summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/65946-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/65946-0.txt')
-rw-r--r--old/65946-0.txt4086
1 files changed, 0 insertions, 4086 deletions
diff --git a/old/65946-0.txt b/old/65946-0.txt
deleted file mode 100644
index 198ed9f..0000000
--- a/old/65946-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,4086 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Twee Vrinden, by Bertha Elisabeth van
-Osselen-van Delden
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Twee Vrinden
-
-Author: Bertha Elisabeth van Osselen-van Delden
-
-Illustrator: Anna Catharina Frederika Wijthoff
-
-Release Date: July 28, 2021 [eBook #65946]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE VRINDEN ***
-
-
-
-
- TWEE VRINDEN
-
- DOOR
-
- MEVROUW VAN OSSELEN-VAN DELDEN
-
-Schrijfster van „Hansje Rozengaarde”, „Baas Willem”, „De Kleine Frits”,
- „Het Jodinnetje van Elspeet”, „Arthur’s Viool”, „Frank en Paula”,
- „Corrie en de Kaboutertjes”, „’s Winters op Beukenwoud”, „De Familie
- Dolijn” enz.
-
-
- 2e geïllustreerde druk
-
- AMSTERDAM
- ALLERT DE LANGE
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-
-Conifera is eene kleine, vriendelijke villa, omringd door een grooten
-tuin, en grenzend aan een bosch, dat zich uren ver uitstrekt tot aan
-eene groote heidevlakte.
-
-In dit bosch wandelt een 12jarige jongen, genaamd Arthur Mung, met zijn
-trouwen, zwarten poedel.
-
-Arthur kijkt op zijn horloge en zegt:
-
-„Sakkerloot! kwart vóor 12! waar blijft de tijd. Kom Pandoer, in een
-snellen pas naar huis! Grootmoeder mag niet wachten. Dit is de naaste
-weg, dwars door het dennenbosch.”
-
-Pandoer springt vroolijk vooruit, hapt naar een uitgetrokken plukje
-mos, schudt het heen en weer en gooit het spelend in de lucht; dan weer
-vervolgt hij een brommende groene vlieg en kijkt telkens om naar zijn
-baas, die met groote passen over den ongebaanden weg loopt, recht op
-zijn doel af, naar den hollen zandweg die naar Conifera voert. Hij
-springt van den hoogen boschgrond, midden in het diepe wagenspoor en
-Pandoer rent luid blaffend vooruit en keert terug, springt om Arthur
-heen en dan weer vooruit, telkens takjes in den bek nemend en weer weg
-werpend.
-
-Met rood gekleurde, gezonde wangen komt Arthur weldra aan een hekje,
-achter in den moestuin van Conifera. Tusschen bessen, frambozen,
-aardbeien, doperwten en spinazie, loopt hij zoo snel mogelijk naar huis
-en daar ziet hij grootmoeder met het sleutelmandje aan den arm bij de
-gedekte koffietafel staan en dadelijk merkt hij, dat er meer bordjes
-klaar gezet zijn en dat er extra dingen op tafel staan.
-
-„Dag Grootmoeder, komt er iemand koffie drinken?”
-
-„Ja, Oom en Tante Bantam komen met Lili, ik heb een telegram gekregen;
-ga je gauw opknappen, ze kunnen dadelijk hier zijn. Hier Rika, hier
-zijn de vingerdoekjes en breng nu nog een karaf met frisch water; heb
-je niets vergeten?”
-
-Arthur is intusschen naar boven gegaan en Pandoer staat uit zijn
-waterbakje te drinken.
-
-„O Mevrouw, kijk eens! dat is nu gek,” zegt Rika; zij neemt het
-afhangend tafellaken in de hand en laat aan Mevrouw Mung een scheurtje
-zien.
-
-Mevrouw schrikt, zet den bril op, bekijkt het van nabij en zegt:
-
-„Hoe is dat nu mogelijk, ik heb het zoo uit de linnenkast gekregen; dat
-komt er van, als men zelf niet meer de wasch kan vouwen. Wat nu te
-doen? ze kunnen dadelijk hier zijn, daar hoor ik al wat op den weg.”
-
-„Mevrouw,” zegt Rika, „als u hier jonge heer Arthur laat zitten, merkt
-niemand er iets van.”
-
-„Ja, dat zal het beste zijn, daar zijn ze ook al. Help eens gauw jonge
-juffrouw Lili naar binnen dragen.”
-
-„Och, dat arme kind,” zegt Rika medelijdend.
-
-„Dag Moeder,” zegt eene lange dame, die haastig naar Mevrouw Mung
-toekomt en deze hartelijk omhelst, „is het ook wat erg, dat we met ons
-drieën komen koffie drinken?”
-
-„Wel neen, lieve Dora, ik ben veel te blij jullie te zien; hoe is het
-met Lili?”
-
-„Wel een beetje beter, de kuur doet haar bepaald goed, zie maar eens.”
-
-Daar komt een lief meisje binnen, gesteund door den heer Bantam en
-Rika. Haar gezicht straalt van plezier, als zij langzaam den eenen voet
-na den anderen verzet en recht naar hare Grootmoeder toegaat.
-
-Deze staat sprakeloos van verbazing; zonder iets te zeggen steekt zij
-de handen naar Lili uit en omhelst haar héel héel hartelijk.
-
-„Wat zegt u daar nu wel van?” vraagt de heer Bantam met een gelukkig
-gezicht, „is dat nu geen groote verrassing? we konden het bijna niet
-langer verzwijgen, maar Lili wilde u zoo graag verrassen.”
-
-Mevrouw Mung is op een stoel gaan zitten en droogt de tranen, die van
-blijdschap uit de oogen zijn gesprongen.
-
-„Ik had niet durven hopen, dat het lieve kind ooit zou kunnen loopen;
-welk een geluk! laat ze nu niet te veel doen, ga gauw zitten mijn
-schat.”
-
-„Dag Moeder,” zegt de heer Bantam lachend.
-
-„Och ja, ik heb je door de blijdschap niet eens goeden dag gezegd. Ik
-feliciteer je beste Paul, met de beterschap van je lief kind; nu heb ik
-moed dat ze flink zal leeren loopen.”
-
-„En dansen en springen, Grootmoeder,” zegt Lili vroolijk, „dat heeft
-doctor Geukestein gezegd. Maar waar is Arthur?”
-
-„Daar komt hij.”
-
-Arthur ziet dadelijk, dat Lili op haar voeten staat. Dat heeft hij nog
-nooit gezien; altijd werd zij in een wagentje gereden en gedragen.
-
-Hij krijgt een kleur van plezier en zegt niets dan: „Dat ’s leuk!” en
-hij kijkt naar Tante en naar Oom en Grootmoeder en dan weer naar Lili.
-Dan springt hij hoog in de lucht en roept: „Hoezee!” en gaat allen een
-hand geven.
-
-„Hoe komt dat? wie heeft je beter gemaakt?”
-
-„Die goede dokter Geukestein,” zegt Lili verheugd, „nu ben ik veel
-gelukkiger dan een kind, dat heel vroeg heeft leeren loopen.”
-
-„Ja, nu waardeer je het veel meer,” zegt haar Vader, terwijl hij haar
-naar den stoel brengt, die Grootmoeder voor haar bestemd heeft, naast
-dien van Arthur.
-
-„Kun je nu ook de trap oploopen naar mijn kamer?” vraagt Arthur.
-
-„Neen nog niet, maar Papa wil mij misschien wel naar boven dragen na de
-koffie, wil u Papa? ’t behoeft misschien niet zoo dikwijls meer.”
-
-„Zeker mijn kindje, het zou mij nooit te veel zijn, maar ik ben toch
-wát blij dat het gauw niet meer noodig zal zijn.”
-
-Allen zitten in een gelukkige stemming aan de koffietafel en, als ze
-druk aan het vertellen zijn en onderwijl smakelijk eten en drinken,
-zegt Arthur eensklaps, terwijl hij het tafellaken in de hoogte houdt:
-
-„Grootmoeder, kijk eens!”
-
-„Och, jou vervelende jongen,” zegt Grootmoeder en allen beginnen
-hartelijk te lachen, Grootmoeder ook.
-
-„Zoo is hij nu altijd,” zegt Grootmoeder en doet haar best boos te
-kijken, maar och, daar is haar lief gezicht niet toe in staat.
-„Gelukkig dat jullie het maar bent, anders zou ik mij veel erger
-schamen voor zoo’n gescheurd tafellaken, maar de wasch komt gevouwen
-thuis en nu heb ik het wel nagekeken, maar je weet het, mijn oogen
-worden slecht.”
-
-Lili streelt Grootmoeders hand en zegt: „Lieve Grootmoe, mag ik u weer
-helpen als ik hier kom logeeren?”
-
-„Graag kindje, ik verlang al dat je komt.”
-
-Na de koffie wordt Lili naar boven gebracht op Arthur’s kamer; hij laat
-haar al zijn schatten zien, al de nieuwe boeken, zijn postzegel-album
-en prentbriefkaarten. Lili heeft ook een verzameling en ze krijgt al de
-briefkaarten die hij dubbel heeft.
-
-„Wat is dat?” vraagt ze.
-
-„Dat is de ezelpot.”
-
-„De ezelpot? het lijkt een spaarpot.”
-
-„Ja, dat is het ook; heb ik je nog niet verteld, dat ik in ’t volgend
-jaar misschien een ezelwagen krijg? Van Grootmoeder krijg ik den wagen
-en voor den ezel moet ik zelf opsparen. Vader en Moeder hebben er ƒ 10
-voor gezonden en van Grootmoeder krijg ik ook wat als ik door mijn
-examen kom.”
-
-Arthur is in gedachten verzonken.
-
-„Vind je het prettig in Holland?” vraagt Lili.
-
-„In Indië is het veel prettiger en daar zijn Vader en Moeder.”
-
-„Ja, bij je ouders is het natuurlijk het prettigst, maar bij
-Grootmoeder is het toch heerlijk.”
-
-„O ja, als Vader en Moeder maar hier waren, dan zou het hier bijna zoo
-prettig zijn als in Indië.”
-
-„Verlang je naar de Hoogere Burgerschool?”
-
-„Och, niet erg, ik ken er niemand.”
-
-„O, dat is niets, je maakt wel kennis op het examen. Marietje
-Geukestein komt ook in jou klasse, als ze er door komt.”
-
-„Dat is een meisje, wat kan me dat schelen.”
-
-„’t Is mijn grootste vriendin, ze is heel aardig.”
-
-„Ja, dat kan wel, maar ik wou dat ik een paar jongens kende; maar je
-moet niet denken dat ik er over tob.”
-
-„Waar zou je over tobben?” vraagt de heer Bantam, die binnen komt om
-Lili te halen.
-
-„Ik tob niet Oom, alleen vind ik het vervelend, dat ik niemand ken van
-de school. Maar er is hier een jongen op het dorp, die ook naar de H.
-B. S. zal gaan, de tuinman vertelde het van morgen, maar ik ken dien
-jongen niet.”
-
-„Dan moet je eens gauw kennis met hem maken; wie is het?”
-
-„’t Is een zoon van den dominé.”
-
-„O, van den nieuwen dominé; dus die moet de volgende week ook examen
-doen? dan maak je van zelf kennis en je kunt altijd met hem heen en
-weer loopen naar de stad, dat treft heel goed, en je weet het, je moogt
-altijd bij ons komen koffie drinken en als het een aardige jongen is,
-mag hij een enkele keer ook wel eens meekomen. Ga jullie nu mee naar
-den tuin?”
-
-„O graag!” zegt Lili en laat zich door haar Vader naar beneden dragen.
-
-„Kijk eens Lili, hier staat de oude bekende wagen al voor je klaar, je
-zult er nu tot afscheid nog eens in rijden. Waar wil je naar toe?”
-
-„Naar den tuinman, hij is zeker achter in den tuin.”
-
-„Kom dan maar; Arthur ga je ook mee?”
-
-„We gaan allemaal mee,” zegt Grootmoeder.
-
-Ze wandelen den geheelen tuin door, Lili voorop in den wagen en Arthur
-vraagt aan Grootmoeder of hij een roos mag plukken voor tante Dora en
-als hij merkt dat Lili de dubbele meizoentjes zoo mooi vindt, wil hij
-graag een plantje voor haar uitsteken en in een bloempotje meegeven, ze
-kan het dan thuis op haar kamer zetten voor het raam.
-
-„Maar lieve jongen,” zegt Grootmoeder, „zoo’n plantje kan ze voor éen
-stuiver op de markt koopen.”
-
-„Ja maar Grootmoe, dan is het niet uit uw tuin.”
-
-„Neen, dat is waar, dat zal zij misschien liever hebben.”
-
-Lili lacht en zegt: „Ja, veel liever, ik denk mij hier den heelen tuin
-bij en Grootmoeder en Arthur, den baas en Pandoer.”
-
-„Komt de jongejuffrouw niet haast weer logeeren?” vraagt de tuinbaas,
-die met hen mee geloopen heeft. „Ik heb een bankje voor je getimmerd in
-het bosch.”
-
-„Ja? dat is prettig, maar baas, weet je al dat ik bijna loopen kan?”
-
-„Is het waar? och mijn lieve juffertje, dat kan ik haast niet
-gelooven.”
-
-„Niet? wil je het zien? toe Papa, wil u me laten loopen?”
-
-„Kom maar kleintje, de baas moet het ook zien, zachtjes aan, ziezoo,
-sta je stevig? kijk baas, daar gaat ze!”
-
-„Wel Heere mijn tijd, heb ik van mijn leven, wat wonder! wat ben ik
-daar mee in mijn schik, wat zal moeder de vrouw daar van op hooren,
-mensch wat een geluk!”
-
-„Ja baas,” zegt de heer Bantam, „we zijn ook heel gelukkig en
-dankbaar.”
-
-Nu komt het rijtuig voor om hen weer naar de stad te brengen. Lili
-neemt het bloempotje op haar schoot en zegt:
-
-„Arthur, ga nu eens gauw kennis maken met den jongen van den dominé.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-
-De Pastorie van Dominé Kemper is in het dorp naast de kerk gelegen. Het
-huis is begroeid met roode en witte rozen; een mooie tuin vol bloemen
-en heesters ligt er vóor en achter het huis is een moestuin en een
-schuur. Groote dennen staan aan het hek bij de straat.
-
-In de huiskamer vóor aan den tuin, zit Mevrouw Kemper met eenig
-naaiwerk. Haar achtjarig dochtertje Jeanne staat bij de wieg van haar
-slapend broertje.
-
-„Moeder, is dat waar, is broertje nu al slecht?”
-
-„Kindje, hoe kom je er aan, hij weet nog niet wat goed en slecht is.”
-
-„Zijn wij dan allemaal slecht, Constant, Geertruid en ik, en u en Vader
-ook.”
-
-„Maar kind, waarom vraag je dat, wie zegt dat?”
-
-„Dat zegt Dries; hij zegt altijd zulke nare dingen, hij heeft Geertruid
-aan het huilen gemaakt.”
-
-Mevrouw legt haar naaiwerk op tafel en vraagt:
-
-„Waar is Geertruid?”
-
-„Ze is naar boven gegaan om haar kastje op te ruimen, ze had het
-gisteren niet gedaan, en ze wou zoo graag niet slecht zijn.”
-
-Mevrouw staat op, zeggende:
-
-„Pas even op broertje, ik kom dadelijk weer bij je.”
-
-Jeanne gaat weer bij het wiegje staan, ziet naar het lieve kindje, naar
-zijn kleine vuistjes, die uit de strookjes van zijn nachtponnetje te
-voorschijn komen.
-
-Wat zijn het kleine vingertjes, ze kunnen nog niets vasthouden, nog
-niet eens Jeanne’s vinger, want broertje is nog maar vier weken oud.
-Jeanne bekijkt haar eigen handen en dan weer die van broertje. „Hij kan
-nog niets,” denkt zij, „en ik kan al lezen en schrijven en den
-kruissteek, en ik kan een strik maken, en broertje kan alleen slapen,
-zuigen en huilen. Hij is nog een beetje dom, maar niet slecht, neen het
-is mijn lief broertje en Dries is een aap.”
-
-Daar komt Moeder weer binnen met Geertruid aan de hand.
-
-„Vertel me nu eens wat Dries gezegd heeft.”
-
-De zevenjarige Geertruid gaat op het pianostoeltje zitten.
-
-„Dries was boos; we hadden de zaag verstopt in den tijd toen hij naar
-huis was om te eten en toen zei hij, dat we ondeugende kinderen waren
-vol slechtheid, en dat broertje ook slecht was en wij allemaal en alle
-menschen en toen zei Jeanne dat u en Vader niet slecht waart en dat hij
-een leelijke aap was en toen begon hij zoo te brommen, dat ik er bang
-van werd. Vindt u ons zoo slecht Moeder?”
-
-„Neen lieve Geertruid, je bent niet slecht; maar ook niet goed, dat
-weet je wel.”
-
-Geertruid kijkt haar Moeder aan en dan naar buiten. Eensklaps springt
-zij van het pianostoeltje en zegt:
-
-„Zal ik mijn kastje heel netjes maken?”
-
-Mevrouw Kemper trekt Geertruid naar zich toe, slaat den arm om haar
-heen en zegt:
-
-„Je wilt graag een goed kind zijn, denk er nu om, dat je Dries niet
-altijd moet plagen; doe je hem wel ooit een pleziertje?”
-
-Geertruid denkt na, maar ze kan niets bedenken.
-
-„Dries is ook altijd zoo brommerig en knorrig, hij is nooit aardig
-tegen ons.”
-
-„Hij is een aap!” zegt Jeanne.
-
-„Kindertjes,” zegt Moeder ernstig, „als de menschen onvriendelijk tegen
-je zijn, moet je eerst eens bedenken of je ook schuld hebt, en dat moet
-je weer goed maken, en als je geen schuld hebt, moet je op allerlei
-manieren probeeren om de menschen vriendelijk te maken; als je het
-heusch wilt, zal het wel lukken, probeer het maar eens.”
-
-„Moeten we Dries vriendelijk maken? Zoo’n knorrepot? hij kan niet
-lachen, ik heb het nog nooit gezien.”
-
-„Stel je nu maar eens in zijn plaats.”
-
-„Met een pruim in den mond,” zegt Jeanne lachend.
-
-„Neen Jeanne, zonder gekheid; als je nu even als Dries heel alleen
-waart en zelf je eten moest koken in zoo’n ongezellig kamertje, en als
-je niemand hadt, die verlangend naar je uitkeek; niemand die van je
-hield. En als je niets geleerd hadt dan hout zagen en harken en
-spitten, en als je daarom maar heel weinig geld verdiendet; veel te
-weinig om zeep en schoone kleeren te koopen.”
-
-„Hè Moeder,” zegt Geertruid, „dat zou ik heel akelig vinden.”
-
-„En als er dan kinderen kwamen om je te plagen, zou je dan vriendelijk
-zijn?”
-
-Jeanne en Geertruid kijken elkaar aan en Jeanne zegt:
-
-„Misschien zou ik ze wel een klap geven.”
-
-„Heeft Dries dat ooit gedaan?”
-
-„Neen, hij bromt alleen.”
-
-„Probeer dan nu eens om vriendelijk tegen hem te zijn, maak hem eens
-een enkele keer in zijn leven blij met iets. Misschien bedenk je wel
-iets.”
-
-Jeanne en Geertruid vinden nu zelf, dat ze niets aardig tegen dien
-armen Dries zijn geweest en kunnen nu best begrijpen, dat hij ook niet
-aardig tegen haar is.
-
-„Moeder,” zegt Geertruid, „ik heb den vreemden jongen weergezien.”
-
-„Welken jongen?”
-
-„Ik geloof, dat hij op Conifera woont; hij liep door het dorp met een
-zwarten poedel.”
-
-„Is hij van Constant’s leeftijd?”
-
-„Ja, hij zal ook zoowat twaalf jaar zijn.
-
-„Het zou prettig zijn voor Broer als het een aardige jongen is.”
-
-„Hij ziet er aardig uit,” zegt Jeanne, „ik hoop dat we hem nog eens
-tegen komen.”
-
-Daar gaat de deur open en wat komt daar binnen? een zwarte poedel.
-
-„Hé moeder, dat is de poedel,” roept Jeanne en ze loopt naar den hond,
-die even rond kijkt en dan wegloopt.
-
-„Hier! Fidel! Bruno! Hector! kom dan mijn hondje!” roept Geertruid.
-
-De hond loopt de openstaande voordeur uit en rent over het grind naar
-den weg en verdwijnt achter de dennen.
-
-Jeanne schatert van het lachen en zegt eindelijk:
-
-„Hoe kun je hem ook zulke gekke namen geven, Bruno, een zwarten hond
-Bruno en Fidel! o kind!”
-
-„Bedenk jij dan eens een naam,” zegt Geertruid, „roep hem eens, ik wed
-dat hij bij jou ook niet komt.”
-
-Jeanne gaat op de stoep staan en fluit.
-
-„Dacht je dat hij nu komen zou?”
-
-„Ja, kijk maar.”
-
-En werkelijk, daar springt de hond weer te voorschijn van achter de
-dennen, kijkt even naar de meisjes en keert dan terug.
-
-Zonder zich een oogenblik te bedenken, hollen de meisjes den tuin door
-naar de straat en staan plotseling voor den vreemden jongen.
