diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 10:56:23 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 10:56:23 -0800 |
| commit | 51107610f624ff84e557fe3c2d021e261889f8b5 (patch) | |
| tree | f4afe2759028a1a0a79567462523d304f239a8ae /old/66804-0.txt | |
| parent | 7c34be6949e7d94e20a74b48beac7162af7b27d1 (diff) | |
Diffstat (limited to 'old/66804-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/66804-0.txt | 10260 |
1 files changed, 0 insertions, 10260 deletions
diff --git a/old/66804-0.txt b/old/66804-0.txt deleted file mode 100644 index 74a3389..0000000 --- a/old/66804-0.txt +++ /dev/null @@ -1,10260 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Majesteit, by Louis Couperus - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Majesteit - -Author: Louis Couperus - -Release Date: November 23, 2021 [eBook #66804] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file - was produced from images generously made available by The - Internet Archive/Canadian Libraries) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MAJESTEIT *** - - - - MAJESTEIT - - DOOR - LOUIS COUPERUS - - - ZEVENDE DRUK - - - L. J. VEEN’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ N.V. - AMSTERDAM - - - - - - - - -EERSTE DEEL. - - -EERSTE HOOFDSTUK. - - -I. - -Over Lipara, anders eene stad als marmer wit; lange witte villa-reien -aan zuidblauwe zee; eindelooze elegante wandelkaden daarvoor, met -palmen, die groen verlakt aftrilden op een atmosfeer van levend blauwen -ether;—dreef, zwaar, van onweêr zwoel en van tragedie, eene sombere -lucht vol grauw, als een gevaarte aan den hemel. En die grauwe lucht -was vol geheim, was vol van toekomst, van vreemde toekomst; ze stortte -geen onweêr uit, maar bleef hangen over de stad; ze sloeg alleen vale -schaduwen neêr over de blankheid harer paleizen, over de breedte harer -pleinen en straten, over de blauwte van hare zee, heure haven, waar de -schepen recht, stil, angstig, opboomden naar omhoog. - -Wit, vierkant, massief, in het groen der Elizabethparken, in het -intimere mysterie van zijn eigen groot platanenpark—het park der -beroemde platanen van Lipara, boomen van roem—lag het Imperiaal, het -keizerlijk paleis, quasi Moorsch met witte arcaden van puntbogen, lag -het als de stedekroon zelve der hoofdstad; éen groot juweel van -architectuur, van die stad, al lag het er midden in, afgesloten door al -dat parkengroen. - -De keizerin, Elizabeth van Liparië, zat in den intimen salon harer -vertrekken aan den rechtervleugel; ze zat met eene hofdame: gravin -Hélène van Thesbia. De vensters waren open; ze openden op het park; de -beroemde platanen rezen daar, knoestig-oud, breed, angstig, roerloos -met hunne uitgeknipte bladeren, waartusschen eene dofgroene schemering -zeefde op de gazons neêr, die liepen, zacht en gelijk gerold, naar de -verte weg, als strak-gespannen, einde- en eindeloos uitgemeten fluweel, -weg naar eene violette verschiet-verte; met, ergens, als ééne gillend -witte vlek, éen beeld. - -Een groot zwijgen suisde uit het park zijne vreemde hoorbaarheid van -stilte naar binnen; het suisde rond om de keizerin. Zij zat daar, -glimlachend; zij luisterde naar Hélène, die las; zij poogde te -luisteren, zij verstond niet altijd. Eene nerveuze vrees was in haar, -omving haar geheel als met een niet zichtbaar net van mazen, -onbreekbaar. Die vrees was om haren man, hare kinderen: haren oudsten -zoon, hare dochters, haren jongsten jongen. Die vrees, ze kroop over -het tapijt, onder hare voeten; ze hing van het plafond, boven haar -hoofd; sloop om haar rond, door geheel de kamer. Die vrees was in het -park; ze kwam van ver, uit de violette verschieten; langs de gazons -streek ze en over de open vensters klom ze naar binnen; ze viel uit de -boomen; uit de lucht, de grauwe lucht van onweêr, viel ze neêr. Door -Lipara, door heel Liparië, het geheele rijk, trilde die vrees, trilde -ze naar binnen, in de keizerin, vulde ze haar geheel... - -Toen haalde Elizabeth diep adem, en glimlachte. Hélène had, bij een -zin, tot haar opgekeken, met een licht effect van stem en oogen voor -den dialoog in den roman; daarom glimlachte de keizerin en luisterde ze -nu weêr. De angst bleef in haar, maar ze doofde dien met veel -berusting, berusting in wat zijn zoû, zijn moest. - -De roman, dien Hélène las, was Daniële Cortis, een werk, dat opgang -maakte aan het hof, omdat de prinses Thera het mooi had gevonden. -Zorgvuldig en vol intonatie las de gravin voor; de arabesken van het -Italiaansch ontspitsten aan hare lippen met eene elegance van heel -puntig Venetiaansch glaswerk, bloemerig en doorglanzend. En de keizerin -verwonderde zich er om, dat Hélène zoo mooi kon lezen en niet scheen te -voelen dien angst, die toch overal omsloop, als een spook. - -Er werd geklopt aan de deur van de antichambre, een lakei opende en -eene hofdame verscheen tusschen de portière, met eene buiging. - -—Zijne Hoogheid, prins Herman... diende zij aan met eene stem, die wat -weifelde, als wist zij, dat dit namiddaguur van de keizerin bijna -heilig was. - -—Verzoek den prins hier te komen! antwoordde de keizerin; hare stem -klonk hoog vriendelijk en toch innemend sympathiek;—wij wachten den -prins al zoo lang... - -De deur bleef open, de hofdame ging, de lakei wachtte bij de portière, -onbewegelijk, tot de prins komen zoû. Zijn stevige tred klonk, gauw -naderend aan, door de antichambre en aangenaam kwam hij binnen, -vriendelijkheid op zijn gezond rood gezicht, pleizier van weêrzien in -zijn groote grijze oogen, waarin een zwarte pupil blonk. De lakei deed -de deur achter hem toe. - -—Tante! - -De prins trad, met zijne beide handen toegestoken, naar de keizerin; -zij was opgestaan, evenals Hélène, en zij kwam hem een pas tegemoet, -zij nam zijne beide handen aan en duldde, dat hij haar op beide wangen -hartelijk zoende. - -Hélène boog. - -—Freule van Thesbia... groette de prins. - -—Eindelijk dus! zei de keizerin, schertsend ontevreden; ze schudde haar -hoofd, maar ze kon niet anders dan vriendelijk blijven kijken naar zijn -prettig mooi, gezond gezicht. Waarom heb je niet zéker willen -telegrafeeren wanneer je kwam? Othomar was dan aan het station geweest, -maar nu... - -Ze haalde, ongelukkig glimlachend, hare schouders op, als om te zeggen -dat het nu niet anders had kunnen zijn, of zijne ontvangst was maar tel -quel geweest... - -—Tante! sprak Herman; de klank van zijne stem wilde zeggen, dat hij dit -nooit van Othomar zoû willen eischen; ik ben uitstekend ontvangen -geworden: de generaal Ducardi, Leoni, Fasti, onze waarde ambassadeur en -Siridsen... - -—Het zal Othomar toch spijten; zei de keizerin; hij is nu gaan toeren -met Thera; Thera ment haar nieuwe vossen. Ik begrijp niet, dat ze -gegaan zijn; ze zullen regen krijgen! - -De keizerin was weêr gaan zitten met een angstigen blik naar het weêr -buiten; de prins en Hélène zetten zich eveneens. Een kruisvuur van -vragen naar de beide families ontvonkte tusschen de keizerin en haren -neef; men had in enkele maanden elkaâr niet gezien; er was veel te -bespreken; het waren tijden vol ramp en de keizerin toonde een lang -telegram, dat de keizer uit Altara gezonden had, omtrent de -overstroomingen. Hare vingers, die het papier bleven vasthouden, -trilden. - -Zij was eene vrouw van bijzondere schoonheid nog, niettegenstaande hare -groote kinderen. Maar de charme van hare schoonheid zagen maar -weinigen; in het publiek kreeg die schoonheid iets straks als van een -camee; mooie fijne lijnen, groote koude bruine oogen, zonder expressie; -een kouden mond van geslotenheid; voor de menschen kreeg haar rank -figuur iets stijfs en automatisch; zelfs vertoonde zij zich zoo voor de -intimere kringen van het hof. Maar zag men haar als nu in het geheim -van haar eigen salon, met niemand samen dan met haren neef, wien zij -bijna even liefhad als hare eigen kinderen, en éen hofdametje, dat zij -bedierf, dan was zij, trots den angst, dien zij terugduwde diep in haar -hart, als eene andere vrouw; in haar eenvoudig grijs zijden toilet—een -lichten rouw voor een bloedverwant—werd het stijf automatische van haar -figuur verbogen tot eene gracieuze lenigheid van zich houden en -bewegen, even spontaan, als dat andere bestudeerd was; de camee van -haar gelaat bezielde zich; in de oogen kwam bijna weemoed en een lach -vooral om dien kouden mond van strakheid was als een glans van -sympathie, waarin zij onherkenbaar scheen voor wie haar eerst gezien -had, koud, stijf en strak. - -Prins Herman van Gothland was de tweede zoon harer zuster, de koningin -van Gothland. Een groote soliede jongen in zijn klein-uniform van -luitenant-ter-zee met het gezond Germaansch blonde van het Huis van -Gothland: een stevige nek, breede schouders, de gebombeerde borst van -een gymnast, de besliste levendigheid van beweging eener vitale natuur, -meer dan genoeg verstand in zijn groote grijze oogen met de zwarte -pupil, en met nu en dan een enkelen, prettig zachten toon in zijn -baritonstem: een toon, die even lichtjes verwonderde om haar geklank en -hem sympathiek maakte, als ze week was in zijne viriliteit. En nu hij -daar zat, gemakkelijk, eenvoudig, aangenaam, en toch met iets van -gezag, dat al te groote jovialiteit in zichzelven niet duldde, nu hij -met zijne lieve stem sprak over zijn vader, zijne moeder, zijne broêrs -en zusters, vroeg naar zijn oom, keizer Oscar van Liparië, vroeg naar -Othomar, Thera, nu, o nu wekte hij bij de keizerin een fijn gevoel op -van het sympathieke van familie, iets van een geheimen band van bloed, -een zeer stevigen steun van verwantschap, in het izolement hunner -onderlinge hoogheden, de hoogheden van Liparië en van Gothland; zij -voelde daar, aan het andere einde van Europa, vér, vér van haar en toch -zoo nabij door het magnetisme van dit fijne gevoel, dat Gothland liggen -als éen groót veld van liefde, waarna zij hare gedachten kon laten -toedrijven; zij duizelde niet meer van weemoed en van angst, dat zij -zoo hoog was met die haar lief waren, haar man en hare kinderen, want -zij was niet alleén hoog: in hare hoogte steunde zij tegen een andere -hoogte, Liparië tegen Gothland, Gothland tegen Liparië; iets vochtigs -van tranen kwam er om over haren blik, een weemoed van geluk klom er om -op haren adem; het spook van angst was verdwenen; zij had haren neef -kunnen omhelzen; zij had hem dit willen zeggen: alleen zijne -aanwezigheid reeds gaf haar dit gevoel, gevoel van troost en van -kracht; in maanden had zij het gemist. - - - - - -II. - -De deur werd geopend; de lakei wachtte stijfrecht met een strakken -blik, die voor zich uitzag, in de schemering der portière. Prinses -Thera en Othomar traden binnen; de prinses kwam blij en vriendelijk -naar haren neef toe, zij kusten elkaâr; ook Othomar omhelsde Herman met -een enkel woord. Maar tegen de natuurlijke uitingen van de keizerin en -van Thera, klonk dit enkel woord van den hertog van Xara bestudeerd en -glimlachend koud aan, niet intiem en als met een zweem van etiquette, -die niet noodig was. Het verborg niet eene doorglanzende onoprechtheid, -een doorzichtbaar vertoon, dat zich geene moeite gaf sympathie te -huichelen, maar eenvoudig-weg scheen, wat het op dit oogenblik niet -anders kon dan schijnen: een groet van gemaakte vriendelijkheid -tusschen neven van gelijke jaren. Prins Herman was dit gewend; tusschen -Othomar en hem bestond geen innigheid, en vooral den eersten keer, dat -zij elkaâr weêr ontmoeteden na maanden, trof dit: het deed de keizerin -onaangenaam scherp aan. - -Opnieuw ging het gesprek door over de overstroomingen in het Noorden. -De keizerin toonde haren kinderen het laatste telegram, dat zij Herman -getoond had; het vermeldde nieuwe rampen: weêr nieuwe dorpen -weggespoeld, steden geteisterd door de gezwollene en overvloeiende -rivieren, na een maand van regen, die als een zondvloed was geweest. De -keizer was er om, drie dagen geleden, naar de Noordelijke -gouvernementen gegaan, maar ieder oogenblik verwachtte men nu aan het -hof zijn wensch, dat de kroonprins er hem vervangen zoû, daar hij zelve -naar Lipara terug zoû keeren, om de crizis in het Kabinet. - -De kroonprins sprak hierover steeds een beetje vormelijk en koudweg. -Hij was een jonge man van een-en-twintig jaren, klein van gestalte, -slank, heel fijn van bouw, met een delicaat weemoedig gelaat en -stil-zwarte oogen, die meestal strak voor zich uitzagen; een jong -snorretje tinte zijn bovenlip als met een streep Oost-Indischen inkt. -Hij droeg het hoofd wat voorover op de borst en blikte dan zoo door -zijne wimpers onder-op; meestal zat hij zeer stil; zijne handen, die -klein en breed maar fijn waren, beide in eene gelijke houding op zijne -knieën, en hij had den tic zich de linkerhand soms onder het oog te -brengen en—hij was wat bijziende,—dan even te turen naar zijn ring. Hij -was strak omvangen in zijne blauw- en witte uniform van kapitein der -lanciers; uniform, waarin hij zich meestal vertoonde in het publiek, en -waarvan de zilveren brandebourgs eenige breedte leenden aan zijn -tengerheid; om den rechterpols droeg hij een smallen armband van dof -goud. - -—Deze brief kwam eerst, sprak de keizerin; lees eens voor, Thera... - -De prinses nam het epistel; de keizer schreef: - -—“Het hart breekt mij dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen -doen; de geheele streek ten Zuiden van den Zanthos, van Altara tot -Lycilië toe, is ééne watervlakte; waar dorpen waren, drijven nu de -ruïnes van bruggen en huizen, boomen, opeenstapelingen van daken, dood -vee, karren en huisraad, en terwijl wij over den Therezia-dijk gingen, -die God zij geloofd! bij Altara nog niet bezweek, spoelde een klomp van -lijken langzaam aan, vlak voor onze voeten, in één reuzenomhelzing van -den dood...” - -De kroonprins was plotseling bleek geworden; hij bleef zitten in zijne -gewone houding: hij tuurde naar zijn ring, met den tic, die hem eigen -was. Thera las verder. Toen de kroonprins opzag, ontmoette zijn blik -den blik zijner moeder. Zij knikte hem, zonder dat de anderen, die -luisterden, het zagen, met de wimpers toe; hij glimlachte: een glimlach -vol navranten weemoed en knikte als zij hem geknikt had, met die zelfde -onzichtbare trilling der wimpers; het was of hij dien zachten groet -begreep en er een vleugje troost uit putte voor een geheimzinnig -verdriet, dat hem stil drukte in hemzelven, dat op zijne borst lag, als -een beklemming van adem, als een cauchemar in het wakende leven. - -Maar prins Herman sprak reeds over de ministerieele crizis; men -verwachtte ieder oogenblik, dat het autoritaire ministerie, na de -nieuwe verkiezingen onmachtig in het voor het meerendeel -constitutioneele Huis der Standen, den keizer zijn ontslag zoû bieden. -De quaestie liep als altijd over de Grondwetherziening, die de -constitutioneelen begeerden, de autoritairen,—op de hand van den -keizer—niet. Keizerin Elizabeth zuchtte er om met een zucht van -afmatting, hoe dikwijls was deze quaestie van Grondwetherziening,—in -Liparië altijd grondwetuitbreiding en beperking van het keizerlijk -gezag, in hunne regeering van meer dan twintig jaren al niet komen -opdoemen als een aanval tegen haren man zelven! Zijne lange reeks -Liparische voorouders gelijk, hereditair autocratisch, kon Oscar het -zijn vader, Othomar XI, nooit vergeven, dat onder diens liberale -regeering een Grondwet tot stand had kùnnen komen. En nu, in deze -crizis, ze wilden niet weinig, de constitutioneelen. Het Huis van Adel, -erfelijk autoritair, het Lichaam van den keizer zelve, dat alle te -constitutioneele wetsvoorstellen, komende uit het Huis der Standen, te -niet deed, ze wilden het niet meer boven zich, erfelijk en daardoor in -zijn erfrecht altijd autoritair; ze wilden het: gekozen! Zelfs Othomar -XI, modern, vóor een constitutie, zoû nooit hebben kunnen dulden dezen -aanval op eene der aloudste instellingen van het rijk, aanval, die -Liparië schudden zou in zijn fondament... - -Terwijl Herman hierover sprak, ter loops, met zijne woorden deze hoogst -gewichtige quaestie vluchtig aanrakende, scheen het Othomar, alsof het -hem duizelde. Een wereld ging door zijn hoofd, als joeg het met snelle -wolken door zijne verbeelding heen, en uit die wolken doemden hem -vizioenen op, rossig, vaag, bliksemsnel, verschrikkelijk als iets van -een Apocalypse, einde van het heelal in eene ontploffing van dynamiet. -Uit die wolken flitste, gedurende eene seconde, op: een tafreel, -herinnering uit de historie van zijn erfrijk: een der keizers van -Liparië, eeuwen geleden vermoord door zijn gunsteling op een hoffeest. -Revoluties in andere landen van Europa, de Fransche omwenteling, ze -flikkerden met een weerschijn van bloedrood omhoog; de werkstakingen in -de kwikzilvermijnen der Oostelijke gouvernementen grijnsden hem er uit -aan, uit de wolk, de wereld van wolk, die stormde door zijne gedachte -heen... En nog zooveel, nog zooveel, alles zoo snel, met de snelheid -van hunne bliksems; hij kon ze niet grijpen, de rossige bliksems; het -flikkerde maar door hem heen en dan weg, weg was het verflikkerd, -ver!... En vreemd was het hem, dat hij daar zat, in den salon zijner -moeder, het prachtige park wemelend achter de spiegelruiten met tinten -van oud, middeneeuwsch goudleêr, nu in het lager schijnen der -zonnestralen; zijne moeder over hem, zoo lief, zoo delicaat zacht in -het intime van dit even alleen samen zijn; zijn neef, die sprak, en -zijne zuster, die antwoordde, en het hofdametje, dat toehoorde met een -glimlach... Hoe vreemd zoo te zijn, zoo gemakkelijk, zoo stil, zoo -rustig, in het geheim van hun paleis, of Liparië niet trilde als een -oude, wankele toren? O, ze spraken er over, over de crizis, Herman en -Thera, maar wat was spreken? Woorden, altijd woorden! Waarom altijd -aaneenschakelingen van woorden, mooie leêge woorden, die een vorst moet -samenschakelen en dan zeggen aan zijne onderdanen, nu bij deze -gelegenheid, dan bij gene! Neen, neen, hij had ze niet, redevoeringen! -Want wat moesten ze dan toch uitdrukken, dit of dat? Wat was het goede, -het ware, het goed-ware voor hun rijk, dit of dat? Hoe het te weten, -hoe zeker te zijn, hoe niet meer te weifelen, te zoeken, te tasten, -geblinddoekt! Had hij dan duizend oogen door het geheele rijk heen, zoû -hij alles kunnen zien, wat gebeuren zoû, en was hij alwetend: zoû hij -alles kunnen weten wat goed zoû zijn? De grondwet... was het dan goed -voor een rijk een grondwet te hebben, of niet? In Rusland... was het in -Rusland goed? Een republiek, zou een republiek beter zijn? En wie had -gelijk; had zijn vader gelijk, die absoluut wilde regeeren, met zijn -erfelijk Huis van Adel, waarin hij, Othomar, zich nu zijne intrede -herinnerde als hertog van Xara, achttien jaren oud, met de hertogelijke -kroon, en den mantel en de keten van de Orde van den Rijksappel. Of had -het Huis der Standen gelijk: zoû het goed zijn, beperking van het -absolutisme? Het was wel moeilijk te beslissen... De overstroomingen: -“Het hart breekt me dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen -doen... tot Lycilië toe eene watervlakte, een klomp van lijken, in -omhelzing van den dood...” - -Het lichtte. - -Zwaar doffe rommelingen gingen door de lucht; dikke druppelen vielen -hard als liquide hagel neêr op de bladeren der platanen; het geheele -park scheen te sidderen, angstig voor de wolkbreuk, die komen zoû. -Hélène was opgestaan en sloot het open venster. - -Toen hoorde Othomar een vreemde klank: Syrië... Spraken zij al niet -meer over het Huis van Adel? Syrië, Syrië... - -—De koning en koningin zouden de volgende week gekomen zijn, maar ze -hebben nu hun bezoek uitgesteld, zei de keizerin. - -—Om de overstroomingen, vulde Thera aan. Ze gaan nu eerst naar -Constantinopel. Ik woû, dat ze maar bij den Sultan bleven... - -—Die visite lijkt me tenminste nog al een corvée, lachte Herman, en hoe -lang blijven ze, tante? - -Keizerin Elizabeth haalde hare schouders op, om te zeggen, dat ze niet -wist: het aanstaand bezoek van den koning en de koningin van Syrië was -haar, zoowel als den keizer, tegen, maar het was niet te ontduiken... -Om Hélène echter wilde zij er niet veel over spreken en zeide: - -—Alle hoffeesten zijn nu, zooals je weet, uitgesteld, Herman, alles om -die ontzettende ramp. Je zal het stil hebben, mijn jongen. Ga van avond -met Othomar meê naar graaf Myxila... - -Graaf Myxila, de Rijkskanselier, vierde dien dag zijn zestigsten -verjaardag. Hij was de voornaamste gunsteling van den keizer; dien -morgen was hij bij de keizerin zijne gelukwenschen komen ontvangen; de -kroonprins, op verlangen van den keizer, zoû dien avond een oogenblik -op het feest in het Kanselarij-paleis verschijnen. - -Prins Herman zag naar Othomar, vragend, als verwachtte hij ook een -woord van dezen: - -—Natuurlijk... haastte de hertog van Xara zich te zeggen; Myxila zal er -wel op rekenen Herman te zien... - - - - - -III. - -Toen Othomar en Herman des avonds, in een stortregen, om half-elf uit -het Kanselarij-paleis terug kwamen, wist men ook bij de keizerin, dat -het ministerie zijn ontslag had aangeboden; de prinsen hadden bij graaf -Myxila de ministers ontmoet; de crizis had onder de uiterlijke -mondainiteit der soirée getrild als eene dreigende huivering. Ook was -er een telegram van den keizer aan den hertog van Xara: - - - “Ik draag uwe Keizerlijke Hoogheid op zich morgen naar - Altara te begeven. - - Oscar.” - - -Het telegram was geene verrassing, maar het natuurlijk gevolg van het -ontslag der ministers, en de terugkomst van den keizer, want de keizer -wilde het terrein van de ramp niet verlaten zonder den troost, dat de -troonopvolger hem er vervangen zoû. - -Othomar trok zich, na een oogenblik bij de keizerin, terug in zijne -eigen kamers. Hij ontbood zijn adjudant, prins Dutri, en hield met dien -een paar woorden van korte beraadslaging; de adjudant haastte zich -daarna met veel drukte weg. In de kleedkamer vond Othomar zijn -kamerdienaar, Andro, door een der kamerheeren gewaarschuwd, al bezig -met pakken. - -—Pak niet te veel in, Andro, sprak hij, terwijl de kamerdienaar -eerbiedig van voor een koffer oprees; dat is maar ballast... - -Zoodra hij dit gezegd had, wist hij eigenlijk niet waarom. De -kamerdienaar scheen er zich ook niet aan te storen; opnieuw geknield -voor den koffer pakte hij in, wat hem goed dacht. Het zoû wel goed zijn -zoo als Andro het deed, dacht Othomar. - -En hij wierp zich neêr in een stoel van zijn kabinet. Een venster was -open; een enkele staande lamp, in een hoek, gaf niet veel licht. Buiten -stortte de woedende kletregen neêr; een vochtige adem van natte -bladeren dreef naar binnen. - -De prins was moê, te moê, dan dat hij Andro zoû roepen om zijne -nauwsluitende verlakte laarzen uit te trekken. Hij droeg, wit met goud, -zijn uniform van kolonel der Garde van den Troon, de keizerlijke -lijfgarde; de keten van de Orde van den Rijksappel hing om zijn hals, -andere ridderorden bestarrelden hem hier en daar de borst. Voor zijn -oogen dwarrelde nog het feest van den Rijkskanselier; in zijne hersens -ruischten, tegelijk met den regen, de noodzakelijke gesprekken over de -crizis, het ministerie, het Huis van Adel. Hij zag zichzelven voor -zich: de kroonprins, altijd de kroonprins, altijd te neêrbuigend, te -minzaam, niet vrij genoeg, niet eenvoudig, niet gemakkelijk, als -Herman, en hij zag Herman, die zich met gemak bewoog in de zalen van -het Kanselarij-paleis, die zich, eenvoudig weg, liet voorstellen aan de -dames, nu eens door graaf Myxila, dan door een adjudant. En hij -benijdde zijn neef, die tweede zoon was. Herman deed niet als hijzelve, -de atmosfeer om zich heen bevriezen, aanstonds bevriezen, door den koud -keizerlijken glans van zijn kroonprinsschap. - -Hij zag de ministers voor zich. De ministers, die zouden aftreden, elk -van hen met, in zijn hart, zijne eigen belangen, in plaats van Liparië; -hij vermoedde dit om hunne nederige wijze van zijn, tegenover hem, den -kroonprins, toen hij ze allen had aangesproken, allen... Hij voelde, -dat ze zich maar voordeden, dat er veel in hen was, dat ze niet -schijnen lieten en hij vroeg zich in eens af: waarom, waarom dit alles -zoo, waarom zooveel schijn, alles schijn...? Pijn deed het hem nu, diep -in zijne borst; de strakte van zijne bestarrelde uniform benauwde -hem... - -De oude gravin Myxila zag hij voor zich en enkele andere dames die hij -had zien nijgen in het geknak harer slepen en het plotseling -neêrgeschitter harer diamanten; die hij had zien kleur krijgen van -genot, omdat de hertog van Xara haar had opgemerkt. Ook de vrouw van -den opperhofmaarschalk, de hertogin van Yemena, die zoo langen tijd van -het hof afwezig geweest was, in eene zelfverbanning op haar goed in -Vaza, hij zag ze voor zich, zooals ze naar hem toe was gekomen, geleid -door Prins Dutri. Want hij kende haar niet; toen zij vroeger aan het -hof geweest was, was hij een jongen geweest van vijftien jaar; streng, -militair opgevoed, weinig bij de keizerin en nooit op de feesten van -het hof, hij had toen de hertogin nooit gezien. - -Nu, in de schemering van die éene lamp, met de woede van het weêr daar -buiten, zag hij haar weêr en ze werd als transparant in de stralen van -den regen; vreemd scheen ze door den regen heen, als door een gordijn -van natte mousseline. Eene groote vrouw, met hare rijke vormen, half -naakt onder het witte gevlam der rivière, zoo kwam ze naar hem toe, het -haar blauwzwart met glans er over, het gelaat wat bleek onder een licht -waas van roze poeier; zoo kwam ze nader, langzaam, weifelend, in haar -goudgeel broché satijn met zwaar sabelbont omzoomd; zoo boog ze voor -hem, in nederig diepe neiging voor keizerlijkheid; het hoofd knakte -haar op de borst, de tiara in het zwarte haar schoot stralen, haar -geheele gestalte golfde met ééne slangelijn van gratie naar beneden, in -de stof van goudglans, die haar boezem omglinsterd hield en op de dikke -plooien van den sleep scheen te breken met kantlijnen van licht. Hij -had tot haar gesproken. Ze was gerezen uit de golving harer gratie van -nederigheid; ze had hem geantwoord, hij wist niet meer wat; hare oogen -hadden als zwarte sterren geschitterd op de zijne. Zij had indruk op -hem gemaakt. Hij meende, omdat hij veel van haar had hooren spreken, -als van eene vrouw met een leven vol passie: iets, dat hem raadsel was. -Zijne opvoeding was militair en streng zuiver geweest, zijne -jongelingsjaren waren kuisch gebleven te midden der gemakkelijke zeden -van het hof, misschien omdat zijne ouders, na eene lange scheiding, -voor henzelven, in stil geheim, weêr tot elkaâr gekomen waren, in eene -behoefte aan familieleven en steun op elkaâr; keizerin Elizabeth had -keizer Oscar vergeven en zich geschikt in zijn ontrouw als in een -noodlot. Om zich heen had Othomar niet gezien het leven der zinnen. Aan -de universiteit te Altara, waar hij gestudeerd had, had hij zich niet -dan officieel gemengd in de genoegens der studenten; hij was altijd de -kroonprins gebleven, niet uit hoogheid, maar uit niet anders kunnen, -uit gebrek aan gemakkelijkheid en tact. - -En, als het onbekende, had iets in de hertogin indruk op hem gemaakt. -Hij voelde in deze vrouw, die met haar sfinxe-lach zoo diep voor hem -neeg, een wereld van gevoel en wetenschap, die niet in hem was; hij had -zich tegenover haar arm gevoeld, klein en onbeduidend. Wat was dat, dat -in haar was en niet in hem? Was het een raadsel der ziel? Waren er -zulke dingen, zieleraadsels, en was het de moeite waard zich er in te -verdiepen? Zoo eene vrouw als zij, was die niet geheel anders dan zijne -moeder en zijne zusters? Of spraken zijne adjudanten, onder hen, ook -over zijne zusters, zooals ze over de hertogin spraken? En dat leven -van passie, dat leven van liefde voor zoo velen, was dat eene waarheid? -Lasterden zij niet, de adjudanten, of minstens, lieten zij de waarheid -niet anders schijnen dan ze was, zooals ze altijd deden, in alles? -alsof om een vorst de waarheid altijd anders schijnen moest dan om een -onderdaan? - -Hij voelde zich moê. En hij bleef zitten, de dwarreling der vreemde -beelden van dat feest door eene transparantheid van regen uit zich -pogende voort te drijven en tevergeefs. Voor hem, als in zijne kamer, -liepen daar allen door elkaâr, de ministers, de adjudanten, graaf -Myxila en de hertogin. - -Een klop, een kamerheer. - -—Prins Herman vraagt of hij Uwe Hoogheid even storen mag. - -Hij knikte van ja. Prins Herman kwam na een oogenblik binnen. - -—Je bent altijd welkom, Herman! sprak Othomar, en zijne stem klonk, -ondanks hemzelven, koud. - -—Ik kom je even iets vragen, sprak Herman van Gothland. Ik zoû gaarne -met je meêgaan naar Altara, morgen. Maar ik wil verzekerd zijn, dat je -het goed vindt. Ik zoû het ook uit mezelven niet gevraagd hebben, als -tante er niet over gesproken had. Wat vindt je? - -Othomar zag Herman aan; zijne koele stem mishaagde Othomar. - -—Als je het doet uit belangstelling, omdat je nu toch te Lipara bent, -zeker... begon hij. - -—Laat me je nog eens zeggen: ik doe het voornamelijk om... tante. - -Zijne stem klonk zeer nadrukkelijk. - -—Doe het dan om haar, antwoordde Othomar zacht. Het zal mij heel -aangenaam zijn, als je meêgaat terwille van mijn moeder. - -Herman was zich bewust onnoodig koel en nadrukkelijk te zijn geweest. -Hij had er spijt van. De keizerin had hem verzocht Othomar te -vergezellen. Hij had eerst geaarzeld, wetende, dat er sympathie ontbrak -tusschen Othomar en hem. Toen had hij toegegeven, maar niet geweten hoe -het Othomar te vragen. Zijne gewone gemakkelijkheid had hem in den -steek gelaten, zooals altijd, tegenover Othomar. - -—Goed dan... stamelde Herman onhandig. - -Othomar stak zijne hand uit: - -—Ik begrijp je bedoeling heel goed. Mama heeft gaarne, dat je met me -meê gaat, omdat ze dan weet, dat er iemand bij me is, dien ik álles zoû -kunnen vertrouwen. Niet waar? - -Herman drukte zijne hand. - -—Ja! sprak hij, blij, prettig; zonder afgunst, dat Othomar in dit -gesprek meester bleef, zeer verheugd, dat zijn neef het zoo opnam. Ja, -juist. Zoo is het. Laat me je nu niet meer ophouden, het is al laat. -Adieu... - -—Adieu... - -Herman ging. Het stortregende steeds. Othomar was weêr gaan zitten; de -kilte van den regennacht drong koud naar binnen en viel op zijne -schouders. Roerloos bleef hij staren op de punten zijner laarzen. - -Andro kwam zacht binnen. - -—Verlangt Uwe Hoogheid...? - -Othomar knikte. De kamerdienaar sloot eerst het raam toe, liet den -gordijn vallen en knielde toen voor den prins, die hem met een gebaar -van afmatting, den voet toestak, en de hak van zijn laars rusten deed -op zijne knie. - - - - - -IV. - -Des nachts hield de stortvloed op; des morgens regende het weêr. Het -was zeven uur; een zwoele vochtdamp sloeg tegen den kolossalen glasboog -van het station aan, als werd die geheel beädemd. De express stond -gereed; de locomotief snoof met kort krachtige hijgingen, als een -ontevreden, moê beest. Eene groote menigte, gonzende opeenpakking van -vage menschen in den onduidelijken nevelmorgen, vulde den glazen hall; -een detachement der infanterie,—twee gelederen, links en rechts; de -uniformen, donkerrood, lichtgrijs; daarboven zwak geschitter van -bajonetten,—veegde twee lange striemen van kleur dwars door het grauwe -station heen, sneed de menigte in tweeën en hield voor de deur der -keizerlijke wachtkamer een breede plek leêg. - -Door de menigte huiverde ontevredenheid; er flitsten booze blikken; -ruwe woorden knetterden kort door de lucht, vloeken; een minachtend -lachen deed zich even in een hoek hooren. - -Men wachtte lang; toen klonk buiten gejuich; de prins was aangekomen, -vóór het station. De wachtkamer vulde zich met uniformen, flauw -schitterend in den morgen; korte zachte gesprekken gingen om. - -Othomar trad binnen, met Herman, en den markies van Dazzara, den -gouverneur der rezidentie,—hoogste militaire autoriteit,—wiens rijke -uniform afstak tegen de eenvoudigere der anderen, zelfs die der -prinsen; adjudanten-generaal, Liparische en Gothlandsche adjudanten, -ordonnans-officieren volgden hem. De burgemeester der stad, de -directeur van het spoorwezen traden Othomar tegemoet, begroetteden hem; -de burgemeester verloor zich in lange frazen voor de beide prinsen. - -—Waarom is de toegang tot het perron niet verboden aan het publiek? -vroeg generaal Ducardi aan den directeur; de adjudant-generaal toch had -door de kanten gordijnen even op het perron gezien, nieuwsgierig om het -gegons daarbuiten. - -De directeur haalde zijn schouders op. - -—Dat was ook het eerste plan; het is ook zoo geweest toen de keizer -wegging, antwoordde hij. Maar een speciale boodschap uit het Imperiaal -liet ons dringend verzoeken, het perron niet af te sluiten; het was het -verlangen van den hertog van Xara. - -—En al die soldaten dan? - -—Op bevel van den gouverneur van de rezidentie; een ordonnans-officier -kwam ons zeggen, dat er een detachement infanterie zoû aanrukken, als -eerewacht. - -—Kwam die ordonnans-officier ook uit het Imperiaal? - -—Neen, van het Gouvernementspaleis... - -Ducardi haalde de schouders op; een nijdig gebrom deed zijn groote -grijze snor trillen. Hij ging recht op den kroonprins af. - -—Weet Uwe Hoogheid, dat er een detachement infanterie buiten staat? -brak hij de lange zinnen van den burgemeester af. De gouverneur hoorde -hem en trad nader. - -—Een detachement...? Neen... sprak Othomar verbaasd. - -—Had Uwe Hoogheid dan niet bevolen? ging Ducardi voort. - -—Ik? Neen... herhaalde Othomar weêr. - -De gouverneur boog diep; hij werd zenuwachtig door de forsche stem van -den generaal, die luid sprak. - -—Ik meende! sprak hij netjes, maar mompelend, stotterend,—en hij poogde -te zijn nederig voor den prins en tegelijk hoog voor den generaal—ik -meende, dat het goed zoû zijn Uwe Hoogheid te vrijwaren tegen -mogelijke... mogelijke onaangenaamheden, vooral omdat Uwe Hoogheid -wenschte... wenschte, dat het perron voor het publiek toegankelijk zoû -zijn... - -Othomar had, als Ducardi, naar buiten gezien: de infanterie en haïe, de -menigte daarachter, boos, gonzend, grijs, dreigend. - -—Maar Excellentie! sprak hij hoog tegen den gouverneur! dan was het nog -maar beter geweest het perron te laten afsluiten! Dit is geheel -verkeerd! De stadspolitie zoû voldoende zijn geweest om wat te dicht -bij dringen tegen te houden. - -—Ik was bang voor... voor onaangenaamheden, Hoogheid! Onrustige tijden, -het volk zoo ontevreden, fluisterde de gouverneur, bang gehoord te -worden door de adjudanten. - -—Geheel verkeerd! herhaalde Othomar driftig, zenuwachtig opgewonden. -Laat de infanterie oprukken! - -—Onmogelijk nu, Hoogheid! haastte Ducardi zich te zeggen, met een -ongelukkige glimlach. U begrijpt, dat dàt niet kan. - -Het gesprek was terzijde gevoerd, in een half fluisterenden toon; toch -scheen men te luisteren; alle oogen tuurden naar de groep om de -prinsen; alle anderen zwegen. - -—Laat ons dan dien treurigen toestand zoo min mogelijk rekken; we -kunnen zeker gaan! sprak Othomar en zijne stem trilde hoog, jong, -zenuwachtig in zijne heldere keel. - -De deuren openden zich; Othomar in zijn haast, trad het eerst naar -buiten; de adjudanten en ordonnans-officieren volgden hem niet -dadelijk, daar zij moesten uitwijken voor prins Herman, die zich -toevallig wat achteraf bevond. Herman haastte zich bij Othomar; de -anderen volgden. - -De prinsen maakten links en rechts eene hoofdbeweging, als wilden zij -groeten; maar hunne oogen ontmoeten de strakke ronde oogen der -soldaten, die in één flits het geweer prezenteerden; ze salueerden en -liepen door naar den coupé, een beetje vlug, met een onaangenaam gevoel -over den rug. - -Onder den reusachtigen glazen boog van het station achter de gelederen -der soldaten, zweeg de menigte doodstil, want het gonsen verstomde -bijna; vloek, noch minachtend lachen werd meer gehoord, maar ook geen -gejuich, geen leve, dat zoet is aan het oor der vorsten. - -En de gezichten van dat vage volk, door uniformen en bajonetten -afgesloten van hun toekomstigen beheerscher, bleven strak, met doffe, -haatdragende oogen, met opeengesloten monden, vol ingehoudenheid, -turen, hem als wegkijkende in den keizerlijken coupé. - -Uit de vensters wuifden de prinsen met de hand de autoriteiten toe, die -op het perron stonden, buigend, salueerend. De locomotief floot, -krijschte, verscheurde de nauwe vocht-atmosfeer onder den koepel; de -trein verliet het station, reed den vroegen morgen in, die lichter was -buiten den glasboog; gleed als over de regenstad heen op viaducten; -kanalen, straten, pleinen onder zich; verder op de tinnen en spitsen -der paleizen en kerken; de twee marmeren torens van den Dom—met de -duiven die nestelen in de Renaissance-arabesken van het kantwerk zijner -spitsen,—reeds vaal wit op wat blauw wordende lucht; dan, midden in de -stad,—groen, wijd, éene oaze—de Elizabethperken, de blanke massa van -het Imperiaal, en daarachter de reuzenbocht der kaden, de haven met -haar mastenwoud, de ovale bocht van den horizont der zee, alles nat, -glinsterend, verregend. - -Somber zag Othomar voor zich, Herman glimlachte hem toe. - -—Kom, denk er niet meer aan, ried hij aan; en, lachend: - -—Onze arme gouverneur zal er slecht van dineeren vanmiddag! - -Generaal Ducardi bromde een vloek binnen-in: - -—Allerstomst... hoorde Herman hem mompelen. - -—Ik wilde ze toonen, sprak Othomar in eens...; hij had willen zeggen: -dat ik niet bang voor ze ben; hij sloeg een blik om zich heen, zag de -oogen van prins Dutri, zijn adjudant, als bazilisken op hem gevestigd, -en liet zijne stem van trotsch, weekhartig worden; treurig weg besloot -hij: - -—... dat ik ze liefheb en zoo geheel en al vertrouw: waarom moest het -nu zoo uitvallen... - -De weekheid zijner stem had geklonken om prins Dutri te behagen; maar -ze mishaagde den generaal; hij zag eerst zijn kroonprins van terzijde -aan en toen naar den prins van Gothland; hij vergeleek: zijn oog bleef, -waardeerend, goedkeurend, met soldatesk pleizier hangen aan den flinken -luitenant-ter-zee, breed en sterk, de handen op de dijen, een beetje -voorover gebogen, de witte rezidentie nakijkend, die voor zijne oogen -achterweg werd getrokken door de schuine stralen van regen heen... - -Na vier uur sporen, Novi, in het gouvernement van Xara. De trein staat -stil; de prinsen, hun gevolg stappen uit, raadplegen klokken, horloges. -Men verwondert zich, men wandelt op en neêr over het perron, een half -uur, een uur lang; prins Herman gaat in druk gesprek met den -stationschef. Het regent steeds. - -Eindelijk wordt de express van Altara geseind. Zij glijdt binnen, staat -stil; uit den keizerlijken coupé treedt keizer Oscar; generaals, -adjudanten volgen hem; hunne uniformen, ook die van den keizer, hebben -iets van hare strakheid verloren en plooien wat moê om hunne schouders -heen, als kleederen lang gedragen. De keizer, nog jong, breed en -stevig, en maar even grijzend, gaat met een flinken stap, hij omhelst -zijn zoon, zijn neef, kortaf gauw. De vorstelijke personen verdwijnen -in de wachtkamer; Ducardi en een der Gothlandsche officieren volgen -hen. Het onderhoud duurt echter kort; na tien minuten komen zij weder -op het perron; haastige woorden, handdrukken worden gewisseld; de -keizer stapt opnieuw in zijn coupé; de kroonprins in den zijne. De -trein van den prins wacht, tot die zijns vaders—met éene laatste -wuifhand,—kruist; daarna spoort ook die weg... - -Zorg ligt als een wolk op Othomars voorhoofd. Hij herinnert zich zijn -vaders woorden: wanhopig onze mooie, oude stad; de Therezia-dijk -misschien aan het zwichten; zoo weinig energie bij het gemeentebestuur; -duizenden menschen zonder dak, vluchtende, overnachtende in kerken, -publieke gebouwen. En zijn laatste woord: - -—Laat er naar St. Ladislas gaan... - -Othomar denkt na; een ieder zwijgt om hem heen, gedrukt door den -naklank der keizerlijke woorden, die de ramp weêr opnieuw schilderen, -weêr frisch hen voor de oogen brachten; de oogen van Ducardi, die zich -beter vechtmajoor weet dan trooster in watersnood, de oogen van Dutri, -nog vol van den mondainen glans der onvergelijkbare rezidentie. Iets -van hun eigenbelang begint te zwijgen; gedachte aan wat zij zien -zullen, trekt door hen heen. - -En Othomar denkt na. Wat zal hij doen, wat kàn hij doen? Is het niet te -veel wat men van hem vergt? Kàn hij den drang der wateren tegengaan? - -—Oh, die regen, die regen! mompelt hij, en balt zijne vuist, stil. - -Nog vijf uur sporens, de torens der stad, de gekartelde lijnen en -titanische vlakken van het sterke St. Ladislas schieten aan den -horizont op, schuiven op zij naderbij. De trein staat stil, in het -land, bij een kleine halte, de prinsen weten, dat het Centraal Station -overstroomd is; aan de halte is de geheele spoordirectie overgebracht. -En eensklaps staan zij voor de gladde, groene vlakte van water; voor -den Zanthos, die zich uitgestort heeft; éene zee van water, breed en -effen, nauwelijks gerimpeld, als eene, al gestilde gramschap. Een pont -wacht, die hen overbrengt tusschen ruïnes van huizen, drijvend -huisraad. Een dood paard haakt aan die pont vast, een muffe lucht van -vochtig bederf waart om. Bij een ingestort huis zijn ponteniers bezig -een lijk op te visschen, het hangt aan hunne haken, met slappe armen en -lange natte haren, het vale lijkhoofd achterover; het is een vrouw. -Herman ziet Othomars lippen trillen. - -Nu varen zij door een straat, verlaten hooge huizen eener arme -voorstad. Dit gedeelte is reeds dagen overstroomd. Zij landen aan een -plein; het volk is daar; het juicht. Luider en luider juichen zij; -geroerd om hun prins, die over het water komt, naar hen toe, om hen te -redden. Een troep studenten schreeuwen, roepen zijn naam en leve, en -zwaaien hunne kleurige petten. - -Othomar drukt den burgemeester, den minister van waterstaat, den -gouverneur van Altara, andere autoriteiten de hand. Zijn hart is vol; -hij voelt eene snik onder zijne borst wellen. - -Uit den troep studenten treedt een te voorschijn, een groote, lange -jongen. - -—Hoogheid! roept hij; mogen wij Uw lijfwacht zijn? - -De etiquette bestaat hier nauwelijks, al kijken ook de autoriteiten -boos. Othomar herinnert zich zijne studentenjaren, nog zoo lang niet -geleden, drukt den student de hand; prins Herman ook, en de studenten -zijn opgewonden en roepen weêr leve, leve, en leve Othomar en leve -Gothland! - -Achter het plein raadt men de stad in nood, stillen nood van nog -grooter dreigend gevaar; de oude kroningsstad, de tweede van het rijk, -stad van geleerdheid en traditie, somber monument der middeneeuwen; -grauw steekt ze af tegen het blanke Lipara, dat daar ginds lacht en -mooi is van nieuw marmer aan hare blauwe zee, maar dat zijne vorsten -niet heeft zoo lief als zij, de onttroonde hoofdstad met haren -Romaanschen reuzendom, waar de heilige keizerskroon met het kruis van -St. Ladislas gedrukt wordt om de slapen van iederen keizer van Liparië. -Zijn hare gebieders haar ook ontrouw en wonen zij sedert eeuwen in hun -wit Imperiaal daarginds, en niet meer op den ouden gekartelden burcht -van den schutsheilige van het rijk, zij, de oude stad, de moeder van -het land, blijft ze trouw in hare moederliefde, en niet om den eed: om -het bloed, om het hart, om geheel haar leven, dat hare oude traditie -is... - -Maar, als zijn vader, zoû Othomar dezen keer niet naar den slotburcht -van St. Ladislas gaan; het kasteel lag te hoog, en te ver van de stad, -te ver van de ramp. Open hofrijtuigen wachtten; zij stegen in, de -studenten slingerden zich te paard; de prinsen zouden hun intrek nemen -in het paleis van den Aartsbisschop-kardinaal, den Primaat van Liparië, -in het Episcopaal, dat met den Dom en het Oude Paleis éene kolossale, -oude grauwe massa vormde, een stad op zichzelve, het hart zelve der -stad. - -Zij reden vlug voort. Het volk juichte; zij zagen hen als een stoet van -verlossers, van wie ze meenden, dat eindelijk het heil zoû komen. -Tusschen het vertrek van den keizer en de aankomst van den prins was -eene neêrslachtigheid geweest die zich bij het zien van Othomar tot -ziekelijk enthouziasme omhoog wond. - -Het werd in eens donker, maar nog niet om het zinken der zon—vijf uur -in Maart in het Zuiden;—het werd donker om de wolken, de gevaarten aan -de lucht, die in bol gespannen reuzenzeilen water meevoerden, dat ze -reeds weêr in druppels neêr lieten sijpelen. Onder die grauwe lucht -klonk het volksgejuich op als in mineur, toen, op eens als barsteden de -gezwollen wolken in éen scheur open, een zondvloed neêrstortte, als met -éen enkel loodrecht vlak van water. - -Othomar was met Herman en Ducardi in het eerste rijtuig gezeten. - -Zoû Uwe Hoogheid het rijtuig niet dicht willen hebben? vroeg de oude -generaal, die den prins hielp zijn burnous omslaan. - -Othomar weifelde; hij had geen tijd den generaal te antwoorden; de -menigte groeide aan, werd dichter, juichte, en hij boog terug, -salueerde, knikte. Zwaarrecht kletste de regen neêr. De straffe stralen -liepen de prinsen en de generaal over den rug, in den hals, doorweekten -hunne knieën. De menigte school onder een brokkelend dak van -parapluies, als onder natte zwarte sterren te zamen, vulde de nauwe -straten der oude stad, drong zich tusschen de voorrijders en het -rijtuig; de koetsier moest langzamer rijden. - -—Wil je het rijtuig niet dicht laten maken? vroeg Herman Ducardi na. -Othomar weifelde nog. Toen, en zelve vond hij zijne woorden wat -theatraal, en wist hij niet hoe ze zouden klinken, luid op: - -—Neen, laat ons niet bang zijn voor water; zij hebben immers allen door -het water geleden, hier. - -Maar Ducardi zag hem aan: hij voelde iets in zich voor zijn prins -trillen... - -Het rijtuig bleef open. In een der volgende landauers zag prins Dutri -woedend naar voren om, of de hertog van Xara zich, en achter zich zijne -adjudanten, nog langer zoû laten nat regenen. In de nauwe hooge straten -bij den Dom werd bijna stapvoets gereden, dwars door het gejubel van -het dringende volk door. Tot op de huid nat, kwam de kroonprins van -Liparië met de zijnen bij den Aartsbisschop-Kardinaal aan; een spoor -van water lieten zij achter op de trappen en corridors van het -Episcopaal. - - - - - -V. - -In andere uniformen een kort diner bij den hoogen prelaat; eenige -domheeren en abten zitten meê aan. De zaal is groot, somber, met -zwakken schijn van kaarsen nauwelijks verlicht; het zilver glimt dof op -de oude, zwart eikenhouten dressoiren; de fresco’s aan den muur, -heilige tafereelen, zijn naulijks te onderscheiden. Een stille haast -doet de monden reppen; men spreekt gedempt; de lakeien, in sombere -liverei, gaan als op de teenen rond. De kardinaal, aan wiens zijden de -prinsen gezeten zijn, is lang, mager, met een fijn, ascetisch gezicht -en de staalblauwe oogen van een dweper; zijne stem komt diep uit zijn -keel als een orakel; hij zegt iets van den wil des Heeren en maakt een -berustend gebaar met beide handen, de vingers even uitgespreid, zooals -Jezus doet op oude schilderijen. Een der abten, secretaris van den -kardinaal, een jonge man met een rond, roze gezicht en mollige witte -handen, lacht even nog al luid op om een grap van prins Dutri, die, -naast hem gezeten, iets vertelt van een gravin uit Lipara, die zij -beiden kennen. De kardinaal kijkt den dartelen secretaris streng aan. - -Na een haastig diner, gaan de prinsen en hun gevolg te paard de stad -in, toegejuicht waar zij komen. Tot dicht bij den Dom en het -Aartsbisschoppelijk paleis staat het water al. Groepen mannen, vrouwen, -kinderen snikkend, vloeien te zamen, den prins te gemoet, die over de -donkere pleinen rijdt; men draagt flambouwen om hem heen, daar de -gaslantaarns niet overal branden; de rosse vlammen doen vreemd, -romantisch over de oude donkere murenmassa’s, spiegelen zich als met -lange bloedrimpels in het water, dat in de nauwe stegen staat. Een -groot huis met vele verdiepingen en rissen kleine ramen, schijnt -eensklaps ondergeloopen te zijn; geheimzinnig plotselinge druk der -wateren, door het metselwerk der kelders, uit de fondamenten -opsijpelend, zich verraderlijk weg banend door de minste voege of -barst. De bewoners redden zich in kleine booten, die met roode lichtjes -door de zwarte waterstad heen varen; een kind huilt luidkeels. Het zijn -arme menschen, honderden, die daar te zamen wonen, als opgestapeld in -doozen. De prinsen zijn afgestegen, gaan in een bootje, varen er heen -en men weet wie ze zijn; zelve helpen ze een oude vrouw en drie -kinderen, nat tot aan het middel, klimmen op een vlot; zelve geven ze -geld, roepen ze bevelen. En den ouden burcht van St. Ladislas wijzen ze -aan als toevlucht... - -Maar is er een roep opgegaan, verder, eerst in den donkeren avond -onduidelijk vernomen, dan eindelijk duidelijker hoorbaar: - -—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk... - -De prinsen willen er heen; te paard is het niet mogelijk; in bootjes is -de eenige manier. Prins Herman zelve grijpt de roeispanen; in het -volgende bootje beweert Dutri tegen Von Fest, een der Gothlandsche -adjudanten, dat Venetië toch nog comfortabeler is... - -—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk... - -De dijk ligt als de zwarte rug van een groot, lang dier even buiten de -stad, aan den linkeroever van den Zanthos, en beschermt er, meestal in -het voorjaar, voor opwellingen der rivier de geheele wijk van St. -Therezia, het Oostelijk gedeelte der stad, dat nog al hoog ligt. Over -de waterstraten glijden de bootjes voort; op het Therezia-plein is het -mogelijk te landen: er branden lantarens, fakkels walmen, rosse -vlamspelingen krinkelen over het water. Het plein is groot, breed; -zwart staan de huizen er om heen en begrenzen het in den nacht met -hunne onregelmatige lijnen van dakspitsen en schoorsteenen, met de -massieve massa van de kerk van St. Therezia, waarvan de torens zich in -de donkere lucht verliezen; in het midden van het plein rijst een groot -ruiterstandbeeld van een Liparisch keizer, reusachtig in bronzen -onbeweeglijkheid over het kleine dwarrelen der menigte den arm -uitzwaaiend, een zwaard in de vuist. - -Othomar en Herman hebben hunne drie adjudanten, Dutri, Leoni en Von -Fest, wien men paarden gezocht en gezadeld heeft, weggezonden, naar den -dijk toe; eene geheele buitenstad van villa’s, fabrieken en het station -van St. Therezia beschermt die daar tegen het water van den Zanthos, -die zijn rechteroever reeds over het land heeft uitgestort en dat -verdrinkt. De prinsen staan in het midden van het plein op de trappen -van het voetstuk des standbeelds; zij hebben verder voort willen gaan -maar de burgemeester zelve heeft hen verzocht daar te blijven; verderop -dreigt er ieder oogenblik levensgevaar... Wat men kon, heeft men reeds -gedaan; er is niets meer te doen dan te wachten. - -Er verloopen kwartieren, halve uren. Het wachten op het -verschrikkelijke maakt kalm; men hoopt weêr. De officieren rijden af en -aan; de villa’s en fabrieken daar ginds zijn verlaten; een geheele stad -ligt er leêg, ontvlucht. Prins Dutri verzekerd, draaiend met zijn -paard, dat hij buiten adem heeft gereden, dat de dijk houden zal; nadat -hij met de prinsen gesproken heeft, omringt men hem, het zijn de -bewoners der villa’s, de fabrikanten, die hem met vragen overstelpen, -gesterkt door de zelfbewustheid van den keizerlijken adjudant. Nog eens -galoppeert Dutri weg. - -Daar gaan de deuren van de kerk geheel, wijd open: in het einde van -perspectief, tusschen de zuilen, schitteren de lichtjes op het altaar; -eene processie vloeit langzaam naar buiten; een gemyterde bisschop, -priesters, choorkinderen, die zingen en vanen dragen en hooge kaarsen -en wolken zwaaien uit hunne wierookvaten; achter het omhoog geheven -crucifix, de reliquie van St. Therezia in haren antieken schrijn van -middeneeuwsch goud en kristal en kostbare steenen, ruw geslepen of -rond; ze wordt gedragen onder een baldakijn en in den dwarrelenden -kaarsenschemer schittert en straalt ze als een heilig juweel, als een -star, over dat sombere plein, door dien zwarten nacht van onheil heen; -flikkeren de reuzensmaragden, flonkert het kostelijk gedreven goud, en -voor het Zeer Heilige wijkt de opeengedrongen menigte terzijde en valt -ze neêr, geknield. De vijfde maal is het, dat dien dag de processie -ommegaat, de reliquie gedragen wordt, ter bezwering van de ramp. Ze -gaat voorbij het standbeeld; de prinsen knielen neêr; het Latijn van -den zang, de glans van de reliquie in haar schrijn, de walm van den -wierook gaat over hen heen met den zegen van den bisschop... - -Om de processie is het stil geworden op het plein, maar men hoort nu -een geruisen als van verre... Als met éen golfslag schijnt de menigte -te deinen, men knielt niet meer; de processie zelfs wordt verbroken en -verwart zich. Door het gedrang gaat de mare: de dijk is gezwicht... - -Men kán nog niet gelooven, maar eensklaps dondert van boven het fort -van St. Ladislas, dat zijne wallen om den burcht breid, een schot en -dreunt over de zwarte stad, en davert door de zwarte lucht alsof zijn -weerslag breekt tegen de lage wolken aan. Een tweede schot dondert na, -als met reuzen-cymbalen van catastrofe, een derde... de geheele stad -weet, dat de Zanthos den dijk heeft verbroken. - -Het geheele plein is in warrelende beweging: éen mierenhoop; hoopen -laatste vluchtelingen komen nog aan in drommen, armen, haveloozen nu, -die niet eerder hadden kunnen vluchten, die nog altijd hoopten; door -het gedrang poogt, hijgende, vloekende, te paard, den angst in zijne -oogen, prins Dutri het standbeeld te bereiken; het verre geruisch als -van zee komt nader en nader. Men vlucht in alle straten, te voet of in -bootjes; de processie in wanorde, met het geschitter van haren -reliquie-schrijn, die als schijnt te wankelen op de golven eener -menschenzee, verspreidt zich naar de kerk... - -—Is het plein zelfs niet veilig? vraagt Othomar: hij kan bijna niet -spreken; zijne borst is geklemd als in ijzer, zijne oogen vullen zich -met tranen, een onmetelijke wanhoop van machteloosheid en medelijden -verdrinkt zijne ziel. - -De burgemeester schudt van neen. - -—Het plein ligt lager dan de buitenwijken, Hoogheid; U kan hier niet -meer blijven. Gaat U in Godsnaam terug, met een boot, naar het -Episcopaal... - -Maar de prinsen willen blijven, ook al ruischt het meer en meer. - -—Gaat U dan in de kerk, Hoogheden; daar is dan nog de eenige veilige -plaats, smeekt de burgemeester. In Gods naam, ik bid U!! - -Het plein is reeds als schoon geveegd, de flambouwen geleiden de -prinsen naar de trappen der kerk; als een zachte donder, die over den -grond strijkt, golft de Zanthos aan. - -In de kerk galmt het orgel, zingt men, bidt men... den geheelen nacht. -En den geheelen nacht blijft het daar buiten chaotisch zwart, zacht -ruischend... - -Als de eerste schemeringen bleeken over de lucht, die in de verte roze -en grijs, flauw opaal en parelmoêr begint op te tinten, treedt Othomar -met Herman en de adjudanten naar buiten, op de treden der kerk. - -Het plein staat onder water; de huizen rijzen uit het water op; het -standbeeld van Othomar III zwaait zijn bronzen arm en zwaard over een -meer uit, dat rimpelt in de morgenbries. - -Van het Therezia-plein tot de Domplaats staat alles onder. - - - - - -VI. - - Aan Hare Allergenadigste Keizerlijke Majesteit Elizabeth, - Keizerin van Liparië. Altara, Episcopaal, Maart 18... - - - Mijn aangebeden moeder! - -Uw brief verwijt me, dat ik U niet dadelijk eergisteren geschreven heb; -vergeef me, want zoo dikwijls zijn mijne gedachten toch vol van U -geweest. Maar ik voelde mij gisteren zoo moê na een drukken dag, en -miste ’s avonds kracht tot schrijven. Laat mij U nu het een en ander -van mij melden. - -U beschrijft mij den vreeselijken indruk, die het te Lipara maakte, -toen men des nachts van hier de doorbraak van den Thereziadijk seinde, -en hoe U allen waakten in het Imperiaal. Ook wij sliepen dien nacht -niet, maar waakten in de Therezia-kerk. Men herinnert zich, sedert -vijftig jaren, niet eene zoo verschrikkelijke overstrooming; tijdens -die, welke mijn Vader zich herinnert uit zijne kinderjaren, was het -Thereziaplein niet overstroomd en stond het water slechts tot de groote -ijzerfabriek, naar men zegt. - -Hoe U te beschrijven, wat ik voelde in dien nacht, terwijl wij hoopten -en wachtten, beurtelings hoopten, dat God en Zijne Heilige Moeder dit -onheil van ons zouden afwenden, en wachtten tot de catastrofe zoû -losbarsten. Wij stonden op het voetstuk van het ruiterbeeld en er was -niets meer te doen. O, die onmacht om mij heen, die onmacht in -mij-zelven. Telkens vroeg ik mij af, wat ik daar deed, zoo ik niets kon -doen om mijn volk te helpen. Nooit nog, liefste moeder, heb ik dit -gevoel van onmacht, van niets kunnen tegen wat moet gebeuren, zoo wijd -zich in mijne ziel voelen uitbreiden, tot ze haar geheel en al met -wanhoop vulde, maar ook nooit voelde ik zóo waarachtig, dat alle dingen -van het leven twee zijden hebben, dat de grootste ramp zoowel zijne -zwarte schaduw als zijn helderen lichtkant heeft, want nooit, o nooit, -voelde ik zóo sterk en innig door mijne wanhoop heen, liefde voor ons -volk; iets, wat ik nog niet wist, dat zoo als waarheid in ons hart kon -bestaan, als ik het toen voelde huiveren door mij heen; en die liefde -gaf mij een onmetelijken weemoed bij de gedachte, dat zij niet allen, -de millioenen zielen van ons rijk, ooit zullen weten, of zoo ze wisten, -gelooven, dat ik ze zoo liefhad, liefhad alsof er bloed van mij in hen -was. Nu wil ik mijzelven niet bedriegen en weet ik heel goed, dat ik -dit gevoel nooit zoû gevoelen te Lipara, maar hier voel ik het, in onze -oude stad, die ons hare geheele sympathie geeft. Hier voel ik het, dat -ikzelve ben, als onze Altariërs, meer Slavisch dan Romaansch, zooals -onze zuidelingen in Lipara en Thracyna, hier voel ik mij van hun bloed, -wat ik mij ginds niet voel! Er zal natuurlijk veel gesproken en -geschreven zijn in de couranten over de onhandigheid van den markies -van Dazzara met zijn dwaze eerewacht aan het station, bij ons vertrek; -hoe het ook zij, ik voelde in den trein groote treurigheid, dat, -terwijl ze daar toch waren om mij te zien weggaan, ze mij niet schenen -lief te hebben; ik weet wel, dat U dit als een verkeerd sensitivisme -weêr in mij zal afkeuren, maar ik kan het niet helpen; mijn lieve -moeder; ik ben zoo, en zoo overgevoelig voor sympathie in het algemeen -en voor de uitingen van ons volk in het bizonder. En daarom ook heb ik -ze hier lief: misschien heel eenvoudig en kinderachtig wel, omdat ze -mij toonen lief te hebben: overal enthouziasme, en dat oprecht gemeend, -waar wij ook komen; en toch wat kunnen wij doen, dan wat geld geven? -Die sympathie zie ik bij het laagste volk; arbeiders en werklieden, die -ik toch nooit gezien had met weten, en nauwelijks drie, vier woorden -van troost kon zeggen—en, ik weet dan nooit veel anders te zeggen, het -is altijd het zelfde; bij de soldaten, die toch wel instinctmatig -voelen, al zien ze mij ook nooit anders, dan in uniform, dat ik geen -militair in mijn hart ben; bij de studenten, bij de geestelijkheid, bij -het gemeentebestuur en de hoogere autoriteiten. Gisteren zijn wij -overal rond geweest op de plaatsen, die ter herberging zijn aangewezen: -behalve in de barakken, in magazijnen en fabrieken, zelfs in enkele -zalen van departementen en het Paleis van Justitie, in twee theaters, -en in de gevangenis, arme menschen! Ook op St. Ladislas. Wij hadden van -den Ronden Toren een uitzicht over het omliggende land: in het Oosten -niets dan water en water, als een zee. Het hart werd mij -dichtgeschroefd in de borst. - -Wij gingen ook naar de Hoogeschool: de meeste professoren kende ik nog -van twee jaren geleden, toen ik er studeerde. - -Een verschrikkelijk schouwspel was buiten de stad; o, mama, waren het -honderden, waren het duizenden lijken, als in een Morgue naast elkander -neêrgespreid op een weiland; een kort oogenblik vóor de ter -aarde-bestelling, om de identiteit vast te stellen! Navrante tooneelen -heb ik gezien; mijn hart werd er onder verscheurd; troepen van -bloedverwanten, die zochten, of snikkend, hadden gevonden. Een -verschrikkelijk weeë lucht vervulde de geheele atmosfeer. Ik voelde mij -onwel worden, en zag ook zeer wit, ik had al mijn energie noodig om -niet te willen flauw vallen, maar Herman stak zijn arm onder den mijne -en steunde mij zooveel mogelijk zonder ostensatie, terwijl een paar -doktoren uit de groep der geneesheeren, met wie ik sprak, me iets gaven -om aan te ruiken. O, mama, het was een verschrikkelijk schouwspel, al -die vale, misvormde, opgezwollen lijken op het groene gras en daarboven -de hemel, die weêr diep blauw was geworden! - -In den gemeenteraad heb ik volgens Uw verlangen en dat van mijn Vader -doen weten, dat U beiden ieder een personeele gift van een millioen -florijnen aanbiedt en heb ik tevens de mijne aangeboden. De geheele -wereld schijnt met ons meê te voelen; van alle oorden stroomt het geld -toe, maar de schade schijnt een put, die niet te dempen is. Zooals u -mij meldt, is de gift van onze Syrische vrienden waarlijk Oostersch -vorstelijk. - -Wat heb ik U meer te vertellen? Ik weet het waarlijk niet; in mijn -hersenen draait een cauchemar van akelige vizioenen rond en ik kan -ternauwernood recht logisch doordenken. Maar ik beloof U, mijn lieve -moeder, te doen wat ik kan, en dat naar mijn beste krachten, en wat ik -U vraag is alleen éen enkel woord, dat mij zegt, dat U niet al te -ontevreden is over Uw jongen. - -Zooals mijn Vader verlangt, blijf ik hier nog een week: het schijnt de -bevolking, die ons zoo lief heeft, toch goed te doen ons te zien. Men -was zeer opgetogen, dat er was aangezegd, dat U en Thera na mijn -vertrek te Altara zouden komen. U zal met Uwe zachte hand nog zooveel -kunnen doen, wat wij over het hoofd zagen. Wat hebben ze ons hier toch -lief en waarom zijn wij maar niet altijd op St. Ladislas; al is de -burcht somber, het is er helder van hunne sympathie. - -Maar laat mij U niet zoo poëtisch schrijven in deze dagen van nood, -waarin wij practisch moeten zijn. Hermans gezelschap doet mij veel goed -en ik kan meer doen als hij naast mij staat. Generaal Ducardi is als -altijd een flinke, onvermoeide kerel. De anderen zijn allemaal zeer -bereidvaardig en practisch geweest, en zoo ik het mag zeggen in -eerbiedige tegenspraak van mijn Vader, ik geloof toch wel, dat het -gemeentebestuur doet wat het kan. Een Engelsch ingenieur zeide wel, dat -met betere voorzorgsmaatregelen en meerdere nauwkeurigheid van -nakijken, de Therezia-dijk het misschien had uitgehouden: enfin, dat -weet ik niet. - -Herman zal met mij meêgaan op mijn reis door de gouvernementen. Wij -zullen naar Lycilië en Vaza gaan en zooveel mogelijk naar het -platteland. Dat is er natuurlijk het ergste aan toe.