summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/65946-0.txt4086
-rw-r--r--old/65946-0.zipbin57054 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h.zipbin2854008 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/65946-h.htm5595
-rw-r--r--old/65946-h/images/adtitle.pngbin57324 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/back.jpgbin190303 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/bookplate.pngbin44051 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/front.jpgbin349805 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/h01.pngbin51959 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/h02.pngbin40720 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/h03.pngbin59775 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/h04.pngbin68573 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/h05.pngbin32671 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/h06.pngbin77591 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/h07.pngbin106406 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/h08.pngbin65641 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/h09.pngbin40938 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/h10.pngbin69415 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/h11.pngbin59390 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/h12.pngbin64766 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/h13.pngbin40571 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/plate01.jpgbin433712 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/plate02.jpgbin433984 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/plate03.jpgbin435544 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/spine.jpgbin41638 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65946-h/images/titlepage.pngbin26736 -> 0 bytes
29 files changed, 17 insertions, 9681 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..1233d3c
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #65946 (https://www.gutenberg.org/ebooks/65946)
diff --git a/old/65946-0.txt b/old/65946-0.txt
deleted file mode 100644
index 198ed9f..0000000
--- a/old/65946-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,4086 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Twee Vrinden, by Bertha Elisabeth van
-Osselen-van Delden
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Twee Vrinden
-
-Author: Bertha Elisabeth van Osselen-van Delden
-
-Illustrator: Anna Catharina Frederika Wijthoff
-
-Release Date: July 28, 2021 [eBook #65946]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE VRINDEN ***
-
-
-
-
- TWEE VRINDEN
-
- DOOR
-
- MEVROUW VAN OSSELEN-VAN DELDEN
-
-Schrijfster van „Hansje Rozengaarde”, „Baas Willem”, „De Kleine Frits”,
- „Het Jodinnetje van Elspeet”, „Arthur’s Viool”, „Frank en Paula”,
- „Corrie en de Kaboutertjes”, „’s Winters op Beukenwoud”, „De Familie
- Dolijn” enz.
-
-
- 2e geïllustreerde druk
-
- AMSTERDAM
- ALLERT DE LANGE
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-
-Conifera is eene kleine, vriendelijke villa, omringd door een grooten
-tuin, en grenzend aan een bosch, dat zich uren ver uitstrekt tot aan
-eene groote heidevlakte.
-
-In dit bosch wandelt een 12jarige jongen, genaamd Arthur Mung, met zijn
-trouwen, zwarten poedel.
-
-Arthur kijkt op zijn horloge en zegt:
-
-„Sakkerloot! kwart vóor 12! waar blijft de tijd. Kom Pandoer, in een
-snellen pas naar huis! Grootmoeder mag niet wachten. Dit is de naaste
-weg, dwars door het dennenbosch.”
-
-Pandoer springt vroolijk vooruit, hapt naar een uitgetrokken plukje
-mos, schudt het heen en weer en gooit het spelend in de lucht; dan weer
-vervolgt hij een brommende groene vlieg en kijkt telkens om naar zijn
-baas, die met groote passen over den ongebaanden weg loopt, recht op
-zijn doel af, naar den hollen zandweg die naar Conifera voert. Hij
-springt van den hoogen boschgrond, midden in het diepe wagenspoor en
-Pandoer rent luid blaffend vooruit en keert terug, springt om Arthur
-heen en dan weer vooruit, telkens takjes in den bek nemend en weer weg
-werpend.
-
-Met rood gekleurde, gezonde wangen komt Arthur weldra aan een hekje,
-achter in den moestuin van Conifera. Tusschen bessen, frambozen,
-aardbeien, doperwten en spinazie, loopt hij zoo snel mogelijk naar huis
-en daar ziet hij grootmoeder met het sleutelmandje aan den arm bij de
-gedekte koffietafel staan en dadelijk merkt hij, dat er meer bordjes
-klaar gezet zijn en dat er extra dingen op tafel staan.
-
-„Dag Grootmoeder, komt er iemand koffie drinken?”
-
-„Ja, Oom en Tante Bantam komen met Lili, ik heb een telegram gekregen;
-ga je gauw opknappen, ze kunnen dadelijk hier zijn. Hier Rika, hier
-zijn de vingerdoekjes en breng nu nog een karaf met frisch water; heb
-je niets vergeten?”
-
-Arthur is intusschen naar boven gegaan en Pandoer staat uit zijn
-waterbakje te drinken.
-
-„O Mevrouw, kijk eens! dat is nu gek,” zegt Rika; zij neemt het
-afhangend tafellaken in de hand en laat aan Mevrouw Mung een scheurtje
-zien.
-
-Mevrouw schrikt, zet den bril op, bekijkt het van nabij en zegt:
-
-„Hoe is dat nu mogelijk, ik heb het zoo uit de linnenkast gekregen; dat
-komt er van, als men zelf niet meer de wasch kan vouwen. Wat nu te
-doen? ze kunnen dadelijk hier zijn, daar hoor ik al wat op den weg.”
-
-„Mevrouw,” zegt Rika, „als u hier jonge heer Arthur laat zitten, merkt
-niemand er iets van.”
-
-„Ja, dat zal het beste zijn, daar zijn ze ook al. Help eens gauw jonge
-juffrouw Lili naar binnen dragen.”
-
-„Och, dat arme kind,” zegt Rika medelijdend.
-
-„Dag Moeder,” zegt eene lange dame, die haastig naar Mevrouw Mung
-toekomt en deze hartelijk omhelst, „is het ook wat erg, dat we met ons
-drieën komen koffie drinken?”
-
-„Wel neen, lieve Dora, ik ben veel te blij jullie te zien; hoe is het
-met Lili?”
-
-„Wel een beetje beter, de kuur doet haar bepaald goed, zie maar eens.”
-
-Daar komt een lief meisje binnen, gesteund door den heer Bantam en
-Rika. Haar gezicht straalt van plezier, als zij langzaam den eenen voet
-na den anderen verzet en recht naar hare Grootmoeder toegaat.
-
-Deze staat sprakeloos van verbazing; zonder iets te zeggen steekt zij
-de handen naar Lili uit en omhelst haar héel héel hartelijk.
-
-„Wat zegt u daar nu wel van?” vraagt de heer Bantam met een gelukkig
-gezicht, „is dat nu geen groote verrassing? we konden het bijna niet
-langer verzwijgen, maar Lili wilde u zoo graag verrassen.”
-
-Mevrouw Mung is op een stoel gaan zitten en droogt de tranen, die van
-blijdschap uit de oogen zijn gesprongen.
-
-„Ik had niet durven hopen, dat het lieve kind ooit zou kunnen loopen;
-welk een geluk! laat ze nu niet te veel doen, ga gauw zitten mijn
-schat.”
-
-„Dag Moeder,” zegt de heer Bantam lachend.
-
-„Och ja, ik heb je door de blijdschap niet eens goeden dag gezegd. Ik
-feliciteer je beste Paul, met de beterschap van je lief kind; nu heb ik
-moed dat ze flink zal leeren loopen.”
-
-„En dansen en springen, Grootmoeder,” zegt Lili vroolijk, „dat heeft
-doctor Geukestein gezegd. Maar waar is Arthur?”
-
-„Daar komt hij.”
-
-Arthur ziet dadelijk, dat Lili op haar voeten staat. Dat heeft hij nog
-nooit gezien; altijd werd zij in een wagentje gereden en gedragen.
-
-Hij krijgt een kleur van plezier en zegt niets dan: „Dat ’s leuk!” en
-hij kijkt naar Tante en naar Oom en Grootmoeder en dan weer naar Lili.
-Dan springt hij hoog in de lucht en roept: „Hoezee!” en gaat allen een
-hand geven.
-
-„Hoe komt dat? wie heeft je beter gemaakt?”
-
-„Die goede dokter Geukestein,” zegt Lili verheugd, „nu ben ik veel
-gelukkiger dan een kind, dat heel vroeg heeft leeren loopen.”
-
-„Ja, nu waardeer je het veel meer,” zegt haar Vader, terwijl hij haar
-naar den stoel brengt, die Grootmoeder voor haar bestemd heeft, naast
-dien van Arthur.
-
-„Kun je nu ook de trap oploopen naar mijn kamer?” vraagt Arthur.
-
-„Neen nog niet, maar Papa wil mij misschien wel naar boven dragen na de
-koffie, wil u Papa? ’t behoeft misschien niet zoo dikwijls meer.”
-
-„Zeker mijn kindje, het zou mij nooit te veel zijn, maar ik ben toch
-wát blij dat het gauw niet meer noodig zal zijn.”
-
-Allen zitten in een gelukkige stemming aan de koffietafel en, als ze
-druk aan het vertellen zijn en onderwijl smakelijk eten en drinken,
-zegt Arthur eensklaps, terwijl hij het tafellaken in de hoogte houdt:
-
-„Grootmoeder, kijk eens!”
-
-„Och, jou vervelende jongen,” zegt Grootmoeder en allen beginnen
-hartelijk te lachen, Grootmoeder ook.
-
-„Zoo is hij nu altijd,” zegt Grootmoeder en doet haar best boos te
-kijken, maar och, daar is haar lief gezicht niet toe in staat.
-„Gelukkig dat jullie het maar bent, anders zou ik mij veel erger
-schamen voor zoo’n gescheurd tafellaken, maar de wasch komt gevouwen
-thuis en nu heb ik het wel nagekeken, maar je weet het, mijn oogen
-worden slecht.”
-
-Lili streelt Grootmoeders hand en zegt: „Lieve Grootmoe, mag ik u weer
-helpen als ik hier kom logeeren?”
-
-„Graag kindje, ik verlang al dat je komt.”
-
-Na de koffie wordt Lili naar boven gebracht op Arthur’s kamer; hij laat
-haar al zijn schatten zien, al de nieuwe boeken, zijn postzegel-album
-en prentbriefkaarten. Lili heeft ook een verzameling en ze krijgt al de
-briefkaarten die hij dubbel heeft.
-
-„Wat is dat?” vraagt ze.
-
-„Dat is de ezelpot.”
-
-„De ezelpot? het lijkt een spaarpot.”
-
-„Ja, dat is het ook; heb ik je nog niet verteld, dat ik in ’t volgend
-jaar misschien een ezelwagen krijg? Van Grootmoeder krijg ik den wagen
-en voor den ezel moet ik zelf opsparen. Vader en Moeder hebben er ƒ 10
-voor gezonden en van Grootmoeder krijg ik ook wat als ik door mijn
-examen kom.”
-
-Arthur is in gedachten verzonken.
-
-„Vind je het prettig in Holland?” vraagt Lili.
-
-„In Indië is het veel prettiger en daar zijn Vader en Moeder.”
-
-„Ja, bij je ouders is het natuurlijk het prettigst, maar bij
-Grootmoeder is het toch heerlijk.”
-
-„O ja, als Vader en Moeder maar hier waren, dan zou het hier bijna zoo
-prettig zijn als in Indië.”
-
-„Verlang je naar de Hoogere Burgerschool?”
-
-„Och, niet erg, ik ken er niemand.”
-
-„O, dat is niets, je maakt wel kennis op het examen. Marietje
-Geukestein komt ook in jou klasse, als ze er door komt.”
-
-„Dat is een meisje, wat kan me dat schelen.”
