summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/66804-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/66804-0.txt')
-rw-r--r--old/66804-0.txt10260
1 files changed, 0 insertions, 10260 deletions
diff --git a/old/66804-0.txt b/old/66804-0.txt
deleted file mode 100644
index 74a3389..0000000
--- a/old/66804-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,10260 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Majesteit, by Louis Couperus
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Majesteit
-
-Author: Louis Couperus
-
-Release Date: November 23, 2021 [eBook #66804]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file
- was produced from images generously made available by The
- Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MAJESTEIT ***
-
-
-
- MAJESTEIT
-
- DOOR
- LOUIS COUPERUS
-
-
- ZEVENDE DRUK
-
-
- L. J. VEEN’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ N.V.
- AMSTERDAM
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE DEEL.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Over Lipara, anders eene stad als marmer wit; lange witte villa-reien
-aan zuidblauwe zee; eindelooze elegante wandelkaden daarvoor, met
-palmen, die groen verlakt aftrilden op een atmosfeer van levend blauwen
-ether;—dreef, zwaar, van onweêr zwoel en van tragedie, eene sombere
-lucht vol grauw, als een gevaarte aan den hemel. En die grauwe lucht
-was vol geheim, was vol van toekomst, van vreemde toekomst; ze stortte
-geen onweêr uit, maar bleef hangen over de stad; ze sloeg alleen vale
-schaduwen neêr over de blankheid harer paleizen, over de breedte harer
-pleinen en straten, over de blauwte van hare zee, heure haven, waar de
-schepen recht, stil, angstig, opboomden naar omhoog.
-
-Wit, vierkant, massief, in het groen der Elizabethparken, in het
-intimere mysterie van zijn eigen groot platanenpark—het park der
-beroemde platanen van Lipara, boomen van roem—lag het Imperiaal, het
-keizerlijk paleis, quasi Moorsch met witte arcaden van puntbogen, lag
-het als de stedekroon zelve der hoofdstad; éen groot juweel van
-architectuur, van die stad, al lag het er midden in, afgesloten door al
-dat parkengroen.
-
-De keizerin, Elizabeth van Liparië, zat in den intimen salon harer
-vertrekken aan den rechtervleugel; ze zat met eene hofdame: gravin
-Hélène van Thesbia. De vensters waren open; ze openden op het park; de
-beroemde platanen rezen daar, knoestig-oud, breed, angstig, roerloos
-met hunne uitgeknipte bladeren, waartusschen eene dofgroene schemering
-zeefde op de gazons neêr, die liepen, zacht en gelijk gerold, naar de
-verte weg, als strak-gespannen, einde- en eindeloos uitgemeten fluweel,
-weg naar eene violette verschiet-verte; met, ergens, als ééne gillend
-witte vlek, éen beeld.
-
-Een groot zwijgen suisde uit het park zijne vreemde hoorbaarheid van
-stilte naar binnen; het suisde rond om de keizerin. Zij zat daar,
-glimlachend; zij luisterde naar Hélène, die las; zij poogde te
-luisteren, zij verstond niet altijd. Eene nerveuze vrees was in haar,
-omving haar geheel als met een niet zichtbaar net van mazen,
-onbreekbaar. Die vrees was om haren man, hare kinderen: haren oudsten
-zoon, hare dochters, haren jongsten jongen. Die vrees, ze kroop over
-het tapijt, onder hare voeten; ze hing van het plafond, boven haar
-hoofd; sloop om haar rond, door geheel de kamer. Die vrees was in het
-park; ze kwam van ver, uit de violette verschieten; langs de gazons
-streek ze en over de open vensters klom ze naar binnen; ze viel uit de
-boomen; uit de lucht, de grauwe lucht van onweêr, viel ze neêr. Door
-Lipara, door heel Liparië, het geheele rijk, trilde die vrees, trilde
-ze naar binnen, in de keizerin, vulde ze haar geheel...
-
-Toen haalde Elizabeth diep adem, en glimlachte. Hélène had, bij een
-zin, tot haar opgekeken, met een licht effect van stem en oogen voor
-den dialoog in den roman; daarom glimlachte de keizerin en luisterde ze
-nu weêr. De angst bleef in haar, maar ze doofde dien met veel
-berusting, berusting in wat zijn zoû, zijn moest.
-
-De roman, dien Hélène las, was Daniële Cortis, een werk, dat opgang
-maakte aan het hof, omdat de prinses Thera het mooi had gevonden.
-Zorgvuldig en vol intonatie las de gravin voor; de arabesken van het
-Italiaansch ontspitsten aan hare lippen met eene elegance van heel
-puntig Venetiaansch glaswerk, bloemerig en doorglanzend. En de keizerin
-verwonderde zich er om, dat Hélène zoo mooi kon lezen en niet scheen te
-voelen dien angst, die toch overal omsloop, als een spook.
-
-Er werd geklopt aan de deur van de antichambre, een lakei opende en
-eene hofdame verscheen tusschen de portière, met eene buiging.
-
-—Zijne Hoogheid, prins Herman... diende zij aan met eene stem, die wat
-weifelde, als wist zij, dat dit namiddaguur van de keizerin bijna
-heilig was.
-
-—Verzoek den prins hier te komen! antwoordde de keizerin; hare stem
-klonk hoog vriendelijk en toch innemend sympathiek;—wij wachten den
-prins al zoo lang...
-
-De deur bleef open, de hofdame ging, de lakei wachtte bij de portière,
-onbewegelijk, tot de prins komen zoû. Zijn stevige tred klonk, gauw
-naderend aan, door de antichambre en aangenaam kwam hij binnen,
-vriendelijkheid op zijn gezond rood gezicht, pleizier van weêrzien in
-zijn groote grijze oogen, waarin een zwarte pupil blonk. De lakei deed
-de deur achter hem toe.
-
-—Tante!
-
-De prins trad, met zijne beide handen toegestoken, naar de keizerin;
-zij was opgestaan, evenals Hélène, en zij kwam hem een pas tegemoet,
-zij nam zijne beide handen aan en duldde, dat hij haar op beide wangen
-hartelijk zoende.
-
-Hélène boog.
-
-—Freule van Thesbia... groette de prins.
-
-—Eindelijk dus! zei de keizerin, schertsend ontevreden; ze schudde haar
-hoofd, maar ze kon niet anders dan vriendelijk blijven kijken naar zijn
-prettig mooi, gezond gezicht. Waarom heb je niet zéker willen
-telegrafeeren wanneer je kwam? Othomar was dan aan het station geweest,
-maar nu...
-
-Ze haalde, ongelukkig glimlachend, hare schouders op, als om te zeggen
-dat het nu niet anders had kunnen zijn, of zijne ontvangst was maar tel
-quel geweest...
-
-—Tante! sprak Herman; de klank van zijne stem wilde zeggen, dat hij dit
-nooit van Othomar zoû willen eischen; ik ben uitstekend ontvangen
-geworden: de generaal Ducardi, Leoni, Fasti, onze waarde ambassadeur en
-Siridsen...
-
-—Het zal Othomar toch spijten; zei de keizerin; hij is nu gaan toeren
-met Thera; Thera ment haar nieuwe vossen. Ik begrijp niet, dat ze
-gegaan zijn; ze zullen regen krijgen!
-
-De keizerin was weêr gaan zitten met een angstigen blik naar het weêr
-buiten; de prins en Hélène zetten zich eveneens. Een kruisvuur van
-vragen naar de beide families ontvonkte tusschen de keizerin en haren
-neef; men had in enkele maanden elkaâr niet gezien; er was veel te
-bespreken; het waren tijden vol ramp en de keizerin toonde een lang
-telegram, dat de keizer uit Altara gezonden had, omtrent de
-overstroomingen. Hare vingers, die het papier bleven vasthouden,
-trilden.
-
-Zij was eene vrouw van bijzondere schoonheid nog, niettegenstaande hare
-groote kinderen. Maar de charme van hare schoonheid zagen maar
-weinigen; in het publiek kreeg die schoonheid iets straks als van een
-camee; mooie fijne lijnen, groote koude bruine oogen, zonder expressie;
-een kouden mond van geslotenheid; voor de menschen kreeg haar rank
-figuur iets stijfs en automatisch; zelfs vertoonde zij zich zoo voor de
-intimere kringen van het hof. Maar zag men haar als nu in het geheim
-van haar eigen salon, met niemand samen dan met haren neef, wien zij
-bijna even liefhad als hare eigen kinderen, en éen hofdametje, dat zij
-bedierf, dan was zij, trots den angst, dien zij terugduwde diep in haar
-hart, als eene andere vrouw; in haar eenvoudig grijs zijden toilet—een
-lichten rouw voor een bloedverwant—werd het stijf automatische van haar
-figuur verbogen tot eene gracieuze lenigheid van zich houden en
-bewegen, even spontaan, als dat andere bestudeerd was; de camee van
-haar gelaat bezielde zich; in de oogen kwam bijna weemoed en een lach
-vooral om dien kouden mond van strakheid was als een glans van
-sympathie, waarin zij onherkenbaar scheen voor wie haar eerst gezien
-had, koud, stijf en strak.
-
-Prins Herman van Gothland was de tweede zoon harer zuster, de koningin
-van Gothland. Een groote soliede jongen in zijn klein-uniform van
-luitenant-ter-zee met het gezond Germaansch blonde van het Huis van
-Gothland: een stevige nek, breede schouders, de gebombeerde borst van
-een gymnast, de besliste levendigheid van beweging eener vitale natuur,
-meer dan genoeg verstand in zijn groote grijze oogen met de zwarte
-pupil, en met nu en dan een enkelen, prettig zachten toon in zijn
-baritonstem: een toon, die even lichtjes verwonderde om haar geklank en
-hem sympathiek maakte, als ze week was in zijne viriliteit. En nu hij
-daar zat, gemakkelijk, eenvoudig, aangenaam, en toch met iets van
-gezag, dat al te groote jovialiteit in zichzelven niet duldde, nu hij
-met zijne lieve stem sprak over zijn vader, zijne moeder, zijne broêrs
-en zusters, vroeg naar zijn oom, keizer Oscar van Liparië, vroeg naar
-Othomar, Thera, nu, o nu wekte hij bij de keizerin een fijn gevoel op
-van het sympathieke van familie, iets van een geheimen band van bloed,
-een zeer stevigen steun van verwantschap, in het izolement hunner
-onderlinge hoogheden, de hoogheden van Liparië en van Gothland; zij
-voelde daar, aan het andere einde van Europa, vér, vér van haar en toch
-zoo nabij door het magnetisme van dit fijne gevoel, dat Gothland liggen
-als éen groót veld van liefde, waarna zij hare gedachten kon laten
-toedrijven; zij duizelde niet meer van weemoed en van angst, dat zij
-zoo hoog was met die haar lief waren, haar man en hare kinderen, want
-zij was niet alleén hoog: in hare hoogte steunde zij tegen een andere
-hoogte, Liparië tegen Gothland, Gothland tegen Liparië; iets vochtigs
-van tranen kwam er om over haren blik, een weemoed van geluk klom er om
-op haren adem; het spook van angst was verdwenen; zij had haren neef
-kunnen omhelzen; zij had hem dit willen zeggen: alleen zijne
-aanwezigheid reeds gaf haar dit gevoel, gevoel van troost en van
-kracht; in maanden had zij het gemist.
-
-
-
-
-
-II.
-
-De deur werd geopend; de lakei wachtte stijfrecht met een strakken
-blik, die voor zich uitzag, in de schemering der portière. Prinses
-Thera en Othomar traden binnen; de prinses kwam blij en vriendelijk
-naar haren neef toe, zij kusten elkaâr; ook Othomar omhelsde Herman met
-een enkel woord. Maar tegen de natuurlijke uitingen van de keizerin en
-van Thera, klonk dit enkel woord van den hertog van Xara bestudeerd en
-glimlachend koud aan, niet intiem en als met een zweem van etiquette,
-die niet noodig was. Het verborg niet eene doorglanzende onoprechtheid,
-een doorzichtbaar vertoon, dat zich geene moeite gaf sympathie te
-huichelen, maar eenvoudig-weg scheen, wat het op dit oogenblik niet
-anders kon dan schijnen: een groet van gemaakte vriendelijkheid
-tusschen neven van gelijke jaren. Prins Herman was dit gewend; tusschen
-Othomar en hem bestond geen innigheid, en vooral den eersten keer, dat
-zij elkaâr weêr ontmoeteden na maanden, trof dit: het deed de keizerin
-onaangenaam scherp aan.
-
-Opnieuw ging het gesprek door over de overstroomingen in het Noorden.
-De keizerin toonde haren kinderen het laatste telegram, dat zij Herman
-getoond had; het vermeldde nieuwe rampen: weêr nieuwe dorpen
-weggespoeld, steden geteisterd door de gezwollene en overvloeiende
-rivieren, na een maand van regen, die als een zondvloed was geweest. De
-keizer was er om, drie dagen geleden, naar de Noordelijke
-gouvernementen gegaan, maar ieder oogenblik verwachtte men nu aan het
-hof zijn wensch, dat de kroonprins er hem vervangen zoû, daar hij zelve
-naar Lipara terug zoû keeren, om de crizis in het Kabinet.
-
-De kroonprins sprak hierover steeds een beetje vormelijk en koudweg.
-Hij was een jonge man van een-en-twintig jaren, klein van gestalte,
-slank, heel fijn van bouw, met een delicaat weemoedig gelaat en
-stil-zwarte oogen, die meestal strak voor zich uitzagen; een jong
-snorretje tinte zijn bovenlip als met een streep Oost-Indischen inkt.
-Hij droeg het hoofd wat voorover op de borst en blikte dan zoo door
-zijne wimpers onder-op; meestal zat hij zeer stil; zijne handen, die
-klein en breed maar fijn waren, beide in eene gelijke houding op zijne
-knieën, en hij had den tic zich de linkerhand soms onder het oog te
-brengen en—hij was wat bijziende,—dan even te turen naar zijn ring. Hij
-was strak omvangen in zijne blauw- en witte uniform van kapitein der
-lanciers; uniform, waarin hij zich meestal vertoonde in het publiek, en
-waarvan de zilveren brandebourgs eenige breedte leenden aan zijn
-tengerheid; om den rechterpols droeg hij een smallen armband van dof
-goud.
-
-—Deze brief kwam eerst, sprak de keizerin; lees eens voor, Thera...
-
-De prinses nam het epistel; de keizer schreef:
-
-—“Het hart breekt mij dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen
-doen; de geheele streek ten Zuiden van den Zanthos, van Altara tot
-Lycilië toe, is ééne watervlakte; waar dorpen waren, drijven nu de
-ruïnes van bruggen en huizen, boomen, opeenstapelingen van daken, dood
-vee, karren en huisraad, en terwijl wij over den Therezia-dijk gingen,
-die God zij geloofd! bij Altara nog niet bezweek, spoelde een klomp van
-lijken langzaam aan, vlak voor onze voeten, in één reuzenomhelzing van
-den dood...”
-
-De kroonprins was plotseling bleek geworden; hij bleef zitten in zijne
-gewone houding: hij tuurde naar zijn ring, met den tic, die hem eigen
-was. Thera las verder. Toen de kroonprins opzag, ontmoette zijn blik
-den blik zijner moeder. Zij knikte hem, zonder dat de anderen, die
-luisterden, het zagen, met de wimpers toe; hij glimlachte: een glimlach
-vol navranten weemoed en knikte als zij hem geknikt had, met die zelfde
-onzichtbare trilling der wimpers; het was of hij dien zachten groet
-begreep en er een vleugje troost uit putte voor een geheimzinnig
-verdriet, dat hem stil drukte in hemzelven, dat op zijne borst lag, als
-een beklemming van adem, als een cauchemar in het wakende leven.
-
-Maar prins Herman sprak reeds over de ministerieele crizis; men
-verwachtte ieder oogenblik, dat het autoritaire ministerie, na de
-nieuwe verkiezingen onmachtig in het voor het meerendeel
-constitutioneele Huis der Standen, den keizer zijn ontslag zoû bieden.
-De quaestie liep als altijd over de Grondwetherziening, die de
-constitutioneelen begeerden, de autoritairen,—op de hand van den
-keizer—niet. Keizerin Elizabeth zuchtte er om met een zucht van
-afmatting, hoe dikwijls was deze quaestie van Grondwetherziening,—in
-Liparië altijd grondwetuitbreiding en beperking van het keizerlijk
-gezag, in hunne regeering van meer dan twintig jaren al niet komen
-opdoemen als een aanval tegen haren man zelven! Zijne lange reeks
-Liparische voorouders gelijk, hereditair autocratisch, kon Oscar het
-zijn vader, Othomar XI, nooit vergeven, dat onder diens liberale
-regeering een Grondwet tot stand had kùnnen komen. En nu, in deze
-crizis, ze wilden niet weinig, de constitutioneelen. Het Huis van Adel,
-erfelijk autoritair, het Lichaam van den keizer zelve, dat alle te
-constitutioneele wetsvoorstellen, komende uit het Huis der Standen, te
-niet deed, ze wilden het niet meer boven zich, erfelijk en daardoor in
-zijn erfrecht altijd autoritair; ze wilden het: gekozen! Zelfs Othomar
-XI, modern, vóor een constitutie, zoû nooit hebben kunnen dulden dezen
-aanval op eene der aloudste instellingen van het rijk, aanval, die
-Liparië schudden zou in zijn fondament...
-
-Terwijl Herman hierover sprak, ter loops, met zijne woorden deze hoogst
-gewichtige quaestie vluchtig aanrakende, scheen het Othomar, alsof het
-hem duizelde. Een wereld ging door zijn hoofd, als joeg het met snelle
-wolken door zijne verbeelding heen, en uit die wolken doemden hem
-vizioenen op, rossig, vaag, bliksemsnel, verschrikkelijk als iets van
-een Apocalypse, einde van het heelal in eene ontploffing van dynamiet.
-Uit die wolken flitste, gedurende eene seconde, op: een tafreel,
-herinnering uit de historie van zijn erfrijk: een der keizers van
-Liparië, eeuwen geleden vermoord door zijn gunsteling op een hoffeest.
-Revoluties in andere landen van Europa, de Fransche omwenteling, ze
-flikkerden met een weerschijn van bloedrood omhoog; de werkstakingen in
-de kwikzilvermijnen der Oostelijke gouvernementen grijnsden hem er uit
-aan, uit de wolk, de wereld van wolk, die stormde door zijne gedachte
-heen... En nog zooveel, nog zooveel, alles zoo snel, met de snelheid
-van hunne bliksems; hij kon ze niet grijpen, de rossige bliksems; het
-flikkerde maar door hem heen en dan weg, weg was het verflikkerd,
-ver!... En vreemd was het hem, dat hij daar zat, in den salon zijner
-moeder, het prachtige park wemelend achter de spiegelruiten met tinten
-van oud, middeneeuwsch goudleêr, nu in het lager schijnen der
-zonnestralen; zijne moeder over hem, zoo lief, zoo delicaat zacht in
-het intime van dit even alleen samen zijn; zijn neef, die sprak, en
-zijne zuster, die antwoordde, en het hofdametje, dat toehoorde met een
-glimlach... Hoe vreemd zoo te zijn, zoo gemakkelijk, zoo stil, zoo
-rustig, in het geheim van hun paleis, of Liparië niet trilde als een
-oude, wankele toren? O, ze spraken er over, over de crizis, Herman en
-Thera, maar wat was spreken? Woorden, altijd woorden! Waarom altijd
-aaneenschakelingen van woorden, mooie leêge woorden, die een vorst moet
-samenschakelen en dan zeggen aan zijne onderdanen, nu bij deze
-gelegenheid, dan bij gene! Neen, neen, hij had ze niet, redevoeringen!
-Want wat moesten ze dan toch uitdrukken, dit of dat? Wat was het goede,
-het ware, het goed-ware voor hun rijk, dit of dat? Hoe het te weten,
-hoe zeker te zijn, hoe niet meer te weifelen, te zoeken, te tasten,
-geblinddoekt! Had hij dan duizend oogen door het geheele rijk heen, zoû
-hij alles kunnen zien, wat gebeuren zoû, en was hij alwetend: zoû hij
-alles kunnen weten wat goed zoû zijn? De grondwet... was het dan goed
-voor een rijk een grondwet te hebben, of niet? In Rusland... was het in
-Rusland goed? Een republiek, zou een republiek beter zijn? En wie had
-gelijk; had zijn vader gelijk, die absoluut wilde regeeren, met zijn
-erfelijk Huis van Adel, waarin hij, Othomar, zich nu zijne intrede
-herinnerde als hertog van Xara, achttien jaren oud, met de hertogelijke
-kroon, en den mantel en de keten van de Orde van den Rijksappel. Of had
-het Huis der Standen gelijk: zoû het goed zijn, beperking van het
-absolutisme? Het was wel moeilijk te beslissen... De overstroomingen:
-“Het hart breekt me dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen
-doen... tot Lycilië toe eene watervlakte, een klomp van lijken, in
-omhelzing van den dood...”
-
-Het lichtte.
-
-Zwaar doffe rommelingen gingen door de lucht; dikke druppelen vielen
-hard als liquide hagel neêr op de bladeren der platanen; het geheele
-park scheen te sidderen, angstig voor de wolkbreuk, die komen zoû.
-Hélène was opgestaan en sloot het open venster.
-
-Toen hoorde Othomar een vreemde klank: Syrië... Spraken zij al niet
-meer over het Huis van Adel? Syrië, Syrië...
-
-—De koning en koningin zouden de volgende week gekomen zijn, maar ze
-hebben nu hun bezoek uitgesteld, zei de keizerin.
-
-—Om de overstroomingen, vulde Thera aan. Ze gaan nu eerst naar
-Constantinopel. Ik woû, dat ze maar bij den Sultan bleven...
-
-—Die visite lijkt me tenminste nog al een corvée, lachte Herman, en hoe
-lang blijven ze, tante?
-
-Keizerin Elizabeth haalde hare schouders op, om te zeggen, dat ze niet
-wist: het aanstaand bezoek van den koning en de koningin van Syrië was
-haar, zoowel als den keizer, tegen, maar het was niet te ontduiken...
-Om Hélène echter wilde zij er niet veel over spreken en zeide:
-
-—Alle hoffeesten zijn nu, zooals je weet, uitgesteld, Herman, alles om
-die ontzettende ramp. Je zal het stil hebben, mijn jongen. Ga van avond
-met Othomar meê naar graaf Myxila...
-
-Graaf Myxila, de Rijkskanselier, vierde dien dag zijn zestigsten
-verjaardag. Hij was de voornaamste gunsteling van den keizer; dien
-morgen was hij bij de keizerin zijne gelukwenschen komen ontvangen; de
-kroonprins, op verlangen van den keizer, zoû dien avond een oogenblik
-op het feest in het Kanselarij-paleis verschijnen.
-
-Prins Herman zag naar Othomar, vragend, als verwachtte hij ook een
-woord van dezen:
-
-—Natuurlijk... haastte de hertog van Xara zich te zeggen; Myxila zal er
-wel op rekenen Herman te zien...
-
-
-
-
-
-III.
-
-Toen Othomar en Herman des avonds, in een stortregen, om half-elf uit
-het Kanselarij-paleis terug kwamen, wist men ook bij de keizerin, dat
-het ministerie zijn ontslag had aangeboden; de prinsen hadden bij graaf
-Myxila de ministers ontmoet; de crizis had onder de uiterlijke
-mondainiteit der soirée getrild als eene dreigende huivering. Ook was
-er een telegram van den keizer aan den hertog van Xara:
-
-
- “Ik draag uwe Keizerlijke Hoogheid op zich morgen naar
- Altara te begeven.
-
- Oscar.”
-
-
-Het telegram was geene verrassing, maar het natuurlijk gevolg van het
-ontslag der ministers, en de terugkomst van den keizer, want de keizer
-wilde het terrein van de ramp niet verlaten zonder den troost, dat de
-troonopvolger hem er vervangen zoû.
-
-Othomar trok zich, na een oogenblik bij de keizerin, terug in zijne
-eigen kamers. Hij ontbood zijn adjudant, prins Dutri, en hield met dien
-een paar woorden van korte beraadslaging; de adjudant haastte zich
-daarna met veel drukte weg. In de kleedkamer vond Othomar zijn
-kamerdienaar, Andro, door een der kamerheeren gewaarschuwd, al bezig
-met pakken.
-
-—Pak niet te veel in, Andro, sprak hij, terwijl de kamerdienaar
-eerbiedig van voor een koffer oprees; dat is maar ballast...
-
-Zoodra hij dit gezegd had, wist hij eigenlijk niet waarom. De
-kamerdienaar scheen er zich ook niet aan te storen; opnieuw geknield
-voor den koffer pakte hij in, wat hem goed dacht. Het zoû wel goed zijn
-zoo als Andro het deed, dacht Othomar.
-
-En hij wierp zich neêr in een stoel van zijn kabinet. Een venster was
-open; een enkele staande lamp, in een hoek, gaf niet veel licht. Buiten
-stortte de woedende kletregen neêr; een vochtige adem van natte
-bladeren dreef naar binnen.
-
-De prins was moê, te moê, dan dat hij Andro zoû roepen om zijne
-nauwsluitende verlakte laarzen uit te trekken. Hij droeg, wit met goud,
-zijn uniform van kolonel der Garde van den Troon, de keizerlijke
-lijfgarde; de keten van de Orde van den Rijksappel hing om zijn hals,
-andere ridderorden bestarrelden hem hier en daar de borst. Voor zijn
-oogen dwarrelde nog het feest van den Rijkskanselier; in zijne hersens
-ruischten, tegelijk met den regen, de noodzakelijke gesprekken over de
-crizis, het ministerie, het Huis van Adel. Hij zag zichzelven voor
-zich: de kroonprins, altijd de kroonprins, altijd te neêrbuigend, te
-minzaam, niet vrij genoeg, niet eenvoudig, niet gemakkelijk, als
-Herman, en hij zag Herman, die zich met gemak bewoog in de zalen van
-het Kanselarij-paleis, die zich, eenvoudig weg, liet voorstellen aan de
-dames, nu eens door graaf Myxila, dan door een adjudant. En hij
-benijdde zijn neef, die tweede zoon was. Herman deed niet als hijzelve,
-de atmosfeer om zich heen bevriezen, aanstonds bevriezen, door den koud
-keizerlijken glans van zijn kroonprinsschap.
-
-Hij zag de ministers voor zich. De ministers, die zouden aftreden, elk
-van hen met, in zijn hart, zijne eigen belangen, in plaats van Liparië;
-hij vermoedde dit om hunne nederige wijze van zijn, tegenover hem, den
-kroonprins, toen hij ze allen had aangesproken, allen... Hij voelde,
-dat ze zich maar voordeden, dat er veel in hen was, dat ze niet
-schijnen lieten en hij vroeg zich in eens af: waarom, waarom dit alles
-zoo, waarom zooveel schijn, alles schijn...? Pijn deed het hem nu, diep
-in zijne borst; de strakte van zijne bestarrelde uniform benauwde
-hem...
-
-De oude gravin Myxila zag hij voor zich en enkele andere dames die hij
-had zien nijgen in het geknak harer slepen en het plotseling
-neêrgeschitter harer diamanten; die hij had zien kleur krijgen van
-genot, omdat de hertog van Xara haar had opgemerkt. Ook de vrouw van
-den opperhofmaarschalk, de hertogin van Yemena, die zoo langen tijd van
-het hof afwezig geweest was, in eene zelfverbanning op haar goed in
-Vaza, hij zag ze voor zich, zooals ze naar hem toe was gekomen, geleid
-door Prins Dutri. Want hij kende haar niet; toen zij vroeger aan het
-hof geweest was, was hij een jongen geweest van vijftien jaar; streng,
-militair opgevoed, weinig bij de keizerin en nooit op de feesten van
-het hof, hij had toen de hertogin nooit gezien.
-
-Nu, in de schemering van die éene lamp, met de woede van het weêr daar
-buiten, zag hij haar weêr en ze werd als transparant in de stralen van
-den regen; vreemd scheen ze door den regen heen, als door een gordijn
-van natte mousseline. Eene groote vrouw, met hare rijke vormen, half
-naakt onder het witte gevlam der rivière, zoo kwam ze naar hem toe, het
-haar blauwzwart met glans er over, het gelaat wat bleek onder een licht
-waas van roze poeier; zoo kwam ze nader, langzaam, weifelend, in haar
-goudgeel broché satijn met zwaar sabelbont omzoomd; zoo boog ze voor
-hem, in nederig diepe neiging voor keizerlijkheid; het hoofd knakte
-haar op de borst, de tiara in het zwarte haar schoot stralen, haar
-geheele gestalte golfde met ééne slangelijn van gratie naar beneden, in
-de stof van goudglans, die haar boezem omglinsterd hield en op de dikke
-plooien van den sleep scheen te breken met kantlijnen van licht. Hij
-had tot haar gesproken. Ze was gerezen uit de golving harer gratie van
-nederigheid; ze had hem geantwoord, hij wist niet meer wat; hare oogen
-hadden als zwarte sterren geschitterd op de zijne. Zij had indruk op
-hem gemaakt. Hij meende, omdat hij veel van haar had hooren spreken,
-als van eene vrouw met een leven vol passie: iets, dat hem raadsel was.
-Zijne opvoeding was militair en streng zuiver geweest, zijne
-jongelingsjaren waren kuisch gebleven te midden der gemakkelijke zeden
-van het hof, misschien omdat zijne ouders, na eene lange scheiding,
-voor henzelven, in stil geheim, weêr tot elkaâr gekomen waren, in eene
-behoefte aan familieleven en steun op elkaâr; keizerin Elizabeth had
-keizer Oscar vergeven en zich geschikt in zijn ontrouw als in een
-noodlot. Om zich heen had Othomar niet gezien het leven der zinnen. Aan
-de universiteit te Altara, waar hij gestudeerd had, had hij zich niet
-dan officieel gemengd in de genoegens der studenten; hij was altijd de
-kroonprins gebleven, niet uit hoogheid, maar uit niet anders kunnen,
-uit gebrek aan gemakkelijkheid en tact.
-
-En, als het onbekende, had iets in de hertogin indruk op hem gemaakt.
-Hij voelde in deze vrouw, die met haar sfinxe-lach zoo diep voor hem
-neeg, een wereld van gevoel en wetenschap, die niet in hem was; hij had
-zich tegenover haar arm gevoeld, klein en onbeduidend. Wat was dat, dat
-in haar was en niet in hem? Was het een raadsel der ziel? Waren er
-zulke dingen, zieleraadsels, en was het de moeite waard zich er in te
-verdiepen? Zoo eene vrouw als zij, was die niet geheel anders dan zijne
-moeder en zijne zusters? Of spraken zijne adjudanten, onder hen, ook
-over zijne zusters, zooals ze over de hertogin spraken? En dat leven
-van passie, dat leven van liefde voor zoo velen, was dat eene waarheid?
-Lasterden zij niet, de adjudanten, of minstens, lieten zij de waarheid
-niet anders schijnen dan ze was, zooals ze altijd deden, in alles?
-alsof om een vorst de waarheid altijd anders schijnen moest dan om een
-onderdaan?
-
-Hij voelde zich moê. En hij bleef zitten, de dwarreling der vreemde
-beelden van dat feest door eene transparantheid van regen uit zich
-pogende voort te drijven en tevergeefs. Voor hem, als in zijne kamer,
-liepen daar allen door elkaâr, de ministers, de adjudanten, graaf
-Myxila en de hertogin.
-
-Een klop, een kamerheer.
-
-—Prins Herman vraagt of hij Uwe Hoogheid even storen mag.
-
-Hij knikte van ja. Prins Herman kwam na een oogenblik binnen.
-
-—Je bent altijd welkom, Herman! sprak Othomar, en zijne stem klonk,
-ondanks hemzelven, koud.
-
-—Ik kom je even iets vragen, sprak Herman van Gothland. Ik zoû gaarne
-met je meêgaan naar Altara, morgen. Maar ik wil verzekerd zijn, dat je
-het goed vindt. Ik zoû het ook uit mezelven niet gevraagd hebben, als
-tante er niet over gesproken had. Wat vindt je?
-
-Othomar zag Herman aan; zijne koele stem mishaagde Othomar.
-
-—Als je het doet uit belangstelling, omdat je nu toch te Lipara bent,
-zeker... begon hij.
-
-—Laat me je nog eens zeggen: ik doe het voornamelijk om... tante.
-
-Zijne stem klonk zeer nadrukkelijk.
-
-—Doe het dan om haar, antwoordde Othomar zacht. Het zal mij heel
-aangenaam zijn, als je meêgaat terwille van mijn moeder.
-
-Herman was zich bewust onnoodig koel en nadrukkelijk te zijn geweest.
-Hij had er spijt van. De keizerin had hem verzocht Othomar te
-vergezellen. Hij had eerst geaarzeld, wetende, dat er sympathie ontbrak
-tusschen Othomar en hem. Toen had hij toegegeven, maar niet geweten hoe
-het Othomar te vragen. Zijne gewone gemakkelijkheid had hem in den
-steek gelaten, zooals altijd, tegenover Othomar.
-
-—Goed dan... stamelde Herman onhandig.
-
-Othomar stak zijne hand uit:
-
-—Ik begrijp je bedoeling heel goed. Mama heeft gaarne, dat je met me
-meê gaat, omdat ze dan weet, dat er iemand bij me is, dien ik álles zoû
-kunnen vertrouwen. Niet waar?
-
-Herman drukte zijne hand.
-
-—Ja! sprak hij, blij, prettig; zonder afgunst, dat Othomar in dit
-gesprek meester bleef, zeer verheugd, dat zijn neef het zoo opnam. Ja,
-juist. Zoo is het. Laat me je nu niet meer ophouden, het is al laat.
-Adieu...
-
-—Adieu...
-
-Herman ging. Het stortregende steeds. Othomar was weêr gaan zitten; de
-kilte van den regennacht drong koud naar binnen en viel op zijne
-schouders. Roerloos bleef hij staren op de punten zijner laarzen.
-
-Andro kwam zacht binnen.
-
-—Verlangt Uwe Hoogheid...?
-
-Othomar knikte. De kamerdienaar sloot eerst het raam toe, liet den
-gordijn vallen en knielde toen voor den prins, die hem met een gebaar
-van afmatting, den voet toestak, en de hak van zijn laars rusten deed
-op zijne knie.
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Des nachts hield de stortvloed op; des morgens regende het weêr. Het
-was zeven uur; een zwoele vochtdamp sloeg tegen den kolossalen glasboog
-van het station aan, als werd die geheel beädemd. De express stond
-gereed; de locomotief snoof met kort krachtige hijgingen, als een
-ontevreden, moê beest. Eene groote menigte, gonzende opeenpakking van
-vage menschen in den onduidelijken nevelmorgen, vulde den glazen hall;
-een detachement der infanterie,—twee gelederen, links en rechts; de
-uniformen, donkerrood, lichtgrijs; daarboven zwak geschitter van
-bajonetten,—veegde twee lange striemen van kleur dwars door het grauwe
-station heen, sneed de menigte in tweeën en hield voor de deur der
-keizerlijke wachtkamer een breede plek leêg.
-
-Door de menigte huiverde ontevredenheid; er flitsten booze blikken;
-ruwe woorden knetterden kort door de lucht, vloeken; een minachtend
-lachen deed zich even in een hoek hooren.
-
-Men wachtte lang; toen klonk buiten gejuich; de prins was aangekomen,
-vóór het station. De wachtkamer vulde zich met uniformen, flauw
-schitterend in den morgen; korte zachte gesprekken gingen om.
-
-Othomar trad binnen, met Herman, en den markies van Dazzara, den
-gouverneur der rezidentie,—hoogste militaire autoriteit,—wiens rijke
-uniform afstak tegen de eenvoudigere der anderen, zelfs die der
-prinsen; adjudanten-generaal, Liparische en Gothlandsche adjudanten,
-ordonnans-officieren volgden hem. De burgemeester der stad, de
-directeur van het spoorwezen traden Othomar tegemoet, begroetteden hem;
-de burgemeester verloor zich in lange frazen voor de beide prinsen.
-
-—Waarom is de toegang tot het perron niet verboden aan het publiek?
-vroeg generaal Ducardi aan den directeur; de adjudant-generaal toch had
-door de kanten gordijnen even op het perron gezien, nieuwsgierig om het
-gegons daarbuiten.
-
-De directeur haalde zijn schouders op.
-
-—Dat was ook het eerste plan; het is ook zoo geweest toen de keizer
-wegging, antwoordde hij. Maar een speciale boodschap uit het Imperiaal
-liet ons dringend verzoeken, het perron niet af te sluiten; het was het
-verlangen van den hertog van Xara.
-
-—En al die soldaten dan?
-
-—Op bevel van den gouverneur van de rezidentie; een ordonnans-officier
-kwam ons zeggen, dat er een detachement infanterie zoû aanrukken, als
-eerewacht.
-
-—Kwam die ordonnans-officier ook uit het Imperiaal?
-
-—Neen, van het Gouvernementspaleis...
-
-Ducardi haalde de schouders op; een nijdig gebrom deed zijn groote
-grijze snor trillen. Hij ging recht op den kroonprins af.
-
-—Weet Uwe Hoogheid, dat er een detachement infanterie buiten staat?
-brak hij de lange zinnen van den burgemeester af. De gouverneur hoorde
-hem en trad nader.
-
-—Een detachement...? Neen... sprak Othomar verbaasd.
-
-—Had Uwe Hoogheid dan niet bevolen? ging Ducardi voort.
-
-—Ik? Neen... herhaalde Othomar weêr.
-
-De gouverneur boog diep; hij werd zenuwachtig door de forsche stem van
-den generaal, die luid sprak.
-
-—Ik meende! sprak hij netjes, maar mompelend, stotterend,—en hij poogde
-te zijn nederig voor den prins en tegelijk hoog voor den generaal—ik
-meende, dat het goed zoû zijn Uwe Hoogheid te vrijwaren tegen
-mogelijke... mogelijke onaangenaamheden, vooral omdat Uwe Hoogheid
-wenschte... wenschte, dat het perron voor het publiek toegankelijk zoû
-zijn...
-
-Othomar had, als Ducardi, naar buiten gezien: de infanterie en haïe, de
-menigte daarachter, boos, gonzend, grijs, dreigend.
-
-—Maar Excellentie! sprak hij hoog tegen den gouverneur! dan was het nog
-maar beter geweest het perron te laten afsluiten! Dit is geheel
-verkeerd! De stadspolitie zoû voldoende zijn geweest om wat te dicht
-bij dringen tegen te houden.
-
-—Ik was bang voor... voor onaangenaamheden, Hoogheid! Onrustige tijden,
-het volk zoo ontevreden, fluisterde de gouverneur, bang gehoord te
-worden door de adjudanten.
-
-—Geheel verkeerd! herhaalde Othomar driftig, zenuwachtig opgewonden.
-Laat de infanterie oprukken!
-
-—Onmogelijk nu, Hoogheid! haastte Ducardi zich te zeggen, met een
-ongelukkige glimlach. U begrijpt, dat dàt niet kan.
-
-Het gesprek was terzijde gevoerd, in een half fluisterenden toon; toch
-scheen men te luisteren; alle oogen tuurden naar de groep om de
-prinsen; alle anderen zwegen.
-
-—Laat ons dan dien treurigen toestand zoo min mogelijk rekken; we
-kunnen zeker gaan! sprak Othomar en zijne stem trilde hoog, jong,
-zenuwachtig in zijne heldere keel.
-
-De deuren openden zich; Othomar in zijn haast, trad het eerst naar
-buiten; de adjudanten en ordonnans-officieren volgden hem niet
-dadelijk, daar zij moesten uitwijken voor prins Herman, die zich
-toevallig wat achteraf bevond. Herman haastte zich bij Othomar; de
-anderen volgden.
-
-De prinsen maakten links en rechts eene hoofdbeweging, als wilden zij
-groeten; maar hunne oogen ontmoeten de strakke ronde oogen der
-soldaten, die in één flits het geweer prezenteerden; ze salueerden en
-liepen door naar den coupé, een beetje vlug, met een onaangenaam gevoel
-over den rug.
-
-Onder den reusachtigen glazen boog van het station achter de gelederen
-der soldaten, zweeg de menigte doodstil, want het gonsen verstomde
-bijna; vloek, noch minachtend lachen werd meer gehoord, maar ook geen
-gejuich, geen leve, dat zoet is aan het oor der vorsten.
-
-En de gezichten van dat vage volk, door uniformen en bajonetten
-afgesloten van hun toekomstigen beheerscher, bleven strak, met doffe,
-haatdragende oogen, met opeengesloten monden, vol ingehoudenheid,
-turen, hem als wegkijkende in den keizerlijken coupé.
-
-Uit de vensters wuifden de prinsen met de hand de autoriteiten toe, die
-op het perron stonden, buigend, salueerend. De locomotief floot,
-krijschte, verscheurde de nauwe vocht-atmosfeer onder den koepel; de
-trein verliet het station, reed den vroegen morgen in, die lichter was
-buiten den glasboog; gleed als over de regenstad heen op viaducten;
-kanalen, straten, pleinen onder zich; verder op de tinnen en spitsen
-der paleizen en kerken; de twee marmeren torens van den Dom—met de
-duiven die nestelen in de Renaissance-arabesken van het kantwerk zijner
-spitsen,—reeds vaal wit op wat blauw wordende lucht; dan, midden in de
-stad,—groen, wijd, éene oaze—de Elizabethperken, de blanke massa van
-het Imperiaal, en daarachter de reuzenbocht der kaden, de haven met
-haar mastenwoud, de ovale bocht van den horizont der zee, alles nat,
-glinsterend, verregend.
-
-Somber zag Othomar voor zich, Herman glimlachte hem toe.
-
-—Kom, denk er niet meer aan, ried hij aan; en, lachend:
-
-—Onze arme gouverneur zal er slecht van dineeren vanmiddag!
-
-Generaal Ducardi bromde een vloek binnen-in:
-
-—Allerstomst... hoorde Herman hem mompelen.
-
-—Ik wilde ze toonen, sprak Othomar in eens...; hij had willen zeggen:
-dat ik niet bang voor ze ben; hij sloeg een blik om zich heen, zag de
-oogen van prins Dutri, zijn adjudant, als bazilisken op hem gevestigd,
-en liet zijne stem van trotsch, weekhartig worden; treurig weg besloot
-hij:
-
-—... dat ik ze liefheb en zoo geheel en al vertrouw: waarom moest het
-nu zoo uitvallen...
-
-De weekheid zijner stem had geklonken om prins Dutri te behagen; maar
-ze mishaagde den generaal; hij zag eerst zijn kroonprins van terzijde
-aan en toen naar den prins van Gothland; hij vergeleek: zijn oog bleef,
-waardeerend, goedkeurend, met soldatesk pleizier hangen aan den flinken
-luitenant-ter-zee, breed en sterk, de handen op de dijen, een beetje
-voorover gebogen, de witte rezidentie nakijkend, die voor zijne oogen
-achterweg werd getrokken door de schuine stralen van regen heen...
-
-Na vier uur sporen, Novi, in het gouvernement van Xara. De trein staat
-stil; de prinsen, hun gevolg stappen uit, raadplegen klokken, horloges.
-Men verwondert zich, men wandelt op en neêr over het perron, een half
-uur, een uur lang; prins Herman gaat in druk gesprek met den
-stationschef. Het regent steeds.
-
-Eindelijk wordt de express van Altara geseind. Zij glijdt binnen, staat
-stil; uit den keizerlijken coupé treedt keizer Oscar; generaals,
-adjudanten volgen hem; hunne uniformen, ook die van den keizer, hebben
-iets van hare strakheid verloren en plooien wat moê om hunne schouders
-heen, als kleederen lang gedragen. De keizer, nog jong, breed en
-stevig, en maar even grijzend, gaat met een flinken stap, hij omhelst
-zijn zoon, zijn neef, kortaf gauw. De vorstelijke personen verdwijnen
-in de wachtkamer; Ducardi en een der Gothlandsche officieren volgen
-hen. Het onderhoud duurt echter kort; na tien minuten komen zij weder
-op het perron; haastige woorden, handdrukken worden gewisseld; de
-keizer stapt opnieuw in zijn coupé; de kroonprins in den zijne. De
-trein van den prins wacht, tot die zijns vaders—met éene laatste
-wuifhand,—kruist; daarna spoort ook die weg...
-
-Zorg ligt als een wolk op Othomars voorhoofd. Hij herinnert zich zijn
-vaders woorden: wanhopig onze mooie, oude stad; de Therezia-dijk
-misschien aan het zwichten; zoo weinig energie bij het gemeentebestuur;
-duizenden menschen zonder dak, vluchtende, overnachtende in kerken,
-publieke gebouwen. En zijn laatste woord:
-
-—Laat er naar St. Ladislas gaan...
-
-Othomar denkt na; een ieder zwijgt om hem heen, gedrukt door den
-naklank der keizerlijke woorden, die de ramp weêr opnieuw schilderen,
-weêr frisch hen voor de oogen brachten; de oogen van Ducardi, die zich
-beter vechtmajoor weet dan trooster in watersnood, de oogen van Dutri,
-nog vol van den mondainen glans der onvergelijkbare rezidentie. Iets
-van hun eigenbelang begint te zwijgen; gedachte aan wat zij zien
-zullen, trekt door hen heen.
-
-En Othomar denkt na. Wat zal hij doen, wat kàn hij doen? Is het niet te
-veel wat men van hem vergt? Kàn hij den drang der wateren tegengaan?
-
-—Oh, die regen, die regen! mompelt hij, en balt zijne vuist, stil.
-
-Nog vijf uur sporens, de torens der stad, de gekartelde lijnen en
-titanische vlakken van het sterke St. Ladislas schieten aan den
-horizont op, schuiven op zij naderbij. De trein staat stil, in het
-land, bij een kleine halte, de prinsen weten, dat het Centraal Station
-overstroomd is; aan de halte is de geheele spoordirectie overgebracht.
-En eensklaps staan zij voor de gladde, groene vlakte van water; voor
-den Zanthos, die zich uitgestort heeft; éene zee van water, breed en
-effen, nauwelijks gerimpeld, als eene, al gestilde gramschap. Een pont
-wacht, die hen overbrengt tusschen ruïnes van huizen, drijvend
-huisraad. Een dood paard haakt aan die pont vast, een muffe lucht van
-vochtig bederf waart om. Bij een ingestort huis zijn ponteniers bezig
-een lijk op te visschen, het hangt aan hunne haken, met slappe armen en
-lange natte haren, het vale lijkhoofd achterover; het is een vrouw.
-Herman ziet Othomars lippen trillen.
-
-Nu varen zij door een straat, verlaten hooge huizen eener arme
-voorstad. Dit gedeelte is reeds dagen overstroomd. Zij landen aan een
-plein; het volk is daar; het juicht. Luider en luider juichen zij;
-geroerd om hun prins, die over het water komt, naar hen toe, om hen te
-redden. Een troep studenten schreeuwen, roepen zijn naam en leve, en
-zwaaien hunne kleurige petten.
-
-Othomar drukt den burgemeester, den minister van waterstaat, den
-gouverneur van Altara, andere autoriteiten de hand. Zijn hart is vol;
-hij voelt eene snik onder zijne borst wellen.
-
-Uit den troep studenten treedt een te voorschijn, een groote, lange
-jongen.
-
-—Hoogheid! roept hij; mogen wij Uw lijfwacht zijn?
-
-De etiquette bestaat hier nauwelijks, al kijken ook de autoriteiten
-boos. Othomar herinnert zich zijne studentenjaren, nog zoo lang niet
-geleden, drukt den student de hand; prins Herman ook, en de studenten
-zijn opgewonden en roepen weêr leve, leve, en leve Othomar en leve
-Gothland!
-
-Achter het plein raadt men de stad in nood, stillen nood van nog
-grooter dreigend gevaar; de oude kroningsstad, de tweede van het rijk,
-stad van geleerdheid en traditie, somber monument der middeneeuwen;
-grauw steekt ze af tegen het blanke Lipara, dat daar ginds lacht en
-mooi is van nieuw marmer aan hare blauwe zee, maar dat zijne vorsten
-niet heeft zoo lief als zij, de onttroonde hoofdstad met haren
-Romaanschen reuzendom, waar de heilige keizerskroon met het kruis van
-St. Ladislas gedrukt wordt om de slapen van iederen keizer van Liparië.
-Zijn hare gebieders haar ook ontrouw en wonen zij sedert eeuwen in hun
-wit Imperiaal daarginds, en niet meer op den ouden gekartelden burcht
-van den schutsheilige van het rijk, zij, de oude stad, de moeder van
-het land, blijft ze trouw in hare moederliefde, en niet om den eed: om
-het bloed, om het hart, om geheel haar leven, dat hare oude traditie
-is...
-
-Maar, als zijn vader, zoû Othomar dezen keer niet naar den slotburcht
-van St. Ladislas gaan; het kasteel lag te hoog, en te ver van de stad,
-te ver van de ramp. Open hofrijtuigen wachtten; zij stegen in, de
-studenten slingerden zich te paard; de prinsen zouden hun intrek nemen
-in het paleis van den Aartsbisschop-kardinaal, den Primaat van Liparië,
-in het Episcopaal, dat met den Dom en het Oude Paleis éene kolossale,
-oude grauwe massa vormde, een stad op zichzelve, het hart zelve der
-stad.
-
-Zij reden vlug voort. Het volk juichte; zij zagen hen als een stoet van
-verlossers, van wie ze meenden, dat eindelijk het heil zoû komen.
-Tusschen het vertrek van den keizer en de aankomst van den prins was
-eene neêrslachtigheid geweest die zich bij het zien van Othomar tot
-ziekelijk enthouziasme omhoog wond.
-
-Het werd in eens donker, maar nog niet om het zinken der zon—vijf uur
-in Maart in het Zuiden;—het werd donker om de wolken, de gevaarten aan
-de lucht, die in bol gespannen reuzenzeilen water meevoerden, dat ze
-reeds weêr in druppels neêr lieten sijpelen. Onder die grauwe lucht
-klonk het volksgejuich op als in mineur, toen, op eens als barsteden de
-gezwollen wolken in éen scheur open, een zondvloed neêrstortte, als met
-éen enkel loodrecht vlak van water.
-
-Othomar was met Herman en Ducardi in het eerste rijtuig gezeten.
-
-Zoû Uwe Hoogheid het rijtuig niet dicht willen hebben? vroeg de oude
-generaal, die den prins hielp zijn burnous omslaan.
-
-Othomar weifelde; hij had geen tijd den generaal te antwoorden; de
-menigte groeide aan, werd dichter, juichte, en hij boog terug,
-salueerde, knikte. Zwaarrecht kletste de regen neêr. De straffe stralen
-liepen de prinsen en de generaal over den rug, in den hals, doorweekten
-hunne knieën. De menigte school onder een brokkelend dak van
-parapluies, als onder natte zwarte sterren te zamen, vulde de nauwe
-straten der oude stad, drong zich tusschen de voorrijders en het
-rijtuig; de koetsier moest langzamer rijden.
-
-—Wil je het rijtuig niet dicht laten maken? vroeg Herman Ducardi na.
-Othomar weifelde nog. Toen, en zelve vond hij zijne woorden wat
-theatraal, en wist hij niet hoe ze zouden klinken, luid op:
-
-—Neen, laat ons niet bang zijn voor water; zij hebben immers allen door
-het water geleden, hier.
-
-Maar Ducardi zag hem aan: hij voelde iets in zich voor zijn prins
-trillen...
-
-Het rijtuig bleef open. In een der volgende landauers zag prins Dutri
-woedend naar voren om, of de hertog van Xara zich, en achter zich zijne
-adjudanten, nog langer zoû laten nat regenen. In de nauwe hooge straten
-bij den Dom werd bijna stapvoets gereden, dwars door het gejubel van
-het dringende volk door. Tot op de huid nat, kwam de kroonprins van
-Liparië met de zijnen bij den Aartsbisschop-Kardinaal aan; een spoor
-van water lieten zij achter op de trappen en corridors van het
-Episcopaal.
-
-
-
-
-
-V.
-
-In andere uniformen een kort diner bij den hoogen prelaat; eenige
-domheeren en abten zitten meê aan. De zaal is groot, somber, met
-zwakken schijn van kaarsen nauwelijks verlicht; het zilver glimt dof op
-de oude, zwart eikenhouten dressoiren; de fresco’s aan den muur,
-heilige tafereelen, zijn naulijks te onderscheiden. Een stille haast
-doet de monden reppen; men spreekt gedempt; de lakeien, in sombere
-liverei, gaan als op de teenen rond. De kardinaal, aan wiens zijden de
-prinsen gezeten zijn, is lang, mager, met een fijn, ascetisch gezicht
-en de staalblauwe oogen van een dweper; zijne stem komt diep uit zijn
-keel als een orakel; hij zegt iets van den wil des Heeren en maakt een
-berustend gebaar met beide handen, de vingers even uitgespreid, zooals
-Jezus doet op oude schilderijen. Een der abten, secretaris van den
-kardinaal, een jonge man met een rond, roze gezicht en mollige witte
-handen, lacht even nog al luid op om een grap van prins Dutri, die,
-naast hem gezeten, iets vertelt van een gravin uit Lipara, die zij
-beiden kennen. De kardinaal kijkt den dartelen secretaris streng aan.
-
-Na een haastig diner, gaan de prinsen en hun gevolg te paard de stad
-in, toegejuicht waar zij komen. Tot dicht bij den Dom en het
-Aartsbisschoppelijk paleis staat het water al. Groepen mannen, vrouwen,
-kinderen snikkend, vloeien te zamen, den prins te gemoet, die over de
-donkere pleinen rijdt; men draagt flambouwen om hem heen, daar de
-gaslantaarns niet overal branden; de rosse vlammen doen vreemd,
-romantisch over de oude donkere murenmassa’s, spiegelen zich als met
-lange bloedrimpels in het water, dat in de nauwe stegen staat. Een
-groot huis met vele verdiepingen en rissen kleine ramen, schijnt
-eensklaps ondergeloopen te zijn; geheimzinnig plotselinge druk der
-wateren, door het metselwerk der kelders, uit de fondamenten
-opsijpelend, zich verraderlijk weg banend door de minste voege of
-barst. De bewoners redden zich in kleine booten, die met roode lichtjes
-door de zwarte waterstad heen varen; een kind huilt luidkeels. Het zijn
-arme menschen, honderden, die daar te zamen wonen, als opgestapeld in
-doozen. De prinsen zijn afgestegen, gaan in een bootje, varen er heen
-en men weet wie ze zijn; zelve helpen ze een oude vrouw en drie
-kinderen, nat tot aan het middel, klimmen op een vlot; zelve geven ze
-geld, roepen ze bevelen. En den ouden burcht van St. Ladislas wijzen ze
-aan als toevlucht...
-
-Maar is er een roep opgegaan, verder, eerst in den donkeren avond
-onduidelijk vernomen, dan eindelijk duidelijker hoorbaar:
-
-—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk...
-
-De prinsen willen er heen; te paard is het niet mogelijk; in bootjes is
-de eenige manier. Prins Herman zelve grijpt de roeispanen; in het
-volgende bootje beweert Dutri tegen Von Fest, een der Gothlandsche
-adjudanten, dat Venetië toch nog comfortabeler is...
-
-—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk...
-
-De dijk ligt als de zwarte rug van een groot, lang dier even buiten de
-stad, aan den linkeroever van den Zanthos, en beschermt er, meestal in
-het voorjaar, voor opwellingen der rivier de geheele wijk van St.
-Therezia, het Oostelijk gedeelte der stad, dat nog al hoog ligt. Over
-de waterstraten glijden de bootjes voort; op het Therezia-plein is het
-mogelijk te landen: er branden lantarens, fakkels walmen, rosse
-vlamspelingen krinkelen over het water. Het plein is groot, breed;
-zwart staan de huizen er om heen en begrenzen het in den nacht met
-hunne onregelmatige lijnen van dakspitsen en schoorsteenen, met de
-massieve massa van de kerk van St. Therezia, waarvan de torens zich in
-de donkere lucht verliezen; in het midden van het plein rijst een groot
-ruiterstandbeeld van een Liparisch keizer, reusachtig in bronzen
-onbeweeglijkheid over het kleine dwarrelen der menigte den arm
-uitzwaaiend, een zwaard in de vuist.
-
-Othomar en Herman hebben hunne drie adjudanten, Dutri, Leoni en Von
-Fest, wien men paarden gezocht en gezadeld heeft, weggezonden, naar den
-dijk toe; eene geheele buitenstad van villa’s, fabrieken en het station
-van St. Therezia beschermt die daar tegen het water van den Zanthos,
-die zijn rechteroever reeds over het land heeft uitgestort en dat
-verdrinkt. De prinsen staan in het midden van het plein op de trappen
-van het voetstuk des standbeelds; zij hebben verder voort willen gaan
-maar de burgemeester zelve heeft hen verzocht daar te blijven; verderop
-dreigt er ieder oogenblik levensgevaar... Wat men kon, heeft men reeds
-gedaan; er is niets meer te doen dan te wachten.
-
-Er verloopen kwartieren, halve uren. Het wachten op het
-verschrikkelijke maakt kalm; men hoopt weêr. De officieren rijden af en
-aan; de villa’s en fabrieken daar ginds zijn verlaten; een geheele stad
-ligt er leêg, ontvlucht. Prins Dutri verzekerd, draaiend met zijn
-paard, dat hij buiten adem heeft gereden, dat de dijk houden zal; nadat
-hij met de prinsen gesproken heeft, omringt men hem, het zijn de
-bewoners der villa’s, de fabrikanten, die hem met vragen overstelpen,
-gesterkt door de zelfbewustheid van den keizerlijken adjudant. Nog eens
-galoppeert Dutri weg.
-
-Daar gaan de deuren van de kerk geheel, wijd open: in het einde van
-perspectief, tusschen de zuilen, schitteren de lichtjes op het altaar;
-eene processie vloeit langzaam naar buiten; een gemyterde bisschop,
-priesters, choorkinderen, die zingen en vanen dragen en hooge kaarsen
-en wolken zwaaien uit hunne wierookvaten; achter het omhoog geheven
-crucifix, de reliquie van St. Therezia in haren antieken schrijn van
-middeneeuwsch goud en kristal en kostbare steenen, ruw geslepen of
-rond; ze wordt gedragen onder een baldakijn en in den dwarrelenden
-kaarsenschemer schittert en straalt ze als een heilig juweel, als een
-star, over dat sombere plein, door dien zwarten nacht van onheil heen;
-flikkeren de reuzensmaragden, flonkert het kostelijk gedreven goud, en
-voor het Zeer Heilige wijkt de opeengedrongen menigte terzijde en valt
-ze neêr, geknield. De vijfde maal is het, dat dien dag de processie
-ommegaat, de reliquie gedragen wordt, ter bezwering van de ramp. Ze
-gaat voorbij het standbeeld; de prinsen knielen neêr; het Latijn van
-den zang, de glans van de reliquie in haar schrijn, de walm van den
-wierook gaat over hen heen met den zegen van den bisschop...
-
-Om de processie is het stil geworden op het plein, maar men hoort nu
-een geruisen als van verre... Als met éen golfslag schijnt de menigte
-te deinen, men knielt niet meer; de processie zelfs wordt verbroken en
-verwart zich. Door het gedrang gaat de mare: de dijk is gezwicht...
-
-Men kán nog niet gelooven, maar eensklaps dondert van boven het fort
-van St. Ladislas, dat zijne wallen om den burcht breid, een schot en
-dreunt over de zwarte stad, en davert door de zwarte lucht alsof zijn
-weerslag breekt tegen de lage wolken aan. Een tweede schot dondert na,
-als met reuzen-cymbalen van catastrofe, een derde... de geheele stad
-weet, dat de Zanthos den dijk heeft verbroken.
-
-Het geheele plein is in warrelende beweging: éen mierenhoop; hoopen
-laatste vluchtelingen komen nog aan in drommen, armen, haveloozen nu,
-die niet eerder hadden kunnen vluchten, die nog altijd hoopten; door
-het gedrang poogt, hijgende, vloekende, te paard, den angst in zijne
-oogen, prins Dutri het standbeeld te bereiken; het verre geruisch als
-van zee komt nader en nader. Men vlucht in alle straten, te voet of in
-bootjes; de processie in wanorde, met het geschitter van haren
-reliquie-schrijn, die als schijnt te wankelen op de golven eener
-menschenzee, verspreidt zich naar de kerk...
-
-—Is het plein zelfs niet veilig? vraagt Othomar: hij kan bijna niet
-spreken; zijne borst is geklemd als in ijzer, zijne oogen vullen zich
-met tranen, een onmetelijke wanhoop van machteloosheid en medelijden
-verdrinkt zijne ziel.
-
-De burgemeester schudt van neen.
-
-—Het plein ligt lager dan de buitenwijken, Hoogheid; U kan hier niet
-meer blijven. Gaat U in Godsnaam terug, met een boot, naar het
-Episcopaal...
-
-Maar de prinsen willen blijven, ook al ruischt het meer en meer.
-
-—Gaat U dan in de kerk, Hoogheden; daar is dan nog de eenige veilige
-plaats, smeekt de burgemeester. In Gods naam, ik bid U!!
-
-Het plein is reeds als schoon geveegd, de flambouwen geleiden de
-prinsen naar de trappen der kerk; als een zachte donder, die over den
-grond strijkt, golft de Zanthos aan.
-
-In de kerk galmt het orgel, zingt men, bidt men... den geheelen nacht.
-En den geheelen nacht blijft het daar buiten chaotisch zwart, zacht
-ruischend...
-
-Als de eerste schemeringen bleeken over de lucht, die in de verte roze
-en grijs, flauw opaal en parelmoêr begint op te tinten, treedt Othomar
-met Herman en de adjudanten naar buiten, op de treden der kerk.
-
-Het plein staat onder water; de huizen rijzen uit het water op; het
-standbeeld van Othomar III zwaait zijn bronzen arm en zwaard over een
-meer uit, dat rimpelt in de morgenbries.
-
-Van het Therezia-plein tot de Domplaats staat alles onder.
-
-
-
-
-
-VI.
