-nog altijd maar niet wijs kan worden, en nog altijd naïef ben gebleven,
-ik die met één lief lachje en vriendelijk handgebaar zoo dadelijk ben
-te winnen!....
-
-Ik ben benieuwd wat daar van komen zal....
-
-
-
- ’s Ochtends op het terras.
-
-De zon is niet te zien achter de Oosterbergen.
-
-De vlakte ligt in een zacht-roze gloed van verwachting, een Liefste,
-die haar verren Minnaar wacht, en vage blozet. De bergruggen rechts,
-met rijen donkere boompjes, liggen blauwzwart in zilverig wit
-parellicht. Wat lage cypressen op zijde van het huis staan doodstil in
-de lucht....
-
-Langzaam vaart een roze gloeien door de hemelen, en er is een zachte
-beving, vaag voorgevoel van kleur in de lucht. Eén eenzaam, smal
-streepje reeds hangt eenzaam in het Oosten, ijl en bizonder. Het drijft
-er vreemd en verloren, maar toch zeer rustiglijk verheven, en door
-eigen, innerlijken glans gedragen. Plotseling weêr vervloden....
-Waarheen?.... Fragiele teederheid van èven mooi, en dan niet meer, als
-een broze droom, die breekt in ’t niets....
-
-De wereld ligt te wachten, te wachten, in vaag verlangen.
-
-Als eindelijk de zon boven hoogen bergwand opsteekt, een
-schitterstralend schild, wègspitsend goud-flonkerende pijlen, gaat een
-schok van warmte door de wijd-bevende lucht....
-
-De lagere bergheuvelen van het Malangsche in ’t Zuid-Westen liggen nog
-onbestemd, droef te peinzen in floers van maar langzaam verblankende,
-donkergrijze wolken. Ook laag om den voet van den Ardjoenå ligt nog
-weifeling van wolkennevel, sombere drooming.
-
-Maar vreezeloos, in een luchte verreining, rijst Ardjoenå’s lichaam in
-zacht rozen gloed omhoog, zijne fijne omtrekken bevende in ’t licht.
-Met een rustigen glimlach ziet hij, als een God eerwaardig, naar de
-zon, zijn toppen rood-vergulden.
-
-Verder westelijk, bij den Penanggoenan, waar ’t ál ligt te wazen, is
-het een begin, een vaag vermoeden maar, in zacht ontwaken, waar hij
-blauw-grijze droomende omhoog rijst, uit waduwe wade van morgendauw.
-
-Geel en groen en goud, in zachte verdooving van glanzen, lichten sawahs
-en velden door de wijkende nevelen.
-
-De vlakte is dof tintelend, als een immenze schelp van parelmoêr.
-
-De zonnestralen vallen breeder en breeder, als fonkelend-gouden staven
-uit de lucht, en slaan de bergen met schitterend licht.
-
-En overal, wijd-rondom, het recht-óppe, evenwijdige staan van de
-kuische tjemårås, verspreid op bergkammen en hooge heuvelruggen als
-kalme kudden, zéér deemoedig, en zéér tevreden in al het geluk van het
-licht....
-
-
-
-Er heerscht een prettige, ongedwongen vroolijkheid aan tafel. Het
-lijken werkelijk allen beminnelijke menschen, juist zooals de oude heer
-Mehrmann gezegd heeft. En—o wonder—niets van de pseudo-gewichtige
-stijfheid en de ridicule afscheiding van rangen, die de indische
-maatschappij zoo bederft. Er is een President van den Landraad met zijn
-vrouw, een assistent-resident, een kommies, een officier, een employé
-in den handel, een chemiker, een controleursvrouwtje, en zoo meer,
-allen door elkaar, en allen even hartelijk en vroolijk.
-
-Mary zit aan mijn linkerhand, en mijn buurvrouwtje aan den rechterhand
-is een mevrouw de Vallère. Ik vind haar niet erg mooi; laat ik maar
-zeggen leelijk. Ze heeft goud-blonde krullen, los neêrhangend tot op
-haar schouders. Nog erg meisjesachtig. Wat heeft ze een vreemd gezicht,
-met zoo’n spits toeloopend kinnetje, en wat is ze bleek, met twee
-ouwelijke trekken om haar mond! Alleen haar bruine, bijna zwarte
-oogen—zoo heel zeldzaam, zwarte oogen en goudblond haar—hebben iets
-bizonders, iets koddigs en guitigs, of ze met alles zoowat spotten. Ook
-haar neus, een echt mopneusje, heeft zoo iets grappigs. Ze doet erg
-vroolijk, en zegt allerlei dolle dingen, maar het gaat haar nog niet
-goed af. Ze ziet te bleek, en die trekken om haar mond maken haar te
-ouwelijk. Ik vind haar niet prettig om te zien, en had wel een ander
-buurvrouwtje willen hebben aan tafel.
-
-Mary zegt dat ik het zoo niet zie, maar dat er iets erg liefs en teêrs
-aan haar is, en dat ze haar graag lijden mag. Ze heeft haar als meisje
-in Holland gekend. Daarom ben ik óók een beetje vriendelijk tegen haar,
-en bewijs haar attenties aan tafel.
-
-Maar het ziet er nog heelemaal niet uit of ik mij hier erg aan iemand
-zal hechten. De menschen zijn druk, en luidruchtig, en wel aardig. Maar
-toch niet om bizonder mee weg te loopen. Ik zal het dus alleen van de
-natuur moeten hebben, en van de menschen zal alleen Mary mij innig lief
-zijn, mijn goede, zachte zuster....
-
-
-
-’s Ochtends, dikwijls al om tien uur, begint een somber droomen-spel.
-
-Alles was zoo licht, zoo puur, zoo klaar, een groote glorie was de
-wereld in de zon.
-
-Dáár rijst opeens, langzaam, langzaam, een grijs wolkgordijn, wijd
-uit-waaiende over de vlakte, en alles, de blinkende sawahs en velden,
-de machtige Ardjoenå, en de Kawi, en de Penanggoenan, zinkt
-geruischloos weg. Al hooger rijst het, en hooger. Van uit de diepten
-der ravijnen stijgen duistere, sluipende nevelen, glijden voort als
-trage slangen, kruipen omhoog tegen de hellingen, en spreiden zich
-langzaam, langzaam uit in wuivende sleepgewaden.
-
-De treurig-grijzende misten drijven over de bergkammen,
-droevig-dreigend, en de teêre tjemårås zinken dieper, dieper in het
-niet. Hier en daar blinkt nog een glanzend koolveld tegen bergwand, en
-een eenzaam groepje boomen staat vreezeloos op hoogsten top, tot ook
-dáár de vage nevelen rijzen, en de wijde, witte wade wuivende vaart.
-
-Het lijkt nu alles eeuwen, eeuwen oud, en van een vèr verleden....
-
-Al hooger en hooger gaat het, zwijgend, somber, onverbiddelijk, en des
-doods....
-
-Al ’t schitterende schoon van nog zoo kort geleden is nu duizel-diep
-gezonken.
-
-Overal, dik-grijs, de wolken en de zware nevel, langzaam wuivend en
-wemelend, met stuivenden damp.
-
-Koud en eenzaam sta ik op het terras, en huiver.
-
-Overal, òm mij, boven en beneden, een grijze woestenij, het is als
-duistere, duistere zonde, alle dingen zijn dood, en vèr-verloren. Het
-is als een wreede creatie van kwaad, die daar ligt te broeien in
-somberen, zwarten nacht, meedoogenloos en onverzoenlijk....
-
-Nu gaat het àl verzinken, het leven en het licht, en niets is òm mij
-dan de wijde, wilde chaos van duister Niets....
-
-
-
-Vannacht, het was tegen drie uur, werd ik wakker. Nu even op het
-achtergalerijtje gaan kijken in den nacht....
-
-De nevelen hadden de bergen weêr genomen. Ik staarde, staarde, maar
-niets was te zien dan de dikke, grijze mist. Alleen de vage vormen van
-een paar tjemårås, weifelend en onreëel.
-
-Het zachte vallen van dauwdroppen door bladeren....
-
-Het eenzaam getjirp van een krekel maakt den nacht nog stiller.
-
-Nu en dan sonore vlagen, het statig-streng metaal-gezang van den wind
-in dennen.
-
-De koude nachtlucht huiverend langs mijn hoofd.
-
-Alles zoo duister, zoo vol bang geheim in fantastischen nevel, en de
-lucht zoo wreedelijk koud....
-
-Maar hoor! hoor! daar diep in het donker ravijn beneden, het reine
-ruischen van een waterval, zachte rythmen in den nacht, zoo vertrouwd,
-zoo altijd door bereid, in rustelooze laving. Het is als een
-wèl-bekende stem in ’t diepe duister, klinkend van liefelijken troost,
-zoo van: „het zal toch heusch wel goed worden,.... alles komt in
-orde,.... blijf maar vást vertrouwen”....
-
-En van een grooten vrede vervuld, gansch rustig, leg ik mij weer te
-droomen in het zachte bed.
-
-
-
-Ik mag nog niet uit, en moet nog een paar dagen binnen blijven. Alleen
-mag ik wat heen en weêr wandelen op het terras.
-
-Maar ik hoor zoo aan tafel allerlei verhalen van wandelingen, die ik
-later natuurlijk óók ga maken. Er zijn hier overal mooie plekjes en
-wegen, hoor ik, met aparte namen. Dat klinkt zoo intiem en zoo prettig,
-net als vroeger de wandelingen in Holland. Ik heb dat in Indië nooit
-meer gehad. Het is er te warm, en te drukkend, om veel te loopen, en de
-zon schijnt er dadelijk te fel. Maar hier komt alles van Holland
-blijkbaar weêr even mooi terug.
-
-Ik heb die namen allemaal opgeschreven om ze goed te onthouden voor
-later. Je hebt b. v. het Leverlaantje,—dat hóór ik nog ’t meest
-noemen,—het eenige laantje hier, dat bijna geheel vlak is, en waar je
-niet behoeft te klimmen, zoodat zelfs leverlijders er kunnen
-wandelen,—je hebt het Meijer- of echo-laantje, den weg naar de
-Moulijnsbronnen, de wandeling langs „de drie dessa’s,” [3] en het
-Karrenplateau. Je hebt de Doktersvallei, de „dertien watervallen,” het
-Junghuhn-pad, het Voorhoeve-plateau, de Veths-hoogte. De grootste
-uitstapjes zijn naar de Zandzee,—den grooten Tĕnggĕr-krater, met zijn
-drie vulkanen, de Bromo, de Batok, en de Widodaren,—naar den
-Penandjaän, den hoogsten top van het gebergte naar Soekapoera, door de
-Zandzee over Ngadisari,—en naar Nongko Djadjar.
-
-Sommigen gaan nog veel verder, naar de meren van den Semeroe, naar den
-Semeroe zelf, maar dat zijn tochten van vijf, zes dagen, en daar zal ik
-vooreerst wel niet aan mogen denken....
-
-Ik luister nu maar vast heel tevreden naar al de verhalen daarover aan
-tafel, en probeer mij een voorstelling te maken van al wat mij nog te
-wachten staat.
-
-Vooral mijn buurvrouwtje, mevrouw de Vallère, houdt mij goed op de
-hoogte. Ze is al in de drie weken dat ze hier is zoo wat overal
-geweest. In de laatste week ging ze iederen dag heel vroeg met Mary
-uit, om zes uur ’s morgens, en ze klimmen twee uur lang over bergen en
-scharrelen door woeste, dichtbegroeide ravijnen of het zoo niets is.
-Mevrouw de Vallère, of laat ik maar liever zeggen Annie, want zoo noemt
-Mary haar immers altijd, is een onvermoeide bergwandelaarster. Mary
-plaagt haar door haar „een klipgeit” te noemen, omdat ze zoo vlug over
-de rotsblokken en beekjes heenspringt.
-
-Het is merkwaardig, zooals dat vrouwtje hier verandert. In ’t eerst
-vond ik haar bijna leelijk, zoo bleek en afgemat zag ze er uit. En nu
-is ze heusch bijna mooi, en zeker erg, erg lief. Het is of die
-heerlijke lucht hier een nieuw, jong leven in haar gewaaid heeft. Ze
-heeft een prettigen, rooden blos op haar wangen gekregen, haar oogen
-zijn gaan schitteren, en er is, ik weet niet wat voor veerkrachtigs,
-levenslustigs en prettigs om aan te zien aan haar gekomen. Het is nu of
-er een warm, tintelend leven uit haar stroomt.
-
-En die vroolijkheid, die kinderlijke, ongedwongen, dolle pret die ze
-kan hebben! Die hebben wel is waar bijna alle gasten gekregen, maar zij
-toch wel het ergst. Ze komt soms dansende en zingende aan tafel, gooit
-een paar kennissen met bloemen en water, maakt de koddigste grappen om
-niets, en ziet van alles alleen het kluchtige en het aardige.
-
-Vroeger zou ik dat, geloof ik, te bruyant hebben gevonden, en niet te
-hebben. Maar hier doet het mij goed. Het is toch heusch wel eens
-prettig, zoo gul te hooren lachen en zoo’n vreugde om het leven te
-zien. Het hoort zoo heelemaal bij de omgeving hier, en bij die reine,
-zuivere lucht. Ze lijkt eigenlijk nog een groot, dwaas kind, altijd vol
-grappen en streken. Ik noem haar dikwijls plagend „het clowntje,” en ik
-geloof dat ze een beetje trotsch is op dat naampje. Toch heeft ze veel
-verdriet gehad, zegt Mary.
-
-Toen ze achttien jaar was, nog een erg kind, is ze getrouwd met een
-vriend uit haar jeugd, van wien ze dol veel moet gehouden hebben, een
-echte jonge-meisjes verliefdheid.
-
-Twee maanden na het huwelijk stierf hij aan acute longontsteking, een
-gevolg van influenza. Het eenige dat zij van hem terugzag was haar
-kindje, dat acht maanden na zijn dood werd geboren, en sprekend op hem
-geleek. Ze is dan ook dol op het kereltje, omdat het de mooie oogen van
-zijn vader heeft, en in al zijn beweginkjes en gebaartjes aan hem
-herinnert. Toen ze pas negentien jaar was, kwam er al grijs haar
-tusschen haar blonde krullen, zegt Mary, en het was aandoenlijk om te
-zien, dat kind-vrouwtje met die grijze haren. Nu ze haar krullen los
-draagt, zie je ’t niet meer zoo, en weet ze het te bedekken.
-
-Maar Annie was te levenslustig en te vroolijk om lang te treuren. Een
-groot verdriet paste zóó heelemaal niet bij haar, dat ze heel kort na
-den dood van haar man weer uitging en pret maakte. Zoo was ze nu
-eenmaal, ze kon er niets aan doen. Er zat te veel jong, bruischend
-leven in haar.
-
-Nù was ze weer hertrouwd, met een majoor van het indische leger, een
-vriend van haar vader, die al met haar gespeeld had toen ze nog een
-kleine kleuter was. Ze is een „handschoentje,” zooals ze dat hier
-noemen. Juist toen ze op zee was, werd hij naar Pedir overgeplaatst,
-zoodat ze haar man nog niet gezien heeft. Ze heeft toen eerst bij zijn
-moeder in Semarang gewoond, maar daar pakte de malaria haar zoo aan,
-dat de dokter haar aanraadde, direct naar Tosari te gaan.
-
-Mary gelooft niet dat Annie erg diep en innig van haar man houdt; zij
-ziet meer in hem een vriend van haar vader, iets sterks, waar ze zich
-aan hechten kan, zwak en teêr als ze is, iets veiligs, en veel grooter
-dan zij, dat haar beschermen kan, en waar ze goed „bezorgd” bij is met
-haar kindje. Ook vindt ze het wel goed staan om majoorsvrouw te wezen,
-en een beetje deftig te zijn, zegt Mary. Maar zusje vindt het toch niet
-sympathiek, dat nieuwe huwelijk van haar. Annie weet nog in ’t geheel
-niet wat eigenlijk echte liefde is, zegt Mary, het is nog maar enkel
-een simpel, groot kind, dat van het leven niets begrijpt.
-
-En Mary, die zoo gauw iemand doorziet, en die Annie al als schoolmeisje
-heeft gekend, zal zeker wel gelijk hebben.
-
-Maar ik ben toch blij, dat zoo’n vriendelijk, vroolijk wezentje, zoo
-heelemaal „débordant de vie,” zooals een fransch schrijver zou zeggen,
-hier opeens zingend en lachend in mijn leven is komen staan. Je voelt
-je waarachtig zélf weer een beetje kind worden als ze bij je is.
-
-Ze steekt het geheele hôtel aan met haar uitgelaten vroolijkheid.
-
-’s Avonds, in de conversatie-zaal, verzint ze allerlei spelletjes, en
-je ziet er van die deftige heeren en dames uit Soerabaia, die blindeman
-spelen, en slofje onder, en pandverbeuren, of ze nog in hun eerste
-jeugd zijn.
-
-En, waarachtig, ik schaam me een beetje voor mij zelf—wat zouden al die
-„artiesten” in Holland wel zeggen, als ze ’t wisten!—ik ben zelf óók
-meê gaan doen, toen Annie het zoo lief kwam vragen, en ik ben de blinde
-man geweest, toen er voor het eerst dat dolle spel gespeeld werd,
-„American Post.”
-
-Waar je al niet toe komt, zoo hoog in de witte wolken!
-
-
-
-Vanmiddag, in een fuchsia-struik voor mijn venster, zag ik een wonder
-vogeltje. [4] Ik heb nog nooit ergens zóó intenze, schitterende kleur
-gezien. Boven op den kop fonkelde lichtgroen. De rug licht-grijs met
-een smal dons van wit bont als rand er omheen. Het borstje licht
-vuurrood, sterk hel, en ’t buikje zwart. Het rood is ’t innigste en
-vlamt boven de andere kleuren uit.
-
-Dit is een van die vogeltjes, die je plotseling in een wolk uit
-rood-bebloesemde dadap-boomen ziet vliegen, en zóó schitteren hun
-borstjes in de zon, dat ze zijn als vliegende, roode bloemen, die van
-louter vreugde opeens opjubelen in de lucht....
-
-Stil, voorzichtig, heb ik zitten spieden. Het keek in een kelkhart,
-pikte even, en dan, trip, op een ander. Zóó licht is het, dat de lichte
-bloem bijna niet beweegt. Dan, ineens, wiet! weg, en daar gaat het, als
-een fonkelende vonk vuur, rank, kleurig gelukje, hoog in de lucht....
-
-
-
- 23 October.
-
-Van ochtend vroeg stond ik op het terras vóór het Hôtel, en zag vèr
-over de wereld beneden mij.
-
-Klaar en luister was de morgen boven de lichte vlakte van het paradijs.
-Een wijde schittering van kleuren, geel, en groen, en goud, van
-dauwe-vochte sawahs en velden in de zon.
-
-Het dal tusschen Ardjoenå en Tĕnggĕr, daar in het zuidwesten, waar
-ergens Malang ligt, is een bed van sneeuwen wolken, glinsterende
-prachtwolken, als glanzend blanke stoom opgehoopt, in stralende glorie.
-Daarboven rijst de Ardjoenå lichtblauw in de jonge lucht.
-
-Hoe stil en heilig ligt dat sneeuwen wolkenlandschap daar, door glans
-van eigen goedheid gedragen! Roerloos ligt het te schitteren in zijn
-vlekkelooze schoonheid, en toch beweegt het, ziet hoe langzaam,
-langzaam drijvende die blanke lichtwolken zweven àf, en zachtkens vèr
-en verder, rijende tot eindelooze krans van sneeuwen bloemen in de
-lucht! Rondom, wijd uit—van het donzen dal is het aangekomen—droomen
-die blanke lichtengelen door de hemelen, in schitterende gewaden, en
-verzweven zoo zachtekens, zoo zachtekens boven de zonnige vlakte, naar
-de horizonnen van de zee.
-
-Vèr over die verre wateren, die lumineeren van bevend licht, het
-goudgroene eiland Madoera, vaag en weifelend als een zachte belofte van
-liefde....
-
-
-
- ’s Avonds.
-
-In de late schemering weer op het terras, en.... wonder! wonder!
-
-Waren uchtends die witte wolken uitgevaren, in zoo kalme, blanke
-pracht, en dreven luchtig van boven de vlakte wèg naar de zee, in zoo
-blinkende vreugde, nu is het donkere lijden in de hemelen gekomen, en
-weedom waart rondomme.
-
-Ziet, loome en droevig zweven de smartwolken aan van de zee, langzaam
-drijvende naar het dal, waar ze doodmoê gaan liggen, somber-donzende de
-een op de ander, een donkere droom.
-
-Die zwartende sneeuw daalt over het duistere dal, zwaar-gedragen. Het
-groote godenlichaam van Ardjoenå is van die droefenis overtogen, maar
-zijn heilig hoofd heft hij kalm en statig daarboven, en in een eenzaam,
-wijs gelooven rijst hij rustig boven het donkere leed. Om zijn trotsche
-toppen een zwevende wolkenwade, die het scherpe verreint tot een
-effenheid van zachte, gelatene lijning. Lichtgrijs staat hij verrezen
-tegen donker-leiblauwe lucht.
-
-Lange sleepgewaden waaien wijd over de vlakte, wuiven en wuiven,
-verglijden langs dalen en ravijnen, en trekken rekkend, langzaam
-langend òp tot hooge hellingen.
-
-En daar vér, vér, achter nevelsluieren, die vaag waaiende heen en weer,
-de zee, in duisteren deemoed....
-
-O! Het doodsdroeve, stille lijdensdal daar beneden, onder het grauwe
-dek van sombere wolken-sneeuw, zoo donzen-donker, en eindeloos
-zacht!....
-
-Maar, wonder van genade, in ’t Oosten, in reflectie van zinkende zon
-achter Westerbergen, hóóg in de hemelen, één groote, blanke triomfwolk,
-schitterend met gouden randen, door een innerlijken, heiligen glans
-gedragen, zoo hoog en veilig, vèr van het donkere leed, een mirakel van
-glorieuze goedheid in de lucht, rayonneerend en lumineerend als een God
-de Vader....
-
-Stiller wordt het, en stiller....
-
-Doodszacht, en langzaam verdonkerend tot zwartblauw de donzen
-lijdenswolken boven het dal.
-
-En de Ardjoenå, zoo wèl-bewust, en gansch gelaten, rijst nog altijd met
-omsluierd hoofd boven dat hooger en hooger stijgende leed, en ziet met
-een subliem, wijs gelaat in de eindeloosheid, eenzaam en grandioos
-boven de werelden. Een groote wijding beeft om hem heen....