-
-Heel verlegen staan ze elkaar aan te kijken, totdat ze alle drie
-beginnen te lachen en de jongen zegt:
-
-„Ik wou zoo graag kennis met jullie maken, ik ken hier niemand, ik ben
-alleen bij Grootmoeder op Conifera.”
-
-„Kom dan maar mee,” zegt Jeanne, „ga mee naar Moeder.”
-
-„Hoe heet je?” vraagt Geertruid.
-
-„Arthur Mung, en hoe heet jullie.”
-
-„Ik heet Geertruid Kemper en zij heet Jeanne en mijn groote broer heet
-Constant en het kleine broertje heet Jantje. Heb je den poedel naar ons
-toegezonden?”
-
-„Ja, was dat niet goed bedacht? Nu hebben we in eens kennis gemaakt.”
-
-„Hoe heet de hond?” vraagt Jeanne.
-
-„Raad eens.”
-
-„Pollux of Nero.”
-
-„Neen, je kunt het toch niet raden, hij heet Pandoer.”
-
-„Pandoer? wat een gekke naam.”
-
-„Neen, niets gek, zoo heette mijn oudtante ook; och neen, ik meen, de
-hond van mijn oudtante. Hij is zoo slim, kijk, nu kwispelt hij met zijn
-klein staartje, hij verstaat me wel, niet waar Pandoer?”
-
-De hond springt tegen hem op en tracht hem in ’t gezicht te likken.
-
-„Neen Pandoer, dat mag volstrekt niet, dat weet je wel. Nu moet je
-dansen, kom, hop Marianneke!”
-
-Pandoer gaat op zijn achterste pooten staan en draait éenmaal in ’t
-rond.
-
-„Goed zoo, nu is het genoeg.”
-
-De kinderen gaan de voordeur in en komen binnen bij Mevrouw Kemper.
-
-„Moeder,” zegt Jeanne, „dit is Arthur Mung van Conifera. Pandoer heeft
-gevraagd of hij binnen mocht komen.”
-
-Mevrouw Kemper ziet lachend naar Arthur en den hond en zegt:
-
-„Kom binnen Arthur, ik vind het aardig dat we je nu leeren kennen, we
-hebben juist over je gesproken.”
-
-Pandoer loopt door de kamer, snuffelt overal, komt bij de wieg, gaat
-met de voorpooten op den rand staan en kijkt kwispelstaartend naar het
-kindje.
-
-„Pas op!” roept Geertruid angstig, „hij zal Jantje kwaad doen.”
-
-„Neen,” zegt Arthur, „hij is dol op kleine kinderen; bij zijn vorigen
-baas moest hij altijd op het kind passen, hij denkt misschien dat het
-dat is.”
-
-Nu hooren ze iets in de wieg; klein broertje wordt wakker en beweegt
-zijn armen en hoofdje. Arthur kijkt er naar en zegt:
-
-„Hé, zoo’n klein kind heb ik nog nooit gezien, zoo ben ik toch niet
-geweest?”
-
-„Ja zeker, Jantje is niet zoo heel klein, Jeanne was veel kleiner.”
-
-Arthur bekijkt Jeanne en dan weer het kindje, dat erge rimpels trekt en
-in zijn oogen gaat wrijven, voorteekens van een huilbui. Arthur en
-Pandoer kijken met de grootste belangstelling en als Jantje hard begint
-te huilen, vraagt Arthur:
-
-„Wat scheelt hem?”
-
-„Hij heeft honger, ik zal de flesch klaar maken, wil je zien hoe hij
-drinkt?”
-
-„O ja, graag,” zegt Arthur en als Mevrouw het kindje uit de wieg neemt
-en op haar schoot de flesch geeft, staat hij met alle aandacht te
-kijken.
-
-„Wat leuk, dat is nog aardiger dan een jong hondje; je kunt haast niet
-begrijpen dat dit nu een groote man kan worden, misschien wel een groot
-man.”
-
-„Een groote man en een groot man,” zegt Geertruid, „waarom zeg je dat?
-dat is tweemaal het zelfde.”
-
-„Neen,” zegt Arthur, „lang niet hetzelfde. Een groot man kan wel heel
-klein zijn. Napoleon was een groot man en toch heel klein.”
-
-„Dat begrijpen ze nog niet,” zegt Moeder, „Constant zou het wel
-vatten.”
-
-„Ik begrijp het wel,” zegt Jeanne, „tante Cor heeft gezegd, dat Jantje
-een groot man moest worden en toen heeft tante mij verteld, dat een
-groot man allemaal goede dingen doet, altijd en altijd door bedenkt hij
-dingen, die goed zijn voor alle menschen. Deed Napoleon dat?”
-
-„Neen; maar ze noemen Napoleon een groot man, omdat hij een groot
-veldheerstalent bezat en door zijn buitengewoon vasten wil zooveel
-bezwaren kon overwinnen. Jammer dat iemand met zoo’n krachtigen wil
-niet iets anders en beters wilde dan landen veroveren. Hij had een
-groot en een goed man kunnen zijn.”
-
-Arthur staat in gedachten verzonken en zegt dan:
-
-„Eerst goed en dan groot.”
-
-„Juist, dat heb je goed gedacht.”
-
-„Moeder,” zegt Jeanne, „ik wou dat Jantje een groot man werd en een
-goed man.”
-
-„Hè ja,” zegt Arthur, „dat wou ik ook en dat ik hem dan zien kon.”
-
-Moeder glimlacht en zegt: „Geef jullie allemaal dan een goed voorbeeld
-aan dit kleine ventje, hij kan veel van jullie leeren; hij kent nu nog
-geen goed en geen kwaad.”
-
-Daar komt Constant binnen, zeer verwonderd een vreemden jongen te zien.
-
-„Dag!” zegt hij. „Zeg, Geertruid, Lorre ligt in de beek.”
-
-Geertruid kijkt verschikt en vraagt:
-
-„Waar? hoe komt dat? wie heeft dat gedaan?”
-
-„Ik, bij ongeluk en ik kan haar er niet weer uit krijgen.”
-
-De tranen springen Geertruid in de oogen.
-
-„Mijn lieve Lorre, nare jongen, waarom heb je dat gedaan? waar is het?
-ik wil er haar uit halen, hi, hi, hi, nare jongen!”
-
-Huilend loopt ze de kamer uit.
-
-„Constant,” zegt moeder, „ga mee, zorg dat ze niet in de beek valt en
-vraag of Dries helpen wil.”
-
-„Mag ik mee?” vraagt Arthur.
-
-„Zeker, loop maar mee.”
-
-De kinderen loopen om het huis heen en Arthur ziet al gauw een aardig
-brugje en dan een stroomende beek.
-
-„Kijk, daar ligt ze,” zegt Constant, „het is daar een beetje diep, ik
-kan er niet bij komen.”
-
-„Wat is het eigenlijk?” vraagt Arthur.
-
-„Mijn lieve poppetje,” zegt Geertruid huilend.
-
-„Wacht maar,” zegt Arthur, „Pandoer kom hier! zoek!”
-
-Pandoer snuffelt aan Arthur’s hand.
-
-„Daar! in het water!”
-
-Pandoer loopt heen en weer langs de beek en kijkt Arthur altijd aan en
-springt tegen hem op, maar begrijpt niet wat hij doen moet.
-
-„Apporte!” roept Arthur en doet alsof hij wat in het water werpt.
-
-De hond jankt van plezier en is op het punt in de beek te springen,
-maar hij ziet geen rimpelje in het water, hij weet niet wat hij
-apporteeren moet.
-
-„Domme hond,” zegt Constant.
-
-„Neen, slimme hond,” zegt Arthur, „hij laat zich niet voor den gek
-houden. Kom hier, Pandoer, luister goed, je moet een pop uit het water
-halen, kijk daar is ze.”
-
-Pandoer ziet zijn baas aan en kwispelt met zijn staart.
-
-„Neen Pandoer, kijk in het water, daar!”
-
-Pandoer springt heen en weer en begint te janken.
-
-„Heb je nog een pop?” vraagt Arthur.
-
-„Ik heb er negen,” zegt Geertruid.
-
-„Haal er dan een.”
-
-„Ja, maar je moogt haar niet in het water gooien.”
-
-„Neen, zeker niet, haal maar gerust.”
-
-Geertruid loopt op een draf weg en komt terug met een groote pop.
-Arthur neemt haar in de hand, laat er den hond aan ruiken en doet dan
-alsof hij haar in het water wil werpen. „Apporte!” roept hij en
-verstopt haastig de pop op zijn rug. De hond springt rond, kijkt naar
-het water en naar de lucht en dan eensklaps achter Arthur en hapt in de
-pop.
-
-„Neen! neen, neen!” gilt Geertruid, „mijn mooie Emma, pas op!”
-
-„Wat een domme hond,” zegt Constant.
-
-„Neen,” zegt Arthur, „ik ben dom, dat ik het hem niet zeggen kan. Daar!
-apporte!” Hij gooit zijn hoed in ’t water; dadelijk springt Pandoer hem
-na en komt er mee terug bij Arthur.
-
-„Mooi!” roept Constant, „maar nu is je hoed nat.”
-
-„Ja, ik kon niet verdragen, dat je mijn hond dom vindt. Kom hier
-Pandoer, ruik nu eens goed.”
-
-Hij houdt hem een grooten steen en dan de pop onder den neus. Als
-Pandoer genoeg gesnuffeld heeft, gooit Arthur den steen in ’t water,
-dicht bij de verdronken pop. Nu springt de hond in de beek, duikt en
-hapt naar den steen, maar hij kan hem niet vast houden, de steen is te
-groot en hij komt onverrichter zake terug. Hij schudt zich uit vóor
-Arthur’s voeten en kijkt hem jankend aan.
-
-„Allons! zoek! apporte!” zegt Arthur weer met een gebiedende stem.
-
-De hond springt weer in het water en nu ziet hij de pop naast den
-steen. Gelukkig! denkt Pandoer, hij hapt in de jurk en is in een
-oogenblik uit het water met de druipnatte pop in den bek en legt haar
-kwispelstaartend voor Arthur’s voeten.
-
-„Hoezee!” juichen de kinderen, „hoezee! beste Pandoer, knap gedaan!”
-
-„Hè,” zegt Arthur, „dat heeft geduld gekost. Mijn arme hoed, wat zal
-Grootmoeder wel zeggen!”
-
-Eensklaps keert hij zich naar Constant en zegt:
-
-„Ga je examen doen voor de H. B. S.?”
-
-„Ja,” zegt Constant, „de volgende week.”
-
-„Ik ook,” zegt Arthur.
-
-„Hè, dat is leuk,” roept Constant verheugd, „dan gaan we samen, gauw
-aan Moeder vertellen, ga je mee?”
-
-Ze gaan samen naar huis, Geertruid is al vooruit geloopen en vertelt
-hoe Pandoer Lorre gered heeft.
-
-„Is het nu een slimme hond of niet?” vraagt Arthur binnenkomend.
-
-„Een heel slimme,” zegt Mevrouw, „maar ik geloof dat jij ook slim
-bent.”
-
-Arthur lacht en naar de wieg gaande, kijkt hij naar Jantje en aait heel
-zacht over het handje, dat op het laken ligt.
-
-„Aardig diertje,” zegt hij, „ik ben nieuwsgierig hoe je worden zult.
-Maar ik moet naar huis.”
-
-„Moeder,” zegt Constant, „hij gaat ook examen doen, we kunnen samen
-gaan, is dat niet leuk? mag ik hem nu wegbrengen tot Conifera? dan
-kunnen we er over praten.”
-
-„Goed jongen, ga maar mee Constant, tot Conifera en dan terug komen.”
-
-Arthur neemt afscheid en druk pratend gaan de de jongens samen den weg
-op.
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-
-In een schuur achter de pastorie van Dominé Kemper, is Dries bezig hout
-te zagen en klein te hakken. Het is een man van bijna 60 jaar; zijn
-gezicht is bruinachtig geel, vol rimpels en zwarte baardstoppels, want
-het is Vrijdag en Dries laat zich alleen des Zaterdags scheren. Hij
-heeft een dikke wang; Jeanne dacht eerst dat hij kiespijn had, maar nu
-weet zij al lang dat het een pruim tabak is.
-
-Geertruid staat voor de open deur naar hem te kijken. Hij heeft haar
-wel gezien, maar hij neemt niets geen notitie van haar. Hij heeft het
-laatste blokje van een berkeboom met den bijl doorgekloofd en begint nu
-al de houtjes netjes op te stapelen. Hij moet zich gedurig bukken en
-als hij dan weer recht staat, trekt hij telkens zijn broek op en steunt
-met de hand in den rug, als of hij pijn heeft.
-
-Geertruid blijft staan kijken en denkt onderwijl het volgende:
-
-„Zou hij het prettig vinden om die houtjes op te stapelen? ’t Ziet er
-wel prettig uit, precies een blokkendoos. Wat heeft hij vuile handen,
-ik zou hem niet graag een hand geven, waarom wascht hij ze niet. Hoe
-moet ik hem nu vriendelijk maken? hij ziet er alweer knorrig uit. Nu
-heeft hij de pruim in de andere wang, vies!”
-
-„Dag Dries.”
-
-„Hm.”
-
-„Dries, ik zeg je goeden dag.”
-
-„Kom je mij weer plagen?”
-
-„Neen, ik plaag je niet, ik wil je wel een handje helpen.”
-
-„Dat kun je net denken, ik heb je hier niet noodig.”
-
-Geertruid krijgt een kleur en zegt in zich zelf: „zie je nu wel, hij
-kan niet vriendelijk worden.”
-
-Zij loopt op een draf naar huis en zoekt Moeder, die bezig is bij
-broertjes wieg kousen te mazen.
-
-„Moeder, nu heb ik geprobeerd om Dries vriendelijk te maken, maar hij
-is knorrig tegen mij, ’t helpt niet.”
-
-„Wat heb je dan gedaan?”
-
-Geertruid vertelt alles en Moeder zegt:
-
-„Nu kan ik wel nagaan, dat jullie hem dikwijls geplaagd hebt, hij
-verwacht niets geen goed van je, hij vertrouwt je niet.”
-
-Geertruid kijkt hare Moeder verschrikt aan, krijgt een kleur en zegt:
-
-„’t Is een vervelende brompot.”
-
-„Ja, en dien moet jullie nu veranderen in een vriendelijken man.”
-
-„Och Moeder, dat kan immers niet?”
-
-„Geef je nu den moed al op? je hebt nog niets gedaan dan hem goeden dag
-zeggen. Denk je dat hij dat zoo prettig vindt? Wat kan hem dat schelen
-of zoo’n kind, dat hem altijd plaagt, hem goeden dag zegt? Als hij veel
-van je hield, zou hij het wel prettig vinden. Toen ik een klein meisje
-was, liep ik zoo graag langs het huis van een oude dame, alleen om een
-groetje van haar te krijgen.”
-
-„Ik weet niet hoe ik het doen moet,” zegt Geertruid klagend.
-
-„Stel je nu maar eens in de plaats van Dries en bedenk dan wat je graag
-zoudt willen. Ga nu maar weer naar buiten.”
-
-Geertruid gaat langzaam de deur uit, drentelt naar het schuurtje en
-gaat op eenigen afstand op een kruiwagen zitten met de hand onder de
-kin en peinst en peinst....
-
-Dries heeft intusschen de houtjes netjes opgestapeld en een ander stuk
-van een boom onder de zaag gelegd; hij veegt den mond af met den rug
-van zijn hand en begint weer te zagen.
-
-Daar komt Mina met een kommetje koffie voor Dries.
-
-„Mina, Mina!” zegt Geertruid haastig opspringend, „toe laat mij het aan
-Dries geven, toe maar, ik zal niet morsen.”
-
-„Voorzichtig dan,” zegt Mina, „pas op, zachtjes loopen.”
-
-Geertruid loopt voetje voor voetje met het kommetje naar Dries; dat
-gaat gelukkig goed.
-
-„Dries, daar is een kopje koffie voor je.”
-
-„Zet daar maar neer,” zegt Dries terwijl hij doorgaat met zagen.
-
-Geertruid is teleurgesteld; ze had gedacht dat hij haar vriendelijk of
-niet vriendelijk zou bedanken, maar toch in elk geval bedanken.
-
-Ze loopt weer naar huis en vertelt aan Moeder wat ze gedaan heeft. Deze
-lacht en strijkt Geertruid liefkozend over haar gladharig bolletje.
-
-„Houd maar vol, doe je best maar, de man kan niet zoo gauw veranderen,
-het is hem nooit geleerd en hij heeft nooit veel vriendelijkheid
-ondervonden, hij kent het nog niet. Als je nu altijd vriendelijk tegen
-hem bent, zal hij misschien van je gaan houden en naar je verlangen.
-Kijk, loopt daar de poedel van Arthur?”
-
-„Ja!” juicht Geertruid en ze loopt naar den weg.
-
-„Pandoer! kom eens hier!”
-
-Daar komt Pandoer aangesprongen en ook Arthur loopt naar het hek van de
-Pastorie.
-
-„Dag Geertruid, is Lorre weer droog?”
-
-„Ja, maar ze is zoo leelijk opgedroogd, de wangetjes zijn heelemaal wit
-geworden.”
-
-„Zal ik ze opverven? ik heb een kleurdoos.”
-
-„Kun je het mooi?”
-
-„Ja zeker, geef maar mee.”
-
-„Ja maar, ze is heelemaal zoo leelijk, het haar is losgeweekt en het
-lijf is zoo raar met bultjes.”
-
-„O, dat is niets, Grootmoeder weet er misschien wel raad voor, geef
-maar hier.”
-
-Geertruid loopt het huis in en Arthur staat naar Pandoer te kijken die
-een kapelletje naloopt. De dorpsklok slaat 12 uur en even daarna komt
-Dries langs het huis en gaat het hek uit. Op den weg blijft hij stil
-staan, haalt een pijp uit den vestzak en een papieren zak uit zijn jas.
-Hij neemt er voorzichtig een beetje tabak uit en stopt dat in de pijp.
-Het kleine restje bergt hij voorzichtig weer weg en terwijl hij de pijp
-in den mond houdt, trekt hij zijn broek op en haalt een luciferdoosje
-te voorschijn. Hij steekt de pijp op met den laatsten lucifer uit het
-doosje, dat hij met een knorrig gezicht weggooit en loopt dan naar het
-dorp toe.
-
-Arthur heeft hem goed bekeken en zegt in zich zelf: „Arme drommel.”
-
-„Hier is Lorre,” zegt Geertruid terug komend, „wanneer breng je haar
-terug?”
-
-„Dat weet ik niet, als ze klaar is, denk ik. Hoe is het met dat kleine
-diertje in de wieg? Kan het al haast loopen?”
-
-„Loopen? nog lang niet, jij hebt ook geen verstand van kleine kinderen;
-je moet niet zeggen diertje.”
-
-„Dat is juist een lief naampje, ik vind een jong hondje ook lief en een
-poesje.”
-
-„En jonge biggetjes,” zegt Geertruid, „en kuikentjes en eendjes; mijn
-broertje is toch het liefst van allemaal.”
-
-„Die man, die hier zoo even het hek uitkwam, was dat jullie tuinman?”
-vraagt Arthur.
-
-„Ik weet niet welke man.”
-
-„Ik dacht er over, of hij ook een aardig kindje zou zijn geweest met
-zulke kleine rose vingertjes en zachte wangetjes.”
-
-„Wat deed die man dan?” vraagt Geertruid.
-
-„Hij stak zijn pijpje op; hij had zulke zwarte barsterige handen en hij
-liep met een afgezakte broek.”
-
-„O, dat is Dries!” en Geertruid schatert van het lachen, „hij een lief
-kindje! o, hoe bedenk je het!”
-
-„Ja,” zegt Arthur, „als jouw broertje nu aan arme menschen werd gegeven
-en precies zoo opgevoed als Dries, dan kreeg hij later ook zulke handen
-en dan ging hij misschien ook tabak kauwen en dan kreeg hij ook zoo’n
-vies gezicht.”
-
-„Hè neen, dat moet je niet zeggen van mijn lief broertje, dan vind ik
-je niets aardig.”
-
-Arthur begint te lachen en zegt:
-
-„Jantje is nu een heel lief kindje, gelukkig dat hij bij jullie is en
-niet bij Dries. Maar het is daarom toch waar wat ik zeg, en Dries is
-een arme stumper en ik denk dat niemand van hem houdt. Wat zou ik het
-naar vinden als niemand van mij hield.”
-
-„Dan moest hij maar wat vriendelijker zijn en zich goed wasschen. Zal
-ik je eens wat zeggen? Moeder heeft gezegd dat ik hem vriendelijk moest
-maken, maar ik weet niets te bedenken om hem een pleziertje mee te
-doen; zou jij wat weten? wat zou hij graag willen hebben?”
-
-„Tabak,” zegt Arthur.
-
-„Ja? o, gelukkig, ik zal wat aan Vader vragen.”
-
-„Weet je wat Dries ook wel graag zou willen hebben?”
-
-„Neen, wat dan?”
-
-„Een paar bretels.”
-
-Geertruid kijkt hem nadenkend aan en vraagt: „Bretels? waarvoor?”
-
-„Wel, om zijn broek mee vast te houden.”
-
-„O ja, ja! dat zal ik aan Moeder zeggen, gelukkig! nu weet ik wat.”
