diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 18:08:02 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 18:08:02 -0800 |
| commit | e836733c082a3144b0109fc1a8e159c39288bd24 (patch) | |
| tree | e07f34eee2d0d50f8a160c9f3724b17a1335234f /old/66167-0.txt | |
| parent | 9159a5b8c07ff94a07fef1cd2b535e775532e3f7 (diff) | |
Diffstat (limited to 'old/66167-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/66167-0.txt | 16187 |
1 files changed, 0 insertions, 16187 deletions
diff --git a/old/66167-0.txt b/old/66167-0.txt deleted file mode 100644 index aa01cbd..0000000 --- a/old/66167-0.txt +++ /dev/null @@ -1,16187 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Van Slaaf to Vorst, by Melati van Java - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Van Slaaf to Vorst - Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java - -Author: Melati van Java - -Release Date: August 29, 2021 [eBook #66167] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book - was produced from scanned images of public domain material - from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN SLAAF TO VORST *** - - - - VAN SLAAF TOT VORST. - - HISTORISCH ROMANTISCHE SCHETS - UIT DE - GESCHIEDENIS VAN JAVA - - - DOOR - MELATI VAN JAVA. - - - CULEMBORG, - BLOM & OLIVIERSE. - 1887. - - - - - - - - - AAN - DEN BEROEMDEN DICHTER - VAN - „IN ’T HARTE VAN JAVA” - W. J. HOFDIJK. - - - - - - - - -INHOUD. - - -EERSTE GEDEELTE. - Bladz. - - I. In het dal van Tji-Kendoel 1 - II. Pangeran Poerbaya 12 - III. Radhen Goesik Koesoema 18 - IV. Vaandrig Kuffeler 29 - V. Op bedevaart 36 - VI. Poerbaya’s kris 47 - VII. Het wapen van den grijsaard 52 - - -TWEEDE GEDEELTE. - - I. Het steekspel 70 - II. In de Kapatyan 81 - III. Op den berg Lawoe 91 - IV. Een huwelijk in den kraton 102 - V. Het verhaal van den dwerg 109 - VI. Commissaris Tak 124 - VII. Verraad 133 - VIII. Amok! 141 - - -DERDE GEDEELTE. - - I. Amstelvreugd 149 - II. Robert van Reijn 158 - III. Oom en neef 167 - IV. Een stem uit het graf 174 - - -VIERDE GEDEELTE - - I. De Koningin van het Oosten 1 - II. Voornelust 12 - III. Een visite op Batavia 23 - IV. In den maneschijn 37 - V. Johan van Hoorn 44 - VI. Wederzien 56 - VII. Markus en Digna 67 - - -VIJFDE GEDEELTE. - - I. De vluchtende keizer 80 - II. In den kraton van Kediri 91 - III. Vader en zonen 104 - IV. Een moeilijke zending 115 - V. Maagdenroof 125 - VI. In Tosari 138 - VII. Banjoe Biroe 148 - VIII. Het vorstelijke gezin 157 - - -ZESDE GEDEELTE. - - I. De rechtspraak 169 - II. Vader en zoon 182 - III. De gunsteling des vorsten 194 - IV. De verzoeking 204 - V. De wapenschouwing 220 - VI. Voor Bangil 231 - VII. Soerapati’s dood 236 - VIII. De wraak op den doode 248 - IX. Vereenigd. 251 - - - - - - - - -EERSTE GEDEELTE. - - -I. - -IN HET DAL VAN TJI-KENDOEL. - - -Het jaar 1684 was nog slechts enkele weken oud. - -De laatste schaduwen van den dag vielen neer op het rotsachtige dal, -waardoor de Tji-Kendoel, een kleine rivier, die aan den voet van den -Preangerreus, den Gedeh, ontspringt—haar wateren wringt; de hooge -bergtoppen alleen schitterden nog in kopergloed; maar in het dal -heerschte reeds duisternis. Bij het verdwijnen der zon stak een hevige -wind op, die de rotswanden deed daveren en dikke, zwarte wolken in -onstuimige vaart door het luchtruim joeg; nu eens bleven zij rusten op -de gekartelde ribben en ruggen van den berg, dan verduisterden zij het -stuk met sterren bezaaiden hemel dat het dal overspande; het werd daar -duisterder en duisterder, de laatste zonnestralen, die de wolkenmassa’s -nog vermochten te doorboren, verglommen in dreigend zwart. Met nog -donkerder schaduwen daar in zijn breede lendenen, waar de kraters en -afgronden gaapten, stond de bergreus te midden van de lagere toppen, -als een koning tusschen zijn hofhouding. - -Geen wonder, dat de bewoners van den omtrek in hem het versteende beeld -vereerden van den laatsten vorst, die over het roemvolle koninkrijk van -Pandjajaran had geregeerd, de vorst, die eenmaal weer tot het leven zou -terugkeeren om aan zijn rijk de verdwenen grootheid terug te geven; -daar verheft zich immers de Pangerango zijn bedehuis, ginds steekt zijn -paleis de hemelhooge tinnen opwaarts, hier op de kratervlakte bevindt -zich zijn wapenplein, de bosschen aan zijn voet, dat is het statiekleed -waarop zijn koninginnen rusten. - -Soms echter zijn er oogenblikken dat de geheele ontzagwekkende massa -voor het oog verdwijnt en zich schijnt op te lossen in den donkeren -nacht; dan alleen als de wolken vaneenscheuren, werpen de sterren hun -valen glans naar omlaag. Dat licht glijdt zachtkens over het graniet -van den Gedeh en een spottende geest, der duisternis gelijk, grijnst de -reus in het verschiet; donderslagen vermengen zich met het doffe -gerommel dat uit zijn ingewanden opstijgt als een ontzettende -schaterlach; nu en dan krijscht een nachtvogel of beantwoordt het -brullen van een verscheurend dier dat zich een prooi bemachtigde, den -wanhoopskreet van zijn slachtoffer. - -Dat zijn de geluiden die in het dal weergalmen en zich vermengen met -het klotsen, murmelen, bruisen, borrelen, waarmede het water zijn -diepe, steenen bedding schuurt. - -Het zijn echter geen kale rotsen, die hier den Tji-Kendoel insluiten, -een ruig, woest tapijt bedekt hen bijna geheel; een verwarring van -wortels, doornen, mos en hoog gras strekt zich voeten hoog uit van -rotspunt tot rotspunt. Als spinnewebben grijpen de luchttakken in -elkander, bloemenslingers wringen zich in spiralen naar omlaag of -bedekken als netwerk de varens, die zij onder hare verraderlijke -liefkoozingen dreigen te verstikken. Nu is alles een donkere, doornige -massa, de kleuren slapen; overdag leeft en schittert dat alles met alle -tinten van den regenboog in oogverblindenden glans. - -Die woeste plantengroei is hier en daar onder den voet getreden; -tusschen de rotsen en de struiken kronkelt zich een pad, nu eens lager -dan weer hooger, soms hangend tegen de oevers, dan weer zwevend in de -lucht; een roodachtig licht flikkert in den stormwind, verschijnt op -een der hoogten, werpt zijn gloed over de spookachtige stengels van de -aloës en cactussen, over de trillende orchideeën en daalt neer in de -diepe bedding, waar het roodachtige glansen in het bruisende water -toovert. - -’t Komt van een fakkel, die de avondwandeling van twee mannen verlicht; -bij het schijnsel van het dansende vuur nemen hun bruine gelaatstrekken -een warme bronskleur aan, want zij zijn beiden donker, inboorlingen -blijkbaar, hoewel hun kleeding aanmerkelijk van die hunner landgenooten -verschilt. - -Een gesloten geel wambuis omsluit de welgevormde krachtige gestalte van -den jongste; hij is groot voor een inlander en kloek gebouwd; een -kleurige hoofddoek bedekt als een tulband zijn korte lokken, daaronder -komen zijn koen geteekende trekken, zijn donkere, diepliggende oogen, -zijn vastberadenheid teekenende, zwaar geknevelde lippen scherp uit; -een korte sarong valt af tot over zijn knieën; een Europeesche buks -hangt in een bandelier van zijn schouders, om het middel draagt hij -echter den draagband, waaraan de schede der Javaansche kris hangt. De -kris zelf houdt hij in zijn hand en slaat daarmede de takken en -slingers weg, die hem het pad konden versperren. De fakkel wordt door -zijn gezel gedragen, een man, die wellicht in Europa nog slechts even -den middelbaren leeftijd kon hebben overschreden, hier echter reeds -bijna voor grijsaard moest doorgaan. Hij is kleiner dan zijn kameraad, -zijn kleine, sluwe oogen knippen telkens toe, zijn slappe trekken -hebben het leelijke type aan oude Javanen eigen, zijn lippen zijn -gebarsten en gespleten door het gebruik van sirih en gambir [1]; zijn -neus is plat en zijn wangbeenderen steken ver uit; over zijn javaansche -kleeding draagt hij een opengeslagen lang jak, de kabaya, maar in -vlugheid en behendigheid geeft hij zijn veel jeugdiger makker niets -toe; in zijn rechterhand houdt hij een lans. - -„Nu zullen wij de plek haast naderen, gelooft ge niet, Vader,” vraagt -de jongere. - -„’t Is ons gezegd, daar waar de Tji-Kendoel tusschen het steenen -bruidspaar, de Penganten-rotsen, benauwd wordt, moet zich een grot -bevinden, die den vluchtenden prins herbergt.” - -„Ik hoop dat uw raad goed zal blijken, Kiai; slechts op uw aandringen -heb ik mijn soldaten verlaten om alleen den Pangeran te gaan spreken.” - -„Mijn Zoon! moge de uitkomst u leeren dat de taal van den grijsaard een -taal van wijsheid is; spreek met den Pangeran, spiegel hem de -voordeelen voor die zijn onderwerping hem zal aanbrengen; spoedig -verschijnt hij in uw kamp met zijn getrouwen en geeft u zijn wapens -over.” - -„’t Zou een groote overwinning voor mij wezen.” - -„Die de blanke mannen u rijkelijk zullen vergelden.” - -„Ge zegt dat spottend, Kiai!” - -„Men zal u naar Batavia zenden....” - -„Dat nimmer; ik keer niet terug naar Batavia, of het moest zijn uit -vrije beweging, als geen gevaar mij dreigt. Maar welk gevaar zou ik -vreezen? Heb ik dan geen vrede gesloten met de Edele Compagnie?” - -„Een vrede als de tijger sluit met het hert, dat zijn klauwen -ontvluchtte; zoolang het rappe dier buiten zijn bereik is, belooft de -tijger gaarne barmhartigheid, maar is het eenmaal in zijn nabijheid, -wee het al te vertrouwende hert!” - -„Vader! uw achterdocht is te groot! Ik vertrouw de blanke mannen, ik -heb hun vergiffenis aangenomen, ik draag hun wapens, ik volvoer hun -last, Allah weet met welken ijver en trouw. Waarom zou ik hun gramschap -vreezen?” - -„Mijn Zoon, eer zult gij aan die rivier onder uw voeten gelasten terug -te keeren naar den berg, waaruit zij ontsprong, dan dat gij uit de ziel -van die blanke menschen de herinnering zult uitwisschen van de -beleedigingen hun door een slaaf aangedaan.” - -„Een slaaf!” - -„Dat zijt ge nog steeds, Sie Oentoeng! Hier gebiedt gij over honderden; -ginds in Jacatra zijt gij slechts een slaaf, een gevluchte slaaf. En uw -meester....” - -„Mijn meester, zal hij tegen mij, als ik Pangeran Poerbaya tot -onderwerping breng, langer wrok koesteren?...” - -„Hij zal u zijn dochter geven tot wettige vrouw!” sprak de andere met -een spotlach. - -De opgeheven kris, die zoo juist een tak orchideeën door midden had -gesneden, zonk neer; de groote oogen van den jongen man vlamden op, -zijn neusvleugels trilden. - -„En waarom zou hij dat niet doen, Kiai? Ben ik minder dan de bleeke -mannen, die lager rang in het leger bekleeden dan ik? Waarom zou hij -zich schamen mij openlijk te geven wat toch reeds het mijne is, want -Nonna Suzanna is mijn vrouw. Zij zal mijn vrouw blijven, mijn eenige! -Denkt de Edele Heer omdat mijn kleur donker is, dat ik zijn dochter -niet kan liefhebben en trouw zijn, zooals geen zijner blanke vrienden -het zou wezen?” - -„’t Zal u niet baten, mijn Zoon! Eer neemt gindsche berg weer de -gestalte aan van den machtigen koning, dan dat een blanke man zijn -dochter uithuwelijkt aan een slaaf.” - -„Maar ik ben geen slaaf meer, ik ben officier in dienst der Edele -Compagnie; ik wil de gelijke worden van de Hollanders in alles, zelfs -in hun godsdienst zoo ’t zijn moet.” - -„Ge zoudt den Profeet verlaten, Sie Oentoeng!” - -„Zooals ik eenmaal Batoro Shiwa verliet; ge weet dat ik Balinees en -Hindoe ben en dus nooit anders dan met de lippen uw Profeet heb -vereerd. De godsdienst van Suzanna trok mij aan, meer dan de uwe Kiai, -ik zou dien gaarne omhelzen als ik aan haar uitgehuwelijkt mocht worden -in haar tempel.” - -„Hebt ge ooit den kalong en de duif zien paren, mijn Zoon? Nimmer, niet -waar? Evenmin zal wit en zwart ooit één worden in den tempel der -blanken!” - -„En onze donkere vrouwen dan? Die versmaadt de blanke niet; zoude ik, -hun gelijke in dapperheid en kracht, haar die mij liefheeft niet -volgens haar wetten de mijne mogen noemen?” - -„Geen wetten of adats gebruikt de Christen als hij een dochter van Java -tot vrouw neemt.” - -„Ik heb Suzanna volgens de gebruiken van mijn land gehuwd.” - -„Daarom liet haar vader u opsluiten in afwachting dat gij doodgegeeseld -zoudt worden.” - -„Dien smaad ben ik ontkomen; nooit anders had ik mijn kris opgeheven -tegen Suzanna’s volk, maar toen, ge weet zelf Kiai, in welken toestand -ik was. Mijn meester, die mij met vriendschaps- en gunstbewijzen had -overladen, als ware ik zijn eigen kind geweest, overstelpte mij met -zijn toorn; in de gevangenis moest ik mijn lot wachten.” - -„Een vreeselijk lot; ik was er ook opgesloten omdat ik een kostbare -Japansche vaas van mijn meesteres gebroken had. Gij echter, slaaf als -ik, hebt het geluk van de dochter uws meesters gebroken.” - -„Omdat zij er mij den moed toe gaf; helaas! hoe zal ’t haar gegaan zijn -na de vreeselijke ontdekking?” - -„Niet erger dan u, Sie Oentoeng. Maar ongelukkiger dan gij zal zij zich -niet hebben kunnen ontworstelen aan haar bestemming.” - -„Ik heb Ardjo naar Batavia gestuurd; hij is listig en zal vermomd het -erf van Toewan Moor binnendringen, Suzanna spreken en haar zeggen, dat -ik weldra zal terugkomen, vrij en begenadigd, om openlijk haar hand te -vragen.” - -„Uw hoop gelijkt de lucht, zie daar de sterren schitteren, wacht een -oogenblik, de zwarte wolk nadert en dan blijft niets meer van hen over. -Zoo zal het ook gaan met uwe verwachting, mijn zoon!” - -„Maar, Vader, zal ik dan geen belooning kunnen vragen na de -onderwerping van den Pangeran? Heeft kapitein Jonker, een Ambonnees -zooals ik, een kind van Bali, na Troeno-Djojo’s val de schoone keizerin -Mahera niet tot belooning ontvangen voor zijn diensten der Compagnie -bewezen?” - -„Mahera was Troeno-Djojo’s weduwe, en de bruid die gij verlangt is een -blanke. Mijn Zoon, ge weet hoe innig ik mij aan u verknocht voel, -hoeveel dank ben ik u niet verschuldigd! Gij hebt mij verlost uit de -gevangenis, die ik weigerde te verlaten. Toen gij de wacht had -neergeveld en met hun wapenen de gevangenen verrijktet, kwaamt ge terug -en trotseerdet nieuwe gevaren om mij te bevrijden. Dat vergeet Kiai -Hemboong nooit. Ik zal u vergezellen als een vader zijn zoon, maar -geloof mijn woord! Reeds eens zooveel malen als na uw geboorte, -wisselde de kokospalm zijn ringen tijdens mijn leven; ik heb veel -gezien in het huis der blanken, waar ik jarenlang slaaf was. Zij zijn -hier gekomen als onze meesters; hun doel is de kinderen van den Islam -te overheerschen, nooit echter zullen zij ons toestaan hun gelijken te -worden. De minste hunner acht zich verheven boven onze prinsen. Zij -willen onze diensten aannemen, maar hebben wij hen gediend, dan werpen -zij ons weg als de pitten van den lansep, dan zijn we hun bitter -geworden; zij kunnen ons niet langer gebruiken.” - -„Ge raadt me dus af de Compagnie te dienen?” - -„Ik heb ’t u afgeraden, toen kapitein Ruijs u met schoone beloften -vleide, zijn vergiffenis aan te nemen. Maar nu gij eenmaal hem trouw -gezworen hebt, zal ik zooveel ik kan u in alle moeilijkheden bijstaan. -Ik zal u vergezellen naar Pangeran Poerbaya en naar Batavia zoo het -zijn moet, Sie Oentoeng!” - -„Noem mij niet langer met dien naam, Kiai. ’t Is de naam der slavernij, -mij door mijn meester geschonken; nu ben ik officier der Edele -Compagnie, en draag voortaan den naam, die mij toekomt, Soerapati.” - -Een geritsel in de struiken deed hen stilstaan. Soerapati nam de fakkel -uit de handen van Kiai Hemboong en liet haar gloeiende stralen vallen -in de richting vanwaar het geluid voortkwam. - -Een ineengedoken gestalte zat op eenigen afstand verborgen in het -kreupelhout. - -„Wie zijt ge?” vroeg hij met dreigende stem. - -De gestalte bewoog zich kruipend voorwaarts. - -„Ampon, ampon!” [2] kreunde hij zacht, „ik kwam hier kruiden zoeken, -die bij het licht der sterren moeten geplukt worden, ik ben een arm -man. Laat mij in vrede!” - -Nu eerst zag Soerapati dat de kleine ineengedrongen gestalte het van -nature was; een onevenredig groot hoofd, met oudelijke trekken door een -kolossalen tulband omwonden, wiegelde op een kinderlichaam, welks -lengte nog geen tien jaar verried; zijn kleeding was echter van fijne -stof en een miniatuurkris, rijk met goud en diamanten versierd, -fonkelde in den gloed van de toorts; met een instinctmatige beweging -bracht hij de kleine handen aan het schitterende gevest. - -Soerapati lachte. - -„Kleine worm, denkt ge dat je mooie kris mijn oogen bedwelmt? Kom hier, -en zeg me wat ge daar uitvoert en waar ge t’huis hoort.” - -Met een forschen ruk greep hij hem bij de schouders en trok hem voor -zich op het steile pad. - -„’t Is de dwerg van den Pangeran!” fluisterde Kiai Hemboong zijn jongen -vriend toe. - -„Is het waar, behoort gij tot het gevolg van den edelen Pangeran van -Bantam?” vroeg Soerapati. - -„Och ja, heer! ik was reeds bij hem, toen hij daarginds in Bantam, -vóórdat de onzalige krijg uitbrak, zijn hofhouding hield. Ik heb hem -altijd vergezeld, in storm en bij zonneschijn, nadat hij op raad van -den ellendigen hadji Sheik Yoesoef opstand verwekte tegen zijn -broeder.” - -„En waar is hij nu?” - -„Heer, sla mij met uw kris het hoofd af, niemand zal morgen meer vragen -naar den kleinen Boeloe Koedoer, maar verg niet van mij dat ik mijn -meester verraad.” - -Spotlachend tilde Soerapati den kleinen man omhoog. - -„Mijn kris is te goed om je hoofd af te slaan, het eenige dat groot -genoeg is aan je lijf; maar je achterdocht staat je leelijk. Ik zal -geen haar van je meester’s hoofd krenken, integendeel, ik kom hem een -goede tijding brengen.” - -„Hij heeft de goede tijdingen al afgeleerd.” - -„Welnu, ik zal ze hem weer gemeenzaam maken, zeg mij waar hij huist! Of -liever, zeg mij niets, als ik het niet wist, zou ik geen urenlang door -het bosch gekropen hebben om hem te bezoeken.” - -„Gij wilt hem bezoeken, gij komt hem tijding brengen uit Soenda -Kalappa?” [3] - -„Misschien!” - -Het mannetje sloeg in de handen. - -„Zet me neer op den grond, ik zal u vóórgaan naar zijn verblijf, zijn -dalem!” voegde hij er spottend achter. - -Soerapati wisselde een blik met zijn gezel. - -„Volg den dwerg, mijn zoon!” sprak de Kiai, „hij zal ons den kortsten -en zekersten weg wijzen.” - -„Voort dan Boeloe Kidoer! En waag het niet ons op een dwaalspoor te -brengen; hier staan twee krissen, een lans en een geweer gereed om je -lichaam meer wonden toe te brengen dan het bevatten kan.” - -„Ik zal vlug zijn als de kantjil [4] en oogen hebben als de wilde kat, -die zelfs in het donker ziet,” verzekerde de dwerg. - -Inderdaad wist hij met de behendigheid van den eekhoorn door de -struiken te dringen, zelfs daar, waar deze het ondoordringbaarst -schenen, de steilste rotsblokken over te klauteren, in de nauwste -bergpassen te kruipen. - -Een vurige gloed vertoonde zich plotseling onder de voeten van het -drietal; men zag donkere gestalten heen en weer gaan, mannen, vrouwen -en kinderen ineengedoken zitten onder de overhangende rotsen, of rondom -het houtvuur, dat in het midden van de kleine bergvlakte aangelegd was. - -Het was goed, dat deze vlammen den omtrek verlichtten, want een booze -windvlaag blies de fakkel uit; de wolken pakten zich dreigend samen en -groote droppels vielen met een kracht, als waren het hagelsteenen, -kletterend tegen de rotsen. - -„Daar troont de machtige prins van Bantam,” sprak de dwerg, die, -schrijlings gezeten op een rotspunt, grijnslachend op het kamp wees en -plotseling de hand opheffend, riep hij uit: - -„Maar gij, gij zult eens machtig worden, gij zult grooter wezen dan de -hooge Sultan Hadji van Bantam; zelfs de keizer zal u vreezen, als gij -slechts de ngempoel [5] onthoudt, die u over uw vijanden zal doen -zegevieren.” - -„En welke is die ngempoel?” vroeg Soerapati. - -„Ik zal ze u toefluisteren; de Pangeran zou mij een gouden draagband -geven als ik ze hem zeide, maar hem helpt de ngempoel toch niet meer. -Allah heeft hem verlaten, sinds de verraderlijke Sheik Yoesoef het -heilige graf daarginds aan den voet van den Salak beroofde. ’t Zal -krachteloos wezen in zijn mond, maar gij zult er een kroon mee winnen, -geen Hollander is bestand tegen dien ngempoel!” - -„Houd dan je tooverwoorden op je tong en misbruik ze niet door ze aan -de lucht over te geven! Ik ben in dienst der Hollanders en wil hen niet -bestrijden, noch door mijn zwaard, noch door een tooverwoord.” - -„Hebt ge ooit gehoord dat de kidang [6] zich toevertrouwde aan den -jakhals, zoo mag ook de zoon van Mahomed zich niet inlaten met de -Christenhonden, ik heb het mijn meester gezegd, maar als de vrouwen -spreken dan moeten wij mannen zwijgen! Wilt ge de ngempoel hooren?” - -„Neen! wijs me liever den weg naar beneden naar den prins!” - -„Fluister het mij in,” sprak Kiai Hemboong, „ik zal het hem zeggen als -de tijd gekomen is.” - -Het oude gelaat van den Kiai boog zich neder tot den dwerg, die in zijn -oorschelp zijn antwoord deed vallen, als ware hij bevreesd dat een -weerklank weg zou stuiven in de lucht. - -„U mag ik het niet zeggen, maar de dag nadert dat hijzelf er mij naar -vragen zal. Ik zie het, de mata-hari blinkt op zijn hoofd, daar zal -eens een kroon op rusten. Ik verlaat den Pangeran en wil hem volgen.” - - - - - - - - -II. - -PANGERAN POERBAYA. - - -Pangeran Poerbaya omgeven door zijn beide liefste vrouwen en kinderen -had een toevlucht gezocht in een vrij ondiepe bergkloof, tegen den -steeds feller neervallenden regen; mismoedig zat de vluchtende prins op -de kleine mat, het eenige teeken nog zijner waardigheid, zijn sirihdoos -stond onaangeroerd te zijner zijde, een kleine olielamp was in een hoek -der rots geplaatst en verlichtte met haar flauw licht het vorstelijk -gezin; rechts zat zijn oudste vrouw Radhen Sepoe, die zacht snikkende -aan haar leed lucht gaf. - -„Daarvoor had ik mijn schoon land niet verlaten,” klaagde zij, „om -maanden lang zulk een leven te leiden. Mijn minste slaven zouden niet -met mijn lot willen ruilen. Wat hebt gij gewonnen Heer! door u te meten -met de Hollanders? Zij zijn almachtig. Sedert dat zij op Java geland -zijn is het met de macht van den bruinen man gedaan. Evengoed kunt gij -strijd voeren met den Gedeh, als te hopen dat gij ’t van hen zult -winnen!” - -„Schrei niet meer, vrouw!” sprak de prins deemoedig, „uw tranen -doorweeken mijn hart meer dan de regendroppels mijn kleederen -bevochtigen. Zij hebben mijn moed verdreven; als de Edele Compagnie mij -vergiffenis schenkt, zal ik bereid zijn mij over te geven aan haar -edelmoedigheid.” - -Luide snikken weêrklonken in de grot, de beide Radhen Ajoe’s en haar -dochters weenden, en de slavinnen volgden het voorbeeld harer -meesteressen. - -„Wat zal ons lot wezen onder de Kafirs,” [7] vroeg de tweede gemalin. - -„Zwijg!” beval de favorite, „alles zal beter wezen dan dat leven in de -bosschen, dat zwerven in holen en spleten. Storm en regen zijn nu onze -vijanden; de blanke mannen zullen genadiger wezen.” - -„Waarom vluchten wij niet naar Karta-Soera, waar mijn oom de -Rijksbestierder van Mataram woont?” vroeg de andere weer. - -„Zoek den weg tusschen de wapenen van de Hollanders!” sprak de -Pangeran, „en wat zal het u baten? De keizer heeft vrede en -bondgenootschap gesloten met de gevreesde vreemdelingen.” - -„Vloek over hen!” riep de tweede Radhen Ajoe uit, „niets als onheil kan -uit zulk een verbond voortkomen. En u Sepoe, het zal u berouwen onzen -heer zulk een laffen raad te hebben gegeven.” - -Angstig zag de prins zijn beide vrouwen aan; hij wist wat een twist -tusschen haar te beduiden had en wilde deze zoo goed hij kon in deze -enge ruimte voorkomen; wellicht ware hem dit niet gemakkelijk gevallen, -als niet plotseling het kaboutermannetje zoo onverwachts als steeg hij -uit den grond op, in de grot verschenen was. - -„Vader,” zoo begon hij, „de kalongs [8] hebben mij een mooi sprookje -verteld. Wilt ge het hooren?” - -„Spreek, mijn jongen! Alles is beter te hooren dan het woeden van den -storm, het kletteren van den regen of het twisten der vrouwen.” - -„Zij kwamen van verre, van daar waar de zee de rotsen bespringt, daar -zagen zij op het rotsachtige strand een troep wilde vossen zich -vergasten aan het malsche vleesch der schildpadden, die zoo juist uit -de zee waren opgestegen, maar de buit was te klein voor den -vraatzuchtigen troep; huilend en jankend vielen zij elkander aan en -riepen om hulp. Eensklaps verscheen de koningstijger, langzaam met -loerende oogen en met statigen gang gevolgd door zijn tijgerin en zijn -jongen, als de rechter, die beslissen moet. Hij deed een sprong en -weldra bleef op het strand niets over dan het bloed van de schildpadden -vermengd met de beenderen der vossen.” - -„Dat is ons lot, prins!” riep de jonge Radhen Goesik uit, „Boeloe heeft -gelijk, zoo zal het gaan met alle Javaansche vorsten. Zij strijden met -elkander om hun eigen land, roepen den steun aan van den vreemdeling en -deze vernietigt hen alle om in hun plaats te heerschen.” - -„De tijger heeft uw roep gehoord, hij komt nader, hij zal u een plaats -aanbieden in het hol dat hij zich in Soenda Kalappa gebouwd heeft.” - -„Allah zij gedankt, we zullen ten minste een dak boven het hoofd -hebben!” zuchtte Radhen Sepoe. - -„Het dak eener gevangenis,” voegde de jongere er spottend achter. Met -vlammende blikken wendde Radhen Sepoe haar blikken op haar -mededingster. - -„Zwijg, vrouw! Genoeg rampen hebt gij over onzen Heer gebracht. Zonder -uw heilloozen invloed zou hij nimmer tegen zijn broeder den wettigen -Sultan van Bantam opgestaan zijn; nimmer had hij de zijde van zijn -vader gekozen in den strijd tegen de Compagnie, zoo gij niet gevlamd -hadt op het bezit der kroon!” - -„Stil, ik bid u, stil!” suste de prins en zich tot den dwerg wendend -vroeg hij: „Welke boodschap brengt ge mij?” - -„De boodschap zullen ze u zelf brengen. Zal ik ze roepen, vadertje! -maar laat eerst die beide perkoetoets [9] van u ophouden met haar -gekir! Ze mochten eens bang worden haar mee op te nemen in de kooi.” - -„Ik wil ze ontvangen!” - -De dwerg liet een scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk -verschenen Soerapati en Kiai Hemboong in de grot. Beiden bogen zich ter -aarde om den prins hun hormat (eerbied) te bewijzen. - -„Ge zijt mij welkom,” sprak Pangeran Poerbaya vriendelijk, „brengt ge -mij de vergiffenis der Edele Compagnie, mijn vader heeft ze ontvangen -evenals mijn geestelijke raadsman, de eerwaardige Sheik Yoesoef, ik ook -ben niet ongenegen ze aan te nemen!” - -„Stel uw voorwaarden, edele Prins! De Compagnie zal zich genadig en -goed jegens u toonen als tegen al haar vijanden die vol oprecht berouw -tot haar terugkeeren.” - -„Berouw kan er eerst zijn na schuld,” mompelde Radhen Goesik duidelijk -hoorbaar. - -„Het past den vrouwen te zwijgen in den raad der mannen,” vermaande -haar echtgenoot zacht maar vastberaden en ging voort tot de afgezanten. - -„Mijn voorwaarden zegt ge, maar toon mij eerst uw volmacht en zeg mij, -wie ge zijt! Ik verheug mij, dat ik mijn wapenen zal mogen afgeven aan -een zoon van mijn volk, die een hoogen rang in het leger der Hollanders -bekleedt.” - -„Ik ben geboren in Bali en heb ook nog kort geleden de -vergevingsgezindheid der dappere Hollanders ondervonden. Mijn vader was -bloedverwant van een onafhankelijk vorst, maar reeds jong werd ik uit -mijn land ontvoerd en naar Batavia als slaaf geleid; een voornaam -Hollander kocht mij daar en ik had het goed bij de blanke mannen. Ik -leerde ze liefhebben, mijn meester had zijn vrouw sinds eenige jaren -begraven; hij had slechts één dochter met wie ik omging als ware zij -mijn zuster. Later veranderde onze genegenheid in liefde; we zwoeren -elkander trouw, hier deze grijsaard hoorde onzen eed. Helaas! toen onze -verbintenis ontdekt werd, begreep ik te laat dat het niet goed is voor -den nacht zich te paren aan den dag; de storm stak boven onze hoofden -op. Ik werd gevangen gezet, mijn arme vrouw in een verwijderd landgoed -haars vaders op een eiland gezonden. Door kracht van wapens ben ik mijn -gevangenis ontvlucht, ontvluchte slaven, vogelvrijen, zwervende -krijgers van den verslagen Sultan uw vader, aanhangers van -Troeno-Djojo, den dapperen Madurees schaarden zich rondom mij. We -zwierven rond in deze ontoegankelijke wouden en verborgen ons in de -holen, levend van den schralen buit, die onze wapenen ons bezorgden, -totdat een patrouille Europeesche soldaten ons vervolgde. Kapitein -Ruijs, hun hoofdman, bood mij en de mijnen vergiffenis aan. Wij -aarzelden maar wij waren het zwervende leven moede; mijn hart verlangde -naar mijn vrouw terug en dus gaf ik mij over aan den kapitein, dien ik -van dat oogenblik trouw diende en hoop te dienen tot mijn laatste ure! -Soerapati is mijn naam en hier hebt ge mijn volmacht.” - -De dwerg was achter de vrouwen geslopen en fluisterde Radhen Goesik in: - -„Onthoudt dien naam, gij zult er meer van hooren.” - -Knielend bood hij het in zijden omslag gewikkelde stuk den prins aan, -die het tot teeken van eerbied aan zijn hoofd bracht, de zijde -loswikkelde en toen het geschrevene inzag. - -„De Edele Compagnie biedt mij bij monde van kapitein Ruijs en luitenant -Soerapati, vergiffenis aan voor mij en mijn getrouwe dienaren, mijn -vrouwen en kinderen, onder voorwaarde dat ik mijn wapenen overgeef, -zweer ze nimmer tegen de Hollanders op te heffen en mij naar Batavia -begeef.” - -„Ik hoor dat mijn geestelijke vader Sheik Yoesoef niettegenstaande de -ernstige beloften der Compagnie ingescheept werd om naar een -verafgelegen land gevoerd te worden. Is dat waar? Ik wil mijn -geboortegrond niet verlaten, liever sterf ik hier in de wildernis.” - -„Dat lot behoeft gij niet te vreezen, edele prins! Sheik Yoesoef was -der Compagnie bekend als een eerzuchtig, ontrouw man, die slechts door -den nood gedreven, zich onderwierp, maar zijn hart sprak een andere -taal dan zijn lippen. Hij droomde een tweede Kadjoran te worden, die -het rijk van Mataram in zijn grondvesten schokte en den dapperen vorst -Troeno-Djojo aanhitste tot den opstand, die zoovelen het leven moest -kosten. U echter, eerbiedwaardige Vorst, wacht een paleis binnen de -veste van Batavia, waar een stoet, uw geboorte en staat waardig, u zal -omgeven.” - -„De Compagnie belooft mij een jaargeld. Zij is edelmoedig, ge hebt -gelijk! Mijn broeder, de Sultan Hadji van Bantam, zou zich niet zoo -genadig jegens mij toonen als ik mij aan zijn voeten kwam werpen om -vergiffenis!” - -„Gij neemt dus haar voorwaarden aan?” - -„Uit geheel mijn ziel. Ik zal haar trouw zweren!” - -„Welnu dan, Prins! Vergun uw dienaar weer te keeren naar zijn mannen, -zij zijn daarginds gelegerd in de vlakte, waar de Tji-Kendoel het -steenen graf van den Gedeh verlaat; mijn doel was alleen u oprecht te -spreken en te waarschuwen; ik verwacht u morgen in mijn legerkamp en -dan zal ik met mijn manschappen u een vrijgeleide aanbieden naar het -naaste fort.” - -„Uw woorden zijn wijzer dan uw jaren beloven, mijn Zoon! Het is een -goed teeken als men zich eerbiedig en barmhartig toont jegens den -overwonneling; dan zal men later ook verdienen hoog in aanzien te -stijgen, maar keer van nacht niet meer terug naar uw leger; hoor, de -wind is ruw en boos, de steile bergpaden zullen glad en gevaarlijk -zijn. Uw fakkel zal door den regen uitgedoofd worden, blijf ons den -tijd verkorten door uw verhalen, want de slaap zal dezen nacht wel onze -oogleden vluchten. Andere gastvrijheid dan deze grot kan ik u niet -bieden.” - -„Sta mij toe, prins, dat ik terugkeere; de kudde verstrooit als de -herder ontbreekt, zoo durf ik ook niet langer mijn mannen alleen laten -in de wildernis. Ik ken alle paden van het woud; ik heb ze doorkruist -bij andere stormen; vervolgd en opgejaagd als de wilde ever door de -jagers, heb ik de rivieren doorwaad, de rotsblokken overgeklommen. -Waarom zou ik nu vreezen? Verwaardig u dan, edele prins, morgen tot mij -te komen. Ik zal mijn gevangene behandelen zooals het den zoon en -broeder van vorsten toekomt.” - -En zich diep buigend voor den vorst en de prinsessen verliet Soerapati -de spelonk. - -„Zijn woorden zijn als de honing, die den smaak verzoet na het gebruik -van den bitteren drank,” sprak Radhen Goesik met een zweem van -opgeruimdheid in de stem. - - - - - - - - -III. - -RADHEN GOESIK KOESOEMA. - - -Een heerlijke morgen was op den stormachtigen nacht gevolgd, vochtige -nevels hingen als doorzichtige sluiers over het aanschijn der bergen en -hulden deze in zacht smeltende tinten van rozerood, citroengeel, -amethyst of azuur. Die donkerder schaduwen, zich afteekenend tegen den -klaren achtergrond der lucht, verrieden nog maar alleen de -tegenwoordigheid der ontzagwekkende gevaarten. - -De zon schoof zachtkens de sluiers weg, welke zich tusschen haar en de -aarde schoven, den bruidegom gelijk, die, hoe begeerig ook het gelaat -zijner bruid te aanschouwen, toch met eerbiedigen schroom haar -maagdelijke trekken onthult; stroomen goud en purper zond de -zonnekoning omlaag en tooide zijn geliefde met alle schatten, waarover -hij beschikken kon, en zij zag opwaarts naar hem met een glimlach vol -bekoorlijkheid en liefde, stralend van diamantengloed en paarlenglans. - -Zelfs de kale wanden van den vulkaan glinsterden in de liefkoozingen -van het licht; aan zijn voet breidde zich een vlakte uit, begroeid met -het welige alang-alang. Een zee van zilver gelijk zoo schitterden de -millioenen regendruppels die haar golvende halmen overdekten, hier en -daar afgewisseld door de hemelsblauwe bloemen van den gentiaan. -Verstrooid tusschen de alang-alang doemen eilanden van groen op, waarin -de vuurroode bloemen der plosa gloeien in het nog schuine zonnelicht en -de malakaboom den knoestigen stam omhoog heft, waarmede hij zijn -fraaien fluweelachtigen bladerendos draagt, maar nog schooner is de -woudgordel die de helling bedekt, een woud van reusachtige -ramalasara’s, de koningen der bosschen, die hun breede kronen naar -links en rechts uitstrekken, onverschillig of zij andere boomen -daardoor in den groei verstikken, zelf omstrengeld door een wereld van -woekerplanten, die van het geheele bosch een samengepakte massa groen -maken. Tusschen dat groen schitteren de helle kleuren van de goudgele -bloemkronen der ipomea naast de paarsblauwe bloemen der argyreia, de -donkerroode vruchten der mordecca geven gloed aan het sombere loof; de -bamboe laat vol gratie aan den ingang haar ruischende takken neerhangen -als beproefde zij de fraaiste eerepoort voor het bosch te vormen en aan -den rand, waar het woud aan de graszee grenst, verheffen zich bevallige -groepen van kleine licualapalmen. - -Aan gene zijde van het woud is de natuur nog woester, daar verheffen -zich de rotsachtige bergwanden, door niets getooid dan door een -oneindige verscheidenheid van klimplanten, die hun schaduw neerwerpen -op de kale muren en met hun ijle luchtwortels het gesteente omklemmen, -waar zij kunnen postvatten en een liefelijke sluier van groen en -bloemen doen neerdalen op het kale, dreigende rotswerk; reusachtige -vijgeboomen dringen zich door alle spleten en engten, ijverig het -voedsel zoekende dat voor hun bestaan noodig is. - -Waar nog een plekje onbegroeid is, daar spreidt zich het schitterend -witte mos uit als een natuurlijk tapijt om de rotsblokken tegen de -aanhoudende werking der elementen te verdedigen. - -In een woeste bergkloof klatert van weerszijden de val van een -neerstortenden stroom; met geweld breekt het rosse water zich door de -rotsen, het werpt zich aan de eene zijde van duizelingwekkende hoogte -in den afgrond en spreidt zich waaiervormig aan de andere uit over een -vooruitspringenden steen om verderop de Tji-Kendoelrivier te vormen die -zich tusschen een loofdak van varens omlaag spoedt; een smal voetpad -slingert zich door het woud naar boven tusschen twee vervaarlijke -rotspijlers, die volgens de overlevering der inlanders de -overblijfselen zijn van een poort, opgericht door een der machtige -vorsten van Pandjajaran. Hier borrelen verscheidene bronnen op, koude -en warme, half verscholen in het groen en zich slechts verradend door -hun eindeloos gemurmel en door den frisschen dauw, dien zij opzenden, -en waarmede zij de varens en klimplanten in hun beddingen verfrisschen. - -Weldra houdt het bosch op, een uitgestrekt veld van puin en steenen -wijst de plaats aan, verwoest door de uitbarstingen van den nog steeds -geweldigen vulkaan; van hier uit vermeit het oog zich in de -onvergelijkelijke schoone natuur aan de helling en op de vlakte; aan -den gezichteinder verheffen zich, losgewikkeld uit hun waden van wolken -en dampen, de talrijke toppen van het Gedehgebergte, zich aansluitend -aan den niet minder ontzagwekkenden Salak, stralend in zijn groen -omkleedsel; dicht bij het maagdelijke woud, verderop de graszee en -eindelijk het bebouwde land, opnieuw begrensd door andere heuvels en -bergen, andere wouden en bosschen en over alles het schitterend Oog van -den Dag steeds hooger en hooger klimmend als een vorst, die zijn -zegetocht begint en alle vijanden bij zijn nadering op de vlucht jaagt. - -Op dit punt stond Soerapati alleen en onvergezeld; met de armen over de -borst gekruist zag hij neer op het schitterend schouwspel aan zijn -voeten, of hief den blik op naar de bron van licht en gloed, die zich -daarover uitstortte. - -Verre van daar zweefden zijn gedachten; hij begroette die zon juichend -en jubelend als de oorsprong van licht en leven op deze schoone aarde, -als het beeld van den God over wien hij zich herinnerde dat zijn -christenbruid hem verhaald had, die gebood over alle natuurmachten, die -bergen en dalen uit den bajert had te voorschijn geroepen door zijn -machtig woord, die ze bekleed had met deze weelde van planten en -bloemen, die de wateren deed stroomen en stem gaf aan de vogelen, die -sprak in het rommelen van den donder, in het bulderen der vulkanen, -maar ook in het ruischen van het koeltje, in het murmelen der beek. - -Hij herinnerde zich die lessen, welke hij opgevangen had van Suzanna’s -reine lippen, en waarvan hij de bevestiging las in den zoeten blik -harer hemelsblauwe oogen, want ook die waren voortgekomen uit de hand -van dienzelfden grooten, oneindig goeden Schepper. - -En misschien onbewust bracht hij hulde aan den Heer dien Suzanna -aanbad, grooter dan de Allah, dien men hem had opgedrongen, machtiger -dan Shiwa den vernieler, dien zijn voorouders vereerden. Hij gaf zich -wellicht geen rekenschap van het gevoel dat zijn ziel overstroomde, -maar het was een nieuw leven vol kracht en moed dat al zijn aderen -doortrilde. Het frissche morgenuur, het schitterende zonnelicht na de -verschrikkingen van den nacht, deden hem aan zijn toekomst denken -zooals zij hem thans toescheen; het verleden met zijn slavernij en -opstand was geëindigd. Hij had zijn doel bereikt, de vluchtende prins -gaf zich aan hem over, hij zou hem naar Batavia voeren; wellicht -ontving hij daar den kapiteinsrang, alle zonden en misdaden van Sie -Oentoeng, den voortvluchtigen slaaf waren immers vergeven. ’t Was -Soerapati, officier der machtige Compagnie, die zegevierend naar -Batavia terugkeerde, die zijn ouden meester, wiens genegenheid voor hem -toch zeker niet geheel ten onder was gegaan, moedig onder de oogen -durfde zien om hem de hand zijner dochter te vragen. - -En dan? Dan, ja dan zou hij Suzanna de zijne mogen noemen. - -Zij zou hem leeren den Hollanders gelijk te worden; hij kende hun taal -reeds, hij waardeerde hun beschaving, het was zijn hoogste eerzucht hen -te dienen en daardoor het recht te hebben hen hoe langer hoe meer nabij -te komen, want hij had lang genoeg en van jongs af in hun omgeving -verkeerd om in hen een hooger, edeler ras, dan dat, waartoe hij -behoorde, te erkennen. De liefde van Suzanna had hem tot haar -opgeheven; zoolang hij die bezat voelde hij zich krachtig en moedig om -haar ter zijde te blijven. - -Deze gedachten vervulden zijn ziel met hun rooskleurigen glans; door de -opvoeding, die hij bij zijn meester den Raad van Indië Moor ontvangen -had, bezat hij een gedachtenwereld geheel verschillend van die, waarin -zijn landgenooten plachten te verkeeren; zijn gezichtskring had zich -uitgebreid; zijn neigingen en wenschen hadden een andere richting -genomen. Hij beoordeelde alles van een ander standpunt dan zij; -tusschen hem en zijn makkers gaapte een kloof, die nauwelijks zichtbaar -was in de dagen als gemeenschappelijk gevaar en een zelfde vrees hen -verbonden, maar die nu telkens dreigde, nu hij zich met hart en ziel -aan de Hollanders verbonden had, terwijl zij slechts uit -noodzakelijkheid die vergiffenis aangenomen hadden en zich morrend -bogen onder het juk der vreemde meesters. - -Soerapati bezat groot overwicht over zijn mannen; hij was nog steeds -hun opperhoofd, al droeg hij de uniform der Compagnie; hij had de -meesten hunner van kerker en dood gered, zij waren hem trouw gevolgd in -de wildernis en in het kamp des vreemdelings, even trouw in den opstand -tegen het gezag, als in de onderwerping, maar hij zag genoeg in met -welken tegenzin. Geen liever gebod zouden zij van hem ontvangen dan dat -van hun wapens te keeren tegen de nieuwe meesters; telkens moest hij -tusschenbeide treden om twisten tusschen zijn Balineezen en de -Europeesche soldaten te bedaren; zijn taak was moeilijk, maar hij -hoopte ze trouw te vervullen en dan tot belooning de volledige -vergiffenis der Compagnie, de hand zijner blanke bruid te verwerven. - -Geen schooner toekomst zou voor Java kunnen aanbreken, meende hij, dan -als beide volkeren zich vereenigden, zooals eenmaal de Islam den ouden -Hindoegodsdienst in zich had opgenomen. Nog schitterender zou nu de -overwinning zijn, dan eerst zou Java machtig worden, machtig en één in -de stoffelijke en geestelijke belangen van staatkunde en godsdienst. Er -zouden geen overheerschers meer zijn en geen verdrukten; aan de -vreeselijke willekeur der inlandsche hoven, de domme verdrukking, de -noodelooze wreedheid zou paal en perk gesteld worden en schoon als de -morgen breidde zich een schitterende, heerlijke toekomst over Java uit, -die hij zou helpen stichten door zijn trouwe hulp en medewerking den -Hollanders aangeboden. - -Dat waren de droomen die Soerapati’s geest vervulden, de vizioenen die -hij aanschouwde in de eerste gulden glorie der morgenzon, toen hij op -de hoogte toefde terwijl het landschap zijn geuren en glansen ten hemel -opzond als een ontzaggelijk dankoffer. - -Een behoedzame stap deed zich hooren op de steenen, die hier den grond -bedekten; hij zag om en bemerkte dat een vrouw hem naderde; zij droeg -den sarong om het middel, vastgemaakt door een gouden band; deze sarong -was van fijne soort, diamanten steenen schitterden in haar ooren en een -geelzijden sikepan of baatje viel van haar schouders, die ten -overvloede nog door een roode slendang (sjerp) versierd waren. Haar -gelaat had de zachtgele kleur, Javaanschen vrouwen van hoogen rang -eigen; voor haar landaard waren haar trekken fijn en regelmatig, eenige -bloemen waren koket in haar dikke, glanzende lokken gestoken; haar gang -had de achtelooze onzekerheid, die bij dat nationale gewaad zoo -bekoorlijk schijnt, maar in Europeesche kleederen belachelijk en -onbehagelijk wordt. - -„Allah schenke u een gelukkigen dag, gevolgd door een lang, gezegend -leven!” zeide zij halfluid en sloeg de groote, donkere oogen schuchter -neder. - -Soerapati zag haar aan. - -„Ik dank u voor dien goeden wensch, zuster!” sprak hij hoffelijk, „en -ik hoop, dat hij ook bij u in vervulling moge komen.” - -„Bij mij zal hij zeker waarheid worden, zoo het u behaagt.” - -„Mij behagen! Zeg mij, zuster, waardoor ik u zulk een goede gave als -een lang gezegend leven is, kan schenken.” - -Zij naderde hem wat meer en sloeg nu de oogen op naar zijn gelaat. - -„Herkent ge mij niet, Heer?” vroeg zij. - -„Het voorrecht u te zien was mij nog niet eer gegund, Vrouwe!” -antwoordde Soerapati, „maar dat zie ik genoeg, gij zijt van edel -geslacht; waarom zwerft ge dan alleen hier door het woud en verwondt -gij uwe teedere voeten aan de scherpe steenen? Dit is geen plaats, -geschikt voor een jonge, schoone vrouw als gij, vergun dat ik het u -zegge!” - -„Gij hebt gelijk Heer, en ik zou mij met mijn dienares, die mij ginds -aan de bronnen wacht, hier niet begeven hebben, als geen gewichtige -belangen het mij ten plicht stelden. Ik moet u spreken, en koos daarom -dit vroege morgenuur, onder voorwendsel van mij te gaan baden in het -woud. Wilt ge mij hooren?” - -„Spreek, edele Vrouw! Uw woorden klinken mij in de ooren zoo zoet als -het gezang van de kaso, den zanger onzer bosschen! Als ge mij iets -vraagt, dat ik u kan toestaan, ik zweer u bij mijn kris, ik zal het u -verkrijgen!” - -De jonge vrouw wierp zich voor zijn voeten en zag hem smeekend aan. - -„Sta op, als ge wilt dat ik u hoore!” zeide Soerapati, „in deze houding -wil ik u niet zien. Het past u niet u te vernederen voor een -eenvoudigen man als ik.” - -„De smeekende moet in ootmoedige houding spreken tot hem, van wien haar -eenig heil afhangt, dat is altijd passende gewoonte geweest. Gij -herkent mij niet, Heer, maar uw gelaat en gestalte zijn in mijn ziel -gedrukt, zooals de heiligen hun voetstappen achterlieten in den kouden -steen, welken zij eenmaal betreden hebben. Ik ben Radhen Goesik -Koesoema, de tweede vrouw van den eenmaal zoo machtigen en nu -vluchtenden Pangeran Poerbaya. Gisteravond zag ik u bij mijn heer, ik -hoorde dat gij een taal vol wijsheid spraakt en daarom kom ik van u -hulp en steun vragen.” - -„Voor uw echtgenoot?” - -„Neen, voor mijzelf. Gij hebt goed gezien, ik ben van hoog en edel -geslacht; de Solosche prins Amirang Koesoemo Rijksbestuurder van het -keizerrijk Mataram is mijn pleegvader. De Pangeran Poerbaya verkreeg -mijn hand, maar hij heeft mij nooit liefgehad, de Tjeribonsche prinses -Sepoe is zijn lievelingsvrouw, de moeder van zijn zoons, toch ben ik -hem gevolgd, toen hij door het ongeluk zijner wapenen gedwongen was te -vluchten. Ik heb de verbanning en zijn zwervend leven met hem gedeeld; -maanden lang leden wij honger en dorst, vermoeienis en hitte, slechts -door de vochtigheid van den regen afgewisseld, in deze wildernissen en -toch heb ik mijn Heer en gemaal tot het laatste aangeraden moed te -houden en zich niet te onderwerpen. ’t Mocht niet baten, hij zal nu -gaan kruipen voor de blanke mannen, hij zal u zijn wapens overgeven en -dan de rijst der overwinnaars gaan eten. O schande!” - -„Vrees niet prinses! het juk der meesters is niet zwaar!” - -„Schande is altijd zwaar! Ik, de dochter van prinsen, ik wil het niet -dragen, liever verlaat ik mijn al te zwakken gemaal, en keer terug naar -mijn vader, die de poorten van zijn huis voor mij heeft opengezet en -daarom wil ik u de gunst vragen, laat mij niet vertrekken naar Batavia, -breng mij terug naar mijn vaderland!” - -„Maar edele Vrouw, hoe zal ik u die gunst verkrijgen als uw echtgenoot -het niet verlangt? De Prins is thans uw Heer en Meester, gij moogt hem -niet verlaten, dan als hij u verlof er toe geeft.” - -„Ik heb den Bantamschen prins gehuwd en niet den huurling der -Hollanders; hij zal mij dat verlof niet geven, want hij heeft mij lief, -zooals men een kind liefkoost om zijn aanvalligheid, maar wier woorden -men als kindertaal glimlachend aanhoort. O Heer, laat mij niet gaan -naar Batavia, laat mij niet kwijnen in gevangenschap, hoe verguld de -ketenen ook zijn, het blijven ketenen. Daar straks hebt ge mijne stem -vergeleken met die der kaso. Welnu, wat zal het lot van het vogeltje -zijn, als gij het in een kooi, hoe sierlijk ook, wegsluit; het zal -verkwijnen van heimwee naar zijn bergen en bosschen. Zoo zal ’t ook mij -gaan, als ik ’s prinsen gevangenschap deelen moet. Gij zelf, gij weet -wat het is vrijheid te missen; de rijst der slavernij smaakt hard en -bitter, het kost moeite haar te eten, zij benauwt de keel en ontneemt -ons de adem! Laat mij ’s prinsen lot niet deelen! Ik smeek het u, bij -haar die ge bemint, zooals elke vrouw verlangen moet bemind te worden!” - -Haar stem klonk zoet en vleiend, haar schoone oogen waren smeekend op -hem gericht. ’t Kon niet anders of de Balinees moest getroffen worden -door de dringende bede der vorstendochter. - -„Maar begrijpt ge niet,” vroeg hij, „dat elke poging door mij gewaagd, -den prins als verraad zal voorkomen? Ik kan toch niet willekeurig u -uitsluiten van het vrijgeleide, dat ik den Pangeran en zijn gezin zal -schenken.” - -„Ik begrijp slechts één ding! Gij kunt me redden, gij alléén! Het hoe -daarnaar vraag ik niet. O,” ging zij half fluisterend voort, „als ge -mij wildet toestaan u te beloonen, hoe zou ik u helpen op de baan, die -gij inslaan moet, want gij zijt bestemd tot groote dingen. Boeloe -Kidoer, de dwerg, die kennis bezit van de toekomende dingen, heeft u in -zijn droom gezien, met een kroon op het hoofd, schitterend als de zon. -Indien uw hart niet verknocht was aan de blanken, ik zou u tot roem en -aanzien brengen. Mijn vader is almachtig in ’s keizers rijk, ik ben -zijn liefste dochter; hij weet moed en verstand te waardeeren, hij zou -u overladen met eerbewijzingen, hij zou u doen klimmen tot hooger -eerepost dan ge ooit bereiken kondet in dienst der blanken. Als ge hen -verlaat en mij brengt naar Karta-Soera, dan zal geen loon te groot voor -u wezen.” - -Soerapati glimlachte medelijdend. - -„Ge spreekt als een echte vrouw, prinses! en daarom vergeef ik de -zwakheid uwer rede; ik dien nu de Hollanders en geen macht ter wereld -zal mij kunnen bewegen hen ontrouw te worden. Vraag den prins verlof, -terug te keeren naar uw vaderland en ik zal zorg dragen, dat uw wensch -vervuld wordt, dat zweer ik u!” - -„Is dat het eenige,” vroeg zij en tranen sprongen haar in de oogen, -„het eenige, wat ge voor mij doen kunt?” - -„Helaas! Niets anders, edele vrouwe en zoo ik u een raad schenken mag: -de zon is reeds hoog in de lucht; keer terug naar den prins uw gemaal, -spoedig zal ik u volgen. Hij mag niet weten, dat ik u hier gesproken -heb; en uw aanwezigheid verraadt mij, dat hij nabij is. Ik beloof u -mijn steun als gij uw gemaal het verlof wilt vragen terug te keeren -naar uw vaderland.” - -„Dankbaar neem ik dien steun aan als gij mij niets anders geven wilt!” -antwoordde Koesoema en groette hem uit de hoogte. Zij keerde zich om en -verdween in het bosch. - -„Zij is schoon,” dacht Soerapati, „maar de blonde dochters der -Hollanders zijn veel schooner.” - -De prinses was intusschen naar de bron teruggekeerd, waar een slavin en -Boeloe Kidoer, de dwerg haar wachtten. - -„Wat heeft hij u geantwoord?” vroeg de dwerg haar tegemoet waggelend. - -„Hij is hard als het hout van den djatiboom; ik heb slechts weinig -gewonnen, maar ik geef de hoop niet op. O Boeloe! had ik nooit zijn -schoone gestalte gezien, dan ware die liefde mij niet zoo plotseling -door de oogen in het hart gedrongen, of is zij met zijn stem door mijn -ooren geslopen? Nu heb ik nergens rust meer, waar hij niet is. Zou -Allah besloten hebben hem mij te geven of heeft de booze geest dezer -streken in mijn hart dat noodlottige vuur ontstoken? Boeloe, ik beloof -u mijn mooiste gouden pending [10], als ge maakt, dat hij koning wordt -en ik zijn koningin.” - -„Koning! Dat zal hij eenmaal zijn, prinses! en of gij zijn koningin -wordt, het hangt alleen van u af; wilt ge naar de woorden van den dwerg -luisteren?” - -„Ach, ’t zal niet baten, Boeloe! De blanke vrouw vervult zijn hart, hoe -zal ik daar plaats vinden?” - -„De eene berg kan daar niet komen, waar reeds sinds eeuwen de andere -staat, maar niets gemakkelijker voor de vrouw, die bemint dan de plaats -eener andere in te nemen, die afwezig is!” - -„Ware zij mijn landgenoot, ik zou haar niet vreezen, dwerg, maar zij is -een blanke, en die vrouwen met haar blauwe oogen en geel haar hebben -meer macht dan wij.” - -„We zullen zien, wie sterker is!” grinnikte de dwerg. - - - - - - - - -IV. - -VAANDRIG KUFFELER. - - -Pangeran Poerbaya met al zijn volgelingen had zijn tenten laten opslaan -in de vlakte tegenover Soerapati’s kamp. Hij had den Balineeschen -luitenant bij zich ontboden en besprak met hem nogmaals breedvoerig en -nauwkeurig de voorwaarden zijner overgave. - -„En neemt ge uw vrouwen en slavinnen mede naar Jacatra?” vroeg -Soerapati om hem over zijn plannen ten opzichte van Radhen Goesik te -peilen. - -„Waarom zoude ik niet?” vroeg de prins met zijn zwaarmoedigen glimlach. -„Wat zou mijn ballingschap bitter en zwaar wezen, als ik het gezelschap -moest derven van haar, die mij ter zijde stonden in voor- en -tegenspoed? Met wie zou ik beter over mijn vroegere dagen van geluk -kunnen spreken en over mijn bitteren rampspoed dan met mijn trouwe -gemalinnen?” - -„En zijn ze ook bereid de ballingschap met u te deelen?” - -„Moeten zij dat niet?” hernam hij volgens zijn gewoonte, een vraag -altijd met een vraag beantwoordend. „Is de wil van haar gemaal en -meester dan niet haar hoogste wet?” - -„Uwe vrouwen zijn van hooge geboorte, naar ik verneem?” - -„Is de mijne dan ook niet hoog? ’t Is waar, mijn Radhen Ayoe is de -zuster van den Tjeribonschen Sultan, en mijn jonge vrouw is de dochter -van Mataram’s rijksbestuurder maar al ben ik ook gevangen, ik blijf -toch de zoon en broeder der Bantamsche prinsen, en ik ben er van -overtuigd, dat de Edele Compagnie dien rang niet vergeten zal.” - -Blijkbaar lag de gedachte van zijn lievelingsvrouw te scheiden verre -van ’s prinsen geest, en Soerapati wanhoopte er aan Radhen Goesik op -deze wijze behulpzaam te zijn; hij bracht het gesprek dus weer op -gewichtiger zaken en de prins wees hem op de wapenen van hem zelf en -zijn volgelingen, die samengebonden in een hoek der hut lagen. - -„Zoodra ge mij den pardonbrief der Compagnie overhandigt, zal ik u de -wapens overgeven, dan zijn wij uw gevangenen, en hangen van uw -edelmoedigheid af.” - -„Waarop ge niet tevergeefs zult vertrouwen, edele prins! Ik heb naar -kapitein Ruijs in de vesting Tandjong Poera het bericht gezonden van uw -onderwerping, en hoop dus weldra den brief te ontvangen.” - -Een der manschappen van Soerapati verscheen aan den ingang der tent en -wenkte zijn meester naderbij te komen. De luitenant stond op en vroeg -wat hij te zeggen had. - -„Heer!” sprak de man half luid, „er is een troepje Hollandsche soldaten -in aantocht!” - -„Dat kan het antwoord van kapitein Ruijs nog niet wezen!” zeide -Soerapati verbaasd. „Vergun mij, prins, dat ik ga zien wat die mannen -hier voert.” - -Inderdaad naderden een veertigtal Hollandsche soldaten en kleurlingen -onder bevel van een vaandrig het kamp. Kiai Hemboong stond naast -Soerapati en schudde het hoofd. - -„Dat beduidt niets goeds,” zeide hij. „Van morgen heb ik driemaal het -geroep van den uil gehoord; de zon is van morgen in vollen glans -opgegaan, en zie nu eens hoe duister de wolken zijn, die haar -bedekken.” - -De vaandrig kwam nader en zoodra hij de Balineezen zag, die hier en -daar in groepjes met de volgelingen van den prins zaten of stonden te -praten, vroeg hij op hoogen toon rondziende: - -„Wie uwer is Sie Oentoeng, of anders gezegd Soerapati!” - -„Als gij den luitenant Soerapati zoekt, dan ben ik het, vaandrig!” -sprak de Balinees met van ingehouden toorn trillende stem; zijn oogen -fonkelden van verontwaardiging en zijn handen sloten zich krampachtig -inéén, maar toch ging hij oogenschijnlijk kalm, zijn mindere in rang te -gemoet, die hem op zulk een minachtende wijze durfde behandelen. - -„Ja, ik moest je spreken,” sprak de vaandrig met een hinderlijke -zelfgenoegzaamheid, „waar kan dat onder vier oogen gebeuren?” - -„Hier is mijn tent, daar kan ik u te woord staan, indien gij eerst -zeggen wilt wie ge zijt, en uit wiens naam gij komt.” - -„Ik ben de vaandrig Kuffeler, en ik kom uit naam der Hooge Regeering -van Batavia den Pangeran Poerbaya zijn vergiffenisbrief brengen, en -tevens u gelasten, dat gij naar de hoofdstad terugkeert om u te -verantwoorden over hetgeen men u daar ten laste heeft gelegd.” - -Naast den ouden Kiai Hemboong stond de dwerg, die hem met zijn -leelijken grijns veelbeteekenend aanstaarde. - -Soerapati werd zoo bleek als zijn donkere huidskleur het toestond; hij -zag den vaandrig als van den donder getroffen aan; geen woorden kon hij -vinden om aan zijn verbazing en ontroering lucht te geven. - -„Ge vergist u,” sprak hij eindelijk zoo kalm mogelijk, „dit kan uw -opdracht niet zijn; want de Heer Kapitein Ruijs heeft mij belast den -Pangeran tot onderwerping te brengen en daarna een vrijgeleide naar het -fort Tandjong Poera te schenken. Hoe is het mogelijk, dat gij dan met -dezelfde boodschap hier verschijnt?” - -„Zoo gij mijn woorden van onwaarheid verdenkt, zie dan de stukken in, -die ik bij mij draag; ge kunt u overtuigen met uw eigen oogen of ik -leugens zeg. Waarlijk, die twijfel staat u fraai, man!” - -„Hier is mijn tent,” zeide Soerapati, „de lucht wordt donker, het zal -boos weer worden, daar zijt ge ten minste veilig.” - -Zonder op de beleefdheid, waarmede Soerapati deze woorden uitsprak, -eenige acht te slaan, ging de vaandrig hem voor naar de tent en gaf hem -zijn instructie-brieven over. - -Intusschen stonden Kiai Hemboong en de dwerg geheimzinnig met elkander -te fluisteren, zich onder de takken van een pisangboom zooveel mogelijk -tegen de druipende waterstralen beveiligend. - -„Hoort ge vader!” sprak de dwerg, „hoe uw lievelingszoon behandeld -wordt door zijn vrienden de Hollanders? Zal nu eindelijk zijn hart niet -wakker worden, en hij hun zijde niet verlaten?” - -Zuchtend haalde Kiai Hemboong de schouders op. - -„Hij zal hen blijven dienen, zoolang de blanke vrouw daarginds in -Soenda Kalappa zijn hart nog gevangen houdt. Alles zal hij verdragen, -liever dan de Hollanders te beleedigen, wanneer bij hem nog de hoop -leeft haar terug te krijgen.” - -„En heeft die hoop recht tot leven?” - -Kiai Hemboong zag met zijn listige oogen den dwerg aan. - -„De verliefde hoopt nog als alle hoop vervlogen is, maar hij, wiens -hart niet gewond is, ziet scherper. Wat baat het echter of een ander -ziet, waar hij vrijwillig blind wil zijn?” - -„Men kan hem de oogen openen. Ik ken een vrouw, die ziek van liefde is -om uw pleegzoon, een vrouw van ons volk, een hooge, aanzienlijke vrouw. -Als hij haar geleiden wil naar Karta-Soera, dan zal zij hem de -bescherming verkrijgen des keizers, zij zal zich gelukkig rekenen hem -haar hand te geven, dan zal hij de eerste stappen gedaan hebben op den -weg, die hem voeren moet naar de oppermacht, welke hem bestemd is.” - -„Het zijn goede zaken, waarvan uw lippen spreken, dwerg, maar hoe -zullen wij ze doen dringen in de ooren van mijn pleegzoon? Wij moeten -de wond, die de Hollanders in zijn ziel slaan openhouden en vergrooten, -misschien zal dan eenmaal zijn liefde voor hen in haat veranderen.” - -„Maar de blanke vrouw?” - -Kiai Hemboong dacht na; de regen werd hoe langer hoe heviger, de -woudreuzen bogen onder het geweld van den storm heen en weder als waren -het dunne rieten stammen, de grond was een borrelende massa water -geworden door de telkens heviger neervallende reusachtig groote -droppels, die zich bij de anderen voegden, welke reeds een moeras -geworden schenen; een sterke lucht steeg uit de vochtige struiken en -het natte gras van het woud op en de helderheid van den dag had voor -schemering plaats gemaakt. Alles zocht een goed heenkomen, maar de -grijsaard en de dwerg bekommerden zich niet om de woede van het -opgezweepte woud en van de dreigende wolken. - -„Wij zullen haar macht breken,” sprak de Kiai op beteekenisvollen toon. -„Soerapati heeft een zijner mannen naar Batavia gezonden om haar mee te -deelen, dat hij vrede gesloten heeft met de Compagnie en weldra haar -als zijn wettige vrouw hoopt te erkennen.” - -De dwerg knikte met zijn groot zwaar hoofd. - -„Ge zijt listig Kiai, uw wijsheid heeft met uw jaren gelijken tred -gehouden; gij weet wat de beste wijze is om de herinnering aan het -witte meisje, die scherp is als een doorn, uit zijn geest te rukken, en -heeft hij haar vergeten, dan zal het mijn meesteres gemakkelijk vallen -zijn hart te winnen.” - -Langzamerhand werden de regendroppels schaarscher en minder hevig, het -bosch kwam tot kalmte, het zwaaide zijn natte takken als afgemat heen -en weer; in duizenden beekjes stroomde het water naar omlaag, de wolken -braken en een valschen glimlach gelijk zond de zon haar omfloerste -stralen over het nog dampende woud. - -Soerapati en de vaandrig verschenen aan den ingang der tent. - -„Ik kan u niets bepaalds antwoorden,” sprak de eerste; „mijn -instructiën zijn even duidelijk als de uwe. Kapitein Ruijs mijn chef -gaf ze mij, ik ben gebonden ze te gehoorzamen, en nu er tweespalt -schijnt te wezen, kan ik niets beter doen, dan mij aan de mijne te -houden. Ik ben in elk geval uw meerdere!” - -De vaandrig lachte honend. - -„Maar ik ben een Hollander!” sprak hij vol aanmatiging. - -„Ik geloof dat de kleur hier geen verschil uitmaakt,” gaf de Balinees -altijd even hoffelijk ten antwoord, hoewel zijn bloed van -verontwaardiging kookte. „Alles berust op een misverstand. De Hooge -Regeering van Batavia heeft den pardonbrief rechtstreeks aan den Prins -willen doen zenden, terwijl ik meende dien door tusschenkomst van -kapitein Ruys te moeten vragen; zoo de brief er is, zal ik hem gaarne -den prins overhandigen.” - -„Maar gij hebt niets te overhandigen, ’t is aan mij dat de Prins zich -moet overgeven.” - -„In deze verwarring weet ik niets beters te doen dan mijn meester, den -Heer Kapitein, te laten vragen, hoe ik handelen moet, gehoorzamen aan -zijn mij reeds gegeven bevelen of naar u luisteren. Maar hoe kan dit -mogelijk wezen, het zou immers een groote onbillijkheid zijn indien ik, -die de onderhandelingen leidde, nu aan een ander de eer der overwinning -moest afstaan?” - -„Voor een weggeloopen slaaf is uw eerzucht nog al groot. Ge begrijpt -toch dat de Compagnie niet dulden zal dat zulk een belangrijke opdracht -vervuld wordt door een man, die nog steeds vogelvrij is.” - -„Dat ben ik niet meer,” verklaarde Soerapati fier, „wat er voorheen -gebeurd is, dat is vergeven. Ik ben nu in dienst der Compagnie zoo goed -als gij.” - -„Wanneer dit zoo ware, waarom moet ik u dan oproepen naar Batavia om u -te verantwoorden?” - -„Ik kan het niet gelooven, alles berust op misverstand en vergissingen; -wanneer kapitein Ruijs mijn boodschap ontvangt, zal alles zich -ophelderen. De Compagnie is rechtvaardig en eerlijk waarom zoude zij -mij wantrouwen; waarlijk, ik gaf er haar geen reden toe!” - -„Spreek zoo luid niet, vriend!” hernam de vaandrig schamper, „de -Regeering zal weten, wat haar te doen staat, en waarom zij het doet.” - -Soerapati antwoordde niet en vroeg bedaard of de vaandrig voor hem en -zijn soldaten tenten wilde opslaan; er was een open plaats daartoe -geschikt iets verder dan de vlakte, waarop de zijne en die van den -Bantamschen prins stonden. - -„Ik zal mijn bevelen aan mijn mannen geven,” zei de vaandrig kortaf en -verliet hem zonder eenigen groet. - -Ter prooi aan een hevigen toorn keerde Soerapati in zijn tent terug en -begon zijn brief aan kapitein Ruijs te schrijven. - -„Zou het waar zijn,” vroeg hij zich telkens af, „wat de Kiai mij zoo -dikwijls herhaalt en wat mijn mannen mompelen? Zullen de Hollanders ons -nooit met zich zelf gelijkstellen; blijven ze ons altijd met wantrouwen -en geringschatting aanzien, omdat wij tot een minder menschenras -behooren? Dan had Suzanna zich niet aan mij vertrouwd, dan had zij mij -geen trouw gezworen.” - - - - - - - - -V. - -OP BEDEVAART. - - -Radhen Goesik zocht vergeefs den slaap op het matje dat de weinig -prinselijke legerstede der vorstin uitmaakte, haar gedachten echter, -meer dan de schamele rustplaats, hielden haar wakker. - -Een enkele blik op den Balineeschen slaaf, zooals hij dien avond in de -grot verschenen was met zijn krachtige, slanke gestalte geheel -verschillend van de inééngedrongen zwakke figuur des Pangerans, was -voldoende geweest om haar hart in liefde te ontvlammen voor hem in wien -zij reeds een onoverwinnelijken held vereerde. - -Niet onduidelijk had zij hem haar gevoelens geopenbaard, doch hij was -er ongevoelig voor gebleven; de herinnering aan de blanke vrouw was een -schild, waarop alle pijlen Amor’s stomp schoten. - -Bittere jaloezie vervulde Koesoema’s hart jegens die onbekende, nooit -geziene bruid, om wier wille hij zijn zaak afscheidde van die zijner -stamgenooten, aan wie hij zonder aarzelen zelfs de keizerskroon zou -willen opofferen, als hem die aangeboden werd; zij voelde zich -machteloos, zij de prinses tegenover den slaaf, zoolang zij haar -mededingster niet overwonnen had. - -Zij werd hoe langer hoe onrustiger, de hartstocht tooverde haar -onophoudelijk den afwezige voor den geest, haar hoofd brandde, haar -polsen klopten hevig; of zij de oogen sloot, dan wel opende, altijd zag -zij hem terug, altijd hoorde zij zijn stem bevelend en streng tegen -zijn mannen, hoffelijk, vriendelijk, beschaafd als hij zich tot den -overwonnen prins of tot haar richtte. - -O kon zij zijn liefde winnen, hoe gaarne bracht zij hem niet alles ten -offer, wanneer zij nog iets bezeten had; nu echter zou het haar hoogste -eerzucht zijn, het zwervend leven met hem te deelen, in afwachting dat -zij hem den weg opende naar roem en geluk, maar zij voelde, dat zij -niet te veel wagen mocht, uit vrees van het weinige, waarop zij zich -nog beroemde, te verliezen. - -Tot geen prijs zou Soerapati een trouwelooze daad willen verrichten -tegen den ongelukkigen prins, die zich aan zijn edelmoedigheid overgaf; -al had zij ook de herinnering aan zijn blanke vrouw verdreven, al ware -het haar gelukt, zijn liefde te winnen, toch zou hij nooit er in -toestemmen haar aan haar gemaal te ontrooven, daarvoor kende zij hem -reeds genoeg, en ook daarom achtte en beminde zij hem des te meer. - -Als zij zich aan hem opdrong, wie weet of hij haar niet aan den prins -zou verraden, en zij wist maar al te goed hoe streng de Javaansche -grooten de trouweloosheid hunner gemalinnen straften; neen, nergens was -er een uitweg, en haar liefde voelde zij bij het uur aangroeien, den -bergstroom gelijk, die met kracht zijn diepe bedding vult en dan over -zijn oevers heenstroomt. - -Zij hield het niet langer vol en stond op; een gordijn van sarongs aan -elkander gevoegd, scheidde het gedeelte waar de vrouwen sliepen af, van -dat, hetwelk de mannen herbergde. Zachtkens schoof zij het weg en -fluisterde: - -„Boeloe, slaap je?” - -De dwerg rees ergens uit een hoekje op en kroop op handen en voeten -naar de plek, waar het hoofd der Radhen tusschen het gordijn verscheen. - -„Wat verlangt mijn gebiedster?” vroeg hij schier onhoorbaar. - -„Boeloe, ik wil den ouden man spreken, gij weet, wien ik bedoel; morgen -ochtend zal ik een offer brengen aan den heiligen Waringinboom, die -daar ginds aan het begin van den kampong Tjidoeran staat, zorg dat gij -er ook zijt met hem.” - -„’t Zal geschieden zooals mijn meesteres verlangt,” antwoordde de -dwerg. Het zwakke licht der kleine plita (olielampje) belette dat de -prinses zijn gewonen grijns zag. - -Toen de eerste stralen van den morgen in het bosch vielen en men uit de -verte het geluid hoorde van het rijststampen, dat zich met het gekraai -der hanen en het getjilp der vogels vermengde, ging de Pangeran naar -buiten om zijn eerste morgengebeden bij den rijzenden dag te brengen. - -Radhen Goesik volgde hem en vroeg vleiend: - -„Vergunt gij mij Heer! dezen morgen naar den heiligen boom op bedevaart -te gaan, om er aan de nagedachtenis van Sheik Oesin, die er eens leefde -en stierf, een offer van bloemen en vruchten te brengen? Wellicht -verkrijg ik dan van den Hemel dat een goede uitslag uwe -onderhandelingen bekroont.” - -Met welgevallen zag de prins zijn jonge, schoone vrouw aan. - -„Ga, lust mijner oogen!” sprak hij, „uw vroomheid is Allah welgevallig! -Maar neem twee mijner mannen mede; de boschwegen zijn onveilig, de -Balineezen van Soerapati en de soldaten van den Hollandschen luitenant -zwerven in het bosch rond. Licht doet uw schoonheid hen den eerbied -vergeten, dien zij mijn gemalin verschuldigd zijn.” - -„Ik zal doen naar uw wensch,” antwoordde de prinses en weinige -oogenblikken later sloeg zij, vergezeld van een slavin die het offer -droeg en gevolgd door twee Bantammers, den weg in naar de heilige plek, -waar de dwerg en zijn oude vriend reeds aangekomen waren. In schijnbaar -vroom gebed verdiept, toefden zij onder den eerbiedwaardigen boom, die -op zich zelf een klein bosch vormde. Zijn dikke stam was door een -menigte andere stammen omringd, die eens luchtwortels waren geweest en -zich in den grond hadden vastgezet om op hunne beurt krachtige boomen -te worden, die als zuilen het ontzaggelijk breede loofdak hielpen -steunen, dat zich over een ruim grasperk uitspreidde. - -Gemakkelijk was het te begrijpen, dat een kluizenaar jaren lang een -schuilplaats in dit woud van stammen en wortels had gevonden. Kleine -lampjes en nederige offeranden op den grond geplaatst verrieden de -heilige plek, waarheen ook Radhen Goesik hare schreden richtte. - -Zij wierp zich op den grond, dien zij eerbiedig kuste en deed haar door -herhaalde hoofdbuigingen vergezeld gebed, maar zoo ooit dan was dit wel -een gebed waaraan de geest ontbrak, een zielloos woord, dat ontdaan van -zijn vleugels niet ten hemel vermocht op te stijgen; haar gedachten -verwijlden slechts bij het gesprek, dat haar zoo dadelijk wachtte. - -Toen zij gedaan had, stonden allen op. Kiai Hemboong begroette de -vorstin, die genadig zijn groet aannam. - -„Wij hebben denzelfden wensch gehad als gij, moedertje,” sprak de -dwerg, „vergunt gij ons in uw gevolg terug te keeren naar het kamp? ’t -Is waar, aan onze leelijke hoofden is zooveel niet verloren, maar toch -een mensch heeft lief wat hij bezit, zei de tjelleng [11] toen hij -weigerde zijn snijtanden te ruilen tegen het gewei van het hert.” - -„Hoe grooter mijn gevolg is, hoe langer ik mij verbeelden kan nog -prinses te zijn,” antwoordde Radhen Goesik, „ik heb behoefte aan de -woorden van een oud en wijs man, Kiai, en het zal mij aangenaam wezen -uit uw mond goeden en heilzamen raad te ontvangen.” - -Zij wenkte hem in haar nabijheid te blijven en ging zoo snel voort dat -er weldra eenige afstand tusschen hen en de overigen ontstond. - -„Kiai,” zoo begon zij, „de dwerg heeft u ongetwijfeld verhaald dat het -’t geheime verlangen van mijn hart is terug te keeren naar mijn land, -naar het heerlijke Karta-Soera. Men zegt, dat gij alle macht bezit over -de ziel van uw zoon Soerapati, welnu, verkrijg van hem dat hij den -dienst der Hollanders ontvlucht om mij weg te voeren uit het land der -ballingschap.” - -„Mijn macht over hem is slechts luttel, hooge Vrouwe, er is een ander -die zijn hart aan zich bindt, met koorden hechter dan de stevigste, die -uit de vezels van den kokospalm gevlochten worden. Zoolang die banden -niet verbroken zijn, behoort hij met hart en ziel aan de verraderlijke, -valsche vreemdelingen.” - -„En kan de afstand, de tijd, die vezels niet ontrafelen?” - -„Helaas! ik vrees van neen, prinses! Misschien zou er een middel -wezen...” - -„En dat is?” - -„Wat noch tijd, noch afwezigheid vermag, dat zal misschien mogelijk -zijn aan de leugen.” - -„De leugen is een scherp wapen, snijdend als een goede kris, zoo zij -gehanteerd wordt door ervaren hand.” - -„Ik hoop u te bewijzen, vorstin, dat de hand van uw dienaar beproefd en -zijn oog zeker is.” - -„Hoe, ge wilt door een leugen trachten het hart van uw pleegzoon los te -maken van dat der blanke vrouw?” - -„Ik zal het doen als mijn schoone meesteresse het mij gebiedt.” - -Aan de listige stembuiging van den grijsaard begreep Radhen Goesik, dat -hij niets zou volbrengen als hem geen belooning werd aangeboden. - -„Ik mis het recht u te bevelen, oude man!” sprak zij na een korte poos, -„ik kan u slechts verzoeken en mijn verzoek versterken door de hoop op -een schoone belooning. Zeg mij, wat ge wilt! Hebt ge geen dochter? Zij -zal mijn hofdame worden als ik teruggekeerd zal zijn in het rijk van -Mataram, of wilt ge liever dat ik aan uw zoon een vrouw beloof van -aanzien en rang?” - -„Uw dienaar heeft geen kinderen, Prinses, niets dan de zoon van zijn -hart, die het niet is door zijn bloed. Zoo ik eenige belooning verlang, -dan moet het hem een vergoeding zijn voor hetgeen ik hem ga ontnemen.” - -Radhen Goesik klemde de lippen op elkaar; in hevige gemoedsbeweging -golfde haar boezem op en neer, zij hield de oogen op den grond -gevestigd tot zij ze plotseling opsloeg en een blik, waaruit al het -vuur dat haar verteerde, gloeide, op den ouden man vestigde. - -„Welke vergoeding ik hem schenken zal voor zijn blanke vrouw? Vraagt ge -dat? Mij zelf! is dat niet genoeg voor hem, den gevluchten slaaf? Maar -meer nog zal ik hem schenken, de bescherming mijns pleegvaders, den -machtigen rijksbestuurder van Mataram en dus ook de gunst des keizers.” - -„Belooft ge mij dat, of liever weet gij, wat ge mij belooft? Zoo de -keizer den ontrouwen dienaar der Compagnie bescherming verleent, -verklaart zij hem den oorlog; zal men daartoe bereid zijn in Mataram?” - -„De liefde van een vrouw vermag alles. Wanneer ik zijn gemalin ben, dan -vrees ik niets meer; veroorzaak een breuk tusschen hem en de Compagnie, -verbreek zijn vereeniging met de blanke vrouw en voor ’t overige sta ik -u borg.” - -„De liefde eener vrouw overtreft den olifant in kracht, den eekhoorn in -behendigheid, de slang in list. Welnu prinses, ik zal vertrouwen op uw -woord en een afgrond graven tusschen hem en zijn vrienden. Maar bedenk, -ik doe het om uwentwille slechts; het geluk van mijn pleegzoon is mijn -eenig doel, hetzij hij ’t verwerft door zijn aansluiting bij de -Hollanders, hetzij door een vereeniging met u.” - -„En ik zal hem schenken wat de geelharige hem nimmer bieden kan. Gij -kent haar,” riep zij plotseling uit met een van die snelle overgangen, -hartstochtelijken vrouwen eigen. „Gij hebt Nonna Moor meermalen gezien, -zeg mij dan, is zij waarlijk schoon, is de lansepkleur mijner wangen -niet bekoorlijker dan de bleeke, koude melatitint van haar huid?” - -„Zij was schoon in de oogen van haar geliefde, en is dat niet -voldoende, prinses? Zij had hem lief en de liefde geeft een glans aan -het meest doffe voorwerp, schitterender dan de gouden verf, die ’s -keizers hoofd bedekt. Samen werden zij opgevoed; hij redde haar eenmaal -bij een speeltochtje, dat men op de reede van Batavia maakte, de storm -overviel het ranke bootje. Nonna Suzanna werd eruit geslingerd; Sie -Oentoeng, de slaaf, die haar zijde niet verliet, sprong haar na; met -het meisje in de armen zwom hij een half uur lang door de wilde golven; -dikwijls meende hij van uitputting weg te zinken in de diepte, soms -ontviel alle kracht zijn armen, maar hij versaagde niet. Eindelijk -bereikte hij de kust; het was een onherbergzame kale kust, daar bracht -hij haar bij visschers in veiligheid en keerde toen haastig naar -Batavia terug om den vader, die zijn dochter reeds voor dood beweende, -de tijding te brengen van haar redding.” - -„En hij redde haar niet eens voor zich zelf!” - -„De dankbaarheid van den Edelen Heer Moor kende geen grenzen; Sie -Oentoeng werd met geschenken overladen, het grootste geschenk echter -was Suzanna’s liefde; van dat oogenblik af schenen beiden slechts voor -elkander te leven. De Edele Heer was veel afwezig, hij had gewichtige -ambtsbezigheden en zijn dochter gunde hij alle vrijheid. Hoe kon hij -vermoeden dat zij, zijn oogappel, zijn juweel, zich zou vergeten om een -slaaf te beminnen, een zoon van het vervloekte bruine ras?” - -„Is het dan waar wat men zegt, Kiai, verachten de Hollanders ons zoo -zeer?” - -„Hebt ge nooit het verhaal gehoord dat hun Heilig Boek hun leert, -Vrouwe! De groote aartsvader, die alleen overbleef met zijn drie zonen, -nadat het water des hemels om de boosheid der menschen de aarde en -alles wat er leefde verzwolgen had, vervloekte een dier zonen, deze -werd daarop zwart van huid en de stamvader van ons, donkere kinderen.” - -„Ik wil mijn warme kleur niet ruilen voor de koude wangen der -Hollandsche vrouw,” zeide Koesoema verachtelijk, „maar spreek voort, -Kiai! Uw verhaal smaakt als de scherpe, droge lombok, zij prikkelt en -toch geeft het genot die te proeven. Hoe ging het verder met hun -liefde?” - -„Eens kwam Sie Oentoeng bij mij; het buitenverblijf van mijn meester -paalde aan dat van den edelen Heer Moor. Ik had den ontembaren, wilden -jongen lief als mijn eigen zoon, ik had hem zien aankomen met zijn -trotsch gelaat en fiere houding, toen zijn meester hem op de -slavenmarkt gekocht had. Geen woord kwam over zijn lippen ook niet toen -de opzichter hem tot bloedens toe mishandelde, hij kromp ineen maar -geen klacht ontsnapte zijn lippen; ’s avonds bezocht ik hem en bestreek -zijn wonden met zalf; daar viel hij snikkend op zijn knieën voor mij -neer en besproeide mijn voeten met zijne tranen. Van dat oogenblik heb -ik den knaap in mijn hart gesloten, ook nadat hij de gunst zijns -meesters had weten te winnen en hij zijn lievelingsslaaf, zijn -vertrouweling werd.” - -„En wat kwam hij u mededeelen?” - -„Wat ik sinds lang wist, dat hij en nonna Suzanna elkander liever -hadden dan het licht hunner oogen, dat het leven zonder elkander hun -leeg en woest toescheen als een land zonder water en zonder wouden, en -dat er nu sprake voor haar was van een deftig huwelijk met een jong -onderkoopman. Haar droefheid kende geen grenzen meer. „Er is slechts -een middel,” riep Sie Oentoeng uit, „wij zullen elkander eeuwige trouw -beloven.” - -„Hoort gij onzen eed, Vader, ik weet dat gij menig huwelijk onder uw -medeslaven hebt besloten, Suzanna zal het heilig boek meebrengen van -haar godsdienst en zoo zal het huwelijk tusschen ons even hecht en -heilig zijn als ware het in haar tempel gesloten. Ik deed wat ik kon om -mijn jongen vriend van dat heillooze voornemen af te brengen, het was -vergeefs. Tegen het vallen van den avond kwam hij met zijn geliefde in -het zomerhuisje dat op de rivier stond, die de beide erven der woningen -van elkander scheidde. Nonna Moor had haar gewijd boek bij zich; beiden -zwoeren elkander trouw op dat boek, verwisselden de ringen en namen -elkaar tot man en vrouw in tegenwoordigheid van God, van mij en van een -vriendin, die Suzanna met zich had genomen. Het was een zonderling -huwelijk, geen blanke zou het daarvoor erkend hebben maar Allah heeft -mijn bede gehoord: „o God! vereenig dit paar door den band des -huwelijks, gelijk Gij het water met den dauw vereenigt; want Gij o -liefderijke God schenkt uw liefde aan hen, die u beminnen!” En dat was -beiden kinderen genoeg!” - -„Dus zij zijn waarlijk getrouwd! En verder!” - -„Weldra kon het huwelijk niet langer meer verborgen worden. Begrijp den -toorn van den hooggeplaatsten vader, die zijn dochter zoolang met vuur -had laten spelen en nu plotseling zien moest dat het jonge hout aan het -branden was geraakt. Nonna Suzanna hield zich moedig, zij noemde haar -echtgenoot, het baatte niet; Sie Oentoeng werd in de gevangenis -gesloten, zijn jonge vrouw gezonden naar het landgoed van een vriend -haars vaders, dat op een eiland lag in de reede van Batavia.” - -„En welke zijn de laatste berichten die Soerapati van haar ontving?” - -„Ze zijn meer dan een jaar oud; zij schreef hem, dat zij moeder -geworden was van een zoon en dat zij op het landgoed van haar vader een -allertreurigst leven leidde, zij werd dag en nacht bewaakt, aan -ontvluchten viel niet te denken; haar vader behandelde haar hard en -wreed en wilde haar dwingen tot een huwelijk met een man veel minder in -rang dan zij, daar zij nu onwaardig was een beter huwelijk te sluiten. -Zij weigerde echter standvastig elk aanzoek, zich gebonden achtend door -haar belofte aan hem.” - -„Hoorde hij niet meer van haar?” - -„Weinig meer, ons leven was te zwervend maar ik zag het hem aan; hevig -verlangen verteerde zijn ziel naar vrouw en kind. Dat bracht hem er toe -zich te onderwerpen aan den kapitein, die wanhoopte hem te buigen door -de kracht der wapenen. Die liefde maakt hem den onverschrokken -krijgsman flauw en weekhartig als een kind.” - -„Welnu, dan moet zij uit zijn hart gerukt worden. Ik beloof u mijn -hulp, Kiai; wat is thans uw voornemen!” - -„Ik zal den knaap, die weldra hier zal aankomen laten zeggen dat nonna -Suzanna getrouwd is met een ander, onverschillig of dat waarheid blijkt -of niet.” - -„En zal hij het gelooven?” - -„Bezorg mij een ring gelijk aan dien, welken hij aan de hand der Nonna -schoof, dien moet hij hem terugbrengen.” - -Bewonderend zag Radhen Goesik hem aan. - -„Nu zie ik,” sprak zij, „dat het lastige wapen van de leugen u goed -toevertrouwd is. Lastig noem ik het daar ’t zoo licht de hand verwondt, -die het voert.” - -„Voor mijn handen behoeft gij niet te vreezen, prinses.” - -„Welnu, ik zal zoeken onder mijn kleinoodiën of liever u laten zoeken -of gij dergelijken ring vinden kunt. En verlangt ge niets anders van -mij?” - -„Ge begrijpt dat Soerapati den knaap ruim zal beloonen voor goede -tijdingen.” - -„Dan zal ik hem zijn leugens nog beter vergoeden.” - -Radhen Goesik wenkte hem achteruit te gaan; zij waren op de open plek -gekomen, waar de tenten stonden. - - - - - - - - -VI. - -POERBAYA’S KRIS. - - -Hevige opgewondenheid heerschte in het kamp toen de prinses met haar -gevolg er terugkeerde. - -De Vaandrig Kuffeler omringd door zijn mannen had zich tot den prins -begeven en vroeg hem zijn wapens af in ruil van den beloofden -pardonbrief der Compagnie. - -Soerapati stond terzijde bleek van drift; geen woord was sedert -gisteren meer tusschen hem en Kuffeler gewisseld; zonder zich het minst -om hem te bekommeren volgde zijn mindere zijn eigen instructiën. De -Balineezen morden en vroegen zich af, wat toch de bedoeling der -Compagnie geweest kon zijn met hen in dienst te nemen, vrijheid en -vergiffenis te beloven. - -Was het alleen daar die Hollanders zich te zwak voelden om hen te -bestrijden dat zij in ruil voor hun vergiffenis hulp en bijstand van -hen vroegen, maar wat hadden zij met die gunsten der vreemdelingen te -doen? Waren zij hier niet in hun eigen land, voerden zij geen vrij -onbezorgd leven, beefde niet de geheele omtrek voor hen, bracht de -bevolking hen voorheen niet vrijwillig alles wat zij verlangden enkel -en alleen om hun dorpen van plundering te vrijwaren? - -En in plaats van dat vrije lot, zocht hun opperhoofd opnieuw de -slavernij, hij spiegelde zich gouden bergen voor van zijn onderwerping -aan de Hollanders, nu kon hij ervaren waaruit die belooning bestond; -zijn diensten ja, die werden gaarne aangenomen, maar nu het de eer der -onderneming gold, nu ging een ander er zich mee tooien en hij mocht -toezien. Zouden nu eindelijk zijn oogen opengaan? - -Soerapati wist wat zijn volk dacht en mompelde; hij hoorde hun -spotlach, hij kende hun denkbeelden en leed nog eens zooveel nu hij in -hun tegenwoordigheid zoo diep vernederd werd door dezelfden, aan wie -hij hen had opgeofferd. Het vuur der muiterij smeulde achter al die -gebruinde voorhoofden, het kostte hem slechts een woord en allen zouden -zij den vaandrig met zijn soldaten neergestoken hebben. Hij begreep het -en toch moest hij kalm blijven in tegenwoordigheid van zijn mannen, in -tegenwoordigheid van den prins, die hem zoo hoogschatte en die om -zijnentwille vooral zich oprecht en gaarne aan de Compagnie onderwierp. -Hij voelde zich beschaamd en diep vernederd maar er viel niets te doen; -elke daad van hem jegens Kuffeler dit voelde hij genoeg zou hem als -strafbaar aangerekend worden. Hij kon slechts den vaandrig laten begaan -om des vredeswille, de eer van Pangeran Poerbaya’s onderwerping aan hem -overlaten en alleen hopen op de billijkheid van kapitein Ruijs, die de -hooge Regeering den waren staat van zaken zou blootleggen en hem -voldoening geven tegenover den verwaanden vaandrig. - -Hij gaf den prins dus een teeken dat hij zich aan den uit Batavia -gezonden onderofficier zou overgeven. - -„Het zal nu wezen,” sprak hij, „of gij u rechtstreeks in de handen der -Ed. Compagnie stelt. Vaandrig Kuffeler spreekt als zaakgelastigde van -den Grooten Heer; ik kon slechts uit naam van kapitein Ruijs met u -onderhandelen.” - -„Zal zijn slaafsheid nog verder gaan?” vroeg Wirajoeda een jong en -vurig Balinees aan den ouden Kiai Hemboong. „Ik ken onzen meester niet -meer. Is hij dezelfde, die slechts met een kleine kris voorzien ons uit -de gevangenis van Batavia verloste, de wacht neerstak zich van haar -wapens meester maakte, schrik en dood overal verspreidde?” - -„Laat hem begaan mijn zoon! De tijger slaapt, wee den Christenhonden -als hij ontwaakt!” - -„Maar waarom slaapt hij nu, waarom kruipt hij voor de Hollanders. Wij -hebben hen niet noodig, een slag en wij zijn weer vrij!” - -„Hij is de moedigste die niets te verliezen heeft. Wie een kostbaar -kleinood vreest te verbeuren wordt zwak...” - -„En lafhartig! Wij zien toe, wee hem zoo zijn slaafsche onderwerping te -ver gaat. Ook onze trouw en toewijding hebben grenzen.” - -„Stil mijn zoon, stil! Overhaasting heeft meer bedorven dan moed deed -winnen. De vrucht van verbittering is nog niet rijp in Soerapati’s -ziel.” - -Intusschen gaf Pangeran Poerbaya op kalmen, beslisten toon aan zijn -mannen bevel de bijeengebonden wapens aan den vaandrig over te geven. -De pieken, buksen en krissen werden in bundels aan de voeten van den -onderofficier gelegd. - -„Daar het de wensch is van de Ed. Compagnie dat ik mij aan u onderwerp, -leg ik al deze wapenen vóór u ter aarde neder,” sprak hij kalm en -ootmoedig. „Ik hoop dat gij mijn vrijwillige onderwerping op prijs zult -stellen en dat geen kwaad mij en de mijnen geschieden zal.” - -„Er ontbreekt nog een wapen aan!” beet de vaandrig hem ruw en scherp -toe. - -„De Heer vaandrig vergist zich,” antwoordde Pangeran Poerbaya rustig, -„al mijn mannen zijn ontwapend.” - -„Maar gij zijt het nog niet; ik moet ook uw kris hebben, anders erken -ik uw onderwerping niet.” - -De trekken van den Bantamschen prins namen een smartelijke uitdrukking -aan, hij bracht onwillekeurig de hand aan zijn wapen, en een dof -gemompel steeg uit zijn manschappen op. - -Radhen Goesik, die met de andere vrouwen en slavinnen bij de tent -stond, bedekte haar gelaat met de handen op het vernemen van dien smaad -haar echtgenoot aangedaan, ook de Balineezen lieten een onheilspellend -gerucht hooren. Soerapati bewoog zich echter niet, roerloos staarde hij -het tooneel aan. - -„Verschoon mij Heer,” sprak de prins, „maar ik geef mijn kris niet aan -een ondergeschikt officier over.” - -„Wat, durf je nog voorwaarden stellen, wees blijde dat wij jou met je -aanhang niet een blauwen pil laten slikken. Houd je praatjes voor je en -geef mij je kris.” - -Vaster drukte Poerbaya zijn hand op het wapen en schudde het hoofd van -neen zonder met een enkel woord op de ruwe toespraak van den vaandrig -te antwoorden. Doodsche, dreigende stilte heerschte onder al die -mannen, in het woud verzameld. - -„Geef je mij het ding goedschiks over,” drong Kuffeler aan steeds -dichter en dichter op den vorst toetredend. - -„Vergun mij dat ik de kris op zijde houde, Heer!” sprak de Pangeran -altijd even onderworpen. „We zijn hier nog niet op uw gebied. Het woud -is onveilig en het zou gevaarlijk wezen daar ongewapend in rond te -dolen.” - -„Meen je dat we niet sterk genoeg zijn jou en je kraam te beschermen -tegen wie ook of vertrouw je dat aan vreemden niet? Kom, maak geen -verdere praatjes en geef mij dat wapen, als je met Hollanders te doen -wilt hebben dan dien je ook hun gewoonten te kennen.” - -„Ik ken de gewoonten der Hollanders,” hernam de prins, „maar men moet -mij zoo hard niet vallen, want dit is mij een groote schande. De -Compagnie heeft mij immers in genade aangenomen, waarom behandelt een -vaandrig mij zoo hard?” - -Het gemompel verhief zich opnieuw, het werd luider en luider; aller -oogen waren op Soerapati gevestigd, de brandstof lag hoog opgestapeld, -een vonk was voldoende om ze in laaie te ontsteken; een wenk van zijn -oog en de Bantammers waren op de saamgebonden wapens gevallen om -tegelijk met de Balineezen Kuffeler en de zijnen neer te houwen. - -Soerapati voelde dat de toestand hoe langer hoe meer gespannen werd, -dat dezelfde mannen, die nu nog naar hem opzagen in het volgende -oogenblik over hem heen zouden doen wat hun verbitterd gemoed -vóórschreef en dat het dan gedaan zou zijn met de mannen der Compagnie. -Hij trad tusschen den prins en den vaandrig en sprak op bedarenden -toon: - -„De prins heeft gelijk, vaandrig! Personen van zijn rang geven hun -wapens slechts over aan leden der Hooge Regeering of aan -hoofd-officieren; hij mag gerust zijn kris behouden, ik sta er u borg -voor.” - -„Wat komt gij er u mee bemoeien, slaaf!” riep de vaandrig verbitterd, -„’t deert u volstrekt niet, ’t is een zaak tusschen mij en den -Pangeran.” - -„Ik wilde erger dingen voorkomen daarom trad ik tusschenbeide; sta den -prins toe zijn kris te dragen totdat wij het bosch verlaten. Hij heeft -gelijk, het kan hier onveilig worden en dan hebben wij gewapende mannen -hoog noodig,” en zacht fluisterde hij hem in, „sta het toe, ik blijf u -geen borg voor mijn mannen en de zijnen als gij voortgaat hen te -verbitteren.” - -„Ellendeling, gij durft me dreigen?” - -„Ik dreig niet, ik waarschuw slechts.” - -„De woorden van den luitenant vinden weerklank in mijn ziel; ik zal u, -hoe ongaarne ook mijn kris overgeven, doch eerst als wij deze plek -verlaten hebben,” sprak de prins. - -„Nu kan ik niets anders doen dan het beloven, gij hebt den man gek -gemaakt met uw dwaze tusschenkomst,” voer Kuffeler zich vertoornd -omkeerend uit, „pas op, uw schuldboek is dik genoeg, addergebroed; gij -vertrekt onmiddellijk naar Batavia daar kunt ge u verantwoorden ook nog -over dit allerlaatste heldenstuk.” - -„Vaandrig, ’t is goed dat gij vertegenwoordiger zijt van de Hooge -Regeering,” zeide Soerapati nog altijd even kalm, „ik zou anders niet -vergeten, dat gij mijn ondergeschikte zijt.” - -„Een gedroste slaaf mijn meester!” schimpte Kuffeler. - -„Vaandrig,” fluisterde hem een zijner kameraden in het oor, „drijf de -zaak niet tot het uiterste, die menschen zijn tot alles in staat als ze -getergd worden. Zij zijn onze meerderen in getal.” - -„Meent ge dat ik ze vrees en wat u betreft, bruine huichelaar,” zoo -wendde hij zich tot den Pangeran, „uitstel is geen afstel, uw kris moet -ik hebben, op den morgen onzer afreize.” - -Verbaasd en als versuft zagen de inlandsche soldaten elkander aan en -Kuffeler pochte tegen zijn kameraden: - -„Zoo moet men de Javaansche honden behandelen. Met kracht en geweld -krijgt men alles van hen gedaan, met toegevendheid niet.” - -Radhen Goesik was intusschen op haar matje neergevallen en snikte: - -„Wat moet hij haar liefhebben daar hij zooveel van haar landgenooten om -harentwille verdraagt!” - - - - - - - - -VII. - -HET WAPEN VAN DEN GRIJSAARD. - - -Wirajoeda, Kiai Hemboong en nog eenige der voornaamsten van Soerapati’s -mannen waren tegen het vallen van den avond in zijn tent bijeengekomen -en bespraken den toestand, dien zij allen onhoudbaar vonden. - -„Gij moogt die beleedigingen niet langer dulden, meester,” riep -Wirajoeda uit, „beter is het weer terug te keeren tot ons zwervend -leven in de wouden. ’t Is waar wij heetten toen roovers, maar is het -dan niet beter een vrije roover te zijn dan een slaaf, want tot slaven -willen zij ons weer maken, u zoo goed als ons. Gij hebt u aan hen -verbonden, wij volgden u gewillig, de eer en het vertrouwen u -geschonken was onze eenige belooning, nu echter, nu zij u hoonen, nu -zij den prins van ons bloed doodelijk beleedigen, nu weigeren wij -langer met hen samen te gaan. Verlaat hen meester, wij volgen u!” - -Soerapati zag hem schijnbaar kalm en rustig aan. - -„Is ’t u ernst geweest, toen ge eenmaal in de Bataviasche gevangenis -gezworen hebt mij te gehoorzamen, wat ik ook bevelen zou?” - -„Ja!” riepen allen uit een mond. - -„Wij hebben zware dagen doorleefd, moeilijke tijden verduurd, velen van -hen, die eens met ons waren zijn gevallen, het woud werd hun graf. Te -zamen hebben wij veel leed gedragen; de nood was hoog gestegen toen wij -ons aan de dienaren der Compagnie onderwierpen. Er viel te kiezen -tusschen hun bescherming of den dood door hun wapens. Van alle kanten -omsingelden zij ons; ik liet u vrij in de keuze en toen hebben wij ons -vrijwillig aan hen onderworpen.” - -„En tot loon daarvoor willen zij ons thans weer in slavernij voeren. -Dat is een laag verraad!” - -„Gelooft dat niet, vrienden! Niemand onzer heeft zich over kapitein -Ruijs te beklagen; hij is een rechtschapen, eerlijk man. Hij heeft mij -steeds zijn volle vertrouwen geschonken, de meest eervolle taak droeg -hij mij en dus ook u allen op; hij voorzag ons van wapens en zond ons -naar den Pangeran! Wat belette ons toen met de Bantammers gemeene zaak -te maken? Wij deden het niet, want wij zijn niet gelijk aan de stengels -van het bamboeriet, die door den wind van links naar rechts bewogen -worden. We hebben den Hollanders onzen eed van trouw gegeven, tot nu -toe braken wij dien niet. Waarom zullen wij nu allen, omdat een -verwaande vaandrig ons dreigt, de Edele Compagnie verraden en -terugkeeren naar een leven van roof en doodslag? Zal men dan niet -zeggen, het was dien mannen nimmer ernst met hun onderwerping? Zij -hadden ’t op onze wapenen gemunt en op niets anders, het zijn lage -dieven en bedriegers. De Heer Ruijs zal zijn hoofd schudden en zeggen: -„Geen bruin man verdient meer geloof!” Blijft dus bedaard! Gaat nu kalm -uitrusten, wie weet of de morgen geen verandering ten goede brengt.” - -De Balineezen verwijderden zich en Kiai Hemboong stond alleen tegenover -zijn pleegzoon. - -„Wat is er vader?” vroeg Soerapati, „uw gelaat voorspelt geen goede -tijding. Waarlijk, de dag bracht reeds zorg en toorn genoeg; o ’t kost -zooveel anderen tot kalmte en onderwerping aan te sporen, als het eigen -hart tot berstens toe vol is van gramschap.” - -„Mijn zoon, uw hart is reeds zoo gepijnigd door verdriet en ergernis, -hoe zal ik die nog kunnen vermeerderen?” - -„Ge brengt mij een bericht van rouw, ik zie ’t u aan. Is er iets met -den Pangeran of met kapitein Ruijs? Geeft hij den vaandrig gelijk?” - -„Ik weet niets mijn zoon, noch van den vaandrig, noch van den heer -Kapitein. Ook het aangezicht van den edelen prins heb ik sinds van -morgen niet gezien.” - -„Wat kan het dan zijn, uw woorden schijnen als overladen van gift en -dood? Is Ardjo....” - -„Ja, gij hebt