-
-In de verte kwijnt de slanke kegel van den Penanggoenan langzaam àf in
-het waze; nog èven, èven, en zinkt zachtekens weg in het niet....
-
-Zwaarder en zwaarder daalt de avond-nacht met sombere schaduwen....
-
-En plots, uit de groote schitterwolk, weerkaatsend over al het donzen
-donker met rillend huivertrillen, schiet de blanke bliksem door de
-hemelwerelden, straal-vliegend door het firmament.
-
-Even beeft het over het wijze hoofd van den Ardjoenå, met wonderen
-glans....
-
-En, zóó verrezen, drâ weer weg boven de èven lichtende bliksemsneeuw,
-de zachte, blauwe golvingen van den Kawi, die ligt als een slapende
-Maagde in den nacht....
-
-Somber gromt de donder mompelend over de donkere bergen, met
-droef-sonoor oproer-gerucht roerend de lucht....
-
-Dàn is het weer stil, en geen geluid stoort het zware zwijgen. Donkere
-schaduwen waren rond, als sombere giganten. De schitterwolk wordt zwart
-en zwarter, en zijn glans vergaat....
-
-Maar, hoog en vreemd, in open-drijvend hemelmeer van ernstig blauw, één
-stille ster, zéér rustig en sereen.... Het droeve wereld-leed is daar
-gansch vèr beneden en zij staat daar, veilig en onvervaard, een wonder
-van goedheid in de lucht. Lichter en lichter straalt zij, nu het
-duister al zwaarder en zwaarder neêrzijgt over de wijde wereld-nacht,
-zijn breede, zwarte wieken spreidend boven den donkeren chaos van
-wolken, wijl de bliksem bij korte poozen zijn wit-stralend licht flitst
-boven het diepe, droeve Niets van nacht-mysterie....
-
-En ik, moede zwerver, sta daar, bang bevangen boven die eindeloosheid
-van donker lijden, waar mijn ziel van weent.
-
-Eenzaam en grandioos ligt de sombere wereld-droom aan mijne voeten....
-
-
-
-Met een vreemde beklemming bevangt mij de gedachte dat dáár, vèr in ’t
-Zuiden, waar de hoogste bergruggen uitloopen in kringvormigen rand,
-ergens in een diep, diep dal, de wijde zandwoestijn moet liggen, waar
-de sombere Bromo broeit. Ik hoor er elken dag over praten door
-menschen, die er geweest zijn, en elken dag lees ik er over in
-Junghuhn’s werk.
-
-De Dâsar, of Zandzee, [5] een zandvlakte van een gehééle geographische
-mijl middenlijn, is ééns één groote krater geweest, de groote krater
-van den Tĕnggĕr! Later is de ontzaglijke krater met zand bedekt, maar
-nieuwe kraters vormden zich in die woestijn, de Widodaren, de Giri, de
-Bromo, de Batok, de eerste drie bij de eruptie vretend in elkaar, de
-laatste apart en ongeschonden. De Bromo alleen is nog actief, en werpt
-dikke rookwolken op, somtijds—om de zeven jaren, hoor ik—uitbrekend in
-eruptie.
-
-De reizigers gaan van hieruit naar den Moengal-berg, aan den
-Noordelijken kraterrand, om langs den Moengal-pas af te dalen in de
-Zandzee Dâsar.
-
-Maar het mooiste gezicht op de zandwoestijn moet zijn van den hoogsten
-bergtop in het Zuid-Oosten, de Penandjaän.
-
-Vanuit den Moengal en den Penandjaän moet ook de Semeroe te zien zijn,
-of Maha-Meroe, de hoogste vulkaan van Java, altijd door in werking.
-
-Als ik zoo het groote licht hier zie over de bergen met blinkende
-koolvelden, en de kuische tjemårås staan zoo teer tegen de blij-blauwe
-lucht, alles zoo vol vreugde en leven, dan word ik bang bevangen door
-het denkbeeld dat, dààr, achter de hooge bergwanden van ’t Noorden, in
-wreede, diepe wonde, steil in dal van afgrond, die dorre, grauwe
-woestijn ligt, met dien somberen, rookenden vulkaan, en het wereld-vuur
-brullend en broeiend onder de aarde.
-
-Het moet wel zijn als inééns de dood na het lichte leven, als de zonde
-na heilige deugd, als het kwaad, grimmig en fel, na ’t warme, zachte
-goede.
-
-Een duitsch reiziger noemde het hier dan ook „Ein Paradies am
-Höllenrand,” hetzelfde wat een bekend geograaf van de Sandwich-eilanden
-zeide.
-
-En het enkele idee van die wijde, wijde woestijn, dáár ergens achter
-die hooge bergmuren, vermengt het lichte geluk om al het schoone rondom
-met een droeve, altijd-door terugkomende sensatie van sterven, en
-vergankelijkheid, en zonde.
-
-Somtijds, heel zelden, stijgt plotseling een groote rookwolk,
-zwaar-grijs, triomfantelijk boven de donkere bergkammen in ’t Zuiden,
-opgerezen uit den somberen muil van den krater, diep uit het vuurgewoel
-der brandende aarde......
-
-
-
-Vanavond, op het terras vóór het Hôtel, uitziende in de schemering, na
-zware regenbuien, en verwachtend niets dan dikzwart donker, half bang
-even kijkende. En plotseling, o heerlijk wonder, een apothéose van
-teederheid.
-
-Door den regen ópgeklaard tot allerteêrsten, zachtst schitterenden
-staat, was de verreinde avondlucht vaag wemelende over de wereld daar
-vèr, vèr beneden, bevende in zóó broze breekbare essence.
-
-De kuische atmosfeer van schemering was als een reine engelen-aether
-over verheerlijkte regionen. En in die wijding van trillend,
-doorschijnend licht lag de vlakte, in zacht avondblauw, zóó
-wondervreemd, in zóó subtiele, vaag vervluchtigende kleuren, dat het
-geen werkelijkheid meer leek, maar een goddelijk visioen.
-
-De Ardjoenå, èven maar zichtbaar, waasde weifelend in het duister van
-de hemelen, en de maagdelijke lijn, die van zijn hooge toppen af droomt
-langs de vlakte, om dan zacht óp te vleien naar den kuischen
-Penanggoenankegel, vèr en vèr, beefde door de lucht in zachte
-verteedering, als een vage melodie....
-
-Ik staarde, en staarde, en kón het niet gelooven, dat zóó schoon mijn
-wereld was. Even zag mijn ziel de ziel van het avondlandschap, zoo
-eerwaardig opgeschenen in dat heilig uur, die zich in zóó groote
-teêrheid wel even, in allerreinste essence kon geven....
-
-Toen verging het zachtjes, in vage wazing, langzaam en voorzichtig,
-droomelend weg in dommelend vervlieden.... Zóó ging het vàn mij,
-zachtekens verzwevend, als alles wat héél schoon is, te broos om lang
-te wijlen.... En een ijle, witte nevelwade voer loome aan, van vèr uit
-de zee, en hulde het alles kuischelijk in blanke gewaden, fijn als
-engelen-sluieren, in zachte schittering van transparant licht, onder
-het teeder doorbreken van een milde maan....
-
-
-
-Den gehéélen middag had het geregend. Om half zeven ging ik nog even
-wandelen in ’t Leverlaantje. De avondhemel was zacht opgeklaard, met
-vegen wolken, en van een diep, ernstig blauw, met hier en daar vage
-vlagen rood en rose. Ik wandelde even door het intieme, vertrouwde
-laantje, zachtjes dalend. Peinzend op den heuvelrug rechts boven mij
-een groep stille tjemårås. Hun roerlooze vederpluimen bewegen niet in
-de zachte lucht. Een vrome wijding beeft om hen heen. Zacht vallen de
-regendroppelen, met licht gerucht. De ravijnen links zijn donker, met
-de zwarte contouren van boomen vaag te zien in het duister.
-
-Nu, een hoek om, en dan ineens, recht voor mij uit!
-
-Hoe ontzaglijk golven de donkere ruglijnen der bergkammen, een sombere
-melodie in het avondblauw! Overal, ringsom, die hooge muren, zwart en
-somber. Ziet, in het Zuid-Oosten, de ópblokkende massa van den
-Penandjaän! Ik weet, ik weet, daarachter ligt de vale Vallei des Doods!
-Maar naast mij weer de kleine dennen, met hun neêrhangende vedertakken,
-onbewegelijk. En hoor! hoor! het beekje ruischt in ’t ravijn beneê,
-murmelend lief mysterie, dat niemand weet....
-
-Hoog in de bergen, bij Wonokitri, lacht een jongen, en jodelt hoog in
-de lucht.... Dàn even stilte.... En vér beneden, in ’t ravijn,
-antwoordt een ander....
-
-Ziet, een ster blinkt met zachte praal hoog in ’t pieuze donkerblauw
-van den avond....
-
-Het is stil nu, en ik ben zoo gansch alleen. Vèr zijn de geruchten der
-wereld....
-
-En, in de zachte daling van den nacht, met die roerloos staande boomen,
-onder het ritselend vallen der reine regendroppen, komt een oud leed
-langzaam opwellen naar mijn oogen, het leed om de Eéne, die lang
-verloren, maar nooit vergeten..
-
-En het is mij opeens, als voel ik om mij henen de essence van wat het
-edelste en immaterieel in haar was, en wat onvergankelijk is. Neen,
-nooit, nooit kan het sterven, en het is nu bevende in het ernstige
-schoon van de werelden, waar het ééns van uitstraalde in háár teêr,
-bloemeblank lichaam, en toen weer zacht henedroomde, puur en onbesmet,
-in allerreinsten staat....
-
-
-
-Ik begin nu kleine wandelingen te maken.
-
-Den weg achter het Hôtel loopende, en nu niet links afslaande naar het
-Leverlaantje, maar recht door, kom ik langs het berri-berri-gesticht en
-de dessa Ledoq. Daar wordt het pad smaller, en begint te dalen,
-plotseling àfloopende in een smal, nauw dal tusschen hooge, massale,
-zwaar-schaduwende bergen.
-
-Overal, rondom, in ’t hooge, rijzen de sombere gevaarten, met breede
-hellingen vol koolvelden en rijen tjemårås. Ik zie het, klein, van
-beneden eerbiedig aan.
-
-Hoe kalm en eenzaam hier!
-
-Een beekje klatert stil-kletterend van rotsen, en vult de ijle lucht
-met zacht gepraat.... En hoor, daarginds, nòg zoo’n vaag-murmelend
-geraas... Twee stemmen in de stilte, zoo rustig, zoo stemmig
-bescheiden....
-
-Nu even hier zitten op een grijs rotsblok, met het water onder mij
-door. Die heilige, zware, zwijgende stilte rond-om!.... In de verte
-alleen nog het zacht-bronzen klokgeklingel van een pikelpaard.
-
-....Héél ver en hoog, langs het steile, smalwindende pad van Ngadiwono
-om den bergwand, komt een paardje, beladen met gras, voorzichtig
-stappend, voorzichtig.... Hoe ernstig klinkt dat klokje om zijn
-hals!....
-
-Hoe plechtig staan die stille, wijze varens langs de hellingen, wijd
-uitplooiend hun wuif-waaiende waaierbladen! Hoe innig staan de ranke
-tjemårås omhoog naar het licht!
-
-En die lucht, die heerlijke, goedertieren, versterkende berglucht in je
-longen! Je voelt het pure leven wijd-ademend in je lichaam vloeien.
-
-Die koelte, die kalmte, die reinheid, die rust! O! ik dank u wel zéér,
-Gij die dit alles gegeven, uit Wien ál deze weldaden zoo gul
-gevloeid!.... Luister nu, luister naar ’t zacht gepraat van het beekje,
-dat in vreugde-ruischend rythme langs de rotsen schiet, en heel de
-lucht wordt melodieus van zijn lief gerucht....
-
-Heb ik ’t dan nu eindelijk gevonden?
-
-Niets dan dit:.... de blauwe zomerhemel, de goede bergen, de heilige
-boomen naar ’t licht, en ’t wuivende groen....
-
-Dit is het ware, simpele leven. Ik ben een rustig, rein kind van de
-Natuur. Ik ben als een boom, als een blanke bloem in dit schoon....
-
-En mijn goede Moeder buigt zich zacht over mij heen, licht en
-liefelijk....
-
-
-
-Wat hebben al die dessa’s hier dichterlijke namen! b. v. Tosari, dat
-wel een afkorting, of samentrekking zal zijn van Kertosari, beteekent,
-„heilzame bloem;” „bloem, [6] die heil aanbrengt.” Telogosari beteekent
-„bloemvijver” (in het bosch of struikgewas); Baledono „een rustplaats
-(divan) gevend;” Wonokitri „een bosch van vruchtboomen;” Proewono
-„reeds van de vroegste tijden bestaan;” Sedaeng „plaats waar
-buitengewone sirih groeit;” Ngadiwono „gelijk een bosch;” Ngadisari
-„gelijk een bloem;” Kertanom „heilrijke jeugd;” Wonomerto
-„heilaanbrengend bosch;” Nongko Djadjar „nangka-boomen, op rijen
-geplant.” En, eigenaardig, de hooge dessa Pådåkåjå, in ’t Zuiden
-tegenover ’t Hôtel, heet „allen even rijk,” een bijnaam, spottend door
-de andere dessabewoners gegeven, toen deze dessa het eerst een gamĕlan
-had aangeschaft.
-
-De Tenggereezen, die hier wonen, het overblijfsel van de Boeddhisten,
-voor den Islam hier naar de bergen gevlucht, zijn een eenvoudig
-natuurvolk, weinig hartstochtelijk, en simpel van zeden.
-Vrouwen-perkaras komen hier nooit voor. Diefstal is zoo goed als
-onbekend, en de huizen zijn ’s nachts voor het meerendeel open. Alleen
-dáár, waar het volk met Europeanen van nabij in aanraking komt, b. v.
-in de dessa Tosari, is het wat ontaard en bedorven. Maar dieper de
-bergen in, is het weer beter.
-
-Als ik zoo het harde, simpele leven zie van die eenvoudige bergmenschen
-hier, dan schaam ik mij over het weeke, onnatuurlijke van ons zoo
-verfijnd bestaan. Misschien zijn die menschen in hun ruwheid en
-onwetendheid, toch heel wat zuiverder dan wij, omdat ze bijna heelemaal
-één zijn met de natuur.
-
-Vanochtend zat ik weêr in het dal bij de watervalletjes, op den weg van
-Tosari over Ledoq naar Ngadiwono. Overal in het rond de hoog-rijzende
-berggevaarten, die het dal ringsòm omsluiten, met de blinkend groene
-koolvelden tegen de hellingen.
-
-Wat jongens boven in die velden, zij jodelen en zingen van pleizier,
-schelle keelgeluiden, hel door de ijle lucht. Zij die nog aankomen, vèr
-beneden langs smalle paadjes, zingen lagere, somberder tonen. En ’t is
-merkwaardig, hoe harmonieus dat gezang samensmelt met het murmelend
-geruisch van de watervallen, met het bronzen klokgeklingel van
-paardebellen, met het zacht gonzend metaalgezang van den wind in
-dennen..
-
-Daar komt een vrouw aan, in donkere lompen, een zuigeling vastgesjord
-op den rug. Achter haar een meisje van een jaar of acht, óók al met een
-klein kleutertje op den rug. En een naakt klein kereltje er springend
-achter. Ze dragen messen en sikkels, gaan hout hakken en kool snijden,
-hoog in de bergen. Hoe resoluut stappen zij voort, de vrouw diep
-gebogen, in tegenwicht voor het kind op den rug; hoe vlug gaat het den
-berg op, zonder morren, gewoon als zij zijn aan het zwoegen, gansch
-onvervaard....
-
-Nu komt een oude inlander op een klein, vuil paard, op een hard, houten
-zadel. Hoe het beestje dapper het steile pad opklimt, zoo vlug en toch
-voorzichtig zijn pooten zettend op den rotsigen grond!
-
-En nu, ineens, ik kijk er verschrikt van op, een mooi kind van den
-Tĕnggĕr, een meisje van, geloof ik, veertien jaar, groot en sterk.
-Zooals ze daar met den mooien berggang, diep in de knieën zinkend,
-omhoog loopt. Een prachtige, donkerroode gloedkleur op het bruine
-gezicht, en haar groote, zwarte oogen vol glans van de zon. Ze heeft
-een langen, puntigen stok in de eene hand, een kleine sikkel in de
-andere. Ze is vuil, maar van een grandioze vuilheid. Er is iets
-heerlijk gezonds, jongs, krachtigs aan haar. Je kunt zien, ze is al zoo
-wat één met de bergen, de vruchtbare aarde, en de reine lucht, ze lijkt
-er zóó uit ópgebloeid vol sterk, zwellend leven. En ik voel ineens een
-vreemde sympathie voor haar, een warme aantrekking voor al dat
-natuurlijke, hartelijke, gezonde.
-
-Daar gaat ze, mijn brave meid, met stevige stappen den steilen berg op,
-doorneigend in de knieën, zoo heelemaal aangepast aan al het sterke en
-zuivere van de natuur om haar heen, een kind van den Tĕnggĕr....
-
-En opeens, ze weet het zelve wel niet, zingt haar schelle, hooge
-sopraan een jodelenden jubel in de lucht, onbewust, zooals een vogel
-wel zingt tegen het licht. Tonen van trillende vreugde in het leven,
-van heerlijk gezond plezier om het mooi rondom, van zelf opgeweld uit
-haar jong, onbezorgd gemoed.
-
-Zóó gaat ze me jubelend voorbij, de stevige borsten gespannen,
-trillende in het half-open baadje, haar jong, mooi meisjeslichaam
-zwellend in welige vormen, haar krachtige heupen nauw omsloten door de
-strakke sarong, met de prachtige, gespierde beenen naakt in de zon,
-vliedend zoo vlug en geruischloos over den rotsigen grond....
-
-En dit is misschien de eerste keer, dat ik een zuiver, gezond meisje
-gezien heb, zooals het, simpel en onbewust, bedoeld is, in de pure,
-reine, goddelijke natuur....
-
-
-
-Niets dan dit:
-
-Ik zit in het eerste priëel op het terras, het mooie, dat zoo dicht
-omlooverd door indische kers. Het is bijna nacht. Vèr, in
-maanlichtwaze, de al-goede Ardjoenå, die uit lichten nevelwaduw rustig
-rijzend, het godgenadig hoofd opricht, in kalm geheven staat....
-
-Vlak vóór mij een groote, wijze varen, wijd-uitspreidend zijne
-prachtwaaieren in ’t maanlicht, in rein zich geven.... Zóó is het goed,
-zóó is het goed, en zij beweegt niet in de stille lucht, zóó gansch
-tevreden....
-
-Een krekel neuriet zacht in ’t gras, en piept de diepe stilte somtijds
-dieper, stiller....
-
-De statige sterren klaar en pralend in egaal-blauwen
-maannacht-hemel....
-
-En, opeens bewust gezien, de zwaar-zwartende golflijn van den bergrug
-links, in ’t Westen, zoo donkerscherp tegen de lichtende lucht. Dat
-zware ópgaan, dat zwijgend rekken, dat zacht weer neer, want wel
-moéten, maar toch weer strekkend rekken, rekken, rekken, angstig zwart.
-Ai! het scheurt de stille lucht....
-
-En een vreemde angst bevangt mij, zóó dat ik huiver, en ijlings terug
-vlucht waar het huis is, waar de lampen branden, en misschien nog
-menschen zijn....
-
-Dáár is de vreugde en ’t leven.... En Mary.... En Annie, die lieve
-vrouw.... Zou zij er nog wezen?.... Zou zij nog niet zijn slapen
-gegaan?... O, nú haar rank, lucht figuurtje, nú haar vriendelijk
-gezichtje met den warmen, lichten lach!.... O, nu wat liefs en zachts
-voor mijn arm, kloppend hart!....
-
-
-
-Weêr een wandeling in het lievelingspaadje, bij vallenden avond.... Het
-Leverlaantje.... Overal die hooge, hooge bergkammen.... Die weggetjes
-daar zoo zacht tegen.... In de ravijnen hangen zware nevelen,
-onmerkbaar langzaam stijgende.
-
-Zóó loopen droomelen, zonder eigenlijk te weten van wat rondom. En in
-eens:
-
-O! hoe daar boven op dien donkeren bergrug, tegen zilverparelige lucht,
-hier en daar droef van moede, grijze wolken, de stille tjemårås staan!
-Zoo vreezeloos, en toch zoo diep in deemoed, staan zij te wachten, te
-wachten in het late licht.. Die fijne stammetjes, zoo teêr òpgaande,
-evenwijdig, zonder verschil, zoo zacht-tevreden! Die kuische takjes zoo
-zoet uitgespreid in dat parele, milde schemerlicht.... Die roerlooze
-vederpluimen, zoo plechtig nederneigend, in heilige stonde.... Zoo
-hoog, zoo vèr-hoog staan ze, op donkeren bergkam! Zóó rijen ze, hand
-aan hand, de liefelijk gelede, en kijken zoo zacht van uit die duistere
-hoogte, vèr in het eenzame eindeloos van de hemelen, onvervaard, en
-kalm als kinderen....
-
-En een groote teederheid daalt zachtkens over mijn hart.... O! om een
-lieve hand nu, om stil te strelen, o! om wat vriendelijk lachen nu van
-een milden mond, o! om een héél klein beetje geluk nu voor een armen,
-moeden zwerver....
-
-
-
-Vreemd, vreemd.... Ik begin mij zoo aan dat vroolijke vrouwtje Annie te
-hechten.... Ik voel me zoo blij, als ze ineens de kamer binnenkomt, en
-ze lacht me vriendelijk toe.... Het doet me zoo goed, in haar
-schitterende, donkere oogen te zien, en haar stem te hooren.... Ze is
-zoo iets echt gezonds, vol vreugde, en vol levenslust, er is iets van
-de reine berglucht aan haar, en de pure winden, en het blinkend
-groen... Ze hoort zoo heelemaal bij de eenvoudige, groote natuur hier!
-
-Mary plaagt me er al meê, en zegt, dat ik nog eens „verliefd” zal
-worden. Ik verliefd! Neen, dát is het niet, dat is héél anders. Maar
-wat is het dan?.... Het is, geloof ik, alleen het gezonde leven, dat me
-zoo in haar aantrekt, het simpele, onbewuste, zonder denken gelukkig
-zijn.... En toch nog iets méér ook....