-
-„Ik moet gauw naar huis,” zegt Arthur, „dag Geertruid, bonjour!” en met
-Lorre vóor in zijn blouse, rent Arthur naar Conifera.
-
-„Moeder,” zegt Geertruid binnenkomend, „ik weet wat! bretels!”
-
-Mevrouw Kemper kijkt verwonderd en vraagt:
-
-„Wat wou je daarmee?”
-
-„Voor Dries, toe Moesje, mag ik bretels hebben?”
-
-„Moet Moeder ze koopen en Geertruid ze aan Dries geven?”
-
-Geertruid zegt aarzelend:
-
-„Ja, toe Moesje, als ’t u blieft?”
-
-„Moeder moet zoo veel koopen, je moet iets bedenken dat geen geld
-kost.”
-
-„Hè Moeder, Arthur zei dat Dries zoo blij zou zijn met bretels, is
-zeven cent genoeg? die heb ik nog.”
-
-Mevrouw Kemper lacht en zegt:
-
-„Ik weet wat, vind je het prettig als het een presentje is heelemaal
-alleen van jou?”
-
-„Ja, dan zou hij misschien wel van mij houden, is zeven cent genoeg?”
-
-„Ja, maar dan moet je ze zelf breien van geel katoen.”
-
-„Breien? ikke?”
-
-„Ja, je kunt immers al recht breien en dan zal ik je wel helpen, je
-zult eens zien hoe goed het gaat en telkens als je een flink stuk
-gebreid hebt, zal ik je een cent geven om het breikatoen mee te
-betalen.”
-
-Geertruid kijkt haar moeder nog weifelend aan, dan komt er plotseling
-een glans over haar gezicht en vroolijk juicht zij:
-
-„Ik zal zelf de bretels maken en ze zelf betalen! wat zal Dries blij
-zijn!”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-
-Het is Dinsdag morgen, de dag waarop Arthur en Constant examen moeten
-doen. Arthur is vroeg opgestaan en na een hartelijk afscheid van
-Grootmoeder en van Pandoer, wandelt hij naar den straatweg en ziet
-Constant Kemper ook aan komen. Ze hadden afgesproken op denzelfden tijd
-de deur uit te gaan en uitgerekend samen te komen bij het huis van
-Jacob Drieman, den bode en dat komt precies uit.
-
-„Zeg, Arthur,” roept Constant als hij dicht bij dezen is, „weet je dat
-Pandoer daar achter je in die droge sloot loopt?”
-
-„Pandoer?” zegt Arthur verschrikt, „en ik heb hem thuis opgesloten en
-gezegd, dat hij niet mee mocht. Allons Pandoer, gauw naar huis!”
-Pandoer blijft stil staan.
-
-„Allons! naar huis!” zegt Arthur.
-
-Pandoer gaat op den grond liggen en kwispelt met zijn kort staartje.
-
-„Hij zal wel terug gaan,” zegt Arthur, „hij is gehoorzaam, kom, laten
-we maar gaan.”
-
-De jongens stappen door en kijken nog eens om en Pandoer blijft stil
-liggen.
-
-Een eind verder kijkt Arthur nog eens om en Pandoer is weg.
-
-„Gelukkig, ik dacht het wel, het is een gehoorzame hond.”
-
-Druk pratend loopen de jongens verder. Het is heerlijk weer, niet al te
-warm, juist prettig zomerweer.
-
-„Voor het rekenen ben ik niet bang,” zegt Constant, „maar voor
-geschiedenis en Fransch.”
-
-„Ik juist andersom,” zegt Arthur, „en dat is veel erger, ze letten het
-meest op goed rekenen. Ik heb geen rekenhoofd. Wel sapperloot!”
-
-„Wat is het?” vraagt Constant.
-
-„Die ondeugende hond!” en Arthur wijst vooruit, waar Pandoer midden op
-den weg staat met den staart tusschen de pooten.
-
-„Hij weet het best, die rakker, wat moet ik nu doen? hij mag niet mee,
-ik weet niet waar ik hem laten moet; verbeeld je, dat hij op het examen
-binnen kwam, ’t zou een reden zijn om te zakken.”
-
-„Je zult hem naar huis moeten brengen, laten we maar gauw omkeeren, ’t
-is vroeg genoeg.”
-
-Arthur is blij met dien voorslag en op een holletje loopen ze terug,
-Pandoer achter hen aan.
-
-„Nu zullen we je beter opsluiten,” zegt Arthur, terwijl hij met den
-hond de voordeur van Conifera binnenkomt.
-
-„Pas op, laat hij het niet hooren,” zegt Constant lachend „hij is zoo
-slim.”
-
-„Kom hier Pandoer!” en Arthur laat hem de spreekkamer in. O jé, het
-raam staat open en dat ziet Pandoer ook; floeps! er uit, en in dolle
-sprongen rent hij over het gazon.
-
-„Jongens,” roept Grootmoeder uit de eetkamer, „wat is dat? waarom ben
-je terug gekomen?”
-
-„Och Grootmoeder, ik had Pandoer opgesloten en nu is hij ons
-nageloopen, hij mag niet mee, wie heeft hem losgelaten?”
-
-„Dat weet ik niet, maar daar moet beter voor gezorgd worden. Rika! kom
-eens gauw hier!”
-
-Arthur heeft intusschen met veel moeite den hond te pakken gekregen en
-brengt hem weer in de spreekkamer. Constant heeft het raam dicht
-gedaan.
-
-„Ziezoo, zoet zijn! pas op als je me weer na loopt.”
-
-Hij draait den sleutel om en vraagt aan Grootmoeder en aan Rika of ze
-er alsjeblieft goed op willen passen en hem niet loslaten voor 12 uur.
-
-„Wil je hem als wij weg zijn, zijn waterbakje geven, Rika?”
-
-„Ja, ik zal wel voor hem zorgen.”
-
-Terwijl Pandoer een deuntje huilt, loopen de jongens op een draf naar
-de stad.
-
-Ze komen gelukkig nog bijtijds aan het gebouw der Hoogere Burgerschool,
-waar reeds verscheiden jongens en vier meisjes heen en weer drentelen.
-
-„Weet jij wie Marietje Geukestein is?” vraagt Arthur.
-
-„Neen, ik ken hier niemand, we wonen nog zoo kort in Adorp.”
-
-„Wie zou het zijn, die kleine dikkert, met die lange zwarte haren?”
-
-„Neen, ik denk eerder die lange blonde met die blauwe jurk.”
-
-„Hè neen, ik denk de zwarte,” zegt Arthur.
-
-„Die met de groene jurk kan het ook wel zijn.” zegt Constant.
-
-„Och jongen, die heeft al opgestoken haar, die is zeker voor de 4de
-klasse.”
-
-„En die andere dan met de donkerblauwe jurk en het blonde haar?”
-
-„Die is nog zoo klein, veel kleiner dan Lili, neen, die is het zeker
-niet.”
-
-„Nu, we zullen het wel gauw merken.”
-
-De deur van de school wordt geopend; er klinkt een schel, de concierge
-komt op de stoep en verzoekt de jongens en meisjes binnen te gaan.
-
-„Die voor de 1ste klasse hier links,” zegt hij, „de anderen de trap op
-naar boven.”
-
-Arthur en Constant gaan met verscheiden anderen, waaronder ook drie van
-de vier meisjes, in een groot lokaal links en dadelijk daarna komt een
-heer binnen.
-
-„Goeden morgen jongelui, examen doen? vooruit dan maar.”
-
-Hij haalt een aanteekenboek uit zijn zak en leest op:
-
-„Johannes Bredero.”
-
-Een lange jongen met voorovergebogen hoofd en slappe knieën komt
-verlegen naar voren.
-
-„No. éen, ga daar zitten.”
-
-Hij wijst op een bank, dicht bij het bord.
-
-„No. twee, Gerard Bunte.”
-
-„Het gaat alphabetisch,” fluistert Constant Kemper Arthur in het oor,
-„nu komen wij hoop ik bij elkaar, eerst de K en dan de M.”
-
-„Als er geen met een L zijn,” zegt Arthur.
-
-„No. drie, Anna Fladder.”
-
-Het meisje met het zwarte haar komt naar voren.
-
-„Dat is dus Marietje niet,” fluistert Arthur.
-
-„No. vier, David Godard.”
-
-Een dreumes, met vroolijke, guitige oogjes, stapt haastig uit de rij en
-gaat met opgeheven hoofd voor den heer staan. Deze ziet hem lachend aan
-en zegt:
-
-„Op die bank daar! en geen gekheid maken.”
-
-David trekt een gezicht en springt in de bank.
-
-„Pas op, nu zal Geukestein komen,” fluistert Arthur.
-
-„No. vijf, Anthonie Gaarland.”
-
-„No. zes, Marie Geukestein.”
-
-Het kleine meisje met de donkerblauwe jurk en het blonde haar, wordt
-door de lange blonde vooruit geduwd, zoodat ze bijna struikelt en met
-een kleur voor mijnheer komt te staan.
-
-Deze ziet met een misnoegden blik naar de lange blonde en zegt dan
-vriendelijk:
-
-„Zoo Marietje? ben jij daar ook? flink, kleine meid, jij op die bank.”
-
-Zoo gaat het door tot no. tien, dat is Amalia Keer en dan:
-
-„No. elf, Constant Kemper.”
-
-Arthur ziet de overblijvenden rond en denkt „wie nu?”
-
-„No. twaalf, Karel Kever.”
-
-„No. dertien, Arthur Mung.”
-
-„Een er tusschen, dat is jammer,” denkt Arthur, terwijl hij naar de hem
-toegewezen plaats gaat, juist achter Marietje Geukestein. Deze kijkt
-aandachtig naar hem en Arthur kan niet laten haar toe te knikken.
-Vriendelijk lachend knikt ze terug en kijkt gauw vóór zich.
-
-Nu komen er nog verscheiden jongens tot no. 25 toe en dan begint het
-examen. Eerst schriftelijk werk, rekenkunde en Nederlandsch en er is
-altijd iemand om toezicht te houden, ze mogen elkaar volstrekt niet
-helpen. Wie het werk af heeft, mag heen gaan en om half twee moeten ze
-terug komen voor het mondeling examen.
-
-Constant is iets vroeger klaar dan Arthur en blijft buiten op hem
-wachten. Als hij hem eindelijk de stoep ziet afkomen, vraagt hij:
-
-„Heb je moed?”
-
-„Neen, heelemaal niet, ’t is mis hoor.”
-
-„Kom, je moet niet zoo gauw den moed verliezen, waarom zou het mis
-zijn?”
-
-„Ik kon die derde som niet goed krijgen.”
-
-„Heb je de anderen goed?”
-
-„Ja, dat geloof ik wel.”
-
-„Nu, dan behoef je niet zoo bang te zijn, als je het andere werk ook
-goed hebt.”
-
-„O, dat andere, dat was zoo gemakkelijk, dat kan een klein kind wel.”
-
-„Nou,” zegt Constant, terwijl hij zich achter het oor krabt, „vond jij
-dat dictée zoo gemakkelijk?”
-
-„Ja, jij niet?”
-
-„Neen, ik verstond het niet altijd.”
-
-„O, dat hindert niet, als je maar geen taalfouten hebt gemaakt. Waar is
-nu de melkinrichting?”
-
-„Het moet dien kant uit zijn,” zegt Constant en omziend, bemerkt hij
-dat Gerard Bunte achter hen loopt.
-
-„Weet jij soms waar de melkinrichting is?” vraagt Constant.
-
-„Jawel, ik ga er ook heen, laten we samen gaan.”
-
-Arthur loopt een eind mee en vraagt aan Gerard:
-
-„Woon je hier niet?”
-
-„Neen, ik woon buiten de stad, drie kwartier hier vandaan, dicht bij
-Bdorp.
-
-„Dat is juist den anderen kant op,” zegt Constant, „wij wonen in
-Adorp.”
-
-Ze praten over het examen en over verschillende jongens en meisjes en
-Gerard zegt lachend: „zou no. éen een bolleboos zijn?”
-
-„Die stakker,” zegt Arthur, „hij zal wel no. laatst worden en hij lijkt
-al zoo oud; wat zat hij suf te kijken.”
-
-„Ongelukkig toch, als je zoo bent,” zegt Constant. „Die kleine David is
-een kranig kereltje, welk een verschil, die heeft vrij wat prettiger
-leven dan die slappe jongen, daar kun je zeker van zijn.”
-
-„Die slappe kan het toch zeker niet helpen en voor David is het geen
-verdienste,” zegt Arthur nadenkend, „maar nu moet ik die straat in,
-daar woont Oom Bantam, bonjour!”
-
-Constant en Gerard gaan samen verder, om in de melkinrichting hun
-boterhammen op te eten.
-
-Als Arthur bij Oom en Tante Bantam binnen komt, wordt hij dadelijk
-begroet met de vraag:
-
-„En hoe is het gegaan?”
-
-Hij vertelt alles en Lili vindt het grappig, dat hij juist achter
-Marietje Geukestein heeft gezeten.
-
-„Had zij moeite met haar werk?”
-
-„Neen, ik geloof het niet, ze zat heel vlug te schrijven, ik geloof dat
-ze al de zinnen af had.
-
-„O dat dacht ik wel, maar het rekenen?”
-
-„Toen zat ze lang met de handen onder het hoofd en ze zuchtte.”
-
-„O jé! ik hoop toch zoo dat ze er door komt.”
-
-Arthur vertelt van den slappen Johannes Bredero en Oom Bantam zegt:
-
-„O, dat is een jongen, die geen ouders meer heeft en bij een getrouwde
-zuster aan huis woont; met dien jongen moet je medelijden hebben, hij
-bezit geen cent en is geheel afhankelijk van zijn zwager en zuster.”
-
-„Die arme jongen.”
-
-„Ja, zeg dat wel en help hem voort als je kunt. Maar vertel eens wat
-van den jongen Kemper.”
-
-„O, dat is een leuke jongen, en hij is knap, hij zal er wel komen.”
-
-„Nu, ik hoop, dat jullie er allebei komt. Maar hoe is die familie van
-hem?”
-
-„Aardige menschen; ik heb gisteren voor het eerst den dominé gezien,
-hij leert Constant zoo veel, hij vertelt zooveel, vooral op de
-wandeling. Ik wou dat Papa en Mama ook hier waren.”
-
-„Ja, beste jongen,” zegt tante hartelijk, „dat wou ik ook; maar als je
-iets hebt dat je hindert, dan kun je het hun schrijven en je weet, dat
-ze altijd in de verte aan je denken en prettige brieven aan je
-schrijven, dat heeft die Johannes niet.”
-
-Arthur ziet Tante aan en zegt:
-
-„Ik heb het veel beter dan die jongen en dan bij die lieve Grootmoe te
-zijn: als ik nu maar door mijn examen kom.”
-
-„Heeft Constant Kemper ook zusjes?” vraagt Lili.
-
-„Ja, Jeanne en Geertruid en nog een klein broertje. O ja, ik heb een
-pop van Geertruid thuis, die moet ik opverven en opknappen, maar
-Grootmoeder zegt, dat het geen jongenswerk is.”
-
-„Neen, dat denk ik ook,” zegt Lili, „dat zou juist een werkje voor mij
-zijn. Breng haar morgen maar mee.”
-
-„O graag, ik ben al bezig geweest met verven, maar het ging niet.”
-
-Arthur vertelt, hoe Pandoer de pop uit de beek heeft gehaald en dan op
-de klok ziend:
-
-„Doossie! ik moet weg, kijk, daar staan Constant en Gerard Bunte op mij
-te wachten. Dag Oom, dag Tante, dag Li! tot morgen!”
-
-„Denk aan de pop!” roept Lili.
-
-„Ja!”
-
-
-
-Dien middag hebben de jongens nog angstige oogenblikken als hun veel
-over geschiedenis en aardrijkskunde wordt gevraagd, maar ze boffen nog
-al, Arthur krijgt zelfs een heerlijke beurt over Karel den Grooten en
-daardoor wordt hij zoo moedig, dat hij verder ook met veel
-zelfvertrouwen antwoordt. Constant maakt het ook goed en denkt:
-„gelukkig dat ik den laatsten tijd zoo hard gewerkt heb.”
-
-Ze moeten den volgenden dag om 9 uur terug komen.
-
-„Hè,” zegt Constant op de terugwandeling, „het valt me nu nog al mee,
-maar ik wou dat ik mijn Nederlandsch nog even mocht verbeteren, ik heb
-me leelijk vergist.”
-
-„Kijk,” zegt Arthur, „is dat onze bode met zijn karretje?”
-
-„Ja, Jacob Drieman, wat heeft hij het warm, ’t is ook een heel
-vrachtje. Dag Jacob! druk gehad?”
-
-„Ja jongeheer, ik zal blij zijn als ik thuis ben, ik heb den mond vol
-stof.”
-
-„Ja, dat komt omdat je achter je wagen loopt.”
-
-„Als ik een ezel was, liep ik er voor; had ik er maar een.”
-
-„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Arthur, en de jongens loopen verder en
-laten Jacob gauw een eind achter zich.
-
-„Kijk! kijk! dacht ik het niet? Grootmoeder heeft hem los gelaten.
-Pandoertje! ben je daar? ja, nu mag je wel, beste hond! van morgen was
-je een rakker, och, eigenlijk toch niet, ho, ho, gooi me niet om,
-bedaar een beetje, zoo, nu is ’t genoeg.”
-
-Vroolijk stoeiend met den hond, loopen de jongens naar huis, Arthur
-naar Conifera en Constant naar de Pastorie.
-
-Jeanne en Geertruid staan bij het hekje uit te kijken en roepen al van
-verre:
-
-„Kom je er door?”
-
-Constant lacht en roept terug:
-
-„Ja, door het hek, heel graag!”
-
-„Och neen, door het examen!”
-
-„O, dat weet ik niet. Wat heb je daar in je schort?”
-
-Geertruid heeft haar schort opgenomen en achter vast geknoopt.
-
-„Daar zit mijn kluwen in, ik brei.”
-
-„Och dat kind,” zegt Jeanne, „nu loopt ze den heelen dag te breien, in
-den tuin en thuis en op de trap, overal.”
-
-„Ja, het moet ook gauw af, kijk eens, zoo’n eind heb ik al!”
-
-Ze laat een band zien, gebreid van geel breikatoen.
-
-„O, dat worden bretels voor Dries, mooi!” zegt Constant en hij loopt
-gauw naar zijn vader, die op de stoep naar hem uitkijkt.
-
-„Dag Vader, ik had al de sommen af en het andere gaat nog al.”
-
-Ze gaan samen naar binnen en Constant moet alles vertellen en zijn
-Moeder vraagt hem of hij de melkinrichting wel gevonden heeft en hij
-vertelt van Gerard Bunte, die met hem meeging en wel een aardige jongen
-lijkt te zijn.
-
-„Hè,” zegt Constant, „’t is toch wel leuk om naar de Hoogere
-Burgerschool te gaan, ik hoop maar dat ik altijd over zal gaan en
-Arthur ook.”
-
-„Waardeer het nu vooral, dat je goed kunt leeren en de dingen gauw kunt
-begrijpen. Er zijn er zoo veel, die heel graag willen maar niet
-kunnen.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-
-Den volgenden morgen gaan de jongens wederom naar de stad; Arthur neemt
-Lorre mee in zijn blouse en brengt haar bij Lili, waarna hij zich met
-Constant naar de H. B. S. begeeft. Ze maken nader kennis met de jongens
-en meisjes en hebben veel plezier met David Godard, die al de heeren
-precies kan nadoen. Arthur praat met Marietje Geukestein en zij vertelt
-hem, dat zij dien avond bij Lili gevraagd is.
-
-„Vind je het niet heerlijk dat Lili bijna alleen kan loopen?” vraagt
-zij.
-
-„Ja, daar ben ik verbazend blij om.”
-
-„Mijn Papa heeft haar beter gemaakt!” zegt zij met een gelukkig
-gezicht.
-
-Nu worden ze opgeroepen en als ze tegen half 12 klaar zijn, hebben
-Arthur en Constant nog al moed. Ze gaan samen koffie drinken bij Lili’s
-ouders en deze vinden Constant een aardige, flinke jongen.
-
-„Wanneer kun je den uitslag hooren?” vraagt de heer Bantam,
-
-„Zaterdag om drie uur.”
-
-„Komt dan samen hier koffie drinken.”
-
-„O, graag!” zeggen beide jongens.
-
-Na de koffie gaan ze Lili’s boeken en verzamelingen bekijken en Lili
-zegt:
-
-„Wat ziet Lorre er ongelukkig uit; ik denk dat ik er een ziek kind van
-zal maken, van avond met Marietje, we zullen wel iets bedenken.”
-
-De jongens nemen afscheid en Oom zegt:
-
-„Arthur, als je er door bent, zullen we Zondag op Conifera komen koffie
-drinken, vraag maar aan Grootmoeder of dat goed is.”
-
-„Heerlijk!” roept Arthur en de jongens wandelen vroolijk de stad uit.
-
-„Heb je nu ooit!” roept Arthur, „daar komt Pandoer aan.”
-
-„Je zult zien,” zegt Constant, „dat hij een goeden dag de school komt
-binnen stuiven, dat zou een mooie mop zijn!”
-
-De hond is uitgelaten blij als hij Arthur ziet en het wordt weer een
-dolle stoeipartij.
-
-„Hè, wat lucht het op, dat het examen achter den rug is! als we er nu
-maar door zijn.”