-
-„’t Is mijn grootste vriendin, ze is heel aardig.”
-
-„Ja, dat kan wel, maar ik wou dat ik een paar jongens kende; maar je
-moet niet denken dat ik er over tob.”
-
-„Waar zou je over tobben?” vraagt de heer Bantam, die binnen komt om
-Lili te halen.
-
-„Ik tob niet Oom, alleen vind ik het vervelend, dat ik niemand ken van
-de school. Maar er is hier een jongen op het dorp, die ook naar de H.
-B. S. zal gaan, de tuinman vertelde het van morgen, maar ik ken dien
-jongen niet.”
-
-„Dan moet je eens gauw kennis met hem maken; wie is het?”
-
-„’t Is een zoon van den dominé.”
-
-„O, van den nieuwen dominé; dus die moet de volgende week ook examen
-doen? dan maak je van zelf kennis en je kunt altijd met hem heen en
-weer loopen naar de stad, dat treft heel goed, en je weet het, je moogt
-altijd bij ons komen koffie drinken en als het een aardige jongen is,
-mag hij een enkele keer ook wel eens meekomen. Ga jullie nu mee naar
-den tuin?”
-
-„O graag!” zegt Lili en laat zich door haar Vader naar beneden dragen.
-
-„Kijk eens Lili, hier staat de oude bekende wagen al voor je klaar, je
-zult er nu tot afscheid nog eens in rijden. Waar wil je naar toe?”
-
-„Naar den tuinman, hij is zeker achter in den tuin.”
-
-„Kom dan maar; Arthur ga je ook mee?”
-
-„We gaan allemaal mee,” zegt Grootmoeder.
-
-Ze wandelen den geheelen tuin door, Lili voorop in den wagen en Arthur
-vraagt aan Grootmoeder of hij een roos mag plukken voor tante Dora en
-als hij merkt dat Lili de dubbele meizoentjes zoo mooi vindt, wil hij
-graag een plantje voor haar uitsteken en in een bloempotje meegeven, ze
-kan het dan thuis op haar kamer zetten voor het raam.
-
-„Maar lieve jongen,” zegt Grootmoeder, „zoo’n plantje kan ze voor éen
-stuiver op de markt koopen.”
-
-„Ja maar Grootmoe, dan is het niet uit uw tuin.”
-
-„Neen, dat is waar, dat zal zij misschien liever hebben.”
-
-Lili lacht en zegt: „Ja, veel liever, ik denk mij hier den heelen tuin
-bij en Grootmoeder en Arthur, den baas en Pandoer.”
-
-„Komt de jongejuffrouw niet haast weer logeeren?” vraagt de tuinbaas,
-die met hen mee geloopen heeft. „Ik heb een bankje voor je getimmerd in
-het bosch.”
-
-„Ja? dat is prettig, maar baas, weet je al dat ik bijna loopen kan?”
-
-„Is het waar? och mijn lieve juffertje, dat kan ik haast niet
-gelooven.”
-
-„Niet? wil je het zien? toe Papa, wil u me laten loopen?”
-
-„Kom maar kleintje, de baas moet het ook zien, zachtjes aan, ziezoo,
-sta je stevig? kijk baas, daar gaat ze!”
-
-„Wel Heere mijn tijd, heb ik van mijn leven, wat wonder! wat ben ik
-daar mee in mijn schik, wat zal moeder de vrouw daar van op hooren,
-mensch wat een geluk!”
-
-„Ja baas,” zegt de heer Bantam, „we zijn ook heel gelukkig en
-dankbaar.”
-
-Nu komt het rijtuig voor om hen weer naar de stad te brengen. Lili
-neemt het bloempotje op haar schoot en zegt:
-
-„Arthur, ga nu eens gauw kennis maken met den jongen van den dominé.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-
-De Pastorie van Dominé Kemper is in het dorp naast de kerk gelegen. Het
-huis is begroeid met roode en witte rozen; een mooie tuin vol bloemen
-en heesters ligt er vóor en achter het huis is een moestuin en een
-schuur. Groote dennen staan aan het hek bij de straat.
-
-In de huiskamer vóor aan den tuin, zit Mevrouw Kemper met eenig
-naaiwerk. Haar achtjarig dochtertje Jeanne staat bij de wieg van haar
-slapend broertje.
-
-„Moeder, is dat waar, is broertje nu al slecht?”
-
-„Kindje, hoe kom je er aan, hij weet nog niet wat goed en slecht is.”
-
-„Zijn wij dan allemaal slecht, Constant, Geertruid en ik, en u en Vader
-ook.”
-
-„Maar kind, waarom vraag je dat, wie zegt dat?”
-
-„Dat zegt Dries; hij zegt altijd zulke nare dingen, hij heeft Geertruid
-aan het huilen gemaakt.”
-
-Mevrouw legt haar naaiwerk op tafel en vraagt:
-
-„Waar is Geertruid?”
-
-„Ze is naar boven gegaan om haar kastje op te ruimen, ze had het
-gisteren niet gedaan, en ze wou zoo graag niet slecht zijn.”
-
-Mevrouw staat op, zeggende:
-
-„Pas even op broertje, ik kom dadelijk weer bij je.”
-
-Jeanne gaat weer bij het wiegje staan, ziet naar het lieve kindje, naar
-zijn kleine vuistjes, die uit de strookjes van zijn nachtponnetje te
-voorschijn komen.
-
-Wat zijn het kleine vingertjes, ze kunnen nog niets vasthouden, nog
-niet eens Jeanne’s vinger, want broertje is nog maar vier weken oud.
-Jeanne bekijkt haar eigen handen en dan weer die van broertje. „Hij kan
-nog niets,” denkt zij, „en ik kan al lezen en schrijven en den
-kruissteek, en ik kan een strik maken, en broertje kan alleen slapen,
-zuigen en huilen. Hij is nog een beetje dom, maar niet slecht, neen het
-is mijn lief broertje en Dries is een aap.”
-
-Daar komt Moeder weer binnen met Geertruid aan de hand.
-
-„Vertel me nu eens wat Dries gezegd heeft.”
-
-De zevenjarige Geertruid gaat op het pianostoeltje zitten.
-
-„Dries was boos; we hadden de zaag verstopt in den tijd toen hij naar
-huis was om te eten en toen zei hij, dat we ondeugende kinderen waren
-vol slechtheid, en dat broertje ook slecht was en wij allemaal en alle
-menschen en toen zei Jeanne dat u en Vader niet slecht waart en dat hij
-een leelijke aap was en toen begon hij zoo te brommen, dat ik er bang
-van werd. Vindt u ons zoo slecht Moeder?”
-
-„Neen lieve Geertruid, je bent niet slecht; maar ook niet goed, dat
-weet je wel.”
-
-Geertruid kijkt haar Moeder aan en dan naar buiten. Eensklaps springt
-zij van het pianostoeltje en zegt:
-
-„Zal ik mijn kastje heel netjes maken?”
-
-Mevrouw Kemper trekt Geertruid naar zich toe, slaat den arm om haar
-heen en zegt:
-
-„Je wilt graag een goed kind zijn, denk er nu om, dat je Dries niet
-altijd moet plagen; doe je hem wel ooit een pleziertje?”
-
-Geertruid denkt na, maar ze kan niets bedenken.
-
-„Dries is ook altijd zoo brommerig en knorrig, hij is nooit aardig
-tegen ons.”
-
-„Hij is een aap!” zegt Jeanne.
-
-„Kindertjes,” zegt Moeder ernstig, „als de menschen onvriendelijk tegen
-je zijn, moet je eerst eens bedenken of je ook schuld hebt, en dat moet
-je weer goed maken, en als je geen schuld hebt, moet je op allerlei
-manieren probeeren om de menschen vriendelijk te maken; als je het
-heusch wilt, zal het wel lukken, probeer het maar eens.”
-
-„Moeten we Dries vriendelijk maken? Zoo’n knorrepot? hij kan niet
-lachen, ik heb het nog nooit gezien.”
-
-„Stel je nu maar eens in zijn plaats.”
-
-„Met een pruim in den mond,” zegt Jeanne lachend.
-
-„Neen Jeanne, zonder gekheid; als je nu even als Dries heel alleen
-waart en zelf je eten moest koken in zoo’n ongezellig kamertje, en als
-je niemand hadt, die verlangend naar je uitkeek; niemand die van je
-hield. En als je niets geleerd hadt dan hout zagen en harken en
-spitten, en als je daarom maar heel weinig geld verdiendet; veel te
-weinig om zeep en schoone kleeren te koopen.”
-
-„Hè Moeder,” zegt Geertruid, „dat zou ik heel akelig vinden.”
-
-„En als er dan kinderen kwamen om je te plagen, zou je dan vriendelijk
-zijn?”
-
-Jeanne en Geertruid kijken elkaar aan en Jeanne zegt:
-
-„Misschien zou ik ze wel een klap geven.”
-
-„Heeft Dries dat ooit gedaan?”
-
-„Neen, hij bromt alleen.”
-
-„Probeer dan nu eens om vriendelijk tegen hem te zijn, maak hem eens
-een enkele keer in zijn leven blij met iets. Misschien bedenk je wel
-iets.”
-
-Jeanne en Geertruid vinden nu zelf, dat ze niets aardig tegen dien
-armen Dries zijn geweest en kunnen nu best begrijpen, dat hij ook niet
-aardig tegen haar is.
-
-„Moeder,” zegt Geertruid, „ik heb den vreemden jongen weergezien.”
-
-„Welken jongen?”
-
-„Ik geloof, dat hij op Conifera woont; hij liep door het dorp met een
-zwarten poedel.”
-
-„Is hij van Constant’s leeftijd?”
-
-„Ja, hij zal ook zoowat twaalf jaar zijn.
-
-„Het zou prettig zijn voor Broer als het een aardige jongen is.”
-
-„Hij ziet er aardig uit,” zegt Jeanne, „ik hoop dat we hem nog eens
-tegen komen.”
-
-Daar gaat de deur open en wat komt daar binnen? een zwarte poedel.
-
-„Hé moeder, dat is de poedel,” roept Jeanne en ze loopt naar den hond,
-die even rond kijkt en dan wegloopt.
-
-„Hier! Fidel! Bruno! Hector! kom dan mijn hondje!” roept Geertruid.
-
-De hond loopt de openstaande voordeur uit en rent over het grind naar
-den weg en verdwijnt achter de dennen.
-
-Jeanne schatert van het lachen en zegt eindelijk:
-
-„Hoe kun je hem ook zulke gekke namen geven, Bruno, een zwarten hond
-Bruno en Fidel! o kind!”
-
-„Bedenk jij dan eens een naam,” zegt Geertruid, „roep hem eens, ik wed
-dat hij bij jou ook niet komt.”
-
-Jeanne gaat op de stoep staan en fluit.
-
-„Dacht je dat hij nu komen zou?”
-
-„Ja, kijk maar.”
-
-En werkelijk, daar springt de hond weer te voorschijn van achter de
-dennen, kijkt even naar de meisjes en keert dan terug.
-
-Zonder zich een oogenblik te bedenken, hollen de meisjes den tuin door
-naar de straat en staan plotseling voor den vreemden jongen.
-
-Heel verlegen staan ze elkaar aan te kijken, totdat ze alle drie
-beginnen te lachen en de jongen zegt:
-
-„Ik wou zoo graag kennis met jullie maken, ik ken hier niemand, ik ben
-alleen bij Grootmoeder op Conifera.”