recht, Ardjo is weergekeerd.” - -„En welke tijding brengt hij mij? Spoedig, spoedig, ziet ge niet hoe ik -verga van ongeduld. Leeft Suzanna...? Of neen, ik wil ’t uit uw mond -niet hooren, laat Ardjo zelf komen, laat hij zelf mij zeggen, wat hij -gezien en gehoord heeft.” - -De grijsaard deed een stap naar buiten en wenkte een als Javaansche -landbouwer verkleed jonkman nader te komen. Ardjo trad binnen en wierp -zich aan zijn meesters voeten om die vol eerbied te kussen. - -„Wat hebt ge mij te zeggen,” riep Soerapati onstuimig uit, „spoedig, -spoedig! Breng me goede tijding, hier is goud om u te beloonen, als gij -mij goede tijding brengt. Leeft nonna Moor?” - -„Zij leeft, Heer!” - -„En zij laat mij groeten, zij heeft mijn brief gelezen, zij verwacht -mij steeds?” - -„Luister naar mij, Heer!” - -„Ik zal luisteren, maar waarom ziet ge mij zoo medelijdend aan, gij -Kiai en gij knaap? Zij leeft en zij is gezond en toch durft ge niet -voortspreken.” - -„Wilt ge kalm naar mij luisteren, Heer?” - -„Ja, zeker, ik hoor u aan; ge zult mijn vertrouweling, mijn rechterhand -worden, als ge mij verzekert, dat zij gezond is, dat zij aan mij denkt -als aan haar echtgenoot.” - -„Zij leeft en zij is gezond.” - -„En zij denkt aan mij?” - -„Zou zij niet aan u denken?” - -„O geluk, dan vrees ik niets meer, Allah zij geprezen, zij is gezond en -zij heeft mij niet vergeten. Wat deren me nu de kleingeestige -plagerijen van een Kuffeler? Hoe kan ik meenen dat de Hollanders mij -verachten als zij mij trouw blijft? Gij hebt haar of haar slavinnen -gesproken?” - -„Ja ik heb haar slavinnen gesproken.” - -„En die hebben u verzekerd dat zij mij niet vergeten heeft?” - -„Hoe zou zij u kunnen vergeten Heer, hoewel...” - -„Dat hoewel is vol bedreiging, zeg mij waar gaat het zwanger van? Houdt -haar vader haar nog gevangen?” - -„Neen Heer, zij is vrij, tenminste haar voeten zijn vrij.” - -„Maar wat is dan niet vrij aan haar?” - -„Zij zelf, Heer! want haar ziel is gebonden.” - -„Ge bedoelt toch niet dat zij getrouwd is.” - -„Helaas! Heer, niets anders!” - -„Ellendeling! Voor dat bericht zal ik u dooden.” - -En als een wild dier stortte hij zich op den knaap neer. Zijn oogen -rolden als vurige ballen, het schuim bruiste op zijn lippen en als -gekromde klauwen strekte hij de vingers uit om den ongelukkige te -wurgen. „Ampon, genade, Heer! genade!” kreet de knaap, achteruit -wijkend, maar in een sprong was Soerapati bij zijn slachtoffer, hij -klemde hem in zijn armen en brulde: - -„Herhaal die leugen nog eens, als ge durft.” - -„Ampon, ampon! goede, genadige, meester! Ik zal u alles zeggen,” kermde -hij. - -Nu trad Kiai Hemboong tusschenbeide. - -„Laat hem los! mijn zoon! Laat hem los! Sinds wanneer stelde men hem, -die een booze tijding bracht, verantwoordelijk voor de slechte mare -door hem bericht? Blijf uzelf meester!” - -„Getrouwd met een ander, mijn vrouw! ’t Is niet waar, Ardjo ik zal u -geen leed meer doen. Vraag van mij wat ge wilt, maar zeg dat het niet -waar is, zeg dat ge u vergist hebt, dat ge mij op de proef wildet -stellen, dat nonna Moor mij nog trouw is.” - -Hij hield de handen van den knaap nog steeds in zijn vuisten -geschroefd; hijgend en sidderend staarde hij hem aan, Ardjo keerde de -oogen af, zijn lippen bewogen zich, toen de oude man er tusschen kwam. - -„Mijn zoon, wat baat het u de ooren te sluiten als de storm loeit, de -storm gaat toch voort alles te vernielen en te verwoesten wat hij -ontmoet. Beter is het bijtijds have en goed te bergen. Ardjo sprak de -waarheid, mishandel hem niet en hij zal u het bewijs geven van de -oprechtheid zijner ziel.” - -„Ik wil geen bewijzen meer, als zij getrouwd is, dan zal ik hem dooden, -die het mij durft zeggen.” - -Angstig gingen Ardjo’s blikken op en neer tusschen den ouden man en -zijn meester, besluiteloos wat hij doen moest. - -„Geef uw Heer, wat gij hem te geven hebt,” beval Kiai Hemboong, „en -verlaat dan voor goed zijn oogen.” - -Aarzelend haalde de jongen met zijn lippen een pakje uit de sjerp, die -zijn middel omsloot en reikte het Soerapati over; als een roofvogel, -die een betere prooi in het oog krijgt en die bemachtigen wil zoo liet -de Balinees de polsen van den knaap vrij, en wond het in zijde -gewikkelde pakje los. - -Kiai Hemboong blies Ardjo slechts een woord in het oor: „Radhen -Goesik,” en stiet hem toen ijlings weg; Soerapati’s bevende vingeren -scheurden de windsels los totdat hij ten laatste een wit zijden -rolletje vond, waaraan een ring was geregen. - -Razend slingerde hij het juweel van zich af als ware het een vergiftige -slang geweest en stortte toen luid brullend ter aarde neer. - -Kiai Hemboong zag met wijd opengespalkte oogen zonder een vinger te -roeren de smart aan, die den krachtigen man overweldigde. - -„Mijn drank is sterker dan die, welke zij kon doen bereiden,” dacht -hij, „zie hoe het wapen getroffen heeft! Maar ’t is slechts ’t begin -der genezing na de doodelijke kwaal.” - -Hij loeide als de gewonde tijger, die met de spies nog in het lichaam -naar zijn hol terugkeert en het aangezicht der menschen ontvlucht; met -het gelaat ter aarde gedrukt ging Soerapati voort luid te jammeren en -te stenen. - -Kiai Hemboong boog zich naar hem en fluisterde hem toe: - -„Mijn zoon, matig uw smart, de Hollanders mochten uw klachten hooren en -meenen dat het hun meester is, die u deze kreten ontlokt.” - -Maar de wanhopige hoorde niet; hij bleef aan zijn woede en smart lucht -geven op een wijze, waarvan zij die door levenslange beschaving en -zelfbeheersching geleerd hebben hun gevoelens te bedwingen en in een -keurs van fatsoen te sluiten, geen begrip hebben. - -„Gelukkig, zijn tent ligt afgelegen, niemand kan hem hooren, van die -vervloekte Hollanders,” dacht de oude, en hij zette zich op den drempel -neer om de wacht te houden over de smart van zijn pleegzoon. - -Allengs werd Soerapati’s smart minder luidruchtig, slechts doffe -snikken klonken nu en dan; soms trad de grijsaard binnen maar nog -steeds lag hij onbewegelijk op dezelfde plaats; heftige schokken van -zijn lichaam alleen verrieden hoe zwaar hij leed, al ontbrak hem -wellicht de kracht om zijn leed nog zoo hevig uit te klagen. Op alle -vertoogen van zijn ouden vriend bewaarde hij een hardnekkig zwijgen; -een enkelen keer verried slechts een zacht gekerm de duldeloosheid -zijner pijnen. - -Vaandrig Kuffeler kwam aan de tent, hij moest den Balineeschen hoofdman -spreken. - -„Mijn meester is ziek,” antwoordde Kiai Hemboong. - -„Dwaze uitvluchten, laat me door!” - -De grijsaard trok zijn kris en liet die bloedrood flikkeren in het -licht der fakkels, die op bamboestaken van afstand tot afstand -bevestigd het tooneel verlichtten. - -„Slechts over mijn lichaam zult gij binnentreden,” sprak hij kalm maar -beslist. - -De vaandrig wendde zich boos om maar drong niet verder aan; hij voelde -ook instinctmatig dat de gemoederen onrustig waren en dat er iets -ernstigs in de omgeving van den Prins broeide. Zoo gingen er weer -eenige uren om, altijd bleef Soerapati onbewegelijk op den grond van -zijn tent uitgestrekt; de grijsaard kon niet zeggen of hij bewusteloos -was dan wel of de overmaat van smart zijn ledematen verlamd had om aan -zijn ziel alle kracht tot lijden te laten. - -Reeds waren de sterren hoog aan den hemel toen een vrouw het gelaat in -den slendang verborgen, de tent naderde. - -„Kiai,” fluisterde zij zacht. - -„Zijt gij het Radhen?” vroeg hij, „komt ge hooren hoe mijn wapen doel -heeft getroffen, daar ligt hij binnen, machteloos als een gewonde -stier, die uit een kamp met den tijger terugkeert.” - -„Mag ik hem zien?” - -„Waartoe zou het dienen, edele Vrouwe? Doe uw held de vernedering niet -aan, hem in zulk een toestand te aanschouwen.” - -„Misschien vinden mijn lippen woorden van troost.” - -„Hoe kunnen uw troostredenen wortel vatten in zijn ziel, die nu nog -overstroomd is door de herinnering aan een ander? Laat de wateren der -smart eerst wegvloeien, prinses, dan wordt de grond hard en koud en een -nieuwe liefde zal gemakkelijk daar opkomen.” - -„Meent ge dat?” vroeg zij met schitterende oogen. - -„Ik beloof het u, hij heeft den drank nog niet geheel gedronken nog heb -ik eenige druppels, die hem zullen opwekken tot toorn en wraak. Is -Ardjo bij de edele vrouw geweest?” - -„Ja, hij heeft me sidderend verteld van zijn razernij en zijn smart. Ik -heb hem rijkelijk beloond en de vlucht aangeraden maar eerst liet ik -hem verhalen van haar, die zijn hart vervult. Hij heeft haar slavin -gesproken, zij blijft elk huwelijksaanzoek weigeren en nu wilde haar -vader, vernemend dat Soerapati naar Batavia bescheiden is, en misschien -vreezend dat hij gedwongen zal worden haar aan hem te schenken, zijn -dochter naar Holland doen vertrekken met haar zoon, ’s vaders -evenbeeld.” - -„Ik weet het; Ardjo verhaalde het mij, zij zond hem een boodschap met -de woorden: „Haast u, anders is het te laat!” Zoo Soerapati die -ontvangen had, hij zou nog veel meer van den vaandrig verdragen hebben, -hij zou zich naar Batavia laten zenden, alleen in de hoop haar te -verwerven. Wij doen hem lijden, Radhen, maar ’t is om zijn best wille.” - -„Zou ik er anders toe meegewerkt hebben? Maar laat mij u ook een geheim -vertrouwen. De prins wil vertrekken, hij weigert zijn kris morgen af te -geven; nog heden nacht zal hij gaan, als ik het hem raad.” - -„En zijn onderwerping?” - -„Hij is diep beleedigd en wil een zwervend leven in de bosschen -verkiezen boven zulk een smadelijke behandeling.” - -Kiai Hemboong dacht na. - -„De zaak wordt moeilijk, maar ’t is zoo het beste. Dring op een snelle -vlucht aan, nog vóór de zon aan den hemel verschijnt, voor het overige -draag ik zorg.” - -„Maar hij?” - -„Ik bezit het middel om hem te doen handelen naar mijn wil.” - -„Ik vertrouw u, vader! Ik moet den prins volgen maar weldra zal ik een -scheidingsbrief van hem bekomen en dan volg ik uw zoon op den weg, die -hem leiden zal naar roem en eer.” - -„Allah bescherme uw schreden, prinses!” - -Zij verwijderde zich snel en verdween in de duisternis; het was een -heerlijke nacht schitterend van sterren, de eindelooze melkweg blonk -als een gordel van licht tusschen de myriaden van glinsterende vonken, -rondgespat in het donkere ruim. Geen geluid verbrak de stilte als het -gegons der insecten, het klagend kirren der woudduiven, en het eentonig -geneurie van eenige Javaansche wakende soldaten, die een pantoen -opdreunden om de lengte van den nacht een weinig te verkorten. - -Kiai Hemboong trad behoedzaam in de tent en boog zich nogmaals naar -Soerapati. - -„Slaapt ge?” lispelde hij hem in de ooren. - -„Laat mij in vrede, vader!” antwoordde hij zacht, „ik lijd te veel, dan -dat ik spreken kan.” - -En als hadden die woorden de betoovering verbroken welke zijn zinnen -gevangen hield, begon hij thans zacht te weenen. - -„Hij schreit, dat is goed, tranen verlichten de zware ziel,” sprak Kiai -Hemboong opstaande en nam zijn vorigen post weer in voor den ingang der -tent. - -Hij bleef roerloos zitten, wat er ook gebeurde. Hij zag beweging in des -Pangerans tent; gestalten slopen er uit, paarden werden bestegen, de -draagstoelen der vrouwen en kinderen voorgebracht, en door haar -ingenomen. - -Alles ging stil in ’t werk zonder eenig gedruisch, alleen de wachters -bleven nog voor de tent om te doen gelooven dat zij trouw op hun post -waren. - -Eenige Balineezen kwamen naderbij, en zagen verbaasd die toebereidselen -tot vertrek aan; onwillekeurig naderden zij de tent van hun hoofdman. - -„Laat hen begaan!” voegde de grijsaard hen toe. „Soerapati onze meester -heet ziek om hen gelegenheid te geven zich te verwijderen, laat hen -rustig aftrekken. ’t Is afgesproken.” - -Weinige oogenblikken later was de Bantamsche prins en zijn stoet -weggevlucht in het dichte woud terwijl Kuffeler en zijn Hollanders -rustig bleven voortslapen. - -De eerste morgenstralen verguldden den top van den Gedeh en er ging een -adem door het gebergte, die alles tot ontwaken en herleven opriep; -bleeker en bleeker werden de sterren, zachter klonk het gegons der -insecten, de duisternis werd dunner en waziger, de morgen in zijn volle -schoonheid zou aanbreken, toen plotseling grauwe wolken zich -samenpakten over het woud en een fijne stofregen naar omlaag zonden, -die allen glans en luister aan het heerlijke morgenuur ontnam. - -Nogmaals trad Kiai Hemboong naar binnen; hoewel de regen de anders zoo -korte schemering verlengde, konden slechts weinige oogenblikken -verloopen vóórdat de vlucht van den prins ontdekt werd. Ten koste van -alles moest Soerapati nu uit zijn verdooving worden gewekt. - -„Mijn kind,” begon de grijsaard met een teederheid in de stem, welke -men van hem het allerminst zou verwacht hebben, „reeds den geheelen -nacht hebt gij aan uw smart toegegeven, nu roept de jonge dag de mannen -op tot nieuwen arbeid en tot nieuwen strijd. Laat uw verdriet -wegvluchten met de schaduwen, die nu voorbij zijn.” - -Soerapati hief ’t hoofd op en vestigde zijn verwilderd misvormd gelaat -op naar zijn pleegvader. - -„Ik heb alle tranen die mijn oogen bevatten gestort, ik kan niet meer -weenen, ik kan niet meer klagen,” zeide hij met heesche stem, „ô hoe -had ik het kunnen vermoeden, getrouwd, getrouwd met een man van haar -volk, terwijl ik mij en mijn makkers liet vernederen en vertrappen om -harentwil alleen.” - -„Mijn zoon! Ik heb het u menigmaal herhaald, blank en bruin mogen zich -niet paren, dat geeft groote rampen. Maar dat is nu voorbij! Sta op, -wasch uw gelaat, dompel uw lichaam in de wateren der bron en overleg -met wijzen en dapperen, wat u te doen staat.” - -„Ik wil niets meer, niets meer dan mij zelf vergeten, mij zelf -vernietigen! De kluizenaars uit mijn vaderland achten het de grootst -mogelijke zaligheid als men alles in zich doodt, liefde, haat, -begeerte, vreugde en smart, zoo wil ik heengaan en datzelfde doen. -Niets kan de wereld mij meer geven nu zij mij ontrouw werd.” - -„Zoo spreekt de verwijfde dienaar der vrouwen die zijn dagen in het -Kapoetren doorbrengt, niet de krachtige, forsche man, die handelen -durft, om zich te wreken. - -„Op wien zal ik mij wreken? Op haar vader, hij is te ver, op haar man? -Ik zou haarzelf treffen als zij hem liefheeft en zoo zij hem niet -bemint wat win ik dan of denkt ge dat ik in dezen langen nacht toen ik -hier gejammerd en geweend heb, niet alles wel overwoog in mijn geest? -Maar er is niets voor mij te doen niets dan het voorbeeld mijner -vaderen te volgen en rust te zoeken in het zalige Nirwana.” - -„Dat moogt ge niet, mijn zoon! Gewichtige belangen roepen u terug tot -het handelende, het bezige leven. Er is veel gebeurd van nacht, zeer -veel!” - -Daar klonk een toornige stem buiten de tent, een oud Hollandsche vloek -te midden der Oostersche natuur. - -„Gevlucht maar ’t is niet mogelijk.” - -„Ze zijn allen weg, van morgen zaten nog eenige mannen op wacht voor -zijn tent, maar nu zijn ook deze verdwenen.” - -„Vervloekt tuig, daar is de Balinees schuld van, daarom hield hij zich -ziek.” - -Soerapati was opgesprongen en greep naar zijn wapens; ijlings bracht -hij zijn verwarde kleederen in orde, bond zich den doek om het hoofd en -snelde naar buiten. Balineezen en Hollanders waren daar verzameld, luid -en druk pratend en twistend, de tent van den Pangeran stond geheel open -en ledig. - -„Daar is hij de verrader, de stoker van al die onlusten,” riep Kuffeler -bleek van woede en stormde op den Balineeschen hoofdman toe. „Zult ge -mij nu zeggen, struikroover, waar de prins gebleven is, of wilt ge -liegen dat ge er niets van af weet?” - -„Ik zweer u bij den God mijner vaderen, dat ik nu pas de vlucht van den -Pangeran verneem. Ik ben tot stervens toe ziek geweest van nacht.” - -„Zeg liever dat je aan het opium schuiven geweest zijt. Je gezwollen -gezicht verraadt het genoeg, zeker op de gezondheid van den ontvluchten -vogel. Maar wat meent ge dat de Compagnie zoo met zichzelf laat -spotten, door een ellendigen dief en leugenaar als gij? Spoedig zet hem -na of het zal je heugen.” - -„Ik ontvang uw bevelen niet,” antwoordde Soerapati waardig, „gij zijt -mijn mindere en zoo de prins ontvlucht is, dan kome de -verantwoordelijkheid op u neer. Hij was gewillig zich aan u over te -geven, zooals hij trouwens reeds bereid was het aan mij te doen, maar -gij hebt hem diep gegriefd door uw handelwijze van gisteren. ’t Is niet -billijk dat ik thans uw fout moet goedmaken; mijn mannen zullen hem -niet volgen. Zoo gij het noodig acht, vertrouw die taak aan uw -soldaten!” - -„Zulk een taal tegen mij, verwenschte spitsboef! Ik zal het je leeren -dat men niet straffeloos een Europeaan beleedigt in het bijzijn van al -die zwarte apen.” - -En hij sloeg hem vlak in het gelaat; een dof gehuil deed zich onder de -Balineezen hooren, hun hoofdman bracht de handen aan het gelaat, de -onverwachte slag deed hem duizelen, hij wankelde en zou ter aarde -gevallen zijn als Kiai Hemboong hem niet ondersteund had. - -„Meester,” riep Wirajoeda uit, „kies tusschen dien ellendigen kafir en -ons. Wij willen niet langer dienen onder een hoofdman, die zich laat -beschimpen en zelfs slaan door zijn mindere. Wij zullen u wreken of -anders dooden wij u tegelijk met hem.” - -„Spaar hem, ik bid het u! Hij is ziek,” vermaande Kiai Hemboong, „laat -hem tot zichzelf komen.” - -En hij trok hem met zich mede in de tent; Kuffeler zag de dreigende -houding der Balineezen en misschien beschaamd over zijn onvoorzichtige -daad gaf hij aan eenige zijner manschappen bevel hier te blijven -terwijl hij met de anderen den vluchtenden Pangeran zou vervolgen. -Wirajoeda en nog eenige Balineezen traden in Soerapati’s tent; hijzelf -stond met den rug naar den ingang beide handen tegen het gebogen hoofd -gedrukt, terwijl Kiai Hemboong hem te vergeefs aanzocht iets opwekkends -te drinken. - -„Meester, wat is uw antwoord!” drong de vurige Wirajoeda aan, „de -Balineezen vragen wat gij hen toedenkt, slavernij of vrijheid? Tot geen -prijs willen zij zich langer onderwerpen aan die vreemde meesters. De -ellendigste dood in de wildernis is beter dan leven in slavernij.” - -Nog zweeg Soerapati, dieper en dieper zonk zijn hoofd. Wirajoeda’s -oogen fonkelden, hij bracht de hand aan de kris. - -„Ik heb u lief,” ging hij met gedempte stem voort, „ik bewonderde u -sinds ik zag hoe duur gij uw vrijheid durfdet koopen. Ikzelf ben een -gevluchte slaaf, zoolang ik u diende, meende ik, zou er geen vrees -bestaan dat ik ooit weer den nek voor mijn blanken meester zou moeten -krommen. Wij allen hebben ons uit vrijen wil aan u vertrouwd, wij -lieten u gaarne het bevel over ons, het was ons goed u te gehoorzamen -zelfs toen gij verzekerdet, dat het in ons belang zou zijn de Compagnie -te dienen maar nu zien wij duidelijk, wat men ons toedenkt, dat nimmer -die trotsche blanken zullen vergeten wie wij waren, en dat vroeg of -laat ellendige slavernij opnieuw ons lot zal wezen. Bedenk dat daar -ginds geeseling en boeien, de zweepslag van den opzichter, de ketting -van den slavenmeester, oneer en schande ons vrijen mannen verbeiden. En -dat wil geen onzer, liever stoot ik u deze kris in het hart.” - -Nu keerde Soerapati zich om en zag Wirajoeda met een onbeschrijflijk -matten blik aan. - -„Steek toe vriend, steek toe!” zeide hij zijn borst ontblootend, -„grooter dienst kunt gij mij niet verleenen. Ik ben u dankbaar dat gij -mij van den ondragelijken last des levens bevrijden wilt.” - -Maar Wirajoeda, liet de opgeheven kris vallen en zonk voor zijns -meesters voeten neer. - -„Vergeef mij meester! Ik kan niet, ik kan niet! O waarom zijt ge -dezelfde niet van voorheen, de onverschrokken held, die noch vrees noch -angst kende? Word uzelf weer, beveel ons den Hollander aan te vallen, -stel u aan ons hoofd. Wat gij beveelt zullen wij verrichten, al gebiedt -gij ons ook Jacatra uit hun handen te rukken.” - -„’t Helpt niet meer! De eerzucht is dood in mijne ziel.” - -„En de wraakzucht ook?” fluisterde Kiai Hemboong. „Mijn zoon, ik heb -het voor u verzwegen daar ik groote rampen vreesde, maar nu is het -beter u alles te bekennen. Weet ge waarom Kuffeler u zoo diep grieft, -waarom hij u vervolgt? Hij is Suzanna’s echtgenoot.” - -Woest richtte Soerapati zich uit zijn gebogen houding op; zijn oogen -spatten vonken rond, de kris verliet knarsend en bliksemend de schede, -hij zwaaide ze in zijn rechtervuist en stampvoetend van razernij, stiet -hij de vraag uit: - -„Wie heeft dat gezegd? Wie?” - -„Ardjo, ik beval hem te zwijgen, om uwentwille.” - -„En die durfde mij slaan. Dood en verderf, ik zal mij nu wreken op de -Hollanders, op allen.” - -„En wij zullen u niet verlaten meester,” juichte Wirajoeda, „gij hebt -goed gesproken Kiai. Heb dank!” - -Soerapati stormde naar buiten met de alarmkreet van „amok, amok!” -waarmede hij eenmaal ook tegen de poorten der Bataviasche gevangenis -gerend was. - -„Amok, amok!” kreten de Balineezen toen zij hem uit de tent zagen -snellen met opgeheven kris, buiten zichzelf van woede en wraaklust. - -De Hollanders en kleurlingen, die bij elkander gevlucht waren, hadden -nauwelijks den tijd hun wapens te trekken. Als een horde wilde dieren, -schreeuwend en tierend, bloed en moord ademend, wierpen de Balineezen -zich op het kleine troepje, dat slechts in vluchten zijn heil zag, maar -vlucht of tegenweer baatte hen niet; zij werden achtervolgd en -omsingeld, achter elke struik, achter elken boom glommen de krissen, -weinige oogenblikken later waren allen neergeveld. - -„Waar is de vaandrig, de ellendeling, ik dorst naar zijn bloed,” riep -Soerapati, maar Kuffeler, die vergeefs den prins vervolgde, bemerkte -niets van het aangerichte bloedbad en kwam niet meer naar het kamp. - -Langs bergpaden en ravijnen keerde hij met zijn overgebleven soldaten -naar Tandjong Poera terug; Soerapati en de zijnen vervolgden hen van -alle kanten maar hij wist ze te ontkomen en kwam eindelijk bij den -commandant der kleine vesting terug met de schier ongeloofelijke -treurmare: - -De Prins gevlucht, Soerapati in opstand, het grootste gedeelte zijner -mannen gedood; zooals licht te begrijpen is, gaf hij den Balinees -schuld van alles. - -Eenige dagen later kwam Pangeran Poerbaya echter in eigen persoon op -het fort om zich aan den kapitein over te geven. Van Soerapati en zijn -mannen vernam men niets meer, zij hadden zich teruggetrokken in de -ontoegankelijke wildernissen aan den voet van den Galongong. - -Toch wist een groepje mannen hem te vinden, een hunner was klein, -hoewel reeds volwassen, en heette Boeloe Kidoer de dwerg van den Prins; -de andere, die allen vol eerbiedige zorg omringden, hoewel in -manskleederen gehuld, trok spoedig de aandacht door zijn fijne, ranke -gestalte en teedere meisjesachtige trekken. - -Beiden kwamen aan in de grotten, waar Soerapati en de zijnen zich -wegscholen. - -„Herkent ge mij nog Heer?” vroeg de jongeling aan den Balineeschen -hoofdman. - -Hij schudde het hoofd van neen. - -„Deze kleeren behooren mijn geslacht niet. Ik ben Radhen Goesik eenmaal -Pangeran Poerbaya’s gade. Toen mijn echtgenoot zich nogmaals aan de -Compagnie onderwierp, heb ik mij van hem gescheiden. Nu verzoek ik u -mij te geleiden naar den dalem mijner ouders in Karta-Soera.” - -„Er zal geschieden naar uw wensch, prinses!” sprak Soerapati zich diep -buigende, „alles is verbroken tusschen mij en de Hollanders. Zij hebben -mijn trouw en hulp versmaad, zij hebben mij belogen en verraden, ik zal -hun reden geven het met bloedige tranen te betreuren, dat zij de -vriendschap van Soerapati hebben versmaad. Dood aan hen! Wij trekken op -naar Karta-Soera.” - -„Neem mij mede,” smeekte de dwerg, „ik wilde mijn meesteres niet -verlaten.” - -„Ge kunt blijven,” antwoordde Soerapati, „maar op een voorwaarde. Leer -mij uw tooverspreuk! Ik heb ze noodig om de Hollanders te verdelgen. Ze -hebben mij alles ontroofd en ik ga mij nu wreken door tooverij en door -wapenen.” - -„Ik zal u het woord toefluisteren,” grijnsde de dwerg, „het zal u den -weg banen tot een troon.” - -En hij lispelde hem de geheimzinnige woorden in het oor. - - - - - - - - -TWEEDE GEDEELTE. - - -I. - -HET STEEKSPEL. - - -Te midden der drie hooge bergen de Lawoe, de Merapi en de Merbaboe in -een schoone vruchtbare streek ligt de keizerlijke hofstad Karta-Soera, -die nog slechts sinds weinige jaren door den keizer van Mataram bewoond -werd. Vroeger toch tijdens den opstand van Troeno-Djojo lag de -residentie meer ten zuiden bij de hoofdstad Mataram; na het sluiten van -den vrede echter had keizer Hamangkoe-Rat een tegenzin gekregen in den -dalem, dien zijn vader bijna stervend had moeten ontvluchten en daarom -zich in Karta-Soera een paleis laten bouwen. - -Zooals alle vorstelijke verblijfplaatsen had de kraton van Karta-Soera -meer het voorkomen van een vesting dan van een paleis; dikke ringmuren -hier en daar afgewisseld door bastions omgaven de talrijke gebouwen -door den keizer en zijn hofhouding bewoond; verscheidene poorten gaven -er toegang aan. - -Niet ver van den hoofdingang zag men een omheining of pagger, die de -bamboezen huizen omringde, welke tot kazerne dienden voor de -Hollandsche lijfwacht, door de Compagnie genadig aan den keizer te -zijner bescherming toegestaan, maar die eigenlijk geen ander doel had -dan den vorst en zijn aanhang in het oog en onder bedwang te houden. - -De hoofdpoort gaf toegang aan den grooten aloen-aloen, een uitgestrekt -binnenplein, door groote in parasolvorm gesnoeide waringins beplant en -van alle zijden omringd door kleine gebouwen, die tot bergplaats -dienden der gamelans van de rijksgrooten, van hun wapens en -paardentuigen in gebruik bij de wekelijksche tournooien. De grond was -met wit zand bestrooid; zorgvuldig was echter elk grashalmpje geweerd -en zoo helder en glad scheen de gladde oppervlakte, dat men er, volgens -Javaansche spreekwijze, gerust stofgoud op kon strooien, zonder dat dit -verloren ging. - -Een tweede poort leidde tot het binnenste van het paleis, waar zich -achter de reusachtige, rijk met verguld snijwerk versierde pendoppoh, -het eigenlijke vorstelijke verblijf of de Probojoso bevond, niet ver -van de Kapoetren of harem. - -Aan elke poort hield een vrouw de wacht, een oude gerimpelde nimf in -hofkostuum, dat wil zeggen in enkelen sarong tot boven de borst -reikend, armen, schouders en hals bloot maar met gele verf gekleurd. - -Aan een der zijden van den aloen-aloen verheft zich de Sitingil, een -hoogte, waarop de keizer zich met zijn eerewacht neerzet wanneer hij, -zooals heden het geval is, een tournooi komt bijwonen. Het is een -levendig schouwspel, dat zich bij zulk een steekspel op den aloen-aloen -vertoont; eenige honderden ruiters in rijke zijden kleederen, omringd -door hun dienaren, welke evenals zij kleine vurige paarden berijden, -verzamelen zich op het open veld. - -Een schitterend, echt Oostersch tafereel, een weelde en rijkdom van -kleuren en glanzen, die door de reeds dalende zonnestralen nieuwen -gloed en nieuw leven verkregen; het scharlakenrood voert den boventoon, -daarnaast vonkelt het geel in alle schakeeringen, nog schitterender als -het zich huwt aan het kalme paars of zich vereenigt met het levendige -groen in zijn diepe weerglansen, of door zijn stralen het droomige -blauw vervroolijkt. En over alles werpt de zon een roodgouden sluier, -de gouden gebitten der paarden en hun bonte schabrakken flikkeren in -den van haar geleenden luister met oogverblindenden glans; de takken -der waringinboomen laten een regen van vurige vonken op het zilverwitte -kiezelzand vallen; de bergen die het paleis omsluiten, baden zich in -den warmen gloed, en zenden koeltjes rijk aan geuren uit de bosschen, -die hun hellingen bedekken naar beneden in den lusthof. De blauwe lucht -spant zich over het stukje schoone aarde, dat hier tusschen de bergen -besloten is, wolkeloos en diep zooals zij zich alleen tusschen de -keerkringen vertoont. - -De ruiters rijden heen en weer trotsch op hun fraaie paarden, trotsch -op hun versiering, trotsch op hun eigen kleeding, hun goud en -edelgesteenten; de gamelans in de verschillende huizen worden zacht en -teer aangeroerd (rechts en links van den Sitingil bevinden zich de -gebouwen, waarin de gamelans van den keizer, de gamelan monggang en -sekatèn bewaard worden.) Op eens wordt het spel luider en levendiger, -de ruiters scharen zich twee aan twee, de keizer gaat verschijnen, daar -treedt hij naar buiten omgeven door zijn stoet van amazonen en -lijfwachten, alléén te paard terwijl zij allen te voet gaan. - -Hamangkoe-Rat onderscheidt zich noch door koninklijke houding, noch -door geestige trekken; slap hangt zijn donkerbruine huid om zijn -vooruitstekende jukbeenderen, zijn oogen liggen diep en zonder eenige -uitdrukking in de diepe kassen, zijn geheel uiterlijk mist alle kracht -en waardigheid ondanks de schitterende kleederen die zijn gestalte -omsluiten; alles verraadt den slaaf der laagste hartstochten, een man -door uitspattingen verzwakt en daarenboven door het gebruik van opium -uitgeput. - -Op zijn hoofd draagt hij de hoog opstaande zwart zijden muts of -koeloek, rijk versierd met gouden borduurwerk, zijn sikepan of -bovenkleed is van stijf goudlaken en beurt het voorover hangende hoofd -door een breeden hoogen boord nog eenigszins op; een kostbare kaïn van -het beroemde Solosche fabrikaat valt op zijn donkergroenen eveneens met -goud doorwerkten djarik (pantalon) zijn voeten steken in purperen -muilen; in een rijk met edelgesteenten versierden gouden band die ’s -keizers middel omsluit, prijken de vonkelende gevesten van drie -krissen, terwijl een ring door een stralenden robijn versierd, daaraan -bevestigd is en straks de gouden haak van de toomen afwacht, als de -vorst zich tot het rennen begeeft. - -De gelaatstrekken der Hollandsche lijfwachten schijnen nog blanker -tusschen al die gebronsde mannen; oranjesjerpen omgorden hun heupen, de -gele wambuizen der officieren zijn met linten en strikken versierd, -fraaie pluimen tooien hun breedgerande vilten hoeden; het zwaard dragen -zij op zijde, het schuift tegen hun geplooide beenbekleedsels, die in -nauwsluitende kousen en kaplaarzen eindigen, op de schouders rust hun -geweer. Kapitein Grevink gaat aan hun hoofd. - -De Javaansche lijfwachten van beider geslacht volgen hen; de vrouwen -dragen pijl en boog, het zijn echter amazonen, die alle schoonheid en -jeugd missen, de mannen voeren pieken en lansen. - -Eenige vrouwen in zoogenaamd hofgewaad dragen den keizer zijn gouden -zonnescherm, sirihdoos, kwispeldoor en troon na, deze troon tampar -genaamd is een laag vierkant tabouret van rood fluweel met gouden -franjes versierd; anderen dragen zijn wapens voor het rennen vereischt, -namelijk stompe lansen; het gevolg bestaat uit meer dan twee of -driehonderd mannen, die het in goud gezette keizersbeeld omringen. - -Zoodra hij in het renperk aangekomen is, stelt hij zich aan het hoofd -der ruiters, die hem eerbiedig opwachten en maakt eenige keeren steeds -in meer versnelden galop den tocht rondom de baan; de vlugge paarden -brieschen van genot, bevallig heffen zij den rijk versierden hals -omhoog en lichten de voorpooten sierlijk op bij de tonen der gamelans -en andere luidklinkende instrumenten. Dan wordt de rit vlugger, zij -buigen den kop en snellen voorwaarts, altijd levendiger, altijd rapper, -totdat het witte zand van den aloen-aloen in dwarrelende wolken omhoog -stuift bij de vluchtige aanraking hunner hoeven, en menschen en paarden -in het door de zon in goudpoeder veranderde stof zijn gehuld. - -De keizer matigt den stap van zijn paard, die beweging heeft hem reeds -vermoeid, hij zal vandaag niet meer rennen; bij den Sitingil gekomen, -stijgt hij af en neemt op zijn troon plaats, de wachten scharen zich -rondom zijn zetel, de amazonen laten zich achter hem op een knie neder -en strekken den gespannen boog voor zich uit als om de vijanden van hun -vorstelijken meester reeds bij voorbaat te bedreigen; op eerbiedigen -afstand van hem zitten de andere vrouwen, die de voorwerpen dragen, -kruiselings op matten. - -Een oogenblik is alles doodstil, het opgejaagde stof zakt langzaam -neer, de duizenden en duizenden menschen en dieren, welke den -aloen-aloen vullen, verroeren zich niet. Aller oogen vestigen zich op -den oppermachtigen meester, wiens onbewogen gelaat koel en -onverschillig het bonte schouwspel aan zijn voeten overziet. - -Zelfs de gamelans zwijgen totdat de keizer met een schier onmerkbaar -gebaar de hand opheft; onmiddellijk vervullen de tonen der muziek weer -de lucht en eenige ruiters komen vóór. Na den keizer met hun lansen -begroet te hebben, haken zij de korte, ronde toomen aan hun gordels, om -de handen vrij te hebben en besturen dan met lichaam en knieën hunne -paarden. Het steekspel neemt een aanvang; een der voornaamste prinsen -rijdt vóór tot halverwege de baan vlak vóór ’s keizers zitplaats -gekomen; een andere ridder rijdt hem te gemoet. - -Onmerkbaar haast drukt de keizer zijn oogleden toe als wilde hij zich -inspannen om beter te zien, wie de nieuwe aanvaller is. - -Niemand kent hem, zijn uiterlijk valt echter tusschen al deze kleine -gestalten op, niettegenstaande zijn kleeding eenvoudig is in -vergelijking met die der andere edelen. - -Rank en groot is zijn gestalte, hij schijnt één met het vurige -Perzische paard, dat hij geheel onder bedwang heeft en in hem zijn -meester erkent; zijn glinsterend zwarte haren vallen in korte krullen -op zijn hals, uit de witte koeloek, die ze van boven bedekt; een -vuurrood wambuis doet zijn breede, krachtige schouders en borst fraai -uitkomen; slechts spaarzaam is het met gouddraad bestikt, zijn kaïn -hangt in sierlijke plooien over den sneeuwwitten djarit. Met zijn lans -hoog opgeheven rijdt hij op den prins aan, vervolgt hem tot aan het -uiteinde van het plein, waar deze zich plotseling omkeert en hem steken -tracht toe te brengen, hij pareert ze echter met het grootste gemak en -zij zetten het spel voort. Allen zien ademloos toe, totdat plotseling -een onderdrukt gejuich uit de menigte opstijgt, een gejuich, dat -dadelijk verstomt, want het is ten strengste verboden zich te verheugen -als een prins van den bloede uit het paard wordt gelicht, en nu is het -’s keizers broeder, die door den vreemdeling uit het zadel is getild. - -Met nieuwen moed en nieuw vuur gaat het tournooien voort; altijd is het -echter de onbekende ridder die den palm der overwinning wegdraagt; de -meest bekende steekspelers beproeven hun krachten tegenover hem. Allen -zijn gedwongen zijn meerderheid te erkennen, hij blijft meester van het -kamp. Fier rijdt hij rond de baan met zijn lans in de hand. Voor den -keizer gekomen laat hij zijn paard den soembah [12] maken en iets als -een vaag teeken van genoegen schemert op het effene gelaat des vorsten. - -„Een kranige kerel,” fluistert de Hollandsche luitenant zijn kapitein -toe, „ik heb hem nog niet eer gezien. Wie hij zijn mag?” - -„Och, al die bruine vellen lijken op mekaar,” antwoordde kapitein -Grevink minachtend, „maar hij stond bij het huisje van den -Rijksbestierder en dat bevalt me minder.” - -„Waar Amirang Koesoemo hem opgedoken heeft? Hij behoort tot geen der -grooten van het hof.” - -De keizer wendde zich iets terzijde en wenkte schier onmerkbaar, toch -was de vluchtige beweging voldoende om Amirang Koesoemo, den -Rijksbestierder, die op eenigen afstand zat, naar zijn troon te doen -schuiven; hij wierp zich met het aangezicht ter aarde en de keizer boog -zich voorover om hem iets op fluisterenden toon te vragen. - -„Heer der Wereld!” antwoordde Koesoemo, „vergun uw dienaar dat hij -straks uw voeten kusse. De vreemdeling is een groot en heldhaftig man, -een vijand der Compagnie,” voegde hij er schier onhoorbaar achter. - -De Soesoehoenan hief ’t hoofd weer op en een flauwe beweging zijner -oogen bewees den Rijksbestierder, dat hij genoeg wist. Koesoemo kroop -ruggelings terug naar zijn plaats en de keizer nam zijn onbewogen, kil -gelaat weer aan. - -De schaduwen van den avond vielen echter op het gebergte en het dal -neer, de laatste bloedroode stralen der zon flikkerden nog even om de -kruinen der bergen, toen werd alles donker en grauw, maar de maan steeg -hooger en hooger en hulde schier onmerkbaar den aloen-aloen in haar -blauw-zilveren glans. - -Aan alle zijden van de baan werden nu toortsen ontstoken, die met hun -roode glansen de bescheiden stralen der maan op de vlucht joegen; het -tournooispel had opgehouden, de ruiters stegen van hun rossen en -schaarden zich allen in een halven kring, op eenigen afstand van den -keizer; zij zetten zich op den grond neer, de lansen opgeheven houdend, -maar de keizer scheen in goeden luim, hij beval hen de wapens aan hun -dienaars over te geven en wenkte aan enkelen naderbij te komen; onder -hen was ook de Rijksbestierder. - -„Waar is de overwinnaar in zoovele spelen?” vroeg hij. - -Amirang Koesoemo ging terug, op eenigen afstand van de andere edelen -stond een groep mannen, wier ruwe gelaatstrekken en forsche gestalten -sterk afstaken bij de weekelijke, tengere figuren der Javaansche -edelen. Aan hun hoofd ging de vreemde ridder. - -Kapitein Grevink trachtte niets te verliezen van hetgeen er voorviel; -zoo zag hij dan ook den vreemdeling door Amirang Koesoemo begeleid ’s -keizers troon naderen en hem de voeten kussen. - -Door den afstand was het hem niet mogelijk van het gesprek, dat -trouwens in hoog Javaansch gevoerd werd, een woord op te vangen. - -Na weinige oogenblikken stond de keizer op en noodigde allen uit bij -hem het avondmaal te gebruiken. - -Langzaam keerde de stoet terug naar de eerste binnenplaats, nu echter -ging de vorst te voet; de Hollandsche lijfwacht bleef bij de eerste -poort de wacht houden, kapitein Grevink keerde naar den Pagger—de -heining die het kamp der Hollandsche soldaten omsloot, terug.—Hij was -niet gerust, waarom, dit wist hij zelf niet. - -Reeds sinds langen tijd heerschte er spanning tusschen de Compagnie en -den Soesoehoenan; deze beschuldigde de Hollanders van de Cheribonsche -prinsen te beschermen, die hem nog geen hulde hadden gebracht; de -Compagnie daarentegen drong op afdoening aan van de schulden, welke -Hamangkoe-Rat jegens haar had aangegaan, toen zij hem op den troon -zijns vaders herstelde. - -Amirang Koesoemo, de machtige rijksbestierder was den Hollanders -ongenegen; hij vervloekte in zijn hart de afhankelijkheid, waarin de -keizer tegenover hen geraakt was en zocht een geschikte gelegenheid om -dezen daarvan te verlossen; de zwakke slechts aan zijn genot denkende -Soesoehoenan liet alles aan zijn listigen sluwen dienaar over. Hij was -tevreden, zoo hij naar hartelust zich aan zijn uitspattingen, zijn -opium en zijn vrouwen kon overgeven en vond alles goed wat hem het -gedurige bezit dezer onmisbare voorwaarden van zijn geluk kon -verzekeren. - -Op het binnenhof was weldra het feestmaal in vollen gang; verscheidene -tentjes of prieelen waren daar opgericht; van voren geheel open en van -achter met gordijnen afgesloten; in het midden verhief zich dat van den -keizer. De in een halve maansvorm opgerichte huisjes hadden allen het -gezicht op ’s vorsten zetel; kruipend kwamen de dienaren door de -gordijnen het maal opbrengen. - -Fijn gevlochten matten waren èn tafel èn zitplaats, allen waren -schrijlings erop gezeten—pisangbladeren verrichtten den dienst van -tafellakens; de rijst in koekoesans [13] opgebracht sierden met hun -pyramidenvorm, die tot aan de schouders der aanzittenden reikte, het -feestmaal. - -Daarnaast waren groote stapels van gebraden vleesch, hoenders, en -gevogelte opgericht; het scheen onmogelijk dat die ontzaggelijke -hoeveelheid van spijzen in één maal kon opgebruikt worden, maar het -gebruik eischte dat zoodra de vorst gegeten had, al het overgeblevene -met mat en al opgenomen werd om het aan de bedienden van de prinsen en -edellieden mee te geven. - -Volgens de etiquette mocht niets meer van het opgedragen eten weer in -de keizerlijke keuken terugkeeren; de dienaren wisten er wel raad mee; -wat zij niet opkregen ging mede naar hun huis. Het diner uit vruchten -en een oneindige verscheidenheid van gebak bestaande, werd op dezelfde -wijze op nieuwe pisangbladen voorgediend, weggedragen en uitgedeeld. - -Vervolgens werd den gasten een schat van de geurigste aaneengeregen -bloemen, melatiknoppen, tandjoengs, tongkens enz. aangeboden, waarvan -zij de welriekende snoeren aan het hoofddeksel boven de ooren -bevestigden. - -De sirih kwam nu de plaats van sigaren bij de hedendaagsche europeesche -feestmaaltijden vervangen, en dit bleek het sein tot een opgewekt -vroolijk gesprek. - -Ieder had echter de oogen gericht op den vorst, die eenzaam op zijn -hooge zitplaats troonde, want zelfs de naastzittende was een zestal -voeten van hem verwijderd. - -Een schaduw van een glimlach op zijn onbewegelijk gelaat te voorschijn -roepen was ieders hoogste eerzucht. - -De keizer sprak echter met zijn Rijksbestierder, die aan zijn voeten -zat. - -„Wat zal de Compagnie zeggen als ik hem een schuilplaats verleen?” -vroeg de machtige beheerscher van Java en Madura, dien honderdduizenden -slechts met het aangezicht ter aarde durfden naderen, wiens wenk over -hun aller leven en dood besliste. - -„De Hollanders, verheven Keizer, behoeven niet te weten, wie Uw -Hoogheid gastvrij in haar paleis opneemt.” - -„Hij is in open vijandschap met hen, zij hebben hem vergeefs vervolgd -en het zou onvoorzichtig wezen zoo wij hem een schuilplaats verleenden -ondanks het verdrag dat ik met de Compagnie aanging.” - -„Is de Compagnie meester in uw kraton, mijn Gebieder? Zal nimmer de -schuld jegens hen afgelost worden?” - -„Ja, zwaar is de last der erkentelijkheid, niets kan deze verminderen.” - -„Toch wel, machtige keizer, geen juk is er dat men niet kan afschudden -zoo de tijd daarvoor rijp is.” - -„Dat kan slechts een machtige, krachtige vuist,” sprak de keizer loom. - -„En die vuist zal te vinden zijn als Uw Hoogheid het gebiedt; het -gewicht der dankbaarheid wordt steeds zwaarder en zwaarder, ten laatste -zakt het verpletterend neer op de hoofden der beweldadigden.” - -„Uw woorden zijn mij duister als een nacht zonder sterren,” hernam de -Soesoehoenan. - -„Uw dienaar zal gaarne een licht ontsteken op dien duisteren weg,” -antwoordde de Rijksbestierder, „mijn Gebieder weet welke hooge -verplichting ik aan den dapperen Balinees heb.” - -De keizer zag hem wezenloos als vragend aan. - -„Uw Hoogheid gewaardigt zich niet te gedenken dat de held mijn dochter, -nadat zij weigerde haar echtgenoot den Bantamschen prins in de -verbanning te volgen, naar Karta-Soera geleid heeft, haar met den -grootsten eerbied bescherming verleenend.” - -De keizer wenkte dat hij voort zou gaan: - -„Welnu, dan machtige Keizer, het hart mijner dochter is bewogen van -liefde voor haar beschermer en nu zij wettig gescheiden is van den -Pangeran Poerbaya kent zij slechts een wensch met Soerapati vereenigd -te worden als het Uw Almacht behaagt.” - -„Radhen Goesik is jong en schoon; het zou wreed zijn haar tot den -weduwstaat te veroordeelen; wanneer zij den held liefheeft en hij -belooft ons zijn arm tegen de Compagnie op te heffen zoodra het juk te -zwaar wordt voor onze schouders dan zij hij welkom in den kraton.” - -De Rijksbestierder kuste ’s keizers voeten. - -„Heb dank, machtige monarch,” zoo sprak hij met moeite de vreugde -verbergend die in zijn stem school, „mijn dochter en Soerapati zullen u -dank weten en als de tijd gekomen is dan zal hij u verlossen van het -zware juk dat de Kafirs zoo schandelijk op uw schouders hebben geladen -want zijn geest is helder en zijn arm is sterk.” - -De keizer luisterde echter niet meer, al zijn aandacht was afgeleid -door het spel zijner danseressen dat nu onder begeleiding van de -tallooze muziekinstrumenten een aanvang ging nemen. - - - - - - - - -II. - -IN DE KAPATYAN. - - -In de Kapatyan, het paleis van Amirang-Koesoemo, dat evenals de -woningen van andere Rijksgrooten binnen den kraton lag, zat Radhen -Goesik omringd van haar vrouwen. - -Zij was nu rijk en sierlijk gekleed, haar kondé [14] schitterde van -diamanten, in haar ooren vonkelden de kraboes uit steenen bestaande van -het zuiverste water, haar donkerblauwe sikepan was met zilver -doorstikt, en viel over een fijn zijden kaïn, waarvan de weeke, zachte -plooien de grillige figuren onderbraken, die het gouddraad er op -stikte; nu zij weer in de omgeving verkeerde die haar paste en die zij -liefhad was de prinses nog veel schooner dan in de wouden van den -Preanger, een gevoel van geluk en vreugde schitterde in haar oogen, zij -zou nu immers weldra het toppunt harer wenschen vervuld zien. - -Haar zitplaats bevond zich in een rijk met snijwerk en verguldsel -versierde pendoppoh, die omgeven was door een aangenamen tuin; hooge -kemoeningboomen, wit van de geurige bloesems wierpen hun schaduwen op -het gouden schelpzand, in Japansche potten stonden zeldzame fraaie -sierplanten en bloemen. De slanke areng-palm hief zacht wuivend zijn -kroon omhoog, vierkante perkjes van melati balsemden de lucht met haar -zachte geuren, die zich met de bedwelmende tochtjes vermengden, welke -de sokka dèdes naar omlaag zond. - -’t Is morgen, de dauw parelt nog tusschen de bloemen, de brandende zon -vermag de verkwikkende koelte nog niet te verjagen, alles schijnt even -jeugdig, even frisch, als de prinses die met volle teugen de -morgenlucht inademt. Aan haar voeten als ’t ware inééngerold ligt -Boeloe Kidoer, de dwerg, die haar niet verlaten wilde. - -„Boeloe,” zeide de prinses glimlachend, „het is hier beter dan aan den -voet van den Gedeh! Nu vooral, nu de machtige keizer aan mijn vader -verlof heeft gegeven tot ons huwelijk. O Boeloe, hoeveel dagen scheiden -mij nog van dat gelukkig uur!” - -„Het is dikwijls een lange weg, prinses, die de pitten van den dlima -van de lippen scheidt.” - -„Spreek zoo niet, dwerg! Niets kan ons meer scheiden. Zeg mij eens hebt -ge hem gezien in het tournooi? Hoe schoon en zal hij daar geweest zijn. -Bij de eerstvolgende senènan moet ik hem zien, al zou ik ook mijn -vermomming weer aantrekken.” - -„Gij zult hem nog zoo lang zien, zusje, als hij uw man wordt.” - -„O Boeloe, een voorrecht betreur ik, dat wij genoten in het vrije -gebergte; daar konden wij ons vrijer bewegen, daar omknelden die -lastige, pijnlijke hofregelen ons niet. Slechts ter sluiks kan ik ’s -avonds mijn bruidegom ontmoeten, ginds onder de waringinboomen. Weinige -oogenblikken alleen mag ik hem spreken, en vroeger daar ginds op den -weg, toen hij mij beschermde en bewaakte, week hij geen oogenblik van -mijne zijde. Wanneer zal ik hem geheel toebehooren? Gelooft ge niet -Boeloe dat hij zijn blanke geliefde geheel vergeten heeft om mij?...” - -„Het is aan den dwerg niet het te beoordeelen,” grijnsde Boeloe, „hoe -kan ik in zijn hart lezen? Gemakkelijker is het te dringen in den stam -van den djatiboom dan het hart van de menschen te ontsluieren.” - -„Maar hij kan niet meer terug naar de Hollanders, niet waar, elke band -is immers verbroken tusschen hem en haar, nu de Soesoehoenan hem een -schuilplaats verleent, en hij de schoonzoon wordt van Mataram’s -Rijksbestierder?” - -„Bij den grooten profeet is alles mogelijk!” verzekerde de dwerg met -kluchtigen ernst. - -„Wat zegt ge Boeloe, zoudt ge meenen dat Soerapati...” - -„Zoo vermetel ben ik niet iets te durven meenen, maar als uw echtgenoot -verneemt, dat Kiai Hemboong hem bedrogen heeft, dat nonna Suzanna nooit -getrouwd is geweest met den vaandrig Kuffeler, en dat zekere dwerg te -zamen met zekere prinses zijn ouden pleegvader hebben overgehaald tot -die leugen dan kon het zijn dat zijn stemming veranderde zooals een -storm het aanschijn der bergen verkeert.” - -Radhen Goesik wrong de kleine met ringen bezette vingers. - -„Maar hij mag het niet weten Boeloe, nooit, nooit. O, sprak hij toch -tot mij over zijn liefde tot de Hollandsche vrouw, over zijn haat tot -de Hollanders, ik zou geruster zijn, maar helaas! Op al mijn -toespelingen bewaart hij een hardnekkig zwijgen. Ik vrees de gedachten -niet die zich uitspreken, maar wel die zich verbergen en langzaam -ontkiemen als de rijstkorrel in het water der sawahvelden.” - -„Ik hoor dat zijn schreden als onwillekeurig altijd terugkeeren naar -den Pagger der Hollanders; hij zwerft steeds in hun nabijheid; soms, -zoo vertelt Kiai Hemboong, rusten zijn oogen met smachtend verlangen op -de Hollandsche driekleurige vlag, die boven het wachthuis wappert.” - -„O schande! Hij zou hun slavernij verkiezen boven vrijheid en roem bij -zijn stamgenooten.” - -„De wortels van den waringin zoeken de aarde en zoo verlangt het hart -van den man naar den grond, waar hij zijn eerste jeugd doorbracht. -Soerapati’s hart kan zich niet meer te huis voelen bij den bruinen -man.” - -Radhen Goesik verborg het gelaat in haar slendang en weende. - -„Nooit, nooit zal ik het beeld dier gehate vrouw met het gele haar uit -zijn geest verdrijven, zelfs niet als ik met hem verbonden ben door ’s -keizers woord! Boeloe, kunt gij mij niet helpen, ik beloof u de mooiste -dwergin des keizers tot vrouw, ik zal u deze sterren geven, die mijn -ooren versieren maar help mij aan een toovermiddel, een drank, een -amulet, een ngempoel, waardoor ik almachtig over Soerapati’s ziel kan -heerschen, of liever bezorg mij de talang perindoe, een stukje van de -dwergbamboe, die op den top der bergen groeit en onder welks schaduw de -vogels den dood vinden, de heilige plant waarvan het bezit ons de -vervulling schenkt van al onze wenschen.” - -De dwerg schudde het hoofd. - -„Het zal niet baten, prinses! In zijn hart verfoeit Soerapati de leer -van onzen grooten Profeet; hij is gehecht aan den eeredienst zijner -voorvaderen, hij aanbidt Batoro Goeroe, den oppermachtigen God der -Hindoes, en nog liever zou hij de knie buigen voor den gekruisten God -van de Hollanders en van Suzanna! En zoolang wij zijn hart niet -veranderen, zoolang zal geen tooverspreuk of tooverplant de liefde van -zijn hart doen verkeeren.” - -„Maar wat raadt ge mij Boeloe, mijn trouwe dwerg, die het eerst mij -gewezen hebt op Soerapati’s toekomstige glorie, die mij zoo trouw hebt -bijgestaan in moeilijke dagen?... Wat moet ik doen om Soerapati voor -goed te hechten aan onze zaak?” - -„De vezels van den klappernoot drijven en de steen zinkt, ieder -ondervindt wat zijn lot meebrengt en zoo zal ook gebeuren wat Allah van -alle eeuwigheid besloten heeft.” - -„Maar hoe zal ik ’t weten, wat besloten is in Allah’s raadsbesluit? -Moet ik niets doen om dat besluit te helpen uitvoeren?” - -Een dienstmaagd trad nader en bood de prinses een trosje bloemen aan. - -„Die mij dit takje voor u gaf, edele prinses!” sprak de dienstmaagd, -„verzoekt mij u te melden dat hij u wacht bij den kleinen vijver.” - -Haastig stond Radhen Goesik op, de armbanden rondom haar fijne polsen -kletterden, haar oogen schitterden; bevallig drapeerde zij zich in haar -slendang en stak haar voetjes in de vergulde muilen, die een harer -dienaressen vóór haar plaatste. - -„Volg mij Mila,” zeide zij, „wat ik nu ga doen is tegen den adat [15]; -ik weet het, maar het verlangen van mijn hart om mijn bruidegom te -spreken is te groot, dan dat ik het weerstaan kan.” - -Zij versierde met het bloementakje haar kondé en wenkte ook Boeloe haar -van verre te volgen. - -De kleine vijver was tusschen metselwerk besloten en omgeven door -blauwe Chineesche potten op hooge voetstukken, waarin dwergplantjes -staken; oranjeboompjes beladen met tal van gouden appelen, -miniatuur-aloës, cactussen en ananassen, kleine waringins, tjampaka, -soka, dlima en andere vrucht- of bloemdragende plantjes. Sierbamboes -omgaven op eenigen afstand het water en onderhielden door hun zacht -wuiven een frissche koelte; op de oppervlakte van den vijver dreven de -breede bladeren van de waterlelies met hun witte en gele bloemen, -waartusschen nu en dan een goudvisch glipte, dicht het watervlak -naderend om vlug en behendig een insect te vangen. - -Het was een eenzaam plekje door de lianen geheel beschut tegen de -nieuwsgierige blikken uit de omringende huizen en vervuld met de -liefelijkste geuren; het lag dicht aan den buitensten muur van den -kraton, en zoo was het Soerapati gelukt binnen te komen om van zijn -bruid een afzonderlijk onderhoud te verzoeken. - -Hij stond bij den vijver; met de armen over de borst gekruist staarde -hij in het water en zag het spel der visschen tusschen de bloemen en -insecten aan, toen Radhen Goesik vlug maar toch met schier onhoorbaren -tred hem over het sneeuwwitte zand naderde. - -„Wat wil mijn Heer en Gebieder?” vroeg zij dicht bij hem gekomen en de -oogen neerslaande. - -„Ik wilde u een woord van vaarwel zeggen, prinses,” antwoordde hij. - -„Vaarwel,” en zij zag hem angstig aan, „er is geen woord, dat mij -harder in de ooren klinkt. Waarom moet ge mij vaarwel zeggen?” - -„Het is slechts een vaarwel van eenige dagen,” hernam hij glimlachend, -„vóór dat onze bruiloft gevierd wordt, voel ik er behoefte aan mij -eenige dagen terug te trekken, daar ginds in den tempel van Tjèta, -welke zich op de helling van den Lawoe verheft. Ik wilde daar raad -nemen met mijzelf en met de onsterfelijke goden—met Allah en zijn -Profeet,” zoo verbeterde hij zichzelf. - -„Raad en tot welk doel? Is er nog raad noodig? Ziet gij dan niet -duidelijk wat Allah in zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit voor u heeft -vastgesteld,” vroeg de vorstin heftig. - -„Ik zie het duidelijk in, prinses, maar toch twijfel ik of de weg, dien -ik in ga slaan wel de rechte is.” - -Radhen Goesik’s oogen fonkelden van toorn. - -„Hoe, gij aarzelt het lot aan te nemen dat de machtige keizer en mijn -vader u aanbieden? Dat is een beleediging!” - -„Neem het zoo niet op, liefste mijn!” sprak Soerapati met de zachte, -weeke uitdrukking in zijn stem, die in de ooren zijner bruid zoo -onweerstaanbaar aantrekkelijk klonk en die ook het hart der Hollandsche -jonkvrouw eens bekoord had, daar zij zoo in tegenstelling was met zijn -forsch, echt mannelijk voorkomen. „Ge weet, ik heb u lief, mijn -Vorstin, mijn Bruid, zooals ik niemand op ééne na, ooit heb liefgehad!” - -Radhen Goesik wendde het hoofd om. - -„Juist die ééne, welke ik niet treffen kan, wier herinnering sterker -nog is dan mijne schoonheid!...” dacht zij. - -„En waarom, als ge waarheid spreekt, mij dan verlaten?” vroeg zij, haar -oogen van onder de lange wimpers opheffend. - -„Omdat ik vrees, dat mijn liefde u slechts ongeluk zal aanbrengen. Ge -zijt zoo schoon, zoo beminnelijk, om uwe hand zullen de eerste prinsen -van den bloede dingen, zij benijden mij uw bezit, ik weet het. Maar wat -kan ik u geven, ik, een slaaf, een roover?” - -„Zeg dat niet, ge zijt het niet meer!” riep de prinses verontwaardigd -uit, „licht mijner oogen, schat mijner ziel! Welke prins kan met u -wedijveren? Uw gestalte is gelijk aan den stam van den jongen -pinangboom, zoo slank en toch zoo krachtig, uw oogen schitteren als de -avondster en de woorden, die van uw lippen vallen, zijn zoet als de -geur van den kemoening. Uw arm is zoo krachtig, als de klauw van den -tijger als gij uw vijanden aanvalt, maar zoo zacht als het dons van den -pelikaan, wanneer gij mij liefkoost. Ge zijt een roover, ja de roover -van mijn hart, van mijn ziel. Gij zijt geen slaaf meer, doch ik wil uw -slavin zijn, mijn leven lang! Met u wil ik alles deelen, alles, armoede -en rijkdom, schande en roem. Ik bemin u met een liefde zoo brandend en -vurig dat de Hollandsche met de koude, witte huidskleur en het kille -hart die nimmer begrijpen kan.” - -„Roep haar herinnering niet op;” zeide Soerapati met doffe stem, „ik -heb haar begraven en in den geest de kambodjabloem op haar graf -geplant. ’t Is niet goed van de dooden te spreken, dat stoort hunne -rust.” - -„Waarom wilt ge dan nog weten of mijn hand u geluk belooft?” - -„Omdat, hoor mij aan, mijn Koesoema, omdat ik overtuigd ben, dat een -verbinding met u een regen van rampen zal doen neerdalen op den keizer -en het rijk van Mataram!” - -„Ik begrijp u niet!” zeide Radhen Goesik schijnbaar onschuldig. - -„Ge weet toch, dat ik een vogelvrije ben in het oog der Hollanders, een -gevluchte slaaf, een deserteur, een aanvaller hunner soldaten. Zij -hebben alles in het werk gesteld om mij in handen te krijgen maar -vergeefs! ’t Is mij gelukt hen te ontkomen en dank uwe liefde, -Koesoema, schonk uw aangenomen vader en door hem de Soesoehoenan mij -een schuilplaats aan zijn hof. Ik word hier geroepen tot hooge eer, -maar die eer zal Mataram duur te staan komen.” - -„En wat verlangt men in ruil daarvoor?” - -„Mijn hulp en die mijner Balineezen tegen de vreemdelingen.” - -„En aarzelt gij die te beloven? Zijn die Christenhonden u nog dierbaar -aan het hart om den wille van één trouwelooze? Ben ik zulk een -weifeling waardig? O, ik voel het, gij hebt mij niet lief!” - -„Koesoema, lieveling van mijn hart, verscheur mijn ziel niet door uw -woorden, die scherper zijn dan de scherpste doornen. Wantrouw mijn -liefde niet, want zij is zoo groot en diep als de zee; juist omdat ik u -liefheb vrees ik zulk een groot geschenk te ontvangen als uw hand en de -gunst des keizers. De Hollanders zijn zoo machtig, hoe zal ik tegen hen -de schuld jegens mijn weldoeners afdoen? Wat zullen mijn Balineezen -vermogen tegen hun overmacht als zij mij komen opeischen en het op den -keizer wreken dat hij mij toevlucht heeft verleend?” - -„Wat zij zullen vermogen? Alles wanneer gij hen aanvoert mijn geliefde! -Vrees niet! Is mijn bezit niet de grootste gevaren waard? Als ik u -liefheb en uw echtgenoote ben, is dat u niet genoeg? Waarom wilt gij uw -geesten raadplegen? Wat zult ge doen als zij het u afraden?” - -„Met mijn mannen Karta-Soera verlaten, terugkeeren in de wildernis, -leven als vóórheen, vóór ik u ontmoette.” - -„Ondervraag dan de geesten niet, in mijn oogen leest ge een antwoord -duidelijker dan zij u geven kunnen!” - -Zij had zich aan zijn borst gevleid met een aanhankelijkheid, vrouwen -van haar land anders niet eigen, maar zij wist hoe de Hollandsche vrouw -deze liefkoozingen jegens den man harer keuze niet beneden zich acht en -zij wilde hem zooveel mogelijk doen vergeten dat zij geen blanke was. - -Soerapati, bedwelmd door de zoete geuren die haar als in één wolk -omhulden, wilde reeds toegeven; toen een onderdrukt eigenaardig -gemompel, dat achter een der bloempotten scheen op te stijgen, Radhen -Goesik’s oor trof. - -Het klonk als een waarschuwing; Soerapati door hartstocht overmeesterd -bemerkte het niet, zij echter begreep dat de dwerg het liet hooren en -maakte zich zachtkens uit zijn omarming los. - -„Ga, mijn geliefde!” zeide zij met een stralenden glimlach, „ga naar uw -tempels! En ondervraag de Dewahs, wier macht gij zoo hoog stelt, hooger -dan mijn liefkoozingen. Ik weet hun antwoord, zij zullen u zeggen dat -de schroom, die u belet de wapens te blijven voeren tegen de -Hollanders, zondig is en uwer onwaardig. Nu wil ik dat gij gaat, en hun -oordeel verneemt; ik wil niet dat eenige twijfel uw voorhoofd -verduistert. Gij moet schoon zijn, mijn bruidegom, op den dag van ons -feest. Uw gelaat moet stralen als de opkomende zon en uwe ziel blinken -als de maan, die de volheid van haar glans over de bergen doet -schijnen. Vertrek dus, uw Koesoema smeekt er u thans om! Ik zal uw -afwezigheid verdragen door de onophoudelijke gedachte aan u.” - -„Is het u ernst? Ge staat mij toe te vertrekken,” vroeg Soerapati. - -„Ik vraag het u; maar laat mij nu gaan! Zie, de zon schijnt reeds -achter gindsche missigits; mijn vader zal mij zoeken. Vaarwel dan mijn -bruidegom, tot wederziens!” - -Weinige oogenblikken later was het stil rond den vijver, en niets -verbrak die stilte dan het zachte ruischen der bamboes. - - - - - - - - -III. - -OP DEN BERG LAWOE. - - -Een groepje ruiters begaf zich in gestrekten draf naar den voet van den -berg Lawoe, welks hellingen ten oosten van Soerakarta langzaam in de -vruchtbare vlakte uitloopen. - -De machtige vulkaan verheft zijn in wolken en rook gehulden top, boven -een donkergroen voetstuk; de sawahs klimmen nog onmerkbaar voort langs -zijn breede ruggen; thans zijn het koffietuinen die zijn hellingen -bedekken, toen echter was alles nog woester en eenzamer. - -De bergwegen bleken slechts tot zekere hoogte toegankelijk voor de -ruiters. Zij stapten dan ook bij een vriendelijke onder kokos- en -andere palmen half verscholen dessa af, lieten de paarden onder de -hoede van een gedeelte der mannen, en zetten te voet den tocht voort. - -De weelderige plantengroei verliet hen weldra; zij kwamen in een -uitgestrekt woud van tjemara’s of casuarinen, een soort van lorken, -wier fijne, naaldvormige bladen, van de knoestige met witte -paddestoelen bedekte takken afhangen; de grond is droog, kaal, slechts -met kort gras begroeid en overdekt met de dorre naalden van het -afgevallen loof; door het ijle, doorzichtige groen schemert de blauwe -hemel met zijn geheimzinnige diepte, de zonnestralen dalen in -getemperden glans door den smaragdkleurigen sluier op den bodem neer, -en geven een warmen gloed aan de sneeuwwitte baardmossen, die de takken -tooien als waren het de sieraden van een woud van kerstboomen, een -verkwikkende frissche koelte, welke de hoogte van den berg verraadt en -alle herinnering aan tropische hitte verdrijft, doet het gebladerte -zacht en teeder ruischen, als waren het de klagende stemmen der -berggeesten, die eenmaal hier vereerd werden, maar sinds eeuwen hun -tempels verwoest, hun eeredienst vernietigd zagen. - -Zwijgend zetten de mannen hun stijgenden tocht voort, drie gingen aan -hun hoofd, de anderen volgden op eenigen afstand. - -Van deze drie was er één vrij hoog in jaren, de twee anderen echter -jong en krachtig; allen droegen de kris op zijde en in de hand een -Javaansche lans of speer. - -„Vermoeit u de tocht, vader?” vroeg hij, die de hoofdman van de groep -scheen en in wien het gemakkelijk was Soerapati te herkennen, aan den -ouden Kiai Hemboong. - -„Neen, mijn zoon al beken ik, dat het mij moeite kost de snelle, -krachtige stappen, uw jeugd eigen, bij te houden.” - -„’t Is uw eigen wil geweest, Kiai dezen tocht mee te maken. Ik heb u -daartoe niet aangezet; noch minder er u om verzocht.” - -„Ik weet het mijn zoon! Uw zorg voor mij kent geen grenzen, daarom zult -gij ook gezegend zijn in uw kinderen tot in een ver verwijderd -geslacht, maar ik wilde u niet alleen laten in het vrome werk dat gij -onderneemt. Wirajoeda en ik zullen u ter zijde blijven, wanneer gij de -onbekende krachten, die over ons leven en onze daden beschikken, gaat -raadplegen.” - -„Mijn hart dankt u voor deze belangstelling, maar wanneer wij daar -straks aangekomen zijn te midden der bouwvallen van Tjèta, wil mij dan -verlaten. Ik heb er behoefte aan alleen te zijn met mijn gedachten.” - -„Uw wil zal geschieden, mijn zoon! Maar laat de toekomst alleen niet -heerschappij voeren over uw gedachten. Luister ook naar de stemmen, die -opstijgen uit het verleden, versmaad hun waarschuwingen niet!” - -„Evenmin als ik ooit de uwe vergeten zal, mijn vader! Wees gerust, -toekomst en verleden zal ik in een schaal wegen en onderzoeken welke -overwint.” - -„Maar,” bracht Wirajoeda er tusschen, „zóó gij terugschrikt voor het -aanbod van den Pangeran Adipati, wat dan?” - -„Dan trekken wij ons weer terug in de bosschen om ons leven vol gevaren -en avonturen opnieuw te beginnen.” - -„Dus in geen geval de slavernij der blanken?” - -„Nimmer,” antwoordde Soerapati vastberaden. - -„Dan volgen wij u, wat gij ook besluiten moogt,” verklaarde Wirajoeda. - -„Daar reken ik op!” - -Kiai Hemboong knipte zijn oogen listig toe maar sprak niet. - -Weinig woorden werden meer tusschen de mannen gewisseld die hun langen -en moeilijken tocht slechts door korte halten afgebroken voortzetten. - -De reeds vallende zonnestralen daalden schuin neer tusschen de -tjemaratakken op den grond en overtogen de dorre takken en het dunne -gras met een kantwerk van purperen tinten;—hier en daar zag men roode -blokken trachiet omwoekerd door het grijze mos en de veelkleurige -paddestoelen, verstrooid liggen in het bosch; uit de spleten wringen -zich wonderschoone orchideetakken omhoog die met hun rozenroode en -paarse bloemen den verweerden, ouden steen nog een schijn van jeugd en -schoonheid verleenden. - -Allengs komt er orde in de verspreide steenen, die zich voegen tot -trappen en terrassen door ingevallen balustrades omgeven; de steen -bloeit voort. Hoe hoog gelegen ook, toch heeft de weelde der tropische -natuur hier nog kracht genoeg om de eeuwenoude steenblokken met een -wereld van parasieten te omwoekeren. - -Gras en struiken schieten welig uit de ingezakte treden, welke de -mannen zwijgend opgingen, sierlijke lianen vallen langs de balustrades -en bloemfestoenen omslingeren hen als waren zij getooid voor het een of -ander feest. - -De steenen zelf zijn versierd met rijk beeldhouwwerk, met arabesken en -zinnebeeldige figuren op kwistige wijze over de zwartgroene wanden -geworpen: alles duidt de vereering aan van Shiwa, den schepper en -vernieler tegelijk, den machtigen en wreeden god der Brahmanen, die -echter door Boeddha den zachtzinnigen leermeester en boeteling, -vervangen was in zoovele zijner heiligdommen. Hier echter was Shiwa -uitsluitend vereerd geworden, vóórdat de aanhangers van den Profeet -zonder eenig mededoogen zijn schoone tempels in het stof hadden doen -storten. - -De terrassen gaan nog steeds schuil onder de hooge tjemara’s die hen -van alle zijden overschaduwen, dertien volgen elkander op door trappen -aanéénverbonden; het schijnen echter meer afzonderlijke bedehuizen dan -één grootsch bouwwerk door één enkele gedachte in het leven geroepen. - -Op het hoogste gekomen wierpen zich allen vermoeid op de trappen neer, -overtuigd dat het doel hunner reis bereikt was, maar Soerapati alleen -bleef staan. - -„Het is hier goed rusten, vrienden!” zoo sprak hij, „doch mijn tocht is -niet geëindigd; hooger moet ik wezen, hier is de lucht mij nog te -zwaar, eerst op den top van den Lawoe zal het mij mogelijk zijn te -toeven.” - -Allen zagen hem bezorgd aan, maar zij kenden hun hoofdman te goed om -niet te weten dat het vergeefs zou zijn te beproeven hem van zijn -voornemen af te brengen. Kiai Hemboong alleen waagde een opmerking. - -„Mijn zoon!” sprak hij, „de nacht valt, wat gij boven u ziet is de top -van den Lawoe niet; nog twee andere toppen verheffen zich daarachter. -En ik ken uw gewoonte, zoolang gij het hoogste niet bereikt hebt, zult -gij nog steeds willen stijgen; volbreng morgen dien tocht en strek uw -moede leden uit op deze steenen, in welker nabijheid nog steeds de -geesten der machtige Dewahs wonen. Hier zullen zij u ook in -droomgezicht verschijnen, twijfel er niet aan!” - -Maar Soerapati schudde het hoofd, wenkte hen met de hand tot -afscheidsgroet en steeg verder naar boven; de anderen bleven beneden, -blijde te kunnen rusten en een sober avondmaal te nemen uit den -voorraad mondbehoeften die zij mede hadden gebracht. - -Soerapati had weldra den eersten top bereikt, in welks midden zich een -vierkante opening in de rots bevond, omgeven door een vervallen -kunstmatigen muur; het bosch had opgehouden, kaal en doodsch werd alles -rondom hem, slechts weinige spichtige tjemaraboompjes stonden hier en -daar verspreid; meer ten zuiden verhief zich echter de tweede iets -hoogere top, waarvan hem een diepe klove scheidde. - -De bodem was met niets dan gras begroeid maar ging weldra over in een -schier ondoordringbaar woud, dat de oevers bedekte van een beek, die -zich haastig naar omlaag spoedde om in de vlakte hare wateren te -vermengen met die van de beheerscheres der wateren in deze streken, de -breede Solorivier. - -In het dal heerschte reeds schemering, de kruinen der bergen echter -glommen nog in laaien gloed; zonder zich te bedenken daalde Soerapati -in de diepte af, wrong zich door de hooge doornstruiken en varens, die -hem den weg versperden, of baande zich een doorgang met het kapmes, dat -hij in plaats van zijn speer thans hanteerde. - -Weldra bevond hij zich op den tweeden top, maar Kiai Hemboong had -waarheid gesproken, nog was deze de hoogste niet; met moeite had hij -zich naar boven opgewerkt langs de steile hellingen en afgebrokkelde -rotswanden, totdat hij op den smallen bergrug was aangekomen, die de -middelste der drie bergkruinen bleek te zijn. - -Hier was de grond bedekt met lage struiken, in welker schaduw de -thelemytra orchidee den grond bedekte; de gloeiende zonnestralen deden -de rozenroode bloemen schitteren als waren zij een uit robijnen -samengevoegd mozaïek. - -Soerapati bleef een oogenblik vol bewondering staan; alle geluiden der -aarde hadden hem verlaten, hij was alleen omgeven door de bergen en -door den blauwen hemel die in het westen de kleuren van alle -edelgesteenten aannam; aan zijn voeten lagen nog sporen van -menschelijken arbeid in den vorm van verschillende vierkante ruimten -omringd door opstaande randen en riviersteenen. - -Lang bleef hij echter hier niet toeven en wendde zijn blikken naar den -derden en hoogsten top, die zich vlak tegenover hem bevond, een -oogenblik weifelde hij en vroeg zich wellicht af of het niet beter -zoude zijn hier te blijven, maar onmiddellijk verzamelde hij zijn -krachten weer en daalde af in de tweede vallei, die zacht hellend op -een rotsvlakte uitliep, gedeeltelijk doorsneden van een diepe, steile -spleet; de zwerver vond weldra een weg die zelfs kunstmatig aangelegd -scheen en uit ruw opeengestapelde steenblokken bestond, welke eenige -terrassen aan elkander vereenigde. - -Zonder veel moeite was het Soerapati gelukt langs dezen weg de laatste -kruin te bereiken en zoo stond hij dan eindelijk op het toppunt zijner -wenschen; inderdaad de uitkomst loonde zijn onvermoeide pogingen. Het -heerlijkste schouwspel omringde hem van alle zijden, aan zijn voet de -berg of liever de verzameling hoogten, welke het rotsgevaarte Lawoe -geheeten, uitmaakte. De noordelijke helling is bedekt met den -liefelijksten plantengroei, afgebroken door malsche grasvelden, die -tusschen de tjemarabosschen frissche oasen vormen. Ten Zuiden de kale, -geelachtig bruine vlakte met een troebel, stilstaand water bedekt, zich -verliezend in wouden en ravijnen, aan de eene zijde begrensd door een -alleenstaande zuil die zich scherp en hoekig tegen de reeds donkere -lucht afteekent. - -En verder dan de berg ontrolt zich een grootsch, heerlijk panorama in -het Westen, de vruchtbare vlakte van Soerakarta met haar vruchtbare -sawahs en bloeiende dorpen, haar tallooze rivieren, die allen hun -schatting brengen aan den reusachtigen stroom, die zich als een -ontzaggelijk staalblauwe slang kronkelt langs paleizen en kampongs, -langs bosschen en tuinen om zich eindelijk in het wazige verschiet te -verliezen, en dit gezicht wordt begrensd door de Merapi en Merbaboe, -die geduchte vuurbergen, welke achter zich nog de flauwe omtrekken -vertoonen van steeds nieuwe bergkruinen, de Soembing, de Sindoro en -zelfs den verwijderden Slamat. - -Maar niet lang rustten Soerapati’s oogen op de vlakte van Karta-Soera, -hij keerde zich om en blikte ten Oosten, waar zich het niet minder -vruchtbare dal van Madioen uitstrekte, omsloten aan gene zijde door de -Willis en den Kloet, waarachter zich de kruinen van den Smeroe en den -Ardjoeno, Java’s hoogste bergreuzen, in de wolken verloren. De -schaduwen van den avond waren reeds in de vlakte neergedaald en vaagden -alle scherpe omtrekken weg, hier boven was het echter nog helder dag; -met het gelaat van de zon afgekeerd, die in een gouden glorie achter de -bergen wegzonk, staarde Soerapati de Smeroe en de Ardjoeno aan, hij -herinnerde zich wellicht hoe hij in zijne kinderjaren ook naar hen had -opgezien toen zij aan gene zijde der straat Bali voor zijne jonge oogen -opdoemden; wellicht herdacht hij het eiland zijner geboorte, waaraan -hij met geweld was ontrukt. Misschien ook staarde hij in bewondering -het heerlijke land aan, dat zich voor zijne voeten ontplooide toen een -stem, flauw als een zucht, onder zijn voeten opsteeg en hem -toefluisterde: - -„Dat alles, mijn zoon, is het koninkrijk U bestemd door Allah’s -onnavorschbaar raadsbesluit.” - -Soerapati zag verschrikt om zich heen; niets echter scheen te verraden -dat een menschelijk wezen zich in zijn nabijheid bevond; de grond -waarop zijn voeten rustten was een blijkbaar kunstmatig geëffend vlak, -omgeven door een muurtje van ruw opeengestapelde steenen; uitgebrande -kolen en verdorde bloemen toonden aan dat men deze plek door offers van -wierook en bloemen vereerde. - -Nergens echter ontdekte hij eenig spoor van een levend schepsel; hij -schreef dus het gehoorde toe aan een zinsbegoocheling en bleef -onafgewend zijn oogen richten op de verbleekende bergtoppen. De woorden -bleven toch in zijn geest weerklinken. - -„Koning zult gij zijn, een krachtig koning!” zoo klonk het weer, -„indien gij uw verleden met de voeten vertreedt en haat zweert aan de -blanke overheerschers.” - -Nu fronsten zich zijn wenkbrauwen onheilspellend; hij greep -onwillekeurig naar zijn kris en zag rond in de diepte, achter de -opeengestapelde steenen, in de rotskloven, vergeefs! - -„Is het dan geen spel mijner verbeelding? Zou het de stem eener Dewâ -zijn die tot mij spreekt?” zoo vroeg hij zich andermaal af, „dan past -het mij te luisteren in eerbied en onderworpenheid.” - -Hij wierp zich plat ter aarde en riep uit: - -„O Batoro Goeroe, god mijner vaderen, schepper en leermeester der -volken, u aanbid ik als het machtige Opperwezen dat ons geschapen heeft -en later ons leerde te handelen naar uw wet en geboden; al noem ik u -met een anderen naam, gij Beheerscher van het Heelal zijt dezelfde, die -de volgers van den Profeet en de blanke mannen uit het Westen -aanroepen. Tot u roep ik, eerste oorsprong van mijn leven, wijs mij aan -den weg dien ik gaan moet! Zend mij een uwer afgezanten om mij te -leeren, wat ik kiezen moet. Vrijheid of slavernij, want al zijn de -ketenen verguld, het zijn toch ketenen die mij voortaan zullen hechten -aan Matarams hof!” - -„Gij zult koning zijn!” herhaalde de stem alweer, „de blanke zal beven -bij het hooren van uw naam, zijn wrok en zijn haat zullen langer duren -dan uw leven!” - -Soerapati hief zich op. - -„En is dat de eerste stap tot de koningskroon, het huwelijk met -Pangeran Adipati’s dochter?” - -„Liefde en roem worden uw deel! Al is het ook na harden strijd.” - -„Ik vrees geen strijd,” zeide hij trotsch, „ik vrees slechts -slavernij!” - -„En die wordt ontwijfelbaar uw lot zoo gij u onttrekt aan de bestemming -door God u voorbeschikt. Ge zult koning zijn, koning.” - -En het was of alle echo’s van de bergen en het woud weerkaatsten: -„Koning, koning!” - -Soerapati duizelde, met het gelaat in de handen verscholen, was hij op -een knie gezakt en zoo zag hij dus niet, hoe een mannelijke gestalte, -die zich in een spleet tusschen twee rotsen verscholen had, behoedzaam -naar buiten kroop en zich onhoorbaar tusschen de steenblokken -verwijderde totdat hij geheel in de woeste bergkloof verdween, die naar -den eenzamen pijler afdaalde. - -Toen Soerapati weer rondom zich staarde was het geheel nacht geworden; -slechts een lichtgele gloed verkondigde in het Westen de laatste -rustplaats van den zonnekoning. - -Myriaden van lichten werden in het luchtruim ontstoken en als een -gloeiende bol van roodachtig licht verscheen de volle maan reusachtig -groot achter de bergen; het werd koud en kil op den rotsachtigen -bergtop. Soerapati legde zich huiverend neer in het vervallen -bedehuisje en trachtte den slaap te vatten. - -Vergeefsche moeite! Zijn gedachten wijlden in de toekomst, maar meer -nog in het verledene; opnieuw doorleefde hij de felle smart, die hem -zoo hevig had aangegrepen in het Gedehgebergte en hem letterlijk ter -aarde had geslingerd. - -Suzanna’s ontrouw bleef nog steeds een gapende wonde in zijn hart; hij -kon in het gewoel van den strijd, in de dagelijks terugkeerende zorgen -en beslommeringen, in de hartstochtelijke liefkoozingen van Koesoema de -geleden smart voor een oogenblik vergeten, maar dadelijk weer keerde -zij heftiger dan ooit terug. - -Bittere haat vervulde hem soms tegen haar vader, tegen haar echtgenoot, -tegen haar volk; hij vervloekte het oogenblik waarop de Hollanders aan -Java’s kusten geland waren om alles onder hun machtige knie te -verpletteren, maar een oogenblik later smolt die haat weg om plaats te -maken voor een smachtend verlangen naar de dagen van weleer toen hij -zich bijna de gelijke durfde wanen van de blanke Westerlingen, toen hij -hoop koesterde eens in hun midden opgenomen te worden; dan was het weer -zich zelf dien hij vervloekte, zijn afkomst, zijn geboorte, zijn kleur, -dan kromp hij inéén van wanhopige moedeloosheid omdat niets ooit in -staat zou zijn hem terug te voeren in het midden der Hollanders, hem te -vereenigen met Suzanna en hun zoon. - -Die tegenstrijdige gevoelens streden heftig in zijn borst, zijn haat -was niet diep geworteld; met weinig moeite zou het der Compagnie -gelukken hem als een trouw bondgenoot en onverschrokken vriend te -behouden; een samenloop van omstandigheden alleen hadden tot tweemalen -hem haar vijand gemaakt. Slechts uit nood had hij de wapens tegen -Suzanna’s landgenooten opgevat en nu was het misschien nog steeds een -geheimzinnige schroom van voor goed met hen te moeten breken, die hem -huiveren deed in ’s keizers dienst over te gaan. - -Hij gevoelde weinig sympathie met de Javaansche grooten, hij kon ruw -zijn en zelfs wreed maar steeds trachtte hij strikt rechtvaardig te -blijven; schromelijke willekeur heerschte echter in de kratons; -noodelooze gruwelen hadden elken dag plaats; de vorsten heerschten over -een volk van slaven. Hoe heel anders kon het wezen als de koningen bij -de veel beschaafder vreemdelingen lessen gingen nemen in de kunst van -regeeren, als zij zich aan elkander verbonden en de een zijn -stoffelijke bezittingen, de andere zijn geestelijke meerderheid ten -offer bracht. - -Hij droomde als van ouds, toen hij nog hoop had op Suzanna’s bezit en -weer klonk het hem in de ooren: - -„Gij zult koning zijn, koning!” - -„Koning? dan zal ik mijn koningschap gebruiken, zooals mij het beste -dunkt, koning zal ik wezen om hen te doen vallen die vreemde -overheerschers; zij hebben mijn vriendschap versmaad ik zal hun vijand -wezen...” - -En hij wendde zich alweer naar de vlakte die thans door de maan met -zilverglans overtogen liefelijk en vredig zich aan den voet van den -berg uitspreidde; lang staarde hij er op neer totdat zijn oogen zich -sloten en hij in den droom zijn gedachten voortzette. Hij zag niets dan -kronen en koninkrijken; Koesoema naast hem zetelend schoon en trotsch -gelijk het een Ratoe past, maar in de verte wenkte hem Suzanna, met -droevigen glimlach, hij liet zijn kroon vallen en stond haastig op van -den troon om naar haar te snellen, daar scheidde hen plotseling een -diepe kloof. - -Dat waren de droomen, welke Soerapati’s slaap bezochten op den top van -den Lawoe en bij zijn ontwaken in den vroegen morgen omgaven hem -juichend zijn makkers reeds toen de eerste zonnestralen zijn harde -legerstede verguldden. Hij begroette hen vriendelijk en tot zijn -vertrouwelingen den Kiai en Wirajoeda, sprak hij: - -„Laat ons terugkeeren naar Karta-Soera, ik weet genoeg; de Dewahs -hebben mij mijn toekomstig levenslot onthuld!” - -Kiai Hemboong’s gelaat straalde, men nam den terugweg aan en niemand -dacht aan den kluizenaar die in het dichte woud afgezonderd van de -wereld leefde en eenige dagen geleden op verzoek der prinses voor -weinige uren in de hofstad was neergedaald om daar met Soerapati’s -pleegvader een ernstig onderhoud te voeren. - - - - - - - - -IV. - -EEN HUWELIJK IN DEN KRATON. - - -Van alle zijden stroomde het volk naar Karta-Soera’s kraton; langs de -landwegen zag men de schitterende stoeten der naburige edelen trekken, -omgeven door hun tallooze volgelingen en de niet minder talrijke -scharen der landlieden, want er was feest in het keizerlijke paleis. -Twee prinsessen tot het hooge huis van Mataram behoorende zouden in den -echt vereenigd worden, de ééne met een zoon des keizers, de andere met -een onbekend man, doch van wiens dapperheid en moed wondere verhalen -door het volk gingen. Hij was ook een prins, spraken zij, van machtigen -stam, maar als kind uit het paleis zijner ouders in slavernij -weggevoerd, thans echter zou de groote Soesoehoenan hem zijn -oorspronkelijken rang teruggeven. - -Het plein, dat zich tegenover de reusachtige pendoppoh schitterend van -verguld snijwerk en gloeiende kleuren, uitstrekt, is opgevuld met een -eerbiedig neergehurkte menigte; in de pendoppoh zelf bevindt zich de -hofhouding des keizers, zijn uitgebreide familie en rijksgrooten. -Vonkelend van goud en diamanten troont de heerscher van Mataram op zijn -ivoren troon met rood fluweelzijden zitting, achter hem zitten de -hofdames, waarvan eenigen de keizerlijke rijkssieraden dragen; zij zijn -omstreeks driehonderd in getal en in het voorgeschreven galagewaad -gekleed, dat ook voor de mannen hetzelfde is; een kaïn die tot over den -boezem reikt en hals en schouders bloot laat; deze zijn echter met de -goudgele keizersverf bestreken, terwijl een breede band van bonte -kleuren om den hals der draagsters geslingerd is. - -De rijkssieraden of poesaka’s bestaan uit twee soorten; de meest -eerbiedwaardige zijn die, welke slechts dienen tot opluistering van ’s -keizers tegenwoordigheid, en geheiligde dieren voorstellen. Ze zijn -allen in massief goud en worden aangeduid als de vogel Garoeda, het -heilige symbool van den hindoeschen God Vishnoe, de Sawoeng-galing of -haan, en de fabelachtige Arda-walika half mensch half slang, twee -olifanten, de kidang of reebok en de gans. - -De andere voorwerpen worden den keizer steeds nagedragen als hij den -kraton verlaat, daar zij tot zijn bijzonder gebruik strekken of heeten -te strekken; de altijd opgerolde gouden mat; de waaier van -paradijsvogel- en pauwenveeren, zijn gouden opiumpijp, zijn wandelstok -en sirihdoos, zijn met goud ingelegde zilveren kleerkist, zijn gouden -kam en toiletdoos, een met water gevulde hoorn tot verfrissching van -zijn paard, en eindelijk zijn rijk met juweelen versierde wapens, -pijlkokers en boog, schild, zwaard en vijf en twintig lansen. - -De andere vrouwen zijn de amazonen, die in haar gewone houding op een -knie rustend, in een halven cirkel achter den vorst geschaard liggen. - -Het is een schouwspel vol oostersche pracht en majesteit, de stralen -der zon hullen den in volle heerlijkheid tronenden monarch in een -oogverblindend licht en met hem die eerbiedig neergehurkte massa volks -in de goudkleurige verf van het hof, die gebouwen schitterend van -kleuren en verguldsel. De vorstelijke gamelan met zijn heldere klanken -verbreekt de algemeene stilte; op een wenk des keizers wordt een slag -gegeven op een der groote koperen bekkens, die in de pendoppoh hangen -en een oogenblik later verschijnen aan den tegenovergestelden ingang -van het plein de hoogepriester of panghoeloe aan het hoofd zijner -priesters, die de beide vorstelijke bruidegoms omringen. - -De priesters dragen hun deftig en toch sierlijk ambtsgewaad; een groote -tulband bedekt het hoofd, een lang wit kleed valt in statige plooien -tot aan den grond, en wordt slechts van voren open gelaten door den -overhangenden kaftan van gele of purperen zijde; het bruidsgewaad der -beide bruidegoms is gelijk aan het galatoilet der hovelingen, een wit -zijden koeloek siert hun hoofd, waarvan bloemketens afdalen over hals -en schouders, een lange fraaie Solosche sarong is om hun lendenen -vastgemaakt met een geelzijden sjerp, waarvan de slippen tot ver over -de knieën reiken, en die een met diamanten versierde kris half -verbergt; het bovenlijf glinstert van de keizerlijke goudverf. - -De krachtige gestalte van Soerapati komt in deze min of meer verwijfde -tooi niet tot haar recht; de dappere krijgsman voelde zich benauwd -onder die geuren van bloemen en verf; te midden van al die glans en -pracht verzuchtte hij naar het vrije leven der bosschen, en zelfs de -gedachte aan zijn vorstelijke bruid was niet in staat dien wensch tot -zwijgen te brengen. - -Allen werpen zich ter aarde totdat een wenk des keizers hen beveelt -naderbij te komen; al kruipend doen zij eenige stappen en wachten een -tweeden wenk af, eindelijk na den derden zijn ze aan den voet der -trappen van de pendoppoh aangekomen; telkens op een nieuwen wenk van -den vorst komt de stoet nader tot hij zich eindelijk aan zijn voeten -bevindt, daar zetten de bruidegoms zich met de beenen onder het lijf -geslagen neer op een matje, terwijl rechts en links van hen de -priesters op dezelfde wijze plaats nemen. - -„Selamat milaïkum!” zegt de keizer op luiden toon. Allen buigen zich -ter aarde en herhalen als echo’s de laatste lettergrepen van het woord; -dan voegt de panghoeloe de handen samen, heft ze omhoog tot het -voorhoofd, laat ze zinken en buigt zich diep voor den keizer, nu neemt -hij de rechterhand van den bruidegom in de zijne, spreekt het -huwelijksformulier uit, en besluit het met de bede: - -„O God! vereenig dit nieuwe paar door den band des huwelijks, gelijk -Gij het water met den dauw vereenigt, want Gij, o liefderijke God! -schenkt Uwe liefde aan degenen, die u beminnen.” - -Soerapati sidderde bij het hooren dezer woorden; het waren dezelfde -waarmede zijn oude vriend hem eenmaal verbonden had aan het Hollandsche -meisje, dat hem ontrouw geworden was. De Hadji’s zongen nu een gedeelte -van den koran op het huwelijk betrekking hebbende: - -„Alle aanbidding aan Allah! - -„Wij smeeken Allah dat Hij ons helpe en vergeve, en wij stellen ons -onder de hoede van Allah vanwege de onreinheid onzer harten en onzer -werken. Als Allah den mensch leidt, dwaalt hij niet af; maar als Allah -hem loslaat, vindt hij den weg des geloofs niet.... - -„De Heer Allah heeft den mensch het huwelijk toegestaan, maar het -overspel is verboden en reeds is zijn straf gereed voor den schuldige. - -„Denkt er aan uw Heere God te vreezen, die U allen uit een lichaam -heeft geschapen; Hij vormde één mensch en schiep zijne vrouw, en Hij -deed uit een paar, den profeet Adam en zijn moeder Hewa, vele mannen en -vrouwen voortkomen. - -„Vreest Allah en bidt tot Hem met uw huisgezin, want Allah is boven u, -en ziet uw werken. - -„En Allah zegt: Gedenkt, geloovigen, God te vreezen, en spreekt zacht -en goed tot uw evenmensch. Dit alles zal uwen weg tot heil worden, en -Allah zal uwe zonden vergeven. Al wie God en zijn gezant gehoorzaamt, -zal groot geluk ontvangen.” - -Een der prinsen nadert de bruidegoms en neemt hen de krissen af; want -niemand mag gewapend in Allah’s tegenwoordigheid verschijnen. - -Opnieuw buigen zich allen voorover en gezamenlijk bidden zij halfluide -een driemaal herhaalde bede. - -„Wij vragen U vergiffenis, o God, die zoo groot zijt!” - -En nu spreekt de opperpriester de woorden uit die hen vereenigen -moeten; de bruidegoms antwoorden dat zij de echtverbintenis aanvaarden, -met de handen geopend als om een gave uit den hemel te ontvangen bidden -de priesters en getuigen: - -„Geef ons zegen o God, geef ons zegen o God, Amin!” En de geheele -vergadering herhaalt „Amin.” - -Het huwelijk is gesloten en nu is het aan de bruidegoms de keizerlijke -voeten te kussen; de krissen worden hen teruggegeven en weinige -oogenblikken later vertrekken zij weer door de priesters omgeven. - -’s Middags is het de bruidsreceptie in de kapatijan (de woning van den -Rijksbestuurder) die in een rijken dos van bloemen en groen prijkt. Op -een verhevenheid tronen bruid en bruidegom. Zij opgesierd in het -omslachtige bruidskostuum, de gitzwarte lokken over het voorhoofd -gekamd en versierd met zilveren platen, het achterhoofd getooid met een -schat van juweelen spelden en geurige natuurlijke bloemen, gelaat, hals -en schouders met de goudgele verf bestreken, armen, handen en enkels -belast met gouden ringen, opgelegd met tallooze juweelen, de weinige -kleederen die haar lichaam bedekken, schitterend van kleuren en rijk -aan weeke plooien vol smeltende wederglansen. Zij houdt de wimpers -volgens Javaansch gebruik neergeslagen, maar het kost haar moeite de -oogen niet op te heffen tot den bruidegom, die naast haar zit en de -gedachte aan wien haar geheele ziel vervult; ook hij onderwerpt zich -zwijgend aan het lastige, vervelende ceremonieel, dat eindelooze uren -voortduurt. - -Wirajoeda fluisterde Kiai Hemboong in: - -„Onze dappere hoofdman zou ook liever een verren rooftocht ondernemen -dan zulk een dag nogmaals te doorleven.” - -Kiai Hemboong’s gelaat drukte echter groote zelfvoldoening uit. - -„Hij heeft al een grooten weg gemaakt; Sie Oentoeng, de slaaf, -echtgenoot thans van een keizerlijke prinses, nicht van den -Soesoehoenan!” - -„De weg is nog niet half afgelegd,” grinnikte Boeloe Kidoer, de dwerg. - -Het feest was in vollen gang, gamelan en paukenslag vervullen de lucht, -hanengevechten, vliegervermaken, wedloopen werden op verschillende -plaatsen in den kraton gehouden; bij den Pangeran Adipati Amirang -Koesoemo dansten echter de Keizerlijke bayadères, Serimpi’s genaamd, -die negen in getal zijn en tot de eerste schoonheden van het hof -gerekend worden; zij behooren tot de voornaamste familiën en ook velen -harer zijn bijvrouwen des Keizers. - -Heur haar is doorvlochten met juweelen en met bloemen opgesierd; de -borst bedekt met een zijden doek van glinsterende kleuren, waarop drie -gouden halve manen vallen, een slendang is om het middel geslingerd en -moet haar straks helpen de bevallige figuren van den dans uit te -voeren; de wijde sarong naar een bijzonder patroon vervaardigd, die -niemand anders dragen mag, golft in wijde plooien ter aarde, en is met -goud of zilver doorstikt. - -Breede gouden banden omsluiten den boven- en onderarm, een dergelijke -band houdt den sarong op; het licht der toortsen hult hen in een -tooverachtig licht en strooit tallooze vonken in het goud en de -edelgesteenten, die de danseressen tooien; zij flikkeren en dansen bij -elk der langzame afgemeten bewegingen, die zij in haar verschillende -figuren maken. - -De Keizer, die tegenover het bruidspaar op zijn troon zit volgt met -blijkbaar genot den dans die twee volle uren duurt; soms klapt hij in -de handen en moedigt haar tot een wedstrijd aan. De danseressen van den -Rijksbestuurder en de andere grooten kwamen zich nu ook met de -Serimpi’s meten, totdat eindelijk diep in den nacht de bruidegom zich -terugtrok met zijn gezelschap en de bruid eindelijk van de lange en -vermoeiende zitting in de kapoetren haars pleegvaders ging uitrusten. - -„Wat hebben ze daarbinnen toch een drukte gehad!” zei kapitein Grevink -den volgenden morgen tot zijn vaandrig. - -„Dat wil ik gelooven, kapitein, ze hebben bruiloft gehouden. De oude -Koesoemo heeft een dochter of nicht van hem uitgehuwelijkt tegelijk met -den neef des Keizers.” - -„En wie is de andere bruidegom?” - -„Ik heb hooren zeggen, dat het een weggeloopen slaaf moet zijn maar -dien de slimme Koesoemo onder hooge bescherming heeft genomen. Hij -heeft een troep Balineezen onder zich.” - -„Het zal toch Soerapati niet wezen?” - -„Ik meen dien naam gehoord te hebben, ’t is dezelfde kranige vent dien -we op de Senènan voor ’t eerst hebben gezien.” - -„Dat moet ik onderzoeken!” riep Grevink bleek van toorn, „’t wordt hoe -langer hoe erger; die nikkers verbeelden zich dat zij alles mogen doen. -Soerapati is dezelfde kerel die in den Preanger Kuffeler bijna in ’t -stof had doen bijten, en nu haalt de Soesoehoenan hem met zoo’n statie -in zijn kraton. Daar moeten we meer van weten, dat is schending van het -contract. Houd een oogje open, vaandrig.” - -„Ik zal er mijn best voor doen, kapitein!” - - - - - - - - -V. - -HET VERHAAL VAN DEN DWERG. - - -Ten Zuiden van den kraton van Karta-Soera bevindt zich, geheel omgeven -door een vruchtbare streek vol rijstvelden, de kampong Babirong; lanen -van tamarindeboom en met hun sierlijk fijn gebladerte voeren daarheen; -de huizen zelf zijn omsloten door een dichte bamboehaag, waarin eenige -openingen de poorten vormen, die toegang geven tot het dorp zelf. - -Hooge boomen overschaduwen de huizen; de verschillende soorten van -palmen wuiven zachtkens hun met vruchten beladen kruinen heen en weer; -andere vruchten gloeien tusschen het donkere groen. De ramboetan en -djamboe, de manga en de salak beloven hun milden oogst aan de bewoners -der huizen, die zij nu verkwikken met de schaduw van hun dik, schier -ondoordringbaar loof. - -De avond is aan het vallen, kalmte en vrede heerschen tusschen de -huizen, die eenvoudig van bamboe gevlochten zijn, en in de kleine -tuinen welke door loentashagen van die der buren afgescheiden zijn; de -bewoners zitten in kleine groepjes onder hunne afdaken, de kinderen -spelen op den zandigen grond. Hun gejoel is schier het eenige dat de -stilte verbreekt; als ze straks naar binnen kruipen om zich op de -baleh-baleh, het gemeenschappelijk ledikant der familie, uit te -strekken, dan hoort men nog alleen duidelijk het vertrouwelijke kirren -der perkoetoets, de lievelingsvogels van den Javaan, die hij in -kooitjes ophangt aan zijn afdak of wel omhoog hijscht aan een -bamboestaak. - -Nu en dan sluipt een grauwe kat over de paden om dadelijk weer zoo snel -mogelijk in een heg te verdwijnen; hier en daar hinnikt een paard -eenvoudig aan een boom gebonden, waarvan zijn bos gras afhangt; achter -de huizen in den modder zijn de buffels gestald, waar ze uitrusten van -hun zwaar dagwerk. Alles rust nu uit, de stemmen der pratenden klinken -zacht en eentonig, om niet te zeggen toonloos; ’t is het zoete -nietsdoen, waarvan de bewoner van het Noorden zoo weinig het zoete -begrijpt en dat den Javaan in staat stelt de hitte en den gloed van den -dag te tarten. - -Midden in het dorp stond een aanzienlijke woning, versierd met -geschilderde en uitgesneden stijlen, bijna geheel verscholen onder -bloemdragende boomen; de tandjoeng strooide haar witte stervormige -bloemen over den grond, de vuurroode bloemen der soka schitterden in -het donkere groen, de oleander prijkte met zijn witte en roode rozen; -de zoete geur der groen en geelachtige kenangan mengt zich met de meer -scherpe van de gouden tjampaka’s en wordt nog overtroffen door de op -oranjebloesem gelijkende sneeuwwitte melatis en de soedepmalem; de tuin -die deze