summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/66167-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/66167-0.txt')
-rw-r--r--old/66167-0.txt16187
1 files changed, 0 insertions, 16187 deletions
diff --git a/old/66167-0.txt b/old/66167-0.txt
deleted file mode 100644
index aa01cbd..0000000
--- a/old/66167-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,16187 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Van Slaaf to Vorst, by Melati van Java
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Van Slaaf to Vorst
- Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java
-
-Author: Melati van Java
-
-Release Date: August 29, 2021 [eBook #66167]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN SLAAF TO VORST ***
-
-
-
- VAN SLAAF TOT VORST.
-
- HISTORISCH ROMANTISCHE SCHETS
- UIT DE
- GESCHIEDENIS VAN JAVA
-
-
- DOOR
- MELATI VAN JAVA.
-
-
- CULEMBORG,
- BLOM & OLIVIERSE.
- 1887.
-
-
-
-
-
-
-
-
- AAN
- DEN BEROEMDEN DICHTER
- VAN
- „IN ’T HARTE VAN JAVA”
- W. J. HOFDIJK.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
-EERSTE GEDEELTE.
- Bladz.
-
- I. In het dal van Tji-Kendoel 1
- II. Pangeran Poerbaya 12
- III. Radhen Goesik Koesoema 18
- IV. Vaandrig Kuffeler 29
- V. Op bedevaart 36
- VI. Poerbaya’s kris 47
- VII. Het wapen van den grijsaard 52
-
-
-TWEEDE GEDEELTE.
-
- I. Het steekspel 70
- II. In de Kapatyan 81
- III. Op den berg Lawoe 91
- IV. Een huwelijk in den kraton 102
- V. Het verhaal van den dwerg 109
- VI. Commissaris Tak 124
- VII. Verraad 133
- VIII. Amok! 141
-
-
-DERDE GEDEELTE.
-
- I. Amstelvreugd 149
- II. Robert van Reijn 158
- III. Oom en neef 167
- IV. Een stem uit het graf 174
-
-
-VIERDE GEDEELTE
-
- I. De Koningin van het Oosten 1
- II. Voornelust 12
- III. Een visite op Batavia 23
- IV. In den maneschijn 37
- V. Johan van Hoorn 44
- VI. Wederzien 56
- VII. Markus en Digna 67
-
-
-VIJFDE GEDEELTE.
-
- I. De vluchtende keizer 80
- II. In den kraton van Kediri 91
- III. Vader en zonen 104
- IV. Een moeilijke zending 115
- V. Maagdenroof 125
- VI. In Tosari 138
- VII. Banjoe Biroe 148
- VIII. Het vorstelijke gezin 157
-
-
-ZESDE GEDEELTE.
-
- I. De rechtspraak 169
- II. Vader en zoon 182
- III. De gunsteling des vorsten 194
- IV. De verzoeking 204
- V. De wapenschouwing 220
- VI. Voor Bangil 231
- VII. Soerapati’s dood 236
- VIII. De wraak op den doode 248
- IX. Vereenigd. 251
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE GEDEELTE.
-
-
-I.
-
-IN HET DAL VAN TJI-KENDOEL.
-
-
-Het jaar 1684 was nog slechts enkele weken oud.
-
-De laatste schaduwen van den dag vielen neer op het rotsachtige dal,
-waardoor de Tji-Kendoel, een kleine rivier, die aan den voet van den
-Preangerreus, den Gedeh, ontspringt—haar wateren wringt; de hooge
-bergtoppen alleen schitterden nog in kopergloed; maar in het dal
-heerschte reeds duisternis. Bij het verdwijnen der zon stak een hevige
-wind op, die de rotswanden deed daveren en dikke, zwarte wolken in
-onstuimige vaart door het luchtruim joeg; nu eens bleven zij rusten op
-de gekartelde ribben en ruggen van den berg, dan verduisterden zij het
-stuk met sterren bezaaiden hemel dat het dal overspande; het werd daar
-duisterder en duisterder, de laatste zonnestralen, die de wolkenmassa’s
-nog vermochten te doorboren, verglommen in dreigend zwart. Met nog
-donkerder schaduwen daar in zijn breede lendenen, waar de kraters en
-afgronden gaapten, stond de bergreus te midden van de lagere toppen,
-als een koning tusschen zijn hofhouding.
-
-Geen wonder, dat de bewoners van den omtrek in hem het versteende beeld
-vereerden van den laatsten vorst, die over het roemvolle koninkrijk van
-Pandjajaran had geregeerd, de vorst, die eenmaal weer tot het leven zou
-terugkeeren om aan zijn rijk de verdwenen grootheid terug te geven;
-daar verheft zich immers de Pangerango zijn bedehuis, ginds steekt zijn
-paleis de hemelhooge tinnen opwaarts, hier op de kratervlakte bevindt
-zich zijn wapenplein, de bosschen aan zijn voet, dat is het statiekleed
-waarop zijn koninginnen rusten.
-
-Soms echter zijn er oogenblikken dat de geheele ontzagwekkende massa
-voor het oog verdwijnt en zich schijnt op te lossen in den donkeren
-nacht; dan alleen als de wolken vaneenscheuren, werpen de sterren hun
-valen glans naar omlaag. Dat licht glijdt zachtkens over het graniet
-van den Gedeh en een spottende geest, der duisternis gelijk, grijnst de
-reus in het verschiet; donderslagen vermengen zich met het doffe
-gerommel dat uit zijn ingewanden opstijgt als een ontzettende
-schaterlach; nu en dan krijscht een nachtvogel of beantwoordt het
-brullen van een verscheurend dier dat zich een prooi bemachtigde, den
-wanhoopskreet van zijn slachtoffer.
-
-Dat zijn de geluiden die in het dal weergalmen en zich vermengen met
-het klotsen, murmelen, bruisen, borrelen, waarmede het water zijn
-diepe, steenen bedding schuurt.
-
-Het zijn echter geen kale rotsen, die hier den Tji-Kendoel insluiten,
-een ruig, woest tapijt bedekt hen bijna geheel; een verwarring van
-wortels, doornen, mos en hoog gras strekt zich voeten hoog uit van
-rotspunt tot rotspunt. Als spinnewebben grijpen de luchttakken in
-elkander, bloemenslingers wringen zich in spiralen naar omlaag of
-bedekken als netwerk de varens, die zij onder hare verraderlijke
-liefkoozingen dreigen te verstikken. Nu is alles een donkere, doornige
-massa, de kleuren slapen; overdag leeft en schittert dat alles met alle
-tinten van den regenboog in oogverblindenden glans.
-
-Die woeste plantengroei is hier en daar onder den voet getreden;
-tusschen de rotsen en de struiken kronkelt zich een pad, nu eens lager
-dan weer hooger, soms hangend tegen de oevers, dan weer zwevend in de
-lucht; een roodachtig licht flikkert in den stormwind, verschijnt op
-een der hoogten, werpt zijn gloed over de spookachtige stengels van de
-aloës en cactussen, over de trillende orchideeën en daalt neer in de
-diepe bedding, waar het roodachtige glansen in het bruisende water
-toovert.
-
-’t Komt van een fakkel, die de avondwandeling van twee mannen verlicht;
-bij het schijnsel van het dansende vuur nemen hun bruine gelaatstrekken
-een warme bronskleur aan, want zij zijn beiden donker, inboorlingen
-blijkbaar, hoewel hun kleeding aanmerkelijk van die hunner landgenooten
-verschilt.
-
-Een gesloten geel wambuis omsluit de welgevormde krachtige gestalte van
-den jongste; hij is groot voor een inlander en kloek gebouwd; een
-kleurige hoofddoek bedekt als een tulband zijn korte lokken, daaronder
-komen zijn koen geteekende trekken, zijn donkere, diepliggende oogen,
-zijn vastberadenheid teekenende, zwaar geknevelde lippen scherp uit;
-een korte sarong valt af tot over zijn knieën; een Europeesche buks
-hangt in een bandelier van zijn schouders, om het middel draagt hij
-echter den draagband, waaraan de schede der Javaansche kris hangt. De
-kris zelf houdt hij in zijn hand en slaat daarmede de takken en
-slingers weg, die hem het pad konden versperren. De fakkel wordt door
-zijn gezel gedragen, een man, die wellicht in Europa nog slechts even
-den middelbaren leeftijd kon hebben overschreden, hier echter reeds
-bijna voor grijsaard moest doorgaan. Hij is kleiner dan zijn kameraad,
-zijn kleine, sluwe oogen knippen telkens toe, zijn slappe trekken
-hebben het leelijke type aan oude Javanen eigen, zijn lippen zijn
-gebarsten en gespleten door het gebruik van sirih en gambir [1]; zijn
-neus is plat en zijn wangbeenderen steken ver uit; over zijn javaansche
-kleeding draagt hij een opengeslagen lang jak, de kabaya, maar in
-vlugheid en behendigheid geeft hij zijn veel jeugdiger makker niets
-toe; in zijn rechterhand houdt hij een lans.
-
-„Nu zullen wij de plek haast naderen, gelooft ge niet, Vader,” vraagt
-de jongere.
-
-„’t Is ons gezegd, daar waar de Tji-Kendoel tusschen het steenen
-bruidspaar, de Penganten-rotsen, benauwd wordt, moet zich een grot
-bevinden, die den vluchtenden prins herbergt.”
-
-„Ik hoop dat uw raad goed zal blijken, Kiai; slechts op uw aandringen
-heb ik mijn soldaten verlaten om alleen den Pangeran te gaan spreken.”
-
-„Mijn Zoon! moge de uitkomst u leeren dat de taal van den grijsaard een
-taal van wijsheid is; spreek met den Pangeran, spiegel hem de
-voordeelen voor die zijn onderwerping hem zal aanbrengen; spoedig
-verschijnt hij in uw kamp met zijn getrouwen en geeft u zijn wapens
-over.”
-
-„’t Zou een groote overwinning voor mij wezen.”
-
-„Die de blanke mannen u rijkelijk zullen vergelden.”
-
-„Ge zegt dat spottend, Kiai!”
-
-„Men zal u naar Batavia zenden....”
-
-„Dat nimmer; ik keer niet terug naar Batavia, of het moest zijn uit
-vrije beweging, als geen gevaar mij dreigt. Maar welk gevaar zou ik
-vreezen? Heb ik dan geen vrede gesloten met de Edele Compagnie?”
-
-„Een vrede als de tijger sluit met het hert, dat zijn klauwen
-ontvluchtte; zoolang het rappe dier buiten zijn bereik is, belooft de
-tijger gaarne barmhartigheid, maar is het eenmaal in zijn nabijheid,
-wee het al te vertrouwende hert!”
-
-„Vader! uw achterdocht is te groot! Ik vertrouw de blanke mannen, ik
-heb hun vergiffenis aangenomen, ik draag hun wapens, ik volvoer hun
-last, Allah weet met welken ijver en trouw. Waarom zou ik hun gramschap
-vreezen?”
-
-„Mijn Zoon, eer zult gij aan die rivier onder uw voeten gelasten terug
-te keeren naar den berg, waaruit zij ontsprong, dan dat gij uit de ziel
-van die blanke menschen de herinnering zult uitwisschen van de
-beleedigingen hun door een slaaf aangedaan.”
-
-„Een slaaf!”
-
-„Dat zijt ge nog steeds, Sie Oentoeng! Hier gebiedt gij over honderden;
-ginds in Jacatra zijt gij slechts een slaaf, een gevluchte slaaf. En uw
-meester....”
-
-„Mijn meester, zal hij tegen mij, als ik Pangeran Poerbaya tot
-onderwerping breng, langer wrok koesteren?...”
-
-„Hij zal u zijn dochter geven tot wettige vrouw!” sprak de andere met
-een spotlach.
-
-De opgeheven kris, die zoo juist een tak orchideeën door midden had
-gesneden, zonk neer; de groote oogen van den jongen man vlamden op,
-zijn neusvleugels trilden.
-
-„En waarom zou hij dat niet doen, Kiai? Ben ik minder dan de bleeke
-mannen, die lager rang in het leger bekleeden dan ik? Waarom zou hij
-zich schamen mij openlijk te geven wat toch reeds het mijne is, want
-Nonna Suzanna is mijn vrouw. Zij zal mijn vrouw blijven, mijn eenige!
-Denkt de Edele Heer omdat mijn kleur donker is, dat ik zijn dochter
-niet kan liefhebben en trouw zijn, zooals geen zijner blanke vrienden
-het zou wezen?”
-
-„’t Zal u niet baten, mijn Zoon! Eer neemt gindsche berg weer de
-gestalte aan van den machtigen koning, dan dat een blanke man zijn
-dochter uithuwelijkt aan een slaaf.”
-
-„Maar ik ben geen slaaf meer, ik ben officier in dienst der Edele
-Compagnie; ik wil de gelijke worden van de Hollanders in alles, zelfs
-in hun godsdienst zoo ’t zijn moet.”
-
-„Ge zoudt den Profeet verlaten, Sie Oentoeng!”
-
-„Zooals ik eenmaal Batoro Shiwa verliet; ge weet dat ik Balinees en
-Hindoe ben en dus nooit anders dan met de lippen uw Profeet heb
-vereerd. De godsdienst van Suzanna trok mij aan, meer dan de uwe Kiai,
-ik zou dien gaarne omhelzen als ik aan haar uitgehuwelijkt mocht worden
-in haar tempel.”
-
-„Hebt ge ooit den kalong en de duif zien paren, mijn Zoon? Nimmer, niet
-waar? Evenmin zal wit en zwart ooit één worden in den tempel der
-blanken!”
-
-„En onze donkere vrouwen dan? Die versmaadt de blanke niet; zoude ik,
-hun gelijke in dapperheid en kracht, haar die mij liefheeft niet
-volgens haar wetten de mijne mogen noemen?”
-
-„Geen wetten of adats gebruikt de Christen als hij een dochter van Java
-tot vrouw neemt.”
-
-„Ik heb Suzanna volgens de gebruiken van mijn land gehuwd.”
-
-„Daarom liet haar vader u opsluiten in afwachting dat gij doodgegeeseld
-zoudt worden.”
-
-„Dien smaad ben ik ontkomen; nooit anders had ik mijn kris opgeheven
-tegen Suzanna’s volk, maar toen, ge weet zelf Kiai, in welken toestand
-ik was. Mijn meester, die mij met vriendschaps- en gunstbewijzen had
-overladen, als ware ik zijn eigen kind geweest, overstelpte mij met
-zijn toorn; in de gevangenis moest ik mijn lot wachten.”
-
-„Een vreeselijk lot; ik was er ook opgesloten omdat ik een kostbare
-Japansche vaas van mijn meesteres gebroken had. Gij echter, slaaf als
-ik, hebt het geluk van de dochter uws meesters gebroken.”
-
-„Omdat zij er mij den moed toe gaf; helaas! hoe zal ’t haar gegaan zijn
-na de vreeselijke ontdekking?”
-
-„Niet erger dan u, Sie Oentoeng. Maar ongelukkiger dan gij zal zij zich
-niet hebben kunnen ontworstelen aan haar bestemming.”
-
-„Ik heb Ardjo naar Batavia gestuurd; hij is listig en zal vermomd het
-erf van Toewan Moor binnendringen, Suzanna spreken en haar zeggen, dat
-ik weldra zal terugkomen, vrij en begenadigd, om openlijk haar hand te
-vragen.”
-
-„Uw hoop gelijkt de lucht, zie daar de sterren schitteren, wacht een
-oogenblik, de zwarte wolk nadert en dan blijft niets meer van hen over.
-Zoo zal het ook gaan met uwe verwachting, mijn zoon!”
-
-„Maar, Vader, zal ik dan geen belooning kunnen vragen na de
-onderwerping van den Pangeran? Heeft kapitein Jonker, een Ambonnees
-zooals ik, een kind van Bali, na Troeno-Djojo’s val de schoone keizerin
-Mahera niet tot belooning ontvangen voor zijn diensten der Compagnie
-bewezen?”
-
-„Mahera was Troeno-Djojo’s weduwe, en de bruid die gij verlangt is een
-blanke. Mijn Zoon, ge weet hoe innig ik mij aan u verknocht voel,
-hoeveel dank ben ik u niet verschuldigd! Gij hebt mij verlost uit de
-gevangenis, die ik weigerde te verlaten. Toen gij de wacht had
-neergeveld en met hun wapenen de gevangenen verrijktet, kwaamt ge terug
-en trotseerdet nieuwe gevaren om mij te bevrijden. Dat vergeet Kiai
-Hemboong nooit. Ik zal u vergezellen als een vader zijn zoon, maar
-geloof mijn woord! Reeds eens zooveel malen als na uw geboorte,
-wisselde de kokospalm zijn ringen tijdens mijn leven; ik heb veel
-gezien in het huis der blanken, waar ik jarenlang slaaf was. Zij zijn
-hier gekomen als onze meesters; hun doel is de kinderen van den Islam
-te overheerschen, nooit echter zullen zij ons toestaan hun gelijken te
-worden. De minste hunner acht zich verheven boven onze prinsen. Zij
-willen onze diensten aannemen, maar hebben wij hen gediend, dan werpen
-zij ons weg als de pitten van den lansep, dan zijn we hun bitter
-geworden; zij kunnen ons niet langer gebruiken.”
-
-„Ge raadt me dus af de Compagnie te dienen?”
-
-„Ik heb ’t u afgeraden, toen kapitein Ruijs u met schoone beloften
-vleide, zijn vergiffenis aan te nemen. Maar nu gij eenmaal hem trouw
-gezworen hebt, zal ik zooveel ik kan u in alle moeilijkheden bijstaan.
-Ik zal u vergezellen naar Pangeran Poerbaya en naar Batavia zoo het
-zijn moet, Sie Oentoeng!”
-
-„Noem mij niet langer met dien naam, Kiai. ’t Is de naam der slavernij,
-mij door mijn meester geschonken; nu ben ik officier der Edele
-Compagnie, en draag voortaan den naam, die mij toekomt, Soerapati.”
-
-Een geritsel in de struiken deed hen stilstaan. Soerapati nam de fakkel
-uit de handen van Kiai Hemboong en liet haar gloeiende stralen vallen
-in de richting vanwaar het geluid voortkwam.
-
-Een ineengedoken gestalte zat op eenigen afstand verborgen in het
-kreupelhout.
-
-„Wie zijt ge?” vroeg hij met dreigende stem.
-
-De gestalte bewoog zich kruipend voorwaarts.
-
-„Ampon, ampon!” [2] kreunde hij zacht, „ik kwam hier kruiden zoeken,
-die bij het licht der sterren moeten geplukt worden, ik ben een arm
-man. Laat mij in vrede!”
-
-Nu eerst zag Soerapati dat de kleine ineengedrongen gestalte het van
-nature was; een onevenredig groot hoofd, met oudelijke trekken door een
-kolossalen tulband omwonden, wiegelde op een kinderlichaam, welks
-lengte nog geen tien jaar verried; zijn kleeding was echter van fijne
-stof en een miniatuurkris, rijk met goud en diamanten versierd,
-fonkelde in den gloed van de toorts; met een instinctmatige beweging
-bracht hij de kleine handen aan het schitterende gevest.
-
-Soerapati lachte.
-
-„Kleine worm, denkt ge dat je mooie kris mijn oogen bedwelmt? Kom hier,
-en zeg me wat ge daar uitvoert en waar ge t’huis hoort.”
-
-Met een forschen ruk greep hij hem bij de schouders en trok hem voor
-zich op het steile pad.
-
-„’t Is de dwerg van den Pangeran!” fluisterde Kiai Hemboong zijn jongen
-vriend toe.
-
-„Is het waar, behoort gij tot het gevolg van den edelen Pangeran van
-Bantam?” vroeg Soerapati.
-
-„Och ja, heer! ik was reeds bij hem, toen hij daarginds in Bantam,
-vóórdat de onzalige krijg uitbrak, zijn hofhouding hield. Ik heb hem
-altijd vergezeld, in storm en bij zonneschijn, nadat hij op raad van
-den ellendigen hadji Sheik Yoesoef opstand verwekte tegen zijn
-broeder.”
-
-„En waar is hij nu?”
-
-„Heer, sla mij met uw kris het hoofd af, niemand zal morgen meer vragen
-naar den kleinen Boeloe Koedoer, maar verg niet van mij dat ik mijn
-meester verraad.”
-
-Spotlachend tilde Soerapati den kleinen man omhoog.
-
-„Mijn kris is te goed om je hoofd af te slaan, het eenige dat groot
-genoeg is aan je lijf; maar je achterdocht staat je leelijk. Ik zal
-geen haar van je meester’s hoofd krenken, integendeel, ik kom hem een
-goede tijding brengen.”
-
-„Hij heeft de goede tijdingen al afgeleerd.”
-
-„Welnu, ik zal ze hem weer gemeenzaam maken, zeg mij waar hij huist! Of
-liever, zeg mij niets, als ik het niet wist, zou ik geen urenlang door
-het bosch gekropen hebben om hem te bezoeken.”
-
-„Gij wilt hem bezoeken, gij komt hem tijding brengen uit Soenda
-Kalappa?” [3]
-
-„Misschien!”
-
-Het mannetje sloeg in de handen.
-
-„Zet me neer op den grond, ik zal u vóórgaan naar zijn verblijf, zijn
-dalem!” voegde hij er spottend achter.
-
-Soerapati wisselde een blik met zijn gezel.
-
-„Volg den dwerg, mijn zoon!” sprak de Kiai, „hij zal ons den kortsten
-en zekersten weg wijzen.”
-
-„Voort dan Boeloe Kidoer! En waag het niet ons op een dwaalspoor te
-brengen; hier staan twee krissen, een lans en een geweer gereed om je
-lichaam meer wonden toe te brengen dan het bevatten kan.”
-
-„Ik zal vlug zijn als de kantjil [4] en oogen hebben als de wilde kat,
-die zelfs in het donker ziet,” verzekerde de dwerg.
-
-Inderdaad wist hij met de behendigheid van den eekhoorn door de
-struiken te dringen, zelfs daar, waar deze het ondoordringbaarst
-schenen, de steilste rotsblokken over te klauteren, in de nauwste
-bergpassen te kruipen.
-
-Een vurige gloed vertoonde zich plotseling onder de voeten van het
-drietal; men zag donkere gestalten heen en weer gaan, mannen, vrouwen
-en kinderen ineengedoken zitten onder de overhangende rotsen, of rondom
-het houtvuur, dat in het midden van de kleine bergvlakte aangelegd was.
-
-Het was goed, dat deze vlammen den omtrek verlichtten, want een booze
-windvlaag blies de fakkel uit; de wolken pakten zich dreigend samen en
-groote droppels vielen met een kracht, als waren het hagelsteenen,
-kletterend tegen de rotsen.
-
-„Daar troont de machtige prins van Bantam,” sprak de dwerg, die,
-schrijlings gezeten op een rotspunt, grijnslachend op het kamp wees en
-plotseling de hand opheffend, riep hij uit:
-
-„Maar gij, gij zult eens machtig worden, gij zult grooter wezen dan de
-hooge Sultan Hadji van Bantam; zelfs de keizer zal u vreezen, als gij
-slechts de ngempoel [5] onthoudt, die u over uw vijanden zal doen
-zegevieren.”
-
-„En welke is die ngempoel?” vroeg Soerapati.
-
-„Ik zal ze u toefluisteren; de Pangeran zou mij een gouden draagband
-geven als ik ze hem zeide, maar hem helpt de ngempoel toch niet meer.
-Allah heeft hem verlaten, sinds de verraderlijke Sheik Yoesoef het
-heilige graf daarginds aan den voet van den Salak beroofde. ’t Zal
-krachteloos wezen in zijn mond, maar gij zult er een kroon mee winnen,
-geen Hollander is bestand tegen dien ngempoel!”
-
-„Houd dan je tooverwoorden op je tong en misbruik ze niet door ze aan
-de lucht over te geven! Ik ben in dienst der Hollanders en wil hen niet
-bestrijden, noch door mijn zwaard, noch door een tooverwoord.”
-
-„Hebt ge ooit gehoord dat de kidang [6] zich toevertrouwde aan den
-jakhals, zoo mag ook de zoon van Mahomed zich niet inlaten met de
-Christenhonden, ik heb het mijn meester gezegd, maar als de vrouwen
-spreken dan moeten wij mannen zwijgen! Wilt ge de ngempoel hooren?”
-
-„Neen! wijs me liever den weg naar beneden naar den prins!”
-
-„Fluister het mij in,” sprak Kiai Hemboong, „ik zal het hem zeggen als
-de tijd gekomen is.”
-
-Het oude gelaat van den Kiai boog zich neder tot den dwerg, die in zijn
-oorschelp zijn antwoord deed vallen, als ware hij bevreesd dat een
-weerklank weg zou stuiven in de lucht.
-
-„U mag ik het niet zeggen, maar de dag nadert dat hijzelf er mij naar
-vragen zal. Ik zie het, de mata-hari blinkt op zijn hoofd, daar zal
-eens een kroon op rusten. Ik verlaat den Pangeran en wil hem volgen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-PANGERAN POERBAYA.
-
-
-Pangeran Poerbaya omgeven door zijn beide liefste vrouwen en kinderen
-had een toevlucht gezocht in een vrij ondiepe bergkloof, tegen den
-steeds feller neervallenden regen; mismoedig zat de vluchtende prins op
-de kleine mat, het eenige teeken nog zijner waardigheid, zijn sirihdoos
-stond onaangeroerd te zijner zijde, een kleine olielamp was in een hoek
-der rots geplaatst en verlichtte met haar flauw licht het vorstelijk
-gezin; rechts zat zijn oudste vrouw Radhen Sepoe, die zacht snikkende
-aan haar leed lucht gaf.
-
-„Daarvoor had ik mijn schoon land niet verlaten,” klaagde zij, „om
-maanden lang zulk een leven te leiden. Mijn minste slaven zouden niet
-met mijn lot willen ruilen. Wat hebt gij gewonnen Heer! door u te meten
-met de Hollanders? Zij zijn almachtig. Sedert dat zij op Java geland
-zijn is het met de macht van den bruinen man gedaan. Evengoed kunt gij
-strijd voeren met den Gedeh, als te hopen dat gij ’t van hen zult
-winnen!”
-
-„Schrei niet meer, vrouw!” sprak de prins deemoedig, „uw tranen
-doorweeken mijn hart meer dan de regendroppels mijn kleederen
-bevochtigen. Zij hebben mijn moed verdreven; als de Edele Compagnie mij
-vergiffenis schenkt, zal ik bereid zijn mij over te geven aan haar
-edelmoedigheid.”
-
-Luide snikken weêrklonken in de grot, de beide Radhen Ajoe’s en haar
-dochters weenden, en de slavinnen volgden het voorbeeld harer
-meesteressen.
-
-„Wat zal ons lot wezen onder de Kafirs,” [7] vroeg de tweede gemalin.
-
-„Zwijg!” beval de favorite, „alles zal beter wezen dan dat leven in de
-bosschen, dat zwerven in holen en spleten. Storm en regen zijn nu onze
-vijanden; de blanke mannen zullen genadiger wezen.”
-
-„Waarom vluchten wij niet naar Karta-Soera, waar mijn oom de
-Rijksbestierder van Mataram woont?” vroeg de andere weer.
-
-„Zoek den weg tusschen de wapenen van de Hollanders!” sprak de
-Pangeran, „en wat zal het u baten? De keizer heeft vrede en
-bondgenootschap gesloten met de gevreesde vreemdelingen.”
-
-„Vloek over hen!” riep de tweede Radhen Ajoe uit, „niets als onheil kan
-uit zulk een verbond voortkomen. En u Sepoe, het zal u berouwen onzen
-heer zulk een laffen raad te hebben gegeven.”
-
-Angstig zag de prins zijn beide vrouwen aan; hij wist wat een twist
-tusschen haar te beduiden had en wilde deze zoo goed hij kon in deze
-enge ruimte voorkomen; wellicht ware hem dit niet gemakkelijk gevallen,
-als niet plotseling het kaboutermannetje zoo onverwachts als steeg hij
-uit den grond op, in de grot verschenen was.
-
-„Vader,” zoo begon hij, „de kalongs [8] hebben mij een mooi sprookje
-verteld. Wilt ge het hooren?”
-
-„Spreek, mijn jongen! Alles is beter te hooren dan het woeden van den
-storm, het kletteren van den regen of het twisten der vrouwen.”
-
-„Zij kwamen van verre, van daar waar de zee de rotsen bespringt, daar
-zagen zij op het rotsachtige strand een troep wilde vossen zich
-vergasten aan het malsche vleesch der schildpadden, die zoo juist uit
-de zee waren opgestegen, maar de buit was te klein voor den
-vraatzuchtigen troep; huilend en jankend vielen zij elkander aan en
-riepen om hulp. Eensklaps verscheen de koningstijger, langzaam met
-loerende oogen en met statigen gang gevolgd door zijn tijgerin en zijn
-jongen, als de rechter, die beslissen moet. Hij deed een sprong en
-weldra bleef op het strand niets over dan het bloed van de schildpadden
-vermengd met de beenderen der vossen.”
-
-„Dat is ons lot, prins!” riep de jonge Radhen Goesik uit, „Boeloe heeft
-gelijk, zoo zal het gaan met alle Javaansche vorsten. Zij strijden met
-elkander om hun eigen land, roepen den steun aan van den vreemdeling en
-deze vernietigt hen alle om in hun plaats te heerschen.”
-
-„De tijger heeft uw roep gehoord, hij komt nader, hij zal u een plaats
-aanbieden in het hol dat hij zich in Soenda Kalappa gebouwd heeft.”
-
-„Allah zij gedankt, we zullen ten minste een dak boven het hoofd
-hebben!” zuchtte Radhen Sepoe.
-
-„Het dak eener gevangenis,” voegde de jongere er spottend achter. Met
-vlammende blikken wendde Radhen Sepoe haar blikken op haar
-mededingster.
-
-„Zwijg, vrouw! Genoeg rampen hebt gij over onzen Heer gebracht. Zonder
-uw heilloozen invloed zou hij nimmer tegen zijn broeder den wettigen
-Sultan van Bantam opgestaan zijn; nimmer had hij de zijde van zijn
-vader gekozen in den strijd tegen de Compagnie, zoo gij niet gevlamd
-hadt op het bezit der kroon!”
-
-„Stil, ik bid u, stil!” suste de prins en zich tot den dwerg wendend
-vroeg hij: „Welke boodschap brengt ge mij?”
-
-„De boodschap zullen ze u zelf brengen. Zal ik ze roepen, vadertje!
-maar laat eerst die beide perkoetoets [9] van u ophouden met haar
-gekir! Ze mochten eens bang worden haar mee op te nemen in de kooi.”
-
-„Ik wil ze ontvangen!”
-
-De dwerg liet een scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk
-verschenen Soerapati en Kiai Hemboong in de grot. Beiden bogen zich ter
-aarde om den prins hun hormat (eerbied) te bewijzen.
-
-„Ge zijt mij welkom,” sprak Pangeran Poerbaya vriendelijk, „brengt ge
-mij de vergiffenis der Edele Compagnie, mijn vader heeft ze ontvangen
-evenals mijn geestelijke raadsman, de eerwaardige Sheik Yoesoef, ik ook
-ben niet ongenegen ze aan te nemen!”
-
-„Stel uw voorwaarden, edele Prins! De Compagnie zal zich genadig en
-goed jegens u toonen als tegen al haar vijanden die vol oprecht berouw
-tot haar terugkeeren.”
-
-„Berouw kan er eerst zijn na schuld,” mompelde Radhen Goesik duidelijk
-hoorbaar.
-
-„Het past den vrouwen te zwijgen in den raad der mannen,” vermaande
-haar echtgenoot zacht maar vastberaden en ging voort tot de afgezanten.
-
-„Mijn voorwaarden zegt ge, maar toon mij eerst uw volmacht en zeg mij,
-wie ge zijt! Ik verheug mij, dat ik mijn wapenen zal mogen afgeven aan
-een zoon van mijn volk, die een hoogen rang in het leger der Hollanders
-bekleedt.”
-
-„Ik ben geboren in Bali en heb ook nog kort geleden de
-vergevingsgezindheid der dappere Hollanders ondervonden. Mijn vader was
-bloedverwant van een onafhankelijk vorst, maar reeds jong werd ik uit
-mijn land ontvoerd en naar Batavia als slaaf geleid; een voornaam
-Hollander kocht mij daar en ik had het goed bij de blanke mannen. Ik
-leerde ze liefhebben, mijn meester had zijn vrouw sinds eenige jaren
-begraven; hij had slechts één dochter met wie ik omging als ware zij
-mijn zuster. Later veranderde onze genegenheid in liefde; we zwoeren
-elkander trouw, hier deze grijsaard hoorde onzen eed. Helaas! toen onze
-verbintenis ontdekt werd, begreep ik te laat dat het niet goed is voor
-den nacht zich te paren aan den dag; de storm stak boven onze hoofden
-op. Ik werd gevangen gezet, mijn arme vrouw in een verwijderd landgoed
-haars vaders op een eiland gezonden. Door kracht van wapens ben ik mijn
-gevangenis ontvlucht, ontvluchte slaven, vogelvrijen, zwervende
-krijgers van den verslagen Sultan uw vader, aanhangers van
-Troeno-Djojo, den dapperen Madurees schaarden zich rondom mij. We
-zwierven rond in deze ontoegankelijke wouden en verborgen ons in de
-holen, levend van den schralen buit, die onze wapenen ons bezorgden,
-totdat een patrouille Europeesche soldaten ons vervolgde. Kapitein
-Ruijs, hun hoofdman, bood mij en de mijnen vergiffenis aan. Wij
-aarzelden maar wij waren het zwervende leven moede; mijn hart verlangde
-naar mijn vrouw terug en dus gaf ik mij over aan den kapitein, dien ik
-van dat oogenblik trouw diende en hoop te dienen tot mijn laatste ure!
-Soerapati is mijn naam en hier hebt ge mijn volmacht.”
-
-De dwerg was achter de vrouwen geslopen en fluisterde Radhen Goesik in:
-
-„Onthoudt dien naam, gij zult er meer van hooren.”
-
-Knielend bood hij het in zijden omslag gewikkelde stuk den prins aan,
-die het tot teeken van eerbied aan zijn hoofd bracht, de zijde
-loswikkelde en toen het geschrevene inzag.
-
-„De Edele Compagnie biedt mij bij monde van kapitein Ruijs en luitenant
-Soerapati, vergiffenis aan voor mij en mijn getrouwe dienaren, mijn
-vrouwen en kinderen, onder voorwaarde dat ik mijn wapenen overgeef,
-zweer ze nimmer tegen de Hollanders op te heffen en mij naar Batavia
-begeef.”
-
-„Ik hoor dat mijn geestelijke vader Sheik Yoesoef niettegenstaande de
-ernstige beloften der Compagnie ingescheept werd om naar een
-verafgelegen land gevoerd te worden. Is dat waar? Ik wil mijn
-geboortegrond niet verlaten, liever sterf ik hier in de wildernis.”
-
-„Dat lot behoeft gij niet te vreezen, edele prins! Sheik Yoesoef was
-der Compagnie bekend als een eerzuchtig, ontrouw man, die slechts door
-den nood gedreven, zich onderwierp, maar zijn hart sprak een andere
-taal dan zijn lippen. Hij droomde een tweede Kadjoran te worden, die
-het rijk van Mataram in zijn grondvesten schokte en den dapperen vorst
-Troeno-Djojo aanhitste tot den opstand, die zoovelen het leven moest
-kosten. U echter, eerbiedwaardige Vorst, wacht een paleis binnen de
-veste van Batavia, waar een stoet, uw geboorte en staat waardig, u zal
-omgeven.”
-
-„De Compagnie belooft mij een jaargeld. Zij is edelmoedig, ge hebt
-gelijk! Mijn broeder, de Sultan Hadji van Bantam, zou zich niet zoo
-genadig jegens mij toonen als ik mij aan zijn voeten kwam werpen om
-vergiffenis!”
-
-„Gij neemt dus haar voorwaarden aan?”
-
-„Uit geheel mijn ziel. Ik zal haar trouw zweren!”
-
-„Welnu dan, Prins! Vergun uw dienaar weer te keeren naar zijn mannen,
-zij zijn daarginds gelegerd in de vlakte, waar de Tji-Kendoel het
-steenen graf van den Gedeh verlaat; mijn doel was alleen u oprecht te
-spreken en te waarschuwen; ik verwacht u morgen in mijn legerkamp en
-dan zal ik met mijn manschappen u een vrijgeleide aanbieden naar het
-naaste fort.”
-
-„Uw woorden zijn wijzer dan uw jaren beloven, mijn Zoon! Het is een
-goed teeken als men zich eerbiedig en barmhartig toont jegens den
-overwonneling; dan zal men later ook verdienen hoog in aanzien te
-stijgen, maar keer van nacht niet meer terug naar uw leger; hoor, de
-wind is ruw en boos, de steile bergpaden zullen glad en gevaarlijk
-zijn. Uw fakkel zal door den regen uitgedoofd worden, blijf ons den
-tijd verkorten door uw verhalen, want de slaap zal dezen nacht wel onze
-oogleden vluchten. Andere gastvrijheid dan deze grot kan ik u niet
-bieden.”
-
-„Sta mij toe, prins, dat ik terugkeere; de kudde verstrooit als de
-herder ontbreekt, zoo durf ik ook niet langer mijn mannen alleen laten
-in de wildernis. Ik ken alle paden van het woud; ik heb ze doorkruist
-bij andere stormen; vervolgd en opgejaagd als de wilde ever door de
-jagers, heb ik de rivieren doorwaad, de rotsblokken overgeklommen.
-Waarom zou ik nu vreezen? Verwaardig u dan, edele prins, morgen tot mij
-te komen. Ik zal mijn gevangene behandelen zooals het den zoon en
-broeder van vorsten toekomt.”
-
-En zich diep buigend voor den vorst en de prinsessen verliet Soerapati
-de spelonk.
-
-„Zijn woorden zijn als de honing, die den smaak verzoet na het gebruik
-van den bitteren drank,” sprak Radhen Goesik met een zweem van
-opgeruimdheid in de stem.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-RADHEN GOESIK KOESOEMA.
-
-
-Een heerlijke morgen was op den stormachtigen nacht gevolgd, vochtige
-nevels hingen als doorzichtige sluiers over het aanschijn der bergen en
-hulden deze in zacht smeltende tinten van rozerood, citroengeel,
-amethyst of azuur. Die donkerder schaduwen, zich afteekenend tegen den
-klaren achtergrond der lucht, verrieden nog maar alleen de
-tegenwoordigheid der ontzagwekkende gevaarten.
-
-De zon schoof zachtkens de sluiers weg, welke zich tusschen haar en de
-aarde schoven, den bruidegom gelijk, die, hoe begeerig ook het gelaat
-zijner bruid te aanschouwen, toch met eerbiedigen schroom haar
-maagdelijke trekken onthult; stroomen goud en purper zond de
-zonnekoning omlaag en tooide zijn geliefde met alle schatten, waarover
-hij beschikken kon, en zij zag opwaarts naar hem met een glimlach vol
-bekoorlijkheid en liefde, stralend van diamantengloed en paarlenglans.
-
-Zelfs de kale wanden van den vulkaan glinsterden in de liefkoozingen
-van het licht; aan zijn voet breidde zich een vlakte uit, begroeid met
-het welige alang-alang. Een zee van zilver gelijk zoo schitterden de
-millioenen regendruppels die haar golvende halmen overdekten, hier en
-daar afgewisseld door de hemelsblauwe bloemen van den gentiaan.
-Verstrooid tusschen de alang-alang doemen eilanden van groen op, waarin
-de vuurroode bloemen der plosa gloeien in het nog schuine zonnelicht en
-de malakaboom den knoestigen stam omhoog heft, waarmede hij zijn
-fraaien fluweelachtigen bladerendos draagt, maar nog schooner is de
-woudgordel die de helling bedekt, een woud van reusachtige
-ramalasara’s, de koningen der bosschen, die hun breede kronen naar
-links en rechts uitstrekken, onverschillig of zij andere boomen
-daardoor in den groei verstikken, zelf omstrengeld door een wereld van
-woekerplanten, die van het geheele bosch een samengepakte massa groen
-maken. Tusschen dat groen schitteren de helle kleuren van de goudgele
-bloemkronen der ipomea naast de paarsblauwe bloemen der argyreia, de
-donkerroode vruchten der mordecca geven gloed aan het sombere loof; de
-bamboe laat vol gratie aan den ingang haar ruischende takken neerhangen
-als beproefde zij de fraaiste eerepoort voor het bosch te vormen en aan
-den rand, waar het woud aan de graszee grenst, verheffen zich bevallige
-groepen van kleine licualapalmen.
-
-Aan gene zijde van het woud is de natuur nog woester, daar verheffen
-zich de rotsachtige bergwanden, door niets getooid dan door een
-oneindige verscheidenheid van klimplanten, die hun schaduw neerwerpen
-op de kale muren en met hun ijle luchtwortels het gesteente omklemmen,
-waar zij kunnen postvatten en een liefelijke sluier van groen en
-bloemen doen neerdalen op het kale, dreigende rotswerk; reusachtige
-vijgeboomen dringen zich door alle spleten en engten, ijverig het
-voedsel zoekende dat voor hun bestaan noodig is.
-
-Waar nog een plekje onbegroeid is, daar spreidt zich het schitterend
-witte mos uit als een natuurlijk tapijt om de rotsblokken tegen de
-aanhoudende werking der elementen te verdedigen.
-
-In een woeste bergkloof klatert van weerszijden de val van een
-neerstortenden stroom; met geweld breekt het rosse water zich door de
-rotsen, het werpt zich aan de eene zijde van duizelingwekkende hoogte
-in den afgrond en spreidt zich waaiervormig aan de andere uit over een
-vooruitspringenden steen om verderop de Tji-Kendoelrivier te vormen die
-zich tusschen een loofdak van varens omlaag spoedt; een smal voetpad
-slingert zich door het woud naar boven tusschen twee vervaarlijke
-rotspijlers, die volgens de overlevering der inlanders de
-overblijfselen zijn van een poort, opgericht door een der machtige
-vorsten van Pandjajaran. Hier borrelen verscheidene bronnen op, koude
-en warme, half verscholen in het groen en zich slechts verradend door
-hun eindeloos gemurmel en door den frisschen dauw, dien zij opzenden,
-en waarmede zij de varens en klimplanten in hun beddingen verfrisschen.
-
-Weldra houdt het bosch op, een uitgestrekt veld van puin en steenen
-wijst de plaats aan, verwoest door de uitbarstingen van den nog steeds
-geweldigen vulkaan; van hier uit vermeit het oog zich in de
-onvergelijkelijke schoone natuur aan de helling en op de vlakte; aan
-den gezichteinder verheffen zich, losgewikkeld uit hun waden van wolken
-en dampen, de talrijke toppen van het Gedehgebergte, zich aansluitend
-aan den niet minder ontzagwekkenden Salak, stralend in zijn groen
-omkleedsel; dicht bij het maagdelijke woud, verderop de graszee en
-eindelijk het bebouwde land, opnieuw begrensd door andere heuvels en
-bergen, andere wouden en bosschen en over alles het schitterend Oog van
-den Dag steeds hooger en hooger klimmend als een vorst, die zijn
-zegetocht begint en alle vijanden bij zijn nadering op de vlucht jaagt.
-
-Op dit punt stond Soerapati alleen en onvergezeld; met de armen over de
-borst gekruist zag hij neer op het schitterend schouwspel aan zijn
-voeten, of hief den blik op naar de bron van licht en gloed, die zich
-daarover uitstortte.
-
-Verre van daar zweefden zijn gedachten; hij begroette die zon juichend
-en jubelend als de oorsprong van licht en leven op deze schoone aarde,
-als het beeld van den God over wien hij zich herinnerde dat zijn
-christenbruid hem verhaald had, die gebood over alle natuurmachten, die
-bergen en dalen uit den bajert had te voorschijn geroepen door zijn
-machtig woord, die ze bekleed had met deze weelde van planten en
-bloemen, die de wateren deed stroomen en stem gaf aan de vogelen, die
-sprak in het rommelen van den donder, in het bulderen der vulkanen,
-maar ook in het ruischen van het koeltje, in het murmelen der beek.
-
-Hij herinnerde zich die lessen, welke hij opgevangen had van Suzanna’s
-reine lippen, en waarvan hij de bevestiging las in den zoeten blik
-harer hemelsblauwe oogen, want ook die waren voortgekomen uit de hand
-van dienzelfden grooten, oneindig goeden Schepper.
-
-En misschien onbewust bracht hij hulde aan den Heer dien Suzanna
-aanbad, grooter dan de Allah, dien men hem had opgedrongen, machtiger
-dan Shiwa den vernieler, dien zijn voorouders vereerden. Hij gaf zich
-wellicht geen rekenschap van het gevoel dat zijn ziel overstroomde,
-maar het was een nieuw leven vol kracht en moed dat al zijn aderen
-doortrilde. Het frissche morgenuur, het schitterende zonnelicht na de
-verschrikkingen van den nacht, deden hem aan zijn toekomst denken
-zooals zij hem thans toescheen; het verleden met zijn slavernij en
-opstand was geëindigd. Hij had zijn doel bereikt, de vluchtende prins
-gaf zich aan hem over, hij zou hem naar Batavia voeren; wellicht
-ontving hij daar den kapiteinsrang, alle zonden en misdaden van Sie
-Oentoeng, den voortvluchtigen slaaf waren immers vergeven. ’t Was
-Soerapati, officier der machtige Compagnie, die zegevierend naar
-Batavia terugkeerde, die zijn ouden meester, wiens genegenheid voor hem
-toch zeker niet geheel ten onder was gegaan, moedig onder de oogen
-durfde zien om hem de hand zijner dochter te vragen.
-
-En dan? Dan, ja dan zou hij Suzanna de zijne mogen noemen.
-
-Zij zou hem leeren den Hollanders gelijk te worden; hij kende hun taal
-reeds, hij waardeerde hun beschaving, het was zijn hoogste eerzucht hen
-te dienen en daardoor het recht te hebben hen hoe langer hoe meer nabij
-te komen, want hij had lang genoeg en van jongs af in hun omgeving
-verkeerd om in hen een hooger, edeler ras, dan dat, waartoe hij
-behoorde, te erkennen. De liefde van Suzanna had hem tot haar
-opgeheven; zoolang hij die bezat voelde hij zich krachtig en moedig om
-haar ter zijde te blijven.
-
-Deze gedachten vervulden zijn ziel met hun rooskleurigen glans; door de
-opvoeding, die hij bij zijn meester den Raad van Indië Moor ontvangen
-had, bezat hij een gedachtenwereld geheel verschillend van die, waarin
-zijn landgenooten plachten te verkeeren; zijn gezichtskring had zich
-uitgebreid; zijn neigingen en wenschen hadden een andere richting
-genomen. Hij beoordeelde alles van een ander standpunt dan zij;
-tusschen hem en zijn makkers gaapte een kloof, die nauwelijks zichtbaar
-was in de dagen als gemeenschappelijk gevaar en een zelfde vrees hen
-verbonden, maar die nu telkens dreigde, nu hij zich met hart en ziel
-aan de Hollanders verbonden had, terwijl zij slechts uit
-noodzakelijkheid die vergiffenis aangenomen hadden en zich morrend
-bogen onder het juk der vreemde meesters.
-
-Soerapati bezat groot overwicht over zijn mannen; hij was nog steeds
-hun opperhoofd, al droeg hij de uniform der Compagnie; hij had de
-meesten hunner van kerker en dood gered, zij waren hem trouw gevolgd in
-de wildernis en in het kamp des vreemdelings, even trouw in den opstand
-tegen het gezag, als in de onderwerping, maar hij zag genoeg in met
-welken tegenzin. Geen liever gebod zouden zij van hem ontvangen dan dat
-van hun wapens te keeren tegen de nieuwe meesters; telkens moest hij
-tusschenbeide treden om twisten tusschen zijn Balineezen en de
-Europeesche soldaten te bedaren; zijn taak was moeilijk, maar hij
-hoopte ze trouw te vervullen en dan tot belooning de volledige
-vergiffenis der Compagnie, de hand zijner blanke bruid te verwerven.
-
-Geen schooner toekomst zou voor Java kunnen aanbreken, meende hij, dan
-als beide volkeren zich vereenigden, zooals eenmaal de Islam den ouden
-Hindoegodsdienst in zich had opgenomen. Nog schitterender zou nu de
-overwinning zijn, dan eerst zou Java machtig worden, machtig en één in
-de stoffelijke en geestelijke belangen van staatkunde en godsdienst. Er
-zouden geen overheerschers meer zijn en geen verdrukten; aan de
-vreeselijke willekeur der inlandsche hoven, de domme verdrukking, de
-noodelooze wreedheid zou paal en perk gesteld worden en schoon als de
-morgen breidde zich een schitterende, heerlijke toekomst over Java uit,
-die hij zou helpen stichten door zijn trouwe hulp en medewerking den
-Hollanders aangeboden.
-
-Dat waren de droomen die Soerapati’s geest vervulden, de vizioenen die
-hij aanschouwde in de eerste gulden glorie der morgenzon, toen hij op
-de hoogte toefde terwijl het landschap zijn geuren en glansen ten hemel
-opzond als een ontzaggelijk dankoffer.
-
-Een behoedzame stap deed zich hooren op de steenen, die hier den grond
-bedekten; hij zag om en bemerkte dat een vrouw hem naderde; zij droeg
-den sarong om het middel, vastgemaakt door een gouden band; deze sarong
-was van fijne soort, diamanten steenen schitterden in haar ooren en een
-geelzijden sikepan of baatje viel van haar schouders, die ten
-overvloede nog door een roode slendang (sjerp) versierd waren. Haar
-gelaat had de zachtgele kleur, Javaanschen vrouwen van hoogen rang
-eigen; voor haar landaard waren haar trekken fijn en regelmatig, eenige
-bloemen waren koket in haar dikke, glanzende lokken gestoken; haar gang
-had de achtelooze onzekerheid, die bij dat nationale gewaad zoo
-bekoorlijk schijnt, maar in Europeesche kleederen belachelijk en
-onbehagelijk wordt.
-
-„Allah schenke u een gelukkigen dag, gevolgd door een lang, gezegend
-leven!” zeide zij halfluid en sloeg de groote, donkere oogen schuchter
-neder.
-
-Soerapati zag haar aan.
-
-„Ik dank u voor dien goeden wensch, zuster!” sprak hij hoffelijk, „en
-ik hoop, dat hij ook bij u in vervulling moge komen.”
-
-„Bij mij zal hij zeker waarheid worden, zoo het u behaagt.”
-
-„Mij behagen! Zeg mij, zuster, waardoor ik u zulk een goede gave als
-een lang gezegend leven is, kan schenken.”
-
-Zij naderde hem wat meer en sloeg nu de oogen op naar zijn gelaat.
-
-„Herkent ge mij niet, Heer?” vroeg zij.
-
-„Het voorrecht u te zien was mij nog niet eer gegund, Vrouwe!”
-antwoordde Soerapati, „maar dat zie ik genoeg, gij zijt van edel
-geslacht; waarom zwerft ge dan alleen hier door het woud en verwondt
-gij uwe teedere voeten aan de scherpe steenen? Dit is geen plaats,
-geschikt voor een jonge, schoone vrouw als gij, vergun dat ik het u
-zegge!”
-
-„Gij hebt gelijk Heer, en ik zou mij met mijn dienares, die mij ginds
-aan de bronnen wacht, hier niet begeven hebben, als geen gewichtige
-belangen het mij ten plicht stelden. Ik moet u spreken, en koos daarom
-dit vroege morgenuur, onder voorwendsel van mij te gaan baden in het
-woud. Wilt ge mij hooren?”
-
-„Spreek, edele Vrouw! Uw woorden klinken mij in de ooren zoo zoet als
-het gezang van de kaso, den zanger onzer bosschen! Als ge mij iets
-vraagt, dat ik u kan toestaan, ik zweer u bij mijn kris, ik zal het u
-verkrijgen!”
-
-De jonge vrouw wierp zich voor zijn voeten en zag hem smeekend aan.
-
-„Sta op, als ge wilt dat ik u hoore!” zeide Soerapati, „in deze houding
-wil ik u niet zien. Het past u niet u te vernederen voor een
-eenvoudigen man als ik.”
-
-„De smeekende moet in ootmoedige houding spreken tot hem, van wien haar
-eenig heil afhangt, dat is altijd passende gewoonte geweest. Gij
-herkent mij niet, Heer, maar uw gelaat en gestalte zijn in mijn ziel
-gedrukt, zooals de heiligen hun voetstappen achterlieten in den kouden
-steen, welken zij eenmaal betreden hebben. Ik ben Radhen Goesik
-Koesoema, de tweede vrouw van den eenmaal zoo machtigen en nu
-vluchtenden Pangeran Poerbaya. Gisteravond zag ik u bij mijn heer, ik
-hoorde dat gij een taal vol wijsheid spraakt en daarom kom ik van u
-hulp en steun vragen.”
-
-„Voor uw echtgenoot?”
-
-„Neen, voor mijzelf. Gij hebt goed gezien, ik ben van hoog en edel
-geslacht; de Solosche prins Amirang Koesoemo Rijksbestuurder van het
-keizerrijk Mataram is mijn pleegvader. De Pangeran Poerbaya verkreeg
-mijn hand, maar hij heeft mij nooit liefgehad, de Tjeribonsche prinses
-Sepoe is zijn lievelingsvrouw, de moeder van zijn zoons, toch ben ik
-hem gevolgd, toen hij door het ongeluk zijner wapenen gedwongen was te
-vluchten. Ik heb de verbanning en zijn zwervend leven met hem gedeeld;
-maanden lang leden wij honger en dorst, vermoeienis en hitte, slechts
-door de vochtigheid van den regen afgewisseld, in deze wildernissen en
-toch heb ik mijn Heer en gemaal tot het laatste aangeraden moed te
-houden en zich niet te onderwerpen. ’t Mocht niet baten, hij zal nu
-gaan kruipen voor de blanke mannen, hij zal u zijn wapens overgeven en
-dan de rijst der overwinnaars gaan eten. O schande!”
-
-„Vrees niet prinses! het juk der meesters is niet zwaar!”
-
-„Schande is altijd zwaar! Ik, de dochter van prinsen, ik wil het niet
-dragen, liever verlaat ik mijn al te zwakken gemaal, en keer terug naar
-mijn vader, die de poorten van zijn huis voor mij heeft opengezet en
-daarom wil ik u de gunst vragen, laat mij niet vertrekken naar Batavia,
-breng mij terug naar mijn vaderland!”
-
-„Maar edele Vrouw, hoe zal ik u die gunst verkrijgen als uw echtgenoot
-het niet verlangt? De Prins is thans uw Heer en Meester, gij moogt hem
-niet verlaten, dan als hij u verlof er toe geeft.”
-
-„Ik heb den Bantamschen prins gehuwd en niet den huurling der
-Hollanders; hij zal mij dat verlof niet geven, want hij heeft mij lief,
-zooals men een kind liefkoost om zijn aanvalligheid, maar wier woorden
-men als kindertaal glimlachend aanhoort. O Heer, laat mij niet gaan
-naar Batavia, laat mij niet kwijnen in gevangenschap, hoe verguld de
-ketenen ook zijn, het blijven ketenen. Daar straks hebt ge mijne stem
-vergeleken met die der kaso. Welnu, wat zal het lot van het vogeltje
-zijn, als gij het in een kooi, hoe sierlijk ook, wegsluit; het zal
-verkwijnen van heimwee naar zijn bergen en bosschen. Zoo zal ’t ook mij
-gaan, als ik ’s prinsen gevangenschap deelen moet. Gij zelf, gij weet
-wat het is vrijheid te missen; de rijst der slavernij smaakt hard en
-bitter, het kost moeite haar te eten, zij benauwt de keel en ontneemt
-ons de adem! Laat mij ’s prinsen lot niet deelen! Ik smeek het u, bij
-haar die ge bemint, zooals elke vrouw verlangen moet bemind te worden!”
-
-Haar stem klonk zoet en vleiend, haar schoone oogen waren smeekend op
-hem gericht. ’t Kon niet anders of de Balinees moest getroffen worden
-door de dringende bede der vorstendochter.
-
-„Maar begrijpt ge niet,” vroeg hij, „dat elke poging door mij gewaagd,
-den prins als verraad zal voorkomen? Ik kan toch niet willekeurig u
-uitsluiten van het vrijgeleide, dat ik den Pangeran en zijn gezin zal
-schenken.”
-
-„Ik begrijp slechts één ding! Gij kunt me redden, gij alléén! Het hoe
-daarnaar vraag ik niet. O,” ging zij half fluisterend voort, „als ge
-mij wildet toestaan u te beloonen, hoe zou ik u helpen op de baan, die
-gij inslaan moet, want gij zijt bestemd tot groote dingen. Boeloe
-Kidoer, de dwerg, die kennis bezit van de toekomende dingen, heeft u in
-zijn droom gezien, met een kroon op het hoofd, schitterend als de zon.
-Indien uw hart niet verknocht was aan de blanken, ik zou u tot roem en
-aanzien brengen. Mijn vader is almachtig in ’s keizers rijk, ik ben
-zijn liefste dochter; hij weet moed en verstand te waardeeren, hij zou
-u overladen met eerbewijzingen, hij zou u doen klimmen tot hooger
-eerepost dan ge ooit bereiken kondet in dienst der blanken. Als ge hen
-verlaat en mij brengt naar Karta-Soera, dan zal geen loon te groot voor
-u wezen.”
-
-Soerapati glimlachte medelijdend.
-
-„Ge spreekt als een echte vrouw, prinses! en daarom vergeef ik de
-zwakheid uwer rede; ik dien nu de Hollanders en geen macht ter wereld
-zal mij kunnen bewegen hen ontrouw te worden. Vraag den prins verlof,
-terug te keeren naar uw vaderland en ik zal zorg dragen, dat uw wensch
-vervuld wordt, dat zweer ik u!”
-
-„Is dat het eenige,” vroeg zij en tranen sprongen haar in de oogen,
-„het eenige, wat ge voor mij doen kunt?”
-
-„Helaas! Niets anders, edele vrouwe en zoo ik u een raad schenken mag:
-de zon is reeds hoog in de lucht; keer terug naar den prins uw gemaal,
-spoedig zal ik u volgen. Hij mag niet weten, dat ik u hier gesproken
-heb; en uw aanwezigheid verraadt mij, dat hij nabij is. Ik beloof u
-mijn steun als gij uw gemaal het verlof wilt vragen terug te keeren
-naar uw vaderland.”
-
-„Dankbaar neem ik dien steun aan als gij mij niets anders geven wilt!”
-antwoordde Koesoema en groette hem uit de hoogte. Zij keerde zich om en
-verdween in het bosch.
-
-„Zij is schoon,” dacht Soerapati, „maar de blonde dochters der
-Hollanders zijn veel schooner.”
-
-De prinses was intusschen naar de bron teruggekeerd, waar een slavin en
-Boeloe Kidoer, de dwerg haar wachtten.
-
-„Wat heeft hij u geantwoord?” vroeg de dwerg haar tegemoet waggelend.
-
-„Hij is hard als het hout van den djatiboom; ik heb slechts weinig
-gewonnen, maar ik geef de hoop niet op. O Boeloe! had ik nooit zijn
-schoone gestalte gezien, dan ware die liefde mij niet zoo plotseling
-door de oogen in het hart gedrongen, of is zij met zijn stem door mijn
-ooren geslopen? Nu heb ik nergens rust meer, waar hij niet is. Zou
-Allah besloten hebben hem mij te geven of heeft de booze geest dezer
-streken in mijn hart dat noodlottige vuur ontstoken? Boeloe, ik beloof
-u mijn mooiste gouden pending [10], als ge maakt, dat hij koning wordt
-en ik zijn koningin.”
-
-„Koning! Dat zal hij eenmaal zijn, prinses! en of gij zijn koningin
-wordt, het hangt alleen van u af; wilt ge naar de woorden van den dwerg
-luisteren?”
-
-„Ach, ’t zal niet baten, Boeloe! De blanke vrouw vervult zijn hart, hoe
-zal ik daar plaats vinden?”
-
-„De eene berg kan daar niet komen, waar reeds sinds eeuwen de andere
-staat, maar niets gemakkelijker voor de vrouw, die bemint dan de plaats
-eener andere in te nemen, die afwezig is!”
-
-„Ware zij mijn landgenoot, ik zou haar niet vreezen, dwerg, maar zij is
-een blanke, en die vrouwen met haar blauwe oogen en geel haar hebben
-meer macht dan wij.”
-
-„We zullen zien, wie sterker is!” grinnikte de dwerg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-VAANDRIG KUFFELER.
-
-
-Pangeran Poerbaya met al zijn volgelingen had zijn tenten laten opslaan
-in de vlakte tegenover Soerapati’s kamp. Hij had den Balineeschen
-luitenant bij zich ontboden en besprak met hem nogmaals breedvoerig en
-nauwkeurig de voorwaarden zijner overgave.
-
-„En neemt ge uw vrouwen en slavinnen mede naar Jacatra?” vroeg
-Soerapati om hem over zijn plannen ten opzichte van Radhen Goesik te
-peilen.
-
-„Waarom zoude ik niet?” vroeg de prins met zijn zwaarmoedigen glimlach.
-„Wat zou mijn ballingschap bitter en zwaar wezen, als ik het gezelschap
-moest derven van haar, die mij ter zijde stonden in voor- en
-tegenspoed? Met wie zou ik beter over mijn vroegere dagen van geluk
-kunnen spreken en over mijn bitteren rampspoed dan met mijn trouwe
-gemalinnen?”
-
-„En zijn ze ook bereid de ballingschap met u te deelen?”
-
-„Moeten zij dat niet?” hernam hij volgens zijn gewoonte, een vraag
-altijd met een vraag beantwoordend. „Is de wil van haar gemaal en
-meester dan niet haar hoogste wet?”
-
-„Uwe vrouwen zijn van hooge geboorte, naar ik verneem?”
-
-„Is de mijne dan ook niet hoog? ’t Is waar, mijn Radhen Ayoe is de
-zuster van den Tjeribonschen Sultan, en mijn jonge vrouw is de dochter
-van Mataram’s rijksbestuurder maar al ben ik ook gevangen, ik blijf
-toch de zoon en broeder der Bantamsche prinsen, en ik ben er van
-overtuigd, dat de Edele Compagnie dien rang niet vergeten zal.”
-
-Blijkbaar lag de gedachte van zijn lievelingsvrouw te scheiden verre
-van ’s prinsen geest, en Soerapati wanhoopte er aan Radhen Goesik op
-deze wijze behulpzaam te zijn; hij bracht het gesprek dus weer op
-gewichtiger zaken en de prins wees hem op de wapenen van hem zelf en
-zijn volgelingen, die samengebonden in een hoek der hut lagen.
-
-„Zoodra ge mij den pardonbrief der Compagnie overhandigt, zal ik u de
-wapens overgeven, dan zijn wij uw gevangenen, en hangen van uw
-edelmoedigheid af.”
-
-„Waarop ge niet tevergeefs zult vertrouwen, edele prins! Ik heb naar
-kapitein Ruijs in de vesting Tandjong Poera het bericht gezonden van uw
-onderwerping, en hoop dus weldra den brief te ontvangen.”
-
-Een der manschappen van Soerapati verscheen aan den ingang der tent en
-wenkte zijn meester naderbij te komen. De luitenant stond op en vroeg
-wat hij te zeggen had.
-
-„Heer!” sprak de man half luid, „er is een troepje Hollandsche soldaten
-in aantocht!”
-
-„Dat kan het antwoord van kapitein Ruijs nog niet wezen!” zeide
-Soerapati verbaasd. „Vergun mij, prins, dat ik ga zien wat die mannen
-hier voert.”
-
-Inderdaad naderden een veertigtal Hollandsche soldaten en kleurlingen
-onder bevel van een vaandrig het kamp. Kiai Hemboong stond naast
-Soerapati en schudde het hoofd.
-
-„Dat beduidt niets goeds,” zeide hij. „Van morgen heb ik driemaal het
-geroep van den uil gehoord; de zon is van morgen in vollen glans
-opgegaan, en zie nu eens hoe duister de wolken zijn, die haar
-bedekken.”
-
-De vaandrig kwam nader en zoodra hij de Balineezen zag, die hier en
-daar in groepjes met de volgelingen van den prins zaten of stonden te
-praten, vroeg hij op hoogen toon rondziende:
-
-„Wie uwer is Sie Oentoeng, of anders gezegd Soerapati!”
-
-„Als gij den luitenant Soerapati zoekt, dan ben ik het, vaandrig!”
-sprak de Balinees met van ingehouden toorn trillende stem; zijn oogen
-fonkelden van verontwaardiging en zijn handen sloten zich krampachtig
-inéén, maar toch ging hij oogenschijnlijk kalm, zijn mindere in rang te
-gemoet, die hem op zulk een minachtende wijze durfde behandelen.
-
-„Ja, ik moest je spreken,” sprak de vaandrig met een hinderlijke
-zelfgenoegzaamheid, „waar kan dat onder vier oogen gebeuren?”
-
-„Hier is mijn tent, daar kan ik u te woord staan, indien gij eerst
-zeggen wilt wie ge zijt, en uit wiens naam gij komt.”
-
-„Ik ben de vaandrig Kuffeler, en ik kom uit naam der Hooge Regeering
-van Batavia den Pangeran Poerbaya zijn vergiffenisbrief brengen, en
-tevens u gelasten, dat gij naar de hoofdstad terugkeert om u te
-verantwoorden over hetgeen men u daar ten laste heeft gelegd.”
-
-Naast den ouden Kiai Hemboong stond de dwerg, die hem met zijn
-leelijken grijns veelbeteekenend aanstaarde.
-
-Soerapati werd zoo bleek als zijn donkere huidskleur het toestond; hij
-zag den vaandrig als van den donder getroffen aan; geen woorden kon hij
-vinden om aan zijn verbazing en ontroering lucht te geven.
-
-„Ge vergist u,” sprak hij eindelijk zoo kalm mogelijk, „dit kan uw
-opdracht niet zijn; want de Heer Kapitein Ruijs heeft mij belast den
-Pangeran tot onderwerping te brengen en daarna een vrijgeleide naar het
-fort Tandjong Poera te schenken. Hoe is het mogelijk, dat gij dan met
-dezelfde boodschap hier verschijnt?”
-
-„Zoo gij mijn woorden van onwaarheid verdenkt, zie dan de stukken in,
-die ik bij mij draag; ge kunt u overtuigen met uw eigen oogen of ik
-leugens zeg. Waarlijk, die twijfel staat u fraai, man!”
-
-„Hier is mijn tent,” zeide Soerapati, „de lucht wordt donker, het zal
-boos weer worden, daar zijt ge ten minste veilig.”
-
-Zonder op de beleefdheid, waarmede Soerapati deze woorden uitsprak,
-eenige acht te slaan, ging de vaandrig hem voor naar de tent en gaf hem
-zijn instructie-brieven over.
-
-Intusschen stonden Kiai Hemboong en de dwerg geheimzinnig met elkander
-te fluisteren, zich onder de takken van een pisangboom zooveel mogelijk
-tegen de druipende waterstralen beveiligend.
-
-„Hoort ge vader!” sprak de dwerg, „hoe uw lievelingszoon behandeld
-wordt door zijn vrienden de Hollanders? Zal nu eindelijk zijn hart niet
-wakker worden, en hij hun zijde niet verlaten?”
-
-Zuchtend haalde Kiai Hemboong de schouders op.
-
-„Hij zal hen blijven dienen, zoolang de blanke vrouw daarginds in
-Soenda Kalappa zijn hart nog gevangen houdt. Alles zal hij verdragen,
-liever dan de Hollanders te beleedigen, wanneer bij hem nog de hoop
-leeft haar terug te krijgen.”
-
-„En heeft die hoop recht tot leven?”
-
-Kiai Hemboong zag met zijn listige oogen den dwerg aan.
-
-„De verliefde hoopt nog als alle hoop vervlogen is, maar hij, wiens
-hart niet gewond is, ziet scherper. Wat baat het echter of een ander
-ziet, waar hij vrijwillig blind wil zijn?”
-
-„Men kan hem de oogen openen. Ik ken een vrouw, die ziek van liefde is
-om uw pleegzoon, een vrouw van ons volk, een hooge, aanzienlijke vrouw.
-Als hij haar geleiden wil naar Karta-Soera, dan zal zij hem de
-bescherming verkrijgen des keizers, zij zal zich gelukkig rekenen hem
-haar hand te geven, dan zal hij de eerste stappen gedaan hebben op den
-weg, die hem voeren moet naar de oppermacht, welke hem bestemd is.”
-
-„Het zijn goede zaken, waarvan uw lippen spreken, dwerg, maar hoe
-zullen wij ze doen dringen in de ooren van mijn pleegzoon? Wij moeten
-de wond, die de Hollanders in zijn ziel slaan openhouden en vergrooten,
-misschien zal dan eenmaal zijn liefde voor hen in haat veranderen.”
-
-„Maar de blanke vrouw?”
-
-Kiai Hemboong dacht na; de regen werd hoe langer hoe heviger, de
-woudreuzen bogen onder het geweld van den storm heen en weder als waren
-het dunne rieten stammen, de grond was een borrelende massa water
-geworden door de telkens heviger neervallende reusachtig groote
-droppels, die zich bij de anderen voegden, welke reeds een moeras
-geworden schenen; een sterke lucht steeg uit de vochtige struiken en
-het natte gras van het woud op en de helderheid van den dag had voor
-schemering plaats gemaakt. Alles zocht een goed heenkomen, maar de
-grijsaard en de dwerg bekommerden zich niet om de woede van het
-opgezweepte woud en van de dreigende wolken.
-
-„Wij zullen haar macht breken,” sprak de Kiai op beteekenisvollen toon.
-„Soerapati heeft een zijner mannen naar Batavia gezonden om haar mee te
-deelen, dat hij vrede gesloten heeft met de Compagnie en weldra haar
-als zijn wettige vrouw hoopt te erkennen.”
-
-De dwerg knikte met zijn groot zwaar hoofd.
-
-„Ge zijt listig Kiai, uw wijsheid heeft met uw jaren gelijken tred
-gehouden; gij weet wat de beste wijze is om de herinnering aan het
-witte meisje, die scherp is als een doorn, uit zijn geest te rukken, en
-heeft hij haar vergeten, dan zal het mijn meesteres gemakkelijk vallen
-zijn hart te winnen.”
-
-Langzamerhand werden de regendroppels schaarscher en minder hevig, het
-bosch kwam tot kalmte, het zwaaide zijn natte takken als afgemat heen
-en weer; in duizenden beekjes stroomde het water naar omlaag, de wolken
-braken en een valschen glimlach gelijk zond de zon haar omfloerste
-stralen over het nog dampende woud.
-
-Soerapati en de vaandrig verschenen aan den ingang der tent.
-
-„Ik kan u niets bepaalds antwoorden,” sprak de eerste; „mijn
-instructiën zijn even duidelijk als de uwe. Kapitein Ruijs mijn chef
-gaf ze mij, ik ben gebonden ze te gehoorzamen, en nu er tweespalt
-schijnt te wezen, kan ik niets beter doen, dan mij aan de mijne te
-houden. Ik ben in elk geval uw meerdere!”
-
-De vaandrig lachte honend.
-
-„Maar ik ben een Hollander!” sprak hij vol aanmatiging.
-
-„Ik geloof dat de kleur hier geen verschil uitmaakt,” gaf de Balinees
-altijd even hoffelijk ten antwoord, hoewel zijn bloed van
-verontwaardiging kookte. „Alles berust op een misverstand. De Hooge
-Regeering van Batavia heeft den pardonbrief rechtstreeks aan den Prins
-willen doen zenden, terwijl ik meende dien door tusschenkomst van
-kapitein Ruys te moeten vragen; zoo de brief er is, zal ik hem gaarne
-den prins overhandigen.”
-
-„Maar gij hebt niets te overhandigen, ’t is aan mij dat de Prins zich
-moet overgeven.”
-
-„In deze verwarring weet ik niets beters te doen dan mijn meester, den
-Heer Kapitein, te laten vragen, hoe ik handelen moet, gehoorzamen aan
-zijn mij reeds gegeven bevelen of naar u luisteren. Maar hoe kan dit
-mogelijk wezen, het zou immers een groote onbillijkheid zijn indien ik,
-die de onderhandelingen leidde, nu aan een ander de eer der overwinning
-moest afstaan?”
-
-„Voor een weggeloopen slaaf is uw eerzucht nog al groot. Ge begrijpt
-toch dat de Compagnie niet dulden zal dat zulk een belangrijke opdracht
-vervuld wordt door een man, die nog steeds vogelvrij is.”
-
-„Dat ben ik niet meer,” verklaarde Soerapati fier, „wat er voorheen
-gebeurd is, dat is vergeven. Ik ben nu in dienst der Compagnie zoo goed
-als gij.”
-
-„Wanneer dit zoo ware, waarom moet ik u dan oproepen naar Batavia om u
-te verantwoorden?”
-
-„Ik kan het niet gelooven, alles berust op misverstand en vergissingen;
-wanneer kapitein Ruijs mijn boodschap ontvangt, zal alles zich
-ophelderen. De Compagnie is rechtvaardig en eerlijk waarom zoude zij
-mij wantrouwen; waarlijk, ik gaf er haar geen reden toe!”
-
-„Spreek zoo luid niet, vriend!” hernam de vaandrig schamper, „de
-Regeering zal weten, wat haar te doen staat, en waarom zij het doet.”
-
-Soerapati antwoordde niet en vroeg bedaard of de vaandrig voor hem en
-zijn soldaten tenten wilde opslaan; er was een open plaats daartoe
-geschikt iets verder dan de vlakte, waarop de zijne en die van den
-Bantamschen prins stonden.
-
-„Ik zal mijn bevelen aan mijn mannen geven,” zei de vaandrig kortaf en
-verliet hem zonder eenigen groet.
-
-Ter prooi aan een hevigen toorn keerde Soerapati in zijn tent terug en
-begon zijn brief aan kapitein Ruijs te schrijven.
-
-„Zou het waar zijn,” vroeg hij zich telkens af, „wat de Kiai mij zoo
-dikwijls herhaalt en wat mijn mannen mompelen? Zullen de Hollanders ons
-nooit met zich zelf gelijkstellen; blijven ze ons altijd met wantrouwen
-en geringschatting aanzien, omdat wij tot een minder menschenras
-behooren? Dan had Suzanna zich niet aan mij vertrouwd, dan had zij mij
-geen trouw gezworen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-OP BEDEVAART.
-
-
-Radhen Goesik zocht vergeefs den slaap op het matje dat de weinig
-prinselijke legerstede der vorstin uitmaakte, haar gedachten echter,
-meer dan de schamele rustplaats, hielden haar wakker.
-
-Een enkele blik op den Balineeschen slaaf, zooals hij dien avond in de
-grot verschenen was met zijn krachtige, slanke gestalte geheel
-verschillend van de inééngedrongen zwakke figuur des Pangerans, was
-voldoende geweest om haar hart in liefde te ontvlammen voor hem in wien
-zij reeds een onoverwinnelijken held vereerde.
-
-Niet onduidelijk had zij hem haar gevoelens geopenbaard, doch hij was
-er ongevoelig voor gebleven; de herinnering aan de blanke vrouw was een
-schild, waarop alle pijlen Amor’s stomp schoten.
-
-Bittere jaloezie vervulde Koesoema’s hart jegens die onbekende, nooit
-geziene bruid, om wier wille hij zijn zaak afscheidde van die zijner
-stamgenooten, aan wie hij zonder aarzelen zelfs de keizerskroon zou
-willen opofferen, als hem die aangeboden werd; zij voelde zich
-machteloos, zij de prinses tegenover den slaaf, zoolang zij haar
-mededingster niet overwonnen had.
-
-Zij werd hoe langer hoe onrustiger, de hartstocht tooverde haar
-onophoudelijk den afwezige voor den geest, haar hoofd brandde, haar
-polsen klopten hevig; of zij de oogen sloot, dan wel opende, altijd zag
-zij hem terug, altijd hoorde zij zijn stem bevelend en streng tegen
-zijn mannen, hoffelijk, vriendelijk, beschaafd als hij zich tot den
-overwonnen prins of tot haar richtte.
-
-O kon zij zijn liefde winnen, hoe gaarne bracht zij hem niet alles ten
-offer, wanneer zij nog iets bezeten had; nu echter zou het haar hoogste
-eerzucht zijn, het zwervend leven met hem te deelen, in afwachting dat
-zij hem den weg opende naar roem en geluk, maar zij voelde, dat zij
-niet te veel wagen mocht, uit vrees van het weinige, waarop zij zich
-nog beroemde, te verliezen.
-
-Tot geen prijs zou Soerapati een trouwelooze daad willen verrichten
-tegen den ongelukkigen prins, die zich aan zijn edelmoedigheid overgaf;
-al had zij ook de herinnering aan zijn blanke vrouw verdreven, al ware
-het haar gelukt, zijn liefde te winnen, toch zou hij nooit er in
-toestemmen haar aan haar gemaal te ontrooven, daarvoor kende zij hem
-reeds genoeg, en ook daarom achtte en beminde zij hem des te meer.
-
-Als zij zich aan hem opdrong, wie weet of hij haar niet aan den prins
-zou verraden, en zij wist maar al te goed hoe streng de Javaansche
-grooten de trouweloosheid hunner gemalinnen straften; neen, nergens was
-er een uitweg, en haar liefde voelde zij bij het uur aangroeien, den
-bergstroom gelijk, die met kracht zijn diepe bedding vult en dan over
-zijn oevers heenstroomt.
-
-Zij hield het niet langer vol en stond op; een gordijn van sarongs aan
-elkander gevoegd, scheidde het gedeelte waar de vrouwen sliepen af, van
-dat, hetwelk de mannen herbergde. Zachtkens schoof zij het weg en
-fluisterde:
-
-„Boeloe, slaap je?”
-
-De dwerg rees ergens uit een hoekje op en kroop op handen en voeten
-naar de plek, waar het hoofd der Radhen tusschen het gordijn verscheen.
-
-„Wat verlangt mijn gebiedster?” vroeg hij schier onhoorbaar.
-
-„Boeloe, ik wil den ouden man spreken, gij weet, wien ik bedoel; morgen
-ochtend zal ik een offer brengen aan den heiligen Waringinboom, die
-daar ginds aan het begin van den kampong Tjidoeran staat, zorg dat gij
-er ook zijt met hem.”
-
-„’t Zal geschieden zooals mijn meesteres verlangt,” antwoordde de
-dwerg. Het zwakke licht der kleine plita (olielampje) belette dat de
-prinses zijn gewonen grijns zag.
-
-Toen de eerste stralen van den morgen in het bosch vielen en men uit de
-verte het geluid hoorde van het rijststampen, dat zich met het gekraai
-der hanen en het getjilp der vogels vermengde, ging de Pangeran naar
-buiten om zijn eerste morgengebeden bij den rijzenden dag te brengen.
-
-Radhen Goesik volgde hem en vroeg vleiend:
-
-„Vergunt gij mij Heer! dezen morgen naar den heiligen boom op bedevaart
-te gaan, om er aan de nagedachtenis van Sheik Oesin, die er eens leefde
-en stierf, een offer van bloemen en vruchten te brengen? Wellicht
-verkrijg ik dan van den Hemel dat een goede uitslag uwe
-onderhandelingen bekroont.”
-
-Met welgevallen zag de prins zijn jonge, schoone vrouw aan.
-
-„Ga, lust mijner oogen!” sprak hij, „uw vroomheid is Allah welgevallig!
-Maar neem twee mijner mannen mede; de boschwegen zijn onveilig, de
-Balineezen van Soerapati en de soldaten van den Hollandschen luitenant
-zwerven in het bosch rond. Licht doet uw schoonheid hen den eerbied
-vergeten, dien zij mijn gemalin verschuldigd zijn.”
-
-„Ik zal doen naar uw wensch,” antwoordde de prinses en weinige
-oogenblikken later sloeg zij, vergezeld van een slavin die het offer
-droeg en gevolgd door twee Bantammers, den weg in naar de heilige plek,
-waar de dwerg en zijn oude vriend reeds aangekomen waren. In schijnbaar
-vroom gebed verdiept, toefden zij onder den eerbiedwaardigen boom, die
-op zich zelf een klein bosch vormde. Zijn dikke stam was door een
-menigte andere stammen omringd, die eens luchtwortels waren geweest en
-zich in den grond hadden vastgezet om op hunne beurt krachtige boomen
-te worden, die als zuilen het ontzaggelijk breede loofdak hielpen
-steunen, dat zich over een ruim grasperk uitspreidde.
-
-Gemakkelijk was het te begrijpen, dat een kluizenaar jaren lang een
-schuilplaats in dit woud van stammen en wortels had gevonden. Kleine
-lampjes en nederige offeranden op den grond geplaatst verrieden de
-heilige plek, waarheen ook Radhen Goesik hare schreden richtte.
-
-Zij wierp zich op den grond, dien zij eerbiedig kuste en deed haar door
-herhaalde hoofdbuigingen vergezeld gebed, maar zoo ooit dan was dit wel
-een gebed waaraan de geest ontbrak, een zielloos woord, dat ontdaan van
-zijn vleugels niet ten hemel vermocht op te stijgen; haar gedachten
-verwijlden slechts bij het gesprek, dat haar zoo dadelijk wachtte.
-
-Toen zij gedaan had, stonden allen op. Kiai Hemboong begroette de
-vorstin, die genadig zijn groet aannam.
-
-„Wij hebben denzelfden wensch gehad als gij, moedertje,” sprak de
-dwerg, „vergunt gij ons in uw gevolg terug te keeren naar het kamp? ’t
-Is waar, aan onze leelijke hoofden is zooveel niet verloren, maar toch
-een mensch heeft lief wat hij bezit, zei de tjelleng [11] toen hij
-weigerde zijn snijtanden te ruilen tegen het gewei van het hert.”
-
-„Hoe grooter mijn gevolg is, hoe langer ik mij verbeelden kan nog
-prinses te zijn,” antwoordde Radhen Goesik, „ik heb behoefte aan de
-woorden van een oud en wijs man, Kiai, en het zal mij aangenaam wezen
-uit uw mond goeden en heilzamen raad te ontvangen.”
-
-Zij wenkte hem in haar nabijheid te blijven en ging zoo snel voort dat
-er weldra eenige afstand tusschen hen en de overigen ontstond.
-
-„Kiai,” zoo begon zij, „de dwerg heeft u ongetwijfeld verhaald dat het
-’t geheime verlangen van mijn hart is terug te keeren naar mijn land,
-naar het heerlijke Karta-Soera. Men zegt, dat gij alle macht bezit over
-de ziel van uw zoon Soerapati, welnu, verkrijg van hem dat hij den
-dienst der Hollanders ontvlucht om mij weg te voeren uit het land der
-ballingschap.”
-
-„Mijn macht over hem is slechts luttel, hooge Vrouwe, er is een ander
-die zijn hart aan zich bindt, met koorden hechter dan de stevigste, die
-uit de vezels van den kokospalm gevlochten worden. Zoolang die banden
-niet verbroken zijn, behoort hij met hart en ziel aan de verraderlijke,
-valsche vreemdelingen.”
-
-„En kan de afstand, de tijd, die vezels niet ontrafelen?”
-
-„Helaas! ik vrees van neen, prinses! Misschien zou er een middel
-wezen...”
-
-„En dat is?”
-
-„Wat noch tijd, noch afwezigheid vermag, dat zal misschien mogelijk
-zijn aan de leugen.”
-
-„De leugen is een scherp wapen, snijdend als een goede kris, zoo zij
-gehanteerd wordt door ervaren hand.”
-
-„Ik hoop u te bewijzen, vorstin, dat de hand van uw dienaar beproefd en
-zijn oog zeker is.”
-
-„Hoe, ge wilt door een leugen trachten het hart van uw pleegzoon los te
-maken van dat der blanke vrouw?”
-
-„Ik zal het doen als mijn schoone meesteresse het mij gebiedt.”
-
-Aan de listige stembuiging van den grijsaard begreep Radhen Goesik, dat
-hij niets zou volbrengen als hem geen belooning werd aangeboden.
-
-„Ik mis het recht u te bevelen, oude man!” sprak zij na een korte poos,
-„ik kan u slechts verzoeken en mijn verzoek versterken door de hoop op
-een schoone belooning. Zeg mij, wat ge wilt! Hebt ge geen dochter? Zij
-zal mijn hofdame worden als ik teruggekeerd zal zijn in het rijk van
-Mataram, of wilt ge liever dat ik aan uw zoon een vrouw beloof van
-aanzien en rang?”
-
-„Uw dienaar heeft geen kinderen, Prinses, niets dan de zoon van zijn
-hart, die het niet is door zijn bloed. Zoo ik eenige belooning verlang,
-dan moet het hem een vergoeding zijn voor hetgeen ik hem ga ontnemen.”
-
-Radhen Goesik klemde de lippen op elkaar; in hevige gemoedsbeweging
-golfde haar boezem op en neer, zij hield de oogen op den grond
-gevestigd tot zij ze plotseling opsloeg en een blik, waaruit al het
-vuur dat haar verteerde, gloeide, op den ouden man vestigde.
-
-„Welke vergoeding ik hem schenken zal voor zijn blanke vrouw? Vraagt ge
-dat? Mij zelf! is dat niet genoeg voor hem, den gevluchten slaaf? Maar
-meer nog zal ik hem schenken, de bescherming mijns pleegvaders, den
-machtigen rijksbestuurder van Mataram en dus ook de gunst des keizers.”
-
-„Belooft ge mij dat, of liever weet gij, wat ge mij belooft? Zoo de
-keizer den ontrouwen dienaar der Compagnie bescherming verleent,
-verklaart zij hem den oorlog; zal men daartoe bereid zijn in Mataram?”
-
-„De liefde van een vrouw vermag alles. Wanneer ik zijn gemalin ben, dan
-vrees ik niets meer; veroorzaak een breuk tusschen hem en de Compagnie,
-verbreek zijn vereeniging met de blanke vrouw en voor ’t overige sta ik
-u borg.”
-
-„De liefde eener vrouw overtreft den olifant in kracht, den eekhoorn in
-behendigheid, de slang in list. Welnu prinses, ik zal vertrouwen op uw
-woord en een afgrond graven tusschen hem en zijn vrienden. Maar bedenk,
-ik doe het om uwentwille slechts; het geluk van mijn pleegzoon is mijn
-eenig doel, hetzij hij ’t verwerft door zijn aansluiting bij de
-Hollanders, hetzij door een vereeniging met u.”
-
-„En ik zal hem schenken wat de geelharige hem nimmer bieden kan. Gij
-kent haar,” riep zij plotseling uit met een van die snelle overgangen,
-hartstochtelijken vrouwen eigen. „Gij hebt Nonna Moor meermalen gezien,
-zeg mij dan, is zij waarlijk schoon, is de lansepkleur mijner wangen
-niet bekoorlijker dan de bleeke, koude melatitint van haar huid?”
-
-„Zij was schoon in de oogen van haar geliefde, en is dat niet
-voldoende, prinses? Zij had hem lief en de liefde geeft een glans aan
-het meest doffe voorwerp, schitterender dan de gouden verf, die ’s
-keizers hoofd bedekt. Samen werden zij opgevoed; hij redde haar eenmaal
-bij een speeltochtje, dat men op de reede van Batavia maakte, de storm
-overviel het ranke bootje. Nonna Suzanna werd eruit geslingerd; Sie
-Oentoeng, de slaaf, die haar zijde niet verliet, sprong haar na; met
-het meisje in de armen zwom hij een half uur lang door de wilde golven;
-dikwijls meende hij van uitputting weg te zinken in de diepte, soms
-ontviel alle kracht zijn armen, maar hij versaagde niet. Eindelijk
-bereikte hij de kust; het was een onherbergzame kale kust, daar bracht
-hij haar bij visschers in veiligheid en keerde toen haastig naar
-Batavia terug om den vader, die zijn dochter reeds voor dood beweende,
-de tijding te brengen van haar redding.”
-
-„En hij redde haar niet eens voor zich zelf!”
-
-„De dankbaarheid van den Edelen Heer Moor kende geen grenzen; Sie
-Oentoeng werd met geschenken overladen, het grootste geschenk echter
-was Suzanna’s liefde; van dat oogenblik af schenen beiden slechts voor
-elkander te leven. De Edele Heer was veel afwezig, hij had gewichtige
-ambtsbezigheden en zijn dochter gunde hij alle vrijheid. Hoe kon hij
-vermoeden dat zij, zijn oogappel, zijn juweel, zich zou vergeten om een
-slaaf te beminnen, een zoon van het vervloekte bruine ras?”
-
-„Is het dan waar wat men zegt, Kiai, verachten de Hollanders ons zoo
-zeer?”
-
-„Hebt ge nooit het verhaal gehoord dat hun Heilig Boek hun leert,
-Vrouwe! De groote aartsvader, die alleen overbleef met zijn drie zonen,
-nadat het water des hemels om de boosheid der menschen de aarde en
-alles wat er leefde verzwolgen had, vervloekte een dier zonen, deze
-werd daarop zwart van huid en de stamvader van ons, donkere kinderen.”
-
-„Ik wil mijn warme kleur niet ruilen voor de koude wangen der
-Hollandsche vrouw,” zeide Koesoema verachtelijk, „maar spreek voort,
-Kiai! Uw verhaal smaakt als de scherpe, droge lombok, zij prikkelt en
-toch geeft het genot die te proeven. Hoe ging het verder met hun
-liefde?”
-
-„Eens kwam Sie Oentoeng bij mij; het buitenverblijf van mijn meester
-paalde aan dat van den edelen Heer Moor. Ik had den ontembaren, wilden
-jongen lief als mijn eigen zoon, ik had hem zien aankomen met zijn
-trotsch gelaat en fiere houding, toen zijn meester hem op de
-slavenmarkt gekocht had. Geen woord kwam over zijn lippen ook niet toen
-de opzichter hem tot bloedens toe mishandelde, hij kromp ineen maar
-geen klacht ontsnapte zijn lippen; ’s avonds bezocht ik hem en bestreek
-zijn wonden met zalf; daar viel hij snikkend op zijn knieën voor mij
-neer en besproeide mijn voeten met zijne tranen. Van dat oogenblik heb
-ik den knaap in mijn hart gesloten, ook nadat hij de gunst zijns
-meesters had weten te winnen en hij zijn lievelingsslaaf, zijn
-vertrouweling werd.”
-
-„En wat kwam hij u mededeelen?”
-
-„Wat ik sinds lang wist, dat hij en nonna Suzanna elkander liever
-hadden dan het licht hunner oogen, dat het leven zonder elkander hun
-leeg en woest toescheen als een land zonder water en zonder wouden, en
-dat er nu sprake voor haar was van een deftig huwelijk met een jong
-onderkoopman. Haar droefheid kende geen grenzen meer. „Er is slechts
-een middel,” riep Sie Oentoeng uit, „wij zullen elkander eeuwige trouw
-beloven.”
-
-„Hoort gij onzen eed, Vader, ik weet dat gij menig huwelijk onder uw
-medeslaven hebt besloten, Suzanna zal het heilig boek meebrengen van
-haar godsdienst en zoo zal het huwelijk tusschen ons even hecht en
-heilig zijn als ware het in haar tempel gesloten. Ik deed wat ik kon om
-mijn jongen vriend van dat heillooze voornemen af te brengen, het was
-vergeefs. Tegen het vallen van den avond kwam hij met zijn geliefde in
-het zomerhuisje dat op de rivier stond, die de beide erven der woningen
-van elkander scheidde. Nonna Moor had haar gewijd boek bij zich; beiden
-zwoeren elkander trouw op dat boek, verwisselden de ringen en namen
-elkaar tot man en vrouw in tegenwoordigheid van God, van mij en van een
-vriendin, die Suzanna met zich had genomen. Het was een zonderling
-huwelijk, geen blanke zou het daarvoor erkend hebben maar Allah heeft
-mijn bede gehoord: „o God! vereenig dit paar door den band des
-huwelijks, gelijk Gij het water met den dauw vereenigt; want Gij o
-liefderijke God schenkt uw liefde aan hen, die u beminnen!” En dat was
-beiden kinderen genoeg!”
-
-„Dus zij zijn waarlijk getrouwd! En verder!”
-
-„Weldra kon het huwelijk niet langer meer verborgen worden. Begrijp den
-toorn van den hooggeplaatsten vader, die zijn dochter zoolang met vuur
-had laten spelen en nu plotseling zien moest dat het jonge hout aan het
-branden was geraakt. Nonna Suzanna hield zich moedig, zij noemde haar
-echtgenoot, het baatte niet; Sie Oentoeng werd in de gevangenis
-gesloten, zijn jonge vrouw gezonden naar het landgoed van een vriend
-haars vaders, dat op een eiland lag in de reede van Batavia.”
-
-„En welke zijn de laatste berichten die Soerapati van haar ontving?”
-
-„Ze zijn meer dan een jaar oud; zij schreef hem, dat zij moeder
-geworden was van een zoon en dat zij op het landgoed van haar vader een
-allertreurigst leven leidde, zij werd dag en nacht bewaakt, aan
-ontvluchten viel niet te denken; haar vader behandelde haar hard en
-wreed en wilde haar dwingen tot een huwelijk met een man veel minder in
-rang dan zij, daar zij nu onwaardig was een beter huwelijk te sluiten.
-Zij weigerde echter standvastig elk aanzoek, zich gebonden achtend door
-haar belofte aan hem.”
-
-„Hoorde hij niet meer van haar?”
-
-„Weinig meer, ons leven was te zwervend maar ik zag het hem aan; hevig
-verlangen verteerde zijn ziel naar vrouw en kind. Dat bracht hem er toe
-zich te onderwerpen aan den kapitein, die wanhoopte hem te buigen door
-de kracht der wapenen. Die liefde maakt hem den onverschrokken
-krijgsman flauw en weekhartig als een kind.”
-
-„Welnu, dan moet zij uit zijn hart gerukt worden. Ik beloof u mijn
-hulp, Kiai; wat is thans uw voornemen!”
-
-„Ik zal den knaap, die weldra hier zal aankomen laten zeggen dat nonna
-Suzanna getrouwd is met een ander, onverschillig of dat waarheid blijkt
-of niet.”
-
-„En zal hij het gelooven?”
-
-„Bezorg mij een ring gelijk aan dien, welken hij aan de hand der Nonna
-schoof, dien moet hij hem terugbrengen.”
-
-Bewonderend zag Radhen Goesik hem aan.
-
-„Nu zie ik,” sprak zij, „dat het lastige wapen van de leugen u goed
-toevertrouwd is. Lastig noem ik het daar ’t zoo licht de hand verwondt,
-die het voert.”
-
-„Voor mijn handen behoeft gij niet te vreezen, prinses.”
-
-„Welnu, ik zal zoeken onder mijn kleinoodiën of liever u laten zoeken
-of gij dergelijken ring vinden kunt. En verlangt ge niets anders van
-mij?”
-
-„Ge begrijpt dat Soerapati den knaap ruim zal beloonen voor goede
-tijdingen.”
-
-„Dan zal ik hem zijn leugens nog beter vergoeden.”
-
-Radhen Goesik wenkte hem achteruit te gaan; zij waren op de open plek
-gekomen, waar de tenten stonden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-POERBAYA’S KRIS.
-
-
-Hevige opgewondenheid heerschte in het kamp toen de prinses met haar
-gevolg er terugkeerde.
-
-De Vaandrig Kuffeler omringd door zijn mannen had zich tot den prins
-begeven en vroeg hem zijn wapens af in ruil van den beloofden
-pardonbrief der Compagnie.
-
-Soerapati stond terzijde bleek van drift; geen woord was sedert
-gisteren meer tusschen hem en Kuffeler gewisseld; zonder zich het minst
-om hem te bekommeren volgde zijn mindere zijn eigen instructiën. De
-Balineezen morden en vroegen zich af, wat toch de bedoeling der
-Compagnie geweest kon zijn met hen in dienst te nemen, vrijheid en
-vergiffenis te beloven.
-
-Was het alleen daar die Hollanders zich te zwak voelden om hen te
-bestrijden dat zij in ruil voor hun vergiffenis hulp en bijstand van
-hen vroegen, maar wat hadden zij met die gunsten der vreemdelingen te
-doen? Waren zij hier niet in hun eigen land, voerden zij geen vrij
-onbezorgd leven, beefde niet de geheele omtrek voor hen, bracht de
-bevolking hen voorheen niet vrijwillig alles wat zij verlangden enkel
-en alleen om hun dorpen van plundering te vrijwaren?
-
-En in plaats van dat vrije lot, zocht hun opperhoofd opnieuw de
-slavernij, hij spiegelde zich gouden bergen voor van zijn onderwerping
-aan de Hollanders, nu kon hij ervaren waaruit die belooning bestond;
-zijn diensten ja, die werden gaarne aangenomen, maar nu het de eer der
-onderneming gold, nu ging een ander er zich mee tooien en hij mocht
-toezien. Zouden nu eindelijk zijn oogen opengaan?
-
-Soerapati wist wat zijn volk dacht en mompelde; hij hoorde hun
-spotlach, hij kende hun denkbeelden en leed nog eens zooveel nu hij in
-hun tegenwoordigheid zoo diep vernederd werd door dezelfden, aan wie
-hij hen had opgeofferd. Het vuur der muiterij smeulde achter al die
-gebruinde voorhoofden, het kostte hem slechts een woord en allen zouden
-zij den vaandrig met zijn soldaten neergestoken hebben. Hij begreep het
-en toch moest hij kalm blijven in tegenwoordigheid van zijn mannen, in
-tegenwoordigheid van den prins, die hem zoo hoogschatte en die om
-zijnentwille vooral zich oprecht en gaarne aan de Compagnie onderwierp.
-Hij voelde zich beschaamd en diep vernederd maar er viel niets te doen;
-elke daad van hem jegens Kuffeler dit voelde hij genoeg zou hem als
-strafbaar aangerekend worden. Hij kon slechts den vaandrig laten begaan
-om des vredeswille, de eer van Pangeran Poerbaya’s onderwerping aan hem
-overlaten en alleen hopen op de billijkheid van kapitein Ruijs, die de
-hooge Regeering den waren staat van zaken zou blootleggen en hem
-voldoening geven tegenover den verwaanden vaandrig.
-
-Hij gaf den prins dus een teeken dat hij zich aan den uit Batavia
-gezonden onderofficier zou overgeven.
-
-„Het zal nu wezen,” sprak hij, „of gij u rechtstreeks in de handen der
-Ed. Compagnie stelt. Vaandrig Kuffeler spreekt als zaakgelastigde van
-den Grooten Heer; ik kon slechts uit naam van kapitein Ruijs met u
-onderhandelen.”
-
-„Zal zijn slaafsheid nog verder gaan?” vroeg Wirajoeda een jong en
-vurig Balinees aan den ouden Kiai Hemboong. „Ik ken onzen meester niet
-meer. Is hij dezelfde, die slechts met een kleine kris voorzien ons uit
-de gevangenis van Batavia verloste, de wacht neerstak zich van haar
-wapens meester maakte, schrik en dood overal verspreidde?”
-
-„Laat hem begaan mijn zoon! De tijger slaapt, wee den Christenhonden
-als hij ontwaakt!”
-
-„Maar waarom slaapt hij nu, waarom kruipt hij voor de Hollanders. Wij
-hebben hen niet noodig, een slag en wij zijn weer vrij!”
-
-„Hij is de moedigste die niets te verliezen heeft. Wie een kostbaar
-kleinood vreest te verbeuren wordt zwak...”
-
-„En lafhartig! Wij zien toe, wee hem zoo zijn slaafsche onderwerping te
-ver gaat. Ook onze trouw en toewijding hebben grenzen.”
-
-„Stil mijn zoon, stil! Overhaasting heeft meer bedorven dan moed deed
-winnen. De vrucht van verbittering is nog niet rijp in Soerapati’s
-ziel.”
-
-Intusschen gaf Pangeran Poerbaya op kalmen, beslisten toon aan zijn
-mannen bevel de bijeengebonden wapens aan den vaandrig over te geven.
-De pieken, buksen en krissen werden in bundels aan de voeten van den
-onderofficier gelegd.
-
-„Daar het de wensch is van de Ed. Compagnie dat ik mij aan u onderwerp,
-leg ik al deze wapenen vóór u ter aarde neder,” sprak hij kalm en
-ootmoedig. „Ik hoop dat gij mijn vrijwillige onderwerping op prijs zult
-stellen en dat geen kwaad mij en de mijnen geschieden zal.”
-
-„Er ontbreekt nog een wapen aan!” beet de vaandrig hem ruw en scherp
-toe.
-
-„De Heer vaandrig vergist zich,” antwoordde Pangeran Poerbaya rustig,
-„al mijn mannen zijn ontwapend.”
-
-„Maar gij zijt het nog niet; ik moet ook uw kris hebben, anders erken
-ik uw onderwerping niet.”
-
-De trekken van den Bantamschen prins namen een smartelijke uitdrukking
-aan, hij bracht onwillekeurig de hand aan zijn wapen, en een dof
-gemompel steeg uit zijn manschappen op.
-
-Radhen Goesik, die met de andere vrouwen en slavinnen bij de tent
-stond, bedekte haar gelaat met de handen op het vernemen van dien smaad
-haar echtgenoot aangedaan, ook de Balineezen lieten een onheilspellend
-gerucht hooren. Soerapati bewoog zich echter niet, roerloos staarde hij
-het tooneel aan.
-
-„Verschoon mij Heer,” sprak de prins, „maar ik geef mijn kris niet aan
-een ondergeschikt officier over.”
-
-„Wat, durf je nog voorwaarden stellen, wees blijde dat wij jou met je
-aanhang niet een blauwen pil laten slikken. Houd je praatjes voor je en
-geef mij je kris.”
-
-Vaster drukte Poerbaya zijn hand op het wapen en schudde het hoofd van
-neen zonder met een enkel woord op de ruwe toespraak van den vaandrig
-te antwoorden. Doodsche, dreigende stilte heerschte onder al die
-mannen, in het woud verzameld.
-
-„Geef je mij het ding goedschiks over,” drong Kuffeler aan steeds
-dichter en dichter op den vorst toetredend.
-
-„Vergun mij dat ik de kris op zijde houde, Heer!” sprak de Pangeran
-altijd even onderworpen. „We zijn hier nog niet op uw gebied. Het woud
-is onveilig en het zou gevaarlijk wezen daar ongewapend in rond te
-dolen.”
-
-„Meen je dat we niet sterk genoeg zijn jou en je kraam te beschermen
-tegen wie ook of vertrouw je dat aan vreemden niet? Kom, maak geen
-verdere praatjes en geef mij dat wapen, als je met Hollanders te doen
-wilt hebben dan dien je ook hun gewoonten te kennen.”
-
-„Ik ken de gewoonten der Hollanders,” hernam de prins, „maar men moet
-mij zoo hard niet vallen, want dit is mij een groote schande. De
-Compagnie heeft mij immers in genade aangenomen, waarom behandelt een
-vaandrig mij zoo hard?”
-
-Het gemompel verhief zich opnieuw, het werd luider en luider; aller
-oogen waren op Soerapati gevestigd, de brandstof lag hoog opgestapeld,
-een vonk was voldoende om ze in laaie te ontsteken; een wenk van zijn
-oog en de Bantammers waren op de saamgebonden wapens gevallen om
-tegelijk met de Balineezen Kuffeler en de zijnen neer te houwen.
-
-Soerapati voelde dat de toestand hoe langer hoe meer gespannen werd,
-dat dezelfde mannen, die nu nog naar hem opzagen in het volgende
-oogenblik over hem heen zouden doen wat hun verbitterd gemoed
-vóórschreef en dat het dan gedaan zou zijn met de mannen der Compagnie.
-Hij trad tusschen den prins en den vaandrig en sprak op bedarenden
-toon:
-
-„De prins heeft gelijk, vaandrig! Personen van zijn rang geven hun
-wapens slechts over aan leden der Hooge Regeering of aan
-hoofd-officieren; hij mag gerust zijn kris behouden, ik sta er u borg
-voor.”
-
-„Wat komt gij er u mee bemoeien, slaaf!” riep de vaandrig verbitterd,
-„’t deert u volstrekt niet, ’t is een zaak tusschen mij en den
-Pangeran.”
-
-„Ik wilde erger dingen voorkomen daarom trad ik tusschenbeide; sta den
-prins toe zijn kris te dragen totdat wij het bosch verlaten. Hij heeft
-gelijk, het kan hier onveilig worden en dan hebben wij gewapende mannen
-hoog noodig,” en zacht fluisterde hij hem in, „sta het toe, ik blijf u
-geen borg voor mijn mannen en de zijnen als gij voortgaat hen te
-verbitteren.”
-
-„Ellendeling, gij durft me dreigen?”
-
-„Ik dreig niet, ik waarschuw slechts.”
-
-„De woorden van den luitenant vinden weerklank in mijn ziel; ik zal u,
-hoe ongaarne ook mijn kris overgeven, doch eerst als wij deze plek
-verlaten hebben,” sprak de prins.
-
-„Nu kan ik niets anders doen dan het beloven, gij hebt den man gek
-gemaakt met uw dwaze tusschenkomst,” voer Kuffeler zich vertoornd
-omkeerend uit, „pas op, uw schuldboek is dik genoeg, addergebroed; gij
-vertrekt onmiddellijk naar Batavia daar kunt ge u verantwoorden ook nog
-over dit allerlaatste heldenstuk.”
-
-„Vaandrig, ’t is goed dat gij vertegenwoordiger zijt van de Hooge
-Regeering,” zeide Soerapati nog altijd even kalm, „ik zou anders niet
-vergeten, dat gij mijn ondergeschikte zijt.”
-
-„Een gedroste slaaf mijn meester!” schimpte Kuffeler.
-
-„Vaandrig,” fluisterde hem een zijner kameraden in het oor, „drijf de
-zaak niet tot het uiterste, die menschen zijn tot alles in staat als ze
-getergd worden. Zij zijn onze meerderen in getal.”
-
-„Meent ge dat ik ze vrees en wat u betreft, bruine huichelaar,” zoo
-wendde hij zich tot den Pangeran, „uitstel is geen afstel, uw kris moet
-ik hebben, op den morgen onzer afreize.”
-
-Verbaasd en als versuft zagen de inlandsche soldaten elkander aan en
-Kuffeler pochte tegen zijn kameraden:
-
-„Zoo moet men de Javaansche honden behandelen. Met kracht en geweld
-krijgt men alles van hen gedaan, met toegevendheid niet.”
-
-Radhen Goesik was intusschen op haar matje neergevallen en snikte:
-
-„Wat moet hij haar liefhebben daar hij zooveel van haar landgenooten om
-harentwille verdraagt!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-HET WAPEN VAN DEN GRIJSAARD.
-
-
-Wirajoeda, Kiai Hemboong en nog eenige der voornaamsten van Soerapati’s
-mannen waren tegen het vallen van den avond in zijn tent bijeengekomen
-en bespraken den toestand, dien zij allen onhoudbaar vonden.
-
-„Gij moogt die beleedigingen niet langer dulden, meester,” riep
-Wirajoeda uit, „beter is het weer terug te keeren tot ons zwervend
-leven in de wouden. ’t Is waar wij heetten toen roovers, maar is het
-dan niet beter een vrije roover te zijn dan een slaaf, want tot slaven
-willen zij ons weer maken, u zoo goed als ons. Gij hebt u aan hen
-verbonden, wij volgden u gewillig, de eer en het vertrouwen u
-geschonken was onze eenige belooning, nu echter, nu zij u hoonen, nu
-zij den prins van ons bloed doodelijk beleedigen, nu weigeren wij
-langer met hen samen te gaan. Verlaat hen meester, wij volgen u!”
-
-Soerapati zag hem schijnbaar kalm en rustig aan.
-
-„Is ’t u ernst geweest, toen ge eenmaal in de Bataviasche gevangenis
-gezworen hebt mij te gehoorzamen, wat ik ook bevelen zou?”
-
-„Ja!” riepen allen uit een mond.
-
-„Wij hebben zware dagen doorleefd, moeilijke tijden verduurd, velen van
-hen, die eens met ons waren zijn gevallen, het woud werd hun graf. Te
-zamen hebben wij veel leed gedragen; de nood was hoog gestegen toen wij
-ons aan de dienaren der Compagnie onderwierpen. Er viel te kiezen
-tusschen hun bescherming of den dood door hun wapens. Van alle kanten
-omsingelden zij ons; ik liet u vrij in de keuze en toen hebben wij ons
-vrijwillig aan hen onderworpen.”
-
-„En tot loon daarvoor willen zij ons thans weer in slavernij voeren.
-Dat is een laag verraad!”
-
-„Gelooft dat niet, vrienden! Niemand onzer heeft zich over kapitein
-Ruijs te beklagen; hij is een rechtschapen, eerlijk man. Hij heeft mij
-steeds zijn volle vertrouwen geschonken, de meest eervolle taak droeg
-hij mij en dus ook u allen op; hij voorzag ons van wapens en zond ons
-naar den Pangeran! Wat belette ons toen met de Bantammers gemeene zaak
-te maken? Wij deden het niet, want wij zijn niet gelijk aan de stengels
-van het bamboeriet, die door den wind van links naar rechts bewogen
-worden. We hebben den Hollanders onzen eed van trouw gegeven, tot nu
-toe braken wij dien niet. Waarom zullen wij nu allen, omdat een
-verwaande vaandrig ons dreigt, de Edele Compagnie verraden en
-terugkeeren naar een leven van roof en doodslag? Zal men dan niet
-zeggen, het was dien mannen nimmer ernst met hun onderwerping? Zij
-hadden ’t op onze wapenen gemunt en op niets anders, het zijn lage
-dieven en bedriegers. De Heer Ruijs zal zijn hoofd schudden en zeggen:
-„Geen bruin man verdient meer geloof!” Blijft dus bedaard! Gaat nu kalm
-uitrusten, wie weet of de morgen geen verandering ten goede brengt.”
-
-De Balineezen verwijderden zich en Kiai Hemboong stond alleen tegenover
-zijn pleegzoon.
-
-„Wat is er vader?” vroeg Soerapati, „uw gelaat voorspelt geen goede
-tijding. Waarlijk, de dag bracht reeds zorg en toorn genoeg; o ’t kost
-zooveel anderen tot kalmte en onderwerping aan te sporen, als het eigen
-hart tot berstens toe vol is van gramschap.”
-
-„Mijn zoon, uw hart is reeds zoo gepijnigd door verdriet en ergernis,
-hoe zal ik die nog kunnen vermeerderen?”
-
-„Ge brengt mij een bericht van rouw, ik zie ’t u aan. Is er iets met
-den Pangeran of met kapitein Ruijs? Geeft hij den vaandrig gelijk?”
-
-„Ik weet niets mijn zoon, noch van den vaandrig, noch van den heer
-Kapitein. Ook het aangezicht van den edelen prins heb ik sinds van
-morgen niet gezien.”