-
-„Kom dan maar mee,” zegt Jeanne, „ga mee naar Moeder.”
-
-„Hoe heet je?” vraagt Geertruid.
-
-„Arthur Mung, en hoe heet jullie.”
-
-„Ik heet Geertruid Kemper en zij heet Jeanne en mijn groote broer heet
-Constant en het kleine broertje heet Jantje. Heb je den poedel naar ons
-toegezonden?”
-
-„Ja, was dat niet goed bedacht? Nu hebben we in eens kennis gemaakt.”
-
-„Hoe heet de hond?” vraagt Jeanne.
-
-„Raad eens.”
-
-„Pollux of Nero.”
-
-„Neen, je kunt het toch niet raden, hij heet Pandoer.”
-
-„Pandoer? wat een gekke naam.”
-
-„Neen, niets gek, zoo heette mijn oudtante ook; och neen, ik meen, de
-hond van mijn oudtante. Hij is zoo slim, kijk, nu kwispelt hij met zijn
-klein staartje, hij verstaat me wel, niet waar Pandoer?”
-
-De hond springt tegen hem op en tracht hem in ’t gezicht te likken.
-
-„Neen Pandoer, dat mag volstrekt niet, dat weet je wel. Nu moet je
-dansen, kom, hop Marianneke!”
-
-Pandoer gaat op zijn achterste pooten staan en draait éenmaal in ’t
-rond.
-
-„Goed zoo, nu is het genoeg.”
-
-De kinderen gaan de voordeur in en komen binnen bij Mevrouw Kemper.
-
-„Moeder,” zegt Jeanne, „dit is Arthur Mung van Conifera. Pandoer heeft
-gevraagd of hij binnen mocht komen.”
-
-Mevrouw Kemper ziet lachend naar Arthur en den hond en zegt:
-
-„Kom binnen Arthur, ik vind het aardig dat we je nu leeren kennen, we
-hebben juist over je gesproken.”
-
-Pandoer loopt door de kamer, snuffelt overal, komt bij de wieg, gaat
-met de voorpooten op den rand staan en kijkt kwispelstaartend naar het
-kindje.
-
-„Pas op!” roept Geertruid angstig, „hij zal Jantje kwaad doen.”
-
-„Neen,” zegt Arthur, „hij is dol op kleine kinderen; bij zijn vorigen
-baas moest hij altijd op het kind passen, hij denkt misschien dat het
-dat is.”
-
-Nu hooren ze iets in de wieg; klein broertje wordt wakker en beweegt
-zijn armen en hoofdje. Arthur kijkt er naar en zegt:
-
-„Hé, zoo’n klein kind heb ik nog nooit gezien, zoo ben ik toch niet
-geweest?”
-
-„Ja zeker, Jantje is niet zoo heel klein, Jeanne was veel kleiner.”
-
-Arthur bekijkt Jeanne en dan weer het kindje, dat erge rimpels trekt en
-in zijn oogen gaat wrijven, voorteekens van een huilbui. Arthur en
-Pandoer kijken met de grootste belangstelling en als Jantje hard begint
-te huilen, vraagt Arthur:
-
-„Wat scheelt hem?”
-
-„Hij heeft honger, ik zal de flesch klaar maken, wil je zien hoe hij
-drinkt?”
-
-„O ja, graag,” zegt Arthur en als Mevrouw het kindje uit de wieg neemt
-en op haar schoot de flesch geeft, staat hij met alle aandacht te
-kijken.
-
-„Wat leuk, dat is nog aardiger dan een jong hondje; je kunt haast niet
-begrijpen dat dit nu een groote man kan worden, misschien wel een groot
-man.”
-
-„Een groote man en een groot man,” zegt Geertruid, „waarom zeg je dat?
-dat is tweemaal het zelfde.”
-
-„Neen,” zegt Arthur, „lang niet hetzelfde. Een groot man kan wel heel
-klein zijn. Napoleon was een groot man en toch heel klein.”
-
-„Dat begrijpen ze nog niet,” zegt Moeder, „Constant zou het wel
-vatten.”
-
-„Ik begrijp het wel,” zegt Jeanne, „tante Cor heeft gezegd, dat Jantje
-een groot man moest worden en toen heeft tante mij verteld, dat een
-groot man allemaal goede dingen doet, altijd en altijd door bedenkt hij
-dingen, die goed zijn voor alle menschen. Deed Napoleon dat?”
-
-„Neen; maar ze noemen Napoleon een groot man, omdat hij een groot
-veldheerstalent bezat en door zijn buitengewoon vasten wil zooveel
-bezwaren kon overwinnen. Jammer dat iemand met zoo’n krachtigen wil
-niet iets anders en beters wilde dan landen veroveren. Hij had een
-groot en een goed man kunnen zijn.”
-
-Arthur staat in gedachten verzonken en zegt dan:
-
-„Eerst goed en dan groot.”
-
-„Juist, dat heb je goed gedacht.”
-
-„Moeder,” zegt Jeanne, „ik wou dat Jantje een groot man werd en een
-goed man.”
-
-„Hè ja,” zegt Arthur, „dat wou ik ook en dat ik hem dan zien kon.”
-
-Moeder glimlacht en zegt: „Geef jullie allemaal dan een goed voorbeeld
-aan dit kleine ventje, hij kan veel van jullie leeren; hij kent nu nog
-geen goed en geen kwaad.”
-
-Daar komt Constant binnen, zeer verwonderd een vreemden jongen te zien.
-
-„Dag!” zegt hij. „Zeg, Geertruid, Lorre ligt in de beek.”
-
-Geertruid kijkt verschikt en vraagt:
-
-„Waar? hoe komt dat? wie heeft dat gedaan?”
-
-„Ik, bij ongeluk en ik kan haar er niet weer uit krijgen.”
-
-De tranen springen Geertruid in de oogen.
-
-„Mijn lieve Lorre, nare jongen, waarom heb je dat gedaan? waar is het?
-ik wil er haar uit halen, hi, hi, hi, nare jongen!”
-
-Huilend loopt ze de kamer uit.
-
-„Constant,” zegt moeder, „ga mee, zorg dat ze niet in de beek valt en
-vraag of Dries helpen wil.”
-
-„Mag ik mee?” vraagt Arthur.
-
-„Zeker, loop maar mee.”
-
-De kinderen loopen om het huis heen en Arthur ziet al gauw een aardig
-brugje en dan een stroomende beek.
-
-„Kijk, daar ligt ze,” zegt Constant, „het is daar een beetje diep, ik
-kan er niet bij komen.”
-
-„Wat is het eigenlijk?” vraagt Arthur.
-
-„Mijn lieve poppetje,” zegt Geertruid huilend.
-
-„Wacht maar,” zegt Arthur, „Pandoer kom hier! zoek!”
-
-Pandoer snuffelt aan Arthur’s hand.
-
-„Daar! in het water!”
-
-Pandoer loopt heen en weer langs de beek en kijkt Arthur altijd aan en
-springt tegen hem op, maar begrijpt niet wat hij doen moet.
-
-„Apporte!” roept Arthur en doet alsof hij wat in het water werpt.
-
-De hond jankt van plezier en is op het punt in de beek te springen,
-maar hij ziet geen rimpelje in het water, hij weet niet wat hij
-apporteeren moet.
-
-„Domme hond,” zegt Constant.
-
-„Neen, slimme hond,” zegt Arthur, „hij laat zich niet voor den gek
-houden. Kom hier, Pandoer, luister goed, je moet een pop uit het water
-halen, kijk daar is ze.”
-
-Pandoer ziet zijn baas aan en kwispelt met zijn staart.
-
-„Neen Pandoer, kijk in het water, daar!”
-
-Pandoer springt heen en weer en begint te janken.
-
-„Heb je nog een pop?” vraagt Arthur.
-
-„Ik heb er negen,” zegt Geertruid.
-
-„Haal er dan een.”
-
-„Ja, maar je moogt haar niet in het water gooien.”
-
-„Neen, zeker niet, haal maar gerust.”
-
-Geertruid loopt op een draf weg en komt terug met een groote pop.
-Arthur neemt haar in de hand, laat er den hond aan ruiken en doet dan
-alsof hij haar in het water wil werpen. „Apporte!” roept hij en
-verstopt haastig de pop op zijn rug. De hond springt rond, kijkt naar
-het water en naar de lucht en dan eensklaps achter Arthur en hapt in de
-pop.
-
-„Neen! neen, neen!” gilt Geertruid, „mijn mooie Emma, pas op!”
-
-„Wat een domme hond,” zegt Constant.
-
-„Neen,” zegt Arthur, „ik ben dom, dat ik het hem niet zeggen kan. Daar!
-apporte!” Hij gooit zijn hoed in ’t water; dadelijk springt Pandoer hem
-na en komt er mee terug bij Arthur.
-
-„Mooi!” roept Constant, „maar nu is je hoed nat.”
-
-„Ja, ik kon niet verdragen, dat je mijn hond dom vindt. Kom hier
-Pandoer, ruik nu eens goed.”
-
-Hij houdt hem een grooten steen en dan de pop onder den neus. Als
-Pandoer genoeg gesnuffeld heeft, gooit Arthur den steen in ’t water,
-dicht bij de verdronken pop. Nu springt de hond in de beek, duikt en
-hapt naar den steen, maar hij kan hem niet vast houden, de steen is te
-groot en hij komt onverrichter zake terug. Hij schudt zich uit vóor
-Arthur’s voeten en kijkt hem jankend aan.
-
-„Allons! zoek! apporte!” zegt Arthur weer met een gebiedende stem.
-
-De hond springt weer in het water en nu ziet hij de pop naast den
-steen. Gelukkig! denkt Pandoer, hij hapt in de jurk en is in een
-oogenblik uit het water met de druipnatte pop in den bek en legt haar
-kwispelstaartend voor Arthur’s voeten.
-
-„Hoezee!” juichen de kinderen, „hoezee! beste Pandoer, knap gedaan!”
-
-„Hè,” zegt Arthur, „dat heeft geduld gekost. Mijn arme hoed, wat zal
-Grootmoeder wel zeggen!”
-
-Eensklaps keert hij zich naar Constant en zegt:
-
-„Ga je examen doen voor de H. B. S.?”
-
-„Ja,” zegt Constant, „de volgende week.”
-
-„Ik ook,” zegt Arthur.
-
-„Hè, dat is leuk,” roept Constant verheugd, „dan gaan we samen, gauw
-aan Moeder vertellen, ga je mee?”
-
-Ze gaan samen naar huis, Geertruid is al vooruit geloopen en vertelt
-hoe Pandoer Lorre gered heeft.
-
-„Is het nu een slimme hond of niet?” vraagt Arthur binnenkomend.
-
-„Een heel slimme,” zegt Mevrouw, „maar ik geloof dat jij ook slim
-bent.”
-
-Arthur lacht en naar de wieg gaande, kijkt hij naar Jantje en aait heel
-zacht over het handje, dat op het laken ligt.
-
-„Aardig diertje,” zegt hij, „ik ben nieuwsgierig hoe je worden zult.
-Maar ik moet naar huis.”
-
-„Moeder,” zegt Constant, „hij gaat ook examen doen, we kunnen samen
-gaan, is dat niet leuk? mag ik hem nu wegbrengen tot Conifera? dan
-kunnen we er over praten.”
