diff options
Diffstat (limited to 'old/65946-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/65946-0.txt | 4086 |
1 files changed, 0 insertions, 4086 deletions
diff --git a/old/65946-0.txt b/old/65946-0.txt deleted file mode 100644 index 198ed9f..0000000 --- a/old/65946-0.txt +++ /dev/null @@ -1,4086 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Twee Vrinden, by Bertha Elisabeth van -Osselen-van Delden - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Twee Vrinden - -Author: Bertha Elisabeth van Osselen-van Delden - -Illustrator: Anna Catharina Frederika Wijthoff - -Release Date: July 28, 2021 [eBook #65946] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE VRINDEN *** - - - - - TWEE VRINDEN - - DOOR - - MEVROUW VAN OSSELEN-VAN DELDEN - -Schrijfster van „Hansje Rozengaarde”, „Baas Willem”, „De Kleine Frits”, - „Het Jodinnetje van Elspeet”, „Arthur’s Viool”, „Frank en Paula”, - „Corrie en de Kaboutertjes”, „’s Winters op Beukenwoud”, „De Familie - Dolijn” enz. - - - 2e geïllustreerde druk - - AMSTERDAM - ALLERT DE LANGE - - - - - - - -HOOFDSTUK I. - - -Conifera is eene kleine, vriendelijke villa, omringd door een grooten -tuin, en grenzend aan een bosch, dat zich uren ver uitstrekt tot aan -eene groote heidevlakte. - -In dit bosch wandelt een 12jarige jongen, genaamd Arthur Mung, met zijn -trouwen, zwarten poedel. - -Arthur kijkt op zijn horloge en zegt: - -„Sakkerloot! kwart vóor 12! waar blijft de tijd. Kom Pandoer, in een -snellen pas naar huis! Grootmoeder mag niet wachten. Dit is de naaste -weg, dwars door het dennenbosch.” - -Pandoer springt vroolijk vooruit, hapt naar een uitgetrokken plukje -mos, schudt het heen en weer en gooit het spelend in de lucht; dan weer -vervolgt hij een brommende groene vlieg en kijkt telkens om naar zijn -baas, die met groote passen over den ongebaanden weg loopt, recht op -zijn doel af, naar den hollen zandweg die naar Conifera voert. Hij -springt van den hoogen boschgrond, midden in het diepe wagenspoor en -Pandoer rent luid blaffend vooruit en keert terug, springt om Arthur -heen en dan weer vooruit, telkens takjes in den bek nemend en weer weg -werpend. - -Met rood gekleurde, gezonde wangen komt Arthur weldra aan een hekje, -achter in den moestuin van Conifera. Tusschen bessen, frambozen, -aardbeien, doperwten en spinazie, loopt hij zoo snel mogelijk naar huis -en daar ziet hij grootmoeder met het sleutelmandje aan den arm bij de -gedekte koffietafel staan en dadelijk merkt hij, dat er meer bordjes -klaar gezet zijn en dat er extra dingen op tafel staan. - -„Dag Grootmoeder, komt er iemand koffie drinken?” - -„Ja, Oom en Tante Bantam komen met Lili, ik heb een telegram gekregen; -ga je gauw opknappen, ze kunnen dadelijk hier zijn. Hier Rika, hier -zijn de vingerdoekjes en breng nu nog een karaf met frisch water; heb -je niets vergeten?” - -Arthur is intusschen naar boven gegaan en Pandoer staat uit zijn -waterbakje te drinken. - -„O Mevrouw, kijk eens! dat is nu gek,” zegt Rika; zij neemt het -afhangend tafellaken in de hand en laat aan Mevrouw Mung een scheurtje -zien. - -Mevrouw schrikt, zet den bril op, bekijkt het van nabij en zegt: - -„Hoe is dat nu mogelijk, ik heb het zoo uit de linnenkast gekregen; dat -komt er van, als men zelf niet meer de wasch kan vouwen. Wat nu te -doen? ze kunnen dadelijk hier zijn, daar hoor ik al wat op den weg.” - -„Mevrouw,” zegt Rika, „als u hier jonge heer Arthur laat zitten, merkt -niemand er iets van.” - -„Ja, dat zal het beste zijn, daar zijn ze ook al. Help eens gauw jonge -juffrouw Lili naar binnen dragen.” - -„Och, dat arme kind,” zegt Rika medelijdend. - -„Dag Moeder,” zegt eene lange dame, die haastig naar Mevrouw Mung -toekomt en deze hartelijk omhelst, „is het ook wat erg, dat we met ons -drieën komen koffie drinken?” - -„Wel neen, lieve Dora, ik ben veel te blij jullie te zien; hoe is het -met Lili?” - -„Wel een beetje beter, de kuur doet haar bepaald goed, zie maar eens.” - -Daar komt een lief meisje binnen, gesteund door den heer Bantam en -Rika. Haar gezicht straalt van plezier, als zij langzaam den eenen voet -na den anderen verzet en recht naar hare Grootmoeder toegaat. - -Deze staat sprakeloos van verbazing; zonder iets te zeggen steekt zij -de handen naar Lili uit en omhelst haar héel héel hartelijk. - -„Wat zegt u daar nu wel van?” vraagt de heer Bantam met een gelukkig -gezicht, „is dat nu geen groote verrassing? we konden het bijna niet -langer verzwijgen, maar Lili wilde u zoo graag verrassen.” - -Mevrouw Mung is op een stoel gaan zitten en droogt de tranen, die van -blijdschap uit de oogen zijn gesprongen. - -„Ik had niet durven hopen, dat het lieve kind ooit zou kunnen loopen; -welk een geluk! laat ze nu niet te veel doen, ga gauw zitten mijn -schat.” - -„Dag Moeder,” zegt de heer Bantam lachend. - -„Och ja, ik heb je door de blijdschap niet eens goeden dag gezegd. Ik -feliciteer je beste Paul, met de beterschap van je lief kind; nu heb ik -moed dat ze flink zal leeren loopen.” - -„En dansen en springen, Grootmoeder,” zegt Lili vroolijk, „dat heeft -doctor Geukestein gezegd. Maar waar is Arthur?” - -„Daar komt hij.” - -Arthur ziet dadelijk, dat Lili op haar voeten staat. Dat heeft hij nog -nooit gezien; altijd werd zij in een wagentje gereden en gedragen. - -Hij krijgt een kleur van plezier en zegt niets dan: „Dat ’s leuk!” en -hij kijkt naar Tante en naar Oom en Grootmoeder en dan weer naar Lili. -Dan springt hij hoog in de lucht en roept: „Hoezee!” en gaat allen een -hand geven. - -„Hoe komt dat? wie heeft je beter gemaakt?” - -„Die goede dokter Geukestein,” zegt Lili verheugd, „nu ben ik veel -gelukkiger dan een kind, dat heel vroeg heeft leeren loopen.” - -„Ja, nu waardeer je het veel meer,” zegt haar Vader, terwijl hij haar -naar den stoel brengt, die Grootmoeder voor haar bestemd heeft, naast -dien van Arthur. - -„Kun je nu ook de trap oploopen naar mijn kamer?” vraagt Arthur. - -„Neen nog niet, maar Papa wil mij misschien wel naar boven dragen na de -koffie, wil u Papa? ’t behoeft misschien niet zoo dikwijls meer.” - -„Zeker mijn kindje, het zou mij nooit te veel zijn, maar ik ben toch -wát blij dat het gauw niet meer noodig zal zijn.” - -Allen zitten in een gelukkige stemming aan de koffietafel en, als ze -druk aan het vertellen zijn en onderwijl smakelijk eten en drinken, -zegt Arthur eensklaps, terwijl hij het tafellaken in de hoogte houdt: - -„Grootmoeder, kijk eens!” - -„Och, jou vervelende jongen,” zegt Grootmoeder en allen beginnen -hartelijk te lachen, Grootmoeder ook. - -„Zoo is hij nu altijd,” zegt Grootmoeder en doet haar best boos te -kijken, maar och, daar is haar lief gezicht niet toe in staat. -„Gelukkig dat jullie het maar bent, anders zou ik mij veel erger -schamen voor zoo’n gescheurd tafellaken, maar de wasch komt gevouwen -thuis en nu heb ik het wel nagekeken, maar je weet het, mijn oogen -worden slecht.” - -Lili streelt Grootmoeders hand en zegt: „Lieve Grootmoe, mag ik u weer -helpen als ik hier kom logeeren?” - -„Graag kindje, ik verlang al dat je komt.” - -Na de koffie wordt Lili naar boven gebracht op Arthur’s kamer; hij laat -haar al zijn schatten zien, al de nieuwe boeken, zijn postzegel-album -en prentbriefkaarten. Lili heeft ook een verzameling en ze krijgt al de -briefkaarten die hij dubbel heeft. - -„Wat is dat?” vraagt ze. - -„Dat is de ezelpot.” - -„De ezelpot? het lijkt een spaarpot.” - -„Ja, dat is het ook; heb ik je nog niet verteld, dat ik in ’t volgend -jaar misschien een ezelwagen krijg? Van Grootmoeder krijg ik den wagen -en voor den ezel moet ik zelf opsparen. Vader en Moeder hebben er ƒ 10 -voor gezonden en van Grootmoeder krijg ik ook wat als ik door mijn -examen kom.” - -Arthur is in gedachten verzonken. - -„Vind je het prettig in Holland?” vraagt Lili. - -„In Indië is het veel prettiger en daar zijn Vader en Moeder.” - -„Ja, bij je ouders is het natuurlijk het prettigst, maar bij -Grootmoeder is het toch heerlijk.” - -„O ja, als Vader en Moeder maar hier waren, dan zou het hier bijna zoo -prettig zijn als in Indië.” - -„Verlang je naar de Hoogere Burgerschool?” - -„Och, niet erg, ik ken er niemand.” - -„O, dat is niets, je maakt wel kennis op het examen. Marietje -Geukestein komt ook in jou klasse, als ze er door komt.” - -„Dat is een meisje, wat kan me dat schelen.” - -„’t Is mijn grootste vriendin, ze is heel aardig.” - -„Ja, dat kan wel, maar ik wou dat ik een paar jongens kende; maar je -moet niet denken dat ik er over tob.” - -„Waar zou je over tobben?” vraagt de heer Bantam, die binnen komt om -Lili te halen. - -„Ik tob niet Oom, alleen vind ik het vervelend, dat ik niemand ken van -de school. Maar er is hier een jongen op het dorp, die ook naar de H. -B. S. zal gaan, de tuinman vertelde het van morgen, maar ik ken dien -jongen niet.” - -„Dan moet je eens gauw kennis met hem maken; wie is het?” - -„’t Is een zoon van den dominé.” - -„O, van den nieuwen dominé; dus die moet de volgende week ook examen -doen? dan maak je van zelf kennis en je kunt altijd met hem heen en -weer loopen naar de stad, dat treft heel goed, en je weet het, je moogt -altijd bij ons komen koffie drinken en als het een aardige jongen is, -mag hij een enkele keer ook wel eens meekomen. Ga jullie nu mee naar -den tuin?” - -„O graag!” zegt Lili en laat zich door haar Vader naar beneden dragen. - -„Kijk eens Lili, hier staat de oude bekende wagen al voor je klaar, je -zult er nu tot afscheid nog eens in rijden. Waar wil je naar toe?” - -„Naar den tuinman, hij is zeker achter in den tuin.” - -„Kom dan maar; Arthur ga je ook mee?” - -„We gaan allemaal mee,” zegt Grootmoeder. - -Ze wandelen den geheelen tuin door, Lili voorop in den wagen en Arthur -vraagt aan Grootmoeder of hij een roos mag plukken voor tante Dora en -als hij merkt dat Lili de dubbele meizoentjes zoo mooi vindt, wil hij -graag een plantje voor haar uitsteken en in een bloempotje meegeven, ze -kan het dan thuis op haar kamer zetten voor het raam. - -„Maar lieve jongen,” zegt Grootmoeder, „zoo’n plantje kan ze voor éen -stuiver op de markt koopen.” - -„Ja maar Grootmoe, dan is het niet uit uw tuin.” - -„Neen, dat is waar, dat zal zij misschien liever hebben.” - -Lili lacht en zegt: „Ja, veel liever, ik denk mij hier den heelen tuin -bij en Grootmoeder en Arthur, den baas en Pandoer.” - -„Komt de jongejuffrouw niet haast weer logeeren?” vraagt de tuinbaas, -die met hen mee geloopen heeft. „Ik heb een bankje voor je getimmerd in -het bosch.” - -„Ja? dat is prettig, maar baas, weet je al dat ik bijna loopen kan?” - -„Is het waar? och mijn lieve juffertje, dat kan ik haast niet -gelooven.” - -„Niet? wil je het zien? toe Papa, wil u me laten loopen?” - -„Kom maar kleintje, de baas moet het ook zien, zachtjes aan, ziezoo, -sta je stevig? kijk baas, daar gaat ze!” - -„Wel Heere mijn tijd, heb ik van mijn leven, wat wonder! wat ben ik -daar mee in mijn schik, wat zal moeder de vrouw daar van op hooren, -mensch wat een geluk!” - -„Ja baas,” zegt de heer Bantam, „we zijn ook heel gelukkig en -dankbaar.” - -Nu komt het rijtuig voor om hen weer naar de stad te brengen. Lili -neemt het bloempotje op haar schoot en zegt: - -„Arthur, ga nu eens gauw kennis maken met den jongen van den dominé.” - - - - - - - -HOOFDSTUK II. - - -De Pastorie van Dominé Kemper is in het dorp naast de kerk gelegen. Het -huis is begroeid met roode en witte rozen; een mooie tuin vol bloemen -en heesters ligt er vóor en achter het huis is een moestuin en een -schuur. Groote dennen staan aan het hek bij de straat. - -In de huiskamer vóor aan den tuin, zit Mevrouw Kemper met eenig -naaiwerk. Haar achtjarig dochtertje Jeanne staat bij de wieg van haar -slapend broertje. - -„Moeder, is dat waar, is broertje nu al slecht?” - -„Kindje, hoe kom je er aan, hij weet nog niet wat goed en slecht is.” - -„Zijn wij dan allemaal slecht, Constant, Geertruid en ik, en u en Vader -ook.” - -„Maar kind, waarom vraag je dat, wie zegt dat?” - -„Dat zegt Dries; hij zegt altijd zulke nare dingen, hij heeft Geertruid -aan het huilen gemaakt.” - -Mevrouw legt haar naaiwerk op tafel en vraagt: - -„Waar is Geertruid?” - -„Ze is naar boven gegaan om haar kastje op te ruimen, ze had het -gisteren niet gedaan, en ze wou zoo graag niet slecht zijn.” - -Mevrouw staat op, zeggende: - -„Pas even op broertje, ik kom dadelijk weer bij je.” - -Jeanne gaat weer bij het wiegje staan, ziet naar het lieve kindje, naar -zijn kleine vuistjes, die uit de strookjes van zijn nachtponnetje te -voorschijn komen. - -Wat zijn het kleine vingertjes, ze kunnen nog niets vasthouden, nog -niet eens Jeanne’s vinger, want broertje is nog maar vier weken oud. -Jeanne bekijkt haar eigen handen en dan weer die van broertje. „Hij kan -nog niets,” denkt zij, „en ik kan al lezen en schrijven en den -kruissteek, en ik kan een strik maken, en broertje kan alleen slapen, -zuigen en huilen. Hij is nog een beetje dom, maar niet slecht, neen het -is mijn lief broertje en Dries is een aap.” - -Daar komt Moeder weer binnen met Geertruid aan de hand. - -„Vertel me nu eens wat Dries gezegd heeft.” - -De zevenjarige Geertruid gaat op het pianostoeltje zitten. - -„Dries was boos; we hadden de zaag verstopt in den tijd toen hij naar -huis was om te eten en toen zei hij, dat we ondeugende kinderen waren -vol slechtheid, en dat broertje ook slecht was en wij allemaal en alle -menschen en toen zei Jeanne dat u en Vader niet slecht waart en dat hij -een leelijke aap was en toen begon hij zoo te brommen, dat ik er bang -van werd. Vindt u ons zoo slecht Moeder?” - -„Neen lieve Geertruid, je bent niet slecht; maar ook niet goed, dat -weet je wel.” - -Geertruid kijkt haar Moeder aan en dan naar buiten. Eensklaps springt -zij van het pianostoeltje en zegt: - -„Zal ik mijn kastje heel netjes maken?” - -Mevrouw Kemper trekt Geertruid naar zich toe, slaat den arm om haar -heen en zegt: - -„Je wilt graag een goed kind zijn, denk er nu om, dat je Dries niet -altijd moet plagen; doe je hem wel ooit een pleziertje?” - -Geertruid denkt na, maar ze kan niets bedenken. - -„Dries is ook altijd zoo brommerig en knorrig, hij is nooit aardig -tegen ons.” - -„Hij is een aap!” zegt Jeanne. - -„Kindertjes,” zegt Moeder ernstig, „als de menschen onvriendelijk tegen -je zijn, moet je eerst eens bedenken of je ook schuld hebt, en dat moet -je weer goed maken, en als je geen schuld hebt, moet je op allerlei -manieren probeeren om de menschen vriendelijk te maken; als je het -heusch wilt, zal het wel lukken, probeer het maar eens.” - -„Moeten we Dries vriendelijk maken? Zoo’n knorrepot? hij kan niet -lachen, ik heb het nog nooit gezien.” - -„Stel je nu maar eens in zijn plaats.” - -„Met een pruim in den mond,” zegt Jeanne lachend. - -„Neen Jeanne, zonder gekheid; als je nu even als Dries heel alleen -waart en zelf je eten moest koken in zoo’n ongezellig kamertje, en als -je niemand hadt, die verlangend naar je uitkeek; niemand die van je -hield. En als je niets geleerd hadt dan hout zagen en harken en -spitten, en als je daarom maar heel weinig geld verdiendet; veel te -weinig om zeep en schoone kleeren te koopen.” - -„Hè Moeder,” zegt Geertruid, „dat zou ik heel akelig vinden.” - -„En als er dan kinderen kwamen om je te plagen, zou je dan vriendelijk -zijn?” - -Jeanne en Geertruid kijken elkaar aan en Jeanne zegt: - -„Misschien zou ik ze wel een klap geven.” - -„Heeft Dries dat ooit gedaan?” - -„Neen, hij bromt alleen.” - -„Probeer dan nu eens om vriendelijk tegen hem te zijn, maak hem eens -een enkele keer in zijn leven blij met iets. Misschien bedenk je wel -iets.” - -Jeanne en Geertruid vinden nu zelf, dat ze niets aardig tegen dien -armen Dries zijn geweest en kunnen nu best begrijpen, dat hij ook niet -aardig tegen haar is. - -„Moeder,” zegt Geertruid, „ik heb den vreemden jongen weergezien.” - -„Welken jongen?” - -„Ik geloof, dat hij op Conifera woont; hij liep door het dorp met een -zwarten poedel.” - -„Is hij van Constant’s leeftijd?” - -„Ja, hij zal ook zoowat twaalf jaar zijn. - -„Het zou prettig zijn voor Broer als het een aardige jongen is.” - -„Hij ziet er aardig uit,” zegt Jeanne, „ik hoop dat we hem nog eens -tegen komen.” - -Daar gaat de deur open en wat komt daar binnen? een zwarte poedel. - -„Hé moeder, dat is de poedel,” roept Jeanne en ze loopt naar den hond, -die even rond kijkt en dan wegloopt. - -„Hier! Fidel! Bruno! Hector! kom dan mijn hondje!” roept Geertruid. - -De hond loopt de openstaande voordeur uit en rent over het grind naar -den weg en verdwijnt achter de dennen. - -Jeanne schatert van het lachen en zegt eindelijk: - -„Hoe kun je hem ook zulke gekke namen geven, Bruno, een zwarten hond -Bruno en Fidel! o kind!” - -„Bedenk jij dan eens een naam,” zegt Geertruid, „roep hem eens, ik wed -dat hij bij jou ook niet komt.” - -Jeanne gaat op de stoep staan en fluit. - -„Dacht je dat hij nu komen zou?” - -„Ja, kijk maar.” - -En werkelijk, daar springt de hond weer te voorschijn van achter de -dennen, kijkt even naar de meisjes en keert dan terug. - -Zonder zich een oogenblik te bedenken, hollen de meisjes den tuin door -naar de straat