-
-„Wat kan het dan zijn, uw woorden schijnen als overladen van gift en
-dood? Is Ardjo....”
-
-„Ja, gij hebt recht, Ardjo is weergekeerd.”
-
-„En welke tijding brengt hij mij? Spoedig, spoedig, ziet ge niet hoe ik
-verga van ongeduld. Leeft Suzanna...? Of neen, ik wil ’t uit uw mond
-niet hooren, laat Ardjo zelf komen, laat hij zelf mij zeggen, wat hij
-gezien en gehoord heeft.”
-
-De grijsaard deed een stap naar buiten en wenkte een als Javaansche
-landbouwer verkleed jonkman nader te komen. Ardjo trad binnen en wierp
-zich aan zijn meesters voeten om die vol eerbied te kussen.
-
-„Wat hebt ge mij te zeggen,” riep Soerapati onstuimig uit, „spoedig,
-spoedig! Breng me goede tijding, hier is goud om u te beloonen, als gij
-mij goede tijding brengt. Leeft nonna Moor?”
-
-„Zij leeft, Heer!”
-
-„En zij laat mij groeten, zij heeft mijn brief gelezen, zij verwacht
-mij steeds?”
-
-„Luister naar mij, Heer!”
-
-„Ik zal luisteren, maar waarom ziet ge mij zoo medelijdend aan, gij
-Kiai en gij knaap? Zij leeft en zij is gezond en toch durft ge niet
-voortspreken.”
-
-„Wilt ge kalm naar mij luisteren, Heer?”
-
-„Ja, zeker, ik hoor u aan; ge zult mijn vertrouweling, mijn rechterhand
-worden, als ge mij verzekert, dat zij gezond is, dat zij aan mij denkt
-als aan haar echtgenoot.”
-
-„Zij leeft en zij is gezond.”
-
-„En zij denkt aan mij?”
-
-„Zou zij niet aan u denken?”
-
-„O geluk, dan vrees ik niets meer, Allah zij geprezen, zij is gezond en
-zij heeft mij niet vergeten. Wat deren me nu de kleingeestige
-plagerijen van een Kuffeler? Hoe kan ik meenen dat de Hollanders mij
-verachten als zij mij trouw blijft? Gij hebt haar of haar slavinnen
-gesproken?”
-
-„Ja ik heb haar slavinnen gesproken.”
-
-„En die hebben u verzekerd dat zij mij niet vergeten heeft?”
-
-„Hoe zou zij u kunnen vergeten Heer, hoewel...”
-
-„Dat hoewel is vol bedreiging, zeg mij waar gaat het zwanger van? Houdt
-haar vader haar nog gevangen?”
-
-„Neen Heer, zij is vrij, tenminste haar voeten zijn vrij.”
-
-„Maar wat is dan niet vrij aan haar?”
-
-„Zij zelf, Heer! want haar ziel is gebonden.”
-
-„Ge bedoelt toch niet dat zij getrouwd is.”
-
-„Helaas! Heer, niets anders!”
-
-„Ellendeling! Voor dat bericht zal ik u dooden.”
-
-En als een wild dier stortte hij zich op den knaap neer. Zijn oogen
-rolden als vurige ballen, het schuim bruiste op zijn lippen en als
-gekromde klauwen strekte hij de vingers uit om den ongelukkige te
-wurgen. „Ampon, genade, Heer! genade!” kreet de knaap, achteruit
-wijkend, maar in een sprong was Soerapati bij zijn slachtoffer, hij
-klemde hem in zijn armen en brulde:
-
-„Herhaal die leugen nog eens, als ge durft.”
-
-„Ampon, ampon! goede, genadige, meester! Ik zal u alles zeggen,” kermde
-hij.
-
-Nu trad Kiai Hemboong tusschenbeide.
-
-„Laat hem los! mijn zoon! Laat hem los! Sinds wanneer stelde men hem,
-die een booze tijding bracht, verantwoordelijk voor de slechte mare
-door hem bericht? Blijf uzelf meester!”
-
-„Getrouwd met een ander, mijn vrouw! ’t Is niet waar, Ardjo ik zal u
-geen leed meer doen. Vraag van mij wat ge wilt, maar zeg dat het niet
-waar is, zeg dat ge u vergist hebt, dat ge mij op de proef wildet
-stellen, dat nonna Moor mij nog trouw is.”
-
-Hij hield de handen van den knaap nog steeds in zijn vuisten
-geschroefd; hijgend en sidderend staarde hij hem aan, Ardjo keerde de
-oogen af, zijn lippen bewogen zich, toen de oude man er tusschen kwam.
-
-„Mijn zoon, wat baat het u de ooren te sluiten als de storm loeit, de
-storm gaat toch voort alles te vernielen en te verwoesten wat hij
-ontmoet. Beter is het bijtijds have en goed te bergen. Ardjo sprak de
-waarheid, mishandel hem niet en hij zal u het bewijs geven van de
-oprechtheid zijner ziel.”
-
-„Ik wil geen bewijzen meer, als zij getrouwd is, dan zal ik hem dooden,
-die het mij durft zeggen.”
-
-Angstig gingen Ardjo’s blikken op en neer tusschen den ouden man en
-zijn meester, besluiteloos wat hij doen moest.
-
-„Geef uw Heer, wat gij hem te geven hebt,” beval Kiai Hemboong, „en
-verlaat dan voor goed zijn oogen.”
-
-Aarzelend haalde de jongen met zijn lippen een pakje uit de sjerp, die
-zijn middel omsloot en reikte het Soerapati over; als een roofvogel,
-die een betere prooi in het oog krijgt en die bemachtigen wil zoo liet
-de Balinees de polsen van den knaap vrij, en wond het in zijde
-gewikkelde pakje los.
-
-Kiai Hemboong blies Ardjo slechts een woord in het oor: „Radhen
-Goesik,” en stiet hem toen ijlings weg; Soerapati’s bevende vingeren
-scheurden de windsels los totdat hij ten laatste een wit zijden
-rolletje vond, waaraan een ring was geregen.
-
-Razend slingerde hij het juweel van zich af als ware het een vergiftige
-slang geweest en stortte toen luid brullend ter aarde neer.
-
-Kiai Hemboong zag met wijd opengespalkte oogen zonder een vinger te
-roeren de smart aan, die den krachtigen man overweldigde.
-
-„Mijn drank is sterker dan die, welke zij kon doen bereiden,” dacht
-hij, „zie hoe het wapen getroffen heeft! Maar ’t is slechts ’t begin
-der genezing na de doodelijke kwaal.”
-
-Hij loeide als de gewonde tijger, die met de spies nog in het lichaam
-naar zijn hol terugkeert en het aangezicht der menschen ontvlucht; met
-het gelaat ter aarde gedrukt ging Soerapati voort luid te jammeren en
-te stenen.
-
-Kiai Hemboong boog zich naar hem en fluisterde hem toe:
-
-„Mijn zoon, matig uw smart, de Hollanders mochten uw klachten hooren en
-meenen dat het hun meester is, die u deze kreten ontlokt.”
-
-Maar de wanhopige hoorde niet; hij bleef aan zijn woede en smart lucht
-geven op een wijze, waarvan zij die door levenslange beschaving en
-zelfbeheersching geleerd hebben hun gevoelens te bedwingen en in een
-keurs van fatsoen te sluiten, geen begrip hebben.
-
-„Gelukkig, zijn tent ligt afgelegen, niemand kan hem hooren, van die
-vervloekte Hollanders,” dacht de oude, en hij zette zich op den drempel
-neer om de wacht te houden over de smart van zijn pleegzoon.
-
-Allengs werd Soerapati’s smart minder luidruchtig, slechts doffe
-snikken klonken nu en dan; soms trad de grijsaard binnen maar nog
-steeds lag hij onbewegelijk op dezelfde plaats; heftige schokken van
-zijn lichaam alleen verrieden hoe zwaar hij leed, al ontbrak hem
-wellicht de kracht om zijn leed nog zoo hevig uit te klagen. Op alle
-vertoogen van zijn ouden vriend bewaarde hij een hardnekkig zwijgen;
-een enkelen keer verried slechts een zacht gekerm de duldeloosheid
-zijner pijnen.
-
-Vaandrig Kuffeler kwam aan de tent, hij moest den Balineeschen hoofdman
-spreken.
-
-„Mijn meester is ziek,” antwoordde Kiai Hemboong.
-
-„Dwaze uitvluchten, laat me door!”
-
-De grijsaard trok zijn kris en liet die bloedrood flikkeren in het
-licht der fakkels, die op bamboestaken van afstand tot afstand
-bevestigd het tooneel verlichtten.
-
-„Slechts over mijn lichaam zult gij binnentreden,” sprak hij kalm maar
-beslist.
-
-De vaandrig wendde zich boos om maar drong niet verder aan; hij voelde
-ook instinctmatig dat de gemoederen onrustig waren en dat er iets
-ernstigs in de omgeving van den Prins broeide. Zoo gingen er weer
-eenige uren om, altijd bleef Soerapati onbewegelijk op den grond van
-zijn tent uitgestrekt; de grijsaard kon niet zeggen of hij bewusteloos
-was dan wel of de overmaat van smart zijn ledematen verlamd had om aan
-zijn ziel alle kracht tot lijden te laten.
-
-Reeds waren de sterren hoog aan den hemel toen een vrouw het gelaat in
-den slendang verborgen, de tent naderde.
-
-„Kiai,” fluisterde zij zacht.
-
-„Zijt gij het Radhen?” vroeg hij, „komt ge hooren hoe mijn wapen doel
-heeft getroffen, daar ligt hij binnen, machteloos als een gewonde
-stier, die uit een kamp met den tijger terugkeert.”
-
-„Mag ik hem zien?”
-
-„Waartoe zou het dienen, edele Vrouwe? Doe uw held de vernedering niet
-aan, hem in zulk een toestand te aanschouwen.”
-
-„Misschien vinden mijn lippen woorden van troost.”
-
-„Hoe kunnen uw troostredenen wortel vatten in zijn ziel, die nu nog
-overstroomd is door de herinnering aan een ander? Laat de wateren der
-smart eerst wegvloeien, prinses, dan wordt de grond hard en koud en een
-nieuwe liefde zal gemakkelijk daar opkomen.”
-
-„Meent ge dat?” vroeg zij met schitterende oogen.
-
-„Ik beloof het u, hij heeft den drank nog niet geheel gedronken nog heb
-ik eenige druppels, die hem zullen opwekken tot toorn en wraak. Is
-Ardjo bij de edele vrouw geweest?”
-
-„Ja, hij heeft me sidderend verteld van zijn razernij en zijn smart. Ik
-heb hem rijkelijk beloond en de vlucht aangeraden maar eerst liet ik
-hem verhalen van haar, die zijn hart vervult. Hij heeft haar slavin
-gesproken, zij blijft elk huwelijksaanzoek weigeren en nu wilde haar
-vader, vernemend dat Soerapati naar Batavia bescheiden is, en misschien
-vreezend dat hij gedwongen zal worden haar aan hem te schenken, zijn
-dochter naar Holland doen vertrekken met haar zoon, ’s vaders
-evenbeeld.”
-
-„Ik weet het; Ardjo verhaalde het mij, zij zond hem een boodschap met
-de woorden: „Haast u, anders is het te laat!” Zoo Soerapati die
-ontvangen had, hij zou nog veel meer van den vaandrig verdragen hebben,
-hij zou zich naar Batavia laten zenden, alleen in de hoop haar te
-verwerven. Wij doen hem lijden, Radhen, maar ’t is om zijn best wille.”
-
-„Zou ik er anders toe meegewerkt hebben? Maar laat mij u ook een geheim
-vertrouwen. De prins wil vertrekken, hij weigert zijn kris morgen af te
-geven; nog heden nacht zal hij gaan, als ik het hem raad.”
-
-„En zijn onderwerping?”
-
-„Hij is diep beleedigd en wil een zwervend leven in de bosschen
-verkiezen boven zulk een smadelijke behandeling.”
-
-Kiai Hemboong dacht na.
-
-„De zaak wordt moeilijk, maar ’t is zoo het beste. Dring op een snelle
-vlucht aan, nog vóór de zon aan den hemel verschijnt, voor het overige
-draag ik zorg.”
-
-„Maar hij?”
-
-„Ik bezit het middel om hem te doen handelen naar mijn wil.”
-
-„Ik vertrouw u, vader! Ik moet den prins volgen maar weldra zal ik een
-scheidingsbrief van hem bekomen en dan volg ik uw zoon op den weg, die
-hem leiden zal naar roem en eer.”
-
-„Allah bescherme uw schreden, prinses!”
-
-Zij verwijderde zich snel en verdween in de duisternis; het was een
-heerlijke nacht schitterend van sterren, de eindelooze melkweg blonk
-als een gordel van licht tusschen de myriaden van glinsterende vonken,
-rondgespat in het donkere ruim. Geen geluid verbrak de stilte als het
-gegons der insecten, het klagend kirren der woudduiven, en het eentonig
-geneurie van eenige Javaansche wakende soldaten, die een pantoen
-opdreunden om de lengte van den nacht een weinig te verkorten.
-
-Kiai Hemboong trad behoedzaam in de tent en boog zich nogmaals naar
-Soerapati.
-
-„Slaapt ge?” lispelde hij hem in de ooren.
-
-„Laat mij in vrede, vader!” antwoordde hij zacht, „ik lijd te veel, dan
-dat ik spreken kan.”
-
-En als hadden die woorden de betoovering verbroken welke zijn zinnen
-gevangen hield, begon hij thans zacht te weenen.
-
-„Hij schreit, dat is goed, tranen verlichten de zware ziel,” sprak Kiai
-Hemboong opstaande en nam zijn vorigen post weer in voor den ingang der
-tent.
-
-Hij bleef roerloos zitten, wat er ook gebeurde. Hij zag beweging in des
-Pangerans tent; gestalten slopen er uit, paarden werden bestegen, de
-draagstoelen der vrouwen en kinderen voorgebracht, en door haar
-ingenomen.
-
-Alles ging stil in ’t werk zonder eenig gedruisch, alleen de wachters
-bleven nog voor de tent om te doen gelooven dat zij trouw op hun post
-waren.
-
-Eenige Balineezen kwamen naderbij, en zagen verbaasd die toebereidselen
-tot vertrek aan; onwillekeurig naderden zij de tent van hun hoofdman.
-
-„Laat hen begaan!” voegde de grijsaard hen toe. „Soerapati onze meester
-heet ziek om hen gelegenheid te geven zich te verwijderen, laat hen
-rustig aftrekken. ’t Is afgesproken.”
-
-Weinige oogenblikken later was de Bantamsche prins en zijn stoet
-weggevlucht in het dichte woud terwijl Kuffeler en zijn Hollanders
-rustig bleven voortslapen.
-
-De eerste morgenstralen verguldden den top van den Gedeh en er ging een
-adem door het gebergte, die alles tot ontwaken en herleven opriep;
-bleeker en bleeker werden de sterren, zachter klonk het gegons der
-insecten, de duisternis werd dunner en waziger, de morgen in zijn volle
-schoonheid zou aanbreken, toen plotseling grauwe wolken zich
-samenpakten over het woud en een fijne stofregen naar omlaag zonden,
-die allen glans en luister aan het heerlijke morgenuur ontnam.
-
-Nogmaals trad Kiai Hemboong naar binnen; hoewel de regen de anders zoo
-korte schemering verlengde, konden slechts weinige oogenblikken
-verloopen vóórdat de vlucht van den prins ontdekt werd. Ten koste van
-alles moest Soerapati nu uit zijn verdooving worden gewekt.
-
-„Mijn kind,” begon de grijsaard met een teederheid in de stem, welke
-men van hem het allerminst zou verwacht hebben, „reeds den geheelen
-nacht hebt gij aan uw smart toegegeven, nu roept de jonge dag de mannen
-op tot nieuwen arbeid en tot nieuwen strijd. Laat uw verdriet
-wegvluchten met de schaduwen, die nu voorbij zijn.”
-
-Soerapati hief ’t hoofd op en vestigde zijn verwilderd misvormd gelaat
-op naar zijn pleegvader.
-
-„Ik heb alle tranen die mijn oogen bevatten gestort, ik kan niet meer
-weenen, ik kan niet meer klagen,” zeide hij met heesche stem, „ô hoe
-had ik het kunnen vermoeden, getrouwd, getrouwd met een man van haar
-volk, terwijl ik mij en mijn makkers liet vernederen en vertrappen om
-harentwil alleen.”
-
-„Mijn zoon! Ik heb het u menigmaal herhaald, blank en bruin mogen zich
-niet paren, dat geeft groote rampen. Maar dat is nu voorbij! Sta op,
-wasch uw gelaat, dompel uw lichaam in de wateren der bron en overleg
-met wijzen en dapperen, wat u te doen staat.”
-
-„Ik wil niets meer, niets meer dan mij zelf vergeten, mij zelf
-vernietigen! De kluizenaars uit mijn vaderland achten het de grootst
-mogelijke zaligheid als men alles in zich doodt, liefde, haat,
-begeerte, vreugde en smart, zoo wil ik heengaan en datzelfde doen.
-Niets kan de wereld mij meer geven nu zij mij ontrouw werd.”
-
-„Zoo spreekt de verwijfde dienaar der vrouwen die zijn dagen in het
-Kapoetren doorbrengt, niet de krachtige, forsche man, die handelen
-durft, om zich te wreken.
-
-„Op wien zal ik mij wreken? Op haar vader, hij is te ver, op haar man?
-Ik zou haarzelf treffen als zij hem liefheeft en zoo zij hem niet
-bemint wat win ik dan of denkt ge dat ik in dezen langen nacht toen ik
-hier gejammerd en geweend heb, niet alles wel overwoog in mijn geest?
-Maar er is niets voor mij te doen niets dan het voorbeeld mijner
-vaderen te volgen en rust te zoeken in het zalige Nirwana.”
-
-„Dat moogt ge niet, mijn zoon! Gewichtige belangen roepen u terug tot
-het handelende, het bezige leven. Er is veel gebeurd van nacht, zeer
-veel!”
-
-Daar klonk een toornige stem buiten de tent, een oud Hollandsche vloek
-te midden der Oostersche natuur.
-
-„Gevlucht maar ’t is niet mogelijk.”
-
-„Ze zijn allen weg, van morgen zaten nog eenige mannen op wacht voor
-zijn tent, maar nu zijn ook deze verdwenen.”
-
-„Vervloekt tuig, daar is de Balinees schuld van, daarom hield hij zich
-ziek.”
-
-Soerapati was opgesprongen en greep naar zijn wapens; ijlings bracht
-hij zijn verwarde kleederen in orde, bond zich den doek om het hoofd en
-snelde naar buiten. Balineezen en Hollanders waren daar verzameld, luid
-en druk pratend en twistend, de tent van den Pangeran stond geheel open
-en ledig.
-
-„Daar is hij de verrader, de stoker van al die onlusten,” riep Kuffeler
-bleek van woede en stormde op den Balineeschen hoofdman toe. „Zult ge
-mij nu zeggen, struikroover, waar de prins gebleven is, of wilt ge
-liegen dat ge er niets van af weet?”
-
-„Ik zweer u bij den God mijner vaderen, dat ik nu pas de vlucht van den
-Pangeran verneem. Ik ben tot stervens toe ziek geweest van nacht.”
-
-„Zeg liever dat je aan het opium schuiven geweest zijt. Je gezwollen
-gezicht verraadt het genoeg, zeker op de gezondheid van den ontvluchten
-vogel. Maar wat meent ge dat de Compagnie zoo met zichzelf laat
-spotten, door een ellendigen dief en leugenaar als gij? Spoedig zet hem
-na of het zal je heugen.”
-
-„Ik ontvang uw bevelen niet,” antwoordde Soerapati waardig, „gij zijt
-mijn mindere en zoo de prins ontvlucht is, dan kome de
-verantwoordelijkheid op u neer. Hij was gewillig zich aan u over te
-geven, zooals hij trouwens reeds bereid was het aan mij te doen, maar
-gij hebt hem diep gegriefd door uw handelwijze van gisteren. ’t Is niet
-billijk dat ik thans uw fout moet goedmaken; mijn mannen zullen hem
-niet volgen. Zoo gij het noodig acht, vertrouw die taak aan uw
-soldaten!”
-
-„Zulk een taal tegen mij, verwenschte spitsboef! Ik zal het je leeren
-dat men niet straffeloos een Europeaan beleedigt in het bijzijn van al
-die zwarte apen.”
-
-En hij sloeg hem vlak in het gelaat; een dof gehuil deed zich onder de
-Balineezen hooren, hun hoofdman bracht de handen aan het gelaat, de
-onverwachte slag deed hem duizelen, hij wankelde en zou ter aarde
-gevallen zijn als Kiai Hemboong hem niet ondersteund had.
-
-„Meester,” riep Wirajoeda uit, „kies tusschen dien ellendigen kafir en
-ons. Wij willen niet langer dienen onder een hoofdman, die zich laat
-beschimpen en zelfs slaan door zijn mindere. Wij zullen u wreken of
-anders dooden wij u tegelijk met hem.”
-
-„Spaar hem, ik bid het u! Hij is ziek,” vermaande Kiai Hemboong, „laat
-hem tot zichzelf komen.”
-
-En hij trok hem met zich mede in de tent; Kuffeler zag de dreigende
-houding der Balineezen en misschien beschaamd over zijn onvoorzichtige
-daad gaf hij aan eenige zijner manschappen bevel hier te blijven
-terwijl hij met de anderen den vluchtenden Pangeran zou vervolgen.
-Wirajoeda en nog eenige Balineezen traden in Soerapati’s tent; hijzelf
-stond met den rug naar den ingang beide handen tegen het gebogen hoofd
-gedrukt, terwijl Kiai Hemboong hem te vergeefs aanzocht iets opwekkends
-te drinken.
-
-„Meester, wat is uw antwoord!” drong de vurige Wirajoeda aan, „de
-Balineezen vragen wat gij hen toedenkt, slavernij of vrijheid? Tot geen
-prijs willen zij zich langer onderwerpen aan die vreemde meesters. De
-ellendigste dood in de wildernis is beter dan leven in slavernij.”
-
-Nog zweeg Soerapati, dieper en dieper zonk zijn hoofd. Wirajoeda’s
-oogen fonkelden, hij bracht de hand aan de kris.
-
-„Ik heb u lief,” ging hij met gedempte stem voort, „ik bewonderde u
-sinds ik zag hoe duur gij uw vrijheid durfdet koopen. Ikzelf ben een
-gevluchte slaaf, zoolang ik u diende, meende ik, zou er geen vrees
-bestaan dat ik ooit weer den nek voor mijn blanken meester zou moeten
-krommen. Wij allen hebben ons uit vrijen wil aan u vertrouwd, wij
-lieten u gaarne het bevel over ons, het was ons goed u te gehoorzamen
-zelfs toen gij verzekerdet, dat het in ons belang zou zijn de Compagnie
-te dienen maar nu zien wij duidelijk, wat men ons toedenkt, dat nimmer
-die trotsche blanken zullen vergeten wie wij waren, en dat vroeg of
-laat ellendige slavernij opnieuw ons lot zal wezen. Bedenk dat daar
-ginds geeseling en boeien, de zweepslag van den opzichter, de ketting
-van den slavenmeester, oneer en schande ons vrijen mannen verbeiden. En
-dat wil geen onzer, liever stoot ik u deze kris in het hart.”
-
-Nu keerde Soerapati zich om en zag Wirajoeda met een onbeschrijflijk
-matten blik aan.
-
-„Steek toe vriend, steek toe!” zeide hij zijn borst ontblootend,
-„grooter dienst kunt gij mij niet verleenen. Ik ben u dankbaar dat gij
-mij van den ondragelijken last des levens bevrijden wilt.”
-
-Maar Wirajoeda, liet de opgeheven kris vallen en zonk voor zijns
-meesters voeten neer.
-
-„Vergeef mij meester! Ik kan niet, ik kan niet! O waarom zijt ge
-dezelfde niet van voorheen, de onverschrokken held, die noch vrees noch
-angst kende? Word uzelf weer, beveel ons den Hollander aan te vallen,
-stel u aan ons hoofd. Wat gij beveelt zullen wij verrichten, al gebiedt
-gij ons ook Jacatra uit hun handen te rukken.”
-
-„’t Helpt niet meer! De eerzucht is dood in mijne ziel.”
-
-„En de wraakzucht ook?” fluisterde Kiai Hemboong. „Mijn zoon, ik heb
-het voor u verzwegen daar ik groote rampen vreesde, maar nu is het
-beter u alles te bekennen. Weet ge waarom Kuffeler u zoo diep grieft,
-waarom hij u vervolgt? Hij is Suzanna’s echtgenoot.”
-
-Woest richtte Soerapati zich uit zijn gebogen houding op; zijn oogen
-spatten vonken rond, de kris verliet knarsend en bliksemend de schede,
-hij zwaaide ze in zijn rechtervuist en stampvoetend van razernij, stiet
-hij de vraag uit:
-
-„Wie heeft dat gezegd? Wie?”
-
-„Ardjo, ik beval hem te zwijgen, om uwentwille.”
-
-„En die durfde mij slaan. Dood en verderf, ik zal mij nu wreken op de
-Hollanders, op allen.”
-
-„En wij zullen u niet verlaten meester,” juichte Wirajoeda, „gij hebt
-goed gesproken Kiai. Heb dank!”
-
-Soerapati stormde naar buiten met de alarmkreet van „amok, amok!”
-waarmede hij eenmaal ook tegen de poorten der Bataviasche gevangenis
-gerend was.
-
-„Amok, amok!” kreten de Balineezen toen zij hem uit de tent zagen
-snellen met opgeheven kris, buiten zichzelf van woede en wraaklust.
-
-De Hollanders en kleurlingen, die bij elkander gevlucht waren, hadden
-nauwelijks den tijd hun wapens te trekken. Als een horde wilde dieren,
-schreeuwend en tierend, bloed en moord ademend, wierpen de Balineezen
-zich op het kleine troepje, dat slechts in vluchten zijn heil zag, maar
-vlucht of tegenweer baatte hen niet; zij werden achtervolgd en
-omsingeld, achter elke struik, achter elken boom glommen de krissen,
-weinige oogenblikken later waren allen neergeveld.
-
-„Waar is de vaandrig, de ellendeling, ik dorst naar zijn bloed,” riep
-Soerapati, maar Kuffeler, die vergeefs den prins vervolgde, bemerkte
-niets van het aangerichte bloedbad en kwam niet meer naar het kamp.
-
-Langs bergpaden en ravijnen keerde hij met zijn overgebleven soldaten
-naar Tandjong Poera terug; Soerapati en de zijnen vervolgden hen van
-alle kanten maar hij wist ze te ontkomen en kwam eindelijk bij den
-commandant der kleine vesting terug met de schier ongeloofelijke
-treurmare:
-
-De Prins gevlucht, Soerapati in opstand, het grootste gedeelte zijner
-mannen gedood; zooals licht te begrijpen is, gaf hij den Balinees
-schuld van alles.
-
-Eenige dagen later kwam Pangeran Poerbaya echter in eigen persoon op
-het fort om zich aan den kapitein over te geven. Van Soerapati en zijn
-mannen vernam men niets meer, zij hadden zich teruggetrokken in de
-ontoegankelijke wildernissen aan den voet van den Galongong.
-
-Toch wist een groepje mannen hem te vinden, een hunner was klein,
-hoewel reeds volwassen, en heette Boeloe Kidoer de dwerg van den Prins;
-de andere, die allen vol eerbiedige zorg omringden, hoewel in
-manskleederen gehuld, trok spoedig de aandacht door zijn fijne, ranke
-gestalte en teedere meisjesachtige trekken.
-
-Beiden kwamen aan in de grotten, waar Soerapati en de zijnen zich
-wegscholen.
-
-„Herkent ge mij nog Heer?” vroeg de jongeling aan den Balineeschen
-hoofdman.
-
-Hij schudde het hoofd van neen.
-
-„Deze kleeren behooren mijn geslacht niet. Ik ben Radhen Goesik eenmaal
-Pangeran Poerbaya’s gade. Toen mijn echtgenoot zich nogmaals aan de
-Compagnie onderwierp, heb ik mij van hem gescheiden. Nu verzoek ik u
-mij te geleiden naar den dalem mijner ouders in Karta-Soera.”
-
-„Er zal geschieden naar uw wensch, prinses!” sprak Soerapati zich diep
-buigende, „alles is verbroken tusschen mij en de Hollanders. Zij hebben
-mijn trouw en hulp versmaad, zij hebben mij belogen en verraden, ik zal
-hun reden geven het met bloedige tranen te betreuren, dat zij de
-vriendschap van Soerapati hebben versmaad. Dood aan hen! Wij trekken op
-naar Karta-Soera.”
-
-„Neem mij mede,” smeekte de dwerg, „ik wilde mijn meesteres niet
-verlaten.”
-
-„Ge kunt blijven,” antwoordde Soerapati, „maar op een voorwaarde. Leer
-mij uw tooverspreuk! Ik heb ze noodig om de Hollanders te verdelgen. Ze
-hebben mij alles ontroofd en ik ga mij nu wreken door tooverij en door
-wapenen.”
-
-„Ik zal u het woord toefluisteren,” grijnsde de dwerg, „het zal u den
-weg banen tot een troon.”
-
-En hij lispelde hem de geheimzinnige woorden in het oor.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE GEDEELTE.
-
-
-I.
-
-HET STEEKSPEL.
-
-
-Te midden der drie hooge bergen de Lawoe, de Merapi en de Merbaboe in
-een schoone vruchtbare streek ligt de keizerlijke hofstad Karta-Soera,
-die nog slechts sinds weinige jaren door den keizer van Mataram bewoond
-werd. Vroeger toch tijdens den opstand van Troeno-Djojo lag de
-residentie meer ten zuiden bij de hoofdstad Mataram; na het sluiten van
-den vrede echter had keizer Hamangkoe-Rat een tegenzin gekregen in den
-dalem, dien zijn vader bijna stervend had moeten ontvluchten en daarom
-zich in Karta-Soera een paleis laten bouwen.
-
-Zooals alle vorstelijke verblijfplaatsen had de kraton van Karta-Soera
-meer het voorkomen van een vesting dan van een paleis; dikke ringmuren
-hier en daar afgewisseld door bastions omgaven de talrijke gebouwen
-door den keizer en zijn hofhouding bewoond; verscheidene poorten gaven
-er toegang aan.
-
-Niet ver van den hoofdingang zag men een omheining of pagger, die de
-bamboezen huizen omringde, welke tot kazerne dienden voor de
-Hollandsche lijfwacht, door de Compagnie genadig aan den keizer te
-zijner bescherming toegestaan, maar die eigenlijk geen ander doel had
-dan den vorst en zijn aanhang in het oog en onder bedwang te houden.
-
-De hoofdpoort gaf toegang aan den grooten aloen-aloen, een uitgestrekt
-binnenplein, door groote in parasolvorm gesnoeide waringins beplant en
-van alle zijden omringd door kleine gebouwen, die tot bergplaats
-dienden der gamelans van de rijksgrooten, van hun wapens en
-paardentuigen in gebruik bij de wekelijksche tournooien. De grond was
-met wit zand bestrooid; zorgvuldig was echter elk grashalmpje geweerd
-en zoo helder en glad scheen de gladde oppervlakte, dat men er, volgens
-Javaansche spreekwijze, gerust stofgoud op kon strooien, zonder dat dit
-verloren ging.
-
-Een tweede poort leidde tot het binnenste van het paleis, waar zich
-achter de reusachtige, rijk met verguld snijwerk versierde pendoppoh,
-het eigenlijke vorstelijke verblijf of de Probojoso bevond, niet ver
-van de Kapoetren of harem.
-
-Aan elke poort hield een vrouw de wacht, een oude gerimpelde nimf in
-hofkostuum, dat wil zeggen in enkelen sarong tot boven de borst
-reikend, armen, schouders en hals bloot maar met gele verf gekleurd.
-
-Aan een der zijden van den aloen-aloen verheft zich de Sitingil, een
-hoogte, waarop de keizer zich met zijn eerewacht neerzet wanneer hij,
-zooals heden het geval is, een tournooi komt bijwonen. Het is een
-levendig schouwspel, dat zich bij zulk een steekspel op den aloen-aloen
-vertoont; eenige honderden ruiters in rijke zijden kleederen, omringd
-door hun dienaren, welke evenals zij kleine vurige paarden berijden,
-verzamelen zich op het open veld.
-
-Een schitterend, echt Oostersch tafereel, een weelde en rijkdom van
-kleuren en glanzen, die door de reeds dalende zonnestralen nieuwen
-gloed en nieuw leven verkregen; het scharlakenrood voert den boventoon,
-daarnaast vonkelt het geel in alle schakeeringen, nog schitterender als
-het zich huwt aan het kalme paars of zich vereenigt met het levendige
-groen in zijn diepe weerglansen, of door zijn stralen het droomige
-blauw vervroolijkt. En over alles werpt de zon een roodgouden sluier,
-de gouden gebitten der paarden en hun bonte schabrakken flikkeren in
-den van haar geleenden luister met oogverblindenden glans; de takken
-der waringinboomen laten een regen van vurige vonken op het zilverwitte
-kiezelzand vallen; de bergen die het paleis omsluiten, baden zich in
-den warmen gloed, en zenden koeltjes rijk aan geuren uit de bosschen,
-die hun hellingen bedekken naar beneden in den lusthof. De blauwe lucht
-spant zich over het stukje schoone aarde, dat hier tusschen de bergen
-besloten is, wolkeloos en diep zooals zij zich alleen tusschen de
-keerkringen vertoont.
-
-De ruiters rijden heen en weer trotsch op hun fraaie paarden, trotsch
-op hun versiering, trotsch op hun eigen kleeding, hun goud en
-edelgesteenten; de gamelans in de verschillende huizen worden zacht en
-teer aangeroerd (rechts en links van den Sitingil bevinden zich de
-gebouwen, waarin de gamelans van den keizer, de gamelan monggang en
-sekatèn bewaard worden.) Op eens wordt het spel luider en levendiger,
-de ruiters scharen zich twee aan twee, de keizer gaat verschijnen, daar
-treedt hij naar buiten omgeven door zijn stoet van amazonen en
-lijfwachten, alléén te paard terwijl zij allen te voet gaan.
-
-Hamangkoe-Rat onderscheidt zich noch door koninklijke houding, noch
-door geestige trekken; slap hangt zijn donkerbruine huid om zijn
-vooruitstekende jukbeenderen, zijn oogen liggen diep en zonder eenige
-uitdrukking in de diepe kassen, zijn geheel uiterlijk mist alle kracht
-en waardigheid ondanks de schitterende kleederen die zijn gestalte
-omsluiten; alles verraadt den slaaf der laagste hartstochten, een man
-door uitspattingen verzwakt en daarenboven door het gebruik van opium
-uitgeput.
-
-Op zijn hoofd draagt hij de hoog opstaande zwart zijden muts of
-koeloek, rijk versierd met gouden borduurwerk, zijn sikepan of
-bovenkleed is van stijf goudlaken en beurt het voorover hangende hoofd
-door een breeden hoogen boord nog eenigszins op; een kostbare kaïn van
-het beroemde Solosche fabrikaat valt op zijn donkergroenen eveneens met
-goud doorwerkten djarik (pantalon) zijn voeten steken in purperen
-muilen; in een rijk met edelgesteenten versierden gouden band die ’s
-keizers middel omsluit, prijken de vonkelende gevesten van drie
-krissen, terwijl een ring door een stralenden robijn versierd, daaraan
-bevestigd is en straks de gouden haak van de toomen afwacht, als de
-vorst zich tot het rennen begeeft.
-
-De gelaatstrekken der Hollandsche lijfwachten schijnen nog blanker
-tusschen al die gebronsde mannen; oranjesjerpen omgorden hun heupen, de
-gele wambuizen der officieren zijn met linten en strikken versierd,
-fraaie pluimen tooien hun breedgerande vilten hoeden; het zwaard dragen
-zij op zijde, het schuift tegen hun geplooide beenbekleedsels, die in
-nauwsluitende kousen en kaplaarzen eindigen, op de schouders rust hun
-geweer. Kapitein Grevink gaat aan hun hoofd.
-
-De Javaansche lijfwachten van beider geslacht volgen hen; de vrouwen
-dragen pijl en boog, het zijn echter amazonen, die alle schoonheid en
-jeugd missen, de mannen voeren pieken en lansen.
-
-Eenige vrouwen in zoogenaamd hofgewaad dragen den keizer zijn gouden
-zonnescherm, sirihdoos, kwispeldoor en troon na, deze troon tampar
-genaamd is een laag vierkant tabouret van rood fluweel met gouden
-franjes versierd; anderen dragen zijn wapens voor het rennen vereischt,
-namelijk stompe lansen; het gevolg bestaat uit meer dan twee of
-driehonderd mannen, die het in goud gezette keizersbeeld omringen.
-
-Zoodra hij in het renperk aangekomen is, stelt hij zich aan het hoofd
-der ruiters, die hem eerbiedig opwachten en maakt eenige keeren steeds
-in meer versnelden galop den tocht rondom de baan; de vlugge paarden
-brieschen van genot, bevallig heffen zij den rijk versierden hals
-omhoog en lichten de voorpooten sierlijk op bij de tonen der gamelans
-en andere luidklinkende instrumenten. Dan wordt de rit vlugger, zij
-buigen den kop en snellen voorwaarts, altijd levendiger, altijd rapper,
-totdat het witte zand van den aloen-aloen in dwarrelende wolken omhoog
-stuift bij de vluchtige aanraking hunner hoeven, en menschen en paarden
-in het door de zon in goudpoeder veranderde stof zijn gehuld.
-
-De keizer matigt den stap van zijn paard, die beweging heeft hem reeds
-vermoeid, hij zal vandaag niet meer rennen; bij den Sitingil gekomen,
-stijgt hij af en neemt op zijn troon plaats, de wachten scharen zich
-rondom zijn zetel, de amazonen laten zich achter hem op een knie neder
-en strekken den gespannen boog voor zich uit als om de vijanden van hun
-vorstelijken meester reeds bij voorbaat te bedreigen; op eerbiedigen
-afstand van hem zitten de andere vrouwen, die de voorwerpen dragen,
-kruiselings op matten.
-
-Een oogenblik is alles doodstil, het opgejaagde stof zakt langzaam
-neer, de duizenden en duizenden menschen en dieren, welke den
-aloen-aloen vullen, verroeren zich niet. Aller oogen vestigen zich op
-den oppermachtigen meester, wiens onbewogen gelaat koel en
-onverschillig het bonte schouwspel aan zijn voeten overziet.
-
-Zelfs de gamelans zwijgen totdat de keizer met een schier onmerkbaar
-gebaar de hand opheft; onmiddellijk vervullen de tonen der muziek weer
-de lucht en eenige ruiters komen vóór. Na den keizer met hun lansen
-begroet te hebben, haken zij de korte, ronde toomen aan hun gordels, om
-de handen vrij te hebben en besturen dan met lichaam en knieën hunne
-paarden. Het steekspel neemt een aanvang; een der voornaamste prinsen
-rijdt vóór tot halverwege de baan vlak vóór ’s keizers zitplaats
-gekomen; een andere ridder rijdt hem te gemoet.
-
-Onmerkbaar haast drukt de keizer zijn oogleden toe als wilde hij zich
-inspannen om beter te zien, wie de nieuwe aanvaller is.
-
-Niemand kent hem, zijn uiterlijk valt echter tusschen al deze kleine
-gestalten op, niettegenstaande zijn kleeding eenvoudig is in
-vergelijking met die der andere edelen.
-
-Rank en groot is zijn gestalte, hij schijnt één met het vurige
-Perzische paard, dat hij geheel onder bedwang heeft en in hem zijn
-meester erkent; zijn glinsterend zwarte haren vallen in korte krullen
-op zijn hals, uit de witte koeloek, die ze van boven bedekt; een
-vuurrood wambuis doet zijn breede, krachtige schouders en borst fraai
-uitkomen; slechts spaarzaam is het met gouddraad bestikt, zijn kaïn
-hangt in sierlijke plooien over den sneeuwwitten djarit. Met zijn lans
-hoog opgeheven rijdt hij op den prins aan, vervolgt hem tot aan het
-uiteinde van het plein, waar deze zich plotseling omkeert en hem steken
-tracht toe te brengen, hij pareert ze echter met het grootste gemak en
-zij zetten het spel voort. Allen zien ademloos toe, totdat plotseling
-een onderdrukt gejuich uit de menigte opstijgt, een gejuich, dat
-dadelijk verstomt, want het is ten strengste verboden zich te verheugen
-als een prins van den bloede uit het paard wordt gelicht, en nu is het
-’s keizers broeder, die door den vreemdeling uit het zadel is getild.
-
-Met nieuwen moed en nieuw vuur gaat het tournooien voort; altijd is het
-echter de onbekende ridder die den palm der overwinning wegdraagt; de
-meest bekende steekspelers beproeven hun krachten tegenover hem. Allen
-zijn gedwongen zijn meerderheid te erkennen, hij blijft meester van het
-kamp. Fier rijdt hij rond de baan met zijn lans in de hand. Voor den
-keizer gekomen laat hij zijn paard den soembah [12] maken en iets als
-een vaag teeken van genoegen schemert op het effene gelaat des vorsten.
-
-„Een kranige kerel,” fluistert de Hollandsche luitenant zijn kapitein
-toe, „ik heb hem nog niet eer gezien. Wie hij zijn mag?”
-
-„Och, al die bruine vellen lijken op mekaar,” antwoordde kapitein
-Grevink minachtend, „maar hij stond bij het huisje van den
-Rijksbestierder en dat bevalt me minder.”
-
-„Waar Amirang Koesoemo hem opgedoken heeft? Hij behoort tot geen der
-grooten van het hof.”
-
-De keizer wendde zich iets terzijde en wenkte schier onmerkbaar, toch
-was de vluchtige beweging voldoende om Amirang Koesoemo, den
-Rijksbestierder, die op eenigen afstand zat, naar zijn troon te doen
-schuiven; hij wierp zich met het aangezicht ter aarde en de keizer boog
-zich voorover om hem iets op fluisterenden toon te vragen.
-
-„Heer der Wereld!” antwoordde Koesoemo, „vergun uw dienaar dat hij
-straks uw voeten kusse. De vreemdeling is een groot en heldhaftig man,
-een vijand der Compagnie,” voegde hij er schier onhoorbaar achter.
-
-De Soesoehoenan hief ’t hoofd weer op en een flauwe beweging zijner
-oogen bewees den Rijksbestierder, dat hij genoeg wist. Koesoemo kroop
-ruggelings terug naar zijn plaats en de keizer nam zijn onbewogen, kil
-gelaat weer aan.
-
-De schaduwen van den avond vielen echter op het gebergte en het dal
-neer, de laatste bloedroode stralen der zon flikkerden nog even om de
-kruinen der bergen, toen werd alles donker en grauw, maar de maan steeg
-hooger en hooger en hulde schier onmerkbaar den aloen-aloen in haar
-blauw-zilveren glans.
-
-Aan alle zijden van de baan werden nu toortsen ontstoken, die met hun
-roode glansen de bescheiden stralen der maan op de vlucht joegen; het
-tournooispel had opgehouden, de ruiters stegen van hun rossen en
-schaarden zich allen in een halven kring, op eenigen afstand van den
-keizer; zij zetten zich op den grond neer, de lansen opgeheven houdend,
-maar de keizer scheen in goeden luim, hij beval hen de wapens aan hun
-dienaars over te geven en wenkte aan enkelen naderbij te komen; onder
-hen was ook de Rijksbestierder.
-
-„Waar is de overwinnaar in zoovele spelen?” vroeg hij.
-
-Amirang Koesoemo ging terug, op eenigen afstand van de andere edelen
-stond een groep mannen, wier ruwe gelaatstrekken en forsche gestalten
-sterk afstaken bij de weekelijke, tengere figuren der Javaansche
-edelen. Aan hun hoofd ging de vreemde ridder.
-
-Kapitein Grevink trachtte niets te verliezen van hetgeen er voorviel;
-zoo zag hij dan ook den vreemdeling door Amirang Koesoemo begeleid ’s
-keizers troon naderen en hem de voeten kussen.
-
-Door den afstand was het hem niet mogelijk van het gesprek, dat
-trouwens in hoog Javaansch gevoerd werd, een woord op te vangen.
-
-Na weinige oogenblikken stond de keizer op en noodigde allen uit bij
-hem het avondmaal te gebruiken.
-
-Langzaam keerde de stoet terug naar de eerste binnenplaats, nu echter
-ging de vorst te voet; de Hollandsche lijfwacht bleef bij de eerste
-poort de wacht houden, kapitein Grevink keerde naar den Pagger—de
-heining die het kamp der Hollandsche soldaten omsloot, terug.—Hij was
-niet gerust, waarom, dit wist hij zelf niet.
-
-Reeds sinds langen tijd heerschte er spanning tusschen de Compagnie en
-den Soesoehoenan; deze beschuldigde de Hollanders van de Cheribonsche
-prinsen te beschermen, die hem nog geen hulde hadden gebracht; de
-Compagnie daarentegen drong op afdoening aan van de schulden, welke
-Hamangkoe-Rat jegens haar had aangegaan, toen zij hem op den troon
-zijns vaders herstelde.
-
-Amirang Koesoemo, de machtige rijksbestierder was den Hollanders
-ongenegen; hij vervloekte in zijn hart de afhankelijkheid, waarin de
-keizer tegenover hen geraakt was en zocht een geschikte gelegenheid om
-dezen daarvan te verlossen; de zwakke slechts aan zijn genot denkende
-Soesoehoenan liet alles aan zijn listigen sluwen dienaar over. Hij was
-tevreden, zoo hij naar hartelust zich aan zijn uitspattingen, zijn
-opium en zijn vrouwen kon overgeven en vond alles goed wat hem het
-gedurige bezit dezer onmisbare voorwaarden van zijn geluk kon
-verzekeren.
-
-Op het binnenhof was weldra het feestmaal in vollen gang; verscheidene
-tentjes of prieelen waren daar opgericht; van voren geheel open en van
-achter met gordijnen afgesloten; in het midden verhief zich dat van den
-keizer. De in een halve maansvorm opgerichte huisjes hadden allen het
-gezicht op ’s vorsten zetel; kruipend kwamen de dienaren door de
-gordijnen het maal opbrengen.
-
-Fijn gevlochten matten waren èn tafel èn zitplaats, allen waren
-schrijlings erop gezeten—pisangbladeren verrichtten den dienst van
-tafellakens; de rijst in koekoesans [13] opgebracht sierden met hun
-pyramidenvorm, die tot aan de schouders der aanzittenden reikte, het
-feestmaal.
-
-Daarnaast waren groote stapels van gebraden vleesch, hoenders, en
-gevogelte opgericht; het scheen onmogelijk dat die ontzaggelijke
-hoeveelheid van spijzen in één maal kon opgebruikt worden, maar het
-gebruik eischte dat zoodra de vorst gegeten had, al het overgeblevene
-met mat en al opgenomen werd om het aan de bedienden van de prinsen en
-edellieden mee te geven.
-
-Volgens de etiquette mocht niets meer van het opgedragen eten weer in
-de keizerlijke keuken terugkeeren; de dienaren wisten er wel raad mee;
-wat zij niet opkregen ging mede naar hun huis. Het diner uit vruchten
-en een oneindige verscheidenheid van gebak bestaande, werd op dezelfde
-wijze op nieuwe pisangbladen voorgediend, weggedragen en uitgedeeld.
-
-Vervolgens werd den gasten een schat van de geurigste aaneengeregen
-bloemen, melatiknoppen, tandjoengs, tongkens enz. aangeboden, waarvan
-zij de welriekende snoeren aan het hoofddeksel boven de ooren
-bevestigden.
-
-De sirih kwam nu de plaats van sigaren bij de hedendaagsche europeesche
-feestmaaltijden vervangen, en dit bleek het sein tot een opgewekt
-vroolijk gesprek.
-
-Ieder had echter de oogen gericht op den vorst, die eenzaam op zijn
-hooge zitplaats troonde, want zelfs de naastzittende was een zestal
-voeten van hem verwijderd.
-
-Een schaduw van een glimlach op zijn onbewegelijk gelaat te voorschijn
-roepen was ieders hoogste eerzucht.
-
-De keizer sprak echter met zijn Rijksbestierder, die aan zijn voeten
-zat.
-
-„Wat zal de Compagnie zeggen als ik hem een schuilplaats verleen?”
-vroeg de machtige beheerscher van Java en Madura, dien honderdduizenden
-slechts met het aangezicht ter aarde durfden naderen, wiens wenk over
-hun aller leven en dood besliste.
-
-„De Hollanders, verheven Keizer, behoeven niet te weten, wie Uw
-Hoogheid gastvrij in haar paleis opneemt.”
-
-„Hij is in open vijandschap met hen, zij hebben hem vergeefs vervolgd
-en het zou onvoorzichtig wezen zoo wij hem een schuilplaats verleenden
-ondanks het verdrag dat ik met de Compagnie aanging.”
-
-„Is de Compagnie meester in uw kraton, mijn Gebieder? Zal nimmer de
-schuld jegens hen afgelost worden?”
-
-„Ja, zwaar is de last der erkentelijkheid, niets kan deze verminderen.”
-
-„Toch wel, machtige keizer, geen juk is er dat men niet kan afschudden
-zoo de tijd daarvoor rijp is.”
-
-„Dat kan slechts een machtige, krachtige vuist,” sprak de keizer loom.
-
-„En die vuist zal te vinden zijn als Uw Hoogheid het gebiedt; het
-gewicht der dankbaarheid wordt steeds zwaarder en zwaarder, ten laatste
-zakt het verpletterend neer op de hoofden der beweldadigden.”
-
-„Uw woorden zijn mij duister als een nacht zonder sterren,” hernam de
-Soesoehoenan.
-
-„Uw dienaar zal gaarne een licht ontsteken op dien duisteren weg,”
-antwoordde de Rijksbestierder, „mijn Gebieder weet welke hooge
-verplichting ik aan den dapperen Balinees heb.”
-
-De keizer zag hem wezenloos als vragend aan.
-
-„Uw Hoogheid gewaardigt zich niet te gedenken dat de held mijn dochter,
-nadat zij weigerde haar echtgenoot den Bantamschen prins in de
-verbanning te volgen, naar Karta-Soera geleid heeft, haar met den
-grootsten eerbied bescherming verleenend.”
-
-De keizer wenkte dat hij voort zou gaan:
-
-„Welnu, dan machtige Keizer, het hart mijner dochter is bewogen van
-liefde voor haar beschermer en nu zij wettig gescheiden is van den
-Pangeran Poerbaya kent zij slechts een wensch met Soerapati vereenigd
-te worden als het Uw Almacht behaagt.”
-
-„Radhen Goesik is jong en schoon; het zou wreed zijn haar tot den
-weduwstaat te veroordeelen; wanneer zij den held liefheeft en hij
-belooft ons zijn arm tegen de Compagnie op te heffen zoodra het juk te
-zwaar wordt voor onze schouders dan zij hij welkom in den kraton.”
-
-De Rijksbestierder kuste ’s keizers voeten.
-
-„Heb dank, machtige monarch,” zoo sprak hij met moeite de vreugde
-verbergend die in zijn stem school, „mijn dochter en Soerapati zullen u
-dank weten en als de tijd gekomen is dan zal hij u verlossen van het
-zware juk dat de Kafirs zoo schandelijk op uw schouders hebben geladen
-want zijn geest is helder en zijn arm is sterk.”
-
-De keizer luisterde echter niet meer, al zijn aandacht was afgeleid
-door het spel zijner danseressen dat nu onder begeleiding van de
-tallooze muziekinstrumenten een aanvang ging nemen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-IN DE KAPATYAN.
-
-
-In de Kapatyan, het paleis van Amirang-Koesoemo, dat evenals de
-woningen van andere Rijksgrooten binnen den kraton lag, zat Radhen
-Goesik omringd van haar vrouwen.
-
-Zij was nu rijk en sierlijk gekleed, haar kondé [14] schitterde van
-diamanten, in haar ooren vonkelden de kraboes uit steenen bestaande van
-het zuiverste water, haar donkerblauwe sikepan was met zilver
-doorstikt, en viel over een fijn zijden kaïn, waarvan de weeke, zachte
-plooien de grillige figuren onderbraken, die het gouddraad er op
-stikte; nu zij weer in de omgeving verkeerde die haar paste en die zij
-liefhad was de prinses nog veel schooner dan in de wouden van den
-Preanger, een gevoel van geluk en vreugde schitterde in haar oogen, zij
-zou nu immers weldra het toppunt harer wenschen vervuld zien.
-
-Haar zitplaats bevond zich in een rijk met snijwerk en verguldsel
-versierde pendoppoh, die omgeven was door een aangenamen tuin; hooge
-kemoeningboomen, wit van de geurige bloesems wierpen hun schaduwen op
-het gouden schelpzand, in Japansche potten stonden zeldzame fraaie
-sierplanten en bloemen. De slanke areng-palm hief zacht wuivend zijn
-kroon omhoog, vierkante perkjes van melati balsemden de lucht met haar
-zachte geuren, die zich met de bedwelmende tochtjes vermengden, welke
-de sokka dèdes naar omlaag zond.
-
-’t Is morgen, de dauw parelt nog tusschen de bloemen, de brandende zon
-vermag de verkwikkende koelte nog niet te verjagen, alles schijnt even
-jeugdig, even frisch, als de prinses die met volle teugen de
-morgenlucht inademt. Aan haar voeten als ’t ware inééngerold ligt
-Boeloe Kidoer, de dwerg, die haar niet verlaten wilde.
-
-„Boeloe,” zeide de prinses glimlachend, „het is hier beter dan aan den
-voet van den Gedeh! Nu vooral, nu de machtige keizer aan mijn vader
-verlof heeft gegeven tot ons huwelijk. O Boeloe, hoeveel dagen scheiden
-mij nog van dat gelukkig uur!”
-
-„Het is dikwijls een lange weg, prinses, die de pitten van den dlima
-van de lippen scheidt.”
-
-„Spreek zoo niet, dwerg! Niets kan ons meer scheiden. Zeg mij eens hebt
-ge hem gezien in het tournooi? Hoe schoon en zal hij daar geweest zijn.
-Bij de eerstvolgende senènan moet ik hem zien, al zou ik ook mijn
-vermomming weer aantrekken.”
-
-„Gij zult hem nog zoo lang zien, zusje, als hij uw man wordt.”
-
-„O Boeloe, een voorrecht betreur ik, dat wij genoten in het vrije
-gebergte; daar konden wij ons vrijer bewegen, daar omknelden die
-lastige, pijnlijke hofregelen ons niet. Slechts ter sluiks kan ik ’s
-avonds mijn bruidegom ontmoeten, ginds onder de waringinboomen. Weinige
-oogenblikken alleen mag ik hem spreken, en vroeger daar ginds op den
-weg, toen hij mij beschermde en bewaakte, week hij geen oogenblik van
-mijne zijde. Wanneer zal ik hem geheel toebehooren? Gelooft ge niet
-Boeloe dat hij zijn blanke geliefde geheel vergeten heeft om mij?...”
-
-„Het is aan den dwerg niet het te beoordeelen,” grijnsde Boeloe, „hoe
-kan ik in zijn hart lezen? Gemakkelijker is het te dringen in den stam
-van den djatiboom dan het hart van de menschen te ontsluieren.”
-
-„Maar hij kan niet meer terug naar de Hollanders, niet waar, elke band
-is immers verbroken tusschen hem en haar, nu de Soesoehoenan hem een
-schuilplaats verleent, en hij de schoonzoon wordt van Mataram’s
-Rijksbestierder?”
-
-„Bij den grooten profeet is alles mogelijk!” verzekerde de dwerg met
-kluchtigen ernst.
-
-„Wat zegt ge Boeloe, zoudt ge meenen dat Soerapati...”
-
-„Zoo vermetel ben ik niet iets te durven meenen, maar als uw echtgenoot
-verneemt, dat Kiai Hemboong hem bedrogen heeft, dat nonna Suzanna nooit
-getrouwd is geweest met den vaandrig Kuffeler, en dat zekere dwerg te
-zamen met zekere prinses zijn ouden pleegvader hebben overgehaald tot
-die leugen dan kon het zijn dat zijn stemming veranderde zooals een
-storm het aanschijn der bergen verkeert.”
-
-Radhen Goesik wrong de kleine met ringen bezette vingers.
-
-„Maar hij mag het niet weten Boeloe, nooit, nooit. O, sprak hij toch
-tot mij over zijn liefde tot de Hollandsche vrouw, over zijn haat tot
-de Hollanders, ik zou geruster zijn, maar helaas! Op al mijn
-toespelingen bewaart hij een hardnekkig zwijgen. Ik vrees de gedachten
-niet die zich uitspreken, maar wel die zich verbergen en langzaam
-ontkiemen als de rijstkorrel in het water der sawahvelden.”
-
-„Ik hoor dat zijn schreden als onwillekeurig altijd terugkeeren naar
-den Pagger der Hollanders; hij zwerft steeds in hun nabijheid; soms,
-zoo vertelt Kiai Hemboong, rusten zijn oogen met smachtend verlangen op
-de Hollandsche driekleurige vlag, die boven het wachthuis wappert.”
-
-„O schande! Hij zou hun slavernij verkiezen boven vrijheid en roem bij
-zijn stamgenooten.”
-
-„De wortels van den waringin zoeken de aarde en zoo verlangt het hart
-van den man naar den grond, waar hij zijn eerste jeugd doorbracht.
-Soerapati’s hart kan zich niet meer te huis voelen bij den bruinen
-man.”
-
-Radhen Goesik verborg het gelaat in haar slendang en weende.
-
-„Nooit, nooit zal ik het beeld dier gehate vrouw met het gele haar uit
-zijn geest verdrijven, zelfs niet als ik met hem verbonden ben door ’s
-keizers woord! Boeloe, kunt gij mij niet helpen, ik beloof u de mooiste
-dwergin des keizers tot vrouw, ik zal u deze sterren geven, die mijn
-ooren versieren maar help mij aan een toovermiddel, een drank, een
-amulet, een ngempoel, waardoor ik almachtig over Soerapati’s ziel kan
-heerschen, of liever bezorg mij de talang perindoe, een stukje van de
-dwergbamboe, die op den top der bergen groeit en onder welks schaduw de
-vogels den dood vinden, de heilige plant waarvan het bezit ons de
-vervulling schenkt van al onze wenschen.”
-
-De dwerg schudde het hoofd.
-
-„Het zal niet baten, prinses! In zijn hart verfoeit Soerapati de leer
-van onzen grooten Profeet; hij is gehecht aan den eeredienst zijner
-voorvaderen, hij aanbidt Batoro Goeroe, den oppermachtigen God der
-Hindoes, en nog liever zou hij de knie buigen voor den gekruisten God
-van de Hollanders en van Suzanna! En zoolang wij zijn hart niet
-veranderen, zoolang zal geen tooverspreuk of tooverplant de liefde van
-zijn hart doen verkeeren.”
-
-„Maar wat raadt ge mij Boeloe, mijn trouwe dwerg, die het eerst mij
-gewezen hebt op Soerapati’s toekomstige glorie, die mij zoo trouw hebt
-bijgestaan in moeilijke dagen?... Wat moet ik doen om Soerapati voor
-goed te hechten aan onze zaak?”
-
-„De vezels van den klappernoot drijven en de steen zinkt, ieder
-ondervindt wat zijn lot meebrengt en zoo zal ook gebeuren wat Allah van
-alle eeuwigheid besloten heeft.”
-
-„Maar hoe zal ik ’t weten, wat besloten is in Allah’s raadsbesluit?
-Moet ik niets doen om dat besluit te helpen uitvoeren?”
-
-Een dienstmaagd trad nader en bood de prinses een trosje bloemen aan.
-
-„Die mij dit takje voor u gaf, edele prinses!” sprak de dienstmaagd,
-„verzoekt mij u te melden dat hij u wacht bij den kleinen vijver.”
-
-Haastig stond Radhen Goesik op, de armbanden rondom haar fijne polsen
-kletterden, haar oogen schitterden; bevallig drapeerde zij zich in haar
-slendang en stak haar voetjes in de vergulde muilen, die een harer
-dienaressen vóór haar plaatste.
-
-„Volg mij Mila,” zeide zij, „wat ik nu ga doen is tegen den adat [15];
-ik weet het, maar het verlangen van mijn hart om mijn bruidegom te
-spreken is te groot, dan dat ik het weerstaan kan.”
-
-Zij versierde met het bloementakje haar kondé en wenkte ook Boeloe haar
-van verre te volgen.
-
-De kleine vijver was tusschen metselwerk besloten en omgeven door
-blauwe Chineesche potten op hooge voetstukken, waarin dwergplantjes
-staken; oranjeboompjes beladen met tal van gouden appelen,
-miniatuur-aloës, cactussen en ananassen, kleine waringins, tjampaka,
-soka, dlima en andere vrucht- of bloemdragende plantjes. Sierbamboes
-omgaven op eenigen afstand het water en onderhielden door hun zacht
-wuiven een frissche koelte; op de oppervlakte van den vijver dreven de
-breede bladeren van de waterlelies met hun witte en gele bloemen,
-waartusschen nu en dan een goudvisch glipte, dicht het watervlak
-naderend om vlug en behendig een insect te vangen.
-
-Het was een eenzaam plekje door de lianen geheel beschut tegen de
-nieuwsgierige blikken uit de omringende huizen en vervuld met de
-liefelijkste geuren; het lag dicht aan den buitensten muur van den
-kraton, en zoo was het Soerapati gelukt binnen te komen om van zijn
-bruid een afzonderlijk onderhoud te verzoeken.
-
-Hij stond bij den vijver; met de armen over de borst gekruist staarde
-hij in het water en zag het spel der visschen tusschen de bloemen en
-insecten aan, toen Radhen Goesik vlug maar toch met schier onhoorbaren
-tred hem over het sneeuwwitte zand naderde.
-
-„Wat wil mijn Heer en Gebieder?” vroeg zij dicht bij hem gekomen en de
-oogen neerslaande.
-
-„Ik wilde u een woord van vaarwel zeggen, prinses,” antwoordde hij.
-
-„Vaarwel,” en zij zag hem angstig aan, „er is geen woord, dat mij
-harder in de ooren klinkt. Waarom moet ge mij vaarwel zeggen?”
-
-„Het is slechts een vaarwel van eenige dagen,” hernam hij glimlachend,
-„vóór dat onze bruiloft gevierd wordt, voel ik er behoefte aan mij
-eenige dagen terug te trekken, daar ginds in den tempel van Tjèta,
-welke zich op de helling van den Lawoe verheft. Ik wilde daar raad
-nemen met mijzelf en met de onsterfelijke goden—met Allah en zijn
-Profeet,” zoo verbeterde hij zichzelf.
-
-„Raad en tot welk doel? Is er nog raad noodig? Ziet gij dan niet
-duidelijk wat Allah in zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit voor u heeft
-vastgesteld,” vroeg de vorstin heftig.
-
-„Ik zie het duidelijk in, prinses, maar toch twijfel ik of de weg, dien
-ik in ga slaan wel de rechte is.”
-
-Radhen Goesik’s oogen fonkelden van toorn.
-
-„Hoe, gij aarzelt het lot aan te nemen dat de machtige keizer en mijn
-vader u aanbieden? Dat is een beleediging!”
-
-„Neem het zoo niet op, liefste mijn!” sprak Soerapati met de zachte,
-weeke uitdrukking in zijn stem, die in de ooren zijner bruid zoo
-onweerstaanbaar aantrekkelijk klonk en die ook het hart der Hollandsche
-jonkvrouw eens bekoord had, daar zij zoo in tegenstelling was met zijn
-forsch, echt mannelijk voorkomen. „Ge weet, ik heb u lief, mijn
-Vorstin, mijn Bruid, zooals ik niemand op ééne na, ooit heb liefgehad!”
-
-Radhen Goesik wendde het hoofd om.
-
-„Juist die ééne, welke ik niet treffen kan, wier herinnering sterker
-nog is dan mijne schoonheid!...” dacht zij.
-
-„En waarom, als ge waarheid spreekt, mij dan verlaten?” vroeg zij, haar
-oogen van onder de lange wimpers opheffend.
-
-„Omdat ik vrees, dat mijn liefde u slechts ongeluk zal aanbrengen. Ge
-zijt zoo schoon, zoo beminnelijk, om uwe hand zullen de eerste prinsen
-van den bloede dingen, zij benijden mij uw bezit, ik weet het. Maar wat
-kan ik u geven, ik, een slaaf, een roover?”
-
-„Zeg dat niet, ge zijt het niet meer!” riep de prinses verontwaardigd
-uit, „licht mijner oogen, schat mijner ziel! Welke prins kan met u
-wedijveren? Uw gestalte is gelijk aan den stam van den jongen
-pinangboom, zoo slank en toch zoo krachtig, uw oogen schitteren als de
-avondster en de woorden, die van uw lippen vallen, zijn zoet als de
-geur van den kemoening. Uw arm is zoo krachtig, als de klauw van den
-tijger als gij uw vijanden aanvalt, maar zoo zacht als het dons van den
-pelikaan, wanneer gij mij liefkoost. Ge zijt een roover, ja de roover
-van mijn hart, van mijn ziel. Gij zijt geen slaaf meer, doch ik wil uw
-slavin zijn, mijn leven lang! Met u wil ik alles deelen, alles, armoede
-en rijkdom, schande en roem. Ik bemin u met een liefde zoo brandend en
-vurig dat de Hollandsche met de koude, witte huidskleur en het kille
-hart die nimmer begrijpen kan.”
-
-„Roep haar herinnering niet op;” zeide Soerapati met doffe stem, „ik
-heb haar begraven en in den geest de kambodjabloem op haar graf
-geplant. ’t Is niet goed van de dooden te spreken, dat stoort hunne
-rust.”
-
-„Waarom wilt ge dan nog weten of mijn hand u geluk belooft?”
-
-„Omdat, hoor mij aan, mijn Koesoema, omdat ik overtuigd ben, dat een
-verbinding met u een regen van rampen zal doen neerdalen op den keizer
-en het rijk van Mataram!”
-
-„Ik begrijp u niet!” zeide Radhen Goesik schijnbaar onschuldig.
-
-„Ge weet toch, dat ik een vogelvrije ben in het oog der Hollanders, een
-gevluchte slaaf, een deserteur, een aanvaller hunner soldaten. Zij
-hebben alles in het werk gesteld om mij in handen te krijgen maar
-vergeefs! ’t Is mij gelukt hen te ontkomen en dank uwe liefde,
-Koesoema, schonk uw aangenomen vader en door hem de Soesoehoenan mij
-een schuilplaats aan zijn hof. Ik word hier geroepen tot hooge eer,
-maar die eer zal Mataram duur te staan komen.”
-
-„En wat verlangt men in ruil daarvoor?”
-
-„Mijn hulp en die mijner Balineezen tegen de vreemdelingen.”
-
-„En aarzelt gij die te beloven? Zijn die Christenhonden u nog dierbaar
-aan het hart om den wille van één trouwelooze? Ben ik zulk een
-weifeling waardig? O, ik voel het, gij hebt mij niet lief!”
-
-„Koesoema, lieveling van mijn hart, verscheur mijn ziel niet door uw
-woorden, die scherper zijn dan de scherpste doornen. Wantrouw mijn
-liefde niet, want zij is zoo groot en diep als de zee; juist omdat ik u
-liefheb vrees ik zulk een groot geschenk te ontvangen als uw hand en de
-gunst des keizers. De Hollanders zijn zoo machtig, hoe zal ik tegen hen
-de schuld jegens mijn weldoeners afdoen? Wat zullen mijn Balineezen
-vermogen tegen hun overmacht als zij mij komen opeischen en het op den
-keizer wreken dat hij mij toevlucht heeft verleend?”
-
-„Wat zij zullen vermogen? Alles wanneer gij hen aanvoert mijn geliefde!
-Vrees niet! Is mijn bezit niet de grootste gevaren waard? Als ik u
-liefheb en uw echtgenoote ben, is dat u niet genoeg? Waarom wilt gij uw
-geesten raadplegen? Wat zult ge doen als zij het u afraden?”
-
-„Met mijn mannen Karta-Soera verlaten, terugkeeren in de wildernis,
-leven als vóórheen, vóór ik u ontmoette.”
-
-„Ondervraag dan de geesten niet, in mijn oogen leest ge een antwoord
-duidelijker dan zij u geven kunnen!”
-
-Zij had zich aan zijn borst gevleid met een aanhankelijkheid, vrouwen
-van haar land anders niet eigen, maar zij wist hoe de Hollandsche vrouw
-deze liefkoozingen jegens den man harer keuze niet beneden zich acht en
-zij wilde hem zooveel mogelijk doen vergeten dat zij geen blanke was.
-
-Soerapati, bedwelmd door de zoete geuren die haar als in één wolk
-omhulden, wilde reeds toegeven; toen een onderdrukt eigenaardig
-gemompel, dat achter een der bloempotten scheen op te stijgen, Radhen
-Goesik’s oor trof.
-
-Het klonk als een waarschuwing; Soerapati door hartstocht overmeesterd
-bemerkte het niet, zij echter begreep dat de dwerg het liet hooren en
-maakte zich zachtkens uit zijn omarming los.
-
-„Ga, mijn geliefde!” zeide zij met een stralenden glimlach, „ga naar uw
-tempels! En ondervraag de Dewahs, wier macht gij zoo hoog stelt, hooger
-dan mijn liefkoozingen. Ik weet hun antwoord, zij zullen u zeggen dat
-de schroom, die u belet de wapens te blijven voeren tegen de
-Hollanders, zondig is en uwer onwaardig. Nu wil ik dat gij gaat, en hun
-oordeel verneemt; ik wil niet dat eenige twijfel uw voorhoofd
-verduistert. Gij moet schoon zijn, mijn bruidegom, op den dag van ons
-feest. Uw gelaat moet stralen als de opkomende zon en uwe ziel blinken
-als de maan, die de volheid van haar glans over de bergen doet
-schijnen. Vertrek dus, uw Koesoema smeekt er u thans om! Ik zal uw
-afwezigheid verdragen door de onophoudelijke gedachte aan u.”
-
-„Is het u ernst? Ge staat mij toe te vertrekken,” vroeg Soerapati.
-
-„Ik vraag het u; maar laat mij nu gaan! Zie, de zon schijnt reeds
-achter gindsche missigits; mijn vader zal mij zoeken. Vaarwel dan mijn
-bruidegom, tot wederziens!”
-
-Weinige oogenblikken later was het stil rond den vijver, en niets
-verbrak die stilte dan het zachte ruischen der bamboes.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-OP DEN BERG LAWOE.
-
-
-Een groepje ruiters begaf zich in gestrekten draf naar den voet van den
-berg Lawoe, welks hellingen ten oosten van Soerakarta langzaam in de
-vruchtbare vlakte uitloopen.
-
-De machtige vulkaan verheft zijn in wolken en rook gehulden top, boven
-een donkergroen voetstuk; de sawahs klimmen nog onmerkbaar voort langs
-zijn breede ruggen; thans zijn het koffietuinen die zijn hellingen
-bedekken, toen echter was alles nog woester en eenzamer.
-
-De bergwegen bleken slechts tot zekere hoogte toegankelijk voor de
-ruiters. Zij stapten dan ook bij een vriendelijke onder kokos- en
-andere palmen half verscholen dessa af, lieten de paarden onder de
-hoede van een gedeelte der mannen, en zetten te voet den tocht voort.
-
-De weelderige plantengroei verliet hen weldra; zij kwamen in een
-uitgestrekt woud van tjemara’s of casuarinen, een soort van lorken,
-wier fijne, naaldvormige bladen, van de knoestige met witte
-paddestoelen bedekte takken afhangen; de grond is droog, kaal, slechts
-met kort gras begroeid en overdekt met de dorre naalden van het
-afgevallen loof; door het ijle, doorzichtige groen schemert de blauwe
-hemel met zijn geheimzinnige diepte, de zonnestralen dalen in
-getemperden glans door den smaragdkleurigen sluier op den bodem neer,
-en geven een warmen gloed aan de sneeuwwitte baardmossen, die de takken
-tooien als waren het de sieraden van een woud van kerstboomen, een
-verkwikkende frissche koelte, welke de hoogte van den berg verraadt en
-alle herinnering aan tropische hitte verdrijft, doet het gebladerte
-zacht en teeder ruischen, als waren het de klagende stemmen der
-berggeesten, die eenmaal hier vereerd werden, maar sinds eeuwen hun
-tempels verwoest, hun eeredienst vernietigd zagen.
-
-Zwijgend zetten de mannen hun stijgenden tocht voort, drie gingen aan
-hun hoofd, de anderen volgden op eenigen afstand.
-
-Van deze drie was er één vrij hoog in jaren, de twee anderen echter
-jong en krachtig; allen droegen de kris op zijde en in de hand een
-Javaansche lans of speer.
-
-„Vermoeit u de tocht, vader?” vroeg hij, die de hoofdman van de groep
-scheen en in wien het gemakkelijk was Soerapati te herkennen, aan den
-ouden Kiai Hemboong.
-
-„Neen, mijn zoon al beken ik, dat het mij moeite kost de snelle,
-krachtige stappen, uw jeugd eigen, bij te houden.”
-
-„’t Is uw eigen wil geweest, Kiai dezen tocht mee te maken. Ik heb u
-daartoe niet aangezet; noch minder er u om verzocht.”
-
-„Ik weet het mijn zoon! Uw zorg voor mij kent geen grenzen, daarom zult
-gij ook gezegend zijn in uw kinderen tot in een ver verwijderd
-geslacht, maar ik wilde u niet alleen laten in het vrome werk dat gij
-onderneemt. Wirajoeda en ik zullen u ter zijde blijven, wanneer gij de
-onbekende krachten, die over ons leven en onze daden beschikken, gaat
-raadplegen.”
-
-„Mijn hart dankt u voor deze belangstelling, maar wanneer wij daar
-straks aangekomen zijn te midden der bouwvallen van Tjèta, wil mij dan
-verlaten. Ik heb er behoefte aan alleen te zijn met mijn gedachten.”
-
-„Uw wil zal geschieden, mijn zoon! Maar laat de toekomst alleen niet
-heerschappij voeren over uw gedachten. Luister ook naar de stemmen, die
-opstijgen uit het verleden, versmaad hun waarschuwingen niet!”
-
-„Evenmin als ik ooit de uwe vergeten zal, mijn vader! Wees gerust,
-toekomst en verleden zal ik in een schaal wegen en onderzoeken welke
-overwint.”
-
-„Maar,” bracht Wirajoeda er tusschen, „zóó gij terugschrikt voor het
-aanbod van den Pangeran Adipati, wat dan?”
-
-„Dan trekken wij ons weer terug in de bosschen om ons leven vol gevaren
-en avonturen opnieuw te beginnen.”
-
-„Dus in geen geval de slavernij der blanken?”
-
-„Nimmer,” antwoordde Soerapati vastberaden.
-
-„Dan volgen wij u, wat gij ook besluiten moogt,” verklaarde Wirajoeda.
-
-„Daar reken ik op!”
-
-Kiai Hemboong knipte zijn oogen listig toe maar sprak niet.
-
-Weinig woorden werden meer tusschen de mannen gewisseld die hun langen
-en moeilijken tocht slechts door korte halten afgebroken voortzetten.
-
-De reeds vallende zonnestralen daalden schuin neer tusschen de
-tjemaratakken op den grond en overtogen de dorre takken en het dunne
-gras met een kantwerk van purperen tinten;—hier en daar zag men roode
-blokken trachiet omwoekerd door het grijze mos en de veelkleurige
-paddestoelen, verstrooid liggen in het bosch; uit de spleten wringen
-zich wonderschoone orchideetakken omhoog die met hun rozenroode en
-paarse bloemen den verweerden, ouden steen nog een schijn van jeugd en
-schoonheid verleenden.
-
-Allengs komt er orde in de verspreide steenen, die zich voegen tot
-trappen en terrassen door ingevallen balustrades omgeven; de steen
-bloeit voort. Hoe hoog gelegen ook, toch heeft de weelde der tropische
-natuur hier nog kracht genoeg om de eeuwenoude steenblokken met een
-wereld van parasieten te omwoekeren.
-
-Gras en struiken schieten welig uit de ingezakte treden, welke de
-mannen zwijgend opgingen, sierlijke lianen vallen langs de balustrades
-en bloemfestoenen omslingeren hen als waren zij getooid voor het een of
-ander feest.
-
-De steenen zelf zijn versierd met rijk beeldhouwwerk, met arabesken en
-zinnebeeldige figuren op kwistige wijze over de zwartgroene wanden
-geworpen: alles duidt de vereering aan van Shiwa, den schepper en
-vernieler tegelijk, den machtigen en wreeden god der Brahmanen, die
-echter door Boeddha den zachtzinnigen leermeester en boeteling,
-vervangen was in zoovele zijner heiligdommen. Hier echter was Shiwa
-uitsluitend vereerd geworden, vóórdat de aanhangers van den Profeet
-zonder eenig mededoogen zijn schoone tempels in het stof hadden doen
-storten.
-
-De terrassen gaan nog steeds schuil onder de hooge tjemara’s die hen
-van alle zijden overschaduwen, dertien volgen elkander op door trappen
-aanéénverbonden; het schijnen echter meer afzonderlijke bedehuizen dan
-één grootsch bouwwerk door één enkele gedachte in het leven geroepen.
-
-Op het hoogste gekomen wierpen zich allen vermoeid op de trappen neer,
-overtuigd dat het doel hunner reis bereikt was, maar Soerapati alleen
-bleef staan.
-
-„Het is hier goed rusten, vrienden!” zoo sprak hij, „doch mijn tocht is
-niet geëindigd; hooger moet ik wezen, hier is de lucht mij nog te
-zwaar, eerst op den top van den Lawoe zal het mij mogelijk zijn te
-toeven.”
-
-Allen zagen hem bezorgd aan, maar zij kenden hun hoofdman te goed om
-niet te weten dat het vergeefs zou zijn te beproeven hem van zijn
-voornemen af te brengen. Kiai Hemboong alleen waagde een opmerking.
-
-„Mijn zoon!” sprak hij, „de nacht valt, wat gij boven u ziet is de top
-van den Lawoe niet; nog twee andere toppen verheffen zich daarachter.
-En ik ken uw gewoonte, zoolang gij het hoogste niet bereikt hebt, zult
-gij nog steeds willen stijgen; volbreng morgen dien tocht en strek uw
-moede leden uit op deze steenen, in welker nabijheid nog steeds de
-geesten der machtige Dewahs wonen. Hier zullen zij u ook in
-droomgezicht verschijnen, twijfel er niet aan!”
-
-Maar Soerapati schudde het hoofd, wenkte hen met de hand tot
-afscheidsgroet en steeg verder naar boven; de anderen bleven beneden,
-blijde te kunnen rusten en een sober avondmaal te nemen uit den
-voorraad mondbehoeften die zij mede hadden gebracht.
-
-Soerapati had weldra den eersten top bereikt, in welks midden zich een
-vierkante opening in de rots bevond, omgeven door een vervallen
-kunstmatigen muur; het bosch had opgehouden, kaal en doodsch werd alles
-rondom hem, slechts weinige spichtige tjemaraboompjes stonden hier en
-daar verspreid; meer ten zuiden verhief zich echter de tweede iets
-hoogere top, waarvan hem een diepe klove scheidde.
-
-De bodem was met niets dan gras begroeid maar ging weldra over in een
-schier ondoordringbaar woud, dat de oevers bedekte van een beek, die
-zich haastig naar omlaag spoedde om in de vlakte hare wateren te
-vermengen met die van de beheerscheres der wateren in deze streken, de
-breede Solorivier.
-
-In het dal heerschte reeds schemering, de kruinen der bergen echter
-glommen nog in laaien gloed; zonder zich te bedenken daalde Soerapati
-in de diepte af, wrong zich door de hooge doornstruiken en varens, die
-hem den weg versperden, of baande zich een doorgang met het kapmes, dat
-hij in plaats van zijn speer thans hanteerde.
-
-Weldra bevond hij zich op den tweeden top, maar Kiai Hemboong had
-waarheid gesproken, nog was deze de hoogste niet; met moeite had hij
-zich naar boven opgewerkt langs de steile hellingen en afgebrokkelde
-rotswanden, totdat hij op den smallen bergrug was aangekomen, die de
-middelste der drie bergkruinen bleek te zijn.
-
-Hier was de grond bedekt met lage struiken, in welker schaduw de
-thelemytra orchidee den grond bedekte; de gloeiende zonnestralen deden
-de rozenroode bloemen schitteren als waren zij een uit robijnen
-samengevoegd mozaïek.
-
-Soerapati bleef een oogenblik vol bewondering staan; alle geluiden der
-aarde hadden hem verlaten, hij was alleen omgeven door de bergen en
-door den blauwen hemel die in het westen de kleuren van alle
-edelgesteenten aannam; aan zijn voeten lagen nog sporen van
-menschelijken arbeid in den vorm van verschillende vierkante ruimten
-omringd door opstaande randen en riviersteenen.
-
-Lang bleef hij echter hier niet toeven en wendde zijn blikken naar den
-derden en hoogsten top, die zich vlak tegenover hem bevond, een
-oogenblik weifelde hij en vroeg zich wellicht af of het niet beter
-zoude zijn hier te blijven, maar onmiddellijk verzamelde hij zijn
-krachten weer en daalde af in de tweede vallei, die zacht hellend op
-een rotsvlakte uitliep, gedeeltelijk doorsneden van een diepe, steile
-spleet; de zwerver vond weldra een weg die zelfs kunstmatig aangelegd
-scheen en uit ruw opeengestapelde steenblokken bestond, welke eenige
-terrassen aan elkander vereenigde.
-
-Zonder veel moeite was het Soerapati gelukt langs dezen weg de laatste
-kruin te bereiken en zoo stond hij dan eindelijk op het toppunt zijner
-wenschen; inderdaad de uitkomst loonde zijn onvermoeide pogingen. Het
-heerlijkste schouwspel omringde hem van alle zijden, aan zijn voet de
-berg of liever de verzameling hoogten, welke het rotsgevaarte Lawoe
-geheeten, uitmaakte. De noordelijke helling is bedekt met den
-liefelijksten plantengroei, afgebroken door malsche grasvelden, die
-tusschen de tjemarabosschen frissche oasen vormen. Ten Zuiden de kale,
-geelachtig bruine vlakte met een troebel, stilstaand water bedekt, zich
-verliezend in wouden en ravijnen, aan de eene zijde begrensd door een
-alleenstaande zuil die zich scherp en hoekig tegen de reeds donkere
-lucht afteekent.
-
-En verder dan de berg ontrolt zich een grootsch, heerlijk panorama in
-het Westen, de vruchtbare vlakte van Soerakarta met haar vruchtbare
-sawahs en bloeiende dorpen, haar tallooze rivieren, die allen hun
-schatting brengen aan den reusachtigen stroom, die zich als een
-ontzaggelijk staalblauwe slang kronkelt langs paleizen en kampongs,
-langs bosschen en tuinen om zich eindelijk in het wazige verschiet te
-verliezen, en dit gezicht wordt begrensd door de Merapi en Merbaboe,
-die geduchte vuurbergen, welke achter zich nog de flauwe omtrekken
-vertoonen van steeds nieuwe bergkruinen, de Soembing, de Sindoro en
-zelfs den verwijderden Slamat.
-
-Maar niet lang rustten Soerapati’s oogen op de vlakte van Karta-Soera,
-hij keerde zich om en blikte ten Oosten, waar zich het niet minder
-vruchtbare dal van Madioen uitstrekte, omsloten aan gene zijde door de
-Willis en den Kloet, waarachter zich de kruinen van den Smeroe en den
-Ardjoeno, Java’s hoogste bergreuzen, in de wolken verloren. De
-schaduwen van den avond waren reeds in de vlakte neergedaald en vaagden
-alle scherpe omtrekken weg, hier boven was het echter nog helder dag;
-met het gelaat van de zon afgekeerd, die in een gouden glorie achter de
-bergen wegzonk, staarde Soerapati de Smeroe en de Ardjoeno aan, hij
-herinnerde zich wellicht hoe hij in zijne kinderjaren ook naar hen had
-opgezien toen zij aan gene zijde der straat Bali voor zijne jonge oogen
-opdoemden; wellicht herdacht hij het eiland zijner geboorte, waaraan
-hij met geweld was ontrukt. Misschien ook staarde hij in bewondering
-het heerlijke land aan, dat zich voor zijne voeten ontplooide toen een
-stem, flauw als een zucht, onder zijn voeten opsteeg en hem
-toefluisterde:
-
-„Dat alles, mijn zoon, is het koninkrijk U bestemd door Allah’s
-onnavorschbaar raadsbesluit.”
-
-Soerapati zag verschrikt om zich heen; niets echter scheen te verraden
-dat een menschelijk wezen zich in zijn nabijheid bevond; de grond
-waarop zijn voeten rustten was een blijkbaar kunstmatig geëffend vlak,
-omgeven door een muurtje van ruw opeengestapelde steenen; uitgebrande
-kolen en verdorde bloemen toonden aan dat men deze plek door offers van
-wierook en bloemen vereerde.
-
-Nergens echter ontdekte hij eenig spoor van een levend schepsel; hij
-schreef dus het gehoorde toe aan een zinsbegoocheling en bleef
-onafgewend zijn oogen richten op de verbleekende bergtoppen. De woorden
-bleven toch in zijn geest weerklinken.
-
-„Koning zult gij zijn, een krachtig koning!” zoo klonk het weer,
-„indien gij uw verleden met de voeten vertreedt en haat zweert aan de
-blanke overheerschers.”
-
-Nu fronsten zich zijn wenkbrauwen onheilspellend; hij greep
-onwillekeurig naar zijn kris en zag rond in de diepte, achter de
-opeengestapelde steenen, in de rotskloven, vergeefs!
-
-„Is het dan geen spel mijner verbeelding? Zou het de stem eener Dewâ
-zijn die tot mij spreekt?” zoo vroeg hij zich andermaal af, „dan past
-het mij te luisteren in eerbied en onderworpenheid.”
-
-Hij wierp zich plat ter aarde en riep uit:
-
-„O Batoro Goeroe, god mijner vaderen, schepper en leermeester der
-volken, u aanbid ik als het machtige Opperwezen dat ons geschapen heeft
-en later ons leerde te handelen naar uw wet en geboden; al noem ik u
-met een anderen naam, gij Beheerscher van het Heelal zijt dezelfde, die
-de volgers van den Profeet en de blanke mannen uit het Westen
-aanroepen. Tot u roep ik, eerste oorsprong van mijn leven, wijs mij aan
-den weg dien ik gaan moet! Zend mij een uwer afgezanten om mij te
-leeren, wat ik kiezen moet. Vrijheid of slavernij, want al zijn de
-ketenen verguld, het zijn toch ketenen die mij voortaan zullen hechten
-aan Matarams hof!”
-
-„Gij zult koning zijn!” herhaalde de stem alweer, „de blanke zal beven
-bij het hooren van uw naam, zijn wrok en zijn haat zullen langer duren
-dan uw leven!”
-
-Soerapati hief zich op.
-
-„En is dat de eerste stap tot de koningskroon, het huwelijk met
-Pangeran Adipati’s dochter?”
-
-„Liefde en roem worden uw deel! Al is het ook na harden strijd.”
-
-„Ik vrees geen strijd,” zeide hij trotsch, „ik vrees slechts
-slavernij!”
-
-„En die wordt ontwijfelbaar uw lot zoo gij u onttrekt aan de bestemming
-door God u voorbeschikt. Ge zult koning zijn, koning.”
-
-En het was of alle echo’s van de bergen en het woud weerkaatsten:
-„Koning, koning!”
-
-Soerapati duizelde, met het gelaat in de handen verscholen, was hij op
-een knie gezakt en zoo zag hij dus niet, hoe een mannelijke gestalte,
-die zich in een spleet tusschen twee rotsen verscholen had, behoedzaam
-naar buiten kroop en zich onhoorbaar tusschen de steenblokken
-verwijderde totdat hij geheel in de woeste bergkloof verdween, die naar
-den eenzamen pijler afdaalde.
-
-Toen Soerapati weer rondom zich staarde was het geheel nacht geworden;
-slechts een lichtgele gloed verkondigde in het Westen de laatste
-rustplaats van den zonnekoning.
-
-Myriaden van lichten werden in het luchtruim ontstoken en als een
-gloeiende bol van roodachtig licht verscheen de volle maan reusachtig
-groot achter de bergen; het werd koud en kil op den rotsachtigen
-bergtop. Soerapati legde zich huiverend neer in het vervallen
-bedehuisje en trachtte den slaap te vatten.
-
-Vergeefsche moeite! Zijn gedachten wijlden in de toekomst, maar meer
-nog in het verledene; opnieuw doorleefde hij de felle smart, die hem
-zoo hevig had aangegrepen in het Gedehgebergte en hem letterlijk ter
-aarde had geslingerd.
-
-Suzanna’s ontrouw bleef nog steeds een gapende wonde in zijn hart; hij
-kon in het gewoel van den strijd, in de dagelijks terugkeerende zorgen
-en beslommeringen, in de hartstochtelijke liefkoozingen van Koesoema de
-geleden smart voor een oogenblik vergeten, maar dadelijk weer keerde
-zij heftiger dan ooit terug.
-
-Bittere haat vervulde hem soms tegen haar vader, tegen haar echtgenoot,
-tegen haar volk; hij vervloekte het oogenblik waarop de Hollanders aan
-Java’s kusten geland waren om alles onder hun machtige knie te
-verpletteren, maar een oogenblik later smolt die haat weg om plaats te
-maken voor een smachtend verlangen naar de dagen van weleer toen hij
-zich bijna de gelijke durfde wanen van de blanke Westerlingen, toen hij
-hoop koesterde eens in hun midden opgenomen te worden; dan was het weer
-zich zelf dien hij vervloekte, zijn afkomst, zijn geboorte, zijn kleur,
-dan kromp hij inéén van wanhopige moedeloosheid omdat niets ooit in
-staat zou zijn hem terug te voeren in het midden der Hollanders, hem te
-vereenigen met Suzanna en hun zoon.
-
-Die tegenstrijdige gevoelens streden heftig in zijn borst, zijn haat
-was niet diep geworteld; met weinig moeite zou het der Compagnie
-gelukken hem als een trouw bondgenoot en onverschrokken vriend te
-behouden; een samenloop van omstandigheden alleen hadden tot tweemalen
-hem haar vijand gemaakt. Slechts uit nood had hij de wapens tegen
-Suzanna’s landgenooten opgevat en nu was het misschien nog steeds een
-geheimzinnige schroom van voor goed met hen te moeten breken, die hem
-huiveren deed in ’s keizers dienst over te gaan.
-
-Hij gevoelde weinig sympathie met de Javaansche grooten, hij kon ruw
-zijn en zelfs wreed maar steeds trachtte hij strikt rechtvaardig te
-blijven; schromelijke willekeur heerschte echter in de kratons;
-noodelooze gruwelen hadden elken dag plaats; de vorsten heerschten over
-een volk van slaven. Hoe heel anders kon het wezen als de koningen bij
-de veel beschaafder vreemdelingen lessen gingen nemen in de kunst van
-regeeren, als zij zich aan elkander verbonden en de een zijn
-stoffelijke bezittingen, de andere zijn geestelijke meerderheid ten
-offer bracht.
-
-Hij droomde als van ouds, toen hij nog hoop had op Suzanna’s bezit en
-weer klonk het hem in de ooren:
-
-„Gij zult koning zijn, koning!”
-
-„Koning? dan zal ik mijn koningschap gebruiken, zooals mij het beste
-dunkt, koning zal ik wezen om hen te doen vallen die vreemde
-overheerschers; zij hebben mijn vriendschap versmaad ik zal hun vijand
-wezen...”
-
-En hij wendde zich alweer naar de vlakte die thans door de maan met
-zilverglans overtogen liefelijk en vredig zich aan den voet van den
-berg uitspreidde; lang staarde hij er op neer totdat zijn oogen zich
-sloten en hij in den droom zijn gedachten voortzette. Hij zag niets dan
-kronen en koninkrijken; Koesoema naast hem zetelend schoon en trotsch
-gelijk het een Ratoe past, maar in de verte wenkte hem Suzanna, met
-droevigen glimlach, hij liet zijn kroon vallen en stond haastig op van
-den troon om naar haar te snellen, daar scheidde hen plotseling een
-diepe kloof.
-
-Dat waren de droomen, welke Soerapati’s slaap bezochten op den top van
-den Lawoe en bij zijn ontwaken in den vroegen morgen omgaven hem
-juichend zijn makkers reeds toen de eerste zonnestralen zijn harde
-legerstede verguldden. Hij begroette hen vriendelijk en tot zijn
-vertrouwelingen den Kiai en Wirajoeda, sprak hij:
-
-„Laat ons terugkeeren naar Karta-Soera, ik weet genoeg; de Dewahs
-hebben mij mijn toekomstig levenslot onthuld!”
-
-Kiai Hemboong’s gelaat straalde, men nam den terugweg aan en niemand
-dacht aan den kluizenaar die in het dichte woud afgezonderd van de
-wereld leefde en eenige dagen geleden op verzoek der prinses voor
-weinige uren in de hofstad was neergedaald om daar met Soerapati’s
-pleegvader een ernstig onderhoud te voeren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-EEN HUWELIJK IN DEN KRATON.
-
-
-Van alle zijden stroomde het volk naar Karta-Soera’s kraton; langs de
-landwegen zag men de schitterende stoeten der naburige edelen trekken,
-omgeven door hun tallooze volgelingen en de niet minder talrijke
-scharen der landlieden, want er was feest in het keizerlijke paleis.
-Twee prinsessen tot het hooge huis van Mataram behoorende zouden in den
-echt vereenigd worden, de ééne met een zoon des keizers, de andere met
-een onbekend man, doch van wiens dapperheid en moed wondere verhalen
-door het volk gingen. Hij was ook een prins, spraken zij, van machtigen
-stam, maar als kind uit het paleis zijner ouders in slavernij
-weggevoerd, thans echter zou de groote Soesoehoenan hem zijn
-oorspronkelijken rang teruggeven.
-
-Het plein, dat zich tegenover de reusachtige pendoppoh schitterend van
-verguld snijwerk en gloeiende kleuren, uitstrekt, is opgevuld met een
-eerbiedig neergehurkte menigte; in de pendoppoh zelf bevindt zich de
-hofhouding des keizers, zijn uitgebreide familie en rijksgrooten.
-Vonkelend van goud en diamanten troont de heerscher van Mataram op zijn
-ivoren troon met rood fluweelzijden zitting, achter hem zitten de
-hofdames, waarvan eenigen de keizerlijke rijkssieraden dragen; zij zijn
-omstreeks driehonderd in getal en in het voorgeschreven galagewaad
-gekleed, dat ook voor de mannen hetzelfde is; een kaïn die tot over den
-boezem reikt en hals en schouders bloot laat; deze zijn echter met de
-goudgele keizersverf bestreken, terwijl een breede band van bonte
-kleuren om den hals der draagsters geslingerd is.
-
-De rijkssieraden of poesaka’s bestaan uit twee soorten; de meest
-eerbiedwaardige zijn die, welke slechts dienen tot opluistering van ’s
-keizers tegenwoordigheid, en geheiligde dieren voorstellen. Ze zijn
-allen in massief goud en worden aangeduid als de vogel Garoeda, het
-heilige symbool van den hindoeschen God Vishnoe, de Sawoeng-galing of
-haan, en de fabelachtige Arda-walika half mensch half slang, twee
-olifanten, de kidang of reebok en de gans.
-
-De andere voorwerpen worden den keizer steeds nagedragen als hij den
-kraton verlaat, daar zij tot zijn bijzonder gebruik strekken of heeten
-te strekken; de altijd opgerolde gouden mat; de waaier van
-paradijsvogel- en pauwenveeren, zijn gouden opiumpijp, zijn wandelstok
-en sirihdoos, zijn met goud ingelegde zilveren kleerkist, zijn gouden
-kam en toiletdoos, een met water gevulde hoorn tot verfrissching van
-zijn paard, en eindelijk zijn rijk met juweelen versierde wapens,
-pijlkokers en boog, schild, zwaard en vijf en twintig lansen.
-
-De andere vrouwen zijn de amazonen, die in haar gewone houding op een
-knie rustend, in een halven cirkel achter den vorst geschaard liggen.
-
-Het is een schouwspel vol oostersche pracht en majesteit, de stralen
-der zon hullen den in volle heerlijkheid tronenden monarch in een
-oogverblindend licht en met hem die eerbiedig neergehurkte massa volks
-in de goudkleurige verf van het hof, die gebouwen schitterend van
-kleuren en verguldsel. De vorstelijke gamelan met zijn heldere klanken
-verbreekt de algemeene stilte; op een wenk des keizers wordt een slag
-gegeven op een der groote koperen bekkens, die in de pendoppoh hangen
-en een oogenblik later verschijnen aan den tegenovergestelden ingang
-van het plein de hoogepriester of panghoeloe aan het hoofd zijner
-priesters, die de beide vorstelijke bruidegoms omringen.
-
-De priesters dragen hun deftig en toch sierlijk ambtsgewaad; een groote
-tulband bedekt het hoofd, een lang wit kleed valt in statige plooien
-tot aan den grond, en wordt slechts van voren open gelaten door den
-overhangenden kaftan van gele of purperen zijde; het bruidsgewaad der
-beide bruidegoms is gelijk aan het galatoilet der hovelingen, een wit
-zijden koeloek siert hun hoofd, waarvan bloemketens afdalen over hals
-en schouders, een lange fraaie Solosche sarong is om hun lendenen
-vastgemaakt met een geelzijden sjerp, waarvan de slippen tot ver over
-de knieën reiken, en die een met diamanten versierde kris half
-verbergt; het bovenlijf glinstert van de keizerlijke goudverf.
-
-De krachtige gestalte van Soerapati komt in deze min of meer verwijfde
-tooi niet tot haar recht; de dappere krijgsman voelde zich benauwd
-onder die geuren van bloemen en verf; te midden van al die glans en
-pracht verzuchtte hij naar het vrije leven der bosschen, en zelfs de
-gedachte aan zijn vorstelijke bruid was niet in staat dien wensch tot
-zwijgen te brengen.
-
-Allen werpen zich ter aarde totdat een wenk des keizers hen beveelt
-naderbij te komen; al kruipend doen zij eenige stappen en wachten een
-tweeden wenk af, eindelijk na den derden zijn ze aan den voet der
-trappen van de pendoppoh aangekomen; telkens op een nieuwen wenk van
-den vorst komt de stoet nader tot hij zich eindelijk aan zijn voeten
-bevindt, daar zetten de bruidegoms zich met de beenen onder het lijf
-geslagen neer op een matje, terwijl rechts en links van hen de
-priesters op dezelfde wijze plaats nemen.
-
-„Selamat milaïkum!” zegt de keizer op luiden toon. Allen buigen zich
-ter aarde en herhalen als echo’s de laatste lettergrepen van het woord;
-dan voegt de panghoeloe de handen samen, heft ze omhoog tot het
-voorhoofd, laat ze zinken en buigt zich diep voor den keizer, nu neemt
-hij de rechterhand van den bruidegom in de zijne, spreekt het
-huwelijksformulier uit, en besluit het met de bede:
-
-„O God! vereenig dit nieuwe paar door den band des huwelijks, gelijk
-Gij het water met den dauw vereenigt, want Gij, o liefderijke God!
-schenkt Uwe liefde aan degenen, die u beminnen.”
-
-Soerapati sidderde bij het hooren dezer woorden; het waren dezelfde
-waarmede zijn oude vriend hem eenmaal verbonden had aan het Hollandsche
-meisje, dat hem ontrouw geworden was. De Hadji’s zongen nu een gedeelte
-van den koran op het huwelijk betrekking hebbende:
-
-„Alle aanbidding aan Allah!
-
-„Wij smeeken Allah dat Hij ons helpe en vergeve, en wij stellen ons
-onder de hoede van Allah vanwege de onreinheid onzer harten en onzer
-werken. Als Allah den mensch leidt, dwaalt hij niet af; maar als Allah
-hem loslaat, vindt hij den weg des geloofs niet....
-
-„De Heer Allah heeft den mensch het huwelijk toegestaan, maar het
-overspel is verboden en reeds is zijn straf gereed voor den schuldige.
-
-„Denkt er aan uw Heere God te vreezen, die U allen uit een lichaam
-heeft geschapen; Hij vormde één mensch en schiep zijne vrouw, en Hij
-deed uit een paar, den profeet Adam en zijn moeder Hewa, vele mannen en
-vrouwen voortkomen.
-
-„Vreest Allah en bidt tot Hem met uw huisgezin, want Allah is boven u,
-en ziet uw werken.
-
-„En Allah zegt: Gedenkt, geloovigen, God te vreezen, en spreekt zacht
-en goed tot uw evenmensch. Dit alles zal uwen weg tot heil worden, en
-Allah zal uwe zonden vergeven. Al wie God en zijn gezant gehoorzaamt,
-zal groot geluk ontvangen.”
-
-Een der prinsen nadert de bruidegoms en neemt hen de krissen af; want
-niemand mag gewapend in Allah’s tegenwoordigheid verschijnen.
-
-Opnieuw buigen zich allen voorover en gezamenlijk bidden zij halfluide
-een driemaal herhaalde bede.
-
-„Wij vragen U vergiffenis, o God, die zoo groot zijt!”
-
-En nu spreekt de opperpriester de woorden uit die hen vereenigen
-moeten; de bruidegoms antwoorden dat zij de echtverbintenis aanvaarden,
-met de handen geopend als om een gave uit den hemel te ontvangen bidden
-de priesters en getuigen:
-
-„Geef ons zegen o God, geef ons zegen o God, Amin!” En de geheele
-vergadering herhaalt „Amin.”
-
-Het huwelijk is gesloten en nu is het aan de bruidegoms de keizerlijke
-voeten te kussen; de krissen worden hen teruggegeven en weinige
-oogenblikken later vertrekken zij weer door de priesters omgeven.
-
-’s Middags is het de bruidsreceptie in de kapatijan (de woning van den
-Rijksbestuurder) die in een rijken dos van bloemen en groen prijkt. Op
-een verhevenheid tronen bruid en bruidegom. Zij opgesierd in het
-omslachtige bruidskostuum, de gitzwarte lokken over het voorhoofd
-gekamd en versierd met zilveren platen, het achterhoofd getooid met een
-schat van juweelen spelden en geurige natuurlijke bloemen, gelaat, hals
-en schouders met de goudgele verf bestreken, armen, handen en enkels
-belast met gouden ringen, opgelegd met tallooze juweelen, de weinige
-kleederen die haar lichaam bedekken, schitterend van kleuren en rijk
-aan weeke plooien vol smeltende wederglansen. Zij houdt de wimpers
-volgens Javaansch gebruik neergeslagen, maar het kost haar moeite de
-oogen niet op te heffen tot den bruidegom, die naast haar zit en de
-gedachte aan wien haar geheele ziel vervult; ook hij onderwerpt zich
-zwijgend aan het lastige, vervelende ceremonieel, dat eindelooze uren
-voortduurt.
-
-Wirajoeda fluisterde Kiai Hemboong in:
-
-„Onze dappere hoofdman zou ook liever een verren rooftocht ondernemen
-dan zulk een dag nogmaals te doorleven.”
-
-Kiai Hemboong’s gelaat drukte echter groote zelfvoldoening uit.
-
-„Hij heeft al een grooten weg gemaakt; Sie Oentoeng, de slaaf,
-echtgenoot thans van een keizerlijke prinses, nicht van den
-Soesoehoenan!”
-
-„De weg is nog niet half afgelegd,” grinnikte Boeloe Kidoer, de dwerg.
-
-Het feest was in vollen gang, gamelan en paukenslag vervullen de lucht,
-hanengevechten, vliegervermaken, wedloopen werden op verschillende
-plaatsen in den kraton gehouden; bij den Pangeran Adipati Amirang
-Koesoemo dansten echter de Keizerlijke bayadères, Serimpi’s genaamd,
-die negen in getal zijn en tot de eerste schoonheden van het hof
-gerekend worden; zij behooren tot de voornaamste familiën en ook velen
-harer zijn bijvrouwen des Keizers.
-
-Heur haar is doorvlochten met juweelen en met bloemen opgesierd; de
-borst bedekt met een zijden doek van glinsterende kleuren, waarop drie
-gouden halve manen vallen, een slendang is om het middel geslingerd en
-moet haar straks helpen de bevallige figuren van den dans uit te
-voeren; de wijde sarong naar een bijzonder patroon vervaardigd, die
-niemand anders dragen mag, golft in wijde plooien ter aarde, en is met
-goud of zilver doorstikt.
-
-Breede gouden banden omsluiten den boven- en onderarm, een dergelijke
-band houdt den sarong op; het licht der toortsen hult hen in een
-tooverachtig licht en strooit tallooze vonken in het goud en de
-edelgesteenten, die de danseressen tooien; zij flikkeren en dansen bij
-elk der langzame afgemeten bewegingen, die zij in haar verschillende
-figuren maken.
-
-De Keizer, die tegenover het bruidspaar op zijn troon zit volgt met
-blijkbaar genot den dans die twee volle uren duurt; soms klapt hij in
-de handen en moedigt haar tot een wedstrijd aan. De danseressen van den
-Rijksbestuurder en de andere grooten kwamen zich nu ook met de
-Serimpi’s meten, totdat eindelijk diep in den nacht de bruidegom zich
-terugtrok met zijn gezelschap en de bruid eindelijk van de lange en
-vermoeiende zitting in de kapoetren haars pleegvaders ging uitrusten.
-
-„Wat hebben ze daarbinnen toch een drukte gehad!” zei kapitein Grevink
-den volgenden morgen tot zijn vaandrig.
-
-„Dat wil ik gelooven, kapitein, ze hebben bruiloft gehouden. De oude
-Koesoemo heeft een dochter of nicht van hem uitgehuwelijkt tegelijk met
-den neef des Keizers.”
-
-„En wie is de andere bruidegom?”
-
-„Ik heb hooren zeggen, dat het een weggeloopen slaaf moet zijn maar
-dien de slimme Koesoemo onder hooge bescherming heeft genomen. Hij
-heeft een troep Balineezen onder zich.”
-
-„Het zal toch Soerapati niet wezen?”
-
-„Ik meen dien naam gehoord te hebben, ’t is dezelfde kranige vent dien
-we op de Senènan voor ’t eerst hebben gezien.”
-
-„Dat moet ik onderzoeken!” riep Grevink bleek van toorn, „’t wordt hoe
-langer hoe erger; die nikkers verbeelden zich dat zij alles mogen doen.
-Soerapati is dezelfde kerel die in den Preanger Kuffeler bijna in ’t
-stof had doen bijten, en nu haalt de Soesoehoenan hem met zoo’n statie
-in zijn kraton. Daar moeten we meer van weten, dat is schending van het
-contract. Houd een oogje open, vaandrig.”
-
-„Ik zal er mijn best voor doen, kapitein!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-HET VERHAAL VAN DEN DWERG.
-
-
-Ten Zuiden van den kraton van Karta-Soera bevindt zich, geheel omgeven
-door een vruchtbare streek vol rijstvelden, de kampong Babirong; lanen
-van tamarindeboom en met hun sierlijk fijn gebladerte voeren daarheen;
-de huizen zelf zijn omsloten door een dichte bamboehaag, waarin eenige
-openingen de poorten vormen, die toegang geven tot het dorp zelf.
-
-Hooge boomen overschaduwen de huizen; de verschillende soorten van
-palmen wuiven zachtkens hun met vruchten beladen kruinen heen en weer;
-andere vruchten gloeien tusschen het donkere groen. De ramboetan en
-djamboe, de manga en de salak beloven hun milden oogst aan de bewoners
-der huizen, die zij nu verkwikken met de schaduw van hun dik, schier
-ondoordringbaar loof.
-
-De avond is aan het vallen, kalmte en vrede heerschen tusschen de
-huizen, die eenvoudig van bamboe gevlochten zijn, en in de kleine
-tuinen welke door loentashagen van die der buren afgescheiden zijn; de
-bewoners zitten in kleine groepjes onder hunne afdaken, de kinderen
-spelen op den zandigen grond. Hun gejoel is schier het eenige dat de
-stilte verbreekt; als ze straks naar binnen kruipen om zich op de
-baleh-baleh, het gemeenschappelijk ledikant der familie, uit te
-strekken, dan hoort men nog alleen duidelijk het vertrouwelijke kirren
-der perkoetoets, de lievelingsvogels van den Javaan, die hij in
-kooitjes ophangt aan zijn afdak of wel omhoog hijscht aan een
-bamboestaak.
-
-Nu en dan sluipt een grauwe kat over de paden om dadelijk weer zoo snel
-mogelijk in een heg te verdwijnen; hier en daar hinnikt een paard
-eenvoudig aan een boom gebonden, waarvan zijn bos gras afhangt; achter
-de huizen in den modder zijn de buffels gestald, waar ze uitrusten van
-hun zwaar dagwerk. Alles rust nu uit, de stemmen der pratenden klinken
-zacht en eentonig, om niet te zeggen toonloos; ’t is het zoete
-nietsdoen, waarvan de bewoner van het Noorden zoo weinig het zoete
-begrijpt en dat den Javaan in staat stelt de hitte en den gloed van den
-dag te tarten.
-
-Midden in het dorp stond een aanzienlijke woning, versierd met
-geschilderde en uitgesneden stijlen, bijna geheel verscholen onder
-bloemdragende boomen; de tandjoeng strooide haar witte stervormige
-bloemen over den grond, de vuurroode bloemen der soka schitterden in
-het donkere groen, de oleander prijkte met zijn witte en roode rozen;
-de zoete geur der groen en geelachtige kenangan mengt zich met de meer
-scherpe van de gouden tjampaka’s en wordt nog overtroffen door de op
-oranjebloesem gelijkende sneeuwwitte melatis en de soedepmalem; de tuin
-die deze woning omringt is geheel en al een bloemenhof, over dag komen
-de witte, roode, gele, blauwe, paarsche bloemen helder uit tegen het
-sappige groen der heesters; dan bloeit en wasemt alles onder de schaduw
-der hooge boomen, nu zijn het alleen de bedwelmende geuren die de
-weelde der oostersche bloemenpracht verraden.
-
-Dit dorp was door den Keizer van Mataram aan Soerapati en zijn
-Balineezen tot verblijfplaats aangewezen, de omliggende rijstvelden
-waren hun ter bebouwing gegeven, daarvoor moesten zij hem tot lijfwacht
-strekken, zoo dikwijls als zijn keizerlijke wil het verlangde.
-
-Het was Radhen Goesik’s pleegvader, die alles zoo geregeld had; het was
-niet moeilijk zijn geheim doel te raden; Radhen Adipati haatte de
-Hollanders, niets verlangde hij meer dan zijn Keizer te verlossen van
-de zware schuld der dankbaarheid, die sedert Troeno-Djojo’s val op hem
-drukte, en de lijfwacht, welke de Hollanders aan de Noordelijke punten
-van Karta-Soera gelaten hadden, overbodig te maken.