-
-„Ja,” zegt Constant, „voor het Fransch ben ik het meest bang.”
-
-„O, dat komt er niet zóó erg op aan; jij hebt je sommen goed en ik
-niet, dat is erger voor mij.”
-
-Ze gaan nu alles nog eens na en nemen zich voor, in het vervolg extra
-best te leeren, dan behoeven ze niet zoo bang te zijn voor de volgende
-examens.
-
-Thuis komende, ziet Constant de beide zusjes bij Moeder in het prieel
-en de wagen met broertje er in, wordt door Sientje, het kindermeisje,
-heen en weer gereden.
-
-„Kijk eens Constant!” roept Geertruid, en zij houdt een langen,
-gebreiden band in de hoogte.
-
-„Dag Moeder, dag zussen! wel kind, heb je dat allemaal gebreid?”
-
-„Ja, ik begrijp het zelf niet,” zegt Geertruid, „gisteren avond was het
-nog maar zóó ’n stukje en van morgen was het zóó lang!”
-
-„Dat is wonderlijk, waar heb je het neergelegd?”
-
-„Vóór mijn bed.”
-
-„En heb je niets gehoord van nacht? geen gekletter van breinaalden?”
-
-„Neen,” zegt Geertruid verbaasd, „ik heb geslapen.”
-
-Moeder lacht en vraagt:
-
-„Is het examen nog al goed geweest van morgen?”
-
-„Ja, redelijk, het was Fransch en mijnheer vond mijn uitspraak slecht,
-maar dat hindert niet voor het examen, maar de werkwoorden!”
-
-„Jammer, dat je die niet meer gemaakt hebt met Vader.”
-
-„Ja Moeder, dat heb ik ook al gedacht; Arthur en ik zijn Zaterdag
-alweer op de koffie gevraagd bij mijnheer Bantam, om daarna den uitslag
-van ’t examen te hooren en Lili zal Lorre opknappen.”
-
-„Lili?” vraagt Geertruid, „ik dacht dat Arthur het zou doen.”
-
-„Neen, hij kan het niet, Lili zal het veel mooier doen met Marietje
-Geukestein. Lili komt Zondag op Conifera, als Arthur er door is.”
-
-„Ja?” roepen Jeanne en Geertruid te gelijk.
-
-„Ze wil graag kennis met jullie maken,” zegt Constant.
-
-Jeanne krijgt een kleur van plezier en Geertruid zegt:
-
-„Zullen we er Zondag voorbij wandelen als ze er is?”
-
-„Wacht maar eens af,” zegt Moeder, „misschien komt zij Lorre terug
-brengen.”
-
-„Hè ja,” juicht Jeanne, „en dan mag ze al onze poppen zien, ik ga ze
-gauw netjes maken; ga je mee Geertruid?”
-
-Geertruid springt op en laat haar breiwerk bij Moeder liggen.
-
-Als de meisjes weg zijn, vraagt Constant.
-
-„Heeft u er aan gebreid, Moeder?”
-
-„Neen, Sientje deed het.”
-
-„Zoo zal het wel gauw afkomen.”
-
-„Ja, ze breit met zoo’n ijver, ze mag wel een beetje geholpen worden,
-het duurt anders zoo lang.”
-
-Constant neemt het breiwerk op en zegt:
-
-„Zou ik het niet kunnen?”
-
-„O, ja wel, insteken, omslaan, doorhalen, maar dat is nu geen
-jongenswerk.”
-
-„Ik wil het toch probeeren.”
-
-Constant doet zijn uiterste best, maar hij laat de steken vallen en als
-Sientje lachend blijft staan kijken, wordt hij ongeduldig en gooit het
-breiwerk van zich af.
-
-„Neen Constant, nu je gebroddeld hebt, moet je het ook weer in orde
-maken,” zegt Moeder.
-
-„Hè, ik kan het niet.”
-
-„Je moet in het vervolg niet weer aan een ander man’s werk komen; maar
-kom hier, steek de naald daar in, zoo, en nu dien steek en nu dien.”
-
-Constant is met een kleur van warmte en inspanning bezig, tot het weer
-in orde is en dan neemt hij zich voor, nooit weer een breiwerk in
-handen te nemen.
-
-
-
-„Hoezée! we zijn er allebei door!”
-
-Zoo juichend, komt Arthur het huis van Oom Bantam binnen vliegen en
-Constant blijft aan de voordeur staan.
-
-„Ik feliciteer je!” zegt Tante vroolijk en Oom en Lili wenschen hem ook
-hartelijk geluk, ze vragen dadelijk naar Constant en roepen hem binnen.
-
-„Is Marietje er ook door?” vraagt Lili.
-
-„Ja, met glans, maar Anna Fladder is gezakt, vreeselijk jammer, het
-arme kind, ze is huilend weggeloopen en Marietje liep met haar mee om
-haar te troosten.”
-
-„En Amalia Keer?”
-
-„O, die is er door, zij en Marietje zijn nu de eenige meisjes. Er zijn
-5 jongens gezakt.”
-
-„Bredero zeker ook?”
-
-„Neen, hij is er door, ik was toch zoo blij voor hem, ik ben hem
-dadelijk gaan feliciteeren, hij kon geen woord zeggen van vreugde. Hij
-was verleden jaar gezakt. Kom Constant, gauw naar huis.”
-
-„Morgen komen we!” zegt Oom, „we brengen een taart mee, laat
-Grootmoeder daar maar op rekenen.”
-
-De jongens loopen op een draf naar huis; ze springen over verscheiden
-mijlpaaltjes, ze nemen voor iedereen de pet af, zelfs voor koeien en
-schapen en honden en als Arthur Conifera ziet, gaat hij van verre
-wuiven, want Grootmoeder en Rika zullen wel uitkijken.
-
-Ja, daar gaat de voordeur open en Pandoer, met een vuurrooden strik aan
-den staart, wordt door Grootmoeder uitgelaten en holt Arthur te gemoet.
-Welk een dolle vreugde! Als Pandoer herhaalde malen tegen Arthur is
-opgesprongen, begint hij in ’t rond te loopen om den strik van zijn
-staart te trekken. Arthur staat te schudden van het lachen; Pandoer
-draait als een dolleman in ’t rond en hij kan den strik niet krijgen,
-maar hij is slim, hij staat een oogenblik stil, bedenkt zich en rent in
-volle vaart door het struikrozen perk en daar blijft de strik aan een
-doorn hangen.
-
-„Slimmert!” zegt Arthur en haast zich naar Grootmoeder toe en omhelst
-haar onstuimig en laat zich ook door Rika en den tuinman geluk
-wenschen.
-
-„Hè,” zegt Arthur eindelijk, „nu kan ik begrijpen hoe akelig het is om
-te zakken. Wat zal ik mijn best doen om het volgend jaar over te gaan;
-is u dan weer zoo blij, Grootmoeder?”
-
-„Zeker! of ik!”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-
-„Arthur,” zegt Grootmoeder Zondag morgen, „hoe zou je het vinden, als
-we Constant Kemper op de koffie vroegen?”
-
-„Hè, prettig Grootmoeder.”
-
-„Nu, ga hem dan maar halen, maar dadelijk terug komen, want Oom en
-Tante kunnen al gauw hier zijn.”
-
-„Hé, leuk,” zegt Arthur, „dan kunnen we samen na de koffie Lili in den
-wagen naar het bosch rijden. Kom Pandoer! ga je mee?” Ze loopen om het
-hardst, maar Pandoer wint het, hij loopt wel drie maal den weg vooruit,
-terug en om Arthur heen, en keffend loopt hij een troep musschen na,
-die voor hem uitvliegen en hem uitlachen, want hij kan hen toch niet
-krijgen.
-
-Arthur komt al de kerkgangers tegen, want de kerk is juist uit.
-
-„Nu kan ik dominé Kemper misschien ook zien,” denkt Arthur, „ik zie hem
-bijna nooit, hij heeft het altijd zoo druk. Constant zal vragen of ik
-eens mee mag gaan op een wandeling, het is zoo’n aardige man, hij
-vertelt zoo prettig.”
-
-Bij de Pastorie komend, ziet hij Jeanne voor het huis.
-
-„Is Lili er al?” vraagt zij.
-
-„Neen nog niet; waar is Constant?”
-
-„Hier! boven!” roept deze uit een raam, „kom maar hier.”
-
-Arthur kent al goed den weg in huis en als hij op den overloop komt,
-ziet Geertruid hem en roept hem op de kinderkamer.
-
-„Kijk, hier zijn ze allemaal, behalve Lorre; zijn ze nu niet netjes
-aangekleed? en nu mag ik broertje op schoot hebben.”
-
-Arthur gaat naar Mevrouw Kemper, die juist uit de kerk gekomen, bezig
-is Jantje de flesch te geven.
-
-„Dag Mevrouw, dag Geertruid en och, wat is het toch een aardig ding,
-zoo’n klein kind. Mag Constant bij ons komen koffie drinken?”
-
-„Dat zal hij prettig vinden.”
-
-Daar komt Constant binnen en Geertruid roept dadelijk:
-
-„Constant, jij bent gevraagd op Conifera en wij niet.”
-
-„Maar Geertruid!” zegt Mevrouw, „wat dacht je wel, zoo’n klein meisje
-bij een grooten jongen?”
-
-Geertruid laat het hoofd hangen en zegt heel zacht:
-
-„Bij Lili.”
-
-Arthur lacht en zegt:
-
-„Ik kan er niets aan doen, Grootmoeder heeft alleen Constant gevraagd.
-Ga je mee Constant!”
-
-„Graag,” zegt deze en na afscheid genomen te hebben, gaan ze de deur
-uit naar beneden.
-
-„Even Vader goedendag zeggen,” zegt Constant en hij gaat naar zijn
-vader’s kamer.
-
-„Vader, Arthur komt mij halen, Mevrouw Mung heeft mij op de koffie
-gevraagd.”
-
-„Wel jongen, dat tref je, dat is zeker ter eere van het examen; dag
-Arthur, ik wensch je geluk, prettig, hè? om door ’t examen te komen,
-doe jullie maar je best, je moet nog zoo veel examens doen, dat kunnen
-dus nog veel prettige oogenblikken zijn bij welslagen, maar o wee! als
-je niet slaagt, dat is heel ellendig, dat begrijp je nu wel, niet waar?
-je kunt er nu nog veel aan doen, maar als je eerst een jaar luiert en
-je tijd verknoeit, dan is het heel moeielijk, soms onmogelijk om het
-weer in te halen.
-
-„Prettig dat je nu nog zoo’n mooien tijd vóor je hebt. Ga je eens mee
-wandelen Arthur? morgen avond na het eten ga ik een zieke bezoeken, een
-klein uurtje hier van daan. Constant zei, dat je wel eens mee zoudt
-willen.”
-
-„O, heel graag dominé, morgen avond? ik zal het aan Grootmoeder
-vragen.”
-
-„Best, ga jullie nu maar gauw naar Conifera en groet Mevrouw Mung.”
-
-De jongens haasten zich de deur uit en Jeanne roept hen na: „de groeten
-aan Lili!”
-
-Pandoer is blij dat ze weer op weg gaan, hij houdt niets van visites
-maken, vooral als hij op de stoep moet blijven zitten. Jeanne heeft hem
-wel een beetje gestreeld en tegen hem gepraat, maar zoo’n vreemde jonge
-juffer, och neen, daar geeft hij geen zier om.
-
-„Dat treft, dat jij bij je Grootmoeder bent gekomen, ik was hier tot nu
-toe zoo alleen,” zegt Constant.
-
-„Nu, ik tref het ook, dat jij hier woont, anders was ik hier alleen. En
-dat we in dezelfde klasse komen en hetzelfde werk moeten maken, dat is
-prettig. We kunnen elkaar ’s morgens op de wandeling de lessen over
-hooren.”
-
-„Jongens ja, dat is leuk.”
-
-„Kijk nu toch zoo’n malle hond, wat rent hij over den akker, hij speelt
-krijgertje met de leeuweriken; wat zou er gezaaid zijn?”
-
-„Dat is boekweit,” zegt Constant, „ik denk niet dat de eigenaar het
-prettig zal vinden, dat Pandoer daar zoo doorheen ravot.”
-
-„Neen, dat is waar; Pandoer! kom hier!”
-
-Dadelijk staat de hond stil, kwispelt met zijn kort staartje en rent
-dan regelrecht naar Arthur toe en blijft bedaard, maar hijgend en met
-den tong uit den bek achter hem loopen.
-
-„We zullen na de koffie met Lili naar het bosch gaan,” zegt Arthur,
-„wil je me helpen om Lili’s wagen te duwen?”
-
-„Zeker,” zegt Constant, „een er voor en een er achter.”
-
-„Ja, dan vragen we een touw aan den baas. Zeg, houdt je van kersen?”
-
-„Nou, of ik! heb jullie die?”
-
-„Ja, Grootmoeder heeft gisteren avond een mand vol gekregen.”
-
-„Hoor! een rijtuig!” zegt Constant en omziende, bemerken ze in de verte
-een stofwolk boven het eikenhakhout, bij de kromming van den weg.
-
-„Gauw! ieder op een paal van het hek, we zijn standbeelden.”
-
-Ze klauteren er boven op en als het open rijtuig nadert, zien ze
-mijnheer en mevrouw Bantam met twee meisjes.
-
-„Wie is dat meisje?” vraagt Arthur, „o ik zie het al, het is Marietje
-Geukestein, dat is grappig, ook al ter eere van het examen. Hoezee!”
-roept hij wuivend, als het rijtuig door het hek gaat en dan springen de
-jongens op den grond en draven achter het rijtuig aan, en de meisjes
-lachen en zeggen allerlei dingen waarvan de jongens niets verstaan,
-door het ratelen over het nieuw gestrooide grind.
-
-Welk een vroolijk troepje aan de koffietafel bij Mevrouw Mung. Midden
-op de tafel staat de mooie taart, die Oom en Tante hebben meegebracht
-en op de taart is een jongetje van suiker met een vlag in de hand en
-met witte suikerletters is er op geschreven:
-
-„Lang leve Arthur Mung!”
-
-„Grootmoeder,” zegt Arthur, „voor wie is dat poppetje?”
-
-„Voor jou.”
-
-„Dan geef ik het aan Geertruid. Ze was bedroefd, omdat zij niet mee was
-gevraagd.”
-
-„Ja? dat lieve kleine ding; wil je haar na de koffie gaan halen om
-kersen mee te eten?”
-
-„Hé ja,” zegt Arthur verheugd, „maar...”
-
-„Wat is het?”
-
-„Het zal zoo naar zijn voor Jeanne.”
-
-„O natuurlijk, die moet meekomen.”
-
-Nu gaat er een gejuich op; Lili en Marietje vinden het ook zoo prettig,
-want ze hebben samen Lorre in orde gemaakt en meegebracht en willen
-graag hooren, wat Jeanne en Geertruid er van zullen zeggen.
-
-Zoo gauw ze dan ook klaar zijn en van tafel mogen opstaan, gaan de
-jongens naar de pastorie en komen heel gauw terug met Jeanne en
-Geertruid. Lili en Marietje hebben op de canapé een bedje gemaakt voor
-Lorre en haar toegedekt met een theedoek.
-
-De beide kleine meisjes komen een beetje verlegen binnen en kijken met
-verwonderde oogen naar Lili, die haar op Marietje geleund, tegemoet
-loopt. Maar ze zijn gauw op dreef, vooral als Lili vraagt, of ze niet
-nieuwsgierig zijn naar Lorre.
-
-„Ja,” zegt Geertruid, „is ze weer goedgeworden?”
-
-„Ga haar maar zoeken, ze is hier in de kamer, maar ze is nog een beetje
-zwak, praat niet te hard, de stumper is zoo ziek geweest.”
-
-Jeanne loopt de heele kamer rond en kijkt in alle hoekjes en achter
-alle gordijnen, maar Geertruid blijft stil staan, kijkt in het rond en
-loopt dan regelrecht naar de canapé.
-
-„Ik heb haar!” juicht ze, „mijn lieve Lorre! maar wat heeft ze? een
-doek om het hoofd?”
-
-„Ja,” zegt Marietje, „dat is een koudwaterverband voor de hoofdpijn en
-kijk, hier zijn de medicijnen, die ze moet innemen.”
-
-Geertruid ziet haar verwonderd aan en Jeanne bekijkt een klein
-fleschje, waar suikererwtjes in zijn; er staat op: elken avond twee
-pillen. Op een poederdoosje staat: om de twee uur een poeder met een
-weinig water. Ze vouwt een papiertje open en ziet dat het witte suiker
-is. Op een fleschje staat: goed schudden, elken morgen een eetlepel en
-dan is er een potje met zalf en een rolletje windsel.
-
-„Hier heb je ook een recept,” zegt Marietje, „akwa pompa, sucria en
-stroopia, dat is voor het hoesten; Lorre heeft een hoestkwaal gekregen
-toen ze in de beek lag en haar hoofd is een beetje raar, ze droomt zoo
-gek en ze heeft een droom aan Lili verteld.”
-
-Jeanne schatert van het lachen, maar Geertruid luistert zoo ernstig en
-een beetje angstig. Lili zegt:
-
-„Vind je het niet grappig, Geertruid? zal ik je den droom vertellen?”
-
-„Als je blieft,” zegt Geertruid verlegen.
-
-„Komt meisjes, ga jullie nu mee?” roept Arthur, „de wagen is klaar, kom
-Lili, ik zal je wel helpen.”
-
-„Mag Lorre mee?” vraagt Geertruid.
-
-„Zeker,” zegt Lili.
-
-Geertruid neemt de pop heel voorzichtig in haar armen, alsof het haar
-kleine broertje was en als ze buiten komen, staat Grootmoeder met den
-heer en mevrouw Bantam bij den wagen en helpen er Lili in. Pandoer
-staat er ook bij. Daar komt Rika met een mand.
-
-„Ha! de kersen!” juicht Arthur.
-
-„Kan de mand in den wagen staan?” vraagt Rika.
-
-„O ja,” zegt Lili, „hier naast mijn voeten, ik zal haar wel vast
-houden.
-
-„Nu kinderen,” zegt Grootmoeder, „ga jullie nu maar vooruit, wij komen
-ook.”
-
-Daar gaan ze heen, Constant duwt den wagen, Arthur loopt er voor en
-trekt met een stevig touw. Ze gaan door den moestuin, de wagen kan
-juist door het hekje en dan zijn ze in den dikken zandweg.
-
-De jongens hebben een zware vracht, de wielen zakken zoo diep in het
-zand, maar ze zijn sterk en vol ijver.
-
-Geertruid loopt met Marietje rechts en Jeanne links van den wagen. Het
-is heerlijk in het bosch, zoo’n prettige frissche warmte. Aan beide
-zijden van den weg zijn hooge walletjes, begroeid met mos, varens en
-boschbessen. Dikke boomwortels komen er tusschen uit en onder die
-wortels zijn allerlei holletjes van veldmuizen, wezeltjes, konijntjes
-en torren.
-
-„Geertruid,” zegt Lili, „laat Lorre goed naar al die holletjes kijken,
-dan droomt ze er van.”
-
-„Lorre slaapt, ze is zoo blij dat ze weer bij mij is,” zegt Geertruid.
-
-„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Lili lachend, „ik denk dat ze nu wel
-gauw beter zal zijn.”
-
-„Hè,” zegt Arthur hijgend, „laten we eens even stil staan, buu! wat heb
-ik het warm.”
-
-Hij gooit het touw op den grond en gaat op het walletje zitten. Daar
-neemt Pandoer het touw in zijn bek en begint te trekken, Marietje en
-Jeanne gaan dadelijk duwen en zie, daar gaan ze, onder luid gejuich van
-allen. Maar Pandoer heeft er gauw genoeg van, hij schudt het touw heen
-en weer en gooit het in de lucht en daar staan ze, midden in het dikke
-zand. De jongens komen bij haar, en allen gaan rondom den wagen op de
-walletjes zitten.
-
-„We behoeven ook niet zoo ver te gaan,” zegt Lili, „het is overal mooi
-om te zitten. Is Lorre wakker? moet je nu niet zien wat we er aan
-gedaan hebben?”
-
-Geertruid komt bij haar staan en Lili neemt Lorre op haar schoot en
-doet haar voorzichtig den doek van het hoofd.
-
-„O Jeanne, kijk eens,” zegt Geertruid, „dat is een nieuwe pruik, o wat
-een mooie! die andere was al zoo leelijk vóor ze in de beek viel, toen
-hebben de muizen er aan geknabbeld.”
-
-„Die pruik heeft Mama gekocht en kijk eens, dit nachtponnetje hebben
-Marietje en ik samen gemaakt, zij heeft dat zoompje en die naadjes
-gedaan en ik de mouwtjes.”
-
-„Daar had ik geen geduld voor,” zegt Marietje, „hè, zoo’n gepeuter.
-Maar het ergste was toch, dat we alles uit haar lijf hebben genomen,
-dat waren allemaal harde kluiten, en toen hebben we er nieuwe zemels
-ingestopt, voel eens hoe zacht!”
-
-Geertruid kneedt de pop en Lili zegt:
-
-„We hebben de wangen niet geverfd, het is veel natuurlijker dat ze
-bleek zijn na zoo’n operatie.”
-
-„Heeft Lorre wezenlijk gedroomd? wat droomde ze?”