woning omringt is geheel en al een bloemenhof, over dag komen -de witte, roode, gele, blauwe, paarsche bloemen helder uit tegen het -sappige groen der heesters; dan bloeit en wasemt alles onder de schaduw -der hooge boomen, nu zijn het alleen de bedwelmende geuren die de -weelde der oostersche bloemenpracht verraden. - -Dit dorp was door den Keizer van Mataram aan Soerapati en zijn -Balineezen tot verblijfplaats aangewezen, de omliggende rijstvelden -waren hun ter bebouwing gegeven, daarvoor moesten zij hem tot lijfwacht -strekken, zoo dikwijls als zijn keizerlijke wil het verlangde. - -Het was Radhen Goesik’s pleegvader, die alles zoo geregeld had; het was -niet moeilijk zijn geheim doel te raden; Radhen Adipati haatte de -Hollanders, niets verlangde hij meer dan zijn Keizer te verlossen van -de zware schuld der dankbaarheid, die sedert Troeno-Djojo’s val op hem -drukte, en de lijfwacht, welke de Hollanders aan de Noordelijke punten -van Karta-Soera gelaten hadden, overbodig te maken. - -De dappere Balineezen waren beter dan iemand in staat den Keizer te -beschermen, en zoo het kon van de gehate vreemdelingen te ontslaan. -Hamangkoe-Rat keurde alles goed wat zijn Rijksbestuurder deed, hij -vertrouwde hem in alles, en zocht slechts zijn eigen genot, waar hij -meende het te kunnen vinden. - -Toen kort na het huwelijk der Mataramsche prinses met den Balineeschen -avonturier, de kapitein-luitenant Grevink een opmerking gewaagd had -tegen den keizer, die een vijand der Compagnie niet alleen gastvrijheid -verleende, maar hem zulke groote eer aandeed, antwoordde Hamangkoe-Rat, -aangestookt door den Radhen Adipati, op hooger toon dan hij gewoonlijk -aansloeg: - -„Dat het hem vrijstond in zijn kraton te ontvangen wien hij verkoos en -dat het hem onmogelijk was zich van de Balineezen te ontdoen, daar hij -hun reeds te sterke beloften had gedaan.” - -Grevink had deze boodschap naar Batavia overgebracht en men besloot -daar alle pogingen in het werk te stellen om het Hollandsche gezag door -den Vorst van Mataram te doen eerbiedigen. - -Er gingen echter eenige maanden om en men hoorde niets meer in -Karta-Soera van de plannen der Hooge Regeering; de keizer dommelde weer -in zijn traagheid en onverschilligheid in, maar de Rijksbestuurder -waakte. Soerapati ging op zijn aandringen voort zijn mannen in den -wapenhandel te oefenen; overigens leefden de Balineezen met hun -gezinnen rustig in hun kampong, bebouwden hun landen in afwachting dat -men hun hulp zoude noodig hebben. - -Op dien kalmen avond, zat Soerapati met zijn vrouw en enkele dienaren -onder het afdak hunner ruime, fraaie woning; een knaap ontlokte aan de -rebab of Javaansche viool haar weemoedige klanken; Kiai Hemboong hurkte -bij den buitensten rand der galerij neer, schijnbaar in diep gepeins -verzonken. Tegen den muur der woning op een met kussens bedekten divan -zat Radhen Goesik Koesoema; haar welriekende lokken hingen los en als -een fluweelen mantel uitgespreid over haar bloote schouders. Soerapati -lag half uitgestrekt naast haar, zijn hoofd op haar knieën, met -gesloten oogen luisterde hij naar de droomerige klachten van den rebab, -hij was moede teruggekomen van een tocht met zijn Balineezen in het -gebergte gedaan om eenige opstandelingen te vervolgen. - -De kalme rust aan de zijde der betooverende vrouw deed hem goed; de -avond noodigde ook slechts tot een kalm genieten uit, de bloemen -vervulden de lucht met hun bedwelmende dampen, zachter en zoeter waren -de geuren, die uit Koesoema’s lokken en kleeren opstegen. Een teeder -koeltje streek in de galerij neer, en zond de weerklanken der -Javaansche viool naar buiten; zacht rustten de fijne met ringen -versierde handen op het hoofd van haar gemaal als wilden zij alle -onstuimige gedachten, alle pijnigende herinneringen daarbinnen tot rust -brengen. - -Zij beminde hem nog steeds met een aan aanbidding grenzende liefde; een -liefde, die echter niet gerust kon zijn, want overtuigd was zij nog -niet of zij de Hollandsche vrouw voor goed overwonnen had. Soerapati -sprak nooit meer over zijn verleden; hij scheen zich met hart en ziel -verknocht te hebben aan den Soesoehoenan maar toch, soms verried een -woord, een blik hoe in ’t diepst van zijn hart nog vezelen waren, die -zich vast en schier onafscheidelijk aan de blanken gehecht hadden in -wier midden hij wellicht de gelukkigste en onbezorgdste jaren van zijn -leven had doorgebracht. - -Zij was nog steeds Soerapati’s eenige vrouw, hoe trotsch zij er ook op -was dat hij alle andere liefde versmaadde, toch had zij er op -aangedrongen dat hij eenige bijvrouwen zou nemen; hierdoor immers zou -hij de wijdste kloof graven tusschen hem en de Christenen, want de -Hollandsche vrouw was de eenige mededingster op wie Koesoema zich -verwaardigde jaloersch te zijn. - -Tegen anderen was zij volkomen bestand door haar schoonheid en scherpen -geest; de herinnering aan die andere alleen maakte haar machteloos. -Soerapati’s verbittering tegen de Hollanders was nooit diep geweest, -dat voelde zij genoeg; Kuffelers mishandeling en Kiai Hemboong’s -onbeschaamde leugen hadden hem overrompeld; zij begreep dat er -oogenblikken waren, zelfs wanneer de Radhen Adipati hem schitterende -blijken van vertrouwen gaf wanneer zelfs Koesoema hem liefkoosde, dat -het hem berouwde met hen gebroken te hebben. - -Zou hij nu weer droomen van voorheen, nu hij op haar knieën scheen in -te sluimeren, of was zij het alleen die zijn ziel vervulde? - -Zij wenkte Boeloe Kidoer den dwerg, die aan de voeten van den divan -onbeweeglijk als opgerold in een kluwen zat. - -„Laat die rebab ophouden, dwerg!” sprak zij, „het maakt mijn hart ziek, -met zijn droevige tonen. Het is nutteloos in treurig gepeins verzonken -te blijven, laten wij ons vermaken opdat onze droefgeestigheid -verdwijne!” - -„Zal Kiai Hemboong één van zijn pantoens laten hooren?” vroeg de dwerg. - -„Kiai Hemboong is te moe, hij heeft een langen tocht gedaan,” zei -Soerapati bezorgd, „laat hem uitrusten; zijn lichaam heeft evenveel -behoefte aan rust als het mijne.” - -„Zal ik u dan eens iets vertellen?” hernam de dwerg, „ik weet ook -mooie, lange verhalen, zij doen den vermoeiden beter rusten, en maken -het zieke hart gezond!” - -„Ja vertel op! niet waar Koesoema, gij wilt immers ook wel luisteren -naar Boeloe Kidoer’s sprookjes!” - -„Het zijn geen sproken, edele Heer! Het is ’t verhaal van alles wat -werkelijk en waarlijk gebeurd is in het land der Javanen, sinds de -blanke Hollander er voor ’t eerst verscheen!” - -„Ja vertel maar toe, Boeloe!” zuchtte de prinses, „hoe de vreemdelingen -het geluk verwoest hebben in ons land; want sedert zij er kwamen is het -gedaan met den vrede en de macht der dienaars van den Grooten Profeet!” - -„De goden volgen elkander in Java op,” sprak Kiai Hemboong ernstig. -„Eerst waren het de Hindoes, die het land bedekten met hun tjandis, en -ons den dienst leerden van den grooten Shiwa en zijn vrouw, de -onverbiddelijke Doerga, daarna kwamen de vereerders van Boeddha, den -goeden meester, toen de priesters van Mahomed den Profeet en nu zijn -het de volgelingen van den Ngabi Isa, die ons met hun zwaard -bedreigen!” - -„Maar dezen hebben het niet voorzien op Allah en zijn profeet,” zeide -grijnslachend de dwerg, „zij zullen ons Shiwa of Mahomed gaarne laten, -wanneer wij hen slechts ons goud en zilver, onze specerijen en onze -lijnwaden brengen.” - -„Zij vinden ons te laag en te min voor hun God,” sprak Soerapati -bitter, „de bruine man is niet waardig hun Opperheer te aanbidden; Hij -bekommert zich niet om het vervloekte geslacht.” - -„Wij hebben hem ook niet noodig!” zeide Koesoema fier, „wij aanbidden -Allah en versmaden hun eeredienst zonder priesters, zonder offers.” - -„Dan deden de Portugeezen anders,” hernam Kiai Hemboong, „hun eerste -werk was hun God aan de inlanders te doen kennen, dan eerst begonnen -zij met hen handel te drijven, zoo vertelde mij mijn vader, die het van -zijn ouders had gehoord, maar de God der Hollandsche Compagnie is de -rijksdaalder!” - -„Dan zal ik u vertellen hoe machtig die rijksdaalder-god eens geweest -is. Wilt ge mij hooren?” - -Allen die onder het afdak waren, kwamen nabij; Boeloe Kidoer zette zich -op zijn gemak met de beenen onder zijn kort lijfje gekruist, op den -grond neer, en terwijl de dienaressen van de huisvrouw op -pisangbladeren allerhande ververschingen uit gebak en vruchten -bestaande, ronddienden, begon de dwerg zijn verhaal. - -„Ik ga u verhalen van Moer Djang Koeng, den beroemden stichter van -Batavia, den overwinnaar der Djakartanen. Dit is de ware geschiedenis, -die ik u ga mededeelen, zooals zij door de vaders verhaald is aan de -kinderen en door dezen weder aan hun kinderen. Er was in de zee een -eiland, daar hield een schoone prinses haar verblijf, Tanoeraga was -haar naam en zij stamde af van de machtige vorsten van Padjadjaran, -wier rijk verwoest werd door de belijders van den Islam. - -„De prinses was schoon maar haar hart was bedroefd, want niet uit -vrijen wil hield zij verblijf op het eiland; de Pangeran van Djakarta -hield haar daar gevangen en zij bracht haar dagen door in vasten en -gebeden, zij vergoot al haar tranen, maar het baatte niet; het eene -jaar verving het andere, maar haar toestand veranderde niet.” - -Radhen Koesoema voelde de borst van haar gemaal heftig op en neer gaan; -een zucht ontsnapte zijn lippen die weerklank vond in haar ziel; zij -begreep dat Soerapati dacht aan een andere gevangene ook op een eiland -in Batavia’s haven. De dwerg ging voort. - -„Op zekeren dag gebeurde het dat de dappere Baron Soekmoel de zoon van -den rijken koopman Kawit Paroe, die de Compagnie gesticht had, met zijn -dertien zonen, op de reede van Djakarta aankwam. Hij had tien schepen -bij zich, bevracht met allerlei koopwaren. De bewoners van Djakarta -waren vol van verbazing, zij zetten hun oogen wijd open en snelden naar -het strand; nog nooit hadden zij zooveel prachtige zaken gezien. Baron -Soekmoel wilde hun alles verkoopen en zoo gaven de bewoners van -Djakarta alles wat zij hadden om de heerlijke koopwaren van den -vreemdeling in hun bezit te krijgen. En allen verheugden zich want -rechts en links werden de vreemdelingen bedrogen en nog meenden zij -zeer voordeelig gekocht te hebben, en de groote Soekmoel bezocht den -Pangeran van Djakarta, en deze verwelkomde hem met groote vreugde; hij -richtte feestmalen aan en liet de wajangs spelen, den tijger tegen den -buffel vechten en allen juichten omdat men zooveel en zoo goede winst -had gemaakt; het eiland Odroes had Soekmoel gekocht voor duizend -realen. - -„En toen hij er bezit van ging nemen zag hij de gevangen prinses en -bemerkte dat zij schoon was, want heur lokken waren zwart als de nacht -en haar ooren waren als ontloken bloemen, en haar gelaat als de volle -maan, zij was welriekend als de sokabloem. - -„En Baron Soekmoel dacht bij zichzelf: Mijn oogen kunnen zich niet -verzadigen met haar aan te zien en hij vroeg haar overluid: „Zeg mij -schoone vrouw, wiens dochter zijt gij?” - -„En de prinses antwoordde: - -„Heer, mijn ouders waren de afstammelingen der machtige vorsten van -Padjadjaran, maar ik ben een ongelukkig schepsel, de gevangene van den -Pangeran van Djakarta, mijn naam is Tanoeraga en sedert drie jaar breng -ik hier mijn dagen en nachten in zuchten en gebeden door.” - -„Toen keerde Baron Soekmoel terug naar Djakarta en vroeg den Pangeran: - -„Waarom houdt ge prinses Tanoeraga gevangen?” - -„Omdat zij een afstammeling is van de vorsten van Padjadjaran en ik -bevreesd ben dat haar aanhangers mij verdrijven zullen uit mijn rijk.” - -„Ik heb de prinses gezien,” zei Baron Soekmoel, „en mijn hart is -bekoord door haar schoonheid. Als ik haar niet verkrijg, dan zal ik -niet van hier gaan. Wilt ge mij haar schenken dan zal ik u drie stukken -sterk geschut in ruil voor haar afstaan, zoo niet, dan word ik uw -vijand en zal door geweld verkrijgen wat gij aan goede woorden -weigert.” - -„De Pangeran verzonk in gepeins en raadpleegde zijn mantri’s en dezen -rieden hem aan de prinses te geven in ruil voor de kanonnen en ik heb -twee van de drie kanonnen gezien en dat is een bewijs voor de waarheid -mijner woorden; een wordt bij den sultan van Bantam bewaard en een door -den vorst van Tjeribon, terwijl het derde hier de aloen-aloen van den -machtigen keizer van Mataram versiert. - -„Baron Soekmoel haalde nu de schoone prinses Tanoeraga van het eiland -en huwde haar met groote plechtigheid. Zeven dagen duurde het feest en -van alle kanten stroomden de gasten, niemand kon zulk een feest geven -want Baron Soekmoel was rijk. Zijn schepen waren beladen met kostbare -koopwaren. Toen de bruiloft geëindigd was, scheepte Baron Soekmoel met -zijn vrouw zich in op het grootste en schoonste zijner schepen en -vertrok weer naar zijn land. - -„En na eenigen tijd werd hem een zoon geboren, met een gelaat zoo -schoon als de dag; zijn kleur was goudgeel als de schil van den langsep -maar zoo fijn dat het rood van het bloed en het blauw der aderen er -door schemerde, met oogen schitterend als de morgenster en zoo blauw -als de hemel, met een hals zoo blinkend als een zilveren waterkruik, -met vingers fijn als de stekels van een stekelvarken, en toen hij -opgroeide werd hij krachtig en slank als de klapperboom, zijn handen -waren sterk als de greep van den tijger en zijn oogen straalden als de -zon; hij was dapper en bedreven in den wapenhandel en zijn ouders -hadden hem Moer Djang Koeng genaamd; weldra vervulde zijn roem alle -landen aan gene zijde van de zee, maar zijn hart was niet tevreden. - -„Hij zag dat zijn kleur anders was dan die zijner vrienden en dat hij -een schoonheid bezat geheel verschillend van de hunne. En daarom vroeg -hij eens: „Moeder, waarom is mijn kleur niet zoo wit als het vleesch -van de kokosnoot; waarom ben ik zooveel sterker en moediger dan allen -die ik ooit zag?” - -„En de moeder antwoordde: - -„Omdat mijn land niet dat uws vaders is;” en zij verhaalde hem hoe de -Pangeran van Djakarta haar wreed mishandeld had en hoe Baron Soekmoel -haar gekocht had voor drie stukken geschut. En het hart van Moer Djang -Koeng werd door toorn bewogen en hij sprak: - -„Dan zal ik naar Java gaan en den Pangeran van Djakarta tuchtigen.” En -tot zijn vader zeide hij: - -„Vergezel mij niet, want alleen zal ik den tocht volbrengen.” En nu -werden vijftien schepen uitgerust, vijftien groote, met koper beslagen -schepen, vijf met handelswaren beladen, vijf met kogels en kanonnen en -vijf met krijgsvolk; men zeilde nacht en dag door totdat men eindelijk -Djakarta bereikte. - -„De Pangeran ontving Moer Djang Koeng vriendelijk en al zijn vrouwen -mochten hem gaarne lijden, want hij schonk haar fraaie geschenken en -bepaalde geen prijs voor alles wat hij verkocht. Hoe weinig men hem ook -betaalde, altijd was ’t hem goed. - -„En hij pachtte voor duizend realen een stuk grond en bouwde daarop een -vesting; de Javaansche vrouwen zagen de blanke mannen gaarne en velen -traden met hen in het huwelijk, maar de dappere Moer Djang Koeng vergat -zijn wraakzuchtige plannen niet; hij overwoog ze en bewaarde ze diep in -zijn hart. En eens gebeurde het dat hij twist kreeg met den Pangeran en -deze vluchtte weg naar de streek genaamd Goenong Sari, waar hij zich -verschanste achter een dikke haag van bamboe doeri (stekelriet). - -„De Hollanders verheugden zich zeer en bouwden zich nu een tweede -vesting, zij stapelden hun kruit en lood op, bergen hoog en weldra -begon een hevige strijd; uit de lucht kwam de broeder van den Pangeran -de Hollanders aanvallen, toen zij met hun kogels den vijand tot achter -zijn verschansingen voortdreven. Alle hoop voor de vreemdelingen scheen -verdwenen, doch zie! daar komt hulp opdagen. Baron Soekmoel snelt zijn -zoon ter zijde; met drie goed uitgeruste schepen verschijnt hij op de -reede van Batavia en overziet den toestand. - -„Mijn zoon,” zegt hij, „hier baten geen kogels, maar waar sterkte -faalt, daar gebruikt men list; nog jaren kan de Pangeran van Djakarta -uw kogels tarten achter zijn haag van bamboe, in zijn vesting Goenong -Sari, maar ik zal hem kogels zenden, die zij niet zullen weerstaan.” - -„En Soekmoel gaf bevel de kanonnen te vullen met gouden dukaten en -zilveren rijksdaalders en deze op Goenong Sari af te schieten. -Nauwelijks hadden de Djakartanen gezien hoe de muntstukken tusschen de -bamboestengels vielen, of zij vergaten geheel en al te strijden, rukten -de halmen uit den grond om het geld op te rapen. Het duurde niet lang -of de geheele bamboeshaag was uitgerukt. De kanonnen werden met kogels -geladen en weldra werd de Pangeran met zijn aanhangers verdreven naar -het gebergte, de Compagnie daarentegen...” - -Soerapati richtte zich plotseling op en luisterde, de dwerg zweeg en -allen wendden het hoofd om; het zand kraakte licht onder de stappen van -twee mannen, die behoedzaam het huis naderden en weldra ook in de -galerij verschenen. - -Hij ging hen te gemoet; bij het flikkerend lampje, dat tegen een der -stijlen geplaatst was, herkende hij den Rijksbestuurder en den -Kroonprins. - -„Ik moet u spreken,” zeide Amirang Koesoemo haastig, „het is een zaak -van groot gewicht, die mij tot u voert, zoo laat in den avond.” - -„Laat ons naar binnen gaan,” sprak Soerapati en boog zich diep voor den -pleegvader zijner vrouw en voor den prins. - -Zij traden binnen en bemerkten nu dat Radhen Goesik hen gevolgd was. - -„Vader,” zeide zij, „er dreigt mijn man een gevaar! Ik heb het dezen -avond kunnen hooren aan het gekir mijner tortelduiven, die waarschuwend -klaagden; mijn hart was gevuld met tranen, die niet konden opstijgen -tot aan mijn oogen. Wat dit gevaar ook zij, ik wil het deelen en hoe -zal ik het kunnen deelen, als ik het niet ken?” - -„Mijn dochter heeft gelijk. Een groot gevaar bedreigt niet alleen uw -gemaal maar den keizer en geheel Mataram om hem; wij moeten het -bezweren en daartoe hebben wij ook uw raad van noode; uw oog ziet -scherp en uw geest is helderder dan die van menig man. Sta haar dus toe -Soerapati, onze beraadslagingen bij te wonen.” - -„Niets zal mij liever zijn; de zaken van den man zijn ook die van de -vrouw. Van waar dreigt het gevaar, edele prins? Komen de Hollanders mij -opeischen?” - -„Gij hebt recht; de Compagnie neemt haar maatregelen en zij schijnt het -ernstig te meenen. Zij heeft een gezant, Toewan Tak genaamd, afgezonden -naar Samarang, om van daar uit zich naar Mataram te begeven en het doel -hunner zending is, den Soesoehoenan aan te sporen zijn schuld te -betalen en ook het tractaat niet te overtreden, waarbij hij zich -verbond geen vreemdelingen in zijne landen toe te laten.” - -„Is dit alles?” - -„Ge begrijpt wat deze laatste bepaling meent, uw uitlevering.” - -„Wat zal de keizer antwoorden?” - -„De keizer wil vier mantri’s naar Samarang zenden om den gezant te -begroeten en hem tevens over zijn plannen te polsen. Hij heeft den -kapitein der lijfwacht reeds zijn vrees te kennen gegeven over de komst -van den gezant, maar deze stelde hem gerust en antwoordde dat de -Compagnie hem gezonden had alleen om met den keizer over den welstand -van het rijk te spreken.” - -„Als de gezant hier komt kan ik niet blijven,” zeide Soerapati beslist, -„wat wil de keizer dat ik doe?” - -„Datgene, waartoe gij moed hebt,” antwoordde de Kroonprins. - -„Is er meer moed noodig tot den strijd of tot de onderwerping?” - -„Onderwerping,” riep Radhen Goesik onstuimig, „wat bedoelt gij daar -mee? Wilt gij weer slaaf worden?” - -„Als de Compagnie vrede met mij sluiten wil, dan ben ik bereid mij op -voorwaarden over te geven.” - -„Dwaze die ge zijt! Kent gij de Hollanders nog niet genoeg om ze zoo -goed te vertrouwen? Met schoone beloften zal men u vleien en indien gij -in hun macht zijt, wie weet welk lot u dan wacht. En dat lot zal ik dan -met u deelen? Nimmer, ik heb mijn eersten man verlaten omdat hij een -lafaard was, met u zal ik ellende en armoede deelen, maar geen -slavernij!” - -„Ge spreekt zooals het mijn dochter past, Koesoema,” hernam de -Rijksbestuurder goedkeurend, „het hangt van uw gemaal af, wat hij wil -doen. Heeft hij moed om zich te verzetten, dan moet hij den Kroonprins -blindelings gehoorzamen en zoo niet dan moet hij onmiddellijk vluchten, -een middenweg staat niet open. De Hollanders zullen hem een vreeselijk -lot toedenken als hij in hun handen valt. Kies dus Soerapati, wat wilt -ge, vlucht of strijd?” - -„Ik ben nooit gevlucht, voor wien dan ook; als de keizer mijn arm -noodig heeft zal ik voor hem strijden; voor mijn Balineezen sta ik in.” - -„Luister dan! Het is de wensch van den Soesoehoenan dat gij hem tot -lijfwacht verstrekt; blijf voorloopig dus op uw post.” - -„En als de gezant aandringt op mijn uitlevering, als hij geen vrede wil -sluiten met den keizer dan na ontvangst van mijn hoofd?” - -„Mijn zoon, tegenover geweld kan men geweld stellen maar ongelijk zijn -de wapens, als men zich bedient van veinzerij.” - -„’t Is het wapen van den hoveling maar niet van den soldaat.” - -„Gij behoeft er u ook niet van te bedienen, laat mij het voeren!” - -„Vertrouw mijn vader, Soerapati!” riep Koesoema uit. - -„Hij meent het goed met u, doe zooals hij zegt,” verklaarde de -Kroonprins. - -„Verwonder u dan niet zoo schijnbare ongenade u treft, zoo èn keizer èn -prinsen uw partij schijnen te verlaten; bedenk dat alles voor uw -bestwil is en voor het heil van het keizerrijk.” - -„Veinzerij is een tweesnijdend wapen. Ik vrees het meer dan honderd -eerlijke lansen; men weet niet hoe ’t treffen kan, daar het doel steeds -verborgen blijft.” - -„Zeg ons dan oprecht vader wat ge wilt,” drong Koesoema aan. - -„Wat ik wil,” en onder des Rijksbestuurders dikke wenkbrauwen schoten -zijn kleine oogen vonken vuur, „wat ik wil, den Hollander verdrijven -uit het hart van Java, waarop hij zijn hiel heeft gezet na -Troeno-Djojo’s heilloozen opstand, hem de macht ontnemen, die hij zich -toegeëigend heeft, dank onze onderlinge twisten, hem toonen dat wij -zijn hulp kunnen missen en ontslagen willen zijn van alle schuld jegens -hem. Verstaat ge mij? Naar dit doel streef ik, en om dit te bereiken -zal ik mij van alle wapens bedienen van geweld zoo goed als van -veinzerij! En als Soerapati mij bijstaat dán zal ik slagen, dan zullen -wij weer eenige meesters zijn in ons land.” - -„Ik begrijp niet hoe gij tot dit doel zult geraken.” - -„Laat het mij over!” sprak de Rijksbestuurder geheimzinnig, „ik weet -dat gij en uw Balineezen onverschrokken en dapper zijt; laat mij -rekenen op uw hulp! En nu voor dezen avond genoeg! - -„Gij zijt gewaarschuwd! Verzamel al uwe Balineezen en blijf de -Zuiderpoort van den kraton bewaken.” - -Weinige oogenblikken later waren de Prins en de Rijksbestuurder -vertrokken en Soerapati bleef alleen met zijn vrouw. - - - - - - - - -VI. - -COMMISSARIS TAK. - - -Eenige dagen later was Karta-Soera in rep en roer; de voorwacht van het -gezantschap naderde de residentiestad; aan het hoofd reed kapitein -Lehman, met zijn beide luitenants Vonk en Eygel; twee compagnieën -soldaten volgden hem, beladen met geschenken en pakgoederen. - -In de achterhoede bevond zich de Sultan van Tjeribon met zijn -hofgrooten, die eindelijk door den Commissaris Tak er toe gebracht was -zijn hulde aan den Soesoehoenan, zijn leenheer te brengen. ’s Morgens -om acht uur waren zij uit Samarang vertrokken en brachten den nacht in -Oenarang door, een dorp gelegen aan den voet van den fraaien tot den -top begroeiden berg Oenarang, waarvan de bewoners verplicht waren alle -aanzienlijke reizigers naar Mataram te onthalen en te herbergen, -terwijl het hun verboden was op straffe des doods iets daarvoor ooit -terug te ontvangen. - -Van Oenarang reisde men door een heerlijke, vruchtbare vallei; links en -rechts strekten zich de rijstvelden uit, besproeid door tallooze -beekjes, die van de bergen afstroomden en zich met de groote -Demak-rivier vermengden; een menigte dessah’s, waarvan men er dikwijls -drie à vier in het uur aantrof, verrieden de volkrijkheid der streek. -De voornaamste was Salatiga een fraai, welvarend dorp, zeven mijlen -verwijderd van de eerste poort, die toegang gaf tot het rijk van -Mataram, waardoor niemand zonder vergunning van den Soesoehoenan naar -Samarang mocht trekken. - -Aan gene zijde van deze poort opende zich een woest, bergachtig -landschap, waarna de rijstvelden weder in volle lengte en rijkdom zich -uitstrekten zooverre, dat men ze niet overzien kon, terwijl het gezicht -aan weerszijden begrensd werd door heuvels beplant met vruchtboomen, -waartusschen tal van kampongs verstrooid lagen. - -De Merbaboe hief zijn bijna geheel bebouwden kruin opwaarts, terwijl -zijn voet stiet aan het Oenarang-gebergte; vele groote en kleine -rivieren besproeiden het land en gaven daaraan deze bijna -ongeloofelijke vruchtbaarheid. - -Vier dagen gebruikte het gezantschap tot de reis naar Karta-Soera, den -tweeden nacht sliepen zij in het dorp Banjoe-poetih, den derden in -Tingkir en den vierden in Modjo-Soanga. Op den morgen van den vijfden -dag kwam een der mantri’s, de Radhen Aria Sindoe-Radja, bij den -Commissaris, die met den opperkoopman Van Vliet in gesprek was; op den -kruipenden, onderdanigen toon welken de inlanders tot hun meerderen -aanslaan, sprak hij tot den gezant zeggende: - -„Mijn broeder, gelieve hier een poos te wachten, ik zal eerst iemand -zenden om Zijn Hoogheid den Soesoehoenan kennis te geven van de komst -zijns zoons.” - -De Commissaris antwoordde: - -„’t Is goed. Ik zal hier de orders van den Soesoehoenan afwachten. Ik -hoop, dat Zijn Hoogheid zich in welstand bevindt met zijn gezin en zijn -onderdanen.” - -„Helaas, ik heb vernomen dat de welstand van onzen grooten Heer niets -te wenschen overlaat, maar die zijner onderdanen is zooals ik mijn -broeder den Commissaris reeds in Samarang gezegd heb niet al te wel en -niet al te slecht.” - -„Om welke reden zegt Radhen Sindoe-Radja dat?” - -„Ik zeg dit om den Balinees Soerapati; hem goed te doen is bezwaarlijk -en hem kwaad gezind te zijn is vol gevaar, daar hij veel volk om zich -heen verzamelt en hen geducht oefent in den wapenhandel. Hij hoort naar -geen bevelen meer, zelfs niet naar die van onzen machtigen Heer den -keizer. Wij kunnen hem niet tegenhouden want hij volgt zijn eigen zin.” - -Streng zag de gezant den flemerigen Javaan aan, die met huichelachtige -bescheidenheid de oogen neersloeg. - -„Ik heb geen reden aan de waarheid van uw woorden te gelooven,” -antwoordde hij stroef. „Zoo de Soesoehoenan niet op het bijzijn van den -voortvluchtigen slaaf Soerapati gesteld was zou hij hem geen dorp tot -woonplaats hebben gegeven, omringd door bosschen, en hem niet plechtig -in zijn tegenwoordigheid met een zijner bloedverwanten doen trouwen. En -hoe zou ’t dan kunnen wezen, dat hij de bevelen van den keizer, die hem -met zoovele weldaden heeft overladen, niet wil gehoorzamen?” - -„Het is waar en waarachtig,” verklaarde deemoedig Radhen Sindoe-Radja, -„hetgeen mijn broeder zegt, „maar Zijn Hoogheid heeft hem deze gunsten -slechts bewezen omdat het volk van Karta-Soera hem vreest en hij met -zijn manschappen hen zou plunderen en vermoorden als de keizer hem niet -tot vriend hield. Mijn broeder weet immers dat de beste wijze om zich -van een vijand te ontdoen is, van hem een vriend te maken.” - -„Zoo spreken de vrouwen en voorzoover ik weet is het volk van Mataram -geen volk van vrouwen,” hernam Tak ongeduldig en verontwaardigd -tegelijk, „zijn dan de geweren en pieken der Balineezen zooveel beter -dan die der Javanen? Zij hebben toch dezelfde wapenen, hoe kunnen zij -dan gevaarlijk zijn, met hun klein aantal tegen de duizenden strijdbare -mannen van Karta-Soera?” - -„Mijn broeder weet ook,” verzekerde de Radhen altijd even onderworpen, -„dat de stoutmoedigsten het meeste wagen en ook den dood niet vreezen, -maar de Javanen zijn bang om te sneuvelen. Als echter onze broeders de -Hollanders hen bijstaan, dan vreezen zij Soerapati en zijn leger niet, -maar zullen zich gaarne van hen ontdoen.” - -„Welnu, wij zullen zien wat de Soesoehoenan zal besluiten; zend dus een -bode naar uw meester en voeg er bij, dat ik niet in zijn -tegenwoordigheid zal verschijnen om mij te kwijten van den last mij -door de Hooge Regeering opgedragen, vóórdat Soerapati, de roover, dood -of levend in mijn handen is gesteld.” - -„Ik zal blijde zijn den keizer de boodschap van den gezant, dien hij -zijn zoon noemt, te doen overbrengen.” - -„Dat voorspelt niets goeds Van Vliet,” sprak de Commissaris, nadat -Radhen Sindoe-Radja hem van zijn tegenwoordigheid had bevrijd, „ik ben -vreemd te moede, maar ik geloof, dat wij hier in een zeer moeilijk -geval zullen komen. Aan waarschuwingen over de gezindheid van den -Soesoehoenan heeft het ons niet ontbroken. Ook kapitein-luitenant -Grevink schijnt het niet te vertrouwen. Wat heeft hij u ook weer -geschreven?” - -„Och, Grevink is een voortvarend heethoofd; had hij altijd geveinsd -niets te weten van Soerapati’s aanwezigheid, dan zou onze taak -gemakkelijker zijn geweest, maar hij heeft reeds het vorige jaar den -Soesoehoenan gewaarschuwd, dat het ons niet bevallen zou, wanneer men -voortging het rooverhoofd tot vriend te houden. Daardoor is dat gespuis -gewaarschuwd en de keizer begrijpt heel goed dat we om iets anders -komen dan om een vriendschapsbezoek.” - -„Nu, hij zal ook wel weten hoe diep hij bij ons in de schuld steekt.” - -„Dat weet hij genoeg. Grevink schreef, dat de vorst ’t hem ronduit had -gezegd, dat het gezantschap kwam om aan te dringen op de uitbetaling -der driehonderdduizend rijksdaalders en zoo hij die niet kon opbrengen, -zouden wij hem aangrijpen en het heele volk tot slaven maken. Grevink -heeft hem gerustgesteld en kwam toen mij ongerust maken. Ik antwoordde -hem, dat het schande was zich zoo verwijfd aan te stellen en vroeg of -hij geen moed meer in het lijf had. ’t Zou laf en ons onwaardig zijn -als we ons bezorgd maakten over een handjevol Balineezen.” - -„Het handjevol zou zooveel niet beteekenen, maar wie zegt ons of zij -den keizer en alle hofgrooten niet achter zich hebben? Dat volk -verstaat zoo de kunst zijn plannen en meeningen te verbergen, dat men -steeds vreest met hen over een vulkaan te wandelen; wie weet wat voor -duivelsche plannen gesmeed worden achter die goedige, onschuldige -oogen. Ik vertrouw hen niets; maar hebt ge nog een later briefje van -Grevink ontvangen?” - -„Ja, hij praat veel te veel naar mijn zin met zijn bruine Majesteit; -hij herhaalde tot vervelens toe dat wij alleen kwamen om den welstand -van het Rijk te bespreken en toen moet de keizer echt vriendelijk -gezegd hebben: „Als mijn zoon de gezant boven komt, dan zal ik veertig -tijgers, die ik nog in de Bagelen heb, laten komen om ze tot zijn -vermaak te laten losloopen.” En Grevink verbeeldde zich dat hij met die -tijgers eigenlijk Balineezen bedoelde.” - -De Commissaris Tak antwoordde niet; hij was een krachtig gebouwd dapper -krijgsman, die in den oorlog tegen Bantam en Troeno-Djojo zijn sporen -verdiend had; de vingers van zijn verbrijzelde linkerhand, waarvan hij -eenige in den Bantamschen oorlog verloren had getuigden er van; de -opperkoopman Van Vliet daarentegen had in menig moeilijk geval groote -staatsmanswijsheid getoond en der Compagnie eveneens groote diensten -bewezen; nog onlangs had hij door zijn bemiddeling het uitbreken van -ernstige onlusten in Madura voorkomen. - -De Compagnie had opzettelijk gewacht totdat zij beide vertrouwde mannen -beschikbaar had om ze uit te zenden op den moeilijken tocht, waartoe -veel beleid en voorzichtigheid vereischt werden. Een instructie van -meer dan eenenzestig bladzijden groot was den Commissaris meegegeven; -hij had eerst de kantoren aan Java’s Noordkust te inspecteeren, verder -moest hij de troonsopvolging in Tjeribon regelen, welke voorloopige -werkzaamheden hij gelukkig voleind had. - -Nu kwam het moeilijkste, de zending bij den Soesoehoenan, voor wien hij -de nooit aangename boodschap had, hem tot betaling zijner -achterstallige schulden aan te sporen. De rekening was vrij hoog, daar -zij de voor dien tijd verbazende som van ƒ 4,600000 bedroeg; de -Compagnie begreep echter, dat de keizer nooit zulk een bedrag zou -afdoen en maakte dus van den nood een deugd om ze te herleiden tot -344000 rijksdaalders, welke Tak zelfs verminderen mocht tot 250000. -Natuurlijk zou de Soesoehoenan door het aannemen dezer gunst nog meer -onder de macht geraken van de Hollanders, die in ruil voor hunne -mildheid de veilige en trouwe handhaving zouden verzoeken van alle -„vrije vergunde bedongen octrooien, privilegiën en voorrechten.” - -Bovendien moest de Soesoehoenan der Compagnie uitbreiding van haar -grondgebied toestaan en handelsvoorrechten in de kustplaatsen; ook de -onderwerping van den Tjeribonschen prins behoorde tot Tak’s zorgen. Het -had hem veel moeite gekost den jongen Sultan mee te nemen om -persoonlijk zijn hulde aan den Mataramschen keizer te brengen, maar ook -dit bezwaar scheen uit den weg geruimd. - -Niets scheen moeite te kosten dan het laatste artikel, waarop ook nog -een zoogenaamd „secreet appendix” doelde. De Soesoehoenan had zich -tegenover de Compagnie verbonden „nooit onder zijn gebied metterwoon te -gedoogen, eenige Makassaren, Maleiers, Mooren of wat natiën het mochten -wezen, noch ook eenige frequentatie te verleenen.” - -In een volgend octrooi was ten overvloede bepaald, dat al deze -vreemdelingen die in Mataram waren toegelaten, zouden staan „onder het -gebied en de discipline der Compagnie, onverminderd dat zij zouden -blijven des Soesoehoenans onderdanen.” - -Deze beide artikelen waren nu openlijk geschonden door de toelating van -Soerapati in den kraton; Tak moest zijn uitlevering ten strengste -eischen en zelfs zoo het bleek dat alle pogingen die hij daartoe in der -minne zou beproeven, niet slaagden, geweld gebruiken om de -opstandelingen in zijn macht te krijgen. Faalden echter alle pogingen, -dan zou het den gezant vrij staan hun genade aan te bieden, mits zij -zich naar Batavia zouden begeven om zich daar voor de Hooge Regeering -te vernederen. - -„Ik geloof, dat de commandeur Jan Albert Sloot gelijk heeft,” sprak Tak -na eenige oogenblikken nadenken, „het zal moeite kosten den Balinees in -handen te krijgen. Kuffeler heeft ons indertijd daar mooi werk mee -verschaft: had hij hem maar tot vriend gehouden.” - -„Ik heb dat volk liever tot vijand dan tot vriend, dan weet men ten -minste wat men er aan heeft. De besten deugen niet, dat ziet ge aan -Jonker, die ook reden tot wantrouwen begint te geven.” - -„Ik heb naast Jonker gestreden en toen ten minste was hij trouw als -geen Hollander. Ik mocht den dapperen Ambonnees zeer gaarne lijden, en -ik twijfel er niet aan, wanneer ik terugkom op Batavia en hem een riem -onder ’t hart steek, dat de wolk zal voorbijdrijven. Juist dat -wantrouwen van ons maakt hen, die ’t goed met de vreemdelingen meenen, -ontevreden. Zij gevoelen genoeg, dat wij hen niet als onze gelijken -aanzien, hoe wij hen ook eer en achting uiterlijk bewijzen. Dat gebrek -heeft Sloot, hoe bekwaam en scherpzinnig hij ook zijn mag in de hoogste -mate; hij schrijft hen steeds nevenbedoelingen toe. Daarom ook handelde -hij met schier Javaansche wreedheid toen hij Kadjoran en zijn geslacht -verdelgde.” - -„Ge moest ze kennen als ik, die zooveel met hen overgebracht heb, dan -zoudt ge den commandeur gelijk geven. Dat volk heeft in geveinsdheid en -onoprechtheid zijn weergade niet. Ik heb wat al omwegen en kronkelpaden -moeten doorloopen om met hen mijn doel te bereiken; men moet ze door en -door kennen om met hen om te gaan; die kunst mist Grevink geheel. Hij -is te oprecht.” - -„Ik zou liever tegen hen vechten dan met hen onderhandelen, dat is -zeker, maar ik zie het heden niet goed in. Ik weet zelf niet waarom; -hoor eens Van Vliet, als de zaak verkeerd afloopt, zult ge dan mijn -vrouw en dochtertje in de gunst der Hooge Regeering aanbevelen?” - -„Dat zal wel niet mogelijk zijn, heer Commissaris, als het misloopt, -dan zullen wij er beiden wel het leven bij inschieten.” - -„’t Is niet gezegd, ’t is aan mij die verwenschte Balineezen te vangen; -gij zijt alleen voor het diplomatieke gedeelte der zending.” - -„En uw vrouw en dochter zijn toch bezorgd, de Directeur-generaal is uw -zwager.” - -„Maar mijn vrouw is zwak en ziekelijk en mijn dochtertje nog zoo bitter -jong; ik vrees ze niet meer terug te zien. Waarlijk, ik gaf dit geheele -mooie landschap en al de pracht, waarmede wij reizen voor mijn -eenvoudige woning op de Tijgergracht van Batavia.” - -„Ik heb u nooit bang gezien, Commissaris! Waarlijk, wij hebben wel voor -heeter vuren gestaan. En ik vind het eigenlijk in de hoogste mate -vernederend, dat de Opperlandvoogd en Raden van Indië door een -gedrosten slaaf in spanning worden gehouden.” - -„Ik geloof dat die Balinees der Compagnie nog veel te doen zal geven. -De kerel durft; hij heeft veel bij ons geleerd en zal die kennis -gebruiken om ons schade aan te doen.” - -De verschijning van Sindoe-Radja maakte aan het gesprek der beide -hoofdpersonen van het gezantschap een einde. - -„Ik heb een brief voor mijn broeder den heer Commissaris,” sprak hij, -en naderde vol eerbied den gezant. „Zoo pas is mij die gebracht.” - -Tak opende het briefje, dat door den kapitein-luitenant Grevink -geschreven was; zwijgend reikte hij het Van Vliet over. - -„Wat moeten wij er van denken?” vroeg hij. - -„Ze worden bang, de Rijksbestuurder is de spil waar alles om draait; -hij bemerkt dat het der Compagnie ernst is met de opvordering van zijn -lieveling en nu willen ze zich zelf van hem ontdoen, zonder onze hulp.” - -„Dat is juist het tegenovergestelde wat Sindoe-Radja verlangde; ik -vertrouw ze niet, maar in elk geval kunnen wij onzen tocht -voortzetten.” - -„Zou het niet beter zijn, vraag ik in alle bescheidenheid, te wachten, -tot wij bericht ontvangen, dat het hun gelukt is den schurk in handen -te krijgen?” - -„Waarom? Dat getalm verveelt mij, ik heb haast met de zaak te beginnen, -anders komt ze nooit ten einde.” - -„Belieft het mijn broeder nu te gaan?” vroeg Radhen Sindoe-Radja. - -„Ja, het is goed, laat ons gaan!” sprak de Commissaris. - -Het was tien uur, de zon stond hoog aan den hemel; niettegenstaande de -sombere voorgevoelens van den gezant vermoedde noch hij, noch de -opperkoopman Van Vliet, dat zij die zon niet meer zouden zien -ondergaan. - - - - - - - - -VII. - -VERRAAD. - - -Groote verwarring en onrust heerschte in den kraton; de Soesoehoenan -met verglaasde oogen en angstig bevende vingers zat omringd door zijn -vrouwelijke lijfwacht op zijn troon, terwijl de voornaamste hofgrooten -op eenigen afstand van hem neerhurkten. - -Angst en schrik lagen duidelijk op aller trekken te lezen, niemand wist -eigenlijk wat er te doen was, niemand wat de keizer verlangde; men -vestigde nu de blikken op den Rijksbestuurder, dan op den zwakken, -besluiteloozen vorst. Amirang Koesoemo alleen was kalm, niets gebeurde -er wat hij niet voorzien en voorbereid had; alles ging zooals hij -verwachtte en de groote slag moest nu geslagen worden. Hij wilde zich -van den gezant en al de Hollanders ontdoen, reeds sinds lang droeg hij -dit voornemen met zich om. Nooit was de gelegenheid schooner geweest, -nooit zou zij zich weer op deze wijze voordoen. - -De Pangeran Sampan Tjakra di Ningrat, regent van Madura was echter niet -van de meening des Rijksbestuurders. - -„De Hollanders zijn machtig,” sprak hij, „wat zal het u baten, al -vermoordt gij ook den gezant en allen, die hem vergezellen? Morgen -komen er nieuwe geduchte legers van Batavia om zijn dood te wreken; ge -zult niets gewonnen hebben dan hun vijandschap en uw Hoogheid weet bij -ondervinding hoe krachtig hun hulp is.” - -De Soesoehoenan zuchtte: - -„Had ik die nimmer noodig gehad!” - -„Dan regeerde Troeno-Djojo nu in Mataram en gij zoudt als balling -rondzwerven indien gij ten minste niet evenals uw Vader ter ruste waart -gelegd in het eenzame Tagal-Wangi.” - -„Uw vader heeft de lessen van den profeet veracht, hij liet de -geestelijke raadgevers van zijn volk bij honderden vermoorden. Allah -strafte er hem voor door waanzin en later door een smartelijken dood,” -zeide op plechtigen toon de Pangoeloe of opperpriester. - -Het gevaar en de afhankelijkheid, waarin de Soesoehoenan zich nu bevond -gaven allen moed hem minder aangename waarheden te zeggen; met een -giftigen blik zag hij den spreker aan en maakte wellicht het plan om -als hij zich sterker zou voelen, zich over dien ongevraagden raad te -wreken. - -„Gij hebt de dienaars van Allah versmaad in den dag der verdrukking,” -ging de Pangoeloe met klimmende verbittering voort, „gij hebt gekropen -voor de kafirs, aan hen hebt gij een kroon te danken aan niemand -anders. Weiger dan ook niet de schuld te dragen onder welker gewicht -zij u thans verpletteren! Elke weldaad is een steen, die ons op den nek -wordt gelegd en waarvan het moeite kost zich te bevrijden; door hun -gunsten aan te nemen hebt gij u in hun macht gesteld. Wie weet hoe zij -thans die macht zullen gebruiken? Ik kan u niet helpen! Gij noch uw -vader hebt ooit Allah geëerd.” - -„Het is nu de tijd niet tot nuttelooze verwijten,” zeide de Madureesche -prins, „er moet een besluit genomen worden en hoe sneller hoe beter. -Wilt gij Soerapati uitleveren?” - -Hulpeloos zag de keizer zijn Rijksbestuurder aan, die tot nu toe met -neergeslagen oogen had gezwegen. - -„Help mij Radhen Adipati, help mij! Van u alleen verwacht ik mijn -heil!” kermde hij. - -„Den zwakken betaamt list,” zeide Amirang Koesoemo langzaam, „want gij -zijt zwak o keizer! Zwak en uitgeput door de dure weldaden, die gij aan -de Hollanders dankt. Gij moet u niet schamen die zwakheid te belijden -voor de machtige vreemdelingen. Aan zwakken en vrouwen vergeeft men -veel!” - -„Uw woorden zijn duister, mijn zoon! Spreek klaarder taal!” - -„De zwakke neemt de hulp aan, waar hij die vinden kan; hij buigt -schijnbaar het hoofd in onderwerping voor den sterke en neemt in het -verborgen de hand aan van dengene, die hem verlossen kan van den -gehaten beschermer in wiens hart geen wantrouwen meer schuilt, dank die -openbare hulde. Zijn nu mijn woorden duidelijker! o keizer?” - -De Soesoehoenan sloot de oogen als wilde hij stil de woorden verwerken -van zijn dienaar. - -„Ik begin u te begrijpen Radhen Adipati, ge wilt dat ik Soerapati tot -vriend houde en tevens ook den Heer Gezant vleie! Maar hoe zal dat -geschieden?” - -„Het is gevaarlijk o keizer!” zeide de Pangeran, „op twee lansen te -vertrouwen, die niets liever wenschen dan zich tegen elkander te -richten.” - -„Niets kan gevaarlijk zijn waar een omzichtig oog de wacht houdt; -verwarring is een goede afleiding! Laat Karta-Soera in opstand schijnen -omdat de Balineezen zich verzetten willen tegen de uitlevering van hun -hoofd! Gij zelf wenscht die uitlevering, gij draagt ze op aan den -Radhen Tjakra de Ningrat, die uwe geheime bedoelingen begrijpt en -eerbiedigen zal!” - -„Ik breng liever geen opdrachten ten uitvoer met dubbel doel,” -antwoordde de Pangeran minachtend. - -„Ook niet als het heil des Meesters en het geluk van het Javaansche -land er van afhangen?” vroeg de Pangoeloe. „Te veel reeds gunden wij -aan den vreemdeling, die het alleen op onze schatten en op onzen grond -heeft begrepen; waarom bleef hij niet in zijn eigen land? Om met ons -handel te drijven, om ons te leeren wat hij kan en wat hij weet! -Dwaasheid! Hij wil ons onderdrukken, ons afkeerig van Allah en zijn -grooten Profeet maken, onze landen wil hij beheerschen, onze vorsten -verdrijven en met blindheid zijn onze prinsen geslagen. Zij zoeken de -hulp niet, daar waar zij alleen te vinden is, maar roepen den -begeerigen ongeloovige om hun onderlinge feiten te beslissen; zij -trachten niet eendrachtig met elkander te blijven, en vergeten dat de -bundel saamgebonden pijlen, de kracht van den sterkste tart terwijl zij -elk afzonderlijk door een kinderhand te breken zijn. Daarom mijn zonen, -blijft eendrachtig, zweert den vijand te verslaan door geweld of door -list. Allah wil den ondergang der ongeloovigen. Hij zal uw wapens -zegenen! Ik beloof het u!” - -„Maar als Soerapati bezwijkt?” - -„Ge moet hem zien strijden dan zoudt ge dien twijfel geen toegang geven -in uw hart,” zeide Radhen Adipati trotsch. - -„Laat mij nog trachten alles in vrede te regelen,” verzocht de Pangeran -Sampan, „ik wil Soerapati spreken! Het zou te onvoorzichtig zijn met de -machtige Hollanders te breken om den wille van een weggeloopen slaaf!” - -„Ge vergeet dat die slaaf een held is!” riep Koesoemo verontwaardigd -uit, „een held wiens vijandschap nog meer te vreezen is dan die der -Hollanders. Een tweede Troeno-Djojo, die het Mataramsche rijk zou -kunnen doen sidderen als hij wilde.” - -„Allah helpe mij! Ik weet niet waarheen ik mij wenden kan,” klaagde de -keizer. - -„Ge roept Allah aan in den dag der verdrukking! Zult gij hem nu ook -aanbidden in den dag der overwinning?” - -„Ik beloof... ik beloof hem een nieuwe moskee te stichten en een -pelgrimstocht te doen naar het Heilige graf in het Diënggebergte, ik -beloof...” - -„Laat ons nu handelen,” riep Pangeran Sampan, „ik stel mij aan het -hoofd mijner mannen, om met den Regent van Soerabaya bij Soerapati te -hooren wat zijn voornemens zijn!” - -De Rijksbestuurder glimlachte, en boog het hoofd; de keizer wenkte hem -naderbij te komen en fluisterde hem toe: - -„Wanneer alles mislukt, dan blijft ons immers de vlucht? Gij zorgt toch -dat er een weg open gelaten wordt?” - -„Wees gerust!” sprak de Radhen Adipati, „het zal niet noodig worden, -maar beveel den Pangeran dat hij niets tegen de Balineezen onderneemt.” - - - -In de kampong Babirong had Soerapati zich door een in haast opgeworpen -pagger versterkt; toen de Madureesche prinsen aan het hoofd van hun -talrijke manschappen bij de omheining kwamen, vroeg de Pangeran verlof -toegelaten te worden. - -Twee Balineezen brachten hun onmiddellijk naar binnen; gewapend stond -Soerapati aan het hoofd zijner honderdveertig man; hij ontving de -afgezanten des keizers hoffelijk en beleefd. - -„Wij komen u aanzeggen,” sprak de Pangeran, „dat de Edele Heer Gezant -niet den dalem des keizers wil binnengaan vóór wij u levend of dood aan -hem hebben overgeleverd.” - -„En wat is de wil van den machtigen keizer?” vroeg Soerapati. „Hij -heeft mij en mijn mannen bescherming beloofd, en ons tot zijn lijfwacht -aangesteld? Eischt hij nu dat ik de wapenen neerlegge? Dan handelt hij -tegen zijn belofte?” - -„De keizer heeft mij uitgezonden om u aan te zeggen dat gij de -Hollanders zoudt te gemoet gaan.” - -„Is dit om genade en vergiffenis van den Heer Tak te verwerven? Zeg dan -aan den Soesoehoenan, dat ik den gezant zal te gemoet gaan als hijzelf -het ook doet, wij zijn tot zijn lijfwacht aangesteld en daarom ruk ik -niet uit, dan wanneer de keizer mij beveelt hem te vergezellen, al zou -’t ook zijn naar Batavia.” - -„Ik trek met mijn mannen den Hollandschen gezant te gemoet, wilt ge met -mij gaan?” - -„Neen, ik ben niet tot uw lijfwacht aangesteld.” - -„Welnu,” sprak de Pangeran, „dan moet ik u aanvallen en tot overgave -dwingen.” - -„Ge kunt het beproeven, wij zijn tot het uiterste besloten.” - -De prinsen vertrokken en Kiai Hemboong, die achter Soerapati had -gestaan, wenkte hem tot teeken dat hij iets te zeggen had. - -„Radhen Goesik Koesoema moet u spreken.” - -Hij keerde zich om en ging naar zijn woning, waar alle vrouwen en -kinderen zijner Balineezen verzameld waren. Angst en schrik lagen op -aller gelaatstrekken te lezen; Radhen Goesik alleen was kalm, zij sprak -allen moed in en met een glimlach op de lippen kwam zij haar echtgenoot -te gemoet. - -„Ik heb een boodschap voor u,” zeide zij, „alles is schijn! De -Soesoehoenan rekent op uw hulp om hem van de Hollanders te verlossen.” - -„En de tienduizend mannen, die mij dadelijk gaan omsingelen?” - -„Zullen ons den uittocht niet beletten; ge moet er u door heenslaan en -den dalem bereiken om den Soesoehoenan te kunnen beschermen.” - -„Ik begrijp niets van de bevelen, die tot mij komen? Ze zijn allen even -tegenstrijdig. Wat wil de Soesoehoenan? Zich van mij ontdoen, of mij -handhaven; het is uw vader, die alles regelt. Ik ken zijn geheime -wenschen maar wie is mij borg dat ook de andere hofgrooten ze deelen. -De rol, die men mij geeft walgt mij; ik ben een soldaat, een -rooverhoofdman, wat men wil, maar geen dalang, [16] die telkens andere -stemmen aanneemt, andere personen voorstelt.” - -Hij dacht na, plotseling hief hij het hoofd op, zijn oogen schoten -vlammen, hij greep zijn kris en riep uit op vasten toon: - -„Ik zal dan ook handelen als soldaat; ik zal strijden tegen wie mijn -vrijheid bedreigt. Hetzij tegen de mannen van den Soesoehoenan, hetzij -tegen de Hollanders! Mijn vrijheid of de dood! Geen laffe listen meer, -’t is mij onverschillig wie overwint, de keizer of de Hollander, maar -ik wil geen slaaf meer zijn!” - -In verrukking staarde Koesoema hem aan. - -„Dat alleen verwachtte ik van u, mijn echtgenoot! Strijd met moed! Zie, -neem deze kris van mij aan, zij werd eens gedragen door Troeno-Djojo, -den dapperen Madurees, die den laffen keizer uit Mataram verdreef, -Kolomisanie is haar naam. Hij zelf ontving haar van een heiligen -boeteling, en vergeet ook de tooverspreuk niet, die Boeloe Kidoer u -toefluisterde in het gebergte van Galongong. Als gij die uitspreekt zal -de vijand uwe legermacht verhonderdvoudigd zien en op uw nadering -vluchten.” - -„Ik dank u prinses!” antwoordde Soerapati, het wapen eerbiedig aan zijn -hoofd brengend en het toen aan den gordel bevestigend, „ik zal strijden -tegen allen, die u in gevaar mochten brengen slavin te worden. Maar een -angst houdt mijn ziel nog gevangen, ’t is een vrees, die mij bekruipt. -Wat zal er worden van u, wat van al die zwakke vrouwen en kleine -kinderen?” - -„Laat dat mij over! Heer! Beveel slechts eenigen uwer manschappen mij -niet te verlaten! Dat Kiai Hemboong mij terzijde blijve. Mijn leuze is -gelijk aan de uwe, liever dood dan slavernij!” - -Soerapati gaf zijn laatste bevelen, en keerde na afscheid te hebben -genomen van zijn vrouw naar de verschansing terug. - -De keizer zond alweder een bode om hem tot onderwerping aan te manen; -trotsch en fier weigerde hij te gehoorzamen. Zijn plan stond nu vast; -hij wilde zich niet inlaten met de kuiperijen van het hof, maar voor -zichzelf de vrijheid zoo duur mogelijk verkoopen. - -Pangeran Sampan gaf dus bevel tot schieten; tot nu toe is nog onbekend -of de Madureesche prins het ernstig meende of slechts op bevel des -keizers een schijngevecht leverde. Het schijnt onmogelijk dat -tienduizend man niet bij machte waren de slechts door een bamboezen -pagger omschanste legerplaats meester te worden; van alle kanten was -Soerapati omsingeld als de tijger in het alang-alangveld, maar ook als -de tijger groeide zijn moed aan bij het vermeerderen van het gevaar. - -Hij gaf bevel aan zijn mannen zich om hem heen te verzamelen, en zijn -blinkende kris zwaaiend, die als een zon flikkerend haar stralen naar -links en rechts verspreidde, wierp hij zich onverschrokken op de -vastgepakte menigte, die hem den doorgang versperde. - -Sprak hij de tooverwoorden uit hem door den dwerg geleerd, die de oogen -der vijanden verblindden, of was het alleen het gezicht van zijn -heldhaftige gestalte zooals hij daar plotseling den pagger onder den -voet trappend, dood en verderf om zich heen zwaaiend te midden der -aanvallers verscheen? Of wel was alles te voren afgesproken? - -Wie zal het zeggen, maar onder luide angstkreten wierpen de tienduizend -helden hun vuurwapens weg, luisterden niet meer naar de vermaningen en -bevelen hunner aanvoerders, en stoven wijd en zijd uiteen, gillend en -jammerend als waren zij zwakke vrouwen en geen strijdbare mannen -geweest. - -De kring was verbroken, van alle kanten raakte de kampong leeg; nog -hooger steeg de verwarring toen zwarte wolken rook zich boven de -vluchtelingen samenpakten, de vlammen ontsnapten uit de rieten daken -der dorpshuizen; Babirong stond in brand en het was Radhen Goesik, die -bij de eerste schoten haar woning in laaie had ontstoken. - -„En nu naar het gebergte, spoedig!” riep zij tot de radelooze schaar. -„Soerapati zal ons daar vinden,” en onder bescherming der kleine troep -manschappen snelden zij ongehinderd weg naar het woud, terwijl de -Balineezen zegevierend hun tocht voortzetten tot aan den dalem, waarvan -zij de zuidelijke gebouwen in brand staken om zich den doorgang naar -binnen te verzekeren. - - - - - - - - -VIII. - -AMOK! - - -Ondertusschen zette commissaris Tak zijn reis naar de keizerlijke -hofstad voort; hij was reeds tot dicht bij den kraton genaderd, toen -twee compagnieën Hollandsche soldaten, onder aanvoering der luitenants -Vonk en Eijgel, hem te gemoet kwamen. - -Het was niet moeilijk te zien dat allerwege de grootste verwarring -heerschte; Madureezen en Javanen vluchtten naar alle zijden, de -kampongs liepen leeg. Beladen met have en goed, gevolgd door vrouwen, -grijsaards en kinderen stroomden de dorpelingen verre weg, dezen naar -het gebergte, anderen naar de Hollanders; de grootste schrik scheen hen -allen bevangen te hebben. De lucht achter den dalem was roodgekleurd -door de vlammen, die uit de verbrande woningen van de kampong Babirong -opstegen, dikke wolken rook streken over de statige gebouwen van het -keizerlijk paleis; niemand wist waar de brand woedde, waar de vijanden -zich verscholen hadden, waar het gevaar ’t meest dreigde; ieder zocht -zijn behoud slechts in haastige vlucht, niemand dacht zelfs aan -tegenweer. - -Het was voor den juist aangekomen gezant een zware taak zich een -duidelijk begrip te vormen van den toestand. Geen mensch kon hem kalm -te woord staan, de kraton stond open, de armzalige vesting der -Hollanders bood niet de minste kans op verdediging; de beide -luitenants, die zelf slechts sedert eenige dagen waren aangekomen, -konden geen juist verslag van den toestand geven. - -„De Madureesche prins had aan kapitein-luitenant Grevink beloofd zelf -Soerapati te overrompelen,” werd er gezegd. „Als gunst verzocht hij -zelfs den Hollanders zich buiten de zaak te houden; de hulp, die -Grevink telkenmale aanbood, werd hoffelijk maar beslist afgeslagen. Nu -scheen de poging mislukt, de Madureezen en Javanen kozen het hazenpad, -de keizer had zoo pas naar den pagger een boodschap gezonden om de hulp -te verzoeken van de Hollanders tegen Soerapati en zijn aanhang.” - -„’t Is een net van leugens en valsche streken, waaruit men zich niet -redden kan,” sprak luitenant Vonk, „’t is niet mogelijk te weten, wat -de keizer eigenlijk wil. Of liever, wat hij wil is duidelijk genoeg; -hij wenscht niets liever dan zich te ontslaan van de Hollanders, zoo -hij durfde. Nu hinkt hij op twee gedachten: hij wil Soerapati tot -vriend houden en ook de Hollanders niet vertoornen.” - -„Dan moeten we krachtige middelen aanwenden,” sprak de Commissaris. -„Heer Van Vliet, ik verzoek u met luitenant Van der Meer een compagnie -soldaten mee te nemen en u onverwijld naar het paleis te begeven, den -keizer te spreken en hem te zeggen dat de Compagnie niet met zich laat -spotten of gekscheren; hij moet mij dus onmiddellijk Soerapati en zijn -volk dood of levend uitleveren of anders zal het hem, zijn Mantri’s en -zijn hof kwalijk gaan. Ik zal hen allen als vijanden beschouwen van de -Hooge Regeering, die ik de eer heb hier te vertegenwoordigen.” - -De Opperkoopman reed vooruit met zijn gevolg, terwijl de Commissaris -zich onverwijld naar den pagger begaf, die de loodsen omgaf, waarin de -soldaten der Compagnie gelegerd waren. Hij liet alle meegebrachte -„bagage” naar binnen brengen en toen zijn manschappen op het plein voor -den pagger in slagorde plaats namen, voorzag hij hen van nieuwe -ammunitie en wachtte alzoo het antwoord des Soesoehoenans af. - -Lang bleef de Opperkoopman niet weg, hij keerde terug met de boodschap, -dat de Soesoehoenan niet te vinden was, daar de onverschrokken held -zich op de vlucht bevond. Van Vliet, die echter de streken der Javanen -kende, liet zich niet afschrikken en zond den luitenant naar binnen om -den keizer te zoeken. ’t Duurde niet lang of Zijn Hoogheid verscheen -weer; bleek en ontdaan, gaf hij in krachtige termen zijn voornemen te -kennen om den muiteling Soerapati achterna te zetten en riep nogmaals -dringend de hulp der Compagnie in tegen den woesten roovershoop. - -Van Vliet antwoordde vrij barsch, dat het zijn werk niet was zelf tegen -oproermakers te velde te trekken; hij had hulp genoeg en de Hollanders -zouden hem, als hij ’t werkelijk goed met hen meende, wel kunnen -beschermen; de Opperkoopman keerde naar den pagger terug en gaf verslag -van zijn zending. - -„De loosheid van dat gebroed kent geen grenzen,” sprak hij. „Als ik u -een raad geven mag, Heer Commissaris, hak er dan maar lustig op los, en -neem den ouden gluiperd gevangen. Hij voert iets tegen ons in het -schild.” - -„Maar ’t kan ook wezen, Heer Van Vliet, dat hij werkelijk in -benauwdheid zit; ’t is gevaarlijk spel tegen den keizer van Mataram -vijandig op te treden. Mijn instructie zegt daar niets van, zij -schrijft mij vredelievende maatregelen voor tot de uiterste grenzen; -wij moeten hem op zijn woord gelooven.” - -„UEd. heeft genoeg gezien hoe valsch en laf het Javaansche volk is; -toen met den opstand van Troeno-Djojo hebben wij toch gezegevierd.” - -„Omdat wij toen met den keizer en met het volk streden, nu zouden wij -èn tegen keizer èn tegen volk moeten optreden. Van alle kanten omringt -ons de overmacht. Wij zijn slechts in betrekkelijk klein getal; het -veiligste is het keizerlijke woord te gelooven en te trachten den -Balinees in handen te krijgen.” - -Van Vliet haalde de schouders op en sprak slechts: - -„Moge het u niet berouwen!” - -De Commissaris zond nu kapitein Grevink met een vijftal mannen naar het -hof om den persoon van den keizer te bewaken. Intusschen schenen de -vlammen naderbij te komen; Soerapati was in den kraton en verspreidde -overal waar hij ging schrik en ontzetting; de Hollanders bleven een -afwachtende houding bewaren, totdat plotseling de gouverneur van Japara -Adipati Oerawan te paard kwam aanrijden en in hevige ontroering -uitriep: - -„Help ons Edele Heer, de muiters zijn ten oosten van het hof, zij -zetten alles in vuur en vlam; het zal gemakkelijk zijn hen nu te -overmeesteren.” - -„Wijs mij dan den weg!” beval hij den Adipati, droeg aan luitenant -Eygel op met zijn manschappen bij den pagger de wacht te houden en -snelde in vollen galop aan het hoofd der drie compagnieën voort in de -richting, welke de gouverneur van Japara naast hem rijdend aanwees. - -Met vollen trommelslag rukten de soldaten voorwaarts ten oosten van het -keizerlijke hof; inderdaad zag men daar de huizen in brand staan. De -luitenant van der Meer reed vooruit maar ontdekte nergens sporen van -den vijand. - -„Ik vrees dat we verraden zijn,” zeide Commissaris Tak, en zich tot den -Adipati wendend riep hij vertoornd uit: „gij hebt mij opzettelijk -belogen.” - -„Neen Edele Heer! Allah weet dat ik ter goeder trouw meende dat de -Balineezen het oostelijke gedeelte van den Dalem hadden aangevallen; -men kwam het mij uit het paleis zeggen.” - -„Addergebroedsel!” mompelde de Commissaris, „zij weten zelf geen logen -van waarheid te onderscheiden.” - -Hevig geweervuur deed zich achter hen hooren; zeker was men binnen het -hof slaags geraakt. Tak keerde zich om en zag rookwolken, gelekt door -vurige tongen hoog in de lucht zweven. - -„De missigit staat in brand!” riep de Adipati uit, „de vijand is dus op -de aloen-aloen!” - -„Terug, terug naar de pagger der Compagnie!” kommandeerde Tak, -„spoedig, spoedig!” - -En zij rukten met den meest mogelijken spoed terug naar de brandende -moskee. Toen zij daar kwamen, snelden de vluchtelingen hen tegemoet; -kapitein Grevink was reeds gesneuveld met zijn soldaten. Soerapati had -zich achter de gebouwen verschanst, moord- en brandlust maakte zich van -zijn gezellen meester, overal zwaaiden zij hun brandende toortsen, -zoodat aan terugtrekken niet te denken viel. - -Voor hen verzamelden zich de troepen der Compagnie vast besloten hen -levend of dood in handen te krijgen, nergens scheen meer een uitweg; -zoo waren zij benepen tusschen vuur en wapenen. - -De troepen van den Soesoehoenan waren niet te zien; in zijn -vrouwenvertrekken was de verwijfde keizer bevend en sidderend -weggekropen op struisvogelmanier het gevaar niet willende zien, hopende -dat het weg zou drijven. - -Soerapati overzag den nijpenden toestand; achter hem strekte zich -steeds hooger en hooger een muur van vlammen uit, de laffe Javaansche -grooten hadden het terrein aan de Balineesche muitelingen overgelaten. - -„Makkers,” riep hij uit, „veel hebben wij samen doorstaan, maar nimmer -was de nood zoo dringend! Wat is uw verlangen? Ge ziet hoe ver de zaken -zijn gekomen; gewone dapperheid baat hier niet meer, slechts de wensch -om het uiterste te beproeven kan baten. Wij moeten den dood zoeken want -alleen in doodsverachting ligt de eenige kans tot redding der -hopeloozen. Wilt ge echter dit uiterste niet wagen, laat ons dan -onderhandelen met de Compagnie!” - -„Nooit, nooit,” gilden allen, „liever den dood dan de slavernij.” - -„Welnu, volgt mij dan! Zij zullen wel vergiffenis beloven, zeker wacht -ons toch bij hen een ijselijken dood. De dood gaapt ons van alle zijden -aan. Laten we hem dus tegemoet gaan als onverschrokken krijgslieden, -misschien neemt hij ons dan niet, want de dood weigert vrijwillige -geschenken. Vooruit dan, vooruit!” - -De Balineezen hieven een woest krijgsgeschreeuw aan en stormden hun -aanvoerder in wilde vaart achterna. Vreeselijk was Soerapati’s aanblik, -zijn haren besmeurd met roet fladderden om zijn ontbloot hoofd, in -flarden hing zijn krijgshemd om zijn bloote schouders, het bloed droop -langs zijn naakte leden; een knaap achter hem droeg zijn pieken, hij -wierp ze telkens met vaste hand voor zich uit, terwijl hij met de -andere zijn kris hoog boven het hoofd zwaaide en luid den bloedigen -kreet uitte: - -„Amok, Amok!” - -Commissaris Tak had zijn manschappen op het plein gelegerd; de -Compagnie van luitenant van der Meer ter rechter, die van Vonk ter -linker en van Eygel in het midden, Madureezen en Javanen waren ter -zijde geplaatst; hij zelf ging voort in ’t front zijn bevelen te geven -toen de dolzinnige troep al schreeuwend en tierend door de poort naar -buiten snelde; het vuur der Hollanders deed hen terugwijken en zij -werden weer teruggedrongen tot aan de poort. - -„Moed, mannen, moed!” gilde Soerapati, „vreest gij den dood? Hij alleen -kan ons redden. Amok, amok!” - -„Amok!” herhaalden allen schel krijschend en beproefden nogmaals den -uitval; de Madureezen begonnen te wijken. - -„Het is de duivel die hen aanvoert!” riepen zij, wierpen hun wapens weg -en vluchtten naar de oprukkende Hollanders; de damp der brandende -gebouwen vervulde de aloen-aloen, en ontnam alle uitzicht. - -„Redt u, redt u,” gilden de Madureezen, een algemeene paniek volgde, de -soldaten der verschillende Compagnieën verwarden zich in elkander. De -vijand rukte nader in den blinde met ware razernij er op inhakkend; -geen vriend noch vijand werd meer herkend. De eene struikelde over den -andere, verblind door kruitdamp, verward door het wanhopig geschreeuw -der gewonden en de helsche kreten der aanvallers, luisterde niemand -meer naar de kommando’s der bevelhebbers, de vaandels zonken neer, -alles krielde en wemelde in onbeschrijfelijke wanorde door elkander. -Links en rechts vielen de slachtoffers, officieren en gemeene soldaten -zonken naast en op elkander, doorboord van lanssteken, ter aarde. De -gezant sneuvelde, wanneer en hoe dit wist niemand, men vond later zijn -lijk door twintig messteken verwond; ook de Opperkoopman van Vliet, de -luitenants van der Meer en Vonk, behoorden onder de gevallenen. Als een -bergstroom gelijk, die alles op zijn doortocht omverwerpt en vernielt, -stortten de Balineezen met overweldigende kracht telkens weer op hun -aanvallers, totdat deze of in het stof voor hen bezweken of naar alle -zijden wegvluchtten. - -Een gedeelte slechts van de Compagnie soldaten mocht de pagger -bereiken, waar kapitein Leeman het kommando voerde en weldra door de -wanhoopskreten der vluchtelingen den omvang der groote ramp vernam. -Soerapati en zijn helden weken terug nadat zij zich over de lijken -hunner aanvallers een weg hadden gebaand, in Zuid-Oostelijke richting -naar het gebergte. - -Daar vonden zij vrouwen en kinderen onder de hoede der kleine schaar -aan welks hoofd Kiai Hemboong stond. Juichend snelde Koesoema haar -gemaal tegemoet, die als overwinnaar maar uitgeput en verwond uit den -strijd terugkeerde. - -„En nu?” vroeg zij hem, „wat moeten wij nu doen mijn held, mijn Vorst?” - -„Nu geloof ik dat de voorspelling van den dwerg waarheid bevat; de -Compagnie weet thans welken vriend zij versmaad heeft en nog is onze -vijandschap niet ten einde. Wij trekken naar het Oosten; op mijn -makkers kan ik mij verlaten, met zulke helden kost het geen moeite een -koninkrijk te stichten!” - -„Allah zij geloofd!” fluisterde Koesoema tot Kiai Hemboong, „nu heeft -hij Nonna Suzanna voor goed verloren! Welke angsten stond ik heden niet -uit, vreezend dat hij zich weer zou verbinden aan de gevloekte blanken; -nu echter scheidt een diepe rivier van bloed hem van zijn vroegere -vrienden, en zulke stroomen zijn niet meer te doorwaden.” - - - - - - - - -DERDE GEDEELTE. - - -I. - -AMSTELVREUGD. - - -In het begin der vorige eeuw was de weg, die door de toenmalige -Leidsche poort van Amsterdam naar het naburige Amstelveen leidde -omzoomd door fraaie, groote buitenplaatsen, waarin de Amsterdamsche -patriciërs den zomer doorbrachten. Nu zijn de tuinen verdwenen en in -weiden herschapen; hier en daar herinnert de naam van een boerenhuis, -op een groen houten hekje in witte letters geschilderd, nog slechts aan -het landgoed, waarvan het de plaats inneemt; de omstreken der hoofdstad -zijn van hun vroegeren luister beroofd, de stad dringt dieper en dieper -het land in, waar men eenmaal ongestoord het buitenleven op korten -afstand van de stadsmuren kon genieten; een nieuwe aanleg, nieuwe -huizenrijen omboorden het begin van den weg; verderop eerst blijkt het -hoe beroofd en kaal de sloopers van die heerlijke buitenplaatsen het -land achterlieten. De bosschen zijn gekapt, niets geeft nog eenige -schaduw tusschen de uitgestrekte weiden en polders als hier en daar het -overlommerde erf van een boerderij en de laan, die in bijna rechte lijn -met slechts een dubbele elleboogkromming het vlakke land doorsnijdt; -wie weet echter hoe spoedig ook deze boomen tot ondergang veroordeeld -zijn als het onmisbare voertuig onzer eeuw, de stoomwagen zich op dezen -weg moet begeven! - -Maar toen in de eerste jaren van de 18de eeuw had alles een geheel -ander aanzien; de wandeling was langs de afwisselende rij van buitens -vrij wat aangenamer, de Kalfjeslaan was nog niet gekoppeld aan de -herinnering van een bloedige daad; de zware koetsen der Amsterdamsche -deftige families reden op den grooten weg op en neer, men bracht -elkander bezoeken of maakte rijtoertjes. - -Een weinig voorbij de Kalfjeslaan strekte zich toen ten tijde een -aanzienlijk landgoed uit, waarvan nu geen spoor meer is overgebleven; -een statig en sierlijk ijzeren hek scheidde het van den grooten weg; de -wansmaak dier dagen uitte zich misschien wel eenigszins in de -overdadige menigte krullen en slingers, die de rijk versierde letters -van het opschrift „Amstelvreugd” omringden. Dit hek gaf toegang tot een -in den laatsten Franschen smaak aangelegden tuin, die ons thans stijf -en popperig zou voorkomen maar toen stellig geprezen werd als een -voorbeeld van tuinaanleg à la Le Nôtre. Een geschoren laan leidde van -het hek naar het statige, deftige hoofdgebouw; de grond was met -sneeuwwit zand bestrooid, en aan weerszijden op een glad geschoren -strook gras stonden van afstand tot afstand tobben met oranjeboomen; -links en rechts bevond zich de tuin met zijn vijvers en grotten, zijn -schelpentuin en doolhof, zijn mathemathisch gevormde perken, zijn in -den vorm van vogels en draken gesnoeide palmstruiken, zijn zonnebloemen -en violieren, welke tuin begrensd werd als door reusachtige muren van -in het vrije groeiende beuken, de grens aan beide zijden vormend van -het landgoed. - -Die beuken hieven hun statige kruinen omhoog en zagen als minachtend -neer op de gemanierdheid, waartoe men aan hun voet de natuur -veroordeelde. Onder hun schaduw had het gras volle vrijheid hoog op te -schieten en aan de veldbloemen een gastvrije schuilplaats te bieden; -het was er recht koel en frisch onder het geboomte op dezen warmen -Juli-middag. - -Er scheen feest gevierd te worden op het fraaie buiten; zoo pas had een -talrijk jong en vroolijk gezelschap zich in den koepel aan den -waterkant te goed gedaan aan de verfrisschingen door de gulle, -vriendelijke vrouw des huizes, mevrouw van Starenwijck, haar jongen -vrienden en vriendinnen voorgediend; nu wandelden de gasten paar aan -paar of in groepjes door de rechte, met palmhagen omzoomde paadjes van -den Franschen tuin. Het was een zoogenaamd landelijk feest, maar -niemand zou het vermoed hebben, zoo ontbrak hier alle ongedwongenheid -en vrijheid, welke men gewoonlijk van landelijkheid onafscheidelijk -acht. Nu en dan slechts verbrak een vroolijke kwinkslag of een luide -lach den deftigen toon, die onwillekeurig in den stijf aangelegden tuin -moest heerschen; dadelijk echter klonk weer het afgemeten, hoofdsche -gesprek, en de minder geestige, dan kalme scherts, die alleen het -vermaak van de jongelieden scheen uit te maken. Een enkel paartje was -den Franschen tuin ontvlucht en had zich onder de hooge beuken begeven, -als boden deze een geschikter plaats aan voor hun onderhoud. - -Hij was een kloek jonkman van even twintig jaar, zijn olijfkleurige -gelaatskleur verried dat nog ander bloed dan het zuiver Noordsche door -zijne aderen vloeide, maar zijn regelmatige trekken lieten het in ’t -onzekere, tot welken landaard hij behoorde; zijn kleeding was eenvoudig -hoewel deftig en rijk, zijn gestalte lenig en buigzaam, iets boven het -middelmatige, maar wat voor alles de aandacht trok dat waren zijn -oogen, donkere vurige oogen, die nog donkerder en vuriger schenen daar -waar zij omringd waren door de bleeke, groene appels van de andere -gasten, of door vroolijke bruine kijkers, die echter den inwendigen -gloed misten, welke de zijnen konden vervullen. - -Nu echter was deze gloed als gesmolten in teederheid; zij glansden, -maar zooals het fluweel glanst in aanraking met de zonnestralen; het -scheen of zij verzacht werden door den zoeten, lieftalligen, eenigzins -verwijtenden blik, die hen ontmoette uit de blauwe oogen van het jonge -meisje, dat hij dringend aansprak als om iets van haar te verzoeken; -het was een mooi, blond kind, een echte dochter van het Noorden. Zij -wendde haar hoofd telkens van hem af en deed zwakke pogingen om haar -linkerhand uit zijne rechter te bevrijden. - -„Hier zijn we vrij voor weinige oogenblikken, Digna; dadelijk komen -onze medegasten, wij zullen ons moeten voegen bij hun spel, wij zullen -onze blikken moeten bespieden, onze woorden wegen, zeg me spoedig dat -gij me vergeeft, dat gij niet meer boos zijt.” - -„O Robert, ge hadt mij zoo beloofd, dat het de laatste keer zou wezen. -Kan ik dan nooit op u rekenen?” - -„Ach Digna, ik ben zoo zwak, maar als gij me steeds ter zijde stond, -zou ik anders worden. Wanneer zullen we nooit meer gescheiden worden, -Digna?” - -„Zal het ooit gebeuren?” vroeg zij zuchtend. - -„Het zal gebeuren, ik zeg ’t u, het zal gebeuren. Zoodra mijn vader -hersteld is, zal ik hem ons zoet geheim openbaren en dan komt hij bij -uw moeder, uw ouders wil ik zeggen, uw hand vragen voor mij. Wat kan -mevrouw van Starenwijck hebben tegen een vereeniging tusschen haar -dochter en den zoon van den rijken algemeen geachten heer van Reijn?” - -„Ge vergeet dat ik reeds meer dan half verloofd ben.” - -„Aan een man, dien gij nog nooit hebt gezien, die aan gene zijde der -zee vertoeft en aan wien slechts een belofte van uw stiefvader u -verbindt; uw moeder houdt van mij...” - -„Zeker, anders zou ik niet wagen uw liefde aan te nemen.” - -„Gij neemt ze aan Digna, gij neemt ze aan en gij vergeeft mij!” - -Zij zag naar hem op met een schalkschen lach, die twee kuiltjes in haar -zacht blozende wangen groefde. - -„Voor dezen keer Robert, en dan nooit meer, verstaat ge? Foei, hoe zal -ik moed hebben met zoo’n wildzang door het leven te gaan?” - -En hij drukte haar vast aan zich en snel kuste hij haar in de kuiltjes -van de wangen. „Ge zult zien, hoe ik veranderen zal, liefste mijn, als -ik dagelijks die kuiltjes mag kussen.” - -„O foei neen! dat moogt ge niet doen, dan word ik weer boos,” en zij -wipte snel weg, maar in haar oogen las hij duidelijk dat zij den -kleinen diefstal geen onvergeeflijk vergrijp achtte. - -„Robert, Digna!” werd er plotseling geroepen, „waar blijft ge?” Het -meisje en de jonge man wierpen elkander nog een blik toe, een laatsten, -toen greep hij snel haar hand en drukte die vurig aan zijn lippen, maar -zij trok zich terug en wenkte hem dat zij nu verder op eerbiedigen -afstand van elkander zouden voortgaan. - -„Ik moet nog geduld oefenen,” zeide hij halfluid, „maar het zal niet -lang duren, Digna of geen macht ter wereld zal mij een stroobreed van u -scheiden.” - -„En zult ge dan ook ijverig werken Robert?” vroeg zij, „op het -handelskantoor van uw oom, zult ge een flink, ernstig koopman worden?” - -„Omdat gij ’t verlangt ja, Digna! hoeveel ’t mij ook kost? Ik -verafschuw den handel, gij weet het en mijn vader heeft het -ondervonden, tot voor binnenkort. Nu echter zal ik voortaan de -ijverigste van oom’s klerken wezen, geloof me!” - -Zoo pratende naderden zij den zoom van het bosch, met elkander -sprekende als een paar goede vrienden, niets meer; hij liefkoosde haar -slechts met zijn oogen en al hield zij de hare neergeslagen, toch -voelde zij hoeveel liefde, ja meer nog, aanbidding bijna, hij in die -liefkoozing legde. - -De anderen kwamen hen tegen en vroolijke vragen begroetten hen -allerwege. - -„Waar zijt ge geweest?” - -„Hebt ge vlinders gevangen?” - -„Of bloemen geplukt?” - -„Toon ons de mooie plekjes die gij bezocht hebt.” - -Eenigen slechts zeiden niets, het waren de meisjes, die niet konden -begrijpen hoe Robert van Reijn in de onbeduidende stiefdochter van hun -gastheer iets moois kon vinden, of de knapen, die zich ergerden dat -zoo’n prachtig meisje als Digna zulk een besliste voorkeur kon toonen -voor dien dwazen knaap, zoo bruin als een heiden; zij waren toch vrij -wat aantrekkelijker met hun bleeke gezichten en net gepoederde haren. - -„Wij hebben de plaats gezocht,” zeide Digna met haar onschuldige oogen -haar gasten overziende, „waar wij blindemannetje konden spelen! ’t Is -juist geschikt.” - -Weinigen deden slechts een spotlach hooren; de meesten juichten, -klapten in de handen en riepen uit: - -„Dan mogen we dadelijk beginnen!” - -„Ja zeker, hier is het goed onder de boomen, ge kunt geen heggen -vertrappen en geen vazen omwerpen, of verward raken in een geschoren -palm, nog minder in een vijver verdrinken.” - -Alle vormelijkheid verdween en weldra dartelden en speelden zij onder -de hooge boomen zoo vrij en vroolijk als de jeugd, onverschillig ook -van welke eeuw of welke landstreek, het steeds doet, wanneer zij aan -zichzelf overgelaten zich vermaakt in Gods vrije natuur! - -Daar kwam geen einde aan het juichen en het lachen, aan het stoeien en -aan het roepen; soms werd de arme blindeman deerlijk bedrogen, soms -maakte hij van zijn voorrecht als blinde een al te vermetel gebruik, -als hij een der vroolijke meisje om het middel greep en om haar te -herkennen, haar en oogen betastte, ja zelfs haar voorhoofd met zijn -lippen aanraakte; en als zij dan verontwaardigd over zulk een vrijheid -een kreet slaakte dan raadde de blindeman gewoonlijk, wie hij in zijn -macht hield. - -Digna leidde het spel, bedaard, kalm maar toch vriendelijk en opgewekt; -eens slechts zag men haar die kalmte voor een oogenblik verliezen, maar -voor een oogenblik slechts, het was toen Robert van Reijn de blinde was -en in zijn snelle vaart tegen een dikken boom dreigde te stooten; zij -snelde verschrikt toe en plaatste zich voor hem; toen was zij het, die -hij aanraakte en o wonder, er was niets meer noodig om hem te doen -raden hoe zij heette: - -„Digna,” riep hij, en rukte meteen den band van zijn oogen. - -Juist kwam Heer van Starenwijck in het bosch. - -„Waar is de jonge heer van Reijn?” vroeg hij. - -„Bij Digna natuurlijk,” sprak een klein mannetje met nijdig gelaat, die -’t dichtst bij hem stond. - -Een wolk trok over Heer van Starenwijcks voorhoofd en zijn mond kreeg -een gemelijken trek, maar dadelijk riep hij luid: - -„Robert van Reijn!” - -De geroepene, die juist bezig was Digna den doek om het blonde haar te -binden, en daartoe iets langer werk had dan anderen, ging snel vooruit -en vroeg: - -„Zoekt u mij, mijnheer?” - -„Ja u, het spijt mij zeer dat ik uw genoegen moet storen, want gij -vermaakt u wonderwel naar ik vermeen, maar er is een bediende gekomen -uit de stad met de boodschap dat uw vader onmiddellijk uw -tegenwoordigheid verlangt.” - -„Dan is hij ziek, mijn goede vader, anders zou hij mij niet laten -roepen! Is er iets verontrustends mijnheer, zeg ’t mij dan?” - -„’t Is waar, de knecht sprak van ongesteldheid! Hij kwam te paard.” - -„Dus er is haast bij! ô God!” - -Het spel was gestaakt, de jongelieden waren allen naderbij gekomen, hun -kleur droeg nog de sporen van de opwinding en de verhitting van het -spel, met belangstelling of nieuwsgierigheid luisterden zij toe of -zagen naar Robert’s gelaat, dat alleen allen blos miste; toch niet, er -was een gelaat nog bleeker dan het zijne. Digna stond naast hem als -behoorde deze plaats haar van rechtswege; deelnemend zocht haar blik -den zijne. - -„Ik ga onmiddellijk, ik zal mijn paard laten zadelen. Vaarwel, -vrienden! God geve, dat het een voorbarige boodschap zij!” - -„Uw paard is gezadeld, jonkman!” sprak van Starenwijck stroef, „ik gaf -onmiddellijk dit bevel daar ik begreep wat uw besluit zou wezen.” - -„Heb dank, heb dank!” en de jonge man drukte met het vuur, dat hij in -elk zijner bewegingen legde de hand, die hem koel werd gegeven en toen -tot Digna zich voorover buigend fluisterde hij: - -„Vaarwel, liefste engel mijn! Bid dat de zwaarste beproeving mij niet -treffe!” - -„Ik ga met u Robert tot aan het huis,” sprak zij, zonder acht te slaan -op den ontevreden blik haars stiefvaders of op de spottende -aanmerkingen harer vriendinnen. - -Robert ging door den Franschen tuin, tusschen Digna en zijn gastheer, -de anderen volgden op eenigen afstand; het spel naar ’t scheen had voor -allen zijn aantrekkelijkheid verloren. - -Mevrouw van Starenwijck en eenige andere gasten stonden op het bordes; -zij kwam Robert hartelijk tegemoet. - -„Arme jongen!” zeide zij vriendelijk, „ik vrees dat u smartelijke uren -wachten. Houd moed! Denk dat er Eén is, die over leven en dood beschikt -en ons leidt niet langs onze wegen maar langs de Zijne. Vergeet niet -dat Zijn wil geprezen moet zijn nu en altijd!” - -„Ik dank u mevrouw! ik dank u!” sprak de jonge man, diep bewogen haar -hand aan zijn lippen brengend. - -„En herinnert u steeds, dat ge goede en trouwe vrienden op Amstelvreugd -hebt,” ging zij voort. - -Ook Digna reikte hem de hand; hij wierp haar een langen, teederen blik -toe, als wilde hij haar lieve gestalte voor eeuwig in zijn geest -prenten, groette Heer van Starenwijck en de overige gasten, steeg te -paard en reed weg. - -Het feest ging voort, maar de rechte vroolijkheid was verdwenen; de -jonge gastvrouw bleef stil en treurig als had het voor haar alle -bekoorlijkheid verloren. - -In den geest volgde zij den jongen man op zijn treurigen rit, wellicht -verbeeldde zij zich te hooren, wat hij smartelijk uitriep, toen hij -voor een deftig huis op de Keizersgracht gekomen, snel van zijn paard -afsteeg en in het voorhuis stortte. - -„Mijn vader!” vroeg hij angstig. - -De oude grijze knecht, die hem ontving antwoordde niets, maar zijn -oogen waren rood van tranen en bleek zijn wangen. - -„Ik weet het genoeg! Mijn vader is niet meer!” riep Robert wanhopend -uit. - - - - - - - - -II. - -ROBERT VAN REIJN. - - -Op den laten avond van dien dag zat Robert alleen in de boekenkamer -zijns vaders, voor diens schrijftafel; de koperen lamp, die van de -zoldering afhing wierp haar licht op het met papieren en boeken -overdekte blad en op den stoel met hooge leuning, waarin de overledene -een groot deel van zijn leven placht door te brengen en die nu ledig -stond. - -Robert hield beide handen tegen zijn voorhoofd terwijl de armen op -tafel steunden; hij had zich moe geweend en beschutte zijn ontstoken -oogen nu tegen het hinderlijke licht der lamp. - -Hij was bitter bedroefd en geen wonder ook, de tegenstelling tusschen -het vroolijke feest daar ginds en de droefheid hier in het sterfhuis, -de overgang van onbezorgde vreugde tot diepe smart was al te groot en -buitendien de oude Heer van Reijn was altijd een goed vader geweest -voor den wilden, ongezeggelijken jongen in wien de meesten moeite -hadden zijn zoon te erkennen. Kalmte, overleg, goedigheid, een deftig, -bezadigd voorkomen, ziedaar, wat den Heer van Reijn reeds op het eerste -gezicht kenmerkte; zijn zoon was juist het tegenovergestelde, heftig, -opbruisend, onbedachtzaam, tuk op vermaak, hartelijk voor hen die hij -liefhad, norsch tegen degenen die hem tegenstonden, edelmoedig tot -verkwisting toe, afkeerig van allen dwang en regel, een knaap in een -woord zooals men er slechts weinigen aantrof in de deftige, afgemeten -Amsterdamsche kringen, waarvan de oude Heer van Reijn, die een hooge -betrekking bij de O. I. Compagnie had bekleed, een algemeen geacht en -zelfs bemind lid was. Ook van zijn reeds sinds tien jaren overleden -moeder kon Robert deze eigenschappen niet geërfd hebben. - -Mevrouw van Reijn was het evenbeeld van kaar echtgenoot in zooverre als -een beschaafde, beminnelijke vrouw, die boven alles er haar eer in -stelt een goede huisvrouw te zijn op een verstandigen, doortastenden -man gelijken kan; hun huwelijk was hoogst gelukkig geweest. - -Zij had haar man, die als buitengewoon inspecteur door de Compagnie -afgezonden was om de verschillende kantoren in Indië te bezoeken, -vergezeld; zij waren toen reeds vele jaren getrouwd maar hun echt was -kinderloos gebleven. - -Na een verblijf van zes jaar keerden zij terug en brachten toen Robert -mee, een donker, ondeugend knaapje van ruim vier jaar, dat echter innig -gehecht was aan de reeds niet meer jonge mevrouw van Reijn, die hem -deze liefde met woeker teruggaf. - -Menige meer of minder kiesche opmerking en onbescheiden vraag werd over -het raadselachtige jongske gedaan maar mijnheer noch mevrouw van Reijn -bekommerden zich daarover, zij gingen voort hem als hun eigen kind te -behandelen en een opvoeding te geven overeenkomstig hun stand; de -naaste familie duldde met leede oogen het bestaan van Robert, soms -opperden zij nog wel een lichten twijfel aangaande zijn afkomst maar de -jaren gingen voorbij en de verhouding bleef dezelfde; na den dood -zijner echtgenoot hechtte de oude heer zich zelfs nog vaster aan zijn -zoon. - -Met een dikwijls al te groote toegevendheid verdroeg hij zijn -ondeugende streken, zijn luiheid en wispelturigheid; de beurs hield hij -altijd wijd geopend voor alle grillen hoe kostbaar ook van dien zoon en -ieder was er thans geheel van overtuigd dat Robert de plaats innam, die -hem wettig toekwam; zijn zonderling karakter en Oostersch voorkomen -werden algemeen op rekening gesteld van een speling der natuur als een -gevolg van den invloed, door de tropische omgeving waarin hij geboren -was, uitgeoefend op zijn karakter en uiterlijk. - -Als de zoon van den rijken aandeelhouder der Compagnie van Reijn, had -Robert toegang in de eerste huizen der koopmanswereld van Amsterdam; -vele moeders zagen met verlangen naar hem op als naar een begeerlijke -partij voor haar dochters. - -Zijn eigenaardigheden deden hem geen kwaad; zijn wildheid zou met de -jaren overgaan, hij was lichtzinnig, onbedachtzaam, al te vatbaar voor -allerlei indrukken zoo kwade als goede, maar hij had een goed, gevoelig -hart, hij was vooral niet slechter dan hij zich voordeed; wanneer hij -onder flinke leiding kwam zou hij zich stellig tot een ernstig en -degelijk man ontwikkelen. - -Zijn vader had hem op het kantoor van zijn broeder, een aanzienlijk -koopman, geplaatst; hij hoopte hem lust te doen krijgen in het vak dat -ook het zijne was geweest, maar deze hoop bleek langen tijd ijdel. -Robert kon het maar niet vinden noch met zijn oom, noch met het -kantoor; de oom had geen bijzonder zwak voor zijn neef, wien hij in de -eerste plaats zijn bestaan niet vergeven kon want zelf was hij met een -achttal kinderen gezegend en het uitzicht op oom’s aanzienlijke erfenis -was te aanlokkelijk geweest dan dat hij het verlies daarvan niet nog -dagelijks zou betreuren. - -Daarenboven konden de cijfers Robert volstrekt niet bekoren; hij -koesterde de grootste verachting voor dukaat en rijksdaalder; had hij -ze in zijn zak dan wist hij niet hoe zich zoo spoedig mogelijk van deze -onaangename tegenwoordigheid te bevrijden. Oom daarentegen deelde met -meer dan driekwart Amsterdam de groote vereering voor beide machtige -afgoden; Robert hield van de vrije lucht en haatte de benauwde -atmosfeer van de kantoren. Zoo gebeurde het dikwijls dat de knaap er -den geheelen dag niet verscheen, om in de duinen te jagen of op het -Haarlemmermeer te visschen. Dat gaf klachten aan den vader, deze -zuchtte en onderhield Robert ernstig, maar lang boos kon hij niet zijn -op den jongen, die hem liefkoozend vergiffenis vroeg en beterschap -beloofde, een beterschap, die spoedig voor nieuwe vergrijpen plaats -maakte. Een jaar geleden was echter alles anders geworden, toen was -Robert’s hart plotseling—om de taal te gebruiken van de toenmalige -dichters of rijmelaars—gewond geworden door Amor’s scherpste pijlen. - -Op een speelavondje zag hij plotseling uit geheel andere oogen de -stiefdochter van den Heer van Starenwijck, Digna Tak aan. Haar moeder -was de weduwe geweest van den in Karta-Soera in 1686 vermoorden -Commissaris; met haar eenjarig dochtertje was zij naar Holland -teruggekeerd en had daar een tweede huwelijk gesloten met den Heer van -Starenwijck, zwager van Walter’s oom. Als kinderen hadden Robert en -Digna veel met elkander gespeeld en hevig getwist, ten minste het -zachte, lieve meisje had het soms hard te verantwoorden gehad van den -wilden jongen en nu plotseling, zij wisten niet hoe, was alles anders -geworden. Digna en Robert kregen elkander lief elk op zijn wijze, maar -toch zoo innig en hartstochtelijk zelfs, als beiden het maar -vermochten. Van dat oogenblik konden zij hun toekomst niet meer droomen -dan onafscheidelijk van elkander. Op Robert oefende Digna echter den -besten invloed uit, wat noch de liefderijke vermaningen, noch de bitse -opmerkingen van zijn oom konden uitwerken, dat gelukte aan Digna’s -vriendelijken, soms verwijtenden oogopslag, aan haar bedroefden of -opwekkenden glimlach. - -Voor haar sloeg Robert berouwhebbend de oogen neer als hij weer een -dwaasheid had begaan; om door haar geprezen te worden, zou hij dagen -lang ingespannen zitten werken op het gehate kantoor; om haar -goedkeurenden blik hield hij het scherpe woord terug dat hem op de -lippen steeg tegenover den strengen oom, of de neuswijze neven; hij -verliet het gezelschap zijner lichtzinnige vrienden, bezocht geen -taverne meer, waar hij in den voorlaatsten tijd maar een al te drukke -gast was geweest, ging slechts uit jagen en visschen als vader en oom -het goedvonden. - -Nu en dan kwam de oude mensch weer op, maar een zacht verwijt van Digna -was voldoende om hem zijn ongelijk te doen inzien. Met leede oogen -zagen zoowel zijn oom Gerard van Reijn en Digna’s stiefvader de -verhouding tusschen beide jongelieden. Om een gunst te verkrijgen van -zijn vriend den Raad van Justitie Voorneman, die zich in Indië bevond, -had eenige jaren geleden de stiefvader hem de hand toegezegd van de -toen nog pas twaalfjarige Digna, weldra zou de Raad van Justitie tot -herstel zijner gezondheid in Europa terugkomen om de beloofde bruid op -te eischen. Digna, hoe zacht en vriendelijk zij ook scheen, was er -echter het meisje niet naar om zich tot een huwelijk te laten dwingen -terwijl haar hart geheel vervuld was door liefde tot een anderen man. -Gelukkig vond zij in haar verstandige moeder een sterken steun. Mevrouw -van Starenwijck mocht Robert gaarne lijden en voor alles haar dochter -had hem lief; de illusiën welke zij tijdens haar korte vereeniging met -François Tak had gekoesterd over het huwelijksleven waren bij haar -tweede echt lang niet in vervulling gekomen en nu wilde zij tot elken -prijs haar lievelingskind het zeldzame maar daarom niet genoeg te -waardeeren voorrecht schenken van een gelukkig huwelijk met den man -harer vrije keuze. - -Wat den ouden Heer van Reijn betreft, hij verheugde er zich over dat er -zoo weinig klachten meer inkwamen over Robert, hij liet den knaap de -meest mogelijke vrijheid; dat hij deze vrijheid niet misbruikte stemde -hem tevreden en dankbaar. - -Overigens bekommerde hij zich weinig over Robert’s en Digna’s liefde; -juist toen deze ontstond was hij voor ’t eerst van zijn leven een -weinig ongesteld geweest; de ziekte was spoedig geweken, maar Jacob van -Reijn werd nooit meer geheel de oude, hij zag tegen elke moeilijkheid -en elke kleinigheid op. In zijn zucht om steeds welvarender te schijnen -dan hij werkelijk was, wilde hij volstrekt niet het aanzien hebben of -hij voor de eene of andere gebeurlijkheid maatregelen trof; hij -handelde meer dan ooit of hij nog jaren te leven had, stelde alles uit -tot onbepaalden tijd en werd zelfs ernstig kwaad toen Robert hem eens -op eerbiedigen toon verzocht zijn toekomst te regelen, daar hij aan de -mogelijkheid van trouwen dacht. - -„Waartoe dient zulk een haast,” zoo stoof de anders zoo bezadigde en -verstandige man op. „Hebt gij het niet goed bij mij? Laat ik het u aan -iets ontbreken? Behandel ik u niet of gij werkelijk.....” - -Hij bleef plotseling steken en ging op kalmen toon voort: - -„Laat ons daarover morgen spreken, Robert, of overmorgen! We hebben -immers nog den tijd; ik ben zoo gezond als ooit te voren, als men u -hoorde zou men denken dat ik in gevaar was van sterven.” - -„O foei vader!” riep Robert verontwaardigd uit en er werd over de zaak -niet meer gesproken; de oude heer trachtte ieder wijs te maken dat hij -gezonder en sterker was dan vroeger, maar hij verzwakte zichtbaar, het -uitgaan bekwam hem slecht, uren lang bleef hij zitten ingedommeld in -zijn hoogen stoel en Robert durfde het onderwerp niet meer aanroeren. - -Eenige weken later had het feest in Amstelvreugd plaats; Robert, die -twee dagen te voren weer een dwaasheid had begaan en met eenige -vrienden tot laat in den nacht had gezwierd, minder gunstig bekende -taveernen bezocht, bood vrijwillig aan t’huis te blijven, maar de oude -man wilde hiervan niets weten. - -Gelukkig was hem Robert’s laatste misslag onbekend gebleven, en dit -spoorde den jongen man nog meer aan daarvoor op de een of andere wijze -te boeten, hoeveel ’t hem ook kostte een dag in Digna’s bijzijn -doorgebracht op te offeren. - -„Ga gerust, ik ben zeer wel. Ik zal ’t u kwalijk nemen als gij niet -gaat. Oom vindt het immers goed.” - -Robert was gegaan, Digna hield zich eerst koel en stug tegenover hem, -dit bracht hem bijna tot wanhoop, eerst in het beukenboschje had hij -haar vergiffenis verkregen en beterschap beloofd. Nu pas zou de dag -voor hem in volle vreugde beginnen toen de boodschap vol angst en -schrik hem zoo meedoogenloos aan al dat geluk ontrukte. - -Op dit oogenblik berouwde het Robert meer dan ooit zijn goeden vader -niet te hebben bijgestaan in zijn laatste oogenblikken; de dood was -plotseling en onverwacht gekomen. Zijn trouwe dienaar was in de -boekenkamer binnengekomen met zijn dagelijksch sober middagmaal en vond -zijn meester op zijn gewonen stoel zitten voor deze schrijftafel, zijn -hoofd was neergevallen op een brief, dien hij juist begonnen had te -schrijven, zijn rechterarm, waaraan de pen ontsnapt was, hing slap -langs zijn lichaam. - -Onmiddellijk had men hem naar bed gebracht en zijn broer laten komen -terwijl een knecht te paard naar Amstelvreugd was gereden, om Robert te -waarschuwen; ook de geneesheer was gehaald en deze verklaarde dat de -pols nog zeer flauw sloeg; na een uur was ook dit opgehouden en Robert -mocht slechts het ziellooze overschot zijns vaders aanschouwen. - -Zijn oom was reeds vertrokken met de belofte spoedig terug te keeren om -alle zaken te regelen en zoo had Robert zich voor een paar uur -ongestoord aan zijn diepe smart kunnen overgeven, te dieper daar zij -zoo onverwacht en in zulke omstandigheden hem trof. - -„Belieft u niets mijnheer!” vroeg de oude kamerdienaar die reeds -onmiddellijk Robert behandelde met allen eerbied en alle -onderscheiding, die aan het tegenwoordig hoofd des huizes toekwam. - -„Dank u, Johan, dank u!” - -„Een beker wijn zal u goed doen jonge... mijnheer bedoel ik. UEd. weet, -wat er geschreven staat: „Geef den treurenden wijn!” Onze goede meester -is nu daar, waar hij het loon ontvangt voor zijn deugdzaam leven, want -beter meester dan hij bestond er niet jongeheer!” - -„Ik weet het genoeg Johan! Ik weet het, en het zal voortaan ook mijn -eenig streven zijn mijn goeden vader voor zoover ik kan in alles tot -voorbeeld te nemen.” - -„Daar ben ik niet bang voor, jongeheer! ’t Is waar u gelijkt niets op -mijnheer van Reijn, zelfs niet toen deze jong was, maar wij allen -houden veel van u, meer dan van heer Gerard; als de wilde haren er eens -afvliegen, dat heb ik zoo dikwijls tot mijn goeden heer zaliger gezegd, -zal u zien dat jongeheer Robert nog een heel ander man zal worden dan -die gluiperige jongens—vergeef mij dat ik het zoo ronduit zeg, wat mij -voor den mond komt—van mijnheer uw oom.” - -„Ik hoop u niet teleur te stellen, Johan,” antwoordde Robert ootmoedig, -„maar ’t is zulk