-
-De dappere Balineezen waren beter dan iemand in staat den Keizer te
-beschermen, en zoo het kon van de gehate vreemdelingen te ontslaan.
-Hamangkoe-Rat keurde alles goed wat zijn Rijksbestuurder deed, hij
-vertrouwde hem in alles, en zocht slechts zijn eigen genot, waar hij
-meende het te kunnen vinden.
-
-Toen kort na het huwelijk der Mataramsche prinses met den Balineeschen
-avonturier, de kapitein-luitenant Grevink een opmerking gewaagd had
-tegen den keizer, die een vijand der Compagnie niet alleen gastvrijheid
-verleende, maar hem zulke groote eer aandeed, antwoordde Hamangkoe-Rat,
-aangestookt door den Radhen Adipati, op hooger toon dan hij gewoonlijk
-aansloeg:
-
-„Dat het hem vrijstond in zijn kraton te ontvangen wien hij verkoos en
-dat het hem onmogelijk was zich van de Balineezen te ontdoen, daar hij
-hun reeds te sterke beloften had gedaan.”
-
-Grevink had deze boodschap naar Batavia overgebracht en men besloot
-daar alle pogingen in het werk te stellen om het Hollandsche gezag door
-den Vorst van Mataram te doen eerbiedigen.
-
-Er gingen echter eenige maanden om en men hoorde niets meer in
-Karta-Soera van de plannen der Hooge Regeering; de keizer dommelde weer
-in zijn traagheid en onverschilligheid in, maar de Rijksbestuurder
-waakte. Soerapati ging op zijn aandringen voort zijn mannen in den
-wapenhandel te oefenen; overigens leefden de Balineezen met hun
-gezinnen rustig in hun kampong, bebouwden hun landen in afwachting dat
-men hun hulp zoude noodig hebben.
-
-Op dien kalmen avond, zat Soerapati met zijn vrouw en enkele dienaren
-onder het afdak hunner ruime, fraaie woning; een knaap ontlokte aan de
-rebab of Javaansche viool haar weemoedige klanken; Kiai Hemboong hurkte
-bij den buitensten rand der galerij neer, schijnbaar in diep gepeins
-verzonken. Tegen den muur der woning op een met kussens bedekten divan
-zat Radhen Goesik Koesoema; haar welriekende lokken hingen los en als
-een fluweelen mantel uitgespreid over haar bloote schouders. Soerapati
-lag half uitgestrekt naast haar, zijn hoofd op haar knieën, met
-gesloten oogen luisterde hij naar de droomerige klachten van den rebab,
-hij was moede teruggekomen van een tocht met zijn Balineezen in het
-gebergte gedaan om eenige opstandelingen te vervolgen.
-
-De kalme rust aan de zijde der betooverende vrouw deed hem goed; de
-avond noodigde ook slechts tot een kalm genieten uit, de bloemen
-vervulden de lucht met hun bedwelmende dampen, zachter en zoeter waren
-de geuren, die uit Koesoema’s lokken en kleeren opstegen. Een teeder
-koeltje streek in de galerij neer, en zond de weerklanken der
-Javaansche viool naar buiten; zacht rustten de fijne met ringen
-versierde handen op het hoofd van haar gemaal als wilden zij alle
-onstuimige gedachten, alle pijnigende herinneringen daarbinnen tot rust
-brengen.
-
-Zij beminde hem nog steeds met een aan aanbidding grenzende liefde; een
-liefde, die echter niet gerust kon zijn, want overtuigd was zij nog
-niet of zij de Hollandsche vrouw voor goed overwonnen had. Soerapati
-sprak nooit meer over zijn verleden; hij scheen zich met hart en ziel
-verknocht te hebben aan den Soesoehoenan maar toch, soms verried een
-woord, een blik hoe in ’t diepst van zijn hart nog vezelen waren, die
-zich vast en schier onafscheidelijk aan de blanken gehecht hadden in
-wier midden hij wellicht de gelukkigste en onbezorgdste jaren van zijn
-leven had doorgebracht.
-
-Zij was nog steeds Soerapati’s eenige vrouw, hoe trotsch zij er ook op
-was dat hij alle andere liefde versmaadde, toch had zij er op
-aangedrongen dat hij eenige bijvrouwen zou nemen; hierdoor immers zou
-hij de wijdste kloof graven tusschen hem en de Christenen, want de
-Hollandsche vrouw was de eenige mededingster op wie Koesoema zich
-verwaardigde jaloersch te zijn.
-
-Tegen anderen was zij volkomen bestand door haar schoonheid en scherpen
-geest; de herinnering aan die andere alleen maakte haar machteloos.
-Soerapati’s verbittering tegen de Hollanders was nooit diep geweest,
-dat voelde zij genoeg; Kuffelers mishandeling en Kiai Hemboong’s
-onbeschaamde leugen hadden hem overrompeld; zij begreep dat er
-oogenblikken waren, zelfs wanneer de Radhen Adipati hem schitterende
-blijken van vertrouwen gaf wanneer zelfs Koesoema hem liefkoosde, dat
-het hem berouwde met hen gebroken te hebben.
-
-Zou hij nu weer droomen van voorheen, nu hij op haar knieën scheen in
-te sluimeren, of was zij het alleen die zijn ziel vervulde?
-
-Zij wenkte Boeloe Kidoer den dwerg, die aan de voeten van den divan
-onbeweeglijk als opgerold in een kluwen zat.
-
-„Laat die rebab ophouden, dwerg!” sprak zij, „het maakt mijn hart ziek,
-met zijn droevige tonen. Het is nutteloos in treurig gepeins verzonken
-te blijven, laten wij ons vermaken opdat onze droefgeestigheid
-verdwijne!”
-
-„Zal Kiai Hemboong één van zijn pantoens laten hooren?” vroeg de dwerg.
-
-„Kiai Hemboong is te moe, hij heeft een langen tocht gedaan,” zei
-Soerapati bezorgd, „laat hem uitrusten; zijn lichaam heeft evenveel
-behoefte aan rust als het mijne.”
-
-„Zal ik u dan eens iets vertellen?” hernam de dwerg, „ik weet ook
-mooie, lange verhalen, zij doen den vermoeiden beter rusten, en maken
-het zieke hart gezond!”
-
-„Ja vertel op! niet waar Koesoema, gij wilt immers ook wel luisteren
-naar Boeloe Kidoer’s sprookjes!”
-
-„Het zijn geen sproken, edele Heer! Het is ’t verhaal van alles wat
-werkelijk en waarlijk gebeurd is in het land der Javanen, sinds de
-blanke Hollander er voor ’t eerst verscheen!”
-
-„Ja vertel maar toe, Boeloe!” zuchtte de prinses, „hoe de vreemdelingen
-het geluk verwoest hebben in ons land; want sedert zij er kwamen is het
-gedaan met den vrede en de macht der dienaars van den Grooten Profeet!”
-
-„De goden volgen elkander in Java op,” sprak Kiai Hemboong ernstig.
-„Eerst waren het de Hindoes, die het land bedekten met hun tjandis, en
-ons den dienst leerden van den grooten Shiwa en zijn vrouw, de
-onverbiddelijke Doerga, daarna kwamen de vereerders van Boeddha, den
-goeden meester, toen de priesters van Mahomed den Profeet en nu zijn
-het de volgelingen van den Ngabi Isa, die ons met hun zwaard
-bedreigen!”
-
-„Maar dezen hebben het niet voorzien op Allah en zijn profeet,” zeide
-grijnslachend de dwerg, „zij zullen ons Shiwa of Mahomed gaarne laten,
-wanneer wij hen slechts ons goud en zilver, onze specerijen en onze
-lijnwaden brengen.”
-
-„Zij vinden ons te laag en te min voor hun God,” sprak Soerapati
-bitter, „de bruine man is niet waardig hun Opperheer te aanbidden; Hij
-bekommert zich niet om het vervloekte geslacht.”
-
-„Wij hebben hem ook niet noodig!” zeide Koesoema fier, „wij aanbidden
-Allah en versmaden hun eeredienst zonder priesters, zonder offers.”
-
-„Dan deden de Portugeezen anders,” hernam Kiai Hemboong, „hun eerste
-werk was hun God aan de inlanders te doen kennen, dan eerst begonnen
-zij met hen handel te drijven, zoo vertelde mij mijn vader, die het van
-zijn ouders had gehoord, maar de God der Hollandsche Compagnie is de
-rijksdaalder!”
-
-„Dan zal ik u vertellen hoe machtig die rijksdaalder-god eens geweest
-is. Wilt ge mij hooren?”
-
-Allen die onder het afdak waren, kwamen nabij; Boeloe Kidoer zette zich
-op zijn gemak met de beenen onder zijn kort lijfje gekruist, op den
-grond neer, en terwijl de dienaressen van de huisvrouw op
-pisangbladeren allerhande ververschingen uit gebak en vruchten
-bestaande, ronddienden, begon de dwerg zijn verhaal.
-
-„Ik ga u verhalen van Moer Djang Koeng, den beroemden stichter van
-Batavia, den overwinnaar der Djakartanen. Dit is de ware geschiedenis,
-die ik u ga mededeelen, zooals zij door de vaders verhaald is aan de
-kinderen en door dezen weder aan hun kinderen. Er was in de zee een
-eiland, daar hield een schoone prinses haar verblijf, Tanoeraga was
-haar naam en zij stamde af van de machtige vorsten van Padjadjaran,
-wier rijk verwoest werd door de belijders van den Islam.
-
-„De prinses was schoon maar haar hart was bedroefd, want niet uit
-vrijen wil hield zij verblijf op het eiland; de Pangeran van Djakarta
-hield haar daar gevangen en zij bracht haar dagen door in vasten en
-gebeden, zij vergoot al haar tranen, maar het baatte niet; het eene
-jaar verving het andere, maar haar toestand veranderde niet.”
-
-Radhen Koesoema voelde de borst van haar gemaal heftig op en neer gaan;
-een zucht ontsnapte zijn lippen die weerklank vond in haar ziel; zij
-begreep dat Soerapati dacht aan een andere gevangene ook op een eiland
-in Batavia’s haven. De dwerg ging voort.
-
-„Op zekeren dag gebeurde het dat de dappere Baron Soekmoel de zoon van
-den rijken koopman Kawit Paroe, die de Compagnie gesticht had, met zijn
-dertien zonen, op de reede van Djakarta aankwam. Hij had tien schepen
-bij zich, bevracht met allerlei koopwaren. De bewoners van Djakarta
-waren vol van verbazing, zij zetten hun oogen wijd open en snelden naar
-het strand; nog nooit hadden zij zooveel prachtige zaken gezien. Baron
-Soekmoel wilde hun alles verkoopen en zoo gaven de bewoners van
-Djakarta alles wat zij hadden om de heerlijke koopwaren van den
-vreemdeling in hun bezit te krijgen. En allen verheugden zich want
-rechts en links werden de vreemdelingen bedrogen en nog meenden zij
-zeer voordeelig gekocht te hebben, en de groote Soekmoel bezocht den
-Pangeran van Djakarta, en deze verwelkomde hem met groote vreugde; hij
-richtte feestmalen aan en liet de wajangs spelen, den tijger tegen den
-buffel vechten en allen juichten omdat men zooveel en zoo goede winst
-had gemaakt; het eiland Odroes had Soekmoel gekocht voor duizend
-realen.
-
-„En toen hij er bezit van ging nemen zag hij de gevangen prinses en
-bemerkte dat zij schoon was, want heur lokken waren zwart als de nacht
-en haar ooren waren als ontloken bloemen, en haar gelaat als de volle
-maan, zij was welriekend als de sokabloem.
-
-„En Baron Soekmoel dacht bij zichzelf: Mijn oogen kunnen zich niet
-verzadigen met haar aan te zien en hij vroeg haar overluid: „Zeg mij
-schoone vrouw, wiens dochter zijt gij?”
-
-„En de prinses antwoordde:
-
-„Heer, mijn ouders waren de afstammelingen der machtige vorsten van
-Padjadjaran, maar ik ben een ongelukkig schepsel, de gevangene van den
-Pangeran van Djakarta, mijn naam is Tanoeraga en sedert drie jaar breng
-ik hier mijn dagen en nachten in zuchten en gebeden door.”
-
-„Toen keerde Baron Soekmoel terug naar Djakarta en vroeg den Pangeran:
-
-„Waarom houdt ge prinses Tanoeraga gevangen?”
-
-„Omdat zij een afstammeling is van de vorsten van Padjadjaran en ik
-bevreesd ben dat haar aanhangers mij verdrijven zullen uit mijn rijk.”
-
-„Ik heb de prinses gezien,” zei Baron Soekmoel, „en mijn hart is
-bekoord door haar schoonheid. Als ik haar niet verkrijg, dan zal ik
-niet van hier gaan. Wilt ge mij haar schenken dan zal ik u drie stukken
-sterk geschut in ruil voor haar afstaan, zoo niet, dan word ik uw
-vijand en zal door geweld verkrijgen wat gij aan goede woorden
-weigert.”
-
-„De Pangeran verzonk in gepeins en raadpleegde zijn mantri’s en dezen
-rieden hem aan de prinses te geven in ruil voor de kanonnen en ik heb
-twee van de drie kanonnen gezien en dat is een bewijs voor de waarheid
-mijner woorden; een wordt bij den sultan van Bantam bewaard en een door
-den vorst van Tjeribon, terwijl het derde hier de aloen-aloen van den
-machtigen keizer van Mataram versiert.
-
-„Baron Soekmoel haalde nu de schoone prinses Tanoeraga van het eiland
-en huwde haar met groote plechtigheid. Zeven dagen duurde het feest en
-van alle kanten stroomden de gasten, niemand kon zulk een feest geven
-want Baron Soekmoel was rijk. Zijn schepen waren beladen met kostbare
-koopwaren. Toen de bruiloft geëindigd was, scheepte Baron Soekmoel met
-zijn vrouw zich in op het grootste en schoonste zijner schepen en
-vertrok weer naar zijn land.
-
-„En na eenigen tijd werd hem een zoon geboren, met een gelaat zoo
-schoon als de dag; zijn kleur was goudgeel als de schil van den langsep
-maar zoo fijn dat het rood van het bloed en het blauw der aderen er
-door schemerde, met oogen schitterend als de morgenster en zoo blauw
-als de hemel, met een hals zoo blinkend als een zilveren waterkruik,
-met vingers fijn als de stekels van een stekelvarken, en toen hij
-opgroeide werd hij krachtig en slank als de klapperboom, zijn handen
-waren sterk als de greep van den tijger en zijn oogen straalden als de
-zon; hij was dapper en bedreven in den wapenhandel en zijn ouders
-hadden hem Moer Djang Koeng genaamd; weldra vervulde zijn roem alle
-landen aan gene zijde van de zee, maar zijn hart was niet tevreden.
-
-„Hij zag dat zijn kleur anders was dan die zijner vrienden en dat hij
-een schoonheid bezat geheel verschillend van de hunne. En daarom vroeg
-hij eens: „Moeder, waarom is mijn kleur niet zoo wit als het vleesch
-van de kokosnoot; waarom ben ik zooveel sterker en moediger dan allen
-die ik ooit zag?”
-
-„En de moeder antwoordde:
-
-„Omdat mijn land niet dat uws vaders is;” en zij verhaalde hem hoe de
-Pangeran van Djakarta haar wreed mishandeld had en hoe Baron Soekmoel
-haar gekocht had voor drie stukken geschut. En het hart van Moer Djang
-Koeng werd door toorn bewogen en hij sprak:
-
-„Dan zal ik naar Java gaan en den Pangeran van Djakarta tuchtigen.” En
-tot zijn vader zeide hij:
-
-„Vergezel mij niet, want alleen zal ik den tocht volbrengen.” En nu
-werden vijftien schepen uitgerust, vijftien groote, met koper beslagen
-schepen, vijf met handelswaren beladen, vijf met kogels en kanonnen en
-vijf met krijgsvolk; men zeilde nacht en dag door totdat men eindelijk
-Djakarta bereikte.
-
-„De Pangeran ontving Moer Djang Koeng vriendelijk en al zijn vrouwen
-mochten hem gaarne lijden, want hij schonk haar fraaie geschenken en
-bepaalde geen prijs voor alles wat hij verkocht. Hoe weinig men hem ook
-betaalde, altijd was ’t hem goed.
-
-„En hij pachtte voor duizend realen een stuk grond en bouwde daarop een
-vesting; de Javaansche vrouwen zagen de blanke mannen gaarne en velen
-traden met hen in het huwelijk, maar de dappere Moer Djang Koeng vergat
-zijn wraakzuchtige plannen niet; hij overwoog ze en bewaarde ze diep in
-zijn hart. En eens gebeurde het dat hij twist kreeg met den Pangeran en
-deze vluchtte weg naar de streek genaamd Goenong Sari, waar hij zich
-verschanste achter een dikke haag van bamboe doeri (stekelriet).
-
-„De Hollanders verheugden zich zeer en bouwden zich nu een tweede
-vesting, zij stapelden hun kruit en lood op, bergen hoog en weldra
-begon een hevige strijd; uit de lucht kwam de broeder van den Pangeran
-de Hollanders aanvallen, toen zij met hun kogels den vijand tot achter
-zijn verschansingen voortdreven. Alle hoop voor de vreemdelingen scheen
-verdwenen, doch zie! daar komt hulp opdagen. Baron Soekmoel snelt zijn
-zoon ter zijde; met drie goed uitgeruste schepen verschijnt hij op de
-reede van Batavia en overziet den toestand.
-
-„Mijn zoon,” zegt hij, „hier baten geen kogels, maar waar sterkte
-faalt, daar gebruikt men list; nog jaren kan de Pangeran van Djakarta
-uw kogels tarten achter zijn haag van bamboe, in zijn vesting Goenong
-Sari, maar ik zal hem kogels zenden, die zij niet zullen weerstaan.”
-
-„En Soekmoel gaf bevel de kanonnen te vullen met gouden dukaten en
-zilveren rijksdaalders en deze op Goenong Sari af te schieten.
-Nauwelijks hadden de Djakartanen gezien hoe de muntstukken tusschen de
-bamboestengels vielen, of zij vergaten geheel en al te strijden, rukten
-de halmen uit den grond om het geld op te rapen. Het duurde niet lang
-of de geheele bamboeshaag was uitgerukt. De kanonnen werden met kogels
-geladen en weldra werd de Pangeran met zijn aanhangers verdreven naar
-het gebergte, de Compagnie daarentegen...”
-
-Soerapati richtte zich plotseling op en luisterde, de dwerg zweeg en
-allen wendden het hoofd om; het zand kraakte licht onder de stappen van
-twee mannen, die behoedzaam het huis naderden en weldra ook in de
-galerij verschenen.
-
-Hij ging hen te gemoet; bij het flikkerend lampje, dat tegen een der
-stijlen geplaatst was, herkende hij den Rijksbestuurder en den
-Kroonprins.
-
-„Ik moet u spreken,” zeide Amirang Koesoemo haastig, „het is een zaak
-van groot gewicht, die mij tot u voert, zoo laat in den avond.”
-
-„Laat ons naar binnen gaan,” sprak Soerapati en boog zich diep voor den
-pleegvader zijner vrouw en voor den prins.
-
-Zij traden binnen en bemerkten nu dat Radhen Goesik hen gevolgd was.
-
-„Vader,” zeide zij, „er dreigt mijn man een gevaar! Ik heb het dezen
-avond kunnen hooren aan het gekir mijner tortelduiven, die waarschuwend
-klaagden; mijn hart was gevuld met tranen, die niet konden opstijgen
-tot aan mijn oogen. Wat dit gevaar ook zij, ik wil het deelen en hoe
-zal ik het kunnen deelen, als ik het niet ken?”
-
-„Mijn dochter heeft gelijk. Een groot gevaar bedreigt niet alleen uw
-gemaal maar den keizer en geheel Mataram om hem; wij moeten het
-bezweren en daartoe hebben wij ook uw raad van noode; uw oog ziet
-scherp en uw geest is helderder dan die van menig man. Sta haar dus toe
-Soerapati, onze beraadslagingen bij te wonen.”
-
-„Niets zal mij liever zijn; de zaken van den man zijn ook die van de
-vrouw. Van waar dreigt het gevaar, edele prins? Komen de Hollanders mij
-opeischen?”
-
-„Gij hebt recht; de Compagnie neemt haar maatregelen en zij schijnt het
-ernstig te meenen. Zij heeft een gezant, Toewan Tak genaamd, afgezonden
-naar Samarang, om van daar uit zich naar Mataram te begeven en het doel
-hunner zending is, den Soesoehoenan aan te sporen zijn schuld te
-betalen en ook het tractaat niet te overtreden, waarbij hij zich
-verbond geen vreemdelingen in zijne landen toe te laten.”
-
-„Is dit alles?”
-
-„Ge begrijpt wat deze laatste bepaling meent, uw uitlevering.”
-
-„Wat zal de keizer antwoorden?”
-
-„De keizer wil vier mantri’s naar Samarang zenden om den gezant te
-begroeten en hem tevens over zijn plannen te polsen. Hij heeft den
-kapitein der lijfwacht reeds zijn vrees te kennen gegeven over de komst
-van den gezant, maar deze stelde hem gerust en antwoordde dat de
-Compagnie hem gezonden had alleen om met den keizer over den welstand
-van het rijk te spreken.”
-
-„Als de gezant hier komt kan ik niet blijven,” zeide Soerapati beslist,
-„wat wil de keizer dat ik doe?”
-
-„Datgene, waartoe gij moed hebt,” antwoordde de Kroonprins.
-
-„Is er meer moed noodig tot den strijd of tot de onderwerping?”
-
-„Onderwerping,” riep Radhen Goesik onstuimig, „wat bedoelt gij daar
-mee? Wilt gij weer slaaf worden?”
-
-„Als de Compagnie vrede met mij sluiten wil, dan ben ik bereid mij op
-voorwaarden over te geven.”
-
-„Dwaze die ge zijt! Kent gij de Hollanders nog niet genoeg om ze zoo
-goed te vertrouwen? Met schoone beloften zal men u vleien en indien gij
-in hun macht zijt, wie weet welk lot u dan wacht. En dat lot zal ik dan
-met u deelen? Nimmer, ik heb mijn eersten man verlaten omdat hij een
-lafaard was, met u zal ik ellende en armoede deelen, maar geen
-slavernij!”
-
-„Ge spreekt zooals het mijn dochter past, Koesoema,” hernam de
-Rijksbestuurder goedkeurend, „het hangt van uw gemaal af, wat hij wil
-doen. Heeft hij moed om zich te verzetten, dan moet hij den Kroonprins
-blindelings gehoorzamen en zoo niet dan moet hij onmiddellijk vluchten,
-een middenweg staat niet open. De Hollanders zullen hem een vreeselijk
-lot toedenken als hij in hun handen valt. Kies dus Soerapati, wat wilt
-ge, vlucht of strijd?”
-
-„Ik ben nooit gevlucht, voor wien dan ook; als de keizer mijn arm
-noodig heeft zal ik voor hem strijden; voor mijn Balineezen sta ik in.”
-
-„Luister dan! Het is de wensch van den Soesoehoenan dat gij hem tot
-lijfwacht verstrekt; blijf voorloopig dus op uw post.”
-
-„En als de gezant aandringt op mijn uitlevering, als hij geen vrede wil
-sluiten met den keizer dan na ontvangst van mijn hoofd?”
-
-„Mijn zoon, tegenover geweld kan men geweld stellen maar ongelijk zijn
-de wapens, als men zich bedient van veinzerij.”
-
-„’t Is het wapen van den hoveling maar niet van den soldaat.”
-
-„Gij behoeft er u ook niet van te bedienen, laat mij het voeren!”
-
-„Vertrouw mijn vader, Soerapati!” riep Koesoema uit.
-
-„Hij meent het goed met u, doe zooals hij zegt,” verklaarde de
-Kroonprins.
-
-„Verwonder u dan niet zoo schijnbare ongenade u treft, zoo èn keizer èn
-prinsen uw partij schijnen te verlaten; bedenk dat alles voor uw
-bestwil is en voor het heil van het keizerrijk.”
-
-„Veinzerij is een tweesnijdend wapen. Ik vrees het meer dan honderd
-eerlijke lansen; men weet niet hoe ’t treffen kan, daar het doel steeds
-verborgen blijft.”
-
-„Zeg ons dan oprecht vader wat ge wilt,” drong Koesoema aan.
-
-„Wat ik wil,” en onder des Rijksbestuurders dikke wenkbrauwen schoten
-zijn kleine oogen vonken vuur, „wat ik wil, den Hollander verdrijven
-uit het hart van Java, waarop hij zijn hiel heeft gezet na
-Troeno-Djojo’s heilloozen opstand, hem de macht ontnemen, die hij zich
-toegeëigend heeft, dank onze onderlinge twisten, hem toonen dat wij
-zijn hulp kunnen missen en ontslagen willen zijn van alle schuld jegens
-hem. Verstaat ge mij? Naar dit doel streef ik, en om dit te bereiken
-zal ik mij van alle wapens bedienen van geweld zoo goed als van
-veinzerij! En als Soerapati mij bijstaat dán zal ik slagen, dan zullen
-wij weer eenige meesters zijn in ons land.”
-
-„Ik begrijp niet hoe gij tot dit doel zult geraken.”
-
-„Laat het mij over!” sprak de Rijksbestuurder geheimzinnig, „ik weet
-dat gij en uw Balineezen onverschrokken en dapper zijt; laat mij
-rekenen op uw hulp! En nu voor dezen avond genoeg!
-
-„Gij zijt gewaarschuwd! Verzamel al uwe Balineezen en blijf de
-Zuiderpoort van den kraton bewaken.”
-
-Weinige oogenblikken later waren de Prins en de Rijksbestuurder
-vertrokken en Soerapati bleef alleen met zijn vrouw.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-COMMISSARIS TAK.
-
-
-Eenige dagen later was Karta-Soera in rep en roer; de voorwacht van het
-gezantschap naderde de residentiestad; aan het hoofd reed kapitein
-Lehman, met zijn beide luitenants Vonk en Eygel; twee compagnieën
-soldaten volgden hem, beladen met geschenken en pakgoederen.
-
-In de achterhoede bevond zich de Sultan van Tjeribon met zijn
-hofgrooten, die eindelijk door den Commissaris Tak er toe gebracht was
-zijn hulde aan den Soesoehoenan, zijn leenheer te brengen. ’s Morgens
-om acht uur waren zij uit Samarang vertrokken en brachten den nacht in
-Oenarang door, een dorp gelegen aan den voet van den fraaien tot den
-top begroeiden berg Oenarang, waarvan de bewoners verplicht waren alle
-aanzienlijke reizigers naar Mataram te onthalen en te herbergen,
-terwijl het hun verboden was op straffe des doods iets daarvoor ooit
-terug te ontvangen.
-
-Van Oenarang reisde men door een heerlijke, vruchtbare vallei; links en
-rechts strekten zich de rijstvelden uit, besproeid door tallooze
-beekjes, die van de bergen afstroomden en zich met de groote
-Demak-rivier vermengden; een menigte dessah’s, waarvan men er dikwijls
-drie à vier in het uur aantrof, verrieden de volkrijkheid der streek.
-De voornaamste was Salatiga een fraai, welvarend dorp, zeven mijlen
-verwijderd van de eerste poort, die toegang gaf tot het rijk van
-Mataram, waardoor niemand zonder vergunning van den Soesoehoenan naar
-Samarang mocht trekken.
-
-Aan gene zijde van deze poort opende zich een woest, bergachtig
-landschap, waarna de rijstvelden weder in volle lengte en rijkdom zich
-uitstrekten zooverre, dat men ze niet overzien kon, terwijl het gezicht
-aan weerszijden begrensd werd door heuvels beplant met vruchtboomen,
-waartusschen tal van kampongs verstrooid lagen.
-
-De Merbaboe hief zijn bijna geheel bebouwden kruin opwaarts, terwijl
-zijn voet stiet aan het Oenarang-gebergte; vele groote en kleine
-rivieren besproeiden het land en gaven daaraan deze bijna
-ongeloofelijke vruchtbaarheid.
-
-Vier dagen gebruikte het gezantschap tot de reis naar Karta-Soera, den
-tweeden nacht sliepen zij in het dorp Banjoe-poetih, den derden in
-Tingkir en den vierden in Modjo-Soanga. Op den morgen van den vijfden
-dag kwam een der mantri’s, de Radhen Aria Sindoe-Radja, bij den
-Commissaris, die met den opperkoopman Van Vliet in gesprek was; op den
-kruipenden, onderdanigen toon welken de inlanders tot hun meerderen
-aanslaan, sprak hij tot den gezant zeggende:
-
-„Mijn broeder, gelieve hier een poos te wachten, ik zal eerst iemand
-zenden om Zijn Hoogheid den Soesoehoenan kennis te geven van de komst
-zijns zoons.”
-
-De Commissaris antwoordde:
-
-„’t Is goed. Ik zal hier de orders van den Soesoehoenan afwachten. Ik
-hoop, dat Zijn Hoogheid zich in welstand bevindt met zijn gezin en zijn
-onderdanen.”
-
-„Helaas, ik heb vernomen dat de welstand van onzen grooten Heer niets
-te wenschen overlaat, maar die zijner onderdanen is zooals ik mijn
-broeder den Commissaris reeds in Samarang gezegd heb niet al te wel en
-niet al te slecht.”
-
-„Om welke reden zegt Radhen Sindoe-Radja dat?”
-
-„Ik zeg dit om den Balinees Soerapati; hem goed te doen is bezwaarlijk
-en hem kwaad gezind te zijn is vol gevaar, daar hij veel volk om zich
-heen verzamelt en hen geducht oefent in den wapenhandel. Hij hoort naar
-geen bevelen meer, zelfs niet naar die van onzen machtigen Heer den
-keizer. Wij kunnen hem niet tegenhouden want hij volgt zijn eigen zin.”
-
-Streng zag de gezant den flemerigen Javaan aan, die met huichelachtige
-bescheidenheid de oogen neersloeg.
-
-„Ik heb geen reden aan de waarheid van uw woorden te gelooven,”
-antwoordde hij stroef. „Zoo de Soesoehoenan niet op het bijzijn van den
-voortvluchtigen slaaf Soerapati gesteld was zou hij hem geen dorp tot
-woonplaats hebben gegeven, omringd door bosschen, en hem niet plechtig
-in zijn tegenwoordigheid met een zijner bloedverwanten doen trouwen. En
-hoe zou ’t dan kunnen wezen, dat hij de bevelen van den keizer, die hem
-met zoovele weldaden heeft overladen, niet wil gehoorzamen?”
-
-„Het is waar en waarachtig,” verklaarde deemoedig Radhen Sindoe-Radja,
-„hetgeen mijn broeder zegt, „maar Zijn Hoogheid heeft hem deze gunsten
-slechts bewezen omdat het volk van Karta-Soera hem vreest en hij met
-zijn manschappen hen zou plunderen en vermoorden als de keizer hem niet
-tot vriend hield. Mijn broeder weet immers dat de beste wijze om zich
-van een vijand te ontdoen is, van hem een vriend te maken.”
-
-„Zoo spreken de vrouwen en voorzoover ik weet is het volk van Mataram
-geen volk van vrouwen,” hernam Tak ongeduldig en verontwaardigd
-tegelijk, „zijn dan de geweren en pieken der Balineezen zooveel beter
-dan die der Javanen? Zij hebben toch dezelfde wapenen, hoe kunnen zij
-dan gevaarlijk zijn, met hun klein aantal tegen de duizenden strijdbare
-mannen van Karta-Soera?”
-
-„Mijn broeder weet ook,” verzekerde de Radhen altijd even onderworpen,
-„dat de stoutmoedigsten het meeste wagen en ook den dood niet vreezen,
-maar de Javanen zijn bang om te sneuvelen. Als echter onze broeders de
-Hollanders hen bijstaan, dan vreezen zij Soerapati en zijn leger niet,
-maar zullen zich gaarne van hen ontdoen.”
-
-„Welnu, wij zullen zien wat de Soesoehoenan zal besluiten; zend dus een
-bode naar uw meester en voeg er bij, dat ik niet in zijn
-tegenwoordigheid zal verschijnen om mij te kwijten van den last mij
-door de Hooge Regeering opgedragen, vóórdat Soerapati, de roover, dood
-of levend in mijn handen is gesteld.”
-
-„Ik zal blijde zijn den keizer de boodschap van den gezant, dien hij
-zijn zoon noemt, te doen overbrengen.”
-
-„Dat voorspelt niets goeds Van Vliet,” sprak de Commissaris, nadat
-Radhen Sindoe-Radja hem van zijn tegenwoordigheid had bevrijd, „ik ben
-vreemd te moede, maar ik geloof, dat wij hier in een zeer moeilijk
-geval zullen komen. Aan waarschuwingen over de gezindheid van den
-Soesoehoenan heeft het ons niet ontbroken. Ook kapitein-luitenant
-Grevink schijnt het niet te vertrouwen. Wat heeft hij u ook weer
-geschreven?”
-
-„Och, Grevink is een voortvarend heethoofd; had hij altijd geveinsd
-niets te weten van Soerapati’s aanwezigheid, dan zou onze taak
-gemakkelijker zijn geweest, maar hij heeft reeds het vorige jaar den
-Soesoehoenan gewaarschuwd, dat het ons niet bevallen zou, wanneer men
-voortging het rooverhoofd tot vriend te houden. Daardoor is dat gespuis
-gewaarschuwd en de keizer begrijpt heel goed dat we om iets anders
-komen dan om een vriendschapsbezoek.”
-
-„Nu, hij zal ook wel weten hoe diep hij bij ons in de schuld steekt.”
-
-„Dat weet hij genoeg. Grevink schreef, dat de vorst ’t hem ronduit had
-gezegd, dat het gezantschap kwam om aan te dringen op de uitbetaling
-der driehonderdduizend rijksdaalders en zoo hij die niet kon opbrengen,
-zouden wij hem aangrijpen en het heele volk tot slaven maken. Grevink
-heeft hem gerustgesteld en kwam toen mij ongerust maken. Ik antwoordde
-hem, dat het schande was zich zoo verwijfd aan te stellen en vroeg of
-hij geen moed meer in het lijf had. ’t Zou laf en ons onwaardig zijn
-als we ons bezorgd maakten over een handjevol Balineezen.”
-
-„Het handjevol zou zooveel niet beteekenen, maar wie zegt ons of zij
-den keizer en alle hofgrooten niet achter zich hebben? Dat volk
-verstaat zoo de kunst zijn plannen en meeningen te verbergen, dat men
-steeds vreest met hen over een vulkaan te wandelen; wie weet wat voor
-duivelsche plannen gesmeed worden achter die goedige, onschuldige
-oogen. Ik vertrouw hen niets; maar hebt ge nog een later briefje van
-Grevink ontvangen?”
-
-„Ja, hij praat veel te veel naar mijn zin met zijn bruine Majesteit;
-hij herhaalde tot vervelens toe dat wij alleen kwamen om den welstand
-van het Rijk te bespreken en toen moet de keizer echt vriendelijk
-gezegd hebben: „Als mijn zoon de gezant boven komt, dan zal ik veertig
-tijgers, die ik nog in de Bagelen heb, laten komen om ze tot zijn
-vermaak te laten losloopen.” En Grevink verbeeldde zich dat hij met die
-tijgers eigenlijk Balineezen bedoelde.”
-
-De Commissaris Tak antwoordde niet; hij was een krachtig gebouwd dapper
-krijgsman, die in den oorlog tegen Bantam en Troeno-Djojo zijn sporen
-verdiend had; de vingers van zijn verbrijzelde linkerhand, waarvan hij
-eenige in den Bantamschen oorlog verloren had getuigden er van; de
-opperkoopman Van Vliet daarentegen had in menig moeilijk geval groote
-staatsmanswijsheid getoond en der Compagnie eveneens groote diensten
-bewezen; nog onlangs had hij door zijn bemiddeling het uitbreken van
-ernstige onlusten in Madura voorkomen.
-
-De Compagnie had opzettelijk gewacht totdat zij beide vertrouwde mannen
-beschikbaar had om ze uit te zenden op den moeilijken tocht, waartoe
-veel beleid en voorzichtigheid vereischt werden. Een instructie van
-meer dan eenenzestig bladzijden groot was den Commissaris meegegeven;
-hij had eerst de kantoren aan Java’s Noordkust te inspecteeren, verder
-moest hij de troonsopvolging in Tjeribon regelen, welke voorloopige
-werkzaamheden hij gelukkig voleind had.
-
-Nu kwam het moeilijkste, de zending bij den Soesoehoenan, voor wien hij
-de nooit aangename boodschap had, hem tot betaling zijner
-achterstallige schulden aan te sporen. De rekening was vrij hoog, daar
-zij de voor dien tijd verbazende som van ƒ 4,600000 bedroeg; de
-Compagnie begreep echter, dat de keizer nooit zulk een bedrag zou
-afdoen en maakte dus van den nood een deugd om ze te herleiden tot
-344000 rijksdaalders, welke Tak zelfs verminderen mocht tot 250000.
-Natuurlijk zou de Soesoehoenan door het aannemen dezer gunst nog meer
-onder de macht geraken van de Hollanders, die in ruil voor hunne
-mildheid de veilige en trouwe handhaving zouden verzoeken van alle
-„vrije vergunde bedongen octrooien, privilegiën en voorrechten.”
-
-Bovendien moest de Soesoehoenan der Compagnie uitbreiding van haar
-grondgebied toestaan en handelsvoorrechten in de kustplaatsen; ook de
-onderwerping van den Tjeribonschen prins behoorde tot Tak’s zorgen. Het
-had hem veel moeite gekost den jongen Sultan mee te nemen om
-persoonlijk zijn hulde aan den Mataramschen keizer te brengen, maar ook
-dit bezwaar scheen uit den weg geruimd.
-
-Niets scheen moeite te kosten dan het laatste artikel, waarop ook nog
-een zoogenaamd „secreet appendix” doelde. De Soesoehoenan had zich
-tegenover de Compagnie verbonden „nooit onder zijn gebied metterwoon te
-gedoogen, eenige Makassaren, Maleiers, Mooren of wat natiën het mochten
-wezen, noch ook eenige frequentatie te verleenen.”
-
-In een volgend octrooi was ten overvloede bepaald, dat al deze
-vreemdelingen die in Mataram waren toegelaten, zouden staan „onder het
-gebied en de discipline der Compagnie, onverminderd dat zij zouden
-blijven des Soesoehoenans onderdanen.”
-
-Deze beide artikelen waren nu openlijk geschonden door de toelating van
-Soerapati in den kraton; Tak moest zijn uitlevering ten strengste
-eischen en zelfs zoo het bleek dat alle pogingen die hij daartoe in der
-minne zou beproeven, niet slaagden, geweld gebruiken om de
-opstandelingen in zijn macht te krijgen. Faalden echter alle pogingen,
-dan zou het den gezant vrij staan hun genade aan te bieden, mits zij
-zich naar Batavia zouden begeven om zich daar voor de Hooge Regeering
-te vernederen.
-
-„Ik geloof, dat de commandeur Jan Albert Sloot gelijk heeft,” sprak Tak
-na eenige oogenblikken nadenken, „het zal moeite kosten den Balinees in
-handen te krijgen. Kuffeler heeft ons indertijd daar mooi werk mee
-verschaft: had hij hem maar tot vriend gehouden.”
-
-„Ik heb dat volk liever tot vijand dan tot vriend, dan weet men ten
-minste wat men er aan heeft. De besten deugen niet, dat ziet ge aan
-Jonker, die ook reden tot wantrouwen begint te geven.”
-
-„Ik heb naast Jonker gestreden en toen ten minste was hij trouw als
-geen Hollander. Ik mocht den dapperen Ambonnees zeer gaarne lijden, en
-ik twijfel er niet aan, wanneer ik terugkom op Batavia en hem een riem
-onder ’t hart steek, dat de wolk zal voorbijdrijven. Juist dat
-wantrouwen van ons maakt hen, die ’t goed met de vreemdelingen meenen,
-ontevreden. Zij gevoelen genoeg, dat wij hen niet als onze gelijken
-aanzien, hoe wij hen ook eer en achting uiterlijk bewijzen. Dat gebrek
-heeft Sloot, hoe bekwaam en scherpzinnig hij ook zijn mag in de hoogste
-mate; hij schrijft hen steeds nevenbedoelingen toe. Daarom ook handelde
-hij met schier Javaansche wreedheid toen hij Kadjoran en zijn geslacht
-verdelgde.”
-
-„Ge moest ze kennen als ik, die zooveel met hen overgebracht heb, dan
-zoudt ge den commandeur gelijk geven. Dat volk heeft in geveinsdheid en
-onoprechtheid zijn weergade niet. Ik heb wat al omwegen en kronkelpaden
-moeten doorloopen om met hen mijn doel te bereiken; men moet ze door en
-door kennen om met hen om te gaan; die kunst mist Grevink geheel. Hij
-is te oprecht.”
-
-„Ik zou liever tegen hen vechten dan met hen onderhandelen, dat is
-zeker, maar ik zie het heden niet goed in. Ik weet zelf niet waarom;
-hoor eens Van Vliet, als de zaak verkeerd afloopt, zult ge dan mijn
-vrouw en dochtertje in de gunst der Hooge Regeering aanbevelen?”
-
-„Dat zal wel niet mogelijk zijn, heer Commissaris, als het misloopt,
-dan zullen wij er beiden wel het leven bij inschieten.”
-
-„’t Is niet gezegd, ’t is aan mij die verwenschte Balineezen te vangen;
-gij zijt alleen voor het diplomatieke gedeelte der zending.”
-
-„En uw vrouw en dochter zijn toch bezorgd, de Directeur-generaal is uw
-zwager.”
-
-„Maar mijn vrouw is zwak en ziekelijk en mijn dochtertje nog zoo bitter
-jong; ik vrees ze niet meer terug te zien. Waarlijk, ik gaf dit geheele
-mooie landschap en al de pracht, waarmede wij reizen voor mijn
-eenvoudige woning op de Tijgergracht van Batavia.”
-
-„Ik heb u nooit bang gezien, Commissaris! Waarlijk, wij hebben wel voor
-heeter vuren gestaan. En ik vind het eigenlijk in de hoogste mate
-vernederend, dat de Opperlandvoogd en Raden van Indië door een
-gedrosten slaaf in spanning worden gehouden.”
-
-„Ik geloof dat die Balinees der Compagnie nog veel te doen zal geven.
-De kerel durft; hij heeft veel bij ons geleerd en zal die kennis
-gebruiken om ons schade aan te doen.”
-
-De verschijning van Sindoe-Radja maakte aan het gesprek der beide
-hoofdpersonen van het gezantschap een einde.
-
-„Ik heb een brief voor mijn broeder den heer Commissaris,” sprak hij,
-en naderde vol eerbied den gezant. „Zoo pas is mij die gebracht.”
-
-Tak opende het briefje, dat door den kapitein-luitenant Grevink
-geschreven was; zwijgend reikte hij het Van Vliet over.
-
-„Wat moeten wij er van denken?” vroeg hij.
-
-„Ze worden bang, de Rijksbestuurder is de spil waar alles om draait;
-hij bemerkt dat het der Compagnie ernst is met de opvordering van zijn
-lieveling en nu willen ze zich zelf van hem ontdoen, zonder onze hulp.”
-
-„Dat is juist het tegenovergestelde wat Sindoe-Radja verlangde; ik
-vertrouw ze niet, maar in elk geval kunnen wij onzen tocht
-voortzetten.”
-
-„Zou het niet beter zijn, vraag ik in alle bescheidenheid, te wachten,
-tot wij bericht ontvangen, dat het hun gelukt is den schurk in handen
-te krijgen?”
-
-„Waarom? Dat getalm verveelt mij, ik heb haast met de zaak te beginnen,
-anders komt ze nooit ten einde.”
-
-„Belieft het mijn broeder nu te gaan?” vroeg Radhen Sindoe-Radja.
-
-„Ja, het is goed, laat ons gaan!” sprak de Commissaris.
-
-Het was tien uur, de zon stond hoog aan den hemel; niettegenstaande de
-sombere voorgevoelens van den gezant vermoedde noch hij, noch de
-opperkoopman Van Vliet, dat zij die zon niet meer zouden zien
-ondergaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-VERRAAD.
-
-
-Groote verwarring en onrust heerschte in den kraton; de Soesoehoenan
-met verglaasde oogen en angstig bevende vingers zat omringd door zijn
-vrouwelijke lijfwacht op zijn troon, terwijl de voornaamste hofgrooten
-op eenigen afstand van hem neerhurkten.
-
-Angst en schrik lagen duidelijk op aller trekken te lezen, niemand wist
-eigenlijk wat er te doen was, niemand wat de keizer verlangde; men
-vestigde nu de blikken op den Rijksbestuurder, dan op den zwakken,
-besluiteloozen vorst. Amirang Koesoemo alleen was kalm, niets gebeurde
-er wat hij niet voorzien en voorbereid had; alles ging zooals hij
-verwachtte en de groote slag moest nu geslagen worden. Hij wilde zich
-van den gezant en al de Hollanders ontdoen, reeds sinds lang droeg hij
-dit voornemen met zich om. Nooit was de gelegenheid schooner geweest,
-nooit zou zij zich weer op deze wijze voordoen.
-
-De Pangeran Sampan Tjakra di Ningrat, regent van Madura was echter niet
-van de meening des Rijksbestuurders.
-
-„De Hollanders zijn machtig,” sprak hij, „wat zal het u baten, al
-vermoordt gij ook den gezant en allen, die hem vergezellen? Morgen
-komen er nieuwe geduchte legers van Batavia om zijn dood te wreken; ge
-zult niets gewonnen hebben dan hun vijandschap en uw Hoogheid weet bij
-ondervinding hoe krachtig hun hulp is.”
-
-De Soesoehoenan zuchtte:
-
-„Had ik die nimmer noodig gehad!”
-
-„Dan regeerde Troeno-Djojo nu in Mataram en gij zoudt als balling
-rondzwerven indien gij ten minste niet evenals uw Vader ter ruste waart
-gelegd in het eenzame Tagal-Wangi.”
-
-„Uw vader heeft de lessen van den profeet veracht, hij liet de
-geestelijke raadgevers van zijn volk bij honderden vermoorden. Allah
-strafte er hem voor door waanzin en later door een smartelijken dood,”
-zeide op plechtigen toon de Pangoeloe of opperpriester.
-
-Het gevaar en de afhankelijkheid, waarin de Soesoehoenan zich nu bevond
-gaven allen moed hem minder aangename waarheden te zeggen; met een
-giftigen blik zag hij den spreker aan en maakte wellicht het plan om
-als hij zich sterker zou voelen, zich over dien ongevraagden raad te
-wreken.
-
-„Gij hebt de dienaars van Allah versmaad in den dag der verdrukking,”
-ging de Pangoeloe met klimmende verbittering voort, „gij hebt gekropen
-voor de kafirs, aan hen hebt gij een kroon te danken aan niemand
-anders. Weiger dan ook niet de schuld te dragen onder welker gewicht
-zij u thans verpletteren! Elke weldaad is een steen, die ons op den nek
-wordt gelegd en waarvan het moeite kost zich te bevrijden; door hun
-gunsten aan te nemen hebt gij u in hun macht gesteld. Wie weet hoe zij
-thans die macht zullen gebruiken? Ik kan u niet helpen! Gij noch uw
-vader hebt ooit Allah geëerd.”
-
-„Het is nu de tijd niet tot nuttelooze verwijten,” zeide de Madureesche
-prins, „er moet een besluit genomen worden en hoe sneller hoe beter.
-Wilt gij Soerapati uitleveren?”
-
-Hulpeloos zag de keizer zijn Rijksbestuurder aan, die tot nu toe met
-neergeslagen oogen had gezwegen.
-
-„Help mij Radhen Adipati, help mij! Van u alleen verwacht ik mijn
-heil!” kermde hij.
-
-„Den zwakken betaamt list,” zeide Amirang Koesoemo langzaam, „want gij
-zijt zwak o keizer! Zwak en uitgeput door de dure weldaden, die gij aan
-de Hollanders dankt. Gij moet u niet schamen die zwakheid te belijden
-voor de machtige vreemdelingen. Aan zwakken en vrouwen vergeeft men
-veel!”
-
-„Uw woorden zijn duister, mijn zoon! Spreek klaarder taal!”
-
-„De zwakke neemt de hulp aan, waar hij die vinden kan; hij buigt
-schijnbaar het hoofd in onderwerping voor den sterke en neemt in het
-verborgen de hand aan van dengene, die hem verlossen kan van den
-gehaten beschermer in wiens hart geen wantrouwen meer schuilt, dank die
-openbare hulde. Zijn nu mijn woorden duidelijker! o keizer?”
-
-De Soesoehoenan sloot de oogen als wilde hij stil de woorden verwerken
-van zijn dienaar.
-
-„Ik begin u te begrijpen Radhen Adipati, ge wilt dat ik Soerapati tot
-vriend houde en tevens ook den Heer Gezant vleie! Maar hoe zal dat
-geschieden?”
-
-„Het is gevaarlijk o keizer!” zeide de Pangeran, „op twee lansen te
-vertrouwen, die niets liever wenschen dan zich tegen elkander te
-richten.”
-
-„Niets kan gevaarlijk zijn waar een omzichtig oog de wacht houdt;
-verwarring is een goede afleiding! Laat Karta-Soera in opstand schijnen
-omdat de Balineezen zich verzetten willen tegen de uitlevering van hun
-hoofd! Gij zelf wenscht die uitlevering, gij draagt ze op aan den
-Radhen Tjakra de Ningrat, die uwe geheime bedoelingen begrijpt en
-eerbiedigen zal!”
-
-„Ik breng liever geen opdrachten ten uitvoer met dubbel doel,”
-antwoordde de Pangeran minachtend.
-
-„Ook niet als het heil des Meesters en het geluk van het Javaansche
-land er van afhangen?” vroeg de Pangoeloe. „Te veel reeds gunden wij
-aan den vreemdeling, die het alleen op onze schatten en op onzen grond
-heeft begrepen; waarom bleef hij niet in zijn eigen land? Om met ons
-handel te drijven, om ons te leeren wat hij kan en wat hij weet!
-Dwaasheid! Hij wil ons onderdrukken, ons afkeerig van Allah en zijn
-grooten Profeet maken, onze landen wil hij beheerschen, onze vorsten
-verdrijven en met blindheid zijn onze prinsen geslagen. Zij zoeken de
-hulp niet, daar waar zij alleen te vinden is, maar roepen den
-begeerigen ongeloovige om hun onderlinge feiten te beslissen; zij
-trachten niet eendrachtig met elkander te blijven, en vergeten dat de
-bundel saamgebonden pijlen, de kracht van den sterkste tart terwijl zij
-elk afzonderlijk door een kinderhand te breken zijn. Daarom mijn zonen,
-blijft eendrachtig, zweert den vijand te verslaan door geweld of door
-list. Allah wil den ondergang der ongeloovigen. Hij zal uw wapens
-zegenen! Ik beloof het u!”
-
-„Maar als Soerapati bezwijkt?”
-
-„Ge moet hem zien strijden dan zoudt ge dien twijfel geen toegang geven
-in uw hart,” zeide Radhen Adipati trotsch.
-
-„Laat mij nog trachten alles in vrede te regelen,” verzocht de Pangeran
-Sampan, „ik wil Soerapati spreken! Het zou te onvoorzichtig zijn met de
-machtige Hollanders te breken om den wille van een weggeloopen slaaf!”
-
-„Ge vergeet dat die slaaf een held is!” riep Koesoemo verontwaardigd
-uit, „een held wiens vijandschap nog meer te vreezen is dan die der
-Hollanders. Een tweede Troeno-Djojo, die het Mataramsche rijk zou
-kunnen doen sidderen als hij wilde.”
-
-„Allah helpe mij! Ik weet niet waarheen ik mij wenden kan,” klaagde de
-keizer.
-
-„Ge roept Allah aan in den dag der verdrukking! Zult gij hem nu ook
-aanbidden in den dag der overwinning?”
-
-„Ik beloof... ik beloof hem een nieuwe moskee te stichten en een
-pelgrimstocht te doen naar het Heilige graf in het Diënggebergte, ik
-beloof...”
-
-„Laat ons nu handelen,” riep Pangeran Sampan, „ik stel mij aan het
-hoofd mijner mannen, om met den Regent van Soerabaya bij Soerapati te
-hooren wat zijn voornemens zijn!”
-
-De Rijksbestuurder glimlachte, en boog het hoofd; de keizer wenkte hem
-naderbij te komen en fluisterde hem toe:
-
-„Wanneer alles mislukt, dan blijft ons immers de vlucht? Gij zorgt toch
-dat er een weg open gelaten wordt?”
-
-„Wees gerust!” sprak de Radhen Adipati, „het zal niet noodig worden,
-maar beveel den Pangeran dat hij niets tegen de Balineezen onderneemt.”
-
-
-
-In de kampong Babirong had Soerapati zich door een in haast opgeworpen
-pagger versterkt; toen de Madureesche prinsen aan het hoofd van hun
-talrijke manschappen bij de omheining kwamen, vroeg de Pangeran verlof
-toegelaten te worden.
-
-Twee Balineezen brachten hun onmiddellijk naar binnen; gewapend stond
-Soerapati aan het hoofd zijner honderdveertig man; hij ontving de
-afgezanten des keizers hoffelijk en beleefd.
-
-„Wij komen u aanzeggen,” sprak de Pangeran, „dat de Edele Heer Gezant
-niet den dalem des keizers wil binnengaan vóór wij u levend of dood aan
-hem hebben overgeleverd.”
-
-„En wat is de wil van den machtigen keizer?” vroeg Soerapati. „Hij
-heeft mij en mijn mannen bescherming beloofd, en ons tot zijn lijfwacht
-aangesteld? Eischt hij nu dat ik de wapenen neerlegge? Dan handelt hij
-tegen zijn belofte?”
-
-„De keizer heeft mij uitgezonden om u aan te zeggen dat gij de
-Hollanders zoudt te gemoet gaan.”
-
-„Is dit om genade en vergiffenis van den Heer Tak te verwerven? Zeg dan
-aan den Soesoehoenan, dat ik den gezant zal te gemoet gaan als hijzelf
-het ook doet, wij zijn tot zijn lijfwacht aangesteld en daarom ruk ik
-niet uit, dan wanneer de keizer mij beveelt hem te vergezellen, al zou
-’t ook zijn naar Batavia.”
-
-„Ik trek met mijn mannen den Hollandschen gezant te gemoet, wilt ge met
-mij gaan?”
-
-„Neen, ik ben niet tot uw lijfwacht aangesteld.”
-
-„Welnu,” sprak de Pangeran, „dan moet ik u aanvallen en tot overgave
-dwingen.”
-
-„Ge kunt het beproeven, wij zijn tot het uiterste besloten.”
-
-De prinsen vertrokken en Kiai Hemboong, die achter Soerapati had
-gestaan, wenkte hem tot teeken dat hij iets te zeggen had.
-
-„Radhen Goesik Koesoema moet u spreken.”
-
-Hij keerde zich om en ging naar zijn woning, waar alle vrouwen en
-kinderen zijner Balineezen verzameld waren. Angst en schrik lagen op
-aller gelaatstrekken te lezen; Radhen Goesik alleen was kalm, zij sprak
-allen moed in en met een glimlach op de lippen kwam zij haar echtgenoot
-te gemoet.
-
-„Ik heb een boodschap voor u,” zeide zij, „alles is schijn! De
-Soesoehoenan rekent op uw hulp om hem van de Hollanders te verlossen.”
-
-„En de tienduizend mannen, die mij dadelijk gaan omsingelen?”
-
-„Zullen ons den uittocht niet beletten; ge moet er u door heenslaan en
-den dalem bereiken om den Soesoehoenan te kunnen beschermen.”
-
-„Ik begrijp niets van de bevelen, die tot mij komen? Ze zijn allen even
-tegenstrijdig. Wat wil de Soesoehoenan? Zich van mij ontdoen, of mij
-handhaven; het is uw vader, die alles regelt. Ik ken zijn geheime
-wenschen maar wie is mij borg dat ook de andere hofgrooten ze deelen.
-De rol, die men mij geeft walgt mij; ik ben een soldaat, een
-rooverhoofdman, wat men wil, maar geen dalang, [16] die telkens andere
-stemmen aanneemt, andere personen voorstelt.”
-
-Hij dacht na, plotseling hief hij het hoofd op, zijn oogen schoten
-vlammen, hij greep zijn kris en riep uit op vasten toon:
-
-„Ik zal dan ook handelen als soldaat; ik zal strijden tegen wie mijn
-vrijheid bedreigt. Hetzij tegen de mannen van den Soesoehoenan, hetzij
-tegen de Hollanders! Mijn vrijheid of de dood! Geen laffe listen meer,
-’t is mij onverschillig wie overwint, de keizer of de Hollander, maar
-ik wil geen slaaf meer zijn!”
-
-In verrukking staarde Koesoema hem aan.
-
-„Dat alleen verwachtte ik van u, mijn echtgenoot! Strijd met moed! Zie,
-neem deze kris van mij aan, zij werd eens gedragen door Troeno-Djojo,
-den dapperen Madurees, die den laffen keizer uit Mataram verdreef,
-Kolomisanie is haar naam. Hij zelf ontving haar van een heiligen
-boeteling, en vergeet ook de tooverspreuk niet, die Boeloe Kidoer u
-toefluisterde in het gebergte van Galongong. Als gij die uitspreekt zal
-de vijand uwe legermacht verhonderdvoudigd zien en op uw nadering
-vluchten.”
-
-„Ik dank u prinses!” antwoordde Soerapati, het wapen eerbiedig aan zijn
-hoofd brengend en het toen aan den gordel bevestigend, „ik zal strijden
-tegen allen, die u in gevaar mochten brengen slavin te worden. Maar een
-angst houdt mijn ziel nog gevangen, ’t is een vrees, die mij bekruipt.
-Wat zal er worden van u, wat van al die zwakke vrouwen en kleine
-kinderen?”
-
-„Laat dat mij over! Heer! Beveel slechts eenigen uwer manschappen mij
-niet te verlaten! Dat Kiai Hemboong mij terzijde blijve. Mijn leuze is
-gelijk aan de uwe, liever dood dan slavernij!”
-
-Soerapati gaf zijn laatste bevelen, en keerde na afscheid te hebben
-genomen van zijn vrouw naar de verschansing terug.
-
-De keizer zond alweder een bode om hem tot onderwerping aan te manen;
-trotsch en fier weigerde hij te gehoorzamen. Zijn plan stond nu vast;
-hij wilde zich niet inlaten met de kuiperijen van het hof, maar voor
-zichzelf de vrijheid zoo duur mogelijk verkoopen.
-
-Pangeran Sampan gaf dus bevel tot schieten; tot nu toe is nog onbekend
-of de Madureesche prins het ernstig meende of slechts op bevel des
-keizers een schijngevecht leverde. Het schijnt onmogelijk dat
-tienduizend man niet bij machte waren de slechts door een bamboezen
-pagger omschanste legerplaats meester te worden; van alle kanten was
-Soerapati omsingeld als de tijger in het alang-alangveld, maar ook als
-de tijger groeide zijn moed aan bij het vermeerderen van het gevaar.
-
-Hij gaf bevel aan zijn mannen zich om hem heen te verzamelen, en zijn
-blinkende kris zwaaiend, die als een zon flikkerend haar stralen naar
-links en rechts verspreidde, wierp hij zich onverschrokken op de
-vastgepakte menigte, die hem den doorgang versperde.
-
-Sprak hij de tooverwoorden uit hem door den dwerg geleerd, die de oogen
-der vijanden verblindden, of was het alleen het gezicht van zijn
-heldhaftige gestalte zooals hij daar plotseling den pagger onder den
-voet trappend, dood en verderf om zich heen zwaaiend te midden der
-aanvallers verscheen? Of wel was alles te voren afgesproken?
-
-Wie zal het zeggen, maar onder luide angstkreten wierpen de tienduizend
-helden hun vuurwapens weg, luisterden niet meer naar de vermaningen en
-bevelen hunner aanvoerders, en stoven wijd en zijd uiteen, gillend en
-jammerend als waren zij zwakke vrouwen en geen strijdbare mannen
-geweest.
-
-De kring was verbroken, van alle kanten raakte de kampong leeg; nog
-hooger steeg de verwarring toen zwarte wolken rook zich boven de
-vluchtelingen samenpakten, de vlammen ontsnapten uit de rieten daken
-der dorpshuizen; Babirong stond in brand en het was Radhen Goesik, die
-bij de eerste schoten haar woning in laaie had ontstoken.
-
-„En nu naar het gebergte, spoedig!” riep zij tot de radelooze schaar.
-„Soerapati zal ons daar vinden,” en onder bescherming der kleine troep
-manschappen snelden zij ongehinderd weg naar het woud, terwijl de
-Balineezen zegevierend hun tocht voortzetten tot aan den dalem, waarvan
-zij de zuidelijke gebouwen in brand staken om zich den doorgang naar
-binnen te verzekeren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-AMOK!
-
-
-Ondertusschen zette commissaris Tak zijn reis naar de keizerlijke
-hofstad voort; hij was reeds tot dicht bij den kraton genaderd, toen
-twee compagnieën Hollandsche soldaten, onder aanvoering der luitenants
-Vonk en Eijgel, hem te gemoet kwamen.
-
-Het was niet moeilijk te zien dat allerwege de grootste verwarring
-heerschte; Madureezen en Javanen vluchtten naar alle zijden, de
-kampongs liepen leeg. Beladen met have en goed, gevolgd door vrouwen,
-grijsaards en kinderen stroomden de dorpelingen verre weg, dezen naar
-het gebergte, anderen naar de Hollanders; de grootste schrik scheen hen
-allen bevangen te hebben. De lucht achter den dalem was roodgekleurd
-door de vlammen, die uit de verbrande woningen van de kampong Babirong
-opstegen, dikke wolken rook streken over de statige gebouwen van het
-keizerlijk paleis; niemand wist waar de brand woedde, waar de vijanden
-zich verscholen hadden, waar het gevaar ’t meest dreigde; ieder zocht
-zijn behoud slechts in haastige vlucht, niemand dacht zelfs aan
-tegenweer.
-
-Het was voor den juist aangekomen gezant een zware taak zich een
-duidelijk begrip te vormen van den toestand. Geen mensch kon hem kalm
-te woord staan, de kraton stond open, de armzalige vesting der
-Hollanders bood niet de minste kans op verdediging; de beide
-luitenants, die zelf slechts sedert eenige dagen waren aangekomen,
-konden geen juist verslag van den toestand geven.
-
-„De Madureesche prins had aan kapitein-luitenant Grevink beloofd zelf
-Soerapati te overrompelen,” werd er gezegd. „Als gunst verzocht hij
-zelfs den Hollanders zich buiten de zaak te houden; de hulp, die
-Grevink telkenmale aanbood, werd hoffelijk maar beslist afgeslagen. Nu
-scheen de poging mislukt, de Madureezen en Javanen kozen het hazenpad,
-de keizer had zoo pas naar den pagger een boodschap gezonden om de hulp
-te verzoeken van de Hollanders tegen Soerapati en zijn aanhang.”
-
-„’t Is een net van leugens en valsche streken, waaruit men zich niet
-redden kan,” sprak luitenant Vonk, „’t is niet mogelijk te weten, wat
-de keizer eigenlijk wil. Of liever, wat hij wil is duidelijk genoeg;
-hij wenscht niets liever dan zich te ontslaan van de Hollanders, zoo
-hij durfde. Nu hinkt hij op twee gedachten: hij wil Soerapati tot
-vriend houden en ook de Hollanders niet vertoornen.”
-
-„Dan moeten we krachtige middelen aanwenden,” sprak de Commissaris.
-„Heer Van Vliet, ik verzoek u met luitenant Van der Meer een compagnie
-soldaten mee te nemen en u onverwijld naar het paleis te begeven, den
-keizer te spreken en hem te zeggen dat de Compagnie niet met zich laat
-spotten of gekscheren; hij moet mij dus onmiddellijk Soerapati en zijn
-volk dood of levend uitleveren of anders zal het hem, zijn Mantri’s en
-zijn hof kwalijk gaan. Ik zal hen allen als vijanden beschouwen van de
-Hooge Regeering, die ik de eer heb hier te vertegenwoordigen.”
-
-De Opperkoopman reed vooruit met zijn gevolg, terwijl de Commissaris
-zich onverwijld naar den pagger begaf, die de loodsen omgaf, waarin de
-soldaten der Compagnie gelegerd waren. Hij liet alle meegebrachte
-„bagage” naar binnen brengen en toen zijn manschappen op het plein voor
-den pagger in slagorde plaats namen, voorzag hij hen van nieuwe
-ammunitie en wachtte alzoo het antwoord des Soesoehoenans af.
-
-Lang bleef de Opperkoopman niet weg, hij keerde terug met de boodschap,
-dat de Soesoehoenan niet te vinden was, daar de onverschrokken held
-zich op de vlucht bevond. Van Vliet, die echter de streken der Javanen
-kende, liet zich niet afschrikken en zond den luitenant naar binnen om
-den keizer te zoeken. ’t Duurde niet lang of Zijn Hoogheid verscheen
-weer; bleek en ontdaan, gaf hij in krachtige termen zijn voornemen te
-kennen om den muiteling Soerapati achterna te zetten en riep nogmaals
-dringend de hulp der Compagnie in tegen den woesten roovershoop.
-
-Van Vliet antwoordde vrij barsch, dat het zijn werk niet was zelf tegen
-oproermakers te velde te trekken; hij had hulp genoeg en de Hollanders
-zouden hem, als hij ’t werkelijk goed met hen meende, wel kunnen
-beschermen; de Opperkoopman keerde naar den pagger terug en gaf verslag
-van zijn zending.
-
-„De loosheid van dat gebroed kent geen grenzen,” sprak hij. „Als ik u
-een raad geven mag, Heer Commissaris, hak er dan maar lustig op los, en
-neem den ouden gluiperd gevangen. Hij voert iets tegen ons in het
-schild.”
-
-„Maar ’t kan ook wezen, Heer Van Vliet, dat hij werkelijk in
-benauwdheid zit; ’t is gevaarlijk spel tegen den keizer van Mataram
-vijandig op te treden. Mijn instructie zegt daar niets van, zij
-schrijft mij vredelievende maatregelen voor tot de uiterste grenzen;
-wij moeten hem op zijn woord gelooven.”
-
-„UEd. heeft genoeg gezien hoe valsch en laf het Javaansche volk is;
-toen met den opstand van Troeno-Djojo hebben wij toch gezegevierd.”
-
-„Omdat wij toen met den keizer en met het volk streden, nu zouden wij
-èn tegen keizer èn tegen volk moeten optreden. Van alle kanten omringt
-ons de overmacht. Wij zijn slechts in betrekkelijk klein getal; het
-veiligste is het keizerlijke woord te gelooven en te trachten den
-Balinees in handen te krijgen.”
-
-Van Vliet haalde de schouders op en sprak slechts:
-
-„Moge het u niet berouwen!”
-
-De Commissaris zond nu kapitein Grevink met een vijftal mannen naar het
-hof om den persoon van den keizer te bewaken. Intusschen schenen de
-vlammen naderbij te komen; Soerapati was in den kraton en verspreidde
-overal waar hij ging schrik en ontzetting; de Hollanders bleven een
-afwachtende houding bewaren, totdat plotseling de gouverneur van Japara
-Adipati Oerawan te paard kwam aanrijden en in hevige ontroering
-uitriep:
-
-„Help ons Edele Heer, de muiters zijn ten oosten van het hof, zij
-zetten alles in vuur en vlam; het zal gemakkelijk zijn hen nu te
-overmeesteren.”
-
-„Wijs mij dan den weg!” beval hij den Adipati, droeg aan luitenant
-Eygel op met zijn manschappen bij den pagger de wacht te houden en
-snelde in vollen galop aan het hoofd der drie compagnieën voort in de
-richting, welke de gouverneur van Japara naast hem rijdend aanwees.
-
-Met vollen trommelslag rukten de soldaten voorwaarts ten oosten van het
-keizerlijke hof; inderdaad zag men daar de huizen in brand staan. De
-luitenant van der Meer reed vooruit maar ontdekte nergens sporen van
-den vijand.
-
-„Ik vrees dat we verraden zijn,” zeide Commissaris Tak, en zich tot den
-Adipati wendend riep hij vertoornd uit: „gij hebt mij opzettelijk
-belogen.”
-
-„Neen Edele Heer! Allah weet dat ik ter goeder trouw meende dat de
-Balineezen het oostelijke gedeelte van den Dalem hadden aangevallen;
-men kwam het mij uit het paleis zeggen.”
-
-„Addergebroedsel!” mompelde de Commissaris, „zij weten zelf geen logen
-van waarheid te onderscheiden.”
-
-Hevig geweervuur deed zich achter hen hooren; zeker was men binnen het
-hof slaags geraakt. Tak keerde zich om en zag rookwolken, gelekt door
-vurige tongen hoog in de lucht zweven.
-
-„De missigit staat in brand!” riep de Adipati uit, „de vijand is dus op
-de aloen-aloen!”
-
-„Terug, terug naar de pagger der Compagnie!” kommandeerde Tak,
-„spoedig, spoedig!”
-
-En zij rukten met den meest mogelijken spoed terug naar de brandende
-moskee. Toen zij daar kwamen, snelden de vluchtelingen hen tegemoet;
-kapitein Grevink was reeds gesneuveld met zijn soldaten. Soerapati had
-zich achter de gebouwen verschanst, moord- en brandlust maakte zich van
-zijn gezellen meester, overal zwaaiden zij hun brandende toortsen,
-zoodat aan terugtrekken niet te denken viel.
-
-Voor hen verzamelden zich de troepen der Compagnie vast besloten hen
-levend of dood in handen te krijgen, nergens scheen meer een uitweg;
-zoo waren zij benepen tusschen vuur en wapenen.
-
-De troepen van den Soesoehoenan waren niet te zien; in zijn
-vrouwenvertrekken was de verwijfde keizer bevend en sidderend
-weggekropen op struisvogelmanier het gevaar niet willende zien, hopende
-dat het weg zou drijven.
-
-Soerapati overzag den nijpenden toestand; achter hem strekte zich
-steeds hooger en hooger een muur van vlammen uit, de laffe Javaansche
-grooten hadden het terrein aan de Balineesche muitelingen overgelaten.
-
-„Makkers,” riep hij uit, „veel hebben wij samen doorstaan, maar nimmer
-was de nood zoo dringend! Wat is uw verlangen? Ge ziet hoe ver de zaken
-zijn gekomen; gewone dapperheid baat hier niet meer, slechts de wensch
-om het uiterste te beproeven kan baten. Wij moeten den dood zoeken want
-alleen in doodsverachting ligt de eenige kans tot redding der
-hopeloozen. Wilt ge echter dit uiterste niet wagen, laat ons dan
-onderhandelen met de Compagnie!”
-
-„Nooit, nooit,” gilden allen, „liever den dood dan de slavernij.”
-
-„Welnu, volgt mij dan! Zij zullen wel vergiffenis beloven, zeker wacht
-ons toch bij hen een ijselijken dood. De dood gaapt ons van alle zijden
-aan. Laten we hem dus tegemoet gaan als onverschrokken krijgslieden,
-misschien neemt hij ons dan niet, want de dood weigert vrijwillige
-geschenken. Vooruit dan, vooruit!”
-
-De Balineezen hieven een woest krijgsgeschreeuw aan en stormden hun
-aanvoerder in wilde vaart achterna. Vreeselijk was Soerapati’s aanblik,
-zijn haren besmeurd met roet fladderden om zijn ontbloot hoofd, in
-flarden hing zijn krijgshemd om zijn bloote schouders, het bloed droop
-langs zijn naakte leden; een knaap achter hem droeg zijn pieken, hij
-wierp ze telkens met vaste hand voor zich uit, terwijl hij met de
-andere zijn kris hoog boven het hoofd zwaaide en luid den bloedigen
-kreet uitte:
-
-„Amok, Amok!”
-
-Commissaris Tak had zijn manschappen op het plein gelegerd; de
-Compagnie van luitenant van der Meer ter rechter, die van Vonk ter
-linker en van Eygel in het midden, Madureezen en Javanen waren ter
-zijde geplaatst; hij zelf ging voort in ’t front zijn bevelen te geven
-toen de dolzinnige troep al schreeuwend en tierend door de poort naar
-buiten snelde; het vuur der Hollanders deed hen terugwijken en zij
-werden weer teruggedrongen tot aan de poort.
-
-„Moed, mannen, moed!” gilde Soerapati, „vreest gij den dood? Hij alleen
-kan ons redden. Amok, amok!”
-
-„Amok!” herhaalden allen schel krijschend en beproefden nogmaals den
-uitval; de Madureezen begonnen te wijken.
-
-„Het is de duivel die hen aanvoert!” riepen zij, wierpen hun wapens weg
-en vluchtten naar de oprukkende Hollanders; de damp der brandende
-gebouwen vervulde de aloen-aloen, en ontnam alle uitzicht.
-
-„Redt u, redt u,” gilden de Madureezen, een algemeene paniek volgde, de
-soldaten der verschillende Compagnieën verwarden zich in elkander. De
-vijand rukte nader in den blinde met ware razernij er op inhakkend;
-geen vriend noch vijand werd meer herkend. De eene struikelde over den
-andere, verblind door kruitdamp, verward door het wanhopig geschreeuw
-der gewonden en de helsche kreten der aanvallers, luisterde niemand
-meer naar de kommando’s der bevelhebbers, de vaandels zonken neer,
-alles krielde en wemelde in onbeschrijfelijke wanorde door elkander.
-Links en rechts vielen de slachtoffers, officieren en gemeene soldaten
-zonken naast en op elkander, doorboord van lanssteken, ter aarde. De
-gezant sneuvelde, wanneer en hoe dit wist niemand, men vond later zijn
-lijk door twintig messteken verwond; ook de Opperkoopman van Vliet, de
-luitenants van der Meer en Vonk, behoorden onder de gevallenen. Als een
-bergstroom gelijk, die alles op zijn doortocht omverwerpt en vernielt,
-stortten de Balineezen met overweldigende kracht telkens weer op hun
-aanvallers, totdat deze of in het stof voor hen bezweken of naar alle
-zijden wegvluchtten.
-
-Een gedeelte slechts van de Compagnie soldaten mocht de pagger
-bereiken, waar kapitein Leeman het kommando voerde en weldra door de
-wanhoopskreten der vluchtelingen den omvang der groote ramp vernam.
-Soerapati en zijn helden weken terug nadat zij zich over de lijken
-hunner aanvallers een weg hadden gebaand, in Zuid-Oostelijke richting
-naar het gebergte.
-
-Daar vonden zij vrouwen en kinderen onder de hoede der kleine schaar
-aan welks hoofd Kiai Hemboong stond. Juichend snelde Koesoema haar
-gemaal tegemoet, die als overwinnaar maar uitgeput en verwond uit den
-strijd terugkeerde.
-
-„En nu?” vroeg zij hem, „wat moeten wij nu doen mijn held, mijn Vorst?”
-
-„Nu geloof ik dat de voorspelling van den dwerg waarheid bevat; de
-Compagnie weet thans welken vriend zij versmaad heeft en nog is onze
-vijandschap niet ten einde. Wij trekken naar het Oosten; op mijn
-makkers kan ik mij verlaten, met zulke helden kost het geen moeite een
-koninkrijk te stichten!”
-
-„Allah zij geloofd!” fluisterde Koesoema tot Kiai Hemboong, „nu heeft
-hij Nonna Suzanna voor goed verloren! Welke angsten stond ik heden niet
-uit, vreezend dat hij zich weer zou verbinden aan de gevloekte blanken;
-nu echter scheidt een diepe rivier van bloed hem van zijn vroegere
-vrienden, en zulke stroomen zijn niet meer te doorwaden.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE GEDEELTE.
-
-
-I.
-
-AMSTELVREUGD.
-
-
-In het begin der vorige eeuw was de weg, die door de toenmalige
-Leidsche poort van Amsterdam naar het naburige Amstelveen leidde
-omzoomd door fraaie, groote buitenplaatsen, waarin de Amsterdamsche
-patriciërs den zomer doorbrachten. Nu zijn de tuinen verdwenen en in
-weiden herschapen; hier en daar herinnert de naam van een boerenhuis,
-op een groen houten hekje in witte letters geschilderd, nog slechts aan
-het landgoed, waarvan het de plaats inneemt; de omstreken der hoofdstad
-zijn van hun vroegeren luister beroofd, de stad dringt dieper en dieper
-het land in, waar men eenmaal ongestoord het buitenleven op korten
-afstand van de stadsmuren kon genieten; een nieuwe aanleg, nieuwe
-huizenrijen omboorden het begin van den weg; verderop eerst blijkt het
-hoe beroofd en kaal de sloopers van die heerlijke buitenplaatsen het
-land achterlieten. De bosschen zijn gekapt, niets geeft nog eenige
-schaduw tusschen de uitgestrekte weiden en polders als hier en daar het
-overlommerde erf van een boerderij en de laan, die in bijna rechte lijn
-met slechts een dubbele elleboogkromming het vlakke land doorsnijdt;
-wie weet echter hoe spoedig ook deze boomen tot ondergang veroordeeld
-zijn als het onmisbare voertuig onzer eeuw, de stoomwagen zich op dezen
-weg moet begeven!
-
-Maar toen in de eerste jaren van de 18de eeuw had alles een geheel
-ander aanzien; de wandeling was langs de afwisselende rij van buitens
-vrij wat aangenamer, de Kalfjeslaan was nog niet gekoppeld aan de
-herinnering van een bloedige daad; de zware koetsen der Amsterdamsche
-deftige families reden op den grooten weg op en neer, men bracht
-elkander bezoeken of maakte rijtoertjes.
-
-Een weinig voorbij de Kalfjeslaan strekte zich toen ten tijde een
-aanzienlijk landgoed uit, waarvan nu geen spoor meer is overgebleven;
-een statig en sierlijk ijzeren hek scheidde het van den grooten weg; de
-wansmaak dier dagen uitte zich misschien wel eenigszins in de
-overdadige menigte krullen en slingers, die de rijk versierde letters
-van het opschrift „Amstelvreugd” omringden. Dit hek gaf toegang tot een
-in den laatsten Franschen smaak aangelegden tuin, die ons thans stijf
-en popperig zou voorkomen maar toen stellig geprezen werd als een
-voorbeeld van tuinaanleg à la Le Nôtre. Een geschoren laan leidde van
-het hek naar het statige, deftige hoofdgebouw; de grond was met
-sneeuwwit zand bestrooid, en aan weerszijden op een glad geschoren
-strook gras stonden van afstand tot afstand tobben met oranjeboomen;
-links en rechts bevond zich de tuin met zijn vijvers en grotten, zijn
-schelpentuin en doolhof, zijn mathemathisch gevormde perken, zijn in
-den vorm van vogels en draken gesnoeide palmstruiken, zijn zonnebloemen
-en violieren, welke tuin begrensd werd als door reusachtige muren van
-in het vrije groeiende beuken, de grens aan beide zijden vormend van
-het landgoed.
-
-Die beuken hieven hun statige kruinen omhoog en zagen als minachtend
-neer op de gemanierdheid, waartoe men aan hun voet de natuur
-veroordeelde. Onder hun schaduw had het gras volle vrijheid hoog op te
-schieten en aan de veldbloemen een gastvrije schuilplaats te bieden;
-het was er recht koel en frisch onder het geboomte op dezen warmen
-Juli-middag.
-
-Er scheen feest gevierd te worden op het fraaie buiten; zoo pas had een
-talrijk jong en vroolijk gezelschap zich in den koepel aan den
-waterkant te goed gedaan aan de verfrisschingen door de gulle,
-vriendelijke vrouw des huizes, mevrouw van Starenwijck, haar jongen
-vrienden en vriendinnen voorgediend; nu wandelden de gasten paar aan
-paar of in groepjes door de rechte, met palmhagen omzoomde paadjes van
-den Franschen tuin. Het was een zoogenaamd landelijk feest, maar
-niemand zou het vermoed hebben, zoo ontbrak hier alle ongedwongenheid
-en vrijheid, welke men gewoonlijk van landelijkheid onafscheidelijk
-acht. Nu en dan slechts verbrak een vroolijke kwinkslag of een luide
-lach den deftigen toon, die onwillekeurig in den stijf aangelegden tuin
-moest heerschen; dadelijk echter klonk weer het afgemeten, hoofdsche
-gesprek, en de minder geestige, dan kalme scherts, die alleen het
-vermaak van de jongelieden scheen uit te maken. Een enkel paartje was
-den Franschen tuin ontvlucht en had zich onder de hooge beuken begeven,
-als boden deze een geschikter plaats aan voor hun onderhoud.
-
-Hij was een kloek jonkman van even twintig jaar, zijn olijfkleurige
-gelaatskleur verried dat nog ander bloed dan het zuiver Noordsche door
-zijne aderen vloeide, maar zijn regelmatige trekken lieten het in ’t
-onzekere, tot welken landaard hij behoorde; zijn kleeding was eenvoudig
-hoewel deftig en rijk, zijn gestalte lenig en buigzaam, iets boven het
-middelmatige, maar wat voor alles de aandacht trok dat waren zijn
-oogen, donkere vurige oogen, die nog donkerder en vuriger schenen daar
-waar zij omringd waren door de bleeke, groene appels van de andere
-gasten, of door vroolijke bruine kijkers, die echter den inwendigen
-gloed misten, welke de zijnen konden vervullen.
-
-Nu echter was deze gloed als gesmolten in teederheid; zij glansden,
-maar zooals het fluweel glanst in aanraking met de zonnestralen; het
-scheen of zij verzacht werden door den zoeten, lieftalligen, eenigzins
-verwijtenden blik, die hen ontmoette uit de blauwe oogen van het jonge
-meisje, dat hij dringend aansprak als om iets van haar te verzoeken;
-het was een mooi, blond kind, een echte dochter van het Noorden. Zij
-wendde haar hoofd telkens van hem af en deed zwakke pogingen om haar
-linkerhand uit zijne rechter te bevrijden.
-
-„Hier zijn we vrij voor weinige oogenblikken, Digna; dadelijk komen
-onze medegasten, wij zullen ons moeten voegen bij hun spel, wij zullen
-onze blikken moeten bespieden, onze woorden wegen, zeg me spoedig dat
-gij me vergeeft, dat gij niet meer boos zijt.”
-
-„O Robert, ge hadt mij zoo beloofd, dat het de laatste keer zou wezen.
-Kan ik dan nooit op u rekenen?”
-
-„Ach Digna, ik ben zoo zwak, maar als gij me steeds ter zijde stond,
-zou ik anders worden. Wanneer zullen we nooit meer gescheiden worden,
-Digna?”
-
-„Zal het ooit gebeuren?” vroeg zij zuchtend.
-
-„Het zal gebeuren, ik zeg ’t u, het zal gebeuren. Zoodra mijn vader
-hersteld is, zal ik hem ons zoet geheim openbaren en dan komt hij bij
-uw moeder, uw ouders wil ik zeggen, uw hand vragen voor mij. Wat kan
-mevrouw van Starenwijck hebben tegen een vereeniging tusschen haar
-dochter en den zoon van den rijken algemeen geachten heer van Reijn?”
-
-„Ge vergeet dat ik reeds meer dan half verloofd ben.”
-
-„Aan een man, dien gij nog nooit hebt gezien, die aan gene zijde der
-zee vertoeft en aan wien slechts een belofte van uw stiefvader u
-verbindt; uw moeder houdt van mij...”
-
-„Zeker, anders zou ik niet wagen uw liefde aan te nemen.”
-
-„Gij neemt ze aan Digna, gij neemt ze aan en gij vergeeft mij!”
-
-Zij zag naar hem op met een schalkschen lach, die twee kuiltjes in haar
-zacht blozende wangen groefde.
-
-„Voor dezen keer Robert, en dan nooit meer, verstaat ge? Foei, hoe zal
-ik moed hebben met zoo’n wildzang door het leven te gaan?”
-
-En hij drukte haar vast aan zich en snel kuste hij haar in de kuiltjes
-van de wangen. „Ge zult zien, hoe ik veranderen zal, liefste mijn, als
-ik dagelijks die kuiltjes mag kussen.”
-
-„O foei neen! dat moogt ge niet doen, dan word ik weer boos,” en zij
-wipte snel weg, maar in haar oogen las hij duidelijk dat zij den
-kleinen diefstal geen onvergeeflijk vergrijp achtte.
-
-„Robert, Digna!” werd er plotseling geroepen, „waar blijft ge?” Het
-meisje en de jonge man wierpen elkander nog een blik toe, een laatsten,
-toen greep hij snel haar hand en drukte die vurig aan zijn lippen, maar
-zij trok zich terug en wenkte hem dat zij nu verder op eerbiedigen
-afstand van elkander zouden voortgaan.
-
-„Ik moet nog geduld oefenen,” zeide hij halfluid, „maar het zal niet
-lang duren, Digna of geen macht ter wereld zal mij een stroobreed van u
-scheiden.”
-
-„En zult ge dan ook ijverig werken Robert?” vroeg zij, „op het
-handelskantoor van uw oom, zult ge een flink, ernstig koopman worden?”
-
-„Omdat gij ’t verlangt ja, Digna! hoeveel ’t mij ook kost? Ik
-verafschuw den handel, gij weet het en mijn vader heeft het
-ondervonden, tot voor binnenkort. Nu echter zal ik voortaan de
-ijverigste van oom’s klerken wezen, geloof me!”
-
-Zoo pratende naderden zij den zoom van het bosch, met elkander
-sprekende als een paar goede vrienden, niets meer; hij liefkoosde haar
-slechts met zijn oogen en al hield zij de hare neergeslagen, toch
-voelde zij hoeveel liefde, ja meer nog, aanbidding bijna, hij in die
-liefkoozing legde.
-
-De anderen kwamen hen tegen en vroolijke vragen begroetten hen
-allerwege.
-
-„Waar zijt ge geweest?”
-
-„Hebt ge vlinders gevangen?”
-
-„Of bloemen geplukt?”
-
-„Toon ons de mooie plekjes die gij bezocht hebt.”
-
-Eenigen slechts zeiden niets, het waren de meisjes, die niet konden
-begrijpen hoe Robert van Reijn in de onbeduidende stiefdochter van hun
-gastheer iets moois kon vinden, of de knapen, die zich ergerden dat
-zoo’n prachtig meisje als Digna zulk een besliste voorkeur kon toonen
-voor dien dwazen knaap, zoo bruin als een heiden; zij waren toch vrij
-wat aantrekkelijker met hun bleeke gezichten en net gepoederde haren.
-
-„Wij hebben de plaats gezocht,” zeide Digna met haar onschuldige oogen
-haar gasten overziende, „waar wij blindemannetje konden spelen! ’t Is
-juist geschikt.”
-
-Weinigen deden slechts een spotlach hooren; de meesten juichten,
-klapten in de handen en riepen uit:
-
-„Dan mogen we dadelijk beginnen!”
-
-„Ja zeker, hier is het goed onder de boomen, ge kunt geen heggen
-vertrappen en geen vazen omwerpen, of verward raken in een geschoren
-palm, nog minder in een vijver verdrinken.”
-
-Alle vormelijkheid verdween en weldra dartelden en speelden zij onder
-de hooge boomen zoo vrij en vroolijk als de jeugd, onverschillig ook
-van welke eeuw of welke landstreek, het steeds doet, wanneer zij aan
-zichzelf overgelaten zich vermaakt in Gods vrije natuur!
-
-Daar kwam geen einde aan het juichen en het lachen, aan het stoeien en
-aan het roepen; soms werd de arme blindeman deerlijk bedrogen, soms
-maakte hij van zijn voorrecht als blinde een al te vermetel gebruik,
-als hij een der vroolijke meisje om het middel greep en om haar te
-herkennen, haar en oogen betastte, ja zelfs haar voorhoofd met zijn
-lippen aanraakte; en als zij dan verontwaardigd over zulk een vrijheid
-een kreet slaakte dan raadde de blindeman gewoonlijk, wie hij in zijn
-macht hield.
-
-Digna leidde het spel, bedaard, kalm maar toch vriendelijk en opgewekt;
-eens slechts zag men haar die kalmte voor een oogenblik verliezen, maar
-voor een oogenblik slechts, het was toen Robert van Reijn de blinde was
-en in zijn snelle vaart tegen een dikken boom dreigde te stooten; zij
-snelde verschrikt toe en plaatste zich voor hem; toen was zij het, die
-hij aanraakte en o wonder, er was niets meer noodig om hem te doen
-raden hoe zij heette:
-
-„Digna,” riep hij, en rukte meteen den band van zijn oogen.
-
-Juist kwam Heer van Starenwijck in het bosch.
-
-„Waar is de jonge heer van Reijn?” vroeg hij.
-
-„Bij Digna natuurlijk,” sprak een klein mannetje met nijdig gelaat, die
-’t dichtst bij hem stond.
-
-Een wolk trok over Heer van Starenwijcks voorhoofd en zijn mond kreeg
-een gemelijken trek, maar dadelijk riep hij luid:
-
-„Robert van Reijn!”
-
-De geroepene, die juist bezig was Digna den doek om het blonde haar te
-binden, en daartoe iets langer werk had dan anderen, ging snel vooruit
-en vroeg:
-
-„Zoekt u mij, mijnheer?”
-
-„Ja u, het spijt mij zeer dat ik uw genoegen moet storen, want gij
-vermaakt u wonderwel naar ik vermeen, maar er is een bediende gekomen
-uit de stad met de boodschap dat uw vader onmiddellijk uw
-tegenwoordigheid verlangt.”
-
-„Dan is hij ziek, mijn goede vader, anders zou hij mij niet laten
-roepen! Is er iets verontrustends mijnheer, zeg ’t mij dan?”
-
-„’t Is waar, de knecht sprak van ongesteldheid! Hij kwam te paard.”
-
-„Dus er is haast bij! ô God!”
-
-Het spel was gestaakt, de jongelieden waren allen naderbij gekomen, hun
-kleur droeg nog de sporen van de opwinding en de verhitting van het
-spel, met belangstelling of nieuwsgierigheid luisterden zij toe of
-zagen naar Robert’s gelaat, dat alleen allen blos miste; toch niet, er
-was een gelaat nog bleeker dan het zijne. Digna stond naast hem als
-behoorde deze plaats haar van rechtswege; deelnemend zocht haar blik
-den zijne.
-
-„Ik ga onmiddellijk, ik zal mijn paard laten zadelen. Vaarwel,
-vrienden! God geve, dat het een voorbarige boodschap zij!”
-
-„Uw paard is gezadeld, jonkman!” sprak van Starenwijck stroef, „ik gaf
-onmiddellijk dit bevel daar ik begreep wat uw besluit zou wezen.”
-
-„Heb dank, heb dank!” en de jonge man drukte met het vuur, dat hij in
-elk zijner bewegingen legde de hand, die hem koel werd gegeven en toen
-tot Digna zich voorover buigend fluisterde hij:
-
-„Vaarwel, liefste engel mijn! Bid dat de zwaarste beproeving mij niet
-treffe!”
-
-„Ik ga met u Robert tot aan het huis,” sprak zij, zonder acht te slaan
-op den ontevreden blik haars stiefvaders of op de spottende
-aanmerkingen harer vriendinnen.
-
-Robert ging door den Franschen tuin, tusschen Digna en zijn gastheer,
-de anderen volgden op eenigen afstand; het spel naar ’t scheen had voor
-allen zijn aantrekkelijkheid verloren.
-
-Mevrouw van Starenwijck en eenige andere gasten stonden op het bordes;
-zij kwam Robert hartelijk tegemoet.
-
-„Arme jongen!” zeide zij vriendelijk, „ik vrees dat u smartelijke uren
-wachten. Houd moed! Denk dat er Eén is, die over leven en dood beschikt
-en ons leidt niet langs onze wegen maar langs de Zijne. Vergeet niet
-dat Zijn wil geprezen moet zijn nu en altijd!”
-
-„Ik dank u mevrouw! ik dank u!” sprak de jonge man, diep bewogen haar
-hand aan zijn lippen brengend.
-
-„En herinnert u steeds, dat ge goede en trouwe vrienden op Amstelvreugd
-hebt,” ging zij voort.
-
-Ook Digna reikte hem de hand; hij wierp haar een langen, teederen blik
-toe, als wilde hij haar lieve gestalte voor eeuwig in zijn geest
-prenten, groette Heer van Starenwijck en de overige gasten, steeg te
-paard en reed weg.
-
-Het feest ging voort, maar de rechte vroolijkheid was verdwenen; de
-jonge gastvrouw bleef stil en treurig als had het voor haar alle
-bekoorlijkheid verloren.
-
-In den geest volgde zij den jongen man op zijn treurigen rit, wellicht
-verbeeldde zij zich te hooren, wat hij smartelijk uitriep, toen hij
-voor een deftig huis op de Keizersgracht gekomen, snel van zijn paard
-afsteeg en in het voorhuis stortte.
-
-„Mijn vader!” vroeg hij angstig.
-
-De oude grijze knecht, die hem ontving antwoordde niets, maar zijn
-oogen waren rood van tranen en bleek zijn wangen.
-
-„Ik weet het genoeg! Mijn vader is niet meer!” riep Robert wanhopend
-uit.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-ROBERT VAN REIJN.
-
-
-Op den laten avond van dien dag zat Robert alleen in de boekenkamer
-zijns vaders, voor diens schrijftafel; de koperen lamp, die van de
-zoldering afhing wierp haar licht op het met papieren en boeken
-overdekte blad en op den stoel met hooge leuning, waarin de overledene
-een groot deel van zijn leven placht door te brengen en die nu ledig
-stond.
-
-Robert hield beide handen tegen zijn voorhoofd terwijl de armen op
-tafel steunden; hij had zich moe geweend en beschutte zijn ontstoken
-oogen nu tegen het hinderlijke licht der lamp.
-
-Hij was bitter bedroefd en geen wonder ook, de tegenstelling tusschen
-het vroolijke feest daar ginds en de droefheid hier in het sterfhuis,
-de overgang van onbezorgde vreugde tot diepe smart was al te groot en
-buitendien de oude Heer van Reijn was altijd een goed vader geweest
-voor den wilden, ongezeggelijken jongen in wien de meesten moeite
-hadden zijn zoon te erkennen. Kalmte, overleg, goedigheid, een deftig,
-bezadigd voorkomen, ziedaar, wat den Heer van Reijn reeds op het eerste
-gezicht kenmerkte; zijn zoon was juist het tegenovergestelde, heftig,
-opbruisend, onbedachtzaam, tuk op vermaak, hartelijk voor hen die hij
-liefhad, norsch tegen degenen die hem tegenstonden, edelmoedig tot
-verkwisting toe, afkeerig van allen dwang en regel, een knaap in een
-woord zooals men er slechts weinigen aantrof in de deftige, afgemeten
-Amsterdamsche kringen, waarvan de oude Heer van Reijn, die een hooge
-betrekking bij de O. I. Compagnie had bekleed, een algemeen geacht en
-zelfs bemind lid was. Ook van zijn reeds sinds tien jaren overleden
-moeder kon Robert deze eigenschappen niet geërfd hebben.
-
-Mevrouw van Reijn was het evenbeeld van kaar echtgenoot in zooverre als
-een beschaafde, beminnelijke vrouw, die boven alles er haar eer in
-stelt een goede huisvrouw te zijn op een verstandigen, doortastenden
-man gelijken kan; hun huwelijk was hoogst gelukkig geweest.
-
-Zij had haar man, die als buitengewoon inspecteur door de Compagnie
-afgezonden was om de verschillende kantoren in Indië te bezoeken,
-vergezeld; zij waren toen reeds vele jaren getrouwd maar hun echt was
-kinderloos gebleven.
-
-Na een verblijf van zes jaar keerden zij terug en brachten toen Robert
-mee, een donker, ondeugend knaapje van ruim vier jaar, dat echter innig
-gehecht was aan de reeds niet meer jonge mevrouw van Reijn, die hem
-deze liefde met woeker teruggaf.
-
-Menige meer of minder kiesche opmerking en onbescheiden vraag werd over
-het raadselachtige jongske gedaan maar mijnheer noch mevrouw van Reijn
-bekommerden zich daarover, zij gingen voort hem als hun eigen kind te
-behandelen en een opvoeding te geven overeenkomstig hun stand; de
-naaste familie duldde met leede oogen het bestaan van Robert, soms
-opperden zij nog wel een lichten twijfel aangaande zijn afkomst maar de
-jaren gingen voorbij en de verhouding bleef dezelfde; na den dood
-zijner echtgenoot hechtte de oude heer zich zelfs nog vaster aan zijn
-zoon.
-
-Met een dikwijls al te groote toegevendheid verdroeg hij zijn
-ondeugende streken, zijn luiheid en wispelturigheid; de beurs hield hij
-altijd wijd geopend voor alle grillen hoe kostbaar ook van dien zoon en
-ieder was er thans geheel van overtuigd dat Robert de plaats innam, die
-hem wettig toekwam; zijn zonderling karakter en Oostersch voorkomen
-werden algemeen op rekening gesteld van een speling der natuur als een
-gevolg van den invloed, door de tropische omgeving waarin hij geboren
-was, uitgeoefend op zijn karakter en uiterlijk.
-
-Als de zoon van den rijken aandeelhouder der Compagnie van Reijn, had
-Robert toegang in de eerste huizen der koopmanswereld van Amsterdam;
-vele moeders zagen met verlangen naar hem op als naar een begeerlijke
-partij voor haar dochters.
-
-Zijn eigenaardigheden deden hem geen kwaad; zijn wildheid zou met de
-jaren overgaan, hij was lichtzinnig, onbedachtzaam, al te vatbaar voor
-allerlei indrukken zoo kwade als goede, maar hij had een goed, gevoelig
-hart, hij was vooral niet slechter dan hij zich voordeed; wanneer hij
-onder flinke leiding kwam zou hij zich stellig tot een ernstig en
-degelijk man ontwikkelen.
-
-Zijn vader had hem op het kantoor van zijn broeder, een aanzienlijk
-koopman, geplaatst; hij hoopte hem lust te doen krijgen in het vak dat
-ook het zijne was geweest, maar deze hoop bleek langen tijd ijdel.
-Robert kon het maar niet vinden noch met zijn oom, noch met het
-kantoor; de oom had geen bijzonder zwak voor zijn neef, wien hij in de
-eerste plaats zijn bestaan niet vergeven kon want zelf was hij met een
-achttal kinderen gezegend en het uitzicht op oom’s aanzienlijke erfenis
-was te aanlokkelijk geweest dan dat hij het verlies daarvan niet nog
-dagelijks zou betreuren.
-
-Daarenboven konden de cijfers Robert volstrekt niet bekoren; hij
-koesterde de grootste verachting voor dukaat en rijksdaalder; had hij
-ze in zijn zak dan wist hij niet hoe zich zoo spoedig mogelijk van deze
-onaangename tegenwoordigheid te bevrijden. Oom daarentegen deelde met
-meer dan driekwart Amsterdam de groote vereering voor beide machtige
-afgoden; Robert hield van de vrije lucht en haatte de benauwde
-atmosfeer van de kantoren. Zoo gebeurde het dikwijls dat de knaap er
-den geheelen dag niet verscheen, om in de duinen te jagen of op het
-Haarlemmermeer te visschen. Dat gaf klachten aan den vader, deze
-zuchtte en onderhield Robert ernstig, maar lang boos kon hij niet zijn
-op den jongen, die hem liefkoozend vergiffenis vroeg en beterschap
-beloofde, een beterschap, die spoedig voor nieuwe vergrijpen plaats
-maakte. Een jaar geleden was echter alles anders geworden, toen was
-Robert’s hart plotseling—om de taal te gebruiken van de toenmalige
-dichters of rijmelaars—gewond geworden door Amor’s scherpste pijlen.
-
-Op een speelavondje zag hij plotseling uit geheel andere oogen de
-stiefdochter van den Heer van Starenwijck, Digna Tak aan. Haar moeder
-was de weduwe geweest van den in Karta-Soera in 1686 vermoorden
-Commissaris; met haar eenjarig dochtertje was zij naar Holland
-teruggekeerd en had daar een tweede huwelijk gesloten met den Heer van
-Starenwijck, zwager van Walter’s oom. Als kinderen hadden Robert en
-Digna veel met elkander gespeeld en hevig getwist, ten minste het
-zachte, lieve meisje had het soms hard te verantwoorden gehad van den
-wilden jongen en nu plotseling, zij wisten niet hoe, was alles anders
-geworden. Digna en Robert kregen elkander lief elk op zijn wijze, maar
-toch zoo innig en hartstochtelijk zelfs, als beiden het maar
-vermochten. Van dat oogenblik konden zij hun toekomst niet meer droomen
-dan onafscheidelijk van elkander. Op Robert oefende Digna echter den
-besten invloed uit, wat noch de liefderijke vermaningen, noch de bitse
-opmerkingen van zijn oom konden uitwerken, dat gelukte aan Digna’s
-vriendelijken, soms verwijtenden oogopslag, aan haar bedroefden of
-opwekkenden glimlach.
-
-Voor haar sloeg Robert berouwhebbend de oogen neer als hij weer een
-dwaasheid had begaan; om door haar geprezen te worden, zou hij dagen
-lang ingespannen zitten werken op het gehate kantoor; om haar
-goedkeurenden blik hield hij het scherpe woord terug dat hem op de
-lippen steeg tegenover den strengen oom, of de neuswijze neven; hij
-verliet het gezelschap zijner lichtzinnige vrienden, bezocht geen
-taverne meer, waar hij in den voorlaatsten tijd maar een al te drukke
-gast was geweest, ging slechts uit jagen en visschen als vader en oom
-het goedvonden.
-
-Nu en dan kwam de oude mensch weer op, maar een zacht verwijt van Digna
-was voldoende om hem zijn ongelijk te doen inzien. Met leede oogen
-zagen zoowel zijn oom Gerard van Reijn en Digna’s stiefvader de
-verhouding tusschen beide jongelieden. Om een gunst te verkrijgen van
-zijn vriend den Raad van Justitie Voorneman, die zich in Indië bevond,
-had eenige jaren geleden de stiefvader hem de hand toegezegd van de
-toen nog pas twaalfjarige Digna, weldra zou de Raad van Justitie tot
-herstel zijner gezondheid in Europa terugkomen om de beloofde bruid op
-te eischen. Digna, hoe zacht en vriendelijk zij ook scheen, was er
-echter het meisje niet naar om zich tot een huwelijk te laten dwingen
-terwijl haar hart geheel vervuld was door liefde tot een anderen man.
-Gelukkig vond zij in haar verstandige moeder een sterken steun. Mevrouw
-van Starenwijck mocht Robert gaarne lijden en voor alles haar dochter
-had hem lief; de illusiën welke zij tijdens haar korte vereeniging met
-François Tak had gekoesterd over het huwelijksleven waren bij haar
-tweede echt lang niet in vervulling gekomen en nu wilde zij tot elken
-prijs haar lievelingskind het zeldzame maar daarom niet genoeg te
-waardeeren voorrecht schenken van een gelukkig huwelijk met den man
-harer vrije keuze.
-
-Wat den ouden Heer van Reijn betreft, hij verheugde er zich over dat er
-zoo weinig klachten meer inkwamen over Robert, hij liet den knaap de
-meest mogelijke vrijheid; dat hij deze vrijheid niet misbruikte stemde
-hem tevreden en dankbaar.
-
-Overigens bekommerde hij zich weinig over Robert’s en Digna’s liefde;
-juist toen deze ontstond was hij voor ’t eerst van zijn leven een
-weinig ongesteld geweest; de ziekte was spoedig geweken, maar Jacob van
-Reijn werd nooit meer geheel de oude, hij zag tegen elke moeilijkheid
-en elke kleinigheid op. In zijn zucht om steeds welvarender te schijnen
-dan hij werkelijk was, wilde hij volstrekt niet het aanzien hebben of
-hij voor de eene of andere gebeurlijkheid maatregelen trof; hij
-handelde meer dan ooit of hij nog jaren te leven had, stelde alles uit
-tot onbepaalden tijd en werd zelfs ernstig kwaad toen Robert hem eens
-op eerbiedigen toon verzocht zijn toekomst te regelen, daar hij aan de
-mogelijkheid van trouwen dacht.
-
-„Waartoe dient zulk een haast,” zoo stoof de anders zoo bezadigde en
-verstandige man op. „Hebt gij het niet goed bij mij? Laat ik het u aan
-iets ontbreken? Behandel ik u niet of gij werkelijk.....”
-
-Hij bleef plotseling steken en ging op kalmen toon voort:
-
-„Laat ons daarover morgen spreken, Robert, of overmorgen! We hebben
-immers nog den tijd; ik ben zoo gezond als ooit te voren, als men u
-hoorde zou men denken dat ik in gevaar was van sterven.”
-
-„O foei vader!” riep Robert verontwaardigd uit en er werd over de zaak
-niet meer gesproken; de oude heer trachtte ieder wijs te maken dat hij
-gezonder en sterker was dan vroeger, maar hij verzwakte zichtbaar, het
-uitgaan bekwam hem slecht, uren lang bleef hij zitten ingedommeld in
-zijn hoogen stoel en Robert durfde het onderwerp niet meer aanroeren.
-
-Eenige weken later had het feest in Amstelvreugd plaats; Robert, die
-twee dagen te voren weer een dwaasheid had begaan en met eenige
-vrienden tot laat in den nacht had gezwierd, minder gunstig bekende
-taveernen bezocht, bood vrijwillig aan t’huis te blijven, maar de oude
-man wilde hiervan niets weten.
-
-Gelukkig was hem Robert’s laatste misslag onbekend gebleven, en dit
-spoorde den jongen man nog meer aan daarvoor op de een of andere wijze
-te boeten, hoeveel ’t hem ook kostte een dag in Digna’s bijzijn
-doorgebracht op te offeren.
-
-„Ga gerust, ik ben zeer wel. Ik zal ’t u kwalijk nemen als gij niet
-gaat. Oom vindt het immers goed.”
-
-Robert was gegaan, Digna hield zich eerst koel en stug tegenover hem,
-dit bracht hem bijna tot wanhoop, eerst in het beukenboschje had hij
-haar vergiffenis verkregen en beterschap beloofd. Nu pas zou de dag
-voor hem in volle vreugde beginnen toen de boodschap vol angst en
-schrik hem zoo meedoogenloos aan al dat geluk ontrukte.
-
-Op dit oogenblik berouwde het Robert meer dan ooit zijn goeden vader
-niet te hebben bijgestaan in zijn laatste oogenblikken; de dood was
-plotseling en onverwacht gekomen. Zijn trouwe dienaar was in de
-boekenkamer binnengekomen met zijn dagelijksch sober middagmaal en vond
-zijn meester op zijn gewonen stoel zitten voor deze schrijftafel, zijn
-hoofd was neergevallen op een brief, dien hij juist begonnen had te
-schrijven, zijn rechterarm, waaraan de pen ontsnapt was, hing slap
-langs zijn lichaam.
-
-Onmiddellijk had men hem naar bed gebracht en zijn broer laten komen
-terwijl een knecht te paard naar Amstelvreugd was gereden, om Robert te
-waarschuwen; ook de geneesheer was gehaald en deze verklaarde dat de
-pols nog zeer flauw sloeg; na een uur was ook dit opgehouden en Robert
-mocht slechts het ziellooze overschot zijns vaders aanschouwen.
-
-Zijn oom was reeds vertrokken met de belofte spoedig terug te keeren om
-alle zaken te regelen en zoo had Robert zich voor een paar uur
-ongestoord aan zijn diepe smart kunnen overgeven, te dieper daar zij
-zoo onverwacht en in zulke omstandigheden hem trof.
-
-„Belieft u niets mijnheer!” vroeg de oude kamerdienaar die reeds
-onmiddellijk Robert behandelde met allen eerbied en alle
-onderscheiding, die aan het tegenwoordig hoofd des huizes toekwam.
-
-„Dank u, Johan, dank u!”
-
-„Een beker wijn zal u goed doen jonge... mijnheer bedoel ik. UEd. weet,
-wat er geschreven staat: „Geef den treurenden wijn!” Onze goede meester
-is nu daar, waar hij het loon ontvangt voor zijn deugdzaam leven, want
-beter meester dan hij bestond er niet jongeheer!”
-
-„Ik weet het genoeg Johan! Ik weet het, en het zal voortaan ook mijn
-eenig streven zijn mijn goeden vader voor zoover ik kan in alles tot
-voorbeeld te nemen.”
-
-„Daar ben ik niet bang voor, jongeheer! ’t Is waar u gelijkt niets op
-mijnheer van Reijn, zelfs niet toen deze jong was, maar wij allen
-houden veel van u, meer dan van heer Gerard; als de wilde haren er eens
-afvliegen, dat heb ik zoo dikwijls tot mijn goeden heer zaliger gezegd,
-zal u zien dat jongeheer Robert nog een heel ander man zal worden dan
-die gluiperige jongens—vergeef mij dat ik het zoo ronduit zeg, wat mij
-voor den mond komt—van mijnheer uw oom.”
-
-„Ik hoop u niet teleur te stellen, Johan,” antwoordde Robert ootmoedig,
-„maar ’t is zulk een groote last, die op mij valt, dit ruime huis en
-het aanzienlijke vermogen mijns vaders, de stand dien hij ophield en
-dien ik voortzetten moet. O, ik schrik er van terug als voor een zwaren
-last; en mijn vader heeft geen beslissingen genomen, schonk mij geen
-leiddraad waaraan ik mij houden kon tot vervulling zijner wenschen.
-Weet gij er niets van, Johan?”
-
-„Helaas! neen mijnheer! Het wordt met Kerstmis 36 jaar dat ik bij mijn
-Heer en Mevrouw van Reijn gediend heb; ’t is waar zes jaar moet ik er
-afrekenen, toen mijn meester naar de Oost-Indiën vaarden, waar de goede
-God hen een zoontje schonk. En mijnheer deed om zoo te zeggen niets
-zonder er mij over te spreken, als hij met zijn broer of den notaris
-gesproken had zou ik het moeten weten, maar u weet hoe hij in den
-laatsten tijd was.”
-
-„Ach ja! hij was zichzelf niet meer en dat maakt mij des te bedroefder,
-had hij mij maar een regeltje schrift nagelaten. Wist ik maar wat hij
-van mij wenschte, wat hij verlangde dat ik met zijn geld doen moest. O
-Johan ik vind het zoo moeilijk en gevaarlijk rijk te zijn. Ik duizel er
-van!”
-
-Een schaduw van een glimlach verscheen op het gerimpelde gelaat van den
-ouden, trouwen knecht.
-
-„Een ander zal u spoedig leeren een goed gebruik te maken van uw geld;
-wanneer wij hier weer een lieve meesteres krijgen dan zal u niet meer
-bang wezen voor uw fortuin.”
-
-Ook Robert’s gelaat klaarde op.