-
- Aan Hare Allergenadigste Keizerlijke Majesteit Elizabeth,
- Keizerin van Liparië. Altara, Episcopaal, Maart 18...
-
-
- Mijn aangebeden moeder!
-
-Uw brief verwijt me, dat ik U niet dadelijk eergisteren geschreven heb;
-vergeef me, want zoo dikwijls zijn mijne gedachten toch vol van U
-geweest. Maar ik voelde mij gisteren zoo moê na een drukken dag, en
-miste ’s avonds kracht tot schrijven. Laat mij U nu het een en ander
-van mij melden.
-
-U beschrijft mij den vreeselijken indruk, die het te Lipara maakte,
-toen men des nachts van hier de doorbraak van den Thereziadijk seinde,
-en hoe U allen waakten in het Imperiaal. Ook wij sliepen dien nacht
-niet, maar waakten in de Therezia-kerk. Men herinnert zich, sedert
-vijftig jaren, niet eene zoo verschrikkelijke overstrooming; tijdens
-die, welke mijn Vader zich herinnert uit zijne kinderjaren, was het
-Thereziaplein niet overstroomd en stond het water slechts tot de groote
-ijzerfabriek, naar men zegt.
-
-Hoe U te beschrijven, wat ik voelde in dien nacht, terwijl wij hoopten
-en wachtten, beurtelings hoopten, dat God en Zijne Heilige Moeder dit
-onheil van ons zouden afwenden, en wachtten tot de catastrofe zoû
-losbarsten. Wij stonden op het voetstuk van het ruiterbeeld en er was
-niets meer te doen. O, die onmacht om mij heen, die onmacht in
-mij-zelven. Telkens vroeg ik mij af, wat ik daar deed, zoo ik niets kon
-doen om mijn volk te helpen. Nooit nog, liefste moeder, heb ik dit
-gevoel van onmacht, van niets kunnen tegen wat moet gebeuren, zoo wijd
-zich in mijne ziel voelen uitbreiden, tot ze haar geheel en al met
-wanhoop vulde, maar ook nooit voelde ik zóo waarachtig, dat alle dingen
-van het leven twee zijden hebben, dat de grootste ramp zoowel zijne
-zwarte schaduw als zijn helderen lichtkant heeft, want nooit, o nooit,
-voelde ik zóo sterk en innig door mijne wanhoop heen, liefde voor ons
-volk; iets, wat ik nog niet wist, dat zoo als waarheid in ons hart kon
-bestaan, als ik het toen voelde huiveren door mij heen; en die liefde
-gaf mij een onmetelijken weemoed bij de gedachte, dat zij niet allen,
-de millioenen zielen van ons rijk, ooit zullen weten, of zoo ze wisten,
-gelooven, dat ik ze zoo liefhad, liefhad alsof er bloed van mij in hen
-was. Nu wil ik mijzelven niet bedriegen en weet ik heel goed, dat ik
-dit gevoel nooit zoû gevoelen te Lipara, maar hier voel ik het, in onze
-oude stad, die ons hare geheele sympathie geeft. Hier voel ik het, dat
-ikzelve ben, als onze Altariërs, meer Slavisch dan Romaansch, zooals
-onze zuidelingen in Lipara en Thracyna, hier voel ik mij van hun bloed,
-wat ik mij ginds niet voel! Er zal natuurlijk veel gesproken en
-geschreven zijn in de couranten over de onhandigheid van den markies
-van Dazzara met zijn dwaze eerewacht aan het station, bij ons vertrek;
-hoe het ook zij, ik voelde in den trein groote treurigheid, dat,
-terwijl ze daar toch waren om mij te zien weggaan, ze mij niet schenen
-lief te hebben; ik weet wel, dat U dit als een verkeerd sensitivisme
-weêr in mij zal afkeuren, maar ik kan het niet helpen; mijn lieve
-moeder; ik ben zoo, en zoo overgevoelig voor sympathie in het algemeen
-en voor de uitingen van ons volk in het bizonder. En daarom ook heb ik
-ze hier lief: misschien heel eenvoudig en kinderachtig wel, omdat ze
-mij toonen lief te hebben: overal enthouziasme, en dat oprecht gemeend,
-waar wij ook komen; en toch wat kunnen wij doen, dan wat geld geven?
-Die sympathie zie ik bij het laagste volk; arbeiders en werklieden, die
-ik toch nooit gezien had met weten, en nauwelijks drie, vier woorden
-van troost kon zeggen—en, ik weet dan nooit veel anders te zeggen, het
-is altijd het zelfde; bij de soldaten, die toch wel instinctmatig
-voelen, al zien ze mij ook nooit anders, dan in uniform, dat ik geen
-militair in mijn hart ben; bij de studenten, bij de geestelijkheid, bij
-het gemeentebestuur en de hoogere autoriteiten. Gisteren zijn wij
-overal rond geweest op de plaatsen, die ter herberging zijn aangewezen:
-behalve in de barakken, in magazijnen en fabrieken, zelfs in enkele
-zalen van departementen en het Paleis van Justitie, in twee theaters,
-en in de gevangenis, arme menschen! Ook op St. Ladislas. Wij hadden van
-den Ronden Toren een uitzicht over het omliggende land: in het Oosten
-niets dan water en water, als een zee. Het hart werd mij
-dichtgeschroefd in de borst.
-
-Wij gingen ook naar de Hoogeschool: de meeste professoren kende ik nog
-van twee jaren geleden, toen ik er studeerde.
-
-Een verschrikkelijk schouwspel was buiten de stad; o, mama, waren het
-honderden, waren het duizenden lijken, als in een Morgue naast elkander
-neêrgespreid op een weiland; een kort oogenblik vóor de ter
-aarde-bestelling, om de identiteit vast te stellen! Navrante tooneelen
-heb ik gezien; mijn hart werd er onder verscheurd; troepen van
-bloedverwanten, die zochten, of snikkend, hadden gevonden. Een
-verschrikkelijk weeë lucht vervulde de geheele atmosfeer. Ik voelde mij
-onwel worden, en zag ook zeer wit, ik had al mijn energie noodig om
-niet te willen flauw vallen, maar Herman stak zijn arm onder den mijne
-en steunde mij zooveel mogelijk zonder ostensatie, terwijl een paar
-doktoren uit de groep der geneesheeren, met wie ik sprak, me iets gaven
-om aan te ruiken. O, mama, het was een verschrikkelijk schouwspel, al
-die vale, misvormde, opgezwollen lijken op het groene gras en daarboven
-de hemel, die weêr diep blauw was geworden!
-
-In den gemeenteraad heb ik volgens Uw verlangen en dat van mijn Vader
-doen weten, dat U beiden ieder een personeele gift van een millioen
-florijnen aanbiedt en heb ik tevens de mijne aangeboden. De geheele
-wereld schijnt met ons meê te voelen; van alle oorden stroomt het geld
-toe, maar de schade schijnt een put, die niet te dempen is. Zooals u
-mij meldt, is de gift van onze Syrische vrienden waarlijk Oostersch
-vorstelijk.
-
-Wat heb ik U meer te vertellen? Ik weet het waarlijk niet; in mijn
-hersenen draait een cauchemar van akelige vizioenen rond en ik kan
-ternauwernood recht logisch doordenken. Maar ik beloof U, mijn lieve
-moeder, te doen wat ik kan, en dat naar mijn beste krachten, en wat ik
-U vraag is alleen éen enkel woord, dat mij zegt, dat U niet al te
-ontevreden is over Uw jongen.
-
-Zooals mijn Vader verlangt, blijf ik hier nog een week: het schijnt de
-bevolking, die ons zoo lief heeft, toch goed te doen ons te zien. Men
-was zeer opgetogen, dat er was aangezegd, dat U en Thera na mijn
-vertrek te Altara zouden komen. U zal met Uwe zachte hand nog zooveel
-kunnen doen, wat wij over het hoofd zagen. Wat hebben ze ons hier toch
-lief en waarom zijn wij maar niet altijd op St. Ladislas; al is de
-burcht somber, het is er helder van hunne sympathie.
-
-Maar laat mij U niet zoo poëtisch schrijven in deze dagen van nood,
-waarin wij practisch moeten zijn. Hermans gezelschap doet mij veel goed
-en ik kan meer doen als hij naast mij staat. Generaal Ducardi is als
-altijd een flinke, onvermoeide kerel. De anderen zijn allemaal zeer
-bereidvaardig en practisch geweest, en zoo ik het mag zeggen in
-eerbiedige tegenspraak van mijn Vader, ik geloof toch wel, dat het
-gemeentebestuur doet wat het kan. Een Engelsch ingenieur zeide wel, dat
-met betere voorzorgsmaatregelen en meerdere nauwkeurigheid van
-nakijken, de Therezia-dijk het misschien had uitgehouden: enfin, dat
-weet ik niet.
-
-Herman zal met mij meêgaan op mijn reis door de gouvernementen. Wij
-zullen naar Lycilië en Vaza gaan en zooveel mogelijk naar het
-platteland. Dat is er natuurlijk het ergste aan toe.—Ik krijg juist de
-telegrammen; de markies van Dazzara ontslagen, de hertog van
-Mena-Doni—ik hoû niet van dien man—gouverneur der rezidentie!
-
-Lipara in staat van beleg! Mijn Vader zal ons Huis van Adel dus weten
-te behouden, door die ontbinding van het Huis der Standen?
-
-Liefste moeder, Zijne Eminentie laat juist verzoeken mij zijne
-opwachting te komen maken. Ik wil hem niet laten wachten en eindig dus
-in der haast mijn epistel; met mijn beide armen om U heen, noem ik mij
-vol innigheid en eerbied,
-
-U, met héel zijn ziel, liefhebbende Zoon,
-
- Uw jongen,
-
- Othomar.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Ook het gouvernement van Vaza, ten Noorden van het hooggebergte van
-Altara, de alpenketen der Giganten was ten deele geteisterd door den
-Zanthos. De hoofdstad, Vaza, was overstroomd. Tegen de hellingen der
-bergen aan was de provincie gespaard gebleven. Daar waren uitgebreide
-terrassen van wijngaarden, dan wouden van kastanjes en noteboomen en
-olijven. De schitterend blanke sneeuwlijn der bergtoppen golfde tegen
-eene, weêr blauwe, lucht aan, kartelde er hare kammen en beet als met
-happende lijnen het intens azuur brokken uit; scheen er een muil van
-schitterend witte ijstanden te wetten tegen het staalglanzend metaal
-van den luchtdom aan.
-
-Daar, twaalf mijlen van de stad, troonde op zijne rotsen het oude
-Castel Vaza, kasteel der hertogen van Yemena en graven van Vaza, parken
-en woud er om heen, half fort, half burcht, krachtig, eenvoudig,
-middeneeuws, ruw van lijnen, met zijne vier torens en rechte vlakken
-van tinnen, aan alle zijden den horizont om zich heen cirkelend en vèr
-houdend van zich af. Dicht bij eene warreling van dorpjes; in de verte
-de torens en spitsen, het dakengewoel van Vaza; nog verder, in den
-cirkel van panorama, die de torens wijd ommetrokken, de Zanthos, die,
-breed aanslingerend, zich stortte in zee, en Lycilië, wit in de zon met
-hare rechte vierkantjes van huizen, schitterend neêrgeplekt aan het
-blauw van het water; dan, eene tweede zee: de bergtoppen, die sneeuwig
-golfden in verschieten weg en nevelen van afstand. En, schitterend ook
-in de zon, die vreemde meren aan den Zanthos, als plakkaten metaal: het
-water, dat de volle rivier had uitgestort; de overstroomingen.
-
-Het vierkante slot, dat om een hof zijne vier vleugels trekt, heeft nog
-twee bijgebouwde vleugels van achteren, in nieuweren stijl van
-elegantere Renaissance, en uitziende op het park, waarin de vijvers
-liggen, als ovale bekkens van liquide zilver, gevat in smaragd van
-gazons. De damherten grazen er, bijna mijmerend en bevallig, langzaam
-omdwalend op fijne pooten; soms, in eens, gestrekt, de koppen
-achterover, de oogen wild, rennen zij, vele te zamen, een eind weg in
-vlucht voor onzichtbare verschrikking; andere, kalmer, grazen door,
-laconiek, filozofisch.
-
-De hertogen van Yemena en graven van Vaza zijn van een der oudste
-geslachten des rijks, en laten hun stamboom wortelen in eeuwen, vóór
-den eersten keizer van Liparië. De tegenwoordige hertog,
-opperhofmaarschalk en connétable van Liparië, heeft drie kinderen uit
-zijn eerste huwelijk; de erfgenaam van zijn titel, de jonge markies van
-Xardi, adjudant van den keizer, en twee dochters, jongere meisjes nog,
-in een klooster.
-
-De hertogin is in het kasteel alleen. Zij zit in een groot boudoir, dat
-met driekantige loggia uitgebouwd, ziet op het park, de vijvers, de
-herten. Een bries waait buiten en de vluchtige wolken, die elkaâr als
-vlokkige schimmen, doorzichtige sluiers aan flarden, najagen aan de
-ijlblauwe lucht, slepen hare schaduwen, als vluchtige somberheden, over
-het park heen, tinten het even met voorbijgaande donkerte, die ook de
-herten donker maakt, en ze dan weêr bruin laat glanzen in zon. Stil is
-het daarbuiten; stil in het kasteel. Afgelegen ligt er het slot; binnen
-hebben de bedienden een zacht geloop door zalen en gangen, een
-fluisterenden toon, in afwachting van het hooge bezoek.
-
-Het is na het lunch. De hertogin ligt half op een divan en tuurt naar
-de herten. Zij is nog niet gekleed en draagt een robe d’intérieur, los,
-met vele plooien; vieux rose broché, zalmkleurig peluche en antieke
-kant. Als zij alleen is, houdt zij van veel licht, in eene gezonde
-behoefte aan ruimte van atmosfeer; voor de hooge boogramen zijn de
-gordijnen weggetrokken en valt de schelte van den voorjaarshemel
-bedwelmend in. Maar het licht doet aan hare schoonheid geen goed, want
-al is het haar ook nog blauwig ravenzwart, heur teint heeft de matheid
-van verwelkende witte rozen; hare oogen, die mooi kunnen zijn, groot en
-als liquide donker, turen vol moêheid met een zweem van lichtgelen
-kring, en zeer duidelijk zijn zichtbaar de striempjes op zij, de
-groefjes, die etsen om den fijnen neus; de lijnen, die den mond
-verlengd hebben en trekken naar omlaag.
-
-De hertogin staat langzaam op; ze gaat door een deur, die tot hare
-slaap- en kleedkamers toegang geeft, en blijft eenige oogenblikken weg.
-Daarna komt ze terug; met beide handen, tegen zich aangedrukt, met
-moeite, draagt ze een zichtbaar zwaar kistje en zet het op de tafel
-voor den divan. Het kistje is van oud gedreven zilver met vergulde
-cizeleeringen en groote blauwe turkooizen, van dat kostbare
-Renaissance-werk, zooals men niet meer doet. Aan haren armband zoekt
-zij een klein, recht, gouden sleuteltje en ontsluit de kist. De
-juweelen schitteren: parelen, brillanten, saffieren, smaragden, en
-vangen op hunne facetten al het voorjaarslicht van den hemel op, blauw,
-wit, geel. Maar de hertogin drukt op een veer, ontsluit alzoo een
-onzichtbaar laadje en haalt er uit twee pakketten brieven, enkele
-portretten.
-
-De portretten vertoonen het zelfde gelaat; een niet zeer jongen man,
-een vreemd gezicht, half droomerig, en half sensueel, met veel mysterie
-en veel charme. De portretten vertoonen hem in de elaborate uniform van
-een officier der Garde van den Troon, in een ridderkostuum van een
-gekostumeerd bal, in een flanellen tennis-pak en in gewoon politiek.
-Langzaam gaan de oogen der hertogin van het eene naar het andere,
-vergelijkt ze de beeltenissen, een treurigen glimlach om haren mond,
-weemoed in hare oogen. Dan strikt ze de linten los om de brieven, neemt
-ze uit de, zorgvuldig bewaarde, enveloppen, vouwt ze open, en leest
-hier en daar, en herleest, en vouwt ze weêr dicht...
-
-Zij kent die zinnen van buiten, die haar nog vertellen van eene vreemde
-passie, de innigste, de waarste, de eenvoudigste en daarom misschien de
-vreemdste, die zij ooit gevoeld heeft, haar omvangen heeft in
-toovermazen van vuur. Zien hare oogen nu weêr naar de herten—de
-zonneschijn drijft als vloeiend goud over het park—tusschen haar en het
-stille landschap rijzen, doorzichtig, in teêr glanzende
-fantasmagorieën, de herinneringen op van het verleden, de tafereelen
-dier liefde en het is haar alsof vonken haar voor de oogen spelen, als
-dwarrelen er fonkelende arabesken, tintelingen van licht. Wat gebeurd
-is, doorleeft zij in enkele minuten; dan sluit zij de oogen, strijkt
-met de hand over het voorhoofd en bedenkt hoe treurig het is, dat het
-verleden niets is dan wat herinnering, die als asch stuift door onze
-ziel, en die wij soms verzamelen willen in een kostbare urn, te
-vergeefs. Hoe treurig het is, dat men niet kan blijven treuren, al wil
-men, omdat het leven niet wil. Niets dan die asch in hare ziel, en die
-brieven, portretten...
-
-Ze sluit ze weêr weg en kijkt naar de juweelen nu. En goed ziet ze in
-haar eigen hart, ziet ze zich geheel als ze is, want ze weet, dat ze
-eerlijk is geweest, altijd. Altijd voor hem en voor zichzelve. Eerlijk,
-toen hunne liefde brak als een glazen regenboog van tintelkleuren aan
-een uitspansel van wijdte, en zij niet meer wilde zien en wilde zijn en
-zich terugtrok van het hof op dit slot en de mare liet gaan, dat eene
-slepende ziekte haar kwijnen liet, en zij treurde, en treurde, eerst
-snikkend en wringend de handen, toen kalmer van wanhoop, toen... De
-herten hadden daar altijd doorgegraasd, als bleven zij altijd de
-zelfde. Maar zij...
-
-Eerlijk was ze geweest, altijd. In haar wanhoop, en ook in wat volgde.
-In de verflauwing dier wanhoop. Toen was ze het treurigst geweest,
-omdat wanhoop verflauwen kòn. Toen treurig, omdat ze nog leefde en
-voelde vitaliteit in zich. Toen... omdat ze zich begon te vervelen. Om
-dat alles had groote wanhoop, als met morbide bloesems van vreemde
-orchideeën, hare vreemde ziel doorwoekerd. Zij haatte, verachtte,
-vervloekte zichzelve. Maar in haar werd het niet anders. Ze verveelde
-zich.
-
-Eenzaam leefde zij op het slot. Haar man en haar stiefzoon waren te
-Lipara; hare stiefdochters, van wie ze veel hield, voltooiden hare
-opvoeding in een klooster, waar eene keizerlijke prinses, zuster des
-keizers, abdis was.
-
-Ze was alleen, ze zag nooit iemand. En ze verveelde zich. In haar
-ontwaakte weêr het leven, dat slechts gesluimerd had, en dat zij had
-doodgewaand, had willen begraven in een sepulker, waarom hare
-herinneringen als standbeelden zouden staan. In zich voelde ze zich,
-die ze altijd, trots hoeveel liefde ook, geweest was: vrouw van de
-wereld, hakende naar dien glans der omgeving van keizerlijkheid, die
-splendeur van het hof, die noodlottig weêr aantrekt en onmisbaar is,
-wie ze van geboorte, als hunne levensatmosfeer, hebben ingeademd. En de
-oogenblikken, dat zij niet dacht aan hare wanhoop, dacht zij aan het
-Imperiaal, zag zij er zich, schitterend in hare rijpe schoonheid,
-gevierd en aanbeden als zij altijd geweest was.
-
-Toen liet ze haren stiefzoon, den markies van Xardi, de mare doen
-verspreiden, dat zij herstellende was. Een maand later, in het midden
-van het winterseizoen, nà een groot hoffeest, maar vóór een intime
-réunie in de eigen salons der keizerin, vroeg zij audiëntie aan bij
-Elizabeth.
-
-Zoo zag ze zich in ware, klare waarheid en diep treurig in haar arme
-ziel van liefdeverlangen en wereldverlangen en menschelijkheid was ze,
-dat zoo wreed het leven voort wilde gaan, als in een dollen triomftocht
-van zichzelve, verpletterend onder zijne raderen hare herinneringen,
-klaterend van schettermuziek door haren weemoed heen, doende haar
-voelen de weinigheid van den mensch, het minime van zijn gevoel, de
-kleinheid van zijne ziel, die toch nog het eenige aan hem is...
-
-De hertogin heeft de dubbel kostbare kist weêr weggesloten. Ze vergeet
-wat om haar heen is, wat haar wacht; ze tuurt, droomt, en leeft weêr in
-het verleden met dat genot, dat men in verleden krijgt, als men jeugd
-verliest.
-
-Er wordt geklopt op de deur, een lakei verschijnt en buigt:
-
-—Excellentie, de kok vraagt u dringend zelf te spreken.
-
-—De kok...?
-
-Ze heft haar mooi gezicht op, droomend, half lachend, als met een
-profiel van Cleopatra, zoo Egyptisch fijn en recht, richt zich op den
-divan wat hooger, en leunt op hare hand.
-
-—Laat hem binnen...
-
-Alles komt tot haar terug, de werkelijkheid, de dag van heden, en ze
-glimlacht er om en haalt de schouders op; zoo is het leven.
-
-De lakei gaat, de kok komt binnen in zijn wit schort en witte baret;
-hij is zenuwachtig en nu zijne meesteres al de wenkbrauwen fronst om
-zijn oneerbiedig kostuum, begint hij te stamelen:
-
-—Vergeef me, Excellentie; en hij wijst, ongelukkig van gezicht, naar
-zijn voorschoot, zijne witte mouwen...
-
-En hij klaagt, dat de opperjager niet gezorgd heeft voor genoeg
-ortolanen. Hij kan zijn pastei niet maken; hij durft het niet op zich
-nemen, Excellentie.
-
-Ze ziet hem aan met hare raadselachtige oogen; ze heeft grooten lust in
-lachen uit te barsten om zijn kluchtig gezicht, zijn wanhopig gebaar
-van wijde armen, te lachen en te huilen ook, ook woest en luid.
-
-—Wat moeten we doen, Excellentie, wat moeten we doen?! De stad is te
-ver; daar kan niet heengezonden worden vóór etenstijd en trouwens, daar
-hebben ze ook nooit iets. Het is ook eigenlijk de schuld van den
-hofmeester, Excellentie; de hofmeester had hare Excellentie moeten
-waarschuwen...
-
-—Er zijn leeuwerikken, zegt ze.
-
-Die moeten morgen naar Lipara gezonden worden, Excellentie; naar zijne
-Excellentie, den hertog!
-
-De hertogin haalt de schouders op, een beetje lachend.
-
-—Het kan niet anders, mijn beste. Zijne Keizerlijke Hoogheid, de Hertog
-van Xara, gaat vóór zijne Excellentie, niet waar? Maak een chaufroid
-van leeuwerikken.
-
-—Ja, dat is ook zijn idee geweest, maar hij zelve had het niet durven
-opperen. Ja, dat is zeker goed, uitstekend, Excellentie.
-
-Zij lacht nog even en knikt daarna, dat hij kan gaan. De kok, zichtbaar
-verlicht, buigt en verdwijnt. Zij staat op, ziet zich lang-uit voor
-zich staan in een spiegel in haar lui verkreukt geplooi van roos- en
-zalmkleur en oude kant, rekt de armen lang uit met een in-moê gebaar,
-en belt hare kamenier, waarna ze hare kleedkamer ingaat. Wil ze nog
-lachen? Of nog huilen? Ze weet het niet, maar ze weet wel, dat ze zich
-kleeden moet... Wat er met of om een mensch gebeurt, liefde of pastei
-van ortolanen, kleeden moet hij zich, kleeden, eten en slapen, en
-daarna weêr het zelfde, kleeden... en eten... en slapen...
-
-
-
-
-
-II.
-
-Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen
-langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza.
-Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer;
-er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de
-bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende
-sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die
-zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza
-en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den
-Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door
-te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den
-toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer
-verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het
-zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De
-kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als
-parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een
-vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die
-in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er
-vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite
-voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar
-niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid
-toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke
-jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar
-de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet
-gezien; ze was lijdende... Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den
-oorlog van vijftien jaar geleden.
-
-En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de officieele
-plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de
-neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den
-hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit
-wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de
-hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den
-Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den
-kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op
-een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena,
-het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi,
-bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten
-Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te
-ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis
-als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het
-aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij,
-door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in.
-
-In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en
-lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin
-treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe
-buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner
-misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en
-Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van
-Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren
-sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk
-kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met
-goudblauwigen ravengloed.
-
-Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins
-Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der
-lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet
-schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen
-naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare
-rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed
-neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de
-ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen
-van meesters der Renaissance aan den wand.
-
-Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne
-schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan
-ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in
-groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de
-een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de
-Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een
-bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem
-tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen
-vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste
-gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier
-officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van
-compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt
-de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel
-glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten
-teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den
-kroonprins; de heeren volgen.
-
-Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen,
-die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een
-gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den
-kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid
-en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het
-hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede
-vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en
-glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders
-zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide
-mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van
-strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij
-te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens
-en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de
-schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een
-onuitstaanbaren jongen!
-
-Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de
-hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal
-behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks
-ook van den staat van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu
-en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles
-te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner,
-onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen
-hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan
-ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar
-hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men
-een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen
-vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen
-aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer,
-maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch
-gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende
-niets dan een banaliteit, en...
-
-Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En
-hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert
-het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza,
-die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der
-hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De
-hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij
-coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat
-zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo
-kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze
-wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen,
-vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand,
-luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt
-eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke
-oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in
-dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich
-enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En,
-ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende
-arme menschen, zonder dak, zonder iets... Het is echter het tweede
-oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half
-uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe
-zij het wilde besteed hebben... Zij herinnert zich, dat tijdens dit
-gesprek met den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor
-hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van
-het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat
-deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve
-om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de
-nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil
-geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven
-middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit
-ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat
-ze aan hem heeft, en is geboeid.
-
-
-
-
-
-III.
-
-Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een
-ervan staat een biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu
-richtend en ze houdend tusschen hare bejuweelde vingers, speelt er een
-partij met prins Herman, Leoni en den jongen Thesbia. Soms hangt zij,
-al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke
-lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit
-door heure snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het
-zwarte fluweel. In den anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi
-en de Gothlandsche adjudanten aandachtig bezig op een nauwkeurig
-gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde kant, de
-route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de
-overstroomde dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en
-likeur.
-
-Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende
-in den anderen salon. De prins en zijne officieren zien beleefd
-glimlachend op van hunne kaart, maar zij, betooverend:
-
-—O, laat mij U niet storen, Hoogheid...
-
-Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het
-terras buiten. De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje
-koel. De hofmeester slaat haar een bonten mantel om den blooten hals.
-Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri op en neêr, op en neêr,
-telkens voorbij de open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar
-de groep onder de lamp: gebogen hoofden en vingers, die met een potlood
-wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van den eleganten adjudant;
-hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt ze
-Dutri:
-
-—Hoe bevalt je de tournée?
-
-—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van
-den Primaat!... Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig
-cosmopolitisch! En het is vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je,
-ik beschouw het als oorlog en zoo maak ik het door; als ik het
-beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen! De
-ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt
-zich bepaald populair...
-
-—Een aardige jongen... valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen
-tijd niet gezien; hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me
-hem maar een paar maal in het Imperiaal gezien te hebben, in eens van
-kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal nog een jongen. Ik
-herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen
-verleden, bij Myxila...
-
-Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den
-voornaam, flirt altijd een beetje met haar voor amuzement en
-aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen elkaâr te goed, te
-lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem meer
-als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes,
-dan als iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene
-“emotie” zoû kunnen voelen.
-
-—Ma chère Alexa, pas op...! spreekt hij en dreigt met den vinger.
-
-—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend.
-
-—Alsof ik het niet zie...
-
-Ze lacht luid.
-
-—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw
-sans-gêne, die in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te
-waarschuwen, hoor! God, lieve jongen, ik heb twee meisjes, die ik over
-een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben ik misschien grootmama. Ik
-doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van die malle
-vrouwen zijn die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo
-gauw oud...
-
-Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het
-lachen...
-
-—Waarom lach je zoo? vraagt ze.
-
-Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel.
-
-—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa.
-Ik weet zoo goed als jij... dat jijzelf een van die malle vrouwen
-bent...!
-
-Hij schatert weêr en zij nu ook.
-
-—Ik?
-
-—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op
-zijn tijd. Je zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde
-tusschenpoozen, chronisch, je “geëmotioneerd” hadt. En dat oud worden,
-je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt!
-
-—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan
-jezelve verplicht bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal
-zien hoe netjes ik later mijn oude jaren draag...
-
-—Zoo als je alles draagt.
-
-—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn
-haar, dat me heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà
-tout!
-
-—Een goed idee...
-
-—Dutri...
-
-Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een
-oogenblik zwijgend voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde,
-wandeling gingen zij, telkens tweemaal door het licht heen, dat in twee
-breede plekken door de deuren op het terras viel. Het park was vol
-zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het terras;
-boven stond de lucht vol sterren.
-
-—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant.
-
-Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren en weêr in het donker
-liepen.
-
-—Hoor je nog wel eens wat van hem?
-
-—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws.
-Hij verveelt er zich, geloof ik, en maakt zijn geld op. Het domste wat
-je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs een afgesleten
-boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets
-primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken:
-het Paradijs met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten:
-Adam was prezident...
-
-—Wees niet idioot. Wat schreef hij?
-
-—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te
-vragen als kapitein van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er
-tusschen jullie gebeurd?
-
-Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het
-donker:—Niets, antwoordde ze en hare stem had niet meer dien aangenomen
-chic van brutaliteit en sans-gêne, maar versmolt in een klaagtoon van
-melancholie.
-
-—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan...
-
-—Ik weet het niet. We hadden veel met elkaâr gesproken, en zoo
-langzamerhand begonnen we te voelen, dat we elkaâr niet meer gelukkig
-konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet.
-
-—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel
-dwaas. Aan psychologie te doen, als je verliefd bent is heel
-onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert op je eigen en je liefde in
-stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet genoeg te
-kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals
-ik doe op jou, Alexa.
-
-—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af?
-
-—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze
-sociëteit. En dat misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je
-psychologie.
-
-Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische
-oogen werden vochtig.
-
-—O... zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn
-arm, zag hem vol met hare natte oogen aan:
-
-—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb
-gehouden! Ik... ik hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû
-ik vergeten wie ik ben, mijn man, mijn pozitie, zou ik naar hem toe
-gaan, naar hem toe gaan... O, Dutri, weet je wat het is, in ons factice
-leven, waarin alle dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als...
-heusch van iemand gehoúden te hebben? En dat gevoel als loutere
-waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem, ik aanbid hem
-nog, en één woord van hem, één woord...
-
-—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit
-zeggen zal. Daarbij heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten
-beginnen? Samen op de planken gaan? Wat een vulkaan ben je toch, Alexa,
-wat een vulkaan!
-
-Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de
-zware kwasten van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog
-niet hervallen in hun toon van blague:
-
-—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb
-soms hònger naar nieuws van hem...
-
-Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger,
-dat hij ervan ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een
-passie. Toen glimlachte hij, blagueerend als altijd:
-
-—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je.
-Maar laten we nu naar binnen gaan, want de geografische studiën
-schijnen afgeloopen en ik smacht naar een kop thee...
-
-Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers
-latende gaan over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den
-kroonprins dadelijk den weg, die Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan
-met de overstroomde dorpen, de arme boeren... het in alles geheel en al
-eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie, die zij
-opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle
-melancholie van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van
-keizerlijkheid...
-
-Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend
-aan; hij kende haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch
-amuzeerde ze hem altijd en was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij.
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza: een antieke,
-sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van
-Yemena waren geweest, steeds geslapen hadden op een oud verguld
-paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste,
-keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel
-neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die
-daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne
-vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder
-Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder
-meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde
-lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de
-legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij
-zich uitstrekte.
-
-Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij
-een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn
-geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige
-siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men
-aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de
-tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen
-oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds,
-uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap
-volgde.
-
-Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge
-slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had.
-De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich
-vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu
-open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de
-schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug
-deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.
-
-En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne
-voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de
-acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van
-vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit
-hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot
-dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch,
-tot St. Ladislas zelven... Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede
-ketting, die zich voort zoû slingeren in de toekomst? Of... En waartoe
-telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven?
-Wat zoû het einde zijn, het groote Einde...?
-
-In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het
-Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en
-het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee
-was. Suiste het maar in zijne ooren, of... of ruischte het waarlijk
-weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de
-zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door
-niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot
-bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn
-zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne
-overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat
-eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun
-hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas;
-zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den
-appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten,
-dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te
-geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende,
-aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens,
-woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder,
-hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het
-gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees...
-
-Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe,
-legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû.
-Ze schenen hem spoken, vijanden... Ronder opende hij zijne brandende
-oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van
-de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem
-in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van
-nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit
-zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd,
-waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.
-
-Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden
-van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de
-flitsen van vizioenen, die tafereelen der overstrooming weêr voor hem
-deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw
-opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met
-spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek
-gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de
-kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op
-hem neêr als met atmosfeeren stikstof.
-
-—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in
-doodsangst:
-
-—Andro!! Andro...
-
-De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam
-binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning
-verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot
-portretten.
-
-—Hoogheid...!!
-
-—Andro, kom hier...
-
-—Hoogheid, wat is er...? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat
-heeft U... Ik dacht...
-
-—Wat, Andro?
-
-—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U
-toch...
-
-—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen...
-
-De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.
-
-—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water...?
-
-—Neen, dank je, dank je... Andro, kun je hier komen slapen?
-
-—Als U het wil, Hoogheid...
-
-—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben,
-Andro... Haal je kussen hier.
-
-De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem
-van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere
-voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden,
-verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij
-nooit klaagde...
-
-Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn
-kussen te halen.
-
-—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene woede, die
-hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in
-zoo een robbenhuid steekt als hij!
-
-In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr
-op de trede van het praalbed.
-
-—Heeft U koorts? vroeg hij.
-
-—Neen... ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik...
-ik ben...
-
-Hij dorst het niet zeggen.
-
-—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door
-de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden.
-
-—Wil U een dokter uit Vaza hebben?
-
-—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in
-den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder...
-
-—Zal U dan ook probeeren te slapen... mijn “prinsje”? vroeg hij, met
-dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing
-klonk.
-
-Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een
-voedster, de kussens voor hem opschudde.
-
-—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument...
-
-Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen
-Othomar na eene pooze vroeg:
-
-—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:
-
-—Ja, Uw Hoogheid, bijna.
-
-—Suist er iets in de verte, is dat water of... of verbeeld ik het me?
-
-De man luisterde.
-
-—Ik hoor niets, Hoogheid... U zal wat koortsig zijn.
-
-—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind...
-
-De man deed zoo.
-
-—En laat je me voelen, je hand, zoo...
-
-Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door,
-steeds door... Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit
-zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme
-hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van
-zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van
-het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht over
-het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn
-vreemden, nationalen klank van liefkoozing.
-
-—Mijn arm prinsje...
-
-Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even
-van elkaâr te schuiven.
-
-
-
-
-
-V.
-
-Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren;
-zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam,
-het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform,
-blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins
-stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin
-diep neeg.
-
-—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.
-
-Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij
-hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild.
-Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve
-over tafel zacht tot hem zei:
-
-—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?...
-
-Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling
-logenstraffen.
-
-—Ik heb niets, antwoordde hij.
-
-—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.
-
-—Niet zoo heel goed... moest Othomar bekennen, met een glimlach.
-
-Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt,
-op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den
-binnenhof—zei Ducardi kortaf:
-
-—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!
-
-Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.
-
-—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter,
-verontschuldigend:
-
-—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben
-aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden
-vandaag rust te nemen.
-
-Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den prins heen; hij
-voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen
-te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn
-vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo
-duidelijk zichtbaar scheen.
-
-En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij
-gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en
-rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins
-Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van
-heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in
-zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een
-geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken
-en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij
-generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad...
-
-De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken
-zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de
-vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij
-volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de
-hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men
-hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar
-stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een
-beetje angst zich te verraden, schaamte...
-
-In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten,
-vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener
-vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden
-stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme
-schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar,
-viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van
-tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve
-dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in
-eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in
-eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens
-wordt stil gerukt, tot staan.
-
-Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op,
-bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter zelve even te zoeken. Op
-de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren
-landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een
-potlood.
-
-En hij schreef:
-
-
-Aan Hare Allergenadigste Majesteit, Elizabeth, Keizerin van Liparië.
-
-Castel Vaza, April 18..
-
-
-Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat
-ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij
-aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop
-ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar
-Lycilië.
-
-
-Othomar.
-
-
-Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:
-
-—Mijn kamerdienaar, Andro.
-
-Deze verscheen na eenige oogenblikken.
-
-—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw
-mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin...
-
-Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar
-neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana
-satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr
-voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine
-verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als
-éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag
-uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij
-zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er
-was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op,
-als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde
-hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel
-duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde
-hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er
-òp drukte, zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en
-verpletterde het met zijn gewicht van centenaren.
-
-Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke
-kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde
-zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal
-bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen
-aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in
-een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien
-had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij
-de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins
-was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd
-opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen
-waren, op ze schieten, als op honden.
-
-Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar
-ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest,
-hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat
-hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon,
-handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar...
-Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van
-rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon,
-en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als
-met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg?
-
-Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de
-haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor
-het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet
-bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van
-het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborg zij
-haren angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij
-plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige
-instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het
-algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring,
-tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien
-angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de
-uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen...!
-
-Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne
-weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor
-hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij
-alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed,
-later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door
-hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi
-was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche
-hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van
-opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu
-toe... Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe
-zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?
-
-Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had
-willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige
-verplichtingen weg...
-
-
-
-
-
-VI.
-
-Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête,
-gediend in de kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De
-hertogin vroeg zeer belangstellend hoe Othomar het maakte; de prins
-voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust, was vroolijk,
-prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het
-lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit
-een uitstekend idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin
-eene uitstekende amazone was,—maar Alexa ried dit lachend af; zei, dat
-ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins rust had aanbevolen,
-en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend zijn
-zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en
-oud maakte, en was heel blij, dat de prins toegaf.
-
-Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het
-landschap deinde zich wijd uit; de bergen stonden schril en steil met
-hunne ijskammen in den ether. De toer had het bekoorlijke van een
-incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform naast de
-hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse,
-in de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder
-palfrenier, vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon
-glansplekte over de gladde robes der paarden, spiegelde in het verlakt
-van het rijtuig, en in de facetten der geslepen lantarens, op den
-hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform. Al
-dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend,
-luchtigjes, gleed het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes,
-waarvan de bewoners hunne landvrouw groeteden, maar niet wisten wie was
-de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat. Een bries had de
-vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof
-stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op.
-
-De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had
-dien tact van instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te
-spreken, als zij behagen wilde. Hare stem was een charme. Zij kon soms
-een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben, meestal als ze er niet
-aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den prins, om
-hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare
-natuur was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode
-flatteerde haar veel minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair.
-Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke distinctie van een oud
-geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de leelijke
-rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen.
-
-De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet
-uitgezonderd—over de hertogin: hij herinnerde zich namen, die
-fluisterend genoemd werden. Hij geloofde op dit oogenblik niet aan dien
-laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor sympathie,
-streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem
-goed en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm
-hielden.
-
-Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het
-opeens als bij verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar
-tusschen heel oude kastanjeboomen.
-
-—“Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw?
-
-—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij
-huiverde, maar poogde te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn
-dochter.
-
-—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op,
-keek nieuwsgierig naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes.
-Maar hoe komt het dan, mevrouw, dat ik verleden jaar, toen ik met den
-keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit van prins Zanti gehoord
-heb, en dat hij hier woonde?
-
-De hertogin lachte.
-
-—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op
-ligt—zij maakte met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet
-voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit den naam van Balthazar Zanti
-niet hooren wil.
-
-—Maar door niemand van de adjudanten...!
-
-De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook,
-aan en sprak:
-
-—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent
-de merkwaardigheden van het gouvernement van Vaza. Maar... ik bedenk me
-nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid. Het kasteel stond verleden jaar
-leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen. U herinnert
-zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier
-nog geen locale klank...
-
-De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar
-werd, toen het rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed
-voorbij een kleine groep, aan de helling van een wijngaardheuvel: een
-oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje, teêr, tenger,
-bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog eene
-zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten
-toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid,
-klopte tot kalmte manend op den kroeskop van den retriever, die het
-rijtuig aanblafte; en naast haar stond, hoog, een groote, oude man,
-vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze reus, met zwaren baard
-en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen
-vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de
-hertogin als bure—zonder den prins te kennen; de oude man echter zag
-strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig ratelde voorbij.
-
-—Dat was Zanti... fluisterde de hertogin.
-
-—Zanti...! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier?
-
-—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond
-achtten voor zijn dochter.
-
-—Dat meisje, was dat zijn dochter?
-
-—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te
-zijn.
-
-—Prins Zanti, niet waar?
-
-—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court... Titels
-zijn dwaasheid, Hoogheid, in de negentiende eeuw.
-
-Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet
-waarom. Dat Zanti daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond
-ze onheilspellend. Den kroonprins zag zij even snel, huiverend, van ter
-zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken over zijn gelaat trok
-als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te denken
-aan dien akeligen man:
-
-—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U
-goed gedaan...
-
-Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een
-plotselinge emotie scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het
-kasteel, in het boudoir, wilde de hertogin zelve den prins een kop thee
-schenken. Hij stond te kijken naar buiten, naar de herten, maar,
-terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel
-bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—,
-zijne oogen vergrooten, vreemd...
-
-—Wat heeft U, Hoogheid... riep ze verschrikt en trad nader.
-
-Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen.
-
-—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk... zoo te zijn, maar...
-maar die man daar heeft me verrast...—hij lachte—, ik wist niet, dat
-hij hier was, en dan de lucht... die ijle lucht...
-
-Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het
-bloed scheen uit hem weg te loopen, en hij duizelde...
-
-—Hoogheid...!! riep ze.
-
-Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar
-aangevallen; zij ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk
-verschrikt, en ze zag, dat hij flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn
-voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede leden, als stierven ze;
-zijn mond was open, zonder adem.
-
-De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara
-iets ernstigs overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde
-in eens, dat Liparië’s toekomst aan den steun harer armen was
-toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve in ongenade, aan
-het Imperiaal... Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het
-allereerste oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte
-uitdrukking kwam op haar gelaat. Trots, dat de hertog van Xara daar
-half flauw op haren schouder lag, en plotselinge passie waarin veel
-moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd gevoel
-in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld
-voorhoofd af met haren zakdoek... En het vreemde gevoel werd vreemder
-nog in haar, intenser in zijne beide elementen: intenser in trots,
-intenser in medelijdende liefde: die eener minnares en moeder te zamen.
-Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat van het
-keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het
-vocht scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd... Zij
-dacht aan de brieven en portretten in het zilveren kistje met de
-turkooizen. Een diepe weemoed om het leven vlijmde door hare ziel; nog
-meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als asch. Toen,
-zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en
-ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed
-opleven, drukte zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even
-verwijlde zij er; hare oogen sloten zich; toen gaf zij haar zoen.
-
-Zij openden hunne oogen, te gelijkertijd, zagen elkaâr aan. Ernstig
-somber, tragisch bijna flitste zij hare blikken in de zijne. Hij zeide
-niets, bleef haar aanstaren, nog half in hare armen. De kleur welde
-onder zijne wangen terug. Hunne oogen dronken elkaâr in. Hij voelde het
-onbekende voor hem openwijken, zich ingewijd worden in de wereld van
-kennis, die hij in haar ried en zelve niet wist. Maar hij voelde geene
-vreugde er om: hare oogen bleven somber. Toen nam hij alleen hare hand,
-drukte die even als eenige tegenliefkoozing, en sprak, de oogen,
-onafgewend, in hare groote, stille, zwarte passieblikken, zijn gezicht
-nog van verrassing strak:
-
-—Ik was wat duizelig, zoo even...? Ik vraag u excuus, mevrouw...
-
-Ze bleef hem ook aanzien, somber, nu glimlachend nederig. Haar trots
-roeide in éen wiekslag op naar het heel hooge: den mond van haren
-toekomstigen keizer zegelde nog haar zoen! Hare liefde aanraakte haar
-in-leven zooals een waaiende bries over een meer strijkt, het met éen
-enkel frisch geblaas geheel zilver rimpelend en bewegend tot in diepte
-toe; zij aanbad hem om zijne jonge hoogheid, die zoo genadig aannam
-haar zoen, zonder dien verder te erkennen, om zijne keizerlijke
-naïviteit, zijne jongensstem, zijne jongensoogen, zijn handdruk: het
-eenige, dat hij haar gegeven had; en het was in haar een zeer vreemd
-trotsche wellust: het genot die naïve jeugd, die mannelijke
-maagdelijkheid aan te zweemen, te beginnen in te drinken met hare
-oogen, hare lippen en hare ziel, als tooverdrank, die haarzelve weêr
-zoû geven hare jeugd.
-
-
-
-
-
-VII.
-
-Men dineerde dien middag laat, daar men gewacht had op Herman en de
-anderen. De gesprekken aan tafel liepen over den toestand van het
-platteland, over de boeren, die van alles beroofd waren. De hertogin
-was stil; de conversatie interesseerde haar niet, maar hare stilte had
-iets glimlachend rustigs.
-
-Dien avond bestudeerde Othomar met Ducardi weder de kaart, onder de
-kanten lamp. De avond was koud geworden, de deuren van het terras waren
-toe. De hertogin had geen lust tot biljarten, maar zij zat in den
-tweeden salon zacht met Dutri te praten. Zij zag er prachtig uit,
-placide als een beeld, in haar licht geel getint antiek kanten toilet,
-de bloote borst regelmatig golvend over eene gelijke ademhaling; een
-enkele star van brillanten in het haar van voren.
-
-Othomar wees met het potlood over de kaart.
-
-—Zoo kunnen we dan gaan, langs dien weg... Zie, generaal Ducardi, ziet
-u eens hier, kolonel Von Fest, hier heb ik van middag getoerd met
-mevrouw de hertogin en hier, geloof ik, woont Zanti. Wist u dat?
-
-De heeren keken op, zagen naar het punt, dat de kroonprins aanwees,
-verwonderden zich.
-
-—Ik dacht, dat hij in het Zuiden woonde, in Thracyna! meende de jonge
-graaf van Thesbia. Othomar vertelde, wat de hertogin hem gezegd had.
-
-—Zanti! riep Herman; Balthazar Zanti? O, maar dan is hij het...! Ik
-sprak van middag met een troep boeren; ze vertelden me van de nieuwe
-barakken, die een nieuw landeigenaar uit de buurt had laten opslaan,
-maar ze spraken dialect, ik verstond ze niet goed; ik dacht, dat ze
-Xanti zeiden, en dan dacht ik er niet aan, dat het Balthazar Zanti kon
-zijn. Maar dan is hij het!
-
-—Barakken? vroeg Othomar.
-
-—Ja, een dorp van barakken, naar het scheen; ze spraken er van, dat hij
-zoo rijk en zoo genereus was, en ik weet niet hoeveel boeren
-huisvestte, die alles verloren hadden.
-
-—Ik meen nu wel in de couranten gelezen te hebben, dat Zanti in Vaza
-was gaan wonen, zei Leoni.
-
-—Ik zoû die barakken wel willen zien, we kunnen er morgen aangaan, zei
-Othomar.
-
-Generaal Ducardi fronste zijne borstelige brauwen.
-
-—U weet, Hoogheid, dat Zijne Majesteit allesbehalve op Zanti gesteld
-is, en er zelfs over denkt hem te verbannen. Het zoû misschien meer in
-den geest van Zijne Majesteit zijn, om wat Zanti hier doet, op dit
-oogenblik maar te niëeren.
-
-Othomar voelde echter geen lust den generaal toe te geven; een jonge
-strijdlust borrelde in hem op.
-
-—Maar generaal, iemands weldaden te niëeren in deze tijden, is noch
-dankbaar, noch diplomatiek.
-
-—Ik ben overtuigd, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zijn kasteel
-hier bewoonde, Zij Uwe Hoogheid speciaal zoû verzocht hebben zich
-volstrekt niet in gemeenschap met dien man te stellen! sprak Ducardi
-nadrukkelijk.
-
-—Ik ben hier zoo zeker niet van, generaal! sprak Othomar droog, en
-geloof integendeel, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zóo veel
-deed voor de slachtoffers van de overstrooming, Zijne Majesteit hem wel
-wat liefhebberen in communisme vergeven zoû.
-
-Ducardi beet op zijn snor met een schuinen glimlach.
-
-—Uwe Hoogheid spreekt wel wat luchthartig over dat liefhebberen in
-communisme. Zanti’s theorieën en praktijken zijn meer dan
-dilettantisme...
-
-—Maar generaal, hernam Othomar zacht; ik begrijp heusch niet waarom
-Zanti’s socialisme, op dit oogenblik, verhinderen moet, dat wij,—ik
-herhaal op dit oogenblik—apprecieeren hetgeen hij doet, en ons moet
-tegenhouden zijn barakken te bezoeken, terwijl we in Vaza komen om
-alles omtrent de overstroomingen op te nemen...
-
-Ducardi keek hem aan, boos. Hij was het niet gewend, dat Zijne Hoogheid
-zoo tegensprak. De anderen luisterden toe. De hertogin zelve, gelokt
-door de discussie, waarin zij Othomars stem hoog op hoorde klinken met
-jong gezag, was met Dutri nader gekomen, nieuwsgierig...
-
-—Het zoû toch minstens genomen geen kwaad kunnen die barakken even te
-zien, dit moet ik mijn neef toegeven, generaal! sprak Herman van
-Gothland, die plezier in Othomar kreeg.
-
-Ook Von Fest sloot zich overtuigend hierbij aan, rondweg, eerlijk,
-meende het niet anders dan verplicht te zijn aan de slachtoffers, die
-Zanti geborgen had. Iedereen zeide nu zijn opinie: Leoni vond het
-onmogelijk, dat de kroonprins Vaza bezoeken zoû en die barakken niet;
-het zoû zijn alsof Zijne Hoogheid bang was voor zoo een bullebak van
-een Zanti. Dat Othomar Ducardi tegensprak, gaf hun allen grond om zich
-schrap te zetten tegen den ouden generaal, die den tocht totnogtoe
-geleid had met iets van militair autocratisme, dat hen vaak had
-gehinderd. Zelfs Dutri, anders nog al onverschillig, voegde zich bij
-hen, blagueerend, met glinsterende oogen, omdat Ducardi eens op zijn
-plaats werd gezet. Hij knipoogde tegen de hertogin.
-
-En het waren alleen Siridsen en Thesbia, die op de hand van Ducardi
-waren, weifelend, omdat de generaal zoo zeker wist, dat de wil des
-keizers anders zoû luiden dan het verlangen van zijn zoon; Thesbia
-vooral:
-
-—Ik begrijp niet, dat de prins zoo aandringt, fluisterde hij ontsteld
-tot de hertogin. Ducardi heeft gelijk: u weet zelve toch, hoe de keizer
-op Zanti gebeten is...
-
-De hertogin haalde glimlachend hare mooie schouders op, luisterend naar
-Othomar, dien zij zich hoorde verdedigen, gesteund door uitroepen,
-hoofdgeknik der anderen.
-
-—Nu, hoorde zij Ducardi droog antwoorden; als Uwe Hoogheid dan
-volstrekt wil, dat wij er heen gaan, zullen wij gaan; ik hoop alleen,
-dat Uwe Hoogheid zich altijd herinneren zal, dat ik het in dezen niet
-eens met haar was...
-
-De hertog van Xara nu antwoordde hem lachend, na deze overwinning het
-eerst den vrede aanbiedend, en was het in het geheele verdere plan, dat
-op de kaart tot aan Lycilië werd voortgezet, geheel met den generaal
-eens, met kleine vleiende intonaties van goedkeuring en hoogschatting
-voor zijn doorzicht en practische blik...
-
-—Hij mag niet l’étoffe hebben voor een groot veldheer, fluisterde Dutri
-tot de hertogin: er zal een aardig diplomaatje van hem groeien...
-
-Maar Ducardi was innerlijk zeer boos. Een oogenblik dacht hij er over
-den keizer per geheime depêche zijn verlangen te vragen, maar verwierp
-dit denkbeeld, daar het in het Imperiaal geen goeden indruk zoû maken,
-zoo, in zulk eene schijnbare, kleinigheid, den hertog van Xara geene
-vrijheid werd gelaten. Hij poogde dus slechts den volgenden morgen
-Othomar nog eens het bezoek te ontraden, de prins echter bleef er bij.
-
-—Is u dan zoo tegen dat bezoek, generaal? vroeg Von Fest. Is het dan
-eigenlijk niet meer dan redelijk?
-
-—U kent niet de antipathie van Zijne Majesteit voor dien man, kolonel!
-antwoordde de generaal. Zooals ik u al zei, Zijne Majesteit denkt er
-over hem te verbannen en zal dat zeker doen, als Zij hoort, dat hij
-zich nu op zijn kasteel heeft opgesloten, zeker met het doel de boeren
-op te ruien, zooals hij, in de steden, de arbeiders heeft opgeruid. Die
-man is een gevaarlijk dweper, kolonel, gevaarlijk vooral, omdat hij
-geld heeft om zijn utopieën in praktijk te brengen. Hij stookt den
-minderen man op, zijne militaire verplichtingen niet na te komen, omdat
-er staat geschreven:—“Gij zult niet doodslaan.” Het huwelijk vindt hij
-een onnoodig sacrament, en ik heb gehoord, dat zijne volgelingen
-eenvoudig bij hem komen, en hij ze zelve trouwt, met een soort van
-zegen, die ook alweêr steunt op een tekst... ik weet niet meer welken.
-Telkens schrijft hij socialistische brochures, die aangehouden worden,
-en houdt hij opruiende redevoeringen. En die man is zelfs candidaat
-gesteld voor het Huis der Standen.
-
-—Iemand, die zijn titel afzweert, lid van het Huis der Standen!
-glimlachte Von Fest.
-
-—O, die inconsequenties wemelen in zijn leer, bromde Ducardi. Hij zal u
-natuurlijk zeggen, dat zoolang er niets beters is dan het Huis der
-Standen, hij dan maar van het Huis der Standen lid wil zijn! En van wat
-zoo een man doet, wil de kroonprins notitie nemen!
-
-Von Fest haalde zijn schouders op.
-
-—Laat hem, generaal. De prins is jong. Hij wil weten en zien. Dat
-bewijst voor hem.
-
-—Maar... de keizer zal het nooit goed vinden, kolonel! donderde de
-generaal met een vloek.
-
-Weêr haalde Von Fest de schouders op.
-
-—Ik zoû het hem toch niet meer afraden, generaal. Als de prins iets
-wil, laat hem dan maar willen, dat zal hem goed doen... En krijgt hij
-daarna een standje van zijn vader, dan zal hem dat ook goed doen,
-bijwijze van reactie.
-
-Ducardi zag hem vlak aan.
-
-—Wat vindt u van onzen prins? vroeg hij op den man af.
-
-Von Fest zag den generaal, glimlachend, terug aan vlak in de zoekende
-oogen. Hij was eerlijk van natuur en oprecht, maar genoeg hoveling om
-zich te kunnen verbergen, als hij dit noodig oordeelde.
-
-—Een allercharmantste jongen, antwoordde hij. Maar het leven, of liever
-hijzelf, zal nog veel aan hem moeten vervormen, om hem straf te doen
-staan... voor later.
-
-De officieren begrepen elkaâr. Ducardi blies een zwaren zucht uit.
-
-—Ja, er zullen moeilijke tijden komen, sprak hij, met een vloek.
-
-—Ja, antwoordde de Gothlandsche kolonel eenvoudig.
-
-De prinsen waren in den binnenhof opgestegen; men reed langs den
-zelfden weg, dien Othomar den vorigen middag met de hertogin getoerd
-had en langs het kasteel van Zanti. Leoni was te weten gekomen waar de
-barakken lagen; zij reden nog een half uur; de bergen begonnen te
-wijken, de weg slingerde zich met bocht op bocht onder de trappelende
-hoeven der paarden. Eensklaps breidde aan den horizont de Zanthos zich
-uit: het breede vlak van uitgestort water, éen groot meer onder de
-wijde tintellucht van voorjaar.
-
-—Daar zullen ze zijn! wees Leoni.
-
-Zijn vinger wees een gehucht aan van lange houten gebouwen,
-klaarblijkelijk frisch gebouwd, naar nieuw hout riekend in de
-aanwaaiende morgenbries. Toen zij nader reden, zagen zij timmerlieden,
-metselaars: eene geheele werkplaats vol bedrijvigheid vertoonde zich,
-hoopen roode baksteen, stapels lange planken. Er klonk gezang, met
-vromen klank, als van psalmen.
-
-Ducardi, steeds gewend vóór te rijden, aan de linkerzijde van den
-kroonprins, hield zijn paard met bedoeling in, liet de anderen hem
-inhalen; Othomar merkte, dat hij hier niet door wilde. Hij vond den
-generaal kleingeestig en, tot Thesbia:
-
-—Vraag of Zanti hier is...
-
-De ordonnans-officier wendde zich met de vraag tot een soort opzichter.
-Niemand der werklieden had gegroet; de adjudanten weifelden of zij den
-kroonprins herkend hadden. Ja, Zanti was er. Eenvoudig “Zanti”. Goed,
-hij zoû hem roepen.
-
-De man ging. Het duurde lang. Othomar, te paard wachtende met de
-anderen, begon zijne houding reeds moeilijk te vinden, verloor zijn
-tact, nam zijne stijve strakheid aan, praatte gedwongen met Herman. Hij
-vond, dat het moeilijk was te wachten, als men dit totnogtoe nooit
-gedaan had. Hij werd er zenuwachtig van, maakte ook zijn paard, met
-coquette kopbeweging aan de teugels trekkend, zenuwachtig en dacht er
-al aan, maar voort te gaan...
-
-Maar Zanti, met den opzichter, die hem geroepen had, kwam juist aan,
-langzaam, zich volstrekt niet haastende. Hij keek uit de verte onder
-zijne hand naar de groep officieren te paard, die schitterden; bleef
-staan; vroeg nog iets, aan den opzichter; keek weêr.
-
-—Onhebbelijke vent! mompelde Thesbia.
-
-De ordonnans-officier reed hem driftig tegemoet, sprak hoog van zijne
-Keizerlijke Hoogheid, den Hertog van Xara; de hertog wenschte de
-barakken te zien.
-
-—Het zijn geen barakken, sprak Zanti norsch tegen.
-
-—Wat dan? vroeg de ordonnans-officier uit de hoogte.
-
-—Woningen, antwoordde Zanti droog.
-
-Thesbia haalde geërgerd de schouders op. Maar de kroonprins zelve was
-nadergereden, salueerde Zanti, zonder dat deze hem eenigen groet gegund
-had.
-
-—Vergunt Uwe Excellentie, dat wij een blik slaan op wat Zij doet voor
-de slachtoffers der overstroomingen? vroeg hij beleefd, zacht,
-innemend.
-
-—Ik ben geen Excellentie, mopperde de grijsaard; maar als u wil kijken,
-mij goed.
-
-—Heel gaarne, antwoordde Othomar een beetje hoog; maar niet anders dan
-met geheel uw goedvinden. U staat als meester op uw grond en zoo ons
-bezoek u niet welkom is, zullen wij u niet onze aanwezigheid opdringen.
-
-Zanti zag hem aan.
-
-—Ik herhaal het, als u kijken wil, is het goed. Maar er is niet veel te
-kijken. Alles is zoo eenvoudig. Wij maken geen geheim van wat we doen.
-En de grond behoort mij niet toe, die is eigendom van hun allen.
-
-Othomar steeg af, de anderen volgden; Leoni en Thesbia vonden met
-moeite, voor een fooi, een paar jongens, die op de paarden zouden
-passen.
-
-Othomar en Herman waren reeds met den ouden man voortgegaan.
-
-—Ik hoor, dat u veel goed doet, om de ellende van de overstroomingen te
-lenigen, sprak Othomar.
-
-—De overstrooming is geen ellende.
-
-—Geen ellende! vroeg Herman verbaasd. Wat dan?
-
-—Een gerechte straf des hemels. En er zullen meerdere straffen komen.
-De tijden zijn zondig.
-
-De prinsen zagen elkaâr aan, met een snellen blik; zij begrepen, dat
-het gesprek niet zeer vlot zoû gaan.
-
-—Maar de zondigen die de hemel straft, helpt u toch, meneer Zanti!
-sprak Herman. Want al die barakken...!
-
-—Zijn geen barakken. Schuren, werkplaatsen, ook tijdelijke woningen.
-Het wordt hier een nederzetting, zoo God het wil. Om eenvoudig te leven
-in den arbeid. Het leven is zoo eenvoudig, maar de menschen hebben het
-zoo vreemd en ingewikkeld gemaakt.
-
-—Maar u neemt toch boeren op, die alles verloren hebben door de
-overstrooming? hield Herman vol.
-
-—Ik neem ze niet op. Als ze hunne zonden voelen, komen ze naar me toe
-en ik red ze van den ondergang.
-
-—En komen ze ook niet naar u toe, zonder hun zonden te voelen, maar
-omdat ze voelen, dat ze eten en logies zullen krijgen voor niets?
-
-—Ze krijgen geen eten en logies voor niets, ze werken hier, meneer!
-sprak de oude man; en misschien beter dan u, die met een uniform
-rondloopt... Ze krijgen hun loon naarmate ze werken, uit de
-gemeenschappelijke kas. Ze bouwen hier en ik bouw met ze meê. Ziet u
-dien boom hier en die bijl; dien boom was ik bezig te hakken, toen u me
-storen kwam.