-
-Maar ik wéét het niet, en ik behoef het ook niet te weten. Alleen voel
-ik heel vast en zeker, dat het rein is en zonder slechtheid. Ze is voor
-mijn ziel wat de zuivere, klare, pure lucht is voor mijn lichaam....
-
-
-
-Wij hebben nog een paar prettige menschen gevonden. Sophie Wouters, een
-allerliefst jong meisje, met haar broer Hendrik, een controleur. En we
-hebben afgesproken, met ons vijven een clubje te vormen om wandelingen
-en rijtochten te maken.
-
-Morgen gaan we naar den Penandjaän, om van uit de hoogte neêr te zien
-in de Zandzee. De dokter is bang dat het mij te erg zal aandoen. Maar
-ik zal het er toch op wagen.
-
-
-
- 2 November....
-
-Hendrik Wouters was een beetje koortsig vanmorgen, en zijn zuster wilde
-absoluut bij hem blijven. Ik ging dus alléén met Mary en Annie naar den
-Penandjaän. Wij namen shawls en wollen dekens en verwarmende dranken
-mee, voor de koû....
-
-Om half zes reden we al uit, met een gids voorop. Dáár ergens in ’t
-Zuid-Oosten, héél ver, ligt de Penandjaän, aan den somberen, hoogen
-kratermuur om de Zandzee. Dáár gaat op eens het gebergte open, in
-diepe, donkere wonde, waar in vale, veege vallei het vuur woelt onder
-de aarde.... Daár is het, dat de sombere Bromo broeit....
-
-Het denken aan dien duisteren krater, in de eenzaamheid van de
-zandwoestijn, beving mij met een angstige beklemming, zóó, dat ik het
-mooie om mij heen bijna niet zag. Ik weet, wij gingen in diep ravijn,
-en òp aan de overzijde naar Wonokitri, en vèrder en vèrder, met wolken,
-en bergen, en horizonnen rondom. Toèn, langs rotsige paden, ineens in
-een stil, vredig denne-bosch. De grond was zacht van de bruine naalden.
-Hoe stil en rustig werd het dáár! Hoe gracieus stapten de twee
-damespaardjes voor mij uit, en hoe vertrouwd en intiem was het, daar
-Mary en Annie zoo vroolijk pratend voor mij uit te zien rijden, in de
-rustige stilte van het dennewoud! Zóó klommen wij door het bosch den
-hoogen bergkam op naar ’t Zuiden. Die heerlijke, gezonde geur van de
-dennen.... En die stilte, die stemmige stilte rondom....
-
-Maar het angstige denken àldoor maar rondgaande in mijn hoofd, dat
-straks, inééns, in wreeden val, de aarde zal opengaan, naar wreede,
-droeve, vallei des doods....
-
-Ik hoor wel Mary en Annie zooiets zeggen van hoe mooi, en van
-edelweiss, en alpenkruiden, en viooltjes.... Ik zie ook de teêre,
-bleek-blauwe vergeet-mij-nietjes, bloeiend in het groen.... en even
-hoor ik het blij getjiep van vogels....
-
-Maar al dichter en dichterbij, zonder te zien, voel ik den krater. Mijn
-ziel voelt het sombere, donkere, zondige wat nu gaat komen....
-
-Dit lijkt wel uren en uren te duren, tot opeens, met een schok in mijn
-hoofd, het bosch opengaat, en een ijzige, scherpe wind snijdt fel om
-mijn ooren.... Een koude, wreede woestijn-wind, zonder erbarmen.....
-„De Goenoeng Pret,” zegt de gids. En wij staan bij den berg, aan den
-rand van den kratermuur.
-
-Opeens, een apothéose van verre bergen, van luchten, en horizonnen....
-Hoog in ’t Zuid-Westen rijst de blauwe Semeroe grootmachtig in de
-lucht....
-
-En beneden, beneden.... Maar „nog niet kijken” heeft een toerist in ’t
-Hôtel mij gezegd. „Bij den Goenoeng Pret nog niet kijken, als ge kunt.
-Dadelijk links af naar den Penandjaän gaan.”
-
-Ik voél, even, een duizeling, ik zie het vèr, vèr beneden, grauw, vaal,
-en des doods.... Een somber, veeg mysterie....
-
-Maar ik wend mijn hoofd om, en rijd, met afgekeerd gelaat, naar ’t
-Noorden, linksom een hoogeren berg op. Weer door boschjes, en wilde
-struiken, een moeilijk, steil pad, met de paarden voorzichtig, langzaam
-stappend, zoekend een steun met de tastende pooten.
-
-Dán ligt de Penandjaän-top voor ons, begroeid met ruw geel helm, als
-een duin.
-
-Nu klimmen, klimmen den kalen top op, de paarden moeilijk loopend door
-het mulle, witte zand. Stijgen, stijgen met een kouden wind snijdend
-langs je ooren, en een bange beklemming om je hart, een voorgevoel van
-iets verschrikkelijks dat komen gaat, iets ontzettend doodsch en ijzig,
-uit den Booze, dat straks inééns voor je oogen zal zijn.
-
-Dáár gaat het, langzaam, langzaam den hoogsten top op en, plotseling,
-een ruk aan de teugels, dat het paard steigerend achteruit wijkt, een
-duizeling in je hoofd, en het koude zweet parelend langs je slapen....
-
-Want dáár, diep, diep onder je, is het eensklaps wijd, vèr opengegaan,
-en, dreigend, in een ijzig, somber zwijgen, ligt de vale Vallei des
-Doods, de Zandzee Dasar....
-
-Een diep, roerloos meer, vaal blikkerend, grauw-grijs in kille
-verstarring, wijd-gapend in den afgrond beneden.... De zware, zondige
-stilte over dat eeuwig beslotene, het in woeste wanhoop verstomde
-zwijgen zwáár broeiend boven die veege vallei.... Is het een meer van
-ijs?.... Van onder giftigen adem roerloos geslagen water?.... Is het
-een wilde woestijn van zand?.... Diepe wreede voren rekken als stijf
-versteende slangen in alle richtingen er over heen.... Koud en
-genadeloos wreed blikt het vaalgrauwe woestijn-gelaat òp ten hemel, uit
-de donkere afgrond-diepte daar vèr, vèr beneden....
-
-Het ligt daar zoo gansch droef verloren, onverbiddelijk en
-onherroepelijk, in een sombere, genadelooze ommuring van hooge
-rotsgevaarten àlom. Als donkere, gigantische wachters staan aan alle
-zijden de resoluut-rijzende, steile berg-wanden, wakend over dat vale,
-veege dal des doods....
-
-Dáár, diep in dien wijd-uitgestrekten, eindeloos lijkenden afgrond
-rijzen, als mysterieuze, sombere eilanden, drie groote, grillige
-eruptie-kraters, ontzaglijk en satanisch grandioos. Geel-groen, met
-glinsterende kleuren als van slangen, de ruige tulband van den Batok,
-daarachter, naar ’t Zuid-Westen, de donkerzwartige, zwaar-geribde massa
-van den Widodaren, maar o! daar vooruit, naast den Batok, naar ’t
-Zuid-Oosten, de slijkgrijzige en vaal-gele krater van den Bromo, als
-een groote, gapende wonde met wreed-puntige omranding, een ding des
-doods, vol somber geheim....
-
-Langzaam, langzaam stijgt een blauwe rookdamp daaruit omhoog, rijst
-hooger en hooger, in trage, wanhopig-droeve rekking, spreidt zich wijd
-en wijder uit, en vaart in een statig-geplooiden wolkpluim, met
-vaal-gele glanzen, dreigend omhoog....
-
-Maar zoo langzaam, zoo langzaam, of de minste ontroering die kille rust
-der ijswoestijn verstoren zou, met de nauw merkbare, spookachtige
-beweging des doods....
-
-Moeilijk-zwaar wolkt de rook-kolom de lucht in. dof neêrgehouden door
-het ijzig zwijgen dat loom als lood over het dal van droefenis
-hangt....
-
-Leêg en kaal ligt de vallei, onder den druk van een eeuwigen,
-genadeloozen vloek.... Dit is de zonde, de donkere, sombere zonde, dit
-is het absolute, gansch volmaakte kwaad, waar nooit een zweem van ’t
-goede in kan wonen, dit is de koude levenshaat, de kille Gods-negatie,
-dit is dan eindelijk gezien, van aangezicht tot aangezicht, in
-onuitwischbaar, veeg visioen, het Rijk der Duisternis, het starre,
-naakte dooden-land van Satan, den valen vijand van het Licht en het
-Leven....
-
-IJzig snijdt de scherpe wind langs mijn suizende ooren, en loeiend
-galmt het langs de scherpe ruggen der berggevaarten. Een donderend
-gerommel mompelt dof-zwaar in de verte.... Is het de droeve beroering
-van ’t helle-vuur onder de aarde?.... Is het een onweer, broeiend in
-verre, donkere wolken?....
-
-De diepte trekt mij aan, het is om nu maar alle hoop te laten varen,
-en, gehoorzaam aan ’t duister Noodlot, met een angstig gillen in ’t
-donker omlaag te duizelen, waar de sombere zonde ligt verstard....
-
-Maar ’t leven is nog sterk in mij. Ik stijg van ’t paard, en deins weêr
-achteruit, ga voorzichtig zitten op een goed beschutte plek. Nu even
-niet meer kijken in dien afgrond, nu recht vooruit zien, zonder
-vreezen....
-
-En het is een apothéose....
-
-Vèr over het dooden-rijk zien mijn oogen in de levende wereld.
-
-Rechts, in ’t Zuid-Westen, vèr achter den kratermuur, in een licht,
-teeder blauw als van een maagde, rijst de ontzaglijke, zachte
-reuzen-bol van den Semeroe hoog in de hoogste luchten. Hij staat daar
-glanzend als een heilige Hemel-God, van majesteit overtogen. En ziet!
-met een machtigen stoot schiet een blanke licht-wolk uit zijn top, een
-sneeuwen smettelooze puurheid, fèl in de lucht. Hoe triomfantelijk
-vliegt die witte rook-panache in de lichte hemelen, ziet, hoe zij zich
-plooit, en spreidt, en kronkelt, hoe dat blinkende, schitterende wezen
-daar ópdroomt in de hoogste sferen, en dan langzaam, langzaam
-henedrijft, in wuivend, wit gewaad, stralend van zoo statige, blanke
-glorie......
-
-Links, vèr in ’t Oosten, rijzen grillige, kartelige berggevaarten aan
-den horizon, de reuzen-massa’s van het Yang-Plateau, de Argapoera, en,
-dichterbij, de blauwe kegel van den Lamongan, een rookwolk om zijn
-top....
-
-Nu even òmzien, met den rug naar den grauwen afgrond, naar den kant van
-waar wij zijn gekomen.
-
-Dáár liggen de golvende bergkammen, en de ravijnen, daar blinken de
-prachtige dessa’s, en vèr, vèr schemert de vlakte, en de zee, en ziet!
-rijst daar niet, in ’t allerverste Westen, aan den lichten horizon,
-Ardjoenå’s goddelijk lichaam in maagdelijk blauw omhoog, met een
-blinkende glorie van witte, pure wolken droomende om zijn statig
-hoofd?....
-
-Het is of de wereld nu àl grooter wordt, àl grooter.... het is of mijn
-ziel zich nu àl wijder spreidt, àl wijder.... Het is zoo zalig en zoo
-rijk van licht, het is zoo in volmaakte, grenzelooze goedheid uit een
-God gegeven, het is blinkend, het is aanbiddelijk, en het is
-eindeloos.... Is het niet, om nu ál hooger en hooger òp te rijzen,
-hooger dan deze hoogste top van den Penandjaän, en met een luiden jubel
-in de lichte hemelen te vergaan!....
-
-Zóó sta ik lang te staren, totdat ik mij eindelijk weer omwend. En het
-is als een wonder, opeens gebeurd. De lichte Semeroe is verdwenen
-achter nevelen, de verre apothéose in het Oosten, van het Yang-Plateau,
-wordt door wolken verduisterd.
-
-Beneden, in het doodendal, is het nog donker licht. Over mij, in ’t
-Zuiden, staat de Ider-Ider-muur nog onbeneveld, recht omhoog; de
-Moengal-muur, naar rechts in ’t Noorden, begint te deinzen in een
-fijnen mist, en vèr in ’t Westen is de Idjo al niet meer te
-onderscheiden.
-
-En nu zie ik voor het eerst, daar vlak beneden mij, den lagen wal, die
-in een bijna rechte lijn de Noordelijke en Zuidelijke muren van den
-kraterrand verbindt. De Penandjaän, waar ik sta, is al over den wal
-heen, aan den overkant is de hoogste Ider-Ider berg, de Poendaq-Lemboe,
-al van een wolkensluier overtogen.
-
-Die wal, de Tjemara-Lawang, de scheiding van een paradijs en een hel!
-Rechts ligt de vale vallei der dooden, naakt en kaal. Links, boven de
-lava-beddingen, van den wal, liggen àl bloeiende terrassen en velden,
-rijk begroeid, en blinkende van lichte, gele en groene kleuren. Het
-stralende, glanzende Leven, vlak aan den rand van den Dood....
-
-Maar dra verdooft nu ook die glans van blijde weelde. Want van den
-Tjemara-Lawang komt het nu aan, daar komen de grijze, vale
-wolken-nevelen aan....
-
-En ’t is of ’t Licht nu wel voor goed daar sterven zal, want langzaam,
-langzaam begint het wreede spel des doods.
-
-Als vage geesten drijven de grauwe nevelen, over den bloeienden
-paradijswand, naar de duistere vallei. Hoe langzaam, langzaam schuiven
-zij voort, en waaien traag en troosteloos over de starre, kille
-woestijn! Zij wolken in de laagte, maar rijzen weer terug, zich
-òpstrekkend tegen de muren, met gebaren als van hopeloos smeeken en
-droef weêr vallen, zij wijken weêr rechts en links, kruipen angstig
-over de kraters, en zinken geruischloos weêr neder in het dal. Het
-lijken geen wolken meer, het zijn de vale, droef-verdoemde geesten van
-dit duistere rijk van den Booze, die daar eeuwigzwijgend rondwaren in
-de vervloekte doodenvelden, eindeloos en onherroepelijk verloren....
-
-De slijkgrauwe wonde van den Bromo gaapt nog door de wolken-warreling
-heen.... Nog éven lichten de groene en valsch-gele ribben van den
-Batok. Op den Widodaren [7] zetelen de zwarte, donkere wolken-massa’s,
-in somberen triomf.
-
-En altijd de doffe, blauwe rook-kolommen, met gelige glanzen,
-langzaam-traag ópstijgend uit de duistere diepten onder den Bromo,
-treurig wègdrijvend door den mist, met de wanhopige, troostelooze
-traagheid des doods....
-
-En het loeiend metaal-gezang van den wind langs scherpe bergruggen....
-en het rommelend mompelen van verren donder....
-
-Het trekt mij aan, met een vreemde bekoring, als van haat, en negatie,
-en zonde. Ik voel mij buigen naar het wolken-omnevelde dal in den
-afgrond beneden mijne voeten....
-
-En het is als boog ik mij nu droevig over mijn eigen ziel, en of het
-mijn eigen, eenzaam leven is, daar zoo ganschelijk verloren, in dorre
-woestenij....
-
-Zóó, koud-negeerend, zonder liefde, met het warmste en allerbeste
-kil-versteend, verteerd in zich zelf....
-
-Maar ik wil dien dood niet, o! ik voel het nu, ik haat het, ik haat dit
-schoon, dat uit den Booze is, ik haat den dorren, starren dood! Nu ik
-hem heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, in zijn koud, vaalbleek
-nacht-gelaat, nu haat ik hem, en ik wil het leven weêr, het Leven, het
-Leven!....
-
-
-
-Toen,.... een lieve, vriendelijke stem, een stem als uit heel oude
-tijden, lang geleên....
-
-En Annie zit naast mij, boven het dorre dooden-dal. Zij kijkt nu niet
-kluchtig meer, er is een zachte, teedere uitdrukking in haar oogen.
-
-„Wat rilt u,” zegt ze, „is de koorts weer terug?.... Kom maar gerust
-hier bij me liggen in mijn schoot.... hier heb ik een warme wollen
-deken.... Mary haalt wat wijn bij de koelie’s, dat zal u goed doen....
-wat is uw hoofd koud, en wat ziet u bleek!.... kom nu maar even bij me
-rusten.... en nu niet meer naar beneden kijken..”
-
-Ik schrik op, als uit een bangen, boozen droom.. Haar lief, vriendelijk
-gezicht, haar warme stralende oogen.... Zij is de blijheid, en de
-vreugde, en het geluk.... Zij is het lachen, en het licht, en het
-leven.... En het roept mij, het roept mij, hoor! het Leven roept mij
-terug!....
-
-
-
-Toen heb ik mij afgewend van het droeve dal des doods, en mijn hoofd
-heb ik heel stil gelegd in haar veiligen schoot..... Ik voel, hoe zij
-bezorgd de warme deken over mij uitspreidt, ik hoor de muziek van haar
-stem, die mij zegt te rusten.... te rusten,.... ik wil niet den
-duisteren dood, maar het Lichte Leven,.... en zachtjes, zachtjes lig ik
-te snikken, te snikken van vreugde en berouw, met haar handen
-lief-troostend op mijn hoofd....
-
-
-
-Nu is het inééns bewust in me, als een groot licht na lang, lang
-duister over mijn arm hart: „Ik hoû van haar, ik hoû van haar!”
-
-O! ik hoû van haar, omdat mijn hart weer sterk en jong is, en weer
-lieven kan; het is door de groote kracht, die de milde lucht mijn lijf
-gegeven heeft, en haar lichte lachen mijn ziel. Ik hoû van haar, omdat
-de wereld zoo eindeloos schoon is, omdat het groen zoo blinkt, en de
-blanke bloemen, omdat de vogels zoo zingen in de boomen, omdat de
-bergen zoo hoog ten hemel staan, en zoo zalig glanst Gods groote licht
-over de schitterende vlakte en de zee.
-
-Ik hoû van je, inééns, inééns, mijn lief vrouwtje, dat àl maar lachen
-doet en, gansch niet wetend, je vreugde zingt door het wereld-leed. Ik
-hoû van je, omdat je lief tegen me geweest bent, waar jaren lang mijn
-hart alleen maar droefenis kende en sombere gepeinzen; omdat je heel
-niet bang was voor dat strakke kijken van mijn donker gezicht; omdat je
-zoo vreezeloos je zachte handjes gelegd hebt op mijn arm, moê hoofd,
-dat maar niet rusten kon.
-
-Inééns heb ik het gezien, in je oogen. Ik vond je vroeger leelijk, mijn
-lief, klein vrouwtje, met je bleeke wangen en die oude trekken om je
-mond. Ik kon het toen nog niet zien, wat achter je oogen was. Je
-zachte, zuivere ziel zag ik niet, die onbesmet was van het leven, en
-waar Gods licht mysterie ongerept in woont. Dat heeft het droeve
-vrouweleven, en de hartstocht waar je doorheen gegaan bent, toch nooit
-in je kunnen dooden, het lieve, zachte, milde, maagdelijke in je, dat
-je voor den eersten keer aan mij gegeven hebt. Die lieve gratie is in
-het geluid van je stem, mijn lieveling, en in je zachte bewegingen, als
-je je hand even over je voorhoofd strijkt, en als je een bloem plukt
-met zoo teêre vingers, en het is in je voetjes, die gaan zoo zachtekens
-op rythmischen stap. Zóó teeder-lucht beweeg je, als een lieve melodie.
-Alleen je zien is al zoo zalig, en mijn ziel beeft vol van vreugde, als
-je lichte lichaam vóór mij zweeft.
-
-Heb je me dan weêr jong en sterk gemaakt, mijn vriendelijk vrouwtje,
-jij zoo klein en broos maar, ik zoo donker-groot? Heb ik dan ál die
-jaren in mijn sombere gepeinzen gansch niet meer geweten wat het leven
-was, en heb jij met één vriendelijk knikje en één zachten handdruk mij
-dan weêr geleerd dat leven lieven is en Liefde ’t eenig doel van ’t
-wereld-wezen? Ik begrijp het nog niet goed, mijn lieveling, ik kan het
-nog niet goed gelooven. Wat is toch in je, dat mij zoo bevangt van lief
-verlangen? Je weet zou weinig, en toch weet je méér dan al mijn droef
-gevonden wijsheid. Want je zacht gezicht ziet zoo blij en vreezeloos in
-de wereld, en het mooie om je heen maakt je zoo dankbaar, dat je ál
-maar liefelijk-lachend door de lichte dagen gaat, met zoete gratie, als
-één van Godes engelen, wier ziel een lichte vreugde is van zalig
-rein-zijn.
-
-Nooit droomde ik, dat dit nog ééns voor mij kon komen. Ik dacht, de
-droeve dood was alles wat mij nog kon wachten.
-
-O! die eenzaam-stille nachten, bij ’t bleeke lamplicht in zoo duister
-peinzen, met al die troostelooze boeken, waar geen liefde uit sprak!
-Mijn aangezicht was bleek, mijn liefste, en mijn oogen stonden droeve.
-Mijn hart, het klopte maar zoo traag, en van verlangen ganschelijk
-ledig kwijnde klagelijk mijn ziel.
-
-Is het de goede bergwind, die de nevelen uit mij waaide? Is het de
-nieuwe, warme kracht, die in mijn aderen stroomt? Of is het enkel jouw
-lichte lachen, en al die zoete muziek van je lieve stem? Hoe heb jij
-dat gedaan, mijn ranke vrouwtje, het jonge leven weer te wekken in mijn
-stervend hart? Zoo klein ben je, en zoo broos. Je handjes kan ik wel
-breken in de mijne, je hoofdje reikt maar éven aan mijn schouders, en
-ik zou heel bang zijn om mijn sterke armen om je heen te slaan. Hoe heb
-je ’t toch gedaan, om al mijn trots te breken, en ’t donker hoofd, dat
-voor de gróótsten niet wou buigen, zoo heél diep neigen te doen voor
-jouw zoo teêre, zwakke gratie? Met één lachje en wat vriendelijk kijken
-heb je dan dit groote hart zoo zachtelijk overheerd, dat zich aan ’t
-allerschoonste nooit geheel kon geven!