een groote last, die op mij valt, dit ruime huis en -het aanzienlijke vermogen mijns vaders, de stand dien hij ophield en -dien ik voortzetten moet. O, ik schrik er van terug als voor een zwaren -last; en mijn vader heeft geen beslissingen genomen, schonk mij geen -leiddraad waaraan ik mij houden kon tot vervulling zijner wenschen. -Weet gij er niets van, Johan?” - -„Helaas! neen mijnheer! Het wordt met Kerstmis 36 jaar dat ik bij mijn -Heer en Mevrouw van Reijn gediend heb; ’t is waar zes jaar moet ik er -afrekenen, toen mijn meester naar de Oost-Indiën vaarden, waar de goede -God hen een zoontje schonk. En mijnheer deed om zoo te zeggen niets -zonder er mij over te spreken, als hij met zijn broer of den notaris -gesproken had zou ik het moeten weten, maar u weet hoe hij in den -laatsten tijd was.” - -„Ach ja! hij was zichzelf niet meer en dat maakt mij des te bedroefder, -had hij mij maar een regeltje schrift nagelaten. Wist ik maar wat hij -van mij wenschte, wat hij verlangde dat ik met zijn geld doen moest. O -Johan ik vind het zoo moeilijk en gevaarlijk rijk te zijn. Ik duizel er -van!” - -Een schaduw van een glimlach verscheen op het gerimpelde gelaat van den -ouden, trouwen knecht. - -„Een ander zal u spoedig leeren een goed gebruik te maken van uw geld; -wanneer wij hier weer een lieve meesteres krijgen dan zal u niet meer -bang wezen voor uw fortuin.” - -Ook Robert’s gelaat klaarde op. - -„Ware ik maar zoover Johan! Mijn goede, lieve beschermengel, Goddank -dat ik haar ten minste behouden mocht, mijn Digna! Ik zal haar -schrijven, hoe treurig ik ben.” - -„En mag ik u dan een beker wijn brengen?” - -„Ja, ’t is goed!” - -En met de bewegelijkheid aan zijn geest eigen vergat Robert voor een -poos zijn smart en zocht in de verwarring, die op de schrijftafel -heerschte, het noodige om aan zijn brief te kunnen beginnen. - -„Johan,” vroeg hij toen deze den wijn binnenbracht, „mijn vader was -bezig te schrijven, weet ge ook waar het papier gebleven is dat zijn -laatste letters bevat? Het zal wel niet veel belangrijks zijn, maar -toch zal ik het bewaren als een dierbaar aandenken.” - -„Het moet daar nog liggen, u begrijpt in die verwarring. Ziet u niets, -misschien heeft mijnheer uw oom het meegenomen, want hij is nog in deze -kamer geweest nadat... nadat alles afgeloopen was.” - -„Hij zal er toch niet aan hechten; ik zal ’t hem terugvragen. Mij komt -dit stuk toch in de eerste plaats toe.” - -Robert trok eenige laden open, denkende dat zijn oom het stukje papier -daarin had bewaard, plotseling werd zijn aandacht getrokken door een -verzegelden brief, die het opschrift droeg: - - - Aan Robert. - Te openen als hij 21 jaar oud is. - - -„Goddank! daar is nog een woord uit het graf,” riep hij snikkend uit en -drukte het dierbare schrift aan zijn lippen, „mijn vader is niet geheel -dood. Ik zal nu weten wat hij van mij verlangt, wat ik doen of laten -moet. Toen ge leefdet beste vader heb ik maar al te dikwijls uw -raadgevingen versmaad, deze echter, ik zweer het u, zal ik trouwer -nakomen. Was ik toch reeds 21 jaar; over drie maanden zal ik het eerst -zijn. Hoe lang nog!” - - - - - - - - -III. - -OOM EN NEEF. - - -Juist was Robert begonnen aan zijn brief voor Digna toen de deur naast -den hoogen eikenhouten schoorsteenmantel geopend werd, en een heer in -deftig zwart gewaad binnentrad. - -Snel keerde Robert bij het gerucht dat de binnentredende maakte het -hoofd om en herkende zijn oom Gerard; op dit oogenblik vervulde het -bewustzijn van het verlies door hem zoo pas geleden zijn ziel met -nieuwe smart; alle grieven die hij tegen zijn strengen oom hebben mocht -waren vergeten en luid snikkend met uitgestrekte armen snelde hij hem -te gemoet als voelde hij behoefte aan de borst van zijn eenigen -bloedverwant troost en steun te zoeken. - -„Ach oom, wie had het kunnen denken!” riep hij uit, maar heer Gerard -van Reijn weerde met beide handen den onstuimigen knaap van zich af. - -„Bedaar, Robert, bedaar!” sprak hij kalm en afgemeten, „ik kwam hier om -een ernstig woord met u te spreken!” - -Als van den bliksem getroffen bleef Robert op zijn plaats; half -wezenloos staarde hij zijn oom aan, die eenige stappen nader kwam, en -toen zeer langzaam op den hoogen stoel ging zitten, waarin Robert zijn -vader het laatst had gezien. Nog altijd bleef de jonge man onbewegelijk -staan; hij wist niet wat te denken van de plechtstatige houding van -zijn oom; al had deze hem nooit aan hevige gemoedsbewegingen en -levendige uitingen van vreugde en smart gewend, zoo kwamen hem toch in -zulk een droevig oogenblik zijn manieren ten hoogste vreemd en -raadselachtig voor. - -„Ga daar zitten! Robert!” zoo sprak hij altijd even koel en stijf. - -Robert gehoorzaamde en wischte zich de tranen, die telkens uit zijn -oogen rolden van de wangen. - -Heer Gerard schikte zijn kleeren netjes op zijde, opdat het fluweel -geen kans zou loopen te pletten en haalde toen een lederen brieventasch -uit zijn borstzak; al zijn bewegingen werden met tergende langzaamheid -uitgevoerd; ’t scheen dat hij geheel vergeten had, dat er nog iemand -voor hem zat, die moeite had zijn angstig ongeduld te onderdrukken. - -Eindelijk had hij tusschen zijn brieven een toegevouwen papier gevonden -dat hij voor zich op de tafel legde; de brieventasch werd intusschen -gesloten en weer weggeborgen, hij knikte een paar malen en toen den -blik vast op zijn neef vestigend, de hand op het papier gedrukt, begon -hij op stroeven toon: - -„Ja, het is een zeer onverwachte gebeurtenis geweest, dat al te -plotselinge overlijden mijns broeders. De Heer van leven en dood heeft -goedgevonden in Zijn ondoorgrondelijke raadsbesluiten Hem onvoorbereid -voor Zijn rechterstoel te roepen. Moge een genadig lot hem van alle -eeuwigheid zijn voorbeschikt.” - -Robert huiverde, bedekte zich het gelaat met beide handen en begon -opnieuw luid te snikken. - -„Laat dat geschrei, jongmensch!” sprak de oom nog strenger dan -daareven, „die tranen passen geen man en nu is het meer dan ooit tijd -om de zwakheden der jonkheid af te leggen en u te omgorden met -mannenkracht. Tot nu toe zijt ge niets geweest dan een verwende, -onbezonnen knaap die mijn broeder zeer veel verdriet heeft veroorzaakt, -door zijn lichtzinnige onbesuisdheid en die vertrouwend op den rijkdom -van zijn... zijn beschermer zich de gelegenheid niet wist ten nutte te -maken om nuttige kundigheden op te doen; uw leeglooperij, uw afkeer van -elk ernstig werk, uw zucht tot vermaken waren mijn broeder steeds een -scherpe doorn in het oog.” - -Robert schreide nog harder tranen van berouw op de scherpe verwijtingen -van zijn oom, die onbarmhartig altijd op denzelfden koelen, strengen -toon voortging. Hij kon niet tot bedaren komen en moest tegen den muur -steunen. - -„Nu is uw hart vermorzeld van rouw en smart; ik hoop dat het geen -onvruchtbare tranen mogen zijn, maar dat zij uw ziel zullen opwekken -tot een nieuw en beter leven.” - -„Och oom, kan u daaraan twijfelen! O mocht het mijn lieven goeden Vader -vergund zijn op mij neer te zien om te aanschouwen hoe ik voortaan een -ander mensch zal zijn en een goed gebruik van mijn aardsche -schatten...” - -„Stil jong mensch! Ik heb nog meer met u te spreken. Hoever was ik met -mijn rede ook gekomen? O ja, met leede oogen heb ik altijd de -toegevendheid mijns broeders uwaarts aangezien, te meer daar mijn vrouw -en ik steeds een flauw vermoeden hebben gekoesterd van hetgeen thans -zekerheid voor ons geworden is. - -„Mijn broeder zaliger had een goed, al te goed hart; maar van de dooden -wil ik geen kwaad zeggen; het zal den Heere ongetwijfeld niet -welgevallig zijn geweest dat hij zijn eigen bloed verloochende ten -wille van een vreemde.” - -Robert liet de handen van zijn gelaat vallen en zag nog altijd bitter -snikkend zijn oom vragend aan. - -„Een vreemde, ik begrijp u niet, oom!” stamelde hij. - -„Noem mij geen oom meer, want ik sta tot u niet in de minste bloed- of -aanverwantschap evenmin als mijn broeder zaliger, in wien gij ten -onrechte uw vader hebt gezien.” - -Het scheen dat Robert’s betraande oogen plotseling droog brandden door -het vuur, dat uit hen stroomde; hij snakte naar adem, sprong op als een -gewonde leeuw en stortte zich op zijn oom. - -„Zeg dat nog eens!” siste hij, „zeg dat nog eens en ik zal u uitmaken -voor een lagen leugenaar! Ik geen zoon van mijn vader? Ja, ge zoudt -niets liever willen, oude vrek, dan mij berooven van het wettige -erfdeel mijns vaders, doch ontkennen dat ik zijn zoon ben, dat kunt, -dat moogt ge niet. Hoe zult ge het bewijzen?” - -Robert hield met zijn ijzeren vingers de dunne polsen van den koopman -als in een schroef omklemd. - -„Laat me los! wilde knaap!” sprak heer Gerard van Reijn nog altijd even -bedaard, „en ik zal u het bewijs geven, dat mijn broeder als het ware -nog van gene zijde des grafs mij zond, door een beschikking der alwijze -Voorzienigheid, die niet dulden kon dat het bedrog langer zou -voortduren! Zijn hand verstijfde onmiddellijk voorgoed nadat zij de -onschatbare mededeeling neerschreef, die aan het onrecht een einde -moest maken.” - -„’t Bewijs, ’t bewijs! ellendige femelaar!” riep Robert met schorre -stem en drukte zijn oom zoo vast tegen het leer van den stoel dat deze -van pijn en misschien ook van angst begon te kreunen. - -„Laat me los!” kermde hij, „en ik zal het bewijs geven. Hier ligt het -voor u, in het eigen schrift uws vad... mijns broeders!” - -Robert liet de handen los van den koopman en viel als een wilde gier op -haar buit neer op het toegevouwen stuk papier; zijn vingers trilden, -zijn hart bonsde hoorbaar, zijn oogen waren verduisterd en de letters -dansten voor hem in wilden dans; met moeite gelukte het hem de enkele -regels te ontcijferen in het welbekende hoewel thans zoo bevende -schrift zijns vaders. - -„Geliefde Robert!” zoo las hij eindelijk, „ik mag het niet langer -uitstellen u een mededeeling te doen, die sinds lang op mijn lippen -zweefde. Gij zijt mijn zoon niet, hoewel....” - -De dood had hem belet den volzin te eindigen. - -Robert staarde op de letters, las en herlas die woorden welke zulk een -ontzettende verandering brachten in zijn leven zonder ze te begrijpen, -zijn hoofd duizelde, hij greep het met zijn eene hand vast; voor hem -gaapte een afgrond, die hem en zijn toekomst dreigde te verzwelgen. - -„’t Is niet waar!” bracht hij met moeite uit, „de naderende dood -verwarde mijns vaders gedachten, hij wist niet wat hij schreef. Ik ben -toch zijn zoon!” - -„Bewijs wat ge zegt! Ge begrijpt toch dat zonder zulk een doorslaand -bewijs ik u niet zal erkennen als zoon en erfgenaam mijns broeders.” - -„De erfenis kunt ge houden, maar mijn vader en mijn naam zult ge mij -niet ontrooven.” - -„Er valt niets te rooven daar waar geen eigendom is. Een ding is zeker, -die regels door een reeds stervende hand geschreven liegen niet. Het -heeft den Heere behaagd ze in mijn handen te laten vallen opdat het -erfdeel mijner onschuldige kinderen niet op wederrechtelijke wijze zou -verkort worden door een vreemde, een vondeling wellicht, van wien niets -bekend is, noch zijn ouders, noch zijn geboorteland, noch zijn naam. -Persoonlijk was ik al lang overtuigd, mijn broeder en zuster waren u -even vreemd als ik ’t ben.” - -„Maar hoe konden zij mij dan zooveel bewijzen van liefde en zorg geven? -Gij hebt voor uw kinderen nooit zooveel teederheid aan den dag gelegd -als mijn vader mij steeds bewees, sedert ik me iets herinneren kan.” - -„Ieder heeft zijn eigen wijze van zijn, hij is dwaas die op den schijn -bouwt; mijn arme broeder was een zonderling. Hij deed veel uit zucht om -anderen te wederstreven. Wat het ook geweest moge zijn, ik vergeef hem -het levenslang bedrog waarmede hij zijn bloedverwanten en vrienden de -oogen heeft gesloten. En wat u betreft jonge man! hoewel gij er niet -naar gehandeld hebt om door mij met verschooning behandeld te worden, -ik wil niet vergeten dat mijn broeder zaliger, u genegen was; mits gij -mijn goedheid waardeert en ze niet als een op mij rustenden plicht -beschouwt zal ik u mijn bescherming niet onthouden.” - -„Ik heb uw bescherming niet noodig,” viel Robert in op hoogen toon, „of -ik ben werkelijk de zoon van uw broeder en dan behoef ik niemands hulp -of ik ben het niet en dan zal ik mijzelf helpen, ’t allerminst roep ik -uw bijstand in, dien ge mij steeds zoo noode en slechts ten wille -van... van mijn geliefden doode hebt verleend.” - -„Die gevoelens strekken u niet tot eer, knaap! Het doet me leed!” en -hij stond op „van u reeds zoo spoedig over deze onaangename zaken te -hebben moeten spreken, maar ge moet erkennen dat deze onzuivere -toestand onmogelijk langer kan voortduren. Voor het oogenblik zijn deze -woorden door mijn broeders hand geschreven mij voldoende om u niet -langer als diens zoon en erfgenaam te erkennen, maar mijzelf als zijn -naaste en eenige bloedverwant het recht te geven hier op te treden als -de eenige machthebbende, ingevolge welke macht ik u verzoek deze kamer -te ontruimen, die ik sluiten zal in afwachting dat de overheid hier den -boedel komt verzegelen. Ik heb dus de eer u uit te noodigen mij te -volgen.” - -„Nimmer!” riep Robert uit met vonkelende oogen, „hier is mijn plaats en -ik zal mij niet van hier doen verwijderen dan door geweld. Beproef het, -als ge durft!” - -„Ge zult mij toch niet dwingen de bedienden te roepen?” - -„Voor hen ben ik hier thans de eenige meester, zij zullen geen hand -naar mij uitsteken! Op mijn beurt verzoek ik u mij te verlaten, reeds -te lang heb ik u aangehoord.” - -„Ik ga niet heen dan met u, ge begrijpt toch dat ik u hier niet alleen -zal laten tusschen alle schrifturen en akten mijns overleden broeders.” - -„Met nog minder recht zal ik toestaan dat gij hier nog komen kunt, om -wellicht—want van zulk een huichelaar als gij kan men alles -verwachten—de bewijsstukken te vernietigen, welke de valschheid van uw -bewering moeten staven.” - -Voor ’t eerst verloor heer Gerard van Reijn zijn gewone bedaardheid. - -„Hoe, ge durft mij van zulk een laagheid betichten, vondeling?” - -„En nog van veel meer bovendien! Ik vraag u nog eens, zult ge -goedschiks deze kamer verlaten?” - -„Ik ben hier op mijn grond en beveel u....” - -„Dus ge wilt niet,” schreeuwde Robert blind van woede, „dan zal ik u -dwingen.” - -En met zijn sterke jonge armen greep hij den ouden man aan en wierp hem -ondanks zijn tegenstreven de deur uit die hij toen van binnen sloot. - -’t Duurde eenige sekonden voordat heer Gerard tot bezinning kwam, maar -toen hij de deur gesloten zag, begreep hij dat hem voor het oogenblik -niets beters te doen stond dan heen te gaan om den volgenden morgen den -indringeling desnoods door den arm van het gezag te doen verwijderen. - -„Als er maar geen testament is!” zoo herhaalde hij telkens, „dat den -woesteling in het bezit stelt van dat fortuin, ’t is niet -waarschijnlijk dat mijn broeder hem niet rechtens als zoon heeft -aangenomen, na hem steeds als zoodanig in het openbaar te hebben -erkend. ’t Is niet te denken en nu heeft hij gedurende den nacht vrij -spel tusschen de papieren mijns broeders. In elk geval wat er niet is, -dat kan hij niet maken; morgen zullen wij onze maatregelen nemen.” - - - - - - - - -IV. - -EEN STEM UIT HET GRAF. - - -Intusschen was Robert na zich van zijn oom op zulk een onzachte manier -bevrijd te hebben weer naar de schrijftafel gewaggeld, en liet zich op -den leuningstoel neervallen; de gebeurtenissen der laatste uren hadden -hem zoo overstelpt dat hij thans het denkvermogen bijna geheel miste. - -Met gesloten oogen zonk zijn hoofd achterover tegen de leuning van den -stoel, hij viel in een soort van verdooving, die eenige uren duurde; -toen hij eindelijk ontwaakte was de koperen lamp uitgebrand, een straal -der morgenzon drong door de reten der gesloten blinden naar binnen en -teekende een glinsterende streep licht over de schrijftafel. - -Versuft staarde Robert op die straal voor hem; hij voelde niets dan een -brandend gevoel aan het voorhoofd en een stekende pijn in de oogen; -maar het duurde lang voor hij zich eenige voorstelling maken kon van -hetgeen gisteren gebeurd was. Eerst langzaam keerde het bewustzijn -terug, maar toen vertoonde zich ook de werkelijkheid aan hem in haar -volle afschuwelijkheid. Zijn vader dood, zijn rechten als zoon miskend, -zijn oom doodelijk beleedigd, zou het nog geen booze droom kunnen -wezen? Hij stond op en voelde zich duizelig, doodmoede en ziek, hij kon -geen stap doen zoo beefden zijn knieën, daar zag hij den beker met -wijn, dien de oude knecht hem gisteravond had gebracht en waaruit hij -slechts een teug had genomen. Hij strekte er zijn hand naar uit en -bracht hem aan de lippen, de versterkende drank dien hij tot den -laatsten druppel gebruikte wekte hem een weinig op; hij ging naar de -vensters, sloeg de blinden weg en opende ze zoo wijd mogelijk; de -frissche geuren van den ochtend tegelijk met het gulden zonnelicht -stroomden naar binnen; de ramen hadden uitzicht op den tuin, waarin de -dauw nog schitterde in haar eersten, jeugdigen glans, en de vogeltjes -blijde kwinkelden omdat de korte zomernacht voorbij was. - -Met volle teugen ademde Robert den heerlijken morgen in, hoe verre -scheen de dood met al zijn verschrikkingen hem toe? Zou alles waar -zijn, wat hij gedroomd had? Maar hoe kon de zon dan zoo helder -schijnen, hoe kon de dauw als poeder van diamant schitteren op bloem en -blad, hoe konden de vogels dan zoo vroolijk zingen en de bloemen zoo -heerlijk geuren? Hij streek zich met de hand over het gelaat en door de -dikke lokken, die verward om zijn hoofd golfden. - -„Kan het waar zijn, kan het waar zijn?” vroeg hij zich af, en keerde -zich toen om naar den wand tegenover hem, waaraan een fraaie -Venetiaansche spiegel hing. - -Ontzet deed hij een stap achteruit; dat verwilderde gelaat, die -uitgedoofde oogen, die verwrongen trekken waren dat de zijne, maar dan -moest er iets vreeselijks zijn gebeurd, dan was het geen droom, die -zijn verhitten geest zoo ontstelde en zijn gelaat zoo bitter -misvormde.—Zou het dan toch waar zijn? - -Hij keerde terug naar den lessenaar en woelde tusschen de papieren; -daar was de begonnen brief aan Digna. - -Digna, wie was Digna? Had hij haar sinds een dag of sinds tien jaren -niet meer gezien? Hoeveel tijd lag er tusschen vandaag en gisteren, kon -hij zich niets meer herinneren, maar dan was hij krankzinnig. - -Hij wilde de bel luiden, aan hem die binnenkwam opheldering vragen, -kost wat kost. Zekerheid moest hij hebben, alles maar niet de -verwarring die thans in zijn brein heerschte; bij die beweging raakte -zijn hand het pakje aan, dat hij gisteravond had gevonden en voor hem -op zijn 21sten verjaardag bestemd was. - -„Dit zal mij uitkomst geven,” riep hij plotseling uit, „dit moet op al -die vragen antwoorden. Ik kan en wil niet wachten tot den bepaalden -tijd.” - -Hij scheurde den omslag open, er viel een groote brief uit door een hem -onbekende vrouwenhand geschreven; verder een op ivoor geschilderd -miniatuur meisjesportret en een zilveren penning van vreemdsoortigen -vorm op de helft doorgebroken. - -Met koortsachtige drift nam hij den brief op en las. - - - „Aan mijn Zoon! - - „Geliefde Robert, wanneer gij deze regelen ontvangt zal de hand die - ze neerschreef reeds sints lang verstijfd zijn, en elke herinnering - aan de moeder, die u zoo innig liefhad en zooveel voor u leed uit - uw geest verdwenen zijn. - - „Ik weet niet wie mijn plaats bij u zal innemen, maar ik bid God - dat liefde en zorg steeds over u zullen waken, mijn arm, ouderloos - kind! Ouderloos, want dat zijt ge, daar nimmermeer uw vader u zal - kunnen opeischen; wellicht zal er niemand gevonden worden, die u - verhalen kan van uwe arme afwezige ouders, of zoo zij het u zeggen, - het zal wezen om op verachtelijke wijze u te verwijten dat gij de - zoon zijt van een slaaf, en dat gij aan een misslag uwer moeder het - leven te danken hebt. - - „Misschien zult gij dan de zwakheid en de zonde uwer ouders - vloeken; o Robert, lees eerst deze regelen vóór gij een oordeel - velt. Ja, wij hebben lichtzinnig gehandeld, maar niet slecht, zoo - ik gewild had, ik zou mijn fout hebben kunnen bemantelen maar ik - weigerde, daar ik dan zou moeten erkennen dat het een fout geweest - was, uw vader lief te hebben en eeuwige trouw te beloven. - - „Maar hoor toe mijn kind, en al kunt gij de nagedachtenis uwer - ouders niet zegenen, denk ten minste niet in bitterheid aan hen. - - „Mijn naam is Suzanna Moor; mijn vader bekleedde een hooge - betrekking op Batavia; mijn moeder verloor ik helaas! reeds vóór - mijn tiende jaar en ik was aan de hoede van slavinnen en huurlingen - overgeleverd, daar mijn vader tijd en lust ontbraken zich met mij - bezig te houden. Ik had goede meesters, daarvoor zorgde hij, maar - verder liet hij mij de grootst mogelijke vrijheid. - - „Onder onze slaven bevond zich een knaap, eenige jaren ouder dan - ik, een wakker knaapje van krachtige gestalte en met schoone - trekken; hij was vlug en leergierig, en spoedig werd hij mijn - liefste speelgenoot. Ik leerde hem alles wat ik zelf kon, hij was - nooit moe met mij te spelen; hoe heftig en onhandelbaar hij ook - tegen anderen was, jegens mij, zijn jonge meesteres, toonde hij - zich steeds onderworpen en gewillig. Ik geloof dat hij mij toen - reeds aanbad; er was geen wensch van mij hoe dwaas en onzinnig ook - of hij wist dien te vervullen; tegen geen moeite zag Si - Oentoeng—zoo had mijn vader hem genoemd—op, wanneer hij mij een - verrassing kon bereiden. - - „En ook ik was innig aan hem gehecht; mijn vader zag onze - vertrouwelijkheid en lachte; hij ook mocht Si Oentoeng gaarne - lijden. Sints hij bij ons aan huis woonde, gelukte alles mijn - vader, alle mogelijke eerbewijzingen en gunsten werden zijn deel, - zijn rijkdom vermeerderde, en allen zeiden dat Si Oentoeng de - heilaanbrenger was. - - „Zoo werd ik vijftien jaar, men vond mij schoon; ik voeg mijn - portret hierbij! Die mij thans kennen zullen geen gelijkenis meer - vinden tusschen mij en dit beeld maar toen verklaarden allen - eenparig dat dit portret, hoe schoon ook, slechts zeer onvolmaakt - den glans mijner oogen, de blankheid mijner kleur, den gloed mijner - blonde haren, den glimlach mijner lippen kon weergeven. Ach! - schoonheid, geluk, hoop! alles is vernietigd! - - „Hoor verder de geschiedenis van mijn leed, Robert! Misschien zal - het u leeren voorzichtiger te zijn met de kostbare gave van uw - leven, dat eens gebroken nooit meer hersteld wordt. - - „Ik was dan vijftien jaar, jong, schoon, rijk en weldra kwamen vele - aanzoeken om mijn hand; mijn vader wilde echter geen besluit nemen - vóór ik mijn zestiende jaar voleind had. Wel sprak hij van een - hooggeplaatst man aan wien hij mij gaarne verbonden wilde zien en - later van een jong onderkoopman Herman de Wilde genaamd. Ik - weigerde en liep schreiend weg, om mijn nood aan Si Oentoeng, mijn - liefsten vriend en speelmakker, te klagen, die mij nog onlangs het - leven had gered. - - „Hij luisterde met krampachtig gesloten lippen en gefronste - wenkbrauwen en zeide niets anders dan: - - „Op den dag dat nonna Suzanna trouwt ontvlucht Si Oentoeng Batavia - en kom er nooit weer terug!” - - Toen antwoordde ik beslist: - - „Maar ik wil niet trouwen Si Oentoeng; de eene is te oud en te - leelijk, en den andere heb ik evenmin lief, als ik trouw zal het - met een man zijn krachtig en jong zooals gij!” - - „Maar die geen bruine kleur heeft zooals ik!” sprak hij met - verbeten woede, „een blank man en geen slaaf, maar wat hebt gij - zelf mij geleerd, Suzanna, dat uw God geen verschil maakt tusschen - blank en bruin, dat meester en slaaf in zijn oogen dezelfde zijn en - dat Hij ze allen als zijn kinderen liefheeft.” - - „En ik ging voort,—want ik had hem lief Robert, in weerwil van zijn - bruine kleur, in weerwil van zijn slavernij—hem een moed te geven, - dien hij anders nooit zou hebben bezeten. - - „Dat heb ik gezegd, broeder! en ik herhaal ’t nog eens. De God der - Christenen kent geen verschil tusschen de huidskleur der menschen, - Hij ziet slechts naar hun harten.” - - „En zijn volgelingen doen toch niet als Hij, voor hen is de bruine - man niets dan een slaaf.” - - „Drukken u de slavenketenen?” vraag ik. - - „Neen, maar toch ik voel ze en op een wenk des meesters kunnen zij - mij weer kwellen. Als het waar is, wat ge mij daar zegt, dochter - mijns meesters, dan zal ik gaarne uw God aanbidden en Hij zal mij - vergunnen u tot vrouw te nemen. Uw vader zou mij erkennen als zijn - zoon, want ik heb u liever dan het licht mijner oogen, liever dan - de zon, die ons bestraalt, liever dan de herinnering aan mijn - vorstelijke ouders.” - - „Want Si Oentoeng was van edelen bloede, Robert; hij was zijn - ouders ontroofd en als slaaf naar Batavia weggevoerd. - - „Maar ik mag niet aan u denken nonna Suzanna evenmin als die worm - aan uw voeten denken mag aan de ster die ’s avonds hoog in den - hemel schittert; dit alleen zweer ik u op den dag dat gij met een - blanke trouwt, hebt gij mij voor het laatst gezien!” - - „Maar ik zal met geen blanke ooit huwen, Si Oentoeng. Ik zie naar - geen gelaatskleur; slechts naar het hart der menschen wil ik vragen - en ik ken uw hart, mijn broeder! Het klopt slechts van liefde voor - mij.” - - Hij viel voor mijn voeten neer en bedekte ze met kussen. - - „Wat zou uw vader zeggen, zoo hij dit hoorde!” zoo sprak hij. - „Vergeet wat we zeiden, nonna Suzanna, wees gelukkig met den man, - dien uw vader voor u koos en vergeet Si Oentoeng den slaaf, wiens - naam gij nooit meer zult uitspreken en dien gij spoedig vergeten - moet.” - - „Nooit mijn vriend, nooit! Mijn vader denkt als ik, hij weet immers - ook dat voor onzen God alle menschen broeders en zusters zijn, daar - Hij hun aller vader is. Hij heeft u lief en overlaadt u met - gunstbewijzen, welnu ik zal hem zeggen dat gij de eenige man zijt, - dien ik als mijn echtgenoot verlang.” - - „Neen Suzanna! Hij heeft me lief ja, als zijn slaaf, maar nimmer - zal hij mij als zijn zoon erkennen.” - - „Welnu, als ge het reeds zijt dan zal hij geen bezwaren maken; hij - is nu op reis, wat belet ons dan te huwen voor zijn tehuiskomst?” - - „Ge ziet zelf Robert, ik was een onervaren kind, niets meer, ik zag - den omvang niet in van zulk een ernstige daad als het huwelijk; ik - meende dat mijn vader, die Si Oentoeng boven al zijn slaven stelde, - er ook geen bezwaar in zou zien hem vrij te maken zoodra hij mijn - echtgenoot was. - - „Wit ge mijn echtgenoot worden?” vroeg ik vol kinderlijke - blijdschap, „laten wij ons dan haasten, doch waar zal het huwelijk - dan voltrokken worden? Gij zijt nog geen Christen, dus in mijn kerk - zal men het niet willen sluiten, weet gij er geen middel op?” - - „Zoo wakkerde ik door mijn onnoozele kindertaal den hartstocht van - den jongen man aan tot felle vlammen; eerst later begreep ik hoe - vurig zijn liefde tot mij was en hoe alle eerbied, dien hij voor de - dochter zijns meesters koesterde, deze nauwelijks kon intoomen. En - nu gaf ik hem verlof aan dien hartstocht toe te geven, ik zette hem - zelfs aan tot een verbintenis. - - „Welnu,” sprak hij, „wilt ge mijn vrouw worden volgens mijn - godsdienst, in afwachting dat ik uw echtgenoot zal zijn voor uw - God?” - - „En ik stemde toe, ik nam mijn Bijbel mede en in tegenwoordigheid - van een ouden slaaf, die Si Oentoeng liefhad, als ware hij zijn - eigen zoon, zwoer ik hem eeuwige liefde en trouw terwijl mijn vader - afwezig was. - - „Laat mij kort zijn over hetgeen nu volgde, Robert. Onze liefde - groeide bij den dag aan en kon weldra geen geheim meer blijven; - mijn vader hoorde alles en ik bekende hem wat ik gedaan had in de - vaste overtuiging dat er niets verkeerds in lag. - - „Zijn toorn echter leerde het mij anders; vreeselijk was de - uitbarsting, die mij als verpletterde. Si Oentoeng werd gevangen - genomen, gegeeseld en ter dood veroordeeld; ik moest onmiddellijk - vertrekken; slechts een verwarde herinnering leeft in mij van - hetgeen er na dien tijd gebeurde; gij werdt geboren en toen vernam - ik kort daarna dat uw vader uit de gevangenis gevlucht thans als - rooverhoofdman de omstreken van Batavia onveilig maakte, nog later - vernam ik, dat hij dieper in het land was gedrongen. - - „Lang bleef ik zwak en ziekelijk, maar mijn vader vergaf mij niet; - ik werd van mijn kind gescheiden, en toen ik eindelijk op Batavia - terugkeerde, doorleefde ik er een lot erger dan dat mijner - slavinnen. Nooit mocht ik den drempel van ons huis overschrijden, - nooit sprak mijn vader een vriendelijk woord tot mij, nooit vernam - ik iets meer van Si Oentoeng. - - „Eens alleen verklaarde mijn vader mij op barschen toon dat het - zijn wil was dat ik zou trouwen; ik weigerde beslist en verklaarde - dat ik getrouwd was en dus zonder zonde niet ten tweede male mocht - huwen. - - „Hij sloot mij op om mij tot een toestemmend antwoord te dwingen; - ik bleef weigeren, toen hij mij beval een keuze te doen uit eenige - mannen van minder rang, maar toch van onbesproken gedrag, die - gaarne om mijn vaders voorspraak, wat zij mijn schande noemden over - het hoofd wilden zien. Zelfs Herman de Wilde bood mij opnieuw zijn - hand aan. - - „Ik wilde echter noch door bedreigingen noch voor gebeden zwichten; - ik beschouwde mij als Si Oentoengs echtgenoot, wanneer ik een ander - huwde zou ik erkennen slechts zijn minnares geweest te zijn en dat - wilde ik tot geen prijs, om hem dien ik nog steeds boven alles - liefhad, om mijzelf, die ik altijd wilde blijven achten en ook om u - mijn kind, niet in mijn eigen oogen tot bastaard te verlagen. Ter - goeder trouw had ik mij vóór God aan uw vader verbonden, geen macht - ter wereld zou mij aan hem ontrouw doen worden; ik dreigde zelfs - voor den kansel de hand te weigeren van hem dien mijn vader mij als - echtgenoot wilde opdringen en zóó bleef ik eindelijk van verdere - aanzoeken vrij. - - „Mijn gezondheid heeft echter onder dit treurige leven, bij dat - hevige zielelijden bitter geleden; ik verzwakte zichtbaar, heftig - verlangen naar man en kind verteerde mijn ziel. Ik hoorde dat Si - Oentoeng zich aan de Compagnie had onderworpen, dat hij nu zelfs - den luitenantsrang had verworven en ik ontving een boodschap, die - mij van zijn trouw en liefde verzekerde en de hoop schonk dat hij - weldra zou terugkomen om mij openlijk als vrouw te erkennen. - - „Helaas! ook mijn vader scheen het vernomen te hebben, plotseling - gaf hij bevel mij reisvaardig te maken daar hij besloten had mij - naar Europa te zenden; noch bidden, noch smeeken, noch tranen - konden hem vermurwen, ik werd ingescheept en zonder afscheid liet - mijn al te strenge vader mij vertrekken. - - „Een troost was mij echter geschonken; mijn lief kind bevindt zich - ook op het schip en werd aan mijn liefde terug gegeven, maar mijn - gezondheid is slechter dan ooit, hoewel ik trouwe vrienden aan - boord heb gevonden in mijn reisgenooten, den edelen Heer van Reijn - en zijn goede, lieve vrouw die mij met de teederheid eener moeder - verzorgt, en die mij nu ook eerst deed inzien hoe zwaar ik - zondigde. Zij hebben u vooral zoo lief.... ach mijn hand wordt hoe - langer, hoe zwakker, alle dagen voegde ik hier eenige regels bij, - wanneer zullen het de laatste zijn? - - „Ge zult wel nooit weer uw vader terugzien, mijn kind, hier zijn - nog eenige herinneringen aan hem, de zilveren penning waarvan hij - de eene helft steeds op zijn borst droeg, sints zijn vroegste - jeugd, die ring waardoor ik meende zijn vrouw te worden, een lok - haar achter mijn portret. - - „Wie zal voor u zorgen mijn arm weesje, ach ik ga sterven en ik ben - nog geen twintig jaar oud! O, hoe bitter heb ik mijn - onbedachtzaamheid moeten boeten, moge mijn vader in den Hemel - barmhartiger voor mij zijn dan mijn aardsche vader het was. - - „Vaarwel mijn inniggeliefd kind, ik bid dat gij nooit zoo oud moogt - worden om deze droevige geschiedenis te kunnen lezen van de dwaling - en het lijden uwer moeder - - „Suzanna.” - - -En onder dezen brief had de krachtige, vaste hand van mevrouw van Reijn -het volgende geschreven. - - - „Den 18den van Oogstmaand Ao Di 1685 is gestorven op de hoogte van - Sint Helena: Suzanna Moor, moeder van onzen kleinen Robert en, - hebben wij denzelve, in het vaderland teruggekeerd, als ons kind - aan familie en vrienden voorgesteld ons voorstellende genoemden - Robert ter gelegener tijd als ons kind te adopteeren en onzen naam - te schenken, zijnde zijn grootvader de Edele Heer Moor, Lid van den - Raad van Indië, den 14den van Slachtmaand des zelfden jaars op - Batavia overleden en zal deze brief aan meergenoemden Robert worden - overgereikt als hij zijn 21ste jaar bereikt heeft, wenschende dat - hij tot dien datum zich zelf steeds als ons eigen kind zal - beschouwen. - - „Geschreven tot Amsterdam in den jare onzes Heeren 1686. - - „Machteld van Reijn.” - - -Werktuigelijk stond Robert op; hij schikte de papieren, het portret, -den ring en den penning bij elkander, om ze in zijn borstzak te steken, -keerde zich naar de deur, die hij met vaste hand ontsloot en begaf zich -door den langen, aan weerszijden met pleisterwerk versierden gang naar -de statiekamer, die zich aan de voorzijde van het huis bevond; hij trad -binnen, het was er donker, slechts eenige kaarsen op hooge kandelaren -wierpen een flikkerend licht over de muren, die bedekt waren door -kostbare schilderijen, waarvan de overledene altijd een ijverig -verzamelaar was geweest. Hobbema’s, Ruijsdaels, Halsen, Dou’s, zelfs -een van Dijck en een Rembrandt bevonden zich in de verzameling; boven -de deuren had Jacob de Witt een van zijn beroemde grijsjes geschilderd. - -Spookachtig kwamen de matte kleuren nu in het dansende kaarslicht uit; -de Rembrandt alleen scheen gloeiende stralen af te werpen op de baar -van hem, die dit alles had bijeengegaard en die nu roerloos te midden -zijner kunstschatten neerlag. - -Robert trad binnen, zijn voetstappen stierven weg in het dikke tapijt; -niemand hield de wacht bij het stoffelijk overschot van hem, die -eenmaal Jacob van Reijn heette; met over elkander geslagen armen zag -hij neer op dat vermagerde gelaat, waar thans de majesteit des doods -over zweefde, op die oogen, waarin hij nooit anders dan vaderliefde -meende gelezen te hebben, op die lippen, welke hem, den vreemde, -slechts woorden van goedheid en hartelijkheid hadden toegevoegd en die -helaas! niets hadden gedaan om de leugen van zijn bestaan te doen -ophouden. Lang bleef hij onbewegelijk staren op die gestalte, welke hem -thans zoo geheel vreemd was geworden, op die handen, welke te elfder -ure het geheim van een geheel leven hadden doen ontglippen, op dat -voorhoofd waarachter hij nooit zulk een liefdevol bedrog had kunnen -vermoeden; veel was hem nog duister, slechts een ding zag hij in -helder, duidelijk licht. - -Zijn plaats was niet meer hier, zijn leven was verwoest, zijn zoetste -hoop vervlogen, zijn eerbied verminderd, zijn liefde vernield; maar hij -raadde dit alles nog meer dan hij het voelde. - -„Vaarwel, vader!” mompelde hij en drukte zijn lippen op het kille -voorhoofd, „voor ’t laatst noem ik u zoo, maar dan ook niet meer, zelfs -in mijn gedachten. Vaarwel! Alles is weg, toekomst en verleden! De -grond brandt mij onder de voeten. Ik moet heen.” - -Een langen blik wierp hij op de massieve eikenhouten meubelen, op de -schatten uit Oost en West, van eigen en vreemde kunst hier verzameld, -welke hij gisteren nog als zijn eigendommen beschouwde en vlijmende -smart doorsneed zijn ziel. ’t Was hard dat alles te verliezen, maar het -liefste wat hij verliet, dat was het lijk van den man, dien hij sints -gisteren tweemaal verloren had, den laatsten keer op de meest -onherstelbare wijze want nu had hij geen vader meer noch op aarde, noch -in het heiligdom van zijn herinneringen. - -Somber met neergeslagen oogen keerde hij zich af, en opende de deur; -een bediende bood hem op een zilveren schotel een briefje aan, zijn -houding toonde genoeg, hoe hij in den jongen man nog altijd zijn -meester eerde. Onverschillig nam Robert het briefje aan, hij herkende -Digna’s sierlijk handschrift. - -„Breng het terug!” zeide hij toonloos, „aan de juffrouw van -Starenwijck.” - -Verbaasd zag de bediende hem aan. - -„Zou mijnheer niet wat gaan rusten?” - -Hij schudde het hoofd en trad in de naaste kamer om de lastige -belangstelling van den knecht te ontkomen; maar hij week snel terug; -zijn neef Hendrik de zoon van oom Gerard stond voor hem. - -„Och,” sprak de jonge man met zijn teemende fijne stem die Robert reeds -sints jaren sarrend in de ooren had geklonken. „Zijt ge eindelijk -beneden, Robert? Ik heb hier den nacht doorgebracht, vader zei ik mocht -u niet alleen laten. Ge weet nu alles wat mijn oom zoo geheim hield? -Ach wie had dat kunnen denken? Ik heb zoo met u te doen, waarlijk! -Gisteren nog een rijke erfgenaam, de hartedief van het mooiste en -rijkste meisje van Amsterdam en van daag niets dan een arme bastaard!” - -Het woord was zijn lippen nog niet geheel voorbij of hij viel duizelend -achterover; een heftige vuistslag had hem neus en kaken bijna -verbrijzeld, het bloed sprong uit oogen en mond, hij sloeg tegen de -tafel en zakte toen loodzwaar in één. - -Robert zag hem aan met oogen, waaruit strijd- en moordlust met den -wilden aard zijns vaders lichtte, zijn gebalde vuisten hieven zich op, -als wilde hij zijn gevallen beleediger nog den genadeslag toebrengen; -maar verachtelijk keerde hij zich plotseling om, liep in den gang -terug, wierp de huisdeur open en verdween weldra op de stille in dit -vroege morgenuur nog geheel verlaten gracht. - - - - - - - - -VIERDE GEDEELTE. - - -I. - -DE KONINGIN VAN HET OOSTEN. - - -Batavia! - -De „Koningin van het Oosten” ontwaakte uit haar middagsluimering; de -zon dook langzaam weg in de wateren der zee, een wazige, roode sluier -zakte neer over de eilanden, rondgestrooid in de met schepen van -allerlei grootte en vorm gevulde baai, die haar tot haven strekte, en -van waaruit de milde Vorstin haar schatten wegzond naar alle -windstreken of waar haar de tol gebracht werd van de landen en steden -aan haar macht onderworpen. De gloeiende, door de zon geblakerde huizen -van het Kasteel en de huizen der stad koelden zachtkens af onder een -frissche bries, welke de zee landwaarts zond nu de avond aan het vallen -was. - -Uit de huizen kwamen de bewoners allengs naar buiten, de schuiten die -in de grachten en in de rivieren dreven, werden langzamerhand gevuld, -door hen, die òf een speeltochtje wilden doen, òf op gemakkelijke wijs -naar een ander eind der stad wenschten vervoerd te worden. Onder de -hooge boomen, die aan weerszijden de groote rivier overschaduwen, welke -van de Diestpoort af de stad in tweeën deelt, bewogen zich vele -Chineezen, Javanen, Mestiezen, slaven en slavinnen. - -Ten Zuiden, dicht bij den stadswal omzoomen fraaie huizen door -Europeanen bewoond den weg links en rechts van het water; drie bruggen -op gewelven rustend verbinden de beide oevers aan elkander, verderop -zijn het meest winkels van Chineezen, kleine onaanzienlijke, lage -huizen, die uitzicht geven op den tot markt gebruikten breeden weg. In -de winkels zelf vindt men alles wat er op Batavia te koop geboden -wordt; Japansche koopwaren en Europeesche kleedingstoffen, kramerijen -en wapens, uitdragerstuig en kostbare Chineesche vazen. Midden op de -straat staan nog rijen met kramen onder loodsen, drie dwarsgrachten -verdeelen die markten in drieën; de eerste is de groentenmarkt; op de -tweede worden, ’s morgens althans, visschen verkocht, groote kakaps, -hartige bandengs, reusachtige garnalen, de afzichtelijke inktvisch en -de geliefkoosde kapiting of krabben, liggen op houten schragen, -uitgespreid, en vervullen de lucht met hun eigenaardige uitwasemingen. -Smakelijker zijn de nu volgende passers, waarin de heerlijkste vruchten -uitgestald liggen, de geurige ananassen en de bloedroode pompelmoezen -in hun gouden schillen, de rijke verscheidenheid van djamboes en -djeroeks, in alle kleuren en grootten, de harige ramboetans en de -donkerpaarsche mangistan met het witte, donzige hart, geurig vleesch -dat echter een bittere, groene pit omgeeft; manden vol geelkleurige -doekoes en vrachten van katjangs of olienoten; een rijkdom van bloemen, -die de lucht balsemachtig kruiden, witte melati’s in knoppen of ten -volle ontloken, snoeren van tandjoeng, groene en gele kananga’s, -sierlijk samen gebonden tuiltjes van katjapirings en tjampaka’s; al die -kraampjes strekken zich uit tot de derde markt waar eenden en hoenders -hun weinig harmonische geluiden doen hooren. - -Op dit uur van den dag zijn er slechts weinige Europeanen hier te zien -en deze behooren nog tot de laagste klassen der bevolking; het zijn -ambachtslieden, smeden, timmerlieden, of metselaars, schoenmakers in -dienst der Compagnie met vrouw en kinderen, die zich door een wandeling -verpoozen van hun zwaar werk gedurende de hitte van den dag, of wel -soldaten in hun havelooze kleeding, die met hongerige blikken naar -zooveel maagopwekkende artikelen rondzien, want de keuken en de portiën -van het regiment zijn schraal en de soldij is wanhopig laag. -Kleurlingen zoeken bij de bloemwinkels trossen bloemen uit, waarmede -zij hun liefjes straks willen verrassen, Javaansche huishoudsters doen -haar inkoopen, al lovend en biedend; eenige Arabieren bewegen zich kalm -en deftig langs de winkels der Chineezen, die op luidruchtigen toon hun -waar te koop aanbieden. Soms verwaardigen zij zich naar den prijs van -het een of ander te vragen maar gewoonlijk halen zij minachtend de -schouders op en zetten hun weg voort, langs de vleeschhal, die op palen -boven de rivier gebouwd is en een hoog zwaar pannendak draagt. - -De Europeanen vindt men thans in de deftiger wijken meest aan de -Oostzijde der stad; daar langs de Tijgergracht met haar prachtige -dubbele rij tamarinde boomen, zitten zij op hun stoepen voor hun -gegevelde, wit gekalkte huizen onder het genot der onvergetelijke -Goudsche pijp of zij wandelen langs het water en door de Prinsenstraat -over het Kasteelplein en de Leeuwinne- of Kaaimansgracht terug. Het is -hier een Oostersche stad met een Europeesch aanzien. De ingangen zijn -van onderdeuren, de stoepjes van leuningen en banken voorzien; zag men -daar niet geheele huisgezinnen op straat zitten, men zou zich in een -Noord- of Zuid-Hollandsche stad wanen; ook de kleeding is nog bijna -geheel Europeesch de dames hebben keurslijven aan en rokken van zware -stof, de heeren gaan gebukt onder het verguldsel dat hun kragen en -mouwen bedekt en onder hun zware pruiken. - -Weinige wandelaars ziet men hier gemoedelijk naast elkander gaan in -deze straten; de meesten zijn gevolgd door eenige slaven, waarvan er -een het vuurtouw, een ander het zonnescherm, teeken der waardigheid -zijns meesters, een derde zijn snuifdoos draagt; de dames, die meest -allen zich van haar echtgenooten afzonderen, wandelen gevolgd door een -kleinen slaaf, die haar langen sleep ophoudt, terwijl een slavin de -pajong boven haar hoofd uitspant en een paar anderen haar gevolg -voltooien. Zij zelf wuift zich met haar waaier eenige koelte toe, tot -het oogenblik dat zij een andere dame ontmoet, haar meerdere in rang; -eerbiedig wijkt zij dan met haar stoet terzijde om een diepe neiging te -maken, die de andere met een genadigen hoofdknik beantwoordt; straks -stelt zij zich voor dat huldebetoon schadeloos door een andere, op nog -gevoeliger wijze te toonen, dat zij op haar beurt ook de meerdere kan -spelen. - -Eenigen dalen de trappen af, die in het metselwerk der grachten zijn -aangebracht en stappen met hun stoet van slaven en slavinnen in de -versierde Chineesche prauwen; slaven brengen de riemen in beweging, -anderen maken met hun instrumenten—javaansche viool, guitaar of -cither—muziek en de booten glijden zachtkens over de grachten totdat de -maan opkomt en haar helder witten glans over de vesting giet. - -In het Kasteel dat omgordeld door hooge groene struiken zijn sterke -wallen van witten koraalsteen opheft uit de beide grachten, houdt de -Opperlandvoogd of Generaal, die thans Johan Van Hoorn heet, zijn gewone -middagreceptie op de stoep zijner woning. - -Deze woning bevindt zich rechts van het middenplein te midden der -veste; de kleine achthoekige Kasteelkerk verbindt het met de -tegenoverliggende woningen van de gewone Raden van Indië. - -Het is evenals alle andere Bataviasche huizen twee verdiepingen hoog; -een breed en hoog bordes geeft iets voornaams aan het uitzicht, evenals -het koepeltje boven het pannendak, waar een schip der Koningin van het -Oosten tot windwijzer dient, herinnering misschien aan het stadhuis, -waarmede Jacob van Campen de „Keizerin van Euroop” versierde. - -De receptie is zoo huiselijk mogelijk; de Edele Generaal zit in het -midden, de hoogste in rang naast hem en zoo verder nauwkeurig naar -rangorde zijn de stoelen in halven cirkel geschikt, ieder spreekt met -zijn buurman, en rookt zijn Goudsche pijp; algemeene gesprekken worden -niet gehouden, de etiquette verbiedt iemand dat de Generaal hem hoore -spreken. - -Slaven dienen bier rond, en de Oppergebieder drinkt af en toe de -gezondheid van het gezelschap en hun vrouwen, welke toasten -onmiddellijk beantwoord worden; de gezellige ontvangst duurt tot 9 uur. -De wacht van het fort wordt gehouden door hellebaardiers, krachtige -jonge mannen in gele wambuizen en scharlaken zijden met lissen -versierde broeken; de overige wachten zijn in treurigen sjofelen -toestand; komt de Opperlandvoogd langs dan moeten zij op het geroep van -den wachthebbenden sergeant onder de wapenen komen, men ziet ze -verschijnen in allererbarmelijkst plunje meestal zonder kousen of -schoenen, met gescheurde wambuizen en blootshoofds. - -Hun ellendige verblijfplaatsen zijn aangebracht in de vier punten van -het fort, Parel, Robijn, Diamant en Safier. Indrukwekkender dan de -krijgers zijn de kanonnen, die op de vlakke daken rusten van de tegen -de wallen staande provisiekamers en pakhuizen der Compagnie en die den -geheelen omtrek met vuur en dood bedreigen. - -Midden in de stad aan de groote rivier is nog een soort van wachttoren -aangebracht, die eveneens zijn vuurmonden naar alle richtingen geopend -houdt. - -Druk en vroolijk leven heerscht er vooral in de zoogenaamde -achterbuurten, ten N. W. der stad, in de Zandzee, maar vooral in de -Lepelstraat, die huis aan huis uit herbergen of kroegen bestaat. - -Een lustige muziek lokt daar de vroolijke klanten naar binnen, -matrozen, die op de prauwen wachten, welke hen naar hun schepen moeten -brengen, vóórdat de klok negen slaat, of liever vóórdat de wachten van -het Kasteel door den zandlooper gewaarschuwd negen slagen doen -weergalmen op het bekken, want de Koningin van het Oosten is nog geen -openbaar uurwerk rijk. - -Om negen uur toch wordt de groote rivier door een zwaren ijzeren -ketting van de haven afgescheiden; en na dat uur vervliegt ook de -glorie van de Lepelstraat. - -Nu echter zijn de lichten pas ontstoken, Jan-Maat met zijn bruin liefje -aan den arm, gaat daar huis in, huis uit, of blijft kijken naar een -troep Javaansche tooneelspelers, topeng genaamd, die voor eenige duiten -hun kluchten vertoonen; een Javaan hurkt met zijn draagbaar keukentje -neer om aan een paar Europeanen, die geen woord Maleisch kennen, zijn -waren te slijten; nauwelijks hebben zij echter een bete geproefd of -luid vloekend en tierend werpen zij het brandende mengsel van zich af -tot groote vroolijkheid der omstanders maar tot minder stichting van -den koopman, die wellicht levenslang op het geld zal moeten wachten. - -Uit een der herbergen kwamen twee soldaten der Compagnie; beiden zagen -er uit alsof zij hun laatsten duit daar binnen ten offer hadden -gebracht om voor een oogenblik opwinding te koopen; min of meer -wankelend was hun gang, hoogrood hun trekken, waarop, hoewel in -verschillende mate, ongebondenheid en een ongeregeld leven hun stempel -hadden gedrukt. - -De oudste met een bol glimmend gelaat, waarop hier en daar een rosse -plek de vergeefsche pogingen aanduidde, welke de baard maakte om er -door heen te komen, zag er uit of hij een verleden achter zich had, -waarvan de galg de meest gepaste eindpaal moest wezen; zijn havelooze -kleederen waren verscheurd of versteld op een wijze, die een scheur nog -verkieselijker deed schijnen, zijn sluike roode haren, welke niet eens -meer tot den schedel en het voorhoofd reikten, waren door een gedeukten -hoed bedekt; de schoenen trokken slechts de aandacht door hun -afwezigheid, want men kon dien naam niet geven aan de onoogelijke -sloffen, welke hun plaats innamen, en een scheiding maakten tusschen de -bloote voeten en het zand van de ongeplaveide straat. - -De andere zag er iets beter uit; werden zijn kleederen beter gedragen -of waren deze nieuwer en minder versleten? Wie kon het zeggen? Niemand -lette genoeg op het tweetal om aan deze vraag eenige aandacht te -leenen. Zoo merkte dan ook niemand op dat deze jonge man—want jong was -hij blijkbaar nog—om zijn kleur gemakkelijk onder de kleurlingen kon -gerekend worden, nog minder dat honger en verdriet uit zijn groote, -zwarte oogen blikten, de pas gebruikte drank had die oogen wel kunnen -benevelen, maar geen blos op de vaalgele wangen geschilderd. - -De andere hield hem bij zijn kleed vast: - -„Ja, zie je,” sprak hij in vrij gebroken Hollandsch met dikke tong en -volle keel om het andere woord haast zijn rede versterkend met een -Duitschen vloek, „ik zeg maar als we dat niet hadden! Zoo’n teugje -vuurwater is nog ’t beste wat zij in dat beroerde Holland hebben; wat -dunkt jou?” - -„Ik wilde dat ik dien ellendigen kost nooit aan mijn lippen had -gebracht en nog liever dat ik hem niet noodig had om mijn honger te -bedwingen en mijn leed te vergeten.” - -„Sapperdement Donnerwetter! Heb je leed? Kom, zoo’n flinke jonge kerel -als jij! Wat voor leed kun je hebben? Toch niet om een liefje, hè! -Geloof me, laat je met geen vrouwvolk in, want dat kost geld, veel -geld, en het bedriegt je; wij hebben weinig geld en dat kunnen we -nergens beter gebruiken als daar binnen, dat goedje bedriegt niet, -potztausend! Zullen we hier eens ingaan? Tonne Mie heeft weergaasch -goed bier ook!” - -„Neen, van avond niet meer. Hoe zouden we ook kunnen! Ik heb niets -meer.” - -„En ik heb crediet! alle duivels! Of wat denk je, weet je wie ik ben? -De Markgraaf von Schweinshausen, daar boven aan den Rhijn, is mijn -volle neef en ik zou stellig in zijn plaats gekomen zijn, als ik aan de -Hoogeschool van Bonn niet dat standje had gehad met den zoon van den -Ridder von Schönfeld, dien ik in een duel neerschoot, den gemeenen -hond, die mij voor dronkaard durfde uitmaken. Na dien tijd heb ik niets -dan ongelukken gehad; eerst trachtte ik in dienst van den grooten -koning van Frankrijk mijn fortuin te beproeven, maar dat was ook mis, -mijn ongelukkige vaderlandsliefde deed me daar spoedig ruzie krijgen -met een superieur nog wel, en die Franschen zijn zoo ongenadig trotsch. -Ik zou zoo waar een kogel hebben opgeloopen, als ik niet bijtijds de -plaat had gepoetst, en van daar kwam ik ja, zie je dat herinner ik me -niet meer, maar dat weet ik wel, dat, waar ik ook geweest ben, en dat -is op verduiveld veel plaatsen, ik nergens in zoo’n beestenboel -verdwaald geraakt ben als hier; dat is geen plaats voor menschen van -fatsoen en stand, en dat zijn toch de meesten van ons, en jij ook! Wat -was je eigenlijk daar in het groote, heerlijke Europa?” - -„Ik? Wat ik hier ben! Niets!” - -„Maar je bent toch van goede afkomst? Dat zeggen ze allemaal!” - -„Wie zegt je dat? Wel neen! Ik heb geen naam, geen familie, geen -vaderland, niets! Ik heb maar een doel, hier een kogel zoeken.” - -„Je bent een rare snoeshaan, dat heb ik reeds dadelijk gemerkt. Niets -gaat je goed af, zelfs drinken niet, al doe je nog zoo je best om mee -te doen. Maar als je nergens meer heen wilt, wat doe je langer hier? -Zie je, als je heerlijke concerten gehoord hebt in Duitschland en -Frankrijk, dan maken je die krassen op de viool en dat gepiep van die -fluit misselijk, en als je dan denkt aan de tooneelspelen op de eerste -schouwburgen in de vorstelijke residenties, dan zeg je ook: Ik heb -genoeg van die flauwe pret; maar je hebt zeker nooit iets dergelijks -gehoord of gezien.” - -„En ik ben in Amsterdam geweest en ik heb daar op het tooneel den -Lucifer gehoord en Gijsbreght van Amstel, de meesterstukken van onzen -grooten Vondel, ik heb gelachen om Warnar van den Muider Drost en het -Moortje van Brederoo en gehuiverd bij de bloedige spelen van Jan Vos! -O, ’t was zoo heerlijk!” - -Zijn doffe oogen fonkelden en dat laatste woord klonk haast als een -smartkreet door de herinnering aan zijn borst ontwrongen. - -„Dan heb je toch nog iets gehad! En ik dacht dat jij je niets meer -herinnerde!” - -„Was ’t maar zoo! Had ik geen herinnering, ik zou me misschien in dit -pesthol nog eens kunnen t’huis voelen, maar die herinneringen, o, die -herinneringen! Kon ik ze wegspoelen, ik dronk van den morgen tot den -avond!” - -„Hé! Ik wou dat het mogelijk was en ik dan in je gezelschap mocht zijn, -maar je wordt gevoelig, knaap! Je hebt een huilenden dronk. Schud die -herinneringen maar af, neem een voorbeeld aan mij! Wat heb ik geen -macht van herinneringen, ik, de volle neef van Freiherr, ik bedoel -Hertog von Schweinshausen, die hier als gemeen soldaat dien, maar ik -blijf er lustig onder en denk, waar ge ook zijt, daar vindt ge weer -dobbelsteenen, vrouwen en wijn, en al is dat alles hier van ’t -allerellendigste kaliber, je moet er maar tevreden mee wezen.” - -De andere zuchtte diep; zijn makker had gelijk, hem sloeg de drank -blijkbaar ter neer. - -„Ik moest niets meer drinken of anders heel veel,” zeide hij mismoedig, -„zoo’n enkel teugje maakt me nog treuriger. Dan denk ik weer aan alles -wat ik eenmaal bezat en dat ik reddeloos verloor.” - -„Niets is verloren, kerel, zoolang jij nog je lijf hebt; ben je dat -kwijt, ja, dan ziet het er eerst leelijk met je uit, maar vóór dien -tijd.... weet je wat? Ga met me mee, ik weet op de Rhinocerosgracht een -zekeren Chinees wonen, een fideele vent, die gunt een dapper soldaat -graag een spelletje kaart; je speelt er op je nog niet ontvangen soldij -zonder eenig pand. Laatst heb ik er nog twee rijksdaalders gewonnen, en -ik weet iemand, die nu een karos houdt en wel vijftig slaven, die er -honderd dukaten won toen hij nog gemeen soldaat was, daarmee kocht hij -zich vrij, zette een winkeltje op, trouwde een rijke zwarte vrouw, -kocht zich later een schepensplaats en behoort nu tot de groote Hansen, -die met den Edelen Generaal een pijp rooken op de puie zijner woning!” - -„Zoover zal ik ’t nooit brengen!” - -„Omdat jij herinneringen hebt! Laat die varen en volg me liever, -spoedig zul jij ’t misschien niet meer kunnen doen, want ze zeggen dat -er oorlog in de lucht zit. Daar in Karta-Soera moeten ze weer aan het -rommelen zijn; ’t is waarlijk of de eene bruinvisch niet precies gelijk -aan den andere is. Ik begrijp niet wat het de Compagnie schelen kan, -welke smeerpoes daar de beest speelt, en dan nog verderop boven -Soerabaya, noemen ze dat nest, geloof ik, zit er zoo’n oude snoeshaan, -die hun allemaal te slim af is.” - -„Soerapati bedoelt ge?” - -„Kan wel; al die koeterwaalsche namen kan mijn Duitsche tong niet -uitspreken. Was het nu maar Rademacher, Schönhausen, von Schweinsfeldt, -zooals ik vroeger heette, nu die kerel is hun allen de baas. Hij moet -vroeger slaaf zijn geweest, zegt men, en nu is hij nog machtiger dan de -koning van Java, en nu begrijp je dat de Compagnie, die ’t hoofd zoo -hoog draagt, dat niet dulden kan en... en... Zou ’t jou kunnen schelen -wie hier de baas was? Mij niets! Als die Javaansche mijnheer mij een -dukaat meer soldij geeft in het jaar en behoorlijke kousen en schoenen, -dan zeg ik die Hollandsche kaaskoppen Adjé. En jij?” - -„Een verrader worden, een deserteur? Nimmer!” - -„Wat, doe je nog aan trouw? Ha, ha! Die artikelen hebben geen waarde op -de passer. Gaan we nu naar mijn bah-bah [17] of niet?” - -„Neen, ik wil rusten, ik denk dat ik ’t nu zou kunnen, het gebeurt me -zoo weinig dat ik slaap.” - -„En ik slaap veel te veel, kom, ga mee.” - -„Neen, Dikkop, waarlijk niet! Zeg me een woord, denk je dat er -werkelijk oorlog komt?” - -„Wis en zeker! Ik ben er niets op gesteld, liever een leven als hier in -de barakken van den Robijn, dan gevaar te loopen een blauwe boon te -slikken.” - -Het was geheel donker geworden en de Koningin van het Oosten werd -slechts flauwtjes door de kunst verlicht, als de maan er zich buiten -hield. Zij waren op het met hooge boomen beplante Kasteelplein -aangekomen, dat nog vol stond van de karossen der gasten die de -receptie hadden bezocht, want ook mevrouw de Generaal ontving. Juist -verliet een aanzienlijke dame de landpoort van het Kasteel, de toortsen -der slaven wierpen hun flikkerende lichten in de diamanten en gouden -borduursels harer kleederen; een deftig gekleed heer leidde haar naar -de wachtende karos, die zij met zeldzame gratie besteeg. - -„’t Is de pas aangekomen nicht van zijn Excellentie,” zeiden een paar -toeschouwers. - -„Hé, wat scheelt je? Val je van ’t stokje?” vroeg de Dikkop zijn -kameraad. - -„Och neen, ’t is niets, ik dacht... och, ’t was weer een herinnering.” - -„De duivel hale je herinneringen!” gromde de andere. „Daar zal je nog -pret van beleven!” - - - - - - - - -II. - -VOORNELUST. - - -Als men de ten Zuiden der stad Batavia gelegen Nieuwpoort doorging, -kwam men aan den zwaar belommerden weg, die naar het fort van Jacatra -leidde; aan weerszijden was deze weg omzoomd door fraaie -buitenplaatsen, die echter evenals de huizen in de stad nog volstrekt -niet ingericht waren volgens de eischen van het klimaat in de -keerkringslanden. - -Het heeft eeuwen geduurd vóór de taaie, vasthoudende Hollander tot het -duidelijk begrip kwam, dat men in het Oosten niet den leefregel kon -volgen, waaraan hij sinds eeuwen gewend was in zijn geliefd Holland; -die lievelingsgewoonte wilde hij in den vreemde ongaarne missen en -daarom koos hij zijn stevige, solide bouworde zonder er zelfs in ’t -minst aan te denken dat de dikke muren en de goedsluitende ramen, die -hem tegen snerpende Noord- en Oostewinden en strengen vorst moesten -beschermen, hier de zon maar gelegenheid gaven dagen achtereen de -steenen te blakeren en frissche koeltjes beletten vrij door de -vertrekken te spelen; zoo nam hij ook zijn zware kleeding mede, ja -broeide zelfs zijn hoofd door het dragen van allongepruiken, die in -Versailles beter op hun plaats waren geweest. - -De landhuizen welke hij zich dan ook buiten de benauwde, moerassige -stad bouwde, waarbinnen de grachten bij de aangename herinneringen aan -de vaderlandsche steden ook minder geurige voegden, geleken het -allerminst op luchtige, sierlijke villa’s, die er geheel op berekend -waren zooveel mogelijk lucht en koelte op te vangen. Het waren huizen -van twee verdiepingen met hechte deuren en puien, kleine ramen zonder -galerijen of veranda’s; boven den ingang was gewoonlijk het wapen van -den bewoner aangebracht, en wie nu de weelderige natuur, de reusachtige -waringins en de slanke palmen wegdacht, kon zich gemakkelijk in plaats -van aan de oevers der Jacatrarivier terugwanen aan de boorden van -Amstel of Vecht. - -Rechts van den weg, juist tegenover het oude Chineesche kerkhof, -strekte zich het landgoed Voornelust uit, dat den Raad van Justitie -Voorneman toebehoorde; een statige rij van kokosboomen leidde van de -steenen poort naar het huis, dat in weinig of niets afweek van den -bouwtrant der overige huizingen links en rechts; de tuin was ook min of -meer stijf aangelegd, in zooverre de volle, welige oostersche -plantenwereld zich snoeren liet in een vorm à le Nôtre; toch waren er -eenige verbeteringen aangebracht, die getuigden van den lust des -eigenaars om zijn woning meer in overeenstemming te brengen met de -eischen van het klimaat. - -Een soort van zonnetent was terzijde van het huis gespannen, de ramen -en deuren stonden wijd open; achter, ter zijde van de gebouwen tot -huiselijk gebruik en tot huisvesting der slaven gebezigd, was een open -galerij boven de rivier gebouwd en geheel door wingertbladeren en -klimopslingers overschaduwd; de dampen der rivier maakten het hier -vooral tegen het vallen van den avond tot een verrukkelijk, koel -plekje; welriekende bloemen stonden in Chineesche en Japansche potten -in de galerij geschaard en mengden hun geuren met die van de in perkjes -geplante melati’s. - -Een jonge vrouw zat op een leuningstoel; ook haar kleeding was lang -niet zoo onpractisch als die van de meeste Bataviasche dames; zij -versmaadde fulp en zijde, goudborduursels en slepen; haar kleed was van -een fijne, lichte stof en grijs van kleur, aan den hals eenigszins laag -uitgesneden, vanwaar een breede kanten kraag op de schouders viel; ook -de mouwen reikten slechts halverwege den fraaien ronden arm, waarom zij -een bevallig kanten weefsel wierpen; haar blonde haren kroesden luchtig -op haar lelieblank voorhoofd, aan weerszijden met losse krullen -versierd; een zacht teer rozerood schemerde onder haar blanke wangen en -verried dat zij nog niet lang aan het verschroeiende Oostersche klimaat -blootgesteld waren. - -Zij was nog jong, nauwelijks twintig jaren, een onbeschrijfelijk lieve -uitdrukking lag in haar blauwe oogen en in den glimlach, die om haar -lippen zweefde, als zij luisterde naar het kinderlijk gepraat van het -knaapje, dat met den hoepel door de galerij speelde; het was een -opgeschoten jongen van omstreeks tien jaren met een bleeke, ongezonde -kleur en onnatuurlijk groote oogen. - -Als zij den knaap niet te antwoorden had las zij aandachtig in het -boek, dat zij in de hand hield; spoedig raakte zij geheel verdiept in -de lezing, haar oogen kregen een eigenaardige uitdrukking, een mengsel -van eerbiedige bewondering en stil genot, haar lippen trilden soms als -leefde zij met den schrijver of dichter mede, maar zoodra het knaapje -haar aan de korte mouwen trok en vroeg: - -„Moeder, mag ik met Scipio in de Klapperlaan spelen,” of wel: „Moeder, -Scipio vraagt of hij wat met mij zal gaan varen.” - -Dan kostte het haar blijkbaar moeite zich los te rukken van haar -lectuur, maar toch antwoordde zij dadelijk met denzelfden vriendelijken -lach: - -„Neen, lieve jongen, vader en ook moeder hebben liever dat Albert hier -onder mijn oogen met Scipio speelt.” - -Scipio was een kleine slavenjongen van denzelfden leeftijd als Albert, -maar veel flinker gebouwd en ook gezonder. - -Het knaapje ging met zijn hoepel weer terug naar zijn speelkameraad, -wien ’t blijkbaar verveelde hier steeds onder toezicht zijner meesteres -te moeten blijven. - -Het woord „Moeder” tegen de jonge vrouw klonk vreemd uit den mond van -het kind, dat om zijn leeftijd veeleer haar broertje dan haar zoon kon -wezen; maar toch lag er alle teederheid van een zoontje in de wijze, -waarop hij zich telkens, als hij in hare nabijheid kwam, tegen haar -aanvleide en een kus afbedelde, dien zij hem met ware moederlijke -hartelijkheid toestond; ook dat zij telkens en telkens in haar lectuur -gestoord werd, verdroeg zij met onuitputtelijk geduld. - -Daar kraakte het gele schelpzand van het pad dat naar het hoofdgebouw -voerde en een man van middelbaren leeftijd met een eenigzins zwak -voorkomen en de bleekgele gelaatskleur, die den oudgast kenmerkte, -naderde de galerij. - -Zijn gestalte die vroeger ongetwijfeld lang en krachtig geweest moest -zijn, boog nu een weinig voorover; rimpels doorploegden zijn voorhoofd -maar toch maakte zijn gelaat een aangenamen indruk door den goedigen -blik der lichtblauwe, diepliggende oogen. - -Toen hij de galerij naderde, sloeg de jonge vrouw haar boek dicht en -kwam hem met een vroolijken glimlach te gemoet. - -„Ik wachtte u reeds met ons beider vriend!” sprak zij. „O Markus, wat -is hij toch een groot man. En hoe weinig heeft men zijn verdiensten -erkend toen hij nog leefde.” - -„Ge bedoelt onzen puikdichter den kousenkoopman en pandjesschrijver -Joost van den Vondel, nietwaar vrouwlief? Ja, gij hebt gelijk, ik wist -niet dat we zulk een dichter in ons weinig dichterlijk Holland rijk -waren. Ik heb mijn Vaderland jong verlaten en hier, dat weet gij -genoeg, hebben de Muzen haar zetel niet bij voorkeur opgeslagen.” - -„Weten zij hier zelfs, dat er Muzen bestaan?” - -„Of niet bestaan! Ge hebt gelijk; juffrouw de Haan zou licht kunnen -vragen of die juffrouwen in linnen dan wel in tabak doen. Maar nu ge -mij die heerlijke treurspelen „vol hemelval” voorleest van onzen -Vondel, evenals de schoone historiën van den Drost Hooft of de puntige -gedichten van Constantijn Huygens, nu is ’t mij, of ik een geheel -andere wereld binnentreed, die mij tot nu toe gesloten was.” - -„Wat zou het leven zijn zonder den dienst der Muzen, als wij de poëzie -niet hadden om ons te troosten over de onaangenaamheden en -verdrietelijkheden van den dag en in andere sferen te vertoeven, die -ons anders geheel gesloten zouden zijn? En ik heb nog veel Markus, dat -u boeien zal; het is onze plicht natuurlijk eerst kennis te maken met -onze groote Vaderlandsche poëeten, maar daarom behoeven wij nog niet de -beroemde mannen te versmaden, die in andere landen geleefd en gewerkt -hebben. O, ge zult eens zien als we zoo ver zijn, welke hoog verheven -taal Corneille aanslaat in zijn heldenstukken en dan die hemelsche -harmonie van Racine’s verzen en de satiren van Boileau, die vallen -stellig in uw smaak al zijn ze zoo bijtend niet als Vondel’s Roskam en -Rommelpot.” - -Glimlachend hoorde hij de levendige bewondering der jonge vrouw aan, en -drukte haar fijne hand vast in de zijne. - -„Ge hebt de letteren wel zeer lief, Digna!” zeide hij minzaam. - -„En zou ik niet? Zij zijn mijn beste vriendinnen geweest en hebben mij -getroost in zooveel treurige uren.” - -„Ik zal u die liefde dan ook van harte gunnen, mijn beste vrouw, en -niet afgunstig zijn noch op vader Vondel, noch op Hooft en Huygens, -die, willen wij hen gelooven welke ze van nabij kenden, zeer gezien -waren bij het schoone geslacht, nog minder op de Franschen al is hun -galanterie ook wereldberoemd. Ge ziet zelf, ik wil van u leeren hen ook -te kennen en hoog te achten, maar voor die papieren vrienden moet gij -de menschen van vleesch en been niet verwaarloozen.” - -„Verwaarloozen! Dat meent ge niet, Markus! Ben ik dan niet gisteren nog -in mijn zware kleederen deftig naar het kasteel gereden om bij mevrouw -de Generaal de receptie bij te wonen, drie lange, lange uren heb ik er -mij verveeld, mag ik mij dan vandaag niet schadeloosstellen voor die -verveling?” - -„Ge moogt alles, Digna! Maar ge weet aan mijn stand zijn verplichtingen -verbonden, ’t is niet genoeg dat mijn lieve gade een zorgzame huisvrouw -is, die alles in het werk stelt, om mijn leven te veraangenamen en een -goede moeder te zijn voor mijn zoontje...” - -„Ben ik dat waarlijk, Markus?” - -„Moet gij dat nog vragen? Ik ben meer dan tevreden over u, dat zou ik -overal kunnen verkondigen, maar de wereld vraagt meer; zij wil niet dat -mevrouw Voorneman haar dagen rustig doorbrengt met haar beste -vriendinnen, de Muzen, zij verlangt dat zij ook eenig belang stelt in -de samenleving harer medeburgeressen...” - -„In de deugden en ondeugden van haar slaven, in de pronkzucht van -juffrouw A, en in de lichtzinnigheid van juffrouw B; ik moet de kwikjes -en lintjes zeker tellen die mevrouw Zus laatst in de kerk heeft -vertoond en alle belang stellen in de leelijke geschiedenis, die laatst -met de dochter van mevrouw Zoo is voorgevallen. Och, Markus, als ge -wist hoe dit alles mij verveelde en walgde, hoe ik veel liever hier -rustig zit met u, met onzen Vondel en met onzen kleinen Albert.... hé -waar is hij gebleven?” - -„’t Schijnt dat hij daar ginds vlinders vangt met Scipio!” - -„Ik wilde liever dat hij wat dichter bij mij bleef, ik vertrouw hem -niet geheel alleen met dien knaap, ik vrees dat hij niets goeds van hem -leert.” - -„Gij zijt te zwaartillend Digna, Scipio is volstrekt niet slechter dan -eenig ander knaapje van slavenafkomst.” - -„Dan moet hij al heel slecht zijn; want deze kennis heb ik tenminste -gewonnen van mijn afluisteren der gesprekken mijner levende -vriendinnen. Die slaven hebben den allertreurigsten invloed op de -kinderen, die men geheel aan hen overlaat; al lachend en schertsend -verhaalden zij mij van de zoogenaamde grappen, die hun kinderen -uithalen en die zij ongetwijfeld van hun slavenmakkers geleerd hebben, -en deze deden mij huiveren. Zooveel ik kan, houd ik dus Albert in mijn -nabijheid.” - -Met een blik vol liefde zag Heer Voorneman op zijn jong, ernstig -vrouwtje neer en fluisterde: - -„Heb dank Digna; ge zorgt beter voor mijn kind als zijn eigen moeder -het zou gedaan hebben.” - -„Stil, laat de dooden rusten Markus!” sprak zij verwijtend, „ik doe -mijn plicht en meer niet! En zullen we nu voor een enkelen dag de -Bataviasche wereld verlaten en onzen ouden vriend hooren spreken?” - -„Als die wereld u maar niet komt opzoeken, Digna!” - -„O dat hoop ik niet; vandaag tenminste niet. We zullen immers den Adam -in ballingschap nemen nietwaar, dat hadden wij afgesproken. Vreemd, ik -las dit treurspel reeds menigmaal doch nu eerst hier in deze -onvergelijkelijk schoone dreven, kan ik mij recht goed het paradijs -voorstellen; ge moet maar eens hooren... Wat fronst gij het voorhoofd -en trekt gij de lippen samen. Hebt ge weer pijn?” - -„Een weinig, ’t is niets, ’t gaat voorbij.” - -„Zal ik uw artsenij halen?” - -„Zelf halen, lieve, maar waar denkt ge aan, waartoe hebt gij slaven ten -uwen dienste?” - -„Och, ’t is zooveel gemakkelijker zich zelf te helpen; ik vergeet het -telkens dat het ook tot mijn plichten behoort mij te laten bedienen.” - -Zij wenkte een der slavinnen, die aan het andere einde der galerij -gehurkt zaten en gaf haar op vriendelijken toon in enkele woorden haar -bevel; toen riep zij Albert, liefkoosde hem, en stiet het kind -zachtkens naar den vader opdat deze hem ook over het haar zou strijken. - -„Blijf hier, jongske!” zeide zij vriendelijk, „tot dien grooten -ketapangboom moogt ge gaan, niet verder en dan zal moeder u van avond -naar bed brengen.” - -„Zal moeder dat werkelijk doen?” vroeg hij met schitterende oogen en -overlaadde haar met kussen. - -„Ja zeker, als Albert gehoorzaam is! En nu Markus zal ik beginnen. Is -de pijn wat dragelijk!” - -„Ik denk er niet meer aan, Digna; kom begin spoedig, ik ben vol gehoor, -het groote licht zal ons weldra verlaten.” - -Zij zetten zich naast elkander en met haar klankvolle, heldere stem -begon Digna den aanhef der tragedie met de woorden van: - - - LUCIFER. Ik eerst geheiligd om de kroon van ’t licht te spannen, - En nu van ’t eeuwig licht in duisternis gebannen.... - - -Niet verder was zij gekomen toen zich het rollen van een karos op den -zandweg deed hooren. - -„Bezoek!” riep zij uit, het hoofd oprichtend, „ja, neen, men rijdt de -Klapperlaan in, ach hoe jammer!” - -„Wel jammer! Waar zullen we hen ontvangen, Digna?” - -„Hier natuurlijk, waar anders! ’t Is hier luchtig en frisch.” - -Man en vrouw stonden op om de bezoekers te begroeten, die reeds uit de -koets gestapt waren en het bordes betraden; het was een deftig gekleed -echtpaar gevolgd door een jong man, wiens blozende kleur duidelijk -genoeg verried dat zij nog niet lang aan de brandende keerkringszon was -blootgesteld geweest. - -„Gij zult ons ten goede houden!” sprak Digna na de eerste begroetingen -vriendelijk en beleefd, „dat wij u in de galerij boven het water -ontvangen; het is daar frisscher dan binnenshuis en zelfs dan op de -stoep.” - -„Wij hebben inderdaad van die nieuwigheid gehoord, mevrouw, die u op uw -landgoed heeft ingevoerd,” zeide de bezoekster met een genadig lachje. - -De pas aangekomenen waren de Extra-ordinaris Raad van Indië Dammers, -zijn vrouw en dochter en een kersversch uit Europa aangekomen neefje; -de heer Voorneman was dus eenige graden zijn mindere, maar een -vriendschap van jaren herwaarts verbond beide mannen, terwijl ook -Digna’s voorgangster, de overleden mevrouw Voorneman, zeer bevriend was -geweest met mevrouw Dammers. - -„Zullen wij dan den heeren voorgaan?” vroeg Digna altijd even hoofsch -haar gast den voorrang gevend. - -Mevrouw Dammers was kostbaar gekleed zooals het bij een eerste bezoek -paste; haar kleeding echter meer rijk dan smaakvol, was overal waar het -maar eenigszins kon met goudborduursel bezet, zijde en fluweel -wisselden kwistig met elkander af; een slaaf moest den zwaren sleep -ophouden toen zij over het kiezelzand naar de galerij wandelde. - -Hoe moeilijk zij deze kleederen torschte, getuigden de hoogroode kleur, -die haar bolrond gelaat bedekte en de zweetdroppels, welke zij telkens -met haar zakdoek afdroogde; hijgend wuifde zij haar waaier en de enkele -stappen, die zij nog maken moest naar de zitplaats, door de gastvrouw -aangewezen, vielen haar blijkbaar uiterst moeilijk. - -Naast die verhitte, aamechtige vrouw in haar zware kleederen kwam -Digna’s licht toilet, frisch en koel uit. - -„Hoe verdraagt gij toch de hitte?” vroeg mevrouw Dammers tusschen twee -zuchten in. - -„Ik voel geen hitte,” antwoordde het jonge vrouwtje glimlachend. - -„Dat wil ik gelooven, als men zich niet kleedt,” was het bitse -wederwoord, dat een lichte blos op Digna’s zachtbleeke wangen wierp. - -„Mijn kleed is misschien minder zwaar dan het uwe,” antwoordde zij -kalm, „maar overigens is het niet minder volledig.” - -„Uw voorgangster, die wist zich te kleeden! Hebt gij haar japonnen -gevonden? Er waren zulke kostelijke bij; niemand kon indertijd het -tegen haar volhouden of ik moest het zijn. Ieder regelde zich naar ons. -Wij gaven den toon aan en als wij iets nieuws hadden, dan konden wij -zeker zijn, dat over weinige dagen alle andere dames ons tot voorbeeld -hadden genomen, maar wij wisten dat vooruit en zorgden dan weer te -voorschijn te komen in een splinternieuw kleed. Wij deden alles samen, -begrijpt ge en daarom behoefden wij niet bang te zijn dat de een het de -ander afwon. Ja, het verlies der goede Margaretha is zwaar en -onherstelbaar geweest!” - -Zij zuchtte nog eens zoo diep; men was intusschen onder de galerij -gekomen en nam plaats op de gemakkelijke stoelen, die de slaven -bijschoven. De drie heeren zaten op eenigen afstand van de dames; -zoodat een algemeen gesprek niet mogelijk was. - -Arme Digna, men kon het aan den weemoedigen blik bemerken, waarmede zij -haar Vondel aanzag, hoe veel het haar kostte den levenloozen dichter te -moeten ruilen voor haar diep ademende gast. Zij legde het boek weg om -plaats op tafel te maken. - -„Ha, een boek! Dat zal ook niet weten hoe het op Voornelust komt,” -zeide mevrouw Dammers min of meer scherp, „de goede Margaretha was met -mij van oordeel dat een boek slechts hoogst zelden, om niet te zeggen -nooit in vrouwenhanden paste.” - -„Mij is dat anders geleerd!” - -„O ja, zeker door uw moeder! Ik heb haar nog even gekend.” - -„Mijn moeder, hebt gij haar gekend?” vroeg Digna met schitterende -oogen, „o mevrouw, vertel me van haar! Hoe schikte zij zich hier?” - -„Ik weet het slechts bij overlevering; zij had vreemde begrippen -evenals gij. Zoolang haar man afwezig was, ging zij niet uit; zij -spaarde haar slaven het werk om het zelf te doen, en zij was zoo wijs -met haar dochtertje dat zij geen slavin goed genoeg achtte om het op te -passen.” - -„Daaraan herken ik mijn lieve, goede moeder!” dacht mevrouw Voorneman, -maar sprak het niet uit. - -„Ze is, dood nietwaar,” zeide mevrouw Dammers, „na eerst hertrouwd te -zijn. Dat was hier een schrik toen men den dood van uw vader vernam; -kort er op is zij naar Europa vertrokken. Waarlijk, zij had hier ook -wel een goed huwelijk kunnen doen. De Edele heer Dammers is mijn derde -echtgenoot, daarom had zij dus niet behoeven terug te keeren.” - -„Ik geloof niet dat mijn moeder toen aan de mogelijkheid van een tweede -huwelijk gedacht heeft!” sprak Digna met van ingehouden -verontwaardiging trillende stem, „eerst later toen zij begrepen had hoe -alleen een weduwe staat en zij mijn stiefvader ontmoette, kwam het -denkbeeld bij haar op nogmaals te huwen.” - -„Och, ge praat naar dat ge verstand hebt. Meent ge dat ik niet weet hoe -weduwen denken? Ik ben het zelf tweemaal geweest en ik was even -bedroefd als elk ander, meer misschien nog dan mevrouw Tak, van wie -niemand naar men zegt een traan heeft gezien, en toch was ik den -eersten keer na tien maanden en den tweeden keer na zes maanden weer -getrouwd. Als gij weduwe waart, zoudt gij het zelf ook ondervinden.” - -„God beware er mij voor!” zeide Digna oprecht, terwijl de uitdrukking -van haar lippen genoeg verried hoezeer het gesprek haar mishaagde. - -„Wilt ge meer van uw moeder hooren?” vroeg mevrouw Dammers. - -„Mag ik u eerst eenige verfrissching aanbieden?” was de beleefde maar -koele wedervraag. - - - - - - - - -III. - -EEN VISITE OP BATAVIA. - - -Net gekleede slavinnen dienden de ververschingen rond; zij bestonden -voor de dames uit thee, limonade en gebak, voor de heeren uit bier -terwijl ook de goudsche pijpen niet vergeten werden. - -Mevrouw Dammers dronk het eene kopje na het andere glaasje leeg en -verzuimde intusschen niet met afkeurenden blik toe te zien, hoe de -jonge gastvrouw zelf de behulpzame hand bood om haar gasten te -bedienen. - -„Ge kunt nog slecht met uw slavinnen overweg,” zeide ze na een poos, -„gij verwent ze, door hen werk uit de handen te nemen. Dat doet men -hier niet, uw man moest het u afleeren!” - -„Ik ben zeer tevreden over haar diensten en mijn echtgenoot ook.” - -„Dat wil ik gelooven, die goede Margaretha heeft zich moeite genoeg -voor hen gegeven. Zij was onverbiddelijk streng voor hen; bij elk klein -vergrijp liet zij hen de 20 of 30 geven. ’t Is goed dat gij het weet, -men kan voor een kleinigheid, maar 10 of 12 stuivers, dat door de -negers van den fiscaal laten doen, dan behoeft men hun gekerm niet aan -te hooren; dat is zeer gemakkelijk vindt ge niet? Ik heb vandaag mijn -lijfslavin Tandjoeng nog veertig slagen laten toedeelen, zij had mijn -mooiste ivoren kam op mijn haar gebroken, en verbeeld u, van middag -verklaarde zij te ziek te zijn om mij te helpen. Ik liet haar halen en -zij strompelde naar binnen; maar toen ik haar dreigde dat zij den -volgenden dag er nog twintig bij kon krijgen, keerde het blaadje om en -zij hielp mij zoo handig als ooit te voren. Welke van uw slavinnen is -het laatst aan de beurt geweest?” - -„Ik ben niet voornemens lijfstraffen aan mijne bedienden te laten -uitdeelen.” - -„Niet! maar lieve mevrouw! waar denkt u aan? U die zoo pas hier komt -wil ons de wet voorschrijven?” - -„Ik schrijf niemand iets voor, doch in mijn huis heb ik rechten en ik -wil geene mishandeling gedoogen van arme schepselen, die toch evenals -ik kinderen zijn van denzelfden Vader in den Hemel.” - -Met groote oogen zagen mevrouw en juffrouw Dammers de spreekster aan; -een domme lach trok de dikke lippen der jonge dame van elkander. Zij -had nog geen woord gezegd, want zij verstond nauwelijks Hollandsch; -geheel overgeleverd van jongs af aan slaven en slavinnen, was zij, -hoewel van zuiver Europeesch bloed, even achterlijk als de kinderen der -inboorlingen. - -„Astaga!” riep zij uit, „begimana Njonja!” - -„Kinderen van denzelfden Vader; het mocht wat, die bruine wezens mijn -broeders. Verbeeld je Hendrika, wat mevrouw zegt, dat Tongkeng en -Djamoe uw broers zijn, uw soedara!” - -Nonna Hendrika grinnikte; de gastheer had eenige klanken van het -gesprek opgevangen en zag niet zonder bezorgdheid om naar zijn jonge -vrouw die zoo onverholen voor haar meening uitkwam. - -Digna hield met geweld haar gevoel in bedwang en wendde zich toen met -haar gewone bevalligheid tot de heeren: - -„Zijn de heeren bediend? Belieft mijnheer Dammers geen pijp?” vroeg ze -den jongen baar, die niet rookte. - -„Ik vraag verschooning mevrouw, maar ik rook nooit!” antwoordde hij -opstaande en een diepe buiging makend, zoo onhandig dat hij zijn glas -bier omver wierp, welk ongeval hij door zijn linksche bewegingen nog -verergerde. - -„O ’t is niets, maak u niet moeilijk,” zeide Digna lachend en boog zich -om het glas, dat niet gebroken was, uit het zand op te rapen, en hem -weer in te schenken. - -„Digna! roep Sidha!” zeide haar man zacht verwijtend. - -„Er is niets bedorven?” sprak Digna vriendelijk, „kan ik u misschien -genoegen doen met deze gebakjes?” - -„Zijn ze niet in olie gebakken?” vroeg hij met een wantrouwende -uitdrukking. - -„Wees gerust!” antwoordde zij glimlachend, „daar is geen olie bij -gebruikt. Smaakt u het Indische eten wel, mijnheer?” - -„Voor zoover er geen olie bijkomt kan ik mij er in schikken.” - -„Hij eet niets als koude rijst met boter en suiker!” riep mevrouw -verontwaardigd, „ik wil hem echter niets anders laten klaar maken, hij -moet zich maar wennen, aan de wijze, waarop wij allen hier eten van den -Edelen Heer Generaal af.” - -„Ik vrees dat ik wel doodgehongerd zal zijn, voor ik mij gewend heb,” -zeide de andere droevig, „ik geloof dat ik dien scherpen oliesmaak -nooit dragelijk zal vinden en sta in dit gevoelen niet alleen. Daar -hebt gij den Eerwaarden Heer Predikant Valentyn, die toch reeds sinds -jaren in de Oost is geweest, te Amboina gestaan heeft en nu hier aan de -Kasteelkerk verbonden is; hij verklaarde mij gisteren nog dat het hem -onmogelijk was, de op Javaansche wijze toebereide spijzen te nuttigen -maar u zelf mevrouw, die ook nog sedert kort Europa verlaten hebt, hoe -gevalt u de Indische tafel?” - -„Ge vergeet dat ik een geboren Indische ben,” hernam Digna, „’t is -echter waar dat ik sinds lang den smaak der Indische keuken vergeten -ben, ik had er trouwens den tijd toe; maar alles smaakt mij goed. Zoo -de jonge heer Dammers ons eens het genoegen wil doen onze bescheiden -tafel te deelen dan hoop ik hem echter het bewijs te leveren dat men -ook te Batavia de Hollandsche spijzen niet behoeft op te geven.” - -„Koerang adjar!” [18] mompelde mevrouw Dammers haar dochter in ’t oor. - -„Betoel,” [19] bevestigde de jonge juffrouw. - -„Mevrouw, de eer, het genoegen zullen aan mij zijn,” riep de jonge man -verrukt uit. - -„Ge spraakt daar over den Eerwaarden Heer Valentyn, neef,” zeide de -oude Heer Dammers, „maar gij hebt daar ook juist een voorbeeld -opgenoemd dat niet verdient nagevolgd te worden. Die Eerwaarde Heer, -verheugt zich in geen sterke gezondheid en maakt zijn ziekelijken -toestand nog erger door zich allerlei kwalen in te beelden en die toe -te schrijven aan de levenswijze alhier.” - -„Met uw verlof, Edele Heer!” sprak Digna, „maar ik voor mij geloof dat -de Europeanen hier over het algemeen veel gezonder zouden zijn, indien -zij hun levenswijze en kleeding schikten naar de eischen van het -klimaat.” - -„Bijvoorbeeld, zooals u het doet, jong mevrouwtje! Wel zeker, ik zou -ieder raden, die zijn hoofd zag vergrijzen in Oost-Indië, uw raad te -volgen, die u zoo welwillend mededeelt,” beet mevrouw Dammers haar -spottend toe, „u weet alles veel beter schijnt het dan wij, die reeds -over de 20 jaar op Batavia wonen.” - -„Vergeef mij mevrouw, het was mijn bedoeling niet u mijn zienswijze op -te dringen,” hernam mevrouw Voorneman altijd even beleefd, „mag ik de -jonge juffrouw nog een kopje thee schenken?” - -„Dank u, lust niet,” was het antwoord. - -„Nicht Hendrika brandt uw tong nog?” vroeg de jonge heer die zich nu -bij de dames voegde, daar hij voor de lieve gastvrouw een sympathie -voelde, welke hem tot nu toe in dit land vreemd was gebleven. - -„Wat?” vroeg zijn nicht. - -„Ik vraag u of uw tong nog brandt van dien duivelschen kost, welke u -mij straks heeft doen proeven. Ik voor mij, mijn lippen gloeien nog -telkens.” - -De jonge juffer barstte in een ongemanierd gelach uit en haar neef ging -voort nu tot Digna gericht: - -„Verbeeld u mevrouw, zij bood mij straks iets aan dat zij vruchten in -gelei noemde en recht smakelijk met de vingers aan haar mond bracht. Ik -hapte toe en ô foei! Het was of mijn verhemelte en tong in lichte laaie -stonden.” - -Nonna Hendrika bleef het uitgieren. „’t Was roedjak [20]!” klonk het -alleen tusschen de lachbuien door. - -De beide heeren hadden intusschen hun gesprek over politiek hervat, zij -bespraken de kansen op een nieuwen Java-oorlog, die nu hoe langer hoe -waarschijnlijker werden. - -De oude, versufte Soesoehoenan Hamangkoe-Rat was overleden tot groote -vreugde van zijn oudsten zoon en erfgenaam Adipati Anoem, die reeds -tijdens het leven van den ouden keizer zich als zijn opvolger had doen -erkennen. De Rijksgrooten bogen voor het geweld, maar zagen toch met -leede oogen den wreeden, wellustigen prins den troon zijns vaders -innemen; met beide handen grepen zij het voorwendsel aan, dat hij -volgens de adats (wetten of gewoonten) van de regeering uitgesloten -moest zijn, omdat hij kreupel was. - -Ook de Compagnie was niet ingenomen met den nieuwen keizer, die van -zijn haat tegen de Hollanders geen geheim maakte en van verlangen -brandde hen allen te verdelgen of ten minste uit Java te verdrijven; -van hem kon de Compagnie het allerminst verwachten dat hij een einde -zou maken aan de gespannen verhouding, die sinds den moord op kapitein -Tak, dus sinds 1686, tusschen Karta-Soera en Batavia heerschte. Nog -altijd was de schuld van 1200000 rijksdaalders niet vereffend; in de -brieven, welke hij naar Batavia zond, repte hij geen woord over deze -schuld. - -Het verzet in Karta-Soera werd echter hoe langer hoe heviger, totdat -eindelijk ’s keizers oom Pangeran Poeger, na een vernederende straf hem -door zijn neef opgelegd, naar Samarang vluchtte om de bescherming der -Compagnie in te roepen; deze zag nu de kans schoon om invloed te -verkrijgen aan het Mataramsche hof. - -Daar er van den nieuwen keizer, Soenan Mas genaamd, niets voor haar te -hopen viel, verklaarde zij hem niet te erkennen maar in zijn plaats -zijn oom te huldigen rondom wien zich dadelijk de voornaamste -rijksgrooten vereenigden en die nu onder den naam van Pakoe Boewana als -keizer optrad; hij beloofde geheele onderwerping en onbegrensde -dankbaarheid aan de Hollanders, die nu, zoodra hij op den troon -geplaatst zou zijn, begrepen een gewillig werktuig ter bereiking hunner -plannen in de hand te hebben. - -Maar nog heerschte Soenan Mas in werkelijkheid hoewel hij zijn toestand -gevaarlijk scheen te achten want zijn houding tegenover de Compagnie -veranderde geheel; even trotsch en aanmatigend als zij vroeger geweest -was, zoo kruipend en onderdanig werd zij thans. Hij deed de -buitensporigste beloften wanneer men hem slechts erkennen wilde en zijn -oom aan hem uitleverde. Al zijn pogingen waren vergeefsch; zijn -toestand werd steeds hachelijker, zelfs de gezanten, die hij aan de -Compagnie toezond, onderwierpen zich aan Pakoe Boewana en keerden met -verraad in het hart naar hem terug. - -De Compagnie had nu eindelijk besloten om door kracht van wapenen den -afgezetten keizer te bestrijden; onlangs waren er nieuwe strijdkrachten -uit Europa aangekomen, weldra zouden zij Batavia verlaten om naar -Karta-Soera op te rukken. Deze oorlog kon der Compagnie een geduchte -nieuwe macht verzekeren zoo zij tot een goed einde werd gebracht. - -„En toch,” sprak de heer Voorneman, „zal er niets gewonnen zijn, -zoolang daar in den Oosthoek, die Balineesche slaaf den scepter zwaait. -Hij is meer te vreezen dan de Mataramsche prinsen in hun verwijfdheid -weggezonken.” - -„Maar ook tegen hem zullen wij onze krachten laten oprukken en dan zal -evenmin de steun der Javanen ons ontbreken, want Soerapati of, zooals -hij zich thans noemt, Radhen Adipati Wiro Negoro is de bitterste vijand -van Mataram.” - -„Gelooft ge dat waarlijk, vriend? Er is zoo weinig op de vijandschap of -vriendschap dier menschen te bouwen; men zegt dat Soenan Mas zijn hulp -en bescherming zal inroepen, zóó wij voortgaan de ooren te sluiten voor -zijn overdreven aanbiedingen; als dat zoo is, dan zal het tegen dien -geduchten vijand zijn dat wij moeten strijden, des te meer geducht daar -hij kennis heeft van onze toestanden en onze wapenen.” - -„Spreekt ge van Soerapati?” vroeg mevrouw Voorneman zich in het gesprek -mengend, waarschijnlijk omdat het haar verveelde naar hare bezoeksters -te luisteren, „is dat dezelfde, die oorzaak was van den wreeden dood -mijns vaders?” - -„Juist mijn lieve! Die man was eenmaal slaaf hier op Batavia, men zegt -dat hij wegens een liefdesgeschiedenis met een Hollandsch meisje, in de -gevangenis opgesloten, wist te ontkomen en later naar Karta-Soera -vluchtte; daar wilde de valsche keizer of zijn rijksbestuurders hem -gebruiken om de soldaten der Compagnie te vermoorden. De zaak zal -altijd duister blijven. Uw vader, de buitengewone gezant der Compagnie, -werd op den dag zijner aankomst gedood, door de Balineesche schelmen en -nog is die hoon niet gewroken; de booswicht ontkwam en vestigde zich in -Oost-Java, waar hij thans de opperheerschappij voert en zich -koninklijke eer laat bewijzen. Zelfs het onafhankelijke rijk aan -Balembangan is hem onderworpen; alle vijanden der Hollanders vinden bij -hem een schuilplaats, geheele gewesten van Mataram behooren hem toe, -daar hij ze veroverde en den keizer de macht ontbreekt zich te -verzetten.” - -„En moet die toestand nog langer voortduren? Is het geen schande dat de -machtige Compagnie zich laat weerstreven door een ontvluchten slaaf, -dat zij bijna twintig jaar ziet verloopen voor zij den hoon haar -aangedaan wreekt? Ik was een kind van nauwelijks anderhalf jaar toen -mijn vader stierf, nu ben ik reeds echtgenoot en nog gaat zijn -moordenaar voort de Compagnie te tarten.” - -De zachte, vriendelijke oogen van Digna flikkerden van -verontwaardiging. De dames zagen elkander veelbeteekenend aan, de oogen -van den neef rustten vol bewondering op haar schoon door de ontroering -hooger gekleurd gelaat. Haar echtgenoot glimlachte en de Edele Heer -Dammers haalde de schouders op. - -„Die gevoelens doen uw kinderhart eer aan, mevrouw,” zoo sprak hij een -weinig spottend, „maar de Compagnie is niet almachtig, vooral in de -laatste jaren heeft zij genoeg moeten voelen hoe ook haar macht grenzen -heeft. Toen uw hooggeachte vader, dien ik het voorrecht had van zeer -nabij te kennen, vermoord werd, was de Gouverneur-Generaal Speelman -juist overleden en had een schromelijke verwarring in de zaken van het -Bestuur achtergelaten, een verwarring waarvan wij nu nog de gevolgen -dragen. Ik voor mij geloof dat de Compagnie een langzaam verval -tegemoet gaat; voor het oogenblik zal zij waarschijnlijk over de -noodige kracht beschikken om geen nederlaag te lijden bij den oorlog, -dien zij tegen Soenan Mas gaat ondernemen; om Soerapati echter aan te -vallen, heeft zij den steun der Javaansche opperhoofden noodig. Bedenk -mevrouw, hoe onberekenbaar veel schade haar een ongelukkige veldtocht -in de oogen der Javanen moet berokkenen. Mag daaraan nu niet het zeer -wettige verlangen naar wraak worden opgeofferd? ’t Is voor alles -noodig, dat wij hun verschijnen als een verhevener soort menschen, hun -geboren meesters, als onoverwinbare strijders.” - -„En om dat doel te bereiken, nemen wij hun schatten aan, maken gebruik -van hun twisten ten einde hen onder onze macht te doen buigen, maar hen -te leeren ons te achten als een waarlijk goed en grootmoedig volk, -daaraan denkt gij niet. Ik beklaag er mij over dat mijns vaders dood -niet gewroken is, waarom dan zoo het wreken u te zwaar valt, geen -gebruik gemaakt van het goddelijk recht der vergeving? Waarom maken wij -misbruik van hun ondeugden om ons zelf rijker en machtiger te maken, -waarom... maar het past mij jonge onervaren vrouw niet, mannen van -beproefde ondervinding, verwijten te doen. Gij kunt er ook niets aan -veranderen, ik zou het echter zooveel edeler en christelijker vinden -wanneer de Hollanders in plaats van voor alles aan hun macht en rijkdom -te denken, eens begrepen hoe droevig de toestand dier arme menschen is, -en hoe het onze plicht is nu wij reeds zulk een groot gedeelte van hun -land in het bezit hebben, den Javanen in ruil daarvoor de hoogere -schatten te geven, welke wij bezitten, onze beschaving, onzen -godsdienst.” - -„Gij zijt de nicht van den Heer Opperlandvoogd,” zeide mevrouw Dammers -minachtend, „waarom ontvouwt gij aan Zijn Edelheid uw denkbeelden niet, -die in den mond van een predikant beter passen dan in den uwe? Och, wat -zou mijn goede Margaretha zeggen als zij u hoorde?” - -„Vergeef me, mevrouw!” zei de Digna bedaarder, „ik ben onbescheiden -geweest, naar ik vrees, maar deze gedachten komen zoo dikwijls in mijn -geest op dat zij als vanzelf mijn mond ontsnappen. Mag ik u nog een -kopje thee aanbieden?” - -„Het zal tijd worden op te staan en naar huis terug te keeren,” zeide -mevrouw Dammers. „’t Is geheel donker geworden.” - -Weinige oogenblikken later reed de koets, voorafgegaan door flambouwen, -het erf van Voorneman af en de gastheer ging in de rijk met verguldsel -en snijwerk versierde zaal zijner woning, ten prooi aan een hevige -gemoedsbeweging op en neder. - -Digna bracht haar stiefzoontje naar bed; toen het knaapje rustig sliep, -keerde zij naar haar echtgenoot terug, die met blijkbaar ongeduld op -haar wachtte. Hij kwam haar te gemoet, zij nam zijn beide handen in de -hare en zag hem vertrouwelijk aan. - -„Het spijt mij Markus,” sprak zij, „ik ben zeer onbedachtzaam geweest, -heb ik groot kwaad gedaan?” - -Hij drukte haar handen aan zijn lippen en antwoordde met gedempte stem: - -„Gij zijt een dweepster, Digna, een lieve, heldhaftige dweepster. ’t Is -uw schuld niet mijn arm kind, maar van uw omgeving, dat gij in haar -midden niet past. O ware ik twintig jaar jonger en had u dan leeren -kennen, welk een man hadt gij van mij gemaakt.” - -Diep zuchtend liet hij zich in een der gebeeldhouwde leuningstoelen -vallen zonder haar handen los te laten; zij bleef naast hem staan, -vriendelijk en zacht als altijd. - -„Gij moet mij leeren hoe mij in gezelschap dier dames te gedragen. Ze -spreken een taal die ik niet versta. Veel liever luister ik naar de -gesprekken der mannen, die zijn mij begrijpelijker. Verbeeld u Markus, -dat die vrouw mij den raad gaf mijn slaven te laten geeselen zelfs als -zij onschuldig waren om mijn gezag te handhaven, daar ik nog zoo jong -was. En een andere