-
-—Een flinke lichaamsbeweging! zei Herman; u lijkt me een krasse man!
-
-—U zegt dus, dat u hier een nederzetting vormt? vroeg Othomar.
-
-—Ja meneer. De steden zijn het verderf, het landleven maakt rein. Hier
-kunnen ze wonen; verder-op ligt bouwland, dat ik ze geef, en weiland;
-vee zal ik voor ze koopen.
-
-—Dus u poogt hier eenvoudig boeren te werven, sprak Herman.
-
-—Neen meneer! antwoordde de grijsaard barsch. Ik werf hier geen boeren:
-ze zijn mijn boeren niet. Ze zijn hun eigen boeren. Ze werken voor hun
-eigen, en ik ben eenvoudig boer, zooals zij. We zijn allen gelijk...
-
-—U is eenvoudig boer, herhaalde hem de prins Herman; maar u woont toch
-in een kasteel.
-
-—Neen, jonge man, antwoordde Zanti; ik woon in geen kasteel; ik woon
-hier; mijn dochter woont daar alleen. Ze is ziek... Ze zoû niet kunnen
-tegen een verandering van levenswijze, tegen ontbering. Maar lang zal
-ze niet leven, mijn kind...
-
-Hij hield even op, zag de prinsen beurtelings schuin, bijna angstig,
-aan.
-
-—Ze is mijn eenige zwakte, geloof ik, verontschuldigde hij zich met een
-weeke stem. Ze is mijn zonde: voor haar heb ik dokters genomen en
-vertrouw ik op wat ze zeggen en voorschrijven. Ziet u, ze zoû niet
-kunnen: mij volgen in alles; want ze heeft het verleden te veel in haar
-arm bloed. Ze heeft behoefte, levensbehoefte, aan een kasteel, aan
-gemak. Daarom laat ik haar daar... Maar ze zal niet lang leven... En
-dan verkoop ik het en deel ik mijn geld, geheel en al, onder hen
-allen... Ziet u, dat is zoo mijn zwakte, mijn zonde: ik ben maar een
-mensch...
-
-De prinsen zagen hem geroerd worden; zijne handen trilden. Toen meende
-hij zeker, dat hij al te veel, te lang, met hen gesproken had over wat
-hem ’t innigste aan zijn hart lag: zijne zonde. En hij wees hun de
-gebouwen, verklaarde ze hun...
-
-—Ik las enkele van uw brochures, meneer Zanti, sprak de kroonprins.
-Brengt u hier in toepassing uw idee omtrent het huwelijk?
-
-—Ik breng niets in toepassing, bromde de grijsaard weêr tegen. Ik laat
-ze allen vrij. Willen ze voor uw wet trouwen, dan kunnen ze het doen,
-maar komen ze bij mij, dan zegen ik ze, en laat ze gaan in vrede, omdat
-er geschreven staat: Wederom zeg ik u: indien er twee van u
-samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen
-begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in de
-Hemelen is... Want wanneer twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam,
-daar ben ik in het midden van hen...
-
-—En waarmeê beheerscht u zoo veel volgelingen? vroeg Herman.
-
-—Ik beheersch niet, meneer! donderde de oude man, zijn vuisten ballend,
-zijn gezicht rood van woede. Ik ben niet meer dan zij allen. De vader
-heeft het gezag in zijn eigen huisgezin, en de oude mannen geven raad,
-omdat ze ondervinding hebben, en dat is alles. Het leven is zoo
-eenvoudig...
-
-—Zooals u het zich voorstelt, maar niet zooals het in werkelijkheid is,
-wierp Herman tegen.
-
-Zanti zag hem boos aan, stond stil om beter te kunnen praten en
-driftig, hevig, riep hij uit:
-
-—En vindt u het in werkelijkheid beter, dan ik het me voorstel? Ik
-niet, meneer, en ik hoop mijn voorstelling werkelijkheid te zullen
-maken. U en de uwen hebben ook eens, eeuwen geleden, uwe voorstelling
-werkelijkheid gemaakt: nu is de beurt aan anderen, uw werkelijkheid
-heeft lang genoeg geduurd...
-
-Othomar, hoog, wilde iets tegen zeggen: de oude man wendde zich echter
-in eens tot hem, zacht maar stroef, met zijne doordringende
-dwepersstem, die Othomar huiveren deed:
-
-—Met u, meneer, heb ik medelijden! Ik haat u niet, al denkt u dit
-misschien. Ik haat niemand. Hoe ouder ik geworden ben, hoe minder ik
-heb leeren haten, hoe meer zachtheid er in mij gekomen is. Ziet u, ik
-hoor iets in uw stem en ik zie iets in uw oogen, dat me... aantrekt,
-meneer. Ik zeg het u ronduit; het is misschien heel dwaas van me zoo
-iets te zeggen tot mijn aanstaanden keizer. Maar het is zoo: iets in u
-trekt me aan. En ik heb medelijden met u. Weet u waarom? Omdat de
-tijden zullen komen!
-
-Hij wees met den vinger in eens naar boven, verrassend plechtig;
-vervolgde:
-
-—De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt, als
-uw vader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal
-ze! En daarom heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde
-hebben voor uw volk. Geen genoeg liefde om te zeggen: Ik ben als jullie
-allen en niets meer. Ik wil niets meer bezitten dan jullie allen, want
-ik wil geen overvloed als jij honger lijdt. Ik wil niet over je
-heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie allen en niet
-menschelijker. Is u menschelijker? Als u menschelijker was dàn zoû u
-mogen heerschen, ja dan, dan... Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u
-nooit voor uw volk hebben, om te doen dat alles, o, en meer nog, meer.
-Heerschen zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren. Maar de tijden
-zullen komen! Daarom heb ik medelijden met u,... al moest ik het ook
-niet hebben.
-
-Othomar was bleek geworden; zelfs Herman huiverde even. Het was meer om
-de orakelstem van den man, die hunner vorstelijkheid het noodlot
-voorspelde, dan om zijne woorden. Maar Herman schudde zijne huivering
-af en boos, hoog:
-
-—Ik kan niet zeggen, dat u hoffelijk is tegen uw gasten, meneer Zanti,
-ik zal maar niet eens spreken van Zijne Keizerlijke Hoogheid...
-
-Zanti zag Othomar aan.
-
-—Vergeef me, sprak hij. Ik sprak zoo om uw bestwil. Uw oogen zijn als
-die van mijn dochter. Daarom sprak ik zoo.
-
-Herman schaterde.
-
-—Dat is zeker een geldige reden, meneer Zanti!
-
-Othomar echter knikte hem, niet verder op gekscherenden toon door te
-gaan en deed ook met een blik de adjudanten zich bedwingen, die in
-woordelooze verontwaardiging Zanti’s orakel hadden opgevangen: de man
-had bijna fluisterend tot Othomar gesproken. Zijn laatste woorden,
-waarin emotie klonk, brachten die verontwaardiging echter in
-verwarring, stilden hunne boosheid, deden hun den profeet beschouwen,
-als een halven gek, wien de kroonprins zoo genadig was zijne
-majesteitschennis niet kwalijk te nemen. En de officieren zagen elkaâr
-aan, trokken de wenkbrauwen op, de schouders. Dutri grinnikte. Othomar
-vroeg kalm aan Zanti of zij niet door zouden gaan.
-
-De nederzetting was zeer in den beginne; toch begonnen enkele kleine
-boerenwoningen te verrijzen; kastanjeboomen werden omgekapt; er waren
-honderde boeren bezig.
-
-De groep van officieren wekte groote nieuwsgierigheid; men had de
-prinsen herkend. Bijna overal staakte het volk hun werk, zag het de
-uniformen na.
-
-De prinsen en hun gevolg voelden instinctmatig, dat er een vijandige
-stemming door de boeren van Zanti voer. Deden zij hier en daar een
-vraag, naar de geleden ellende, het antwoord klonk ruw, kort, met eene
-verwijzing naar den wil Gods, en was steeds als een naklank van Zanti’s
-eigen woorden. Geldelijke hulp was hier niet te verleenen. Te laten
-zien had Zanti eigenlijk niets. De nederzetting viel Othomar tegen,
-misschien om iets van gekrenkte vorstelijkheid; gewend steeds met
-eerbied genaderd te worden als toekomstige majesteit, kwetste de
-ruwheid van Zanti, de stuurschheid zijner boeren zijne teêrgevoeligheid
-meer, dan hij zich wilde bekennen. Hij voelde, dat men op deze plek den
-kroonprins niet in hem zag, die zijn volk liefhad en wilde leeren
-bijstaan, maar wel den zoon van een dwingeland, die op zijne beurt eens
-dwingen zoû. Hij voelde, dat al noemde Zanti zich den apostel van den
-vrede, die vrede niet was onder zijne discipelen; en toen hij zag in
-hunne ruwe, sombere gezichten, zag hij de haat rood opflikkeren uit
-holle, diepe oogen, als met plotselinge bliksems...
-
-Zwaar vielen de centenaren hem op zijne borst, drukte zijn onmacht hem
-met een wereld van, niet te ledigen, ellende en ontroostbare smart op
-de schouders als naar den grond toe. De ellende en smart niet van een,
-maar van duizenden, millioenen. De haatdragende oogen vermenigvuldigden
-zich in een gewemel van haat om hem heen; ieder van zijn volk, die het
-geluk van hem vroeg, van hem eischte, en niet ontving, scheen hem daar
-met zulke groote oogen aan te staren...
-
-In eene wijde, onmetelijke hopeloosheid voelde hij zich duizelen. Hij
-verwachtte niets meer, het was het einde. En het verwonderde hem niet
-wat er gebeurde. De man met het verwrongen, harigbruine gezicht, die,
-als een nachtmerrie, op hem toestortte, hem aangreep, vol haat. Een
-vuile tabaksadem zwalmde over zijn gezicht, een grof mes blikkerde in
-een grove vuist naar zijn hals toe...
-
-Een geroep was opgegaan. Een schot knalde, kort, beslist, zonder zweem
-van aarzeling. De man vloekte een schorren kreet uit, knarsende van
-onwil, en spartelde tegen, stervend. Zijne hersens spatteden uiteen,
-over Othomar heen, bezoedelden den prins de uniform. En aan zijne
-voeten was de man reeds op den grond neêrgekwakt, oogenblikkelijk slap,
-spierloos, het mes nog in de kramp van de harige vingers geklemd; dat
-was alles gebeurd in één oogenblik.
-
-Het was Von Fest, die met een revolver het schot gelost had. De kolonel
-richtte zijn breede figuur op, zag om zich heen, den revolver nog
-schuin geheven, dreigend in de vuist. Het volk staarde, bewoog zich
-niet, verwezen door de plotselinge werkelijkheid vóór hen.
-
-Zanti, wezenloos, tuurde naar het lijk; toen sprak hij—de officieren
-ontsteld, druk, in verwarring om den prins heen—:
-
-—Gaat nu, en zoo het kan, gaat in vrede...!
-
-Vol bitterheid wees hij op het lijk. Hij schudde het hoofd met de
-grijze manen onder den vilten hoed; tranen sprongen in zijne ooghoeken
-op.
-
-—“Gij zult niet doodslaan...” hoorden zij hem mompelen. Zij schijnen
-dat nog niet te weten; niemand nog weet het...!
-
-Een vreemde blik, vol krankzinnigheid, werd troebel in zijne, anders
-heldergrauwe, oogen, hij scheen een oogenblik niet te weten wat hij
-doen zoû. Toen liep hij naar een boom, nam de bijl op, en zonder op de
-prinsen meer acht te slaan, begon hij te hakken, als een razende, slag
-op slag...
-
-De officieren hadden zich naar hunne paarden gehaast. Dutri keek nog
-achterom; bij het lijk, waar de boeren nu om heen kwamen staan, zag hij
-een vrouw; ze snikte, wierp hare armen vol wanhoop uit naar den hemel,
-brulde, balde de vuist tegen het omgewende gelaat van den adjudant,
-schreeuwend.
-
-Othomar had niets gezegd. Achter hem hoorde hij de vrouw brullen. Hij
-trilde in iedere zenuw. Op den weg, klaar om op te stijgen, vroeg
-Ducardi hem ontroerd:
-
-—Wil u naar Castel Vaza terug, Hoogheid?
-
-De prins zag den generaal hoog aan. Vlug door hem heen schoot de
-gedachte, dat de generaal er zeer tegen was geweest hier te komen. Hij
-knikte van neen. Toen zochten zijne oogen Von Fest; onder door de
-wimpers op keken ze den kolonel aan, diep zwart, vochtig, bijna met
-verwijt.
-
-Maar hij stak de hand uit.
-
-—Ik dank u, kolonel, sprak hij met een heesche stem.
-
-De kolonel drukte de hand van den prins.
-
-—Tot Uw dienst, Hoogheid! antwoordde hij, militair kort.
-
-—En nu, laat ons nu doorgaan naar den Zanthos, sprak Othomar en naderde
-zijn paard.
-
-Maar de oude generaal was zich niet meer meester. In deze laatste
-oogenblikken had hij gevoeld heel de hartstochtelijke liefde—hem
-erfelijk in het bloed gekiemd, één met hem, zijne ziel zelve, en die
-ziel alleen, uit één stuk—voor zijn vorstenhuis. Zijne vaders waren er
-voor gesneuveld, zonder aarzeling. En met de dolwijde omhelzing zijner
-lange, krachtige oude armen, liep hij op Othomar toe, dankbaar, dat hij
-leefde, drukte hem aan zijn borst te pletter, tot zijne uniformknoopen
-schramden aan Othomars wang, en riep, snikkend, onder zijn trillende
-snorbaard, uit:
-
-—Mijn prins, mijn prins, mijn prins...!
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-De aanslag op Othomar was op Castel Vaza reeds bekend, vóor de prinsen
-terug waren, door boeren van den hertog, die aan de bedienden van het
-kasteel lange verhalen hadden gedaan, dat de prins zwaar gewond was. De
-hertogin had eerst niet willen gelooven; toen, in stijgenden angst, in
-de grootste spanning en onzekerheid rondgeloopen door de galerijen. Zij
-had zich eerst willen wijs maken, dat het volk wel overdrijven zoû.
-Toen zij bedacht, dat de prinsen en de adjudanten in het geval, dat
-Othomar verwond was, dadelijk zouden terug zijn gekomen, werd zij
-rustiger en wachtte af.
-
-De intendant echter, die naar Vaza geweest was, kwam ontzet terug: in
-de stad maakte men zich zeer ongerust, verdrong men zich aan de deuren
-der courantenbureaux, voor de bulletins, die den aanslag kort
-vermeldden, met de tergende bijvoeging, dat bizonderheden nog
-ontbraken. De hertogin begreep, dat op dit oogenblik het bulletin ook
-naar Lipara geseind was, en zij vreesde zoowel, dat Othomar een onheil
-was overkomen, als dat zij zelve in ongenade zoû vallen bij de
-keizerin...
-
-Toen de hertogin eindelijk, lang turende, uit een venster der
-westelijke galerij, de prinsen en hun gevolg op den verren weg, klein,
-zag aandraven, kon zij zich niet inhouden, ging zij hen tegemoet in den
-hof. Zij zag echter Othomar ongedeerd. De hertog van Xara steeg af, gaf
-haar de hand, glimlachte; zij kuste die, nijgend, met vuur; hare tranen
-vielen op ze neêr. De opperintendant trad nader, betuigde Othomar uit
-naam van alle dienaren van den hertog, hunne innige dankbaarheid, dat
-de Hertog van Xara gespaard was gebleven, door de genade Gods en den
-bijstand van St. Ladislas.
-
-Ducardi had nergens eerder kunnen telegrafeeren, maar zond nu ijlings
-naar Vaza, eene depêche aan den keizer, tevens vermeldend, dat de prins
-dadelijk na den aanslag kalm den voorgenomen tocht vervolgd had. Het
-diner werd in een gewar van stemgeluid gebruikt; de hertogin was zeer
-opgewonden, vroeg naar de minste bizonderheid, en omhelsde bijna Von
-Fest. De kroonprins dronk op zijn redder en allen brachten hem hulde.
-
-Daarna ried Ducardi,—in stilte—den kroonprins aan zich vroeg ter ruste
-te begeven. De generaal sprak met eene teedere stem, het scheen of de
-gedachte, dat hij zijn kroonprins verliezen kon, hem dezen meer had
-doen liefhebben. Ook Herman drong er bij Othomar op aan.
-
-Hij zelve was kalm geworden, maar had iets mats over geheel zijn wezen;
-met eene vreemde stem van matheid zelfs had hij Von Fest toegeklonken.
-Hij volgde nu hun raad op, trok zich terug, kleedde zich uit; zijn
-bezoedelde uniform, die hij vóór het diner reeds verwisseld had, hing
-nog over den stoel; hij huiverde ervan die een geheelen middag gedragen
-te hebben.
-
-—Dat ding! sprak hij tot Andro, die nog geheel in de war was, en, van
-zenuwachtigheid schreiend, opruimde; verbrand het of gooi het weg, gooi
-het weg...
-
-In zijn kamerrok wierp Othomar zich neêr op een bank in den salon, die
-grensde aan zijne slaapkamer. Eveneens een historisch vertrek; gobelins
-aan den wand met tafereelen uit Liparië’s historie: keizer Berengar I
-zegevierend Jeruzalem binnenrijdend met zijne, witte vanen heffende,
-kruisvaarders; keizerin Xaveria, goudgeharnast te paard voor Altara’s
-muren, stervende vallend achterover, getroffen door een Turkschen
-pijl...
-
-De prins lag naar ze te staren. Eene doodkalmte scheen hem niets te
-doen voelen, zich niets te doen aantrekken. Bij zichzelve ging hij
-geheel de geschiedenis na van Berengar tot Xaveria toe. Hij wist de
-jaartallen; de tafereelen wolkten voor hem als schoven er gobelins,
-caleidoscopisch, met de verbleekte kleuren van oud kunstwerk. Hij zag
-zichzelven terug, een kleine jongen, in het Imperiaal, in een strenge
-kamer, ijverig leerende; hij zag zijne meesters, die zich afwisselden:
-talen, historie, staathuishoudkunde, volkenrecht, strategie; het had
-zich alles gehoopt op zijne jonge hersenen, zich opgestapeld, zich
-opgebouwd als een toren. Tot afwisseling zijne militaire opvoeding:
-exerceeren, paardrijden, schermen, geleid door generaal Ducardi, die
-hem prees of op hem bromde, of mopperde op de onder-officieren, die hem
-leerden. Rekenen had hij nooit kunnen leeren, van algebra nooit iets
-begrepen; in vele vakken was hij altijd zwak gebleven; in natuurkunde
-en scheikunde bijvoorbeeld. Veel pleizier had hij een tijd gehad in
-mineralogie, in zoölogie en botanie, en later had hij gedweept met
-sterrenkunde. Daarna de hoogeschool en zijne juridische studiën...
-
-Hij herinnerde zich zijne kleine trotsjes van kind en van jongen, toen
-hij, negen jaar oud, luitenant was geworden van de Garde van den Troon;
-toen hij later de Orde van den Kouseband had gekregen van de koningin
-van Engeland en den Zwarten Adelaar van den Duitschen keizer, en het
-Gulden Vlies van de Regentes van Spanje. In zulken kleinen trots had
-zich dan altijd zekere angst gemengd, van mogelijke verplichtingen, die
-de Kouseband of de Adelaar zouden meêbrengen: verplichtingen, die hem
-vaag voor oogen warrelden, die hij niet dorst uitbeelden en nog minder
-vragen aan Ducardi, of zijn vader. Langzamerhand was die dreiging van
-verplichtingen zoo zwaar geworden, en nu, nu waren het de centenaren.
-
-De centenaren. Maar hij bewoog zich niet, vreemd kalm. Toen dacht hij
-terug aan Von Fest, aan de hertogin... Gisteren haar zoen... Flauw had
-hij gelegen op haren schouder en ze had hem gezoend en lang aangezien
-met hare passieblikken. Wat vertelden de adjudanten al niet...
-
-Toen kwam het als met een woeste golf tot hem, bruisend over zijne
-doodkalmte heen...!
-
-Waarom had die man hem gehaat, hem willen vermoorden, hem willen
-slachten als een beest...? Trots trilde in hem op, trots en wanhoop.
-Die man had hem aangeraakt, bezoedeld met zijn adem, hem, den
-kroonprins, den Hertog van Xara. Hij knarste met de tanden van woede...
-Dàt zoû Berengar I zich niet hebben laten doen! Den kop af, den kop
-af... O, dat plebs, dat niet wist, dat niet voelde, dat tegen hem
-opdrong, als schuim warrelde aan hun troon, dat zijne moeder beängstte,
-hoe trotsch ze ook er over heen zag, keizerlijk kalm, in de verte...
-
-Hoe hij het haatte, het haatte, met al den haat, oh! van zijn ras voor
-wie nu vrij waren en eens toch hunne slaven! Hoe hij er onder zoû laten
-schieten, later zoû laten schieten...
-
-Hij zag naar Xaveria; zelve werd ze geschoten, de fiere strijdster;
-achterover viel ze, verwond door den pijl van een Turksch soldaat. En
-hij, dien morgen, als niet Von Fest...
-
-Woest gooide hij zich achterover, begroef hij zijn gezicht in zijne
-handen en snikte. Neen, neen, o neen! Niet schieten, niet dooden, niet
-haten! Zóó was hij niet, zoo kon hij misschien één oogenblik zijn, maar
-zoo wàs hij niet! Hij hield van zijn volk: hij was zoo dankbaar als het
-jubelde, als hij het helpen kon. Hij zoû immers nooit op ze laten
-schieten! Hij wond zich nu maar op. Wat was er in zijne ziel iets
-anders voor hen allen, voor die millioenen, waarvan hij er misschien
-maar duizenden gezien had en maar honderden kende, dan éene groote
-liefde, die overal armen naar hen uitsloeg, om ze te omhelzen? Had hij
-dit niet gevoeld, daar in den zwarten nacht op het Therezia-plein?
-Waren haat en geweld voor hem? Neen, o neen; week was hij, misschien tè
-week, te weifelend, maar hij zoû ouder, hij zoû sterker worden; hij zoû
-willen willen, àllen zoû hij gelukkig maken. O, zoo ze maar van hem
-hielden, hem liefhadden met hunne groote massa van deinende, zwarte,
-schuimende menschenmenigte: zwarte melkweg van krioelende zielen,
-iedere ziel een vonk als zijne eigene; o, zoo ze hem maar liefhadden!
-Maar zij moesten hem niet haten, niet aanzien met zulke
-bloeddoorschoten oogen van haat, niet zulke grove, harige vingers slaan
-aan zijn hals, hem niet willen vermoorden, o God, willen slachten als
-een rund, met een gemeen mes, hem, hun aanstaanden vorst...!
-
-En hij voelde, dat ze hem niet hoorden en niet kenden en niet begrepen
-en niet liefhadden, die allen, en dat ze hem haatten, alleen uit
-instinct, omdat hij op hun troon geboren was!
-
-En zijne wanhoop, hierover, mat zich uit, grenzenloos, woestijn van
-zwarten nacht, die hij eeuwigheden ver om zich heen ried, en hij
-snikte, snikte, als een ontroostbaar kind, omdat dit zoo was, en
-wanhopiger worden zoû, iederen dag, die hem nader brengen zoû zijn
-toekomst van keizer en hùn toekomst: de treurige dag, die over eene
-verwoesting van oude wereld lichten zoû...
-
-Toen werd er geklopt aan eene kleine deur, die deur zacht
-opengemaakt...
-
-—Wie is daar? vroeg hij, verschrikt, voelende den inbreuk op etiquette;
-niet begrijpende, dat Andro door de antichambre niet kwam aankondigen,
-wie het ook zijn mocht.
-
-—Als Uwe Hoogheid vergunt...
-
-Hij herkende de zachte stem der hertogin, stond op, ging naar de deur.
-
-—Kom binnen, mevrouw...
-
-Zij kwam binnen aarzelend; voor de kille gangen van het kasteel had zij
-over haar gedecolleteerde borst een langen mantel omgeslagen...
-
-—Vergeef mij, Hoogheid, als ik inbreuk maak... als ik U stoor...
-
-Hij glimlachte, zeide van neen, verontschuldigde zijn kostuum, verrast,
-gestreeld...
-
-Zij zag, dat zijne oogen nat dreven.
-
-—Ik ben onbescheiden, sprak ze: maar ik kon het niet laten; ik wilde
-voor mij zelve weten, hoe U was, Hoogheid... Misschien heb ik U ook
-willen verrassen, ik weet het zelf niet. Iets drong mij... ik kon niet
-nalaten naar U toe te gaan. U is mijn gast en mijn kroonprins; ik
-smachtte er naar zelf te zien, hoe U was... Aan het diner hield Uwe
-Hoogheid zich goed, maar ik voelde...
-
-Hare stem vloeide zacht eentonig voort, als in druppelen van balsem.
-Hij vroeg haar te gaan zitten; zij deed zoo, hij zette zich naast haar;
-de donkere mantel gleed af en zij was prachtig, de borst bloot, sirene
-in haar parelmoêrachtig lichtgroen moiré. Het trof hem, dat zij de
-juweelen, die zij aan het diner gedragen had, al had afgelegd.
-
-—Ik woû stil tot U komen, door die deur daar, hernam zij; om U nog
-eens, tot U alleen, te zeggen hoe innig dankbaar ik ben, dat Uwe
-Hoogheid behouden bleef...
-
-Hare stem trilde; hare zwarte blikken werden vochtig; de schijn der
-groote kaarsen op zilveren luchters waterde over de zijde van haar
-toilet, speelde met zacht licht en dommelige schaduw in de modelleering
-van haar gelaat, in de glooiing van hare borst.
-
-Hij drukte hare hand; zij hield die vast.
-
-—Uw Hoogheid schreide, toen ik binnenkwam? vroeg ze zacht.
-
-Zijne tranen liepen nog; een snik schokte nog zijn lichaam omhoog.
-
-—Waarom? vroeg zij verder. Of ben ik onbescheiden...?
-
-Hij zag haar aan; in dit oogenblik had hij haar alles kunnen zeggen. En
-zoo hij zich inhield, gaf hij haar toch de essence zijner smart.
-
-—Ik was treurig, sprak hij, omdat ze mij schijnen te haten. Niets maakt
-mij zoo treurig, als hun haat.
-
-Zij zag hem lang aan, voelde zijn verdriet, begreep hem met haren tact
-van vrouw, met haar begrip van hovelinge, dat gerijpt was in de
-onmiddellijke nabijheid harer vorsten. Zij begreep hem: hij was de
-kroonprins, hij moest lijden zijn bizonder kroonprinselijk leed; een
-keizerskelk van smart moest hij ledigen. Het heugde haar, dat zij zelve
-geleden had, zoovele malen en zoo hevig, om liefde, vrouw van passie,
-die ze was; ze begreep, dat zijn leed anders was dan het hare, maar
-ontzettender zeker, daar het hem zoo jong al aangreep, en daar het niet
-was om zijn eigen éene ziel, maar om de millioenen zielen van zijn
-rijk! Ook zij had geleden, dat men haar niet liefhad; ook hij leed zoo.
-En zoo begreep ze hem, in éen oogwenk geheel en al, met geheel haar
-vreemd vrouwehart.
-
-Een trillend medelijden klom als nog niet gekende wellust haar op de
-borst, en als een innig zacht orakel sprak ze de woorden:
-
-—Ze haten U niet allen...
-
-Hij herkende hare sombere passieblikken van gisteren. Hij herinnerde
-zich haar zoen. Hij zag haar lang aan, even weifelend nog voor het
-onbekende. Toen breidde hij zijne armen uit, en als met een doffen
-schreeuw van wanhoop, schor van honger naar troost, riep hij haar tot
-zich in radeloosheid...
-
-—O, Alexa...
-
-Zij glimlachte eerst, glansde, wierp zich toen geheel in zijne jonge
-armen, verpletterde hem daarna aan hare bloote borst. Zij voelde zich
-als een maagd en als eene moeder samen. Maar toen hij zich vastklampte
-in wilde wanhoopspassie aan haar, voelde zij zich niets dan minnares.
-Ze wist, dat hij hare laatste liefde zoû zijn. Ze was er trots
-weemoedig om en helsch gelukkig. Als hagel kletterden hare zoenen op
-zijne oogen neêr...
-
-En in hunne liefde, dien nacht, mengden zij samen den alsem van wat zij
-beiden leden: elk zoekende den troost voor het leven in den ander.
-
-
-
-
-
-IX.
-
- Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid
- Othomar, Hertog van Xara, te Lycilië.
-
- Lipara, Imperiaal, April 18..
-
- Mijn lieve Broêr!
-
-Voor die vervelende couranten het je vertellen, wil ik je zeggen, dat
-onze geëerbiedigde Vader en Keizer, mij van morgen, op mijn tienden
-verjaardag, tot ridder van St. Ladislas geslagen heeft in de Ridderzaal
-van het paleis. Je begrijpt, hoe trotsch ik er op ben. Van de
-plechtigheid zal ik je maar niets vertellen, omdat je je die nog wel
-herinneren zal. Ik was zeer aangedaan, zoo tusschen al die groote
-ridders met hun lange, blauwe mantels, naar onzen Vader toe te wandelen
-en te knielen voor zijn troon; ik had mijn nieuwe uniform aan van
-luitenant van de Garde. De wapenkoning, de markies van Ezzera, hield de
-ridderwet voor op een kussen, waarop ik den eed zwoer. Ik zal wel wat
-klein geweest zijn, met mijn kleinen mantel—het kruis van St. Ladislas
-was er echter even groot op als bij alle anderen—ik voelde dat zij
-allen zoo op mij neêrkeken, en dat is geen prettig gevoel, als je de
-held van den dag bent. Maar ik ben natuurlijk ook de jongste ridder,
-dus mag ik wel wat kleiner zijn. Den degen, dien onze Vader mij gaf, is
-dan ook wat kleiner dan die van de andere ridders, maar het gevest is
-nog al mooi en schittert van kostbare steenen. Ik geloof echter, dat ik
-de scheede van jouw degen mooier gecizeleerd vind, maar als ik achttien
-jaar ben,—dat is dus over acht jaar!—krijg ik toch een anderen degen en
-natuurlijk een anderen mantel ook.
-
-Mama was vreeslijk ontsteld en zenuwachtig, toen zij van dien man
-hoorde, die je heeft aangevallen, en ze woû hebben, dat je dadelijk
-terugkwam, omdat het daar niet veilig scheen te zijn; en ze begreep
-maar niet, dat dat niet kon. Maar veilig, wat is er nu veilig! In den
-oorlog ben je toch ook niet veilig, en hier in het Imperiaal zelfs ook
-niet. Aan die veiligheid moet je maar niet zooveel denken, vind ik,
-maar natuurlijk: Mama is een vrouw, en daarom denkt ze anders dan wij.
-De standjes en de staat van beleg maken haar ook zenuwachtig, maar ik
-vind het wel aardig; het is nu alles militair, weet je? Die Von Fest is
-een flinke vent; het zoû me plezier doen, hem eens de hand te schudden
-en hem zelf te bedanken; nu ik dat niet kan doen, verzoek ik je
-nadrukkelijk het voor mij te doen, en het vooral niet te laten. Je weet
-zeker wel, door generaal Ducardi, dat Papa hem Commandeur van den
-Rijksappel wil maken; wat jammer, dat we hem niet ridder van St.
-Ladislas kunnen slaan, maar dan zoû hij natuurlijk Lipariër en geen
-Gothlander moeten zijn.
-
-Nu, lieve broêr, moet ik eindigen, want kolonel Fasti wacht mij voor de
-schermles. Doe mijn beste groeten aan Herman en generaal Ducardi, en
-groet de anderen voor mij; en wees zelf innig omhelsd door je
-liefhebbenden broêr
-
-
- Berengar.
- Markies van Thracyna,
- (Ridder van St. Ladislas.)
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Het was na de opening van het nieuwe Parlement; de zon vloeide als met
-rechte vakken gesmolten goud langs de witte paleizen der stad en
-blauwde alleen wat schaduw was, in de hoeken.
-
-In twee maal twee gelederen, opgesteld langs de trottoirs der
-hoofdstraten, die voerden van het Paleis der Parlementen tot het
-Imperiaal toe, stonden twee regimenten der infanterie, grenadiers, rood
-en blauw. Achter ze drong en woelde, joelde de menigte; alle vensters,
-open, wemelden vol gezichten; van alle balkons zag men toe. Een schot
-daverde van Wenceslasfort aan zee; de keizer keerde terug; compagnie na
-compagnie prezenteerde de infanterie het geweer...
-
-De lanciers voorop, blauw en wit, wemelend met wimpels aan de punt van
-de lans, zes escadrons. De geheele Garde van den Troon; wit, met
-kurassen van spiegelend goud, zonneflitsend boven het satijnzwart der
-hengsten, de hellebaard op de dij, omstuwend de zacht wiegelende
-galakoetsen, zwaar verguld en spiegelkristal, flonkerend en twee
-gekeizerkroond, met zes- en achtspannen van gepluimkopte schimmels. De
-paarden schuimen op hunne gebitten, ongeduldig, pezig gebogen de
-pooten, trappelend om den langzamen stap van ceremonie, over de
-verblindend vierkant geplaveide straten heen. In de eerste koets, de
-opperceremoniemeester, graaf de Threma; in de tweede met de kroon en
-het achtspan—en het gegons van gejuich stijgt op achter de haie der
-soldaten—de keizer, de uniform éen goud, den mantel hermelijn en
-scharlaken, de kroon op het hoofd. Het is de eenige maal, dat het volk
-hun keizer gekroond ziet.
-
-En het juicht. Maar de keizer groet niet terug; links en rechts,
-beurtelings, ziet hij door het kristal van de koets naar de menigte met
-een trotschen glimlach van zelfbewustheid en overwinning, en zijn
-gelaat, vol ras, vol kracht, koud van wil, trotsch van gezag, is
-ongenaakbaar in zijn glimlach als van een imperator, op zijn zegetocht.
-
-Zegetocht is ze, die gang van het Paleis der Parlementen naar zijn
-Imperiaal terug; zege over wat men hem betwistte, en waarop hij nu zijn
-zware hand gelegd heeft, hun allen toonende, dat de wil van hem alleen
-hen buigen kan naar zijn woord en wensch. En het gejuich stijgt luider
-op en luider uit die grillige menigte, bedwongen als een vrouw door een
-heerscher, dien zij nu aanbidt om zijn kracht, bewondert om zijne
-keizermacht, welke hij steunt van het Parlement tot zijn eigen paleis
-toe, als met een geheel leger, dat leeft op zijn wenk; en luider en
-luider, luider en luider, galmt het leve door den zonmiddag de marmeren
-huizen te boven, en de keizer glimlacht, glimlacht altijd, of zijn
-glimlach meent: juicht, ge kunt wel niet ànders dan juichen...!
-
-In de volgende koets de hertog van Xara, gemanteld, gekroond; strak
-staart hij over het galmend gewoel met den zelfden blik van zijne
-moeder over de volksmenigte. In de daarop volgende de nieuwe
-gouverneur-generaal der rezidentie, chef van het Militaire Huis van den
-keizer, de hertog van Mena-Doni, ruwer soldaat en minder hofman dan de
-Markies van Dazzara, en onder wiens militaire vuist de blanke
-rezidentie, als een geranselde slavin, krom heeft gekropen tijdens den
-staat van beleg, afgekondigd na éen enkel uur van ongeregeldheid, dat
-had durven volgen op het besluit van den keizer om het Huis der Standen
-te ontbinden. Zijn grove, zinnelijke mond glimlacht ook met den zelfden
-glimlach van den keizer, wiens ruwe kracht hij schijnt te
-verpersoonlijken, en ook hij schijnt te zeggen: juicht maar toe, roept
-maar: leve!
-
-Dan de volgende koetsen: De Rijkskanselier, graaf Myxila; de ministers;
-zeven onder hen de zelfde der twaalf, die hadden willen heengaan, de
-anderen onder de autoritairsten van den ouden adel van het Huis van
-Adel zelve gekozen!
-
-Juicht maar toe, roept maar leve...
-
-Achter de koetsen der opperhofdignitarissen de kurassiers van Xara, het
-eigen regiment van den kroonprins; daarachter een regiment der
-Colonialen: Afrikanen; moorwit als glimmend ebbenhout, de oogen kralen,
-de monden dik vooruit, in het mousseline-achtige sneeuw der burnoussen;
-achter hen twee regimenten huzaren op zware paarden, in hun lange
-groene jassen met gouden brandebourgs en hooge kolbakken.
-
-Is ooit het Parlement zoo geopend geworden, met zulk vertoon van
-strijdbare macht? En buiten de stad, op het hooge Marsveld, weet het
-volk niet, dat er troepen uit alle gouvernementen zijn samengetrokken,
-en er kampeeren, om de manoeuvres, die vervroegd zijn? En de sterkere
-bezetting der forten, het eskader in de haven? Voelt het volk zelve,
-dat het niet anders dan juichen kàn, en juicht het nu maar ook, zelve
-weêr gelukkig om zijn gejuich, met Romaansche buigzaamheid en
-zuidelijke inschikkelijkheid, en verliefd op den keizer om het gewicht
-van zijn pletterende vuist, den kroonprins beminnend om de sympathieke
-innemendheid van zijn doen in het Noorden; misschien wel: omdat zij hem
-interessant vinden na een mislukten aanslag op zijn leven?
-
-En het schijnt hun niet te deeren, dat zij door de, geweer
-prezenteerende, grenadiers heen noch den keizer, noch den kroonprins,
-groeten zien; zij juichen, hen, ondanks, òm hunne koelheid misschien
-beminnend; zij juichen als dollen...
-
-Langzaam gaat de stoet van ceremonie door de eindeloos lange
-hoofdstraten voort. De geheele stad, trots haar marmer, dreunt van den
-hoefslag der paarden, op het vierkant plaveisel. Tusschen de voorhoede
-en de eindelooze achterhoede schemeren de galakoetsen met hare
-schitterende Troongarde als iets van juweel, klein, weinig, zorgvuldig
-bewaakt. De cavalerie is op dit oogenblik de ziel van Lipara; de
-daverende stap haar hartslag, en tusschen de grenadiers en de hooge
-huizen, schijnt het samengedrongen, dóórjuichende volk nauwelijks
-ruimte te hebben tot ademen.
-
-De stoet nadert het Imperiaal. Langs het kolossale marmeren voorplein
-scharen zich de lanciers en kurassiers aan drie zijden, voor de
-zijvleugels en langs de facade. Vóór hen schaart zich de Garde. De
-Afrikanen sluiten het plein af...
-
-De koetsen rijden voor; de keizer is uitgestapt. Met den kroonprins aan
-zijne zijde, gaat hij door de vestibule, de trappen op. De galerijen
-van het paleis wemelen van gouden uniformen, een dicht gevolg stuwt
-zich achter Oscar en Othomar. De grootmeester van de garderobe met
-twaalf kamerjonkers treedt den keizer tegemoet, die, evenals de prins,
-de kroon aflegt; de mantels worden hun losgehaakt.
-
-Zij gaan naar de groote Witte Zaal, wit van de Corinthische zuilen, met
-vergulde kapiteelen; de keizerin, de prinses Thera, te midden van hare
-dames zijn daar. Het is een groote dag; de monarchie triomfeert met die
-zonne-apotheoze van parlementsopening over de dreiging van toekomst
-heen en duwt die toekomst zelve terug. De keizerin, in haar slepend
-licht violet fluweel, treed haar gemaal tegemoet en nijgt voor hem, in
-ceremonie. De prinses, de grootmeesteres, de dames nijgen...
-
-Buiten, vóór, is het plein nu gevuld met de menigte; een opgewonden
-volksgeschreeuw schalmeit tegen het onwrikbaar paleis op, als eene zee
-tegen een rots. De deuren van het middelbalkon worden geopend. De
-keizer en de prins zullen zich vertoonen...
-
-—Groet maar héel even, fluistert de keizer streng tot zijn zoon.
-
-De zon regent buiten goud neêr op het gewoel, kleurt het dwarrelig,
-bewegelijk, zuidelijke bont tusschen de witte, onbewegelijke
-voor-zijvleugels van het Imperiaal, waarvan de kariatyden roerloos
-neêrzien. De vorsten stappen op het balkon. De hoeden zwaaien naar hen
-op; het geschreeuw bulkt met éen luidruchtig vulgairen keelgalm naar
-boven en schoot door de open deuren tegen het verguld plafond en de
-zuilen der Witte Zaal aan. De keizerin verschrikt er om, verbleekt;
-hare adem stokt...
-
-Op het balkon groet de keizer van Liparië met een enkele wuiving van
-hand zijn opgetogen volk tegen, de hertog van Xara buigt licht het
-hoofd.
-
-
-
-
-
-II.
-
-Van Grondwetherziening en hervorming van het erfelijk Huis van Adel was
-geen sprake meer. De drie kwart constitutioneele meerderheid, door de
-Grondwet vereischt in het Huis der Standen om zulk een voorstel in
-overweging te kunnen nemen,—in den aanvang aanwezig,—bestond niet meer
-na de nieuwe verkiezingen. Oscar, aanstonds na zijne terugkomst uit
-Altara, had hun zijn durvende kracht getoond. De troepen verzameld om
-Lipara; nu goed, voor de manoeuvres, om den koning van Syrië, die komen
-zoû. De forten versterkt. Het eskader in de haven. Toen het keizerlijk
-besluit, dat het Huis der Standen eenvoudig... zoû worden ontbonden.
-Hoe ze geschreeuwd hadden, na de afkondiging van dat besluit, in
-couranten en op straat! Een oogenblik ’s avonds iets van een oproer.
-Maar de keizer, woedend, over het niet onmiddellijk krachtdadig
-optreden van den markies van Dazzara, had dezen den volgenden morgen
-zijne hooge ontevredenheid betuigd. De markies voelde, dat er met de
-ongenade van den keizer op zekere oogenblikken niet te spotten viel; de
-keizer deelde hem zelve op staanden voet zijn ontslag mede, en zeide,
-dat hij gaan kon. Verpletterd, de wanhoop in de oogen, verliet de
-markies het Imperiaal; op het voorplein kruiste zijn rijtuig dat van
-den hertog van Mena-Doni, luitenant-generaal der huzaren; hij zag den
-sensueelen Nerokop van den hertog, begeerlijk van ambitie, opgluren
-naar de façade van het paleis. De markies had zich in den hoek van zijn
-rijtuig teruggegooid en handen gewrongen, geweend als een kind...
-
-Dien zelfden morgen werd Lipara in staat van beleg verklaard; de hertog
-van Mena-Doni tot gouverneur der rezidentie benoemd. Met groot militair
-vertoon en drie woorden toespraak ontbond de keizer het Huis der
-Standen. Het volk trilde, afgezweept, neêrgeranseld, tot kruipen
-gebracht aan de keizerlijke voeten. De nieuwe verkiezingen werden
-uitgeschreven. Moest het volk getuchtigd worden om zijn keizer lief te
-krijgen? Was het om de tallooze artikels in de couranten der
-Noordelijke gouvernementen, Altara, Vaza en Lycilië, die geheel hare
-sympathie schonken aan hun allerinnemendsten, weldoenden kroonprins,
-onvermoeid overal zijnde en lenigend wat hij kon? Was het om de
-kolossale fabelachtige giften van millioenen uit de keizerlijke kas
-zelve geschonken voor de slachtoffers van de ramp? De uitslag der
-verkiezingen werd bekend; het Nieuwe Huis der Standen telde eene
-machtelooze luttele meerderheid van constitutioneelen. Wat hielp het of
-de liberale bladen schreeuwden van geknoei en pressie! Buiten en binnen
-de stad lag het leger; iederen dag vertoonde zich de keizer, en aan
-zijne zijde, de hertog van Mena-Doni...
-
-De keizer verzocht het oude Ministerie te blijven, maar ontsloeg de,
-niet volstrekt autoritaire, ministers.
-
-De crizis was ten einde. Op het Marsveld zouden de groote
-voorjaarsmanoeuvres plaats hebben, zoodra de koning en de koningin van
-Syrië te Lipara waren.
-
-In Othomar rees eene hooge bewondering voor zijn vader. Hij had hem
-niet lief, met de teederheid, de vertrouwelijkheid, bijna nog
-kinderlijke aanhankelijkheid, waarmeê hij de keizerin liefhad; hij had
-altijd tegen hem opgezien, was als kind bang voor hem geweest. Nu, na
-den persoonlijken moed, dien hij den keizer had zien betoonen, de
-heerscherskracht, die hij had uitgeoefend, rees zijne Majesteit voor
-Othomars oogen hooger als met de gestalte van een halfgod. Zichzelven
-voelde hij daar klein mensch bij, als hij dacht: wat zoû ik gedaan
-hebben, als ik hierin had moeten doen? Had ik dadelijk het besluit
-durven nemen van eene ontbinding der Standen, en zoû ik niet gevreesd
-hebben voor een onmiddellijke revolutie in alle deelen des lands? Zoû
-ik, na de ongeregeldheden, dadelijk den markies van Dazzara hebben
-kunnen ontslaan, als een lakei hebben durven wegzenden, verknocht als
-hij was aan ons Huis, en stammende uit onzen roemrijksten adel! Zoû ik
-dien hertog, dien condottiere, met zijn wreeden kop, nog vóor ik den
-markies had ontslagen, reeds tot mij hebben durven roepen, zoodat de
-een kwam, toen de ander wegging!
-
-En, in zijne verbeelding, zag hij zich reeds weifelen; niet weten, wat
-het beste, vooral niet wat het rechtvaardigst zoû zijn; stelde hij
-zichzelven voor: geraden door den ouden graaf Myxila, ten laatste dan
-besluiten de Standen te ontbinden, maar den markies niet ontslaan.
-Lipara niet in staat van beleg verklaren, en de troepen te laat
-verzamelen, en de revolutie tegelijkertijd overal zien ontknallen als
-met bom op bom...
-
-Het rechtvaardigste, dit scheen hem het allermoeilijkst te doen voor
-een vorst.
-
-Maar de monarchale zege van den keizer maakte dat, hoe waar hij ook in
-zichzelven zijne zwakte zag, een weêrschijn van kracht en beslistheid
-op hem afstraalde van zijn vader zelven, aan wiens zijde hij stond.
-Daarbij had hij niet veel tijd tot peinzen. Iedere dag bracht zijne
-eigenaardige plichten meê. Nauwelijks éen enkel uur eenzame rust kon
-hij zich maken. Hij was gewend aan dit leven van zich altijd bewegen,
-zich altijd voordoen, nu hier, dan daar, er zoo aan gewend dat hij niet
-voelde de vermoeienis, die hem reeds vóór de tournée in het Noorden
-afmatte, en zich als ingekankerd had in zijn merg en zijne zenuwen. Hij
-dacht over die vermoeienis niet na, beschouwde ze misschien als eene
-organische loomte, iets tijdelijks, dat wel zoû overgaan. En iedere dag
-bracht het zijne. Zoo was hij gewend vroeg op te staan, altijd om zeven
-uur; Lipara lag dan nog in haren rozen sluimer van morgenlicht, stil
-wit; hij reed dan op zijn volbloed Arabier, zwarten Emiro,—even achter
-zich zijn lievelings-Schotschen-herdershond, meê galoppeerend, den
-spitsen snuit gestrekt, den kraag van haren hoog opgezet—; zonder
-adjudanten ging hij het park van het Imperiaal door, naar de
-Elizabethparken—des middags het rendez-vous der elegante equipages en
-cavaliers,—des morgens stil en wijd verlaten, met nauwelijks éen
-enkelen vroegen ruiter, die eerbiedig voor den prins front maakte en
-den hoed diep afnam. Dan reed hij langs de witte kaden met hare villa’s
-en palmen, hare terrassen en aloë’s en de onvergelijkbare haven lag
-voor hem, steeds intenser opblauwend onder het roze licht van den
-morgen, dat straffer werd. Verder op, de dokken, de schepen; daar
-gonsde er al de werkzaamheid. Langzaam stapte hij de haven langs; in de
-portieken der villa’s zag hij soms iets van de figuur eener vrouw, en
-hare oogen hem nakijken door rozen en clematis heen. Die rit was hem
-lief, om de zachte frissche lucht, om zijn paard, zijn hond, om de
-eenzaamheid met hen beiden, om de lange stille kaden, den wijden
-stillen hemel, den verren horizont, die nog even nevelde in laatsten
-morgenmist. De morgenbries aanwaaide zijn voorhoofd onder zijn
-uniformpet; de gedachten dwaalden doelloos door zijn brein. Dan schudde
-hij zich los uit dien wellust, reed terug naar de stad en ging naar de
-Xaveriuskazerne, die der lanciers, naar de Wenceslaskazerne, der
-grenadiers of naar de Berengarkazerne, die der huzaren. Hier vroeg hij,
-onderzocht hij, inspecteerde hij, en vond er zijne adjudanten, Dutri en
-Leoni; met hen reed hij terug naar het paleis, en begaf zich naar het
-kabinet van zijn vader; het was het uur, dat graaf Myxila bij den
-keizer kwam, en de staatszaken met den Rijkskanselier behandeld werden;
-de kroonprins was daarbij den laatsten tijd tegenwoordig. Dan zocht hij
-de keizerin op, die hem wachtte; het was meestal een allerliefst
-moment, dat zij samen vertrouwelijk waren vóór het lunch; vol charme
-van intimiteit. Dicht zat hij naast haar op een lagen stoel, nam hij
-hare hand, stortte de bezwaren van zijn hart bij haar uit, deelde haar
-mede zijn onrust over de toekomst, over zichzelven als hij later zoû
-dragen de kroon. Zijne oogen tuurden dan onder op door hunne wimpers,
-met hunne zwarte melancholie; zijne stem klaagde en vroeg om troost. En
-zij bemoedigde hem; zij zeide, dat niets gebeurde, dan wat gebeuren
-moest, dat alles noodzakelijk was in de groote, schalm aan schalm
-aaneengeschakelde, wereldorde; dat hij af moest wachten, maar
-tegelijkertijd naar zijn eigen gevoel zijn plicht moest doen, en dat
-hij zich niet ontzenuwen moest, door zulk eindeloos, niets oplossend
-gepeins. Hij zeide haar, dat hij zoo bang was voor zijne eigen
-weifelingen, en hoe hij vermoedde, dat zijne besluitnemingen altijd te
-laat zouden komen en zij antwoordde hem zacht lachend, dat zoo hij zóo
-goed zijne eigen gebreken kende, hij zich moest trainen in beslissen;
-hij vroeg haar naar de rechtvaardigheid—de onmogelijkheid voor hem op
-aarde—zij wees hem op zijn eigen gevoel van menschelijke ziel. Maar
-toch, hoe innig zoet deze uren waren, hij voelde, dat hij de zelfde
-bleef onder hun gewissel van woorden, en dat, zoo de woorden gewisseld
-waren, er niets in hem veranderd was. Hierom vond hij zich slecht en
-meende hij, dat hij zijne moeder niet genoeg liefhad, met niet genoeg
-overtuiging. Dan zag hij haar aan, zag haar glimlachen, ried onder
-haren glimlach dien nerveuzen angst, die haar nooit meer los zoû laten,
-en voelde, dat zij zoo alleen sprak om hèm, om hem op te beuren en niet
-uit overtuiging. En de gedachten dwaalden niet meer losjes door hem
-heen, als op zijn morgenrit aan de kaden: ze vielen als fijne nevels op
-elkaâr in zijn verbeelden en vormden zijn weemoed.
-
-Het lunch was intiem. Na het lunch pozeerde hij een uur voor Thera, die
-schilderde en zijn portret maakte. In den namiddag waren er altijd
-verschillende bezigheden; tentoonstellingen, liefdadige instellingen,
-inrichtingen van allerlei aard te bezoeken, den steen te leggen van een
-gebouw, een oorlogschip te laten loopen van stapel. Iedere minuut was
-gevuld, en iederen dag vulde zijne minuten anders dan de vorigen. Het
-diner werd altijd met groote etiquette en splendeur gebruikt; iederen
-dag waren er talrijke genoodigden, diplomaten, hooge ambtenaren,
-officieren. Het duurde lang, was iederen dag het ceremonieel gastmaal
-van een keizer. Dan des avonds de feesten aan het hof, of ten huize der
-ambassadeurs of dignitarissen; de comedies en concerten. De prins bleef
-echter nooit laat. In zijn eigen kabinet zat hij dan nog een paar uur
-te lezen, te werken; hij ging om twaalf uur naar bed.
-
-Aan dit leven van eentonige afwisseling was hij gewend, er in gegroeid.
-Zoodra hij van Lycilië terug was te Lipara—de stad toen nog in staat
-van beleg—wachtte het hem drukker dan ooit; de opening van het
-Parlement was gauw op zijne terugkomst gevolgd. De keizer was tevreden
-geweest over de houding van den kroonprins in het Noorden, misschien om
-den lof, die de Noordelijke couranten den hertog van Xara, vol
-sympathie, schonken; om zijn oogenblik van populariteit. Hij wilde zijn
-zoon meer en meer laten deelen in de staatszaken en sprak meer met hem
-over ze, alleen of met den Rijkskanselier. De strenge maatregelen
-echter van ruw geweld, die de hertog van Mena-Doni genomen
-had,—hijzelve te Lipara, en zijne officieren te Thracyna: hevige
-charges der huzaren op de dringende menigte—waren Othomar tegen
-geweest: hij had ze met wanhoop en smart vernomen, en toch geweten, dat
-met zachtheid niets ware verkregen. En in zijn opzien tegen den keizer,
-als tegen een halfgod van wil en van kracht, mengde zich iets van
-antipathie en onwil, dat hem van zijn vader stiet, en moeilijk maakte
-gedachtewisseling tusschen hen beiden.
-
-Nu, na de opening van het Parlement, was de stad, het geheele land,
-kalm geworden; de troepen echter bleven op het Marsveld, voor de
-aanstaande manoeuvres. De komst der Syrische vorsten was bepaald.
-Othomars dagen volgden zich weêr op als vroeger. Verschillende diners
-werden hem aangeboden, door de officieren der Garde van den Troon, en
-der andere corpsen, waarin hij zijn rang bekleedde. Ja, het was zijn
-oogenblik van populariteit. Men citeerde reeds, dat zijn bijnaam later
-zoû klinken als Othomar de Weldadige. In deze dagen legde hij den
-eersten steen van een groot Huis der Armen, tot welker stichting de
-erfenis van een schatrijken, kinderloozen hertog—een der oudste
-geslachten van Liparië, dat uitstierf,— millioenen had bijgedragen.
-
-Othomars zachtheid maakte een innemend contrast met de, juist
-uitgeoefende, ruwe kracht van Oscar. Hijzelve was echter innerlijk zeer
-verbaasd over zijn roep van weldadigheid; hij deed gaarne goed, maar
-voelde zucht tot goed-doen niet als hoofdtrek van zijn karakter in
-zich. Hij voelde integendeel géen hoofdtrek in zich.
-
-Na het diner hem door de officieren van den Staf aangeboden, zoû
-Othomar des avonds met Ducardi, Dutri en Leonie gaan naar den hertog
-van Yemena, om den opperhofmaarschalk officieel dank te zeggen voor de
-gastvrijheid hem op Castel Vaza betoond. De hertog bewoonde in Lipara
-een groot nieuw hôtel; zijn oud familiehôtel was te Altara.
-
-Het was negen uur. De kroonprins werd nog niet verwacht. De hertog en
-de hertogin echter ontvingen reeds hunne invité’s; de hertogin had,
-toen Othomar zijn bezoek had doen aankondigen, talrijke uitnoodigingen
-gedaan. De ruime receptiesalons vulden zich. Bijna geheel het corps
-diplomatique was tegenwoordig; enkele der ministers en groote charges
-van het hof, met hunne dames; de oude gravin Myxila en hare dochters,
-tal van officieren. Het was de intime kring van het Imperiaal; eene
-brutale gemeenzaamheid ging onder hen om, met het sans-gêne, dat in de
-mode was.
-
-Bij de hertogin stonden Lady Danbury, de vrouw van den eersten
-Engelschen secretaris en de markies van Xardi, de zoon van den hertog.
-Zij praatten druk over de Dazzara’s.
-
-—Ik heb ze gezien, zei Lady Danbury. Het is verschrikkelijk,
-verschrikkelijk. Ze wonen nu op Castel Dazzara, die oude ruïne in
-Thracyna, met hun vijf dochters, poor things! De plafonds vallen in.
-Drie kromme oude bedienden in liverei, en de liverei ouder nog dan de
-bedienden. En schulden, naar men zegt, schulden! Ik stond verbaasd, dat
-de markiezin zóo oud was geworden: ze heeft het zich vreeselijk
-aangetrokken, schijnt het.
-
-—Oud geworden? vroeg de hertogin. Ik vond haar nog zeer jong, den
-laatsten keer, dat ik haar zag...
-
-Ze haatte Lady Danbury, die lang, mager en spits van trekken was, en
-iets had van een gracieuze adder. En ze vervolgde:
-
-—Ze zag er nog zoo goed uit; ze is tenger, maar ze heeft een prachtigen
-hals... Ik begrijp heusch niet, dat ze zóo oud kan zijn geworden...
-
-En als peinzende over dit raadsel, tuurt de hertogin naar de te magere
-schouders van Lady Danbury.
-
-De oogen van Xardi schitteren; hij vermoedt een schermutseling.
-
-—Men zegt, dat de markies un de vos intimes was, vroeger, niet waar?
-insinueert de Engelsche. Het hatelijke “vroeger” valt Xardi echter
-tegen.
-
-—Ik hoû veel van de Dazzara’s, zegt de hertogin; maar... en ze lacht
-geheimzinnig met bedoeling; hij is altijd een ongeluksvogel geweest...
-
-—Zijne Excellentie, den hertog van Mena-Doni! kondigt de hofmeester
-aan.
-
-—De opgaande zon! fluistert Xardi tot Lady Danbury.
-
-Mena-Doni buigt zich reeds voor de hertogin, die hem tegenlacht. Lady
-Danbury, aan de zijde van Xardi, is doorgegaan.
-
-—En de geluksvogel, denkt u? vraagt ze.
-
-—O neen! zegt Xardi beslist. Ten minste, niet heelemaal...
-
-Ze zien elkaâr aan, en lachen.
-
-Keizerlijke adelaren blijven toch de mooiste vogels, niet waar?
-schertst Lady Danbury.
-
-—Wat weet u daarvan?
-
-—Helaas, mijn nederige persoon niets. Eer ik het zoover in zoölogie
-breng...!
-
-—Maar wat heeft u dan gehoord?
-
-—Wat iedereen hoort, als Dutri niet zijn mond kan houden.
-
-—Omtrent wat?
-
-—Omtrent zeker teeder afscheid op Castel Vaza...
-
-De markies van Xardi schatert van het lachen. Lady Danbury klemt in
-eens zijn arm.
-
-—Zeg, Xardi, ik weet wel mindere tengere personen, dan de markiezin van
-Dazzara, die zouden vervallen om de keizerlijke disgrâce. Et toi?
-
-De markies lacht luid meê, en:
-
-—Zelfs maar een kroonprinselijke... fluistert hij, achter den
-Watteau-waaier van Lady Danbury; ze proesten van het lachen samen.
-
-—Zijn Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara; hunne Excellenties,
-graaf Ducardi, prins Dutri, de markies van Leoni! luidt het plechtig,
-langzaam aangekondigd.
-
-Er ontstaat eene lichte emotie in de groepen. Men schaart zich en haie
-door de zaal; een paar dames verwarren zich in hare slepen en lachen.
-Zoo wacht men.
-
-Othomar verschijnt aan de opene deur; Ducardi, Dutri en Leoni zijn
-achter hem. De oude hertog haast zich den prins tegemoet; de markies
-van Xardi heeft Lady Danbury haastig haren waaier in de hand geduwd, en
-voegt zich bij zijnen vader.
-
-De oude hertog is een fijne magere man, vol geäffineerd ras, met geheel
-gladgeschoren gelaat; hij is eenvoudig in rok, met het breede groene
-Commandeurslint van den Rijksappel dwars over de borst, en het
-grootkruis van St. Ladislas om den hals.
-
-Othomar draagt zijn groot-uniform van chef van het regiment der
-kurassiers van Xara: zilver, rood en wit. Zijn helm met vederbos houdt
-hij onder den arm. Hij drukt den hertog de hand, spreekt hartelijke
-woorden tot hem. Maar in de naïveteit zijner jongensziel voelt hij
-bittere wroeging knagen aan iets van geweten, nu hij zoo spreekt van
-Castel Vaza, nu hij de innige betuigingen van den hertog aanhoort. Ook
-den markies van Xardi drukt Othomar de hand.
-
-Nu is ook de hertogin nader gekomen en begroet zij den kroonprins met
-hare beroemde nijging. Lady Danbury benijdt heure gratie en vraagt zich
-af, hoe ze mogelijk is met die sculpturale vormen: ze kan zich niet
-ontkennen, dat de hertogin van Yemana een splendide vrouw is...
-Tusschen den hertog en de hertogin gaat de prins door de haie der
-gasten, die buigen; de markies van Xardi volgt met de adjudanten.
-
-Othomar heeft de hertogin na zijn terugkeer in Lipara wel eenige malen
-in het Imperiaal gezien, maar niet alleen. Zij wisselen nu hoffelijke
-woorden, met officieele stembuiging en klank. De groepen vormen zich
-weêr, als op een intimen raôut.
-
-De hertogin is met Othomar verder gegaan, tot de lange serre toe,
-weinig verlicht, groen schemerend, met het voornaam palmgeblader der
-groote planten, met het fijn gewemel der bamboezen, die tegen de
-vierkante ruiten parelen dauw aanademen. Zij zwijgen een oogenblik,
-zien elkaâr aan. En Othomar voelt, dat zijne aandoeningen om deze vrouw
-niets zijn dan vluchtende momenten, wolkjes in zijne ziel. Het
-onbekende is voor hem opengegaan, maar werd hem désilluzie. Toch is hij
-haar dankbaar voor wat zij hem gaf: den troost harer passie, toen zijne
-oogen nog nat van verdriet waren. Zij heeft hem gesterkt door dien
-troost en hem man gemaakt. Maar alles in het leven is dubbel en zijne
-dankbaarheid heeft eene weêrzijde van zonde; hij ziet den hertog ginds
-een druk gesprek, onderlijnd met fijne, prezieze gebaren, houden met
-Ducardi; en de wroeging vlijmt zacht zijne jongensziel.