-
-De vreugde is mij vreemd geweest, mijn Lief, zoo lange, lange jaren. Ik
-had zoo’n honger en zoo grooten dorst. En nu ben ik al zoo héél, héél
-blij als je zachte hand maar in de mijne gloeit, en zalig klopt mijn
-hart als ik je rok hoor ruischen, en een stroom van warm, warm geluk
-beeft door mijn lijf als je vriendelijk hoofdje maar even rustiglijk op
-mijn schouder rust.
-
-En alles zoo grandioos en statig-schoon rondom! Die wijze bergen,
-rijzend hoog ten hemel, die ijle, reine luchten, en die koele wind! Het
-lijkt hier wel een zalig paradijs, en vèr is nu de droge, heete aarde
-van weleer, waar ééns mijn lijf in smachtte. Alles is hier zoo
-ganschelijk puur, en recht, en kuisch van wezen. En jij bent hier ook
-eigenlijk wèl tehuis, die zuivere atmosfeer hoort bij je lieve gratie.
-Het is nu een wondere, lichte droom, na ál dat droeve, duistere leven.
-Dat lijkt van lang, o! lang geleden, en we hebben ’t ganschelijk
-wèggedaan. De koele wind heeft het verwaaid, mijn Lief, en wèl zijn wij
-nu blank gereinigd, en waardig het geluk.
-
-Ik weet, mijn Lief, dit kan niet blijven. Het leven is te hard, en
-teêre, broze ziele-dingen breken, als niet de dood ze veilig bergt. Ik
-weet, mijn Lief, hoe ’t ál te mooi zou wezen, als dit zóó kon duren. ’t
-Leven is een droeve kruisgang, en zóó, aan uw zachte hand, met uw licht
-lachen in de klare lucht, en al de bergen en dat blinkend groen rondom,
-zou ’t ééne lange zaligheid worden, een eindelooze vreugde als van
-zielen, die der droeve aarde ontstegen, herrezen in het Groote Licht.
-
-Maar éven, voor een korte poos, mogen wij ’t misschien wel nemen, en,
-der duist’re werkelijkheid onttogen, een korten droom droomen, in de
-reine regionen van ’t geluk, hier in dit hooge land, zoo veilig vèr
-boven der menschen stedingen, waar de zonde en de weedom wonen....
-
-
-
-Zóó zag ik de vredige dessa Ngadiwono, [8] in het diepe dal van rust.
-
-Een tocht, door lichte zon begonnen, te paard het steile bergpad op
-naar Pådåkåjå, de schamele, simpele dessa, op den hoogen bergrug in ’t
-Zuiden. Klimmen, klimmen, hooge bergpaden langs diepe ravijnen. Overal
-bergkammen, waar het zien tegen stuit. Boven een rijzenden rotswand
-vóór mij steekt langzaam het hoofd op een blanke prachtwolk, zwaar van
-licht.... Het stijgen gaat langzaam naar dat geluk....
-
-Nu langs de grillige grot van Pådåkåjå, en rechts een smal zijpad, en
-weer links, langs hoog ravijn, met groene koolvelden langs hellingen,
-zóó gaat het windend en slingerend door in die hooge regionen, tot
-plotseling een hoek om, en ziet! vóór ons, liefelijk aan onze voeten,
-het groote vrije opene, onverwacht, waar we langs smal bergpad gaan.
-Aan de rechterhand, vlakbij, rakelings, de bergmuur; achter, in ’t
-Zuiden, de donkere, sombere krater-randen, waarachter, bang vermoed, de
-dorre woestijn des doods. Vóór, in ’t Noorden, hoog opgaande
-berg-golven, maar links, naar ’t Westen, is ’t opengegaan en, diep
-beneden, in wijdingsvolle stilte, ligt een liefelijk, vreedzaam dal.
-Stil en rustig ligt daarin de dessa Ngadiwono, als een oord van
-gelukzaligen. Wijd en wijd gaat alles nu open daarachter, vèr en vèr
-spreidt zich, in ’t lage, de glanzende vlakte uit, in gouden
-schitterlicht van den morgen. En in ijle, lente-blauwe lucht, waar héél
-fijne nevel trilt, rijst Ardjoenå, in transparant parelgrijs
-morgengewaad, een blanke god gelijk, in ’t bevende edele ochtendlicht.
-O! hoe hij daar, na àl ’t beslotene van overal rondom bergruggen,
-opeens, aan ’t einde der open, ruime vlakte oprijst, zoo
-kuisch-eerwaarde, in parelen glans!.... De hooge, heilige heerscher, de
-zachte-machtige, van deze wijde werelden....
-
-En die kleine, simpele dessa, stemmige hutten met daken van lichtgele
-bamboe, zoo blank en schoon, zoo zacht-tevreden en gansch vertrouwd,
-daar zoo diep beneden aan mijne voeten, is in ’t vredig dal van deemoed
-zoo rustiglijk gelegen, als een kind, zacht in den schoot van zijn
-algoede Moeder....
-
-Niets dan dit; de parelgrijze Ardjoenå, statig rijzende in ’t blanke
-morgenlicht, de verre vlakte naar vage horizonnen van glans, de
-vredig-zachte dessa, diep in dal van deemoed, waar ’t simpele
-menschenleven woont....
-
-Ik houd mijn paard in, en zie het éven, zalig, aan, van aangezicht tot
-aangezicht.... En ’t is mij ineens zoo hoogheerlijk zeker, dat ik nu
-Gods eigen, heilig Wezen zacht voor mijne aandachtige oogen voel, want
-is dit niet Zijn rustige, sereene schoonheid, die daar voor mij troont
-en praalt, in zoo prachtig-kalme staatsie?....
-
-
-
-Er is in die vrouw zoo iets essentieel liefs, stellig buiten alle
-zinnelijke attractie òm, dat bijvoorbeeld haar eenvoudigste gebaren
-soms, als aan tafel het aanreiken van een gewone schaal vruchten met
-een lief-vragend stemmetje: „Mag ik u dit eens geven!” opeens mijn ziel
-op ’t allerwonderbaarst beroert. Ik geloof dat ik de éénige ben, die
-dat ooit van haar gevoeld heeft, en wien zij dus het allerbeste en
-zuiverste van haar heeft geschonken....
-
-Ze is toch eerder leelijk dan mooi.... er is, zou je zoo op ’t eerste
-gezicht zeggen, in ’t geheel niets bijzonders aan haar.... Haar trekken
-zijn niet zoo erg fijn en om haar mond wat ouwelijk; haar glanzige,
-blonde krullen zijn hier en daar wat grijs, en o, jee! haar zotte
-neusje, en die twee dolle kuiltjes op zij van haar smalle, koddige
-kin!....
-
-Maar wat is het dan toch eigenlijk, dat van dat zelfde gezichtje zoo
-allerliefst over mij komt, met zoo warme goedheid, dat het me zoo wèl
-en zalig wordt van binnen als ze mij vriendelijk lachend aanziet? En
-wat is er dan toch voor heerlijk zachts overal aan haar lijf, dat ik
-met al mijn trots en donkeren weemoed als een kind het hoofd wel graag
-wil leggen in haar zoeten schoot, en in zoo diepen eerbied wel het stof
-wil kussen van haar voeten, en wel véél van mijn allerkostbaarst weten
-zou willen geven, om nog jong met haar te zijn, in den tijd, toen ik
-nog vragen kon of zij haar zachte ziel en lieve leden aan mijne liefde
-wel wou geven?
-
-
-
-Vanmiddag tegen zes uur wandelde ik op den weg naar ’t Leverlaantje, om
-rechtsaf naar het „karrenplateau” te gaan. Het was een wandeling door
-dikken, zwaren mist. Overal wolken de grijze nevelen wijd uit. In een
-ravijn links, dat nog niet vol is, drijft langzaam een grauwe wolk,
-somber onheilspellend, zich kronkelend en rekkend als een immense
-slang. Boomen noch bergen zijn te zien. Het gaan is door een vaag,
-grauw duister, onzeker en mysterieus.
-
-Alleen, ziet! door vreemden weerschijn van ergens in ’t Westen
-ondergaande zon, op een bergkruin boven het paadje, waar ik loop,
-staat, apart en bizonder, een licht geluk. Een kleine groep
-tjemårå-boomen, heel stil en rustig, onder een stuk open, teederen
-hemel van een zacht, engelrein blauw, met vaag roze van avondrood
-door-droomd. Alles is grijs en duister en droef. Maar die kalme groep
-daar staat in een vreemde sfeer van reinen aether, zachtjes lichtend,
-ongelooflijk en onreëel. Een fijne japansche teekening....
-
-Alóm dat zware, donkere, grijze, dat alles omhult, en de dikke
-mist-afgronden der ravijnen, en zwartende bergen in nevel,
-somber-stom....
-
-Maar hoog in ’t hooge daar boven mij, in een aparte sfeer, eenzaam en
-vreezeloos, met zulk een vrome wijding van vrede overtogen, de stille,
-maagderanke boomen in dat zacht-bloze, rein-roze licht,
-liefelijk-lachend, als de morgen lacht boven den nacht....
-
-Zóó staat het broos geluk te lichten, overtogen van zoo wonder-teederen
-gloed, tot de nevelen hooger rijzen, hooger en hooger, en zachtjes
-kwijnt het weg, als alles wat héél broos is en te teêr om lang te
-wijlen....
-
-
-
- 18 November.
-
-Stel je nu voor, zoo’n eenzaam, ongezellig mensch als ik, die de leêge
-vreugde jaren schuwde, en nu gaat meêdoen aan een bal-masqué!
-
-Stel je voor, al die dwazen van ’t Hôtel, die „zachtzinnige
-krankzinnigen,” zooals de dokter ze noemt, in lange, witte beddelakens,
-op het hoofd geplooid tot capuchons, met overal blauwe en rose
-strikken, en maskers, gemaakt van japansche waaiers, als even zooveel
-dolle geesten rondspokende door het Hôtel, onder hooge
-fausset-geluiden. Ikzelf doe ’t hardste meê, en ben een kind geworden,
-een dwaas, groot kind.
-
-En dat alles om dat ééne, ranke figuurtje, dat ik dadelijk herken onder
-de wijde, witte wade, al wil ik het niet weten, om haar pleizier te
-doen. Ze heeft vuurroode strikken om den hals en om het middel, en haar
-vriendelijke oogen blinken als sterren door het masker. Zij komt me
-plagen, en malle dingen zeggen, en ik houd me of ik haar niet ken, en
-laat me beetnemen, want ik weet hoe innig zoo’n kluchtig clowntje daar
-in groeit. En we gaan dansen, waarachtig! dansen, ik, die dat altijd
-zoo afschuwelijk vond. O! maar met háár warm, zacht lijf tegen je aan,
-zoo donzen, en met haar zoete-geur van jong vrouwtje om je heen, en de
-muziek van haar stem zoo melodieus streelende over je ziel, zou je zoo
-niet áltijd doordansen, en, alles vergetend, héél niets meer voelen dan
-één groote zaligheid van twee minnende zielen, zwevend op luchten
-cadans, in reine rythmen óp naar ’t licht geluk van liefde? O! Niets
-dan muziek zijn en rythme, en samen wègdroomen in allerzoetst vergeten,
-zóó zacht-dansend verglijden in extaze, als twee lichte wolkjes, die
-lucht in zeeë-horizon vergaan, door koelen winde-adem gedreven!
-
-Zóó duurt het lange uren. Er wordt wijn geschonken, serpentines
-warrelen door de recreatiezaal, en het sneeuwt confetti. Het wordt warm
-en benauwd.
-
-„Kom, laten we wat buiten gaan,” roept het clowntje, „ik hijg naar
-versche lucht.”
-
-En met ons vijven gaan we, met Mary, Annie, Sophie Wouters en haar
-broer.
-
-Het is zwaar-donkere nacht buiten, zonder maan, alleen doortinteld door
-der sterren fonkelend licht. Annie heeft mijn arm gegrepen.
-
-„Ik zal je Geloof, Hoop en Liefde laten zien,” zegt ze zacht.
-
-Maar nu den weg te vinden in het donker!
-
-Voetje voor voetje gaat het voort, rechts den hoek om, langs de kamers
-van den administrateur, en dàn het trapje af naar het terras. Wij zijn
-de achtersten. Ze is zoo bang dat ik zal vallen! Ze weet dat ik in
-donker zoo slecht kan zien, en de grond is glad. Zij zal niet
-struikelen, ze is immers zoo’n klip-geit, zegt ze. En ze stapt vooruit,
-en leidt me aan haar hand. Zij, zacht, broos wezentje, en ik, zoo
-groote, sterke man! En veilig kom ik beneden, op het terras. Waar zijn
-de anderen? O! dáár, rechts, in het priëel, ze zingen en lachen.
-
-Zoo doodstil is het rondom! Vaag staan de dingen in het duister. Hier
-en daar, hoog in de lucht, de donkere contouren van bergen. En vèr,
-daar in de vlakte diep beneê, een eenzaam, droevig lichtje. Zacht
-metaal-gezang van wind in duistere dennen....
-
-Een krekel neuriet wat....
-
-En de sterren zien het rustig aan, met liefdevol geschitter in den
-nacht....
-
-We zwijgen beiden. O neen! niet in dat priëel gaan, waar de anderen
-zijn. Niet lachen nu en zingen. Stil verder loopen, naar ’t uiterste
-einde van het terras. Zou ze meêgaan? Ik leg mijn arm in de hare, en
-trek haar zachtekens voort. En ze gaat. Haar ziel volgt zacht de mijne
-in den nacht....
-
-We komen achter, bij drie bloemperken. Het eene is in een kruisvorm,
-het andere is een hart, het derde een anker. Stil buigt ze zich over de
-bloemen heen. Hoe fijn is haar figuurtje in het donker! Het lijkt zoo
-immateriëel, zóó rein staat ze daar genegen, ze lijkt nu wel enkel een
-zachte ziel, ootmoedig buigend. Ik vergeet het banale van die
-perkenvormen en dien tuinmans-smaak.
-
-„Dit is geloof, dit is hoop, dit is liefde,” zegt ze. „Ik heb die
-perken zoo genoemd.”
-
-Ze is nu het clowntje niet meer. Zoo ernstig klinkt haar stem!
-
-Een zoete geur van héliotrope droomt omhoog, en vergaat langs onze
-hoofden....
-
-Ik leg mijn arm om haar middel. Ze laat het toe, en is niet boos. Zacht
-druk ik haar lief lichaampje tegen mij aan. Gewillig laat ze ’t rusten.
-
-„Wat is ’t donker,” zegt ze fluisterend, „heb je ’t niet koud? Wil je
-niet een stukje van mijn shawl hebben?”
-
-En ze staat wat van haar wollen shawl, die om haar schouders ligt,
-bezorgd om mijn hals. Onze hoofden zijn daardoor heel dicht bij elkaar.
-Wij wandelen nu zacht op en neer, vèr van de anderen.
-
-Een groote teederheid welt in mij op. Lief, rank wezentje dáár naast
-mij, dat nooit door één gekend is in je zachte gratie! Ben je dan zóó,
-steeds ongekend door ’t leven gegaan, heeft het je gestuwd door
-hartstocht, heb je een kind gebaard, en al de droeve menschen-dingen
-meêgemaakt, en heeft niemand, ook je man niet, ooit gezien het licht
-mysterie in je lieve ziel? Heeft dan niemand ooit gebogen voor het
-diepste wezen van je vrouw-zijn, voor dat teedere, heilige in je, dat
-het leven niet kon schenden, en nog altijd ongerept gebleven, door je
-zachte oogen heenblinkt in zoo vlekkeloozen staat? Heb je dan dat
-allerbeste van je, dat niemand kende, kuisch alleen voor mij bewaard,
-en mag ik dan nu nemen, wat er maagdelijk en reinst van je gebleven is?
-
-O! dat het nooit mag breken, liefste, dat het altijd rein tusschen ons
-moge blijven, en ik sterk raag wezen nu niet méér te vragen dan je
-geven mag in kuischheid!
-
-Zij laat zich nu gewillig leiden. Ze vraagt niet om terug te gaan. Ik
-streel haar zachte hand. Mijn arm blijft om haar heen. Vertrouwelijk
-ziet zij naar mij op. Ik weet, zij heeft zich nu ganschelijk gegeven.
-Wat ik nu met haar doen zal is goed. Zij zal niet wederstreven. Maar ik
-zal sterk blijven, en een reine ridder zijn....
-
-De droom, de droom is òver ons gekomen....
-
-Het verleden is vergeten. Het lijkt zoo vèr, zoo vèr, en het was zoo
-héél, héél diep beneden, dáár, duizel-diep beneden, waar wat droeve
-lichtjes branden, en de duistere menschen zijn....
-
-Nu zijn we het ontstegen, en zoo hoog, hoog in de wolken zijn wij vrij
-en rein van al wat lang geleên. Onze hoofden zijn nu zacht elkaar
-genegen, en eindelijk, na al het droeve leven, hebben wij elkaar dan
-gevonden, en we weten niets, dan dat we bij elkander zijn.
-
-„Ik ben zoo van je gaan houën,” zeg ik zacht. „Ik heb zoo lang alléén
-geleden. Maar nu heb ik je gevonden. En hier bóven màg ’t wel. Ik mag
-wel van je houën, zeg?”
-
-Ze zegt niet neen. Haar ranke lijf, dat zachtkens beeft, blijft tegen
-mij gevleid, en mijn arm is streelend om haar heen. Ik hoor het ademen
-van haar mond, en voel het kloppen van haar hart. Haar oogen zien
-getrouwelijk mij aan, gansch vreezeloos en onvervaard.
-
-En, door een reinen aandrang van mijn ziel gedreven, voel ik mijn hoofd
-naar ’t hare neigen, en mijn lippen droomen op haar zachte wang, in
-teederen, kuischen kus.
-
-Zóó staan wij, zwijgend, ziel aan ziel, der werkelijkheid ontstegen, en
-voelen onze harten samen kloppen. Twee droeve, arme wezens, die elkaar
-éven in een droom ontmoeten, en dra, dra weer henegaan in ’t harde
-leven....
-
-Ik wéét, ai mij! ik weet, dit kan niet duren.... het leven mág geen
-zoete wonne zijn van liefde.... het Leven is lijden, lijden, lijden, en
-eenzaam weenen....
-
-Maar vast omstrengelt mijn arm haar teêre leden, en nógmaals kus ik
-haar lief gelaat; nog éven mag de kuische droom wel duren, en ik
-fluister zacht, o! zoo heel, heel zacht tegen haar lieve ziel:
-
-„Ik hoû van je, ik hoû van je”....
-
-
-
-Ik heb weer op het eerste bankje in het Leverlaantje gezeten, van
-avond, in de schemering. Boven was alles weer mistig en vaag, maar
-beneden, in de ravijnen, was ’t nog helder. En niets dan dit:
-
-Boven, tegenover mij, aan de andere, hooge zijde van ’t ravijn, het
-weggetje naar Wonokitri, twee paarden, achter elkaar, een bruin en een
-wit, langzaam, naar huis. Zoo teer en gevoelig is dat aan ’t gebeuren,
-tusschen de fijne stammetjes der stille tjemårås, aan weerszijden van
-het wegje.
-
-Beneden in de diepte, heel ver en klein, een mannetje; plukt gras,
-heeft een stier aan een touw. Een zwarte koe en een bruine, aan ’t
-grazen, scharrelen langzaam door het groen en de varens. Nu hier, dan
-daar, loom-zalig. Eindelijk gaat het mannetje door, een grooten bundel
-gras op den rug, den stier aan het touw. Hij roept de koeien, die
-langzaam-lijzig komen, ver van elkaar, en één blijft weer achter,
-grazend....
-
-Ruischen, ruischen de vallende beekjes, zoo stemmig in den avond-vrede,
-zacht intiem gepraat..
-
-De man staat stil, roept weêr de koeien....
-
-De bruine blijft stilstaan, ziet òm, met den kop geheven, droomerig in
-de lucht.... De andere komt langzaam, zoo langzaam.... De man roept
-niet meer, staat stil in den avond, en kijkt omhoog, vergeet,
-vergeet.... Ver boven, de keelstem van een jongen, die jubelt ineens
-héél hoog in de lucht, van vreugde.... De koe met opgeheven kop, staart
-droomerig.... De ander komt zoo langzaam.... De heel stille man....
-Alles zoo stil, zoo stil.... Ruischt zoo rustig het water.... Zachtjes,
-zachtjes klimmen de kuische tjemårås op ten hooge....
-
-
-
-Dit is het goede leven, en dit is de wijding, mijn ziel, die gij zoo
-lang hebt gezocht....
-
-
-
-Dát was een droevig, pijnlijk ding voor mij van morgen, dat gesprek met
-Mary. Ik was begonnen over Annie, en dat ik haar toch zoo’n innig lief
-wezentje vond.
-
-„Ja, o! zoo lief!” zei Mary ernstig, „er is iets aan haar, je weet niet
-wat het is, waardoor je vreeselijk van haar gaat hoûen, of je wilt of
-niet: Maar o! het is tegelijk zoo’n zwak poppetje, zoo’n kind nog.”
-
-„Hoe bedoel je dat: zwak?”
-
-„Ik bedoel niet zwak van lichaam of zoo, want ze is nu weer heel
-gezond, en ze heeft rozen op haar wangen. Maar zwak van karakter. Ze
-heeft zelf eigenlijk heelemaal geen bestaan. Ze is altijd onder den
-invloed van een ander. En ze is een echt kindje van het oogenblik.”
-
-„Ik begrijp je nog niet goed.”
-
-„Kijk, zóó bedoel ik het. Ze is nog zoo’n gansje. Ze weet nog zoo
-weinig van de menschen en de wereld. Ze vindt het bijvoorbeeld
-vreeselijk om alléén te zijn. Ze heeft een groote behoefte om
-gekoesterd en lief gedaan te worden, en zich tegen iemand aan te
-vleien, die grooter is. Ze is net een wassen poppetje. Je kunt haar
-kneden zooals je wilt. Iedereen krijgt haar weer onder een anderen
-indruk. Maar het blijft niet lang bij haar, zoodra ze weer alleen is.
-Je zou eigenlijk aldoor bij haar moeten zijn om iets heel goeds van
-haar te maken. En nu wou ik je nog wel eens iets zeggen, maar je mag
-niet boos worden?”
-
-„—Neen, heusch niet, je weet wel, dat ik ’t van jou wel verdragen kan.”
-
-„Nu dan, ik heb gehoord dat je eergisterenavond erg lief met Annie
-geweest bent op het terras, en dat je haar gezoend hebt. En dat vind ik
-niet mooi van jou, en vooral niet van Annie. Het is onverantwoordelijk
-van haar.”