-
-„Zal ik het vertellen?”
-
-„Hé ja Li, vertel op, we luisteren,” zegt Arthur.
-
-„Nu dan; Lorre zat op een stoel voor mijn bed en werd beschenen door de
-maan en toen verbeeldde ik mij, dat zij hardop droomde. Wat was het
-mooi in het water, de golfjes schitterden in de zon boven mijn hoofd,
-en heel in de verte, heel hoog, zag ik de blauwe lucht. Zoo’n blauwe
-jurk zou ik willen hebben. En tegen de blauwe lucht zag ik de groene
-blaadjes van de boomen, ze trilden en knikten tegen mij. En kleine
-vischjes zwommen over me heen en watertorren en spinnen, o zoo aardig,
-en toen hoorde ik muziek, dat deden de kikkers, die een eindje van mij
-af zaten, ze keken mij aan en ik deed de oogen dicht en toen werd het
-eerst heel mooi. Ik zag een groot kasteel onder in het water en daar
-zwommen zilveren en gouden visschen in en uit. Ik wou het kasteel
-binnen gaan, om te zien wie toch die mooie muziek maakte, maar o, wat
-schrikte ik! een zwart monster pakte mij beet, trok mij aan mijn jurk
-naar boven en legde mij neer op het gras, en toen was ik nat,
-druipnat.”
-
-„Dat monster was zeker Pandoer,” zegt Constant.
-
-„Pandoer is nooit een monster,” zegt Arthur, „hij was de redder van
-Lorre, het is heel ondankbaar van Lorre om zoo over hem te spreken.”
-
-„Neem het niet kwalijk,” zegt Lili, „het was door den schrik en ze had
-zoo graag dat kasteel willen zien.”
-
-„Is er een kasteel onder het water?” vraagt Geertruid.
-
-„Wel neen,” zegt Constant, „alleen als je droomt zie je zulke dingen.”
-
-„Lili bedenkt altijd zulke wonderlijke dingen,” zegt Marietje, „ze
-heeft al verscheiden sprookjes bedacht.”
-
-„Wat zijn eigenlijk sprookjes?” vraagt Geertruid.
-
-„Sprookjes zijn leugens,” zegt Constant.
-
-„Hè, wat klinkt dat leelijk,” zegt Arthur, „ik houd veel van sprookjes
-en niet van leugens.”
-
-„Zijn het dan geen leugens?”
-
-„Het zijn vertelseltjes van droomen of van dingen, die je in de
-verbeelding ziet,” zegt Lili, „en als je een rijke verbeeldingskracht
-hebt, kun je je allerlei aardige, grappige en mooie dingen
-voorstellen.”
-
-„Ook griezelige en leelijke dingen,” zegt Arthur.
-
-„O ja, maar die zie ik liever niet, ik houd meer van mooie dingen.”
-
-„Ik begrijp niet waar je toch altijd die mooie dingen ziet,” zegt
-Arthur, „ik vind het ook wel mooi in het bosch en in den tuin, maar als
-je dat een poosje gezien hebt, wen je er aan en dan zie je er niets
-geen bijzonders aan.”
-
-„Hè Arthur, hoe kun je dat zeggen, nu praat je bijna als onze
-keukenmeid.”
-
-„Hoe dan? wat zegt die?”
-
-„Ik riep haar verleden week om de prachtige lucht te komen zien bij het
-ondergaan van de zon, ze stond juist met een poetslap in de hand voor
-het fornuis en had niets geen plan om naar buiten te kijken. Anna,
-waarom kijk je niet naar de lucht?”
-
-„Och, wat scheelt mij die lucht, mijn fornuis is veel mooier.”
-
-„En wat heb jij toen gezegd Lili?” vraagt Grootmoeder, die juist met
-den heer en mevrouw Bantam bij haar is gekomen.
-
-„Toen heb ik haar fornuis bewonderd en gezegd, dat het de zon van de
-keuken was, omdat het zoo blonk en toen lachte ze en keek even naar
-mijn lieve zon.”
-
-„Komt kinderen,” zegt Grootmoeder, „laten we naar den Heidenschen kuil
-wandelen, dat is een prettig plekje om te zitten, daar zullen we kersen
-gaan eten.”
-
-Dadelijk nemen de jongens den wagen van Lili ter hand en duwen en
-trekken dien door het zware zand. Oom Bantam helpt ook, zelfs Pandoer
-moet trekken. Arthur geeft hem het eind van het touw in zijn bek,
-Marietje, Jeanne en Geertruid dansen en springen om den wagen heen en
-Lili zegt:
-
-„Het volgend jaar zal ik ook rondspringen.”
-
-„Daar is de Heidensche kuil,” zegt Grootmoeder, „daar kun je den wagen
-niet inrijden.”
-
-„Nu kan ik er zelf heen loopen,” juicht Lili, „wie helpt mij?”
-
-Allen verdringen zich om haar te helpen, maar Lili steekt de handen
-naar haar Vader uit, hij is de sterkste en bij hem voelt zij zich het
-veiligst.
-
-Wat is zij dankbaar, dat zij nu haar voeten op den grond kan zetten, op
-dat zachte, groene mos en dan weer op het krakende rendiermos, de
-knappende, dorre takjes en bladeren, de gladde dennenaalden en de fijne
-kiezelsteentjes, alles voelt zij onder haar teedere voeten, die nog
-niet gewend zijn aan loopen.
-
-„O Papa, ik ben zoo bang om op de mieren te trappen, voorzichtig, ik
-wil ze geen pijn doen.”
-
-„O, ze voelen het niet in het mulle zand, ze geven er niet veel om, ze
-loopen ongedeerd verder.”
-
-Ze komen nu in den Heidenschen kuil, heerlijk beschut tegen den wind en
-onder de schaduw der boomen. Grootmoeder en Mevrouw Bantam gaan op het
-aardige bankje zitten, dat de tuinbaas voor Lili heeft gemaakt onder
-een berkeboom, en de anderen laten zich neervallen op de heide en het
-mos. De jongens hebben de mand met kersen uit den wagen gehaald en
-zetten die bij Grootmoeder neer en elk krijgt een stuk papier op zijn
-schoot om voor bord te dienen; Arthur mag aan elk twee handen vol
-kersen geven en hij doet zijn best, groote porties te geven en er veel
-aan elkaar te laten hangen. Ze zoeken de tweelingen er uit en hangen ze
-als oorbellen over hun ooren en Lili maakt een theepot en een poppetje
-van een kers.
-
-„Zouden al die pitten hier een volgend jaar opkomen?” vraagt Jeanne.
-
-„Dat zou prettig zijn,” zegt Arthur, „dan gaan we hier later kersen
-plukken.”
-
-„Ik denk dat de grond hier te schraal zal zijn voor kerseboomen,” zegt
-Grootmoeder, „als ze hier willen groeien zijn ze toch wild, maar dat is
-ook wel lekker; je moet ze liever op een vruchtbaar plekje poten.”
-
-„Ja,” zegt Constant, „ik zal er in onzen tuin wat poten.”
-
-„Ik ook,” zegt Geertruid, „en als er kersen aan komen, zal ik een mand
-vol aan Lili zenden.”
-
-„Als je blieft,” zegt deze, „en kom je dan zelf mee?”
-
-„Ja, als ik mag.”
-
-„Zou je wel eens bij ons willen komen in de stad?” vraagt Mevrouw
-Bantam aan Jeanne en Geertruid.
-
-Beide meisjes krijgen een kleur van blijdschap en zeggen tegelijk:
-
-„Heel graag!”
-
-Ze kijken nu naar alles wat er in den Heidenschen kuil te zien is; de
-witte berkenstammetjes, den knoestigen eikenstronk, waarin zeker menig
-vogeltje genesteld heeft; de koningsvarens, de heidebloempjes, de
-leeuwenbekjes, de thym en dan al die torretjes en spinnetjes en mieren.
-Ze volgen die ijverige diertjes op hun tochten en zien, hoe ze een
-mierenei tusschen hun pootjes dragen en er mee in de zon loopen om het
-te warmen en te koesteren.
-
-„Waarom heet dit de Heidensche kuil?” vraagt Lili.
-
-„Misschien hebben hier vroeger Heidens gehuisd, ik denk dat ze hier hun
-vuurtje stookten en een legertje op den grond spreidden van varens en
-heidestruiken.”
-
-„En als het dan regende?”
-
-„O, dan kropen ze onder een zeil, of ze maakten een tent, ze wisten
-zich wel te redden.”
-
-„Ik wou zoo graag Heidens zien,” zegt Jeanne.
-
-„Vroeger kwamen ze hier dikwijls door het dorp,” zegt Grootmoeder,
-„maar ze worden nu over de grenzen gebracht en dat is goed, want het
-zijn erge dieven, ze stelen kippen en vruchten en alles wat ze vinden
-kunnen, maar zoo’n troepje is wel aardig om te zien.”
-
-Zoo zitten ze nog langen tijd te praten, maar eindelijk wordt het tijd
-om naar huis te gaan. Constant en zijn zusjes nemen hartelijk afscheid
-en als ze samen naar huis loopen, praten ze over niets anders dan over
-de lieve menschen en kinderen met wie ze kennis gemaakt hebben;
-Geertruid draagt haar lieve Lorre, die zoo erg ziek is geweest en
-Jeanne de medicijnen in de fleschjes en doosjes.
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-
-De vacantie is bijna om, als Geertruid op zekeren morgen bij hare
-Moeder staat toe te kijken, hoe deze de bretels voor Dries in orde
-maakt met knoopsgaten en gespen.
-
-Geertruid heeft tot het laatst toe met ijver en volharding gebreid en
-daarom wordt zij nu ook verder voortgeholpen. Haar oogen stralen van
-plezier bij het vooruitzicht de blijdschap van Dries te zien. Als
-Moeder den laatsten draad afhecht en afknipt, neemt ze de bretels
-voorzichtig in handen, bekijkt ze nog eens van alle kanten en gaat er
-dan mee naar buiten, naar het schuurtje waar Dries aan het hout kloven
-is.
-
-„Dries! kijk eens! die heb ik voor jou gemaakt!”
-
-Dries keert zich langzaam om, bekijkt de bretels zonder ze aan te raken
-en neemt dan nog een dik stuk hout ter hand om het met den bijl in
-stukken te hakken.
-
-„Dries,” zegt Geertruid teleurgesteld, „wil je ze niet hebben?”
-
-„Jawel, leg ze daar maar neer.”
-
-Geertruid is geheel ontdaan, ze laat de bretels op den grond vallen en
-loopt naar huis.
-
-„Moeder! die akelige Dries!” en daar barst zij in tranen uit.
-
-Met snikken vertelt zij hoe haar geschenk is aangenomen; Moeder neemt
-haar op schoot, hoewel ze daar eigenlijk te groot voor is en tracht
-haar te troosten.
-
-„Mijn klein, vlijtig meisje, trek het je niet aan, Dries weet niet
-beter.”
-
-„Ik wil nooit weer iets voor hem doen, zoo’n aap! zoo’n...”
-
-„Stil kindje, luister eens, hij kan zijn blijdschap niet toonen en ook
-geen dankbaarheid, maar hij is daarom wel blij. Wacht maar, ik denk dat
-hij nu hij alleen is, de bretels wel gauw zal aanpassen. Je hebt het
-toch voor zijn plezier gedaan en niet voor je zelf?”
-
-Geertruid ziet hare Moeder aan en zegt:
-
-„Ik zou het zoo prettig gevonden hebben, als hij blij was geweest en
-als hij mij vriendelijk bedankt had, ik wou hem vriendelijk maken, maar
-het helpt niets.”
-
-Daar komt Sientje binnen en als zij hoort wat er gebeurd is, zegt zij:
-
-„Zoo’n lilleke kerel, dat zal ik hem anders leeren! daar heeft dat
-lieve kind zoo hard voor zitten breien, en nu krijgt ze nog niet eens
-een bedankje, wel drommels!” en Sientje loopt de kamer uit naar Dries.
-
-„Jou lompe ezelskop!” wil zij zeggen, maar neen, zij zegt niets, ze
-kijkt alleen naar Dries, die bezig is de bretels over zijn schouders te
-werpen. Nu wil hij ze vast maken, maar o wee, er zitten geen knoopen
-aan zijn broek. Hij kijkt er naar over zijn afhangende onderlip, en hij
-zet zoo’n potsierlijk, leelijk gezicht, dat Sientje in lachen uitbarst.
-
-Verschrikt kijkt hij op en Sientje ziende, trekt hij de bretels af en
-gooit ze in een hoek.
-
-„Neen baasje dat gaat zóo niet,” zegt Sientje, „je moogt dat kostbare
-werk van het lieve kind niet zóo behandelen. Dat lieve ding, ze heeft
-er menig maal haar boterham en haar glas melk voor laten staan en menig
-pleziertje opgeofferd, allemaal om een pleziertje te doen aan zoo’n
-lompen ezel als jij bent en nu doe je zóo, je moest je schamen! Maar ze
-zal er toch plezier van hebben. Heb je geen knoopen aan je broek? Wacht
-maar, ik zal ze er aan zetten.”
-
-Sientje loopt naar huis en komt met haar werkdoosje terug. Ze heeft al
-een vingerhoed aan haar vinger; vlug bijt zij den draad van een klos.
-Mevrouw heeft al zoo dikwijls gezegd, dat ze dat niet doen moest, nu
-een naald van haar schelpenkussentje en terwijl ze een wit beenen knoop
-tusschen de lippen neemt, zegt ze lispelend: „Allo, kom hier, ik zal je
-helpen; sta stil, anders prik ik me.”
-
-Dries staat stil als een muur en Sientje naait handig en vlug de
-knoopen aan zijn broek. Nu de bretels, mooi zoo, stevig, en Dries kijkt
-er naar en zie, daar komt even een klein trekje om zijn mond en een
-klein plooitje aan zijn ooghoeken, dat aan een glimlach doet denken.
-
-„Ziezoo, zeg nu: wel bedankt.”
-
-„Hm,” zegt Dries.
-
-„Wel te drommel, kun je me niet bedanken? zeg als de weerga: wel
-bedankt, of ik snij je de knoopen er weer af.”
-
-Dries houdt er de handen op en zegt:
-
-„Wel bedankt.”
-
-Schaterend van lachen loopt Sientje naar huis en zegt binnenkomend:
-
-„Kom Geertruid, ga gauw mee, hij is zoo blij, hij zal je bedanken, ik
-heb het hem geleerd.”
-
-Met Geertruid aan de hand komt Sientje weer bij Dries en deze haar
-ziend, zegt dadelijk:
-
-„Wel bedankt.”
-
-„Nu Dries,” zegt Sientje, „ben je er mee in je schik?”
-
-„Ja, naor,” en dat wil zeggen: heel erg blij.
-
-Geertruid begrijpt het, ze loopt vroolijk naar huis en voelt zich heel
-gelukkig.
-
-En als ze den volgenden dag bij hem komt en vele volgende dagen, zegt
-hij, op zijn bretels wijzend:
-
-„Wel bedankt,” en Geertruid gaat voort hem vriendelijk te behandelen en
-Jeanne heeft van haar eigen geld een rooden zakdoek gekocht en dien
-zelf gezoomd en Sientje heeft er met wit katoen een D op gemerkt en den
-zakdoek in de jas van Dries gestoken, toen die jas op een struik hing.
-
-„Hij behoeft mij niet te bedanken,” zegt Jeanne, „als hij er maar blij
-mee is.”
-
-„Goed zoo,” zegt Moeder „je moet niet geven om bedankt te worden, maar
-ik hoop dat jij altijd vriendelijk zult bedanken, als iemand goed voor
-je is.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-
-Op den eersten Dinsdag van September, gaan Constant en Arthur te samen
-naar de stad, want de school zal beginnen. Ze dragen elk een heele
-vracht boeken en schrijfboeken in een zeiltje; met een stevigen riem er
-omheen.
-
-„Wat zijn die dingen zwaar,” zegt Arthur, „we zullen niet altijd
-zooveel te dragen hebben, dat is een geluk.”
-
-„Kijk,” zegt Constant, „daar komt Jacob Drieman juist uit zijn huis,
-hij gaat met zijn handkar naar de stad. Hei! Jacob!” en Constant holt
-vooruit, legt zijn pak boeken op de kar en zegt:
-
-„We zullen je helpen.”
-
-„Als je blieft jongeheer, dat tref ik, ik ben toch zóo kortademig, ’t
-is bedroefd.”
-
-Arthur legt er zijn boeken bij en helpt ook duwen.
-
-„Loop jij maar bedaard achter ons aan,” zegt hij, „we zullen de kar wel
-tot aan de poort brengen.”
-
-„Als je blieft,” zegt Jacob verheugd.
-
-Daar gaan de jongens, vroolijk pratend en lachend en als ze bij de
-poort komen, nemen ze hun boeken van de kar en loopen vlug naar de
-H. B. S.
-
-Marietje Geukestein gaat juist de stoep op en ze blijven samen praten
-tot de lessen beginnen. Er is veel op te merken; vooreerst de
-verschillende leeraren; de een is wat barsch en streng, maar hij legt
-alles zoo duidelijk uit; Arthur denkt: dat was vroeger zoo moeielijk en
-nu begrijp ik het in éenmaal. Een andere leeraar maakt allerlei grappen
-en een derde kijkt altijd rond, of er ook kattekwaad wordt uitgevoerd.
-Zij leeren dezen morgen nog niet veel; ze krijgen allerlei werk en
-lessen op en moeten een agenda koopen om het in op te schrijven; ook
-krijgen zij een rooster van de verschillende lesuren.
-
-De jongens vinden het prettig en Arthur vertelt er veel van bij Oom en
-Tante Bantam; hij vindt de wandeling heen en weer ook zoo prettig.
-
-„In den winter zal het wel anders worden,” zegt Lili.
-
-„Och, we zijn gezond en het is wel grappig om eens flink nat te
-regenen.”
-
-Dit is nu de eerste dag en als ze tegen etenstijd thuis komen,
-verlangen ze al om na het eten aan het werk te gaan, Constant in de
-pastorie en Arthur op Conifera. Wat doen ze hun best om netjes te
-schrijven en om hun lessen goed te kennen; als ze den volgenden morgen
-elkaar ontmoeten, beginnen ze dadelijk de lessen te overhooren en ze
-vinden het heerlijk om zoo samen te wandelen en hetzelfde werk te doen.
-
-Zoo gaat het heel prettig de heele Septembermaand en ook October. Ze
-zijn wel eens nat geregend of hadden met tegenwind te kampen, maar over
-het geheel hebben ze altijd prettig gewandeld.
-
-Arthur krijgt veel plezier in geschiedenis, nadat hij veel met dominé
-Kemper gewandeld heeft. Die kan er zoo prettig van vertellen; hoe de
-oude volken altijd onderling in oorlog waren en iedereen gewapend was
-en zich moest verdedigen tegen zijn naaste buren. Hoe de steden en
-kasteelen ommuurd en in staat van verdediging waren en hoe dit,
-langzamerhand veranderd is door de beschaving en de rechtbanken, waar
-de geschillen onderzocht en bijgelegd werden zonder bloedvergieten. Wat
-zijn er veel poorten en muren van vestingen gesloopt en veranderd in
-mooie wandelparken en welke Graaf of Baron denkt er aan, zijn kasteel
-te moeten verdedigen? De steden onderling, leven in vrede en
-vriendschap en de wetten van het land worden zonder bloedvergieten
-gemaakt en ten uitvoer gebracht. De heeren, die de wetten maken,
-kibbelen er wel eens over, maar ze gebruiken geen andere wapens dan de
-tong en de pen.
-
-Nu zijn er onder de beschaafde volken nog gruwelijke oorlogen tusschen
-verschillende landen, maar niet omdat de burgers boos op elkaar zijn of
-iets van elkaar willen hebben, neen, ze zouden veel liever rustig aan
-hun werk blijven dan andere menschen dood te schieten, maar die
-oorlogen ontstaan meestal door de hebzucht of eerzucht van enkele
-groote heeren, die niet naar de rechtbank willen gaan om hunne
-geschillen te laten vereffenen.
-
-„Waarom gaan ze niet naar de rechtbank?” vraagt Arthur.
-
-„Omdat er tot nu toe geen rechtbank was, hoog genoeg of geleerd genoeg
-voor die groote heeren. Maar nu is er eindelijk zulk een hoogste
-rechtbank tot stand gekomen en die heet: het Hof van Arbitrage, dat wil
-zeggen een rechtbank, waar geschillen vereffend kunnen worden. Er is
-veel wijsheid noodig, om geschillen tusschen zulke hooge en machtige
-heeren uit den weg te ruimen, en het is de vraag, of zij zich altijd
-aan de uitspraak zullen willen onderwerpen, maar eindelijk zal het toch
-wel in orde komen, zooals er reeds zooveel ten goede veranderd is.”
-
-„Hè,” zegt Arthur, „wat moet het heerlijk zijn om een oorlog te
-voorkomen, wat redt men dan veel menschenlevens.”
-
-„Dan moet je in de rechten gaan studeeren en leeren, je gedachten in
-woorden uit te drukken en welsprekend worden. Als je dan een goede zaak
-bepleit, kun je onnoemelijk veel goed doen.”
-
-„Dat zou ik ook wel willen,” zegt Constant, „moet ik daar veel voor
-leeren?”