-
-En naast zijne dankbaarheid, voelt hij zijne désilluzie. Liefde, is dit
-liefde...? Hij voelt niets; in zijne ziel is niets nieuws gekomen. Hij
-ziet hoe heerlijk mooi de hertogin is, in haar ivoorkleurig broché, den
-sleep met donker bont omzet, de borst vierkant ontbloot, een ris
-parelen om den hals. Het half-licht zweemt door de planten
-sprookjesachtig groen langs haar heen met zachte dommeling en schaduw
-vol geheim; haar gelaat is fijn glimlachend op den achtergrond van
-gedoezeld donker. Hij herinnert zich haar zoen en de dolle omhelzing
-harer armen. Ja, het was een zalige ontzenuwing, een dronkenschap van
-het vleesch, nog niet gekende bedwelming, fyzieke troost. Maar liefde,
-was het liefde...? En hij moest wel besluiten: misschien is het liefde,
-en al voelt hij het gemis in zijne ziel, hij besluit toch: ja,
-misschien is het dat... liefde.
-
-—En wanneer zie ik Uwe Hoogheid weêr? fluistert ze.
-
-De vraag is ruw gedaan en verwondert hem. Maar deze enkele seconde van
-even-alleen-zijn is der hertogin zoo kostbaar, dat zij wel niet anders
-kan. Ze ziet zijne verwondering en aanbidt hem om zijne naïveteit. En
-hare oogen zien hem zoo dringend aan, dat hij antwoordt:
-
-—Morgen dineer ik bij den Franschen gezant; daarna ga ik naar de
-opera... Kan ik u om elf uur hier vinden?
-
-Hij verwondert zich om den logischen gang zijner gedachten, om zijn
-vraag, die hem zoo vreemd in de ooren klinkt. Maar zij antwoordt,
-verlegen lachend:
-
-—In Godsnaam, Hoogheid; hier niet, om elf uur! Hoe zoû dat kunnen...!
-Maar... kom bij... Dutri...
-
-Ze stamelt het; ze herinnert zich het weelderige appartement van den
-adjudant en ziet er zich terug... met anderen. En in hare verwarring
-merkt ze niet, dat ze hem zeer pijn heeft gedaan en zijne
-teêrgevoeligheid als met scherpe nagels gekrast heeft; vooral merkt ze
-dit niet, omdat hij antwoordt, verward:
-
-—Goed...
-
-Zij komen lachend, met hunne officieele, blanke stemmen terug, wandelen
-langzaam; hij, zoo jong in zijn gezilverde uniform, den helm, waaraan
-de veeren hangen, onder zijn natuurlijk bevallig geronden arm; zij,
-opluikend in glans, den ivoorkleurigen sleep lang slepend achter haar
-aan, den waaier van pluimen en brillant op en neêr slaand op haar borst
-met het grein van Carrarisch. Alle oogen zien naar ze en letten den
-triomf der hertogin op...
-
-En Othomar weet nu, dat zijne “liefde” zal worden, wat men een liaison
-noemt, en waarvan hij hoorde van die en van die, en waarvan hij las in
-romans. Hij had zich deze regeling zoo nog niet voorgesteld. Hij weet
-niet hoe hij aan Dutri zeggen zal, dat hij der hertogin ten zijnent
-rendez-vous heeft gegeven, en als hij denkt aan den adjudant, brokkelt
-iets van zijn ingeboren vorstelijkheid af als met kleine stukjes marmer
-of albast van een tengere zuil...
-
-Den hertog en den generaal naderend, spreekt hij over de aanstaande
-manoeuvres. De hertogin ziet hij nu op een afstand en Mena-Doni buigt
-zijn Nero-kop tot vlak bij haar gelaat. In zijne groote antipathie voor
-dien man mengt zich jaloezie. En terwijl hij glimlachend naar den
-hertog van Yemena hoort, meent hij nu zeker te weten, dat zijne liefde
-toch wel liefde is, omdat er jaloezie bijkomt.
-
-
-
-
-
-III.
-
-Den volgenden morgen, toen Othomar alleen paard reed, dacht hij den
-geheelen tijd aan Dutri. De moeilijkheid van een gesprek met zijn
-adjudant, scheen hem iets onoverkomelijks. Zijn hart klopte nu hij
-Dutri ontmoette, die hem wachtte in de Xaverius-kazerne. Maar de jonge
-officier wist hem in te fluisteren, zóo kalm hoffelijk, alsof dit alles
-de eenvoudigste zaak ter wereld was:
-
-—Ik sprak de hertogin van Yemena, Hoogheid... Hare Excellentie zei me,
-dat Uwe Hoogheid haar in het geheim wilde spreken, en mij de eer
-aandeed... Neemt Uwe Hoogheid dezen sleutel...
-
-Othomar nam werktuigelijk den sleutel aan. Zijn gelaat bleef strak,
-ernstig, maar inwendig voelde hij zich zeer verstoord op de hertogin,
-en begreep hij niet, hoe en waarom zij Dutri in hun geheim haalde. De
-eenvoud en gemakkelijkheid, waarmeê zij dit blijkbaar gedaan had,
-bliksemde hem als iets ontzettends toe. Eene wanorde scheen door zijn
-hoofd te dwarrelen, alsof de hertogin en Dutri er allerlei vastgezette
-denkbeelden van zijn jeugdig nadenken, met éen adem, hadden door elkaâr
-geblazen. Hij dacht aan den ouden hertog. Hij vond dit alles slecht.
-Hij wist, dat Dutri een jonge losbol was; hij hoorde door hem de
-geheele chronique-scandaleuze van het hof, maar hij had nooit de helft
-geloofd van wat Dutri vertelde, en den adjudant dikwijls stroef gezegd,
-dat hij er niet van hield zoo te hooren kwaad spreken van menschen, die
-zij iederen dag zagen en die verknocht waren aan zijn Huis. Nu scheen
-het hem toe, dat alles wat Dutri verteld had, waar kon zijn, en dat er
-nòg erger dingen konden gebeuren. Deze sleutel, met zulken hoffelijken
-eenvoud, met dit gemak van libertijn aangeboden, scheen hem een
-voorwerp van schroeiende schande. Hij schaamde zich het ding reeds in
-zijn zak te hebben gestoken...
-
-Hij ging echter verder. De sleutel brandde hem, terwijl hij sprak met
-generaal Ducardi, en, terug, in het Imperiaal, met zijn vader en
-Myxila. Vóor hij de keizerin op zoû zoeken, die hem reeds wachtte,
-sloot hij den sleutel weg in zijne schrijftafel; langzaam, een schaduw
-over zijn voorhoofd, ging hij daarna pas voor pas, de lange galerijen
-door, naar de appartementen der keizerin. In de antichambre rees de
-hofdame op, boog, klopte aan de deur en ontsloot die:
-
-—Zijne Hoogheid, de Hertog van Xara...
-
-Stil sloeg Othomar een kruis, als kwam hij een kerk binnen.
-
-—Moge God en Zijne Moeder mij vergeven! mompelde hij tusschen zijne
-lippen; toen trad hij binnen bij de keizerin.
-
-In het groote vertrek zat zij alleen, bij een der open ramen, die op
-het park zagen; zij droeg een zeer eenvoudigen, gladden donkeren japon.
-Het trof hem hoe jong zij er uitzag, en hij dacht er aan, dat zij
-jonger was dan de hertogin. Een aureool van delicate reinheid scheen om
-hare tengerlange gestalte te trillen als een atmosfeer van licht, en
-gaf haar eene hoogheid, die niet om andere vrouwen scheen. Zij
-glimlachte hem toe en hij kwam langzaam nader en kuste haar de hand.
-
-Zij had hem dien dag nog niet gezien, nam zijn hoofd tusschen hare
-slanke, koele handen en kuste hem.
-
-Hij zette zich naast haar op een lagen stoel.
-
-Toen streek zij met de hand over zijn voorhoofd.
-
-—Wat is er? vroeg ze.
-
-Hij zag haar aan en zeide, dat er niets bizonders was. Verder zag ze
-niet: hij bracht haar wel meer een bewolkt voorhoofd mede. Nog eens
-streek ze er over heen.
-
-—Ik heb papa beloofd ernstig met je te praten, Othomar, sprak ze.
-
-Hij keek tot haar op.
-
-—Hij vond het beter, dat ik met je sprak, omdat hij zelve oordeelde,
-dat ik gemakkelijker met je kon spreken. Hij is anders heel tevreden
-over je, mijn jongen, en verheugt er zich in, dat je zoo een klaar
-oordeel hebt, soms, over sommige staatszaken.
-
-Dit oordeel zijns vaders verbaasde hem.
-
-—En waarover beloofde u met me te spreken?
-
-—Over iets heel, heel gewichtigs, sprak ze met een zachten glimlach.
-Over je huwelijk, Othomar.
-
-—Mijn huwelijk...?
-
-—Ja, mijn jongen... Je wordt twee-en-twintig. Papa is wel veel later
-getrouwd, maar hij had veel broêrs. Ze zijn gestorven. Oom Xaverius is
-in zijn klooster. En wij... papa en ik, we zullen wel geen kinderen
-meer krijgen, Othomar.
-
-Ze had hare armen om zijn hals gelegd en trok hem naar zich toe: ze
-fluisterde:
-
-—We hebben niemand dan jou, mijn jongen en onzen kleinen Berengar.
-En... papa vindt, dat je daarom trouwen moet. We moeten een erfprins
-hebben, een Graaf van Lycilië...
-
-Zijne oogen werden vochtig; hij legde zijn hoofd tegen haar aan.
-
-—Twee om keizer te worden; Berengar, als ik er niet meer zijn mocht; is
-dat niet genoeg, mama?
-
-Ze schudde glimlachend het hoofd van neen. Neen, dat was niet genoeg
-zekerheid voor het Huis van Czyrkiski-Xanantria.
-
-—Mama, zeide hij zacht; als sociologen spreken over de sociale
-quaestie, betreuren zij het, dat er onder het proletariaat zooveel
-kinderen worden geboren en noemen zij de arme ouders, die niets hebben
-dan hunne liefde, zelf verantwoordelijk voor de meerdere ellende, die
-zij met die kinderen in de maatschappij veroorzaken. Treft dit verwijt
-eigenlijk ook ons niet? Of vindt u een keizer zoo gelukkig?
-
-Haar voorhoofd betrok.
-
-—Je bent in een van je sombere buien, Othomar. In Godsnaam, mijn
-jongen, geef je daar toch niet aan toe. Filozofeer zoo niet, neem het
-leven op, zooals het je gegeven is. Dit is de eenige manier, om het te
-dragen. Denk er niet over na of je later gelukkig zal zijn als keizer,
-maar neem aan, dat je keizer worden moet.
-
-—Goed, ik, maar waarom kinderen, mama?
-
-—Welke vorst laat zijn huis uitsterven, Othomar! Wees niet dwaas. Hecht
-aan traditie, dat is voor ons alles. Heb over die quaestie niet zulke
-vreemde denkbeelden. Ze zijn niet die van een aanstaanden—ik had bijna
-gezegd—alleenheerscher; ze zijn niet die van een vorst. Niet waar,
-Othomar, je begrijpt, je móet, je móet trouwen...
-
-Hare stem klonk beslister dan gewoonlijk, bijna hard.
-
-—En, beste jongen, ging zij door; zegen de omstandigheden en trouw nu,
-zoo gauw mogelijk. De politiek met het buitenland staat op het
-oogenblik zóo, dat er geen bizondere aanwijzingen voor je huwelijk
-zijn. Je kan zoo iets als kiezen. Want je bent de kroonprins van een
-groot rijk, mijn jongen, van een van de grootste rijken van Europa...
-
-Hij wilde spreken, ze ging haastig voort:
-
-—Ik herhaal je: je kan—bijna—kiezen. Je weet niet, hoeveel dit is.
-Apprecieer dat, apprecieer de omstandigheden. Reis naar de hoven van
-Europa, die in aanmerking komen. Zie uit je oogen, doe je keuze. Er
-zijn lieve prinsessen van Engeland, van Oostenrijk...
-
-Othomar sloot zijne oogen even, of eene vermoeidheid hem afmatte.
-
-—Later, mama... fluisterde hij.
-
-—Neen, mijn jongen, zei de keizerin: niet spreken van later, niet
-uitstellen. Denk er nu over na. Denk hoe je je reis nemen wilt en wie
-je meê wilt nemen en praat er over met papa en Myxila. Beloof je me
-dat?
-
-Hij drukte zijn hoofd even tegen haar aan en beloofde het, met een
-glimlach vol moêheid.
-
-—Wat is er toch, mijn jongen? vroeg ze. Zeg dan, wat is er toch?
-
-Zijne oogen werden vochtig.
-
-—Ik weet het niet, mama. Ik ben soms zoo moê...
-
-—Ben je niet wel?
-
-—Jawel, dat wel, maar ik ben zoo moê...
-
-—Maar waarvan dan toch, mijn kind?
-
-Hij begon zacht te snikken.
-
-—Van... van alles... mama.
-
-Zij zag hem lang aan, schudde langzaam, afkeurend haar hoofd.
-
-—Vergeef me, mama, stamelde hij en hij veegde zijne oogen af; ik zal er
-niet meer aan toegeven...
-
-—Dat heb je me al eens meer beloofd, Othomar.
-
-Als een kind drukte hij weêr zijn hoofd tegen haar aan.
-
-—Neen, heusch, betuigde hij, vleiend; ik zal er me heusch tegen
-verzetten. Het is niet goed van me, mama. Ik zal me meer ophouden: ik
-zal sterker worden, ik zweer het u, voor ú zal ik sterker worden...
-
-Ze zag hem weêr lang in de oogen, met haren reinen glimlach. Innige
-teederheid ging van haar uit op hem; hij voelde, dat hij nooit iemand
-zóo zoû liefhebben als die moeder. Toen nam zij hem in beide hare armen
-en drukte hem tegen zich aan.
-
-—Ik neem je belofte aan, en ik dank je... mijn arme jongen! fluisterde
-zij in haren zoen.
-
-Op dit oogenblik klonk er een jong gegons van stemmen, als van
-losgelaten vogels, uit het park, door de open ramen heen. Getrippel van
-vele kleine voeten knarste op het grint. Een hooge schelle kinderstem
-klonk op eens met woedende woorden uit de anderen op; de anderen
-zwegen...
-
-De keizerin was met een electrischen schok opgeschrikt. Zij richtte
-zich haastig omhoog, doodsbleek.
-
-—Berengar! riep ze, en hare stem bestierf.
-
-—En ik zal het zeggen aan Zijne Majesteit, wat voor een vlegel je bent,
-en dan zullen we eens zien! Dan zullen we wel eens zien, dan zullen we
-wel eens zien...
-
-De keizerin had zich bevende uit het venster gebogen, ze zag een
-tiental kleine jongens; ze keken beteuterd.
-
-—Waar is Zijne Hoogheid? vroeg ze.
-
-—Zijne Hoogheid is daar, Mevrouw! antwoordde een klein graafje verlegen
-en wees met een vingertje naar het achterplein, dat de keizerin niet
-zien kon.
-
-—Maar wat gebeurt er toch? Is dat een leven maken! Laat Zijne Hoogheid
-dadelijk hier komen! Berengar! Berengar!
-
-Zijne Hoogheid, Berengar, geroepen, kwam aan. Hij ging tusschen de
-kleine hertogjes en graafjes door, en zag naar het venster op, waaruit
-zijne moeder zich boog. Hij was een klein, flink gebouwd, pittig
-ventje; zijn gezicht was rood van verontwaardiging, met twee kleine
-woedende oogjes er in, als zwarte vonkjes.
-
-—Berengar, kom hier! riep de keizerin. Wat is er toch? Waarom kan je
-niet spelen, zonder te vechten?
-
-—Ik vecht niet, mama, maar... maar, ik zal het aan papa zeggen... en en
-dan zullen we wel eens zien...! Dàn zullen...
-
-—Berengar, kom dadelijk door het paleis hier binnen, dadelijk! beval de
-keizerin.
-
-Othomar, achter de keizerin, zag naar de groep jongens. Hij zag, hoe
-Berengar met een enkel woord zich verontschuldigde bij het grootste
-hertogje en langs het achterplein verdween.
-
-Na een oogenblik kwam het kind de kamer in.
-
-—Berengar, sprak de keizerin; het is heel ongemanierd zoo een leven te
-maken in het park, en dat wel vlak achter het paleis.
-
-Het kind zag haar aan, met ernstig rood gezichtje.
-
-—Ja mama, beaamde het zacht.
-
-—Wat is er gebeurd?
-
-Berengars lippen beginnen te trillen.
-
-—Het is die lamme schildwacht... begon hij.
-
-—Wat is er met dien schildwacht?
-
-Hij... hij prezenteerde niet voor me!
-
-—Prezenteerde de schildwacht niet voor je? Waarom niet?
-
-—Ik weet het niet! riep Berengar verontwaardigd.
-
-—Maar hij prezenteert toch altijd?
-
-—Ja maar, nu deed hij het niet. Wel den eersten keer, toen wij voorbij
-kwamen, maar niet den tweeden keer... We speelden krijgertje, en toen
-we voor de tweede maal voorbij hem liepen, prezenteerde hij niet!!
-
-Othomar begon te schateren.
-
-—Je hoeft er niet om te lachen! riep Berengar boos; en ik zal het aan
-papa zeggen, en dan zal je wel zien.
-
-—Maar woû je hebben, Berengar, zei de keizerin; dat iederen keer, als
-jij met krijgertje spelen voorbij liep, die man zijn geweer
-prezenteerde?
-
-Berengar bedacht zich.
-
-—Hij kon het toch minstens wel de tweede maal gedaan hebben. Als het nu
-drie, vier, vijf malen was geweest. Maar de twéede maal pas...! Wat
-moeten al die jongens wel van me denken?!
-
-—Hoor eens, Berengar, zei de keizerin; wat er ook gebeurt, het komt in
-het geheel niet te pas, dat je, wien het ook zij, met leelijke namen
-noemt en ook niet, dat je zoo een leven maakt in het park, vlak achter
-het paleis. Uitschelden, dat doet een kind van een keizer niet, zelfs
-niet een schildwacht. Ga daarom dus nu dadelijk naar dien schildwacht
-toe en zeg, dat het je spijt, je zoo driftig gemaakt te hebben.
-
-—Mama! riep het kind ontzet.
-
-Het gezicht van de keizerin stond strak.
-
-—Ik wil het, Berengar.
-
-De jongen zag haar met de grootste verbazing aan.
-
-—Moet ik dat zeggen... aan dien schildwacht, mama?!
-
--Ja.
-
-Blijkbaar begreep Berengar op dit moment de wereldorde niet; hij
-vermoedde een oogenblik, dat de revolutie was uitgebroken.
-
-—Maar, mama, dat kan ik niet!!
-
-—Het moet, Berengar, en dadelijk.
-
-—Maar mama, zal papa dat goed vinden?!
-
-—Zeker, Berengar, zei Othomar; wat mama je zegt te doen, vindt papa
-natuurlijk goed.
-
-In radeloosheid zag de jongen naar Othomar op; zijn gezichtje trok
-lang, zijn stevige vuistjes trilden. Toen barstte hij in een wanhopig
-snikken uit.
-
-—Kom Berengar, ga, zei de keizerin weêr.
-
-Het kind ontstelde nog meer om hare strakte; zoo zag hij altijd haar
-staren op de menigte, maar niet op hare kinderen. En hij wierp zich met
-de kleine wijdte zijner radelooze armpjes in hare rokken, omklemde haar
-en snikte met groote klokken van snikken.
-
-—Ik kàn dat niet doen, mama!!
-
-—Het moet, Berengar...
-
-—En... en... en ik wil het niet, ik wil niet!!! knarste de jongen in
-eens woedend, stampvoetend.
-
-De keizerin deed niets dan hem aanzien, heel lang, héel lang. Het
-verwijt van haren blik brak het kind. Het snikte luid op, en scheen er
-niet meer aan te denken, dat zijne vriendjes daarbuiten Zijne Hoogheid
-zeker zouden hooren snikken. Hij zag, dat er niets aan te doen was, dat
-het moest. Het moest!! Zijne Keizerlijke Hoogheid, Berengar, markies
-van Thracyna, (Ridder van St. Ladislas), mòest zijn spijt betuigen aan
-een schildwacht, die hèm, Zijne Hoogheid, nog wel te kort had gedaan.
-
-Zijn middeneeuwsch kinderzieltje was er geheel door in omwenteling. Hij
-begreep niets meer. Hij zag alleen maar, dat het moest, omdat zijne
-moeder hem met zoo een treurigen blik aanzag.
-
-—Othomar! snikte hij zijne wanhoop uit; Othomar! Wil... jij... dan met
-me... meêgaan!!! Maar hoe zal ik het doen, hoe zal ik het doen!
-
-Othomar glimlachte hem medelijdend toe, en stak zijne hand naar hem
-uit. De keizerin knikte, dat de prinsen zouden gaan.
-
-—Hoe zal ik het doen! O God, hoe zal ik het doen! hoorde zij Berengars
-stem nog uit de antichambre in wanhoop opsnikken.
-
-Elizabeth was doodsbleek geworden. Zoodra zij alleen was, zonk zij in
-een stoel, het hoofd achterover. Hélène van Thesbia kwam juist binnen.
-
-—Mevrouw! riep de jonge gravin. Wat heeft U?
-
-De keizerin greep hare hand; Hélène voelde die ijskoud.
-
-—Niets, Hélène, antwoordde zij; maar Berengar heeft me zoo
-verschrikkelijk laten schrikken. Ik dacht... ik dacht, dat ze hem
-vermoordden!!!
-
-En in een zenuwbui van stootende snikken stortte zij zich in de armen
-der gravin.
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Dien avond, vóor Othomar met zijne adjudanten naar het diner bij den
-Franschen gezant zoû gaan, hield hij Dutri staande:
-
-—Ik zie, dat hare Excellentie, de hertogin, u zeer vertrouwt, prins,
-sprak hij kort. Ik wil niet betwijfelen of haar vertrouwen misplaatst
-is. Maar ik verzeker u dit: dat zóo het ooit mocht blijken, dàt het
-misplaatst was, ik dit nooit—noch nu, noch later vergeten zal...
-
-Dutri zag vreemd op: hij hoorde daar zijn aanstaanden keizer spreken.
-Toen maakte hij een moue als een boudeerend kind en sprak:
-
-—Ik kan niet zeggen, dat Uwe Hoogheid zeer dankbaar is voor de
-gastvrijheid, die ik Haar heb aangeboden.
-
-Othomar glimlachte pijnlijk, reikte hem nu de hand...
-
-—Of dat het vriendelijk is van Uwe Hoogheid mij van dàag met Hare
-ongenade te bedreigen, ging Dutri voort.
-
-—Ik ken je, Dutri, sprak de prins aan zijn oor. Ik ken je tong. Daarom
-alleen waarschuw ik je... En, nu in Gods naam, zwijg hier verder over,
-want dit... dit alles doet me pijn...
-
-Dutri zweeg en vond hem een kind en een vorst tegelijk. Hij haalde in
-stilte zijne schouders op om Othomars weêrgâlooze naïviteit, maar hij
-huiverde als hij dacht aan eene mogelijke ongenade. Hij had geen
-fortuin; zijne pozitie bij den kroonprins was zijn leven, zijne
-ambitie, zijn alles, voor nu en voor later: als de prins keizer zijn
-zoû...! Hoe blij was hij eerst geweest, dat Alexa hem alles verteld
-had, dat hij een geheim wist van zijn prins, die nooit geheimen scheen
-te hebben! Eene vage vreugde, dat dit geheim hem macht zoû geven over
-zijn toekomstigen keizer, was reeds door zijn hoofd vol luchthartige
-berekening gefladderd. En nu, nu dreigde de prins hém, ontzenuwde dus
-die macht al in den aanvang! Dutri had nu bijna spijt, dat hij in dit
-geheim was opgenomen; hij vreesde zelfs, dat de keizer er iets van zoû
-hooren, dat hem de ongenade van den vader al treffen zoû, voor die van
-den zoon...
-
-—Had Alexa me er dan ook maar nooit ingehaald! klaagde hij nu bij
-zichzelven met zijne oppervlakkige wisselvalligheid van gedachte.
-
-Maar hoewel Dutri zweeg, en zelfs tegensprak, werd er over de liaison
-van den kroonprins gesproken, misschien alleen naar aanleiding van de
-zegevierende blikken van Alexa, als Othomar, op een soirée, op een bal,
-een oogenblik tot haar sprak. De tegenspraak van Dutri, die men kende
-als een klap-uit, bracht echter verwarring, en men wist niet waaraan
-men zich te houden had en wat de waarheid was.
-
-Gelukkig om die liefde voelde Othomar zich echter niet; de woeste
-passie van die vrouw met haar brandende blikken, die hem het eene
-oogenblik overweldigde door hare zoenen, het andere voor hem neêrkroop
-als een slavin en aan zijne voeten brak in nederigheid voor haar
-aanstaanden heerscher, verbaasde hem eerst, sleepte hem in sommige
-wanhoopsbuien meê, maar wekte in hem op den duur een gevoel van onwil
-en tegenkanting. In het geparfumeerde appartement van den jongen
-adjudant, waar zij elkander zagen, en dat coquet was, als het boudoir
-van een jong meisje, gecapitonneerd als een bijouteriekist, kreeg hij
-soms lust die vrouw, die hem toch met hare vreemde ziel liefhad en hare
-liefde niet veinsde, van zich af te stooten, haar te trappen, te slaan.
-Zijn temperament was niet voor zoo brutalen hartstocht. Het was of zij
-schudde aan zijne zenuwen. Hij walgde soms van haar. En toch, een enkel
-woord van hem, en ze bedwong hare woestheid, zonk nederig naast hem
-neêr, streelde zacht zijne hand, zijn hoofd, en hij kon er niet aan
-twijfelen, dat zij hem aanbad, misschien wel een weinig omdat hij de
-kroonprins was, maar toch ook veel om hemzelven.
-
-Zoo was het April geworden, en bijna reeds zomer; de Syrische vorsten
-zouden komen. Ze waren eerst bij den Sultan geweest en daarna aan het
-hof te Althene. Door Liparië zouden zij naar de Noordelijke rijken van
-Europa gaan. Op den dag hunner aankomst fladderde Lipara van vlaggen;
-de, al zoo straffe, zuidezon regende goud over de witte stad; de haven
-azuurde in lichte rimpeling. Eene gonzende menigte: gebruinde
-gezichten—vele nog bont nationaal gekleede landlieden uit
-Thracyna—wemelde en drong over de kaden. Op het azuur van het water,
-als op liquide metaal, dreven de pantserschepen, welke de vorsten,
-verwelkomende, zouden binnen halen, naar den mond van de haven uit.
-Daar, op de Xaveria, waren met hun gevolg van admiralen en
-schouten-bij-nacht, de beide prinsen Othomar en Berengar, en hun
-schoonbroêr, de aartshertog van Karinthië. Tallooze kleine bootjes
-gleden snel over de zee heen, als waterspinnen.
-
-Een schot van Wenceslas-fort, den straffen ether verscheurend, meldde
-het oogenblik, dat de kleine vloot het Syrische yacht ontmoette, en de
-Oostersche vorsten dit verlieten voor de Xaveria. Uit de villa’s aan de
-kaden, uit de bootjes met toeschouwers, richtten zich de binocles naar
-het verschiet van in licht zwijmelende blauwte, waarop de schepen nog
-zichtbaar trilden. Een half uur daarna golfde, als van het Imperiaal
-af, het gejuich der menigte aan en golfde luider op en luider naar de
-haven toe. Door de haie der grenadiers, die stonden van het paleis tot
-het paviljoen, waar de hooge gasten zouden aan wal komen, reden de,
-door jockey’s bereden, landauers, aan, waarin Hunne Majesteiten zaten.
-Hen volgden de equipages der beide zusters, de aartshertogin van
-Karinthië en Thera, en van het gevolg.
-
-De vloot, het Syrische yacht omringend, was de haven weêr binnen
-gedreven. Door de eerewacht der Troongarde heen, tusschen de draperieën
-van purper en vlaggen, zag de menigte iets van begroeting der vorsten
-in het paviljoen. Men galmde leve’s!; daarna reed de stoet naar het
-Imperiaal, de keizer met den koning van Syrië in het eerste, de
-keizerin met de koningin in het volgende rijtuig; daarachter de
-landauers met de prinsen en prinsessen en het gevolg.
-
-Een roes van feesten en vertoon volgde. Na de tragedies der
-overstroomingen en der Parlementscrizis woei eene vroolijkheid van
-humor over de, in de zon glinsterende, rezidentie heen en duurde laat
-tot in de verlichte zalen en parken van het Imperiaal toe. Die humor
-was om de Oostersche vorstin. Den koning van Syrië vloeide misschien
-nog een paar druppelen van het bloed van Salomo door de aderen. Maar de
-koningin was niet van vorstelijke afkomst. Zij was de dochter van een
-der Syrische grooten en de naam van hare moeder werd niet genoemd in
-den Almanach de Gotha. Die moeder was zeker een favorite van
-twijfelachtig adellijke herkomst, maar wat zij precies geweest was,
-wist niemand. Een demi-mondaine uit Parijs of Weenen, die in het Oosten
-was gestrand en er fortuin had gemaakt in den harem van een grooten
-Syriër? Eene half Europeesche, half Egyptische danseuze uit een
-danshuis van Caïro of Alexandrië? Wat ook, hare gelukkige dochter, de
-koningin van Syrië, vertoonde onloochenbaar eene mengeling van bloed,
-iets Oostersch’ en Europeesch’ samen. Naast den echt Semitischen type
-van den koning, die iets nerveus deftigs had in zijne half Europeesche,
-half Orientalische uniform, waarop de diamanten schitterden, had de
-vorstin, dik, klein, mollig, zachtbruin, het exuberant glimlachende, en
-bewegelijk wiegende van ledematen, het draaiende van hoofd en werkende
-van oogen eener kleurlinge. Hare eerste verschijning al, in het
-rijtuig, naast de delicate figuur van keizerin Elizabeth, in kleurig
-reistoilet en hoed met groote pluimen, overvloeiend vriendelijk buigend
-en lachend naar alle zijden, had de Lipariërs, gewend aan de koele
-hoogheid hunner vorsten, met eene vroolijkheid doortinteld, die
-onuitbluschbaar scheen. De Syrische vorstin werd het topic van alle
-gesprekken en om haar tintten alle gesprekken zich met een glimlach van
-ondeugd. Daarbij scheen zij zoo in-goed, dat men onmogelijk kwaad van
-haar wist te vertellen en zich alleen maar om haar amuzeerde. Men
-herinnerde zich, dat de Syrische potentaten fabelachtig groote giften
-om de overstroomingen hadden geschonken. En de humor, die over Lipara
-woei, was een zuidelijke humor, zonder kwaadmeenen en alleen maar
-goedlachs of schaterend van pleizier, omdat de Lipariërs nog nooit zoo
-een grappige koningin gezien hadden.
-
-De groote manoeuvres hadden plaats op het Marsveld. De koning
-vergezelde den keizer en de prinsen te paard met hun zwerm van
-Europeesche en Oostersche adjudanten. De vorstinnen en haar gevolg
-wachtten de défilé’s in landauers af. Berengar marcheerde dapper in
-zijne compagnie grenadiers, waarin hij luitenant was, meê, wat zijne
-korte beentjes marcheeren konden, en hield zijn gezichtje strak, om de
-moeite niet te verraden, die hij had de lange stapbeenen bij te houden.
-De huzaren verbaasden den Syrischen vorst om hun één-zijn met hunne
-paarden, als zij in woesten rit zich half afwierpen naar den grond toe,
-en raapten in stormender vaart een vlag van den grond, zich weêr
-zwaaiden met éen kreet op en wuifden het doek. De Afrikanen voerden hun
-zwierige fantazia’s uit, drilden de speren, die bliksemden als
-losrakende bundels stralen, en wapperden aan in wolken van witte
-burnousen en stof, waarin hunne negerkoppen met tallooze zwarte vlekken
-wemeldonkerden en vonkten van oogen.
-
-Verder een tornooi, garden-party’s, races, regatta’s, volksspelen en
-vuurwerk. Lipara was éene stad van pleizier. Iederen dag gingen door
-haar heen gangen van vorstelijkheid, flikkerde de stoet van uniformen
-als levend goud, ratelden de keizerlijke landauers in de zon als met
-wielen van schitterende spaken door de lichte stof, die van het
-vierkant plaveisel der stad opstuivelde. Als druppelen wit vuur
-flonkerden het meest de diamanten, die de Syrische monarchen zelfs
-droegen op straat. Des avonds, als de zon niet meer schitterde,
-schitterden over de vaag witte avondstad aan hare violette haven,
-salamander-festoenen en kleurige vuurbrugketens factice hel onder de
-stille zilverblikken der sterren; bouquetten vuur vielen sissend in het
-water, waarop de bootjes zwart werden; ze lieten een lichte benauwdheid
-van kruitdamp na, in den nacht.
-
-In de groote Zuilenzaal volgden de ceremonieele gastmalen elkander op,
-met een vertoon van fabelachtig kostbaar gouden vaatwerk. De koningin
-van Syrië sleepte er hare curieuze theaterkostuums heen, den breeden
-boezem steeds overdwarst door een blauw ordelint vol plaques; hooge
-pluimen, waaraan diamantjes hingen, in het haar. Ze praatte druk,
-dankbaar voor de liefheid harer Liparische Vrienden, voor het genot en
-het gejuich. Hare overvloeiende gebaren maakten ieder vroolijk,
-brachten humor in de Liparische statie, vol etiquette. Elizabeth zelve
-moest er om glimlachen. De koningin speelde hare vorstelijke rol met
-het aplomb eener slechte actrice, die goedig is. Zij sprak ieder aan,
-strooide de minzaamheid harer klein-mollige, bruine majesteit over
-ieder in kleine atoompjes heen. Naast haar bleef de koning deftig, wijs
-kijkend als Salomo. De keizer prees hem als een verstandig vorst, met
-ruimen blik; de koning was reeds meermalen in Europa geweest. De
-Syrische adjudanten waren ook deftig, kalm, een beetje stijf, zich
-vormend naar westelijke zeden; de hofdames der koningin droegen wat
-vreemd hare Parijsche of Londensche sleeptoiletten, maar bleven er
-tenger in, bevallig bruin, met kroeskopjes en lange gespleten oogen: ze
-zouden toch mooier geweest zijn in wat gedrapeerd goudgaas.
-
-Twaalf dagen bleven de Syriërs, vóor ze naar Italië zouden gaan. Het
-was de voorlaatste avond: in het Imperiaal was een suite van veertien
-zalen om de groote danszaal verlicht voor een bal. Er waren drieduizend
-invitaties gedaan. Op het voorplein en in de aangrenzende hoofdstraten
-stonden de grenadiers.
-
-De danszaal was aan de achterzijde van het paleis; de hooge
-balkonvensters waren open en zagen over de balustraden heen in de
-donkerten van het platanenpark. Uit de palmengroepen der galerij
-schalmde het orkest. De quadrille d’honneur had zich gevormd, in het
-midden der zaal; de keizer en de koningin, de koning en de keizerin, de
-aartshertog van Karinthië met Thera, en Othomar met de aartshertogin.
-De andere officieele quadrille’s vormden hare figuren om ze heen. De
-honderden gasten zagen toe.
-
-Van het regenbogende rotskristal der kronen vloeide electrisch licht in
-witte lichtvakken uit de koepelende hoogte, gleed langs de marmeren
-mozaïek-wanden en porfieren zuilen der zaal en drupte in millioenen
-flikkeringen op de gladde facetten der juweelen, op het goud der
-uniformen en galarokken, op de waterende witte brokaten der slepen
-neêr; want het wit was voorgeschreven; alle dames waren in het wit en
-de sneeuw der fluweelen, de lelieglans der satijnen zilverden van het
-licht. Eén verblindend gewemel van glans doorleefde de immense zaal met
-zijne flonkerwisselingen. Want het licht bleef nooit, wisselde
-onophoudelijk zijn helste punt, maakte het bal tot éen caleidoscoop van
-schittering. Het licht guldde op iedere galon, liet zich vangen in
-elken brillant, bleef aan iedere parel hangen. De muziek scheen met dat
-licht éen te zijn; het koper weêrgalmde als goud.
-
-De hertogin van Yemena stond in een groep van diplomaten en adjudanten;
-hoog op rees ze in hare schoonheid, die in dit gewissel van
-lichtvonkeling sculpturaal prachtig was. Zij scheen kolossaal groot
-door den zwaren pli-Watteau, die van haren rug af sleepte, in wit
-broché. Zij droeg hare tiara van smaragd en brillant, en dezelfde
-groene steenen sparkelden in een groote juweelen bloemtak, die over
-haar corsage heen bloeide.
-
-De keizer naderde haar; ze knakte in hare beroemde nijging neêr, en
-Oscar sprak een oogenblik schertsende met haar. Toen de keizer verder
-was gegaan, zag zij den kroonprins naderen. Zij neeg weêr, hij boog
-glimlachend en bood haar den arm. Langzaam gingen zij door de zaal
-heen.
-
-—Ik heb u iets belangrijks te zeggen, fluisterde hij in een stem van
-conversatieklank.
-
-Hij kon zich niet met haar verwijderen; men zoû hen missen. Ze bleven
-dus door de zalen wandelen.
-
-—Ik heb U in zoolang niet gezien... alleen! fluisterde zij verwijtend
-terug, met die zelfde stem. En wat had... Uwe Hoogheid mij te zeggen?
-
-Voorzichtig spraken ze, den glimlach van koele conversatie op de
-lippen, het geluid van hunne stemmen dempende tusschen hen in,
-schijnbaar onverschillige blikken werpende om hen heen, of men ze niet
-hooren kon.
-
-—Iets,... dat ik u al lang had willen zeggen... Een besluit, dat ik
-nemen moet...
-
-De woorden kwamen hem telkens afgebrokkeld over de lippen, en niet
-klinkende met hun waar accent, uit voorzichtigheid. Zij merkte, dat hij
-haar een groot nieuws mede zoû deelen. Zonder dat ze wist waarom,
-beefde ze... Hijzelve wist niet of wat hij deed, wreed was of niet: zoo
-kende hij deze vrouw niet. Maar hij wist wel, dat hij met opzet dit
-moeielijke oogenblik gekozen had voor zijn onderhoud, omdat hij niet
-wist, hoe zij het dragen zoû. Hoe zij het dragen zoû in een
-tête-à-tête, als zij toe kon geven aan hartstochtelijkheid. Hier wist
-hij het, hoe zij het dragen zoû: glimlachend, als vrouw van de wereld,
-zelfs al werd het haar tot smart. Misschien was hij toch wèl wreed...
-Maar het was nu te laat: hij moest doorgaan.
-
-Zij zag tot hem op, de pluimen van den waaier bewegend. Hij vervolgde:
-
-—Een besluit... Als onze Syrische gasten weg zijn... ga... ik op
-reis...
-
-—Waarheen, Hoogheid?
-
-—Naar... verschillende hoven... van Europa...
-
-Zij vroeg niet meer; haar glimlach bestierf; toen glimlachte ze weêr
-als een automaat. Zij vroeg niet meer, omdat zij wel wist wat het
-beteekende als een kroonprins een reis ging doen naar verschillende
-hoven van Europa. Dat beteekende een bruidvaart. En ze zeide alleen, en
-haar stem kon niet anders klinken dan als een klaagtoon:
-
-—Zoo gauw al...
-
-Zoo gauw al... Zóó kort zoû haar keizerlijke roman duren! Zij had wel
-geweten, dat zoo het einde zoû kunnen zijn, want zij wist hem te rein
-om haar te laten naast eene jonge gemalin. Zij had zich ook al zoo een
-einde voorgesteld over een jaar, twee jaar misschien, zij zich
-terugtrekkende, en ze had zich voorgesteld, dat ze het doen zoû zonder
-rancune voor hare jonge, aanstaande keizerin. Maar nu al! Zoo gauw!
-Nauwelijks eenige weken! Zoo kort had nog géen roman in haar
-liefdeleven geduurd! Zij voelde er een smartelijken weemoed om, vocht
-waasde over hare oogen en de lichtwisselingen van het bal trilden voor
-haar heen als door water. Telkens vergat zij te glimlachen, maar zoodra
-zij er aan dacht, glimlachte zij weêr.
-
-—Zoo gauw al...?
-
-—Het moet...
-
-Ja, het moest, het kon niet anders. Voor haar was het het einde van
-haar leven. Wanhoop voelde ze er niet om, om dat einde; alleen maar
-smartelijken weemoed. Het zoû gedaan zijn. Na dezen keizerlijken roman
-geen andere. O, neen, nooit meer. Ze zoû hare jeugd er aan geven; hare
-stiefdochters zoû ze in de wereld brengen. Ze zoû dankbaar zijn, dat ze
-geleefd had, en nu oud worden. Maar oud... Ze was nog zoo jong, ze
-voelde zich nog zoo jong. Ze merkte nu eerst hoe ze haren kroonprins
-liefhad. En ze had gaarne weg willen zijn, uit de schittering van dat
-feest, om, alleen, hem nog eens te omhelzen, voor het laatst... O, die
-weemoed van alles, wat eindigen moet, alsof alles niets meer is dan
-geur, die vervliegt...
-
-—Ik vertrouw op u, mevrouw... sprak hij nu; ik hoop, dat u van die reis
-niets zeggen zal. U begrijpt, het is alles nog een geheim; er is nog
-geen keuze gedaan... er is alleen maar even over gesproken geworden met
-Hunne Majesteiten en Myxila. Niet waar, ik vertrouw op u?
-
-Zij knikte glimlachend van ja, ja...
-
-—Maar ik wilde het u toch nu al zeggen, ging hij voort.
-
-Zij glimlachte weêr. Op dit oogenblik scheen achter het paleis, onder
-het paleis, waar...? een vreemd onweêr uit te barsten. Door het gegalm
-der muziek en het getril van het licht heen, daverde een donderslag en
-rommelde door. Het was of de bliksem was ingeslagen, want door de open
-ramen, dadelijk na, hoorde men van een der achterzijvleugels van het
-paleis een ratelenden warrelval van steenen, die in de lucht geslingerd
-schenen, van groote balken, die onbehouwen neêrstommelden, van
-glasscherven, die schel naar alle zijden schenen uit elkaâr te
-springen...
-
-De muziek was in eens verstomd. De uniformen, de sleeptoiletten storten
-zich naar de open balkons, die op het park zagen, maar de nacht was
-donker, het park was stil. Een paar laatste balken schenen nog na te
-rollen, met een laatst afgruizelen van steen...
-
-In de schelle tinteling van het electrische licht waren de gezichten
-doods wit geworden als van cadavers. In verschrikking staarden de oogen
-elkaâr aan. De hertogin was half tegen Othomar aangezonken, toen zij
-Elizabeth met dolle, wezenlooze oogen voorbij hen zagen ijlen, een deur
-uit; hare lange, witte fluweelen sleep slierde haar radeloos, den hoek
-om, achterna. De grootmeesteres volgde haar, en Hélène van Thesbia. De
-keizer scheen haastig den ceremoniemeesters bevelen te geven, verliet
-toen ook het bal, met eenige officieren.
-
-Kort daarop echter klaterde weêr de muziek van de loggia der galerij
-af. Men zag vele adjudanten en ordonnans-officieren voor hunne dames
-buigen; de dames bevende rijzen. Het bal werd vervolgd; in de wendingen
-van den wals namen de uniformen en slepen weder de vorige schitteringen
-aan. De glimlachen schenen echter als weggeveegd te zijn van de
-gelaatstrekken, en de doodsbleeke gezichten der walsers maakten van het
-bal een macabere ommegang.
-
-Leonie, sidderend, boog voor Othomar.
-
-—Een dynamiet-ontploffing, onder in de kelders van den westelijken
-achterzijvleugel. De antichambres van het appartement van Zijne
-Majesteit zijn vernield. Zijne Majesteit verzoekt Uwe Hoogheid alles in
-het werk te stellen, om het bal te laten voortgaan. Alle officieren en
-hofdames zijn bevolen te dansen.
-
-De hertogin klemde Othomar’s arm, viel bijna flauw. Rondom hen heen
-ging de mare. De adjudanten sleepten hunne dames meê als half
-zwijmende. Men zag er een paar flauw weggebracht worden. De koningin
-van Syrië stond wezenloos aan de zijde van den aartshertog van
-Karinthië, die zijn arm om haar zwaar middel sloeg ten dans. Ze scheen
-nog niet tot besluit te kunnen komen.
-
-Othomar rondde zijn arm om de hertogin.
-
-—God, ik kàn niet... stamelde zij. In Gods naam, Hoogheid, ik kan
-niet...!
-
-—Het moet, sprak hij. Zijne Majesteit wil het...
-
-—Zijne Majesteit wil het... herhaalde zij.
-
-Hare beenen trilden onder haar als met electrische sidderingen. Toen
-liet zij hem haar nemen en zij dansten. Allen dansten.
-
-De keizerin was de trappen en galerijen naar de slaapverdieping
-opgehold. Zij zag niet, dat een paar dames haar volgden: zij rukte een
-deur open.
-
-—Berengar!! kreet zij uit.
-
-De slaapkamer van den jongen prins was verlicht. Het kind had zich, in
-zijn hemdje, al half van zijn veldbed gericht. Zijn kamerdienaar en een
-kamenier stonden ontzet in het midden van de kamer.
-
-—Berengar!! hokte de keizerin juichend, toen zij hem ongedeerd zag.
-
-Zij sloeg hare armen om hem heen, drukte hem aan hare borst.
-
-—O, mama, u doet me pijn! riep het kind geërgerd.
-
-Hare juweelen hadden hem even bloed geschramd aan zijne kleine bloote
-borst. Zij omhelsde hem nu zachter, met zenuwachtige snikken, die
-stokten in hare keel. Een touffe van brillanten struisveêren viel op
-den grond; de kamenier raapte ze op, met vingers, die niet grijpen
-konden.
-
-—Mama, laten ze het paleis in de lucht springen?!
-
-—Neen, Berengar, neen, er is niets...
-
-—Mama, ik wil er naar toe!! Ik moet zien, wat er van is.
-
-—Berengar...
-
-De deur was open gebleven; de keizer kwam binnen, rustig. De dames
-stonden op den corridor, te wachten op de keizerin...
-
-—Papa, mag ik meê, met u, kijken?
-
-—Neen, Berengar, er is niets te zien. Ga slapen...
-
-Toen boog hij zijn arm tot Elizabeth.
-
-—Mevrouw... sprak hij koel.
-
-Zij sloeg een smeekenden blik naar hem op. Hij bleef haar den arm
-bieden. Toen kuste zij nog eens den jongen, vleide hem nu zacht aan tot
-slapen.
-
-—Wacht even... stamelde zij tot Oscar.
-
-Zij ging naar den spiegel; de kamenier met hare onhandige vingers
-bevestigde de juweelen touffe aan den rand van het open corsage,
-plooide den vierkanten sleep uit.
-
-—Ik ben klaar, sprak de keizerin tot Oscar met eene doode stem.
-
-Zij nam zijn arm, de keizer drukte haar even de hand, en zij knikte
-Berengar nog eens toe, en gingen.
-
-Geärmd verschenen de vorsten ten tweeden male op het bal. De keizerin
-was bleek maar glimlachte. Zij was prachtig, delicaat van teedere
-majesteit in het uitslepende witte fluweel, waarop aan het corsage en
-over den rok van voren, touffes van brillanten struisveêren, in den
-vorm van fleurs-de-lys, flonkerden. Een kleine keizerinnekroon van
-brillanten kroonde haar klein rond hoofd.
-
-Het was twee uur. Meestal waren de vorsten gewoon tot één uur op de
-hofbals te blijven. De koningin van Syrië echter in haren exuberanten
-levenslust, had hen verzocht langer te blijven. Zij hadden toegegeven.
-Waren zij om éen uur gegaan, dan had de ontploffing plaats gehad op het
-oogenblik, dat Oscar waarschijnlijk zijn appartement juist binnen zoû
-gegaan zijn. Men had eerst gesproken over de antichambres alleen: het
-scheen nu toch, dat er ook groote schade veroorzaakt was aan het
-kabinet zelve van den keizer.
-
-Het souper begon. Men soupeerde in eene groote zaal; uit iedere tafel
-rees een palmboom, en de zaal was er een woud van palmen door. De grond
-was met een gouden zand bestrooid, dat, met het loopen, over de slepen
-heen poeierde. Electrisch licht scheen door de lange bladeren heen als
-maneschijn. In dien maneschijn bleven de gezichten doodwit, als vlakken
-van krijt, boven het glinsterend kristal en al het gouden vaatwerk. De
-muziek klaterde met zware cymbelslagen van koper.
-
-
-
-
-
-V.
-
- Aan Hare Koninklijke Majesteit Olga,
- Koningin van Gothland.
-
- Lipara, Imperiaal, Mei 18..
-
-
- Mijn liefste zuster.
-
-Eindelijk kan ik u den brief schrijven, dien ik al sedert lang in
-gedachten aan u schreef. De drukte van onze goede Syriërs is voorbij en
-Lipara weêr kalm. Ik kan tot nadenken komen. Maar mijn nadenken is
-niets dan treurigheid. Ziehier waarom, Olga.
-
-Ik geloof, dat Othomar zieker is, dan de doktoren het inzien. Hij is
-magerder geworden en ziet er zeer slecht uit. Hij klaagt nooit veel,
-maar verleden zei hij me toch, dat hij zich dikwijls moê voelde. De
-doktoren meenen, dat hij eenigen tijd rust noodig heeft en raden een
-lange zeereis aan. Zijne reis door Europa, waarover ik u verleden
-schreef, zal dus uitgesteld moeten worden. En nu kom ik met het
-volgende verzoek tot u.
-
-Ik weet, dat Herman spoedig een groote vaart op den Viking gaat doen
-naar Oost-Indië, Japan en Amerika, en het zoû op dit oogenblik mijn
-liefste verlangen zijn als Othomar hem zoû mogen vergezellen. Toen de
-doktoren een zeereis aanrieden, sprak ik er met Oscar over, maar wij
-kwamen tot geen besluit. Mijn kind namelijk heeft geene vrienden van
-zijne jaren, Olga, en dat maakte me zoo treurig, en we wisten, niet
-hoe, en met wie, we hem de reis zouden laten doen op eene wijze, die
-genoegen voor hem zoû zijn en geene eenzame verbanning uit ons midden.
-Hij is heel wel met zijne adjudanten, maar dat is toch niet wat ik zoû
-wenschen: een hartelijke, gemeenzame, vertrouwelijke vriendschap met
-iemand van zijne jaren, met wien hij eenigen tijd samen zoû zijn,
-geheel voor genoegen en ontspanning.
-
-Ik weet wel, dat het een beetje aan mijn kind zelve ligt, aan dat zeker
-gemis van gemakkelijkheid om open te zijn en tot zich te trekken. Maar
-hij heeft toch eigenschappen, waarom men hem zeer zoû kunnen beminnen,
-zoo men ze wist, zoo hij ze liet uit komen. Niet waar, u houdt toch ook
-van hem, Olga, en het is niet alleen mijn eigen blinde moederliefde,
-die mijn kind beminnelijk en sympathiek ziet? En daarom zoû ik zoo
-ingaarne hebben, dat Herman hem wilde meênemen en hem beter leerde
-kennen; wie weet of zij dan elkaâr niet zouden leeren liefhebben.
-Othomar vertelde mij al, dat ze op hunnen tocht in het Noorden van ons
-land, elkaâr meer genaderd waren dan zij ooit dachten te zullen doen,
-maar het was een drukke tijd; ieder oogenblik was met plichten en
-bezigheid gevuld en zij hadden geen tijd om met elkaâr te spreken en
-elkaâr te leeren kennen. Maar toch, in zulk een moeilijken tijd van
-samendoen kan men elkaâr ook leeren kennen zónder spreken; hoe het ook
-zij, zij zijn elkander reeds vriendschappelijker geworden; vroeger was
-het, tot mijn innig verdriet, Olga, antipathie; ze wilden elkaâr zelfs
-niet ontmoeten, zelfs uiterlijk was er niets dan koelheid tusschen hen;
-o, wat heeft mij dit alles leed gedaan, als ik onze jongens zoo tegen
-elkaâr zag doen en mij herinnerde hoe wij waren, Olga, toen wij jonge
-meisjes waren op ons mooi oud slot bij Boekarest. Hoe leefden wij niet
-geheel met elkaâr! Olga, Olga, wat is dat alles treurig lang geleden!
-Onze ouders zijn nu dood, onze broêrs verspreid, het slot is verlaten,
-en wij zijn gescheiden: wanneer zien we elkaâr? Nauwlijks een paar
-dagen nu en dan, als wij ergens samentreffen voor een huwelijk van
-bloedverwanten: rustelooze dagen altijd, waarin we toch niets aan
-elkaâr hebben. Dan, soms, niet eens ieder jaar, een paar weken, of in
-Gothland, of hier. U verwijt mij wel eens, dat ik, die zooveel van
-Gothland hoû, zoo weinig bij u kom, maar het is altijd de zelfde reden.
-Oscar verlaat niet gaarne Liparië, en ik kan mijn man niet verlaten. Ik
-kan sterk zijn naast hem, maar alleen ben ik zoo zwak, Olga. Dat hèm
-iets zoû kunnen overkomen, waarin ik niet deelen zoû, vermeerdert mijn
-angst ondragelijk. Ik heb het nog onlangs zoo gevoeld, toen ik met
-Thera te Altara was; ons bezoek was aangezegd en verplichtend, niet
-waar, en hoe ongaarne ik Oscar verliet, het moest. Het was juist in
-dien moeilijken tijd; Lipara in staat van beleg! Maar Oscar wilde het
-en ik ben gegaan. O, wat ik toen geleden heb!
-
-—Maar ik wen mij aan mijn angst, ik klaag niet en neem het leven op,
-zooals het ons gegeven wordt; ik hoop alleen maar, dat mijn jongen het
-ook zoo zal leeren opnemen. Misschien zal hij dit leeren. Het is wel
-moeilijker voor hem, want hij zal meer moeten handelen dan zijne
-moeder, die veel passiever zijn kan als vrouw, en het is gemakkelijker
-passief te leeren berusten, dan handelend. Maar, de Heiligen zullen hem
-zeker later kracht geven zijn lot te dragen en zijn kroon; hier
-vertrouw ik op. En toch, o Olga, onmetelijk is de weemoed in mij, dat
-wij vorsten zijn! Maar laat mij hier niet verder over doorgaan: het
-maakt zwak, het is niet goed, het is niet goed...
-
-Er is nog een geheime reden, dat ik Othomar gaarne weg zoû hebben van
-Lipara, al kost het mij ook altijd zoo veel, te scheiden van mijn
-lieveling. Er schijnt toch iets waar te zijn van die geruchten over de
-hertogin van Yemena: Oscar heeft er Myxila naar gevraagd, en die kon
-het niet loochenen, en zeide zelfs, dat het algemeen bekend was. Ik doe
-mijn best er maar niet te veel verdriet over te hebben, Olga, maar ik
-vind het een vreeselijke zaak. O God, laat mij er maar niet verder over
-denken of schrijven; het gaat mij anders zoo warren in mijn arm hoofd.
-Wat kan mijn kind zien in een vrouw, die ouder is dan zijne moeder! Wat
-zijn die dingen toch vreeslijk in de wereld, Olga, en wat zijn er toch
-vrouwen, die wij nooit zullen begrijpen, want temperament is toch niet
-álles: iedere vrouw heeft toch haar hart, en daarin moesten wij toch
-allen elkaâr weêrvinden, maar het schijnt zoo niet te zijn. Ik neem, in
-mijn verdriet hierover, maar aan, dat die vrouw mijn jongen liefheeft
-en daarom haar man bedriegt. O, het is ook zoo slecht van mijn kind;
-waarom moet hij zoo zijn, hij is anders zoo goed! Ik neem dat nu maar
-aan, dat ze hem liefheeft; verleden was het mijn laatste Handkus, de
-cour, waarmeê, zooals je weet, alle winterfeesten eindigen, en toen ze
-me naderde en voor me boog en op mijn hand hare lippen drukte, voelde
-ze zeker mijn afkeer en mijn verdriet van mijne vingers afstralen, want
-ze richtte zich uit hare buiging op, met een wanhopigen angst in hare
-oogen en iets van een snik in hare keel! Ik bleef haar koel aanzien,
-maar ik had toch medelijden met haar, Olga, want als een vrouw van onze
-wereld zich zóo slecht kan beheerschen op een ceremonieel oogenblik
-voor hare vorstin, moet hare ziel wel zeer geschokt geweest zijn:
-gelooft u dit ook niet met mij?
-
-Wij hebben nu rust. Over een week gaan we onze zomerkwartieren
-betrekken in Xara, op Castel Xaveria; het wordt hier al zeer warm. Voor
-dat wij gaan, zoû ik zoo gaarne een antwoord van u ontvangen hebben en
-weten hoe Herman mijn verzoek opneemt. Ik weet, dat hij veel van mij
-houdt, en het zeker gaarne zal inwilligen, niet waar, en dat hij om mij
-zal probeeren Othomar lief te hebben; en laat me toch haasten er bij te
-voegen, dat het ook de innigste wensch van Othomar is met Herman mede
-te gaan. De zeereis lokte hem eerst in het geheel niet toe, omdat hij
-niemand wist om meê te nemen en hij zeide, met ons maar naar Castel
-Xaveria te willen gaan, maar toen ik van Herman sprak, vereenigde hij
-zich geheel en al met mijn plan.
-
-Olga, wat zal ons de zomer geven? Rust of niet? Ik durf het maar niet
-hopen. De winter is gruwelijk geweest; onze Noordelijke gouvernementen
-zijn nog niet de ramp te boven. De ellende is er niet te lenigen. Er
-heerschen gevaarlijke tyfeuze koortsen, en vele gevallen van cholera
-zijn voorgekomen. De grèves in het Oosten zijn nu gedaan, maar ik ben
-zoo bang voor dat bedwingen met ruw geweld. O, als alles maar met
-zachtheid kon gebeuren! Die aanslag op Othomar en de ontploffing
-tijdens het laatste bal hebben mij ook zoo ziek gemaakt. Wat zoû ik u
-gaarne eens zien en in mijn armen drukken: kunt gij niet te Castel
-Xaveria komen van den zomer? U zoû er mij zoo innig, innig blij meê
-maken!!
-
-Kus Siegfried en alle de uwen van mij. Antwoord mij gauw, niet waar? Ik
-omhels u in beide mijne armen.
-
-
- Elizabeth.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE DEEL.
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Augustus, aan de Oostzee. De grijze golven krullen tegen de klippen op
-met hooge, ronde kammen dik schuim. De lucht is daarboven éen wijde
-koepel, waardoor groote gebergten van wolken drijven, grijs-wit. Zij
-komen langzaam aan, vullen den hemeldom met hunne wisselende
-schijnmassa’s, als van rots- en alpenketen, die zouden zweven op
-atmosfeer, en drijven langzaam weêr voort, weg. De zee heeft er een
-smal strand, met veel verbrokkeld klip; zeer nabij donkert zwart-groen
-dennenbosch. Half als tegen de klippen aan, op de duisternis van het
-bosch als achtergrond, rijst het oude Altseeborgen. Het is een verweerd
-kasteel, waaraan de opkrullende golven schijnen te knagen; zijne drie
-hooge, ongelijke torens bouwen zich zwaar rond de lucht in. De weg naar
-het kasteel loopt van uit het bosch terrasachtig op, opglooiend, breed,
-leidt naar het achterplein, waar de hoofdingang is. Om het kasteel,
-breed heen, traptreden zich de granieten terrassen, met hunne ruwe
-balustrades, waarvan de hardsteen opgegeten is door de zoute lucht. Die
-terrassen zien, naarmate ze stijgen, wijder uit over de zee; van af het
-hoogste terras ligt de zee als éen groot segment van vreemde
-bewegelijkheid, levend element, aan tegen het strand links, en rechts.
-Over de zee zwaaien de Zuidewinden op het kasteel aan; het dennenbosch
-beschermt het veel voor de Noordelijke vlagen.
-
-Van den hoogsten toren flappert een ontzachlijk zeil van dundoek uit,
-en doet er vroolijk in de lucht: twee banen geel en er tusschen een
-witte baan, waarop de donkere vlak van den gekanteelden burcht, die het
-wapen van Gothland is. Het is er op den zonloozen morgen een glimlach
-aan den hemel; het zwelt en valt weêr slap en laat zich hoog op weêr
-blazen door den wind, die frisch aanwappert over het water.
-
-Een jonge man en een jong meisje loopen aan het strand; ze praten,
-glimlachen, zien elkander aan. Zij is grooter dan hij, zeer blank;
-onder den kleinen matrozenhoed waaien enkele harer, even rosgoudbruine,
-haren, verward door den wind, om haar gezicht; onophoudelijk strijkt
-zij ze weg. Zij draagt een eenvoudigen blauwen serge rok en witte
-blouse, een breeden leêren ceintuur om het middel. Hare elegante
-voetjes zijn telkens door den wind geheel zichtbaar, in de zwart zijden
-kousen en gele leêren schoenen. Een paar handschoenen zwaait ze
-luchtigjes in de hand.
-
-De jonge man draagt een licht, geruit zomerpak, en een strooien hoed.
-Hij is klein, tenger; zijne oogen hebben een zwarten blik van zachte
-melancholie. Hij schijnt aan het meisje naast hem een verhaal te doen
-van reizen; zij luistert met haren glimlach toe.
-
-Om hen heen, trots den wind, is de atmosfeer die eener wijde rust.