-
-„Ware ik maar zoover Johan! Mijn goede, lieve beschermengel, Goddank
-dat ik haar ten minste behouden mocht, mijn Digna! Ik zal haar
-schrijven, hoe treurig ik ben.”
-
-„En mag ik u dan een beker wijn brengen?”
-
-„Ja, ’t is goed!”
-
-En met de bewegelijkheid aan zijn geest eigen vergat Robert voor een
-poos zijn smart en zocht in de verwarring, die op de schrijftafel
-heerschte, het noodige om aan zijn brief te kunnen beginnen.
-
-„Johan,” vroeg hij toen deze den wijn binnenbracht, „mijn vader was
-bezig te schrijven, weet ge ook waar het papier gebleven is dat zijn
-laatste letters bevat? Het zal wel niet veel belangrijks zijn, maar
-toch zal ik het bewaren als een dierbaar aandenken.”
-
-„Het moet daar nog liggen, u begrijpt in die verwarring. Ziet u niets,
-misschien heeft mijnheer uw oom het meegenomen, want hij is nog in deze
-kamer geweest nadat... nadat alles afgeloopen was.”
-
-„Hij zal er toch niet aan hechten; ik zal ’t hem terugvragen. Mij komt
-dit stuk toch in de eerste plaats toe.”
-
-Robert trok eenige laden open, denkende dat zijn oom het stukje papier
-daarin had bewaard, plotseling werd zijn aandacht getrokken door een
-verzegelden brief, die het opschrift droeg:
-
-
- Aan Robert.
- Te openen als hij 21 jaar oud is.
-
-
-„Goddank! daar is nog een woord uit het graf,” riep hij snikkend uit en
-drukte het dierbare schrift aan zijn lippen, „mijn vader is niet geheel
-dood. Ik zal nu weten wat hij van mij verlangt, wat ik doen of laten
-moet. Toen ge leefdet beste vader heb ik maar al te dikwijls uw
-raadgevingen versmaad, deze echter, ik zweer het u, zal ik trouwer
-nakomen. Was ik toch reeds 21 jaar; over drie maanden zal ik het eerst
-zijn. Hoe lang nog!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-OOM EN NEEF.
-
-
-Juist was Robert begonnen aan zijn brief voor Digna toen de deur naast
-den hoogen eikenhouten schoorsteenmantel geopend werd, en een heer in
-deftig zwart gewaad binnentrad.
-
-Snel keerde Robert bij het gerucht dat de binnentredende maakte het
-hoofd om en herkende zijn oom Gerard; op dit oogenblik vervulde het
-bewustzijn van het verlies door hem zoo pas geleden zijn ziel met
-nieuwe smart; alle grieven die hij tegen zijn strengen oom hebben mocht
-waren vergeten en luid snikkend met uitgestrekte armen snelde hij hem
-te gemoet als voelde hij behoefte aan de borst van zijn eenigen
-bloedverwant troost en steun te zoeken.
-
-„Ach oom, wie had het kunnen denken!” riep hij uit, maar heer Gerard
-van Reijn weerde met beide handen den onstuimigen knaap van zich af.
-
-„Bedaar, Robert, bedaar!” sprak hij kalm en afgemeten, „ik kwam hier om
-een ernstig woord met u te spreken!”
-
-Als van den bliksem getroffen bleef Robert op zijn plaats; half
-wezenloos staarde hij zijn oom aan, die eenige stappen nader kwam, en
-toen zeer langzaam op den hoogen stoel ging zitten, waarin Robert zijn
-vader het laatst had gezien. Nog altijd bleef de jonge man onbewegelijk
-staan; hij wist niet wat te denken van de plechtstatige houding van
-zijn oom; al had deze hem nooit aan hevige gemoedsbewegingen en
-levendige uitingen van vreugde en smart gewend, zoo kwamen hem toch in
-zulk een droevig oogenblik zijn manieren ten hoogste vreemd en
-raadselachtig voor.
-
-„Ga daar zitten! Robert!” zoo sprak hij altijd even koel en stijf.
-
-Robert gehoorzaamde en wischte zich de tranen, die telkens uit zijn
-oogen rolden van de wangen.
-
-Heer Gerard schikte zijn kleeren netjes op zijde, opdat het fluweel
-geen kans zou loopen te pletten en haalde toen een lederen brieventasch
-uit zijn borstzak; al zijn bewegingen werden met tergende langzaamheid
-uitgevoerd; ’t scheen dat hij geheel vergeten had, dat er nog iemand
-voor hem zat, die moeite had zijn angstig ongeduld te onderdrukken.
-
-Eindelijk had hij tusschen zijn brieven een toegevouwen papier gevonden
-dat hij voor zich op de tafel legde; de brieventasch werd intusschen
-gesloten en weer weggeborgen, hij knikte een paar malen en toen den
-blik vast op zijn neef vestigend, de hand op het papier gedrukt, begon
-hij op stroeven toon:
-
-„Ja, het is een zeer onverwachte gebeurtenis geweest, dat al te
-plotselinge overlijden mijns broeders. De Heer van leven en dood heeft
-goedgevonden in Zijn ondoorgrondelijke raadsbesluiten Hem onvoorbereid
-voor Zijn rechterstoel te roepen. Moge een genadig lot hem van alle
-eeuwigheid zijn voorbeschikt.”
-
-Robert huiverde, bedekte zich het gelaat met beide handen en begon
-opnieuw luid te snikken.
-
-„Laat dat geschrei, jongmensch!” sprak de oom nog strenger dan
-daareven, „die tranen passen geen man en nu is het meer dan ooit tijd
-om de zwakheden der jonkheid af te leggen en u te omgorden met
-mannenkracht. Tot nu toe zijt ge niets geweest dan een verwende,
-onbezonnen knaap die mijn broeder zeer veel verdriet heeft veroorzaakt,
-door zijn lichtzinnige onbesuisdheid en die vertrouwend op den rijkdom
-van zijn... zijn beschermer zich de gelegenheid niet wist ten nutte te
-maken om nuttige kundigheden op te doen; uw leeglooperij, uw afkeer van
-elk ernstig werk, uw zucht tot vermaken waren mijn broeder steeds een
-scherpe doorn in het oog.”
-
-Robert schreide nog harder tranen van berouw op de scherpe verwijtingen
-van zijn oom, die onbarmhartig altijd op denzelfden koelen, strengen
-toon voortging. Hij kon niet tot bedaren komen en moest tegen den muur
-steunen.
-
-„Nu is uw hart vermorzeld van rouw en smart; ik hoop dat het geen
-onvruchtbare tranen mogen zijn, maar dat zij uw ziel zullen opwekken
-tot een nieuw en beter leven.”
-
-„Och oom, kan u daaraan twijfelen! O mocht het mijn lieven goeden Vader
-vergund zijn op mij neer te zien om te aanschouwen hoe ik voortaan een
-ander mensch zal zijn en een goed gebruik van mijn aardsche
-schatten...”
-
-„Stil jong mensch! Ik heb nog meer met u te spreken. Hoever was ik met
-mijn rede ook gekomen? O ja, met leede oogen heb ik altijd de
-toegevendheid mijns broeders uwaarts aangezien, te meer daar mijn vrouw
-en ik steeds een flauw vermoeden hebben gekoesterd van hetgeen thans
-zekerheid voor ons geworden is.
-
-„Mijn broeder zaliger had een goed, al te goed hart; maar van de dooden
-wil ik geen kwaad zeggen; het zal den Heere ongetwijfeld niet
-welgevallig zijn geweest dat hij zijn eigen bloed verloochende ten
-wille van een vreemde.”
-
-Robert liet de handen van zijn gelaat vallen en zag nog altijd bitter
-snikkend zijn oom vragend aan.
-
-„Een vreemde, ik begrijp u niet, oom!” stamelde hij.
-
-„Noem mij geen oom meer, want ik sta tot u niet in de minste bloed- of
-aanverwantschap evenmin als mijn broeder zaliger, in wien gij ten
-onrechte uw vader hebt gezien.”
-
-Het scheen dat Robert’s betraande oogen plotseling droog brandden door
-het vuur, dat uit hen stroomde; hij snakte naar adem, sprong op als een
-gewonde leeuw en stortte zich op zijn oom.
-
-„Zeg dat nog eens!” siste hij, „zeg dat nog eens en ik zal u uitmaken
-voor een lagen leugenaar! Ik geen zoon van mijn vader? Ja, ge zoudt
-niets liever willen, oude vrek, dan mij berooven van het wettige
-erfdeel mijns vaders, doch ontkennen dat ik zijn zoon ben, dat kunt,
-dat moogt ge niet. Hoe zult ge het bewijzen?”
-
-Robert hield met zijn ijzeren vingers de dunne polsen van den koopman
-als in een schroef omklemd.
-
-„Laat me los! wilde knaap!” sprak heer Gerard van Reijn nog altijd even
-bedaard, „en ik zal u het bewijs geven, dat mijn broeder als het ware
-nog van gene zijde des grafs mij zond, door een beschikking der alwijze
-Voorzienigheid, die niet dulden kon dat het bedrog langer zou
-voortduren! Zijn hand verstijfde onmiddellijk voorgoed nadat zij de
-onschatbare mededeeling neerschreef, die aan het onrecht een einde
-moest maken.”
-
-„’t Bewijs, ’t bewijs! ellendige femelaar!” riep Robert met schorre
-stem en drukte zijn oom zoo vast tegen het leer van den stoel dat deze
-van pijn en misschien ook van angst begon te kreunen.
-
-„Laat me los!” kermde hij, „en ik zal het bewijs geven. Hier ligt het
-voor u, in het eigen schrift uws vad... mijns broeders!”
-
-Robert liet de handen los van den koopman en viel als een wilde gier op
-haar buit neer op het toegevouwen stuk papier; zijn vingers trilden,
-zijn hart bonsde hoorbaar, zijn oogen waren verduisterd en de letters
-dansten voor hem in wilden dans; met moeite gelukte het hem de enkele
-regels te ontcijferen in het welbekende hoewel thans zoo bevende
-schrift zijns vaders.
-
-„Geliefde Robert!” zoo las hij eindelijk, „ik mag het niet langer
-uitstellen u een mededeeling te doen, die sinds lang op mijn lippen
-zweefde. Gij zijt mijn zoon niet, hoewel....”
-
-De dood had hem belet den volzin te eindigen.
-
-Robert staarde op de letters, las en herlas die woorden welke zulk een
-ontzettende verandering brachten in zijn leven zonder ze te begrijpen,
-zijn hoofd duizelde, hij greep het met zijn eene hand vast; voor hem
-gaapte een afgrond, die hem en zijn toekomst dreigde te verzwelgen.
-
-„’t Is niet waar!” bracht hij met moeite uit, „de naderende dood
-verwarde mijns vaders gedachten, hij wist niet wat hij schreef. Ik ben
-toch zijn zoon!”
-
-„Bewijs wat ge zegt! Ge begrijpt toch dat zonder zulk een doorslaand
-bewijs ik u niet zal erkennen als zoon en erfgenaam mijns broeders.”
-
-„De erfenis kunt ge houden, maar mijn vader en mijn naam zult ge mij
-niet ontrooven.”
-
-„Er valt niets te rooven daar waar geen eigendom is. Een ding is zeker,
-die regels door een reeds stervende hand geschreven liegen niet. Het
-heeft den Heere behaagd ze in mijn handen te laten vallen opdat het
-erfdeel mijner onschuldige kinderen niet op wederrechtelijke wijze zou
-verkort worden door een vreemde, een vondeling wellicht, van wien niets
-bekend is, noch zijn ouders, noch zijn geboorteland, noch zijn naam.
-Persoonlijk was ik al lang overtuigd, mijn broeder en zuster waren u
-even vreemd als ik ’t ben.”
-
-„Maar hoe konden zij mij dan zooveel bewijzen van liefde en zorg geven?
-Gij hebt voor uw kinderen nooit zooveel teederheid aan den dag gelegd
-als mijn vader mij steeds bewees, sedert ik me iets herinneren kan.”
-
-„Ieder heeft zijn eigen wijze van zijn, hij is dwaas die op den schijn
-bouwt; mijn arme broeder was een zonderling. Hij deed veel uit zucht om
-anderen te wederstreven. Wat het ook geweest moge zijn, ik vergeef hem
-het levenslang bedrog waarmede hij zijn bloedverwanten en vrienden de
-oogen heeft gesloten. En wat u betreft jonge man! hoewel gij er niet
-naar gehandeld hebt om door mij met verschooning behandeld te worden,
-ik wil niet vergeten dat mijn broeder zaliger, u genegen was; mits gij
-mijn goedheid waardeert en ze niet als een op mij rustenden plicht
-beschouwt zal ik u mijn bescherming niet onthouden.”
-
-„Ik heb uw bescherming niet noodig,” viel Robert in op hoogen toon, „of
-ik ben werkelijk de zoon van uw broeder en dan behoef ik niemands hulp
-of ik ben het niet en dan zal ik mijzelf helpen, ’t allerminst roep ik
-uw bijstand in, dien ge mij steeds zoo noode en slechts ten wille
-van... van mijn geliefden doode hebt verleend.”
-
-„Die gevoelens strekken u niet tot eer, knaap! Het doet me leed!” en
-hij stond op „van u reeds zoo spoedig over deze onaangename zaken te
-hebben moeten spreken, maar ge moet erkennen dat deze onzuivere
-toestand onmogelijk langer kan voortduren. Voor het oogenblik zijn deze
-woorden door mijn broeders hand geschreven mij voldoende om u niet
-langer als diens zoon en erfgenaam te erkennen, maar mijzelf als zijn
-naaste en eenige bloedverwant het recht te geven hier op te treden als
-de eenige machthebbende, ingevolge welke macht ik u verzoek deze kamer
-te ontruimen, die ik sluiten zal in afwachting dat de overheid hier den
-boedel komt verzegelen. Ik heb dus de eer u uit te noodigen mij te
-volgen.”
-
-„Nimmer!” riep Robert uit met vonkelende oogen, „hier is mijn plaats en
-ik zal mij niet van hier doen verwijderen dan door geweld. Beproef het,
-als ge durft!”
-
-„Ge zult mij toch niet dwingen de bedienden te roepen?”
-
-„Voor hen ben ik hier thans de eenige meester, zij zullen geen hand
-naar mij uitsteken! Op mijn beurt verzoek ik u mij te verlaten, reeds
-te lang heb ik u aangehoord.”
-
-„Ik ga niet heen dan met u, ge begrijpt toch dat ik u hier niet alleen
-zal laten tusschen alle schrifturen en akten mijns overleden broeders.”
-
-„Met nog minder recht zal ik toestaan dat gij hier nog komen kunt, om
-wellicht—want van zulk een huichelaar als gij kan men alles
-verwachten—de bewijsstukken te vernietigen, welke de valschheid van uw
-bewering moeten staven.”
-
-Voor ’t eerst verloor heer Gerard van Reijn zijn gewone bedaardheid.
-
-„Hoe, ge durft mij van zulk een laagheid betichten, vondeling?”
-
-„En nog van veel meer bovendien! Ik vraag u nog eens, zult ge
-goedschiks deze kamer verlaten?”
-
-„Ik ben hier op mijn grond en beveel u....”
-
-„Dus ge wilt niet,” schreeuwde Robert blind van woede, „dan zal ik u
-dwingen.”
-
-En met zijn sterke jonge armen greep hij den ouden man aan en wierp hem
-ondanks zijn tegenstreven de deur uit die hij toen van binnen sloot.
-
-’t Duurde eenige sekonden voordat heer Gerard tot bezinning kwam, maar
-toen hij de deur gesloten zag, begreep hij dat hem voor het oogenblik
-niets beters te doen stond dan heen te gaan om den volgenden morgen den
-indringeling desnoods door den arm van het gezag te doen verwijderen.
-
-„Als er maar geen testament is!” zoo herhaalde hij telkens, „dat den
-woesteling in het bezit stelt van dat fortuin, ’t is niet
-waarschijnlijk dat mijn broeder hem niet rechtens als zoon heeft
-aangenomen, na hem steeds als zoodanig in het openbaar te hebben
-erkend. ’t Is niet te denken en nu heeft hij gedurende den nacht vrij
-spel tusschen de papieren mijns broeders. In elk geval wat er niet is,
-dat kan hij niet maken; morgen zullen wij onze maatregelen nemen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-EEN STEM UIT HET GRAF.
-
-
-Intusschen was Robert na zich van zijn oom op zulk een onzachte manier
-bevrijd te hebben weer naar de schrijftafel gewaggeld, en liet zich op
-den leuningstoel neervallen; de gebeurtenissen der laatste uren hadden
-hem zoo overstelpt dat hij thans het denkvermogen bijna geheel miste.
-
-Met gesloten oogen zonk zijn hoofd achterover tegen de leuning van den
-stoel, hij viel in een soort van verdooving, die eenige uren duurde;
-toen hij eindelijk ontwaakte was de koperen lamp uitgebrand, een straal
-der morgenzon drong door de reten der gesloten blinden naar binnen en
-teekende een glinsterende streep licht over de schrijftafel.
-
-Versuft staarde Robert op die straal voor hem; hij voelde niets dan een
-brandend gevoel aan het voorhoofd en een stekende pijn in de oogen;
-maar het duurde lang voor hij zich eenige voorstelling maken kon van
-hetgeen gisteren gebeurd was. Eerst langzaam keerde het bewustzijn
-terug, maar toen vertoonde zich ook de werkelijkheid aan hem in haar
-volle afschuwelijkheid. Zijn vader dood, zijn rechten als zoon miskend,
-zijn oom doodelijk beleedigd, zou het nog geen booze droom kunnen
-wezen? Hij stond op en voelde zich duizelig, doodmoede en ziek, hij kon
-geen stap doen zoo beefden zijn knieën, daar zag hij den beker met
-wijn, dien de oude knecht hem gisteravond had gebracht en waaruit hij
-slechts een teug had genomen. Hij strekte er zijn hand naar uit en
-bracht hem aan de lippen, de versterkende drank dien hij tot den
-laatsten druppel gebruikte wekte hem een weinig op; hij ging naar de
-vensters, sloeg de blinden weg en opende ze zoo wijd mogelijk; de
-frissche geuren van den ochtend tegelijk met het gulden zonnelicht
-stroomden naar binnen; de ramen hadden uitzicht op den tuin, waarin de
-dauw nog schitterde in haar eersten, jeugdigen glans, en de vogeltjes
-blijde kwinkelden omdat de korte zomernacht voorbij was.
-
-Met volle teugen ademde Robert den heerlijken morgen in, hoe verre
-scheen de dood met al zijn verschrikkingen hem toe? Zou alles waar
-zijn, wat hij gedroomd had? Maar hoe kon de zon dan zoo helder
-schijnen, hoe kon de dauw als poeder van diamant schitteren op bloem en
-blad, hoe konden de vogels dan zoo vroolijk zingen en de bloemen zoo
-heerlijk geuren? Hij streek zich met de hand over het gelaat en door de
-dikke lokken, die verward om zijn hoofd golfden.
-
-„Kan het waar zijn, kan het waar zijn?” vroeg hij zich af, en keerde
-zich toen om naar den wand tegenover hem, waaraan een fraaie
-Venetiaansche spiegel hing.
-
-Ontzet deed hij een stap achteruit; dat verwilderde gelaat, die
-uitgedoofde oogen, die verwrongen trekken waren dat de zijne, maar dan
-moest er iets vreeselijks zijn gebeurd, dan was het geen droom, die
-zijn verhitten geest zoo ontstelde en zijn gelaat zoo bitter
-misvormde.—Zou het dan toch waar zijn?
-
-Hij keerde terug naar den lessenaar en woelde tusschen de papieren;
-daar was de begonnen brief aan Digna.
-
-Digna, wie was Digna? Had hij haar sinds een dag of sinds tien jaren
-niet meer gezien? Hoeveel tijd lag er tusschen vandaag en gisteren, kon
-hij zich niets meer herinneren, maar dan was hij krankzinnig.
-
-Hij wilde de bel luiden, aan hem die binnenkwam opheldering vragen,
-kost wat kost. Zekerheid moest hij hebben, alles maar niet de
-verwarring die thans in zijn brein heerschte; bij die beweging raakte
-zijn hand het pakje aan, dat hij gisteravond had gevonden en voor hem
-op zijn 21sten verjaardag bestemd was.
-
-„Dit zal mij uitkomst geven,” riep hij plotseling uit, „dit moet op al
-die vragen antwoorden. Ik kan en wil niet wachten tot den bepaalden
-tijd.”
-
-Hij scheurde den omslag open, er viel een groote brief uit door een hem
-onbekende vrouwenhand geschreven; verder een op ivoor geschilderd
-miniatuur meisjesportret en een zilveren penning van vreemdsoortigen
-vorm op de helft doorgebroken.
-
-Met koortsachtige drift nam hij den brief op en las.
-
-
- „Aan mijn Zoon!
-
- „Geliefde Robert, wanneer gij deze regelen ontvangt zal de hand die
- ze neerschreef reeds sints lang verstijfd zijn, en elke herinnering
- aan de moeder, die u zoo innig liefhad en zooveel voor u leed uit
- uw geest verdwenen zijn.
-
- „Ik weet niet wie mijn plaats bij u zal innemen, maar ik bid God
- dat liefde en zorg steeds over u zullen waken, mijn arm, ouderloos
- kind! Ouderloos, want dat zijt ge, daar nimmermeer uw vader u zal
- kunnen opeischen; wellicht zal er niemand gevonden worden, die u
- verhalen kan van uwe arme afwezige ouders, of zoo zij het u zeggen,
- het zal wezen om op verachtelijke wijze u te verwijten dat gij de
- zoon zijt van een slaaf, en dat gij aan een misslag uwer moeder het
- leven te danken hebt.
-
- „Misschien zult gij dan de zwakheid en de zonde uwer ouders
- vloeken; o Robert, lees eerst deze regelen vóór gij een oordeel
- velt. Ja, wij hebben lichtzinnig gehandeld, maar niet slecht, zoo
- ik gewild had, ik zou mijn fout hebben kunnen bemantelen maar ik
- weigerde, daar ik dan zou moeten erkennen dat het een fout geweest
- was, uw vader lief te hebben en eeuwige trouw te beloven.
-
- „Maar hoor toe mijn kind, en al kunt gij de nagedachtenis uwer
- ouders niet zegenen, denk ten minste niet in bitterheid aan hen.
-
- „Mijn naam is Suzanna Moor; mijn vader bekleedde een hooge
- betrekking op Batavia; mijn moeder verloor ik helaas! reeds vóór
- mijn tiende jaar en ik was aan de hoede van slavinnen en huurlingen
- overgeleverd, daar mijn vader tijd en lust ontbraken zich met mij
- bezig te houden. Ik had goede meesters, daarvoor zorgde hij, maar
- verder liet hij mij de grootst mogelijke vrijheid.
-
- „Onder onze slaven bevond zich een knaap, eenige jaren ouder dan
- ik, een wakker knaapje van krachtige gestalte en met schoone
- trekken; hij was vlug en leergierig, en spoedig werd hij mijn
- liefste speelgenoot. Ik leerde hem alles wat ik zelf kon, hij was
- nooit moe met mij te spelen; hoe heftig en onhandelbaar hij ook
- tegen anderen was, jegens mij, zijn jonge meesteres, toonde hij
- zich steeds onderworpen en gewillig. Ik geloof dat hij mij toen
- reeds aanbad; er was geen wensch van mij hoe dwaas en onzinnig ook
- of hij wist dien te vervullen; tegen geen moeite zag Si
- Oentoeng—zoo had mijn vader hem genoemd—op, wanneer hij mij een
- verrassing kon bereiden.
-
- „En ook ik was innig aan hem gehecht; mijn vader zag onze
- vertrouwelijkheid en lachte; hij ook mocht Si Oentoeng gaarne
- lijden. Sints hij bij ons aan huis woonde, gelukte alles mijn
- vader, alle mogelijke eerbewijzingen en gunsten werden zijn deel,
- zijn rijkdom vermeerderde, en allen zeiden dat Si Oentoeng de
- heilaanbrenger was.
-
- „Zoo werd ik vijftien jaar, men vond mij schoon; ik voeg mijn
- portret hierbij! Die mij thans kennen zullen geen gelijkenis meer
- vinden tusschen mij en dit beeld maar toen verklaarden allen
- eenparig dat dit portret, hoe schoon ook, slechts zeer onvolmaakt
- den glans mijner oogen, de blankheid mijner kleur, den gloed mijner
- blonde haren, den glimlach mijner lippen kon weergeven. Ach!
- schoonheid, geluk, hoop! alles is vernietigd!
-
- „Hoor verder de geschiedenis van mijn leed, Robert! Misschien zal
- het u leeren voorzichtiger te zijn met de kostbare gave van uw
- leven, dat eens gebroken nooit meer hersteld wordt.
-
- „Ik was dan vijftien jaar, jong, schoon, rijk en weldra kwamen vele
- aanzoeken om mijn hand; mijn vader wilde echter geen besluit nemen
- vóór ik mijn zestiende jaar voleind had. Wel sprak hij van een
- hooggeplaatst man aan wien hij mij gaarne verbonden wilde zien en
- later van een jong onderkoopman Herman de Wilde genaamd. Ik
- weigerde en liep schreiend weg, om mijn nood aan Si Oentoeng, mijn
- liefsten vriend en speelmakker, te klagen, die mij nog onlangs het
- leven had gered.
-
- „Hij luisterde met krampachtig gesloten lippen en gefronste
- wenkbrauwen en zeide niets anders dan:
-
- „Op den dag dat nonna Suzanna trouwt ontvlucht Si Oentoeng Batavia
- en kom er nooit weer terug!”
-
- Toen antwoordde ik beslist:
-
- „Maar ik wil niet trouwen Si Oentoeng; de eene is te oud en te
- leelijk, en den andere heb ik evenmin lief, als ik trouw zal het
- met een man zijn krachtig en jong zooals gij!”
-
- „Maar die geen bruine kleur heeft zooals ik!” sprak hij met
- verbeten woede, „een blank man en geen slaaf, maar wat hebt gij
- zelf mij geleerd, Suzanna, dat uw God geen verschil maakt tusschen
- blank en bruin, dat meester en slaaf in zijn oogen dezelfde zijn en
- dat Hij ze allen als zijn kinderen liefheeft.”
-
- „En ik ging voort,—want ik had hem lief Robert, in weerwil van zijn
- bruine kleur, in weerwil van zijn slavernij—hem een moed te geven,
- dien hij anders nooit zou hebben bezeten.
-
- „Dat heb ik gezegd, broeder! en ik herhaal ’t nog eens. De God der
- Christenen kent geen verschil tusschen de huidskleur der menschen,
- Hij ziet slechts naar hun harten.”
-
- „En zijn volgelingen doen toch niet als Hij, voor hen is de bruine
- man niets dan een slaaf.”
-
- „Drukken u de slavenketenen?” vraag ik.
-
- „Neen, maar toch ik voel ze en op een wenk des meesters kunnen zij
- mij weer kwellen. Als het waar is, wat ge mij daar zegt, dochter
- mijns meesters, dan zal ik gaarne uw God aanbidden en Hij zal mij
- vergunnen u tot vrouw te nemen. Uw vader zou mij erkennen als zijn
- zoon, want ik heb u liever dan het licht mijner oogen, liever dan
- de zon, die ons bestraalt, liever dan de herinnering aan mijn
- vorstelijke ouders.”
-
- „Want Si Oentoeng was van edelen bloede, Robert; hij was zijn
- ouders ontroofd en als slaaf naar Batavia weggevoerd.
-
- „Maar ik mag niet aan u denken nonna Suzanna evenmin als die worm
- aan uw voeten denken mag aan de ster die ’s avonds hoog in den
- hemel schittert; dit alleen zweer ik u op den dag dat gij met een
- blanke trouwt, hebt gij mij voor het laatst gezien!”
-
- „Maar ik zal met geen blanke ooit huwen, Si Oentoeng. Ik zie naar
- geen gelaatskleur; slechts naar het hart der menschen wil ik vragen
- en ik ken uw hart, mijn broeder! Het klopt slechts van liefde voor
- mij.”
-
- Hij viel voor mijn voeten neer en bedekte ze met kussen.
-
- „Wat zou uw vader zeggen, zoo hij dit hoorde!” zoo sprak hij.
- „Vergeet wat we zeiden, nonna Suzanna, wees gelukkig met den man,
- dien uw vader voor u koos en vergeet Si Oentoeng den slaaf, wiens
- naam gij nooit meer zult uitspreken en dien gij spoedig vergeten
- moet.”
-
- „Nooit mijn vriend, nooit! Mijn vader denkt als ik, hij weet immers
- ook dat voor onzen God alle menschen broeders en zusters zijn, daar
- Hij hun aller vader is. Hij heeft u lief en overlaadt u met
- gunstbewijzen, welnu ik zal hem zeggen dat gij de eenige man zijt,
- dien ik als mijn echtgenoot verlang.”
-
- „Neen Suzanna! Hij heeft me lief ja, als zijn slaaf, maar nimmer
- zal hij mij als zijn zoon erkennen.”
-
- „Welnu, als ge het reeds zijt dan zal hij geen bezwaren maken; hij
- is nu op reis, wat belet ons dan te huwen voor zijn tehuiskomst?”
-
- „Ge ziet zelf Robert, ik was een onervaren kind, niets meer, ik zag
- den omvang niet in van zulk een ernstige daad als het huwelijk; ik
- meende dat mijn vader, die Si Oentoeng boven al zijn slaven stelde,
- er ook geen bezwaar in zou zien hem vrij te maken zoodra hij mijn
- echtgenoot was.
-
- „Wit ge mijn echtgenoot worden?” vroeg ik vol kinderlijke
- blijdschap, „laten wij ons dan haasten, doch waar zal het huwelijk
- dan voltrokken worden? Gij zijt nog geen Christen, dus in mijn kerk
- zal men het niet willen sluiten, weet gij er geen middel op?”
-
- „Zoo wakkerde ik door mijn onnoozele kindertaal den hartstocht van
- den jongen man aan tot felle vlammen; eerst later begreep ik hoe
- vurig zijn liefde tot mij was en hoe alle eerbied, dien hij voor de
- dochter zijns meesters koesterde, deze nauwelijks kon intoomen. En
- nu gaf ik hem verlof aan dien hartstocht toe te geven, ik zette hem
- zelfs aan tot een verbintenis.
-
- „Welnu,” sprak hij, „wilt ge mijn vrouw worden volgens mijn
- godsdienst, in afwachting dat ik uw echtgenoot zal zijn voor uw
- God?”
-
- „En ik stemde toe, ik nam mijn Bijbel mede en in tegenwoordigheid
- van een ouden slaaf, die Si Oentoeng liefhad, als ware hij zijn
- eigen zoon, zwoer ik hem eeuwige liefde en trouw terwijl mijn vader
- afwezig was.
-
- „Laat mij kort zijn over hetgeen nu volgde, Robert. Onze liefde
- groeide bij den dag aan en kon weldra geen geheim meer blijven;
- mijn vader hoorde alles en ik bekende hem wat ik gedaan had in de
- vaste overtuiging dat er niets verkeerds in lag.
-
- „Zijn toorn echter leerde het mij anders; vreeselijk was de
- uitbarsting, die mij als verpletterde. Si Oentoeng werd gevangen
- genomen, gegeeseld en ter dood veroordeeld; ik moest onmiddellijk
- vertrekken; slechts een verwarde herinnering leeft in mij van
- hetgeen er na dien tijd gebeurde; gij werdt geboren en toen vernam
- ik kort daarna dat uw vader uit de gevangenis gevlucht thans als
- rooverhoofdman de omstreken van Batavia onveilig maakte, nog later
- vernam ik, dat hij dieper in het land was gedrongen.
-
- „Lang bleef ik zwak en ziekelijk, maar mijn vader vergaf mij niet;
- ik werd van mijn kind gescheiden, en toen ik eindelijk op Batavia
- terugkeerde, doorleefde ik er een lot erger dan dat mijner
- slavinnen. Nooit mocht ik den drempel van ons huis overschrijden,
- nooit sprak mijn vader een vriendelijk woord tot mij, nooit vernam
- ik iets meer van Si Oentoeng.
-
- „Eens alleen verklaarde mijn vader mij op barschen toon dat het
- zijn wil was dat ik zou trouwen; ik weigerde beslist en verklaarde
- dat ik getrouwd was en dus zonder zonde niet ten tweede male mocht
- huwen.
-
- „Hij sloot mij op om mij tot een toestemmend antwoord te dwingen;
- ik bleef weigeren, toen hij mij beval een keuze te doen uit eenige
- mannen van minder rang, maar toch van onbesproken gedrag, die
- gaarne om mijn vaders voorspraak, wat zij mijn schande noemden over
- het hoofd wilden zien. Zelfs Herman de Wilde bood mij opnieuw zijn
- hand aan.
-
- „Ik wilde echter noch door bedreigingen noch voor gebeden zwichten;
- ik beschouwde mij als Si Oentoengs echtgenoot, wanneer ik een ander
- huwde zou ik erkennen slechts zijn minnares geweest te zijn en dat
- wilde ik tot geen prijs, om hem dien ik nog steeds boven alles
- liefhad, om mijzelf, die ik altijd wilde blijven achten en ook om u
- mijn kind, niet in mijn eigen oogen tot bastaard te verlagen. Ter
- goeder trouw had ik mij vóór God aan uw vader verbonden, geen macht
- ter wereld zou mij aan hem ontrouw doen worden; ik dreigde zelfs
- voor den kansel de hand te weigeren van hem dien mijn vader mij als
- echtgenoot wilde opdringen en zóó bleef ik eindelijk van verdere
- aanzoeken vrij.
-
- „Mijn gezondheid heeft echter onder dit treurige leven, bij dat
- hevige zielelijden bitter geleden; ik verzwakte zichtbaar, heftig
- verlangen naar man en kind verteerde mijn ziel. Ik hoorde dat Si
- Oentoeng zich aan de Compagnie had onderworpen, dat hij nu zelfs
- den luitenantsrang had verworven en ik ontving een boodschap, die
- mij van zijn trouw en liefde verzekerde en de hoop schonk dat hij
- weldra zou terugkomen om mij openlijk als vrouw te erkennen.
-
- „Helaas! ook mijn vader scheen het vernomen te hebben, plotseling
- gaf hij bevel mij reisvaardig te maken daar hij besloten had mij
- naar Europa te zenden; noch bidden, noch smeeken, noch tranen
- konden hem vermurwen, ik werd ingescheept en zonder afscheid liet
- mijn al te strenge vader mij vertrekken.
-
- „Een troost was mij echter geschonken; mijn lief kind bevindt zich
- ook op het schip en werd aan mijn liefde terug gegeven, maar mijn
- gezondheid is slechter dan ooit, hoewel ik trouwe vrienden aan
- boord heb gevonden in mijn reisgenooten, den edelen Heer van Reijn
- en zijn goede, lieve vrouw die mij met de teederheid eener moeder
- verzorgt, en die mij nu ook eerst deed inzien hoe zwaar ik
- zondigde. Zij hebben u vooral zoo lief.... ach mijn hand wordt hoe
- langer, hoe zwakker, alle dagen voegde ik hier eenige regels bij,
- wanneer zullen het de laatste zijn?
-
- „Ge zult wel nooit weer uw vader terugzien, mijn kind, hier zijn
- nog eenige herinneringen aan hem, de zilveren penning waarvan hij
- de eene helft steeds op zijn borst droeg, sints zijn vroegste
- jeugd, die ring waardoor ik meende zijn vrouw te worden, een lok
- haar achter mijn portret.
-
- „Wie zal voor u zorgen mijn arm weesje, ach ik ga sterven en ik ben
- nog geen twintig jaar oud! O, hoe bitter heb ik mijn
- onbedachtzaamheid moeten boeten, moge mijn vader in den Hemel
- barmhartiger voor mij zijn dan mijn aardsche vader het was.
-
- „Vaarwel mijn inniggeliefd kind, ik bid dat gij nooit zoo oud moogt
- worden om deze droevige geschiedenis te kunnen lezen van de dwaling
- en het lijden uwer moeder
-
- „Suzanna.”
-
-
-En onder dezen brief had de krachtige, vaste hand van mevrouw van Reijn
-het volgende geschreven.
-
-
- „Den 18den van Oogstmaand Ao Di 1685 is gestorven op de hoogte van
- Sint Helena: Suzanna Moor, moeder van onzen kleinen Robert en,
- hebben wij denzelve, in het vaderland teruggekeerd, als ons kind
- aan familie en vrienden voorgesteld ons voorstellende genoemden
- Robert ter gelegener tijd als ons kind te adopteeren en onzen naam
- te schenken, zijnde zijn grootvader de Edele Heer Moor, Lid van den
- Raad van Indië, den 14den van Slachtmaand des zelfden jaars op
- Batavia overleden en zal deze brief aan meergenoemden Robert worden
- overgereikt als hij zijn 21ste jaar bereikt heeft, wenschende dat
- hij tot dien datum zich zelf steeds als ons eigen kind zal
- beschouwen.
-
- „Geschreven tot Amsterdam in den jare onzes Heeren 1686.
-
- „Machteld van Reijn.”
-
-
-Werktuigelijk stond Robert op; hij schikte de papieren, het portret,
-den ring en den penning bij elkander, om ze in zijn borstzak te steken,
-keerde zich naar de deur, die hij met vaste hand ontsloot en begaf zich
-door den langen, aan weerszijden met pleisterwerk versierden gang naar
-de statiekamer, die zich aan de voorzijde van het huis bevond; hij trad
-binnen, het was er donker, slechts eenige kaarsen op hooge kandelaren
-wierpen een flikkerend licht over de muren, die bedekt waren door
-kostbare schilderijen, waarvan de overledene altijd een ijverig
-verzamelaar was geweest. Hobbema’s, Ruijsdaels, Halsen, Dou’s, zelfs
-een van Dijck en een Rembrandt bevonden zich in de verzameling; boven
-de deuren had Jacob de Witt een van zijn beroemde grijsjes geschilderd.
-
-Spookachtig kwamen de matte kleuren nu in het dansende kaarslicht uit;
-de Rembrandt alleen scheen gloeiende stralen af te werpen op de baar
-van hem, die dit alles had bijeengegaard en die nu roerloos te midden
-zijner kunstschatten neerlag.
-
-Robert trad binnen, zijn voetstappen stierven weg in het dikke tapijt;
-niemand hield de wacht bij het stoffelijk overschot van hem, die
-eenmaal Jacob van Reijn heette; met over elkander geslagen armen zag
-hij neer op dat vermagerde gelaat, waar thans de majesteit des doods
-over zweefde, op die oogen, waarin hij nooit anders dan vaderliefde
-meende gelezen te hebben, op die lippen, welke hem, den vreemde,
-slechts woorden van goedheid en hartelijkheid hadden toegevoegd en die
-helaas! niets hadden gedaan om de leugen van zijn bestaan te doen
-ophouden. Lang bleef hij onbewegelijk staren op die gestalte, welke hem
-thans zoo geheel vreemd was geworden, op die handen, welke te elfder
-ure het geheim van een geheel leven hadden doen ontglippen, op dat
-voorhoofd waarachter hij nooit zulk een liefdevol bedrog had kunnen
-vermoeden; veel was hem nog duister, slechts een ding zag hij in
-helder, duidelijk licht.
-
-Zijn plaats was niet meer hier, zijn leven was verwoest, zijn zoetste
-hoop vervlogen, zijn eerbied verminderd, zijn liefde vernield; maar hij
-raadde dit alles nog meer dan hij het voelde.
-
-„Vaarwel, vader!” mompelde hij en drukte zijn lippen op het kille
-voorhoofd, „voor ’t laatst noem ik u zoo, maar dan ook niet meer, zelfs
-in mijn gedachten. Vaarwel! Alles is weg, toekomst en verleden! De
-grond brandt mij onder de voeten. Ik moet heen.”
-
-Een langen blik wierp hij op de massieve eikenhouten meubelen, op de
-schatten uit Oost en West, van eigen en vreemde kunst hier verzameld,
-welke hij gisteren nog als zijn eigendommen beschouwde en vlijmende
-smart doorsneed zijn ziel. ’t Was hard dat alles te verliezen, maar het
-liefste wat hij verliet, dat was het lijk van den man, dien hij sints
-gisteren tweemaal verloren had, den laatsten keer op de meest
-onherstelbare wijze want nu had hij geen vader meer noch op aarde, noch
-in het heiligdom van zijn herinneringen.
-
-Somber met neergeslagen oogen keerde hij zich af, en opende de deur;
-een bediende bood hem op een zilveren schotel een briefje aan, zijn
-houding toonde genoeg, hoe hij in den jongen man nog altijd zijn
-meester eerde. Onverschillig nam Robert het briefje aan, hij herkende
-Digna’s sierlijk handschrift.
-
-„Breng het terug!” zeide hij toonloos, „aan de juffrouw van
-Starenwijck.”
-
-Verbaasd zag de bediende hem aan.
-
-„Zou mijnheer niet wat gaan rusten?”
-
-Hij schudde het hoofd en trad in de naaste kamer om de lastige
-belangstelling van den knecht te ontkomen; maar hij week snel terug;
-zijn neef Hendrik de zoon van oom Gerard stond voor hem.
-
-„Och,” sprak de jonge man met zijn teemende fijne stem die Robert reeds
-sints jaren sarrend in de ooren had geklonken. „Zijt ge eindelijk
-beneden, Robert? Ik heb hier den nacht doorgebracht, vader zei ik mocht
-u niet alleen laten. Ge weet nu alles wat mijn oom zoo geheim hield?
-Ach wie had dat kunnen denken? Ik heb zoo met u te doen, waarlijk!
-Gisteren nog een rijke erfgenaam, de hartedief van het mooiste en
-rijkste meisje van Amsterdam en van daag niets dan een arme bastaard!”
-
-Het woord was zijn lippen nog niet geheel voorbij of hij viel duizelend
-achterover; een heftige vuistslag had hem neus en kaken bijna
-verbrijzeld, het bloed sprong uit oogen en mond, hij sloeg tegen de
-tafel en zakte toen loodzwaar in één.
-
-Robert zag hem aan met oogen, waaruit strijd- en moordlust met den
-wilden aard zijns vaders lichtte, zijn gebalde vuisten hieven zich op,
-als wilde hij zijn gevallen beleediger nog den genadeslag toebrengen;
-maar verachtelijk keerde hij zich plotseling om, liep in den gang
-terug, wierp de huisdeur open en verdween weldra op de stille in dit
-vroege morgenuur nog geheel verlaten gracht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE GEDEELTE.
-
-
-I.
-
-DE KONINGIN VAN HET OOSTEN.
-
-
-Batavia!
-
-De „Koningin van het Oosten” ontwaakte uit haar middagsluimering; de
-zon dook langzaam weg in de wateren der zee, een wazige, roode sluier
-zakte neer over de eilanden, rondgestrooid in de met schepen van
-allerlei grootte en vorm gevulde baai, die haar tot haven strekte, en
-van waaruit de milde Vorstin haar schatten wegzond naar alle
-windstreken of waar haar de tol gebracht werd van de landen en steden
-aan haar macht onderworpen. De gloeiende, door de zon geblakerde huizen
-van het Kasteel en de huizen der stad koelden zachtkens af onder een
-frissche bries, welke de zee landwaarts zond nu de avond aan het vallen
-was.
-
-Uit de huizen kwamen de bewoners allengs naar buiten, de schuiten die
-in de grachten en in de rivieren dreven, werden langzamerhand gevuld,
-door hen, die òf een speeltochtje wilden doen, òf op gemakkelijke wijs
-naar een ander eind der stad wenschten vervoerd te worden. Onder de
-hooge boomen, die aan weerszijden de groote rivier overschaduwen, welke
-van de Diestpoort af de stad in tweeën deelt, bewogen zich vele
-Chineezen, Javanen, Mestiezen, slaven en slavinnen.
-
-Ten Zuiden, dicht bij den stadswal omzoomen fraaie huizen door
-Europeanen bewoond den weg links en rechts van het water; drie bruggen
-op gewelven rustend verbinden de beide oevers aan elkander, verderop
-zijn het meest winkels van Chineezen, kleine onaanzienlijke, lage
-huizen, die uitzicht geven op den tot markt gebruikten breeden weg. In
-de winkels zelf vindt men alles wat er op Batavia te koop geboden
-wordt; Japansche koopwaren en Europeesche kleedingstoffen, kramerijen
-en wapens, uitdragerstuig en kostbare Chineesche vazen. Midden op de
-straat staan nog rijen met kramen onder loodsen, drie dwarsgrachten
-verdeelen die markten in drieën; de eerste is de groentenmarkt; op de
-tweede worden, ’s morgens althans, visschen verkocht, groote kakaps,
-hartige bandengs, reusachtige garnalen, de afzichtelijke inktvisch en
-de geliefkoosde kapiting of krabben, liggen op houten schragen,
-uitgespreid, en vervullen de lucht met hun eigenaardige uitwasemingen.
-Smakelijker zijn de nu volgende passers, waarin de heerlijkste vruchten
-uitgestald liggen, de geurige ananassen en de bloedroode pompelmoezen
-in hun gouden schillen, de rijke verscheidenheid van djamboes en
-djeroeks, in alle kleuren en grootten, de harige ramboetans en de
-donkerpaarsche mangistan met het witte, donzige hart, geurig vleesch
-dat echter een bittere, groene pit omgeeft; manden vol geelkleurige
-doekoes en vrachten van katjangs of olienoten; een rijkdom van bloemen,
-die de lucht balsemachtig kruiden, witte melati’s in knoppen of ten
-volle ontloken, snoeren van tandjoeng, groene en gele kananga’s,
-sierlijk samen gebonden tuiltjes van katjapirings en tjampaka’s; al die
-kraampjes strekken zich uit tot de derde markt waar eenden en hoenders
-hun weinig harmonische geluiden doen hooren.
-
-Op dit uur van den dag zijn er slechts weinige Europeanen hier te zien
-en deze behooren nog tot de laagste klassen der bevolking; het zijn
-ambachtslieden, smeden, timmerlieden, of metselaars, schoenmakers in
-dienst der Compagnie met vrouw en kinderen, die zich door een wandeling
-verpoozen van hun zwaar werk gedurende de hitte van den dag, of wel
-soldaten in hun havelooze kleeding, die met hongerige blikken naar
-zooveel maagopwekkende artikelen rondzien, want de keuken en de portiën
-van het regiment zijn schraal en de soldij is wanhopig laag.
-Kleurlingen zoeken bij de bloemwinkels trossen bloemen uit, waarmede
-zij hun liefjes straks willen verrassen, Javaansche huishoudsters doen
-haar inkoopen, al lovend en biedend; eenige Arabieren bewegen zich kalm
-en deftig langs de winkels der Chineezen, die op luidruchtigen toon hun
-waar te koop aanbieden. Soms verwaardigen zij zich naar den prijs van
-het een of ander te vragen maar gewoonlijk halen zij minachtend de
-schouders op en zetten hun weg voort, langs de vleeschhal, die op palen
-boven de rivier gebouwd is en een hoog zwaar pannendak draagt.
-
-De Europeanen vindt men thans in de deftiger wijken meest aan de
-Oostzijde der stad; daar langs de Tijgergracht met haar prachtige
-dubbele rij tamarinde boomen, zitten zij op hun stoepen voor hun
-gegevelde, wit gekalkte huizen onder het genot der onvergetelijke
-Goudsche pijp of zij wandelen langs het water en door de Prinsenstraat
-over het Kasteelplein en de Leeuwinne- of Kaaimansgracht terug. Het is
-hier een Oostersche stad met een Europeesch aanzien. De ingangen zijn
-van onderdeuren, de stoepjes van leuningen en banken voorzien; zag men
-daar niet geheele huisgezinnen op straat zitten, men zou zich in een
-Noord- of Zuid-Hollandsche stad wanen; ook de kleeding is nog bijna
-geheel Europeesch de dames hebben keurslijven aan en rokken van zware
-stof, de heeren gaan gebukt onder het verguldsel dat hun kragen en
-mouwen bedekt en onder hun zware pruiken.
-
-Weinige wandelaars ziet men hier gemoedelijk naast elkander gaan in
-deze straten; de meesten zijn gevolgd door eenige slaven, waarvan er
-een het vuurtouw, een ander het zonnescherm, teeken der waardigheid
-zijns meesters, een derde zijn snuifdoos draagt; de dames, die meest
-allen zich van haar echtgenooten afzonderen, wandelen gevolgd door een
-kleinen slaaf, die haar langen sleep ophoudt, terwijl een slavin de
-pajong boven haar hoofd uitspant en een paar anderen haar gevolg
-voltooien. Zij zelf wuift zich met haar waaier eenige koelte toe, tot
-het oogenblik dat zij een andere dame ontmoet, haar meerdere in rang;
-eerbiedig wijkt zij dan met haar stoet terzijde om een diepe neiging te
-maken, die de andere met een genadigen hoofdknik beantwoordt; straks
-stelt zij zich voor dat huldebetoon schadeloos door een andere, op nog
-gevoeliger wijze te toonen, dat zij op haar beurt ook de meerdere kan
-spelen.
-
-Eenigen dalen de trappen af, die in het metselwerk der grachten zijn
-aangebracht en stappen met hun stoet van slaven en slavinnen in de
-versierde Chineesche prauwen; slaven brengen de riemen in beweging,
-anderen maken met hun instrumenten—javaansche viool, guitaar of
-cither—muziek en de booten glijden zachtkens over de grachten totdat de
-maan opkomt en haar helder witten glans over de vesting giet.
-
-In het Kasteel dat omgordeld door hooge groene struiken zijn sterke
-wallen van witten koraalsteen opheft uit de beide grachten, houdt de
-Opperlandvoogd of Generaal, die thans Johan Van Hoorn heet, zijn gewone
-middagreceptie op de stoep zijner woning.
-
-Deze woning bevindt zich rechts van het middenplein te midden der
-veste; de kleine achthoekige Kasteelkerk verbindt het met de
-tegenoverliggende woningen van de gewone Raden van Indië.
-
-Het is evenals alle andere Bataviasche huizen twee verdiepingen hoog;
-een breed en hoog bordes geeft iets voornaams aan het uitzicht, evenals
-het koepeltje boven het pannendak, waar een schip der Koningin van het
-Oosten tot windwijzer dient, herinnering misschien aan het stadhuis,
-waarmede Jacob van Campen de „Keizerin van Euroop” versierde.
-
-De receptie is zoo huiselijk mogelijk; de Edele Generaal zit in het
-midden, de hoogste in rang naast hem en zoo verder nauwkeurig naar
-rangorde zijn de stoelen in halven cirkel geschikt, ieder spreekt met
-zijn buurman, en rookt zijn Goudsche pijp; algemeene gesprekken worden
-niet gehouden, de etiquette verbiedt iemand dat de Generaal hem hoore
-spreken.
-
-Slaven dienen bier rond, en de Oppergebieder drinkt af en toe de
-gezondheid van het gezelschap en hun vrouwen, welke toasten
-onmiddellijk beantwoord worden; de gezellige ontvangst duurt tot 9 uur.
-De wacht van het fort wordt gehouden door hellebaardiers, krachtige
-jonge mannen in gele wambuizen en scharlaken zijden met lissen
-versierde broeken; de overige wachten zijn in treurigen sjofelen
-toestand; komt de Opperlandvoogd langs dan moeten zij op het geroep van
-den wachthebbenden sergeant onder de wapenen komen, men ziet ze
-verschijnen in allererbarmelijkst plunje meestal zonder kousen of
-schoenen, met gescheurde wambuizen en blootshoofds.
-
-Hun ellendige verblijfplaatsen zijn aangebracht in de vier punten van
-het fort, Parel, Robijn, Diamant en Safier. Indrukwekkender dan de
-krijgers zijn de kanonnen, die op de vlakke daken rusten van de tegen
-de wallen staande provisiekamers en pakhuizen der Compagnie en die den
-geheelen omtrek met vuur en dood bedreigen.
-
-Midden in de stad aan de groote rivier is nog een soort van wachttoren
-aangebracht, die eveneens zijn vuurmonden naar alle richtingen geopend
-houdt.
-
-Druk en vroolijk leven heerscht er vooral in de zoogenaamde
-achterbuurten, ten N. W. der stad, in de Zandzee, maar vooral in de
-Lepelstraat, die huis aan huis uit herbergen of kroegen bestaat.
-
-Een lustige muziek lokt daar de vroolijke klanten naar binnen,
-matrozen, die op de prauwen wachten, welke hen naar hun schepen moeten
-brengen, vóórdat de klok negen slaat, of liever vóórdat de wachten van
-het Kasteel door den zandlooper gewaarschuwd negen slagen doen
-weergalmen op het bekken, want de Koningin van het Oosten is nog geen
-openbaar uurwerk rijk.
-
-Om negen uur toch wordt de groote rivier door een zwaren ijzeren
-ketting van de haven afgescheiden; en na dat uur vervliegt ook de
-glorie van de Lepelstraat.
-
-Nu echter zijn de lichten pas ontstoken, Jan-Maat met zijn bruin liefje
-aan den arm, gaat daar huis in, huis uit, of blijft kijken naar een
-troep Javaansche tooneelspelers, topeng genaamd, die voor eenige duiten
-hun kluchten vertoonen; een Javaan hurkt met zijn draagbaar keukentje
-neer om aan een paar Europeanen, die geen woord Maleisch kennen, zijn
-waren te slijten; nauwelijks hebben zij echter een bete geproefd of
-luid vloekend en tierend werpen zij het brandende mengsel van zich af
-tot groote vroolijkheid der omstanders maar tot minder stichting van
-den koopman, die wellicht levenslang op het geld zal moeten wachten.
-
-Uit een der herbergen kwamen twee soldaten der Compagnie; beiden zagen
-er uit alsof zij hun laatsten duit daar binnen ten offer hadden
-gebracht om voor een oogenblik opwinding te koopen; min of meer
-wankelend was hun gang, hoogrood hun trekken, waarop, hoewel in
-verschillende mate, ongebondenheid en een ongeregeld leven hun stempel
-hadden gedrukt.
-
-De oudste met een bol glimmend gelaat, waarop hier en daar een rosse
-plek de vergeefsche pogingen aanduidde, welke de baard maakte om er
-door heen te komen, zag er uit of hij een verleden achter zich had,
-waarvan de galg de meest gepaste eindpaal moest wezen; zijn havelooze
-kleederen waren verscheurd of versteld op een wijze, die een scheur nog
-verkieselijker deed schijnen, zijn sluike roode haren, welke niet eens
-meer tot den schedel en het voorhoofd reikten, waren door een gedeukten
-hoed bedekt; de schoenen trokken slechts de aandacht door hun
-afwezigheid, want men kon dien naam niet geven aan de onoogelijke
-sloffen, welke hun plaats innamen, en een scheiding maakten tusschen de
-bloote voeten en het zand van de ongeplaveide straat.
-
-De andere zag er iets beter uit; werden zijn kleederen beter gedragen
-of waren deze nieuwer en minder versleten? Wie kon het zeggen? Niemand
-lette genoeg op het tweetal om aan deze vraag eenige aandacht te
-leenen. Zoo merkte dan ook niemand op dat deze jonge man—want jong was
-hij blijkbaar nog—om zijn kleur gemakkelijk onder de kleurlingen kon
-gerekend worden, nog minder dat honger en verdriet uit zijn groote,
-zwarte oogen blikten, de pas gebruikte drank had die oogen wel kunnen
-benevelen, maar geen blos op de vaalgele wangen geschilderd.
-
-De andere hield hem bij zijn kleed vast:
-
-„Ja, zie je,” sprak hij in vrij gebroken Hollandsch met dikke tong en
-volle keel om het andere woord haast zijn rede versterkend met een
-Duitschen vloek, „ik zeg maar als we dat niet hadden! Zoo’n teugje
-vuurwater is nog ’t beste wat zij in dat beroerde Holland hebben; wat
-dunkt jou?”
-
-„Ik wilde dat ik dien ellendigen kost nooit aan mijn lippen had
-gebracht en nog liever dat ik hem niet noodig had om mijn honger te
-bedwingen en mijn leed te vergeten.”
-
-„Sapperdement Donnerwetter! Heb je leed? Kom, zoo’n flinke jonge kerel
-als jij! Wat voor leed kun je hebben? Toch niet om een liefje, hè!
-Geloof me, laat je met geen vrouwvolk in, want dat kost geld, veel
-geld, en het bedriegt je; wij hebben weinig geld en dat kunnen we
-nergens beter gebruiken als daar binnen, dat goedje bedriegt niet,
-potztausend! Zullen we hier eens ingaan? Tonne Mie heeft weergaasch
-goed bier ook!”
-
-„Neen, van avond niet meer. Hoe zouden we ook kunnen! Ik heb niets
-meer.”
-
-„En ik heb crediet! alle duivels! Of wat denk je, weet je wie ik ben?
-De Markgraaf von Schweinshausen, daar boven aan den Rhijn, is mijn
-volle neef en ik zou stellig in zijn plaats gekomen zijn, als ik aan de
-Hoogeschool van Bonn niet dat standje had gehad met den zoon van den
-Ridder von Schönfeld, dien ik in een duel neerschoot, den gemeenen
-hond, die mij voor dronkaard durfde uitmaken. Na dien tijd heb ik niets
-dan ongelukken gehad; eerst trachtte ik in dienst van den grooten
-koning van Frankrijk mijn fortuin te beproeven, maar dat was ook mis,
-mijn ongelukkige vaderlandsliefde deed me daar spoedig ruzie krijgen
-met een superieur nog wel, en die Franschen zijn zoo ongenadig trotsch.
-Ik zou zoo waar een kogel hebben opgeloopen, als ik niet bijtijds de
-plaat had gepoetst, en van daar kwam ik ja, zie je dat herinner ik me
-niet meer, maar dat weet ik wel, dat, waar ik ook geweest ben, en dat
-is op verduiveld veel plaatsen, ik nergens in zoo’n beestenboel
-verdwaald geraakt ben als hier; dat is geen plaats voor menschen van
-fatsoen en stand, en dat zijn toch de meesten van ons, en jij ook! Wat
-was je eigenlijk daar in het groote, heerlijke Europa?”
-
-„Ik? Wat ik hier ben! Niets!”
-
-„Maar je bent toch van goede afkomst? Dat zeggen ze allemaal!”
-
-„Wie zegt je dat? Wel neen! Ik heb geen naam, geen familie, geen
-vaderland, niets! Ik heb maar een doel, hier een kogel zoeken.”
-
-„Je bent een rare snoeshaan, dat heb ik reeds dadelijk gemerkt. Niets
-gaat je goed af, zelfs drinken niet, al doe je nog zoo je best om mee
-te doen. Maar als je nergens meer heen wilt, wat doe je langer hier?
-Zie je, als je heerlijke concerten gehoord hebt in Duitschland en
-Frankrijk, dan maken je die krassen op de viool en dat gepiep van die
-fluit misselijk, en als je dan denkt aan de tooneelspelen op de eerste
-schouwburgen in de vorstelijke residenties, dan zeg je ook: Ik heb
-genoeg van die flauwe pret; maar je hebt zeker nooit iets dergelijks
-gehoord of gezien.”
-
-„En ik ben in Amsterdam geweest en ik heb daar op het tooneel den
-Lucifer gehoord en Gijsbreght van Amstel, de meesterstukken van onzen
-grooten Vondel, ik heb gelachen om Warnar van den Muider Drost en het
-Moortje van Brederoo en gehuiverd bij de bloedige spelen van Jan Vos!
-O, ’t was zoo heerlijk!”
-
-Zijn doffe oogen fonkelden en dat laatste woord klonk haast als een
-smartkreet door de herinnering aan zijn borst ontwrongen.
-
-„Dan heb je toch nog iets gehad! En ik dacht dat jij je niets meer
-herinnerde!”
-
-„Was ’t maar zoo! Had ik geen herinnering, ik zou me misschien in dit
-pesthol nog eens kunnen t’huis voelen, maar die herinneringen, o, die
-herinneringen! Kon ik ze wegspoelen, ik dronk van den morgen tot den
-avond!”
-
-„Hé! Ik wou dat het mogelijk was en ik dan in je gezelschap mocht zijn,
-maar je wordt gevoelig, knaap! Je hebt een huilenden dronk. Schud die
-herinneringen maar af, neem een voorbeeld aan mij! Wat heb ik geen
-macht van herinneringen, ik, de volle neef van Freiherr, ik bedoel
-Hertog von Schweinshausen, die hier als gemeen soldaat dien, maar ik
-blijf er lustig onder en denk, waar ge ook zijt, daar vindt ge weer
-dobbelsteenen, vrouwen en wijn, en al is dat alles hier van ’t
-allerellendigste kaliber, je moet er maar tevreden mee wezen.”
-
-De andere zuchtte diep; zijn makker had gelijk, hem sloeg de drank
-blijkbaar ter neer.
-
-„Ik moest niets meer drinken of anders heel veel,” zeide hij mismoedig,
-„zoo’n enkel teugje maakt me nog treuriger. Dan denk ik weer aan alles
-wat ik eenmaal bezat en dat ik reddeloos verloor.”
-
-„Niets is verloren, kerel, zoolang jij nog je lijf hebt; ben je dat
-kwijt, ja, dan ziet het er eerst leelijk met je uit, maar vóór dien
-tijd.... weet je wat? Ga met me mee, ik weet op de Rhinocerosgracht een
-zekeren Chinees wonen, een fideele vent, die gunt een dapper soldaat
-graag een spelletje kaart; je speelt er op je nog niet ontvangen soldij
-zonder eenig pand. Laatst heb ik er nog twee rijksdaalders gewonnen, en
-ik weet iemand, die nu een karos houdt en wel vijftig slaven, die er
-honderd dukaten won toen hij nog gemeen soldaat was, daarmee kocht hij
-zich vrij, zette een winkeltje op, trouwde een rijke zwarte vrouw,
-kocht zich later een schepensplaats en behoort nu tot de groote Hansen,
-die met den Edelen Generaal een pijp rooken op de puie zijner woning!”
-
-„Zoover zal ik ’t nooit brengen!”
-
-„Omdat jij herinneringen hebt! Laat die varen en volg me liever,
-spoedig zul jij ’t misschien niet meer kunnen doen, want ze zeggen dat
-er oorlog in de lucht zit. Daar in Karta-Soera moeten ze weer aan het
-rommelen zijn; ’t is waarlijk of de eene bruinvisch niet precies gelijk
-aan den andere is. Ik begrijp niet wat het de Compagnie schelen kan,
-welke smeerpoes daar de beest speelt, en dan nog verderop boven
-Soerabaya, noemen ze dat nest, geloof ik, zit er zoo’n oude snoeshaan,
-die hun allemaal te slim af is.”
-
-„Soerapati bedoelt ge?”
-
-„Kan wel; al die koeterwaalsche namen kan mijn Duitsche tong niet
-uitspreken. Was het nu maar Rademacher, Schönhausen, von Schweinsfeldt,
-zooals ik vroeger heette, nu die kerel is hun allen de baas. Hij moet
-vroeger slaaf zijn geweest, zegt men, en nu is hij nog machtiger dan de
-koning van Java, en nu begrijp je dat de Compagnie, die ’t hoofd zoo
-hoog draagt, dat niet dulden kan en... en... Zou ’t jou kunnen schelen
-wie hier de baas was? Mij niets! Als die Javaansche mijnheer mij een
-dukaat meer soldij geeft in het jaar en behoorlijke kousen en schoenen,
-dan zeg ik die Hollandsche kaaskoppen Adjé. En jij?”
-
-„Een verrader worden, een deserteur? Nimmer!”
-
-„Wat, doe je nog aan trouw? Ha, ha! Die artikelen hebben geen waarde op
-de passer. Gaan we nu naar mijn bah-bah [17] of niet?”
-
-„Neen, ik wil rusten, ik denk dat ik ’t nu zou kunnen, het gebeurt me
-zoo weinig dat ik slaap.”
-
-„En ik slaap veel te veel, kom, ga mee.”
-
-„Neen, Dikkop, waarlijk niet! Zeg me een woord, denk je dat er
-werkelijk oorlog komt?”
-
-„Wis en zeker! Ik ben er niets op gesteld, liever een leven als hier in
-de barakken van den Robijn, dan gevaar te loopen een blauwe boon te
-slikken.”
-
-Het was geheel donker geworden en de Koningin van het Oosten werd
-slechts flauwtjes door de kunst verlicht, als de maan er zich buiten
-hield. Zij waren op het met hooge boomen beplante Kasteelplein
-aangekomen, dat nog vol stond van de karossen der gasten die de
-receptie hadden bezocht, want ook mevrouw de Generaal ontving. Juist
-verliet een aanzienlijke dame de landpoort van het Kasteel, de toortsen
-der slaven wierpen hun flikkerende lichten in de diamanten en gouden
-borduursels harer kleederen; een deftig gekleed heer leidde haar naar
-de wachtende karos, die zij met zeldzame gratie besteeg.
-
-„’t Is de pas aangekomen nicht van zijn Excellentie,” zeiden een paar
-toeschouwers.
-
-„Hé, wat scheelt je? Val je van ’t stokje?” vroeg de Dikkop zijn
-kameraad.
-
-„Och neen, ’t is niets, ik dacht... och, ’t was weer een herinnering.”
-
-„De duivel hale je herinneringen!” gromde de andere. „Daar zal je nog
-pret van beleven!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-VOORNELUST.
-
-
-Als men de ten Zuiden der stad Batavia gelegen Nieuwpoort doorging,
-kwam men aan den zwaar belommerden weg, die naar het fort van Jacatra
-leidde; aan weerszijden was deze weg omzoomd door fraaie
-buitenplaatsen, die echter evenals de huizen in de stad nog volstrekt
-niet ingericht waren volgens de eischen van het klimaat in de
-keerkringslanden.
-
-Het heeft eeuwen geduurd vóór de taaie, vasthoudende Hollander tot het
-duidelijk begrip kwam, dat men in het Oosten niet den leefregel kon
-volgen, waaraan hij sinds eeuwen gewend was in zijn geliefd Holland;
-die lievelingsgewoonte wilde hij in den vreemde ongaarne missen en
-daarom koos hij zijn stevige, solide bouworde zonder er zelfs in ’t
-minst aan te denken dat de dikke muren en de goedsluitende ramen, die
-hem tegen snerpende Noord- en Oostewinden en strengen vorst moesten
-beschermen, hier de zon maar gelegenheid gaven dagen achtereen de
-steenen te blakeren en frissche koeltjes beletten vrij door de
-vertrekken te spelen; zoo nam hij ook zijn zware kleeding mede, ja
-broeide zelfs zijn hoofd door het dragen van allongepruiken, die in
-Versailles beter op hun plaats waren geweest.
-
-De landhuizen welke hij zich dan ook buiten de benauwde, moerassige
-stad bouwde, waarbinnen de grachten bij de aangename herinneringen aan
-de vaderlandsche steden ook minder geurige voegden, geleken het
-allerminst op luchtige, sierlijke villa’s, die er geheel op berekend
-waren zooveel mogelijk lucht en koelte op te vangen. Het waren huizen
-van twee verdiepingen met hechte deuren en puien, kleine ramen zonder
-galerijen of veranda’s; boven den ingang was gewoonlijk het wapen van
-den bewoner aangebracht, en wie nu de weelderige natuur, de reusachtige
-waringins en de slanke palmen wegdacht, kon zich gemakkelijk in plaats
-van aan de oevers der Jacatrarivier terugwanen aan de boorden van
-Amstel of Vecht.
-
-Rechts van den weg, juist tegenover het oude Chineesche kerkhof,
-strekte zich het landgoed Voornelust uit, dat den Raad van Justitie
-Voorneman toebehoorde; een statige rij van kokosboomen leidde van de
-steenen poort naar het huis, dat in weinig of niets afweek van den
-bouwtrant der overige huizingen links en rechts; de tuin was ook min of
-meer stijf aangelegd, in zooverre de volle, welige oostersche
-plantenwereld zich snoeren liet in een vorm à le Nôtre; toch waren er
-eenige verbeteringen aangebracht, die getuigden van den lust des
-eigenaars om zijn woning meer in overeenstemming te brengen met de
-eischen van het klimaat.
-
-Een soort van zonnetent was terzijde van het huis gespannen, de ramen
-en deuren stonden wijd open; achter, ter zijde van de gebouwen tot
-huiselijk gebruik en tot huisvesting der slaven gebezigd, was een open
-galerij boven de rivier gebouwd en geheel door wingertbladeren en
-klimopslingers overschaduwd; de dampen der rivier maakten het hier
-vooral tegen het vallen van den avond tot een verrukkelijk, koel
-plekje; welriekende bloemen stonden in Chineesche en Japansche potten
-in de galerij geschaard en mengden hun geuren met die van de in perkjes
-geplante melati’s.
-
-Een jonge vrouw zat op een leuningstoel; ook haar kleeding was lang
-niet zoo onpractisch als die van de meeste Bataviasche dames; zij
-versmaadde fulp en zijde, goudborduursels en slepen; haar kleed was van
-een fijne, lichte stof en grijs van kleur, aan den hals eenigszins laag
-uitgesneden, vanwaar een breede kanten kraag op de schouders viel; ook
-de mouwen reikten slechts halverwege den fraaien ronden arm, waarom zij
-een bevallig kanten weefsel wierpen; haar blonde haren kroesden luchtig
-op haar lelieblank voorhoofd, aan weerszijden met losse krullen
-versierd; een zacht teer rozerood schemerde onder haar blanke wangen en
-verried dat zij nog niet lang aan het verschroeiende Oostersche klimaat
-blootgesteld waren.
-
-Zij was nog jong, nauwelijks twintig jaren, een onbeschrijfelijk lieve
-uitdrukking lag in haar blauwe oogen en in den glimlach, die om haar
-lippen zweefde, als zij luisterde naar het kinderlijk gepraat van het
-knaapje, dat met den hoepel door de galerij speelde; het was een
-opgeschoten jongen van omstreeks tien jaren met een bleeke, ongezonde
-kleur en onnatuurlijk groote oogen.
-
-Als zij den knaap niet te antwoorden had las zij aandachtig in het
-boek, dat zij in de hand hield; spoedig raakte zij geheel verdiept in
-de lezing, haar oogen kregen een eigenaardige uitdrukking, een mengsel
-van eerbiedige bewondering en stil genot, haar lippen trilden soms als
-leefde zij met den schrijver of dichter mede, maar zoodra het knaapje
-haar aan de korte mouwen trok en vroeg:
-
-„Moeder, mag ik met Scipio in de Klapperlaan spelen,” of wel: „Moeder,
-Scipio vraagt of hij wat met mij zal gaan varen.”
-
-Dan kostte het haar blijkbaar moeite zich los te rukken van haar
-lectuur, maar toch antwoordde zij dadelijk met denzelfden vriendelijken
-lach:
-
-„Neen, lieve jongen, vader en ook moeder hebben liever dat Albert hier
-onder mijn oogen met Scipio speelt.”
-
-Scipio was een kleine slavenjongen van denzelfden leeftijd als Albert,
-maar veel flinker gebouwd en ook gezonder.
-
-Het knaapje ging met zijn hoepel weer terug naar zijn speelkameraad,
-wien ’t blijkbaar verveelde hier steeds onder toezicht zijner meesteres
-te moeten blijven.
-
-Het woord „Moeder” tegen de jonge vrouw klonk vreemd uit den mond van
-het kind, dat om zijn leeftijd veeleer haar broertje dan haar zoon kon
-wezen; maar toch lag er alle teederheid van een zoontje in de wijze,
-waarop hij zich telkens, als hij in hare nabijheid kwam, tegen haar
-aanvleide en een kus afbedelde, dien zij hem met ware moederlijke
-hartelijkheid toestond; ook dat zij telkens en telkens in haar lectuur
-gestoord werd, verdroeg zij met onuitputtelijk geduld.
-
-Daar kraakte het gele schelpzand van het pad dat naar het hoofdgebouw
-voerde en een man van middelbaren leeftijd met een eenigzins zwak
-voorkomen en de bleekgele gelaatskleur, die den oudgast kenmerkte,
-naderde de galerij.
-
-Zijn gestalte die vroeger ongetwijfeld lang en krachtig geweest moest
-zijn, boog nu een weinig voorover; rimpels doorploegden zijn voorhoofd
-maar toch maakte zijn gelaat een aangenamen indruk door den goedigen
-blik der lichtblauwe, diepliggende oogen.
-
-Toen hij de galerij naderde, sloeg de jonge vrouw haar boek dicht en
-kwam hem met een vroolijken glimlach te gemoet.
-
-„Ik wachtte u reeds met ons beider vriend!” sprak zij. „O Markus, wat
-is hij toch een groot man. En hoe weinig heeft men zijn verdiensten
-erkend toen hij nog leefde.”
-
-„Ge bedoelt onzen puikdichter den kousenkoopman en pandjesschrijver
-Joost van den Vondel, nietwaar vrouwlief? Ja, gij hebt gelijk, ik wist
-niet dat we zulk een dichter in ons weinig dichterlijk Holland rijk
-waren. Ik heb mijn Vaderland jong verlaten en hier, dat weet gij
-genoeg, hebben de Muzen haar zetel niet bij voorkeur opgeslagen.”
-
-„Weten zij hier zelfs, dat er Muzen bestaan?”
-
-„Of niet bestaan! Ge hebt gelijk; juffrouw de Haan zou licht kunnen
-vragen of die juffrouwen in linnen dan wel in tabak doen. Maar nu ge
-mij die heerlijke treurspelen „vol hemelval” voorleest van onzen
-Vondel, evenals de schoone historiën van den Drost Hooft of de puntige
-gedichten van Constantijn Huygens, nu is ’t mij, of ik een geheel
-andere wereld binnentreed, die mij tot nu toe gesloten was.”
-
-„Wat zou het leven zijn zonder den dienst der Muzen, als wij de poëzie
-niet hadden om ons te troosten over de onaangenaamheden en
-verdrietelijkheden van den dag en in andere sferen te vertoeven, die
-ons anders geheel gesloten zouden zijn? En ik heb nog veel Markus, dat
-u boeien zal; het is onze plicht natuurlijk eerst kennis te maken met
-onze groote Vaderlandsche poëeten, maar daarom behoeven wij nog niet de
-beroemde mannen te versmaden, die in andere landen geleefd en gewerkt
-hebben. O, ge zult eens zien als we zoo ver zijn, welke hoog verheven
-taal Corneille aanslaat in zijn heldenstukken en dan die hemelsche
-harmonie van Racine’s verzen en de satiren van Boileau, die vallen
-stellig in uw smaak al zijn ze zoo bijtend niet als Vondel’s Roskam en
-Rommelpot.”
-
-Glimlachend hoorde hij de levendige bewondering der jonge vrouw aan, en
-drukte haar fijne hand vast in de zijne.
-
-„Ge hebt de letteren wel zeer lief, Digna!” zeide hij minzaam.
-
-„En zou ik niet? Zij zijn mijn beste vriendinnen geweest en hebben mij
-getroost in zooveel treurige uren.”
-
-„Ik zal u die liefde dan ook van harte gunnen, mijn beste vrouw, en
-niet afgunstig zijn noch op vader Vondel, noch op Hooft en Huygens,
-die, willen wij hen gelooven welke ze van nabij kenden, zeer gezien
-waren bij het schoone geslacht, nog minder op de Franschen al is hun
-galanterie ook wereldberoemd. Ge ziet zelf, ik wil van u leeren hen ook
-te kennen en hoog te achten, maar voor die papieren vrienden moet gij
-de menschen van vleesch en been niet verwaarloozen.”
-
-„Verwaarloozen! Dat meent ge niet, Markus! Ben ik dan niet gisteren nog
-in mijn zware kleederen deftig naar het kasteel gereden om bij mevrouw
-de Generaal de receptie bij te wonen, drie lange, lange uren heb ik er
-mij verveeld, mag ik mij dan vandaag niet schadeloosstellen voor die
-verveling?”
-
-„Ge moogt alles, Digna! Maar ge weet aan mijn stand zijn verplichtingen
-verbonden, ’t is niet genoeg dat mijn lieve gade een zorgzame huisvrouw
-is, die alles in het werk stelt, om mijn leven te veraangenamen en een
-goede moeder te zijn voor mijn zoontje...”
-
-„Ben ik dat waarlijk, Markus?”
-
-„Moet gij dat nog vragen? Ik ben meer dan tevreden over u, dat zou ik
-overal kunnen verkondigen, maar de wereld vraagt meer; zij wil niet dat
-mevrouw Voorneman haar dagen rustig doorbrengt met haar beste
-vriendinnen, de Muzen, zij verlangt dat zij ook eenig belang stelt in
-de samenleving harer medeburgeressen...”
-
-„In de deugden en ondeugden van haar slaven, in de pronkzucht van
-juffrouw A, en in de lichtzinnigheid van juffrouw B; ik moet de kwikjes
-en lintjes zeker tellen die mevrouw Zus laatst in de kerk heeft
-vertoond en alle belang stellen in de leelijke geschiedenis, die laatst
-met de dochter van mevrouw Zoo is voorgevallen. Och, Markus, als ge
-wist hoe dit alles mij verveelde en walgde, hoe ik veel liever hier
-rustig zit met u, met onzen Vondel en met onzen kleinen Albert.... hé
-waar is hij gebleven?”
-
-„’t Schijnt dat hij daar ginds vlinders vangt met Scipio!”
-
-„Ik wilde liever dat hij wat dichter bij mij bleef, ik vertrouw hem
-niet geheel alleen met dien knaap, ik vrees dat hij niets goeds van hem
-leert.”
-
-„Gij zijt te zwaartillend Digna, Scipio is volstrekt niet slechter dan
-eenig ander knaapje van slavenafkomst.”
-
-„Dan moet hij al heel slecht zijn; want deze kennis heb ik tenminste
-gewonnen van mijn afluisteren der gesprekken mijner levende
-vriendinnen. Die slaven hebben den allertreurigsten invloed op de
-kinderen, die men geheel aan hen overlaat; al lachend en schertsend
-verhaalden zij mij van de zoogenaamde grappen, die hun kinderen
-uithalen en die zij ongetwijfeld van hun slavenmakkers geleerd hebben,
-en deze deden mij huiveren. Zooveel ik kan, houd ik dus Albert in mijn
-nabijheid.”
-
-Met een blik vol liefde zag Heer Voorneman op zijn jong, ernstig
-vrouwtje neer en fluisterde:
-
-„Heb dank Digna; ge zorgt beter voor mijn kind als zijn eigen moeder
-het zou gedaan hebben.”
-
-„Stil, laat de dooden rusten Markus!” sprak zij verwijtend, „ik doe
-mijn plicht en meer niet! En zullen we nu voor een enkelen dag de
-Bataviasche wereld verlaten en onzen ouden vriend hooren spreken?”
-
-„Als die wereld u maar niet komt opzoeken, Digna!”
-
-„O dat hoop ik niet; vandaag tenminste niet. We zullen immers den Adam
-in ballingschap nemen nietwaar, dat hadden wij afgesproken. Vreemd, ik
-las dit treurspel reeds menigmaal doch nu eerst hier in deze
-onvergelijkelijk schoone dreven, kan ik mij recht goed het paradijs
-voorstellen; ge moet maar eens hooren... Wat fronst gij het voorhoofd
-en trekt gij de lippen samen. Hebt ge weer pijn?”
-
-„Een weinig, ’t is niets, ’t gaat voorbij.”
-
-„Zal ik uw artsenij halen?”
-
-„Zelf halen, lieve, maar waar denkt ge aan, waartoe hebt gij slaven ten
-uwen dienste?”
-
-„Och, ’t is zooveel gemakkelijker zich zelf te helpen; ik vergeet het
-telkens dat het ook tot mijn plichten behoort mij te laten bedienen.”
-
-Zij wenkte een der slavinnen, die aan het andere einde der galerij
-gehurkt zaten en gaf haar op vriendelijken toon in enkele woorden haar
-bevel; toen riep zij Albert, liefkoosde hem, en stiet het kind
-zachtkens naar den vader opdat deze hem ook over het haar zou strijken.
-
-„Blijf hier, jongske!” zeide zij vriendelijk, „tot dien grooten
-ketapangboom moogt ge gaan, niet verder en dan zal moeder u van avond
-naar bed brengen.”
-
-„Zal moeder dat werkelijk doen?” vroeg hij met schitterende oogen en
-overlaadde haar met kussen.
-
-„Ja zeker, als Albert gehoorzaam is! En nu Markus zal ik beginnen. Is
-de pijn wat dragelijk!”
-
-„Ik denk er niet meer aan, Digna; kom begin spoedig, ik ben vol gehoor,
-het groote licht zal ons weldra verlaten.”
-
-Zij zetten zich naast elkander en met haar klankvolle, heldere stem
-begon Digna den aanhef der tragedie met de woorden van:
-
-
- LUCIFER. Ik eerst geheiligd om de kroon van ’t licht te spannen,
- En nu van ’t eeuwig licht in duisternis gebannen....
-
-
-Niet verder was zij gekomen toen zich het rollen van een karos op den
-zandweg deed hooren.
-
-„Bezoek!” riep zij uit, het hoofd oprichtend, „ja, neen, men rijdt de
-Klapperlaan in, ach hoe jammer!”
-
-„Wel jammer! Waar zullen we hen ontvangen, Digna?”
-
-„Hier natuurlijk, waar anders! ’t Is hier luchtig en frisch.”
-
-Man en vrouw stonden op om de bezoekers te begroeten, die reeds uit de
-koets gestapt waren en het bordes betraden; het was een deftig gekleed
-echtpaar gevolgd door een jong man, wiens blozende kleur duidelijk
-genoeg verried dat zij nog niet lang aan de brandende keerkringszon was
-blootgesteld geweest.
-
-„Gij zult ons ten goede houden!” sprak Digna na de eerste begroetingen
-vriendelijk en beleefd, „dat wij u in de galerij boven het water
-ontvangen; het is daar frisscher dan binnenshuis en zelfs dan op de
-stoep.”
-
-„Wij hebben inderdaad van die nieuwigheid gehoord, mevrouw, die u op uw
-landgoed heeft ingevoerd,” zeide de bezoekster met een genadig lachje.
-
-De pas aangekomenen waren de Extra-ordinaris Raad van Indië Dammers,
-zijn vrouw en dochter en een kersversch uit Europa aangekomen neefje;
-de heer Voorneman was dus eenige graden zijn mindere, maar een
-vriendschap van jaren herwaarts verbond beide mannen, terwijl ook
-Digna’s voorgangster, de overleden mevrouw Voorneman, zeer bevriend was
-geweest met mevrouw Dammers.
-
-„Zullen wij dan den heeren voorgaan?” vroeg Digna altijd even hoofsch
-haar gast den voorrang gevend.
-
-Mevrouw Dammers was kostbaar gekleed zooals het bij een eerste bezoek
-paste; haar kleeding echter meer rijk dan smaakvol, was overal waar het
-maar eenigszins kon met goudborduursel bezet, zijde en fluweel
-wisselden kwistig met elkander af; een slaaf moest den zwaren sleep
-ophouden toen zij over het kiezelzand naar de galerij wandelde.
-
-Hoe moeilijk zij deze kleederen torschte, getuigden de hoogroode kleur,
-die haar bolrond gelaat bedekte en de zweetdroppels, welke zij telkens
-met haar zakdoek afdroogde; hijgend wuifde zij haar waaier en de enkele
-stappen, die zij nog maken moest naar de zitplaats, door de gastvrouw
-aangewezen, vielen haar blijkbaar uiterst moeilijk.
-
-Naast die verhitte, aamechtige vrouw in haar zware kleederen kwam
-Digna’s licht toilet, frisch en koel uit.
-
-„Hoe verdraagt gij toch de hitte?” vroeg mevrouw Dammers tusschen twee
-zuchten in.
-
-„Ik voel geen hitte,” antwoordde het jonge vrouwtje glimlachend.
-
-„Dat wil ik gelooven, als men zich niet kleedt,” was het bitse
-wederwoord, dat een lichte blos op Digna’s zachtbleeke wangen wierp.
-
-„Mijn kleed is misschien minder zwaar dan het uwe,” antwoordde zij
-kalm, „maar overigens is het niet minder volledig.”
-
-„Uw voorgangster, die wist zich te kleeden! Hebt gij haar japonnen
-gevonden? Er waren zulke kostelijke bij; niemand kon indertijd het
-tegen haar volhouden of ik moest het zijn. Ieder regelde zich naar ons.
-Wij gaven den toon aan en als wij iets nieuws hadden, dan konden wij
-zeker zijn, dat over weinige dagen alle andere dames ons tot voorbeeld
-hadden genomen, maar wij wisten dat vooruit en zorgden dan weer te
-voorschijn te komen in een splinternieuw kleed. Wij deden alles samen,
-begrijpt ge en daarom behoefden wij niet bang te zijn dat de een het de
-ander afwon. Ja, het verlies der goede Margaretha is zwaar en
-onherstelbaar geweest!”
-
-Zij zuchtte nog eens zoo diep; men was intusschen onder de galerij
-gekomen en nam plaats op de gemakkelijke stoelen, die de slaven
-bijschoven. De drie heeren zaten op eenigen afstand van de dames;
-zoodat een algemeen gesprek niet mogelijk was.
-
-Arme Digna, men kon het aan den weemoedigen blik bemerken, waarmede zij
-haar Vondel aanzag, hoe veel het haar kostte den levenloozen dichter te
-moeten ruilen voor haar diep ademende gast. Zij legde het boek weg om
-plaats op tafel te maken.
-
-„Ha, een boek! Dat zal ook niet weten hoe het op Voornelust komt,”
-zeide mevrouw Dammers min of meer scherp, „de goede Margaretha was met
-mij van oordeel dat een boek slechts hoogst zelden, om niet te zeggen
-nooit in vrouwenhanden paste.”
-
-„Mij is dat anders geleerd!”
-
-„O ja, zeker door uw moeder! Ik heb haar nog even gekend.”
-
-„Mijn moeder, hebt gij haar gekend?” vroeg Digna met schitterende
-oogen, „o mevrouw, vertel me van haar! Hoe schikte zij zich hier?”
-
-„Ik weet het slechts bij overlevering; zij had vreemde begrippen
-evenals gij. Zoolang haar man afwezig was, ging zij niet uit; zij
-spaarde haar slaven het werk om het zelf te doen, en zij was zoo wijs
-met haar dochtertje dat zij geen slavin goed genoeg achtte om het op te
-passen.”
-
-„Daaraan herken ik mijn lieve, goede moeder!” dacht mevrouw Voorneman,
-maar sprak het niet uit.
-
-„Ze is, dood nietwaar,” zeide mevrouw Dammers, „na eerst hertrouwd te
-zijn. Dat was hier een schrik toen men den dood van uw vader vernam;
-kort er op is zij naar Europa vertrokken. Waarlijk, zij had hier ook
-wel een goed huwelijk kunnen doen. De Edele heer Dammers is mijn derde
-echtgenoot, daarom had zij dus niet behoeven terug te keeren.”
-
-„Ik geloof niet dat mijn moeder toen aan de mogelijkheid van een tweede
-huwelijk gedacht heeft!” sprak Digna met van ingehouden
-verontwaardiging trillende stem, „eerst later toen zij begrepen had hoe
-alleen een weduwe staat en zij mijn stiefvader ontmoette, kwam het
-denkbeeld bij haar op nogmaals te huwen.”
-
-„Och, ge praat naar dat ge verstand hebt. Meent ge dat ik niet weet hoe
-weduwen denken? Ik ben het zelf tweemaal geweest en ik was even
-bedroefd als elk ander, meer misschien nog dan mevrouw Tak, van wie
-niemand naar men zegt een traan heeft gezien, en toch was ik den
-eersten keer na tien maanden en den tweeden keer na zes maanden weer
-getrouwd. Als gij weduwe waart, zoudt gij het zelf ook ondervinden.”
-
-„God beware er mij voor!” zeide Digna oprecht, terwijl de uitdrukking
-van haar lippen genoeg verried hoezeer het gesprek haar mishaagde.
-
-„Wilt ge meer van uw moeder hooren?” vroeg mevrouw Dammers.
-
-„Mag ik u eerst eenige verfrissching aanbieden?” was de beleefde maar
-koele wedervraag.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-EEN VISITE OP BATAVIA.
-
-
-Net gekleede slavinnen dienden de ververschingen rond; zij bestonden
-voor de dames uit thee, limonade en gebak, voor de heeren uit bier
-terwijl ook de goudsche pijpen niet vergeten werden.
-
-Mevrouw Dammers dronk het eene kopje na het andere glaasje leeg en
-verzuimde intusschen niet met afkeurenden blik toe te zien, hoe de
-jonge gastvrouw zelf de behulpzame hand bood om haar gasten te
-bedienen.
-
-„Ge kunt nog slecht met uw slavinnen overweg,” zeide ze na een poos,
-„gij verwent ze, door hen werk uit de handen te nemen. Dat doet men
-hier niet, uw man moest het u afleeren!”
-
-„Ik ben zeer tevreden over haar diensten en mijn echtgenoot ook.”
-
-„Dat wil ik gelooven, die goede Margaretha heeft zich moeite genoeg
-voor hen gegeven. Zij was onverbiddelijk streng voor hen; bij elk klein
-vergrijp liet zij hen de 20 of 30 geven. ’t Is goed dat gij het weet,
-men kan voor een kleinigheid, maar 10 of 12 stuivers, dat door de
-negers van den fiscaal laten doen, dan behoeft men hun gekerm niet aan
-te hooren; dat is zeer gemakkelijk vindt ge niet? Ik heb vandaag mijn
-lijfslavin Tandjoeng nog veertig slagen laten toedeelen, zij had mijn
-mooiste ivoren kam op mijn haar gebroken, en verbeeld u, van middag
-verklaarde zij te ziek te zijn om mij te helpen. Ik liet haar halen en
-zij strompelde naar binnen; maar toen ik haar dreigde dat zij den
-volgenden dag er nog twintig bij kon krijgen, keerde het blaadje om en
-zij hielp mij zoo handig als ooit te voren. Welke van uw slavinnen is
-het laatst aan de beurt geweest?”
-
-„Ik ben niet voornemens lijfstraffen aan mijne bedienden te laten
-uitdeelen.”
-
-„Niet! maar lieve mevrouw! waar denkt u aan? U die zoo pas hier komt
-wil ons de wet voorschrijven?”
-
-„Ik schrijf niemand iets voor, doch in mijn huis heb ik rechten en ik
-wil geene mishandeling gedoogen van arme schepselen, die toch evenals
-ik kinderen zijn van denzelfden Vader in den Hemel.”
-
-Met groote oogen zagen mevrouw en juffrouw Dammers de spreekster aan;
-een domme lach trok de dikke lippen der jonge dame van elkander. Zij
-had nog geen woord gezegd, want zij verstond nauwelijks Hollandsch;
-geheel overgeleverd van jongs af aan slaven en slavinnen, was zij,
-hoewel van zuiver Europeesch bloed, even achterlijk als de kinderen der
-inboorlingen.
-
-„Astaga!” riep zij uit, „begimana Njonja!”
-
-„Kinderen van denzelfden Vader; het mocht wat, die bruine wezens mijn
-broeders. Verbeeld je Hendrika, wat mevrouw zegt, dat Tongkeng en
-Djamoe uw broers zijn, uw soedara!”
-
-Nonna Hendrika grinnikte; de gastheer had eenige klanken van het
-gesprek opgevangen en zag niet zonder bezorgdheid om naar zijn jonge
-vrouw die zoo onverholen voor haar meening uitkwam.
-
-Digna hield met geweld haar gevoel in bedwang en wendde zich toen met
-haar gewone bevalligheid tot de heeren:
-
-„Zijn de heeren bediend? Belieft mijnheer Dammers geen pijp?” vroeg ze
-den jongen baar, die niet rookte.
-
-„Ik vraag verschooning mevrouw, maar ik rook nooit!” antwoordde hij
-opstaande en een diepe buiging makend, zoo onhandig dat hij zijn glas
-bier omver wierp, welk ongeval hij door zijn linksche bewegingen nog
-verergerde.
-
-„O ’t is niets, maak u niet moeilijk,” zeide Digna lachend en boog zich
-om het glas, dat niet gebroken was, uit het zand op te rapen, en hem
-weer in te schenken.
-
-„Digna! roep Sidha!” zeide haar man zacht verwijtend.
-
-„Er is niets bedorven?” sprak Digna vriendelijk, „kan ik u misschien
-genoegen doen met deze gebakjes?”
-
-„Zijn ze niet in olie gebakken?” vroeg hij met een wantrouwende
-uitdrukking.
-
-„Wees gerust!” antwoordde zij glimlachend, „daar is geen olie bij
-gebruikt. Smaakt u het Indische eten wel, mijnheer?”
-
-„Voor zoover er geen olie bijkomt kan ik mij er in schikken.”
-
-„Hij eet niets als koude rijst met boter en suiker!” riep mevrouw
-verontwaardigd, „ik wil hem echter niets anders laten klaar maken, hij
-moet zich maar wennen, aan de wijze, waarop wij allen hier eten van den
-Edelen Heer Generaal af.”
-
-„Ik vrees dat ik wel doodgehongerd zal zijn, voor ik mij gewend heb,”
-zeide de andere droevig, „ik geloof dat ik dien scherpen oliesmaak
-nooit dragelijk zal vinden en sta in dit gevoelen niet alleen. Daar
-hebt gij den Eerwaarden Heer Predikant Valentyn, die toch reeds sinds
-jaren in de Oost is geweest, te Amboina gestaan heeft en nu hier aan de
-Kasteelkerk verbonden is; hij verklaarde mij gisteren nog dat het hem
-onmogelijk was, de op Javaansche wijze toebereide spijzen te nuttigen
-maar u zelf mevrouw, die ook nog sedert kort Europa verlaten hebt, hoe
-gevalt u de Indische tafel?”
-
-„Ge vergeet dat ik een geboren Indische ben,” hernam Digna, „’t is
-echter waar dat ik sinds lang den smaak der Indische keuken vergeten
-ben, ik had er trouwens den tijd toe; maar alles smaakt mij goed. Zoo
-de jonge heer Dammers ons eens het genoegen wil doen onze bescheiden
-tafel te deelen dan hoop ik hem echter het bewijs te leveren dat men
-ook te Batavia de Hollandsche spijzen niet behoeft op te geven.”
-
-„Koerang adjar!” [18] mompelde mevrouw Dammers haar dochter in ’t oor.
-
-„Betoel,” [19] bevestigde de jonge juffrouw.
-
-„Mevrouw, de eer, het genoegen zullen aan mij zijn,” riep de jonge man
-verrukt uit.
-
-„Ge spraakt daar over den Eerwaarden Heer Valentyn, neef,” zeide de
-oude Heer Dammers, „maar gij hebt daar ook juist een voorbeeld
-opgenoemd dat niet verdient nagevolgd te worden. Die Eerwaarde Heer,
-verheugt zich in geen sterke gezondheid en maakt zijn ziekelijken
-toestand nog erger door zich allerlei kwalen in te beelden en die toe
-te schrijven aan de levenswijze alhier.”
-
-„Met uw verlof, Edele Heer!” sprak Digna, „maar ik voor mij geloof dat
-de Europeanen hier over het algemeen veel gezonder zouden zijn, indien
-zij hun levenswijze en kleeding schikten naar de eischen van het
-klimaat.”
-
-„Bijvoorbeeld, zooals u het doet, jong mevrouwtje! Wel zeker, ik zou
-ieder raden, die zijn hoofd zag vergrijzen in Oost-Indië, uw raad te
-volgen, die u zoo welwillend mededeelt,” beet mevrouw Dammers haar
-spottend toe, „u weet alles veel beter schijnt het dan wij, die reeds
-over de 20 jaar op Batavia wonen.”
-
-„Vergeef mij mevrouw, het was mijn bedoeling niet u mijn zienswijze op
-te dringen,” hernam mevrouw Voorneman altijd even beleefd, „mag ik de
-jonge juffrouw nog een kopje thee schenken?”
-
-„Dank u, lust niet,” was het antwoord.
-
-„Nicht Hendrika brandt uw tong nog?” vroeg de jonge heer die zich nu
-bij de dames voegde, daar hij voor de lieve gastvrouw een sympathie
-voelde, welke hem tot nu toe in dit land vreemd was gebleven.
-
-„Wat?” vroeg zijn nicht.
-
-„Ik vraag u of uw tong nog brandt van dien duivelschen kost, welke u
-mij straks heeft doen proeven. Ik voor mij, mijn lippen gloeien nog
-telkens.”
-
-De jonge juffer barstte in een ongemanierd gelach uit en haar neef ging
-voort nu tot Digna gericht:
-
-„Verbeeld u mevrouw, zij bood mij straks iets aan dat zij vruchten in
-gelei noemde en recht smakelijk met de vingers aan haar mond bracht. Ik
-hapte toe en ô foei! Het was of mijn verhemelte en tong in lichte laaie
-stonden.”
-
-Nonna Hendrika bleef het uitgieren. „’t Was roedjak [20]!” klonk het
-alleen tusschen de lachbuien door.
-
-De beide heeren hadden intusschen hun gesprek over politiek hervat, zij
-bespraken de kansen op een nieuwen Java-oorlog, die nu hoe langer hoe
-waarschijnlijker werden.
-
-De oude, versufte Soesoehoenan Hamangkoe-Rat was overleden tot groote
-vreugde van zijn oudsten zoon en erfgenaam Adipati Anoem, die reeds
-tijdens het leven van den ouden keizer zich als zijn opvolger had doen
-erkennen. De Rijksgrooten bogen voor het geweld, maar zagen toch met
-leede oogen den wreeden, wellustigen prins den troon zijns vaders
-innemen; met beide handen grepen zij het voorwendsel aan, dat hij
-volgens de adats (wetten of gewoonten) van de regeering uitgesloten
-moest zijn, omdat hij kreupel was.
-
-Ook de Compagnie was niet ingenomen met den nieuwen keizer, die van
-zijn haat tegen de Hollanders geen geheim maakte en van verlangen
-brandde hen allen te verdelgen of ten minste uit Java te verdrijven;
-van hem kon de Compagnie het allerminst verwachten dat hij een einde
-zou maken aan de gespannen verhouding, die sinds den moord op kapitein
-Tak, dus sinds 1686, tusschen Karta-Soera en Batavia heerschte. Nog
-altijd was de schuld van 1200000 rijksdaalders niet vereffend; in de
-brieven, welke hij naar Batavia zond, repte hij geen woord over deze
-schuld.
-
-Het verzet in Karta-Soera werd echter hoe langer hoe heviger, totdat
-eindelijk ’s keizers oom Pangeran Poeger, na een vernederende straf hem
-door zijn neef opgelegd, naar Samarang vluchtte om de bescherming der
-Compagnie in te roepen; deze zag nu de kans schoon om invloed te
-verkrijgen aan het Mataramsche hof.
-
-Daar er van den nieuwen keizer, Soenan Mas genaamd, niets voor haar te
-hopen viel, verklaarde zij hem niet te erkennen maar in zijn plaats
-zijn oom te huldigen rondom wien zich dadelijk de voornaamste
-rijksgrooten vereenigden en die nu onder den naam van Pakoe Boewana als
-keizer optrad; hij beloofde geheele onderwerping en onbegrensde
-dankbaarheid aan de Hollanders, die nu, zoodra hij op den troon
-geplaatst zou zijn, begrepen een gewillig werktuig ter bereiking hunner
-plannen in de hand te hebben.
-
-Maar nog heerschte Soenan Mas in werkelijkheid hoewel hij zijn toestand
-gevaarlijk scheen te achten want zijn houding tegenover de Compagnie
-veranderde geheel; even trotsch en aanmatigend als zij vroeger geweest
-was, zoo kruipend en onderdanig werd zij thans. Hij deed de
-buitensporigste beloften wanneer men hem slechts erkennen wilde en zijn
-oom aan hem uitleverde. Al zijn pogingen waren vergeefsch; zijn
-toestand werd steeds hachelijker, zelfs de gezanten, die hij aan de
-Compagnie toezond, onderwierpen zich aan Pakoe Boewana en keerden met
-verraad in het hart naar hem terug.
-
-De Compagnie had nu eindelijk besloten om door kracht van wapenen den
-afgezetten keizer te bestrijden; onlangs waren er nieuwe strijdkrachten
-uit Europa aangekomen, weldra zouden zij Batavia verlaten om naar
-Karta-Soera op te rukken. Deze oorlog kon der Compagnie een geduchte
-nieuwe macht verzekeren zoo zij tot een goed einde werd gebracht.
-
-„En toch,” sprak de heer Voorneman, „zal er niets gewonnen zijn,
-zoolang daar in den Oosthoek, die Balineesche slaaf den scepter zwaait.
-Hij is meer te vreezen dan de Mataramsche prinsen in hun verwijfdheid
-weggezonken.”
-
-„Maar ook tegen hem zullen wij onze krachten laten oprukken en dan zal
-evenmin de steun der Javanen ons ontbreken, want Soerapati of, zooals
-hij zich thans noemt, Radhen Adipati Wiro Negoro is de bitterste vijand
-van Mataram.”
-
-„Gelooft ge dat waarlijk, vriend? Er is zoo weinig op de vijandschap of
-vriendschap dier menschen te bouwen; men zegt dat Soenan Mas zijn hulp
-en bescherming zal inroepen, zóó wij voortgaan de ooren te sluiten voor
-zijn overdreven aanbiedingen; als dat zoo is, dan zal het tegen dien
-geduchten vijand zijn dat wij moeten strijden, des te meer geducht daar
-hij kennis heeft van onze toestanden en onze wapenen.”
-
-„Spreekt ge van Soerapati?” vroeg mevrouw Voorneman zich in het gesprek
-mengend, waarschijnlijk omdat het haar verveelde naar hare bezoeksters
-te luisteren, „is dat dezelfde, die oorzaak was van den wreeden dood
-mijns vaders?”
-
-„Juist mijn lieve! Die man was eenmaal slaaf hier op Batavia, men zegt
-dat hij wegens een liefdesgeschiedenis met een Hollandsch meisje, in de
-gevangenis opgesloten, wist te ontkomen en later naar Karta-Soera
-vluchtte; daar wilde de valsche keizer of zijn rijksbestuurders hem
-gebruiken om de soldaten der Compagnie te vermoorden. De zaak zal
-altijd duister blijven. Uw vader, de buitengewone gezant der Compagnie,
-werd op den dag zijner aankomst gedood, door de Balineesche schelmen en
-nog is die hoon niet gewroken; de booswicht ontkwam en vestigde zich in
-Oost-Java, waar hij thans de opperheerschappij voert en zich
-koninklijke eer laat bewijzen. Zelfs het onafhankelijke rijk aan
-Balembangan is hem onderworpen; alle vijanden der Hollanders vinden bij
-hem een schuilplaats, geheele gewesten van Mataram behooren hem toe,
-daar hij ze veroverde en den keizer de macht ontbreekt zich te
-verzetten.”
-
-„En moet die toestand nog langer voortduren? Is het geen schande dat de
-machtige Compagnie zich laat weerstreven door een ontvluchten slaaf,
-dat zij bijna twintig jaar ziet verloopen voor zij den hoon haar
-aangedaan wreekt? Ik was een kind van nauwelijks anderhalf jaar toen
-mijn vader stierf, nu ben ik reeds echtgenoot en nog gaat zijn
-moordenaar voort de Compagnie te tarten.”
-
-De zachte, vriendelijke oogen van Digna flikkerden van
-verontwaardiging. De dames zagen elkander veelbeteekenend aan, de oogen
-van den neef rustten vol bewondering op haar schoon door de ontroering
-hooger gekleurd gelaat. Haar echtgenoot glimlachte en de Edele Heer
-Dammers haalde de schouders op.
-
-„Die gevoelens doen uw kinderhart eer aan, mevrouw,” zoo sprak hij een
-weinig spottend, „maar de Compagnie is niet almachtig, vooral in de
-laatste jaren heeft zij genoeg moeten voelen hoe ook haar macht grenzen
-heeft. Toen uw hooggeachte vader, dien ik het voorrecht had van zeer
-nabij te kennen, vermoord werd, was de Gouverneur-Generaal Speelman
-juist overleden en had een schromelijke verwarring in de zaken van het
-Bestuur achtergelaten, een verwarring waarvan wij nu nog de gevolgen
-dragen. Ik voor mij geloof dat de Compagnie een langzaam verval
-tegemoet gaat; voor het oogenblik zal zij waarschijnlijk over de
-noodige kracht beschikken om geen nederlaag te lijden bij den oorlog,
-dien zij tegen Soenan Mas gaat ondernemen; om Soerapati echter aan te
-vallen, heeft zij den steun der Javaansche opperhoofden noodig. Bedenk
-mevrouw, hoe onberekenbaar veel schade haar een ongelukkige veldtocht
-in de oogen der Javanen moet berokkenen. Mag daaraan nu niet het zeer
-wettige verlangen naar wraak worden opgeofferd? ’t Is voor alles
-noodig, dat wij hun verschijnen als een verhevener soort menschen, hun
-geboren meesters, als onoverwinbare strijders.”
-
-„En om dat doel te bereiken, nemen wij hun schatten aan, maken gebruik
-van hun twisten ten einde hen onder onze macht te doen buigen, maar hen
-te leeren ons te achten als een waarlijk goed en grootmoedig volk,
-daaraan denkt gij niet. Ik beklaag er mij over dat mijns vaders dood
-niet gewroken is, waarom dan zoo het wreken u te zwaar valt, geen
-gebruik gemaakt van het goddelijk recht der vergeving? Waarom maken wij
-misbruik van hun ondeugden om ons zelf rijker en machtiger te maken,
-waarom... maar het past mij jonge onervaren vrouw niet, mannen van
-beproefde ondervinding, verwijten te doen. Gij kunt er ook niets aan
-veranderen, ik zou het echter zooveel edeler en christelijker vinden
-wanneer de Hollanders in plaats van voor alles aan hun macht en rijkdom
-te denken, eens begrepen hoe droevig de toestand dier arme menschen is,
-en hoe het onze plicht is nu wij reeds zulk een groot gedeelte van hun
-land in het bezit hebben, den Javanen in ruil daarvoor de hoogere
-schatten te geven, welke wij bezitten, onze beschaving, onzen
-godsdienst.”
-
-„Gij zijt de nicht van den Heer Opperlandvoogd,” zeide mevrouw Dammers
-minachtend, „waarom ontvouwt gij aan Zijn Edelheid uw denkbeelden niet,
-die in den mond van een predikant beter passen dan in den uwe? Och, wat
-zou mijn goede Margaretha zeggen als zij u hoorde?”
-
-„Vergeef me, mevrouw!” zei de Digna bedaarder, „ik ben onbescheiden
-geweest, naar ik vrees, maar deze gedachten komen zoo dikwijls in mijn
-geest op dat zij als vanzelf mijn mond ontsnappen. Mag ik u nog een
-kopje thee aanbieden?”
-
-„Het zal tijd worden op te staan en naar huis terug te keeren,” zeide
-mevrouw Dammers. „’t Is geheel donker geworden.”
-
-Weinige oogenblikken later reed de koets, voorafgegaan door flambouwen,
-het erf van Voorneman af en de gastheer ging in de rijk met verguldsel
-en snijwerk versierde zaal zijner woning, ten prooi aan een hevige
-gemoedsbeweging op en neder.
-
-Digna bracht haar stiefzoontje naar bed; toen het knaapje rustig sliep,
-keerde zij naar haar echtgenoot terug, die met blijkbaar ongeduld op
-haar wachtte. Hij kwam haar te gemoet, zij nam zijn beide handen in de
-hare en zag hem vertrouwelijk aan.
-
-„Het spijt mij Markus,” sprak zij, „ik ben zeer onbedachtzaam geweest,
-heb ik groot kwaad gedaan?”
-
-Hij drukte haar handen aan zijn lippen en antwoordde met gedempte stem:
-
-„Gij zijt een dweepster, Digna, een lieve, heldhaftige dweepster. ’t Is
-uw schuld niet mijn arm kind, maar van uw omgeving, dat gij in haar
-midden niet past. O ware ik twintig jaar jonger en had u dan leeren
-kennen, welk een man hadt gij van mij gemaakt.”
-
-Diep zuchtend liet hij zich in een der gebeeldhouwde leuningstoelen
-vallen zonder haar handen los te laten; zij bleef naast hem staan,
-vriendelijk en zacht als altijd.
-
-„Gij moet mij leeren hoe mij in gezelschap dier dames te gedragen. Ze
-spreken een taal die ik niet versta. Veel liever luister ik naar de
-gesprekken der mannen, die zijn mij begrijpelijker. Verbeeld u Markus,
-dat die vrouw mij den raad gaf mijn slaven te laten geeselen zelfs als
-zij onschuldig waren om mijn gezag te handhaven, daar ik nog zoo jong
-was. En een andere vraag deed ze mij, die ik nog veel minder begrijp.
-Ze vroeg of ik met het schip dat eerstdaags naar Japan vertrekt niets
-mee gaf aan den onderstuurman; zij had reeds tien kisten klaar staan.
-Ik zag haar onnoozel aan en vroeg wat er met die kisten gedaan moest
-worden; zij gilde het uit van lachen, en antwoordde: „Wel natuurlijk,
-die worden daar verkocht,” en toen ik opmerkte: „Maar de dienaren der
-Compagnie mogen geen handel drijven,” lachte zij nog harder en hernam:
-„Wie zal ’t hun durven beletten want wee, als iemand het waagde hun te
-betrappen. Wij staan te hoog dan dat een ondergeschikt ambtenaar ons
-zou aanklagen, zij sluiten hun oogen!” Ik wilde er niets meer van
-hooren, maar is dat waar Markus, bestaat hier zulk een geheime handel,
-dan behoeft men ook niet te vragen, waarom die schijnbaar zoo machtige
-Compagnie inderdaad zoo zwak is; dan komen de schatten enkelen personen
-ten goede en niet het Vaderland. Kan de justitie daar niets tegen doen,
-Markus?”
-
-Hij keerde den blik af en boog het hoofd, aarzelend hernam hij:
-
-„Het kwaad is te algemeen, te diep ingeworteld, men kan het niet meer
-tegen gaan.”
-
-„Van welken stand is mevrouw Dammers eigenlijk Markus,” vroeg Digna,
-die instinctmatig voelde, dat zij hier een onderwerp aanroerde dat haar
-man pijnlijk viel; „me dunkt zij moet in Holland niet tot de
-patricische familiën behoord hebben.”
-
-„Zeer patricisch inderdaad!” antwoordde hij spottend, „haar moeder had
-een groentekelder in Leiden, en toen zij met haar eersten man naar Java
-vertrok, zegt men dat hij ginds wegens diefstal in de gevangenis had
-gezeten. Hij was hier timmerman, doch zij werden spoedig rijk, vraag
-liever niet hoe, en toen hij stierf vond zij een veel aanzienlijker
-echtgenoot, zoodat niemand het mijn vriend Dammers kwalijk nam toen hij
-haar derde man werd. Maar wilt gij vrede hebben, mijn liefste vrouw,
-neem de menschen en de zaken zooals zij hier zijn. Luister toe en
-spreek met mij over uw bezwaren, doch verkwist uw schoone gedachten
-niet aan menschen die niet waard zijn ze aan te hooren, die er
-misschien verkeerde gevolgtrekkingen uit maken, welke te eer geloof
-zullen vinden omdat men u benijdt om uw schoonheid, uw jeugd, uw
-verstand en ontwikkeling!”