-
-„Goed jongen, ga maar mee Constant, tot Conifera en dan terug komen.”
-
-Arthur neemt afscheid en druk pratend gaan de de jongens samen den weg
-op.
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-
-In een schuur achter de pastorie van Dominé Kemper, is Dries bezig hout
-te zagen en klein te hakken. Het is een man van bijna 60 jaar; zijn
-gezicht is bruinachtig geel, vol rimpels en zwarte baardstoppels, want
-het is Vrijdag en Dries laat zich alleen des Zaterdags scheren. Hij
-heeft een dikke wang; Jeanne dacht eerst dat hij kiespijn had, maar nu
-weet zij al lang dat het een pruim tabak is.
-
-Geertruid staat voor de open deur naar hem te kijken. Hij heeft haar
-wel gezien, maar hij neemt niets geen notitie van haar. Hij heeft het
-laatste blokje van een berkeboom met den bijl doorgekloofd en begint nu
-al de houtjes netjes op te stapelen. Hij moet zich gedurig bukken en
-als hij dan weer recht staat, trekt hij telkens zijn broek op en steunt
-met de hand in den rug, als of hij pijn heeft.
-
-Geertruid blijft staan kijken en denkt onderwijl het volgende:
-
-„Zou hij het prettig vinden om die houtjes op te stapelen? ’t Ziet er
-wel prettig uit, precies een blokkendoos. Wat heeft hij vuile handen,
-ik zou hem niet graag een hand geven, waarom wascht hij ze niet. Hoe
-moet ik hem nu vriendelijk maken? hij ziet er alweer knorrig uit. Nu
-heeft hij de pruim in de andere wang, vies!”
-
-„Dag Dries.”
-
-„Hm.”
-
-„Dries, ik zeg je goeden dag.”
-
-„Kom je mij weer plagen?”
-
-„Neen, ik plaag je niet, ik wil je wel een handje helpen.”
-
-„Dat kun je net denken, ik heb je hier niet noodig.”
-
-Geertruid krijgt een kleur en zegt in zich zelf: „zie je nu wel, hij
-kan niet vriendelijk worden.”
-
-Zij loopt op een draf naar huis en zoekt Moeder, die bezig is bij
-broertjes wieg kousen te mazen.
-
-„Moeder, nu heb ik geprobeerd om Dries vriendelijk te maken, maar hij
-is knorrig tegen mij, ’t helpt niet.”
-
-„Wat heb je dan gedaan?”
-
-Geertruid vertelt alles en Moeder zegt:
-
-„Nu kan ik wel nagaan, dat jullie hem dikwijls geplaagd hebt, hij
-verwacht niets geen goed van je, hij vertrouwt je niet.”
-
-Geertruid kijkt hare Moeder verschrikt aan, krijgt een kleur en zegt:
-
-„’t Is een vervelende brompot.”
-
-„Ja, en dien moet jullie nu veranderen in een vriendelijken man.”
-
-„Och Moeder, dat kan immers niet?”
-
-„Geef je nu den moed al op? je hebt nog niets gedaan dan hem goeden dag
-zeggen. Denk je dat hij dat zoo prettig vindt? Wat kan hem dat schelen
-of zoo’n kind, dat hem altijd plaagt, hem goeden dag zegt? Als hij veel
-van je hield, zou hij het wel prettig vinden. Toen ik een klein meisje
-was, liep ik zoo graag langs het huis van een oude dame, alleen om een
-groetje van haar te krijgen.”
-
-„Ik weet niet hoe ik het doen moet,” zegt Geertruid klagend.
-
-„Stel je nu maar eens in de plaats van Dries en bedenk dan wat je graag
-zoudt willen. Ga nu maar weer naar buiten.”
-
-Geertruid gaat langzaam de deur uit, drentelt naar het schuurtje en
-gaat op eenigen afstand op een kruiwagen zitten met de hand onder de
-kin en peinst en peinst....
-
-Dries heeft intusschen de houtjes netjes opgestapeld en een ander stuk
-van een boom onder de zaag gelegd; hij veegt den mond af met den rug
-van zijn hand en begint weer te zagen.
-
-Daar komt Mina met een kommetje koffie voor Dries.
-
-„Mina, Mina!” zegt Geertruid haastig opspringend, „toe laat mij het aan
-Dries geven, toe maar, ik zal niet morsen.”
-
-„Voorzichtig dan,” zegt Mina, „pas op, zachtjes loopen.”
-
-Geertruid loopt voetje voor voetje met het kommetje naar Dries; dat
-gaat gelukkig goed.
-
-„Dries, daar is een kopje koffie voor je.”
-
-„Zet daar maar neer,” zegt Dries terwijl hij doorgaat met zagen.
-
-Geertruid is teleurgesteld; ze had gedacht dat hij haar vriendelijk of
-niet vriendelijk zou bedanken, maar toch in elk geval bedanken.
-
-Ze loopt weer naar huis en vertelt aan Moeder wat ze gedaan heeft. Deze
-lacht en strijkt Geertruid liefkozend over haar gladharig bolletje.
-
-„Houd maar vol, doe je best maar, de man kan niet zoo gauw veranderen,
-het is hem nooit geleerd en hij heeft nooit veel vriendelijkheid
-ondervonden, hij kent het nog niet. Als je nu altijd vriendelijk tegen
-hem bent, zal hij misschien van je gaan houden en naar je verlangen.
-Kijk, loopt daar de poedel van Arthur?”
-
-„Ja!” juicht Geertruid en ze loopt naar den weg.
-
-„Pandoer! kom eens hier!”
-
-Daar komt Pandoer aangesprongen en ook Arthur loopt naar het hek van de
-Pastorie.
-
-„Dag Geertruid, is Lorre weer droog?”
-
-„Ja, maar ze is zoo leelijk opgedroogd, de wangetjes zijn heelemaal wit
-geworden.”
-
-„Zal ik ze opverven? ik heb een kleurdoos.”
-
-„Kun je het mooi?”
-
-„Ja zeker, geef maar mee.”
-
-„Ja maar, ze is heelemaal zoo leelijk, het haar is losgeweekt en het
-lijf is zoo raar met bultjes.”
-
-„O, dat is niets, Grootmoeder weet er misschien wel raad voor, geef
-maar hier.”
-
-Geertruid loopt het huis in en Arthur staat naar Pandoer te kijken die
-een kapelletje naloopt. De dorpsklok slaat 12 uur en even daarna komt
-Dries langs het huis en gaat het hek uit. Op den weg blijft hij stil
-staan, haalt een pijp uit den vestzak en een papieren zak uit zijn jas.
-Hij neemt er voorzichtig een beetje tabak uit en stopt dat in de pijp.
-Het kleine restje bergt hij voorzichtig weer weg en terwijl hij de pijp
-in den mond houdt, trekt hij zijn broek op en haalt een luciferdoosje
-te voorschijn. Hij steekt de pijp op met den laatsten lucifer uit het
-doosje, dat hij met een knorrig gezicht weggooit en loopt dan naar het
-dorp toe.
-
-Arthur heeft hem goed bekeken en zegt in zich zelf: „Arme drommel.”
-
-„Hier is Lorre,” zegt Geertruid terug komend, „wanneer breng je haar
-terug?”
-
-„Dat weet ik niet, als ze klaar is, denk ik. Hoe is het met dat kleine
-diertje in de wieg? Kan het al haast loopen?”
-
-„Loopen? nog lang niet, jij hebt ook geen verstand van kleine kinderen;
-je moet niet zeggen diertje.”
-
-„Dat is juist een lief naampje, ik vind een jong hondje ook lief en een
-poesje.”
-
-„En jonge biggetjes,” zegt Geertruid, „en kuikentjes en eendjes; mijn
-broertje is toch het liefst van allemaal.”
-
-„Die man, die hier zoo even het hek uitkwam, was dat jullie tuinman?”
-vraagt Arthur.
-
-„Ik weet niet welke man.”
-
-„Ik dacht er over, of hij ook een aardig kindje zou zijn geweest met
-zulke kleine rose vingertjes en zachte wangetjes.”
-
-„Wat deed die man dan?” vraagt Geertruid.
-
-„Hij stak zijn pijpje op; hij had zulke zwarte barsterige handen en hij
-liep met een afgezakte broek.”
-
-„O, dat is Dries!” en Geertruid schatert van het lachen, „hij een lief
-kindje! o, hoe bedenk je het!”
-
-„Ja,” zegt Arthur, „als jouw broertje nu aan arme menschen werd gegeven
-en precies zoo opgevoed als Dries, dan kreeg hij later ook zulke handen
-en dan ging hij misschien ook tabak kauwen en dan kreeg hij ook zoo’n
-vies gezicht.”
-
-„Hè neen, dat moet je niet zeggen van mijn lief broertje, dan vind ik
-je niets aardig.”
-
-Arthur begint te lachen en zegt:
-
-„Jantje is nu een heel lief kindje, gelukkig dat hij bij jullie is en
-niet bij Dries. Maar het is daarom toch waar wat ik zeg, en Dries is
-een arme stumper en ik denk dat niemand van hem houdt. Wat zou ik het
-naar vinden als niemand van mij hield.”
-
-„Dan moest hij maar wat vriendelijker zijn en zich goed wasschen. Zal
-ik je eens wat zeggen? Moeder heeft gezegd dat ik hem vriendelijk moest
-maken, maar ik weet niets te bedenken om hem een pleziertje mee te
-doen; zou jij wat weten? wat zou hij graag willen hebben?”
-
-„Tabak,” zegt Arthur.
-
-„Ja? o, gelukkig, ik zal wat aan Vader vragen.”
-
-„Weet je wat Dries ook wel graag zou willen hebben?”
-
-„Neen, wat dan?”
-
-„Een paar bretels.”
-
-Geertruid kijkt hem nadenkend aan en vraagt: „Bretels? waarvoor?”
-
-„Wel, om zijn broek mee vast te houden.”
-
-„O ja, ja! dat zal ik aan Moeder zeggen, gelukkig! nu weet ik wat.”
-
-„Ik moet gauw naar huis,” zegt Arthur, „dag Geertruid, bonjour!” en met
-Lorre vóor in zijn blouse, rent Arthur naar Conifera.
-
-„Moeder,” zegt Geertruid binnenkomend, „ik weet wat! bretels!”
-
-Mevrouw Kemper kijkt verwonderd en vraagt:
-
-„Wat wou je daarmee?”
-
-„Voor Dries, toe Moesje, mag ik bretels hebben?”
-
-„Moet Moeder ze koopen en Geertruid ze aan Dries geven?”
-
-Geertruid zegt aarzelend:
-
-„Ja, toe Moesje, als ’t u blieft?”
-
-„Moeder moet zoo veel koopen, je moet iets bedenken dat geen geld
-kost.”
-
-„Hè Moeder, Arthur zei dat Dries zoo blij zou zijn met bretels, is
-zeven cent genoeg? die heb ik nog.”
-
-Mevrouw Kemper lacht en zegt:
-
-„Ik weet wat, vind je het prettig als het een presentje is heelemaal
-alleen van jou?”
-
-„Ja, dan zou hij misschien wel van mij houden, is zeven cent genoeg?”
-
-„Ja, maar dan moet je ze zelf breien van geel katoen.”
-
-„Breien? ikke?”