-Langs het strand loopende, komen zij voorbij het kasteel, gaan het
-achterom en zien naar boven. Uit een der vensters wuift iemand vroolijk
-met de hand, en roept iets. Zij pogen te hooren, de hand aan het oor,
-maar halen de schouders op: de wind waaide de woorden weg. Nog eens
-wuiven zij, en gaan door.
-
-Zij gaan echter niet ver, altijd langs het strand. Ginds ligt het
-visschersdorp, liggen een paar kleine villa’s, optrekjes. Een ervan
-schijnt juist, voor een vacantie-maand zeker, bewoond door eene groote
-familie; drukte van stemmen gonst naar buiten, kinderen rennen elkaâr
-aan het strand na; een klein meisje bonst in haar vaart tegen den
-jongen man aan.
-
-—Hola, zegt hij vriendelijk, en lacht; lachende gaan zij door.
-
-De kinderen rennen verder. Een visscher komt met zijn netten aan,
-grinnikt goedig en mompelt een groet. Een dikke dame in de verandah
-heeft de jongelieden nieuwsgierig nagekeken; ze ziet den visscher
-groeten, houdt hem staande.
-
-—Wie is die dame met dien heer?
-
-De visscher wijst goedig naar Altseeborgen.
-
-—Van het kasteel.
-
-—Maar wie dan? zegt de dame verschrikt.
-
-—Wel, die meneer is de prins van Liparië en de juffrouw is een
-Oostenrijksche prinses, zegt de visscher, alsof iets anders onmogelijk
-ware.
-
-De dame ziet het vorstelijke paar ontzet na en kijkt dan in wanhoop
-naar hare rennende kinderen. De jongelieden keeren juist terug op hunne
-heen-en-weêr-wandeling; ze lachen nog vroolijker nu en haasten zich een
-beetje vlugger naar het kasteel, alsof ze zich verlaat hebben. De dame,
-bleek nog, durft geene excuzes maken, maar maakt eene diepe buiging;
-zij krijgt een vriendelijken groet terug.
-
-
-
-
-
-II.
-
-De koninklijke familie van Gothland was gewoon den geheelen zomer te
-Altseeborgen te blijven. Het strand leende zich bizonder tot badplaats
-om het visschersdorp heen, maar koning Siegfried had hier nooit van
-willen hooren: het strand en het dorp waren koninklijk domein; slechts
-een paar nederige optrekjes hadden mogen verrijzen. Meestal kwamen daar
-des zomers enkele burgerfamilies met kinderen. Een moderne badplaats
-zoû Altseeborgen nooit worden, al vond de elegante wereld de
-gelegenheid ook uitstekend om te zomerschitteren, zoo vlak in de
-nabijheid van het koninklijk kasteel.
-
-Maar de Gothlandsche familie bewaakte ook zorgvuldig de vrijheid van
-haar zomerleven. Vier maanden leefden zij daar, zonder de etiquette der
-paleizen, in den grootsten eenvoud. Zij vormden een talrijke familie en
-er waren altijd vele logé’s. De koning deed de staatszaken
-huishoudelijk op het kasteel af. Zijne kleinkinderen liepen soms zijn
-kabinet in, als hij met den minister-prezident, die sommige dagen naar
-Altseeborgen kwam, in gewichtige bespreking was. Hij klopte ze even op
-de blonde krullebollen en zond ze met een liefkoozing weêr weg, om te
-spelen. Er waren daar de kroonprins Gunther, en de kroonprinses Sofie,
-Duitsche vorstin, hertog en hertogin van Wendeholm; zij hadden vier
-kinderen, een meisje en drie jongens. Op den hertog volgde prins
-Herman, na hem de prinses Wanda, twintig jaar; na haar de jongere
-prinsen Olaf en Christofel. Verder waren er ook altijd twee oude
-prinsessen, zusters van den koning, douairières van Duitsche vorsten.
-Van alle hoven van Europa, die als éene groote familie zijn, kwamen nu
-en dan verschillende leden logeeren en brachten er hunne nuance van
-verschillende nationaliteit mede, iets exotisch in klank van stem en in
-zijn van zede, voor zoover dit niet in hun cosmopolitisme weggesmolten
-was.
-
-Othomar was met Herman drie maanden op zee geweest; zij hadden
-Voor-Indië, China, Japan en Amerika aangedaan. De reis was incognito
-geweest om alle officieele ontvangst te ontloopen, en Othomar had geen
-anderen titel gedragen dan dien van prins Czyrkiski. De reis had
-Othomar veel goed gedaan; hij voelde zich zelfs zoo wel, dat hij
-keizerin Elizabeth geschreven had nog eenigen tijd in den familiekring
-te Altseeborgen te willen blijven, maar daarna zijne, reeds vroeger
-voorgenomen, reis aan de Europeesche hoven te ondernemen.
-
-Het gemakkelijke samenzijn had de neven zeer tot elkaâr gebracht.
-Herman had Othomar onder zijn strakheid en gemis aan gemakkelijkheid
-leeren kennen als een jongen kroonprins, die zeer tegen zijne toekomst
-opzag, maar veel redelijkheid in zich had, wilde leeren berusten in het
-leven en zich reeds sterk maken voor zijn aanstaand zwaar juk van
-keizergrootheid. Hij begreep Othomar en had medelijden met hem.
-Hijzelve zag in het leven een vitaal genot; te ademen alleen reeds was
-genieten; zijn bestaan van tweeden zoon, met alleen zijne
-marineplichten, die hij liefhad, zooals een afstammeling van oude
-zeekoningen ze erfelijk lief kon hebben, hoorde een perspectief voor
-hem heen van niets dan éene verre onbewolkte zorgeloosheid; dat hij
-koningszoon was, gaf hem niets dan gemak, dan genot en hij waardeerde
-zijne hoogheid van omstandigheden met jolig pleizier, hij schepte zich
-den room af van een kelk, waaruit Othomar later alsem zoû drinken.
-Vergeleek hij ook eerst Othomar met zijn broêr, den hertog van
-Weldeholm, en kroonprins ook, hij van Gothland, Herman vergeleek nu
-niet meer; zijn oordeel was redelijker geworden; hij begreep, dat geene
-vergelijking mogelijk was. Liparië was een ontzachlijk bijna
-autocratisch keizerrijk; het volk, vooral in het Zuiden, zeer
-wisselvallig, altijd met kracht in toom gehouden om zijn kinderlijk
-nooit zelf weten wat het doen zoû van grilligheid; de Gothlanders, van
-temperament kalm liberaal, zonder schreeuwerigheid, hielden zich met
-hunne, reeds lang verkregen, uitgebreide constitutie, rustig om koning
-Siegfried, dien zij den vader van het land noemden. Dat Gunther er niet
-tegen opzag eenmaal de kroon te moeten dragen, was dat reden, dat
-Othomar zonder die vreeze hoefde te zijn? Bezat Othomar niet eerder de
-teedere eigenschappen, die in den nauwen cirkel van een intiemen kring
-gewaardeerd worden en beminnelijk maken bij enkele sympathieken, dan
-dien felleren glans van hoedanigheid, die op een hoog standpunt hel
-doet uitkomen en relief, en opzien wekt bij de menigte? Was die jongen
-met zijne ziel vol scrupule, zijn heimwee naar rechtvaardigheid, zijn
-in-verlangen naar liefde, zijn dadelijk gekwetste teêrgevoeligheid, was
-hij de zoon zijner vaderen, afstammeling van Berengar den Sterke,
-Wenceslas den Wreede, zoon der strijdbare Xaveria, of was hij niet
-eerder het kind maar zijner zachte moeder alleen?
-
-Het was niet in Herman hier veel en lang over na te denken, maar het
-kwam plotseling tot hem, bruskweg, als een nieuw uitzicht, dat geopend
-wordt in een klaarder licht. En wat antipathie in hem geweest was, werd
-medelijden, vriendschap en verwondering over het willen van de
-wereldorde, omdat ze met een ziel als die van Othomar niets anders wist
-te doen dan ze neêr te drukken onder een kroon.
-
-Het eenvoudige familieleven te Altseeborgen was voor Othomar als een
-kuur. Hij voelde er zich in natuurlijkheid opleven, zijne
-menschelijkheid zich er zonder boei wijder ontplooien. Gewend aan het
-ceremonieele hofleven van het Imperiaal, aan welks etiquette keizer
-Oscar streng de hand hield, verwonderde de, bijna burgerlijke, eenvoud
-zijner Gothlandsche familie hem eerst, maar verheugde hem later. Vorige
-jaren was hij wel nu en dan korten tijd te Altseeborgen geweest, maar
-nooit zóo lang gebleven, om zich, zooals nu, geheel en al tot de hunnen
-te kunnen rekenen.
-
-Behalve Othomar waren er op dit oogenblik geene andere logés dan de
-aartshertogin Valérie, nicht van den Oostenrijkschen keizer. Vermoedden
-de jongelieden iets of niet? Werden hunne namen samen genoemd door de
-jongere prinsen en prinsessen? Uiterlijk scheen het niet; een enkelen
-keer maar hadden de prinses Sofie of Wanda noodig de jongere broêrs met
-een blik te doen zwijgen. En toch was het met gewichtige bedoeling, dat
-de koningin van Gothland, in samenstemming met den keizer van Liparië
-en de ouders van Valérie—aartshertog Albrecht en aartshertogin Eudoxie,
-die het slot te Sigismundingen bewoonden—de jonge lieden samen had
-gebracht. Keizer Oscar zoû zeker liever eene der jeugdige Russische
-grootvorstinnen, nicht van den Czaar, tot schoondochter hebben willen
-kiezen, maar het verschil van godsdienst was altijd een onoverkomelijke
-hinderpaal; bezwaren had de keizer, trots zijn voorkeur, tegen de
-Oostenrijksche verbintenis intusschen niet.
-
-Misschien rieden Othomar en Valérie iets van deze bedoeling, maar het
-geheim ervan wekte geene gedwongenheid tusschen hen; zij waren, van
-beider kant, zoozeer gewend telkens bekende vorsten of prinsessen met
-hen samen genoemd te hooren, te zien zelfs vermeld in couranten:
-verlovingsberichten, die kort daarop weêr tegengesproken werden; ze
-hadden zelfs samen geschertst over de vele malen, die de publieke
-opinie hen had uitgehuwelijkt, telkens weêr met anderen; soms waren het
-zelfs voor henzelve verrassingen geweest, die zij vonden in de
-nieuwsbladen, en waarover zij jolig pleizier hadden gemaakt. Zij
-stoorden zich dus niet aan een heel enkel ondeugend woord van prins
-Olaf of prins Christofel; flinke jongens van zeventien en vijftien
-jaar, die het gezellig vonden te plagen. En daarbij oefende koningin
-Olga, verstandig en redelijk, niet den minsten invloed op hen uit. Zij
-had ze samen genoodigd, maar meer deed ze niet. Misschien lette zij
-stil op hoe zij waren met elkaâr, en schreef ze hiervan een enkel woord
-aan hare zuster, maar zij hield zich geheel buiten de mazen, die zich
-tusschen hunne kroonlevens moesten samen weven. Toch was het haar
-moeilijk zoo te doen. Zij hield van Valérie, en meende, dat dit
-huwelijk in allen deele goed zoû zijn. Maar daarbij kwamen er dringende
-brieven van Sigismundingen, en zelfs van Weenen, waar men niets liever
-wenschte, dan de jonge aartshertogin, hertogin van Xara te zien. Er
-waren hier, behalve dat men aan het Oostenrijksche hof een hernieuwde
-verbintenis met Liparië op prijs stelde, nog andere redenen voor, van
-intimer aard.
-
-
-
-
-
-III.
-
-De zon was in den namiddag doorgebroken en deed het grijs van de lucht
-en het water opblauwen met de wazige blauwte van Noordelijken zomer. De
-zee gloeide en schubde zich goud; het verweerde kasteel stond zijn
-breeden granietstapel, als een oude man zijn rug, te blakeren in de
-warmte. Op het hoogste terras, dat met drie glazen deuren tot den
-grooten hall toegang had, was het gestreepte linnen zeil neêrgelaten.
-Er lagen matten over den grond. In groote rieten stoelen zaten prinses
-Sofie en aartshertogin Valérie; beiden schilderden met waterverf. Uit
-den hall klonken, eentonig, de zachte gamma’s van prinses Elizabeth,
-het oudste dochtertje der kroonprinses, dat studeerde. Prinses Wanda
-zat op den grond en stoeide nog al wild met hare twee jongste neefjes,
-Erik en Karel. Op een langen rieten stoel lag prins Herman, met beide
-beenen uitgestrekt; naast hem een tafeltje vol couranten en
-tijdschriften, waarvan er eenige op den grond gevallen waren; een
-groote bel sherry-cobbler in den rieten glashouder van zijn stoel, een
-blauwtjes wolkende cigarette tusschen zijne vingers.
-
-Sofie en Valérie vergeleken hare studiën en lachten. Ze keken naar de
-lucht, die het neêrgelaten zeil recht afsneed; de wolken, wollig wit,
-schuimden er op elkaâr; de zee was verblindend van gouden schubben, als
-een reuzenpantser.
-
-—Wat teekenen jullie toch? vroeg Herman, die in een geïllustreerd
-tijdschrift bladerde.
-
-—Wolken, antwoordde Valérie; niets dan wolken. Ik heb Sofie overgehaald
-samen wolkstudies te maken. Je moet straks, als je niet te lui bent,
-mijn album eens komen zien—ze lachte even—het zijn niets dan wolken!
-
-—Hé! zei Herman, lang uitgerekt. Hoe vreemd...
-
-—Ja, zei Sofie droomerig; wolken zijn wel aardig, maar je weet nooit ze
-te treffen: ze veranderen ieder oogenblik.
-
-—Erik, vraag eens aan tante Valérie haar album voor me, vroeg Herman.
-
-—Wel neen, riep Wanda; ga het zelf halen, hoor luilak...
-
-Maar Erik wilde toch gaan; er ontstond een schermutseling. Wanda hield
-den kleinen jongen in beide armen vast, Karel deed meê, zij stoeiden,
-en Wanda viel lachend, schuin over den grond.
-
-—Maar Wanda! berispte Sofie.
-
-Valérie stond op en ging naar Herman toe.
-
-—Met dat al zie je mijn wolken niet, luie jongen. Ik zal maar genadig
-zijn. Kijk eens...
-
-Herman richtte zich nu, in eens, op, nam het album aan.
-
-—Hoe grappig, zei hij. Geel, en wit en violet en roze! Allemaal
-zonsondergangen!
-
-—En zonsopgangen. Ik zie er misschien meer dan jij!
-
-—Wat jij toch al niet in wolken ziet, Valérie! Het is verbazend. Wat
-verschilt de eene mensch toch van den anderen. Ik zoû het nooit in mijn
-hoofd krijgen wolken te gaan uitteekenen. Je moet eens met me meêgaan
-op reis; dan zoû je heele verzamelingen van wolken kunnen maken.
-
-—Had me die propozitie maar eerder gedaan! schertste Valérie. Dan had
-ik met Xara meê kunnen gaan.
-
-—Maar waar is Othomar! zei Herman.
-
-Valérie zei, dat ze het niet wist...
-
-Herman dronk aan zijn sherry-cobbler, Wanda wilde ook proeven, maar
-Herman zei, dat ze zelve maar om een glas moest bellen en weigerde.
-Wanda wilde toch; hij greep haar de polsen.
-
-—Maar Wanda! berispte Sofie weêr, loom; zij streek de hand over het
-voorhoofd en legde haar penseel neer.
-
-Wanda lachte vroolijk.
-
-—Maar Wanda! deed ze Sofie na, en ze lachten allen Sofie uit; Sofie
-lachte meê.
-
-—Sprak ik zoo? vroeg ze, met hare loome stem. Ik weet het ook niet, ik
-word hier zoo slaperig, zoo lui...
-
-Zij waren nog allen vroolijk om Sofie, toen stemmen klonken uit den
-hall, schelle oude stemmen. Het waren de twee douairières met Othomar;
-de oude dames minaudeerden hoffelijk tegen den jongen prins, die heur
-stoelen aanbood. De tantes hadden na het lunch een slaapje gemaakt; ze
-kwamen nu weêr te voorschijn, met tapisseriewerken in groote réticules.
-Iedereen begroette haar met veel eerbied, waarin een schalksch tintje
-school.
-
-—Pardon, lieber Herzog, murmelde de oude prinses Elza, de oudste; ik
-heb liever dat kleine stoeltje...
-
-Ook prinses Marianne wilde een klein recht stoeltje; de oude dames
-bedankten Othomar met eene révérence voor zijne galanterie, zetten zich
-stijf recht, begonnen te handwerken: groote blazoenen voor
-stoelbekleedsels. Zij waren zeer deftig, met fijne maar uitgerimpelde
-gezichten, grijze tours en een zwart kanten kapsel; ze droegen krakende
-moiré japonnen, van ouderwetschen snit. Nu en dan wisselden ze een
-snel, vinnig, woord, met eene, plotselinge kakelende, beweging van hare
-fijne kakatoeprofielen, ze keken even aandachtig naar de zee, als kon
-het niet anders of ze zouden iets belangrijks zien aankomen uit het
-onbestemde; dan werkten ze weêr door... Hare ouderwetsche, deftige,
-stijf in keurs geregen, schrale figuren deden vreemd samen met de
-losheid der jonge lieden in hunne eenvoudige serge zomerpakken: de
-verwarde haren en de opgesjorde blouse van prinses Wanda werden er zeer
-ongegeneerd om.
-
-Een derde oude dame kwam statieus aan, zij had eenige overeenkomst met
-de douairières; zij was echter gravin Von Altenburg, vroegere
-grootmeesteres der prinses Elsa; achter haar brachten twee lakeien
-bladen, waarop koffie en gebak, het goûter der oude prinsessen. De
-gravin maakte eene ceremonieele nijging voor de jonge vorsten.
-
-—Het terrein is ingenomen! fluisterde Herman tot Valérie. Zij waren
-weêr gaan zitten en onder hen plaagden zij, zonder dat de tantes, of de
-gravin, die eenigszins doof was, het hooren konden. Othomar met zijne
-drie Nornen, zooals zij schertsten. Een drukke taalwarrel ging om: de
-tantes spraken Duitsch en schreeuwden, om zich te doen verstaan, iets
-over de kalmte van de zee in de arme ooren der koffieschenkende gravin,
-die knikte, dat ze begreep. De jongere vorsten spraken meestal
-Engelsch; Herman soms met Othomar een paar woorden Liparisch, en de
-kinderen, die op een lager terras waren gaan spelen, joedelden
-Gothlands en Fransch luidruchtig door elkaâr.
-
-De lakeien hadden de afternoon-tea gebracht en voor prinses Sofie
-geplaatst, toen eene hofdame verscheen. Zij boog voor de jonge
-kroonprinses, en, in het Gothlandsch:
-
-—Hare Majesteit verzoekt Uwe Hoogheid in den kleinen salon te komen.
-
-—Mama vraagt me bij haar te komen, zei prinses Sofie in het Engelsch,
-terwijl ze opstond. Wanda, schenk jij thee? Kinderen, zullen jullie
-naar boven gaan om je te kleeden? Wanda, zeg het hun nog eens, niet
-waar?
-
-De kroonprinses ging door den hall, een groote, ronde koepelvormige
-zaal, vol hertengeweien, elandkoppen, jachttrofeeën; daarna een trap
-op. In de antichambre der Koningin, deed de lakei de deur voor haar
-open. Koningin Olga zat alleen; zij was eenige jaren ouder dan hare
-zuster, de keizerin van Liparië, grooter en zwaarder van bouw; hare
-trekken hadden echter veel overeenkomst met die van Elizabeth, maar
-waren meer aangedikt.
-
-—Sofie, sprak ze dadelijk, in het Duitsch; ik heb een brief uit
-Sigismundingen...
-
-De hertogin van Wendeholm was gaan zitten.
-
-—Iets over Valérie? vroeg ze verschrikt.
-
-—Ja... begon de koningin, met een nadenken in haar blik. Arm kind...
-
-—Maar wat dan, mama?
-
-—Daar, lees zelf...
-
-De koningin reikte den brief aan haar schoondochter over. Deze las
-haastig. De brief was van de aartshertogin Eudoxie, de moeder van
-Valérie, met een beverige opgewonden hand geschreven, en vermeldde in
-termen, die onverschillig wilden zijn maar eene groote voldoening
-verrieden, dat prins Leopold von Lohe-Obkowitz in Nice was met de
-beroemde actrice Estelle Desvaux; dat hij afstand van zijne heerlijke
-rechten zoû doen ten gunste van zijn jongeren broeder, en daarna
-trouwen zoû met zijne maitresse. De brief verzocht aan de koningin of
-aan de kroonprinses dit te willen meêdeelen aan Valérie, in de hoop,
-dat zij er niet te zeer door geschokt zoû worden. Verder eindigde de
-brief met hevige aanvallen tegen prins Leopold, die zich zoo te schande
-maakte, maar tevens met onverholen blijdschap, dat Valérie er nu
-misschien nooit weêr over denken zoû vrouwe te willen worden van een
-gebied, dat zes meter in het vierkant mat! De aartshertog Albrecht
-schreef er onder, dat dit nieuws geen vaag gerucht was maar zekerheid;
-en dat prins Leopold het zelve aan hunne eigen verwanten te Nice
-verteld had, die het geschreven hadden naar Sigismundingen.
-
-—Heeft Valérie wel eens met je over prins Lohe gesproken? vroeg de
-koningin.
-
-—Een enkelen keer, mama, antwoordde de hertogin van Wendeholm, terwijl
-zij het epistel terug gaf; maar wij weten allen genoeg, dat dit bericht
-haar zeer zal schokken. Zoû zij er in het minst op zijn voorbereid?
-
-—Waarschijnlijk niet; we hadden er toch geen van allen nog iets van
-gehoord of gelezen. Zal ik het haar zeggen? Arm kind...
-
-—Wil ik het doen, mama? Zooals ik u zeg, een enkelen keer heeft Valérie
-met me gesproken...
-
-—Goed, doe jij het dan...
-
-De hertogin bedacht zich, zag naar de pendule.
-
-—Het is al zoo laat, ik zal het doen na het diner; we waren nog geen
-van allen gekleed... Wat vindt u?
-
-—Goed dan, na het diner...
-
-De kroonprinses ging, ze moest zich haasten met haar toilet. Toen het
-zeven uur was, luidde een klinkende bel, lang door. Men kwam in den
-hall te zamen; de eetzaal zag met groote bogen op het dennenbosch uit.
-Het was een lange tafel: koning Siegfried, een krasse oude vorst met
-vollen, grijzenden baard; koningin Olga; kroonprins Gunther, lang,
-blond, twee-en-dertig jaren; prinses Sofie en hunne kinderen; Othomar
-tusschen zijne tante en Valérie, Herman en Wanda, Olaf en Christofel,
-de twee douairières met gravin Von Altenburg, adjudanten, hofdames,
-kamerheeren, de gouvernante van prinses Elizabeth, de gouverneurs der
-kleine prinsen...
-
-De ongedwongenheid van vroolijke gesprekken ging om. Men droeg
-eenvoudig toilette-de-ville; de koning gekleede jas, de jongere prinsen
-en adjudanten smokings. De jonge prinsessen droegen lichte
-zomer-toiletten van wit serge of roze mousseline de-laine; ze hadden
-een paar bloemen uit de serres zich gestoken in de ceintuurs.
-
-Valérie praatte vroolijk, Herman plaagde haar nog eens met hare
-wolkstudies, maar Othomar zei, dat hij ze zeer bewonderde. Koningin
-Olga en prinses Sofie wisselden een blik en waren stiller dan anders.
-De koning zag ook zeer aandachtig naar de jonge lieden. Na het diner
-verspreidde zich de familie; de kroonprins en Herman gingen met de
-jongere prinsen en de kinderen roeien op zee, in twee booten. Wanda en
-Valérie liepen, de armen om elkaârs middel, op en neêr, op het lange
-voorterras, het zeil was voor den avond reeds omhoog getrokken. De zee
-was nog blauw; de lucht parelkleurig en niet zoo hel meer: boven den
-horizont brandde de zon nog blakende scheuren in de wijd uitstralende
-wolken.
-
-De jonge meisjes liepen, lachten, zagen naar de twee bootjes op zee en
-wuifden ze toe. Heel ver weg ging een steamer fijn gepenteekend, met
-een vuil streepje rook. De jonge prinsen riepen: hoera! hoera! en
-heeschen hunne kleine vlag op.
-
-—Zie toch die couranten van Herman, zei Valérie. Tante Olga houdt niet
-van dien rommel...
-
-Ze wees naar al de tijdschriften en nieuwsbladen, die de lakeien zeker
-vergeten hadden op te ruimen. Ze lagen over den langen, rieten
-reisstoel, op het tafeltje, over den grond.
-
-—Wil ik bellen, dat zij ze opruimen? vroeg Wanda.
-
-—Och, laat maar, zei Valérie.
-
-Ze raapte zelve een paar couranten op, vouwde ze, schikte ze te zamen,
-Wanda wuifde weêr naar de bootjes, met een zakdoek.
-
-—Mijn God! hoorde zij in eens Valérie dof mompelen.
-
-Ze zag om; de jonge aartshertogin bleek, was op een stoel neêrgezonken.
-Zij had de couranten weêr laten vallen; een ervan hield ze krampachtig,
-kreukelend, vast, ze zag er op neêr, met oogen, wezenloos van schrik.
-
-—Het is niet waar... stamelde zij. Ze liegen altijd... ze liegen!
-
-—Wat is er, Valérie? riep Wanda verschrikt.
-
-Op dit oogenblik kwam de hertogin van Wendeholm door den hall aan.
-
-—Valérie! riep ze.
-
-Het jonge meisje hoorde niet. De hertogin kwam nader.
-
-—Valérie! herhaalde ze. Zoû ik je even kunnen spreken, alleen?
-
-De aartshertogin hief haar bleek gezichtje op. Ze scheen niet te
-hooren, niet te begrijpen.
-
-—Mijn God! fluisterde de hertogin tot Wanda; weet ze het al?
-
-—Wat toch? vroeg Wanda.
-
-Maar een lakei kwam door den hall ook; hij droeg een zilveren blad met
-brieven. Er waren een paar brieven voor de hertogin; hij bood ze haar
-eerst; toen éen, aan Valérie. De aartshertogin scheen met hare
-verblinde oogen dien brief toch wel te zien; gulzig greep zij er naar.
-De lakei ging.
-
-—O... God...! stamelde zij eindelijk.
-
-Zij rukte den brief open uit de enveloppe, verscheurde hem half in hare
-drift en las met krankzinnige oogen. Sofie en Wanda zagen haar ontzet
-aan.
-
-—O... God...! kreet de aartshertogin smartelijk. Het is waar... het is
-waar... het is waar!!! Oh...
-
-Zij stond trillende op, zag met dolle oogen om zich heen, stortte zich
-als gek in de armen der hertogin. Een luide snik stiet uit hare keel,
-als schoot een pistoolschot door haar hart heen.
-
-—Hij schrijft het me zelf! kreet zij uit. Zelf! Het is waar, wat in de
-courant staat... Oh!!!...
-
-En zij knakte met haar hoofd op Sofie’s schouder neer. Sofie voerde
-haar mee den hall in; Valérie liet zich meeslepen als een kind. Wanda
-volgde, weenende, wringende haar handen zonder te weten waarom.
-
-Uit de bootjes, die al heel ver waren, wuifden de jonge prinsen nog
-eens; prinsesje Elizabeth poogde zelfs iets te roepen; zij begreep niet
-waarom Wanda en Valérie zoo flauw waren niet meer terug te wuiven.
-
-Aan den horizont ging de zon onder; de gloeiende wolken waren allen
-verdommeld in schuimend goud-roze neveltjes met blinkende randen; maar
-het werd avond; de lucht donkerde; een voor een smolten de roze wolkjes
-weg; éen laatste wolk nog, als met twee stralenvleugels van laatste
-zonneschichten, flikkerde nog even op, of ze wilde vliegen, en verzonk
-toen, in eens, de vleugels geknakt, weg in de violette donkerte. De
-eerste sterren twinkelden op, hel zichtbaar.
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Het was den volgenden morgen nog heel vroeg, half zes, toen de
-aartshertogin Valérie de terrassen van Altseeborgen afging. Zij had de
-kamenier alleen gezegd, dat zij vóor het eerste ontbijt, dat
-gezamenlijk gebruikt werd, terug zoû zijn. Beslist als met eene
-impulzie, ging zij het eene terras na het andere af. Zij ontmoette
-niemand dan een paar bedienden en schildwachten. Het onderste terras
-liep zij naar zee om; daar was een kleine vierkante haven in het
-graniet uitgehouwen, waar, in een bootenhuis, de roei- en zeilbooten
-gemeerd lagen. Zij koos zich een lange, smalle giek, en haakte die van
-de ijzeren ketting los. Met handigheid zette zij zich en greep zij de
-riemen: enkele korte slagen brachten haar het haventje uit, en in zee.
-
-Over de zee woei een Zuidwestenwind. De zee was vreemd grijs, als
-spiegelde ze in haar ovaal de onzekere lucht boven zich af: een
-dofblanke lucht, waarin vuile rafels hingen van, uit elkaâr gewaaide,
-wolken. De horizont was niet zichtbaar; er dreven lichte nevels, die er
-de afscheiding tusschen zee en lucht uitdoezelden met smoezelige tint.
-Sterk woei de wind aan.
-
-Valérie had den kleinen matrozenhoed afgezet en heure haren warrelden
-om haar gezicht. Zij had naar het visschersdorp heen willen roeien,
-maar ze voelde aanstonds, dat het boven hare krachten ging op te werken
-tegen den wind. Zij liet zich dus gaan met den wind meê. Een oogenblik
-dacht zij aan het weêr, de lucht, den wind; toen wierp zij die gedachte
-van zich. Stevig bewoog zij de riemen.
-
-Hoewel de zee betrekkelijk kalm was, wipte het bootje telkens over den
-gladden rug van een golf heen en daalde dan weêr. Schuimspatten vlogen
-op. Toen Valérie na korten tijd omzag, verschrikte zij een weinig,
-omdat Altseeborgen zich zoo ver van haar terugtrok. Zij aarzelde nog
-eens, maar liet zich weêr gaan...
-
-Toen zij het kasteel verlaten had, was geene gedachte in haar geweest;
-alleen eene impulzie om te handelen. Nu, onder de handeling zelve, rees
-de gedachte bij haar op, als werd die door den wind uit eene lethargie
-gewekt. Valérie’s oogen staarden brandend groot, zonder tranen, voor
-zich uit.
-
-Het was waar, reëel. Dit was het wiel, dat telkens terugdraaide in hare
-gedachte. Het was waar, reëel. In de couranten—de zelfde, die Herman
-urenlang doorbladerd had—stond het: Sofie had het haar gezegd; zijn
-eigen brief meldde het haar.
-
-Zij had dien brief niet meer, hij was verscheurd. Maar ieder woord
-brandmerkte nog haar verbeelden.
-
-Het was zijn brief geweest; zijn eigene woorden waren het geweest, zijn
-stijl. Hoe had ze met woorden van hem gedweept, eens. Maar deze, waren
-het wel de zijne? Schreef hij zoo? Kon zij zich voorstellen, dat hij
-ooit zóó tot haar spreken zoû:
-
-Hij zoû haar niet ongelukkig willen maken door haar lief te hebben
-tegen den wil harer ouders, harer keizerlijke familie. Het was immers
-waar, dat hij niet haar evenboortige was. Zijn huis was van ouden adel,
-maar meer niet. Zij was van keizerlijken en koninklijken bloede. Hij
-was haar dankbaar, dat zij tot hem neêr had gebogen en hem tot haar had
-willen heffen. Maar het was niet goed dit te doen. De tradities der
-menschen moesten onschendbaar zijn: het was, vooral voor hen, grooten
-der aarde, niet goed tegen traditie te doen. Zij moesten dankbaar zijn
-voor de liefde, die hunne zielen had gelukkig gemaakt, maar meer
-mochten zij niet verlangen. Te Weenen wilde men niet, dat zij elkander
-lief hadden. Zoû hij haar ooit geheel gelukkig kunnen maken—zoû zij,
-zoo ze huwden en zich met hunne liefde terugtrokken in het buitenland,
-nooit terug verlangen en heimwee voelen naar den splendeur, waaruit hij
-haar tot zich had neêrgehaald? Want, zóo zij huwden, zoû hij nog minder
-hare gelijke zijn, dan hij nu reeds was, door de ongenade van zijn
-keizer. Neen, neen, het mocht niet. Zij moesten scheiden. Zij waren
-niet voor elkaâr geboren. Een kort oogenblik hadden zij de heerlijke
-illuzie gebeeld, dat zij wél voor elkaâr geboren waren; dat was alles.
-Voor die herinnering zoû hij dankbaar blijven, zijn leven lang.
-
-Met een brekend hart nam hij afscheid van haar, vaarwel, vaarwel. Het
-was gedaan, zijn hooge carrière, zijn leven, zijn alles. Hij vroeg haar
-om vergeving. Hij wist, dat hij te zwak was, om haar lief te hebben
-tegen den wil van zijn vorst in. En hij vroeg haar vergeving daarvoor.
-Zij zoû den naam van eene vrouw hooren, samen met de zijnen; ook hier
-vroeg hij vergeving voor. Hij had die vrouw niet lief, maar zij wilde
-hem troosten in zijne smart...
-
-De wind, strafweg, was feller opgestoken, met een zwaren gelijken
-blaasadem. De lucht stond donker. Woester rolden de golven op het
-bootje aan en wipten het op hunne ruggen als van gladde waterbeesten.
-Het schuim had Valérie nat gemaakt. Zij zag om. Altseeborgen lag zeer
-ver, nauwelijks zichtbaar; de vlag zag zij nog teekenen in de lucht,
-als een lintje.
-
-—Ik ben gek, dacht ze. Waar ga ik naar toe...? Ik moet terug...
-
-Maar het was moeilijk de boot te keeren! Telkens sloeg de wind haar
-weêr af en dreef haar verder. Een wanhoop kwam over Valérie’s lichaam
-en ziel, moreele en fyzieke wanhoop.
-
-—Nu, laat dan maar, dacht ze.
-
-Ze liet de riemen los, dreef verder, weg, weg. Waarom ook niet? Waarom
-zoû ze zich niet laten wegdrijven? Zonder hem, zonder hem... kon ze
-niet leven! Haar geluk was gebroken; wat was het leven, zonder geluk?
-Want zij wilde geluk, het was haar broodnoodig...
-
-Ze was half ingezonken in de boot. De riemen klapperden tegen de wanden
-aan. Een golf kletste over haar heen. Hare oogen staarden brandend voor
-zich uit, in het verre.
-
-Een tweede golf kletste, hare voeten waren doornat. Zij richtte zich
-langzaam op, zag naar de booze zee, naar de donkere lucht. Toen greep
-zij de riemen weêr, met een zucht van smart.
-
-—Kom aan! dacht ze.
-
-Hooger rees en lager daalde ze. Maar met een dolle poging deed zij de
-boot wenden...
-
-—Het moet! knarste zij tusschen de tanden.
-
-Zij hield de smalle boot tegen den wind in en begon te roeien. Het
-moest. Haar voorhoofd fronste zich, hare kakebeenen knarsten, hare
-tanden schrijnden over elkaâr. Zij voelde hare spieren rekken. En ze
-roeide door, tegen den wind op. Met haar heele lichaam schokte zij op
-tegen den straffen adem. Het moest. Het zoû. En zij wende zich aan hare
-krachtsinspanning; werktuigelijk roeide zij door. Zóó wende zij aan ze,
-dat ze begon te snikken, terwijl ze roeide...
-
-O God, hoe lief had ze hem gehad, met heel hare ziel! Waaròm, wist ze
-het? O, zoo hij maar wat sterker ware geweest, zij zoû het wel geweest
-zijn! Wat deed hun de ongenade van haar oom, den keizer, zoo ze elkaâr
-liefhadden? Wat de woede van hare ouders, zoo ze elkaâr liefhadden? Wat
-kon hun Europa schelen, zoo ze elkaâr liefhadden! Niets, alles niets...
-Zoo hij hun geluk maar had durven grijpen, toen het voor hen fladderde,
-zooals het maar ééns voor eene ziel uitfladdert! Maar hij had niet
-gedurfd, hij voelde zich te zwak dien greep te wagen, hij bekende het
-haar zelve... En nu... was het gedaan, gedaan, gedaan...
-
-Al snikkende roeide zij door. Hare armen schenen te zwellen, te
-springen uit elkaâr. Enkele dikke druppels van regen vielen neer.
-Waarom eigenlijk roeide zij door? De zee was de dood, verlossing van
-het leven, vergetelheid, blussching van schroeiende pijn. Waarom roeide
-ze dan door?
-
-—O God! ik weet het niet! antwoordde zij zichzelve hardop; maar het
-moet! Het moet!...
-
-En met de schokken van haar sterk vorstinnelijf werkte zij zich terug,
-naar het leven...
-
-Maar op Altseeborgen was men in groote onrust. Het was drie uur
-geleden, dat Valérie gegaan was. De kamenier wist niet anders te
-zeggen, dan dat Hare Hoogheid verzekerd had voor het ontbijt terug te
-zullen zijn. De schildwachten hadden haar de terrassen zien afgaan,
-maar verder geen acht geslagen welken kant Hare Hoogheid was uitgegaan.
-Zij meenden naar het bosch, maar wisten niet zeker...
-
-Iedere minuut steeg de angst; geen vermoeden werd uitgesproken, maar
-men las het elkander in de oogen. Koning Siegfried beval zelve stil te
-gaan zoeken, om geen opzien te baren bij de hofhouding en het volk van
-het dorp. Van verdwalen kon geen sprake zijn: het dennenbosch was niet
-groot en Valérie kende Altseeborgen goed. Trouwens, er was niets dan
-het bosch en het strand en het dorp.
-
-De koning en de kroonprins gingen zelve het bosch in met een adjudant.
-Herman en zijn jongere broêr Olaf gingen het dorp in links; Othomar en
-Christofel langs de zee, rechts. De koningin bleef met de prinsessen in
-hartkloppende onzekerheid achter. Hoe men ook had pogen zich goed te
-houden en te ontbijten, iets van een gerucht waarde reeds door het
-kasteel heen.
-
-Othomar was met Christofel langs het klippige strand gegaan; de regen
-begon te druppelen, dik hard.
-
-—Wat zoeken we hier eigenlijk! zei Othomar radeloos.
-
-—Ze zal zich misschien in zee hebben gegooid! antwoordde de jonge prins
-en, voor het eerst van zijn leven, was hij bang voor de diepte, die de
-dood was. Zonder te weten gingen zij door, door...
-
-—Laat ons terugkeeren, sprak Othomar.
-
-Zij gingen echter nog eenigen tijd voort; ze konden niet opgeven...
-
-Daar klonk een kreet over het water; zij schrikten op, maar zagen eerst
-niets.
-
-—Hoorde je? vroeg Christofel bleek, die aan spooklegenden van de zee
-dacht.
-
-—Een zeemeeuw zeker! zei Othomar, maar luisterde toch. De kreet klonk
-weêr.
-
-—Daar, zie je niets! wees Christofel.
-
-Hij wees een lange vlak, die deinde over het water aan.
-
-Othomar schudde van neen.
-
-—Neen, dat kan niet! zei hij; dat is een visschersjongen.
-
-—Wel neen, het is een giek! riep Christofel.
-
-Zij zeiden niets meer, liepen op een draf door. De vlak werd
-duidelijker: een giek, de kreet klonk, doordringend.
-
-—Mijn God, Valérie! schreeuwde Othomar.
-
-Zij schreeuwde eenige woorden terug; hij verstond maar ten deele. Zij
-roeide niet ver van het strand af, naar het kasteel toe. Othomar deed
-zijn jas, zijne schoenen uit, stroopte zijn broek op, de mouwen van
-zijn hemd.
-
-—Neem dat meê, riep hij tot Christofel; en ga terug naar het kasteel,
-zeg het hun...
-
-Hij liep met bloote voeten over de klippen heen, de zee in, wierp zich
-in het water, zwom naar de boot. Het was zeer moeilijk voor hem in het
-bootje te komen, zonder het te doen omslaan. Het kantelde dol links en
-rechts; met éene beweging van lichte vlugheid slaagde Othomar echter er
-in te springen.
-
-—Ik kan niet meer... sprak Valérie mat.
-
-Ze liet de riemen los; hij greep ze en roeierde op. Ze viel even tegen
-hem aan, maar hield zich toen recht om hem niet te belemmeren.
-
-
-
-
-
-V.
-
-De jonge aartshertogin verscheen niet aan het lunch; zij sliep. Even
-voor het diner,—het regende en de koningin dronk in den hall thee, met
-de prinsessen, de tantes, de kinderen,—verscheen zij. Zij zag wat
-bleek; haar gezicht was een weinig uitgetrokken; hare oogen vreemd
-groot, brandend. Zij droeg een eenvoudig zomertoilet van zacht lila
-soupele stof, met een paar witte linten om den leest gestrikt; de kleur
-stond haar goed bij het vreemde haar, dat nu eens bruin was en dan weêr
-rossiger scheen. De koningin strekte de hand naar Valérie uit; ze
-schudde het hoofd en zei:
-
-—Ondeugend kind! Wat heb je ons bang gemaakt.
-
-Valérie kuste het voorhoofd der koningin.
-
-—Vergeef me, tante. De wind was zoo sterk, ik kon er bijna niet tegen
-op. Ik had niet moeten gaan. Maar ik had, ik had behoefte... aan
-beweging.
-
-De koningin zag haar angstig aan.
-
-—Hoe voel je je?
-
-—O, goed tante. Wat stijf; een beetje hoofdpijn ook. Het is niets. Mijn
-handen alleen hebben een paar groote blâren, ziet u eens...
-
-En ze lachte.
-
-De oude dames vroegen uitvoerig naar het gebeurde: het was heel
-moeielijk ze het aan haar verstand te brengen. Wanda zette zich
-tusschen haarbeiden, deed haar het verhaal; de fijne kakatoe-profielen
-bogen telkens ontzet op en neêr naar Wanda toe. De tantes legden de
-hand op het hart en zagen Valérie in verschrikking aan; vriendelijk
-glimlachte zij ze toe. Toen de gravin Von Altenburg verscheen, namen de
-tantes de oude grootmeesteres tusschen haar in en deden, op hare beurt,
-het verhaal, krijschende aan de arme ooren der gravin. Koning Siegfried
-kwam binnen; hij ging naar Valérie toe, die opstond, nam haar het hoofd
-tusschen de handen, zag haar aan en schudde zijn grijzen kop; toch
-glimlachte hij. Toen zag hij naar zijne zusters; hij amuzeerde zich
-altijd om ze; ze waren nog midden in haar verhaal tegen de gravin,
-namen elkaâr telkens het woord uit den mond:
-
-—Nu, zoo verschrikkelijk was het niet! viel de koning ze in de rede;
-zoo te roeien is wel eens prettig en een goed middel tegen migraine. Je
-moest het ook eens doen, Elsa, als je migraine hebt.
-
-De oude prinses zag hem zoetsappig glimlachend aan: ze wist nooit of
-haar broêr zoo iets meende of niet. Ze schudde haar deftig hoofd
-langzaam heen en weêr:
-
-—Neen, lieber Siegfried, dat kunnen wij niet meer doen. Unsere liebe
-Erzherzogin is nog een jong ding...!
-
-Othomar, Gunther en Herman kwamen binnen; ze hadden gebiljart; de
-jongere prinsen volgden hen. Valérie sidderde even, stond op en ging
-naar Othomar.
-
-—Ik dank je, Xara, sprak ze. Duizend-, duizendmaal!
-
-—Maar waarom, Valérie! antwoordde Othomar eenvoudig. Ik heb niets
-gedaan dan je een eind teruggeroeid. Er was geen gevaar. Want, als je
-zoo moê was geweest, dat je niet meer hadt gekund, hadt je immers in
-zee kunnen springen en kunnen zwemmen naar land. Je bent een goede
-zwemster. Je hadt alleen de boot er aan geofferd.
-
-Zij zag hem aan.
-
-—Het is zoo, zei ze. Maar ik dacht daar niet aan. Ik was misschien...
-verbijsterd. Ik zoû het niet gedaan hebben; ik had een idee-fixe om
-terug te roeien. Als ik niet meer had kunnen roeien, was ik zeker...
-Weiger mijn dank niet, ik verzoek het je: neem hem aan.
-
-Zij stak hare hand uit, hij drukte ze. Met verwondering zag hij stil
-tot haar op, en begreep haar niet. Hij dacht niet anders dan dat zij
-dien morgen het kasteel verlaten had met een plan van zelfmoord. Had
-zij op het water berouw gevoeld of niet gedurfd; had zij willen
-doorleven en was zij teruggekeerd? Was zij zoo oppervlakkig, dat zij
-het groote leed, dat haar gisteren avond verpletterd had, nu reeds te
-boven was? Voelde zij, dat het leven over alles wat van ons is, geluk
-of smart, heenradert met zijn onverschillige jubelkarren en dat het
-maar het beste is om niets te geven en te voelen, ook niets? Wat van
-dit alles was er in haar? Hij kon het niet doorgronden. En opnieuw zag
-hij zich weer vreemd staan voor de vraag van de liefde. Wat was dit
-gevoel waard, zoo het zóó weinig maar woog in een vrouweziel? Wat woog
-het bij hemzelven voor Alexa? Wat was het dan... of was het dan nog
-iets... anders?
-
-Aan het diner praatte Valérie als gewoonlijk en hij bleef haar niet
-begrijpen. Het ergerde hem, zijn gebrek aan doorzicht in menschehart:
-hoe kon hij het ontwikkelen? Een aanstaande vorst moest toch met éen
-enkelen blik kunnen zien... En in eens, misschien alleen òm zijn wensch
-naar menschekennis, kwam het in hem op, dat ze zich verborg, dat ze
-misschien nog zeer leed, maar zich voordeed, zich ophield; ze was
-immers een vorstenkind: zij leerden dat allen, vorstenkinderen, zich
-ophouden, zich voordoen! Het zat hun in het bloed. Schuin zag hij haar
-aan, waar hij naast haar zat; kalm praatte zij over hem heen met de
-koningin. Hij wist niet of hij goed geraden had en hij weifelde nog
-tusschen die twee: houdt ze zich op, of is ze oppervlakkig? Maar toch
-was hij gelukkig omtrent haar te kunnen weifelen en dat eerste
-vermoeden van oppervlakkigheid te ontzenuwen door zijne tweede
-gedachte. Hij was hier gelukkig om, niet geheel en al om Valérie
-alleen, dat zij beter zoû zijn, dan hij eerst meende; hij was er vooral
-gelukkig om, om den algemeenen regel, waartoe hij er om besloot: dat
-een mensch meestal beter is, dieper denkt, edeler voelt dan hij
-schijnen laat in de iederen-daagsche banaliteit van het leven, die hem
-dwingt zich te bemoeien met nietsjes en woorden, ieder oogenblik. Een
-teêr gevoel van vreugde kwam over hem, dat hij dit zoo had bedacht. Een
-rust, dat hij iets mooi in het leven geraden had: een mooi geheim.
-Iedereen wist het misschien, maar niemand liet het blijken. O ja, de
-menschen waren goed; de wereld was goed, in hare essence. Een vreemd
-mysterie alleen dwong anders te schijnen, een vreemde dwang der
-wereldorde. Hij zag om zich heen over de lange tafel. Alle gezichten
-hadden vriendelijkheid en sympathie over zich. Hij hield van zijn oom,
-den koning; zoo kalm, zacht, flink, met het schijnbaar stug
-stilzwijgende van zijn Noordsch karakter, met zijn rustigen glimlach en
-nu en dan een kleine vonk van scherts, tegen de oude tantes vooral,
-maar ook tegen de kinderen en zelfs tegen de adjudanten, de hofdames.
-Hij wist, dat zijn oom een denker was, een wijsgeer; hij zoû gaarne
-eens lang met hem hebben willen spreken over punten van filozofie. Ook
-van zijne tante hield hij: een flinke vorstin; hoeveel deed zij niet
-voor haar land, hoeveel liefdadige instellingen riep ze niet op; een
-flinke moeder, hoe verstandig kwijtte zij zich niet van hare moeilijke
-taak; vorstenkinderen op te voeden. Zij was in haar land meer bemind
-dan zijne moeder, die hij toch aanbad, in het hare; zij had meer tact,
-minder angst, minder hoogheid ook tegen de menigte. Het had misschien
-omgekeerd moeten zijn: zij koningin hier, hare zuster keizerin
-daarginds...
-
-En de kroonprins met zijne eenvoudige mannelijkheid; Herman met zijne
-joligheid; de jongere broêrs met hunne stevige jongensblague; hoeveel
-hield hij niet van ze! Sofie, Wanda, de kinderen, hoeveel hield hij
-niet van ze! De tantes, de oude, zich wijdende grootmeesteres, hij vond
-ze zelfs sympathiek. O de wereld was goed, de menschen waren goed! En
-Valérie was niet onverschillig, maar leed in stille stilte, zooals een
-vorstenkind lijden moet, met kalme oogen en een glimlach!
-
-Toen het diner gedaan was, nam koningin Olga Othomars arm.
-
-—Kom even meê, sprak ze.
-
-De regen had opgehouden, een lakei opende de boogdeuren. Er was daar
-het lange achterterras, achter de eetzaal; het zag uit op het bosch. De
-koningin had haren arm onder dien van Othomar gestoken, en begon met
-hem op en neêr te wandelen.
-
-—En je gaat ons dus verlaten? vroeg ze.
-
-Hij zag haar glimlachend aan.
-
-—U weet het, tante: met veel spijt. Ik zal nog dikwijls heimwee naar
-Altseeborgen hebben, naar u allen. Ik voel mij zoo geheel thuis in uw
-kring. Maar ik verlang toch ook Mama terug te zien; het is nu bijna
-vier maanden geleden, dat ik haar zag.
-
-—En voel je je beter?
-
-—Hoe zoû het anders kunnen, tante. De reis met Herman had me al
-opgesterkt, en het leven hier bij u is een heerlijke nakuur geweest.
-Een heerlijke vacantie.
-
-—Maar nu zal het uit zijn met die vacantie: zal je nu weêr kunnen
-handelen?
-
-Hij glimlachte met een kalme berusting in zijne melancholieke oogen.
-
-—Zeker tante, het mag niet altijd vacantie blijven. Me dunkt, ik heb
-het er van genomen; zes weken niets gedaan dan liggen in het zand, of
-in het bosch, of op die heel gemakkelijke rieten bank van Herman.
-
-—Heb je niets meer gedaan? vroeg zij schalk.
-
-—Wat meent u?
-
-—Niet het leven gered... van Valérie?
-
-Hij maakte een kleine beweging van zacht ongeduld.
-
-—Maar tante, heusch niet. De couranten zullen dat nu wel gaan
-vertellen, maar het is heusch geen redding geweest. Valérie kan immers
-zwemmen en ze was vlak bij het land.
-
-—Ik heb een brief van papa, Othomar.
-
-—Van papa?
-
-—Ja... Heb je nooit gedacht aan... Valérie?
-
-Hij bedacht zich even.
-
-—Misschien, lachte hij.
-
-—Voel je geen genegenheid voor haar?
-
-—Zeker tante... Ik dacht, dat papa liever de grootvorstin Xenia wilde?
-
-De koningin haalde hare schouders op.
-
-—De godsdienstkwestie, niet waar? Papa heeft toch ook gaarne een
-Oostenrijksche verbintenis. Hoe denk je de reis te nemen? En wanneer ga
-je?
-
-—Ducardi en de anderen komen nog deze week hier. Aan het einde van de
-week. Eerst Kopenhagen, Londen, Brussel, Berlijn en dan naar Weenen.
-
-—En naar Sigismundingen.
-
-—Ja, naar Sigismundingen, als papa wil.
-
-—Maar wat wil jij, Othomar?
-
-Hij zag haar zacht aan, glimlachend, haalde de schouders op.
-
-—Maar tante, wat heb ik te willen?
-
-—Zoû je van Valérie kunnen houden?
-
-—Ik geloof het wel, tante: ik geloof, dat ze heel lief is en heel
-flink.
-
-—Ja, dat is ze zeker, Othomar. Zoû je niet, voor je wegging, dan met
-haar praten?
-
-—Tante...
-
-—Waarom niet?
-
-—Tante, dàt kan ik niet doen. Ik blijf nog maar enkele dagen hier,
-en...
-
-—En?
-
-—Valérie heeft een groot verdriet gehad. Het kan niet anders of zij
-moet er nu nog zeer onder lijden. Bedenk, tante, het was gisteren. Mijn
-God, gisteren...! En vandaag was ze zoo kalm, zoo eenvoudig... Maar het
-kan niet anders, niet waar, of ze lijdt nog heel erg. Zij is van morgen
-met dat weêr op zee gegaan... we weten niets, niet waar, tante, maar we
-denken allen het zelfde! Misschien vergissen we ons, eenvoudig weg. De
-dingen, die schijnen, zijn dikwijls anders. Maar hoe het ook zij,
-verdriet heeft ze zeker. Ik kan haar dat dus niet vragen, nu...
-
-—Het is jammer; jullie zijn nu samen. Dikwijls wordt zoo iets beslist
-uit de verte. Je zoû, als het hier in orde kwam, de reis misschien niet
-hoeven te maken.
-
-—Tante, papa stond toch op die reis...
-
-—Dat is zoo; omdat nog niets beslist was.
-
-—Neen, tante, laat mij die reis doen. Want in orde komen, hier, dat kan
-het toch niet. Als papa het me zelve vroeg zoû ik zeggen... dat het
-niet kan.
-
-—Papa vraagt het je, Othomar, in dien brief aan mij.
-
-Hij greep hare handen.
-
-—Tante, schrijf u het dan terug, aan papa, dat het niet kan, nu. O,
-onmogelijk, onmogelijk. Laat ons haar sparen, tante. Als ze mijn vrouw
-wordt, wordt ze het toch, terwijl ze een ander liefheeft. Is dat al
-niet vreeslijk genoeg voor haar, als het later beslist wordt, na
-maanden? Laat ons haar daarom nu dus sparen. U voelt dat toch ook als
-vrouw, niet waar? Er zijn geen staatszaken, waarom mijn huwelijk zoo
-dringend zoû moeten worden gesloten.
-
-—Toch wil papa, dat je zoo gauw mogelijk trouwt, Othomar. Hij wenscht
-een kleinzoon...
-
-Hij antwoordde niet: een lijden trok over zijn gelaat. De koningin zag
-het.
-
-—Maar je hebt gelijk, antwoordde zij, hem toegevend. Het zoû te wreed
-zijn. Valérie houdt zich anders goed. Zoo moet een aanstaande keizerin
-van Liparië zijn...
-
-Hij antwoordde nog niet, liep stil naast haar; nog steeds lag hare hand
-op zijn arm; zij voelde dien trillen.
-
-—Kom, zij ze zacht; laat ons naar binnen gaan; zoo een wandeling op en
-neêr maakt nog moê ook...
-
-
-
-
-
-VI.
-
-Ducardi, Dutri, Leonie en Thesbia waren te Altseeborgen aangekomen; zij
-zouden Othomar vergezellen op zijn officieele reis door Europa. Het was
-een der laatste dagen, dat Othomar met Herman samen wandelde, des
-morgens, naar het bosch.
-
-De zon scheen, het bosch was geurig, de voet gleed uit over de gladde
-naalden. De prinsen lieten zich op den grond neêr, bij een groote plas
-water; om hen heen verrezen de rechte dennestammen met hunne knoestige
-pieken van zijtakken; de lucht week, met blauwe plekken, tusschen het
-uitstekende naaldenloover, weg naar de ruimte.
-
-Herman leunde tegen een stam aan; Othomar strekte zich uit op den rug,
-de handen onder het hoofd.
-
-—Het is nu gauw uit, zeide hij zacht.
-
-Herman antwoordde niet, maar streek met zijne hand de naalden
-werktuigelijk bij elkaâr. En ook Othomar sprak niet meer; hij dronk
-zijn laatste oogenblik van ontspannen rust als met voorzichtige teugen
-in: iedere teug was een wellust, die nooit terug zoû komen.
-
-In het bosch was het doodstil, als was de aarde onbewoond; de weemoed
-van wat eindigt hing tusschen de boomen.
-
-In eens nam Othomar Hermans hand en drukte die.
-
-—Ik dank je, zei hij.
-
-—Waarvoor? vroeg Herman.
-
-—Voor het genot, dat wij samen hebben gehad. Mama had gelijk: ik kende
-je niet, Herman...
-
-—Maar ik jou ook niet, beste jongen.
-
-—Het zijn mooie dagen geweest. Hoe heerlijk hebben we samen gereisd,
-als twee touristen. Hoe heerlijk grootsch was Voor-Indië, niet waar, en
-Japan, hoe curieus. Ik hoû anders niet van jagen, maar met jou begreep
-ik het en voelde ik de emotie er van: ik zal onze tijgerjacht nooit
-vergeten! Die oogen van dat beest, het gevaar in het gezicht: dat
-sterkt. In zoo een oogenblik voel je je primitief worden als de eerste
-mensch. Zoo een tijger kijkt een boel geweifel uit je weg. Dat is een
-ander gevaar, dan waar mama altijd bang voor is; o dat enerveert zoo,
-dat eet al je energie op... En de nachten op den Indischen Oceaan, op
-onzen Viking. Die kolossale ruime cirkel om je heen, al die sterren
-boven je! Wat hebben we dikwijls zitten kijken, met onze beenen op de
-verschansing... Het is misschien niet goed lang zoo te droomen, maar
-het rust zoo uit, het rust zoo uit. Ik zal het nooit vergeten, nooit...
-
-—Nu maar, kerel, we zullen het nog wel eens over doen.
-
-—Neen, je doet iets nooit over. Wat gedaan is, is gedaan. Niets komt
-terug, geen oogenblik. Het is later altijd wat anders...
-
-Hij zag even om zich heen, alsof er iets beluisteren kon, fluisterde
-toen:
-
-—Herman, ik moet je iets zeggen.
-
-—Wat dan?
-
-—Iets toevertrouwen. Maar zeg eerst: toen met dien tijger, toen vond je
-me niet laf, niet waar?
-
-—Neen, zeker niet!
-
-—Nu, ik ben het toch, laf. Ik ben bang, altijd bang. Ze weten het niet,
-de dokters, omdat ik het hun nooit zeg. Maar ik ben het altijd...
-
-—Maar waarvoor dan toch, kerel?
-
-—Voor iets in mezelven. Zie je, Herman, ik ben zoo bang... dat ik het
-niet vol zal kunnen houden. Dat ik op een oogenblik te zwak zal zijn.
-Dat ik het in éens niet meer zal kunnen doen, en dan, dan...
-
-Hij huiverde; zij zagen elkaâr aan.
-
-—Het is niet goed, vervolgde hij werktuigelijk, als gesterkt door
-Hermans blik. Ik zal er tegen strijden, tegen dien angst... Geloof je
-aan voorgevoelens?
-
-—Ja, aan het omgekeerde van ze: de mijne komen altijd omgekeerd uit!
-
-—Ik hoop dan, dat het mijne ook niet zal uitkomen.
-
-—Maar wat is het?
-
-—Dat er binnen het jaar... iemand van ons... dood zal zijn... te
-Lipara.
-
-Herman bleef hem star aanzien. Trotsch zijne flinkheid en zijne fyzieke
-kracht van spieren, school er in hem eene lichte overerving van het
-bijgeloof, dat in de zee aanruischt als met stemmen van verre profetie;
-bijgeloof, gewiegeld door de mooie legenden van hunne Gothlandsche zee,
-die als eene sirene vreemde sprookjes zingt van mystiek. Hij wist het
-misschien zelve niet, dat er hem iets van vloeide door zijn rijk bloed,
-vóor hij het voelde op dit oogenblik, en hij wilde het weg uit zich
-schudden, als nonsens.
-
-—Maar Othomar, wees toch verstandig!
-
-—Ik kan er niets tegen doen, Herman; ik denk er niet over, maar het
-zijn heele kleine prikjes, als gedachten, die plotseling opkomen. En
-verleden... o verleden, toen was het meer; toen werd het een droom, een
-nachtmerrie. Ik liep door de winkelstraten van Lipara en uit alle
-winkels kwamen zwarte menschen, en die maten hoopen zwart krip uit, met
-meters, en zóoveel, dat de straten zich er mee vulden en dat het krip
-als met wolken in de stad lag, en als een hoop van floers boven de stad
-steeg. Het werd er donker om; de zon scheen er niet meer door heen, en
-over alles lag de schaduw. De menschen schenen mij niet te herkennen,
-en toen ik vroeg, waarvoor al dat krip was, fluisterden ze aan mijn
-ooren: stil, stil, het is... voor het Imperiaal!... O, Herman, toen
-werd ik wakker, en ik was nat van zweet en het was of ik het nog altijd
-hoorde naklinken: voor het Imperiaal, het is voor het Imperiaal!
-
-Herman was opgestaan, hij werd een beetje zenuwachtig.
-
-—Kom, zei hij, willen we gaan?... Droomen, hecht toch niet aan droomen,
-Othomar!
-
-Othomar stond ook op.
-
-—Neen, ik moest ook niet aan ze hechten, herhaalde hij vreemd; ik heb
-het vroeger ook nooit gedaan.
-
-—Othomar... begon Herman, beslist, als wilde hij spreken.
-
-—Zeg even niets tegen me; laat me een oogenblik stil! viel hij in de
-rede, snel, angstig.
-
-Zij liepen door het bosch, zwijgend. Othomar zag vreemd om zich heen,
-over den grond. Herman sloot de lippen dicht op elkaâr, en fronste zijn
-voorhoofd: hij was boos. Maar hij sprak niet. Na enkele minuten werden
-Othomars vreemde blikken kalmer; ze stilden zich tot hunne gewone,
-zachte melancholie.
-
-Toen zuchtte hij licht, als weêr komende op adem.
-
-—Wees niet boos, sprak hij, zijn arm stekend onder dien van Herman.