-
-„Ja zeker, heel veel, maar daar ben je niet bang voor, niet waar? je
-kunt goed leeren en je hebt nog een langen tijd vóór je.”
-
-De jongens denken en praten veel over hetgeen de dominé hen vertelt en
-nemen zich voor, erg hun best te doen.
-
-Op zekeren dag loopen ze samen door de stad, met Marietje Geukestein en
-Amalia Keer, de lange blonde.
-
-„Wat is het een saaie, zoete boel in onze klas,” zegt Amalia, „in de
-derde is het veel leuker.”
-
-„Bij ons wordt beter gewerkt.”
-
-„Nu ja, dat is juist zoo flauw, niemand die eens wat uithaalt.”
-
-„Haal jij dan maar wat uit.”
-
-„Als ik maar wat wist, ik durf best, ik zal wat bedenken in die
-vervelende rekenles, pas maar op, maar je moet mee doen hoor!”
-
-Arthur en Constant lachen er om en als het rekenles is, kijken ze
-gedurig naar Amalia en letten niet zoo goed op als anders. Juist als
-Mijnheer een moeilijke som uitlegt, springt er een sprinkhaan op zijn
-boek, hij schudt hem er af en zie, daar springen er drie over de bank,
-en in de tweede bank schuiven de jongens plotseling uit elkaar en
-grijpen naar verscheidene sprinkhanen waarvan er een in den inktpot
-valt en er gauw druipnat weer uitspringt op het keurige schrift van
-Marietje Geukestein en er een zwart spoor op achterlaat.
-
-„Wie heeft dat gedaan?” buldert mijnheer met een harde stem.
-
-Niemand zegt iets, hoewel eenigen wel vermoeden, dat Amalia het gedaan
-heeft. David zit te proesten van lachen en Johannes Bredero begint ook
-te lachen en als mijnheer heel boos is en strafwerk belooft, als hij
-niet dadelijk ophoudt, begint de arme jongen hoe langer hoe meer te
-lachen, hij kan niet tot bedaren komen, mijnheer wordt woedend en
-stuurt hem de klasse uit.
-
-„Wie heeft die streek uitgehaald?” vraagt mijnheer nog eens.
-
-In plaats dat Amalia flink weg zegt: „ik,” zwijgt zij en de anderen
-willen natuurlijk niet klikken.
-
-„Jullie zult allemaal 20 vraagstukken maken, als ik niet vóor het eind
-van de les hoor, wie het gedaan heeft.”
-
-Ze gaan door met rekenen, nadat de sprinkhanen gevangen en naar buiten
-gebracht zijn, maar niemand heeft zijn gedachten bij de les, steeds
-zitten ze in afwachting dat Amalia bekennen zal.
-
-„’t Is tijd,” zegt mijnheer op zijn horloge ziend, „nog eens, wie heeft
-het gedaan?” Niemand spreekt.
-
-„Jullie brengt morgen 20 vraagstukken mee voor strafwerk en als je ze
-niet gemaakt hebt, krijg je er nog 10 bij.”
-
-Ze gaan naar een ander lokaal en zijn allen boos en Marietje Geukestein
-zegt tegen Amalia:
-
-„Ik dacht niet, dat je zoo flauw zoudt zijn; dat je een grap uithaalt
-kan mij niet schelen, maar je moet het durven bekennen.”
-
-Amalia wordt boos, maar ze heeft geen moed te bekennen.
-
-Als onze jongens ’s middags naar huis wandelen, zegt Constant:
-
-„Ik weet niet hoe ik die vraagstukken moet maken, ik heb er niets van
-begrepen.”
-
-„Ik ook niet,” zegt Arthur, „ik vind het een vervelende streek van
-Amalia en erg flauw, dat ze ons allemaal laat zuchten onder het
-strafwerk.”
-
-„Nu, voor haar zelf is het toch het vervelendste, ze zal er niet veel
-plezier van hebben.”
-
-Ze maken ’s avonds met moeite eenige vraagstukken, maar de meesten
-kunnen ze niet maken, omdat ze niet naar het uitleggen geluisterd
-hebben. Ze moeten haastig het schrijfwerk afroffelen en de lessen
-leeren en ze krijgen den volgenden morgen voor het eerst onvoldoende
-cijfers en al de heeren zijn min of meer ontevreden en uit hun humeur.
-„Je hebt eigenlijk niet veel plezier van zulke grappen onder de les,”
-zegt Arthur, „je krijgt er maar moeite door en de heeren zijn lang zoo
-aardig niet als anders.”
-
-„Als David een grap heeft, dat is leuk,” zegt Constant, „daar lachen de
-heeren zelf om.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-
-November is gekomen en daarmee regen en wind, zelfs storm. Constant en
-Arthur loopen door alle weer en wind en ze worden sterk en gezond en
-onvermoeid, en als Grootmoeder Mung en Moeder Kemper soms medelijden
-hebben, lachen de jongens en zeggen:
-
-„Dat is juist leuk.”
-
-Eens op een morgen in het laatst van November, ligt er ’s morgens een
-laagje sneeuw en de lucht is grijs en altijd door blijft de sneeuw
-vallen. Het is de eerste keer dat Arthur sneeuw ziet. Wat vindt hij dat
-aardig, hij loopt dadelijk met zijn bloote hoofd naar buiten, neemt wat
-sneeuw in de hand, steekt zijn armen ver uit en kijkt naar de lucht.
-Grootmoeder heeft intusschen een vergrootglas uit de kast gekregen en
-komt met een rood fluweelen kussen op de stoep staan.
-
-„Wat gaat u doen Grootmoeder?”
-
-„Zie eens hier mijn jongen, kijk eens naar die vlokken door het
-vergrootglas.”
-
-„Hé wat mooi, allemaal sterren en figuren, wat zou dat prachtig zijn in
-een microscoop. Oom Bantam heeft er een, dien zal ik het vragen, ik
-dacht niet dat sneeuw zoo mooi was.”
-
-Nu steekt Arthur zijn tong uit, totdat er een dikke vlok op valt.
-
-„Hè, lekker koud!”
-
-Hij gaat naar de buitenvensterbank en neemt van de zuivere sneeuw in
-zijn mond en dan maakt hij voor het eerst van zijn leven een sneeuwbal
-en gooit er mee naar Pandoer, die heen en weer holt en in de sneeuw
-rolt.
-
-„Ziezoo, nu ontbijten,” zegt Grootmoeder.
-
-„He,” zegt Arthur na het ontbijt, terwijl hij zijn boeken stevig
-inpakt, „wat zullen we heerlijk met sneeuwballen gooien, ik ga gauw op
-weg, dan kunnen we vóór schooltijd nog beginnen; ik zal Amalia
-inzeepen, dat hooren en zien haar vergaat.”
-
-„Foei Arthur,” zegt Grootmoeder, „geen meisjes, dat is niet
-ridderlijk.”
-
-„O, andere meisjes niet, maar Amalia heeft wat op haar kerfstok.”
-
-„Ja? wat dan?”
-
-„Och, ze is niet aardig geweest, maar ik zeg liever niet wat.”
-
-„Goed jongen, dat behoeft ook niet, maar maak het niet te erg.”
-
-„Neen Grootmoeder, alles met mate, zei de meester en hij sloeg den
-jongen met den meterstok. Dag Grootmoeder! Zou er vandaag een mailbrief
-komen?”
-
-„Ja, ik denk het wel.”
-
-„Legt u hem dan onder mijn servet?”
-
-„Ja jongen, denk je aan je overschoenen? anders zit je den heelen dag
-met natte voeten.”
-
-„Die vervelende dingen!” zegt Arthur, maar hij doet ze toch aan, neemt
-hartelijk afscheid van Grootmoeder en Pandoer, die het tegenwoordig
-vreeselijk saai vindt en gaat moedig op weg.
-
-De jongens verwelkomen elkaar met eenige sneeuwballen, als ze bij het
-huis van Jacob Drieman samen komen en loopen dan vroolijk pratend naar
-de stad. Het is niet de dag waarop Jacob boodschappen moet doen, maar
-morgen, dan moet de arme stakker door de sneeuw.
-
-„We zullen Jacob morgen goed moeten helpen,” zegt Arthur, „hij was
-gisteren zoo kortademig. Wat zou hij graag een ezel hebben, hij heeft
-er al zoo lang voor gespaard, maar hij heeft nog niet genoeg. Als er
-veel sneeuw komt, zal hij er in ’t geheel niet door kunnen met zijn
-kar.”
-
-„Neen, maar hij heeft een slede,” zegt Constant, „dat heeft hij me
-verteld. Overhoor mij nu eerst de geschiedenis, hier heb je mijn boek,
-dan zal ik jou overhooren.”
-
-Als ze de poort naderen, zien ze op de torenklok, dat het op slag van
-negen is.
-
-„Doossie! wat is het laat, ik dacht dat we zoo vroeg waren,” zegt
-Arthur.
-
-„Dat komt door de sneeuw, we hebben zeker niet zoo hard geloopen,
-vooruit! op een draf!”
-
-De concierge wil juist de deur sluiten als de jongens komen aanrennen.
-Om 12 uur haasten ze zich met koffiedrinken om zoo lang mogelijk
-sneeuwballen te kunnen gooien. Er is veel sneeuw bij gekomen en het
-sneeuwt nog altijd door met dikke vlokken. David en Johannes Bredero
-zijn bezig een sneeuwpop te maken op het plein, vóor de H. B. S.
-Johannes rolt handig een bal en daar de sneeuw goed pakt, wordt die
-spoedig heel groot.
-
-„Nu overeind,” zegt David, „zoo, dat is zijn éene been, rol nu nog
-zoo’n ding, ik zal het fatsoeneeren; het moet een groot standbeeld
-worden. Nu zijn andere been, mooi! maar je hebt het veel langer gemaakt
-en dikker, nu, dat hindert niet, we zetten hier nog een stuk bij. Nu de
-romp, wacht, ik zal je helpen rollen; hè, daar word je warm van; rol
-hem nu naar de plaats; nu overeind sapperloot, wat is dat ding zwaar;
-hei! Constant! help ons een handje,”
-
-Constant komt dadelijk en met hem Arthur en Gerard Bunte. Ze krijgen er
-allen plezier in. Met vereende krachten beuren ze het groote stuk boven
-op de twee beenen.
-
-David gaat op eenigen afstand staan om het te bekijken.
-
-„Er moet nog een stuk boven op,” zegt hij.
-
-„’t Is tijd,” zegt de concierge.
-
-„Hé wat saai; nu, morgen zullen we hem verder opbouwen.”
-
-Daar komt Amalia aan; nu hebben de jongens geen tijd om haar in te
-zeepen, maar ze krijgt in de gauwigheid toch nog twee sneeuwballen
-midden in haar gezicht.
-
-Na schooltijd is het al bijna donker en de jongens haasten zich om
-thuis te komen. Het sneeuwt nog altijd door, de lucht is effen grijs en
-er ligt een dik pak.
-
-Met moeite en heel warm komen de jongens thuis; Grootmoeder was al
-ongerust omdat het zoo vroeg donker was.
-
-„Is er geen brief?”
-
-„Neen jongen, misschien morgen. Ik hoop dat het nu gauw op zal houden
-met sneeuwen, hoe kun je er anders morgen door?”
-
-„O Grootmoeder, dat is juist prettig, we maken een prachtige sneeuwpop
-op het plein, morgen moeten we hem verder afmaken.”
-
-„Ja maar jongen, de weg zal zoo moeielijk te begaan zijn.”
-
-„O Grootmoeder, we zijn sterke jongens, daar zien we niet tegen op.”
-
-Den volgenden dag heeft de baas een pad gemaakt met een klein
-sneeuwploegje tot aan het hek. Er ligt veel sneeuw en het sneeuwt nog
-altijd door.
-
-Juist als Arthur bij het hek is, ziet hij den grooten sneeuwploeg
-komen. Vier paarden zijn er vóor gespannen. Verscheiden mannen en
-jongens zitten er op om den ploeg te verzwaren en Arthur krijgt ook
-permissie er op te gaan.
-
-Dat treft hij, als nu Constant ook maar op tijd is. Daar ziet hij hem
-aankomen, hij loopt zoo hard hij kan en dat is niet gauw door die dikke
-sneeuw en haalt gelukkig den ploeg in en gaat er bij op zitten. Juist
-als ze voorbij het huis van Jacob Drieman gaan, zien ze de vrouw en het
-oudste meisje met een slede tegen den hoogen weg opschuiven. Maar het
-gaat niet, de sneeuw is zoo dik, ze zwoegen en spannen zich in zoo veel
-zij kunnen, maar het is te zwaar.
-
-„We moeten helpen,” zegt Constant en hij en Arthur springen van den
-ploeg, waarop zij zoo prettig vooruit kwamen.
-
-„Waar is Jacob?” vraagt Arthur.
-
-„Mijn man is ziek,” zegt de vrouw, terwijl ze steeds voortgaat zich in
-te spannen.
-
-Nu komen de jongens te hulp en met vereende krachten trekken ze de
-slede op den weg, die nu gebaand is door den ploeg.
-
-„Wat scheelt Jacob?” vraagt Constant.
-
-„Ik ben bang dat ie longontsteking heeft,” zegt de vrouw, terwijl dikke
-tranen over haar wangen loopen.
-
-De jongens zien elkaar verschrikt aan en hebben diep medelijden met de
-arme vrouw.
-
-„Och jongeheeren, je weet niet wat mien man van nacht getobd heeft over
-de boodschappen in de stad; als ze niet gedaan worden zijn de menschen
-verlegen en dan gaan ze naar een ander, je weet wel, dien Jannes Trot,
-die doet toch al zoo’n moeite om er ons uut te dringen. Mien arme man,
-hie werkt zich dood en ie gaat nooit naar de herberg en ie heeft alles
-gespaard om een ezel te kunnen koopen en noe ie het geld haast bie
-mekaar heeft, noe zal hie dood gaan!”
-
-De vrouw snikt en kan niet voortgaan met spreken. De jongens weten niet
-wat ze zeggen zullen, maar ze duwen zoo hard ze kunnen en de slede
-rijdt flink over den weg.
-
-„Wie past nu op je man?” vraagt eindelijk Arthur.
-
-„De kleine Gerrit.”
-
-„Hoe oud is die?”
-
-„Vief jaar.”
-
-„Waarom niet een van de grooten?”
-
-„Die moeten naar school en Jentje moest met mie mee, omdat zie de
-boodschappen weet, zie is met Vader dikwijls met ewest.”
-
-Aan de poort nemen de jongens afscheid van vrouw Drieman, die hen
-vriendelijk bedankt en ze zijn beiden stil en denken over den zieken
-Jacob.
-
-Vóor de school zijn reeds eenige jongens bezig met sneeuwballen gooien
-en ze kijken uit of Amalia nog niet komt, maar die komt heel wijs op
-het laatste nippertje. De sneeuwpop is in den nacht gegroeid en
-prachtig, donzig wit geworden. Na de koffie gaan ze weer aan ’t werk,
-maar het is intusschen gaan waaien, de sneeuw waait aan hoopen tegen de
-hekken der verschillende tuintjes en in de deur- en raamkozijnen en
-overal zijn menschen aan het vegen.
-
-De sneeuwpop heeft nu een stevig bovenlijf gekregen en David heeft een
-bankje aan den concierge gevraagd om er bij te klimmen.
-
-„Geef me nu zijn hoofd, ik zal het er op zetten,” zegt hij.
-
-Johannes reikt hem een grooten, zwaren bal toe en als David dien wil
-aannemen, rolt de bal op den grond en breekt.
-
-Dadelijk zijn verscheiden jongens bereid een nieuw hoofd te rollen en
-te zamen tillen zij het op den romp.
-
-„Ziezoo,” zegt David, „nu ga ik aan het boetseeren.”
-
-Hij kneedt en slaat met de vlakke hand en strijkt de schouders van het
-standbeeld glad en maakt een stevigen hals en nek, en als hij het hoofd
-goed ovaal rond heeft gemaakt en vast in elkaar gekneed, neemt hij zijn
-mes en begint te krabben en af te snijden en zie, daar komt de neus te
-voorschijn en de oogen en de wangen en de kin.
-
-„Mooi!” roepen de jongens, „prachtig! precies de neus van den Dirrik.”
-
-„Die moet het ook worden,” zegt David, „ik wil een mooi standbeeld voor
-hem oprichten.”
-
-„Pas op, als hij het ziet,” zegt Gerard.
-
-„Waarom?” zegt David, „dat mag hij best, ik maak het niet bespottelijk,
-neen, het wordt echt mooi, dat heeft hij wel verdiend, is ’t waar of
-niet?”
-
-„Ja,” zegt Arthur, „’t is een kranige vent, hij kan goed orde houden,
-hij is wel streng maar rechtvaardig, ja, hij heeft een mooi standbeeld
-verdiend.”
-
-„Wie heeft een standbeeld verdiend?” vraagt de Directeur, die juist om
-den hoek is gekomen.
-
-Arthur krijgt een kleur als vuur en al de jongens staan verbluft te
-kijken.
-
-De directeur bekijkt het standbeeld: hij is een groote, breede man met
-een flinken kop; een groote neus en een hoog breed voorhoofd, een snor
-en sikje.
-
-„Te drommel,” zegt de directeur, „dat is knap gedaan, maar hij heeft
-nog geen ooren. Heb jij dat gedaan, kleine David?”
-
-„Ja mijnheer,” zegt deze een beetje verlegen, maar hij plakt toch gauw
-een paar ooren aan het hoofd.
-
-Daar komen de andere heeren aan en allen bekijken het beeld en allen
-beginnen te glimlachen en ze kijken naar den directeur en dan weer naar
-het beeld en eindelijk zegt de grappige leeraar:
-
-„Directeur, er krijgen niet veel menschen een standbeeld bij hun
-leven.”
-
-De directeur heeft ook zich zelf herkend en nu roept David en dan al de
-anderen:
-
-„Lang leve de directeur!”
-
-Als de jongens ’s middags uit school komen, zien ze naar de lucht.
-
-„Dat ziet er niet best uit,” zegt Arthur, „wat wordt het donker en het
-sneeuwt zoo dicht en het waait alles op hoopen. Laten we ons haasten om
-thuis te komen.”
-
-De jongens gaan in vluggen pas de poort uit. Op sommige plaatsen is de
-sneeuw hoog opgewaaid tegen huizen en hekken links van den weg.
-
-„We moeten rechts houden,” zegt Constant, „bij het boschje aan den
-rechterkant zal de sneeuw niet opgewaaid zijn.
-
-„Daar zal ze wel dik liggen, hier is het niet erg,” zegt Arthur, „hier
-is bijna alles weg gewaaid, maar hoe zal het bij het laatste boschje
-links zijn? daar komt al de sneeuw van de bouwlanden tegen aan waaien.”
-
-„Ja, dat zal een toer zijn; vooruit maar, hoe eerder we thuis zijn hoe
-beter.”
-
-De jongens loopen zoo hard ze kunnen en ze worden van top tot teen wit.
-
-„We lijken wel sneeuwpoppen; het was toch een mooi standbeeld, dat we
-gemaakt hebben, ik heb nog nooit zoo’n mooi gezien.”
-
-„Kijk, daar gaat vrouw Drieman, och die stumper, gauw helpen, een,
-twee, drie! Hola, hier! heb je een touw? we zullen je helpen,” roept
-Arthur.
-
-Wat is vrouw Drieman blij! Ze kon ook al haast niet meer vooruit komen
-en ze is zoo bang, dat ze de boodschappen niet veilig thuis zal krijgen
-en daarbij is zij zoo ongerust over haar man.
-
-„Jongeheer,” zegt ze tegen Arthur, „zou je Grootmoeder erg verlegen
-zijn om de citroenen en de kaas? anders moet ik ze nu nog brengen.”
-
-„Geef ze mij maar mee, hier, onder mijn jas in mijn blouse, daar kan
-een heele vracht in. Grootmoeder zou niet willen, dat je daar van avond
-nog mee naar Conifera kwaamt door die dikke sneeuw. Ik hoop dat Jacob
-gauw beter wordt, groet hem.”
-
-„Van mij ook,” zegt Constant als ze de slede veilig voor de deur hebben
-gezet.
-
-„Kom Arthur, haast je, neen, ga niet naar binnen, het wordt veel te
-donker, je kunt toch den weg al haast niet meer onderscheiden en nu
-komt het boschje. Drommels! hoe komen we daar door? als de sneeuw
-hooger komt dan je knieën, kun je er niet door.”
-
-„Hier,” zegt Arthur, die zoo veel mogelijk rechts houdt.
-
-„Pas op, loop niet in de sloot, je zoudt diep in de sneeuw zakken; je
-kunt niet zien waar die vervelende droge sloot begint, alles is
-gelijk.”
-
-De jongens komen met moeite op het punt waar ze moeten scheiden en daar
-is de weg nog al duidelijk. Een boer, die hen tegen komt, zegt:
-
-„Haast je wat, het wordt gevaarlijk in het duister.”
-
-„Ja,” zegt Arthur, „we zijn gelukkig gauw thuis. Adi! tot morgen.”
-
-„Goeie reis! pas maar op!” zegt Constant, terwijl hij zoo snel mogelijk
-naar het dorp loopt.
-
-Arthur komt zonder al te veel hindernis tot aan het hek van Conifera,
-maar nu zal het eerst lastig worden. Links is veel laag struikgewas,
-rechts zijn hoog opgaande eiken, waaronder de wind de sneeuw in
-vliegende vaart opjaagt en ophoopt tegen de struiken.