—Ik krijg juist de -telegrammen; de markies van Dazzara ontslagen, de hertog van -Mena-Doni—ik hoû niet van dien man—gouverneur der rezidentie! - -Lipara in staat van beleg! Mijn Vader zal ons Huis van Adel dus weten -te behouden, door die ontbinding van het Huis der Standen? - -Liefste moeder, Zijne Eminentie laat juist verzoeken mij zijne -opwachting te komen maken. Ik wil hem niet laten wachten en eindig dus -in der haast mijn epistel; met mijn beide armen om U heen, noem ik mij -vol innigheid en eerbied, - -U, met héel zijn ziel, liefhebbende Zoon, - - Uw jongen, - - Othomar. - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - - -I. - -Ook het gouvernement van Vaza, ten Noorden van het hooggebergte van -Altara, de alpenketen der Giganten was ten deele geteisterd door den -Zanthos. De hoofdstad, Vaza, was overstroomd. Tegen de hellingen der -bergen aan was de provincie gespaard gebleven. Daar waren uitgebreide -terrassen van wijngaarden, dan wouden van kastanjes en noteboomen en -olijven. De schitterend blanke sneeuwlijn der bergtoppen golfde tegen -eene, weêr blauwe, lucht aan, kartelde er hare kammen en beet als met -happende lijnen het intens azuur brokken uit; scheen er een muil van -schitterend witte ijstanden te wetten tegen het staalglanzend metaal -van den luchtdom aan. - -Daar, twaalf mijlen van de stad, troonde op zijne rotsen het oude -Castel Vaza, kasteel der hertogen van Yemena en graven van Vaza, parken -en woud er om heen, half fort, half burcht, krachtig, eenvoudig, -middeneeuws, ruw van lijnen, met zijne vier torens en rechte vlakken -van tinnen, aan alle zijden den horizont om zich heen cirkelend en vèr -houdend van zich af. Dicht bij eene warreling van dorpjes; in de verte -de torens en spitsen, het dakengewoel van Vaza; nog verder, in den -cirkel van panorama, die de torens wijd ommetrokken, de Zanthos, die, -breed aanslingerend, zich stortte in zee, en Lycilië, wit in de zon met -hare rechte vierkantjes van huizen, schitterend neêrgeplekt aan het -blauw van het water; dan, eene tweede zee: de bergtoppen, die sneeuwig -golfden in verschieten weg en nevelen van afstand. En, schitterend ook -in de zon, die vreemde meren aan den Zanthos, als plakkaten metaal: het -water, dat de volle rivier had uitgestort; de overstroomingen. - -Het vierkante slot, dat om een hof zijne vier vleugels trekt, heeft nog -twee bijgebouwde vleugels van achteren, in nieuweren stijl van -elegantere Renaissance, en uitziende op het park, waarin de vijvers -liggen, als ovale bekkens van liquide zilver, gevat in smaragd van -gazons. De damherten grazen er, bijna mijmerend en bevallig, langzaam -omdwalend op fijne pooten; soms, in eens, gestrekt, de koppen -achterover, de oogen wild, rennen zij, vele te zamen, een eind weg in -vlucht voor onzichtbare verschrikking; andere, kalmer, grazen door, -laconiek, filozofisch. - -De hertogen van Yemena en graven van Vaza zijn van een der oudste -geslachten des rijks, en laten hun stamboom wortelen in eeuwen, vóór -den eersten keizer van Liparië. De tegenwoordige hertog, -opperhofmaarschalk en connétable van Liparië, heeft drie kinderen uit -zijn eerste huwelijk; de erfgenaam van zijn titel, de jonge markies van -Xardi, adjudant van den keizer, en twee dochters, jongere meisjes nog, -in een klooster. - -De hertogin is in het kasteel alleen. Zij zit in een groot boudoir, dat -met driekantige loggia uitgebouwd, ziet op het park, de vijvers, de -herten. Een bries waait buiten en de vluchtige wolken, die elkaâr als -vlokkige schimmen, doorzichtige sluiers aan flarden, najagen aan de -ijlblauwe lucht, slepen hare schaduwen, als vluchtige somberheden, over -het park heen, tinten het even met voorbijgaande donkerte, die ook de -herten donker maakt, en ze dan weêr bruin laat glanzen in zon. Stil is -het daarbuiten; stil in het kasteel. Afgelegen ligt er het slot; binnen -hebben de bedienden een zacht geloop door zalen en gangen, een -fluisterenden toon, in afwachting van het hooge bezoek. - -Het is na het lunch. De hertogin ligt half op een divan en tuurt naar -de herten. Zij is nog niet gekleed en draagt een robe d’intérieur, los, -met vele plooien; vieux rose broché, zalmkleurig peluche en antieke -kant. Als zij alleen is, houdt zij van veel licht, in eene gezonde -behoefte aan ruimte van atmosfeer; voor de hooge boogramen zijn de -gordijnen weggetrokken en valt de schelte van den voorjaarshemel -bedwelmend in. Maar het licht doet aan hare schoonheid geen goed, want -al is het haar ook nog blauwig ravenzwart, heur teint heeft de matheid -van verwelkende witte rozen; hare oogen, die mooi kunnen zijn, groot en -als liquide donker, turen vol moêheid met een zweem van lichtgelen -kring, en zeer duidelijk zijn zichtbaar de striempjes op zij, de -groefjes, die etsen om den fijnen neus; de lijnen, die den mond -verlengd hebben en trekken naar omlaag. - -De hertogin staat langzaam op; ze gaat door een deur, die tot hare -slaap- en kleedkamers toegang geeft, en blijft eenige oogenblikken weg. -Daarna komt ze terug; met beide handen, tegen zich aangedrukt, met -moeite, draagt ze een zichtbaar zwaar kistje en zet het op de tafel -voor den divan. Het kistje is van oud gedreven zilver met vergulde -cizeleeringen en groote blauwe turkooizen, van dat kostbare -Renaissance-werk, zooals men niet meer doet. Aan haren armband zoekt -zij een klein, recht, gouden sleuteltje en ontsluit de kist. De -juweelen schitteren: parelen, brillanten, saffieren, smaragden, en -vangen op hunne facetten al het voorjaarslicht van den hemel op, blauw, -wit, geel. Maar de hertogin drukt op een veer, ontsluit alzoo een -onzichtbaar laadje en haalt er uit twee pakketten brieven, enkele -portretten. - -De portretten vertoonen het zelfde gelaat; een niet zeer jongen man, -een vreemd gezicht, half droomerig, en half sensueel, met veel mysterie -en veel charme. De portretten vertoonen hem in de elaborate uniform van -een officier der Garde van den Troon, in een ridderkostuum van een -gekostumeerd bal, in een flanellen tennis-pak en in gewoon politiek. -Langzaam gaan de oogen der hertogin van het eene naar het andere, -vergelijkt ze de beeltenissen, een treurigen glimlach om haren mond, -weemoed in hare oogen. Dan strikt ze de linten los om de brieven, neemt -ze uit de, zorgvuldig bewaarde, enveloppen, vouwt ze open, en leest -hier en daar, en herleest, en vouwt ze weêr dicht... - -Zij kent die zinnen van buiten, die haar nog vertellen van eene vreemde -passie, de innigste, de waarste, de eenvoudigste en daarom misschien de -vreemdste, die zij ooit gevoeld heeft, haar omvangen heeft in -toovermazen van vuur. Zien hare oogen nu weêr naar de herten—de -zonneschijn drijft als vloeiend goud over het park—tusschen haar en het -stille landschap rijzen, doorzichtig, in teêr glanzende -fantasmagorieën, de herinneringen op van het verleden, de tafereelen -dier liefde en het is haar alsof vonken haar voor de oogen spelen, als -dwarrelen er fonkelende arabesken, tintelingen van licht. Wat gebeurd -is, doorleeft zij in enkele minuten; dan sluit zij de oogen, strijkt -met de hand over het voorhoofd en bedenkt hoe treurig het is, dat het -verleden niets is dan wat herinnering, die als asch stuift door onze -ziel, en die wij soms verzamelen willen in een kostbare urn, te -vergeefs. Hoe treurig het is, dat men niet kan blijven treuren, al wil -men, omdat het leven niet wil. Niets dan die asch in hare ziel, en die -brieven, portretten... - -Ze sluit ze weêr weg en kijkt naar de juweelen nu. En goed ziet ze in -haar eigen hart, ziet ze zich geheel als ze is, want ze weet, dat ze -eerlijk is geweest, altijd. Altijd voor hem en voor zichzelve. Eerlijk, -toen hunne liefde brak als een glazen regenboog van tintelkleuren aan -een uitspansel van wijdte, en zij niet meer wilde zien en wilde zijn en -zich terugtrok van het hof op dit slot en de mare liet gaan, dat eene -slepende ziekte haar kwijnen liet, en zij treurde, en treurde, eerst -snikkend en wringend de handen, toen kalmer van wanhoop, toen... De -herten hadden daar altijd doorgegraasd, als bleven zij altijd de -zelfde. Maar zij... - -Eerlijk was ze geweest, altijd. In haar wanhoop, en ook in wat volgde. -In de verflauwing dier wanhoop. Toen was ze het treurigst geweest, -omdat wanhoop verflauwen kòn. Toen treurig, omdat ze nog leefde en -voelde vitaliteit in zich. Toen... omdat ze zich begon te vervelen. Om -dat alles had groote wanhoop, als met morbide bloesems van vreemde -orchideeën, hare vreemde ziel doorwoekerd. Zij haatte, verachtte, -vervloekte zichzelve. Maar in haar werd het niet anders. Ze verveelde -zich. - -Eenzaam leefde zij op het slot. Haar man en haar stiefzoon waren te -Lipara; hare stiefdochters, van wie ze veel hield, voltooiden hare -opvoeding in een klooster, waar eene keizerlijke prinses, zuster des -keizers, abdis was. - -Ze was alleen, ze zag nooit iemand. En ze verveelde zich. In haar -ontwaakte weêr het leven, dat slechts gesluimerd had, en dat zij had -doodgewaand, had willen begraven in een sepulker, waarom hare -herinneringen als standbeelden zouden staan. In zich voelde ze zich, -die ze altijd, trots hoeveel liefde ook, geweest was: vrouw van de -wereld, hakende naar dien glans der omgeving van keizerlijkheid, die -splendeur van het hof, die noodlottig weêr aantrekt en onmisbaar is, -wie ze van geboorte, als hunne levensatmosfeer, hebben ingeademd. En de -oogenblikken, dat zij niet dacht aan hare wanhoop, dacht zij aan het -Imperiaal, zag zij er zich, schitterend in hare rijpe schoonheid, -gevierd en aanbeden als zij altijd geweest was. - -Toen liet ze haren stiefzoon, den markies van Xardi, de mare doen -verspreiden, dat zij herstellende was. Een maand later, in het midden -van het winterseizoen, nà een groot hoffeest, maar vóór een intime -réunie in de eigen salons der keizerin, vroeg zij audiëntie aan bij -Elizabeth. - -Zoo zag ze zich in ware, klare waarheid en diep treurig in haar arme -ziel van liefdeverlangen en wereldverlangen en menschelijkheid was ze, -dat zoo wreed het leven voort wilde gaan, als in een dollen triomftocht -van zichzelve, verpletterend onder zijne raderen hare herinneringen, -klaterend van schettermuziek door haren weemoed heen, doende haar -voelen de weinigheid van den mensch, het minime van zijn gevoel, de -kleinheid van zijne ziel, die toch nog het eenige aan hem is... - -De hertogin heeft de dubbel kostbare kist weêr weggesloten. Ze vergeet -wat om haar heen is, wat haar wacht; ze tuurt, droomt, en leeft weêr in -het verleden met dat genot, dat men in verleden krijgt, als men jeugd -verliest. - -Er wordt geklopt op de deur, een lakei verschijnt en buigt: - -—Excellentie, de kok vraagt u dringend zelf te spreken. - -—De kok...? - -Ze heft haar mooi gezicht op, droomend, half lachend, als met een -profiel van Cleopatra, zoo Egyptisch fijn en recht, richt zich op den -divan wat hooger, en leunt op hare hand. - -—Laat hem binnen... - -Alles komt tot haar terug, de werkelijkheid, de dag van heden, en ze -glimlacht er om en haalt de schouders op; zoo is het leven. - -De lakei gaat, de kok komt binnen in zijn wit schort en witte baret; -hij is zenuwachtig en nu zijne meesteres al de wenkbrauwen fronst om -zijn oneerbiedig kostuum, begint hij te stamelen: - -—Vergeef me, Excellentie; en hij wijst, ongelukkig van gezicht, naar -zijn voorschoot, zijne witte mouwen... - -En hij klaagt, dat de opperjager niet gezorgd heeft voor genoeg -ortolanen. Hij kan zijn pastei niet maken; hij durft het niet op zich -nemen, Excellentie. - -Ze ziet hem aan met hare raadselachtige oogen; ze heeft grooten lust in -lachen uit te barsten om zijn kluchtig gezicht, zijn wanhopig gebaar -van wijde armen, te lachen en te huilen ook, ook woest en luid. - -—Wat moeten we doen, Excellentie, wat moeten we doen?! De stad is te -ver; daar kan niet heengezonden worden vóór etenstijd en trouwens, daar -hebben ze ook nooit iets. Het is ook eigenlijk de schuld van den -hofmeester, Excellentie; de hofmeester had hare Excellentie moeten -waarschuwen... - -—Er zijn leeuwerikken, zegt ze. - -Die moeten morgen naar Lipara gezonden worden, Excellentie; naar zijne -Excellentie, den hertog! - -De hertogin haalt de schouders op, een beetje lachend. - -—Het kan niet anders, mijn beste. Zijne Keizerlijke Hoogheid, de Hertog -van Xara, gaat vóór zijne Excellentie, niet waar? Maak een chaufroid -van leeuwerikken. - -—Ja, dat is ook zijn idee geweest, maar hij zelve had het niet durven -opperen. Ja, dat is zeker goed, uitstekend, Excellentie. - -Zij lacht nog even en knikt daarna, dat hij kan gaan. De kok, zichtbaar -verlicht, buigt en verdwijnt. Zij staat op, ziet zich lang-uit voor -zich staan in een spiegel in haar lui verkreukt geplooi van roos- en -zalmkleur en oude kant, rekt de armen lang uit met een in-moê gebaar, -en belt hare kamenier, waarna ze hare kleedkamer ingaat. Wil ze nog -lachen? Of nog huilen? Ze weet het niet, maar ze weet wel, dat ze zich -kleeden moet... Wat er met of om een mensch gebeurt, liefde of pastei -van ortolanen, kleeden moet hij zich, kleeden, eten en slapen, en -daarna weêr het zelfde, kleeden... en eten... en slapen... - - - - - -II. - -Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen -langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza. -Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer; -er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de -bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende -sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die -zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza -en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den -Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door -te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den -toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer -verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het -zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De -kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als -parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een -vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die -in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er -vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite -voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar -niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid -toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke -jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar -de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet -gezien; ze was lijdende... Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den -oorlog van vijftien jaar geleden. - -En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de officieele -plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de -neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den -hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit -wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de -hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den -Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den -kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op -een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena, -het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi, -bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten -Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te -ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis -als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het -aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij, -door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in. - -In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en -lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin -treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe -buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner -misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en -Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van -Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren -sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk -kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met -goudblauwigen ravengloed. - -Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins -Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der -lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet -schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen -naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare -rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed -neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de -ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen -van meesters der Renaissance aan den wand. - -Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne -schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan -ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in -groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de -een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de -Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een -bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem -tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen -vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste -gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier -officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van -compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt -de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel -glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten -teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den -kroonprins; de heeren volgen. - -Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen, -die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een -gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den -kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid -en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het -hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede -vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en -glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders -zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide -mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van -strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij -te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens -en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de -schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een -onuitstaanbaren jongen! - -Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de -hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal -behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks -ook van den staat van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu -en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles -te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner, -onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen -hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan -ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar -hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men -een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen -vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen -aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer, -maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch -gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende -niets dan een banaliteit, en... - -Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En -hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert -het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza, -die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der -hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De -hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij -coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat -zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo -kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze -wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen, -vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand, -luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt -eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke -oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in -dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich -enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En, -ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende -arme menschen, zonder dak, zonder iets... Het is echter het tweede -oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half -uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe -zij het wilde besteed hebben... Zij herinnert zich, dat tijdens dit -gesprek met den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor -hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van -het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat -deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve -om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de -nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil -geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven -middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit -ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat -ze aan hem heeft, en is geboeid. - - - - - -III. - -Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een -ervan staat een biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu -richtend en ze houdend tusschen hare bejuweelde vingers, speelt er een -partij met prins Herman, Leoni en den jongen Thesbia. Soms hangt zij, -al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke -lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit -door heure snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het -zwarte fluweel. In den anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi -en de Gothlandsche adjudanten aandachtig bezig op een nauwkeurig -gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde kant, de -route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de -overstroomde dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en -likeur. - -Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende -in den anderen salon. De prins en zijne officieren zien beleefd -glimlachend op van hunne kaart, maar zij, betooverend: - -—O, laat mij U niet storen, Hoogheid... - -Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het -terras buiten. De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje -koel. De hofmeester slaat haar een bonten mantel om den blooten hals. -Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri op en neêr, op en neêr, -telkens voorbij de open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar -de groep onder de lamp: gebogen hoofden en vingers, die met een potlood -wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van den eleganten adjudant; -hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt ze -Dutri: - -—Hoe bevalt je de tournée? - -—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van -den Primaat!... Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig -cosmopolitisch! En het is vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je, -ik beschouw het als oorlog en zoo maak ik het door; als ik het -beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen! De -ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt -zich bepaald populair... - -—Een aardige jongen... valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen -tijd niet gezien; hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me -hem maar een paar maal in het Imperiaal gezien te hebben, in eens van -kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal nog een jongen. Ik -herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen -verleden, bij Myxila... - -Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den -voornaam, flirt altijd een beetje met haar voor amuzement en -aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen elkaâr te goed, te -lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem meer -als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes, -dan als iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene -“emotie” zoû kunnen voelen. - -—Ma chère Alexa, pas op...! spreekt hij en dreigt met den vinger. - -—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend. - -—Alsof ik het niet zie... - -Ze lacht luid. - -—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw -sans-gêne, die in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te -waarschuwen, hoor! God, lieve jongen, ik heb twee meisjes, die ik over -een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben ik misschien grootmama. Ik -doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van die malle -vrouwen zijn die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo -gauw oud... - -Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het -lachen... - -—Waarom lach je zoo? vraagt ze. - -Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel. - -—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa. -Ik weet zoo goed als jij... dat jijzelf een van die malle vrouwen -bent...! - -Hij schatert weêr en zij nu ook. - -—Ik? - -—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op -zijn tijd. Je zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde -tusschenpoozen, chronisch, je “geëmotioneerd” hadt. En dat oud worden, -je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt! - -—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan -jezelve verplicht bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal -zien hoe netjes ik later mijn oude jaren draag... - -—Zoo als je alles draagt. - -—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn -haar, dat me heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà -tout! - -—Een goed idee... - -—Dutri... - -Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een -oogenblik zwijgend voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde, -wandeling gingen zij, telkens tweemaal door het licht heen, dat in twee -breede plekken door de deuren op het terras viel. Het park was vol -zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het terras; -boven stond de lucht vol sterren. - -—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant. - -Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren en weêr in het donker -liepen. - -—Hoor je nog wel eens wat van hem? - -—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws. -Hij verveelt er zich, geloof ik, en maakt zijn geld op. Het domste wat -je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs een afgesleten -boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets -primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken: -het Paradijs met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten: -Adam was prezident... - -—Wees niet idioot. Wat schreef hij? - -—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te -vragen als kapitein van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er -tusschen jullie gebeurd? - -Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het -donker:—Niets, antwoordde ze en hare stem had niet meer dien aangenomen -chic van brutaliteit en sans-gêne, maar versmolt in een klaagtoon van -melancholie. - -—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan... - -—Ik weet het niet. We hadden veel met elkaâr gesproken, en zoo -langzamerhand begonnen we te voelen, dat we elkaâr niet meer gelukkig -konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet. - -—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel -dwaas. Aan psychologie te doen, als je verliefd bent is heel -onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert op je eigen en je liefde in -stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet genoeg te -kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals -ik doe op jou, Alexa. - -—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af? - -—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze -sociëteit. En dat misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je -psychologie. - -Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische -oogen werden vochtig. - -—O... zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn -arm, zag hem vol met hare natte oogen aan: - -—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb -gehouden! Ik... ik hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû -ik vergeten wie ik ben, mijn man, mijn pozitie, zou ik naar hem toe -gaan, naar hem toe gaan... O, Dutri, weet je wat het is, in ons factice -leven, waarin alle dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als... -heusch van iemand gehoúden te hebben? En dat gevoel als loutere -waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem, ik aanbid hem -nog, en één woord van hem, één woord... - -—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit -zeggen zal. Daarbij heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten -beginnen? Samen op de planken gaan? Wat een vulkaan ben je toch, Alexa, -wat een vulkaan! - -Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de -zware kwasten van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog -niet hervallen in hun toon van blague: - -—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb -soms hònger naar nieuws van hem... - -Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger, -dat hij ervan ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een -passie. Toen glimlachte hij, blagueerend als altijd: - -—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je. -Maar laten we nu naar binnen gaan, want de geografische studiën -schijnen afgeloopen en ik smacht naar een kop thee... - -Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers -latende gaan over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den -kroonprins dadelijk den weg, die Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan -met de overstroomde dorpen, de arme boeren... het in alles geheel en al -eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie, die zij -opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle -melancholie van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van -keizerlijkheid... - -Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend -aan; hij kende haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch -amuzeerde ze hem altijd en was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij. - - - - - -IV. - -Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza: een antieke, -sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van -Yemena waren geweest, steeds geslapen hadden op een oud verguld -paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste, -keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel -neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die -daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne -vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder -Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder -meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde -lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de -legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij -zich uitstrekte. - -Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij -een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn -geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige -siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men -aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de -tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen -oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds, -uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap -volgde. - -Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge -slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had. -De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich -vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu -open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de -schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug -deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen. - -En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne -voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de -acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van -vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit -hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot -dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch, -tot St. Ladislas zelven... Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede -ketting, die zich voort zoû slingeren in de toekomst? Of... En waartoe -telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven? -Wat zoû het einde zijn, het groote Einde...? - -In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het -Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en -het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee -was. Suiste het maar in zijne ooren, of... of ruischte het waarlijk -weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de -zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door -niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot -bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn -zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne -overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat -eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun -hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas; -zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den -appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten, -dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te -geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende, -aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens, -woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder, -hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het -gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees... - -Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe, -legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû. -Ze schenen hem spoken, vijanden... Ronder opende hij zijne brandende -oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van -de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem -in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van -nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit -zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd, -waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen. - -Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden -van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de -flitsen van vizioenen, die tafereelen der overstrooming weêr voor hem -deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw -opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met -spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek -gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de -kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op -hem neêr als met atmosfeeren stikstof. - -—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in -doodsangst: - -—Andro!! Andro... - -De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam -binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning -verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot -portretten. - -—Hoogheid...!! - -—Andro, kom hier... - -—Hoogheid, wat is er...? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat -heeft U... Ik dacht... - -—Wat, Andro? - -—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U -toch... - -—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen... - -De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af. - -—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water...? - -—Neen, dank je, dank je... Andro, kun je hier komen slapen? - -—Als U het wil, Hoogheid... - -—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben, -Andro... Haal je kussen hier. - -De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem -van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere -voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden, -verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij -nooit klaagde... - -Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn -kussen te halen. - -—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene woede, die -hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in -zoo een robbenhuid steekt als hij! - -In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr -op de trede van het praalbed. - -—Heeft U koorts? vroeg hij. - -—Neen... ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik... -ik ben... - -Hij dorst het niet zeggen. - -—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door -de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden. - -—Wil U een dokter uit Vaza hebben? - -—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in -den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder... - -—Zal U dan ook probeeren te slapen... mijn “prinsje”? vroeg hij, met -dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing -klonk. - -Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een -voedster, de kussens voor hem opschudde. - -—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument... - -Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen -Othomar na eene pooze vroeg: - -—Slaap je al, Andro? antwoordde hij: - -—Ja, Uw Hoogheid, bijna. - -—Suist er iets in de verte, is dat water of... of verbeeld ik het me? - -De man luisterde. - -—Ik hoor niets, Hoogheid... U zal wat koortsig zijn. - -—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind... - -De man deed zoo. - -—En laat je me voelen, je hand, zoo... - -Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door, -steeds door... Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit -zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme -hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van -zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van -het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht over -het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn -vreemden, nationalen klank van liefkoozing. - -—Mijn arm prinsje... - -Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even -van elkaâr te schuiven. - - - - - -V. - -Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren; -zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam, -het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform, -blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins -stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin -diep neeg. - -—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi. - -Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij -hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild. -Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve -over tafel zacht tot hem zei: - -—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?... - -Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling -logenstraffen. - -—Ik heb niets, antwoordde hij. - -—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort. - -—Niet zoo heel goed... moest Othomar bekennen, met een glimlach. - -Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt, -op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den -binnenhof—zei Ducardi kortaf: - -—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid! - -Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen. - -—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter, -verontschuldigend: - -—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben -aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden -vandaag rust te nemen. - -Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den prins heen; hij -voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen -te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn -vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo -duidelijk zichtbaar scheen. - -En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij -gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en -rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins -Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van -heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in -zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een -geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken -en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij -generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad... - -De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken -zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de -vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij -volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de -hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men -hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar -stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een -beetje angst zich te verraden, schaamte... - -In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten, -vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener -vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden -stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme -schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar, -viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van -tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve -dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in -eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in -eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens -wordt stil gerukt, tot staan. - -Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op, -bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter zelve even te zoeken. Op -de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren -landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een -potlood. - -En hij schreef: - - -Aan Hare Allergenadigste Majesteit, Elizabeth, Keizerin van Liparië. - -Castel Vaza, April 18.. - - -Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat -ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij -aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop -ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar -Lycilië. - - -Othomar. - - -Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen: - -—Mijn kamerdienaar, Andro. - -Deze verscheen na eenige oogenblikken. - -—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw -mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin... - -Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar -neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana -satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr -voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine -verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als -éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag -uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij -zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er -was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op, -als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde -hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel -duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde -hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er -òp drukte, zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en -verpletterde het met zijn gewicht van centenaren. - -Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke -kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde -zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal -bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen -aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in -een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien -had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij -de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins -was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd -opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen -waren, op ze schieten, als op honden. - -Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar -ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest, -hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat -hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon, -handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar... -Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van -rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon, -en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als -met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg? - -Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de -haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor -het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet -bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van -het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborg zij -haren angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij -plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige -instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het -algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring, -tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien -angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de -uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen...! - -Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne -weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor -hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij -alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed, -later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door -hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi -was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche -hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van -opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu -toe... Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe -zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon? - -Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had -willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige -verplichtingen weg... - - - - - -VI. - -Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête, -gediend in de kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De -hertogin vroeg zeer belangstellend hoe Othomar het maakte; de prins -voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust, was vroolijk, -prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het -lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit -een uitstekend idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin -eene uitstekende amazone was,—maar Alexa ried dit lachend af; zei, dat -ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins rust had aanbevolen, -en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend zijn -zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en -oud maakte, en was heel blij, dat de prins toegaf. - -Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het -landschap deinde zich wijd uit; de bergen stonden schril en steil met -hunne ijskammen in den ether. De toer had het bekoorlijke van een -incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform naast de -hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse, -in de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder -palfrenier, vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon -glansplekte over de gladde robes der paarden, spiegelde in het verlakt -van het rijtuig, en in de facetten der geslepen lantarens, op den -hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform. Al -dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend, -luchtigjes, gleed het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes, -waarvan de bewoners hunne landvrouw groeteden, maar niet wisten wie was -de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat. Een bries had de -vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof -stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op. - -De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had -dien tact van instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te -spreken, als zij behagen wilde. Hare stem was een charme. Zij kon soms -een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben, meestal als ze er niet -aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den prins, om -hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare -natuur was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode -flatteerde haar veel minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair. -Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke distinctie van een oud -geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de leelijke -rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen. - -De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet -uitgezonderd—over de hertogin: hij herinnerde zich namen, die -fluisterend genoemd werden. Hij geloofde op dit oogenblik niet aan dien -laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor sympathie, -streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem -goed en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm -hielden. - -Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het -opeens als bij verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar -tusschen heel oude kastanjeboomen. - -—“Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw? - -—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij -huiverde, maar poogde te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn -dochter. - -—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op, -keek nieuwsgierig naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes. -Maar hoe komt het dan, mevrouw, dat ik verleden jaar, toen ik met den -keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit van prins Zanti gehoord -heb, en dat hij hier woonde? - -De hertogin lachte. - -—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op -ligt—zij maakte met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet -voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit den naam van Balthazar Zanti -niet hooren wil. - -—Maar door niemand van de adjudanten...! - -De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook, -aan en sprak: - -—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent -de merkwaardigheden van het gouvernement van Vaza. Maar... ik bedenk me -nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid. Het kasteel stond verleden jaar -leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen. U herinnert -zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier -nog geen locale klank... - -De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar -werd, toen het rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed -voorbij een kleine groep, aan de helling van een wijngaardheuvel: een -oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje, teêr, tenger, -bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog eene -zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten -toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid, -klopte tot kalmte manend op den kroeskop van den retriever, die het -rijtuig aanblafte; en naast haar stond, hoog, een groote, oude man, -vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze reus, met zwaren baard -en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen -vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de -hertogin als bure—zonder den prins te kennen; de oude man echter zag -strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig ratelde voorbij. - -—Dat was Zanti... fluisterde de hertogin. - -—Zanti...! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier? - -—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond -achtten voor zijn dochter. - -—Dat meisje, was dat zijn dochter? - -—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te -zijn. - -—Prins Zanti, niet waar? - -—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court... Titels -zijn dwaasheid, Hoogheid, in de negentiende eeuw. - -Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet -waarom. Dat Zanti daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond -ze onheilspellend. Den kroonprins zag zij even snel, huiverend, van ter -zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken over zijn gelaat trok -als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te denken -aan dien akeligen man: - -—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U -goed gedaan... - -Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een -plotselinge emotie scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het -kasteel, in het boudoir, wilde de hertogin zelve den prins een kop thee -schenken. Hij stond te kijken naar buiten, naar de herten, maar, -terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel -bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—, -zijne oogen vergrooten, vreemd... - -—Wat heeft U, Hoogheid... riep ze verschrikt en trad nader. - -Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen. - -—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk... zoo te zijn, maar... -maar die man daar heeft me verrast...—hij lachte—, ik wist niet, dat -hij hier was, en dan de lucht... die ijle lucht... - -Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het -bloed scheen uit hem weg te loopen, en hij duizelde... - -—Hoogheid...!! riep ze. - -Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar -aangevallen; zij ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk -verschrikt, en ze zag, dat hij flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn -voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede leden, als stierven ze; -zijn mond was open, zonder adem. - -De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara -iets ernstigs overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde -in eens, dat Liparië’s toekomst aan den steun harer armen was -toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve in ongenade, aan -het Imperiaal... Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het -allereerste oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte -uitdrukking kwam op haar gelaat. Trots, dat de hertog van Xara daar -half flauw op haren schouder lag, en plotselinge passie waarin veel -moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd gevoel -in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld -voorhoofd af met haren zakdoek... En het vreemde gevoel werd vreemder -nog in haar, intenser in zijne beide elementen: intenser in trots, -intenser in medelijdende liefde: die eener minnares en moeder te zamen. -Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat van het -keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het -vocht scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd... Zij -dacht aan de brieven en portretten in het zilveren kistje met de -turkooizen. Een diepe weemoed om het leven vlijmde door hare ziel; nog -meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als asch. Toen, -zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en -ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed -opleven, drukte zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even -verwijlde zij er; hare oogen sloten zich; toen gaf zij haar zoen. - -Zij openden hunne oogen, te gelijkertijd, zagen elkaâr aan. Ernstig -somber, tragisch bijna flitste zij hare blikken in de zijne. Hij zeide -niets, bleef haar aanstaren, nog half in hare armen. De kleur welde -onder zijne wangen terug. Hunne oogen dronken elkaâr in. Hij voelde het -onbekende voor hem openwijken, zich ingewijd worden in de wereld van -kennis, die hij in haar ried en zelve niet wist. Maar hij voelde geene -vreugde er om: hare oogen bleven somber. Toen nam hij alleen hare hand, -drukte die even als eenige tegenliefkoozing, en sprak, de oogen, -onafgewend, in hare groote, stille, zwarte passieblikken, zijn gezicht -nog van verrassing strak: - -—Ik was wat duizelig, zoo even...? Ik vraag u excuus, mevrouw... - -Ze bleef hem ook aanzien, somber, nu glimlachend nederig. Haar trots -roeide in éen wiekslag op naar het heel hooge: den mond van haren -toekomstigen keizer zegelde nog haar zoen! Hare liefde aanraakte haar -in-leven zooals een waaiende bries over een meer strijkt, het met éen -enkel frisch geblaas geheel zilver rimpelend en bewegend tot in diepte -toe; zij aanbad hem om zijne jonge hoogheid, die zoo genadig aannam -haar zoen, zonder dien verder te erkennen, om zijne keizerlijke -naïviteit, zijne jongensstem, zijne jongensoogen, zijn handdruk: het -eenige, dat hij haar gegeven had; en het was in haar een zeer vreemd -trotsche wellust: het genot die naïve jeugd, die mannelijke -maagdelijkheid aan te zweemen, te beginnen in te drinken met hare -oogen, hare lippen en hare ziel, als tooverdrank, die haarzelve weêr -zoû geven hare jeugd. - - - - - -VII. - -Men dineerde dien middag laat, daar men gewacht had op Herman en de -anderen. De gesprekken aan tafel liepen over den toestand van het -platteland, over de boeren, die van alles beroofd waren. De hertogin -was stil; de conversatie interesseerde haar niet, maar hare stilte had -iets glimlachend rustigs. - -Dien avond bestudeerde Othomar met Ducardi weder de kaart, onder de -kanten lamp. De avond was koud geworden, de deuren van het terras waren -toe. De hertogin had geen lust tot biljarten, maar zij zat in den -tweeden salon zacht met Dutri te praten. Zij zag er prachtig uit, -placide als een beeld, in haar licht geel getint antiek kanten toilet, -de bloote borst regelmatig golvend over eene gelijke ademhaling; een -enkele star van brillanten in het haar van voren. - -Othomar wees met het potlood over de kaart. - -—Zoo kunnen we dan gaan, langs dien weg... Zie, generaal Ducardi, ziet -u eens hier, kolonel Von Fest, hier heb ik van middag getoerd met -mevrouw de hertogin en hier, geloof ik, woont Zanti. Wist u dat? - -De heeren keken op, zagen naar het punt, dat de kroonprins aanwees, -verwonderden zich. - -—Ik dacht, dat hij in het Zuiden woonde, in Thracyna! meende de jonge -graaf van Thesbia. Othomar vertelde, wat de hertogin hem gezegd had. - -—Zanti! riep Herman; Balthazar Zanti? O, maar dan is hij het...! Ik -sprak van middag met een troep boeren; ze vertelden me van de nieuwe -barakken, die een nieuw landeigenaar uit de buurt had laten opslaan, -maar ze spraken dialect, ik verstond ze niet goed; ik dacht, dat ze -Xanti zeiden, en dan dacht ik er niet aan, dat het Balthazar Zanti kon -zijn. Maar dan is hij het! - -—Barakken? vroeg Othomar. - -—Ja, een dorp van barakken, naar het scheen; ze spraken er van, dat hij -zoo rijk en zoo genereus was, en ik weet niet hoeveel boeren -huisvestte, die alles verloren hadden. - -—Ik meen nu wel in de couranten gelezen te hebben, dat Zanti in Vaza -was gaan wonen, zei Leoni. - -—Ik zoû die barakken wel willen zien, we kunnen er morgen aangaan, zei -Othomar. - -Generaal Ducardi fronste zijne borstelige brauwen. - -—U weet, Hoogheid, dat Zijne Majesteit allesbehalve op Zanti gesteld -is, en er zelfs over denkt hem te verbannen. Het zoû misschien meer in -den geest van Zijne Majesteit zijn, om wat Zanti hier doet, op dit -oogenblik maar te niëeren. - -Othomar voelde echter geen lust den generaal toe te geven; een jonge -strijdlust borrelde in hem op. - -—Maar generaal, iemands weldaden te niëeren in deze tijden, is noch -dankbaar, noch diplomatiek. - -—Ik ben overtuigd, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zijn kasteel -hier bewoonde, Zij Uwe Hoogheid speciaal zoû verzocht hebben zich -volstrekt niet in gemeenschap met dien man te stellen! sprak Ducardi -nadrukkelijk. - -—Ik ben hier zoo zeker niet van, generaal! sprak Othomar droog, en -geloof integendeel, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zóo veel -deed voor de slachtoffers van de overstrooming, Zijne Majesteit hem wel -wat liefhebberen in communisme vergeven zoû. - -Ducardi beet op zijn snor met een schuinen glimlach. - -—Uwe Hoogheid spreekt wel wat luchthartig over dat liefhebberen in -communisme. Zanti’s theorieën en praktijken zijn meer dan -dilettantisme... - -—Maar generaal, hernam Othomar zacht; ik begrijp heusch niet waarom -Zanti’s socialisme, op dit oogenblik, verhinderen moet, dat wij,—ik -herhaal op dit oogenblik—apprecieeren hetgeen hij doet, en ons moet -tegenhouden zijn barakken te bezoeken, terwijl we in Vaza komen om -alles omtrent de overstroomingen op te nemen... - -Ducardi keek hem aan, boos. Hij was het niet gewend, dat Zijne Hoogheid -zoo tegensprak. De anderen luisterden toe. De hertogin zelve, gelokt -door de discussie, waarin zij Othomars stem hoog op hoorde klinken met -jong gezag, was met Dutri nader gekomen, nieuwsgierig... - -—Het zoû toch minstens genomen geen kwaad kunnen die barakken even te -zien, dit moet ik mijn neef toegeven, generaal! sprak Herman van -Gothland, die plezier in Othomar kreeg. - -Ook Von Fest sloot zich overtuigend hierbij aan, rondweg, eerlijk, -meende het niet anders dan verplicht te zijn aan de slachtoffers, die -Zanti geborgen had. Iedereen zeide nu zijn opinie: Leoni vond het -onmogelijk, dat de kroonprins Vaza bezoeken zoû en die barakken niet; -het zoû zijn alsof Zijne Hoogheid bang was voor zoo een bullebak van -een Zanti. Dat Othomar Ducardi tegensprak, gaf hun allen grond om zich -schrap te zetten tegen den ouden generaal, die den tocht totnogtoe -geleid had met iets van militair autocratisme, dat hen vaak had -gehinderd. Zelfs Dutri, anders nog al onverschillig, voegde zich bij -hen, blagueerend, met glinsterende oogen, omdat Ducardi eens op zijn -plaats werd gezet. Hij knipoogde tegen de hertogin. - -En het waren alleen Siridsen en Thesbia, die op de hand van Ducardi -waren, weifelend, omdat de generaal zoo zeker wist, dat de wil des -keizers anders zoû luiden dan het verlangen van zijn zoon; Thesbia -vooral: - -—Ik begrijp niet, dat de prins zoo aandringt, fluisterde hij ontsteld -tot de hertogin. Ducardi heeft gelijk: u weet zelve toch, hoe de keizer -op Zanti gebeten is... - -De hertogin haalde glimlachend hare mooie schouders op, luisterend naar -Othomar, dien zij zich hoorde verdedigen, gesteund door uitroepen, -hoofdgeknik der anderen. - -—Nu, hoorde zij Ducardi droog antwoorden; als Uwe Hoogheid dan -volstrekt wil, dat wij er heen gaan, zullen wij gaan; ik hoop alleen, -dat Uwe Hoogheid zich altijd herinneren zal, dat ik het in dezen niet -eens met haar was... - -De hertog van Xara nu antwoordde hem lachend, na deze overwinning het -eerst den vrede aanbiedend, en was het in het geheele verdere plan, dat -op de kaart tot aan Lycilië werd voortgezet, geheel met den generaal -eens, met kleine vleiende intonaties van goedkeuring en hoogschatting -voor zijn doorzicht en practische blik... - -—Hij mag niet l’étoffe hebben voor een groot veldheer, fluisterde Dutri -tot de hertogin: er zal een aardig diplomaatje van hem groeien... - -Maar Ducardi was innerlijk zeer boos. Een oogenblik dacht hij er over -den keizer per geheime depêche zijn verlangen te vragen, maar verwierp -dit denkbeeld, daar het in het Imperiaal geen goeden indruk zoû maken, -zoo, in zulk eene schijnbare, kleinigheid, den hertog van Xara geene -vrijheid werd gelaten. Hij poogde dus slechts den volgenden morgen -Othomar nog eens het bezoek te ontraden, de prins echter bleef er bij. - -—Is u dan zoo tegen dat bezoek, generaal? vroeg Von Fest. Is het dan -eigenlijk niet meer dan redelijk? - -—U kent niet de antipathie van Zijne Majesteit voor dien man, kolonel! -antwoordde de generaal. Zooals ik u al zei, Zijne Majesteit denkt er -over hem te verbannen en zal dat zeker doen, als Zij hoort, dat hij -zich nu op zijn kasteel heeft opgesloten, zeker met het doel de boeren -op te ruien, zooals hij, in de steden, de arbeiders heeft opgeruid. Die -man is een gevaarlijk dweper, kolonel, gevaarlijk vooral, omdat hij -geld heeft om zijn utopieën in praktijk te brengen. Hij stookt den -minderen man op, zijne militaire verplichtingen niet na te komen, omdat -er staat geschreven:—“Gij zult niet doodslaan.” Het huwelijk vindt hij -een onnoodig sacrament, en ik heb gehoord, dat zijne volgelingen -eenvoudig bij hem komen, en hij ze zelve trouwt, met een soort van -zegen, die ook alweêr steunt op een tekst... ik weet niet meer welken. -Telkens schrijft hij socialistische brochures, die aangehouden worden, -en houdt hij opruiende redevoeringen. En die man is zelfs candidaat -gesteld voor het Huis der Standen. - -—Iemand, die zijn titel afzweert, lid van het Huis der Standen! -glimlachte Von Fest. - -—O, die inconsequenties wemelen in zijn leer, bromde Ducardi. Hij zal u -natuurlijk zeggen, dat zoolang er niets beters is dan het Huis der -Standen, hij dan maar van het Huis der Standen lid wil zijn! En van wat -zoo een man doet, wil de kroonprins notitie nemen! - -Von Fest haalde zijn schouders op. - -—Laat hem, generaal. De prins is jong. Hij wil weten en zien. Dat -bewijst voor hem. - -—Maar... de keizer zal het nooit goed vinden, kolonel! donderde de -generaal met een vloek. - -Weêr haalde Von Fest de schouders op. - -—Ik zoû het hem toch niet meer afraden, generaal. Als de prins iets -wil, laat hem dan maar willen, dat zal hem goed doen... En krijgt hij -daarna een standje van zijn vader, dan zal hem dat ook goed doen, -bijwijze van reactie. - -Ducardi zag hem vlak aan. - -—Wat vindt u van onzen prins? vroeg hij op den man af. - -Von Fest zag den generaal, glimlachend, terug aan vlak in de zoekende -oogen. Hij was eerlijk van natuur en oprecht, maar genoeg hoveling om -zich te kunnen verbergen, als hij dit noodig oordeelde. - -—Een allercharmantste jongen, antwoordde hij. Maar het leven, of liever -hijzelf, zal nog veel aan hem moeten vervormen, om hem straf te doen -staan... voor later. - -De officieren begrepen elkaâr. Ducardi blies een zwaren zucht uit. - -—Ja, er zullen moeilijke tijden komen, sprak hij, met een vloek. - -—Ja, antwoordde de Gothlandsche kolonel eenvoudig. - -De prinsen waren in den binnenhof opgestegen; men reed langs den -zelfden weg, dien Othomar den vorigen middag met de hertogin getoerd -had en langs het kasteel van Zanti. Leoni was te weten gekomen waar de -barakken lagen; zij reden nog een half uur; de bergen begonnen te -wijken, de weg slingerde zich met bocht op bocht onder de trappelende -hoeven der paarden. Eensklaps breidde aan den horizont de Zanthos zich -uit: het breede vlak van uitgestort water, éen groot meer onder de -wijde tintellucht van voorjaar. - -—Daar zullen ze zijn! wees Leoni. - -Zijn vinger wees een gehucht aan van lange houten gebouwen, -klaarblijkelijk frisch gebouwd, naar nieuw hout riekend in de -aanwaaiende morgenbries. Toen zij nader reden, zagen zij timmerlieden, -metselaars: eene geheele werkplaats vol bedrijvigheid vertoonde zich, -hoopen roode baksteen, stapels lange planken. Er klonk gezang, met -vromen klank, als van psalmen. - -Ducardi, steeds gewend vóór te rijden, aan de linkerzijde van den -kroonprins, hield zijn paard met bedoeling in, liet de anderen hem -inhalen; Othomar merkte, dat hij hier niet door wilde. Hij vond den -generaal kleingeestig en, tot Thesbia: - -—Vraag of Zanti hier is... - -De ordonnans-officier wendde zich met de vraag tot een soort opzichter. -Niemand der werklieden had gegroet; de adjudanten weifelden of zij den -kroonprins herkend hadden. Ja, Zanti was er. Eenvoudig “Zanti”. Goed, -hij zoû hem roepen. - -De man ging. Het duurde lang. Othomar, te paard wachtende met de -anderen, begon zijne houding reeds moeilijk te vinden, verloor zijn -tact, nam zijne stijve strakheid aan, praatte gedwongen met Herman. Hij -vond, dat het moeilijk was te wachten, als men dit totnogtoe nooit -gedaan had. Hij werd er zenuwachtig van, maakte ook zijn paard, met -coquette kopbeweging aan de teugels trekkend, zenuwachtig en dacht er -al aan, maar voort te gaan... - -Maar Zanti, met den opzichter, die hem geroepen had, kwam juist aan, -langzaam, zich volstrekt niet haastende. Hij keek uit de verte onder -zijne hand naar de groep officieren te paard, die schitterden; bleef -staan; vroeg nog iets, aan den opzichter; keek weêr. - -—Onhebbelijke vent! mompelde Thesbia. - -De ordonnans-officier reed hem driftig tegemoet, sprak hoog van zijne -Keizerlijke Hoogheid, den Hertog van Xara; de hertog wenschte de -barakken te zien. - -—Het zijn geen barakken, sprak Zanti norsch tegen. - -—Wat dan? vroeg de ordonnans-officier uit de hoogte. - -—Woningen, antwoordde Zanti droog. - -Thesbia haalde geërgerd de schouders op. Maar de kroonprins zelve was -nadergereden, salueerde Zanti, zonder dat deze hem eenigen groet gegund -had. - -—Vergunt Uwe Excellentie, dat wij een blik slaan op wat Zij doet voor -de slachtoffers der overstroomingen? vroeg hij beleefd, zacht, -innemend. - -—Ik ben geen Excellentie, mopperde de grijsaard; maar als u wil kijken, -mij goed. - -—Heel gaarne, antwoordde Othomar een beetje hoog; maar niet anders dan -met geheel uw goedvinden. U staat als meester op uw grond en zoo ons -bezoek u niet welkom is, zullen wij u niet onze aanwezigheid opdringen. - -Zanti zag hem aan. - -—Ik herhaal het, als u kijken wil, is het goed. Maar er is niet veel te -kijken. Alles is zoo eenvoudig. Wij maken geen geheim van wat we doen. -En de grond behoort mij niet toe, die is eigendom van hun allen. - -Othomar steeg af, de anderen volgden; Leoni en Thesbia vonden met -moeite, voor een fooi, een paar jongens, die op de paarden zouden -passen. - -Othomar en Herman waren reeds met den ouden man voortgegaan. - -—Ik hoor, dat u veel goed doet, om de ellende van de overstroomingen te -lenigen, sprak Othomar. - -—De overstrooming is geen ellende. - -—Geen ellende! vroeg Herman verbaasd. Wat dan? - -—Een gerechte straf des hemels. En er zullen meerdere straffen komen. -De tijden zijn zondig. - -De prinsen zagen elkaâr aan, met een snellen blik; zij begrepen, dat -het gesprek niet zeer vlot zoû gaan. - -—Maar de zondigen die de hemel straft, helpt u toch, meneer Zanti! -sprak Herman. Want al die barakken...! - -—Zijn geen barakken. Schuren, werkplaatsen, ook tijdelijke woningen. -Het wordt hier een nederzetting, zoo God het wil. Om eenvoudig te leven -in den arbeid. Het leven is zoo eenvoudig, maar de menschen hebben het -zoo vreemd en ingewikkeld gemaakt. - -—Maar u neemt toch boeren op, die alles verloren hebben door de -overstrooming? hield Herman vol. - -—Ik neem ze niet op. Als ze hunne zonden voelen, komen ze naar me toe -en ik red ze van den ondergang. - -—En komen ze ook niet naar u toe, zonder hun zonden te voelen, maar -omdat ze voelen, dat ze eten en logies zullen krijgen voor niets? - -—Ze krijgen geen eten en logies voor niets, ze werken hier, meneer! -sprak de oude man; en misschien beter dan u, die met een uniform -rondloopt... Ze krijgen hun loon naarmate ze werken, uit de -gemeenschappelijke kas. Ze bouwen hier en ik bouw met ze meê. Ziet u -dien boom hier en die bijl; dien boom was ik bezig te hakken, toen u me -storen kwam. - -—Een flinke lichaamsbeweging! zei Herman; u lijkt me een krasse man! - -—U zegt dus, dat u hier een nederzetting vormt? vroeg Othomar. - -—Ja meneer. De steden zijn het verderf, het landleven maakt rein. Hier -kunnen ze wonen; verder-op ligt bouwland, dat ik ze geef, en weiland; -vee zal ik voor ze koopen. - -—Dus u poogt hier eenvoudig boeren te werven, sprak Herman. - -—Neen meneer! antwoordde de grijsaard barsch. Ik werf hier geen boeren: -ze zijn mijn boeren niet. Ze zijn hun eigen boeren. Ze werken voor hun -eigen, en ik ben eenvoudig boer, zooals zij. We zijn allen gelijk... - -—U is eenvoudig boer, herhaalde hem de prins Herman; maar u woont toch -in een kasteel. - -—Neen, jonge man, antwoordde Zanti; ik woon in geen kasteel; ik woon -hier; mijn dochter woont daar alleen. Ze is ziek... Ze zoû niet kunnen -tegen een verandering van levenswijze, tegen ontbering. Maar lang zal -ze niet leven, mijn kind... - -Hij hield even op, zag de prinsen beurtelings schuin, bijna angstig, -aan. - -—Ze is mijn eenige zwakte, geloof ik, verontschuldigde hij zich met een -weeke stem. Ze is mijn zonde: voor haar heb ik dokters genomen en -vertrouw ik op wat ze zeggen en voorschrijven. Ziet u, ze zoû niet -kunnen: mij volgen in alles; want ze heeft het verleden te veel in haar -arm bloed. Ze heeft behoefte, levensbehoefte, aan een kasteel, aan -gemak. Daarom laat ik haar daar... Maar ze zal niet lang leven... En -dan verkoop ik het en deel ik mijn geld, geheel en al, onder hen -allen... Ziet u, dat is zoo mijn zwakte, mijn zonde: ik ben maar een -mensch... - -De prinsen zagen hem geroerd worden; zijne handen trilden. Toen meende -hij zeker, dat hij al te veel, te lang, met hen gesproken had over wat -hem ’t innigste aan zijn hart lag: zijne zonde. En hij wees hun de -gebouwen, verklaarde ze hun... - -—Ik las enkele van uw brochures, meneer Zanti, sprak de kroonprins. -Brengt u hier in toepassing uw idee omtrent het huwelijk? - -—Ik breng niets in toepassing, bromde de grijsaard weêr tegen. Ik laat -ze allen vrij. Willen ze voor uw wet trouwen, dan kunnen ze het doen, -maar komen ze bij mij, dan zegen ik ze, en laat ze gaan in vrede, omdat -er geschreven staat: Wederom zeg ik u: indien er twee van u -samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen -begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in de -Hemelen is... Want wanneer twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, -daar ben ik in het midden van hen... - -—En waarmeê beheerscht u zoo veel volgelingen? vroeg Herman. - -—Ik beheersch niet, meneer! donderde de oude man, zijn vuisten ballend, -zijn gezicht rood van woede. Ik ben niet meer dan zij allen. De vader -heeft het gezag in zijn eigen huisgezin, en de oude mannen geven raad, -omdat ze ondervinding hebben, en dat is alles. Het leven is zoo -eenvoudig... - -—Zooals u het zich voorstelt, maar niet zooals het in werkelijkheid is, -wierp Herman tegen. - -Zanti zag hem boos aan, stond stil om beter te kunnen praten en -driftig, hevig, riep hij uit: - -—En vindt u het in werkelijkheid beter, dan ik het me voorstel? Ik -niet, meneer, en ik hoop mijn voorstelling werkelijkheid te zullen -maken. U en de uwen hebben ook eens, eeuwen geleden, uwe voorstelling -werkelijkheid gemaakt: nu is de beurt aan anderen, uw werkelijkheid -heeft lang genoeg geduurd... - -Othomar, hoog, wilde iets tegen zeggen: de oude man wendde zich echter -in eens tot hem, zacht maar stroef, met zijne doordringende -dwepersstem, die Othomar huiveren deed: - -—Met u, meneer, heb ik medelijden! Ik haat u niet, al denkt u dit -misschien. Ik haat niemand. Hoe ouder ik geworden ben, hoe minder ik -heb leeren haten, hoe meer zachtheid er in mij gekomen is. Ziet u, ik -hoor iets in uw stem en ik zie iets in uw oogen, dat me... aantrekt, -meneer. Ik zeg het u ronduit; het is misschien heel dwaas van me zoo -iets te zeggen tot mijn aanstaanden keizer. Maar het is zoo: iets in u -trekt me aan. En ik heb medelijden met u. Weet u waarom? Omdat de -tijden zullen komen! - -Hij wees met den vinger in eens naar boven, verrassend plechtig; -vervolgde: - -—De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt, als -uw vader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal -ze! En daarom heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde -hebben voor uw volk. Geen genoeg liefde om te zeggen: Ik ben als jullie -allen en niets meer. Ik wil niets meer bezitten dan jullie allen, want -ik wil geen overvloed als jij honger lijdt. Ik wil niet over je -heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie allen en niet -menschelijker. Is u menschelijker? Als u menschelijker was dàn zoû u -mogen heerschen, ja dan, dan... Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u -nooit voor uw volk hebben, om te doen dat alles, o, en meer nog, meer. -Heerschen zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren. Maar de tijden -zullen komen! Daarom heb ik medelijden met u,... al moest ik het ook -niet hebben. - -Othomar was bleek geworden; zelfs Herman huiverde even. Het was meer om -de orakelstem van den man, die hunner vorstelijkheid het noodlot -voorspelde, dan om zijne woorden. Maar Herman schudde zijne huivering -af en boos, hoog: - -—Ik kan niet zeggen, dat u hoffelijk is tegen uw gasten, meneer Zanti, -ik zal maar niet eens spreken van Zijne Keizerlijke Hoogheid... - -Zanti zag Othomar aan. - -—Vergeef me, sprak hij. Ik sprak zoo om uw bestwil. Uw oogen zijn als -die van mijn dochter. Daarom sprak ik zoo. - -Herman schaterde. - -—Dat is zeker een geldige reden, meneer Zanti! - -Othomar echter knikte hem, niet verder op gekscherenden toon door te -gaan en deed ook met een blik de adjudanten zich bedwingen, die in -woordelooze verontwaardiging Zanti’s orakel hadden opgevangen: de man -had bijna fluisterend tot Othomar gesproken. Zijn laatste woorden, -waarin emotie klonk, brachten die verontwaardiging echter in -verwarring, stilden hunne boosheid, deden hun den profeet beschouwen, -als een halven gek, wien de kroonprins zoo genadig was zijne -majesteitschennis niet kwalijk te nemen. En de officieren zagen elkaâr -aan, trokken de wenkbrauwen op, de schouders. Dutri grinnikte. Othomar -vroeg kalm aan Zanti of zij niet door zouden gaan. - -De nederzetting was zeer in den beginne; toch begonnen enkele kleine -boerenwoningen te verrijzen; kastanjeboomen werden omgekapt; er waren -honderde boeren bezig. - -De groep van officieren wekte groote nieuwsgierigheid; men had de -prinsen herkend. Bijna overal staakte het volk hun werk, zag het de -uniformen na. - -De prinsen en hun gevolg voelden instinctmatig, dat er een vijandige -stemming door de boeren van Zanti voer. Deden zij hier en daar een -vraag, naar de geleden ellende, het antwoord klonk ruw, kort, met eene -verwijzing naar den wil Gods, en was steeds als een naklank van Zanti’s -eigen woorden. Geldelijke hulp was hier niet te verleenen. Te laten -zien had Zanti eigenlijk niets. De nederzetting viel Othomar tegen, -misschien om iets van gekrenkte vorstelijkheid; gewend steeds met -eerbied genaderd te worden als toekomstige majesteit, kwetste de -ruwheid van Zanti, de stuurschheid zijner boeren zijne teêrgevoeligheid -meer, dan hij zich wilde bekennen. Hij voelde, dat men op deze plek den -kroonprins niet in hem zag, die zijn volk liefhad en wilde leeren -bijstaan, maar wel den zoon van een dwingeland, die op zijne beurt eens -dwingen zoû. Hij voelde, dat al noemde Zanti zich den apostel van den -vrede, die vrede niet was onder zijne discipelen; en toen hij zag in -hunne ruwe, sombere gezichten, zag hij de haat rood opflikkeren uit -holle, diepe oogen, als met plotselinge bliksems... - -Zwaar vielen de centenaren hem op zijne borst, drukte zijn onmacht hem -met een wereld van, niet te ledigen, ellende en ontroostbare smart op -de schouders als naar den grond toe. De ellende en smart niet van een, -maar van duizenden, millioenen. De haatdragende oogen vermenigvuldigden -zich in een gewemel van haat om hem heen; ieder van zijn volk, die het -geluk van hem vroeg, van hem eischte, en niet ontving, scheen hem daar -met zulke groote oogen aan te staren... - -In eene wijde, onmetelijke hopeloosheid voelde hij zich duizelen. Hij -verwachtte niets meer, het was het einde. En het verwonderde hem niet -wat er gebeurde. De man met het verwrongen, harigbruine gezicht, die, -als een nachtmerrie, op hem toestortte, hem aangreep, vol haat. Een -vuile tabaksadem zwalmde over zijn gezicht, een grof mes blikkerde in -een grove vuist naar zijn hals toe... - -Een geroep was opgegaan. Een schot knalde, kort, beslist, zonder zweem -van aarzeling. De man vloekte een schorren kreet uit, knarsende van -onwil, en spartelde tegen, stervend. Zijne hersens spatteden uiteen, -over Othomar heen, bezoedelden den prins de uniform. En aan zijne -voeten was de man reeds op den grond neêrgekwakt, oogenblikkelijk slap, -spierloos, het mes nog in de kramp van de harige vingers geklemd; dat -was alles gebeurd in één oogenblik. - -Het was Von Fest, die met een revolver het schot gelost had. De kolonel -richtte zijn breede figuur op, zag om zich heen, den revolver nog -schuin geheven, dreigend in de vuist. Het volk staarde, bewoog zich -niet, verwezen door de plotselinge werkelijkheid vóór hen. - -Zanti, wezenloos, tuurde naar het lijk; toen sprak hij—de officieren -ontsteld, druk, in verwarring om den prins heen—: - -—Gaat nu, en zoo het kan, gaat in vrede...! - -Vol bitterheid wees hij op het lijk. Hij schudde het hoofd met de -grijze manen onder den vilten hoed; tranen sprongen in zijne ooghoeken -op. - -—“Gij zult niet doodslaan...” hoorden zij hem mompelen. Zij schijnen -dat nog niet te weten; niemand nog weet het...! - -Een vreemde blik, vol krankzinnigheid, werd troebel in zijne, anders -heldergrauwe, oogen, hij scheen een oogenblik niet te weten wat hij -doen zoû. Toen liep hij naar een boom, nam de bijl op, en zonder op de -prinsen meer acht te slaan, begon hij te hakken, als een razende, slag -op slag... - -De officieren hadden zich naar hunne paarden gehaast. Dutri keek nog -achterom; bij het lijk, waar de boeren nu om heen kwamen staan, zag hij -een vrouw; ze snikte, wierp hare armen vol wanhoop uit naar den hemel, -brulde, balde de vuist tegen het omgewende gelaat van den adjudant, -schreeuwend. - -Othomar had niets gezegd. Achter hem hoorde hij de vrouw brullen. Hij -trilde in iedere zenuw. Op den weg, klaar om op te stijgen, vroeg -Ducardi hem ontroerd: - -—Wil u naar Castel Vaza terug, Hoogheid? - -De prins zag den generaal hoog aan. Vlug door hem heen schoot de -gedachte, dat de generaal er zeer tegen was geweest hier te komen. Hij -knikte van neen. Toen zochten zijne oogen Von Fest; onder door de -wimpers op keken ze den kolonel aan, diep zwart, vochtig, bijna met -verwijt. - -Maar hij stak de hand uit. - -—Ik dank u, kolonel, sprak hij met een heesche stem. - -De kolonel drukte de hand van den prins. - -—Tot Uw dienst, Hoogheid! antwoordde hij, militair kort. - -—En nu, laat ons nu doorgaan naar den Zanthos, sprak Othomar en naderde -zijn paard. - -Maar de oude generaal was zich niet meer meester. In deze laatste -oogenblikken had hij gevoeld heel de hartstochtelijke liefde—hem -erfelijk in het bloed gekiemd, één met hem, zijne ziel zelve, en die -ziel alleen, uit één stuk—voor zijn vorstenhuis. Zijne vaders waren er -voor gesneuveld, zonder aarzeling. En met de dolwijde omhelzing zijner -lange, krachtige oude armen, liep hij op Othomar toe, dankbaar, dat hij -leefde, drukte hem aan zijn borst te pletter, tot zijne uniformknoopen -schramden aan Othomars wang, en riep, snikkend, onder zijn trillende -snorbaard, uit: - -—Mijn prins, mijn prins, mijn prins...! - - - - - -VIII. - -De aanslag op Othomar was op Castel Vaza reeds bekend, vóor de prinsen -terug waren, door boeren van den hertog, die aan de bedienden van het -kasteel lange verhalen hadden gedaan, dat de prins zwaar gewond was. De -hertogin had eerst niet willen gelooven; toen, in stijgenden angst, in -de grootste spanning en onzekerheid rondgeloopen door de galerijen. Zij -had zich eerst willen wijs maken, dat het volk wel overdrijven zoû. -Toen zij bedacht, dat de prinsen en de adjudanten in het geval, dat -Othomar verwond was, dadelijk zouden terug zijn gekomen, werd zij -rustiger en wachtte af. - -De intendant echter, die naar Vaza geweest was, kwam ontzet terug: in -de stad maakte men zich zeer ongerust, verdrong men zich aan de deuren -der courantenbureaux, voor de bulletins, die den aanslag kort -vermeldden, met de tergende bijvoeging, dat bizonderheden nog -ontbraken. De hertogin begreep, dat op dit oogenblik het bulletin ook -naar Lipara geseind was, en zij vreesde zoowel, dat Othomar een onheil -was overkomen, als dat zij zelve in ongenade zoû vallen bij de -keizerin... - -Toen de hertogin eindelijk, lang turende, uit een venster der -westelijke galerij, de prinsen en hun gevolg op den verren weg, klein, -zag aandraven, kon zij zich niet inhouden, ging zij hen tegemoet in den -hof. Zij zag echter Othomar ongedeerd. De hertog van Xara steeg af, gaf -haar de hand, glimlachte; zij kuste die, nijgend, met vuur; hare tranen -vielen op ze neêr. De opperintendant trad nader, betuigde Othomar uit -naam van alle dienaren van den hertog, hunne innige dankbaarheid, dat -de Hertog van Xara gespaard was gebleven, door de genade Gods en den -bijstand van St. Ladislas. - -Ducardi had nergens eerder kunnen telegrafeeren, maar zond nu ijlings -naar Vaza, eene depêche aan den keizer, tevens vermeldend, dat de prins -dadelijk na den aanslag kalm den voorgenomen tocht vervolgd had. Het -diner werd in een gewar van stemgeluid gebruikt; de hertogin was zeer -opgewonden, vroeg naar de minste bizonderheid, en omhelsde bijna Von -Fest. De kroonprins dronk op zijn redder en allen brachten hem hulde. - -Daarna ried Ducardi,—in stilte—den kroonprins aan zich vroeg ter ruste -te begeven. De generaal sprak met eene teedere stem, het scheen of de -gedachte, dat hij zijn kroonprins verliezen kon, hem dezen meer had -doen liefhebben. Ook Herman drong er bij Othomar op aan. - -Hij zelve was kalm geworden, maar had iets mats over geheel zijn wezen; -met eene vreemde stem van matheid zelfs had hij Von Fest toegeklonken. -Hij volgde nu hun raad op, trok zich terug, kleedde zich uit; zijn -bezoedelde uniform, die hij vóór het diner reeds verwisseld had, hing -nog over den stoel; hij huiverde ervan die een geheelen middag gedragen -te hebben. - -—Dat ding! sprak hij tot Andro, die nog geheel in de war was, en, van -zenuwachtigheid schreiend, opruimde; verbrand het of gooi het weg, gooi -het weg... - -In zijn kamerrok wierp Othomar zich neêr op een bank in den salon, die -grensde aan zijne slaapkamer. Eveneens een historisch vertrek; gobelins -aan den wand met tafereelen uit Liparië’s historie: keizer Berengar I -zegevierend Jeruzalem binnenrijdend met zijne, witte vanen heffende, -kruisvaarders; keizerin Xaveria, goudgeharnast te paard voor Altara’s -muren, stervende vallend achterover, getroffen door een Turkschen -pijl... - -De prins lag naar ze te staren. Eene doodkalmte scheen hem niets te -doen voelen, zich niets te doen aantrekken. Bij zichzelve ging hij -geheel de geschiedenis na van Berengar tot Xaveria toe. Hij wist de -jaartallen; de tafereelen wolkten voor hem als schoven er gobelins, -caleidoscopisch, met de verbleekte kleuren van oud kunstwerk. Hij zag -zichzelven terug, een kleine jongen, in het Imperiaal, in een strenge -kamer, ijverig leerende; hij zag zijne meesters, die zich afwisselden: -talen, historie, staathuishoudkunde, volkenrecht, strategie; het had -zich alles gehoopt op zijne jonge hersenen, zich opgestapeld, zich -opgebouwd als een toren. Tot afwisseling zijne militaire opvoeding: -exerceeren, paardrijden, schermen, geleid door generaal Ducardi, die -hem prees of op hem bromde, of mopperde op de onder-officieren, die hem -leerden. Rekenen had hij nooit kunnen leeren, van algebra nooit iets -begrepen; in vele vakken was hij altijd zwak gebleven; in natuurkunde -en scheikunde bijvoorbeeld. Veel pleizier had hij een tijd gehad in -mineralogie, in zoölogie en botanie, en later had hij gedweept met -sterrenkunde. Daarna de hoogeschool en zijne juridische studiën... - -Hij herinnerde zich zijne kleine trotsjes van kind en van jongen, toen -hij, negen jaar oud, luitenant was geworden van de Garde van den Troon; -toen hij later de Orde van den Kouseband had gekregen van de koningin -van Engeland en den Zwarten Adelaar van den Duitschen keizer, en het -Gulden Vlies van de Regentes van Spanje. In zulken kleinen trots had -zich dan altijd zekere angst gemengd, van mogelijke verplichtingen, die -de Kouseband of de Adelaar zouden meêbrengen: verplichtingen, die hem -vaag voor oogen warrelden, die hij niet dorst uitbeelden en nog minder -vragen aan Ducardi, of zijn vader. Langzamerhand was die dreiging van -verplichtingen zoo zwaar geworden, en nu, nu waren het de centenaren. - -De centenaren. Maar hij bewoog zich niet, vreemd kalm. Toen dacht hij -terug aan Von Fest, aan de hertogin... Gisteren haar zoen... Flauw had -hij gelegen op haren schouder en ze had hem gezoend en lang aangezien -met hare passieblikken. Wat vertelden de adjudanten al niet... - -Toen kwam het als met een woeste golf tot hem, bruisend over zijne -doodkalmte heen...! - -Waarom had die man hem gehaat, hem willen vermoorden, hem willen -slachten als een beest...? Trots trilde in hem op, trots en wanhoop. -Die man had hem aangeraakt, bezoedeld met zijn adem, hem, den -kroonprins, den Hertog van Xara. Hij knarste met de tanden van woede... -Dàt zoû Berengar I zich niet hebben laten doen! Den kop af, den kop -af... O, dat plebs, dat niet wist, dat niet voelde, dat tegen hem -opdrong, als schuim warrelde aan hun troon, dat zijne moeder beängstte, -hoe trotsch ze ook er over heen zag, keizerlijk kalm, in de verte... - -Hoe hij het haatte, het haatte, met al den haat, oh! van zijn ras voor -wie nu vrij waren en eens toch hunne slaven! Hoe hij er onder zoû laten -schieten, later zoû laten schieten... - -Hij zag naar Xaveria; zelve werd ze geschoten, de fiere strijdster; -achterover viel ze, verwond door den pijl van een Turksch soldaat. En -hij, dien morgen, als niet Von Fest... - -Woest gooide hij zich achterover, begroef hij zijn gezicht in zijne -handen en snikte. Neen, neen, o neen! Niet schieten, niet dooden, niet -haten! Zóó was hij niet, zoo kon hij misschien één oogenblik zijn, maar -zoo wàs hij niet! Hij hield van zijn volk: hij was zoo dankbaar als het -jubelde, als hij het helpen kon. Hij zoû immers nooit op ze laten -schieten! Hij wond zich nu maar op. Wat was er in zijne ziel iets -anders voor hen allen, voor die millioenen, waarvan hij er misschien -maar duizenden gezien had en maar honderden kende, dan éene groote -liefde, die overal armen naar hen uitsloeg, om ze te omhelzen? Had hij -dit niet gevoeld, daar in den zwarten nacht op het Therezia-plein? -Waren haat en geweld voor hem? Neen, o neen; week was hij, misschien tè -week, te weifelend, maar hij zoû ouder, hij zoû sterker worden; hij zoû -willen willen, àllen zoû hij gelukkig maken. O, zoo ze maar van hem -hielden, hem liefhadden met hunne groote massa van deinende, zwarte, -schuimende menschenmenigte: zwarte melkweg van krioelende zielen, -iedere ziel een vonk als zijne eigene; o, zoo ze hem maar liefhadden! -Maar zij moesten hem niet haten, niet aanzien met zulke -bloeddoorschoten oogen van haat, niet zulke grove, harige vingers slaan -aan zijn hals, hem niet willen vermoorden, o God, willen slachten als -een rund, met een gemeen mes, hem, hun aanstaanden vorst...! - -En hij voelde, dat ze hem niet hoorden en niet kenden en niet begrepen -en niet liefhadden, die allen, en dat ze hem haatten, alleen uit -instinct, omdat hij op hun troon geboren was! - -En zijne wanhoop, hierover, mat zich uit, grenzenloos, woestijn van -zwarten nacht, die hij eeuwigheden ver om zich heen ried, en hij -snikte, snikte, als een ontroostbaar kind, omdat dit zoo was, en -wanhopiger worden zoû, iederen dag, die hem nader brengen zoû zijn -toekomst van keizer en hùn toekomst: de treurige dag, die over eene -verwoesting van oude wereld lichten zoû... - -Toen werd er geklopt aan eene kleine deur, die deur zacht -opengemaakt... - -—Wie is daar? vroeg hij, verschrikt, voelende den inbreuk op etiquette; -niet begrijpende, dat Andro door de antichambre niet kwam aankondigen, -wie het ook zijn mocht. - -—Als Uwe Hoogheid vergunt... - -Hij herkende de zachte stem der hertogin, stond op, ging naar de deur. - -—Kom binnen, mevrouw... - -Zij kwam binnen aarzelend; voor de kille gangen van het kasteel had zij -over haar gedecolleteerde borst een langen mantel omgeslagen... - -—Vergeef mij, Hoogheid, als ik inbreuk maak... als ik U stoor... - -Hij glimlachte, zeide van neen, verontschuldigde zijn kostuum, verrast, -gestreeld... - -Zij zag, dat zijne oogen nat dreven. - -—Ik ben onbescheiden, sprak ze: maar ik kon het niet laten; ik wilde -voor mij zelve weten, hoe U was, Hoogheid... Misschien heb ik U ook -willen verrassen, ik weet het zelf niet. Iets drong mij... ik kon niet -nalaten naar U toe te gaan. U is mijn gast en mijn kroonprins; ik -smachtte er naar zelf te zien, hoe U was... Aan het diner hield Uwe -Hoogheid zich goed, maar ik voelde... - -Hare stem vloeide zacht eentonig voort, als in druppelen van balsem. -Hij vroeg haar te gaan zitten; zij deed zoo, hij zette zich naast haar; -de donkere mantel gleed af en zij was prachtig, de borst bloot, sirene -in haar parelmoêrachtig lichtgroen moiré. Het trof hem, dat zij de -juweelen, die zij aan het diner gedragen had, al had afgelegd. - -—Ik woû stil tot U komen, door die deur daar, hernam zij; om U nog -eens, tot U alleen, te zeggen hoe innig dankbaar ik ben, dat Uwe -Hoogheid behouden bleef... - -Hare stem trilde; hare zwarte blikken werden vochtig; de schijn der -groote kaarsen op zilveren luchters waterde over de zijde van haar -toilet, speelde met zacht licht en dommelige schaduw in de modelleering -van haar gelaat, in de glooiing van hare borst. - -Hij drukte hare hand; zij hield die vast. - -—Uw Hoogheid schreide, toen ik binnenkwam? vroeg ze zacht. - -Zijne tranen liepen nog; een snik schokte nog zijn lichaam omhoog. - -—Waarom? vroeg zij verder. Of ben ik onbescheiden...? - -Hij zag haar aan; in dit oogenblik had hij haar alles kunnen zeggen. En -zoo hij zich inhield, gaf hij haar toch de essence zijner smart. - -—Ik was treurig, sprak hij, omdat ze mij schijnen te haten. Niets maakt -mij zoo treurig, als hun haat. - -Zij zag hem lang aan, voelde zijn verdriet, begreep hem met haren tact -van vrouw, met haar begrip van hovelinge, dat gerijpt was in de -onmiddellijke nabijheid harer vorsten. Zij begreep hem: hij was de -kroonprins, hij moest lijden zijn bizonder kroonprinselijk leed; een -keizerskelk van smart moest hij ledigen. Het heugde haar, dat zij zelve -geleden had, zoovele malen en zoo hevig, om liefde, vrouw van passie, -die ze was; ze begreep, dat zijn leed anders was dan het hare, maar -ontzettender zeker, daar het hem zoo jong al aangreep, en daar het niet -was om zijn eigen éene ziel, maar om de millioenen zielen van zijn -rijk! Ook zij had geleden, dat men haar niet liefhad; ook hij leed zoo. -En zoo begreep ze hem, in éen oogwenk geheel en al, met geheel haar -vreemd vrouwehart. - -Een trillend medelijden klom als nog niet gekende wellust haar op de -borst, en als een innig zacht orakel sprak ze de woorden: - -—Ze haten U niet allen... - -Hij herkende hare sombere passieblikken van gisteren. Hij herinnerde -zich haar zoen. Hij zag haar lang aan, even weifelend nog voor het -onbekende. Toen breidde hij zijne armen uit, en als met een doffen -schreeuw van wanhoop, schor van honger naar troost, riep hij haar tot -zich in radeloosheid... - -—O, Alexa... - -Zij glimlachte eerst, glansde, wierp zich toen geheel in zijne jonge -armen, verpletterde hem daarna aan hare bloote borst. Zij voelde zich -als een maagd en als eene moeder samen. Maar toen hij zich vastklampte -in wilde wanhoopspassie aan haar, voelde zij zich niets dan minnares. -Ze wist, dat hij hare laatste liefde zoû zijn. Ze was er trots -weemoedig om en helsch gelukkig. Als hagel kletterden hare zoenen op -zijne oogen neêr... - -En in hunne liefde, dien nacht, mengden zij samen den alsem van wat zij -beiden leden: elk zoekende den troost voor het leven in den ander. - - - - - -IX. - - Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid - Othomar, Hertog van Xara, te Lycilië. - - Lipara, Imperiaal, April 18.. - - Mijn lieve Broêr! - -Voor die vervelende couranten het je vertellen, wil ik je zeggen, dat -onze geëerbiedigde Vader en Keizer, mij van morgen, op mijn tienden -verjaardag, tot ridder van St. Ladislas geslagen heeft in de Ridderzaal -van het paleis. Je begrijpt, hoe trotsch ik er op ben. Van de -plechtigheid zal ik je maar niets vertellen, omdat je je die nog wel -herinneren zal. Ik was zeer aangedaan, zoo tusschen al die groote -ridders met hun lange, blauwe mantels, naar onzen Vader toe te wandelen -en te knielen voor zijn troon; ik had mijn nieuwe uniform aan van -luitenant van de Garde. De wapenkoning, de markies van Ezzera, hield de -ridderwet voor op een kussen, waarop ik den eed zwoer. Ik zal wel wat -klein geweest zijn, met mijn kleinen mantel—het kruis van St. Ladislas -was er echter even groot op als bij alle anderen—ik voelde dat zij -allen zoo op mij neêrkeken, en dat is geen prettig gevoel, als je de -held van den dag bent. Maar ik ben natuurlijk ook de jongste ridder, -dus mag ik wel wat kleiner zijn. Den degen, dien onze Vader mij gaf, is -dan ook wat kleiner dan die van de andere ridders, maar het gevest is -nog al mooi en schittert van kostbare steenen. Ik geloof echter, dat ik -de scheede van jouw degen mooier gecizeleerd vind, maar als ik achttien -jaar ben,—dat is dus over acht jaar!—krijg ik toch een anderen degen en -natuurlijk een anderen mantel ook. - -Mama was vreeslijk ontsteld en zenuwachtig, toen zij van dien man -hoorde, die je heeft aangevallen, en ze woû hebben, dat je dadelijk -terugkwam, omdat het daar niet veilig scheen te zijn; en ze begreep -maar niet, dat dat niet kon. Maar veilig, wat is er nu veilig! In den -oorlog ben je toch ook niet veilig, en hier in het Imperiaal zelfs ook -niet. Aan die veiligheid moet je maar niet zooveel denken, vind ik, -maar natuurlijk: Mama is een vrouw, en daarom denkt ze anders dan wij. -De standjes en de staat van beleg maken haar ook zenuwachtig, maar ik -vind het wel aardig; het is nu alles militair, weet je? Die Von Fest is -een flinke vent; het zoû me plezier doen, hem eens de hand te schudden -en hem zelf te bedanken; nu ik dat niet kan doen, verzoek ik je -nadrukkelijk het voor mij te doen, en het vooral niet te laten. Je weet -zeker wel, door generaal Ducardi, dat Papa hem Commandeur van den -Rijksappel wil maken; wat jammer, dat we hem niet ridder van St. -Ladislas kunnen slaan, maar dan zoû hij natuurlijk Lipariër en geen -Gothlander moeten zijn. - -Nu, lieve broêr, moet ik eindigen, want kolonel Fasti wacht mij voor de -schermles. Doe mijn beste groeten aan Herman en generaal Ducardi, en -groet de anderen voor mij; en wees zelf innig omhelsd door je -liefhebbenden broêr - - - Berengar. - Markies van Thracyna, - (Ridder van St. Ladislas.) - - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - - -I. - -Het was na de opening van het nieuwe Parlement; de zon vloeide als met -rechte vakken gesmolten goud langs de witte paleizen der stad en -blauwde alleen wat schaduw was, in de hoeken. - -In twee maal twee gelederen, opgesteld langs de trottoirs der -hoofdstraten, die voerden van het Paleis der Parlementen tot het -Imperiaal toe, stonden twee regimenten der infanterie, grenadiers, rood -en blauw. Achter ze drong en woelde, joelde de menigte; alle vensters, -open, wemelden vol gezichten; van alle balkons zag men toe. Een schot -daverde van Wenceslasfort aan zee; de keizer keerde terug; compagnie na -compagnie prezenteerde de infanterie het geweer... - -De lanciers voorop, blauw en wit, wemelend met wimpels aan de punt van -de lans, zes escadrons. De geheele Garde van den Troon; wit, met -kurassen van spiegelend goud, zonneflitsend boven het satijnzwart der -hengsten, de hellebaard op de dij, omstuwend de zacht wiegelende -galakoetsen, zwaar verguld en spiegelkristal, flonkerend en twee -gekeizerkroond, met zes- en achtspannen van gepluimkopte schimmels. De -paarden schuimen op hunne gebitten, ongeduldig, pezig gebogen de -pooten, trappelend om den langzamen stap van ceremonie, over de -verblindend vierkant geplaveide straten heen. In de eerste koets, de -opperceremoniemeester, graaf de Threma; in de tweede met de kroon en -het achtspan—en het gegons van gejuich stijgt op achter de haie der -soldaten—de keizer, de uniform éen goud, den mantel hermelijn en -scharlaken, de kroon op het hoofd. Het is de eenige maal, dat het volk -hun keizer gekroond ziet. - -En het juicht. Maar de keizer groet niet terug; links en rechts, -beurtelings, ziet hij door het kristal van de koets naar de menigte met -een trotschen glimlach van zelfbewustheid en overwinning, en zijn -gelaat, vol ras, vol kracht, koud van wil, trotsch van gezag, is -ongenaakbaar in zijn glimlach als van een imperator, op zijn zegetocht. - -Zegetocht is ze, die gang van het Paleis der Parlementen naar zijn -Imperiaal terug; zege over wat men hem betwistte, en waarop hij nu zijn -zware hand gelegd heeft, hun allen toonende, dat de wil van hem alleen -hen buigen kan naar zijn woord en wensch. En het gejuich stijgt luider -op en luider uit die grillige menigte, bedwongen als een vrouw door een -heerscher, dien zij nu aanbidt om zijn kracht, bewondert om zijne -keizermacht, welke hij steunt van het Parlement tot zijn eigen paleis -toe, als met een geheel leger, dat leeft op zijn wenk; en luider en -luider, luider en luider, galmt het leve door den zonmiddag de marmeren -huizen te boven, en de keizer glimlacht, glimlacht altijd, of zijn -glimlach meent: juicht, ge kunt wel niet ànders dan juichen...! - -In de volgende koets de hertog van Xara, gemanteld, gekroond; strak -staart hij over het galmend gewoel met den zelfden blik van zijne -moeder over de volksmenigte. In de daarop volgende de nieuwe -gouverneur-generaal der rezidentie, chef van het Militaire Huis van den -keizer, de hertog van Mena-Doni, ruwer soldaat en minder hofman dan de -Markies van Dazzara, en onder wiens militaire vuist de blanke -rezidentie, als een geranselde slavin, krom heeft gekropen tijdens den -staat van beleg, afgekondigd na éen enkel uur van ongeregeldheid, dat -had durven volgen op het besluit van den keizer om het Huis der Standen -te ontbinden. Zijn grove, zinnelijke mond glimlacht ook met den zelfden -glimlach van den keizer, wiens ruwe kracht hij schijnt te -verpersoonlijken, en ook hij schijnt te zeggen: juicht maar toe, roept -maar: leve! - -Dan de volgende koetsen: De Rijkskanselier, graaf Myxila; de ministers; -zeven onder hen de zelfde der twaalf, die hadden willen heengaan, de -anderen onder de autoritairsten van den ouden adel van het Huis van -Adel zelve gekozen! - -Juicht maar toe, roept maar leve... - -Achter de koetsen der opperhofdignitarissen de kurassiers van Xara, het -eigen regiment van den kroonprins; daarachter een regiment der -Colonialen: Afrikanen; moorwit als glimmend ebbenhout, de oogen kralen, -de monden dik vooruit, in het mousseline-achtige sneeuw der burnoussen; -achter hen twee regimenten huzaren op zware paarden, in hun lange -groene jassen met gouden brandebourgs en hooge kolbakken. - -Is ooit het Parlement zoo geopend geworden, met zulk vertoon van -strijdbare macht? En buiten de stad, op het hooge Marsveld, weet het -volk niet, dat er troepen uit alle gouvernementen zijn samengetrokken, -en er kampeeren, om de manoeuvres, die vervroegd zijn? En de sterkere -bezetting der forten, het eskader in de haven? Voelt het volk zelve, -dat het niet anders dan juichen kàn, en juicht het nu maar ook, zelve -weêr gelukkig om zijn gejuich, met Romaansche buigzaamheid en -zuidelijke inschikkelijkheid, en verliefd op den keizer om het gewicht -van zijn pletterende vuist, den kroonprins beminnend om de sympathieke -innemendheid van zijn doen in het Noorden; misschien wel: omdat zij hem -interessant vinden na een mislukten aanslag op zijn leven? - -En het schijnt hun niet te deeren, dat zij door de, geweer -prezenteerende, grenadiers heen noch den keizer, noch den kroonprins, -groeten zien; zij juichen, hen, ondanks, òm hunne koelheid misschien -beminnend; zij juichen als dollen... - -Langzaam gaat de stoet van ceremonie door de eindeloos lange -hoofdstraten voort. De geheele stad, trots haar marmer, dreunt van den -hoefslag der paarden, op het vierkant plaveisel. Tusschen de voorhoede -en de eindelooze achterhoede schemeren de galakoetsen met hare -schitterende Troongarde als iets van juweel, klein, weinig, zorgvuldig -bewaakt. De cavalerie is op dit oogenblik de ziel van Lipara; de -daverende stap haar hartslag, en tusschen de grenadiers en de hooge -huizen, schijnt het samengedrongen, dóórjuichende volk nauwelijks -ruimte te hebben tot ademen. - -De stoet nadert het Imperiaal. Langs het kolossale marmeren voorplein -scharen zich de lanciers en kurassiers aan drie zijden, voor de -zijvleugels en langs de facade. Vóór hen schaart zich de Garde. De -Afrikanen sluiten het plein af... - -De koetsen rijden voor; de keizer is uitgestapt. Met den kroonprins aan -zijne zijde, gaat hij door de vestibule, de trappen op. De galerijen -van het paleis wemelen van gouden uniformen, een dicht gevolg stuwt -zich achter Oscar en Othomar. De grootmeester van de garderobe met -twaalf kamerjonkers treedt den keizer tegemoet, die, evenals de prins, -de kroon aflegt; de mantels worden hun losgehaakt. - -Zij gaan naar de groote Witte Zaal, wit van de Corinthische zuilen, met -vergulde kapiteelen; de keizerin, de prinses Thera, te midden van hare -dames zijn daar. Het is een groote dag; de monarchie triomfeert met die -zonne-apotheoze van parlementsopening over de dreiging van toekomst -heen en duwt die toekomst zelve terug. De keizerin, in haar slepend -licht violet fluweel, treed haar gemaal tegemoet en nijgt voor hem, in -ceremonie. De prinses, de grootmeesteres, de dames nijgen... - -Buiten, vóór, is het plein nu gevuld met de menigte; een opgewonden -volksgeschreeuw schalmeit tegen het onwrikbaar paleis op, als eene zee -tegen een rots. De deuren van het middelbalkon worden geopend. De -keizer en de prins zullen zich vertoonen... - -—Groet maar héel even, fluistert de keizer streng tot zijn zoon. - -De zon regent buiten goud neêr op het gewoel, kleurt het dwarrelig, -bewegelijk, zuidelijke bont tusschen de witte, onbewegelijke -voor-zijvleugels van het Imperiaal, waarvan de kariatyden roerloos -neêrzien. De vorsten stappen op het balkon. De hoeden zwaaien naar hen -op; het geschreeuw bulkt met éen luidruchtig vulgairen keelgalm naar -boven en schoot door de open deuren tegen het verguld plafond en de -zuilen der Witte Zaal aan. De keizerin verschrikt er om, verbleekt; -hare adem stokt... - -Op het balkon groet de keizer van Liparië met een enkele wuiving van -hand zijn opgetogen volk tegen, de hertog van Xara buigt licht het -hoofd. - - - - - -II. - -Van Grondwetherziening en hervorming van het erfelijk Huis van Adel was -geen sprake meer. De drie kwart constitutioneele meerderheid, door de -Grondwet vereischt in het Huis der Standen om zulk een voorstel in -overweging te kunnen nemen,—in den aanvang aanwezig,—bestond niet meer -na de nieuwe verkiezingen. Oscar, aanstonds na zijne terugkomst uit -Altara, had hun zijn durvende kracht getoond. De troepen verzameld om -Lipara; nu goed, voor de manoeuvres, om den koning van Syrië, die komen -zoû. De forten versterkt. Het eskader in de haven. Toen het keizerlijk -besluit, dat het Huis der Standen eenvoudig... zoû worden ontbonden. -Hoe ze geschreeuwd hadden, na de afkondiging van dat besluit, in -couranten en op straat! Een oogenblik ’s avonds iets van een oproer. -Maar de keizer, woedend, over het niet onmiddellijk krachtdadig -optreden van den markies van Dazzara, had dezen den volgenden morgen -zijne hooge ontevredenheid betuigd. De markies voelde, dat er met de -ongenade van den keizer op zekere oogenblikken niet te spotten viel; de -keizer deelde hem zelve op staanden voet zijn ontslag mede, en zeide, -dat hij gaan kon. Verpletterd, de wanhoop in de oogen, verliet de -markies het Imperiaal; op het voorplein kruiste zijn rijtuig dat van -den hertog van Mena-Doni, luitenant-generaal der huzaren; hij zag den -sensueelen Nerokop van den hertog, begeerlijk van ambitie, opgluren -naar de façade van het paleis. De markies had zich in den hoek van zijn -rijtuig teruggegooid en handen gewrongen, geweend als een kind... - -Dien zelfden morgen werd Lipara in staat van beleg verklaard; de hertog -van Mena-Doni tot gouverneur der rezidentie benoemd. Met groot militair -vertoon en drie woorden toespraak ontbond de keizer het Huis der -Standen. Het volk trilde, afgezweept, neêrgeranseld, tot kruipen -gebracht aan de keizerlijke voeten. De nieuwe verkiezingen werden -uitgeschreven. Moest het volk getuchtigd worden om zijn keizer lief te -krijgen? Was het om de tallooze artikels in de couranten der -Noordelijke gouvernementen, Altara, Vaza en Lycilië, die geheel hare -sympathie schonken aan hun allerinnemendsten, weldoenden kroonprins, -onvermoeid overal zijnde en lenigend wat hij kon? Was het om de -kolossale fabelachtige giften van millioenen uit de keizerlijke kas -zelve geschonken voor de slachtoffers van de ramp? De uitslag der -verkiezingen werd bekend; het Nieuwe Huis der Standen telde eene -machtelooze luttele meerderheid van constitutioneelen. Wat hielp het of -de liberale bladen schreeuwden van geknoei en pressie! Buiten en binnen -de stad lag het leger; iederen dag vertoonde zich de keizer, en aan -zijne zijde, de hertog van Mena-Doni... - -De keizer verzocht het oude Ministerie te blijven, maar ontsloeg de, -niet volstrekt autoritaire, ministers. - -De crizis was ten einde. Op het Marsveld zouden de groote -voorjaarsmanoeuvres plaats hebben, zoodra de koning en de koningin van -Syrië te Lipara waren. - -In Othomar rees eene hooge bewondering voor zijn vader. Hij had hem -niet lief, met de teederheid, de vertrouwelijkheid, bijna nog -kinderlijke aanhankelijkheid, waarmeê hij de keizerin liefhad; hij had -altijd tegen hem opgezien, was als kind bang voor hem geweest. Nu, na -den persoonlijken moed, dien hij den keizer had zien betoonen, de -heerscherskracht, die hij had uitgeoefend, rees zijne Majesteit voor -Othomars oogen hooger als met de gestalte van een halfgod. Zichzelven -voelde hij daar klein mensch bij, als hij dacht: wat zoû ik gedaan -hebben, als ik hierin had moeten doen? Had ik dadelijk het besluit -durven nemen van eene ontbinding der Standen, en zoû ik niet gevreesd -hebben voor een onmiddellijke revolutie in alle deelen des lands? Zoû -ik, na de ongeregeldheden, dadelijk den markies van Dazzara hebben -kunnen ontslaan, als een lakei hebben durven wegzenden, verknocht als -hij was aan ons Huis, en stammende uit onzen roemrijksten adel! Zoû ik -dien hertog, dien condottiere, met zijn wreeden kop, nog vóor ik den -markies had ontslagen, reeds tot mij hebben durven roepen, zoodat de -een kwam, toen de ander wegging! - -En, in zijne verbeelding, zag hij zich reeds weifelen; niet weten, wat -het beste, vooral niet wat het rechtvaardigst zoû zijn; stelde hij -zichzelven voor: geraden door den ouden graaf Myxila, ten laatste dan -besluiten de Standen te ontbinden, maar den markies niet ontslaan. -Lipara niet in staat van beleg verklaren, en de troepen te laat -verzamelen, en de revolutie tegelijkertijd overal zien ontknallen als -met bom op bom... - -Het rechtvaardigste, dit scheen hem het allermoeilijkst te doen voor -een vorst. - -Maar de monarchale zege van den keizer maakte dat, hoe waar hij ook in -zichzelven zijne zwakte zag, een weêrschijn van kracht en beslistheid -op hem afstraalde van zijn vader zelven, aan wiens zijde hij stond. -Daarbij had hij niet veel tijd tot peinzen. Iedere dag bracht zijne -eigenaardige plichten meê. Nauwelijks éen enkel uur eenzame rust kon -hij zich maken. Hij was gewend aan dit leven van zich altijd bewegen, -zich altijd voordoen, nu hier, dan daar, er zoo aan gewend dat hij niet -voelde de vermoeienis, die hem reeds vóór de tournée in het Noorden -afmatte, en zich als ingekankerd had in zijn merg en zijne zenuwen. Hij -dacht over die vermoeienis niet na, beschouwde ze misschien als eene -organische loomte, iets tijdelijks, dat wel zoû overgaan. En iedere dag -bracht het zijne. Zoo was hij gewend vroeg op te staan, altijd om zeven -uur; Lipara lag dan nog in haren rozen sluimer van morgenlicht, stil -wit; hij reed dan op zijn volbloed Arabier, zwarten Emiro,—even achter -zich zijn lievelings-Schotschen-herdershond, meê galoppeerend, den -spitsen snuit gestrekt, den kraag van haren hoog opgezet—; zonder -adjudanten ging hij het park van het Imperiaal door, naar de -Elizabethparken—des middags het rendez-vous der elegante equipages en -cavaliers,—des morgens stil en wijd verlaten, met nauwelijks éen -enkelen vroegen ruiter, die eerbiedig voor den prins front maakte en -den hoed diep afnam. Dan reed hij langs de witte kaden met hare villa’s -en palmen, hare terrassen en aloë’s en de onvergelijkbare haven lag -voor hem, steeds intenser opblauwend onder het roze licht van den -morgen, dat straffer werd. Verder op, de dokken, de schepen; daar -gonsde er al de werkzaamheid. Langzaam stapte hij de haven langs; in de -portieken der villa’s zag hij soms iets van de figuur eener vrouw, en -hare oogen hem nakijken door rozen en clematis heen. Die rit was hem -lief, om de zachte frissche lucht, om zijn paard, zijn hond, om de -eenzaamheid met hen beiden, om de lange stille kaden, den wijden -stillen hemel, den verren horizont, die nog even nevelde in laatsten -morgenmist. De morgenbries aanwaaide zijn voorhoofd onder zijn -uniformpet; de gedachten dwaalden doelloos door zijn brein. Dan schudde -hij zich los uit dien wellust, reed terug naar de stad en ging naar de -Xaveriuskazerne, die der lanciers, naar de Wenceslaskazerne, der -grenadiers of naar de Berengarkazerne, die der huzaren. Hier vroeg hij, -onderzocht hij, inspecteerde hij, en vond er zijne adjudanten, Dutri en -Leoni; met hen reed hij terug naar het paleis, en begaf zich naar het -kabinet van zijn vader; het was het uur, dat graaf Myxila bij den -keizer kwam, en de staatszaken met den Rijkskanselier behandeld werden; -de kroonprins was daarbij den laatsten tijd tegenwoordig. Dan zocht hij -de keizerin op, die hem wachtte; het was meestal een allerliefst -moment, dat zij samen vertrouwelijk waren vóór het lunch; vol charme -van intimiteit. Dicht zat hij naast haar op een lagen stoel, nam hij -hare hand, stortte de bezwaren van zijn hart bij haar uit, deelde haar -mede zijn onrust over de toekomst, over zichzelven als hij later zoû -dragen de kroon. Zijne oogen tuurden dan onder op door hunne wimpers, -met hunne zwarte melancholie; zijne stem klaagde en vroeg om troost. En -zij bemoedigde hem; zij zeide, dat niets gebeurde, dan wat gebeuren -moest, dat alles noodzakelijk was in de groote, schalm aan schalm -aaneengeschakelde, wereldorde; dat hij af moest wachten, maar -tegelijkertijd naar zijn eigen gevoel zijn plicht moest doen, en dat -hij zich niet ontzenuwen moest, door zulk eindeloos, niets oplossend -gepeins. Hij zeide haar, dat hij zoo bang was voor zijne eigen -weifelingen, en hoe hij vermoedde, dat zijne besluitnemingen altijd te -laat zouden komen en zij antwoordde hem zacht lachend, dat zoo hij zóo -goed zijne eigen gebreken kende, hij zich moest trainen in beslissen; -hij vroeg haar naar de rechtvaardigheid—de onmogelijkheid voor hem op -aarde—zij wees hem op zijn eigen gevoel van menschelijke ziel. Maar -toch, hoe innig zoet deze uren waren, hij voelde, dat hij de zelfde -bleef onder hun gewissel van woorden, en dat, zoo de woorden gewisseld -waren, er niets in hem veranderd was. Hierom vond hij zich slecht en -meende hij, dat hij zijne moeder niet genoeg liefhad, met niet genoeg -overtuiging. Dan zag hij haar aan, zag haar glimlachen, ried onder -haren glimlach dien nerveuzen angst, die haar nooit meer los zoû laten, -en voelde, dat zij zoo alleen sprak om hèm, om hem op te beuren en niet -uit overtuiging. En de gedachten dwaalden niet meer losjes door hem -heen, als op zijn morgenrit aan de kaden: ze vielen als fijne nevels op -elkaâr in zijn verbeelden en vormden zijn weemoed. - -Het lunch was intiem. Na het lunch pozeerde hij een uur voor Thera, die -schilderde en zijn portret maakte. In den namiddag waren er altijd -verschillende bezigheden; tentoonstellingen, liefdadige instellingen, -inrichtingen van allerlei aard te bezoeken, den steen te leggen van een -gebouw, een oorlogschip te laten loopen van stapel. Iedere minuut was -gevuld, en iederen dag vulde zijne minuten anders dan de vorigen. Het -diner werd altijd met groote etiquette en splendeur gebruikt; iederen -dag waren er talrijke genoodigden, diplomaten, hooge ambtenaren, -officieren. Het duurde lang, was iederen dag het ceremonieel gastmaal -van een keizer. Dan des avonds de feesten aan het hof, of ten huize der -ambassadeurs of dignitarissen; de comedies en concerten. De prins bleef -echter nooit laat. In zijn eigen kabinet zat hij dan nog een paar uur -te lezen, te werken; hij ging om twaalf uur naar bed. - -Aan dit leven van eentonige afwisseling was hij gewend, er in gegroeid. -Zoodra hij van Lycilië terug was te Lipara—de stad toen nog in staat -van beleg—wachtte het hem drukker dan ooit; de opening van het -Parlement was gauw op zijne terugkomst gevolgd. De keizer was tevreden -geweest over de houding van den kroonprins in het Noorden, misschien om -den lof, die de Noordelijke