-
-Zijne stem had weêr den gewonen klank.
-
-—Het zal misschien goed zijn, dat ik je dat gezegd heb: nu zal het
-misschien uit me weggaan. Wees dus niet boos, Herman... Ik beloof het
-je, voortaan zal ik niet meer zoo spreken en ook mijn best doen niet
-meer zoo te denken. Maar wat me hindert, moet ik zeggen. En dat is toch
-ook veel beter, dan het eeuwig te verzwijgen! Zie je, ik zal gauw ook
-geen tijd meer hebben aan zulke dingen te denken—morgenavond zijn wij
-te Kopenhagen, en dan neemt het leven weêr zijn gewonen loop. Hoe heb
-ik toch zoo vreemd gesproken, hoe ben ik er op gekomen? Ik weet het
-zelf niet meer... Het lijkt me nu zelf heel dwaas.
-
-Hij lachte even en toen, ernstig:
-
-—Ik ben toch blij, dat we alleen gesproken hebben, dat ik je heb kunnen
-danken. Niet waar, we zijn nu vrienden?
-
-—Ja, we zijn vrienden, antwoordde Herman lachend, úit zijne boosheid;
-maar ik zal jou toch nooit heelemaal kennen!
-
-—Zeg dat nu niet alleen om een enkel voorgevoelen, dat ik zelf dwaas
-vind. Wat is er anders voor raadselachtigs in me...!
-
-Herman zag hem aan.
-
-—Neen, anders ook niet! gaf hij toe. Je bent een goede jongen. Ik weet
-niet, hoe het gekomen is, maar ik hoû veel van je...
-
-Zij gingen het bosch uit; de zee lag voor hen. Als het leven zelve, lag
-ze voor hen, met het mysterie harer diepte, waarin eene veelvuldige
-ziel scheen te bewegen en golf te ronden na golf. Onnoembaar en
-ontelbaar waren hare wisselingen van kleur: hare stemmingen van
-onophoudelijke beweging, en hoog spuwde zij op de kammen harer
-woestheid een schuim van passie uit. Maar die passie was hare
-oppervlakkigste openbaring: al het overvloedige van hare eindelooze
-vitaliteit: uit hare diepte ruischte, in de onnazingbare melodieën
-harer millioenen stemmen, de mystiek op van hare ziel, als het geheim,
-dat de hemel alleen wist, bóven haar.
-
-
-
-
-
-VII.
-
- Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke
- Hoogheid Othomar, Hertog van Xara,
-
- te
-
- Osborne House Wight. Lipara, Imperiaal. Sept. 18..
-
-
- Dierbare Zoon.
-
-Wij ontvingen met veel genoegen Uw brief, die ons meldde de hartelijke
-ontvangst, die U eerst te Kopenhagen ten deel viel en nu in Engeland.
-Wij moeten U echter onze bevreemding doen opmerken omtrent hetgeen
-Tante Olga ons schreef, en ons leed betuigen, dat Gij U niet naar ons
-verlangen gedragen hebt; dit zelfde leed betuigen, door middel van
-brieven aan ons, de Keizer van Oostenrijk en de Aartshertog Albrecht.
-Wij hebben ons zeker in ons schrijven aan Tante Olga niet dringend
-genoeg uitgelaten: in het andere geval zouden wij ons niet kunnen
-voorstellen, dat zij er niet meer bij U op zoû hebben aangedrongen, aan
-de Aartshertogin Valérie een onderhoud te verzoeken en haar te spreken
-over de gewichtige zaak, die ons allen op dit oogenblik zoo zeer ter
-harte gaat. Gij hadt dan reeds aan de hoven, die Gij nu bezoekt, Uwe
-verloving sous-cachet kunnen mededeelen, en zij zoû aan het einde van
-Uwe reis te Sigismundingen gevierd hebben kunnen worden. Terwijl Gij U
-nu zeker bij onze Vrienden, Hunne Majesteiten van Denemarken en van
-Engeland, in een scheeve positie plaatst, daar er immers in alle
-nieuwsbladen over eene mogelijke verloving met de Aartshertogin Valérie
-gesproken wordt en de pers zoo goedgunstig is het voor en tegen van
-deze verbintenis reeds met luider stemme te bespreken. Uwe reis had
-echter toch in alle geval plaats moeten hebben, daar ze al zoo lang
-geleden was aangekondigd—Uwe ziekte kwam daar tusschen beiden,—en daar
-ze dus niet meer is dan eene beleefdheid jegens onze Vrienden.
-
-Nog eens, dat Gij U hierin niet naar ons verlangen gedragen hebt, doet
-ons veel verdriet. Wij zien er in zekere neiging tot een burgerlijke
-overgevoeligheid, Othomar, die wij hopen, dat Gij zult leeren
-beheerschen met al de kracht, die in U is. Een verdriet, als prins Von
-Lohe-Obkowitz Uwe aanstaande bruid heeft aangedaan, heeft ons allen wel
-eens in ons leven getroffen, en kan zeker een korten tijd groote smart
-veroorzaken, maar het blijft geheel en al een personeel en
-ondergeschikt gevoelen, en het mag zich in het minst niet dringen vóor
-zaken van zulk groot staatsbelang als het huwelijk van een aanstaanden
-Keizer van Liparië. De Aartshertogin Valérie zal dit zeker ook zoo
-leeren beschouwen, als zij ouder is, en wij hopen, dat zij reeds
-spoedig zal inzien, dat hare genegenheid voor de prins Lohe nooit haar
-geluk had kunnen zijn, daar ze haar in disharmonie had gebracht met
-Zijne Majesteit, haar Oom, en met alle hare verwanten.
-
-Beheersch U, Othomar; wij vragen U dit dringend. Gij hebt somtijds
-ideeën en maakt U voorstellingen, die niet van een vorst zijn. Wij
-hebben dit reeds meermalen opgemerkt onder anderen, toen Gij, in Vaza,
-Zanti bezocht hebt. Wij hebben U dit niet willen verwijten, omdat wij
-overigens zeer tevreden over U geweest zijn. Uw liefste wensch zal
-zeker zijn, dat wij dit altijd zullen blijven.
-
-Wij hopen U dus over drie weken terug te zien te Sigismundingen, waar
-de Aartshertogin Valérie dan van Altseeborgen teruggekeerd zal zijn, om
-met U samen te treffen, en waar wij ook den Keizer van Oostenrijk
-ontmoeten zullen.
-
-Wij hopen van harte, dat de lange reis met Herman U veel goed zal
-gedaan hebben, en dat Uw huwelijk zoo spoedig mogelijk te Altara zal
-kunnen plaats grijpen. Dit blijde vooruitzicht is ons eene aangename
-afleiding voor de beslommeringen omtrent de Legerwet, die in het Huis
-der Standen zoo halsstarrige tegenkanting vindt, maar die wij toch
-hopen te zullen doordrijven, daar ons Leger noodzakelijke vermeerdering
-vereischt.
-
-Wij omhelzen U van harte.
-
-
- Oscar.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de
-keizerlijke familiën van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de
-verloving van den hertog van Xara met de aartshertogin Valérie te
-vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet geweest, en in den
-avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht.
-
-Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen
-ging door een galerij naar de receptiesalons terug. Al de
-balkonvensters der hel verlichte galerij stonden open: onder, als in
-een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend tegen de
-rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog
-was getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van
-toppen-lijn aan tegen de heldere lucht, die telkens hel was van
-electrische glanzingen, als van geluidloos weêrlicht. Het bosch stond
-somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen van zijn
-sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward
-in den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein
-geel licht.
-
-De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de
-aartshertogin Eudoxie; dan volgden de keizer van Oostenrijk met de
-keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht met de keizerin van
-Oostenrijk, Othomar met Valérie... Even drukte Valérie Othomars arm en
-trok zich met hem uit den stoet terug.
-
-—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars
-zuster, de aartshertogin van Karinthië, die met een harer
-Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg de aartshertogin
-door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de
-adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke
-verloofden, die in een der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan.
-
-Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam.
-
-—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht.
-
-Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het
-avondlandschap. Hij droeg de Uhlanen-uniform van het regiment dat hij
-in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met de anderen
-mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen
-ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden
-avondtoilet, met groote, zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een
-dichtgekroesden witte-struisveêrenrand om het open corsage en om den
-sleep.
-
-—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht.
-
-Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie
-scheen hare borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen.
-
-—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn
-gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê...
-
-Zij stak hem in eens hare hand toe:
-
-—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in
-eens, met een grooten snik.
-
-En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met
-een paar oogen, als van een verwonde ree. Een onbedwingbaar gevoel van
-medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging: hij drukte
-hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen.
-
-Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van
-hier zichtbare, punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder
-hen, romantisch, ruischte de Donau. De bergen waren als het landschap
-uit een ballade. En geen ballade, geen roman klonk er tusschen hunne
-harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid was alleen
-de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in
-werkelijkheid, bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met
-elkander meêvoelen en meêleven. Zij waren nu even alleen, en eerlijk
-peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte. Geen veinzen was noodig
-tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen in
-elkanders hart, naakt.
-
-Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een
-stil huiverigen weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van
-angst, zooals kinderen kijken als ze een spook meenen te zien. Dat
-spook kwam voor hen uit het leven zelve: het leven zelve werd hun een
-spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al voelden ze zich tastbaar, met
-lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze liepen en bogen en
-deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen. Zij
-bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat
-er iets bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer,
-maar in hunne sfeer bestonden zij niet...
-
-Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem
-lagen op een vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het
-ware eenige geïllustreerde tijdschriften, zeker door een kamerheer
-vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig stilzwijgen te vullen en
-opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten.
-
-—Kijk, zeide hij.
-
-Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten
-hunner ouders, een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park
-van Sigismundingen.
-
-Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden
-eerst ieder beschreven, hij, een talentvolle prins, die veel goed deed,
-in zijn land zeer populair, en hartelijk bemind door den
-Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren
-om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere
-talenten. Heel Europa had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd.
-Want hun huwelijk zoû niet alleen zijn eene vorstelijke verbintenis van
-staatsbelang, maar ook een band leggen van innige harmonie; hun
-huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders
-willen doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den
-huiselijken kring te Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers
-elkander goed leeren kennen, was hunne liefde als eene idylle aan de
-zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het leven gered der
-aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot had
-gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer
-Oscar had zelve liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van
-Liparië gezien, en hechtte zeer aan eene verbintenis met Rusland, maar
-hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon... En het artikel
-eindigde, dat het huwelijk in October in het oude paleis te Altara zoû
-voltrokken worden.
-
-Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote
-strakke oogen, die nog pijn deden van het staren in elkanders ziel.
-Geene enkele opmerking kwam over hunne lippen na het artikel; zij
-glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen; toen legde
-hij het tijdschrift weêr neêr. En zij vroeg, met die vreemde kalmte,
-waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te leeren kennen:
-
-—Othomar, heb jij niemand... lief?
-
-Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa?
-
-—Ik heb wel gedacht, dat ik... iemand lief heb gehad, bekende hij; maar
-ik geloof toch niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik
-het element niet in me heb, met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel
-voor een enkele andere ziel: ik zoû niet weten hoe ik ze vinden moest,
-die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen, of me maar iets
-wijs te maken... Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel
-ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel,
-een immens medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van
-me...
-
-Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat
-algemeene gevoel, waarvoor hij zich schamen moest voor haar.
-
-—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan
-bleef zien, en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor
-ons volk...
-
-—Voel je dàt? vroeg ze, in bevreemding.
-
-—Ja...
-
-Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van
-licht gloorde aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het
-verschiet was zoo ver, zoó ver...
-
-—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te
-voelen!
-
-Hij haalde de schouders op.
-
-—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is...
-onder ons volk, het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal
-gelukkig waren en overvloed hadden, had ik het niet te voelen. Waarom
-is er dan iets moois aan?
-
-Zij lachte even.
-
-—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit
-over sociale toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en...
-en ik heb er niet over nagedacht. Maar ik voel alleen, met mijn
-instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt, Othomar.
-
-Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een
-glimlach. Toen zag zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden
-hen, en zij huiverde.
-
-—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat
-hier koû.
-
-Zij voelde even aan haren blooten hals.
-
-—Dadelijk, sprak ze.
-
-Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van
-den stroom op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen
-mousseline.
-
-—Kom, drong hij.
-
-—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar?
-
-Hij zag naar beneden.
-
-—Ja, antwoordde hij.
-
-—Voel je geen duizeling? vroeg ze.
-
-Hij keek haar angstig aan.
-
-—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk...
-
-—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten.
-Telkens keek ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets
-dan zwart en het bruiste maar altijd door in die zwarte diepte. Het was
-de avond, nadat onze verloving beslist was. Ik had zoo een pijn, ik heb
-zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had, maar ze lieten me
-geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden.
-Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als... als mijn groot
-verdriet gekomen was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo
-overstelpte, omdat ze me geen rust lieten. O, ze zijn zoo wreed
-geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem te komen. Voort moest
-het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht, dat ik die
-zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te
-kijken naar den Donau. Het maakte me duizelig... Eindelijk dacht ik,
-dat ik het besluit genomen had: om me te gooien naar beneden... Ik zag
-me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden, om het kasteel heen...
-Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om... hèm, Othomar. Ik had hem
-nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem
-niet straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû
-hem zijn leven lang vervolgd hebben...! Toen... toen, Othomar, ben ik
-weggeloopen, en ik heb gebeden!!! Ik wist niet meer wat te doen!
-
-Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik.
-Zijne oogen stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik
-vol angst sloeg hij op den diepen stroom beneden, die als roepend
-bruiste...
-
-—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan.
-Het is hier te koud, en, en...
-
-Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen.
-
-—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we
-hebben dat zoo in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze
-aderen...
-
-Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres
-zouden binnentreden, die leiden naar de salons, hield zij hem nog even
-staande:
-
-—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara
-terug gaat. En ik wou je nog voor iets bedanken...
-
-—Waarvoor? vroeg hij.
-
-—Voor... iets, dat tante Olga me zei. Voor..., dat je me gespaard
-hebt... te Altseeborgen. Ik dank je, Othomar...
-
-Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste
-haar.
-
-En zij wisselden hunne eerste liefkoozing.
-
-
-
-
-
-II.
-
-Den volgenden dag reisde de keizerlijke familie van Liparië van
-Sigismundingen terug naar Lipara. De ontvangst aan het Centraal Station
-was zeer hartelijk; de stad vlagde: des avonds hadden er volksfeesten
-plaats.
-
-De officieren der verschillende legercorpsen boden den kroonprins
-gastmalen aan, zijne verloving ter eere. De portretten der
-aartshertogin Valérie lagen voor de ramen van alle platenwinkels; de
-couranten schreven lange artikelen, vol jubel.
-
-Het was enkele uren vóór het diner, dat de officieren der Troongarde
-boden aan hun vorstelijken kolonel, toen aan Othomar, als ware het in
-eens, een vreemd gevoel overkwam. Hij was in zijn kabinet, voelde zich
-eenigszins duizelig en moest gaan zitten. De duizeling was licht, maar
-duurde lang; lang scheen de kamer langzaam om hem heen te willen
-draaien en niet te kunnen, wat iets pijnlijks gaf als van tegenkanting
-dier levenlooze meubels. Othomars eene hand steunde op zijne dij, de
-andere op den kraaghals van den colley, die den kop op zijn knie had
-gelegd. Voorover gebogen bleef hij zitten.
-
-Toen de duizeling voorbij was, behield hij eene vreemde lichtheid in
-het hoofd, als was er iets uit weggenomen. Hij liet zich voorzichtig
-achterover vallen; de colley, die half soesde in slaap, opende
-droomerig de oogen en soesde weêr in, zijn kop op de knie, onder
-Othomars hand. Een onweêrstaanbare moêheid kroop Othomars ledematen op,
-als verdronken zij in eene weeke modder. Het bevreemdde hem zeer, dit
-gevoel, en op de pendule schuin kijkend, zonder het hoofd te bewegen—om
-de duizeling niet weêr te wekken—rekende hij uit, dat hij nog ruim
-anderhalf uur had vóor het diner. Deze lengte van tijd stelde hem
-gerust en stil bleef hij zitten, als wegende zijne moêheid, of ze over
-zoû gaan, wegtrekken zoû uit zijn lichaam.
-
-Het duurde lang, zoo lang zelfs, dat hij weifelde of hij zoû kunnen
-gaan of niet. Toen er drie kwartier voorbij waren, drukte zijne hand op
-eene schel, die dicht bij hem stond op tafel. Andro kwam binnen.
-
-Andro... begon hij, maar zweeg verder.
-
-—Verlangt Uwe Hoogheid zich te kleeden? Alles ligt klaar...
-
-Othomar klopte even op den kop van den hond, die nog steeds
-onbeweeglijk op zijn knie lag te soezen...
-
-—Is Uwe Hoogheid niet wel?
-
-—Een beetje duizelig, Andro; het gaat al over.
-
-—Maar zoû Uwe Hoogheid dan wel gaan: wil ik dan niet om prins Dutri
-zenden?
-
-Othomar schudde beslist van neen en stond op.
-
-—Neen, het is al te laat, Andro. Kom, help me...
-
-En hij ging zijne kleedkamer in.
-
-Hij verscheen op het diner, maar verontschuldigde zich toch bij zijne
-officieren over zijne zichtbare matheid. De toasten dankte hij alleen
-met eene heffing van het glas, met een glimlach. Het trof hen allen,
-dat hij er zeer slecht uitzag, vermagerd, met holle oogen, krijtwit in
-zijn wit- en gouden uniform. Dadelijk na het diner keerde hij terug
-naar het Imperiaal, zonder hen te vergezellen naar den Keizerlijken
-Sportclub, de societeit der jeunesse dorée.
-
-Hij sliep zwaar; een vage nevel van gedroom trok door zijn nacht heen.
-De man, die hem bij Zanti had willen vermoorden, grijnsde hem aan, met
-ballende vuisten; toen werd het de Gothlandsche zee en hij roeide
-Valérie voort, maar hoe hij ook roeide, de drie torens van het kasteel
-trokken altijd door verder weg, onbereikbaar...
-
-Toen hij wakker werd, was het reeds over achten. Hij bedacht, dat het
-te laat was voor zijn gewoonlijken morgenrit en bleef liggen. Hij belde
-Andro.
-
-—Waarom heb je me niet om zeven uur wakker gemaakt?
-
-—Uwe Hoogheid sliep nog zoo vast; ik dorst niet; Uwe Hoogheid was
-gisteren niet wel...
-
-—Zoo, heb je me maar laten slapen? Nu goed dan... Laat aan Hare
-Majesteit zeggen, dat... dat ik niet wel ben.
-
-De man zag hem angstig aan.
-
-—Wat scheelt Uwe Hoogheid?
-
-—Ik weet het niet, Andro...... Een beetje moê. Waar is Djalo?
-
-—Hier, Hoogheid...
-
-De colley kwam luidruchtig binnen, zette de groote pooten op het
-veldbed, schudde, om te kwispelstaarten, het achterlijf woest heen en
-weêr... Toen, in eens, ging hij kalm liggen, voor het bed.
-
-De keizerin liet terug zeggen, dat zij dadelijk komen zoû; ze was nog
-niet gekleed... Met stille open oogen bleef Othomar op haar wachten.
-
-In eene lichte emotie van angst kwam zij eindelijk binnen. Zij vroeg
-hem, maar leerde niets uit zijne vage, glimlachende antwoorden. Zij
-legde de hand op zijn voorhoofd, voelde hem den pols, en kon niet
-besluiten, dat hij koorts zoû hebben. Er heerschten tyfeuze koortsen:
-zij was er bang voor...
-
-De lijfartsen, die geroepen waren, stelden haar gerust: het was geene
-koorts. De prins scheen algemeen vermoeid te zijn, hij had zich zeker
-overspannen in den laatsten tijd. Hij moest rust nemen...
-
-De keizer verwonderde zich: de prins had pas rust gehad en was weken
-lang te Altseeborgen gebleven. Waar had dit dan voor gediend!
-
-De mare ging door het paleis, de stad, het land, Europa, dat de hertog
-van Xara zijne kamer hield, om eene lichte ongesteldheid. Een
-eenvoudig, zeer geruststellend bulletin werd door de geneesheeren
-uitgegeven.
-
-Des middags stond Othomar echter op, kleedde zich zelfs aan, maar niet
-in uniform. Hij had wat geluncht in zijne kamer en ging nu naar de
-appartementen der prinses Thera. Zij zat te teekenen; bij haar eene
-hofdame; de jonge markiezin van Ezzera.
-
-De prinses was verwonderd haar broêr te zien.
-
-—Zoo, ben je daar? Ik dacht, dat je in bed lag...
-
-—Neen, het gaat wat beter...
-
-Hij groette de markiezin, die was opgestaan en neeg.
-
-—Wil je niet schilderen? vroeg Othomar.
-
-Thera zag hem aan.
-
-—Je ziet zoo witjes, arme jongen. Het is misschien beter maar niet. Het
-vermoeit ook, dat pozeeren, niet waar?
-
-—Ja, soms, een beetje...
-
-Zij stonden nu voor het portret; de markiezin had zich teruggetrokken,
-zooals zij altijd deed bij dit samenzijn van zuster en broêr. De
-schilderij was half bedekt door een zijden lap, dien Thera opsloeg: het
-was reeds een expressieve jonge kop, waarin het leven begon te tintelen
-achter de zwarte oogen van weemoed; breed en vast van penseelstreek
-gedaan, met veel reflect van buitenlicht, dat op de eene zijde van het
-gelaat viel, en het en relief deed komen, de achterschaduw uit, naar
-voren.
-
-—Het is bijna af? vroeg Othomar.
-
-—Ja, maar voor den laatsten toets heb je me al zoo lang in den steek
-gelaten; denk maar, je bent vier maanden weg geweest. Ik heb er al dien
-tijd niets aan kunnen doen. Maar weet je... je bent veranderd. Als ik
-het maar niet zoo zal moeten laten! Het lijkt niet meer...
-
-—Het zal wel weêr gaan lijken, als ik er wat beter ga uitzien!
-antwoordde Othomar, maar de prinses was licht nerveus geworden; ze trok
-er den zijden lap in eens weêr over heen...
-
-Othomar verscheen niet aan het diner: hij ging zeer vroeg naar bed. Den
-volgenden morgen vonden de geneesheeren hem in eene groote
-lusteloosheid. Hij was opgestaan maar had zich niet gekleed; in zijn
-kamerrok lag hij op de bank in zijn kabinet, de colley aan zijne
-voeten. Aan de keizerin klaagde hij, dat hij zich zoo vreemd in zijn
-hoofd voelde, als zoû het opengaan en alles er uit weg wolken. Bij den
-keizer, die hem zien kwam, verontschuldigde hij zich met zijn
-souffranten glimlach over zijne ongesteldheid...
-
-Dagen lang bleef deze toestand de zelfde: een totale lusteloosheid,
-totaal gebrek aan eetlust, een zichtbare afmatting... De keizerin zat
-bij hem, waar hij lag op zijn bank, te staren door de open ramen in de
-groene diepte van het platanenpark. De vogels sjirpten er; soms klonk
-er Berengars schel stemmetje, die met een paar vriendjes speelde. De
-keizerin las voor, maar het vermoeide Othomar, het gaf hem hoofdpijn...
-
-Na een lang gesprek, dat de drie doktoren met den keizer en de keizerin
-gehouden hadden, werd professor Barzia, uit Altara, ontboden voor een
-consult; de professor was een Europeesche specialiteit voor
-zenuwziekten.
-
-In het kabinet van den keizer wachtten de keizer, de keizerin en graaf
-Myxila den uitslag van het onderzoek en het, daarop gevolgde, consult
-af. Het duurde lang. In hunne afwachting spraken zij niet; de keizerin
-zat met haar stil berustend gelaat te turen voor zich; de keizer,
-geïrriteerd, liep heen en weer. De oude Rijkskanselier, met zijn streng
-hoog gezicht en kalen schedel, stond bedenkend bij het venster.
-
-Toen lieten de doktoren zich aandienen. Ze verschenen, professor Barzia
-het eerst; de lijfartsen volgden. De keizerin meende het ergste te
-lezen op de strakke, blanke gelaatstrekken van den professor; een der
-artsen echter, als meêlijdend, knikte achter hem haar met zijn goeden,
-dikken kop stil geruststellend toe.
-
-—Welnu? vroeg de keizer.
-
-—Wij hebben Zijne Keizerlijke Hoogheid nauwkeurig onderzocht, Sire,
-begon de professor. Van organische gebreken is de prins geheel vrij, al
-is hij over het algemeen van een teêre constitutie.
-
-—Maar wat dan? vroeg Oscar.
-
-—Het zenuwgestel van den prins dunkt ons verontrustend afgemat te zijn,
-Sire.
-
-—Zijn zenuwen? Maar hij is nooit zenuwachtig, hij is altijd kalm, riep
-de keizer uit, onwillig.
-
-—Des te meer moeten wij de zelfbeheersching van den prins waardeeren,
-Sire. Zijne Hoogheid heeft zich klaarblijkelijk lang opgehouden en deze
-inspanning verraadt Haar op dit oogenblik. Zij is nu ook kalm, zooals
-uwe Majesteit zegt. Maar deze kalmte neemt niet weg, dat Hare zenuwen
-volslagen afgewonden zijn. Zijne Hoogheid heeft klaarblijkelijk te veel
-van zich gevergd in den laatsten tijd.
-
-—En waarin zoû dat te veel dan bestaan hebben? vroeg de keizer hoog.
-
-De professor maakte een vage beweging van niet weten.
-
-—Dat zal men aan het hof zeker beter weten, dan ik het doe, die uit
-mijn studeerkamer en mijn hospitalen kom, Sire. Uwe Majesteit zelve zal
-zich daarop het antwoord kunnen zeggen. Ik kan Haar alleen eenige
-aanwijzingen geven. Zijne Hoogheid zei mij, zich te herinneren, dat Zij
-reeds voor de groote overstroomingen in het Noorden, zulke afmattingen
-en duizelingen soms gevoelde. Dat was Maart. Het is nu September. Ik
-stel mij voor, dat Zijne Hoogheid in dien tusschentijd een veelbewogen
-leven geleid heeft?
-
-De keizer maakte niet begrijpende bewegingen met de wenkbrauwen: lichte
-trillingen van zijn energieken kop met het vlies van grauwend haar.
-
-—De reis in het Noorden kàn Zijne Hoogheid inderdaad aangedaan hebben,
-professor... begon de keizerin.
-
-Zij zat recht, hoog, in haar eenvoudigen donkeren japon. Haar gelaat
-was zonder uitdrukking; hare oogen stonden koud. Zij sprak zakelijk,
-als ware zij niet eene moeder.
-
-—Zijne Hoogheid is zeer gevoelig voor indrukken, ging zij voort; en Zij
-heeft er indertijd te Altara zeker schokkende ontvangen.
-
-De professor boog even het hoofd.
-
-—Ik herinner mij Zijne Hoogheid bij de lijkschouwing op het weiland,
-Mevrouw, sprak hij; Zijne Hoogheid wàs werkelijk bizonder aangedaan...
-
-—Maar wat beduidt dat? vroeg de keizer, steeds onwillig.
-
-—Dat Zijne Hoogheid sedert dien tijd denkelijk zich geen rust heeft
-gegund, Sire...
-
-—Zijne Hoogheid heeft zich máanden rust gegund! riep de keizer uit.
-
-—Vergunt Uwe Majesteit ons eens terug te gaan. Na de zeer vermoeiende
-reis in het Noorden is de prins dadelijk gekomen in emoties van
-staatsgewicht—Lipara was destijds in staat van beleg—en daarna in de
-drukte van een feesttijd, toen de Syrische vorsten hier waren...
-
-De keizer haalde zijne schouders op.
-
-—De prins is daarna al voor herstel van gezondheid op aanraden van
-mijne geachte collega’s een zeereis gaan ondernemen. Zijne Hoogheid zal
-toen zeker dagen van rust gehad hebben, maar de groote jachten, die Zij
-met prins Herman samen deed, zijn Haar ongetwijfeld te zwaar geweest.
-Nu onlangs is Zijne Hoogheid verloofd geworden; dit kan Haar emotie
-gegeven hebben. Ik tel terloops eenige groote feiten op Sire. Ik weet
-niets van het gemoedsleven van den prins; als ik hiervan iets wist, zoû
-het mij zeker vele dingen gemakkelijker maken. Maar dit is zeker: Zijne
-hoogheid heeft dag aan dag een te schokkend bestaan gehad, wat het dan
-ook waren, groote of kleine schokken. Dat Zijne Hoogheid niet eerder in
-elkaâr is gevallen, is zeker te danken aan een buitengewone
-zelfbeheersching, die mij aan den prins zelven onbewust schijnt te
-zijn, en een buitengewoon plichtbesef, dat ook geheel spontaan in Zijne
-Hoogheid is. Het zijn hooge kwaliteiten, Sire, in een aanstaand
-heerscher...
-
-Der keizerin was eene lichte blos over de wangen gegaan; een zachtere
-uitdrukking wasemde over de koudheid van haar gelaat.
-
-—En wat is uw raad, professor; vroeg ze.
-
-—Dat Zijne Hoogheid een onbepaalde rust neemt, Mevrouw.
-
-—Het huwelijk van Zijne Hoogheid was voor de volgende maand bepaald?
-hernam de keizerin, vragend.
-
-De gelaatstrekken van professor Barzia werden geheel blank en strak.
-
-—Het zoû eenvoudig-weg onverantwoordelijk zijn, zoo het huwelijk van
-Zijne Hoogheid de volgende maand plaats greep, orakelde hij met zijne
-effen stem.
-
-—Uitstellen dus? vroeg de keizer met ingehouden woede.
-
-—Zonder twijfel, Sire, antwoordde de professor beslist koel.
-
-—Mijn waarde professor... knarste de keizer quasi vriendelijk tusschen
-zijne tanden. U spreekt van rust, en nog eens rust. Mijn God, ik zeg u,
-de prins heeft gerust, maanden lang, maanden lang... Rust ik ooit zoo
-lang? Het leven is bewegen en regeeren is ook bewegen. Wij kunnen niet
-aan rust doen. Waarom moet een jonge man als de prins telkens rusten?
-Ik herinner me niet óoit zoo gerust te hebben, toen ik kroonprins was!
-Hij mag niet zoo sterk zijn als ik, hij is toch van ons geslacht!
-Emoties, zegt u! Mijn God, wat voor emoties? Emoties van staatsgewicht?
-Die heb ik gehad, maar de prins niet! En ik had er geen rust na noodig.
-En moet een vorst gaan uitrusten als hij verloofd is? Waarlijk,
-professor, dat is de hygiene te ver gedreven!
-
-—Sire, Uwe Majesteit heeft mij de eer aan gedaan mijn oordeel te willen
-weten over den toestand van den prins. Ik heb dat oordeel uitgesproken,
-naar mijn beste weten.
-
-—Dus rusten?
-
-—Ongetwijfeld, Sire.
-
-—Maar hoe lang wil u hebben, dat hij rust?
-
-—Ik kan hier geen datum voor stellen, Sire.
-
-—Hoe lang wil u hebben, dat zijn huwelijk uitgesteld wordt?
-
-—Onbepaald, Sire.
-
-De keizer liep het vertrek op en neêr: iets vreemds trilde over zijn
-energieken kop: angst...
-
-—Dat is onmogelijk, mompelde hij kort.
-
-Allen zwegen.
-
-—Dat is onmogelijk, herhaalde hij dof.
-
-—Dan zal Zijne Hoogheid trouwen, Sire, sprak Barzia.
-
-De keizer stond stil.
-
-—Hoe meent u? vroeg hij barsch.
-
-—Dat niets Uwe Majesteit in deze hoogst gewichtige zaak een wet kan
-stellen... behalve Haar eigen gevoel en redelijkheid.
-
-Hijgend ging de adem van den keizer tusschen zijne volle lippen van
-zinnelijkheid; de aderen zwollen dik op zijn laag Romeinsch voorhoofd;
-zijne sterke vuisten balden zich. Niemand had Oscar nog ooit zoo
-gezien; niemand ook had nog zoo tot hem durven spreken...
-
-—Verklaar u dan nader... donderde hij in het strakke gelaat van den
-professor.
-
-Deze verroerde geen trek:
-
-—Als Zijne Hoogheid de volgende maand trouwt... is het Hare dood.
-
-De keizerin bleef stijfrecht zitten, maar zij was zeer bleek geworden,
-rilde, sloot de oogen of het haar duizelde.
-
-—Zijn dood? herhaalde de keizer verplet.
-
-—Of erger, hernam Barzia.
-
-—Erger?!
-
-—De ondergang van Uwer Majesteits nageslacht.
-
-De keizer vloekte een woesten kreet uit en sloeg met de vuist op de
-kolossale schrijftafel. De bronzen ornamenten ervan rinkelden. Myxila
-trad een pas nader.
-
-—Sire, sprak hij; er is niets verloren. Heb ik den heer professor wel
-begrepen, zoo is de ongesteldheid van Zijne Hoogheid een tijdelijke, en
-geneeslijk.
-
-—Zeker, Excellentie, antwoordde Barzia. Zoo men ze niet ongeneeslijk en
-niet tijdelijk dwingt te zijn.
-
-Oscar beet zich krampachtig de lippen. Zijne flonkerende oogen stonden
-klein, wreed. Het trof Myxila, hoe hij op dit oogenblik geleek op een
-portret van Wenceslas den Wreede.
-
-—Professor, siste hij. Wij danken u. Blijf nog tot morgen te Lipara,
-opdat u Zijne Hoogheid nog eens kunt observeeren.
-
-—Ik gehoorzaam aan het bevel van Uwe Majesteit, sprak Barzia.
-
-Hij boog, de geneesheeren bogen, zij trokken zich terug. Alleen met de
-keizerin en den Rijkskanselier hield Oscar niet langer zijne woede in.
-Als een schuimbekkend dier, wild, liep hij op en neêr met zware
-stappen, krijschte hij als kon de adem niet door zijne geschroefde keel
-komen.
-
-—Oh! knarste hij tusschen zijne kaken, barstte hij eindelijk los. Die
-jongen, die jongen... Niet éens kan die trouwen! Met zijn hertogin,
-dàar kon die meê trouwen! En die jongen! O, die jongen moet mij
-opvolgen, mij...
-
-Eene woedende lach stiet zich minachtend tusschen zijne groote witte
-tanden uit, als vlijmende ironie.
-
-De keizerin rees op.
-
-—Graaf Myxila, sprak ze sidderend. Mag ik uwe Excellentie verzoeken mij
-te volgen?
-
-Zij begaf zich naar de deur; Myxila, aarzelend, volgde reeds.
-
-—Waarom? brulde de keizer. Wat hoeft dat? Ik heb nog met Myxila te
-spreken...
-
-De keizerin zag den keizer ijskoud aan.
-
-—Het is mijn uitdrukkelijk verlangen, Sire, dat graaf Myxila mij volgt,
-sprak ze, steeds met hare sidderende stem. Ik geloof, dat Uwe Majesteit
-eenzaamheid behoeft. Uwe Majesteit zegt dingen, die een vader zelfs
-niet mag dènken, en een vorst zeker niet mag zeggen in de prezentie van
-een zijner onderdanen, zelfs niet van een zijner hoogste onderdanen.
-
-De keizer wilde haar in de rede vallen.
-
-—Uwe Majesteit,—ging de keizerin trillend hoog voort, hem het woord met
-hare ijskoude sidderende stem afsnijdende als met een mes—zegt die
-dingen van den toekomstigen keizer van Liparië... en ik wensch, dat
-géen onderdaan, zelfs niet graaf Myxila, uit Haren mond van den
-toekomstigen keizer zulke dingen hoort, en Uwe Majesteit zegt die
-dingen tevens van mijn zoon: ik wensch ze daarom zelve niet te hooren,
-Sire! Excellentie, ik verzoek u nog eens: volg mij.
-
-—Ga dan, brulde de keizer dol uit. Ga dan allebei, laat me dan ook
-alleen, laát me ook alleen!
-
-Razend liep hij op en neêr, smeet de stoelen door elkaâr, brieschte als
-een aangehitste leeuw in een kooi. Een bronzen beeld nam hij op van de
-console, voor een hoogen spiegel, die tot het plafond in vergulde
-krullen omhoog steeg.
-
-—Daar dan! striemde zijne stem, en zijne drift scheen ziedend rond te
-wolken in zijn verward brein, rood te bliksemen uit zijn
-bloeddoorschoten oogen, hem krankzinnig te maken om zijne
-krachteloosheid tegenover de domme noodlotsmachten der logische
-omstandigheden.
-
-Als een athleet zwierde zijn arm het zware beeld door de lucht; als een
-kind wierp hij het in den grooten spiegel, die kletterend in een
-flikkering van scherven viel.
-
-De keizerin en Myxila hadden het vertrek verlaten.
-
-
-
-
-
-III.
-
-Het gewone hofleven ging voort; de eerste handkus der keizerin had
-plaats. In de salons bij de groote audientiezaal, verlicht, hoewel het
-dag was, kwamen de dames binnen, boden zij den opperkamerheer hare
-kaarten, teekenden zij hare namen, en zij wachtten tot hare titels door
-de ceremoniemeesters afgeroepen werden. Zij stonden gedecolleteerd, de
-slepen over den arm; de lange witte sluiers vielen uit de pluimen en
-juweelen tiara’s in wazige gaaskreuken neêr. Het was de eerste
-vertooning der nieuwe toiletten van het seizoen: de mode, die zich
-bezield had en liep en zich bewoog: maar de volle salons schenen
-slechts de wachtkamers dier vertooning, en de opgenomen slepen gaven
-een indruk van voorbereiding tot het plechtige moment: die seconde van
-verschijning vóor Hare Majesteit.
-
-De hertogin van Yemena stond, den sleep ook over den arm, te wachten
-met de twee markiezinnen hare stiefdochters, die zij aan de keizerin
-zoû voorstellen, toen zij Dutri zag, buigende, zich verontschuldigende,
-tusschen de wachtende dames doordraaiende, om zich een weg te banen
-door den vollen salon.
-
-—Dutri, wenkte ze, omdat hij haar niet scheen op te merken.
-
-Hij bereikte haar na eenige moeite, boog, maakte zijn compliment aan de
-markiezinnetjes. Zij stonden met strakke gezichtjes, angstig ronde
-oogen, en gesloten monden, en hare jonge figuurtjes teekenden zich met
-eene schuchterheid van nieuwelingen; telkens, gracieus onhandig,
-verschikten zij hare zwarte manteaux-de-cour over den arm. Even
-glimlachten zij bij de woorden van Dutri: toen keken zij weêr strak,
-vergeleken de toiletten van andere dames bij de hare.
-
-—Dutri, fluisterde de hertogin, hoe gaat het met den prins?
-
-—Altijd het zelfde, fluisterde de adjudant terug; vreeslijke
-melancholie...
-
-—Dutri, murmelde zij nog zachter; zoû er geen mogelijkheid zijn hem te
-zien?
-
-Dutri verschrikte.
-
-—Hoe dat, Alexa? Wanneer?
-
-—Straks, na den Handkus...
-
-—Maar dat is onmogelijk, Alexa! De prins ziet niemand dan Hunne
-Majesteiten en de prinses; hij spreekt met niemand, zelfs met zijn
-kamerheeren niet, zelfs met òns niet...
-
-—Dutri, drong ze aan, met hare hand op zijn arm. Doe je best. Help me.
-Vraag een onderhoud voor me. Als je me helpt... zal ik je ook helpen...
-
-Hij zag haar afwachtend aan.
-
-—Hoe vindt je Hélène? vroeg ze.
-
-—Ik vind Eleonore mooier, glimlachte hij.
-
-—Nu, kom dan meer bij ons, op mijn intime réunies; we zien je ook
-nooit. Ik zal den hertog prepareeren...
-
-Zij liet het rijke huwelijk schitteren voor zijne oogen: hij knipte ze,
-bleef haar glimlachend aanzien.
-
-—Maar help me dan ook... ging ze voort, met een lichte dreiging.
-
-—Ik zal mijn best doen, Alexa, maar ik kan niets beloven..., had hij
-nog juist tijd te antwoorden.
-
-—Wacht me na den Handkus, in de andere salons, fluisterde hij nog,
-gaande eenige passen met haar meê.
-
-Den geheelen tijd, plechtig, langzaam, waren de titels afgeroepen,
-gingen de dames, lieten zij de slepen vallen, ontloken zij.
-
-—Hare Excellentie, de hertogin van Yemena, gravin van Vaza; Hare
-Excellenties, de markiezinnen van Yemena...
-
-De hertogin ging, de meisjes volgden haar, hoogrood met kloppende
-harten. Zij gingen door eene galerij, lieten de slepen vallen aan de
-deur der audiëntiezaal, voor zij binnen zouden treden, plooiden lakeien
-de zware hofmantels uit.
-
-—Hare Excellentie, de hertogin... klonk het ten tweede male, nu door de
-audientiezaal heen, met een timbre van meerderen eerbied, omdat de
-titels klonken aan de luisterende ooren van ontvangende majesteit.
-
-De hertogin en de markiezinnen traden binnen. Tusschen de wijde
-golvingen van donkerblauw fluweel, waarop het kruis van St. Ladislas
-wemelde, onder den, door vergulde zuilen geschraagden troonhemel, zat
-de keizerin, als een idool, de schaduw uitschitterend in haar waterend
-zilverbrokaat, den hermelijnen keizerinnemantel zwaar kreukbrekende
-voor hare voeten, een kleinen diadeem flonkerend op het hoofd. Aan de
-rechterzijde van den troon zat de prinses Thera op een lagen tabouret;
-aan de linkerzijde stond de grootmeesteres, gravin de Threma; er om
-heen, aan beide zijden eene foule van dames du palais, grootofficieren,
-adjudanten, hofdames, kamerjonkers...
-
-De hertogin neeg hare nijging, naderde den troon, zweemde in grooten
-eerbied, als met nauwlijks durvende lippen, de juweelen vingertippen
-aan, die de keizerin bood, als een levende reliquie. Toen ging de
-hertogin twee passen terug; de markiezinnen, de eene na de andere,
-volgden haar voorbeeld, verrasten iedereen door de aanvallige
-frischheid harer eerste hofbewegingen, waarin een tikje linkschheid
-charme werd. Toen de buigingen, in langzame ceremonie van terugwijken,
-achteruit. Door andere deuren verdwenen zij, ze bevonden zich in eene
-andere galerij, kwamen in andere salons, waar men op de rijtuigen
-wachtte. En de jonge meisjes zagen elkaâr aan, zoekende elkanders
-indruk, nog hoogrood van de emotie harer ijdele hartjes en vreemd
-verrast door de ongrijpbare kortheid van dit eerste allergewichtigste
-moment van hun leven als groote menschen; als dames, die met hare mama
-meêgingen naar het Imperiaal, waar zij voortaan hare existenties zouden
-ademen. Hoe hadden zij niet maanden van te voren gedacht en gedroomd
-aan dit oogenblik; nu, in eens was het voorbij, verrassend vlug...
-
-De hertogin tikte aan Hélène’s kin, schikte even de voile van Eleonore,
-zei, dat ze keurig gebogen hadden, dat zij zelve zelfs had opgelet hoe
-de gravin de Threma schik in ze gehad had. Zij sprak daarop druk met de
-andere dames, stelde de markiezinnetjes voor, beloofde visites. Toen
-wendde zij zich tot een lakei.
-
-—Ga, zien, waar mijn rijtuig staat, en laat het uit de file gaan en het
-laatst voorkomen. Hier...
-
-Zij gaf een klein goudstuk, de lakei ging. Eene zenuwachtige
-gejaagdheid kwam over de hertogin; angstig zag zij naar Dutri uit.
-Eindelijk kreeg zij hem in het oog; met zijn fattige drukte kwam hij op
-haar af...
-
-—Alexa, onmogelijk...
-
-—Heb je het aan den prins gevraagd?
-
-—Neen, nog niet; ten eerste het is de vraag of hij mij wel zien wil.
-Maar dan: hoe breng ik je bij hem; op de portalen loopen altijd lakeien
-rond, en staan de gardes en de hellebaardiers; in de antichambres kan
-je telkens een kamerheer tegenkomen. Heusch, het is onmogelijk.
-
-Zij werd boos.
-
-—Vraag het hem nu maar eerst. We zullen later wel zien, hoe we bij hem
-komen.
-
-Dutri maakte gracieuze bewegingen van wanhoop.
-
-—Maar Alexa, je wilt heusch niet begrijpen, dat... het onmógelijk is...
-
-Zij antwoordde niet, niet willende nadenken, met haar star idee-fixe in
-het hoofd om den prins te zien, te willen zien. En in eens, zich
-wendende tot hem:
-
-—Goed, als je dan niets voor me over hebt, hoef je niet te denken, dat
-ik je in iéts helpen zal.
-
-Luider dan hun eerst gefluisterde woorden, klonk hare nerveus booze
-stem, de beide meisjes hoorden haar.
-
-—Alexa, smeekte hij zacht.
-
-—Neen, neen, weerde zij af, kort.
-
-Hij dacht aan zijne schulden en aan Eleonore.
-
-—Ik zal het probeeren, fluisterde hij radeloos.
-
-Zij beloonde hem dadelijk met een glimlach; hij ging, repte zich weêr
-heen, als in eeuwige drukte van gewichtigheid, om zijn jongen,
-keizerlijken meester, die zoo treurig ziek was. In de antichambre vond
-hij den kamerheer van dienst.
-
-—Zoû de prins me willen zien?
-
-De kamerheer haalde de schouders op.
-
-—Ik zal het vragen, sprak hij.
-
-Spoedig kwam hij terug; de prins vergunde Dutri te komen.
-
-Dutri trad binnen. Othomar lag op een divan van tijgervellen voor zijne
-schrijftafel. Hij was vermagerd; hol stonden zijne oogen, zijn tint was
-mat: tenger slank stak zijn hals uit den lossen omgeslagen kraag van
-het zijden hemd, waarover hij een fluweelen buis droeg. Hij had een
-boek in de hand, opengeslagen. Djalo, de colley, lag op den grond.
-
-Dutri, als goed prater, begon met vlugge zinnen, die elkaâr op de
-hielen zaten, zijn verzoek voor te dragen...
-
-—De hertogin? herhaalde Othomar mat. Neen, neen...
-
-Dutri praatte door, werd weemoedig, gebruikte woorden van zachte,
-insinueerende treurigheid. Over Othomars gelaat trok eene uitdrukking
-op, die daar vreemd was en nieuw, den laatsten tijd: het was of de
-weemoed van zijn gelaat zich verhardde in eene strakke koppigheid; eene
-stilzwijgende onverzettelijkheid.
-
-—Neen, sprak hij nogmaals, en onverzettelijk koppig ook klonk zijne
-stem; excuzeer me bij hare Excellentie, Dutri. En waar... waar zoû ze
-me willen zien?
-
-—Ik bracht die moeilijkheid ook onder de oogen van hare Excellentie,
-maar misschien als Uwe Hoogheid zoo genadig was... zoû men toch...
-
-Othomar sloot de oogen en wierp het hoofd achterover; zijne hand viel
-slap op den kop van den colley. Hij antwoordde niet meer, en zijne
-lippen waren vast op elkaâr geklemd.
-
-Dutri aarzelde nog: wat kon hij doen, wat zoû hij Alexa zeggen...
-
-Maar de deur ging open; de keizerin kwam binnen. De Handkus was
-geëindigd; den mantel en de kroon had zij afgelegd, maar zij droeg nog
-het stijfzware toilet van zilverbroché. Koud zag ze Dutri aan en boog
-even het hoofd, dat hij gaan zoû; de adjudant maakte zich verward uit
-de voeten, zonder zijn gewonen tact.
-
-Othomar was half opgerezen.
-
-—Mama!...
-
-Zij zette zich bij hem, streek met de hand over zijn hoofd.
-
-—Hoe gaat het?
-
-Hij glimlachte, knipte met de oogen zònder te antwoorden.
-
-—Wat deed Dutri hier?
-
-—Hij vroeg me... och mama, laat dat, vraag er niet naar...
-
-—Wat is u mooi! Mag ik u ook mijn Handkus geven?
-
-Aanhalig, schertsend nam hij hare hand en kuste ze. Zij nam hem het
-boek uit de vingers, las den majesteitschennenden titel.
-
-—Lees je weêr, Othomar... Je weet, je mag zooveel niet lezen. En waarom
-al die vreemde boeken...?
-
-Op tafel lagen Lasalle, Marx, werken van Russische nihillisten, een
-brochure van Bakounine, brochures van Zanti... Het werkje, dat hij las,
-was van een bekenden Liparischen anarchist, getiteld: “Het onrecht bij
-de gratie Gods”; het wierp alles omver: het geloof en den staat; het
-richtte zich rechtstreeks tot de gekroonde machthebbende dwingelanden;
-rechtstreeks sprak het Oscar aan.
-
-—Is het om beter te worden, dat je zulke dingen leest, Othomar? vroeg
-ze met een smartelijk verwijt.
-
-—Mama, ik moet toch zien wat ze willen...
-
-—En wat willen ze?
-
-Hij zag peinzend voor zich.
-
-—Ik weet niet wat ze willen, ik begrijp ze niet. Ze zeggen heele lange
-zinnen, en altijd weêr de zelfde, met altijd weêr de zelfde woorden. Ik
-begrijp alleen dat ze, alles wat bestaat afkeuren en iets anders
-willen. Maar soms toch...!
-
-—Wat soms?
-
-—Soms zeggen ze vreeselijke dingen, vreeslijk omdat ze wáarheid
-schijnen, mama. Als ze over God spreken, mama, en bewijzen, dat hij
-niet bestaat, als ze onze geheele staatsinrichting een onding vinden,
-alle gezag verwerpen, het onze ook... Ze spreken soms als kinderen, die
-in éens zouden kunnen praten en oordeelen, en dan spreken ze soms in
-eens klaar en dan komen er heele primitieve gedachten bij me op: als
-God bestaat, waarom onrecht en ellende en ons gezag, om welk recht? O
-God, mama, welk recht hebben wij te heerschen over anderen, over
-millioenen?! Zeg het me, maar redeneer van het begin, redeneer niet van
-achteren af; begin niet bij ons, begin bij onze éerste heerschers, onze
-geweldenaren; welk recht hadden zij, en vloeit het onze alleen voort
-uit het hunne? O, die raadsels, die eenvoudige raadsels, wie lost ze
-op, mijn God, wie lost ze op...
-
-Elizabeth was bleek geworden: ze zag hem aan of hij krankzinnig ware
-geworden.
-
-—Wie geeft je die boeken? vroeg ze hard, heesch, angstig.
-
-—Dutri, Leonie; Andro heeft er mij ook gehaald.
-
-—Ze zijn gek! riep de keizerin uit, opstaande. Waarom vraag je ze?
-
-—Ik wil weten, mama...
-
-—Othomar, riep ze. Wil je doen wat ik vraag?
-
-—Ja mama, antwoordde hij zacht; maar ga weêr zitten, en... en wees niet
-boos. En... en zeg niet Othomar. En... en ga u verkleeden, o, ik kan u
-niet zien in dit toilet: u is zoo ver van me af; uw stem klinkt niet
-tot me toe, en ik durf u niet omhelzen, u is mijn moeder niet; u is de
-keizerin. Mama, o mama...
-
-Zijne stem riep om haar. Eene machtige aandoening werd in haar wakker.
-
-—O mijn jongen! riep ze uit; een halve snik brak in hare keel.
-
-—Ja, ja, noem me zoo... Mama, laat ons elkaâr weêr gauw terugvinden,
-laten wij elkaâr niet verliezen. Wat is uw verzoek?
-
-—Geef mij al die boeken.
-
-—Ik zal ze u geven; ze maken me toch niet gelukkiger!
-
-—Maar waarom ben je ongelukkig, mijn jongen, mijn jongen!
-
-—Mama, kijk de wereld, kijk ons land, zie ze lijden, zie ze verdrukt
-worden! Wat zal ik ooit voor ze kunnen doen! Machteloos zal ik altijd
-zijn, niettegenstaande àl onze macht. O, het wordt zoo donker voor me,
-ik zie niets meer, ik heb geen hoop, alleen utopisten hopen nog, maar
-ik... ik hoop niet meer, want ik kan niets, ik kan niets...! O God,
-mama, het heele land valt op me neêr en het verplettert me: en ik kan
-niets, ik kan niets, ik kan niets... Ik zal moeten regeeren; ik zal het
-niet kunnen, mama. Wat ben ik? Een arme zieke jongen: hoe kan ik keizer
-worden? Ik weet niet waarom het is, mama en hoe het komt, maar ik voel
-me niet als een aanstaande keizer, ik voel me als een zwak kind! Ik
-voel me als uw kind, als uw jongen, en niets meer...
-
-Hij scheen zich te willen werpen in hare armen, maar wierp zich
-integendeel achteruit, alsof hij schrikte van haar schitterend toilet;
-mat knakte zijn hoofd hem op de borst, vielen zijne armen slap. Zij zag
-zijne beweging; haar eerste gevoel was spijt in haar hoftoilet bij hem
-te zijn gekomen, verlangend als zij was geweest hem te zien en zich
-niet gunnende den tijd zich te verkleeden. Maar deze spijt ging als
-eene vluchtige emotie door haar heen, want het duizelde haar hevig na,
-alsof een afgrond aan hare voeten gapend openging, of de aarde week, en
-het zwarte niets zich uitbreidde. Een wanhoop van volslagen
-machteloosheid verdronk hare ziel. Vaag strekte zij de armen uit en
-sloeg ze als tastende om zijn hals, met dwalende oogen.
-
-—Mijn jongen, spreek zoo niet meer, want... als je zoo spreekt, ontneem
-je mij ook mijn kracht! fluisterde zij bang. Want wat is er aan te
-doen: je moet, wij moeten allemaal...
-
-—Vergeef me, mama, maar ik, ik zal niet kunnen. O, ik zie het nu helder
-in. Ik ben niet opgewonden, ik ben kalm. Ik zie het: ik voorspel u, dat
-het nooit gaan zal...
-
-—Maar papa is nog zoo jong en zoo sterk, mijn jongen; en als je ouder
-wordt...
-
-—Hoe ouder ik word, hoe minder het zal gaan, mama. Ik ben er altijd als
-kind bang voor geweest, maar ik heb het nog nóoit zoo wanhopig ingezien
-als nu. Neen, mama, het zal niet gaan. Ik heb, nu ik ziek ben, allen
-tijd over om er over na te denken en ik zie nu het slot van al onze
-moeite voor me...
-
-Wanhopig tuurden zijne oogen op den grond; zij, radeloos, hing nog half
-aan hem; eene dreigende huivering scheen door de kamer te ademen.
-
-—Mama...
-
-Zij antwoordde niet.
-
-—Ik moet u mijn besluit meêdeelen...
-
-—Welk besluit...
-
-—Wil u het aan papa zeggen?
-
-—Wat, wat, Othomar, mijn jongen?
-
-—Dat ik niet trouwen kan... met Valérie, omdat...
-
-—Later, later, je hòeft niet nu te trouwen...
-
-—Neen, mama, het kan nóoit, omdat ik...
-
-Zij zag hem smeekend aan, vragend.
-
-—Omdat ik afstand wil doen... van mijn rechten... ten behoeve van
-Berengar...
-
-Zij antwoordde niet; slap zakte ze tegen hem aan, niet wetende hoe te
-troosten en op te beuren en zacht klagend begon ze te snikken. Het was
-of hare ziel, langzaam, maar aanhoudend, tot ze overvloeide, vol smart
-gegoten werd. Zij verweet zichzelve alles. Hij was haar kind: zij had
-den aanstaanden keizer van Liparië deze zwakte ingeboren. En de
-openbaring van dit smartelijk mysterie der herediteit voor hare
-radelooze oogen, ontnam haar al hare kracht, al haren moed, al hare
-macht van berusting.
-
-—Mama... herhaalde hij.
-
-Zij snikte door.
-
-—Wees niet zoo wanhopig... Berengar zal beter zijn dan ik... U zal het
-aan papa zeggen, niet waar... Of neen, laat het, als het u zooveel
-kost: ik zal het zelf doen...
-
-Zij schrikte zenuwachtig uit hare radeloosheid op.
-
-—O God, neen; Othomar, neen, spreek er hem niet over, hij is zoo
-driftig; hij zoû je... hij zoû je vermoorden! Beloof me, dat je er hem
-niet over spreken zal! Ik zal het doen, o mijn God, ik zal het doen...
-
-Maar eene resurrectie trilde in haar op.
-
-—Maar, Othomar, ik bid je, waarom moet het? Je bent nu ziek, maar je
-zal beter worden en dan... dan zal je anders denken!?
-
-Hij tuurde voor zich uit; zijn voorgevoel doorsidderde hem: hij zag
-zijn droom weêr; de straten van Lipara, die zich vulden met krip, tot
-aan den hemel, waar zij het zonlicht floersden. En over zijn gelaat
-kwam weêr de nieuwe trek van verharding, van onverzettelijke
-koppigheid, die haar hem niet herkennen deed; hij schudde het hoofd
-langzaam heen en weêr, heen en weêr.
-
-—Neen, mama, ik zal nooit anders denken. Geloof me, het zal zoo beter
-zijn.
-
-Toen zij hem zoo zag, stortte hare nieuwe hoop weêr in en zij snikte
-weêr. Snikkend stond zij op; in haar verdriet groef zich eene leêgte;
-zij verloor iets: haar zoon.
-
-—Gaat u weg? vroeg hij.
-
-Zij knikte van ja, snikkend.
-
-—Vergeeft u me?
-
-Zij knikte nog eens van ja. Toen lachte zij hem even toe, een lach vol
-wanhoop, de kracht missende hem te kussen, en zij ging, steeds
-snikkende.
-
-Hij bleef alleen, en stond op. Midden in de kamer bleef Othomar staan;
-strak zagen zijne oogen op den colley.
-
-—Waarom moet ik haar verdriet doen! dacht hij.
-
-Alles in zijne ziel deed hem pijn.
-
-—Waarom ben ik met Herman op reis gegaan? vroeg hij zich weêr af. In
-die eerste dagen van rust ben ik zoo gaan denken. En professor Barzia
-zegt toch: rust... Wat weet hij van me af? Wat weet de eene mensch van
-den andere af...
-
-—Djalo! riep hij.
-
-De colley kwam, schuddende, aan, blij.
-
-—Djalo, wat is goed, hoe moet de wereld zijn? Moeten er koningen en
-keizers zijn, Djalo,... of moeten we maar allemaal weggaan?
-
-De hond zag hem aan, heftig kwispelstaartend; in eens sprong hij op,
-likte hem in het gezicht.
-
-—En waarom, Djalo, moet de eene mensch den andere altijd verdriet doen?
-Waarom moeten vorsten hun volk verdriet doen? Blijft het leven dan
-altijd het zelfde, eeuwen door...!
-
-Othomar was op den divan in-een gezakt; zijne hand viel over den hond
-neêr, die haar hartstochtelijk likte.
-
-—O! snikte hij. Mijn volk, mijn volk...!
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Op het voorplein van het Imperiaal reden op dit oogenblik de laatste
-rijtuigen weg; de kijkende menigte, achter de grenadiers, zag
-nieuwsgierig naar het even schitterende der mooie dames door de glazen
-der equipages heen. Die van de hertogin van Yemena was het allerlaatst.
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten
-van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem
-en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te
-hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten
-zouden plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen
-gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom,
-officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die
-van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de
-kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden
-die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der
-keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de
-keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van
-den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een
-kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur...
-
-Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort
-geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch
-neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort,
-alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in
-een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der
-strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn
-principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van
-Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn
-energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van
-het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet
-ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te
-irriteeren.
-
-Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig
-geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist
-hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets
-gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren
-zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand
-doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van
-zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van
-Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn
-vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich
-geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had
-kúnnen besparen, wat zoû zij er niet voor willen opofferen! Maar was
-hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen, en zich fier op te
-richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem
-maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen
-kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs
-had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen
-verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem
-had doen neêrzakken... En toch voelde zij, dat er eene geheime veer
-bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel
-hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de
-reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat
-aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence
-van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele
-druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van
-neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne
-ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in
-hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid
-van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den
-aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen
-twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of
-schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als
-zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had,
-was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóo neêrgeslagen als
-zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van
-eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo
-hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit
-monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die
-gebaard heeft?
-
-Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met
-Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop.
-De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van
-het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij
-daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om
-klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk
-mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met
-zulke overtuiging, kwam, als eene uitstorting van heiligen geest, eene
-berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond
-haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet
-en goed is... Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de
-vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand
-deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde,
-ondoorzienbare goedheid...!
-
-Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den
-keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich
-terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar
-zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar
-weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid
-zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem
-in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen
-zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was
-niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element,
-dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht
-Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne
-Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid,
-iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament,
-héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te
-bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid
-terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing,
-totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht
-gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend.
-Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en
-hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste
-vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door
-fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het
-delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen.
-Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze
-fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor
-vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat
-hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in
-eens zoo lief was geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze
-periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht,
-onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem
-onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen,
-of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren,
-Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo
-hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem
-genezen kon...
-
-Othomar zelve dacht niet over zijn deugden, noch over zijn bloed: hij
-dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur
-aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust
-den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de
-professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad.
-Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de
-prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op
-aan...
-
-Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel
-niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en
-zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde
-kunnen beoordeelen.
-
-En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin
-over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de
-keizerin sprak er ook niet over en hoopte.
-
-Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een
-wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het
-niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn
-kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden...
-
-De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij
-zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een
-miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan.
-
-Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een
-wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie?
-Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden
-hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St.
-Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn
-ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit
-een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was
-er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel
-geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk
-geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat
-hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû
-het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig
-weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het
-een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van
-zich wierp, en achterdocht koesteren...
-
-Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar
-voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes,
-hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende
-Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur
-bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van
-zijne lessen, die begonnen.
-
-En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem
-te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en
-wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen,
-dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper
-had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van
-een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende
-werken over historie en sociologie...
-
-
-
-
-
-V.