-
-„Ja, je kunt immers al recht breien en dan zal ik je wel helpen, je
-zult eens zien hoe goed het gaat en telkens als je een flink stuk
-gebreid hebt, zal ik je een cent geven om het breikatoen mee te
-betalen.”
-
-Geertruid kijkt haar moeder nog weifelend aan, dan komt er plotseling
-een glans over haar gezicht en vroolijk juicht zij:
-
-„Ik zal zelf de bretels maken en ze zelf betalen! wat zal Dries blij
-zijn!”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-
-Het is Dinsdag morgen, de dag waarop Arthur en Constant examen moeten
-doen. Arthur is vroeg opgestaan en na een hartelijk afscheid van
-Grootmoeder en van Pandoer, wandelt hij naar den straatweg en ziet
-Constant Kemper ook aan komen. Ze hadden afgesproken op denzelfden tijd
-de deur uit te gaan en uitgerekend samen te komen bij het huis van
-Jacob Drieman, den bode en dat komt precies uit.
-
-„Zeg, Arthur,” roept Constant als hij dicht bij dezen is, „weet je dat
-Pandoer daar achter je in die droge sloot loopt?”
-
-„Pandoer?” zegt Arthur verschrikt, „en ik heb hem thuis opgesloten en
-gezegd, dat hij niet mee mocht. Allons Pandoer, gauw naar huis!”
-Pandoer blijft stil staan.
-
-„Allons! naar huis!” zegt Arthur.
-
-Pandoer gaat op den grond liggen en kwispelt met zijn kort staartje.
-
-„Hij zal wel terug gaan,” zegt Arthur, „hij is gehoorzaam, kom, laten
-we maar gaan.”
-
-De jongens stappen door en kijken nog eens om en Pandoer blijft stil
-liggen.
-
-Een eind verder kijkt Arthur nog eens om en Pandoer is weg.
-
-„Gelukkig, ik dacht het wel, het is een gehoorzame hond.”
-
-Druk pratend loopen de jongens verder. Het is heerlijk weer, niet al te
-warm, juist prettig zomerweer.
-
-„Voor het rekenen ben ik niet bang,” zegt Constant, „maar voor
-geschiedenis en Fransch.”
-
-„Ik juist andersom,” zegt Arthur, „en dat is veel erger, ze letten het
-meest op goed rekenen. Ik heb geen rekenhoofd. Wel sapperloot!”
-
-„Wat is het?” vraagt Constant.
-
-„Die ondeugende hond!” en Arthur wijst vooruit, waar Pandoer midden op
-den weg staat met den staart tusschen de pooten.
-
-„Hij weet het best, die rakker, wat moet ik nu doen? hij mag niet mee,
-ik weet niet waar ik hem laten moet; verbeeld je, dat hij op het examen
-binnen kwam, ’t zou een reden zijn om te zakken.”
-
-„Je zult hem naar huis moeten brengen, laten we maar gauw omkeeren, ’t
-is vroeg genoeg.”
-
-Arthur is blij met dien voorslag en op een holletje loopen ze terug,
-Pandoer achter hen aan.
-
-„Nu zullen we je beter opsluiten,” zegt Arthur, terwijl hij met den
-hond de voordeur van Conifera binnenkomt.
-
-„Pas op, laat hij het niet hooren,” zegt Constant lachend „hij is zoo
-slim.”
-
-„Kom hier Pandoer!” en Arthur laat hem de spreekkamer in. O jé, het
-raam staat open en dat ziet Pandoer ook; floeps! er uit, en in dolle
-sprongen rent hij over het gazon.
-
-„Jongens,” roept Grootmoeder uit de eetkamer, „wat is dat? waarom ben
-je terug gekomen?”
-
-„Och Grootmoeder, ik had Pandoer opgesloten en nu is hij ons
-nageloopen, hij mag niet mee, wie heeft hem losgelaten?”
-
-„Dat weet ik niet, maar daar moet beter voor gezorgd worden. Rika! kom
-eens gauw hier!”
-
-Arthur heeft intusschen met veel moeite den hond te pakken gekregen en
-brengt hem weer in de spreekkamer. Constant heeft het raam dicht
-gedaan.
-
-„Ziezoo, zoet zijn! pas op als je me weer na loopt.”
-
-Hij draait den sleutel om en vraagt aan Grootmoeder en aan Rika of ze
-er alsjeblieft goed op willen passen en hem niet loslaten voor 12 uur.
-
-„Wil je hem als wij weg zijn, zijn waterbakje geven, Rika?”
-
-„Ja, ik zal wel voor hem zorgen.”
-
-Terwijl Pandoer een deuntje huilt, loopen de jongens op een draf naar
-de stad.
-
-Ze komen gelukkig nog bijtijds aan het gebouw der Hoogere Burgerschool,
-waar reeds verscheiden jongens en vier meisjes heen en weer drentelen.
-
-„Weet jij wie Marietje Geukestein is?” vraagt Arthur.
-
-„Neen, ik ken hier niemand, we wonen nog zoo kort in Adorp.”
-
-„Wie zou het zijn, die kleine dikkert, met die lange zwarte haren?”
-
-„Neen, ik denk eerder die lange blonde met die blauwe jurk.”
-
-„Hè neen, ik denk de zwarte,” zegt Arthur.
-
-„Die met de groene jurk kan het ook wel zijn.” zegt Constant.
-
-„Och jongen, die heeft al opgestoken haar, die is zeker voor de 4de
-klasse.”
-
-„En die andere dan met de donkerblauwe jurk en het blonde haar?”
-
-„Die is nog zoo klein, veel kleiner dan Lili, neen, die is het zeker
-niet.”
-
-„Nu, we zullen het wel gauw merken.”
-
-De deur van de school wordt geopend; er klinkt een schel, de concierge
-komt op de stoep en verzoekt de jongens en meisjes binnen te gaan.
-
-„Die voor de 1ste klasse hier links,” zegt hij, „de anderen de trap op
-naar boven.”
-
-Arthur en Constant gaan met verscheiden anderen, waaronder ook drie van
-de vier meisjes, in een groot lokaal links en dadelijk daarna komt een
-heer binnen.
-
-„Goeden morgen jongelui, examen doen? vooruit dan maar.”
-
-Hij haalt een aanteekenboek uit zijn zak en leest op:
-
-„Johannes Bredero.”
-
-Een lange jongen met voorovergebogen hoofd en slappe knieën komt
-verlegen naar voren.
-
-„No. éen, ga daar zitten.”
-
-Hij wijst op een bank, dicht bij het bord.
-
-„No. twee, Gerard Bunte.”
-
-„Het gaat alphabetisch,” fluistert Constant Kemper Arthur in het oor,
-„nu komen wij hoop ik bij elkaar, eerst de K en dan de M.”
-
-„Als er geen met een L zijn,” zegt Arthur.
-
-„No. drie, Anna Fladder.”
-
-Het meisje met het zwarte haar komt naar voren.
-
-„Dat is dus Marietje niet,” fluistert Arthur.
-
-„No. vier, David Godard.”
-
-Een dreumes, met vroolijke, guitige oogjes, stapt haastig uit de rij en
-gaat met opgeheven hoofd voor den heer staan. Deze ziet hem lachend aan
-en zegt:
-
-„Op die bank daar! en geen gekheid maken.”
-
-David trekt een gezicht en springt in de bank.
-
-„Pas op, nu zal Geukestein komen,” fluistert Arthur.
-
-„No. vijf, Anthonie Gaarland.”
-
-„No. zes, Marie Geukestein.”
-
-Het kleine meisje met de donkerblauwe jurk en het blonde haar, wordt
-door de lange blonde vooruit geduwd, zoodat ze bijna struikelt en met
-een kleur voor mijnheer komt te staan.
-
-Deze ziet met een misnoegden blik naar de lange blonde en zegt dan
-vriendelijk:
-
-„Zoo Marietje? ben jij daar ook? flink, kleine meid, jij op die bank.”
-
-Zoo gaat het door tot no. tien, dat is Amalia Keer en dan:
-
-„No. elf, Constant Kemper.”
-
-Arthur ziet de overblijvenden rond en denkt „wie nu?”
-
-„No. twaalf, Karel Kever.”
-
-„No. dertien, Arthur Mung.”
-
-„Een er tusschen, dat is jammer,” denkt Arthur, terwijl hij naar de hem
-toegewezen plaats gaat, juist achter Marietje Geukestein. Deze kijkt
-aandachtig naar hem en Arthur kan niet laten haar toe te knikken.
-Vriendelijk lachend knikt ze terug en kijkt gauw vóór zich.
-
-Nu komen er nog verscheiden jongens tot no. 25 toe en dan begint het
-examen. Eerst schriftelijk werk, rekenkunde en Nederlandsch en er is
-altijd iemand om toezicht te houden, ze mogen elkaar volstrekt niet
-helpen. Wie het werk af heeft, mag heen gaan en om half twee moeten ze
-terug komen voor het mondeling examen.
-
-Constant is iets vroeger klaar dan Arthur en blijft buiten op hem
-wachten. Als hij hem eindelijk de stoep ziet afkomen, vraagt hij:
-
-„Heb je moed?”
-
-„Neen, heelemaal niet, ’t is mis hoor.”
-
-„Kom, je moet niet zoo gauw den moed verliezen, waarom zou het mis
-zijn?”
-
-„Ik kon die derde som niet goed krijgen.”
-
-„Heb je de anderen goed?”
-
-„Ja, dat geloof ik wel.”
-
-„Nu, dan behoef je niet zoo bang te zijn, als je het andere werk ook
-goed hebt.”
-
-„O, dat andere, dat was zoo gemakkelijk, dat kan een klein kind wel.”
-
-„Nou,” zegt Constant, terwijl hij zich achter het oor krabt, „vond jij
-dat dictée zoo gemakkelijk?”
-
-„Ja, jij niet?”
-
-„Neen, ik verstond het niet altijd.”
-
-„O, dat hindert niet, als je maar geen taalfouten hebt gemaakt. Waar is
-nu de melkinrichting?”
-
-„Het moet dien kant uit zijn,” zegt Constant en omziend, bemerkt hij
-dat Gerard Bunte achter hen loopt.
-
-„Weet jij soms waar de melkinrichting is?” vraagt Constant.
-
-„Jawel, ik ga er ook heen, laten we samen gaan.”
-
-Arthur loopt een eind mee en vraagt aan Gerard:
-
-„Woon je hier niet?”
-
-„Neen, ik woon buiten de stad, drie kwartier hier vandaan, dicht bij
-Bdorp.
-
-„Dat is juist den anderen kant op,” zegt Constant, „wij wonen in
-Adorp.”
-
-Ze praten over het examen en over verschillende jongens en meisjes en
-Gerard zegt lachend: „zou no. éen een bolleboos zijn?”
-
-„Die stakker,” zegt Arthur, „hij zal wel no. laatst worden en hij lijkt
-al zoo oud; wat zat hij suf te kijken.”
-
-„Ongelukkig toch, als je zoo bent,” zegt Constant. „Die kleine David is
-een kranig kereltje, welk een verschil, die heeft vrij wat prettiger
-leven dan die slappe jongen, daar kun je zeker van zijn.”
-
-„Die slappe kan het toch zeker niet helpen en voor David is het geen
-verdienste,” zegt Arthur nadenkend, „maar nu moet ik die straat in,
-daar woont Oom Bantam, bonjour!”