vraag deed ze mij, die ik nog veel minder begrijp. -Ze vroeg of ik met het schip dat eerstdaags naar Japan vertrekt niets -mee gaf aan den onderstuurman; zij had reeds tien kisten klaar staan. -Ik zag haar onnoozel aan en vroeg wat er met die kisten gedaan moest -worden; zij gilde het uit van lachen, en antwoordde: „Wel natuurlijk, -die worden daar verkocht,” en toen ik opmerkte: „Maar de dienaren der -Compagnie mogen geen handel drijven,” lachte zij nog harder en hernam: -„Wie zal ’t hun durven beletten want wee, als iemand het waagde hun te -betrappen. Wij staan te hoog dan dat een ondergeschikt ambtenaar ons -zou aanklagen, zij sluiten hun oogen!” Ik wilde er niets meer van -hooren, maar is dat waar Markus, bestaat hier zulk een geheime handel, -dan behoeft men ook niet te vragen, waarom die schijnbaar zoo machtige -Compagnie inderdaad zoo zwak is; dan komen de schatten enkelen personen -ten goede en niet het Vaderland. Kan de justitie daar niets tegen doen, -Markus?” - -Hij keerde den blik af en boog het hoofd, aarzelend hernam hij: - -„Het kwaad is te algemeen, te diep ingeworteld, men kan het niet meer -tegen gaan.” - -„Van welken stand is mevrouw Dammers eigenlijk Markus,” vroeg Digna, -die instinctmatig voelde, dat zij hier een onderwerp aanroerde dat haar -man pijnlijk viel; „me dunkt zij moet in Holland niet tot de -patricische familiën behoord hebben.” - -„Zeer patricisch inderdaad!” antwoordde hij spottend, „haar moeder had -een groentekelder in Leiden, en toen zij met haar eersten man naar Java -vertrok, zegt men dat hij ginds wegens diefstal in de gevangenis had -gezeten. Hij was hier timmerman, doch zij werden spoedig rijk, vraag -liever niet hoe, en toen hij stierf vond zij een veel aanzienlijker -echtgenoot, zoodat niemand het mijn vriend Dammers kwalijk nam toen hij -haar derde man werd. Maar wilt gij vrede hebben, mijn liefste vrouw, -neem de menschen en de zaken zooals zij hier zijn. Luister toe en -spreek met mij over uw bezwaren, doch verkwist uw schoone gedachten -niet aan menschen die niet waard zijn ze aan te hooren, die er -misschien verkeerde gevolgtrekkingen uit maken, welke te eer geloof -zullen vinden omdat men u benijdt om uw schoonheid, uw jeugd, uw -verstand en ontwikkeling!” - -„Ik zal uw raad opvolgen, beste man! En zeg mij steeds openhartig -wanneer ik iets miszegd heb. Ik ben nog zoo jong en onervaren!” - -„Ge zijt mijn grootste, mijn dierbaarste schat, het licht mijner oogen, -de vreugd mijner ziel, o waarom ben ik geen jonge, krachtige man, in -plaats van een afgeleefde, zieke grijsaard!” riep hij plotseling uit en -strekte hartstochtelijk de armen uit naar zijn vrouw, die verrast, meer -door den klank zijner stem dan door die beweging achteruit ging. - -„Ge ontwijkt mij!” zeide hij op moedeloozen toon en zakte toen in zijn -stoel terug, „’t is waar, ge hebt mij lief misschien, als een vader -echter doch niet als een echtgenoot. Er is een ander wiens herinnering -leeft in uw hart en dien gij niet vergeten kunt.” - -„Spreek zoo niet Markus!” zeide Digna met neergeslagen oogen, „hij is -dood voor mij, misschien behoort hij ook werkelijk niet meer tot de -levenden. In elk geval ik heb u trouw en liefde beloofd, en met Gods -hulp zal ik die belofte vervullen en slechts leven voor u en voor ons -kind!” - -„Ik weet het Digna, ik weet het! Gij zijt een voorbeeldige echtgenoot, -een zorgvuldige moeder; ik dank God dat Hij u aan mij schonk, dwaas ben -ik meer te verlangen, hoe kan ik van u de liefde verwachten, die gij -eenmaal uw jongen vriend in zoo ruime mate geschonken hebt, maar o ge -weet niet hoe ik u heb lief gekregen....” - -„Gij hebt mij voor ons huwelijk slechts gesproken van vriendschap en -genegenheid en ik beloofde u beide op mijn beurt daar ik geen liefde -meer weg te geven had. Die heeft de ander medegenomen. God alleen weet -waarheen!” - -Haar woorden eindigden in een snik, hij hoorde het en preste de handen -op zijn hart als wilde hij met geweld een duldelooze pijn onderdrukken. - -„Vergeef mij,” bad zij en knielde naast hem neer, haar lief, onschuldig -gelaat smeekend naar hem opheffend, „’t is mijn schuld niet; ik heb u -niet bedrogen, ik tracht mijn plicht te doen en hem te vergeten. Niet -ik begon dit voor ons beiden zoo smartelijk onderhoud.” - -„Ik doe u geen verwijten Digna, ’t is alles mijn schuld. Ik heb u meer -of minder beloofd dan ik geven kon, maar ik was geen meester van mijn -hart. Eerst na ons huwelijk begon mijn kalme vriendschap voor u over te -gaan in een liefde zoo vurig en hartstochtelijk dat zij belachelijk -schijnt voor mijn grijze haren. Nooit eerder wist ik wat het beteekende -een edele, reine vrouw te beminnen, een vrouw, die den dampkring -zuivert, waarin zij ademt, een vrouw, die ons liefde afdwingt en -tegelijk ook achting, die met ons denkt, leeft en voelt, die van haar -huis een heiligdom maakt, waarin alle deugden geëerd en beoefend -worden. Die vrouw hebt gij mij leeren begrijpen. Helaas! Digna! te -laat! Ik ben wel krankzinnig om u over mijn gevoel te spreken, wellicht -verstoor ik uw kalmte en rust, de gaven, waarvoor gij mij ’t -dankbaarste zijt en die de eenige zijn, welke ik u geven kon. Ik had -mijn geheim naar het graf willen meenemen, waarvan ik misschien nog zoo -kort verwijderd ben.” - -Met tranen in de oogen zag Digna hem aan; diep medelijden, innige -toegenegenheid las hij in dien blik, meer niet; zij hield haar handen -gevouwen op de leuning van den stoel, maar stak ze niet uit om hem te -liefkoozen. Hij streek zich over het gelaat, zuchtte diep en stond toen -op. - -„Ga even rusten, lieveling!” zeide hij, haar opheffend en een lichten -kus op haar voorhoofd drukkend, „tracht te vergeten wat ik u gezegd heb -en laat alles weer zijn zooals vroeger.” - -„Zooals vroeger!” herhaalde Digna bij zich zelf, toen zij alleen was, -„hoe zal dat ooit geschieden? Ik voelde mij zoo rustig, zoo kalm onder -zijne bescherming, zal ik ’t nog steeds zijn wanneer ik weet dat hij -bitter lijdt en ik mijn goede man niet schenken kan, wat hem troost?” - - - - - - - - -IV. - -IN DEN MANESCHIJN. - - -Batavia schitterde in de heerlijke, zachte stralen der maan, die den -grond als met kantwerk overdekte, die de schaduw van het gebladerte, en -de wateren der rivier en der grachten omtooverde in vloeibaar zilver; -alles wat bij dag in de Oostersche stad het oog kwetsen kon, verdween -nu in den geheimzinnigen gloed, die zich uitspreidde over huizen en -krotten, over den vaak onhebbelijken toestel der kramen, en passers, -over de onfrissche uitwasemingen der grachten, over de havelooze -mannen, vrouwen en kinderen, van allerlei landaard, die de straten en -kaden vulden. - -Eenige booten en gondels dreven door de grachten, een hunner was -grooter dan de andere, fraai van vorm en bevatte vroolijk en zelfs hoog -gezelschap, de Opperlandvoogd Johan van Hoorn met zijn vrouw en -dochter, benevens zijn nicht de jonge mevrouw Voorneman, haar -echtgenoot en nog eenigen der voornaamste ingezetenen hadden daar -plaats in genomen. Achter hen voer een schuit gevuld met slaven, die -muziek maakten en het vroolijke gelach overstemde, dat in de verte -ruimschoots weerklonk. - -„Zijn Edelheid wordt weer jong!” sprak een heer in een der andere -booten, waarin o. a. ook de Directeur-Generaal zit. - -„En geen wonder!” zeide dit hooge personage op eenigszins -verachtelijken toon, „als men zoo omringd wordt door jeugd; alles is -jong rondom onzen Opperlandvoogd, zijne tweede gemalin, de gewezen -mevrouw van Riebeek, de jonge juffer van Hoorn en zijn nicht, zonder -welke geen feest volmaakt is, en die bijna dagelijks op het kasteel -komt.” - -„Voorneman schijnt nu gelukkiger in zijn keuze te wezen dan den eersten -keer. Mevrouw Margaretha was even leelijk en lomp als zijne -tegenwoordige vrouw schoon en slank is.” - -„Maar ook haar tong is spits en scherp. Voorneman heeft toe te zien dat -zij hem geen nadeel toebrenge!” - -Op een der grachten zat een groepje heeren en dames, voor de deur eener -aanzienlijke woning. - -„Zulke tochtjes heeft Zijn Edelheid ook niet veel in zijn leven -gedaan,” zeide een dame zeer spijtig. - -„Zij schijnen in den smaak zijner nicht te vallen, die anders voor -alles hier op Batavia haar neusje optrekt. Geen wonder dat de -liefhebbende oom haar dit genoegen gunt.” - -„Men zegt dat zij een onverdragelijke nuf is.” - -„Meer dan dat, zij is een geleerde vrouw. Ik heb van mevrouw Dammers -gehoord op welke onbeleefde wijze zij haar eens in Voornelust ontving. -Zij verkiest verreweg het gezelschap der mannen boven dat der vrouwen; -zij luistert niet naar ons, maar mengt zich het liefst in het gesprek -der heeren.” - -„Dan kan de arme heer Voorneman er nog veel verdriet van beleven, want -zulke zusjes zijn niet te vertrouwen.” - -„Zij wil ons de wet voorschrijven, dat jonge, dwaze kind!” - -Intusschen vermoedde het voorwerp van zooveel ergernis niets van de -vijandige gezindheid, welke zij opwekte. Zij vermaakte zich uitstekend, -de frissche avond met de ongeëvenaarde pracht van een tropischen -maneschijn, de beurtelings droevige dan vroolijke muziek, de geuren der -bloemen, waarmede zij zelf en de andere dames zich getooid hadden en -die de minder zoete miasmen der grachten verdreven, brachten haar in -een wonderbaar weeke stemming; zij drong zich dicht bij haar echtgenoot -aan en drukte zijn hand met een hartelijkheid, welke zijn geheele wezen -met een ongekend zalig gevoel doortrilde. - -„Och Markus,” fluisterde zij, „wat kan het leven toch nog zoet en -schoon zijn.” - -De Gouverneur-Generaal, zijn vrouw en dochter hadden hun nichtje recht -lief gekregen; haar fijne vormen en geestige scherts deden hun eerst -recht begrijpen hoe zij tot dusver hiervan verstoken waren geweest, en -werden daarom door hen des te hooger geschat. - -Voor mevrouw van Hoorn had Digna haar hart uitgestort, hoe zij in -Holland eens had bemind en hoe geheimzinnig haar geliefde haar verlaten -had nadat zijn leven onverwachts een treurige wending nam; hoe zij na -den dood harer moeder met haar stiefvader dien zij niet lijden mocht, -eenzaam achterbleef en dus de hand van den weduwnaar Voorneman, die tot -herstel zijner geschokte gezondheid een jaar in Holland doorbracht, -aannam, daar zij in hem een vaderlijken vriend vereerde en hoe zij zich -nu tevreden en kalm voelde in de vervulling harer plichten; maar wat -zij verzweeg en waaraan zij zelf zoo weinig mogelijk trachtte te denken -dat was Voorneman’s bekentenis. Nu echter scheen het of het bewustzijn -dat hij haar zoo vurig liefhad, haar vleide en niet onaangenaam was. -Zou waarlijk de vergetelheid komen? - -Men was uit de Leeuwinnegracht in de Tijgergracht gekomen en voer nu -den binnenwal te gemoet, toen plotseling niet ver van het -Stadhuisplein, een groepje menschen het water naderde; er scheen heftig -gevloekt en gescholden te worden zonder dat iemand vermoedde hoe dicht -de alom gevierde en geëerbiedigde Onderkoning in de nabijheid was; het -rumoer werd nog heviger, er werd blijkbaar gevochten, het regende -slagen en woeste verwenschingen, daar klonk een doffe slag in het -water, een ondragelijke lucht steeg uit het moeras, dat door den zwaren -val in beroering kwam. - -Een tweede slag volgde; en zwemmend trachten nu twee mannen, waarvan de -een den ander droeg, den oever te bereiken, maar het water was te laag; -het volk dat de vechters uit nieuwsgierigheid gevolgd was, stond -werkeloos toe te zien, niemand stak een hand uit. - -„Moet er niet geholpen worden,” riep Digna doodsbleek en bevend van -ontsteltenis uit. - -„Ik geloof niet, dat er veel aan verloren zou zijn, schoone nicht, maar -ge hebt gelijk, wij moeten hen helpen,” sprak de Gouverneur. - -En hij beval de roeiers met een paar flinke riemslagen den zwemmer te -bereiken; deze de beweging der boot ziende, kwam hen reeds te gemoet, -hij bezweek schier onder den last, waarmede hij bezwaard was, want in -de heldere manestralen scheen deze groot en breed, terwijl de redder -een tengere, slanke knaap was; met de eene hand greep hij de riem, -welke de roeiers hem toestaken, met de andere trachtte hij nog zoo goed -hij kon den drenkeling op te houden. - -Juist zou hij uitgeput door vermoeienis zijn vracht loslaten toen een -der slaven in het water sprong en hem van zijn last onthief. - -„Het zijn twee dronken soldaten, Excellentie!” zeide een der twee -hellebaardiers zonder welke de Opperlandvoogd zich nooit naar buiten -begaf, „waar moet men ze laten?” - -„Men neme ze voorloopig in onze boot, schrijve hun namen op en laat ze -bij de eerste aanlegplaats uit,” beval de Oppergebieder. - -Weldra had men de beide druipnatte mannen vóór ingenomen. De -drenkeling, die nog steeds bewusteloos was, lag op den bodem, de andere -stond recht op, in ellendigen toestand met drijvende kleederen, en -doornatte haren. - -„Hoe komt die man in het water?” - -„Ik heb er hem in geworpen, Uw Edelheid!” - -„En gij reddet hem!” - -„’t Was mijn bedoeling niet hem als een hond voor mijn oogen te laten -verdrinken; hij wilde mij aanvallen en ik heb mij verdedigd. Dat hij -zwak op zijn beenen stond is mijn schuld niet en nu niemand hem wilde -redden, moest ik ’t wel doen.” - -„Hoe is uw naam?” - -„Men noemt mij Walter.” - -„En verder?” - -„Niets meer!” - -„En hoe heet uw kameraad?” - -„Hij is bekend onder den naam van Dikkop, zelf noemt hij zich markgraaf -of baron von Schweinhausen of Schweinsmarken, ik geloof echter dat hij -opgeteekend staat onder dien van Kraus.” - -„’t Is genoeg! Laat hen uit, bij gindsche brug, hellebaardier! -Waarschuw de naaste wacht; beide mannen moeten ondervraagd worden naar -de oorzaak van hunnen twist; de eene kan dan zijn roes uitslapen.” - -„Scheelt u iets, mijn lieve?” vroeg heer Voorneman zijn jonge vrouw, -die bleek en rillend achterover leunde. - -„Niets, Markus, niets! de schrik!” antwoordde zij met haar handen het -gelaat bedekkende, als ware zij bevreesd een treurig schouwspel te -zien. - -De soldaat zag met brandende oogen de dames aan, zijn lippen waren vast -op elkander geklemd, zijn handen hield hij gebald. - -„Zijn we aangekomen? Ik pas niet in dit hooge gezelschap,” fluisterde -hij den hellebaardier toe. - -„Ge hebt gelijk,” antwoordde deze spottend, „uw toilet is niet van dien -aard om door groote dames bewonderd te worden.” - -Juist kwam een wacht langs, die de beide mannen met zich mee nam; de -eene, die nog steeds bewusteloos was hetzij door zijn roes, hetzij door -zijn val, werd gedragen, de andere volgde met trotsche, brandende oogen -om zich heen ziende. - -De Gouverneur-Generaal gaf intusschen bevel naar het kasteel terug te -roeien, daar het tijd ging worden voor het avondgebed. - -De vroolijkheid was nu toch verdwenen, want de ziel van het gezelschap -de jonge, lieve mevrouw Voorneman was zoo stil en in zich zelf gekeerd -geworden na het ongeval, dat ieder zich verwonderde over haar -gevoeligheid. - -Digna kwam t’huis en bleef nog altijd even afgetrokken, op alle -vriendelijke vragen van haar man gaf zij ontwijkende antwoorden; geen -slaap kwam dien nacht haar verkwikken, en den volgenden morgen -verrieden zwarte kringen om haar oogen, hoe slapeloosheid haar gekweld -had. - -„Lieve, ik maak mij zoo ongerust over u!” sprak Markus, die zich gereed -maakte naar zijn werk te gaan. - -„Er is geen reden voor, Markus!” antwoordde zij vriendelijk maar nog -altijd even neerslachtig, „ik zal zoo dadelijk met de les van Albert -beginnen, en hoop u straks weer flink en vroolijk te gemoet te komen.” - -„Wanneer er iets is dat u hindert, weet ge toch dat ik uw meest -vertrouwde vriend ben,” zeide hij min of meer aarzelend. - -„Ik ben van niets meer overtuigd, beste man,” en zij wierp zich aan -zijn borst als een arm gejaagd vogeltje dat een toevlucht zoekt tegen -den dreigenden havik. - -Hij kuste haar teeder, streelde zijn jonkske en stapte in de koets, die -voor het bordes wachtte. - -Nauwelijks was hij alleen, of Digna wierp zich in een der -leuningstoelen neer en barstte in tranen los. - -„Eindelijk, eindelijk!” snikte zij, „kan ik vrij uitweenen. Den -geheelen nacht moest ik mij bedwingen om hem niet te wekken mijn armen, -goeden man! O God! waarom moest ik hem nu weer ontmoeten. Heb ik mijn -rust en vrede dan niet duur genoeg gekocht? Wat is er van hem geworden, -sinds we elkaar het laatst zagen? En hij heeft mij ook herkend aan de -zijde van een ander! Vader in den Hemel, sta me bij! Laat me niet zwak -zijn! Zelfs door geen gedachte wil ik mijn man beleedigen; alles wat ik -nu denk of wensch ten opzichte van Robert is zonde, dat mag ik niet -vergeten! Kon ik Markus maar alles vertrouwen, maar hij ziet er nu -zwakker uit dan ooit, en nu ik weet wat hij voor mij gevoelt, zou het -wreed zijn hem iets te zeggen. En wat moet ik hem bekennen? Dat die -verloopen soldaat, de vriend mijner jeugd is, en dat ik het nog niet -laten kan aan hem te denken, dag en nacht. Heer! Geef mij kracht om -zelfs over mijn gedachten te heerschen!” - -„Moeder, mag ik binnenkomen?” - -Digna sprong op, wischte zich de tranen van de wangen en zich -omkeerend, antwoordde zij: - -„Haal uw boeken maar, lieve Albert! Wij zullen dadelijk met de lessen -een aanvang nemen!” - -Het knaapje huppelde weg, en zijn moeder deed haar uiterste best om tot -zich zelf te komen, voor dat hij terugkeerde. - -Met een kloeke poging om weer zich zelf te zijn, ging zij aan haar -gewone werk, onderwees haar zoontje, regelde het werk der slaven en -slavinnen, maakte met eigen handen een lievelingsspijs voor haar man -klaar en had de voldoening toen hij t’huis kwam hem met een vroolijk -gelaat te kunnen ontvangen. - -’t Was of Markus Voorneman weer opleefde, toen hij den glimlach, die de -zonneschijn van zijn leven was, weer op haar lippen ontdekte; en ook -Digna voelde zich sterker nu zij krachtig tegen haar droeve -herinneringen gestreden had. Al kon zij de gedachte aan Robert nog niet -geheel verdrijven, zij was toch al eenigszins meer naar den achtergrond -gedrongen; het gebeurde van den vorigen avond kwelde haar nog bijna -alleen als de heugenis aan een boozen droom. - - - - - - - - -V. - -JOHAN VAN HOORN. - - -Wanneer men de zes treden opgaat, van het bordes, dat zich vóór het -zoogenaamde paleis van den Opperlandvoogd bevindt, komt men voor de met -groote spijkerkoppen voorziene poort te staan, waarnaast in twee nissen -de beelden van een musketier en piekenier de wacht schijnen te houden. - -Boven deze poort is het gewone merk der Vereenigde Oost-Indische -Compagnie aangebracht, een ineengeslingerde V.O.C. omringd door den -naam van den bouwmeester Cornelis van der Lijn en het jaartal MDCXLVII. -Treedt men deze poort binnen dan komt men in een groote zaal waarvan de -wanden met pieken en musketten behangen zijn, en die trotsch de -vaandels op den vijand veroverd, ten toon stellen. De meubels zijn -anders niet overvloedig, een tafel, een stoel en eenige banken, en een -slaande klok, het eenige openbare uurwerk der stad, dat er op ingericht -is de uren ook naar buiten aan te wijzen; op de banken neemt ’s avonds -de bezetting van het kasteel plaats als de predikant het gebed doet. - -Recht tegenover den ingang bij een groote deur houden twee levende -hellebaardiers de wacht; deze deur geeft toegang tot een reeks van -galerijen en open plaatsen en tot de vergaderzaal der Raden van Indië, -waarin de portretten hangen van alle Opperhoofden, die over Ned.-Indië -geheerscht hebben. - -Rechts van de groote voorzaal bevindt zich het kabinet van den -Gouverneur-Generaal, waarin hij, hoewel het nog vrij vroeg in den -morgen is, zich reeds ingespannen met schrijven bezighoudt. - -Johan van Hoorn, was thans in zijn 53ste jaar en voor iemand, die zijn -geheele leven bijna in Indië had doorgebracht en wiens lokken geheel -vergrijsd waren, nog zeer goed van uitzicht; zijn magere gestalte -scheen langer dan zij inderdaad was, hoewel hij in de laatste jaren -door het voorover zitten een weinig gebogen liep; een vriendelijke -uitdrukking lag over zijn gelaat verspreid. Meestal begroette hij ieder -die hem bezocht met een vroolijken lach, en inderdaad hij had wel reden -te lachen, het zware ambt van Gouverneur-Generaal viel hem licht; hij -had geen tegenstand van den Raad van Indië te vreezen zooals zijn -voorganger, de heer Camphuys; hij had een jonge, mooie vrouw, een lieve -dochter en hij was bezig zich een ontzaggelijk vermogen bijeen te -verzamelen, op welke wijze, hierover laten de geschiedschrijvers van -dien tijd zich niet uit; alleen stippen zij aan dat Zijn Edelheid de -Heer Opperlandvoogd altijd veel zaken deed met de Chineezen en hen -zelfs een voorkeur toonde, die de Hollanders vaak afgunstig stemde. - -Op dezen Juni-morgen van het jaar 1705 had de gewone vroolijke -uitdrukking van Zijn Edelheid’s gelaat plaats gemaakt voor een meer -ernstige; hij doorlas verscheidene stukken, maakte eenige -aanteekeningen, raadpleegde een groote kaart van Java, stond toen op, -en ging de kamer eenige malen op en neer. - -„Ik weet niet hoe de Raad van Zeventienen er over oordeelen zal, maar -een oorlog is onvermijdelijk,” mompelde hij binnensmonds, „wij kunnen -nooit schooner gelegenheid hebben om binnen Java vasten voet te -verkrijgen. Als wij Soenan Mas ondersteunen dan zal Poeger er zich niet -bij neerleggen en zij zullen met hem toch den strijd beginnen. De vraag -is nu alleen: hoe dient onze houding te zijn tegenover Soerapati? -Moeten wij de vriendschap, of de vijandschap zoeken van dien gedrosten -slaaf?” - -Hij bracht zijn gouden schel in beweging en toen de hellebaardier aan -de deur verscheen, beval hij hem: - -„Breng den Chinees, die daar buiten wacht, hier binnen!” - -„Hier binnen Uw Edelheid?” - -„Dat zeide ik immers.” - -Weinige oogenblikken later kwam een zeer bejaarde Chinees, in -eenvoudige niet opvallende maar toch deftige kleeding binnen en boog -zich ter aarde voor den Gebieder. - -„’t Is goed, Babah!” sprak de gouverneur, die op zijn hoogen -leuningstoel gezeten was, „ik heb gehoord, dat gij in den oosthoek van -Java geweest zijt en daar Radhen Wiro Negoro gezien en gesproken hebt.” - -„De groote Heer spreekt zeer juist; ik kom van Pasaroean en heb daar -den dalem bezocht van dien prins en hem zelfs van aanschijn tot -aanschijn gezien.” - -„Ik heb ook vernomen, dat gij met dien man gesproken hebt over den -toestand van het rijk van Mataram en dat hij toen zeer openhartig voor -zijn gevoelen uitkwam.” - -„’t Is waar; de groote Heer raadt ieders gedachten, Radhen Wiro Negoro, -heeft mij inderdaad vele vragen gedaan over de Edele Heeren op Batavia -en over hun plannen ten opzichte van den Mataram.” - -„Ik heb over weinig tijd te beschikken, Babah! Maak het dus kort, wat -is de bedoeling van Soerapati? Wenscht hij waarlijk zich oprecht met de -Hooge Regeering op Batavia te verzoenen, en zoo ja, wil hij den keizer -dien wij als den wettigen erfgenaam van Hamangkoe-Rat erkennen, ook -ondersteunen?” - -„Ik geloof niet dat dit in Soerapati’s bedoeling ligt, groote Heer! -Reeds sedert jaren verbindt hem innige vriendschap met Adipati Anoem, -den erfgenaam der kroon, en niets zal hem kunnen bewegen de zijde van -dezen vorst te verlaten, maar ’t kan zijn dat ik mij vergis.” - -„Wanneer wij dus den Pangeran Poeger overleveren aan zijn neef en dezen -als keizer op zijn troon bevestigen dan zoekt Soerapati ons -bondgenootschap?” - -„Dat hebben zijn eigen lippen aan uw dienaar niet verklaard, hij sprak -slechts van vriendschap en verzoening met de Hollanders.” - -„Ik geloof echter zijn woorden niet; hij is trouweloos en valsch, hij -haat de Edele Compagnie, dat weet ik!” - -„Zou de groote Heer zich daarin niet vergissen? Radhen Wiro Negoro -wenscht niets liever dan vrede te sluiten met de Hollanders en in -vriendschap met hen Java te regeeren.” - -De Gouverneur-Generaal dacht na. - -„Is dat zijn geheime bedoeling? De Matarams uitroeien, zelf keizer -wezen en ons daartoe gebruiken. Inderdaad die slaaf durft veel.” - -En hardop zeide hij: - -„’t Is zonderling dat hij u, een Chinees, tot vertrouwde maakte van -zijn geheimste gedachten.” - -Een sluwen blik wierp de andere tersluik naar den Oppergebieder. - -„Kent de groote Heer zoo weinig de Chineezen, dat hij niet ontdekt, hoe -slechts mijn gewaad en hoofdversiering Chineesch is?” - -Van Hoorn glimlachte even bij de gedachte hoe vaak men hem juist van -zijn voorliefde tot de Chineezen een verwijt maakte. - -„Wie zijt ge dan?” - -„De afgezant van een vorst is immers heilig! Ik ben Soerapati’s -pleegvader eenmaal zijn medeslaaf, ik heb hem vergezeld bij zijn vlucht -uit Batavia, ik was naast hem toen hij zich aan kapitein Ruys -onderwierp, ik stond aan zijn zijde toen vaandrig Kuffeler hem -uittartte en tot verzet prikkelde. Ik heb hem vergezeld naar -Karta-Soera en verder naar Pasaroean.” - -„Hoe, ge waart in Karta-Soera toen mijn zwager de Edele Heer Tak -lafhartig vermoord werd en gij durft u bij mij beroepen op uw -hoedanigheid als afgezant?” - -„Heer, zoo ’t u behaagt mijn leven te nemen, er is weinig aan verloren. -Ik ga gebukt onder den last der jaren; alleen door twee jonge mannen -vergezeld, die Soerapati’s zorg mij terzijde stelde, heb ik de groote -reis van Java’s Oosthoek ondernomen. Als het de wil is van den grooten -Heer, dan zal ik sterven, blijde een laatsten dienst aan mijn zoon te -hebben bewezen en overtuigd dat hij mijn dood niet ongewroken zal -laten.” - -De kalme toon van den grijsaard bleef op van Hoorn niet zonder -uitwerking. Men moest weten hoeveel belangstelling het geheimzinnige -rijk van den voormaligen slaaf opwekte in alle Bataviasche kringen, om -de nieuwsgierigheid te begrijpen, waarmede van Hoorn den afgezant -aanhoorde; hij ook brandde van verlangen om iets naders van den -geduchten vijand der Compagnie te weten. - -„Zeg mij eens,” zoo ging hij voort, „hoe is Soerapati zoo hoog -gestegen? Door welke middelen is hij in ’t bezit gekomen van zoovele -landen, die den keizer van Mataram behooren en welke deze er niet aan -denkt hem te betwisten?” - -„Het stond geschreven in het boek van Allah dat hij eens groot en -machtig zou worden en tegen den wil des Hemels baten geen menschelijke -middelen.” - -„Maar is het waar, dat de overleden keizer van Mataram hem genegen was -en steeds in briefwisseling met hem bleef?” - -„Daar zijn geheimen, die men zelfs zijn vader niet openbaart.” - -„Doch zijn betrekkingen met Soenan Mas zijn toch geen geheim. Is het -alleen om dezen prins bij te staan, dat Soerapati ons hulp belooft?” - -Een verachtelijke lach vertrok even de trekken van den ouden man, toen -hij ten antwoord gaf: - -„Wat is Radhen Wiro Negoro Soenan Mas, wat is hem Pakoe Boewana? Aan -het bondgenootschap met de Hollanders alleen is hem veel gelegen. Aan -de vriendschap der Javaansche prinsen niets! Waarom zou de Edele -Compagnie zijn hulp versmaden? Omdat hij eenmaal slaaf is geweest? Was -de stamvader der Mataramsche vorsten dan geen straatroover? En al werd -Soerapati ook eenmaal in slavernij weggevoerd uit zijn vaderland, hij -is toch van edelen bloede.” - -„Ge kunt gaan; zoo ik nadere inlichtingen van u vernemen wil zal ik u -laten roepen!” - -De grijsaard wierp zich ter aarde en de handen boven zijn hoofd -uitstrekkend bood hij den Opperlandvoogd een diamanten ring van groote -waarde aan. - -„Dit kleinood zendt u mijn meester als een blijk van zijn oprechte en -vriendschappelijke gezindheid,” sprak hij. - -De Gouverneur-Generaal had zich intusschen omgewend en veinsde niets te -zien of te hooren. - -De andere legde het juweel op de schrijftafel neer en verwijderde zich -al kruipend naar de deur. - -Juist trad de hellebaardier aan de poort en kondigde aan: - -„Den Edelen Heer Ordinaris Raad van Indië, de Wilde.” - -„Dat zijn Edelheid binnenkome en laat dezen man uit! Men volge zijn -wegen en verlieze hem niet uit het oog!” zeide hij in het Hollandsch, -vast overtuigd, dat de inlander hem niet verstaan zou. - -Hij had nog juist den tijd eenige papieren over den kostbaren steen te -werpen, dien Kiai Hemboong hem gebracht had, toen de stoere gestalte -van Herman de Wilde voor hem verscheen. - -Deze Raad van Indië was nog in de kracht van zijn leven; hij had -scherpe, koude trekken, om zijn mond lag een uitdrukking van -ingehouden, men zou zeggen van versteend leed. Het is met de smarten -van de jeugd als met sommige vloeistoffen, eenige verdampen en -vervloeien in de lucht zonder eenig spoor na te laten, andere bevriezen -of versteenen en de mensch is veroordeeld hen levenslang met zich te -dragen, als een last die zijn leven bezwaart en ternederdrukt. - -Herman de Wilde had eens liefgehad met alle krachten zijner sterke -ziel, hij had te hoog opgezien tegen het meisje zijner droomen, dan dat -hij ’t wagen dorst haar zijn liefde te bekennen, en een slaaf, een zoon -van het vervloekte bruine ras, had zich meester gemaakt van zijn -ideaal, het besmeurd door zijn liefkoozingen en voor hem in ’t slijk -vertreden. Zoo tenminste oordeelde de Wilde; gloeiende haat vervulde -hem tegenover dien man. Weinigen was het bekend dat Sie Oentoeng en -Soerapati dezelfde waren; hij bewaarde zijn geheim in het diepste van -zijn hart. Slechts bloedige wraak, meende hij, kon hem verlossen van -het grievende leed, dat zijn dagen verbitterde; eerst als hij den -vermetelen slaaf gestraft had, zou hij in kalmte aan Suzanna kunnen -denken, vrede sluiten met haar nagedachtenis. - -Joan van Hoorn reikte hem vriendschappelijk de hand en bood hem een -zetel aan. - -„Is er iets nieuws dat u noopt mij zoo vroeg reeds te bezoeken?” vroeg -de Gouverneur-Generaal. - -„Nieuws kan ik het niet bepaald noemen; men zegt hier met alle -stelligheid dat Adipati Anoem zich geducht wapent om ons te ontvangen -en dat hij zich de hulp verzekerd heeft van den schurk, die sinds jaren -ongestraft den Oosthoek verdrukt.” - -„Dan weet ik nog meer! Dien schurk, zooals gij hem noemt, kunnen wij -onschadelijk maken, meer nog, wij kunnen hem tot onzen vriend en -bondgenoot verkrijgen.” - -De Wilde’s oogen schoten vonken. - -„Dat is u geen ernst, Uw Edelheid! Bondgenootschap sluiten met een -slaaf, met den verachter van ons gezag, met den moordenaar onzer -broeders? Wat voor goeds kan er voortkomen uit zulk een verbond? En dat -zegt gij, Tak’s zwager!” - -„Gij ziet dat de belangen der zaak die wij dienen alle gevoelens van -familieliefde bij mij kunnen doen zwijgen. De vraag is echter nog -steeds, wie moeten wij als hoofdschuldige beschouwen, de Mataramsche -Vorsten of Soerapati?” - -„Hem, den ellendeling, dat is duidelijk!” - -„Ge zijt vooringenomen tegen den slaaf, De Wilde! Ik voor mij geloof -dat hij een man is, met wien te handelen valt, geen oud wijf als die -prinsjes van Bantam, Cheribon en Mataram, willooze werktuigen in de -handen hunner rijksbestuurders. Hij weet wat hij wil en zoo hij zich -aan ons verbindt, dan zullen wij staat op zijn woord kunnen maken.” - -„Juist omdat hij een man is met een wil en een vast plan is hij dubbel -voor ons te vreezen. Waarom was Troeno-Djojo zulk een geduchte vijand, -omdat hij geen stroopop bleek te zijn als die verwijfde vorsten. -Verbind u met hem, weldra zal hij onze meester zijn, die de Compagnie -wetten voorschrijft en ons wellicht uit Java verjaagt.” - -De Gouverneur-Generaal dacht ernstig na. - -„Ge wilt zeggen, zulke menschen is het voordeeliger tot vijand te -hebben dan tot vriend?” - -„Ja, Uw Edelheid, als vijand kan men zich van hen ontslaan. De -vriendschap echter legt verplichtingen op. Zij verblindt de oogen door -geschenken en beloften, en als deze oogen opengaan dan is het te laat!” - -„Maar als we den oorlog beginnen zonder den Raad van Zeventienen te -raadplegen, De Wilde, zoo laden we groote verantwoordelijkheid op ons.” - -„Indien gij nog eerst naar Europa schrijven moet, geeft ge Soenan Mas -tijd zich te versterken en zich met den hoofdman van het -rooverkoninkrijk te verstaan.” - -„Wij zullen uitvoeren wat de Raad van Indië besluit,” sprak de -Gouverneur-Generaal, opstaande, ten bewijze, dat het onderhoud -geëindigd was. - -„Houd me ten goede, De Wilde,” sprak hij, „dat ik ga ontbijten; de -staatszaken hebben mij reeds zoo vroeg in beslag genomen, dat het geen -wonder is, zoo mijn maag er zich luide over begint te beklagen.” - -Hij schoof de papieren weg en stak toen als toevallig de linkerhand, -waarin hij iets verborgen hield, in zijn borstzak. De Wilde bemerkte -die beweging niet eens toen de Opperlandvoogd hem de rechterhand tot -afscheid reikte. - -„Dus Uw Edelheid zal aan die gevaarlijke vriendschap niet meer denken?” -vroeg hij met gefronst voorhoofd. - -„Mijn denken laat zich niet beperken, zelfs niet door den raad van een -vriend als gij zijt, De Wilde,” gaf hij met zijn gewone opgeruimdheid -ten antwoord, „en daarom zal ik ook uw woorden overwegen en hen alle -aandacht schenken, die ze verdienen.” - -Hij gaf hem een wenk dat hij heen zou gaan; De Wilde boog en vertrok. -De hellebaardier gaf hem zijn degen terug, dien hij binnentredend had -moeten afgeven, daar niemand den Oppergebieder gewapend mocht naderen -en Van Hoorn verwijderde zich door een zijdeur naar zijn bijzondere -vertrekken. - -In een open galerij die op een bloementuin uitzicht gaf, zaten drie -dames, mevrouw Maria van Hoorn, geboren Van Riebeek, haar stiefdochter -Petronella Wilhelmina en de nicht van Zijn Edelheid, de jonge mevrouw -Voorneman. - -„Hé, wat een verrassing! Mijn drie gratiën vereenigd!” sprak de -landvoogd blijde, „waaraan heb ik het genoegen te danken, mijn lieve -nicht reeds zoo vroeg in den morgen aan mijn tafel te zien?” - -Er lag nog steeds een vermoeide trek op Digna’s gelaat; juist hadden de -dames in stilte de opmerking gemaakt dat ook de frischheid harer wangen -reeds den invloed van het klimaat begon te ondervinden en zij hun -zachten blos ruilden voor de mat-bleeke tint der Indo-Europeanen. - -Toch was de glimlach, waarmede zij haar oom begroette even vriendelijk -als altijd. - -„Mijn man vertrok op den gewonen tijd naar zijn werk en Albert is den -geheelen dag op een kinderfeest verzocht ten huize van den heer de Boo; -ik zag er tegen op zoo lang alleen te zijn en besloot dus voor dezen -morgen het gezelschap te zoeken mijner geëerde tante en mijner lieve -nicht!” - -„Dus het mijne niet! Gij stelt me bitter te leur, Digna; ik meende, dat -ook mijn aanwezigheid eenige waarde voor u had!” - -„Hoe zou dat kunnen wezen?” zeide mevrouw Van Hoorn, „onze nicht wist -toch reeds vooruit dat zij van te korten duur zou zijn om er op te -kunnen rekenen; zelfs bij ons ontbijt moesten wij dat gezelschap -missen.” - -„Hoe minder men iets geniet, op hoe hooger prijs men het placht te -stellen.” - -„Foei oom! Is ’t daarom dat gij het ons opzettelijk onthoudt?” - -„Opzettelijk? Neen, mijn wellieve! zulk een moed zou mij ontbreken; of -meent ge niet, dat ik het bijzijn der drie schoone bloemen, die mij -omringen, noode opoffer aan dat van lastige bezoekers en muffe stukken -papier, maar de onverbiddelijke plicht dwingt mij langer in hun midden -te leven dan mij aangenaam is. Voor mijn dierbare vrouw heb ik echter -een verrassing die ongetwijfeld ruim zal opwegen tegen het missen van -enkele minuten van mijn gezelschap!” - -En haar hand in de zijne nemende, stak hij aan een harer vingers den -kostbaren ring, die hem zoo pas door Soerapati’s afgezant was gebracht. -De zonnestralen braken in den steen en wierpen hun bonte stralen naar -links en rechts, tot groote bewondering der drie vrouwen. Zij -verdrongen zich om den diamant, Digna echter meer uit beleefdheid dan -omdat zij zelf zooveel vermaak had in deze kostbare liefhebberijen. - -Maria van Hoorn kuste haar echtgenoot vol dankbaarheid en Petronella’s -lipje hing een weinig bij de gedachte: - -„Als vader niet getrouwd was, zou dat geschenk voor mij zijn geweest.” - -Niemand vroeg naar de herkomst van het schitterende juweel. - -„Wel, mijn schoone Digna, op die voorwaarde mag ook uw gemaal zeker wel -eens te laat aan het ontbijt verschijnen,” schertste Zijn Edelheid. - -„Ik zou evenals mijn goede tante vergeving schenken nog vóór mij zulk -een pand der verzoening werd geboden, en denken dat, waar zelfs mijn -machtige oom voor wreede noodzakelijkheid bukt, des te eer mijn -echtgenoot zich daarmede kan verontschuldigen.” - -„Altijd even slagvaardig! Ge hebt gelijk; niemand meer dan de -Opperlandvoogd van Oost-Indië is de slaaf van zijn plichten vooral in -dezen ernstigen tijd.” - -„Zal er oorlog komen?” vroeg mevrouw Van Hoorn. - -„Dat zal de Raad van Indië beslissen,” was het ontwijkend antwoord. - -„Tegen Soerapati eindelijk?” en Digna’s oogen schitterden. - -„Wat zoudt ge er van zeggen?” was zijn lachende vraag, „als wij met hem -en niet tegen hem gingen oorlog voeren?” - -„Oom, dat kan u niet meenen. De Compagnie zou den hoon niet wreken, die -haar twintig jaar geleden aangedaan werd door een slaaf; zij zou zich -met hem verbinden terwijl het bloed mijns vaders nog steeds om wraak -roept?” - -„Ik dacht dat uw gevoelens christelijker waren, Digna,” zeide mevrouw -Van Hoorn verwijtend. - -„Voor zoover ik weet strijdt het niet met de plichten van een Christen -zijn eigen eer te verdedigen en de eer der Hollandsche vlag is -jammerlijk geschonden door het bedrijf van dien moordenaar; de dood -mijns vaders gaat niet alleen mij, zijn eenige dochter, aan maar geheel -ons vaderland. Het zou een laagheid wezen bondgenootschap te sluiten -met den overweldiger, die zijn rijk gestolen heeft en wederrechtelijk -in zijn bezit houdt.” - -„Ge vergeet, lieve nicht, dat Cesar en Alexander in wie gij zulke -groote helden en veroveraars bewondert, op dezelfde wijze in het bezit -van geheele landstreken kwamen. Ik geloof dat een openlijke vijand als -Soerapati verre te verkiezen is boven twijfelachtige vrienden als de -Mataramsche prinsen.” - -„En ik herhaal ’t u, dat ik het een eeuwige schande zou vinden als de -Compagnie zich met hem verbond.” - -„Zoudt ge er mij minder om achten Digna?” vroeg Van Hoorn steeds -lachend. - -Zij zag hem ernstig aan en antwoordde eenvoudig: - -„Ja oom, dat zou ik zeker.” - -Toen zij ’s middags met haar man naar huis reed, vertelde Digna hem -welk kostbaar geschenk de Gouverneur-Generaal aan zijn vrouw had -vereerd. - -„Ik zou niet willen dat gij voor mij zulke kostbare dingen kocht!” -voegde zij er bij. - -„Kocht!” een spottende glimlach speelde om de droge lippen van den -ambtenaar der Justitie, terwijl hij dit woord herhaalde. - - - - - - - - -VI. - -WEDERZIEN. - - -Op den avond van dien dag zat Digna in de galerij op de rivier, met een -boek in de hand, waarin zij echter niet las. Hoeveel moeite zij ook -deed, het was haar niet mogelijk hare gedachten te dwingen zich met het -gelezene bezig te houden en niet hun eigen weg te volgen; met tergende -hardnekkigheid keerden zij telkens naar een punt terug, naar het -verledene dat zij voor goed dood en begraven achtte en dat zich nu -plotseling weer levend en krachtig aan haar geest opdrong. - -Vergeefs hield zij zich met andere dingen bezig, trachtte zich te -verstrooien door gedachten aan haar huishouding, aan haar man, aan den -kleinen Albert, aan den naderenden oorlog; hoe zij ook moeite deed, -altijd en altijd wendden zij zich weer tot Robert. Het was Robert, die -nu eens als een ondoorgrondelijk raadsel voor haar stond, dan weer haar -dreigde met zijne gloeiende oogen of zich oploste in een nevelbeeld. - -Zou het gezicht van dien avond bij het dansende licht der fakkels, en -het zilveren schijnsel der maan dan slechts een vizioen geweest zijn! -O, mocht het zoo wezen! maar dan drukte zij de hand op het hart en -huiverde; kon het zijn dat dit hart blijde en vroolijk klopte alleen -bij de gedachte dat de vriend harer jeugd in haar nabijheid vertoefde? -Zij dacht zich terug in Amsterdam en doorleefde weder die uren vol -onuitsprekelijk geluk, als zij met hem door den tuin van Amstelvreugd -wandelde, en hij haar nu eens om vergeving bad, als hij iets misdreven -had of haar verzekerde dat zij zijn goede engel, de vreugde en het -geluk, de hoop en steun van zijn leven was. Hoe konden zijn oogen dan -vol gloed op haar rusten, die herinnering alleen deed haar beven van -een gevoel vol zaligheid en geluk! - -En zij was getrouwd en zij kon nog aan zulke herinneringen met genot -denken; o schande! Wat was zij diep gevallen en weer nam zij het boek -op, de Zee- en landreizen van Nieuwhoff, die twintig jaar geleden Java -bezocht had; zij vond er kort te voren genoegen in, zijn opmerkingen -met de werkelijkheid te vergelijken, waarom vond zij ze thans zoo -onbeduidend en onbelangrijk? - -Zij was alleen t’huis; haar man moest een feest bijwonen, Albert was -nog niet terug, zij had er spijt van Petronella van Hoorn niet te -hebben meegenomen; haar niet veelbeteekenend gepraat zou misschien -afleiding tegen dien folterenden gedachtenstrijd kunnen schenken, en -tegelijkertijd betrapte zij zich op een gewaarwording van blijdschap -omdat zij alleen was, omdat zij de pijniging niet behoefde te doorstaan -van een gedwongen luisteren naar nietige gesprekken, omdat zij nu -zwijgen kon en denken. Denken, neen juist dat mocht zij niet en het was -’t eenige wat haar verlichtte, en tevens kwelde, want er waren twee -personen in Digna’s ziel, de eene die slechts aan het verledene dacht -en de dagen van voorheen opnieuw doorleefde, de andere die een strijd -op leven en dood aan deze herinneringen gezworen had. - -Afgemat leunde zij achterover met gesloten oogen, de fijne handen -hielden het boek, dat op haar schoot rustte, nog slechts eventjes vast; -haar lippen bewogen zich zachtkens, schier onmerkbaar. - -„Mijn God! sta me bij! Help mij mijn gedachten te overwinnen, de strijd -is zoo zwaar, ik wil Markus’ trouwe gemalin zijn in woord en daad niet -alleen maar ook in gedachten. Geef mij de kracht om den band te -verbreken, die mij nog hecht aan het verledene.” - -„Digna,” zeide een gedempte, half fluisterende stem. - -Met een hevigen schok rees de jonge vrouw overeind, haar oogen zagen -ontzet voor zich uit, waar zij een welbekende gedaante ontwaarden; -Robert had de soldatenkleeding der Compagnie aan, doch netter en -ordelijker dan die welke hij den laatsten keer droeg. - -„Herkent gij mij nog?” vroeg hij en sloeg zijn oogen neer. - -„Ge hebt niet goed gedaan hier te komen, Robert,” antwoordde zij, „ge -weet dat ik getrouwd ben en dat het verledene voor mij niet meer -bestaat.” - -„Dat hadt ge niet noodig mij te herinneren, mevrouw! Ik weet welke -breede klove de vrouw van den hoofdambtenaar der Justitie scheidt van -den gemeen soldaat, wiens naam zij zich echter nog verwaardigt te -gedenken.” - -„Wat komt ge hier doen?” vroeg zij bevend en een steun zoekend bij de -tafel. - -„Vraagt ge dat nog? U zien, uw stem hooren, mij verlustigen in den -aanblik van uw schoonheid, uw hoogen rang om mij zelf daarna nog meer -te beklagen, of te verachten, ik weet niet, wat ik meer verdien.” - -„Verachting dankt ge aan uw eigen werk; beklag hebt gij vrijwillig van -u gestooten, als gij bekent verachting te verdienen.” - -„Weet gij alles, dat ge zoo durft spreken?” - -„Ik weet veel, en ’t was niet door u, dat ik het te weten kwam, zooals -het mijn recht was.” - -„Uw recht?” - -„Ja, uw verloofde had recht te weten, waarom zij door u verlaten werd.” - -„Verlaten?” - -„Ja, gij hebt mij verlaten, mij, die nog deel nam in uw smart, nadat ik -van vreemden moest hooren welke slag u getroffen had; gij hebt mij geen -gelegenheid gegeven u te troosten en te....” - -„Doen hopen, wilt ge dat zeggen, Digna?” - -„Laat ons zwijgen over ’t geen had kunnen zijn, Robert. Nu is alles -voorbij; we hebben beiden onzen weg gekozen, niets anders blijft ons -over dan dien te volgen, waar God hem ook voeren mag. Wij zijn dood -voor elkander, gij hebt het gewild, niet ik.” - -„O Digna, maak mij niet nog rampzaliger!” - -Hij greep haar hand, zij trok die terug met een beweging vol schrik en -zeide: - -„Nader mij niet, vergeet geen oogenblik welke afgrond ons scheidt; op -die voorwaarde zal ik u aanhooren, anders roep ik mijn slaven om u te -doen verwijderen.” - -„O God, is ’t dan zoover met mij gekomen!” en hij wierp zich op een der -stoelen neer en liet het hoofd vol wanhoop op de tafel vallen, -„weggejaagd als een dief, een landlooper, een hond! Wie had het mij -voorspeld, toen we elkander ’t laatst zagen en we reeds bijna onzen -trouwdag hadden bepaald.” - -Digna vouwde haar handen op de borst; zij voelde zich beschaamd over -haar schoonheid, haar welvaart, haar stand in de maatschappij, -misschien zelfs over haar vlekkelooze deugd tegenover het arme schepsel -dat op zijn nog zoo jeugdig gelaat reeds het merkteeken droeg van -hevige hartstochten, van zonde en schuld. Toch bleef zij zwijgen, geen -woord van medelijden ontsnapte haar mond en hij hernam: - -„Gij weet niet in welke hel ik leef, Digna, en nog minder kunt gij -vermoeden, welke hel ik in mij zelf omdraag! Ja, ik heb u verlaten -zonder een woord, zonder een groet, maar was dat mijn plicht niet, toen -ik wist dat ik niet meer de wettige zoon en erfgenaam mijns vaders was -maar een verstooteling zonder naam en zonder geld, moest ik toen niet -de breedte der aarde stellen tusschen mij en het meisje, dat mij trouw -had beloofd? Zij zou spoedig genoeg weten, wat mij van haar scheidde en -voor de onuitsprekelijke laagheid bleef ik gespaard dat ik er nog aan -durfde denken eenige rechten meer te ontleenen aan het mij eenmaal -geschonken woord. Robert van Reijn was niet meer, de andere Robert -mocht den voetzool van Digna Tak niet meer aanraken, dat alleen bleef -me helder na dien ontzettenden nacht, welken ik misschien nog besloot -door een moord.” - -„Dat ten minste is u bespaard,” zeide Digna en een schaduw van een -glimlach teekende zich op haar lippen. „Niets heeft geleden door den -slag, dien gij neef Hendrik toebracht, dan alleen zijn neusbeen, dat -gebroken is en hem niet verfraait. Maar denkt ge dan niet, Robert, aan -hetgeen ik lijden moest toen uw schijnheilige oom...” - -„Hij is het niet meer of liever hij was het nooit.” - -„Toen Heer Gerard van Reijn en zijn gezin de laagste beschuldigingen -tegen u opstapelden en mijn stiefvader raadden God te danken dat ik -bijtijds gered was van een huwelijk met u?” - -„En gij zelf, Digna, hebt gij ook den Heere gedankt, dat Hij dien slag -heeft afgewend?” - -„Ik heb Hem gebeden voor den armen zwerver.” - -Zij voegde er niet bij hoeveel bittere tranen zij gestort had om het te -betreuren dat zij niet reeds zijne gade was, die het recht had haar -rijkdom met hem te deelen en hem te vergezellen, waarheen hij gaan -wilde, als zijn trouwe gezellin. - -„Ge hebt dus niet met toorn en afkeer aan mij gedacht, ge hebt u dus -niet geschaamd, dat gij zonder het te weten een armen bastaard hadt -bemind?” - -„Ik schaam mij voor niets, waarin geen kwaad schuilt.” - -„En weet uw man alles?...” - -„Ik heb hem alles gezegd!” - -„Zijt ge gelukkig?” - -„Ik vervul mijn plicht.” - -„Ik vraag of gij gelukkig zijt.” - -„Kan er geluk bestaan anders dan in plichtsvervulling?” - -„Plichtsvervulling, ik haat niets meer dan plicht!” - -„Daarom zijt ge zoo ongelukkig, Robert! Gij doet alles om u van het -verledene los te rukken, maar eerst moet ge daarmee afrekenen; meent ge -dat ik niet bitter en bitter geleden heb, vóór dat ik er toe komen kon -een ander lot te kiezen, dan dat waarin ik jaren lang mijn eenig geluk -zag?” - -„Weet ge dat nog en gij schaamt er u niet voor?” - -„Mij schamen voor mijn eerste, mijn reine liefde. Hoe kunt ge dat -vragen, Robert! Gij immers hebt mij verlaten!” - -„Zeg dat woord niet meer, Digna, ik u verlaten, hoe zou ik durven?” - -„Gij hebt getwijfeld aan mijne liefde, aan mijn trouw, gij hebt gemeend -dat ik den rijken koopmanszoon van Reijn liefhad en ik beminde slechts -Robert. Toen de slag u trof, was ’t bij mij dat gij ’t eerst komen -moest om mij te laten beslissen over onze toekomst.” - -„O God, uw liefde had mij kunnen redden en ik gaf ze prijs, daarom viel -ik in den afgrond.” - -„Die liefde kan, mag ik u thans niet meer geven, Robert. Zonde is het -bijna haar te noemen, maar ik mag u vrij iets anders schenken zoo ge er -prijs op stelt.” - -„En wat is dat dan, Digna, alles wat van u komt is mij zooveel, zoo -oneindig veel waard.” - -„Mijn achting, Robert.” - -Hij wendde het gelaat af en lachte bitter. - -„Achting, wat is achting, als ge wist hoe men leeft, daar waar ik thans -ben, als ge wist hoe ik gezworven heb, vóór dat ellendige -zielverkoopers en ronselaars mij hierheen sleepten, als ge wist...” - -„Ik wil niets weten, Robert! Niets. Ik weet alleen dat er geen misdaad -is zoo groot en afschuwelijk of God zal ons die vergeven zoo wij ons -berouwvol aan zijn voeten werpen. Wilt ge dat doen, Robert!” - -„God heeft mij verstooten zooals mijn vader...” - -„Dat is een booze lastering. Ik wil die niet meer hooren!” haar stem -klonk weer zoo vast en beslist gelijk voorheen, toen zij den wilden, -ontembaren knaap door een gebaar, een woord bedwingen kon, „beloof mij, -dat ge uw hart voor God zult vernederen en van Hem dagelijks de kracht -afbidden om uw booze hartstochten te overwinnen.” - -„Het zal niet baten,” zuchtte hij. - -„Hebt ge het dan reeds gedaan? Verder moet ge uw plicht doen; geen -zonde, geen overtreding van Gods wet moogt ge meer bedrijven. Ik -verbied het u! Weldra breekt de oorlog aan, ge zult moeten strijden -voor de eer der Hollandsche vlag, gij zult de macht van ons vaderland -doen kennen aan de bewoners van Java, gij zult hen leeren hoe wij -streng kunnen zijn maar ook rechtvaardig. Een heerlijke taak wacht u, -Robert! Veel kunt gij goed maken door dapperheid en trouw; verwerp die -gelegenheid niet, richt u op uit uw ellendigen staat, wie weet hoeveel -roem en geluk u nog wachten, terwijl anders niets meer u dreigt dan een -vroege dood vol oneer en schande!” - -„O Digna, kon ik dagelijks uw stem hooren!” - -„Vertrek thans! Robert, vertrek! De avond valt, ’t is misschien voor -het laatst dat we elkander gezien hebben. Laat ons nu terugkeeren naar -onzen plicht, het eenige dat ons overblijft uit de schipbreuk van ons -geluk. Wij hebben zelf dien plicht gekozen.” - -„Ik niet, ik werd bedrogen, verkocht zonder dat ik het wist.” - -„Dan is het een lot dat u zeker rechtvaardig trof, een straf die gij -geduldig te dragen hebt. Ik moet mij toewijden aan mijn echtgenoot en -zijn kind. Gij hebt het vaderland!” - -„Wat deert mij het vaderland? Zijn deze bruine mannen, de landgenooten -mijns vaders, niet veel meer mijn broeders dan de blanke Hollanders? -Wat belet mij gemeene zaak met hen te maken?” - -„Uw plicht en uw eed, Robert; laat mij u thans de taak opgeven, die gij -uitvoeren moet om mijn achting te herwinnen? Daar in het Oosten van -Java regeert een overweldiger, een tiran, hij is het die mijn edelen -vader den dood gaf, hij is het die onze macht over Java tegenwerkt; hij -was eenmaal een slaaf, door een samenloop van raadselachtige -omstandigheden heeft hij het tot vorst kunnen brengen. De Compagnie zal -hem een oorlog op leven en dood aandoen, zijn gezag uitroeien. Nooit -was er een krijg rechtvaardiger. Onderscheid u in dien strijd, kom -terug als een heldhaftig krijger, met het bewustzijn, den dood mijns -vaders te hebben gewroken op zijn moordenaar, op den verdrukker van het -Javaansche volk, op den slaaf-koning.” - -De zachte, teedere Digna scheen in een heldin herschapen zoo fonkelden -haar oogen, zoo trilde haar stem van vervoering; zij voelde zich thans -weer meesteres van zich zelf, zij had vrede gevonden met haar eigen -gemoed. - -„Ik zal u gehoorzamen, Digna,” antwoordde hij ootmoedig, „mag ik uw -hand kussen?” - -„Nog niet, als gij teruggekeerd uit den oorlog een ander mensch -geworden zijt.” - -„Zoo ik val, Digna, zult ge dan in vriendschap en vrede aan mij -denken?” - -„Ik zal overtuigd zijn, dat gij gevallen zijt als een held, die mijn -achting en bewondering verdient.” - -„En zult ge voor mij bidden, dat moogt gij toch!” - -„Ik beloof het u, en thans vaarwel! Moed en vertrouwen moge God u -schenken, Robert!” - -Een slavin kwam hard uit het huis aangeloopen. - -„Mevrouw, de Edele Heer is ziek in een draagstoel t’huis gekomen.” - -Zonder nog meer naar den soldaat om te zien, vloog Digna heen naar huis -toe, en zoo bemerkte zij niet, hoe Robert zich langs den weg dien hij -gekomen was, door de bedding van de rivier, verwijderde. - -Hij kroop tusschen de struiken voort, totdat hij aan een brug kwam die -over het water lag en toegang verleende tot een ander landgoed. Nergens -was een spoor van leven te zien en hij wist waar het poortje lag, dat -naar buiten voerde; in den donker meende hij het te kunnen vinden, maar -tot zijn schrik vond hij het gesloten; hij rammelde er aan en -waarschijnlijk waren zijn krachtige vingers er in geslaagd het slot -open te rukken, toen plotseling twee mannen van achter het struikgewas -op hem toeschoten en hem ter aarde wierpen. - -„Nu hebben wij den dief!” zeide één hunner, wiens eigenaardige -uitspraak van het Maleisch den Chinees verried, „ik dacht wel dat het -zoo’n ellendige soldaat zou wezen. Pak hem beet, koelie, wij zullen hem -van avond nog naar het wachthuis overbrengen. Reeds lang genoeg bleef -hij straffeloos, die schurk!” - -Robert verdedigde zich als een wanhopige; met zijn mannenkracht wierp -hij de tengere gestalte van den Chinees van zich af, en worstelde nu -met den Javaan, dien hij ook weldra onder den voet kreeg, doch de -Chinees liet een scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk stormden -een tiental mannen op den enkele aan die zich zoo woedend verdedigde. - -Zij wierpen hem ter aarde, knevelden hem vast en ondanks zijn vurige -verzekeringen van onschuld voerden zij hem weg, van het erf naar de -stad. - -Intusschen was Digna hevig verschrikt naar huis gesneld, en vond haar -man bleek en met gesloten oogen op een rustbank liggen; toen zij -binnenkwam sloeg hij den blik naar haar op en strekte haar glimlachend -de hand toe. - -„’t Is niets, een aanval van mijn kwaal, meer niet,” sprak hij, „’t is -nu al veel beter, maar ik vond het voorzichtiger mij naar huis te laten -dragen dan te rijden; met een weinig rust zal ik wel spoedig weer mij -zelf zijn. Maak u niet ongerust, beste Digna, ’t heeft niets te -beduiden.” - -Inderdaad was de aanval niet ernstig. Digna trachtte zooveel zij kon om -hem eenige verlichting te schenken, wat hij echter boven alles behoefde -was rust. - -„Ik was van plan hem mijn ontmoeting te verhalen met Robert,” dacht -Digna, „maar het zoude hem thans te veel schokken. Ik zal wachten tot -hij beter is, maar dan beken ik hem ook alles.” - -Zij voelde zich dezen avond wonder licht te moede; de strijd in haar -geest was geëindigd; zij wist thans dat zij zelf ook de kracht bezat -haar plicht te doen nu zij den vriend harer jeugd in zijn eigen oogen -had kunnen opheffen en hem den weg wijzen tot zijn zedelijke genezing. - -Zij was er zoo van overtuigd haar plicht gedaan te hebben dat zij niet -vreesde Markus alles te bekennen; slechts de gedachte aan zijn -ziekelijken toestand hield haar terug. - -„’t Spijt me, de bekentenis zou mij nu zoo licht gevallen zijn,” zeide -zij in zich zelf. Drukke bezigheden lieten haar weinig tijd tot -nadenken op dezen avond. Niet alleen dat zij haar man te verzorgen had, -ook Albert kwam t’huis; zij moest het opgewonden verhaal hooren van -zijn genoten pret, het knaapje ontkleeden en te bed brengen. - -Toen zij eindelijk zich ter ruste legde na zich overtuigd te hebben dat -Markus nu ook kalm en zonder pijn was ingeslapen, stelde zij zich met -blijdschap voor hoe ook Robert nu meer verzoend met zich zelf zou -rusten en de beste voornemens voor de toekomst maken. Zij vermoedde -niet hoe haar vriend, in een der ellendige hokken onder het Bataviasche -Raadhuis opgesloten, zijn treurig noodlot vervloekte en slechts met een -verwensching op de lippen en woede in het hart aan het voorgevallene -van den middag terug kon denken, waarvan de herinnering haar met -zooveel zoete kalmte en zelfvoldoening vervulde. - - - - - - - - -VII. - -MARKUS EN DIGNA. - - -Eenige dagen later had de Heer Voorneman zijn kamer voor het eerst weer -verlaten en zat nu onder de zonnetent, terzijde van zijn woning met -vrouw en kind. - -Digna had een guitaar op haar schoot en zong met haar jonge frissche -stem een liedje van Bredero: - - - ’t Zonnetje steekt zijn hoofdjen op - En beslaat der bergen top - Met zijn lichtjes. - Wat gezichtjes, - Wat verschietjes, ver en flauw, - ’t Dommelt er tusschen ’t groen en blauw. - - -Albert zat aan haar voeten en luisterde toe met schitterende oogjes en -neuriede nu en dan met haar mee. Zij hielp hem weer in de maat als hij -ze soms verloor en keek glimlachend haar man aan, die op zijn -gemakkelijken stoel uitgestrekt den blik niet van haar kon afwenden. - -Op een klein tafeltje tusschen hen stonden frissche dranken en -gebakjes, benevens de artsenij voor den zieke. - -„Vader, wilt ge niet eens proeven,” vroeg Albert met een begeerigen -blik naar de smakelijke schotels. „Moeder heeft zelf dat gebak van -middag gemaakt.” - -„Is ’t waar, Digna?” vroeg haar man. „Zijt ge niet wat gaan rusten, -kunnen de slavinnen het dan niet doen?” - -„’t Is een gebak, dat mijn moeder in Holland maakte; het was onze -grootste lekkernij; hoe zouden de slavinnen het kunnen bereiden? Ik doe -het zoo gaarne en aan dat rusten ’s middags kan ik mij niet gewennen. -Me dunkt dat het genoeg is, wanneer ik den geheelen nacht slaap. Hier -hebt ge nog een koekje, Albert! Voorzichtig, met die omhelzing, ge -drukt me dood, mannetje, uit louter dankbaarheid. Zal ik nog meer -zingen, Markus, of hebt ge liever dat ik u wat voorlees?” - -„Neen, zing voort, lieve! ’t Doet me zoo goed uw stem te hooren en uw -spel!” - -Digna begon het tweede couplet. - -„Daar is bezoek, foei, hoe vervelend!” riep Albert uit. - -Het was de fiscaal, een van Voorneman’s ondergeschikten, die hem -tijdens zijn ongesteldheid kwam bezoeken. - -„Zal ik heengaan?” vroeg Digna. - -„Stellig niet! Al kan ik u niet meer hooren, ik kan u zien en dat is -reeds veel.” - -Zulke woorden deden Digna pijn; zij verrieden maar al te wel hoe vurig -haar echtgenoot haar liefhad en hoezeer de gevoelens verschilden, die -hij voor haar koesterde met de kalme, hoewel warme vriendschap, -waarover zij alleen jegens hem te beschikken had; zij had het, nu er -een paar dagen over verloopen waren, beter gevonden het geval met -Robert maar geheel te verzwijgen. ’t Zou immers slechts dienen om hem -noodeloos te ontroeren. - -De fiscaal zette zich bij het gezelschap neer en Digna fluisterde haar -zoontje toe voor haar eenige melati’s te plukken. Zij nam een handwerk -ter hand, want nooit waren haar bezige banden ledig, en leende slechts -een half oor aan de gesprekken der beide mannen, totdat zij plotseling -het hoofd oprichtte en toeluisterde. - -„Ja,” zeide de fiscaal, „het is een wonderlijk geval. Het moet hier -vlak bij uw woning gebeurd zijn. Daar kwam de oppasser van den Heer -Donker met zeer veel drukte aan, een Europeesch soldaat met zich -voerend, want Europeaan is hij zeker, ondanks zijn donkere -gelaatskleur, daar hij het Maleisch zeer onvolkomen spreekt en -verstaat. Er moet reeds sinds langen tijd bij hem op het erf gestolen -zijn, nu eens kippen dan weer fruit, of waschgoed dat te drogen hing. -Op den bewusten avond hadden zij eerst de tuindeur opengelaten en -duidelijk zag toen een der bedienden dat de soldaat over het erf naar -de rivier, die er zich dicht bij bevindt, sloop; hij bleef in de vrij -diepe bedding, men hield de wacht en omstreeks een uur later zag men -hem terugkomen. De oppasser en zijn medeslaven grepen hem aan; hij -verweerde zich als een wanhopige en zwaar geboeid moest men hem naar -het cachot voeren. Den volgenden morgen kwam de heer Donker verzoeken -dat hij dadelijk ondervraagd zou worden, maar hij weigert elk antwoord -te geven, alleen zweert hij met de duurste eeden op zijn onschuld.” - -„Als hij onschuldig is, waarom sloop hij dan als een dief dat erf op?” - -„Juist dat heb ik hem telkens gevraagd. Ik wilde weten, waarheen hij -dan ging en wat hij daar in de bedding der rivier gedaan heeft, maar -hij verklaarde hierop geen antwoord te kunnen geven.” - -„Wanneer is het gebeurd?” - -„Woensdag avond.” - -„En hoe heet hij?” - -„Walter! Andere namen beweert hij niet te hebben.” - -„Walter, zoo heette ook de knaap, immers, dien wij op den avond toen we -met Zijn Edelheid spelevaarden, uit het water deden halen! Is de majoor -van de zaak onderricht?” - -„Zijn getuigenis aangaande den knaap luidde niet gunstig. Hij is een -wilde borst, twistziek, overgegeven aan spel en drank, door ronzelaars -voor het leger der Compagnie aangenomen.” - -„Gij zegt, dat hij zeer geporteerd is voor het spel?” - -„Ja, dien avond toen hem het ongeval overkwam van in het water te -vallen had hij zoo juist een speelhol in de Lepelstraat verlaten na er -tamelijk veel te hebben gewonnen; zijn kameraad scheen hem daar te -hebben ingeleid en verlangde nu een gedeelte van de winst. Hieruit -ontstond een twist. Hij vluchtte weg, de andere volgde hem en bij de -worsteling viel de vriend, die reeds ver weg was in het water. Hij -sprong hem na, het overige weet UEdele; de majoor legde hem een lichte -straf op, welke hij juist dien dag had doorstaan. Wat is nu lichter aan -te nemen, dan dat hij zich om weer geld voor het spel te verkrijgen, -door diefstal geneert?” - -„Maar als hij gestraft is geweest met arrest, dan zal hij in de dagen -voor Woensdag het erf van den heer Donker niet bezocht hebben.” - -„Zoo komt het mij ook voor; wanneer hij slechts de reden wilde opgeven, -waarom hij zich in deze streek ophield, maar dat weigert hij -hardnekkig. Morgen zullen wij eens beproeven of de roede beter bij -machte is zijn lippen te openen dan onze vragen.” - -„Scheelt u iets, lieve?” vroeg Voorneman zijn vrouw, want hij zag hoe -haar wangen en lippen doodsbleek werden, „deze gesprekken zijn niet -voor uw ooren bestemd. Ga een kleine wandeling doen, terwijl wij onze -zaken verder bespreken.” - -„’t Is niets, Markus, ’t Doet mij enkel zoo leed als ik hoor hoe men -arme beschuldigden door pijn wil dwingen hun geheimen los te laten. -Welk bewijs hebt ge dan dat zulk een afgeperste bekentenis geen logen -is?” - -„Hoe zouden we anders recht kunnen plegen, lieve vrouw, maar deze -vragen behoeft gij niet te beantwoorden; zij liggen buiten uw bereik.” - -De laatste woorden van Voorneman klonken stroever dan die, welke hij -anders tot zijne vrouw placht te richten. - -De fiscaal stond intusschen op. - -„Ik heb hier niets verder bij te voegen en wensch UEdele een spoedige -beterschap.” - -„O wat dat betreft, ik ben reeds genezen, en hoop morgen weer ten -Raadhuize te verschijnen.” - -„Deze hoop doet mij met lichter hart naar de stad terugkeeren dan ik -haar verliet.” - -Weinige oogenblikken later stonden man en vrouw alleen tegenover -elkaar. - -„Markus,” zeide Digna op den rug van zijn stoel geleund. „Ik heb een -ernstig woord met u te spreken.” - -„Ik hoor u aan!” antwoordde hij, sloot zijn oogen en klemde de lippen -vast op elkander. - -„Die soldaat is werkelijk onschuldig aan hetgeen men hem ten laste -legt: hij kwam niet om te stelen.” - -„Sedert wanneer bespiedt mijn gemalin de gangen van een -verliederlijkten, gemeenen soldaat?” - -„Ik bid u, Markus, blijf kalm!” smeekte Digna, en plaatste zich nu vlak -tegenover hem, „ik had u reeds eer alles gezegd wat ik u mee te deelen -had, maar uw toestand deed het mij uitstellen; die man is hier geweest, -in gindsche galerij, waar hij mij gesproken heeft!” - -Heer Voorneman richtte zich op; het lichtte onheilspellend in zijn -oogen, hij greep haar hand, die zij hem willoos overliet en vroeg met -heesche stem: - -„Zeg me nu alles, was dat hij?” - -„Ja, de man met wien ik eenmaal verloofd was. Reeds dien avond had ik -hem herkend, maar ik wilde hem niet kennen en dus was het onnoodig u -met hem bezig te houden. Woensdag echter verscheen hij plotseling voor -mij, een half uur vóórdat gij ziek t’huis kwaamt.” - -„En gij hebt hem aangehoord? O schande!” - -„Dat heb ik en schande kleeft niet aan mij. Zie mij aan, durf ik niet -vrij de oogen tot u opheffen? Meent gij dat ik ’t zou doen, indien mij -een woord of blik ontsnapt ware, mijner en uwer onwaardig?” - -Hij zag haar aan, de reinheid die uit haar oogen straalde, hield het -booze woord terug dat hem dreigde te ontsnappen. - -„Maar wat hebt ge met hem gesproken?” - -„Ik heb hem herhaald, dat het verledene dood was en dat het eenige, wat -ik hem nog schenken mocht mijn achting was, die hij door het leven, -thans door hem geleid, verloren had. Ik wees hem den weg om die achting -te herwinnen door zijn plicht te doen als trouw soldaat in den oorlog -die aanstaande is. Mijn hand heeft de zijne niet aangeraakt en hij kwam -in niets te kort aan den eerbied, dien hij uwe echtgenoote verschuldigd -is, daarvoor sta ik u borg met mijn eerewoord!” - -Hij hield nog steeds haar fijnen pols in zijn vingers omsloten. - -„Hebt ge hem nog lief, Digna?” vroeg hij met doffe stem. - -„Liefde kan men slechts vrijwillig geven, en hoe kan ik hem iets geven, -wat mij niet meer toebehoort?” - -„Ge ontwijkt mijn vraag? Ik geloof u, gij zijt te deugdzaam, te rein -dan dat gij zoudt mogen blozen bij iets wat er in deze samenkomst -voorgevallen is, maar zelfs uw gedachten behooren u niet meer Digna, ik -heb er ook recht op. Wat voelt ge voor hem?” - -„Diep, diep medelijden.” - -„En anders niets, zweert ge mij dat?” - -„Martel mij niet, Markus!” riep Digna uit, plotseling opstaande en haar -hand uit de zijne losrukkend, „waaraan heb ik zulk een wantrouwen -verdiend? Waarom wilt ge wroeten in mijn gedachten, in mijn gevoelens, -als ik zelf het beneden mij acht daarnaar te vragen? Ik mag hem niet -meer liefhebben, dat is mij genoeg om mijn plicht te volbrengen.” - -„Altijd plicht, o Digna! Waarom is die man tusschen ons verschenen! -Dien avond hadt gij een blik, een liefkoozing voor mij, die ik noch -vóór, noch na dien tijd van u ontving; dat was geen plicht. En nu wordt -gij weer in het verleden, dat ik als dood beschouwde, teruggevoerd en -spreekt opnieuw van plicht.” - -„Maar het tegenwoordige, de toekomst behooren immers u, Markus?” - -„Als gij hem niet liefhebt, waarom verbleektet gij dan daar straks toen -er sprake van was dien man te geeselen?” - -„Omdat ik een mensch ben, Markus! Zult ge nu rechtvaardig jegens hem -zijn, zult ge hem doen vrijspreken?” - -„En zoo ik het niet doe?” - -„Dat zult ge niet, ge wilt mij niet dwingen voor den fiscaal te -verschijnen om getuigenis af te leggen van zijn onschuld.” - -„Zoudt gij dat doen, gij, mijn vrouw?” - -„Als er geen ander middel was om hem te redden, ja!” - -„En durft gij mij zeggen, wat ge voor dien ellendeling zoudt doen? Weet -ge wel dat ge over uw naam en den mijne schande brengt?” - -„Waarom? Omdat ik een vriend mijner jeugd heb gesproken?” - -„Een losbol, een soldaat!” - -„Aan u is het mij dien stap te besparen, door naar recht en waarheid te -beslissen.” - -„Verwacht gij dat van mij?” - -„Ja, dat en niets anders.” - -„Belooft ge mij dan elke herinnering aan hem uit uw hart te rukken, -geen gedachte meer aan dien ellendeling te wijden?” - -„Dat kan ik u niet meer beloven. Ik doe het immers reeds, ik heb het -steeds gedaan van het oogenblik dat ik u mijn woord gaf.” - -„Ik geloof u Digna,” antwoordde hij mat, „ik geloof en vertrouw u. Geef -mij uw hand! Hoeveel ’t mij ook kost, ik zal mijn plicht doen, zooals -gij slechts voor uw plicht leeft. Mocht er eens een tijd komen, dat op -het woord plicht tusschen ons geen beroep meer behoeft gedaan te -worden.” - -Den volgenden morgen reed de Heer Voorneman naar het Raadhuis en toen -hij terugkeerde, wachtte Digna hem met het middagmaal. Zij vroeg niets, -begroette hem vriendelijk en ging met haar huiswerk voort. - -„Hij is in vrijheid gesteld,” zeide de Raad van Justitie en bespiedde -nauwlettend elke trek van haar gelaat, elke verandering van haar kleur, -maar Digna ontroerde niet. - -„Zoo,” was haar kalme opmerking, „ik reken er op.” - -„En hebt ge geen woord van dankbaarheid voor mij?” - -„Moet ik ’t hebben voor Markus mijn man, of voor den Edelen Heer Raad -van Justitie?” vroeg Digna glimlachend. „De eene mag toch op de -uitspraken van den ander geen invloed uitoefenen.” - -„Ik heb hem afzonderlijk ondervraagd; hij zag mij aan met gloeiende -oogen, fonkelend van haat; ongetwijfeld verfoeide hij in mij een -mededinger. Helaas!... Op al mijn vragen verwaardigde hij zich niet te -antwoorden. Toen ik hem eindelijk rechtaf vroeg: „Ge zijt op Voornelust -geweest?” zag hij mij bedremmeld aan. „Wie heeft u dat gezegd?” -„Degene, die met u gesproken heeft!” Toen boog hij ’t hoofd en sprak: - -„Ik mocht het niet openbaren maar nu zij zelf de goedheid heeft gehad -het te zeggen, heb ik geen reden meer het te ontkennen. Het toeval -wilde, dat juist gisteravond de dief, een arme Ambonnees, op heeterdaad -betrapt werd; zoo ontbrak er dus niets aan de zegepraal der onschuld. -Ik hoop echter dat de toekomstige bezoeken door dien gezel op -Voornelust gebracht, minder geheimzinnig mogen geschieden. Er mochten -eens meer geschillen ontstaan tusschen Markus, den echtgenoot van -mejuffrouw Tak en den Edelen Heer Raad van Justitie Voorneman.” - -Digna voelde zich diep gekwetst door den bijtenden spot zijner woorden; -een blik echter op zijn verwrongen en bleek gelaat stemde haar weer tot -medelijden. - -„Wees gerust Markus,” sprak zij. „Robert zal geen voet meer plaatsen op -uw erf; hij zal er niet meer binnendringen, en mocht dat toch zijn, en -hij mij overvallen, ik zal geen woord met hem meer wisselen. Wat ik hem -te zeggen had, heb ik hem gezegd en gij weet het evengoed als hij en -ik: Onze wegen zijn voor goed gescheiden na dit laatste onderhoud!” - -Maar Digna vermoedde niet hoe de lastertongen aan het werk gingen over -het geheimzinnige feit. - -„Weet ge wie de dief was op het erf van den Heer Donker?” vroeg mevrouw -Dammers aan wie ’t maar hooren wilde, „’t is een vreemde geschiedenis. -De Heer Voorneman heeft hem in persoon ondervraagd en dadelijk zijne -invrijheidstelling bevolen.” - -„Maar de ware dief is toch gegrepen.” - -„Dwaasheid! De Heer Voorneman is op denzelfden avond ziek geworden. Wie -zal zeggen waarom! De goede man is zwak, elke ontroering kan hem -schaden, dat weten wij allen. De vogel is ontsnapt, maar toen dadelijk -weer gevangen op Zorgvrij; hij was onschuldig aan den diefstal, dat is -zeker, maar weigerde alle inlichtingen te geven waar hij dan geweest -kon zijn. De Raad van Justitie sleepte zich toen naar het Raadhuis; -ach, ik heb zoo met den armen man te doen. Hij ondervroeg den -beschuldigde in het geheim en zie, plotseling was de dief gevat en de -onschuld van den gevangene daghelder bewezen. Zoek nu een verband -tusschen die feiten, maar ik zeg altijd: Vertrouw die vrome zusjes met -hun uitgestreken gezichtjes en gladde tong voor den drommel niet!” - -En als zette het krachtige woord geen nadruk genoeg aan de rede bij, -wuifde mevrouw Dammers met onstuimige kracht haar waaier op- en neder -en zag triomfantelijk rond. - -„Maar hoe is ’t mogelijk, zij is zoo mooi en hij een soldaat!” - -„Gelukkig, dat hij soldaat en een krijgstocht op handen is. Let op mijn -woorden! Hij zal daarmede vertrekken. Maar mooi is zij volstrekt niet, -haar neus is veel te klein en wat heeft ze flauwe oogen en ook op haar -ooren valt iets te zeggen.” - -De profetie van mevrouw Dammers over den aanstaanden oorlog kwam -letterlijk uit; den 4den Juli 1705 vertrok de ordinaris Raad van Indië -Herman de Wilde van Batavia. - -Hij was als veldoverste benoemd over het leger dat uitgezonden werd in -de eerste plaats om den door de Compagnie niet erkenden keizer Soenan -Mas uit zijn rijk te verdrijven en in zijn plaats desnoods met geweld -den Soesoehoenan Pakoe Boewana op den troon van zijn overleden vader en -broeder te Karta-Soera te bevestigen; in zijn lastbrief was hem -opgedragen den Adipati Anoem—zoo werd de niet erkende keizer nog -genoemd—te doen verdagen tot onderwerping binnen een termijn van -veertien dagen, maar na verloop van deze tijdruimte hem onmiddellijk -aan te tasten en zoo mogelijk zich van hem meester te maken. - -Zoodra Pakoe Boewana den troon hem toebedeeld door den steun der -Hollandsche wapens, zou hebben beklommen, moest het de Wilde’s eerste -werk zijn het nieuwe tractaat tusschen hem en de Compagnie te sluiten. -Was dit alles ten einde gebracht en had alzoo de macht der Compagnie -een geduchte versterking bekomen in het hart van Java, dan eerst kon -men er aan denken den geduchten vijand der Europeanen, den slavenvorst -Soerapati te bestrijden. De Raad van Indië achtte het nog niet noodig, -hier aangaande iets stelligs te beslissen, maar de Wilde’s plan stond -vast; wat hij nu ging ondernemen was slechts een voorbereiding om het -doel zijns levens te volbrengen en op Soerapati zijn verloren -levensgeluk te wreken. - -De Gouverneur-Generaal had eindelijk, hoewel eenigszins schoorvoetend -besloten, de hulp hem in het geheim door Soerapati aangeboden te -weigeren, en de drie afgezanten van den rooverkoning niet meer naar hun -land te doen terugkeeren. Alzoo zou niets Soerapati blijken van hetgeen -tusschen de Hooge Regeering en hen besproken was. - -De gevangenissen van de Compagnie waren duister en diep; niemand -behoefde meer iets van hen te hooren; wilde Soerapati de -onderhandelingen opnieuw aanknoopen, niets kon hem beletten te gelooven -dat de vorige gezanten op den langen en gevaarvollen weg omgekomen -waren; aandringen dat de verkleede Chineezen hem uitgeleverd werden, -zou hem moeilijk vallen, daar er geen bewijs voorhanden was van hun -zending. - -Zoo bleef diep geheim deze onderhandelingen omhullen en de Compagnie -was vrij om nog altijd naar goedvinden te handelen. Het was de Wilde, -die deze gedragslijn aan den Opperlandvoogd had aangeraden; hij drong -er zelfs op aan dat men zich op nog meer afdoende wijze van het drietal -zou ontdoen; wilde men hun leven sparen, welnu er gingen zoovele -schepen onder zeil naar Ceylon, of naar de ver afgelegene Molukken; wie -zou het vreemd vinden als drie Chineezen daarop werden vervoerd? - -De Gouverneur nam echter geen beslissing; hij liet de Wilde aan het -hoofd van zijn gewapende macht vertrekken. Deze bestond uit vier -schepen, 1833 Europeesche en 2016 inlandsche soldaten met de noodige -artillerie. - -Op den morgen na ’t vertrek der troepen kwam de Heer Voorneman naar -zijn vrouw en zeide haar: - -„De oorlog zal weldra beginnen, Digna, de soldaten zijn vertrokken.” - -„Ik weet het,” antwoordde zij rustig. „Moge God hun wapenen zegenen en -het recht laten zegevieren.” - -„Hoopt ge dat hij terugkomt?” - -„Mag men iemand dood wenschen, Markus? En toch ik geloof dat een -eervolle dood op het slagveld het beste is wat ik voor menigeen hopen -kan.” - -„Om zijn nagedachtenis vrij te kunnen vereeren?” - -Digna zeide niets meer; zij gevoelde het nu maar al te goed dat de -kalmte en rust uit haar leven verdwenen waren. Markus’ zwakke -gezondheidstoestand en de prikkeling zijner jaloezie maakten hem hoe -langer hoe lastiger voor zijn vrouw. Hij bespiedde al hare woorden en -blikken; haar zachtzinnigheid wond hem nog meer op, haar geduld tergde -hem; nooit was haar iets te veel of te moeilijk, hij erkende het, en -toch was hij niet tevreden over haar. Met kracht en moed trachtte zij -haar nieuwe taak op zich te nemen en daarin de beste afleiding te -vinden voor haar eigen gedachten. - - - - - - - - -VIJFDE GEDEELTE. - - -I. - -DE VLUCHTENDE KEIZER. - - -Op den grooten weg, die om den voet van het Willisgebergte leidt en de -landen van Mataram met Kediri verbindt, bewoog zich op een vroegen -ochtend van de maand September een vrij aanzienlijke stoet van mannen, -vrouwen en kinderen, die met blijkbare haast den tocht volbrachten. - -Voorop reden verscheidene mannen te paard; talrijke voetgangers, die in -hun midden eenige draagstoelen voerden, vrouwen en kinderen volgden op -grooteren of kleineren afstand; vermoeidheid, angst en zorg lagen op -hun gelaatstrekken uitgedrukt of verrieden zich in hun loomen, tragen -gang, in het droevig geschrei der kleinen en soms in het gesnik der -moeders. Koelies, beladen met leeftocht en balen goed, besloten al -hijgend den stoet. - -Hij, die te midden der ruiters reed, was blijkbaar van hoogen rang, -achter hem droeg een dienaar een gouden zonnescherm, teeken der -vorstelijke waardigheid; zij, die hem omringden, waren gekleed in het -hofkostuum van Mataram; hij zelf had een eenvoudig gewaad aan, dat hem -’t bovenlijf bedekte, alleen een rijk met diamanten versierde gouden -kris stak in zijn gordel. - -Zijn trekken waren onbeduidend en de uitdrukking zijner oogen half -wezenloos; toch mocht men aan de wijze, waarop hij het hoofd droeg, -zekere majesteit niet ontzeggen; hij kon vooraan in de dertig wezen. -Als de lange sarong, die over zijn rechterbeen viel, door de beweging -van het rijden een weinig opwipte, bemerkte men dat de voet misvormd -was en eenigszins de gedaante had van een paardenhoef. - -De weg liep thans door djatiwouden; het was er koel en frisch, want -hoewel de zon reeds sinds eenige uren aan den hemel moest zijn, hield -zij zich tot nu toe voortdurend achter wolken schuil. - -„Het gevaar, dat zij ons achtervolgen, schijnt voorbij te zijn,” sprak -de man met den paardenvoet tot den ruiter, die ’t dichtst naast hem -reed, maar die zich toch eenige stappen achter hem bevond. - -„Binnen weinige oogenblikken zijn we op Soerapati’s grondgebied -aangeland!” meende deze, „dan dreigt ons geen gevaar meer.” - -„Soerapati’s grondgebied!” zeide de andere en fronste dreigend de -wenkbrauwen, „hij heeft geen grondgebied. Behoort geheel Java niet mij -toe, mij en mij alleen? Dat mijn vader en ik hem verlof gaven bewind te -voeren over een deel van onzen grond, is geen reden, waarom hij zich -macht zou toekennen over onze bezittingen.” - -Het gelaat van den dienaar bleef onverstoorbaar kalm en de Keizer -vervolgde: - -„Ik ben gevlucht uit mijn hoofdstad, maar niet uit mijn rijk. Weldra -zal ik met Soerapati’s hulp den ellendigen Hollander, die zich op de -schouders van mijn laffen oom wil opheffen tot mijn troon, verjagen uit -den Mataram.” - -„Groot is het voorrecht geschonken aan Uwe Hoogheid, dat zij in Radhen -Wiro Negoro zulk een trouw vriend en helper bezit.” - -„Hij is mijn onderdaan, niets meer! Gehoorzaamheid verplicht hem tot -hulp.” - -Het gesprek bleef steken; Soenan Mas, want de ruiter was niemand anders -dan de vluchtende Keizer van Mataram, hulde zich weer in diep -stilzwijgen. - -Zware dagen had hij doorleefd; alles was hem ontvallen, de steun zijner -rijksgrooten, de trouw zijner dienaren, de hulp zijner soldaten, zoodra -de tijding Karta-Soera bereikte dat de opperbevelhebber der Hollanders -aan het hoofd eener geduchte legermacht van Samarang was opgebroken om -zijn oom den door de Compagnie erkenden keizer Pakoe Boewana I op zijn -troon te herstellen. - -De geheele bevolking was toegesneld om den tegen-vorst, die, gesteund -door zulk een kracht van wapens voortschreed, haar hulde te betuigen; -niemand’s hart had zich gehecht aan den bloeddorstigen, wulpschen -erfprins, die zich de machtige vreemdelingen tot vijanden had gemaakt. - -Elke dag bracht tijdingen vol jammer in den kraton; ’s keizers -dringende beden en aanbiedingen tot de Compagnie gericht, werden van de -hand gewezen; tevergeefs bleef Soenan Mas de wettigheid zijner -aanspraken verdedigen, de Wilde bestreed ze en legde hem zelfs den dood -van Tak en zijn gezellen ten laste. - -Zoodra hij hoorde dat het leger der Hollanders naar Karta-Soera -oprukte, besloot hij zijn troon en leven duur te verkoopen of het ten -minste door anderen duur te laten betalen. - -Hij zond zijn veldheer Soeria Adi Ningrat, met 4000 man naar Oenarang -om de Wilde en zijn soldaten den toegang tot de Mataramsche landen te -beletten; doch reeds weinige dagen later ontving hij het verpletterende -bericht dat Soeria zijn plaats aan het hoofd van het Javaansche leger -verlaten had en naar Samarang getrokken was om zijn onderwerping aan -Pakoe Boewana en dus ook aan de Wilde aan te bieden. - -Als een donderslag weerklonk dit bericht in Karta-Soera; nog hoopte men -dat het leger trouwer zou blijken dan zijn veldheer; ook deze hoop werd -verijdeld. Reeds bij de eerste schoten door de voorwaarts rukkende -legers der Compagnie gelost, verstrooiden zich de dappere krijgers en -verdwenen naar alle richtingen. - -Nu begon ook de afval aan het hof welig te tieren; weinige mantri’s -bleven den schijnkeizer trouw; alleen en verlaten stond hij daar in het -uitgestrekte hof zijns vaders met de ontzettende zekerheid dat het -zegepralende leger der Hollanders nog slechts enkele dagreizen van hem -verwijderd was en hij op niemand kon vertrouwen, dat niemand hem de -reddende hand wilde toesteken om het zinkende schip weer vlot te -brengen; alles verliet hem, nergens vertoonde zich redding dan alleen -in snelle vlucht. - -Adipati Anoem herinnerde zich de beloften en aanbiedingen hem door -Radhen Wiro Negoro gedaan; ijlings zond hij een bode naar Pasaroean om -den machtigen buurman van zijn ongeluk in kennis te stellen en zijn -gastvrijheid te verzoeken; de tijd ontbrak hem echter om het antwoord -te vernemen. Nog vóórdat de bode zijn bestemming bereikt kon hebben, -zag Soenan Mas zich genoodzaakt met zijn vrouwen, kinderen en nog -overgebleven dienaren den kraton te verlaten en oostwaarts te trekken -om daar een schuilplaats te zoeken. - -Intusschen deed Herman de Wilde zijn feestelijken intocht binnen de -hofstad, vergezeld door den nieuwen Keizer, dien hij met groote -plechtigheid deed inhuldigen. - -Alle rijksgrooten op de enkelen na, die Soenan Mas in zijn vlucht -volgden, kwamen zich aan Pakoe Boewana onderwerpen; zonder -bloedvergieting hadden dus de Hollanders deze schitterende overwinning -behaald. - -Niets bleef nu de Wilde over dan met den nieuwen Keizer het tractaat te -sluiten, dat niets anders was dan een bekrachtiging van dat, hetwelk -bijna twintig jaar geleden de Commissaris Tak naar Karta-Soera was -komen brengen, toen hij op zulk een onverwachte wijze den dood vond. - -De eenige schaduwzijde van dezen gelukkigen veldtocht was Adipati -Anoem’s ontsnapping; de Wilde vond echter weinig reden dit te -betreuren, daar hij hoopte hierin een voorwendsel te vinden tot een -beslissenden oorlog tegen zijn persoonlijken vijand Soerapati. - -„De zaken staan niet duister!” sprak de afgezette Keizer na een poos -tot zijn volgelingen, „alleen Karta-Soera heb ik verloren, maar daar -ginds aan gene zijde der Brantasrivier strekt zich nog een groot, -machtig rijk uit, waarin ik als meester zal ontvangen worden.” - -„Is mijn machtige gebieder daar zeker van?” waagde het een der mantri’s -te zeggen, „zou Radhen Wiro Negoro zich niet tegenover hem gedragen als -een onafhankelijk vorst?” - -„Hoe zou hij dat wagen? Alles wat hij bezit, alles wat hij is, gewerd -hem door de genadige goedheid mijns vaders, die hem toestond Java’s -Oosthoek te bedwingen.” - -„Dat zeide ook de tijger, die zich meester maakte van den uitgestrekten -tuin, en den eigenaar, die zijn rechten wilde doen gelden, met gapenden -muil bedreigde,” fluisterde de hoveling een zijner gezellen toe. - -„Soerapati zal blijde en vereerd zijn dat hij mij de gastvrijheid zal -kunnen terugschenken, die mijn vader hem eens verleende,” ging de -Keizer voort, „hij zal zich haasten mij de regeering over te dragen van -die landen, welke mij toebehooren en die hij in mijn naam bestuurt. -Zijn Ratoe is mijn nicht...” - -De mantri’s zagen elkander achter ’s Keizers rug spottend aan. - -„Deden wij niet goed nog vóór het te laat is Pakoe Boewana onze hulde -te bewijzen?” mompelden eenigen. - -„Hij zal onze onderwerping met blijde oogen aanzien; namen wij geen -deel aan den bloedigen dood van zijn dochter, Anoem’s schuldige -gemalin? Hij zal op ons haar dood wreken, nu hij ’t niet meer op zijn -neef vermag.” - -Zij zinspeelden op een bloedig drama, dat nog tijdens het leven van den -overleden Keizer in Karta-Soera had plaats gehad. - -Adipati Anoem was met een dochter van den tegenwoordigen Keizer Pakoe -Boewana gehuwd; de jonge, schoone vrouw echter minachtte haar -mismaakten echtgenoot en vergat haar plicht; de Keizer veroordeelde -haar en haar minnaar ter dood en liet het vonnis op de ongelukkige -prinses door haar eigen broeders uitvoeren. - -Soenan Mas deed bij zijn troonsbeklimming de geheele maagschap van zijn -medeminnaar op wreedaardige wijze ombrengen. De eenige hofgrooten, die -hem volgden, waren zij die in de hoogste mate de wrok van Pangeran -Poeger opgewekt en van hem geen vergiffenis te hopen hadden; wie maar -eenigszins vermoeden kon bij den nieuwen Keizer in gunst te komen, koos -weldra zijn partij. - -Een der zoons van Adipati Anoem reed zijn vader bijna ter zijde. - -„Heer,” vroeg hij, „zoo het waar is dat Wiro Negoro slechts uw -stadhouder is, waarom heeft dan de overleden Soesoehoenan zoo menigmaal -legers op hem afgezonden en de hulp der Compagnie tegen hem -ingeroepen?” - -„Wist mijn vader dan wat hij wilde? Was hij niet de speelbal der -partijen, de gehoorzame dienaar zijner Rijksbestuurders hetzij deze -Amirang Koesoemo of Sindho Redjo heetten? Ik echter heb steeds -vriendschap gekoesterd voor den dapperen Balinees; hij heeft mij zijn -hulp toegezegd om mijn rechten tegen de Hollanders en tegen mijn -ellendigen oom, dien Allah verdelge, te verdedigen.” - -„Waarom is hij dan niet bijtijds op Karta-Soera aangerukt om den -Hollanders te beletten voort te rukken en zonder slag of stoot te -zegepralen?” - -„Het „omdat” zal ons weldra opgehelderd worden, mijn zoon! Maar nog is -het niet te laat. Ook mijn grootvader, de heilige Keizer Tagalwangi -verliet vluchtend zijn dalem; de dood heeft hem achterhaald, maar deze -vijand die zijn ouderdom bedreigde is, Allah zij er voor geprezen, nog -ver van mij verwijderd. Mijn vader trad spoedig in zegepraal binnen -Karta-Soera terug en werd daar plechtig gekroond.” - -„Dank de hulp der Hollanders!” - -„Ook de Balineezen zullen niet minder dapper zijn. Immers de -keizerlijke kroon van Mataram met de rijkssieraden bevinden zich in -mijn bezit. Waar zij zijn, daar vertoeft de keizer!” - -De djatibosschen, die hier den golvenden bodem bedekten, werden -schaarscher en weken eindelijk geheel terug om het uitzicht te geven op -het dal van de Brantas, die zich tusschen de vlakte slingerde, en de -vruchtbare sawahs, welke haar omzoomden, drenkte met honderden frissche -beekjes. - -Van alle zijden begrensden bergen de rivier, welke ze van elkander -scheen te splijten. De Keloet hief er zijn dreigenden hoekigen top -omhoog. De groene hellingen van het Willisgebergte golfden vriendelijk -omlaag naar de bloeiende vlakte; aan de overzijde der rivier wuifden de -hooge kruinen van rijk beladen vruchtboomen zacht op en neer; deze -vruchtboomen deden daar een dicht bosch vermoeden, maar zij die de -streek kenden, wisten dat in haar schaduw zich de stad Kediri -verschool. - -Onder de grauwe morgenlucht kwamen de tallooze schakeeringen van groen -en bruin nog niet tot hun recht, maar toen plotseling twee wolken -vaneenscheurden scheen het of een regen van stofgoud uit den hemel op -het landschap neerstortte, en alles van glans en licht doortintelde. - -Van alle zijden schitterden de kleuren den ruiters tegen; met schier -oogverblindenden gloed weerkaatste de rivier het vuur des hemels; de -zachte, teere tinten der fijn gevinde acaciabladeren deden het donkere -loof der vruchtboomen nog donkerder schijnen, de sawahs schemerden in -met zilveren wederglanzen witgroen, scherp teekenden zich de sierlijke -kronen der palmboomen af tegen de glinsterend witte lucht. - -„De zon beschijnt Kediri! Een goed teeken, vader!” riep een der jonge -prinsen blijde uit. - -„Waarom zouden goede teekens mij niet begroeten!”, zei de Soenan Mas -minachtend, „is het recht dan niet aan mijn zijde?” - -Een oude mantri zag zijn vrienden twijfelend aan en fluisterde: - -„Een Soera van het heilige boek zegt: „Voorwaar—wien God ter doling -voert, die vindt nimmer den rechten weg.” En ik vrees dat onze keizer -zich op een dwaalspoor bevindt.” - -„Hij vertrouwt op zich zelf, helaas! Moge zijn waan niet door Allah -gestraft worden, die de hoogmoedigen weerstaat, en de nederigen met -welgevallen aanziet.” - -„Ziet ge daar niets schitteren?” vroeg de keizer, „zou men niet zeggen -dat een stoet krijgers nadert?” - -Inderdaad flikkerden boven de sawahs, witglanzende lichten, die als -even zoovele sterren op en neer dansten boven een donkere massa, die -nader en nader scheen te komen. - -„Het zal Radhen Wiro Negoro zijn, die Uw Hoogheid komt begroeten,” -zeide een der mantri’s. - -Men kwam thans van tijd tot tijd groepjes landlieden tegen, die bij het -zien van den keizerlijken stoet eerbiedig naar den kant van den weg -terugweken, maar zich niet ter aarde wierpen, zooals de eeuwenoude -plicht hen voorschreef; de keizer zag het, maar haalde de schouders -verachtelijk op. - -„Zij kennen mij niet,” sprak hij vergoelijkend, „de tijd ontbreekt mij -het hun te leeren. Weldra echter zullen zij weten wat de gouden pajong, -die men achter mij draagt, voorschrijft.” - -De vlammen naderden meer en meer, steeds met heller gloed blinkend; het -duurde niet lang of men onderscheidde een driehonderdtal ruiters, die -in snellen draf kwamen aangereden; links en rechts van hen wierpen de -landbouwers zich ter aarde, en toen bleek het dat de lichten door de -zon ontstoken werden, in de zilveren lansen, door hen in de hand -gedragen. - -De keizer sprak niets meer; zijn oog verslond den afstand, welke hem -scheidde van den naderenden stoet. Men kon dien allengs beter -onderscheiden; aan het hoofd reden een twintigtal mannen, die een wacht -schenen te vormen voor hem die allen aanvoerde. Deze bereed een -prachtig Arabisch paard, rijk met zilver, goud en purper getooid, dat -vlug en sierlijk met fier opgeheven hals, scheen te begrijpen, welken -kostbaren last hij droeg; weldra stonden beide groepen tegenover -elkander. De keizer hield den draf van zijn paard een weinig in, -afwachtend wat de andere stond te doen. - -De zonnestralen deden de wit en roode gewaden der nieuw-aangekomenen -gloeien tusschen de groenblauwe kleuren van het landschap; het -verguldsel dat hen bedekte schitterde hel en vroolijk en stak levendig -af bij de bestoven en beslijkte kleeding van den keizer en zijn -dienaars. - -Hun aanvoerder, een man in de kracht des levens, reed met zijn staf -vooruit; de anderen bleven op eenigen afstand staan. Zijn paard -steigerde hoog, hij hield echter het vurige dier met al het gemak en -vaardigheid van een, die zich meester weet, in bedwang. - -Zijn gestalte was hoog en krachtig, zijn breede schouders en forsche -bouw kwamen tot hun volle recht in het weinig Javaansche kostuum dat -hij droeg; een wit opperkleed gelijk aan dat der Hindoesche radjah’s -omsloot strak zijn bovenlijf; een wijde donkergroen zijden broek was om -zijn enkels vastgesloten, terwijl zijn voeten in sierlijke muilen -staken; goud borduursel bedekte het bovenkleed evenals de donkerroode -mantel, die op zijn rechterschouder met een kostbare diamanten speld -gesloten was en waarvan de sierlijke plooien over het paard fladderden -en verder door den snellen rit in het vrije wapperden. In zijn gordel -staken de gouden gevesten van krissen en tevens ook de gewone stalen -loopen van Europeesche pistolen; een breed Oostersch zwaard hing hem -ter zijde. - -Zijn gelaat was donker gekleurd maar er lag trots en majesteit in de -wijze, waarop hij te paard zat, fier zelfbewustzijn lichtte uit zijn -oogen. Zijn lokken waren geheel bedekt door een geelzijden tulband met -een arendsveer gesierd, die door een fonkelenden robijn bevestigd was. -Een zware zwarte baard, waarin echter reeds menige zilveren draad glom, -viel hem op de borst, en verhoogde het vorstelijke on-Javaansche van -zijn voorkomen. - -De mannen, die Soenan Mas omringden, schenen klein en onbeduidend, week -en laf, tegenover die hooge, majestueuze verschijning; zelfs naast -zijne volgelingen hoewel minder krachtig en groot dan hun opperhoofd, -geleken zij bijna dwergen. - -Snel rende hij op den gevallen keizer aan, en bracht hem naderend, bij -wijze van groet, de rechterhand aan den tulband, daarop strekte hij -deze met een echt koninklijk gebaar uit naar den vorst, die in -afwachtende houding stilhield. - -„Wees welkom in mijn rijk, broeder!” sprak hij met zijn klankvolle, -heldere stem, „ik bied u gastvrijheid, steun en hulp aan!” - -Het was of een bliksemstraal uit den helderen hemel Soenan Mas in zijn -ijdelen eigenwaan trof. - -Stom van verbazing plukte hij aan de teugels van zijn paard en sloeg de -oogen vertoornd neder; dit was het niet, wat hij in Kediri kwam zoeken, -maar niets werd hem meer aangeboden. Door het aan te nemen legde hij de -keizerlijke waardigheid tegenover een onderdaan af, door het te -weigeren ontblootte hij zich van zijn laatste hulp. - -„Wie zijt gij?” vroeg hij weifelend. - -„Ik ben dezelfde, dien uw vader eens gastvrij opnam in zijn paleis, -Soerapati de gevluchte slaaf en rooverhoofdman, thans echter betaalt -Radhen Adipati Wiro Negoro de schuld van dankbaarheid des vaders af aan -den zoon. Ik zeg het u nogmaals broeder, wees welkom! De God mijner -Vaderen zegende mijne wapenen, en het is goed in de dagen des geluks de -vrienden uit den kwaden tijd niet te vergeten.” - -Hij hield de hand nog steeds uitgestoken; Soenan Mas, die verwacht had -hem voor zich ter aarde te zien knielen, bleef hem nog een poos als -wezenloos aanstaren, toen legde hij weifelend ook zijn hand in de -zijne. - -„Met dezen handdruk sluiten wij bondgenootschap, broeder,” sprak -Soerapati, „gij allen zijt er getuige van, ik zal u beschermen tegen de -trotsche vreemdelingen, die u uit uw erf verdreven hebben.” - -Hij zwenkte zijn paard zoodat hij thans aan de rechterzijde van den -keizer kwam te rijden; met een genadigen hoofdknik groette hij de -prinsen en rijksgrooten en noemde vervolgens enkelen van zijn gevolg -op. - -„De regent van Kediri, in wiens dalem U een verblijf, passend aan uw -rang, is gereed gemaakt, mijne zonen, de prins van Balembangan, gemaal -mijner dochter, de regent van Bangil, die zich allen verheugen