en staan plotseling voor den vreemden jongen. - -Heel verlegen staan ze elkaar aan te kijken, totdat ze alle drie -beginnen te lachen en de jongen zegt: - -„Ik wou zoo graag kennis met jullie maken, ik ken hier niemand, ik ben -alleen bij Grootmoeder op Conifera.” - -„Kom dan maar mee,” zegt Jeanne, „ga mee naar Moeder.” - -„Hoe heet je?” vraagt Geertruid. - -„Arthur Mung, en hoe heet jullie.” - -„Ik heet Geertruid Kemper en zij heet Jeanne en mijn groote broer heet -Constant en het kleine broertje heet Jantje. Heb je den poedel naar ons -toegezonden?” - -„Ja, was dat niet goed bedacht? Nu hebben we in eens kennis gemaakt.” - -„Hoe heet de hond?” vraagt Jeanne. - -„Raad eens.” - -„Pollux of Nero.” - -„Neen, je kunt het toch niet raden, hij heet Pandoer.” - -„Pandoer? wat een gekke naam.” - -„Neen, niets gek, zoo heette mijn oudtante ook; och neen, ik meen, de -hond van mijn oudtante. Hij is zoo slim, kijk, nu kwispelt hij met zijn -klein staartje, hij verstaat me wel, niet waar Pandoer?” - -De hond springt tegen hem op en tracht hem in ’t gezicht te likken. - -„Neen Pandoer, dat mag volstrekt niet, dat weet je wel. Nu moet je -dansen, kom, hop Marianneke!” - -Pandoer gaat op zijn achterste pooten staan en draait éenmaal in ’t -rond. - -„Goed zoo, nu is het genoeg.” - -De kinderen gaan de voordeur in en komen binnen bij Mevrouw Kemper. - -„Moeder,” zegt Jeanne, „dit is Arthur Mung van Conifera. Pandoer heeft -gevraagd of hij binnen mocht komen.” - -Mevrouw Kemper ziet lachend naar Arthur en den hond en zegt: - -„Kom binnen Arthur, ik vind het aardig dat we je nu leeren kennen, we -hebben juist over je gesproken.” - -Pandoer loopt door de kamer, snuffelt overal, komt bij de wieg, gaat -met de voorpooten op den rand staan en kijkt kwispelstaartend naar het -kindje. - -„Pas op!” roept Geertruid angstig, „hij zal Jantje kwaad doen.” - -„Neen,” zegt Arthur, „hij is dol op kleine kinderen; bij zijn vorigen -baas moest hij altijd op het kind passen, hij denkt misschien dat het -dat is.” - -Nu hooren ze iets in de wieg; klein broertje wordt wakker en beweegt -zijn armen en hoofdje. Arthur kijkt er naar en zegt: - -„Hé, zoo’n klein kind heb ik nog nooit gezien, zoo ben ik toch niet -geweest?” - -„Ja zeker, Jantje is niet zoo heel klein, Jeanne was veel kleiner.” - -Arthur bekijkt Jeanne en dan weer het kindje, dat erge rimpels trekt en -in zijn oogen gaat wrijven, voorteekens van een huilbui. Arthur en -Pandoer kijken met de grootste belangstelling en als Jantje hard begint -te huilen, vraagt Arthur: - -„Wat scheelt hem?” - -„Hij heeft honger, ik zal de flesch klaar maken, wil je zien hoe hij -drinkt?” - -„O ja, graag,” zegt Arthur en als Mevrouw het kindje uit de wieg neemt -en op haar schoot de flesch geeft, staat hij met alle aandacht te -kijken. - -„Wat leuk, dat is nog aardiger dan een jong hondje; je kunt haast niet -begrijpen dat dit nu een groote man kan worden, misschien wel een groot -man.” - -„Een groote man en een groot man,” zegt Geertruid, „waarom zeg je dat? -dat is tweemaal het zelfde.” - -„Neen,” zegt Arthur, „lang niet hetzelfde. Een groot man kan wel heel -klein zijn. Napoleon was een groot man en toch heel klein.” - -„Dat begrijpen ze nog niet,” zegt Moeder, „Constant zou het wel -vatten.” - -„Ik begrijp het wel,” zegt Jeanne, „tante Cor heeft gezegd, dat Jantje -een groot man moest worden en toen heeft tante mij verteld, dat een -groot man allemaal goede dingen doet, altijd en altijd door bedenkt hij -dingen, die goed zijn voor alle menschen. Deed Napoleon dat?” - -„Neen; maar ze noemen Napoleon een groot man, omdat hij een groot -veldheerstalent bezat en door zijn buitengewoon vasten wil zooveel -bezwaren kon overwinnen. Jammer dat iemand met zoo’n krachtigen wil -niet iets anders en beters wilde dan landen veroveren. Hij had een -groot en een goed man kunnen zijn.” - -Arthur staat in gedachten verzonken en zegt dan: - -„Eerst goed en dan groot.” - -„Juist, dat heb je goed gedacht.” - -„Moeder,” zegt Jeanne, „ik wou dat Jantje een groot man werd en een -goed man.” - -„Hè ja,” zegt Arthur, „dat wou ik ook en dat ik hem dan zien kon.” - -Moeder glimlacht en zegt: „Geef jullie allemaal dan een goed voorbeeld -aan dit kleine ventje, hij kan veel van jullie leeren; hij kent nu nog -geen goed en geen kwaad.” - -Daar komt Constant binnen, zeer verwonderd een vreemden jongen te zien. - -„Dag!” zegt hij. „Zeg, Geertruid, Lorre ligt in de beek.” - -Geertruid kijkt verschikt en vraagt: - -„Waar? hoe komt dat? wie heeft dat gedaan?” - -„Ik, bij ongeluk en ik kan haar er niet weer uit krijgen.” - -De tranen springen Geertruid in de oogen. - -„Mijn lieve Lorre, nare jongen, waarom heb je dat gedaan? waar is het? -ik wil er haar uit halen, hi, hi, hi, nare jongen!” - -Huilend loopt ze de kamer uit. - -„Constant,” zegt moeder, „ga mee, zorg dat ze niet in de beek valt en -vraag of Dries helpen wil.” - -„Mag ik mee?” vraagt Arthur. - -„Zeker, loop maar mee.” - -De kinderen loopen om het huis heen en Arthur ziet al gauw een aardig -brugje en dan een stroomende beek. - -„Kijk, daar ligt ze,” zegt Constant, „het is daar een beetje diep, ik -kan er niet bij komen.” - -„Wat is het eigenlijk?” vraagt Arthur. - -„Mijn lieve poppetje,” zegt Geertruid huilend. - -„Wacht maar,” zegt Arthur, „Pandoer kom hier! zoek!” - -Pandoer snuffelt aan Arthur’s hand. - -„Daar! in het water!” - -Pandoer loopt heen en weer langs de beek en kijkt Arthur altijd aan en -springt tegen hem op, maar begrijpt niet wat hij doen moet. - -„Apporte!” roept Arthur en doet alsof hij wat in het water werpt. - -De hond jankt van plezier en is op het punt in de beek te springen, -maar hij ziet geen rimpelje in het water, hij weet niet wat hij -apporteeren moet. - -„Domme hond,” zegt Constant. - -„Neen, slimme hond,” zegt Arthur, „hij laat zich niet voor den gek -houden. Kom hier, Pandoer, luister goed, je moet een pop uit het water -halen, kijk daar is ze.” - -Pandoer ziet zijn baas aan en kwispelt met zijn staart. - -„Neen Pandoer, kijk in het water, daar!” - -Pandoer springt heen en weer en begint te janken. - -„Heb je nog een pop?” vraagt Arthur. - -„Ik heb er negen,” zegt Geertruid. - -„Haal er dan een.” - -„Ja, maar je moogt haar niet in het water gooien.” - -„Neen, zeker niet, haal maar gerust.” - -Geertruid loopt op een draf weg en komt terug met een groote pop. -Arthur neemt haar in de hand, laat er den hond aan ruiken en doet dan -alsof hij haar in het water wil werpen. „Apporte!” roept hij en -verstopt haastig de pop op zijn rug. De hond springt rond, kijkt naar -het water en naar de lucht en dan eensklaps achter Arthur en hapt in de -pop. - -„Neen! neen, neen!” gilt Geertruid, „mijn mooie Emma, pas op!” - -„Wat een domme hond,” zegt Constant. - -„Neen,” zegt Arthur, „ik ben dom, dat ik het hem niet zeggen kan. Daar! -apporte!” Hij gooit zijn hoed in ’t water; dadelijk springt Pandoer hem -na en komt er mee terug bij Arthur. - -„Mooi!” roept Constant, „maar nu is je hoed nat.” - -„Ja, ik kon niet verdragen, dat je mijn hond dom vindt. Kom hier -Pandoer, ruik nu eens goed.” - -Hij houdt hem een grooten steen en dan de pop onder den neus. Als -Pandoer genoeg gesnuffeld heeft, gooit Arthur den steen in ’t water, -dicht bij de verdronken pop. Nu springt de hond in de beek, duikt en -hapt naar den steen, maar hij kan hem niet vast houden, de steen is te -groot en hij komt onverrichter zake terug. Hij schudt zich uit vóor -Arthur’s voeten en kijkt hem jankend aan. - -„Allons! zoek! apporte!” zegt Arthur weer met een gebiedende stem. - -De hond springt weer in het water en nu ziet hij de pop naast den -steen. Gelukkig! denkt Pandoer, hij hapt in de jurk en is in een -oogenblik uit het water met de druipnatte pop in den bek en legt haar -kwispelstaartend voor Arthur’s voeten. - -„Hoezee!” juichen de kinderen, „hoezee! beste Pandoer, knap gedaan!” - -„Hè,” zegt Arthur, „dat heeft geduld gekost. Mijn arme hoed, wat zal -Grootmoeder wel zeggen!” - -Eensklaps keert hij zich naar Constant en zegt: - -„Ga je examen doen voor de H. B. S.?” - -„Ja,” zegt Constant, „de volgende week.” - -„Ik ook,” zegt Arthur. - -„Hè, dat is leuk,” roept Constant verheugd, „dan gaan we samen, gauw -aan Moeder vertellen, ga je mee?” - -Ze gaan samen naar huis, Geertruid is al vooruit geloopen en vertelt -hoe Pandoer Lorre gered heeft. - -„Is het nu een slimme hond of niet?” vraagt Arthur binnenkomend. - -„Een heel slimme,” zegt Mevrouw, „maar ik geloof dat jij ook slim -bent.” - -Arthur lacht en naar de wieg gaande, kijkt hij naar Jantje en aait heel -zacht over het handje, dat op het laken ligt. - -„Aardig diertje,” zegt hij, „ik ben nieuwsgierig hoe je worden zult. -Maar ik moet naar huis.” - -„Moeder,” zegt Constant, „hij gaat ook examen doen, we kunnen samen -gaan, is dat niet leuk? mag ik hem nu wegbrengen tot Conifera? dan -kunnen we er over praten.” - -„Goed jongen, ga maar mee Constant, tot Conifera en dan terug komen.” - -Arthur neemt afscheid en druk pratend gaan de de jongens samen den weg -op. - - - - - - - -HOOFDSTUK III. - - -In een schuur achter de pastorie van Dominé Kemper, is Dries bezig hout -te zagen en klein te hakken. Het is een man van bijna 60 jaar; zijn -gezicht is bruinachtig geel, vol rimpels en zwarte baardstoppels, want -het is Vrijdag en Dries laat zich alleen des Zaterdags scheren. Hij -heeft een dikke wang; Jeanne dacht eerst dat hij kiespijn had, maar nu -weet zij al lang dat het een pruim tabak is. - -Geertruid staat voor de open deur naar hem te kijken. Hij heeft haar -wel gezien, maar hij neemt niets geen notitie van haar. Hij heeft het -laatste blokje van een berkeboom met den bijl doorgekloofd en begint nu -al de houtjes netjes op te stapelen. Hij moet zich gedurig bukken en -als hij dan weer recht staat, trekt hij telkens zijn broek op en steunt -met de hand in den rug, als of hij pijn heeft. - -Geertruid blijft staan kijken en denkt onderwijl het volgende: - -„Zou hij het prettig vinden om die houtjes op te stapelen? ’t Ziet er -wel prettig uit, precies een blokkendoos. Wat heeft hij vuile handen, -ik zou hem niet graag een hand geven, waarom wascht hij ze niet. Hoe -moet ik hem nu vriendelijk maken? hij ziet er alweer knorrig uit. Nu -heeft hij de pruim in de andere wang, vies!” - -„Dag Dries.” - -„Hm.” - -„Dries, ik zeg je goeden dag.” - -„Kom je mij weer plagen?” - -„Neen, ik plaag je niet, ik wil je wel een handje helpen.” - -„Dat kun je net denken, ik heb je hier niet noodig.” - -Geertruid krijgt een kleur en zegt in zich zelf: „zie je nu wel, hij -kan niet vriendelijk worden.” - -Zij loopt op een draf naar huis en zoekt Moeder, die bezig is bij -broertjes wieg kousen te mazen. - -„Moeder, nu heb ik geprobeerd om Dries vriendelijk te maken, maar hij -is knorrig tegen mij, ’t helpt niet.” - -„Wat heb je dan gedaan?” - -Geertruid vertelt alles en Moeder zegt: - -„Nu kan ik wel nagaan, dat jullie hem dikwijls geplaagd hebt, hij -verwacht niets geen goed van je, hij vertrouwt je niet.” - -Geertruid kijkt hare Moeder verschrikt aan, krijgt een kleur en zegt: - -„’t Is een vervelende brompot.” - -„Ja, en dien moet jullie nu veranderen in een vriendelijken man.” - -„Och Moeder, dat kan immers niet?” - -„Geef je nu den moed al op? je hebt nog niets gedaan dan hem goeden dag -zeggen. Denk je dat hij dat zoo prettig vindt? Wat kan hem dat schelen -of zoo’n kind, dat hem altijd plaagt, hem goeden dag zegt? Als hij veel -van je hield, zou hij het wel prettig vinden. Toen ik een klein meisje -was, liep ik zoo graag langs het huis van een oude dame, alleen om een -groetje van haar te krijgen.” - -„Ik weet niet hoe ik het doen moet,” zegt Geertruid klagend. - -„Stel je nu maar eens in de plaats van Dries en bedenk dan wat je graag -zoudt willen. Ga nu maar weer naar buiten.” - -Geertruid gaat langzaam de deur uit, drentelt naar het schuurtje en -gaat op eenigen afstand op een kruiwagen zitten met de hand onder de -kin en peinst en peinst.... - -Dries heeft intusschen de houtjes netjes opgestapeld en een ander stuk -van een boom onder de zaag gelegd; hij veegt den mond af met den rug -van zijn hand en begint weer te zagen. - -Daar komt Mina met een kommetje koffie voor Dries. - -„Mina, Mina!” zegt Geertruid haastig opspringend, „toe laat mij het aan -Dries geven, toe maar, ik zal niet morsen.” - -„Voorzichtig dan,” zegt Mina, „pas op, zachtjes loopen.” - -Geertruid loopt voetje voor voetje met het kommetje naar Dries; dat -gaat gelukkig goed. - -„Dries, daar is een kopje koffie voor je.” - -„Zet daar maar neer,” zegt Dries terwijl hij doorgaat met zagen. - -Geertruid is teleurgesteld; ze had gedacht dat hij haar vriendelijk of -niet vriendelijk zou bedanken, maar toch in elk geval bedanken. - -Ze loopt weer naar huis en vertelt aan Moeder wat ze gedaan heeft. Deze -lacht en strijkt Geertruid liefkozend over haar gladharig bolletje. - -„Houd maar vol, doe je best maar, de man kan niet zoo gauw veranderen, -het is hem nooit geleerd en hij heeft nooit veel vriendelijkheid -ondervonden, hij kent het nog niet. Als je nu altijd vriendelijk tegen -hem bent, zal hij misschien van je gaan houden en naar je verlangen. -Kijk, loopt daar de poedel van Arthur?” - -„Ja!” juicht Geertruid en ze loopt naar den weg. - -„Pandoer! kom eens hier!” - -Daar komt Pandoer aangesprongen en ook Arthur loopt naar het hek van de -Pastorie. - -„Dag Geertruid, is Lorre weer droog?” - -„Ja, maar ze is zoo leelijk opgedroogd, de wangetjes zijn heelemaal wit -geworden.” - -„Zal ik ze opverven? ik heb een kleurdoos.” - -„Kun je het mooi?” - -„Ja zeker, geef maar mee.” - -„Ja maar, ze is heelemaal zoo leelijk, het haar is losgeweekt en het -lijf is zoo raar met bultjes.” - -„O, dat is niets, Grootmoeder weet er misschien wel raad voor, geef -maar hier.” - -Geertruid loopt het huis in en Arthur staat naar Pandoer te kijken die -een kapelletje naloopt. De dorpsklok slaat 12 uur en even daarna komt -Dries langs het huis en gaat het hek uit. Op den weg blijft hij stil -staan, haalt een pijp uit den vestzak en een papieren zak uit zijn jas. -Hij neemt er voorzichtig een beetje tabak uit en stopt dat in de pijp. -Het kleine restje bergt hij voorzichtig weer weg en terwijl hij de pijp -in den mond houdt, trekt hij zijn broek op en haalt een luciferdoosje -te voorschijn. Hij steekt de pijp op met den laatsten lucifer uit het -doosje, dat hij met een knorrig gezicht weggooit en loopt dan naar het -dorp toe. - -Arthur heeft hem goed bekeken en zegt in zich zelf: „Arme drommel.” - -„Hier is Lorre,” zegt Geertruid terug komend, „wanneer breng je haar -terug?” - -„Dat weet ik niet, als ze klaar is, denk ik. Hoe is het met dat kleine -diertje in de wieg? Kan het al haast loopen?” - -„Loopen? nog lang niet, jij hebt ook geen verstand van kleine kinderen; -je moet niet zeggen diertje.” - -„Dat is juist een lief naampje, ik vind een jong hondje ook lief en een -poesje.” - -„En jonge biggetjes,” zegt Geertruid, „en kuikentjes en eendjes; mijn -broertje is toch het liefst van allemaal.” - -„Die man, die hier zoo even het hek uitkwam, was dat jullie tuinman?” -vraagt Arthur. - -„Ik weet niet welke man.” - -„Ik dacht er over, of hij ook een aardig kindje zou zijn geweest met -zulke kleine rose vingertjes en zachte wangetjes.” - -„Wat deed die man dan?” vraagt Geertruid. - -„Hij stak zijn pijpje op; hij had zulke zwarte barsterige handen en hij -liep met een afgezakte broek.” - -„O, dat is Dries!” en Geertruid schatert van het lachen, „hij een lief -kindje! o, hoe bedenk je het!” - -„Ja,” zegt Arthur, „als jouw broertje nu aan arme menschen werd gegeven -en precies zoo opgevoed als Dries, dan kreeg hij later ook zulke handen -en dan ging hij misschien ook tabak kauwen en dan kreeg hij ook zoo’n -vies gezicht.” - -„Hè neen, dat moet je niet zeggen van mijn lief broertje, dan vind ik -je niets aardig.” - -Arthur begint te lachen en zegt: - -„Jantje is nu een heel lief kindje, gelukkig dat hij bij jullie is en -niet bij Dries. Maar het is daarom toch waar wat ik zeg, en Dries is -een arme stumper en ik denk dat niemand van hem houdt. Wat zou ik het -naar vinden als niemand van mij hield.” - -„Dan moest hij maar wat vriendelijker zijn en zich goed wasschen. Zal -ik je eens wat zeggen? Moeder heeft gezegd dat ik hem vriendelijk moest -maken, maar ik weet niets te bedenken om hem een pleziertje mee te -doen; zou jij wat weten? wat zou hij graag willen hebben?” - -„Tabak,” zegt Arthur. - -„Ja? o, gelukkig, ik zal wat aan Vader vragen.” - -„Weet je wat Dries ook wel graag zou willen hebben?” - -„Neen, wat dan?” - -„Een paar bretels.” - -Geertruid kijkt hem nadenkend aan en vraagt: „Bretels? waarvoor?” - -„Wel, om zijn broek mee vast te houden.” - -„O ja, ja! dat zal ik aan Moeder zeggen, gelukkig! nu weet ik wat.” - -„Ik moet gauw naar huis,” zegt Arthur, „dag Geertruid, bonjour!” en met -Lorre vóor in zijn blouse, rent Arthur naar Conifera. - -„Moeder,” zegt Geertruid binnenkomend, „ik weet wat! bretels!” - -Mevrouw Kemper kijkt verwonderd en vraagt: - -„Wat wou je daarmee?” - -„Voor Dries, toe Moesje, mag ik bretels hebben?” - -„Moet