couranten den hertog van Xara, vol -sympathie, schonken; om zijn oogenblik van populariteit. Hij wilde zijn -zoon meer en meer laten deelen in de staatszaken en sprak meer met hem -over ze, alleen of met den Rijkskanselier. De strenge maatregelen -echter van ruw geweld, die de hertog van Mena-Doni genomen -had,—hijzelve te Lipara, en zijne officieren te Thracyna: hevige -charges der huzaren op de dringende menigte—waren Othomar tegen -geweest: hij had ze met wanhoop en smart vernomen, en toch geweten, dat -met zachtheid niets ware verkregen. En in zijn opzien tegen den keizer, -als tegen een halfgod van wil en van kracht, mengde zich iets van -antipathie en onwil, dat hem van zijn vader stiet, en moeilijk maakte -gedachtewisseling tusschen hen beiden. - -Nu, na de opening van het Parlement, was de stad, het geheele land, -kalm geworden; de troepen echter bleven op het Marsveld, voor de -aanstaande manoeuvres. De komst der Syrische vorsten was bepaald. -Othomars dagen volgden zich weêr op als vroeger. Verschillende diners -werden hem aangeboden, door de officieren der Garde van den Troon, en -der andere corpsen, waarin hij zijn rang bekleedde. Ja, het was zijn -oogenblik van populariteit. Men citeerde reeds, dat zijn bijnaam later -zoû klinken als Othomar de Weldadige. In deze dagen legde hij den -eersten steen van een groot Huis der Armen, tot welker stichting de -erfenis van een schatrijken, kinderloozen hertog—een der oudste -geslachten van Liparië, dat uitstierf,— millioenen had bijgedragen. - -Othomars zachtheid maakte een innemend contrast met de, juist -uitgeoefende, ruwe kracht van Oscar. Hijzelve was echter innerlijk zeer -verbaasd over zijn roep van weldadigheid; hij deed gaarne goed, maar -voelde zucht tot goed-doen niet als hoofdtrek van zijn karakter in -zich. Hij voelde integendeel géen hoofdtrek in zich. - -Na het diner hem door de officieren van den Staf aangeboden, zoû -Othomar des avonds met Ducardi, Dutri en Leonie gaan naar den hertog -van Yemena, om den opperhofmaarschalk officieel dank te zeggen voor de -gastvrijheid hem op Castel Vaza betoond. De hertog bewoonde in Lipara -een groot nieuw hôtel; zijn oud familiehôtel was te Altara. - -Het was negen uur. De kroonprins werd nog niet verwacht. De hertog en -de hertogin echter ontvingen reeds hunne invité’s; de hertogin had, -toen Othomar zijn bezoek had doen aankondigen, talrijke uitnoodigingen -gedaan. De ruime receptiesalons vulden zich. Bijna geheel het corps -diplomatique was tegenwoordig; enkele der ministers en groote charges -van het hof, met hunne dames; de oude gravin Myxila en hare dochters, -tal van officieren. Het was de intime kring van het Imperiaal; eene -brutale gemeenzaamheid ging onder hen om, met het sans-gêne, dat in de -mode was. - -Bij de hertogin stonden Lady Danbury, de vrouw van den eersten -Engelschen secretaris en de markies van Xardi, de zoon van den hertog. -Zij praatten druk over de Dazzara’s. - -—Ik heb ze gezien, zei Lady Danbury. Het is verschrikkelijk, -verschrikkelijk. Ze wonen nu op Castel Dazzara, die oude ruïne in -Thracyna, met hun vijf dochters, poor things! De plafonds vallen in. -Drie kromme oude bedienden in liverei, en de liverei ouder nog dan de -bedienden. En schulden, naar men zegt, schulden! Ik stond verbaasd, dat -de markiezin zóo oud was geworden: ze heeft het zich vreeselijk -aangetrokken, schijnt het. - -—Oud geworden? vroeg de hertogin. Ik vond haar nog zeer jong, den -laatsten keer, dat ik haar zag... - -Ze haatte Lady Danbury, die lang, mager en spits van trekken was, en -iets had van een gracieuze adder. En ze vervolgde: - -—Ze zag er nog zoo goed uit; ze is tenger, maar ze heeft een prachtigen -hals... Ik begrijp heusch niet, dat ze zóo oud kan zijn geworden... - -En als peinzende over dit raadsel, tuurt de hertogin naar de te magere -schouders van Lady Danbury. - -De oogen van Xardi schitteren; hij vermoedt een schermutseling. - -—Men zegt, dat de markies un de vos intimes was, vroeger, niet waar? -insinueert de Engelsche. Het hatelijke “vroeger” valt Xardi echter -tegen. - -—Ik hoû veel van de Dazzara’s, zegt de hertogin; maar... en ze lacht -geheimzinnig met bedoeling; hij is altijd een ongeluksvogel geweest... - -—Zijne Excellentie, den hertog van Mena-Doni! kondigt de hofmeester -aan. - -—De opgaande zon! fluistert Xardi tot Lady Danbury. - -Mena-Doni buigt zich reeds voor de hertogin, die hem tegenlacht. Lady -Danbury, aan de zijde van Xardi, is doorgegaan. - -—En de geluksvogel, denkt u? vraagt ze. - -—O neen! zegt Xardi beslist. Ten minste, niet heelemaal... - -Ze zien elkaâr aan, en lachen. - -Keizerlijke adelaren blijven toch de mooiste vogels, niet waar? -schertst Lady Danbury. - -—Wat weet u daarvan? - -—Helaas, mijn nederige persoon niets. Eer ik het zoover in zoölogie -breng...! - -—Maar wat heeft u dan gehoord? - -—Wat iedereen hoort, als Dutri niet zijn mond kan houden. - -—Omtrent wat? - -—Omtrent zeker teeder afscheid op Castel Vaza... - -De markies van Xardi schatert van het lachen. Lady Danbury klemt in -eens zijn arm. - -—Zeg, Xardi, ik weet wel mindere tengere personen, dan de markiezin van -Dazzara, die zouden vervallen om de keizerlijke disgrâce. Et toi? - -De markies lacht luid meê, en: - -—Zelfs maar een kroonprinselijke... fluistert hij, achter den -Watteau-waaier van Lady Danbury; ze proesten van het lachen samen. - -—Zijn Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara; hunne Excellenties, -graaf Ducardi, prins Dutri, de markies van Leoni! luidt het plechtig, -langzaam aangekondigd. - -Er ontstaat eene lichte emotie in de groepen. Men schaart zich en haie -door de zaal; een paar dames verwarren zich in hare slepen en lachen. -Zoo wacht men. - -Othomar verschijnt aan de opene deur; Ducardi, Dutri en Leoni zijn -achter hem. De oude hertog haast zich den prins tegemoet; de markies -van Xardi heeft Lady Danbury haastig haren waaier in de hand geduwd, en -voegt zich bij zijnen vader. - -De oude hertog is een fijne magere man, vol geäffineerd ras, met geheel -gladgeschoren gelaat; hij is eenvoudig in rok, met het breede groene -Commandeurslint van den Rijksappel dwars over de borst, en het -grootkruis van St. Ladislas om den hals. - -Othomar draagt zijn groot-uniform van chef van het regiment der -kurassiers van Xara: zilver, rood en wit. Zijn helm met vederbos houdt -hij onder den arm. Hij drukt den hertog de hand, spreekt hartelijke -woorden tot hem. Maar in de naïveteit zijner jongensziel voelt hij -bittere wroeging knagen aan iets van geweten, nu hij zoo spreekt van -Castel Vaza, nu hij de innige betuigingen van den hertog aanhoort. Ook -den markies van Xardi drukt Othomar de hand. - -Nu is ook de hertogin nader gekomen en begroet zij den kroonprins met -hare beroemde nijging. Lady Danbury benijdt heure gratie en vraagt zich -af, hoe ze mogelijk is met die sculpturale vormen: ze kan zich niet -ontkennen, dat de hertogin van Yemana een splendide vrouw is... -Tusschen den hertog en de hertogin gaat de prins door de haie der -gasten, die buigen; de markies van Xardi volgt met de adjudanten. - -Othomar heeft de hertogin na zijn terugkeer in Lipara wel eenige malen -in het Imperiaal gezien, maar niet alleen. Zij wisselen nu hoffelijke -woorden, met officieele stembuiging en klank. De groepen vormen zich -weêr, als op een intimen raôut. - -De hertogin is met Othomar verder gegaan, tot de lange serre toe, -weinig verlicht, groen schemerend, met het voornaam palmgeblader der -groote planten, met het fijn gewemel der bamboezen, die tegen de -vierkante ruiten parelen dauw aanademen. Zij zwijgen een oogenblik, -zien elkaâr aan. En Othomar voelt, dat zijne aandoeningen om deze vrouw -niets zijn dan vluchtende momenten, wolkjes in zijne ziel. Het -onbekende is voor hem opengegaan, maar werd hem désilluzie. Toch is hij -haar dankbaar voor wat zij hem gaf: den troost harer passie, toen zijne -oogen nog nat van verdriet waren. Zij heeft hem gesterkt door dien -troost en hem man gemaakt. Maar alles in het leven is dubbel en zijne -dankbaarheid heeft eene weêrzijde van zonde; hij ziet den hertog ginds -een druk gesprek, onderlijnd met fijne, prezieze gebaren, houden met -Ducardi; en de wroeging vlijmt zacht zijne jongensziel. - -En naast zijne dankbaarheid, voelt hij zijne désilluzie. Liefde, is dit -liefde...? Hij voelt niets; in zijne ziel is niets nieuws gekomen. Hij -ziet hoe heerlijk mooi de hertogin is, in haar ivoorkleurig broché, den -sleep met donker bont omzet, de borst vierkant ontbloot, een ris -parelen om den hals. Het half-licht zweemt door de planten -sprookjesachtig groen langs haar heen met zachte dommeling en schaduw -vol geheim; haar gelaat is fijn glimlachend op den achtergrond van -gedoezeld donker. Hij herinnert zich haar zoen en de dolle omhelzing -harer armen. Ja, het was een zalige ontzenuwing, een dronkenschap van -het vleesch, nog niet gekende bedwelming, fyzieke troost. Maar liefde, -was het liefde...? En hij moest wel besluiten: misschien is het liefde, -en al voelt hij het gemis in zijne ziel, hij besluit toch: ja, -misschien is het dat... liefde. - -—En wanneer zie ik Uwe Hoogheid weêr? fluistert ze. - -De vraag is ruw gedaan en verwondert hem. Maar deze enkele seconde van -even-alleen-zijn is der hertogin zoo kostbaar, dat zij wel niet anders -kan. Ze ziet zijne verwondering en aanbidt hem om zijne naïveteit. En -hare oogen zien hem zoo dringend aan, dat hij antwoordt: - -—Morgen dineer ik bij den Franschen gezant; daarna ga ik naar de -opera... Kan ik u om elf uur hier vinden? - -Hij verwondert zich om den logischen gang zijner gedachten, om zijn -vraag, die hem zoo vreemd in de ooren klinkt. Maar zij antwoordt, -verlegen lachend: - -—In Godsnaam, Hoogheid; hier niet, om elf uur! Hoe zoû dat kunnen...! -Maar... kom bij... Dutri... - -Ze stamelt het; ze herinnert zich het weelderige appartement van den -adjudant en ziet er zich terug... met anderen. En in hare verwarring -merkt ze niet, dat ze hem zeer pijn heeft gedaan en zijne -teêrgevoeligheid als met scherpe nagels gekrast heeft; vooral merkt ze -dit niet, omdat hij antwoordt, verward: - -—Goed... - -Zij komen lachend, met hunne officieele, blanke stemmen terug, wandelen -langzaam; hij, zoo jong in zijn gezilverde uniform, den helm, waaraan -de veeren hangen, onder zijn natuurlijk bevallig geronden arm; zij, -opluikend in glans, den ivoorkleurigen sleep lang slepend achter haar -aan, den waaier van pluimen en brillant op en neêr slaand op haar borst -met het grein van Carrarisch. Alle oogen zien naar ze en letten den -triomf der hertogin op... - -En Othomar weet nu, dat zijne “liefde” zal worden, wat men een liaison -noemt, en waarvan hij hoorde van die en van die, en waarvan hij las in -romans. Hij had zich deze regeling zoo nog niet voorgesteld. Hij weet -niet hoe hij aan Dutri zeggen zal, dat hij der hertogin ten zijnent -rendez-vous heeft gegeven, en als hij denkt aan den adjudant, brokkelt -iets van zijn ingeboren vorstelijkheid af als met kleine stukjes marmer -of albast van een tengere zuil... - -Den hertog en den generaal naderend, spreekt hij over de aanstaande -manoeuvres. De hertogin ziet hij nu op een afstand en Mena-Doni buigt -zijn Nero-kop tot vlak bij haar gelaat. In zijne groote antipathie voor -dien man mengt zich jaloezie. En terwijl hij glimlachend naar den -hertog van Yemena hoort, meent hij nu zeker te weten, dat zijne liefde -toch wel liefde is, omdat er jaloezie bijkomt. - - - - - -III. - -Den volgenden morgen, toen Othomar alleen paard reed, dacht hij den -geheelen tijd aan Dutri. De moeilijkheid van een gesprek met zijn -adjudant, scheen hem iets onoverkomelijks. Zijn hart klopte nu hij -Dutri ontmoette, die hem wachtte in de Xaverius-kazerne. Maar de jonge -officier wist hem in te fluisteren, zóo kalm hoffelijk, alsof dit alles -de eenvoudigste zaak ter wereld was: - -—Ik sprak de hertogin van Yemena, Hoogheid... Hare Excellentie zei me, -dat Uwe Hoogheid haar in het geheim wilde spreken, en mij de eer -aandeed... Neemt Uwe Hoogheid dezen sleutel... - -Othomar nam werktuigelijk den sleutel aan. Zijn gelaat bleef strak, -ernstig, maar inwendig voelde hij zich zeer verstoord op de hertogin, -en begreep hij niet, hoe en waarom zij Dutri in hun geheim haalde. De -eenvoud en gemakkelijkheid, waarmeê zij dit blijkbaar gedaan had, -bliksemde hem als iets ontzettends toe. Eene wanorde scheen door zijn -hoofd te dwarrelen, alsof de hertogin en Dutri er allerlei vastgezette -denkbeelden van zijn jeugdig nadenken, met éen adem, hadden door elkaâr -geblazen. Hij dacht aan den ouden hertog. Hij vond dit alles slecht. -Hij wist, dat Dutri een jonge losbol was; hij hoorde door hem de -geheele chronique-scandaleuze van het hof, maar hij had nooit de helft -geloofd van wat Dutri vertelde, en den adjudant dikwijls stroef gezegd, -dat hij er niet van hield zoo te hooren kwaad spreken van menschen, die -zij iederen dag zagen en die verknocht waren aan zijn Huis. Nu scheen -het hem toe, dat alles wat Dutri verteld had, waar kon zijn, en dat er -nòg erger dingen konden gebeuren. Deze sleutel, met zulken hoffelijken -eenvoud, met dit gemak van libertijn aangeboden, scheen hem een -voorwerp van schroeiende schande. Hij schaamde zich het ding reeds in -zijn zak te hebben gestoken... - -Hij ging echter verder. De sleutel brandde hem, terwijl hij sprak met -generaal Ducardi, en, terug, in het Imperiaal, met zijn vader en -Myxila. Vóor hij de keizerin op zoû zoeken, die hem reeds wachtte, -sloot hij den sleutel weg in zijne schrijftafel; langzaam, een schaduw -over zijn voorhoofd, ging hij daarna pas voor pas, de lange galerijen -door, naar de appartementen der keizerin. In de antichambre rees de -hofdame op, boog, klopte aan de deur en ontsloot die: - -—Zijne Hoogheid, de Hertog van Xara... - -Stil sloeg Othomar een kruis, als kwam hij een kerk binnen. - -—Moge God en Zijne Moeder mij vergeven! mompelde hij tusschen zijne -lippen; toen trad hij binnen bij de keizerin. - -In het groote vertrek zat zij alleen, bij een der open ramen, die op -het park zagen; zij droeg een zeer eenvoudigen, gladden donkeren japon. -Het trof hem hoe jong zij er uitzag, en hij dacht er aan, dat zij -jonger was dan de hertogin. Een aureool van delicate reinheid scheen om -hare tengerlange gestalte te trillen als een atmosfeer van licht, en -gaf haar eene hoogheid, die niet om andere vrouwen scheen. Zij -glimlachte hem toe en hij kwam langzaam nader en kuste haar de hand. - -Zij had hem dien dag nog niet gezien, nam zijn hoofd tusschen hare -slanke, koele handen en kuste hem. - -Hij zette zich naast haar op een lagen stoel. - -Toen streek zij met de hand over zijn voorhoofd. - -—Wat is er? vroeg ze. - -Hij zag haar aan en zeide, dat er niets bizonders was. Verder zag ze -niet: hij bracht haar wel meer een bewolkt voorhoofd mede. Nog eens -streek ze er over heen. - -—Ik heb papa beloofd ernstig met je te praten, Othomar, sprak ze. - -Hij keek tot haar op. - -—Hij vond het beter, dat ik met je sprak, omdat hij zelve oordeelde, -dat ik gemakkelijker met je kon spreken. Hij is anders heel tevreden -over je, mijn jongen, en verheugt er zich in, dat je zoo een klaar -oordeel hebt, soms, over sommige staatszaken. - -Dit oordeel zijns vaders verbaasde hem. - -—En waarover beloofde u met me te spreken? - -—Over iets heel, heel gewichtigs, sprak ze met een zachten glimlach. -Over je huwelijk, Othomar. - -—Mijn huwelijk...? - -—Ja, mijn jongen... Je wordt twee-en-twintig. Papa is wel veel later -getrouwd, maar hij had veel broêrs. Ze zijn gestorven. Oom Xaverius is -in zijn klooster. En wij... papa en ik, we zullen wel geen kinderen -meer krijgen, Othomar. - -Ze had hare armen om zijn hals gelegd en trok hem naar zich toe: ze -fluisterde: - -—We hebben niemand dan jou, mijn jongen en onzen kleinen Berengar. -En... papa vindt, dat je daarom trouwen moet. We moeten een erfprins -hebben, een Graaf van Lycilië... - -Zijne oogen werden vochtig; hij legde zijn hoofd tegen haar aan. - -—Twee om keizer te worden; Berengar, als ik er niet meer zijn mocht; is -dat niet genoeg, mama? - -Ze schudde glimlachend het hoofd van neen. Neen, dat was niet genoeg -zekerheid voor het Huis van Czyrkiski-Xanantria. - -—Mama, zeide hij zacht; als sociologen spreken over de sociale -quaestie, betreuren zij het, dat er onder het proletariaat zooveel -kinderen worden geboren en noemen zij de arme ouders, die niets hebben -dan hunne liefde, zelf verantwoordelijk voor de meerdere ellende, die -zij met die kinderen in de maatschappij veroorzaken. Treft dit verwijt -eigenlijk ook ons niet? Of vindt u een keizer zoo gelukkig? - -Haar voorhoofd betrok. - -—Je bent in een van je sombere buien, Othomar. In Godsnaam, mijn -jongen, geef je daar toch niet aan toe. Filozofeer zoo niet, neem het -leven op, zooals het je gegeven is. Dit is de eenige manier, om het te -dragen. Denk er niet over na of je later gelukkig zal zijn als keizer, -maar neem aan, dat je keizer worden moet. - -—Goed, ik, maar waarom kinderen, mama? - -—Welke vorst laat zijn huis uitsterven, Othomar! Wees niet dwaas. Hecht -aan traditie, dat is voor ons alles. Heb over die quaestie niet zulke -vreemde denkbeelden. Ze zijn niet die van een aanstaanden—ik had bijna -gezegd—alleenheerscher; ze zijn niet die van een vorst. Niet waar, -Othomar, je begrijpt, je móet, je móet trouwen... - -Hare stem klonk beslister dan gewoonlijk, bijna hard. - -—En, beste jongen, ging zij door; zegen de omstandigheden en trouw nu, -zoo gauw mogelijk. De politiek met het buitenland staat op het -oogenblik zóo, dat er geen bizondere aanwijzingen voor je huwelijk -zijn. Je kan zoo iets als kiezen. Want je bent de kroonprins van een -groot rijk, mijn jongen, van een van de grootste rijken van Europa... - -Hij wilde spreken, ze ging haastig voort: - -—Ik herhaal je: je kan—bijna—kiezen. Je weet niet, hoeveel dit is. -Apprecieer dat, apprecieer de omstandigheden. Reis naar de hoven van -Europa, die in aanmerking komen. Zie uit je oogen, doe je keuze. Er -zijn lieve prinsessen van Engeland, van Oostenrijk... - -Othomar sloot zijne oogen even, of eene vermoeidheid hem afmatte. - -—Later, mama... fluisterde hij. - -—Neen, mijn jongen, zei de keizerin: niet spreken van later, niet -uitstellen. Denk er nu over na. Denk hoe je je reis nemen wilt en wie -je meê wilt nemen en praat er over met papa en Myxila. Beloof je me -dat? - -Hij drukte zijn hoofd even tegen haar aan en beloofde het, met een -glimlach vol moêheid. - -—Wat is er toch, mijn jongen? vroeg ze. Zeg dan, wat is er toch? - -Zijne oogen werden vochtig. - -—Ik weet het niet, mama. Ik ben soms zoo moê... - -—Ben je niet wel? - -—Jawel, dat wel, maar ik ben zoo moê... - -—Maar waarvan dan toch, mijn kind? - -Hij begon zacht te snikken. - -—Van... van alles... mama. - -Zij zag hem lang aan, schudde langzaam, afkeurend haar hoofd. - -—Vergeef me, mama, stamelde hij en hij veegde zijne oogen af; ik zal er -niet meer aan toegeven... - -—Dat heb je me al eens meer beloofd, Othomar. - -Als een kind drukte hij weêr zijn hoofd tegen haar aan. - -—Neen, heusch, betuigde hij, vleiend; ik zal er me heusch tegen -verzetten. Het is niet goed van me, mama. Ik zal me meer ophouden: ik -zal sterker worden, ik zweer het u, voor ú zal ik sterker worden... - -Ze zag hem weêr lang in de oogen, met haren reinen glimlach. Innige -teederheid ging van haar uit op hem; hij voelde, dat hij nooit iemand -zóo zoû liefhebben als die moeder. Toen nam zij hem in beide hare armen -en drukte hem tegen zich aan. - -—Ik neem je belofte aan, en ik dank je... mijn arme jongen! fluisterde -zij in haren zoen. - -Op dit oogenblik klonk er een jong gegons van stemmen, als van -losgelaten vogels, uit het park, door de open ramen heen. Getrippel van -vele kleine voeten knarste op het grint. Een hooge schelle kinderstem -klonk op eens met woedende woorden uit de anderen op; de anderen -zwegen... - -De keizerin was met een electrischen schok opgeschrikt. Zij richtte -zich haastig omhoog, doodsbleek. - -—Berengar! riep ze, en hare stem bestierf. - -—En ik zal het zeggen aan Zijne Majesteit, wat voor een vlegel je bent, -en dan zullen we eens zien! Dan zullen we wel eens zien, dan zullen we -wel eens zien... - -De keizerin had zich bevende uit het venster gebogen, ze zag een -tiental kleine jongens; ze keken beteuterd. - -—Waar is Zijne Hoogheid? vroeg ze. - -—Zijne Hoogheid is daar, Mevrouw! antwoordde een klein graafje verlegen -en wees met een vingertje naar het achterplein, dat de keizerin niet -zien kon. - -—Maar wat gebeurt er toch? Is dat een leven maken! Laat Zijne Hoogheid -dadelijk hier komen! Berengar! Berengar! - -Zijne Hoogheid, Berengar, geroepen, kwam aan. Hij ging tusschen de -kleine hertogjes en graafjes door, en zag naar het venster op, waaruit -zijne moeder zich boog. Hij was een klein, flink gebouwd, pittig -ventje; zijn gezicht was rood van verontwaardiging, met twee kleine -woedende oogjes er in, als zwarte vonkjes. - -—Berengar, kom hier! riep de keizerin. Wat is er toch? Waarom kan je -niet spelen, zonder te vechten? - -—Ik vecht niet, mama, maar... maar, ik zal het aan papa zeggen... en en -dan zullen we wel eens zien...! Dàn zullen... - -—Berengar, kom dadelijk door het paleis hier binnen, dadelijk! beval de -keizerin. - -Othomar, achter de keizerin, zag naar de groep jongens. Hij zag, hoe -Berengar met een enkel woord zich verontschuldigde bij het grootste -hertogje en langs het achterplein verdween. - -Na een oogenblik kwam het kind de kamer in. - -—Berengar, sprak de keizerin; het is heel ongemanierd zoo een leven te -maken in het park, en dat wel vlak achter het paleis. - -Het kind zag haar aan, met ernstig rood gezichtje. - -—Ja mama, beaamde het zacht. - -—Wat is er gebeurd? - -Berengars lippen beginnen te trillen. - -—Het is die lamme schildwacht... begon hij. - -—Wat is er met dien schildwacht? - -Hij... hij prezenteerde niet voor me! - -—Prezenteerde de schildwacht niet voor je? Waarom niet? - -—Ik weet het niet! riep Berengar verontwaardigd. - -—Maar hij prezenteert toch altijd? - -—Ja maar, nu deed hij het niet. Wel den eersten keer, toen wij voorbij -kwamen, maar niet den tweeden keer... We speelden krijgertje, en toen -we voor de tweede maal voorbij hem liepen, prezenteerde hij niet!! - -Othomar begon te schateren. - -—Je hoeft er niet om te lachen! riep Berengar boos; en ik zal het aan -papa zeggen, en dan zal je wel zien. - -—Maar woû je hebben, Berengar, zei de keizerin; dat iederen keer, als -jij met krijgertje spelen voorbij liep, die man zijn geweer -prezenteerde? - -Berengar bedacht zich. - -—Hij kon het toch minstens wel de tweede maal gedaan hebben. Als het nu -drie, vier, vijf malen was geweest. Maar de twéede maal pas...! Wat -moeten al die jongens wel van me denken?! - -—Hoor eens, Berengar, zei de keizerin; wat er ook gebeurt, het komt in -het geheel niet te pas, dat je, wien het ook zij, met leelijke namen -noemt en ook niet, dat je zoo een leven maakt in het park, vlak achter -het paleis. Uitschelden, dat doet een kind van een keizer niet, zelfs -niet een schildwacht. Ga daarom dus nu dadelijk naar dien schildwacht -toe en zeg, dat het je spijt, je zoo driftig gemaakt te hebben. - -—Mama! riep het kind ontzet. - -Het gezicht van de keizerin stond strak. - -—Ik wil het, Berengar. - -De jongen zag haar met de grootste verbazing aan. - -—Moet ik dat zeggen... aan dien schildwacht, mama?! - --Ja. - -Blijkbaar begreep Berengar op dit moment de wereldorde niet; hij -vermoedde een oogenblik, dat de revolutie was uitgebroken. - -—Maar, mama, dat kan ik niet!! - -—Het moet, Berengar, en dadelijk. - -—Maar mama, zal papa dat goed vinden?! - -—Zeker, Berengar, zei Othomar; wat mama je zegt te doen, vindt papa -natuurlijk goed. - -In radeloosheid zag de jongen naar Othomar op; zijn gezichtje trok -lang, zijn stevige vuistjes trilden. Toen barstte hij in een wanhopig -snikken uit. - -—Kom Berengar, ga, zei de keizerin weêr. - -Het kind ontstelde nog meer om hare strakte; zoo zag hij altijd haar -staren op de menigte, maar niet op hare kinderen. En hij wierp zich met -de kleine wijdte zijner radelooze armpjes in hare rokken, omklemde haar -en snikte met groote klokken van snikken. - -—Ik kàn dat niet doen, mama!! - -—Het moet, Berengar... - -—En... en... en ik wil het niet, ik wil niet!!! knarste de jongen in -eens woedend, stampvoetend. - -De keizerin deed niets dan hem aanzien, heel lang, héel lang. Het -verwijt van haren blik brak het kind. Het snikte luid op, en scheen er -niet meer aan te denken, dat zijne vriendjes daarbuiten Zijne Hoogheid -zeker zouden hooren snikken. Hij zag, dat er niets aan te doen was, dat -het moest. Het moest!! Zijne Keizerlijke Hoogheid, Berengar, markies -van Thracyna, (Ridder van St. Ladislas), mòest zijn spijt betuigen aan -een schildwacht, die hèm, Zijne Hoogheid, nog wel te kort had gedaan. - -Zijn middeneeuwsch kinderzieltje was er geheel door in omwenteling. Hij -begreep niets meer. Hij zag alleen maar, dat het moest, omdat zijne -moeder hem met zoo een treurigen blik aanzag. - -—Othomar! snikte hij zijne wanhoop uit; Othomar! Wil... jij... dan met -me... meêgaan!!! Maar hoe zal ik het doen, hoe zal ik het doen! - -Othomar glimlachte hem medelijdend toe, en stak zijne hand naar hem -uit. De keizerin knikte, dat de prinsen zouden gaan. - -—Hoe zal ik het doen! O God, hoe zal ik het doen! hoorde zij Berengars -stem nog uit de antichambre in wanhoop opsnikken. - -Elizabeth was doodsbleek geworden. Zoodra zij alleen was, zonk zij in -een stoel, het hoofd achterover. Hélène van Thesbia kwam juist binnen. - -—Mevrouw! riep de jonge gravin. Wat heeft U? - -De keizerin greep hare hand; Hélène voelde die ijskoud. - -—Niets, Hélène, antwoordde zij; maar Berengar heeft me zoo -verschrikkelijk laten schrikken. Ik dacht... ik dacht, dat ze hem -vermoordden!!! - -En in een zenuwbui van stootende snikken stortte zij zich in de armen -der gravin. - - - - - -IV. - -Dien avond, vóor Othomar met zijne adjudanten naar het diner bij den -Franschen gezant zoû gaan, hield hij Dutri staande: - -—Ik zie, dat hare Excellentie, de hertogin, u zeer vertrouwt, prins, -sprak hij kort. Ik wil niet betwijfelen of haar vertrouwen misplaatst -is. Maar ik verzeker u dit: dat zóo het ooit mocht blijken, dàt het -misplaatst was, ik dit nooit—noch nu, noch later vergeten zal... - -Dutri zag vreemd op: hij hoorde daar zijn aanstaanden keizer spreken. -Toen maakte hij een moue als een boudeerend kind en sprak: - -—Ik kan niet zeggen, dat Uwe Hoogheid zeer dankbaar is voor de -gastvrijheid, die ik Haar heb aangeboden. - -Othomar glimlachte pijnlijk, reikte hem nu de hand... - -—Of dat het vriendelijk is van Uwe Hoogheid mij van dàag met Hare -ongenade te bedreigen, ging Dutri voort. - -—Ik ken je, Dutri, sprak de prins aan zijn oor. Ik ken je tong. Daarom -alleen waarschuw ik je... En, nu in Gods naam, zwijg hier verder over, -want dit... dit alles doet me pijn... - -Dutri zweeg en vond hem een kind en een vorst tegelijk. Hij haalde in -stilte zijne schouders op om Othomars weêrgâlooze naïviteit, maar hij -huiverde als hij dacht aan eene mogelijke ongenade. Hij had geen -fortuin; zijne pozitie bij den kroonprins was zijn leven, zijne -ambitie, zijn alles, voor nu en voor later: als de prins keizer zijn -zoû...! Hoe blij was hij eerst geweest, dat Alexa hem alles verteld -had, dat hij een geheim wist van zijn prins, die nooit geheimen scheen -te hebben! Eene vage vreugde, dat dit geheim hem macht zoû geven over -zijn toekomstigen keizer, was reeds door zijn hoofd vol luchthartige -berekening gefladderd. En nu, nu dreigde de prins hém, ontzenuwde dus -die macht al in den aanvang! Dutri had nu bijna spijt, dat hij in dit -geheim was opgenomen; hij vreesde zelfs, dat de keizer er iets van zoû -hooren, dat hem de ongenade van den vader al treffen zoû, voor die van -den zoon... - -—Had Alexa me er dan ook maar nooit ingehaald! klaagde hij nu bij -zichzelven met zijne oppervlakkige wisselvalligheid van gedachte. - -Maar hoewel Dutri zweeg, en zelfs tegensprak, werd er over de liaison -van den kroonprins gesproken, misschien alleen naar aanleiding van de -zegevierende blikken van Alexa, als Othomar, op een soirée, op een bal, -een oogenblik tot haar sprak. De tegenspraak van Dutri, die men kende -als een klap-uit, bracht echter verwarring, en men wist niet waaraan -men zich te houden had en wat de waarheid was. - -Gelukkig om die liefde voelde Othomar zich echter niet; de woeste -passie van die vrouw met haar brandende blikken, die hem het eene -oogenblik overweldigde door hare zoenen, het andere voor hem neêrkroop -als een slavin en aan zijne voeten brak in nederigheid voor haar -aanstaanden heerscher, verbaasde hem eerst, sleepte hem in sommige -wanhoopsbuien meê, maar wekte in hem op den duur een gevoel van onwil -en tegenkanting. In het geparfumeerde appartement van den jongen -adjudant, waar zij elkander zagen, en dat coquet was, als het boudoir -van een jong meisje, gecapitonneerd als een bijouteriekist, kreeg hij -soms lust die vrouw, die hem toch met hare vreemde ziel liefhad en hare -liefde niet veinsde, van zich af te stooten, haar te trappen, te slaan. -Zijn temperament was niet voor zoo brutalen hartstocht. Het was of zij -schudde aan zijne zenuwen. Hij walgde soms van haar. En toch, een enkel -woord van hem, en ze bedwong hare woestheid, zonk nederig naast hem -neêr, streelde zacht zijne hand, zijn hoofd, en hij kon er niet aan -twijfelen, dat zij hem aanbad, misschien wel een weinig omdat hij de -kroonprins was, maar toch ook veel om hemzelven. - -Zoo was het April geworden, en bijna reeds zomer; de Syrische vorsten -zouden komen. Ze waren eerst bij den Sultan geweest en daarna aan het -hof te Althene. Door Liparië zouden zij naar de Noordelijke rijken van -Europa gaan. Op den dag hunner aankomst fladderde Lipara van vlaggen; -de, al zoo straffe, zuidezon regende goud over de witte stad; de haven -azuurde in lichte rimpeling. Eene gonzende menigte: gebruinde -gezichten—vele nog bont nationaal gekleede landlieden uit -Thracyna—wemelde en drong over de kaden. Op het azuur van het water, -als op liquide metaal, dreven de pantserschepen, welke de vorsten, -verwelkomende, zouden binnen halen, naar den mond van de haven uit. -Daar, op de Xaveria, waren met hun gevolg van admiralen en -schouten-bij-nacht, de beide prinsen Othomar en Berengar, en hun -schoonbroêr, de aartshertog van Karinthië. Tallooze kleine bootjes -gleden snel over de zee heen, als waterspinnen. - -Een schot van Wenceslas-fort, den straffen ether verscheurend, meldde -het oogenblik, dat de kleine vloot het Syrische yacht ontmoette, en de -Oostersche vorsten dit verlieten voor de Xaveria. Uit de villa’s aan de -kaden, uit de bootjes met toeschouwers, richtten zich de binocles naar -het verschiet van in licht zwijmelende blauwte, waarop de schepen nog -zichtbaar trilden. Een half uur daarna golfde, als van het Imperiaal -af, het gejuich der menigte aan en golfde luider op en luider naar de -haven toe. Door de haie der grenadiers, die stonden van het paleis tot -het paviljoen, waar de hooge gasten zouden aan wal komen, reden de, -door jockey’s bereden, landauers, aan, waarin Hunne Majesteiten zaten. -Hen volgden de equipages der beide zusters, de aartshertogin van -Karinthië en Thera, en van het gevolg. - -De vloot, het Syrische yacht omringend, was de haven weêr binnen -gedreven. Door de eerewacht der Troongarde heen, tusschen de draperieën -van purper en vlaggen, zag de menigte iets van begroeting der vorsten -in het paviljoen. Men galmde leve’s!; daarna reed de stoet naar het -Imperiaal, de keizer met den koning van Syrië in het eerste, de -keizerin met de koningin in het volgende rijtuig; daarachter de -landauers met de prinsen en prinsessen en het gevolg. - -Een roes van feesten en vertoon volgde. Na de tragedies der -overstroomingen en der Parlementscrizis woei eene vroolijkheid van -humor over de, in de zon glinsterende, rezidentie heen en duurde laat -tot in de verlichte zalen en parken van het Imperiaal toe. Die humor -was om de Oostersche vorstin. Den koning van Syrië vloeide misschien -nog een paar druppelen van het bloed van Salomo door de aderen. Maar de -koningin was niet van vorstelijke afkomst. Zij was de dochter van een -der Syrische grooten en de naam van hare moeder werd niet genoemd in -den Almanach de Gotha. Die moeder was zeker een favorite van -twijfelachtig adellijke herkomst, maar wat zij precies geweest was, -wist niemand. Een demi-mondaine uit Parijs of Weenen, die in het Oosten -was gestrand en er fortuin had gemaakt in den harem van een grooten -Syriër? Eene half Europeesche, half Egyptische danseuze uit een -danshuis van Caïro of Alexandrië? Wat ook, hare gelukkige dochter, de -koningin van Syrië, vertoonde onloochenbaar eene mengeling van bloed, -iets Oostersch’ en Europeesch’ samen. Naast den echt Semitischen type -van den koning, die iets nerveus deftigs had in zijne half Europeesche, -half Orientalische uniform, waarop de diamanten schitterden, had de -vorstin, dik, klein, mollig, zachtbruin, het exuberant glimlachende, en -bewegelijk wiegende van ledematen, het draaiende van hoofd en werkende -van oogen eener kleurlinge. Hare eerste verschijning al, in het -rijtuig, naast de delicate figuur van keizerin Elizabeth, in kleurig -reistoilet en hoed met groote pluimen, overvloeiend vriendelijk buigend -en lachend naar alle zijden, had de Lipariërs, gewend aan de koele -hoogheid hunner vorsten, met eene vroolijkheid doortinteld, die -onuitbluschbaar scheen. De Syrische vorstin werd het topic van alle -gesprekken en om haar tintten alle gesprekken zich met een glimlach van -ondeugd. Daarbij scheen zij zoo in-goed, dat men onmogelijk kwaad van -haar wist te vertellen en zich alleen maar om haar amuzeerde. Men -herinnerde zich, dat de Syrische potentaten fabelachtig groote giften -om de overstroomingen hadden geschonken. En de humor, die over Lipara -woei, was een zuidelijke humor, zonder kwaadmeenen en alleen maar -goedlachs of schaterend van pleizier, omdat de Lipariërs nog nooit zoo -een grappige koningin gezien hadden. - -De groote manoeuvres hadden plaats op het Marsveld. De koning -vergezelde den keizer en de prinsen te paard met hun zwerm van -Europeesche en Oostersche adjudanten. De vorstinnen en haar gevolg -wachtten de défilé’s in landauers af. Berengar marcheerde dapper in -zijne compagnie grenadiers, waarin hij luitenant was, meê, wat zijne -korte beentjes marcheeren konden, en hield zijn gezichtje strak, om de -moeite niet te verraden, die hij had de lange stapbeenen bij te houden. -De huzaren verbaasden den Syrischen vorst om hun één-zijn met hunne -paarden, als zij in woesten rit zich half afwierpen naar den grond toe, -en raapten in stormender vaart een vlag van den grond, zich weêr -zwaaiden met éen kreet op en wuifden het doek. De Afrikanen voerden hun -zwierige fantazia’s uit, drilden de speren, die bliksemden als -losrakende bundels stralen, en wapperden aan in wolken van witte -burnousen en stof, waarin hunne negerkoppen met tallooze zwarte vlekken -wemeldonkerden en vonkten van oogen. - -Verder een tornooi, garden-party’s, races, regatta’s, volksspelen en -vuurwerk. Lipara was éene stad van pleizier. Iederen dag gingen door -haar heen gangen van vorstelijkheid, flikkerde de stoet van uniformen -als levend goud, ratelden de keizerlijke landauers in de zon als met -wielen van schitterende spaken door de lichte stof, die van het -vierkant plaveisel der stad opstuivelde. Als druppelen wit vuur -flonkerden het meest de diamanten, die de Syrische monarchen zelfs -droegen op straat. Des avonds, als de zon niet meer schitterde, -schitterden over de vaag witte avondstad aan hare violette haven, -salamander-festoenen en kleurige vuurbrugketens factice hel onder de -stille zilverblikken der sterren; bouquetten vuur vielen sissend in het -water, waarop de bootjes zwart werden; ze lieten een lichte benauwdheid -van kruitdamp na, in den nacht. - -In de groote Zuilenzaal volgden de ceremonieele gastmalen elkander op, -met een vertoon van fabelachtig kostbaar gouden vaatwerk. De koningin -van Syrië sleepte er hare curieuze theaterkostuums heen, den breeden -boezem steeds overdwarst door een blauw ordelint vol plaques; hooge -pluimen, waaraan diamantjes hingen, in het haar. Ze praatte druk, -dankbaar voor de liefheid harer Liparische Vrienden, voor het genot en -het gejuich. Hare overvloeiende gebaren maakten ieder vroolijk, -brachten humor in de Liparische statie, vol etiquette. Elizabeth zelve -moest er om glimlachen. De koningin speelde hare vorstelijke rol met -het aplomb eener slechte actrice, die goedig is. Zij sprak ieder aan, -strooide de minzaamheid harer klein-mollige, bruine majesteit over -ieder in kleine atoompjes heen. Naast haar bleef de koning deftig, wijs -kijkend als Salomo. De keizer prees hem als een verstandig vorst, met -ruimen blik; de koning was reeds meermalen in Europa geweest. De -Syrische adjudanten waren ook deftig, kalm, een beetje stijf, zich -vormend naar westelijke zeden; de hofdames der koningin droegen wat -vreemd hare Parijsche of Londensche sleeptoiletten, maar bleven er -tenger in, bevallig bruin, met kroeskopjes en lange gespleten oogen: ze -zouden toch mooier geweest zijn in wat gedrapeerd goudgaas. - -Twaalf dagen bleven de Syriërs, vóor ze naar Italië zouden gaan. Het -was de voorlaatste avond: in het Imperiaal was een suite van veertien -zalen om de groote danszaal verlicht voor een bal. Er waren drieduizend -invitaties gedaan. Op het voorplein en in de aangrenzende hoofdstraten -stonden de grenadiers. - -De danszaal was aan de achterzijde van het paleis; de hooge -balkonvensters waren open en zagen over de balustraden heen in de -donkerten van het platanenpark. Uit de palmengroepen der galerij -schalmde het orkest. De quadrille d’honneur had zich gevormd, in het -midden der zaal; de keizer en de koningin, de koning en de keizerin, de -aartshertog van Karinthië met Thera, en Othomar met de aartshertogin. -De andere officieele quadrille’s vormden hare figuren om ze heen. De -honderden gasten zagen toe. - -Van het regenbogende rotskristal der kronen vloeide electrisch licht in -witte lichtvakken uit de koepelende hoogte, gleed langs de marmeren -mozaïek-wanden en porfieren zuilen der zaal en drupte in millioenen -flikkeringen op de gladde facetten der juweelen, op het goud der -uniformen en galarokken, op de waterende witte brokaten der slepen -neêr; want het wit was voorgeschreven; alle dames waren in het wit en -de sneeuw der fluweelen, de lelieglans der satijnen zilverden van het -licht. Eén verblindend gewemel van glans doorleefde de immense zaal met -zijne flonkerwisselingen. Want het licht bleef nooit, wisselde -onophoudelijk zijn helste punt, maakte het bal tot éen caleidoscoop van -schittering. Het licht guldde op iedere galon, liet zich vangen in -elken brillant, bleef aan iedere parel hangen. De muziek scheen met dat -licht éen te zijn; het koper weêrgalmde als goud. - -De hertogin van Yemena stond in een groep van diplomaten en adjudanten; -hoog op rees ze in hare schoonheid, die in dit gewissel van -lichtvonkeling sculpturaal prachtig was. Zij scheen kolossaal groot -door den zwaren pli-Watteau, die van haren rug af sleepte, in wit -broché. Zij droeg hare tiara van smaragd en brillant, en dezelfde -groene steenen sparkelden in een groote juweelen bloemtak, die over -haar corsage heen bloeide. - -De keizer naderde haar; ze knakte in hare beroemde nijging neêr, en -Oscar sprak een oogenblik schertsende met haar. Toen de keizer verder -was gegaan, zag zij den kroonprins naderen. Zij neeg weêr, hij boog -glimlachend en bood haar den arm. Langzaam gingen zij door de zaal -heen. - -—Ik heb u iets belangrijks te zeggen, fluisterde hij in een stem van -conversatieklank. - -Hij kon zich niet met haar verwijderen; men zoû hen missen. Ze bleven -dus door de zalen wandelen. - -—Ik heb U in zoolang niet gezien... alleen! fluisterde zij verwijtend -terug, met die zelfde stem. En wat had... Uwe Hoogheid mij te zeggen? - -Voorzichtig spraken ze, den glimlach van koele conversatie op de -lippen, het geluid van hunne stemmen dempende tusschen hen in, -schijnbaar onverschillige blikken werpende om hen heen, of men ze niet -hooren kon. - -—Iets,... dat ik u al lang had willen zeggen... Een besluit, dat ik -nemen moet... - -De woorden kwamen hem telkens afgebrokkeld over de lippen, en niet -klinkende met hun waar accent, uit voorzichtigheid. Zij merkte, dat hij -haar een groot nieuws mede zoû deelen. Zonder dat ze wist waarom, -beefde ze... Hijzelve wist niet of wat hij deed, wreed was of niet: zoo -kende hij deze vrouw niet. Maar hij wist wel, dat hij met opzet dit -moeielijke oogenblik gekozen had voor zijn onderhoud, omdat hij niet -wist, hoe zij het dragen zoû. Hoe zij het dragen zoû in een -tête-à-tête, als zij toe kon geven aan hartstochtelijkheid. Hier wist -hij het, hoe zij het dragen zoû: glimlachend, als vrouw van de wereld, -zelfs al werd het haar tot smart. Misschien was hij toch wèl wreed... -Maar het was nu te laat: hij moest doorgaan. - -Zij zag tot hem op, de pluimen van den waaier bewegend. Hij vervolgde: - -—Een besluit... Als onze Syrische gasten weg zijn... ga... ik op -reis... - -—Waarheen, Hoogheid? - -—Naar... verschillende hoven... van Europa... - -Zij vroeg niet meer; haar glimlach bestierf; toen glimlachte ze weêr -als een automaat. Zij vroeg niet meer, omdat zij wel wist wat het -beteekende als een kroonprins een reis ging doen naar verschillende -hoven van Europa. Dat beteekende een bruidvaart. En ze zeide alleen, en -haar stem kon niet anders klinken dan als een klaagtoon: - -—Zoo gauw al... - -Zoo gauw al... Zóó kort zoû haar keizerlijke roman duren! Zij had wel -geweten, dat zoo het einde zoû kunnen zijn, want zij wist hem te rein -om haar te laten naast eene jonge gemalin. Zij had zich ook al zoo een -einde voorgesteld over een jaar, twee jaar misschien, zij zich -terugtrekkende, en ze had zich voorgesteld, dat ze het doen zoû zonder -rancune voor hare jonge, aanstaande keizerin. Maar nu al! Zoo gauw! -Nauwelijks eenige weken! Zoo kort had nog géen roman in haar -liefdeleven geduurd! Zij voelde er een smartelijken weemoed om, vocht -waasde over hare oogen en de lichtwisselingen van het bal trilden voor -haar heen als door water. Telkens vergat zij te glimlachen, maar zoodra -zij er aan dacht, glimlachte zij weêr. - -—Zoo gauw al...? - -—Het moet... - -Ja, het moest, het kon niet anders. Voor haar was het het einde van -haar leven. Wanhoop voelde ze er niet om, om dat einde; alleen maar -smartelijken weemoed. Het zoû gedaan zijn. Na dezen keizerlijken roman -geen andere. O, neen, nooit meer. Ze zoû hare jeugd er aan geven; hare -stiefdochters zoû ze in de wereld brengen. Ze zoû dankbaar zijn, dat ze -geleefd had, en nu oud worden. Maar oud... Ze was nog zoo jong, ze -voelde zich nog zoo jong. Ze merkte nu eerst hoe ze haren kroonprins -liefhad. En ze had gaarne weg willen zijn, uit de schittering van dat -feest, om, alleen, hem nog eens te omhelzen, voor het laatst... O, die -weemoed van alles, wat eindigen moet, alsof alles niets meer is dan -geur, die vervliegt... - -—Ik vertrouw op u, mevrouw... sprak hij nu; ik hoop, dat u van die reis -niets zeggen zal. U begrijpt, het is alles nog een geheim; er is nog -geen keuze gedaan... er is alleen maar even over gesproken geworden met -Hunne Majesteiten en Myxila. Niet waar, ik vertrouw op u? - -Zij knikte glimlachend van ja, ja... - -—Maar ik wilde het u toch nu al zeggen, ging hij voort. - -Zij glimlachte weêr. Op dit oogenblik scheen achter het paleis, onder -het paleis, waar...? een vreemd onweêr uit te barsten. Door het gegalm -der muziek en het getril van het licht heen, daverde een donderslag en -rommelde door. Het was of de bliksem was ingeslagen, want door de open -ramen, dadelijk na, hoorde men van een der achterzijvleugels van het -paleis een ratelenden warrelval van steenen, die in de lucht geslingerd -schenen, van groote balken, die onbehouwen neêrstommelden, van -glasscherven, die schel naar alle zijden schenen uit elkaâr te -springen... - -De muziek was in eens verstomd. De uniformen, de sleeptoiletten storten -zich naar de open balkons, die op het park zagen, maar de nacht was -donker, het park was stil. Een paar laatste balken schenen nog na te -rollen, met een laatst afgruizelen van steen... - -In de schelle tinteling van het electrische licht waren de gezichten -doods wit geworden als van cadavers. In verschrikking staarden de oogen -elkaâr aan. De hertogin was half tegen Othomar aangezonken, toen zij -Elizabeth met dolle, wezenlooze oogen voorbij hen zagen ijlen, een deur -uit; hare lange, witte fluweelen sleep slierde haar radeloos, den hoek -om, achterna. De grootmeesteres volgde haar, en Hélène van Thesbia. De -keizer scheen haastig den ceremoniemeesters bevelen te geven, verliet -toen ook het bal, met eenige officieren. - -Kort daarop echter klaterde weêr de muziek van de loggia der galerij -af. Men zag vele adjudanten en ordonnans-officieren voor hunne dames -buigen; de dames bevende rijzen. Het bal werd vervolgd; in de wendingen -van den wals namen de uniformen en slepen weder de vorige schitteringen -aan. De glimlachen schenen echter als weggeveegd te zijn van de -gelaatstrekken, en de doodsbleeke gezichten der walsers maakten van het -bal een macabere ommegang. - -Leonie, sidderend, boog voor Othomar. - -—Een dynamiet-ontploffing, onder in de kelders van den westelijken -achterzijvleugel. De antichambres van het appartement van Zijne -Majesteit zijn vernield. Zijne Majesteit verzoekt Uwe Hoogheid alles in -het werk te stellen, om het bal te laten voortgaan. Alle officieren en -hofdames zijn bevolen te dansen. - -De hertogin klemde Othomar’s arm, viel bijna flauw. Rondom hen heen -ging de mare. De adjudanten sleepten hunne dames meê als half -zwijmende. Men zag er een paar flauw weggebracht worden. De koningin -van Syrië stond wezenloos aan de zijde van den aartshertog van -Karinthië, die zijn arm om haar zwaar middel sloeg ten dans. Ze scheen -nog niet tot besluit te kunnen komen. - -Othomar rondde zijn arm om de hertogin. - -—God, ik kàn niet... stamelde zij. In Gods naam, Hoogheid, ik kan -niet...! - -—Het moet, sprak hij. Zijne Majesteit wil het... - -—Zijne Majesteit wil het... herhaalde zij. - -Hare beenen trilden onder haar als met electrische sidderingen. Toen -liet zij hem haar nemen en zij dansten. Allen dansten. - -De keizerin was de trappen en galerijen naar de slaapverdieping -opgehold. Zij zag niet, dat een paar dames haar volgden: zij rukte een -deur open. - -—Berengar!! kreet zij uit. - -De slaapkamer van den jongen prins was verlicht. Het kind had zich, in -zijn hemdje, al half van zijn veldbed gericht. Zijn kamerdienaar en een -kamenier stonden ontzet in het midden van de kamer. - -—Berengar!! hokte de keizerin juichend, toen zij hem ongedeerd zag. - -Zij sloeg hare armen om hem heen, drukte hem aan hare borst. - -—O, mama, u doet me pijn! riep het kind geërgerd. - -Hare juweelen hadden hem even bloed geschramd aan zijne kleine bloote -borst. Zij omhelsde hem nu zachter, met zenuwachtige snikken, die -stokten in hare keel. Een touffe van brillanten struisveêren viel op -den grond; de kamenier raapte ze op, met vingers, die niet grijpen -konden. - -—Mama, laten ze het paleis in de lucht springen?! - -—Neen, Berengar, neen, er is niets... - -—Mama, ik wil er naar toe!! Ik moet zien, wat er van is. - -—Berengar... - -De deur was open gebleven; de keizer kwam binnen, rustig. De dames -stonden op den corridor, te wachten op de keizerin... - -—Papa, mag ik meê, met u, kijken? - -—Neen, Berengar, er is niets te zien. Ga slapen... - -Toen boog hij zijn arm tot Elizabeth. - -—Mevrouw... sprak hij koel. - -Zij sloeg een smeekenden blik naar hem op. Hij bleef haar den arm -bieden. Toen kuste zij nog eens den jongen, vleide hem nu zacht aan tot -slapen. - -—Wacht even... stamelde zij tot Oscar. - -Zij ging naar den spiegel; de kamenier met hare onhandige vingers -bevestigde de juweelen touffe aan den rand van het open corsage, -plooide den vierkanten sleep uit. - -—Ik ben klaar, sprak de keizerin tot Oscar met eene doode stem. - -Zij nam zijn arm, de keizer drukte haar even de hand, en zij knikte -Berengar nog eens toe, en gingen. - -Geärmd verschenen de vorsten ten tweeden male op het bal. De keizerin -was bleek maar glimlachte. Zij was prachtig, delicaat van teedere -majesteit in het uitslepende witte fluweel, waarop aan het corsage en -over den rok van voren, touffes van brillanten struisveêren, in den -vorm van fleurs-de-lys, flonkerden. Een kleine keizerinnekroon van -brillanten kroonde haar klein rond hoofd. - -Het was twee uur. Meestal waren de vorsten gewoon tot één uur op de -hofbals te blijven. De koningin van Syrië echter in haren exuberanten -levenslust, had hen verzocht langer te blijven. Zij hadden toegegeven. -Waren zij om éen uur gegaan, dan had de ontploffing plaats gehad op het -oogenblik, dat Oscar waarschijnlijk zijn appartement juist binnen zoû -gegaan zijn. Men had eerst gesproken over de antichambres alleen: het -scheen nu toch, dat er ook groote schade veroorzaakt was aan het -kabinet zelve van den keizer. - -Het souper begon. Men soupeerde in eene groote zaal; uit iedere tafel -rees een palmboom, en de zaal was er een woud van palmen door. De grond -was met een gouden zand bestrooid, dat, met het loopen, over de slepen -heen poeierde. Electrisch licht scheen door de lange bladeren heen als -maneschijn. In dien maneschijn bleven de gezichten doodwit, als vlakken -van krijt, boven het glinsterend kristal en al het gouden vaatwerk. De -muziek klaterde met zware cymbelslagen van koper. - - - - - -V. - - Aan Hare Koninklijke Majesteit Olga, - Koningin van Gothland. - - Lipara, Imperiaal, Mei 18.. - - - Mijn liefste zuster. - -Eindelijk kan ik u den brief schrijven, dien ik al sedert lang in -gedachten aan u schreef. De drukte van onze goede Syriërs is voorbij en -Lipara weêr kalm. Ik kan tot nadenken komen. Maar mijn nadenken is -niets dan treurigheid. Ziehier waarom, Olga. - -Ik geloof, dat Othomar zieker is, dan de doktoren het inzien. Hij is -magerder geworden en ziet er zeer slecht uit. Hij klaagt nooit veel, -maar verleden zei hij me toch, dat hij zich dikwijls moê voelde. De -doktoren meenen, dat hij eenigen tijd rust noodig heeft en raden een -lange zeereis aan. Zijne reis door Europa, waarover ik u verleden -schreef, zal dus uitgesteld moeten worden. En nu kom ik met het -volgende verzoek tot u. - -Ik weet, dat Herman spoedig een groote vaart op den Viking gaat doen -naar Oost-Indië, Japan en Amerika, en het zoû op dit oogenblik mijn -liefste verlangen zijn als Othomar hem zoû mogen vergezellen. Toen de -doktoren een zeereis aanrieden, sprak ik er met Oscar over, maar wij -kwamen tot geen besluit. Mijn kind namelijk heeft geene vrienden van -zijne jaren, Olga, en dat maakte me zoo treurig, en we wisten, niet -hoe, en met wie, we hem de reis zouden laten doen op eene wijze, die -genoegen voor hem zoû zijn en geene eenzame verbanning uit ons midden. -Hij is heel wel met zijne adjudanten, maar dat is toch niet wat ik zoû -wenschen: een hartelijke, gemeenzame, vertrouwelijke vriendschap met -iemand van zijne jaren, met wien hij eenigen tijd samen zoû zijn, -geheel voor genoegen en ontspanning. - -Ik weet wel, dat het een beetje aan mijn kind zelve ligt, aan dat zeker -gemis van gemakkelijkheid om open te zijn en tot zich te trekken. Maar -hij heeft toch eigenschappen, waarom men hem zeer zoû kunnen beminnen, -zoo men ze wist, zoo hij ze liet uit komen. Niet waar, u houdt toch ook -van hem, Olga, en het is niet alleen mijn eigen blinde moederliefde, -die mijn kind beminnelijk en sympathiek ziet? En daarom zoû ik zoo -ingaarne hebben, dat Herman hem wilde meênemen en hem beter leerde -kennen; wie weet of zij dan elkaâr niet zouden leeren liefhebben. -Othomar vertelde mij al, dat ze op hunnen tocht in het Noorden van ons -land, elkaâr meer genaderd waren dan zij ooit dachten te zullen doen, -maar het was een drukke tijd; ieder oogenblik was met plichten en -bezigheid gevuld en zij hadden geen tijd om met elkaâr te spreken en -elkaâr te leeren kennen. Maar toch, in zulk een moeilijken tijd van -samendoen kan men elkaâr ook leeren kennen zónder spreken; hoe het ook -zij, zij zijn elkander reeds vriendschappelijker geworden; vroeger was -het, tot mijn innig verdriet, Olga, antipathie; ze wilden elkaâr zelfs -niet ontmoeten, zelfs uiterlijk was er niets dan koelheid tusschen hen; -o, wat heeft mij dit alles leed gedaan, als ik onze jongens zoo tegen -elkaâr zag doen en mij herinnerde hoe wij waren, Olga, toen wij jonge -meisjes waren op ons mooi oud slot bij Boekarest. Hoe leefden wij niet -geheel met elkaâr! Olga, Olga, wat is dat alles treurig lang geleden! -Onze ouders zijn nu dood, onze broêrs verspreid, het slot is verlaten, -en wij zijn gescheiden: wanneer zien we elkaâr? Nauwlijks een paar -dagen nu en dan, als wij ergens samentreffen voor een huwelijk van -bloedverwanten: rustelooze dagen altijd, waarin we toch niets aan -elkaâr hebben. Dan, soms, niet eens ieder jaar, een paar weken, of in -Gothland, of hier. U verwijt mij wel eens, dat ik, die zooveel van -Gothland hoû, zoo weinig bij u kom, maar het is altijd de zelfde reden. -Oscar verlaat niet gaarne Liparië, en ik kan mijn man niet verlaten. Ik -kan sterk zijn naast hem, maar alleen ben ik zoo zwak, Olga. Dat hèm -iets zoû kunnen overkomen, waarin ik niet deelen zoû, vermeerdert mijn -angst ondragelijk. Ik heb het nog onlangs zoo gevoeld, toen ik met -Thera te Altara was; ons bezoek was aangezegd en verplichtend, niet -waar, en hoe ongaarne ik Oscar verliet, het moest. Het was juist in -dien moeilijken tijd; Lipara in staat van beleg! Maar Oscar wilde het -en ik ben gegaan. O, wat ik toen geleden heb! - -—Maar ik wen mij aan mijn angst, ik klaag niet en neem het leven op, -zooals het ons gegeven wordt; ik hoop alleen maar, dat mijn jongen het -ook zoo zal leeren opnemen. Misschien zal hij dit leeren. Het is wel -moeilijker voor hem, want hij zal meer moeten handelen dan zijne -moeder, die veel passiever zijn kan als vrouw, en het is gemakkelijker -passief te leeren berusten, dan handelend. Maar, de Heiligen zullen hem -zeker later kracht geven zijn lot te dragen en zijn kroon; hier -vertrouw ik op. En toch, o Olga, onmetelijk is de weemoed in mij, dat -wij vorsten zijn! Maar laat mij hier niet verder over doorgaan: het -maakt zwak, het is niet goed, het is niet goed... - -Er is nog een geheime reden, dat ik Othomar gaarne weg zoû hebben van -Lipara, al kost het mij ook altijd zoo veel, te scheiden van mijn -lieveling. Er schijnt toch iets waar te zijn van die geruchten over de -hertogin van Yemena: Oscar heeft er Myxila naar gevraagd, en die kon -het niet loochenen, en zeide zelfs, dat het algemeen bekend was. Ik doe -mijn best er maar niet te veel verdriet over te hebben, Olga, maar ik -vind het een vreeselijke zaak. O God, laat mij er maar niet verder over -denken of schrijven; het gaat mij anders zoo warren in mijn arm hoofd. -Wat kan mijn kind zien in een vrouw, die ouder is dan zijne moeder! Wat -zijn die dingen toch vreeslijk in de wereld, Olga, en wat zijn er toch -vrouwen, die wij nooit zullen begrijpen, want temperament is toch niet -álles: iedere vrouw heeft toch haar hart, en daarin moesten wij toch -allen elkaâr weêrvinden, maar het schijnt zoo niet te zijn. Ik neem, in -mijn verdriet hierover, maar aan, dat die vrouw mijn jongen liefheeft -en daarom haar man bedriegt. O, het is ook zoo slecht van mijn kind; -waarom moet hij zoo zijn, hij is anders zoo goed! Ik neem dat nu maar -aan, dat ze hem liefheeft; verleden was het mijn laatste Handkus, de -cour, waarmeê, zooals je weet, alle winterfeesten eindigen, en toen ze -me naderde en voor me boog en op mijn hand hare lippen drukte, voelde -ze zeker mijn afkeer en mijn verdriet van mijne vingers afstralen, want -ze richtte zich uit hare buiging op, met een wanhopigen angst in hare -oogen en iets van een snik in hare keel! Ik bleef haar koel aanzien, -maar ik had toch medelijden met haar, Olga, want als een vrouw van onze -wereld zich zóo slecht kan beheerschen op een ceremonieel oogenblik -voor hare vorstin, moet hare ziel wel zeer geschokt geweest zijn: -gelooft u dit ook niet met mij? - -Wij hebben nu rust. Over een week gaan we onze zomerkwartieren -betrekken in Xara, op Castel Xaveria; het wordt hier al zeer warm. Voor -dat wij gaan, zoû ik zoo gaarne een antwoord van u ontvangen hebben en -weten hoe Herman mijn verzoek opneemt. Ik weet, dat hij veel van mij -houdt, en het zeker gaarne zal inwilligen, niet waar, en dat hij om mij -zal probeeren Othomar lief te hebben; en laat me toch haasten er bij te -voegen, dat het ook de innigste wensch van Othomar is met Herman mede -te gaan. De zeereis lokte hem eerst in het geheel niet toe, omdat hij -niemand wist om meê te nemen en hij zeide, met ons maar naar Castel -Xaveria te willen gaan, maar toen ik van Herman sprak, vereenigde hij -zich geheel en al met mijn plan. - -Olga, wat zal ons de zomer geven? Rust of niet? Ik durf het maar niet -hopen. De winter is gruwelijk geweest; onze Noordelijke gouvernementen -zijn nog niet de ramp te boven. De ellende is er niet te lenigen. Er -heerschen gevaarlijke tyfeuze koortsen, en vele gevallen van cholera -zijn voorgekomen. De grèves in het Oosten zijn nu gedaan, maar ik ben -zoo bang voor dat bedwingen met ruw geweld. O, als alles maar met -zachtheid kon gebeuren! Die aanslag op Othomar en de ontploffing -tijdens het laatste bal hebben mij ook zoo ziek gemaakt. Wat zoû ik u -gaarne eens zien en in mijn armen drukken: kunt gij niet te Castel -Xaveria komen van den zomer? U zoû er mij zoo innig, innig blij meê -maken!! - -Kus Siegfried en alle de uwen van mij. Antwoord mij gauw, niet waar? Ik -omhels u in beide mijne armen. - - - Elizabeth. - - - - - - - - -TWEEDE DEEL. - - -EERSTE HOOFDSTUK. - - -I. - -Augustus, aan de Oostzee. De grijze golven krullen tegen de klippen op -met hooge, ronde kammen dik schuim. De lucht is daarboven éen wijde -koepel, waardoor groote gebergten van wolken drijven, grijs-wit. Zij -komen langzaam aan, vullen den hemeldom met hunne wisselende -schijnmassa’s, als van rots- en alpenketen, die zouden zweven op -atmosfeer, en drijven langzaam weêr voort, weg. De zee heeft er een -smal strand, met veel verbrokkeld klip; zeer nabij donkert zwart-groen -dennenbosch. Half als tegen de klippen aan, op de duisternis van het -bosch als achtergrond, rijst het oude Altseeborgen. Het is een verweerd -kasteel, waaraan de opkrullende golven schijnen te knagen; zijne drie -hooge, ongelijke torens bouwen zich zwaar rond de lucht in. De weg naar -het kasteel loopt van uit het bosch terrasachtig op, opglooiend, breed, -leidt naar het achterplein, waar de hoofdingang is. Om het kasteel, -breed heen, traptreden zich de granieten terrassen, met hunne ruwe -balustrades, waarvan de hardsteen opgegeten is door de zoute lucht. Die -terrassen zien, naarmate ze stijgen, wijder uit over de zee; van af het -hoogste terras ligt de zee als éen groot segment van vreemde -bewegelijkheid, levend element, aan tegen het strand links, en rechts. -Over de zee zwaaien de Zuidewinden op het kasteel aan; het dennenbosch -beschermt het veel voor de Noordelijke vlagen. - -Van den hoogsten toren flappert een ontzachlijk zeil van dundoek uit, -en doet er vroolijk in de lucht: twee banen geel en er tusschen een -witte baan, waarop de donkere vlak van den gekanteelden burcht, die het -wapen van Gothland is. Het is er op den zonloozen morgen een glimlach -aan den hemel; het zwelt en valt weêr slap en laat zich hoog op weêr -blazen door den wind, die frisch aanwappert over het water. - -Een jonge man en een jong meisje