den -Keizer van Mataram te mogen begroeten.” - -Maar geen der aangewezenen stapte van zijn paard, allen bepaalden zich -er toe met hun lansen den vreemden vorst te groeten. De soldaten -schikten zich snel met bewonderenswaardige regelmaat in vier rijen, aan -weerszijden van den weg om den stoet door te laten; met opgeheven -lansen bleven zij staan totdat hun vorst met zijn gast en verder gevolg -voortgeschreden waren, toen zetten ook zij zich in beweging en omsloten -den geheelen keizerlijken stoet. Wie dat geleide van gewapende ruiters -de mannen, vrouwen en kinderen zag omringen, zou eer denken aan een -troep gevangenen die onder sterke wacht werd voortgeleid, dan aan een -gezelschap van hooge gasten, vriendschappelijk ontvangen. - - - - - - - - -II. - -IN DEN KRATON VAN KEDIRI. - - -In een sierlijke veranda van den Kedirischen kraton, vriendelijk met -klimop rond de bevallige bogen omkronkeld, zat de verbannen keizer op -een rustbed in diep gepeins verzonken. - -Voor hem stond een blad met ververschingen ruim voorzien; hij gebruikte -niets dan van tijd tot tijd een teug Hollandschen brandewijn uit een -gouden beker, dien hij gretig aan de lippen bracht. - -Op eenigen afstand hurkten zijn dienaren op den grond, een eerbiedig -stilzwijgen bewarend; een sombere stemming scheen onder hen te -heerschen, allen zagen op naar het mismoedige, treurende gelaat huns -meesters; niemand waagde echter een opmerking. - -Daar trad tusschen de groene bosschages, die rondom het hooge huis een -bevalligen krans vormden, een man nader, die onder de veranda komend -zich op den grond wierp en al kruipend den gebieder naderde. - -„Mijn Heer en Meester!” sprak hij, Anoem’s misvormden voet kussend. -„Herkent mijn meester den ouden dienaar zijns vaders niet?” - -De keizer, door het hier nog niet ondervonden ceremonieel aangenaam -getroffen, wierp zijn matte loensche oogen op den nieuw aangekomene, -een zwakken grijsaard in Javaansch hofkostuum, verzamelde zijn -herinneringen en riep plotseling uit: - -„Amirang Koesoemo! Hoe leeft ge nog?” - -„De dienaar leeft om zijn meester zijn diensten aan te bieden.” - -„En ik zal ze noodig hebben, oude vriend! Want, ach, ik ben zoo -verlaten, zoo diep gezonken.” - -En hetzelfde wezen dat dien morgen nog vol opgeblazenheid en eigenwaan -zich op zijn macht had beroemd, barstte nu in een onmannelijk, bitter -geschrei los; hij wierp zijn hoofd op de kussens, jammerde en steunde -als ware hij een zieke vrouw en geen keizerszoon geweest. - -„Heer!” sprak Amirang Koesoemo, die neergehurkt aan den voet der -rustbank zat, „er is geen reden tot tranen en zuchten. ’t Is waar -Karta-Soera is in de macht van den Pangeran Poeger gevallen, maar een -machtige hulp en steun zijn mijn meester verzekerd om troon en hofstad -terug te winnen.” - -„Hulp van een slaaf! De zoon van Hamangkoe-Rat hangt af van een -ellendigen Balinees, die zich vermeet hem keizerlijke eer te weigeren.” - -„Stil, ô vorst, stil! Vergeet niet dat gij in zijn rijk zijt, dat alles -zich hier voor hem buigt en hij er oppermachtig heerscht.” - -„Oppermachtig zegt gij!” klaagde de keizer; „hebt gij vergeten hoe -juist wij hem hieven op het voetstuk vanwaar hij zijn hooge vlucht -begon? Weet ge nog hoe de struikroover in den kraton mijns vaders -verscheen, met geen anderen uitweg dan zich voor ons te vernederen, -dood of vrijheid afwachtend van onze genade, of terug te keeren naar de -wildernis? Gij hebt hem uw dochter geschonken en...” - -„En daardoor wapende ik de hand, die den zoon mijns meesters verdedigen -moet tegen de Hollanders.” - -„Hun vijandschap haalde ik mij als noodlottig erfdeel mijns vaders op -den hals en meer niet. Waarom stiet ik hun hulp niet af, waarom verkoos -ik liever die van den slaaf? De Hollanders zouden mij ten minste als -keizer erkennen! De Balinees begroet mij als een gevluchte avonturier, -niets meer!” - -De schijn zijner verloren waardigheid was het eenige, wat Soenan Mas -betreurde; van zijn macht bespeurde hij steeds zoo weinig, daar hij die -geheel met zijn eigen persoon veréénzelvigde, dat hij het verlies -daarvan nauwelijks bespeurde. - -„Alles werpt zich voor hem ter aarde, alles bewijst hem keizerlijke -eer, en mij eert men, als zijn gast, om niets anders. Ieder vergeet dat -ik keizer van Java ben, dat ik Matarams rijkssieraden met mij draag; -hij geeft mij niet eens de eer, die de Sultan van Tjeribon en Bantam -zich gelukkig achten mij te bewijzen als aan hun leenheer. Hij gedraagt -zich als onafhankelijk vorst en, door wiens recht kan hij ’t zijn?” - -„Door zijn zwaard, het meest onbetwistbare recht. Maar vergun uw -dienaar, Heer, zijn verwondering uit te drukken over uw ergernis en -mismoed; sedert jaren wist Uwe Hoogheid toch dat Soerapati hier -opperheerschappij voerde.” - -„Ja, dat wist ik en verheugde er mij over, maar ik meende dat hij -erkende die heerschappij te hebben ontvangen uit mijn hand.” - -Almede was het slechts de schijn dien hij miste; door eenige ceremoniën -had de gastheer den vluchteling tot den gelukkigste der stervelingen -kunnen maken; zonder moeite had Soerapati kunnen veinzen, dat hij zijn -wettigen meester binnen diens eigen erf ontving, in plaats dat hij hem -een weldaad voelbaar bewees. - -„Wat deert u zijn macht, o keizer!” ging de oud-Rijksbestuurder voort, -„als hij u de verloren glorie slechts teruggeeft?” - -„Ik heb ze toch reeds half verloren, nu hij ze bezit.” - -„In naam van den Profeet, laat Radhen Wiro Negoro het niet vermoeden -dat gij met leede oogen zijn macht aanschouwt. Bedenk dat gij en de -uwen geheel aan zijn genade overgeleverd zijt. Mijn keizer bevindt zich -hier in den kraton van een Regent, die een van Soerapati’s trouwste -vrienden en wapenmakkers is. Zijn soldaten, de geoefendste van geheel -Java, vormen uw eerewacht, een eerewacht, die echter slechts een woord -van hem behoeft om u en uw gevolg tot cipiers te strekken.” - -In machtelooze woede wierp de schijn-keizer zich achterover, wentelde -zich luid jammerend in de kussens en wrong al kermend zijn handen. - -„Wat deed ik dan, ongelukkige? Waarom begaf ik mij in het hol des -tijgers, ik argeloos hert...” - -De vergelijking riep op de dunne lippen van Koesoemo een flauwen -glimlach te voorschijn. - -„Wat zal mij hier wachten? Vernedering, niets meer! O waarom -ontvluchtte ik de Hollanders? Zoo ik mij in tijds aan hen overgegeven -had, zij zouden mij keizerlijke eer niet onthouden hebben.” - -„Gelijk uw vader die aan Troeno-Djojo schonk,” sprak de oude man met -een spotlach. - -„Hoe gij zelf mij belacht! ’t Is niet goed Koesoemo, den gevallen -waringinstam te bespotten; vergeet niet, ik ben uw keizer, wat er ook -gebeurd moge zijn. Gij blijft mijn onderdaan!” - -Een snelle blik, dien de oud-Rijksbestuurder op den paardenvoet zijns -meesters wierp, ontging dezen niet; als instinctmatig trok hij de -sarong over het misvormde lichaamsdeel. - -„Of erkent gij Soerapati ook voor uw meester?” ging de vorst met -pijnlijken drang voort. - -„Uw dienaar leeft in zijn koninkrijk, hij geniet zijn gunsten, waarom -zou hij hem niet als zijn gebieder erkennen?” - -„Maar hoever strekt zijn rijk of wat hij zijn rijk noemt, zich uit? Zeg -het mij, opdat ik de macht kenne van hem in wiens handen ik mij -overleverde.” - -„Zijn rijk raakt den voet der Willisbergen en ontmoet de zee die Java -scheidt van Bali, de Ardjoeno en de Smeroe heffen te midden van zijn -grond hun kruinen op naar de wolken; tot aan de grens van het -Soerabayasche landschap bezit hij onderdanen; in het gebied van de -Ratoe Kidoel [21] deelt hij met haar den scepter. Niets weerstaat de -kracht zijner wapens. De oude koning van Balembangan gaf zijn kinderen -aan de zijne ten huwelijk en diens zoon erkent hem als zijn leenheer. -Geen soldaten van bruinen bloede zijn opgewassen tegen zijn -welgeoefende legers. De Hollanders alleen zijn waardig hem te -weerstaan. Hij is dapper en streng maar strikt rechtvaardig; zijn -krijgers vreezen den blik zijner oogen, maar in hun harten hebben zij -hem innig lief; zij weten dat alles wat hij onderneemt hem gelukt, dat -hij onkwetsbaar schijnt in den strijd, dat zijn wil een wet is, maar -ook dat hij slechts wil wat goed en verstandig blijkt. Zij vertrouwen -op hem en het geheele volk bouwt op zijn vorst als op een steenen rots; -zij gehoorzamen al zijn bevelen, zij aanbidden den indruk van zijn -voeten, daar zij een hooger wezen in hem zien. Ginds in het Oosten aan -den voet van den Bromo vereeren zij hem als den afgezant van Batoro -Goeroe, den leermeester des volks, als een nieuwe verschijning in -menschengedaante van Shiwa hun oppergod, wiens heiligdommen hij -herstelde, wiens eeredienst hij deed herleven.” - -„Hoe, hij veracht Allah en zijn Profeet?” - -„Hij aanbidt het Opperwezen en laat ieder vrij Hem een naam te schenken -naar de overtuiging zijner ziel; achter zijn dalem heeft hij een tjandi -ter eere van den oppergod der Hindoes gebouwd, mij echter en allen die -Mahomed als den grooten Profeet Allah’s vereeren, laat hij vrij -missigits bouwen. Wien hij zelf vereert in het diepst van zijn hart, -welke god hem deze overwinningen liet behalen en die hem bekleedde met -zulk een macht als nooit op Java werd gezien, dit is een geheim dat -zelfs zijn gemalin mijn dochter niet doorgronden kan.” - -„Maar mijn vader was toch machtiger dan hij?” - -„Uw vader mijn oude meester ontving de kroon terug uit de handen der -Hollanders, die ze aan Troeno-Djojo hadden ontnomen; uw vader was een -koning, die heerschte over een volk van slaven, hij echter de slaaf, -regeert een rijk van vrije mannen.” - -„En hoe komt hij aan die macht? Waarom buigen allen zich vrijwillig -voor hem, die kort te voren nog minder was dan niets, een vluchteling, -een vogelvrije?” - -„Eenigen zeggen omdat hij een tooverspreuk kent, die het aantal zijner -manschappen in het oog des vijands vertiendubbelt, anderen omdat hij -bijgestaan wordt door de machtige Dewahs, de goden, door de dienaren -van den Moslem uit Java verdreven, weer anderen beweren omdat hij het -hart der menschen door rechtvaardigheid en goedheid naar zich trekt, -omdat hij zelf slavernij en armoede, doodsangst en schrik van nabij -kennend die aan zijn volk tracht te sparen. Hij deed hen ondervinden, -wat zij nimmer te voren gevoelden, dat de hoeksteen van elke macht niet -vrees behoeft te zijn maar liefde. Dat verhalen sommigen; uw dienaar -ziet en hoort alles maar durft niet beslissen. Een zaak weet hij -alleen, Soerapati is machtiger o Keizer, dan zelfs uw grootvader, de -gevreesde Tagalwangi het ooit geweest is, vóórdat een Hollander zijn -gebied betrad, want zijn macht zetelt in het hart zijner onderdanen en -niet in vrees voor dood en verminking.” - -Wezenloos als hoorde hij een vreemde taal aan, luisterde Soenan Mas -naar de woorden van den grijsaard; eindelijk vroeg hij op bevenden -toon: - -„Maar als hij waarlijk zoo machtig is, welk bewijs bezit ik dan dat hij -mij niet zal dooden?” - -„Hij heeft u gastvrijheid verleend, en nimmer nog werd dit recht door -hem geschonden. Vertrouw op hem!” - -„Vertrouwen!” - -Soenan Mas zag angstig rondom zich naar zijn beweginglooze hovelingen -met hun zwakke ledematen en statiekrissen, en weer bekroop hem nieuwe -angst. - -„Heeft hij mij in geen hinderlaag gelokt? Zal hij mij niet dooden?...” - -„Welk belang heeft hij bij uw dood?” vroeg Koesoemo met bittere -oprechtheid. „Waart gij Pakoe Boewana de zegepralende vriend der -Hollanders, wellicht zou dan het nut zegepralen over het recht zelfs -der gastvrijheid. Nu echter zal uw tegenwoordigheid hem niet schaden. -Hij zal met u spreken en dan keert hij terug naar zijn dalem in Kotta -Maroeng bij Pasoeroean, u toevertrouwend aan Goesti Wirajoeda, regent -van Kediri.” - -„En gij dan Koesoemo, waar woont gij?” - -„Hij schonk mij twintig dessahs en een groote oppervlakte lands rondom -Bangil; ik hoop u daar als mijn gast te ontvangen.” - -„Leeft uw dochter de schoone Radhen Goesik nog, en is zij gelukkig?” - -„Zij is een machtige Ratoe en het geluk hebben wij allen te zoeken in -onze eigen borst. Vinden wij ’t daar niet dan is het vergeefs dat wij -het van elders verwachten. En wees nu opgeruimd, mijn Vorst! Gebruik de -spijzen, die Radhen Wiro Negoro u zoo mild aanbiedt, versterk daarmede -uw vermoeide ledematen en zie de toekomst met blijde hoop te gemoet!” - -„Helaas! wat zal die toekomst mij geven als ik geen keizer meer mag -zijn. Heb ik daarom zoo gevlamd op den dood mijns vaders, die het leven -maar geen vaarwel wilde zeggen? En nu ben ik verworpen en verstooten, -terwijl de ellendeling Poeger zegepraalt.” - -„Er staat geschreven in het heilig boek des Profeets: „Wie zich aan -zonde heeft schuldig gemaakt, zal er de zware straf van ondervinden.” -En zoo hebt gij, o Keizer! u met schuld bedekt door den dood uws vaders -te wenschen. Weiger dan ook de straf niet te dragen van uw zonde.” - -Soenan Mas wierp hem een giftigen blik toe, doch sprak niets; wellicht -overdacht hij thans reeds met welke verfijnde wreedheid hij eenmaal, -zoo onbeperkte macht opnieuw zijn deel werd, elke minder aangename -behandeling elk beleedigend woord zou terugbetalen. - -Daar naderden op het kiezelzand tal van stappen. Koesoemo stond op en -begaf zich naar den ingang der veranda, Soenan Mas richtte zich van -zijn rustbank halverwege op en zag de naderbij komenden nieuwsgierig -aan. - -Aan hun hoofd ging Soerapati met den regent van Kediri, die steeds zijn -trouwste vriend en wapenmakker gebleven was; hem volgden zijn drie -zonen en schoonzoon. Zwakke afbeeldsels waren deze zonen van hun vader; -de gelijkenis der trekken en der houding was opvallend maar hun ontbrak -de stalen kracht der spieren, de vrije ontwikkeling en oefening der -ledematen door ontbering en bittere noodzakelijkheid verworven. De -weelde en het gemak hadden de vorstenkinderen reeds bij hun eerste -intrede in de wereld opgewacht, nooit hadden honger en armoe, -verbittering en wrok, die zoo vaak lichaam en ziel des vaders -pijnigden, hun prikkel aan de jonge prinsen doen voelen; maar nooit ook -werden hun zintuigen en geestelijke vermogens gescherpt door de lessen -dier strenge leermeesters. - -Een groep edelknapen volgde de vorsten; zij droegen allen de wit en -roode uniformen, die Soerapati in zijn leger ingevoerd had en die -geheel verschilde van de verwijfde hofkleeding aan het Mataramsche hof -voorgeschreven; zij allen spraken en schertsten luide en het werd -Soenan Mas duidelijk dat Radhen Wiro Negoro uit zijn onmiddellijke -omgeving de slaafsche onderworpenheid en domme menschenaanbidding der -Javaansche vorsten gebannen had. - -Een oogenblik weifelde hij, en wist niet hoe zijn gastheer te -ontvangen. Het liefst ware hij in dezelfde houding gebleven om hen af -te wachten, een gevoel van ergernis bekroop hem toen zelfs zijne -dienaren zich voor hem ter aarde wierpen, nadat Koesoemo hen daartoe -het voorbeeld gaf. - -Deze gewoonte vermocht de vorst niet af te schaffen, zijn eerste -dienaren en vrienden drongen hem deze eerbewijzing zelf op, daar voor -een groot deel het bestaan zijner heerschappij van dit ceremonieel -afhing. - -Amirang Koesoemo stond echter dadelijk op; toen zijn gebieder de -galerij betrad, stak deze hem op Europeesche wijze de hand toe, en kwam -tusschen hem en den regent op den Keizer af. - -Soenan Mas verhief zich van zijn bank en deed, zooveel mogelijk zijn -kreupelen gang verbergend, eenige stappen vooruit. - -„Blijf zitten, vermoei u niet, Radhen Adipati!” sprak Soerapati en -geleidde hem bij de hand naar de rustbank, waarop hij naast hem plaats -nam; het gelaat des keizers vertrok zich pijnlijk, de toespeling op -zijn lichamelijk gebrek was hem altijd onaangenaam, maar nog -smartelijker trof hem de titel dien Soerapati hem gaf. - -„Ik ben gekomen om met mijn broeder onze zaken te bespreken,” hij -wenkte den Regent en Koesoemo nader te komen, terwijl de prinsen en hun -gevolg verderop de galerij inwandelden en zich met de Mataramsche -edelen onderhielden. - -De beide hofgrooten hurkten op de mat neer voor de voeten der beide -vorsten. - -„Van avond keer ik naar Bangil terug,” sprak Radhen Wiro Negoro. „Mijn -drukke bezigheden veroorloofden mij nauwelijks dezen kleinen uitstap, -maar ik vond het passend mijn broeder persoonlijk te begroeten daar ik -niet vergeten kon, hoe twintig jaar geleden uw keizerlijke vader mij op -voorbede van mijn vriend den edelen Radhen Amirang Koesoemo een -schuilplaats in zijn kraton verleende.” - -„Uw geheugen schijnt nog wondersterk te zijn, Heer!” zeide Soenan Mas -met een gedwongen lachje. - -„Ik heb mij nog volstrekt niet te beklagen over de beleedigingen der -jaren,” hernam de andere en wierp een blik vol trotsche zelfvoldoening -op zijn krachtige armen en gezonde, forsche gestalte. „Niets is mij -ontgaan uit den veelbewogen tijd, dien ik in Karta-Soera mocht -doorbrengen. Ik weet ook, Prins, dat gij een mijner vertrouwdste -vrienden waart en mij de hulp uws vaders niet misgunde.” - -„Zonder mijn voorspraak zou u voorzeker niet de gelegenheid zijn -gegeven u op de Hollanders te wreken, nog minder om na het bloedbad in -den Kraton hen te ontkomen. Veel leed heeft het voorgevallene ons op -den hals gehaald; Karta-Soera moest bitter boeten voor hetgeen toen -tegen de machtige blanken misdreven werd en nu nog draag ik de gevolgen -van die daad. Zonder den dood van den gezant Toewan Tak zou er geen -vijandschap bestaan hebben tusschen den Soesoehoenan en de Hollanders; -ik zou in vollen vrede mijn vader opgevolgd zijn.” - -„Als gij dien vrede ten minste gewenscht had, Prins!” - -„Ik begrijp u niet.” - -„Gij en uw vader hebt den oorlog verkozen met de vreemdelingen, omdat -gij hen in uw hart bitteren haat toedraagt maar in het gevaar hun hulp -niet versmaadt, integendeel die knielend inroept. Pakoe Boewana heeft -zich thans ook aan hen verkocht, daar de nood dreigend werd. Is het -gevaar minder dringend dan zal hij weer elders een reddende hand zoeken -om hem van den last der dankbaarheid te bevrijden. Zoo deed uw vader, -en zoo meendet gij ook te doen Prins, maar zij hebben uwe ter elfde ure -aangeboden diensten versmaad. Gij hadt gelijk u intijds tot een ander -te wenden toen hun bijstand u ontviel.” - -Verbaasd zag Soenan Mas den spreker aan; hoe kon Radhen Wiro Negoro van -zijn pogingen bij de Hollanders weten? Het geheele weefsel van -laaghartigheid en veinzerij in het ongeluk, bij dwaze aanmatiging in -voorspoed, lag open voor den helderen blik van zijn tegenwoordigen -bondgenoot. Maar een enkele gedachte hield den vluchteling boven alles -bezig. - -„En wat wilt ge nu voor mij doen?” vroeg hij. - -„Hetzelfde wat uw vader eenmaal voor mij deed. Ik zal vijandschap -zoeken met de Hollanders, schijnbaar om uwentwil, eigenlijk om mijn -eigen oogmerken te bereiken.” - -„Ja, ge wilt u op hen wreken en nooit was een wraak rechtvaardiger, -want schandelijk hebben zij u bejegend!” - -Een wolk verduisterde het hooge voorhoofd; de lippen trokken zich voor -een oogenblik pijnlijk samen; het was duidelijk dat de hand van den -gast een wond opzettelijk had opengerukt, die nooit genezen was, al -werd zij ook door goud en purper bedekt. - -„Wat Soerapati de slaaf en de luitenant der Compagnie geleden heeft, -dat gedenkt Radhen Wiro Negoro niet meer,” antwoordde hij met trotsche -minachting, „mijn bedoeling is niet mij te wreken maar mijn plannen ten -uitvoer te brengen en, daarvoor heb ik werktuigen noodig. Een daarvan -zijt gij Adipati Anoem. Om deze redenen heb ik in persoon u welkom -geheeten op mijn gebied. Ik heb voor mijn volk getoond dat ik u ontvang -als een hoogvereerde gast...” - -„Maar niet als uw Keizer!” riep de andere uit, daar eindelijk zijn -gekrenkt gevoel hem dien smartelijken kreet ontwrong. - -„Neen, dat niet. Hier ben ik meester, ik spreek tot u als uw gelijke en -dat moet ook mijn volk weten.” - -„Erkent dan ook gij zelf Pangeran Poeger als wettige Keizer? Hem de -stroopop der Hollanders?” - -Medelijdend haalde Soerapati de schouders op. - -„Ook anderen zouden zich gelukkig achten als zij zich op die wijze tot -stroopop konden laten gebruiken. Nog kunt ge terugkeeren, Prins! De weg -ligt open voor u. Wilt ge blijven op den voet, waarop ik u ontving als -mijn gast en beschermeling of wenscht gij hier Keizer te zijn? Ik kan -dan geen twee vorsten in mijn rijk dulden, mijn mannen zullen u -uitgeleide doen tot aan de grenzen van Mataram, hoe slecht bepaald deze -ook zijn mogen. De weg ligt voor u open, Prins! Beslis dan!” - -„En mijn herstelling op den troon?” - -„Ik zal afwachten wat de Hollanders den nieuwen Keizer laten -verrichten. Vertrouwt gij u aan mij, dan zal ik u tegen hem weten te -beschermen, wilt gij u liever aan uw oom overgeven, keer dan terug -langs den weg, dien gij gekomen zijt.” - -„Maar mijn herstel op den troon van Mataram!” - -„Het zou dwaasheid wezen te trachten de Hollanders uit Karta-Soera te -verdrijven; het nieuwe tractaat wordt daar gesloten. Zij hebben zich -versterkt, zij zullen zich weten te verdedigen, Een aanvallende oorlog -kan slechts noodlottig voor mij blijken, liever wil ik hen afwachten in -mijn rijk als de tijd daartoe gekomen is. Mijn tijd is beperkt, Prins! -Beantwoord dus spoedig mijn vraag, verkiest ge onder mijn bescherming -en die van mijn vriend den Regent hier in dit paleis te leven, zoo -zweer ik u dat geen Hollander of geen dienaar des Soesoehoenans een -haar van uw hoofd krenken zal. Verlangt gij echter terug te keeren, ook -dit staat u vrij!” - -„Terugkeeren naar mijn oom, dien ik in de ijzeren kooi deed opsluiten, -wiens dochter ik deed sterven, terugkeeren, neen dat kan ik niet. Ik -blijf Soerapati, ik blijf!” - -„Welnu, mijn broeder, volg mij dan naar den grooten pendoppoh waar het -feestmaal dat ons verbond moet besluiten ons wacht. Wirajoeda, gij -zweert mij bij uw hoofd voor het leven en de veiligheid van mijn vriend -en bondgenoot Radhen Adipati Anoem in te staan!” - -De regent boog zich ter aarde en kuste eerst zijns meesters voeten, -daarop die van den gevallen keizer. - -„Zoo ik in mijn plicht te kort schiet, dan straffe mij Batoro Shiwa, -den alvernieler!” sprak hij plechtig, want nog steeds vereerde deze -Balinees den God zijner vaderen. - - - - - - - - -III. - -VADER EN ZONEN. - - -Tegen den avond, begunstigd door schitterenden maneschijn, trok Radhen -Wiro Negoro met zijn gevolg naar het Oosten terug. De hooge gestalte -van den vorst was aan het hoofd van zijn stoet duidelijk kenbaar; de -Regent van Kediri deed hem uitgeleide en Amirang Koesoemo reed aan -zijne rechterhand, want ondanks zijn vrij gevorderden leeftijd was de -oude Rijksbestuurder nog sterk en vlug. - -„Is Kiai Hemboong nog niet terug van Batavia?” vroeg Wirajoeda, -„hoeveel maanden zijn toch verloopen sinds zijn vertrek?” - -„Ik ben ongerust, zeer ongerust,” gaf Soerapati ten antwoord, -„nieuwsgierigheid naar tijdingen van hem doet mij vooral zoo haastig -terugkeeren naar Kotta Maroeng.” - -„Reeds viermaal heeft de maan zich gewisseld na zijn vertrek,” zeide -Koesoemo, „wanneer men hem slechts ongedeerd laat vertrekken?” - -„Wat heeft de arme grijsaard misdaan om den toorn der Hollanders op te -wekken? Hij komt slechts de gevoelens vernemen van de Hooge Regeering -te Batavia; verwerpt zij mijn voorstellen, welnu dat ik het wete, maar -wat zal het hun baten, als zij hem vasthouden? Ik had mijn ouden -pleegvader niet moeten toestaan den gevaarvollen tocht te ondernemen; -maar niemand mijner mannen evenaart hem in list en geslepenheid, -daarenboven verlangde hij Batavia terug te zien. Ik begrijp dat gevoel, -hoe vurig wensch ik zelf daarheen terug te keeren, alles te zien met de -oogen van den man, wat den blik van den jongeling stellig ontsnapte, -mijn voordeel te doen met de kunde der blanke mannen. ’t Doet mij nog -leed dat ik niet vermomd zelf de reis maakte.” - -„Een vermomming zal u niet baten,” sprak Wirajoeda, „al verduisteren -ook wolken de zon, zij kunnen toch niet bewerken dat men den dag voor -den nacht aanziet. Evenmin zal men in u ooit den vorst miskennen.” - -„Den geboren vorst zeker!” hernam Soerapati lachend, „de slaaf in -koningskleeren, ziedaar de werkelijke vermomming.” - -„Wacht met Batavia te bezoeken tot gij daar als overwinnaar uw -zegetocht kunt doen.” - -Soerapati’s oogen schitterden, een glimlach speelde onder zijn vollen -baard bij het hooren van Koesoemo’s vleienden raad. - -„De weg is lang vader, van Pasoeroean naar Batavia; in twintig jaar heb -ik echter veel gedaan. Wie weet, zoo mij nog twintig jaren levens -gegund zijn, of ik niet alles zal kunnen uitvoeren, wat ik wensch, -alles, alles!” - -Hij wierp een blik naar achteren, naar zijn zonen die vroolijk en -luchthartig schertsten en lachten. - -„Waar spreken zij over?” vroeg hij fluisterend aan zijn vrienden. - -„Waarover jonge knapen het liefste spreken, over schoone vrouwen en -over schitterende feesten, over dans en spel! Waarover anders?” - -Verachtelijk krulden zich de lippen van den vorst, en Wirajoeda -aanziende, zeide hij: - -„Toen wij zoo oud waren, vriend, toen was het niet over zulke vroolijke -zaken dat onze gesprekken liepen. We hadden andere zorgen, andere -belangen; ons leven, onze vrijheid moesten wij verdedigen van uur tot -uur, wij hadden geen tijd te denken aan datgene, wat hun levensdoel -schijnt.” - -„Och, hun jeugd zal ook voorbijgaan.” - -„En plaats maken voor een mannelijken leeftijd zonder eer en roem. Ik -plantte met veel arbeid en zweet den boom, waarvan de vruchten hun rijp -in den schoot vallen. Wat men zonder moeite wint, dat geniet men ook -zonder vreeze het te verliezen. Mijn zonen leven in weelde en rijkdom, -als ware hun vader een geboren vorst geweest. Het genot najagen is hun -eenig streven; wat zal er van hen worden en van hun kinderen? Een zwak, -verwijfd geslacht als dat van Mataram, nietelingen gelijk aan het -wezen, dat we daar straks verlieten en dat nog aanspraak maakt op den -naam en de eerbewijzingen van een Keizer.” - -„Hij is een onschadelijk man; hoe hij in den wijn, trots Mahomed, een -welkome troost vond voor zijn leed!” - -„’t Is hem ontgaan, dat wij vertrokken, zoo was hij reeds van zijn -zinnen beroofd door de bedwelming van den drank. En aan zulke schepsels -is dit land, dit heerlijke land overgeleverd; schepsels zoo dom en -tegelijk zoo boos, wier verstand geen teugels kan leggen aan hun woeste -hartstochten, die ongebreideld hun overgroote macht slechts aanwenden -om anderen te verderven. Ontzenuwd door de heillooze leer van hun -leugenprofeet, verschillen zij geheel van de helden onzer oude sagen. -Vrienden, ge weet hoe dikwijls wij de blanke vreemdelingen vervloekten, -die van verre over de zee kwamen om onze schatten te bemachtigen en ons -de wetten te stellen; maar als ik de nietswaardigheid zie van onze -vorsten, dan ben ik geneigd God te danken, dat Hij zich ontfermde over -de arme Javanen, die geen grooter vijanden, geen wreeder verdrukkers -kennen dan hun eigen Prinsen en priesters.” - -„Zoo alle vorsten gelijk waren aan u, Heer!” - -„Aan mij! Wat kan ik doen, alleen! Ik misken u niet, vrienden, uw -zwaard heeft mij trouw geholpen Wirajoeda, even veel als uw wijze raad -en steun Koesoemo; maar lichter is het een rijk te stichten, volken te -onderwerpen door dapperheid en listig beleid, dan hen te behouden door -strikte rechtvaardigheid en wijsheid. Ik voel het, de taak is zwaar; -zal ik ze alleen kunnen volvoeren? En dan, droevige gedachte, wie -verzekert mij dat, wanneer ik sterf, niet alles jammerlijk ineen zal -storten, daar ik in mijn opvolgers mijn geest niet kan storten, -tegelijk met het leven, dat zij mij danken?” - -„En is het daarom dat gij vriendschap zoekt met de Hollanders, vrede en -bondgenootschap?” - -„Ik heb ze gezocht vóór ik Adipati Anoem stellige beloften, deed; ik -hoopte mijn gedrag te kunnen regelen naar het antwoord dat zij mij -zouden geven. Helaas! mijn pleegvader keert niet terug. Ik hoop niet -dat hem iets overkomen zij. Zijn dood of gevangenschap zal de druppel -zijn, die den beker mijner wraak doet overloopen, veel heb ik van de -Hollanders verdragen, veel heb ik met hen af te rekenen; zoo Kiai -Hemboong niet terugkeert, dan hoop ik dat de laatste band verbroken zal -zijn, die mijn hart nog aan hen hecht.” - -„Meester!” riep Wirajoeda uit, „hoe kan het zijn dat er in uw hart nog -genegenheid leeft voor hen, die u verraden, belogen, vervolgd, -versmaad, gegeeseld hebben? Is al die schande uit uw geest verdwenen? -Leeft er geen wrok meer in uw hart?” - -„Ik ben nog bereid alles te vergeven, alles te vergeten, wanneer zij -mij erkennen als hun gelijke, wanneer zij ophouden neer te zien op mij, -als ware ik een van minder geslacht. Laten zij mij erkennen als hun -bondgenoot, geen trouwer vriend zullen zij bezitten. Hoe menigmalen -reeds wierpen de golven des levens mij telkens naar hun kust; ik greep -met beide handen hun grond aan, telkens echter stieten zij mij terug! -Nu echter, wanneer Kiai Hemboong niet terugkomt, dan zweer ik bij de -geesten mijner voorvaderen, zal het voor ’t laatst zijn.” - -„Gij verklaart hen den oorlog, om Adipati Anoem in Pakoe Boewana’s -plaats te stellen.” - -„Ik zal hen bestrijden, om te zien wie meester zal blijven van de -Oostkust, zij of ik?” - -Wirajoeda nam afscheid; Koesoemo steeg van zijn paard om in een -draagstoel plaats te nemen, waar hij voor zijn verouderde ledematen -meer rust kon vinden gedurende den nachtelijken tocht. Soerapati reed -alleen vooruit, diep in gedachten verzonken; zijn wonderbare levensloop -ontrolde zich in breede tafereelen voor zijn geest; hij zag zich weer -jong, krachtig, zoo juist der slavernij ontloopen, het hart vol -liefdesmart; hoelang was dat geleden? En de strijd in die bosschen, het -ongeregelde rooversleven, door den korten soldatentijd gevolgd, toen de -crisis in Tji-Kendoel, de reis naar Karta-Soera, de wanhopige -worsteling aldaar en eindelijk de veroveringstocht in Java’s oostelijke -gewesten. Toen hij daar verscheen was alles hem te voet gevallen; hij -nam bezit van Madioen en Kediri als stedehouder des Keizers, hij zette -de Regenten af en stelde zijn vrienden in hun plaats; in Pasaroean en -het Tengergebergte, waar de leer van Mahomed nog slechts zeer -oppervlakkig doorgedrongen was, vereerden de volgelingen van Batoro -Goeroe hem als een afgezant uit den Soeraloyo. [22] - -Wat nog tegenstand durfde bieden deed hij zwichten voor zijn -onoverwinbare wapens; het volk snelde toe, bracht hem blijde zijn -offers, zette de handen in elkander om voor hem paleizen te bouwen zoo -schoon als hij slechts verlangde. Hij trachtte goed en rechtvaardig te -zijn, hen te regeeren niet door vrees en willekeur maar door wijze, -verstandige wetten, maar hoe verder hij vorderde, hoe duidelijker ’t -hem werd dat zijn taak zwaar, veel te zwaar werd voor zijn schouders. -Zijn geest schiep zich heerlijke beelden voor de toekomst, hij droomde -van rijken zooals die waarvan hij eenmaal als kind had gelezen in de -boeken zijns meesters, modelstaten als Griekenland en Rome, de namen -kende hij nauwelijks meer, hij herinnerde zich flauw, daarvan gedroomd -te hebben in zijn kinderlijke illusiën! Maar hoeveel kennis, hoeveel -wetenschap was er noodig om van deze aanhankelijke, goedige maar nog -zoo weinig ontwikkelde wezens menschen te maken, doordrongen van hun -plichten en rechten! O kon hij toch in zijn eigen geest licht -ontsteken, den muur waarmede onwetendheid zijn verstand omringde, doen -instorten, kon hij zelf orde brengen in zijn verwarde gedachten; ja, -hij wilde veel, hij vermocht met zijn zwaard veel te doen, maar het -beste wat hij bezat, zijn meerdere kennis en ontwikkeling, hij dankte -het den Hollanders, hen alleen mocht hij het licht vragen, dat hem kon -verlichten. Bij hen moest hij den steun zoeken dien hij noodig had. - -Zij bezaten immers in vollen rijkdom, juist datgene waarvan hij het -gemis zoo pijnlijk voelde; waarom stieten zij hem terug als hij zoo -gaarne van hen ontvangen wilde? Een laatste poging had hij gewaagd, -keerden zij zich weder van hem af, wat dan? Hij kon hen bestrijden, wat -baatte ’t hem, ’t bracht hem niet nader bij de verwezenlijking zijner -grootsche plannen, zelfs al bleef hij hun overwinnaar. - -Verscheidene Hollanders had hij tot zich gelokt, om zijn voordeel te -doen met hun kennis; een hunner had belangrijke verbeteringen gemaakt -in zijn kraton, een ander gaf hem lessen in lezen en schrijven, waarin -hij voorheen ook onderricht had gekregen, maar welke kennis hij door -zijn avontuurlijken levensloop door gebrek aan oefening, verwaarloozen -moest; een derde hielp hem zijn soldaten op Europeesche wijze te -oefenen want de wapenhandel bleef nog steeds zijn voorname zorg. - -„Ik heb mijn rijk veroverd, ik moet het thans nog beschermen, kan ik -het rustig bezitten, dan eerst begint mijn grootste, moeilijkste taak. -Zal ik daartegen opgewassen zijn?” vroeg hij zich af. - -De weg voerde langs de kronkelingen van de Brantas, door dat gedeelte -van Java, hetwelk met recht als de schoonste streek van het -smaragden-eiland geroemd wordt; ter rechterzijde verhieven zich de -steile ruggen van den Keloet, in de vlakte wisselden wouden en -grasvelden elkander af; de zware schaduwen in de diepte werden nog -donkerder, maar zilvergloed lag over de hoogten uitgespreid; zachte, -geurige koeltjes daalden van de bergen neder, alles ademde rust en -vrede in het vergevorderd nachtelijk uur. Het getrappel der paarden en -het praten en lachen der ruiters verstoorden alleen de plechtige -stilte, die over de bergen en dalen rustte. Soerapati zag rondom zich -en diepe weemoed vervulde plotseling zijn ziel, met onweerstaanbaar -geweld keerden zijn gedachten terug naar de dagen zijner jeugd, naar -den morgenstond zijner eerste liefde. - -„Ware zij de moeder mijner zonen, hoe anders zou ik te moede zijn!” -mompelde hij, „wat zou ik dan nog vreezen, maar nu? In den boezem van -mijn eigen gezin heb ik den zwaarsten strijd te voeren en als ik er -niet meer ben, dan treft hen en mijn rijk de vloek, die Mataram ten -gronde richt.” - -Terwijl hun vader zich met zulke ernstige gedachten bezighield, voerden -zijne zoons, juist zooals de gewezen Rijksbestuurder aanmerkte, veel -vroolijker gesprekken. - -Pengantin, de oudste hunner, die gehuwd was met de schoone Soederma, -zuster van den Balembangschen prins Matjanegara, reed een weinig ter -zijde van de anderen en sprak fluisterend met zijn broeder Lembono. - -„Ik zou wel willen weten, wat onze broeders daar voor geheimen hebben,” -zeide Matjanegara tot zijn anderen zwager Nitro, „het schijnt dat deze -niet voor onze ooren bestemd zijn.” - -Nitro haalde de schouders op. - -„Wat voor geheimen kan Pengantin hebben dan die op zijn liefjes en -danseressen betrekking hebben? Geloof mij, hij kent geen andere dan -liefdeslisten.” - -„Mijn arme zuster weet dat genoeg. Hij heeft zeker weer de een of -andere dwaze streek in den zin. De mooie serimpies [23] van den -gevluchten Soenan Mas konden hem niet eens boeien, zulk een haast had -hij Kediri te verlaten en naar Pasoeroean terug te trekken. Laat hij -echter op zijn hoede wezen, wanneer hij te ver gaat en het hart van -Soederma al te bitter bedroeft, zal ik onzen vader waarschuwen.” - -„Dat moet gij niet doen, broeder! Een verrader plukt nooit de vruchten -van zijn verraad. Pengantin en Lembono hebben de vrouwen lief. Welk -kwaad schuilt daarin? Doen wij niet hetzelfde? Onze zuster handelt -verkeerd, indien zij haar man met haar slendang [24] aan zich wil -binden; de gevangen vogel betreurt zijn vrijheid het meest, en haat den -meester die hem in de kooi sloot. Wanneer zij hem vervolgt met haar -achterdocht, zal haar echtgenoot bitteren tegenzin voor haar opvatten, -hoe schoon en lieftallig zij ook moge zijn.” - -„Mijn zuster is een prinses, die niet verdient op zulk een wijze te -worden verwaarloosd.” - -„Er is geen sprake van verwaarloozing. Wordt de Toewan Ratoe [25] van -Mataram beleedigd, daar zij meer dan honderd goendiks [26] naast zich -moet dulden? Maar het hof van Wiro Negoro staat geheel alleen op Java; -daar zijn de kapoetrens [27] verboden. Onze vader heeft nooit een -andere vrouw gehad, dan onze moeder Radhen Goesik Koesoema, maar heeft -hij daarom het recht ook ons de vreugde te ontzeggen, welke de groote -profeet van den Islam zijn volgelingen zoo ruimschoots gunt?” - -„Uw vader heeft recht tot alles,” sprak de jonge prins, die een -dwepende vereering voor Soerapati koesterde en hem onbegrensde -dankbaarheid meende te moeten bewijzen, daar hij zijn broeders, die -aanspraak maakten op den troon van Balembangan, uit den weg geruimd -had, en na zijn huwelijk met de Pasaroeansche prinses, uit zijn naam -zijn rijk bestuurde. - -„Gij wilt dus ook geen andere vrouw bezitten naast mijn zuster?” vroeg -Nitro spottend. - -„Nooit!” antwoordde de andere. „Ik ben geen Mahomedaan.” - -„En wanneer mijn vader er niet meer is, zal ik dadelijk den Islam -omhelzen. Maar zelfs in Bali is het geoorloofd vele vrouwen te -bezitten, hoeveel goendiks had de Maharadja van Modjopahit voorheen? -Evenals Pengantin, zal Lembono er moeite mee hebben, daar hij de -schoonzoon van den Regent van Kediri is en met Wirajoeda valt niet te -spelen. Hij deelt den innigen haat mijns vaders tegen harems.” - -„Uw moeder is niet van dit oordeel.” - -„Mijn moeder haat de Hollanders; zoo mijn vader haar geen mededingster -gaf, omdat hij aanhanger is van den godsdienst van Shiwa, niemand zou -meer juichen dan zij, maar in deze gedragslijn erkent zij slechts zijn -zucht om den Christenhonden te gelijken, vandaar dat zij onze neigingen -niet weerstreeft, maar ze aanwakkert.” - -„Haar man tegenwerken, zoo mijn vrouw dit ooit waagde....” - -Nitro lachte luid. - -„Wat zoudt gij doen, kleine Prins, wanneer zelfs de groote Wiro Negoro -met zijn machtig zwaard weerloos staat tegenover de speldeprikken eener -vrouw? Radhen Goesik ziet nog steeds met leede oogen dat het hart van -onzen vader naar de blanke kafirs neigt. Men zegt,” en zijn stem klonk -nu fluisterend, „dat mijn vader’s eerste gemalin een Christen vrouw van -zuiver Hollandsch bloed was en dat hij haar nog niet vergeten is, -hoewel zij hem ontrouw werd. Deze gedachte kwelt mijn moeder dag en -nacht, zij verbittert haar het leven, dwaze, die zij is. In elke -handelwijze mijns vaders, die haar maar eenigszins aan de Hollanders -herinnert, ziet zij een hulde der mededingster gebracht en dit vervult -dan haar ziel met toorn en nijd.” - -„Maar wat zegt uw vader van zulke gevoelens?” - -„Hij merkt ze nauwelijks op of veinst ze niet te zien en dat doet haar -ergernis ten top stijgen. Arme moeder, zij vreest de blanke vrouw, die -misschien reeds sinds jaren gestorven is, meer dan een kapoetren, -gevuld met de schoonste Javaansche vrouwen. Gaarne zoude zij met dezen -de woning van haar echtgenoot willen deelen, mits zij de zekerheid had, -dat de herinnering aan die ééne geheel uit zijn ziel gewischt ware. Dit -spooksel uit het verledene verontrust haar thans, na twintig jaren, nog -evenzeer als op den dag harer verloving.” - -„Zonderlinge liefde,” mompelde Matjanegara. - -Intusschen drong Panganten bij zijn broeder Lembono aan: - -„Ge moet mij helpen, het schoone Tengersche meisje heeft mijn hart in -vuur en vlam gezet. Ik wil dat zij de mijne wordt.” - -„De bewoners van Tosari zijn licht geraakt en dulden geen ijdel spel -met de eer hunner vrouwen en dochters; hoe wilt ge het meisje -ontvoeren? Hun woningen zijn in het schier ondoordringbare gebergte -verscholen, wilt ge haar daar vinden?” - -„Gij moet mij helpen, ik zeg ’t nog eens, Lembono! Veins, dat gij den -geest van den Bromo wilt gaan vereeren, zoo ik mijn vader dit verzoek -zal hij begrijpen, dat het slechts een voorwendsel is, Nitro is nog zoo -jong en ik vertrouw hem niet, hij zou voor zich zelf werken als hij ’t -meisje zag, maar gij heet de ernstigste van ons drieën; vader zal u -niet wantrouwen als gij met zulk een verzoek tot hem komt en u de -gevraagde toestemming verleenen. Gij brengt een nacht in Tosari door, -waar ik u zal komen ontmoeten, en daar zullen wij weldra hooren waar -het meisje woont, dat ik laatst met haar vader te Bangil ontmoette.” - -„En zoo de zaak ruchtbaar werd, als de Tengereezen om wraak roepen over -de schaking en als het mijn schoonvader ter oore komt, welke rol ik -daarin speelde? Gij weet Wirajoeda laat niet met zich spelen, zijn -eigen zoon liet hij krissen toen deze een Mahomedaansch meisje tot -vrouw nam; hij is wreeder dan onze vader, bij wien hij echter alles -vermag.” - -„Gij zijt laf als een vrouw, Lembono; schande over u, dat gij beeft -voor den vader uwer gemalin. Luister naar mij,” en hij boog zich over -den kop van zijn paard om zachter te kunnen spreken, „ik zal u later de -landen van Ponorogo en Soerabaya geven, Nitro en de Balembanger -ontvangen niets van mij, ik zal ze wegzenden naar Bali, zoodra ik hier -meester ben, maar help mij nu, want ik smacht van verlangen naar het -bezit der lieftallige Siwangi.” - -„En Soederma?” - -„Zij verveelt mij met haar lastige jaloezie. Hoe wreed is vader ons te -dwingen slechts een vrouw te erkennen. Hij begrijpt toch hoe na zijn -dood.....” - -Intusschen ging Radhen Wiro Negoro steeds voort grootsche plannen te -vormen tot uitbreiding en instandhouding van zijn machtig Javaansch -rijk. - - - - - - - - -IV. - -EEN MOEILIJKE ZENDING. - - -Na zijn vertrek uit Batavia scheen Robert een ander mensch geworden; -het was hem ernst met de verbetering van zijn leven. Vooral nadat hij -vernam hoe eenvoudig en edel Digna gehandeld had, om hem de vrijheid -terug te bezorgen, was ’t zijn levensdoel geworden haar achting het -koste wat het koste te herwinnen. Hij deed eenvoudig zijn plicht, -zooals zij hem geraden had, en zoo goed dat de aandacht zijner -overheden op hem viel. Belangrijke krijgsbedrijven hadden er niet -plaats bij dezen veldtocht. Zonder slag of stoot trok het leger van -Herman de Wilde Karta-Soera binnen; eenige schoten hadden de 40000 -mannen van Soenan Mas op de vlucht gejaagd. Hun bevelhebber had hen -reeds verlaten om zich aan de Hollanders te onderwerpen; eenige dagen -slechts duurde de tocht; na de teekening van het tractaat keerde de -Wilde terug naar Samarang na eerst een vrij aanzienlijke bezetting -dicht bij Pakoe Boewana’s kraton te hebben achtergelaten. - -Eenige dagen na zijn terugkomst in de loge van Samarang zat de Wilde in -ernstig gesprek met den onlangs aangestelden Expres-commissaris en -algemeen Opperhoofd van Java’s Oostkust, Michel Ram. - -„Wij hebben een groot werk volvoerd,” sprak de heer Ram, „zonder -bloedvergieten, alleen door de macht van den Hollandschen naam.” - -De Wilde haalde de schouders op. - -„Het werk is nog niet half gedaan. Wat baat het ons of de ledepop, die -wij daar in Mataram hebben neergezet Pakoe Boewana of Hamangkoe-Rat -heet, als een voortdurend gevaar ons blijft dreigen in het Oosten? -Zoolang de slavenhoofdman niet verdelgd is, blijft onze toestand -dezelfde.” - -„Maar dat tractaat, dat door uw zorg geteekend is en zulke belangrijke -voordeelen aan ons verzekert.” - -„Ja, het tractaat is geteekend, maar wie staat er voor in dat de -artikelen zullen worden nageleefd? Angst zal Pakoe Boewana dwingen het -niet te schenden, doch wat vermogen de beste voornemens tegen de -ijzeren noodzakelijkheid? Wanneer Soenan Mas uit Kediri komt aanrukken, -vergezeld door een geducht leger Balineezen, wat zal dan onze bezetting -in Karta-Soera baten? Hoeveel wij rekenen mogen op de trouw en de -dapperheid der Javanen dat hebben de jongste gebeurtenissen ons -geleerd.” - -„Maar het volk heeft toch Pakoe Boewana’s zijde gekozen, zij allen -hebben Adipati Anoem verlaten.” - -„Zeg liever dat hij hun verlaten heeft; wanneer eenige Mahomedaansche -papen komen om de hartstochten van het volk op te zweepen ten gunste -van den gevluchten prins en als hij zelf verschijnt, gesteund door de -troepen van den slaaf, wat zal dan tegen hun pieken en krissen het -papier van het tractaat uitrichten?” - -„Uw bedoeling is dus de uitlevering van den Adipati met de wapenen in -de hand te vragen?” - -„Mijn wensch is dat voorzeker, doch tot zoover reikt mijn lastbrief -niet; ik zal lang genoeg hebben geleefd wanneer ik dat rooversnest -uitgeroeid heb; voor en aleer zullen vrede en rust niet op Java -teruggekeerd zijn. Wat zal het ons baten of wij van den Soesoehoenan de -naleving eischen der contracten wanneer hij met den besten wil der -wereld buiten staat is zijn verplichtingen te vervullen? Hij, die met -ondergebrachte natiën vrede wil houden, moet hen geen zwaarder lasten -opleggen dan zij redelijkerwijze kunnen dragen want dan alleen is de -vrede bestendig. En zoolang Soerapati, in ’s Keizers eigen rijk een -onafhankelijke macht uitoefent en Anoem tot werktuig gebruikt om den -andere vandaag of morgen uit zijn overgebleven staten te verdrijven, -zoolang kan Pakoe Boewana het tractaat niet naleven.” - -„Zoodat een oorlog tegen Wiro Negoro onvermijdelijk is?” - -„Heeft de ellendeling niet lang genoeg onze macht getart, wordt het -geen tijd den weggeloopen slaaf, den moordenaar van Kapitein Tak loon -naar werk te geven? Wat zal de Javaan denken van de macht en de -wijsheid der Edele Compagnie, als deze niet eens sterk genoeg blijkt te -zijn om een deserteur, een verrader, een misdadiger in handen te -krijgen en hem zijn verdiende straf te doen ondergaan?” - -„Inderdaad, er is veel, zoo niet alles voor ons aan gelegen om den -avonturier onschadelijk te maken, doch de taak is zwaar, de geheele -streek beoosten Kediri bevindt zich in zijn macht. Hij moet er -volstrekte heerschappij over voeren; het volk bewijst hem koninklijke -eer, zijn leger moet zeer geoefend zijn, men zegt door Europeanen, hoe -zal de Compagnie in deze schier ontoegankelijke streken hem kunnen -aanvallen?” - -„Wij zullen niet alleen staan; ook de Inlandsche vorsten zijn de -drukkende heerschappij van den slaaf moe geworden. De regenten van -Soerabaya en Madura blaken van verlangen hem te tuchtigen.” - -„Is Uw Edelheid daar wel zoo zeker van?” - -„Hebben zij dan geen gezanten naar Batavia gezonden om onze hulp in te -roepen.” - -„Zou daar achter geen verraad schuilen? Heeft de overleden Soesoehoenan -niet menigmaal hetzelfde gedaan, zich bitter beklagend dat Soerapati -zijn regenten verdreef, en hun landen aan zich zelf onderwierp, lachend -en spottend over de vertoogen des keizers. En nu verraadt zijn zoon -maar al te duidelijk dat hij bevriend is met den Balinees en dat deze -vriendschap niet gewacht heeft op den tijd van tegenspoed om plotseling -te ontkiemen.” - -„Wie verzekert ons echter dat de vader de gedragslijn van den zoon -goedkeurde? Adipati Anoem was lijnrecht gekant tegen den -Rijksbestuurder, dat weten wij genoeg, hij aasde op de kroon nog -tijdens het leven van Hamangkoe-Rat. De verzoeken om hulp en bijstand -konden zeer goed oprecht gemeend zijn, maar nimmer wilde de Compagnie -er een gunstig oor aan leenen, niet alleen omdat zij zich niet krachtig -genoeg voelde tot zulk een ingewikkelden oorlog maar ook omdat zij na -Tak’s dood op zulk een gespannen voet met den Soesoehoenan verkeerde.” - -„En hem niet vertrouwde! Hoe meer ik den Inlander leerde kennen hoe -meer ik de waarheid inzie van de woorden indertijd door den zeer -strengen maar ook zeer ervaren Commandant Johan Albert Sloot -uitgesproken, toen er gezanten uit Mataram hier heen werden gezonden om -hulp tegen Soerapati in te roepen: „De ondervinding heeft mij geleerd -dat op hun discoursen weinig staat te maken valt, daar het eene -algemeene Javaansche maxime is, dat zij in een samenkomst met ons of in -ons bijzijn, steeds hun discoursen naar onzen smaak en zin zoeken in te -richten.” - -„Ook dit heb ik meermalen ondervonden, doch kwam eveneens tot de -slotsom, dat de Javaansche hoofden wanneer het hun voordeel geldt onze -hulp zeer goed kunnen gebruiken. Wanneer zij inzien dat zulk een -buurman als de Balinees, hun alles behalve aangenaam kan worden, zullen -zij zich zeer gaarne van onze hulp bedienen, zelfs wanneer zij weten -dat deze hen niet voor niet wordt verleend. En Soerapati moet zeer -lastig zijn en zeer gevaarlijk juist omdat men hem verstand en zekere -mate van ontwikkeling niet kan ontzeggen.” - -„Dat Pakoe Boewana hem liefst honderd voeten onder de aarde wenscht, -zal ik niet betwijfelen maar of zijn buurlieden de Adipati van -Soerabaya en de Panombahan van Madura hem eveneens moede zijn, daarvoor -sta ik niet in. Wees verzekerd dat zij hem vleien, nu vooral nu hij den -ex-keizer in zijn macht heeft, dit belet echter niet dat zij tenzelfden -tijd ook ons tot vriend trachten te houden en Pakoe Boewana ten minste -uiterlijk hulde bewijzen.” - -„We moeten die uiterlijke bewijzen van trouw voor lief nemen, totdat -wij overtuigd raken van het tegendeel en ons bepalen hen nauwlettend te -bewaken. Wij nemen hun diensten aan maar schenken hen geen vertrouwen -in ruil. Dit zal onze stelregel wezen.” - -„De grootste moeilijkheid echter is ongetwijfeld onze geheele -onbekendheid met de landstreken, waarin Soerapati huishoudt. Nog nooit, -zoolang hij het bewind voert, heeft een Hollander—overloopers niet te -na gesproken—daar den voet gezet; wat wij van zijn regeering en de -inrichting van zijn rijk weten, dat hoorden we slechts uit weinig -betrouwbare inlandsche berichten. En ’t is toch noodzakelijk vóórdat -wij onze hand in dat wespennest steken, iets meer te weten van den man, -dien wij gaan bestrijden. Zou er geen mogelijkheid toe bestaan zich -daar van te vergewissen?” - -„Uw raad is niet verwerpelijk maar het hoe biedt ernstige, bijna -onoverkomelijke bezwaren aan. Wij kunnen er spionnen heenzenden, maar -deze moeten toch ook Europeanen zijn, daar wij de inlanders weinig -vertrouwen kunnen en er op hun waarnemingen geen staat te maken is.” - -„Een Europeaan hebben wij in de eerste plaats noodig, die alles met -zijn eigenaardigen blik beschouwt en weet, wat hij op moet merken en -welke toestanden zijn meeste aandacht verdienen; maar hoe zullen wij -dezen in Soerapati’s onmiddellijke omgeving laten doordringen? Kleur en -spraak zullen hem verraden.” - -„Maar reeds menige Europeaan is naar hem overgeloopen; ik hoorde zelfs -dat reeds menige blanke deserteur hem zijn diensten aangeboden heeft. -Zou men thans ook niet één of meer vertrouwde mannen onder datzelfde -masker naar hem kunnen zenden?” - -„Vergeet niet dat de slimme vogel thans meer dan ooit op zijn hoede zal -wezen en wee dengene, die hem wil verschalken. Het is noodzakelijk in -de eerste plaats, dat noch hij noch zijn dienaar vermoeden, dat onze -verspieder in zijn rijk is. Degene, dien wij daartoe afzenden, moet -listig, dapper, welonderwezen zijn en door zijn uiterlijk de -achterdocht der inboorlingen niet opwekken.” - -„Waar zou men zulk een zeldzaam wezen kunnen vinden?” - -„Daar valt mij iets in! Mijn aandacht werd gevestigd op een jong, knap -soldaat—ik geloof dat hij onlangs bevorderd is—tot korporaal. Hij heeft -een kaart gemaakt van het oorlogsterrein, die ik zeer goed bruikbaar -vond; gelegenheid om zijn moed te toonen heeft hij niet gehad maar de -goede kapitein Wels, die helaas! viel als offer van het moordend -klimaat, meldde mij nog dat in de weinige schermutselingen, die hij had -meegemaakt, zijn dapperheid hem veel te veel deed wagen; doch wat hem -vooral aanbevelingswaardig doet zijn voor dergelijke zending, dat is -zijn donker voorkomen.” - -„Is hij Hollander?” - -„Ik zou ’t wel denken, hoewel zijn kleur van gelaat en haar meer aan -een Italiaan of Spanjaard herinneren. De arme knaap moet in de laatste -dagen, welke hij te Batavia doorbracht, nog een onaangename zaak hebben -gehad. Men heeft hem beschuldigd van een diefstal, waar slechts een -liefdeshistorietje in ’t spel was. Zijn Edelheid de Opperlandvoogd -beval mij hem door een enkel woordje aan.” - -„Het beste zou wezen, wanneer Uw Edelheid hem eens over het onderhavige -geval zelf sprak.” - -„Gij hebt gelijk en ik wil het dadelijk doen.” - -Hij tikte op de tafel en gaf bevel aan den binnentredenden ordonnans -den korporaal Walter te doen roepen. - -Weinige oogenblikken later kwam de korporaal binnen en groette de beide -groote heeren eerbiedig. - -„Wij hebben u doen ontbieden korporaal,” begon de Opperbevelhebber de -Wilde, „daar wij ons willen vergewissen of gij de noodige vereischten -bezit om een moeilijke, gevaarvolle zending te volvoeren.” - -Robert bracht even de hand aan het hoofd, hij antwoordde niet maar zijn -groote donkere oogen vonkelden van blijde verwachting. - -„Hebt gij moed?” - -„Ik hoop ’t u te toonen, Heer Opperbevelhebber, als de gelegenheid er -zich toe aanbiedt.” - -„Maar er is meer noodig dan de moed, die u aan het hoofd van een leger -doet vechten onder de bevelen uwer meerderen?” - -„Ook dat meerdere hoop ik te bezitten.” - -„Ge zult list en beleid dienen te gebruiken.” - -„Daarin heb ik nog weinig proeven afgelegd, maar ik hoop dat de -gelegenheid als een goede meesteres ze mij zal leeren.” - -„Gij spreekt goed, uw uitspraak is beschaafd, ik heb gehoord dat het u -niet aan kundigheden ontbreekt, dat gij u gemakkelijk in het Fransch, -Hoogduitsch en Engelsch kunt uitdrukken. Waar hebt gij uw opvoeding -ontvangen?” - -„In Amsterdam.” - -„Dus behoort gij zeker tot een goede familie.” - -„Ik heb geen familie,” antwoordde hij dof. - -„Is Walter uw eenige naam?” - -„Mijn eenige.” - -„Ik wil niet meer vragen, gij schijnt reden te hebben om uw voorgaand -leven met een diepen sluier te bedekken. Ik eerbiedig uw geheim; maar -nog een vraag: Kent gij Maleisch en Javaansch?” - -„Niet meer dan om mij tegenover de inboorlingen te kunnen uitdrukken -voor de gewone behoeften van het dagelijksch leven in het leger. Ik heb -echter, ’t zij met bescheidenheid gezegd, een groot gemak voor het -aanleeren van vreemde talen.” - -„’t Is goed, ik zal een Javaanschen Mantri aanwijzen, die u grondig -zijn taal leert; gij weet reeds iets van de taal. Hoeveel tijd denkt -gij noodig te hebben om ze te leeren verstaan en spreken?” - -Robert dacht even na. - -„Drie maanden.” - -„Welnu, reeds heden zullen uw lessen beginnen; en bereid u dan voor op -een hoogst gewichtige zending. Wanneer gij in mijn geest die uitvoert, -dan wacht u van de Hooge Regeering een schitterende belooning, -waarschijnlijk den officiersrang.” - -Opnieuw schoten Robert’s oogen stralen vuur; maar hij sloeg ze neer, -zijn lippen trilden en in zijn hart fluisterde hij: - -„O Digna, hoe tevreden zult gij dan zijn!” - -„Maar ik kan u niet ontveinzen dat er groote, zeer groote gevaren aan -verbonden zijn, en dat ge groote kans loopt uw leven onderwijl te -verliezen.” - -Minachtend trok de jonge man zijn wenkbrauwen op. - -„Aan mijn leven hecht ik volstrekt niet. ’t Is niets waard, ik zal -gelukkig zijn, wanneer ik het geven mag in dienst van het vaderland.” - -„Ge wilt u dus met die taak belasten, al weet gij nog niet, waaruit zij -bestaat?” - -„Ja, Heer Opperbevelhebber! Ik zal gelukkig zijn die te mogen -uitvoeren, en ik hoop het in mij gestelde vertrouwen niet te -beschamen.” - -Juist trad een jonge onderkoopman, die den gezaghebber Ram moest -spreken, binnen; toen hij Robert zag, die juist het vertrek wilde -verlaten, bleef hij onthutst staan. - -„Van Reijn,” zeide hij halfluid, als onwillekeurig. - -De andere zag om, als had hij op een doorn getrapt, zijn blos bewees -hoe hij schrikte, maar hij wendde dadelijk het hoofd af, groette zijn -meester en vertrok. - -„Kent gij dien man?” vroeg de Heer Ram aan den koopman. - -„Ja, Edele Heer, uit Amsterdam. Zijn vader en de mijne waren vrienden, -ten minste....” - -„En wie was zijn vader?” - -„De oud Expres-commissaris in Indië, Jozef van Reijn.” - -„Wat zegt ge, van Reijn, maar die had geen kinderen.” - -„Dat heeft men later ook bemerkt; de oude heer had hem met zich uit -Indië meegebracht en hem steeds behandeld als zijn eigen zoon. Hij -voerde geheel en al het leven van een rijken, patricischen jonker, -totdat zijn vader plotseling stierf en toen bleek het dat Heer van -Reijn in het geheel niet zijn vader was. Hij verdween nog voor de -begrafenis en niemand wist tot nu toe, wat er van hem geworden was.” - -„En hoe gedroeg hij zich in Amsterdam?” - -„Hij was een vroolijke klant, jong en een weinig lichtzinnig, maar -trouw als goud; zijn pleegvader had hem op zijn handelskantoor -geplaatst, zeker met het voornemen hem een aandeel in de zaken te -geven. Niemand weet of hij daarin voorzien had, want zijn haastige -vlucht sneed alle betrekking met zijn vroegere bloedverwanten af. Hij -had echter weinig lust in den koopmansstand; zijn hart trok naar het -militaire leven, maar een teedere verhouding, die er bestond tusschen -hem en de juffrouw van Starenwijck, deed hem in ’s vaders wil -berusten.” - -„Dus gij weet niets ten zijnen nadeele?” - -„Volstrekt niet. Zijn makkers hielden allen veel van hem; hij was onder -zijne medeleerlingen een der eersten; zijn drift deed hem somwijlen een -misstap begaan, maar hij was eerlijk en oprecht, een liefhebbend zoon -en vurig minnaar.” - -„Daar hebben wij niets mee te maken. Ge meent echter zeker te weten dat -deze korporaal en uw vroegere speelmakker dezelfden zijn?” - -„Ik geef er mijn woord op. Daarenboven Uw Edelheden zagen zelf hoe hij -op ’t noemen van zijn naam zich omwendde.” - -„’t Is wel! Ga nu tot de behandeling uwer eigen zaken over.” - -Zoodra hij vrij was, begaf zich Bosma, de onderkoopman naar de kazerne -en vond daar Robert een weinig afgezonderd staan, hij hield een boekje -met Javaansche karakters in de hand. - -„Robert,” zeide hij, „gij wilt mij niet meer kennen.” - -De andere zag hem aan. - -„Neen,” gaf hij ten antwoord, „’t is beter dat we elkander niet meer -kennen ten minste voorloopig niet. Eens hoop ik echter met een nieuwen -naam en een nieuwe toekomst u en ook anderen in de oogen te zien. Dan -neem ik het niet meer als gunst aan dat menschen mijner nog willen -gedenken.” - -„Ik hoop dat oogenblik te zien. Ik heb veel goeds van u aan Hun -Edelheden verhaald, misschien zal ’t u voordeel doen.” - -„Gij hebt toch niet alles gezegd?” - -„Wat ik wist alleen.” - -Robert beet zich op de lippen. - -„Ook van haar?” vroeg hij. - -„Van juffrouw van Starenwijck?” - -„Noem haar zoo en niet anders. Ik smeek er u om?” - -Bosma wist niet dat Digna vroeger juffrouw Tak en thans mevrouw -Voorneman heette en beloofde het gaarne. - -„Laten we elkander voortaan niet meer kennen,” smeekte Robert, „met het -verleden heb ik gebroken. Wat de toekomst mij zal geven en toestaan, -weet God alleen!” - -En de Opperbevelhebber zeide hoogst tevreden tot den Heer Michel Ram: - -„Ik geloof dat ik den rechten man gevonden heb.” - -„Hij is misschien wat jong, wat onbesuisd, wat driftig.” - -De andere schudde minachtend het hoofd: - -„Met die hoedanigheden zal hij slechts zich zelf schade doen. En ge -hebt zelf gehoord. Hij staat alleen op de wereld. Er is niet veel aan -hem gelegen. Slaagt hij, uitstekend, zoo niet, dan is er slechts een -verloren mensch minder op de wereld.” - - - - - - - - -V. - -MAAGDENROOF. - - -Fijne, wazige sluiers lagen over de talrijke ribben en valleien van het -Tengergebergte uitgespreid, zachtkens losten zij zich in de gulden -zonnestralen op en een schouwspel van onuitsprekelijke schoonheid -glansde in het morgenlicht. - -De trotsche kruinen van den Ardjoeno, de machtige bergkolos van den -Kawi verheffen zich in het Westen, met den kegelvormigen ruwen -Penangon-gan, de groene hellingen van den Tenger dalen als de -onzaggelijke treden van een gigantentrap af naar de zee, die in het -verschiet haar oogverblindenden zilverglans doet wegsmelten in den -gezichteinder en bezaaid is met schepen, waarvan de zeilen als witte of -zwarte vogels zacht op en neer duiken. Tusschen de bergen breidt zich -het hoogvlak van Malang uit, met zijn rijke afwisseling van -hoogliggende rijstvelden, waarvan het donker en lichtgroen op grillige -wijze tegen elkander afsteken; de lichte dampen, die nog over de laagte -zweven temperen de al te schelle kleuren; hier en daar flikkeren -schitterende banden tusschen de zilvergrijze mistsluiers, dat zijn de -stroomen, die van de bergen ruischen en zich naar zee spoeden. - -Tegen een der ruggen, die straalsgewijze uitgaan van den kraterrand der -Tengersche bergen, ligt het dorp Tosari, door het eigenaardige volk der -Tengereezen bewoond; links en rechts van de smalle vlakte, waarop het -dorp zich genesteld heeft, vallen de bergwanden bijna loodrecht naar -beneden; een frissche plantengroei, die schier niets tropisch heeft, -vult de ravijnen en berghellingen. De tjemarabosschen wuiven zacht heen -en weer, terwijl in hun schaduw geurige aardbeziën, thijm en vlier -naast reusachtige varenplanten bloeien. Een onbeschrijfelijke -frischheid vervult de lucht, de nachten zijn hier koud en de dagen -missen de verzengende hitte die de tropische zon uitstraalt; tuinen -waarin maïs en uien verbouwd worden, hangen tegen de steile hellingen -en vervangen de rijstvelden die hier ontbreken, terwijl de huizen -omstreeks veertig in getal allen in één richting gebouwd zijn, zoodat -zij uitzicht geven op den heiligen berg Bromo, en de kratertoppen van -het Tengergebergte. - -Die huizen hebben een eigenaardig langen vorm en strekken tot woning -aan verscheidene gezinnen; aan het hoofdeinde van het huis verheft zich -de heilige haard, waarin het vuur uit den berg Bromo afkomstig, -onophoudelijk brandt en nimmer uitgedoofd mag worden. - -De offeranden van het gezin worden dagelijks op dit altaar neergelegd; -de eenvoudige lieden brengen hun bloemen en vruchten, de eerstelingen -hunner akkers ten offer, aan dengene, in wien zij hun Opperwezen -vereeren. - -Heden echter zijn de tuinen en huizen verlaten, de nijvere landbouwers -hebben schop en spade laten rusten; een feestelijk aanzien ademt het -dorp, hoe stil en verlaten het ook schijne. Een enkele grijsaard zit -onder het afdak zijner woning; een enkele vrouw versiert met bloemen -den kalfskop die heden boven het huisaltaar prijkt, terwijl eenige -kinderen aan het spelen zijn binnen de hooge pagger, die de huizen -omsluit. - -Het is de dag bestemd voor het groote feest van Kasodo; alle bewoners -op de afgeleefden van dagen, op de zieken en hun verpleegsters na zijn -opgegaan naar boven naar de ontzaggelijke zandvlakte of Dasar, -waarboven de heilige Bromo zijn kruin verheft om daar het groote offer -aan hun Oppergod en de mindere goden te brengen; mannen, vrouwen en -kinderen hebben in alle vroegte den berg bestegen om zich in de Dasar, -een geheimzinnig meer van zand tusschen rotswanden en spitse -steenblokken besloten, te verzamelen. In die vlakte komen de bewoners -van alle dorpen in de valleien en op de bergtoppen bij elkander; de -vrouwen blijven achter; de mannen klimmen op naar den krater om onder -het uitspreken van gebeden en formulieren hunne offeranden in den -afgrond neer te werpen, waarin zij meenen dat de groote Batoro Goeroe -zijn verblijf houdt. - -Is de tocht volbracht dan keeren zij terug en zetten zich gezamenlijk -aan den offermaaltijd en keeren tegen het vallen van den avond terug -naar hun eigen dorpen. - -Terwijl alles daar boven vereenigd is, en Tosari het voornaamste der -dorpen, stil en uitgestorven schijnt, naderen een twintigtal mannen de -in de rots gekapte ruwe treden, die tot het dorp toegang geven. - -„Zij zijn allen weg,” sprak hij, die de aanvoerder van den troep -scheen, „het zal niet baten of wij ons daarbinnen begeven. Zij, die wij -zoeken is er toch niet.” - -„Men kan ’t niet met zekerheid zeggen; haar vader is oud en zwak, -wellicht heeft zij hem niet verlaten.” - -„Het zou ons veel moeite besparen, zoo wij haar hier konden aantreffen; -de dwerg heeft toch het vermoeden uitgesproken dat zij de anderen -wellicht niet zou vergezellen.” - -Een jong meisje was intusschen uit een der huizen getreden door de -eenige deur, die toegang naar buiten verleende, zij bracht de hand voor -de oogen en staarde op naar boven, waar een glinsterende rookwolk als -een reuzenpluim den bergtop sierde en haar uiteinde zachtkens deed -wegdoezelen in de lucht. - -Het was een mooi, slank meisje; haar dikke lokken vielen, nog nat van -het water, dat ze bevochtigd had, los over haar schouders neder, zij -droeg een mand vol bloemen in de linkerhand; haar groote zwarte oogen -bleven met eerbied op den Bromo gevestigd en een droevige uitdrukking -gleed over haar gelaat, die geheel in overeenstemming was met den -zucht, die haar lippen ontsnapte maar dadelijk weer speelde er een -glimlach over, terwijl zij met haar bloemen plaats nam onder het afdak, -waar een oude man zich in de jonge zonnestralen zat te koesteren. - -Zij zette zich aan zijn zijde neer, nam de melati-knoppen in haar hand, -ontdeed ze van de harige kelken en stak ze toen in de slangvormige -bladen van kenanga’s, waardoor de eenvoudige bloem niet alleen versierd -werd maar ook tevens de beide zoo verschillende geuren zich met -elkander vermengden. - -„Betreurt mijn dochter het niet, dat zij hier alleen moet achterblijven -terwijl haar bruidegom en al haar speelgenooten deelnemen aan het -groote offerfeest?” vroeg de grijsaard. - -„Hoe kan ik iets betreuren, dat mij reden geeft tot vreugd, of is het -geen vreugde, die mij geschonken wordt, nu mijn vader de volheid der -jaren genieten mag en het mij vergund is hem terzijde te blijven?” - -„Het is een overbodige zorg van mijn lieve Siwangi, dat zij het -gezelschap offert van haar vriend en haar vriendinnen om mij dezen dag -nabij te blijven. Niets zou mij heden ontbroken hebben; ik ware stil op -mijn plekje gebleven, een gedienstige buurvrouw had mij licht eenige -versnaperingen gebracht, en zij zou mij bij uw terugkomst hier -weergevonden hebben zooals zij mij verlaten had.” - -„En als weer een ongeval mijn armen vader treffen moest, als hem de -wereld opnieuw onzichtbaar werd, gelijk onlangs toen ik met mijn -broeder en schoonzuster onzen tuin omspitte en wij u bewegingloos -terugvonden op de bank binnenshuis? Neen vader, voor alle schatten, die -de goede Godin verleenen kan, zou ik u dezen dag niet alleen hebben -gelaten.” - -„Moge Batoro Goeroe de algoede Schepper en Behouder van alles wat -bestaat uw kinderlijke liefde zegenen mijn dochter, en naast uw -bruidegom Dorowadi een lang en gelukkig leven schenken. Hij verleene -mij de gunst uw bruiloft nog in persoon bij te wonen en niet onder de -levenlooze beelden plaats te nemen, die de plechtigheid opluisteren.” - -„O vader, uw sterfuur zal nog lang verwijderd zijn.” - -„Mijn kind, de tong spreekt zoo gaarne uit, wat het hart wenscht, maar -het lot der menschen hier beneden staat niet in de macht van den -sterveling, het is de onveranderlijke wil der heilige Godheid; wat -eenmaal beschikt is moet gebeuren, er is geen ontwijken aan de -bestellingen des Hemels. Dood en leven behooren den grooten -Albeschikker toe, Hem te wederstreven is groote zonde.” - -„Siwangi weet het vader, zij weet het en daarom heeft zij het vuur hoog -doen opvlammen en het versierd met kransen van bloemen en vruchten, nog -een kroon van deze welriekende kenanga’s en melatis wil zij samenvoegen -om ze aan den verheven geest van den Bromo ten offer te brengen. Morgen -zal zij met Dorowadi nogmaals den berg beklimmen en de zandzee -doorwaden om haar gaven neer te werpen in den eerbiedwaardigen -vuurmond. Zij zal het doen om den zegen te vragen voor onze -echtverbintenis en tevens om een lang en gezond leven voor haar vader -af te bidden.” - -„Laat uw hart geen wantrouwen koesteren Siwangi, over de raadsbesluiten -der Godheid; wanneer zij bepaald heeft dat de dagen van haar dienaar -zullen eindigen vóór dat uw vereeniging met Dorowadi gesloten is in een -der gunstige maanden, dan zullen uw vrome offers, mijn arm kind, dit -lot niet afwenden van mijn hoofd. Oorlog en dood, leven en lijden, dit -alles hangt af van den wil der verhevene hemelmachten, het is niet -mogelijk daaraan te ontkomen! En wat zoude ik ook nog meer wenschen op -deze aarde? Zijn mijne zonen niet gelukkig met de vrouwen hunner keuze, -heeft mijn dochter niet haar woord gegeven aan den man, wien ik haar -gaarne vertrouwde? En bovenal mag ik niet tevreden zijn daar thans uit -mijn land de goddelooze volgelingen van den Islam verdreven zijn en -onze vorst evenals wij eenvoudige bergbewoners, den almachtigen Batoro -Goeroe als zijn Opperheer erkent en vereert? - -„Radhen Wiro Negoro heeft Hem een heerlijken tempel toegewijd.” - -„En zijn zoon heeft zich bij ons volk gevoegd om de geesten, der Dewahs -in hun verblijfplaats te vereeren. - -„Men zegt immers dat Mas Lembono zich ook naar de Dasar heeft begeven. -De groote Bromo vergelde het den machtigen der aarde, die hem ootmoedig -vereeren.” - -„Moge het waarlijk ootmoed en godsvrucht zijn, die den prins deden -besluiten deel te nemen aan ons feest.” - -„En wat zou het anders kunnen zijn, Siwangi?” - -Maar het meisje antwoordde niet, zij hoorde stappen de woning naderen. - -„Het zal onze buurvrouw zijn,” sprak zij en stond op—maar het was geen -vrouw, die plotseling voor vader en dochter verscheen maar een man nog -in den eersten bloei des levens; zijn kleeding was van fijne stof, een -lang afhangend jak verborg echter als een mantel alle onderdeden -daarvan. - -„Wees gegroet, jonge dochter,” sprak hij en met de handen op de borst -gekruist, boog hij zich eerbiedig voor de schoone Siwangi, „veroorloof -een armen verdwaalde, dat hij het nederig verzoek tot u richt, hem den -weg te wijzen naar de grijze zandzee.” - -„Niets zal haar aangenamer wezen Heer, dan u op het goede pad te -voeren,” antwoordde Siwangi vrijmoedig en zich tot haar vader wendend, -vroeg zij: „veroorlooft gij uw dochter vader, dat zij dezen vreemdeling -een eind begeleide?” - -„Wie zijt gij?” vroeg de grijsaard, en richtte zijn doordringende oogen -op den nieuw aangekomene. - -„Ik ben niet alleen, oude vader!” hernam deze, „daar komen mijn -gezellen. Wij behooren tot het gevolg van prins Lembono die opwaarts -gestegen is om aan den heiligen berg zijn hulde te brengen, doch in de -duisternis van den nacht verloren wij hen uit het oog, dwaalden door de -bosschen en zegenen het toeval, dat ons op dit bekoorlijk plekje -brengt.” - -„Wanneer gij een vriend zijt van den zoon van onzen edelmoedigen en -dapperen vorst, dan roepen wij u van harte welkom toe. Had de ouderdom -mijn beenen niet stram en stijf gemaakt, ik zou opstaan van mijn -zitplaats om u nederig te begroeten en u tevens te verzoeken aan uw -oppermeester te zeggen, hoe dankbaar de harten van ons, Tengereezen, -voor hem kloppen. Toen onze groote stamvader Kiai Dadap Poetih door het -zwaard van den Islam uit zijn paleis van Modjopahit verdreven werd, -vluchtte hij naar dit schier ontoegankelijk gebergte, en deed zijn -kinderen en volgelingen zweren trouw te blijven aan de leeringen en -voorschriften van onzen godsdienst, nimmer zich te voegen naar de al te -verleidelijke lessen van den Arabischen profeet en zoo zijn wij hier -gebleven en vormden een hoogst gelukkig volk, en ik mag het gerust -zeggen met rechtmatigen trots, de reinheid onzer zeden vormt een -heerlijke tegenstelling met de diepe verdorvenheid, die aan gindsche -zijden der bergen heerscht.” - -„Ja, de deugden der Tengereezen zijn overal bekend en beroemd,” sprak -de andere min of meer spottend en ongeduldig. - -„Aan het hof van Radhen Wiro Negoro worden onze voorschriften opnieuw -in eere gebracht. Veelwijverij is in zijn naaste omgeving ongeoorloofd, -heeft men mij gezegd en door deze wet heeft hij tusschen de Mahomedanen -en zichzelf een afgrond gegraven. Is dat waar?” - -„Gij zijt wel onderricht.” - -„Batoro Goeroe zij geprezen! Sinds jaren ben ik hier in dit dorp de -oudste, ziekte en ouderdom beletten mij deel te nemen aan den -feestelijken tocht, welken ik zoo dikwijls aanvaardde. Vele dingen heb -ik gezien in mijn lang leven en over vele zaken dacht ik rijpelijk na -en zoo kwam ik tot de overtuiging dat er twee oorzaken zijn, die een -volk opheffen of te gronde richten; de godsdienst en de vrouw!” - -„Vergeef mij, goede vader! Een volgenden keer zal uw zoon gaarne naar -uw wijze taal luisteren, maar wij moeten ons haasten onzen tocht te -vervolgen. Zie slechts, hoe hoog de zon reeds boven gindsche bergtoppen -staat, wij moeten ons haasten, willen wij onzen meester nog in de -zandzee ontmoeten. Wellicht wil de schoone jonkvrouw ons wel den weg -wijzen.” - -„Mijn dochter is een eenvoudig landmeisje, Heer en niet gewend aan de -hoofsche spreektaal der grooten en edelen. Verschoon haar -bescheidenheid en prijs geene gaven die zij aan de goedheid der goden -dankt en waarop zij dus geen roem mag dragen. Vergezel de heeren een -eind weegs Siwangi, totdat zij zonder verdwalen den bergtop kunnen -bereiken en kom dan ijlings terug!” - -Siwangi wenkte den jongen man en zijn makkers, die op kleine zwarte -paarden gezeten waren, haar te volgen en zij hadden weldra het dorp -achter zich; de vreemdeling liet zijn paard onder de hoede der andere -ruiters en ging naast het jonge meisje voort, dat met het grootste -gemak den steilen weg volgde over de groene rib, die naar den krater -voerde. - -„Uw leven moet hier toch zeer doodsch en eentonig wezen,” sprak de -reiziger, „elke dag is gelijk aan den andere.” - -„Wat deert mij dat?” antwoordde Siwangi, „indien elke dag door den -Hemel met kalmte en vrede gezegend is.” - -„Hoe brengt gij uw dagen dan door!” - -„Tot nu toe hielp ik mijn broeders hun tuinen beplanten en te -verzorgen, weldra zal ik in dien van mijn echtgenoot mogen werken!” - -„Hoe, ge zijt verloofd en uw bruidegom zal u hard laten arbeiden in den -ondankbaren grond?” - -„De grond is niet ondankbaar, Heer! Integendeel hij beloont onze -pogingen met rijke vruchten, en is dat niet de grootste zegen voor -zichzelf en zijn gezin te mogen arbeiden?” - -„Maar uwe handen, schoon kind! zijn niet geschapen om den patjol te -hanteeren; evenmin als uw voeten om zich te verwonden op de hoekige -punten der rotsen. Een beter lot heeft Batoro Goeroe, de rechtvaardige -u beschoren.” - -„Ik verlang geen beter lot,” hernam het meisje eenvoudig, „ik ben -tevreden met mijn leven, vooral wanneer ik Dorowadi mijn echtgenoot zal -mogen noemen.” - -„Gij stelt niet veel eischen! Weet gij dat prinsessen u dat heerlijke -haar zouden benijden?” - -Verlegen bond Siwangi haar lokken op in een lossen wrong. - -„Waarom martelt gij ze? De sterren schamen zich als zij den glans van -uw hoofd aanschouwen? De vogels zijn in onrust als zij uw stem hooren, -want gij overtreft hen allen. Waar zou ik uw gelijke vinden? Gij zijt -zoo schoon, vooral omdat gij niet weet wat schoonheid is, o kon ik ’t u -zeggen! Ware ik de kristalheldere beek om de regelmaat uwer trekken, -het vuur uwer oogen te weerkaatsen, want andere spiegels kent gij niet, -o schoonste der vrouwen!” - -„Heer! Gij schertst met mij! Van hieruit zal ’t u gemakkelijk vallen -den weg naar de Dasar te vinden, vergun dat ik terugkeere naar mijn -huis en naar mijn vader.” - -„Waarom wilt gij mij verlaten? Ge kastijdt mij met uwe lippen, ge -straft mij door het afwenden der zwarte diamanten, die gij uwe oogen -noemt. Waaraan heb ik zooveel wreedheid verdiend? Schoot ik te kort in -eerbied jegens u? zeide ik iets dat u met angst vervullen moet? Zeg -mij, wat ge verlangt, maar ontneem mij het onuitsprekelijke geluk niet -van uw bijzijn!” - -„Heer laat me gaan! Ik versta niet, wat ge mij zegt, en ik wil het ook -niet verstaan want ik geloof dat het niet voegzaam is naar u te -luisteren. Laat uw dienares terugkeeren, Heer! haar taak is geëindigd, -zij deed wat zij beloofde.” - -„En nog ben ik niet tevreden! Nog verlang ik meer van u. Word mijn -vrouw, Siwangi, mijn geliefde!” - -„Hoe gij kent mijn naam!” - -„Ik kende dien reeds sinds lang. De wensch om u te zien en te spreken -voerde mij hierheen.” - -„Op den dag, dat ik weerloos zou wezen, dat slechts een grijsaard mijn -gezelschap was, gij hebt mij verraden, bedrogen! Laat me terugkeeren, -Heer! ik smeek het u!” - -Hij was nader en nader tot haar gekomen, op slechts korten afstand -volgden zijn gezellen en sloten haar den weg tot terugkeer af; zij zag -om en schrikte terug. Geheel en al bevond zij zich in de macht der -vreemdelingen; haar vervolger strekte den arm uit om haar te grijpen, -zij sidderde en ontvluchtte hem, doch met groote behendigheid wist hij -haar te bereiken en dwong haar stil te staan. - -„Luister naar mij, geliefde! Ik heb vele schoone vrouwen gezien; op -mijn wenk vallen prinsessen in mijn armen want ik ben een vorstenzoon, -en zie, sinds ik u zag—weet ge nog wel toen gij in den kraton mijns -vaders verscheent, om hem uw hulde van vruchten en bloemen te -brengen—kende ik slechts een wensch, u de mijne te mogen noemen. Uw -schoonheid heeft het vuur der begeerte in mijn hart ontstoken, ik slaap -niet meer, want uw beeld vervolgt mij zelfs in den droom. Ik neem het -met mij mede op mijn tochten, in de hoffeesten overal zie ik u, zoetste -der vrouwen, ster, die alle sterren doet verbleeken; al daalde een -widadaran [28] op aarde neder, zij zou zich moeten verschuilen om niet -overwonnen te worden door uw bekoorlijkheden want zelfs Bromo’s -gemalin, moet voor u onderdoen. Ge zijt een koningin gelijk in -schoonheid en in zachtheid, in innemende bevalligheid, in fiere -houding, gij zult het ook wezen in macht want ik zal u kronen met -bloemen en met juweelen als mijn wettige gemalin, als mijn vorstin, ik -zal de volkeren dwingen u hulde te betuigen als gij toestemt de mijne -te worden.” - -„Hoe kan dat, daar gij een prinses tot vrouw hebt, Mas Pengantin!” - -„Als honig zoo zoet klinkt mijn naam van uw lippen, al trilt uw stem -ook van toorn! Ge zijt in mijn macht Siwangi, die geuriger zijt dan uw -welriekende naam, ik kan geweld gebruiken maar ik versmaad allen dwang, -zoolang ik nog overreding gebruiken mag. Zeg een woord, kan ik hopen op -uw liefde?” - -„Schande Heer! zulke woorden tot mij te richten, als ge weet dat ik ze -niet mag aanhooren evenmin als gij ze moogt uitspreken. Ik ben verloofd -en gij zijt getrouwd.” - -„Ik zal mijn vrouw verstooten, zoo gij mij wilt liefhebben! en ik zal -me aan u wijden met een liefde, die door niets wordt overtroffen, tot -in de verste eeuwigheid. U wil ik bezitten, u zal ik behouden, hier en -ginds. Steeds mijn geliefde, blijven we vereenigd! Waart gij een bloem, -ô dierbare, ik zou de bij wezen, die u volgde en zich verzadigde aan -den zoeten geur, die uit uw kelk opstijgt, waart gij een boom ik zou de -slingerrank wezen, die zich om u kronkelde! Wees niet wreed, luister -naar mij, geef me eenige hoop!” - -„Nimmer! Laat me los! Ik haat, ik veracht u!” - -„Meisje, wees voorzichtig, die haat kan u duur te staan komen. Ik heb -gesmeekt en gevleid, maar bedenk dat ik u bevelen, ja zelfs dwingen -kan!” - -„Mij dwingen! Nog liever stort ik mij in den afgrond.” - -Zij rukte zich met geweld los, doch op een wenk van Pengantin omringden -zijn makkers het meisje; zij slaakte een doordringenden kreet: - -„Vader, Dorowadi, komt mij te hulp!” - -Maar snel als de bliksem vielen zij op het arme kind aan; een hield -haar handen vast, een ander stak haar een zijden doek in den mond, -Pengantin drukte haar tengere leden vast tegen zich aan; er was geen -middel voor haar om te ontkomen, toen er plotseling iets tusschen het -hooge struikgewas siste en een der gezellen van den prins bloedend -inéénstortte. De anderen zagen verbijsterd rond en lieten de handen -zakken; Pengantin alleen, liet zijn prooi niet los; de doek viel ter -aarde en opnieuw deed het meisje een scherpen gil hooren. - -„Batoro Goeroe, help mij!” - -Een tweede schot viel; en niemand nog kon zien wie het gelost had; de -schrik sloeg echter den makkers van Pengantin om het hart; kermend -wierpen zij zich naast hun paarden op den grond, eenigen bestegen snel -hun dieren en trachtten weg te rijden, enkelen lieten zelfs deze in den -steek en kozen het hazepad. - -„Lafaards,” krijschte de prins, „laat ge mij nu alleen!” - -„O prins, het was niet goed den verheven berg te ontheiligen door -vrouwenroof,” riep een der mannen uit; „we hebben u genoeg gewaarschuwd -toen het nog tijd was maar uw hartstocht sleepte u mee; thans treft u -de toorn van de machtige beschermgeesten der Tengersche bergen.” - -Met een rauwen kreet liet Pengantin den linkerarm vallen, die het -meisje nog omvat hield; ook deze arm was door een kogel doorboord. -Juichend wilde het meisje, dat zich reeds bevrijd waande voorwaarts -snellen maar de rechterhand van haar belager omklemde nog steeds haar -dunnen pols. - -„U vrij laten, nimmer! Ik tart Batoro Goeroe en alle goden die hem -vergezellen. De mijne zult gij zijn!” riep hij met heesche stem; „kom -te voorschijn mensch of duivel, wie ge zijt en val mij aan met open -vizier! Helpt mij, mannen, houdt het meisje vast!” - -Maar niemand verweerde zich; een vierde kogel werd afgeschoten doch -raakte hem niet, daar hij snel het hoofd boog. Het vreemde geluid der -schoten schrikte echter de stille echo’s der wouden uit hun rust op; en -Pengantin voelde dat hij weerloos stond tegenover den vijand daar hij -van het gebruik zijner beide armen beroofd was; hij droeg geen -vuurwapen bij zich niets dan evenals zijn makkers, statiekrissen, -verborgen in den gordel. De mannen, die opgingen naar den Bromo moesten -ongewapend zijn en op deze omstandigheid had hij gerekend door zich -niet sterker te voorzien. - -Instinctmatig greep hij naar zijn kris en zoo was Siwangi eindelijk -vrij; in een oogwenk was zij tusschen de neergevallen en vluchtende -mannen heengesneld en daalde af naar Tosari, waar haar vader vol angst -haar hulpgeschreeuw en het knallen der schoten had gehoord. - - - - - - - - -VI. - -IN TOSARI. - - -Pengantin knarsetandde van woede en spijt toen hij zijn prooi zag -ontsnappen; nog was zijn toestand niet benijdbaar. De schutter moest -zich terzijde van den weg aan de helling van den diepen ravijn -verschuilen; maar wie was echter de man, die in het hartje van de -Tengersche bergen zich van Europeesche vuurwapens bediende? De prins -kon op deze vraag geen voldoend antwoord vinden; hij hield er zich ook -nauwelijks mee bezig; al zijn gedachten waren gevestigd op het beste -middel om zich uit zijn moeilijken toestand te redden. - -„Ge hebt genoeg den lafaard gespeeld!” sprak hij tot zijn kruipende -bevende gezellen, „we moeten bedacht zijn op tegenweer, ik ben alleen -en gewond, zoo kan ik niets uitrichten. Samen zullen wij sterk zijn -tegen de aanvallers. Staat op, gij, die ongedeerd bleeft en helpt mij -den ellendeling te zoeken en naar verdienste te straffen.” - -„Heer, wie zegt u dat gij met menschen te doen hebt en niet met -geesten?” - -„Geesten zouden zich van kogels en pistolen bedienen. Ha, ha! -Bijgeloovig gebroed! Bedenk hoe gevaarlijk onze toestand is, wanneer -gij daar onbewegelijk blijft; we moeten vóór- of achteruit! Zullen wij -den tocht voortzetten naar de Dasar?” - -„Neen, neen! De goden zijn te vertoornd, zij willen onze offers niet.” - -„Ik dacht dat gij slechts Allah aanbadt en zijn profeet gehoorzaamdet, -hoe kunt ge dan de goden der heidenen vreezen? In elk geval, wij mogen -geen tijd verliezen met lange reden maar moeten eerst met den vijand -afrekenen.” - -„Wat zullen onze krissen vermogen tegen zijn verreikende wapenen?” - -„Laat ons naar de Dasar opstijgen, dan is tenminste onze terugtocht -verzekerd, zoo Mas Lembono ons vergezelt.” - -In den somberen gloed die uit Pengantins oogen lichtte, lazen zijn -mannen maar al te wel, dat hij zijn heilloos voornemen om Siwangi te -ontvoeren nog niet had laten varen. - -„Wellicht is de geheimzinnige beschermer der deern langs die struiken -teruggekeerd naar Tosari en wacht ons daar af met nieuw geweervuur. In -het opstijgen is het minste gevaar te vreezen; daar boven weet men nog -niets van ’t geen ons hier wedervoer.” - -„Maar de geesten zullen het reeds weten,” waagde er een te zeggen. - -„En Amin, die gewond is?” - -„Leg hem neer, straks vinden wij hem terug, ik ook ben gewond. En -Hassan verroert zich niet, hij is dood! Welnu, werp hem in den -afgrond!” - -Na deze wreede bevelen te hebben uitgedeeld bond Pengantin zijn arm in -den zijden doek, die zoo pas Siwangi het roepen had moeten beletten, -besteeg zijn paard en steeg opwaarts, schoorvoetend gevolgd door zijn -aanmerkelijk verminderd gevolg. - -Siwangi zat intusschen snikkend en sidderend onder het afdak bij haar -vader; de weinigen, die achtergebleven waren in de dessa omringden het -meisje en toonden haar de levendigste belangstelling. - -Met wijd geopende oogen zag haar vader haar aan; zijn oude, gerimpelde -handen beefden sterk maar geen woord ontsnapte zijn mond; telkens viel -zijn hoofd op zijn borst neer. - -„Siwangi,” riep een der vrouwen, „let op uw vader!” - -Onmiddellijk staakte het meisje haar door tranen en snikken afgebroken -verhaal en wierp zich op haar vader; de oude man liet het grijze hoofd -tegen haar schouder vallen, zuchtte diep, rekte zich uit en alles was -voorbij. - -Te midden der verwarring door dit plotselinge sterfgeval veroorzaakt, -kwam een vreemdeling nader. - -„Daar is de ellendige roover, de moordenaar!” gilde een vrouw hem met -den vinger aanwijzend, „o, waren wij slechts mannen! Zijn laatste uur -had geslagen.” - -„Wees niet zoo overijld, vrouw! Indien er een onder u gered werd uit de -handen van schandelijke misdadigers, dan heb ik er het mijne toe -gedaan. Vraag het meisje zelf, of ik haar schaker ben.” - -Siwangi was te overmand door smart, om het gelaat op te heffen en zich -om te keeren. - -„Zijt gij mijn redder? Uw stem is niet die van mijn verderver?” snikte -zij, „o waarom moest mijn vader juist nu sterven vóór dat hij u zijn -dank gebracht heeft, wellicht zijt gij wel een afgezant der machtige -goden! Hoe ’t ook zij, ik ben u dankbaar en ook mijn bruidegom zal u op -zijn knieën vereeren.” - -De vreemdeling schudde zacht het hoofd. - -„Meisje, ik kom hier in treurige tijden zie ik, gij omringt daar een -doode, maar toch, zoo ge meent mij eenigen dank verschuldigd te zijn, -geef mij de aalmoes van eenig voedsel. Sinds dagen dwaal ik tusschen de -bergen rond, zonder mijn bestemming te kunnen vinden, ik hoorde een -doordringend gillen—ik begreep dat men een meisje met geweld ontvoerde -en schoot mijn pistolen in het wild af. Wie ik getroffen heb, weet ik -niet!” - -„Gij hebt mij meer gered dan het leven,” zuchtte Siwangi, „en nu -ontnemen de almachtige goden mij mijn geliefden vader, maar slecht, is -’t van mij nu alleen aan mijzelf te denken en niet aan u, mijn -bevrijder! Alles wat wij hebben, alles wat wij kunnen is te uwer -beschikking! Buurvrouw, ik weet niet wat ik zeg, ik geloof dat ik -krankzinnig word. Geef den dapperen held, rijst, vruchten, klappermelk -en legèn [29], laat hem uitrusten binnen ons huis!” - -Zij viel weer half onmachtig op het levenlooze lichaam haars vaders -neder; met betraande oogen zag haar redder het arme meisje aan; het was -hem aan te zien dat hij verdwaald en uitgeput was, zijn kleederen, -welke die van een gewonen Javaan schenen, waren gescheurd en bemorst, -zijn voeten doorwond, ook zijn gelaat droeg sporen van de verwondingen -door scherpe doornen veroorzaakt; de loopen zijner pistolen waren -anders door den breeden buikband verborgen nu echter staken zij er -duidelijk zichtbaar uit. Zijn kleur was veel lichter dan die der -overige Javanen, ook de trekken waren te regelmatig en te kloek -besneden om aan een Javaan van onvermengd ras toe te behooren. De -vrouwen haastten zich hem verfrisschende dranken en versterkend voedsel -toe te dienen; een andere trachtte Siwangi van het lichaam haars vaders -te verwijderen. - -„Laat mij begaan, vriendin!” smeekte zij, „laat mij zoolang ik kan mijn -vader omhelzen! Morgen reeds zal ik hem moeten toevertrouwen aan de -kille aarde. Vervloekt de hartelooze indringer, die zijn laatste -oogenblikken zoo zwaar deed zijn!” - -En langzaam keerde zij zich om en wendde het gelaat naar haar redder, -dien zij nog niet had aangezien, maar nauwelijks had zij hem -aangestaard of zij deinsde ontzet terug. Gillend verborg zij het gelaat -in de handen. - -„Hij is het!” riep zij uit, „hij.... de prins!” - -„Maar kind! de smart doet u verdwalen! Hoe kan hij dezelfde wezen, die -u aanviel? Niets vorstelijks is er in zijn kleeding, in zijn voorkomen. -Zie hem goed in ’t gelaat!” - -De twee vrouwen dwongen haar met zacht geweld de handen van de oogen -weg te nemen en den vreemdeling, die haar vol deelneming beschouwde, -van meer nabij te bezien. - -Huiverend naderde zij hem, al haar leden trilden, zij durfde de oogen -nauwelijks opheffen: maar toen hij vriendelijk sprak: - -„Kom nader, arm meisje! Zie me aan, ik ben degene niet die u zoo wreed -behandelde;” begon zij meer moed te vatten. - -„Ik vergis me;” stamelde zij eindelijk, „uw trekken zijn schier -dezelfde als die van Mas Pengantin, maar uwe gelaatskleur is lichter en -uw stem klinkt niet scherp en barsch als de zijne, zelfs wanneer hij -liefkozen wil. Vergeef mij, de smart maakte mij schier waanzinnig! Gij -zoudt broeders kunnen zijn maar twee broeders geheel verschillend van -inborst en neigingen.” - -Zij liet zich nu gedwee als een kind naar binnen leiden; vervolgens -droegen de vrouwen onder luid snikken en klagen ook het lijk van den -grijsaard in de hut, waar zij hem de laatste zorgen wijdden. - -Intusschen was de vreemdeling, in wien wij Robert herkenden, op de -baleh-baleh rustig in slaap gevallen; toen hij ontwaakte was de zon -reeds hoog aan den hemel, een verward gedruisch van aankomende mannen -en vrouwen deed zich hooren, vroolijke scherts en druk gepraat hield -hen bezig, toen zij in de feestelijkste stemming het dorp naderden. - -Groot was hun ontzetting toen plotseling Siwangi met verwarde haren en -dik bekreten oogen, hen te gemoet vloog. - -„O broeders, o bruidegom! weent met mij, klaagt zoo luide dat de -onsterfelijke goden het hooren! Onze vader is niet meer!” - -„Hij is gestorven en op dezen vreugdedag? Wee ons, dat voorspelt niets -goeds!” - -„En hoe is hij gestorven! Ach! bijna had nog grooter ramp ons -getroffen, uw zuster, uw bruid ware weggevoerd geworden door een -gewetenloozen prins. Schande en oneer ware haar deel geworden; en onze -arme vader zou geschandvlekt nederdalen in de koele aarde!” - -„Meisje, ge spreekt koene taal! Zeg ons, wie heeft zich op zulk een -wijze aan u vergrepen? Wie verkortte het leven van onzen -eerbiedwaardigen vader?” - -„De zoon van onzen vorst, de onwaardige Mas Pengantin. Slechts -huichelarij deed zijn broeder u vergezellen op den heiligen tocht; een -voorwendsel zocht hij om mij te belagen. Hij wist dat ik alleen zou -achterblijven. Hebt ge hem gezien in de Dasar met zijn gewonden arm?” - -„Inderdaad, we zagen hem, hij trof zijn broeder aan bij het feest, waar -is hij heen gegaan? Welk loon moet den verrader treffen?” - -„Zullen we onze bruiden, onze zusters niet weerloos kunnen achterlaten -in onze huizen?” riep de vurige Dorowadi uit, „nooit hebben wij den -strijd gezocht, nu echter is ’t onze plicht ons te wreken op den -ellendeling, die misbruik maakt van zijn vorstenbloed.” - -„Maar wie heeft u gered, Siwangi?” - -„Deze dappere held,” antwoordde het meisje en wees op Robert, die met -kalmen blik de verontwaardiging der Tengereezen beschouwde. „Hij is -mijn redder, Dorowadi laat ons hem danken!” - -En beiden knielden voor hem neer en kusten zijn voeten. - -„Wonderlijk,” fluisterde een der landlieden tot den andere, „als ik het -niet beter wist zou ik zeggen prins Pengantin in eigen persoon.” - -„Ja, de gelijkenis is treffend, maar ook het verschil valt dadelijk -op.” - -Dien nacht werd er weinig geslapen in Tosari; de jongste broeder van -Siwangi en Dorowadi gevolgd door verscheidene jongelingen, bleven -waken. Hun voorzorg was niet nutteloos; midden in den nacht hoorden zij -de tjemaraboomen, die den bergrug bedekten ruischen, de takken der -hooge varens kraakten als werden zij vertrapt; alles deed een overval -vermoeden, de jonge mannen ijlden naar de paggers en stelden zich in -staat van tegenweer, hoewel zij zich nog schuil hielden. Uit de diepte -stegen de mannen op van Mas Lembono vereenigd met Pengantins helden; -behoedzaam naderden zij het dorp, dat zij in diepe rust gedompeld -waanden. - -De door zijn hartstocht verblinde prins ging aan hun hoofd, hij toch -wist den weg naar het huis; hij vreesde de geweerschoten niet meer, hij -had alles vergeten, alles, behalve het voorwerp van zijn brandend -verlangen. Niets zou gemakkelijker zijn, meende hij dan te dringen in -de woning waar Siwangi sliep, het meisje in de verwarring te rooven, -terwijl de dessabewoners met zijn gevolg slaags raakten. - -Als het inlanders gold, die zichtbaar waren bovendien, dan kon hij -gerust op hun moed vertrouwen; hij zou met Mas Lembono in allerijl -wegvluchten, de mannen bleven vechten, wellicht zouden de Tengereezen -al zijn dienaren vermoorden, wat nood? Hij en zijn broeder met het -geroofde meisje waren veilig, al moesten deze allen geofferd worden, -hij had zijn doel toch bereikt en kon tevreden wezen. - -Met dit plan naderde Mas Pengantin de pagger, toen plotseling het luide -geroep van: „Amok, amok!” weerklonk, toortsen flikkerden van alle -kanten, een roodachtig licht gloeide boven de dessah, alles verliet de -huizen en snelde voorwaarts naar de pagger. - -Ook Robert was opgestaan, hij laadde zijn pistolen en ijlde met de -dorpelingen de aanvallers te gemoet. Reeds bij de eerste schoten, die -hij loste, ontstond er verwarring in het kamp, niemand durfde nog een -stap voorwaarts doen, want zij misten allen vuurwapenen. - -De eenige man, die met zijn los kruit in het wilde schoot was hun aller -meester, de beide prinsen zagen dat hier niets te doen viel en volgden -weldra de vluchtelingen, die in allerijl tusschen de bosschen -verdwenen. - -In Tosari echter bleef men den nacht doorwaken, en bewees schier -godsdienstige eer aan den ridderlijken beschermer hunner woningen. - -Den volgenden morgen werd het lijk van Siwangi’s vader in linnen -gewikkeld en de geheele familie gevolgd door alle dorpelingen -vergezelde het onder luid gejammer naar de begraafplaats. Daar was een -graf van drie voeten diep gegraven; men legde er het lijk in, -zorgdragende dat het hoofd naar den Bromo gekeerd werd; zijn zonen -bedekten het toen met bamboes, waarvan