-
-Een vlijmende pijn steekt in mijn hart. En ik zeg eerlijk:
-
-„Ik kon het niet helpen, beste zus. Het is zoo inééns gekomen, ik was
-alles vergeten. Je zult wel gemerkt hebben, hoe innig ik mij aan dat
-lieve, teêre wezentje gehecht heb, al begrijp ik het zelf niet van me.”
-
-„Juist dáárom, Rudolf. Van jou kan ik het me begrijpen, zelfs al was je
-nog getrouwd met je lieve Louise, die toch eigenlijk meer een zuster
-voor je was. Maar juist omdat jij Rudolf de Wall bent, en omdat ze uit
-je verzen weet, hoe diep je voelt, zooveel dieper dan anderen, en omdat
-ze heel goed weet hoe mooi en innig je van haar bent gaan houden,—dát
-heeft ze wel gezien, hoor!—daarom had ze dadelijk van je weg moeten
-loopen, en zich niet laten liefkoozen, en niet door haar blijven je
-doen voelen, dat ze het prettig vond.”
-
-„Maar waaròm dan toch, zusje?”
-
-„Waarom? Maar zie je dat dan niet? Om het vreeselijke verdriet dat ze
-je zal aandoen later. Ze blijft nog maar heel kort hier. Ze zal
-doorgaan, lief met je te wezen. Ze zal doorgaan met van de anderen weg
-te loopen om alleen op eenzame plekjes met je te zijn, en ze zal zich
-laten kussen en liefkoozen en lieve, prettige dingen door je laten
-zeggen, en je nog véél verliefder maken dan je al bent. Ze zal je
-vragen om wandelingen te maken en dan met je op eenzame plekjes zitten
-en een echte lieveling voor je blijven. En niet uit coquetterie of
-flirtation, maar omdat het lieve kind heusch veel van je is gaan
-honden. Maar vergeet je haar man dan? Is het eerlijk en oprecht tegen
-haar man? Heb je daar nooit eens over gedacht?”
-
-O! o! de pijn, de vlijmende, scherpe pijn ineens in mijn hart!
-
-En Mary gaat door, op haar vriendelijken, moederlijken toon:
-
-„En als ze dan weg is? Zal het dan voor jou voorbij zijn? Zal je dan
-niet vrééselijk van haar zijn gaan houden? Je voelt het zooveel sterker
-dan zij. Want zij kan het beter vergeten. En zal je dan niet véél
-ongelukkiger zijn dan vóór je hier kwam?”
-
-Ik probeer nog te zeggen: „Ik zal haar toch nog wel eens zien. Wie
-weet, wordt haar man nog niet eens in Soerabaia geplaatst. En ze komt
-nog eerst in Soerabaia logeeren, als ze van hier weggaat, zegt ze.”
-
-„Dat zal ze niet, Ru. Dat weet je heel goed. Misschien in ’t begin, dat
-ze nog wel eens probeeren zal je te ontmoeten. Maar die indruk van
-Tosari zal hoe langer hoe zwakker bij haar worden. Ze is veel te zwak
-van karakter om lang iets groots te voelen. Ze zal het vergeten zijn,
-als een mooien, prettigen droom dien ze had. En inplaats van jouw
-invloed komt dan weer de invloed van haar man. Want ze is altijd onder
-den indruk van wie het meest en dichtst bij haar is. Ik zei, ze is een
-kindje van het oogenblik. En ze zal terugzinken in den sleur van het
-alledaagsch leventje, van haar huishouden, haar man, haar kinderen die
-ze zal krijgen, haar visites, haar dinertjes, en je heelemaal vergeten,
-ook omdat haar man nu haar verliefdheid anders zal bevredigen. Ik weet
-dat het hard klinkt, Ru, maar ’t is goed dat je ’t eens hoort. En ik
-ben niet zoo’n heel jong meisje meer, ik mag je dat best zóó zeggen. Ze
-zal je vergeten, en je zult haar onverschillig worden. En als jij dan
-misschien ’s nachts om haar zult liggen snikken, en je droef leven nog
-véél droever zal zijn geworden dan vóór je haar kende, dan zal zij geen
-oogenblik zelfs maar denken aan hoe je lijdt en hoe je hart pijn heeft,
-maar in de armen liggen van haar man. En dat is onrecht, Ru, dat is
-wreed, wreed onrecht, dat kan nooit goed zijn. Ze zal het nooit
-beseffen, omdat ze eigenlijk maar een zwak, lichtzinnig kindje is. Maar
-ze zal je ’n vreeselijk groot verdriet aandoen....”
-
-Ze spreekt niet door, want ze ziet de tranen in mijn oogen staan.
-
-Ja, ik wéét het, ik wéét het, dat Mary gelijk heeft. Maar ik antwoord
-heel gelaten:
-
-„Ik wéét het, zusje. Maar ik heb nu zóó jaren lang verdriet gehad en me
-zoo eenzaam gevoeld, dat ik nu o! zoo graag ook eens een klein beetje
-geluk zou willen proeven. Laat me nu dien héél korten tijd nog maar
-éven gelukkig zijn met mijn droom. Dan wil ik er graag later weer erg
-voor lijden. En al doet ze dan ook nog zoo wreed en koud en ondankbaar
-tegen me, tóch zal ik haar altijd blijven zegenen voor het geluk dat ze
-mij gegeven heeft, voor al het lieve en vriendelijke en warm-weldadige,
-dat mijn eenzaam leven ééns van haar heeft mogen krijgen.”
-
-Mary schudt het hoofd en zegt: „Je bent een dwaze droomer, Ru. En je
-zult je zelf altijd ongelukkig maken.”
-
-En ik weet ineens, wat ik moet antwoorden, dat ze niets meer terug kan
-zeggen:
-
-„Het zijn heel teêre dingen, zusje, om over te spreken. Maar zóó zou ik
-het u kunnen uitleggen. Ik geloof dat Annie zelf niet weet, hoe ’n
-zachte, teêre ziel van God ze heeft. Ze mag getrouwd zijn geweest, en
-nu gauw weer naar haar tweeden man gaan, en zich aan hem geven. Maar
-het allermooiste van haar heb ik toch gehad. Ik heb haar lieve ziel
-gezien, en die heeft ze aan mij gegeven, al weet ze ’t zelf misschien
-niet zoo. ’t Is heelemaal zonder iets onreins geweest wat ik voor haar
-voel. Alleen een groote, groote teederheid, bijna als voor een kind.
-Ja, soms,—ik ben geen engel,—héél enkele keeren, is het heviger
-geworden, maar ik heb er niet aan toegegeven. Ze lijkt me eigenlijk
-véél te lief en te broos voor iets anders. Noem ’t maar een beetje
-ziekelijk, misschien is ’t dat ook wel. Maar ik kan er niets aan doen.
-Ik heb alleen van de zachte ziel gehouden, die door haar lieve leden
-heenschijnt, het allerreinste van haar heb ik gehad, en nooit kan dat
-een ander krijgen.”
-
-
-
-Ze is toch zoo’n dom gansje. Ze weet niets. Ze heeft bijna niets
-gelezen, zoo goed als geen muziek gehoord, en weet ook maar niet het
-allereerste beginsel van de groote sociale vraagstukken, die de wereld
-vervullen. Ze staat heel vèr buiten mijn ideeën, en zou me in niets
-kunnen helpen, en in ’t geheel niet met mij meê kunnen leven als ze
-eens bij mij was.
-
-En toch kan het heel goed zijn dat zij dichter bij de hoogste wijsheid
-is dan ik. Want de hoogste wijsheid, niet waar, moet zoo uiterst simpel
-zijn, en zonder denken, vèr boven gedachten uit, aanlanden in de reine
-rust van ’t onbewust-natuurlijke. Bijvoorbeeld zooals een bloem staat,
-stil in den avond, gedachteloos, zwijgend van innig gevoel, of zooals
-een heel klein kindje, dat zachtjes ligt te lachen tegen moeder. En zóó
-lijkt me mijn lieveling al het moois om haar heen te zien. Als ik ’s
-avonds met haar in ’t priëel zit op het terras, en we kijken naar de
-vage berglijnen en den praal der sterren, dan heeft ze geen behoefte,
-zooals ik, om zich te uiten en te zeggen hoe mooi het wel is. Ze zit
-maar stil te kijken, zooals een bloem, geloof ik, naar de sterren ziet,
-zoo stil en onbewust. Het is niet eens apart mooi voor haar, maar heel
-gewoon, eenvoudig de simpele schoonheid, die nu eenmaal past bij hare
-lieve ziel en zachte gratie....
-
-Ik zie haar ook het liefst in heel gewone dingen; er moet vooral niets
-bijzonders aan haar zijn. Als zij speelt met haar kindje, en er lief
-tegen doet. Als zij zit te lezen, en het verhaal boeit haar, zoodat
-haar gezicht opeens heel ernstig wordt, en haar oogen in spanning de
-regels volgen. Als zij heel gewoon me iets aangeeft, en de
-vriendelijkheid, waarmeê ze dat doet! of wel, als ik haar tegenkom, en
-hoe ze dan melodieus „Dág!.... Dág!....” kan roepen, lang uitgehaald,
-en met zoo’n warme, doordringende liefheid, dat je de tranen in de
-oogen komen. En hoe ze een bloem plukt, die heel innig aanziet, en dan
-voorzichtig in haar ceinture steekt!
-
-In al die kleine gebeurlijkheden, door al die heel gewone gebaren licht
-de kalme gratie van Gods zachte engelen, en in die lieve menschen-vrouw
-woont onbewust de ziele van een serafijn.
-
-Ze weet het niet, ze weet het niet.... En dit is wel juist het
-mooiste.... Het is ook nooit door anderen gezien, ik ben de éénige die
-door haar uiterlijken schijn haar reinste, innigste wezen heb
-vermoed....
-
-Door ’t leven hier en dáár gedreven, door hartstocht heen en
-barensnood, een frêle, zwak wezentje, beland in ruwe mannenarmen, en
-doende al de droeve, duistere dingen die des levens zijn....
-
-Maar haar lichte ziel, uit God gegeven, is toch áltijd onbesmet
-gebleven, én ik kniel in deemoed voor háár neer....
-
-Uw zachte gratie, uw lichte engelenschijn, mijn liefste, zijn voor mij,
-en wat ik in u zie en liefheb is beter dan wat gij zelve denkt te
-zijn....
-
-Het spreekt zoo liefelijk tegen mijn ziel in al uw reine
-vrouwe-gebaren, in ’t lachen van uw oogen, in ’t wuiven van uw hand, in
-’t blij goêdag-zeggen van uw stem, en o! in ’t rustiglijk neêrvleien
-van uw zacht hoofd aan mijnen schouder....
-
-En dáárom heb ik u lief, dáárom alléén, en dit is reiner en beter dan
-waarom anderen u ooit hebben liefgehad of lief zullen hebben.
-
-Want ik heb lief in u wat onvergankelijk is en nooit kan sterven, wat
-maar héél kort nog wijlen kun in uw teêre lijf en zachte leden, om
-éenmaal weer in Gods eigen wezen te verdroomen, in puren, onbevlekten
-staat....
-
-
-
-Van de hôtel-gasten wil ik liefst zoo weinig mogelijk zeggen in mijn
-dagboek. Maar éven toch dit. Als de indische maatschappij maar aldoor
-zóó was als hier, dan zou het er heusch wel in uit te houden zijn. De
-heerlijke berglucht waait hier al het ridicule poeha en de larie weg,
-en maakt weer gewone, prettige menschen van al de pseudo-gewichtige
-grootheden en potentaten. En me dunkt, het kán ook moeilijk anders. Wie
-kan zich nog een sommiteit, een allerhoogste hoogheid vinden, als hij
-van den Penandjaän in het ontzaglijk dal der dooden staart?
-
-Wèl worden er dolle dingen gedaan; men gaat b. v. met geheele benden
-naar den Bromo, en speelt al de spelletjes van ’s avonds nog eens
-over.... in de Zandzee, ongevoelig voor het schoon rondom. Maar men
-behoeft zich niet te ergeren, door eenvoudig niet meê te gaan.
-
-Ook is het ras der poenen nergens heelemaal afwezig, en ook hier
-slenteren er een paar van rond.
-
-En het is hard en pijnlijk, een lief, rein wezen als Annie ’s avonds in
-de recreatiezaal te zien dansen in de armen van den eersten den besten
-vlegel, die niet waard is, maar éven in haar oogen te zien. Maar zij
-wéét het niet, en ik vind het beter, er haar niets van te zeggen. Laat
-zij de menschen maar allen lief en goed zien! Dat hoort zoo heelemaal
-bij haar altijd-lachend gezicht, en haar kinderlijke vroolijkheid van
-levenslustig, gezond vrouwtje!
-
-Het is of van haar een glans uitgaat van innerlijke reinheid, die over
-álle donkere menschen-gezichten een zacht licht doet gaan.
-
-En als ik haar zoo vriendelijk en hartelijk zie doen met iedereen, zoo
-heelemaal nog als een kind, en of er geen zonde of kwaad bestond, dan
-wilde ik wel heel graag al mijn droeve weten en mijn bittere wijsheid
-geven voor háár zuiver, vreugdevol gemoed, zoo licht van eigen
-blijheidsglans, dat al het duistere rondom in zachte glorie staat....
-
-
-
-Vanmorgen hebben wij gewandeld in de „Doktersvallei,” een van de
-mooiste wandelingen, die hier zijn.
-
-Annie zou ons den weg wijzen, Mary, Sophie en mij. Om half zeven ’s
-ochtends gingen wij uit. Eerst rechts van het Hôtel, den weg naar
-Telegosari, maar dan, inplaats van recht door, linksaf, en langs die
-mooie, schilderachtige plek, die „de koeienweide” heet. Een smal pad
-voert langs een plateau met hooge, ranke tjemårås, een open grasveld
-aan den voet, waar koeien grazen.
-
-Van daar uit ligt de vlakte open voor ons, met vèr de heuvelruggen om
-’t Malangsche, en daarachter de Ardjoenå, die het gansche landschap
-houdt.
-
-Rein als een jonge God rees Ardjoenå omhoog in ’t morgenlicht. Langs
-zijn toppen een blinkend, verblindend blanke streep sneeuwwit,
-onbewegelijk, een hooge lucht-band eindeloos wijd over de hemelen, vèr
-en vèr. En aan zijn voet een offering van witte wolkbloemen, van een
-allerreinst, smetteloos wit, ontzaglijk en toch zoo donzen-zacht, lucht
-zwevende in het April-blauw van de hemelen....
-
-Wij komen bij de dessa Kertoanom, een echt Tenggerdorp van schamele,
-lage hutten, en nu gaat opeens een steil, glibberig pad verticaal naar
-beneden, in eene diepe ravijnkloof.
-
-Nu is Annie in haar element! Wie zal het eerst vallen? De grond is zoo
-glad van den regen! Je moet een klipgeit wezen om daar af te komen! Zij
-zal wel voorgaan, ze is niet bang, hoor! Ze heeft het méér gedaan, en
-ze weet den weg! En daar gaat ze, haar lucht, rank figuurtje in de
-wijd-waaiende, licht-rose baby, met de breede kanten van haar witte
-kraag als blanke bloemen om haar hals. Hoe vlug trippen haar gele
-schoentjes over den gladden grond! Ze lijkt wel te zweven, als een
-groote, rose kapel.... Ik volg, vlák achter haar, maar met veel moeite.
-Plof! daar lig ik in den modder, potsierlijk. En ik ben er half blij
-om, nu zij hoog uitschatert haar koddig lachen om het dolle geval. Wat
-doet het goed aan je hart dat gulle, blijde lachen, als je zoo héél,
-héél lang maar niets dan peinzen en droefheid hebt gekend, en niet meer
-wist wat vreugde was! En nu, als ze flink heeft uitgelachen, de zachte,
-warme hand die ze je toesteekt, om je óp te helpen! En dat vriendelijke
-bezorgde vragen, of je je soms pijn hebt gedaan.
-
-Ze laat me nu haar hand, en zóó komen we, als twee groote kinderen, in
-een diepe valeikloof. De anderen zijn natuurlijk weer achtergebleven.
-We zijn hun veel te vlug af met ons beidjes.
-
-Hoe diep staan we nu beneden! Overal, wáár onze oogen ook komen, glanst
-groen van boomen en varens, immense boeketten, hoog klimmende tegen de
-hellingen. Het welft zich boven onze hoofden in zware, breede bogen, en
-buigt zich beschuttend over ons heen. Hoe sterk, en toch hoe teeder,
-dat opschietende, hooge bamboe, neêr-zegenend in zoo fijne, spitse
-loovertjes! Hoe wijs en wèl-bewust die veêren varens, lucht wiegende op
-winde-adem, zoo teêr-trillende als zachte zielen!
-
-En hoor! overal, van rechts, van links, van boven, van beneden, de
-zoete muziek van ruischende wateren, liefelijk en melodieus....
-
-Het pad is sinds lang niet meer onderhouden, en hooghalmend gras is er
-overheen gegroeid, in wilde verwarring. Maar Annie weet er den weg als
-een kind van het bosch. Haar rose baby waait als een zacht-wuivende
-vlag van liefde door het groen. Dra moeten we weer klimmen, de andere
-helling van ’t ravijn op. Ze blijft me altijd maar vóór, vlug, licht
-wezentje dat ze is. Als ze op een hoog punt is gekomen staat ze stil en
-wacht op mij. Hoe lief is dan haar hoofd genegen, en hoe vriendelijk
-reikt ze me haar handen toe! Hoe frisch en blozend haar kluchtige,
-prettige gezichtje uitkijkend van onder haar breeden, slappen zonnehoed
-vol plooien en deuken! Wat licht en glanzend blij, zoo’n stralend jong
-vrouwtje onder het welvende groen, donker-belommerd!
-
-Telkens wijst ze me ondeugend op intieme, heerlijke plekjes, zacht
-beschaduwde priëelen onder bamboe-loover, waar het zoo heel zacht
-rusten moet zijn. Maar het mooiste komt pas later. Opeens, ergens, een
-open plek, waar boven lichte, blauwe hemel schijnt. Een blanke,
-zilveren waterval schiet zacht-zingend van rotsen, en groote
-steenblokken liggen verspreid als zetels, waar het water langs ruischt.
-
-Een groote, weldadige koelte waait er van in de lucht. Je voelt een
-jonge, reine kracht in je longen stroomen, en ’t is of je één wordt met
-de boomen om je heen, zóó thuis voel je je ineens in de natuur.
-
-Groen, groen, glanzend, schitterend groen rondom. De lichtblauwe hemel,
-klaar-stralend. Het reine, goede, lavende water Gods, als een zegen
-daar neêrgelaten van boven. Vogelen zingen van vreugde in het rond.
-
-En een groote, breed-ópdeinende behoefte om weer jong te zijn, en niet
-te weten, dwalende, dwalende met de liefste door Gods glanzende natuur,
-en te drinken van de klare berglucht, en te luisteren naar het ruischen
-der wuivende bamboe, en het klaterend gepraat van het water, intiem en
-vertrouwd, en het zacht, gelijkmatig geklop te voelen van twee in
-zaligheid tegen elkaar bevende harten.... O! een groot, groot verlangen
-om al het verleden en het leed met één forschen zwaai van me àf te
-schudden, en luid-uitjubelend van levens-lust de jonge Liefste aan het
-van jonge liefde hamerend hart te prangen....
-
-Ze staat stil. De wijde, rose baby met golvende plooien om haar heen.
-Ze is zacht als een teedere bloem in al het schoon rondom. Ze is een
-zoete, rose roos in het groen, rank oprijzend omhoog....
-
-En ik weet niets meer, ik weet niets meer dan dat ik haar liefheb, ik
-weet niet van tijd en verleden en van wat moet komen.... Mijn zachte,
-lichte lieveling.... Mijn blijde, blozende bloem..
-
-Zacht-streelend omvat mijn arm haar teedere leden, en mijn lippen, zij
-zweven langs haar voorhoofd, haar wangen en haar hals, zoo voorzichtig,
-zonder kus, als rose vlinders langs ranke bloemen, want dit is de
-droom, de broze droom, die niet mag duren, en bij hoogste spanning
-breekt.... Ik zie diep in haar oogen het reine glanzen van haar ziel,
-ik voel een warme, zoete strooming van haar lijf in ’t mijne vloeien,
-waar ze zich blozende tegen mij heeft aangevlijd, en ’t is mij in die
-kuische omarmimg of ik één leven met haar ben, één leven van niets dan
-vreugde en geluk, onbewust en tevreden, als van een tweelingbloem,
-rustig-rijzende naar ’t licht....
-
-
-
-Dat was mooi van avond!
-
-Met Mary in het eerste priëel gezeten, links op het terras, bij laten
-zonsondergang.
-
-In ’t Westen de donkere, sombere trots-lijnen van de bergkammen,
-fèl-zwart in rooden brand van de lucht. Om den Ardjoenå zware,
-witgrijze triomfwolken, waartusschen, heel in ’t midden, een veeg
-intens bloedrood. Als een donkere, blauw-grijze bol stijgt hij op in ’t
-rossig-grauwe duister, zijne toppen verdwijnend in nevel. Alles is
-rood-donkere sombernis daar vóór mij....
-
-Maar als ik mij nu omwend is o! daar achter, in ’t Oosten, alles
-lichter, lichter, in een zacht vrede-willen. De lijnen der bergruggen
-zweven daar, bevende contouren, langzaam biddend langs lichte lucht.
-
-Benèden, vèr, in luchte waze van transparante aether-schittering, ligt
-de vage vlakte.
-
-Een rij grijze wolken drijft langzaam, langzaam boven de bergen-golven,
-één groote heeft licht-zilveren randen. Een voorgevoel van vreemde
-zaligheid beeft zacht trillende in die teêre sfeer....
-
-Tot statig heft óp het lumineerend bleeke hoofd, boven de reine
-wolkenranden, de milde maan, schitterend van vrede. Een groote liefde
-licht vèr en vèr door de lucht....
-
-Rijst nu langzaam, langzaam boven de biddende bergen dat volle,
-blank-blinkende maan-gelaat, en ziet met zacht-wijzen, àl-goeden blik
-over de wereld, veilig in eigen, eindeloozen glans van puurheid.
-
-En de wolken drijven zacht-waaiend uiteen, en worden lange, wijde vegen
-schitterlicht, wuivend vèr door de hemelen, als gewaden van droomende
-engelen.
-
-De bergen zoo gansch tevreden daaronder, deemoedig geknield, in
-zilveren schijn.