Moeder ze koopen en Geertruid ze aan Dries geven?” - -Geertruid zegt aarzelend: - -„Ja, toe Moesje, als ’t u blieft?” - -„Moeder moet zoo veel koopen, je moet iets bedenken dat geen geld -kost.” - -„Hè Moeder, Arthur zei dat Dries zoo blij zou zijn met bretels, is -zeven cent genoeg? die heb ik nog.” - -Mevrouw Kemper lacht en zegt: - -„Ik weet wat, vind je het prettig als het een presentje is heelemaal -alleen van jou?” - -„Ja, dan zou hij misschien wel van mij houden, is zeven cent genoeg?” - -„Ja, maar dan moet je ze zelf breien van geel katoen.” - -„Breien? ikke?” - -„Ja, je kunt immers al recht breien en dan zal ik je wel helpen, je -zult eens zien hoe goed het gaat en telkens als je een flink stuk -gebreid hebt, zal ik je een cent geven om het breikatoen mee te -betalen.” - -Geertruid kijkt haar moeder nog weifelend aan, dan komt er plotseling -een glans over haar gezicht en vroolijk juicht zij: - -„Ik zal zelf de bretels maken en ze zelf betalen! wat zal Dries blij -zijn!” - - - - - - - -HOOFDSTUK IV. - - -Het is Dinsdag morgen, de dag waarop Arthur en Constant examen moeten -doen. Arthur is vroeg opgestaan en na een hartelijk afscheid van -Grootmoeder en van Pandoer, wandelt hij naar den straatweg en ziet -Constant Kemper ook aan komen. Ze hadden afgesproken op denzelfden tijd -de deur uit te gaan en uitgerekend samen te komen bij het huis van -Jacob Drieman, den bode en dat komt precies uit. - -„Zeg, Arthur,” roept Constant als hij dicht bij dezen is, „weet je dat -Pandoer daar achter je in die droge sloot loopt?” - -„Pandoer?” zegt Arthur verschrikt, „en ik heb hem thuis opgesloten en -gezegd, dat hij niet mee mocht. Allons Pandoer, gauw naar huis!” -Pandoer blijft stil staan. - -„Allons! naar huis!” zegt Arthur. - -Pandoer gaat op den grond liggen en kwispelt met zijn kort staartje. - -„Hij zal wel terug gaan,” zegt Arthur, „hij is gehoorzaam, kom, laten -we maar gaan.” - -De jongens stappen door en kijken nog eens om en Pandoer blijft stil -liggen. - -Een eind verder kijkt Arthur nog eens om en Pandoer is weg. - -„Gelukkig, ik dacht het wel, het is een gehoorzame hond.” - -Druk pratend loopen de jongens verder. Het is heerlijk weer, niet al te -warm, juist prettig zomerweer. - -„Voor het rekenen ben ik niet bang,” zegt Constant, „maar voor -geschiedenis en Fransch.” - -„Ik juist andersom,” zegt Arthur, „en dat is veel erger, ze letten het -meest op goed rekenen. Ik heb geen rekenhoofd. Wel sapperloot!” - -„Wat is het?” vraagt Constant. - -„Die ondeugende hond!” en Arthur wijst vooruit, waar Pandoer midden op -den weg staat met den staart tusschen de pooten. - -„Hij weet het best, die rakker, wat moet ik nu doen? hij mag niet mee, -ik weet niet waar ik hem laten moet; verbeeld je, dat hij op het examen -binnen kwam, ’t zou een reden zijn om te zakken.” - -„Je zult hem naar huis moeten brengen, laten we maar gauw omkeeren, ’t -is vroeg genoeg.” - -Arthur is blij met dien voorslag en op een holletje loopen ze terug, -Pandoer achter hen aan. - -„Nu zullen we je beter opsluiten,” zegt Arthur, terwijl hij met den -hond de voordeur van Conifera binnenkomt. - -„Pas op, laat hij het niet hooren,” zegt Constant lachend „hij is zoo -slim.” - -„Kom hier Pandoer!” en Arthur laat hem de spreekkamer in. O jé, het -raam staat open en dat ziet Pandoer ook; floeps! er uit, en in dolle -sprongen rent hij over het gazon. - -„Jongens,” roept Grootmoeder uit de eetkamer, „wat is dat? waarom ben -je terug gekomen?” - -„Och Grootmoeder, ik had Pandoer opgesloten en nu is hij ons -nageloopen, hij mag niet mee, wie heeft hem losgelaten?” - -„Dat weet ik niet, maar daar moet beter voor gezorgd worden. Rika! kom -eens gauw hier!” - -Arthur heeft intusschen met veel moeite den hond te pakken gekregen en -brengt hem weer in de spreekkamer. Constant heeft het raam dicht -gedaan. - -„Ziezoo, zoet zijn! pas op als je me weer na loopt.” - -Hij draait den sleutel om en vraagt aan Grootmoeder en aan Rika of ze -er alsjeblieft goed op willen passen en hem niet loslaten voor 12 uur. - -„Wil je hem als wij weg zijn, zijn waterbakje geven, Rika?” - -„Ja, ik zal wel voor hem zorgen.” - -Terwijl Pandoer een deuntje huilt, loopen de jongens op een draf naar -de stad. - -Ze komen gelukkig nog bijtijds aan het gebouw der Hoogere Burgerschool, -waar reeds verscheiden jongens en vier meisjes heen en weer drentelen. - -„Weet jij wie Marietje Geukestein is?” vraagt Arthur. - -„Neen, ik ken hier niemand, we wonen nog zoo kort in Adorp.” - -„Wie zou het zijn, die kleine dikkert, met die lange zwarte haren?” - -„Neen, ik denk eerder die lange blonde met die blauwe jurk.” - -„Hè neen, ik denk de zwarte,” zegt Arthur. - -„Die met de groene jurk kan het ook wel zijn.” zegt Constant. - -„Och jongen, die heeft al opgestoken haar, die is zeker voor de 4de -klasse.” - -„En die andere dan met de donkerblauwe jurk en het blonde haar?” - -„Die is nog zoo klein, veel kleiner dan Lili, neen, die is het zeker -niet.” - -„Nu, we zullen het wel gauw merken.” - -De deur van de school wordt geopend; er klinkt een schel, de concierge -komt op de stoep en verzoekt de jongens en meisjes binnen te gaan. - -„Die voor de 1ste klasse hier links,” zegt hij, „de anderen de trap op -naar boven.” - -Arthur en Constant gaan met verscheiden anderen, waaronder ook drie van -de vier meisjes, in een groot lokaal links en dadelijk daarna komt een -heer binnen. - -„Goeden morgen jongelui, examen doen? vooruit dan maar.” - -Hij haalt een aanteekenboek uit zijn zak en leest op: - -„Johannes Bredero.” - -Een lange jongen met voorovergebogen hoofd en slappe knieën komt -verlegen naar voren. - -„No. éen, ga daar zitten.” - -Hij wijst op een bank, dicht bij het bord. - -„No. twee, Gerard Bunte.” - -„Het gaat alphabetisch,” fluistert Constant Kemper Arthur in het oor, -„nu komen wij hoop ik bij elkaar, eerst de K en dan de M.” - -„Als er geen met een L zijn,” zegt Arthur. - -„No. drie, Anna Fladder.” - -Het meisje met het zwarte haar komt naar voren. - -„Dat is dus Marietje niet,” fluistert Arthur. - -„No. vier, David Godard.” - -Een dreumes, met vroolijke, guitige oogjes, stapt haastig uit de rij en -gaat met opgeheven hoofd voor den heer staan. Deze ziet hem lachend aan -en zegt: - -„Op die bank daar! en geen gekheid maken.” - -David trekt een gezicht en springt in de bank. - -„Pas op, nu zal Geukestein komen,” fluistert Arthur. - -„No. vijf, Anthonie Gaarland.” - -„No. zes, Marie Geukestein.” - -Het kleine meisje met de donkerblauwe jurk en het blonde haar, wordt -door de lange blonde vooruit geduwd, zoodat ze bijna struikelt en met -een kleur voor mijnheer komt te staan. - -Deze ziet met een misnoegden blik naar de lange blonde en zegt dan -vriendelijk: - -„Zoo Marietje? ben jij daar ook? flink, kleine meid, jij op die bank.” - -Zoo gaat het door tot no. tien, dat is Amalia Keer en dan: - -„No. elf, Constant Kemper.” - -Arthur ziet de overblijvenden rond en denkt „wie nu?” - -„No. twaalf, Karel Kever.” - -„No. dertien, Arthur Mung.” - -„Een er tusschen, dat is jammer,” denkt Arthur, terwijl hij naar de hem -toegewezen plaats gaat, juist achter Marietje Geukestein. Deze kijkt -aandachtig naar hem en Arthur kan niet laten haar toe te knikken. -Vriendelijk lachend knikt ze terug en kijkt gauw vóór zich. - -Nu komen er nog verscheiden jongens tot no. 25 toe en dan begint het -examen. Eerst schriftelijk werk, rekenkunde en Nederlandsch en er is -altijd iemand om toezicht te houden, ze mogen elkaar volstrekt niet -helpen. Wie het werk af heeft, mag heen gaan en om half twee moeten ze -terug komen voor het mondeling examen. - -Constant is iets vroeger klaar dan Arthur en blijft buiten op hem -wachten. Als hij hem eindelijk de stoep ziet afkomen, vraagt hij: - -„Heb je moed?” - -„Neen, heelemaal niet, ’t is mis hoor.” - -„Kom, je moet niet zoo gauw den moed verliezen, waarom zou het mis -zijn?” - -„Ik kon die derde som niet goed krijgen.” - -„Heb je de anderen goed?” - -„Ja, dat geloof ik wel.” - -„Nu, dan behoef je niet zoo bang te zijn, als je het andere werk ook -goed hebt.” - -„O, dat andere, dat was zoo gemakkelijk, dat kan een klein kind wel.” - -„Nou,” zegt Constant, terwijl hij zich achter het oor krabt, „vond jij -dat dictée zoo gemakkelijk?” - -„Ja, jij niet?” - -„Neen, ik verstond het niet altijd.” - -„O, dat hindert niet, als je maar geen taalfouten hebt gemaakt. Waar is -nu de melkinrichting?” - -„Het moet dien kant uit zijn,” zegt Constant en omziend, bemerkt hij -dat Gerard Bunte achter hen loopt. - -„Weet jij soms waar de melkinrichting is?” vraagt Constant. - -„Jawel, ik ga er ook heen, laten we samen gaan.” - -Arthur loopt een eind mee en vraagt aan Gerard: - -„Woon je hier niet?” - -„Neen, ik woon buiten de stad, drie kwartier hier vandaan, dicht bij -Bdorp. - -„Dat is juist den anderen kant op,” zegt Constant, „wij wonen in -Adorp.” - -Ze praten over het examen en over verschillende jongens en meisjes en -Gerard zegt lachend: „zou no. éen een bolleboos zijn?” - -„Die stakker,” zegt Arthur, „hij zal wel no. laatst worden en hij lijkt -al zoo oud; wat zat hij suf te kijken.” - -„Ongelukkig toch, als je zoo bent,” zegt Constant. „Die kleine David is -een kranig kereltje, welk een verschil, die heeft vrij wat prettiger -leven dan die slappe jongen, daar kun je zeker van zijn.” - -„Die slappe kan het toch zeker niet helpen en voor David is het geen -verdienste,” zegt Arthur nadenkend, „maar nu moet ik die straat in, -daar woont Oom Bantam, bonjour!” - -Constant en Gerard gaan samen verder, om in de melkinrichting hun -boterhammen op te eten. - -Als Arthur bij Oom en Tante Bantam binnen komt, wordt hij dadelijk -begroet met de vraag: - -„En hoe is het gegaan?” - -Hij vertelt alles en Lili vindt het grappig, dat hij juist achter -Marietje Geukestein heeft gezeten. - -„Had zij moeite met haar werk?” - -„Neen, ik geloof het niet, ze zat heel vlug te schrijven, ik geloof dat -ze al de zinnen af had. - -„O dat dacht ik wel, maar het rekenen?” - -„Toen zat ze lang met de handen onder het hoofd en ze zuchtte.” - -„O jé! ik hoop toch zoo dat ze er door komt.” - -Arthur vertelt van den slappen Johannes Bredero en Oom Bantam zegt: - -„O, dat is een jongen, die geen ouders meer heeft en bij een getrouwde -zuster aan huis woont; met dien jongen moet je medelijden hebben, hij -bezit geen cent en is geheel afhankelijk van zijn zwager en zuster.” - -„Die arme jongen.” - -„Ja, zeg dat wel en help hem voort als je kunt. Maar vertel eens wat -van den jongen Kemper.” - -„O, dat is een leuke jongen, en hij is knap, hij zal er wel komen.” - -„Nu, ik hoop, dat jullie er allebei komt. Maar hoe is die familie van -hem?” - -„Aardige menschen; ik heb gisteren voor het eerst den dominé gezien, -hij leert Constant zoo veel, hij vertelt zooveel, vooral op de -wandeling. Ik wou dat Papa en Mama ook hier waren.” - -„Ja, beste jongen,” zegt tante hartelijk, „dat wou ik ook; maar als je -iets hebt dat je hindert, dan kun je het hun schrijven en je weet, dat -ze altijd in de verte aan je denken en prettige brieven aan je -schrijven, dat heeft die Johannes niet.” - -Arthur ziet Tante aan en zegt: - -„Ik heb het veel beter dan die jongen en dan bij die lieve Grootmoe te -zijn: als ik nu maar door mijn examen kom.” - -„Heeft Constant Kemper ook zusjes?” vraagt Lili. - -„Ja, Jeanne en Geertruid en nog een klein broertje. O ja, ik heb een -pop van Geertruid thuis, die moet ik opverven en opknappen, maar -Grootmoeder zegt, dat het geen jongenswerk is.” - -„Neen, dat denk ik ook,” zegt Lili, „dat zou juist een werkje voor mij -zijn. Breng haar morgen maar mee.” - -„O graag, ik ben al bezig geweest met verven, maar het ging niet.” - -Arthur vertelt, hoe Pandoer de pop uit de beek heeft gehaald en dan op -de klok ziend: - -„Doossie! ik moet weg, kijk, daar staan Constant en Gerard Bunte op mij -te wachten. Dag Oom, dag Tante, dag Li! tot morgen!” - -„Denk aan de pop!” roept Lili. - -„Ja!” - - - -Dien middag hebben de jongens nog angstige oogenblikken als hun veel -over geschiedenis en aardrijkskunde wordt gevraagd, maar ze boffen nog -al, Arthur krijgt zelfs een heerlijke beurt over Karel den Grooten en -daardoor wordt hij zoo moedig, dat hij verder ook met veel -zelfvertrouwen antwoordt. Constant maakt het ook goed en denkt: -„gelukkig dat ik den laatsten tijd zoo hard gewerkt heb.” - -Ze moeten den volgenden dag om 9 uur terug komen. - -„Hè,” zegt Constant op de terugwandeling, „het valt me nu nog al mee, -maar ik wou dat ik mijn Nederlandsch nog even mocht verbeteren, ik heb -me leelijk vergist.” - -„Kijk,” zegt Arthur, „is dat onze bode met zijn karretje?” - -„Ja, Jacob Drieman, wat heeft hij het warm, ’t is ook een heel -vrachtje. Dag Jacob! druk gehad?” - -„Ja jongeheer, ik zal blij zijn als ik thuis ben, ik heb den mond vol -stof.” - -„Ja, dat komt omdat je achter je wagen loopt.” - -„Als ik een ezel was, liep ik er voor; had ik er maar een.” - -„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Arthur, en de jongens loopen verder en -laten Jacob gauw een eind achter zich. - -„Kijk! kijk! dacht ik het niet? Grootmoeder heeft hem los gelaten. -Pandoertje! ben je daar? ja, nu mag je wel, beste hond! van morgen was -je een rakker, och, eigenlijk toch niet, ho, ho, gooi me niet om, -bedaar een beetje, zoo, nu is ’t genoeg.” - -Vroolijk stoeiend met den hond, loopen de jongens naar huis, Arthur -naar Conifera en Constant naar de Pastorie. - -Jeanne en Geertruid staan bij het hekje uit te kijken en roepen al van -verre: - -„Kom je er door?” - -Constant lacht en roept terug: - -„Ja, door het hek, heel graag!” - -„Och neen, door het examen!” - -„O, dat weet ik niet. Wat heb je daar in je schort?” - -Geertruid heeft haar schort opgenomen en achter vast geknoopt. - -„Daar zit mijn kluwen in, ik brei.” - -„Och dat kind,” zegt Jeanne, „nu loopt ze den heelen dag te breien, in -den tuin en thuis en op de trap, overal.” - -„Ja, het moet ook gauw af, kijk eens, zoo’n eind heb ik al!” - -Ze laat een band zien, gebreid van geel breikatoen. - -„O, dat worden bretels voor Dries, mooi!” zegt Constant en hij loopt -gauw naar zijn vader, die op de stoep naar hem uitkijkt. - -„Dag Vader, ik had al de sommen af en het andere gaat nog al.” - -Ze gaan samen naar binnen en Constant moet alles vertellen en zijn -Moeder vraagt hem of hij de melkinrichting wel gevonden heeft en hij -vertelt van Gerard Bunte, die met hem meeging en wel een aardige jongen -lijkt te zijn. - -„Hè,” zegt Constant, „’t is toch wel leuk om naar de Hoogere -Burgerschool te gaan, ik hoop maar dat ik altijd over zal gaan en -Arthur ook.” - -„Waardeer het nu vooral, dat je goed kunt leeren en de dingen gauw kunt -begrijpen. Er zijn er zoo veel, die heel graag willen maar niet -kunnen.” - - - - - - - -HOOFDSTUK V. - - -Den volgenden morgen gaan de jongens wederom naar de stad; Arthur neemt -Lorre mee in zijn blouse en brengt haar bij Lili, waarna hij zich met -Constant naar de H. B. S. begeeft. Ze maken nader kennis met de jongens -en meisjes en hebben veel plezier met David Godard, die al de heeren -precies kan nadoen. Arthur praat met Marietje Geukestein en zij vertelt -hem, dat zij dien avond bij Lili gevraagd is. - -„Vind je het niet heerlijk dat Lili bijna alleen kan loopen?” vraagt -zij. - -„Ja, daar ben ik verbazend blij om.” - -„Mijn Papa heeft haar beter gemaakt!” zegt zij met een gelukkig -gezicht. - -Nu worden ze opgeroepen en als ze tegen half 12 klaar zijn, hebben -Arthur en Constant nog al moed. Ze gaan samen koffie drinken bij Lili’s -ouders en deze vinden Constant een aardige, flinke jongen. - -„Wanneer kun je den uitslag hooren?” vraagt de heer Bantam, - -„Zaterdag om drie uur.” - -„Komt dan samen hier koffie drinken.” - -„O, graag!” zeggen beide jongens. - -Na de koffie gaan ze Lili’s boeken en verzamelingen bekijken en Lili -zegt: - -„Wat ziet Lorre er ongelukkig uit; ik denk dat ik er een ziek kind van -zal maken, van avond met Marietje, we zullen wel iets bedenken.” - -De jongens nemen afscheid en Oom zegt: - -„Arthur, als je er door bent, zullen we Zondag op Conifera komen koffie -drinken, vraag maar aan Grootmoeder of dat goed is.” - -„Heerlijk!” roept Arthur en de jongens wandelen vroolijk de stad uit. - -„Heb je nu ooit!” roept Arthur, „daar komt Pandoer aan.” - -„Je zult zien,” zegt Constant, „dat hij een goeden dag de school komt -binnen stuiven, dat zou een mooie mop zijn!” - -De hond is uitgelaten blij als hij Arthur ziet en het wordt weer een -dolle stoeipartij. - -„Hè, wat lucht het op, dat het examen achter den rug is! als we er nu -maar door zijn.” - -„Ja,” zegt Constant, „voor het Fransch ben ik het meest bang.” - -„O, dat komt er niet zóó erg op aan; jij hebt je sommen goed en ik -niet, dat is erger voor mij.” - -Ze gaan nu alles nog eens na en nemen zich voor, in het vervolg extra -best te leeren, dan behoeven ze niet zoo bang te zijn voor de volgende -examens. - -Thuis komende, ziet Constant de beide zusjes bij Moeder in het prieel -en de wagen met broertje er in, wordt door Sientje, het kindermeisje, -heen en weer gereden. - -„Kijk eens