-
-Constant en Gerard gaan samen verder, om in de melkinrichting hun
-boterhammen op te eten.
-
-Als Arthur bij Oom en Tante Bantam binnen komt, wordt hij dadelijk
-begroet met de vraag:
-
-„En hoe is het gegaan?”
-
-Hij vertelt alles en Lili vindt het grappig, dat hij juist achter
-Marietje Geukestein heeft gezeten.
-
-„Had zij moeite met haar werk?”
-
-„Neen, ik geloof het niet, ze zat heel vlug te schrijven, ik geloof dat
-ze al de zinnen af had.
-
-„O dat dacht ik wel, maar het rekenen?”
-
-„Toen zat ze lang met de handen onder het hoofd en ze zuchtte.”
-
-„O jé! ik hoop toch zoo dat ze er door komt.”
-
-Arthur vertelt van den slappen Johannes Bredero en Oom Bantam zegt:
-
-„O, dat is een jongen, die geen ouders meer heeft en bij een getrouwde
-zuster aan huis woont; met dien jongen moet je medelijden hebben, hij
-bezit geen cent en is geheel afhankelijk van zijn zwager en zuster.”
-
-„Die arme jongen.”
-
-„Ja, zeg dat wel en help hem voort als je kunt. Maar vertel eens wat
-van den jongen Kemper.”
-
-„O, dat is een leuke jongen, en hij is knap, hij zal er wel komen.”
-
-„Nu, ik hoop, dat jullie er allebei komt. Maar hoe is die familie van
-hem?”
-
-„Aardige menschen; ik heb gisteren voor het eerst den dominé gezien,
-hij leert Constant zoo veel, hij vertelt zooveel, vooral op de
-wandeling. Ik wou dat Papa en Mama ook hier waren.”
-
-„Ja, beste jongen,” zegt tante hartelijk, „dat wou ik ook; maar als je
-iets hebt dat je hindert, dan kun je het hun schrijven en je weet, dat
-ze altijd in de verte aan je denken en prettige brieven aan je
-schrijven, dat heeft die Johannes niet.”
-
-Arthur ziet Tante aan en zegt:
-
-„Ik heb het veel beter dan die jongen en dan bij die lieve Grootmoe te
-zijn: als ik nu maar door mijn examen kom.”
-
-„Heeft Constant Kemper ook zusjes?” vraagt Lili.
-
-„Ja, Jeanne en Geertruid en nog een klein broertje. O ja, ik heb een
-pop van Geertruid thuis, die moet ik opverven en opknappen, maar
-Grootmoeder zegt, dat het geen jongenswerk is.”
-
-„Neen, dat denk ik ook,” zegt Lili, „dat zou juist een werkje voor mij
-zijn. Breng haar morgen maar mee.”
-
-„O graag, ik ben al bezig geweest met verven, maar het ging niet.”
-
-Arthur vertelt, hoe Pandoer de pop uit de beek heeft gehaald en dan op
-de klok ziend:
-
-„Doossie! ik moet weg, kijk, daar staan Constant en Gerard Bunte op mij
-te wachten. Dag Oom, dag Tante, dag Li! tot morgen!”
-
-„Denk aan de pop!” roept Lili.
-
-„Ja!”
-
-
-
-Dien middag hebben de jongens nog angstige oogenblikken als hun veel
-over geschiedenis en aardrijkskunde wordt gevraagd, maar ze boffen nog
-al, Arthur krijgt zelfs een heerlijke beurt over Karel den Grooten en
-daardoor wordt hij zoo moedig, dat hij verder ook met veel
-zelfvertrouwen antwoordt. Constant maakt het ook goed en denkt:
-„gelukkig dat ik den laatsten tijd zoo hard gewerkt heb.”
-
-Ze moeten den volgenden dag om 9 uur terug komen.
-
-„Hè,” zegt Constant op de terugwandeling, „het valt me nu nog al mee,
-maar ik wou dat ik mijn Nederlandsch nog even mocht verbeteren, ik heb
-me leelijk vergist.”
-
-„Kijk,” zegt Arthur, „is dat onze bode met zijn karretje?”
-
-„Ja, Jacob Drieman, wat heeft hij het warm, ’t is ook een heel
-vrachtje. Dag Jacob! druk gehad?”
-
-„Ja jongeheer, ik zal blij zijn als ik thuis ben, ik heb den mond vol
-stof.”
-
-„Ja, dat komt omdat je achter je wagen loopt.”
-
-„Als ik een ezel was, liep ik er voor; had ik er maar een.”
-
-„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Arthur, en de jongens loopen verder en
-laten Jacob gauw een eind achter zich.
-
-„Kijk! kijk! dacht ik het niet? Grootmoeder heeft hem los gelaten.
-Pandoertje! ben je daar? ja, nu mag je wel, beste hond! van morgen was
-je een rakker, och, eigenlijk toch niet, ho, ho, gooi me niet om,
-bedaar een beetje, zoo, nu is ’t genoeg.”
-
-Vroolijk stoeiend met den hond, loopen de jongens naar huis, Arthur
-naar Conifera en Constant naar de Pastorie.
-
-Jeanne en Geertruid staan bij het hekje uit te kijken en roepen al van
-verre:
-
-„Kom je er door?”
-
-Constant lacht en roept terug:
-
-„Ja, door het hek, heel graag!”
-
-„Och neen, door het examen!”
-
-„O, dat weet ik niet. Wat heb je daar in je schort?”
-
-Geertruid heeft haar schort opgenomen en achter vast geknoopt.
-
-„Daar zit mijn kluwen in, ik brei.”
-
-„Och dat kind,” zegt Jeanne, „nu loopt ze den heelen dag te breien, in
-den tuin en thuis en op de trap, overal.”
-
-„Ja, het moet ook gauw af, kijk eens, zoo’n eind heb ik al!”
-
-Ze laat een band zien, gebreid van geel breikatoen.
-
-„O, dat worden bretels voor Dries, mooi!” zegt Constant en hij loopt
-gauw naar zijn vader, die op de stoep naar hem uitkijkt.
-
-„Dag Vader, ik had al de sommen af en het andere gaat nog al.”
-
-Ze gaan samen naar binnen en Constant moet alles vertellen en zijn
-Moeder vraagt hem of hij de melkinrichting wel gevonden heeft en hij
-vertelt van Gerard Bunte, die met hem meeging en wel een aardige jongen
-lijkt te zijn.
-
-„Hè,” zegt Constant, „’t is toch wel leuk om naar de Hoogere
-Burgerschool te gaan, ik hoop maar dat ik altijd over zal gaan en
-Arthur ook.”
-
-„Waardeer het nu vooral, dat je goed kunt leeren en de dingen gauw kunt
-begrijpen. Er zijn er zoo veel, die heel graag willen maar niet
-kunnen.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-
-Den volgenden morgen gaan de jongens wederom naar de stad; Arthur neemt
-Lorre mee in zijn blouse en brengt haar bij Lili, waarna hij zich met
-Constant naar de H. B. S. begeeft. Ze maken nader kennis met de jongens
-en meisjes en hebben veel plezier met David Godard, die al de heeren
-precies kan nadoen. Arthur praat met Marietje Geukestein en zij vertelt
-hem, dat zij dien avond bij Lili gevraagd is.
-
-„Vind je het niet heerlijk dat Lili bijna alleen kan loopen?” vraagt
-zij.
-
-„Ja, daar ben ik verbazend blij om.”
-
-„Mijn Papa heeft haar beter gemaakt!” zegt zij met een gelukkig
-gezicht.
-
-Nu worden ze opgeroepen en als ze tegen half 12 klaar zijn, hebben
-Arthur en Constant nog al moed. Ze gaan samen koffie drinken bij Lili’s
-ouders en deze vinden Constant een aardige, flinke jongen.
-
-„Wanneer kun je den uitslag hooren?” vraagt de heer Bantam,
-
-„Zaterdag om drie uur.”
-
-„Komt dan samen hier koffie drinken.”
-
-„O, graag!” zeggen beide jongens.
-
-Na de koffie gaan ze Lili’s boeken en verzamelingen bekijken en Lili
-zegt:
-
-„Wat ziet Lorre er ongelukkig uit; ik denk dat ik er een ziek kind van
-zal maken, van avond met Marietje, we zullen wel iets bedenken.”
-
-De jongens nemen afscheid en Oom zegt:
-
-„Arthur, als je er door bent, zullen we Zondag op Conifera komen koffie
-drinken, vraag maar aan Grootmoeder of dat goed is.”
-
-„Heerlijk!” roept Arthur en de jongens wandelen vroolijk de stad uit.
-
-„Heb je nu ooit!” roept Arthur, „daar komt Pandoer aan.”
-
-„Je zult zien,” zegt Constant, „dat hij een goeden dag de school komt
-binnen stuiven, dat zou een mooie mop zijn!”
-
-De hond is uitgelaten blij als hij Arthur ziet en het wordt weer een
-dolle stoeipartij.
-
-„Hè, wat lucht het op, dat het examen achter den rug is! als we er nu
-maar door zijn.”
-
-„Ja,” zegt Constant, „voor het Fransch ben ik het meest bang.”
-
-„O, dat komt er niet zóó erg op aan; jij hebt je sommen goed en ik
-niet, dat is erger voor mij.”
-
-Ze gaan nu alles nog eens na en nemen zich voor, in het vervolg extra
-best te leeren, dan behoeven ze niet zoo bang te zijn voor de volgende
-examens.
-
-Thuis komende, ziet Constant de beide zusjes bij Moeder in het prieel
-en de wagen met broertje er in, wordt door Sientje, het kindermeisje,
-heen en weer gereden.
-
-„Kijk eens Constant!” roept Geertruid, en zij houdt een langen,
-gebreiden band in de hoogte.
-
-„Dag Moeder, dag zussen! wel kind, heb je dat allemaal gebreid?”
-
-„Ja, ik begrijp het zelf niet,” zegt Geertruid, „gisteren avond was het
-nog maar zóó ’n stukje en van morgen was het zóó lang!”
-
-„Dat is wonderlijk, waar heb je het neergelegd?”
-
-„Vóór mijn bed.”
-
-„En heb je niets gehoord van nacht? geen gekletter van breinaalden?”
-
-„Neen,” zegt Geertruid verbaasd, „ik heb geslapen.”
-
-Moeder lacht en vraagt:
-
-„Is het examen nog al goed geweest van morgen?”
-
-„Ja, redelijk, het was Fransch en mijnheer vond mijn uitspraak slecht,
-maar dat hindert niet voor het examen, maar de werkwoorden!”
-
-„Jammer, dat je die niet meer gemaakt hebt met Vader.”
-
-„Ja Moeder, dat heb ik ook al gedacht; Arthur en ik zijn Zaterdag
-alweer op de koffie gevraagd bij mijnheer Bantam, om daarna den uitslag
-van ’t examen te hooren en Lili zal Lorre opknappen.”
-
-„Lili?” vraagt Geertruid, „ik dacht dat Arthur het zou doen.”
-
-„Neen, hij kan het niet, Lili zal het veel mooier doen met Marietje
-Geukestein. Lili komt Zondag op Conifera, als Arthur er door is.”
-
-„Ja?” roepen Jeanne en Geertruid te gelijk.