een holle bamboe ter hoogte van -den mond overeind werd gestoken; daarin zou Siwangi gedurende zeven -dagen een verkwikkenden drank gieten om haar vader den dorst te -lesschen; andere spijzen werden dicht bij het graf geplaatst. - -Nu keerden de familieleden zich tot elkander en vroegen op schreienden -toon: - -„Ontbreekt er ook een uwer?” - -En allen antwoordden jammerend en klagend: - -„Ja, een ontbreekt. De oudste, de beste onder ons; onze veelgeliefde -vader!” - -Eindelijk namen zij met gebogen hoofden en vol teekenen van rouw den -terugweg aan. - -Zeven dagen lang moest den doode spijs en drank gebracht worden, daarop -maakte men de bamboe dicht en staakte het brengen van eten; uit den -stam van een pisangboom vormde men toen een soort van pop, waarvan -hoofd en armen rijk met bloemen werden behangen. Deze plaatste men bij -de heilige haardstede, waar haar eten aangeboden werd onder het -opzeggen van gebedformulieren, het besprenkelen met water en het -branden van wierook. - -De oudste zoon nam eindelijk met grooten eerbied de pop in de armen en -ging naar buiten door de anderen gevolgd. - -„Ach,” weeklaagden allen, „waarom verlaat gij ons? Waren wij niet goed -voor u? Hebben wij u niet opgepast met alle zorg en liefde? En nu gaat -gij heen!” - -Met veel plechtigheid werd dat zoogenaamde beeld van den afgestorvene -eindelijk verbrand. - -Deze zeven dagen bracht Robert bij de goede, eenvoudige menschen door -en deed nieuwe krachten op voor de moeilijke en gevaarlijke taak, die -hem opgedragen was. - -Tot nu toe had hij nog zeer weinig daarvoor kunnen verrichten want toen -hij in Pasoeroean aankwam, werd hem gezegd dat Radhen Wiro Negoro in -zijn buitenverblijf te Kotta Malang verblijf hield. - -Robert droeg allerlei Hollandsche snuisterijen bij zich, die hij van -plan was aan het hof te verkoopen, om zich aldus ongezocht den toegang -tot het paleis te verwerven; voorloopig had hij onder het volk verkeerd -en uit hun gesprekken zooveel mogelijk bijzonderheden opgevangen van de -regeering van Soerapati. Zijn koopwaren, kleine spiegeltjes, miniatuur -huishoudelijke voorwerpen van gedreven zilver, platen en -vrouwensierselen werden bewonderd en gekocht. - -„Waarlijk als ik hier geen ander doel had dan te verkoopen, zou ik kans -hebben gauw rijk te worden,” dacht Robert maar het verkoopen was -bijzaak en hij moest zorgen dat zijn voorraad niet uitgeput raakte. - -Hij had een paar prachtige oorknoppen meegekregen, die voor de vorstin -Radhen Goesik Koesoema bestemd waren en die hij dan ook haar alleen -wilde laten zien; hij vroeg om den weg naar Malang en het toeval -beschikte dat hij met eenige Tengereezen, die hem spoedig als de -eerlijkste en meest vertrouwbare Javanen voorkwamen, een gedeelte van -den weg kon maken; de bergbewoners, hadden echter haast om het groote -feest bij te wonen. - -Na hem den weg zoo goed mogelijk te hebben uitgelegd, verlieten zij hem -aan den voet van den berg en nu raakte hij aan het dwalen; ondanks zijn -kompas, viel ’t hem moeilijk zoo niet onmogelijk zich door deze -wildernis een weg te banen. Hij besloot toen op te stijgen in de hoop -een dorp aan te treffen of ten minste een gedeelte van de feestelingen -op hun terugtocht van de Dasar; in plaats daarvan was ’t hem gegeven -den roof van Mas Pengantin te beletten en de dankbaarheid te verwerven -der eenvoudige landlieden, die hem niet wilden laten gaan, vóór dat hij -geheel hersteld was van zijne vermoeienissen. - - - - - - - - -VII. - -BANJOE BIROE. - - -Een der verrukkelijkste plekjes van Java is zeker het meertje -Blauwwater of Banjoe biroe genaamd, dat zich aan den voet van het -Tengersche gebergte verschuilt; nu nog roemen alle reizigers om strijd -de onvergelijkelijke frischheid, die onder de hooge boomen aan de -oevers van het meer met zijn doorschijnende azuren wateren heerscht. -Donkerblauw is het meer dat uit een bron ontstaat en later als een -riviertje zich naar beneden spoedt om de sawahs in den omtrek te -besproeien; die donkerblauwe kleur dankt zij aan de helderblauwe -steenachtige bedding die tot in de diepste diepte het water bevat. -Duizenden en duizenden visschen dartelen in het kristallen vocht; zij -zijn den inlander even heilig als de talrijke apen die in de hooge -boomen, welke het meer beschaduwen en hun lange takken in het water -doen slepen, stoeien, fluiten, krijschen, als ware hun leven niets dan -een eindeloos spel. - -Aan de oevers van het meer verhief zich het lusthuis des vorsten. Het -was een eenvoudig gebouw bijna geheel verscholen onder de hooge boomen -en door een stevigen muur omsloten, die ook het water van vrij nabij -volgde. Hindoesche beelden versierden de oevers; een soort van galerij -was boven het meer uitgebouwd, vanwaar een trapje van eenige treden tot -in het water reikte en het vergemakkelijkte daarin een bad te nemen. - -Hoewel het midden op den dag was, heerschte een koelte vol frischheid -onder de hooge boomen en op het water, dat zich letterlijk midden in -het woud bevond. In de galerij vooral was het heerlijk, de zonnestralen -spatten flikkerend rond door het dichte netwerk van het gebladerte en -deden het meer schitteren als een reusachtige vloeibare saffier; op -gele matjes zaten eenige vrouwen, bezig met het dakonspel, de beenen -hadden zij kruiselings onder het lichaam gevouwen en op een divan -hooger dan zij troonde de Radhen Goesik Koesoema. - -De jaren waren niet ongemerkt over het hoofd der Mataramsche prinses -heen gegaan en de jaren zijn Javaanschen vrouwen vooral niet gunstig; -toch had zij uit de schipbreuk der jeugd nog veel overgehouden, haar -rijken haardos en vooral een wijze om het hoofd te dragen, die de -geboren vorstin kenmerkte; haar zwevende, onzekere gang had plaats -gemaakt voor den zelfbewusten tred eener vorstin, die weet dat zij -bevelen kan en mag. - -Aan de voeten van haar divan zat een verschrompeld oud, klein manneke; -hij kon nauwelijks meer loopen, slechts kruipen, afzichtelijk waren de -trekken van zijn groot hoofd verwrongen, toch was hij nog altijd Radhen -Goesik’s liefste gezelschap. - -„Neemt uw spellen en zit verder op,” beval de vorstin haar vrouwen, „ik -heb met mijn raadsman te spreken.” - -In een oogwenk waren de matjes opgerold, de dakons ter hand genomen en -de vrouwen snelden weg; men wist dat na een lang zwijgen tusschen de -prinses en haar dwerg zulk een gesprek onvermijdelijk volgde. - -„De oude Kiai schijnt nooit meer terug te keeren,” sprak Radhen Goesik -gejaagd, „bijna een jaar is verloopen na zijn vertrek.” - -„Boeloe Kidoer had ’t hem voorspeld!” zoo klonk de gebrokene, ratelende -stem van het gedrocht; „de Hollander geeft niet terug wat zich -vrijwillig in zijn steeds geopenden muil werpt. Wat zegt de gemaal -mijner meesteres van zijn afwezigheid?” - -„Ge weet dat Radhen Wiro Negoro mij niet eens deelgenoot maakte van -zijn heengaan,” hernam de vorstin bitter, „en nog weet ik niet wat hem -opgedragen was op Batavia te onderhandelen, hoewel ik ’t raad. O, -Boeloe, hoe diep heeft de liefde tot den Hollander wortel geschoten in -zijn ziel. Niets kan ze uitroeien of men moest den krachtigen boom -omhakken.” - -„De boom is omgehakt maar niets anders heeft in den nog door vezels -verzaden grond willen tieren.” - -„Ik heb er niets in kunnen planten, niets!” en haar stem klonk bijna -jammerend, „en Allah weet hoeveel moeite ik er toe deed, in mijne beste -jaren toen ik jong en schoon was, nu ben ik slechts een schaduw van -weleer, wat zal ik nu vermogen? Ik en mijn kinderen?” - -„Ik begrijp uw weeklacht niet, groote Vrouwe. Heeft Soerapati u niet -alles gegeven, wat gij wenschtet? Heeft hij het vertrouwen, dat gij in -hem steldet, beschaamd? Gij hebt een gevluchten slaaf, een struikroover -uw hand geschonken, hij maakte u tot een vorstin machtiger dan Pakoe -Boewana’s Ratoe. Uw kinderen zijn vorsten, uw schoondochters -prinsessen. Wat verlangt ge nog meer?” - -Radhen Goesik zuchtte: - -„Ge hebt gelijk, Boeloe! Ik ben ondankbaar, ware ik Poerbaya’s gade -gebleven, ik zou het treurig leven eener gevangene hebben geleid te -midden der gehate kafirs. Soerapati heeft mij glans, macht en eer -geschonken, hij heeft mij naast zich verheven....” - -„En hij duldt geen andere naast zich. Met niemand hebt gij uw titel te -deelen. Zusje, wat zijt ge veeleischend!” - -„Ik beken ’t Boeloe! Velen zouden meenen dat ik nu het toppunt mijner -wenschen bereikt had en toch ben ik niet tevreden, niet gerust. Dit -gebouw Boeloe, door de machtige hand van mijn gemaal opgetrokken rust -op zandgrond; als hij er niet meer is om het te steunen dan zal het in -elkander storten. En ook hij vreest het.... doch nimmer spreken wij -over onze vrees. Ik ben hem niets, niets meer dan zijn Ratoe, de moeder -zijner kinderen, de poetri die hem hielp de ladder te bestijgen, welke -naar roem en macht voert.” - -„Maar is dat niet genoeg? Wat wilt ge meer? De tijd is toch voorbij dat -ge smaak vondt in de zoete kwee-kwee, welke hij u in zijn liefkoozingen -boodt? Die moeten u thans walgen, want ge zijt niet jong meer, -grootmoedertje!” - -„Dat behoeft gij mij niet te herinneren, dwerg! Daarom juist wil ik de -spijs genieten, die mijn leeftijd past. Ik verlang zijn honigzoete -vleierij, zijn misschien leugenachtige liefdesbetuigingen niet meer. -Naar iets anders heb ik dorst; naar de kennis van zijn plannen, naar de -vertrouwelijke mededeelingen van zijn zorgen en bekommernissen. Ik -wilde met hem de belangen bespreken van zijn... laat me liever zeggen -van ons rijk, want wat ware er van hem geworden zonder mijn liefde, -zonder mijn steun?” - -„Hij behandelt zijn Ratoe met een eerbied, waarvan men tot nu toe op -Java geen weerga zag; met niemand deelt zij zijn bezit.” - -„Meent ge dat ik dit voorrecht zoo hoog stel? Hoe, ik zou nog liever -aan het hoofd staan van een welgevulden kapoetren dan het eenzame leven -te leiden te midden mijner dienaressen, waartoe hij mij veroordeelt. -Daar zou ik heerschen over mijn gelijken, nu zijn het slechts slavinnen -die mij gehoorzamen en ook mijn zoons dwingt hij tot die Westersche -onthouding en waarom, juist dit is ’t wat mij dag en nacht pijnigt, -omdat het zijn hoogste eerzucht is, den blanken Christenhonden na te -volgen omdat hij slechts van hen zijn heil afwacht, en het voortbestaan -van zijn rijk, terwijl ik daarentegen voor niets insta, zoo hij niet -den Islam ter hulpe roept.” - -„Juist, door een beroep te doen op de oude liefde der Oost-Javanen voor -den godsdienst van Batoro Goeroe, die ook de zijne is gebleven, gelukte -het hem deze volken te onderwerpen.” - -„Meent ge dat, dwaze? Ja, ’t is waar de Tenger en de Zuidelijke streken -hebben in hem een afgezant der goden gezien, maar Pasoeroean duldt -slechts noode het gezag van een heiden en wat zijn hem de vormen van de -Brahmanen? Een lastig, vervelend kleed, dat hij vol vreugde af zou -werpen om den eeredienst der Westerlingen aan te nemen en met hen -vereenigd een soort van monsterverbond te sluiten. Maar ik de vurige -Mahomedaansche, ik huiver van hun kille aanraking, liever niets dan -vorstin door hen gekroond.” - -„Zoo dacht Pangeran Poeger er niet over en uw grootvader keizer Tagal -Wangie evenmin,” grijnsde Boeloe, „wat zou er van Mataram geworden -zijn, indien de kafir zijn reddende hand niet naar hen uitgestoken -had?” - -„Die hulp is hun ook duur te staan gekomen, maar Soerapati wenscht -meer; hij verlangt door hen als gelijke te worden behandeld, niet als -een onmondig kind, dat zelf niet met zijn speelgoed overweg kan en dus -de hulp der ouderen en wijzeren noodig heeft.” - -„Maar vorstin! de hartstocht doet u dwalen, ge zijt altijd jaloersch -geweest op de Hollanders, eerst om de liefde, welke uw echtgenoot een -christenvrouw toedroeg, later omdat hij van hen alleen steun verwacht -tot instandhouding van hun rijk. Jaloezie is ’t alleen wat uw leven -beheerscht!” - -„Ja ’t is waar, ik ben jaloersch! Hadde hij nooit die blanke liefgehad, -nooit zouden zijn gedachten weer telkens zijn teruggekeerd naar hen, -tot wier volk zij behoorde. Gelijk gindsche zonnebloem de zon volgt, -waar zij ook schijnt, zoo blijft zijn oog altijd op haar gericht. -Zonder haar ware hij, de Balinees, geheel Javaan geworden, zou hij mij -liefgehad en vereerd hebben als zijn wettige eerste vrouw, maar hij had -het niet beneden zich geacht ook anderen zijn gunst te bewijzen en ik -had niet gemord, verheugd als ik ware dat hij mijn geloof en mijn -volksgebruiken deelde, maar nu....” - -„Gij vreest die doode vrouw meer dan een geheelen kapoetren.” - -„Dwerg, ge leest mijn gedachten! Waartoe zou het dienen ze u te -verbergen? Ja, dat is zoo! Evenals het vat, waarin eenmaal doepa [30] -gebrand werd, zijn geuren behoudt, al werpt men er ook later de -sterkste kruiden in, zoo blijft in hem steeds de herinnering leven aan -zijn eerste jeugd, aan zijn grootste liefde. Die herinnering doortrekt -zijn dagen met haar gehaten geur, na Suzanna heeft hij nooit meer -liefgehad, zelfs niet mij!” - -Dat laatste woord klonk als een onderdrukte snik. - -„En toch wat heeft zij hem geschonken en wat ik!” - -„Zusje, zusje! Verwijt de u bewezen gunsten niet! Schrijf ze op, daar -ginds in het water, dan verzinken zij in de diepte, en wees oprecht; -was toen ter tijd de liefde van den roover niet de grootste weldaad, -die de prinses verlangde en waarvoor geen offer haar te groot scheen!” - -„Heb ik ze dan ontvangen, Boeloe? Neen, de liefde waarvan ik droomde, -daarnaar honger ik nu nog. Liefde, die alles deelt met den geliefde, -gedachten, hoop, vrees, zorgen, plannen en wat schonk Soerapati mij? De -kostbare gouden kas, waarin echter de schitterende diamant ontbreekt!” - -Zij zweeg gedurende weinige oogenblikken en ook Boeloe sprak niets. - -„Dwerg,” ging zij voort, „ik weet niets van wat er thans omgaat in het -rijk. Hij heeft Soenan Mas een gastvrijheid verleend, die den armen -vorst zwaar drukt, een gastvrijheid die veel op kerkerstraf gelijkt. -Wat is daar zijn doel mede? Hij is bijna altijd afwezig, hij oefent -zijn soldaten, hij versterkt zijn vestingen. Is er oorlog op til? En -met wien?” - -„De machtige Radhen Adipati wijdde mij niet in zijn geheimen.” - -„Tegen Pakoe Boewana, tegen den onwettigen keizer zal hij strijden, -maar dan zal ’t ook wezen tegen de Hollanders! O als hij hen -vernietigen, als hij hen verjagen kon!” - -„Zal dan zijn liefde jegens hen ook uitgeroeid zijn, vorstin?” - -„Hij kan op den duur niet alleen staan tegen zijn volk, tegen zijn -gezin, want ook zijn zonen verfoeien wat ik verfoei!” - -„Dus wil mijn goede moeder, de sieraden welke zij van haar gemaal -ontving doen versmelten in krissen, die hem moeten dooden?” - -Het antwoord op Boeloe’s tartende vraag, die waarschijnlijk licht -verspreidde op nog duistere plekken in Koesoema’s gemoed, werd haar -echter bespaard. - -Mas Pengantin, door Lembono gevolgd, trad binnen; hij zag er ellendig -uit, zijn kleederen waren in wanorde en gescheurd, zijn gelaat bebloed, -zijn arm hing in een zijden doek. Ook Lembono, hoewel minder gehavend -scheen bleek en vermoeid. - -„Wat deert u mijn zoons!” riep Radhen Goesik verschrikt uit. - -„Moeder, zie, dat hebben vaders vrienden, de trouwe, vreedzame -Tengereezen gedaan!” huilde Pengantin en wierp zich luid jammerend op -den divan naast haar neer. - -„Ge ziet er waarlijk niet feestelijk uit voor vrome bedevaartgangers,” -merkte Boeloe Kidoer droogjes op. - -„Vloek over de vroomheid van dat huichelachtig volk,” zeide Lembono -bits, „ware ik Radhen Wiro Negoro, ik zou hen allen uitroeien van den -eerste tot den laatste.” - -„Spreek geen kwaad van hen, hij deelt hun bijgeloof met hart en ziel en -zoo zij u aangevallen hebben mijn zoons, ligt de schuld aan u,” sprak -de vorstin gemelijk. „Waarom hebt gij aan hun bijgeloovige misbruiken -deelgenomen terwijl gij in uw hart Allah, den eenigen God en zijn -Profeet aanbidt? Gijzelf hebt u schuldig gemaakt aan huichelarij en -afgodendienst.” - -„Vader veroorlooft ons niet iets anders te aanbidden dan wat hem -goeddunkt.” - -Pengantin ging voort met kermen en met klagen. Brahma, Boeddha of -Mahomed waren hem allen even onverschillig. Hij jammerde zoo wanhopig, -alleen omdat zijn weldoordachte schaking mislukt was, maar dat wist -zijn moeder niet. - -„Vertel me alles,” ging zij met vonkelende oogen voort, terwijl haar -dienaressen zich om strijd beijverden den gewonden prins te -verfrisschen en te verplegen. „Vertel me alles Lembono, wat er -gebeurde! Waarom hebben de Tengereezen u aangevallen?” - -„Weet ik het? wellicht, omdat zij meenden dat wij hun dwaze -vertooningen bespotten, hoewel we ons uiterste best deden ernstig te -blijven.” - -En hij gaf een zeer vrij verhaal van het gebeurde, waarin de arme -bergbewoners werden voorgesteld als verraders en wreedaards, terwijl -hij en zijn broeder onschuldige slachtoffers schenen van hun kwade -trouw. - -De vorstin trilde van toorn; zij balde haar handen en sloeg er mede -tegen het voorhoofd. - -„Die hoon moet uitgewischt worden; dat volk verdient de zwaarste -straffen. Radhen Wiro Negoro moet toonen dat zij, die zijn zonen -beleedigen, hem zelf aanvallen. Ik zal hem tot wraak aansporen tegen -dat vervloekte ras!” - -„De Tengereezen zijn hem dierbaarder dan zijn kinderen!” spotte -Lembono, terwijl Pengantin overdacht of hij de wraakneming niet zoo kon -inrichten dat hij toch in ’t bezit van Siwangi kwam. - -Daar snelde de jonge, schoone Radhen Soederma, Pengantins gade, naar -binnen; zij had met haar vrouwen een kleine wandeling gemaakt in den -tuin die zich verder in het woud bevond en hoorde terugkomend van het -ongeval, dat haar echtgenoot was overkomen. - -Met alle kenteekenen van schrik en zorg trad zij onder de veranda en -liet de andere vrouwen vertrekken; zij alleen wilde hem helpen, hem -verbinden en verkwikken; op haar arm geleund, wankelde Pengantin naar -binnen, terwijl Soederma bevel gaf den doekoen (lijfarts) haars -schoonvaders te ontbieden. - -Radhen Goesik zag haar spottend na en haalde de schouders op. Lembono -glimlachte en fluisterde zijn moeder toe: - -„Mijn schoone zuster moest eens weten, waardoor mijn broeder zich die -wonde berokkend heeft. Meent ge waarlijk, lieve moeder dat die -Tengereezen ons zonder eenige reden aangevallen en verwond hebben?” - -„Dat is mij tamelijk onverschillig; er kan geen reden zijn zoo -gewichtig om hun vijandig optreden te verschoonen; verlangt gij iets -van hen en willen zij ’t u niet goedschiks geven, dan zijt ge in uw -volste recht het te nemen al gold het ook hun vrouwen en kinderen.” - -„Liefste moeder, waart gij slechts onze vorstelijke vader,” vleide -Lembono. „Wanneer komt Radhen Wiro Negoro hier terug?” - -„Weet ik zelf of hij hier komt? Hij is naar de grenzen van Kediri, -Nitro vergezelt hem met den prins van Balembangan. Vertel me nu, naar -waarheid wat er voorviel, dan kan ik oordeelen wat aan uw vader dient -verhaald te worden. Het geldt zeker weer een verliefde gril van -Pengantin?” - - - - - - - - -VIII. - -HET VORSTELIJKE GEZIN. - - -Radhen Wiro Negoro nam de beleediging zijn zonen aangedaan, niet licht -op, juist omdat hij de Tengereezen liefhad en begunstigde, vertoornde -hem hun misdrijf bovenmate. Zijn echtgenoot en zonen hadden niet veel -moeite hem te overtuigen dat zulk een daad zware straf verdiende; -onmiddellijk liet hij een afdeeling zijner soldaten die in Malang -gekampeerd waren, oprukken naar den Tenger; het bevel gaf hij echter -aan een zijner Balineesche hoofdlieden en niet aan een zijner zonen, -hoewel Lembono er dringend om gevraagd had. Pengantin lag nog met -wondkoortsen te bed. - -„Ik wil niet straffen vóór ik beide partijen gehoord heb,” sprak hij -ernstig, „mijn mannen kan ik vertrouwen, zij zullen de voornaamste -schuldigen vinden en hen gevankelijk naar Pasoeroean overbrengen.” - -„Ik begrijp niet,” zeide Radhen Goesik schamper, „waarom hier nog -onderzocht moet worden naar schuld. Hebben die menschen uw zonen hun -prinsen aangevallen dan verdienen zij voorbeeldig gestraft te worden.” - -Radhen Wiro Negoro sloeg weinig acht op de woorden zijner vrouw, -hetgeen hij trouwens bijna nooit deed, maar wendde zich tot zijn zoon -Lembono: - -„Ge hoort wat ik gezegd heb, Mas! Wilt ge mij bekennen wat de -aanleiding is geweest tot dien onverwachten aanval dan zult ge mijn -taak zeer vergemakkelijken.” - -„Ik begrijp niet, Edele Vader! wat uw bedoeling is,” antwoordde de -prins met afgewend hoofd. „Welke aanleiding zou er bestaan? Ik ben met -mijn mannen opgestegen naar de Dasar, ik heb zelfs den Kraton -ongewapend beklommen met de Tengereezen en wierp in den afgrond de -offers, welke ik medegebracht had; de landlieden schenen zelfs gesticht -te zijn door mijn vroomheid. Daarna namen wij deel aan het offermaal in -de Zandzee en keerden langs den gewonen weg, den berg af. De bewoners -van de verschillende dessa’s verlieten ons de een na den ander in -hartelijke en eerbiedige stemming, waarop wij alleen onze reis -voortzetten.” - -„Waar voegde zich uw broeder bij u?” - -„In de Dasar, toen wij teruggekeerd waren van den kratertop.” - -„En hij vergezelde u op uw tocht benedenwaarts?” - -„Ja,” antwoordde Lembono min of meer weifelend. - -„Ge waart dus Tosari reeds voorbij, hoe hebben zij u dan kunnen -aanvallen, bij hun dorp.” - -„We keerden er terug, daar we verdwaalden en wilden er een -nachtverblijf zoeken.” - -„Zie mij aan!” beval Radhen Wiro Negoro streng, daar de prins nog -steeds zijn blikken afwendde, „zweert ge mij, dat hetgeen ge vertelt -waarheid bevat? Uw broeder is ziek en ik kan hem thans niet -ondervragen, maar het onderzoek van de schuldigen zal uitbrengen, wat -hier waarheid is.” - -„Wil mijn vader dan meer waarde hechten aan de verklaringen van dat -arme volk dan aan die zijner zonen?” - -„De omstandigheden zullen bewijzen, wie het meest geloof verdient. Wat -ik nu van u verlang Lembono, is een plechtige eed. Behelst uw verhaal -waarheid?” - -„Bij de geesten van den Bromo...” - -„Roep hen niet aan! Neem slechts den grooten Oppergod, den Schepper van -het heelal, tot getuige uwer woorden. Hij heeft alles gezien en -gehoord, wat in het gebergte voorviel. Zweer thans!” - -„Ik zweer dat geen logen mijn lippen ontwijdde.” - -„’t Is goed! Wee u, al zijt ge ook mijn eigen vleesch en bloed, zoo ge -onwaarheid hebt gesproken.” - -Juist trad Soederma binnen, zij wierp zich voor de voeten van haar -schoonvader en wilde zijn voeten kussen, maar hij hief haar vriendelijk -op en vroeg: - -„Wat heeft mijn dochter mij te zeggen?” - -„Mijn vader en gebieder!” sprak de jonge prinses, „mijn echtgenoot -spreekt zonderlinge taal; uw dochter weet niet of de koorts -waarschijnlijk zijn zinnen verwart, maar telkens ziet hij verward rond -en prevelt een naam, die altijd hetzelfde klinkt.” - -Tranen rolden langs haar wangen en zij wrong in stomme smart de handen. -Haar schoonmoeder en zwager zagen elkander bezorgd aan. - -„En hoe luidt die naam, mijn kind?” - -„Siwangi!” snikte de prinses. „Maar dan verhaalt hij nog vreemder -dingen. Het was niet tegen menschen dat hij gestreden heeft maar tegen -een Dewa; de geesten van den Bromo hebben zich verzet tegen zijn geluk, -daarom moest hij bezwijken, maar hij zal niet ophouden te strijden om -zijn doel te bereiken en telkens, telkens roept hij weer den naam van -daareven. Het zijn niet de Tengereezen, verzekert hij, maar de geesten -van den berg, die zijn arm doorwondden en hem op het ziekbed wierpen.” - -„Mijn broeder’s geest dwaalt af!” zeide Lembono scherp, „en mijn zuster -doet onverstandig de woorden, die zijn kranken mond ontvallen, te -herhalen. Zij moet ze laten verstuiven in de lucht en ze niet tot een -zaad maken, dat booze vruchten kan dragen. Het waren menschen van -vleesch en bloed en geen geesten die ons hebben aangevallen, men zal in -Tosari daarvan de sporen vinden.” - -„Maar is Siwangi dan ook geen geest?” vroeg Soederma bedroefd. - -„Keer naar de legerstede van uw echtgenoot terug, mijn dochter!” zeide -de vorst, „verzorg hem goed en bedroef uw hart niet noodeloos! Ik zal -de schuldigen weten te straffen.” - -Maar toen de jonge vrouw vertrokken was, richtte hij zich in zijn volle -lengte op, zijn wenkbrauwen fronsten zich onheilspellend boven de -dreigende oogen en de machtige hand uitstrekkend naar zijn zoon, sprak -hij met donderende stem: - -„Ik begrijp waar het om te doen was! Voor de Tengereezen zijn -vrouweneer en huwelijkstrouw nog steeds woorden vol beteekenis; het zal -niet gezegd worden dat Radhen Wiro Negoro deze kostbare schatten zijner -onderdanen niet heeft kunnen beschermen tegen zijn eigen zonen! Het -onderzoek zal worden ingesteld, ik zelf zal ondervragen en ik herhaal -’t nogmaals: Wee hen, die ’t schuldigste waren!” - -Lembono verbleekte en zijn moeder zeide verschoonend: - -„Maar gesteld eens dat het zoo ware, Edele Vorst! is die zonde dan zoo -onvergefelijk? Mas Pengantin is jong, het warme bloed zijner ouders -vloeit door zijn aderen; wanneer hij wellicht door hartstocht overmand -een landmeisje beleedigde, zoo verdient hij daarvoor toch geen al te -strenge straf. Ook gij hebt eenmaal bemind, ook gij hebt uw liefde niet -weten te bedwingen en moest er de gevolgen van dragen.” - -Met gemaakte zachtheid vol snijdenden hoon had Radhen Goesik deze -laatste woorden uitgesproken. Soerapati beet zich op de lippen en wierp -haar een blik toe, waarin duidelijk te lezen was, dat de liefde jegens -haar, zoo deze ooit in werkelijkheid bestaan had, reeds sinds lang -plaats maakte voor wrevel en ergernis. - -„Zwijg vrouw!” voegde hij haar scherp toe, „over dingen, waarvan gij -het rechte verstand niet bezit. Deze zaak geldt u niet, ik zal ze -alleen weten te behandelen.” - -„Heb ik geen verstand van liefde en hartstocht?” vroeg zij fleemend. -„Ik ben Pengantins moeder en ook ik heb mij laten medeslepen door den -hartstocht der liefde. Ik verliet mijn eersten echtgenoot, een prins -van vorstelijken bloede, om een roover en slaaf te volgen op zijn -avontuurlijken weg. Inderdaad zoo mijn kind schuldig is, hij dankt het -aan ’t voorbeeld zijner ouders, Soerapati!” - -Maar de vorst verwaardigde zich niet haar te antwoorden, hij keerde -haar met minachtend gebaar den rug toe en verliet de galerij. - -Moeder en zoon bleven samen; Radhen Goesik weende van spijt en Lembono -sidderde over zijn geheele lichaam. - -„Wat hij dreigt zal hij uitvoeren, moeder!” mompelde hij. - -„Lafaard, die beeft bij het woord van een vader. Zijt ge dan nog zwakke -kinderen die een bestraffing vreezen en geen volwassen prinsen van -geboorte? Hij is een opkomeling, een soldaat die geluk had met zijn -wapens, maar in uw aderen stroomt het vorstelijke bloed, dat ge mij -dankt.” - -„Predikt gij ons verzet en opstand?” vroeg de prins fluisterend. - -„De omstandigheden zullen het leeren, hij heeft den weg gebaand aan u, -om zijn zetel opgericht te houden, desnoods boven zijn lichaam.” - -Zij zag er vreeselijk uit, deze vrouw met haar bloedroode lippen en van -haat glinsterende oogen. - -„Hij zal de Hollanders hier binnen halen; hij voert met hen oorlog -alleen om het recht te hebben met hen vrede te sluiten; hij zal de -Hindoesche tempels sluiten evenals de moskeeën en er Christenkerken -voor in de plaats bouwen. De halve maan en de lotusbloem zullen -vervangen worden door het kruis.” - -„De Hollanders voeren geen kruis, zij hebben niets dan de -rijksdaalder,” meesmuilde Lembono, „dat geeft mij moed! Met geld zijn -zij het gemakkelijkst te onderwerpen, beter nog dan door wapens!” - -„Blijft dan één met u drieën, zoo zijt ge machtig, machtig tegen den -vreemdeling, machtig tegen uw eigen vader!” hernam zij en stond op om -haar zieken zoon te bezoeken. - -De soldaten, die naar den Tenger uitgezonden waren, kwamen weldra -terug; zij verhaalden dat hun taak gemakkelijk was geweest; de arme -landbouwers hadden geen andere wapens dan hun kapmessen en de schrik -sloeg hen om het hart, toen zij de krijgslieden zagen naderen. - -Eerst dachten zij dat het een nieuwe poging was om Siwangi in het bezit -te krijgen, maar de aanvoerder reed vooruit met een witten doek in de -hand en de oudste der dessa, die het sinds den dood van Siwangi’s vader -was, kwam hem te gemoet om te hooren wat hij verlangde. - -De aanvoerder bracht het bevel over van den Vorst, die streng maar -rechtvaardig wilde oordeelen en dus de schuldigen aanraadde zich -vrijwillig over te geven, daar anders de geheele dessa voor het -misdrijf van slechts enkelen zou moeten boeten. - -Toen was er een jonkman vooruitgekomen, die in gebroken Javaansch -zeide: - -„Ik ben alleen de schuldige, ik heb een meisje beschermd dat weerloos -in de handen was gevallen van een roover, en ’s avonds toen men opnieuw -de misdaad wilde begaan, maar thans met overmacht van wapenen, heb ik -nogmaals mijn wapen gelost. Mijn schoten hebben de aanvallers op de -vlucht gejaagd. Onderzoek vrij deze hutten, gij zult er geweren, kruit -noch lood vinden, niets dan deze wapenen, welke ik u ter hand wil -stellen en die mij toebehooren.” - -Vol verbazing hadden de krijgslieden den spreker aangestaard; zijn -gelaatstrekken hoewel lichter van kleur, droegen een merkwaardige -gelijkenis met die van Mas Pengantin, maar zijn stem en houding -brachten den gevreesden en geëerbiedigden Vorst zelf in herinnering. - -„Maar wie zijt gij dan?” - -„Een arme verdwaalde koopman, die wapens verkoopt, paarlen en -snuisterijen, ik wilde ze uw vorstinnen te koop aanbieden. Het noodlot -heeft er anders over beschikt, maar ik treur er niet om, daar ’t mij -vergund was een arm onschuldig meisje te redden van een treurig lot.” - -Men had zijn onderwerping aangenomen, doch met hem eenige Tengereezen, -den oudste, benevens Siwangi’s broeder en bruidegom gevangen genomen; -toen zij gevankelijk weggevoerd werden, vervulde bitter gejammer en -gesteun de lucht, maar de gevangene bergbewoners troostten de -achtergeblevenen. - -„Wij komen weldra terug,” zeiden zij, „onze zaak is eerlijk en Radhen -Wiro Negoro is rechtvaardig.” - -Zij werden naar den Kraton van Pasoeroean gebracht en daar in den -kerker opgesloten om het onderzoek af te wachten. - -Radhen Wiro Negoro besloot ook naar zijn hoofdstad te vertrekken; voor -zijn heengaan bezocht hij nog het ziekbed van zijn zoon. Maar -Pengantin, hoewel lang niet zwaar ziek, hield zich bewusteloos of -slapend om een gesprek met den gevreesden vader te ontwijken. - -„Ge zult goed op hem passen, Soederma,” sprak de Vorst tot zijn -schoondochter, „en zoodra hij in staat is te reizen, laat gij hem in -een draagstoel overbrengen naar mijn Kraton.” - -„En zal mijn vader dan ook genadig zijn.” - -„Ik wil rechtvaardig wezen, kind! Want rechtvaardigheid is de deugd, -die op Java het verst te zoeken is, moge men eenmaal zeggen, Soerapati -bracht haar terug!” - -„Geen deugd is ook moeilijker,” fluisterde de prinses en sloeg haar -door waken en tranen afgematte oogen naar den grond. Hij streelde haar -lokken en verliet de kamer om zich naar zijn gemalin te begeven, die -alweer met den dwerg aan haar voeten zat. - -„Ik vertrek,” zei de hij kort en afgemeten, „ik reken er op dat gij mij -weldra volgt. Lembono zal mij vergezellen. Een woord heb ik nog te -zeggen. Gij overweegt booze dingen in uw hart, zoolang het zich tot -gedachten en woorden bepaalt, laat ik u vrij; maar pas op, dat ge mij -in geen nieuwe moeilijkheden wikkelt. Reeds genoeg zorgen en lasten -omringen mij, gij behoeft ze niet te vermeerderen, want als gij en uw -zonen er nieuwe bijvoegt konden zij licht aangroeien tot een berg, die -op mij valt en mij verplet. Misschien betreurt ge dat niet eens, -misschien is ’t juist dat, wat gij zoekt, maar bedenk dat ik alleen het -gebouw stut, waarin gij allen als vorsten zetelt. Wanneer ik verdwijn, -dan stort het ineen. Noch gij, noch uw kinderen kunnen het staande -houden! Overweeg dus mijn woorden en sla mijn raad niet in de lucht.” - -De vorstin bedwong het toornig antwoord dat op haar lippen, zweefde en -zeide niets dan: - -„Vaarwel, ik zal u spoedig volgen.” - -Aan Boeloe Kidoer echter gaf zij haar hart lucht. - -„Wat zal er gebeuren, Boeloe? Wat zal hij doen met mijn arme zonen; is -’t niet beter dat Pengantin zich niet waagt aan den toorn zijns vaders, -dat hij den Kraton niet meer betrede, maar vluchte naar... naar de -bergen met zijn getrouwen?” - -„Bezit hij die?” vroeg de dwerg, „tien, twintig, honderd speelmakkers -en drinkebroeders zijn niet genoeg om een Radhen Wiro Negoro te -weerstaan?” - -„Maar hij kan vluchten naar den keizer!” - -„Naar Pakoe Boewana?” en de dwerg lachte spottend. - -„Naar Soenan Mas bedoel ik!” - -Nog luider lachte de dwerg. - -„Soenan Mas zal de bescherming van Soerapati verbeuren om zich met die -van zijn vluchtenden zoon te behelpen. Moedertje, ge zijt bedreven in -vele zaken, maar staatsmanswijsheid mist ge nog!” - -Juist trad Amirang Koesoemo, Radhen Goesik’s pleegvader binnen en de -dwerg begroette hem met de woorden: - -„Grootvadertje, gij komt juist bijtijds, de schoone vingers van uw -dochter willen zich wringen tusschen de treden van den troon van haar -gemaal; zij hoopt die ineen te doen storten en vergeet dat zij de -eerste zal zijn om daaronder begraven te worden.” - -„Zwijg onbeschaamde dwerg!” beet de vorstin hem nijdig toe. - -„Mijn dochter zal dit onzinnige werk niet beproeven,” zeide de -oud-Rijksbestuurder, „ernstige tijden breken aan. Slechts in eendracht -kunnen wij ons heil vinden. Van twee kanten bedreigen ons èn de -keizerlijken èn de Hollanders, met vereende krachten moeten wij hen -weerstaan. En wie zou het doen, als Soerapati er niet was? Uw drie -zonen, Radhen Goesik, reiken te zamen hem nog niet aan de knie; gebruik -uw invloed niet om uw kinderen tegen hun vader op te zetten. De -burgeroorlog verdeelt het rijk en maakt het zwak tegen den vijand, die -van buiten dreigt. De val des vorsten zal ons aller ondergang zijn!” - -„Maar hij zal zich niet ontzien zelfs zijn oudsten zoon zwaar te -straffen.” - -„Dit is zijn plicht als de straffe verdiend is.” - -„Maak u niet ongerust, moedertje!” grinnikte de dwerg, „de heer vader -zal streng oordeelen, vonnissen misschien, maar hij zal vergeven. Hij -heeft zijn zonen te veel noodig in deze duistere dagen. Wat zal het hem -baten zijn troon te redden, als hij de zekerheid heeft, dat deze na -zijn dood ledig zal blijven? Een man als Soerapati werkt niet voor één -geslacht.” - -„Ge handelt slecht, mijn dochter, door heete olie in plaats van balsem -te gieten op de wonden uwer zonen, dat zou hen razend kunnen maken van -pijn. Wees dus op uw hoede! Laat Radhen Wiro Negoro handelen zooals hem -’t best dunkt. Wees overtuigd, dat het ook goed en billijk zal -blijken.” - -Radhen Goesik zweeg, maar in haar hart was zij nog niet overtuigd; zij -koesterde echter voor haar pleegvader nog te veel kinderlijken eerbied -om hem te durven tegenspreken. - -„De Dewa, waarvan Pengantin droomde, heeft zich doen kennen als een -gewoon sterveling,” hervatte zij na een poos, „hij heeft op mijn zoon -durven schieten de ellendeling. Als ik Wiro Negoro was, ik zou op den -vermetelen knaap het volle gewicht doen neerkomen van mijn toorn, dan -spaart hij ook zijn geliefde Tengereezen.” - -„O moedertje, wat zou ’t goed leven zijn onder uw wijzen scepter,” -gichelde Boeloe Kidoer. - -In diep nadenken verzonken reed de vorst intusschen aan het hoofd van -zijn leger; links en rechts wierp zich het volk bij zijn nadering in -het stof; hij zag hen nauwelijks aan, zoo hielden ernstige gedachten -zijn geest bezig. - -De gebeurtenissen op het Tengergebergte, de oneenigheid met vrouw en -kinderen, kwamen hem juist thans ten hoogste ongelegen. Hij wist dat de -Hollanders zich nu op geduchte wijze uitrustten om hem in zijn eigen -gebied te komen aanvallen; het gevaar grijnsde hem van nabij aan. Zijn -ouden pleegvader en besten raadsman had hij verloren; bittere smart -welde op in zijn borst bij de gedachte dat hij den man, die hem zoo -trouw vergezeld had van het slavenkwartier naar het vorstelijk paleis -nu voortaan zou missen, en dat nog wel door zijn eigen schuld. - -Naberouw kwelde hem, daar hij den grijsaard uitgezonden had op zulk een -gevaarvolle onderneming; hij had alleen zich zelf zijn dood of -gevangenisstraf te wijten. Zijn hart was bedroefd, maar daarop mocht -hij geen acht slaan, evenmin als op den toorn, die zijn borst vervulde -bij het herdenken van den tegenstand, hem geboden door vrouw en -kinderen. Neen, hij moest waken, hij moest denken, hij moest sterk -blijven, smart en gramschap verzwakken den mensch, verduisteren zijn -geest en hij diende krachtig te blijven, wilde hij alle moeilijkheden, -alle zorgen, alle vijanden het hoofd bieden. - -Hij kon nu zijn zonen niet doodelijk kwetsen door een vernederende -straf, maar evenmin zijn trouwe Tengereezen beleedigen door -onrechtvaardigheid. De eer van zijn kroon door den erfprins -vertegenwoordigd stond aan de eene zijde, het geschonden recht aan de -andere. - -„O, dat ik geen zoon bezit, waardig mij op te volgen, in wiens handen -ik gerust mijn taak kan overgeven als ik vallen moet,” verzuchtte zijn -ziel. „De kansen van den oorlog zijn wisselvallig, wanneer ik sneuvel -dan heb ik vergeefs gearbeid, mijn leven lang! Als het kaf der ledige -padikorrels zal alles verstuiven wat ik hier wrochtte. De ellendige -geest, die in mijn zonen heerscht, zal oorzaak zijn van den val van -mijn koninkrijk, dat ik door zooveel bloed en tranen, zooveel zweet en -arbeid vestigde. Zij zullen blijde terugkeeren onder Mataram’s -heerschappij, zich trotsch en tevreden voelen, wanneer zij als regenten -van den Soesoehoenan een schijn van macht mogen behouden in deze -gewesten, waar hun vader eenmaal als onafhankelijk vorst regeerde. Zij -worden slaven van den Islam en van de gewetenlooze hadji’s. Ik ben hoog -geklommen, mijn hoogste eerzucht is voldaan! Wat zal ’t mij baten -indien er niemand is, wien ik bij mijn heengaan de teugels kan -overreiken? Maar hoe komen die treurige voorgevoelens in mij op? Ik ben -nog niet oud, ik ben krachtig en sterk, mijn volk is mij trouw en mijn -lichaam is onkwetsbaar; ik zal de Hollanders leeren dat zij in mij een -anderen vijand hebben dan de Tjeribonsche, Bantamsche of Mataramsche -prinsen, een anderen tegenstander zelfs dan de heldhaftige -Troeno-Djojo. Zij zullen met mij moeten rekenen, ik zal hun wetten -voorschrijven. Waarom moeten zij overal zegevieren, dit land behoort -toch ons en niet hen, den vreemdelingen van over de zee.” - - - - - - - - -ZESDE GEDEELTE. - - -I. - -DE RECHTSPRAAK. - - -De Kraton van Pasoeroean was een indrukwekkende ruimte. Evenals alle -andere kratons bestond hij uit verscheidene muren, de kern het -vorstelijke verblijf omvattend; fraaie tuinen, ruime pleinen, woningen -voor de prinsen, rijksgrooten en hofbeambten bevonden zich tusschen -deze muren. Soerapati had er vele veranderingen in laten maken, hoewel -hij den kraton niet gebouwd had. Vroeger zetelde er Ngabi Ongo Djoyo -in, regent van Pasoeroean; deze vorst was echter door hem verdreven -geworden en dus had hij zich met diens woning moeten vergenoegen. Ware -de keus aan hem geweest, hij had voorzeker aan een andere inrichting -verre de voorkeur gegeven; in zijn eigen vertrekken volgde hij nu -alleen zijn eigen smaak en liefhebberijen. - -Europeesche meubels, waarvan de modellen uit Soerabaya ontboden waren, -vulden deze ruimte; een breede divan nam een der zijmuren in, -daartegenover stond een schrijftafel met een hoogen gebeeldhouwden -stoel, eenige boeken, die hij met veel moeite bijeenverzameld had, -lagen op de tafel naast schrijfgereedschap en papier; eenige -schilderijen hingen aan de muren, waarde hadden zij niet anders dan die -van de verf, welke er kwistig over geworpen was. Fraaier was de -verzameling wapens, die de wanden van boven tot beneden bedekte, naast -jachttropheeën, welke hij uit zijn tochten in het Zuidergebergte -medebracht. Een uit vellen van koningstijgers samengevoegd tapijt -rustte op den grond. - -Niemand echter ontving hij in dit vertrek, zijn heiligdom, of het -moesten zijn trouwste vrienden, de oud-Rijksbestuurder, Kiai Hemboong, -Wirajoeda en nog enkele anderen zijn. - -Hij sprak met zijn mantri’s, regenten en andere rijksgrooten, met de -gezanten van naburige vorsten of zijn onderdanen, die hem iets te -verzoeken hadden, steeds in de aangrenzende pendoppo. - -Daar troonde hij geheel op de wijze der Javaansche vorsten op een -verhevenheid, met kostbare tapijten bedekt en door draperieën omgeven; -niemand mocht hem nabijzitten dan op een afstand van zes voet. Zijn -rijkssieraden werden door knapen in plaats van door vrouwen gedragen, -wanneer hij plechtig audientie gaf, of zich in statie aan het volk -vertoonde; hij verachtte al den verwijfden omhaal der Javaansche -etiquette en vergat nooit dat hij een soldatenvorst was. Op zijn reizen -liet hij zich alleen door zijn krijgslieden omringen en wanneer hij dan -ook op gewone dagen in zijn pendoppo verscheen, hetzij om gehoor te -verleenen, hetzij om recht te spreken, dan omringde hij zich alleen -door een sterke wacht van soldaten, die met hun pieken in de hand aan -weerszijden van de pendoppo en achter zijn zetel geschaard stonden. - -Daar hij geen harem bezat, behoefde hij ook al de overdreven voorzorgen -niet te gebruiken, waarmede de Soesoehoenan den toegang van zijn hof -tegen elk mannelijk persoon versperde, en daar hij zelf den -Mahomedaanschen godsdienst niet beleed, had hij den Pangoeloe geen stem -te geven in zijn raad en kon dus ook gevoegelijk de omslachtige -plechtigheden van den Islam achterwege laten. - -Deze twee eigenaardigheden maakten zijn hof zoo verschillend van die -der andere Javaansche vorsten; overigens trachtte hij zooveel mogelijk -nog den schijn van macht en glans te behouden, die bij de Javanen -onafscheidelijk is van de opperheerschappij; daarom mocht ook niemand -hem ooit anders dan kruipend naderen. Zoo hij hierin verandering had -gebracht, dan kon hij verzekerd zijn dat hij een deel van zijn -overwicht in de verblinde oogen zijner onderdanen verloren had. - -Heden viel er bijzonder veel te doen; zijn afwezigheid had slechts -enkele weken geduurd en toch vond hij thans vele zaken af te doen, die -zich in zijn afzijn opeengehoopt of verward hadden. De zaak van den -Tenger moest onderzocht worden, daarenboven waren er gezanten gekomen -van Soenan Mas uit Kediri en van den regent van Soerabaya, die -onmiddellijk gehoor verlangden. - -Radhen Wiro Negoro gaf bevel de boden van den afgezetten Keizer te doen -voorkomen; deze, twee in getal verschenen onmiddellijk en kropen naar -den troon, waarop de vorst hen afwachtte, omringd door zijn beide -jongere zoons, door Matjanegara den erfprins van Balembangan en zijn -mantri’s; deze waren allen op lage banken gezeten. - -„Wat is het verlangen van uw heer, den edelen Pangeran Adipati?” vroeg -de vorst. - -„Heer, onze meester zond ons in allerijl naar u heen, zijn hart is in -groote bekommernis, want hij weet niet welk besluit te nemen en daarom -roept hij uw raad in. De Hollanders zonden hem een tweetal verkleede -boden, Chineezen naar het schijnt, die in een heimelijk onderhoud hem -voorsloegen zich met de Compagnie te verzoenen en zijn oom den Pangeran -Poeger als wettig Keizer te erkennen.” - -„En heeft de Pangeran Adipati naar hun voorslagen geluisterd?” - -„Hij veinsde te luisteren, Heer, en vroeg uitstel om ernstig na te -denken; in dien tusschentijd zond hij ons naar u ten einde uw meening -te vragen aangaande het verleidelijk aanbod.” - -„Hoe luidde dit aanbod?” - -„De Compagnie beloofde hem genade en vergiffenis, alle eerbetuigingen, -die een Javaansch prins toekwamen, het gezag over eenige landstreken, -vrijheid voor hem, zijn vrouwen en kinderen.” - -„En meent uw prins wellicht dat het hem beter zal gaan onder de -bescherming der Hollanders dan onder de mijne? Zoo hij hiervan -overtuigd is, hij trekke naar Batavia of Soerabaya en onderwerpe zich -aan de Compagnie. Hij zal mij dan verlossen van de verplichting zijn -rechten staande te houden tegenover Pakoe Boewana; ik zal met hem vrede -kunnen sluiten naar mijn believen. Zeg uw meester, dat hij den kraton -van Kediri onmiddellijk ontruime om zich aan de voeten der Hollanders -te werpen.” - -„Heer, uw geest loopt te snel onze woorden vooruit! Onze Gebieder heeft -slechts toegeluisterd en meer niet. Hij wacht met te antwoorden tot hij -uw gevoelens heeft vernomen.” - -„Ik heb ze uitgesproken. Mij is er niets aan gelegen den Pangeran -Adipati in mijn rijk te bezitten. Hij blijve of vertrekke naar zijn -goedvinden. Wanneer hij meent mij tot zijn wil te kunnen dwingen door -het aanbod dat mijne vijanden hem gedaan hebben, zoo vergist hij zich -deerlijk; om zijnentwil schroomde ik niet mij de vijandschap op den -hals te halen der Hollanders; alleen om hem te gerieven, bood ik hem -een schuilplaats aan, waar het hem aan niets ontbreekt en nog is hij -niet tevreden. Hij wenscht dat ik hem keizerlijke eer bewijs, hem, den -vluchteling, dien ik uit genade heb opgenomen in mijn land. Hij acht -het een onrechtvaardigheid dat ik hem geldelijken steun gevraagd heb -wanneer ik voor zijn zaak de wapens opneem; liever wil hij overloopen -naar zijn vijanden, die door zijn schuld ook de mijne zijn geworden. -Wat belet mij aan Goesti Katawangan bevel te geven hem over te leveren -aan Pakoe Boewana, zijn dierbaren oom? Deze zal hem nog hartelijker -ontvangen dan de Hollanders, ik ben er zeker van.” - -De gezanten bogen het hoofd ter aarde en smeekten: - -„Genade Heer, genade! Dat was de bedoeling niet van onzen Heer. Hij -vroeg slechts uw meening.” - -„Die kent hij zonder er ook naar te vragen. Het is tijdverlies het boek -dat men reeds verscheidene malen gelezen heeft, nogmaals te openen. -Acht hij zich zelf Keizer of niet?” - -„Ongetwijfeld, Heer, hij is de wettige opvolger der Soesoehoenans van -Mataram!” - -„Welnu, dan kan hij in eeuwigheid ook niet het recht van zijn oom -erkennen; twee keizers kunnen niet tegelijk bestaan. Wil hij zich -verzoenen met de Compagnie, het staat hem vrij, maar hij verzoene zich -dan ook als Keizer, hij onderhandele met geen Chineesche boden, maar -met den Grooten Heer van Batavia zelf; zoo deze hem als Keizer erkent, -dan vervalt vanzelf zijn onderwerping aan Pakoe Boewana. Dit is mijn -antwoord. Vertrekt in allerijl en brengt mijn woorden letterlijk aan uw -meester over.” - -En hij wenkte dat de boden uitgeleid zouden worden. - -Thans was het de beurt van de gezanten, die Depati Soerabaya naar hem -afvaardigde; deze verschenen eveneens al kruipend aan het eind van den -pendoppo. - -„Hoe maakt het mijn goede broeder, de Depati?” vroeg Radhen Wiro Negoro -nu veel vriendelijker als daar straks, „welke boodschap brengt ge mij -van hem?” - -„De gezondheid van onzen meester laat niets te wenschen over, Edele -vorst! Hij beval ons met eigen oogen ons te vergewissen van den -toestand van zijn broeder, den machtigen Radhen Wiro Negoro.” - -„Zeg uw meester dat de toestand van mijn lichaam uitstekend is, maar -mijn geest wordt gedrukt door vele zorgen.” - -„Helaas! Heer, dezelfde klacht ontsnapt ook de lippen van mijn meester, -de tijden zijn donker en bang. Het is moeilijk den weg te vinden in de -duisternis.” - -„De weg kan lang en moeilijk zijn, dit ontken ik niet, maar wanneer men -het doel vast en zeker in ’t oog houdt dan is er weinig kans tot -verdwalen. Dit zal ook mijn broeder van Soerabaya ervaren.” - -„Maar juist het doel Heer, is vaak moeilijk te onderscheiden.” - -„Daarom verdwalen er zoovelen; maar de meesten gaan blindelings voort, -zij tasten en zoeken, totdat zij in den afgrond storten.” - -„Wanneer zij ten minste het geluk niet hebben een veiligen leidsman te -vinden, en juist deze ontbreekt mijn meester, daarom zond hij mij naar -Uw Hoogheid.” - -„Zoo hij verlangt dat ik zijn leidsman zij, dan zal ik hem klaar en -duidelijk den weg doen kennen, dien hij gaan moet.” - -„Maar hij mag den rechten open weg niet volgen Heer, zijpaden moet hij -inslaan wil hij niet geheel verderven.” - -„Ik haat zijpaden en kronkelwegen, de rechte weg is mij altijd de -kortste gebleken naar het doel. Uw meester heeft de vriendschap der -Hollanders aangenomen, dat weet ik. Zal hij nu ook met hen tegen mij -oprukken?” - -„Niets zou hem meer leed doen Heer, maar hij kan niet anders doen... -schijnbaar. Zijn schoonvader, de oude Panombahan van Madura is uw -felste vijand en zoo mijn meester openlijk uwe zijde kiest dan is zijn -lot beslist, de Hollander en de Madurees zullen hem verdrijven, hij is -geheel aan hen overgeleverd. In het geheim hoopt hij uw zaak beter te -dienen, dan hij het openlijk zou kunnen.” - -„En op welke wijze dan?” - -„Hij zal den veldtocht met zijn troepen medemaken, maar zijn soldaten -zullen niet medevechten, integendeel op beslissende oogenblikken zal -hun hulp den Hollanders falen, nog meer, hij zal hun vertrouwen winnen -en hen voeren op dwaalwegen; gij zult alles weten, wat in hun kamp -omgaat.” - -„Uw meester is listig en sluw, zijn diensten zullen mij veel waard -zijn, welke belooning verlangt hij daarvoor?” - -„Bescherming voor zijn grenslanden in de eerste plaats en verder wat Uw -Hoogheid in zijn hart rechtvaardig en billijk acht tot loon van zulke -goede hulp.” - -„’t Is goed, het vertrouwen van den Depati zal niet beschaamd worden; -ik zal u geschenken medegeven ten bewijze van het verbond dat door ons -gesloten is. Maar begrijp me goed en laat ook uw meester het begrijpen! -Bij de eerste teekenen dat hij zijn belofte schendt, geef ik mijn -krijgsvolk bevel het grondgebied van Soerabaya binnen te dringen, de -akkers te vernielen, de dessa’s te plunderen, de kampongs te -verbranden, de bewoners als slaven weg te voeren. Onthoud dit wel, ik -ben een trouwe vriend maar ook een gevaarlijke vijand. Wanneer ik mijn -woord geef dan, bij mijn kris, zal ik het houden.” - -De gezanten bogen zich ter aarde bij ’t hooren zijner krachtige, -dreigende stem en beloofden alles wat hij wenschte. - -„Het zij dan zoo, ik noodig u uit op een feest, dat ik morgen in mijn -kraton geef, een gevecht tusschen tijger en buffel; heden avond -verwacht ik u echter aan mijn disch.” - -En met een beweging vol trotsche genadigheid, gaf hij hen bevel zich te -verwijderen. - -„Breng nu de gevangenen uit het Tengergebergte vóór,” gebood de vorst. - -De cipiers voerden de ongelukkigen in ’s vorsten tegenwoordigheid; zij -waren aan elkander gebonden en zwaar geboeid; bij den ingang wilde de -gevangenbewaarder hen dwingen naar den troon te kruipen. De Tengereezen -gehoorzaamden bevend en kusten den grond. - -Robert echter weigerde beslist; hij sloeg de geboeide armen over de -borst zoodat de ijzeren ketens luid rinkelden en sprak: - -„Ik ben geen Heiden of Muzelman maar een Christen en Christenen knielen -slechts voor God.” - -De gevangenbewaarder hief zijn stok op om hem door slagen tot knielen -te dwingen maar het trotsche bloed van Robert bleef tegenstreven, hij -wierp het hoofd fier achterover en riep uit: - -„Ge kunt mij doodslaan maar kruipend maak ik dien weg niet; ik ben een -mensch en geen viervoetig dier. De menschen zijn geschapen om rechtop -door de wereld te gaan, de redelooze dieren om het aangezicht naar den -grond te keeren.” - -Radhen Wiro Negoro zag het verzet van den vreemdeling en glimlachte -stil voor zich. - -„Dwing dien man niet,” beval hij luid, „hij kome voor mijn -rechterstoel, zooals hij verkiest!” - -Met lossen gang en hoog opgericht hoofd schreed Robert voort, door twee -cipiers gevolgd, terwijl de andere beschuldigden langzaam achter hem -voortkropen en hij hen dus een eind voor raakte. - -Bij den troon gekomen boog hij zich diep. Soerapati zag hem lang -zwijgend en onderzoekend aan, toen wenkte hij de andere gevangenen ter -zijde te laten. - -„Hoe is uw naam?” vroeg de vorst eindelijk. - -Robert noemde den naam, dien hij aangenomen had. - -„Sidin.” - -„Zooeven hebt ge verklaard Christen te zijn, hoe rijmt dat met uw -Javaanschen naam?” - -„Ik ben een kleurling, en onder hen zijn er velen, die den godsdienst -van een hunner ouders volgen.” - -„Wat komt gij in mijn landen doen?” - -„Mijn fortuin maken.” - -„Men heeft mij de kleinoodiën gebracht die met de wapenen bij u -gevonden zijn. Was het uw eenig doel ze hier te verkoopen?” - -„Welk ander doel zou ik hebben.” - -„Misschien zijt gij een spion!” - -Robert schrikte hevig, want deze woorden werden in zuiver Hollandsch -gezegd; vreemd, wonderbaar schier klonk hem zijn moedertaal in deze -geheel Javaansche omgeving uit den mond van den Balineeschen vorst. - -„Ik ben verloren,” dacht hij, „en niet alleen ik, aan wien weinig -gelegen is, maar mijn zending is mislukt.” - -„Het is aan u dat te bewijzen,” gaf hij ten antwoord, eveneens in het -Hollandsch, „ik heb u gezegd wat mijn doel was, en er is voor u geen -reden mij van onwaarheid te verdenken. Zoo ik niet door een toeval in -het Tengergebergte verdwaald en opgehouden was, zou ik zonder ongeval -in Banjoe Biroe zijn gekomen om mijn waren aan uw prinsessen te koop te -bieden.” - -De vorst luisterde aandachtig en bleef een oogenblik nadat Robert reeds -zweeg in diep nadenken verzonken. Eindelijk begon hij: - -„Uw Hollandsch is niet dat van een kleurling. Waar zijt gij geboren?” - -„Op Batavia.” - -„En wie uwer ouders was Hollander?” - -„Mijn moeder.” - -„Dat is niet alledaagsch. Zijt gij in Europa geweest?” - -„Ja,” antwoordde Robert kortaf, hij gevoelde dat die man met zijn -adelaarsblik weldra geheel zou doordringen in al zijn geheimen en dat -hij dus met verdubbelde waakzaamheid zich zelf moest verdedigen, doch -leugens waren wapenen, die hij liefst niet gebruikte dan in uitersten -nood. - -„En dan zoudt ge als een marskramer hier rondgaan om uw waren te -verkoopen? Waarlijk in Europa hadt gij iets beters kunnen leeren.” - -„Is het dan niet een benijdenswaardig beroep, de schoonheid van -vorstinnen te verhoogen door haar sieraden te bezorgen?” - -De vorst glimlachte. - -„Voor een koopman hanteert gij bijzonder goed de wapenen. Zijt ge -misschien ook in krijgsdienst geweest?” - -„Ook daarin heb ik mijn geluk beproefd!” - -„Mij dunkt een jonge, krachtige man als gij zou betere diensten als -krijgsman kunnen bewijzen aan uw land, dan als marskramer.” - -„Men kiest zelf zijn ambacht niet.” - -„Waar zijt ge geland?” - -„In Pasaroean, met een visschersschuit.” - -„Van waar kwaamt ge toen?” - -„Van Soerabaya!” - -„Hebt ge ook beproefd aan de gemalinnen van den Depati of aan de -talrijke prinsessen van den Panombahan van Madura uwe sieraden te -verkoopen?” - -„Neen!” - -„Dat vind ik ten hoogste raadselachtig; de hoven van Madura en -Soerabaya zijn tuinen tot overladens toe van bloemen voorzien; mijn hof -echter bezit slechts eenige schaarsche sierplanten. Wist ge dat niet?” - -„Juist daarom wilde ik aan uw vorstinnen mijn kleinoodiën brengen; -bloemen, die eenzaam staan zijn gewoonlijk schooner in kleur en -frisscher in geur dan die, welke elkander in bonte verscheidenheid -verstikken. Kostbare planten bewaart men in bloempotten, maar gemeene -bloemen groeien in het wild.” - -„Uw antwoorden vallen snel en vaardig als de pijlen van een geoefenden -boogschutter; ik heb behagen in uw taal, o, jonge man, al begrijp ik -dat gij mijn vijand zijt, die hier binnengeslopen zijt om de geheimen -van mijn rijk aan de Hollanders te verraden. Uw kleur maakte u ten -hoogste geschikt voor deze taak.” - -„Ik ben de beschuldigde, gij zijt mijn rechter! Het is aan u deze -beschuldigingen waar te maken.” - -„Welnu, toen men u alles afnam, wat gij bij u droegt, heeft men nog een -pakje gevonden, dat gij met de kracht der wanhoop verdedigdet; ge hebt -het niet willen afstaan en toen men geweld gebruikte, deedt ge een -beroep op mij. Aan mij alleen wildet gij het overgeven!” - -„Ja, dat heb ik gedaan! En zoo gij het verlangt zal ik ’t u -toevertrouwen, maar dit zweer ik u bij alles, wat mij heilig is, zij -bevatten niets wat op verraad of spionneering betrekking heeft. Het -zijn stukken die mij persoonlijk toebehooren en niemand anders eenig -belang kunnen inboezemen, maar mij zijn ze kostbaarder dan mijn leven. -Wilt gij ze bewaren, dan zal ik ze u geven. Onder een voorwaarde -echter! Zoo gij mij de vrijheid terugschenkt, dan smeek ik u ze mij -weder ter hand te stellen, en zoo ik veroordeeld mocht worden tot den -dood, laat ze mij dan behouden tot mijn laatsten snik en met mij in het -graf nemen. Waarde bezitten zij niet, ik herhaal ’t u nogmaals.” - -Hij nam een koord van zijn hals, waaraan een zakje van zwarte zijde -hing en reikte beide aan Radhen Wiro Negoro over. Deze nam ze aan en -legde ze op zijn knieën neder er zijn linkerhand op drukkend. - -„Ik beloof ’t u! Zoo ge waarheid gesproken hebt, zal ik handelen -volgens uw verlangen,” zeide hij ernstig en beslist. „Maar nu gaan wij -over tot de behandeling der Tengersche gebeurtenissen. We zullen ons -thans weer van het Javaansch bedienen. Cipier, breng de andere -gevangenen voor.” - -Het onderzoek begon, en spoedig werd het den vorst duidelijk dat men op -deze wijze weinig vorderde. De Tengereezen wisten van den eigenlijken -roof op Siwangi gewaagd niets dan van hooren zeggen, den nachtelijken -aanval hadden zij allen bijgewoond. Robert verhaalde eenvoudig en naar -waarheid, dat hij dien morgen dwalend over den bergrug, menschen had -hooren aankomen, en om zijn kostbaarheden niet in gevaar te brengen, -verschool hij zich in het struikgewas aan de helling. - -Druk gepraat, levendige smeekingen, eindelijk vrouwelijk angstgeroep -troffen zijn oor; op handen en voeten kroop hij naar den bergrand en -zag een jong meisje zich radeloos verdedigen tegen een twintigtal -mannen. - -Zonder te bedenken welke gevolgen zijn handelwijze na zich kon slepen, -schoot hij zijn pistolen af en het gelukte hem de aanvallers op de -vlucht te jagen. - -„Ik wist niet dat de vrouwenroover een prins was,” sprak Robert, „ik -zag in hem niets anders dan een boosdoener. Had ik het geweten, ik zou -stellig niet anders hebben gehandeld. Het is de plicht van elken man -bedreigde vrouwen ter hulp te komen.” - -„Gij kent goed uw plicht naar ’t schijnt!” sprak de vorst nu weer in ’t -Hollandsch. „Wie leerde u dat?” - -„Eene vrouw, wier lessen ik helaas! maar al te dikwijls heb -verwaarloosd.” - -„Uwe moeder?” - -„Ik heb mijn moeder niet gekend.” - -„Uw vrouw?” - -„Ik heb geen vrouw.” - -„Een zuster?” - -„Evenmin.” - -„Een bruid?” - -„Neen, een vriendin.” - -„Die kennen wij hier niet,” zeide de vorst, die er zichtbaar behagen in -vond Hollandsch te spreken en te hooren spreken. - -Hierop werd de tweede aanval behandeld en nu moest ook Mas Lembono -voorkomen om getuigenis af te leggen over de gebeurtenissen van den -nacht. Zijn getuigenis was verward; hij gaf het met een verstoord -gelaat en hortende stem; het was haast niet mogelijk hem tot spreken te -dwingen. - -Telkens en telkens vlamden Soerapati’s oogen op; hij bedwong blijkbaar -zijn toorn en wierp zijn zoon blikken toe, welke deze niet verdragen -kon. - -„’t Is goed,” sprak hij eindelijk opstaande. „Het verhoor is voor -vandaag geëindigd; weldra zal ik rechtspreken. Brengt de gevangenen -naar den kerker terug!” - -De vorst verwijderde zich terwijl alle bekkens en gongen in beweging -werden gebracht om hem een afscheidsgroet te brengen. Hij keerde naar -zijn bijzonder vertrek terug, waarvan de ingang door bonte gordijnen -van de overige ruimte afgesloten was. Driftig schreed hij op en neer; -verontwaardiging tegen zijn zonen vervulde hem geheel. - -„De lafaards,” mompelde hij, „dat kunnen zij, vrouwen rooven, -godsdienstige gebruiken tot masker verlagen van hun onheilige -doeleinden. Liegen, bedriegen ’t is de vloek van ons ras en die knapen -moeten vorsten worden, in staat om den beschaafden Hollanders het hoofd -te bieden. Hoe klein, hoe nietig stond mijn prins tegenover dien -anderen man, in wiens aderen enkele druppelen Europeesch bloed -stroomen. Hij weet wat hij wil; hij kan zwijgen. Hij zal zijn volk niet -verraden, zelfs niet ten koste van zijn leven; hij weet wat plicht, wat -eer gebieden. Voor mijne zonen zijn dit woorden zonder beteekenis, -ijdele klanken; ik hoorde hem graag dien jongen, liever dan den laffen -Lembono.” - -Daar herinnerde hij zich eensklaps dat hij het zwart zijden zakje van -den gevangene nog in de hand hield; hij zette zich aan zijn tafel neder -en weifelde een oogenblik. - -„Ik zal het toch openen; ik wil weten of hij een leugenaar is,” -mompelde hij en zijn kris nemend sneed hij het open. - -Er vielen eenige papieren uit, een halve zilveren penning, een portret, -enkele verdroogde bloemen, een blauw lint, herinneringen aan zijn -moeder en aan Digna. - -„Liefdesgedachtenissen, meer niet,” sprak Soerapati glimlachend, „geen -stukken die zijn taak omschrijven.” - -Plotseling verbleekte hij en sprong op, beurtelings nam hij het portret -op en den penning, liet ze vallen en ontsloot snel een schildpadden -kistje, dat ter zijde van hem stond; zijn bevende vingers zochten -daarin zoolang tot hij een zilveren schijf vond, hij paste deze aan den -halven penning. Hij werd één geheel; als verpletterd zonk hij op zijn -zetel terug, het portret in zijn eene hand geklemd, den penning op de -tafel drukkend. - -„Is ’t mogelijk, groote Goden,” stamelde hij... „haar zoon.” - - - - - - - - -II. - -VADER EN ZOON. - - -Robert zat of liever lag in zijn gevangenis, een duister laag hok, -waarbij de gevangenis onder het stadhuis van Batavia nog een paleis -scheen; een keten verbond zijn voeten aan een ring in den muur, zijn -handen waren ook aan elkander geboeid. Hij lag achterover op een matje, -naast hem stond een halve klapperdop met rijst gevuld en een kleine -gendie (kruik) met water. Hij roerde ze echter niet aan; nauwelijks -wist hij dat het voedsel zich daar bevond, zoo donker was ’t hier. Het -eenige licht kwam van een halven cirkel, in een der hoeken van den -muur, waarvan de andere helft zeker de naaste gevangenis verlichtte. -Den ingang kon men slechts kruipend doorgaan, hij kwam op een -onderaardsche gang uit. Boeloe Kidoer kon misschien nog recht opstaan -in het hok; de vrij lange Robert raakte bijna den zolder als hij er in -neerhurkte. - -Dus had hij besloten maar te blijven liggen, hoewel hij door de -gedwongen houding, aan al zijn ledematen zware pijn gevoelde. Het -scheen nu avond te zijn, want zelfs door den halven cirkel was nu niets -meer zichtbaar; in de verte hoorde hij de eentonige muziek van den -gamelan, die zeker het een of ander feest moest opluisteren, soms -vergezeld door het krijschend zingen der danseressen en dan werd het -weer voor een poos stil. - -Robert had echter genoeg met zijn gedachten te doen om zich veel bezig -te houden met de Javaansche muziek buiten den kerker. - -Zijn geheele zonderlinge levensloop trad hem voor den geest; wanneer -hij even insluimerde verbeeldde hij zich weer in het deftige huis op de -Heerengracht te Amsterdam te zijn bij zijn goede pleegouders, of wel in -den fraaien tuin van Amstelvreugd naast zijn verloofde. - -Als hij door een harden slag van den gamelan of door het knabbelen van -een muis aan zijn haren verschrikt opvloog, kostte het hem moeite zich -te verbeelden dat hij zich in de gevangenis bevond van een Javaanschen -kraton, overgeleverd aan de genade van een oppermachtig meester, die -hem geheel scheen te doorgronden en niet met zich spelen liet. - -„Mijn lot is beslist,” dacht hij, „de vorst zal mij tot spreken -dwingen. Blijf ik zwijgen, dan zal hij mij dood laten martelen; spreek -ik, dan treft mij de straf der spionnen. In elk geval mijn zending is -mislukt gelijk mijn geheele leven mislukt is. Zal Digna ten minste -weten dat ik mijn plicht heb gedaan tot het einde? In elk geval ’t is -beter dat ik hier een wreeden dood sterf dan dat ik in de Bataviasche -kazernen zedelijk ware ondergegaan. Sinds mijn laatste gesprek met haar -heb ik mij niets te verwijten, geen lichtzinnigheid, geen -uitspattingen, geen vloeken meer. Alles zou ik haar kunnen bekennen, -alles, maar ik zal haar nimmer terugzien.” - -Eén woord had hij opgevangen vóór zijn vertrek van Soerabaya dat hij -maar niet vergeten kon; iemand had gezegd, een te hoog in rang dan dat -hij dien om nadere inlichtingen zou vragen, dat de Raad van Justitie -Voorneman overleden was. Digna vrij! Dwaas hart! hij schiep zich op dat -enkele woord droombeelden, zijn zending uitstekend gelukt, de -Hollanders overwinnaars van Soerapati, hij bevorderd tot hoogen rang en -dingend om de hand der jonge weduwe! - -Welke onzinnige gedachten! Zelfs al bevatte het gerucht waarheid, al -ware Digna ook weduwe, welke breede klove gaapte er nog steeds tusschen -hem den naamlooze en haar de rijke, schoone vrouw. Hoe zou zij ooit -gedempt kunnen worden! Maar ach! een korreltje hoop is dikwijls genoeg -voor een geheel menschenleven om er van te bestaan en is het korreltje -eindelijk opgeteerd dan is ook het leven vaak ten einde. - -Zou hij niet kunnen vluchten? Wanneer hij nu ontsnapte had hij reeds -veel, zeer veel aan zijn meesters kunnen melden. Soerapati was een -vijand, waardig zich met zijn landgenooten te meten. Welk een verschil -met den spotkeizer Pakoe Boewana, dien hij naar Karta-Soera had -vergezeld. Waren de Javaansche vorsten allen aan den Balineeschen -hoofdman gelijk geweest, voorwaar de Hollanders hadden zwaarder werk -gehad om het land aan zich te onderwerpen. Men kon hem vreezen, maar -minachten nooit! - -Hoe zou zijn oordeel luiden? Robert had genoeg in zijn blikken gelezen -hoe hij de wandaden zijner zonen verfoeide en de Tengereezen hun -tegenweer niet misduidde, voor deze feiten zou hij niet streng zijn, -maar hij wantrouwde hem nu, hij zou zijn maatregelen nemen om den -dwarskijker onschadelijk te maken, wanneer hij dan ten minste een -spoedig einde maakte aan het proces en aan deze lange, martelende -gevangenschap. - -Langzamerhand was hij ingesluimerd; hij sliep en zelfs vast, zoo hoorde -hij niet eens dat het ijzeren luik, de eenige toegang tot zijn kerker, -ontsloten werd en dat een helder licht naar binnen stroomde en zijn -gelaat bescheen. - -„Wil Uw Hoogheid zich daarin wagen?” vroeg een stem buiten den kerker. - -„Stil, laat mij begaan!” klonk het gebiedend terug en de hooge forsche -gestalte van Soerapati wrong zich door het smalle luik; hij knielde -neer en moest nog het bovenlijf voorover houden om zich niet aan de -armzalige zoldering te stooten. Zoo kon hij zich echter geheel over den -gevangene buigen, die rustig bleef voortslapen, zijn eene met ketens -beladen arm hield hij onder het hoofd, de andere rustte op zijn borst, -de ijzeren schakels van den keten vielen over zijn schouder, een kalme -uitdrukking lag op zijn trekken, zijn donker, golvend haar bedekte zijn -voorhoofd en zelfs zijn eene wenkbrauw. - -Lang bleef Radhen Wiro Negoro in deze houding gebukt over den slapenden -vorm van den jongeling; zijn breede borst ging onstuimig op en neer, -zijn scherpe oogen schenen aan de stomme trekken een geheim te willen -ontpersen, hij volgde elke lijn van zijn gelaat, elken omtrek van neus, -lippen, voorhoofd als om daarin een gelijkenis te ontdekken. - -De slapende maakte een beweging met de rechterhand, het ijzer rinkelde -en hij ontwaakte bij dat geluid; misschien ware hij weer dadelijk in -slaap gevallen zoo hij niet de donkere figuur boven hem had bemerkt; -hij richtte zich ontzet half op en vroeg: - -„Is ’t tijd? Moet ik nu sterven? Welnu, ik ben bereid, maar laat het -gauw zijn, en dan den dood van een krijgsman!” - -„Volg mij!” beval de vorst. „Sta op.” - -„Zijt gij het zelf, Radhen Adipati?” vroeg Robert glimlachend, „dat is -een eer die zeker niet elken veroordeelde overkomt. Weet ge wat gij mij -beloofd hebt? Geef mij mijn eigendom terug.” - -Soerapati antwoordde niet; hij had een breekijzer in de handen en liet -met een behendigheid, welke nog aan die van den ouden roover -herinnerde, de ketens los springen. Verrast zag Robert hem aan. - -„Ik zal u voorgaan, gij komt met mij mede!” - -Hij kroop door den nauwen ingang en Robert volgde hem werktuigelijk. -Buiten in de gang stond Radhen Wiro Negoro in zijn volle lengte -rechtop; hij was geheel alleen. In zijn hand hield hij een zijden doek, -dezen wierp hij den gevangene over het hoofd, toen nam hij hem bij de -hand en beiden schreden zwijgend voort. - -„Mijn laatste oogenblikken zijn geteld,” dacht Robert. „Maar waarom -komt die groote Heer mij zelf halen; waarom moet ik blindemannetje -spelen en waar brengt hij me heen?” - -Na omstreeks een kwartier geloopen te hebben, voelde Robert dat hij op -een divan moest neerzitten en de doek werd hem van het gelaat genomen; -zijn verwondering verminderde niet nu hij zich in het bijna Europeesch -gemeubelde vertrek des vorsten bevond en niet op een strafplaats. - -Het verschil tusschen deze ruime, zacht verlichte kamer en zijn -ellendig hok was zoo groot, dat zijn schitterende oogen het duidelijk -genoeg uitspraken hoe de verandering hem trof. - -„Ik heb u hier gebracht, jongmensch, omdat ik u spreken moest,” begon -de vorst met een stem, die van geheime ontroering beefde. „Neem een -stoel en zet u naast mij voor de tafel.” - -Robert gehoorzaamde. - -„Antwoord op al mijn vragen naar recht en waarheid. Oneindig veel is -daaraan gelegen niet alleen voor u maar ook voor mij, voor dit land en -voor uw volk.” - -Deze plechtige woorden stemden Robert zelf hoogst ernstig. Radhen Wiro -Negoro trok het schildpadden kistje naar zich toe en ontsloot het met -een gouden sleutel, dien hij steeds bij zich droeg; alle kostbaarheden, -door Robert zoo hoog gesteld, lagen daarin bewaard; hij nam het portret -er uit en vroeg: - -„Wie is deze vrouw?” - -„Mijne moeder.” - -„Waar is zij?” bevend en hortend kwam deze vraag van zijn lippen. - -Robert zag hem hoe langer hoe meer verbaasd aan. - -„Gij hebt gisteren gezegd dat zij dood was. Is dat waar?” - -„Ja, zij is reeds lang niet meer! Ik heb haar nooit gekend.” - -„En haar... haar man?” - -Robert bloosde en wendde zijn blik af. - -„Mijn vader heb ik evenmin gekend.” - -„Ik vraag u niet naar uw vader! Ik vraag u naar haar echtgenoot,” drong -de vorst grimmig aan; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op, en hij -zag den jongen man recht in het gelaat. - -„Zij had geen anderen man dan mijn vader!” antwoordde Robert ontwijkend -met steeds klimmende verbazing. - -„Geen andere en vaandrig Kuffeler dan!” barstte Soerapati uit. Robert -zag hem open in het gelaat en haalde de schouders op. - -„Ik begrijp u niet, Radhen Adipati! Wat gaat mijn moeder u aan en de -naam, dien gij daar uitspreekt, heb ik nog niet eer gehoord.” - -„Lieg niet! Ik laat mij niet bedriegen door niemand. Heette uw moeder -niet Suzanna Moor?” - -„Inderdaad!” - -„En is zij na uw geboorte niet getrouwd met een vaandrig, Kuffeler -genaamd?” - -„Mijn moeder is steeds mijn vader trouw gebleven in wien zij haar -wettigen man erkende! Zij is later niet meer hertrouwd.” - -Een ontzettende verandering had in de trekken van den vorst plaats; -zijn oogappels rolden wild in hun kassen, zijn neusgaten sperden zich -wijd op en hij siste: - -„Niet getrouwd, mij trouw gebleven! Dan ben ik schandelijk belogen... -schandelijk, laag!” - -Stom van verwondering staarde Robert hem aan; alles scheen hem nog een -droom. - -Met ijzeren hand greep Soerapati thans den jongeling aan en stiet al -stamelend de vraag uit: - -„En uw vader, uw eigen vader, hoe is zijn naam? Wie was hij?” - -„Hij was een slaaf, Si Oentoeng genaamd.” - -Radhen Wiro Negoro liet hem los; hij lachte schel en valsch. - -„Si Oentoeng, Si Oentoeng, een slaaf,” herhaalde hij telkens heftig op -en neer gaande, „een slaaf. Ge vergist u, jonge man... hoe is uw naam, -ik bedoel den naam, waarmede uw moeder u noemde?” - -„Robert.” - -„Welnu, Robert, uw vader is geen slaaf meer, hij heet niet langer Si -Oentoeng, al is die naam profetisch gebleken, want winst heeft hij -gehad, zeer veel zelfs, hoewel men hem zijn kostbaarsten schat heeft -ontroofd. Wilt ge weten hoe thans uw vader heet, wilt ge weten wie hij -is?” - -Robert antwoordde niet; hij voelde zich gebonden door den magnetischen -blik van den man vóór hem. - -„Uw vader is thans een vorst, die de Hollanders doet sidderen en zijn -naam is Radhen Wiro Negoro.” - -„Hoe gij zijt...?” - -„Si Oentoeng, de echtgenoot uwer moeder, uw vader.” - -„Gij, gij!” riep Robert uit, en week terug, schrik meer dan vreugde lag -in zijn oogen, hij snelde niet toe om zich in de armen te werpen van -den teruggevonden vader. In plaats van den Oosterschen vorst zag hij in -den geest slechts den grijsaard terug, wien hij levenslang den zoeten -vadernaam had gegeven en in dezen man herkende hij slechts den -moordenaar van Digna’s vader! - -„Ge schrikt er van, ge verheugt u niet. Ware ik een blanke werkman -geweest ge zoudt mij verheugd in uw armen hebben gesloten, maar nu ik -een bruine vorst ben, nu veracht ge mij, nu schaamt gij u dat ge mijn -zoon zijt. Beken ’t, ik lees het genoeg in uw trekken!” - -En hij hield hem bij den arm, dien hij vast in zijn vingers omknelde. - -„Maar hoe zal ik u gelooven, Heer! ’t Nieuws verrast mij, ik duizel er -van. Nimmer had ik kunnen vermoeden...” - -„Dat de slaaf, de ellendige verleider van uw moeder, zooals de -Hollanders mij beschouwen, zoo hoog zou klimmen, dat duizenden voor hem -sidderen, dat op een wenk van hem geheel het Oosten van Java zich in -het stof neerwerpt. Hij is de eenige macht, die het geweld uwer -landgenooten nog weerstaat, is hij gevallen dan zijt gij indringers, -hier meesters in dit vreemde land, waar binnen wij u niet geroepen -hebben, dat gij slechts betreedt om ons te onderdrukken, daar ge in ons -een lager menschenras ziet. Waarom leeft Suzanna niet meer, zij was de -eenige, die in mij haar gelijke zag, zij is mij trouw gebleven tot den -dood. O had ik ’t eerder geweten, had ik het kunnen vermoeden! Des te -wreeder is nu de scheiding geweest, des te zwaarder trof ons de vloek -van blank en bruin. Maar ge wilt bewijzen, knaap! Gij gelooft mijn -woord niet! Welnu kent gij dezen penning?” - -„Hij is de mijne?” - -„Hij is half doorgebroken, het zijn deze vingers geweest die het zilver -in tweeën spleten, hier is de andere helft, zie of beide schijven aan -elkander passen.” - -Hij legde hem beide stukken voor en Robert boog het hoofd; hij gaf zich -gewonnen, maar in zijn hart klopte nog niets ten gunste van den -vorstelijken vader, hij kon niet veinzen. - -„Zijt ge mijn zoon, ja of neen?” ging Radhen Wiro Negoro met toenemende -verbittering voort, „mijn zoon gesproten uit mijn echt met een -Hollandsche, een Christen vrouw! Ontken het langer als gij durft! Zie -dezen ring ook, daarop zijn haar voorletters gegrift.” - -„Ik ontken niets, ik geloof uw woorden, maar vergeef me! Thans zijn -mijn gedachten meer bij mijne arme moeder, wier leven door uw schuld -vernietigd werd, bij mij zelf, die de gevolgen draag van haar misstap -dan bij u, Radhen Adipati!” - -„Ge durft mij uw geboorte verwijten, dwaas die ge zijt? Ge vergeeft uw -moeder alsof zij, de arme, een zondares ware, maar begrijpt ge dan niet -dat het uw blanke verwanten, uw landgenooten zijn die de schuld dragen -van ons beider scheiding? Heeft uw grootvader mij niet opgevoed, als -ware ik zijn eigen zoon? Deed hij me niet vergeten dat ik slaaf was? Nu -nog spreek ik uw taal, al bleef ze jarenlang mijn tong vreemd, waarom? -Daar ik ze tegelijk met de mijne op het erf van den Heer Moor -aanleerde. Ik deelde haar lessen en haar spelen, ik achtte mij haar -broeder totdat er een oogenblik kwam, dat ik voelde het niet te zijn; -en zij, zij zag mijn kleur voorbij; dat zij er voor boeten moest, -daarvan dragen haar verwanten en niet ik de schuld.” - -„Maar zij is u trouw gebleven, zij weigerde hardnekkig elke poging, -door haar vader in ’t werk gesteld om haar daad uit te wisschen, gij -echter wist u te troosten.... Zij stierf treurig en verlaten in den -bloei harer jeugd, gij zijt hoog gestegen, gij hebt een prinses van uw -volk tot uw vrouw gemaakt en u niet meer bekommerd om het meisje, dat -droevig haar jong leven eindigde, om het kind, dat tusschen vreemden -achterbleef.” - -Soerapati’s blik verduisterde, hij bracht de hand naar het voorhoofd, -en het duurde eenige oogenblikken voor hij antwoorden kon. - -„Kind, uw woorden treffen mij diep, diep in het hart! Ja, ’t is waar, -ik heb mijn arme Suzanna slechts smart en ellende aangebracht; -vervloekt zij ’t oogenblik dat zij mij trouw beloofde, vervloekt het -uur, waarop ik haar offer aannam; maar onwaar is ’t dat ik willens en -wetens haar verliet. Ik zocht vergoeding voor mijn leed ja, in mijn -eerzucht, want liefde heb ik niet meer gekend noch voor mijn vrouw, -noch voor mijn zonen. Wreed bedrog heeft Suzanna van mij gescheiden. Om -harentwille zwoer ik der Compagnie trouw, om harentwil droeg ik de -wapenen der Hollanders, om haar verdroeg ik de beleedigingen van een -vaandrig, en ik zou nog meer verduurd hebben, indien men mij niet haar -ring had teruggebracht, indien men mij niet voorgelogen had dat juist -mijn beleediger haar echtgenoot was. Hij die deze leugen verzon is -buiten mijn bereik; ’t is wel voor hem, want noch zijn grijze haren, -noch de vriendschapsband, die ons voor schier een halve eeuw aan -elkander hecht zouden hem gebaat hebben.” - -En zijn hand omklemde krampachtig het gouden gevest van zijn kris. - -„Maar,” ging hij voort, en zijn stem klonk zoo teeder en zoo week, dat -Robert hem verrast en vragend aanzag, „ik zal zoo God het wil, aan haar -zoon goed maken, wat mijn arme Suzanna lijden moest. Ge hebt mij nog -niet lief, ge schrikt voor mij. Ik wil uw gevoelens niet dwingen, ik -zal geduldig wachten totdat uw hart zich als vanzelf tot mij keert, we -zullen elkander langzaam leeren kennen, mijn zoon, en daarom verlang ik -dat gij mij thans alles zegt. Hoe is uw leven geweest? Wat hebt gij te -verlangen of te betreuren? Zeg mij alles, maar verhaal mij eerst van uw -moeder!” - -„Zij is me even vreemd als gij het nog vóór enkele oogenblikken waart,” -antwoordde Robert, „vreemden heb ik levenslang den zoeten oudernaam -gegeven.” - -En hij verhaalde hem in het kort zijn levensloop; zijn gelukkige -kinder- en jongelingsjaren, totdat de plotselinge slag hem van alles -beroofde en de wijde wereld eenzaam en verlaten injoeg; plotseling -zweeg hij, het was toen hij verhalen moest, waarom bij zich in -Soerapati’s handen bevond. - -„Het overige weet ik,” sprak de vorst; „ge zijt hier gekomen om meer te -weten, van mijn persoon, mijn regeering, mijn krijgsplannen; men heeft -u daarmede belast, niet vermoedend, welke banden u aan mij hechten. Ik -zal u gelegenheid geven uw taak te volbrengen, ik zal u alles toonen, -ik geef u de grootst mogelijke vrijheid, ik verlang alleen uw woord, -dat gij niet vertrekken zult, voor ik u verlof daartoe geef.” - -„En zal ik dan vrij zijn?” - -„Meent ge dat ik mijn zoon langer in den kerker zou laten zuchten? Kan -ik rekenen op uw eerewoord?” - -„Verlangt ge daarvoor iets in de plaats?” - -„Ik geef u de vrijheid, ik zal u inwijden in al mijn geheimen, ik zal u -meenemen op mijn tochten, ik zal u mijn plannen van verdediging en -versterking voorleggen, gij zult overal aan mijne zijde verschijnen...” - -„Op voorwaarde dat ik hier niets van verrade!” - -„Dat vraag ik niet eens! Beloof me slechts dat gij niet vluchten zult.” - -Robert dacht even na en sprak toen: - -„Ik beloof het u.” - -„Dat is genoeg! Morgen zal ik u vragen mij dezen brief uwer moeder voor -te lezen, ik heb getracht het schrift te ontcijferen maar het viel mij -te moeilijk. Laat mij ook haar portret. Tot morgen dus. Gij zult rust -noodig hebben na de gebeurtenissen van dezen dag, en ik eveneens. Tot -morgen, Robert!” - -Hij sloeg op een kleinen zilveren gong, die naast hem hing en dadelijk -trad een slaaf binnen, die gehurkt de bevelen zijns meesters afwachtte; -hij gebood hem iets in het Javaansch en gaf Robert een wenk hem te -volgen. Weinige oogenblikken later trad de jonge man in een ruim -vertrek, rijk van divans voorzien, die bedekt waren met kostbare -Oostersche kleeden; de andere meubels waren allen van het fijnste -snijwerk, een zachte geur van bloemen en reukwerk doortrok de kamer, op -een kleinen standaard brandde een lamp, de deur stond half open en gaf -blijkbaar toegang tot een tuin, waarin waterwerken zacht en eentonig -murmelden. De slaaf verwijderde zich na een eerbiedigen groet. - -„Is ’t een droom, ben ik waarlijk niet meer in mijn kerker maar in een -vorstelijk vertrek?” vroeg hij zich af. „Het schijnt een -tooversprookje!” - -Weinige minuten later lag hij op een der divans uitgestrekt een -rustigen slaap te slapen. - - - - - - - - -III. - -DE GUNSTELING DES VORSTEN. - - -Den volgenden dag zouden op den aloen-aloen de volksspelen plaats -hebben, waarvan het meest aantrekkelijke ongetwijfeld het gevecht -tusschen buffel en tijger was. - -Reeds ’s morgens vroeg daalden de landlieden van het gebergte af naar -den dalem van Pasoeroean, zooals zij in Karta-Soera zich naar den -keizerlijken kraton begaven. De poort welke tot den aloen-aloen toegang -verleende, stond wijd open, daardoor stroomde het volk naar binnen en -nam zijn plaats in buiten de palen, waarmede het zandperk omheind was. - -Tegenover den ingang stond de vorstelijke troon, bedekt door een soort -van hemel, die met schitterende kleeden van goud- en zilverborduursel -gedrapeerd was; een gouden stoel was er neergezet voor den heerscher, -en lagere stoelen voor zijn zonen en andere grooten. Links van den -troon, zoo echter, dat men daarop het volle gezicht had, was een soort -van balkon of tribune uit den ringmuur gebouwd, met fraaie rondbogen -versierd, waarvan de openingen door oleander-struiken half bedekt -waren. Dit was de plaats vanwaar de prinsessen het schouwspel kwamen -zien; afwisselend deed de muziek der gamelans en die van Europeesche -instrumenten van de derde of vierde soort haar tonen hooren en wekte de -vroolijkheid der toeschouwers meer en meer op; men kon ’t het volk -aanzien, dat het gelukkig en tevreden was. Alles lachte en schertste -niet luidruchtig, maar kalm, bedaard, innig vergenoegd, zooals het den -Javaan eigen is; tot boven den ringmuur zag het zwart van menschen, -zelfs in de waringinboomen, die het plein omzoomden, waren zij -geklommen. - -Doodelijke stilte heerschte er plotseling, de deuren werden -opengeworpen en de vorstelijke stoet verscheen; soldaten in hun witte -en roode rokken met de glinsterende zilveren pieken in de hand openden -den optocht, daarna volgde het paardevolk, met stalen harnassen aan, -die in den zonneschijn met oogverblindend licht vonkelden, terwijl hun -paarden met de bontste kleuren waren opgetuigd. Langzaam en statig -naderden nu de olifanten, welke den vorst en zijn gevolg droegen; op -den voorsten olifant zetelde Radhen Wiro Negoro, in zijn vuurrood met -goud en edelgesteenten opgelegd hofgewaad; de olifant was bijna geheel -bedekt met een kleed van goud brokaat, waarover een Perzisch tapijt -gespreid was, zijn kop ging half schuil in een net van bont zijdewerk, -waarvan in elke maas een robijn of smaragd flikkerde; zijn snijtanden -waren met bloemen omslingerd, snoeren van bloemen hingen ook langs zijn -snuit af. De zetel van den vorst was geheel verguld en met kussens van -een rijk Oostersch weefsel belegd. Wiro Negoro droeg zijn tulband met -arendsveer op het indrukwekkende hoofd. - -Hij was echter niet alleen. Anders had hij gewoonlijk een zijner -rijksgrooten of den kroonprins naast zich zitten, in vroegere dagen zag -men daar het meest Kiai Hemboong of den oud-Rijksbestierder, zijn -schoonvader. Nu echter bevond zich daar een geheel onbekend persoon, -eenvoudig gekleed in een zwart gewaad, met een witten tulband op; -niemand herinnerde zich hem ooit gezien te hebben, maar de prinsen en -edelen, die zich op de volgende minder rijk getooide olifanten -bevonden, wisten het beter; gisteren nog bevond zich die jonge man in -den kerker onder een zware beschuldiging, heden was hem de hoogste -eereplaats naast den vorst gegeven. - -Wat er gebeurd was sinds gisteren, dit vermoedde echter niemand. Men -giste en raadde, keurde af, haalde de schouders op maar niets kwam -eenig licht brengen in deze duistere, raadselachtige zaak; de prinsen -beefden van ergernis en woede, doch hun toorn was machteloos, hun vader -was immers niet gewoon rekenschap van zijn daden af te leggen. - -De Tengereezen waren in alle vroegte ontslagen met het bevel onverwijld -naar hunne bergen te gaan; heden toch moest er overal feest zijn, de -vorst verklaarde echter niet waarom. - -„Vindt gij dat de aarde zoo uit de hoogte gezien niet schoon is?” vroeg -hij aan Robert. - -„Ik zie niet graag neer op de gebogen ruggen van mijn medemenschen” -antwoordde de jonge man. - -„Niets liever zou ik wenschen dan te heerschen over een volk van -overeind staande mannen, doch dit volk is gewoon van uit de hoogte -beheerscht te worden. Ik kan er geen verandering in brengen zonder mijn -troon in gevaar te stellen. Zij werpen zich in het stof voor mij; -welnu, ik verlang het niet, doch zal het ook niet beletten. Maar zie -goed rond, Robert! Dit is voor u een geschikte gelegenheid om te weten -hoe Soerapati hof houdt.” - -„Ge hebt er mij hoog genoeg toe geplaatst,” hernam Robert glimlachend, -„wie had ’t mij voorspeld, toen ik gisteren in de donkere lade -uitgestrekt lag, dat mij heden zulk een eer zou geschieden.” - -„Nog minder vermoedde ik, dat mijn oudste zoon heden naast mij zou -zetelen in ’t aanschijn van mijn volk.” - -„Kennen zij mijn afkomst?” vroeg Robert verschrikt. - -Het gelaat van den vorst betrok een weinig toen hij den schrik van zijn -zoon zag, maar onverschillig gaf hij ten antwoord: - -„Neen, nog weet niemand er van!” - -De stoet ging in plechtigen optocht den aloen-aloen om, totdat hij voor -den troon kwam; de olifant ging daar op zijn knieën liggen en de vorst -steeg af, door Robert gevolgd; zijn lange witte mantel wapperde achter -hem, terwijl hij statig en vol majesteit de treden van den troon -beklom. - -Robert zag min of meer verlegen rond, totdat een gebaar van den vorst -hem een zetel vlak naast den zijne aanwees. - -Intusschen was ook het vrouwenbalkon gevuld geraakt; Radhen Goesik en -haar dochters, Mas Pengantin’s gemalin en verscheidene edelvrouwen, -allen met dunne sluiers voor het gelaat, namen er haar plaatsen in. - -„Wie is de vreemde?” vroeg de vorstin en verbleekte achter haar sluier, -„die daar naast den vorst gezeten is.” - -„De man, die mijn echtgenoot heeft gewond,” antwoordde Radhen Soederma -een snik onderdrukkend. - -„Dat kan niet zijn,” mompelde haar schoonmoeder. - -„’t Is toch zoo edele Vrouwe,” sprak een diepe stem naast haar, het was -die van den Mahomedaanschen opperpriester „die man is dezelfde, die -gister weigerde voor uw echtgenoot neer te knielen toen men hem -gebonden in de pendoppo bracht, die zich zonder blikken of blozen -Christen bekende en die uw zoon aanklaagde als vrouwenroover.” - -„En mijn echtgenoot werd het verboden heden in ’t openbaar te -verschijnen,” klaagde de jonge vrouw. - -„Van waar dan die verandering?” vroeg Radhen Goesik. - -„Dat vraagt ieder zich af, hooge Vrouwe, zonder het antwoord te kunnen -vinden,” vervolgde de Pangoeloe, „maar dit weet ieder: Vreeselijke -dingen staan dit land te wachten. ’t Is niet genoeg dat Allah en zijn -Profeet geminacht worden, dat de vorst de oude Goden der Hindoes hier -weer in hun tempels plaatst, nu begint hij te heulen met de Christenen, -hij verheft een ongeloovigen hond tot de hoogste eereplaats. Wee dit -rijk, wee zijn vorsten!” - -Radhen Goesik sidderde. - -„Ja er zijn treurige dagen in aantocht, ik voel het, maar wat kan ik -doen, ik ben onmachtig op het hart en de besluiten van mijn -echtgenoot.” - -„Radhen Wiro Negoro zal het tot zijn schade weldra ondervinden dat hij -den grooten Profeet versmaadt, en ook gij Vrouwe, gij die u zoo -kleingeloovig en zoo zwak toont, gij, die in uw hart Allah belijdt maar -schroomt van dat geloof bewijzen te geven. Vrees zijn vonnis!” - -„Wat kan ik doen?” zuchtte de vorstin, „mijn zonen en ik wij staan -machteloos tegenover zijn krachtigen wil.” - -„De druppel water, die geduldig en regelmatig neervalt, zal nog -zekerder den steen doorboren dan het puntige ijzer dat met geweld naar -binnen wordt gedreven. Het is uw plicht, Radhen Goesik, een einde te -maken door list of geweld aan het onwaardige spel dat uw echtgenoot met -zijn volk en zijn gezin speelt.” - -„Ik weet niet welk staatsbelang....” - -„Aan dien knaap verbonden is? Het zal een staatsbelang van gewicht -ongetwijfeld zijn. Tracht het te doorgronden; zeer ernstig moet de -reden toch wezen, die een vorst verplicht een man, die zijn zoon -verwondde en van wiens afkomst niemand iets weet, met zulke hooge -eerbewijzingen te overladen.” - -„Welnu, ik zal ’t beproeven,” beloofde de vorstin. Haar oog verliet den -troonhemel niet; zij zag hoe telkens en telkens Radhen Wiro Negoro zich -terzijde boog om zijn gezel toe te fluisteren, of hem iets aan te -wijzen; er lag een trotsch zelfbewustzijn in ’s vorsten oog, iets dat -zeggen moest tot zijn verbaasde mantri’s en prinsen: - -„Gij vindt mijn gedrag onverklaarbaar; doch ik heb goede redenen zoo te -handelen, redenen welke ik niet verkies u bekend te maken, meer dan -ooit ben ik uw meester.” - -En niemand durfde hem weerstreven, niemand eenige uitlegging vragen. De -spelen gingen intusschen voort; het tijgergevecht had plaats onder -ademlooze stilte, gevolgd door langdurige juichkreten toen de tijger -naast den stervenden buffel bloedend ineenzeeg; op dit koninklijke -vermaak volgden stierengevechten, daarna steekspelen, waaraan ook de -prinsen deelnamen. - -Robert was door al die spelen zeer geboeid, zijn oogen schitterden en -zijn borst ging snel op en neer; met welgevallen sloeg zijn vader hem -gade, zonder dat hij het zelf bemerkte. - -„Heldenbloed stroomt door zijn aderen!” dacht Soerapati, „het verraadt -zich ondanks hemzelf.” - -Hij stond op en gaf het teeken dat men zich nu zonder hem zou gaan -vermaken, het was bijna middag geworden; de zon blakerde het witte zand -met haar gloeiende stralen, maar nog scheen het volk niet moede te zijn -van de afwisselende spelen. Hanengevecht en vlieger oplaten volgden -thans, toen Radhen Wiro Negoro wilde vertrekken. - -De olifanten kwamen voor; hij besteeg den zijne weder gevolgd door -Robert; na hem kregen de anderen hun beurt. - -„Ik behoef u niet te vragen of gij u vermaakt hebt,” sprak de vorst tot -zijn zoon, „uw gelaat verried het mij genoeg!” - -„’t Is waar, ik heb dit voor mij nog zoo geheel vreemde schouwspel ten -volle genoten. In Europa heeft men daarvan geen begrip.” - -„Gij moet mij veel van Europa verhalen Robert, hoe men zich daar -vermaakt, hoe de vorsten er hof houden, hoe zij recht plegen en nog -veel meer bovendien! Maar weet ge waarom ik zulk een haast had te -vertrekken? Straks moet ik mijn hofgrooten en de gezanten van Soerabaya -aan den feestdisch ontvangen, vóór dien tijd wil ik echter een uur vrij -zijn opdat ge mij den brief uwer moeder zoudt voorlezen. Geen oogenblik -is de gedachte aan haar uit mijn geest afwezig geweest!” - -De olifanten verdwenen binnen den hof van het paleis; op het -binnenplein voor de pendoppo, werden zij verlaten en de vorst trad -alleen met Robert zijn bijzondere vertrekken in. - -„Wat zal men over zulk een voorkeur aan een onbekende bewezen, zeggen?” -vroeg de jonge man, die zich nog maar niet schikken kon in zijn nieuwe -waardigheid. - -„Daar bekommer ik mij niet over. Ik heb mijn volk geleerd mij nooit -rekenschap te vragen.” - -Zij traden in het koele, frissche vertrek; Soerapati wierp zijn -statiemantel van zich af en strekte zich op den divan uit. - -„Lees me nu vóór,” sprak hij, „mijn ziel smacht er naar de taal van -haar hart te hooren. Geef mij dat kistje aan!” - -Robert gehoorzaamde, meer en meer voelde hij zich getrokken tot den man -dien hij gisteren nog als een Oostersch despoot had verafschuwd en het -kon ook niet anders of de eer hem thans betoond moest hem aangenaam -zijn na de diepe vernederingen, welke hij in de laatste jaren ondergaan -had. - -Radhen Wiro Negoro haalde met eerbied den brief uit het kistje en -bracht dien toen aan de lippen; onwillekeurig voelde Robert zijn oogen -vochtig worden bij dit gebaar en toen zijn vader hem het papier -overreikte, raakte hij het op dezelfde wijze aan. De herinnering aan de -doode, vereenigde hen beiden voor een oogenblik. - -Robert begon te lezen, langzaam maar duidelijk, soms met van aandoening -bevende stem; zijn vader verborg het gelaat in de kussens van den -divan; niets verried zijn ontroering dan nu en dan een trilling, die -zijn forsche gestalte doorvoer. Lang nadat Robert geëindigd was, bleef -hij zoo liggen; eensklaps hief hij zich op, legde zijn handen op -Roberts schouders en sprak met doffe stem: - -„Robert, wat zou uw moeder thans eischen dat ik voor u deed?” - -Nog voordat hij antwoorden kon, trof een valsche, gebroken lach beider -oor, zij zagen om, daar stond onder het half weggeschoven gordijn -Radhen Goesik. - -„Laat mij u even storen, mijn gemaal! Het zijn ongetwijfeld hooge -staatsbelangen, zaken van zulk een gewicht, dat vrouwen er niet naar -raden kunnen, welke gij met dien bleeken knaap te verhandelen hebt en -mijn gezelschap zult gij nu gaarne missen,” sprak zij met snijdenden -spot. - -„Ge zijt scherpzinnig geweest als altijd, Ratoe!” antwoordde de vorst, -„we kunnen vrouwen zeer goed ontberen in de gesprekken, die wij nu -voeren. Gij weet de tijden zijn ernstig en de gevaren dreigend. Laat -het aan mij over ze te bezweren! Gaat gij terug naar uw vertrekken, -waar de batikspoel, het weeftouw of het dakonspel u wachten. Ik zal er -zorg voor dragen, dat gij in vrede kunt leven met uw beminnelijke -bezigheden.” - -„Ik zal u gehoorzamen, Radhen Wiro Negoro, zoodra mijn taak afgedaan -is; ik moest u eerst spreken over zaken gewichtiger dan batikspoel en -dakonspel. Vrees niet, ik zal u niet lang berooven van het zoete -gezelschap van uw nieuwen vriend.” - -„De feestdisch wacht mij, ik heb slechts weinige oogenblikken vrij....” - -„Gunt ge mij die niet eens!” - -„Welnu, spreek spoedig!” - -„Als wij alleen zijn!” - -„Verlaat ons dan, Robert!” - -De jonge man boog zich diep voor de vorstin, die onwillig het gelaat -van hem afwendde en verliet het vertrek. - -„Wat wilt ge van