Constant!” roept Geertruid, en zij houdt een langen, -gebreiden band in de hoogte. - -„Dag Moeder, dag zussen! wel kind, heb je dat allemaal gebreid?” - -„Ja, ik begrijp het zelf niet,” zegt Geertruid, „gisteren avond was het -nog maar zóó ’n stukje en van morgen was het zóó lang!” - -„Dat is wonderlijk, waar heb je het neergelegd?” - -„Vóór mijn bed.” - -„En heb je niets gehoord van nacht? geen gekletter van breinaalden?” - -„Neen,” zegt Geertruid verbaasd, „ik heb geslapen.” - -Moeder lacht en vraagt: - -„Is het examen nog al goed geweest van morgen?” - -„Ja, redelijk, het was Fransch en mijnheer vond mijn uitspraak slecht, -maar dat hindert niet voor het examen, maar de werkwoorden!” - -„Jammer, dat je die niet meer gemaakt hebt met Vader.” - -„Ja Moeder, dat heb ik ook al gedacht; Arthur en ik zijn Zaterdag -alweer op de koffie gevraagd bij mijnheer Bantam, om daarna den uitslag -van ’t examen te hooren en Lili zal Lorre opknappen.” - -„Lili?” vraagt Geertruid, „ik dacht dat Arthur het zou doen.” - -„Neen, hij kan het niet, Lili zal het veel mooier doen met Marietje -Geukestein. Lili komt Zondag op Conifera, als Arthur er door is.” - -„Ja?” roepen Jeanne en Geertruid te gelijk. - -„Ze wil graag kennis met jullie maken,” zegt Constant. - -Jeanne krijgt een kleur van plezier en Geertruid zegt: - -„Zullen we er Zondag voorbij wandelen als ze er is?” - -„Wacht maar eens af,” zegt Moeder, „misschien komt zij Lorre terug -brengen.” - -„Hè ja,” juicht Jeanne, „en dan mag ze al onze poppen zien, ik ga ze -gauw netjes maken; ga je mee Geertruid?” - -Geertruid springt op en laat haar breiwerk bij Moeder liggen. - -Als de meisjes weg zijn, vraagt Constant. - -„Heeft u er aan gebreid, Moeder?” - -„Neen, Sientje deed het.” - -„Zoo zal het wel gauw afkomen.” - -„Ja, ze breit met zoo’n ijver, ze mag wel een beetje geholpen worden, -het duurt anders zoo lang.” - -Constant neemt het breiwerk op en zegt: - -„Zou ik het niet kunnen?” - -„O, ja wel, insteken, omslaan, doorhalen, maar dat is nu geen -jongenswerk.” - -„Ik wil het toch probeeren.” - -Constant doet zijn uiterste best, maar hij laat de steken vallen en als -Sientje lachend blijft staan kijken, wordt hij ongeduldig en gooit het -breiwerk van zich af. - -„Neen Constant, nu je gebroddeld hebt, moet je het ook weer in orde -maken,” zegt Moeder. - -„Hè, ik kan het niet.” - -„Je moet in het vervolg niet weer aan een ander man’s werk komen; maar -kom hier, steek de naald daar in, zoo, en nu dien steek en nu dien.” - -Constant is met een kleur van warmte en inspanning bezig, tot het weer -in orde is en dan neemt hij zich voor, nooit weer een breiwerk in -handen te nemen. - - - -„Hoezée! we zijn er allebei door!” - -Zoo juichend, komt Arthur het huis van Oom Bantam binnen vliegen en -Constant blijft aan de voordeur staan. - -„Ik feliciteer je!” zegt Tante vroolijk en Oom en Lili wenschen hem ook -hartelijk geluk, ze vragen dadelijk naar Constant en roepen hem binnen. - -„Is Marietje er ook door?” vraagt Lili. - -„Ja, met glans, maar Anna Fladder is gezakt, vreeselijk jammer, het -arme kind, ze is huilend weggeloopen en Marietje liep met haar mee om -haar te troosten.” - -„En Amalia Keer?” - -„O, die is er door, zij en Marietje zijn nu de eenige meisjes. Er zijn -5 jongens gezakt.” - -„Bredero zeker ook?” - -„Neen, hij is er door, ik was toch zoo blij voor hem, ik ben hem -dadelijk gaan feliciteeren, hij kon geen woord zeggen van vreugde. Hij -was verleden jaar gezakt. Kom Constant, gauw naar huis.” - -„Morgen komen we!” zegt Oom, „we brengen een taart mee, laat -Grootmoeder daar maar op rekenen.” - -De jongens loopen op een draf naar huis; ze springen over verscheiden -mijlpaaltjes, ze nemen voor iedereen de pet af, zelfs voor koeien en -schapen en honden en als Arthur Conifera ziet, gaat hij van verre -wuiven, want Grootmoeder en Rika zullen wel uitkijken. - -Ja, daar gaat de voordeur open en Pandoer, met een vuurrooden strik aan -den staart, wordt door Grootmoeder uitgelaten en holt Arthur te gemoet. -Welk een dolle vreugde! Als Pandoer herhaalde malen tegen Arthur is -opgesprongen, begint hij in ’t rond te loopen om den strik van zijn -staart te trekken. Arthur staat te schudden van het lachen; Pandoer -draait als een dolleman in ’t rond en hij kan den strik niet krijgen, -maar hij is slim, hij staat een oogenblik stil, bedenkt zich en rent in -volle vaart door het struikrozen perk en daar blijft de strik aan een -doorn hangen. - -„Slimmert!” zegt Arthur en haast zich naar Grootmoeder toe en omhelst -haar onstuimig en laat zich ook door Rika en den tuinman geluk -wenschen. - -„Hè,” zegt Arthur eindelijk, „nu kan ik begrijpen hoe akelig het is om -te zakken. Wat zal ik mijn best doen om het volgend jaar over te gaan; -is u dan weer zoo blij, Grootmoeder?” - -„Zeker! of ik!” - - - - - - - -HOOFDSTUK VI. - - -„Arthur,” zegt Grootmoeder Zondag morgen, „hoe zou je het vinden, als -we Constant Kemper op de koffie vroegen?” - -„Hè, prettig Grootmoeder.” - -„Nu, ga hem dan maar halen, maar dadelijk terug komen, want Oom en -Tante kunnen al gauw hier zijn.” - -„Hé, leuk,” zegt Arthur, „dan kunnen we samen na de koffie Lili in den -wagen naar het bosch rijden. Kom Pandoer! ga je mee?” Ze loopen om het -hardst, maar Pandoer wint het, hij loopt wel drie maal den weg vooruit, -terug en om Arthur heen, en keffend loopt hij een troep musschen na, -die voor hem uitvliegen en hem uitlachen, want hij kan hen toch niet -krijgen. - -Arthur komt al de kerkgangers tegen, want de kerk is juist uit. - -„Nu kan ik dominé Kemper misschien ook zien,” denkt Arthur, „ik zie hem -bijna nooit, hij heeft het altijd zoo druk. Constant zal vragen of ik -eens mee mag gaan op een wandeling, het is zoo’n aardige man, hij -vertelt zoo prettig.” - -Bij de Pastorie komend, ziet hij Jeanne voor het huis. - -„Is Lili er al?” vraagt zij. - -„Neen nog niet; waar is Constant?” - -„Hier! boven!” roept deze uit een raam, „kom maar hier.” - -Arthur kent al goed den weg in huis en als hij op den overloop komt, -ziet Geertruid hem en roept hem op de kinderkamer. - -„Kijk, hier zijn ze allemaal, behalve Lorre; zijn ze nu niet netjes -aangekleed? en nu mag ik broertje op schoot hebben.” - -Arthur gaat naar Mevrouw Kemper, die juist uit de kerk gekomen, bezig -is Jantje de flesch te geven. - -„Dag Mevrouw, dag Geertruid en och, wat is het toch een aardig ding, -zoo’n klein kind. Mag Constant bij ons komen koffie drinken?” - -„Dat zal hij prettig vinden.” - -Daar komt Constant binnen en Geertruid roept dadelijk: - -„Constant, jij bent gevraagd op Conifera en wij niet.” - -„Maar Geertruid!” zegt Mevrouw, „wat dacht je wel, zoo’n klein meisje -bij een grooten jongen?” - -Geertruid laat het hoofd hangen en zegt heel zacht: - -„Bij Lili.” - -Arthur lacht en zegt: - -„Ik kan er niets aan doen, Grootmoeder heeft alleen Constant gevraagd. -Ga je mee Constant!” - -„Graag,” zegt deze en na afscheid genomen te hebben, gaan ze de deur -uit naar beneden. - -„Even Vader goedendag zeggen,” zegt Constant en hij gaat naar zijn -vader’s kamer. - -„Vader, Arthur komt mij halen, Mevrouw Mung heeft mij op de koffie -gevraagd.” - -„Wel jongen, dat tref je, dat is zeker ter eere van het examen; dag -Arthur, ik wensch je geluk, prettig, hè? om door ’t examen te komen, -doe jullie maar je best, je moet nog zoo veel examens doen, dat kunnen -dus nog veel prettige oogenblikken zijn bij welslagen, maar o wee! als -je niet slaagt, dat is heel ellendig, dat begrijp je nu wel, niet waar? -je kunt er nu nog veel aan doen, maar als je eerst een jaar luiert en -je tijd verknoeit, dan is het heel moeielijk, soms onmogelijk om het -weer in te halen. - -„Prettig dat je nu nog zoo’n mooien tijd vóor je hebt. Ga je eens mee -wandelen Arthur? morgen avond na het eten ga ik een zieke bezoeken, een -klein uurtje hier van daan. Constant zei, dat je wel eens mee zoudt -willen.” - -„O, heel graag dominé, morgen avond? ik zal het aan Grootmoeder -vragen.” - -„Best, ga jullie nu maar gauw naar Conifera en groet Mevrouw Mung.” - -De jongens haasten zich de deur uit en Jeanne roept hen na: „de groeten -aan Lili!” - -Pandoer is blij dat ze weer op weg gaan, hij houdt niets van visites -maken, vooral als hij op de stoep moet blijven zitten. Jeanne heeft hem -wel een beetje gestreeld en tegen hem gepraat, maar zoo’n vreemde jonge -juffer, och neen, daar geeft hij geen zier om. - -„Dat treft, dat jij bij je Grootmoeder bent gekomen, ik was hier tot nu -toe zoo alleen,” zegt Constant. - -„Nu, ik tref het ook, dat jij hier woont, anders was ik hier alleen. En -dat we in dezelfde klasse komen en hetzelfde werk moeten maken, dat is -prettig. We kunnen elkaar ’s morgens op de wandeling de lessen over -hooren.” - -„Jongens ja, dat is leuk.” - -„Kijk nu toch zoo’n malle hond, wat rent hij over den akker, hij speelt -krijgertje met de leeuweriken; wat zou er gezaaid zijn?” - -„Dat is boekweit,” zegt Constant, „ik denk niet dat de eigenaar het -prettig zal vinden, dat Pandoer daar zoo doorheen ravot.” - -„Neen, dat is waar; Pandoer! kom hier!” - -Dadelijk staat de hond stil, kwispelt met zijn kort staartje en rent -dan regelrecht naar Arthur toe en blijft bedaard, maar hijgend en met -den tong uit den bek achter hem loopen. - -„We zullen na de koffie met Lili naar het bosch gaan,” zegt Arthur, -„wil je me helpen om Lili’s wagen te duwen?” - -„Zeker,” zegt Constant, „een er voor en een er achter.” - -„Ja, dan vragen we een touw aan den baas. Zeg, houdt je van kersen?” - -„Nou, of ik! heb jullie die?” - -„Ja, Grootmoeder heeft gisteren avond een mand vol gekregen.” - -„Hoor! een rijtuig!” zegt Constant en omziende, bemerken ze in de verte -een stofwolk boven het eikenhakhout, bij de kromming van den weg. - -„Gauw! ieder op een paal van het hek, we zijn standbeelden.” - -Ze klauteren er boven op en als het open rijtuig nadert, zien ze -mijnheer en mevrouw Bantam met twee meisjes. - -„Wie is dat meisje?” vraagt Arthur, „o ik zie het al, het is Marietje -Geukestein, dat is grappig, ook al ter eere van het examen. Hoezee!” -roept hij wuivend, als het rijtuig door het hek gaat en dan springen de -jongens op den grond en draven achter het rijtuig aan, en de meisjes -lachen en zeggen allerlei dingen waarvan de jongens niets verstaan, -door het ratelen over het nieuw gestrooide grind. - -Welk een vroolijk troepje aan de koffietafel bij Mevrouw Mung. Midden -op de tafel staat de mooie taart, die Oom en Tante hebben meegebracht -en op de taart is een jongetje van suiker met een vlag in de hand en -met witte suikerletters is er op geschreven: - -„Lang leve Arthur Mung!” - -„Grootmoeder,” zegt Arthur, „voor wie is dat poppetje?” - -„Voor jou.” - -„Dan geef ik het aan Geertruid. Ze was bedroefd, omdat zij niet mee was -gevraagd.” - -„Ja? dat lieve kleine ding; wil je haar na de koffie gaan halen om -kersen mee te eten?” - -„Hé ja,” zegt Arthur verheugd, „maar...” - -„Wat is het?” - -„Het zal zoo naar zijn voor Jeanne.” - -„O natuurlijk, die moet meekomen.” - -Nu gaat er een gejuich op; Lili en Marietje vinden het ook zoo prettig, -want ze hebben samen Lorre in orde gemaakt en meegebracht en willen -graag hooren, wat Jeanne en Geertruid er van zullen zeggen. - -Zoo gauw ze dan ook klaar zijn en van tafel mogen opstaan, gaan de -jongens naar de pastorie en komen heel gauw terug met Jeanne en -Geertruid. Lili en Marietje hebben op de canapé een bedje gemaakt voor -Lorre en haar toegedekt met een theedoek. - -De beide kleine meisjes komen een beetje verlegen binnen en kijken met -verwonderde oogen naar Lili, die haar op Marietje geleund, tegemoet -loopt. Maar ze zijn gauw op dreef, vooral als Lili vraagt, of ze niet -nieuwsgierig zijn naar Lorre. - -„Ja,” zegt Geertruid, „is ze weer goedgeworden?” - -„Ga haar maar zoeken, ze is hier in de kamer, maar ze is nog een beetje -zwak, praat niet te hard, de stumper is zoo ziek geweest.” - -Jeanne loopt de heele kamer rond en kijkt in alle hoekjes en achter -alle gordijnen, maar Geertruid blijft stil staan, kijkt in het rond en -loopt dan regelrecht naar de canapé. - -„Ik heb haar!” juicht ze, „mijn lieve Lorre! maar wat heeft ze? een -doek om het hoofd?” - -„Ja,” zegt Marietje, „dat is een koudwaterverband voor de hoofdpijn en -kijk, hier zijn de medicijnen, die ze moet innemen.” - -Geertruid ziet haar verwonderd aan en Jeanne bekijkt een klein -fleschje, waar suikererwtjes in zijn; er staat op: elken avond twee -pillen. Op een poederdoosje staat: om de twee uur een poeder met een -weinig water. Ze vouwt een papiertje open en ziet dat het witte suiker -is. Op een fleschje staat: goed schudden, elken morgen een eetlepel en -dan is er een potje met zalf en een rolletje windsel. - -„Hier heb je ook een recept,” zegt Marietje, „akwa pompa, sucria en -stroopia, dat is voor het hoesten; Lorre heeft een hoestkwaal gekregen -toen ze in de beek lag en haar hoofd is een beetje raar, ze droomt zoo -gek en ze heeft een droom aan Lili verteld.” - -Jeanne schatert van het lachen, maar Geertruid luistert zoo ernstig en -een beetje angstig. Lili zegt: - -„Vind je het niet grappig, Geertruid? zal ik je den droom vertellen?” - -„Als je blieft,” zegt Geertruid verlegen. - -„Komt meisjes, ga jullie nu mee?” roept Arthur, „de wagen is klaar, kom -Lili, ik zal je wel helpen.” - -„Mag Lorre mee?” vraagt Geertruid. - -„Zeker,” zegt Lili. - -Geertruid neemt de pop heel voorzichtig in haar armen, alsof het haar -kleine broertje was en als ze buiten komen, staat Grootmoeder met den -heer en mevrouw Bantam bij den wagen en helpen er Lili in. Pandoer -staat er ook bij. Daar komt Rika met een mand. - -„Ha! de kersen!” juicht Arthur. - -„Kan de mand in den wagen staan?” vraagt Rika. - -„O ja,” zegt Lili, „hier naast mijn voeten, ik zal haar wel vast -houden. - -„Nu kinderen,” zegt Grootmoeder, „ga jullie nu maar vooruit, wij komen -ook.” - -Daar gaan ze heen, Constant duwt den wagen, Arthur loopt er voor en -trekt met een stevig touw. Ze gaan door den moestuin, de wagen kan -juist door het hekje en dan zijn ze in den dikken zandweg. - -De jongens hebben een zware vracht, de wielen zakken zoo diep in het -zand, maar ze zijn sterk en vol ijver. - -Geertruid loopt met Marietje rechts en Jeanne links van den wagen. Het -is heerlijk in het bosch, zoo’n prettige frissche warmte. Aan beide -zijden van den weg zijn hooge walletjes, begroeid met mos, varens en -boschbessen. Dikke boomwortels komen er tusschen uit en onder die -wortels zijn allerlei holletjes van veldmuizen, wezeltjes, konijntjes -en torren. - -„Geertruid,” zegt Lili, „laat Lorre goed naar al die holletjes kijken, -dan droomt ze er van.” - -„Lorre slaapt, ze is zoo blij dat ze weer bij mij is,” zegt Geertruid. - -„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Lili lachend, „ik denk dat ze nu wel -gauw beter zal zijn.” - -„Hè,” zegt Arthur hijgend, „laten we eens even stil staan, buu! wat heb -ik het warm.” - -Hij gooit het touw op den grond en gaat op het walletje zitten. Daar -neemt Pandoer het touw in zijn bek en begint te trekken, Marietje en -Jeanne gaan dadelijk duwen en zie, daar gaan ze, onder luid gejuich van -allen. Maar Pandoer heeft er gauw genoeg van, hij schudt het touw heen -en weer en gooit het in de lucht en daar staan ze, midden in het dikke -zand. De jongens komen bij haar, en allen gaan rondom den wagen op de -walletjes zitten. - -„We behoeven ook niet zoo ver te gaan,” zegt Lili, „het is overal mooi -om te zitten. Is Lorre wakker? moet je nu niet zien wat we er aan -gedaan hebben?” - -Geertruid komt bij haar staan en Lili neemt Lorre op haar schoot en -doet haar voorzichtig den doek van het hoofd. - -„O Jeanne, kijk eens,” zegt Geertruid, „dat is een nieuwe pruik, o wat -een mooie! die andere was al zoo leelijk vóor ze in de beek viel, toen -hebben de muizen er aan geknabbeld.” - -„Die pruik heeft Mama gekocht en kijk eens, dit nachtponnetje hebben -Marietje en ik samen gemaakt, zij heeft dat zoompje en die naadjes -gedaan en ik de mouwtjes.” - -„Daar had ik geen geduld voor,” zegt Marietje, „hè, zoo’n gepeuter. -Maar het ergste was toch, dat we alles uit haar lijf hebben genomen, -dat waren allemaal harde kluiten, en toen hebben we er nieuwe zemels -ingestopt, voel eens hoe zacht!” - -Geertruid kneedt de pop en Lili zegt: - -„We hebben de wangen niet geverfd, het is veel natuurlijker dat ze -bleek zijn na zoo’n operatie.” - -„Heeft Lorre wezenlijk gedroomd? wat droomde ze?” - -„Zal ik het vertellen?” - -„Hé ja Li, vertel op, we luisteren,” zegt Arthur. - -„Nu dan; Lorre zat op een stoel voor mijn bed en werd beschenen door de -maan en toen verbeeldde ik mij, dat zij hardop droomde. Wat was het -mooi in het water, de golfjes schitterden in de zon boven mijn hoofd, -en heel in de verte, heel hoog, zag ik de blauwe lucht. Zoo’n blauwe -jurk zou ik willen hebben. En tegen de blauwe lucht zag ik de groene -blaadjes van de boomen, ze trilden en knikten tegen mij. En kleine -vischjes zwommen over me heen en watertorren en spinnen, o zoo aardig, -en toen hoorde ik muziek, dat deden de kikkers, die een eindje van mij -af zaten, ze