-
-„Ik zal uw raad opvolgen, beste man! En zeg mij steeds openhartig
-wanneer ik iets miszegd heb. Ik ben nog zoo jong en onervaren!”
-
-„Ge zijt mijn grootste, mijn dierbaarste schat, het licht mijner oogen,
-de vreugd mijner ziel, o waarom ben ik geen jonge, krachtige man, in
-plaats van een afgeleefde, zieke grijsaard!” riep hij plotseling uit en
-strekte hartstochtelijk de armen uit naar zijn vrouw, die verrast, meer
-door den klank zijner stem dan door die beweging achteruit ging.
-
-„Ge ontwijkt mij!” zeide hij op moedeloozen toon en zakte toen in zijn
-stoel terug, „’t is waar, ge hebt mij lief misschien, als een vader
-echter doch niet als een echtgenoot. Er is een ander wiens herinnering
-leeft in uw hart en dien gij niet vergeten kunt.”
-
-„Spreek zoo niet Markus!” zeide Digna met neergeslagen oogen, „hij is
-dood voor mij, misschien behoort hij ook werkelijk niet meer tot de
-levenden. In elk geval ik heb u trouw en liefde beloofd, en met Gods
-hulp zal ik die belofte vervullen en slechts leven voor u en voor ons
-kind!”
-
-„Ik weet het Digna, ik weet het! Gij zijt een voorbeeldige echtgenoot,
-een zorgvuldige moeder; ik dank God dat Hij u aan mij schonk, dwaas ben
-ik meer te verlangen, hoe kan ik van u de liefde verwachten, die gij
-eenmaal uw jongen vriend in zoo ruime mate geschonken hebt, maar o ge
-weet niet hoe ik u heb lief gekregen....”
-
-„Gij hebt mij voor ons huwelijk slechts gesproken van vriendschap en
-genegenheid en ik beloofde u beide op mijn beurt daar ik geen liefde
-meer weg te geven had. Die heeft de ander medegenomen. God alleen weet
-waarheen!”
-
-Haar woorden eindigden in een snik, hij hoorde het en preste de handen
-op zijn hart als wilde hij met geweld een duldelooze pijn onderdrukken.
-
-„Vergeef mij,” bad zij en knielde naast hem neer, haar lief, onschuldig
-gelaat smeekend naar hem opheffend, „’t is mijn schuld niet; ik heb u
-niet bedrogen, ik tracht mijn plicht te doen en hem te vergeten. Niet
-ik begon dit voor ons beiden zoo smartelijk onderhoud.”
-
-„Ik doe u geen verwijten Digna, ’t is alles mijn schuld. Ik heb u meer
-of minder beloofd dan ik geven kon, maar ik was geen meester van mijn
-hart. Eerst na ons huwelijk begon mijn kalme vriendschap voor u over te
-gaan in een liefde zoo vurig en hartstochtelijk dat zij belachelijk
-schijnt voor mijn grijze haren. Nooit eerder wist ik wat het beteekende
-een edele, reine vrouw te beminnen, een vrouw, die den dampkring
-zuivert, waarin zij ademt, een vrouw, die ons liefde afdwingt en
-tegelijk ook achting, die met ons denkt, leeft en voelt, die van haar
-huis een heiligdom maakt, waarin alle deugden geëerd en beoefend
-worden. Die vrouw hebt gij mij leeren begrijpen. Helaas! Digna! te
-laat! Ik ben wel krankzinnig om u over mijn gevoel te spreken, wellicht
-verstoor ik uw kalmte en rust, de gaven, waarvoor gij mij ’t
-dankbaarste zijt en die de eenige zijn, welke ik u geven kon. Ik had
-mijn geheim naar het graf willen meenemen, waarvan ik misschien nog zoo
-kort verwijderd ben.”
-
-Met tranen in de oogen zag Digna hem aan; diep medelijden, innige
-toegenegenheid las hij in dien blik, meer niet; zij hield haar handen
-gevouwen op de leuning van den stoel, maar stak ze niet uit om hem te
-liefkoozen. Hij streek zich over het gelaat, zuchtte diep en stond toen
-op.
-
-„Ga even rusten, lieveling!” zeide hij, haar opheffend en een lichten
-kus op haar voorhoofd drukkend, „tracht te vergeten wat ik u gezegd heb
-en laat alles weer zijn zooals vroeger.”
-
-„Zooals vroeger!” herhaalde Digna bij zich zelf, toen zij alleen was,
-„hoe zal dat ooit geschieden? Ik voelde mij zoo rustig, zoo kalm onder
-zijne bescherming, zal ik ’t nog steeds zijn wanneer ik weet dat hij
-bitter lijdt en ik mijn goede man niet schenken kan, wat hem troost?”
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-IN DEN MANESCHIJN.
-
-
-Batavia schitterde in de heerlijke, zachte stralen der maan, die den
-grond als met kantwerk overdekte, die de schaduw van het gebladerte, en
-de wateren der rivier en der grachten omtooverde in vloeibaar zilver;
-alles wat bij dag in de Oostersche stad het oog kwetsen kon, verdween
-nu in den geheimzinnigen gloed, die zich uitspreidde over huizen en
-krotten, over den vaak onhebbelijken toestel der kramen, en passers,
-over de onfrissche uitwasemingen der grachten, over de havelooze
-mannen, vrouwen en kinderen, van allerlei landaard, die de straten en
-kaden vulden.
-
-Eenige booten en gondels dreven door de grachten, een hunner was
-grooter dan de andere, fraai van vorm en bevatte vroolijk en zelfs hoog
-gezelschap, de Opperlandvoogd Johan van Hoorn met zijn vrouw en
-dochter, benevens zijn nicht de jonge mevrouw Voorneman, haar
-echtgenoot en nog eenigen der voornaamste ingezetenen hadden daar
-plaats in genomen. Achter hen voer een schuit gevuld met slaven, die
-muziek maakten en het vroolijke gelach overstemde, dat in de verte
-ruimschoots weerklonk.
-
-„Zijn Edelheid wordt weer jong!” sprak een heer in een der andere
-booten, waarin o. a. ook de Directeur-Generaal zit.
-
-„En geen wonder!” zeide dit hooge personage op eenigszins
-verachtelijken toon, „als men zoo omringd wordt door jeugd; alles is
-jong rondom onzen Opperlandvoogd, zijne tweede gemalin, de gewezen
-mevrouw van Riebeek, de jonge juffer van Hoorn en zijn nicht, zonder
-welke geen feest volmaakt is, en die bijna dagelijks op het kasteel
-komt.”
-
-„Voorneman schijnt nu gelukkiger in zijn keuze te wezen dan den eersten
-keer. Mevrouw Margaretha was even leelijk en lomp als zijne
-tegenwoordige vrouw schoon en slank is.”
-
-„Maar ook haar tong is spits en scherp. Voorneman heeft toe te zien dat
-zij hem geen nadeel toebrenge!”
-
-Op een der grachten zat een groepje heeren en dames, voor de deur eener
-aanzienlijke woning.
-
-„Zulke tochtjes heeft Zijn Edelheid ook niet veel in zijn leven
-gedaan,” zeide een dame zeer spijtig.
-
-„Zij schijnen in den smaak zijner nicht te vallen, die anders voor
-alles hier op Batavia haar neusje optrekt. Geen wonder dat de
-liefhebbende oom haar dit genoegen gunt.”
-
-„Men zegt dat zij een onverdragelijke nuf is.”
-
-„Meer dan dat, zij is een geleerde vrouw. Ik heb van mevrouw Dammers
-gehoord op welke onbeleefde wijze zij haar eens in Voornelust ontving.
-Zij verkiest verreweg het gezelschap der mannen boven dat der vrouwen;
-zij luistert niet naar ons, maar mengt zich het liefst in het gesprek
-der heeren.”
-
-„Dan kan de arme heer Voorneman er nog veel verdriet van beleven, want
-zulke zusjes zijn niet te vertrouwen.”
-
-„Zij wil ons de wet voorschrijven, dat jonge, dwaze kind!”
-
-Intusschen vermoedde het voorwerp van zooveel ergernis niets van de
-vijandige gezindheid, welke zij opwekte. Zij vermaakte zich uitstekend,
-de frissche avond met de ongeëvenaarde pracht van een tropischen
-maneschijn, de beurtelings droevige dan vroolijke muziek, de geuren der
-bloemen, waarmede zij zelf en de andere dames zich getooid hadden en
-die de minder zoete miasmen der grachten verdreven, brachten haar in
-een wonderbaar weeke stemming; zij drong zich dicht bij haar echtgenoot
-aan en drukte zijn hand met een hartelijkheid, welke zijn geheele wezen
-met een ongekend zalig gevoel doortrilde.
-
-„Och Markus,” fluisterde zij, „wat kan het leven toch nog zoet en
-schoon zijn.”
-
-De Gouverneur-Generaal, zijn vrouw en dochter hadden hun nichtje recht
-lief gekregen; haar fijne vormen en geestige scherts deden hun eerst
-recht begrijpen hoe zij tot dusver hiervan verstoken waren geweest, en
-werden daarom door hen des te hooger geschat.
-
-Voor mevrouw van Hoorn had Digna haar hart uitgestort, hoe zij in
-Holland eens had bemind en hoe geheimzinnig haar geliefde haar verlaten
-had nadat zijn leven onverwachts een treurige wending nam; hoe zij na
-den dood harer moeder met haar stiefvader dien zij niet lijden mocht,
-eenzaam achterbleef en dus de hand van den weduwnaar Voorneman, die tot
-herstel zijner geschokte gezondheid een jaar in Holland doorbracht,
-aannam, daar zij in hem een vaderlijken vriend vereerde en hoe zij zich
-nu tevreden en kalm voelde in de vervulling harer plichten; maar wat
-zij verzweeg en waaraan zij zelf zoo weinig mogelijk trachtte te denken
-dat was Voorneman’s bekentenis. Nu echter scheen het of het bewustzijn
-dat hij haar zoo vurig liefhad, haar vleide en niet onaangenaam was.
-Zou waarlijk de vergetelheid komen?
-
-Men was uit de Leeuwinnegracht in de Tijgergracht gekomen en voer nu
-den binnenwal te gemoet, toen plotseling niet ver van het
-Stadhuisplein, een groepje menschen het water naderde; er scheen heftig
-gevloekt en gescholden te worden zonder dat iemand vermoedde hoe dicht
-de alom gevierde en geëerbiedigde Onderkoning in de nabijheid was; het
-rumoer werd nog heviger, er werd blijkbaar gevochten, het regende
-slagen en woeste verwenschingen, daar klonk een doffe slag in het
-water, een ondragelijke lucht steeg uit het moeras, dat door den zwaren
-val in beroering kwam.
-
-Een tweede slag volgde; en zwemmend trachten nu twee mannen, waarvan de
-een den ander droeg, den oever te bereiken, maar het water was te laag;
-het volk dat de vechters uit nieuwsgierigheid gevolgd was, stond
-werkeloos toe te zien, niemand stak een hand uit.
-
-„Moet er niet geholpen worden,” riep Digna doodsbleek en bevend van
-ontsteltenis uit.
-
-„Ik geloof niet, dat er veel aan verloren zou zijn, schoone nicht, maar
-ge hebt gelijk, wij moeten hen helpen,” sprak de Gouverneur.
-
-En hij beval de roeiers met een paar flinke riemslagen den zwemmer te
-bereiken; deze de beweging der boot ziende, kwam hen reeds te gemoet,
-hij bezweek schier onder den last, waarmede hij bezwaard was, want in
-de heldere manestralen scheen deze groot en breed, terwijl de redder
-een tengere, slanke knaap was; met de eene hand greep hij de riem,
-welke de roeiers hem toestaken, met de andere trachtte hij nog zoo goed
-hij kon den drenkeling op te houden.
-
-Juist zou hij uitgeput door vermoeienis zijn vracht loslaten toen een
-der slaven in het water sprong en hem van zijn last onthief.
-
-„Het zijn twee dronken soldaten, Excellentie!” zeide een der twee
-hellebaardiers zonder welke de Opperlandvoogd zich nooit naar buiten
-begaf, „waar moet men ze laten?”
-
-„Men neme ze voorloopig in onze boot, schrijve hun namen op en laat ze
-bij de eerste aanlegplaats uit,” beval de Oppergebieder.
-
-Weldra had men de beide druipnatte mannen vóór ingenomen. De
-drenkeling, die nog steeds bewusteloos was, lag op den bodem, de andere
-stond recht op, in ellendigen toestand met drijvende kleederen, en
-doornatte haren.
-
-„Hoe komt die man in het water?”
-
-„Ik heb er hem in geworpen, Uw Edelheid!”
-
-„En gij reddet hem!”
-
-„’t Was mijn bedoeling niet hem als een hond voor mijn oogen te laten
-verdrinken; hij wilde mij aanvallen en ik heb mij verdedigd. Dat hij
-zwak op zijn beenen stond is mijn schuld niet en nu niemand hem wilde
-redden, moest ik ’t wel doen.”
-
-„Hoe is uw naam?”
-
-„Men noemt mij Walter.”
-
-„En verder?”
-
-„Niets meer!”
-
-„En hoe heet uw kameraad?”
-
-„Hij is bekend onder den naam van Dikkop, zelf noemt hij zich markgraaf
-of baron von Schweinhausen of Schweinsmarken, ik geloof echter dat hij
-opgeteekend staat onder dien van Kraus.”
-
-„’t Is genoeg! Laat hen uit, bij gindsche brug, hellebaardier!
-Waarschuw de naaste wacht; beide mannen moeten ondervraagd worden naar
-de oorzaak van hunnen twist; de eene kan dan zijn roes uitslapen.”
-
-„Scheelt u iets, mijn lieve?” vroeg heer Voorneman zijn jonge vrouw,
-die bleek en rillend achterover leunde.
-
-„Niets, Markus, niets! de schrik!” antwoordde zij met haar handen het
-gelaat bedekkende, als ware zij bevreesd een treurig schouwspel te
-zien.
-
-De soldaat zag met brandende oogen de dames aan, zijn lippen waren vast
-op elkander geklemd, zijn handen hield hij gebald.
-
-„Zijn we aangekomen? Ik pas niet in dit hooge gezelschap,” fluisterde
-hij den hellebaardier toe.
-
-„Ge hebt gelijk,” antwoordde deze spottend, „uw toilet is niet van dien
-aard om door groote dames bewonderd te worden.”
-
-Juist kwam een wacht langs, die de beide mannen met zich mee nam; de
-eene, die nog steeds bewusteloos was hetzij door zijn roes, hetzij door
-zijn val, werd gedragen, de andere volgde met trotsche, brandende oogen
-om zich heen ziende.
-
-De Gouverneur-Generaal gaf intusschen bevel naar het kasteel terug te
-roeien, daar het tijd ging worden voor het avondgebed.
-
-De vroolijkheid was nu toch verdwenen, want de ziel van het gezelschap
-de jonge, lieve mevrouw Voorneman was zoo stil en in zich zelf gekeerd
-geworden na het ongeval, dat ieder zich verwonderde over haar
-gevoeligheid.
-
-Digna kwam t’huis en bleef nog altijd even afgetrokken, op alle
-vriendelijke vragen van haar man gaf zij ontwijkende antwoorden; geen
-slaap kwam dien nacht haar verkwikken, en den volgenden morgen
-verrieden zwarte kringen om haar oogen, hoe slapeloosheid haar gekweld
-had.
-
-„Lieve, ik maak mij zoo ongerust over u!” sprak Markus, die zich gereed
-maakte naar zijn werk te gaan.
-
-„Er is geen reden voor, Markus!” antwoordde zij vriendelijk maar nog
-altijd even neerslachtig, „ik zal zoo dadelijk met de les van Albert
-beginnen, en hoop u straks weer flink en vroolijk te gemoet te komen.”
-
-„Wanneer er iets is dat u hindert, weet ge toch dat ik uw meest
-vertrouwde vriend ben,” zeide hij min of meer aarzelend.
-
-„Ik ben van niets meer overtuigd, beste man,” en zij wierp zich aan
-zijn borst als een arm gejaagd vogeltje dat een toevlucht zoekt tegen
-den dreigenden havik.
-
-Hij kuste haar teeder, streelde zijn jonkske en stapte in de koets, die
-voor het bordes wachtte.
-
-Nauwelijks was hij alleen, of Digna wierp zich in een der
-leuningstoelen neer en barstte in tranen los.
-
-„Eindelijk, eindelijk!” snikte zij, „kan ik vrij uitweenen. Den
-geheelen nacht moest ik mij bedwingen om hem niet te wekken mijn armen,
-goeden man! O God! waarom moest ik hem nu weer ontmoeten. Heb ik mijn
-rust en vrede dan niet duur genoeg gekocht? Wat is er van hem geworden,
-sinds we elkaar het laatst zagen? En hij heeft mij ook herkend aan de
-zijde van een ander! Vader in den Hemel, sta me bij! Laat me niet zwak
-zijn! Zelfs door geen gedachte wil ik mijn man beleedigen; alles wat ik
-nu denk of wensch ten opzichte van Robert is zonde, dat mag ik niet
-vergeten! Kon ik Markus maar alles vertrouwen, maar hij ziet er nu
-zwakker uit dan ooit, en nu ik weet wat hij voor mij gevoelt, zou het
-wreed zijn hem iets te zeggen. En wat moet ik hem bekennen? Dat die
-verloopen soldaat, de vriend mijner jeugd is, en dat ik het nog niet
-laten kan aan hem te denken, dag en nacht. Heer! Geef mij kracht om
-zelfs over mijn gedachten te heerschen!”
-
-„Moeder, mag ik binnenkomen?”
-
-Digna sprong op, wischte zich de tranen van de wangen en zich
-omkeerend, antwoordde zij:
-
-„Haal uw boeken maar, lieve Albert! Wij zullen dadelijk met de lessen
-een aanvang nemen!”
-
-Het knaapje huppelde weg, en zijn moeder deed haar uiterste best om tot
-zich zelf te komen, voor dat hij terugkeerde.
-
-Met een kloeke poging om weer zich zelf te zijn, ging zij aan haar
-gewone werk, onderwees haar zoontje, regelde het werk der slaven en
-slavinnen, maakte met eigen handen een lievelingsspijs voor haar man
-klaar en had de voldoening toen hij t’huis kwam hem met een vroolijk
-gelaat te kunnen ontvangen.
-
-’t Was of Markus Voorneman weer opleefde, toen hij den glimlach, die de
-zonneschijn van zijn leven was, weer op haar lippen ontdekte; en ook
-Digna voelde zich sterker nu zij krachtig tegen haar droeve
-herinneringen gestreden had. Al kon zij de gedachte aan Robert nog niet
-geheel verdrijven, zij was toch al eenigszins meer naar den achtergrond
-gedrongen; het gebeurde van den vorigen avond kwelde haar nog bijna
-alleen als de heugenis aan een boozen droom.
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-JOHAN VAN HOORN.
-
-
-Wanneer men de zes treden opgaat, van het bordes, dat zich vóór het
-zoogenaamde paleis van den Opperlandvoogd bevindt, komt men voor de met
-groote spijkerkoppen voorziene poort te staan, waarnaast in twee nissen
-de beelden van een musketier en piekenier de wacht schijnen te houden.
-
-Boven deze poort is het gewone merk der Vereenigde Oost-Indische
-Compagnie aangebracht, een ineengeslingerde V.O.C. omringd door den
-naam van den bouwmeester Cornelis van der Lijn en het jaartal MDCXLVII.
-Treedt men deze poort binnen dan komt men in een groote zaal waarvan de
-wanden met pieken en musketten behangen zijn, en die trotsch de
-vaandels op den vijand veroverd, ten toon stellen. De meubels zijn
-anders niet overvloedig, een tafel, een stoel en eenige banken, en een
-slaande klok, het eenige openbare uurwerk der stad, dat er op ingericht
-is de uren ook naar buiten aan te wijzen; op de banken neemt ’s avonds
-de bezetting van het kasteel plaats als de predikant het gebed doet.
-
-Recht tegenover den ingang bij een groote deur houden twee levende
-hellebaardiers de wacht; deze deur geeft toegang tot een reeks van
-galerijen en open plaatsen en tot de vergaderzaal der Raden van Indië,
-waarin de portretten hangen van alle Opperhoofden, die over Ned.-Indië
-geheerscht hebben.
-
-Rechts van de groote voorzaal bevindt zich het kabinet van den
-Gouverneur-Generaal, waarin hij, hoewel het nog vrij vroeg in den
-morgen is, zich reeds ingespannen met schrijven bezighoudt.
-
-Johan van Hoorn, was thans in zijn 53ste jaar en voor iemand, die zijn
-geheele leven bijna in Indië had doorgebracht en wiens lokken geheel
-vergrijsd waren, nog zeer goed van uitzicht; zijn magere gestalte
-scheen langer dan zij inderdaad was, hoewel hij in de laatste jaren
-door het voorover zitten een weinig gebogen liep; een vriendelijke
-uitdrukking lag over zijn gelaat verspreid. Meestal begroette hij ieder
-die hem bezocht met een vroolijken lach, en inderdaad hij had wel reden
-te lachen, het zware ambt van Gouverneur-Generaal viel hem licht; hij
-had geen tegenstand van den Raad van Indië te vreezen zooals zijn
-voorganger, de heer Camphuys; hij had een jonge, mooie vrouw, een lieve
-dochter en hij was bezig zich een ontzaggelijk vermogen bijeen te
-verzamelen, op welke wijze, hierover laten de geschiedschrijvers van
-dien tijd zich niet uit; alleen stippen zij aan dat Zijn Edelheid de
-Heer Opperlandvoogd altijd veel zaken deed met de Chineezen en hen
-zelfs een voorkeur toonde, die de Hollanders vaak afgunstig stemde.
-
-Op dezen Juni-morgen van het jaar 1705 had de gewone vroolijke
-uitdrukking van Zijn Edelheid’s gelaat plaats gemaakt voor een meer
-ernstige; hij doorlas verscheidene stukken, maakte eenige
-aanteekeningen, raadpleegde een groote kaart van Java, stond toen op,
-en ging de kamer eenige malen op en neer.
-
-„Ik weet niet hoe de Raad van Zeventienen er over oordeelen zal, maar
-een oorlog is onvermijdelijk,” mompelde hij binnensmonds, „wij kunnen
-nooit schooner gelegenheid hebben om binnen Java vasten voet te
-verkrijgen. Als wij Soenan Mas ondersteunen dan zal Poeger er zich niet
-bij neerleggen en zij zullen met hem toch den strijd beginnen. De vraag
-is nu alleen: hoe dient onze houding te zijn tegenover Soerapati?
-Moeten wij de vriendschap, of de vijandschap zoeken van dien gedrosten
-slaaf?”
-
-Hij bracht zijn gouden schel in beweging en toen de hellebaardier aan
-de deur verscheen, beval hij hem:
-
-„Breng den Chinees, die daar buiten wacht, hier binnen!”
-
-„Hier binnen Uw Edelheid?”
-
-„Dat zeide ik immers.”
-
-Weinige oogenblikken later kwam een zeer bejaarde Chinees, in
-eenvoudige niet opvallende maar toch deftige kleeding binnen en boog
-zich ter aarde voor den Gebieder.
-
-„’t Is goed, Babah!” sprak de gouverneur, die op zijn hoogen
-leuningstoel gezeten was, „ik heb gehoord, dat gij in den oosthoek van
-Java geweest zijt en daar Radhen Wiro Negoro gezien en gesproken hebt.”
-
-„De groote Heer spreekt zeer juist; ik kom van Pasaroean en heb daar
-den dalem bezocht van dien prins en hem zelfs van aanschijn tot
-aanschijn gezien.”
-
-„Ik heb ook vernomen, dat gij met dien man gesproken hebt over den
-toestand van het rijk van Mataram en dat hij toen zeer openhartig voor
-zijn gevoelen uitkwam.”
-
-„’t Is waar; de groote Heer raadt ieders gedachten, Radhen Wiro Negoro,
-heeft mij inderdaad vele vragen gedaan over de Edele Heeren op Batavia
-en over hun plannen ten opzichte van den Mataram.”
-
-„Ik heb over weinig tijd te beschikken, Babah! Maak het dus kort, wat
-is de bedoeling van Soerapati? Wenscht hij waarlijk zich oprecht met de
-Hooge Regeering op Batavia te verzoenen, en zoo ja, wil hij den keizer
-dien wij als den wettigen erfgenaam van Hamangkoe-Rat erkennen, ook
-ondersteunen?”
-
-„Ik geloof niet dat dit in Soerapati’s bedoeling ligt, groote Heer!
-Reeds sedert jaren verbindt hem innige vriendschap met Adipati Anoem,
-den erfgenaam der kroon, en niets zal hem kunnen bewegen de zijde van
-dezen vorst te verlaten, maar ’t kan zijn dat ik mij vergis.”
-
-„Wanneer wij dus den Pangeran Poeger overleveren aan zijn neef en dezen
-als keizer op zijn troon bevestigen dan zoekt Soerapati ons
-bondgenootschap?”
-
-„Dat hebben zijn eigen lippen aan uw dienaar niet verklaard, hij sprak
-slechts van vriendschap en verzoening met de Hollanders.”
-
-„Ik geloof echter zijn woorden niet; hij is trouweloos en valsch, hij
-haat de Edele Compagnie, dat weet ik!”
-
-„Zou de groote Heer zich daarin niet vergissen? Radhen Wiro Negoro
-wenscht niets liever dan vrede te sluiten met de Hollanders en in
-vriendschap met hen Java te regeeren.”
-
-De Gouverneur-Generaal dacht na.
-
-„Is dat zijn geheime bedoeling? De Matarams uitroeien, zelf keizer
-wezen en ons daartoe gebruiken. Inderdaad die slaaf durft veel.”
-
-En hardop zeide hij:
-
-„’t Is zonderling dat hij u, een Chinees, tot vertrouwde maakte van
-zijn geheimste gedachten.”
-
-Een sluwen blik wierp de andere tersluik naar den Oppergebieder.
-
-„Kent de groote Heer zoo weinig de Chineezen, dat hij niet ontdekt, hoe
-slechts mijn gewaad en hoofdversiering Chineesch is?”
-
-Van Hoorn glimlachte even bij de gedachte hoe vaak men hem juist van
-zijn voorliefde tot de Chineezen een verwijt maakte.
-
-„Wie zijt ge dan?”
-
-„De afgezant van een vorst is immers heilig! Ik ben Soerapati’s
-pleegvader eenmaal zijn medeslaaf, ik heb hem vergezeld bij zijn vlucht
-uit Batavia, ik was naast hem toen hij zich aan kapitein Ruys
-onderwierp, ik stond aan zijn zijde toen vaandrig Kuffeler hem
-uittartte en tot verzet prikkelde. Ik heb hem vergezeld naar
-Karta-Soera en verder naar Pasaroean.”
-
-„Hoe, ge waart in Karta-Soera toen mijn zwager de Edele Heer Tak
-lafhartig vermoord werd en gij durft u bij mij beroepen op uw
-hoedanigheid als afgezant?”
-
-„Heer, zoo ’t u behaagt mijn leven te nemen, er is weinig aan verloren.
-Ik ga gebukt onder den last der jaren; alleen door twee jonge mannen
-vergezeld, die Soerapati’s zorg mij terzijde stelde, heb ik de groote
-reis van Java’s Oosthoek ondernomen. Als het de wil is van den grooten
-Heer, dan zal ik sterven, blijde een laatsten dienst aan mijn zoon te
-hebben bewezen en overtuigd dat hij mijn dood niet ongewroken zal
-laten.”
-
-De kalme toon van den grijsaard bleef op van Hoorn niet zonder
-uitwerking. Men moest weten hoeveel belangstelling het geheimzinnige
-rijk van den voormaligen slaaf opwekte in alle Bataviasche kringen, om
-de nieuwsgierigheid te begrijpen, waarmede van Hoorn den afgezant
-aanhoorde; hij ook brandde van verlangen om iets naders van den
-geduchten vijand der Compagnie te weten.
-
-„Zeg mij eens,” zoo ging hij voort, „hoe is Soerapati zoo hoog
-gestegen? Door welke middelen is hij in ’t bezit gekomen van zoovele
-landen, die den keizer van Mataram behooren en welke deze er niet aan
-denkt hem te betwisten?”
-
-„Het stond geschreven in het boek van Allah dat hij eens groot en
-machtig zou worden en tegen den wil des Hemels baten geen menschelijke
-middelen.”
-
-„Maar is het waar, dat de overleden keizer van Mataram hem genegen was
-en steeds in briefwisseling met hem bleef?”
-
-„Daar zijn geheimen, die men zelfs zijn vader niet openbaart.”
-
-„Doch zijn betrekkingen met Soenan Mas zijn toch geen geheim. Is het
-alleen om dezen prins bij te staan, dat Soerapati ons hulp belooft?”
-
-Een verachtelijke lach vertrok even de trekken van den ouden man, toen
-hij ten antwoord gaf:
-
-„Wat is Radhen Wiro Negoro Soenan Mas, wat is hem Pakoe Boewana? Aan
-het bondgenootschap met de Hollanders alleen is hem veel gelegen. Aan
-de vriendschap der Javaansche prinsen niets! Waarom zou de Edele
-Compagnie zijn hulp versmaden? Omdat hij eenmaal slaaf is geweest? Was
-de stamvader der Mataramsche vorsten dan geen straatroover? En al werd
-Soerapati ook eenmaal in slavernij weggevoerd uit zijn vaderland, hij
-is toch van edelen bloede.”
-
-„Ge kunt gaan; zoo ik nadere inlichtingen van u vernemen wil zal ik u
-laten roepen!”
-
-De grijsaard wierp zich ter aarde en de handen boven zijn hoofd
-uitstrekkend bood hij den Opperlandvoogd een diamanten ring van groote
-waarde aan.
-
-„Dit kleinood zendt u mijn meester als een blijk van zijn oprechte en
-vriendschappelijke gezindheid,” sprak hij.
-
-De Gouverneur-Generaal had zich intusschen omgewend en veinsde niets te
-zien of te hooren.
-
-De andere legde het juweel op de schrijftafel neer en verwijderde zich
-al kruipend naar de deur.
-
-Juist trad de hellebaardier aan de poort en kondigde aan:
-
-„Den Edelen Heer Ordinaris Raad van Indië, de Wilde.”
-
-„Dat zijn Edelheid binnenkome en laat dezen man uit! Men volge zijn
-wegen en verlieze hem niet uit het oog!” zeide hij in het Hollandsch,
-vast overtuigd, dat de inlander hem niet verstaan zou.
-
-Hij had nog juist den tijd eenige papieren over den kostbaren steen te
-werpen, dien Kiai Hemboong hem gebracht had, toen de stoere gestalte
-van Herman de Wilde voor hem verscheen.
-
-Deze Raad van Indië was nog in de kracht van zijn leven; hij had
-scherpe, koude trekken, om zijn mond lag een uitdrukking van
-ingehouden, men zou zeggen van versteend leed. Het is met de smarten
-van de jeugd als met sommige vloeistoffen, eenige verdampen en
-vervloeien in de lucht zonder eenig spoor na te laten, andere bevriezen
-of versteenen en de mensch is veroordeeld hen levenslang met zich te
-dragen, als een last die zijn leven bezwaart en ternederdrukt.
-
-Herman de Wilde had eens liefgehad met alle krachten zijner sterke
-ziel, hij had te hoog opgezien tegen het meisje zijner droomen, dan dat
-hij ’t wagen dorst haar zijn liefde te bekennen, en een slaaf, een zoon
-van het vervloekte bruine ras, had zich meester gemaakt van zijn
-ideaal, het besmeurd door zijn liefkoozingen en voor hem in ’t slijk
-vertreden. Zoo tenminste oordeelde de Wilde; gloeiende haat vervulde
-hem tegenover dien man. Weinigen was het bekend dat Sie Oentoeng en
-Soerapati dezelfde waren; hij bewaarde zijn geheim in het diepste van
-zijn hart. Slechts bloedige wraak, meende hij, kon hem verlossen van
-het grievende leed, dat zijn dagen verbitterde; eerst als hij den
-vermetelen slaaf gestraft had, zou hij in kalmte aan Suzanna kunnen
-denken, vrede sluiten met haar nagedachtenis.
-
-Joan van Hoorn reikte hem vriendschappelijk de hand en bood hem een
-zetel aan.
-
-„Is er iets nieuws dat u noopt mij zoo vroeg reeds te bezoeken?” vroeg
-de Gouverneur-Generaal.
-
-„Nieuws kan ik het niet bepaald noemen; men zegt hier met alle
-stelligheid dat Adipati Anoem zich geducht wapent om ons te ontvangen
-en dat hij zich de hulp verzekerd heeft van den schurk, die sinds jaren
-ongestraft den Oosthoek verdrukt.”
-
-„Dan weet ik nog meer! Dien schurk, zooals gij hem noemt, kunnen wij
-onschadelijk maken, meer nog, wij kunnen hem tot onzen vriend en
-bondgenoot verkrijgen.”
-
-De Wilde’s oogen schoten vonken.
-
-„Dat is u geen ernst, Uw Edelheid! Bondgenootschap sluiten met een
-slaaf, met den verachter van ons gezag, met den moordenaar onzer
-broeders? Wat voor goeds kan er voortkomen uit zulk een verbond? En dat
-zegt gij, Tak’s zwager!”
-
-„Gij ziet dat de belangen der zaak die wij dienen alle gevoelens van
-familieliefde bij mij kunnen doen zwijgen. De vraag is echter nog
-steeds, wie moeten wij als hoofdschuldige beschouwen, de Mataramsche
-Vorsten of Soerapati?”
-
-„Hem, den ellendeling, dat is duidelijk!”
-
-„Ge zijt vooringenomen tegen den slaaf, De Wilde! Ik voor mij geloof
-dat hij een man is, met wien te handelen valt, geen oud wijf als die
-prinsjes van Bantam, Cheribon en Mataram, willooze werktuigen in de
-handen hunner rijksbestuurders. Hij weet wat hij wil en zoo hij zich
-aan ons verbindt, dan zullen wij staat op zijn woord kunnen maken.”
-
-„Juist omdat hij een man is met een wil en een vast plan is hij dubbel
-voor ons te vreezen. Waarom was Troeno-Djojo zulk een geduchte vijand,
-omdat hij geen stroopop bleek te zijn als die verwijfde vorsten.
-Verbind u met hem, weldra zal hij onze meester zijn, die de Compagnie
-wetten voorschrijft en ons wellicht uit Java verjaagt.”
-
-De Gouverneur-Generaal dacht ernstig na.
-
-„Ge wilt zeggen, zulke menschen is het voordeeliger tot vijand te
-hebben dan tot vriend?”
-
-„Ja, Uw Edelheid, als vijand kan men zich van hen ontslaan. De
-vriendschap echter legt verplichtingen op. Zij verblindt de oogen door
-geschenken en beloften, en als deze oogen opengaan dan is het te laat!”
-
-„Maar als we den oorlog beginnen zonder den Raad van Zeventienen te
-raadplegen, De Wilde, zoo laden we groote verantwoordelijkheid op ons.”
-
-„Indien gij nog eerst naar Europa schrijven moet, geeft ge Soenan Mas
-tijd zich te versterken en zich met den hoofdman van het
-rooverkoninkrijk te verstaan.”
-
-„Wij zullen uitvoeren wat de Raad van Indië besluit,” sprak de
-Gouverneur-Generaal, opstaande, ten bewijze, dat het onderhoud
-geëindigd was.
-
-„Houd me ten goede, De Wilde,” sprak hij, „dat ik ga ontbijten; de
-staatszaken hebben mij reeds zoo vroeg in beslag genomen, dat het geen
-wonder is, zoo mijn maag er zich luide over begint te beklagen.”
-
-Hij schoof de papieren weg en stak toen als toevallig de linkerhand,
-waarin hij iets verborgen hield, in zijn borstzak. De Wilde bemerkte
-die beweging niet eens toen de Opperlandvoogd hem de rechterhand tot
-afscheid reikte.
-
-„Dus Uw Edelheid zal aan die gevaarlijke vriendschap niet meer denken?”
-vroeg hij met gefronst voorhoofd.
-
-„Mijn denken laat zich niet beperken, zelfs niet door den raad van een
-vriend als gij zijt, De Wilde,” gaf hij met zijn gewone opgeruimdheid
-ten antwoord, „en daarom zal ik ook uw woorden overwegen en hen alle
-aandacht schenken, die ze verdienen.”
-
-Hij gaf hem een wenk dat hij heen zou gaan; De Wilde boog en vertrok.
-De hellebaardier gaf hem zijn degen terug, dien hij binnentredend had
-moeten afgeven, daar niemand den Oppergebieder gewapend mocht naderen
-en Van Hoorn verwijderde zich door een zijdeur naar zijn bijzondere
-vertrekken.
-
-In een open galerij die op een bloementuin uitzicht gaf, zaten drie
-dames, mevrouw Maria van Hoorn, geboren Van Riebeek, haar stiefdochter
-Petronella Wilhelmina en de nicht van Zijn Edelheid, de jonge mevrouw
-Voorneman.
-
-„Hé, wat een verrassing! Mijn drie gratiën vereenigd!” sprak de
-landvoogd blijde, „waaraan heb ik het genoegen te danken, mijn lieve
-nicht reeds zoo vroeg in den morgen aan mijn tafel te zien?”
-
-Er lag nog steeds een vermoeide trek op Digna’s gelaat; juist hadden de
-dames in stilte de opmerking gemaakt dat ook de frischheid harer wangen
-reeds den invloed van het klimaat begon te ondervinden en zij hun
-zachten blos ruilden voor de mat-bleeke tint der Indo-Europeanen.
-
-Toch was de glimlach, waarmede zij haar oom begroette even vriendelijk
-als altijd.
-
-„Mijn man vertrok op den gewonen tijd naar zijn werk en Albert is den
-geheelen dag op een kinderfeest verzocht ten huize van den heer de Boo;
-ik zag er tegen op zoo lang alleen te zijn en besloot dus voor dezen
-morgen het gezelschap te zoeken mijner geëerde tante en mijner lieve
-nicht!”
-
-„Dus het mijne niet! Gij stelt me bitter te leur, Digna; ik meende, dat
-ook mijn aanwezigheid eenige waarde voor u had!”
-
-„Hoe zou dat kunnen wezen?” zeide mevrouw Van Hoorn, „onze nicht wist
-toch reeds vooruit dat zij van te korten duur zou zijn om er op te
-kunnen rekenen; zelfs bij ons ontbijt moesten wij dat gezelschap
-missen.”
-
-„Hoe minder men iets geniet, op hoe hooger prijs men het placht te
-stellen.”
-
-„Foei oom! Is ’t daarom dat gij het ons opzettelijk onthoudt?”
-
-„Opzettelijk? Neen, mijn wellieve! zulk een moed zou mij ontbreken; of
-meent ge niet, dat ik het bijzijn der drie schoone bloemen, die mij
-omringen, noode opoffer aan dat van lastige bezoekers en muffe stukken
-papier, maar de onverbiddelijke plicht dwingt mij langer in hun midden
-te leven dan mij aangenaam is. Voor mijn dierbare vrouw heb ik echter
-een verrassing die ongetwijfeld ruim zal opwegen tegen het missen van
-enkele minuten van mijn gezelschap!”
-
-En haar hand in de zijne nemende, stak hij aan een harer vingers den
-kostbaren ring, die hem zoo pas door Soerapati’s afgezant was gebracht.
-De zonnestralen braken in den steen en wierpen hun bonte stralen naar
-links en rechts, tot groote bewondering der drie vrouwen. Zij
-verdrongen zich om den diamant, Digna echter meer uit beleefdheid dan
-omdat zij zelf zooveel vermaak had in deze kostbare liefhebberijen.
-
-Maria van Hoorn kuste haar echtgenoot vol dankbaarheid en Petronella’s
-lipje hing een weinig bij de gedachte:
-
-„Als vader niet getrouwd was, zou dat geschenk voor mij zijn geweest.”
-
-Niemand vroeg naar de herkomst van het schitterende juweel.
-
-„Wel, mijn schoone Digna, op die voorwaarde mag ook uw gemaal zeker wel
-eens te laat aan het ontbijt verschijnen,” schertste Zijn Edelheid.
-
-„Ik zou evenals mijn goede tante vergeving schenken nog vóór mij zulk
-een pand der verzoening werd geboden, en denken dat, waar zelfs mijn
-machtige oom voor wreede noodzakelijkheid bukt, des te eer mijn
-echtgenoot zich daarmede kan verontschuldigen.”
-
-„Altijd even slagvaardig! Ge hebt gelijk; niemand meer dan de
-Opperlandvoogd van Oost-Indië is de slaaf van zijn plichten vooral in
-dezen ernstigen tijd.”
-
-„Zal er oorlog komen?” vroeg mevrouw Van Hoorn.
-
-„Dat zal de Raad van Indië beslissen,” was het ontwijkend antwoord.
-
-„Tegen Soerapati eindelijk?” en Digna’s oogen schitterden.
-
-„Wat zoudt ge er van zeggen?” was zijn lachende vraag, „als wij met hem
-en niet tegen hem gingen oorlog voeren?”
-
-„Oom, dat kan u niet meenen. De Compagnie zou den hoon niet wreken, die
-haar twintig jaar geleden aangedaan werd door een slaaf; zij zou zich
-met hem verbinden terwijl het bloed mijns vaders nog steeds om wraak
-roept?”
-
-„Ik dacht dat uw gevoelens christelijker waren, Digna,” zeide mevrouw
-Van Hoorn verwijtend.
-
-„Voor zoover ik weet strijdt het niet met de plichten van een Christen
-zijn eigen eer te verdedigen en de eer der Hollandsche vlag is
-jammerlijk geschonden door het bedrijf van dien moordenaar; de dood
-mijns vaders gaat niet alleen mij, zijn eenige dochter, aan maar geheel
-ons vaderland. Het zou een laagheid wezen bondgenootschap te sluiten
-met den overweldiger, die zijn rijk gestolen heeft en wederrechtelijk
-in zijn bezit houdt.”
-
-„Ge vergeet, lieve nicht, dat Cesar en Alexander in wie gij zulke
-groote helden en veroveraars bewondert, op dezelfde wijze in het bezit
-van geheele landstreken kwamen. Ik geloof dat een openlijke vijand als
-Soerapati verre te verkiezen is boven twijfelachtige vrienden als de
-Mataramsche prinsen.”
-
-„En ik herhaal ’t u, dat ik het een eeuwige schande zou vinden als de
-Compagnie zich met hem verbond.”
-
-„Zoudt ge er mij minder om achten Digna?” vroeg Van Hoorn steeds
-lachend.
-
-Zij zag hem ernstig aan en antwoordde eenvoudig:
-
-„Ja oom, dat zou ik zeker.”
-
-Toen zij ’s middags met haar man naar huis reed, vertelde Digna hem
-welk kostbaar geschenk de Gouverneur-Generaal aan zijn vrouw had
-vereerd.
-
-„Ik zou niet willen dat gij voor mij zulke kostbare dingen kocht!”
-voegde zij er bij.
-
-„Kocht!” een spottende glimlach speelde om de droge lippen van den
-ambtenaar der Justitie, terwijl hij dit woord herhaalde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-WEDERZIEN.
-
-
-Op den avond van dien dag zat Digna in de galerij op de rivier, met een
-boek in de hand, waarin zij echter niet las. Hoeveel moeite zij ook
-deed, het was haar niet mogelijk hare gedachten te dwingen zich met het
-gelezene bezig te houden en niet hun eigen weg te volgen; met tergende
-hardnekkigheid keerden zij telkens naar een punt terug, naar het
-verledene dat zij voor goed dood en begraven achtte en dat zich nu
-plotseling weer levend en krachtig aan haar geest opdrong.
-
-Vergeefs hield zij zich met andere dingen bezig, trachtte zich te
-verstrooien door gedachten aan haar huishouding, aan haar man, aan den
-kleinen Albert, aan den naderenden oorlog; hoe zij ook moeite deed,
-altijd en altijd wendden zij zich weer tot Robert. Het was Robert, die
-nu eens als een ondoorgrondelijk raadsel voor haar stond, dan weer haar
-dreigde met zijne gloeiende oogen of zich oploste in een nevelbeeld.
-
-Zou het gezicht van dien avond bij het dansende licht der fakkels, en
-het zilveren schijnsel der maan dan slechts een vizioen geweest zijn!
-O, mocht het zoo wezen! maar dan drukte zij de hand op het hart en
-huiverde; kon het zijn dat dit hart blijde en vroolijk klopte alleen
-bij de gedachte dat de vriend harer jeugd in haar nabijheid vertoefde?
-Zij dacht zich terug in Amsterdam en doorleefde weder die uren vol
-onuitsprekelijk geluk, als zij met hem door den tuin van Amstelvreugd
-wandelde, en hij haar nu eens om vergeving bad, als hij iets misdreven
-had of haar verzekerde dat zij zijn goede engel, de vreugde en het
-geluk, de hoop en steun van zijn leven was. Hoe konden zijn oogen dan
-vol gloed op haar rusten, die herinnering alleen deed haar beven van
-een gevoel vol zaligheid en geluk!
-
-En zij was getrouwd en zij kon nog aan zulke herinneringen met genot
-denken; o schande! Wat was zij diep gevallen en weer nam zij het boek
-op, de Zee- en landreizen van Nieuwhoff, die twintig jaar geleden Java
-bezocht had; zij vond er kort te voren genoegen in, zijn opmerkingen
-met de werkelijkheid te vergelijken, waarom vond zij ze thans zoo
-onbeduidend en onbelangrijk?
-
-Zij was alleen t’huis; haar man moest een feest bijwonen, Albert was
-nog niet terug, zij had er spijt van Petronella van Hoorn niet te
-hebben meegenomen; haar niet veelbeteekenend gepraat zou misschien
-afleiding tegen dien folterenden gedachtenstrijd kunnen schenken, en
-tegelijkertijd betrapte zij zich op een gewaarwording van blijdschap
-omdat zij alleen was, omdat zij de pijniging niet behoefde te doorstaan
-van een gedwongen luisteren naar nietige gesprekken, omdat zij nu
-zwijgen kon en denken. Denken, neen juist dat mocht zij niet en het was
-’t eenige wat haar verlichtte, en tevens kwelde, want er waren twee
-personen in Digna’s ziel, de eene die slechts aan het verledene dacht
-en de dagen van voorheen opnieuw doorleefde, de andere die een strijd
-op leven en dood aan deze herinneringen gezworen had.
-
-Afgemat leunde zij achterover met gesloten oogen, de fijne handen
-hielden het boek, dat op haar schoot rustte, nog slechts eventjes vast;
-haar lippen bewogen zich zachtkens, schier onmerkbaar.
-
-„Mijn God! sta me bij! Help mij mijn gedachten te overwinnen, de strijd
-is zoo zwaar, ik wil Markus’ trouwe gemalin zijn in woord en daad niet
-alleen maar ook in gedachten. Geef mij de kracht om den band te
-verbreken, die mij nog hecht aan het verledene.”
-
-„Digna,” zeide een gedempte, half fluisterende stem.
-
-Met een hevigen schok rees de jonge vrouw overeind, haar oogen zagen
-ontzet voor zich uit, waar zij een welbekende gedaante ontwaarden;
-Robert had de soldatenkleeding der Compagnie aan, doch netter en
-ordelijker dan die welke hij den laatsten keer droeg.
-
-„Herkent gij mij nog?” vroeg hij en sloeg zijn oogen neer.
-
-„Ge hebt niet goed gedaan hier te komen, Robert,” antwoordde zij, „ge
-weet dat ik getrouwd ben en dat het verledene voor mij niet meer
-bestaat.”
-
-„Dat hadt ge niet noodig mij te herinneren, mevrouw! Ik weet welke
-breede klove de vrouw van den hoofdambtenaar der Justitie scheidt van
-den gemeen soldaat, wiens naam zij zich echter nog verwaardigt te
-gedenken.”
-
-„Wat komt ge hier doen?” vroeg zij bevend en een steun zoekend bij de
-tafel.
-
-„Vraagt ge dat nog? U zien, uw stem hooren, mij verlustigen in den
-aanblik van uw schoonheid, uw hoogen rang om mij zelf daarna nog meer
-te beklagen, of te verachten, ik weet niet, wat ik meer verdien.”
-
-„Verachting dankt ge aan uw eigen werk; beklag hebt gij vrijwillig van
-u gestooten, als gij bekent verachting te verdienen.”
-
-„Weet gij alles, dat ge zoo durft spreken?”
-
-„Ik weet veel, en ’t was niet door u, dat ik het te weten kwam, zooals
-het mijn recht was.”
-
-„Uw recht?”
-
-„Ja, uw verloofde had recht te weten, waarom zij door u verlaten werd.”
-
-„Verlaten?”
-
-„Ja, gij hebt mij verlaten, mij, die nog deel nam in uw smart, nadat ik
-van vreemden moest hooren welke slag u getroffen had; gij hebt mij geen
-gelegenheid gegeven u te troosten en te....”
-
-„Doen hopen, wilt ge dat zeggen, Digna?”
-
-„Laat ons zwijgen over ’t geen had kunnen zijn, Robert. Nu is alles
-voorbij; we hebben beiden onzen weg gekozen, niets anders blijft ons
-over dan dien te volgen, waar God hem ook voeren mag. Wij zijn dood
-voor elkander, gij hebt het gewild, niet ik.”
-
-„O Digna, maak mij niet nog rampzaliger!”
-
-Hij greep haar hand, zij trok die terug met een beweging vol schrik en
-zeide:
-
-„Nader mij niet, vergeet geen oogenblik welke afgrond ons scheidt; op
-die voorwaarde zal ik u aanhooren, anders roep ik mijn slaven om u te
-doen verwijderen.”
-
-„O God, is ’t dan zoover met mij gekomen!” en hij wierp zich op een der
-stoelen neer en liet het hoofd vol wanhoop op de tafel vallen,
-„weggejaagd als een dief, een landlooper, een hond! Wie had het mij
-voorspeld, toen we elkander ’t laatst zagen en we reeds bijna onzen
-trouwdag hadden bepaald.”
-
-Digna vouwde haar handen op de borst; zij voelde zich beschaamd over
-haar schoonheid, haar welvaart, haar stand in de maatschappij,
-misschien zelfs over haar vlekkelooze deugd tegenover het arme schepsel
-dat op zijn nog zoo jeugdig gelaat reeds het merkteeken droeg van
-hevige hartstochten, van zonde en schuld. Toch bleef zij zwijgen, geen
-woord van medelijden ontsnapte haar mond en hij hernam:
-
-„Gij weet niet in welke hel ik leef, Digna, en nog minder kunt gij
-vermoeden, welke hel ik in mij zelf omdraag! Ja, ik heb u verlaten
-zonder een woord, zonder een groet, maar was dat mijn plicht niet, toen
-ik wist dat ik niet meer de wettige zoon en erfgenaam mijns vaders was
-maar een verstooteling zonder naam en zonder geld, moest ik toen niet
-de breedte der aarde stellen tusschen mij en het meisje, dat mij trouw
-had beloofd? Zij zou spoedig genoeg weten, wat mij van haar scheidde en
-voor de onuitsprekelijke laagheid bleef ik gespaard dat ik er nog aan
-durfde denken eenige rechten meer te ontleenen aan het mij eenmaal
-geschonken woord. Robert van Reijn was niet meer, de andere Robert
-mocht den voetzool van Digna Tak niet meer aanraken, dat alleen bleef
-me helder na dien ontzettenden nacht, welken ik misschien nog besloot
-door een moord.”
-
-„Dat ten minste is u bespaard,” zeide Digna en een schaduw van een
-glimlach teekende zich op haar lippen. „Niets heeft geleden door den
-slag, dien gij neef Hendrik toebracht, dan alleen zijn neusbeen, dat
-gebroken is en hem niet verfraait. Maar denkt ge dan niet, Robert, aan
-hetgeen ik lijden moest toen uw schijnheilige oom...”
-
-„Hij is het niet meer of liever hij was het nooit.”
-
-„Toen Heer Gerard van Reijn en zijn gezin de laagste beschuldigingen
-tegen u opstapelden en mijn stiefvader raadden God te danken dat ik
-bijtijds gered was van een huwelijk met u?”
-
-„En gij zelf, Digna, hebt gij ook den Heere gedankt, dat Hij dien slag
-heeft afgewend?”
-
-„Ik heb Hem gebeden voor den armen zwerver.”
-
-Zij voegde er niet bij hoeveel bittere tranen zij gestort had om het te
-betreuren dat zij niet reeds zijne gade was, die het recht had haar
-rijkdom met hem te deelen en hem te vergezellen, waarheen hij gaan
-wilde, als zijn trouwe gezellin.
-
-„Ge hebt dus niet met toorn en afkeer aan mij gedacht, ge hebt u dus
-niet geschaamd, dat gij zonder het te weten een armen bastaard hadt
-bemind?”
-
-„Ik schaam mij voor niets, waarin geen kwaad schuilt.”
-
-„En weet uw man alles?...”
-
-„Ik heb hem alles gezegd!”
-
-„Zijt ge gelukkig?”
-
-„Ik vervul mijn plicht.”
-
-„Ik vraag of gij gelukkig zijt.”
-
-„Kan er geluk bestaan anders dan in plichtsvervulling?”
-
-„Plichtsvervulling, ik haat niets meer dan plicht!”
-
-„Daarom zijt ge zoo ongelukkig, Robert! Gij doet alles om u van het
-verledene los te rukken, maar eerst moet ge daarmee afrekenen; meent ge
-dat ik niet bitter en bitter geleden heb, vóór dat ik er toe komen kon
-een ander lot te kiezen, dan dat waarin ik jaren lang mijn eenig geluk
-zag?”
-
-„Weet ge dat nog en gij schaamt er u niet voor?”
-
-„Mij schamen voor mijn eerste, mijn reine liefde. Hoe kunt ge dat
-vragen, Robert! Gij immers hebt mij verlaten!”
-
-„Zeg dat woord niet meer, Digna, ik u verlaten, hoe zou ik durven?”
-
-„Gij hebt getwijfeld aan mijne liefde, aan mijn trouw, gij hebt gemeend
-dat ik den rijken koopmanszoon van Reijn liefhad en ik beminde slechts
-Robert. Toen de slag u trof, was ’t bij mij dat gij ’t eerst komen
-moest om mij te laten beslissen over onze toekomst.”
-
-„O God, uw liefde had mij kunnen redden en ik gaf ze prijs, daarom viel
-ik in den afgrond.”
-
-„Die liefde kan, mag ik u thans niet meer geven, Robert. Zonde is het
-bijna haar te noemen, maar ik mag u vrij iets anders schenken zoo ge er
-prijs op stelt.”
-
-„En wat is dat dan, Digna, alles wat van u komt is mij zooveel, zoo
-oneindig veel waard.”
-
-„Mijn achting, Robert.”
-
-Hij wendde het gelaat af en lachte bitter.
-
-„Achting, wat is achting, als ge wist hoe men leeft, daar waar ik thans
-ben, als ge wist hoe ik gezworven heb, vóór dat ellendige
-zielverkoopers en ronselaars mij hierheen sleepten, als ge wist...”
-
-„Ik wil niets weten, Robert! Niets. Ik weet alleen dat er geen misdaad
-is zoo groot en afschuwelijk of God zal ons die vergeven zoo wij ons
-berouwvol aan zijn voeten werpen. Wilt ge dat doen, Robert!”
-
-„God heeft mij verstooten zooals mijn vader...”
-
-„Dat is een booze lastering. Ik wil die niet meer hooren!” haar stem
-klonk weer zoo vast en beslist gelijk voorheen, toen zij den wilden,
-ontembaren knaap door een gebaar, een woord bedwingen kon, „beloof mij,
-dat ge uw hart voor God zult vernederen en van Hem dagelijks de kracht
-afbidden om uw booze hartstochten te overwinnen.”
-
-„Het zal niet baten,” zuchtte hij.
-
-„Hebt ge het dan reeds gedaan? Verder moet ge uw plicht doen; geen
-zonde, geen overtreding van Gods wet moogt ge meer bedrijven. Ik
-verbied het u! Weldra breekt de oorlog aan, ge zult moeten strijden
-voor de eer der Hollandsche vlag, gij zult de macht van ons vaderland
-doen kennen aan de bewoners van Java, gij zult hen leeren hoe wij
-streng kunnen zijn maar ook rechtvaardig. Een heerlijke taak wacht u,
-Robert! Veel kunt gij goed maken door dapperheid en trouw; verwerp die
-gelegenheid niet, richt u op uit uw ellendigen staat, wie weet hoeveel
-roem en geluk u nog wachten, terwijl anders niets meer u dreigt dan een
-vroege dood vol oneer en schande!”
-
-„O Digna, kon ik dagelijks uw stem hooren!”
-
-„Vertrek thans! Robert, vertrek! De avond valt, ’t is misschien voor
-het laatst dat we elkander gezien hebben. Laat ons nu terugkeeren naar
-onzen plicht, het eenige dat ons overblijft uit de schipbreuk van ons
-geluk. Wij hebben zelf dien plicht gekozen.”
-
-„Ik niet, ik werd bedrogen, verkocht zonder dat ik het wist.”
-
-„Dan is het een lot dat u zeker rechtvaardig trof, een straf die gij
-geduldig te dragen hebt. Ik moet mij toewijden aan mijn echtgenoot en
-zijn kind. Gij hebt het vaderland!”
-
-„Wat deert mij het vaderland? Zijn deze bruine mannen, de landgenooten
-mijns vaders, niet veel meer mijn broeders dan de blanke Hollanders?
-Wat belet mij gemeene zaak met hen te maken?”
-
-„Uw plicht en uw eed, Robert; laat mij u thans de taak opgeven, die gij
-uitvoeren moet om mijn achting te herwinnen? Daar in het Oosten van
-Java regeert een overweldiger, een tiran, hij is het die mijn edelen
-vader den dood gaf, hij is het die onze macht over Java tegenwerkt; hij
-was eenmaal een slaaf, door een samenloop van raadselachtige
-omstandigheden heeft hij het tot vorst kunnen brengen. De Compagnie zal
-hem een oorlog op leven en dood aandoen, zijn gezag uitroeien. Nooit
-was er een krijg rechtvaardiger. Onderscheid u in dien strijd, kom
-terug als een heldhaftig krijger, met het bewustzijn, den dood mijns
-vaders te hebben gewroken op zijn moordenaar, op den verdrukker van het
-Javaansche volk, op den slaaf-koning.”
-
-De zachte, teedere Digna scheen in een heldin herschapen zoo fonkelden
-haar oogen, zoo trilde haar stem van vervoering; zij voelde zich thans
-weer meesteres van zich zelf, zij had vrede gevonden met haar eigen
-gemoed.
-
-„Ik zal u gehoorzamen, Digna,” antwoordde hij ootmoedig, „mag ik uw
-hand kussen?”
-
-„Nog niet, als gij teruggekeerd uit den oorlog een ander mensch
-geworden zijt.”
-
-„Zoo ik val, Digna, zult ge dan in vriendschap en vrede aan mij
-denken?”
-
-„Ik zal overtuigd zijn, dat gij gevallen zijt als een held, die mijn
-achting en bewondering verdient.”
-
-„En zult ge voor mij bidden, dat moogt gij toch!”
-
-„Ik beloof het u, en thans vaarwel! Moed en vertrouwen moge God u
-schenken, Robert!”
-
-Een slavin kwam hard uit het huis aangeloopen.
-
-„Mevrouw, de Edele Heer is ziek in een draagstoel t’huis gekomen.”
-
-Zonder nog meer naar den soldaat om te zien, vloog Digna heen naar huis
-toe, en zoo bemerkte zij niet, hoe Robert zich langs den weg dien hij
-gekomen was, door de bedding van de rivier, verwijderde.
-
-Hij kroop tusschen de struiken voort, totdat hij aan een brug kwam die
-over het water lag en toegang verleende tot een ander landgoed. Nergens
-was een spoor van leven te zien en hij wist waar het poortje lag, dat
-naar buiten voerde; in den donker meende hij het te kunnen vinden, maar
-tot zijn schrik vond hij het gesloten; hij rammelde er aan en
-waarschijnlijk waren zijn krachtige vingers er in geslaagd het slot
-open te rukken, toen plotseling twee mannen van achter het struikgewas
-op hem toeschoten en hem ter aarde wierpen.
-
-„Nu hebben wij den dief!” zeide één hunner, wiens eigenaardige
-uitspraak van het Maleisch den Chinees verried, „ik dacht wel dat het
-zoo’n ellendige soldaat zou wezen. Pak hem beet, koelie, wij zullen hem
-van avond nog naar het wachthuis overbrengen. Reeds lang genoeg bleef
-hij straffeloos, die schurk!”
-
-Robert verdedigde zich als een wanhopige; met zijn mannenkracht wierp
-hij de tengere gestalte van den Chinees van zich af, en worstelde nu
-met den Javaan, dien hij ook weldra onder den voet kreeg, doch de
-Chinees liet een scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk stormden
-een tiental mannen op den enkele aan die zich zoo woedend verdedigde.
-
-Zij wierpen hem ter aarde, knevelden hem vast en ondanks zijn vurige
-verzekeringen van onschuld voerden zij hem weg, van het erf naar de
-stad.
-
-Intusschen was Digna hevig verschrikt naar huis gesneld, en vond haar
-man bleek en met gesloten oogen op een rustbank liggen; toen zij
-binnenkwam sloeg hij den blik naar haar op en strekte haar glimlachend
-de hand toe.
-
-„’t Is niets, een aanval van mijn kwaal, meer niet,” sprak hij, „’t is
-nu al veel beter, maar ik vond het voorzichtiger mij naar huis te laten
-dragen dan te rijden; met een weinig rust zal ik wel spoedig weer mij
-zelf zijn. Maak u niet ongerust, beste Digna, ’t heeft niets te
-beduiden.”
-
-Inderdaad was de aanval niet ernstig. Digna trachtte zooveel zij kon om
-hem eenige verlichting te schenken, wat hij echter boven alles behoefde
-was rust.
-
-„Ik was van plan hem mijn ontmoeting te verhalen met Robert,” dacht
-Digna, „maar het zoude hem thans te veel schokken. Ik zal wachten tot
-hij beter is, maar dan beken ik hem ook alles.”
-
-Zij voelde zich dezen avond wonder licht te moede; de strijd in haar
-geest was geëindigd; zij wist thans dat zij zelf ook de kracht bezat
-haar plicht te doen nu zij den vriend harer jeugd in zijn eigen oogen
-had kunnen opheffen en hem den weg wijzen tot zijn zedelijke genezing.
-
-Zij was er zoo van overtuigd haar plicht gedaan te hebben dat zij niet
-vreesde Markus alles te bekennen; slechts de gedachte aan zijn
-ziekelijken toestand hield haar terug.
-
-„’t Spijt me, de bekentenis zou mij nu zoo licht gevallen zijn,” zeide
-zij in zich zelf. Drukke bezigheden lieten haar weinig tijd tot
-nadenken op dezen avond. Niet alleen dat zij haar man te verzorgen had,
-ook Albert kwam t’huis; zij moest het opgewonden verhaal hooren van
-zijn genoten pret, het knaapje ontkleeden en te bed brengen.
-
-Toen zij eindelijk zich ter ruste legde na zich overtuigd te hebben dat
-Markus nu ook kalm en zonder pijn was ingeslapen, stelde zij zich met
-blijdschap voor hoe ook Robert nu meer verzoend met zich zelf zou
-rusten en de beste voornemens voor de toekomst maken. Zij vermoedde
-niet hoe haar vriend, in een der ellendige hokken onder het Bataviasche
-Raadhuis opgesloten, zijn treurig noodlot vervloekte en slechts met een
-verwensching op de lippen en woede in het hart aan het voorgevallene
-van den middag terug kon denken, waarvan de herinnering haar met
-zooveel zoete kalmte en zelfvoldoening vervulde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-MARKUS EN DIGNA.
-
-
-Eenige dagen later had de Heer Voorneman zijn kamer voor het eerst weer
-verlaten en zat nu onder de zonnetent, terzijde van zijn woning met
-vrouw en kind.
-
-Digna had een guitaar op haar schoot en zong met haar jonge frissche
-stem een liedje van Bredero:
-
-
- ’t Zonnetje steekt zijn hoofdjen op
- En beslaat der bergen top
- Met zijn lichtjes.
- Wat gezichtjes,
- Wat verschietjes, ver en flauw,
- ’t Dommelt er tusschen ’t groen en blauw.
-
-
-Albert zat aan haar voeten en luisterde toe met schitterende oogjes en
-neuriede nu en dan met haar mee. Zij hielp hem weer in de maat als hij
-ze soms verloor en keek glimlachend haar man aan, die op zijn
-gemakkelijken stoel uitgestrekt den blik niet van haar kon afwenden.
-
-Op een klein tafeltje tusschen hen stonden frissche dranken en
-gebakjes, benevens de artsenij voor den zieke.
-
-„Vader, wilt ge niet eens proeven,” vroeg Albert met een begeerigen
-blik naar de smakelijke schotels. „Moeder heeft zelf dat gebak van
-middag gemaakt.”
-
-„Is ’t waar, Digna?” vroeg haar man. „Zijt ge niet wat gaan rusten,
-kunnen de slavinnen het dan niet doen?”
-
-„’t Is een gebak, dat mijn moeder in Holland maakte; het was onze
-grootste lekkernij; hoe zouden de slavinnen het kunnen bereiden? Ik doe
-het zoo gaarne en aan dat rusten ’s middags kan ik mij niet gewennen.
-Me dunkt dat het genoeg is, wanneer ik den geheelen nacht slaap. Hier
-hebt ge nog een koekje, Albert! Voorzichtig, met die omhelzing, ge
-drukt me dood, mannetje, uit louter dankbaarheid. Zal ik nog meer
-zingen, Markus, of hebt ge liever dat ik u wat voorlees?”
-
-„Neen, zing voort, lieve! ’t Doet me zoo goed uw stem te hooren en uw
-spel!”
-
-Digna begon het tweede couplet.
-
-„Daar is bezoek, foei, hoe vervelend!” riep Albert uit.
-
-Het was de fiscaal, een van Voorneman’s ondergeschikten, die hem
-tijdens zijn ongesteldheid kwam bezoeken.
-
-„Zal ik heengaan?” vroeg Digna.
-
-„Stellig niet! Al kan ik u niet meer hooren, ik kan u zien en dat is
-reeds veel.”
-
-Zulke woorden deden Digna pijn; zij verrieden maar al te wel hoe vurig
-haar echtgenoot haar liefhad en hoezeer de gevoelens verschilden, die
-hij voor haar koesterde met de kalme, hoewel warme vriendschap,
-waarover zij alleen jegens hem te beschikken had; zij had het, nu er
-een paar dagen over verloopen waren, beter gevonden het geval met
-Robert maar geheel te verzwijgen. ’t Zou immers slechts dienen om hem
-noodeloos te ontroeren.
-
-De fiscaal zette zich bij het gezelschap neer en Digna fluisterde haar
-zoontje toe voor haar eenige melati’s te plukken. Zij nam een handwerk
-ter hand, want nooit waren haar bezige banden ledig, en leende slechts
-een half oor aan de gesprekken der beide mannen, totdat zij plotseling
-het hoofd oprichtte en toeluisterde.
-
-„Ja,” zeide de fiscaal, „het is een wonderlijk geval. Het moet hier
-vlak bij uw woning gebeurd zijn. Daar kwam de oppasser van den Heer
-Donker met zeer veel drukte aan, een Europeesch soldaat met zich
-voerend, want Europeaan is hij zeker, ondanks zijn donkere
-gelaatskleur, daar hij het Maleisch zeer onvolkomen spreekt en
-verstaat. Er moet reeds sinds langen tijd bij hem op het erf gestolen
-zijn, nu eens kippen dan weer fruit, of waschgoed dat te drogen hing.
-Op den bewusten avond hadden zij eerst de tuindeur opengelaten en
-duidelijk zag toen een der bedienden dat de soldaat over het erf naar
-de rivier, die er zich dicht bij bevindt, sloop; hij bleef in de vrij
-diepe bedding, men hield de wacht en omstreeks een uur later zag men
-hem terugkomen. De oppasser en zijn medeslaven grepen hem aan; hij
-verweerde zich als een wanhopige en zwaar geboeid moest men hem naar
-het cachot voeren. Den volgenden morgen kwam de heer Donker verzoeken
-dat hij dadelijk ondervraagd zou worden, maar hij weigert elk antwoord
-te geven, alleen zweert hij met de duurste eeden op zijn onschuld.”
-
-„Als hij onschuldig is, waarom sloop hij dan als een dief dat erf op?”
-
-„Juist dat heb ik hem telkens gevraagd. Ik wilde weten, waarheen hij
-dan ging en wat hij daar in de bedding der rivier gedaan heeft, maar
-hij verklaarde hierop geen antwoord te kunnen geven.”
-
-„Wanneer is het gebeurd?”
-
-„Woensdag avond.”
-
-„En hoe heet hij?”
-
-„Walter! Andere namen beweert hij niet te hebben.”
-
-„Walter, zoo heette ook de knaap, immers, dien wij op den avond toen we
-met Zijn Edelheid spelevaarden, uit het water deden halen! Is de majoor
-van de zaak onderricht?”
-
-„Zijn getuigenis aangaande den knaap luidde niet gunstig. Hij is een
-wilde borst, twistziek, overgegeven aan spel en drank, door ronzelaars
-voor het leger der Compagnie aangenomen.”
-
-„Gij zegt, dat hij zeer geporteerd is voor het spel?”
-
-„Ja, dien avond toen hem het ongeval overkwam van in het water te
-vallen had hij zoo juist een speelhol in de Lepelstraat verlaten na er
-tamelijk veel te hebben gewonnen; zijn kameraad scheen hem daar te
-hebben ingeleid en verlangde nu een gedeelte van de winst. Hieruit
-ontstond een twist. Hij vluchtte weg, de andere volgde hem en bij de
-worsteling viel de vriend, die reeds ver weg was in het water. Hij
-sprong hem na, het overige weet UEdele; de majoor legde hem een lichte
-straf op, welke hij juist dien dag had doorstaan. Wat is nu lichter aan
-te nemen, dan dat hij zich om weer geld voor het spel te verkrijgen,
-door diefstal geneert?”
-
-„Maar als hij gestraft is geweest met arrest, dan zal hij in de dagen
-voor Woensdag het erf van den heer Donker niet bezocht hebben.”
-
-„Zoo komt het mij ook voor; wanneer hij slechts de reden wilde opgeven,
-waarom hij zich in deze streek ophield, maar dat weigert hij
-hardnekkig. Morgen zullen wij eens beproeven of de roede beter bij
-machte is zijn lippen te openen dan onze vragen.”
-
-„Scheelt u iets, lieve?” vroeg Voorneman zijn vrouw, want hij zag hoe
-haar wangen en lippen doodsbleek werden, „deze gesprekken zijn niet
-voor uw ooren bestemd. Ga een kleine wandeling doen, terwijl wij onze
-zaken verder bespreken.”
-
-„’t Is niets, Markus, ’t Doet mij enkel zoo leed als ik hoor hoe men
-arme beschuldigden door pijn wil dwingen hun geheimen los te laten.
-Welk bewijs hebt ge dan dat zulk een afgeperste bekentenis geen logen
-is?”
-
-„Hoe zouden we anders recht kunnen plegen, lieve vrouw, maar deze
-vragen behoeft gij niet te beantwoorden; zij liggen buiten uw bereik.”
-
-De laatste woorden van Voorneman klonken stroever dan die, welke hij
-anders tot zijne vrouw placht te richten.
-
-De fiscaal stond intusschen op.
-
-„Ik heb hier niets verder bij te voegen en wensch UEdele een spoedige
-beterschap.”
-
-„O wat dat betreft, ik ben reeds genezen, en hoop morgen weer ten
-Raadhuize te verschijnen.”
-
-„Deze hoop doet mij met lichter hart naar de stad terugkeeren dan ik
-haar verliet.”
-
-Weinige oogenblikken later stonden man en vrouw alleen tegenover
-elkaar.
-
-„Markus,” zeide Digna op den rug van zijn stoel geleund. „Ik heb een
-ernstig woord met u te spreken.”
-
-„Ik hoor u aan!” antwoordde hij, sloot zijn oogen en klemde de lippen
-vast op elkander.
-
-„Die soldaat is werkelijk onschuldig aan hetgeen men hem ten laste
-legt: hij kwam niet om te stelen.”
-
-„Sedert wanneer bespiedt mijn gemalin de gangen van een
-verliederlijkten, gemeenen soldaat?”
-
-„Ik bid u, Markus, blijf kalm!” smeekte Digna, en plaatste zich nu vlak
-tegenover hem, „ik had u reeds eer alles gezegd wat ik u mee te deelen
-had, maar uw toestand deed het mij uitstellen; die man is hier geweest,
-in gindsche galerij, waar hij mij gesproken heeft!”
-
-Heer Voorneman richtte zich op; het lichtte onheilspellend in zijn
-oogen, hij greep haar hand, die zij hem willoos overliet en vroeg met
-heesche stem:
-
-„Zeg me nu alles, was dat hij?”
-
-„Ja, de man met wien ik eenmaal verloofd was. Reeds dien avond had ik
-hem herkend, maar ik wilde hem niet kennen en dus was het onnoodig u
-met hem bezig te houden. Woensdag echter verscheen hij plotseling voor
-mij, een half uur vóórdat gij ziek t’huis kwaamt.”
-
-„En gij hebt hem aangehoord? O schande!”
-
-„Dat heb ik en schande kleeft niet aan mij. Zie mij aan, durf ik niet
-vrij de oogen tot u opheffen? Meent gij dat ik ’t zou doen, indien mij
-een woord of blik ontsnapt ware, mijner en uwer onwaardig?”
-
-Hij zag haar aan, de reinheid die uit haar oogen straalde, hield het
-booze woord terug dat hem dreigde te ontsnappen.
-
-„Maar wat hebt ge met hem gesproken?”
-
-„Ik heb hem herhaald, dat het verledene dood was en dat het eenige, wat
-ik hem nog schenken mocht mijn achting was, die hij door het leven,
-thans door hem geleid, verloren had. Ik wees hem den weg om die achting
-te herwinnen door zijn plicht te doen als trouw soldaat in den oorlog
-die aanstaande is. Mijn hand heeft de zijne niet aangeraakt en hij kwam
-in niets te kort aan den eerbied, dien hij uwe echtgenoote verschuldigd
-is, daarvoor sta ik u borg met mijn eerewoord!”
-
-Hij hield nog steeds haar fijnen pols in zijn vingers omsloten.
-
-„Hebt ge hem nog lief, Digna?” vroeg hij met doffe stem.
-
-„Liefde kan men slechts vrijwillig geven, en hoe kan ik hem iets geven,
-wat mij niet meer toebehoort?”
-
-„Ge ontwijkt mijn vraag? Ik geloof u, gij zijt te deugdzaam, te rein
-dan dat gij zoudt mogen blozen bij iets wat er in deze samenkomst
-voorgevallen is, maar zelfs uw gedachten behooren u niet meer Digna, ik
-heb er ook recht op. Wat voelt ge voor hem?”
-
-„Diep, diep medelijden.”
-
-„En anders niets, zweert ge mij dat?”
-
-„Martel mij niet, Markus!” riep Digna uit, plotseling opstaande en haar
-hand uit de zijne losrukkend, „waaraan heb ik zulk een wantrouwen
-verdiend? Waarom wilt ge wroeten in mijn gedachten, in mijn gevoelens,
-als ik zelf het beneden mij acht daarnaar te vragen? Ik mag hem niet
-meer liefhebben, dat is mij genoeg om mijn plicht te volbrengen.”
-
-„Altijd plicht, o Digna! Waarom is die man tusschen ons verschenen!
-Dien avond hadt gij een blik, een liefkoozing voor mij, die ik noch
-vóór, noch na dien tijd van u ontving; dat was geen plicht. En nu wordt
-gij weer in het verleden, dat ik als dood beschouwde, teruggevoerd en
-spreekt opnieuw van plicht.”
-
-„Maar het tegenwoordige, de toekomst behooren immers u, Markus?”
-
-„Als gij hem niet liefhebt, waarom verbleektet gij dan daar straks toen
-er sprake van was dien man te geeselen?”
-
-„Omdat ik een mensch ben, Markus! Zult ge nu rechtvaardig jegens hem
-zijn, zult ge hem doen vrijspreken?”
-
-„En zoo ik het niet doe?”
-
-„Dat zult ge niet, ge wilt mij niet dwingen voor den fiscaal te
-verschijnen om getuigenis af te leggen van zijn onschuld.”
-
-„Zoudt gij dat doen, gij, mijn vrouw?”
-
-„Als er geen ander middel was om hem te redden, ja!”
-
-„En durft gij mij zeggen, wat ge voor dien ellendeling zoudt doen? Weet
-ge wel dat ge over uw naam en den mijne schande brengt?”
-
-„Waarom? Omdat ik een vriend mijner jeugd heb gesproken?”
-
-„Een losbol, een soldaat!”
-
-„Aan u is het mij dien stap te besparen, door naar recht en waarheid te
-beslissen.”
-
-„Verwacht gij dat van mij?”
-
-„Ja, dat en niets anders.”
-
-„Belooft ge mij dan elke herinnering aan hem uit uw hart te rukken,
-geen gedachte meer aan dien ellendeling te wijden?”
-
-„Dat kan ik u niet meer beloven. Ik doe het immers reeds, ik heb het
-steeds gedaan van het oogenblik dat ik u mijn woord gaf.”
-
-„Ik geloof u Digna,” antwoordde hij mat, „ik geloof en vertrouw u. Geef
-mij uw hand! Hoeveel ’t mij ook kost, ik zal mijn plicht doen, zooals
-gij slechts voor uw plicht leeft. Mocht er eens een tijd komen, dat op
-het woord plicht tusschen ons geen beroep meer behoeft gedaan te
-worden.”
-
-Den volgenden morgen reed de Heer Voorneman naar het Raadhuis en toen
-hij terugkeerde, wachtte Digna hem met het middagmaal. Zij vroeg niets,
-begroette hem vriendelijk en ging met haar huiswerk voort.
-
-„Hij is in vrijheid gesteld,” zeide de Raad van Justitie en bespiedde
-nauwlettend elke trek van haar gelaat, elke verandering van haar kleur,
-maar Digna ontroerde niet.
-
-„Zoo,” was haar kalme opmerking, „ik reken er op.”
-
-„En hebt ge geen woord van dankbaarheid voor mij?”
-
-„Moet ik ’t hebben voor Markus mijn man, of voor den Edelen Heer Raad
-van Justitie?” vroeg Digna glimlachend. „De eene mag toch op de
-uitspraken van den ander geen invloed uitoefenen.”
-
-„Ik heb hem afzonderlijk ondervraagd; hij zag mij aan met gloeiende
-oogen, fonkelend van haat; ongetwijfeld verfoeide hij in mij een
-mededinger. Helaas!... Op al mijn vragen verwaardigde hij zich niet te
-antwoorden. Toen ik hem eindelijk rechtaf vroeg: „Ge zijt op Voornelust
-geweest?” zag hij mij bedremmeld aan. „Wie heeft u dat gezegd?”
-„Degene, die met u gesproken heeft!” Toen boog hij ’t hoofd en sprak:
-
-„Ik mocht het niet openbaren maar nu zij zelf de goedheid heeft gehad
-het te zeggen, heb ik geen reden meer het te ontkennen. Het toeval
-wilde, dat juist gisteravond de dief, een arme Ambonnees, op heeterdaad
-betrapt werd; zoo ontbrak er dus niets aan de zegepraal der onschuld.
-Ik hoop echter dat de toekomstige bezoeken door dien gezel op
-Voornelust gebracht, minder geheimzinnig mogen geschieden. Er mochten
-eens meer geschillen ontstaan tusschen Markus, den echtgenoot van
-mejuffrouw Tak en den Edelen Heer Raad van Justitie Voorneman.”
-
-Digna voelde zich diep gekwetst door den bijtenden spot zijner woorden;
-een blik echter op zijn verwrongen en bleek gelaat stemde haar weer tot
-medelijden.
-
-„Wees gerust Markus,” sprak zij. „Robert zal geen voet meer plaatsen op
-uw erf; hij zal er niet meer binnendringen, en mocht dat toch zijn, en
-hij mij overvallen, ik zal geen woord met hem meer wisselen. Wat ik hem
-te zeggen had, heb ik hem gezegd en gij weet het evengoed als hij en
-ik: Onze wegen zijn voor goed gescheiden na dit laatste onderhoud!”
-
-Maar Digna vermoedde niet hoe de lastertongen aan het werk gingen over
-het geheimzinnige feit.
-
-„Weet ge wie de dief was op het erf van den Heer Donker?” vroeg mevrouw
-Dammers aan wie ’t maar hooren wilde, „’t is een vreemde geschiedenis.
-De Heer Voorneman heeft hem in persoon ondervraagd en dadelijk zijne
-invrijheidstelling bevolen.”
-
-„Maar de ware dief is toch gegrepen.”
-
-„Dwaasheid! De Heer Voorneman is op denzelfden avond ziek geworden. Wie
-zal zeggen waarom! De goede man is zwak, elke ontroering kan hem
-schaden, dat weten wij allen. De vogel is ontsnapt, maar toen dadelijk
-weer gevangen op Zorgvrij; hij was onschuldig aan den diefstal, dat is
-zeker, maar weigerde alle inlichtingen te geven waar hij dan geweest
-kon zijn. De Raad van Justitie sleepte zich toen naar het Raadhuis;
-ach, ik heb zoo met den armen man te doen. Hij ondervroeg den
-beschuldigde in het geheim en zie, plotseling was de dief gevat en de
-onschuld van den gevangene daghelder bewezen. Zoek nu een verband
-tusschen die feiten, maar ik zeg altijd: Vertrouw die vrome zusjes met
-hun uitgestreken gezichtjes en gladde tong voor den drommel niet!”
-
-En als zette het krachtige woord geen nadruk genoeg aan de rede bij,
-wuifde mevrouw Dammers met onstuimige kracht haar waaier op- en neder
-en zag triomfantelijk rond.
-
-„Maar hoe is ’t mogelijk, zij is zoo mooi en hij een soldaat!”
-
-„Gelukkig, dat hij soldaat en een krijgstocht op handen is. Let op mijn
-woorden! Hij zal daarmede vertrekken. Maar mooi is zij volstrekt niet,
-haar neus is veel te klein en wat heeft ze flauwe oogen en ook op haar
-ooren valt iets te zeggen.”
-
-De profetie van mevrouw Dammers over den aanstaanden oorlog kwam
-letterlijk uit; den 4den Juli 1705 vertrok de ordinaris Raad van Indië
-Herman de Wilde van Batavia.
-
-Hij was als veldoverste benoemd over het leger dat uitgezonden werd in
-de eerste plaats om den door de Compagnie niet erkenden keizer Soenan
-Mas uit zijn rijk te verdrijven en in zijn plaats desnoods met geweld
-den Soesoehoenan Pakoe Boewana op den troon van zijn overleden vader en
-broeder te Karta-Soera te bevestigen; in zijn lastbrief was hem
-opgedragen den Adipati Anoem—zoo werd de niet erkende keizer nog
-genoemd—te doen verdagen tot onderwerping binnen een termijn van
-veertien dagen, maar na verloop van deze tijdruimte hem onmiddellijk
-aan te tasten en zoo mogelijk zich van hem meester te maken.
-
-Zoodra Pakoe Boewana den troon hem toebedeeld door den steun der
-Hollandsche wapens, zou hebben beklommen, moest het de Wilde’s eerste
-werk zijn het nieuwe tractaat tusschen hem en de Compagnie te sluiten.
-Was dit alles ten einde gebracht en had alzoo de macht der Compagnie
-een geduchte versterking bekomen in het hart van Java, dan eerst kon
-men er aan denken den geduchten vijand der Europeanen, den slavenvorst
-Soerapati te bestrijden. De Raad van Indië achtte het nog niet noodig,
-hier aangaande iets stelligs te beslissen, maar de Wilde’s plan stond
-vast; wat hij nu ging ondernemen was slechts een voorbereiding om het
-doel zijns levens te volbrengen en op Soerapati zijn verloren
-levensgeluk te wreken.
-
-De Gouverneur-Generaal had eindelijk, hoewel eenigszins schoorvoetend
-besloten, de hulp hem in het geheim door Soerapati aangeboden te
-weigeren, en de drie afgezanten van den rooverkoning niet meer naar hun
-land te doen terugkeeren. Alzoo zou niets Soerapati blijken van hetgeen
-tusschen de Hooge Regeering en hen besproken was.
-
-De gevangenissen van de Compagnie waren duister en diep; niemand
-behoefde meer iets van hen te hooren; wilde Soerapati de
-onderhandelingen opnieuw aanknoopen, niets kon hem beletten te gelooven
-dat de vorige gezanten op den langen en gevaarvollen weg omgekomen
-waren; aandringen dat de verkleede Chineezen hem uitgeleverd werden,
-zou hem moeilijk vallen, daar er geen bewijs voorhanden was van hun
-zending.
-
-Zoo bleef diep geheim deze onderhandelingen omhullen en de Compagnie
-was vrij om nog altijd naar goedvinden te handelen. Het was de Wilde,
-die deze gedragslijn aan den Opperlandvoogd had aangeraden; hij drong
-er zelfs op aan dat men zich op nog meer afdoende wijze van het drietal
-zou ontdoen; wilde men hun leven sparen, welnu er gingen zoovele
-schepen onder zeil naar Ceylon, of naar de ver afgelegene Molukken; wie
-zou het vreemd vinden als drie Chineezen daarop werden vervoerd?
-
-De Gouverneur nam echter geen beslissing; hij liet de Wilde aan het
-hoofd van zijn gewapende macht vertrekken. Deze bestond uit vier
-schepen, 1833 Europeesche en 2016 inlandsche soldaten met de noodige
-artillerie.
-
-Op den morgen na ’t vertrek der troepen kwam de Heer Voorneman naar
-zijn vrouw en zeide haar:
-
-„De oorlog zal weldra beginnen, Digna, de soldaten zijn vertrokken.”
-
-„Ik weet het,” antwoordde zij rustig. „Moge God hun wapenen zegenen en
-het recht laten zegevieren.”
-
-„Hoopt ge dat hij terugkomt?”
-
-„Mag men iemand dood wenschen, Markus? En toch ik geloof dat een
-eervolle dood op het slagveld het beste is wat ik voor menigeen hopen
-kan.”
-
-„Om zijn nagedachtenis vrij te kunnen vereeren?”
-
-Digna zeide niets meer; zij gevoelde het nu maar al te goed dat de
-kalmte en rust uit haar leven verdwenen waren. Markus’ zwakke
-gezondheidstoestand en de prikkeling zijner jaloezie maakten hem hoe
-langer hoe lastiger voor zijn vrouw. Hij bespiedde al hare woorden en
-blikken; haar zachtzinnigheid wond hem nog meer op, haar geduld tergde
-hem; nooit was haar iets te veel of te moeilijk, hij erkende het, en
-toch was hij niet tevreden over haar. Met kracht en moed trachtte zij
-haar nieuwe taak op zich te nemen en daarin de beste afleiding te
-vinden voor haar eigen gedachten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE GEDEELTE.
-
-
-I.
-
-DE VLUCHTENDE KEIZER.
-
-
-Op den grooten weg, die om den voet van het Willisgebergte leidt en de
-landen van Mataram met Kediri verbindt, bewoog zich op een vroegen
-ochtend van de maand September een vrij aanzienlijke stoet van mannen,
-vrouwen en kinderen, die met blijkbare haast den tocht volbrachten.
-
-Voorop reden verscheidene mannen te paard; talrijke voetgangers, die in
-hun midden eenige draagstoelen voerden, vrouwen en kinderen volgden op
-grooteren of kleineren afstand; vermoeidheid, angst en zorg lagen op
-hun gelaatstrekken uitgedrukt of verrieden zich in hun loomen, tragen
-gang, in het droevig geschrei der kleinen en soms in het gesnik der
-moeders. Koelies, beladen met leeftocht en balen goed, besloten al
-hijgend den stoet.
-
-Hij, die te midden der ruiters reed, was blijkbaar van hoogen rang,
-achter hem droeg een dienaar een gouden zonnescherm, teeken der
-vorstelijke waardigheid; zij, die hem omringden, waren gekleed in het
-hofkostuum van Mataram; hij zelf had een eenvoudig gewaad aan, dat hem
-’t bovenlijf bedekte, alleen een rijk met diamanten versierde gouden
-kris stak in zijn gordel.
-
-Zijn trekken waren onbeduidend en de uitdrukking zijner oogen half
-wezenloos; toch mocht men aan de wijze, waarop hij het hoofd droeg,
-zekere majesteit niet ontzeggen; hij kon vooraan in de dertig wezen.
-Als de lange sarong, die over zijn rechterbeen viel, door de beweging
-van het rijden een weinig opwipte, bemerkte men dat de voet misvormd
-was en eenigszins de gedaante had van een paardenhoef.
-
-De weg liep thans door djatiwouden; het was er koel en frisch, want
-hoewel de zon reeds sinds eenige uren aan den hemel moest zijn, hield
-zij zich tot nu toe voortdurend achter wolken schuil.
-
-„Het gevaar, dat zij ons achtervolgen, schijnt voorbij te zijn,” sprak
-de man met den paardenvoet tot den ruiter, die ’t dichtst naast hem
-reed, maar die zich toch eenige stappen achter hem bevond.
-
-„Binnen weinige oogenblikken zijn we op Soerapati’s grondgebied
-aangeland!” meende deze, „dan dreigt ons geen gevaar meer.”
-
-„Soerapati’s grondgebied!” zeide de andere en fronste dreigend de
-wenkbrauwen, „hij heeft geen grondgebied. Behoort geheel Java niet mij
-toe, mij en mij alleen? Dat mijn vader en ik hem verlof gaven bewind te
-voeren over een deel van onzen grond, is geen reden, waarom hij zich
-macht zou toekennen over onze bezittingen.”
-
-Het gelaat van den dienaar bleef onverstoorbaar kalm en de Keizer
-vervolgde:
-
-„Ik ben gevlucht uit mijn hoofdstad, maar niet uit mijn rijk. Weldra
-zal ik met Soerapati’s hulp den ellendigen Hollander, die zich op de
-schouders van mijn laffen oom wil opheffen tot mijn troon, verjagen uit
-den Mataram.”
-
-„Groot is het voorrecht geschonken aan Uwe Hoogheid, dat zij in Radhen
-Wiro Negoro zulk een trouw vriend en helper bezit.”
-
-„Hij is mijn onderdaan, niets meer! Gehoorzaamheid verplicht hem tot
-hulp.”
-
-Het gesprek bleef steken; Soenan Mas, want de ruiter was niemand anders
-dan de vluchtende Keizer van Mataram, hulde zich weer in diep
-stilzwijgen.
-
-Zware dagen had hij doorleefd; alles was hem ontvallen, de steun zijner
-rijksgrooten, de trouw zijner dienaren, de hulp zijner soldaten, zoodra
-de tijding Karta-Soera bereikte dat de opperbevelhebber der Hollanders
-aan het hoofd eener geduchte legermacht van Samarang was opgebroken om
-zijn oom den door de Compagnie erkenden keizer Pakoe Boewana I op zijn
-troon te herstellen.
-
-De geheele bevolking was toegesneld om den tegen-vorst, die, gesteund
-door zulk een kracht van wapens voortschreed, haar hulde te betuigen;
-niemand’s hart had zich gehecht aan den bloeddorstigen, wulpschen
-erfprins, die zich de machtige vreemdelingen tot vijanden had gemaakt.
-
-Elke dag bracht tijdingen vol jammer in den kraton; ’s keizers
-dringende beden en aanbiedingen tot de Compagnie gericht, werden van de
-hand gewezen; tevergeefs bleef Soenan Mas de wettigheid zijner
-aanspraken verdedigen, de Wilde bestreed ze en legde hem zelfs den dood
-van Tak en zijn gezellen ten laste.
-
-Zoodra hij hoorde dat het leger der Hollanders naar Karta-Soera
-oprukte, besloot hij zijn troon en leven duur te verkoopen of het ten
-minste door anderen duur te laten betalen.
-
-Hij zond zijn veldheer Soeria Adi Ningrat, met 4000 man naar Oenarang
-om de Wilde en zijn soldaten den toegang tot de Mataramsche landen te
-beletten; doch reeds weinige dagen later ontving hij het verpletterende
-bericht dat Soeria zijn plaats aan het hoofd van het Javaansche leger
-verlaten had en naar Samarang getrokken was om zijn onderwerping aan
-Pakoe Boewana en dus ook aan de Wilde aan te bieden.
-
-Als een donderslag weerklonk dit bericht in Karta-Soera; nog hoopte men
-dat het leger trouwer zou blijken dan zijn veldheer; ook deze hoop werd
-verijdeld. Reeds bij de eerste schoten door de voorwaarts rukkende
-legers der Compagnie gelost, verstrooiden zich de dappere krijgers en
-verdwenen naar alle richtingen.
-
-Nu begon ook de afval aan het hof welig te tieren; weinige mantri’s
-bleven den schijnkeizer trouw; alleen en verlaten stond hij daar in het
-uitgestrekte hof zijns vaders met de ontzettende zekerheid dat het
-zegepralende leger der Hollanders nog slechts enkele dagreizen van hem
-verwijderd was en hij op niemand kon vertrouwen, dat niemand hem de
-reddende hand wilde toesteken om het zinkende schip weer vlot te
-brengen; alles verliet hem, nergens vertoonde zich redding dan alleen
-in snelle vlucht.
-
-Adipati Anoem herinnerde zich de beloften en aanbiedingen hem door
-Radhen Wiro Negoro gedaan; ijlings zond hij een bode naar Pasaroean om
-den machtigen buurman van zijn ongeluk in kennis te stellen en zijn
-gastvrijheid te verzoeken; de tijd ontbrak hem echter om het antwoord
-te vernemen. Nog vóórdat de bode zijn bestemming bereikt kon hebben,
-zag Soenan Mas zich genoodzaakt met zijn vrouwen, kinderen en nog
-overgebleven dienaren den kraton te verlaten en oostwaarts te trekken
-om daar een schuilplaats te zoeken.
-
-Intusschen deed Herman de Wilde zijn feestelijken intocht binnen de
-hofstad, vergezeld door den nieuwen Keizer, dien hij met groote
-plechtigheid deed inhuldigen.
-
-Alle rijksgrooten op de enkelen na, die Soenan Mas in zijn vlucht
-volgden, kwamen zich aan Pakoe Boewana onderwerpen; zonder
-bloedvergieting hadden dus de Hollanders deze schitterende overwinning
-behaald.
-
-Niets bleef nu de Wilde over dan met den nieuwen Keizer het tractaat te
-sluiten, dat niets anders was dan een bekrachtiging van dat, hetwelk
-bijna twintig jaar geleden de Commissaris Tak naar Karta-Soera was
-komen brengen, toen hij op zulk een onverwachte wijze den dood vond.
-
-De eenige schaduwzijde van dezen gelukkigen veldtocht was Adipati
-Anoem’s ontsnapping; de Wilde vond echter weinig reden dit te
-betreuren, daar hij hoopte hierin een voorwendsel te vinden tot een
-beslissenden oorlog tegen zijn persoonlijken vijand Soerapati.
-
-„De zaken staan niet duister!” sprak de afgezette Keizer na een poos
-tot zijn volgelingen, „alleen Karta-Soera heb ik verloren, maar daar
-ginds aan gene zijde der Brantasrivier strekt zich nog een groot,
-machtig rijk uit, waarin ik als meester zal ontvangen worden.”
-
-„Is mijn machtige gebieder daar zeker van?” waagde het een der mantri’s
-te zeggen, „zou Radhen Wiro Negoro zich niet tegenover hem gedragen als
-een onafhankelijk vorst?”
-
-„Hoe zou hij dat wagen? Alles wat hij bezit, alles wat hij is, gewerd
-hem door de genadige goedheid mijns vaders, die hem toestond Java’s
-Oosthoek te bedwingen.”
-
-„Dat zeide ook de tijger, die zich meester maakte van den uitgestrekten
-tuin, en den eigenaar, die zijn rechten wilde doen gelden, met gapenden
-muil bedreigde,” fluisterde de hoveling een zijner gezellen toe.
-
-„Soerapati zal blijde en vereerd zijn dat hij mij de gastvrijheid zal
-kunnen terugschenken, die mijn vader hem eens verleende,” ging de
-Keizer voort, „hij zal zich haasten mij de regeering over te dragen van
-die landen, welke mij toebehooren en die hij in mijn naam bestuurt.
-Zijn Ratoe is mijn nicht...”
-
-De mantri’s zagen elkander achter ’s Keizers rug spottend aan.
-
-„Deden wij niet goed nog vóór het te laat is Pakoe Boewana onze hulde
-te bewijzen?” mompelden eenigen.
-
-„Hij zal onze onderwerping met blijde oogen aanzien; namen wij geen
-deel aan den bloedigen dood van zijn dochter, Anoem’s schuldige
-gemalin? Hij zal op ons haar dood wreken, nu hij ’t niet meer op zijn
-neef vermag.”
-
-Zij zinspeelden op een bloedig drama, dat nog tijdens het leven van den
-overleden Keizer in Karta-Soera had plaats gehad.
-
-Adipati Anoem was met een dochter van den tegenwoordigen Keizer Pakoe
-Boewana gehuwd; de jonge, schoone vrouw echter minachtte haar
-mismaakten echtgenoot en vergat haar plicht; de Keizer veroordeelde
-haar en haar minnaar ter dood en liet het vonnis op de ongelukkige
-prinses door haar eigen broeders uitvoeren.
-
-Soenan Mas deed bij zijn troonsbeklimming de geheele maagschap van zijn
-medeminnaar op wreedaardige wijze ombrengen. De eenige hofgrooten, die
-hem volgden, waren zij die in de hoogste mate de wrok van Pangeran
-Poeger opgewekt en van hem geen vergiffenis te hopen hadden; wie maar
-eenigszins vermoeden kon bij den nieuwen Keizer in gunst te komen, koos
-weldra zijn partij.
-
-Een der zoons van Adipati Anoem reed zijn vader bijna ter zijde.
-
-„Heer,” vroeg hij, „zoo het waar is dat Wiro Negoro slechts uw
-stadhouder is, waarom heeft dan de overleden Soesoehoenan zoo menigmaal
-legers op hem afgezonden en de hulp der Compagnie tegen hem
-ingeroepen?”
-
-„Wist mijn vader dan wat hij wilde? Was hij niet de speelbal der
-partijen, de gehoorzame dienaar zijner Rijksbestuurders hetzij deze
-Amirang Koesoemo of Sindho Redjo heetten? Ik echter heb steeds
-vriendschap gekoesterd voor den dapperen Balinees; hij heeft mij zijn
-hulp toegezegd om mijn rechten tegen de Hollanders en tegen mijn
-ellendigen oom, dien Allah verdelge, te verdedigen.”
-
-„Waarom is hij dan niet bijtijds op Karta-Soera aangerukt om den
-Hollanders te beletten voort te rukken en zonder slag of stoot te
-zegepralen?”
-
-„Het „omdat” zal ons weldra opgehelderd worden, mijn zoon! Maar nog is
-het niet te laat. Ook mijn grootvader, de heilige Keizer Tagalwangi
-verliet vluchtend zijn dalem; de dood heeft hem achterhaald, maar deze
-vijand die zijn ouderdom bedreigde is, Allah zij er voor geprezen, nog
-ver van mij verwijderd. Mijn vader trad spoedig in zegepraal binnen
-Karta-Soera terug en werd daar plechtig gekroond.”
-
-„Dank de hulp der Hollanders!”
-
-„Ook de Balineezen zullen niet minder dapper zijn. Immers de
-keizerlijke kroon van Mataram met de rijkssieraden bevinden zich in
-mijn bezit. Waar zij zijn, daar vertoeft de keizer!”
-
-De djatibosschen, die hier den golvenden bodem bedekten, werden
-schaarscher en weken eindelijk geheel terug om het uitzicht te geven op
-het dal van de Brantas, die zich tusschen de vlakte slingerde, en de
-vruchtbare sawahs, welke haar omzoomden, drenkte met honderden frissche
-beekjes.
-
-Van alle zijden begrensden bergen de rivier, welke ze van elkander
-scheen te splijten. De Keloet hief er zijn dreigenden hoekigen top
-omhoog. De groene hellingen van het Willisgebergte golfden vriendelijk
-omlaag naar de bloeiende vlakte; aan de overzijde der rivier wuifden de
-hooge kruinen van rijk beladen vruchtboomen zacht op en neer; deze
-vruchtboomen deden daar een dicht bosch vermoeden, maar zij die de
-streek kenden, wisten dat in haar schaduw zich de stad Kediri
-verschool.
-
-Onder de grauwe morgenlucht kwamen de tallooze schakeeringen van groen
-en bruin nog niet tot hun recht, maar toen plotseling twee wolken
-vaneenscheurden scheen het of een regen van stofgoud uit den hemel op
-het landschap neerstortte, en alles van glans en licht doortintelde.
-
-Van alle zijden schitterden de kleuren den ruiters tegen; met schier
-oogverblindenden gloed weerkaatste de rivier het vuur des hemels; de
-zachte, teere tinten der fijn gevinde acaciabladeren deden het donkere
-loof der vruchtboomen nog donkerder schijnen, de sawahs schemerden in
-met zilveren wederglanzen witgroen, scherp teekenden zich de sierlijke
-kronen der palmboomen af tegen de glinsterend witte lucht.
-
-„De zon beschijnt Kediri! Een goed teeken, vader!” riep een der jonge
-prinsen blijde uit.
-
-„Waarom zouden goede teekens mij niet begroeten!”, zei de Soenan Mas
-minachtend, „is het recht dan niet aan mijn zijde?”
-
-Een oude mantri zag zijn vrienden twijfelend aan en fluisterde:
-
-„Een Soera van het heilige boek zegt: „Voorwaar—wien God ter doling
-voert, die vindt nimmer den rechten weg.” En ik vrees dat onze keizer
-zich op een dwaalspoor bevindt.”
-
-„Hij vertrouwt op zich zelf, helaas! Moge zijn waan niet door Allah
-gestraft worden, die de hoogmoedigen weerstaat, en de nederigen met
-welgevallen aanziet.”
-
-„Ziet ge daar niets schitteren?” vroeg de keizer, „zou men niet zeggen
-dat een stoet krijgers nadert?”
-
-Inderdaad flikkerden boven de sawahs, witglanzende lichten, die als
-even zoovele sterren op en neer dansten boven een donkere massa, die
-nader en nader scheen te komen.
-
-„Het zal Radhen Wiro Negoro zijn, die Uw Hoogheid komt begroeten,”
-zeide een der mantri’s.
-
-Men kwam thans van tijd tot tijd groepjes landlieden tegen, die bij het
-zien van den keizerlijken stoet eerbiedig naar den kant van den weg
-terugweken, maar zich niet ter aarde wierpen, zooals de eeuwenoude
-plicht hen voorschreef; de keizer zag het, maar haalde de schouders
-verachtelijk op.
-
-„Zij kennen mij niet,” sprak hij vergoelijkend, „de tijd ontbreekt mij
-het hun te leeren. Weldra echter zullen zij weten wat de gouden pajong,
-die men achter mij draagt, voorschrijft.”
-
-De vlammen naderden meer en meer, steeds met heller gloed blinkend; het
-duurde niet lang of men onderscheidde een driehonderdtal ruiters, die
-in snellen draf kwamen aangereden; links en rechts van hen wierpen de
-landbouwers zich ter aarde, en toen bleek het dat de lichten door de
-zon ontstoken werden, in de zilveren lansen, door hen in de hand
-gedragen.
-
-De keizer sprak niets meer; zijn oog verslond den afstand, welke hem
-scheidde van den naderenden stoet. Men kon dien allengs beter
-onderscheiden; aan het hoofd reden een twintigtal mannen, die een wacht
-schenen te vormen voor hem die allen aanvoerde. Deze bereed een
-prachtig Arabisch paard, rijk met zilver, goud en purper getooid, dat
-vlug en sierlijk met fier opgeheven hals, scheen te begrijpen, welken
-kostbaren last hij droeg; weldra stonden beide groepen tegenover
-elkander. De keizer hield den draf van zijn paard een weinig in,
-afwachtend wat de andere stond te doen.
-
-De zonnestralen deden de wit en roode gewaden der nieuw-aangekomenen
-gloeien tusschen de groenblauwe kleuren van het landschap; het
-verguldsel dat hen bedekte schitterde hel en vroolijk en stak levendig
-af bij de bestoven en beslijkte kleeding van den keizer en zijn
-dienaars.
-
-Hun aanvoerder, een man in de kracht des levens, reed met zijn staf
-vooruit; de anderen bleven op eenigen afstand staan. Zijn paard
-steigerde hoog, hij hield echter het vurige dier met al het gemak en
-vaardigheid van een, die zich meester weet, in bedwang.
-
-Zijn gestalte was hoog en krachtig, zijn breede schouders en forsche
-bouw kwamen tot hun volle recht in het weinig Javaansche kostuum dat
-hij droeg; een wit opperkleed gelijk aan dat der Hindoesche radjah’s
-omsloot strak zijn bovenlijf; een wijde donkergroen zijden broek was om
-zijn enkels vastgesloten, terwijl zijn voeten in sierlijke muilen
-staken; goud borduursel bedekte het bovenkleed evenals de donkerroode
-mantel, die op zijn rechterschouder met een kostbare diamanten speld
-gesloten was en waarvan de sierlijke plooien over het paard fladderden
-en verder door den snellen rit in het vrije wapperden. In zijn gordel
-staken de gouden gevesten van krissen en tevens ook de gewone stalen
-loopen van Europeesche pistolen; een breed Oostersch zwaard hing hem
-ter zijde.
-
-Zijn gelaat was donker gekleurd maar er lag trots en majesteit in de
-wijze, waarop hij te paard zat, fier zelfbewustzijn lichtte uit zijn
-oogen. Zijn lokken waren geheel bedekt door een geelzijden tulband met
-een arendsveer gesierd, die door een fonkelenden robijn bevestigd was.
-Een zware zwarte baard, waarin echter reeds menige zilveren draad glom,
-viel hem op de borst, en verhoogde het vorstelijke on-Javaansche van
-zijn voorkomen.
-
-De mannen, die Soenan Mas omringden, schenen klein en onbeduidend, week
-en laf, tegenover die hooge, majestueuze verschijning; zelfs naast
-zijne volgelingen hoewel minder krachtig en groot dan hun opperhoofd,
-geleken zij bijna dwergen.
-
-Snel rende hij op den gevallen keizer aan, en bracht hem naderend, bij
-wijze van groet, de rechterhand aan den tulband, daarop strekte hij
-deze met een echt koninklijk gebaar uit naar den vorst, die in
-afwachtende houding stilhield.
-
-„Wees welkom in mijn rijk, broeder!” sprak hij met zijn klankvolle,
-heldere stem, „ik bied u gastvrijheid, steun en hulp aan!”
-
-Het was of een bliksemstraal uit den helderen hemel Soenan Mas in zijn
-ijdelen eigenwaan trof.
-
-Stom van verbazing plukte hij aan de teugels van zijn paard en sloeg de
-oogen vertoornd neder; dit was het niet, wat hij in Kediri kwam zoeken,
-maar niets werd hem meer aangeboden. Door het aan te nemen legde hij de
-keizerlijke waardigheid tegenover een onderdaan af, door het te
-weigeren ontblootte hij zich van zijn laatste hulp.
-
-„Wie zijt gij?” vroeg hij weifelend.
-
-„Ik ben dezelfde, dien uw vader eens gastvrij opnam in zijn paleis,
-Soerapati de gevluchte slaaf en rooverhoofdman, thans echter betaalt
-Radhen Adipati Wiro Negoro de schuld van dankbaarheid des vaders af aan
-den zoon. Ik zeg het u nogmaals broeder, wees welkom! De God mijner
-Vaderen zegende mijne wapenen, en het is goed in de dagen des geluks de
-vrienden uit den kwaden tijd niet te vergeten.”
-
-Hij hield de hand nog steeds uitgestoken; Soenan Mas, die verwacht had
-hem voor zich ter aarde te zien knielen, bleef hem nog een poos als
-wezenloos aanstaren, toen legde hij weifelend ook zijn hand in de
-zijne.
-
-„Met dezen handdruk sluiten wij bondgenootschap, broeder,” sprak
-Soerapati, „gij allen zijt er getuige van, ik zal u beschermen tegen de
-trotsche vreemdelingen, die u uit uw erf verdreven hebben.”
-
-Hij zwenkte zijn paard zoodat hij thans aan de rechterzijde van den
-keizer kwam te rijden; met een genadigen hoofdknik groette hij de
-prinsen en rijksgrooten en noemde vervolgens enkelen van zijn gevolg
-op.
-
-„De regent van Kediri, in wiens dalem U een verblijf, passend aan uw
-rang, is gereed gemaakt, mijne zonen, de prins van Balembangan, gemaal
-mijner dochter, de regent van Bangil, die zich allen verheugen den
-Keizer van Mataram te mogen begroeten.”
-
-Maar geen der aangewezenen stapte van zijn paard, allen bepaalden zich
-er toe met hun lansen den vreemden vorst te groeten. De soldaten
-schikten zich snel met bewonderenswaardige regelmaat in vier rijen, aan
-weerszijden van den weg om den stoet door te laten; met opgeheven
-lansen bleven zij staan totdat hun vorst met zijn gast en verder gevolg
-voortgeschreden waren, toen zetten ook zij zich in beweging en omsloten
-den geheelen keizerlijken stoet. Wie dat geleide van gewapende ruiters
-de mannen, vrouwen en kinderen zag omringen, zou eer denken aan een
-troep gevangenen die onder sterke wacht werd voortgeleid, dan aan een
-gezelschap van hooge gasten, vriendschappelijk ontvangen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-IN DEN KRATON VAN KEDIRI.
-
-
-In een sierlijke veranda van den Kedirischen kraton, vriendelijk met
-klimop rond de bevallige bogen omkronkeld, zat de verbannen keizer op
-een rustbed in diep gepeins verzonken.
-
-Voor hem stond een blad met ververschingen ruim voorzien; hij gebruikte
-niets dan van tijd tot tijd een teug Hollandschen brandewijn uit een
-gouden beker, dien hij gretig aan de lippen bracht.
-
-Op eenigen afstand hurkten zijn dienaren op den grond, een eerbiedig
-stilzwijgen bewarend; een sombere stemming scheen onder hen te
-heerschen, allen zagen op naar het mismoedige, treurende gelaat huns
-meesters; niemand waagde echter een opmerking.
-
-Daar trad tusschen de groene bosschages, die rondom het hooge huis een
-bevalligen krans vormden, een man nader, die onder de veranda komend
-zich op den grond wierp en al kruipend den gebieder naderde.