loopen aan het strand; ze praten, -glimlachen, zien elkander aan. Zij is grooter dan hij, zeer blank; -onder den kleinen matrozenhoed waaien enkele harer, even rosgoudbruine, -haren, verward door den wind, om haar gezicht; onophoudelijk strijkt -zij ze weg. Zij draagt een eenvoudigen blauwen serge rok en witte -blouse, een breeden leêren ceintuur om het middel. Hare elegante -voetjes zijn telkens door den wind geheel zichtbaar, in de zwart zijden -kousen en gele leêren schoenen. Een paar handschoenen zwaait ze -luchtigjes in de hand. - -De jonge man draagt een licht, geruit zomerpak, en een strooien hoed. -Hij is klein, tenger; zijne oogen hebben een zwarten blik van zachte -melancholie. Hij schijnt aan het meisje naast hem een verhaal te doen -van reizen; zij luistert met haren glimlach toe. - -Om hen heen, trots den wind, is de atmosfeer die eener wijde rust. -Langs het strand loopende, komen zij voorbij het kasteel, gaan het -achterom en zien naar boven. Uit een der vensters wuift iemand vroolijk -met de hand, en roept iets. Zij pogen te hooren, de hand aan het oor, -maar halen de schouders op: de wind waaide de woorden weg. Nog eens -wuiven zij, en gaan door. - -Zij gaan echter niet ver, altijd langs het strand. Ginds ligt het -visschersdorp, liggen een paar kleine villa’s, optrekjes. Een ervan -schijnt juist, voor een vacantie-maand zeker, bewoond door eene groote -familie; drukte van stemmen gonst naar buiten, kinderen rennen elkaâr -aan het strand na; een klein meisje bonst in haar vaart tegen den -jongen man aan. - -—Hola, zegt hij vriendelijk, en lacht; lachende gaan zij door. - -De kinderen rennen verder. Een visscher komt met zijn netten aan, -grinnikt goedig en mompelt een groet. Een dikke dame in de verandah -heeft de jongelieden nieuwsgierig nagekeken; ze ziet den visscher -groeten, houdt hem staande. - -—Wie is die dame met dien heer? - -De visscher wijst goedig naar Altseeborgen. - -—Van het kasteel. - -—Maar wie dan? zegt de dame verschrikt. - -—Wel, die meneer is de prins van Liparië en de juffrouw is een -Oostenrijksche prinses, zegt de visscher, alsof iets anders onmogelijk -ware. - -De dame ziet het vorstelijke paar ontzet na en kijkt dan in wanhoop -naar hare rennende kinderen. De jongelieden keeren juist terug op hunne -heen-en-weêr-wandeling; ze lachen nog vroolijker nu en haasten zich een -beetje vlugger naar het kasteel, alsof ze zich verlaat hebben. De dame, -bleek nog, durft geene excuzes maken, maar maakt eene diepe buiging; -zij krijgt een vriendelijken groet terug. - - - - - -II. - -De koninklijke familie van Gothland was gewoon den geheelen zomer te -Altseeborgen te blijven. Het strand leende zich bizonder tot badplaats -om het visschersdorp heen, maar koning Siegfried had hier nooit van -willen hooren: het strand en het dorp waren koninklijk domein; slechts -een paar nederige optrekjes hadden mogen verrijzen. Meestal kwamen daar -des zomers enkele burgerfamilies met kinderen. Een moderne badplaats -zoû Altseeborgen nooit worden, al vond de elegante wereld de -gelegenheid ook uitstekend om te zomerschitteren, zoo vlak in de -nabijheid van het koninklijk kasteel. - -Maar de Gothlandsche familie bewaakte ook zorgvuldig de vrijheid van -haar zomerleven. Vier maanden leefden zij daar, zonder de etiquette der -paleizen, in den grootsten eenvoud. Zij vormden een talrijke familie en -er waren altijd vele logé’s. De koning deed de staatszaken -huishoudelijk op het kasteel af. Zijne kleinkinderen liepen soms zijn -kabinet in, als hij met den minister-prezident, die sommige dagen naar -Altseeborgen kwam, in gewichtige bespreking was. Hij klopte ze even op -de blonde krullebollen en zond ze met een liefkoozing weêr weg, om te -spelen. Er waren daar de kroonprins Gunther, en de kroonprinses Sofie, -Duitsche vorstin, hertog en hertogin van Wendeholm; zij hadden vier -kinderen, een meisje en drie jongens. Op den hertog volgde prins -Herman, na hem de prinses Wanda, twintig jaar; na haar de jongere -prinsen Olaf en Christofel. Verder waren er ook altijd twee oude -prinsessen, zusters van den koning, douairières van Duitsche vorsten. -Van alle hoven van Europa, die als éene groote familie zijn, kwamen nu -en dan verschillende leden logeeren en brachten er hunne nuance van -verschillende nationaliteit mede, iets exotisch in klank van stem en in -zijn van zede, voor zoover dit niet in hun cosmopolitisme weggesmolten -was. - -Othomar was met Herman drie maanden op zee geweest; zij hadden -Voor-Indië, China, Japan en Amerika aangedaan. De reis was incognito -geweest om alle officieele ontvangst te ontloopen, en Othomar had geen -anderen titel gedragen dan dien van prins Czyrkiski. De reis had -Othomar veel goed gedaan; hij voelde zich zelfs zoo wel, dat hij -keizerin Elizabeth geschreven had nog eenigen tijd in den familiekring -te Altseeborgen te willen blijven, maar daarna zijne, reeds vroeger -voorgenomen, reis aan de Europeesche hoven te ondernemen. - -Het gemakkelijke samenzijn had de neven zeer tot elkaâr gebracht. -Herman had Othomar onder zijn strakheid en gemis aan gemakkelijkheid -leeren kennen als een jongen kroonprins, die zeer tegen zijne toekomst -opzag, maar veel redelijkheid in zich had, wilde leeren berusten in het -leven en zich reeds sterk maken voor zijn aanstaand zwaar juk van -keizergrootheid. Hij begreep Othomar en had medelijden met hem. -Hijzelve zag in het leven een vitaal genot; te ademen alleen reeds was -genieten; zijn bestaan van tweeden zoon, met alleen zijne -marineplichten, die hij liefhad, zooals een afstammeling van oude -zeekoningen ze erfelijk lief kon hebben, hoorde een perspectief voor -hem heen van niets dan éene verre onbewolkte zorgeloosheid; dat hij -koningszoon was, gaf hem niets dan gemak, dan genot en hij waardeerde -zijne hoogheid van omstandigheden met jolig pleizier, hij schepte zich -den room af van een kelk, waaruit Othomar later alsem zoû drinken. -Vergeleek hij ook eerst Othomar met zijn broêr, den hertog van -Weldeholm, en kroonprins ook, hij van Gothland, Herman vergeleek nu -niet meer; zijn oordeel was redelijker geworden; hij begreep, dat geene -vergelijking mogelijk was. Liparië was een ontzachlijk bijna -autocratisch keizerrijk; het volk, vooral in het Zuiden, zeer -wisselvallig, altijd met kracht in toom gehouden om zijn kinderlijk -nooit zelf weten wat het doen zoû van grilligheid; de Gothlanders, van -temperament kalm liberaal, zonder schreeuwerigheid, hielden zich met -hunne, reeds lang verkregen, uitgebreide constitutie, rustig om koning -Siegfried, dien zij den vader van het land noemden. Dat Gunther er niet -tegen opzag eenmaal de kroon te moeten dragen, was dat reden, dat -Othomar zonder die vreeze hoefde te zijn? Bezat Othomar niet eerder de -teedere eigenschappen, die in den nauwen cirkel van een intiemen kring -gewaardeerd worden en beminnelijk maken bij enkele sympathieken, dan -dien felleren glans van hoedanigheid, die op een hoog standpunt hel -doet uitkomen en relief, en opzien wekt bij de menigte? Was die jongen -met zijne ziel vol scrupule, zijn heimwee naar rechtvaardigheid, zijn -in-verlangen naar liefde, zijn dadelijk gekwetste teêrgevoeligheid, was -hij de zoon zijner vaderen, afstammeling van Berengar den Sterke, -Wenceslas den Wreede, zoon der strijdbare Xaveria, of was hij niet -eerder het kind maar zijner zachte moeder alleen? - -Het was niet in Herman hier veel en lang over na te denken, maar het -kwam plotseling tot hem, bruskweg, als een nieuw uitzicht, dat geopend -wordt in een klaarder licht. En wat antipathie in hem geweest was, werd -medelijden, vriendschap en verwondering over het willen van de -wereldorde, omdat ze met een ziel als die van Othomar niets anders wist -te doen dan ze neêr te drukken onder een kroon. - -Het eenvoudige familieleven te Altseeborgen was voor Othomar als een -kuur. Hij voelde er zich in natuurlijkheid opleven, zijne -menschelijkheid zich er zonder boei wijder ontplooien. Gewend aan het -ceremonieele hofleven van het Imperiaal, aan welks etiquette keizer -Oscar streng de hand hield, verwonderde de, bijna burgerlijke, eenvoud -zijner Gothlandsche familie hem eerst, maar verheugde hem later. Vorige -jaren was hij wel nu en dan korten tijd te Altseeborgen geweest, maar -nooit zóo lang gebleven, om zich, zooals nu, geheel en al tot de hunnen -te kunnen rekenen. - -Behalve Othomar waren er op dit oogenblik geene andere logés dan de -aartshertogin Valérie, nicht van den Oostenrijkschen keizer. Vermoedden -de jongelieden iets of niet? Werden hunne namen samen genoemd door de -jongere prinsen en prinsessen? Uiterlijk scheen het niet; een enkelen -keer maar hadden de prinses Sofie of Wanda noodig de jongere broêrs met -een blik te doen zwijgen. En toch was het met gewichtige bedoeling, dat -de koningin van Gothland, in samenstemming met den keizer van Liparië -en de ouders van Valérie—aartshertog Albrecht en aartshertogin Eudoxie, -die het slot te Sigismundingen bewoonden—de jonge lieden samen had -gebracht. Keizer Oscar zoû zeker liever eene der jeugdige Russische -grootvorstinnen, nicht van den Czaar, tot schoondochter hebben willen -kiezen, maar het verschil van godsdienst was altijd een onoverkomelijke -hinderpaal; bezwaren had de keizer, trots zijn voorkeur, tegen de -Oostenrijksche verbintenis intusschen niet. - -Misschien rieden Othomar en Valérie iets van deze bedoeling, maar het -geheim ervan wekte geene gedwongenheid tusschen hen; zij waren, van -beider kant, zoozeer gewend telkens bekende vorsten of prinsessen met -hen samen genoemd te hooren, te zien zelfs vermeld in couranten: -verlovingsberichten, die kort daarop weêr tegengesproken werden; ze -hadden zelfs samen geschertst over de vele malen, die de publieke -opinie hen had uitgehuwelijkt, telkens weêr met anderen; soms waren het -zelfs voor henzelve verrassingen geweest, die zij vonden in de -nieuwsbladen, en waarover zij jolig pleizier hadden gemaakt. Zij -stoorden zich dus niet aan een heel enkel ondeugend woord van prins -Olaf of prins Christofel; flinke jongens van zeventien en vijftien -jaar, die het gezellig vonden te plagen. En daarbij oefende koningin -Olga, verstandig en redelijk, niet den minsten invloed op hen uit. Zij -had ze samen genoodigd, maar meer deed ze niet. Misschien lette zij -stil op hoe zij waren met elkaâr, en schreef ze hiervan een enkel woord -aan hare zuster, maar zij hield zich geheel buiten de mazen, die zich -tusschen hunne kroonlevens moesten samen weven. Toch was het haar -moeilijk zoo te doen. Zij hield van Valérie, en meende, dat dit -huwelijk in allen deele goed zoû zijn. Maar daarbij kwamen er dringende -brieven van Sigismundingen, en zelfs van Weenen, waar men niets liever -wenschte, dan de jonge aartshertogin, hertogin van Xara te zien. Er -waren hier, behalve dat men aan het Oostenrijksche hof een hernieuwde -verbintenis met Liparië op prijs stelde, nog andere redenen voor, van -intimer aard. - - - - - -III. - -De zon was in den namiddag doorgebroken en deed het grijs van de lucht -en het water opblauwen met de wazige blauwte van Noordelijken zomer. De -zee gloeide en schubde zich goud; het verweerde kasteel stond zijn -breeden granietstapel, als een oude man zijn rug, te blakeren in de -warmte. Op het hoogste terras, dat met drie glazen deuren tot den -grooten hall toegang had, was het gestreepte linnen zeil neêrgelaten. -Er lagen matten over den grond. In groote rieten stoelen zaten prinses -Sofie en aartshertogin Valérie; beiden schilderden met waterverf. Uit -den hall klonken, eentonig, de zachte gamma’s van prinses Elizabeth, -het oudste dochtertje der kroonprinses, dat studeerde. Prinses Wanda -zat op den grond en stoeide nog al wild met hare twee jongste neefjes, -Erik en Karel. Op een langen rieten stoel lag prins Herman, met beide -beenen uitgestrekt; naast hem een tafeltje vol couranten en -tijdschriften, waarvan er eenige op den grond gevallen waren; een -groote bel sherry-cobbler in den rieten glashouder van zijn stoel, een -blauwtjes wolkende cigarette tusschen zijne vingers. - -Sofie en Valérie vergeleken hare studiën en lachten. Ze keken naar de -lucht, die het neêrgelaten zeil recht afsneed; de wolken, wollig wit, -schuimden er op elkaâr; de zee was verblindend van gouden schubben, als -een reuzenpantser. - -—Wat teekenen jullie toch? vroeg Herman, die in een geïllustreerd -tijdschrift bladerde. - -—Wolken, antwoordde Valérie; niets dan wolken. Ik heb Sofie overgehaald -samen wolkstudies te maken. Je moet straks, als je niet te lui bent, -mijn album eens komen zien—ze lachte even—het zijn niets dan wolken! - -—Hé! zei Herman, lang uitgerekt. Hoe vreemd... - -—Ja, zei Sofie droomerig; wolken zijn wel aardig, maar je weet nooit ze -te treffen: ze veranderen ieder oogenblik. - -—Erik, vraag eens aan tante Valérie haar album voor me, vroeg Herman. - -—Wel neen, riep Wanda; ga het zelf halen, hoor luilak... - -Maar Erik wilde toch gaan; er ontstond een schermutseling. Wanda hield -den kleinen jongen in beide armen vast, Karel deed meê, zij stoeiden, -en Wanda viel lachend, schuin over den grond. - -—Maar Wanda! berispte Sofie. - -Valérie stond op en ging naar Herman toe. - -—Met dat al zie je mijn wolken niet, luie jongen. Ik zal maar genadig -zijn. Kijk eens... - -Herman richtte zich nu, in eens, op, nam het album aan. - -—Hoe grappig, zei hij. Geel, en wit en violet en roze! Allemaal -zonsondergangen! - -—En zonsopgangen. Ik zie er misschien meer dan jij! - -—Wat jij toch al niet in wolken ziet, Valérie! Het is verbazend. Wat -verschilt de eene mensch toch van den anderen. Ik zoû het nooit in mijn -hoofd krijgen wolken te gaan uitteekenen. Je moet eens met me meêgaan -op reis; dan zoû je heele verzamelingen van wolken kunnen maken. - -—Had me die propozitie maar eerder gedaan! schertste Valérie. Dan had -ik met Xara meê kunnen gaan. - -—Maar waar is Othomar! zei Herman. - -Valérie zei, dat ze het niet wist... - -Herman dronk aan zijn sherry-cobbler, Wanda wilde ook proeven, maar -Herman zei, dat ze zelve maar om een glas moest bellen en weigerde. -Wanda wilde toch; hij greep haar de polsen. - -—Maar Wanda! berispte Sofie weêr, loom; zij streek de hand over het -voorhoofd en legde haar penseel neer. - -Wanda lachte vroolijk. - -—Maar Wanda! deed ze Sofie na, en ze lachten allen Sofie uit; Sofie -lachte meê. - -—Sprak ik zoo? vroeg ze, met hare loome stem. Ik weet het ook niet, ik -word hier zoo slaperig, zoo lui... - -Zij waren nog allen vroolijk om Sofie, toen stemmen klonken uit den -hall, schelle oude stemmen. Het waren de twee douairières met Othomar; -de oude dames minaudeerden hoffelijk tegen den jongen prins, die heur -stoelen aanbood. De tantes hadden na het lunch een slaapje gemaakt; ze -kwamen nu weêr te voorschijn, met tapisseriewerken in groote réticules. -Iedereen begroette haar met veel eerbied, waarin een schalksch tintje -school. - -—Pardon, lieber Herzog, murmelde de oude prinses Elza, de oudste; ik -heb liever dat kleine stoeltje... - -Ook prinses Marianne wilde een klein recht stoeltje; de oude dames -bedankten Othomar met eene révérence voor zijne galanterie, zetten zich -stijf recht, begonnen te handwerken: groote blazoenen voor -stoelbekleedsels. Zij waren zeer deftig, met fijne maar uitgerimpelde -gezichten, grijze tours en een zwart kanten kapsel; ze droegen krakende -moiré japonnen, van ouderwetschen snit. Nu en dan wisselden ze een -snel, vinnig, woord, met eene, plotselinge kakelende, beweging van hare -fijne kakatoeprofielen, ze keken even aandachtig naar de zee, als kon -het niet anders of ze zouden iets belangrijks zien aankomen uit het -onbestemde; dan werkten ze weêr door... Hare ouderwetsche, deftige, -stijf in keurs geregen, schrale figuren deden vreemd samen met de -losheid der jonge lieden in hunne eenvoudige serge zomerpakken: de -verwarde haren en de opgesjorde blouse van prinses Wanda werden er zeer -ongegeneerd om. - -Een derde oude dame kwam statieus aan, zij had eenige overeenkomst met -de douairières; zij was echter gravin Von Altenburg, vroegere -grootmeesteres der prinses Elsa; achter haar brachten twee lakeien -bladen, waarop koffie en gebak, het goûter der oude prinsessen. De -gravin maakte eene ceremonieele nijging voor de jonge vorsten. - -—Het terrein is ingenomen! fluisterde Herman tot Valérie. Zij waren -weêr gaan zitten en onder hen plaagden zij, zonder dat de tantes, of de -gravin, die eenigszins doof was, het hooren konden. Othomar met zijne -drie Nornen, zooals zij schertsten. Een drukke taalwarrel ging om: de -tantes spraken Duitsch en schreeuwden, om zich te doen verstaan, iets -over de kalmte van de zee in de arme ooren der koffieschenkende gravin, -die knikte, dat ze begreep. De jongere vorsten spraken meestal -Engelsch; Herman soms met Othomar een paar woorden Liparisch, en de -kinderen, die op een lager terras waren gaan spelen, joedelden -Gothlands en Fransch luidruchtig door elkaâr. - -De lakeien hadden de afternoon-tea gebracht en voor prinses Sofie -geplaatst, toen eene hofdame verscheen. Zij boog voor de jonge -kroonprinses, en, in het Gothlandsch: - -—Hare Majesteit verzoekt Uwe Hoogheid in den kleinen salon te komen. - -—Mama vraagt me bij haar te komen, zei prinses Sofie in het Engelsch, -terwijl ze opstond. Wanda, schenk jij thee? Kinderen, zullen jullie -naar boven gaan om je te kleeden? Wanda, zeg het hun nog eens, niet -waar? - -De kroonprinses ging door den hall, een groote, ronde koepelvormige -zaal, vol hertengeweien, elandkoppen, jachttrofeeën; daarna een trap -op. In de antichambre der Koningin, deed de lakei de deur voor haar -open. Koningin Olga zat alleen; zij was eenige jaren ouder dan hare -zuster, de keizerin van Liparië, grooter en zwaarder van bouw; hare -trekken hadden echter veel overeenkomst met die van Elizabeth, maar -waren meer aangedikt. - -—Sofie, sprak ze dadelijk, in het Duitsch; ik heb een brief uit -Sigismundingen... - -De hertogin van Wendeholm was gaan zitten. - -—Iets over Valérie? vroeg ze verschrikt. - -—Ja... begon de koningin, met een nadenken in haar blik. Arm kind... - -—Maar wat dan, mama? - -—Daar, lees zelf... - -De koningin reikte den brief aan haar schoondochter over. Deze las -haastig. De brief was van de aartshertogin Eudoxie, de moeder van -Valérie, met een beverige opgewonden hand geschreven, en vermeldde in -termen, die onverschillig wilden zijn maar eene groote voldoening -verrieden, dat prins Leopold von Lohe-Obkowitz in Nice was met de -beroemde actrice Estelle Desvaux; dat hij afstand van zijne heerlijke -rechten zoû doen ten gunste van zijn jongeren broeder, en daarna -trouwen zoû met zijne maitresse. De brief verzocht aan de koningin of -aan de kroonprinses dit te willen meêdeelen aan Valérie, in de hoop, -dat zij er niet te zeer door geschokt zoû worden. Verder eindigde de -brief met hevige aanvallen tegen prins Leopold, die zich zoo te schande -maakte, maar tevens met onverholen blijdschap, dat Valérie er nu -misschien nooit weêr over denken zoû vrouwe te willen worden van een -gebied, dat zes meter in het vierkant mat! De aartshertog Albrecht -schreef er onder, dat dit nieuws geen vaag gerucht was maar zekerheid; -en dat prins Leopold het zelve aan hunne eigen verwanten te Nice -verteld had, die het geschreven hadden naar Sigismundingen. - -—Heeft Valérie wel eens met je over prins Lohe gesproken? vroeg de -koningin. - -—Een enkelen keer, mama, antwoordde de hertogin van Wendeholm, terwijl -zij het epistel terug gaf; maar wij weten allen genoeg, dat dit bericht -haar zeer zal schokken. Zoû zij er in het minst op zijn voorbereid? - -—Waarschijnlijk niet; we hadden er toch geen van allen nog iets van -gehoord of gelezen. Zal ik het haar zeggen? Arm kind... - -—Wil ik het doen, mama? Zooals ik u zeg, een enkelen keer heeft Valérie -met me gesproken... - -—Goed, doe jij het dan... - -De hertogin bedacht zich, zag naar de pendule. - -—Het is al zoo laat, ik zal het doen na het diner; we waren nog geen -van allen gekleed... Wat vindt u? - -—Goed dan, na het diner... - -De kroonprinses ging, ze moest zich haasten met haar toilet. Toen het -zeven uur was, luidde een klinkende bel, lang door. Men kwam in den -hall te zamen; de eetzaal zag met groote bogen op het dennenbosch uit. -Het was een lange tafel: koning Siegfried, een krasse oude vorst met -vollen, grijzenden baard; koningin Olga; kroonprins Gunther, lang, -blond, twee-en-dertig jaren; prinses Sofie en hunne kinderen; Othomar -tusschen zijne tante en Valérie, Herman en Wanda, Olaf en Christofel, -de twee douairières met gravin Von Altenburg, adjudanten, hofdames, -kamerheeren, de gouvernante van prinses Elizabeth, de gouverneurs der -kleine prinsen... - -De ongedwongenheid van vroolijke gesprekken ging om. Men droeg -eenvoudig toilette-de-ville; de koning gekleede jas, de jongere prinsen -en adjudanten smokings. De jonge prinsessen droegen lichte -zomer-toiletten van wit serge of roze mousseline de-laine; ze hadden -een paar bloemen uit de serres zich gestoken in de ceintuurs. - -Valérie praatte vroolijk, Herman plaagde haar nog eens met hare -wolkstudies, maar Othomar zei, dat hij ze zeer bewonderde. Koningin -Olga en prinses Sofie wisselden een blik en waren stiller dan anders. -De koning zag ook zeer aandachtig naar de jonge lieden. Na het diner -verspreidde zich de familie; de kroonprins en Herman gingen met de -jongere prinsen en de kinderen roeien op zee, in twee booten. Wanda en -Valérie liepen, de armen om elkaârs middel, op en neêr, op het lange -voorterras, het zeil was voor den avond reeds omhoog getrokken. De zee -was nog blauw; de lucht parelkleurig en niet zoo hel meer: boven den -horizont brandde de zon nog blakende scheuren in de wijd uitstralende -wolken. - -De jonge meisjes liepen, lachten, zagen naar de twee bootjes op zee en -wuifden ze toe. Heel ver weg ging een steamer fijn gepenteekend, met -een vuil streepje rook. De jonge prinsen riepen: hoera! hoera! en -heeschen hunne kleine vlag op. - -—Zie toch die couranten van Herman, zei Valérie. Tante Olga houdt niet -van dien rommel... - -Ze wees naar al de tijdschriften en nieuwsbladen, die de lakeien zeker -vergeten hadden op te ruimen. Ze lagen over den langen, rieten -reisstoel, op het tafeltje, over den grond. - -—Wil ik bellen, dat zij ze opruimen? vroeg Wanda. - -—Och, laat maar, zei Valérie. - -Ze raapte zelve een paar couranten op, vouwde ze, schikte ze te zamen, -Wanda wuifde weêr naar de bootjes, met een zakdoek. - -—Mijn God! hoorde zij in eens Valérie dof mompelen. - -Ze zag om; de jonge aartshertogin bleek, was op een stoel neêrgezonken. -Zij had de couranten weêr laten vallen; een ervan hield ze krampachtig, -kreukelend, vast, ze zag er op neêr, met oogen, wezenloos van schrik. - -—Het is niet waar... stamelde zij. Ze liegen altijd... ze liegen! - -—Wat is er, Valérie? riep Wanda verschrikt. - -Op dit oogenblik kwam de hertogin van Wendeholm door den hall aan. - -—Valérie! riep ze. - -Het jonge meisje hoorde niet. De hertogin kwam nader. - -—Valérie! herhaalde ze. Zoû ik je even kunnen spreken, alleen? - -De aartshertogin hief haar bleek gezichtje op. Ze scheen niet te -hooren, niet te begrijpen. - -—Mijn God! fluisterde de hertogin tot Wanda; weet ze het al? - -—Wat toch? vroeg Wanda. - -Maar een lakei kwam door den hall ook; hij droeg een zilveren blad met -brieven. Er waren een paar brieven voor de hertogin; hij bood ze haar -eerst; toen éen, aan Valérie. De aartshertogin scheen met hare -verblinde oogen dien brief toch wel te zien; gulzig greep zij er naar. -De lakei ging. - -—O... God...! stamelde zij eindelijk. - -Zij rukte den brief open uit de enveloppe, verscheurde hem half in hare -drift en las met krankzinnige oogen. Sofie en Wanda zagen haar ontzet -aan. - -—O... God...! kreet de aartshertogin smartelijk. Het is waar... het is -waar... het is waar!!! Oh... - -Zij stond trillende op, zag met dolle oogen om zich heen, stortte zich -als gek in de armen der hertogin. Een luide snik stiet uit hare keel, -als schoot een pistoolschot door haar hart heen. - -—Hij schrijft het me zelf! kreet zij uit. Zelf! Het is waar, wat in de -courant staat... Oh!!!... - -En zij knakte met haar hoofd op Sofie’s schouder neer. Sofie voerde -haar mee den hall in; Valérie liet zich meeslepen als een kind. Wanda -volgde, weenende, wringende haar handen zonder te weten waarom. - -Uit de bootjes, die al heel ver waren, wuifden de jonge prinsen nog -eens; prinsesje Elizabeth poogde zelfs iets te roepen; zij begreep niet -waarom Wanda en Valérie zoo flauw waren niet meer terug te wuiven. - -Aan den horizont ging de zon onder; de gloeiende wolken waren allen -verdommeld in schuimend goud-roze neveltjes met blinkende randen; maar -het werd avond; de lucht donkerde; een voor een smolten de roze wolkjes -weg; éen laatste wolk nog, als met twee stralenvleugels van laatste -zonneschichten, flikkerde nog even op, of ze wilde vliegen, en verzonk -toen, in eens, de vleugels geknakt, weg in de violette donkerte. De -eerste sterren twinkelden op, hel zichtbaar. - - - - - -IV. - -Het was den volgenden morgen nog heel vroeg, half zes, toen de -aartshertogin Valérie de terrassen van Altseeborgen afging. Zij had de -kamenier alleen gezegd, dat zij vóor het eerste ontbijt, dat -gezamenlijk gebruikt werd, terug zoû zijn. Beslist als met eene -impulzie, ging zij het eene terras na het andere af. Zij ontmoette -niemand dan een paar bedienden en schildwachten. Het onderste terras -liep zij naar zee om; daar was een kleine vierkante haven in het -graniet uitgehouwen, waar, in een bootenhuis, de roei- en zeilbooten -gemeerd lagen. Zij koos zich een lange, smalle giek, en haakte die van -de ijzeren ketting los. Met handigheid zette zij zich en greep zij de -riemen: enkele korte slagen brachten haar het haventje uit, en in zee. - -Over de zee woei een Zuidwestenwind. De zee was vreemd grijs, als -spiegelde ze in haar ovaal de onzekere lucht boven zich af: een -dofblanke lucht, waarin vuile rafels hingen van, uit elkaâr gewaaide, -wolken. De horizont was niet zichtbaar; er dreven lichte nevels, die er -de afscheiding tusschen zee en lucht uitdoezelden met smoezelige tint. -Sterk woei de wind aan. - -Valérie had den kleinen matrozenhoed afgezet en heure haren warrelden -om haar gezicht. Zij had naar het visschersdorp heen willen roeien, -maar ze voelde aanstonds, dat het boven hare krachten ging op te werken -tegen den wind. Zij liet zich dus gaan met den wind meê. Een oogenblik -dacht zij aan het weêr, de lucht, den wind; toen wierp zij die gedachte -van zich. Stevig bewoog zij de riemen. - -Hoewel de zee betrekkelijk kalm was, wipte het bootje telkens over den -gladden rug van een golf heen en daalde dan weêr. Schuimspatten vlogen -op. Toen Valérie na korten tijd omzag, verschrikte zij een weinig, -omdat Altseeborgen zich zoo ver van haar terugtrok. Zij aarzelde nog -eens, maar liet zich weêr gaan... - -Toen zij het kasteel verlaten had, was geene gedachte in haar geweest; -alleen eene impulzie om te handelen. Nu, onder de handeling zelve, rees -de gedachte bij haar op, als werd die door den wind uit eene lethargie -gewekt. Valérie’s oogen staarden brandend groot, zonder tranen, voor -zich uit. - -Het was waar, reëel. Dit was het wiel, dat telkens terugdraaide in hare -gedachte. Het was waar, reëel. In de couranten—de zelfde, die Herman -urenlang doorbladerd had—stond het: Sofie had het haar gezegd; zijn -eigen brief meldde het haar. - -Zij had dien brief niet meer, hij was verscheurd. Maar ieder woord -brandmerkte nog haar verbeelden. - -Het was zijn brief geweest; zijn eigene woorden waren het geweest, zijn -stijl. Hoe had ze met woorden van hem gedweept, eens. Maar deze, waren -het wel de zijne? Schreef hij zoo? Kon zij zich voorstellen, dat hij -ooit zóó tot haar spreken zoû: - -Hij zoû haar niet ongelukkig willen maken door haar lief te hebben -tegen den wil harer ouders, harer keizerlijke familie. Het was immers -waar, dat hij niet haar evenboortige was. Zijn huis was van ouden adel, -maar meer niet. Zij was van keizerlijken en koninklijken bloede. Hij -was haar dankbaar, dat zij tot hem neêr had gebogen en hem tot haar had -willen heffen. Maar het was niet goed dit te doen. De tradities der -menschen moesten onschendbaar zijn: het was, vooral voor hen, grooten -der aarde, niet goed tegen traditie te doen. Zij moesten dankbaar zijn -voor de liefde, die hunne zielen had gelukkig gemaakt, maar meer -mochten zij niet verlangen. Te Weenen wilde men niet, dat zij elkander -lief hadden. Zoû hij haar ooit geheel gelukkig kunnen maken—zoû zij, -zoo ze huwden en zich met hunne liefde terugtrokken in het buitenland, -nooit terug verlangen en heimwee voelen naar den splendeur, waaruit hij -haar tot zich had neêrgehaald? Want, zóo zij huwden, zoû hij nog minder -hare gelijke zijn, dan hij nu reeds was, door de ongenade van zijn -keizer. Neen, neen, het mocht niet. Zij moesten scheiden. Zij waren -niet voor elkaâr geboren. Een kort oogenblik hadden zij de heerlijke -illuzie gebeeld, dat zij wél voor elkaâr geboren waren; dat was alles. -Voor die herinnering zoû hij dankbaar blijven, zijn leven lang. - -Met een brekend hart nam hij afscheid van haar, vaarwel, vaarwel. Het -was gedaan, zijn hooge carrière, zijn leven, zijn alles. Hij vroeg haar -om vergeving. Hij wist, dat hij te zwak was, om haar lief te hebben -tegen den wil van zijn vorst in. En hij vroeg haar vergeving daarvoor. -Zij zoû den naam van eene vrouw hooren, samen met de zijnen; ook hier -vroeg hij vergeving voor. Hij had die vrouw niet lief, maar zij wilde -hem troosten in zijne smart... - -De wind, strafweg, was feller opgestoken, met een zwaren gelijken -blaasadem. De lucht stond donker. Woester rolden de golven op het -bootje aan en wipten het op hunne ruggen als van gladde waterbeesten. -Het schuim had Valérie nat gemaakt. Zij zag om. Altseeborgen lag zeer -ver, nauwelijks zichtbaar; de vlag zag zij nog teekenen in de lucht, -als een lintje. - -—Ik ben gek, dacht ze. Waar ga ik naar toe...? Ik moet terug... - -Maar het was moeilijk de boot te keeren! Telkens sloeg de wind haar -weêr af en dreef haar verder. Een wanhoop kwam over Valérie’s lichaam -en ziel, moreele en fyzieke wanhoop. - -—Nu, laat dan maar, dacht ze. - -Ze liet de riemen los, dreef verder, weg, weg. Waarom ook niet? Waarom -zoû ze zich niet laten wegdrijven? Zonder hem, zonder hem... kon ze -niet leven! Haar geluk was gebroken; wat was het leven, zonder geluk? -Want zij wilde geluk, het was haar broodnoodig... - -Ze was half ingezonken in de boot. De riemen klapperden tegen de wanden -aan. Een golf kletste over haar heen. Hare oogen staarden brandend voor -zich uit, in het verre. - -Een tweede golf kletste, hare voeten waren doornat. Zij richtte zich -langzaam op, zag naar de booze zee, naar de donkere lucht. Toen greep -zij de riemen weêr, met een zucht van smart. - -—Kom aan! dacht ze. - -Hooger rees en lager daalde ze. Maar met een dolle poging deed zij de -boot wenden... - -—Het moet! knarste zij tusschen de tanden. - -Zij hield de smalle boot tegen den wind in en begon te roeien. Het -moest. Haar voorhoofd fronste zich, hare kakebeenen knarsten, hare -tanden schrijnden over elkaâr. Zij voelde hare spieren rekken. En ze -roeide door, tegen den wind op. Met haar heele lichaam schokte zij op -tegen den straffen adem. Het moest. Het zoû. En zij wende zich aan hare -krachtsinspanning; werktuigelijk roeide zij door. Zóó wende zij aan ze, -dat ze begon te snikken, terwijl ze roeide... - -O God, hoe lief had ze hem gehad, met heel hare ziel! Waaròm, wist ze -het? O, zoo hij maar wat sterker ware geweest, zij zoû het wel geweest -zijn! Wat deed hun de ongenade van haar oom, den keizer, zoo ze elkaâr -liefhadden? Wat de woede van hare ouders, zoo ze elkaâr liefhadden? Wat -kon hun Europa schelen, zoo ze elkaâr liefhadden! Niets, alles niets... -Zoo hij hun geluk maar had durven grijpen, toen het voor hen fladderde, -zooals het maar ééns voor eene ziel uitfladdert! Maar hij had niet -gedurfd, hij voelde zich te zwak dien greep te wagen, hij bekende het -haar zelve... En nu... was het gedaan, gedaan, gedaan... - -Al snikkende roeide zij door. Hare armen schenen te zwellen, te -springen uit elkaâr. Enkele dikke druppels van regen vielen neer. -Waarom eigenlijk roeide zij door? De zee was de dood, verlossing van -het leven, vergetelheid, blussching van schroeiende pijn. Waarom roeide -ze dan door? - -—O God! ik weet het niet! antwoordde zij zichzelve hardop; maar het -moet! Het moet!... - -En met de schokken van haar sterk vorstinnelijf werkte zij zich terug, -naar het leven... - -Maar op Altseeborgen was men in groote onrust. Het was drie uur -geleden, dat Valérie gegaan was. De kamenier wist niet anders te -zeggen, dan dat Hare Hoogheid verzekerd had voor het ontbijt terug te -zullen zijn. De schildwachten hadden haar de terrassen zien afgaan, -maar verder geen acht geslagen welken kant Hare Hoogheid was uitgegaan. -Zij meenden naar het bosch, maar wisten niet zeker... - -Iedere minuut steeg de angst; geen vermoeden werd uitgesproken, maar -men las het elkander in de oogen. Koning Siegfried beval zelve stil te -gaan zoeken, om geen opzien te baren bij de hofhouding en het volk van -het dorp. Van verdwalen kon geen sprake zijn: het dennenbosch was niet -groot en Valérie kende Altseeborgen goed. Trouwens, er was niets dan -het bosch en het strand en het dorp. - -De koning en de kroonprins gingen zelve het bosch in met een adjudant. -Herman en zijn jongere broêr Olaf gingen het dorp in links; Othomar en -Christofel langs de zee, rechts. De koningin bleef met de prinsessen in -hartkloppende onzekerheid achter. Hoe men ook had pogen zich goed te -houden en te ontbijten, iets van een gerucht waarde reeds door het -kasteel heen. - -Othomar was met Christofel langs het klippige strand gegaan; de regen -begon te druppelen, dik hard. - -—Wat zoeken we hier eigenlijk! zei Othomar radeloos. - -—Ze zal zich misschien in zee hebben gegooid! antwoordde de jonge prins -en, voor het eerst van zijn leven, was hij bang voor de diepte, die de -dood was. Zonder te weten gingen zij door, door... - -—Laat ons terugkeeren, sprak Othomar. - -Zij gingen echter nog eenigen tijd voort; ze konden niet opgeven... - -Daar klonk een kreet over het water; zij schrikten op, maar zagen eerst -niets. - -—Hoorde je? vroeg Christofel bleek, die aan spooklegenden van de zee -dacht. - -—Een zeemeeuw zeker! zei Othomar, maar luisterde toch. De kreet klonk -weêr. - -—Daar, zie je niets! wees Christofel. - -Hij wees een lange vlak, die deinde over het water aan. - -Othomar schudde van neen. - -—Neen, dat kan niet! zei hij; dat is een visschersjongen. - -—Wel neen, het is een giek! riep Christofel. - -Zij zeiden niets meer, liepen op een draf door. De vlak werd -duidelijker: een giek, de kreet klonk, doordringend. - -—Mijn God, Valérie! schreeuwde Othomar. - -Zij schreeuwde eenige woorden terug; hij verstond maar ten deele. Zij -roeide niet ver van het strand af, naar het kasteel toe. Othomar deed -zijn jas, zijne schoenen uit, stroopte zijn broek op, de mouwen van -zijn hemd. - -—Neem dat meê, riep hij tot Christofel; en ga terug naar het kasteel, -zeg het hun... - -Hij liep met bloote voeten over de klippen heen, de zee in, wierp zich -in het water, zwom naar de boot. Het was zeer moeilijk voor hem in het -bootje te komen, zonder het te doen omslaan. Het kantelde dol links en -rechts; met éene beweging van lichte vlugheid slaagde Othomar echter er -in te springen. - -—Ik kan niet meer... sprak Valérie mat. - -Ze liet de riemen los; hij greep ze en roeierde op. Ze viel even tegen -hem aan, maar hield zich toen recht om hem niet te belemmeren. - - - - - -V. - -De jonge aartshertogin verscheen niet aan het lunch; zij sliep. Even -voor het diner,—het regende en de koningin dronk in den hall thee, met -de prinsessen, de tantes, de kinderen,—verscheen zij. Zij zag wat -bleek; haar gezicht was een weinig uitgetrokken; hare oogen vreemd -groot, brandend. Zij droeg een eenvoudig zomertoilet van zacht lila -soupele stof, met een paar witte linten om den leest gestrikt; de kleur -stond haar goed bij het vreemde haar, dat nu eens bruin was en dan weêr -rossiger scheen. De koningin strekte de hand naar Valérie uit; ze -schudde het hoofd en zei: - -—Ondeugend kind! Wat heb je ons bang gemaakt. - -Valérie kuste het voorhoofd der koningin. - -—Vergeef me, tante. De wind was zoo sterk, ik kon er bijna niet tegen -op. Ik had niet moeten gaan. Maar ik had, ik had behoefte... aan -beweging. - -De koningin zag haar angstig aan. - -—Hoe voel je je? - -—O, goed tante. Wat stijf; een beetje hoofdpijn ook. Het is niets. Mijn -handen alleen hebben een paar groote blâren, ziet u eens... - -En ze lachte. - -De oude dames vroegen uitvoerig naar het gebeurde: het was heel -moeielijk ze het aan haar verstand te brengen. Wanda zette zich -tusschen haarbeiden, deed haar het verhaal; de fijne kakatoe-profielen -bogen telkens ontzet op en neêr naar Wanda toe. De tantes legden de -hand op het hart en zagen Valérie in verschrikking aan; vriendelijk -glimlachte zij ze toe. Toen de gravin Von Altenburg verscheen, namen de -tantes de oude grootmeesteres tusschen haar in en deden, op hare beurt, -het verhaal, krijschende aan de arme ooren der gravin. Koning Siegfried -kwam binnen; hij ging naar Valérie toe, die opstond, nam haar het hoofd -tusschen de handen, zag haar aan en schudde zijn grijzen kop; toch -glimlachte hij. Toen zag hij naar zijne zusters; hij amuzeerde zich -altijd om ze; ze waren nog midden in haar verhaal tegen de gravin, -namen elkaâr telkens het woord uit den mond: - -—Nu, zoo verschrikkelijk was het niet! viel de koning ze in de rede; -zoo te roeien is wel eens prettig en een goed middel tegen migraine. Je -moest het ook eens doen, Elsa, als je migraine hebt. - -De oude prinses zag hem zoetsappig glimlachend aan: ze wist nooit of -haar broêr zoo iets meende of niet. Ze schudde haar deftig hoofd -langzaam heen en weêr: - -—Neen, lieber Siegfried, dat kunnen wij niet meer doen. Unsere liebe -Erzherzogin is nog een jong ding...! - -Othomar, Gunther en Herman kwamen binnen; ze hadden gebiljart; de -jongere prinsen volgden hen. Valérie sidderde even, stond op en ging -naar Othomar. - -—Ik dank je, Xara, sprak ze. Duizend-, duizendmaal! - -—Maar waarom, Valérie! antwoordde Othomar eenvoudig. Ik heb niets -gedaan dan je een eind teruggeroeid. Er was geen gevaar. Want, als je -zoo moê was geweest, dat je niet meer hadt gekund, hadt je immers in -zee kunnen springen en kunnen zwemmen naar land. Je bent een goede -zwemster. Je hadt alleen de boot er aan geofferd. - -Zij zag hem aan. - -—Het is zoo, zei ze. Maar ik dacht daar niet aan. Ik was misschien... -verbijsterd. Ik zoû het niet gedaan hebben; ik had een idee-fixe om -terug te roeien. Als ik niet meer had kunnen roeien, was ik zeker... -Weiger mijn dank niet, ik verzoek het je: neem hem aan. - -Zij stak hare hand uit, hij drukte ze. Met verwondering zag hij stil -tot haar op, en begreep haar niet. Hij dacht niet anders dan dat zij -dien morgen het kasteel verlaten had met een plan van zelfmoord. Had -zij op het water berouw gevoeld of niet gedurfd; had zij willen -doorleven en was zij teruggekeerd? Was zij zoo oppervlakkig, dat zij -het groote leed, dat haar gisteren avond verpletterd had, nu reeds te -boven was? Voelde zij, dat het leven over alles wat van ons is, geluk -of smart, heenradert met zijn onverschillige jubelkarren en dat het -maar het beste is om niets te geven en te voelen, ook niets? Wat van -dit alles was er in haar? Hij kon het niet doorgronden. En opnieuw zag -hij zich weer vreemd staan voor de vraag van de liefde. Wat was dit -gevoel waard, zoo het zóó weinig maar woog in een vrouweziel? Wat woog -het bij hemzelven voor Alexa? Wat was het dan... of was het dan nog -iets... anders? - -Aan het diner praatte Valérie als gewoonlijk en hij bleef haar niet -begrijpen. Het ergerde hem, zijn gebrek aan doorzicht in menschehart: -hoe kon hij het ontwikkelen? Een aanstaande vorst moest toch met éen -enkelen blik kunnen zien... En in eens, misschien alleen òm zijn wensch -naar menschekennis, kwam het in hem op, dat ze zich verborg, dat ze -misschien nog zeer leed, maar zich voordeed, zich ophield; ze was -immers een vorstenkind: zij leerden dat allen, vorstenkinderen, zich -ophouden, zich voordoen! Het zat hun in het bloed. Schuin zag hij haar -aan, waar hij naast haar zat; kalm praatte zij over hem heen met de -koningin. Hij wist niet of hij goed geraden had en hij weifelde nog -tusschen die twee: houdt ze zich op, of is ze oppervlakkig? Maar toch -was hij gelukkig omtrent haar te kunnen weifelen en dat eerste -vermoeden van oppervlakkigheid te ontzenuwen door zijne tweede -gedachte. Hij was hier gelukkig om, niet geheel en al om Valérie -alleen, dat zij beter zoû zijn, dan hij eerst meende; hij was er vooral -gelukkig om, om den algemeenen regel, waartoe hij er om besloot: dat -een mensch meestal beter is, dieper denkt, edeler voelt dan hij -schijnen laat in de iederen-daagsche banaliteit van het leven, die hem -dwingt zich te bemoeien met nietsjes en woorden, ieder oogenblik. Een -teêr gevoel van vreugde kwam over hem, dat hij dit zoo had bedacht. Een -rust, dat hij iets mooi in het leven geraden had: een mooi geheim. -Iedereen wist het misschien, maar niemand liet het blijken. O ja, de -menschen waren goed; de wereld was goed, in hare essence. Een vreemd -mysterie alleen dwong anders te schijnen, een vreemde dwang der -wereldorde. Hij zag om zich heen over de lange tafel. Alle gezichten -hadden vriendelijkheid en sympathie over zich. Hij hield van zijn oom, -den koning; zoo kalm, zacht, flink, met het schijnbaar stug -stilzwijgende van zijn Noordsch karakter, met zijn rustigen glimlach en -nu en dan een kleine vonk van scherts, tegen de oude tantes vooral, -maar ook tegen de kinderen en zelfs tegen de adjudanten, de hofdames. -Hij wist, dat zijn oom een denker was, een wijsgeer; hij zoû gaarne -eens lang met hem hebben willen spreken over punten van filozofie. Ook -van zijne tante hield hij: een flinke vorstin; hoeveel deed zij niet -voor haar land, hoeveel liefdadige instellingen riep ze niet op; een -flinke moeder, hoe verstandig kwijtte zij zich niet van hare moeilijke -taak; vorstenkinderen op te voeden. Zij was in haar land meer bemind -dan zijne moeder, die hij toch aanbad, in het hare; zij had meer tact, -minder angst, minder hoogheid ook tegen de menigte. Het had misschien -omgekeerd moeten zijn: zij koningin hier, hare zuster keizerin -daarginds... - -En de kroonprins met zijne eenvoudige mannelijkheid; Herman met zijne -joligheid; de jongere broêrs met hunne stevige jongensblague; hoeveel -hield hij niet van ze! Sofie, Wanda, de kinderen, hoeveel hield hij -niet van ze! De tantes, de oude, zich wijdende grootmeesteres, hij vond -ze zelfs sympathiek. O de wereld was goed, de menschen waren goed! En -Valérie was niet onverschillig, maar leed in stille stilte, zooals een -vorstenkind lijden moet, met kalme oogen en een glimlach! - -Toen het diner gedaan was, nam koningin Olga Othomars arm. - -—Kom even meê, sprak ze. - -De regen had opgehouden, een lakei opende de boogdeuren. Er was daar -het lange achterterras, achter de eetzaal; het zag uit op het bosch. De -koningin had haren arm onder dien van Othomar gestoken, en begon met -hem op en neêr te wandelen. - -—En je gaat ons dus verlaten? vroeg ze. - -Hij zag haar glimlachend aan. - -—U weet het, tante: met veel spijt. Ik zal nog dikwijls heimwee naar -Altseeborgen hebben, naar u allen. Ik voel mij zoo geheel thuis in uw -kring. Maar ik verlang toch ook Mama terug te zien; het is nu bijna -vier maanden geleden, dat ik haar zag. - -—En voel je je beter? - -—Hoe zoû het anders kunnen, tante. De reis met Herman had me al -opgesterkt, en het leven hier bij u is een heerlijke nakuur geweest. -Een heerlijke vacantie. - -—Maar nu zal het uit zijn met die vacantie: zal je nu weêr kunnen -handelen? - -Hij glimlachte met een kalme berusting in zijne melancholieke oogen. - -—Zeker tante, het mag niet altijd vacantie blijven. Me dunkt, ik heb -het er van genomen; zes weken niets gedaan dan liggen in het zand, of -in het bosch, of op die heel gemakkelijke rieten bank van Herman. - -—Heb je niets meer gedaan? vroeg zij schalk. - -—Wat meent u? - -—Niet het leven gered... van Valérie? - -Hij maakte een kleine beweging van zacht ongeduld. - -—Maar tante, heusch niet. De couranten zullen dat nu wel gaan -vertellen, maar het is heusch geen redding geweest. Valérie kan immers -zwemmen en ze was vlak bij het land. - -—Ik heb een brief van papa, Othomar. - -—Van papa? - -—Ja... Heb je nooit gedacht aan... Valérie? - -Hij bedacht zich even. - -—Misschien, lachte hij. - -—Voel je geen genegenheid voor haar? - -—Zeker tante... Ik dacht, dat papa liever de grootvorstin Xenia wilde? - -De koningin haalde hare schouders op. - -—De godsdienstkwestie, niet waar? Papa heeft toch ook gaarne een -Oostenrijksche verbintenis. Hoe denk je de reis te nemen? En wanneer ga -je? - -—Ducardi en de anderen komen nog deze week hier. Aan het einde van de -week. Eerst Kopenhagen, Londen, Brussel, Berlijn en dan naar Weenen. - -—En naar Sigismundingen. - -—Ja, naar Sigismundingen, als papa wil. - -—Maar wat wil jij, Othomar? - -Hij zag haar zacht aan, glimlachend, haalde de schouders op. - -—Maar tante, wat heb ik te willen? - -—Zoû je van Valérie kunnen houden? - -—Ik geloof het wel, tante: ik geloof, dat ze heel lief is en heel -flink. - -—Ja, dat is ze zeker, Othomar. Zoû je niet, voor je wegging, dan met -haar praten? - -—Tante... - -—Waarom niet? - -—Tante, dàt kan ik niet doen. Ik blijf nog maar enkele dagen hier, -en... - -—En? - -—Valérie heeft een groot verdriet gehad. Het kan niet anders of zij -moet er nu nog zeer onder lijden. Bedenk, tante, het was gisteren. Mijn -God, gisteren...! En vandaag was ze zoo kalm, zoo eenvoudig... Maar het -kan niet anders, niet waar, of ze lijdt nog heel erg. Zij is van morgen -met dat weêr op zee gegaan... we weten niets, niet waar, tante, maar we -denken allen het zelfde! Misschien vergissen we ons, eenvoudig weg. De -dingen, die schijnen, zijn dikwijls anders. Maar hoe het ook zij, -verdriet heeft ze zeker. Ik kan haar dat dus niet vragen, nu... - -—Het is jammer; jullie zijn nu samen. Dikwijls wordt zoo iets beslist -uit de verte. Je zoû, als het hier in orde kwam, de reis misschien niet -hoeven te maken. - -—Tante, papa stond toch op die reis... - -—Dat is zoo; omdat nog niets beslist was. - -—Neen, tante, laat mij die reis doen. Want in orde komen, hier, dat kan -het toch niet. Als papa het me zelve vroeg zoû ik zeggen... dat het -niet kan. - -—Papa vraagt het je, Othomar, in dien brief aan mij. - -Hij greep hare handen. - -—Tante, schrijf u het dan terug, aan papa, dat het niet kan, nu. O, -onmogelijk, onmogelijk. Laat ons haar sparen, tante. Als ze mijn vrouw -wordt, wordt ze het toch, terwijl ze een ander liefheeft. Is dat al -niet vreeslijk genoeg voor haar, als het later beslist wordt, na -maanden? Laat ons haar daarom nu dus sparen. U voelt dat toch ook als -vrouw, niet waar? Er zijn geen staatszaken, waarom mijn huwelijk zoo -dringend zoû moeten worden gesloten. - -—Toch wil papa, dat je zoo gauw mogelijk trouwt, Othomar. Hij wenscht -een kleinzoon... - -Hij antwoordde niet: een lijden trok over zijn gelaat. De koningin zag -het. - -—Maar je hebt gelijk, antwoordde zij, hem toegevend. Het zoû te wreed -zijn. Valérie houdt zich anders goed. Zoo moet een aanstaande keizerin -van Liparië zijn... - -Hij antwoordde nog niet, liep stil naast haar; nog steeds lag hare hand -op zijn arm; zij voelde dien trillen. - -—Kom, zij ze zacht; laat ons naar binnen gaan; zoo een wandeling op en -neêr maakt nog moê ook... - - - - - -VI. - -Ducardi, Dutri, Leonie en Thesbia waren te Altseeborgen aangekomen; zij -zouden Othomar vergezellen op zijn officieele reis door Europa. Het was -een der laatste dagen, dat Othomar met Herman samen wandelde, des -morgens, naar het bosch. - -De zon scheen, het bosch was geurig, de voet gleed uit over de gladde -naalden. De prinsen lieten zich op den grond neêr, bij een groote plas -water; om hen heen verrezen de rechte dennestammen met hunne knoestige -pieken van zijtakken; de lucht week, met blauwe plekken, tusschen het -uitstekende naaldenloover, weg naar de ruimte. - -Herman leunde tegen een stam aan; Othomar strekte zich uit op den rug, -de handen onder het hoofd. - -—Het is nu gauw uit, zeide hij zacht. - -Herman antwoordde niet, maar streek met zijne hand de naalden -werktuigelijk bij elkaâr. En ook Othomar sprak niet meer; hij dronk -zijn laatste oogenblik van ontspannen rust als met voorzichtige teugen -in: iedere teug was een wellust, die nooit terug zoû komen. - -In het bosch was het doodstil, als was de aarde onbewoond; de weemoed -van wat eindigt hing tusschen de boomen. - -In eens nam Othomar Hermans hand en drukte die. - -—Ik dank je, zei hij. - -—Waarvoor? vroeg Herman. - -—Voor het genot, dat wij samen hebben gehad. Mama had gelijk: ik kende -je niet, Herman... - -—Maar ik jou ook niet, beste jongen. - -—Het zijn mooie dagen geweest. Hoe heerlijk hebben we samen gereisd, -als twee touristen. Hoe heerlijk grootsch was Voor-Indië, niet waar, en -Japan, hoe curieus. Ik hoû anders niet van jagen, maar met jou begreep -ik het en voelde ik de emotie er van: ik zal onze tijgerjacht nooit -vergeten! Die oogen van dat beest, het gevaar in het gezicht: dat -sterkt. In zoo een oogenblik voel je je primitief worden als de eerste -mensch. Zoo een tijger kijkt een boel geweifel uit je weg. Dat is een -ander gevaar, dan waar mama altijd bang voor is; o dat enerveert zoo, -dat eet al je energie op... En de nachten op den Indischen Oceaan, op -onzen Viking. Die kolossale ruime cirkel om je heen, al die sterren -boven je! Wat hebben we dikwijls zitten kijken, met onze beenen op de -verschansing... Het is misschien niet goed lang zoo te droomen, maar -het rust zoo uit, het rust zoo uit. Ik zal het nooit vergeten, nooit... - -—Nu maar, kerel, we zullen het nog wel eens over doen. - -—Neen, je doet iets nooit over. Wat gedaan is, is gedaan. Niets komt -terug, geen oogenblik. Het is later altijd wat anders... - -Hij zag even om zich heen, alsof er iets beluisteren kon, fluisterde -toen: - -—Herman, ik moet je iets zeggen. - -—Wat dan? - -—Iets toevertrouwen. Maar zeg eerst: toen met dien tijger, toen vond je -me niet laf, niet waar? - -—Neen, zeker niet! - -—Nu, ik ben het toch, laf. Ik ben bang, altijd bang. Ze weten het niet, -de dokters, omdat ik het hun nooit zeg. Maar ik ben het altijd... - -—Maar waarvoor dan toch, kerel? - -—Voor iets in mezelven. Zie je, Herman, ik ben zoo bang... dat ik het -niet vol zal kunnen houden. Dat ik op een oogenblik te zwak zal zijn. -Dat ik het in éens niet meer zal kunnen doen, en dan, dan... - -Hij huiverde; zij zagen elkaâr aan. - -—Het is niet goed, vervolgde hij werktuigelijk, als gesterkt door -Hermans blik. Ik zal er tegen strijden, tegen dien angst... Geloof je -aan voorgevoelens? - -—Ja, aan het omgekeerde van ze: de mijne komen altijd omgekeerd uit! - -—Ik hoop dan, dat het mijne ook niet zal uitkomen. - -—Maar wat is het? - -—Dat er binnen het jaar... iemand van ons... dood zal zijn... te -Lipara. - -Herman bleef hem star aanzien. Trotsch zijne flinkheid en zijne fyzieke -kracht van spieren, school er in hem eene lichte overerving van het -bijgeloof, dat in de zee aanruischt als met stemmen van verre profetie; -bijgeloof, gewiegeld door de mooie legenden van hunne Gothlandsche zee, -die als eene sirene vreemde sprookjes zingt van mystiek. Hij wist het -misschien zelve niet, dat er hem iets van vloeide door zijn rijk bloed, -vóor hij het voelde op dit oogenblik, en hij wilde het weg uit zich -schudden, als nonsens. - -—Maar Othomar, wees toch verstandig! - -—Ik kan er niets tegen doen, Herman; ik denk er niet over, maar het -zijn heele kleine prikjes, als gedachten, die plotseling opkomen. En -verleden... o verleden, toen was het meer; toen werd het een droom, een -nachtmerrie. Ik liep door de winkelstraten van Lipara en uit alle -winkels kwamen zwarte menschen, en die maten hoopen zwart krip uit, met -meters, en zóoveel, dat de straten zich er mee vulden en dat het krip -als met wolken in de stad lag, en als een hoop van floers boven de stad -steeg. Het werd er donker om; de zon scheen er niet meer door heen, en -over alles lag de schaduw. De menschen schenen mij niet te herkennen, -en toen ik vroeg, waarvoor al dat krip was, fluisterden ze aan mijn -ooren: stil, stil, het is... voor het Imperiaal!... O, Herman, toen -werd ik wakker, en ik was nat van zweet en het was of ik het nog altijd -hoorde naklinken: voor het Imperiaal, het is voor het Imperiaal! - -Herman was opgestaan, hij werd een beetje zenuwachtig. - -—Kom, zei hij, willen we gaan?... Droomen, hecht toch niet aan droomen, -Othomar! - -Othomar stond ook op. - -—Neen, ik moest ook niet aan ze hechten, herhaalde hij vreemd; ik heb -het vroeger ook nooit gedaan. - -—Othomar... begon Herman, beslist, als wilde hij spreken. - -—Zeg even niets tegen me; laat me een oogenblik stil! viel hij in de -rede, snel, angstig. - -Zij liepen door het bosch, zwijgend. Othomar zag vreemd om zich heen, -over den grond. Herman sloot de lippen dicht op elkaâr, en fronste zijn -voorhoofd: hij was boos. Maar hij sprak niet. Na enkele minuten werden -Othomars vreemde blikken kalmer; ze stilden zich tot hunne gewone, -zachte melancholie. - -Toen zuchtte hij licht, als weêr komende op adem. - -—Wees niet boos, sprak hij, zijn arm stekend onder dien van Herman. - -Zijne stem had weêr den gewonen klank. - -—Het zal misschien goed zijn, dat ik je dat gezegd heb: nu zal het -misschien uit me weggaan. Wees dus niet boos, Herman... Ik beloof het -je, voortaan zal ik niet meer zoo spreken en ook mijn best doen niet -meer zoo te denken. Maar wat me hindert, moet ik zeggen. En dat is toch -ook veel beter, dan het eeuwig te verzwijgen! Zie je, ik zal gauw ook -geen tijd meer hebben aan zulke dingen te denken—morgenavond zijn wij -te Kopenhagen, en dan neemt het leven weêr zijn gewonen loop. Hoe heb -ik toch zoo vreemd gesproken, hoe ben ik er op gekomen? Ik weet het -zelf niet meer... Het lijkt me nu zelf heel dwaas. - -Hij lachte even en toen, ernstig: - -—Ik ben toch blij, dat we alleen gesproken hebben, dat ik je heb kunnen -danken. Niet waar, we zijn nu vrienden? - -—Ja, we zijn vrienden, antwoordde Herman lachend, úit zijne boosheid; -maar ik zal jou toch nooit heelemaal kennen! - -—Zeg dat nu niet alleen om een enkel voorgevoelen, dat ik zelf dwaas -vind. Wat is er anders voor raadselachtigs in me...! - -Herman zag hem aan. - -—Neen, anders ook niet! gaf hij toe. Je bent een goede jongen. Ik weet -niet, hoe het gekomen is, maar ik hoû veel van je... - -Zij gingen het bosch uit; de zee lag voor hen. Als het leven zelve, lag -ze voor hen, met het mysterie harer diepte, waarin eene veelvuldige -ziel scheen te bewegen en golf te ronden na golf. Onnoembaar en -ontelbaar waren hare wisselingen van kleur: hare stemmingen van -onophoudelijke beweging, en hoog spuwde zij op de kammen harer -woestheid een schuim van passie uit. Maar die passie was hare -oppervlakkigste openbaring: al het overvloedige van hare eindelooze -vitaliteit: uit hare diepte ruischte, in de onnazingbare melodieën -harer millioenen stemmen, de mystiek op van hare ziel, als het geheim, -dat de hemel alleen wist, bóven haar. - - - - - -VII. - - Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke - Hoogheid Othomar, Hertog van Xara, - - te - - Osborne House Wight. Lipara, Imperiaal. Sept. 18.. - - - Dierbare Zoon. - -Wij ontvingen met veel genoegen Uw brief, die ons meldde de hartelijke -ontvangst, die U eerst te Kopenhagen ten deel viel en nu in Engeland. -Wij moeten U echter onze bevreemding doen opmerken omtrent hetgeen -Tante Olga ons schreef, en ons leed betuigen, dat Gij U niet naar ons -verlangen gedragen hebt; dit zelfde leed betuigen, door middel van -brieven aan ons, de Keizer van Oostenrijk en de Aartshertog Albrecht. -Wij hebben ons zeker in ons schrijven aan Tante Olga niet dringend -genoeg uitgelaten: in het andere geval zouden wij ons niet kunnen -voorstellen, dat zij er niet meer bij U op zoû hebben aangedrongen, aan -de Aartshertogin Valérie een onderhoud te verzoeken en haar te spreken -over de gewichtige zaak, die ons allen op dit oogenblik zoo zeer ter -harte gaat. Gij hadt dan reeds aan de hoven, die Gij nu bezoekt, Uwe -verloving sous-cachet kunnen mededeelen, en zij zoû aan het einde van -Uwe reis te Sigismundingen gevierd hebben kunnen worden. Terwijl Gij U -nu zeker bij onze Vrienden, Hunne Majesteiten van Denemarken en van -Engeland, in een scheeve positie plaatst, daar er immers in alle -nieuwsbladen over eene mogelijke verloving met de Aartshertogin Valérie -gesproken wordt en de pers zoo goedgunstig is het voor en tegen van -deze verbintenis reeds met luider stemme te bespreken. Uwe reis had -echter toch in alle geval plaats moeten hebben, daar ze al zoo lang -geleden was aangekondigd—Uwe ziekte kwam daar tusschen beiden,—en daar -ze dus niet meer is dan eene beleefdheid jegens onze Vrienden. - -Nog eens, dat Gij U hierin niet naar ons verlangen gedragen hebt, doet -ons veel verdriet. Wij zien er in zekere neiging tot een burgerlijke -overgevoeligheid, Othomar, die wij hopen, dat Gij zult leeren -beheerschen met al de kracht, die in U is. Een verdriet, als prins Von -Lohe-Obkowitz Uwe aanstaande bruid heeft aangedaan, heeft ons allen wel -eens in ons leven getroffen, en kan zeker een korten tijd groote smart -veroorzaken, maar het blijft geheel en al een personeel en -ondergeschikt gevoelen, en het mag zich in het minst niet dringen vóor -zaken van zulk groot staatsbelang als het huwelijk van een aanstaanden -Keizer van Liparië. De Aartshertogin Valérie zal dit zeker ook zoo -leeren beschouwen, als zij ouder is, en wij hopen, dat zij reeds -spoedig zal inzien, dat hare genegenheid voor de prins Lohe nooit haar -geluk had kunnen zijn, daar ze haar in disharmonie had gebracht met -Zijne Majesteit, haar Oom, en met alle hare verwanten. - -Beheersch U, Othomar; wij vragen U dit dringend. Gij hebt somtijds -ideeën en maakt U voorstellingen, die niet van een vorst zijn. Wij -hebben dit reeds meermalen opgemerkt onder anderen, toen Gij, in Vaza, -Zanti bezocht hebt. Wij hebben U dit niet willen verwijten, omdat wij -overigens zeer tevreden over U geweest zijn. Uw liefste wensch zal -zeker zijn, dat wij dit altijd zullen blijven. - -Wij hopen U dus over drie weken terug te zien te Sigismundingen, waar -de Aartshertogin Valérie dan van Altseeborgen teruggekeerd zal zijn, om -met U samen te treffen, en waar wij ook den Keizer van Oostenrijk -ontmoeten zullen. - -Wij hopen van harte, dat de lange reis met Herman U veel goed zal -gedaan hebben, en dat Uw huwelijk zoo spoedig mogelijk te Altara zal -kunnen plaats grijpen. Dit blijde vooruitzicht is ons eene aangename -afleiding voor de beslommeringen omtrent de Legerwet, die in het Huis -der Standen zoo halsstarrige tegenkanting vindt, maar die wij toch -hopen te zullen doordrijven, daar ons Leger noodzakelijke vermeerdering -vereischt. - -Wij omhelzen U van harte. - - - Oscar. - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - - -I. - -Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de -keizerlijke familiën van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de -verloving van den hertog van Xara met de aartshertogin Valérie te -vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet geweest, en in den -avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht. - -Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen -ging door een galerij naar de receptiesalons terug. Al de -balkonvensters der hel verlichte galerij stonden open: onder, als in -een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend tegen de -rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog -was getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van -toppen-lijn aan tegen de heldere lucht, die telkens hel was van -electrische glanzingen, als van geluidloos weêrlicht. Het bosch stond -somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen van zijn -sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward -in den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein -geel licht. - -De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de -aartshertogin Eudoxie; dan volgden de keizer van Oostenrijk met de -keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht met de keizerin van -Oostenrijk, Othomar met Valérie... Even drukte Valérie Othomars arm en -trok zich met hem uit den stoet terug. - -—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars -zuster, de aartshertogin van Karinthië, die met een harer -Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg de aartshertogin -door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de -adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke -verloofden, die in een der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan. - -Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam. - -—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht. - -Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het -avondlandschap. Hij droeg de Uhlanen-uniform van het regiment dat hij -in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met de anderen -mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen -ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden -avondtoilet, met groote, zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een -dichtgekroesden witte-struisveêrenrand om het open corsage en om den -sleep. - -—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht. - -Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie -scheen hare borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen. - -—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn -gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê... - -Zij stak hem in eens hare hand toe: - -—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in -eens, met een grooten snik. - -En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met -een paar oogen, als van een verwonde ree. Een onbedwingbaar gevoel van -medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging: hij drukte -hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen. - -Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van -hier zichtbare, punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder -hen, romantisch, ruischte de Donau. De bergen waren als het landschap -uit een ballade. En geen ballade, geen roman klonk er tusschen hunne -harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid was alleen -de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in -werkelijkheid, bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met -elkander meêvoelen en meêleven. Zij waren nu even alleen, en eerlijk -peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte. Geen veinzen was noodig -tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen in -elkanders hart, naakt. - -Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een -stil huiverigen weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van -angst, zooals kinderen kijken als ze een spook meenen te zien. Dat -spook kwam voor hen uit het leven zelve: het leven zelve werd hun een -spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al voelden ze zich tastbaar, met -lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze liepen en bogen en -deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen. Zij -bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat -er iets bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer, -maar in hunne sfeer bestonden zij niet... - -Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem -lagen op een vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het -ware eenige geïllustreerde tijdschriften, zeker door een kamerheer -vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig stilzwijgen te vullen en -opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten. - -—Kijk, zeide hij. - -Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten -hunner ouders, een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park -van Sigismundingen. - -Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden -eerst ieder beschreven, hij, een talentvolle prins, die veel goed deed, -in zijn land zeer populair, en hartelijk bemind door den -Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren -om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere -talenten. Heel Europa had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd. -Want hun huwelijk zoû niet alleen zijn eene vorstelijke verbintenis van -staatsbelang, maar ook een band leggen van innige harmonie; hun -huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders -willen doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den -huiselijken kring te Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers -elkander goed leeren kennen, was hunne liefde als eene idylle aan de -zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het leven gered der -aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot had -gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer -Oscar had zelve liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van -Liparië gezien, en hechtte zeer aan eene verbintenis met Rusland, maar -hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon... En het artikel -eindigde, dat het huwelijk in October in het oude paleis te Altara zoû -voltrokken worden. - -Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote -strakke oogen, die nog pijn deden van het staren in elkanders ziel. -Geene enkele opmerking kwam over hunne lippen na het artikel; zij -glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen; toen legde -hij het tijdschrift weêr neêr. En zij vroeg, met die vreemde kalmte, -waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te leeren kennen: - -—Othomar, heb jij niemand... lief? - -Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa? - -—Ik heb wel gedacht, dat ik... iemand lief heb gehad, bekende hij; maar -ik geloof toch niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik -het element niet in me heb, met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel -voor een enkele andere ziel: ik zoû niet weten hoe ik ze vinden moest, -die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen, of me maar iets -wijs te maken... Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel -ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel, -een immens medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van -me... - -Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat -algemeene gevoel, waarvoor hij zich schamen moest voor haar. - -—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan -bleef zien, en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor -ons volk... - -—Voel je dàt? vroeg ze, in bevreemding. - -—Ja... - -Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van -licht gloorde aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het -verschiet was zoo ver, zoó ver... - -—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te -voelen! - -Hij haalde de schouders op. - -—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is... -onder ons volk, het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal -gelukkig waren en overvloed hadden, had ik het niet te voelen. Waarom -is er dan iets moois aan? - -Zij lachte even. - -—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit -over sociale toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en... -en ik heb er niet over nagedacht. Maar ik voel alleen, met mijn -instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt, Othomar. - -Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een -glimlach. Toen zag zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden -hen, en zij huiverde. - -—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat -hier koû. - -Zij voelde even aan haren blooten hals. - -—Dadelijk, sprak ze. - -Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van -den stroom op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen -mousseline. - -—Kom, drong hij. - -—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar? - -Hij zag naar beneden. - -—Ja, antwoordde hij. - -—Voel je geen duizeling? vroeg ze. - -Hij keek haar angstig aan. - -—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk... - -—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten. -Telkens keek ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets -dan zwart en het bruiste maar altijd door in die zwarte diepte. Het was -de avond, nadat onze verloving beslist was. Ik had zoo een pijn, ik heb -zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had, maar ze lieten me -geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden. -Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als... als mijn groot -verdriet gekomen was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo -overstelpte, omdat ze me geen rust lieten. O, ze zijn zoo wreed -geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem te komen. Voort moest -het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht, dat ik die -zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te -kijken naar den Donau. Het maakte me duizelig... Eindelijk dacht ik, -dat ik het besluit genomen had: om me te gooien naar beneden... Ik zag -me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden, om het kasteel heen... -Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om... hèm, Othomar. Ik had hem -nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem -niet straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû -hem zijn leven lang vervolgd hebben...! Toen... toen, Othomar, ben ik -weggeloopen, en ik heb gebeden!!! Ik wist niet meer wat te doen! - -Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik. -Zijne oogen stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik -vol angst sloeg hij op den diepen stroom beneden, die als roepend -bruiste... - -—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan. -Het is hier te koud, en, en... - -Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen. - -—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we -hebben dat zoo in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze -aderen... - -Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres -zouden binnentreden, die leiden naar de salons, hield zij hem nog even -staande: - -—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara -terug gaat. En ik wou je nog voor iets bedanken... - -—Waarvoor? vroeg hij. - -—Voor... iets, dat tante Olga me zei. Voor..., dat je me gespaard -hebt... te Altseeborgen. Ik dank je, Othomar... - -Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste -haar. - -En zij wisselden hunne eerste liefkoozing. - - - - - -II. - -Den volgenden dag reisde de keizerlijke familie van Liparië van -Sigismundingen terug naar Lipara. De ontvangst aan het Centraal Station -was zeer hartelijk; de stad vlagde: des avonds hadden er volksfeesten -plaats. - -De officieren der verschillende legercorpsen boden den kroonprins -gastmalen aan, zijne verloving ter eere. De portretten der -aartshertogin Valérie lagen voor de ramen van alle platenwinkels; de -couranten schreven lange artikelen, vol jubel. - -Het was enkele uren vóór het diner, dat de officieren der Troongarde -boden aan hun vorstelijken kolonel, toen aan Othomar, als ware het in -eens, een vreemd gevoel overkwam. Hij was in zijn kabinet, voelde zich -eenigszins duizelig en moest gaan zitten. De duizeling was licht, maar -duurde lang; lang scheen de kamer langzaam om hem heen te willen -draaien en niet te kunnen, wat iets pijnlijks gaf als van tegenkanting -dier levenlooze meubels. Othomars eene hand steunde op zijne dij, de -andere op den kraaghals van den colley, die den kop op zijn knie had -gelegd. Voorover gebogen bleef hij zitten. - -Toen de duizeling voorbij was, behield hij eene vreemde lichtheid in -het hoofd, als was er iets uit weggenomen. Hij liet zich voorzichtig -achterover vallen; de colley, die half soesde in slaap, opende -droomerig de oogen en soesde weêr in, zijn kop op de knie, onder -Othomars hand. Een onweêrstaanbare moêheid kroop Othomars ledematen op, -als verdronken zij in eene weeke modder. Het bevreemdde hem zeer, dit -gevoel, en op de pendule schuin kijkend, zonder het hoofd te bewegen—om -de duizeling niet weêr te wekken—rekende hij uit, dat hij nog ruim -anderhalf uur had vóor het diner. Deze lengte van tijd stelde hem -gerust en stil bleef hij zitten, als wegende zijne moêheid, of ze over -zoû gaan, wegtrekken zoû uit zijn lichaam. - -Het duurde lang, zoo lang zelfs, dat hij weifelde of hij zoû kunnen -gaan of niet. Toen er drie kwartier voorbij waren, drukte zijne hand op -eene schel, die dicht bij hem stond op tafel. Andro kwam binnen. - -Andro... begon hij, maar zweeg verder. - -—Verlangt Uwe Hoogheid zich te kleeden? Alles ligt klaar... - -Othomar klopte even op den kop van den hond, die nog steeds -onbeweeglijk op zijn knie lag te soezen... - -—Is Uwe Hoogheid niet wel? - -—Een beetje duizelig, Andro; het gaat al over. - -—Maar zoû Uwe Hoogheid dan wel gaan: wil ik dan niet om prins Dutri -zenden? - -Othomar schudde beslist van neen en stond op. - -—Neen, het is al te laat, Andro. Kom, help me... - -En hij ging zijne kleedkamer in. - -Hij verscheen op het diner, maar verontschuldigde zich toch bij zijne -officieren over zijne zichtbare matheid. De toasten dankte hij alleen -met eene heffing van het glas, met een glimlach. Het trof hen allen, -dat hij er zeer slecht uitzag, vermagerd, met holle oogen, krijtwit in -zijn wit- en gouden uniform. Dadelijk na het diner keerde hij terug -naar het Imperiaal, zonder hen te vergezellen naar den Keizerlijken -Sportclub, de societeit der jeunesse dorée. - -Hij sliep zwaar; een vage nevel van gedroom trok door zijn nacht heen. -De man, die hem bij Zanti had willen vermoorden, grijnsde hem aan, met -ballende vuisten; toen werd het de Gothlandsche zee en hij roeide -Valérie voort, maar hoe hij ook roeide, de drie torens van het kasteel -trokken altijd door verder weg, onbereikbaar... - -Toen hij wakker werd, was het reeds over achten. Hij bedacht, dat het -te laat was voor zijn gewoonlijken morgenrit en bleef liggen. Hij belde -Andro. - -—Waarom heb je me niet om zeven uur wakker gemaakt? - -—Uwe Hoogheid sliep nog zoo vast; ik dorst niet; Uwe Hoogheid was -gisteren niet wel... - -—Zoo, heb je me maar laten slapen? Nu goed dan... Laat aan Hare -Majesteit zeggen, dat... dat ik niet wel ben. - -De man zag hem angstig aan. - -—Wat scheelt Uwe Hoogheid? - -—Ik weet het niet, Andro...... Een beetje moê. Waar is Djalo? - -—Hier, Hoogheid... - -De colley kwam luidruchtig binnen, zette de groote pooten op het -veldbed, schudde, om te kwispelstaarten, het achterlijf woest heen en -weêr... Toen, in eens, ging hij kalm liggen, voor het bed. - -De keizerin liet terug zeggen, dat zij dadelijk komen zoû; ze was nog -niet gekleed... Met stille open oogen bleef Othomar op haar wachten. - -In eene lichte emotie van angst kwam zij eindelijk binnen. Zij vroeg -hem, maar leerde niets uit zijne vage, glimlachende antwoorden. Zij -legde de hand op zijn voorhoofd, voelde hem den pols, en kon niet -besluiten, dat hij koorts zoû hebben. Er heerschten tyfeuze koortsen: -zij was er bang voor... - -De lijfartsen, die geroepen waren, stelden haar gerust: het was geene -koorts. De prins scheen algemeen vermoeid te zijn, hij had zich zeker -overspannen in den laatsten tijd. Hij moest rust nemen... - -De keizer verwonderde zich: de prins had pas rust gehad en was weken -lang te Altseeborgen gebleven. Waar had dit dan voor gediend! - -De mare ging door het paleis, de stad, het land, Europa, dat de hertog -van Xara zijne kamer hield, om eene lichte ongesteldheid. Een -eenvoudig, zeer geruststellend bulletin werd door de geneesheeren -uitgegeven. - -Des middags stond Othomar echter op, kleedde zich zelfs aan, maar niet -in uniform. Hij had wat geluncht in zijne kamer en ging nu naar de -appartementen der prinses Thera. Zij zat te teekenen; bij haar eene -hofdame; de jonge markiezin van Ezzera. - -De prinses was verwonderd haar broêr te zien. - -—Zoo, ben je daar? Ik dacht, dat je in bed lag... - -—Neen, het gaat wat beter... - -Hij groette de markiezin, die was opgestaan en neeg. - -—Wil je niet schilderen? vroeg Othomar. - -Thera zag hem aan. - -—Je ziet zoo witjes, arme jongen. Het is misschien beter maar niet. Het -vermoeit ook, dat pozeeren, niet waar? - -—Ja, soms, een beetje... - -Zij stonden nu voor het portret; de markiezin had zich teruggetrokken, -zooals zij altijd deed bij dit samenzijn van zuster en broêr. De -schilderij was half bedekt door een zijden lap, dien Thera opsloeg: het -was reeds een expressieve jonge kop, waarin het leven begon te tintelen -achter de zwarte oogen van weemoed; breed en vast van penseelstreek -gedaan, met veel reflect van buitenlicht, dat op de eene zijde van het -gelaat viel, en het en relief deed komen, de achterschaduw uit, naar -voren. - -—Het is bijna af? vroeg Othomar. - -—Ja, maar voor den laatsten toets heb je me al zoo lang in den steek -gelaten; denk maar, je bent vier maanden weg geweest. Ik heb er al dien -tijd niets aan kunnen doen. Maar weet je... je bent veranderd. Als ik -het maar niet zoo zal moeten laten! Het lijkt niet meer... - -—Het zal wel weêr gaan lijken, als ik er wat beter ga uitzien! -antwoordde Othomar, maar de prinses was licht nerveus geworden; ze trok -er den zijden lap in eens weêr over heen... - -Othomar verscheen niet aan het diner: hij ging zeer vroeg naar bed. Den -volgenden morgen vonden de geneesheeren hem in eene groote -lusteloosheid. Hij was opgestaan maar had zich niet gekleed; in zijn -kamerrok lag hij op de bank in zijn kabinet, de colley aan zijne -voeten. Aan de keizerin klaagde hij, dat hij zich zoo vreemd in zijn -hoofd voelde, als zoû het opengaan en alles er uit weg wolken. Bij den -keizer, die hem zien kwam, verontschuldigde hij zich met zijn -souffranten glimlach over zijne ongesteldheid... - -Dagen lang bleef deze toestand de zelfde: een totale lusteloosheid, -totaal gebrek aan eetlust, een zichtbare afmatting... De keizerin zat -bij hem, waar hij lag op zijn bank, te staren door de open ramen in de -groene diepte van het platanenpark. De vogels sjirpten er; soms klonk -er Berengars schel stemmetje, die met een paar vriendjes speelde. De -keizerin las voor, maar het vermoeide Othomar, het gaf hem hoofdpijn... - -Na een lang gesprek, dat de drie doktoren met den keizer en de keizerin -gehouden hadden, werd professor Barzia, uit Altara, ontboden voor een -consult; de professor was een Europeesche specialiteit voor -zenuwziekten. - -In het kabinet van den keizer wachtten de keizer, de keizerin en graaf -Myxila den uitslag van het onderzoek en het, daarop gevolgde, consult -af. Het duurde lang. In hunne afwachting spraken zij niet; de keizerin -zat met haar stil berustend gelaat te turen voor zich; de keizer, -geïrriteerd, liep heen en weer. De oude Rijkskanselier, met zijn streng -hoog gezicht en kalen schedel, stond bedenkend bij het venster. - -Toen lieten de doktoren zich aandienen. Ze verschenen, professor Barzia -het eerst; de lijfartsen volgden. De keizerin meende het ergste te -lezen op de strakke, blanke gelaatstrekken van den professor; een der -artsen echter, als meêlijdend, knikte achter hem haar met zijn goeden, -dikken kop stil geruststellend toe. - -—Welnu? vroeg de keizer. - -—Wij hebben Zijne Keizerlijke Hoogheid nauwkeurig onderzocht, Sire, -begon de professor. Van organische gebreken is de prins geheel vrij, al -is hij over het algemeen van een teêre constitutie. - -—Maar wat dan? vroeg Oscar. - -—Het zenuwgestel van den prins dunkt ons verontrustend afgemat te zijn, -Sire. - -—Zijn zenuwen? Maar hij is nooit zenuwachtig, hij is altijd kalm, riep -de keizer uit, onwillig. - -—Des te meer moeten wij de zelfbeheersching van den prins waardeeren, -Sire. Zijne Hoogheid heeft zich klaarblijkelijk lang opgehouden en deze -inspanning verraadt Haar op dit oogenblik. Zij is nu ook kalm, zooals -uwe Majesteit zegt. Maar deze kalmte neemt niet weg, dat Hare zenuwen -volslagen afgewonden zijn. Zijne Hoogheid heeft klaarblijkelijk te veel -van zich gevergd in den laatsten tijd. - -—En waarin zoû dat te veel dan bestaan hebben? vroeg de keizer hoog. - -De professor maakte een vage beweging van niet weten. - -—Dat zal men aan het hof zeker beter weten, dan ik het doe, die uit -mijn studeerkamer en mijn hospitalen kom, Sire. Uwe Majesteit zelve zal -zich daarop het antwoord kunnen zeggen. Ik kan Haar alleen eenige -aanwijzingen geven. Zijne Hoogheid zei mij, zich te herinneren, dat Zij -reeds voor de groote overstroomingen in het Noorden, zulke afmattingen -en duizelingen soms gevoelde. Dat was Maart. Het is nu September. Ik -stel mij voor, dat Zijne Hoogheid in dien tusschentijd een veelbewogen -leven geleid heeft? - -De keizer maakte niet begrijpende bewegingen met de wenkbrauwen: lichte -trillingen van zijn energieken kop met het vlies van grauwend haar. - -—De reis in het Noorden kàn Zijne Hoogheid inderdaad aangedaan hebben, -professor... begon de keizerin. - -Zij zat recht, hoog, in haar eenvoudigen donkeren japon. Haar gelaat -was zonder uitdrukking; hare oogen stonden koud. Zij sprak zakelijk, -als ware zij niet eene moeder. - -—Zijne Hoogheid is zeer gevoelig voor indrukken, ging zij voort; en Zij -heeft er indertijd te Altara zeker schokkende ontvangen. - -De professor boog even het hoofd. - -—Ik herinner mij Zijne Hoogheid bij de lijkschouwing op het weiland, -Mevrouw, sprak hij; Zijne Hoogheid wàs werkelijk bizonder aangedaan... - -—Maar wat beduidt dat? vroeg de keizer, steeds onwillig. - -—Dat Zijne Hoogheid sedert dien tijd denkelijk zich geen rust heeft -gegund, Sire... - -—Zijne Hoogheid heeft zich máanden rust gegund! riep de keizer uit. - -—Vergunt Uwe Majesteit ons eens terug te gaan. Na de zeer vermoeiende -reis in het Noorden is de prins dadelijk gekomen in emoties van -staatsgewicht—Lipara was destijds in staat van beleg—en daarna in de -drukte van een feesttijd, toen de Syrische vorsten hier waren... - -De keizer haalde zijne schouders op. - -—De prins is daarna al voor herstel van gezondheid op aanraden van -mijne geachte collega’s een zeereis gaan ondernemen. Zijne Hoogheid zal -toen zeker dagen van rust gehad hebben, maar de groote jachten, die Zij -met prins Herman samen deed, zijn Haar ongetwijfeld te zwaar geweest. -Nu onlangs is Zijne Hoogheid verloofd geworden; dit kan Haar emotie -gegeven hebben. Ik tel terloops eenige groote feiten op Sire. Ik weet -niets van het gemoedsleven van den prins; als ik hiervan iets wist, zoû -het mij zeker vele dingen gemakkelijker maken. Maar dit is zeker: Zijne -hoogheid heeft dag aan dag een te schokkend bestaan gehad, wat het dan -ook waren, groote of kleine schokken. Dat Zijne Hoogheid niet eerder in -elkaâr is gevallen, is zeker te danken aan een buitengewone -zelfbeheersching, die mij aan den prins zelven onbewust schijnt te -zijn, en een buitengewoon plichtbesef, dat ook geheel spontaan in Zijne -Hoogheid is. Het zijn hooge kwaliteiten, Sire, in een aanstaand -heerscher... - -Der keizerin was eene lichte blos over de wangen gegaan; een zachtere -uitdrukking wasemde over de koudheid van haar gelaat. - -—En wat is uw raad, professor; vroeg ze. - -—Dat Zijne Hoogheid een onbepaalde rust neemt, Mevrouw. - -—Het huwelijk van Zijne Hoogheid was voor de volgende maand bepaald? -hernam de keizerin, vragend. - -De gelaatstrekken van professor Barzia werden geheel blank en strak. - -—Het zoû eenvoudig-weg onverantwoordelijk zijn, zoo het huwelijk van -Zijne Hoogheid de volgende maand plaats greep, orakelde hij met zijne -effen stem. - -—Uitstellen dus? vroeg de keizer met ingehouden woede. - -—Zonder twijfel, Sire, antwoordde de professor beslist koel. - -—Mijn waarde professor... knarste de keizer quasi vriendelijk tusschen -zijne tanden. U spreekt van rust, en nog eens rust. Mijn God, ik zeg u, -de prins heeft gerust, maanden lang, maanden lang... Rust ik ooit zoo -lang? Het leven is bewegen en regeeren is ook bewegen. Wij kunnen niet -aan rust doen. Waarom moet een jonge man als de prins telkens rusten? -Ik herinner me niet óoit zoo gerust te hebben, toen ik kroonprins was! -Hij mag niet zoo sterk zijn als ik, hij is toch van ons geslacht! -Emoties, zegt u! Mijn God, wat voor emoties? Emoties van staatsgewicht? -Die heb ik gehad, maar de prins niet! En ik had er geen rust na noodig. -En moet een vorst gaan uitrusten als hij verloofd is? Waarlijk, -professor, dat is de hygiene te ver gedreven! - -—Sire, Uwe Majesteit heeft mij de eer aan gedaan mijn oordeel te willen -weten over den toestand van den prins. Ik heb dat oordeel uitgesproken, -naar mijn beste weten. - -—Dus rusten? - -—Ongetwijfeld, Sire. - -—Maar hoe lang wil u hebben, dat hij rust? - -—Ik kan hier geen datum voor stellen, Sire. - -—Hoe lang wil u hebben, dat zijn huwelijk uitgesteld wordt? - -—Onbepaald, Sire. - -De keizer liep het vertrek op en neêr: iets vreemds trilde over zijn -energieken kop: angst... - -—Dat is onmogelijk, mompelde hij kort. - -Allen zwegen. - -—Dat is onmogelijk, herhaalde hij dof. - -—Dan zal Zijne Hoogheid trouwen, Sire, sprak Barzia. - -De keizer stond stil. - -—Hoe meent u? vroeg hij barsch. - -—Dat niets Uwe Majesteit in deze hoogst gewichtige zaak een wet kan -stellen... behalve Haar eigen gevoel en redelijkheid. - -Hijgend ging de adem van den keizer tusschen zijne volle lippen van -zinnelijkheid; de aderen zwollen dik op zijn laag Romeinsch voorhoofd; -zijne sterke vuisten balden zich. Niemand had Oscar nog ooit zoo -gezien; niemand ook had nog zoo tot hem durven spreken... - -—Verklaar u dan nader... donderde hij in het strakke gelaat van den -professor. - -Deze verroerde geen trek: - -—Als Zijne Hoogheid de volgende maand trouwt... is het Hare dood. - -De keizerin bleef stijfrecht zitten, maar zij was zeer bleek geworden, -rilde, sloot de oogen of het haar duizelde. - -—Zijn dood? herhaalde de keizer verplet. - -—Of erger, hernam Barzia. - -—Erger?! - -—De ondergang van Uwer Majesteits nageslacht. - -De keizer vloekte een woesten kreet uit en sloeg met de vuist op de -kolossale schrijftafel. De bronzen ornamenten ervan rinkelden. Myxila -trad een pas nader. - -—Sire, sprak hij; er is niets verloren. Heb ik den heer professor wel -begrepen, zoo is de ongesteldheid van Zijne Hoogheid een tijdelijke, en -geneeslijk. - -—Zeker, Excellentie, antwoordde Barzia. Zoo men ze niet ongeneeslijk en -niet tijdelijk dwingt te zijn. - -Oscar beet zich krampachtig de lippen. Zijne flonkerende oogen stonden -klein, wreed. Het trof Myxila, hoe hij op dit oogenblik geleek op een -portret van Wenceslas den Wreede. - -—Professor, siste hij. Wij danken u. Blijf nog tot morgen te Lipara, -opdat u Zijne Hoogheid nog eens kunt observeeren. - -—Ik gehoorzaam aan het bevel van Uwe Majesteit, sprak Barzia. - -Hij boog, de geneesheeren bogen, zij trokken zich terug. Alleen met de -keizerin en den Rijkskanselier hield Oscar niet langer zijne woede in. -Als een schuimbekkend dier, wild, liep hij op en neêr met zware -stappen, krijschte hij als kon de adem niet door zijne geschroefde keel -komen. - -—Oh! knarste hij tusschen zijne kaken, barstte hij eindelijk los. Die -jongen, die jongen... Niet éens kan die trouwen! Met zijn hertogin, -dàar kon die meê trouwen! En die jongen! O, die jongen moet mij -opvolgen, mij... - -Eene woedende lach stiet zich minachtend tusschen zijne groote witte -tanden uit, als vlijmende ironie. - -De keizerin rees op. - -—Graaf Myxila, sprak ze sidderend. Mag ik uwe Excellentie verzoeken mij -te volgen? - -Zij begaf zich naar de deur; Myxila, aarzelend, volgde reeds. - -—Waarom? brulde de keizer. Wat hoeft dat? Ik heb nog met Myxila te -spreken... - -De keizerin zag den keizer ijskoud aan. - -—Het is mijn uitdrukkelijk verlangen, Sire, dat graaf Myxila mij volgt, -sprak ze, steeds met hare sidderende stem. Ik geloof, dat Uwe Majesteit -eenzaamheid behoeft. Uwe Majesteit zegt dingen, die een vader zelfs -niet mag dènken, en een vorst zeker niet mag zeggen in de prezentie van -een zijner onderdanen, zelfs niet van een zijner hoogste onderdanen. - -De keizer wilde haar in de rede vallen. - -—Uwe Majesteit,—ging de keizerin trillend hoog voort, hem het woord met -hare ijskoude sidderende stem afsnijdende als met een mes—zegt die -dingen van den toekomstigen keizer van Liparië... en ik wensch, dat -géen onderdaan, zelfs niet graaf Myxila, uit Haren mond van den -toekomstigen keizer zulke dingen hoort, en Uwe Majesteit zegt die -dingen tevens van mijn zoon: ik wensch ze daarom zelve niet te hooren, -Sire! Excellentie, ik verzoek u nog eens: volg mij. - -—Ga dan, brulde de keizer dol uit. Ga dan allebei, laat me dan ook -alleen, laát me ook alleen! - -Razend liep hij op en neêr, smeet de stoelen door elkaâr, brieschte als -een aangehitste leeuw in een kooi. Een bronzen beeld nam hij op van de -console, voor een hoogen spiegel, die tot het plafond in vergulde -krullen omhoog steeg. - -—Daar dan! striemde zijne stem, en zijne drift scheen ziedend rond te -wolken in zijn verward brein, rood te bliksemen uit zijn -bloeddoorschoten oogen, hem krankzinnig te maken om zijne -krachteloosheid tegenover de domme noodlotsmachten der logische -omstandigheden. - -Als een athleet zwierde zijn arm het zware beeld door de lucht; als een -kind wierp hij het in den grooten spiegel, die kletterend in een -flikkering van scherven viel. - -De keizerin en Myxila hadden het vertrek verlaten. - - - - - -III. - -Het gewone hofleven ging voort; de eerste handkus der keizerin had -plaats. In de salons bij de groote audientiezaal, verlicht, hoewel het -dag was, kwamen de dames binnen, boden zij den opperkamerheer hare -kaarten, teekenden zij hare namen, en zij wachtten tot hare titels door -de ceremoniemeesters afgeroepen werden. Zij stonden gedecolleteerd, de -slepen over den arm; de lange witte sluiers vielen uit de pluimen en -juweelen tiara’s in wazige gaaskreuken neêr. Het was de eerste -vertooning der nieuwe toiletten van het seizoen: de mode, die zich -bezield had en liep en zich bewoog: maar de volle salons schenen -slechts de wachtkamers dier vertooning, en de opgenomen slepen gaven -een indruk van voorbereiding tot het plechtige moment: die seconde van -verschijning vóor Hare Majesteit. - -De hertogin van Yemena stond, den sleep ook over den arm, te wachten -met de twee markiezinnen hare stiefdochters, die zij aan de keizerin -zoû voorstellen, toen zij Dutri zag, buigende, zich verontschuldigende, -tusschen de wachtende dames doordraaiende, om zich een weg te banen -door den vollen salon. - -—Dutri, wenkte ze, omdat hij haar niet scheen op te merken. - -Hij bereikte haar na eenige moeite, boog, maakte zijn compliment aan de -markiezinnetjes. Zij stonden met strakke gezichtjes, angstig ronde -oogen, en gesloten monden, en hare jonge figuurtjes teekenden zich met -eene schuchterheid van nieuwelingen; telkens, gracieus onhandig, -verschikten zij hare zwarte manteaux-de-cour over den arm. Even -glimlachten zij bij de woorden van Dutri: toen keken zij weêr strak, -vergeleken de toiletten van andere dames bij de hare. - -—Dutri, fluisterde de hertogin, hoe gaat het met den prins? - -—Altijd het zelfde, fluisterde de adjudant terug; vreeslijke -melancholie... - -—Dutri, murmelde zij nog zachter; zoû er geen mogelijkheid zijn hem te -zien? - -Dutri verschrikte. - -—Hoe dat, Alexa? Wanneer? - -—Straks, na den Handkus... - -—Maar dat is onmogelijk, Alexa! De prins ziet niemand dan Hunne -Majesteiten en de prinses; hij spreekt met niemand, zelfs met zijn -kamerheeren niet, zelfs met òns niet... - -—Dutri, drong ze aan, met hare hand op zijn arm. Doe je best. Help me. -Vraag een onderhoud voor me. Als je me helpt... zal ik je ook helpen... - -Hij zag haar afwachtend aan. - -—Hoe vindt je Hélène? vroeg ze. - -—Ik vind Eleonore mooier, glimlachte hij. - -—Nu, kom dan meer bij ons, op mijn intime réunies; we zien je ook -nooit. Ik zal den hertog prepareeren... - -Zij liet het rijke huwelijk schitteren voor zijne oogen: hij knipte ze, -bleef haar glimlachend aanzien. - -—Maar help me dan ook... ging ze voort, met een lichte dreiging. - -—Ik zal mijn best doen, Alexa, maar ik kan niets beloven..., had hij -nog juist tijd te antwoorden. - -—Wacht me na den Handkus, in de andere salons, fluisterde hij nog, -gaande eenige passen met haar meê. - -Den geheelen tijd, plechtig, langzaam, waren de titels afgeroepen, -gingen de dames, lieten zij de slepen vallen, ontloken zij. - -—Hare Excellentie, de hertogin van Yemena, gravin van Vaza; Hare -Excellenties, de markiezinnen van Yemena... - -De hertogin ging, de meisjes volgden haar, hoogrood met kloppende -harten. Zij gingen door eene galerij, lieten de slepen vallen aan de -deur der audiëntiezaal, voor zij binnen zouden treden, plooiden lakeien -de zware hofmantels uit. - -—Hare Excellentie, de hertogin... klonk het ten tweede male, nu door de -audientiezaal heen, met een timbre van meerderen eerbied, omdat de -titels klonken aan de luisterende ooren van ontvangende majesteit. - -De hertogin en de markiezinnen traden binnen. Tusschen de wijde -golvingen van donkerblauw fluweel, waarop het kruis van St. Ladislas -wemelde, onder den, door vergulde zuilen geschraagden troonhemel, zat -de keizerin, als een idool, de schaduw uitschitterend in haar waterend -zilverbrokaat, den hermelijnen keizerinnemantel zwaar kreukbrekende -voor hare voeten, een kleinen diadeem flonkerend op het hoofd. Aan de -rechterzijde van den troon zat de prinses Thera op een lagen tabouret; -aan de linkerzijde stond de grootmeesteres, gravin de Threma; er om -heen, aan beide zijden eene foule van dames du palais, grootofficieren, -adjudanten, hofdames, kamerjonkers... - -De hertogin neeg hare nijging, naderde den troon, zweemde in grooten -eerbied, als met nauwlijks durvende lippen, de juweelen vingertippen -aan, die de keizerin bood, als een levende reliquie. Toen ging de -hertogin twee passen terug; de markiezinnen, de eene na de andere, -volgden haar voorbeeld, verrasten iedereen door de aanvallige -frischheid harer eerste hofbewegingen, waarin een tikje linkschheid -charme werd. Toen de buigingen, in langzame ceremonie van terugwijken, -achteruit. Door andere deuren verdwenen zij, ze bevonden zich in eene -andere galerij, kwamen in andere salons, waar men op de rijtuigen -wachtte. En de jonge meisjes zagen elkaâr aan, zoekende elkanders -indruk, nog hoogrood van de emotie harer ijdele hartjes en vreemd -verrast door de ongrijpbare kortheid van dit eerste allergewichtigste -moment van hun leven als groote menschen; als dames, die met hare mama -meêgingen naar het Imperiaal, waar zij voortaan hare existenties zouden -ademen. Hoe hadden zij niet maanden van te voren gedacht en gedroomd -aan dit oogenblik; nu, in eens was het voorbij, verrassend vlug... - -De hertogin tikte aan Hélène’s kin, schikte even de voile van Eleonore, -zei, dat ze keurig gebogen hadden, dat zij zelve zelfs had opgelet hoe -de gravin de Threma schik in ze gehad had. Zij sprak daarop druk met de -andere dames, stelde de markiezinnetjes voor, beloofde visites. Toen -wendde zij zich tot een lakei. - -—Ga, zien, waar mijn rijtuig staat, en laat het uit de file gaan en het -laatst voorkomen. Hier... - -Zij gaf een klein goudstuk, de lakei ging. Eene zenuwachtige -gejaagdheid kwam over de hertogin; angstig zag zij naar Dutri uit. -Eindelijk kreeg zij hem in het oog; met zijn fattige drukte kwam hij op -haar af... - -—Alexa, onmogelijk... - -—Heb je het aan den prins gevraagd? - -—Neen, nog niet; ten eerste het is de vraag of hij mij wel zien wil. -Maar dan: hoe breng ik je bij hem; op de portalen loopen altijd lakeien -rond, en staan de gardes en de hellebaardiers; in de antichambres kan -je telkens een kamerheer tegenkomen. Heusch, het is onmogelijk. - -Zij werd boos. - -—Vraag het hem nu maar eerst. We zullen later wel zien, hoe we bij hem -komen. - -Dutri maakte gracieuze bewegingen van wanhoop. - -—Maar Alexa, je wilt heusch niet begrijpen, dat... het onmógelijk is... - -Zij antwoordde niet, niet willende nadenken, met haar star idee-fixe in -het hoofd om den prins te zien, te willen zien. En in eens, zich -wendende tot hem: - -—Goed, als je dan niets voor me over hebt, hoef je niet te denken, dat -ik je in iéts helpen zal. - -Luider dan hun eerst gefluisterde woorden, klonk hare nerveus booze -stem, de beide meisjes hoorden haar. - -—Alexa, smeekte hij zacht. - -—Neen, neen, weerde zij af, kort. - -Hij dacht aan zijne schulden en aan Eleonore. - -—Ik zal het probeeren, fluisterde hij radeloos. - -Zij beloonde hem dadelijk met een glimlach; hij ging, repte zich weêr -heen, als in eeuwige drukte van gewichtigheid, om zijn jongen, -keizerlijken meester, die zoo treurig ziek was. In de antichambre vond -hij den kamerheer van dienst. - -—Zoû de prins me willen zien? - -De kamerheer haalde de schouders op. - -—Ik zal het vragen, sprak hij. - -Spoedig kwam hij terug; de prins vergunde Dutri te komen. - -Dutri trad binnen. Othomar lag op een divan van tijgervellen voor zijne -schrijftafel. Hij was vermagerd; hol stonden zijne oogen, zijn tint was -mat: tenger slank stak zijn hals uit den lossen omgeslagen kraag van -het zijden hemd, waarover hij een fluweelen buis droeg. Hij had een -boek in de hand, opengeslagen. Djalo, de colley, lag op den grond. - -Dutri, als goed prater, begon met vlugge zinnen, die elkaâr op de -hielen zaten, zijn verzoek voor te dragen... - -—De hertogin? herhaalde Othomar mat. Neen, neen... - -Dutri praatte door, werd weemoedig, gebruikte woorden van zachte, -insinueerende treurigheid. Over Othomars gelaat trok eene uitdrukking -op, die daar vreemd was en nieuw, den laatsten tijd: het was of de -weemoed van zijn gelaat zich verhardde in eene strakke koppigheid; eene -stilzwijgende onverzettelijkheid. - -—Neen, sprak hij nogmaals, en onverzettelijk koppig ook klonk zijne -stem; excuzeer me bij hare Excellentie, Dutri. En waar... waar zoû ze -me willen zien? - -—Ik bracht die moeilijkheid ook onder de oogen van hare Excellentie, -maar misschien als Uwe Hoogheid zoo genadig was... zoû men toch... - -Othomar sloot de oogen en wierp het hoofd achterover; zijne hand viel -slap op den kop van den colley. Hij antwoordde niet meer, en zijne -lippen waren vast op elkaâr geklemd. - -Dutri aarzelde nog: wat kon hij doen, wat zoû hij Alexa zeggen... - -Maar de deur ging open; de keizerin kwam binnen. De Handkus was -geëindigd; den mantel en de kroon had zij afgelegd, maar zij droeg nog -het stijfzware toilet van zilverbroché. Koud zag ze Dutri aan en boog -even het hoofd, dat hij gaan zoû; de adjudant maakte zich verward uit -de voeten, zonder zijn gewonen tact. - -Othomar was half opgerezen. - -—Mama!... - -Zij zette zich bij hem, streek met de hand over zijn hoofd. - -—Hoe gaat het? - -Hij glimlachte, knipte met de oogen zònder te antwoorden. - -—Wat deed Dutri hier? - -—Hij vroeg me... och mama, laat dat, vraag er niet naar... - -—Wat is u mooi! Mag ik u ook mijn Handkus geven? - -Aanhalig, schertsend nam hij hare hand en kuste ze. Zij nam hem het -boek uit de vingers, las den majesteitschennenden titel. - -—Lees je weêr, Othomar... Je weet, je mag zooveel niet lezen. En waarom -al die vreemde boeken...? - -Op tafel lagen Lasalle, Marx, werken van Russische nihillisten, een -brochure van Bakounine, brochures van Zanti... Het werkje, dat hij las, -was van een bekenden Liparischen anarchist, getiteld: “Het onrecht bij -de gratie Gods”; het wierp alles omver: het geloof en den staat; het -richtte zich rechtstreeks tot de gekroonde machthebbende dwingelanden; -rechtstreeks sprak het Oscar aan. - -—Is het om beter te worden, dat je zulke dingen leest, Othomar? vroeg -ze met een smartelijk verwijt. - -—Mama, ik moet toch zien wat ze willen... - -—En wat willen ze? - -Hij zag peinzend voor zich. - -—Ik weet niet wat ze willen, ik begrijp ze niet. Ze zeggen heele lange -zinnen, en altijd weêr de zelfde, met altijd weêr de zelfde woorden. Ik -begrijp alleen dat ze, alles wat bestaat afkeuren en iets anders -willen. Maar soms toch...! - -—Wat soms? - -—Soms zeggen ze vreeselijke dingen, vreeslijk omdat ze wáarheid -schijnen, mama. Als ze over God spreken, mama, en bewijzen, dat hij -niet bestaat, als ze onze geheele staatsinrichting een onding vinden, -alle gezag verwerpen, het onze ook... Ze spreken soms als kinderen, die -in éens zouden kunnen praten en oordeelen, en dan spreken ze soms in -eens klaar en dan komen er heele primitieve gedachten bij me op: als -God bestaat, waarom onrecht en ellende en ons gezag, om welk recht? O -God, mama, welk recht hebben wij te heerschen over anderen, over -millioenen?! Zeg het me, maar redeneer van het begin, redeneer niet van -achteren af; begin niet bij ons, begin bij onze éerste heerschers, onze -geweldenaren; welk recht hadden zij, en vloeit het onze alleen voort -uit het hunne? O, die raadsels, die eenvoudige raadsels, wie lost ze -op, mijn God, wie lost ze op... - -Elizabeth was bleek geworden: ze zag hem aan of hij krankzinnig ware -geworden. - -—Wie geeft je die boeken? vroeg ze hard, heesch, angstig. - -—Dutri, Leonie; Andro heeft er mij ook gehaald. - -—Ze zijn gek! riep de keizerin uit, opstaande. Waarom vraag je ze? - -—Ik wil weten, mama... - -—Othomar, riep ze. Wil je doen wat ik vraag? - -—Ja mama, antwoordde hij zacht; maar ga weêr zitten, en... en wees niet -boos. En... en zeg niet Othomar. En... en ga u verkleeden, o, ik kan u -niet zien in dit toilet: u is zoo ver van me af; uw stem klinkt niet -tot me toe, en ik durf u niet omhelzen, u is mijn moeder niet; u is de -keizerin. Mama, o mama... - -Zijne stem riep om haar. Eene machtige aandoening werd in haar wakker. - -—O mijn jongen! riep ze uit; een halve snik brak in hare keel. - -—Ja, ja, noem me zoo... Mama, laat ons elkaâr weêr gauw terugvinden, -laten wij elkaâr niet verliezen. Wat is uw verzoek? - -—Geef mij al die boeken. - -—Ik zal ze u geven; ze maken me toch niet gelukkiger! - -—Maar waarom ben je ongelukkig, mijn jongen, mijn jongen! - -—Mama, kijk de wereld, kijk ons land, zie ze lijden, zie ze verdrukt -worden! Wat zal ik ooit voor ze kunnen doen! Machteloos zal ik altijd -zijn, niettegenstaande àl onze macht. O, het wordt zoo donker voor me, -ik zie niets meer, ik heb geen hoop, alleen utopisten hopen nog, maar -ik... ik hoop niet meer, want ik kan niets, ik kan niets...! O God, -mama, het heele land valt op me neêr en het verplettert me: en ik kan -niets, ik kan niets, ik kan niets... Ik zal moeten regeeren; ik zal het -niet kunnen, mama. Wat ben ik? Een arme zieke jongen: hoe kan ik keizer -worden? Ik weet niet waarom het is, mama en hoe het komt, maar ik voel -me niet als een aanstaande keizer, ik voel me als een zwak kind! Ik -voel me als uw kind, als uw jongen, en niets meer... - -Hij scheen zich te willen werpen in hare armen, maar wierp zich -integendeel achteruit, alsof hij schrikte van haar schitterend toilet; -mat knakte zijn hoofd hem op de borst, vielen zijne armen slap. Zij zag -zijne beweging; haar eerste gevoel was spijt in haar hoftoilet bij hem -te zijn gekomen, verlangend als zij was geweest hem te zien en zich -niet gunnende den tijd zich te verkleeden. Maar deze spijt ging als -eene vluchtige emotie door haar heen, want het duizelde haar hevig na, -alsof een afgrond aan hare voeten gapend openging, of de aarde week, en -het zwarte niets zich uitbreidde. Een wanhoop van volslagen -machteloosheid verdronk hare ziel. Vaag strekte zij de armen uit en -sloeg ze als tastende om zijn hals, met dwalende oogen. - -—Mijn jongen, spreek zoo niet meer, want... als je zoo spreekt, ontneem -je mij ook mijn kracht! fluisterde zij bang. Want wat is er aan te -doen: je moet, wij moeten allemaal... - -—Vergeef me, mama, maar ik, ik zal niet kunnen. O, ik zie het nu helder -in. Ik ben niet opgewonden, ik ben kalm. Ik zie het: ik voorspel u, dat -het nooit gaan zal... - -—Maar papa is nog zoo jong en zoo sterk, mijn jongen; en als je ouder -wordt... - -—Hoe ouder ik word, hoe minder het zal gaan, mama. Ik ben er altijd als -kind bang voor geweest, maar ik heb het nog nóoit zoo wanhopig ingezien -als nu. Neen, mama, het zal niet gaan. Ik heb, nu ik ziek ben, allen -tijd over om er over na te denken en ik zie nu het slot van al onze -moeite voor me... - -Wanhopig tuurden zijne oogen op den grond; zij, radeloos, hing nog half -aan hem; eene dreigende huivering scheen door de kamer te ademen. - -—Mama... - -Zij antwoordde niet. - -—Ik moet u mijn besluit meêdeelen... - -—Welk besluit... - -—Wil u het aan papa zeggen? - -—Wat, wat, Othomar, mijn jongen? - -—Dat ik niet trouwen kan... met Valérie, omdat... - -—Later, later, je hòeft niet nu te trouwen... - -—Neen, mama, het kan nóoit, omdat ik... - -Zij zag hem smeekend aan, vragend. - -—Omdat ik afstand wil doen... van mijn rechten... ten behoeve van -Berengar... - -Zij antwoordde niet; slap zakte ze tegen hem aan, niet wetende hoe te -troosten en op te beuren en zacht klagend begon ze te snikken. Het was -of hare ziel, langzaam, maar aanhoudend, tot ze overvloeide, vol smart -gegoten werd. Zij verweet zichzelve alles. Hij was haar kind: zij had -den aanstaanden keizer van Liparië deze zwakte ingeboren. En de -openbaring van dit smartelijk mysterie der herediteit voor hare -radelooze oogen, ontnam haar al hare kracht, al haren moed, al hare -macht van berusting. - -—Mama... herhaalde hij. - -Zij snikte door. - -—Wees niet zoo wanhopig... Berengar zal beter zijn dan ik... U zal het -aan papa zeggen, niet waar... Of neen, laat het, als het u zooveel -kost: ik zal het zelf doen... - -Zij schrikte zenuwachtig uit hare radeloosheid op. - -—O God, neen; Othomar, neen, spreek er hem niet over, hij is zoo -driftig; hij zoû je... hij zoû je vermoorden! Beloof me, dat je er hem -niet over spreken zal! Ik zal het doen, o mijn God, ik zal het doen... - -Maar eene resurrectie trilde in haar op. - -—Maar, Othomar, ik bid je, waarom moet het? Je bent nu ziek, maar je -zal beter worden en dan... dan zal je anders denken!? - -Hij tuurde voor zich uit; zijn voorgevoel doorsidderde hem: hij zag -zijn droom weêr; de straten van Lipara, die zich vulden met krip, tot -aan den hemel, waar zij het zonlicht floersden. En over zijn gelaat -kwam weêr de nieuwe trek van verharding, van onverzettelijke -koppigheid, die haar hem niet herkennen deed; hij schudde het hoofd -langzaam heen en weêr, heen en weêr. - -—Neen, mama, ik zal nooit anders denken. Geloof me, het zal zoo beter -zijn. - -Toen zij hem zoo zag, stortte hare nieuwe hoop weêr in en zij snikte -weêr. Snikkend stond zij op; in haar verdriet groef zich eene leêgte; -zij verloor iets: haar zoon. - -—Gaat u weg? vroeg hij. - -Zij knikte van ja, snikkend. - -—Vergeeft u me? - -Zij knikte nog eens van ja. Toen lachte zij hem even toe, een lach vol -wanhoop, de kracht missende hem te kussen, en zij ging, steeds -snikkende. - -Hij bleef alleen, en stond op. Midden in de kamer bleef Othomar staan; -strak zagen zijne oogen op den colley. - -—Waarom moet ik haar verdriet doen! dacht hij. - -Alles in zijne ziel deed hem pijn. - -—Waarom ben ik met Herman op reis gegaan? vroeg hij zich weêr af. In -die eerste dagen van rust ben ik zoo gaan denken. En professor Barzia -zegt toch: rust... Wat weet hij van me af? Wat weet de eene mensch van -den andere af... - -—Djalo! riep hij. - -De colley kwam, schuddende, aan, blij. - -—Djalo, wat is goed, hoe moet de wereld zijn? Moeten er koningen en -keizers zijn, Djalo,... of moeten we maar allemaal weggaan? - -De hond zag hem aan, heftig kwispelstaartend; in eens sprong hij op, -likte hem in het gezicht. - -—En waarom, Djalo, moet de eene mensch den andere altijd verdriet doen? -Waarom moeten vorsten hun volk verdriet doen? Blijft het leven dan -altijd het zelfde, eeuwen door...! - -Othomar was op den divan in-een gezakt; zijne hand viel over den hond -neêr, die haar hartstochtelijk likte. - -—O! snikte hij. Mijn volk, mijn volk...! - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Op het voorplein van het Imperiaal reden op dit oogenblik de laatste -rijtuigen weg; de kijkende menigte, achter de grenadiers, zag -nieuwsgierig naar het even schitterende der mooie dames door de glazen -der equipages heen. Die van de hertogin van Yemena was het allerlaatst. - - - - - -IV. - -Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten -van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem -en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te -hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten -zouden plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen -gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom, -officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die -van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de -kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden -die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der -keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de -keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van -den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een -kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur... - -Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort -geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch -neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort, -alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in -een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der -strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn -principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van -Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn -energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van -het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet -ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te -irriteeren. - -Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig -geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist -hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets -gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren -zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand -doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van -zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van -Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn -vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich -geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had -kúnnen besparen, wat zoû zij er niet voor willen opofferen! Maar was -hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen, en zich fier op te -richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem -maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen -kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs -had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen -verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem -had doen neêrzakken... En toch voelde zij, dat er eene geheime veer -bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel -hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de -reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat -aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence -van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele -druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van -neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne -ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in -hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid -van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den -aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen -twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of -schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als -zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had, -was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóo neêrgeslagen als -zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van -eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo -hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit -monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die -gebaard heeft? - -Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met -Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop. -De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van -het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij -daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om -klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk -mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met -zulke overtuiging, kwam, als eene uitstorting van heiligen geest, eene -berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond -haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet -en goed is... Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de -vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand -deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde, -ondoorzienbare goedheid...! - -Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den -keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich -terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar -zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar -weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid -zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem -in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen -zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was -niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element, -dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht -Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne -Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid, -iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament, -héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te -bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid -terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing, -totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht -gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend. -Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en -hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste -vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door -fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het -delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen. -Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze -fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor -vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat -hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in -eens zoo lief was geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze -periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht, -onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem -onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen, -of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren, -Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo -hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem -genezen kon... - -Othomar zelve dacht niet over zijn deugden, noch over zijn bloed: hij -dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur -aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust -den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de -professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad. -Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de -prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op -aan... - -Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel -niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en -zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde -kunnen beoordeelen. - -En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin -over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de -keizerin sprak er ook niet over en hoopte. - -Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een -wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het -niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn -kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden... - -De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij -zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een -miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan. - -Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een -wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie? -Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden -hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St. -Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn -ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit -een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was -er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel -geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk -geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat -hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû -het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig -weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het -een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van -zich wierp, en achterdocht koesteren... - -Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar -voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes, -hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende -Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur -bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van -zijne lessen, die begonnen. - -En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem -te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en -wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen, -dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper -had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van -een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende -werken over historie en sociologie... - - - - - -V. - -Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw -van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen -over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog -heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken -der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur, -half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte -uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in -straten en op pleinen. - -Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden een kou -gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer -en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de -kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen -tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de -ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera -en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag. -Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest, -met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen -indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate, -fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het -onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen -opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs -ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die -zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden -hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook, -men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad, -dan door het land. - -Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de -keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de -doktoren, die hem in zijn bedje hielden. - -Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de -doktoren; de koorts was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed; -hij was stout, schold, had zelfs den goedigen dokter met zijn dikken -kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde vuist. - -—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, die hem eerst bestraft -had; zal ik je iets geven. - -—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter. - -—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet -tegenstribbelen. - -—En wat krijg ik dan? - -Othomar zag hem lang aan. - -—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind. - -—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat -groot voor je. - -—Wat dan; een paard? - -—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er -niet meer naar, en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan -wordt je beter en dan krijg je het. - -—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot... peinsde Berengar met -gloeiende wangen. - -Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer -terug. Uren bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding; -als gewoonlijk verscheen hij niet aan het diner en at nauwelijks van -wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich uitstrekken op de bank, nam -een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief zich op, als met -een plotselinge impulsie. - -—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen... - -De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet -verlicht; door die duisterende schaduw heen zijne matheid -voortslepende, ging Othomar naar de antichambres van den keizer. De -kamerheer diende hem aan. - -Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand. - -—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken. - -—Neen, je stoort me niet... Ben je bij mama geweest? - -—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts. - -De keizer zag hem aan. - -—Erger dan van morgen? - -—Ik weet niet; hij gloeide nog al... - -De keizer stond op. - -—Heb je me te spreken? - -—Ja papa. - -—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest. - -Hij ging, liet de deur aanstaan. - -Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote -kabinet, dat hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met -den Rijkskanselier. In den laatsten tijd had hij ze echter niet meer -bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû; intusschen dwaalden zijne -oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde krullen; iets -bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe. - -—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me -toch zoo niet vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden? - -Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam. - -—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van -zijne stem weifelde. Mama is bij hem... - -In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op, -dat de kleine prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin, -zelve lijdende, bij hem was. - -—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins -zwijgen bleef. - -—Over Berengar, papa. - -—Over Berengar? - -—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs, -wij zijn beiden uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft -van... u... en van onze voorvaderen? - -—Waar wil je naar toe, Othomar? - -—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms -onrechtvaardig en blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren -worden en dan mij... of mij maar zelfs niet. - -—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar? - -—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer -vorst dan ik? Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn -natuurlijk recht moeten ontrooven, ter wille van mijn traditioneel -recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand van alles, van al -mijn rechten. - -—De jongen is gek, mompelde Oscar. - -—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de -toekomst: zijn kleinen broêr, gekroond. - -—Othomar, ijl je? vroeg de keizer. - -—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien -overdacht; ik weet het niet: de tijd gaat voorbij... Wat ik u zeg, heb -ik met Mama overwogen; ze heeft er om gesnikt, maar mij niet -tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in... En wat ik u zeg staat vast; -ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen... Ik hoû -van Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij -gelukkig wordt door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat -Berengar een beter keizer zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor -talenten voor...? - -Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering, -die ze schokte. - -—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik -kan niet beslissen—als nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand -zijn van gedachte. En waarom zoû ik dan keizer zijn en hij niets meer -dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot? Dat kan immers -niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur... Papa, -ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik... ik zal wel leven -als het moet... - -De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem -aangehoord, staarde hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen. - -—Je meent dat alles? vroeg hij. - -—Ja papa. - -—Je ijlt niet? - -—Neen papa, ik ijl niet. - -—Dan ben je gek. - -De keizer stond op. - -—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot -je verstand terug; wordt niet geheel krankzinnig. - -—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn, -dat Berengar beter zou zijn dan ik? - -De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar. - -—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk... - -—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil -doen, ten behoeve van hem? - -—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar. - -—Welke is de wet, die het verbiedt? - -—Mijn wil, Othomar. - -De prins hief zich hoog op. - -—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan -alleen van geboorte? U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht -heeft en u wilt, u wilt niet, dat ik afstand doe? En u denkt, dat ik me -neêr zal leggen bij dien wil...? - -Hij stiet een heeschen lach uit. - -—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil -doorzetten, maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan -kon u dit toch niet dwingen. Er is een einde aan menschelijken wil, -papa, en niets, niets, niets kan mij beletten, dat ik mijzelven -ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragen wil! - -De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in -Othomars gezicht. - -—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden. -Lammeling! Je hebt gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er -nooit iets van hebben. Als ik niet beter wist, zoû ik zeggen, dat je de -zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent ongeschikt. Je bent -niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten in -een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen -afstand doen. Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor -je? Je zult het niet doen, je zult geen afstand doen, al moest ik je -van dit oogenblik af, als een schande, verbergen voor de wereld. Jouw -verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt niet, -waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem -toch niet in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je -moeten zeggen. Ik wil dat niet, om de wereld geen getuige te maken van -de ontaarding van ons geslacht. Ik wil niet, dat ze ziet, hoe ellendig -het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder... je eerder kunnen -vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed! - -Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit -geduwd op een bank, waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef -hij hem omknellen in zijn greep van sterke handen. - -—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoon niet -van een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat -ik je vader ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me -hiervoor kunnen sparen. Ik geloof, dat je hoog denkt van je -fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste gevoel. Je -voelt zelfs niet, dat je een laagheid hebt bedacht, de laagheid van een -proletariër, een slaaf, een paria, een ellendeling. Je hebt zelfs geen -oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen met die laagheid. -Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf plan -goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat je mij met die -lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden...! - -Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer -onderscheiden wat recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer -op dit oogenblik; als geesels striemden de woorden van zijn vader hem -de ziel. En hij voelde zich geene kracht er tegen op te komen; de -beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid en -schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg -de modder er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte -en ademen bleef, leven bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de -dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten niets wist, dit alles -werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder. Maar hij -wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne -schande, zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed... -Het flitste door hem heen in de seconde na dien laatsten striem van -verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij wist, dat Oscar altijd een -revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel. Zijne -hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was -opgestaan, had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte -zijne hand uit en greep het pistool... - -Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden -en nu het leven wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar -zelfvernietiging in zijn kind, ging door zijn sidderend brein heen die -gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging... het laatste heil voor den -paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij op Othomar toe. -Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen dol, -het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn -eigen voorhoofd, waarop de aderen blauw zwollen... - -—Othomar! brulde de keizer. - -Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in -de antichambre en de markies van Xardi, adjudant van den keizer, -ontzet, in verwarring, smeet de deur wijd open... - -—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit -oogenblikkelijk bij prins Berengar komt... - -Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor. -De keizer had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen -pistool ontrukt; ook het tweede schot ging in dat korte oogenblik van -strijd af, in het plafond. Wezenloos bleef Othomar staan. - -—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg -u dit: u heeft niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u -binnenkwam... is niet gebeurd. - -Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit. - -—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik -ook vergeten wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den -onze! - -Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer. - -—Mijn God! Sire... - -—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier -binnenkomen? De hertog van Xara laat zich zelfs aandienen, markies! - -—Sire... - -—Wat? Spreek op! - -—Hare Majesteit... - -—Wat, Hare Majesteit? - -—Prins Berengar... de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de -doktoren... - -De keizer was verbleekt. - -—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens. - -—Niet dood, Sire, maar... - -—Maar wat? - -—Maar de doktoren... hebben geen hoop... - -Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte -zich voort, de kamer uit. - -De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene -werkelijkheid van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen -vol tranen. - -—Xardi... smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me, -dat je zwijgen zal. - -In ontzetting zag de markies den kroonprins aan. - -—Hoogheid... - -—Zweer me, Xardi. - -—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne -vingers uit naar het crucifix, aan den muur. - -Othomar drukte zijne hand. - -—Is prins Berengar... - -Hij kon nauwelijks spreken. - -—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden...? - -—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt... - -—Ik ga er heen, sprak Othomar. - -Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het, -dadelijk doorweekte, batist er tegen aan. - -In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin -naar hem. Xardi stond even stil. - -—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht -iets aan de revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij -schrikte: twee schoten gingen af. - -—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek. - -—Er was bijna een ongeluk gebeurd... - -Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep -over hunne ruggen. De nacht scheen als met wolken van onheil kil te -dalen over het paleis. - -—En... de kleine prins...? vroeg de kamerheer rillende. - -Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren -liefde, eeuwen oud, voor zijne vorsten. - -—Sterft... sprak hij dof. - - - - - -VI. - -De kroonprins ging door de antichambre: een der doktoren stond er -kompressen te weeken in een kom met ijs; nieuw ijs werd juist door een -kamerdienaar in een emmer aangebracht. De deur van de slaapkamer was -open en aan de deur bleef Othomar staan. Op zijn veldbed lag de kleine -prins en praatte zacht, zangerig door; de keizerin, bleek, lijdende, -zich ophoudende ondanks alles, zat met de prinses Thera naast hem. - -De keizer wisselde korte woorden met de twee andere doktoren, over wier -trekken eene strakke hopeloosheid lag, bijtende smart verwrong Oscars -gelaat, dat trok van diepe rimpels. - -—Mijn God, hij herkent me niet, hij herkent mij niet! hoorde Othomar -den keizer klagen. - -—Mij ook niet, murmelde de keizerin. - -—Wat zoû het zijn; wat, wat, wat zoû het zijn, zong het prinsje en zijn -anders schel stemmetje klonk zacht als het melodietje van een vogel: -het was of hij wat speelde in zichzelven. - -—Ik krijg wat van mijn broêrtje, van mijn broêrtje, wat moois! zong hij -door; en de keizerin verstond zijne woorden, maar ze begreep niet, en -toen hij verder zong: den naam van den kroonprins, met zijn titel: - -—Othomar, o Othomar van Xara, van Xara... smeekte ze zacht naar de -deur; - -—Othomar, hij zegt je naam; kom, misschien herkent hij jou! - -Othomar kwam nader; hij ging voorbij den keizer, hij knielde neêr aan -het bed; een glimlach lichtte over Berengars gezichtje. - -—Hij wordt kalmer, zei de goedige dokter, wien de tranen over het -gezicht liepen, tot Oscar; ziet Uwe Majesteit: de prins herkent Zijne -Hoogheid, den Hertog... - -Eene blijdschap klonk door zijne stem. - -Een hevige jaloezie verwrong de trekken van den keizer. - -—Neen, neen, sprak hij. - -—Zeker, Sire, zie maar, drong de dokter aan, oplevende in hoop. - -—o Othomar, o Othomar van Xara, zong het prinsje: hij had zijn broêr -herkend, maar zag hem niet in het leven, zag hem alleen in zijn -wakenden droom, door de glazigheid van zijn koorts. - -—Wat breng je me voor moois? Kleiner dan een paard, maar zwaarder? -Zwaarder? O wat is het zwaar, zwaar, zwaar... - -Zijn stemmetje klonk als in inspanning, als lichtte hij iets op; zijn -kramptrekkende, kleine, breede handen maakten het gebaar van moeilijk -beuren. - -—Berengar, sprak de kroonprins en zijne stem brak, zijn hart kromp -ineen... - -—Othomar, antwoordde het kind. - -Een smartelijke kreet ontsnapte den keizer. - -—Ja, je bent altijd zoo aardig voor me, ging de kleine prins zangerig -voort. Je geeft me altijd van die mooie dingen. Je weet wel, die mooie -kanonnen, op mijn verjaardag? En dat pistool? Maar daar is mama zoo -bang voor... Ga je dood, Othomar? Kijk, bloed, aan je oor... Wat -bloedt, gaat toch dood? Ga je dood, Othomar? Kijk, bloed op je jas... - -De keizerin bleef strak zitten; zij zag van Berengar naar de bloedende -wond van haar oudsten zoon... - -—Bloed, bloed, bloed! zong het kind. Othomar gaat dood! Ja, hij geeft -me altijd zooveel moois, Othomar. Ik heb al zooveel, veel meer dan àlle -àndere kinderen van Liparië! En wat krijg ik nu... nog meer? Dat mooie -ding? Wat is het? Ik voel het wel: het is zoo zwaar, maar ik zie het -niet... - -De dokter was uit de antichambre gekomen en naderde met de kompressen. - -—Ik zie het niet... ik zie het niet...!! zong het kind pijnlijk, mat. - -Toen de dokter de kompressen aanlegde, woelde het tegen, begon het te -huilen, alsof een groot verdriet in zijn hartje opwelde. - -—Ik zie het niet!! snikte het; ik zal het noóit zien...!!!! - -Een heftige bui volgde het snikken; woest sloeg hij met de armen rond, -trok de kompressen af, wierp zich het ijs van het hoofd, richtte zich -met dolle oogjes staande in zijn bed, gooide de dekens weg... Othomar -was opgerezen, de keizerin ook. Oscar zat in een stoel, het gezicht met -de handen bedekt, en snikte tegen prinses Thera aan. De doktoren traden -bij het bed, poogden Berengar te bedaren, maar hij sloeg ze; de koorts -steeg in krankzinnigheid naar zijn klein brein. - -Op dit oogenblik kwam professor Barzia binnen; hij woonde niet in het -paleis; men had hem ontboden uit zijn hôtel. - -—Wat doet Uwe Hoogheid hier? richtte hij zich aanstonds tot Othomar. - -De kroonprins antwoordde niet. - -—Trekt Uwe Hoogheid zich dadelijk terug in Haar eigen appartement, -beval de professor. - -—Red mijn jongen! riep de keizer uit, gebroken, snikkende. - -—Ik red den kroonprins eerst, Sire: hij vermoordt zich hier! - -—Goed, goed, maar red hèm dan! schreeuwde Oscar woest. - -De andere doktoren hadden bevelen gegeven; een kuip werd -binnengebracht; vol gegoten met lauw water, geregeld naar een -thermometer... Maar Othomar zag niet meer, hij ijlde weg, voortgedreven -door Barzia’s strenge blikken. Over de galerijen ijlde hij, door een -groep van officieren en kamerheeren, die angstig met elkaâr stonden te -fluisteren en voor hem uitweken. Hij stortte zijn eigen kabinet in, dat -niet verlicht was. In den donker dacht hij zich neêr te gooien op de -bank, maar bonsde op den grond. Daar bleef hij liggen. Zoo, als -verpletterd door de duisternis, begon hij te kreunen, te steenen, luid -op te snikken met scherpe gillen van zenuwtoeval. - -Andro was binnen gekomen; zijn voet stiet tegen den prins aan. Hij stak -het gas aan, poogde zijn meester op te beuren. Maar Othomar hield zich -als loodzwaar; snerpend lang stieten zich de zenuwgillen uit zijne -keel. Andro belde, twee-, driemaal; lang luidde hij door; eindelijk -verschenen een lakei en een kamerheer tegelijkertijd aan verschillende -deuren. - -—Roep professor Barzia! riep Andro tot den lakei. Excellentie, helpt u -me Zijne Hoogheid oplichten...! smeekte hij den kamerheer. Maar de -lakei liep, toen hij zich omkeerde, tegen den professor aan, die bij -den kleinen prins niets doen kon en den kroonprins gevolgd was. Hij zag -Othomar liggen op den grond, kreunend, gillend... - -—Laat mij met Zijne Hoogheid alleen, beval hij met een blik rondom -zich. - -De kamerheer, Andro, de lakei volgden zijn bevel. - -De professor was een groote, oude man, zwaar gebouwd en sterk: hij -naderde den prins en hief hem, niettegenstaande zijne loodzwaarte van -nervoziteit, op in zijne armen. Zoo hield hij hem eenvoudig omklemd, op -de bank, en zag hem aan, diep in de oogen, met blikken van suggestie. -In eens zweeg Othomar zijn gillen stil; zijne keel verstomde. Mat -knikte zijn hoofd neêr op den schouder van Barzia. Deze hield hem -steeds in zijne armen. De prins werd kalm, als een gesust kind, zonder -dat Barzia éen woord geuit had. - -—Mag ik Uwe Hoogheid verzoeken naar bed te gaan, sprak de professor met -zijne zachte stem van dwang. - -Hij hielp Othomar opstaan, stak zelve het licht aan in zijne -slaapkamer, hielp den prins zijn jas uittrekken. - -—Waarom bloedt Uw Hoogheid aan het oor? vroeg Barzia, wien geronnen -bloed de vingers bezoedelde. - -—Een schot... begon Othomar dof; het wegwenden van zijn gelaat, het -sluiten van zijne oogen zeiden het overige. - -De professor sprak niet meer; als ware Othomar een kind, hielp hij hem -verder, waschte hij hem het oor, den hals, de handen, met de zachtheid -eener moeder. Toen deed hij hem zich neêrleggen in bed, dekte hem toe, -ordende de kamer als een knecht. Toen ging hij naast het bed zitten, -waarin Othomar lag, met groote vreemde oogen, starend: hij nam de hand -van den prins en bleef zoo, lang, zacht ziende op hem neêr. Het half -neêrgedraaide licht, achter, hield den grooten kop van Barzia in het -donker en glansde alleen wat op zijn kalen schedel, waaraan tot op den -hals eenige grijze manen hingen. Eindelijk sprak hij zacht: - -—Uwe Hoogheid wil beter worden, niet waar? - -—Ja, sprak Othomar, zijns ondanks. - -—Hoe zal Uwe Hoogheid dat doen? vroeg de professor. - -De prins antwoordde niet. - -—Weet Uwe Hoogheid niet? Dan moet Zij er maar eens over denken. Maar -Zij moet zich heel kalm houden, niet waar, héel kalm... - -En hij streelde Othomars hand met zachte, gelijke bewegingen, als -balsemde hij ze. - -—Want Uwe Hoogheid mag zich nooit meer toegeven aan zenuwtoevallen. Uwe -Hoogheid moet bedenken, hoe ze tegen te houden. Ik geef Uwe Hoogheid -wel veel te bedenken, ging Barzia glimlachend door. Dat doe ik, omdat -ik Uwe Hoogheid aan andere dingen wil laten denken, dan waaraan Ze -denkt. Er moet wat klaarheid komen in Hare hersenen. Is Zij moê en wil -Ze slapen, of mag ik nog praten? - -—Ja, praat maar, fluisterde de prins. - -—Er komen dagen van groote smart voor het Imperiaal... begon de dokter -weêr, zacht. Uwe Hoogheid moet aan die dagen denken, zonder zich te -laten meêsleepen door de smart ervan... De kleine prins zal -waarschijnlijk niet blijven leven, Hoogheid. Zal Zij daaraan denken en -denken aan Hare ouders, Hunne arme Majesteiten? Er zijn van die dagen -voor een land of voor een enkele familie, waarin de smart zich schijnt -opeen te stapelen. Want deze dag, deze nacht schijnt die niet het einde -van Uw geslacht, mijn prins? Stil, stil en beweeg U niet; laat mij maar -praten, als een oude man, die zeurt... Weet Uwe Hoogheid, dat de keizer -vandaag voor het eerst van zijn heele leven geweend heeft, gesnikt? -Zijn jongste zoon sterft. Tusschen dit kind en den vader is een oudste -zoon, die zwaar, zwaar ziek is... Is dit alles niet het einde? - -—Als God het dan zoo wil... fluisterde Othomar. - -—Is het goed te berusten, sprak Barzia. Maar wil God het zoo? - -—Wie zal het ons zeggen... - -—Vraagt het eens aan Uzelven, maar nu niet, Hoogheid, morgen, morgen... -Na de smartelijkste nachten... komen weêr de morgens... - -De professor was opgestaan en had een poeier in een glas water gemengd. - -—Drink eens, Hoogheid... - -Othomar dronk. - -—En ga nu stil liggen en sluit die groote oogen. - -—Ik kan toch niet slapen... - -—Dat hoeft ook niet, maar sluit die oogen... - -Barzia streek met de hand over ze heen; de prins hield ze toe. Zijne -hand lag weêr in de hand van den professor. - -Eene suizelooze stilte daalde neêr in de kamer. Buiten, in de galerijen -en corridors, kwamen soms radelooze stappen aan, als uit de verte, in -nuttelooze haast; dan verklonken ze weêr weg, in wanhoop. Eene wereld -van smart scheen zich in het paleis, daar buiten die kamer, uit te -breiden, tot ze alle ruimten er van vulde met haar donker, nachtelijk -wee. Maar in deze ééne kamer verroerde zich niets. De professor zat -stil en staarde vol nadenken: de kroonprins was als een kind -ingeslapen. - - - - - -VII. - -Den volgenden morgen ging de dag op over den rouw van een keizerrijk. -Prins Berengar was in dien nacht bezweken. - -Othomar had lang geslapen en werd laat wakker, als in eene vreemde -kalmte. Toen professor Barzia hem het einde van den kleinen prins -vertelde,—de apathie der laatste oogenblikken na eene woede van -koorts—scheen het hem toe, dat hij dit reeds wist. De groote smart, die -hij voelde, was zonderling rustig, zonder oproer in zijn hart en -verbaasde hemzelven. Kalm bleef hij liggen, toen de professor hem -verbood op te staan. Als zonder emotie stelde hij zich voor: den -kleinen jongen, roerloos, de oogen gesloten, op zijn veldbed. -Werktuigelijk vouwde hij zijne handen en bad hij voor het zieltje van -zijn broêr. - -Hij mocht dien dag zijne kamer niet verlaten en zag alleen even de -keizerin, die bij hem kwam. Het verbaasde hem niets, dat ook zij kalm -was, met droge oogen: zij had nog geen traan gestort. Zelfs toen hij -zich oprichtte uit zijne kussens en haar omhelsde, weende zij niet. Hij -ook weende niet, maar alleen zijne eigene kalmte verwonderde hem: niet -de hare. Zij bleef maar een oogenblik; toen ging zij terug als met -werktuigelijke passen en hij bleef alleen. Hij zag dien dag anders -niemand dan Barzia: zelfs Andro kwam niet in zijne kamer binnen. - -Buiten die kamer ried de prins, aan zekere passen door de gangen, -zekere klanken van stem—het weinige, dat tot hem doordrong—de smart van -het paleis; stelde hij zich voor de treurmare gaande door het land, -Europa, en de menschen ontzet doende staan voor den dood, die verrast -had. Het leven was niet zeker: wie wist of hij morgen leefde! IJdel -waren de plannen der menschen, wie wist het uur, dat volgen zoû! En -kalm steeds bleef hij hierover denken, in de zonderlinge rust van zijne -ziel, waarin hij als eene nutteloosheid zag om te strijden tegen het -leven en tegen den dood. - -Den volgenden dag eerst vergunde Barzia hem op te staan, laat in den -middag. Na zijne douche kleedde hij zich kalm aan, in zijne -lanciersuniform, een krip om de mouw. Toen hij zich in een spiegel zag, -verwonderde het hem hoe hij leek op zijne moeder, hoe hij nu ging met -hare zelfde machinale pas. Barzia vergunde hem naar den salon der -keizerin te gaan. Hij vond er haar, den keizer, Thera, en den -aartshertog en de aartshertogin van Karinthië, die den vorigen avond te -Lipara waren aangekomen. Men zat stil bij elkaâr; nu en dan ging een -zacht woord om. - -Othomar ging naar den keizer en wilde hem omhelzen: Oscar echter drukte -hem slechts de hand. Daarna omhelsde Othomar zijne zusters, zijn -schoonbroêr. Toen zette hij zich neêr bij de keizerin en nam hare hand -en zat stil. Zij was vermagerd en krijtwit in hare zwarte japon. Zij -weende niet: alleen de twee prinsessen begonnen telkens te snikken en -telkens weêr. - -De familie gebruikte het diner alleen in de kleine eetzaal, zonder -gevolg. Eene verplettering was als neêrgezonken op het paleis, dat -geheel scheen te zwijgen op dit uur, met alleen nu en dan het zachte -geloop door galerijen van een ordonnans-officier, die ging, een -lijkkrans in de hand, van een lakei, die bracht een blad vol -telegrammen. Na het korte diner trok de familie zich weêr terug in den -salon der keizerin. De uren sleepten zich voort. De avond was geheel -gevallen. Toen werd de aartsbisschop van Lipara aangekondigd. - -De keizerlijke familie stond op; door de galerijen ging zij, zonder -gevolg, naar de groote Ridderzaal. Hellebaardiers stonden bij de deur. -Zij traden binnen. De keizer reikte de keizerin de hand en geleidde -haar naar den troon, waarvan de kroon en de draperiën omfloersd waren. -Aan beide zijden waren zetels voor Othomar, de prinsessen, den -aartshertog. - -In het midden der zaal, voor den troon, rees de katafalk op onder een -hemel van zwart en hermelijn. In uniform lag er de kleine prins neêr. -Over zijne voeten hing een kleine blauwe riddermantel met een groot wit -kruis; een kinderdegen lag hem op de borst, en zijne handjes waren om -het juweelen gevest heengevouwen. Aan zijn hoofdje, en wat hooger, -blonk, op een kussen, een kleine markiezenkroon. Zes vergulde luchters -glansden met vele hooge kaarsen stil op het kind neêr en ze lieten de -groote zaal verder in schaduw: alleen rees, buiten, de maan in verre -nachtblauwe lucht; hier en daar tintte ze met een witte glansplek de -wapenrustingen, de trofeeën, die hingen en, als ijzeren geesten, -stonden in nissen en aan den muur. Aan het voeteneind der katafalk -breidde, op een tafel, met wit fluweelen kleed, als altaar, een groot, -verguld crucifix, tusschen luchters, ontfermend, twee kruisarmen uit. - -Den degen in den arm, roerloos als de wapenrustingen aan den muur, -stonden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, twee aan -twee, aan iedere zijde van de katafalk. - -Een zachte geur van bloemen woei om. Om de katafalk heen stapelden zich -de kransen op in cirkels van alles wat wit bloesemt; de aroom van -violen geurde het hoogst. - -Zij waren gezeten: de keizer, de keizerin en hunne vier kinderen. -Langzaam kwam de aartsbisschop binnen met zijne priesters en -koorknapen. Toen knielden de vorsten op kussens voor hunne zetels neêr. -De prelaat las de lijkmis en het Latijn van het Kyrie-Eleison en het -Agnus Dei smeekte voor Berengars kleine ziel te midden der zielen van -het vagevuur, trilde zacht door de immense zaal, wolkte met den geur -der bloemen mede over het roerlooze, ooggeslotene gezicht van het -keizerlijke kind... - -De dienst was geëindigd; de prelaat sprenkelde het wijwater, ging -sprenkelend om de katafalk heen. De vorsten verlieten de zaal, maar -Othomar bleef. - -—Ik wil mijn krans neêrleggen... sprak hij zacht tot de keizerin. - -Ook de priesters, langzaam, vertrokken; den vier ridders, die door -anderen vervangen zouden worden, zeide de kroonprins zijn verlangen een -oogenblik alleen te willen blijven. Ook zij gingen. Toen zag hij aan de -deur Thesbia verschijnen, een grooten witten krans in de hand. Hij ging -den ordonnans-officier tegemoet en nam den krans aan. - -Othomar bleef alleen. Lang, breed, met duistere einden, strekte zich de -zaal uit. De maan was hooger gestegen, scheen blanker, spookte op de -wapenrustingen. In het midden, als met heiligheid, tusschen den vromen -glans der lange kaarsen—rees de katafalk, lag de prins. - -De kroonprins ging twee treden de katafalk op en legde den krans neêr. -Toen zag hij naar Berengars gelaat; geene koorts verwrong het meer; -rustig lag het, blank, als sliep het. Alle geluiden in de zaal waren -weggestorven; eene doodstilte hing neêr. Hier scheen de wereld van -smart, die het paleis en het land vervuld hadden, zich geheiligd te -hebben in verhevene kalmte. En Othomar zag zich alleen met zijne ziel. -Het onzekere van het leven, het ijdele van menschenvoornemen kwam tot -hem weêr, maar in klaarheid; het was geen zwart mysterie en werd -harmonie. Het was of hij geheel de harmonie zag van het verleden; in -geheel Liparië’s verleden van historie, in geheel het verleden der -wereld klonk geen enkele valsche toon. Alle smart was heilig en -harmonisch, bracht nader tot het hooge Einde, dat weêr Begin zoû zijn, -en nooit iets anders dan harmonie. Eene berusting daalde als een -heilige geest in zijn gemoed; zijne vreemde kalmte werd berusting. Het -was of zijne zenuwen zich ontspanden in éene groote leniging. - -En in zijne berusting was alleen de weemoed, dat hij nooit meer zoû -hooren het hoog-bevelende stemmetje van het kind, dat hij lief had -gehad. Dat dit kleine leven uitgeleefd had, zoo gauw, en voor altijd. -In zijne berusting was alleen éven de verwondering, dat het zoo moest -zijn en niet als hij het zich gedacht had. Hij zoû zelve moeten dragen -zijne kroon, die hij aan Berengar had willen afstaan. En het was hem -nu, of hij die terug ontving van den kleinen doode zelven. Hierom zeker -voelde hij zoo niets geen opstand in zijne ziel, voelde hij die rust, -dat besef van harmonie. Als eene erfenis kwam zijn geschenk tot -hemzelven weêr terug. - -Lang stond hij zoo, denkende, starende op zijn roerloos broêrtje en -eenvoudig werd zijne gedachte in hem; recht voor zich uit zag hij een -weg, dien hij volgen zoû... - -Toen hoorde hij zijn naam: - -—Othomar... - -Hij keek op en zag de keizerin aan de deur. Zij kwam nader. - -—Barzia vroeg naar je, fluisterde ze; hij maakte zich ongerust over -je... - -Hij glimlachte haar toe en schudde het hoofd van neen: dat hij kalm -was. - -Zij was nu geheel genaderd, trad op de treden van de katafalk en vlijde -zich aan zijn arm. - -—Hoe stil is zijn gezichtje... murmelde ze. O, Othomar, ik heb hem nog -niet eens mijn laatsten zoen gegeven. En morgen behoort hij me niet -meer toe: dan defileert hier al dat volk! - -—Maar hij is nú nog van ons, mama, van u... - -—Othomar... - -—Mama... - -—Zal ik jou ook niet hoeven... te verliezen? - -—Neen mama, mij niet... Ik zal blijven leven... voor u... - -Hij omhelsde haar; zij zag tot hem op, verwonderd om zijne stem. Toen -keek ze weêr naar het kind. Ze maakte zich los uit de armen van haar -zoon, hief zich nog hooger, boog zich over het witte gezichtje en kuste -het voorhoofd. Maar zoodra de steenkoude van het doode vleesch in hare -lippen trok, trok zij zich terug, staarde wezenloos op het lijkje, of -zij nu eerst begreep. Een kramp verstijfde hare armen, verwrong hare -vingers; recht viel zij achterover tegen Othomar aan. - -En hare oogen werden vochtig met de eerste tranen, die zij om Berengars -dood vergoot, en zij verborg haar hoofd in Othomars armen en snikte, -snikte... - -Toen voerde hij haar voorzichtig, langzaam de treden van de katafalk -af, geleidde haar uit de zaal. In de galerij kwam hij Barzia tegen; het -stil kalme gelaat van den prins, die zijne moeder ondersteunde, stelde -den professor gerust... - -Zoodra de keizerin en de kroonprins de Ridderzaal verlaten hadden, -traden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, binnen. -Zij namen hunne plaats in aan beide zijden van de katafalk en zij -bleven er roerloos staan in den kaarsenglans, starende voor zich uit, -wakende in den rouwnacht over het keizerlijke lijkje, waarover nu de -blauwte van de maan viel... Ook de priesters waren binnengekomen, en -baden... - -Het paleis was stil. Toen Othomar aan de deur van haar appartement -zijne moeder had overgegeven aan Hélène van Thesbia, ging hij de -galerijen door naar zijne eigen kamers. Maar bij eene wending der -gangen schrikte hij. De groote ceremonietrap gaapte, flauw verlicht aan -zijne voeten, met de holte der kolossale vestibule onder aan. Behangers -waren daar bezig de balustrades der trap te drapeeren met floers van -krip, voor het oogenblik, dat de kist naar beneden gedragen zoû worden. -Zij maten met wijde armen de nevels van zwart uit, wierpen zwarte wolk -op wolk; de wolken krip stapelden zich met eene droeve luchtigheid op, -en op en op, schenen de geheele trap te vullen en treê na treê hooger -te stijgen of ze het geheele paleis zouden veroveren met hun zwart... - -De behangers zagen den kroonprins niet, en werkten door, zwijgend, in -het flauwe licht. Maar eene koude rilling ging over Othomar heen. -Doodsbleek staarde hij naar de mannen, die daar aan zijne voeten het -krip uitmaten en het wolken deden naar hem toe. Hij herinnerde zich -zijn droom: de straten van Lipara, zich vullende met krip tot de zon -zwijmde... Zijn bloed scheen hem te bevriezen in zijne aderen... - -Toen sloeg hij een kruis. - -—O God, geef me kracht! bad hij in ontzetting... - - - - - -VIII. - -Den volgenden morgen ging tusschen de paradewachten door der grenadiers -het volk voorbij het lijk van den kleinen prins. Den daarop volgenden -werd het vervoerd naar Altara en bijgezet in den keizerlijken -grafkelder in den Dom van St. Ladislas. De prinsen Gunther en Herman -van Gothland waren voor de plechtigheid overgekomen, maar den hertog -van Xara was door professor Barzia verboden aan de ceremonie deel te -nemen: hij bleef te Lipara. - -De Gothlandsche prinsen en hun gevolg kwamen met keizer Oscar terug -naar de rezidentie, waar, op het dringend verlangen van hare zuster, -ook koningin Olga met prinses Wanda gekomen was. En in de rouwstilte -van het Imperiaal trok de familie zich bij elkaâr in een nauwen cirkel -van intimiteit. Keizerin Elizabeth had, na hare eerste tranen, die -onnatuurlijke kalmte verloren; telkens onderging zij hevige aanvallen -van verdriet, die de koningin Olga of Othomar nauwlijks wisten te -bedaren. De keizer was ontroostbaar, gaf zich met eene kinderlijke -hevigheid over aan zijne smart. Men had hem nooit zoo gezien, men kende -hem zoo niet. Dat hij zijn lieveling verloren had, bracht zijne ziel in -opstand tegen de wereld en tegen God. Daarbij kwam, dat hij zich zeer -had aangetrokken zijn laatste gesprek met Othomar, waarin deze hem van -afstand-doen gesproken had. De keizer was er niet meer op terug -gekomen, maar hij dacht er telkens aan. Hij vreesde er weêr met Othomar -over te moeten spreken. Met woede voelde hij zijn onmacht, den -kroonprins dit besluit van wanhoop te verbieden. En hij verbeeldde zich -wat er volgens de wetten gebeuren zoû, zoo de prins volhardde: de -aartshertogin van Karinthië keizerin, de aartshertog prins-gemaal en -het geslacht van Czyrkiski niet meer heerschende op den troon van -Liparië in de mannelijke lijn. Dat dit zoû kunnen gebeuren, deed, -tegelijkertijd met zijn leed over Berengars dood, keizer Oscar lijden -met dat zeer bijzondere leed van den vorst, in wiens bloed nog vloeit -geheel de geërfde gehechtheid aan de grootheid zijner vaderen, en die -ze voort wil laten duren tot den laatsten dag. En was hij ook -ontroostbaar over het verlies van het kind, dat hij het meeste liefhad, -zwaarder, maar stiller, in grooter geheim—daar hij er niet over -sprak—en hierom wellicht smartelijker, voelde hij zijn leed over dit -idee, over deze toekomst, die hij zich beeldde. Zelfs met de keizerin -had hij er niet over gesproken, uit zekere vrees en bijgeloovigheid. - -En bij dit denk-verdriet,—dat zijne ziel van kracht, waarin altijd een -zweem van kinderlijkheid gebleven was, zich zwak deed gevoelen, of zij -de ziel ware van ieder ander mensch in plaats van de zijne: die van een -vorst—mengde zich de zakelijke ergernis over de legerwet. Er zouden -driehonderd millioen noodig zijn; honderd millioen waren reeds -toegestaan voor de versterking der infanterie; de twee andere honderd, -voor de artillerie, had de Minister van Oorlog, graaf Marcella, nog -niet weten te verwinnen. De meerderheid der legercommissie was tegen -die kolossale wapening der grensforten; in het Huis der Standen ried de -minister reeds heftige tegenkanting, vermoedde hij zijn val. Noch -Oscar, Myxila noch Marcella, wilden het minste toegeven. En Oscar zoû -zijn minister daarenboven willen handhaven tot in het onmogelijke toe. - -Het was in deze dagen, dat Othomar zich door generaal Ducardi geheel op -de hoogte der questie liet brengen, de stafkaarten en legerstaten en -verslagen der commissie bestudeerde, de parlementaire discussies van -uit zijne afzondering volgde. Hij hield lange overwegingen met den -generaal. Hij had echter in maanden niet meer de ochtendberaadslagingen -in het kabinet van zijn vader bijgewoond. Maar op een morgen kleedde -hij zich—wat hij niet altijd deed—in uniform en liet door een kamerheer -aan Oscar verzoeken of de keizer hem vergunde tegenwoordig te zijn bij -de ontvangst van graaf Marcella. De keizer was verwonderd, haalde de -schouders op, maar bestreed zijne antipathie, en liet zijn zoon zeggen, -dat hij komen kon. Zoodra de Rijkskanselier en de minister bij den -keizer waren, vervoegde Othomar zich bij hen. Hij was tengerder nog -geworden en de zilveren brandebourgs van zijn lanciersuniform konden -nauwlijks aan zijne slankte eenige breedte leenen; hij was bleek en wat -hol van wangen, maar de blik in zijne oogen had die vroegere -koortsachtige onrust verloren en zijne melancholieke kalmte -teruggewonnen, tegelijk met iets straks van hoogheid. Hij mengde zich -eerst niet in de discussie, liet den keizer vloeken, den Rijkskanselier -zijne schouders ophalen en berusten in het onmogelijke, den minister -verklaren, dat hij nooit toe zoû geven. Toen vroeg hij echter aan Oscar -vergunning een woord in het midden te brengen. Hij had een potlood in -de hand genomen; hij toonde met enkele kort besliste lijnen van -aanwijzing over de kaarten, met enkele direct juiste aanduidingen op de -staten, met enkele cijfers, die hij uit zijn hoofd, en nauwkeurig -opnoemde, dat hij geheel op de hoogte was. Hij meende, dat, voor zoover -hij kon nagaan uit de verslagen der commissie, uit de stemming in het -Huis der Standen, het ongetwijfeld vast zoû staan, dat de tweehonderd -millioen geweigerd zouden worden. Dat de minister vallen zoû. Hij -herhaalde deze laatste woorden nadrukkelijk en zag toen vast zijn vader -eerst aan en daarna graaf Marcella. Toen, met zijne zachte stem, die -logisch in klank na klank zich verhief en daalde met rustige woorden -van overtuiging, vroeg hij, waarom men zich niet voegen zoû naar de -omstandigheden en van ze maken wat van ze te maken was. Waarom men niet -de honderd millioen voor de infanterie zoû aanvaarden als het gewonnene -en—hetgeen, zonder o ogenblikkelijk gevaar, toch zoû kunnen—de -tweehonderd anderen zoû pogen te verdeden over eene tijdlengte van vier -of vijf jaar. Hij meende zeker te zijn, dat een twintig millioen ’s -jaars meer, niet zoo heftige tegenkanting zoû vinden. Met zulke eene -schikking zoû graaf Marcella zichzelven kunnen handhaven en door den -keizer gehandhaafd kunnen worden... - -Toen hij zweeg, volgde eene stilte zijne woorden. Zijn raad was, zoo -niet geniaal, practisch geweest, makende van dit oogenblik van crizis -wat er van te maken zoû zijn. Graaf Myxila knikte zijn hoofd langzaam, -goedkeurend. De keizer en graaf Marcella konden Othomars denkbeeld niet -dadelijk aanhangen, halsstarrig, als ze doordrijven wilden de legerwet -in hare eerste onveranderde conceptie. Maar de Rijkskanselier voegde -zich bij den kroonprins, deed nog nadrukkelijker uitkomen, dat eene -zoodanige schikking de eenige zijn zoû, waarmeê Zijne Majesteit graaf -Marcella zoû kunnen behouden. En de beraadslaging eindigde, dat het -voorstel van den hertog van Xara in overweging zoû genomen worden. Toen -Myxila en Marcella gegaan waren, vroeg de keizer den prins nog een -oogenblik te blijven. - -—Othomar, sprak hij: het doet mij groot genoegen, dat je je weêr met de -zaken van ons land bezig houdt... - -Hij weifelde even, bijna angstig. - -—Welke concluzie kan ik daaruit trekken... voor de toekomst? ging hij -eindelijk langzaam voort. - -De kroonprins begreep hem. - -—Papa, sprak hij zacht. Ik heb mijne moedelooze oogenblikken gehad. Ik -zal ze misschien nog wel hebben. Maar vergeet... wat er zoo kort voor -Berengars dood tusschen ons besproken is geworden. Ik denk er niet meer -over afstand te doen... - -De keizer haalde diep adem. - -—Ik ben vroom, papa, en geloovig, ging de prins voort. Misschien -bijgeloovig. Ik zie duidelijk in wat er gebeurd is, de hand van God... - -Hij streek met de hand over het voorhoofd, peinzende voor zich heen. - -—De hand van God, herhaalde hij. Ik heb een voorgevoel gehad van den -dood van éen onzer binnen dit jaar. Ik dacht dat ik het zelf zoû zijn, -die sterven zoû. Daarom papa, zag ik misschien niet in, dat het -monsterachtig van mij was, waartoe ik besloten had. Ik dacht niet aan -mijzelven, die toch zoû dood gaan; ik dacht alleen aan Berengar. Ik -zag, dat hij meer vorst was dan ik. Maar nu is hij dood en ik leef, en -ik zal nu aan mijzelven denken. Want ik voel het, dat ik mijzelven niet -behoor. En ik voel, dat het dit is, wat ons staande moet houden in het -leven: dit gevoel, dat wij niet aan onszelven behooren, maar aan -anderen. Ik heb altijd van ons volk gehouden en ik woû het helpen in -het vage, in het abstracte; ik sloeg mijn handen uit, zonder te weten -wat en als ik niet volbracht, was ik er wanhopig om... - -Hij hield in eens op, zag schichtig naar zijn vader, als had hij zich -te ver laten gaan in het uitspreken zijner gedachten. Maar Oscar zat -hem kalm aan te hooren, en hij ging voort: - -—En ik weet nu, dat zulke wanhoop niet goed is, omdat wij met zulke -wanhoop ons aan onszelven behouden en ons niet kunnen geven aan -anderen. U ziet—en hij stond op en glimlachte—ik kan maar niet genezen -van mijn filozofie, maar ik hoop nu, dat ze mij zal leeren sterken in -plaats van mij te ontzenuwen, omdat ze nu uit een geheel ander principe -voortvloeit.—De keizer haalde licht de schouders op. - -—Ieder moet zich zijn eigen levenswijsheid maken, Othomar; ik kan je -alleen dezen raad geven: dweep niet en hoû je standpunt hoog. Cijfer -jezelven niet te veel weg, want zulke abnegatie duurt niet en herneemt -toch weêr later oude rechten. Ik denk zooveel niet na; ik ben meer -spontaan en impulsief. Maar ik wil niet over je oordeelen, omdat jij -anders bent; je kan er niets tegen. Je bent misschien meer van dezen -tijd dan ik. Ik wil alleen naar het rezultaat zien van je -overpeinzingen en dat rezultaat is: dat je jezelven teruggeeft aan het -gewone leven en aan de belangen van je land. En hierom verheug ik me, -Othomar. Ik wil ook niet te ver in de toekomst zien; ik vermoed, dat je -ook later niet mijn ideeën zult hebben; ik vermoed, dat je later zult -regeeren met een constitutie van A tot Z, met een gekozen Hooger-Huis. -Ik vermoed, dat je van de autoritair adellijke partij veel tegenkanting -zult hebben... Maar zooals ik zeg, ik wil daar niet te ver in doorgaan -en mij alleen verheugen over je moreele beterschap. En ik ben je heel -dankbaar voor den raad, dien je ons zoo even gegeven hebt. Ze was -eenvoudig, maar uit onszelve waren wij er zeker niet toe gekomen. Wij -zijn daartoe te vasthoudend. Ik geloof nu wel, dat wat je voorstelde, -het beste zal zijn; dat het wel niet anders zal kunnen... - -Hij stak zijne hand uit, Othomar greep die. - -—En, vervolgde hij, met de groote loyaliteit, die ondanks zijne -tirannieke hoogheid het fond van zijne ziel was; laat geene rancune bij -je blijven over... woorden, die ik je gezegd heb, Othomar. Ik ben hevig -en driftig, dat weet je. Ik hield meer van Berengar dan van jou. Maar -jijzelf hield van dat kind. Hoû me geen rancune na, terwille van hem... -Je bent toch mijn zoon ook en ik hoû van je, alleen al om het feit, dàt -je mijn zoon bent, en de laatste van mijn geslacht... Vergeef me mijn -eerlijkheid. - -Toen drukte hij Othomar in zijne armen. Het trof hem pijnlijk de -tengerheid van den prins te voelen in zijne stevige omhelzing, zoo -dadelijk na zijne woorden: de laatste van mijn geslacht... Een vreemde, -bittere wanhoop ging er om door zijne ziel, maar tevens vermoedde hij -duidelijk het mysterie in die tengerheid: een onbekende, moreele -drijfveer, die hij zelve in zijn weinig complexen eenvoud zeker miste, -maar, vol verwondering, voelde in zijn zoon. Toen de prins gegaan was -en Oscar, alleen, hierover dacht, en die drijfveer zocht in hetgeen hem -in zijn kind bekend was, vond hij niet, maar voelde toch, dat wat ze -ook ware, ze iets benijdenswaardigs was: een kracht, die taaier was dan -spierkracht. Hij zag om zich heen: zijn oog viel op het portret van de -keizerin op zijne schrijftafel. Hoe dikwijls had hij er niet op getuurd -met ergernis, om hun troonopvolger, die zoo geheel haar eigen zoon was. -Maar alsof eene schemering van glans voor zijne oogen opging, zag hij -nu naar het delicate gelaat, zonder dien ouden wrevel en eene dankbare -warmte begon in hem op te stralen. Wat ze ook ware, Othomar had die -geheimzinnige kracht van zijne moeder. Ze redde hem en behield hem voor -zijn land, voor zijn geslacht. En— wie wist het—misschien was dit -mysterie, wat dan ook, het element, dat hun geslacht behoefde, eene -noodige essence voor zijne nieuwe levensvatbaarheid... Hij drong daar -verder niet in door; de toekomst—ook al klaarde ze nu op uit hare -eerste duisternis—was hem niet lief. Hij had het verleden lief, die -ijzeren eeuwen met hare helden van keizers. Maar hij voelde, dat niet -alles verloren was. In zijn vroom geloof aan het Hoogste, dacht hij als -zijn zoon, aan de hand van God. Zoo het zoo moest, zoû het zoo goed -zijn. De wil van God was ondoorgrondelijk... - -En dankbaar aan de keizerin, dankbaar, dat het licht voor hem werd, -boog hij de knieën voor het crucifix aan den muur, en bad hij voor -zijne beide zonen, bad hij lang voor den zoon, die zijne kroon zoû -dragen, maar langer voor de ziel van het kind van zijn éigen bloed, en -welks gemis de smart zijn zoû, die altijd alsem zoû blijven op den -grond van zijne, nu uitgestorte, ziel... - - - - - -IX. - -Uit het Dagboek van Alexa, Hertogin van Yemena. Gravin van Vaza. - - - Nov. 18... - -De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft -het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de -hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen -kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik -hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en -zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft. - -Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na -deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft, -voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat -ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor -mij zie lichten... - -En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een -jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen -van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik -weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in -mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet -waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij niet -kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil -laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche -liefde koesteren wil. - -Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven! -Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd -waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O, -ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige. -Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw -offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in -mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood -is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij -geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het -eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader -bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan -aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij -anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders, -dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een -scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge -aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw -vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was -zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat -het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw -Leven... - -Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel, -tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig -leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van -Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom -voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming -van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in -het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik -heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is -mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf: -me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te -moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld. - -Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en -erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van -jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O, -de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En -de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het -licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste -wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen -sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods, -zal het ooit mogen! - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering -van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een -vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik -wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij! - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk -zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt -Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in -mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan -bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw. -Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en -blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart -het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op... - -Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand -ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven -werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare -werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in -het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij -niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook -ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt, -omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik -altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw -zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen -overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost -willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik heb U -getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen -ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had -durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat -zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik -toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet! -Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als -ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk -wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost -heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb. -Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe -minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van -mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede -zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen -mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde -en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver -op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi -is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal -hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om -Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is -mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins, -mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn -vorst, en mijn vorst alleen! - - - Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid Othomar, - Hertog van Xara te Lipara. - - Castel Vaza, Nov. 18... Mijn dierbare Prins! - - -Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende -eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef -er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U -alleen voor mijzelve, nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik -het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op -het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets -geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk, -na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor -mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem -ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze -de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het -mysterie, dat onze liefde was... - -Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen, - - - Alexa. - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - - -I. - -Keizerin Elizabeth reed met Hélène van Thesbia in eene victoria—een -voorrijder voorop—van St. Ladislas naar het Oude Paleis, dat met den -Dom en het Episcopaal éen reuzenbouw vormde; daar, in Altara, hadden de -aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie den vorigen dag met de -keizerlijke bruid hun intrek genomen. Van den hoogen slotburcht, die -als een breede steenblokkenmassa, met gekanteelde vlakken en plompe -torens, over Altara heen zag, daalde onder oude kastanjes, onmerkbaar, -de weg, licht zigzagkronkelend naar beneden. Het stof stuivelde onder -de wielen op; aan beide zijden lagen villa’s, met terrassen, vroolijk -van vazen en bloemen en beelden, en lager en lager afglooiende, naar de -stad toe. De villa’s vlagden; de blauw-en-witte vlaggen met de witte -kruisen joelden als een jeugd van kleuren onder het bestofte loof der -oude boomen en acacia’s. - -Het was Juni; zes maanden na den dood van den kleinen prins, maar de -rouw was verlicht om het aanstaande huwelijk van den hertog van Xara, -dat de keizer zoo spoedig mogelijk voltrekken zag. De keizerin echter -droeg nog zwaren rouw, dien zij eerst op den dag van het huwelijk af -zoû leggen; Hélène droeg grijs; de liverei was grijs. - -Vele wandelaars, ruiters, equipages gingen langs den weg, hielden -eerbiedig stil; de keizerin groette links en rechts; van af de balcons -der villa’s groette men haar. In het warme zomerweder heerschte er eene -gemoedelijkheid, eene zachte vroolijkheid langs den weg, ademde de weg, -met zijne villa’s, waar de menschen in groepen zaten, eene -vriendelijkheid uit, die der keizerin aangenaam aandeed en haar hart -met een lichten weemoed op deed zwellen in hare borst. Kinderen liepen -rond en speelden, in witte zomerpakjes; ze stonden in eens stil, en als -welopgevoede kinderen, die de leden der keizerlijke familie iederen dag -zagen voorbijgaan, groetten zij diep, de jongens onhandig, de meisjes -met pas geleerde révérences. Dan speelden zij weêr door... En de -keizerin glimlachte om een groote familie, oude en jonge menschen -samen, die op een terras zeker een verjaardag vierden en lachten en -dronken, vele glazen en karaffen voor zich: de kinderen hunne monden -vol koek. Zoodra zij den voorrijder zagen, stonden zij op en zij -groetten allen, sommige de glazen nog in de hand, en de keizerin, -zonder hare gewone strakheid, groette ze innemend met een glimlach -terug. - -En het was als ging zij door een groot dorp van luxe; een oogenblik -vergat zij de lichte obsessie, die haar neêrdrukte, vergat zij waarom -zij heden ging naar Valérie toe en liet zij zich wiegelen door haar -welbehagen in de liefde, die zij om zich ried. Het was die liefde der -oude Liparische patricische familiën—adellijk of niet-adellijk—voor -hare vorsten. Het was eene liefkoozing, die zij nooit te Lipara voelde. -En zij herinnerde zich Othomars brief, tijdens de overstroomingen van -het vorige jaar: waarom zijn we toch niet meer te Altara... - -Geen oogenblik kon zij ophouden te groeten. Maar zij naderde nu de -stad; als coulissen schoven de oude huizen op; de geheele stad schoof -nader, vroolijk van vlaggen, die jong deden over haar oude steen. De -straten waren vol; duizende vreemdelingen, van binnen- of buitenslands, -waren te Altara; in de hôtels was geene kamer meer te krijgen. En de -keizerin kon nauwelijks een woord tot Hélène spreken; zij kon niets -doen dan knikken, altijd door... - -Op het voorplein van het Oude Paleis was de paradewacht der infanterie -ter eere der Oostenrijksche bruid opgesteld en prezenteerde, nu het -rijtuig der keizerin voorreed, het geweer. De aartshertogin Eudoxie -verwachtte de vorstin. - -—Hoe is Valérie? vroeg Elizabeth dadelijk. - -—Goed, kalm, antwoordde de aartshertogin; ik had het zoo niet durven -hopen. Maar ze wil niemand ontvangen... - -—Laat toch vragen of ik haar zien kan... - -De hofdame der aartshertogin verwijderde