mij?” vroeg Soerapati ongeduldig. - -„Wie is die knaap?” klonk het woest van haar lippen. - -„Ge zult het weten, als het de tijd daartoe is. Komt ge alleen om mij -dit te vragen, dan hadt gij u de moeite kunnen besparen.” - -„Neen, ik kom u waarschuwen! Drijf ons niet tot het uiterste Soerapati, -de ontevredenheid gist in alle gemoederen, uw zonen morren daar gij -partij kiest voor hun vijanden, de priesters steken de hoofden bijeen -en hitsen het volk op, daar gij hun eeredienst versmaadt, de edelen -zijn verbitterd daar gij een gevangene van gisteren de eereplaats gunt, -die vroeger slechts aan enkele bevoorrechten geschonken werd. Zelfs uw -Balineezen zijn ontevreden daar gij een christen den voorrang geeft -boven hen, nog is het een kleine adder, die vreesachtig het hoofd -opricht, met een slag van uw voet kunt gij het dier verpletteren, maar -wee u, zoo gij talmt en het tijd geeft te groeien totdat het een -reusachtig monster wordt met duizend hoofden.” - -„En wie is het, die aan het monster voedsel geeft, wie is het die zijn -gapende muilen vult met vergift? Mijn huisvrouw, mijn vorstin! Schande -over u Koesoema, dat gij in plaats van mij trouw ter zijde te staan in -deze stormachtige dagen, zooals gij het zoovele jaren deedt, u -tegenover mij stelt uit kleingeestige jaloezie. Bedenk welke gevaren -voor mijn deur staan, ’t is nu geen tijd meer tot kinderachtige -paleistwisten, tot dwaze achterdocht, we moeten vereenigd blijven -vaster dan ooit, willen wij den vijand overwinnen. Geloof me, ’t is -niet goed dat gij allen tegen mij keert, want in het vertrouwen op mij -alleen is uw aller redding en behoud gelegen!” - -„En moet ge het mij verwijten dat er tweedracht heerscht, wanneer allen -morren, is het onze schuld of de uwe? Gij overlaadt mij en uw kinderen, -uw priesters en edelen met schande en smaad, vreemdelingen worden door -u gevleid en geëerd en waarom? Wat kan die jongeling u wezen, wiens -gelaat gij gisteren nog niet gezien hadt.” - -Met groote stappen ging Soerapati op en neer, daar hij niet toe wilde -geven aan zijn toorn; zoo was hij aan het einde van het vertrek -gekomen, toen Radhen Goesik’s aandacht op het schildpadden kistje viel. -Als een tijger, die zijn prooi bemachtigt, zoo wierp zij er zich op en -nog vóór dat haar man het beletten kon had zij het portret en de beide -stukken van den penning in haar handen gegrepen. Niets ziet met meer -helderheid en is tevens meer verblind dan jaloezie; een ruwe kreet -ontsnapte haar lippen en zij gilde het uit: - -„Hij is uw zoon, en die van de Hollandsche. Wee mij en mijn kinderen, -nu zijn wij allen verloren!” - -Zonder een woord te spreken, ontrukte de vorst haar het portret en de -munt, klemde haar handen in de zijne en voerde haar met geweld de kamer -uit, ondanks haar heftigen tegenweer. - -„Geen woord meer!” gebood hij, „wanneer gij voortgaat onrust te stoken -in mijne omgeving, wanneer gij langer zaden van wantrouwen wilt zaaien -bij uw zonen, en mij belemmert in de moeilijke taak die mij wacht, dan -zal ik mij genoodzaakt zien u gevangen te doen zetten in Banjoe Biroe. -Onthoud mijn woorden Radhen Goesik, ge weet dat ik nooit veel -geschertst heb in mijn leven en ik zal het nu minder dan ooit doen.” - -„Tyran, gij vergeet dat ik een prinses ben en gij zijt niets dan een -avonturier, een slaaf!” - -Hij was echter weer naar zijn kamer teruggekeerd, waarvan hij de deur -in het slot wierp, terwijl haar luid snikken en kermen nog steeds daar -buiten weerklonken. - -„Ik waarschuw u nogmaals dat getier te staken!” beval hij, „of ik zal u -anders op een plaats laten brengen, waar men uw gezang niet zal kunnen -hooren.” - -Het geschrei verstomde langzaam en de vorst bergde zijn kostbaarheden -weg. - -„Die vrouw zal mij nog veel last en zorg geven,” mompelde hij, „ik moet -haar in ’t oog houden; maar wat kan ’t mij deren, als mijn plan gelukt? -Ik zal hun aller tegenstand wel weten te breken zoodra de tijd er toe -gekomen is.” - -Hij wierp zich den statiemantel weer om de schouders en riep Robert, -die in de aangrenzende kamer wachtte. - -„Het is tijd voor het feestmaal, Robert,” sprak hij, „laat mij u een -raad geven, mijn zoon! Wees op uw hoede, ge zijt hier reeds omringd -door vijanden, hoewel uw gunst nog geen vier en twintig uur heeft -geduurd. Drink of eet niets, dan wat ik u zend; ik zal u een ijzeren -vest geven, dat ge onder uw kleederen moet dragen en vooral wacht u -voor de vrouwen!” - - - - - - - - -IV. - -DE VERZOEKING. - - -Robert volgde zijn vader dagelijks, nu eens op zijn tochten van -Pasoeroean naar Bangil en de rijstvelden van Derma, dan weer op zijn -wapenschouwingen of wel hij was getuige van zijn rechtsplegingen en -bracht uren met hem in zijn kabinet door, luisterend naar zijn plannen -van verdediging en van versterking. - -„De groote strijd, waarop ik sinds twintig jaar bezig ben mij voor te -bereiden, zal welhaast aanbreken,” zeide hij, „ik heb getracht dien te -vermijden. Men heeft zich niet eens verwaardigd acht te slaan op mijn -aanbiedingen, nu zal ik hen leeren hoe zij met mij hebben te rekenen! -Ge ziet nu alles, Robert, hoe ik gereed ben den vijand te ontvangen. -Meent ge dat ik kans zal hebben mijn grond op den duur tegen hen te -verdedigen?” - -Robert haalde de schouders op. - -„Gij hebt met veel talent uw verdedigingsplan opgevat, ik sta verbaasd -over uw krijgskundige kennis en echten veldheersblik en het zal den -vijand zeker moeite kosten die moerassen te doortrekken, als zij ten -minste van dezen kant naderen. Zijt gij daar zeker van?” - -„Ja.” - -„Hoe kunt ge dat weten?” - -„Dit is een geheim, dat niet mij behoort, ik kan ’t u dus niet zeggen. -Mijn geheimen, dat ziet ge, bestaan niet voor u.” - -„Wanneer zij uw forten naderen dan vrees ik dat deze niet lang bestand -zullen zijn tegen hun vuurwapens, hun kanonnen en granaten.” - -„Ik heb ook geschut; doch al zijn deze versterkingen in hun handen -gevallen, dan nog zullen zij voet voor voet elken duim grond moeten -veroveren; mijn maatregelen zijn genomen.” - -De verwondering van Robert steeg hoe langer hoe meer, wat kon het doel -zijn van Radhen Wiro Negoro door zoo oprecht met hem te handelen? Hij -maakte hem deelgenoot van al zijn plannen, van al zijn zorgen, van al -zijn belangen, Robert huiverde dikwijls bij de gedachte welk een -grooten schat van kennis hij thans had opgezameld, hoeveel inlichtingen -voor den Hollandschen bevelhebber van de hoogste waarde hij geven kon; -hoe het geheele welslagen van den veldtocht afhing van zijn spreken of -zwijgen; maar hij gevoelde tevens ook hoe juist dit vertrouwen en deze -openhartigheid hem met banden sterker nog dan die des bloeds aan zijn -vader hechtten, hoeveel verantwoordelijkheid hij op zich laadde juist -door dat gemeenschappelijke weten. - -Soerapati moest een doel hebben maar welk? Hoe meer hij den vorst -leerde kennen, hoe hooger zijn bewondering steeg voor hem, die met -zulke gebrekkige middelen zooveel tot stand had gebracht en nog zoo -oneindig meer zou kunnen stichten indien hij betere werktuigen in zijn -onderhoorigen had kunnen vinden. Zijn leergierigheid kende geen -grenzen, hij had grooten dorst naar meer kennis en meer wetenschap, -daarom was het hem een genot Robert naar duizenden dingen te vragen, -welke in beschaafde landen aan kinderen bekend zijn, maar waarnaar hij -levenslang nieuwsgierig was geweest. - -Tot diep in den nacht duurden soms hun gesprekken, die welhaast aan -Robert evenveel belang als aan zijn vader inboezemden. Zooals het -geheel en al met zijn karakter strookte, dacht de jonge man weinig aan -de toekomst; het tegenwoordige was hem genoeg; dikwijls zuchtte hij er -wel over dat de heer de Wilde met smart op zijn mededeelingen wachtte, -maar hij kon er niets aan doen; hij was door een samenloop van -omstandigheden gevangen geraakt; dit was niets buitengewoons, zulk een -zending was aan vele gevaren onderhevig; het zou een wonder zijn indien -hem geen ongeval overkomen ware. - -Hij verhaalde den vorst zijn leven in alle bijzonderheden en vernam op -zijn beurt het wonderbare verhaal van Soerapati’s lotgevallen die hem -van slaaf tot vorst hadden verheven; zoo leerde hij dan ook het -gebeurde te Karta-Soera in 1686 van een geheel andere zijde beschouwen. - -„Beken mij oprecht!” vroeg hij eens bijna smeekend, „is ’t waar dat de -gezant Tak verraderlijk door u vermoord is?” - -„Mijn wapen heeft hem niet getroffen, dat weet ik zeker!” antwoordde -Radhen Wiro Negoro ernstig, „’t is waar, de verwarring was groot, wij -zagen haast niets, zoo verblindde de kruitdamp onze oogen, maar toch -weet ik zeker, hoewel ik in het vuur der zelfverdediging in het wild om -mij heen sloeg dat de gezant niet door mijn hand viel. Van verraad was -echter bij mij geen sprake; de Soesoehoenan en de Rijksbestuurder -hadden mij in hun dienst genomen, zij speelden een dubbele rol; voor de -Hollanders namen zij den schijn aan dat ik hen bedreigde, terwijl hun -vurige wensch was dat ik hen van de vreemden verloste. Eerst toen men -ons aanviel en insloot, heb ik mij door mijn aanvallers een weg -gebaand, onverschillig wie zij waren. Ik weet het, nu roepen ze mij nog -tot verantwoording over de mannen van Kuffeler, die ik verslagen heb, -maar wie zal hen ter verantwoording roepen voor al het bloed, waarmede -zij onze eilanden overstroomen? En wat hebben wij gewonnen in ruil van -onze vrijheid, van ons bloed?” - -„Veel, want aan hoeveel wreede willekeur en hoeveel boosheid, die aan -de hoven heerscht, maakten zij een einde door hun inmenging!” - -„Niemand heeft hen hier geroepen en meent ge dat zij hier komen om ons -beter, verstandiger, beschaafder te maken? Hun eenig doel is rijk te -worden ten koste van ons. Ik heb hooren verhalen van hen, die ’t wisten -door hun grootvaders, dat de Portugeezen anders handelden; zij vonden -ons niet onwaardig hun gelijke te worden. Zij konden wreed zijn en -onrechtvaardig maar er waren toch bezittingen, die zij hooger stelden -dan goud en zilver en die zij aan de overwonnelingen wilden mededeelen. -Welnu, de straf zal niet uitblijven, wanneer deze landen, uitgeput en -uitgezogen zijn, dan is ook de macht der Hollanders geknakt, en de -Islam heeft vrij spel om de ongeloovigen uit te roeien.” - -„En toch wilt gij met hen een bondgenootschap sluiten?” - -„Ja, omdat zij bezitten, wat ons ontbreekt en zonder hetwelk wij niet -veranderen kunnen, maar zij weigeren het ons te geven, daar anders de -goudader minder rijkelijk vloeit.” - -Eenige weken gingen aldus om en dagelijks kwamen er tijdingen van den -naderenden vijand; schepen met 15000 mannen bevracht waren te Soerabaya -aangekomen en daar feestelijk door de regenten van Soerabaya en Madura -ontvangen; gezamenlijk zouden zij tegen den gemeenschappelijk en vijand -oprukken, in afwachting daarvan namen de steekspelen, maaltijden en -danspartijen geen einde. - -Robert hoopte en vreesde tegelijk een ontknooping; van dag tot dag -stelde hij het uit, zijn vader naar diens besluiten te vragen, zijn -geheele toekomst stond op het spel; nu of nooit moest de Wilde of -liever de bevelhebber Govert Knol, die dezen veldtocht leidde de -inlichtingen ontvangen, welke hij noodig had en wat moest hij zeggen? -Kon, mocht hij thans den vijand verraden in wien hij zijn vader had -terug gevonden, mocht hij misbruik maken van het vertrouwen hem zoo -ruimschoots en zoo openlijk geschonken? - -Zijn leven geleek een ware feestdag, niets ontbrak hem, alle slaven van -den dalem vlogen op zijn wenken; de kroonprins werd ongetwijfeld niet -beter bediend, de rijksgrooten zelfs behandelden hem met eerbied. Nu -eens werd hij op dit dan weer op dat feest genoodigd, alleen de prinsen -hielden zich op een afstand en veinsden hem niet te zien, maar -Soerapati had Pengantin’s straf nog niet opgeheven, hij mocht nog -steeds zijn woning in den kraton niet verlaten, Lembono was met den -erfprins naar Balembangan gestuurd, Nitro vertoefde in Bangil. De -Rijksbestuurder Amirang Koesoemo was nu in Kediri, waar hij bij Soenan -Mas de plaats van den regent innam, die aan de zijde van den Vorst -bleef, wiens trouwste vriend en raadsman hij was. - -Op zekeren morgen zat Radhen Wiro Negoro alleen in zijn vertrek in -gewichtigen arbeid verdiept; zoo juist was hem een brief van den Depati -van Soerabaya gebracht, waarin deze meldde dat de expeditie nog niet -vertrekken kon daar de meer dan tachtigjarige regent van Madura zich -niet op weg wilde begeven, vóórdat de maan rijzende was; de -Soerabayasche prins beloofde alle mogelijke inlichtingen bijtijds aan -zijn vriend en bondgenoot te verstrekken. Hij beschreef hem verder -nauwkeurig den weg, dien hij aan het leger zou doen nemen; nog was de -argwaan der Hollanders niet opgewekt, hij bewees hen den grootsten -eerbied, hield hen met feesten bezig maar zwoer nogmaals zijn machtigen -vriend en broeder Radhen Wiro Negoro trouw. Op een kaart, die voor hem -lag, teekende de vorst thans de doorgangen af van het vijandelijke -leger en tevens den loop, dien hij aan het zijne wenschte te geven, zoo -verzonken was hij in zijn werk dat hij niet eens de nadering vernam van -een menschelijk wezen, totdat een beweging aan zijn voeten hem deed -opschrikken; hij zag naar den grond en bemerkte daar opgerold als een -kluwen, den kleinen dwerg. - -„Boeloe Kidoer! Hoe durf je mij hier storen?” zeide hij toornig. - -„Meester,” hijgde de arme dwerg, „ik moet u spreken, ’t is misschien -voor het laatst, want de kleine man gaat sterven; zijn leven was toch -al niet veel meer waard in den laatsten tijd, een voetslag van uw zoon -Pengantin deed het overige.” - -„Hoe, heeft Pengantin je mishandeld, is ’t mogelijk, u, den lieveling -zijner moeder!” - -„Ik ben ’t niet meer, ik heb de gunst der hooge Ratoe verloren, en toch -beken ’t meester, aan mij hebt ge beiden het te danken dat gij zoo hoog -gestegen zijt. Weet ge nog meester, hoe ik in de wouden van den -Preanger u ’t eerst uw hooge bestemming heb geopenbaard en daardoor de -liefde van Radhen Goesik nog hooger deed opvlammen? En heb ik u den -ngempoel niet geleerd, die u zoovele vijanden deed overwinnen?” - -Radhen Wiro Negoro glimlachte. - -„Dat hebt ge, arme Boeloe! Inderdaad ge hadt een beter lot verdiend; de -zoon van haar, die gij zoo trouw hebt aangehangen, is wel schuldig dat -hij u zoo mishandelde. Welke reden had hij daarvoor?” - -„Luister naar den dwerg, meester! Hij heeft u nog iets te zeggen. Veel -heeft Radhen Goesik aan mij te danken, meer dan gij weet of zelf -vermoedt. Als Kiai Hemboong op mijn raad en ten haren gevalle uw hart -niet had losgerukt van de blanke vrouw, dan zoudt gij nimmer gebroken -hebben met de Compagnie, nog minder ooit met haar gehuwd zijn.” - -„Wist zij er dan van?” vroeg Soerapati bleek van toorn. - -„Ik werkte voor haar en Kiai Hemboong voor u. Samen besloten wij u af -te scheuren van de Hollanders, de ring, dien gij ontvingt als komende -van Nonna Suzanna was uit haar juweelkistje afkomstig. Meester, zie mij -zoo dreigend niet aan! Als ik slecht deed, vergeef mij of ten minste -spaar mij tot ik uitgesproken heb; met een slag kunt ge mij dooden!” - -„’t Is waar, ik vertrap geen wormen... Spreek voort, monster!” - -„En nu haat mij de vorstin met haar kinderen omdat ik hare plannen heb -doorzien. Zij spannen samen tegen u, Meester en tegen den knaap, in -wien zij uw zoon vermoeden; zij hebben zijn dood besloten. En de -Mahomedaansche priester Sheik Abdoelah stookt het reeds zoo hevige vuur -nog meer aan. Alle dagen komen zij samen in de woning van Mas Pengantin -en spoedig zullen zij den slag slaan. Wees dus op uw hoede Radhen -Adipati, uw bitterste vijanden dreigen niet van buiten maar van binnen! -Dood mij nu, den dood uit de handen van zulk een groot, dapper man zal -mij zoet wezen, zoeter dan de mishandelingen van dien dwazen knaap, -welke zich uw zoon noemt.” - -„Vertrek Boeloe Kidoer! Sterf of word beter naar dat ge verkiest, ik -dank je voor die mededeelingen en zal er gebruik van maken, vertrek -nu.” - -„Ik ga, Meester, ik ga. Ge doodt mij niet, ge jaagt mij alleen weg. Gij -zijt goedertieren en toch wreed. Nog iets! Is die knaap u werkelijk -dierbaar, bescherm dan zijn leven, want het loopt groot gevaar! Niets -is meer te vreezen dan de jaloezie eener booze vrouw.” - -En hij kroop met moeite weg, hevige zuchten slakend; buiten gekomen -rolde hij zich in een hoekje naar zijn gewoonte, ineen. - -„Ach, we gaan allen heen! De oude Kiai is weg en komt nooit weer terug -en nu moet ik sterven, maar wat is onze dood naast den zijne en dezen -lees ik zoo duidelijk als de zonnestraal hier op den vloer, in zijn -oogen. Dan zal ’t eerst goed gaan voor het moedertje en haar laffe -zonen! Zij zijn vorsten ja, maar den slaaf zullen zij missen, o zoo -zeer! En ook Boeloe Kidoer.... wat zal zij naar hem rondzien maar dan -is hij weg, weg voor goed weg en als ze hem roept dan verschijnt hij -niet meer, neen, nooit meer!” - -Zijn hoofd viel op de ingevallen borst die sterk begon te reutelen en -toen een uur later slaven door ’t vertrek kwamen, zagen zij daar een -rol kleeren liggen; zij namen dien op en vonden het lijk van Boeloe -Kidoer den Bantamschen dwerg. - -Radhen Wiro Negoro ging intusschen heftig bewogen zijn kamer op en -neer, de handen over de borst gekruist, hetgeen hij altijd deed wanneer -hij een gewichtig besluit te overwegen had. - -„Ik kan niet langer dralen, de tijd dringt, de omstandigheden drijven -mij, ik moet weten, wat ik van hem te hopen of te vreezen heb. Mijn lot -en dat van mijn rijk berust in zijn handen, dan zal ik weten, wat ik -met dat addergebroed te doen heb. Alles kan ik dragen, wanneer hij mij -steunt, dan kan ik hen missen en dus ook dwingen; een nieuw, krachtig -leven begint voor mij, schitterender dan alles wat voorbij is.” - -Hij sloeg op den gong en beval den binnentredenden slaaf, dat men -Toewan Sidin—onder anderen naam was Robert aan het hof niet bekend—zou -roepen. - -Eenige oogenblikken later kwam zijn zoon binnen en bood hem zooals zijn -gewoonte was bij de begroeting de hand aan. Radhen Wiro Negoro drukte -deze met nog meer warmte dan anders en verzocht Robert naast hem te -zitten. - -„Ik moet een ernstig gesprek met u voeren, Robert,” zoo begon hij. „De -tijden zijn donker. Ik wil een beslissing nemen.” - -„Reeds lang had ik u daarom willen vragen,” antwoordde de jonge man. - -„De vijanden zullen spoedig voorwaarts rukken Robert, en ik moet mij in -het veld begeven om hen te bestrijden, maar nog erger vijanden dreigen -mij in den kraton, mijn eigen vrouw en kinderen spannen tegen mij -samen; niet alleen op mij hebben zij het gemunt maar ook op u.” - -„Ik weet het,” hernam Robert glimlachend, „gisteravond was een man -onder mijn bed verscholen. Ik heb hem ontwapend en toen mijn kamer -uitgeworpen, hier is zijn kris.” - -„Leg ze neer! Dit zijn bewijzen, die ik weldra noodig zal hebben. Het -is om uwentwille vooral dat zij ontevreden zijn. Mijn vrouw vermoedt in -welke verhouding wij tot elkander staan; ik heb niets geloochend maar -ook niets bekend en ik kan nog niets doen, nog geen schuldige straffen, -vóór ik weet of ik op u rekenen kan.” - -„Waarin, Radhen Adipati?” nog gaf tot Soerapati’s grootste -teleurstelling Robert hem niet den vadernaam. - -„Hoor toe! Gij weet veel, zoo niet alles van mij! Ik heb u mijn leven -blootgelegd, mijn plannen, mijn zorgen, mijn gedachten en denkbeelden, -gij weet dus ook in welken kommer ik leefde voor uw komst, daar ik het -vooruitzicht bezat, hoe alles wat ik met zooveel arbeid tot stand -bracht na mijn dood verdwijnen moest. Mijn zonen zijn zwakkelingen, in -niets onderscheiden van de Javaansche prinsen der naburige hoofden. De -erfzonden van deze geslachten, wreedheid en losbandigheid kleven hen -aan en door geen groote deugden houden zij hun verkeerde neigingen in -evenwicht. Wat zal er worden van dit rijk als ik in den strijd nu -aanstonds vallen mocht?” - -„Waarom denkt ge aan die mogelijkheden?” - -„Het is alleen de dwaze, die den dood in de oogen vreest te zien. Te -dikwijls reeds zag ik hem mij bedreigen dan dat ik nog angst voor zijn -nadering koesteren zou. Ik ben niet onkwetsbaar zooals mijne soldaten -het meenen. Zoo ik sneuvel, dan zal Soenan Mas zijn rechten doen gelden -op deze landen en er mijn zonen mede beleenen; te zamen zullen zij -trachten den Hollanders het hoofd te bieden of wel zij gaan dadelijk -vrede met hen sluiten, een vrede, waarbij zij alles verliezen, de Islam -zal in volle kracht zegevieren en alles overheerschen. In elk geval met -Soerapati’s rijk is het gedaan.” - -Zijn stem klonk dof en treurig bij deze woorden; na een poos vervolgde -hij: - -„En dit is ook beter! Welke reden van bestaan heeft dit rijk ook -wanneer Pengantin, Nitro en Lembono onder Soenan Mas en Sheik Abdoelah -het regeeren? Beter is ’t ongetwijfeld dat de Hollander er den hiel -opzet en ’t onder zijn zorg neemt. Die gedachte kwelt mij nacht en dag; -met mij zal ook mijn werk in ’t graf dalen.” - -„Maar ge zijt nog geen grijsaard Adipati, en de kansen van den oorlog -kunnen u gunstig zijn.” - -„Zal het gevaar daardoor geweken zijn? Het oogenblik van mijn dood kan -verschoven worden, ’t is waar, doch in en met mij gaat toch eenmaal -alles ten gronde; toen ik alles verloren waande, kwam er plotseling -licht. Gij werdt mij toegezonden, mijn oudste, mijn liefste zoon, het -kind van de eenige vrouw, die ik ooit heb bemind. In u zag ik alles -vereenigd wat ik wenschte.” - -„En wat wenscht ge dan?” - -„De droom van mijn leven is geweest, gij weet het, toenadering tot de -Hollanders; ik erken in hen een hooger ras, zij hebben een volmaakter -godsdienst, meer wetenschap, meer kennis, meer beschaving dan wij, maar -kunnen deze bezittingen dan ook niet de onze worden? Waarom moet altijd -een afgrond blijven gapen tusschen hen en ons? Is ’t omdat zij blank en -wij bruin zijn, maar ons verstand ons hart zijn dezelfde toch, ons -uiterlijk alleen verschilt. Gij hebt daar in Europa grootsche -bouwwerken, maar hebben ook wij Java en Bali niet bedekt met trotsche -gebouwen voor dat de Islam ze vernietigde? Gij hebt heerlijke gedichten -maar ook wij bezitten ze in de Brata joeda, in de Mintorogo en in -zooveel meer, en wat ik wrochtte met de ellendigste hulpmiddelen, kan -daar een Europeesch veldheer tegen wedijveren? Zoo wij beneden u staan, -’t is omdat de gelegenheid tot leeren ons ontbrak, omdat gij ons niets -geleerd hebt in de twee eeuwen, gedurende welke wij te zamen leven. Ik -heb er van gedroomd, die klove te overbruggen maar mijn kracht schoot -te kort bij alle voordeelen der blanken. Zij hebben mij telkens -verstooten wanneer ik ter goeder trouw tot hen kwam. Slechts uw moeder, -Robert, heeft zich mijner ontfermd, helaas! tot haar ongeluk! Laat haar -voorbeeld u ten goede komen, mijn zoon!” - -„Ik begrijp u niet!” - -„Breng tot stand wat ik vergeefs beproefde: gij de zoon van gemengden -bloede moet den afgrond dempen, die het volk uws vaders van dat uwer -moeder scheidt.” - -„Maar hoe vermag ik dat?” vroeg Robert huiverend. - -„Laat mij u openlijk erkennen als mijn zoon en opvolger!—Mijn kroon zal -de uwe worden; gij zult vorst zijn eerst met en later na mij! Gij moet -mij helpen dit rijk nieuwe grondvesten te geven. Te zamen zullen wij -arbeiden om het te doen eerbiedigen van binnen en van buiten; gij zijt -Christen, welaan, belijd openlijk uw godsdienst. Gij hebt een blanke -vrouw lief, erken haar als uwe koningin; ik zal een paleis voor u doen -bouwen zoo heerlijk als er geen bestaat in Europa, mijn legers zullen u -onderworpen zijn, gij zult opperbevelhebber over mijn legers wezen. Ik -blijf u steunen geen andere eerzucht meer kennend dan in alles uw wil -te doen! Gij toch wordt mijn mederegent, mijn kroonprins!” - -„Vader!” riep hij eensklaps uit, verschrikt en als verblind door zulk -een vizioen. - -„Gij noemt mij, vader!” juichte de vorst, „de Hemel zij gedankt dan -lacht mijn plan u toe! O Robert, ik heb u zoo lief gekregen, als eens -uw moeder mij dierbaar was. Laat mij goed maken aan u wat ik jegens -haar misdreef. Ik zal u overladen met goud en met eer, elke wensch van -u zal mij een bevel zijn, geen verlangen of ik zal trachten het te -vervullen, maar help gij mij den droom mijns levens verwezenlijken. -Laten wij samen dit volk verheffen, want niet waar? Mijn werk is -grootsch, het zou betreurenswaardig wezen als het te niet ging door de -onwaardigheid mijner opvolgers! Gij alleen kunt het redden?” - -„En wat wilt ge dat ik doe?” - -„Mij terzijde blijven, mij helpen eerst den buitenlandschen vijand te -bestrijden en dan de werken des vredes hier stichten.” - -„Den vijand bestrijden maar die vijand dat is mijn volk, mijn....” - -„Uw volk? Het volk van den vader is ook dat van den zoon. ’t Is waar, -een treurige noodzakelijkheid blijft het voor u, tegen hen op te -rukken, maar niet ik wenschte den oorlog. Ik heb hen de hand der -verzoening gereikt, mijn bode keerde niet eens terug. Zij moeten eerst -leeren ons te vreezen, mijn kind! dan zullen zij ons achten en -eindelijk eeren. Is dat geen schoone taak, geen taak zooals nog nooit -een jong man werd voorgesteld! Gij hebt slechts te willen, Robert, en -ge wordt mijn opvolger, mijn rechterhand, mijn raadsman, mijn steun! -Zie, welk een rijk ik mij veroverd heb, de geheele kust van de Zuidzee -tot aan den voet van den Lawoe behoort mij, tot daarginds waar de zee -Java van Bali scheidt; grooter is dit land dan dat over de zee, hetwelk -ons hier wetten komt stellen. Gij zijt beschaafd en verstandig, uw -geest is ontwikkeld, uw hart slaat warm voor alles wat goed is, ontferm -u over mijn land en volk! Gij alleen kunt het redden! Zonder uw hulp, -dan verzinkt het weer in den afgrond en al mijn werk is ijdel geweest. -Ik bid u, mijn zoon, verhoor mijn bede!” - -Robert bedekte het gelaat met de handen en zweeg, de stem zijns vaders -ging vleiend voort: - -„Ge zult zoo gelukkig worden, mijn kind! Alles wat uw hart begeert zal -ik u geven; ik weet, dat alleen kan u voldoen wat u nader brengt tot -het grootsche doel hetwelk ons beiden voor oogen staat. Welke ellende -zal deze streken wachten als een Pengantin er oppermachtig regeert! Kan -ik rekenen op u, zoo zal ik hen allen onschadelijk maken en toch -tevreden stellen; gij alleen zult heerschen na mijn dood. Een -vorstenkroon is verleidelijk maar nog schooner is het te arbeiden aan -het geluk van velen. Wat weerhoudt u?” - -„Mijn vaandel verraden, ontrouw worden aan mijn land, aan mijn eed!” - -„Hoe is dat land jegens u geweest? Verbreek alle banden met hen, word -een Balinees zooals ik het ben, behoud uw godsdienst, ik veroorloof ’t -u, ik verlang het zelfs en trek dan met mij op—want nog heden rijd ik -naar Bangil—om met mij samen den vijand te bestrijden en dan ons toe te -wijden aan ’t geluk van dit volk, nog heden erken ik u als mijn wettige -zoon en opvolger. Wij zullen samen werken, samen strijden! Gij zult mij -helpen dit volk op te heffen uit zijn diep verval, ik zal u leeren het -te kneden naar uw wil. In mij zien zij een half-god, wanneer gij mij -ter zijde staat, zal ik hen dwingen een hoogere beschaving aan te -nemen, want mijn wil is voor hen een godspraak!” - -Robert antwoordde niet, het voorstel schitterde hem in de oogen; hij -was eerzuchtig. Welke man toch, die waarlijk man is voelt zich niet het -hart sneller kloppen bij het aanschouwen van een ruim en vruchtbaar -veld, dat hem ter bewerking toevertrouwd wordt? Zou hij door zijn -weigering of toestemming zijn vader tot wanhoop of tot het toppunt van -vreugde brengen? - -„Antwoord spoedig, spoedig de tijd dringt,” smeekte de vorst, en greep -zijn handen vast in de zijne. - -Robert sloeg de oogen op en bewoog de lippen wellicht tot een ja. - -„De vijand nadert! Er is geen tijd te verliezen,” drong Soerapati aan. - -„De vijand,” herhaalde Robert en in den geest zag hij de Hollandsche -soldaten naderen in hun geel en roode uniformen, hij zag de -oranjewimpels en de driekleur boven hunne gelederen wapperen, hij -hoorde het bevel hunner officieren, en de klanken van het geliefde -Wilhelmus-lied troffen zijn ooren. De schoten vielen, kruitdamp -vervulde de lucht, zij streden als leeuwen maar hij stond niet aan hun -zijde, hij voerde een leger van Javanen en Balineezen aan, hij was ’t -die dood en verderf in hun rangen verspreidde. Zij leden de nederlaag, -en op Batavia klonk de treurmare: Onze troepen zijn verslagen dank den -overlooper, den deserteur die gemeene zaak maakte met den vijand. En -ook Digna zou het hooren. Hij huiverde en trok zijn handen uit die -zijns vaders terug. - -„Neen, neen,” riep hij met zwakke stem, „laat me los! Ik mag niet. Het -ware een laag verraad tegen mijn landgenooten. Ik zou strijden tegen -mijn volk, ik zou met hen breken, neen nimmer!” - -„En ge offert aan een gedachte, aan een denkbeeldigen plicht uw vader -op en met hem een troon, een volk!” - -„’t Is mijn plicht, ik kan niet anders!” - -’t Was of niet hij maar Digna voor hem die woorden uitsprak en -neerknielend voor de voeten van den vorst, ging hij smeekend voort: - -„Vergeef mij vader, maar ik kan, ik mag niet anders doen; wat zoudt ge -zeggen van een uwer mannen, dien gij op verkenning hadt gezonden in het -vijandelijke kamp en die in plaats van u te dienen zich verbond met den -bevelhebber om met hem te zamen u te bestrijden? Niets anders verlangt -gij van mij, ik moet dus weigeren!” - -Soerapati’s oogen vonkelden van toorn, zijn stem beefde van ingehouden -woede: - -„Gij verkiest hen die vreemden, welke u een bastaard schelden boven mij -die u als zoon en troonopvolger zal erkennen, gij wilt liever daar een -voetknecht zijn dan hier een vorst? Ga, verhaal hen alles, wat ik u heb -geopenbaard, leer hen hoe mij te verderven, mij te vernietigen. Ik heb -’t aan u verdiend, ga!” - -Robert stond op en antwoordde met vaste stem: - -„Ook dat zal ik niet doen! Ik wil geen verrader zijn, noch van mijn -volk, noch van u, ik zal vertrekken zoo gij het toestaat maar even arm, -even onwetend als toen ik hier kwam. Ik heb niets gezien, niets -gehoord, niets onderzocht!” - -„U laten gaan, zoo dwaas ben ik niet. Ik wil dat gij nadenkt, vóór gij -beslist, niet in een paleis echter maar in een kerker. Dan kunt ge -weten, wat gij opoffert. Gij zult terugkeeren naar het hok waaruit ik u -verloste, levenslang zal dat uw verblijfplaats zijn, tenzij gij er in -toestemt mijn zoon te wezen en te handelen zooals het mijn zoon -betaamt. Gij weet te veel dan dat ik u in vrijheid zou kunnen laten.” - -Sidderend kromp Robert ineen. - -„Radhen Adipati, laat mij sterven, maar niet dat lot! Ben ik dan niet -uw zoon, op mijn eerewoord ik zal u niet verraden!” - -„Dat is mij niet genoeg! Gij moet mij gehoorzamen; mijn smeekingen -hebben niet gebaat, ik zal zien wat martelingen op u vermogen.” - -Hij sloeg op zijn bekken en gebood den binnentredenden dienaar de wacht -te roepen. - -„Bedenk u Robert, ’t is nog tijd,” smeekte Soerapati, „een woord en gij -zijt vorst!” - -Maar hij schudde het hoofd, een onwrikbare wil stond in zijne oogen te -lezen: - -„Gij kunt me folteren, zooveel gij verkiest, maar mij dwingen nimmer. -Wees op uw hoede, Soerapati, deze daad brengt u geen zegen aan!” - -De wacht trad binnen. - -„Voert dezen man terug naar de gevangenis die hij verlaten heeft,” -beval de vorst. - - - - - - - - -V. - -DE WAPENSCHOUWING. - - -In de eerste dagen van September had zich de oorlogsmacht, bestemd om -Soerapati te bestrijden, op den aloen-aloen van Soerabaya verzameld. - -De zestien Hollandsche vaandels gaan vooraf, het rood, wit en blauw -wappert vroolijk in de lucht, breedgerande vilthoeden bedekken de -gebruinde gezichten, de gele krijgsrokken worden vervroolijkt door de -roode kragen, de buks dragen zij op den schouder, welgemoed en opgewekt -stappen zij voort onder de statige klanken van het Wilhelmus. Aan hun -hoofd, op een fraai strijdros gezeten, rijdt majoor Govert Knol, wien -het opperbevelhebberschap over het geheele leger is toevertrouwd; onder -hem staan de kloeke, krachtig gebouwde kapitein van Bergen, de dappere, -hoewel wat al te voortvarende en onbedachtzame kapitein de Bevere en de -Soerabayasche officieren Willem Sergeant en Hendrik van der Hout, -waartoe ook nog kapitein Bintang behoort. Deze vijf kapiteins voeren -elk een brigade aan, uit Europeanen en Inlanders bestaande, welke -laatste op hun beurt onder hun eigen hoofden staan. Daar zijn de -Balineezen met hun forsche gestalten, de Ambonneezen hun met koralen -doorvlochten haren, fladderende om het hoofd, de Boegineezen, wier -hoofd en middel alleen bedekt zijn en die een eirond schild aan den arm -dragen, de Makassaren en Timoreezen even weinig gekleed als zij, doch -met naar de hoogte opgekamd haar, luid zingend oprukkend en elkanders -moed opwekkend door verhalen van de heldendaden hunner voorvaderen. -Eindelijk de Javanen, bedaard, klein en tenger, met schuwen blik en -lusteloozen gang, achter hen de kleurlingen, iets grooter en niet veel -levendiger dan zij. - -Op de legermacht der Compagnie volgen de troepen van den Madureeschen -prins, wiens tegenwoordigheid in het leger gelijk staat met dat van -10000 man, want hooggeëerd is deze tachtigjarige vorst niet alleen door -zijn eigen volk maar door geheel Java. Het loopen of rijden valt hem -moeilijk, waarom hij zich dan ook door twaalf mannen op een rijk met -kleeden en tapijten belegde plank laat dragen; hij is ondanks zijn -hoogen leeftijd een zwaar, flink gebouwd man met breed aangezicht en -scherp geteekende trekken, het wit zijner oogen is geheel met rood -beloopen, slechts weinige grijze haren bleven op zijn schedel over, -maar nog verraden zijn gespierde armen de meer dan gewone kracht, welke -zij eenmaal hadden bezeten; een vroolijke lach speelt dikwijls op zijn -gelaat, hij is vriendelijk en voorkomend, maar ook onverbiddelijk -streng tegenover zijn ondergeschikten. Hij draagt een rijk opperkleed -van leverkleurig damast, dik geborduurd met gouden bloemen en een blauw -zijden sarong met zilver doorwerkt, een menigte ringen versieren zijn -gerimpelde handen en zijn kris vonkelt in de met edelgesteenten belegde -gouden scheede. Naast hem rijden even sierlijk gekleed zijn zonen, -klein- en achterkleinkinderen, waarvan zich verscheidene, naar men -zeide honderdtwintig, in het leger bevonden; een zonnescherm van -nipabladeren wordt boven zijn hoofd gehouden, terwijl men hem zijn -gouden piek vooruit draagt. - -Meer dan duizend voorname Madureezen volgen hem—een leger van -Sumanappers en Pamakassanen, met hun kleurige vaandels, bonte doeken, -waarop spreuken, griffioenen, draken en halve manen afgebeeld zijn, ook -vier gesloten draagstoelen merkt men op, daarin werden de schoonste -vrouwen van den ouden vorst gedragen, die hem op den veldtocht zouden -vergezellen; de muziek der gamelans en javaansche trommen begeleidde -hen. - -De stoet wordt gesloten door de troepen van Djajang Rana, den Depati -van Soerabaya, allen kleine, onaanzienlijke mannen, die aangevoerd -werden door den Regent zelf en zijn drie broeders. De Soerabayasche -prinsen zaten op rijk getooide olifanten; de Depati was bekend als een -der schoonste mannen van zijn land, hoewel volgens Europeeschen smaak -zijn neus te plat en zijn trekken te breed geacht konden worden; hij -was echter van hooge gestalte en zwaren lichaamsbouw, nog slechts zes -en dertig jaar oud, buitengewoon trotsch en ongenaakbaar; niemand kon -het in het strijdperk tegen hem uithouden. Zijn broeders waren kleiner -maar vriendelijker en schenen min of meer gedrukt onder de heerschappij -van hun oudste. - -Het geheele leger bestond thans uit 15000 man, verscheidene stukken -geschut, die door 200 buffels vervoerd werden en uit 5000 lastdragers. - -De dag waarop de wapenschouwing plaats had, werd door een groot feest, -gegeven door den Depati, besloten, den volgenden morgen zou men zich op -marsch begeven; een onafzienbare menigte menschen drong zich om den -aloen-aloen, teneinde dit bijna eenige schouwspel van een strijdvaardig -leger, aangevoerd door de eerste Javaansche prinsen na den keizer, te -zien oprukken. Morgen in alle vroegte zouden eerst eenige Hollandsche -brigades vertrekken, om dan gevolgd te worden door de Madureezen en -Soerabayers, terwijl eindelijk nog eenige brigades met den staf van het -leger de achterhoede moesten vormen. - -Het feest dat de Depati in zijn dalem aanrichtte was schitterend; een -groote tafel, waaraan wel driehonderd man konden zitten, was onder een -ruime pendoppo opgeslagen; voor de gasten waren chineesche stoelen -neergezet; aan het hoofd der tafel zat de grijze Panombahan, wien men -echter met moeite deze eereplaats had opgedrongen, daar hij deze aan -den veldheer wilde afstaan. Aan zijn rechterhand was majoor Knol -gezeten en aan de linkerzijde de Depati Soerabaya, die een man met een -stemmig, eenigszins ontevreden gelaat aan zijn zijde had, de -veldprediker François Valentijn namelijk. Zeer tegen zijn zin maakte -hij dezen veldtocht mede en met misnoegden blik liet hij de rijke -verscheidenheid van schotels langs hem heen trekken, want hoe heerlijk -toebereid ook het wildbraad, het ossen-, kalfs- en hertenvleesch zijn -mocht, hij kon er niets van genieten daar alles met klapperolie was -toebereid, hetgeen de spijzen voor hem oneetbaar maakte; zijn gedachten -waren klaarblijkelijk verre van daar te Batavia, waar hij een zieke -vrouw en verscheidene kinderen had achtergelaten of bij het weinig -verkwikkelijke vooruitzicht van den aanstaanden veldtocht. - -Hij kon toch niet nalaten nu en dan een blik te werpen op de vrouwen -tot het gevolg van de Javaansche prinsen behoorende, die ten getale van -honderd in een halve maan achter de tafel op kleine matten gezeten -waren; zij schenen echter het bezien nauwelijks waard, zonder de -bloemen en juweelen die haar versierden. Op den predikant Valentijn -volgden de andere kapiteins, officieren, Javaansche en Madureesche -prinsen. - -Hoewel het feest door een Mahomedaan gegeven werd en zoovele andere -Mahomedanen er deel aan namen, vloeide de wijn in ruime mate, en deze -bond welhaast de tongen los; toen de eigenlijke maaltijd geëindigd was, -verscheen het dessert op tafel dat zoo het kon alles wat reeds -voorgediend was, in overvloed en rijkdom overtrof. De heerlijkste -pompelmoezen, djamboes, pisangs, ananassen, manga’s in de rijkste -verscheidenheid, sappige nanka’s, goudgele doerians, -tamarindeconfituren en ketelawortelen in sierlijken vorm gerangschikt, -streelden vooral het oog van den armen predikant, die zich tot nu toe -slechts met droge rijst had moeten behelpen. - -Allen prezen het rijke onthaal dat de Depati zijn gasten aanbood en den -smaak zijner trotsche eerste vrouw, een Japarasche prinses, die hem in -hoogmoed waardig terzijde stond; niemand hechtte ongetwijfeld op dit -oogenblik eenig geloof aan de lasterrijke praatjes, welke hier en daar -gefluisterd werden van de al te goede verstandhouding, welke tusschen -dezen prins en den vijand bestond. - -Gedurende het geheele maal hadden de Javaansche orkesten zich laten -hooren; een vroolijke, opgewekte geest scheen aan tafel te heerschen, -want de regent van Soerabaya was ondanks zijn grooten trots toch een -hoogst aangename, gulle gastheer. - -Er werd tusschen de drie legerhoofden druk gedronken en geklonken, op -den goeden uitslag der expeditie en der vereenigde wapenen; daar -verbleekte de Depati plotseling, de hand waarmede hij het glas aan de -lippen wilde brengen, beefde zoo sterk, dat de inhoud over zijn -goudlakensch wambuis viel. - -De Panombahan brak in een luidruchtig gelach uit, hij dacht niet anders -of de wijn had zijn sterken broeder van Soerabaya reeds het verstand -beneveld en de kracht der vingers ontnomen. Met een gedwongen lach -verontschuldigde zich de Depati; een der slaven, die aan tafel dienden, -een groote, sterke man, was toegesneld en wischte met een doek de -druppels weg. Niemand zag hoe van terzijde de regent den bediende -aanzag en hem binnensmonds toevoegde: - -„Vermetele, hoe durft gij?” - -De slaaf ging echter voort met zijn werk en sprak: - -„’t Is gedaan, edele Heer!” - -Hij verwijderde zich vervolgens weer en nam een der schotels met -vruchten op om ze den bevelhebber aan te bieden; doch de oogen van den -Depati bleven hem steeds volgen, zoo bemerkte hij ook hoe deze slaaf in -het voorbijgaan een anderen aansprak, wiens donker bijna zwart gelaat -zich met woeste, grimmige uitdrukking op de Hollandsche gasten richtte. -Slechts een verstrooid oor leende de regent meer aan de gesprekken; hij -glimlachte soms werktuigelijk maar vermeed telkens mede te spreken, -terwijl de beide slaven zich thans achter den zetel van den Madurees -bevonden, die met Govert Knol de bijzonderheden van den veldtocht druk -besprak. - -Wie let er ook op een slaaf? Noch de majoor, noch de Panombahan -koesterden eenige achterdocht, terwijl de slaaf met onverschillig over -elkaar geslagen armen achter hun stoelen stond en zijn blikken koel -door de pendoppo deed dwalen. - -Tevergeefs hield dominé Valentijn een zeer belangwekkend gesprek over -Hollandsche en Javaansche vruchten, de Soerabayasche prins luisterde -niet; op zijn vragen aangaande de verscheidene soorten van djamboes en -pisangs kreeg hij dikwijls de meest onzinnige antwoorden, zoodat de -goede leeraar tot het besluit kwam den hoogmoedigen prins niet langer -het genot zijner gesprekken te gunnen. - -Eindelijk stond de Edele Heer Knol op; de twaalf dragers van den -Panombahan schoten toe en hieven hem weer op de draagplank, alle andere -grooten verwijderden zich nu ook van de tafel, terwijl het gevolg -toeschoot om van het rijke overschot zijn deel te nemen. - -De Depati verliet alleen de pendoppo; langzaam en ongemerkt volgden hem -de beide slaven, die hij in ’t voorbijgaan had toegewenkt. Zij begaven -zich naar een binnenplein door een hoogen muur van de feestzaal -gescheiden; hier waren zij alleen en onbespied, maar nog steeds behield -het gelaat van den regent een bezorgde, onrustige uitdrukking, die zijn -beide gezellen in een hartelijken lach deed uitbarsten. - -„Gij kunt lachen, maar ik meende door den grond te zinken!” riep hij -toornig uit, „hoe durft gij het wagen!” - -„Als ik ’t niet waagde, wie zou het anders doen?” antwoordde de -grootste slaaf, „heb ik mij niet goed van mijn taak gekweten, hoewel -het jaren en jaren geleden is, sints ik het slavenpak droeg en een -tafel diende? Inderdaad Soerabaya, uw tafel is schitterend en uw gade -een uitstekende gastvrouw, maar nog schooner is het vereenigde leger. -Hoe zal ’t er over een maand mee gesteld zijn?” - -„Gij hebt de wapenschouwing bijgewoond?” - -„Natuurlijk, ik wilde weten, hoe men mij vreesde; dezen morgen in alle -vroegte verlieten wij Kali-Anjer in een kleine boot, Wirajoeda en ik, -we kwamen juist bijtijds om het uittrekken der troepen te zien, maar ik -had er niet genoeg van, ik wilde de Hollanders van nabij beschouwen en -iets van hun plannen hooren. ’t Is mij goed gelukt, ik heb veel -vernomen, waarmede ik mijn voordeel kan doen.” - -„Maar hebt ge niet bedacht aan hoeveel gevaren gij u blootstelt, niet -alleen uzelf maar ook mij?” - -De toon van den Depati klonk thans laag en bijna ootmoedig. - -„Uw toestand is gevaarlijk Soerabaya, ik erken ’t. Zeg mij oprecht, -hebt gij geen lust u in waarheid met de Hollanders te verbinden en mij -te bestrijden, de gelegenheid is schoon, ik bevind mij in uw macht. Een -woord en ik ben uw gevangene!” - -„Neen, duizendmaal neen! Mataram zal verdwijnen, en de Madurees -eveneens; ik haat den ouden wellusteling, voor wien ik mij in ’t stof -moet vernederen, om den soembah [31] te doen, als ware ik zijn -onderdaan en niet een bijna onafhankelijk vorst. Gij zijt mijn eenige -hoop, als we dit leger vernietigen dan is de macht en het aanzien der -Hollanders voorgoed gefnuikt.” - -„En als ik sneuvelen mocht, Soerabaya?” - -„Groote gevaren heeft mijn broeder doorstaan, en steeds bleef hij -onoverwinnelijk, waarom zou thans zijn ure slaan? Maar juist daar er -zooveel afhangt van uw leven, sidderde ik zoo even toen ik u onder deze -vermomming herkende. Heeft niemand argwaan opgevat?” - -„Niemand, er zijn thans zoovele vreemdelingen in de verschillende -hofstoeten dat geen zijn buurman wantrouwt. De Madureezen vroegen mij -of ik een Rembanger was en aan die van Toeban verhaalde ik dat ik den -Depati van Japara toebehoorde, maar nu moeten we vertrekken, -Wirajoeda!” - -„Doch gij hebt nog niets gebruikt om u te versterken of te -verfrisschen.” - -„In een warong hebben we straks ons maal genomen, minder rijk, ’t is -waar, dan het uwe, Depati, doch ruim voldoende. Ik ga terug naar -Bangil, gij houdt u aan onze afspraak; laat uw zonneschermen steeds -vooruitdragen dan zal ik zorgen dat niemand op uw manschappen schiet.” - -„Heldenmoed zal hun moeilijker te leeren zijn, dan lafhartigheid. -Gemakkelijk is ’t voor hen het parool op te volgen van niet te vechten. -Doch zal ik u geen wacht geven om u te vergezellen?” - -„Neen, elke voorzorg vermeerdert ons gevaar; mijn gezel moet zich -haasten naar Kediri, waar een andere inval wordt verwacht. Met den -kreupele is niets uit te richten.” - -„Welnu, als het oogenblik daar is, laten wij hem vallen als een vaandel -dat zijn dienst gedaan heeft. Tot wederziens! Hoe vurig verlang ik mijn -broeder op zijn beurt hier feestelijk te ontvangen, dan zal het een -gastmaal zijn, waarbij dit in het niet verdwijnt.” - -„Ik wensch het met u maar wisselvallig zijn de kansen van den krijg. ’t -Is een dobbelspel dat wij spelen Soerabaya, en de inzet is ons leven, -ons land.” - -„Verlies geen moed broeder, want als gij die kostbare gave laat zakken -is alles gedaan. Vaarwel! wees voorzichtig, ik zal u den kortsten weg -wijzen uit mijn dalem, naar de Kali Mas.” - -„Doe geen moeite, ik ken den weg, ga naar uw gasten terug broeder, die -uw afwezigheid stellig betreuren, wij redden ons zelf.” - -De regent keerde met bezwaard gemoed naar zijn gasten, die zijn -afwezigheid op hun wijze uitlegden en zich verlustigden of verveelden -met het gezicht der danseressen, die haar kunstigste toeren ten beste -gaven voor het hooge gezelschap. - -Intusschen waren de beide vermomde slaven zonder ongeval in hun -schuitje gekomen, dat door vier roeiers in beweging werd gebracht. Snel -doorkliefde het de baren, die in de laatste zonnestralen met vuurrooden -glans schitterden. - -Spoedig viel de duisternis en met haar kwam zich een gouden weefsel van -sterren in de zacht geschubde wateren spiegelen. Soerapati zat achter -in het prauwtje, tegenover hem lag Wirajoeda uitgestrekt; met snelle -slagen roeiden de roeiers voort, verscheidene scheepjes vlogen hen -langs en niemand vermoedde, wie zich in dat onaanzienlijke schuitje -bevond. Beide mannen zwegen, plotseling vroeg de vorst: - -„Wat zegt ge van die troepenmacht, Wirajoeda, uitgezonden om mij, mij -alleen te bestrijden?” - -„Die troepen jagen mij geen schrik aan maar wel het zware geschut, hoe -zullen wij dat op den duur weerstaan? De moerassige grond, het -verwijderde seizoen zijn onze beste bondgenooten, zullen zij op den -duur bestand blijken tegen die kanonnen, mortieren en handgranaten? Hoe -weinig kunnen wij daar tegenoverstellen? O meester, waarom hebt ge het -mij verboden? Een druppel in den drank van die blanke honden en zij -waren onschadelijk geworden....!” - -„Sinds wanneer strijden wij met zulke wapenen, vriend? Een rijk is al -zeer nabij zijn ondergang wanneer de vorst tot deze middelen zijn -toevlucht moet nemen. Wij zullen hen ontvangen achter onze -versterkingen en dan zien wie de sterkste blijkt.” - -„Nooit steeg het water ons zoo hoog aan de lippen.” - -„Ge hebt veel vergeten Wirajoeda, en in de gevangenis van Batavia dan -en in het gebergte van den Preanger en in den dalem van Karta-Soera? ’t -Is zoo, we waren toen jonger, wij hadden minder te verliezen, maar toch -alles wel beschouwd, ik heb nu ook niets te laten dan mijn leven, is -dat weg, welnu....” - -„En uw rijk dan?” - -„Het zal met mij staan of vallen, ik heb vele erfgenamen maar geen -opvolger.” - -„Meester,” vroeg Wirajoeda zacht, „is ’t waar, wat men fluistert? Hebt -gij den zoon uwer blanke vrouw teruggevonden en wildet gij hem -verheffen boven al uw andere kinderen?” - -„Het is zoo, Wirajoeda en ook gij zoudt hem gehoorzaamd hebben daar hij -de eenige was, die mijn rijk in mijn geest zou hebben voortgezet maar -noch Lembono, noch Pengantin, noch mijn andere kinderen had ik -benadeeld. Hem zouden de grootste plichten zijn ten deele gevallen. -Hadt gij hem gehoorzaamheid geweigerd?” - -„Gehoorzaamheid weigeren aan den uitverkorene mijns meesters, dat -nooit, al zou ook mijn hart gebloed, mijn stem gebeefd hebben bij het -zweren van den eed van trouw!” - -„Ik weet dat ik op u rekenen kan, oude vriend! Hoe lang was de weg, -dien wij samen maakten uit het slavenhok naar den vorstentroon, van het -Westen van Java tot aan het Oosten vervolgden wij dien weg, wij gingen -de zon tegemoet. ’t Ware jammer Wirajoeda, als wij vergeefs hadden -gearbeid; wie kan mijn werk voortzetten, geen mijner zonen, evenmin als -de Balembanger maar mijn Hollandsche zoon is moedig, onverschrokken, -eerlijk en trouw als zijn moeder.” - -„Als zijn moeder?” - -„Ja, als mijn Suzanna, die den dood en de schande verkoos boven ontrouw -aan mij. Kiai Hemboong en Radhen Goesik hebben mij bedrogen, niet zij; -mijn tegenwoordige vrouw echter vreest niet tegen mij samen te spannen -juist in de ure des gevaars en mijn taak nog zwaarder te maken. Zij -echter was trouw als goud en dit is de troost mijns levens.” - -„Maar uw zoon, waar is hij nu?” - -„In den kerker; hij heeft bezwaren, ik hoop die te overwinnen, daarbij -nergens is zijn leven veiliger dan juist daar!” - -„Zal nimmer uw voorkeur tot de vreemdelingen tanen, meester; hebt ge -niet genoeg van hen verduurd? Hebt ge het lot vergeten van kapitein -Jonker, dien zij beleedigd, gewantrouwd, vervolgd en doodgeslagen -hebben?” - -„O als ik slechts tijd van leven hebben mag, als mijn zoon wilde, dan, -dan...! Maar neen! Ik heb van nacht zonderling gedroomd, Wirajoeda, ik -verbeeldde mij in Malang te zijn, ik zag de hoogvlakte aan mijn voeten -met haar wouden en terrassen, ik zag de breede stroomen en de hooge -bergen, de bergribben en kloven zoo duidelijk als ik ze meermalen in -werkelijkheid aanschouwde en plotseling bemerkte ik dat bruggen van -ijzer en steen de rivieren overspanden, dat zich steden aan den voet -der bergen legerden, dat op de reede van Pasoeroean reusachtige schepen -het water doorkliefden. Plotseling hoorde ik een zonderling gerucht, ik -zag omlaag en daar kronkelde zich al sissend een reusachtige slang vuur -en vlammen brakende door de bosschen en wolken rook dreven over de zee -en over die groote schepen. ’t Was vreemd maar niemand verschrikte voor -de zonderlinge monsters, die zee en aarde verontrustten. De slang drong -in de bergen en trok over de rivieren, hijgend en loeiend bleef zij -soms staan en menschen verlieten haar schoot, blanken en bruinen waren -het, ik zag ze nauwlettend aan en zie het werd mij duidelijk hoe ’t -land toch niet van aanschijn was veranderd, hoe ook de bergen -doorboord, de rivieren overbrugd, de afstanden verdwenen waren, -tusschen ons volk en het hunne bleef een wijde klove gapen. Zij waren -nog steeds de meesters en wij de dienaren. Toen begreep ik dat ook mijn -werk vergeefsch was geweest, en ik ontwaakte vol bittere smart. Vriend, -onze weg spoedt ten einde!” - - - - - - - - -VI. - -VOOR BANGIL. - - -Het leger der Hollanders lag in de rijstvelden van Derma gekampeerd; -deze vruchtbare vlakte strekt zich tusschen een dicht woud en het -stadje Bangil uit, dat geducht versterkt was en elken verderen -doortocht belette. - -Een zwaren moeilijken tijd had de vereenigde legermacht der Hollanders, -Madureezen en Soerabayers doorstaan. - -De weg voerde over den vochtigen, moerassigen bodem van de Delta der -Kalimas of Brantasrivier, welke daarenboven door talrijke riviertakken -besproeid was, die het leger moest doorwaden of overbruggen; de zware -hitte, de schadelijke uitwasemingen van den grond, het gebrek aan water -en welhaast aan levensmiddelen brachten het leger spoedig in -betreurenswaardigen toestand. - -Bij het dorp Penangoengan lag de vijand achter een verschansing, het -gelukte den kommandant Knol hem van hieruit te verdrijven, nadat hij -over de rivieren, welke er voor lagen met de grootst mogelijke -inspanning eenige bruggen had laten slaan. - -In plaats echter dat deze overwinning den moed onder de manschappen -opwekte, werd de stemming hoe langer, hoe treuriger; met moeite rukte -men in den vroegen morgen voort, het aantal zieken nam steeds toe, de -lastdragers, Javaansche koelies van het minste soort, wierpen telkens -hun bagage op den grond en zetten het dan op een loopen, met geweld -moest men hen telkens tot voortgaan dwingen. De krijgshaftige troepen -uit alle volkeren van den Archipel bestaande, welke voor weinige dagen -Soerabaya, met vliegende vaandels en slaande trommen, hadden verlaten, -waren in een weinig oogelijke, havelooze menschenmassa veranderd, die -zich met moeite voortsleepte onder de brandende zonnestralen. - -Maar wat echter hun moed geheel knakte en allen lust tot strijden en -voortgaan benam, was het vermoeden dat zij opzettelijk langs dwaalwegen -gevoerd werden naar een hinderlaag; met wantrouwen zagen zoowel de -Hollanders als de Madureezen den trotschen regent van Soerabaya aan, -die met zijn drie broeders een leger van lafaards aanvoerde; zoodra het -oogenblik des gevechts gekomen was, wierpen deze helden zich ter aarde -en weigerden voort te gaan; daarenboven hield men zich overtuigd dat de -vorst dagelijks boden naar Soerapati zond om hem in kennis te stellen -van alles, wat er in het Compagniesleger plaats had. - -Met de grootste moeite werd het zware geschut door allerlei greppels, -moerassen en kleine rivieren gesleept, over half overstroomde -rijstvelden, totdat men een groot bosch al kappende moest doortrekken. -Eindelijk kwam men aan de rijstvelden van Derma. Hier werd een gedeelte -van het leger dat vooruitgezonden was om zich een weg door het volgende -woud te banen door den vijand aangevallen en evenals de compagnieën -onder den onstuimigen kapitein de Bevere, die tot hun ontzetting werden -uitgestuurd, deerlijk geslagen. - -Omstreeks 140 man werden door vijanden wier aantal nauwelijks de helft -bedroeg gedood; het waren alweder de ruiters van den Depati Soerabaya, -die oorzaak geweest waren van deze nederlaag. - -Groote verslagenheid heerschte er na dit ongelukkig voorval in het -Hollandsche kamp; de dragers waren niet meer te bewegen voort te gaan, -hoe zij ook aangedreven en zelfs geslagen werden, vóórdat aan -weerszijden van den weg een pagger ter hunner verdediging werd -opgericht; dit kostte natuurlijk veel tijd, een dure tijd nog wel, daar -de regentijd aanstaande was en de ellende niet zou te overzien zijn -indien het leger te midden van deze moerassen en over hun bedding -stroomende rivieren door het slechte seizoen verrast werd. - -De tenten van den Hollandschen legerhoofdman lagen in het midden, die -van den Madureeschen Panombahan links en die van Depati Soerabaya -rechts; de Heer Knol had zoolang hij kon nog een open tafel gehouden, -thans echter was de mondvoorraad uitgeput, slechts met wat droge rijst -en ellendig water moesten officieren en manschappen hun leven rekken. - -Niemand mismoediger dan de heer Valentijn, die zich hoe langer hoe -zieker voelde en aan den toestand van zijn lichaam nog vrij wat meer -waarde hechtte dan aan het treurige vooruitzicht dat het leger der -Compagnie wachtte; hij boekte alle lotgevallen van deze reis even -nauwkeurig als alle verschillende tijdperken die zijn lichaam doorliep. - -Den tijd, dien de vijanden noodig hadden om langzaam voort te rukken, -want om 1½ mijl te vorderen besteedden zij 12 dagen, benuttigde -Soerapati om de verdediging van Bangil te voltooien; achter twee -kanalen lagen zijn versterkingen over een groote, eenigszins -binnenwaarts gebogene linie, de rechter- en linkerwerken sprongen een -weinig vooruit, terwijl nog op een zevental plaatsen de linie versterkt -was door katten. - -Achter deze wallen lag het stadje Bangil: de Hollanders hadden thans -vijf bolwerken met veel moeite opgericht, welke dienen moesten om den -vijand op vijf plaatsen tegelijk aan te tasten. - -Den 16 October des morgens om half zeven begon de storm; de Panombahan -en zijn Madureezen tastten de vesting ter linkerzijde aan, de kapiteins -van der Hout en Bintang in het front, de Soerabayers ondersteund door -kapitein de Bevere aan de rechterhand. - -Het gevecht ontbrandde van beide kanten; onder het hevig geweervuur van -den vijand rukte het Compagniesleger vooruit; niemand echter waagde -zich zooverre als kapitein de Bevere, die zijn nederlaag van voor -weinige dagen moest uitwisschen; hij was de eerste, die den -vijandelijken wal beklom, zonder van een stormladder gebruik te maken. -Toen hij door een vijandelijke piek neergestooten verdween, meende de -bevelhebber dat hij gesneuveld was en zond een anderen kapitein om hem -te vervangen maar bijna dadelijk zag men hem weer op den wal, waar hij -zijn vaandel onverschrokken plantte; de piek had slechts de kwast van -zijn sjerp getroffen en hij was in de armen van zijn oppasser -neergevallen. - -Ook kapitein van der Hout deed wonderen van dapperheid, tachtig zijner -mannen waren door de reten der bamboes van den pagger neergeschoten en -groote verslagenheid dreef de troepen aan tot vluchten, maar de -kapitein rukte de sabel uit de scheede, stelde zich aan het hoofd -zijner mannen en dreigde ieder die vluchtte neer te sabelen. Dit hielp, -binnen weinige oogenblikken verdreef hij den vijand ook van dezen post. - -De Madureezen kweten zich wel op dezen dag; kloppend op een kleinen -gong gaf de tachtigjarige Panombahan telkens het sein tot den aanval; -drie keer werden zij teruggeslagen en telkens hernieuwden zij den -aanval totdat zij den vierden keer ondersteund door den veldheer Knol -zelf, meester van deze plaats werden. - -Alleen de Soerabayers vochten meer in schijn dan werkelijk, zij sloegen -met de pieken tegen die van den vijand als gold het een spiegelgevecht -en toonden telkens lust van de veroverde punten weg te vluchten, indien -kapitein Sergeant hun niet met geweld in het vuur had teruggedreven. - -Op wanhopige wijze had de vijand zich verdedigd; zoo lang hij kon -schoot hij op de aanvallers. Soerapati voerde zelf het bevel; het -scheen of hij overal tegelijk kon wezen, waar zijn troepen begonnen -terug te deinzen, stelde hij zich aan hun hoofd en voerde hen weer -terug in den strijd. - -Een uur lang duurde de aanval en nog was de kans niet beslist, telkens -werden de aanvallers teruggeslagen, toen plotseling een luid gehuil -opsteeg uit de gelederen der belegerden. Zij hadden hun aanvoerder zien -vallen; een handgranaat, die naast hem ontplofte, had hem aan den -schouder gewond. Hij richtte zich dadelijk op, zwaaide zijn piek boven -het hoofd en riep luide: - -„’t Is niets, ik ben niet gekwetst! Voorwaarts, voorwaarts!...” - -Nogmaals wilde hij voortrukken en met het vuur, dat hij alleen aan zijn -mannen mededeelen kon, hen opnieuw bezielen, toen hij plotseling -ineenzakte; hij had ook in de zijde een wond ontvangen, welke hij niet -eens voelde maar die toch doodelijk was. - -Lembono, zijn zoon, snelde toe, om hem op te richten. - -„Laat mij wegbrengen, stel u aan hun hoofd, dat ze het niet bemerken,” -gebood hij. - -Maar als een loopend vuur verspreidde zich de treurmare door het leger, -een onbeschrijflijke schrik heerschte alom, de moed ontzonk allen en -weldra waren de troepen der Compagnie besliste overwinnaars; Bangil, de -sleutel van het vijandelijke land, was nu veroverd, en niets scheen -thans meer aangewezen dan dat het zegevierende leger zijn tocht zou -voortzetten naar Pasoeroean. - -Dit schenen de verdedigers en bewoners van Bangil ook te verwachten, -want alles begaf zich snel op de vlucht, maar in het vijandelijke kamp -werd anders besloten. Zware regenbuien ontlastten zich boven hun -hoofden, men kende de wegen niet en vertrouwde den Depati minder dan -ooit, de ziekten raapten vele soldaten weg, eten en drinken ontbraken, -de toestand der officieren was reeds ellendig, hoeveel te meer moest -die der soldaten dan wezen; men wist daarenboven niets van Soerapati’s -zware verwonding. - -De oude Panombahan ried ten sterkste af den veldtocht voort te zetten -en de Depati koos met zijn troepen het hazepad toen het bericht kwam, -dat de vijand zich gereed maakte Soerabaya aan te tasten. - -Al deze overwegingen en feiten deden den kommandant Knol besluiten den -tocht niet verder voort te zetten maar naar Soerabaya terug te keeren; -hij beging daarbij de onvergefelijke fout om de met zooveel moeite -veroverde punten onbezet te laten. - -Men meende voor dit jaar genoeg te hebben gedaan. - - - - - - - - -VII. - -SOERAPATI’S DOOD. - - -De gewonde vorst was met een draagbaar naar het dorp Randa Telloe -gevoerd, hij ook verwachtte niet anders dan dat het vijandelijke leger -zijn voordeelen niet zou opgeven, maar voorttrekken naar Pasoeroean; -hij gaf dus bevel hem niet naar zijn kraton te brengen, maar naar het -twee uur van Bangil verwijderde plaatsje, waar hij een klein lusthuis -bezat. - -Zijn wonde vooral die aan de zijde was zeer gevaarlijk, nog dienzelfden -avond openbaarden zich hevige wondkoortsen, verscheidene doekoens -werden bij zijn legerstede geroepen, doch geen van allen wist raad. - -Hij viel telkens in zwijm, maar nauwelijks had hij een helder oogenblik -of hij vroeg: - -„Zijn de vijanden voortgerukt? Komen ze nader? Houd mijn verwonding -geheim, dat niemand in Pasoeroean het wete!” - -Zijn omgeving trachtte zijn wensch zooveel mogelijk te eerbiedigen, -daar ieder begreep van hoeveel gewicht het was zijn verdwijning -verborgen te houden. - -Toen de Hollanders teruggekeerd waren naar Soerabaya kwam men hem de -heugelijke tijding brengen; hij glimlachte ondanks zijne pijnen. - -„De dwazen, mijn geheele land lag voor hen open en zij hebben het nu -verlaten, als ik beter ben, hoe duur zal ik ze mijn wond en de -nederlaag van Bangil doen boeten. Soerabaya heeft zijn belofte wel -gehouden”. - -Een tweede bode kwam melden dat ook de aanval op Kediri mislukt was en -dat kapitein de Roode gedwongen was terug te keeren naar Karta-Soera. - -„Als ik slechts hersteld was, zouden wij tevreden mogen zijn!” sprak -hij. - -Nu maakte hij geen bezwaren meer om naar Pasoeroean te worden geleid, -waar hem in den kraton betere verzorging wachtte. Met de grootste -omzichtigheid werd hij vervoerd, want zijn toestand vereischte veel -zorg en de kunst der Javaansche wondheelers was niet groot; in een -eenvoudige draagbaar droeg men hem weg, doch hoe voorzichtig ook alles -in ’t werk gesteld werd, men kon ’t niet verhoeden dat de beweging een -hevige koorts ten gevolge had en hij in ellendigen toestand te -Pasoeroean aankwam, waar men nog weinig vermoeden had van zijn ziekte. -Zelfs de Radhen Ajoe wist er niets van; zij had gemeend dat haar man -zich met haar zoon Lembono aan het hoofd der troepen bevond, die een -inval deden op Soerabaya. - -Toen men haar meldde dat de vorst zwaar gewond en misschien hopeloos in -den kraton was aangekomen, verschrikte zij hevig; de oude liefde welke -zoo lang door ijverzucht in slaap gewiegd, ingesluimerd was, ontwaakte -weer en met verwarde haren luid gillend en jammerend snelde zij naar -het rustbed, waarop de held uitgestrekt lag. - -Opgeschrikt door haar kreten hief Soerapati de moede oogen op. - -„Blijf bedaard, Radhen Ajoe, blijf bedaard!” fluisterde hij. „Gij en uw -zoons zult weldra meesters zijn! ’t Was niet noodig, dat gij u samen -tegen mij verbondt.” - -„Wie heeft u dat gezegd?” snikte zij. „O, Soerapati, is dan uw liefde -jegens mij geheel dood? Men heeft mij wreed bij u belasterd.” - -„Was dat ook laster?” vroeg hij met moeite, „het aandeel dat gij op u -hebt genomen om mijn hart los te rukken van Suzanna? Die leugen werd -zij niet door u verzonnen en bekrachtigd?” - -„Zoovele jaren zijn verloopen sinds dien tijd! Ik had u zoo lief!” - -„En daarom moest gij mijn hart verwonden tot stervens toe? Neen, -Koesoema, uw liefde was een noodlottig geschenk.” - -„Vergeef mij!” ging zij schreiend voort, „vergeef mij! Ik haatte haar -die gij nooit hebt kunnen vergeten. Zeg me, wat moeten wij doen, uw -zonen en ik, uw wensch zal ons een bevel zijn, maar gij zult genezen en -dan ik zweer ’t u, al begrijpen we u niet, wij zullen u gehoorzamen!” - -„Waar is Lembono?” vroeg hij. - -„Hij is in Soerabaya gevallen en vernielt daar alles te vuur en te -zwaard; misschien zal hij nog het Hollandsche fort daar binnenrukken.” - -Toorn gloeide in de oogen van den gewonde en zijn stem beefde, toen hij -haperend de woorden uitstiet: - -„Vervloekt die onzinnige daad! Hij vernielt de landen van onzen -trouwsten vriend en bondgenoot. De Depati zal hem daarvoor zwaar doen -boeten; nu zie ik in, hoe ’t zal gaan na mijn dood. Onverstand en -hartstocht komen aan het bestuur!” - -En de handen voor het gelaat drukkende brak hij in luide wanhoopskreten -los. - -„Alles vergeefs! alles!” klaagde hij, „’t is of ik niet geleefd heb. -Ellende en oorlog laat ik achter met oneer. De Hadji wordt op nieuw -meester. Ga heen vrouw! ga heen, gij en uw kinderen overlaadt mijn -einde met schande en smart.” - -Plotseling richtte hij zich op, een straal van hoop gleed over zijn -ingevallen vermagerd gelaat, en een bediende wenkend, gebood hij hem: - -„Ga naar de gevangenis, verlos toewan Sidin van zijn ketenen en breng -hem hier!” - -„Wat is uw voornemen?” vroeg Radhen Goesik. - -„Koesoema,” sprak hij, en legde zijn handen op de hare, „belooft ge -mij, dat mijn laatste wil u heilig zal wezen? Zweert ge gehoorzaamheid -in naam ook van onze kinderen?” - -„Ja, ik beloof ’t u,” antwoordde zij weenend. - -„Dan vergeef ik u alles, alles, maar als die knaap binnenkomt, laat ons -alleen!” - -Ook Robert had droevige weken doorgebracht; zijn gevangenis hoewel -beter dan die hij verlaten had, was een treurig somber verblijf, des te -treuriger door het contrast met de heerlijke dagen, die hij achter zich -had. Toch voelde hij zich niet ongelukkig; het bewustzijn dat hij leed -voor een hooger beginsel, dat hij vrijheid, eer, rijkdom en aanzien ten -offer bracht aan zijn plicht, de gedachte aan Digna, die ongetwijfeld -zijn gedrag goedkeurde, de zekerheid dat zijn karakter gelouterd werd -en dat hij boete deed voor zijn betreurenswaardige afdwalingen herwon -hem de achting voor zich zelf en schonk hem een zoete voldoening, die -zijn ketens lichter maakte en hem alle ongemakken van den kerker met -geduld deed dragen. - -Hij wist niets van alles, wat er in den omtrek van Bangil plaats had, -hij vermoedde niets van het lot der Hollandsche wapenen, tot op het -oogenblik toen men hem zijn boeien afnam en de gevangenis deed -verlaten. - -Men bracht hem in het vorstelijke slaapvertrek; voor het hooge met -donkerroode gordijnen behangen ledikant zag hij een vrouw ter aarde -liggen, wier gitzwarte haren verward over haar lendenen vielen; maar op -zijn nadering stond zij op en wankelde de kamer uit. - -„Robert,” zoo hoorde hij zich met een zwakke stem noemen. Hij snelde -naar de legerstede en stond als verpletterd stil; die vermagerde man -met dat ingevallene, door lijden verwrongen gelaat, den verbonden -schouder en half uitgedoofde oogen, kon dat de trotsche, krachtige -Radhen Wiro Negoro zijn, die bij elken stap zich als vorst deed kennen? - -„Kom nader Robert, schrik niet!” ging hij bijna fluisterend voort en -stak de rechterhand naar zijn zoon uit. - -Diep medelijden maakte zich van Robert’s ziel meester, voor het eerst -voelde hij in volle kracht dat de sterkste van alle banden hem aan dien -man hechtte; hij vergat alles om zich alleen te herinneren dat hij -tegenover zijn stervenden vader stond. - -Hij greep zijn hand en drukte die aan de lippen. - -„Vader, arme vader!” zeide hij deelnemend, „wat deert u?” - -Soerapati sloeg den arm om hem heen en trok hem dichter naar zich toe. - -„Het zijn uw vrienden die mij in dezen toestand hebben gebracht,” zeide -hij met een zwakke poging tot een glimlach, „ge weet nog van niets? Ze -hebben Bangil veroverd en het ware hun niet gelukt, als ik was staande -gebleven maar helaas! de goden hebben het niet gewild. Zij hebben hun -voordeelen echter opgegeven en niets is verloren, maar welhaast zal ’t -met mij gedaan zijn, Robert!” - -De jonge man knielde naast het bed neer en zag zijn vader met teere -bezorgdheid aan. - -„Waar zijt gij gewond, vader? Zeg me, doet het veel pijn? O wat gloeit -uw hoofd!” sprak hij. - -„Ja kind, mijn einde nadert! Ge hebt bittere dagen doorleefd, arme -Robert, maar ik kon niet anders. Ik wilde u dwingen tot uw geluk. Zeg -me spoedig, want de tijd dringt, wat is thans uw antwoord op mijn -vraag?” - -Robert sloeg de oogen ter aarde en zweeg. - -„Samen mogen wij niet meer arbeiden, maar alleen wacht u nog grootscher -taak. Kunt gij uw stervenden vader den laatsten troost weigeren? Kunt, -wilt gij hem zijn doodsuur verbitteren door uw hardnekkigheid? O -Robert, heb medelijden met mij! Zeg dat gij de rechten wilt aannemen, -die ik u schenk. Nog is ’t tijd, morgen wellicht, van avond is het te -laat!” - -„O vader,” riep de jonge man zielsbedroefd uit, „kwel mij niet, het -valt me zwaar te weigeren, maar ik mag niet!” - -„Heeft de afzondering u niet tot andere gedachten kunnen brengen?” - -„Integendeel, zij maakte mijn besluit nog vaster!” - -„Wee, driewerf wee mij! Die knaap heeft een wil, een ijzeren, een -onverzettelijken wil; hij ziet, wat zijn plicht is en daarnaar streeft -hij met vaste hand, noch beloften, noch bedreigingen, noch kwellingen -kunnen hem daarvan afleiden. Hem juist had ik noodig. Hoe zou hij alles -veel beter dan ik hebben uitgevoerd, maar helaas! hij wil niet.” - -„Ik kan niet, vader!” - -„Kind, zal niets u overtuigen van het dwaze van uw besluit? Zijn die -mannen wien gij zooveel offert, dit offer waardig? Doet gij niet beter -hen te bestrijden dan te helpen hun kleingeestige belangen ten uitvoer -te brengen? Wat zoeken zij hier op Java? Winst, geld, genot! Wat zij -beters hebben sluiten zij voor ons nijdig af, uit vreeze dat zij dan -niet meer zullen vinden, waarnaar hun hart alleen haakt. Niets is nog -verloren, Robert! Ik zal mijn Balineezen laten roepen, zij zullen u -trouw zweren, in u hun aanvoerder erkennen, mijn Radhen Ajoe wil u -gehoorzamen en steunen en ook uw broeders zal ik leeren in u hun -eenigen redder te zien. Gij zult hen behandelen zooals zij ’t -verdienen, en geen onrecht aandoen. O Robert, begrijp uw belang en dat -van uw geboorteland, van mijn volk, dat ook het uwe is....” - -Hij zonk achterover, uitgeput door de inspanning, en de opwinding; -vermoeid sloot hij de oogen en zijn borst ging heftig op en neer. - -Robert stond hem zwijgend aan te zien; in stille wanhoop wrong hij de -handen en dacht: - -„O Digna, kondet gij mij zeggen, wat plicht is!” - -„Antwoord!” lispelde de zieke schier onhoorbaar. - -„Vader, ik zou mijn land verraden, mag, kan ik het? Uit vrijen wil -zwoer ik trouw aan uw vijanden, zal ik nu tegen mijn vroegere -wapenmakkers ten strijde trekken?” - -„Is ’t vrees die u doet weifelen, meent ge niet sterk genoeg te zijn -voor de taak, welke ik op uw schouders leg?” - -„Neen, duizendmaal neen! Aan moed ontbreekt het mij niet! O, als gij -wist hoe uw voorstel mij toelacht, hoe de werkkring, dien gij voor mij -opent, mij schoon en verleidelijk voorkomt.” - -„En toch weigert ge?” - -„Ik mag niet anders.” - -„Dan is alles gedaan, alles voorbij!” - -Hij sloot de oogen en drukte de rechterhand op het hart; bewegingloos -bleef hij liggen, zoo stil, dat Robert, die naast hem zat, meende dat -alles gedaan was; nu en dan alleen verried een zware zucht, dat hij nog -leefde en dacht. - -Een oud man trad binnen, behoedzaam en stil eerst, maar toen hij den -schier levenloozen vorm zag van zijn vorst, slaakte hij een -doordringenden gil en wierp zich jammerend op zijn voeten. - -Soerapati opende zijn zware oogleden, en vroeg verbaasd: - -„Gij hier, Kiai, gij en in dit uur!” - -„Vervloekt, het uur, waarop ik geboren werd; moest ik den zoon van mijn -hart overleven, moest ik daarvoor de gevangenis verlaten en op mijn -leeftijd al bedelend geheel Java doortrekken om mijn kind in dezen -toestand te zien?” - -„Ga heen, vader! Raak mij niet aan! Gij hebt mij eens een bitteren -drank bereid, die mijn leven vergiftigde. Nonna Suzanna was mij nooit -ontrouw en haar zoon verbittert thans mijn laatste oogenblikken. -Vertrek, ik schenk u het leven, daar gij oud en zwak zijt en uw dagen -geteld zijn, maar u die leugen vergeven en het monsterverbond met mijn -vrouw en den dwerg, dat nimmer.” - -De grijsaard brak in een hartverscheurend gejammer uit. - -„Ga heen! Folter mij niet langer, of neen, nog iets! Wat heeft de -groote Heer geantwoord?” - -„Hij heeft naar mij geluisterd, den diamant aangenomen en mij gevangen -gezet; ik ben ontvlucht....” - -„’t Is goed, verlaat mij thans! Spoedig, spoedig, nog heb ik macht te -bevelen!” drong hij aan toen de oude man aarzelde. Luid kermend ging de -grijsaard heen, en op nieuw heerschte diepe stilte in het vertrek. - -Nu en dan kwamen rijksgrooten bij het bed zien of hun meester in staat -was hen te antwoorden als zij over staatszaken wilden spreken, hij -bleef echter zwijgen; ook Pengantin en Lembono verschenen, maakten -groot misbaar en wierpen wantrouwende blikken op den vreemdeling, die -de zijde huns vaders niet verliet. - -Maar Soerapati scheen niets meer te hooren of te zien, totdat eindelijk -zijn oude krijgsmakker, de regent van Kediri, zich over hem boog en met -de tranen, die van zijn verweerde wangen afdroppelden hem het voorhoofd -bevochtigde. - -„Wirajoeda,” sprak hij zacht, „heb ik ’t niet gezegd, kameraad, dat -onze weg ten einde liep, onze lange, moeilijke weg? Gij zijt mij steeds -trouw geweest, ik dank u voor uw vriendschap, uw toewijding. Schrei -niet, die tranen passen niet op uw ruw gelaat; druk me nog eens de -hand!” - -„Lijdt ge veel meester?” vroeg Wirajoeda snikkend. - -„Die wonde beteekent niets, maar mijn hart doet me zeer. Ik had u zoo -gaarne een waardigen opvolger gelaten, vriend, die verdiende door u -gehoorzaamd te worden; beken mij oprecht, kunt gij onder een mijner -drie zonen staan?” - -„Zij verschillen zooveel van u!” - -„Maar deze zoon van mij!” en hij nam Roberts hand in de zijne, „was ten -volle uw onderwerping waardig. Hij had dit rijk tot hooger bloei -gebracht, als hij slechts wilde.” - -Verbaasd zag Wirajoeda den jongen man aan, toen wierp hij zich voor -zijn voeten en smeekte: - -„Zoon van mijn meester, gij behoort tot een volk, dat ik haat en -verfoei, maar ik heb levenslang uw vader gevolgd en weet dat alles wat -hij wenscht goed, ja het beste is. Gehoorzaam zijn wil, laat zijn -laatste uren niet zwaar worden door uw schuld en ik zweer u dezelfde -trouw, die ik hem sints dertig jaar bewees!” - -„O, kon ik ’t maar!” zuchtte Robert. - -„’t Is genoeg! Hij zal aan uw verzoek niet toestaan, wat hij aan mijn -herhaalde smeekingen en bedreigingen weigerde. Laat ons nu alleen, -Wirajoeda, ik heb nog slechts enkele woorden te spreken met mijn zoon. -Ik vertrouw zijn leven aan u toe!” - -„Ik blijf u met het mijne daarvoor borg.” - -En zoodra zij alleen waren, richtte Soerapati zich half op en zocht -Robert met de oogen. - -„Het schildpadden kistje, de kamer hier naast,” stamelde hij met reeds -gebroken stem. Robert stond op en voldeed aan het verlangen van den -stervende; hij ontving het sleuteltje en maakte het kistje open. - -„Portret uwer moeder!” fluisterde de zieke en toen Robert hem Suzanna’s -beeld gaf, drukte hij het aan de bleeke lippen. Daarna legde hij ’t -weer in het kistje; van zijn vinger nam hij een ring met buitengewoon -grooten diamant. - -„Voor u, dit kistje, deze ring, alles! Houd den ring als een -gedachtenis maar verkoop den steen, uw erfdeel!” - -„O mijn vader, mijn arme vader!” snikte Robert. - -„Gij zijt sterk en moedig! Ge durft lijden voor uw beginselen, voor -zulk een zoon was het goed een rijk te stichten. Gij wilt niet, -misschien hebt gij gelijk, zij zijn meer dan wij, verlaat hen niet, ’t -is beter blank te zijn, ’t zij zoo.... keer terug naar het volk uwer -moeder.... dit rijk zakt in elkander.... liever het bestuur der -Compagnie dan de regeering der inlanders.... ge moogt alles zeggen, wat -ge weet... ik wensch den zegepraal niet van mijn zonen.... nu gij hen -niet aanvoert.... laat er een eind aan komen.... en word gelukkig bij -uw volk!” - -Hij zweeg overmand door aandoening en uitputting. - -„Vlucht dadelijk.... vóór mijn dood! Verberg u, ze zullen u niet deren, -zoolang ik nog adem!” - -„Neen vader, ik verlaat u niet!” riep Robert uit. - -„Het moet, maar wacht nog even!.... Roep uw God voor mij aan, den -gekruisten God der Christenen, dien Suzanna aanbad.... Ik had hem -lief.... liever dan Batoro Shiwa, Boeddha of Allah.... maar Hij wilde -mijn vereering niet.” - -„O, zeg dat niet, vader! Hij is goed en barmhartig! Ja, ik zal voor u -bidden, het gebed dat Hij zelf ons leerde.” - -Robert knielde neder, en bad: - -„Onze Vader, die in den hemel zijt....” - -„Onze Vader,” lispelde de stervende stem, „ja, dat is het, zoo moest -het zijn.... ons aller Vader.... kinderen van een vader, blank en -bruin.... de kinderen vergeten het.... maar Hij, Hij weet het.... Hij -kent ze allen.... Onze Vader....” - -Robert bracht met moeite het gebed ten einde; de vorst echter lag -onbewegelijk de rechterhand op zijn voorhoofd gedrukt.... de lippen -half geopend.... nog klopte zijn hart flauw en zacht, maar de machtige -geest was reeds ter ruste gegaan. - -Wirajoeda trad binnen, hij zag de teekens van den laatsten strijd op -het gelaat van zijn geliefden vorst en huiverde, maar toch zijn zorg -betrof alleen den levende. - -„Vertrek spoedig, neem mede, wat van u is,” drong hij aan, „de zonen -van Soerapati hebben ’t op uw leven gemunt. Volg mij spoedig!” - -Werktuigelijk stond Robert op; de regent voerde hem bij den arm weg, -door een menigte zalen, gangen en binnenplaatsen, totdat hij aan een -poort in den buitenmuur kwam; daar stond een paard gezadeld. - -„Langs de zee kunt gij niet ontvluchten! Het gebergte in, spoedig, -spoedig naar Tosari.” - -Tegen het vallen van den avond bereikte Robert het dorp, waar de -goedige bergbewoners hem herkenden en vol vreugde ontvingen. Siwangi, -nu een gelukkige gade, was zijn gastvrouw. Bittere smart heerschte in -het dorp bij het vernemen van Soerapati’s dood. - -„Wat zal nu ons lot zijn, onder zijn vrouw en zonen?” vroegen zij zich -angstig af. - -Toen de begrafenis van den vorst in alle stilte had plaats gehad, -verliet Robert vermomd als Tengerees met eenige zijner vriendelijke -gastheeren het dorp; hij kwam in Pasoeroean aan en bezocht het -eenvoudige graf zijns vaders. Daar ook vernam hij dat de drie broeders -elkander op heftige wijze zijn nalatenschap betwistten en dat Kiai -Hemboong zich op het graf zijns meesters had gekrist. Het onreine -bloempje van Pengantin’s liefde tot Siwangi was tusschen al dien rook -en dat bloed gelukkig verwelkt. - -Door de zorgen der Tengereezen gelukte het Robert met een kleine list -Pasoeroean te verlaten en in Soerabaya aan te komen, waar de officieren -hem als een uit den dood verrezene ontvingen. - - - - - - - - -VIII. - -DE WRAAK OP DEN DOODE. - - -Hoewel de dood van Soerapati der Compagnie een zucht van verlichting -deed slaken, zoo was ’t er nog ver af dat de oorlog een einde had -genomen. Te Batavia nam men het den veldheer Govert Knol ten hoogste -kwalijk dat hij zijn troepen bevel had gegeven naar Soerabaya terug te -keeren in plaats van hen te doen voortrukken naar Pasoeroean; maar nog -grooter was de verontwaardiging tegen Depati Soerabaya, wiens dubbele -rol men nu duidelijk doorzag, maar wiens verraad althans voorloopig -niet gestraft kon worden. - -De drie broeders begonnen onmiddellijk na des vaders dood hevig te -twisten, terwijl de prins van Balembangan die gewillig het bestuur van -zijn land had overgelaten aan Radhen Wiro Negoro, wiens meerderheid hij -erkende, nu de teugels van het bewind zelf in handen nam; om hem -vereenigden zich de Balineezen, terwijl de Javaansche Mahomedanen zich -rond de zonen van Soerapati schaarden. - -Radhen Goesik gelukte het door middel van Sheik Abdoelah den vrede -onder de broeders te herstellen; zij ging met hen naar Kediri en haalde -hen over zich aan Soenan Mas schijnbaar te onderwerpen; deze nam hun -hulde aan en beleende Pengantin met de opvolging van zijn vader, alsof -deze den keizer ooit als leenheer had erkend; ook de andere zonen -kregen een gedeelte van het land onder hun gebied. - -Door deze plechtigheid werd de zedelijke kracht der jonge mannen niet -weinig vermeerderd. Sheik Abdoelah vuurde de godsdienstige hartstochten -van het volk nog meer aan en met vol vertrouwen wachtte nu de geheele -Oostkust van Java den nieuwen veldtocht af, welke in het volgende jaar -(1707) tegen hen ondernomen werd. - -Deze stond echter niet onder het bevel van Govert Knol maar onder dat -van Herman de Wilde, die door den dood van zijn vijand nog niet -bevredigd, van verlangen brandde zijn rijk te vernietigen. - -Den 18den Juli begon de veldtocht van uit Karta-Soera, over de -Solorivier en de Brantas naar Kediri, dat echter reeds door den -heldhaftigen Adipati Anoem ontruimd was en dan verder naar Tjarit, waar -de beslissende slag geleverd en de vijand op de vlucht gedreven werd. - -Intusschen was ook de legerafdeeling uit Soerabaya onder kapitein -Sergeant op marsch gegaan en vereenigde zich met de hoofdmacht; -gezamenlijk rukte men nu op naar Pasoeroean dat zonder slag of stoot -genomen werd. - -Groote diensten had Robert in deze expeditie bewezen; hij kende het -land door en door, wist vele bijzonderheden, die Soerapati hem zelf had -medegedeeld en maakte daarvan gebruik om de bevelhebbers in te lichten. -Ook zijn dapperheid bleef niet onopgemerkt; vóór dat echter de -zegevierende troepen Pasoeroean binnentrokken werd hij ernstig ziek ten -gevolge van verwaarloosde wonden en moest dus naar Soerabaya -terugkeeren; zoo was hij geen getuige van de onedele wraakoefening, die -de Wilde op het graf zijns vader nam. - -Herman de Wilde liet Soerapati’s gebeente opgraven en het op den -aloen-aloen verbranden. - -Met overelkander geslagen armen en een lach van zelfvoldoening op de -bleeke lippen, staarde hij de vlammen aan, die het geraamte verteerden -van den man, dien hij zoo fel gehaat en zoo vurig benijd had, en toen -van het lichaam, dat eenmaal door zulk een krachtigen adem bezield was -geweest, niets meer overbleef dan een hoopje asch, gebood hij ook dit -weg te strooien in de wateren der zee. - -Nu alles, wat dus aan zijn vijand herinnerde, van het aanschijn der -aarde verdwenen was, achtte hij zijn levenstaak geëindigd; niets bleef -hem meer te doen over, zijn doel was bereikt, zijn wraak volvoerd. - -Snel bracht hij de regeling der onderworpen landen ten uitvoer, deed de -regenten aanzeggen dat zij zich onderwerpen moesten aan Pakoe Boewana -den keizer en tevens Adipati Anoem ten doode vervolgen. De regent van -Kediri was er echter niet meer; hij keerde terug naar Bali, kort vóór -dat de veldtocht begon, daar hij zijn schoonzoon niet kon vergeven dat -deze zich in de armen der Mahomedanen had geworpen. Zijn dochter, -Lembono’s gemalin, nam hij met zich mede; wellicht trok hij zich in het -gebergte terug om daar het leven van een kluizenaar te voeren. - -Soenan Mas echter voegde zich bij de zonen van Soerapati, die zich in -het Malangsche gebergte hadden verscholen en nog maar een geschikt -oogenblik afwachtten om de vijandelijkheden opnieuw te beginnen. - -Zoodra in Pasoeroean alles geregeld was, vertrok de Wilde van Soerabaya -naar Samarang. Hij was doodziek en afgemat; nog vele zaken had hij te -voleindigen, en daartoe was het noodzakelijk dat hij den Soesoehoenan -sprak, maar hij was te zwak om naar Karta-Soera te gaan, en de keizer -kwam dus naar Samarang; nog stervend leidde hij de onderhandelingen, -die de macht der Compagnie bevestigden, de rechten en verplichtingen -des keizers omschreven en dus aan den gespannen toestand, die reeds -sinds zoovele jaren op Java heerschte, een einde maakten. - -Hij keerde na de sluiting van het contract naar Batavia terug en -overleed daar weldra, omstreeks een jaar na den slaaf, dien hij zoo -bitter had gehaat. - - - - - - - - -IX. - -VEREENIGD. - - -In het huis Voornelust was het nog stiller en doodscher geworden dan -voorheen; tot twee keer was de dood er in verschenen, den eersten keer -had hij den kleinen Albert weggerukt na een lang en zwaar lijden. - -In Digna’s armen was hij gestorven en na zijn dood was haar leven eerst -recht treurig en moeilijk geworden. - -Markus Voorneman scheen overstelpt door smart, toen hij zijn eenigen -zoon verliezen moest, maar deze smart was zoo onnatuurlijk dat Digna -weldra gegronde vrees opvatte voor zijn geestvermogens. Nadat Robert -wederom in haar leven was verschenen, was hij zeer prikkelbaar en -lastig geworden; zijn hartstocht voor Digna nam meer en meer toe, doch -zij kon dien slechts met warme genegenheid en diep medelijden -beantwoorden; dit maakte hem hoe langer hoe onrechtvaardiger jegens de -arme vrouw en zelfs de groote zelfopoffering en toewijding waarvan zij -blijken gaf bij de ziekte van Albert, konden bij hem het eenmaal -vastgewortelde denkbeeld niet uitroeien dat Digna zich ongelukkig -voelde, Robert betreurde en naar zijn dood verlangde. - -Eenige weken na Albert’s overlijden was twijfel niet meer mogelijk, -Heer Voorneman’s geestvermogens bleken gekrenkt en een zware taak -wachtte zijn vrouw; beurtelings overlaadde hij haar met de -hartstochtelijkste liefkoozingen om haar een oogenblik later te -mishandelen. - -Met het grootste geduld en onbeschrijfelijke liefde bleef zij op haar -post, niemand de zorg overlatend om haar man te verzorgen; zij bleef -haar plicht trouw totdat de dood aan zijn betreurenswaardig leven na -een jaar een einde maakte. - -En nu was zij alleen in het groote huis! - -Alleen met haar herinneringen. In een testament kort na Albert’s dood -opgesteld, vermaakte Markus Voorneman zijn geheele vermogen aan zijn -echtgenoot, onder voorwaarde echter dat zij niet zou hertrouwen. - -Deze dwang, door den stervende nog na zijn dood op haar leven -uitgeoefend, doofde de laatste vonk van liefde jegens haar gemaal in -Digna’s hart uit; slechts medelijden bezielde haar meer voor hem en met -grooten tegenzin genoot zij zijn rijkdom, waarvan zij thans maar al te -goed de herkomst wist. - -De Raad van Justitie Voorneman had niet meer of minder dan anderen -gebruik gemaakt van zijn betrekking om een sluikhandel op naam zijner -overleden vrouw te voeren op Japan en de Molukken; natuurlijk durfde -niemand mevrouw Voorneman beschuldigen of haar eenigszins belemmeren in -de uitoefening harer liefhebberijen. - -Het leven van Digna was treurig en stil; zij ging met niemand om dan -met haar oom en tante van Hoorn; bij hen hoorde zij dan ook hoe een -jonge militair, Robert genaamd, groote diensten aan het leger der -Compagnie had bewezen en nu tot luitenant was bevorderd na den -gelukkigen afloop van den laatsten veldtocht. Als een goede dochter -verheugde zij zich in den val van Soerapati in wien zij nog steeds den -moordenaar haars vaders zag, maar toch huiverde zij bij het vernemen -van de wraak door de Wilde op zijn gebeente uitgeoefend. - -In het begin van 1708 bevond zij zich op het kasteel, toen er een jonge -officier bij haar oom, den Gouverneur-Generaal, werd binnengelaten; het -was of haar bloed stilstond, want zij herkende Robert, doch een geheel -andere Robert, dan dien zij het laatst had gezien. Een man in de volle -beteekenis van het woord was luitenant Robert thans, een man gerijpt -door vele ervaringen, die den strijd met zich zelf aangedurfd had en -daarin overwinnaar was gebleven, een ferm, krachtig man, die eerbied -wist af te dwingen en zelfs tegenover den machtigen Opperlandvoogd zich -gemakkelijk en vrij kon bewegen. - -Voor haar maakte hij een diepe buiging, maar niemand dan zij bemerkte -hoe bleek en ontroerd hij plotseling werd. - -Dien avond voelde Digna zich niet alleen meer in haar groot ledig huis; -het beeld van den weergevonden vriend harer jeugd volgde haar en -verliet haar wakend noch slapend meer. - -Den volgenden morgen ontving zij een kort briefje, waarin luitenant -Robert verlof vroeg haar dien middag een bezoek te brengen. Zij wachtte -hem in de groote zaal, gekleed in haar stemmig weduwkleed, maar uit -haar schitterende oogen en frisschen blos was elk spoor weggevaagd van -de moeilijke, smartvolle dagen, die zij doorleefd had; nooit was zij -schooner geweest dan op dien middag toen luitenant Robert met opgeheven -hoofd door de groote deur het huis binnentrad, dat hij ’t laatst -tersluiks, opgejaagd als een dief had moeten verlaten. - -„Robert!” - -„Digna!” - -En beider handen rustten ineen, beider oogen staarden in elkander; zij -begrepen dat de een den ander op nieuw toebehoorde en nu voorgoed, maar -toch veel moest uitgesproken worden vóór het beslissende woord tusschen -hen viel. - -„Digna,” sprak hij, toen hij eindelijk zijn ontroering meester werd en -naast haar plaats nam, met zijn hand nog steeds de hare omklemmend, „er -is veel gebeurd sinds we elkander hier het laatst zagen, meer dan gij -vermoedt, maar ik heb mijn woord jegens u gehouden.” - -„Dat begreep ik gisteren reeds dadelijk, Robert!” - -„’t Heeft mij staande gehouden in een zware verzoeking, het deed mij -een kroon afwijzen.” - -Zij zag hem vragend aan. - -„En nu Digna, wat nu?” - -Zij wendde blozend haar hoofd af, en zuchtte. Hij vervolgde: - -„Ik heb het recht u thans te vragen de mijne te worden, als gij -vergeten wilt, dat ik geen naam bezit: uw woorden van vroeger, die ik -allen in mijn hart bewaar, geven mij moed, maar er zijn andere -bezwaren. Uw fortuin...” - -Zegepralend hief zij het gelaat naar hem op, en zich zelf verradend, -wierp zij den scheidsmuur tusschen hen plotseling neer: - -„Ik heb geen fortuin Robert, anders dan dat mijner ouders, want zoodra -ik trouw met wien ook, verlies ik alle aanspraak op dat van mijn -overleden echtgenoot.” - -Juichend sloot hij haar in de armen en zij liet haar hoofd aan zijn -borst rusten, blijde dat het nu voortaan haar vrijstond zich over te -geven aan het gevoel dat zij zoo langen tijd ernstig en moedig had -bestreden. - -Maar hij liet haar eensklaps los en riep uit: - -„Ik vergat... er is meer... Digna, gij hebt mij uitgezonden om -Soerapati te bestrijden en den dood uws vaders te wreken op hem in wien -gij zijn moordenaar zaagt....” - -„En mijn opdracht heeft u eer en roem bezorgd, mijn geliefde!” - -„Ge vergist u Digna, ik heb Soerapati niet bestreden, integendeel, ik -heb hem alles te danken, ik vereer zijn nagedachtenis en ik betreur -zijn dood, want hij was mijn vader.” - -„Uw vader!” riep Digna verschrikt uit. - -Robert verhaalde haar alles, wat hij doorleefd had, de zonderlinge -opheldering van het geheim zijner geboorte, zijn kortstondige glorie, -zijn beproeving en wat daarna geschiedde. - -„En nu Digna,” sprak hij, „nu weet ge alles! Beslis, maar voor een -zaak, blijf ik u borg. Slechts wettige tegenweer dwong mijn vader tegen -den uwe op te rukken en zijn hand heeft hem niet gedood!” - -Digna sloeg haar schoone oogen naar hem op en fluisterde: - -„Niets kan ons meer scheiden Robert, dus ook geen herinnering!” - -Eenige weken later had in alle stilte het huwelijk van luitenant Robert -en de weduwe Voorneman plaats; natuurlijk vond de Bataviasche wereld -veel op hun besluit aan te merken; maar zij bekommerden zich niet om -het oordeel der wereld, ook niet om het verlies van Digna’s groot -fortuin, zij waren te gelukkig elkander eindelijk te mogen toebehooren. - -Kort na hun huwelijk vertrokken zij naar Amboina, waar Robert het -kommando over een klein fort had gekregen. De plaats was stil en -afgelegen, maar overal waar Digna vertoefde bracht zij den zegen van -echte vrouwelijkheid en fijne, innerlijke beschaving met zich mede en -zoo bezat zij de gave om zelfs een wildernis in een paradijs te -herscheppen. - -Lange, gelukkige jaren wachtten beiden; Robert was een trouw eerlijk -dienaar der Compagnie, en deze wist zijn verdiensten ook naar waarde te -beloonen. Toch wanneer hij de kleingeestige, inhalige wijze zag, waarop -de grootere en kleinere Hollandsche beambten de Inlanders behandelden, -met geen ander doel klaarblijkelijk dan hen uit te zuigen en zich zelf -te verrijken, bekroop hem soms een twijfel of hij in zijn jeugd niet al -te edelmoedig en te fijn van geweten was geweest toen hij het rijk, dat -aan zijn voeten was neergelegd, had versmaad; maar als hij Digna -deelgenoot van zijn twijfel maakte, dan drukte zij vriendelijk zijn -hand en sprak: - -„Mijn goede Robert, gij hebt gedaan, wat gij toen voor uw plicht -hieldt. Wees gerust, dat was het beste!” - -Toen Digna en Robert stierven, lieten zij hun kinderen geen groot -vermogen na; dat was de beste lof, de welsprekendste lijkrede, welke -men een dienaar der Compagnie uit die dagen kon nageven. - - - EINDE. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Betelplant en toebehooren. - -[2] Genade! - -[3] Batavia. - -[4] Hert. - -[5] Tooverspreuk. - -[6] Reebokje. - -[7] Hollanders. - -[8] Vleermuizen. - -[9] Javaansche duiven. - -[10] Band om het middel. - -[11] Wild zwijn. - -[12] Kniebuiging. - -[13] Manden uit bladeren gevlochten. - -[14] Haarwrong. - -[15] Etiquette. - -[16] Vertooner van de wajang,—Javaansch marionettenspel. - -[17] Chinees. - -[18] Onbeschaamde. - -[19] Juist. - -[20] Indische toespijs van onrijpe vruchten en Spaansche peper. - -[21] Fabelachtige koningin der Zuidzee, die bijna over de geheele -Zuidkust van Java vereerd wordt. - -[22] Hemel der Hindoes. - -[23] Danseressen. - -[24] Zijden shawl. - -[25] Eerste keizerin. - -[26] Bijvrouwen. - -[27] Harems. - -[28] Engel. - -[29] Verfrisschende drank. - -[30] Wierook. - -[31] Voetkus. - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN SLAAF TO VORST *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