-
-„Mijn Heer en Meester!” sprak hij, Anoem’s misvormden voet kussend.
-„Herkent mijn meester den ouden dienaar zijns vaders niet?”
-
-De keizer, door het hier nog niet ondervonden ceremonieel aangenaam
-getroffen, wierp zijn matte loensche oogen op den nieuw aangekomene,
-een zwakken grijsaard in Javaansch hofkostuum, verzamelde zijn
-herinneringen en riep plotseling uit:
-
-„Amirang Koesoemo! Hoe leeft ge nog?”
-
-„De dienaar leeft om zijn meester zijn diensten aan te bieden.”
-
-„En ik zal ze noodig hebben, oude vriend! Want, ach, ik ben zoo
-verlaten, zoo diep gezonken.”
-
-En hetzelfde wezen dat dien morgen nog vol opgeblazenheid en eigenwaan
-zich op zijn macht had beroemd, barstte nu in een onmannelijk, bitter
-geschrei los; hij wierp zijn hoofd op de kussens, jammerde en steunde
-als ware hij een zieke vrouw en geen keizerszoon geweest.
-
-„Heer!” sprak Amirang Koesoemo, die neergehurkt aan den voet der
-rustbank zat, „er is geen reden tot tranen en zuchten. ’t Is waar
-Karta-Soera is in de macht van den Pangeran Poeger gevallen, maar een
-machtige hulp en steun zijn mijn meester verzekerd om troon en hofstad
-terug te winnen.”
-
-„Hulp van een slaaf! De zoon van Hamangkoe-Rat hangt af van een
-ellendigen Balinees, die zich vermeet hem keizerlijke eer te weigeren.”
-
-„Stil, ô vorst, stil! Vergeet niet dat gij in zijn rijk zijt, dat alles
-zich hier voor hem buigt en hij er oppermachtig heerscht.”
-
-„Oppermachtig zegt gij!” klaagde de keizer; „hebt gij vergeten hoe
-juist wij hem hieven op het voetstuk vanwaar hij zijn hooge vlucht
-begon? Weet ge nog hoe de struikroover in den kraton mijns vaders
-verscheen, met geen anderen uitweg dan zich voor ons te vernederen,
-dood of vrijheid afwachtend van onze genade, of terug te keeren naar de
-wildernis? Gij hebt hem uw dochter geschonken en...”
-
-„En daardoor wapende ik de hand, die den zoon mijns meesters verdedigen
-moet tegen de Hollanders.”
-
-„Hun vijandschap haalde ik mij als noodlottig erfdeel mijns vaders op
-den hals en meer niet. Waarom stiet ik hun hulp niet af, waarom verkoos
-ik liever die van den slaaf? De Hollanders zouden mij ten minste als
-keizer erkennen! De Balinees begroet mij als een gevluchte avonturier,
-niets meer!”
-
-De schijn zijner verloren waardigheid was het eenige, wat Soenan Mas
-betreurde; van zijn macht bespeurde hij steeds zoo weinig, daar hij die
-geheel met zijn eigen persoon veréénzelvigde, dat hij het verlies
-daarvan nauwelijks bespeurde.
-
-„Alles werpt zich voor hem ter aarde, alles bewijst hem keizerlijke
-eer, en mij eert men, als zijn gast, om niets anders. Ieder vergeet dat
-ik keizer van Java ben, dat ik Matarams rijkssieraden met mij draag;
-hij geeft mij niet eens de eer, die de Sultan van Tjeribon en Bantam
-zich gelukkig achten mij te bewijzen als aan hun leenheer. Hij gedraagt
-zich als onafhankelijk vorst en, door wiens recht kan hij ’t zijn?”
-
-„Door zijn zwaard, het meest onbetwistbare recht. Maar vergun uw
-dienaar, Heer, zijn verwondering uit te drukken over uw ergernis en
-mismoed; sedert jaren wist Uwe Hoogheid toch dat Soerapati hier
-opperheerschappij voerde.”
-
-„Ja, dat wist ik en verheugde er mij over, maar ik meende dat hij
-erkende die heerschappij te hebben ontvangen uit mijn hand.”
-
-Almede was het slechts de schijn dien hij miste; door eenige ceremoniën
-had de gastheer den vluchteling tot den gelukkigste der stervelingen
-kunnen maken; zonder moeite had Soerapati kunnen veinzen, dat hij zijn
-wettigen meester binnen diens eigen erf ontving, in plaats dat hij hem
-een weldaad voelbaar bewees.
-
-„Wat deert u zijn macht, o keizer!” ging de oud-Rijksbestuurder voort,
-„als hij u de verloren glorie slechts teruggeeft?”
-
-„Ik heb ze toch reeds half verloren, nu hij ze bezit.”
-
-„In naam van den Profeet, laat Radhen Wiro Negoro het niet vermoeden
-dat gij met leede oogen zijn macht aanschouwt. Bedenk dat gij en de
-uwen geheel aan zijn genade overgeleverd zijt. Mijn keizer bevindt zich
-hier in den kraton van een Regent, die een van Soerapati’s trouwste
-vrienden en wapenmakkers is. Zijn soldaten, de geoefendste van geheel
-Java, vormen uw eerewacht, een eerewacht, die echter slechts een woord
-van hem behoeft om u en uw gevolg tot cipiers te strekken.”
-
-In machtelooze woede wierp de schijn-keizer zich achterover, wentelde
-zich luid jammerend in de kussens en wrong al kermend zijn handen.
-
-„Wat deed ik dan, ongelukkige? Waarom begaf ik mij in het hol des
-tijgers, ik argeloos hert...”
-
-De vergelijking riep op de dunne lippen van Koesoemo een flauwen
-glimlach te voorschijn.
-
-„Wat zal mij hier wachten? Vernedering, niets meer! O waarom
-ontvluchtte ik de Hollanders? Zoo ik mij in tijds aan hen overgegeven
-had, zij zouden mij keizerlijke eer niet onthouden hebben.”
-
-„Gelijk uw vader die aan Troeno-Djojo schonk,” sprak de oude man met
-een spotlach.
-
-„Hoe gij zelf mij belacht! ’t Is niet goed Koesoemo, den gevallen
-waringinstam te bespotten; vergeet niet, ik ben uw keizer, wat er ook
-gebeurd moge zijn. Gij blijft mijn onderdaan!”
-
-Een snelle blik, dien de oud-Rijksbestuurder op den paardenvoet zijns
-meesters wierp, ontging dezen niet; als instinctmatig trok hij de
-sarong over het misvormde lichaamsdeel.
-
-„Of erkent gij Soerapati ook voor uw meester?” ging de vorst met
-pijnlijken drang voort.
-
-„Uw dienaar leeft in zijn koninkrijk, hij geniet zijn gunsten, waarom
-zou hij hem niet als zijn gebieder erkennen?”
-
-„Maar hoever strekt zijn rijk of wat hij zijn rijk noemt, zich uit? Zeg
-het mij, opdat ik de macht kenne van hem in wiens handen ik mij
-overleverde.”
-
-„Zijn rijk raakt den voet der Willisbergen en ontmoet de zee die Java
-scheidt van Bali, de Ardjoeno en de Smeroe heffen te midden van zijn
-grond hun kruinen op naar de wolken; tot aan de grens van het
-Soerabayasche landschap bezit hij onderdanen; in het gebied van de
-Ratoe Kidoel [21] deelt hij met haar den scepter. Niets weerstaat de
-kracht zijner wapens. De oude koning van Balembangan gaf zijn kinderen
-aan de zijne ten huwelijk en diens zoon erkent hem als zijn leenheer.
-Geen soldaten van bruinen bloede zijn opgewassen tegen zijn
-welgeoefende legers. De Hollanders alleen zijn waardig hem te
-weerstaan. Hij is dapper en streng maar strikt rechtvaardig; zijn
-krijgers vreezen den blik zijner oogen, maar in hun harten hebben zij
-hem innig lief; zij weten dat alles wat hij onderneemt hem gelukt, dat
-hij onkwetsbaar schijnt in den strijd, dat zijn wil een wet is, maar
-ook dat hij slechts wil wat goed en verstandig blijkt. Zij vertrouwen
-op hem en het geheele volk bouwt op zijn vorst als op een steenen rots;
-zij gehoorzamen al zijn bevelen, zij aanbidden den indruk van zijn
-voeten, daar zij een hooger wezen in hem zien. Ginds in het Oosten aan
-den voet van den Bromo vereeren zij hem als den afgezant van Batoro
-Goeroe, den leermeester des volks, als een nieuwe verschijning in
-menschengedaante van Shiwa hun oppergod, wiens heiligdommen hij
-herstelde, wiens eeredienst hij deed herleven.”
-
-„Hoe, hij veracht Allah en zijn Profeet?”
-
-„Hij aanbidt het Opperwezen en laat ieder vrij Hem een naam te schenken
-naar de overtuiging zijner ziel; achter zijn dalem heeft hij een tjandi
-ter eere van den oppergod der Hindoes gebouwd, mij echter en allen die
-Mahomed als den grooten Profeet Allah’s vereeren, laat hij vrij
-missigits bouwen. Wien hij zelf vereert in het diepst van zijn hart,
-welke god hem deze overwinningen liet behalen en die hem bekleedde met
-zulk een macht als nooit op Java werd gezien, dit is een geheim dat
-zelfs zijn gemalin mijn dochter niet doorgronden kan.”
-
-„Maar mijn vader was toch machtiger dan hij?”
-
-„Uw vader mijn oude meester ontving de kroon terug uit de handen der
-Hollanders, die ze aan Troeno-Djojo hadden ontnomen; uw vader was een
-koning, die heerschte over een volk van slaven, hij echter de slaaf,
-regeert een rijk van vrije mannen.”
-
-„En hoe komt hij aan die macht? Waarom buigen allen zich vrijwillig
-voor hem, die kort te voren nog minder was dan niets, een vluchteling,
-een vogelvrije?”
-
-„Eenigen zeggen omdat hij een tooverspreuk kent, die het aantal zijner
-manschappen in het oog des vijands vertiendubbelt, anderen omdat hij
-bijgestaan wordt door de machtige Dewahs, de goden, door de dienaren
-van den Moslem uit Java verdreven, weer anderen beweren omdat hij het
-hart der menschen door rechtvaardigheid en goedheid naar zich trekt,
-omdat hij zelf slavernij en armoede, doodsangst en schrik van nabij
-kennend die aan zijn volk tracht te sparen. Hij deed hen ondervinden,
-wat zij nimmer te voren gevoelden, dat de hoeksteen van elke macht niet
-vrees behoeft te zijn maar liefde. Dat verhalen sommigen; uw dienaar
-ziet en hoort alles maar durft niet beslissen. Een zaak weet hij
-alleen, Soerapati is machtiger o Keizer, dan zelfs uw grootvader, de
-gevreesde Tagalwangi het ooit geweest is, vóórdat een Hollander zijn
-gebied betrad, want zijn macht zetelt in het hart zijner onderdanen en
-niet in vrees voor dood en verminking.”
-
-Wezenloos als hoorde hij een vreemde taal aan, luisterde Soenan Mas
-naar de woorden van den grijsaard; eindelijk vroeg hij op bevenden
-toon:
-
-„Maar als hij waarlijk zoo machtig is, welk bewijs bezit ik dan dat hij
-mij niet zal dooden?”
-
-„Hij heeft u gastvrijheid verleend, en nimmer nog werd dit recht door
-hem geschonden. Vertrouw op hem!”
-
-„Vertrouwen!”
-
-Soenan Mas zag angstig rondom zich naar zijn beweginglooze hovelingen
-met hun zwakke ledematen en statiekrissen, en weer bekroop hem nieuwe
-angst.
-
-„Heeft hij mij in geen hinderlaag gelokt? Zal hij mij niet dooden?...”
-
-„Welk belang heeft hij bij uw dood?” vroeg Koesoemo met bittere
-oprechtheid. „Waart gij Pakoe Boewana de zegepralende vriend der
-Hollanders, wellicht zou dan het nut zegepralen over het recht zelfs
-der gastvrijheid. Nu echter zal uw tegenwoordigheid hem niet schaden.
-Hij zal met u spreken en dan keert hij terug naar zijn dalem in Kotta
-Maroeng bij Pasoeroean, u toevertrouwend aan Goesti Wirajoeda, regent
-van Kediri.”
-
-„En gij dan Koesoemo, waar woont gij?”
-
-„Hij schonk mij twintig dessahs en een groote oppervlakte lands rondom
-Bangil; ik hoop u daar als mijn gast te ontvangen.”
-
-„Leeft uw dochter de schoone Radhen Goesik nog, en is zij gelukkig?”
-
-„Zij is een machtige Ratoe en het geluk hebben wij allen te zoeken in
-onze eigen borst. Vinden wij ’t daar niet dan is het vergeefs dat wij
-het van elders verwachten. En wees nu opgeruimd, mijn Vorst! Gebruik de
-spijzen, die Radhen Wiro Negoro u zoo mild aanbiedt, versterk daarmede
-uw vermoeide ledematen en zie de toekomst met blijde hoop te gemoet!”
-
-„Helaas! wat zal die toekomst mij geven als ik geen keizer meer mag
-zijn. Heb ik daarom zoo gevlamd op den dood mijns vaders, die het leven
-maar geen vaarwel wilde zeggen? En nu ben ik verworpen en verstooten,
-terwijl de ellendeling Poeger zegepraalt.”
-
-„Er staat geschreven in het heilig boek des Profeets: „Wie zich aan
-zonde heeft schuldig gemaakt, zal er de zware straf van ondervinden.”
-En zoo hebt gij, o Keizer! u met schuld bedekt door den dood uws vaders
-te wenschen. Weiger dan ook de straf niet te dragen van uw zonde.”
-
-Soenan Mas wierp hem een giftigen blik toe, doch sprak niets; wellicht
-overdacht hij thans reeds met welke verfijnde wreedheid hij eenmaal,
-zoo onbeperkte macht opnieuw zijn deel werd, elke minder aangename
-behandeling elk beleedigend woord zou terugbetalen.
-
-Daar naderden op het kiezelzand tal van stappen. Koesoemo stond op en
-begaf zich naar den ingang der veranda, Soenan Mas richtte zich van
-zijn rustbank halverwege op en zag de naderbij komenden nieuwsgierig
-aan.
-
-Aan hun hoofd ging Soerapati met den regent van Kediri, die steeds zijn
-trouwste vriend en wapenmakker gebleven was; hem volgden zijn drie
-zonen en schoonzoon. Zwakke afbeeldsels waren deze zonen van hun vader;
-de gelijkenis der trekken en der houding was opvallend maar hun ontbrak
-de stalen kracht der spieren, de vrije ontwikkeling en oefening der
-ledematen door ontbering en bittere noodzakelijkheid verworven. De
-weelde en het gemak hadden de vorstenkinderen reeds bij hun eerste
-intrede in de wereld opgewacht, nooit hadden honger en armoe,
-verbittering en wrok, die zoo vaak lichaam en ziel des vaders
-pijnigden, hun prikkel aan de jonge prinsen doen voelen; maar nooit ook
-werden hun zintuigen en geestelijke vermogens gescherpt door de lessen
-dier strenge leermeesters.
-
-Een groep edelknapen volgde de vorsten; zij droegen allen de wit en
-roode uniformen, die Soerapati in zijn leger ingevoerd had en die
-geheel verschilde van de verwijfde hofkleeding aan het Mataramsche hof
-voorgeschreven; zij allen spraken en schertsten luide en het werd
-Soenan Mas duidelijk dat Radhen Wiro Negoro uit zijn onmiddellijke
-omgeving de slaafsche onderworpenheid en domme menschenaanbidding der
-Javaansche vorsten gebannen had.
-
-Een oogenblik weifelde hij, en wist niet hoe zijn gastheer te
-ontvangen. Het liefst ware hij in dezelfde houding gebleven om hen af
-te wachten, een gevoel van ergernis bekroop hem toen zelfs zijne
-dienaren zich voor hem ter aarde wierpen, nadat Koesoemo hen daartoe
-het voorbeeld gaf.
-
-Deze gewoonte vermocht de vorst niet af te schaffen, zijn eerste
-dienaren en vrienden drongen hem deze eerbewijzing zelf op, daar voor
-een groot deel het bestaan zijner heerschappij van dit ceremonieel
-afhing.
-
-Amirang Koesoemo stond echter dadelijk op; toen zijn gebieder de
-galerij betrad, stak deze hem op Europeesche wijze de hand toe, en kwam
-tusschen hem en den regent op den Keizer af.
-
-Soenan Mas verhief zich van zijn bank en deed, zooveel mogelijk zijn
-kreupelen gang verbergend, eenige stappen vooruit.
-
-„Blijf zitten, vermoei u niet, Radhen Adipati!” sprak Soerapati en
-geleidde hem bij de hand naar de rustbank, waarop hij naast hem plaats
-nam; het gelaat des keizers vertrok zich pijnlijk, de toespeling op
-zijn lichamelijk gebrek was hem altijd onaangenaam, maar nog
-smartelijker trof hem de titel dien Soerapati hem gaf.
-
-„Ik ben gekomen om met mijn broeder onze zaken te bespreken,” hij
-wenkte den Regent en Koesoemo nader te komen, terwijl de prinsen en hun
-gevolg verderop de galerij inwandelden en zich met de Mataramsche
-edelen onderhielden.
-
-De beide hofgrooten hurkten op de mat neer voor de voeten der beide
-vorsten.
-
-„Van avond keer ik naar Bangil terug,” sprak Radhen Wiro Negoro. „Mijn
-drukke bezigheden veroorloofden mij nauwelijks dezen kleinen uitstap,
-maar ik vond het passend mijn broeder persoonlijk te begroeten daar ik
-niet vergeten kon, hoe twintig jaar geleden uw keizerlijke vader mij op
-voorbede van mijn vriend den edelen Radhen Amirang Koesoemo een
-schuilplaats in zijn kraton verleende.”
-
-„Uw geheugen schijnt nog wondersterk te zijn, Heer!” zeide Soenan Mas
-met een gedwongen lachje.
-
-„Ik heb mij nog volstrekt niet te beklagen over de beleedigingen der
-jaren,” hernam de andere en wierp een blik vol trotsche zelfvoldoening
-op zijn krachtige armen en gezonde, forsche gestalte. „Niets is mij
-ontgaan uit den veelbewogen tijd, dien ik in Karta-Soera mocht
-doorbrengen. Ik weet ook, Prins, dat gij een mijner vertrouwdste
-vrienden waart en mij de hulp uws vaders niet misgunde.”
-
-„Zonder mijn voorspraak zou u voorzeker niet de gelegenheid zijn
-gegeven u op de Hollanders te wreken, nog minder om na het bloedbad in
-den Kraton hen te ontkomen. Veel leed heeft het voorgevallene ons op
-den hals gehaald; Karta-Soera moest bitter boeten voor hetgeen toen
-tegen de machtige blanken misdreven werd en nu nog draag ik de gevolgen
-van die daad. Zonder den dood van den gezant Toewan Tak zou er geen
-vijandschap bestaan hebben tusschen den Soesoehoenan en de Hollanders;
-ik zou in vollen vrede mijn vader opgevolgd zijn.”
-
-„Als gij dien vrede ten minste gewenscht had, Prins!”
-
-„Ik begrijp u niet.”
-
-„Gij en uw vader hebt den oorlog verkozen met de vreemdelingen, omdat
-gij hen in uw hart bitteren haat toedraagt maar in het gevaar hun hulp
-niet versmaadt, integendeel die knielend inroept. Pakoe Boewana heeft
-zich thans ook aan hen verkocht, daar de nood dreigend werd. Is het
-gevaar minder dringend dan zal hij weer elders een reddende hand zoeken
-om hem van den last der dankbaarheid te bevrijden. Zoo deed uw vader,
-en zoo meendet gij ook te doen Prins, maar zij hebben uwe ter elfde ure
-aangeboden diensten versmaad. Gij hadt gelijk u intijds tot een ander
-te wenden toen hun bijstand u ontviel.”
-
-Verbaasd zag Soenan Mas den spreker aan; hoe kon Radhen Wiro Negoro van
-zijn pogingen bij de Hollanders weten? Het geheele weefsel van
-laaghartigheid en veinzerij in het ongeluk, bij dwaze aanmatiging in
-voorspoed, lag open voor den helderen blik van zijn tegenwoordigen
-bondgenoot. Maar een enkele gedachte hield den vluchteling boven alles
-bezig.
-
-„En wat wilt ge nu voor mij doen?” vroeg hij.
-
-„Hetzelfde wat uw vader eenmaal voor mij deed. Ik zal vijandschap
-zoeken met de Hollanders, schijnbaar om uwentwil, eigenlijk om mijn
-eigen oogmerken te bereiken.”
-
-„Ja, ge wilt u op hen wreken en nooit was een wraak rechtvaardiger,
-want schandelijk hebben zij u bejegend!”
-
-Een wolk verduisterde het hooge voorhoofd; de lippen trokken zich voor
-een oogenblik pijnlijk samen; het was duidelijk dat de hand van den
-gast een wond opzettelijk had opengerukt, die nooit genezen was, al
-werd zij ook door goud en purper bedekt.
-
-„Wat Soerapati de slaaf en de luitenant der Compagnie geleden heeft,
-dat gedenkt Radhen Wiro Negoro niet meer,” antwoordde hij met trotsche
-minachting, „mijn bedoeling is niet mij te wreken maar mijn plannen ten
-uitvoer te brengen en, daarvoor heb ik werktuigen noodig. Een daarvan
-zijt gij Adipati Anoem. Om deze redenen heb ik in persoon u welkom
-geheeten op mijn gebied. Ik heb voor mijn volk getoond dat ik u ontvang
-als een hoogvereerde gast...”
-
-„Maar niet als uw Keizer!” riep de andere uit, daar eindelijk zijn
-gekrenkt gevoel hem dien smartelijken kreet ontwrong.
-
-„Neen, dat niet. Hier ben ik meester, ik spreek tot u als uw gelijke en
-dat moet ook mijn volk weten.”
-
-„Erkent dan ook gij zelf Pangeran Poeger als wettige Keizer? Hem de
-stroopop der Hollanders?”
-
-Medelijdend haalde Soerapati de schouders op.
-
-„Ook anderen zouden zich gelukkig achten als zij zich op die wijze tot
-stroopop konden laten gebruiken. Nog kunt ge terugkeeren, Prins! De weg
-ligt open voor u. Wilt ge blijven op den voet, waarop ik u ontving als
-mijn gast en beschermeling of wenscht gij hier Keizer te zijn? Ik kan
-dan geen twee vorsten in mijn rijk dulden, mijn mannen zullen u
-uitgeleide doen tot aan de grenzen van Mataram, hoe slecht bepaald deze
-ook zijn mogen. De weg ligt voor u open, Prins! Beslis dan!”
-
-„En mijn herstelling op den troon?”
-
-„Ik zal afwachten wat de Hollanders den nieuwen Keizer laten
-verrichten. Vertrouwt gij u aan mij, dan zal ik u tegen hem weten te
-beschermen, wilt gij u liever aan uw oom overgeven, keer dan terug
-langs den weg, dien gij gekomen zijt.”
-
-„Maar mijn herstel op den troon van Mataram!”
-
-„Het zou dwaasheid wezen te trachten de Hollanders uit Karta-Soera te
-verdrijven; het nieuwe tractaat wordt daar gesloten. Zij hebben zich
-versterkt, zij zullen zich weten te verdedigen, Een aanvallende oorlog
-kan slechts noodlottig voor mij blijken, liever wil ik hen afwachten in
-mijn rijk als de tijd daartoe gekomen is. Mijn tijd is beperkt, Prins!
-Beantwoord dus spoedig mijn vraag, verkiest ge onder mijn bescherming
-en die van mijn vriend den Regent hier in dit paleis te leven, zoo
-zweer ik u dat geen Hollander of geen dienaar des Soesoehoenans een
-haar van uw hoofd krenken zal. Verlangt gij echter terug te keeren, ook
-dit staat u vrij!”
-
-„Terugkeeren naar mijn oom, dien ik in de ijzeren kooi deed opsluiten,
-wiens dochter ik deed sterven, terugkeeren, neen dat kan ik niet. Ik
-blijf Soerapati, ik blijf!”
-
-„Welnu, mijn broeder, volg mij dan naar den grooten pendoppoh waar het
-feestmaal dat ons verbond moet besluiten ons wacht. Wirajoeda, gij
-zweert mij bij uw hoofd voor het leven en de veiligheid van mijn vriend
-en bondgenoot Radhen Adipati Anoem in te staan!”
-
-De regent boog zich ter aarde en kuste eerst zijns meesters voeten,
-daarop die van den gevallen keizer.
-
-„Zoo ik in mijn plicht te kort schiet, dan straffe mij Batoro Shiwa,
-den alvernieler!” sprak hij plechtig, want nog steeds vereerde deze
-Balinees den God zijner vaderen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-VADER EN ZONEN.
-
-
-Tegen den avond, begunstigd door schitterenden maneschijn, trok Radhen
-Wiro Negoro met zijn gevolg naar het Oosten terug. De hooge gestalte
-van den vorst was aan het hoofd van zijn stoet duidelijk kenbaar; de
-Regent van Kediri deed hem uitgeleide en Amirang Koesoemo reed aan
-zijne rechterhand, want ondanks zijn vrij gevorderden leeftijd was de
-oude Rijksbestuurder nog sterk en vlug.
-
-„Is Kiai Hemboong nog niet terug van Batavia?” vroeg Wirajoeda,
-„hoeveel maanden zijn toch verloopen sinds zijn vertrek?”
-
-„Ik ben ongerust, zeer ongerust,” gaf Soerapati ten antwoord,
-„nieuwsgierigheid naar tijdingen van hem doet mij vooral zoo haastig
-terugkeeren naar Kotta Maroeng.”
-
-„Reeds viermaal heeft de maan zich gewisseld na zijn vertrek,” zeide
-Koesoemo, „wanneer men hem slechts ongedeerd laat vertrekken?”
-
-„Wat heeft de arme grijsaard misdaan om den toorn der Hollanders op te
-wekken? Hij komt slechts de gevoelens vernemen van de Hooge Regeering
-te Batavia; verwerpt zij mijn voorstellen, welnu dat ik het wete, maar
-wat zal het hun baten, als zij hem vasthouden? Ik had mijn ouden
-pleegvader niet moeten toestaan den gevaarvollen tocht te ondernemen;
-maar niemand mijner mannen evenaart hem in list en geslepenheid,
-daarenboven verlangde hij Batavia terug te zien. Ik begrijp dat gevoel,
-hoe vurig wensch ik zelf daarheen terug te keeren, alles te zien met de
-oogen van den man, wat den blik van den jongeling stellig ontsnapte,
-mijn voordeel te doen met de kunde der blanke mannen. ’t Doet mij nog
-leed dat ik niet vermomd zelf de reis maakte.”
-
-„Een vermomming zal u niet baten,” sprak Wirajoeda, „al verduisteren
-ook wolken de zon, zij kunnen toch niet bewerken dat men den dag voor
-den nacht aanziet. Evenmin zal men in u ooit den vorst miskennen.”
-
-„Den geboren vorst zeker!” hernam Soerapati lachend, „de slaaf in
-koningskleeren, ziedaar de werkelijke vermomming.”
-
-„Wacht met Batavia te bezoeken tot gij daar als overwinnaar uw
-zegetocht kunt doen.”
-
-Soerapati’s oogen schitterden, een glimlach speelde onder zijn vollen
-baard bij het hooren van Koesoemo’s vleienden raad.
-
-„De weg is lang vader, van Pasoeroean naar Batavia; in twintig jaar heb
-ik echter veel gedaan. Wie weet, zoo mij nog twintig jaren levens
-gegund zijn, of ik niet alles zal kunnen uitvoeren, wat ik wensch,
-alles, alles!”
-
-Hij wierp een blik naar achteren, naar zijn zonen die vroolijk en
-luchthartig schertsten en lachten.
-
-„Waar spreken zij over?” vroeg hij fluisterend aan zijn vrienden.
-
-„Waarover jonge knapen het liefste spreken, over schoone vrouwen en
-over schitterende feesten, over dans en spel! Waarover anders?”
-
-Verachtelijk krulden zich de lippen van den vorst, en Wirajoeda
-aanziende, zeide hij:
-
-„Toen wij zoo oud waren, vriend, toen was het niet over zulke vroolijke
-zaken dat onze gesprekken liepen. We hadden andere zorgen, andere
-belangen; ons leven, onze vrijheid moesten wij verdedigen van uur tot
-uur, wij hadden geen tijd te denken aan datgene, wat hun levensdoel
-schijnt.”
-
-„Och, hun jeugd zal ook voorbijgaan.”
-
-„En plaats maken voor een mannelijken leeftijd zonder eer en roem. Ik
-plantte met veel arbeid en zweet den boom, waarvan de vruchten hun rijp
-in den schoot vallen. Wat men zonder moeite wint, dat geniet men ook
-zonder vreeze het te verliezen. Mijn zonen leven in weelde en rijkdom,
-als ware hun vader een geboren vorst geweest. Het genot najagen is hun
-eenig streven; wat zal er van hen worden en van hun kinderen? Een zwak,
-verwijfd geslacht als dat van Mataram, nietelingen gelijk aan het
-wezen, dat we daar straks verlieten en dat nog aanspraak maakt op den
-naam en de eerbewijzingen van een Keizer.”
-
-„Hij is een onschadelijk man; hoe hij in den wijn, trots Mahomed, een
-welkome troost vond voor zijn leed!”
-
-„’t Is hem ontgaan, dat wij vertrokken, zoo was hij reeds van zijn
-zinnen beroofd door de bedwelming van den drank. En aan zulke schepsels
-is dit land, dit heerlijke land overgeleverd; schepsels zoo dom en
-tegelijk zoo boos, wier verstand geen teugels kan leggen aan hun woeste
-hartstochten, die ongebreideld hun overgroote macht slechts aanwenden
-om anderen te verderven. Ontzenuwd door de heillooze leer van hun
-leugenprofeet, verschillen zij geheel van de helden onzer oude sagen.
-Vrienden, ge weet hoe dikwijls wij de blanke vreemdelingen vervloekten,
-die van verre over de zee kwamen om onze schatten te bemachtigen en ons
-de wetten te stellen; maar als ik de nietswaardigheid zie van onze
-vorsten, dan ben ik geneigd God te danken, dat Hij zich ontfermde over
-de arme Javanen, die geen grooter vijanden, geen wreeder verdrukkers
-kennen dan hun eigen Prinsen en priesters.”
-
-„Zoo alle vorsten gelijk waren aan u, Heer!”
-
-„Aan mij! Wat kan ik doen, alleen! Ik misken u niet, vrienden, uw
-zwaard heeft mij trouw geholpen Wirajoeda, even veel als uw wijze raad
-en steun Koesoemo; maar lichter is het een rijk te stichten, volken te
-onderwerpen door dapperheid en listig beleid, dan hen te behouden door
-strikte rechtvaardigheid en wijsheid. Ik voel het, de taak is zwaar;
-zal ik ze alleen kunnen volvoeren? En dan, droevige gedachte, wie
-verzekert mij dat, wanneer ik sterf, niet alles jammerlijk ineen zal
-storten, daar ik in mijn opvolgers mijn geest niet kan storten,
-tegelijk met het leven, dat zij mij danken?”
-
-„En is het daarom dat gij vriendschap zoekt met de Hollanders, vrede en
-bondgenootschap?”
-
-„Ik heb ze gezocht vóór ik Adipati Anoem stellige beloften, deed; ik
-hoopte mijn gedrag te kunnen regelen naar het antwoord dat zij mij
-zouden geven. Helaas! mijn pleegvader keert niet terug. Ik hoop niet
-dat hem iets overkomen zij. Zijn dood of gevangenschap zal de druppel
-zijn, die den beker mijner wraak doet overloopen, veel heb ik van de
-Hollanders verdragen, veel heb ik met hen af te rekenen; zoo Kiai
-Hemboong niet terugkeert, dan hoop ik dat de laatste band verbroken zal
-zijn, die mijn hart nog aan hen hecht.”
-
-„Meester!” riep Wirajoeda uit, „hoe kan het zijn dat er in uw hart nog
-genegenheid leeft voor hen, die u verraden, belogen, vervolgd,
-versmaad, gegeeseld hebben? Is al die schande uit uw geest verdwenen?
-Leeft er geen wrok meer in uw hart?”
-
-„Ik ben nog bereid alles te vergeven, alles te vergeten, wanneer zij
-mij erkennen als hun gelijke, wanneer zij ophouden neer te zien op mij,
-als ware ik een van minder geslacht. Laten zij mij erkennen als hun
-bondgenoot, geen trouwer vriend zullen zij bezitten. Hoe menigmalen
-reeds wierpen de golven des levens mij telkens naar hun kust; ik greep
-met beide handen hun grond aan, telkens echter stieten zij mij terug!
-Nu echter, wanneer Kiai Hemboong niet terugkomt, dan zweer ik bij de
-geesten mijner voorvaderen, zal het voor ’t laatst zijn.”
-
-„Gij verklaart hen den oorlog, om Adipati Anoem in Pakoe Boewana’s
-plaats te stellen.”
-
-„Ik zal hen bestrijden, om te zien wie meester zal blijven van de
-Oostkust, zij of ik?”
-
-Wirajoeda nam afscheid; Koesoemo steeg van zijn paard om in een
-draagstoel plaats te nemen, waar hij voor zijn verouderde ledematen
-meer rust kon vinden gedurende den nachtelijken tocht. Soerapati reed
-alleen vooruit, diep in gedachten verzonken; zijn wonderbare levensloop
-ontrolde zich in breede tafereelen voor zijn geest; hij zag zich weer
-jong, krachtig, zoo juist der slavernij ontloopen, het hart vol
-liefdesmart; hoelang was dat geleden? En de strijd in die bosschen, het
-ongeregelde rooversleven, door den korten soldatentijd gevolgd, toen de
-crisis in Tji-Kendoel, de reis naar Karta-Soera, de wanhopige
-worsteling aldaar en eindelijk de veroveringstocht in Java’s oostelijke
-gewesten. Toen hij daar verscheen was alles hem te voet gevallen; hij
-nam bezit van Madioen en Kediri als stedehouder des Keizers, hij zette
-de Regenten af en stelde zijn vrienden in hun plaats; in Pasaroean en
-het Tengergebergte, waar de leer van Mahomed nog slechts zeer
-oppervlakkig doorgedrongen was, vereerden de volgelingen van Batoro
-Goeroe hem als een afgezant uit den Soeraloyo. [22]
-
-Wat nog tegenstand durfde bieden deed hij zwichten voor zijn
-onoverwinbare wapens; het volk snelde toe, bracht hem blijde zijn
-offers, zette de handen in elkander om voor hem paleizen te bouwen zoo
-schoon als hij slechts verlangde. Hij trachtte goed en rechtvaardig te
-zijn, hen te regeeren niet door vrees en willekeur maar door wijze,
-verstandige wetten, maar hoe verder hij vorderde, hoe duidelijker ’t
-hem werd dat zijn taak zwaar, veel te zwaar werd voor zijn schouders.
-Zijn geest schiep zich heerlijke beelden voor de toekomst, hij droomde
-van rijken zooals die waarvan hij eenmaal als kind had gelezen in de
-boeken zijns meesters, modelstaten als Griekenland en Rome, de namen
-kende hij nauwelijks meer, hij herinnerde zich flauw, daarvan gedroomd
-te hebben in zijn kinderlijke illusiën! Maar hoeveel kennis, hoeveel
-wetenschap was er noodig om van deze aanhankelijke, goedige maar nog
-zoo weinig ontwikkelde wezens menschen te maken, doordrongen van hun
-plichten en rechten! O kon hij toch in zijn eigen geest licht
-ontsteken, den muur waarmede onwetendheid zijn verstand omringde, doen
-instorten, kon hij zelf orde brengen in zijn verwarde gedachten; ja,
-hij wilde veel, hij vermocht met zijn zwaard veel te doen, maar het
-beste wat hij bezat, zijn meerdere kennis en ontwikkeling, hij dankte
-het den Hollanders, hen alleen mocht hij het licht vragen, dat hem kon
-verlichten. Bij hen moest hij den steun zoeken dien hij noodig had.
-
-Zij bezaten immers in vollen rijkdom, juist datgene waarvan hij het
-gemis zoo pijnlijk voelde; waarom stieten zij hem terug als hij zoo
-gaarne van hen ontvangen wilde? Een laatste poging had hij gewaagd,
-keerden zij zich weder van hem af, wat dan? Hij kon hen bestrijden, wat
-baatte ’t hem, ’t bracht hem niet nader bij de verwezenlijking zijner
-grootsche plannen, zelfs al bleef hij hun overwinnaar.
-
-Verscheidene Hollanders had hij tot zich gelokt, om zijn voordeel te
-doen met hun kennis; een hunner had belangrijke verbeteringen gemaakt
-in zijn kraton, een ander gaf hem lessen in lezen en schrijven, waarin
-hij voorheen ook onderricht had gekregen, maar welke kennis hij door
-zijn avontuurlijken levensloop door gebrek aan oefening, verwaarloozen
-moest; een derde hielp hem zijn soldaten op Europeesche wijze te
-oefenen want de wapenhandel bleef nog steeds zijn voorname zorg.
-
-„Ik heb mijn rijk veroverd, ik moet het thans nog beschermen, kan ik
-het rustig bezitten, dan eerst begint mijn grootste, moeilijkste taak.
-Zal ik daartegen opgewassen zijn?” vroeg hij zich af.
-
-De weg voerde langs de kronkelingen van de Brantas, door dat gedeelte
-van Java, hetwelk met recht als de schoonste streek van het
-smaragden-eiland geroemd wordt; ter rechterzijde verhieven zich de
-steile ruggen van den Keloet, in de vlakte wisselden wouden en
-grasvelden elkander af; de zware schaduwen in de diepte werden nog
-donkerder, maar zilvergloed lag over de hoogten uitgespreid; zachte,
-geurige koeltjes daalden van de bergen neder, alles ademde rust en
-vrede in het vergevorderd nachtelijk uur. Het getrappel der paarden en
-het praten en lachen der ruiters verstoorden alleen de plechtige
-stilte, die over de bergen en dalen rustte. Soerapati zag rondom zich
-en diepe weemoed vervulde plotseling zijn ziel, met onweerstaanbaar
-geweld keerden zijn gedachten terug naar de dagen zijner jeugd, naar
-den morgenstond zijner eerste liefde.
-
-„Ware zij de moeder mijner zonen, hoe anders zou ik te moede zijn!”
-mompelde hij, „wat zou ik dan nog vreezen, maar nu? In den boezem van
-mijn eigen gezin heb ik den zwaarsten strijd te voeren en als ik er
-niet meer ben, dan treft hen en mijn rijk de vloek, die Mataram ten
-gronde richt.”
-
-Terwijl hun vader zich met zulke ernstige gedachten bezighield, voerden
-zijne zoons, juist zooals de gewezen Rijksbestuurder aanmerkte, veel
-vroolijker gesprekken.
-
-Pengantin, de oudste hunner, die gehuwd was met de schoone Soederma,
-zuster van den Balembangschen prins Matjanegara, reed een weinig ter
-zijde van de anderen en sprak fluisterend met zijn broeder Lembono.
-
-„Ik zou wel willen weten, wat onze broeders daar voor geheimen hebben,”
-zeide Matjanegara tot zijn anderen zwager Nitro, „het schijnt dat deze
-niet voor onze ooren bestemd zijn.”
-
-Nitro haalde de schouders op.
-
-„Wat voor geheimen kan Pengantin hebben dan die op zijn liefjes en
-danseressen betrekking hebben? Geloof mij, hij kent geen andere dan
-liefdeslisten.”
-
-„Mijn arme zuster weet dat genoeg. Hij heeft zeker weer de een of
-andere dwaze streek in den zin. De mooie serimpies [23] van den
-gevluchten Soenan Mas konden hem niet eens boeien, zulk een haast had
-hij Kediri te verlaten en naar Pasoeroean terug te trekken. Laat hij
-echter op zijn hoede wezen, wanneer hij te ver gaat en het hart van
-Soederma al te bitter bedroeft, zal ik onzen vader waarschuwen.”
-
-„Dat moet gij niet doen, broeder! Een verrader plukt nooit de vruchten
-van zijn verraad. Pengantin en Lembono hebben de vrouwen lief. Welk
-kwaad schuilt daarin? Doen wij niet hetzelfde? Onze zuster handelt
-verkeerd, indien zij haar man met haar slendang [24] aan zich wil
-binden; de gevangen vogel betreurt zijn vrijheid het meest, en haat den
-meester die hem in de kooi sloot. Wanneer zij hem vervolgt met haar
-achterdocht, zal haar echtgenoot bitteren tegenzin voor haar opvatten,
-hoe schoon en lieftallig zij ook moge zijn.”
-
-„Mijn zuster is een prinses, die niet verdient op zulk een wijze te
-worden verwaarloosd.”
-
-„Er is geen sprake van verwaarloozing. Wordt de Toewan Ratoe [25] van
-Mataram beleedigd, daar zij meer dan honderd goendiks [26] naast zich
-moet dulden? Maar het hof van Wiro Negoro staat geheel alleen op Java;
-daar zijn de kapoetrens [27] verboden. Onze vader heeft nooit een
-andere vrouw gehad, dan onze moeder Radhen Goesik Koesoema, maar heeft
-hij daarom het recht ook ons de vreugde te ontzeggen, welke de groote
-profeet van den Islam zijn volgelingen zoo ruimschoots gunt?”
-
-„Uw vader heeft recht tot alles,” sprak de jonge prins, die een
-dwepende vereering voor Soerapati koesterde en hem onbegrensde
-dankbaarheid meende te moeten bewijzen, daar hij zijn broeders, die
-aanspraak maakten op den troon van Balembangan, uit den weg geruimd
-had, en na zijn huwelijk met de Pasaroeansche prinses, uit zijn naam
-zijn rijk bestuurde.
-
-„Gij wilt dus ook geen andere vrouw bezitten naast mijn zuster?” vroeg
-Nitro spottend.
-
-„Nooit!” antwoordde de andere. „Ik ben geen Mahomedaan.”
-
-„En wanneer mijn vader er niet meer is, zal ik dadelijk den Islam
-omhelzen. Maar zelfs in Bali is het geoorloofd vele vrouwen te
-bezitten, hoeveel goendiks had de Maharadja van Modjopahit voorheen?
-Evenals Pengantin, zal Lembono er moeite mee hebben, daar hij de
-schoonzoon van den Regent van Kediri is en met Wirajoeda valt niet te
-spelen. Hij deelt den innigen haat mijns vaders tegen harems.”
-
-„Uw moeder is niet van dit oordeel.”
-
-„Mijn moeder haat de Hollanders; zoo mijn vader haar geen mededingster
-gaf, omdat hij aanhanger is van den godsdienst van Shiwa, niemand zou
-meer juichen dan zij, maar in deze gedragslijn erkent zij slechts zijn
-zucht om den Christenhonden te gelijken, vandaar dat zij onze neigingen
-niet weerstreeft, maar ze aanwakkert.”
-
-„Haar man tegenwerken, zoo mijn vrouw dit ooit waagde....”
-
-Nitro lachte luid.
-
-„Wat zoudt gij doen, kleine Prins, wanneer zelfs de groote Wiro Negoro
-met zijn machtig zwaard weerloos staat tegenover de speldeprikken eener
-vrouw? Radhen Goesik ziet nog steeds met leede oogen dat het hart van
-onzen vader naar de blanke kafirs neigt. Men zegt,” en zijn stem klonk
-nu fluisterend, „dat mijn vader’s eerste gemalin een Christen vrouw van
-zuiver Hollandsch bloed was en dat hij haar nog niet vergeten is,
-hoewel zij hem ontrouw werd. Deze gedachte kwelt mijn moeder dag en
-nacht, zij verbittert haar het leven, dwaze, die zij is. In elke
-handelwijze mijns vaders, die haar maar eenigszins aan de Hollanders
-herinnert, ziet zij een hulde der mededingster gebracht en dit vervult
-dan haar ziel met toorn en nijd.”
-
-„Maar wat zegt uw vader van zulke gevoelens?”
-
-„Hij merkt ze nauwelijks op of veinst ze niet te zien en dat doet haar
-ergernis ten top stijgen. Arme moeder, zij vreest de blanke vrouw, die
-misschien reeds sinds jaren gestorven is, meer dan een kapoetren,
-gevuld met de schoonste Javaansche vrouwen. Gaarne zoude zij met dezen
-de woning van haar echtgenoot willen deelen, mits zij de zekerheid had,
-dat de herinnering aan die ééne geheel uit zijn ziel gewischt ware. Dit
-spooksel uit het verledene verontrust haar thans, na twintig jaren, nog
-evenzeer als op den dag harer verloving.”
-
-„Zonderlinge liefde,” mompelde Matjanegara.
-
-Intusschen drong Panganten bij zijn broeder Lembono aan:
-
-„Ge moet mij helpen, het schoone Tengersche meisje heeft mijn hart in
-vuur en vlam gezet. Ik wil dat zij de mijne wordt.”
-
-„De bewoners van Tosari zijn licht geraakt en dulden geen ijdel spel
-met de eer hunner vrouwen en dochters; hoe wilt ge het meisje
-ontvoeren? Hun woningen zijn in het schier ondoordringbare gebergte
-verscholen, wilt ge haar daar vinden?”
-
-„Gij moet mij helpen, ik zeg ’t nog eens, Lembono! Veins, dat gij den
-geest van den Bromo wilt gaan vereeren, zoo ik mijn vader dit verzoek
-zal hij begrijpen, dat het slechts een voorwendsel is, Nitro is nog zoo
-jong en ik vertrouw hem niet, hij zou voor zich zelf werken als hij ’t
-meisje zag, maar gij heet de ernstigste van ons drieën; vader zal u
-niet wantrouwen als gij met zulk een verzoek tot hem komt en u de
-gevraagde toestemming verleenen. Gij brengt een nacht in Tosari door,
-waar ik u zal komen ontmoeten, en daar zullen wij weldra hooren waar
-het meisje woont, dat ik laatst met haar vader te Bangil ontmoette.”
-
-„En zoo de zaak ruchtbaar werd, als de Tengereezen om wraak roepen over
-de schaking en als het mijn schoonvader ter oore komt, welke rol ik
-daarin speelde? Gij weet Wirajoeda laat niet met zich spelen, zijn
-eigen zoon liet hij krissen toen deze een Mahomedaansch meisje tot
-vrouw nam; hij is wreeder dan onze vader, bij wien hij echter alles
-vermag.”
-
-„Gij zijt laf als een vrouw, Lembono; schande over u, dat gij beeft
-voor den vader uwer gemalin. Luister naar mij,” en hij boog zich over
-den kop van zijn paard om zachter te kunnen spreken, „ik zal u later de
-landen van Ponorogo en Soerabaya geven, Nitro en de Balembanger
-ontvangen niets van mij, ik zal ze wegzenden naar Bali, zoodra ik hier
-meester ben, maar help mij nu, want ik smacht van verlangen naar het
-bezit der lieftallige Siwangi.”
-
-„En Soederma?”
-
-„Zij verveelt mij met haar lastige jaloezie. Hoe wreed is vader ons te
-dwingen slechts een vrouw te erkennen. Hij begrijpt toch hoe na zijn
-dood.....”
-
-Intusschen ging Radhen Wiro Negoro steeds voort grootsche plannen te
-vormen tot uitbreiding en instandhouding van zijn machtig Javaansch
-rijk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-EEN MOEILIJKE ZENDING.
-
-
-Na zijn vertrek uit Batavia scheen Robert een ander mensch geworden;
-het was hem ernst met de verbetering van zijn leven. Vooral nadat hij
-vernam hoe eenvoudig en edel Digna gehandeld had, om hem de vrijheid
-terug te bezorgen, was ’t zijn levensdoel geworden haar achting het
-koste wat het koste te herwinnen. Hij deed eenvoudig zijn plicht,
-zooals zij hem geraden had, en zoo goed dat de aandacht zijner
-overheden op hem viel. Belangrijke krijgsbedrijven hadden er niet
-plaats bij dezen veldtocht. Zonder slag of stoot trok het leger van
-Herman de Wilde Karta-Soera binnen; eenige schoten hadden de 40000
-mannen van Soenan Mas op de vlucht gejaagd. Hun bevelhebber had hen
-reeds verlaten om zich aan de Hollanders te onderwerpen; eenige dagen
-slechts duurde de tocht; na de teekening van het tractaat keerde de
-Wilde terug naar Samarang na eerst een vrij aanzienlijke bezetting
-dicht bij Pakoe Boewana’s kraton te hebben achtergelaten.
-
-Eenige dagen na zijn terugkomst in de loge van Samarang zat de Wilde in
-ernstig gesprek met den onlangs aangestelden Expres-commissaris en
-algemeen Opperhoofd van Java’s Oostkust, Michel Ram.
-
-„Wij hebben een groot werk volvoerd,” sprak de heer Ram, „zonder
-bloedvergieten, alleen door de macht van den Hollandschen naam.”
-
-De Wilde haalde de schouders op.
-
-„Het werk is nog niet half gedaan. Wat baat het ons of de ledepop, die
-wij daar in Mataram hebben neergezet Pakoe Boewana of Hamangkoe-Rat
-heet, als een voortdurend gevaar ons blijft dreigen in het Oosten?
-Zoolang de slavenhoofdman niet verdelgd is, blijft onze toestand
-dezelfde.”
-
-„Maar dat tractaat, dat door uw zorg geteekend is en zulke belangrijke
-voordeelen aan ons verzekert.”
-
-„Ja, het tractaat is geteekend, maar wie staat er voor in dat de
-artikelen zullen worden nageleefd? Angst zal Pakoe Boewana dwingen het
-niet te schenden, doch wat vermogen de beste voornemens tegen de
-ijzeren noodzakelijkheid? Wanneer Soenan Mas uit Kediri komt aanrukken,
-vergezeld door een geducht leger Balineezen, wat zal dan onze bezetting
-in Karta-Soera baten? Hoeveel wij rekenen mogen op de trouw en de
-dapperheid der Javanen dat hebben de jongste gebeurtenissen ons
-geleerd.”
-
-„Maar het volk heeft toch Pakoe Boewana’s zijde gekozen, zij allen
-hebben Adipati Anoem verlaten.”
-
-„Zeg liever dat hij hun verlaten heeft; wanneer eenige Mahomedaansche
-papen komen om de hartstochten van het volk op te zweepen ten gunste
-van den gevluchten prins en als hij zelf verschijnt, gesteund door de
-troepen van den slaaf, wat zal dan tegen hun pieken en krissen het
-papier van het tractaat uitrichten?”
-
-„Uw bedoeling is dus de uitlevering van den Adipati met de wapenen in
-de hand te vragen?”
-
-„Mijn wensch is dat voorzeker, doch tot zoover reikt mijn lastbrief
-niet; ik zal lang genoeg hebben geleefd wanneer ik dat rooversnest
-uitgeroeid heb; voor en aleer zullen vrede en rust niet op Java
-teruggekeerd zijn. Wat zal het ons baten of wij van den Soesoehoenan de
-naleving eischen der contracten wanneer hij met den besten wil der
-wereld buiten staat is zijn verplichtingen te vervullen? Hij, die met
-ondergebrachte natiën vrede wil houden, moet hen geen zwaarder lasten
-opleggen dan zij redelijkerwijze kunnen dragen want dan alleen is de
-vrede bestendig. En zoolang Soerapati, in ’s Keizers eigen rijk een
-onafhankelijke macht uitoefent en Anoem tot werktuig gebruikt om den
-andere vandaag of morgen uit zijn overgebleven staten te verdrijven,
-zoolang kan Pakoe Boewana het tractaat niet naleven.”
-
-„Zoodat een oorlog tegen Wiro Negoro onvermijdelijk is?”
-
-„Heeft de ellendeling niet lang genoeg onze macht getart, wordt het
-geen tijd den weggeloopen slaaf, den moordenaar van Kapitein Tak loon
-naar werk te geven? Wat zal de Javaan denken van de macht en de
-wijsheid der Edele Compagnie, als deze niet eens sterk genoeg blijkt te
-zijn om een deserteur, een verrader, een misdadiger in handen te
-krijgen en hem zijn verdiende straf te doen ondergaan?”
-
-„Inderdaad, er is veel, zoo niet alles voor ons aan gelegen om den
-avonturier onschadelijk te maken, doch de taak is zwaar, de geheele
-streek beoosten Kediri bevindt zich in zijn macht. Hij moet er
-volstrekte heerschappij over voeren; het volk bewijst hem koninklijke
-eer, zijn leger moet zeer geoefend zijn, men zegt door Europeanen, hoe
-zal de Compagnie in deze schier ontoegankelijke streken hem kunnen
-aanvallen?”
-
-„Wij zullen niet alleen staan; ook de Inlandsche vorsten zijn de
-drukkende heerschappij van den slaaf moe geworden. De regenten van
-Soerabaya en Madura blaken van verlangen hem te tuchtigen.”
-
-„Is Uw Edelheid daar wel zoo zeker van?”
-
-„Hebben zij dan geen gezanten naar Batavia gezonden om onze hulp in te
-roepen.”
-
-„Zou daar achter geen verraad schuilen? Heeft de overleden Soesoehoenan
-niet menigmaal hetzelfde gedaan, zich bitter beklagend dat Soerapati
-zijn regenten verdreef, en hun landen aan zich zelf onderwierp, lachend
-en spottend over de vertoogen des keizers. En nu verraadt zijn zoon
-maar al te duidelijk dat hij bevriend is met den Balinees en dat deze
-vriendschap niet gewacht heeft op den tijd van tegenspoed om plotseling
-te ontkiemen.”
-
-„Wie verzekert ons echter dat de vader de gedragslijn van den zoon
-goedkeurde? Adipati Anoem was lijnrecht gekant tegen den
-Rijksbestuurder, dat weten wij genoeg, hij aasde op de kroon nog
-tijdens het leven van Hamangkoe-Rat. De verzoeken om hulp en bijstand
-konden zeer goed oprecht gemeend zijn, maar nimmer wilde de Compagnie
-er een gunstig oor aan leenen, niet alleen omdat zij zich niet krachtig
-genoeg voelde tot zulk een ingewikkelden oorlog maar ook omdat zij na
-Tak’s dood op zulk een gespannen voet met den Soesoehoenan verkeerde.”
-
-„En hem niet vertrouwde! Hoe meer ik den Inlander leerde kennen hoe
-meer ik de waarheid inzie van de woorden indertijd door den zeer
-strengen maar ook zeer ervaren Commandant Johan Albert Sloot
-uitgesproken, toen er gezanten uit Mataram hier heen werden gezonden om
-hulp tegen Soerapati in te roepen: „De ondervinding heeft mij geleerd
-dat op hun discoursen weinig staat te maken valt, daar het eene
-algemeene Javaansche maxime is, dat zij in een samenkomst met ons of in
-ons bijzijn, steeds hun discoursen naar onzen smaak en zin zoeken in te
-richten.”
-
-„Ook dit heb ik meermalen ondervonden, doch kwam eveneens tot de
-slotsom, dat de Javaansche hoofden wanneer het hun voordeel geldt onze
-hulp zeer goed kunnen gebruiken. Wanneer zij inzien dat zulk een
-buurman als de Balinees, hun alles behalve aangenaam kan worden, zullen
-zij zich zeer gaarne van onze hulp bedienen, zelfs wanneer zij weten
-dat deze hen niet voor niet wordt verleend. En Soerapati moet zeer
-lastig zijn en zeer gevaarlijk juist omdat men hem verstand en zekere
-mate van ontwikkeling niet kan ontzeggen.”
-
-„Dat Pakoe Boewana hem liefst honderd voeten onder de aarde wenscht,
-zal ik niet betwijfelen maar of zijn buurlieden de Adipati van
-Soerabaya en de Panombahan van Madura hem eveneens moede zijn, daarvoor
-sta ik niet in. Wees verzekerd dat zij hem vleien, nu vooral nu hij den
-ex-keizer in zijn macht heeft, dit belet echter niet dat zij tenzelfden
-tijd ook ons tot vriend trachten te houden en Pakoe Boewana ten minste
-uiterlijk hulde bewijzen.”
-
-„We moeten die uiterlijke bewijzen van trouw voor lief nemen, totdat
-wij overtuigd raken van het tegendeel en ons bepalen hen nauwlettend te
-bewaken. Wij nemen hun diensten aan maar schenken hen geen vertrouwen
-in ruil. Dit zal onze stelregel wezen.”
-
-„De grootste moeilijkheid echter is ongetwijfeld onze geheele
-onbekendheid met de landstreken, waarin Soerapati huishoudt. Nog nooit,
-zoolang hij het bewind voert, heeft een Hollander—overloopers niet te
-na gesproken—daar den voet gezet; wat wij van zijn regeering en de
-inrichting van zijn rijk weten, dat hoorden we slechts uit weinig
-betrouwbare inlandsche berichten. En ’t is toch noodzakelijk vóórdat
-wij onze hand in dat wespennest steken, iets meer te weten van den man,
-dien wij gaan bestrijden. Zou er geen mogelijkheid toe bestaan zich
-daar van te vergewissen?”
-
-„Uw raad is niet verwerpelijk maar het hoe biedt ernstige, bijna
-onoverkomelijke bezwaren aan. Wij kunnen er spionnen heenzenden, maar
-deze moeten toch ook Europeanen zijn, daar wij de inlanders weinig
-vertrouwen kunnen en er op hun waarnemingen geen staat te maken is.”
-
-„Een Europeaan hebben wij in de eerste plaats noodig, die alles met
-zijn eigenaardigen blik beschouwt en weet, wat hij op moet merken en
-welke toestanden zijn meeste aandacht verdienen; maar hoe zullen wij
-dezen in Soerapati’s onmiddellijke omgeving laten doordringen? Kleur en
-spraak zullen hem verraden.”
-
-„Maar reeds menige Europeaan is naar hem overgeloopen; ik hoorde zelfs
-dat reeds menige blanke deserteur hem zijn diensten aangeboden heeft.
-Zou men thans ook niet één of meer vertrouwde mannen onder datzelfde
-masker naar hem kunnen zenden?”
-
-„Vergeet niet dat de slimme vogel thans meer dan ooit op zijn hoede zal
-wezen en wee dengene, die hem wil verschalken. Het is noodzakelijk in
-de eerste plaats, dat noch hij noch zijn dienaar vermoeden, dat onze
-verspieder in zijn rijk is. Degene, dien wij daartoe afzenden, moet
-listig, dapper, welonderwezen zijn en door zijn uiterlijk de
-achterdocht der inboorlingen niet opwekken.”
-
-„Waar zou men zulk een zeldzaam wezen kunnen vinden?”
-
-„Daar valt mij iets in! Mijn aandacht werd gevestigd op een jong, knap
-soldaat—ik geloof dat hij onlangs bevorderd is—tot korporaal. Hij heeft
-een kaart gemaakt van het oorlogsterrein, die ik zeer goed bruikbaar
-vond; gelegenheid om zijn moed te toonen heeft hij niet gehad maar de
-goede kapitein Wels, die helaas! viel als offer van het moordend
-klimaat, meldde mij nog dat in de weinige schermutselingen, die hij had
-meegemaakt, zijn dapperheid hem veel te veel deed wagen; doch wat hem
-vooral aanbevelingswaardig doet zijn voor dergelijke zending, dat is
-zijn donker voorkomen.”
-
-„Is hij Hollander?”
-
-„Ik zou ’t wel denken, hoewel zijn kleur van gelaat en haar meer aan
-een Italiaan of Spanjaard herinneren. De arme knaap moet in de laatste
-dagen, welke hij te Batavia doorbracht, nog een onaangename zaak hebben
-gehad. Men heeft hem beschuldigd van een diefstal, waar slechts een
-liefdeshistorietje in ’t spel was. Zijn Edelheid de Opperlandvoogd
-beval mij hem door een enkel woordje aan.”
-
-„Het beste zou wezen, wanneer Uw Edelheid hem eens over het onderhavige
-geval zelf sprak.”
-
-„Gij hebt gelijk en ik wil het dadelijk doen.”
-
-Hij tikte op de tafel en gaf bevel aan den binnentredenden ordonnans
-den korporaal Walter te doen roepen.
-
-Weinige oogenblikken later kwam de korporaal binnen en groette de beide
-groote heeren eerbiedig.
-
-„Wij hebben u doen ontbieden korporaal,” begon de Opperbevelhebber de
-Wilde, „daar wij ons willen vergewissen of gij de noodige vereischten
-bezit om een moeilijke, gevaarvolle zending te volvoeren.”
-
-Robert bracht even de hand aan het hoofd, hij antwoordde niet maar zijn
-groote donkere oogen vonkelden van blijde verwachting.
-
-„Hebt gij moed?”
-
-„Ik hoop ’t u te toonen, Heer Opperbevelhebber, als de gelegenheid er
-zich toe aanbiedt.”
-
-„Maar er is meer noodig dan de moed, die u aan het hoofd van een leger
-doet vechten onder de bevelen uwer meerderen?”
-
-„Ook dat meerdere hoop ik te bezitten.”
-
-„Ge zult list en beleid dienen te gebruiken.”
-
-„Daarin heb ik nog weinig proeven afgelegd, maar ik hoop dat de
-gelegenheid als een goede meesteres ze mij zal leeren.”
-
-„Gij spreekt goed, uw uitspraak is beschaafd, ik heb gehoord dat het u
-niet aan kundigheden ontbreekt, dat gij u gemakkelijk in het Fransch,
-Hoogduitsch en Engelsch kunt uitdrukken. Waar hebt gij uw opvoeding
-ontvangen?”
-
-„In Amsterdam.”
-
-„Dus behoort gij zeker tot een goede familie.”
-
-„Ik heb geen familie,” antwoordde hij dof.
-
-„Is Walter uw eenige naam?”
-
-„Mijn eenige.”
-
-„Ik wil niet meer vragen, gij schijnt reden te hebben om uw voorgaand
-leven met een diepen sluier te bedekken. Ik eerbiedig uw geheim; maar
-nog een vraag: Kent gij Maleisch en Javaansch?”
-
-„Niet meer dan om mij tegenover de inboorlingen te kunnen uitdrukken
-voor de gewone behoeften van het dagelijksch leven in het leger. Ik heb
-echter, ’t zij met bescheidenheid gezegd, een groot gemak voor het
-aanleeren van vreemde talen.”
-
-„’t Is goed, ik zal een Javaanschen Mantri aanwijzen, die u grondig
-zijn taal leert; gij weet reeds iets van de taal. Hoeveel tijd denkt
-gij noodig te hebben om ze te leeren verstaan en spreken?”
-
-Robert dacht even na.
-
-„Drie maanden.”
-
-„Welnu, reeds heden zullen uw lessen beginnen; en bereid u dan voor op
-een hoogst gewichtige zending. Wanneer gij in mijn geest die uitvoert,
-dan wacht u van de Hooge Regeering een schitterende belooning,
-waarschijnlijk den officiersrang.”
-
-Opnieuw schoten Robert’s oogen stralen vuur; maar hij sloeg ze neer,
-zijn lippen trilden en in zijn hart fluisterde hij:
-
-„O Digna, hoe tevreden zult gij dan zijn!”
-
-„Maar ik kan u niet ontveinzen dat er groote, zeer groote gevaren aan
-verbonden zijn, en dat ge groote kans loopt uw leven onderwijl te
-verliezen.”
-
-Minachtend trok de jonge man zijn wenkbrauwen op.
-
-„Aan mijn leven hecht ik volstrekt niet. ’t Is niets waard, ik zal
-gelukkig zijn, wanneer ik het geven mag in dienst van het vaderland.”
-
-„Ge wilt u dus met die taak belasten, al weet gij nog niet, waaruit zij
-bestaat?”
-
-„Ja, Heer Opperbevelhebber! Ik zal gelukkig zijn die te mogen
-uitvoeren, en ik hoop het in mij gestelde vertrouwen niet te
-beschamen.”
-
-Juist trad een jonge onderkoopman, die den gezaghebber Ram moest
-spreken, binnen; toen hij Robert zag, die juist het vertrek wilde
-verlaten, bleef hij onthutst staan.
-
-„Van Reijn,” zeide hij halfluid, als onwillekeurig.
-
-De andere zag om, als had hij op een doorn getrapt, zijn blos bewees
-hoe hij schrikte, maar hij wendde dadelijk het hoofd af, groette zijn
-meester en vertrok.
-
-„Kent gij dien man?” vroeg de Heer Ram aan den koopman.
-
-„Ja, Edele Heer, uit Amsterdam. Zijn vader en de mijne waren vrienden,
-ten minste....”
-
-„En wie was zijn vader?”
-
-„De oud Expres-commissaris in Indië, Jozef van Reijn.”
-
-„Wat zegt ge, van Reijn, maar die had geen kinderen.”
-
-„Dat heeft men later ook bemerkt; de oude heer had hem met zich uit
-Indië meegebracht en hem steeds behandeld als zijn eigen zoon. Hij
-voerde geheel en al het leven van een rijken, patricischen jonker,
-totdat zijn vader plotseling stierf en toen bleek het dat Heer van
-Reijn in het geheel niet zijn vader was. Hij verdween nog voor de
-begrafenis en niemand wist tot nu toe, wat er van hem geworden was.”
-
-„En hoe gedroeg hij zich in Amsterdam?”
-
-„Hij was een vroolijke klant, jong en een weinig lichtzinnig, maar
-trouw als goud; zijn pleegvader had hem op zijn handelskantoor
-geplaatst, zeker met het voornemen hem een aandeel in de zaken te
-geven. Niemand weet of hij daarin voorzien had, want zijn haastige
-vlucht sneed alle betrekking met zijn vroegere bloedverwanten af. Hij
-had echter weinig lust in den koopmansstand; zijn hart trok naar het
-militaire leven, maar een teedere verhouding, die er bestond tusschen
-hem en de juffrouw van Starenwijck, deed hem in ’s vaders wil
-berusten.”
-
-„Dus gij weet niets ten zijnen nadeele?”
-
-„Volstrekt niet. Zijn makkers hielden allen veel van hem; hij was onder
-zijne medeleerlingen een der eersten; zijn drift deed hem somwijlen een
-misstap begaan, maar hij was eerlijk en oprecht, een liefhebbend zoon
-en vurig minnaar.”
-
-„Daar hebben wij niets mee te maken. Ge meent echter zeker te weten dat
-deze korporaal en uw vroegere speelmakker dezelfden zijn?”
-
-„Ik geef er mijn woord op. Daarenboven Uw Edelheden zagen zelf hoe hij
-op ’t noemen van zijn naam zich omwendde.”
-
-„’t Is wel! Ga nu tot de behandeling uwer eigen zaken over.”
-
-Zoodra hij vrij was, begaf zich Bosma, de onderkoopman naar de kazerne
-en vond daar Robert een weinig afgezonderd staan, hij hield een boekje
-met Javaansche karakters in de hand.
-
-„Robert,” zeide hij, „gij wilt mij niet meer kennen.”
-
-De andere zag hem aan.
-
-„Neen,” gaf hij ten antwoord, „’t is beter dat we elkander niet meer
-kennen ten minste voorloopig niet. Eens hoop ik echter met een nieuwen
-naam en een nieuwe toekomst u en ook anderen in de oogen te zien. Dan
-neem ik het niet meer als gunst aan dat menschen mijner nog willen
-gedenken.”
-
-„Ik hoop dat oogenblik te zien. Ik heb veel goeds van u aan Hun
-Edelheden verhaald, misschien zal ’t u voordeel doen.”
-
-„Gij hebt toch niet alles gezegd?”
-
-„Wat ik wist alleen.”
-
-Robert beet zich op de lippen.
-
-„Ook van haar?” vroeg hij.
-
-„Van juffrouw van Starenwijck?”
-
-„Noem haar zoo en niet anders. Ik smeek er u om?”
-
-Bosma wist niet dat Digna vroeger juffrouw Tak en thans mevrouw
-Voorneman heette en beloofde het gaarne.
-
-„Laten we elkander voortaan niet meer kennen,” smeekte Robert, „met het
-verleden heb ik gebroken. Wat de toekomst mij zal geven en toestaan,
-weet God alleen!”
-
-En de Opperbevelhebber zeide hoogst tevreden tot den Heer Michel Ram:
-
-„Ik geloof dat ik den rechten man gevonden heb.”
-
-„Hij is misschien wat jong, wat onbesuisd, wat driftig.”
-
-De andere schudde minachtend het hoofd:
-
-„Met die hoedanigheden zal hij slechts zich zelf schade doen. En ge
-hebt zelf gehoord. Hij staat alleen op de wereld. Er is niet veel aan
-hem gelegen. Slaagt hij, uitstekend, zoo niet, dan is er slechts een
-verloren mensch minder op de wereld.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-MAAGDENROOF.
-
-
-Fijne, wazige sluiers lagen over de talrijke ribben en valleien van het
-Tengergebergte uitgespreid, zachtkens losten zij zich in de gulden
-zonnestralen op en een schouwspel van onuitsprekelijke schoonheid
-glansde in het morgenlicht.
-
-De trotsche kruinen van den Ardjoeno, de machtige bergkolos van den
-Kawi verheffen zich in het Westen, met den kegelvormigen ruwen
-Penangon-gan, de groene hellingen van den Tenger dalen als de
-onzaggelijke treden van een gigantentrap af naar de zee, die in het
-verschiet haar oogverblindenden zilverglans doet wegsmelten in den
-gezichteinder en bezaaid is met schepen, waarvan de zeilen als witte of
-zwarte vogels zacht op en neer duiken. Tusschen de bergen breidt zich
-het hoogvlak van Malang uit, met zijn rijke afwisseling van
-hoogliggende rijstvelden, waarvan het donker en lichtgroen op grillige
-wijze tegen elkander afsteken; de lichte dampen, die nog over de laagte
-zweven temperen de al te schelle kleuren; hier en daar flikkeren
-schitterende banden tusschen de zilvergrijze mistsluiers, dat zijn de
-stroomen, die van de bergen ruischen en zich naar zee spoeden.
-
-Tegen een der ruggen, die straalsgewijze uitgaan van den kraterrand der
-Tengersche bergen, ligt het dorp Tosari, door het eigenaardige volk der
-Tengereezen bewoond; links en rechts van de smalle vlakte, waarop het
-dorp zich genesteld heeft, vallen de bergwanden bijna loodrecht naar
-beneden; een frissche plantengroei, die schier niets tropisch heeft,
-vult de ravijnen en berghellingen. De tjemarabosschen wuiven zacht heen
-en weer, terwijl in hun schaduw geurige aardbeziën, thijm en vlier
-naast reusachtige varenplanten bloeien. Een onbeschrijfelijke
-frischheid vervult de lucht, de nachten zijn hier koud en de dagen
-missen de verzengende hitte die de tropische zon uitstraalt; tuinen
-waarin maïs en uien verbouwd worden, hangen tegen de steile hellingen
-en vervangen de rijstvelden die hier ontbreken, terwijl de huizen
-omstreeks veertig in getal allen in één richting gebouwd zijn, zoodat
-zij uitzicht geven op den heiligen berg Bromo, en de kratertoppen van
-het Tengergebergte.
-
-Die huizen hebben een eigenaardig langen vorm en strekken tot woning
-aan verscheidene gezinnen; aan het hoofdeinde van het huis verheft zich
-de heilige haard, waarin het vuur uit den berg Bromo afkomstig,
-onophoudelijk brandt en nimmer uitgedoofd mag worden.
-
-De offeranden van het gezin worden dagelijks op dit altaar neergelegd;
-de eenvoudige lieden brengen hun bloemen en vruchten, de eerstelingen
-hunner akkers ten offer, aan dengene, in wien zij hun Opperwezen
-vereeren.
-
-Heden echter zijn de tuinen en huizen verlaten, de nijvere landbouwers
-hebben schop en spade laten rusten; een feestelijk aanzien ademt het
-dorp, hoe stil en verlaten het ook schijne. Een enkele grijsaard zit
-onder het afdak zijner woning; een enkele vrouw versiert met bloemen
-den kalfskop die heden boven het huisaltaar prijkt, terwijl eenige
-kinderen aan het spelen zijn binnen de hooge pagger, die de huizen
-omsluit.
-
-Het is de dag bestemd voor het groote feest van Kasodo; alle bewoners
-op de afgeleefden van dagen, op de zieken en hun verpleegsters na zijn
-opgegaan naar boven naar de ontzaggelijke zandvlakte of Dasar,
-waarboven de heilige Bromo zijn kruin verheft om daar het groote offer
-aan hun Oppergod en de mindere goden te brengen; mannen, vrouwen en
-kinderen hebben in alle vroegte den berg bestegen om zich in de Dasar,
-een geheimzinnig meer van zand tusschen rotswanden en spitse
-steenblokken besloten, te verzamelen. In die vlakte komen de bewoners
-van alle dorpen in de valleien en op de bergtoppen bij elkander; de
-vrouwen blijven achter; de mannen klimmen op naar den krater om onder
-het uitspreken van gebeden en formulieren hunne offeranden in den
-afgrond neer te werpen, waarin zij meenen dat de groote Batoro Goeroe
-zijn verblijf houdt.
-
-Is de tocht volbracht dan keeren zij terug en zetten zich gezamenlijk
-aan den offermaaltijd en keeren tegen het vallen van den avond terug
-naar hun eigen dorpen.
-
-Terwijl alles daar boven vereenigd is, en Tosari het voornaamste der
-dorpen, stil en uitgestorven schijnt, naderen een twintigtal mannen de
-in de rots gekapte ruwe treden, die tot het dorp toegang geven.
-
-„Zij zijn allen weg,” sprak hij, die de aanvoerder van den troep
-scheen, „het zal niet baten of wij ons daarbinnen begeven. Zij, die wij
-zoeken is er toch niet.”
-
-„Men kan ’t niet met zekerheid zeggen; haar vader is oud en zwak,
-wellicht heeft zij hem niet verlaten.”
-
-„Het zou ons veel moeite besparen, zoo wij haar hier konden aantreffen;
-de dwerg heeft toch het vermoeden uitgesproken dat zij de anderen
-wellicht niet zou vergezellen.”
-
-Een jong meisje was intusschen uit een der huizen getreden door de
-eenige deur, die toegang naar buiten verleende, zij bracht de hand voor
-de oogen en staarde op naar boven, waar een glinsterende rookwolk als
-een reuzenpluim den bergtop sierde en haar uiteinde zachtkens deed
-wegdoezelen in de lucht.
-
-Het was een mooi, slank meisje; haar dikke lokken vielen, nog nat van
-het water, dat ze bevochtigd had, los over haar schouders neder, zij
-droeg een mand vol bloemen in de linkerhand; haar groote zwarte oogen
-bleven met eerbied op den Bromo gevestigd en een droevige uitdrukking
-gleed over haar gelaat, die geheel in overeenstemming was met den
-zucht, die haar lippen ontsnapte maar dadelijk weer speelde er een
-glimlach over, terwijl zij met haar bloemen plaats nam onder het afdak,
-waar een oude man zich in de jonge zonnestralen zat te koesteren.
-
-Zij zette zich aan zijn zijde neer, nam de melati-knoppen in haar hand,
-ontdeed ze van de harige kelken en stak ze toen in de slangvormige
-bladen van kenanga’s, waardoor de eenvoudige bloem niet alleen versierd
-werd maar ook tevens de beide zoo verschillende geuren zich met
-elkander vermengden.
-
-„Betreurt mijn dochter het niet, dat zij hier alleen moet achterblijven
-terwijl haar bruidegom en al haar speelgenooten deelnemen aan het
-groote offerfeest?” vroeg de grijsaard.
-
-„Hoe kan ik iets betreuren, dat mij reden geeft tot vreugd, of is het
-geen vreugde, die mij geschonken wordt, nu mijn vader de volheid der
-jaren genieten mag en het mij vergund is hem terzijde te blijven?”
-
-„Het is een overbodige zorg van mijn lieve Siwangi, dat zij het
-gezelschap offert van haar vriend en haar vriendinnen om mij dezen dag
-nabij te blijven. Niets zou mij heden ontbroken hebben; ik ware stil op
-mijn plekje gebleven, een gedienstige buurvrouw had mij licht eenige
-versnaperingen gebracht, en zij zou mij bij uw terugkomst hier
-weergevonden hebben zooals zij mij verlaten had.”
-
-„En als weer een ongeval mijn armen vader treffen moest, als hem de
-wereld opnieuw onzichtbaar werd, gelijk onlangs toen ik met mijn
-broeder en schoonzuster onzen tuin omspitte en wij u bewegingloos
-terugvonden op de bank binnenshuis? Neen vader, voor alle schatten, die
-de goede Godin verleenen kan, zou ik u dezen dag niet alleen hebben
-gelaten.”
-
-„Moge Batoro Goeroe de algoede Schepper en Behouder van alles wat
-bestaat uw kinderlijke liefde zegenen mijn dochter, en naast uw
-bruidegom Dorowadi een lang en gelukkig leven schenken. Hij verleene
-mij de gunst uw bruiloft nog in persoon bij te wonen en niet onder de
-levenlooze beelden plaats te nemen, die de plechtigheid opluisteren.”
-
-„O vader, uw sterfuur zal nog lang verwijderd zijn.”
-
-„Mijn kind, de tong spreekt zoo gaarne uit, wat het hart wenscht, maar
-het lot der menschen hier beneden staat niet in de macht van den
-sterveling, het is de onveranderlijke wil der heilige Godheid; wat
-eenmaal beschikt is moet gebeuren, er is geen ontwijken aan de
-bestellingen des Hemels. Dood en leven behooren den grooten
-Albeschikker toe, Hem te wederstreven is groote zonde.”
-
-„Siwangi weet het vader, zij weet het en daarom heeft zij het vuur hoog
-doen opvlammen en het versierd met kransen van bloemen en vruchten, nog
-een kroon van deze welriekende kenanga’s en melatis wil zij samenvoegen
-om ze aan den verheven geest van den Bromo ten offer te brengen. Morgen
-zal zij met Dorowadi nogmaals den berg beklimmen en de zandzee
-doorwaden om haar gaven neer te werpen in den eerbiedwaardigen
-vuurmond. Zij zal het doen om den zegen te vragen voor onze
-echtverbintenis en tevens om een lang en gezond leven voor haar vader
-af te bidden.”
-
-„Laat uw hart geen wantrouwen koesteren Siwangi, over de raadsbesluiten
-der Godheid; wanneer zij bepaald heeft dat de dagen van haar dienaar
-zullen eindigen vóór dat uw vereeniging met Dorowadi gesloten is in een
-der gunstige maanden, dan zullen uw vrome offers, mijn arm kind, dit
-lot niet afwenden van mijn hoofd. Oorlog en dood, leven en lijden, dit
-alles hangt af van den wil der verhevene hemelmachten, het is niet
-mogelijk daaraan te ontkomen! En wat zoude ik ook nog meer wenschen op
-deze aarde? Zijn mijne zonen niet gelukkig met de vrouwen hunner keuze,
-heeft mijn dochter niet haar woord gegeven aan den man, wien ik haar
-gaarne vertrouwde? En bovenal mag ik niet tevreden zijn daar thans uit
-mijn land de goddelooze volgelingen van den Islam verdreven zijn en
-onze vorst evenals wij eenvoudige bergbewoners, den almachtigen Batoro
-Goeroe als zijn Opperheer erkent en vereert?
-
-„Radhen Wiro Negoro heeft Hem een heerlijken tempel toegewijd.”
-
-„En zijn zoon heeft zich bij ons volk gevoegd om de geesten, der Dewahs
-in hun verblijfplaats te vereeren.
-
-„Men zegt immers dat Mas Lembono zich ook naar de Dasar heeft begeven.
-De groote Bromo vergelde het den machtigen der aarde, die hem ootmoedig
-vereeren.”
-
-„Moge het waarlijk ootmoed en godsvrucht zijn, die den prins deden
-besluiten deel te nemen aan ons feest.”
-
-„En wat zou het anders kunnen zijn, Siwangi?”
-
-Maar het meisje antwoordde niet, zij hoorde stappen de woning naderen.
-
-„Het zal onze buurvrouw zijn,” sprak zij en stond op—maar het was geen
-vrouw, die plotseling voor vader en dochter verscheen maar een man nog
-in den eersten bloei des levens; zijn kleeding was van fijne stof, een
-lang afhangend jak verborg echter als een mantel alle onderdeden
-daarvan.
-
-„Wees gegroet, jonge dochter,” sprak hij en met de handen op de borst
-gekruist, boog hij zich eerbiedig voor de schoone Siwangi, „veroorloof
-een armen verdwaalde, dat hij het nederig verzoek tot u richt, hem den
-weg te wijzen naar de grijze zandzee.”
-
-„Niets zal haar aangenamer wezen Heer, dan u op het goede pad te
-voeren,” antwoordde Siwangi vrijmoedig en zich tot haar vader wendend,
-vroeg zij: „veroorlooft gij uw dochter vader, dat zij dezen vreemdeling
-een eind begeleide?”
-
-„Wie zijt gij?” vroeg de grijsaard, en richtte zijn doordringende oogen
-op den nieuw aangekomene.
-
-„Ik ben niet alleen, oude vader!” hernam deze, „daar komen mijn
-gezellen. Wij behooren tot het gevolg van prins Lembono die opwaarts
-gestegen is om aan den heiligen berg zijn hulde te brengen, doch in de
-duisternis van den nacht verloren wij hen uit het oog, dwaalden door de
-bosschen en zegenen het toeval, dat ons op dit bekoorlijk plekje
-brengt.”
-
-„Wanneer gij een vriend zijt van den zoon van onzen edelmoedigen en
-dapperen vorst, dan roepen wij u van harte welkom toe. Had de ouderdom
-mijn beenen niet stram en stijf gemaakt, ik zou opstaan van mijn
-zitplaats om u nederig te begroeten en u tevens te verzoeken aan uw
-oppermeester te zeggen, hoe dankbaar de harten van ons, Tengereezen,
-voor hem kloppen. Toen onze groote stamvader Kiai Dadap Poetih door het
-zwaard van den Islam uit zijn paleis van Modjopahit verdreven werd,
-vluchtte hij naar dit schier ontoegankelijk gebergte, en deed zijn
-kinderen en volgelingen zweren trouw te blijven aan de leeringen en
-voorschriften van onzen godsdienst, nimmer zich te voegen naar de al te
-verleidelijke lessen van den Arabischen profeet en zoo zijn wij hier
-gebleven en vormden een hoogst gelukkig volk, en ik mag het gerust
-zeggen met rechtmatigen trots, de reinheid onzer zeden vormt een
-heerlijke tegenstelling met de diepe verdorvenheid, die aan gindsche
-zijden der bergen heerscht.”
-
-„Ja, de deugden der Tengereezen zijn overal bekend en beroemd,” sprak
-de andere min of meer spottend en ongeduldig.
-
-„Aan het hof van Radhen Wiro Negoro worden onze voorschriften opnieuw
-in eere gebracht. Veelwijverij is in zijn naaste omgeving ongeoorloofd,
-heeft men mij gezegd en door deze wet heeft hij tusschen de Mahomedanen
-en zichzelf een afgrond gegraven. Is dat waar?”
-
-„Gij zijt wel onderricht.”
-
-„Batoro Goeroe zij geprezen! Sinds jaren ben ik hier in dit dorp de
-oudste, ziekte en ouderdom beletten mij deel te nemen aan den
-feestelijken tocht, welken ik zoo dikwijls aanvaardde. Vele dingen heb
-ik gezien in mijn lang leven en over vele zaken dacht ik rijpelijk na
-en zoo kwam ik tot de overtuiging dat er twee oorzaken zijn, die een
-volk opheffen of te gronde richten; de godsdienst en de vrouw!”
-
-„Vergeef mij, goede vader! Een volgenden keer zal uw zoon gaarne naar
-uw wijze taal luisteren, maar wij moeten ons haasten onzen tocht te
-vervolgen. Zie slechts, hoe hoog de zon reeds boven gindsche bergtoppen
-staat, wij moeten ons haasten, willen wij onzen meester nog in de
-zandzee ontmoeten. Wellicht wil de schoone jonkvrouw ons wel den weg
-wijzen.”
-
-„Mijn dochter is een eenvoudig landmeisje, Heer en niet gewend aan de
-hoofsche spreektaal der grooten en edelen. Verschoon haar
-bescheidenheid en prijs geene gaven die zij aan de goedheid der goden
-dankt en waarop zij dus geen roem mag dragen. Vergezel de heeren een
-eind weegs Siwangi, totdat zij zonder verdwalen den bergtop kunnen
-bereiken en kom dan ijlings terug!”
-
-Siwangi wenkte den jongen man en zijn makkers, die op kleine zwarte
-paarden gezeten waren, haar te volgen en zij hadden weldra het dorp
-achter zich; de vreemdeling liet zijn paard onder de hoede der andere
-ruiters en ging naast het jonge meisje voort, dat met het grootste
-gemak den steilen weg volgde over de groene rib, die naar den krater
-voerde.
-
-„Uw leven moet hier toch zeer doodsch en eentonig wezen,” sprak de
-reiziger, „elke dag is gelijk aan den andere.”
-
-„Wat deert mij dat?” antwoordde Siwangi, „indien elke dag door den
-Hemel met kalmte en vrede gezegend is.”
-
-„Hoe brengt gij uw dagen dan door!”
-
-„Tot nu toe hielp ik mijn broeders hun tuinen beplanten en te
-verzorgen, weldra zal ik in dien van mijn echtgenoot mogen werken!”
-
-„Hoe, ge zijt verloofd en uw bruidegom zal u hard laten arbeiden in den
-ondankbaren grond?”
-
-„De grond is niet ondankbaar, Heer! Integendeel hij beloont onze
-pogingen met rijke vruchten, en is dat niet de grootste zegen voor
-zichzelf en zijn gezin te mogen arbeiden?”
-
-„Maar uwe handen, schoon kind! zijn niet geschapen om den patjol te
-hanteeren; evenmin als uw voeten om zich te verwonden op de hoekige
-punten der rotsen. Een beter lot heeft Batoro Goeroe, de rechtvaardige
-u beschoren.”
-
-„Ik verlang geen beter lot,” hernam het meisje eenvoudig, „ik ben
-tevreden met mijn leven, vooral wanneer ik Dorowadi mijn echtgenoot zal
-mogen noemen.”
-
-„Gij stelt niet veel eischen! Weet gij dat prinsessen u dat heerlijke
-haar zouden benijden?”
-
-Verlegen bond Siwangi haar lokken op in een lossen wrong.
-
-„Waarom martelt gij ze? De sterren schamen zich als zij den glans van
-uw hoofd aanschouwen? De vogels zijn in onrust als zij uw stem hooren,
-want gij overtreft hen allen. Waar zou ik uw gelijke vinden? Gij zijt
-zoo schoon, vooral omdat gij niet weet wat schoonheid is, o kon ik ’t u
-zeggen! Ware ik de kristalheldere beek om de regelmaat uwer trekken,
-het vuur uwer oogen te weerkaatsen, want andere spiegels kent gij niet,
-o schoonste der vrouwen!”
-
-„Heer! Gij schertst met mij! Van hieruit zal ’t u gemakkelijk vallen
-den weg naar de Dasar te vinden, vergun dat ik terugkeere naar mijn
-huis en naar mijn vader.”
-
-„Waarom wilt gij mij verlaten? Ge kastijdt mij met uwe lippen, ge
-straft mij door het afwenden der zwarte diamanten, die gij uwe oogen
-noemt. Waaraan heb ik zooveel wreedheid verdiend? Schoot ik te kort in
-eerbied jegens u? zeide ik iets dat u met angst vervullen moet? Zeg
-mij, wat ge verlangt, maar ontneem mij het onuitsprekelijke geluk niet
-van uw bijzijn!”
-
-„Heer laat me gaan! Ik versta niet, wat ge mij zegt, en ik wil het ook
-niet verstaan want ik geloof dat het niet voegzaam is naar u te
-luisteren. Laat uw dienares terugkeeren, Heer! haar taak is geëindigd,
-zij deed wat zij beloofde.”
-
-„En nog ben ik niet tevreden! Nog verlang ik meer van u. Word mijn
-vrouw, Siwangi, mijn geliefde!”
-
-„Hoe gij kent mijn naam!”
-
-„Ik kende dien reeds sinds lang. De wensch om u te zien en te spreken
-voerde mij hierheen.”
-
-„Op den dag, dat ik weerloos zou wezen, dat slechts een grijsaard mijn
-gezelschap was, gij hebt mij verraden, bedrogen! Laat me terugkeeren,
-Heer! ik smeek het u!”
-
-Hij was nader en nader tot haar gekomen, op slechts korten afstand
-volgden zijn gezellen en sloten haar den weg tot terugkeer af; zij zag
-om en schrikte terug. Geheel en al bevond zij zich in de macht der
-vreemdelingen; haar vervolger strekte den arm uit om haar te grijpen,
-zij sidderde en ontvluchtte hem, doch met groote behendigheid wist hij
-haar te bereiken en dwong haar stil te staan.
-
-„Luister naar mij, geliefde! Ik heb vele schoone vrouwen gezien; op
-mijn wenk vallen prinsessen in mijn armen want ik ben een vorstenzoon,
-en zie, sinds ik u zag—weet ge nog wel toen gij in den kraton mijns
-vaders verscheent, om hem uw hulde van vruchten en bloemen te
-brengen—kende ik slechts een wensch, u de mijne te mogen noemen. Uw
-schoonheid heeft het vuur der begeerte in mijn hart ontstoken, ik slaap
-niet meer, want uw beeld vervolgt mij zelfs in den droom. Ik neem het
-met mij mede op mijn tochten, in de hoffeesten overal zie ik u, zoetste
-der vrouwen, ster, die alle sterren doet verbleeken; al daalde een
-widadaran [28] op aarde neder, zij zou zich moeten verschuilen om niet
-overwonnen te worden door uw bekoorlijkheden want zelfs Bromo’s
-gemalin, moet voor u onderdoen. Ge zijt een koningin gelijk in
-schoonheid en in zachtheid, in innemende bevalligheid, in fiere
-houding, gij zult het ook wezen in macht want ik zal u kronen met
-bloemen en met juweelen als mijn wettige gemalin, als mijn vorstin, ik
-zal de volkeren dwingen u hulde te betuigen als gij toestemt de mijne
-te worden.”
-
-„Hoe kan dat, daar gij een prinses tot vrouw hebt, Mas Pengantin!”
-
-„Als honig zoo zoet klinkt mijn naam van uw lippen, al trilt uw stem
-ook van toorn! Ge zijt in mijn macht Siwangi, die geuriger zijt dan uw
-welriekende naam, ik kan geweld gebruiken maar ik versmaad allen dwang,
-zoolang ik nog overreding gebruiken mag. Zeg een woord, kan ik hopen op
-uw liefde?”
-
-„Schande Heer! zulke woorden tot mij te richten, als ge weet dat ik ze
-niet mag aanhooren evenmin als gij ze moogt uitspreken. Ik ben verloofd
-en gij zijt getrouwd.”
-
-„Ik zal mijn vrouw verstooten, zoo gij mij wilt liefhebben! en ik zal
-me aan u wijden met een liefde, die door niets wordt overtroffen, tot
-in de verste eeuwigheid. U wil ik bezitten, u zal ik behouden, hier en
-ginds. Steeds mijn geliefde, blijven we vereenigd! Waart gij een bloem,
-ô dierbare, ik zou de bij wezen, die u volgde en zich verzadigde aan
-den zoeten geur, die uit uw kelk opstijgt, waart gij een boom ik zou de
-slingerrank wezen, die zich om u kronkelde! Wees niet wreed, luister
-naar mij, geef me eenige hoop!”
-
-„Nimmer! Laat me los! Ik haat, ik veracht u!”
-
-„Meisje, wees voorzichtig, die haat kan u duur te staan komen. Ik heb
-gesmeekt en gevleid, maar bedenk dat ik u bevelen, ja zelfs dwingen
-kan!”
-
-„Mij dwingen! Nog liever stort ik mij in den afgrond.”
-
-Zij rukte zich met geweld los, doch op een wenk van Pengantin omringden
-zijn makkers het meisje; zij slaakte een doordringenden kreet:
-
-„Vader, Dorowadi, komt mij te hulp!”
-
-Maar snel als de bliksem vielen zij op het arme kind aan; een hield
-haar handen vast, een ander stak haar een zijden doek in den mond,
-Pengantin drukte haar tengere leden vast tegen zich aan; er was geen
-middel voor haar om te ontkomen, toen er plotseling iets tusschen het
-hooge struikgewas siste en een der gezellen van den prins bloedend
-inéénstortte. De anderen zagen verbijsterd rond en lieten de handen
-zakken; Pengantin alleen, liet zijn prooi niet los; de doek viel ter
-aarde en opnieuw deed het meisje een scherpen gil hooren.
-
-„Batoro Goeroe, help mij!”
-
-Een tweede schot viel; en niemand nog kon zien wie het gelost had; de
-schrik sloeg echter den makkers van Pengantin om het hart; kermend
-wierpen zij zich naast hun paarden op den grond, eenigen bestegen snel
-hun dieren en trachtten weg te rijden, enkelen lieten zelfs deze in den
-steek en kozen het hazepad.
-
-„Lafaards,” krijschte de prins, „laat ge mij nu alleen!”
-
-„O prins, het was niet goed den verheven berg te ontheiligen door
-vrouwenroof,” riep een der mannen uit; „we hebben u genoeg gewaarschuwd
-toen het nog tijd was maar uw hartstocht sleepte u mee; thans treft u
-de toorn van de machtige beschermgeesten der Tengersche bergen.”
-
-Met een rauwen kreet liet Pengantin den linkerarm vallen, die het
-meisje nog omvat hield; ook deze arm was door een kogel doorboord.
-Juichend wilde het meisje, dat zich reeds bevrijd waande voorwaarts
-snellen maar de rechterhand van haar belager omklemde nog steeds haar
-dunnen pols.
-
-„U vrij laten, nimmer! Ik tart Batoro Goeroe en alle goden die hem
-vergezellen. De mijne zult gij zijn!” riep hij met heesche stem; „kom
-te voorschijn mensch of duivel, wie ge zijt en val mij aan met open
-vizier! Helpt mij, mannen, houdt het meisje vast!”
-
-Maar niemand verweerde zich; een vierde kogel werd afgeschoten doch
-raakte hem niet, daar hij snel het hoofd boog. Het vreemde geluid der
-schoten schrikte echter de stille echo’s der wouden uit hun rust op; en
-Pengantin voelde dat hij weerloos stond tegenover den vijand daar hij
-van het gebruik zijner beide armen beroofd was; hij droeg geen
-vuurwapen bij zich niets dan evenals zijn makkers, statiekrissen,
-verborgen in den gordel. De mannen, die opgingen naar den Bromo moesten
-ongewapend zijn en op deze omstandigheid had hij gerekend door zich
-niet sterker te voorzien.
-
-Instinctmatig greep hij naar zijn kris en zoo was Siwangi eindelijk
-vrij; in een oogwenk was zij tusschen de neergevallen en vluchtende
-mannen heengesneld en daalde af naar Tosari, waar haar vader vol angst
-haar hulpgeschreeuw en het knallen der schoten had gehoord.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-IN TOSARI.
-
-
-Pengantin knarsetandde van woede en spijt toen hij zijn prooi zag
-ontsnappen; nog was zijn toestand niet benijdbaar. De schutter moest
-zich terzijde van den weg aan de helling van den diepen ravijn
-verschuilen; maar wie was echter de man, die in het hartje van de
-Tengersche bergen zich van Europeesche vuurwapens bediende? De prins
-kon op deze vraag geen voldoend antwoord vinden; hij hield er zich ook
-nauwelijks mee bezig; al zijn gedachten waren gevestigd op het beste
-middel om zich uit zijn moeilijken toestand te redden.
-
-„Ge hebt genoeg den lafaard gespeeld!” sprak hij tot zijn kruipende
-bevende gezellen, „we moeten bedacht zijn op tegenweer, ik ben alleen
-en gewond, zoo kan ik niets uitrichten. Samen zullen wij sterk zijn
-tegen de aanvallers. Staat op, gij, die ongedeerd bleeft en helpt mij
-den ellendeling te zoeken en naar verdienste te straffen.”
-
-„Heer, wie zegt u dat gij met menschen te doen hebt en niet met
-geesten?”
-
-„Geesten zouden zich van kogels en pistolen bedienen. Ha, ha!
-Bijgeloovig gebroed! Bedenk hoe gevaarlijk onze toestand is, wanneer
-gij daar onbewegelijk blijft; we moeten vóór- of achteruit! Zullen wij
-den tocht voortzetten naar de Dasar?”
-
-„Neen, neen! De goden zijn te vertoornd, zij willen onze offers niet.”
-
-„Ik dacht dat gij slechts Allah aanbadt en zijn profeet gehoorzaamdet,
-hoe kunt ge dan de goden der heidenen vreezen? In elk geval, wij mogen
-geen tijd verliezen met lange reden maar moeten eerst met den vijand
-afrekenen.”
-
-„Wat zullen onze krissen vermogen tegen zijn verreikende wapenen?”
-
-„Laat ons naar de Dasar opstijgen, dan is tenminste onze terugtocht
-verzekerd, zoo Mas Lembono ons vergezelt.”
-
-In den somberen gloed die uit Pengantins oogen lichtte, lazen zijn
-mannen maar al te wel, dat hij zijn heilloos voornemen om Siwangi te
-ontvoeren nog niet had laten varen.
-
-„Wellicht is de geheimzinnige beschermer der deern langs die struiken
-teruggekeerd naar Tosari en wacht ons daar af met nieuw geweervuur. In
-het opstijgen is het minste gevaar te vreezen; daar boven weet men nog
-niets van ’t geen ons hier wedervoer.”
-
-„Maar de geesten zullen het reeds weten,” waagde er een te zeggen.
-
-„En Amin, die gewond is?”
-
-„Leg hem neer, straks vinden wij hem terug, ik ook ben gewond. En
-Hassan verroert zich niet, hij is dood! Welnu, werp hem in den
-afgrond!”
-
-Na deze wreede bevelen te hebben uitgedeeld bond Pengantin zijn arm in
-den zijden doek, die zoo pas Siwangi het roepen had moeten beletten,
-besteeg zijn paard en steeg opwaarts, schoorvoetend gevolgd door zijn
-aanmerkelijk verminderd gevolg.
-
-Siwangi zat intusschen snikkend en sidderend onder het afdak bij haar
-vader; de weinigen, die achtergebleven waren in de dessa omringden het
-meisje en toonden haar de levendigste belangstelling.
-
-Met wijd geopende oogen zag haar vader haar aan; zijn oude, gerimpelde
-handen beefden sterk maar geen woord ontsnapte zijn mond; telkens viel
-zijn hoofd op zijn borst neer.
-
-„Siwangi,” riep een der vrouwen, „let op uw vader!”
-
-Onmiddellijk staakte het meisje haar door tranen en snikken afgebroken
-verhaal en wierp zich op haar vader; de oude man liet het grijze hoofd
-tegen haar schouder vallen, zuchtte diep, rekte zich uit en alles was
-voorbij.
-
-Te midden der verwarring door dit plotselinge sterfgeval veroorzaakt,
-kwam een vreemdeling nader.
-
-„Daar is de ellendige roover, de moordenaar!” gilde een vrouw hem met
-den vinger aanwijzend, „o, waren wij slechts mannen! Zijn laatste uur
-had geslagen.”
-
-„Wees niet zoo overijld, vrouw! Indien er een onder u gered werd uit de
-handen van schandelijke misdadigers, dan heb ik er het mijne toe
-gedaan. Vraag het meisje zelf, of ik haar schaker ben.”
-
-Siwangi was te overmand door smart, om het gelaat op te heffen en zich
-om te keeren.
-
-„Zijt gij mijn redder? Uw stem is niet die van mijn verderver?” snikte
-zij, „o waarom moest mijn vader juist nu sterven vóór dat hij u zijn
-dank gebracht heeft, wellicht zijt gij wel een afgezant der machtige
-goden! Hoe ’t ook zij, ik ben u dankbaar en ook mijn bruidegom zal u op
-zijn knieën vereeren.”
-
-De vreemdeling schudde zacht het hoofd.
-
-„Meisje, ik kom hier in treurige tijden zie ik, gij omringt daar een
-doode, maar toch, zoo ge meent mij eenigen dank verschuldigd te zijn,
-geef mij de aalmoes van eenig voedsel. Sinds dagen dwaal ik tusschen de
-bergen rond, zonder mijn bestemming te kunnen vinden, ik hoorde een
-doordringend gillen—ik begreep dat men een meisje met geweld ontvoerde
-en schoot mijn pistolen in het wild af. Wie ik getroffen heb, weet ik
-niet!”
-
-„Gij hebt mij meer gered dan het leven,” zuchtte Siwangi, „en nu
-ontnemen de almachtige goden mij mijn geliefden vader, maar slecht, is
-’t van mij nu alleen aan mijzelf te denken en niet aan u, mijn
-bevrijder! Alles wat wij hebben, alles wat wij kunnen is te uwer
-beschikking! Buurvrouw, ik weet niet wat ik zeg, ik geloof dat ik
-krankzinnig word. Geef den dapperen held, rijst, vruchten, klappermelk
-en legèn [29], laat hem uitrusten binnen ons huis!”
-
-Zij viel weer half onmachtig op het levenlooze lichaam haars vaders
-neder; met betraande oogen zag haar redder het arme meisje aan; het was
-hem aan te zien dat hij verdwaald en uitgeput was, zijn kleederen,
-welke die van een gewonen Javaan schenen, waren gescheurd en bemorst,
-zijn voeten doorwond, ook zijn gelaat droeg sporen van de verwondingen
-door scherpe doornen veroorzaakt; de loopen zijner pistolen waren
-anders door den breeden buikband verborgen nu echter staken zij er
-duidelijk zichtbaar uit. Zijn kleur was veel lichter dan die der
-overige Javanen, ook de trekken waren te regelmatig en te kloek
-besneden om aan een Javaan van onvermengd ras toe te behooren. De
-vrouwen haastten zich hem verfrisschende dranken en versterkend voedsel
-toe te dienen; een andere trachtte Siwangi van het lichaam haars vaders
-te verwijderen.
-
-„Laat mij begaan, vriendin!” smeekte zij, „laat mij zoolang ik kan mijn
-vader omhelzen! Morgen reeds zal ik hem moeten toevertrouwen aan de
-kille aarde. Vervloekt de hartelooze indringer, die zijn laatste
-oogenblikken zoo zwaar deed zijn!”
-
-En langzaam keerde zij zich om en wendde het gelaat naar haar redder,
-dien zij nog niet had aangezien, maar nauwelijks had zij hem
-aangestaard of zij deinsde ontzet terug. Gillend verborg zij het gelaat
-in de handen.
-
-„Hij is het!” riep zij uit, „hij.... de prins!”
-
-„Maar kind! de smart doet u verdwalen! Hoe kan hij dezelfde wezen, die
-u aanviel? Niets vorstelijks is er in zijn kleeding, in zijn voorkomen.
-Zie hem goed in ’t gelaat!”
-
-De twee vrouwen dwongen haar met zacht geweld de handen van de oogen
-weg te nemen en den vreemdeling, die haar vol deelneming beschouwde,
-van meer nabij te bezien.
-
-Huiverend naderde zij hem, al haar leden trilden, zij durfde de oogen
-nauwelijks opheffen: maar toen hij vriendelijk sprak:
-
-„Kom nader, arm meisje! Zie me aan, ik ben degene niet die u zoo wreed
-behandelde;” begon zij meer moed te vatten.
-
-„Ik vergis me;” stamelde zij eindelijk, „uw trekken zijn schier
-dezelfde als die van Mas Pengantin, maar uwe gelaatskleur is lichter en
-uw stem klinkt niet scherp en barsch als de zijne, zelfs wanneer hij
-liefkozen wil. Vergeef mij, de smart maakte mij schier waanzinnig! Gij
-zoudt broeders kunnen zijn maar twee broeders geheel verschillend van
-inborst en neigingen.”
-
-Zij liet zich nu gedwee als een kind naar binnen leiden; vervolgens
-droegen de vrouwen onder luid snikken en klagen ook het lijk van den
-grijsaard in de hut, waar zij hem de laatste zorgen wijdden.
-
-Intusschen was de vreemdeling, in wien wij Robert herkenden, op de
-baleh-baleh rustig in slaap gevallen; toen hij ontwaakte was de zon
-reeds hoog aan den hemel, een verward gedruisch van aankomende mannen
-en vrouwen deed zich hooren, vroolijke scherts en druk gepraat hield
-hen bezig, toen zij in de feestelijkste stemming het dorp naderden.
-
-Groot was hun ontzetting toen plotseling Siwangi met verwarde haren en
-dik bekreten oogen, hen te gemoet vloog.
-
-„O broeders, o bruidegom! weent met mij, klaagt zoo luide dat de
-onsterfelijke goden het hooren! Onze vader is niet meer!”
-
-„Hij is gestorven en op dezen vreugdedag? Wee ons, dat voorspelt niets
-goeds!”
-
-„En hoe is hij gestorven! Ach! bijna had nog grooter ramp ons
-getroffen, uw zuster, uw bruid ware weggevoerd geworden door een
-gewetenloozen prins. Schande en oneer ware haar deel geworden; en onze
-arme vader zou geschandvlekt nederdalen in de koele aarde!”
-
-„Meisje, ge spreekt koene taal! Zeg ons, wie heeft zich op zulk een
-wijze aan u vergrepen? Wie verkortte het leven van onzen
-eerbiedwaardigen vader?”
-
-„De zoon van onzen vorst, de onwaardige Mas Pengantin. Slechts
-huichelarij deed zijn broeder u vergezellen op den heiligen tocht; een
-voorwendsel zocht hij om mij te belagen. Hij wist dat ik alleen zou
-achterblijven. Hebt ge hem gezien in de Dasar met zijn gewonden arm?”
-
-„Inderdaad, we zagen hem, hij trof zijn broeder aan bij het feest, waar
-is hij heen gegaan? Welk loon moet den verrader treffen?”
-
-„Zullen we onze bruiden, onze zusters niet weerloos kunnen achterlaten
-in onze huizen?” riep de vurige Dorowadi uit, „nooit hebben wij den
-strijd gezocht, nu echter is ’t onze plicht ons te wreken op den
-ellendeling, die misbruik maakt van zijn vorstenbloed.”
-
-„Maar wie heeft u gered, Siwangi?”
-
-„Deze dappere held,” antwoordde het meisje en wees op Robert, die met
-kalmen blik de verontwaardiging der Tengereezen beschouwde. „Hij is
-mijn redder, Dorowadi laat ons hem danken!”
-
-En beiden knielden voor hem neer en kusten zijn voeten.
-
-„Wonderlijk,” fluisterde een der landlieden tot den andere, „als ik het
-niet beter wist zou ik zeggen prins Pengantin in eigen persoon.”
-
-„Ja, de gelijkenis is treffend, maar ook het verschil valt dadelijk
-op.”
-
-Dien nacht werd er weinig geslapen in Tosari; de jongste broeder van
-Siwangi en Dorowadi gevolgd door verscheidene jongelingen, bleven
-waken. Hun voorzorg was niet nutteloos; midden in den nacht hoorden zij
-de tjemaraboomen, die den bergrug bedekten ruischen, de takken der
-hooge varens kraakten als werden zij vertrapt; alles deed een overval
-vermoeden, de jonge mannen ijlden naar de paggers en stelden zich in
-staat van tegenweer, hoewel zij zich nog schuil hielden. Uit de diepte
-stegen de mannen op van Mas Lembono vereenigd met Pengantins helden;
-behoedzaam naderden zij het dorp, dat zij in diepe rust gedompeld
-waanden.
-
-De door zijn hartstocht verblinde prins ging aan hun hoofd, hij toch
-wist den weg naar het huis; hij vreesde de geweerschoten niet meer, hij
-had alles vergeten, alles, behalve het voorwerp van zijn brandend
-verlangen. Niets zou gemakkelijker zijn, meende hij dan te dringen in
-de woning waar Siwangi sliep, het meisje in de verwarring te rooven,
-terwijl de dessabewoners met zijn gevolg slaags raakten.
-
-Als het inlanders gold, die zichtbaar waren bovendien, dan kon hij
-gerust op hun moed vertrouwen; hij zou met Mas Lembono in allerijl
-wegvluchten, de mannen bleven vechten, wellicht zouden de Tengereezen
-al zijn dienaren vermoorden, wat nood? Hij en zijn broeder met het
-geroofde meisje waren veilig, al moesten deze allen geofferd worden,
-hij had zijn doel toch bereikt en kon tevreden wezen.
-
-Met dit plan naderde Mas Pengantin de pagger, toen plotseling het luide
-geroep van: „Amok, amok!” weerklonk, toortsen flikkerden van alle
-kanten, een roodachtig licht gloeide boven de dessah, alles verliet de
-huizen en snelde voorwaarts naar de pagger.
-
-Ook Robert was opgestaan, hij laadde zijn pistolen en ijlde met de
-dorpelingen de aanvallers te gemoet. Reeds bij de eerste schoten, die
-hij loste, ontstond er verwarring in het kamp, niemand durfde nog een
-stap voorwaarts doen, want zij misten allen vuurwapenen.
-
-De eenige man, die met zijn los kruit in het wilde schoot was hun aller
-meester, de beide prinsen zagen dat hier niets te doen viel en volgden
-weldra de vluchtelingen, die in allerijl tusschen de bosschen
-verdwenen.
-
-In Tosari echter bleef men den nacht doorwaken, en bewees schier
-godsdienstige eer aan den ridderlijken beschermer hunner woningen.
-
-Den volgenden morgen werd het lijk van Siwangi’s vader in linnen
-gewikkeld en de geheele familie gevolgd door alle dorpelingen
-vergezelde het onder luid gejammer naar de begraafplaats. Daar was een
-graf van drie voeten diep gegraven; men legde er het lijk in,
-zorgdragende dat het hoofd naar den Bromo gekeerd werd; zijn zonen
-bedekten het toen met bamboes, waarvan een holle bamboe ter hoogte van
-den mond overeind werd gestoken; daarin zou Siwangi gedurende zeven
-dagen een verkwikkenden drank gieten om haar vader den dorst te
-lesschen; andere spijzen werden dicht bij het graf geplaatst.
-
-Nu keerden de familieleden zich tot elkander en vroegen op schreienden
-toon:
-
-„Ontbreekt er ook een uwer?”
-
-En allen antwoordden jammerend en klagend:
-
-„Ja, een ontbreekt. De oudste, de beste onder ons; onze veelgeliefde
-vader!”
-
-Eindelijk namen zij met gebogen hoofden en vol teekenen van rouw den
-terugweg aan.
-
-Zeven dagen lang moest den doode spijs en drank gebracht worden, daarop
-maakte men de bamboe dicht en staakte het brengen van eten; uit den
-stam van een pisangboom vormde men toen een soort van pop, waarvan
-hoofd en armen rijk met bloemen werden behangen. Deze plaatste men bij
-de heilige haardstede, waar haar eten aangeboden werd onder het
-opzeggen van gebedformulieren, het besprenkelen met water en het
-branden van wierook.