-
-Moedig stapt Arthur voorwaarts en waadt door de sneeuw en hoe langer
-hoe dieper zakken zijn beenen er in. Wat is het vermoeiend, de voeten
-telkens zoo hoog op te tillen. Daar komt hij bij een bocht van den weg,
-als hij daar maar voorbij was, dan zou hij het licht van Conifera
-kunnen zien.
-
-Daar staat Arthur plotseling stil, hij kan niet verder; de sneeuw reikt
-boven zijn knieën, Wat nu te doen? Hij probeert vooruit te komen, maar
-daar is het nog dieper, achteruit gaat ook niet. Nu wordt hij een
-beetje bang, eventjes maar en dan kijkt hij naar boven, naar de donkere
-lucht en krijgt sneeuwvlokken in zijn oogen, maar hij ziet juist boven
-zijn hoofd een dikken tak van een eik. Hij grijpt dien en trekt zich
-wat naar boven. Dat helpt; hij slingert zich in de hoogte en laat zich
-neervallen meer naar rechts. Mooi, dat is minder diep; een paar passen
-kan hij voortgaan, maar o wee, nu wordt het nog erger en geen tak om
-zich aan op te trekken. Hij baant zich met de handen een weg, maar dat
-kan hij niet lang volhouden, ook weet hij niet goed de richting meer.
-
-„Hallo! Pandoer! Hallo!”
-
-Arthur fluit en roept uit alle macht. Daar hoort hij in de verte iets
-roepen en het blaffen van Pandoer, het komt nader bij.
-
-„Pandoer! Pandoer! hier ben ik! maar pas op, och wat ben ik dom
-geweest, dat arme dier, hij zal er nog minder door kunnen dan ik.”
-
-„Hier jongeheer! hier heen, ik zal een weg maken; hei! Jannes! help me
-gauw, heb je de schop? hier!”
-
-Nu gaat Arthur met nieuwen moed aan het werk, hij ziet het licht van
-een lantaren en hij heeft de stem van Hein herkend, gelukkig dat ze hem
-komen helpen, hij had er zonder hulp niet door kunnen komen.
-
-„Ziezoo, nu kun je er door,” zegt Hein, terwijl hij even de schop
-neerzet en Arthur bij het licht van de lantaren bekijkt; het is
-intusschen heel donker geworden.
-
-„Waar is Pandoer? Pandoertje waar ben je?” en Arthur tracht in de
-duisternis te ontdekken, waar zijn trouwe hond gebleven is. Hij hoort
-hem janken en spartelen en als Hein het licht van de lantaren rond laat
-gaan, zien ze het arme dier worstelen door de diepe sneeuw.
-
-Dadelijk banen ze met Jannes een weg er heen en daar komt de hond bij
-Arthur en schudt zich uit en springt luid keffend tegen zijn baas op.
-
-„Nu gauw naar je Grootmoeder,” zegt Hein, „gauw, ze is zoo ongerust.”
-
-Wat zijn Grootmoeder en Arthur beide blij, als ze elkaar in de
-vestibule omhelzen. De sneeuwvlokken zitten in Grootmoeders sneeuwwit
-haar en ook op haar lieve, zachte wangen. Arthur is zoo’n wilde,
-onstuimige jongen, bijna even wild als Pandoer, die zich terdege
-uitschudt, zoodat de sneeuw tegen den barometer en de wijzerplaat van
-de klok aankleeft.
-
-„Wat heb je daar voor dikte?” vraagt Grootmoeder, als Arthur zijn jas
-uittrekt.
-
-„O, dat zijn de citroenen en de kaas van vrouw Drieman; hè, wat ben ik
-blij dat ik ze meegenomen heb, anders was de stumper misschien in de
-sneeuw blijven steken.”
-
-Grootmoeder ziet hem liefdevol aan en zegt:
-
-„Kijk nu eens onder je servet.”
-
-„Ha! een brief!” juicht Arthur en terwijl Grootmoeder de soep opschept,
-kan hij niet laten gauw den brief te openen en te zien of ze in Indië
-allen gezond zijn. Grootmoeder laat het oogluikend toe, want zij is zoo
-erg verlangend iets te hooren over hare dierbaren, daar ginder, zoo
-heel ver weg over de zee.
-
-„Moeder schrijft, dat ze allen weer beter zijn, zus is het ergst
-geweest, maar nu allemaal goed, gelukkig!”
-
-„Gelukkig!” zegt Grootmoeder, „laten we nu eerst gaan eten en den brief
-voor het dessert bewaren.”
-
-Arthur vertelt, hoe hij tegen den sneeuwstorm geworsteld heeft en
-Grootmoeder zegt, dat zij niet geweten heeft dat het zoo erg was.
-
-„Daar ben ik blij om,” zegt Arthur, „u zou dan zeker erg ongerust zijn
-geweest. Maar Grootmoeder, Jacob Drieman is erg ziek, zijn vrouw en
-Jentje moesten de boodschappen doen, de kleine Gerrit was alleen bij
-Jacob thuis.”
-
-„We zullen er dadelijk morgen naar laten hooren en hulp verschaffen,
-dat kan zoo niet,” zegt Grootmoeder.
-
-Aan het dessert mag Arthur den brief lezen.
-
-
- „Beste Arthur,
-
- Gisteren ontvingen we je brief, waarin je ons schrijft over den
- eersten dag op school. Vader en ik zijn heel blij, dat je er
- plezier in hebt en ook, dat je een aardigen kameraad hebt gevonden
- om mee samen te loopen en te werken. Dat treft al heel gelukkig, nu
- heb je altijd gezelschap op je wandeling van en naar de school en
- je kunt elkaar zoo prettig de lessen overhooren. Ik hoop, dat je
- alle klassen samen door zult maken en goede vrienden zult blijven.
- Vader zal je een postwissel zenden voor den ezelpot; Constant
- Kemper zal het ook wel prettig vinden, als jij gauw een ezel kunt
- koopen. We hebben erg getobd met malaria en Carolientje heeft erg
- knokkelkoorts gehad, het arme kind voelde zich heel ziek en
- pijnlijk. De tuinen zijn prachtig en de kleintjes vinden het hier
- heerlijk; maar ik verlang erg naar Holland. We hebben met de vorige
- mail een kistje verzonden, dat kun je dus binnenkort ontvangen. Ben
- je lief en gehoorzaam voor Grootmoeder? ben je niet te wild en te
- druk? denk er om dat Grootmoeder al een beetje oud is. Omhels haar
- eens voor mij en zeg haar, dat ik zoo blij ben, dat mijn lieve
- jongen bij haar kan zijn. Vader en de zusjes zenden veel groetjes.
- Vader schrijft met de volgende mail aan Grootmoeder.
-
- In gedachten een omhelzing van
-
- je zoo liefhebbende
- Moessie.”
-
-
-Arthur leest den brief nog eens over en zegt:
-
-„Ik vind het zoo prettig in Indië, maar als Vader en Moeder hier komen,
-zal ik er niet zoo erg meer naar verlangen als den eersten tijd. Ik
-begin nu al veel van Holland te houden.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-
-Den volgenden morgen springt Arthur vroeg uit zijn bed; hij is zoo
-nieuwsgierig om te zien hoeveel sneeuw er bij gekomen is. De wind is
-bedaard en het heeft opgehouden met sneeuwen.
-
-„Hoe prachtig!” zegt Arthur hardop, als hij het gordijn opgehaald
-heeft. Hij staat een poos te kijken, nog nooit zag hij zoo iets moois;
-alles is smetteloos wit, de boomen, de struiken en de grond en de lucht
-daarboven is helderblauw en overal waar de zon haar stralen zendt,
-schitteren duizende diamanten.
-
-Haastig loopt Arthur naar den overloop en roept aan Grootmoeders deur:
-
-„Grootmoe! heeft u al naar buiten gekeken? het is prachtig! de zon
-schijnt zoo mooi op de sneeuw, ik ga me gauw aankleeden.”
-
-Hein is al bezig paadjes te graven van de keuken naar den stal en nu
-komt Arthur gauw helpen. Er ligt een manshoogte tegen de staldeur.
-
-„Ja jongeheer, je zult er van in de krant lezen, alles is versperd, de
-treinen zullen blijven steken; de bakker zal er niet door kunnen en je
-kunt ook niet naar school.”
-
-„Niet naar school?” zegt Arthur verbaasd.
-
-„Neen, zeker niet, we kunnen hier zoo gauw niet vandaan komen, kijk
-maar eens voor het huis.”
-
-Arthur loopt naar de voorkamer en nu ziet hij, hoe de sneeuw tot bergen
-is opgewaaid, op den oprit ligt de sneeuw wel een meter hoog.
-
-„Ik wil toch naar school,” zegt Arthur, „ik zal wel plekjes vinden waar
-ik door kan, ik neem een schop mee.”
-
-Hein lacht en zegt:
-
-„Probeer het maar, het is mij goed.”
-
-Arthur roept Pandoer, trekt zijn overjas aan en gooit zijn pet een eind
-van zich af.
-
-„Apporte!”
-
-Pandoer brengt dadelijk de pet bij hem en als Arthur zich bukt, zet
-Pandoer hem de pet achterste voor op het hoofd.
-
-„Mooi, knap gedaan. Nu een weg zoeken, vooruit!”
-
-Pandoer zakt diep in de sneeuw, maar hij komt er toch telkens weer uit.
-
-„Geef mij dan het kleine sneeuwploegje Hein.”
-
-Hiermee gewapend zoekt Arthur een weg, waar de Oostenwind de sneeuw
-niet heeft kunnen opwaaien.
-
-„Toe maar Pandoer, loop jij maar vooruit.”
-
-Die slimme hond, hij weet overal plekjes te vinden, waar de sneeuw niet
-zoo hoog ligt en met een omweg, komen zij bij den straatweg. Zoo nu en
-dan moet Hein met de schop te hulp komen, maar het is hem erg
-meegevallen.
-
-„Ja Hein, als je niet door den berg heen kunt komen, moet je er omheen
-loopen, want er boven overheen gaat ook niet.”
-
-„Zeg dat wel jongeheer. Als nu de sneeuwploeg maar kwam.”
-
-„Nu ga ik eerst ontbijten en als ik klaar ben, zal de ploeg er wel zijn
-en anders ga ik met dit kleine ding, ik wil er door.”
-
-Grootmoeder vindt goed dat hij het probeert; het is nu helder licht dag
-en zonder gevaar.
-
-„Als ik Pandoer eens meenam? dan breng ik hem bij oom Bantam.”
-
-„Goed mijn jongen, doe dat.”
-
-Arthur legt zijn boeken op het driehoekig sleedje, en met zijn dikke
-slobkousen en overschoenen, baggert hij door de sneeuw.
-
-Wat is Pandoer blij, dat hij mee mag; hij rolt zich door de sneeuw en
-proest en snuift als een walvisch.
-
-Op den straatweg gekomen, kijkt Arthur uit naar den sneeuwploeg, maar
-er is niets te zien. Daar hoort hij heel in de verte een spoorfluit,
-nog eens en nog eens, onophoudelijk door.
-
-„Hè, wat fluiten ze, misschien kunnen ze niet verder, ja, dat zal het
-zijn.”
-
-De straatweg is hier open en vrij; de wind van gisteren heeft de sneeuw
-voor zich uitgejaagd en Arthur kan er gemakkelijk door komen. Maar
-waarom zou de sneeuwploeg niet komen?
-
-Daar ziet hij van verre Constant; hij waadt met moeite door de sneeuw,
-want hij heeft geen ploegje bij zich. Arthur wacht op hem en gooit
-onderwijl met sneeuwballen. Hij geniet van het prachtige weer en het
-uitzicht over de zuiver witte velden, die schitteren in den
-zonneschijn.
-
-„Wat een leuk ding heb je daar,” zegt Constant nader komend, „laat mij
-ook eens duwen. Hoe ben je gisteren avond thuis gekomen Mung?”
-
-Arthur vertelt het en hoort van Constant, dat deze ook met moeite het
-hek van de Pastorie is doorgekomen.
-
-„Kom Pandoer, vooruit!” zegt Arthur, „hoe zou het met Jacob zijn? och
-lieve deugd, zijn huis zit heelemaal onder de sneeuw, er komt toch rook
-uit den schoorsteen. Wat is die sneeuw daar op gewaaid, maar daar
-achter is een opening, daar staat de vrouw.”
-
-„Dag vrouw Drieman, hoe is het met Jacob?”
-
-„Hie is zoo benauwd, Jentje is naor den dokter; hie wou geen doctor
-hebben, hie zegt, dat ie dan geen ezel kan koopen, al de spaorduuten
-zullen weg gaon aan apotheker en dokter, maor ik kan hem zoo niet in de
-benauwdheid laoten.”
-
-De jongens weten niet wat ze zeggen zullen en gaan erg onder den indruk
-verder den weg op. Eindelijk zegt Arthur:
-
-„Wat is het toch raar verdeeld; Jacob zou zoo graag een ezel hebben en
-hij kan hem niet krijgen en hij heeft hem toch zoo noodig en ik...”
-
-„Ja, als hij hem niet krijgt, kan hij het zeker niet volhouden om
-boodschappen te doen,” zegt Constant.
-
-„En wat dan?” vraagt Arthur.
-
-„Ja, dat weet ik niet, hij kan niet op een andere manier den kost
-verdienen en als zijn vrouw met de kar gaat, wie moet dan de
-huishouding doen, dat kan toch ook niet. Krijg jij gauw een ezel?”
-
-„Ja, ik denk het wel, Vader zal een postwissel zenden, ik weet niet
-hoeveel.”
-
-„Je zult in de week niet veel aan een ezel hebben, overdag ben je naar
-school en ’s avonds werken.”
-
-„Ja, alleen op Zondag en in de vacantie. Maar dat zal wel leuk zijn.”
-
-„Hoor de trein fluit nog altijd, wat beduidt dat toch?”
-
-„Zouden ze vast zitten? wat zou ik graag helpen graven. Kijk eens daar
-vooruit in de sneeuw, wat gek, allemaal zwarte dingen, zijn dat
-kraaien?”
-
-„Wel neen, dat zijn hoofden, die uit de sneeuw komen. Hoe kan dat?”
-
-„Ik zie het al, het zijn menschen die de sneeuw opruimen; wel doossie!
-ze ligt een manshoogte, hoe komen we daar door? voor dat ze dat weg
-hebben, kunnen we hier wel een paar uur wachten.”
-
-„Laten we over het bouwland gaan, Pandoer! zoek eens gauw een pad.”
-
-Ze loopen over het bouwland en zakken soms diep in de sneeuw. Ze worden
-erg warm en vermoeid en eindelijk blijven ze steken, ze kunnen niet
-verder.
-
-„Hoor! bellen gerinkel.”
-
-Ze kijken naar den weg en daar zien ze den sneeuwploeg. Verscheiden
-mannen met schoppen loopen er bij.
-
-„Laten wij er gauw heen gaan, hier komen we toch niet door.”
-
-De jongens gaan denzelfden weg terug en komen erg vermoeid bij den
-ploeg. Ze laten er zich op neervallen en blijven er hijgend en puffend
-op liggen. De menschen zijn druk aan het graven, de vier paarden staan
-te dampen en laten zoo nu en dan de bellen rinkelen. De jongens blijven
-niet lang werkeloos, ze willen mee helpen, ze nemen telkens de schop
-van iemand die uitrust en al kunnen ze nog niet veel, alle beetjes
-helpen.
-
-Eindelijk is de dam doorgegraven, maar niet breed genoeg voor den
-ploeg. De paarden worden afgespannen en éen voor éen door den nauwen
-weg gebracht en dan de ploeg op zijn kant gezet en er door getrokken.
-
-„Ziezoo, gaat er nu maar weer op zitten jongens, allo! huut! vooruut!”
-
-Wat zijn de jongens blij, dat ze met hun boeken en het kleine ploegje
-mee kunnen gaan en als ze eindelijk op school komen, is de deur dicht,
-want het is al kwart voor elf.
-
-„We kunnen het toch heusch niet helpen,” zeggen ze tot den concierge,
-die hen open doet. Ze vertellen hoeveel moeite ze gedaan hebben en ze
-hooren, dat Gerard Bunte in het geheel niet gekomen is.
-
-„Mag Pandoer hier bij jou blijven, als ’t je blieft?” vraagt Arthur,
-„ik moet hem anders nog bij Oom Bantam brengen.”
-
-„Is het een kwade?”
-
-„Neen, volstrekt niet.”
-
-„Nu, laat hem dan hier maar liggen, blijf jullie bij hem tot de 4de les
-begint.”
-
-Als de directeur hoort, hoe de jongens zich een weg gebaand hebben,
-zegt hij:
-
-„Flink gedaan! als je voortaan altijd zoo moedig voorwaarts gaat en een
-baan breekt door alle moeielijkheden heen, dan kun je het ver brengen.”
-
-Pang! daar vliegt de deur open, Pandoer springt het locaal binnen,
-recht naar Arthur toe. Algemeen gelach, maar mijnheer is gelukkig niet
-boos en Pandoer wordt opgesloten bij den concierge.
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-
-Jacob Drieman is erg ziek; de dokter komt elken dag en Mevrouw Mung
-doet wat ze kan om hulp te verschaffen. Eindelijk is het gevaar
-geweken; Jacob zit een poosje op en wordt met krachtige soepjes en
-andere dingen door Mevrouw Mung en Mevrouw Kemper opgekweekt. Arthur en
-Constant hebben dikwijls voor zijn bed gezeten en hebben zijn
-verzuchtingen aangehoord. Hij is zoo bang, dat hij niet sterk genoeg
-zal worden om de kar te duwen en wat moet er dan van zijne vrouw en
-kinderen worden, „dan ben ik niets dan een lastpost,” zegt hij.
-
-Als Arthur thuis komt, is hij stil en nadenkend en als Grootmoeder
-vraagt wat hem scheelt, zegt hij:
-
-„Grootmoeder, als ik een ezel krijg, mag ik er dan mee doen wat ik
-wil?”
-
-„Zeker mijn jongen; ik vertrouw je genoeg om te weten, dat je hem niet
-zult slaan of afbeulen.”
-
-Arthur zit weer na te denken en zegt dan:
-
-„Grootmoeder, ik zou toch niet veel aan een ezel hebben, alleen op
-Zondag en in de vacantie.”
-
-Grootmoeder kijkt verwonderd op en zegt:
-
-„En zou dit dan niet prettig zijn?”
-
-„Ja, dat wel, maar....”
-
-„Wat dan?”
-
-„Het zou niet noodig zijn, terwijl Jacob er niet buiten kan.”
-
-„Wat wou je dan?”
-
-„Mag ik den ezel aan Jacob geven? ik geloof dat ik er dan veel meer
-pleizier van zou hebben, ja, ik weet het wel zeker, Grootmoeder, ik zou
-het heerlijk vinden, mag ik het doen?”
-
-Grootmoeder kan niet laten hem te omhelzen en zegt niets dan:
-
-„Ga je gang, beste jongen.”
-
-„O Grootmoeder! wat ben ik blij! wat zal Jacob blij zijn en zijn vrouw
-en al de kinderen en Constant. Pandoer! Pandoertje! kom eens hier oude
-jongen, hop Marianneke! O Grootmoeder ik ben zoo blij. Hein weet een
-ezel, mag ik hem met Hein gaan koopen?”
-
-„Laat Hein maar eens bij mij komen.”
-
-Grootmoeder overlegt met Hein en op een Zaterdagmiddag gaat deze met
-Arthur naar een buurtschap, drie kwartier buiten het dorp en ze komen
-juist tegen etenstijd terug met een mooien, grijzen ezel. Het is een
-zachtzinnig dier, een beetje mager, maar goed gezond. Hij mag op
-Conifera blijven, totdat Jacob genoeg hersteld is om uit te gaan.
-Zondagmiddag gaat Arthur Constant af halen en samen zullen ze het
-groote nieuws aan Jacob gaan vertellen.
-
-De sneeuw is hard bevroren en de straatweg is heerlijk glad gebaand. De
-jongens loopen vroolijk over den weg en Pandoer loopt mee. Als ze het
-huis van Jacob binnen komen, zien ze dezen aan de tafel zitten met
-zijne vrouw en 5 kinderen. Er worden dadelijk twee stoelen voor de
-jongens leeg gemaakt door Jentje en Gerrit, die elk op een takkebos aan
-den haard gaan zitten.
-
-„Goeien morgen jongeheeren,” zegt Jacob, „zit ik hier noe niet mooi? ik
-bin toch zoo blied, dat ik hier weer zoo zitten mag bie mien vrouw en
-kinders. Ik bin noe niet meer zoo neerslachtig, foei, foei, wat heb ik
-gelamenteerd! ik bin dankbaor, dat ik weer beter word en ik verlang
-hard dat ik aan het wark zal kunnen gaon en dan maor weer met moed
-vooruut.”
-
-„De dokter hef ezegd dat je nog lange niet achter de kar meugt loopen,”
-zegt de vrouw, „de longen kunnen dat niet lieën.”
-
-„Dat zol wat moois wezen,” zegt Jacob, „ik mot toch aan ’t verdienen
-gaon?”
-
-De vrouw schudt het hoofd en ziet de jongens aan.