-
-„Ze wil graag kennis met jullie maken,” zegt Constant.
-
-Jeanne krijgt een kleur van plezier en Geertruid zegt:
-
-„Zullen we er Zondag voorbij wandelen als ze er is?”
-
-„Wacht maar eens af,” zegt Moeder, „misschien komt zij Lorre terug
-brengen.”
-
-„Hè ja,” juicht Jeanne, „en dan mag ze al onze poppen zien, ik ga ze
-gauw netjes maken; ga je mee Geertruid?”
-
-Geertruid springt op en laat haar breiwerk bij Moeder liggen.
-
-Als de meisjes weg zijn, vraagt Constant.
-
-„Heeft u er aan gebreid, Moeder?”
-
-„Neen, Sientje deed het.”
-
-„Zoo zal het wel gauw afkomen.”
-
-„Ja, ze breit met zoo’n ijver, ze mag wel een beetje geholpen worden,
-het duurt anders zoo lang.”
-
-Constant neemt het breiwerk op en zegt:
-
-„Zou ik het niet kunnen?”
-
-„O, ja wel, insteken, omslaan, doorhalen, maar dat is nu geen
-jongenswerk.”
-
-„Ik wil het toch probeeren.”
-
-Constant doet zijn uiterste best, maar hij laat de steken vallen en als
-Sientje lachend blijft staan kijken, wordt hij ongeduldig en gooit het
-breiwerk van zich af.
-
-„Neen Constant, nu je gebroddeld hebt, moet je het ook weer in orde
-maken,” zegt Moeder.
-
-„Hè, ik kan het niet.”
-
-„Je moet in het vervolg niet weer aan een ander man’s werk komen; maar
-kom hier, steek de naald daar in, zoo, en nu dien steek en nu dien.”
-
-Constant is met een kleur van warmte en inspanning bezig, tot het weer
-in orde is en dan neemt hij zich voor, nooit weer een breiwerk in
-handen te nemen.
-
-
-
-„Hoezée! we zijn er allebei door!”
-
-Zoo juichend, komt Arthur het huis van Oom Bantam binnen vliegen en
-Constant blijft aan de voordeur staan.
-
-„Ik feliciteer je!” zegt Tante vroolijk en Oom en Lili wenschen hem ook
-hartelijk geluk, ze vragen dadelijk naar Constant en roepen hem binnen.
-
-„Is Marietje er ook door?” vraagt Lili.
-
-„Ja, met glans, maar Anna Fladder is gezakt, vreeselijk jammer, het
-arme kind, ze is huilend weggeloopen en Marietje liep met haar mee om
-haar te troosten.”
-
-„En Amalia Keer?”
-
-„O, die is er door, zij en Marietje zijn nu de eenige meisjes. Er zijn
-5 jongens gezakt.”
-
-„Bredero zeker ook?”
-
-„Neen, hij is er door, ik was toch zoo blij voor hem, ik ben hem
-dadelijk gaan feliciteeren, hij kon geen woord zeggen van vreugde. Hij
-was verleden jaar gezakt. Kom Constant, gauw naar huis.”
-
-„Morgen komen we!” zegt Oom, „we brengen een taart mee, laat
-Grootmoeder daar maar op rekenen.”
-
-De jongens loopen op een draf naar huis; ze springen over verscheiden
-mijlpaaltjes, ze nemen voor iedereen de pet af, zelfs voor koeien en
-schapen en honden en als Arthur Conifera ziet, gaat hij van verre
-wuiven, want Grootmoeder en Rika zullen wel uitkijken.
-
-Ja, daar gaat de voordeur open en Pandoer, met een vuurrooden strik aan
-den staart, wordt door Grootmoeder uitgelaten en holt Arthur te gemoet.
-Welk een dolle vreugde! Als Pandoer herhaalde malen tegen Arthur is
-opgesprongen, begint hij in ’t rond te loopen om den strik van zijn
-staart te trekken. Arthur staat te schudden van het lachen; Pandoer
-draait als een dolleman in ’t rond en hij kan den strik niet krijgen,
-maar hij is slim, hij staat een oogenblik stil, bedenkt zich en rent in
-volle vaart door het struikrozen perk en daar blijft de strik aan een
-doorn hangen.
-
-„Slimmert!” zegt Arthur en haast zich naar Grootmoeder toe en omhelst
-haar onstuimig en laat zich ook door Rika en den tuinman geluk
-wenschen.
-
-„Hè,” zegt Arthur eindelijk, „nu kan ik begrijpen hoe akelig het is om
-te zakken. Wat zal ik mijn best doen om het volgend jaar over te gaan;
-is u dan weer zoo blij, Grootmoeder?”
-
-„Zeker! of ik!”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-
-„Arthur,” zegt Grootmoeder Zondag morgen, „hoe zou je het vinden, als
-we Constant Kemper op de koffie vroegen?”
-
-„Hè, prettig Grootmoeder.”
-
-„Nu, ga hem dan maar halen, maar dadelijk terug komen, want Oom en
-Tante kunnen al gauw hier zijn.”
-
-„Hé, leuk,” zegt Arthur, „dan kunnen we samen na de koffie Lili in den
-wagen naar het bosch rijden. Kom Pandoer! ga je mee?” Ze loopen om het
-hardst, maar Pandoer wint het, hij loopt wel drie maal den weg vooruit,
-terug en om Arthur heen, en keffend loopt hij een troep musschen na,
-die voor hem uitvliegen en hem uitlachen, want hij kan hen toch niet
-krijgen.
-
-Arthur komt al de kerkgangers tegen, want de kerk is juist uit.
-
-„Nu kan ik dominé Kemper misschien ook zien,” denkt Arthur, „ik zie hem
-bijna nooit, hij heeft het altijd zoo druk. Constant zal vragen of ik
-eens mee mag gaan op een wandeling, het is zoo’n aardige man, hij
-vertelt zoo prettig.”
-
-Bij de Pastorie komend, ziet hij Jeanne voor het huis.
-
-„Is Lili er al?” vraagt zij.
-
-„Neen nog niet; waar is Constant?”
-
-„Hier! boven!” roept deze uit een raam, „kom maar hier.”
-
-Arthur kent al goed den weg in huis en als hij op den overloop komt,
-ziet Geertruid hem en roept hem op de kinderkamer.
-
-„Kijk, hier zijn ze allemaal, behalve Lorre; zijn ze nu niet netjes
-aangekleed? en nu mag ik broertje op schoot hebben.”
-
-Arthur gaat naar Mevrouw Kemper, die juist uit de kerk gekomen, bezig
-is Jantje de flesch te geven.
-
-„Dag Mevrouw, dag Geertruid en och, wat is het toch een aardig ding,
-zoo’n klein kind. Mag Constant bij ons komen koffie drinken?”
-
-„Dat zal hij prettig vinden.”
-
-Daar komt Constant binnen en Geertruid roept dadelijk:
-
-„Constant, jij bent gevraagd op Conifera en wij niet.”
-
-„Maar Geertruid!” zegt Mevrouw, „wat dacht je wel, zoo’n klein meisje
-bij een grooten jongen?”
-
-Geertruid laat het hoofd hangen en zegt heel zacht:
-
-„Bij Lili.”
-
-Arthur lacht en zegt:
-
-„Ik kan er niets aan doen, Grootmoeder heeft alleen Constant gevraagd.
-Ga je mee Constant!”
-
-„Graag,” zegt deze en na afscheid genomen te hebben, gaan ze de deur
-uit naar beneden.
-
-„Even Vader goedendag zeggen,” zegt Constant en hij gaat naar zijn
-vader’s kamer.
-
-„Vader, Arthur komt mij halen, Mevrouw Mung heeft mij op de koffie
-gevraagd.”
-
-„Wel jongen, dat tref je, dat is zeker ter eere van het examen; dag
-Arthur, ik wensch je geluk, prettig, hè? om door ’t examen te komen,
-doe jullie maar je best, je moet nog zoo veel examens doen, dat kunnen
-dus nog veel prettige oogenblikken zijn bij welslagen, maar o wee! als
-je niet slaagt, dat is heel ellendig, dat begrijp je nu wel, niet waar?
-je kunt er nu nog veel aan doen, maar als je eerst een jaar luiert en
-je tijd verknoeit, dan is het heel moeielijk, soms onmogelijk om het
-weer in te halen.
-
-„Prettig dat je nu nog zoo’n mooien tijd vóor je hebt. Ga je eens mee
-wandelen Arthur? morgen avond na het eten ga ik een zieke bezoeken, een
-klein uurtje hier van daan. Constant zei, dat je wel eens mee zoudt
-willen.”
-
-„O, heel graag dominé, morgen avond? ik zal het aan Grootmoeder
-vragen.”
-
-„Best, ga jullie nu maar gauw naar Conifera en groet Mevrouw Mung.”
-
-De jongens haasten zich de deur uit en Jeanne roept hen na: „de groeten
-aan Lili!”
-
-Pandoer is blij dat ze weer op weg gaan, hij houdt niets van visites
-maken, vooral als hij op de stoep moet blijven zitten. Jeanne heeft hem
-wel een beetje gestreeld en tegen hem gepraat, maar zoo’n vreemde jonge
-juffer, och neen, daar geeft hij geen zier om.
-
-„Dat treft, dat jij bij je Grootmoeder bent gekomen, ik was hier tot nu
-toe zoo alleen,” zegt Constant.
-
-„Nu, ik tref het ook, dat jij hier woont, anders was ik hier alleen. En
-dat we in dezelfde klasse komen en hetzelfde werk moeten maken, dat is
-prettig. We kunnen elkaar ’s morgens op de wandeling de lessen over
-hooren.”
-
-„Jongens ja, dat is leuk.”
-
-„Kijk nu toch zoo’n malle hond, wat rent hij over den akker, hij speelt
-krijgertje met de leeuweriken; wat zou er gezaaid zijn?”
-
-„Dat is boekweit,” zegt Constant, „ik denk niet dat de eigenaar het
-prettig zal vinden, dat Pandoer daar zoo doorheen ravot.”
-
-„Neen, dat is waar; Pandoer! kom hier!”
-
-Dadelijk staat de hond stil, kwispelt met zijn kort staartje en rent
-dan regelrecht naar Arthur toe en blijft bedaard, maar hijgend en met
-den tong uit den bek achter hem loopen.
-
-„We zullen na de koffie met Lili naar het bosch gaan,” zegt Arthur,
-„wil je me helpen om Lili’s wagen te duwen?”
-
-„Zeker,” zegt Constant, „een er voor en een er achter.”
-
-„Ja, dan vragen we een touw aan den baas. Zeg, houdt je van kersen?”
-
-„Nou, of ik! heb jullie die?”
-
-„Ja, Grootmoeder heeft gisteren avond een mand vol gekregen.”
-
-„Hoor! een rijtuig!” zegt Constant en omziende, bemerken ze in de verte
-een stofwolk boven het eikenhakhout, bij de kromming van den weg.
-
-„Gauw! ieder op een paal van het hek, we zijn standbeelden.”
-
-Ze klauteren er boven op en als het open rijtuig nadert, zien ze
-mijnheer en mevrouw Bantam met twee meisjes.
-
-„Wie is dat meisje?” vraagt Arthur, „o ik zie het al, het is Marietje
-Geukestein, dat is grappig, ook al ter eere van het examen. Hoezee!”