-
-De oudste zoon nam eindelijk met grooten eerbied de pop in de armen en
-ging naar buiten door de anderen gevolgd.
-
-„Ach,” weeklaagden allen, „waarom verlaat gij ons? Waren wij niet goed
-voor u? Hebben wij u niet opgepast met alle zorg en liefde? En nu gaat
-gij heen!”
-
-Met veel plechtigheid werd dat zoogenaamde beeld van den afgestorvene
-eindelijk verbrand.
-
-Deze zeven dagen bracht Robert bij de goede, eenvoudige menschen door
-en deed nieuwe krachten op voor de moeilijke en gevaarlijke taak, die
-hem opgedragen was.
-
-Tot nu toe had hij nog zeer weinig daarvoor kunnen verrichten want toen
-hij in Pasoeroean aankwam, werd hem gezegd dat Radhen Wiro Negoro in
-zijn buitenverblijf te Kotta Malang verblijf hield.
-
-Robert droeg allerlei Hollandsche snuisterijen bij zich, die hij van
-plan was aan het hof te verkoopen, om zich aldus ongezocht den toegang
-tot het paleis te verwerven; voorloopig had hij onder het volk verkeerd
-en uit hun gesprekken zooveel mogelijk bijzonderheden opgevangen van de
-regeering van Soerapati. Zijn koopwaren, kleine spiegeltjes, miniatuur
-huishoudelijke voorwerpen van gedreven zilver, platen en
-vrouwensierselen werden bewonderd en gekocht.
-
-„Waarlijk als ik hier geen ander doel had dan te verkoopen, zou ik kans
-hebben gauw rijk te worden,” dacht Robert maar het verkoopen was
-bijzaak en hij moest zorgen dat zijn voorraad niet uitgeput raakte.
-
-Hij had een paar prachtige oorknoppen meegekregen, die voor de vorstin
-Radhen Goesik Koesoema bestemd waren en die hij dan ook haar alleen
-wilde laten zien; hij vroeg om den weg naar Malang en het toeval
-beschikte dat hij met eenige Tengereezen, die hem spoedig als de
-eerlijkste en meest vertrouwbare Javanen voorkwamen, een gedeelte van
-den weg kon maken; de bergbewoners, hadden echter haast om het groote
-feest bij te wonen.
-
-Na hem den weg zoo goed mogelijk te hebben uitgelegd, verlieten zij hem
-aan den voet van den berg en nu raakte hij aan het dwalen; ondanks zijn
-kompas, viel ’t hem moeilijk zoo niet onmogelijk zich door deze
-wildernis een weg te banen. Hij besloot toen op te stijgen in de hoop
-een dorp aan te treffen of ten minste een gedeelte van de feestelingen
-op hun terugtocht van de Dasar; in plaats daarvan was ’t hem gegeven
-den roof van Mas Pengantin te beletten en de dankbaarheid te verwerven
-der eenvoudige landlieden, die hem niet wilden laten gaan, vóór dat hij
-geheel hersteld was van zijne vermoeienissen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-BANJOE BIROE.
-
-
-Een der verrukkelijkste plekjes van Java is zeker het meertje
-Blauwwater of Banjoe biroe genaamd, dat zich aan den voet van het
-Tengersche gebergte verschuilt; nu nog roemen alle reizigers om strijd
-de onvergelijkelijke frischheid, die onder de hooge boomen aan de
-oevers van het meer met zijn doorschijnende azuren wateren heerscht.
-Donkerblauw is het meer dat uit een bron ontstaat en later als een
-riviertje zich naar beneden spoedt om de sawahs in den omtrek te
-besproeien; die donkerblauwe kleur dankt zij aan de helderblauwe
-steenachtige bedding die tot in de diepste diepte het water bevat.
-Duizenden en duizenden visschen dartelen in het kristallen vocht; zij
-zijn den inlander even heilig als de talrijke apen die in de hooge
-boomen, welke het meer beschaduwen en hun lange takken in het water
-doen slepen, stoeien, fluiten, krijschen, als ware hun leven niets dan
-een eindeloos spel.
-
-Aan de oevers van het meer verhief zich het lusthuis des vorsten. Het
-was een eenvoudig gebouw bijna geheel verscholen onder de hooge boomen
-en door een stevigen muur omsloten, die ook het water van vrij nabij
-volgde. Hindoesche beelden versierden de oevers; een soort van galerij
-was boven het meer uitgebouwd, vanwaar een trapje van eenige treden tot
-in het water reikte en het vergemakkelijkte daarin een bad te nemen.
-
-Hoewel het midden op den dag was, heerschte een koelte vol frischheid
-onder de hooge boomen en op het water, dat zich letterlijk midden in
-het woud bevond. In de galerij vooral was het heerlijk, de zonnestralen
-spatten flikkerend rond door het dichte netwerk van het gebladerte en
-deden het meer schitteren als een reusachtige vloeibare saffier; op
-gele matjes zaten eenige vrouwen, bezig met het dakonspel, de beenen
-hadden zij kruiselings onder het lichaam gevouwen en op een divan
-hooger dan zij troonde de Radhen Goesik Koesoema.
-
-De jaren waren niet ongemerkt over het hoofd der Mataramsche prinses
-heen gegaan en de jaren zijn Javaanschen vrouwen vooral niet gunstig;
-toch had zij uit de schipbreuk der jeugd nog veel overgehouden, haar
-rijken haardos en vooral een wijze om het hoofd te dragen, die de
-geboren vorstin kenmerkte; haar zwevende, onzekere gang had plaats
-gemaakt voor den zelfbewusten tred eener vorstin, die weet dat zij
-bevelen kan en mag.
-
-Aan de voeten van haar divan zat een verschrompeld oud, klein manneke;
-hij kon nauwelijks meer loopen, slechts kruipen, afzichtelijk waren de
-trekken van zijn groot hoofd verwrongen, toch was hij nog altijd Radhen
-Goesik’s liefste gezelschap.
-
-„Neemt uw spellen en zit verder op,” beval de vorstin haar vrouwen, „ik
-heb met mijn raadsman te spreken.”
-
-In een oogwenk waren de matjes opgerold, de dakons ter hand genomen en
-de vrouwen snelden weg; men wist dat na een lang zwijgen tusschen de
-prinses en haar dwerg zulk een gesprek onvermijdelijk volgde.
-
-„De oude Kiai schijnt nooit meer terug te keeren,” sprak Radhen Goesik
-gejaagd, „bijna een jaar is verloopen na zijn vertrek.”
-
-„Boeloe Kidoer had ’t hem voorspeld!” zoo klonk de gebrokene, ratelende
-stem van het gedrocht; „de Hollander geeft niet terug wat zich
-vrijwillig in zijn steeds geopenden muil werpt. Wat zegt de gemaal
-mijner meesteres van zijn afwezigheid?”
-
-„Ge weet dat Radhen Wiro Negoro mij niet eens deelgenoot maakte van
-zijn heengaan,” hernam de vorstin bitter, „en nog weet ik niet wat hem
-opgedragen was op Batavia te onderhandelen, hoewel ik ’t raad. O,
-Boeloe, hoe diep heeft de liefde tot den Hollander wortel geschoten in
-zijn ziel. Niets kan ze uitroeien of men moest den krachtigen boom
-omhakken.”
-
-„De boom is omgehakt maar niets anders heeft in den nog door vezels
-verzaden grond willen tieren.”
-
-„Ik heb er niets in kunnen planten, niets!” en haar stem klonk bijna
-jammerend, „en Allah weet hoeveel moeite ik er toe deed, in mijne beste
-jaren toen ik jong en schoon was, nu ben ik slechts een schaduw van
-weleer, wat zal ik nu vermogen? Ik en mijn kinderen?”
-
-„Ik begrijp uw weeklacht niet, groote Vrouwe. Heeft Soerapati u niet
-alles gegeven, wat gij wenschtet? Heeft hij het vertrouwen, dat gij in
-hem steldet, beschaamd? Gij hebt een gevluchten slaaf, een struikroover
-uw hand geschonken, hij maakte u tot een vorstin machtiger dan Pakoe
-Boewana’s Ratoe. Uw kinderen zijn vorsten, uw schoondochters
-prinsessen. Wat verlangt ge nog meer?”
-
-Radhen Goesik zuchtte:
-
-„Ge hebt gelijk, Boeloe! Ik ben ondankbaar, ware ik Poerbaya’s gade
-gebleven, ik zou het treurig leven eener gevangene hebben geleid te
-midden der gehate kafirs. Soerapati heeft mij glans, macht en eer
-geschonken, hij heeft mij naast zich verheven....”
-
-„En hij duldt geen andere naast zich. Met niemand hebt gij uw titel te
-deelen. Zusje, wat zijt ge veeleischend!”
-
-„Ik beken ’t Boeloe! Velen zouden meenen dat ik nu het toppunt mijner
-wenschen bereikt had en toch ben ik niet tevreden, niet gerust. Dit
-gebouw Boeloe, door de machtige hand van mijn gemaal opgetrokken rust
-op zandgrond; als hij er niet meer is om het te steunen dan zal het in
-elkander storten. En ook hij vreest het.... doch nimmer spreken wij
-over onze vrees. Ik ben hem niets, niets meer dan zijn Ratoe, de moeder
-zijner kinderen, de poetri die hem hielp de ladder te bestijgen, welke
-naar roem en macht voert.”
-
-„Maar is dat niet genoeg? Wat wilt ge meer? De tijd is toch voorbij dat
-ge smaak vondt in de zoete kwee-kwee, welke hij u in zijn liefkoozingen
-boodt? Die moeten u thans walgen, want ge zijt niet jong meer,
-grootmoedertje!”
-
-„Dat behoeft gij mij niet te herinneren, dwerg! Daarom juist wil ik de
-spijs genieten, die mijn leeftijd past. Ik verlang zijn honigzoete
-vleierij, zijn misschien leugenachtige liefdesbetuigingen niet meer.
-Naar iets anders heb ik dorst; naar de kennis van zijn plannen, naar de
-vertrouwelijke mededeelingen van zijn zorgen en bekommernissen. Ik
-wilde met hem de belangen bespreken van zijn... laat me liever zeggen
-van ons rijk, want wat ware er van hem geworden zonder mijn liefde,
-zonder mijn steun?”
-
-„Hij behandelt zijn Ratoe met een eerbied, waarvan men tot nu toe op
-Java geen weerga zag; met niemand deelt zij zijn bezit.”
-
-„Meent ge dat ik dit voorrecht zoo hoog stel? Hoe, ik zou nog liever
-aan het hoofd staan van een welgevulden kapoetren dan het eenzame leven
-te leiden te midden mijner dienaressen, waartoe hij mij veroordeelt.
-Daar zou ik heerschen over mijn gelijken, nu zijn het slechts slavinnen
-die mij gehoorzamen en ook mijn zoons dwingt hij tot die Westersche
-onthouding en waarom, juist dit is ’t wat mij dag en nacht pijnigt,
-omdat het zijn hoogste eerzucht is, den blanken Christenhonden na te
-volgen omdat hij slechts van hen zijn heil afwacht, en het voortbestaan
-van zijn rijk, terwijl ik daarentegen voor niets insta, zoo hij niet
-den Islam ter hulpe roept.”
-
-„Juist, door een beroep te doen op de oude liefde der Oost-Javanen voor
-den godsdienst van Batoro Goeroe, die ook de zijne is gebleven, gelukte
-het hem deze volken te onderwerpen.”
-
-„Meent ge dat, dwaze? Ja, ’t is waar de Tenger en de Zuidelijke streken
-hebben in hem een afgezant der goden gezien, maar Pasoeroean duldt
-slechts noode het gezag van een heiden en wat zijn hem de vormen van de
-Brahmanen? Een lastig, vervelend kleed, dat hij vol vreugde af zou
-werpen om den eeredienst der Westerlingen aan te nemen en met hen
-vereenigd een soort van monsterverbond te sluiten. Maar ik de vurige
-Mahomedaansche, ik huiver van hun kille aanraking, liever niets dan
-vorstin door hen gekroond.”
-
-„Zoo dacht Pangeran Poeger er niet over en uw grootvader keizer Tagal
-Wangie evenmin,” grijnsde Boeloe, „wat zou er van Mataram geworden
-zijn, indien de kafir zijn reddende hand niet naar hen uitgestoken
-had?”
-
-„Die hulp is hun ook duur te staan gekomen, maar Soerapati wenscht
-meer; hij verlangt door hen als gelijke te worden behandeld, niet als
-een onmondig kind, dat zelf niet met zijn speelgoed overweg kan en dus
-de hulp der ouderen en wijzeren noodig heeft.”
-
-„Maar vorstin! de hartstocht doet u dwalen, ge zijt altijd jaloersch
-geweest op de Hollanders, eerst om de liefde, welke uw echtgenoot een
-christenvrouw toedroeg, later omdat hij van hen alleen steun verwacht
-tot instandhouding van hun rijk. Jaloezie is ’t alleen wat uw leven
-beheerscht!”
-
-„Ja ’t is waar, ik ben jaloersch! Hadde hij nooit die blanke liefgehad,
-nooit zouden zijn gedachten weer telkens zijn teruggekeerd naar hen,
-tot wier volk zij behoorde. Gelijk gindsche zonnebloem de zon volgt,
-waar zij ook schijnt, zoo blijft zijn oog altijd op haar gericht.
-Zonder haar ware hij, de Balinees, geheel Javaan geworden, zou hij mij
-liefgehad en vereerd hebben als zijn wettige eerste vrouw, maar hij had
-het niet beneden zich geacht ook anderen zijn gunst te bewijzen en ik
-had niet gemord, verheugd als ik ware dat hij mijn geloof en mijn
-volksgebruiken deelde, maar nu....”
-
-„Gij vreest die doode vrouw meer dan een geheelen kapoetren.”
-
-„Dwerg, ge leest mijn gedachten! Waartoe zou het dienen ze u te
-verbergen? Ja, dat is zoo! Evenals het vat, waarin eenmaal doepa [30]
-gebrand werd, zijn geuren behoudt, al werpt men er ook later de
-sterkste kruiden in, zoo blijft in hem steeds de herinnering leven aan
-zijn eerste jeugd, aan zijn grootste liefde. Die herinnering doortrekt
-zijn dagen met haar gehaten geur, na Suzanna heeft hij nooit meer
-liefgehad, zelfs niet mij!”
-
-Dat laatste woord klonk als een onderdrukte snik.
-
-„En toch wat heeft zij hem geschonken en wat ik!”
-
-„Zusje, zusje! Verwijt de u bewezen gunsten niet! Schrijf ze op, daar
-ginds in het water, dan verzinken zij in de diepte, en wees oprecht;
-was toen ter tijd de liefde van den roover niet de grootste weldaad,
-die de prinses verlangde en waarvoor geen offer haar te groot scheen!”
-
-„Heb ik ze dan ontvangen, Boeloe? Neen, de liefde waarvan ik droomde,
-daarnaar honger ik nu nog. Liefde, die alles deelt met den geliefde,
-gedachten, hoop, vrees, zorgen, plannen en wat schonk Soerapati mij? De
-kostbare gouden kas, waarin echter de schitterende diamant ontbreekt!”
-
-Zij zweeg gedurende weinige oogenblikken en ook Boeloe sprak niets.
-
-„Dwerg,” ging zij voort, „ik weet niets van wat er thans omgaat in het
-rijk. Hij heeft Soenan Mas een gastvrijheid verleend, die den armen
-vorst zwaar drukt, een gastvrijheid die veel op kerkerstraf gelijkt.
-Wat is daar zijn doel mede? Hij is bijna altijd afwezig, hij oefent
-zijn soldaten, hij versterkt zijn vestingen. Is er oorlog op til? En
-met wien?”
-
-„De machtige Radhen Adipati wijdde mij niet in zijn geheimen.”
-
-„Tegen Pakoe Boewana, tegen den onwettigen keizer zal hij strijden,
-maar dan zal ’t ook wezen tegen de Hollanders! O als hij hen
-vernietigen, als hij hen verjagen kon!”
-
-„Zal dan zijn liefde jegens hen ook uitgeroeid zijn, vorstin?”
-
-„Hij kan op den duur niet alleen staan tegen zijn volk, tegen zijn
-gezin, want ook zijn zonen verfoeien wat ik verfoei!”
-
-„Dus wil mijn goede moeder, de sieraden welke zij van haar gemaal
-ontving doen versmelten in krissen, die hem moeten dooden?”
-
-Het antwoord op Boeloe’s tartende vraag, die waarschijnlijk licht
-verspreidde op nog duistere plekken in Koesoema’s gemoed, werd haar
-echter bespaard.
-
-Mas Pengantin, door Lembono gevolgd, trad binnen; hij zag er ellendig
-uit, zijn kleederen waren in wanorde en gescheurd, zijn gelaat bebloed,
-zijn arm hing in een zijden doek. Ook Lembono, hoewel minder gehavend
-scheen bleek en vermoeid.
-
-„Wat deert u mijn zoons!” riep Radhen Goesik verschrikt uit.
-
-„Moeder, zie, dat hebben vaders vrienden, de trouwe, vreedzame
-Tengereezen gedaan!” huilde Pengantin en wierp zich luid jammerend op
-den divan naast haar neer.
-
-„Ge ziet er waarlijk niet feestelijk uit voor vrome bedevaartgangers,”
-merkte Boeloe Kidoer droogjes op.
-
-„Vloek over de vroomheid van dat huichelachtig volk,” zeide Lembono
-bits, „ware ik Radhen Wiro Negoro, ik zou hen allen uitroeien van den
-eerste tot den laatste.”
-
-„Spreek geen kwaad van hen, hij deelt hun bijgeloof met hart en ziel en
-zoo zij u aangevallen hebben mijn zoons, ligt de schuld aan u,” sprak
-de vorstin gemelijk. „Waarom hebt gij aan hun bijgeloovige misbruiken
-deelgenomen terwijl gij in uw hart Allah, den eenigen God en zijn
-Profeet aanbidt? Gijzelf hebt u schuldig gemaakt aan huichelarij en
-afgodendienst.”
-
-„Vader veroorlooft ons niet iets anders te aanbidden dan wat hem
-goeddunkt.”
-
-Pengantin ging voort met kermen en met klagen. Brahma, Boeddha of
-Mahomed waren hem allen even onverschillig. Hij jammerde zoo wanhopig,
-alleen omdat zijn weldoordachte schaking mislukt was, maar dat wist
-zijn moeder niet.
-
-„Vertel me alles,” ging zij met vonkelende oogen voort, terwijl haar
-dienaressen zich om strijd beijverden den gewonden prins te
-verfrisschen en te verplegen. „Vertel me alles Lembono, wat er
-gebeurde! Waarom hebben de Tengereezen u aangevallen?”
-
-„Weet ik het? wellicht, omdat zij meenden dat wij hun dwaze
-vertooningen bespotten, hoewel we ons uiterste best deden ernstig te
-blijven.”
-
-En hij gaf een zeer vrij verhaal van het gebeurde, waarin de arme
-bergbewoners werden voorgesteld als verraders en wreedaards, terwijl
-hij en zijn broeder onschuldige slachtoffers schenen van hun kwade
-trouw.
-
-De vorstin trilde van toorn; zij balde haar handen en sloeg er mede
-tegen het voorhoofd.
-
-„Die hoon moet uitgewischt worden; dat volk verdient de zwaarste
-straffen. Radhen Wiro Negoro moet toonen dat zij, die zijn zonen
-beleedigen, hem zelf aanvallen. Ik zal hem tot wraak aansporen tegen
-dat vervloekte ras!”
-
-„De Tengereezen zijn hem dierbaarder dan zijn kinderen!” spotte
-Lembono, terwijl Pengantin overdacht of hij de wraakneming niet zoo kon
-inrichten dat hij toch in ’t bezit van Siwangi kwam.
-
-Daar snelde de jonge, schoone Radhen Soederma, Pengantins gade, naar
-binnen; zij had met haar vrouwen een kleine wandeling gemaakt in den
-tuin die zich verder in het woud bevond en hoorde terugkomend van het
-ongeval, dat haar echtgenoot was overkomen.
-
-Met alle kenteekenen van schrik en zorg trad zij onder de veranda en
-liet de andere vrouwen vertrekken; zij alleen wilde hem helpen, hem
-verbinden en verkwikken; op haar arm geleund, wankelde Pengantin naar
-binnen, terwijl Soederma bevel gaf den doekoen (lijfarts) haars
-schoonvaders te ontbieden.
-
-Radhen Goesik zag haar spottend na en haalde de schouders op. Lembono
-glimlachte en fluisterde zijn moeder toe:
-
-„Mijn schoone zuster moest eens weten, waardoor mijn broeder zich die
-wonde berokkend heeft. Meent ge waarlijk, lieve moeder dat die
-Tengereezen ons zonder eenige reden aangevallen en verwond hebben?”
-
-„Dat is mij tamelijk onverschillig; er kan geen reden zijn zoo
-gewichtig om hun vijandig optreden te verschoonen; verlangt gij iets
-van hen en willen zij ’t u niet goedschiks geven, dan zijt ge in uw
-volste recht het te nemen al gold het ook hun vrouwen en kinderen.”
-
-„Liefste moeder, waart gij slechts onze vorstelijke vader,” vleide
-Lembono. „Wanneer komt Radhen Wiro Negoro hier terug?”
-
-„Weet ik zelf of hij hier komt? Hij is naar de grenzen van Kediri,
-Nitro vergezelt hem met den prins van Balembangan. Vertel me nu, naar
-waarheid wat er voorviel, dan kan ik oordeelen wat aan uw vader dient
-verhaald te worden. Het geldt zeker weer een verliefde gril van
-Pengantin?”
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-HET VORSTELIJKE GEZIN.
-
-
-Radhen Wiro Negoro nam de beleediging zijn zonen aangedaan, niet licht
-op, juist omdat hij de Tengereezen liefhad en begunstigde, vertoornde
-hem hun misdrijf bovenmate. Zijn echtgenoot en zonen hadden niet veel
-moeite hem te overtuigen dat zulk een daad zware straf verdiende;
-onmiddellijk liet hij een afdeeling zijner soldaten die in Malang
-gekampeerd waren, oprukken naar den Tenger; het bevel gaf hij echter
-aan een zijner Balineesche hoofdlieden en niet aan een zijner zonen,
-hoewel Lembono er dringend om gevraagd had. Pengantin lag nog met
-wondkoortsen te bed.
-
-„Ik wil niet straffen vóór ik beide partijen gehoord heb,” sprak hij
-ernstig, „mijn mannen kan ik vertrouwen, zij zullen de voornaamste
-schuldigen vinden en hen gevankelijk naar Pasoeroean overbrengen.”
-
-„Ik begrijp niet,” zeide Radhen Goesik schamper, „waarom hier nog
-onderzocht moet worden naar schuld. Hebben die menschen uw zonen hun
-prinsen aangevallen dan verdienen zij voorbeeldig gestraft te worden.”
-
-Radhen Wiro Negoro sloeg weinig acht op de woorden zijner vrouw,
-hetgeen hij trouwens bijna nooit deed, maar wendde zich tot zijn zoon
-Lembono:
-
-„Ge hoort wat ik gezegd heb, Mas! Wilt ge mij bekennen wat de
-aanleiding is geweest tot dien onverwachten aanval dan zult ge mijn
-taak zeer vergemakkelijken.”
-
-„Ik begrijp niet, Edele Vader! wat uw bedoeling is,” antwoordde de
-prins met afgewend hoofd. „Welke aanleiding zou er bestaan? Ik ben met
-mijn mannen opgestegen naar de Dasar, ik heb zelfs den Kraton
-ongewapend beklommen met de Tengereezen en wierp in den afgrond de
-offers, welke ik medegebracht had; de landlieden schenen zelfs gesticht
-te zijn door mijn vroomheid. Daarna namen wij deel aan het offermaal in
-de Zandzee en keerden langs den gewonen weg, den berg af. De bewoners
-van de verschillende dessa’s verlieten ons de een na den ander in
-hartelijke en eerbiedige stemming, waarop wij alleen onze reis
-voortzetten.”
-
-„Waar voegde zich uw broeder bij u?”
-
-„In de Dasar, toen wij teruggekeerd waren van den kratertop.”
-
-„En hij vergezelde u op uw tocht benedenwaarts?”
-
-„Ja,” antwoordde Lembono min of meer weifelend.
-
-„Ge waart dus Tosari reeds voorbij, hoe hebben zij u dan kunnen
-aanvallen, bij hun dorp.”
-
-„We keerden er terug, daar we verdwaalden en wilden er een
-nachtverblijf zoeken.”
-
-„Zie mij aan!” beval Radhen Wiro Negoro streng, daar de prins nog
-steeds zijn blikken afwendde, „zweert ge mij, dat hetgeen ge vertelt
-waarheid bevat? Uw broeder is ziek en ik kan hem thans niet
-ondervragen, maar het onderzoek van de schuldigen zal uitbrengen, wat
-hier waarheid is.”
-
-„Wil mijn vader dan meer waarde hechten aan de verklaringen van dat
-arme volk dan aan die zijner zonen?”
-
-„De omstandigheden zullen bewijzen, wie het meest geloof verdient. Wat
-ik nu van u verlang Lembono, is een plechtige eed. Behelst uw verhaal
-waarheid?”
-
-„Bij de geesten van den Bromo...”
-
-„Roep hen niet aan! Neem slechts den grooten Oppergod, den Schepper van
-het heelal, tot getuige uwer woorden. Hij heeft alles gezien en
-gehoord, wat in het gebergte voorviel. Zweer thans!”
-
-„Ik zweer dat geen logen mijn lippen ontwijdde.”
-
-„’t Is goed! Wee u, al zijt ge ook mijn eigen vleesch en bloed, zoo ge
-onwaarheid hebt gesproken.”
-
-Juist trad Soederma binnen, zij wierp zich voor de voeten van haar
-schoonvader en wilde zijn voeten kussen, maar hij hief haar vriendelijk
-op en vroeg:
-
-„Wat heeft mijn dochter mij te zeggen?”
-
-„Mijn vader en gebieder!” sprak de jonge prinses, „mijn echtgenoot
-spreekt zonderlinge taal; uw dochter weet niet of de koorts
-waarschijnlijk zijn zinnen verwart, maar telkens ziet hij verward rond
-en prevelt een naam, die altijd hetzelfde klinkt.”
-
-Tranen rolden langs haar wangen en zij wrong in stomme smart de handen.
-Haar schoonmoeder en zwager zagen elkander bezorgd aan.
-
-„En hoe luidt die naam, mijn kind?”
-
-„Siwangi!” snikte de prinses. „Maar dan verhaalt hij nog vreemder
-dingen. Het was niet tegen menschen dat hij gestreden heeft maar tegen
-een Dewa; de geesten van den Bromo hebben zich verzet tegen zijn geluk,
-daarom moest hij bezwijken, maar hij zal niet ophouden te strijden om
-zijn doel te bereiken en telkens, telkens roept hij weer den naam van
-daareven. Het zijn niet de Tengereezen, verzekert hij, maar de geesten
-van den berg, die zijn arm doorwondden en hem op het ziekbed wierpen.”
-
-„Mijn broeder’s geest dwaalt af!” zeide Lembono scherp, „en mijn zuster
-doet onverstandig de woorden, die zijn kranken mond ontvallen, te
-herhalen. Zij moet ze laten verstuiven in de lucht en ze niet tot een
-zaad maken, dat booze vruchten kan dragen. Het waren menschen van
-vleesch en bloed en geen geesten die ons hebben aangevallen, men zal in
-Tosari daarvan de sporen vinden.”
-
-„Maar is Siwangi dan ook geen geest?” vroeg Soederma bedroefd.
-
-„Keer naar de legerstede van uw echtgenoot terug, mijn dochter!” zeide
-de vorst, „verzorg hem goed en bedroef uw hart niet noodeloos! Ik zal
-de schuldigen weten te straffen.”
-
-Maar toen de jonge vrouw vertrokken was, richtte hij zich in zijn volle
-lengte op, zijn wenkbrauwen fronsten zich onheilspellend boven de
-dreigende oogen en de machtige hand uitstrekkend naar zijn zoon, sprak
-hij met donderende stem:
-
-„Ik begrijp waar het om te doen was! Voor de Tengereezen zijn
-vrouweneer en huwelijkstrouw nog steeds woorden vol beteekenis; het zal
-niet gezegd worden dat Radhen Wiro Negoro deze kostbare schatten zijner
-onderdanen niet heeft kunnen beschermen tegen zijn eigen zonen! Het
-onderzoek zal worden ingesteld, ik zelf zal ondervragen en ik herhaal
-’t nogmaals: Wee hen, die ’t schuldigste waren!”
-
-Lembono verbleekte en zijn moeder zeide verschoonend:
-
-„Maar gesteld eens dat het zoo ware, Edele Vorst! is die zonde dan zoo
-onvergefelijk? Mas Pengantin is jong, het warme bloed zijner ouders
-vloeit door zijn aderen; wanneer hij wellicht door hartstocht overmand
-een landmeisje beleedigde, zoo verdient hij daarvoor toch geen al te
-strenge straf. Ook gij hebt eenmaal bemind, ook gij hebt uw liefde niet
-weten te bedwingen en moest er de gevolgen van dragen.”
-
-Met gemaakte zachtheid vol snijdenden hoon had Radhen Goesik deze
-laatste woorden uitgesproken. Soerapati beet zich op de lippen en wierp
-haar een blik toe, waarin duidelijk te lezen was, dat de liefde jegens
-haar, zoo deze ooit in werkelijkheid bestaan had, reeds sinds lang
-plaats maakte voor wrevel en ergernis.
-
-„Zwijg vrouw!” voegde hij haar scherp toe, „over dingen, waarvan gij
-het rechte verstand niet bezit. Deze zaak geldt u niet, ik zal ze
-alleen weten te behandelen.”
-
-„Heb ik geen verstand van liefde en hartstocht?” vroeg zij fleemend.
-„Ik ben Pengantins moeder en ook ik heb mij laten medeslepen door den
-hartstocht der liefde. Ik verliet mijn eersten echtgenoot, een prins
-van vorstelijken bloede, om een roover en slaaf te volgen op zijn
-avontuurlijken weg. Inderdaad zoo mijn kind schuldig is, hij dankt het
-aan ’t voorbeeld zijner ouders, Soerapati!”
-
-Maar de vorst verwaardigde zich niet haar te antwoorden, hij keerde
-haar met minachtend gebaar den rug toe en verliet de galerij.
-
-Moeder en zoon bleven samen; Radhen Goesik weende van spijt en Lembono
-sidderde over zijn geheele lichaam.
-
-„Wat hij dreigt zal hij uitvoeren, moeder!” mompelde hij.
-
-„Lafaard, die beeft bij het woord van een vader. Zijt ge dan nog zwakke
-kinderen die een bestraffing vreezen en geen volwassen prinsen van
-geboorte? Hij is een opkomeling, een soldaat die geluk had met zijn
-wapens, maar in uw aderen stroomt het vorstelijke bloed, dat ge mij
-dankt.”
-
-„Predikt gij ons verzet en opstand?” vroeg de prins fluisterend.
-
-„De omstandigheden zullen het leeren, hij heeft den weg gebaand aan u,
-om zijn zetel opgericht te houden, desnoods boven zijn lichaam.”
-
-Zij zag er vreeselijk uit, deze vrouw met haar bloedroode lippen en van
-haat glinsterende oogen.
-
-„Hij zal de Hollanders hier binnen halen; hij voert met hen oorlog
-alleen om het recht te hebben met hen vrede te sluiten; hij zal de
-Hindoesche tempels sluiten evenals de moskeeën en er Christenkerken
-voor in de plaats bouwen. De halve maan en de lotusbloem zullen
-vervangen worden door het kruis.”
-
-„De Hollanders voeren geen kruis, zij hebben niets dan de
-rijksdaalder,” meesmuilde Lembono, „dat geeft mij moed! Met geld zijn
-zij het gemakkelijkst te onderwerpen, beter nog dan door wapens!”
-
-„Blijft dan één met u drieën, zoo zijt ge machtig, machtig tegen den
-vreemdeling, machtig tegen uw eigen vader!” hernam zij en stond op om
-haar zieken zoon te bezoeken.
-
-De soldaten, die naar den Tenger uitgezonden waren, kwamen weldra
-terug; zij verhaalden dat hun taak gemakkelijk was geweest; de arme
-landbouwers hadden geen andere wapens dan hun kapmessen en de schrik
-sloeg hen om het hart, toen zij de krijgslieden zagen naderen.
-
-Eerst dachten zij dat het een nieuwe poging was om Siwangi in het bezit
-te krijgen, maar de aanvoerder reed vooruit met een witten doek in de
-hand en de oudste der dessa, die het sinds den dood van Siwangi’s vader
-was, kwam hem te gemoet om te hooren wat hij verlangde.
-
-De aanvoerder bracht het bevel over van den Vorst, die streng maar
-rechtvaardig wilde oordeelen en dus de schuldigen aanraadde zich
-vrijwillig over te geven, daar anders de geheele dessa voor het
-misdrijf van slechts enkelen zou moeten boeten.
-
-Toen was er een jonkman vooruitgekomen, die in gebroken Javaansch
-zeide:
-
-„Ik ben alleen de schuldige, ik heb een meisje beschermd dat weerloos
-in de handen was gevallen van een roover, en ’s avonds toen men opnieuw
-de misdaad wilde begaan, maar thans met overmacht van wapenen, heb ik
-nogmaals mijn wapen gelost. Mijn schoten hebben de aanvallers op de
-vlucht gejaagd. Onderzoek vrij deze hutten, gij zult er geweren, kruit
-noch lood vinden, niets dan deze wapenen, welke ik u ter hand wil
-stellen en die mij toebehooren.”
-
-Vol verbazing hadden de krijgslieden den spreker aangestaard; zijn
-gelaatstrekken hoewel lichter van kleur, droegen een merkwaardige
-gelijkenis met die van Mas Pengantin, maar zijn stem en houding
-brachten den gevreesden en geëerbiedigden Vorst zelf in herinnering.
-
-„Maar wie zijt gij dan?”
-
-„Een arme verdwaalde koopman, die wapens verkoopt, paarlen en
-snuisterijen, ik wilde ze uw vorstinnen te koop aanbieden. Het noodlot
-heeft er anders over beschikt, maar ik treur er niet om, daar ’t mij
-vergund was een arm onschuldig meisje te redden van een treurig lot.”
-
-Men had zijn onderwerping aangenomen, doch met hem eenige Tengereezen,
-den oudste, benevens Siwangi’s broeder en bruidegom gevangen genomen;
-toen zij gevankelijk weggevoerd werden, vervulde bitter gejammer en
-gesteun de lucht, maar de gevangene bergbewoners troostten de
-achtergeblevenen.
-
-„Wij komen weldra terug,” zeiden zij, „onze zaak is eerlijk en Radhen
-Wiro Negoro is rechtvaardig.”
-
-Zij werden naar den Kraton van Pasoeroean gebracht en daar in den
-kerker opgesloten om het onderzoek af te wachten.
-
-Radhen Wiro Negoro besloot ook naar zijn hoofdstad te vertrekken; voor
-zijn heengaan bezocht hij nog het ziekbed van zijn zoon. Maar
-Pengantin, hoewel lang niet zwaar ziek, hield zich bewusteloos of
-slapend om een gesprek met den gevreesden vader te ontwijken.
-
-„Ge zult goed op hem passen, Soederma,” sprak de Vorst tot zijn
-schoondochter, „en zoodra hij in staat is te reizen, laat gij hem in
-een draagstoel overbrengen naar mijn Kraton.”
-
-„En zal mijn vader dan ook genadig zijn.”
-
-„Ik wil rechtvaardig wezen, kind! Want rechtvaardigheid is de deugd,
-die op Java het verst te zoeken is, moge men eenmaal zeggen, Soerapati
-bracht haar terug!”
-
-„Geen deugd is ook moeilijker,” fluisterde de prinses en sloeg haar
-door waken en tranen afgematte oogen naar den grond. Hij streelde haar
-lokken en verliet de kamer om zich naar zijn gemalin te begeven, die
-alweer met den dwerg aan haar voeten zat.
-
-„Ik vertrek,” zei de hij kort en afgemeten, „ik reken er op dat gij mij
-weldra volgt. Lembono zal mij vergezellen. Een woord heb ik nog te
-zeggen. Gij overweegt booze dingen in uw hart, zoolang het zich tot
-gedachten en woorden bepaalt, laat ik u vrij; maar pas op, dat ge mij
-in geen nieuwe moeilijkheden wikkelt. Reeds genoeg zorgen en lasten
-omringen mij, gij behoeft ze niet te vermeerderen, want als gij en uw
-zonen er nieuwe bijvoegt konden zij licht aangroeien tot een berg, die
-op mij valt en mij verplet. Misschien betreurt ge dat niet eens,
-misschien is ’t juist dat, wat gij zoekt, maar bedenk dat ik alleen het
-gebouw stut, waarin gij allen als vorsten zetelt. Wanneer ik verdwijn,
-dan stort het ineen. Noch gij, noch uw kinderen kunnen het staande
-houden! Overweeg dus mijn woorden en sla mijn raad niet in de lucht.”
-
-De vorstin bedwong het toornig antwoord dat op haar lippen, zweefde en
-zeide niets dan:
-
-„Vaarwel, ik zal u spoedig volgen.”
-
-Aan Boeloe Kidoer echter gaf zij haar hart lucht.
-
-„Wat zal er gebeuren, Boeloe? Wat zal hij doen met mijn arme zonen; is
-’t niet beter dat Pengantin zich niet waagt aan den toorn zijns vaders,
-dat hij den Kraton niet meer betrede, maar vluchte naar... naar de
-bergen met zijn getrouwen?”
-
-„Bezit hij die?” vroeg de dwerg, „tien, twintig, honderd speelmakkers
-en drinkebroeders zijn niet genoeg om een Radhen Wiro Negoro te
-weerstaan?”
-
-„Maar hij kan vluchten naar den keizer!”
-
-„Naar Pakoe Boewana?” en de dwerg lachte spottend.
-
-„Naar Soenan Mas bedoel ik!”
-
-Nog luider lachte de dwerg.
-
-„Soenan Mas zal de bescherming van Soerapati verbeuren om zich met die
-van zijn vluchtenden zoon te behelpen. Moedertje, ge zijt bedreven in
-vele zaken, maar staatsmanswijsheid mist ge nog!”
-
-Juist trad Amirang Koesoemo, Radhen Goesik’s pleegvader binnen en de
-dwerg begroette hem met de woorden:
-
-„Grootvadertje, gij komt juist bijtijds, de schoone vingers van uw
-dochter willen zich wringen tusschen de treden van den troon van haar
-gemaal; zij hoopt die ineen te doen storten en vergeet dat zij de
-eerste zal zijn om daaronder begraven te worden.”
-
-„Zwijg onbeschaamde dwerg!” beet de vorstin hem nijdig toe.
-
-„Mijn dochter zal dit onzinnige werk niet beproeven,” zeide de
-oud-Rijksbestuurder, „ernstige tijden breken aan. Slechts in eendracht
-kunnen wij ons heil vinden. Van twee kanten bedreigen ons èn de
-keizerlijken èn de Hollanders, met vereende krachten moeten wij hen
-weerstaan. En wie zou het doen, als Soerapati er niet was? Uw drie
-zonen, Radhen Goesik, reiken te zamen hem nog niet aan de knie; gebruik
-uw invloed niet om uw kinderen tegen hun vader op te zetten. De
-burgeroorlog verdeelt het rijk en maakt het zwak tegen den vijand, die
-van buiten dreigt. De val des vorsten zal ons aller ondergang zijn!”
-
-„Maar hij zal zich niet ontzien zelfs zijn oudsten zoon zwaar te
-straffen.”
-
-„Dit is zijn plicht als de straffe verdiend is.”
-
-„Maak u niet ongerust, moedertje!” grinnikte de dwerg, „de heer vader
-zal streng oordeelen, vonnissen misschien, maar hij zal vergeven. Hij
-heeft zijn zonen te veel noodig in deze duistere dagen. Wat zal het hem
-baten zijn troon te redden, als hij de zekerheid heeft, dat deze na
-zijn dood ledig zal blijven? Een man als Soerapati werkt niet voor één
-geslacht.”
-
-„Ge handelt slecht, mijn dochter, door heete olie in plaats van balsem
-te gieten op de wonden uwer zonen, dat zou hen razend kunnen maken van
-pijn. Wees dus op uw hoede! Laat Radhen Wiro Negoro handelen zooals hem
-’t best dunkt. Wees overtuigd, dat het ook goed en billijk zal
-blijken.”
-
-Radhen Goesik zweeg, maar in haar hart was zij nog niet overtuigd; zij
-koesterde echter voor haar pleegvader nog te veel kinderlijken eerbied
-om hem te durven tegenspreken.
-
-„De Dewa, waarvan Pengantin droomde, heeft zich doen kennen als een
-gewoon sterveling,” hervatte zij na een poos, „hij heeft op mijn zoon
-durven schieten de ellendeling. Als ik Wiro Negoro was, ik zou op den
-vermetelen knaap het volle gewicht doen neerkomen van mijn toorn, dan
-spaart hij ook zijn geliefde Tengereezen.”
-
-„O moedertje, wat zou ’t goed leven zijn onder uw wijzen scepter,”
-gichelde Boeloe Kidoer.
-
-In diep nadenken verzonken reed de vorst intusschen aan het hoofd van
-zijn leger; links en rechts wierp zich het volk bij zijn nadering in
-het stof; hij zag hen nauwelijks aan, zoo hielden ernstige gedachten
-zijn geest bezig.
-
-De gebeurtenissen op het Tengergebergte, de oneenigheid met vrouw en
-kinderen, kwamen hem juist thans ten hoogste ongelegen. Hij wist dat de
-Hollanders zich nu op geduchte wijze uitrustten om hem in zijn eigen
-gebied te komen aanvallen; het gevaar grijnsde hem van nabij aan. Zijn
-ouden pleegvader en besten raadsman had hij verloren; bittere smart
-welde op in zijn borst bij de gedachte dat hij den man, die hem zoo
-trouw vergezeld had van het slavenkwartier naar het vorstelijk paleis
-nu voortaan zou missen, en dat nog wel door zijn eigen schuld.
-
-Naberouw kwelde hem, daar hij den grijsaard uitgezonden had op zulk een
-gevaarvolle onderneming; hij had alleen zich zelf zijn dood of
-gevangenisstraf te wijten. Zijn hart was bedroefd, maar daarop mocht
-hij geen acht slaan, evenmin als op den toorn, die zijn borst vervulde
-bij het herdenken van den tegenstand, hem geboden door vrouw en
-kinderen. Neen, hij moest waken, hij moest denken, hij moest sterk
-blijven, smart en gramschap verzwakken den mensch, verduisteren zijn
-geest en hij diende krachtig te blijven, wilde hij alle moeilijkheden,
-alle zorgen, alle vijanden het hoofd bieden.
-
-Hij kon nu zijn zonen niet doodelijk kwetsen door een vernederende
-straf, maar evenmin zijn trouwe Tengereezen beleedigen door
-onrechtvaardigheid. De eer van zijn kroon door den erfprins
-vertegenwoordigd stond aan de eene zijde, het geschonden recht aan de
-andere.
-
-„O, dat ik geen zoon bezit, waardig mij op te volgen, in wiens handen
-ik gerust mijn taak kan overgeven als ik vallen moet,” verzuchtte zijn
-ziel. „De kansen van den oorlog zijn wisselvallig, wanneer ik sneuvel
-dan heb ik vergeefs gearbeid, mijn leven lang! Als het kaf der ledige
-padikorrels zal alles verstuiven wat ik hier wrochtte. De ellendige
-geest, die in mijn zonen heerscht, zal oorzaak zijn van den val van
-mijn koninkrijk, dat ik door zooveel bloed en tranen, zooveel zweet en
-arbeid vestigde. Zij zullen blijde terugkeeren onder Mataram’s
-heerschappij, zich trotsch en tevreden voelen, wanneer zij als regenten
-van den Soesoehoenan een schijn van macht mogen behouden in deze
-gewesten, waar hun vader eenmaal als onafhankelijk vorst regeerde. Zij
-worden slaven van den Islam en van de gewetenlooze hadji’s. Ik ben hoog
-geklommen, mijn hoogste eerzucht is voldaan! Wat zal ’t mij baten
-indien er niemand is, wien ik bij mijn heengaan de teugels kan
-overreiken? Maar hoe komen die treurige voorgevoelens in mij op? Ik ben
-nog niet oud, ik ben krachtig en sterk, mijn volk is mij trouw en mijn
-lichaam is onkwetsbaar; ik zal de Hollanders leeren dat zij in mij een
-anderen vijand hebben dan de Tjeribonsche, Bantamsche of Mataramsche
-prinsen, een anderen tegenstander zelfs dan de heldhaftige
-Troeno-Djojo. Zij zullen met mij moeten rekenen, ik zal hun wetten
-voorschrijven. Waarom moeten zij overal zegevieren, dit land behoort
-toch ons en niet hen, den vreemdelingen van over de zee.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE GEDEELTE.
-
-
-I.
-
-DE RECHTSPRAAK.
-
-
-De Kraton van Pasoeroean was een indrukwekkende ruimte. Evenals alle
-andere kratons bestond hij uit verscheidene muren, de kern het
-vorstelijke verblijf omvattend; fraaie tuinen, ruime pleinen, woningen
-voor de prinsen, rijksgrooten en hofbeambten bevonden zich tusschen
-deze muren. Soerapati had er vele veranderingen in laten maken, hoewel
-hij den kraton niet gebouwd had. Vroeger zetelde er Ngabi Ongo Djoyo
-in, regent van Pasoeroean; deze vorst was echter door hem verdreven
-geworden en dus had hij zich met diens woning moeten vergenoegen. Ware
-de keus aan hem geweest, hij had voorzeker aan een andere inrichting
-verre de voorkeur gegeven; in zijn eigen vertrekken volgde hij nu
-alleen zijn eigen smaak en liefhebberijen.
-
-Europeesche meubels, waarvan de modellen uit Soerabaya ontboden waren,
-vulden deze ruimte; een breede divan nam een der zijmuren in,
-daartegenover stond een schrijftafel met een hoogen gebeeldhouwden
-stoel, eenige boeken, die hij met veel moeite bijeenverzameld had,
-lagen op de tafel naast schrijfgereedschap en papier; eenige
-schilderijen hingen aan de muren, waarde hadden zij niet anders dan die
-van de verf, welke er kwistig over geworpen was. Fraaier was de
-verzameling wapens, die de wanden van boven tot beneden bedekte, naast
-jachttropheeën, welke hij uit zijn tochten in het Zuidergebergte
-medebracht. Een uit vellen van koningstijgers samengevoegd tapijt
-rustte op den grond.
-
-Niemand echter ontving hij in dit vertrek, zijn heiligdom, of het
-moesten zijn trouwste vrienden, de oud-Rijksbestuurder, Kiai Hemboong,
-Wirajoeda en nog enkele anderen zijn.
-
-Hij sprak met zijn mantri’s, regenten en andere rijksgrooten, met de
-gezanten van naburige vorsten of zijn onderdanen, die hem iets te
-verzoeken hadden, steeds in de aangrenzende pendoppo.
-
-Daar troonde hij geheel op de wijze der Javaansche vorsten op een
-verhevenheid, met kostbare tapijten bedekt en door draperieën omgeven;
-niemand mocht hem nabijzitten dan op een afstand van zes voet. Zijn
-rijkssieraden werden door knapen in plaats van door vrouwen gedragen,
-wanneer hij plechtig audientie gaf, of zich in statie aan het volk
-vertoonde; hij verachtte al den verwijfden omhaal der Javaansche
-etiquette en vergat nooit dat hij een soldatenvorst was. Op zijn reizen
-liet hij zich alleen door zijn krijgslieden omringen en wanneer hij dan
-ook op gewone dagen in zijn pendoppo verscheen, hetzij om gehoor te
-verleenen, hetzij om recht te spreken, dan omringde hij zich alleen
-door een sterke wacht van soldaten, die met hun pieken in de hand aan
-weerszijden van de pendoppo en achter zijn zetel geschaard stonden.
-
-Daar hij geen harem bezat, behoefde hij ook al de overdreven voorzorgen
-niet te gebruiken, waarmede de Soesoehoenan den toegang van zijn hof
-tegen elk mannelijk persoon versperde, en daar hij zelf den
-Mahomedaanschen godsdienst niet beleed, had hij den Pangoeloe geen stem
-te geven in zijn raad en kon dus ook gevoegelijk de omslachtige
-plechtigheden van den Islam achterwege laten.
-
-Deze twee eigenaardigheden maakten zijn hof zoo verschillend van die
-der andere Javaansche vorsten; overigens trachtte hij zooveel mogelijk
-nog den schijn van macht en glans te behouden, die bij de Javanen
-onafscheidelijk is van de opperheerschappij; daarom mocht ook niemand
-hem ooit anders dan kruipend naderen. Zoo hij hierin verandering had
-gebracht, dan kon hij verzekerd zijn dat hij een deel van zijn
-overwicht in de verblinde oogen zijner onderdanen verloren had.
-
-Heden viel er bijzonder veel te doen; zijn afwezigheid had slechts
-enkele weken geduurd en toch vond hij thans vele zaken af te doen, die
-zich in zijn afzijn opeengehoopt of verward hadden. De zaak van den
-Tenger moest onderzocht worden, daarenboven waren er gezanten gekomen
-van Soenan Mas uit Kediri en van den regent van Soerabaya, die
-onmiddellijk gehoor verlangden.
-
-Radhen Wiro Negoro gaf bevel de boden van den afgezetten Keizer te doen
-voorkomen; deze, twee in getal verschenen onmiddellijk en kropen naar
-den troon, waarop de vorst hen afwachtte, omringd door zijn beide
-jongere zoons, door Matjanegara den erfprins van Balembangan en zijn
-mantri’s; deze waren allen op lage banken gezeten.
-
-„Wat is het verlangen van uw heer, den edelen Pangeran Adipati?” vroeg
-de vorst.
-
-„Heer, onze meester zond ons in allerijl naar u heen, zijn hart is in
-groote bekommernis, want hij weet niet welk besluit te nemen en daarom
-roept hij uw raad in. De Hollanders zonden hem een tweetal verkleede
-boden, Chineezen naar het schijnt, die in een heimelijk onderhoud hem
-voorsloegen zich met de Compagnie te verzoenen en zijn oom den Pangeran
-Poeger als wettig Keizer te erkennen.”
-
-„En heeft de Pangeran Adipati naar hun voorslagen geluisterd?”
-
-„Hij veinsde te luisteren, Heer, en vroeg uitstel om ernstig na te
-denken; in dien tusschentijd zond hij ons naar u ten einde uw meening
-te vragen aangaande het verleidelijk aanbod.”
-
-„Hoe luidde dit aanbod?”
-
-„De Compagnie beloofde hem genade en vergiffenis, alle eerbetuigingen,
-die een Javaansch prins toekwamen, het gezag over eenige landstreken,
-vrijheid voor hem, zijn vrouwen en kinderen.”
-
-„En meent uw prins wellicht dat het hem beter zal gaan onder de
-bescherming der Hollanders dan onder de mijne? Zoo hij hiervan
-overtuigd is, hij trekke naar Batavia of Soerabaya en onderwerpe zich
-aan de Compagnie. Hij zal mij dan verlossen van de verplichting zijn
-rechten staande te houden tegenover Pakoe Boewana; ik zal met hem vrede
-kunnen sluiten naar mijn believen. Zeg uw meester, dat hij den kraton
-van Kediri onmiddellijk ontruime om zich aan de voeten der Hollanders
-te werpen.”
-
-„Heer, uw geest loopt te snel onze woorden vooruit! Onze Gebieder heeft
-slechts toegeluisterd en meer niet. Hij wacht met te antwoorden tot hij
-uw gevoelens heeft vernomen.”
-
-„Ik heb ze uitgesproken. Mij is er niets aan gelegen den Pangeran
-Adipati in mijn rijk te bezitten. Hij blijve of vertrekke naar zijn
-goedvinden. Wanneer hij meent mij tot zijn wil te kunnen dwingen door
-het aanbod dat mijne vijanden hem gedaan hebben, zoo vergist hij zich
-deerlijk; om zijnentwil schroomde ik niet mij de vijandschap op den
-hals te halen der Hollanders; alleen om hem te gerieven, bood ik hem
-een schuilplaats aan, waar het hem aan niets ontbreekt en nog is hij
-niet tevreden. Hij wenscht dat ik hem keizerlijke eer bewijs, hem, den
-vluchteling, dien ik uit genade heb opgenomen in mijn land. Hij acht
-het een onrechtvaardigheid dat ik hem geldelijken steun gevraagd heb
-wanneer ik voor zijn zaak de wapens opneem; liever wil hij overloopen
-naar zijn vijanden, die door zijn schuld ook de mijne zijn geworden.
-Wat belet mij aan Goesti Katawangan bevel te geven hem over te leveren
-aan Pakoe Boewana, zijn dierbaren oom? Deze zal hem nog hartelijker
-ontvangen dan de Hollanders, ik ben er zeker van.”
-
-De gezanten bogen het hoofd ter aarde en smeekten:
-
-„Genade Heer, genade! Dat was de bedoeling niet van onzen Heer. Hij
-vroeg slechts uw meening.”
-
-„Die kent hij zonder er ook naar te vragen. Het is tijdverlies het boek
-dat men reeds verscheidene malen gelezen heeft, nogmaals te openen.
-Acht hij zich zelf Keizer of niet?”
-
-„Ongetwijfeld, Heer, hij is de wettige opvolger der Soesoehoenans van
-Mataram!”
-
-„Welnu, dan kan hij in eeuwigheid ook niet het recht van zijn oom
-erkennen; twee keizers kunnen niet tegelijk bestaan. Wil hij zich
-verzoenen met de Compagnie, het staat hem vrij, maar hij verzoene zich
-dan ook als Keizer, hij onderhandele met geen Chineesche boden, maar
-met den Grooten Heer van Batavia zelf; zoo deze hem als Keizer erkent,
-dan vervalt vanzelf zijn onderwerping aan Pakoe Boewana. Dit is mijn
-antwoord. Vertrekt in allerijl en brengt mijn woorden letterlijk aan uw
-meester over.”
-
-En hij wenkte dat de boden uitgeleid zouden worden.
-
-Thans was het de beurt van de gezanten, die Depati Soerabaya naar hem
-afvaardigde; deze verschenen eveneens al kruipend aan het eind van den
-pendoppo.
-
-„Hoe maakt het mijn goede broeder, de Depati?” vroeg Radhen Wiro Negoro
-nu veel vriendelijker als daar straks, „welke boodschap brengt ge mij
-van hem?”
-
-„De gezondheid van onzen meester laat niets te wenschen over, Edele
-vorst! Hij beval ons met eigen oogen ons te vergewissen van den
-toestand van zijn broeder, den machtigen Radhen Wiro Negoro.”
-
-„Zeg uw meester dat de toestand van mijn lichaam uitstekend is, maar
-mijn geest wordt gedrukt door vele zorgen.”
-
-„Helaas! Heer, dezelfde klacht ontsnapt ook de lippen van mijn meester,
-de tijden zijn donker en bang. Het is moeilijk den weg te vinden in de
-duisternis.”
-
-„De weg kan lang en moeilijk zijn, dit ontken ik niet, maar wanneer men
-het doel vast en zeker in ’t oog houdt dan is er weinig kans tot
-verdwalen. Dit zal ook mijn broeder van Soerabaya ervaren.”
-
-„Maar juist het doel Heer, is vaak moeilijk te onderscheiden.”
-
-„Daarom verdwalen er zoovelen; maar de meesten gaan blindelings voort,
-zij tasten en zoeken, totdat zij in den afgrond storten.”
-
-„Wanneer zij ten minste het geluk niet hebben een veiligen leidsman te
-vinden, en juist deze ontbreekt mijn meester, daarom zond hij mij naar
-Uw Hoogheid.”
-
-„Zoo hij verlangt dat ik zijn leidsman zij, dan zal ik hem klaar en
-duidelijk den weg doen kennen, dien hij gaan moet.”
-
-„Maar hij mag den rechten open weg niet volgen Heer, zijpaden moet hij
-inslaan wil hij niet geheel verderven.”
-
-„Ik haat zijpaden en kronkelwegen, de rechte weg is mij altijd de
-kortste gebleken naar het doel. Uw meester heeft de vriendschap der
-Hollanders aangenomen, dat weet ik. Zal hij nu ook met hen tegen mij
-oprukken?”
-
-„Niets zou hem meer leed doen Heer, maar hij kan niet anders doen...
-schijnbaar. Zijn schoonvader, de oude Panombahan van Madura is uw
-felste vijand en zoo mijn meester openlijk uwe zijde kiest dan is zijn
-lot beslist, de Hollander en de Madurees zullen hem verdrijven, hij is
-geheel aan hen overgeleverd. In het geheim hoopt hij uw zaak beter te
-dienen, dan hij het openlijk zou kunnen.”
-
-„En op welke wijze dan?”
-
-„Hij zal den veldtocht met zijn troepen medemaken, maar zijn soldaten
-zullen niet medevechten, integendeel op beslissende oogenblikken zal
-hun hulp den Hollanders falen, nog meer, hij zal hun vertrouwen winnen
-en hen voeren op dwaalwegen; gij zult alles weten, wat in hun kamp
-omgaat.”
-
-„Uw meester is listig en sluw, zijn diensten zullen mij veel waard
-zijn, welke belooning verlangt hij daarvoor?”
-
-„Bescherming voor zijn grenslanden in de eerste plaats en verder wat Uw
-Hoogheid in zijn hart rechtvaardig en billijk acht tot loon van zulke
-goede hulp.”
-
-„’t Is goed, het vertrouwen van den Depati zal niet beschaamd worden;
-ik zal u geschenken medegeven ten bewijze van het verbond dat door ons
-gesloten is. Maar begrijp me goed en laat ook uw meester het begrijpen!
-Bij de eerste teekenen dat hij zijn belofte schendt, geef ik mijn
-krijgsvolk bevel het grondgebied van Soerabaya binnen te dringen, de
-akkers te vernielen, de dessa’s te plunderen, de kampongs te
-verbranden, de bewoners als slaven weg te voeren. Onthoud dit wel, ik
-ben een trouwe vriend maar ook een gevaarlijke vijand. Wanneer ik mijn
-woord geef dan, bij mijn kris, zal ik het houden.”
-
-De gezanten bogen zich ter aarde bij ’t hooren zijner krachtige,
-dreigende stem en beloofden alles wat hij wenschte.
-
-„Het zij dan zoo, ik noodig u uit op een feest, dat ik morgen in mijn
-kraton geef, een gevecht tusschen tijger en buffel; heden avond
-verwacht ik u echter aan mijn disch.”
-
-En met een beweging vol trotsche genadigheid, gaf hij hen bevel zich te
-verwijderen.
-
-„Breng nu de gevangenen uit het Tengergebergte vóór,” gebood de vorst.
-
-De cipiers voerden de ongelukkigen in ’s vorsten tegenwoordigheid; zij
-waren aan elkander gebonden en zwaar geboeid; bij den ingang wilde de
-gevangenbewaarder hen dwingen naar den troon te kruipen. De Tengereezen
-gehoorzaamden bevend en kusten den grond.
-
-Robert echter weigerde beslist; hij sloeg de geboeide armen over de
-borst zoodat de ijzeren ketens luid rinkelden en sprak:
-
-„Ik ben geen Heiden of Muzelman maar een Christen en Christenen knielen
-slechts voor God.”
-
-De gevangenbewaarder hief zijn stok op om hem door slagen tot knielen
-te dwingen maar het trotsche bloed van Robert bleef tegenstreven, hij
-wierp het hoofd fier achterover en riep uit:
-
-„Ge kunt mij doodslaan maar kruipend maak ik dien weg niet; ik ben een
-mensch en geen viervoetig dier. De menschen zijn geschapen om rechtop
-door de wereld te gaan, de redelooze dieren om het aangezicht naar den
-grond te keeren.”
-
-Radhen Wiro Negoro zag het verzet van den vreemdeling en glimlachte
-stil voor zich.
-
-„Dwing dien man niet,” beval hij luid, „hij kome voor mijn
-rechterstoel, zooals hij verkiest!”
-
-Met lossen gang en hoog opgericht hoofd schreed Robert voort, door twee
-cipiers gevolgd, terwijl de andere beschuldigden langzaam achter hem
-voortkropen en hij hen dus een eind voor raakte.
-
-Bij den troon gekomen boog hij zich diep. Soerapati zag hem lang
-zwijgend en onderzoekend aan, toen wenkte hij de andere gevangenen ter
-zijde te laten.
-
-„Hoe is uw naam?” vroeg de vorst eindelijk.
-
-Robert noemde den naam, dien hij aangenomen had.
-
-„Sidin.”
-
-„Zooeven hebt ge verklaard Christen te zijn, hoe rijmt dat met uw
-Javaanschen naam?”
-
-„Ik ben een kleurling, en onder hen zijn er velen, die den godsdienst
-van een hunner ouders volgen.”
-
-„Wat komt gij in mijn landen doen?”
-
-„Mijn fortuin maken.”
-
-„Men heeft mij de kleinoodiën gebracht die met de wapenen bij u
-gevonden zijn. Was het uw eenig doel ze hier te verkoopen?”
-
-„Welk ander doel zou ik hebben.”
-
-„Misschien zijt gij een spion!”
-
-Robert schrikte hevig, want deze woorden werden in zuiver Hollandsch
-gezegd; vreemd, wonderbaar schier klonk hem zijn moedertaal in deze
-geheel Javaansche omgeving uit den mond van den Balineeschen vorst.
-
-„Ik ben verloren,” dacht hij, „en niet alleen ik, aan wien weinig
-gelegen is, maar mijn zending is mislukt.”
-
-„Het is aan u dat te bewijzen,” gaf hij ten antwoord, eveneens in het
-Hollandsch, „ik heb u gezegd wat mijn doel was, en er is voor u geen
-reden mij van onwaarheid te verdenken. Zoo ik niet door een toeval in
-het Tengergebergte verdwaald en opgehouden was, zou ik zonder ongeval
-in Banjoe Biroe zijn gekomen om mijn waren aan uw prinsessen te koop te
-bieden.”
-
-De vorst luisterde aandachtig en bleef een oogenblik nadat Robert reeds
-zweeg in diep nadenken verzonken. Eindelijk begon hij:
-
-„Uw Hollandsch is niet dat van een kleurling. Waar zijt gij geboren?”
-
-„Op Batavia.”
-
-„En wie uwer ouders was Hollander?”
-
-„Mijn moeder.”
-
-„Dat is niet alledaagsch. Zijt gij in Europa geweest?”
-
-„Ja,” antwoordde Robert kortaf, hij gevoelde dat die man met zijn
-adelaarsblik weldra geheel zou doordringen in al zijn geheimen en dat
-hij dus met verdubbelde waakzaamheid zich zelf moest verdedigen, doch
-leugens waren wapenen, die hij liefst niet gebruikte dan in uitersten
-nood.
-
-„En dan zoudt ge als een marskramer hier rondgaan om uw waren te
-verkoopen? Waarlijk in Europa hadt gij iets beters kunnen leeren.”
-
-„Is het dan niet een benijdenswaardig beroep, de schoonheid van
-vorstinnen te verhoogen door haar sieraden te bezorgen?”
-
-De vorst glimlachte.
-
-„Voor een koopman hanteert gij bijzonder goed de wapenen. Zijt ge
-misschien ook in krijgsdienst geweest?”
-
-„Ook daarin heb ik mijn geluk beproefd!”
-
-„Mij dunkt een jonge, krachtige man als gij zou betere diensten als
-krijgsman kunnen bewijzen aan uw land, dan als marskramer.”
-
-„Men kiest zelf zijn ambacht niet.”
-
-„Waar zijt ge geland?”
-
-„In Pasaroean, met een visschersschuit.”
-
-„Van waar kwaamt ge toen?”
-
-„Van Soerabaya!”
-
-„Hebt ge ook beproefd aan de gemalinnen van den Depati of aan de
-talrijke prinsessen van den Panombahan van Madura uwe sieraden te
-verkoopen?”
-
-„Neen!”
-
-„Dat vind ik ten hoogste raadselachtig; de hoven van Madura en
-Soerabaya zijn tuinen tot overladens toe van bloemen voorzien; mijn hof
-echter bezit slechts eenige schaarsche sierplanten. Wist ge dat niet?”
-
-„Juist daarom wilde ik aan uw vorstinnen mijn kleinoodiën brengen;
-bloemen, die eenzaam staan zijn gewoonlijk schooner in kleur en
-frisscher in geur dan die, welke elkander in bonte verscheidenheid
-verstikken. Kostbare planten bewaart men in bloempotten, maar gemeene
-bloemen groeien in het wild.”
-
-„Uw antwoorden vallen snel en vaardig als de pijlen van een geoefenden
-boogschutter; ik heb behagen in uw taal, o, jonge man, al begrijp ik
-dat gij mijn vijand zijt, die hier binnengeslopen zijt om de geheimen
-van mijn rijk aan de Hollanders te verraden. Uw kleur maakte u ten
-hoogste geschikt voor deze taak.”
-
-„Ik ben de beschuldigde, gij zijt mijn rechter! Het is aan u deze
-beschuldigingen waar te maken.”
-
-„Welnu, toen men u alles afnam, wat gij bij u droegt, heeft men nog een
-pakje gevonden, dat gij met de kracht der wanhoop verdedigdet; ge hebt
-het niet willen afstaan en toen men geweld gebruikte, deedt ge een
-beroep op mij. Aan mij alleen wildet gij het overgeven!”
-
-„Ja, dat heb ik gedaan! En zoo gij het verlangt zal ik ’t u
-toevertrouwen, maar dit zweer ik u bij alles, wat mij heilig is, zij
-bevatten niets wat op verraad of spionneering betrekking heeft. Het
-zijn stukken die mij persoonlijk toebehooren en niemand anders eenig
-belang kunnen inboezemen, maar mij zijn ze kostbaarder dan mijn leven.
-Wilt gij ze bewaren, dan zal ik ze u geven. Onder een voorwaarde
-echter! Zoo gij mij de vrijheid terugschenkt, dan smeek ik u ze mij
-weder ter hand te stellen, en zoo ik veroordeeld mocht worden tot den
-dood, laat ze mij dan behouden tot mijn laatsten snik en met mij in het
-graf nemen. Waarde bezitten zij niet, ik herhaal ’t u nogmaals.”
-
-Hij nam een koord van zijn hals, waaraan een zakje van zwarte zijde
-hing en reikte beide aan Radhen Wiro Negoro over. Deze nam ze aan en
-legde ze op zijn knieën neder er zijn linkerhand op drukkend.
-
-„Ik beloof ’t u! Zoo ge waarheid gesproken hebt, zal ik handelen
-volgens uw verlangen,” zeide hij ernstig en beslist. „Maar nu gaan wij
-over tot de behandeling der Tengersche gebeurtenissen. We zullen ons
-thans weer van het Javaansch bedienen. Cipier, breng de andere
-gevangenen voor.”
-
-Het onderzoek begon, en spoedig werd het den vorst duidelijk dat men op
-deze wijze weinig vorderde. De Tengereezen wisten van den eigenlijken
-roof op Siwangi gewaagd niets dan van hooren zeggen, den nachtelijken
-aanval hadden zij allen bijgewoond. Robert verhaalde eenvoudig en naar
-waarheid, dat hij dien morgen dwalend over den bergrug, menschen had
-hooren aankomen, en om zijn kostbaarheden niet in gevaar te brengen,
-verschool hij zich in het struikgewas aan de helling.
-
-Druk gepraat, levendige smeekingen, eindelijk vrouwelijk angstgeroep
-troffen zijn oor; op handen en voeten kroop hij naar den bergrand en
-zag een jong meisje zich radeloos verdedigen tegen een twintigtal
-mannen.
-
-Zonder te bedenken welke gevolgen zijn handelwijze na zich kon slepen,
-schoot hij zijn pistolen af en het gelukte hem de aanvallers op de
-vlucht te jagen.
-
-„Ik wist niet dat de vrouwenroover een prins was,” sprak Robert, „ik
-zag in hem niets anders dan een boosdoener. Had ik het geweten, ik zou
-stellig niet anders hebben gehandeld. Het is de plicht van elken man
-bedreigde vrouwen ter hulp te komen.”
-
-„Gij kent goed uw plicht naar ’t schijnt!” sprak de vorst nu weer in ’t
-Hollandsch. „Wie leerde u dat?”
-
-„Eene vrouw, wier lessen ik helaas! maar al te dikwijls heb
-verwaarloosd.”
-
-„Uwe moeder?”
-
-„Ik heb mijn moeder niet gekend.”
-
-„Uw vrouw?”
-
-„Ik heb geen vrouw.”
-
-„Een zuster?”
-
-„Evenmin.”
-
-„Een bruid?”
-
-„Neen, een vriendin.”
-
-„Die kennen wij hier niet,” zeide de vorst, die er zichtbaar behagen in
-vond Hollandsch te spreken en te hooren spreken.
-
-Hierop werd de tweede aanval behandeld en nu moest ook Mas Lembono
-voorkomen om getuigenis af te leggen over de gebeurtenissen van den
-nacht. Zijn getuigenis was verward; hij gaf het met een verstoord
-gelaat en hortende stem; het was haast niet mogelijk hem tot spreken te
-dwingen.
-
-Telkens en telkens vlamden Soerapati’s oogen op; hij bedwong blijkbaar
-zijn toorn en wierp zijn zoon blikken toe, welke deze niet verdragen
-kon.
-
-„’t Is goed,” sprak hij eindelijk opstaande. „Het verhoor is voor
-vandaag geëindigd; weldra zal ik rechtspreken. Brengt de gevangenen
-naar den kerker terug!”
-
-De vorst verwijderde zich terwijl alle bekkens en gongen in beweging
-werden gebracht om hem een afscheidsgroet te brengen. Hij keerde naar
-zijn bijzonder vertrek terug, waarvan de ingang door bonte gordijnen
-van de overige ruimte afgesloten was. Driftig schreed hij op en neer;
-verontwaardiging tegen zijn zonen vervulde hem geheel.
-
-„De lafaards,” mompelde hij, „dat kunnen zij, vrouwen rooven,
-godsdienstige gebruiken tot masker verlagen van hun onheilige
-doeleinden. Liegen, bedriegen ’t is de vloek van ons ras en die knapen
-moeten vorsten worden, in staat om den beschaafden Hollanders het hoofd
-te bieden. Hoe klein, hoe nietig stond mijn prins tegenover dien
-anderen man, in wiens aderen enkele druppelen Europeesch bloed
-stroomen. Hij weet wat hij wil; hij kan zwijgen. Hij zal zijn volk niet
-verraden, zelfs niet ten koste van zijn leven; hij weet wat plicht, wat
-eer gebieden. Voor mijne zonen zijn dit woorden zonder beteekenis,
-ijdele klanken; ik hoorde hem graag dien jongen, liever dan den laffen
-Lembono.”
-
-Daar herinnerde hij zich eensklaps dat hij het zwart zijden zakje van
-den gevangene nog in de hand hield; hij zette zich aan zijn tafel neder
-en weifelde een oogenblik.
-
-„Ik zal het toch openen; ik wil weten of hij een leugenaar is,”
-mompelde hij en zijn kris nemend sneed hij het open.
-
-Er vielen eenige papieren uit, een halve zilveren penning, een portret,
-enkele verdroogde bloemen, een blauw lint, herinneringen aan zijn
-moeder en aan Digna.
-
-„Liefdesgedachtenissen, meer niet,” sprak Soerapati glimlachend, „geen
-stukken die zijn taak omschrijven.”
-
-Plotseling verbleekte hij en sprong op, beurtelings nam hij het portret
-op en den penning, liet ze vallen en ontsloot snel een schildpadden
-kistje, dat ter zijde van hem stond; zijn bevende vingers zochten
-daarin zoolang tot hij een zilveren schijf vond, hij paste deze aan den
-halven penning. Hij werd één geheel; als verpletterd zonk hij op zijn
-zetel terug, het portret in zijn eene hand geklemd, den penning op de
-tafel drukkend.
-
-„Is ’t mogelijk, groote Goden,” stamelde hij... „haar zoon.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-VADER EN ZOON.
-
-
-Robert zat of liever lag in zijn gevangenis, een duister laag hok,
-waarbij de gevangenis onder het stadhuis van Batavia nog een paleis
-scheen; een keten verbond zijn voeten aan een ring in den muur, zijn
-handen waren ook aan elkander geboeid. Hij lag achterover op een matje,
-naast hem stond een halve klapperdop met rijst gevuld en een kleine
-gendie (kruik) met water. Hij roerde ze echter niet aan; nauwelijks
-wist hij dat het voedsel zich daar bevond, zoo donker was ’t hier. Het
-eenige licht kwam van een halven cirkel, in een der hoeken van den
-muur, waarvan de andere helft zeker de naaste gevangenis verlichtte.
-Den ingang kon men slechts kruipend doorgaan, hij kwam op een
-onderaardsche gang uit. Boeloe Kidoer kon misschien nog recht opstaan
-in het hok; de vrij lange Robert raakte bijna den zolder als hij er in
-neerhurkte.
-
-Dus had hij besloten maar te blijven liggen, hoewel hij door de
-gedwongen houding, aan al zijn ledematen zware pijn gevoelde. Het
-scheen nu avond te zijn, want zelfs door den halven cirkel was nu niets
-meer zichtbaar; in de verte hoorde hij de eentonige muziek van den
-gamelan, die zeker het een of ander feest moest opluisteren, soms
-vergezeld door het krijschend zingen der danseressen en dan werd het
-weer voor een poos stil.
-
-Robert had echter genoeg met zijn gedachten te doen om zich veel bezig
-te houden met de Javaansche muziek buiten den kerker.
-
-Zijn geheele zonderlinge levensloop trad hem voor den geest; wanneer
-hij even insluimerde verbeeldde hij zich weer in het deftige huis op de
-Heerengracht te Amsterdam te zijn bij zijn goede pleegouders, of wel in
-den fraaien tuin van Amstelvreugd naast zijn verloofde.
-
-Als hij door een harden slag van den gamelan of door het knabbelen van
-een muis aan zijn haren verschrikt opvloog, kostte het hem moeite zich
-te verbeelden dat hij zich in de gevangenis bevond van een Javaanschen
-kraton, overgeleverd aan de genade van een oppermachtig meester, die
-hem geheel scheen te doorgronden en niet met zich spelen liet.
-
-„Mijn lot is beslist,” dacht hij, „de vorst zal mij tot spreken
-dwingen. Blijf ik zwijgen, dan zal hij mij dood laten martelen; spreek
-ik, dan treft mij de straf der spionnen. In elk geval mijn zending is
-mislukt gelijk mijn geheele leven mislukt is. Zal Digna ten minste
-weten dat ik mijn plicht heb gedaan tot het einde? In elk geval ’t is
-beter dat ik hier een wreeden dood sterf dan dat ik in de Bataviasche
-kazernen zedelijk ware ondergegaan. Sinds mijn laatste gesprek met haar
-heb ik mij niets te verwijten, geen lichtzinnigheid, geen
-uitspattingen, geen vloeken meer. Alles zou ik haar kunnen bekennen,
-alles, maar ik zal haar nimmer terugzien.”
-
-Eén woord had hij opgevangen vóór zijn vertrek van Soerabaya dat hij
-maar niet vergeten kon; iemand had gezegd, een te hoog in rang dan dat
-hij dien om nadere inlichtingen zou vragen, dat de Raad van Justitie
-Voorneman overleden was. Digna vrij! Dwaas hart! hij schiep zich op dat
-enkele woord droombeelden, zijn zending uitstekend gelukt, de
-Hollanders overwinnaars van Soerapati, hij bevorderd tot hoogen rang en
-dingend om de hand der jonge weduwe!
-
-Welke onzinnige gedachten! Zelfs al bevatte het gerucht waarheid, al
-ware Digna ook weduwe, welke breede klove gaapte er nog steeds tusschen
-hem den naamlooze en haar de rijke, schoone vrouw. Hoe zou zij ooit
-gedempt kunnen worden! Maar ach! een korreltje hoop is dikwijls genoeg
-voor een geheel menschenleven om er van te bestaan en is het korreltje
-eindelijk opgeteerd dan is ook het leven vaak ten einde.
-
-Zou hij niet kunnen vluchten? Wanneer hij nu ontsnapte had hij reeds
-veel, zeer veel aan zijn meesters kunnen melden. Soerapati was een
-vijand, waardig zich met zijn landgenooten te meten. Welk een verschil
-met den spotkeizer Pakoe Boewana, dien hij naar Karta-Soera had
-vergezeld. Waren de Javaansche vorsten allen aan den Balineeschen
-hoofdman gelijk geweest, voorwaar de Hollanders hadden zwaarder werk
-gehad om het land aan zich te onderwerpen. Men kon hem vreezen, maar
-minachten nooit!
-
-Hoe zou zijn oordeel luiden? Robert had genoeg in zijn blikken gelezen
-hoe hij de wandaden zijner zonen verfoeide en de Tengereezen hun
-tegenweer niet misduidde, voor deze feiten zou hij niet streng zijn,
-maar hij wantrouwde hem nu, hij zou zijn maatregelen nemen om den
-dwarskijker onschadelijk te maken, wanneer hij dan ten minste een
-spoedig einde maakte aan het proces en aan deze lange, martelende
-gevangenschap.
-
-Langzamerhand was hij ingesluimerd; hij sliep en zelfs vast, zoo hoorde
-hij niet eens dat het ijzeren luik, de eenige toegang tot zijn kerker,
-ontsloten werd en dat een helder licht naar binnen stroomde en zijn
-gelaat bescheen.
-
-„Wil Uw Hoogheid zich daarin wagen?” vroeg een stem buiten den kerker.
-
-„Stil, laat mij begaan!” klonk het gebiedend terug en de hooge forsche
-gestalte van Soerapati wrong zich door het smalle luik; hij knielde
-neer en moest nog het bovenlijf voorover houden om zich niet aan de
-armzalige zoldering te stooten. Zoo kon hij zich echter geheel over den
-gevangene buigen, die rustig bleef voortslapen, zijn eene met ketens
-beladen arm hield hij onder het hoofd, de andere rustte op zijn borst,
-de ijzeren schakels van den keten vielen over zijn schouder, een kalme
-uitdrukking lag op zijn trekken, zijn donker, golvend haar bedekte zijn
-voorhoofd en zelfs zijn eene wenkbrauw.
-
-Lang bleef Radhen Wiro Negoro in deze houding gebukt over den slapenden
-vorm van den jongeling; zijn breede borst ging onstuimig op en neer,
-zijn scherpe oogen schenen aan de stomme trekken een geheim te willen
-ontpersen, hij volgde elke lijn van zijn gelaat, elken omtrek van neus,
-lippen, voorhoofd als om daarin een gelijkenis te ontdekken.
-
-De slapende maakte een beweging met de rechterhand, het ijzer rinkelde
-en hij ontwaakte bij dat geluid; misschien ware hij weer dadelijk in
-slaap gevallen zoo hij niet de donkere figuur boven hem had bemerkt;
-hij richtte zich ontzet half op en vroeg:
-
-„Is ’t tijd? Moet ik nu sterven? Welnu, ik ben bereid, maar laat het
-gauw zijn, en dan den dood van een krijgsman!”
-
-„Volg mij!” beval de vorst. „Sta op.”
-
-„Zijt gij het zelf, Radhen Adipati?” vroeg Robert glimlachend, „dat is
-een eer die zeker niet elken veroordeelde overkomt. Weet ge wat gij mij
-beloofd hebt? Geef mij mijn eigendom terug.”
-
-Soerapati antwoordde niet; hij had een breekijzer in de handen en liet
-met een behendigheid, welke nog aan die van den ouden roover
-herinnerde, de ketens los springen. Verrast zag Robert hem aan.
-
-„Ik zal u voorgaan, gij komt met mij mede!”
-
-Hij kroop door den nauwen ingang en Robert volgde hem werktuigelijk.
-Buiten in de gang stond Radhen Wiro Negoro in zijn volle lengte
-rechtop; hij was geheel alleen. In zijn hand hield hij een zijden doek,
-dezen wierp hij den gevangene over het hoofd, toen nam hij hem bij de
-hand en beiden schreden zwijgend voort.
-
-„Mijn laatste oogenblikken zijn geteld,” dacht Robert. „Maar waarom
-komt die groote Heer mij zelf halen; waarom moet ik blindemannetje
-spelen en waar brengt hij me heen?”
-
-Na omstreeks een kwartier geloopen te hebben, voelde Robert dat hij op
-een divan moest neerzitten en de doek werd hem van het gelaat genomen;
-zijn verwondering verminderde niet nu hij zich in het bijna Europeesch
-gemeubelde vertrek des vorsten bevond en niet op een strafplaats.
-
-Het verschil tusschen deze ruime, zacht verlichte kamer en zijn
-ellendig hok was zoo groot, dat zijn schitterende oogen het duidelijk
-genoeg uitspraken hoe de verandering hem trof.
-
-„Ik heb u hier gebracht, jongmensch, omdat ik u spreken moest,” begon
-de vorst met een stem, die van geheime ontroering beefde. „Neem een
-stoel en zet u naast mij voor de tafel.”
-
-Robert gehoorzaamde.
-
-„Antwoord op al mijn vragen naar recht en waarheid. Oneindig veel is
-daaraan gelegen niet alleen voor u maar ook voor mij, voor dit land en
-voor uw volk.”
-
-Deze plechtige woorden stemden Robert zelf hoogst ernstig. Radhen Wiro
-Negoro trok het schildpadden kistje naar zich toe en ontsloot het met
-een gouden sleutel, dien hij steeds bij zich droeg; alle kostbaarheden,
-door Robert zoo hoog gesteld, lagen daarin bewaard; hij nam het portret
-er uit en vroeg:
-
-„Wie is deze vrouw?”
-
-„Mijne moeder.”
-
-„Waar is zij?” bevend en hortend kwam deze vraag van zijn lippen.
-
-Robert zag hem hoe langer hoe meer verbaasd aan.
-
-„Gij hebt gisteren gezegd dat zij dood was. Is dat waar?”
-
-„Ja, zij is reeds lang niet meer! Ik heb haar nooit gekend.”
-
-„En haar... haar man?”
-
-Robert bloosde en wendde zijn blik af.
-
-„Mijn vader heb ik evenmin gekend.”
-
-„Ik vraag u niet naar uw vader! Ik vraag u naar haar echtgenoot,” drong
-de vorst grimmig aan; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op, en hij
-zag den jongen man recht in het gelaat.
-
-„Zij had geen anderen man dan mijn vader!” antwoordde Robert ontwijkend
-met steeds klimmende verbazing.
-
-„Geen andere en vaandrig Kuffeler dan!” barstte Soerapati uit. Robert
-zag hem open in het gelaat en haalde de schouders op.
-
-„Ik begrijp u niet, Radhen Adipati! Wat gaat mijn moeder u aan en de
-naam, dien gij daar uitspreekt, heb ik nog niet eer gehoord.”
-
-„Lieg niet! Ik laat mij niet bedriegen door niemand. Heette uw moeder
-niet Suzanna Moor?”
-
-„Inderdaad!”
-
-„En is zij na uw geboorte niet getrouwd met een vaandrig, Kuffeler
-genaamd?”
-
-„Mijn moeder is steeds mijn vader trouw gebleven in wien zij haar
-wettigen man erkende! Zij is later niet meer hertrouwd.”
-
-Een ontzettende verandering had in de trekken van den vorst plaats;
-zijn oogappels rolden wild in hun kassen, zijn neusgaten sperden zich
-wijd op en hij siste:
-
-„Niet getrouwd, mij trouw gebleven! Dan ben ik schandelijk belogen...
-schandelijk, laag!”
-
-Stom van verwondering staarde Robert hem aan; alles scheen hem nog een
-droom.
-
-Met ijzeren hand greep Soerapati thans den jongeling aan en stiet al
-stamelend de vraag uit:
-
-„En uw vader, uw eigen vader, hoe is zijn naam? Wie was hij?”
-
-„Hij was een slaaf, Si Oentoeng genaamd.”
-
-Radhen Wiro Negoro liet hem los; hij lachte schel en valsch.
-
-„Si Oentoeng, Si Oentoeng, een slaaf,” herhaalde hij telkens heftig op
-en neer gaande, „een slaaf. Ge vergist u, jonge man... hoe is uw naam,
-ik bedoel den naam, waarmede uw moeder u noemde?”
-
-„Robert.”
-
-„Welnu, Robert, uw vader is geen slaaf meer, hij heet niet langer Si
-Oentoeng, al is die naam profetisch gebleken, want winst heeft hij
-gehad, zeer veel zelfs, hoewel men hem zijn kostbaarsten schat heeft
-ontroofd. Wilt ge weten hoe thans uw vader heet, wilt ge weten wie hij
-is?”
-
-Robert antwoordde niet; hij voelde zich gebonden door den magnetischen
-blik van den man vóór hem.
-
-„Uw vader is thans een vorst, die de Hollanders doet sidderen en zijn
-naam is Radhen Wiro Negoro.”
-
-„Hoe gij zijt...?”
-
-„Si Oentoeng, de echtgenoot uwer moeder, uw vader.”
-
-„Gij, gij!” riep Robert uit, en week terug, schrik meer dan vreugde lag
-in zijn oogen, hij snelde niet toe om zich in de armen te werpen van
-den teruggevonden vader. In plaats van den Oosterschen vorst zag hij in
-den geest slechts den grijsaard terug, wien hij levenslang den zoeten
-vadernaam had gegeven en in dezen man herkende hij slechts den
-moordenaar van Digna’s vader!
-
-„Ge schrikt er van, ge verheugt u niet. Ware ik een blanke werkman
-geweest ge zoudt mij verheugd in uw armen hebben gesloten, maar nu ik
-een bruine vorst ben, nu veracht ge mij, nu schaamt gij u dat ge mijn
-zoon zijt. Beken ’t, ik lees het genoeg in uw trekken!”
-
-En hij hield hem bij den arm, dien hij vast in zijn vingers omknelde.
-
-„Maar hoe zal ik u gelooven, Heer! ’t Nieuws verrast mij, ik duizel er
-van. Nimmer had ik kunnen vermoeden...”
-
-„Dat de slaaf, de ellendige verleider van uw moeder, zooals de
-Hollanders mij beschouwen, zoo hoog zou klimmen, dat duizenden voor hem
-sidderen, dat op een wenk van hem geheel het Oosten van Java zich in
-het stof neerwerpt. Hij is de eenige macht, die het geweld uwer
-landgenooten nog weerstaat, is hij gevallen dan zijt gij indringers,
-hier meesters in dit vreemde land, waar binnen wij u niet geroepen
-hebben, dat gij slechts betreedt om ons te onderdrukken, daar ge in ons
-een lager menschenras ziet. Waarom leeft Suzanna niet meer, zij was de
-eenige, die in mij haar gelijke zag, zij is mij trouw gebleven tot den
-dood. O had ik ’t eerder geweten, had ik het kunnen vermoeden! Des te
-wreeder is nu de scheiding geweest, des te zwaarder trof ons de vloek
-van blank en bruin. Maar ge wilt bewijzen, knaap! Gij gelooft mijn
-woord niet! Welnu kent gij dezen penning?”
-
-„Hij is de mijne?”
-
-„Hij is half doorgebroken, het zijn deze vingers geweest die het zilver
-in tweeën spleten, hier is de andere helft, zie of beide schijven aan
-elkander passen.”
-
-Hij legde hem beide stukken voor en Robert boog het hoofd; hij gaf zich
-gewonnen, maar in zijn hart klopte nog niets ten gunste van den
-vorstelijken vader, hij kon niet veinzen.
-
-„Zijt ge mijn zoon, ja of neen?” ging Radhen Wiro Negoro met toenemende
-verbittering voort, „mijn zoon gesproten uit mijn echt met een
-Hollandsche, een Christen vrouw! Ontken het langer als gij durft! Zie
-dezen ring ook, daarop zijn haar voorletters gegrift.”
-
-„Ik ontken niets, ik geloof uw woorden, maar vergeef me! Thans zijn
-mijn gedachten meer bij mijne arme moeder, wier leven door uw schuld
-vernietigd werd, bij mij zelf, die de gevolgen draag van haar misstap
-dan bij u, Radhen Adipati!”
-
-„Ge durft mij uw geboorte verwijten, dwaas die ge zijt? Ge vergeeft uw
-moeder alsof zij, de arme, een zondares ware, maar begrijpt ge dan niet
-dat het uw blanke verwanten, uw landgenooten zijn die de schuld dragen
-van ons beider scheiding? Heeft uw grootvader mij niet opgevoed, als
-ware ik zijn eigen zoon? Deed hij me niet vergeten dat ik slaaf was? Nu
-nog spreek ik uw taal, al bleef ze jarenlang mijn tong vreemd, waarom?
-Daar ik ze tegelijk met de mijne op het erf van den Heer Moor
-aanleerde. Ik deelde haar lessen en haar spelen, ik achtte mij haar
-broeder totdat er een oogenblik kwam, dat ik voelde het niet te zijn;
-en zij, zij zag mijn kleur voorbij; dat zij er voor boeten moest,
-daarvan dragen haar verwanten en niet ik de schuld.”
-
-„Maar zij is u trouw gebleven, zij weigerde hardnekkig elke poging,
-door haar vader in ’t werk gesteld om haar daad uit te wisschen, gij
-echter wist u te troosten.... Zij stierf treurig en verlaten in den
-bloei harer jeugd, gij zijt hoog gestegen, gij hebt een prinses van uw
-volk tot uw vrouw gemaakt en u niet meer bekommerd om het meisje, dat
-droevig haar jong leven eindigde, om het kind, dat tusschen vreemden
-achterbleef.”
-
-Soerapati’s blik verduisterde, hij bracht de hand naar het voorhoofd,
-en het duurde eenige oogenblikken voor hij antwoorden kon.
-
-„Kind, uw woorden treffen mij diep, diep in het hart! Ja, ’t is waar,
-ik heb mijn arme Suzanna slechts smart en ellende aangebracht;
-vervloekt zij ’t oogenblik dat zij mij trouw beloofde, vervloekt het
-uur, waarop ik haar offer aannam; maar onwaar is ’t dat ik willens en
-wetens haar verliet. Ik zocht vergoeding voor mijn leed ja, in mijn
-eerzucht, want liefde heb ik niet meer gekend noch voor mijn vrouw,
-noch voor mijn zonen. Wreed bedrog heeft Suzanna van mij gescheiden. Om
-harentwille zwoer ik der Compagnie trouw, om harentwil droeg ik de
-wapenen der Hollanders, om haar verdroeg ik de beleedigingen van een
-vaandrig, en ik zou nog meer verduurd hebben, indien men mij niet haar
-ring had teruggebracht, indien men mij niet voorgelogen had dat juist
-mijn beleediger haar echtgenoot was. Hij die deze leugen verzon is
-buiten mijn bereik; ’t is wel voor hem, want noch zijn grijze haren,
-noch de vriendschapsband, die ons voor schier een halve eeuw aan
-elkander hecht zouden hem gebaat hebben.”
-
-En zijn hand omklemde krampachtig het gouden gevest van zijn kris.
-
-„Maar,” ging hij voort, en zijn stem klonk zoo teeder en zoo week, dat
-Robert hem verrast en vragend aanzag, „ik zal zoo God het wil, aan haar
-zoon goed maken, wat mijn arme Suzanna lijden moest. Ge hebt mij nog
-niet lief, ge schrikt voor mij. Ik wil uw gevoelens niet dwingen, ik
-zal geduldig wachten totdat uw hart zich als vanzelf tot mij keert, we
-zullen elkander langzaam leeren kennen, mijn zoon, en daarom verlang ik
-dat gij mij thans alles zegt. Hoe is uw leven geweest? Wat hebt gij te
-verlangen of te betreuren? Zeg mij alles, maar verhaal mij eerst van uw
-moeder!”
-
-„Zij is me even vreemd als gij het nog vóór enkele oogenblikken waart,”
-antwoordde Robert, „vreemden heb ik levenslang den zoeten oudernaam
-gegeven.”
-
-En hij verhaalde hem in het kort zijn levensloop; zijn gelukkige
-kinder- en jongelingsjaren, totdat de plotselinge slag hem van alles
-beroofde en de wijde wereld eenzaam en verlaten injoeg; plotseling
-zweeg hij, het was toen hij verhalen moest, waarom bij zich in
-Soerapati’s handen bevond.
-
-„Het overige weet ik,” sprak de vorst; „ge zijt hier gekomen om meer te
-weten, van mijn persoon, mijn regeering, mijn krijgsplannen; men heeft
-u daarmede belast, niet vermoedend, welke banden u aan mij hechten. Ik
-zal u gelegenheid geven uw taak te volbrengen, ik zal u alles toonen,
-ik geef u de grootst mogelijke vrijheid, ik verlang alleen uw woord,
-dat gij niet vertrekken zult, voor ik u verlof daartoe geef.”
-
-„En zal ik dan vrij zijn?”
-
-„Meent ge dat ik mijn zoon langer in den kerker zou laten zuchten? Kan
-ik rekenen op uw eerewoord?”
-
-„Verlangt ge daarvoor iets in de plaats?”
-
-„Ik geef u de vrijheid, ik zal u inwijden in al mijn geheimen, ik zal u
-meenemen op mijn tochten, ik zal u mijn plannen van verdediging en
-versterking voorleggen, gij zult overal aan mijne zijde verschijnen...”
-
-„Op voorwaarde dat ik hier niets van verrade!”
-
-„Dat vraag ik niet eens! Beloof me slechts dat gij niet vluchten zult.”
-
-Robert dacht even na en sprak toen:
-
-„Ik beloof het u.”
-
-„Dat is genoeg! Morgen zal ik u vragen mij dezen brief uwer moeder voor
-te lezen, ik heb getracht het schrift te ontcijferen maar het viel mij
-te moeilijk. Laat mij ook haar portret. Tot morgen dus. Gij zult rust
-noodig hebben na de gebeurtenissen van dezen dag, en ik eveneens. Tot
-morgen, Robert!”
-
-Hij sloeg op een kleinen zilveren gong, die naast hem hing en dadelijk
-trad een slaaf binnen, die gehurkt de bevelen zijns meesters afwachtte;
-hij gebood hem iets in het Javaansch en gaf Robert een wenk hem te
-volgen. Weinige oogenblikken later trad de jonge man in een ruim
-vertrek, rijk van divans voorzien, die bedekt waren met kostbare
-Oostersche kleeden; de andere meubels waren allen van het fijnste
-snijwerk, een zachte geur van bloemen en reukwerk doortrok de kamer, op
-een kleinen standaard brandde een lamp, de deur stond half open en gaf
-blijkbaar toegang tot een tuin, waarin waterwerken zacht en eentonig
-murmelden. De slaaf verwijderde zich na een eerbiedigen groet.
-
-„Is ’t een droom, ben ik waarlijk niet meer in mijn kerker maar in een
-vorstelijk vertrek?” vroeg hij zich af. „Het schijnt een
-tooversprookje!”
-
-Weinige minuten later lag hij op een der divans uitgestrekt een
-rustigen slaap te slapen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-DE GUNSTELING DES VORSTEN.
-
-
-Den volgenden dag zouden op den aloen-aloen de volksspelen plaats
-hebben, waarvan het meest aantrekkelijke ongetwijfeld het gevecht
-tusschen buffel en tijger was.
-
-Reeds ’s morgens vroeg daalden de landlieden van het gebergte af naar
-den dalem van Pasoeroean, zooals zij in Karta-Soera zich naar den
-keizerlijken kraton begaven. De poort welke tot den aloen-aloen toegang
-verleende, stond wijd open, daardoor stroomde het volk naar binnen en
-nam zijn plaats in buiten de palen, waarmede het zandperk omheind was.
-
-Tegenover den ingang stond de vorstelijke troon, bedekt door een soort
-van hemel, die met schitterende kleeden van goud- en zilverborduursel
-gedrapeerd was; een gouden stoel was er neergezet voor den heerscher,
-en lagere stoelen voor zijn zonen en andere grooten. Links van den
-troon, zoo echter, dat men daarop het volle gezicht had, was een soort
-van balkon of tribune uit den ringmuur gebouwd, met fraaie rondbogen
-versierd, waarvan de openingen door oleander-struiken half bedekt
-waren. Dit was de plaats vanwaar de prinsessen het schouwspel kwamen
-zien; afwisselend deed de muziek der gamelans en die van Europeesche
-instrumenten van de derde of vierde soort haar tonen hooren en wekte de
-vroolijkheid der toeschouwers meer en meer op; men kon ’t het volk
-aanzien, dat het gelukkig en tevreden was. Alles lachte en schertste
-niet luidruchtig, maar kalm, bedaard, innig vergenoegd, zooals het den
-Javaan eigen is; tot boven den ringmuur zag het zwart van menschen,
-zelfs in de waringinboomen, die het plein omzoomden, waren zij
-geklommen.
-
-Doodelijke stilte heerschte er plotseling, de deuren werden
-opengeworpen en de vorstelijke stoet verscheen; soldaten in hun witte
-en roode rokken met de glinsterende zilveren pieken in de hand openden
-den optocht, daarna volgde het paardevolk, met stalen harnassen aan,
-die in den zonneschijn met oogverblindend licht vonkelden, terwijl hun
-paarden met de bontste kleuren waren opgetuigd. Langzaam en statig
-naderden nu de olifanten, welke den vorst en zijn gevolg droegen; op
-den voorsten olifant zetelde Radhen Wiro Negoro, in zijn vuurrood met
-goud en edelgesteenten opgelegd hofgewaad; de olifant was bijna geheel
-bedekt met een kleed van goud brokaat, waarover een Perzisch tapijt
-gespreid was, zijn kop ging half schuil in een net van bont zijdewerk,
-waarvan in elke maas een robijn of smaragd flikkerde; zijn snijtanden
-waren met bloemen omslingerd, snoeren van bloemen hingen ook langs zijn
-snuit af. De zetel van den vorst was geheel verguld en met kussens van
-een rijk Oostersch weefsel belegd. Wiro Negoro droeg zijn tulband met
-arendsveer op het indrukwekkende hoofd.
-
-Hij was echter niet alleen. Anders had hij gewoonlijk een zijner
-rijksgrooten of den kroonprins naast zich zitten, in vroegere dagen zag
-men daar het meest Kiai Hemboong of den oud-Rijksbestierder, zijn
-schoonvader. Nu echter bevond zich daar een geheel onbekend persoon,
-eenvoudig gekleed in een zwart gewaad, met een witten tulband op;
-niemand herinnerde zich hem ooit gezien te hebben, maar de prinsen en
-edelen, die zich op de volgende minder rijk getooide olifanten
-bevonden, wisten het beter; gisteren nog bevond zich die jonge man in
-den kerker onder een zware beschuldiging, heden was hem de hoogste
-eereplaats naast den vorst gegeven.
-
-Wat er gebeurd was sinds gisteren, dit vermoedde echter niemand. Men
-giste en raadde, keurde af, haalde de schouders op maar niets kwam
-eenig licht brengen in deze duistere, raadselachtige zaak; de prinsen
-beefden van ergernis en woede, doch hun toorn was machteloos, hun vader
-was immers niet gewoon rekenschap van zijn daden af te leggen.
-
-De Tengereezen waren in alle vroegte ontslagen met het bevel onverwijld
-naar hunne bergen te gaan; heden toch moest er overal feest zijn, de
-vorst verklaarde echter niet waarom.
-
-„Vindt gij dat de aarde zoo uit de hoogte gezien niet schoon is?” vroeg
-hij aan Robert.
-
-„Ik zie niet graag neer op de gebogen ruggen van mijn medemenschen”
-antwoordde de jonge man.
-
-„Niets liever zou ik wenschen dan te heerschen over een volk van
-overeind staande mannen, doch dit volk is gewoon van uit de hoogte
-beheerscht te worden. Ik kan er geen verandering in brengen zonder mijn
-troon in gevaar te stellen. Zij werpen zich in het stof voor mij;
-welnu, ik verlang het niet, doch zal het ook niet beletten. Maar zie
-goed rond, Robert! Dit is voor u een geschikte gelegenheid om te weten
-hoe Soerapati hof houdt.”
-
-„Ge hebt er mij hoog genoeg toe geplaatst,” hernam Robert glimlachend,
-„wie had ’t mij voorspeld, toen ik gisteren in de donkere lade
-uitgestrekt lag, dat mij heden zulk een eer zou geschieden.”
-
-„Nog minder vermoedde ik, dat mijn oudste zoon heden naast mij zou
-zetelen in ’t aanschijn van mijn volk.”
-
-„Kennen zij mijn afkomst?” vroeg Robert verschrikt.
-
-Het gelaat van den vorst betrok een weinig toen hij den schrik van zijn
-zoon zag, maar onverschillig gaf hij ten antwoord:
-
-„Neen, nog weet niemand er van!”
-
-De stoet ging in plechtigen optocht den aloen-aloen om, totdat hij voor
-den troon kwam; de olifant ging daar op zijn knieën liggen en de vorst
-steeg af, door Robert gevolgd; zijn lange witte mantel wapperde achter
-hem, terwijl hij statig en vol majesteit de treden van den troon
-beklom.
-
-Robert zag min of meer verlegen rond, totdat een gebaar van den vorst
-hem een zetel vlak naast den zijne aanwees.
-
-Intusschen was ook het vrouwenbalkon gevuld geraakt; Radhen Goesik en
-haar dochters, Mas Pengantin’s gemalin en verscheidene edelvrouwen,
-allen met dunne sluiers voor het gelaat, namen er haar plaatsen in.
-
-„Wie is de vreemde?” vroeg de vorstin en verbleekte achter haar sluier,
-„die daar naast den vorst gezeten is.”
-
-„De man, die mijn echtgenoot heeft gewond,” antwoordde Radhen Soederma
-een snik onderdrukkend.
-
-„Dat kan niet zijn,” mompelde haar schoonmoeder.
-
-„’t Is toch zoo edele Vrouwe,” sprak een diepe stem naast haar, het was
-die van den Mahomedaanschen opperpriester „die man is dezelfde, die
-gister weigerde voor uw echtgenoot neer te knielen toen men hem
-gebonden in de pendoppo bracht, die zich zonder blikken of blozen
-Christen bekende en die uw zoon aanklaagde als vrouwenroover.”
-
-„En mijn echtgenoot werd het verboden heden in ’t openbaar te
-verschijnen,” klaagde de jonge vrouw.
-
-„Van waar dan die verandering?” vroeg Radhen Goesik.
-
-„Dat vraagt ieder zich af, hooge Vrouwe, zonder het antwoord te kunnen
-vinden,” vervolgde de Pangoeloe, „maar dit weet ieder: Vreeselijke
-dingen staan dit land te wachten. ’t Is niet genoeg dat Allah en zijn
-Profeet geminacht worden, dat de vorst de oude Goden der Hindoes hier
-weer in hun tempels plaatst, nu begint hij te heulen met de Christenen,
-hij verheft een ongeloovigen hond tot de hoogste eereplaats. Wee dit
-rijk, wee zijn vorsten!”
-
-Radhen Goesik sidderde.
-
-„Ja er zijn treurige dagen in aantocht, ik voel het, maar wat kan ik
-doen, ik ben onmachtig op het hart en de besluiten van mijn
-echtgenoot.”
-
-„Radhen Wiro Negoro zal het tot zijn schade weldra ondervinden dat hij
-den grooten Profeet versmaadt, en ook gij Vrouwe, gij die u zoo
-kleingeloovig en zoo zwak toont, gij, die in uw hart Allah belijdt maar
-schroomt van dat geloof bewijzen te geven. Vrees zijn vonnis!”
-
-„Wat kan ik doen?” zuchtte de vorstin, „mijn zonen en ik wij staan
-machteloos tegenover zijn krachtigen wil.”
-
-„De druppel water, die geduldig en regelmatig neervalt, zal nog
-zekerder den steen doorboren dan het puntige ijzer dat met geweld naar
-binnen wordt gedreven. Het is uw plicht, Radhen Goesik, een einde te
-maken door list of geweld aan het onwaardige spel dat uw echtgenoot met
-zijn volk en zijn gezin speelt.”
-
-„Ik weet niet welk staatsbelang....”
-
-„Aan dien knaap verbonden is? Het zal een staatsbelang van gewicht
-ongetwijfeld zijn. Tracht het te doorgronden; zeer ernstig moet de
-reden toch wezen, die een vorst verplicht een man, die zijn zoon
-verwondde en van wiens afkomst niemand iets weet, met zulke hooge
-eerbewijzingen te overladen.”
-
-„Welnu, ik zal ’t beproeven,” beloofde de vorstin. Haar oog verliet den
-troonhemel niet; zij zag hoe telkens en telkens Radhen Wiro Negoro zich
-terzijde boog om zijn gezel toe te fluisteren, of hem iets aan te
-wijzen; er lag een trotsch zelfbewustzijn in ’s vorsten oog, iets dat
-zeggen moest tot zijn verbaasde mantri’s en prinsen:
-
-„Gij vindt mijn gedrag onverklaarbaar; doch ik heb goede redenen zoo te
-handelen, redenen welke ik niet verkies u bekend te maken, meer dan
-ooit ben ik uw meester.”
-
-En niemand durfde hem weerstreven, niemand eenige uitlegging vragen. De
-spelen gingen intusschen voort; het tijgergevecht had plaats onder
-ademlooze stilte, gevolgd door langdurige juichkreten toen de tijger
-naast den stervenden buffel bloedend ineenzeeg; op dit koninklijke
-vermaak volgden stierengevechten, daarna steekspelen, waaraan ook de
-prinsen deelnamen.
-
-Robert was door al die spelen zeer geboeid, zijn oogen schitterden en
-zijn borst ging snel op en neer; met welgevallen sloeg zijn vader hem
-gade, zonder dat hij het zelf bemerkte.
-
-„Heldenbloed stroomt door zijn aderen!” dacht Soerapati, „het verraadt
-zich ondanks hemzelf.”
-
-Hij stond op en gaf het teeken dat men zich nu zonder hem zou gaan
-vermaken, het was bijna middag geworden; de zon blakerde het witte zand
-met haar gloeiende stralen, maar nog scheen het volk niet moede te zijn
-van de afwisselende spelen. Hanengevecht en vlieger oplaten volgden
-thans, toen Radhen Wiro Negoro wilde vertrekken.
-
-De olifanten kwamen voor; hij besteeg den zijne weder gevolgd door
-Robert; na hem kregen de anderen hun beurt.
-
-„Ik behoef u niet te vragen of gij u vermaakt hebt,” sprak de vorst tot
-zijn zoon, „uw gelaat verried het mij genoeg!”
-
-„’t Is waar, ik heb dit voor mij nog zoo geheel vreemde schouwspel ten
-volle genoten. In Europa heeft men daarvan geen begrip.”
-
-„Gij moet mij veel van Europa verhalen Robert, hoe men zich daar
-vermaakt, hoe de vorsten er hof houden, hoe zij recht plegen en nog
-veel meer bovendien! Maar weet ge waarom ik zulk een haast had te
-vertrekken? Straks moet ik mijn hofgrooten en de gezanten van Soerabaya
-aan den feestdisch ontvangen, vóór dien tijd wil ik echter een uur vrij
-zijn opdat ge mij den brief uwer moeder zoudt voorlezen. Geen oogenblik
-is de gedachte aan haar uit mijn geest afwezig geweest!”
-
-De olifanten verdwenen binnen den hof van het paleis; op het
-binnenplein voor de pendoppo, werden zij verlaten en de vorst trad
-alleen met Robert zijn bijzondere vertrekken in.
-
-„Wat zal men over zulk een voorkeur aan een onbekende bewezen, zeggen?”
-vroeg de jonge man, die zich nog maar niet schikken kon in zijn nieuwe
-waardigheid.
-
-„Daar bekommer ik mij niet over. Ik heb mijn volk geleerd mij nooit
-rekenschap te vragen.”
-
-Zij traden in het koele, frissche vertrek; Soerapati wierp zijn
-statiemantel van zich af en strekte zich op den divan uit.
-
-„Lees me nu vóór,” sprak hij, „mijn ziel smacht er naar de taal van
-haar hart te hooren. Geef mij dat kistje aan!”
-
-Robert gehoorzaamde, meer en meer voelde hij zich getrokken tot den man
-dien hij gisteren nog als een Oostersch despoot had verafschuwd en het
-kon ook niet anders of de eer hem thans betoond moest hem aangenaam
-zijn na de diepe vernederingen, welke hij in de laatste jaren ondergaan
-had.
-
-Radhen Wiro Negoro haalde met eerbied den brief uit het kistje en
-bracht dien toen aan de lippen; onwillekeurig voelde Robert zijn oogen
-vochtig worden bij dit gebaar en toen zijn vader hem het papier
-overreikte, raakte hij het op dezelfde wijze aan. De herinnering aan de
-doode, vereenigde hen beiden voor een oogenblik.
-
-Robert begon te lezen, langzaam maar duidelijk, soms met van aandoening
-bevende stem; zijn vader verborg het gelaat in de kussens van den
-divan; niets verried zijn ontroering dan nu en dan een trilling, die
-zijn forsche gestalte doorvoer. Lang nadat Robert geëindigd was, bleef
-hij zoo liggen; eensklaps hief hij zich op, legde zijn handen op
-Roberts schouders en sprak met doffe stem:
-
-„Robert, wat zou uw moeder thans eischen dat ik voor u deed?”
-
-Nog voordat hij antwoorden kon, trof een valsche, gebroken lach beider
-oor, zij zagen om, daar stond onder het half weggeschoven gordijn
-Radhen Goesik.
-
-„Laat mij u even storen, mijn gemaal! Het zijn ongetwijfeld hooge
-staatsbelangen, zaken van zulk een gewicht, dat vrouwen er niet naar
-raden kunnen, welke gij met dien bleeken knaap te verhandelen hebt en
-mijn gezelschap zult gij nu gaarne missen,” sprak zij met snijdenden
-spot.
-
-„Ge zijt scherpzinnig geweest als altijd, Ratoe!” antwoordde de vorst,
-„we kunnen vrouwen zeer goed ontberen in de gesprekken, die wij nu
-voeren. Gij weet de tijden zijn ernstig en de gevaren dreigend. Laat
-het aan mij over ze te bezweren! Gaat gij terug naar uw vertrekken,
-waar de batikspoel, het weeftouw of het dakonspel u wachten. Ik zal er
-zorg voor dragen, dat gij in vrede kunt leven met uw beminnelijke
-bezigheden.”
-
-„Ik zal u gehoorzamen, Radhen Wiro Negoro, zoodra mijn taak afgedaan
-is; ik moest u eerst spreken over zaken gewichtiger dan batikspoel en
-dakonspel. Vrees niet, ik zal u niet lang berooven van het zoete
-gezelschap van uw nieuwen vriend.”
-
-„De feestdisch wacht mij, ik heb slechts weinige oogenblikken vrij....”