-
-En de vlakte daar ginds, zoo vèr en vèr beneden, in een doorschijnende
-mane-waze, één wijde beving van licht door trillenden avondnevel, als
-toegedekt in haren droomeslaap door een aetherische wade, vaag als een
-vèr visioen.... Maar in het hóógste hooge is de atmosfeer helder en
-klaar, en boven de fijne neveldroomen hangt het heilig Godsgewelf,
-maagdenblauw in engelenkleur, met het sereene, wijze maangezicht
-glanzende van liefde, en der vrome sterren zacht-tintelenden blik....
-
-
-
-Droom nu, droom nu, mijn ziel, want die vrede zijt gij zelve, en tot
-vrede zult gij éénmaal wederkeeren, als dit arm hart niet meer zal
-kloppen, dat àl maar langt naar liefde, en maar niet rusten wil....
-
-
-
-Gisteren ben ik met Mary naar Nongko Djadjar geweest. Annie voelde zich
-niet wel en kon niet meê.
-
-Wat een héél ander mooi weer, dat Nongko Djadjar, dan Tosari! Het is
-maar 9¼ paal verder, en 570 M. lager gelegen, en hoe héél anders is
-daar ineens de natuur! In plaats van de kale bergen, enkel glinsterend
-van kool-velden, met hier en daar stille, eenzame rijen tjemårås, nu
-ineens het wilde wouden-mooi, in dichte pracht van glorieus groen!
-
-Wij reden uit in den ochtend, tegen half zes, het steile bergpad op
-naar Pådåkåjå, ineens weer hóóg de lucht in. Omkijkend in den zadel zie
-je vèr de vlakte, nog vage, en wazend in den dauwen nevel. De Ardjoenå
-donkerpurper blozend in eersten zonne-gloed van den morgen, een
-keizerlijk heerscher van de wereld rondom.
-
-Het ging in galop, lustig door jonge winden, langs diepe ravijnen en
-kloven, langs ’t vrede-dal van Ngadiwono, en dan al maar recht door,
-tot aan een nauw paadje, hoog tusschen bergwanden. Dáár staat ineens,
-in vèrre verte, boven lager bergen triomfantelijk opgerezen, in zacht
-grijs-blauw, de bolronde top van den Semeroe, pralend in de lucht.
-
-Nu weêr rechtsaf, door lager glooiende wegen, al lager en lager. Er
-komen al meer en méér boomen, al bijna bosschen, en zachter-zoeler
-wordt al de lucht. Tot eindelijk, na anderhalf uur flink rijden, een
-steil rots-pad diep neêr gaat in nauwe kloof. Dit is de Kletta-pas,
-naar Nongko Djadjar.
-
-Het steil-dalende rotspad vol zware steenblokken daalt langs rechten
-hoogen bergwand naar diep ravijn. Maar het zijn bergen van blinkend
-groen, want alles is dicht, zwaar begroeid, tot hóóg in de hóógste
-toppen, òveral, òveral boomen, hoog boven elkaar; ze schijnen aan
-weerszijden te zweven in de lucht, immense reuzen-varens, groot als
-palmen, en breed-gepluimde bladerkronen van onbekenden vreemden
-woud-bloei, en glorieuze bloesem-boeketten, hangend in de lucht. Links
-langs de helling boven liggen verlaten kina-plantages, al jaren
-verwilderd in weelderige pracht, rechts van ’t ravijn stijgt het
-oer-woud, nog gaaf en ongeschonden, in maagdelijken staat. Het zijn
-hooge bergen van boomen en bloemen, oprijzend in de lucht, in een
-triomf van wijd-waaierende varens, wuivend in den wind, en
-hoog-opschietende bamboe, met zwaar-neigende pluimen. En ongezien
-storten groote water-vallen klaterend langs de bergwanden. Nu niet meer
-het zacht geruisch der beekjes als in Tosari, maar luid-schaterend
-orchest van zware waterstroomen, schetterend in het rond. Het is
-òveral, boven je hoofd, en op zijde, en beneden, je weet niet wáár,
-maar het loeit en brult en klatert langs je heen.
-
-De paarden stappen voorzichtig over de harde rotsblokken van de pas,
-waar de weg met grillige windingen daalt. En bij iedere bocht weer
-nieuwe pracht van boomen en veeren varens, en hoog-opschietende
-bamboe-boeketten met zware, breede wuive-pluimen. Even, dàn weer weg,
-zie je zoo’n breede, zilveren water-kolom flikkerend door het groen
-vallen. De lucht is gansch puur, in klare koelte van dat frissche,
-zuiverende water. Je voelt het heerlijk lavend door je lichaam gaan, en
-je bent blij, te ademen in dit reine schoon.
-
-Nog dalen, en dalen, en altijd dalen, tot een smal, zacht hellend
-paadje het bosch in leidt. Nu is de moeilijkste weg voorbij, want na
-een half uur kalm draven houdt je stil voor het rustige, eenvoudige
-hôtel van Weyrich, waar een stevig ontbijt al klaar staat. Hoe heerlijk
-is het te eten, na zoo’n langen, vermoeienden rit, met al die klare,
-koele berglucht in je longen! Waar is nu het leed, en het duister, en
-de droevige gedachten?.... Leven, leven, en de lucht te drinken in de
-bergen, en blij te kijken in het blinkende groen, waar het luistere
-licht glanst over de vòl-schoone wereld!
-
-
-
-Zoo stemmig en rustig dat huisje van Weyrich in dat groene bosch! Wij
-hebben den geheelen ochtend zitten praten in de voorgalerij, en zijn
-toen bloemen gaan plukken, als kinderen. ’s Middags na de rijsttafel
-hebben we wat geslapen, en zijn toen, na het theedrinken, het bosch in
-gegaan. Eerst liepen wij door de kampong, met haar eenvoudige, bamboe
-huisjes, en toen kwamen we op een smal bosch-pad langs een diep ravijn.
-
-O! die heerlijke bosch-eenzaamheid daar! Dat dichte, majestueuze
-natuur-woud daar diep beneden, en dan stijgend, stijgend langs de
-wanden omhoog. Die vreemde, en toch wèlbekende boomen overal, heel niet
-indisch lijkend, eerder hollandsch en van lang geleden, nu ineens weêr
-terug.
-
-Het echte wouden-mooi van heerlijk Holland! In de plechtige
-vóóravond-stilte, onder het donkergroene lommer, het tikken van een
-specht op een stam, het krassen van een raaf, en het melancholiek
-geschreeuw van een uil. En hóór, daar vèr—de stilte wordt nog
-stiller—roept de koekkoek.
-
-Opeens, vlakbij, in ’t ravijn, een luid geruisch in de boomen, en kijk,
-daar zwaait een zwarte aap door het groen, vliegend van tak tot tak.
-Kijk, nóg een, en nóg een, in slingers springen zij achter elkaar, van
-den eenen boom in den anderen. Eén groote, zeker een oude, zwart met
-dik-wollen vacht, blijft stil zitten, en kijkt ons aandachtig aan. Zijn
-lange staart hangt roerloos van een tak naar beneden. Mary wuift hem
-toe met haar zakdoek. Een grijns, een schreeuw, en hij laat zich
-loodrecht naar beneden vallen, en verdwijnt in de struiken, diep in ’t
-ravijn. Dàn is alles weer stil. Tot weer èven de koekkoek roept in de
-verte, en de specht de stammen tikt.
-
-Zóó hebben wij geloopen door het bosch, en hebben onzen naam gesneden
-in een boom, en wilde rozen geplukt, die bloeien langs den weg. Het was
-niet meer te gelooven, dat we nu heusch nog in Indië waren. Het was een
-oud, mooi bosch in Holland, waar we als kinderen dwaalden, broertje en
-zusje, en elkaar sprookjes vertelden van feeën en kabouters, om, straks
-bang geworden door onze eigen fantasie, de handen stijf te zaâm
-geknepen, en dicht tegen elkaar aan gedrongen, angstig zwijgend naar
-huis te gaan,—wijl de avond zwaar-schaduwend neêrdaalt over de stille
-boomen, waar de vogels nog maar héél even ritselen in ’t groen....
-
-Het stemmige, rustige, intieme, het grootsche en toch gansch eenvoudige
-van een sprookjesbosch, dat was voor mij de impressie van de wandeling
-in Nongko Djadjar.
-
-
-
-O! Die kleine, innige liefheden van het verliefd-zijn! Ben ik dan een
-kind geworden?
-
-Waar is dan nu mijn wijsheid, die ik zoo staâg vergaarde, in jarenlange
-studie, en nacht aan nacht zorgvuldig zamelde bij ’t late lamplicht? En
-al mijn verzen van de reine eenzaamheid, en ’t, ongerept van liefde,
-veilig leven in de kalme contemplatie!
-
-Zie me nu ’s ochtends een boeketje rozen zetten in een glas naast haar
-bord! Als ze aan tafel komt,—wat laat altijd, als de andere gasten al
-weg zijn,—lacht ze zacht tegen mijn bloemen, en knikt me dankbaar toe.
-Ze heeft ook wel eens wilde viooltjes geplukt in den tuin, en één zoo’n
-teêr bloemetje houdt ze spelend in haar mond. Dat vraag ik dan, en kus
-het, en bewaar het in een liefste boek, Verlaine, of Van Eeden.
-
-’s Avonds vóór het diner, om acht uur, sta ik te wachten, met een
-groote, donkere roos, of ze nog niet het pleintje bij haar kamer
-afkomt. En als haar lieve voeten zachtekens komen aangetript, klopt
-toch zoo mijn hart! Dan mag ik zelf mijn roos vaststeken tusschen haar
-ceinture, en ik voel haar zacht, warm lijf zoo heel dicht hij mij. Soms
-kus ik dan even het donzen vleesch van haar arm.
-
-Na het spelen of lezen in de recreatiezaal, na ’t eten, vóór ze naar
-bed gaat, houdt ze er van, nog wat heen en weer te wandelen, op ’t
-achterpleintje. „IJsberen” noemen we dat. Met ons vieren, Annie, Mary,
-Sophie en ik. Ze heeft dan haar bruine, groote shawl om. En ze wil wel,
-dat ik onder de shawl door mijn arm in den hare leg, en ik streel haar
-warme, zachte hand, en speel met hare vingers. Die heerlijk koude
-lucht; is ’t niet of je in Holland bent? Wat is ’t dan zalig warm daar
-aan haar lijf, hoe veilig is ’t dan bij haar. O ja, ik weet het wel,
-het blijft niet altijd teêr en zoo heel zacht in mij. Somtijds gaat mij
-een lange rilling door het lijf, als mijn arm haar lief lichaam even
-omstrengelt, en ik voel het bloed, dat stijgt naar mijn hoofd, en ik
-duizel, en mijn hart klopt hamerend. Dat is het verlangen.... ik wéét,
-dat is het verlangen.... O! Nu haar meê te nemen, waar het eenzaam is
-en veilig, tusschen goede muren, met haar neêr te zinken op zachte,
-donzen sponde, en haar heerlijk lijf te omvatten in vlammend begeeren!
-Haar héélemaal te nemen, van haar zoeten mond te drinken, ál haar lieve
-leden langs te kussen, héélemaal één met haar eigen, warme lijf in
-zalig zwijmelen snikkend te vergaan!
-
-Maar sterker is dat ééne, groote gevoel in mij. „Je moet een reine
-ridder zijn.... het mag niet breken.... zij hoort een ander toe....
-alleen haar ziel is je van God gegeven.... bedenk dat wèl.”
-
-Ja, Mary had wel gelijk, zoo’n teêr, zwak vrouwtje is Annie toch.
-Somtijds, als ze met zus op de canapé zit te praten, wordt ze ineens
-stil, legt zacht haar krullekopje op haar schouder, en nestelt zich
-dicht tegen haar aan. ’t Is dan of haar schuchtere ziel opeens
-geschrokken is van ’t harde leven, en ze zich tegen een vriendin moet
-vleien om bescherming.
-
-Ik zal dat zachte neigen van haar hoofd niet licht vergeten. Hoe zal ’t
-altijd bij me zijn, als ik later weer alleen zit op mijn kamer, bij ’t
-bleeke lamplicht, en de sombere gepeinzen van twijfel komen! Ik geloof,
-als ik dan weêr wanhoop, en ’t allerergste lijkt me droevig-waar, dan
-zal ik háár liefgenegen hoofd weer voor me zien en weten, dat alles
-goed is, en van God gegeven, al lijkt het kwade ’t meest reëel.
-
-Gisteren-avond zaten we buiten, in de vóórgalerij vóór Mary’s kamer, in
-lange luierstoelen. Ze had het koud, zei ze. Ik mocht haar shawl halen,
-en haar die omslaan. Maar nóg beefde ze een beetje. Toen heb ik een
-wollen deken gehaald, en als een kind haar warmpjes ingestopt. Haar
-voeten goed er onder, en haar handen. En ik heb haar een glas warme
-punch gebracht. Mary en Sophie Wouters hadden er schik in, en lachten
-dat ik haar vader was. En werkelijk, het was of ze alleen maar mijn
-zachte kind was, dat ik beschutten moest tegen koû. Zoo is ze heel stil
-blijven liggen, terwijl wij drieën vroolijk doorpraatten, en gekheid
-maakten. Nu en dan klonk alleen haar heldere lach als ze iets bijzonder
-koddig vond. Zóó lag ze daar stil pleizier te hebben.
-
-Buiten, vóór mij, in het Zuiden, zag ik de donkere berggevaarten,
-zwart-sombere rijzenis in den nacht. Zwaar-donkere wolken dreven laag
-in de lucht. En de wind waaide soms met wilde vlagen.
-
-Wij zaten goed beschut, met de heete punch ons warmend, maar ik zag
-toch heel goed dat sombere mysterie van den nacht, dat woeste, zwarte
-wereld-wezen zoo groot en hoog daarbuiten.
-
-En opeens voelde ik een groote teederheid in mij opwellen voor het
-zwakke broze wezentje daar vóór mij, zoo teêr en hulpeloos in het
-groote leven, en zoo maar voortgestuwd door de macht der dingen, zonder
-eigen kracht; een lief, zacht lam in droeve, duistere heide. O! Nu het
-op te mogen nemen in mijn sterke armen en het altijd warm te schutten
-met mijn liefde! Haar ál het mooi te leeren, waar ze niet van weet, het
-moois van Gods groote natuur, en van de kunst, haar zwakke oogen
-langzaam, langzaam òp te leeren zien in het Groote Licht! En ik zelf
-mij veiligend voor zondig-duistere gedachten, met de reine intuïtie van
-haar ziel, die allerkostbaarste gave, die de vrouw van God gegeven is!
-
-Toen het laat werd is ze stil opgestaan, heeft nog even lief goênacht
-gezegd, en is toen slapen gegaan. Nóg hoor ik het zacht gerucht van
-hare lieve voeten, wegtrippend in den nacht....
-
-Maar ik heb nog héél lang eenzaam op en neêr gewandeld, waar het donker
-was en zwart. En aldoor zag ik maar vóór me haar lieve lichaam zoo
-droomerig uitgestrekt in den stoel, mijn groote kind, door mij
-toegedekt, en tegen koû beschut.
-
-Ééns, ééns zal komen de tijd, dat zij is heengegaan, dat zij een
-vreemde is onder ál vreemde menschen, en in leed of vreugde, in
-zaligheid of pijn, mag mijn arm niet òm haar zijn. Ze zal mij niet
-meer kennen, en als ik ééns moet sterven zal zij vèrre van mij wezen,
-en nimmer weenen. Haar lach zal nooit meer lichten in mijn leven, en
-al het lieve, teêre, heilige, dat nu tusschen onze zielen leeft, zal
-vergeten zijn....
-
-Zóó loop ik droef te peinzen, in den zwarten, kouden nacht, waar
-zooéven zacht verstierf het ruischen van haar rok, het lucht gerucht
-van hare lieve voeten....
-
-En tòch moet er een „Dieu clément” zijn.... een wijze, ál-gerechte God,
-die enkel ’t goede wil....
-
-
-
-Ik heb wat koorts, van den vermoeienden tocht naar den Bromo, en
-vanmiddag had ik zoo hevige hartkloppingen, dat ik mij erg ongerust
-maakte. Maar ik wil toch nog even iets opschrijven van dezen grootschen
-gang. Annie was niet wel. Ik ging met Mary alleen. Het rijden er heen
-is langs een anderen weg, maar van dezelfde natuur als naar den
-Penandjaän. Eerst de steile hoogte op naar Wonomerto bij Pådåkåjå, dan
-den weg naar Ngadiwono, om ineens links af te slaan, en dan, stijgende,
-door een hoog en hooger klimmend dennebosch. Het heel intieme en
-vertrouwde daar, alsof er niets vreeselijks verder ging gebeuren.
-Overal de lieve bloemen en kruiden van Holland, wilde rozen, ranonkels,
-wilde viooltjes, klaverbloemen, weegbree, kruisemunt, vleesch-bloemen,
-kattestaart, margrietjes, bramen, en alle anderen. De boomen aan
-weerszijden van de paadjes zijn tjemårås en kemlendingans. Mooi doet
-vooral het heilige kruid der Tenggereezen, de tinolajoe.
-
-Even wordt het dichte dennebosch verbroken op een open hoogte, de
-Poessoeng Lepitan, vanwaar je rechts in ’t Noord-Westen, opeens vèr,
-den blauwen kegel van den Semeroe ziet oprijzen, majestueus heerscher
-van de hoogste luchten. Dàn daalt het pad weêr in nieuw dennewoud, gaat
-om den kalen bol-berg Boekwanter, en stijgt langzaam op naar den
-krater-muur.
-
-Stijgen, stijgen, dan een klein steil paadje op, links, en je staat aan
-den rand van de Moengal-pas, boven den afgrond naar de grauwe
-Zandzee....
-
-Maar het plotselinge gezicht beneden was niet zoo immens overweldigend
-als van den Penandjaän. De zon was al lang doorgebroken, en scheen
-goedheid in de doodsche vallei. Overal zongen vogeltjes in de struiken,
-en er was een krans van levend gezang, wijd in het rond, boven het
-stille dal. De kleuren beneden waren, door de regens van veel nachten,
-wat lichter en blijer dan voorheen. De ribben van den Batok glansden
-van een rijk goudgroen, en er lag goudgeel te gloeien over het
-slijkgrauw van de Zandzee.
-
-Alleen de Bromo, daar vèr, was even doodsch en koud als voorheen, en
-lag grimmig te broeien, dikblauwe rookwolken uitstootend met langzamen,
-treurigen adem; een ongeneeslijke, gore wonde, zwaar op het lijf der
-aarde. En de wind, gierend langs hoekige ribben en ruggen, neêrjoelend
-over den Ider-Ider muur, vulde de hooge stilte met huilend geklaag.
-
-Hoe vèr, hoe vèr lijkt de zandwoestijn aan onze voeten! Daar ginds
-zwarte stokjes, zoo nietig; het zijn tjemårås, die ergens bij den Batok
-groeien. Overal, vèr uit, de slijkgrauwe, dorre zee van zand. Het lijkt
-eindeloos. Je huivert om straks daarin te zijn....
-
-Maar toch gaan we nu, dalende, daarheen. De weg is te steil om te
-rijden, en wij loopen moeilijk, over rotsblokken en lavaklompen, met de
-paarden achter ons aan, die gewillig volgen. Zóó gaat het, een half uur
-lang, en we staan ineens in de Zandzee die nu grooter, veel grooter dan
-ooit gedacht. Zij ligt daar, grauw-geel, te gloeien in de heete zon,
-maar met ijzige winden koud-gierend er over heen. Het vogelengezang van
-boven is niet meer te hooren. De paarden, dronken van de wijde, wijde
-ruimte voor hen, worden vurig, en in vliegenden galop rennen we nu door
-de wilde woestijn, en voelen ons als Bedouïnen, jagend door de Sahara.
-De hoefslagen der paarden klinken hol op den bodem.
-
-Zóó gaat het, met een vreemd-bang en toch heerlijk gevoel van onbekend
-gevaar, hollend door de sombere woestenij, langs den kolossalen,
-ruig-geribden tulband van den Batok, al dichter en dichter bij den
-Bromo. Groote lava-blokken, van een laatste uitbarsting, liggen
-verspreid.
-
-Nu ligt het bleeke, geel-grauwe monster vóór ons, een ronde, hoekige
-bult op de aarde, goor en grijnzend. Langzaam stijgt een blauwe
-dampwolk er uit omhoog, en het lijkt een rookende wonde, heet van
-broeiing....
-
-Toen zijn wij tegen de gele belt opgereden, hebben de paarden laten
-staan bij een trap van bamboe, en zijn omhoog geklauterd, moeilijk, tot
-aan den rand.
-
-Beneden, peilloos diep, een sombere koker, een eindelooze
-helle-trechter, donker, vol ongure, heillooze dingen.... Beneden, diep,
-diep, gloeit roode vuurschijn, gloort loensche, valsch gele schijn van
-zwavel; sissend stoomen blauwe wolkjes uit nauwe gaten, overal rooken
-solfataren, en een dunne wolk zwaveldamp stijgt op van heel beneden,
-eerst ijl als een sluier, dán dikker en dikker uitpuilend, tot een
-zware kolom langzaam-treurig omhoog rijst, met de hopelooze traagheid
-des doods, in een hijgen en zieden en bliksemend sissen beneden, als
-van woedende machines onder te zwaren druk....
-
-Ik kon het niet lang aanzien, dit gloeiende helleding, dien kokenden
-krater van duisteren haat, met de satanische prikkeling van
-zwavellucht, het joelend rumoer van ondergrondsch, ziedend water, en
-het valsch geglim van gele zwavel.... Het beklemde mij met een angst
-alsof het liefste in mij zou gaan breken. De Bromo, duistere broeiing,
-als van zonde, en nacht, en negatie.... hoe haat ik hem!....
-
-Toen weêr afgedaald, en de paarden bestegen, die weer in vliegenden
-galop voortrenden door de grauwe zandwoestijn. Dalende luchtstroomen
-gierden fluitend over de hooge bergribben rondom, en een ijzige wind
-snerpte snijdend langs mijne wangen. Hier is hel, en koude, en dorheid;
-hier is woestenij, en droefenis, en dood....