keken mij aan en ik deed de oogen dicht en toen werd het -eerst heel mooi. Ik zag een groot kasteel onder in het water en daar -zwommen zilveren en gouden visschen in en uit. Ik wou het kasteel -binnen gaan, om te zien wie toch die mooie muziek maakte, maar o, wat -schrikte ik! een zwart monster pakte mij beet, trok mij aan mijn jurk -naar boven en legde mij neer op het gras, en toen was ik nat, -druipnat.” - -„Dat monster was zeker Pandoer,” zegt Constant. - -„Pandoer is nooit een monster,” zegt Arthur, „hij was de redder van -Lorre, het is heel ondankbaar van Lorre om zoo over hem te spreken.” - -„Neem het niet kwalijk,” zegt Lili, „het was door den schrik en ze had -zoo graag dat kasteel willen zien.” - -„Is er een kasteel onder het water?” vraagt Geertruid. - -„Wel neen,” zegt Constant, „alleen als je droomt zie je zulke dingen.” - -„Lili bedenkt altijd zulke wonderlijke dingen,” zegt Marietje, „ze -heeft al verscheiden sprookjes bedacht.” - -„Wat zijn eigenlijk sprookjes?” vraagt Geertruid. - -„Sprookjes zijn leugens,” zegt Constant. - -„Hè, wat klinkt dat leelijk,” zegt Arthur, „ik houd veel van sprookjes -en niet van leugens.” - -„Zijn het dan geen leugens?” - -„Het zijn vertelseltjes van droomen of van dingen, die je in de -verbeelding ziet,” zegt Lili, „en als je een rijke verbeeldingskracht -hebt, kun je je allerlei aardige, grappige en mooie dingen -voorstellen.” - -„Ook griezelige en leelijke dingen,” zegt Arthur. - -„O ja, maar die zie ik liever niet, ik houd meer van mooie dingen.” - -„Ik begrijp niet waar je toch altijd die mooie dingen ziet,” zegt -Arthur, „ik vind het ook wel mooi in het bosch en in den tuin, maar als -je dat een poosje gezien hebt, wen je er aan en dan zie je er niets -geen bijzonders aan.” - -„Hè Arthur, hoe kun je dat zeggen, nu praat je bijna als onze -keukenmeid.” - -„Hoe dan? wat zegt die?” - -„Ik riep haar verleden week om de prachtige lucht te komen zien bij het -ondergaan van de zon, ze stond juist met een poetslap in de hand voor -het fornuis en had niets geen plan om naar buiten te kijken. Anna, -waarom kijk je niet naar de lucht?” - -„Och, wat scheelt mij die lucht, mijn fornuis is veel mooier.” - -„En wat heb jij toen gezegd Lili?” vraagt Grootmoeder, die juist met -den heer en mevrouw Bantam bij haar is gekomen. - -„Toen heb ik haar fornuis bewonderd en gezegd, dat het de zon van de -keuken was, omdat het zoo blonk en toen lachte ze en keek even naar -mijn lieve zon.” - -„Komt kinderen,” zegt Grootmoeder, „laten we naar den Heidenschen kuil -wandelen, dat is een prettig plekje om te zitten, daar zullen we kersen -gaan eten.” - -Dadelijk nemen de jongens den wagen van Lili ter hand en duwen en -trekken dien door het zware zand. Oom Bantam helpt ook, zelfs Pandoer -moet trekken. Arthur geeft hem het eind van het touw in zijn bek, -Marietje, Jeanne en Geertruid dansen en springen om den wagen heen en -Lili zegt: - -„Het volgend jaar zal ik ook rondspringen.” - -„Daar is de Heidensche kuil,” zegt Grootmoeder, „daar kun je den wagen -niet inrijden.” - -„Nu kan ik er zelf heen loopen,” juicht Lili, „wie helpt mij?” - -Allen verdringen zich om haar te helpen, maar Lili steekt de handen -naar haar Vader uit, hij is de sterkste en bij hem voelt zij zich het -veiligst. - -Wat is zij dankbaar, dat zij nu haar voeten op den grond kan zetten, op -dat zachte, groene mos en dan weer op het krakende rendiermos, de -knappende, dorre takjes en bladeren, de gladde dennenaalden en de fijne -kiezelsteentjes, alles voelt zij onder haar teedere voeten, die nog -niet gewend zijn aan loopen. - -„O Papa, ik ben zoo bang om op de mieren te trappen, voorzichtig, ik -wil ze geen pijn doen.” - -„O, ze voelen het niet in het mulle zand, ze geven er niet veel om, ze -loopen ongedeerd verder.” - -Ze komen nu in den Heidenschen kuil, heerlijk beschut tegen den wind en -onder de schaduw der boomen. Grootmoeder en Mevrouw Bantam gaan op het -aardige bankje zitten, dat de tuinbaas voor Lili heeft gemaakt onder -een berkeboom, en de anderen laten zich neervallen op de heide en het -mos. De jongens hebben de mand met kersen uit den wagen gehaald en -zetten die bij Grootmoeder neer en elk krijgt een stuk papier op zijn -schoot om voor bord te dienen; Arthur mag aan elk twee handen vol -kersen geven en hij doet zijn best, groote porties te geven en er veel -aan elkaar te laten hangen. Ze zoeken de tweelingen er uit en hangen ze -als oorbellen over hun ooren en Lili maakt een theepot en een poppetje -van een kers. - -„Zouden al die pitten hier een volgend jaar opkomen?” vraagt Jeanne. - -„Dat zou prettig zijn,” zegt Arthur, „dan gaan we hier later kersen -plukken.” - -„Ik denk dat de grond hier te schraal zal zijn voor kerseboomen,” zegt -Grootmoeder, „als ze hier willen groeien zijn ze toch wild, maar dat is -ook wel lekker; je moet ze liever op een vruchtbaar plekje poten.” - -„Ja,” zegt Constant, „ik zal er in onzen tuin wat poten.” - -„Ik ook,” zegt Geertruid, „en als er kersen aan komen, zal ik een mand -vol aan Lili zenden.” - -„Als je blieft,” zegt deze, „en kom je dan zelf mee?” - -„Ja, als ik mag.” - -„Zou je wel eens bij ons willen komen in de stad?” vraagt Mevrouw -Bantam aan Jeanne en Geertruid. - -Beide meisjes krijgen een kleur van blijdschap en zeggen tegelijk: - -„Heel graag!” - -Ze kijken nu naar alles wat er in den Heidenschen kuil te zien is; de -witte berkenstammetjes, den knoestigen eikenstronk, waarin zeker menig -vogeltje genesteld heeft; de koningsvarens, de heidebloempjes, de -leeuwenbekjes, de thym en dan al die torretjes en spinnetjes en mieren. -Ze volgen die ijverige diertjes op hun tochten en zien, hoe ze een -mierenei tusschen hun pootjes dragen en er mee in de zon loopen om het -te warmen en te koesteren. - -„Waarom heet dit de Heidensche kuil?” vraagt Lili. - -„Misschien hebben hier vroeger Heidens gehuisd, ik denk dat ze hier hun -vuurtje stookten en een legertje op den grond spreidden van varens en -heidestruiken.” - -„En als het dan regende?” - -„O, dan kropen ze onder een zeil, of ze maakten een tent, ze wisten -zich wel te redden.” - -„Ik wou zoo graag Heidens zien,” zegt Jeanne. - -„Vroeger kwamen ze hier dikwijls door het dorp,” zegt Grootmoeder, -„maar ze worden nu over de grenzen gebracht en dat is goed, want het -zijn erge dieven, ze stelen kippen en vruchten en alles wat ze vinden -kunnen, maar zoo’n troepje is wel aardig om te zien.” - -Zoo zitten ze nog langen tijd te praten, maar eindelijk wordt het tijd -om naar huis te gaan. Constant en zijn zusjes nemen hartelijk afscheid -en als ze samen naar huis loopen, praten ze over niets anders dan over -de lieve menschen en kinderen met wie ze kennis gemaakt hebben; -Geertruid draagt haar lieve Lorre, die zoo erg ziek is geweest en -Jeanne de medicijnen in de fleschjes en doosjes. - - - - - - - -HOOFDSTUK VII. - - -De vacantie is bijna om, als Geertruid op zekeren morgen bij hare -Moeder staat toe te kijken, hoe deze de bretels voor Dries in orde -maakt met knoopsgaten en gespen. - -Geertruid heeft tot het laatst toe met ijver en volharding gebreid en -daarom wordt zij nu ook verder voortgeholpen. Haar oogen stralen van -plezier bij het vooruitzicht de blijdschap van Dries te zien. Als -Moeder den laatsten draad afhecht en afknipt, neemt ze de bretels -voorzichtig in handen, bekijkt ze nog eens van alle kanten en gaat er -dan mee naar buiten, naar het schuurtje waar Dries aan het hout kloven -is. - -„Dries! kijk eens! die heb ik voor jou gemaakt!” - -Dries keert zich langzaam om, bekijkt de bretels zonder ze aan te raken -en neemt dan nog een dik stuk hout ter hand om het met den bijl in -stukken te hakken. - -„Dries,” zegt Geertruid teleurgesteld, „wil je ze niet hebben?” - -„Jawel, leg ze daar maar neer.” - -Geertruid is geheel ontdaan, ze laat de bretels op den grond vallen en -loopt naar huis. - -„Moeder! die akelige Dries!” en daar barst zij in tranen uit. - -Met snikken vertelt zij hoe haar geschenk is aangenomen; Moeder neemt -haar op schoot, hoewel ze daar eigenlijk te groot voor is en tracht -haar te troosten. - -„Mijn klein, vlijtig meisje, trek het je niet aan, Dries weet niet -beter.” - -„Ik wil nooit weer iets voor hem doen, zoo’n aap! zoo’n...” - -„Stil kindje, luister eens, hij kan zijn blijdschap niet toonen en ook -geen dankbaarheid, maar hij is daarom wel blij. Wacht maar, ik denk dat -hij nu hij alleen is, de bretels wel gauw zal aanpassen. Je hebt het -toch voor zijn plezier gedaan en niet voor je zelf?” - -Geertruid ziet hare Moeder aan en zegt: - -„Ik zou het zoo prettig gevonden hebben, als hij blij was geweest en -als hij mij vriendelijk bedankt had, ik wou hem vriendelijk maken, maar -het helpt niets.” - -Daar komt Sientje binnen en als zij hoort wat er gebeurd is, zegt zij: - -„Zoo’n lilleke kerel, dat zal ik hem anders leeren! daar heeft dat -lieve kind zoo hard voor zitten breien, en nu krijgt ze nog niet eens -een bedankje, wel drommels!” en Sientje loopt de kamer uit naar Dries. - -„Jou lompe ezelskop!” wil zij zeggen, maar neen, zij zegt niets, ze -kijkt alleen naar Dries, die bezig is de bretels over zijn schouders te -werpen. Nu wil hij ze vast maken, maar o wee, er zitten geen knoopen -aan zijn broek. Hij kijkt er naar over zijn afhangende onderlip, en hij -zet zoo’n potsierlijk, leelijk gezicht, dat Sientje in lachen uitbarst. - -Verschrikt kijkt hij op en Sientje ziende, trekt hij de bretels af en -gooit ze in een hoek. - -„Neen baasje dat gaat zóo niet,” zegt Sientje, „je moogt dat kostbare -werk van het lieve kind niet zóo behandelen. Dat lieve ding, ze heeft -er menig maal haar boterham en haar glas melk voor laten staan en menig -pleziertje opgeofferd, allemaal om een pleziertje te doen aan zoo’n -lompen ezel als jij bent en nu doe je zóo, je moest je schamen! Maar ze -zal er toch plezier van hebben. Heb je geen knoopen aan je broek? Wacht -maar, ik zal ze er aan zetten.” - -Sientje loopt naar huis en komt met haar werkdoosje terug. Ze heeft al -een vingerhoed aan haar vinger; vlug bijt zij den draad van een klos. -Mevrouw heeft al zoo dikwijls gezegd, dat ze dat niet doen moest, nu -een naald van haar schelpenkussentje en terwijl ze een wit beenen knoop -tusschen de lippen neemt, zegt ze lispelend: „Allo, kom hier, ik zal je -helpen; sta stil, anders prik ik me.” - -Dries staat stil als een muur en Sientje naait handig en vlug de -knoopen aan zijn broek. Nu de bretels, mooi zoo, stevig, en Dries kijkt -er naar en zie, daar komt even een klein trekje om zijn mond en een -klein plooitje aan zijn ooghoeken, dat aan een glimlach doet denken. - -„Ziezoo, zeg nu: wel bedankt.” - -„Hm,” zegt Dries. - -„Wel te drommel, kun je me niet bedanken? zeg als de weerga: wel -bedankt, of ik snij je de knoopen er weer af.” - -Dries houdt er de handen op en zegt: - -„Wel bedankt.” - -Schaterend van lachen loopt Sientje naar huis en zegt binnenkomend: - -„Kom Geertruid, ga gauw mee, hij is zoo blij, hij zal je bedanken, ik -heb het hem geleerd.” - -Met Geertruid aan de hand komt Sientje weer bij Dries en deze haar -ziend, zegt dadelijk: - -„Wel bedankt.” - -„Nu Dries,” zegt Sientje, „ben je er mee in je schik?” - -„Ja, naor,” en dat wil zeggen: heel erg blij. - -Geertruid begrijpt het, ze loopt vroolijk naar huis en voelt zich heel -gelukkig. - -En als ze den volgenden dag bij hem komt en vele volgende dagen, zegt -hij, op zijn bretels wijzend: - -„Wel bedankt,” en Geertruid gaat voort hem vriendelijk te behandelen en -Jeanne heeft van haar eigen geld een rooden zakdoek gekocht en dien -zelf gezoomd en Sientje heeft er met wit katoen een D op gemerkt en den -zakdoek in de jas van Dries gestoken, toen die jas op een struik hing. - -„Hij behoeft mij niet te bedanken,” zegt Jeanne, „als hij er maar blij -mee is.” - -„Goed zoo,” zegt Moeder „je moet niet geven om bedankt te worden, maar -ik hoop dat jij altijd vriendelijk zult bedanken, als iemand goed voor -je is.” - - - - - - - -HOOFDSTUK VIII. - - -Op den eersten Dinsdag van September, gaan Constant en Arthur te samen -naar de stad, want de school zal beginnen. Ze dragen elk een heele -vracht boeken en schrijfboeken in een zeiltje; met een stevigen riem er -omheen. - -„Wat zijn die dingen zwaar,” zegt Arthur, „we zullen niet altijd -zooveel te dragen hebben, dat is een geluk.” - -„Kijk,” zegt Constant, „daar komt Jacob Drieman juist uit zijn huis, -hij gaat met zijn handkar naar de stad. Hei! Jacob!” en Constant holt -vooruit, legt zijn pak boeken op de kar en zegt: - -„We zullen je helpen.” - -„Als je blieft jongeheer, dat tref ik, ik ben toch zóo kortademig, ’t -is bedroefd.” - -Arthur legt er zijn boeken bij en helpt ook duwen. - -„Loop jij maar bedaard achter ons aan,” zegt hij, „we zullen de kar wel -tot aan de poort brengen.” - -„Als je blieft,” zegt Jacob verheugd. - -Daar gaan de jongens, vroolijk pratend en lachend en als ze bij de -poort komen, nemen ze hun boeken van de kar en loopen vlug naar de -H. B. S. - -Marietje Geukestein gaat juist de stoep op en ze blijven samen praten -tot de lessen beginnen. Er is veel op te merken; vooreerst de -verschillende leeraren; de een is wat barsch en streng, maar hij legt -alles zoo duidelijk uit; Arthur denkt: dat was vroeger zoo moeielijk en -nu begrijp ik het in éenmaal. Een andere leeraar maakt allerlei grappen -en een derde kijkt altijd rond, of er ook kattekwaad wordt uitgevoerd. -Zij leeren dezen morgen nog niet veel; ze krijgen allerlei werk en -lessen op en moeten een agenda koopen om het in op te schrijven; ook -krijgen zij een rooster van de verschillende lesuren. - -De jongens vinden het prettig en Arthur vertelt er veel van bij Oom en -Tante Bantam; hij vindt de wandeling heen en weer ook zoo prettig. - -„In den winter zal het wel anders worden,” zegt Lili. - -„Och, we zijn gezond en het is wel grappig om eens flink nat te -regenen.” - -Dit is nu de eerste dag en als ze tegen etenstijd thuis komen, -verlangen ze al om na het eten aan het werk te gaan, Constant in de -pastorie en Arthur op Conifera. Wat doen ze hun best om netjes te -schrijven en om hun lessen goed te kennen; als ze den volgenden morgen -elkaar ontmoeten, beginnen ze dadelijk de lessen te overhooren en ze -vinden het heerlijk om zoo samen te wandelen en hetzelfde werk te doen. - -Zoo gaat het heel prettig de heele Septembermaand en ook October. Ze -zijn wel eens nat geregend of hadden met tegenwind te kampen, maar over -het geheel hebben ze altijd prettig gewandeld. - -Arthur krijgt veel plezier in geschiedenis, nadat hij veel met dominé -Kemper gewandeld heeft. Die kan er zoo prettig van vertellen; hoe de -oude volken altijd onderling in oorlog waren en iedereen gewapend was -en zich moest verdedigen tegen zijn naaste buren. Hoe de steden en -kasteelen ommuurd en in staat van verdediging waren en hoe dit, -langzamerhand veranderd is door de beschaving en de rechtbanken, waar -de geschillen onderzocht en bijgelegd werden zonder bloedvergieten. Wat -zijn er veel poorten en muren van vestingen gesloopt en veranderd in -mooie wandelparken en welke Graaf of Baron denkt er aan, zijn kasteel -te moeten verdedigen? De steden onderling, leven in vrede en -vriendschap en de wetten van het land worden zonder bloedvergieten -gemaakt en ten uitvoer gebracht. De heeren, die de wetten maken, -kibbelen er wel eens over, maar ze gebruiken geen andere wapens dan de -tong en de pen. - -Nu zijn er onder de beschaafde volken nog gruwelijke oorlogen tusschen -verschillende landen, maar niet omdat de burgers boos op elkaar zijn of -iets van elkaar willen hebben, neen, ze zouden veel liever rustig aan -hun werk blijven dan andere menschen dood te schieten, maar die -oorlogen ontstaan meestal door de hebzucht of eerzucht van enkele -groote heeren, die niet naar de rechtbank willen gaan om hunne -geschillen te laten vereffenen. - -„Waarom gaan ze niet naar de rechtbank?” vraagt Arthur. - -„Omdat er tot nu toe geen rechtbank was, hoog genoeg of geleerd genoeg -voor die groote heeren. Maar nu is er eindelijk zulk een hoogste -rechtbank tot stand gekomen en die heet: het Hof van Arbitrage, dat wil -zeggen een rechtbank, waar geschillen vereffend kunnen worden. Er is -veel wijsheid noodig, om geschillen tusschen zulke hooge en machtige -heeren uit den weg te ruimen, en het is de vraag, of zij zich altijd -aan de uitspraak zullen willen onderwerpen, maar eindelijk zal het toch -wel in orde komen, zooals er reeds zooveel ten goede veranderd is.” - -„Hè,” zegt Arthur, „wat moet het heerlijk zijn om een oorlog te -voorkomen, wat redt men dan veel menschenlevens.” - -„Dan moet je in de rechten gaan studeeren en leeren, je gedachten in -woorden uit te drukken en welsprekend worden. Als je dan een goede zaak -bepleit, kun je onnoemelijk veel goed doen.” - -„Dat zou ik ook wel willen,” zegt Constant, „moet ik daar veel voor -leeren?” - -„Ja zeker, heel veel, maar daar ben je niet bang voor, niet waar? je -kunt goed leeren en je hebt nog een langen tijd vóór je.” - -De jongens denken en praten veel over hetgeen de dominé hen vertelt en -nemen zich voor, erg hun best