-
-Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw
-van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen
-over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog
-heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken
-der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur,
-half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte
-uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in
-straten en op pleinen.
-
-Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden een kou
-gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer
-en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de
-kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen
-tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de
-ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera
-en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag.
-Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest,
-met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen
-indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate,
-fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het
-onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen
-opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs
-ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die
-zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden
-hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook,
-men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad,
-dan door het land.
-
-Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de
-keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de
-doktoren, die hem in zijn bedje hielden.
-
-Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de
-doktoren; de koorts was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed;
-hij was stout, schold, had zelfs den goedigen dokter met zijn dikken
-kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde vuist.
-
-—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, die hem eerst bestraft
-had; zal ik je iets geven.
-
-—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter.
-
-—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet
-tegenstribbelen.
-
-—En wat krijg ik dan?
-
-Othomar zag hem lang aan.
-
-—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind.
-
-—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat
-groot voor je.
-
-—Wat dan; een paard?
-
-—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er
-niet meer naar, en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan
-wordt je beter en dan krijg je het.
-
-—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot... peinsde Berengar met
-gloeiende wangen.
-
-Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer
-terug. Uren bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding;
-als gewoonlijk verscheen hij niet aan het diner en at nauwelijks van
-wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich uitstrekken op de bank, nam
-een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief zich op, als met
-een plotselinge impulsie.
-
-—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen...
-
-De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet
-verlicht; door die duisterende schaduw heen zijne matheid
-voortslepende, ging Othomar naar de antichambres van den keizer. De
-kamerheer diende hem aan.
-
-Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand.
-
-—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken.
-
-—Neen, je stoort me niet... Ben je bij mama geweest?
-
-—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts.
-
-De keizer zag hem aan.
-
-—Erger dan van morgen?
-
-—Ik weet niet; hij gloeide nog al...
-
-De keizer stond op.
-
-—Heb je me te spreken?
-
-—Ja papa.
-
-—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest.
-
-Hij ging, liet de deur aanstaan.
-
-Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote
-kabinet, dat hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met
-den Rijkskanselier. In den laatsten tijd had hij ze echter niet meer
-bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû; intusschen dwaalden zijne
-oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde krullen; iets
-bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe.
-
-—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me
-toch zoo niet vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden?
-
-Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam.
-
-—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van
-zijne stem weifelde. Mama is bij hem...
-
-In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op,
-dat de kleine prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin,
-zelve lijdende, bij hem was.
-
-—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins
-zwijgen bleef.
-
-—Over Berengar, papa.
-
-—Over Berengar?
-
-—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs,
-wij zijn beiden uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft
-van... u... en van onze voorvaderen?
-
-—Waar wil je naar toe, Othomar?
-
-—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms
-onrechtvaardig en blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren
-worden en dan mij... of mij maar zelfs niet.
-
-—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar?
-
-—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer
-vorst dan ik? Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn
-natuurlijk recht moeten ontrooven, ter wille van mijn traditioneel
-recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand van alles, van al
-mijn rechten.
-
-—De jongen is gek, mompelde Oscar.
-
-—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de
-toekomst: zijn kleinen broêr, gekroond.
-
-—Othomar, ijl je? vroeg de keizer.
-
-—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien
-overdacht; ik weet het niet: de tijd gaat voorbij... Wat ik u zeg, heb
-ik met Mama overwogen; ze heeft er om gesnikt, maar mij niet
-tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in... En wat ik u zeg staat vast;
-ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen... Ik hoû
-van Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij
-gelukkig wordt door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat
-Berengar een beter keizer zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor
-talenten voor...?
-
-Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering,
-die ze schokte.
-
-—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik
-kan niet beslissen—als nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand
-zijn van gedachte. En waarom zoû ik dan keizer zijn en hij niets meer
-dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot? Dat kan immers
-niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur... Papa,
-ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik... ik zal wel leven
-als het moet...
-
-De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem
-aangehoord, staarde hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen.
-
-—Je meent dat alles? vroeg hij.
-
-—Ja papa.
-
-—Je ijlt niet?
-
-—Neen papa, ik ijl niet.
-
-—Dan ben je gek.
-
-De keizer stond op.
-
-—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot
-je verstand terug; wordt niet geheel krankzinnig.
-
-—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn,
-dat Berengar beter zou zijn dan ik?
-
-De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar.
-
-—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk...
-
-—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil
-doen, ten behoeve van hem?
-
-—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar.
-
-—Welke is de wet, die het verbiedt?
-
-—Mijn wil, Othomar.
-
-De prins hief zich hoog op.
-
-—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan
-alleen van geboorte? U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht
-heeft en u wilt, u wilt niet, dat ik afstand doe? En u denkt, dat ik me
-neêr zal leggen bij dien wil...?
-
-Hij stiet een heeschen lach uit.
-
-—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil
-doorzetten, maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan
-kon u dit toch niet dwingen. Er is een einde aan menschelijken wil,
-papa, en niets, niets, niets kan mij beletten, dat ik mijzelven
-ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragen wil!
-
-De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in
-Othomars gezicht.
-
-—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden.
-Lammeling! Je hebt gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er
-nooit iets van hebben. Als ik niet beter wist, zoû ik zeggen, dat je de
-zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent ongeschikt. Je bent
-niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten in
-een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen
-afstand doen. Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor
-je? Je zult het niet doen, je zult geen afstand doen, al moest ik je
-van dit oogenblik af, als een schande, verbergen voor de wereld. Jouw
-verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt niet,
-waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem
-toch niet in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je
-moeten zeggen. Ik wil dat niet, om de wereld geen getuige te maken van
-de ontaarding van ons geslacht. Ik wil niet, dat ze ziet, hoe ellendig
-het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder... je eerder kunnen
-vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed!
-
-Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit
-geduwd op een bank, waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef
-hij hem omknellen in zijn greep van sterke handen.
-
-—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoon niet
-van een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat
-ik je vader ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me
-hiervoor kunnen sparen. Ik geloof, dat je hoog denkt van je
-fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste gevoel. Je
-voelt zelfs niet, dat je een laagheid hebt bedacht, de laagheid van een
-proletariër, een slaaf, een paria, een ellendeling. Je hebt zelfs geen
-oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen met die laagheid.
-Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf plan
-goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat je mij met die
-lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden...!
-
-Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer
-onderscheiden wat recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer
-op dit oogenblik; als geesels striemden de woorden van zijn vader hem
-de ziel. En hij voelde zich geene kracht er tegen op te komen; de
-beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid en
-schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg
-de modder er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte
-en ademen bleef, leven bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de
-dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten niets wist, dit alles
-werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder. Maar hij
-wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne
-schande, zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed...
-Het flitste door hem heen in de seconde na dien laatsten striem van
-verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij wist, dat Oscar altijd een
-revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel. Zijne
-hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was
-opgestaan, had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte
-zijne hand uit en greep het pistool...
-
-Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden
-en nu het leven wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar
-zelfvernietiging in zijn kind, ging door zijn sidderend brein heen die
-gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging... het laatste heil voor den
-paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij op Othomar toe.
-Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen dol,
-het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn
-eigen voorhoofd, waarop de aderen blauw zwollen...
-
-—Othomar! brulde de keizer.
-
-Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in
-de antichambre en de markies van Xardi, adjudant van den keizer,
-ontzet, in verwarring, smeet de deur wijd open...
-
-—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit
-oogenblikkelijk bij prins Berengar komt...
-
-Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor.
-De keizer had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen
-pistool ontrukt; ook het tweede schot ging in dat korte oogenblik van
-strijd af, in het plafond. Wezenloos bleef Othomar staan.
-
-—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg
-u dit: u heeft niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u
-binnenkwam... is niet gebeurd.
-
-Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit.
-
-—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik
-ook vergeten wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den
-onze!
-
-Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer.
-
-—Mijn God! Sire...
-
-—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier
-binnenkomen? De hertog van Xara laat zich zelfs aandienen, markies!
-
-—Sire...
-
-—Wat? Spreek op!
-
-—Hare Majesteit...
-
-—Wat, Hare Majesteit?
-
-—Prins Berengar... de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de
-doktoren...
-
-De keizer was verbleekt.
-
-—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens.
-
-—Niet dood, Sire, maar...
-
-—Maar wat?
-
-—Maar de doktoren... hebben geen hoop...
-
-Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte
-zich voort, de kamer uit.
-
-De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene
-werkelijkheid van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen
-vol tranen.
-
-—Xardi... smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me,
-dat je zwijgen zal.
-
-In ontzetting zag de markies den kroonprins aan.
-
-—Hoogheid...
-
-—Zweer me, Xardi.
-
-—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne
-vingers uit naar het crucifix, aan den muur.
-
-Othomar drukte zijne hand.
-
-—Is prins Berengar...
-
-Hij kon nauwelijks spreken.
-
-—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden...?
-
-—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt...
-
-—Ik ga er heen, sprak Othomar.
-
-Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het,
-dadelijk doorweekte, batist er tegen aan.
-
-In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin
-naar hem. Xardi stond even stil.
-
-—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht
-iets aan de revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij
-schrikte: twee schoten gingen af.
-
-—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek.
-
-—Er was bijna een ongeluk gebeurd...
-
-Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep
-over hunne ruggen. De nacht scheen als met wolken van onheil kil te
-dalen over het paleis.
-
-—En... de kleine prins...? vroeg de kamerheer rillende.
-
-Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren
-liefde, eeuwen oud, voor zijne vorsten.
-
-—Sterft... sprak hij dof.
-
-
-
-
-
-VI.
-
-De kroonprins ging door de antichambre: een der doktoren stond er
-kompressen te weeken in een kom met ijs; nieuw ijs werd juist door een
-kamerdienaar in een emmer aangebracht. De deur van de slaapkamer was
-open en aan de deur bleef Othomar staan. Op zijn veldbed lag de kleine
-prins en praatte zacht, zangerig door; de keizerin, bleek, lijdende,
-zich ophoudende ondanks alles, zat met de prinses Thera naast hem.
-
-De keizer wisselde korte woorden met de twee andere doktoren, over wier
-trekken eene strakke hopeloosheid lag, bijtende smart verwrong Oscars
-gelaat, dat trok van diepe rimpels.
-
-—Mijn God, hij herkent me niet, hij herkent mij niet! hoorde Othomar
-den keizer klagen.
-
-—Mij ook niet, murmelde de keizerin.
-
-—Wat zoû het zijn; wat, wat, wat zoû het zijn, zong het prinsje en zijn
-anders schel stemmetje klonk zacht als het melodietje van een vogel:
-het was of hij wat speelde in zichzelven.
-
-—Ik krijg wat van mijn broêrtje, van mijn broêrtje, wat moois! zong hij
-door; en de keizerin verstond zijne woorden, maar ze begreep niet, en
-toen hij verder zong: den naam van den kroonprins, met zijn titel:
-
-—Othomar, o Othomar van Xara, van Xara... smeekte ze zacht naar de
-deur;
-
-—Othomar, hij zegt je naam; kom, misschien herkent hij jou!
-
-Othomar kwam nader; hij ging voorbij den keizer, hij knielde neêr aan
-het bed; een glimlach lichtte over Berengars gezichtje.
-
-—Hij wordt kalmer, zei de goedige dokter, wien de tranen over het
-gezicht liepen, tot Oscar; ziet Uwe Majesteit: de prins herkent Zijne
-Hoogheid, den Hertog...
-
-Eene blijdschap klonk door zijne stem.
-
-Een hevige jaloezie verwrong de trekken van den keizer.
-
-—Neen, neen, sprak hij.
-
-—Zeker, Sire, zie maar, drong de dokter aan, oplevende in hoop.
-
-—o Othomar, o Othomar van Xara, zong het prinsje: hij had zijn broêr
-herkend, maar zag hem niet in het leven, zag hem alleen in zijn
-wakenden droom, door de glazigheid van zijn koorts.
-
-—Wat breng je me voor moois? Kleiner dan een paard, maar zwaarder?
-Zwaarder? O wat is het zwaar, zwaar, zwaar...
-
-Zijn stemmetje klonk als in inspanning, als lichtte hij iets op; zijn
-kramptrekkende, kleine, breede handen maakten het gebaar van moeilijk
-beuren.
-
-—Berengar, sprak de kroonprins en zijne stem brak, zijn hart kromp
-ineen...
-
-—Othomar, antwoordde het kind.
-
-Een smartelijke kreet ontsnapte den keizer.
-
-—Ja, je bent altijd zoo aardig voor me, ging de kleine prins zangerig
-voort. Je geeft me altijd van die mooie dingen. Je weet wel, die mooie
-kanonnen, op mijn verjaardag? En dat pistool? Maar daar is mama zoo
-bang voor... Ga je dood, Othomar? Kijk, bloed, aan je oor... Wat
-bloedt, gaat toch dood? Ga je dood, Othomar? Kijk, bloed op je jas...
-
-De keizerin bleef strak zitten; zij zag van Berengar naar de bloedende
-wond van haar oudsten zoon...
-
-—Bloed, bloed, bloed! zong het kind. Othomar gaat dood! Ja, hij geeft
-me altijd zooveel moois, Othomar. Ik heb al zooveel, veel meer dan àlle
-àndere kinderen van Liparië! En wat krijg ik nu... nog meer? Dat mooie
-ding? Wat is het? Ik voel het wel: het is zoo zwaar, maar ik zie het
-niet...
-
-De dokter was uit de antichambre gekomen en naderde met de kompressen.
-
-—Ik zie het niet... ik zie het niet...!! zong het kind pijnlijk, mat.
-
-Toen de dokter de kompressen aanlegde, woelde het tegen, begon het te
-huilen, alsof een groot verdriet in zijn hartje opwelde.
-
-—Ik zie het niet!! snikte het; ik zal het noóit zien...!!!!
-
-Een heftige bui volgde het snikken; woest sloeg hij met de armen rond,
-trok de kompressen af, wierp zich het ijs van het hoofd, richtte zich
-met dolle oogjes staande in zijn bed, gooide de dekens weg... Othomar
-was opgerezen, de keizerin ook. Oscar zat in een stoel, het gezicht met
-de handen bedekt, en snikte tegen prinses Thera aan. De doktoren traden
-bij het bed, poogden Berengar te bedaren, maar hij sloeg ze; de koorts
-steeg in krankzinnigheid naar zijn klein brein.
-
-Op dit oogenblik kwam professor Barzia binnen; hij woonde niet in het
-paleis; men had hem ontboden uit zijn hôtel.
-
-—Wat doet Uwe Hoogheid hier? richtte hij zich aanstonds tot Othomar.
-
-De kroonprins antwoordde niet.
-
-—Trekt Uwe Hoogheid zich dadelijk terug in Haar eigen appartement,
-beval de professor.
-
-—Red mijn jongen! riep de keizer uit, gebroken, snikkende.
-
-—Ik red den kroonprins eerst, Sire: hij vermoordt zich hier!
-
-—Goed, goed, maar red hèm dan! schreeuwde Oscar woest.
-
-De andere doktoren hadden bevelen gegeven; een kuip werd
-binnengebracht; vol gegoten met lauw water, geregeld naar een
-thermometer... Maar Othomar zag niet meer, hij ijlde weg, voortgedreven
-door Barzia’s strenge blikken. Over de galerijen ijlde hij, door een
-groep van officieren en kamerheeren, die angstig met elkaâr stonden te
-fluisteren en voor hem uitweken. Hij stortte zijn eigen kabinet in, dat
-niet verlicht was. In den donker dacht hij zich neêr te gooien op de
-bank, maar bonsde op den grond. Daar bleef hij liggen. Zoo, als
-verpletterd door de duisternis, begon hij te kreunen, te steenen, luid
-op te snikken met scherpe gillen van zenuwtoeval.
-
-Andro was binnen gekomen; zijn voet stiet tegen den prins aan. Hij stak
-het gas aan, poogde zijn meester op te beuren. Maar Othomar hield zich
-als loodzwaar; snerpend lang stieten zich de zenuwgillen uit zijne
-keel. Andro belde, twee-, driemaal; lang luidde hij door; eindelijk
-verschenen een lakei en een kamerheer tegelijkertijd aan verschillende
-deuren.
-
-—Roep professor Barzia! riep Andro tot den lakei. Excellentie, helpt u
-me Zijne Hoogheid oplichten...! smeekte hij den kamerheer. Maar de
-lakei liep, toen hij zich omkeerde, tegen den professor aan, die bij
-den kleinen prins niets doen kon en den kroonprins gevolgd was. Hij zag
-Othomar liggen op den grond, kreunend, gillend...
-
-—Laat mij met Zijne Hoogheid alleen, beval hij met een blik rondom
-zich.
-
-De kamerheer, Andro, de lakei volgden zijn bevel.
-
-De professor was een groote, oude man, zwaar gebouwd en sterk: hij
-naderde den prins en hief hem, niettegenstaande zijne loodzwaarte van
-nervoziteit, op in zijne armen. Zoo hield hij hem eenvoudig omklemd, op
-de bank, en zag hem aan, diep in de oogen, met blikken van suggestie.
-In eens zweeg Othomar zijn gillen stil; zijne keel verstomde. Mat
-knikte zijn hoofd neêr op den schouder van Barzia. Deze hield hem
-steeds in zijne armen. De prins werd kalm, als een gesust kind, zonder
-dat Barzia éen woord geuit had.
-
-—Mag ik Uwe Hoogheid verzoeken naar bed te gaan, sprak de professor met
-zijne zachte stem van dwang.
-
-Hij hielp Othomar opstaan, stak zelve het licht aan in zijne
-slaapkamer, hielp den prins zijn jas uittrekken.
-
-—Waarom bloedt Uw Hoogheid aan het oor? vroeg Barzia, wien geronnen
-bloed de vingers bezoedelde.
-
-—Een schot... begon Othomar dof; het wegwenden van zijn gelaat, het
-sluiten van zijne oogen zeiden het overige.
-
-De professor sprak niet meer; als ware Othomar een kind, hielp hij hem
-verder, waschte hij hem het oor, den hals, de handen, met de zachtheid
-eener moeder. Toen deed hij hem zich neêrleggen in bed, dekte hem toe,
-ordende de kamer als een knecht. Toen ging hij naast het bed zitten,
-waarin Othomar lag, met groote vreemde oogen, starend: hij nam de hand
-van den prins en bleef zoo, lang, zacht ziende op hem neêr. Het half
-neêrgedraaide licht, achter, hield den grooten kop van Barzia in het
-donker en glansde alleen wat op zijn kalen schedel, waaraan tot op den
-hals eenige grijze manen hingen. Eindelijk sprak hij zacht:
-
-—Uwe Hoogheid wil beter worden, niet waar?
-
-—Ja, sprak Othomar, zijns ondanks.
-
-—Hoe zal Uwe Hoogheid dat doen? vroeg de professor.
-
-De prins antwoordde niet.
-
-—Weet Uwe Hoogheid niet? Dan moet Zij er maar eens over denken. Maar
-Zij moet zich heel kalm houden, niet waar, héel kalm...
-
-En hij streelde Othomars hand met zachte, gelijke bewegingen, als
-balsemde hij ze.
-
-—Want Uwe Hoogheid mag zich nooit meer toegeven aan zenuwtoevallen. Uwe
-Hoogheid moet bedenken, hoe ze tegen te houden. Ik geef Uwe Hoogheid
-wel veel te bedenken, ging Barzia glimlachend door. Dat doe ik, omdat
-ik Uwe Hoogheid aan andere dingen wil laten denken, dan waaraan Ze
-denkt. Er moet wat klaarheid komen in Hare hersenen. Is Zij moê en wil
-Ze slapen, of mag ik nog praten?
-
-—Ja, praat maar, fluisterde de prins.
-
-—Er komen dagen van groote smart voor het Imperiaal... begon de dokter
-weêr, zacht. Uwe Hoogheid moet aan die dagen denken, zonder zich te
-laten meêsleepen door de smart ervan... De kleine prins zal
-waarschijnlijk niet blijven leven, Hoogheid. Zal Zij daaraan denken en
-denken aan Hare ouders, Hunne arme Majesteiten? Er zijn van die dagen
-voor een land of voor een enkele familie, waarin de smart zich schijnt
-opeen te stapelen. Want deze dag, deze nacht schijnt die niet het einde
-van Uw geslacht, mijn prins? Stil, stil en beweeg U niet; laat mij maar
-praten, als een oude man, die zeurt... Weet Uwe Hoogheid, dat de keizer
-vandaag voor het eerst van zijn heele leven geweend heeft, gesnikt?
-Zijn jongste zoon sterft. Tusschen dit kind en den vader is een oudste
-zoon, die zwaar, zwaar ziek is... Is dit alles niet het einde?
-
-—Als God het dan zoo wil... fluisterde Othomar.
-
-—Is het goed te berusten, sprak Barzia. Maar wil God het zoo?
-
-—Wie zal het ons zeggen...
-
-—Vraagt het eens aan Uzelven, maar nu niet, Hoogheid, morgen, morgen...
-Na de smartelijkste nachten... komen weêr de morgens...
-
-De professor was opgestaan en had een poeier in een glas water gemengd.
-
-—Drink eens, Hoogheid...
-
-Othomar dronk.
-
-—En ga nu stil liggen en sluit die groote oogen.
-
-—Ik kan toch niet slapen...
-
-—Dat hoeft ook niet, maar sluit die oogen...
-
-Barzia streek met de hand over ze heen; de prins hield ze toe. Zijne
-hand lag weêr in de hand van den professor.
-
-Eene suizelooze stilte daalde neêr in de kamer. Buiten, in de galerijen
-en corridors, kwamen soms radelooze stappen aan, als uit de verte, in
-nuttelooze haast; dan verklonken ze weêr weg, in wanhoop. Eene wereld
-van smart scheen zich in het paleis, daar buiten die kamer, uit te
-breiden, tot ze alle ruimten er van vulde met haar donker, nachtelijk
-wee. Maar in deze ééne kamer verroerde zich niets. De professor zat
-stil en staarde vol nadenken: de kroonprins was als een kind
-ingeslapen.
-
-
-
-
-
-VII.
-
-Den volgenden morgen ging de dag op over den rouw van een keizerrijk.
-Prins Berengar was in dien nacht bezweken.
-
-Othomar had lang geslapen en werd laat wakker, als in eene vreemde
-kalmte. Toen professor Barzia hem het einde van den kleinen prins
-vertelde,—de apathie der laatste oogenblikken na eene woede van
-koorts—scheen het hem toe, dat hij dit reeds wist. De groote smart, die
-hij voelde, was zonderling rustig, zonder oproer in zijn hart en
-verbaasde hemzelven. Kalm bleef hij liggen, toen de professor hem
-verbood op te staan. Als zonder emotie stelde hij zich voor: den
-kleinen jongen, roerloos, de oogen gesloten, op zijn veldbed.
-Werktuigelijk vouwde hij zijne handen en bad hij voor het zieltje van
-zijn broêr.
-
-Hij mocht dien dag zijne kamer niet verlaten en zag alleen even de
-keizerin, die bij hem kwam. Het verbaasde hem niets, dat ook zij kalm
-was, met droge oogen: zij had nog geen traan gestort. Zelfs toen hij
-zich oprichtte uit zijne kussens en haar omhelsde, weende zij niet. Hij
-ook weende niet, maar alleen zijne eigene kalmte verwonderde hem: niet
-de hare. Zij bleef maar een oogenblik; toen ging zij terug als met
-werktuigelijke passen en hij bleef alleen. Hij zag dien dag anders
-niemand dan Barzia: zelfs Andro kwam niet in zijne kamer binnen.
-
-Buiten die kamer ried de prins, aan zekere passen door de gangen,
-zekere klanken van stem—het weinige, dat tot hem doordrong—de smart van
-het paleis; stelde hij zich voor de treurmare gaande door het land,
-Europa, en de menschen ontzet doende staan voor den dood, die verrast
-had. Het leven was niet zeker: wie wist of hij morgen leefde! IJdel
-waren de plannen der menschen, wie wist het uur, dat volgen zoû! En
-kalm steeds bleef hij hierover denken, in de zonderlinge rust van zijne
-ziel, waarin hij als eene nutteloosheid zag om te strijden tegen het
-leven en tegen den dood.
-
-Den volgenden dag eerst vergunde Barzia hem op te staan, laat in den
-middag. Na zijne douche kleedde hij zich kalm aan, in zijne
-lanciersuniform, een krip om de mouw. Toen hij zich in een spiegel zag,
-verwonderde het hem hoe hij leek op zijne moeder, hoe hij nu ging met
-hare zelfde machinale pas. Barzia vergunde hem naar den salon der
-keizerin te gaan. Hij vond er haar, den keizer, Thera, en den
-aartshertog en de aartshertogin van Karinthië, die den vorigen avond te
-Lipara waren aangekomen. Men zat stil bij elkaâr; nu en dan ging een
-zacht woord om.
-
-Othomar ging naar den keizer en wilde hem omhelzen: Oscar echter drukte
-hem slechts de hand. Daarna omhelsde Othomar zijne zusters, zijn
-schoonbroêr. Toen zette hij zich neêr bij de keizerin en nam hare hand
-en zat stil. Zij was vermagerd en krijtwit in hare zwarte japon. Zij
-weende niet: alleen de twee prinsessen begonnen telkens te snikken en
-telkens weêr.
-
-De familie gebruikte het diner alleen in de kleine eetzaal, zonder
-gevolg. Eene verplettering was als neêrgezonken op het paleis, dat
-geheel scheen te zwijgen op dit uur, met alleen nu en dan het zachte
-geloop door galerijen van een ordonnans-officier, die ging, een
-lijkkrans in de hand, van een lakei, die bracht een blad vol
-telegrammen. Na het korte diner trok de familie zich weêr terug in den
-salon der keizerin. De uren sleepten zich voort. De avond was geheel
-gevallen. Toen werd de aartsbisschop van Lipara aangekondigd.
-
-De keizerlijke familie stond op; door de galerijen ging zij, zonder
-gevolg, naar de groote Ridderzaal. Hellebaardiers stonden bij de deur.
-Zij traden binnen. De keizer reikte de keizerin de hand en geleidde
-haar naar den troon, waarvan de kroon en de draperiën omfloersd waren.
-Aan beide zijden waren zetels voor Othomar, de prinsessen, den
-aartshertog.
-
-In het midden der zaal, voor den troon, rees de katafalk op onder een
-hemel van zwart en hermelijn. In uniform lag er de kleine prins neêr.
-Over zijne voeten hing een kleine blauwe riddermantel met een groot wit
-kruis; een kinderdegen lag hem op de borst, en zijne handjes waren om
-het juweelen gevest heengevouwen. Aan zijn hoofdje, en wat hooger,
-blonk, op een kussen, een kleine markiezenkroon. Zes vergulde luchters
-glansden met vele hooge kaarsen stil op het kind neêr en ze lieten de
-groote zaal verder in schaduw: alleen rees, buiten, de maan in verre
-nachtblauwe lucht; hier en daar tintte ze met een witte glansplek de
-wapenrustingen, de trofeeën, die hingen en, als ijzeren geesten,
-stonden in nissen en aan den muur. Aan het voeteneind der katafalk
-breidde, op een tafel, met wit fluweelen kleed, als altaar, een groot,
-verguld crucifix, tusschen luchters, ontfermend, twee kruisarmen uit.
-
-Den degen in den arm, roerloos als de wapenrustingen aan den muur,
-stonden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, twee aan
-twee, aan iedere zijde van de katafalk.
-
-Een zachte geur van bloemen woei om. Om de katafalk heen stapelden zich
-de kransen op in cirkels van alles wat wit bloesemt; de aroom van
-violen geurde het hoogst.
-
-Zij waren gezeten: de keizer, de keizerin en hunne vier kinderen.
-Langzaam kwam de aartsbisschop binnen met zijne priesters en
-koorknapen. Toen knielden de vorsten op kussens voor hunne zetels neêr.
-De prelaat las de lijkmis en het Latijn van het Kyrie-Eleison en het
-Agnus Dei smeekte voor Berengars kleine ziel te midden der zielen van
-het vagevuur, trilde zacht door de immense zaal, wolkte met den geur
-der bloemen mede over het roerlooze, ooggeslotene gezicht van het
-keizerlijke kind...
-
-De dienst was geëindigd; de prelaat sprenkelde het wijwater, ging
-sprenkelend om de katafalk heen. De vorsten verlieten de zaal, maar
-Othomar bleef.
-
-—Ik wil mijn krans neêrleggen... sprak hij zacht tot de keizerin.
-
-Ook de priesters, langzaam, vertrokken; den vier ridders, die door
-anderen vervangen zouden worden, zeide de kroonprins zijn verlangen een
-oogenblik alleen te willen blijven. Ook zij gingen. Toen zag hij aan de
-deur Thesbia verschijnen, een grooten witten krans in de hand. Hij ging
-den ordonnans-officier tegemoet en nam den krans aan.
-
-Othomar bleef alleen. Lang, breed, met duistere einden, strekte zich de
-zaal uit. De maan was hooger gestegen, scheen blanker, spookte op de
-wapenrustingen. In het midden, als met heiligheid, tusschen den vromen
-glans der lange kaarsen—rees de katafalk, lag de prins.
-
-De kroonprins ging twee treden de katafalk op en legde den krans neêr.
-Toen zag hij naar Berengars gelaat; geene koorts verwrong het meer;
-rustig lag het, blank, als sliep het. Alle geluiden in de zaal waren
-weggestorven; eene doodstilte hing neêr. Hier scheen de wereld van
-smart, die het paleis en het land vervuld hadden, zich geheiligd te
-hebben in verhevene kalmte. En Othomar zag zich alleen met zijne ziel.
-Het onzekere van het leven, het ijdele van menschenvoornemen kwam tot
-hem weêr, maar in klaarheid; het was geen zwart mysterie en werd
-harmonie. Het was of hij geheel de harmonie zag van het verleden; in
-geheel Liparië’s verleden van historie, in geheel het verleden der
-wereld klonk geen enkele valsche toon. Alle smart was heilig en
-harmonisch, bracht nader tot het hooge Einde, dat weêr Begin zoû zijn,
-en nooit iets anders dan harmonie. Eene berusting daalde als een
-heilige geest in zijn gemoed; zijne vreemde kalmte werd berusting. Het
-was of zijne zenuwen zich ontspanden in éene groote leniging.
-
-En in zijne berusting was alleen de weemoed, dat hij nooit meer zoû
-hooren het hoog-bevelende stemmetje van het kind, dat hij lief had
-gehad. Dat dit kleine leven uitgeleefd had, zoo gauw, en voor altijd.
-In zijne berusting was alleen éven de verwondering, dat het zoo moest
-zijn en niet als hij het zich gedacht had. Hij zoû zelve moeten dragen
-zijne kroon, die hij aan Berengar had willen afstaan. En het was hem
-nu, of hij die terug ontving van den kleinen doode zelven. Hierom zeker
-voelde hij zoo niets geen opstand in zijne ziel, voelde hij die rust,
-dat besef van harmonie. Als eene erfenis kwam zijn geschenk tot
-hemzelven weêr terug.
-
-Lang stond hij zoo, denkende, starende op zijn roerloos broêrtje en
-eenvoudig werd zijne gedachte in hem; recht voor zich uit zag hij een
-weg, dien hij volgen zoû...
-
-Toen hoorde hij zijn naam:
-
-—Othomar...
-
-Hij keek op en zag de keizerin aan de deur. Zij kwam nader.
-
-—Barzia vroeg naar je, fluisterde ze; hij maakte zich ongerust over
-je...
-
-Hij glimlachte haar toe en schudde het hoofd van neen: dat hij kalm
-was.
-
-Zij was nu geheel genaderd, trad op de treden van de katafalk en vlijde
-zich aan zijn arm.
-
-—Hoe stil is zijn gezichtje... murmelde ze. O, Othomar, ik heb hem nog
-niet eens mijn laatsten zoen gegeven. En morgen behoort hij me niet
-meer toe: dan defileert hier al dat volk!
-
-—Maar hij is nú nog van ons, mama, van u...
-
-—Othomar...
-
-—Mama...
-
-—Zal ik jou ook niet hoeven... te verliezen?
-
-—Neen mama, mij niet... Ik zal blijven leven... voor u...
-
-Hij omhelsde haar; zij zag tot hem op, verwonderd om zijne stem. Toen
-keek ze weêr naar het kind. Ze maakte zich los uit de armen van haar
-zoon, hief zich nog hooger, boog zich over het witte gezichtje en kuste
-het voorhoofd. Maar zoodra de steenkoude van het doode vleesch in hare
-lippen trok, trok zij zich terug, staarde wezenloos op het lijkje, of
-zij nu eerst begreep. Een kramp verstijfde hare armen, verwrong hare
-vingers; recht viel zij achterover tegen Othomar aan.
-
-En hare oogen werden vochtig met de eerste tranen, die zij om Berengars
-dood vergoot, en zij verborg haar hoofd in Othomars armen en snikte,
-snikte...
-
-Toen voerde hij haar voorzichtig, langzaam de treden van de katafalk
-af, geleidde haar uit de zaal. In de galerij kwam hij Barzia tegen; het
-stil kalme gelaat van den prins, die zijne moeder ondersteunde, stelde
-den professor gerust...
-
-Zoodra de keizerin en de kroonprins de Ridderzaal verlaten hadden,
-traden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, binnen.
-Zij namen hunne plaats in aan beide zijden van de katafalk en zij
-bleven er roerloos staan in den kaarsenglans, starende voor zich uit,
-wakende in den rouwnacht over het keizerlijke lijkje, waarover nu de
-blauwte van de maan viel... Ook de priesters waren binnengekomen, en
-baden...
-
-Het paleis was stil. Toen Othomar aan de deur van haar appartement
-zijne moeder had overgegeven aan Hélène van Thesbia, ging hij de
-galerijen door naar zijne eigen kamers. Maar bij eene wending der
-gangen schrikte hij. De groote ceremonietrap gaapte, flauw verlicht aan
-zijne voeten, met de holte der kolossale vestibule onder aan. Behangers
-waren daar bezig de balustrades der trap te drapeeren met floers van
-krip, voor het oogenblik, dat de kist naar beneden gedragen zoû worden.
-Zij maten met wijde armen de nevels van zwart uit, wierpen zwarte wolk
-op wolk; de wolken krip stapelden zich met eene droeve luchtigheid op,
-en op en op, schenen de geheele trap te vullen en treê na treê hooger
-te stijgen of ze het geheele paleis zouden veroveren met hun zwart...
-
-De behangers zagen den kroonprins niet, en werkten door, zwijgend, in
-het flauwe licht. Maar eene koude rilling ging over Othomar heen.
-Doodsbleek staarde hij naar de mannen, die daar aan zijne voeten het
-krip uitmaten en het wolken deden naar hem toe. Hij herinnerde zich
-zijn droom: de straten van Lipara, zich vullende met krip tot de zon
-zwijmde... Zijn bloed scheen hem te bevriezen in zijne aderen...
-
-Toen sloeg hij een kruis.
-
-—O God, geef me kracht! bad hij in ontzetting...
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-Den volgenden morgen ging tusschen de paradewachten door der grenadiers
-het volk voorbij het lijk van den kleinen prins. Den daarop volgenden
-werd het vervoerd naar Altara en bijgezet in den keizerlijken
-grafkelder in den Dom van St. Ladislas. De prinsen Gunther en Herman
-van Gothland waren voor de plechtigheid overgekomen, maar den hertog
-van Xara was door professor Barzia verboden aan de ceremonie deel te
-nemen: hij bleef te Lipara.
-
-De Gothlandsche prinsen en hun gevolg kwamen met keizer Oscar terug
-naar de rezidentie, waar, op het dringend verlangen van hare zuster,
-ook koningin Olga met prinses Wanda gekomen was. En in de rouwstilte
-van het Imperiaal trok de familie zich bij elkaâr in een nauwen cirkel
-van intimiteit. Keizerin Elizabeth had, na hare eerste tranen, die
-onnatuurlijke kalmte verloren; telkens onderging zij hevige aanvallen
-van verdriet, die de koningin Olga of Othomar nauwlijks wisten te
-bedaren. De keizer was ontroostbaar, gaf zich met eene kinderlijke
-hevigheid over aan zijne smart. Men had hem nooit zoo gezien, men kende
-hem zoo niet. Dat hij zijn lieveling verloren had, bracht zijne ziel in
-opstand tegen de wereld en tegen God. Daarbij kwam, dat hij zich zeer
-had aangetrokken zijn laatste gesprek met Othomar, waarin deze hem van
-afstand-doen gesproken had. De keizer was er niet meer op terug
-gekomen, maar hij dacht er telkens aan. Hij vreesde er weêr met Othomar
-over te moeten spreken. Met woede voelde hij zijn onmacht, den
-kroonprins dit besluit van wanhoop te verbieden. En hij verbeeldde zich
-wat er volgens de wetten gebeuren zoû, zoo de prins volhardde: de
-aartshertogin van Karinthië keizerin, de aartshertog prins-gemaal en
-het geslacht van Czyrkiski niet meer heerschende op den troon van
-Liparië in de mannelijke lijn. Dat dit zoû kunnen gebeuren, deed,
-tegelijkertijd met zijn leed over Berengars dood, keizer Oscar lijden
-met dat zeer bijzondere leed van den vorst, in wiens bloed nog vloeit
-geheel de geërfde gehechtheid aan de grootheid zijner vaderen, en die
-ze voort wil laten duren tot den laatsten dag. En was hij ook
-ontroostbaar over het verlies van het kind, dat hij het meeste liefhad,
-zwaarder, maar stiller, in grooter geheim—daar hij er niet over
-sprak—en hierom wellicht smartelijker, voelde hij zijn leed over dit
-idee, over deze toekomst, die hij zich beeldde. Zelfs met de keizerin
-had hij er niet over gesproken, uit zekere vrees en bijgeloovigheid.
-
-En bij dit denk-verdriet,—dat zijne ziel van kracht, waarin altijd een
-zweem van kinderlijkheid gebleven was, zich zwak deed gevoelen, of zij
-de ziel ware van ieder ander mensch in plaats van de zijne: die van een
-vorst—mengde zich de zakelijke ergernis over de legerwet. Er zouden
-driehonderd millioen noodig zijn; honderd millioen waren reeds
-toegestaan voor de versterking der infanterie; de twee andere honderd,
-voor de artillerie, had de Minister van Oorlog, graaf Marcella, nog
-niet weten te verwinnen. De meerderheid der legercommissie was tegen
-die kolossale wapening der grensforten; in het Huis der Standen ried de
-minister reeds heftige tegenkanting, vermoedde hij zijn val. Noch
-Oscar, Myxila noch Marcella, wilden het minste toegeven. En Oscar zoû
-zijn minister daarenboven willen handhaven tot in het onmogelijke toe.
-
-Het was in deze dagen, dat Othomar zich door generaal Ducardi geheel op
-de hoogte der questie liet brengen, de stafkaarten en legerstaten en
-verslagen der commissie bestudeerde, de parlementaire discussies van
-uit zijne afzondering volgde. Hij hield lange overwegingen met den
-generaal. Hij had echter in maanden niet meer de ochtendberaadslagingen
-in het kabinet van zijn vader bijgewoond. Maar op een morgen kleedde
-hij zich—wat hij niet altijd deed—in uniform en liet door een kamerheer
-aan Oscar verzoeken of de keizer hem vergunde tegenwoordig te zijn bij
-de ontvangst van graaf Marcella. De keizer was verwonderd, haalde de
-schouders op, maar bestreed zijne antipathie, en liet zijn zoon zeggen,
-dat hij komen kon. Zoodra de Rijkskanselier en de minister bij den
-keizer waren, vervoegde Othomar zich bij hen. Hij was tengerder nog
-geworden en de zilveren brandebourgs van zijn lanciersuniform konden
-nauwlijks aan zijne slankte eenige breedte leenen; hij was bleek en wat
-hol van wangen, maar de blik in zijne oogen had die vroegere
-koortsachtige onrust verloren en zijne melancholieke kalmte
-teruggewonnen, tegelijk met iets straks van hoogheid. Hij mengde zich
-eerst niet in de discussie, liet den keizer vloeken, den Rijkskanselier
-zijne schouders ophalen en berusten in het onmogelijke, den minister
-verklaren, dat hij nooit toe zoû geven. Toen vroeg hij echter aan Oscar
-vergunning een woord in het midden te brengen. Hij had een potlood in
-de hand genomen; hij toonde met enkele kort besliste lijnen van
-aanwijzing over de kaarten, met enkele direct juiste aanduidingen op de
-staten, met enkele cijfers, die hij uit zijn hoofd, en nauwkeurig
-opnoemde, dat hij geheel op de hoogte was. Hij meende, dat, voor zoover
-hij kon nagaan uit de verslagen der commissie, uit de stemming in het
-Huis der Standen, het ongetwijfeld vast zoû staan, dat de tweehonderd
-millioen geweigerd zouden worden. Dat de minister vallen zoû. Hij
-herhaalde deze laatste woorden nadrukkelijk en zag toen vast zijn vader
-eerst aan en daarna graaf Marcella. Toen, met zijne zachte stem, die
-logisch in klank na klank zich verhief en daalde met rustige woorden
-van overtuiging, vroeg hij, waarom men zich niet voegen zoû naar de
-omstandigheden en van ze maken wat van ze te maken was. Waarom men niet
-de honderd millioen voor de infanterie zoû aanvaarden als het gewonnene
-en—hetgeen, zonder o ogenblikkelijk gevaar, toch zoû kunnen—de
-tweehonderd anderen zoû pogen te verdeden over eene tijdlengte van vier
-of vijf jaar. Hij meende zeker te zijn, dat een twintig millioen ’s
-jaars meer, niet zoo heftige tegenkanting zoû vinden. Met zulke eene
-schikking zoû graaf Marcella zichzelven kunnen handhaven en door den
-keizer gehandhaafd kunnen worden...
-
-Toen hij zweeg, volgde eene stilte zijne woorden. Zijn raad was, zoo
-niet geniaal, practisch geweest, makende van dit oogenblik van crizis
-wat er van te maken zoû zijn. Graaf Myxila knikte zijn hoofd langzaam,
-goedkeurend. De keizer en graaf Marcella konden Othomars denkbeeld niet
-dadelijk aanhangen, halsstarrig, als ze doordrijven wilden de legerwet
-in hare eerste onveranderde conceptie. Maar de Rijkskanselier voegde
-zich bij den kroonprins, deed nog nadrukkelijker uitkomen, dat eene
-zoodanige schikking de eenige zijn zoû, waarmeê Zijne Majesteit graaf
-Marcella zoû kunnen behouden. En de beraadslaging eindigde, dat het
-voorstel van den hertog van Xara in overweging zoû genomen worden. Toen
-Myxila en Marcella gegaan waren, vroeg de keizer den prins nog een
-oogenblik te blijven.
-
-—Othomar, sprak hij: het doet mij groot genoegen, dat je je weêr met de
-zaken van ons land bezig houdt...
-
-Hij weifelde even, bijna angstig.
-
-—Welke concluzie kan ik daaruit trekken... voor de toekomst? ging hij
-eindelijk langzaam voort.
-
-De kroonprins begreep hem.
-
-—Papa, sprak hij zacht. Ik heb mijne moedelooze oogenblikken gehad. Ik
-zal ze misschien nog wel hebben. Maar vergeet... wat er zoo kort voor
-Berengars dood tusschen ons besproken is geworden. Ik denk er niet meer
-over afstand te doen...
-
-De keizer haalde diep adem.
-
-—Ik ben vroom, papa, en geloovig, ging de prins voort. Misschien
-bijgeloovig. Ik zie duidelijk in wat er gebeurd is, de hand van God...
-
-Hij streek met de hand over het voorhoofd, peinzende voor zich heen.
-
-—De hand van God, herhaalde hij. Ik heb een voorgevoel gehad van den
-dood van éen onzer binnen dit jaar. Ik dacht dat ik het zelf zoû zijn,
-die sterven zoû. Daarom papa, zag ik misschien niet in, dat het
-monsterachtig van mij was, waartoe ik besloten had. Ik dacht niet aan
-mijzelven, die toch zoû dood gaan; ik dacht alleen aan Berengar. Ik
-zag, dat hij meer vorst was dan ik. Maar nu is hij dood en ik leef, en
-ik zal nu aan mijzelven denken. Want ik voel het, dat ik mijzelven niet
-behoor. En ik voel, dat het dit is, wat ons staande moet houden in het
-leven: dit gevoel, dat wij niet aan onszelven behooren, maar aan
-anderen. Ik heb altijd van ons volk gehouden en ik woû het helpen in
-het vage, in het abstracte; ik sloeg mijn handen uit, zonder te weten
-wat en als ik niet volbracht, was ik er wanhopig om...
-
-Hij hield in eens op, zag schichtig naar zijn vader, als had hij zich
-te ver laten gaan in het uitspreken zijner gedachten. Maar Oscar zat
-hem kalm aan te hooren, en hij ging voort:
-
-—En ik weet nu, dat zulke wanhoop niet goed is, omdat wij met zulke
-wanhoop ons aan onszelven behouden en ons niet kunnen geven aan
-anderen. U ziet—en hij stond op en glimlachte—ik kan maar niet genezen
-van mijn filozofie, maar ik hoop nu, dat ze mij zal leeren sterken in
-plaats van mij te ontzenuwen, omdat ze nu uit een geheel ander principe
-voortvloeit.—De keizer haalde licht de schouders op.
-
-—Ieder moet zich zijn eigen levenswijsheid maken, Othomar; ik kan je
-alleen dezen raad geven: dweep niet en hoû je standpunt hoog. Cijfer
-jezelven niet te veel weg, want zulke abnegatie duurt niet en herneemt
-toch weêr later oude rechten. Ik denk zooveel niet na; ik ben meer
-spontaan en impulsief. Maar ik wil niet over je oordeelen, omdat jij
-anders bent; je kan er niets tegen. Je bent misschien meer van dezen
-tijd dan ik. Ik wil alleen naar het rezultaat zien van je
-overpeinzingen en dat rezultaat is: dat je jezelven teruggeeft aan het
-gewone leven en aan de belangen van je land. En hierom verheug ik me,
-Othomar. Ik wil ook niet te ver in de toekomst zien; ik vermoed, dat je
-ook later niet mijn ideeën zult hebben; ik vermoed, dat je later zult
-regeeren met een constitutie van A tot Z, met een gekozen Hooger-Huis.
-Ik vermoed, dat je van de autoritair adellijke partij veel tegenkanting
-zult hebben... Maar zooals ik zeg, ik wil daar niet te ver in doorgaan
-en mij alleen verheugen over je moreele beterschap. En ik ben je heel
-dankbaar voor den raad, dien je ons zoo even gegeven hebt. Ze was
-eenvoudig, maar uit onszelve waren wij er zeker niet toe gekomen. Wij
-zijn daartoe te vasthoudend. Ik geloof nu wel, dat wat je voorstelde,
-het beste zal zijn; dat het wel niet anders zal kunnen...
-
-Hij stak zijne hand uit, Othomar greep die.
-
-—En, vervolgde hij, met de groote loyaliteit, die ondanks zijne
-tirannieke hoogheid het fond van zijne ziel was; laat geene rancune bij
-je blijven over... woorden, die ik je gezegd heb, Othomar. Ik ben hevig
-en driftig, dat weet je. Ik hield meer van Berengar dan van jou. Maar
-jijzelf hield van dat kind. Hoû me geen rancune na, terwille van hem...
-Je bent toch mijn zoon ook en ik hoû van je, alleen al om het feit, dàt
-je mijn zoon bent, en de laatste van mijn geslacht... Vergeef me mijn
-eerlijkheid.
-
-Toen drukte hij Othomar in zijne armen. Het trof hem pijnlijk de
-tengerheid van den prins te voelen in zijne stevige omhelzing, zoo
-dadelijk na zijne woorden: de laatste van mijn geslacht... Een vreemde,
-bittere wanhoop ging er om door zijne ziel, maar tevens vermoedde hij
-duidelijk het mysterie in die tengerheid: een onbekende, moreele
-drijfveer, die hij zelve in zijn weinig complexen eenvoud zeker miste,
-maar, vol verwondering, voelde in zijn zoon. Toen de prins gegaan was
-en Oscar, alleen, hierover dacht, en die drijfveer zocht in hetgeen hem
-in zijn kind bekend was, vond hij niet, maar voelde toch, dat wat ze
-ook ware, ze iets benijdenswaardigs was: een kracht, die taaier was dan
-spierkracht. Hij zag om zich heen: zijn oog viel op het portret van de
-keizerin op zijne schrijftafel. Hoe dikwijls had hij er niet op getuurd
-met ergernis, om hun troonopvolger, die zoo geheel haar eigen zoon was.
-Maar alsof eene schemering van glans voor zijne oogen opging, zag hij
-nu naar het delicate gelaat, zonder dien ouden wrevel en eene dankbare
-warmte begon in hem op te stralen. Wat ze ook ware, Othomar had die
-geheimzinnige kracht van zijne moeder. Ze redde hem en behield hem voor
-zijn land, voor zijn geslacht. En— wie wist het—misschien was dit
-mysterie, wat dan ook, het element, dat hun geslacht behoefde, eene
-noodige essence voor zijne nieuwe levensvatbaarheid... Hij drong daar
-verder niet in door; de toekomst—ook al klaarde ze nu op uit hare
-eerste duisternis—was hem niet lief. Hij had het verleden lief, die
-ijzeren eeuwen met hare helden van keizers. Maar hij voelde, dat niet
-alles verloren was. In zijn vroom geloof aan het Hoogste, dacht hij als
-zijn zoon, aan de hand van God. Zoo het zoo moest, zoû het zoo goed
-zijn. De wil van God was ondoorgrondelijk...
-
-En dankbaar aan de keizerin, dankbaar, dat het licht voor hem werd,
-boog hij de knieën voor het crucifix aan den muur, en bad hij voor
-zijne beide zonen, bad hij lang voor den zoon, die zijne kroon zoû
-dragen, maar langer voor de ziel van het kind van zijn éigen bloed, en
-welks gemis de smart zijn zoû, die altijd alsem zoû blijven op den
-grond van zijne, nu uitgestorte, ziel...
-
-
-
-
-
-IX.
-
-Uit het Dagboek van Alexa, Hertogin van Yemena. Gravin van Vaza.
-
-
- Nov. 18...
-
-De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft
-het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de
-hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen
-kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik
-hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en
-zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.
-
-Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na
-deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft,
-voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat
-ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor
-mij zie lichten...
-
-En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een
-jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen
-van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik
-weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in
-mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet
-waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij niet
-kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil
-laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche
-liefde koesteren wil.
-
-Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven!
-Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd
-waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O,
-ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige.
-Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw
-offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in
-mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood
-is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij
-geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het
-eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader
-bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan
-aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij
-anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders,
-dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een
-scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge
-aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw
-vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was
-zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat
-het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw
-Leven...
-
-Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel,
-tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig
-leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van
-Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom
-voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming
-van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in
-het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik
-heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is
-mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf:
-me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te
-moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.
-
-Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en
-erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van
-jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O,
-de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En
-de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het
-licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste
-wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen
-sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods,
-zal het ooit mogen!
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering
-van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een
-vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik
-wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk
-zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt
-Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in
-mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan
-bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw.
-Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en
-blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart
-het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op...
-
-Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand
-ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven
-werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare
-werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in
-het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij
-niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook
-ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt,
-omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik
-altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw
-zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen
-overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost
-willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik heb U
-getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen
-ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had
-durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat
-zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik
-toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet!
-Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als
-ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk
-wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost
-heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb.
-Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe
-minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van
-mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede
-zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen
-mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde
-en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver
-op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi
-is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal
-hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om
-Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is
-mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins,
-mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn
-vorst, en mijn vorst alleen!
-
-
- Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid Othomar,
- Hertog van Xara te Lipara.
-
- Castel Vaza, Nov. 18... Mijn dierbare Prins!
-
-
-Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende
-eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef
-er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U
-alleen voor mijzelve, nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik
-het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op
-het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets
-geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk,
-na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor
-mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem
-ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze
-de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het
-mysterie, dat onze liefde was...
-
-Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,
-
-
- Alexa.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Keizerin Elizabeth reed met Hélène van Thesbia in eene victoria—een
-voorrijder voorop—van St. Ladislas naar het Oude Paleis, dat met den
-Dom en het Episcopaal éen reuzenbouw vormde; daar, in Altara, hadden de
-aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie den vorigen dag met de
-keizerlijke bruid hun intrek genomen. Van den hoogen slotburcht, die
-als een breede steenblokkenmassa, met gekanteelde vlakken en plompe
-torens, over Altara heen zag, daalde onder oude kastanjes, onmerkbaar,
-de weg, licht zigzagkronkelend naar beneden. Het stof stuivelde onder
-de wielen op; aan beide zijden lagen villa’s, met terrassen, vroolijk
-van vazen en bloemen en beelden, en lager en lager afglooiende, naar de
-stad toe. De villa’s vlagden; de blauw-en-witte vlaggen met de witte
-kruisen joelden als een jeugd van kleuren onder het bestofte loof der
-oude boomen en acacia’s.
-
-Het was Juni; zes maanden na den dood van den kleinen prins, maar de
-rouw was verlicht om het aanstaande huwelijk van den hertog van Xara,
-dat de keizer zoo spoedig mogelijk voltrekken zag. De keizerin echter
-droeg nog zwaren rouw, dien zij eerst op den dag van het huwelijk af
-zoû leggen; Hélène droeg grijs; de liverei was grijs.
-
-Vele wandelaars, ruiters, equipages gingen langs den weg, hielden
-eerbiedig stil; de keizerin groette links en rechts; van af de balcons
-der villa’s groette men haar. In het warme zomerweder heerschte er eene
-gemoedelijkheid, eene zachte vroolijkheid langs den weg, ademde de weg,
-met zijne villa’s, waar de menschen in groepen zaten, eene
-vriendelijkheid uit, die der keizerin aangenaam aandeed en haar hart
-met een lichten weemoed op deed zwellen in hare borst. Kinderen liepen
-rond en speelden, in witte zomerpakjes; ze stonden in eens stil, en als
-welopgevoede kinderen, die de leden der keizerlijke familie iederen dag
-zagen voorbijgaan, groetten zij diep, de jongens onhandig, de meisjes
-met pas geleerde révérences. Dan speelden zij weêr door... En de
-keizerin glimlachte om een groote familie, oude en jonge menschen
-samen, die op een terras zeker een verjaardag vierden en lachten en
-dronken, vele glazen en karaffen voor zich: de kinderen hunne monden
-vol koek. Zoodra zij den voorrijder zagen, stonden zij op en zij
-groetten allen, sommige de glazen nog in de hand, en de keizerin,
-zonder hare gewone strakheid, groette ze innemend met een glimlach
-terug.
-
-En het was als ging zij door een groot dorp van luxe; een oogenblik
-vergat zij de lichte obsessie, die haar neêrdrukte, vergat zij waarom
-zij heden ging naar Valérie toe en liet zij zich wiegelen door haar
-welbehagen in de liefde, die zij om zich ried. Het was die liefde der
-oude Liparische patricische familiën—adellijk of niet-adellijk—voor
-hare vorsten. Het was eene liefkoozing, die zij nooit te Lipara voelde.
-En zij herinnerde zich Othomars brief, tijdens de overstroomingen van
-het vorige jaar: waarom zijn we toch niet meer te Altara...
-
-Geen oogenblik kon zij ophouden te groeten. Maar zij naderde nu de
-stad; als coulissen schoven de oude huizen op; de geheele stad schoof
-nader, vroolijk van vlaggen, die jong deden over haar oude steen. De
-straten waren vol; duizende vreemdelingen, van binnen- of buitenslands,
-waren te Altara; in de hôtels was geene kamer meer te krijgen. En de
-keizerin kon nauwelijks een woord tot Hélène spreken; zij kon niets
-doen dan knikken, altijd door...
-
-Op het voorplein van het Oude Paleis was de paradewacht der infanterie
-ter eere der Oostenrijksche bruid opgesteld en prezenteerde, nu het
-rijtuig der keizerin voorreed, het geweer. De aartshertogin Eudoxie
-verwachtte de vorstin.
-
-—Hoe is Valérie? vroeg Elizabeth dadelijk.
-
-—Goed, kalm, antwoordde de aartshertogin; ik had het zoo niet durven
-hopen. Maar ze wil niemand ontvangen...
-
-—Laat toch vragen of ik haar zien kan...
-
-De hofdame der aartshertogin verwijderde zich: ze kwam terug met het
-bericht, dat Valérie de keizerin wachtte.
-
-Elizabeth vond het jonge meisje in een negligé van witte kant, bleek,
-met groote donkere doffe oogen, liggen op een bank, ze richtte zich
-echter op:
-
-—Mevrouw, vergeef me, verontschuldigde zij zich.
-
-Elizabeth omhelsde haar met eene groote zachtheid; de aartshertogin
-zeide:
-
-—Ik was niet wel, ik voelde me moê...
-
-Toen echter ontmoetten hare oogen die van de keizerin, en zag zij, hoe
-deze niet eischte, dat ze zich met onmenschelijke kracht ophield. Zij
-drukte zich tegen de keizerin aan en weende zacht, als eene weent, die
-reeds lang en hartstochtelijk geweend heeft en nu moê is van haar
-weenen en het niet anders meer kan dan zacht. De keizerin deed haar
-zitten, zette zich naast haar en liefkoosde haar met een streelend
-gebaar van de hand. Geene van beide sprak; zij vonden geene van beide
-woorden in de moeilijke verhouding, waarin zij, op dit oogenblik, over
-en weêr waren.
-
-Twee dagen geleden, den dag vóor dien, waarop de reis van de bruid van
-Altara bepaald was, was het bekend geworden, dat prins Von
-Lohe-Obkowitz zich te Parijs had doodgeschoten. Welke de reden van dien
-zelfmoord geweest was, wist men niet. Sommigen meenden, dat de prins
-zwaar gebukt ging onder de ongenade van den keizer van Oostenrijk en de
-brouille met zijne familie; anderen, dat hij met baccara een fortuin
-verloren had en verder geruïneerd was door de artistieke lubies zijner
-vrouw, de beroemde Estelle Desvaux, die enkele malen in haar leven
-zichzelve geruïneerd had, maar door een kunstreis en wat diamanten te
-verkoopen er ook weêr telkens boven-op gekomen was. Weer anderen
-hielden vol, dat prins Lohe nooit zijne liefde voor de aanstaande
-hertogin van Xara had kunnen vergeten. Maar hoeveel men ook vertelde in
-de hofkringen van Weenen, men wist niets zekers. Valérie had, bij
-toeval, het bericht, dat men haar verzwijgen wilde, in de zelfde
-courant gelezen, waarin zij, nu bijna een jaar geleden, bij toeval ook,
-op het terras te Altseeborgen het bericht had gelezen, van prins Lohe’s
-voorgenomen huwelijk en afstand van zijne rechten. Hare ziel, die geene
-neiging tot mystiek had, werd echter bijna in den schok van wanhoop,
-die ze doorvoer, bijgeloovig om deze herhaling van wreedheid. Maar toen
-zij haar leed, maanden geleden, had doorgestreden en uitgeleden, was
-eene onverschilligheid in haar nagevolgd door al het verdere leed, dat
-zij nog óoit zoû kunnen ondervinden in het leven. De dood van hare
-illuzies was eene geheele dood geweest; na hare verloving had zij zich
-weêr gevonden, als met eene andere ziel, verhard en gepantserd met
-onverschilligheid. Het was vreemd, dat in deze onverschilligheid het
-eenige, waar zij gevoelig voor bleef, het exquize van Othomars karakter
-was: zijne fijngevoeligheid, dat hij haar, tegen Oscars zin, gespaard
-had te Altseeborgen; zijn wijd gevoel van algemeene liefde voor zijn
-volk; geheel zijn karakter van zachtheid en eenvoudig plichtsbesef...
-Maar hoe onverschillig zij verder zich ook dacht, wreed was dit tweede
-toeval geweest, alsof een verfijnd noodlot het oogenblik er voor had
-uitgekozen. Een martyre was de officieele reis geweest van
-Sigismundingen naar Altara. Als een automaat was Valérie gegaan door de
-recepties aan de grenzen, door de ontvangst aan het Centraal Station te
-Altara met de begroeting van haar keizerlijken bruidegom, die er haar
-gekust had, en de toespraak der autoriteiten, het aanbieden van brood
-en zout door de domheeren van het kapittel van St. Ladislas. Zij had
-het geslikt, hun brood en hun zout. En de rit door de stad, die vlagde
-en eerepoorten oprichtte van straat naar straat, naar het oude Paleis,
-in den open landauer met den keizer en haar bruidegom, door het gejuich
-van het volk heen, dat in hare arme ooren en door hare overprikkelde
-zenuwen sneed als met zagende messen! Toen, in het Paleis, was het
-Othomar opgevallen, hoe zij er uitzag, als een voortgejaagd dier met
-schichtige oogen. De dood van Prins Lohe was ook te Altara bekend en al
-had het volk gejuicht, gejuicht uit ware sympathie voor de aanstaande
-kroonprinses, het had er haar op aangezien, nieuwsgierig, begeerig eene
-vorstelijke smart te zien trillen door hunne feestvreugde heen,
-voortgejaagd tusschen bogen van groen en vlaggetrofee. Zij hadden niets
-gezien. Valérie had gebogen, geglimlacht, van het balkon van het oude
-Paleis naast Othomar met de hand gegroet! Niets, niets hadden zij
-gezien, hoezeer ze ook gespannen waren, hoeveel ze zich ook hadden
-verbeeld. Maar toen was Valérie’s kracht ten einde. De rol was
-gespeeld, het gordijn mocht vallen. Othomar liet haar alleen met een
-handdruk. Uren had zij wezenloos gezeten; toen was de nacht gekomen;
-geslapen had zij niet, maar zij had kunnen snikken.
-
-Nu was het de volgende dag; moê lag ze neêr, maar eigenlijk was ze
-uitgeweend, uitgestreden, vond ze hare onverschilligheid terug: het
-verdere leed van haar leven zoû haar immers niet meer kunnen deren!