-
-Toen...., nooit, nooit zal ik het vergeten,.... midden in de grauwe
-woestijn, in de ijzige, sombere stilte van verdoemenis, diep en
-reddeloos verloren in die vale vallei des doods, bloeide daar opeens
-voor mijn oogen, tusschen wat armoedig gras, een groepje
-vergeet-mij-niet. Vanwaar hier gekomen, door welke liefde hier midden
-in doodsche sombernis verspreid, van welke sappen levend, hier in ál
-droogte en dorren dorst? Vreezeloos keken ze op uit den harden grond,
-een wonder van teederheid in het wreede en koude rondom.
-Vergeet-mij-niet, van een zwakker blauw dan in Holland,
-vergeet-mij-niet, bleek van heimwee, maar tòch liefelijk lachend, en
-gansch zich gevend in volle, maagdelijke broosheid, midden in die kille
-verstarring van dorre woestenij! Ik weet niet wat er was tusschen die
-bloemen en mijn ziel, maar ik heb opeens de warme tranen gevoeld in
-mijn oogen, en ik heb geschreid om het leed dier heimwee-bleeke
-vergeet-mij-nietjes, daar zoo ganschelijk verloren in de woestijn, maar
-tóch nog liefelijk lachend, in wondere, nooit verzwakte teederheid....
-
-En het ontzaglijk wreede van die wijde woestenij, de heete helle-haat
-van den broeienden krater, de sombere rijzenis van de steile, dreigende
-rotsenmuren álom, het leek mij opeens toch maar zwak en nietig bij de
-wonderteêre, maar goddelijk sterke liefde van die bleek-blauwe bloemen,
-zoo broos, en zoo gansch vreezeloos, ál maar liefelijk lachend,
-ofschoon stervend van heimwee, tegen de donkere zonde en den grauwen
-haat rondòm....
-
-
-
-Vanmorgen kwam ik haar witte rozen brengen, en zette ze in een vaas op
-de tafel voor haar kamer, zooals ik wel meer deed.
-
-Daar stond ze inééns voor me, bleek en ernstig, zooals ik haar nog
-nooit had gezien. Ze hield een telegram in haar hand.
-
-„Een telegram.... van mijn man....,” zeide ze,—hoe hard en fèl klonk
-dat voor me, „mijn man,”—„hij is met koorts geëvacueerd naar Padang....
-hij vraagt of ik bij hem kom.... den 12den gaat er een boot van
-Soerabaia.... en over vier dagen ga ik weg....”
-
-Ik voel het duizelen in mijn hoofd. Ik kan het nog niet goed begrijpen.
-
-„Ga je wèg.... ga je wèg....?” zeg ik.... „zal ik dan nooit meer met je
-wandelen?.... en nooit meer bij je zijn, en je hand in mijn hand
-houden, en nooit meer gelukkig zijn?.... en ik hoû zoo van je,
-Annie....”
-
-Maar ze blijft heel ernstig. Het is of er een andere Annie staat
-ineens.
-
-„Dat mag je niet zeggen, Rudolf.... weet je dat dan niet....? dat hadt
-je nooit mogen zeggen.... hoe heb je ’t dan kunnen vergeten.... ik ben
-getrouwd, Rudolf.... alleen mijn man mag dat zeggen.... en het spijt me
-zoo dat je zoo lief tegen me bent.... en ik ben zelf óók zoo zwak
-geweest.... Ik ben nog zoo’n kind soms.... En nu ineens dat telegram
-van mijn man....”
-
-Ik kàn het niet langer hooren, ik kàn niet.... En ik zeg met tranen in
-mijn oogen:
-
-„Ik zal het niet meer zeggen.... je hebt gelijk Annie.... wees niet
-boos.... ik zal je óók niet meer vragen om nog meê te gaan.... ik zal
-je alleen wegbrengen tot Poespo, dat mag wel, hè, met de anderen
-samen....? Maar doe mij dan ook één pleizier.... Zeg dat nooit meer
-waar ik bij ben: „mijn man,” ik kán het niet hooren, ik kán het niet.
-Het klinkt zoo grof voor me, zoo hard, ik weet niet wat het is, maar
-het is verschrikkelijk....”
-
-En ik loop weg, bang om ineens uit te snikken, als een kind.
-
-
-
-Vreemd, ’s avonds na ’t eten, in de conversatiezaal, is ze weer
-heelemaal de oude. Ze kàn nu eenmaal niet lang droevig of ernstig zijn.
-Ze heeft weer een pret als een jong meisje. We spelen allerlei dolle
-spelletjes, als kinderen. Ze gooien met serpentines en confetti, en er
-wordt warme bowl geschonken. Er wordt pand verbeurd en gekust. Ik zoen
-haar als een wilde jongen een meisje van kostschool, als ze haar pand
-moet inlossen. Ze doet weer niets dan lachen en dansen, en zingen van
-pleizier.
-
-En de Annie van vanmorgen is weer heelemaal weg. Het is als een bange
-droom geweest. Maar nu is alles weer goed en gewoon, en er is niets
-verloren....
-
-
-
-Mary was met Sophie en een paar jongelui nog eens naar Ngadiwono
-gegaan. Annie had beloofd, óók klaar te staan om zes uur, en haar
-mooie, lichtgele paardje Gambir stond beneden aan de trap, bij de
-andere paarden, met de fijne voorbeenen stampend op den grond. Maar wat
-een teleurstelling! Ze kon niet mee; haar kindje had wat koorts
-gekregen, en zij wilde het niet alleen laten. En dat de vóórlaatste dag
-van haar heengaan! Ik was er zoo geslagen van, dat ik onmogelijk met
-het vroolijke troepje meêkon, en, bij het steile pad naar Pådåkåjå
-gekomen, plotseling mijn paard omwendde en weggaloppeerde.
-
-Waar nu naar toe te gaan? Met die bittere teleurstelling bijtende in
-mijn hart, en dat verlangen naar het zonnestraaltje van haar lach, haar
-vriendelijken morgengroet, die een geheelen dag zoo blij kon maken! Nu
-maar weer het Leverlaantje ingereden.
-
-En kijk, dicht bij het eerste bankje vloog ineens zoo’n wonder rood
-vogeltje uit het ravijn, als een vliegende bloem, en bleef in een
-struik zich wiegen op een tak. Schitterend als vuur blonk het even voor
-mijn oogen, en flikkerde toen brandend òp, hoog in de lucht. En het
-zien van dit glanzende stukje schoonheid maakte me waarlijk weer gansch
-blij en vol hoop.
-
-Nu maar teruggaan, het ravijn in, en dan stijgen naar Wonokitri, om den
-tocht door „de drie dessa’s” te maken. Kranig liep mijn paardje Radjek
-het ravijn in, toen het steile pad op tegen den berg, en al heel gauw
-was ik in Wonokitri. Daar éven, stil, over de wereld zien, en groeten
-den machtigen Ardjoenå, daar vèr boven de verre vlakte, en dan, door
-allerlei steegjes en paadjes, opeens in een heerlijk dennelaantje. Wat
-een laantje! Heel smal, met aan weerszijden kleine tjemårås, en
-daarachter dicht groen. Het lijkt wel wat op de dennelaantjes bij den
-Bataafschen Boer in de Haagsche Boschjes. Nu maar zacht rijden, om het
-lang te genieten.
-
-En een denken: „dit is nu eerst een paadje om met háár te gaan. Ging
-zij nu maar op haar gele paardje vóór me, met haar ranke lijf zoo
-teeder wiegend als een wiegelende bloem!”
-
-Maar dat zal wel nooit gebeuren, en o! overmorgen is ze weg!
-
-Een verrukkelijke rit door die dennen, tot eindelijk, na een groot
-kwartier, de weg breeder wordt, en opeens gaat het steil naar beneden,
-en het ravijn in.
-
-En opeens een glorie van groen, in heerlijk verkwikkende koelte. Het
-was als een zachte neêrglijding in het geluk. Overal zwaar lommer van
-boomen, uit-waaiende pracht van kolossale varens, en breede
-neêr-pluiming van wijd-uitneigend bamboe, een liefelijke wildernis van
-schitterend groen. Nu je paard stil laten gaan, het zal den weg wel
-vinden, en nu àl maar kijken naar dat milde groen, rechts, links en
-over je hoofd, en overal, en het zingen te hooren van de vogels, en
-hoor! het bruisend geruisch van de watervallen, en de lucht te drinken,
-die ál maar koeler en koeler, en de wind waait zoo groote kracht door
-je ziel, die al rein en reiner! O ja, o ja, jong zijn, jong zijn, niet
-meer weten en niet meer denken, enkel leven, leven. O God! ik dank u
-voor dit goede, goede leven! Nu zingen en jubileeren, en liefhebben, en
-gelukkig zijn!
-
-Zóó, met al die vreugde in mijn ziel, was ik ál maar doorgereden, tot
-onverwacht, bij òmmegang van een paadje, van hoogen rotswand
-loodrecht-steil naar beneden stort een breede stroom bruisend water,
-die de geheele lucht melodieus maakt van zijn rein geruisch. Hoe blinkt
-die blanke waterstroom daar schitterend in de lucht, en hoe moedig ijlt
-hij van die hooge hoogte zingend naar beneden, fonkelstralend in zijn
-klaren val! Heel de atmosfeer is puur en koel van zijn volmaakte
-reinheid. O! Dat lavende, heilige water, daar als een groote goedheid
-neêrgelaten van het dichte, blinkende groen boven den rotswand, dat
-daar ál maar stijgende is en stijgende, een triomf van lichtende,
-tintelende schoonheid, tot in ’t hooge-hooge, waar op den ravijn-kam de
-stille tjemårås staan, vòl-gelukkig onder den doorschemerenden hemel,
-hun pluimen toppen óp naar ’t licht!
-
-Beneden, aan den rand van de waterkom, waar de stroom plitsplassend
-neêrstort, met kletterend geraas, tusschen breede blokken rots, en het
-water dan langzaam murmelt dóór, gekalmeerd en moede van den val,
-staan, eenzaam en bizonder, wat wilde azalea’s, van een ernstig
-donkerroode kleur in al ’t groen overal rondom, en zien het rustig
-peinzend aan.
-
-Ik heb daar even in groote aandacht stilgestaan. Toen weêr doorgereden,
-en na een korte poos hield ik mijn paard in voor een mooie plek. Wild
-dooreen liggen groote rotsblokken, waar stemmig een stroompje ruischt.
-Overal in ’t rond hooge bamboes, die, stam aan stam, hoog als
-vuurpijlen opschietend, zich dán kuischelijk nederneigen in statige
-pluimen. O! die fijne, spitse bladertjes, hoe die zich toch zoo gansch
-staan te geven! Kijk, daar links, gaat het water door onder donker
-priëel, en hoe zacht is het gras daaronder! Hoe heerlijk moet het zijn,
-daar te liggen, met het bamboe-lommer boven je hoofd, in koele schaduw,
-het water zoo klaar ruischende aan je voorbij! O, mijn lieve vrouw, was
-je nu maar hier, was je nu maar bij me, in dat zalige priëel; met mijn
-hoofd zou ik zoo heel zacht rusten in je schoot, en zou ik niet je
-rozige, warme hand voelen in de mijne, en het licht van je vriendelijke
-oogen drinken, en gelukkig zijn van je melodieuze stem, en o! misschien
-héél, héél even een kus droomen op je roode lippen! Het is toch niet
-zoo véél, het geluk, waar ik vroeger zoo lange nachten over peinsde, en
-dat ik maar nooit, nooit vatten kon. Enkel wat vriendelijk
-oogenschijnen, wat lichte lachjes, en wat zoeten kus, en dan al zoo
-heel, heel tevreden zijn!
-
-Maar o! mijn arm hart, dit zal toch nooit, nooit voor je gebeuren. Ai!
-één dag nog maar en mijn lieveling gaat hene, en de droom, de droom is
-voorbij!....
-
-Zóó, wat droef, en bang voor wat zoo gauw zou komen, reed ik door, nú
-stijgende, ál maar stijgende op mijn hijgend paard, tot bij de laatste
-dessa Proewånå. Een klein, steil paadje nu nog, links naar boven, en ik
-stond op het heerlijke „Karrenplateau,” hoog-apart.
-
-En opeens, plotseling geopenbaard, het vèrre vergezicht op de wijde,
-wijde wereld, met de blinkende sawahs en de tuinen, en de bergen, en de
-luchten en de zee. Het lag alles in het jonge, reine morgenlicht, met
-zonneglans door transparanten, vochten sluier, in een zacht beven, als
-een groote ziel, die bewust wordt. De lijnen en kleuren verteederd en
-vervluchtigd in zacht-tintelende waze van parelmoeren zonneglans. Zoo
-onreëel en ongeloofelijk. als in een andere sfeer, waar al ’t harde en
-helle is verreind tot aetherischen adem van essence. De zachtblauwe
-Ardjoenå geruischloos rijzend aan den vagen horizon, met vreemd groene
-en vaag-violette tinten bevende om zijn droomende golvingen, de
-Penanggoenan wègwazende in de wemelende wade van licht, en de Kawi, als
-een rustig-sluimerende maagd onder den blauwen hemel.
-
-Alles zoo vèr, vèr beneden in ’t lage, en ik zelf zoo hoog in ’t hooge
-licht. Eenzaam zag ik het van boven aan en liet het zalig onder mij
-gebeuren....
-
-Wat puur-witte wolkjes zwevende vèr beneden, boven de vlakte,
-schitterend in blanken staat; zachtkens, zachtkens droomden zij voort
-naar de horizonnen van de zee, als lichte zielen, uitvarende in de
-eindeloosheid....
-
-Waar ik staarde, overal, naar alle zijden uit, was de wereld in
-zacht-bevend, transparant licht, en een groote liefde lag er wijd
-uitgespreid, in glanzende genade.
-
-En opeens een voelend weten: „Het is alles goed, en van God gegeven, in
-groote eerwaardigheid, van een eeuwig, onsterfelijk schoon....”
-
-Lang, lang heb ik het aangezien....
-
-Klonk van verre het gekraai van een haan, en hoor, een antwoord;
-zingelt nu het lachen van een meisje óp in de ijle lucht; loeit een
-koe; en klagend blaat een schaap, van diep beneden.
-
-Vaag en onbestemd, een zacht ruischen omhoog van de levende wereld,
-liefelijk en harmonieus....
-
-Wèg-rijende bosschen ten horizon, groen-goudenen sawahs en velden,
-vèr-tintelende zee, en rustig-rijzende bergen, het golft en wemelt en
-glanst aan mijne voeten....
-
-O! Het Leven, het Leven is mij gegeven, o! dank toch! dank! en is er
-mijn Lief niet licht, en staat er de wereld niet blinkend in klare
-couleur?....
-
-
-
-Het is de láátste dag.
-
-Ik zit met Mary op het bankje, in het eerste priëel, op het terras. De
-lucht is van een teeder, ijl Aprilblauw, transparant als heel fijn
-chineesch porselein. De jonge morgen lacht liefelijk boven de blijde
-wereld. En het gansche bestaan lijkt wel louter liefde.
-
-Zou er nu niet nog ééns iets komen? Nog ééns, voor ’t laatst?
-
-Het lucht gerucht van voeten in het zand, het zacht frou-frou van
-ruischende rokken, daar komt een lieve vrouw aan. Annie, in wijde,
-donkerblauwe baby, haar vriendelijk gezicht licht lachend in den
-morgen. Een groote vreugde gaat over mijn ziel.
-
-Nu is ze toch vanzelf gekomen! Zou ze nog meêwillen? Ze moet het nu
-zelf maar vragen.
-
-En zoo vriendelijk haar stem: „Zeg, gaan jullie nog eens meê, voor den
-laatsten keer? Je hebt gisteren immers zoo’n mooien tocht gemaakt in de
-drie dessa’s? Dat moet ik toch absoluut nog eens zien vóór ik wegga.
-Zeg nu maar ja, jullie gaat meê, hè?”
-
-Ze is een beetje verlegen, dat ze nu zelf is komen vragen, en plukt wat
-indische kers, om zich een beweging te geven.
-
-Mary kijkt me eens aan. Ze vindt het niet goed. Ik wéét wat ze denkt.
-Ze vindt het wreed van Annie, mij nog voor ’t laatst te doen proeven
-van ’t geluk, dat morgen dood zal gaan, en nu het scheiden nog véél
-pijnlijker zal maken.
-
-„Ik kan niet mee,” zegt ze, „het spijt me, ik hèb nog zoo véél te
-doen.”
-
-En ze kijkt mij aan, verwachtende dat ik sterk zal zijn.
-
-Maar ik bén niet sterk als Annie vóór mij staat, liefelijk als een
-meisje, in haar wijde, wallende baby, met de fijne kanten figuurtjes
-over haar borst, en bloemen in haar handen. Zóó, als ze daar staat,
-zacht-lachend, bloeiend van jong, warm leven, rank, lief wezentje van
-geluk onder den blauwen hemel!
-
-„Ik ga héél graag mee, dat weet je wel,” roep ik blij. „Wie gaan nog
-meer mee?”
-
-—„Sophie en Hendrik Wouters.—Dus we gaan met ons viertjes.”
-
-Ik wéét wat het zeggen wil. Ze zal haar paard weer aansporen en vooruit
-galoppeeren om met me alleen te zijn, en lief te worden gedaan. Ze kan
-het toch niet laten. En het zal weer erg intiem en gelukkig tusschen
-ons worden, en morgen zal het scheiden nog véél droever zijn. Ik zie
-ineens het dennelaantje van gisteren, en de bloemen bij den waterval,
-en de rotsblokken, waar ik zoo naar haar verlangde.
-
-Maar ik ga meê. Daar gaan we weer samen naar boven, en hand aan hand de
-trappen op, als twee groote kinderen, die we zijn.
-
-Ze krijgt haar wit-gele paardje Gambir, dat nu eenmaal bij haar hoort,
-fijn, gracieus beestje als het is.
-
-En daar rijden we met ons vieren weer uit, in den lichten morgen,
-drinkend van den frisschen wind, door der bergen statige pracht. Ik
-weer vlak achter haar, mijn oogen niet afwendend van haar lieve leden,
-waar ze als een groot meisje, in haar blauwe baby, voor mij uit wiegt,
-op het luchte rythmusje van haar dansend paardje. Wij zijn de anderen
-weêr een beetje vooruit; als wij in de hoogte staan bij Wonokitri zijn
-ze nog stijgende, beneden in ’t ravijn.
-
-„Waar is nu ergens dat mooie dennelaantje, waar je zoo over uit was?”
-vraagt ze, met een ondeugend trekje om haar mond.
-
-„Het is vlakbij, als je maar recht dit pad dóórrijdt,” antwoord ik,
-„Maar weet je dat de anderen nog achter zijn? We zullen een heel eind
-vooruit komen, hoor!”
-
-Ze wil het niet begrijpen, en tikt haar vurig paardje met de karwats,
-dat het opeens in galop voortrent. Ik haar achterna.
-
-En daar rijden we nu samen in de dennelaan, precies zooals ik gisteren
-zoo verlangde. Het lijkt wel de vervulling van een wensch uit een
-sprookje. Als wij een goed eind vooruit zijn houdt ze haar paard in, en
-we gaan stapvoets naast elkaar.
-
-Als ze rijdt is ze nog gracieuzer dan anders. Het is haar licht naar
-rechts gebogen hoofdje, dat dan iets heel apart teêrs en fragiels aan
-haar geeft. En ze wiegt op het rythmusje van haar paardje, als een
-bloem, zacht in den wind.
-
-„Nu zijn we toch weer alleen,” zeg ik. „En je weet dat het niet goed
-is. Nu ga ik je tòch weer zeggen, hoe lief ik je vind, en hoe ik van je
-hoû. Je weet dat ik het toch niet laten kan.”
-
-Zij kijkt een beetje strak.
-
-„Begin je nu weer?” zegt ze verwijtend.
-
-Ze wil lief gedaan wezen. Ze wil heel alleen met me zijn, en ik mag
-haar ook wel liefkoozen en kussen. Maar ik mag het niet zeggen. Het mag
-nooit gezegd worden wat onze zielen alleen weten. Ze heeft geen
-behoefte aan uiten, zooals ik. Ze houdt alleen van ’t stille ondergaan.
-
-Want als ik nu, stilhoudende, haar hand neem, en zachtkens kus, trekt
-zij die niet terug, en ziet me tevreden-lachend aan. En dàn rijden we
-zwijgend verder, zonder iets te zeggen, al heel gelukkig met bij elkaar
-te zijn in het geurige dennelaantje, onze paarden stil stappend op den
-grond vol zachte, bruine naalden. Zij spreekt niet, en ziet me alleen
-maar vriendelijk aan. Maar ik voel haar lieve ziel zoo héél, héél dicht
-aan de mijne, dat ik denk haar zelf te zijn....
-
-Bij Sidaĕng gekomen, waar de stille laan opeens uitloopt in steile
-rotspaden, en het ópene wijd onder ons ligt, blijven we wachten op de
-anderen. Het is of het donkere laantje, waar we even in terugzien, vol
-van geluk is, dat wij er achterlieten.
-
-Als Sophie en Wouters zijn gekomen, gaan we verder. Denzelfden weg van
-gisteren, maar hoe héél, héél anders, nu haar lief figuurtje voor mij
-uit wiegt op het lichtgele paard! Zoo met al het licht en het groen,
-onder het pure blauw van den hemel, met die frissche, ijle lucht,
-lavend je longen, is het als een tocht met je Liefste door een
-paradijs. Het lijkt nu zoo onbestaanbaar en onreëel dat ik ooit geleefd
-heb het triestige, vreugdelooze leven in Soerabaia, hijgend naar lucht,
-en leêg van liefde, Ik voel me herboren in veel reinere gewesten, waar
-alles blijheid is en liefde.
-
-Bij den waterval gekomen is de weg moeilijk voor de paarden. Ik stijg
-af, en leid Gambir bij den teugel. En even kus ik haar hand. Ze vindt
-het zoo prettig, zoo’n kleine attentie, en lacht een beetje verlegen,
-als een meisje dat door een jongen wordt gezoend.
-
-Eindelijk zijn we bij de rotspartij, waar de rotsblokken liggen
-opgestapeld in het groen, en waar het water liefelijk ruischt, diep in
-het ravijn. De hoog pluimende bamboes neigen zegenend over onze
-hoofden, zacht-wuivende. Overal is vogelgekweel en bladerengeruisch.
-
-Annie is afgestegen, en vindt het hier een goed plekje om wat te
-rusten. De koelies leiden de paarden heen om te grazen. Zij ziet een
-hoog rotsblok, en klimt er vlug tegen op. Boven gekomen roept ze
-plagend als een kind: „Je kunt tóch niet bij me komen! Er is nog net
-één plaatsje over!”