zich: ze kwam terug met het -bericht, dat Valérie de keizerin wachtte. - -Elizabeth vond het jonge meisje in een negligé van witte kant, bleek, -met groote donkere doffe oogen, liggen op een bank, ze richtte zich -echter op: - -—Mevrouw, vergeef me, verontschuldigde zij zich. - -Elizabeth omhelsde haar met eene groote zachtheid; de aartshertogin -zeide: - -—Ik was niet wel, ik voelde me moê... - -Toen echter ontmoetten hare oogen die van de keizerin, en zag zij, hoe -deze niet eischte, dat ze zich met onmenschelijke kracht ophield. Zij -drukte zich tegen de keizerin aan en weende zacht, als eene weent, die -reeds lang en hartstochtelijk geweend heeft en nu moê is van haar -weenen en het niet anders meer kan dan zacht. De keizerin deed haar -zitten, zette zich naast haar en liefkoosde haar met een streelend -gebaar van de hand. Geene van beide sprak; zij vonden geene van beide -woorden in de moeilijke verhouding, waarin zij, op dit oogenblik, over -en weêr waren. - -Twee dagen geleden, den dag vóor dien, waarop de reis van de bruid van -Altara bepaald was, was het bekend geworden, dat prins Von -Lohe-Obkowitz zich te Parijs had doodgeschoten. Welke de reden van dien -zelfmoord geweest was, wist men niet. Sommigen meenden, dat de prins -zwaar gebukt ging onder de ongenade van den keizer van Oostenrijk en de -brouille met zijne familie; anderen, dat hij met baccara een fortuin -verloren had en verder geruïneerd was door de artistieke lubies zijner -vrouw, de beroemde Estelle Desvaux, die enkele malen in haar leven -zichzelve geruïneerd had, maar door een kunstreis en wat diamanten te -verkoopen er ook weêr telkens boven-op gekomen was. Weer anderen -hielden vol, dat prins Lohe nooit zijne liefde voor de aanstaande -hertogin van Xara had kunnen vergeten. Maar hoeveel men ook vertelde in -de hofkringen van Weenen, men wist niets zekers. Valérie had, bij -toeval, het bericht, dat men haar verzwijgen wilde, in de zelfde -courant gelezen, waarin zij, nu bijna een jaar geleden, bij toeval ook, -op het terras te Altseeborgen het bericht had gelezen, van prins Lohe’s -voorgenomen huwelijk en afstand van zijne rechten. Hare ziel, die geene -neiging tot mystiek had, werd echter bijna in den schok van wanhoop, -die ze doorvoer, bijgeloovig om deze herhaling van wreedheid. Maar toen -zij haar leed, maanden geleden, had doorgestreden en uitgeleden, was -eene onverschilligheid in haar nagevolgd door al het verdere leed, dat -zij nog óoit zoû kunnen ondervinden in het leven. De dood van hare -illuzies was eene geheele dood geweest; na hare verloving had zij zich -weêr gevonden, als met eene andere ziel, verhard en gepantserd met -onverschilligheid. Het was vreemd, dat in deze onverschilligheid het -eenige, waar zij gevoelig voor bleef, het exquize van Othomars karakter -was: zijne fijngevoeligheid, dat hij haar, tegen Oscars zin, gespaard -had te Altseeborgen; zijn wijd gevoel van algemeene liefde voor zijn -volk; geheel zijn karakter van zachtheid en eenvoudig plichtsbesef... -Maar hoe onverschillig zij verder zich ook dacht, wreed was dit tweede -toeval geweest, alsof een verfijnd noodlot het oogenblik er voor had -uitgekozen. Een martyre was de officieele reis geweest van -Sigismundingen naar Altara. Als een automaat was Valérie gegaan door de -recepties aan de grenzen, door de ontvangst aan het Centraal Station te -Altara met de begroeting van haar keizerlijken bruidegom, die er haar -gekust had, en de toespraak der autoriteiten, het aanbieden van brood -en zout door de domheeren van het kapittel van St. Ladislas. Zij had -het geslikt, hun brood en hun zout. En de rit door de stad, die vlagde -en eerepoorten oprichtte van straat naar straat, naar het oude Paleis, -in den open landauer met den keizer en haar bruidegom, door het gejuich -van het volk heen, dat in hare arme ooren en door hare overprikkelde -zenuwen sneed als met zagende messen! Toen, in het Paleis, was het -Othomar opgevallen, hoe zij er uitzag, als een voortgejaagd dier met -schichtige oogen. De dood van Prins Lohe was ook te Altara bekend en al -had het volk gejuicht, gejuicht uit ware sympathie voor de aanstaande -kroonprinses, het had er haar op aangezien, nieuwsgierig, begeerig eene -vorstelijke smart te zien trillen door hunne feestvreugde heen, -voortgejaagd tusschen bogen van groen en vlaggetrofee. Zij hadden niets -gezien. Valérie had gebogen, geglimlacht, van het balkon van het oude -Paleis naast Othomar met de hand gegroet! Niets, niets hadden zij -gezien, hoezeer ze ook gespannen waren, hoeveel ze zich ook hadden -verbeeld. Maar toen was Valérie’s kracht ten einde. De rol was -gespeeld, het gordijn mocht vallen. Othomar liet haar alleen met een -handdruk. Uren had zij wezenloos gezeten; toen was de nacht gekomen; -geslapen had zij niet, maar zij had kunnen snikken. - -Nu was het de volgende dag; moê lag ze neêr, maar eigenlijk was ze -uitgeweend, uitgestreden, vond ze hare onverschilligheid terug: het -verdere leed van haar leven zoû haar immers niet meer kunnen deren! - -Maar de teedere omhelzing van Othomars moeder verzachtte Valérie, en -zij vond hare tranen terug. - -Nauwlijks wisselden zij eenige woorden en toch voelden zij hare -wederzijdsche sympathiën tot elkaâr gaan. En Valérie ried door haar -verdriet heen haren plicht, die tegelijkertijd hare kracht zoû zijn; -geen bittere onverschilligheid, maar eene berusting in wat haar leven -zijn zoû. O ze had het zich anders voorgesteld in hare -jongemeisjes-droomen: zij had het zich lieflijker en lachender gebeeld -en natuurlijker van uiting, spontaner en zonder zulke filozofie. Maar -uit hare droomen was ze wakker geworden en waar zoû zij anders hare -kracht zoeken dan in plicht...! En ze won zichzelve, wat er ook in hare -ziel vernield was, terug door eene onbewuste vitaliteit,—hare -eigenlijke natuur—meer nog dan door hare gedachte. Zij droogde hare -tranen, sprak er over, dat het uur naderde waarop eene deputatie van -Liparische jonkvrouwen haar een huwelijksgeschenk zoû komen aanbieden -en de keizerin liet haar alleen, opdat zij zich kleeden zoû. - -Zij verscheen niet lang daarna, in wit toilet, met dof goud opgewerkt, -in den salon, waar hare ouders met de keizerin samen waren en met -Hélène van Thesbia en de Oostenrijksche hofdames. Kort daarop kwamen -ook Othomar met zijne zusters, en de aartshertog van Karinthië. En toen -de deputatie der adellijke jonge meisjes aangekondigd werd en -verscheen, Eleonore van Yemena in het midden, luisterde Valérie met -haar gewonen glimlach naar de toespraak van het markiezinnetje, nam zij -met een innemend gebaar uit de handen van twee andere meisjes het -groote étui aan, dat deze open liet springen en waar, op licht fluweel, -een driedubbel halssnoer van groote parelen lag. En zij wist een paar -aardige zinnen te vinden om te bedanken; ze uitte ze met een heldere -stem, en wie haar gehoord had, zoû nooit vermoed hebben, dat zij een -slapeloozen nacht had doorgebracht, badende in tranen en voor zich -ziende het lijk van een jongen man met verpletterde slapen. - -Het werd aan de jonge dames der deputatie vergund de huwelijkscadeaux -te zien, die in een groote zaal waren tentoongesteld; de prinses Thera -en de hofdames gingen met haar meê. Het was daar in die zaal een -plotselinge schitterglans, in het daglicht stralend van de lange -tafels, waar, tusschen bloemen, de cadeaux stonden: de zware vergulde -candelabres, vergulde tafel- en theeserviesen en kristal, vergulde en -zilveren cassetten van verschillende steden, de Dom van Altara in -zilver, zilveren schepen met fijne bollende zeilen van inrichtingen van -marine en juweelen geschenken van alle vorstelijke vrienden en -verwanten van Europa. Op een satijnen kussen lag, als een -feeënkleinood, een sparkelende hertoginnediadeem van groote saffieren -en brillanten, een der geschenken van de aanstaande schoonouders der -bruid. En zeer trof het geschenk van de prinses Thera: het portret van -den hertog van Xara; een kunstwerk, dat reeds op tentoonstellingen in -beide hoofdsteden bekend was geworden. Maar het leek niet veel meer en -het was daarom de wanhoop van de prinses. Het was jonger, vager, -weeker, dan de prins zich nu vertoonde: iets magerder dan vroeger, maar -met een dikkere streep van snor en een lichtgekroesden baard om de -wangen. De melancholieke oogen hadden meer den kouden blik van keizerin -Elizabeth gekregen; ook overigens geleek Othomar op zijne moeder en -meer dan vroeger. Maar wat steeds in den prins trof, was, in zijne -nerveuze fijnheid, zijn ras, zijne spitse distinctie, zijne rechtmatige -hoogheid. Hij had veel verloren van zijne strakheid, zijne stijve -tacteloosheid en iets zekerders en beslisters gekregen en het gaf, -trots zijn kouderen blik, meer vertrouwen in een kroonprins, dan zijn -altijd symphathiek, maar ietwat week optreden van vroeger. De gedachten -schenen zich scherper in hem af te teekenen, de woorden spitser -tusschen zijne lippen te komen; hij scheen meer op zichzelven te -steunen, minder te geven om wat anderen van hem dachten. Het was, nog -niet geheel bewust, dat uniek vorstelijke gevoel, dat in hem wakker -werd: dat naïve, hooge ingeboren vertrouwen op den enkelen druppel -gouden bloed, die in zijne aderen was, en die hem zijne rechten gaf... - -Het was vooral professor Barzia geweest, die, verbonden aan Othomar en -hem iederen dag zelve behandelend, dit zelfvertrouwen gewekt had, door -zijne woorden, komende uit menschenkennis en monarchale liefde beiden, -en uit eene bizondere liefde voor den kroonprins daarenboven. De -koudwaterdouches hadden den prins opgestijfd, maar de suggesties van -den professor, die Othomars onbewust werkende eigenschappen als uit -hare onbewustheid gewekt hadden, waren wellicht een nog ingrijpender -geneesmiddel gebleken. De prins had zich leeren beheerschen en hij was -den professor liever geworden en liever... - -Deze toewijding, geboren uit eene ontdekking van wat anderen niet -wisten—hooge kwaliteiten van gemoed—was gesterkt door Barzia’s -opvoeding van die zelfde kwaliteiten en, toen het huwelijk van den -prins kon bepaald worden, zag de professor met evenveel trots als -liefde neêr op zijn patiënt, dien hij fysiek genezen verklaarde en -moreel genezen voor zichzelven dacht... - - - - - -II. - -Het was twee dagen daarna de dag van het keizerlijke huwelijk. De stad -wemelde reeds den vroegen morgen van het, uit de omstreken -toegestroomde, volk, dat zich gonzend drong door de nauwere straten. -Want reeds vroeg waren de hoofdstraten afgezet door de infanterie, van -den Slotburcht tot aan het Oude Paleis en den Dom toe. En Altara, -anders grauw, oud, verweerd, was niet herkenbaar, bont van vlaggen, -jong van groenfestoen, versierd met draperieën en tapijtwerk van zijne -balkons af. Eene warme zuidelijke Meizon goot vakken van glans over de -stad heen en het rood en het blauw en het wit en groen der wachtende -uniformen, met de regelmatige bliksems der bajonetten daarboven, trok -breede lijnen van kleur bijna bloemenvroolijk door haar heen, tot op -naar het slot van St. Ladislas. - -Door de afgezette straten reden hofrijtuigen heen en weêr; ze -schitterden vol uniformen: vorstelijke genoodigden, die naar St. -Ladislas of het Oude Paleis gebracht werden. Men zag er Russische, -Duitsche, Engelsche, Oostenrijksche, Gothlandsche uniformen; vlug, als -zich voorbereidend tot het oogenbllk van ceremonie, flikkerden zij door -Altara heen, door hare, met soldaten beperkte, lange leêgten van -straten. - -Onder de kastanjes aan den Burchtweg waren de villa’s ook dwarrelig vol -van toeschouwers, die in de tuinen en op de terrassen liepen en zaten, -en bont spikkelden in de strepen zon, die filtreerden door het loover -heen, en de lichte zomertoiletten der dames, hare kleurige parasols, -schenen het villa aan villa garden-parties te zijn, terwijl men wachtte -op den stoet van den bruidegom, die, als de Liparische etiquette het -eischte, van St. Ladislas vertrok om zijne bruid te vinden in het Oude -Paleis. - -Elf uur. Van het fort van St. Ladislas davert het eerste schot, daveren -telkens schoten na. Eene gonzende emotie huivert langs den geheelen -Burchtweg. Op den nauw merkbaar dalenden weg verschijnen paukisten en -trompetters, wapenherauten te paard. Achter hen schittert de Garde van -den Troon aan, om de verguld- en kristallen gala-koetsen. De -opper-ceremoniemeester, graaf de Threma, in de eerste; in de tweede, -met de keizerkroon en het gepluimkopte achtspan: scharlaken omhoeste -schimmels,—en het gejuich uit de villa’s stijgt luider op en luider—de -keizer en de hertog van Xara zelve aan zijne zijde; in de volgende -koetsen de te-zaam-gekomen majesteiten en vorstelijkheden uit geheel -Europa; de keizerin van Liparië, de keizer en de keizerin van -Duitschland, de koning en de koningin van Gothland, Russische -grootvorsten, de hertog van Sparta en de prins van Napels... De -Rijkskanselier, de ministers, de gemantelde leden van het Huis van -Adel... En de eindelooze stoet gaat langzaam onder het kanongedaver -langs den Burchtweg door de hoofdstraten tot in de kern der stad. Daar -wacht, in het Oude Paleis, de bruid haren bruidegom met geheel hare -Oostenrijksche familie: de keizer en de keizerin; hare ouders: de -aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie... - -Het is daar, dat de protokollen geteekend worden op de, met goud -brokaat bedekte, vergulden tafel, waarop de keizers en keizerinnen van -Liparië hunne handteekeningen sedert eeuwen geschreven hebben, waarop, -na het kroonprinselijke paar, de vorstelijke getuigen de akten -onderschrijven... - -Nu gaat de geheele stoet door galerij na galerij naar de Nieuwe -Sacristie. Het is eene minutenlange wandeling van statie: de -trompetters, de herauten, de ceremoniemeesters; de blauwgemantelde -ridders van St. Ladislas; de wit-en-gouden Garde van den Troon; keizer -Oscar met den hertog van Xara, de keizerin van Oostenrijk met de -bruid... Langzaam gaat zij aan de zijde van haren oom, het hoofd iets -gebogen, als onder het gewicht van hare prinsessekroon, waaruit de -kanten sluier afwemelt, zacht blond doende om haren blooten hals, die -van brillanten druppel-flonkert. Haar toilet is van een, van voren met -zilver doorweven en met parelen arabesken en emblemaat bestikt, -stijfzwaar satijnbrokaat; groote witte fluweelen pofmouwen doffen aan -hare schouders op; de sleep van zilverbrokaat en wit fluweel is zoo -lang, dat zes hofdames ze in golvingen aan zilveren handtrensen -achterna dragen. Achter die hofdames volgden hare eere-jonkvrouwen, -gelijk gekleed met gelijke bouquetten; het zijn de prinses Thera, de -prinses Wanda, Duitsche, Engelsche en Oostenrijksche prinsessen. En de -majesteiten en de vorstelijkheden volgen; de stoet vloeit binnen in de -Nieuwe Sacristie; hier ontvangt de Kardinaal-Aartsbisschop, Primaat van -Liparië, met geheel zijne gemijterde geestelijkheid den bruidegom en de -bruid... - -In de kathedraal wacht de foule der genoodigden. Trots den -zomerzonneglans drijft een mystieke schaduwschemer tusschen de -ontzaglijke hooge bogen van den Dom en bloesemt het daglicht alleen op -de bonte glazen der zijkapellen; in de welvingen hangt zelfs donker. -Maar één glans van niet te tellen zoovele kaarsen is er het -hoogaltaar... - -De Rijkskanselier, de ministers, de gezanten, het geheele -corps-diplomatique, de leden van het Huis van Adel en van het Huis der -Standen, leden van hooge rechtscolleges zijn binnengekomen; ze vullen -de tribunes, die links en rechts zijn opgericht. En de geheele -kathedraal vult zich; ééne volle wemeling van ritselende, zware zijden -stoffen—de gala-toiletten der gedecolleteerde dames, wier juweelen -twinkelen—wemeling van goud opschitterende uniformen en galarokken, die -als groote vonken de schemering van den Dom verlichten. - -Daar schetteren de trompetten, galmt het orgel zijne juichtonen van -plechtigen feestmarsch uit; door de Sacristie is de eerste cortège -binnengekomen: de keizer van Duitschland met keizerin Elizabeth van -Liparië, de aartshertogin Eudoxie, en een lange sleep van gevolg... -Telkens schetteren nu de trompetten, galmt het orgel, en de genoodigde -majesteiten met hunne gevolgen, de vertegenwoordigers der mogendheden, -komen binnen in stoet na stoet. De baldakijnen links en rechts van het -choor beginnen zich te vullen. Spoedig volgt de tweede cortège: de -dignitarissen voorop, met de insignieën van het keizerschap, keizer -Oscar, die den hertog van Xara voert: beiden dragen over hunne gouden -uniformen de lange, drapeerende blauwe riddermantels van St. Ladislas, -waar, op den linkerarm, het groote witte kruis straalt; vier -kroonprinsen volgen als de vier getuigen van den bruidegom: de hertog -van Wendeholm, de Russische Grootvorst-Troonopvolger, de hertog van -Sparta, en de prins van Napels; de Ridders van St. Ladislas, de -officieren van de Garde van den Troon, schildknapen en pages volgen -daarna... - -En plotseling, glasschel, vibreert een koor van hooge stemmen en roept -er den zegen uit over de bruid, die komt in naam des Heeren... De derde -cortège is binnengekomen: de keizer van Oostenrijk en de aartshertog -Albrecht, voerende de bruid, met hare hofdames, hare eere-jonkvrouwen -en ze schijnt ééne witte weelde van hooge jonkvrouwelijkheid te midden -van haar wit en bloemengeurend gevolg. En de zang strooit er zijne -klanken als met handenvol zilveren leliën over haar uit; hare gewijde -verschijning wekt eene emotie, die siddert door de volle -prachtwemeling, de geheele katedraal door. Nu, ten laatste verschijnt -de vierde cortège: de Kardinaal-Aartsbisschop, Primaat van Liparië, met -zijne bisschoppen en domheeren en kapelanen; de kerkvorsten zetten zich -in de hooge gebeeldhouwde zetels van het choor; de dienst begint... - -De zon schijnt op dit oogenblik gewacht te hebben om door de hooge, -bonte boogramen, waarop het leven van St. Ladislas als in kleuren van -juweel zijne kleine vierkante tafereelen sparkelt, schuin met een -hellend vlak van stralen neêr te schieten op het choor, op de -priesters, op de baldakijnen, waar de majesteiten zitten, op bruidegom -en bruid... En al de kleuren: het oude goud van het altaar, het nieuwe -der uniformen, de brokaten en de kroonjuweelen, ze vlammen op, alsof de -zon er den brand in steekt: éen brand van wisselvonkelingen, die, met -de tallooze kaarsen van het altaar, de kerk eensklaps hél verlicht. De -diademen der vorstinnen zijn als vlammekronen, de ridderorden der -vorsten starrelen er als een firmament. Luchtig, doorzichtig in den -zonneschijn, blauw nevelen de wierookwolkjes op, die choorkinderen -toezwaaien; de zonneschijn poeiert door den blonden sluier der -knielende bruid, steekt een gloeibrand over haar wit-en-zilveren sleep, -omstraalt haar als met eene apotheoze van licht, dat maagdelijk blank -op haar terugkaatst. Haar bruidegom knielt naast haar: geheel omplooit -zijn blauwe mantel hem; rein, op zijn arm, straalt het witte kruis. -Beiden houden zij nu lange kaarsen in de hand. En de Primaat met zijn -juweelen mijter en zijn, met juweelen arabesken bezetten stijfgouden -dalmatiek, heft de oogen op, breidt de handen omhoog en strekt ze -zegenend uit over de gebogen keizerlijke hoofden... - -Hoog zwelt de zang weêr; het Te Deum Laudamus, alsof de golven der -stemmen op de golven van het orgel hooger stijgen en hooger, door de -kathedraal heen naar den hemel in éene extaze van heilige muziek. Het -oude steenen reuzengebouw schijnt te sidderen van emotie, als wordt de -muziek zijne ziel en het luidt uit al zijne klokken eene zwellende zee -van klanken over Altara heen, brons in de laagte, en uit alle metalen -ze smedend tot kristalrein goud, in de hoogste hoogte van hoorbaren -klank... - -Een uur later. Op het afgezette Domplein komt beweging, tusschen de -wachtende galakoetsen. Nu gaat de stoet weêr terug naar St. Ladislas, -maar achter de koets van Keizer Oscar zit nu Othomar met Valérie te -zamen. En de stad juicht, en galmt er hare leve’s uit; de huizen, -tusschen al de vlaggen en trofeeën dreunen er van. De wachten -prezenteeren het geweer, en in den feestroes merkt men niet, hoe ginds -in de kleinere straten gevochten wordt, arrestatiën gedaan worden; een -bekend anarchist bijna vermoord is door het imperialistische volk... - -In zijne kostbare statie, nu verhoogd door de blanke aanwezigheid van -de jonge hertogin van Xara en haar eigen gevolg, gaat de eindelooze en -eindelooze stoet terug, de stad door, den Burchtweg op en de villa’s -aldaar zien nu ook Valérie en juichen haar toe, zonder eind... - -Het is in de Witte Troonzaal, dat Othomar en Valérie hun cour houden: -allen defileeren voor hen heen, de ministers en gezanten, de leden der -beide Huizen, der rechtscolleges, corporatiën en deputaties. Na den -cour het déjeuner, waarvan de tafel met het ceremonieele gouden en -juweelen vaatwerk schittert, dat slechts bij de keizerlijke huwelijken -gebruikt wordt. Na het déjeuner de laatste plechtigheid: in de Gouden -Zaal—een immense zaal, laag, Byzantijnsch van bouw en ornamentiek, -eeuwenoud en onveranderd—de fakkeldans; de ommegang der ministers, die -op vergulde handvatten lange, brandende kaarsen dragen, terwijl Othomar -en Valérie telkens naar rang uitnoodigen onder de foule der -vorstelijkheden, alle vorstelijkheden beurtelings uitnoodigen en achter -de ministers ommegaan... Het is er eene eentonige ceremonie, telkens -weêr herhaald; de ministers met de fakkels, Othomar met eene vorstin en -omstuwd door de ridders van St. Ladislas, Valérie met een vorst en -geheel haar witte gevolg; en het is eene herademing als de plechtigheid -is afgeloopen en de jonggehuwden zich teruggetrokken hebben om zich te -verkleeden. Dan verschijnen zij: Othomar als chef der kurassiers van -Xara, Valérie in haar wit lakensch reistoilet en hoed met witte veeren -en zij nemen afscheid; een open landauer wacht hen, en zij rijden met -een dichte escorte van kurassiers van Xara opnieuw naar de stad, rijden -ze in alle richtingen door, vertoonen zich overal, groeten allen en -rijden ze ten laatste uit naar het kasteel, waar zij de eerste dagen -zullen zijn: Castel Zanthos, dicht bij de stad, aan den breeden -stroom... - -En de oude verweerde hoofdstad, die vol van majesteiten blijft, die nog -fladdert van wimpels, die des avonds éene gele vlam is en roode gloed -van vuurwerk en illuminatie, schijnt, zonder de jonggehuwden, toch -verloren te hebben de aantrekkelijkheid, die haar maakte tot brandpunt -van feest en pracht en keizerlijke ceremonie; en des avonds, trots -illuminatie en vuurwerk en gala-voorstellingen, is het Centraal-Station -bestormd door duizenden, die heengaan... - - - - - -III. - -Het was maanden na het huwelijk van den hertog van Xara, toen keizer -Oscar, des morgens zeer vroeg in zijn kabinet binnenkomend, en zich -begevend naar zijne schrijftafel, getroffen werd door een stuk -bordpapier met groote, zwarte, opgeplakte letters, dat op den grond lag -bij het raam. Hij raapte het niet op; hoewel hij alleen was, verbleekte -hij niet, maar zwollen wel op zijn laag voorhoofd de dikke aderen van -woede over het feit, dat hij zelfs niet in zijn eigen kabinet vrij was, -voor hunne majesteitschennis. Hij belde en ontbood zijn kamerdienaar, -een vertrouwd man. - -—Raap dat ding op! beval hij, en brieschend in stilte: - -—Hoe komt het hier? - -De kamerdienaar verbleekte. Hij las de dreigende scheldwoorden met -groote, vette letters reeds van den grond af, bukte zich en hield -sidderend het plakkaat in de hand. - -—Hoe komt het hier? herhaalde de keizer, stampvoetend. - -De kamerdienaar zwoer, dat hij niets wist. In den morgen had niemand -toegang tot het kabinet, dan hijzelve; een half uur geleden was hij er -binnengekomen om er de ramen te openen en toen had hij nog niets -gezien. - -—Het kan niet anders, Sire, of er is iemand in het park geslopen: het -moet door het raam heen geslingerd zijn... - -Het was zeker de eenigste verklaring, maar het was eene verklaring, die -den keizer zeer irriteerde. Het was niet de eerste maal, dat de keizer -in de intimiteit van zijn kabinet zulke plakkaten vond. Het gevolg was -geweest, dat er in het Imperiaal plotselinge arrestatiën plaats grepen -van bedienden, van soldaten der verschillende wachten, maar deze -arrestatiën en zoekingen hadden niets aan het licht gebracht, en -maakten daarom een des te pijnlijkeren indruk. De wachten van het -paleis, de wachten aan de vergulde grilles van het park, waar dit samen -groeide met de Elizabeth-parken—de publieke tuinen der rezidentie—waren -reeds vermeerderd: geheime politie, de eigen politie van den keizer, -hield zelfs een scherp oog op die wachten zelve. - -Keizer Oscar was den kamerdienaar strak blijven aanzien; een oogenblik -rees de gedachte in hem dezen man zelven te laten onderzoeken, maar hij -begreep dadelijk daarna: het dwaze van dien achterdocht; de man was -jaren en jaren in zijn persoonlijken dienst, geheel aan hem verknocht -en bleef dan ook Oscars langen blik beantwoorden met den kalmen eerbied -zijner oogen, zichtbaar nadenkend over de onoplosbaarheid van het -vreemde raadsel. - -—Verbrand dat ding, beval de keizer: en praat er niet over. - -Oscar had daarna een lang onderhoud met den chef zijner geheime -politie, over wien hij in den laatsten tijd niet anders dan tevreden -kon zijn: geheime drukkerijen van anarchistische bladen, die telkens -verspreid werden, waren opgespoord; een komplot om den keizerlijken -trein van het zomerpaleis in Xara, Castel Xaveria, naar Liparia, in de -lucht te laten springen, was verijdeld; verdenking van in verband te -staan met anarchistische comité’s was gevallen op een ambtenaar aan een -der ministeries en zelfs op een jong officier en het was gebleken, dat -deze verdenkingen juist waren. Nog onlangs was een werkplaats ontdekt, -waar men leerde hoe dynamietbommen en helsche machines te maken. Maar -wie de brutale onverlaten waren, die hunne dreigbrieven tot in het -keizerlijke kabinet wisten binnen te slingeren, was maar niet kunnen -worden ontdekt. Eene week lang waren van uit het park de vensters van -het kabinet bespied en al dien tijd had men niets gezien; het was nu -een paar dagen geleden, dat deze geheime wacht was opgeheven. De chef -der geheime politie meende zeker te zijn, dat de schuldigen scholen in -het Imperiaal zelve en bekend waren met de intime gewoonten van den -keizer. In stilte werden plotselinge huiszoekingen gedaan bij alle -bedienden van het Imperiaal, waarvan men niet geheel zeker was, en toen -men bij een palfrenier een anarchistisch blaadje, waarin voor den -keizer beleedigende woorden stonden, gevonden had, werd deze man -verbannen naar eene der dwangafdeelingen der kwikzilvermijnen van het -Oosten. Deze verbanning was als het begin van tallooze andere -verbanningen; ze volgden elkander slag op slag op; het waren soldaten, -matrozen, vele kleinere ambtenaren der departementen: de couranten -noemden niet eens alle verbanningen meer op. Strenger werd de censuur; -telkens werden dagbladen opgeheven; redacteurs beboet en gestraft; de -imperialistische bladen, organen van graaf Myxila, gaven, bijna -tyranniek, den toon aan, dien men wilde. Een meeting van socialisten -werd met sabelslagen der huzaren uit elkaâr gedreven; hevige -ongeregeldheden volgden daarop in de rezidentie en ze wonnen de andere -groote steden, Thracyna, Xara, zelfs Altara. Eene grève der dokwerkers -vervulde Lipara weken lang met een stijgende onrust; politie-agenten -werden op klaarlichten dag aan de haven wreedaardig vermoord. - -De hertog van Mena-Doni was in deze dagen de rechtervuist van keizer -Oscar en zijne ruwe krachtsuitoefeningen hielden de rezidentie zooverre -in bedwang, dat geen oproer uitbrak, dat het iederen-daagsche leven van -zonnelachende weelde voortging, dat iederen middag om vijf uur de -elegante equipages naar de Elizabethparken bleven voortstroomen, waar -de keizerin of de hertogin van Xara zich zelfs iederen dag een -oogenblik vertoonden. Maar op dit schijnsel van zorgeloosheid waren in -stilte duizenden oogen van bescherming geslagen; de troepen in de -kazernen waren geconsigneerd: glansende escortes van kurassiers -begeleidden de keizerlijke landauers. - -De keizerin had Othomar ook verzocht zijne eenzame morgenritten te -staken en zich nooit te vertoonen dan met gevolg. De hertog en de -hertogin van Xara bewoonden het kroonpaleis, een betrekkelijk nieuw -gebouw aan de kade, waar zij een uitgebreide hofhouding hielden en ook -in dit paleis van zijn zoon liet de keizer huiszoekingen doen, kwam het -aan het licht, dat er anarchisten scholen onder het personeel. - -Dit verraad, tot in hunne paleizen toe, bracht de keizerin in eene -voortdurende siddering van angst: zij leefde deze dagen een voortdurend -leven van angst, zoo ze zonder den keizer was. Want zij was het minst -angstig, als ze zich naast Oscar vertoonde, op tentoonstellingen, bij -plechtigheden, in de opera, en, het was vreemd: dan dacht zij niet aan -hemzelven, maar, zoo ze niet bij haar waren, aan hare kinderen, alsof -de catastrofe niet anders gebeuren zoû, dan op eene plaats, waar -zijzelve zich niet zoû bevinden. - -De keizerin zag in Othomar zoo zeer haar eigen zoon, dat, in hunne -intime ochtendgesprekken—want de kroonprins kwam nog altijd iederen -morgen een oogenblik bij zijne moeder—het haar bevreemdde in hem niet -haar eigen angst terug te vinden, maar wel geheel haar eigen berusting, -die er de weêrzijde van was. Maar geheel na zijn huwelijk, vond zij hem -veranderd; in deze korte oogenblikken van alleen-samen-zijn niet meer -klagend, weifelend, zoekend, maar kalm sprekende over wat hij doen -moest, vol van eene blijkbare harmonie, die rustige zekerheid gaf aan -zijne woorden, zijne gebaren en zelfs aan zijne handelingen. Bij deze -zekerheid behield hij eene stil waardige bescheidenheid: drong hij niet -hoog op, wat van hem was; bleef hij bezitten dat ontvankelijke voor wat -van andere menschen komt, en dat hem steeds in zoo hooge mate -sympathiek gekenmerkt had. Hij was zeker oud voor zijn jonge jaren; wie -niet wist, zoû hem meer dan zijne drie-en-twintig gegeven hebben, nu -hij om zijne wangen ook zijne kroesbaard nog staan liet... En toch, -toch welden vooral in deze dagen van troebel zijne vroegere angsten -dikwijls bij hem op, kon hij minuten lang alleen zitten, starende op -een vaag punt in zijne kamer, luisterende naar het ruischen van de -toekomst, als hij geluisterd had in dien nacht van spooksel zijner -voorvaderen op Castel Vaza, voelende dat, ineens, geheel zijne nieuwe -levensberusting van hem afgleed als een kleed, dat viel van zijne -schouders. Maar hij had zich zoo weten te beheerschen, dat niemand, -zijn vader niet, zijne moeder niet, de kroonprinses zelfs niet, iets -merkte van deze zielezwijming, die hem ijskoud in zijne korte -eenzaamheden achterliet, twijfelend aan zijn recht, vol vreemd, week -erbarmen voor zijn volk... - -Het was geheel de oude ziekte, die zoo, periodiek, in hem -terugborrelde, als een slecht sap, zijne aderen doorvloeide, zijne -zenuwen verslapte, hem in elkaâr knakte, als zoû hij er nooit meer van -genezen. Maar hij wende aan ze, gevoelde er geene wanhoop meer om, wist -zelfs, gedurende de oogenblikken, dàt de ziekte duurde, dat ze niet -duren zoû en vond in zichzelven er na terug zijne harmonie, die vooral -zijne berusting was. - -Het was in deze dagen van stille gisting, dat er sprake kwam van een -huwelijk der prinses Thera met den prins van Napels; er was echter nog -niets beslist tusschen de beide familiën, maar wel was de jonge prins -te Lipara genoodigd om de groote najaarsmanoeuvres bij te wonen. Er -hadden jachten plaats; verschillende feestelijkheden volgden elkander -op. Othomar had vooral in deze dagen meer dan anders met die -plotselinge zwakten te kampen; een vreemd gevoel, eene huivering, een -geheimzinnige angst, bleef hem bij en verliet hem niet meer: angst, -dien hij niet dorst analyzeeren, uit vrees motieven te vinden, welke -hem gehéel zijne kalmte zouden doen verliezen. In hem verlevendigde -zich de herinnering aan het feit, dat hij kort na zijn huwelijk een -droom had gedroomd, ongeveer gelijk aan zijn vorige droom: de sinistere -rezidentie zich zwart vullende met krip... Het was nog geweest, terwijl -hij met zijne jonge vrouw te Castel Zanthos verbleef en hij had er niet -aan gehecht, omdat hij meende, dat deze tweede droom alleen de -afschaduwing geweest was van den vorige, alleen de herinnering aan wat -reeds gebeurd was en niet meer. Maar nu, in deze dagen van feestdrukte -om den prins, die hun hof bezocht, met het gisten van -volks-ontevredenheid, als een troebel, donker element onder de opperste -brille van al hun keizerlijk vertoon, verlevendigde zich de herinnering -er aan, en trokken de angsten en huiveringen er om steeds duidelijker -en duidelijker ommelijnen in zijne verbeelding, en gevoelde hij, op éen -oogenblik, zoo geheel zijne vroegere nerveuze zwakte over hem heen -komen, dat hij, onder een voorwendsel, professor Barzia uit Altara -ontbood en met den geleerde een lang onderhoud had, waarover hij zelfs -met de hertogin van Xara niet sprak. Toen de professor vertrokken was, -voelde Othomar zich verlucht, gesterkt, maar weifelde in hem alleen de -gedachte na, dat het niet goed was, voor een aanstaand souverein, zoo -onder den invloed te zijn van eene sterkere ziel, als hij was onder die -van Barzia; nam hij zich voor een volgenden keer Barzia’s suggestie -niet meer in te roepen, maar zichzelven te genezen, geheel in het -geheim van zijne eigen ziel. Dit plan om steeds te willen steunen op -eigen kracht, deed hem zich geheel terugvinden... - -Hij was den dag volgende op het onderhoud met den professor den -geheelen morgen en namiddag met den prins van Napels samen, dien hij -vroolijk, opgewekt, zooals men den hertog van Xara zelden zag, op -verschillende plaatsen begeleidde. Hun gevolg was verwonderd om die -glinsterende blijmoedigheid van den kroonprins, wien zij toch altijd -eenige melancholie waren blijven aanzien. Dien middag had er een groot -galadiner in het Imperiaal plaats. Des avonds zoû de keizerlijke -familie hun gast begeleiden naar de opera, waar een galavoorstelling -zoû worden gegeven en een beroemde tenor zingen zoû. - -Er werden in deze dagen bij al de uitgangen der keizerlijke familie, -steeds onder den schijn van glanzend vertoon, strenge maatregelen van -voorzorg genomen. De rijtuigen, die dien avond naar het gebouw der -Groote Opera reden, omtrappelde een dicht en sterk escorte van -kurassiers. De straat op zij van het gebouw, waar de eigen entrée van -den keizer was, was afgezet; een eerewacht stond aan de trappen; -geheime politie had zich gemengd tusschen het wachtende publiek: de -geheele groote-wereld der rezidentie... - -De keizerlijke loge was met hare draperieën van donker violet en gouden -kwasten, vlak over het tooneel van het kolosale theater; de eerste acte -was geëindigd—het was Aïda, dat men gaf—toen de fanfares uit het orkest -opschetterden en de vorstelijkheden verschenen: de keizer, de keizerin, -de prins van Napels, de hertog en de hertogin van Xara, de prinses -Thera... En hunne verschijning scheen de eerste dof-wachtende, -zenuwachtig-onverschillige stemming der volle zaal te electrizeeren -alsof, mèt hunne verschijning, het licht in de kronen heller scheen, de -zaal opglinsterde met al hare flikkerwisselingen van juweel, al haar -getintel van verguldsel, al de nieuwsgierigheid der schitterende oogen, -die tuurden naar het vorstelijke middelpunt; alsof de toiletten der -dames zich met ééne ritseling van zware zijden stof ineens opbolden, -waaiers zich uitplooiden, zich bewogen op en neêr, of een wind woei -door vele bloemen, in veel glans... - -Toen het rijzen van de gordijn; de tweede acte met geheel haar -melodrama van Egyptische vorstenpracht: de overwinning na den oorlog en -de dansen daarom: de liefde van den held voor de Ethiopische slavin, en -de ijverzuchtige dochter des Farao, en de optocht der goden met de -bazuinen: alles gezongen, geïnstrumenteerd, opzwellende van muziek in -een vierkant kader van geschilderd tooneelgordijn; bewegelijk -schilderij van gezongen Egyptische vorstenoudheid, voor de oogen van -moderne vorstelijkheid, modern turende quasi-onverschilligheid van -samenzijn, waar de groote wereld wilde, dat men op dit oogenblik samen -was: onder de oogen van den keizer en zijne familie, en zijn hoogen, -jongen gast... De hartstochten op het tooneel zich ontbreidelend in -zwellende en zwellende kreten van muziek, liefde en wanhoop, en oorlog -en triomf en priesterstaatzucht van muziek, àlles muziek, alsof het -leven muziek was, muziek de ziel en essence der wereld... En onder den -glans dier muziek en van dat factice leven, de zichtbare mime der -akteurs, de glorie van den beroemden tenor met zijn te modernen kop, -zijn voor oorlog onware prachtkleedij, zijne buigingen en geglimlach -voor de ware wereld daar buiten zijn klein tooneelwereldkader: voor het -publiek, dat applaudiseerde, nadat de keizer in de handen had willen -klappen... - -Het was op dit oogenblik, dit oogenblik van ovatie, dit oogenblik van -schitterenden roem van den tenor: zijn applaus afklinkende van -vorstelijke handen. Het was op dit oogenblik: keizer Oscar zich -ombuigende naar zijn adjudant, den markies van Xardi, achter hem; de -adjudant eerbiedig luisterend naar den wensch van Zijne Majesteit om -den zanger in den salon der keizerlijke loge te ontbieden... Keizerin -Elizabeth en de hertogin van Xara, schitterend in haar gala, hare -juweelen, in glimlachend gesprek met den jongen vreemden kroonprins, -die hun gast was. Othomar nog vroolijk vanaf dien middag, schertsende -met Thera en de hofdames... De geheele zaal turende, nu de gordijn -gevallen was, ten laatste male, naar hen allen in ééne schittering van -luxe en licht... - -Op dit oogenblik: op de bovenste galerij een plotseling tumult, eene -worsteling van soldaten en politie-agenten met éen man... Eén -plotselinge ruwe warrelklomp daarboven te midden der meest mondaine -uitspreiïngen van aristocratisch gala-vertoon. En alle oogen niet meer -naar de keizerlijke loge, maar naar boven... Toen, de man, -onmenschelijk sterk zich worstelende uit den greep van zijne -aanvallers, doemende vooruit, uit hun klomp, als een zwarte -bliksemstraal: donkere kroeskop, haatschietende oogen vol -dwepersstrakheid, één arm ineens uitgestrekt naar de keizerlijke -grootheid daar beneden, als op een zeker onafwendbaar gemikt doel. De -geheele zaal één tumult, geschreeuw, gegil: wijde gebaren van -hulpelooze armen, dat alles heel kort, nauwelijks ééne seconde... Een -schot, en nog een schot na... - -Keizer Oscar is getroffen in de borst, hij is half getuimeld tegen de -keizerin aan, wier bloote juweelenboezem hij in eens bezoedelt met -bloed, dat zijn gouden uniform dadelijk doorweekt. Geen gouden bloed: -rijk rood bloed... Maar de keizerin slaat hare armen in -wanhoopsradeloosheid naar boven; haar snerpende gil striemt door de -zaal. Ze valt neêr in de armen der hertogin van Xara. De keizer is -gezonken in de armen van Xardi en van Othomar: een woedende vloek boort -tusschen zijne vast geknarste tanden door, terwijl hij zijn -bloeduniform zoo hard openrukt, dat de knoopen rondom hem afvliegen... - - - - - -IV. - -Daarbuiten was het Groote Opera plein, hel verlicht van veelarmige -monumentale lantarens, dadelijk donker-wriemelig geworden, vol van -menschenmassa; de geheele stad vloeide er te zamen langs alle straten; -de ontzetting trok er alles samen, als met magneet. Detachementen -huzaren gingen reeds door de stad, hielden het opgewonden volk in -bedwang; de hertog van Mena-Doni zag men als op alle punten tegelijk, -met zijne soldatenmacht neêrtrappende de revolutie, waar die uit alle -hoeken koppen omhoog scheen te willen steken. Boven was de lucht donker -als een frons. Het begon te regenen... - -De mare ging, dat de keizer gestorven was. Het was niet waar. Togende -naar adem lag de vorst in den foyer van het opera-gebouw, te midden van -die ontzetting der zijnen, van zijn gevolg, van de toeschietende -doktoren... Hij mocht niet vervoerd worden, zeiden zij. Hij wilde het. -Hij wilde hier niet sterven. Hij wilde terug naar zijn Imperiaal. En -spannende de veeren van zijn energie, beval hij, richtte hij zich op, -het bloed gulpende uit zijne keel: Othomar en de adjudanten steunden -hem... - -Buiten, op het plein, groeide de menschenmassa, steeg de ontzetting, -borrelde de opstand uit het zwart van die menschentrossen omhoog. -Telkens barstten gevechten uit tusschen troepen volk, dokwerkers, met -de wachten voor het gebouw, met de politie. De hofrijtuigen gingen, -leêg, geëscorteerd terug naar het paleis. - -Andere rijtuigen, huurrijtuigen, poogden hier en daar door het volk -heen te komen: kurrassiers omringden ze, beschermden ze met geheven -sabel. Stroomen van vloekend gescheld spatterden tegen ze aan, tegen de -vaag doorschijnende glazen, waarachter lichte kleuren opvlakten, -vonkjes juweelen uitschoten. Angstige oogen van vrouwen keken er strak -schuin door, zonder bewegen. - -In de couloirs, op de groote monumentale trap van het opera-gebouw -verdrong men zich, vocht men om er door te komen; toen zagen in eens -alle oogen groot-starend naar boven: de keizer ging er! bloedende, -hijgende naar adem, te midden der zijnen... Eene ontzetting staakte een -oogenblik het gedrang; toen drong men weêr door... Dames vluchtten er -tot achter de coulissen, vermengden er hare aristocratie met de bohême -der akteurs, der actrices, door elkaâr heen, verward, te midden van den -ontsteld gonzenden zwerm danseusen, priesteressen van Isis. Fooien -werden gegeven, gesmeekt werd om rijtuigen, om huurrijtuigen... - -De hertogin van Yemena stond daar, met hare dochters; zij zagen uit -naar het rijtuig, dat zij reeds tienmalen besteld hadden... Een -tooneelknecht haalde onverschillig de schouders op: hij wist geen -rijtuig te halen. - -—Ik wacht niet langer meer, zei de hertogin sidderend: de meisjes -klampten zich snikkend, dol zenuwachtig aan haar... - -Zij verkreeg van eene actrice een lederen taschje; haastig deed zij -hare juweelen af, beval de meisjes het zelfde te doen. Ze deden ze in -het taschje. Een kamenier verzocht ze, voor een goudstuk, hare slepen -op te spelden, hoog op, verzocht ze haar zwarte schoenen te vinden. -Andere dames, half flauw van angst, wachtende, zagen naar haar, zagen -haar zoo, vreemd, praktisch. Ze wist van een paar choristen drie lange -zwarte mantels te koopen, met drie zwarte hoeden, sloeg zich een mantel -om, sloeg ze de snikkende markiezinnetjes om. - -—Ik durf niet, mama! snikte Eleonore uit. - -De hertogin was beslist. - -—Kom, ga meê... drong ze aan, en ze dreef de meisjes voort; de andere -dames zagen haar ontsteld na, door een achterdeur verdwijnen, in een -achterstraat... - -De hertogin drukte het taschje met juweelen tegen zich. - -——In Gods naam, huil niet; wees kalm, gebood ze hare dochters. Loop -kalm door en niet te gauw. Hoû die mantels goed dicht. - -Zij ging, richtte zich hoog op tusschen de twee bevende -markiezinnetjes, in de kleêren van die choristen; de regen viel neêr. -Volkshoopen liepen tegen ze aan; ze vermengden zich met ze; een -oogenblik was ze Hélène kwijt... - -—Wacht even! sprak ze tot Eleonore. - -En ze bleven staan, tusschen het dringende volk; troepen hotsten aan, -socialistische juichzangen joedelden ruw op... - -Toen ging zij met Eleonore terug, dringende, duwende, gevende Hélène -gelegenheid haar weêr te bereiken... - -—Geef me nu allebei een arm: hier... - -Zij deden het; zoo, schijnbaar kalm, langzaam, langzaam aan, alsof zij -nieuwsgierigen waren, die ook wilden kijken, naderden zij het -opera-plein, waarop het wriemelde tegen de wachten aan. Rijtuigen -passeerden, stapvoets, geëscorteerd. Een oude, slechte huurkast, met -een mageren knol, wentelde een modderig wiel vlak tegen haar aan, -schuurde tegen hare knieën; een kurassier van het escorte hief de sabel -dreigend tegen haar op... - -—Mijn God! riep ze, gedempt en klemde de kinderen. Het eerst had zij -herkend den koetsier, in een vuilen jas: een palfrenier van het -Imperiaal, wiens gezicht ze zich herinnerde. Toen, met een snellen blik -in het rijtuig, herkende zij—juist vlak bij eene groote lantaren met -vele ornamentieke armen—den keizer tegen Othomar aan, en haar eigen -stiefzoon, Xardi. Maar de markies herkende haar niet, want, verschrikt -om het vele licht, wendde hij zijn gezicht snel af, boog hij zich, -donker, beschermend, over den keizer en den kroonprins... - -De meisjes hadden niets gezien; de hertogin zeide niets, bang te -verraden... Ze voelde geheel hare moedige kalmte haar ontzinken; ze -sidderde van het hoofd tot de voeten. Tranen kon zij niet weêrhouden, -om haren armen keizer, die stierf, die zoo terug ging naar zijn paleis. -Eene groote, zwarte angst viel over haar heen. De regen sijpelde over -hare borst... - -—Hoû je mantels dicht! vermaande ze nog even hare dochters; toen ging -ze voort, sleepte zich voort en de meisjes ook, knikkende op hare -beenen naast haar... - -Maar eene woede van menschen dwarrelde over het opera-plein; een strijd -scheen daar te heerschen... Een klomp volk, die omsingelde een hoop -politie-agenten en soldaten, tusschen wie een krankzinnige zich wrong -met sterke gebaren; een ruw geschreeuw galmde op. Aan de verlichte, -open ramen der opera, boven de nog feestelijk hel verlichte peristyle -verschenen gezichten bij gezichten, akteurs in kostuum nog, zagen ze -toe... - -—Mama, we zullen nooit kunnen doorgaan! snikte Eleonore zacht. - -De hertogin dacht in wanhoop aan de groote Keizerinnen avenue, waar -haar hôtel was. Zoo ver... hoe zoû ze bereiken... - -—Ze vermoorden hem, ze vermoorden hem, ze mógen hem niet vermoorden! -blèrde het volk rondom haar op. - -Toen begreep de hertogin, toen zag ze, en de meisjes zagen ook... het -volk, woedend, schuimbekkend—wraaknemers al, maar eerst ontevredenen, -zelfs misschien anarchisten: zoo waren de Lipariërs!—het volk, -dringende tegen de soldaten en agenten, in wier midden de moordenaar -van den keizer zijne groote, krankzinnige gebaren nog poogde uit te -slaan. En de wraaknemers bestormden dien kring van -gevangenbewaarders—ze sleepten den man voort... Het was tot vlak onder -de oogen van de hertogin, van hare dochters... - -—Oah, oah, oah! brulden ze rauw, mannen en wijven; ze trokken hem de -kleeren van het lijf, sloegen hem, en hij schreeuwde tegen. Op den -grond sloegen zij hem neêr met knuppels en zij vertrapten hem met grove -schoenen; zijn bloed vloeide; zijne hersens stroomden uit zijn -verpletterden schedel... - -Als beesten werden zij toen, omdat ze zijn bloed zagen: grinnikten en -slikten van pleizier... - -Eleonore knakte flauw tegen de hertogin, maar Alexa schudde haar bij -den arm... - -—Hoû je op, hoû je op, in Gods naam, hoû je op!! riep zij luid. Ik kan -niets met je doen, als je flauw valt! - -Hare sterke handen stompelden het markiezinnetje tot het leven terug, -en woest voort sleepte zij ze, knikkende... - - - - - -V. - -De keizer, die niet sterven wilde, leefde met zijne doorboorde longen, -hijgende naar adem, nog twee dagen van louter energie. - -En zóo waren de Lipariërs: de man, de moordenaar, gepakt in de opera, -was trots politie en wacht, tot een vormeloozen klomp vermoord door -ontevredenen zelve... - -En zoo is het leven: de keizer van een groot rijk was te midden der -zijnen doorschoten door een dweper, en het leven ging voort... Het rijk -was even uitgebreid als vroeger: een rijk, natuurmooi, zuidelijk rijk; -hooge sneeuwbergen in het Noorden; middeneeuwsche en moderne steden, -die lagen in wijde gouvernementen; de rezidentie zelve, blank in hare -gouden najaarszon met zijn Imperiaal onder blauwe lucht, dicht aan -blauwe zee, waarom de kaden zich bogen.... - -En zoo is het leven der heerschers: de keizer was vermoord, eenvoudig -doodgeschoten, en de opperceremoniemeester had het druk, de -ceremoniemeesters waren het niet met elkaâr eens; de statie van eene -keizerlijke begrafenis bereidde zich in alle ingewikkeldheid voor; door -heel Europa ging de nahuivering der ontzetting; door alle couranten -gingen de telegrammen en lange artikelen... - -Dat was alles om éen enkel schot van een dweper, een martelaar voor -volksrecht. - -Keizerin Elizabeth staarde met open, wijde oogen op het noodlot, dat -gekomen was. Zóo had zij het zich nooit voorgesteld, dat het komen zoû, -zoo, zoo ruw, te midden van dat gala en naast hun vorstelijken gast. -Zoo langs háar heen, treffende alleen haren man en niet verpletterende -hen allen, in eens, geheel hunne keizerlijkheid! Gekomen was het, en... -nog vreesde zij, vreesde zij steeds door en nog meer dan vroeger: voor -haren zoon...! Het was haar of zij vroeger nóoit gevreesd had... - -Het was de dag vóór de begrafenis van keizer Oscar, toen de hertogin -van Xara, de jonge keizerin nu, ongesteld werd, en de geneesheeren -verklaarden, dat zij zwanger was... - -Het keizerslijk was reeds in hooge statie vervoerd naar Altara. Op St. -Ladislas zouden de Altariërs het op de katafalk tusschen duizenden -brandende kaarsen zien liggen met, aan de doode voeten, de -schitterinsigniën van het hoogste souvereinschap; daarna zoû het -vervoerd worden naar den keizerlijken grafkelder in den Dom... - -Op dien dag gingen ook over Lipara, waarvan de blankheid zwart -schemerde onder rouw-decoratiën en zwarte vlaggen, de schoten van -Wenceslas-fort, dof bulderend zijn gelijkmatig, zwaar, eentonig -bombardement van uitvaart. Eenzaam, hoog, in de stad, die van schoten -daverde, stond, leêg, het Imperiaal met zijne somber strak neêrkijkende -karyatiden. De jonge keizer, Othomar XII, leidde te Altara den -plechtigen stoet. De keizerin-moeder was in het Kroonpaleis, bij de -jeugdige keizerin Valérie... Over hun glans, die schitterde, -schitterden nieuwe glansen op, in het leven, dat door was gegaan, dat -doorging... - -De keizerinnen zaten bij elkaâr. Valérie hield Elizabeth zacht in hare -armen: met gelijke getelde tusschenpoozen bonsden de schoten van het -fort af, over het paleis... - -Toen hief Elizabeth zich smartelijk op uit de armen harer schoondochter -en zacht orakelde hare stem: - -—Als het een zoon is... zal het een Hertog van Xara zijn... Hij had zoo -gaarne een Graaf van Lycilië gezien...! - -De schoten bonsden; de beide keizerinnen, in rouw, weenden, snikten. -En, na langen tijd voor het eerst,—zooals het na langen tijd geweest -ook was, bij Berengars dood—kwam nù geheel haar gemis, haar verdriet, -hare rampzaligheid, hare wanhoop over Elizabeth heen, en voelde zij, -dat zij dien keizer, aan wien zij als heel jonge prinses, nu -vier-en-twintig jaren geleden, was uitgehuwelijkt, zonder liefde, had -lief gekregen in die kwart-eeuw van meêleven op zijn hoog punt van -souverein... - -Dien avond kwam Othomar terug, en alleen bij zijne vrouw, bij zijne -moeder, snikte hij met ze meê, de jonge keizer, dien niemand te Altara -in den Dom had zien weenen. Want keizerin Elizabeth had het nog éens -herhaald: - -—Als het een zoon is... zal het een Hertog van Xara zijn...! - -En toen had de keizer van Liparië zich niet meer kunnen betoomen! In -éen bliksemstraal, éen zigzag van ontzetting zag hij zijn -kroonprinsleven terug, dacht hij aan zijn aanstaanden zoon. Hoe zoû dit -noodlottige kind zijn? Eene herhaling van hem, van zijn geweifel, zijn -weemoed en zijne wanhoop? - -En, met zijne niet te bedwingen snikken, snikte hij toen, in eens -overstelpt door de dreigende toekomst, zijne smart uit over zijn vader, -die geweest was en over zijn zoon, die komen zoû! snikte hij, het hoofd -in de armen zijner jonge keizerin, die, eensklaps bewust te moeten -troosten, was kalm geworden en kalm op hem neêrzag, nemende hun -majesteitsleven op hare schouders, als ware het maar een drukkend zware -mantel van purper en hermelijn, en niet meer, nemende het zoo -krachtiglijk op, omdat er in hare aderen vloeide als in de zijne: één -enkele druppel heilig gouden bloed, die eenig is in alle hunne gelijken -en die zijn zoû hun kracht op de aarde en hun recht voor God... - - - - - -VI. - - Aan Hare Keizerlijke en Koninklijke Hoogheid Eudoxie, - Aartshertogin van Oostenrijk, te Sigismundingen. - - Altara, St. Ladislas. Mei 18... - - - Mijn lieve moeder! - -Ik kan U niet zeggen welk een verdriet Uw brief mij deed: in Gods naam, -wind U zoo niet op en zeg niet zulke verschrikkelijke dingen. Het deed -ons ook innig veel leed, dat U niet bij onze kroning kon tegenwoordig -zijn en door Uwe rheumatische koortsen te Sigismundingen moest -achterblijven, maar waarom moet U, lieve moeder, die koortsen als een -straf van God beschouwen en waarom moet U het beschouwen als een straf -van God, dat U Uwe lievelingsilluzie niet zaagt gebeuren en niet -tegenwoordig kondt zijn in onzen ouden Dom, toen Othomar, gekroond door -den Primaat, zelve mij kroonde tot Keizerin van Liparië. U waart er -niet bij tegenwoordig, maar het is toch gebeurd: Uwe illuzie is toch -waarheid. En ik zeg U dit, zonder de minste bitterheid, o, geloof mij, -zonder de minste! Een straf, dat U mij dwong, tegen mijn zin...! U moet -wel ziek zijn, ziek naar lichaam en geest, arme moeder, om zoo te -kunnen schrijven: ik glimlach er een beetje om, ik herken U zoo niet -meer. En laat mijn glimlach getuigen, dat ik niet ongelukkig ben; o, -verre daarvan! Ons geluk is bijna nooit, wat wij ons voorstellen, dat -het zijn zal en wat wij betreuren, dat het niet wordt... - -Als U mij zag, zoû U zien, dat ik niet ongelukkig was. Het is Mei, de -zon schijnt, de boogramen zijn open. Mijn blik ziet in de verte den -Zanthos als een breed en glinsterend vlak van water zich wegslingeren. -Dicht bij mijne schrijftafel staat Uw groote, mooie zilveren wieg en -tusschen de dichte kanten gordijnen heen zie ik mijn klein hertogje van -Xara sluimeren... Ik weet niet hoe ik het U schrijven moet; ik heb -mijne woorden zoo niet om U dat goed uit te drukken, maar wat ik voel, -met dat wijde perspektief van rivierland voor mij en dat kleine -kostbare kind naast mij, o, mama, dat is geen ongeluk! Het is een -gevoel, waarin zeker heel veel weemoed schuilt, maar meer sombers -schuilt er ook niet in. En waarom zoû het, trots dien weemoed, -eigenlijk zelfs geen geluk zijn. Ik ben jong, ik ben keizerin en ik zie -een leven voor mij! Om mij heen zie ik mijn land, zie ik mijn volk: ik -wil, dat het het volk van mijn hart, van mijne ziel worde, geheel en -al! Ik weet nog niet hoe, maar voor dat volk wil ik leven, wil ik samen -leven met Othomar. O, ik beken het U, hoe ik dat doen zal, weet ik nog -niet, maar ik zal het vinden, samen met hem! En als, ik heb een man en -een kind en een volk! een Keizer, een Kroonprins en een Rijk, heb ik -dan geen doel om te leven en als ik een levensdoel heb—en welk een -ontzaglijk levensdoel!—heb ik dan ook geen geluk? Is het geluk iets -anders dan een hoog, een edel levensdoel gevonden te hebben? - -Ik zoû U zoo gaarne overtuigen. En als U mij hier zag, op ons stil St. -Ladislas, nu al de drukte der kroningsplechtigheden voorbij is, dan zoû -U mij gelooven. Othomar houdt van St. Ladislas en neemt zich voor hier -ieder jaar een maand in het voorjaar te komen. Dat mijn kind hier -geboren is, noemt men een goed voorteeken, want U kent het geloof der -Lipariërs, dat de kroonprins van hun land geboren wil zien worden te -St. Ladislas, onder de onmiddellijke hoede van den Schutsheilige. - -Othomar echter is op dit oogenblik niet hier; hij is voor enkele dagen -te Lipara—U weet dit natuurlijk uit de couranten ...; tweemaal per dag -schrijft hij mij. Ik heb hem dit gevraagd, opdat ik geheel op de hoogte -blijve van zijn gemoedstoestand; die rampzaligheid van den moord op -zijn Vader, die twee dagen sterven van keizer Oscar! ze hebben Othomar -zoo hevig, hevig aangegrepen; mijn God, hoe U te schrijven in woorden -over die ontzetting! Hoe kan ik nog met hoop leven na al wat ik reeds -in mijn korte leven geleden heb en voor ontzetting om mij heen heb -gezien! En toch, toch is het zoo, want jeugd is zoo krachtig en ik, ik -ben sterk, ik mòet het zijn... - -Ik heb hem bewonderd, mijn jonge keizer, in die ontzettende dagen, om -zijne uiterlijke kalmte, waardoor de stormvloed van alle zijne emotie’s -nooit heen brak, voor de oogen der wereld. Terug van de begrafenis, de -plechtigheid der Handteekening onder de Vijf Heilige Akten; de drukte -dadelijk der opeengestapelde staatszaken... Een maand daarna, de nieuwe -verkiezingen, de constitutioneele meerderheid in het Huis der Standen, -het ontslag der ministers... U zal dit alles gelezen hebben, in de -bladen. Daarop de geboorte van onzen zoon; daarna onze kroning, op het -oogenblik, dat Liparië in zijne fondamenten geschokt scheen! En nu, -Othomar te Lipara, om het nieuwe constitutioneele ministerie... Dan -graaf Myxila, die het niet eens is met Othomars moderne ideeën, die hem -zelfs vrij heftig heeft durven verwijten, dat hij zoo kort na den -gewelddadigen dood van zijn Vader reeds diens ideeën loslaat en die nu -verzocht heeft om zijn ontslag... Othomar zal Myxila nog pogen te -weêrhouden, maar begrijpt zelve, dat het onmogelijk zal wezen. En de -Grondwetsherziening in het verschiet met zoo vele ingrijpende -veranderingen; denkelijk met de instelling der Hoogere en Lagere -Staten, terwijl het Huis van Adel uiterlijk zal blijven bestaan, maar -niet meer zal zijn dan een raadgevend Eerelichaam. Concessies, als U -wil, maar Othomar heeft nu eenmaal geheel andere ideeën dan zijn Vader; -en zoo hij die concessies doet, doet hij ze zeker aan het verleden en -niet aan de toekomst en niet aan zichzelven... - -Wreed is het leven, wreed in zijne verwisselingen en wreed zelfs in -zijne herbloeiïngen en voor ons vorsten is dit alles misschien het -wreedst, maar de wereld behoort aan wat komen zal... - -Keizerin Elizabeth vertoeft nog hier; zij is in eens zoo oud geworden, -zoo grijs, en zeer dof en terneêrgeslagen en ze weet niet wat ze doen -zal: met hare eigen hofhouding blijven in het Imperiaal, hier blijven -op St. Ladislas, zich terugtrekken op Castel Xaveria... Al de -keizerlijke paleizen en kasteelen dwarrelen haar nu door haar arm -hoofd: hare eigen-bezittingen en de kroondomeinen; ze weet niet -waarheen ze wil: wij blijven er natuurlijk op aandringen, dat zij het -Imperiaal niet verlaat: het is er groot genoeg, dat zij er bijna haar -geheel eigen Militair en Civiel Huis behouden kan... - -Dierbare moeder, ik schrijf U spoedig weêr: het dwarrelt mij nu te -veel; ik heb te veel aangeroerd; mijne vrouwehersenen kunnen dat alles -zoo nog niet logisch en ordelijk overdenken, neêrschrijven... En ik ben -nog maar zoo kort keizerin en ik ben niet ouder dan twee-en-twintig, -ook al voel ik me niet zoo jong meer... Deze brief is alleen een -haastig neêrgeschreven antwoord op Uw treurig zelfverwijt, dat ik U -hier, in naam van den Hemel, smeek geheel van U af te werpen. Nu ik U -dit schrijf, rijst de avond van mijn verlovingsdiner te Sigismundingen -mij opnieuw voor den geest. Wij waren zulke vreemde verloofden, Othomar -en ik. Ik vroeg hem—glimlach er om en ween er niet over, mama—of hij -iemand liefhad. Hij zei me van neen. Hij zei me zijn volk lief te -hebben en hij opende zijne armen, als wilde hij het omhelzen. Zijn -volk! De dageraad van een nieuw idee—oud zeker voor duizenden en eeuwen -oud, maar nieuw voor mij, als een nieuwe dag nieuw is—gloorde voor me -op, wierp licht over mijn duister leed, deed een weg voor mij uit -stralen... - -Dien weg, mama, ik zie hem nu ieder en dag klaarder en klaarder stralen -voor mij uit, en ik wil hem volgen, met mijn man en kind, met mijn -Keizer en met mijn Kroonprins! - -Mijn Kroonprins, die wakker wordt en om mij roept... - -God geve mij kracht, mama. - - - Valérie. - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MAJESTEIT *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