-
-„Gunt ge mij die niet eens!”
-
-„Welnu, spreek spoedig!”
-
-„Als wij alleen zijn!”
-
-„Verlaat ons dan, Robert!”
-
-De jonge man boog zich diep voor de vorstin, die onwillig het gelaat
-van hem afwendde en verliet het vertrek.
-
-„Wat wilt ge van mij?” vroeg Soerapati ongeduldig.
-
-„Wie is die knaap?” klonk het woest van haar lippen.
-
-„Ge zult het weten, als het de tijd daartoe is. Komt ge alleen om mij
-dit te vragen, dan hadt gij u de moeite kunnen besparen.”
-
-„Neen, ik kom u waarschuwen! Drijf ons niet tot het uiterste Soerapati,
-de ontevredenheid gist in alle gemoederen, uw zonen morren daar gij
-partij kiest voor hun vijanden, de priesters steken de hoofden bijeen
-en hitsen het volk op, daar gij hun eeredienst versmaadt, de edelen
-zijn verbitterd daar gij een gevangene van gisteren de eereplaats gunt,
-die vroeger slechts aan enkele bevoorrechten geschonken werd. Zelfs uw
-Balineezen zijn ontevreden daar gij een christen den voorrang geeft
-boven hen, nog is het een kleine adder, die vreesachtig het hoofd
-opricht, met een slag van uw voet kunt gij het dier verpletteren, maar
-wee u, zoo gij talmt en het tijd geeft te groeien totdat het een
-reusachtig monster wordt met duizend hoofden.”
-
-„En wie is het, die aan het monster voedsel geeft, wie is het die zijn
-gapende muilen vult met vergift? Mijn huisvrouw, mijn vorstin! Schande
-over u Koesoema, dat gij in plaats van mij trouw ter zijde te staan in
-deze stormachtige dagen, zooals gij het zoovele jaren deedt, u
-tegenover mij stelt uit kleingeestige jaloezie. Bedenk welke gevaren
-voor mijn deur staan, ’t is nu geen tijd meer tot kinderachtige
-paleistwisten, tot dwaze achterdocht, we moeten vereenigd blijven
-vaster dan ooit, willen wij den vijand overwinnen. Geloof me, ’t is
-niet goed dat gij allen tegen mij keert, want in het vertrouwen op mij
-alleen is uw aller redding en behoud gelegen!”
-
-„En moet ge het mij verwijten dat er tweedracht heerscht, wanneer allen
-morren, is het onze schuld of de uwe? Gij overlaadt mij en uw kinderen,
-uw priesters en edelen met schande en smaad, vreemdelingen worden door
-u gevleid en geëerd en waarom? Wat kan die jongeling u wezen, wiens
-gelaat gij gisteren nog niet gezien hadt.”
-
-Met groote stappen ging Soerapati op en neer, daar hij niet toe wilde
-geven aan zijn toorn; zoo was hij aan het einde van het vertrek
-gekomen, toen Radhen Goesik’s aandacht op het schildpadden kistje viel.
-Als een tijger, die zijn prooi bemachtigt, zoo wierp zij er zich op en
-nog vóór dat haar man het beletten kon had zij het portret en de beide
-stukken van den penning in haar handen gegrepen. Niets ziet met meer
-helderheid en is tevens meer verblind dan jaloezie; een ruwe kreet
-ontsnapte haar lippen en zij gilde het uit:
-
-„Hij is uw zoon, en die van de Hollandsche. Wee mij en mijn kinderen,
-nu zijn wij allen verloren!”
-
-Zonder een woord te spreken, ontrukte de vorst haar het portret en de
-munt, klemde haar handen in de zijne en voerde haar met geweld de kamer
-uit, ondanks haar heftigen tegenweer.
-
-„Geen woord meer!” gebood hij, „wanneer gij voortgaat onrust te stoken
-in mijne omgeving, wanneer gij langer zaden van wantrouwen wilt zaaien
-bij uw zonen, en mij belemmert in de moeilijke taak die mij wacht, dan
-zal ik mij genoodzaakt zien u gevangen te doen zetten in Banjoe Biroe.
-Onthoud mijn woorden Radhen Goesik, ge weet dat ik nooit veel
-geschertst heb in mijn leven en ik zal het nu minder dan ooit doen.”
-
-„Tyran, gij vergeet dat ik een prinses ben en gij zijt niets dan een
-avonturier, een slaaf!”
-
-Hij was echter weer naar zijn kamer teruggekeerd, waarvan hij de deur
-in het slot wierp, terwijl haar luid snikken en kermen nog steeds daar
-buiten weerklonken.
-
-„Ik waarschuw u nogmaals dat getier te staken!” beval hij, „of ik zal u
-anders op een plaats laten brengen, waar men uw gezang niet zal kunnen
-hooren.”
-
-Het geschrei verstomde langzaam en de vorst bergde zijn kostbaarheden
-weg.
-
-„Die vrouw zal mij nog veel last en zorg geven,” mompelde hij, „ik moet
-haar in ’t oog houden; maar wat kan ’t mij deren, als mijn plan gelukt?
-Ik zal hun aller tegenstand wel weten te breken zoodra de tijd er toe
-gekomen is.”
-
-Hij wierp zich den statiemantel weer om de schouders en riep Robert,
-die in de aangrenzende kamer wachtte.
-
-„Het is tijd voor het feestmaal, Robert,” sprak hij, „laat mij u een
-raad geven, mijn zoon! Wees op uw hoede, ge zijt hier reeds omringd
-door vijanden, hoewel uw gunst nog geen vier en twintig uur heeft
-geduurd. Drink of eet niets, dan wat ik u zend; ik zal u een ijzeren
-vest geven, dat ge onder uw kleederen moet dragen en vooral wacht u
-voor de vrouwen!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-DE VERZOEKING.
-
-
-Robert volgde zijn vader dagelijks, nu eens op zijn tochten van
-Pasoeroean naar Bangil en de rijstvelden van Derma, dan weer op zijn
-wapenschouwingen of wel hij was getuige van zijn rechtsplegingen en
-bracht uren met hem in zijn kabinet door, luisterend naar zijn plannen
-van verdediging en van versterking.
-
-„De groote strijd, waarop ik sinds twintig jaar bezig ben mij voor te
-bereiden, zal welhaast aanbreken,” zeide hij, „ik heb getracht dien te
-vermijden. Men heeft zich niet eens verwaardigd acht te slaan op mijn
-aanbiedingen, nu zal ik hen leeren hoe zij met mij hebben te rekenen!
-Ge ziet nu alles, Robert, hoe ik gereed ben den vijand te ontvangen.
-Meent ge dat ik kans zal hebben mijn grond op den duur tegen hen te
-verdedigen?”
-
-Robert haalde de schouders op.
-
-„Gij hebt met veel talent uw verdedigingsplan opgevat, ik sta verbaasd
-over uw krijgskundige kennis en echten veldheersblik en het zal den
-vijand zeker moeite kosten die moerassen te doortrekken, als zij ten
-minste van dezen kant naderen. Zijt gij daar zeker van?”
-
-„Ja.”
-
-„Hoe kunt ge dat weten?”
-
-„Dit is een geheim, dat niet mij behoort, ik kan ’t u dus niet zeggen.
-Mijn geheimen, dat ziet ge, bestaan niet voor u.”
-
-„Wanneer zij uw forten naderen dan vrees ik dat deze niet lang bestand
-zullen zijn tegen hun vuurwapens, hun kanonnen en granaten.”
-
-„Ik heb ook geschut; doch al zijn deze versterkingen in hun handen
-gevallen, dan nog zullen zij voet voor voet elken duim grond moeten
-veroveren; mijn maatregelen zijn genomen.”
-
-De verwondering van Robert steeg hoe langer hoe meer, wat kon het doel
-zijn van Radhen Wiro Negoro door zoo oprecht met hem te handelen? Hij
-maakte hem deelgenoot van al zijn plannen, van al zijn zorgen, van al
-zijn belangen, Robert huiverde dikwijls bij de gedachte welk een
-grooten schat van kennis hij thans had opgezameld, hoeveel inlichtingen
-voor den Hollandschen bevelhebber van de hoogste waarde hij geven kon;
-hoe het geheele welslagen van den veldtocht afhing van zijn spreken of
-zwijgen; maar hij gevoelde tevens ook hoe juist dit vertrouwen en deze
-openhartigheid hem met banden sterker nog dan die des bloeds aan zijn
-vader hechtten, hoeveel verantwoordelijkheid hij op zich laadde juist
-door dat gemeenschappelijke weten.
-
-Soerapati moest een doel hebben maar welk? Hoe meer hij den vorst
-leerde kennen, hoe hooger zijn bewondering steeg voor hem, die met
-zulke gebrekkige middelen zooveel tot stand had gebracht en nog zoo
-oneindig meer zou kunnen stichten indien hij betere werktuigen in zijn
-onderhoorigen had kunnen vinden. Zijn leergierigheid kende geen
-grenzen, hij had grooten dorst naar meer kennis en meer wetenschap,
-daarom was het hem een genot Robert naar duizenden dingen te vragen,
-welke in beschaafde landen aan kinderen bekend zijn, maar waarnaar hij
-levenslang nieuwsgierig was geweest.
-
-Tot diep in den nacht duurden soms hun gesprekken, die welhaast aan
-Robert evenveel belang als aan zijn vader inboezemden. Zooals het
-geheel en al met zijn karakter strookte, dacht de jonge man weinig aan
-de toekomst; het tegenwoordige was hem genoeg; dikwijls zuchtte hij er
-wel over dat de heer de Wilde met smart op zijn mededeelingen wachtte,
-maar hij kon er niets aan doen; hij was door een samenloop van
-omstandigheden gevangen geraakt; dit was niets buitengewoons, zulk een
-zending was aan vele gevaren onderhevig; het zou een wonder zijn indien
-hem geen ongeval overkomen ware.
-
-Hij verhaalde den vorst zijn leven in alle bijzonderheden en vernam op
-zijn beurt het wonderbare verhaal van Soerapati’s lotgevallen die hem
-van slaaf tot vorst hadden verheven; zoo leerde hij dan ook het
-gebeurde te Karta-Soera in 1686 van een geheel andere zijde beschouwen.
-
-„Beken mij oprecht!” vroeg hij eens bijna smeekend, „is ’t waar dat de
-gezant Tak verraderlijk door u vermoord is?”
-
-„Mijn wapen heeft hem niet getroffen, dat weet ik zeker!” antwoordde
-Radhen Wiro Negoro ernstig, „’t is waar, de verwarring was groot, wij
-zagen haast niets, zoo verblindde de kruitdamp onze oogen, maar toch
-weet ik zeker, hoewel ik in het vuur der zelfverdediging in het wild om
-mij heen sloeg dat de gezant niet door mijn hand viel. Van verraad was
-echter bij mij geen sprake; de Soesoehoenan en de Rijksbestuurder
-hadden mij in hun dienst genomen, zij speelden een dubbele rol; voor de
-Hollanders namen zij den schijn aan dat ik hen bedreigde, terwijl hun
-vurige wensch was dat ik hen van de vreemden verloste. Eerst toen men
-ons aanviel en insloot, heb ik mij door mijn aanvallers een weg
-gebaand, onverschillig wie zij waren. Ik weet het, nu roepen ze mij nog
-tot verantwoording over de mannen van Kuffeler, die ik verslagen heb,
-maar wie zal hen ter verantwoording roepen voor al het bloed, waarmede
-zij onze eilanden overstroomen? En wat hebben wij gewonnen in ruil van
-onze vrijheid, van ons bloed?”
-
-„Veel, want aan hoeveel wreede willekeur en hoeveel boosheid, die aan
-de hoven heerscht, maakten zij een einde door hun inmenging!”
-
-„Niemand heeft hen hier geroepen en meent ge dat zij hier komen om ons
-beter, verstandiger, beschaafder te maken? Hun eenig doel is rijk te
-worden ten koste van ons. Ik heb hooren verhalen van hen, die ’t wisten
-door hun grootvaders, dat de Portugeezen anders handelden; zij vonden
-ons niet onwaardig hun gelijke te worden. Zij konden wreed zijn en
-onrechtvaardig maar er waren toch bezittingen, die zij hooger stelden
-dan goud en zilver en die zij aan de overwonnelingen wilden mededeelen.
-Welnu, de straf zal niet uitblijven, wanneer deze landen, uitgeput en
-uitgezogen zijn, dan is ook de macht der Hollanders geknakt, en de
-Islam heeft vrij spel om de ongeloovigen uit te roeien.”
-
-„En toch wilt gij met hen een bondgenootschap sluiten?”
-
-„Ja, omdat zij bezitten, wat ons ontbreekt en zonder hetwelk wij niet
-veranderen kunnen, maar zij weigeren het ons te geven, daar anders de
-goudader minder rijkelijk vloeit.”
-
-Eenige weken gingen aldus om en dagelijks kwamen er tijdingen van den
-naderenden vijand; schepen met 15000 mannen bevracht waren te Soerabaya
-aangekomen en daar feestelijk door de regenten van Soerabaya en Madura
-ontvangen; gezamenlijk zouden zij tegen den gemeenschappelijk en vijand
-oprukken, in afwachting daarvan namen de steekspelen, maaltijden en
-danspartijen geen einde.
-
-Robert hoopte en vreesde tegelijk een ontknooping; van dag tot dag
-stelde hij het uit, zijn vader naar diens besluiten te vragen, zijn
-geheele toekomst stond op het spel; nu of nooit moest de Wilde of
-liever de bevelhebber Govert Knol, die dezen veldtocht leidde de
-inlichtingen ontvangen, welke hij noodig had en wat moest hij zeggen?
-Kon, mocht hij thans den vijand verraden in wien hij zijn vader had
-terug gevonden, mocht hij misbruik maken van het vertrouwen hem zoo
-ruimschoots en zoo openlijk geschonken?
-
-Zijn leven geleek een ware feestdag, niets ontbrak hem, alle slaven van
-den dalem vlogen op zijn wenken; de kroonprins werd ongetwijfeld niet
-beter bediend, de rijksgrooten zelfs behandelden hem met eerbied. Nu
-eens werd hij op dit dan weer op dat feest genoodigd, alleen de prinsen
-hielden zich op een afstand en veinsden hem niet te zien, maar
-Soerapati had Pengantin’s straf nog niet opgeheven, hij mocht nog
-steeds zijn woning in den kraton niet verlaten, Lembono was met den
-erfprins naar Balembangan gestuurd, Nitro vertoefde in Bangil. De
-Rijksbestuurder Amirang Koesoemo was nu in Kediri, waar hij bij Soenan
-Mas de plaats van den regent innam, die aan de zijde van den Vorst
-bleef, wiens trouwste vriend en raadsman hij was.
-
-Op zekeren morgen zat Radhen Wiro Negoro alleen in zijn vertrek in
-gewichtigen arbeid verdiept; zoo juist was hem een brief van den Depati
-van Soerabaya gebracht, waarin deze meldde dat de expeditie nog niet
-vertrekken kon daar de meer dan tachtigjarige regent van Madura zich
-niet op weg wilde begeven, vóórdat de maan rijzende was; de
-Soerabayasche prins beloofde alle mogelijke inlichtingen bijtijds aan
-zijn vriend en bondgenoot te verstrekken. Hij beschreef hem verder
-nauwkeurig den weg, dien hij aan het leger zou doen nemen; nog was de
-argwaan der Hollanders niet opgewekt, hij bewees hen den grootsten
-eerbied, hield hen met feesten bezig maar zwoer nogmaals zijn machtigen
-vriend en broeder Radhen Wiro Negoro trouw. Op een kaart, die voor hem
-lag, teekende de vorst thans de doorgangen af van het vijandelijke
-leger en tevens den loop, dien hij aan het zijne wenschte te geven, zoo
-verzonken was hij in zijn werk dat hij niet eens de nadering vernam van
-een menschelijk wezen, totdat een beweging aan zijn voeten hem deed
-opschrikken; hij zag naar den grond en bemerkte daar opgerold als een
-kluwen, den kleinen dwerg.
-
-„Boeloe Kidoer! Hoe durf je mij hier storen?” zeide hij toornig.
-
-„Meester,” hijgde de arme dwerg, „ik moet u spreken, ’t is misschien
-voor het laatst, want de kleine man gaat sterven; zijn leven was toch
-al niet veel meer waard in den laatsten tijd, een voetslag van uw zoon
-Pengantin deed het overige.”
-
-„Hoe, heeft Pengantin je mishandeld, is ’t mogelijk, u, den lieveling
-zijner moeder!”
-
-„Ik ben ’t niet meer, ik heb de gunst der hooge Ratoe verloren, en toch
-beken ’t meester, aan mij hebt ge beiden het te danken dat gij zoo hoog
-gestegen zijt. Weet ge nog meester, hoe ik in de wouden van den
-Preanger u ’t eerst uw hooge bestemming heb geopenbaard en daardoor de
-liefde van Radhen Goesik nog hooger deed opvlammen? En heb ik u den
-ngempoel niet geleerd, die u zoovele vijanden deed overwinnen?”
-
-Radhen Wiro Negoro glimlachte.
-
-„Dat hebt ge, arme Boeloe! Inderdaad ge hadt een beter lot verdiend; de
-zoon van haar, die gij zoo trouw hebt aangehangen, is wel schuldig dat
-hij u zoo mishandelde. Welke reden had hij daarvoor?”
-
-„Luister naar den dwerg, meester! Hij heeft u nog iets te zeggen. Veel
-heeft Radhen Goesik aan mij te danken, meer dan gij weet of zelf
-vermoedt. Als Kiai Hemboong op mijn raad en ten haren gevalle uw hart
-niet had losgerukt van de blanke vrouw, dan zoudt gij nimmer gebroken
-hebben met de Compagnie, nog minder ooit met haar gehuwd zijn.”
-
-„Wist zij er dan van?” vroeg Soerapati bleek van toorn.
-
-„Ik werkte voor haar en Kiai Hemboong voor u. Samen besloten wij u af
-te scheuren van de Hollanders, de ring, dien gij ontvingt als komende
-van Nonna Suzanna was uit haar juweelkistje afkomstig. Meester, zie mij
-zoo dreigend niet aan! Als ik slecht deed, vergeef mij of ten minste
-spaar mij tot ik uitgesproken heb; met een slag kunt ge mij dooden!”
-
-„’t Is waar, ik vertrap geen wormen... Spreek voort, monster!”
-
-„En nu haat mij de vorstin met haar kinderen omdat ik hare plannen heb
-doorzien. Zij spannen samen tegen u, Meester en tegen den knaap, in
-wien zij uw zoon vermoeden; zij hebben zijn dood besloten. En de
-Mahomedaansche priester Sheik Abdoelah stookt het reeds zoo hevige vuur
-nog meer aan. Alle dagen komen zij samen in de woning van Mas Pengantin
-en spoedig zullen zij den slag slaan. Wees dus op uw hoede Radhen
-Adipati, uw bitterste vijanden dreigen niet van buiten maar van binnen!
-Dood mij nu, den dood uit de handen van zulk een groot, dapper man zal
-mij zoet wezen, zoeter dan de mishandelingen van dien dwazen knaap,
-welke zich uw zoon noemt.”
-
-„Vertrek Boeloe Kidoer! Sterf of word beter naar dat ge verkiest, ik
-dank je voor die mededeelingen en zal er gebruik van maken, vertrek
-nu.”
-
-„Ik ga, Meester, ik ga. Ge doodt mij niet, ge jaagt mij alleen weg. Gij
-zijt goedertieren en toch wreed. Nog iets! Is die knaap u werkelijk
-dierbaar, bescherm dan zijn leven, want het loopt groot gevaar! Niets
-is meer te vreezen dan de jaloezie eener booze vrouw.”
-
-En hij kroop met moeite weg, hevige zuchten slakend; buiten gekomen
-rolde hij zich in een hoekje naar zijn gewoonte, ineen.
-
-„Ach, we gaan allen heen! De oude Kiai is weg en komt nooit weer terug
-en nu moet ik sterven, maar wat is onze dood naast den zijne en dezen
-lees ik zoo duidelijk als de zonnestraal hier op den vloer, in zijn
-oogen. Dan zal ’t eerst goed gaan voor het moedertje en haar laffe
-zonen! Zij zijn vorsten ja, maar den slaaf zullen zij missen, o zoo
-zeer! En ook Boeloe Kidoer.... wat zal zij naar hem rondzien maar dan
-is hij weg, weg voor goed weg en als ze hem roept dan verschijnt hij
-niet meer, neen, nooit meer!”
-
-Zijn hoofd viel op de ingevallen borst die sterk begon te reutelen en
-toen een uur later slaven door ’t vertrek kwamen, zagen zij daar een
-rol kleeren liggen; zij namen dien op en vonden het lijk van Boeloe
-Kidoer den Bantamschen dwerg.
-
-Radhen Wiro Negoro ging intusschen heftig bewogen zijn kamer op en
-neer, de handen over de borst gekruist, hetgeen hij altijd deed wanneer
-hij een gewichtig besluit te overwegen had.
-
-„Ik kan niet langer dralen, de tijd dringt, de omstandigheden drijven
-mij, ik moet weten, wat ik van hem te hopen of te vreezen heb. Mijn lot
-en dat van mijn rijk berust in zijn handen, dan zal ik weten, wat ik
-met dat addergebroed te doen heb. Alles kan ik dragen, wanneer hij mij
-steunt, dan kan ik hen missen en dus ook dwingen; een nieuw, krachtig
-leven begint voor mij, schitterender dan alles wat voorbij is.”
-
-Hij sloeg op den gong en beval den binnentredenden slaaf, dat men
-Toewan Sidin—onder anderen naam was Robert aan het hof niet bekend—zou
-roepen.
-
-Eenige oogenblikken later kwam zijn zoon binnen en bood hem zooals zijn
-gewoonte was bij de begroeting de hand aan. Radhen Wiro Negoro drukte
-deze met nog meer warmte dan anders en verzocht Robert naast hem te
-zitten.
-
-„Ik moet een ernstig gesprek met u voeren, Robert,” zoo begon hij. „De
-tijden zijn donker. Ik wil een beslissing nemen.”
-
-„Reeds lang had ik u daarom willen vragen,” antwoordde de jonge man.
-
-„De vijanden zullen spoedig voorwaarts rukken Robert, en ik moet mij in
-het veld begeven om hen te bestrijden, maar nog erger vijanden dreigen
-mij in den kraton, mijn eigen vrouw en kinderen spannen tegen mij
-samen; niet alleen op mij hebben zij het gemunt maar ook op u.”
-
-„Ik weet het,” hernam Robert glimlachend, „gisteravond was een man
-onder mijn bed verscholen. Ik heb hem ontwapend en toen mijn kamer
-uitgeworpen, hier is zijn kris.”
-
-„Leg ze neer! Dit zijn bewijzen, die ik weldra noodig zal hebben. Het
-is om uwentwille vooral dat zij ontevreden zijn. Mijn vrouw vermoedt in
-welke verhouding wij tot elkander staan; ik heb niets geloochend maar
-ook niets bekend en ik kan nog niets doen, nog geen schuldige straffen,
-vóór ik weet of ik op u rekenen kan.”
-
-„Waarin, Radhen Adipati?” nog gaf tot Soerapati’s grootste
-teleurstelling Robert hem niet den vadernaam.
-
-„Hoor toe! Gij weet veel, zoo niet alles van mij! Ik heb u mijn leven
-blootgelegd, mijn plannen, mijn zorgen, mijn gedachten en denkbeelden,
-gij weet dus ook in welken kommer ik leefde voor uw komst, daar ik het
-vooruitzicht bezat, hoe alles wat ik met zooveel arbeid tot stand
-bracht na mijn dood verdwijnen moest. Mijn zonen zijn zwakkelingen, in
-niets onderscheiden van de Javaansche prinsen der naburige hoofden. De
-erfzonden van deze geslachten, wreedheid en losbandigheid kleven hen
-aan en door geen groote deugden houden zij hun verkeerde neigingen in
-evenwicht. Wat zal er worden van dit rijk als ik in den strijd nu
-aanstonds vallen mocht?”
-
-„Waarom denkt ge aan die mogelijkheden?”
-
-„Het is alleen de dwaze, die den dood in de oogen vreest te zien. Te
-dikwijls reeds zag ik hem mij bedreigen dan dat ik nog angst voor zijn
-nadering koesteren zou. Ik ben niet onkwetsbaar zooals mijne soldaten
-het meenen. Zoo ik sneuvel, dan zal Soenan Mas zijn rechten doen gelden
-op deze landen en er mijn zonen mede beleenen; te zamen zullen zij
-trachten den Hollanders het hoofd te bieden of wel zij gaan dadelijk
-vrede met hen sluiten, een vrede, waarbij zij alles verliezen, de Islam
-zal in volle kracht zegevieren en alles overheerschen. In elk geval met
-Soerapati’s rijk is het gedaan.”
-
-Zijn stem klonk dof en treurig bij deze woorden; na een poos vervolgde
-hij:
-
-„En dit is ook beter! Welke reden van bestaan heeft dit rijk ook
-wanneer Pengantin, Nitro en Lembono onder Soenan Mas en Sheik Abdoelah
-het regeeren? Beter is ’t ongetwijfeld dat de Hollander er den hiel
-opzet en ’t onder zijn zorg neemt. Die gedachte kwelt mij nacht en dag;
-met mij zal ook mijn werk in ’t graf dalen.”
-
-„Maar ge zijt nog geen grijsaard Adipati, en de kansen van den oorlog
-kunnen u gunstig zijn.”
-
-„Zal het gevaar daardoor geweken zijn? Het oogenblik van mijn dood kan
-verschoven worden, ’t is waar, doch in en met mij gaat toch eenmaal
-alles ten gronde; toen ik alles verloren waande, kwam er plotseling
-licht. Gij werdt mij toegezonden, mijn oudste, mijn liefste zoon, het
-kind van de eenige vrouw, die ik ooit heb bemind. In u zag ik alles
-vereenigd wat ik wenschte.”
-
-„En wat wenscht ge dan?”
-
-„De droom van mijn leven is geweest, gij weet het, toenadering tot de
-Hollanders; ik erken in hen een hooger ras, zij hebben een volmaakter
-godsdienst, meer wetenschap, meer kennis, meer beschaving dan wij, maar
-kunnen deze bezittingen dan ook niet de onze worden? Waarom moet altijd
-een afgrond blijven gapen tusschen hen en ons? Is ’t omdat zij blank en
-wij bruin zijn, maar ons verstand ons hart zijn dezelfde toch, ons
-uiterlijk alleen verschilt. Gij hebt daar in Europa grootsche
-bouwwerken, maar hebben ook wij Java en Bali niet bedekt met trotsche
-gebouwen voor dat de Islam ze vernietigde? Gij hebt heerlijke gedichten
-maar ook wij bezitten ze in de Brata joeda, in de Mintorogo en in
-zooveel meer, en wat ik wrochtte met de ellendigste hulpmiddelen, kan
-daar een Europeesch veldheer tegen wedijveren? Zoo wij beneden u staan,
-’t is omdat de gelegenheid tot leeren ons ontbrak, omdat gij ons niets
-geleerd hebt in de twee eeuwen, gedurende welke wij te zamen leven. Ik
-heb er van gedroomd, die klove te overbruggen maar mijn kracht schoot
-te kort bij alle voordeelen der blanken. Zij hebben mij telkens
-verstooten wanneer ik ter goeder trouw tot hen kwam. Slechts uw moeder,
-Robert, heeft zich mijner ontfermd, helaas! tot haar ongeluk! Laat haar
-voorbeeld u ten goede komen, mijn zoon!”
-
-„Ik begrijp u niet!”
-
-„Breng tot stand wat ik vergeefs beproefde: gij de zoon van gemengden
-bloede moet den afgrond dempen, die het volk uws vaders van dat uwer
-moeder scheidt.”
-
-„Maar hoe vermag ik dat?” vroeg Robert huiverend.
-
-„Laat mij u openlijk erkennen als mijn zoon en opvolger!—Mijn kroon zal
-de uwe worden; gij zult vorst zijn eerst met en later na mij! Gij moet
-mij helpen dit rijk nieuwe grondvesten te geven. Te zamen zullen wij
-arbeiden om het te doen eerbiedigen van binnen en van buiten; gij zijt
-Christen, welaan, belijd openlijk uw godsdienst. Gij hebt een blanke
-vrouw lief, erken haar als uwe koningin; ik zal een paleis voor u doen
-bouwen zoo heerlijk als er geen bestaat in Europa, mijn legers zullen u
-onderworpen zijn, gij zult opperbevelhebber over mijn legers wezen. Ik
-blijf u steunen geen andere eerzucht meer kennend dan in alles uw wil
-te doen! Gij toch wordt mijn mederegent, mijn kroonprins!”
-
-„Vader!” riep hij eensklaps uit, verschrikt en als verblind door zulk
-een vizioen.
-
-„Gij noemt mij, vader!” juichte de vorst, „de Hemel zij gedankt dan
-lacht mijn plan u toe! O Robert, ik heb u zoo lief gekregen, als eens
-uw moeder mij dierbaar was. Laat mij goed maken aan u wat ik jegens
-haar misdreef. Ik zal u overladen met goud en met eer, elke wensch van
-u zal mij een bevel zijn, geen verlangen of ik zal trachten het te
-vervullen, maar help gij mij den droom mijns levens verwezenlijken.
-Laten wij samen dit volk verheffen, want niet waar? Mijn werk is
-grootsch, het zou betreurenswaardig wezen als het te niet ging door de
-onwaardigheid mijner opvolgers! Gij alleen kunt het redden?”
-
-„En wat wilt ge dat ik doe?”
-
-„Mij terzijde blijven, mij helpen eerst den buitenlandschen vijand te
-bestrijden en dan de werken des vredes hier stichten.”
-
-„Den vijand bestrijden maar die vijand dat is mijn volk, mijn....”
-
-„Uw volk? Het volk van den vader is ook dat van den zoon. ’t Is waar,
-een treurige noodzakelijkheid blijft het voor u, tegen hen op te
-rukken, maar niet ik wenschte den oorlog. Ik heb hen de hand der
-verzoening gereikt, mijn bode keerde niet eens terug. Zij moeten eerst
-leeren ons te vreezen, mijn kind! dan zullen zij ons achten en
-eindelijk eeren. Is dat geen schoone taak, geen taak zooals nog nooit
-een jong man werd voorgesteld! Gij hebt slechts te willen, Robert, en
-ge wordt mijn opvolger, mijn rechterhand, mijn raadsman, mijn steun!
-Zie, welk een rijk ik mij veroverd heb, de geheele kust van de Zuidzee
-tot aan den voet van den Lawoe behoort mij, tot daarginds waar de zee
-Java van Bali scheidt; grooter is dit land dan dat over de zee, hetwelk
-ons hier wetten komt stellen. Gij zijt beschaafd en verstandig, uw
-geest is ontwikkeld, uw hart slaat warm voor alles wat goed is, ontferm
-u over mijn land en volk! Gij alleen kunt het redden! Zonder uw hulp,
-dan verzinkt het weer in den afgrond en al mijn werk is ijdel geweest.
-Ik bid u, mijn zoon, verhoor mijn bede!”
-
-Robert bedekte het gelaat met de handen en zweeg, de stem zijns vaders
-ging vleiend voort:
-
-„Ge zult zoo gelukkig worden, mijn kind! Alles wat uw hart begeert zal
-ik u geven; ik weet, dat alleen kan u voldoen wat u nader brengt tot
-het grootsche doel hetwelk ons beiden voor oogen staat. Welke ellende
-zal deze streken wachten als een Pengantin er oppermachtig regeert! Kan
-ik rekenen op u, zoo zal ik hen allen onschadelijk maken en toch
-tevreden stellen; gij alleen zult heerschen na mijn dood. Een
-vorstenkroon is verleidelijk maar nog schooner is het te arbeiden aan
-het geluk van velen. Wat weerhoudt u?”
-
-„Mijn vaandel verraden, ontrouw worden aan mijn land, aan mijn eed!”
-
-„Hoe is dat land jegens u geweest? Verbreek alle banden met hen, word
-een Balinees zooals ik het ben, behoud uw godsdienst, ik veroorloof ’t
-u, ik verlang het zelfs en trek dan met mij op—want nog heden rijd ik
-naar Bangil—om met mij samen den vijand te bestrijden en dan ons toe te
-wijden aan ’t geluk van dit volk, nog heden erken ik u als mijn wettige
-zoon en opvolger. Wij zullen samen werken, samen strijden! Gij zult mij
-helpen dit volk op te heffen uit zijn diep verval, ik zal u leeren het
-te kneden naar uw wil. In mij zien zij een half-god, wanneer gij mij
-ter zijde staat, zal ik hen dwingen een hoogere beschaving aan te
-nemen, want mijn wil is voor hen een godspraak!”
-
-Robert antwoordde niet, het voorstel schitterde hem in de oogen; hij
-was eerzuchtig. Welke man toch, die waarlijk man is voelt zich niet het
-hart sneller kloppen bij het aanschouwen van een ruim en vruchtbaar
-veld, dat hem ter bewerking toevertrouwd wordt? Zou hij door zijn
-weigering of toestemming zijn vader tot wanhoop of tot het toppunt van
-vreugde brengen?
-
-„Antwoord spoedig, spoedig de tijd dringt,” smeekte de vorst, en greep
-zijn handen vast in de zijne.
-
-Robert sloeg de oogen op en bewoog de lippen wellicht tot een ja.
-
-„De vijand nadert! Er is geen tijd te verliezen,” drong Soerapati aan.
-
-„De vijand,” herhaalde Robert en in den geest zag hij de Hollandsche
-soldaten naderen in hun geel en roode uniformen, hij zag de
-oranjewimpels en de driekleur boven hunne gelederen wapperen, hij
-hoorde het bevel hunner officieren, en de klanken van het geliefde
-Wilhelmus-lied troffen zijn ooren. De schoten vielen, kruitdamp
-vervulde de lucht, zij streden als leeuwen maar hij stond niet aan hun
-zijde, hij voerde een leger van Javanen en Balineezen aan, hij was ’t
-die dood en verderf in hun rangen verspreidde. Zij leden de nederlaag,
-en op Batavia klonk de treurmare: Onze troepen zijn verslagen dank den
-overlooper, den deserteur die gemeene zaak maakte met den vijand. En
-ook Digna zou het hooren. Hij huiverde en trok zijn handen uit die
-zijns vaders terug.
-
-„Neen, neen,” riep hij met zwakke stem, „laat me los! Ik mag niet. Het
-ware een laag verraad tegen mijn landgenooten. Ik zou strijden tegen
-mijn volk, ik zou met hen breken, neen nimmer!”
-
-„En ge offert aan een gedachte, aan een denkbeeldigen plicht uw vader
-op en met hem een troon, een volk!”
-
-„’t Is mijn plicht, ik kan niet anders!”
-
-’t Was of niet hij maar Digna voor hem die woorden uitsprak en
-neerknielend voor de voeten van den vorst, ging hij smeekend voort:
-
-„Vergeef mij vader, maar ik kan, ik mag niet anders doen; wat zoudt ge
-zeggen van een uwer mannen, dien gij op verkenning hadt gezonden in het
-vijandelijke kamp en die in plaats van u te dienen zich verbond met den
-bevelhebber om met hem te zamen u te bestrijden? Niets anders verlangt
-gij van mij, ik moet dus weigeren!”
-
-Soerapati’s oogen vonkelden van toorn, zijn stem beefde van ingehouden
-woede:
-
-„Gij verkiest hen die vreemden, welke u een bastaard schelden boven mij
-die u als zoon en troonopvolger zal erkennen, gij wilt liever daar een
-voetknecht zijn dan hier een vorst? Ga, verhaal hen alles, wat ik u heb
-geopenbaard, leer hen hoe mij te verderven, mij te vernietigen. Ik heb
-’t aan u verdiend, ga!”
-
-Robert stond op en antwoordde met vaste stem:
-
-„Ook dat zal ik niet doen! Ik wil geen verrader zijn, noch van mijn
-volk, noch van u, ik zal vertrekken zoo gij het toestaat maar even arm,
-even onwetend als toen ik hier kwam. Ik heb niets gezien, niets
-gehoord, niets onderzocht!”
-
-„U laten gaan, zoo dwaas ben ik niet. Ik wil dat gij nadenkt, vóór gij
-beslist, niet in een paleis echter maar in een kerker. Dan kunt ge
-weten, wat gij opoffert. Gij zult terugkeeren naar het hok waaruit ik u
-verloste, levenslang zal dat uw verblijfplaats zijn, tenzij gij er in
-toestemt mijn zoon te wezen en te handelen zooals het mijn zoon
-betaamt. Gij weet te veel dan dat ik u in vrijheid zou kunnen laten.”
-
-Sidderend kromp Robert ineen.
-
-„Radhen Adipati, laat mij sterven, maar niet dat lot! Ben ik dan niet
-uw zoon, op mijn eerewoord ik zal u niet verraden!”
-
-„Dat is mij niet genoeg! Gij moet mij gehoorzamen; mijn smeekingen
-hebben niet gebaat, ik zal zien wat martelingen op u vermogen.”
-
-Hij sloeg op zijn bekken en gebood den binnentredenden dienaar de wacht
-te roepen.
-
-„Bedenk u Robert, ’t is nog tijd,” smeekte Soerapati, „een woord en gij
-zijt vorst!”
-
-Maar hij schudde het hoofd, een onwrikbare wil stond in zijne oogen te
-lezen:
-
-„Gij kunt me folteren, zooveel gij verkiest, maar mij dwingen nimmer.
-Wees op uw hoede, Soerapati, deze daad brengt u geen zegen aan!”
-
-De wacht trad binnen.
-
-„Voert dezen man terug naar de gevangenis die hij verlaten heeft,”
-beval de vorst.
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-DE WAPENSCHOUWING.
-
-
-In de eerste dagen van September had zich de oorlogsmacht, bestemd om
-Soerapati te bestrijden, op den aloen-aloen van Soerabaya verzameld.
-
-De zestien Hollandsche vaandels gaan vooraf, het rood, wit en blauw
-wappert vroolijk in de lucht, breedgerande vilthoeden bedekken de
-gebruinde gezichten, de gele krijgsrokken worden vervroolijkt door de
-roode kragen, de buks dragen zij op den schouder, welgemoed en opgewekt
-stappen zij voort onder de statige klanken van het Wilhelmus. Aan hun
-hoofd, op een fraai strijdros gezeten, rijdt majoor Govert Knol, wien
-het opperbevelhebberschap over het geheele leger is toevertrouwd; onder
-hem staan de kloeke, krachtig gebouwde kapitein van Bergen, de dappere,
-hoewel wat al te voortvarende en onbedachtzame kapitein de Bevere en de
-Soerabayasche officieren Willem Sergeant en Hendrik van der Hout,
-waartoe ook nog kapitein Bintang behoort. Deze vijf kapiteins voeren
-elk een brigade aan, uit Europeanen en Inlanders bestaande, welke
-laatste op hun beurt onder hun eigen hoofden staan. Daar zijn de
-Balineezen met hun forsche gestalten, de Ambonneezen hun met koralen
-doorvlochten haren, fladderende om het hoofd, de Boegineezen, wier
-hoofd en middel alleen bedekt zijn en die een eirond schild aan den arm
-dragen, de Makassaren en Timoreezen even weinig gekleed als zij, doch
-met naar de hoogte opgekamd haar, luid zingend oprukkend en elkanders
-moed opwekkend door verhalen van de heldendaden hunner voorvaderen.
-Eindelijk de Javanen, bedaard, klein en tenger, met schuwen blik en
-lusteloozen gang, achter hen de kleurlingen, iets grooter en niet veel
-levendiger dan zij.
-
-Op de legermacht der Compagnie volgen de troepen van den Madureeschen
-prins, wiens tegenwoordigheid in het leger gelijk staat met dat van
-10000 man, want hooggeëerd is deze tachtigjarige vorst niet alleen door
-zijn eigen volk maar door geheel Java. Het loopen of rijden valt hem
-moeilijk, waarom hij zich dan ook door twaalf mannen op een rijk met
-kleeden en tapijten belegde plank laat dragen; hij is ondanks zijn
-hoogen leeftijd een zwaar, flink gebouwd man met breed aangezicht en
-scherp geteekende trekken, het wit zijner oogen is geheel met rood
-beloopen, slechts weinige grijze haren bleven op zijn schedel over,
-maar nog verraden zijn gespierde armen de meer dan gewone kracht, welke
-zij eenmaal hadden bezeten; een vroolijke lach speelt dikwijls op zijn
-gelaat, hij is vriendelijk en voorkomend, maar ook onverbiddelijk
-streng tegenover zijn ondergeschikten. Hij draagt een rijk opperkleed
-van leverkleurig damast, dik geborduurd met gouden bloemen en een blauw
-zijden sarong met zilver doorwerkt, een menigte ringen versieren zijn
-gerimpelde handen en zijn kris vonkelt in de met edelgesteenten belegde
-gouden scheede. Naast hem rijden even sierlijk gekleed zijn zonen,
-klein- en achterkleinkinderen, waarvan zich verscheidene, naar men
-zeide honderdtwintig, in het leger bevonden; een zonnescherm van
-nipabladeren wordt boven zijn hoofd gehouden, terwijl men hem zijn
-gouden piek vooruit draagt.
-
-Meer dan duizend voorname Madureezen volgen hem—een leger van
-Sumanappers en Pamakassanen, met hun kleurige vaandels, bonte doeken,
-waarop spreuken, griffioenen, draken en halve manen afgebeeld zijn, ook
-vier gesloten draagstoelen merkt men op, daarin werden de schoonste
-vrouwen van den ouden vorst gedragen, die hem op den veldtocht zouden
-vergezellen; de muziek der gamelans en javaansche trommen begeleidde
-hen.
-
-De stoet wordt gesloten door de troepen van Djajang Rana, den Depati
-van Soerabaya, allen kleine, onaanzienlijke mannen, die aangevoerd
-werden door den Regent zelf en zijn drie broeders. De Soerabayasche
-prinsen zaten op rijk getooide olifanten; de Depati was bekend als een
-der schoonste mannen van zijn land, hoewel volgens Europeeschen smaak
-zijn neus te plat en zijn trekken te breed geacht konden worden; hij
-was echter van hooge gestalte en zwaren lichaamsbouw, nog slechts zes
-en dertig jaar oud, buitengewoon trotsch en ongenaakbaar; niemand kon
-het in het strijdperk tegen hem uithouden. Zijn broeders waren kleiner
-maar vriendelijker en schenen min of meer gedrukt onder de heerschappij
-van hun oudste.
-
-Het geheele leger bestond thans uit 15000 man, verscheidene stukken
-geschut, die door 200 buffels vervoerd werden en uit 5000 lastdragers.
-
-De dag waarop de wapenschouwing plaats had, werd door een groot feest,
-gegeven door den Depati, besloten, den volgenden morgen zou men zich op
-marsch begeven; een onafzienbare menigte menschen drong zich om den
-aloen-aloen, teneinde dit bijna eenige schouwspel van een strijdvaardig
-leger, aangevoerd door de eerste Javaansche prinsen na den keizer, te
-zien oprukken. Morgen in alle vroegte zouden eerst eenige Hollandsche
-brigades vertrekken, om dan gevolgd te worden door de Madureezen en
-Soerabayers, terwijl eindelijk nog eenige brigades met den staf van het
-leger de achterhoede moesten vormen.
-
-Het feest dat de Depati in zijn dalem aanrichtte was schitterend; een
-groote tafel, waaraan wel driehonderd man konden zitten, was onder een
-ruime pendoppo opgeslagen; voor de gasten waren chineesche stoelen
-neergezet; aan het hoofd der tafel zat de grijze Panombahan, wien men
-echter met moeite deze eereplaats had opgedrongen, daar hij deze aan
-den veldheer wilde afstaan. Aan zijn rechterhand was majoor Knol
-gezeten en aan de linkerzijde de Depati Soerabaya, die een man met een
-stemmig, eenigszins ontevreden gelaat aan zijn zijde had, de
-veldprediker François Valentijn namelijk. Zeer tegen zijn zin maakte
-hij dezen veldtocht mede en met misnoegden blik liet hij de rijke
-verscheidenheid van schotels langs hem heen trekken, want hoe heerlijk
-toebereid ook het wildbraad, het ossen-, kalfs- en hertenvleesch zijn
-mocht, hij kon er niets van genieten daar alles met klapperolie was
-toebereid, hetgeen de spijzen voor hem oneetbaar maakte; zijn gedachten
-waren klaarblijkelijk verre van daar te Batavia, waar hij een zieke
-vrouw en verscheidene kinderen had achtergelaten of bij het weinig
-verkwikkelijke vooruitzicht van den aanstaanden veldtocht.
-
-Hij kon toch niet nalaten nu en dan een blik te werpen op de vrouwen
-tot het gevolg van de Javaansche prinsen behoorende, die ten getale van
-honderd in een halve maan achter de tafel op kleine matten gezeten
-waren; zij schenen echter het bezien nauwelijks waard, zonder de
-bloemen en juweelen die haar versierden. Op den predikant Valentijn
-volgden de andere kapiteins, officieren, Javaansche en Madureesche
-prinsen.
-
-Hoewel het feest door een Mahomedaan gegeven werd en zoovele andere
-Mahomedanen er deel aan namen, vloeide de wijn in ruime mate, en deze
-bond welhaast de tongen los; toen de eigenlijke maaltijd geëindigd was,
-verscheen het dessert op tafel dat zoo het kon alles wat reeds
-voorgediend was, in overvloed en rijkdom overtrof. De heerlijkste
-pompelmoezen, djamboes, pisangs, ananassen, manga’s in de rijkste
-verscheidenheid, sappige nanka’s, goudgele doerians,
-tamarindeconfituren en ketelawortelen in sierlijken vorm gerangschikt,
-streelden vooral het oog van den armen predikant, die zich tot nu toe
-slechts met droge rijst had moeten behelpen.
-
-Allen prezen het rijke onthaal dat de Depati zijn gasten aanbood en den
-smaak zijner trotsche eerste vrouw, een Japarasche prinses, die hem in
-hoogmoed waardig terzijde stond; niemand hechtte ongetwijfeld op dit
-oogenblik eenig geloof aan de lasterrijke praatjes, welke hier en daar
-gefluisterd werden van de al te goede verstandhouding, welke tusschen
-dezen prins en den vijand bestond.
-
-Gedurende het geheele maal hadden de Javaansche orkesten zich laten
-hooren; een vroolijke, opgewekte geest scheen aan tafel te heerschen,
-want de regent van Soerabaya was ondanks zijn grooten trots toch een
-hoogst aangename, gulle gastheer.
-
-Er werd tusschen de drie legerhoofden druk gedronken en geklonken, op
-den goeden uitslag der expeditie en der vereenigde wapenen; daar
-verbleekte de Depati plotseling, de hand waarmede hij het glas aan de
-lippen wilde brengen, beefde zoo sterk, dat de inhoud over zijn
-goudlakensch wambuis viel.
-
-De Panombahan brak in een luidruchtig gelach uit, hij dacht niet anders
-of de wijn had zijn sterken broeder van Soerabaya reeds het verstand
-beneveld en de kracht der vingers ontnomen. Met een gedwongen lach
-verontschuldigde zich de Depati; een der slaven, die aan tafel dienden,
-een groote, sterke man, was toegesneld en wischte met een doek de
-druppels weg. Niemand zag hoe van terzijde de regent den bediende
-aanzag en hem binnensmonds toevoegde:
-
-„Vermetele, hoe durft gij?”
-
-De slaaf ging echter voort met zijn werk en sprak:
-
-„’t Is gedaan, edele Heer!”
-
-Hij verwijderde zich vervolgens weer en nam een der schotels met
-vruchten op om ze den bevelhebber aan te bieden; doch de oogen van den
-Depati bleven hem steeds volgen, zoo bemerkte hij ook hoe deze slaaf in
-het voorbijgaan een anderen aansprak, wiens donker bijna zwart gelaat
-zich met woeste, grimmige uitdrukking op de Hollandsche gasten richtte.
-Slechts een verstrooid oor leende de regent meer aan de gesprekken; hij
-glimlachte soms werktuigelijk maar vermeed telkens mede te spreken,
-terwijl de beide slaven zich thans achter den zetel van den Madurees
-bevonden, die met Govert Knol de bijzonderheden van den veldtocht druk
-besprak.
-
-Wie let er ook op een slaaf? Noch de majoor, noch de Panombahan
-koesterden eenige achterdocht, terwijl de slaaf met onverschillig over
-elkaar geslagen armen achter hun stoelen stond en zijn blikken koel
-door de pendoppo deed dwalen.
-
-Tevergeefs hield dominé Valentijn een zeer belangwekkend gesprek over
-Hollandsche en Javaansche vruchten, de Soerabayasche prins luisterde
-niet; op zijn vragen aangaande de verscheidene soorten van djamboes en
-pisangs kreeg hij dikwijls de meest onzinnige antwoorden, zoodat de
-goede leeraar tot het besluit kwam den hoogmoedigen prins niet langer
-het genot zijner gesprekken te gunnen.
-
-Eindelijk stond de Edele Heer Knol op; de twaalf dragers van den
-Panombahan schoten toe en hieven hem weer op de draagplank, alle andere
-grooten verwijderden zich nu ook van de tafel, terwijl het gevolg
-toeschoot om van het rijke overschot zijn deel te nemen.
-
-De Depati verliet alleen de pendoppo; langzaam en ongemerkt volgden hem
-de beide slaven, die hij in ’t voorbijgaan had toegewenkt. Zij begaven
-zich naar een binnenplein door een hoogen muur van de feestzaal
-gescheiden; hier waren zij alleen en onbespied, maar nog steeds behield
-het gelaat van den regent een bezorgde, onrustige uitdrukking, die zijn
-beide gezellen in een hartelijken lach deed uitbarsten.
-
-„Gij kunt lachen, maar ik meende door den grond te zinken!” riep hij
-toornig uit, „hoe durft gij het wagen!”
-
-„Als ik ’t niet waagde, wie zou het anders doen?” antwoordde de
-grootste slaaf, „heb ik mij niet goed van mijn taak gekweten, hoewel
-het jaren en jaren geleden is, sints ik het slavenpak droeg en een
-tafel diende? Inderdaad Soerabaya, uw tafel is schitterend en uw gade
-een uitstekende gastvrouw, maar nog schooner is het vereenigde leger.
-Hoe zal ’t er over een maand mee gesteld zijn?”
-
-„Gij hebt de wapenschouwing bijgewoond?”
-
-„Natuurlijk, ik wilde weten, hoe men mij vreesde; dezen morgen in alle
-vroegte verlieten wij Kali-Anjer in een kleine boot, Wirajoeda en ik,
-we kwamen juist bijtijds om het uittrekken der troepen te zien, maar ik
-had er niet genoeg van, ik wilde de Hollanders van nabij beschouwen en
-iets van hun plannen hooren. ’t Is mij goed gelukt, ik heb veel
-vernomen, waarmede ik mijn voordeel kan doen.”
-
-„Maar hebt ge niet bedacht aan hoeveel gevaren gij u blootstelt, niet
-alleen uzelf maar ook mij?”
-
-De toon van den Depati klonk thans laag en bijna ootmoedig.
-
-„Uw toestand is gevaarlijk Soerabaya, ik erken ’t. Zeg mij oprecht,
-hebt gij geen lust u in waarheid met de Hollanders te verbinden en mij
-te bestrijden, de gelegenheid is schoon, ik bevind mij in uw macht. Een
-woord en ik ben uw gevangene!”
-
-„Neen, duizendmaal neen! Mataram zal verdwijnen, en de Madurees
-eveneens; ik haat den ouden wellusteling, voor wien ik mij in ’t stof
-moet vernederen, om den soembah [31] te doen, als ware ik zijn
-onderdaan en niet een bijna onafhankelijk vorst. Gij zijt mijn eenige
-hoop, als we dit leger vernietigen dan is de macht en het aanzien der
-Hollanders voorgoed gefnuikt.”
-
-„En als ik sneuvelen mocht, Soerabaya?”
-
-„Groote gevaren heeft mijn broeder doorstaan, en steeds bleef hij
-onoverwinnelijk, waarom zou thans zijn ure slaan? Maar juist daar er
-zooveel afhangt van uw leven, sidderde ik zoo even toen ik u onder deze
-vermomming herkende. Heeft niemand argwaan opgevat?”
-
-„Niemand, er zijn thans zoovele vreemdelingen in de verschillende
-hofstoeten dat geen zijn buurman wantrouwt. De Madureezen vroegen mij
-of ik een Rembanger was en aan die van Toeban verhaalde ik dat ik den
-Depati van Japara toebehoorde, maar nu moeten we vertrekken,
-Wirajoeda!”
-
-„Doch gij hebt nog niets gebruikt om u te versterken of te
-verfrisschen.”
-
-„In een warong hebben we straks ons maal genomen, minder rijk, ’t is
-waar, dan het uwe, Depati, doch ruim voldoende. Ik ga terug naar
-Bangil, gij houdt u aan onze afspraak; laat uw zonneschermen steeds
-vooruitdragen dan zal ik zorgen dat niemand op uw manschappen schiet.”
-
-„Heldenmoed zal hun moeilijker te leeren zijn, dan lafhartigheid.
-Gemakkelijk is ’t voor hen het parool op te volgen van niet te vechten.
-Doch zal ik u geen wacht geven om u te vergezellen?”
-
-„Neen, elke voorzorg vermeerdert ons gevaar; mijn gezel moet zich
-haasten naar Kediri, waar een andere inval wordt verwacht. Met den
-kreupele is niets uit te richten.”
-
-„Welnu, als het oogenblik daar is, laten wij hem vallen als een vaandel
-dat zijn dienst gedaan heeft. Tot wederziens! Hoe vurig verlang ik mijn
-broeder op zijn beurt hier feestelijk te ontvangen, dan zal het een
-gastmaal zijn, waarbij dit in het niet verdwijnt.”
-
-„Ik wensch het met u maar wisselvallig zijn de kansen van den krijg. ’t
-Is een dobbelspel dat wij spelen Soerabaya, en de inzet is ons leven,
-ons land.”
-
-„Verlies geen moed broeder, want als gij die kostbare gave laat zakken
-is alles gedaan. Vaarwel! wees voorzichtig, ik zal u den kortsten weg
-wijzen uit mijn dalem, naar de Kali Mas.”
-
-„Doe geen moeite, ik ken den weg, ga naar uw gasten terug broeder, die
-uw afwezigheid stellig betreuren, wij redden ons zelf.”
-
-De regent keerde met bezwaard gemoed naar zijn gasten, die zijn
-afwezigheid op hun wijze uitlegden en zich verlustigden of verveelden
-met het gezicht der danseressen, die haar kunstigste toeren ten beste
-gaven voor het hooge gezelschap.
-
-Intusschen waren de beide vermomde slaven zonder ongeval in hun
-schuitje gekomen, dat door vier roeiers in beweging werd gebracht. Snel
-doorkliefde het de baren, die in de laatste zonnestralen met vuurrooden
-glans schitterden.
-
-Spoedig viel de duisternis en met haar kwam zich een gouden weefsel van
-sterren in de zacht geschubde wateren spiegelen. Soerapati zat achter
-in het prauwtje, tegenover hem lag Wirajoeda uitgestrekt; met snelle
-slagen roeiden de roeiers voort, verscheidene scheepjes vlogen hen
-langs en niemand vermoedde, wie zich in dat onaanzienlijke schuitje
-bevond. Beide mannen zwegen, plotseling vroeg de vorst:
-
-„Wat zegt ge van die troepenmacht, Wirajoeda, uitgezonden om mij, mij
-alleen te bestrijden?”
-
-„Die troepen jagen mij geen schrik aan maar wel het zware geschut, hoe
-zullen wij dat op den duur weerstaan? De moerassige grond, het
-verwijderde seizoen zijn onze beste bondgenooten, zullen zij op den
-duur bestand blijken tegen die kanonnen, mortieren en handgranaten? Hoe
-weinig kunnen wij daar tegenoverstellen? O meester, waarom hebt ge het
-mij verboden? Een druppel in den drank van die blanke honden en zij
-waren onschadelijk geworden....!”
-
-„Sinds wanneer strijden wij met zulke wapenen, vriend? Een rijk is al
-zeer nabij zijn ondergang wanneer de vorst tot deze middelen zijn
-toevlucht moet nemen. Wij zullen hen ontvangen achter onze
-versterkingen en dan zien wie de sterkste blijkt.”
-
-„Nooit steeg het water ons zoo hoog aan de lippen.”
-
-„Ge hebt veel vergeten Wirajoeda, en in de gevangenis van Batavia dan
-en in het gebergte van den Preanger en in den dalem van Karta-Soera? ’t
-Is zoo, we waren toen jonger, wij hadden minder te verliezen, maar toch
-alles wel beschouwd, ik heb nu ook niets te laten dan mijn leven, is
-dat weg, welnu....”
-
-„En uw rijk dan?”
-
-„Het zal met mij staan of vallen, ik heb vele erfgenamen maar geen
-opvolger.”
-
-„Meester,” vroeg Wirajoeda zacht, „is ’t waar, wat men fluistert? Hebt
-gij den zoon uwer blanke vrouw teruggevonden en wildet gij hem
-verheffen boven al uw andere kinderen?”
-
-„Het is zoo, Wirajoeda en ook gij zoudt hem gehoorzaamd hebben daar hij
-de eenige was, die mijn rijk in mijn geest zou hebben voortgezet maar
-noch Lembono, noch Pengantin, noch mijn andere kinderen had ik
-benadeeld. Hem zouden de grootste plichten zijn ten deele gevallen.
-Hadt gij hem gehoorzaamheid geweigerd?”
-
-„Gehoorzaamheid weigeren aan den uitverkorene mijns meesters, dat
-nooit, al zou ook mijn hart gebloed, mijn stem gebeefd hebben bij het
-zweren van den eed van trouw!”
-
-„Ik weet dat ik op u rekenen kan, oude vriend! Hoe lang was de weg,
-dien wij samen maakten uit het slavenhok naar den vorstentroon, van het
-Westen van Java tot aan het Oosten vervolgden wij dien weg, wij gingen
-de zon tegemoet. ’t Ware jammer Wirajoeda, als wij vergeefs hadden
-gearbeid; wie kan mijn werk voortzetten, geen mijner zonen, evenmin als
-de Balembanger maar mijn Hollandsche zoon is moedig, onverschrokken,
-eerlijk en trouw als zijn moeder.”
-
-„Als zijn moeder?”
-
-„Ja, als mijn Suzanna, die den dood en de schande verkoos boven ontrouw
-aan mij. Kiai Hemboong en Radhen Goesik hebben mij bedrogen, niet zij;
-mijn tegenwoordige vrouw echter vreest niet tegen mij samen te spannen
-juist in de ure des gevaars en mijn taak nog zwaarder te maken. Zij
-echter was trouw als goud en dit is de troost mijns levens.”
-
-„Maar uw zoon, waar is hij nu?”
-
-„In den kerker; hij heeft bezwaren, ik hoop die te overwinnen, daarbij
-nergens is zijn leven veiliger dan juist daar!”
-
-„Zal nimmer uw voorkeur tot de vreemdelingen tanen, meester; hebt ge
-niet genoeg van hen verduurd? Hebt ge het lot vergeten van kapitein
-Jonker, dien zij beleedigd, gewantrouwd, vervolgd en doodgeslagen
-hebben?”
-
-„O als ik slechts tijd van leven hebben mag, als mijn zoon wilde, dan,
-dan...! Maar neen! Ik heb van nacht zonderling gedroomd, Wirajoeda, ik
-verbeeldde mij in Malang te zijn, ik zag de hoogvlakte aan mijn voeten
-met haar wouden en terrassen, ik zag de breede stroomen en de hooge
-bergen, de bergribben en kloven zoo duidelijk als ik ze meermalen in
-werkelijkheid aanschouwde en plotseling bemerkte ik dat bruggen van
-ijzer en steen de rivieren overspanden, dat zich steden aan den voet
-der bergen legerden, dat op de reede van Pasoeroean reusachtige schepen
-het water doorkliefden. Plotseling hoorde ik een zonderling gerucht, ik
-zag omlaag en daar kronkelde zich al sissend een reusachtige slang vuur
-en vlammen brakende door de bosschen en wolken rook dreven over de zee
-en over die groote schepen. ’t Was vreemd maar niemand verschrikte voor
-de zonderlinge monsters, die zee en aarde verontrustten. De slang drong
-in de bergen en trok over de rivieren, hijgend en loeiend bleef zij
-soms staan en menschen verlieten haar schoot, blanken en bruinen waren
-het, ik zag ze nauwlettend aan en zie het werd mij duidelijk hoe ’t
-land toch niet van aanschijn was veranderd, hoe ook de bergen
-doorboord, de rivieren overbrugd, de afstanden verdwenen waren,
-tusschen ons volk en het hunne bleef een wijde klove gapen. Zij waren
-nog steeds de meesters en wij de dienaren. Toen begreep ik dat ook mijn
-werk vergeefsch was geweest, en ik ontwaakte vol bittere smart. Vriend,
-onze weg spoedt ten einde!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-VOOR BANGIL.
-
-
-Het leger der Hollanders lag in de rijstvelden van Derma gekampeerd;
-deze vruchtbare vlakte strekt zich tusschen een dicht woud en het
-stadje Bangil uit, dat geducht versterkt was en elken verderen
-doortocht belette.
-
-Een zwaren moeilijken tijd had de vereenigde legermacht der Hollanders,
-Madureezen en Soerabayers doorstaan.
-
-De weg voerde over den vochtigen, moerassigen bodem van de Delta der
-Kalimas of Brantasrivier, welke daarenboven door talrijke riviertakken
-besproeid was, die het leger moest doorwaden of overbruggen; de zware
-hitte, de schadelijke uitwasemingen van den grond, het gebrek aan water
-en welhaast aan levensmiddelen brachten het leger spoedig in
-betreurenswaardigen toestand.
-
-Bij het dorp Penangoengan lag de vijand achter een verschansing, het
-gelukte den kommandant Knol hem van hieruit te verdrijven, nadat hij
-over de rivieren, welke er voor lagen met de grootst mogelijke
-inspanning eenige bruggen had laten slaan.
-
-In plaats echter dat deze overwinning den moed onder de manschappen
-opwekte, werd de stemming hoe langer, hoe treuriger; met moeite rukte
-men in den vroegen morgen voort, het aantal zieken nam steeds toe, de
-lastdragers, Javaansche koelies van het minste soort, wierpen telkens
-hun bagage op den grond en zetten het dan op een loopen, met geweld
-moest men hen telkens tot voortgaan dwingen. De krijgshaftige troepen
-uit alle volkeren van den Archipel bestaande, welke voor weinige dagen
-Soerabaya, met vliegende vaandels en slaande trommen, hadden verlaten,
-waren in een weinig oogelijke, havelooze menschenmassa veranderd, die
-zich met moeite voortsleepte onder de brandende zonnestralen.
-
-Maar wat echter hun moed geheel knakte en allen lust tot strijden en
-voortgaan benam, was het vermoeden dat zij opzettelijk langs dwaalwegen
-gevoerd werden naar een hinderlaag; met wantrouwen zagen zoowel de
-Hollanders als de Madureezen den trotschen regent van Soerabaya aan,
-die met zijn drie broeders een leger van lafaards aanvoerde; zoodra het
-oogenblik des gevechts gekomen was, wierpen deze helden zich ter aarde
-en weigerden voort te gaan; daarenboven hield men zich overtuigd dat de
-vorst dagelijks boden naar Soerapati zond om hem in kennis te stellen
-van alles, wat er in het Compagniesleger plaats had.
-
-Met de grootste moeite werd het zware geschut door allerlei greppels,
-moerassen en kleine rivieren gesleept, over half overstroomde
-rijstvelden, totdat men een groot bosch al kappende moest doortrekken.
-Eindelijk kwam men aan de rijstvelden van Derma. Hier werd een gedeelte
-van het leger dat vooruitgezonden was om zich een weg door het volgende
-woud te banen door den vijand aangevallen en evenals de compagnieën
-onder den onstuimigen kapitein de Bevere, die tot hun ontzetting werden
-uitgestuurd, deerlijk geslagen.
-
-Omstreeks 140 man werden door vijanden wier aantal nauwelijks de helft
-bedroeg gedood; het waren alweder de ruiters van den Depati Soerabaya,
-die oorzaak geweest waren van deze nederlaag.
-
-Groote verslagenheid heerschte er na dit ongelukkig voorval in het
-Hollandsche kamp; de dragers waren niet meer te bewegen voort te gaan,
-hoe zij ook aangedreven en zelfs geslagen werden, vóórdat aan
-weerszijden van den weg een pagger ter hunner verdediging werd
-opgericht; dit kostte natuurlijk veel tijd, een dure tijd nog wel, daar
-de regentijd aanstaande was en de ellende niet zou te overzien zijn
-indien het leger te midden van deze moerassen en over hun bedding
-stroomende rivieren door het slechte seizoen verrast werd.
-
-De tenten van den Hollandschen legerhoofdman lagen in het midden, die
-van den Madureeschen Panombahan links en die van Depati Soerabaya
-rechts; de Heer Knol had zoolang hij kon nog een open tafel gehouden,
-thans echter was de mondvoorraad uitgeput, slechts met wat droge rijst
-en ellendig water moesten officieren en manschappen hun leven rekken.
-
-Niemand mismoediger dan de heer Valentijn, die zich hoe langer hoe
-zieker voelde en aan den toestand van zijn lichaam nog vrij wat meer
-waarde hechtte dan aan het treurige vooruitzicht dat het leger der
-Compagnie wachtte; hij boekte alle lotgevallen van deze reis even
-nauwkeurig als alle verschillende tijdperken die zijn lichaam doorliep.
-
-Den tijd, dien de vijanden noodig hadden om langzaam voort te rukken,
-want om 1½ mijl te vorderen besteedden zij 12 dagen, benuttigde
-Soerapati om de verdediging van Bangil te voltooien; achter twee
-kanalen lagen zijn versterkingen over een groote, eenigszins
-binnenwaarts gebogene linie, de rechter- en linkerwerken sprongen een
-weinig vooruit, terwijl nog op een zevental plaatsen de linie versterkt
-was door katten.
-
-Achter deze wallen lag het stadje Bangil: de Hollanders hadden thans
-vijf bolwerken met veel moeite opgericht, welke dienen moesten om den
-vijand op vijf plaatsen tegelijk aan te tasten.
-
-Den 16 October des morgens om half zeven begon de storm; de Panombahan
-en zijn Madureezen tastten de vesting ter linkerzijde aan, de kapiteins
-van der Hout en Bintang in het front, de Soerabayers ondersteund door
-kapitein de Bevere aan de rechterhand.
-
-Het gevecht ontbrandde van beide kanten; onder het hevig geweervuur van
-den vijand rukte het Compagniesleger vooruit; niemand echter waagde
-zich zooverre als kapitein de Bevere, die zijn nederlaag van voor
-weinige dagen moest uitwisschen; hij was de eerste, die den
-vijandelijken wal beklom, zonder van een stormladder gebruik te maken.
-Toen hij door een vijandelijke piek neergestooten verdween, meende de
-bevelhebber dat hij gesneuveld was en zond een anderen kapitein om hem
-te vervangen maar bijna dadelijk zag men hem weer op den wal, waar hij
-zijn vaandel onverschrokken plantte; de piek had slechts de kwast van
-zijn sjerp getroffen en hij was in de armen van zijn oppasser
-neergevallen.
-
-Ook kapitein van der Hout deed wonderen van dapperheid, tachtig zijner
-mannen waren door de reten der bamboes van den pagger neergeschoten en
-groote verslagenheid dreef de troepen aan tot vluchten, maar de
-kapitein rukte de sabel uit de scheede, stelde zich aan het hoofd
-zijner mannen en dreigde ieder die vluchtte neer te sabelen. Dit hielp,
-binnen weinige oogenblikken verdreef hij den vijand ook van dezen post.
-
-De Madureezen kweten zich wel op dezen dag; kloppend op een kleinen
-gong gaf de tachtigjarige Panombahan telkens het sein tot den aanval;
-drie keer werden zij teruggeslagen en telkens hernieuwden zij den
-aanval totdat zij den vierden keer ondersteund door den veldheer Knol
-zelf, meester van deze plaats werden.
-
-Alleen de Soerabayers vochten meer in schijn dan werkelijk, zij sloegen
-met de pieken tegen die van den vijand als gold het een spiegelgevecht
-en toonden telkens lust van de veroverde punten weg te vluchten, indien
-kapitein Sergeant hun niet met geweld in het vuur had teruggedreven.
-
-Op wanhopige wijze had de vijand zich verdedigd; zoo lang hij kon
-schoot hij op de aanvallers. Soerapati voerde zelf het bevel; het
-scheen of hij overal tegelijk kon wezen, waar zijn troepen begonnen
-terug te deinzen, stelde hij zich aan hun hoofd en voerde hen weer
-terug in den strijd.
-
-Een uur lang duurde de aanval en nog was de kans niet beslist, telkens
-werden de aanvallers teruggeslagen, toen plotseling een luid gehuil
-opsteeg uit de gelederen der belegerden. Zij hadden hun aanvoerder zien
-vallen; een handgranaat, die naast hem ontplofte, had hem aan den
-schouder gewond. Hij richtte zich dadelijk op, zwaaide zijn piek boven
-het hoofd en riep luide:
-
-„’t Is niets, ik ben niet gekwetst! Voorwaarts, voorwaarts!...”
-
-Nogmaals wilde hij voortrukken en met het vuur, dat hij alleen aan zijn
-mannen mededeelen kon, hen opnieuw bezielen, toen hij plotseling
-ineenzakte; hij had ook in de zijde een wond ontvangen, welke hij niet
-eens voelde maar die toch doodelijk was.
-
-Lembono, zijn zoon, snelde toe, om hem op te richten.
-
-„Laat mij wegbrengen, stel u aan hun hoofd, dat ze het niet bemerken,”
-gebood hij.
-
-Maar als een loopend vuur verspreidde zich de treurmare door het leger,
-een onbeschrijflijke schrik heerschte alom, de moed ontzonk allen en
-weldra waren de troepen der Compagnie besliste overwinnaars; Bangil, de
-sleutel van het vijandelijke land, was nu veroverd, en niets scheen
-thans meer aangewezen dan dat het zegevierende leger zijn tocht zou
-voortzetten naar Pasoeroean.
-
-Dit schenen de verdedigers en bewoners van Bangil ook te verwachten,
-want alles begaf zich snel op de vlucht, maar in het vijandelijke kamp
-werd anders besloten. Zware regenbuien ontlastten zich boven hun
-hoofden, men kende de wegen niet en vertrouwde den Depati minder dan
-ooit, de ziekten raapten vele soldaten weg, eten en drinken ontbraken,
-de toestand der officieren was reeds ellendig, hoeveel te meer moest
-die der soldaten dan wezen; men wist daarenboven niets van Soerapati’s
-zware verwonding.
-
-De oude Panombahan ried ten sterkste af den veldtocht voort te zetten
-en de Depati koos met zijn troepen het hazepad toen het bericht kwam,
-dat de vijand zich gereed maakte Soerabaya aan te tasten.
-
-Al deze overwegingen en feiten deden den kommandant Knol besluiten den
-tocht niet verder voort te zetten maar naar Soerabaya terug te keeren;
-hij beging daarbij de onvergefelijke fout om de met zooveel moeite
-veroverde punten onbezet te laten.
-
-Men meende voor dit jaar genoeg te hebben gedaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-SOERAPATI’S DOOD.
-
-
-De gewonde vorst was met een draagbaar naar het dorp Randa Telloe
-gevoerd, hij ook verwachtte niet anders dan dat het vijandelijke leger
-zijn voordeelen niet zou opgeven, maar voorttrekken naar Pasoeroean;
-hij gaf dus bevel hem niet naar zijn kraton te brengen, maar naar het
-twee uur van Bangil verwijderde plaatsje, waar hij een klein lusthuis
-bezat.
-
-Zijn wonde vooral die aan de zijde was zeer gevaarlijk, nog dienzelfden
-avond openbaarden zich hevige wondkoortsen, verscheidene doekoens
-werden bij zijn legerstede geroepen, doch geen van allen wist raad.
-
-Hij viel telkens in zwijm, maar nauwelijks had hij een helder oogenblik
-of hij vroeg:
-
-„Zijn de vijanden voortgerukt? Komen ze nader? Houd mijn verwonding
-geheim, dat niemand in Pasoeroean het wete!”
-
-Zijn omgeving trachtte zijn wensch zooveel mogelijk te eerbiedigen,
-daar ieder begreep van hoeveel gewicht het was zijn verdwijning
-verborgen te houden.
-
-Toen de Hollanders teruggekeerd waren naar Soerabaya kwam men hem de
-heugelijke tijding brengen; hij glimlachte ondanks zijne pijnen.
-
-„De dwazen, mijn geheele land lag voor hen open en zij hebben het nu
-verlaten, als ik beter ben, hoe duur zal ik ze mijn wond en de
-nederlaag van Bangil doen boeten. Soerabaya heeft zijn belofte wel
-gehouden”.
-
-Een tweede bode kwam melden dat ook de aanval op Kediri mislukt was en
-dat kapitein de Roode gedwongen was terug te keeren naar Karta-Soera.
-
-„Als ik slechts hersteld was, zouden wij tevreden mogen zijn!” sprak
-hij.
-
-Nu maakte hij geen bezwaren meer om naar Pasoeroean te worden geleid,
-waar hem in den kraton betere verzorging wachtte. Met de grootste
-omzichtigheid werd hij vervoerd, want zijn toestand vereischte veel
-zorg en de kunst der Javaansche wondheelers was niet groot; in een
-eenvoudige draagbaar droeg men hem weg, doch hoe voorzichtig ook alles
-in ’t werk gesteld werd, men kon ’t niet verhoeden dat de beweging een
-hevige koorts ten gevolge had en hij in ellendigen toestand te
-Pasoeroean aankwam, waar men nog weinig vermoeden had van zijn ziekte.
-Zelfs de Radhen Ajoe wist er niets van; zij had gemeend dat haar man
-zich met haar zoon Lembono aan het hoofd der troepen bevond, die een
-inval deden op Soerabaya.
-
-Toen men haar meldde dat de vorst zwaar gewond en misschien hopeloos in
-den kraton was aangekomen, verschrikte zij hevig; de oude liefde welke
-zoo lang door ijverzucht in slaap gewiegd, ingesluimerd was, ontwaakte
-weer en met verwarde haren luid gillend en jammerend snelde zij naar
-het rustbed, waarop de held uitgestrekt lag.
-
-Opgeschrikt door haar kreten hief Soerapati de moede oogen op.
-
-„Blijf bedaard, Radhen Ajoe, blijf bedaard!” fluisterde hij. „Gij en uw
-zoons zult weldra meesters zijn! ’t Was niet noodig, dat gij u samen
-tegen mij verbondt.”
-
-„Wie heeft u dat gezegd?” snikte zij. „O, Soerapati, is dan uw liefde
-jegens mij geheel dood? Men heeft mij wreed bij u belasterd.”
-
-„Was dat ook laster?” vroeg hij met moeite, „het aandeel dat gij op u
-hebt genomen om mijn hart los te rukken van Suzanna? Die leugen werd
-zij niet door u verzonnen en bekrachtigd?”
-
-„Zoovele jaren zijn verloopen sinds dien tijd! Ik had u zoo lief!”
-
-„En daarom moest gij mijn hart verwonden tot stervens toe? Neen,
-Koesoema, uw liefde was een noodlottig geschenk.”
-
-„Vergeef mij!” ging zij schreiend voort, „vergeef mij! Ik haatte haar
-die gij nooit hebt kunnen vergeten. Zeg me, wat moeten wij doen, uw
-zonen en ik, uw wensch zal ons een bevel zijn, maar gij zult genezen en
-dan ik zweer ’t u, al begrijpen we u niet, wij zullen u gehoorzamen!”
-
-„Waar is Lembono?” vroeg hij.
-
-„Hij is in Soerabaya gevallen en vernielt daar alles te vuur en te
-zwaard; misschien zal hij nog het Hollandsche fort daar binnenrukken.”
-
-Toorn gloeide in de oogen van den gewonde en zijn stem beefde, toen hij
-haperend de woorden uitstiet:
-
-„Vervloekt die onzinnige daad! Hij vernielt de landen van onzen
-trouwsten vriend en bondgenoot. De Depati zal hem daarvoor zwaar doen
-boeten; nu zie ik in, hoe ’t zal gaan na mijn dood. Onverstand en
-hartstocht komen aan het bestuur!”
-
-En de handen voor het gelaat drukkende brak hij in luide wanhoopskreten
-los.
-
-„Alles vergeefs! alles!” klaagde hij, „’t is of ik niet geleefd heb.
-Ellende en oorlog laat ik achter met oneer. De Hadji wordt op nieuw
-meester. Ga heen vrouw! ga heen, gij en uw kinderen overlaadt mijn
-einde met schande en smart.”
-
-Plotseling richtte hij zich op, een straal van hoop gleed over zijn
-ingevallen vermagerd gelaat, en een bediende wenkend, gebood hij hem:
-
-„Ga naar de gevangenis, verlos toewan Sidin van zijn ketenen en breng
-hem hier!”
-
-„Wat is uw voornemen?” vroeg Radhen Goesik.
-
-„Koesoema,” sprak hij, en legde zijn handen op de hare, „belooft ge
-mij, dat mijn laatste wil u heilig zal wezen? Zweert ge gehoorzaamheid
-in naam ook van onze kinderen?”
-
-„Ja, ik beloof ’t u,” antwoordde zij weenend.
-
-„Dan vergeef ik u alles, alles, maar als die knaap binnenkomt, laat ons
-alleen!”
-
-Ook Robert had droevige weken doorgebracht; zijn gevangenis hoewel
-beter dan die hij verlaten had, was een treurig somber verblijf, des te
-treuriger door het contrast met de heerlijke dagen, die hij achter zich
-had. Toch voelde hij zich niet ongelukkig; het bewustzijn dat hij leed
-voor een hooger beginsel, dat hij vrijheid, eer, rijkdom en aanzien ten
-offer bracht aan zijn plicht, de gedachte aan Digna, die ongetwijfeld
-zijn gedrag goedkeurde, de zekerheid dat zijn karakter gelouterd werd
-en dat hij boete deed voor zijn betreurenswaardige afdwalingen herwon
-hem de achting voor zich zelf en schonk hem een zoete voldoening, die
-zijn ketens lichter maakte en hem alle ongemakken van den kerker met
-geduld deed dragen.
-
-Hij wist niets van alles, wat er in den omtrek van Bangil plaats had,
-hij vermoedde niets van het lot der Hollandsche wapenen, tot op het
-oogenblik toen men hem zijn boeien afnam en de gevangenis deed
-verlaten.
-
-Men bracht hem in het vorstelijke slaapvertrek; voor het hooge met
-donkerroode gordijnen behangen ledikant zag hij een vrouw ter aarde
-liggen, wier gitzwarte haren verward over haar lendenen vielen; maar op
-zijn nadering stond zij op en wankelde de kamer uit.
-
-„Robert,” zoo hoorde hij zich met een zwakke stem noemen. Hij snelde
-naar de legerstede en stond als verpletterd stil; die vermagerde man
-met dat ingevallene, door lijden verwrongen gelaat, den verbonden
-schouder en half uitgedoofde oogen, kon dat de trotsche, krachtige
-Radhen Wiro Negoro zijn, die bij elken stap zich als vorst deed kennen?
-
-„Kom nader Robert, schrik niet!” ging hij bijna fluisterend voort en
-stak de rechterhand naar zijn zoon uit.
-
-Diep medelijden maakte zich van Robert’s ziel meester, voor het eerst
-voelde hij in volle kracht dat de sterkste van alle banden hem aan dien
-man hechtte; hij vergat alles om zich alleen te herinneren dat hij
-tegenover zijn stervenden vader stond.
-
-Hij greep zijn hand en drukte die aan de lippen.
-
-„Vader, arme vader!” zeide hij deelnemend, „wat deert u?”
-
-Soerapati sloeg den arm om hem heen en trok hem dichter naar zich toe.
-
-„Het zijn uw vrienden die mij in dezen toestand hebben gebracht,” zeide
-hij met een zwakke poging tot een glimlach, „ge weet nog van niets? Ze
-hebben Bangil veroverd en het ware hun niet gelukt, als ik was staande
-gebleven maar helaas! de goden hebben het niet gewild. Zij hebben hun
-voordeelen echter opgegeven en niets is verloren, maar welhaast zal ’t
-met mij gedaan zijn, Robert!”
-
-De jonge man knielde naast het bed neer en zag zijn vader met teere
-bezorgdheid aan.
-
-„Waar zijt gij gewond, vader? Zeg me, doet het veel pijn? O wat gloeit
-uw hoofd!” sprak hij.
-
-„Ja kind, mijn einde nadert! Ge hebt bittere dagen doorleefd, arme
-Robert, maar ik kon niet anders. Ik wilde u dwingen tot uw geluk. Zeg
-me spoedig, want de tijd dringt, wat is thans uw antwoord op mijn
-vraag?”
-
-Robert sloeg de oogen ter aarde en zweeg.
-
-„Samen mogen wij niet meer arbeiden, maar alleen wacht u nog grootscher
-taak. Kunt gij uw stervenden vader den laatsten troost weigeren? Kunt,
-wilt gij hem zijn doodsuur verbitteren door uw hardnekkigheid? O
-Robert, heb medelijden met mij! Zeg dat gij de rechten wilt aannemen,
-die ik u schenk. Nog is ’t tijd, morgen wellicht, van avond is het te
-laat!”
-
-„O vader,” riep de jonge man zielsbedroefd uit, „kwel mij niet, het
-valt me zwaar te weigeren, maar ik mag niet!”
-
-„Heeft de afzondering u niet tot andere gedachten kunnen brengen?”
-
-„Integendeel, zij maakte mijn besluit nog vaster!”
-
-„Wee, driewerf wee mij! Die knaap heeft een wil, een ijzeren, een
-onverzettelijken wil; hij ziet, wat zijn plicht is en daarnaar streeft
-hij met vaste hand, noch beloften, noch bedreigingen, noch kwellingen
-kunnen hem daarvan afleiden. Hem juist had ik noodig. Hoe zou hij alles
-veel beter dan ik hebben uitgevoerd, maar helaas! hij wil niet.”
-
-„Ik kan niet, vader!”
-
-„Kind, zal niets u overtuigen van het dwaze van uw besluit? Zijn die
-mannen wien gij zooveel offert, dit offer waardig? Doet gij niet beter
-hen te bestrijden dan te helpen hun kleingeestige belangen ten uitvoer
-te brengen? Wat zoeken zij hier op Java? Winst, geld, genot! Wat zij
-beters hebben sluiten zij voor ons nijdig af, uit vreeze dat zij dan
-niet meer zullen vinden, waarnaar hun hart alleen haakt. Niets is nog
-verloren, Robert! Ik zal mijn Balineezen laten roepen, zij zullen u
-trouw zweren, in u hun aanvoerder erkennen, mijn Radhen Ajoe wil u
-gehoorzamen en steunen en ook uw broeders zal ik leeren in u hun
-eenigen redder te zien. Gij zult hen behandelen zooals zij ’t
-verdienen, en geen onrecht aandoen. O Robert, begrijp uw belang en dat
-van uw geboorteland, van mijn volk, dat ook het uwe is....”
-
-Hij zonk achterover, uitgeput door de inspanning, en de opwinding;
-vermoeid sloot hij de oogen en zijn borst ging heftig op en neer.
-
-Robert stond hem zwijgend aan te zien; in stille wanhoop wrong hij de
-handen en dacht:
-
-„O Digna, kondet gij mij zeggen, wat plicht is!”
-
-„Antwoord!” lispelde de zieke schier onhoorbaar.
-
-„Vader, ik zou mijn land verraden, mag, kan ik het? Uit vrijen wil
-zwoer ik trouw aan uw vijanden, zal ik nu tegen mijn vroegere
-wapenmakkers ten strijde trekken?”
-
-„Is ’t vrees die u doet weifelen, meent ge niet sterk genoeg te zijn
-voor de taak, welke ik op uw schouders leg?”
-
-„Neen, duizendmaal neen! Aan moed ontbreekt het mij niet! O, als gij
-wist hoe uw voorstel mij toelacht, hoe de werkkring, dien gij voor mij
-opent, mij schoon en verleidelijk voorkomt.”
-
-„En toch weigert ge?”
-
-„Ik mag niet anders.”
-
-„Dan is alles gedaan, alles voorbij!”
-
-Hij sloot de oogen en drukte de rechterhand op het hart; bewegingloos
-bleef hij liggen, zoo stil, dat Robert, die naast hem zat, meende dat
-alles gedaan was; nu en dan alleen verried een zware zucht, dat hij nog
-leefde en dacht.
-
-Een oud man trad binnen, behoedzaam en stil eerst, maar toen hij den
-schier levenloozen vorm zag van zijn vorst, slaakte hij een
-doordringenden gil en wierp zich jammerend op zijn voeten.
-
-Soerapati opende zijn zware oogleden, en vroeg verbaasd:
-
-„Gij hier, Kiai, gij en in dit uur!”
-
-„Vervloekt, het uur, waarop ik geboren werd; moest ik den zoon van mijn
-hart overleven, moest ik daarvoor de gevangenis verlaten en op mijn
-leeftijd al bedelend geheel Java doortrekken om mijn kind in dezen
-toestand te zien?”
-
-„Ga heen, vader! Raak mij niet aan! Gij hebt mij eens een bitteren
-drank bereid, die mijn leven vergiftigde. Nonna Suzanna was mij nooit
-ontrouw en haar zoon verbittert thans mijn laatste oogenblikken.
-Vertrek, ik schenk u het leven, daar gij oud en zwak zijt en uw dagen
-geteld zijn, maar u die leugen vergeven en het monsterverbond met mijn
-vrouw en den dwerg, dat nimmer.”
-
-De grijsaard brak in een hartverscheurend gejammer uit.
-
-„Ga heen! Folter mij niet langer, of neen, nog iets! Wat heeft de
-groote Heer geantwoord?”
-
-„Hij heeft naar mij geluisterd, den diamant aangenomen en mij gevangen
-gezet; ik ben ontvlucht....”
-
-„’t Is goed, verlaat mij thans! Spoedig, spoedig, nog heb ik macht te
-bevelen!” drong hij aan toen de oude man aarzelde. Luid kermend ging de
-grijsaard heen, en op nieuw heerschte diepe stilte in het vertrek.
-
-Nu en dan kwamen rijksgrooten bij het bed zien of hun meester in staat
-was hen te antwoorden als zij over staatszaken wilden spreken, hij
-bleef echter zwijgen; ook Pengantin en Lembono verschenen, maakten
-groot misbaar en wierpen wantrouwende blikken op den vreemdeling, die
-de zijde huns vaders niet verliet.
-
-Maar Soerapati scheen niets meer te hooren of te zien, totdat eindelijk
-zijn oude krijgsmakker, de regent van Kediri, zich over hem boog en met
-de tranen, die van zijn verweerde wangen afdroppelden hem het voorhoofd
-bevochtigde.
-
-„Wirajoeda,” sprak hij zacht, „heb ik ’t niet gezegd, kameraad, dat
-onze weg ten einde liep, onze lange, moeilijke weg? Gij zijt mij steeds
-trouw geweest, ik dank u voor uw vriendschap, uw toewijding. Schrei
-niet, die tranen passen niet op uw ruw gelaat; druk me nog eens de
-hand!”
-
-„Lijdt ge veel meester?” vroeg Wirajoeda snikkend.
-
-„Die wonde beteekent niets, maar mijn hart doet me zeer. Ik had u zoo
-gaarne een waardigen opvolger gelaten, vriend, die verdiende door u
-gehoorzaamd te worden; beken mij oprecht, kunt gij onder een mijner
-drie zonen staan?”
-
-„Zij verschillen zooveel van u!”
-
-„Maar deze zoon van mij!” en hij nam Roberts hand in de zijne, „was ten
-volle uw onderwerping waardig. Hij had dit rijk tot hooger bloei
-gebracht, als hij slechts wilde.”
-
-Verbaasd zag Wirajoeda den jongen man aan, toen wierp hij zich voor
-zijn voeten en smeekte:
-
-„Zoon van mijn meester, gij behoort tot een volk, dat ik haat en
-verfoei, maar ik heb levenslang uw vader gevolgd en weet dat alles wat
-hij wenscht goed, ja het beste is. Gehoorzaam zijn wil, laat zijn
-laatste uren niet zwaar worden door uw schuld en ik zweer u dezelfde
-trouw, die ik hem sints dertig jaar bewees!”
-
-„O, kon ik ’t maar!” zuchtte Robert.
-
-„’t Is genoeg! Hij zal aan uw verzoek niet toestaan, wat hij aan mijn
-herhaalde smeekingen en bedreigingen weigerde. Laat ons nu alleen,
-Wirajoeda, ik heb nog slechts enkele woorden te spreken met mijn zoon.
-Ik vertrouw zijn leven aan u toe!”
-
-„Ik blijf u met het mijne daarvoor borg.”
-
-En zoodra zij alleen waren, richtte Soerapati zich half op en zocht
-Robert met de oogen.
-
-„Het schildpadden kistje, de kamer hier naast,” stamelde hij met reeds
-gebroken stem. Robert stond op en voldeed aan het verlangen van den
-stervende; hij ontving het sleuteltje en maakte het kistje open.
-
-„Portret uwer moeder!” fluisterde de zieke en toen Robert hem Suzanna’s
-beeld gaf, drukte hij het aan de bleeke lippen. Daarna legde hij ’t
-weer in het kistje; van zijn vinger nam hij een ring met buitengewoon
-grooten diamant.
-
-„Voor u, dit kistje, deze ring, alles! Houd den ring als een
-gedachtenis maar verkoop den steen, uw erfdeel!”
-
-„O mijn vader, mijn arme vader!” snikte Robert.
-
-„Gij zijt sterk en moedig! Ge durft lijden voor uw beginselen, voor
-zulk een zoon was het goed een rijk te stichten. Gij wilt niet,
-misschien hebt gij gelijk, zij zijn meer dan wij, verlaat hen niet, ’t
-is beter blank te zijn, ’t zij zoo.... keer terug naar het volk uwer
-moeder.... dit rijk zakt in elkander.... liever het bestuur der
-Compagnie dan de regeering der inlanders.... ge moogt alles zeggen, wat
-ge weet... ik wensch den zegepraal niet van mijn zonen.... nu gij hen
-niet aanvoert.... laat er een eind aan komen.... en word gelukkig bij
-uw volk!”
-
-Hij zweeg overmand door aandoening en uitputting.
-
-„Vlucht dadelijk.... vóór mijn dood! Verberg u, ze zullen u niet deren,
-zoolang ik nog adem!”
-
-„Neen vader, ik verlaat u niet!” riep Robert uit.
-
-„Het moet, maar wacht nog even!.... Roep uw God voor mij aan, den
-gekruisten God der Christenen, dien Suzanna aanbad.... Ik had hem
-lief.... liever dan Batoro Shiwa, Boeddha of Allah.... maar Hij wilde
-mijn vereering niet.”
-
-„O, zeg dat niet, vader! Hij is goed en barmhartig! Ja, ik zal voor u
-bidden, het gebed dat Hij zelf ons leerde.”
-
-Robert knielde neder, en bad:
-
-„Onze Vader, die in den hemel zijt....”
-
-„Onze Vader,” lispelde de stervende stem, „ja, dat is het, zoo moest
-het zijn.... ons aller Vader.... kinderen van een vader, blank en
-bruin.... de kinderen vergeten het.... maar Hij, Hij weet het.... Hij
-kent ze allen.... Onze Vader....”
-
-Robert bracht met moeite het gebed ten einde; de vorst echter lag
-onbewegelijk de rechterhand op zijn voorhoofd gedrukt.... de lippen
-half geopend.... nog klopte zijn hart flauw en zacht, maar de machtige
-geest was reeds ter ruste gegaan.
-
-Wirajoeda trad binnen, hij zag de teekens van den laatsten strijd op
-het gelaat van zijn geliefden vorst en huiverde, maar toch zijn zorg
-betrof alleen den levende.
-
-„Vertrek spoedig, neem mede, wat van u is,” drong hij aan, „de zonen
-van Soerapati hebben ’t op uw leven gemunt. Volg mij spoedig!”
-
-Werktuigelijk stond Robert op; de regent voerde hem bij den arm weg,
-door een menigte zalen, gangen en binnenplaatsen, totdat hij aan een
-poort in den buitenmuur kwam; daar stond een paard gezadeld.
-
-„Langs de zee kunt gij niet ontvluchten! Het gebergte in, spoedig,
-spoedig naar Tosari.”
-
-Tegen het vallen van den avond bereikte Robert het dorp, waar de
-goedige bergbewoners hem herkenden en vol vreugde ontvingen. Siwangi,
-nu een gelukkige gade, was zijn gastvrouw. Bittere smart heerschte in
-het dorp bij het vernemen van Soerapati’s dood.
-
-„Wat zal nu ons lot zijn, onder zijn vrouw en zonen?” vroegen zij zich
-angstig af.
-
-Toen de begrafenis van den vorst in alle stilte had plaats gehad,
-verliet Robert vermomd als Tengerees met eenige zijner vriendelijke
-gastheeren het dorp; hij kwam in Pasoeroean aan en bezocht het
-eenvoudige graf zijns vaders. Daar ook vernam hij dat de drie broeders
-elkander op heftige wijze zijn nalatenschap betwistten en dat Kiai
-Hemboong zich op het graf zijns meesters had gekrist. Het onreine
-bloempje van Pengantin’s liefde tot Siwangi was tusschen al dien rook
-en dat bloed gelukkig verwelkt.
-
-Door de zorgen der Tengereezen gelukte het Robert met een kleine list
-Pasoeroean te verlaten en in Soerabaya aan te komen, waar de officieren
-hem als een uit den dood verrezene ontvingen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-DE WRAAK OP DEN DOODE.
-
-
-Hoewel de dood van Soerapati der Compagnie een zucht van verlichting
-deed slaken, zoo was ’t er nog ver af dat de oorlog een einde had
-genomen. Te Batavia nam men het den veldheer Govert Knol ten hoogste
-kwalijk dat hij zijn troepen bevel had gegeven naar Soerabaya terug te
-keeren in plaats van hen te doen voortrukken naar Pasoeroean; maar nog
-grooter was de verontwaardiging tegen Depati Soerabaya, wiens dubbele
-rol men nu duidelijk doorzag, maar wiens verraad althans voorloopig
-niet gestraft kon worden.
-
-De drie broeders begonnen onmiddellijk na des vaders dood hevig te
-twisten, terwijl de prins van Balembangan die gewillig het bestuur van
-zijn land had overgelaten aan Radhen Wiro Negoro, wiens meerderheid hij
-erkende, nu de teugels van het bewind zelf in handen nam; om hem
-vereenigden zich de Balineezen, terwijl de Javaansche Mahomedanen zich
-rond de zonen van Soerapati schaarden.
-
-Radhen Goesik gelukte het door middel van Sheik Abdoelah den vrede
-onder de broeders te herstellen; zij ging met hen naar Kediri en haalde
-hen over zich aan Soenan Mas schijnbaar te onderwerpen; deze nam hun
-hulde aan en beleende Pengantin met de opvolging van zijn vader, alsof
-deze den keizer ooit als leenheer had erkend; ook de andere zonen
-kregen een gedeelte van het land onder hun gebied.
-
-Door deze plechtigheid werd de zedelijke kracht der jonge mannen niet
-weinig vermeerderd. Sheik Abdoelah vuurde de godsdienstige hartstochten
-van het volk nog meer aan en met vol vertrouwen wachtte nu de geheele
-Oostkust van Java den nieuwen veldtocht af, welke in het volgende jaar
-(1707) tegen hen ondernomen werd.
-
-Deze stond echter niet onder het bevel van Govert Knol maar onder dat
-van Herman de Wilde, die door den dood van zijn vijand nog niet
-bevredigd, van verlangen brandde zijn rijk te vernietigen.
-
-Den 18den Juli begon de veldtocht van uit Karta-Soera, over de
-Solorivier en de Brantas naar Kediri, dat echter reeds door den
-heldhaftigen Adipati Anoem ontruimd was en dan verder naar Tjarit, waar
-de beslissende slag geleverd en de vijand op de vlucht gedreven werd.
-
-Intusschen was ook de legerafdeeling uit Soerabaya onder kapitein
-Sergeant op marsch gegaan en vereenigde zich met de hoofdmacht;
-gezamenlijk rukte men nu op naar Pasoeroean dat zonder slag of stoot
-genomen werd.
-
-Groote diensten had Robert in deze expeditie bewezen; hij kende het
-land door en door, wist vele bijzonderheden, die Soerapati hem zelf had
-medegedeeld en maakte daarvan gebruik om de bevelhebbers in te lichten.
-Ook zijn dapperheid bleef niet onopgemerkt; vóór dat echter de
-zegevierende troepen Pasoeroean binnentrokken werd hij ernstig ziek ten
-gevolge van verwaarloosde wonden en moest dus naar Soerabaya
-terugkeeren; zoo was hij geen getuige van de onedele wraakoefening, die
-de Wilde op het graf zijns vader nam.
-
-Herman de Wilde liet Soerapati’s gebeente opgraven en het op den
-aloen-aloen verbranden.
-
-Met overelkander geslagen armen en een lach van zelfvoldoening op de
-bleeke lippen, staarde hij de vlammen aan, die het geraamte verteerden
-van den man, dien hij zoo fel gehaat en zoo vurig benijd had, en toen
-van het lichaam, dat eenmaal door zulk een krachtigen adem bezield was
-geweest, niets meer overbleef dan een hoopje asch, gebood hij ook dit
-weg te strooien in de wateren der zee.
-
-Nu alles, wat dus aan zijn vijand herinnerde, van het aanschijn der
-aarde verdwenen was, achtte hij zijn levenstaak geëindigd; niets bleef
-hem meer te doen over, zijn doel was bereikt, zijn wraak volvoerd.
-
-Snel bracht hij de regeling der onderworpen landen ten uitvoer, deed de
-regenten aanzeggen dat zij zich onderwerpen moesten aan Pakoe Boewana
-den keizer en tevens Adipati Anoem ten doode vervolgen. De regent van
-Kediri was er echter niet meer; hij keerde terug naar Bali, kort vóór
-dat de veldtocht begon, daar hij zijn schoonzoon niet kon vergeven dat
-deze zich in de armen der Mahomedanen had geworpen. Zijn dochter,
-Lembono’s gemalin, nam hij met zich mede; wellicht trok hij zich in het
-gebergte terug om daar het leven van een kluizenaar te voeren.
-
-Soenan Mas echter voegde zich bij de zonen van Soerapati, die zich in
-het Malangsche gebergte hadden verscholen en nog maar een geschikt
-oogenblik afwachtten om de vijandelijkheden opnieuw te beginnen.
-
-Zoodra in Pasoeroean alles geregeld was, vertrok de Wilde van Soerabaya
-naar Samarang. Hij was doodziek en afgemat; nog vele zaken had hij te
-voleindigen, en daartoe was het noodzakelijk dat hij den Soesoehoenan
-sprak, maar hij was te zwak om naar Karta-Soera te gaan, en de keizer
-kwam dus naar Samarang; nog stervend leidde hij de onderhandelingen,
-die de macht der Compagnie bevestigden, de rechten en verplichtingen
-des keizers omschreven en dus aan den gespannen toestand, die reeds
-sinds zoovele jaren op Java heerschte, een einde maakten.
-
-Hij keerde na de sluiting van het contract naar Batavia terug en
-overleed daar weldra, omstreeks een jaar na den slaaf, dien hij zoo
-bitter had gehaat.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-VEREENIGD.
-
-
-In het huis Voornelust was het nog stiller en doodscher geworden dan
-voorheen; tot twee keer was de dood er in verschenen, den eersten keer
-had hij den kleinen Albert weggerukt na een lang en zwaar lijden.
-
-In Digna’s armen was hij gestorven en na zijn dood was haar leven eerst
-recht treurig en moeilijk geworden.
-
-Markus Voorneman scheen overstelpt door smart, toen hij zijn eenigen
-zoon verliezen moest, maar deze smart was zoo onnatuurlijk dat Digna
-weldra gegronde vrees opvatte voor zijn geestvermogens. Nadat Robert
-wederom in haar leven was verschenen, was hij zeer prikkelbaar en
-lastig geworden; zijn hartstocht voor Digna nam meer en meer toe, doch
-zij kon dien slechts met warme genegenheid en diep medelijden
-beantwoorden; dit maakte hem hoe langer hoe onrechtvaardiger jegens de
-arme vrouw en zelfs de groote zelfopoffering en toewijding waarvan zij
-blijken gaf bij de ziekte van Albert, konden bij hem het eenmaal
-vastgewortelde denkbeeld niet uitroeien dat Digna zich ongelukkig
-voelde, Robert betreurde en naar zijn dood verlangde.
-
-Eenige weken na Albert’s overlijden was twijfel niet meer mogelijk,
-Heer Voorneman’s geestvermogens bleken gekrenkt en een zware taak
-wachtte zijn vrouw; beurtelings overlaadde hij haar met de
-hartstochtelijkste liefkoozingen om haar een oogenblik later te
-mishandelen.
-
-Met het grootste geduld en onbeschrijfelijke liefde bleef zij op haar
-post, niemand de zorg overlatend om haar man te verzorgen; zij bleef
-haar plicht trouw totdat de dood aan zijn betreurenswaardig leven na
-een jaar een einde maakte.
-
-En nu was zij alleen in het groote huis!
-
-Alleen met haar herinneringen. In een testament kort na Albert’s dood
-opgesteld, vermaakte Markus Voorneman zijn geheele vermogen aan zijn
-echtgenoot, onder voorwaarde echter dat zij niet zou hertrouwen.
-
-Deze dwang, door den stervende nog na zijn dood op haar leven
-uitgeoefend, doofde de laatste vonk van liefde jegens haar gemaal in
-Digna’s hart uit; slechts medelijden bezielde haar meer voor hem en met
-grooten tegenzin genoot zij zijn rijkdom, waarvan zij thans maar al te
-goed de herkomst wist.
-
-De Raad van Justitie Voorneman had niet meer of minder dan anderen
-gebruik gemaakt van zijn betrekking om een sluikhandel op naam zijner
-overleden vrouw te voeren op Japan en de Molukken; natuurlijk durfde
-niemand mevrouw Voorneman beschuldigen of haar eenigszins belemmeren in
-de uitoefening harer liefhebberijen.
-
-Het leven van Digna was treurig en stil; zij ging met niemand om dan
-met haar oom en tante van Hoorn; bij hen hoorde zij dan ook hoe een
-jonge militair, Robert genaamd, groote diensten aan het leger der
-Compagnie had bewezen en nu tot luitenant was bevorderd na den
-gelukkigen afloop van den laatsten veldtocht. Als een goede dochter
-verheugde zij zich in den val van Soerapati in wien zij nog steeds den
-moordenaar haars vaders zag, maar toch huiverde zij bij het vernemen
-van de wraak door de Wilde op zijn gebeente uitgeoefend.
-
-In het begin van 1708 bevond zij zich op het kasteel, toen er een jonge
-officier bij haar oom, den Gouverneur-Generaal, werd binnengelaten; het
-was of haar bloed stilstond, want zij herkende Robert, doch een geheel
-andere Robert, dan dien zij het laatst had gezien. Een man in de volle
-beteekenis van het woord was luitenant Robert thans, een man gerijpt
-door vele ervaringen, die den strijd met zich zelf aangedurfd had en
-daarin overwinnaar was gebleven, een ferm, krachtig man, die eerbied
-wist af te dwingen en zelfs tegenover den machtigen Opperlandvoogd zich
-gemakkelijk en vrij kon bewegen.
-
-Voor haar maakte hij een diepe buiging, maar niemand dan zij bemerkte
-hoe bleek en ontroerd hij plotseling werd.
-
-Dien avond voelde Digna zich niet alleen meer in haar groot ledig huis;
-het beeld van den weergevonden vriend harer jeugd volgde haar en
-verliet haar wakend noch slapend meer.
-
-Den volgenden morgen ontving zij een kort briefje, waarin luitenant
-Robert verlof vroeg haar dien middag een bezoek te brengen. Zij wachtte
-hem in de groote zaal, gekleed in haar stemmig weduwkleed, maar uit
-haar schitterende oogen en frisschen blos was elk spoor weggevaagd van
-de moeilijke, smartvolle dagen, die zij doorleefd had; nooit was zij
-schooner geweest dan op dien middag toen luitenant Robert met opgeheven
-hoofd door de groote deur het huis binnentrad, dat hij ’t laatst
-tersluiks, opgejaagd als een dief had moeten verlaten.
-
-„Robert!”
-
-„Digna!”
-
-En beider handen rustten ineen, beider oogen staarden in elkander; zij
-begrepen dat de een den ander op nieuw toebehoorde en nu voorgoed, maar
-toch veel moest uitgesproken worden vóór het beslissende woord tusschen
-hen viel.
-
-„Digna,” sprak hij, toen hij eindelijk zijn ontroering meester werd en
-naast haar plaats nam, met zijn hand nog steeds de hare omklemmend, „er
-is veel gebeurd sinds we elkander hier het laatst zagen, meer dan gij
-vermoedt, maar ik heb mijn woord jegens u gehouden.”
-
-„Dat begreep ik gisteren reeds dadelijk, Robert!”
-
-„’t Heeft mij staande gehouden in een zware verzoeking, het deed mij
-een kroon afwijzen.”
-
-Zij zag hem vragend aan.
-
-„En nu Digna, wat nu?”
-
-Zij wendde blozend haar hoofd af, en zuchtte. Hij vervolgde:
-
-„Ik heb het recht u thans te vragen de mijne te worden, als gij
-vergeten wilt, dat ik geen naam bezit: uw woorden van vroeger, die ik
-allen in mijn hart bewaar, geven mij moed, maar er zijn andere
-bezwaren. Uw fortuin...”
-
-Zegepralend hief zij het gelaat naar hem op, en zich zelf verradend,
-wierp zij den scheidsmuur tusschen hen plotseling neer:
-
-„Ik heb geen fortuin Robert, anders dan dat mijner ouders, want zoodra
-ik trouw met wien ook, verlies ik alle aanspraak op dat van mijn
-overleden echtgenoot.”
-
-Juichend sloot hij haar in de armen en zij liet haar hoofd aan zijn
-borst rusten, blijde dat het nu voortaan haar vrijstond zich over te
-geven aan het gevoel dat zij zoo langen tijd ernstig en moedig had
-bestreden.
-
-Maar hij liet haar eensklaps los en riep uit:
-
-„Ik vergat... er is meer... Digna, gij hebt mij uitgezonden om
-Soerapati te bestrijden en den dood uws vaders te wreken op hem in wien
-gij zijn moordenaar zaagt....”
-
-„En mijn opdracht heeft u eer en roem bezorgd, mijn geliefde!”
-
-„Ge vergist u Digna, ik heb Soerapati niet bestreden, integendeel, ik
-heb hem alles te danken, ik vereer zijn nagedachtenis en ik betreur
-zijn dood, want hij was mijn vader.”
-
-„Uw vader!” riep Digna verschrikt uit.
-
-Robert verhaalde haar alles, wat hij doorleefd had, de zonderlinge
-opheldering van het geheim zijner geboorte, zijn kortstondige glorie,
-zijn beproeving en wat daarna geschiedde.
-
-„En nu Digna,” sprak hij, „nu weet ge alles! Beslis, maar voor een
-zaak, blijf ik u borg. Slechts wettige tegenweer dwong mijn vader tegen
-den uwe op te rukken en zijn hand heeft hem niet gedood!”
-
-Digna sloeg haar schoone oogen naar hem op en fluisterde:
-
-„Niets kan ons meer scheiden Robert, dus ook geen herinnering!”
-
-Eenige weken later had in alle stilte het huwelijk van luitenant Robert
-en de weduwe Voorneman plaats; natuurlijk vond de Bataviasche wereld
-veel op hun besluit aan te merken; maar zij bekommerden zich niet om
-het oordeel der wereld, ook niet om het verlies van Digna’s groot
-fortuin, zij waren te gelukkig elkander eindelijk te mogen toebehooren.
-
-Kort na hun huwelijk vertrokken zij naar Amboina, waar Robert het
-kommando over een klein fort had gekregen. De plaats was stil en
-afgelegen, maar overal waar Digna vertoefde bracht zij den zegen van
-echte vrouwelijkheid en fijne, innerlijke beschaving met zich mede en
-zoo bezat zij de gave om zelfs een wildernis in een paradijs te
-herscheppen.
-
-Lange, gelukkige jaren wachtten beiden; Robert was een trouw eerlijk
-dienaar der Compagnie, en deze wist zijn verdiensten ook naar waarde te
-beloonen. Toch wanneer hij de kleingeestige, inhalige wijze zag, waarop
-de grootere en kleinere Hollandsche beambten de Inlanders behandelden,
-met geen ander doel klaarblijkelijk dan hen uit te zuigen en zich zelf
-te verrijken, bekroop hem soms een twijfel of hij in zijn jeugd niet al
-te edelmoedig en te fijn van geweten was geweest toen hij het rijk, dat
-aan zijn voeten was neergelegd, had versmaad; maar als hij Digna
-deelgenoot van zijn twijfel maakte, dan drukte zij vriendelijk zijn
-hand en sprak:
-
-„Mijn goede Robert, gij hebt gedaan, wat gij toen voor uw plicht
-hieldt. Wees gerust, dat was het beste!”
-
-Toen Digna en Robert stierven, lieten zij hun kinderen geen groot
-vermogen na; dat was de beste lof, de welsprekendste lijkrede, welke
-men een dienaar der Compagnie uit die dagen kon nageven.
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Betelplant en toebehooren.
-
-[2] Genade!
-
-[3] Batavia.
-
-[4] Hert.
-
-[5] Tooverspreuk.
-
-[6] Reebokje.
-
-[7] Hollanders.
-
-[8] Vleermuizen.
-
-[9] Javaansche duiven.
-
-[10] Band om het middel.
-
-[11] Wild zwijn.
-
-[12] Kniebuiging.
-
-[13] Manden uit bladeren gevlochten.
-
-[14] Haarwrong.
-
-[15] Etiquette.
-
-[16] Vertooner van de wajang,—Javaansch marionettenspel.
-
-[17] Chinees.
-
-[18] Onbeschaamde.
-
-[19] Juist.
-
-[20] Indische toespijs van onrijpe vruchten en Spaansche peper.
-
-[21] Fabelachtige koningin der Zuidzee, die bijna over de geheele
-Zuidkust van Java vereerd wordt.
-
-[22] Hemel der Hindoes.
-
-[23] Danseressen.
-
-[24] Zijden shawl.
-
-[25] Eerste keizerin.
-
-[26] Bijvrouwen.
-
-[27] Harems.
-
-[28] Engel.
-
-[29] Verfrisschende drank.
-
-[30] Wierook.
-
-[31] Voetkus.
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN SLAAF TO VORST ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.