-
-Arthur heeft een kleur van opgewondenheid; Constant stoot hem aan en
-zegt:
-
-„Toe dan, zeg het.”
-
-„Jacob, wou je nog zoo graag een ezel hebben?”
-
-„Een ezel? nou, of ik; maor ik mot nog een winter door warken en den
-zomer ook, veur dat ik het geld er veur heb.”
-
-„Jao, en eerst weer ziek worden,” zegt de vrouw.
-
-„Kom, geen zorgen veur den tied,” zegt Jacob.
-
-„Jao, noe isse zoo moedig, maor och!” en de vrouw zucht.
-
-„Toe dan,” zegt Constant.
-
-„Jacob,” zegt Arthur, „hoe zou je het vinden als hier een ezel kwam
-binnen loopen?”
-
-„Dan zol ik zeggen: kom binnen lief diertjen, maor dan zolle wel gauw
-weer wegloopen.”
-
-„Heb je een stal?”
-
-„Jao, in ’t schuurtjen, een mooie, warme stal, jao, dat is geen
-bezwaor, maor ’t geld!”
-
-„Toe dan,” zegt Constant.
-
-„Jacob, ik heb een ezel voor je.”
-
-Jacob zet groote oogen op en zegt dan:
-
-„Och jongeheer, ik kan hem zuuver niet betaolen, ’t volgend jaar
-misschien wel, ak gezond blief.”
-
-„Jacob, ik geef je den ezel present, ik heb het geld er voor van Vader,
-Moeder en Grootmoeder gekregen.”
-
-Jacob wil wat zeggen, maar hij slikt en begint te hoesten.
-
-Constant staat vlug op en zegt:
-
-„Kom Mung, ga gauw mee, dan kan hij er eens over denken. ’t Is echt
-waar,” zegt hij in ’t voorbijgaan tegen vrouw Drieman, „de ezel staat
-al op Conifera op stal, ik heb hem gezien; kom Arthur, gauw!”
-
-Als de jongens buiten de deur zijn, zegt Constant:
-
-„De man was heelemaal van streek van blijdschap, het is beter, dat we
-nu weg gaan.”
-
-„Ja, dat geloof ik ook, kom, gauw naar huis, ga je mee?”
-
-„Graag; zullen we den ezel buiten laten loopen?”
-
-De jongens hebben den heelen middag pret met den ezel en Grootmoeder is
-een oogenblik bang, dat Arthur berouw zal krijgen, maar neen, hij is
-den heelen tijd zoo gelukkig, omdat hij dat heele gezin van Jacob voor
-armoede kan bewaren en Grootmoeder is weldra gerust gesteld.
-
-Dien avond, dadelijk na het eten, komt vrouw Drieman op Conifera, om
-Mevrouw Mung te spreken. Zij komt vragen of het werkelijk waar is van
-dien ezel, haar man kan het niet gelooven.
-
-„Ja, het is zeker waar, geloof het gerust. Zoo gauw Jacob den ezel
-hebben wil, kan hij hem krijgen.”
-
-„Maor Mevrouw, ik heb nooit van een kind eheurd, dat zoo iets zol doen
-en zoo goed is, als die jongeheer Arthur.”
-
-„’t Is een beste jongen, dat is waar, maar geloof mij, er zijn wel meer
-goede jongens die het graag zouden doen, maar ze kunnen niet altijd.”
-
-De vrouw kijkt ongeloovig en zegt:
-
-„Mien man wou den jongenheer graag zelf spreken, zou hie bie Jacob
-willen komen?”
-
-„Ja zeker, ik zal hem laten roepen.”
-
-Rika gaat Arthur uit den stal halen en als deze hoort, dat hij naar
-Jacob moet, zegt hij:
-
-„Mag ik Constant gaan halen?”
-
-„Zeker, blijf je niet te lang weg?”
-
-„Neen Grootmoeder, schenk u mijn kopje thee maar in, vóór dat het koud
-is, ben ik weer thuis.”
-
-De beide jongens komen weldra bij Jacob de deur in en ze zullen nooit
-dezen avond vergeten; Jacob is zoo door en door gelukkig, hij weet niet
-wat hij zeggen zal om het te toonen.
-
-„Nu zal ik vooruut komen, jongeheer, dat zul je eens zien! nu kan ik
-heele vrachtjes naar de stad brengen: nu kan Janus Trot er ons niet uut
-dringen; jongens! wat zal het noe een mooi zaakjen worden, noe kan ik
-onze appels naor de markt brengen, ze bint zoo duur, en vrouw, we
-zullen in de toekomende lente wat snieboonen en ander spul in den grond
-maken en als het dan een mooi gewas geeft, kan ik het in de stad
-verkoopen. Ik kon de kar niet meer vooruut kriegen.”
-
-„De jongeheeren,” zegt de vrouw, „hebben dikwijls geholpen, noe onlangs
-nog in de sneeuw.”
-
-„Jao, dat was mooi, ik kan oe niet dankbaor genoeg zijn, als ik het
-vergelden kan, later, noe, ik zal mien best doen.”
-
-De jongens nemen afscheid en als ze naar huis wandelen, zegt Arthur:
-
-„Wij zouden er toch niet zóó veel plezier van gehad hebben.”
-
-„Neen, dat geloof ik ook en je plezier zou toch bedorven zijn, als je
-dien armen stumper achter zijn kar hadt zien zwoegen. Nu zal het elken
-keer als we hem ’s morgens zien rijden, een plezier voor je zijn.”
-
-„Voor jou ook,” zegt Arthur.
-
-„Ja zeker, ik ben blij, dat je het gedaan hebt.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-
-Een kleine week vóór Kerstmis komt er een brief op Conifera voor
-Mevrouw Mung. Hij ligt naast haar bord als zij aan het ontbijt komt.
-
-„Een brief van tante Nina,” zegt Grootmoeder.
-
-„Van Beukenwoud?” vraagt Arthur, terwijl hij zijn boterham doorsnijdt.
-
-„Ja, van tante Colesberg; wat zou tante schrijven?”
-
-Grootmoeder zet den bril op en leest en zegt dan eensklaps:
-
-„Hoe aardig, ja, dat zou ik wel heel prettig vinden.”
-
-„Wat? Grootmoeder.”
-
-„Tante Nina vraagt, of wij met ons beidjes in de Kerstdagen bij haar
-willen komen logeeren.”
-
-„Op Beukenwoud? o Grootmoeder, is het heusch waar? heerlijk! nu zal ik
-Beukenwoud voor het eerst zien, Lili heeft er zoo veel van verteld.”
-
-„En weet je wat prettig is? Oom en Tante Bantam en Lili zijn ook
-gevraagd.”
-
-Nu springt Arthur op van zijn stoel en de stoel valt achterover op den
-grond, gelukkig niet kapot en Arthur danst door de kamer en juicht:
-
-„O Grootmoeder, wat is dat heerlijk! wat ben ik blij, u ook?”
-
-„Ja jongen, ik vind het heel prettig, maar ik kan niet meer zoo dansen
-en springen en stoelen omgooien om mijn plezier te toonen.”
-
-„O, Grootmoeder, neem mij niet kwalijk; wat zullen Vader en Moeder blij
-zijn als ze het hooren. Hé, ik wou dat Constant het ook zoo prettig
-had.”
-
-„Ik denk dat hij het wel heel prettig zal hebben met de zusjes; ze
-krijgen immers een kerstboom?”
-
-„Ja, dat is waar, Constant verheugt er zich erg op.”
-
-Arthur pakt zijn boeken in en zegt:
-
-„Ziezoo, dat is de laatste dag vóor de vacantie; van middag breng ik
-het rapport mee.”
-
-„Ik hoop dat het goed zal zijn,” zegt Grootmoeder.
-
-„Ja,” zegt Arthur, „ik zal na de vacantie nog beter mijn werk nazien,
-ik heb er nog wel eens stomme fouten in gelaten.”
-
-„Dat is jammer.”
-
-„Ja, Grootmoe, maar het zal u nog wel een beetje meevallen, hoop ik.”
-
-„Dat hoop ik ook, maar ik heb een heel goede verwachting van je.”
-
-„O doossie! dan zal het tegenvallen. Dag Grootmoe, tot van middag!”
-
-„Jongen, jongen! niet zoo wild! kijk nu mijn muts, heelemaal scheef.”
-
-En Grootmoeder zet haar muts weer recht en ziet Arthur lachend na.
-
-Het is al heelemaal donker als Arthur kwart voor vijf thuiskomt.
-Grootmoeder hoort hem al van verre het Transvaalsche volkslied fluiten.
-Pandoer springt uit zijn mand achter de kachel, rekt zich eens flink
-uit en vraagt aan Grootmoeder, of hij als ’t je blieft naar buiten mag.
-Grootmoeder kent zijn taaltje wel, legt de breikous op tafel en laat
-den hond de voordeur uit, kijkt hem na over de witte sneeuw en hoort
-weldra Arthur’s stem:
-
-„Pandoertje! ben je daar! beste hond, bedaar een beetje, kom, gauw naar
-Grootmoeder.” En daar komt hij aan, vroolijk en met schitterende oogen.
-
-Haastig knoopt hij zijn jas los, haalt een boekje uit zijn blouse en
-terwijl hij Grootmoeder omhelst, zegt hij:
-
-„Dat is voor u!”
-
-Grootmoeder gaat naar binnen, houdt het boekje bij de lamp en leest:
-
-„Negen, acht, negen, negen, zeven...”
-
-„Ja,” zegt Arthur, „daar zou ik ook wel een negen voor gehad hebben,
-als die vervelende Amalia.”
-
-„Wat Amalia?”
-
-„O ja, u weet het niet, we hebben op een keer heelemaal niet geluisterd
-op de rekenles en toen hebben we een onvoldoende gekregen. Constant
-heeft bijna dezelfde cijfers gekregen, sommige nog mooier, hij is zoo
-knap, als ik hem niet altijd bij me had, zou ik zeker niet zoo’n mooi
-rapport hebben.”
-
-„Nu mijn jongen, dat is een groot geluk, prettig om naar huis te
-schrijven. Wat zullen Vader en Moeder blij zijn.”
-
-’s Avonds schrijft Arthur een langen brief; hij weet zooveel te
-schrijven en hij doet er ook een briefje bij voor zijn zusjes.
-
-Op een Maandagmorgen gaat Arthur met Hein en Constant, den ezel
-wegbrengen naar Jacob Drieman. Grootmoeder kijkt hem na en denkt: „die
-goede jongen, zijn grootste plezier is om anderen gelukkig te zien.”
-
-Jentje staat voor het huis en als zij hem ziet aankomen, loopt zij
-haastig naar binnen en ze hooren haar roepen: „Vader! Moeder! kom es
-kieken!”
-
-Daar komen ze, en achter hen aan, al de kinderen; wat zien ze er blij
-uit, ze glimmen van plezier.
-
-„Daar kump ie!” juicht kleine Gerrit en in een oogwenk staan allen om
-den ezel heen en streelen hem over zijn neus, zijn nek en zijn rug. De
-ezel snuffelt aan het buisje van Gerrit en deze wordt een beetje bang,
-maar Jentje zegt:
-
-„Hie ruukt et, daj een stuk brood in oe zak hebt.”
-
-En Gerrit haalt het stuk roggebrood, dat hij voor den ezel bewaard
-heeft, voor den dag en Hein zegt, dat hij het aan kleine stukjes moet
-breken en van zijn vlakke hand moet laten eten, en zie, kleine
-Gerritman, is niets bang meer en zegt: „hie lust nog meer.”
-
-Nu wordt de ezel naar de schuur gebracht; er is een nette stal
-afgeschoten en op den grond liggen droge heideplaggen en in de krib is
-zuiver hooi; Jentje brengt een emmer water en zegt:
-
-„Zolle ook dorst hebben?”
-
-„Ik denk dat hij het hier wel goed zal hebben,” zegt Constant.
-
-Jacob staat in zijn handen te wrijven en als ze uit de schuur komen en
-om het huis heen loopen, zegt hij:
-
-„Warentig, ik kan me noe veurstellen da’k op een buutenplaats woon,
-jongens ik heb zoo’n schik.”
-
-„Dan moet je de buitenplaats ook een naam geven,” zegt Arthur, „wat zou
-je denken van Ezelsoord?”
-
-„Dat zou effectief mooi zijn,” en Jacob staat te grinniken van plezier
-en Hein zegt:
-
-„Menige rijke mijnheer is op zijn buitenplaats niet zóo tevreden als
-Jacob op zijn Ezelsoord.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-
-Twee dagen voor Kerstmis, komen Grootmoeder, Arthur, Oom en Tante
-Bantam en Lili tegelijk op Beukenwoud aan. Tante Colesberg komt hen in
-de vestibule tegemoet, en een prettige, geurige warmte komt hen tegen
-uit de huiskamer. Er staan overal groote potten en vazen met
-dennetakken en hulst met roode besjes. Ze doen hun mantels en jassen
-uit in het kleine spreekkamertje en als ze daarna binnen komen in de
-huiskamer, loopen ze allen naar de zijramen om in de menagerie te
-kijken.
-
-„Mijn lieve Lili,” zegt tante Colesberg, „ik ben een en al verbazing,
-wat loop je goed, je hebt niet veel steun meer noodig.”
-
-„O tante, het is zoo heerlijk; ik heb ook al even in de sneeuw geloopen
-bij ons in den tuin; het gaat hoe langer hoe beter. O kijk eens, wat
-zijn er veel duiven, zijn ze nog zoo mak?”
-
-„O ja, wil je het zien? Herman!” zegt tante tegen haar zoon, „wil je
-Jantje even halen?”
-
-Neef gaat dadelijk naar buiten, fluit en neemt wat maïs uit zijn
-vestjeszak en als hij de hand uitsteekt, komt er dadelijk een aardig
-wit duifje op zitten en pikt gretig de korrels op. Daar komen er nog
-twee en gaan op neefs arm zitten en nu komt neef met de drie duifjes de
-kamer in.
-
-„O wat aardig!”
-
-„Dit kleine makke diertje is Jantje en dat is Beb en dezen heb ik naar
-jou genoemd.”
-
-„Ja? naar mij? Arthur?”
-
-„Neen, Mung noem ik hem, is het goed?”
-
-„Ja neef, best, maar waarom heet die andere Beb? wie is dat?”
-
-„Beb Dolijn woonde hier vroeger, een heel lief meisje, zij hield zoo
-veel van haar duifjes en daarom heb ik er een naar haar genoemd.”
-
-„Waar is nu het kippekamertje?”
-
-„Wou je het graag zien? kom dan maar mee.”
-
-„Ik wou ook mee, daar mag ik immers logeeren,” zegt Lili en neef en
-Arthur helpen haar de trap op en ze komen op een aardig kamertje, dat
-in de ménagerie uitziet.
-
-„Hé, wat heb je hier een mooi uitzicht, wat aardig al die eenden en
-kippen; kijk, een ooievaarsnest, wat leuk, en daar aan den vijver zie
-ik een koepeltje.”
-
-„Ja, er is hier een heele boel te kijken,” zegt neef, „zie je wel de
-kippenbrug, daar naar het bosch toe? daar gaan de kippen zoo graag in
-het eikenblad krabben, maar nu kunnen ze er niet bij komen door de
-sneeuw. Nu naar Nova Zembla.”
-
-„Nova Zembla?”
-
-„Ja; dat is een kamertje op het Noorden, daar ben je toch niet bang
-voor? daar sliepen vroeger ook jongens van mijnheer Dolijn.”
-
-„O, neen neef,” zegt Arthur, „ik ben niets bang voor koû, dat is
-frisch.”
-
-Ze gaan over den overloop en daar ziet Arthur iets op den deurpost
-geschreven; hij leest:
-
-„Arthur is een muziekmannetje.”
-
-„Wat is dat? wie heeft dat gedaan, ik doe nooit aan muziek.”
-
-Neef lacht en zegt:
-
-„Dat is Arthur Dolijn, die hier vroeger woonde, er staat hier nog meer,
-kijk maar:
-
-„Jongeheer Arthur,
-
-„Eet 12 boterhammen in één uur.”
-
-„Kijk eens hier:
-
-
- „Pumpie is een soes
- En Meta is een snoes.”
-
-
-„Ga nu mee naar Nova Zembla, daar staat ook nog wat gekrabbeld.”
-
-Arthur en Lili zien op de vensterbank allerlei letters, E. D. en A. D.
-F. B. F. H. en W. H.
-
-„Wie zijn dat allemaal?” vraagt Arthur.
-
-„Ja, dat weet ik niet, maar kijk hier eens: „E. is een ezel, D. is een
-duivel en U. is een uilskuiken.”
-
-Lili en Arthur schateren van het lachen en Lili zegt:
-
-„E. D. U., dat is Edu, dat zal hij wel niet zelf gedaan hebben; o kijk
-eens:
-
-„E. is edel, D. is dapper, U. is ulevel.”
-
-„Die is prachtig, dat heeft Edu zeker wel zelf gedaan.”
-
-Ze zoeken nog meer, maar ze kunnen niets meer vinden.
-
-„Kom, het is hier koud, ik verlang naar de warme kamer, jullie ook?”
-
-Ze gaan samen naar beneden en ze vinden het erg gezellig in de
-huiskamer. Ze drinken thee met kattetongetjes en ze praten over alles
-en nog wat. Na het eten zitten ze om den knappenden haard; ze kraken
-noten en mogen de doppen in het vuur gooien, en neef doet er ook wat
-dennenappels op, het knapt en knettert zoo heerlijk. Tante Colesberg en
-neef vertellen allerlei dingen, die ze hier gehoord hebben over de
-familie Dolijn en dat vinden Lili en Arthur erg prettig om te hooren.
-
-Den volgenden morgen zegt tante Colesberg:
-
-„Ik zend een mand met appels en dennetakken naar Amsterdam aan de
-familie Dolijn, wil jullie helpen?”
-
-„Graag tante.”
-
-Arthur en Lili wrijven de appels en peren tot ze glimmen; er worden ook
-noten in gepakt; dennetakken en hulst gaan er boven op en Willem, de
-tuinman, komt met een stuk linnen, touw en een paknaald om het dicht te
-naaien.
-
-„Dat doe je geloof ik graag?” vraagt neef.
-
-„Ik doe niets liever dan vrachtjes zenden aan de familie Dolijn,” zegt
-Willem, „wat zullen de kinderen blij zijn, och, och, wat waren ze hier
-graag!”
-
-De dagen vliegen om, veel te gauw en als Arthur den laatsten avond in
-zijn bed ligt en door Grootmoeder wordt toegedekt, zegt hij:
-
-„Wat is het toch vreemd verdeeld; wij hebben het zoo vreeselijk goed en
-er zijn er zoo veel die het zoo ellendig hebben, dat is toch akelig.”
-
-„Ja beste jongen, dat is heel ongelukkig, vooral als de ellende tot
-slechtheid brengt!”
-
-„Grootmoeder, wat is het toch gelukkig om rijk te zijn.”
-
-„Neen mijn jongen, zeg dat niet, het geld brengt volstrekt niet altijd
-geluk aan, heel dikwijls het tegendeel. Voor menigeen zou het een geluk
-zijn, minder geld te hebben en gedwongen te zijn hard te werken.”
-
-„Maar Grootmoeder, als men rijk is, kan men er veel goed mee doen.”
-
-„Ja, als men dat altijd deed, zou het geld geluk aanbrengen, maar het
-geld brengt zoo veel menschen tot luiheid en zorgeloosheid. Men moet
-heel flink en verstandig zijn om een goed gebruik van het geld te
-maken, en als men dat niet kan, is het veel beter arm te zijn. En veel
-geld geeft veel zorgen; een man die met een kermiswagen door het land
-trekt, heeft het dikwijls gemakkelijker dan een schatrijk man.”
-
-„Hé Grootmoeder, hoe kan dat?”
-
-„Als men veel geld heeft en als men het goed wil besteden, moet men
-heel knap en verstandig zijn, men is dan verplicht heel veel voor de
-maatschappij te doen.”
-
-„Dus moet men heel knap en verstandig zijn als men rijk is?”
-
-„Ja beste jongen, heel knap en heel goed.”
-
-Arthur denkt hier veel over na; hij weet dat zijn vader heel rijk is en
-dat hij het waarschijnlijk ook zal worden. „Als ik dus knap word,”
-denkt hij, „zal ik een goed gebruik van het geld kunnen maken; gelukkig
-dat ik nog veel kan leeren.”
-
-Als Grootmoeder en Arthur terug komen op Conifera, worden ze verwelkomd
-door Constant, die blij is dat Arthur er weer is.
-
-„Hè, ik vond het saai, dat je weg waart, ik ben hier elken dag geweest
-om een eind met Pandoer te wandelen, we hebben geprobeerd om elkaar op
-te vroolijken. Maar we hebben toch prettige Kerstdagen gehad; de
-Kerstboom was prachtig.”
-
-„Ik vind het niets naar om weer naar school te gaan,” zegt Arthur.
-
-„Ik ook niet,” zegt Constant, „het is zoo prettig om samen te gaan.”
-
-„En het is ook zoo prettig om met een mooi rapport thuis te komen,”
-zegt Arthur.
-
-„Jongens,” zegt Grootmoeder, „ik ben blij, dat jullie er zoo over
-denkt, nu kun je het ver brengen en twee mannen van beteekenis worden.”
-
-„Maar ook altijd twee vrinden.”
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE VRINDEN ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.