-
-Maar de teedere omhelzing van Othomars moeder verzachtte Valérie, en
-zij vond hare tranen terug.
-
-Nauwlijks wisselden zij eenige woorden en toch voelden zij hare
-wederzijdsche sympathiën tot elkaâr gaan. En Valérie ried door haar
-verdriet heen haren plicht, die tegelijkertijd hare kracht zoû zijn;
-geen bittere onverschilligheid, maar eene berusting in wat haar leven
-zijn zoû. O ze had het zich anders voorgesteld in hare
-jongemeisjes-droomen: zij had het zich lieflijker en lachender gebeeld
-en natuurlijker van uiting, spontaner en zonder zulke filozofie. Maar
-uit hare droomen was ze wakker geworden en waar zoû zij anders hare
-kracht zoeken dan in plicht...! En ze won zichzelve, wat er ook in hare
-ziel vernield was, terug door eene onbewuste vitaliteit,—hare
-eigenlijke natuur—meer nog dan door hare gedachte. Zij droogde hare
-tranen, sprak er over, dat het uur naderde waarop eene deputatie van
-Liparische jonkvrouwen haar een huwelijksgeschenk zoû komen aanbieden
-en de keizerin liet haar alleen, opdat zij zich kleeden zoû.
-
-Zij verscheen niet lang daarna, in wit toilet, met dof goud opgewerkt,
-in den salon, waar hare ouders met de keizerin samen waren en met
-Hélène van Thesbia en de Oostenrijksche hofdames. Kort daarop kwamen
-ook Othomar met zijne zusters, en de aartshertog van Karinthië. En toen
-de deputatie der adellijke jonge meisjes aangekondigd werd en
-verscheen, Eleonore van Yemena in het midden, luisterde Valérie met
-haar gewonen glimlach naar de toespraak van het markiezinnetje, nam zij
-met een innemend gebaar uit de handen van twee andere meisjes het
-groote étui aan, dat deze open liet springen en waar, op licht fluweel,
-een driedubbel halssnoer van groote parelen lag. En zij wist een paar
-aardige zinnen te vinden om te bedanken; ze uitte ze met een heldere
-stem, en wie haar gehoord had, zoû nooit vermoed hebben, dat zij een
-slapeloozen nacht had doorgebracht, badende in tranen en voor zich
-ziende het lijk van een jongen man met verpletterde slapen.
-
-Het werd aan de jonge dames der deputatie vergund de huwelijkscadeaux
-te zien, die in een groote zaal waren tentoongesteld; de prinses Thera
-en de hofdames gingen met haar meê. Het was daar in die zaal een
-plotselinge schitterglans, in het daglicht stralend van de lange
-tafels, waar, tusschen bloemen, de cadeaux stonden: de zware vergulde
-candelabres, vergulde tafel- en theeserviesen en kristal, vergulde en
-zilveren cassetten van verschillende steden, de Dom van Altara in
-zilver, zilveren schepen met fijne bollende zeilen van inrichtingen van
-marine en juweelen geschenken van alle vorstelijke vrienden en
-verwanten van Europa. Op een satijnen kussen lag, als een
-feeënkleinood, een sparkelende hertoginnediadeem van groote saffieren
-en brillanten, een der geschenken van de aanstaande schoonouders der
-bruid. En zeer trof het geschenk van de prinses Thera: het portret van
-den hertog van Xara; een kunstwerk, dat reeds op tentoonstellingen in
-beide hoofdsteden bekend was geworden. Maar het leek niet veel meer en
-het was daarom de wanhoop van de prinses. Het was jonger, vager,
-weeker, dan de prins zich nu vertoonde: iets magerder dan vroeger, maar
-met een dikkere streep van snor en een lichtgekroesden baard om de
-wangen. De melancholieke oogen hadden meer den kouden blik van keizerin
-Elizabeth gekregen; ook overigens geleek Othomar op zijne moeder en
-meer dan vroeger. Maar wat steeds in den prins trof, was, in zijne
-nerveuze fijnheid, zijn ras, zijne spitse distinctie, zijne rechtmatige
-hoogheid. Hij had veel verloren van zijne strakheid, zijne stijve
-tacteloosheid en iets zekerders en beslisters gekregen en het gaf,
-trots zijn kouderen blik, meer vertrouwen in een kroonprins, dan zijn
-altijd symphathiek, maar ietwat week optreden van vroeger. De gedachten
-schenen zich scherper in hem af te teekenen, de woorden spitser
-tusschen zijne lippen te komen; hij scheen meer op zichzelven te
-steunen, minder te geven om wat anderen van hem dachten. Het was, nog
-niet geheel bewust, dat uniek vorstelijke gevoel, dat in hem wakker
-werd: dat naïve, hooge ingeboren vertrouwen op den enkelen druppel
-gouden bloed, die in zijne aderen was, en die hem zijne rechten gaf...
-
-Het was vooral professor Barzia geweest, die, verbonden aan Othomar en
-hem iederen dag zelve behandelend, dit zelfvertrouwen gewekt had, door
-zijne woorden, komende uit menschenkennis en monarchale liefde beiden,
-en uit eene bizondere liefde voor den kroonprins daarenboven. De
-koudwaterdouches hadden den prins opgestijfd, maar de suggesties van
-den professor, die Othomars onbewust werkende eigenschappen als uit
-hare onbewustheid gewekt hadden, waren wellicht een nog ingrijpender
-geneesmiddel gebleken. De prins had zich leeren beheerschen en hij was
-den professor liever geworden en liever...
-
-Deze toewijding, geboren uit eene ontdekking van wat anderen niet
-wisten—hooge kwaliteiten van gemoed—was gesterkt door Barzia’s
-opvoeding van die zelfde kwaliteiten en, toen het huwelijk van den
-prins kon bepaald worden, zag de professor met evenveel trots als
-liefde neêr op zijn patiënt, dien hij fysiek genezen verklaarde en
-moreel genezen voor zichzelven dacht...
-
-
-
-
-
-II.
-
-Het was twee dagen daarna de dag van het keizerlijke huwelijk. De stad
-wemelde reeds den vroegen morgen van het, uit de omstreken
-toegestroomde, volk, dat zich gonzend drong door de nauwere straten.
-Want reeds vroeg waren de hoofdstraten afgezet door de infanterie, van
-den Slotburcht tot aan het Oude Paleis en den Dom toe. En Altara,
-anders grauw, oud, verweerd, was niet herkenbaar, bont van vlaggen,
-jong van groenfestoen, versierd met draperieën en tapijtwerk van zijne
-balkons af. Eene warme zuidelijke Meizon goot vakken van glans over de
-stad heen en het rood en het blauw en het wit en groen der wachtende
-uniformen, met de regelmatige bliksems der bajonetten daarboven, trok
-breede lijnen van kleur bijna bloemenvroolijk door haar heen, tot op
-naar het slot van St. Ladislas.
-
-Door de afgezette straten reden hofrijtuigen heen en weêr; ze
-schitterden vol uniformen: vorstelijke genoodigden, die naar St.
-Ladislas of het Oude Paleis gebracht werden. Men zag er Russische,
-Duitsche, Engelsche, Oostenrijksche, Gothlandsche uniformen; vlug, als
-zich voorbereidend tot het oogenbllk van ceremonie, flikkerden zij door
-Altara heen, door hare, met soldaten beperkte, lange leêgten van
-straten.
-
-Onder de kastanjes aan den Burchtweg waren de villa’s ook dwarrelig vol
-van toeschouwers, die in de tuinen en op de terrassen liepen en zaten,
-en bont spikkelden in de strepen zon, die filtreerden door het loover
-heen, en de lichte zomertoiletten der dames, hare kleurige parasols,
-schenen het villa aan villa garden-parties te zijn, terwijl men wachtte
-op den stoet van den bruidegom, die, als de Liparische etiquette het
-eischte, van St. Ladislas vertrok om zijne bruid te vinden in het Oude
-Paleis.
-
-Elf uur. Van het fort van St. Ladislas davert het eerste schot, daveren
-telkens schoten na. Eene gonzende emotie huivert langs den geheelen
-Burchtweg. Op den nauw merkbaar dalenden weg verschijnen paukisten en
-trompetters, wapenherauten te paard. Achter hen schittert de Garde van
-den Troon aan, om de verguld- en kristallen gala-koetsen. De
-opper-ceremoniemeester, graaf de Threma, in de eerste; in de tweede,
-met de keizerkroon en het gepluimkopte achtspan: scharlaken omhoeste
-schimmels,—en het gejuich uit de villa’s stijgt luider op en luider—de
-keizer en de hertog van Xara zelve aan zijne zijde; in de volgende
-koetsen de te-zaam-gekomen majesteiten en vorstelijkheden uit geheel
-Europa; de keizerin van Liparië, de keizer en de keizerin van
-Duitschland, de koning en de koningin van Gothland, Russische
-grootvorsten, de hertog van Sparta en de prins van Napels... De
-Rijkskanselier, de ministers, de gemantelde leden van het Huis van
-Adel... En de eindelooze stoet gaat langzaam onder het kanongedaver
-langs den Burchtweg door de hoofdstraten tot in de kern der stad. Daar
-wacht, in het Oude Paleis, de bruid haren bruidegom met geheel hare
-Oostenrijksche familie: de keizer en de keizerin; hare ouders: de
-aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie...
-
-Het is daar, dat de protokollen geteekend worden op de, met goud
-brokaat bedekte, vergulden tafel, waarop de keizers en keizerinnen van
-Liparië hunne handteekeningen sedert eeuwen geschreven hebben, waarop,
-na het kroonprinselijke paar, de vorstelijke getuigen de akten
-onderschrijven...
-
-Nu gaat de geheele stoet door galerij na galerij naar de Nieuwe
-Sacristie. Het is eene minutenlange wandeling van statie: de
-trompetters, de herauten, de ceremoniemeesters; de blauwgemantelde
-ridders van St. Ladislas; de wit-en-gouden Garde van den Troon; keizer
-Oscar met den hertog van Xara, de keizerin van Oostenrijk met de
-bruid... Langzaam gaat zij aan de zijde van haren oom, het hoofd iets
-gebogen, als onder het gewicht van hare prinsessekroon, waaruit de
-kanten sluier afwemelt, zacht blond doende om haren blooten hals, die
-van brillanten druppel-flonkert. Haar toilet is van een, van voren met
-zilver doorweven en met parelen arabesken en emblemaat bestikt,
-stijfzwaar satijnbrokaat; groote witte fluweelen pofmouwen doffen aan
-hare schouders op; de sleep van zilverbrokaat en wit fluweel is zoo
-lang, dat zes hofdames ze in golvingen aan zilveren handtrensen
-achterna dragen. Achter die hofdames volgden hare eere-jonkvrouwen,
-gelijk gekleed met gelijke bouquetten; het zijn de prinses Thera, de
-prinses Wanda, Duitsche, Engelsche en Oostenrijksche prinsessen. En de
-majesteiten en de vorstelijkheden volgen; de stoet vloeit binnen in de
-Nieuwe Sacristie; hier ontvangt de Kardinaal-Aartsbisschop, Primaat van
-Liparië, met geheel zijne gemijterde geestelijkheid den bruidegom en de
-bruid...
-
-In de kathedraal wacht de foule der genoodigden. Trots den
-zomerzonneglans drijft een mystieke schaduwschemer tusschen de
-ontzaglijke hooge bogen van den Dom en bloesemt het daglicht alleen op
-de bonte glazen der zijkapellen; in de welvingen hangt zelfs donker.
-Maar één glans van niet te tellen zoovele kaarsen is er het
-hoogaltaar...
-
-De Rijkskanselier, de ministers, de gezanten, het geheele
-corps-diplomatique, de leden van het Huis van Adel en van het Huis der
-Standen, leden van hooge rechtscolleges zijn binnengekomen; ze vullen
-de tribunes, die links en rechts zijn opgericht. En de geheele
-kathedraal vult zich; ééne volle wemeling van ritselende, zware zijden
-stoffen—de gala-toiletten der gedecolleteerde dames, wier juweelen
-twinkelen—wemeling van goud opschitterende uniformen en galarokken, die
-als groote vonken de schemering van den Dom verlichten.
-
-Daar schetteren de trompetten, galmt het orgel zijne juichtonen van
-plechtigen feestmarsch uit; door de Sacristie is de eerste cortège
-binnengekomen: de keizer van Duitschland met keizerin Elizabeth van
-Liparië, de aartshertogin Eudoxie, en een lange sleep van gevolg...
-Telkens schetteren nu de trompetten, galmt het orgel, en de genoodigde
-majesteiten met hunne gevolgen, de vertegenwoordigers der mogendheden,
-komen binnen in stoet na stoet. De baldakijnen links en rechts van het
-choor beginnen zich te vullen. Spoedig volgt de tweede cortège: de
-dignitarissen voorop, met de insignieën van het keizerschap, keizer
-Oscar, die den hertog van Xara voert: beiden dragen over hunne gouden
-uniformen de lange, drapeerende blauwe riddermantels van St. Ladislas,
-waar, op den linkerarm, het groote witte kruis straalt; vier
-kroonprinsen volgen als de vier getuigen van den bruidegom: de hertog
-van Wendeholm, de Russische Grootvorst-Troonopvolger, de hertog van
-Sparta, en de prins van Napels; de Ridders van St. Ladislas, de
-officieren van de Garde van den Troon, schildknapen en pages volgen
-daarna...
-
-En plotseling, glasschel, vibreert een koor van hooge stemmen en roept
-er den zegen uit over de bruid, die komt in naam des Heeren... De derde
-cortège is binnengekomen: de keizer van Oostenrijk en de aartshertog
-Albrecht, voerende de bruid, met hare hofdames, hare eere-jonkvrouwen
-en ze schijnt ééne witte weelde van hooge jonkvrouwelijkheid te midden
-van haar wit en bloemengeurend gevolg. En de zang strooit er zijne
-klanken als met handenvol zilveren leliën over haar uit; hare gewijde
-verschijning wekt eene emotie, die siddert door de volle
-prachtwemeling, de geheele katedraal door. Nu, ten laatste verschijnt
-de vierde cortège: de Kardinaal-Aartsbisschop, Primaat van Liparië, met
-zijne bisschoppen en domheeren en kapelanen; de kerkvorsten zetten zich
-in de hooge gebeeldhouwde zetels van het choor; de dienst begint...
-
-De zon schijnt op dit oogenblik gewacht te hebben om door de hooge,
-bonte boogramen, waarop het leven van St. Ladislas als in kleuren van
-juweel zijne kleine vierkante tafereelen sparkelt, schuin met een
-hellend vlak van stralen neêr te schieten op het choor, op de
-priesters, op de baldakijnen, waar de majesteiten zitten, op bruidegom
-en bruid... En al de kleuren: het oude goud van het altaar, het nieuwe
-der uniformen, de brokaten en de kroonjuweelen, ze vlammen op, alsof de
-zon er den brand in steekt: éen brand van wisselvonkelingen, die, met
-de tallooze kaarsen van het altaar, de kerk eensklaps hél verlicht. De
-diademen der vorstinnen zijn als vlammekronen, de ridderorden der
-vorsten starrelen er als een firmament. Luchtig, doorzichtig in den
-zonneschijn, blauw nevelen de wierookwolkjes op, die choorkinderen
-toezwaaien; de zonneschijn poeiert door den blonden sluier der
-knielende bruid, steekt een gloeibrand over haar wit-en-zilveren sleep,
-omstraalt haar als met eene apotheoze van licht, dat maagdelijk blank
-op haar terugkaatst. Haar bruidegom knielt naast haar: geheel omplooit
-zijn blauwe mantel hem; rein, op zijn arm, straalt het witte kruis.
-Beiden houden zij nu lange kaarsen in de hand. En de Primaat met zijn
-juweelen mijter en zijn, met juweelen arabesken bezetten stijfgouden
-dalmatiek, heft de oogen op, breidt de handen omhoog en strekt ze
-zegenend uit over de gebogen keizerlijke hoofden...
-
-Hoog zwelt de zang weêr; het Te Deum Laudamus, alsof de golven der
-stemmen op de golven van het orgel hooger stijgen en hooger, door de
-kathedraal heen naar den hemel in éene extaze van heilige muziek. Het
-oude steenen reuzengebouw schijnt te sidderen van emotie, als wordt de
-muziek zijne ziel en het luidt uit al zijne klokken eene zwellende zee
-van klanken over Altara heen, brons in de laagte, en uit alle metalen
-ze smedend tot kristalrein goud, in de hoogste hoogte van hoorbaren
-klank...
-
-Een uur later. Op het afgezette Domplein komt beweging, tusschen de
-wachtende galakoetsen. Nu gaat de stoet weêr terug naar St. Ladislas,
-maar achter de koets van Keizer Oscar zit nu Othomar met Valérie te
-zamen. En de stad juicht, en galmt er hare leve’s uit; de huizen,
-tusschen al de vlaggen en trofeeën dreunen er van. De wachten
-prezenteeren het geweer, en in den feestroes merkt men niet, hoe ginds
-in de kleinere straten gevochten wordt, arrestatiën gedaan worden; een
-bekend anarchist bijna vermoord is door het imperialistische volk...
-
-In zijne kostbare statie, nu verhoogd door de blanke aanwezigheid van
-de jonge hertogin van Xara en haar eigen gevolg, gaat de eindelooze en
-eindelooze stoet terug, de stad door, den Burchtweg op en de villa’s
-aldaar zien nu ook Valérie en juichen haar toe, zonder eind...
-
-Het is in de Witte Troonzaal, dat Othomar en Valérie hun cour houden:
-allen defileeren voor hen heen, de ministers en gezanten, de leden der
-beide Huizen, der rechtscolleges, corporatiën en deputaties. Na den
-cour het déjeuner, waarvan de tafel met het ceremonieele gouden en
-juweelen vaatwerk schittert, dat slechts bij de keizerlijke huwelijken
-gebruikt wordt. Na het déjeuner de laatste plechtigheid: in de Gouden
-Zaal—een immense zaal, laag, Byzantijnsch van bouw en ornamentiek,
-eeuwenoud en onveranderd—de fakkeldans; de ommegang der ministers, die
-op vergulde handvatten lange, brandende kaarsen dragen, terwijl Othomar
-en Valérie telkens naar rang uitnoodigen onder de foule der
-vorstelijkheden, alle vorstelijkheden beurtelings uitnoodigen en achter
-de ministers ommegaan... Het is er eene eentonige ceremonie, telkens
-weêr herhaald; de ministers met de fakkels, Othomar met eene vorstin en
-omstuwd door de ridders van St. Ladislas, Valérie met een vorst en
-geheel haar witte gevolg; en het is eene herademing als de plechtigheid
-is afgeloopen en de jonggehuwden zich teruggetrokken hebben om zich te
-verkleeden. Dan verschijnen zij: Othomar als chef der kurassiers van
-Xara, Valérie in haar wit lakensch reistoilet en hoed met witte veeren
-en zij nemen afscheid; een open landauer wacht hen, en zij rijden met
-een dichte escorte van kurassiers van Xara opnieuw naar de stad, rijden
-ze in alle richtingen door, vertoonen zich overal, groeten allen en
-rijden ze ten laatste uit naar het kasteel, waar zij de eerste dagen
-zullen zijn: Castel Zanthos, dicht bij de stad, aan den breeden
-stroom...
-
-En de oude verweerde hoofdstad, die vol van majesteiten blijft, die nog
-fladdert van wimpels, die des avonds éene gele vlam is en roode gloed
-van vuurwerk en illuminatie, schijnt, zonder de jonggehuwden, toch
-verloren te hebben de aantrekkelijkheid, die haar maakte tot brandpunt
-van feest en pracht en keizerlijke ceremonie; en des avonds, trots
-illuminatie en vuurwerk en gala-voorstellingen, is het Centraal-Station
-bestormd door duizenden, die heengaan...
-
-
-
-
-
-III.
-
-Het was maanden na het huwelijk van den hertog van Xara, toen keizer
-Oscar, des morgens zeer vroeg in zijn kabinet binnenkomend, en zich
-begevend naar zijne schrijftafel, getroffen werd door een stuk
-bordpapier met groote, zwarte, opgeplakte letters, dat op den grond lag
-bij het raam. Hij raapte het niet op; hoewel hij alleen was, verbleekte
-hij niet, maar zwollen wel op zijn laag voorhoofd de dikke aderen van
-woede over het feit, dat hij zelfs niet in zijn eigen kabinet vrij was,
-voor hunne majesteitschennis. Hij belde en ontbood zijn kamerdienaar,
-een vertrouwd man.
-
-—Raap dat ding op! beval hij, en brieschend in stilte:
-
-—Hoe komt het hier?
-
-De kamerdienaar verbleekte. Hij las de dreigende scheldwoorden met
-groote, vette letters reeds van den grond af, bukte zich en hield
-sidderend het plakkaat in de hand.
-
-—Hoe komt het hier? herhaalde de keizer, stampvoetend.
-
-De kamerdienaar zwoer, dat hij niets wist. In den morgen had niemand
-toegang tot het kabinet, dan hijzelve; een half uur geleden was hij er
-binnengekomen om er de ramen te openen en toen had hij nog niets
-gezien.
-
-—Het kan niet anders, Sire, of er is iemand in het park geslopen: het
-moet door het raam heen geslingerd zijn...
-
-Het was zeker de eenigste verklaring, maar het was eene verklaring, die
-den keizer zeer irriteerde. Het was niet de eerste maal, dat de keizer
-in de intimiteit van zijn kabinet zulke plakkaten vond. Het gevolg was
-geweest, dat er in het Imperiaal plotselinge arrestatiën plaats grepen
-van bedienden, van soldaten der verschillende wachten, maar deze
-arrestatiën en zoekingen hadden niets aan het licht gebracht, en
-maakten daarom een des te pijnlijkeren indruk. De wachten van het
-paleis, de wachten aan de vergulde grilles van het park, waar dit samen
-groeide met de Elizabeth-parken—de publieke tuinen der rezidentie—waren
-reeds vermeerderd: geheime politie, de eigen politie van den keizer,
-hield zelfs een scherp oog op die wachten zelve.
-
-Keizer Oscar was den kamerdienaar strak blijven aanzien; een oogenblik
-rees de gedachte in hem dezen man zelven te laten onderzoeken, maar hij
-begreep dadelijk daarna: het dwaze van dien achterdocht; de man was
-jaren en jaren in zijn persoonlijken dienst, geheel aan hem verknocht
-en bleef dan ook Oscars langen blik beantwoorden met den kalmen eerbied
-zijner oogen, zichtbaar nadenkend over de onoplosbaarheid van het
-vreemde raadsel.
-
-—Verbrand dat ding, beval de keizer: en praat er niet over.
-
-Oscar had daarna een lang onderhoud met den chef zijner geheime
-politie, over wien hij in den laatsten tijd niet anders dan tevreden
-kon zijn: geheime drukkerijen van anarchistische bladen, die telkens
-verspreid werden, waren opgespoord; een komplot om den keizerlijken
-trein van het zomerpaleis in Xara, Castel Xaveria, naar Liparia, in de
-lucht te laten springen, was verijdeld; verdenking van in verband te
-staan met anarchistische comité’s was gevallen op een ambtenaar aan een
-der ministeries en zelfs op een jong officier en het was gebleken, dat
-deze verdenkingen juist waren. Nog onlangs was een werkplaats ontdekt,
-waar men leerde hoe dynamietbommen en helsche machines te maken. Maar
-wie de brutale onverlaten waren, die hunne dreigbrieven tot in het
-keizerlijke kabinet wisten binnen te slingeren, was maar niet kunnen
-worden ontdekt. Eene week lang waren van uit het park de vensters van
-het kabinet bespied en al dien tijd had men niets gezien; het was nu
-een paar dagen geleden, dat deze geheime wacht was opgeheven. De chef
-der geheime politie meende zeker te zijn, dat de schuldigen scholen in
-het Imperiaal zelve en bekend waren met de intime gewoonten van den
-keizer. In stilte werden plotselinge huiszoekingen gedaan bij alle
-bedienden van het Imperiaal, waarvan men niet geheel zeker was, en toen
-men bij een palfrenier een anarchistisch blaadje, waarin voor den
-keizer beleedigende woorden stonden, gevonden had, werd deze man
-verbannen naar eene der dwangafdeelingen der kwikzilvermijnen van het
-Oosten. Deze verbanning was als het begin van tallooze andere
-verbanningen; ze volgden elkander slag op slag op; het waren soldaten,
-matrozen, vele kleinere ambtenaren der departementen: de couranten
-noemden niet eens alle verbanningen meer op. Strenger werd de censuur;
-telkens werden dagbladen opgeheven; redacteurs beboet en gestraft; de
-imperialistische bladen, organen van graaf Myxila, gaven, bijna
-tyranniek, den toon aan, dien men wilde. Een meeting van socialisten
-werd met sabelslagen der huzaren uit elkaâr gedreven; hevige
-ongeregeldheden volgden daarop in de rezidentie en ze wonnen de andere
-groote steden, Thracyna, Xara, zelfs Altara. Eene grève der dokwerkers
-vervulde Lipara weken lang met een stijgende onrust; politie-agenten
-werden op klaarlichten dag aan de haven wreedaardig vermoord.
-
-De hertog van Mena-Doni was in deze dagen de rechtervuist van keizer
-Oscar en zijne ruwe krachtsuitoefeningen hielden de rezidentie zooverre
-in bedwang, dat geen oproer uitbrak, dat het iederen-daagsche leven van
-zonnelachende weelde voortging, dat iederen middag om vijf uur de
-elegante equipages naar de Elizabethparken bleven voortstroomen, waar
-de keizerin of de hertogin van Xara zich zelfs iederen dag een
-oogenblik vertoonden. Maar op dit schijnsel van zorgeloosheid waren in
-stilte duizenden oogen van bescherming geslagen; de troepen in de
-kazernen waren geconsigneerd: glansende escortes van kurassiers
-begeleidden de keizerlijke landauers.
-
-De keizerin had Othomar ook verzocht zijne eenzame morgenritten te
-staken en zich nooit te vertoonen dan met gevolg. De hertog en de
-hertogin van Xara bewoonden het kroonpaleis, een betrekkelijk nieuw
-gebouw aan de kade, waar zij een uitgebreide hofhouding hielden en ook
-in dit paleis van zijn zoon liet de keizer huiszoekingen doen, kwam het
-aan het licht, dat er anarchisten scholen onder het personeel.
-
-Dit verraad, tot in hunne paleizen toe, bracht de keizerin in eene
-voortdurende siddering van angst: zij leefde deze dagen een voortdurend
-leven van angst, zoo ze zonder den keizer was. Want zij was het minst
-angstig, als ze zich naast Oscar vertoonde, op tentoonstellingen, bij
-plechtigheden, in de opera, en, het was vreemd: dan dacht zij niet aan
-hemzelven, maar, zoo ze niet bij haar waren, aan hare kinderen, alsof
-de catastrofe niet anders gebeuren zoû, dan op eene plaats, waar
-zijzelve zich niet zoû bevinden.
-
-De keizerin zag in Othomar zoo zeer haar eigen zoon, dat, in hunne
-intime ochtendgesprekken—want de kroonprins kwam nog altijd iederen
-morgen een oogenblik bij zijne moeder—het haar bevreemdde in hem niet
-haar eigen angst terug te vinden, maar wel geheel haar eigen berusting,
-die er de weêrzijde van was. Maar geheel na zijn huwelijk, vond zij hem
-veranderd; in deze korte oogenblikken van alleen-samen-zijn niet meer
-klagend, weifelend, zoekend, maar kalm sprekende over wat hij doen
-moest, vol van eene blijkbare harmonie, die rustige zekerheid gaf aan
-zijne woorden, zijne gebaren en zelfs aan zijne handelingen. Bij deze
-zekerheid behield hij eene stil waardige bescheidenheid: drong hij niet
-hoog op, wat van hem was; bleef hij bezitten dat ontvankelijke voor wat
-van andere menschen komt, en dat hem steeds in zoo hooge mate
-sympathiek gekenmerkt had. Hij was zeker oud voor zijn jonge jaren; wie
-niet wist, zoû hem meer dan zijne drie-en-twintig gegeven hebben, nu
-hij om zijne wangen ook zijne kroesbaard nog staan liet... En toch,
-toch welden vooral in deze dagen van troebel zijne vroegere angsten
-dikwijls bij hem op, kon hij minuten lang alleen zitten, starende op
-een vaag punt in zijne kamer, luisterende naar het ruischen van de
-toekomst, als hij geluisterd had in dien nacht van spooksel zijner
-voorvaderen op Castel Vaza, voelende dat, ineens, geheel zijne nieuwe
-levensberusting van hem afgleed als een kleed, dat viel van zijne
-schouders. Maar hij had zich zoo weten te beheerschen, dat niemand,
-zijn vader niet, zijne moeder niet, de kroonprinses zelfs niet, iets
-merkte van deze zielezwijming, die hem ijskoud in zijne korte
-eenzaamheden achterliet, twijfelend aan zijn recht, vol vreemd, week
-erbarmen voor zijn volk...
-
-Het was geheel de oude ziekte, die zoo, periodiek, in hem
-terugborrelde, als een slecht sap, zijne aderen doorvloeide, zijne
-zenuwen verslapte, hem in elkaâr knakte, als zoû hij er nooit meer van
-genezen. Maar hij wende aan ze, gevoelde er geene wanhoop meer om, wist
-zelfs, gedurende de oogenblikken, dàt de ziekte duurde, dat ze niet
-duren zoû en vond in zichzelven er na terug zijne harmonie, die vooral
-zijne berusting was.
-
-Het was in deze dagen van stille gisting, dat er sprake kwam van een
-huwelijk der prinses Thera met den prins van Napels; er was echter nog
-niets beslist tusschen de beide familiën, maar wel was de jonge prins
-te Lipara genoodigd om de groote najaarsmanoeuvres bij te wonen. Er
-hadden jachten plaats; verschillende feestelijkheden volgden elkander
-op. Othomar had vooral in deze dagen meer dan anders met die
-plotselinge zwakten te kampen; een vreemd gevoel, eene huivering, een
-geheimzinnige angst, bleef hem bij en verliet hem niet meer: angst,
-dien hij niet dorst analyzeeren, uit vrees motieven te vinden, welke
-hem gehéel zijne kalmte zouden doen verliezen. In hem verlevendigde
-zich de herinnering aan het feit, dat hij kort na zijn huwelijk een
-droom had gedroomd, ongeveer gelijk aan zijn vorige droom: de sinistere
-rezidentie zich zwart vullende met krip... Het was nog geweest, terwijl
-hij met zijne jonge vrouw te Castel Zanthos verbleef en hij had er niet
-aan gehecht, omdat hij meende, dat deze tweede droom alleen de
-afschaduwing geweest was van den vorige, alleen de herinnering aan wat
-reeds gebeurd was en niet meer. Maar nu, in deze dagen van feestdrukte
-om den prins, die hun hof bezocht, met het gisten van
-volks-ontevredenheid, als een troebel, donker element onder de opperste
-brille van al hun keizerlijk vertoon, verlevendigde zich de herinnering
-er aan, en trokken de angsten en huiveringen er om steeds duidelijker
-en duidelijker ommelijnen in zijne verbeelding, en gevoelde hij, op éen
-oogenblik, zoo geheel zijne vroegere nerveuze zwakte over hem heen
-komen, dat hij, onder een voorwendsel, professor Barzia uit Altara
-ontbood en met den geleerde een lang onderhoud had, waarover hij zelfs
-met de hertogin van Xara niet sprak. Toen de professor vertrokken was,
-voelde Othomar zich verlucht, gesterkt, maar weifelde in hem alleen de
-gedachte na, dat het niet goed was, voor een aanstaand souverein, zoo
-onder den invloed te zijn van eene sterkere ziel, als hij was onder die
-van Barzia; nam hij zich voor een volgenden keer Barzia’s suggestie
-niet meer in te roepen, maar zichzelven te genezen, geheel in het
-geheim van zijne eigen ziel. Dit plan om steeds te willen steunen op
-eigen kracht, deed hem zich geheel terugvinden...
-
-Hij was den dag volgende op het onderhoud met den professor den
-geheelen morgen en namiddag met den prins van Napels samen, dien hij
-vroolijk, opgewekt, zooals men den hertog van Xara zelden zag, op
-verschillende plaatsen begeleidde. Hun gevolg was verwonderd om die
-glinsterende blijmoedigheid van den kroonprins, wien zij toch altijd
-eenige melancholie waren blijven aanzien. Dien middag had er een groot
-galadiner in het Imperiaal plaats. Des avonds zoû de keizerlijke
-familie hun gast begeleiden naar de opera, waar een galavoorstelling
-zoû worden gegeven en een beroemde tenor zingen zoû.
-
-Er werden in deze dagen bij al de uitgangen der keizerlijke familie,
-steeds onder den schijn van glanzend vertoon, strenge maatregelen van
-voorzorg genomen. De rijtuigen, die dien avond naar het gebouw der
-Groote Opera reden, omtrappelde een dicht en sterk escorte van
-kurassiers. De straat op zij van het gebouw, waar de eigen entrée van
-den keizer was, was afgezet; een eerewacht stond aan de trappen;
-geheime politie had zich gemengd tusschen het wachtende publiek: de
-geheele groote-wereld der rezidentie...
-
-De keizerlijke loge was met hare draperieën van donker violet en gouden
-kwasten, vlak over het tooneel van het kolosale theater; de eerste acte
-was geëindigd—het was Aïda, dat men gaf—toen de fanfares uit het orkest
-opschetterden en de vorstelijkheden verschenen: de keizer, de keizerin,
-de prins van Napels, de hertog en de hertogin van Xara, de prinses
-Thera... En hunne verschijning scheen de eerste dof-wachtende,
-zenuwachtig-onverschillige stemming der volle zaal te electrizeeren
-alsof, mèt hunne verschijning, het licht in de kronen heller scheen, de
-zaal opglinsterde met al hare flikkerwisselingen van juweel, al haar
-getintel van verguldsel, al de nieuwsgierigheid der schitterende oogen,
-die tuurden naar het vorstelijke middelpunt; alsof de toiletten der
-dames zich met ééne ritseling van zware zijden stof ineens opbolden,
-waaiers zich uitplooiden, zich bewogen op en neêr, of een wind woei
-door vele bloemen, in veel glans...
-
-Toen het rijzen van de gordijn; de tweede acte met geheel haar
-melodrama van Egyptische vorstenpracht: de overwinning na den oorlog en
-de dansen daarom: de liefde van den held voor de Ethiopische slavin, en
-de ijverzuchtige dochter des Farao, en de optocht der goden met de
-bazuinen: alles gezongen, geïnstrumenteerd, opzwellende van muziek in
-een vierkant kader van geschilderd tooneelgordijn; bewegelijk
-schilderij van gezongen Egyptische vorstenoudheid, voor de oogen van
-moderne vorstelijkheid, modern turende quasi-onverschilligheid van
-samenzijn, waar de groote wereld wilde, dat men op dit oogenblik samen
-was: onder de oogen van den keizer en zijne familie, en zijn hoogen,
-jongen gast... De hartstochten op het tooneel zich ontbreidelend in
-zwellende en zwellende kreten van muziek, liefde en wanhoop, en oorlog
-en triomf en priesterstaatzucht van muziek, àlles muziek, alsof het
-leven muziek was, muziek de ziel en essence der wereld... En onder den
-glans dier muziek en van dat factice leven, de zichtbare mime der
-akteurs, de glorie van den beroemden tenor met zijn te modernen kop,
-zijn voor oorlog onware prachtkleedij, zijne buigingen en geglimlach
-voor de ware wereld daar buiten zijn klein tooneelwereldkader: voor het
-publiek, dat applaudiseerde, nadat de keizer in de handen had willen
-klappen...
-
-Het was op dit oogenblik, dit oogenblik van ovatie, dit oogenblik van
-schitterenden roem van den tenor: zijn applaus afklinkende van
-vorstelijke handen. Het was op dit oogenblik: keizer Oscar zich
-ombuigende naar zijn adjudant, den markies van Xardi, achter hem; de
-adjudant eerbiedig luisterend naar den wensch van Zijne Majesteit om
-den zanger in den salon der keizerlijke loge te ontbieden... Keizerin
-Elizabeth en de hertogin van Xara, schitterend in haar gala, hare
-juweelen, in glimlachend gesprek met den jongen vreemden kroonprins,
-die hun gast was. Othomar nog vroolijk vanaf dien middag, schertsende
-met Thera en de hofdames... De geheele zaal turende, nu de gordijn
-gevallen was, ten laatste male, naar hen allen in ééne schittering van
-luxe en licht...
-
-Op dit oogenblik: op de bovenste galerij een plotseling tumult, eene
-worsteling van soldaten en politie-agenten met éen man... Eén
-plotselinge ruwe warrelklomp daarboven te midden der meest mondaine
-uitspreiïngen van aristocratisch gala-vertoon. En alle oogen niet meer
-naar de keizerlijke loge, maar naar boven... Toen, de man,
-onmenschelijk sterk zich worstelende uit den greep van zijne
-aanvallers, doemende vooruit, uit hun klomp, als een zwarte
-bliksemstraal: donkere kroeskop, haatschietende oogen vol
-dwepersstrakheid, één arm ineens uitgestrekt naar de keizerlijke
-grootheid daar beneden, als op een zeker onafwendbaar gemikt doel. De
-geheele zaal één tumult, geschreeuw, gegil: wijde gebaren van
-hulpelooze armen, dat alles heel kort, nauwelijks ééne seconde... Een
-schot, en nog een schot na...
-
-Keizer Oscar is getroffen in de borst, hij is half getuimeld tegen de
-keizerin aan, wier bloote juweelenboezem hij in eens bezoedelt met
-bloed, dat zijn gouden uniform dadelijk doorweekt. Geen gouden bloed:
-rijk rood bloed... Maar de keizerin slaat hare armen in
-wanhoopsradeloosheid naar boven; haar snerpende gil striemt door de
-zaal. Ze valt neêr in de armen der hertogin van Xara. De keizer is
-gezonken in de armen van Xardi en van Othomar: een woedende vloek boort
-tusschen zijne vast geknarste tanden door, terwijl hij zijn
-bloeduniform zoo hard openrukt, dat de knoopen rondom hem afvliegen...
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Daarbuiten was het Groote Opera plein, hel verlicht van veelarmige
-monumentale lantarens, dadelijk donker-wriemelig geworden, vol van
-menschenmassa; de geheele stad vloeide er te zamen langs alle straten;
-de ontzetting trok er alles samen, als met magneet. Detachementen
-huzaren gingen reeds door de stad, hielden het opgewonden volk in
-bedwang; de hertog van Mena-Doni zag men als op alle punten tegelijk,
-met zijne soldatenmacht neêrtrappende de revolutie, waar die uit alle
-hoeken koppen omhoog scheen te willen steken. Boven was de lucht donker
-als een frons. Het begon te regenen...
-
-De mare ging, dat de keizer gestorven was. Het was niet waar. Togende
-naar adem lag de vorst in den foyer van het opera-gebouw, te midden van
-die ontzetting der zijnen, van zijn gevolg, van de toeschietende
-doktoren... Hij mocht niet vervoerd worden, zeiden zij. Hij wilde het.
-Hij wilde hier niet sterven. Hij wilde terug naar zijn Imperiaal. En
-spannende de veeren van zijn energie, beval hij, richtte hij zich op,
-het bloed gulpende uit zijne keel: Othomar en de adjudanten steunden
-hem...
-
-Buiten, op het plein, groeide de menschenmassa, steeg de ontzetting,
-borrelde de opstand uit het zwart van die menschentrossen omhoog.
-Telkens barstten gevechten uit tusschen troepen volk, dokwerkers, met
-de wachten voor het gebouw, met de politie. De hofrijtuigen gingen,
-leêg, geëscorteerd terug naar het paleis.
-
-Andere rijtuigen, huurrijtuigen, poogden hier en daar door het volk
-heen te komen: kurrassiers omringden ze, beschermden ze met geheven
-sabel. Stroomen van vloekend gescheld spatterden tegen ze aan, tegen de
-vaag doorschijnende glazen, waarachter lichte kleuren opvlakten,
-vonkjes juweelen uitschoten. Angstige oogen van vrouwen keken er strak
-schuin door, zonder bewegen.
-
-In de couloirs, op de groote monumentale trap van het opera-gebouw
-verdrong men zich, vocht men om er door te komen; toen zagen in eens
-alle oogen groot-starend naar boven: de keizer ging er! bloedende,
-hijgende naar adem, te midden der zijnen... Eene ontzetting staakte een
-oogenblik het gedrang; toen drong men weêr door... Dames vluchtten er
-tot achter de coulissen, vermengden er hare aristocratie met de bohême
-der akteurs, der actrices, door elkaâr heen, verward, te midden van den
-ontsteld gonzenden zwerm danseusen, priesteressen van Isis. Fooien
-werden gegeven, gesmeekt werd om rijtuigen, om huurrijtuigen...
-
-De hertogin van Yemena stond daar, met hare dochters; zij zagen uit
-naar het rijtuig, dat zij reeds tienmalen besteld hadden... Een
-tooneelknecht haalde onverschillig de schouders op: hij wist geen
-rijtuig te halen.
-
-—Ik wacht niet langer meer, zei de hertogin sidderend: de meisjes
-klampten zich snikkend, dol zenuwachtig aan haar...
-
-Zij verkreeg van eene actrice een lederen taschje; haastig deed zij
-hare juweelen af, beval de meisjes het zelfde te doen. Ze deden ze in
-het taschje. Een kamenier verzocht ze, voor een goudstuk, hare slepen
-op te spelden, hoog op, verzocht ze haar zwarte schoenen te vinden.
-Andere dames, half flauw van angst, wachtende, zagen naar haar, zagen
-haar zoo, vreemd, praktisch. Ze wist van een paar choristen drie lange
-zwarte mantels te koopen, met drie zwarte hoeden, sloeg zich een mantel
-om, sloeg ze de snikkende markiezinnetjes om.
-
-—Ik durf niet, mama! snikte Eleonore uit.
-
-De hertogin was beslist.
-
-—Kom, ga meê... drong ze aan, en ze dreef de meisjes voort; de andere
-dames zagen haar ontsteld na, door een achterdeur verdwijnen, in een
-achterstraat...
-
-De hertogin drukte het taschje met juweelen tegen zich.
-
-——In Gods naam, huil niet; wees kalm, gebood ze hare dochters. Loop
-kalm door en niet te gauw. Hoû die mantels goed dicht.
-
-Zij ging, richtte zich hoog op tusschen de twee bevende
-markiezinnetjes, in de kleêren van die choristen; de regen viel neêr.
-Volkshoopen liepen tegen ze aan; ze vermengden zich met ze; een
-oogenblik was ze Hélène kwijt...
-
-—Wacht even! sprak ze tot Eleonore.
-
-En ze bleven staan, tusschen het dringende volk; troepen hotsten aan,
-socialistische juichzangen joedelden ruw op...
-
-Toen ging zij met Eleonore terug, dringende, duwende, gevende Hélène
-gelegenheid haar weêr te bereiken...
-
-—Geef me nu allebei een arm: hier...
-
-Zij deden het; zoo, schijnbaar kalm, langzaam, langzaam aan, alsof zij
-nieuwsgierigen waren, die ook wilden kijken, naderden zij het
-opera-plein, waarop het wriemelde tegen de wachten aan. Rijtuigen
-passeerden, stapvoets, geëscorteerd. Een oude, slechte huurkast, met
-een mageren knol, wentelde een modderig wiel vlak tegen haar aan,
-schuurde tegen hare knieën; een kurassier van het escorte hief de sabel
-dreigend tegen haar op...
-
-—Mijn God! riep ze, gedempt en klemde de kinderen. Het eerst had zij
-herkend den koetsier, in een vuilen jas: een palfrenier van het
-Imperiaal, wiens gezicht ze zich herinnerde. Toen, met een snellen blik
-in het rijtuig, herkende zij—juist vlak bij eene groote lantaren met
-vele ornamentieke armen—den keizer tegen Othomar aan, en haar eigen
-stiefzoon, Xardi. Maar de markies herkende haar niet, want, verschrikt
-om het vele licht, wendde hij zijn gezicht snel af, boog hij zich,
-donker, beschermend, over den keizer en den kroonprins...
-
-De meisjes hadden niets gezien; de hertogin zeide niets, bang te
-verraden... Ze voelde geheel hare moedige kalmte haar ontzinken; ze
-sidderde van het hoofd tot de voeten. Tranen kon zij niet weêrhouden,
-om haren armen keizer, die stierf, die zoo terug ging naar zijn paleis.
-Eene groote, zwarte angst viel over haar heen. De regen sijpelde over
-hare borst...
-
-—Hoû je mantels dicht! vermaande ze nog even hare dochters; toen ging
-ze voort, sleepte zich voort en de meisjes ook, knikkende op hare
-beenen naast haar...
-
-Maar eene woede van menschen dwarrelde over het opera-plein; een strijd
-scheen daar te heerschen... Een klomp volk, die omsingelde een hoop
-politie-agenten en soldaten, tusschen wie een krankzinnige zich wrong
-met sterke gebaren; een ruw geschreeuw galmde op. Aan de verlichte,
-open ramen der opera, boven de nog feestelijk hel verlichte peristyle
-verschenen gezichten bij gezichten, akteurs in kostuum nog, zagen ze
-toe...
-
-—Mama, we zullen nooit kunnen doorgaan! snikte Eleonore zacht.
-
-De hertogin dacht in wanhoop aan de groote Keizerinnen avenue, waar
-haar hôtel was. Zoo ver... hoe zoû ze bereiken...
-
-—Ze vermoorden hem, ze vermoorden hem, ze mógen hem niet vermoorden!
-blèrde het volk rondom haar op.
-
-Toen begreep de hertogin, toen zag ze, en de meisjes zagen ook... het
-volk, woedend, schuimbekkend—wraaknemers al, maar eerst ontevredenen,
-zelfs misschien anarchisten: zoo waren de Lipariërs!—het volk,
-dringende tegen de soldaten en agenten, in wier midden de moordenaar
-van den keizer zijne groote, krankzinnige gebaren nog poogde uit te
-slaan. En de wraaknemers bestormden dien kring van
-gevangenbewaarders—ze sleepten den man voort... Het was tot vlak onder
-de oogen van de hertogin, van hare dochters...
-
-—Oah, oah, oah! brulden ze rauw, mannen en wijven; ze trokken hem de
-kleeren van het lijf, sloegen hem, en hij schreeuwde tegen. Op den
-grond sloegen zij hem neêr met knuppels en zij vertrapten hem met grove
-schoenen; zijn bloed vloeide; zijne hersens stroomden uit zijn
-verpletterden schedel...
-
-Als beesten werden zij toen, omdat ze zijn bloed zagen: grinnikten en
-slikten van pleizier...
-
-Eleonore knakte flauw tegen de hertogin, maar Alexa schudde haar bij
-den arm...
-
-—Hoû je op, hoû je op, in Gods naam, hoû je op!! riep zij luid. Ik kan
-niets met je doen, als je flauw valt!
-
-Hare sterke handen stompelden het markiezinnetje tot het leven terug,
-en woest voort sleepte zij ze, knikkende...
-
-
-
-
-
-V.
-
-De keizer, die niet sterven wilde, leefde met zijne doorboorde longen,
-hijgende naar adem, nog twee dagen van louter energie.
-
-En zóo waren de Lipariërs: de man, de moordenaar, gepakt in de opera,
-was trots politie en wacht, tot een vormeloozen klomp vermoord door
-ontevredenen zelve...
-
-En zoo is het leven: de keizer van een groot rijk was te midden der
-zijnen doorschoten door een dweper, en het leven ging voort... Het rijk
-was even uitgebreid als vroeger: een rijk, natuurmooi, zuidelijk rijk;
-hooge sneeuwbergen in het Noorden; middeneeuwsche en moderne steden,
-die lagen in wijde gouvernementen; de rezidentie zelve, blank in hare
-gouden najaarszon met zijn Imperiaal onder blauwe lucht, dicht aan
-blauwe zee, waarom de kaden zich bogen....
-
-En zoo is het leven der heerschers: de keizer was vermoord, eenvoudig
-doodgeschoten, en de opperceremoniemeester had het druk, de
-ceremoniemeesters waren het niet met elkaâr eens; de statie van eene
-keizerlijke begrafenis bereidde zich in alle ingewikkeldheid voor; door
-heel Europa ging de nahuivering der ontzetting; door alle couranten
-gingen de telegrammen en lange artikelen...
-
-Dat was alles om éen enkel schot van een dweper, een martelaar voor
-volksrecht.
-
-Keizerin Elizabeth staarde met open, wijde oogen op het noodlot, dat
-gekomen was. Zóo had zij het zich nooit voorgesteld, dat het komen zoû,
-zoo, zoo ruw, te midden van dat gala en naast hun vorstelijken gast.
-Zoo langs háar heen, treffende alleen haren man en niet verpletterende
-hen allen, in eens, geheel hunne keizerlijkheid! Gekomen was het, en...
-nog vreesde zij, vreesde zij steeds door en nog meer dan vroeger: voor
-haren zoon...! Het was haar of zij vroeger nóoit gevreesd had...
-
-Het was de dag vóór de begrafenis van keizer Oscar, toen de hertogin
-van Xara, de jonge keizerin nu, ongesteld werd, en de geneesheeren
-verklaarden, dat zij zwanger was...
-
-Het keizerslijk was reeds in hooge statie vervoerd naar Altara. Op St.
-Ladislas zouden de Altariërs het op de katafalk tusschen duizenden
-brandende kaarsen zien liggen met, aan de doode voeten, de
-schitterinsigniën van het hoogste souvereinschap; daarna zoû het
-vervoerd worden naar den keizerlijken grafkelder in den Dom...
-
-Op dien dag gingen ook over Lipara, waarvan de blankheid zwart
-schemerde onder rouw-decoratiën en zwarte vlaggen, de schoten van
-Wenceslas-fort, dof bulderend zijn gelijkmatig, zwaar, eentonig
-bombardement van uitvaart. Eenzaam, hoog, in de stad, die van schoten
-daverde, stond, leêg, het Imperiaal met zijne somber strak neêrkijkende
-karyatiden. De jonge keizer, Othomar XII, leidde te Altara den
-plechtigen stoet. De keizerin-moeder was in het Kroonpaleis, bij de
-jeugdige keizerin Valérie... Over hun glans, die schitterde,
-schitterden nieuwe glansen op, in het leven, dat door was gegaan, dat
-doorging...
-
-De keizerinnen zaten bij elkaâr. Valérie hield Elizabeth zacht in hare
-armen: met gelijke getelde tusschenpoozen bonsden de schoten van het
-fort af, over het paleis...
-
-Toen hief Elizabeth zich smartelijk op uit de armen harer schoondochter
-en zacht orakelde hare stem:
-
-—Als het een zoon is... zal het een Hertog van Xara zijn... Hij had zoo
-gaarne een Graaf van Lycilië gezien...!
-
-De schoten bonsden; de beide keizerinnen, in rouw, weenden, snikten.
-En, na langen tijd voor het eerst,—zooals het na langen tijd geweest
-ook was, bij Berengars dood—kwam nù geheel haar gemis, haar verdriet,
-hare rampzaligheid, hare wanhoop over Elizabeth heen, en voelde zij,
-dat zij dien keizer, aan wien zij als heel jonge prinses, nu
-vier-en-twintig jaren geleden, was uitgehuwelijkt, zonder liefde, had
-lief gekregen in die kwart-eeuw van meêleven op zijn hoog punt van
-souverein...
-
-Dien avond kwam Othomar terug, en alleen bij zijne vrouw, bij zijne
-moeder, snikte hij met ze meê, de jonge keizer, dien niemand te Altara
-in den Dom had zien weenen. Want keizerin Elizabeth had het nog éens
-herhaald:
-
-—Als het een zoon is... zal het een Hertog van Xara zijn...!
-
-En toen had de keizer van Liparië zich niet meer kunnen betoomen! In
-éen bliksemstraal, éen zigzag van ontzetting zag hij zijn
-kroonprinsleven terug, dacht hij aan zijn aanstaanden zoon. Hoe zoû dit
-noodlottige kind zijn? Eene herhaling van hem, van zijn geweifel, zijn
-weemoed en zijne wanhoop?
-
-En, met zijne niet te bedwingen snikken, snikte hij toen, in eens
-overstelpt door de dreigende toekomst, zijne smart uit over zijn vader,
-die geweest was en over zijn zoon, die komen zoû! snikte hij, het hoofd
-in de armen zijner jonge keizerin, die, eensklaps bewust te moeten
-troosten, was kalm geworden en kalm op hem neêrzag, nemende hun
-majesteitsleven op hare schouders, als ware het maar een drukkend zware
-mantel van purper en hermelijn, en niet meer, nemende het zoo
-krachtiglijk op, omdat er in hare aderen vloeide als in de zijne: één
-enkele druppel heilig gouden bloed, die eenig is in alle hunne gelijken
-en die zijn zoû hun kracht op de aarde en hun recht voor God...
-
-
-
-
-
-VI.
-
- Aan Hare Keizerlijke en Koninklijke Hoogheid Eudoxie,
- Aartshertogin van Oostenrijk, te Sigismundingen.
-
- Altara, St. Ladislas. Mei 18...
-
-
- Mijn lieve moeder!
-
-Ik kan U niet zeggen welk een verdriet Uw brief mij deed: in Gods naam,
-wind U zoo niet op en zeg niet zulke verschrikkelijke dingen. Het deed
-ons ook innig veel leed, dat U niet bij onze kroning kon tegenwoordig
-zijn en door Uwe rheumatische koortsen te Sigismundingen moest
-achterblijven, maar waarom moet U, lieve moeder, die koortsen als een
-straf van God beschouwen en waarom moet U het beschouwen als een straf
-van God, dat U Uwe lievelingsilluzie niet zaagt gebeuren en niet
-tegenwoordig kondt zijn in onzen ouden Dom, toen Othomar, gekroond door
-den Primaat, zelve mij kroonde tot Keizerin van Liparië. U waart er
-niet bij tegenwoordig, maar het is toch gebeurd: Uwe illuzie is toch
-waarheid. En ik zeg U dit, zonder de minste bitterheid, o, geloof mij,
-zonder de minste! Een straf, dat U mij dwong, tegen mijn zin...! U moet
-wel ziek zijn, ziek naar lichaam en geest, arme moeder, om zoo te
-kunnen schrijven: ik glimlach er een beetje om, ik herken U zoo niet
-meer. En laat mijn glimlach getuigen, dat ik niet ongelukkig ben; o,
-verre daarvan! Ons geluk is bijna nooit, wat wij ons voorstellen, dat
-het zijn zal en wat wij betreuren, dat het niet wordt...
-
-Als U mij zag, zoû U zien, dat ik niet ongelukkig was. Het is Mei, de
-zon schijnt, de boogramen zijn open. Mijn blik ziet in de verte den
-Zanthos als een breed en glinsterend vlak van water zich wegslingeren.
-Dicht bij mijne schrijftafel staat Uw groote, mooie zilveren wieg en
-tusschen de dichte kanten gordijnen heen zie ik mijn klein hertogje van
-Xara sluimeren... Ik weet niet hoe ik het U schrijven moet; ik heb
-mijne woorden zoo niet om U dat goed uit te drukken, maar wat ik voel,
-met dat wijde perspektief van rivierland voor mij en dat kleine
-kostbare kind naast mij, o, mama, dat is geen ongeluk! Het is een
-gevoel, waarin zeker heel veel weemoed schuilt, maar meer sombers
-schuilt er ook niet in. En waarom zoû het, trots dien weemoed,
-eigenlijk zelfs geen geluk zijn. Ik ben jong, ik ben keizerin en ik zie
-een leven voor mij! Om mij heen zie ik mijn land, zie ik mijn volk: ik
-wil, dat het het volk van mijn hart, van mijne ziel worde, geheel en
-al! Ik weet nog niet hoe, maar voor dat volk wil ik leven, wil ik samen
-leven met Othomar. O, ik beken het U, hoe ik dat doen zal, weet ik nog
-niet, maar ik zal het vinden, samen met hem! En als, ik heb een man en
-een kind en een volk! een Keizer, een Kroonprins en een Rijk, heb ik
-dan geen doel om te leven en als ik een levensdoel heb—en welk een
-ontzaglijk levensdoel!—heb ik dan ook geen geluk? Is het geluk iets
-anders dan een hoog, een edel levensdoel gevonden te hebben?
-
-Ik zoû U zoo gaarne overtuigen. En als U mij hier zag, op ons stil St.
-Ladislas, nu al de drukte der kroningsplechtigheden voorbij is, dan zoû
-U mij gelooven. Othomar houdt van St. Ladislas en neemt zich voor hier
-ieder jaar een maand in het voorjaar te komen. Dat mijn kind hier
-geboren is, noemt men een goed voorteeken, want U kent het geloof der
-Lipariërs, dat de kroonprins van hun land geboren wil zien worden te
-St. Ladislas, onder de onmiddellijke hoede van den Schutsheilige.
-
-Othomar echter is op dit oogenblik niet hier; hij is voor enkele dagen
-te Lipara—U weet dit natuurlijk uit de couranten ...; tweemaal per dag
-schrijft hij mij. Ik heb hem dit gevraagd, opdat ik geheel op de hoogte
-blijve van zijn gemoedstoestand; die rampzaligheid van den moord op
-zijn Vader, die twee dagen sterven van keizer Oscar! ze hebben Othomar
-zoo hevig, hevig aangegrepen; mijn God, hoe U te schrijven in woorden
-over die ontzetting! Hoe kan ik nog met hoop leven na al wat ik reeds
-in mijn korte leven geleden heb en voor ontzetting om mij heen heb
-gezien! En toch, toch is het zoo, want jeugd is zoo krachtig en ik, ik
-ben sterk, ik mòet het zijn...
-
-Ik heb hem bewonderd, mijn jonge keizer, in die ontzettende dagen, om
-zijne uiterlijke kalmte, waardoor de stormvloed van alle zijne emotie’s
-nooit heen brak, voor de oogen der wereld. Terug van de begrafenis, de
-plechtigheid der Handteekening onder de Vijf Heilige Akten; de drukte
-dadelijk der opeengestapelde staatszaken... Een maand daarna, de nieuwe
-verkiezingen, de constitutioneele meerderheid in het Huis der Standen,
-het ontslag der ministers... U zal dit alles gelezen hebben, in de
-bladen. Daarop de geboorte van onzen zoon; daarna onze kroning, op het
-oogenblik, dat Liparië in zijne fondamenten geschokt scheen! En nu,
-Othomar te Lipara, om het nieuwe constitutioneele ministerie... Dan
-graaf Myxila, die het niet eens is met Othomars moderne ideeën, die hem
-zelfs vrij heftig heeft durven verwijten, dat hij zoo kort na den
-gewelddadigen dood van zijn Vader reeds diens ideeën loslaat en die nu
-verzocht heeft om zijn ontslag... Othomar zal Myxila nog pogen te
-weêrhouden, maar begrijpt zelve, dat het onmogelijk zal wezen. En de
-Grondwetsherziening in het verschiet met zoo vele ingrijpende
-veranderingen; denkelijk met de instelling der Hoogere en Lagere
-Staten, terwijl het Huis van Adel uiterlijk zal blijven bestaan, maar
-niet meer zal zijn dan een raadgevend Eerelichaam. Concessies, als U
-wil, maar Othomar heeft nu eenmaal geheel andere ideeën dan zijn Vader;
-en zoo hij die concessies doet, doet hij ze zeker aan het verleden en
-niet aan de toekomst en niet aan zichzelven...
-
-Wreed is het leven, wreed in zijne verwisselingen en wreed zelfs in
-zijne herbloeiïngen en voor ons vorsten is dit alles misschien het
-wreedst, maar de wereld behoort aan wat komen zal...
-
-Keizerin Elizabeth vertoeft nog hier; zij is in eens zoo oud geworden,
-zoo grijs, en zeer dof en terneêrgeslagen en ze weet niet wat ze doen
-zal: met hare eigen hofhouding blijven in het Imperiaal, hier blijven
-op St. Ladislas, zich terugtrekken op Castel Xaveria... Al de
-keizerlijke paleizen en kasteelen dwarrelen haar nu door haar arm
-hoofd: hare eigen-bezittingen en de kroondomeinen; ze weet niet
-waarheen ze wil: wij blijven er natuurlijk op aandringen, dat zij het
-Imperiaal niet verlaat: het is er groot genoeg, dat zij er bijna haar
-geheel eigen Militair en Civiel Huis behouden kan...
-
-Dierbare moeder, ik schrijf U spoedig weêr: het dwarrelt mij nu te
-veel; ik heb te veel aangeroerd; mijne vrouwehersenen kunnen dat alles
-zoo nog niet logisch en ordelijk overdenken, neêrschrijven... En ik ben
-nog maar zoo kort keizerin en ik ben niet ouder dan twee-en-twintig,
-ook al voel ik me niet zoo jong meer... Deze brief is alleen een
-haastig neêrgeschreven antwoord op Uw treurig zelfverwijt, dat ik U
-hier, in naam van den Hemel, smeek geheel van U af te werpen. Nu ik U
-dit schrijf, rijst de avond van mijn verlovingsdiner te Sigismundingen
-mij opnieuw voor den geest. Wij waren zulke vreemde verloofden, Othomar
-en ik. Ik vroeg hem—glimlach er om en ween er niet over, mama—of hij
-iemand liefhad. Hij zei me van neen. Hij zei me zijn volk lief te
-hebben en hij opende zijne armen, als wilde hij het omhelzen. Zijn
-volk! De dageraad van een nieuw idee—oud zeker voor duizenden en eeuwen
-oud, maar nieuw voor mij, als een nieuwe dag nieuw is—gloorde voor me
-op, wierp licht over mijn duister leed, deed een weg voor mij uit
-stralen...
-
-Dien weg, mama, ik zie hem nu ieder en dag klaarder en klaarder stralen
-voor mij uit, en ik wil hem volgen, met mijn man en kind, met mijn
-Keizer en met mijn Kroonprins!
-
-Mijn Kroonprins, die wakker wordt en om mij roept...
-
-God geve mij kracht, mama.
-
-
- Valérie.
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MAJESTEIT ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.