te doen. - -Op zekeren dag loopen ze samen door de stad, met Marietje Geukestein en -Amalia Keer, de lange blonde. - -„Wat is het een saaie, zoete boel in onze klas,” zegt Amalia, „in de -derde is het veel leuker.” - -„Bij ons wordt beter gewerkt.” - -„Nu ja, dat is juist zoo flauw, niemand die eens wat uithaalt.” - -„Haal jij dan maar wat uit.” - -„Als ik maar wat wist, ik durf best, ik zal wat bedenken in die -vervelende rekenles, pas maar op, maar je moet mee doen hoor!” - -Arthur en Constant lachen er om en als het rekenles is, kijken ze -gedurig naar Amalia en letten niet zoo goed op als anders. Juist als -Mijnheer een moeilijke som uitlegt, springt er een sprinkhaan op zijn -boek, hij schudt hem er af en zie, daar springen er drie over de bank, -en in de tweede bank schuiven de jongens plotseling uit elkaar en -grijpen naar verscheidene sprinkhanen waarvan er een in den inktpot -valt en er gauw druipnat weer uitspringt op het keurige schrift van -Marietje Geukestein en er een zwart spoor op achterlaat. - -„Wie heeft dat gedaan?” buldert mijnheer met een harde stem. - -Niemand zegt iets, hoewel eenigen wel vermoeden, dat Amalia het gedaan -heeft. David zit te proesten van lachen en Johannes Bredero begint ook -te lachen en als mijnheer heel boos is en strafwerk belooft, als hij -niet dadelijk ophoudt, begint de arme jongen hoe langer hoe meer te -lachen, hij kan niet tot bedaren komen, mijnheer wordt woedend en -stuurt hem de klasse uit. - -„Wie heeft die streek uitgehaald?” vraagt mijnheer nog eens. - -In plaats dat Amalia flink weg zegt: „ik,” zwijgt zij en de anderen -willen natuurlijk niet klikken. - -„Jullie zult allemaal 20 vraagstukken maken, als ik niet vóor het eind -van de les hoor, wie het gedaan heeft.” - -Ze gaan door met rekenen, nadat de sprinkhanen gevangen en naar buiten -gebracht zijn, maar niemand heeft zijn gedachten bij de les, steeds -zitten ze in afwachting dat Amalia bekennen zal. - -„’t Is tijd,” zegt mijnheer op zijn horloge ziend, „nog eens, wie heeft -het gedaan?” Niemand spreekt. - -„Jullie brengt morgen 20 vraagstukken mee voor strafwerk en als je ze -niet gemaakt hebt, krijg je er nog 10 bij.” - -Ze gaan naar een ander lokaal en zijn allen boos en Marietje Geukestein -zegt tegen Amalia: - -„Ik dacht niet, dat je zoo flauw zoudt zijn; dat je een grap uithaalt -kan mij niet schelen, maar je moet het durven bekennen.” - -Amalia wordt boos, maar ze heeft geen moed te bekennen. - -Als onze jongens ’s middags naar huis wandelen, zegt Constant: - -„Ik weet niet hoe ik die vraagstukken moet maken, ik heb er niets van -begrepen.” - -„Ik ook niet,” zegt Arthur, „ik vind het een vervelende streek van -Amalia en erg flauw, dat ze ons allemaal laat zuchten onder het -strafwerk.” - -„Nu, voor haar zelf is het toch het vervelendste, ze zal er niet veel -plezier van hebben.” - -Ze maken ’s avonds met moeite eenige vraagstukken, maar de meesten -kunnen ze niet maken, omdat ze niet naar het uitleggen geluisterd -hebben. Ze moeten haastig het schrijfwerk afroffelen en de lessen -leeren en ze krijgen den volgenden morgen voor het eerst onvoldoende -cijfers en al de heeren zijn min of meer ontevreden en uit hun humeur. -„Je hebt eigenlijk niet veel plezier van zulke grappen onder de les,” -zegt Arthur, „je krijgt er maar moeite door en de heeren zijn lang zoo -aardig niet als anders.” - -„Als David een grap heeft, dat is leuk,” zegt Constant, „daar lachen de -heeren zelf om.” - - - - - - - -HOOFDSTUK IX. - - -November is gekomen en daarmee regen en wind, zelfs storm. Constant en -Arthur loopen door alle weer en wind en ze worden sterk en gezond en -onvermoeid, en als Grootmoeder Mung en Moeder Kemper soms medelijden -hebben, lachen de jongens en zeggen: - -„Dat is juist leuk.” - -Eens op een morgen in het laatst van November, ligt er ’s morgens een -laagje sneeuw en de lucht is grijs en altijd door blijft de sneeuw -vallen. Het is de eerste keer dat Arthur sneeuw ziet. Wat vindt hij dat -aardig, hij loopt dadelijk met zijn bloote hoofd naar buiten, neemt wat -sneeuw in de hand, steekt zijn armen ver uit en kijkt naar de lucht. -Grootmoeder heeft intusschen een vergrootglas uit de kast gekregen en -komt met een rood fluweelen kussen op de stoep staan. - -„Wat gaat u doen Grootmoeder?” - -„Zie eens hier mijn jongen, kijk eens naar die vlokken door het -vergrootglas.” - -„Hé wat mooi, allemaal sterren en figuren, wat zou dat prachtig zijn in -een microscoop. Oom Bantam heeft er een, dien zal ik het vragen, ik -dacht niet dat sneeuw zoo mooi was.” - -Nu steekt Arthur zijn tong uit, totdat er een dikke vlok op valt. - -„Hè, lekker koud!” - -Hij gaat naar de buitenvensterbank en neemt van de zuivere sneeuw in -zijn mond en dan maakt hij voor het eerst van zijn leven een sneeuwbal -en gooit er mee naar Pandoer, die heen en weer holt en in de sneeuw -rolt. - -„Ziezoo, nu ontbijten,” zegt Grootmoeder. - -„He,” zegt Arthur na het ontbijt, terwijl hij zijn boeken stevig -inpakt, „wat zullen we heerlijk met sneeuwballen gooien, ik ga gauw op -weg, dan kunnen we vóór schooltijd nog beginnen; ik zal Amalia -inzeepen, dat hooren en zien haar vergaat.” - -„Foei Arthur,” zegt Grootmoeder, „geen meisjes, dat is niet -ridderlijk.” - -„O, andere meisjes niet, maar Amalia heeft wat op haar kerfstok.” - -„Ja? wat dan?” - -„Och, ze is niet aardig geweest, maar ik zeg liever niet wat.” - -„Goed jongen, dat behoeft ook niet, maar maak het niet te erg.” - -„Neen Grootmoeder, alles met mate, zei de meester en hij sloeg den -jongen met den meterstok. Dag Grootmoeder! Zou er vandaag een mailbrief -komen?” - -„Ja, ik denk het wel.” - -„Legt u hem dan onder mijn servet?” - -„Ja jongen, denk je aan je overschoenen? anders zit je den heelen dag -met natte voeten.” - -„Die vervelende dingen!” zegt Arthur, maar hij doet ze toch aan, neemt -hartelijk afscheid van Grootmoeder en Pandoer, die het tegenwoordig -vreeselijk saai vindt en gaat moedig op weg. - -De jongens verwelkomen elkaar met eenige sneeuwballen, als ze bij het -huis van Jacob Drieman samen komen en loopen dan vroolijk pratend naar -de stad. Het is niet de dag waarop Jacob boodschappen moet doen, maar -morgen, dan moet de arme stakker door de sneeuw. - -„We zullen Jacob morgen goed moeten helpen,” zegt Arthur, „hij was -gisteren zoo kortademig. Wat zou hij graag een ezel hebben, hij heeft -er al zoo lang voor gespaard, maar hij heeft nog niet genoeg. Als er -veel sneeuw komt, zal hij er in ’t geheel niet door kunnen met zijn -kar.” - -„Neen, maar hij heeft een slede,” zegt Constant, „dat heeft hij me -verteld. Overhoor mij nu eerst de geschiedenis, hier heb je mijn boek, -dan zal ik jou overhooren.” - -Als ze de poort naderen, zien ze op de torenklok, dat het op slag van -negen is. - -„Doossie! wat is het laat, ik dacht dat we zoo vroeg waren,” zegt -Arthur. - -„Dat komt door de sneeuw, we hebben zeker niet zoo hard geloopen, -vooruit! op een draf!” - -De concierge wil juist de deur sluiten als de jongens komen aanrennen. -Om 12 uur haasten ze zich met koffiedrinken om zoo lang mogelijk -sneeuwballen te kunnen gooien. Er is veel sneeuw bij gekomen en het -sneeuwt nog altijd door met dikke vlokken. David en Johannes Bredero -zijn bezig een sneeuwpop te maken op het plein, vóor de H. B. S. -Johannes rolt handig een bal en daar de sneeuw goed pakt, wordt die -spoedig heel groot. - -„Nu overeind,” zegt David, „zoo, dat is zijn éene been, rol nu nog -zoo’n ding, ik zal het fatsoeneeren; het moet een groot standbeeld -worden. Nu zijn andere been, mooi! maar je hebt het veel langer gemaakt -en dikker, nu, dat hindert niet, we zetten hier nog een stuk bij. Nu de -romp, wacht, ik zal je helpen rollen; hè, daar word je warm van; rol -hem nu naar de plaats; nu overeind sapperloot, wat is dat ding zwaar; -hei! Constant! help ons een handje,” - -Constant komt dadelijk en met hem Arthur en Gerard Bunte. Ze krijgen er -allen plezier in. Met vereende krachten beuren ze het groote stuk boven -op de twee beenen. - -David gaat op eenigen afstand staan om het te bekijken. - -„Er moet nog een stuk boven op,” zegt hij. - -„’t Is tijd,” zegt de concierge. - -„Hé wat saai; nu, morgen zullen we hem verder opbouwen.” - -Daar komt Amalia aan; nu hebben de jongens geen tijd om haar in te -zeepen, maar ze krijgt in de gauwigheid toch nog twee sneeuwballen -midden in haar gezicht. - -Na schooltijd is het al bijna donker en de jongens haasten zich om -thuis te komen. Het sneeuwt nog altijd door, de lucht is effen grijs en -er ligt een dik pak. - -Met moeite en heel warm komen de jongens thuis; Grootmoeder was al -ongerust omdat het zoo vroeg donker was. - -„Is er geen brief?” - -„Neen jongen, misschien morgen. Ik hoop dat het nu gauw op zal houden -met sneeuwen, hoe kun je er anders morgen door?” - -„O Grootmoeder, dat is juist prettig, we maken een prachtige sneeuwpop -op het plein, morgen moeten we hem verder afmaken.” - -„Ja maar jongen, de weg zal zoo moeielijk te begaan zijn.” - -„O Grootmoeder, we zijn sterke jongens, daar zien we niet tegen op.” - -Den volgenden dag heeft de baas een pad gemaakt met een klein -sneeuwploegje tot aan het hek. Er ligt veel sneeuw en het sneeuwt nog -altijd door. - -Juist als Arthur bij het hek is, ziet hij den grooten sneeuwploeg -komen. Vier paarden zijn er vóor gespannen. Verscheiden mannen en -jongens zitten er op om den ploeg te verzwaren en Arthur krijgt ook -permissie er op te gaan. - -Dat treft hij, als nu Constant ook maar op tijd is. Daar ziet hij hem -aankomen, hij loopt zoo hard hij kan en dat is niet gauw door die dikke -sneeuw en haalt gelukkig den ploeg in en gaat er bij op zitten. Juist -als ze voorbij het huis van Jacob Drieman gaan, zien ze de vrouw en het -oudste meisje met een slede tegen den hoogen weg opschuiven. Maar het -gaat niet, de sneeuw is zoo dik, ze zwoegen en spannen zich in zoo veel -zij kunnen, maar het is te zwaar. - -„We moeten helpen,” zegt Constant en hij en Arthur springen van den -ploeg, waarop zij zoo prettig vooruit kwamen. - -„Waar is Jacob?” vraagt Arthur. - -„Mijn man is ziek,” zegt de vrouw, terwijl ze steeds voortgaat zich in -te spannen. - -Nu komen de jongens te hulp en met vereende krachten trekken ze de -slede op den weg, die nu gebaand is door den ploeg. - -„Wat scheelt Jacob?” vraagt Constant. - -„Ik ben bang dat ie longontsteking heeft,” zegt de vrouw, terwijl dikke -tranen over haar wangen loopen. - -De jongens zien elkaar verschrikt aan en hebben diep medelijden met de -arme vrouw. - -„Och jongeheeren, je weet niet wat mien man van nacht getobd heeft over -de boodschappen in de stad; als ze niet gedaan worden zijn de menschen -verlegen en dan gaan ze naar een ander, je weet wel, dien Jannes Trot, -die doet toch al zoo’n moeite om er ons uut te dringen. Mien arme man, -hie werkt zich dood en ie gaat nooit naar de herberg en ie heeft alles -gespaard om een ezel te kunnen koopen en noe ie het geld haast bie -mekaar heeft, noe zal hie dood gaan!” - -De vrouw snikt en kan niet voortgaan met spreken. De jongens weten niet -wat ze zeggen zullen, maar ze duwen zoo hard ze kunnen en de slede -rijdt flink over den weg. - -„Wie past nu op je man?” vraagt eindelijk Arthur. - -„De kleine Gerrit.” - -„Hoe oud is die?” - -„Vief jaar.” - -„Waarom niet een van de grooten?” - -„Die moeten naar school en Jentje moest met mie mee, omdat zie de -boodschappen weet, zie is met Vader dikwijls met ewest.” - -Aan de poort nemen de jongens afscheid van vrouw Drieman, die hen -vriendelijk bedankt en ze zijn beiden stil en denken over den zieken -Jacob. - -Vóor de school zijn reeds eenige jongens bezig met sneeuwballen gooien -en ze kijken uit of Amalia nog niet komt, maar die komt heel wijs op -het laatste nippertje. De sneeuwpop is in den nacht gegroeid en -prachtig, donzig wit geworden. Na de koffie gaan ze weer aan ’t werk, -maar het is intusschen gaan waaien, de sneeuw waait aan hoopen tegen de -hekken der verschillende tuintjes en in de deur- en raamkozijnen en -overal zijn menschen aan het vegen. - -De sneeuwpop heeft nu een stevig bovenlijf gekregen en David heeft een -bankje aan den concierge gevraagd om er bij te klimmen. - -„Geef me nu zijn hoofd, ik zal het er op zetten,” zegt hij. - -Johannes reikt hem een grooten, zwaren bal toe en als David dien wil -aannemen, rolt de bal op den grond en breekt. - -Dadelijk zijn verscheiden jongens bereid een nieuw hoofd te rollen en -te zamen tillen zij het op den romp. - -„Ziezoo,” zegt David, „nu ga ik aan het boetseeren.” - -Hij kneedt en slaat met de vlakke hand en strijkt de schouders van het -standbeeld glad en maakt een stevigen hals en nek, en als hij het hoofd -goed ovaal rond heeft gemaakt en vast in elkaar gekneed, neemt hij zijn -mes en begint te krabben en af te snijden en zie, daar komt de neus te -voorschijn en de oogen en de wangen en de kin. - -„Mooi!” roepen de jongens, „prachtig! precies de neus van den Dirrik.” - -„Die moet het ook worden,” zegt David, „ik wil een mooi standbeeld voor -hem oprichten.” - -„Pas op, als hij het ziet,” zegt Gerard. - -„Waarom?” zegt David, „dat mag hij best, ik maak het niet bespottelijk, -neen, het wordt echt mooi, dat heeft hij wel verdiend, is ’t waar of -niet?” - -„Ja,” zegt Arthur, „’t is een kranige vent, hij kan goed orde houden, -hij is wel streng maar rechtvaardig, ja, hij heeft een mooi standbeeld -verdiend.” - -„Wie heeft een standbeeld verdiend?” vraagt de Directeur, die juist om -den hoek is gekomen. - -Arthur krijgt een kleur als vuur en al de jongens staan verbluft te -kijken. - -De directeur bekijkt het standbeeld: hij is een groote, breede man met -een flinken kop; een groote neus en een hoog breed voorhoofd, een snor -en sikje. - -„Te drommel,” zegt de directeur, „dat is knap gedaan, maar hij heeft -nog geen ooren. Heb jij dat gedaan, kleine David?” - -„Ja mijnheer,” zegt deze een beetje verlegen, maar hij plakt toch gauw -een paar ooren aan het hoofd. - -Daar komen de andere heeren aan en allen bekijken het beeld en allen -beginnen te glimlachen en ze kijken naar den directeur en dan weer naar -het beeld en eindelijk zegt de grappige leeraar: - -„Directeur, er krijgen niet veel menschen een standbeeld bij hun -leven.” - -De directeur heeft ook zich zelf herkend en nu roept David en dan al de -anderen: - -„Lang leve de directeur!” - -Als de jongens ’s middags uit school komen, zien ze naar de lucht. - -„Dat ziet er niet best uit,” zegt Arthur, „wat wordt het donker en het -sneeuwt zoo dicht en het waait alles op hoopen. Laten we ons haasten om -thuis te komen.” - -De jongens gaan in vluggen pas de poort uit. Op sommige plaatsen is de -sneeuw hoog opgewaaid tegen huizen en hekken links van den weg. - -„We moeten rechts houden,” zegt Constant, „bij het boschje aan den -rechterkant zal de sneeuw niet opgewaaid zijn. - -„Daar zal ze wel dik liggen, hier is het niet erg,” zegt Arthur, „hier -is bijna alles weg gewaaid, maar hoe zal het bij het laatste boschje -links zijn? daar komt al de sneeuw van de bouwlanden tegen aan waaien.” - -„Ja, dat zal een toer zijn; vooruit maar, hoe eerder we thuis zijn hoe -beter.” - -De jongens loopen zoo hard ze kunnen en ze worden van top tot teen wit. - -„We lijken wel sneeuwpoppen; het was toch een mooi standbeeld, dat we -gemaakt hebben, ik heb nog nooit zoo’n mooi gezien.” - -„Kijk, daar gaat vrouw Drieman, och die stumper, gauw helpen, een, -twee, drie! Hola, hier! heb je een touw? we zullen je helpen,” roept -Arthur. - -Wat is vrouw Drieman blij! Ze kon ook al haast niet meer vooruit komen -en ze is zoo bang, dat ze de boodschappen niet veilig thuis zal krijgen -en daarbij is zij zoo ongerust over haar man. - -„Jongeheer,” zegt ze tegen Arthur, „zou je Grootmoeder erg verlegen -zijn om de citroenen en de kaas? anders moet ik ze nu nog brengen.” - -„Geef ze mij maar mee, hier, onder mijn jas in mijn blouse, daar kan -een heele vracht in. Grootmoeder zou niet willen, dat je daar van avond -nog mee naar Conifera kwaamt door die dikke sneeuw. Ik hoop dat Jacob -gauw beter wordt, groet hem.” - -„Van mij ook,” zegt Constant als ze de slede veilig voor de deur hebben -gezet. - -„Kom Arthur, haast je, neen, ga niet naar binnen, het wordt veel te -donker, je kunt toch den weg al haast niet meer onderscheiden en nu -komt het boschje. Drommels! hoe komen we daar door? als de sneeuw -hooger komt dan je knieën, kun je er niet door.” - -„Hier,” zegt Arthur, die zoo veel mogelijk rechts houdt. - -„Pas op, loop niet in de sloot, je zoudt diep in de sneeuw zakken; je -kunt niet zien waar die vervelende droge sloot begint, alles is -gelijk.” - -De jongens komen met moeite op het punt waar ze moeten scheiden en daar -is de weg nog al duidelijk. Een boer, die hen tegen komt, zegt: - -„Haast je wat, het wordt gevaarlijk in het duister.” - -„Ja,” zegt Arthur, „we zijn gelukkig gauw thuis. Adi! tot morgen.” - -„Goeie reis! pas maar op!” zegt Constant, terwijl hij zoo snel mogelijk -naar het dorp loopt. - -Arthur komt zonder al te veel hindernis tot aan het hek van Conifera, -maar nu zal het eerst lastig worden. Links is