-
-En natuurlijk klim ik bij haar. Eigenlijk is er géén plaats meer. Ik
-kan alleen mijn evenwicht houden als ik mijn arm om haar heen sla. En
-zóó blijven we zitten, héél dicht bij elkaar. Hoe vlák bij is ze nu.
-Het lijkt zoo onmogelijk dat ze ooit weg zal zijn. Waaien haar krullen
-niet tegen mijn wang, en voel ik niet tegen mij aandeinen het zacht
-ademhalen van haar borst? Mijn lippen zijn zoo dicht bij haar hals.
-Even, even, heel zacht, een kus. Ze lijkt nu wel ganschelijk van mij,
-mij altijd te behooren....
-
-Ze wijst me op het priëel óver ons, het priëel, dat ik gisteren al zag,
-en waarbij ik zoo naar haar te verlangen stond.
-
-„Jammer dat het er zoo nat is,” zegt ze ondeugend. „Dát zou pas een
-heerlijk plekje zijn.”
-
-Ze is òf heel naïef, òf heel wreed, denk ik even. Maar als ik in haar
-kinderlijke oogen zie, weet ik dat het enkel groote naïefheid is. En
-toch ril ik even zachtjes bij het denkbeeld, met haar te droomen onder
-dat zware, donkere lommer, en haar daar rusten te doen in mijn armen.
-
-Nu komt een „spada” van het Hôtel met ajer blanda, en wij drinken, vlak
-naast elkaar, het verkwikkende vocht. Hoe idyllisch lijkt het, zoo met
-je tweeën op een rotsblok, diep in ’t ravijn, met óveral groen rondom,
-en water ruischend aan je voeten. Zij in haar blauwe, wijde baby, als
-een groot kind, ik in een glanzend wit pak. Alles is zomer-luchtigheid,
-en zonneschijn, en koelte, en geluk. Het licht blinkt op de groene
-blâren, de wind suist door het riet, en haar lief gezicht lijkt zoo
-gansch te behooren bij al het moois rondom, het lijkt zóó uit al die
-welige weelde opgebloeid, als een zachte, roode bloem. En dit, geloof
-ik nu, zou wel de simpele wijsheid kunnen zijn, waar ik zoo lang en
-droef naar zocht: „Eén zijn met de groote, àlgoede natuur, ademen één
-zelfden, reinen adem met de blijde bloemen en de bloesemende boomen,
-met naast je de goede, lichte Liefste, die dáár is, om je leven te
-volmaken, dat alléén zijn harmonie niet vindt. Niet denken, en niet
-willen, en niet weten. Maar stil-tevreden leven met het Lief, twee
-zachte, simpele bloemen onder Gods blauwen hemel, in deemoed bloeiend
-omhoog.”
-
-En werkelijk, zóó als ze daar dicht tegen me aanzat, waar ik haar hart
-kon voelen kloppen, en de zachte strooming van haar leven voelde
-vloeien langs ’t mijne, heb ik even gekend dat zoo eenvoudige en kalme
-geluk, dat ik zoo verre, verre zocht, maar dat vlakbij gevonden wordt,
-als Liefde’s Licht maar schijnt....
-
-Al ’t lieve moet voorbij gaan, als een droom, anders zou ’t leven hier
-één eindelooze zaligheid worden, en hemel zijn....
-
-Wij stijgen weêr in ’t zadel, en nu gaat het berg op, moeilijk, met
-hijgende paarden, tot bij Proewono, waar een steil, smal zijpad opklimt
-naar het „Karrenplateau.”
-
-En het is weêr een zelfde apothéose als gisteren. Van het hooge, kleine
-plateau opééns uitziende op de wijde, wijde wereld daar vér onder ons.
-Bevende, wemelende horizonnen van zee en licht en lucht. Geelgouden en
-smaragdgroene schittering van sawahs en tuinen. Maagdelijke rijzenis
-van zachtblauwe bergen, nevel-omdroomd, die als wèl-bewuste wijsheid
-kuischelijk ópstaan boven de lage vlakte, hoog ten hemel. Blanke,
-lumineerende wolkjes, die als lichtende engelen zachtkens, zachtkens
-voortzweven aan blinkende transen. Wijd ligt de wondere wereld ónder
-ons. in een goddelijke zaligheid van licht, en kleur, en nuance, en
-beweeg....
-
-Wij zijn afgestegen, en ik bind de paarden aan een boom. Ik sta met
-haar op den rand van het plateau, vlak bij de helling. Ik houd haar
-hand in de mijne.
-
-„Vin je dat nu niet héél mooi?” vraag ik haar. „Zie je die blanke
-wolkjes daar? O! kon ik met jou zóó samen aan den hemel drijven, zoo
-heel zacht naast elkaar, en nooit meer scheiden!”
-
-„Je wordt weer poëtisch!” plaagt ze lief. Maar ze kijkt aandachtig naar
-de lichte, blinkende wezens, die daar voortdrijven naar de zee, in
-sneeuwen reinheid.
-
-„Wat is het alles laag en vèr beneden,” zeg ik weêr, hardop denkende.
-„En wat staan wij hier héél hoog er boven. Wat kijk je lief-lachend
-naar omlaag! Hoe teêr en fijn is nu je gezicht, hier zoo bizonder
-glanzend, in die hooge regionen! Je lijkt nu wel een zachte engel, die
-vóór den hemel staat, en uitziet op de aarde vér beneden. The Blessed
-Damozel....”
-
-Ze lacht wat, en begrijpt me niet heel goed. Ze is moê, zegt ze en gaat
-liggen in het gras, haar baby in wijde plooien om haar heen, als de
-bladen van een bloem.
-
-„Mag ik bij je komen? Zal je niet boos zijn?”
-
-„—Neen, maar je mag niets zeggen, zooals verleden. Je mag er niet over
-praten.”
-
-Neen, spreken zal ik er niet meer over, en haar niet meer vragen of ze
-van me houdt. Ik zal alleen maar naast haar liggen, mijn hoofd doen
-rusten in haar zachten schoot, en haar handen streelen in de mijne. Zij
-houdt haar grooten strooien zonnehoed beschermend boven mij, en haar
-lief gelaat buigt zich over het mijne, vriendelijk lachend. Zóó zegt ze
-het me dat ze heusch wel van me houdt, al mag ze het niet uitspreken in
-woorden. Hoe heerlijk is het, zoo te liggen! Hoe warm en veilig is het
-bij haar!
-
-Zoo hoog, zoo hoog boven de wereld, in de ijle, fijne, pure lucht! Wij
-ademen in zoo gansch zuivere sferen hier, waar ’t geluk wel bloeien kan
-in onze zielen rein. Vèr onder ons is der wereld droef gerucht....
-
-„Weet je wat nu ’t geluk is?” fluister ik haar toe. „Hier altijd
-blijven droomen in je schoot, en somtijds heel even wakker worden, en
-dan de sterren zien van je oogen, en dan een kus van je krijgen, en dan
-weer droomen van dien kus....”
-
-Zij legt een vinger op haar lippen, wenkend dat ik niet spreken mag, en
-zóó heel stil moet blijven.
-
-Totdat de anderen komen, die nog achterbleven, lig ik in het blinkende,
-groene gras, en rust mijn hoofd in haar schoot, waar zij liefderijk
-over mij zit heengebogen, als een stille, wakende engel, zwijgend, in
-groote eerwaardigheid. En zóó ver, zoo héél ver beneden ligt de wereld,
-en zóó hoog in ’t hooge zijn we hier verheven, dat het mij is, of nu
-het einde is gekomen, en ik enkel een ziel ben die, der droeve aarde
-ontstegen, hier landde in Gods reinere regionen, waar één van Zijn
-lichte engelen haar wachtte, en zacht-genadig opnam in zoo kuischen
-schoot....
-
-
-
-Alle gasten in ’t hôtel hebben een feestje bereid den avond vóór
-Annie’s vertrek. Er is muziek gemaakt, en gedanst en champagne
-geschonken. En doodmoe ging ik ’s avonds laat naar bed.
-
-Na een koortsachtigen, bangen slaap word ik om zes uur wakker. De zon
-is opgekomen, en jonge stralen lichten in mijn kamer.
-
-En ineens, benauwend, een denken: „Ze gaat weg, ze gaat wég.”
-
-Ik ril en huiver.
-
-Gauw nu aankleeden, en naar buiten, naar het terras. Hoe heerlijk
-schoon is de morgen! De wereld is een puur paradijs van lichten vrede.
-Hoe blij en liefelijk staan de bloemen om mij heen! De rozen, de
-viooltjes, de blauwe verbenas, de resedas, de heliotropes! Hoog rijzen
-de goede bergen ten hemel. Ardjoenå lacht zijn goden-lachen in de
-stralende zon. Beneden ligt de vlakte in gouden waze, met verheerlijkte
-kleuren, Er lijkt niets veranderd. Blinkend blaakt nog de droom...
-
-En ik kán, ik kán het niet gelooven. Het is alles zoo goed en warm en
-licht rondom! Ik buig mij over zachte bloemen, en pluk ze, voorzichtig,
-nog nat van dauw. Dit zullen mijn láátste bloemen zijn.... De
-allerlààtste bloemen van liefde, die ik nog ooit een lieve vrouw zal
-geven....
-
-Nu naar haar kamer. Gelukkig is er nog niemand op het plein. En daar
-staat ze voor de deur. Zoo licht, zoo glanzend van warme goedheid in
-den morgen, haar kindje naast haar.... Een zachte wijding is om haar
-heen.... Liefelijk lichten daarin haar oogen....
-
-„Dag Annie, dag lief mevrouwtje,” zeg ik, en ik houd me goed, waar
-tranen in mijn oogen staan. „Ik heb voor ’t laatst nog wat rozen en
-héliotrope geplukt, de afscheidsbloemen....”
-
-Het vriendelijk lachen van haar licht gezicht.... O! het gebaar,
-waarmee ze nu mijn bloemen aanneemt!.... Wie heeft gelegd de vrome
-gratie in die teêre leden, dat elk gebaar zoo zacht maakt als
-gebed?.... En uit haar lieve ziel komt die stem, die dankbaar zegt:
-
-„Dank je wel, hoor, ik ben er héél blij meê, ik zal ze goed
-bewaren....”
-
-Dàn, inééns heel hartelijk, en verontschuldigend voor gisteren:
-
-„Het spijt me zoo dat we gisteren avond niet wat alléén konden zijn, en
-al die menschen er bij kwamen. Het zou met ons vijven zoo véél
-gezelliger zijn geweest. Maar ik kon er niets aan doen.”
-
-Hoe klein is ze nog! Ze lijkt wel de groote zuster van haar kindje! Ze
-is nog zoo héél erg een Meisje zooals ze daar staat! Ze heeft haar
-blauwe blouse aan met witte cirkeltjes. Haar parelgrijze rijrok, die
-zoo ruischt. De blanke, ópgeslagen manchetten, en het ópstaande
-boordje, met de groote, witte das. Een wit stroo matelotje op, met wit
-zijden lint. Zoo blij, dat blauw in den morgen! Alles zoo frisch en
-blank aan haar! Wat is ze nu dicht bij me, nu ik haar hand nog
-vasthoud! Ik zie het héél fijne, blonde dons op haar wangen, en een
-teêre ader, bleek-blauw, bij haar slaap. Haar glanzende gouden krullen
-bewegen een beetje in den wind. Ze lijkt zoo héél voor mij, zóó, even
-maar te grijpen, en dan te houden, o! vást, vást te houden voor héél
-het leven, en nooit weêr af te staan!
-
-En straks zoo vèr, zoo vèr, zoo vèr.... Dra is de lieve droom
-voorbij....
-
-Ik buig mij over haar kindje, en kijk het kereltje in zijn koddige,
-blauwe oogjes. De oogen van zijn moeder! Ik vraag hem, of hij blij is,
-weer terug naar de stad te gaan.
-
-„Fritsje liever hier blijven,” zegt zijn stemmetje.
-
-Een fijne, nog heel zachte stem, met iets oneindig teeders en bedeesds.
-Zoo’n klein, klein kleutertje! Hij is een heel klein stukje ziel van
-Annie, uit háár zachte gratie weggedroomd, hier in ’t harde leven.
-
-En ineens, heel klaar en pijnlijk vóór me, als een zaligheid hopeloos
-onbereikbaar: Een kindje van mij en Annie! Door mij uit haar lieve lijf
-gewekt, en mijn ziel met háár lieve ziel te zamen!
-
-Ik zie haar droevig aan, en zwijgend ziet ze in mijn oogen. Zou ze het
-hebben gelezen, mijn lief geheim?
-
-Daar komt Sophie haar kamer uit, en maakt een einde aan de spanning,
-die ontstond. Ze ziet wel dat er iets gebeurt en spreekt van ’t mooie
-weer, en den heerlijken rit die nog te maken is, en van nu nog maar
-eens goed profiteeren. En daar komt Mary ook, mijn trouwe, zachte
-zuster. Ze kijkt heel bezorgd naar me, wetende wat nu voor mij gebeuren
-gaat. Nu even nog naar het achterplein van ’t hôtel gaan, en groeten,
-en handen geven aan wat gasten, dan de trap af, naar de paarden, die
-beneden staan.
-
-Wiono, het mooie goudvosje, zal haar wegbrengen.
-
-Daar staat ze weer naast haar paard, zooals zoovele, heerlijke malen!
-Het is of ’t weer een nieuwen pleiziertocht geldt, zoo in den jongen
-morgen, met al de bergen zoo licht in de zon, en de wind zoo blijde
-waaiend. De droom blinkt nog in volle glorie....
-
-Nu weer de handen saâmgevouwen voor haar òphouden, en hoe lucht, als
-een vogeltje dat vliegen gaat, springt ze in het zadel! Zie nu haar
-kleine voetje in den beugel steken! Hoe fijn, haar broze enkel. Wat is
-zoo’n lieve vrouw toch van louter zachtheid en teederheid gemaakt! Hoe
-is dit toch bestaanbaar in het harde, harde leven.... Maar neen, het
-leven is niet hard; zie nu toch die bergen, glanzende in de zon, die
-blinkende hemelen, waar de blanke wolkenstoeten drijven!.... Het leven
-is licht, en vreugde, en geluk....
-
-Nu rijden wij weg, Mary met Sophie en Hendrik Wouters een eind achter,
-Annie en ik weer vooruit. Hoe zet zij haar paardje weer aan! Al heel
-gauw rijden wij alleen.
-
-Er gaat een zachte gedachte in mij om, heel droef. „Ze gaat wèg van je,
-Rudolf, wèg, wèg....”
-
-Maar het lijkt te onbestaanbaar.... Het komt zoo héélemaal niet bij het
-lichte geluk rondom.... En ik lách even om mijn eigen vrees.... Dáár is
-ze immers vlák, vlàk bij mij.... Als ik éven mijn hand uitsteek voel ik
-haar zachten arm.... Ik zie de goudblonde krullen, zachtjes waaiend om
-haar hoofd.... Hoe lief lacht ze mij toe, hoe hoort haar vriendelijk
-oogenschijnen zoo ganschelijk bij mijn ziel....
-
-Wij spreken ook héél niet over scheiden. Wij spreken over hoe mooi het
-is rondom, waar wij zachtjes dravend door den breeden weg gaan, met
-overal in de verte bergen, en wolken, en horizonnen, en rechts de diepe
-ravijnen, waar de zon schittert en flikkert in licht bewegend groen.
-Zij is weer zoo blij en lacherig als een kind in den jongen morgen, en
-het leven is goed, o! het leven is goed en gelukkig, met het lief
-gekweel van vogelen rondòm, en het liever klinken van haar melodieuze
-stem!
-
-En tòch, en tòch, heel zacht, die vreemde weifeling héél vèr van binnen
-in mijn ziel: „Dit is het einde, dit is het einde... nu komt de nacht
-weer voor je, de lange, bange nacht”.... Dan rijd ik heel dicht naast
-haar, en neem haar hand in de mijne, en voel wat angstig of het nog
-heúsch, heúsch wel waar is, als een, die in een droom de dingen angstig
-betast, bang dat hij aanstonds weêr zal ontwaken....
-
-Zij laat haar hand gewillig in de mijne. De paarden loopen even naast
-elkaar.—Somtijds wil ik nog vragen: „Annie, je gaat toch niet weg, hè?
-het is maar wat jokken, hè, van dat weggaan? Je blijft nog bij me?....”
-
-Maar ik ben bang, o! bang om het te zeggen. Er gaat een duizeling door
-mijn hoofd. En mijn hart hoor ik hamerend kloppen....
-
-En het kán niet, het kán niet! Kijk! alles is immers nog éven mooi....
-De koele, reine lucht, en al dat groen, dat blinkende, wuivende,
-ruischende groen rondom.... Alles is er nog, alles, éven mooi.... Dáár,
-kijk, de figuurtjes in haar blouse, zoo wèlbekend, dáár is haar dasje,
-haar hoed, haar ceinture.... Het is vlák naast me, als ik éven de hand
-uitsteek is het mijn....
-
-Voel maar, hier is haar eigen hand, zoo zacht en warm....
-
-Maar nu voel ik het weer warrelen en duizelen in mijn hoofd nu ik dit
-schrijf.... En toch, het móet, ik wíl het, ik wil het neêrzetten in dit
-dagboek.... Maar ik wéét het niet meer, ik wéét het heusch niet
-meer.... Hoe is het ook weer gebeurd....? Ai! mijn hart klopt zoo, mijn
-hart klopt zoo.... O ja.... we waren, inééns, en toch moet het eerst na
-anderhalf uur zijn geweest, we waren ineens in het kleine, stille Hôtel
-van Poespo. De anderen waren ook gekomen. Er was een tafel gedekt. En
-we hebben samen ontbeten. Er is gelachen, en gezongen, en wijn
-gedronken. Het was zoo verschrikkelijk prettig.... Toen kwam er iemand
-iets zeggen van hoe laat, en van den trein in Pasoeroean.... Wat?....
-ja, de trein.... in Pasoeroean....
-
-En Annie staat ineens op, en loopt weg van tafel. Ik haar na. Ik begin
-weer te begrijpen....
-
-Ze staat opeens met me achter, bij de bijgebouwen, waar het water uit
-een bergwand schiet....
-
-„Ik ga weg,” zegt ze, „ik ga weg.... ik vind het verschrikkelijk, zoo’n
-afscheid.... het héérlijke Tosari, het héérlijke, verrukkelijke
-Tosari.... maar ik moet weg.... ik moet naar mijn man, hoor je ’t, naar
-mijn man.... dag Rudolf....”
-
-Dit is niet meer mijn vroolijke Annie. Dit is al niet meer haar
-stem.... Dit droeve en zoo vast serieuze is niet van Annie.... Ik
-probeer haar niet tegen te houden. Het is onherroepelijk.... Want,
-opééns wéét ik het weêr, fèl, scherp, hard wéét ik het, dit is het
-einde van een droom.... het hel ontwaken.... het is onverbiddelijk,
-genadeloos....
-
-Ik kan niet spreken. Ik voel de groote tranen in mijn oogen. Ik durf
-haar niet meer te kussen, ze is al te vèr, de droom is nu al veel te
-broos op ’t breken.... Ik voel dat ze mijn hand drukt, en de tranen nu
-langs mijn wangen gaan....
-
-„Ik kán ’t niet zien, ik kán ’t niet zien,” roept ze angstig. „O! laat
-ik nu toch weggaan!....”
-
-Daar vóór het huis staan karretjes klaar. Ik zie het nu zwijgend aan.
-Er worden koffers opgeladen. De anderen zijn er nu ook, maar ik weet
-niet wat te zeggen. Ik zie alléén dat Annie nu in het achterste
-karretje stapt, en haar kindje bij zich heeft.... Mary kust haar, en
-zij geeft Wouters en Sophie een hand.... en roept nog wat liefs....
-
-Langzaam, langzaam rolt het wagentje vooruit... Dáár, dáár.... wèg,
-wèg.... Nog even, nog éven. Ik ren nog éven vooruit, en ’t wagentje
-houdt op.... „Annie! Annie!” roep ik.
-
-Ze zit zoo héél, héél stil.... Haar donkere oogen blinken van zoo
-zachten glans.... O! die zachte tranen, uit haar ziel geweld om
-mij!....
-
-„Annie! zal je nog wel eens een héél enkelen keer om mij denken? Zal je
-me niet héélemaal vergeten?....”
-
-„Neen, Rudolf, dat wéét je wel.... Kijk, je bloemen van vanochtend, die
-ik in de tandoe bij mijn kindje heb gelegd, ze zijn al heelemaal
-verlept.... maar ik zal ze áltijd, áltijd bewaren als een aandenken....
-ik zal altijd aan je denken....”
-
-Nog éven voel ik haar handen op mijn brandend hoofd, troostend en
-zegenend, waar ik mij diep heb gebogen voor haar zachte gratie.... Ik
-hoor haar stem nog éven klinken vol droefenis, waar ze mij vaarwel
-zegt.... O! nog éven zie ik haar zachte ziel, blinkend in haar
-oogen....
-
-Dan gaat het vàn mij, ver en verder....
-
-Daar gáát ze, o God, mijn God, daar gáát ze.... Ze wuift en wuift nog
-met haar zakdoek, ze roept nog lief gedag, en wuift en wuift.... mijn
-arme, verlepte rozen en héliotropen verspreid over haar schoot, met
-haar kindje tegen zich aan....
-
-Nu is het over.... Nog èven, èven, een winding van den weg... Haar
-rank, licht figuurtje... Ze wuift en wuift....
-
-
-
-En de droom, de droom is voorbij....
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] De tjemara, een conifeer, is een boom die een indische den lijkt
-maar toch geen den is (casuarina montana).
-
-[2] Maar heel zelden zijn datums vermeld. Achter elken dag liet hij een
-kleine ruimte open.
-
-[3] Wonokitri—Sedaeng—Proewono.
-
-[4] Dit vogeltje is de „telèdèkan” (dansmeisje), zoo genoemd om zijn
-schitterende kleuren.
-
-[5] Eigenlijk beteekent Dasar „grond, bodem enz.,” dus meer bodem van
-de Zandzee. Zandzee is „Segoro Wedi.”
-
-[6] Eigenlijk is dit „sari” niet de bloem zelf, maar het intiemste
-centrum der bloem, de plaats van den fijnsten geur, de essence.
-
-[7] Widodaren = luchtgeest.
-
-[8] Dicht bij deze dessa ligt het rustige Hôtel Tengger van den heer
-Elfferich, in een zeer schoon, vredig dal.
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN DROOM ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.