veel laag struikgewas, -rechts zijn hoog opgaande eiken, waaronder de wind de sneeuw in -vliegende vaart opjaagt en ophoopt tegen de struiken. - -Moedig stapt Arthur voorwaarts en waadt door de sneeuw en hoe langer -hoe dieper zakken zijn beenen er in. Wat is het vermoeiend, de voeten -telkens zoo hoog op te tillen. Daar komt hij bij een bocht van den weg, -als hij daar maar voorbij was, dan zou hij het licht van Conifera -kunnen zien. - -Daar staat Arthur plotseling stil, hij kan niet verder; de sneeuw reikt -boven zijn knieën, Wat nu te doen? Hij probeert vooruit te komen, maar -daar is het nog dieper, achteruit gaat ook niet. Nu wordt hij een -beetje bang, eventjes maar en dan kijkt hij naar boven, naar de donkere -lucht en krijgt sneeuwvlokken in zijn oogen, maar hij ziet juist boven -zijn hoofd een dikken tak van een eik. Hij grijpt dien en trekt zich -wat naar boven. Dat helpt; hij slingert zich in de hoogte en laat zich -neervallen meer naar rechts. Mooi, dat is minder diep; een paar passen -kan hij voortgaan, maar o wee, nu wordt het nog erger en geen tak om -zich aan op te trekken. Hij baant zich met de handen een weg, maar dat -kan hij niet lang volhouden, ook weet hij niet goed de richting meer. - -„Hallo! Pandoer! Hallo!” - -Arthur fluit en roept uit alle macht. Daar hoort hij in de verte iets -roepen en het blaffen van Pandoer, het komt nader bij. - -„Pandoer! Pandoer! hier ben ik! maar pas op, och wat ben ik dom -geweest, dat arme dier, hij zal er nog minder door kunnen dan ik.” - -„Hier jongeheer! hier heen, ik zal een weg maken; hei! Jannes! help me -gauw, heb je de schop? hier!” - -Nu gaat Arthur met nieuwen moed aan het werk, hij ziet het licht van -een lantaren en hij heeft de stem van Hein herkend, gelukkig dat ze hem -komen helpen, hij had er zonder hulp niet door kunnen komen. - -„Ziezoo, nu kun je er door,” zegt Hein, terwijl hij even de schop -neerzet en Arthur bij het licht van de lantaren bekijkt; het is -intusschen heel donker geworden. - -„Waar is Pandoer? Pandoertje waar ben je?” en Arthur tracht in de -duisternis te ontdekken, waar zijn trouwe hond gebleven is. Hij hoort -hem janken en spartelen en als Hein het licht van de lantaren rond laat -gaan, zien ze het arme dier worstelen door de diepe sneeuw. - -Dadelijk banen ze met Jannes een weg er heen en daar komt de hond bij -Arthur en schudt zich uit en springt luid keffend tegen zijn baas op. - -„Nu gauw naar je Grootmoeder,” zegt Hein, „gauw, ze is zoo ongerust.” - -Wat zijn Grootmoeder en Arthur beide blij, als ze elkaar in de -vestibule omhelzen. De sneeuwvlokken zitten in Grootmoeders sneeuwwit -haar en ook op haar lieve, zachte wangen. Arthur is zoo’n wilde, -onstuimige jongen, bijna even wild als Pandoer, die zich terdege -uitschudt, zoodat de sneeuw tegen den barometer en de wijzerplaat van -de klok aankleeft. - -„Wat heb je daar voor dikte?” vraagt Grootmoeder, als Arthur zijn jas -uittrekt. - -„O, dat zijn de citroenen en de kaas van vrouw Drieman; hè, wat ben ik -blij dat ik ze meegenomen heb, anders was de stumper misschien in de -sneeuw blijven steken.” - -Grootmoeder ziet hem liefdevol aan en zegt: - -„Kijk nu eens onder je servet.” - -„Ha! een brief!” juicht Arthur en terwijl Grootmoeder de soep opschept, -kan hij niet laten gauw den brief te openen en te zien of ze in Indië -allen gezond zijn. Grootmoeder laat het oogluikend toe, want zij is zoo -erg verlangend iets te hooren over hare dierbaren, daar ginder, zoo -heel ver weg over de zee. - -„Moeder schrijft, dat ze allen weer beter zijn, zus is het ergst -geweest, maar nu allemaal goed, gelukkig!” - -„Gelukkig!” zegt Grootmoeder, „laten we nu eerst gaan eten en den brief -voor het dessert bewaren.” - -Arthur vertelt, hoe hij tegen den sneeuwstorm geworsteld heeft en -Grootmoeder zegt, dat zij niet geweten heeft dat het zoo erg was. - -„Daar ben ik blij om,” zegt Arthur, „u zou dan zeker erg ongerust zijn -geweest. Maar Grootmoeder, Jacob Drieman is erg ziek, zijn vrouw en -Jentje moesten de boodschappen doen, de kleine Gerrit was alleen bij -Jacob thuis.” - -„We zullen er dadelijk morgen naar laten hooren en hulp verschaffen, -dat kan zoo niet,” zegt Grootmoeder. - -Aan het dessert mag Arthur den brief lezen. - - - „Beste Arthur, - - Gisteren ontvingen we je brief, waarin je ons schrijft over den - eersten dag op school. Vader en ik zijn heel blij, dat je er - plezier in hebt en ook, dat je een aardigen kameraad hebt gevonden - om mee samen te loopen en te werken. Dat treft al heel gelukkig, nu - heb je altijd gezelschap op je wandeling van en naar de school en - je kunt elkaar zoo prettig de lessen overhooren. Ik hoop, dat je - alle klassen samen door zult maken en goede vrienden zult blijven. - Vader zal je een postwissel zenden voor den ezelpot; Constant - Kemper zal het ook wel prettig vinden, als jij gauw een ezel kunt - koopen. We hebben erg getobd met malaria en Carolientje heeft erg - knokkelkoorts gehad, het arme kind voelde zich heel ziek en - pijnlijk. De tuinen zijn prachtig en de kleintjes vinden het hier - heerlijk; maar ik verlang erg naar Holland. We hebben met de vorige - mail een kistje verzonden, dat kun je dus binnenkort ontvangen. Ben - je lief en gehoorzaam voor Grootmoeder? ben je niet te wild en te - druk? denk er om dat Grootmoeder al een beetje oud is. Omhels haar - eens voor mij en zeg haar, dat ik zoo blij ben, dat mijn lieve - jongen bij haar kan zijn. Vader en de zusjes zenden veel groetjes. - Vader schrijft met de volgende mail aan Grootmoeder. - - In gedachten een omhelzing van - - je zoo liefhebbende - Moessie.” - - -Arthur leest den brief nog eens over en zegt: - -„Ik vind het zoo prettig in Indië, maar als Vader en Moeder hier komen, -zal ik er niet zoo erg meer naar verlangen als den eersten tijd. Ik -begin nu al veel van Holland te houden.” - - - - - - - -HOOFDSTUK X. - - -Den volgenden morgen springt Arthur vroeg uit zijn bed; hij is zoo -nieuwsgierig om te zien hoeveel sneeuw er bij gekomen is. De wind is -bedaard en het heeft opgehouden met sneeuwen. - -„Hoe prachtig!” zegt Arthur hardop, als hij het gordijn opgehaald -heeft. Hij staat een poos te kijken, nog nooit zag hij zoo iets moois; -alles is smetteloos wit, de boomen, de struiken en de grond en de lucht -daarboven is helderblauw en overal waar de zon haar stralen zendt, -schitteren duizende diamanten. - -Haastig loopt Arthur naar den overloop en roept aan Grootmoeders deur: - -„Grootmoe! heeft u al naar buiten gekeken? het is prachtig! de zon -schijnt zoo mooi op de sneeuw, ik ga me gauw aankleeden.” - -Hein is al bezig paadjes te graven van de keuken naar den stal en nu -komt Arthur gauw helpen. Er ligt een manshoogte tegen de staldeur. - -„Ja jongeheer, je zult er van in de krant lezen, alles is versperd, de -treinen zullen blijven steken; de bakker zal er niet door kunnen en je -kunt ook niet naar school.” - -„Niet naar school?” zegt Arthur verbaasd. - -„Neen, zeker niet, we kunnen hier zoo gauw niet vandaan komen, kijk -maar eens voor het huis.” - -Arthur loopt naar de voorkamer en nu ziet hij, hoe de sneeuw tot bergen -is opgewaaid, op den oprit ligt de sneeuw wel een meter hoog. - -„Ik wil toch naar school,” zegt Arthur, „ik zal wel plekjes vinden waar -ik door kan, ik neem een schop mee.” - -Hein lacht en zegt: - -„Probeer het maar, het is mij goed.” - -Arthur roept Pandoer, trekt zijn overjas aan en gooit zijn pet een eind -van zich af. - -„Apporte!” - -Pandoer brengt dadelijk de pet bij hem en als Arthur zich bukt, zet -Pandoer hem de pet achterste voor op het hoofd. - -„Mooi, knap gedaan. Nu een weg zoeken, vooruit!” - -Pandoer zakt diep in de sneeuw, maar hij komt er toch telkens weer uit. - -„Geef mij dan het kleine sneeuwploegje Hein.” - -Hiermee gewapend zoekt Arthur een weg, waar de Oostenwind de sneeuw -niet heeft kunnen opwaaien. - -„Toe maar Pandoer, loop jij maar vooruit.” - -Die slimme hond, hij weet overal plekjes te vinden, waar de sneeuw niet -zoo hoog ligt en met een omweg, komen zij bij den straatweg. Zoo nu en -dan moet Hein met de schop te hulp komen, maar het is hem erg -meegevallen. - -„Ja Hein, als je niet door den berg heen kunt komen, moet je er omheen -loopen, want er boven overheen gaat ook niet.” - -„Zeg dat wel jongeheer. Als nu de sneeuwploeg maar kwam.” - -„Nu ga ik eerst ontbijten en als ik klaar ben, zal de ploeg er wel zijn -en anders ga ik met dit kleine ding, ik wil er door.” - -Grootmoeder vindt goed dat hij het probeert; het is nu helder licht dag -en zonder gevaar. - -„Als ik Pandoer eens meenam? dan breng ik hem bij oom Bantam.” - -„Goed mijn jongen, doe dat.” - -Arthur legt zijn boeken op het driehoekig sleedje, en met zijn dikke -slobkousen en overschoenen, baggert hij door de sneeuw. - -Wat is Pandoer blij, dat hij mee mag; hij rolt zich door de sneeuw en -proest en snuift als een walvisch. - -Op den straatweg gekomen, kijkt Arthur uit naar den sneeuwploeg, maar -er is niets te zien. Daar hoort hij heel in de verte een spoorfluit, -nog eens en nog eens, onophoudelijk door. - -„Hè, wat fluiten ze, misschien kunnen ze niet verder, ja, dat zal het -zijn.” - -De straatweg is hier open en vrij; de wind van gisteren heeft de sneeuw -voor zich uitgejaagd en Arthur kan er gemakkelijk door komen. Maar -waarom zou de sneeuwploeg niet komen? - -Daar ziet hij van verre Constant; hij waadt met moeite door de sneeuw, -want hij heeft geen ploegje bij zich. Arthur wacht op hem en gooit -onderwijl met sneeuwballen. Hij geniet van het prachtige weer en het -uitzicht over de zuiver witte velden, die schitteren in den -zonneschijn. - -„Wat een leuk ding heb je daar,” zegt Constant nader komend, „laat mij -ook eens duwen. Hoe ben je gisteren avond thuis gekomen Mung?” - -Arthur vertelt het en hoort van Constant, dat deze ook met moeite het -hek van de Pastorie is doorgekomen. - -„Kom Pandoer, vooruit!” zegt Arthur, „hoe zou het met Jacob zijn? och -lieve deugd, zijn huis zit heelemaal onder de sneeuw, er komt toch rook -uit den schoorsteen. Wat is die sneeuw daar op gewaaid, maar daar -achter is een opening, daar staat de vrouw.” - -„Dag vrouw Drieman, hoe is het met Jacob?” - -„Hie is zoo benauwd, Jentje is naor den dokter; hie wou geen doctor -hebben, hie zegt, dat ie dan geen ezel kan koopen, al de spaorduuten -zullen weg gaon aan apotheker en dokter, maor ik kan hem zoo niet in de -benauwdheid laoten.” - -De jongens weten niet wat ze zeggen zullen en gaan erg onder den indruk -verder den weg op. Eindelijk zegt Arthur: - -„Wat is het toch raar verdeeld; Jacob zou zoo graag een ezel hebben en -hij kan hem niet krijgen en hij heeft hem toch zoo noodig en ik...” - -„Ja, als hij hem niet krijgt, kan hij het zeker niet volhouden om -boodschappen te doen,” zegt Constant. - -„En wat dan?” vraagt Arthur. - -„Ja, dat weet ik niet, hij kan niet op een andere manier den kost -verdienen en als zijn vrouw met de kar gaat, wie moet dan de -huishouding doen, dat kan toch ook niet. Krijg jij gauw een ezel?” - -„Ja, ik denk het wel, Vader zal een postwissel zenden, ik weet niet -hoeveel.” - -„Je zult in de week niet veel aan een ezel hebben, overdag ben je naar -school en ’s avonds werken.” - -„Ja, alleen op Zondag en in de vacantie. Maar dat zal wel leuk zijn.” - -„Hoor de trein fluit nog altijd, wat beduidt dat toch?” - -„Zouden ze vast zitten? wat zou ik graag helpen graven. Kijk eens daar -vooruit in de sneeuw, wat gek, allemaal zwarte dingen, zijn dat -kraaien?” - -„Wel neen, dat zijn hoofden, die uit de sneeuw komen. Hoe kan dat?” - -„Ik zie het al, het zijn menschen die de sneeuw opruimen; wel doossie! -ze ligt een manshoogte, hoe komen we daar door? voor dat ze dat weg -hebben, kunnen we hier wel een paar uur wachten.” - -„Laten we over het bouwland gaan, Pandoer! zoek eens gauw een pad.” - -Ze loopen over het bouwland en zakken soms diep in de sneeuw. Ze worden -erg warm en vermoeid en eindelijk blijven ze steken, ze kunnen niet -verder. - -„Hoor! bellen gerinkel.” - -Ze kijken naar den weg en daar zien ze den sneeuwploeg. Verscheiden -mannen met schoppen loopen er bij. - -„Laten wij er gauw heen gaan, hier komen we toch niet door.” - -De jongens gaan denzelfden weg terug en komen erg vermoeid bij den -ploeg. Ze laten er zich op neervallen en blijven er hijgend en puffend -op liggen. De menschen zijn druk aan het graven, de vier paarden staan -te dampen en laten zoo nu en dan de bellen rinkelen. De jongens blijven -niet lang werkeloos, ze willen mee helpen, ze nemen telkens de schop -van iemand die uitrust en al kunnen ze nog niet veel, alle beetjes -helpen. - -Eindelijk is de dam doorgegraven, maar niet breed genoeg voor den -ploeg. De paarden worden afgespannen en éen voor éen door den nauwen -weg gebracht en dan de ploeg op zijn kant gezet en er door getrokken. - -„Ziezoo, gaat er nu maar weer op zitten jongens, allo! huut! vooruut!” - -Wat zijn de jongens blij, dat ze met hun boeken en het kleine ploegje -mee kunnen gaan en als ze eindelijk op school komen, is de deur dicht, -want het is al kwart voor elf. - -„We kunnen het toch heusch niet helpen,” zeggen ze tot den concierge, -die hen open doet. Ze vertellen hoeveel moeite ze gedaan hebben en ze -hooren, dat Gerard Bunte in het geheel niet gekomen is. - -„Mag Pandoer hier bij jou blijven, als ’t je blieft?” vraagt Arthur, -„ik moet hem anders nog bij Oom Bantam brengen.” - -„Is het een kwade?” - -„Neen, volstrekt niet.” - -„Nu, laat hem dan hier maar liggen, blijf jullie bij hem tot de 4de les -begint.” - -Als de directeur hoort, hoe de jongens zich een weg gebaand hebben, -zegt hij: - -„Flink gedaan! als je voortaan altijd zoo moedig voorwaarts gaat en een -baan breekt door alle moeielijkheden heen, dan kun je het ver brengen.” - -Pang! daar vliegt de deur open, Pandoer springt het locaal binnen, -recht naar Arthur toe. Algemeen gelach, maar mijnheer is gelukkig niet -boos en Pandoer wordt opgesloten bij den concierge. - - - - - - - -HOOFDSTUK XI. - - -Jacob Drieman is erg ziek; de dokter komt elken dag en Mevrouw Mung -doet wat ze kan om hulp te verschaffen. Eindelijk is het gevaar -geweken; Jacob zit een poosje op en wordt met krachtige soepjes en -andere dingen door Mevrouw Mung en Mevrouw Kemper opgekweekt. Arthur en -Constant hebben dikwijls voor zijn bed gezeten en hebben zijn -verzuchtingen aangehoord. Hij is zoo bang, dat hij niet sterk genoeg -zal worden om de kar te duwen en wat moet er dan van zijne vrouw en -kinderen worden, „dan ben ik niets dan een lastpost,” zegt hij. - -Als Arthur thuis komt, is hij stil en nadenkend en als Grootmoeder -vraagt wat hem scheelt, zegt hij: - -„Grootmoeder, als ik een ezel krijg, mag ik er dan mee doen wat ik -wil?” - -„Zeker mijn jongen; ik vertrouw je genoeg om te weten, dat je hem niet -zult slaan of afbeulen.” - -Arthur zit weer na te denken en zegt dan: - -„Grootmoeder, ik zou toch niet veel aan een ezel hebben, alleen op -Zondag en in de vacantie.” - -Grootmoeder kijkt verwonderd op en zegt: - -„En zou dit dan niet prettig zijn?” - -„Ja, dat wel, maar....” - -„Wat dan?” - -„Het zou niet noodig zijn, terwijl Jacob er niet buiten kan.” - -„Wat wou je dan?” - -„Mag ik den ezel aan Jacob geven? ik geloof dat ik er dan veel meer -pleizier van zou hebben, ja, ik weet het wel zeker, Grootmoeder, ik zou -het heerlijk vinden, mag ik het doen?” - -Grootmoeder kan niet laten hem te omhelzen en zegt niets dan: - -„Ga je gang, beste jongen.” - -„O Grootmoeder! wat ben ik blij! wat zal Jacob blij zijn en zijn vrouw -en al de kinderen en Constant. Pandoer! Pandoertje! kom eens hier oude -jongen, hop Marianneke! O Grootmoeder ik ben zoo blij. Hein weet een -ezel, mag ik hem met Hein gaan koopen?” - -„Laat Hein maar eens bij mij komen.” - -Grootmoeder overlegt met Hein en op een Zaterdagmiddag gaat deze met -Arthur naar een buurtschap, drie kwartier buiten het dorp en ze komen -juist tegen etenstijd terug met een mooien, grijzen ezel. Het is een -zachtzinnig dier, een beetje mager, maar goed gezond. Hij mag op -Conifera blijven, totdat Jacob genoeg hersteld is om uit te gaan. -Zondagmiddag gaat Arthur Constant af halen en samen zullen ze het -groote nieuws aan Jacob gaan vertellen. - -De sneeuw is hard bevroren en de straatweg is heerlijk glad gebaand. De -jongens loopen vroolijk over den weg en Pandoer loopt mee. Als ze het -huis van Jacob binnen komen, zien ze dezen aan de tafel zitten met -zijne vrouw en 5 kinderen. Er worden dadelijk twee stoelen voor de -jongens leeg gemaakt door Jentje en Gerrit, die elk op een takkebos aan -den haard gaan zitten. - -„Goeien morgen jongeheeren,” zegt Jacob, „zit ik hier noe niet mooi? ik -bin toch zoo blied, dat ik hier weer zoo zitten mag bie mien vrouw en -kinders. Ik bin noe niet meer zoo neerslachtig, foei, foei, wat heb ik -gelamenteerd! ik bin dankbaor, dat ik weer beter word en ik verlang -hard dat ik aan het wark zal kunnen gaon en dan maor weer met moed -vooruut.” - -„De dokter hef ezegd dat je nog lange niet achter de kar meugt loopen,” -zegt de vrouw, „de longen kunnen dat niet lieën.” - -„Dat zol wat moois wezen,” zegt Jacob, „ik mot toch aan ’t verdienen -gaon?” - -De vrouw schudt het hoofd en ziet de jongens aan. - -Arthur heeft een kleur van opgewondenheid; Constant stoot hem aan en -zegt: - -„Toe dan, zeg het.” - -„Jacob, wou je nog zoo graag een ezel hebben?” - -„Een ezel? nou, of ik; maor ik mot nog een winter door warken en den -zomer ook, veur dat ik het geld er veur heb.” - -„Jao, en eerst weer ziek worden,” zegt de vrouw. - -„Kom, geen zorgen veur den tied,” zegt Jacob. - -„Jao, noe isse zoo moedig, maor och!” en de vrouw zucht. - -„Toe dan,” zegt Constant. - -„Jacob,” zegt Arthur, „hoe zou je het vinden als hier een ezel kwam -binnen loopen?” - -„Dan zol ik zeggen: kom binnen lief diertjen, maor dan zolle wel gauw -weer wegloopen.” - -„Heb je een stal?” - -„Jao, in ’t schuurtjen, een mooie, warme stal, jao, dat is geen -bezwaor, maor ’t geld!” - -„Toe dan,” zegt Constant. - -„Jacob, ik heb een ezel voor je.” - -Jacob zet groote oogen op en zegt dan: - -„Och jongeheer, ik kan hem zuuver niet betaolen, ’t volgend jaar -misschien wel, ak gezond blief.” - -„Jacob, ik geef je den ezel present, ik heb het geld er voor van Vader, -Moeder en Grootmoeder gekregen.” - -Jacob wil wat zeggen, maar hij slikt en begint te hoesten. - -Constant staat vlug op en zegt: - -„Kom Mung, ga gauw mee, dan kan hij er eens over denken. ’t Is echt -waar,” zegt hij in ’t voorbijgaan tegen vrouw Drieman, „de ezel staat -al op Conifera op stal, ik heb hem gezien; kom Arthur, gauw!” - -Als de jongens buiten de deur zijn, zegt Constant: - -„De man was heelemaal van streek van blijdschap, het is beter, dat we -nu weg gaan.” - -„Ja, dat geloof ik ook, kom, gauw naar huis, ga je mee?” - -„Graag; zullen we den ezel buiten laten loopen?” - -De jongens hebben den heelen middag pret met den ezel en Grootmoeder is -een oogenblik bang, dat Arthur berouw zal krijgen, maar neen, hij is -den heelen tijd zoo gelukkig, omdat hij dat heele gezin van Jacob voor -armoede kan bewaren en Grootmoeder is weldra gerust gesteld. - -Dien avond, dadelijk na het eten, komt vrouw Drieman op Conifera, om -Mevrouw Mung te spreken. Zij komt vragen of het werkelijk waar is van -dien ezel, haar man kan het niet gelooven. - -„Ja, het is zeker waar, geloof het gerust. Zoo gauw Jacob den ezel -hebben wil, kan hij hem krijgen.” - -„Maor Mevrouw, ik heb nooit van een kind eheurd, dat zoo iets zol doen -en zoo goed is, als die jongeheer Arthur.” - -„’t Is een beste jongen, dat is waar, maar geloof mij, er zijn wel meer -goede jongens die het graag zouden doen, maar ze kunnen niet altijd.” - -De vrouw kijkt ongeloovig en zegt: - -„Mien man wou den jongenheer graag zelf spreken, zou hie bie Jacob -willen komen?” - -„Ja zeker, ik zal hem laten roepen.” - -Rika gaat Arthur uit den stal halen en als deze hoort, dat hij naar -Jacob moet, zegt hij: - -„Mag ik Constant gaan halen?” - -„Zeker, blijf je niet te lang weg?” - -„Neen Grootmoeder, schenk u mijn kopje thee maar in, vóór dat het koud -is, ben ik weer thuis.” - -De beide jongens komen weldra bij Jacob de deur in en ze zullen nooit -dezen avond vergeten; Jacob is zoo door en door gelukkig, hij weet niet -wat hij zeggen zal om het te toonen. - -„Nu zal ik vooruut komen, jongeheer, dat zul je eens zien! nu kan ik -heele vrachtjes naar de stad brengen: nu kan Janus Trot er ons niet uut -dringen; jongens! wat zal het noe een mooi zaakjen worden, noe kan ik -onze appels naor de markt brengen, ze bint zoo duur, en vrouw, we -zullen in de toekomende lente wat snieboonen en ander spul in den grond -maken en als het dan een mooi gewas geeft, kan ik het in de stad -verkoopen. Ik kon de kar niet meer vooruut kriegen.” - -„De jongeheeren,” zegt de vrouw, „hebben dikwijls geholpen, noe onlangs -nog in de sneeuw.” - -„Jao, dat was mooi, ik kan oe niet dankbaor genoeg zijn, als ik het -vergelden kan, later, noe, ik zal mien best doen.” - -De jongens nemen afscheid en als ze naar huis wandelen, zegt Arthur: - -„Wij zouden er toch niet zóó veel plezier van gehad hebben.” - -„Neen, dat geloof ik ook en je plezier zou toch bedorven zijn, als je -dien armen stumper achter zijn kar hadt zien zwoegen. Nu zal het elken -keer als we hem ’s morgens zien rijden, een plezier voor je zijn.” - -„Voor jou ook,” zegt Arthur. - -„Ja zeker, ik ben blij, dat je het gedaan hebt.” - - - - - - - -HOOFDSTUK XII. - - -Een kleine week vóór Kerstmis komt er een brief op Conifera voor -Mevrouw Mung. Hij ligt naast haar bord als zij aan het ontbijt komt. - -„Een brief van tante Nina,” zegt Grootmoeder. - -„Van Beukenwoud?” vraagt Arthur, terwijl hij zijn boterham doorsnijdt. - -„Ja, van tante Colesberg; wat zou tante schrijven?” - -Grootmoeder zet den bril op en leest en zegt dan eensklaps: - -„Hoe aardig, ja, dat zou ik wel heel prettig vinden.” - -„Wat? Grootmoeder.” - -„Tante Nina vraagt, of wij met ons beidjes in de Kerstdagen bij haar -willen komen logeeren.” - -„Op Beukenwoud? o Grootmoeder, is het heusch waar? heerlijk! nu zal ik -Beukenwoud voor het eerst zien, Lili heeft er zoo veel van verteld.” - -„En weet je wat prettig is? Oom en Tante Bantam en Lili zijn ook -gevraagd.” - -Nu springt Arthur op van zijn stoel en de stoel valt achterover op den -grond, gelukkig niet kapot en Arthur danst door de kamer en juicht: - -„O Grootmoeder, wat is dat heerlijk! wat ben ik blij, u ook?” - -„Ja jongen, ik vind het heel prettig, maar ik kan niet meer zoo dansen -en springen en stoelen omgooien om mijn plezier te toonen.” - -„O, Grootmoeder, neem mij niet kwalijk; wat zullen Vader en Moeder blij -zijn als ze het hooren. Hé, ik wou dat Constant het ook zoo prettig -had.” - -„Ik denk dat hij het wel heel prettig zal hebben met de zusjes; ze -krijgen immers een kerstboom?” - -„Ja, dat is waar, Constant verheugt er zich erg op.” - -Arthur pakt zijn boeken in en zegt: - -„Ziezoo, dat is de laatste dag vóor de vacantie; van middag breng ik -het rapport mee.” - -„Ik hoop dat het goed zal zijn,” zegt Grootmoeder. - -„Ja,” zegt Arthur, „ik zal na de vacantie nog beter mijn werk nazien, -ik heb er nog wel eens stomme fouten in gelaten.” - -„Dat is jammer.” - -„Ja, Grootmoe, maar het zal u nog wel een beetje meevallen, hoop ik.” - -„Dat hoop ik ook, maar ik heb een heel goede verwachting van je.” - -„O doossie! dan zal het tegenvallen. Dag Grootmoe, tot van middag!” - -„Jongen, jongen! niet zoo wild! kijk nu mijn muts, heelemaal scheef.” - -En Grootmoeder zet haar muts weer recht en ziet Arthur lachend na. - -Het is al heelemaal donker als Arthur kwart voor vijf thuiskomt. -Grootmoeder hoort hem al van verre het Transvaalsche volkslied fluiten. -Pandoer springt uit zijn mand achter de kachel, rekt zich eens flink -uit en vraagt aan Grootmoeder, of hij als ’t je blieft naar buiten mag. -Grootmoeder kent zijn taaltje wel, legt de breikous op tafel en laat -den hond de voordeur uit, kijkt hem na over de witte sneeuw en hoort -weldra Arthur’s stem: - -„Pandoertje! ben je daar! beste hond, bedaar een beetje, kom, gauw naar -Grootmoeder.” En daar komt hij aan, vroolijk en met schitterende oogen. - -Haastig knoopt hij zijn jas los, haalt een boekje uit zijn blouse en -terwijl hij Grootmoeder omhelst, zegt hij: - -„Dat is voor u!” - -Grootmoeder gaat naar binnen, houdt het boekje bij de lamp en leest: - -„Negen, acht, negen, negen, zeven...” - -„Ja,” zegt Arthur, „daar zou ik ook wel een negen voor gehad hebben, -als die vervelende Amalia.” - -„Wat Amalia?” - -„O ja, u weet het niet, we hebben op een keer heelemaal niet geluisterd -op de rekenles en toen hebben we een onvoldoende gekregen. Constant -heeft bijna dezelfde cijfers gekregen, sommige nog mooier, hij is zoo -knap, als ik hem niet altijd bij me had, zou ik zeker niet zoo’n mooi -rapport hebben.” - -„Nu mijn jongen, dat is een groot geluk, prettig om naar huis te -schrijven. Wat zullen Vader en Moeder blij zijn.” - -’s Avonds schrijft Arthur een langen brief; hij weet zooveel te -schrijven en hij doet er ook een briefje bij voor zijn zusjes. - -Op een Maandagmorgen gaat Arthur met Hein en Constant, den ezel -wegbrengen naar Jacob Drieman. Grootmoeder kijkt hem na en denkt: „die -goede jongen, zijn grootste plezier is om anderen gelukkig te zien.” - -Jentje staat voor het huis en als zij hem ziet aankomen, loopt zij -haastig naar binnen en ze hooren haar roepen: „Vader! Moeder! kom es -kieken!” - -Daar komen ze, en achter hen aan, al de kinderen; wat zien ze er blij -uit, ze glimmen van plezier. - -„Daar kump ie!” juicht kleine Gerrit en in een oogwenk staan allen om -den ezel heen en streelen hem over zijn neus, zijn nek en zijn rug. De -ezel snuffelt aan het buisje van Gerrit en deze wordt een beetje bang, -maar Jentje zegt: - -„Hie ruukt et, daj een stuk brood in oe zak hebt.” - -En Gerrit haalt het stuk roggebrood, dat hij voor den ezel bewaard -heeft, voor den dag en Hein zegt, dat hij het aan kleine stukjes moet -breken en van zijn vlakke hand moet laten eten, en zie, kleine -Gerritman, is niets bang meer en zegt: „hie lust nog meer.” - -Nu wordt de ezel naar de schuur gebracht; er is een nette stal -afgeschoten en op den grond liggen droge heideplaggen en in de krib is -zuiver hooi; Jentje brengt een emmer water en zegt: - -„Zolle ook dorst hebben?” - -„Ik denk dat hij het hier wel goed zal hebben,” zegt Constant. - -Jacob staat in zijn handen te wrijven en als ze uit de schuur komen en -om het huis heen loopen, zegt hij: - -„Warentig, ik kan me noe veurstellen da’k op een buutenplaats woon, -jongens ik heb zoo’n schik.” - -„Dan moet je de buitenplaats ook een naam geven,” zegt Arthur, „wat zou -je denken van Ezelsoord?” - -„Dat zou effectief mooi zijn,” en Jacob staat te grinniken van plezier -en Hein zegt: - -„Menige rijke mijnheer is op zijn buitenplaats niet zóo tevreden als -Jacob op zijn Ezelsoord.” - - - - - - - -HOOFDSTUK XIII. - - -Twee dagen voor Kerstmis, komen Grootmoeder, Arthur, Oom en Tante -Bantam en Lili tegelijk op Beukenwoud aan. Tante Colesberg komt hen in -de vestibule tegemoet, en een prettige, geurige warmte komt hen tegen -uit de huiskamer. Er staan overal groote potten en vazen met -dennetakken en hulst met roode besjes. Ze doen hun mantels en jassen -uit in het kleine spreekkamertje en als ze daarna binnen komen in de -huiskamer, loopen ze allen naar de zijramen om in de menagerie te -kijken. - -„Mijn lieve Lili,” zegt tante Colesberg, „ik ben een en al verbazing, -wat loop je goed, je hebt niet veel steun meer noodig.” - -„O tante, het is zoo heerlijk; ik heb ook al even in de sneeuw geloopen -bij ons in den tuin; het gaat hoe langer hoe beter. O kijk eens, wat -zijn er veel duiven, zijn ze nog zoo mak?” - -„O ja, wil je het zien? Herman!” zegt tante tegen haar zoon, „wil je -Jantje even halen?” - -Neef gaat dadelijk naar buiten, fluit en neemt wat maïs uit zijn -vestjeszak en als hij de hand uitsteekt, komt er dadelijk een aardig -wit duifje op zitten en pikt gretig de korrels op. Daar komen er nog -twee en gaan op neefs arm zitten en nu komt neef met de drie duifjes de -kamer in. - -„O wat aardig!” - -„Dit kleine makke diertje is Jantje en dat is Beb en dezen heb ik naar -jou genoemd.” - -„Ja? naar mij? Arthur?” - -„Neen, Mung noem ik hem, is het goed?” - -„Ja neef, best, maar waarom heet die andere Beb? wie is dat?” - -„Beb Dolijn woonde hier vroeger, een heel lief meisje, zij hield zoo -veel van haar duifjes en daarom heb ik er een naar haar genoemd.” - -„Waar is nu het kippekamertje?” - -„Wou je het graag zien? kom dan maar mee.” - -„Ik wou ook mee, daar mag ik immers logeeren,” zegt Lili en neef en -Arthur helpen haar de trap op en ze komen op een aardig kamertje, dat -in de ménagerie uitziet. - -„Hé, wat heb je hier een mooi uitzicht, wat aardig al die eenden en -kippen; kijk, een ooievaarsnest, wat leuk, en daar aan den vijver zie -ik een koepeltje.” - -„Ja, er is hier een heele boel te kijken,” zegt neef, „zie je wel de -kippenbrug, daar naar het bosch toe? daar gaan de kippen zoo graag in -het eikenblad krabben, maar nu kunnen ze er niet bij komen door de -sneeuw. Nu naar Nova Zembla.” - -„Nova Zembla?” - -„Ja; dat is een kamertje op het Noorden, daar ben je toch niet bang -voor? daar sliepen vroeger ook jongens van mijnheer Dolijn.” - -„O, neen neef,” zegt Arthur, „ik ben niets bang voor koû, dat is -frisch.” - -Ze gaan over den overloop en daar ziet Arthur iets op den deurpost -geschreven; hij leest: - -„Arthur is een muziekmannetje.” - -„Wat is dat? wie heeft dat gedaan, ik doe nooit aan muziek.” - -Neef lacht en zegt: - -„Dat is Arthur Dolijn, die hier vroeger woonde, er staat hier nog meer, -kijk maar: - -„Jongeheer Arthur, - -„Eet 12 boterhammen in één uur.” - -„Kijk eens hier: - - - „Pumpie is een soes - En Meta is een snoes.” - - -„Ga nu mee naar Nova Zembla, daar staat ook nog wat gekrabbeld.” - -Arthur en Lili zien op de vensterbank allerlei letters, E. D. en A. D. -F. B. F. H. en W. H. - -„Wie zijn dat allemaal?” vraagt Arthur. - -„Ja, dat weet ik niet, maar kijk hier eens: „E. is een ezel, D. is een -duivel en U. is een uilskuiken.” - -Lili en Arthur schateren van het lachen en Lili zegt: - -„E. D. U., dat is Edu, dat zal hij wel niet zelf gedaan hebben; o kijk -eens: - -„E. is edel, D. is dapper, U. is ulevel.” - -„Die is prachtig, dat heeft Edu zeker wel zelf gedaan.” - -Ze zoeken nog meer, maar ze kunnen niets meer vinden. - -„Kom, het is hier koud, ik verlang naar de warme kamer, jullie ook?” - -Ze gaan samen naar beneden en ze vinden het erg gezellig in de -huiskamer. Ze drinken thee met kattetongetjes en ze praten over alles -en nog wat. Na het eten zitten ze om den knappenden haard; ze kraken -noten en mogen de doppen in het vuur gooien, en neef doet er ook wat -dennenappels op, het knapt en knettert zoo heerlijk. Tante Colesberg en -neef vertellen allerlei dingen, die ze hier gehoord hebben over de -familie Dolijn en dat vinden Lili en Arthur erg prettig om te hooren. - -Den volgenden morgen zegt tante Colesberg: - -„Ik zend een mand met appels en dennetakken naar Amsterdam aan de -familie Dolijn, wil jullie helpen?” - -„Graag tante.” - -Arthur en Lili wrijven de appels en peren tot ze glimmen; er worden ook -noten in gepakt; dennetakken en hulst gaan er boven op en Willem, de -tuinman, komt met een stuk linnen, touw en een paknaald om het dicht te -naaien. - -„Dat doe je geloof ik graag?” vraagt neef. - -„Ik doe niets liever dan vrachtjes zenden aan de familie Dolijn,” zegt -Willem, „wat zullen de kinderen blij zijn, och, och, wat waren ze hier -graag!” - -De dagen vliegen om, veel te gauw en als Arthur den laatsten avond in -zijn bed ligt en door Grootmoeder wordt toegedekt, zegt hij: - -„Wat is het toch vreemd verdeeld; wij hebben het zoo vreeselijk goed en -er zijn er zoo veel die het zoo ellendig hebben, dat is toch akelig.” - -„Ja beste jongen, dat is heel ongelukkig, vooral als de ellende tot -slechtheid brengt!” - -„Grootmoeder, wat is het toch gelukkig om rijk te zijn.” - -„Neen mijn jongen, zeg dat niet, het geld brengt volstrekt niet altijd -geluk aan, heel dikwijls het tegendeel. Voor menigeen zou het een geluk -zijn, minder geld te hebben en gedwongen te zijn hard te werken.” - -„Maar Grootmoeder, als men rijk is, kan men er veel goed mee doen.” - -„Ja, als men dat altijd deed, zou het geld geluk aanbrengen, maar het -geld brengt zoo veel menschen tot luiheid en zorgeloosheid. Men moet -heel flink en verstandig zijn om een goed gebruik van het geld te -maken, en als men dat niet kan, is het veel beter arm te zijn. En veel -geld geeft veel zorgen; een man die met een kermiswagen door het land -trekt, heeft het dikwijls gemakkelijker dan een schatrijk man.” - -„Hé Grootmoeder, hoe kan dat?” - -„Als men veel geld heeft en als men het goed wil besteden, moet men -heel knap en verstandig zijn, men is dan verplicht heel veel voor de -maatschappij te doen.” - -„Dus moet men heel knap en verstandig zijn als men rijk is?” - -„Ja beste jongen, heel knap en heel goed.” - -Arthur denkt hier veel over na; hij weet dat zijn vader heel rijk is en -dat hij het waarschijnlijk ook zal worden. „Als ik dus knap word,” -denkt hij, „zal ik een goed gebruik van het geld kunnen maken; gelukkig -dat ik nog veel kan leeren.” - -Als Grootmoeder en Arthur terug komen op Conifera, worden ze verwelkomd -door Constant, die blij is dat Arthur er weer is. - -„Hè, ik vond het saai, dat je weg waart, ik ben hier elken dag geweest -om een eind met Pandoer te wandelen, we hebben geprobeerd om elkaar op -te vroolijken. Maar we hebben toch prettige Kerstdagen gehad; de -Kerstboom was prachtig.” - -„Ik vind het niets naar om weer naar school te gaan,” zegt Arthur. - -„Ik ook niet,” zegt Constant, „het is zoo prettig om samen te gaan.” - -„En het is ook zoo prettig om met een mooi rapport thuis te komen,” -zegt Arthur. - -„Jongens,” zegt Grootmoeder, „ik ben blij, dat jullie er zoo over -denkt, nu kun je het ver brengen en twee mannen van beteekenis worden.” - -„Maar ook altijd twee vrinden.” - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE VRINDEN *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