-roept hij wuivend, als het rijtuig door het hek gaat en dan springen de
-jongens op den grond en draven achter het rijtuig aan, en de meisjes
-lachen en zeggen allerlei dingen waarvan de jongens niets verstaan,
-door het ratelen over het nieuw gestrooide grind.
-
-Welk een vroolijk troepje aan de koffietafel bij Mevrouw Mung. Midden
-op de tafel staat de mooie taart, die Oom en Tante hebben meegebracht
-en op de taart is een jongetje van suiker met een vlag in de hand en
-met witte suikerletters is er op geschreven:
-
-„Lang leve Arthur Mung!”
-
-„Grootmoeder,” zegt Arthur, „voor wie is dat poppetje?”
-
-„Voor jou.”
-
-„Dan geef ik het aan Geertruid. Ze was bedroefd, omdat zij niet mee was
-gevraagd.”
-
-„Ja? dat lieve kleine ding; wil je haar na de koffie gaan halen om
-kersen mee te eten?”
-
-„Hé ja,” zegt Arthur verheugd, „maar...”
-
-„Wat is het?”
-
-„Het zal zoo naar zijn voor Jeanne.”
-
-„O natuurlijk, die moet meekomen.”
-
-Nu gaat er een gejuich op; Lili en Marietje vinden het ook zoo prettig,
-want ze hebben samen Lorre in orde gemaakt en meegebracht en willen
-graag hooren, wat Jeanne en Geertruid er van zullen zeggen.
-
-Zoo gauw ze dan ook klaar zijn en van tafel mogen opstaan, gaan de
-jongens naar de pastorie en komen heel gauw terug met Jeanne en
-Geertruid. Lili en Marietje hebben op de canapé een bedje gemaakt voor
-Lorre en haar toegedekt met een theedoek.
-
-De beide kleine meisjes komen een beetje verlegen binnen en kijken met
-verwonderde oogen naar Lili, die haar op Marietje geleund, tegemoet
-loopt. Maar ze zijn gauw op dreef, vooral als Lili vraagt, of ze niet
-nieuwsgierig zijn naar Lorre.
-
-„Ja,” zegt Geertruid, „is ze weer goedgeworden?”
-
-„Ga haar maar zoeken, ze is hier in de kamer, maar ze is nog een beetje
-zwak, praat niet te hard, de stumper is zoo ziek geweest.”
-
-Jeanne loopt de heele kamer rond en kijkt in alle hoekjes en achter
-alle gordijnen, maar Geertruid blijft stil staan, kijkt in het rond en
-loopt dan regelrecht naar de canapé.
-
-„Ik heb haar!” juicht ze, „mijn lieve Lorre! maar wat heeft ze? een
-doek om het hoofd?”
-
-„Ja,” zegt Marietje, „dat is een koudwaterverband voor de hoofdpijn en
-kijk, hier zijn de medicijnen, die ze moet innemen.”
-
-Geertruid ziet haar verwonderd aan en Jeanne bekijkt een klein
-fleschje, waar suikererwtjes in zijn; er staat op: elken avond twee
-pillen. Op een poederdoosje staat: om de twee uur een poeder met een
-weinig water. Ze vouwt een papiertje open en ziet dat het witte suiker
-is. Op een fleschje staat: goed schudden, elken morgen een eetlepel en
-dan is er een potje met zalf en een rolletje windsel.
-
-„Hier heb je ook een recept,” zegt Marietje, „akwa pompa, sucria en
-stroopia, dat is voor het hoesten; Lorre heeft een hoestkwaal gekregen
-toen ze in de beek lag en haar hoofd is een beetje raar, ze droomt zoo
-gek en ze heeft een droom aan Lili verteld.”
-
-Jeanne schatert van het lachen, maar Geertruid luistert zoo ernstig en
-een beetje angstig. Lili zegt:
-
-„Vind je het niet grappig, Geertruid? zal ik je den droom vertellen?”
-
-„Als je blieft,” zegt Geertruid verlegen.
-
-„Komt meisjes, ga jullie nu mee?” roept Arthur, „de wagen is klaar, kom
-Lili, ik zal je wel helpen.”
-
-„Mag Lorre mee?” vraagt Geertruid.
-
-„Zeker,” zegt Lili.
-
-Geertruid neemt de pop heel voorzichtig in haar armen, alsof het haar
-kleine broertje was en als ze buiten komen, staat Grootmoeder met den
-heer en mevrouw Bantam bij den wagen en helpen er Lili in. Pandoer
-staat er ook bij. Daar komt Rika met een mand.
-
-„Ha! de kersen!” juicht Arthur.
-
-„Kan de mand in den wagen staan?” vraagt Rika.
-
-„O ja,” zegt Lili, „hier naast mijn voeten, ik zal haar wel vast
-houden.
-
-„Nu kinderen,” zegt Grootmoeder, „ga jullie nu maar vooruit, wij komen
-ook.”
-
-Daar gaan ze heen, Constant duwt den wagen, Arthur loopt er voor en
-trekt met een stevig touw. Ze gaan door den moestuin, de wagen kan
-juist door het hekje en dan zijn ze in den dikken zandweg.
-
-De jongens hebben een zware vracht, de wielen zakken zoo diep in het
-zand, maar ze zijn sterk en vol ijver.
-
-Geertruid loopt met Marietje rechts en Jeanne links van den wagen. Het
-is heerlijk in het bosch, zoo’n prettige frissche warmte. Aan beide
-zijden van den weg zijn hooge walletjes, begroeid met mos, varens en
-boschbessen. Dikke boomwortels komen er tusschen uit en onder die
-wortels zijn allerlei holletjes van veldmuizen, wezeltjes, konijntjes
-en torren.
-
-„Geertruid,” zegt Lili, „laat Lorre goed naar al die holletjes kijken,
-dan droomt ze er van.”
-
-„Lorre slaapt, ze is zoo blij dat ze weer bij mij is,” zegt Geertruid.
-
-„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Lili lachend, „ik denk dat ze nu wel
-gauw beter zal zijn.”
-
-„Hè,” zegt Arthur hijgend, „laten we eens even stil staan, buu! wat heb
-ik het warm.”
-
-Hij gooit het touw op den grond en gaat op het walletje zitten. Daar
-neemt Pandoer het touw in zijn bek en begint te trekken, Marietje en
-Jeanne gaan dadelijk duwen en zie, daar gaan ze, onder luid gejuich van
-allen. Maar Pandoer heeft er gauw genoeg van, hij schudt het touw heen
-en weer en gooit het in de lucht en daar staan ze, midden in het dikke
-zand. De jongens komen bij haar, en allen gaan rondom den wagen op de
-walletjes zitten.
-
-„We behoeven ook niet zoo ver te gaan,” zegt Lili, „het is overal mooi
-om te zitten. Is Lorre wakker? moet je nu niet zien wat we er aan
-gedaan hebben?”
-
-Geertruid komt bij haar staan en Lili neemt Lorre op haar schoot en
-doet haar voorzichtig den doek van het hoofd.
-
-„O Jeanne, kijk eens,” zegt Geertruid, „dat is een nieuwe pruik, o wat
-een mooie! die andere was al zoo leelijk vóor ze in de beek viel, toen
-hebben de muizen er aan geknabbeld.”
-
-„Die pruik heeft Mama gekocht en kijk eens, dit nachtponnetje hebben
-Marietje en ik samen gemaakt, zij heeft dat zoompje en die naadjes
-gedaan en ik de mouwtjes.”
-
-„Daar had ik geen geduld voor,” zegt Marietje, „hè, zoo’n gepeuter.
-Maar het ergste was toch, dat we alles uit haar lijf hebben genomen,
-dat waren allemaal harde kluiten, en toen hebben we er nieuwe zemels
-ingestopt, voel eens hoe zacht!”
-
-Geertruid kneedt de pop en Lili zegt:
-
-„We hebben de wangen niet geverfd, het is veel natuurlijker dat ze
-bleek zijn na zoo’n operatie.”
-
-„Heeft Lorre wezenlijk gedroomd? wat droomde ze?”
-
-„Zal ik het vertellen?”
-
-„Hé ja Li, vertel op, we luisteren,” zegt Arthur.
-
-„Nu dan; Lorre zat op een stoel voor mijn bed en werd beschenen door de
-maan en toen verbeeldde ik mij, dat zij hardop droomde. Wat was het
-mooi in het water, de golfjes schitterden in de zon boven mijn hoofd,
-en heel in de verte, heel hoog, zag ik de blauwe lucht. Zoo’n blauwe
-jurk zou ik willen hebben. En tegen de blauwe lucht zag ik de groene
-blaadjes van de boomen, ze trilden en knikten tegen mij. En kleine
-vischjes zwommen over me heen en watertorren en spinnen, o zoo aardig,
-en toen hoorde ik muziek, dat deden de kikkers, die een eindje van mij
-af zaten, ze keken mij aan en ik deed de oogen dicht en toen werd het
-eerst heel mooi. Ik zag een groot kasteel onder in het water en daar
-zwommen zilveren en gouden visschen in en uit. Ik wou het kasteel
-binnen gaan, om te zien wie toch die mooie muziek maakte, maar o, wat
-schrikte ik! een zwart monster pakte mij beet, trok mij aan mijn jurk
-naar boven en legde mij neer op het gras, en toen was ik nat,
-druipnat.”
-
-„Dat monster was zeker Pandoer,” zegt Constant.
-
-„Pandoer is nooit een monster,” zegt Arthur, „hij was de redder van
-Lorre, het is heel ondankbaar van Lorre om zoo over hem te spreken.”
-
-„Neem het niet kwalijk,” zegt Lili, „het was door den schrik en ze had
-zoo graag dat kasteel willen zien.”
-
-„Is er een kasteel onder het water?” vraagt Geertruid.
-
-„Wel neen,” zegt Constant, „alleen als je droomt zie je zulke dingen.”
-
-„Lili bedenkt altijd zulke wonderlijke dingen,” zegt Marietje, „ze
-heeft al verscheiden sprookjes bedacht.”
-
-„Wat zijn eigenlijk sprookjes?” vraagt Geertruid.
-
-„Sprookjes zijn leugens,” zegt Constant.
-
-„Hè, wat klinkt dat leelijk,” zegt Arthur, „ik houd veel van sprookjes
-en niet van leugens.”
-
-„Zijn het dan geen leugens?”
-
-„Het zijn vertelseltjes van droomen of van dingen, die je in de
-verbeelding ziet,” zegt Lili, „en als je een rijke verbeeldingskracht
-hebt, kun je je allerlei aardige, grappige en mooie dingen
-voorstellen.”
-
-„Ook griezelige en leelijke dingen,” zegt Arthur.
-
-„O ja, maar die zie ik liever niet, ik houd meer van mooie dingen.”
-
-„Ik begrijp niet waar je toch altijd die mooie dingen ziet,” zegt
-Arthur, „ik vind het ook wel mooi in het bosch en in den tuin, maar als
-je dat een poosje gezien hebt, wen je er aan en dan zie je er niets
-geen bijzonders aan.”
-
-„Hè Arthur, hoe kun je dat zeggen, nu praat je bijna als onze
-keukenmeid.”
-
-„Hoe dan? wat zegt die?”
-
-„Ik riep haar verleden week om de prachtige lucht te komen zien bij het
-ondergaan van de zon, ze stond juist met een poetslap in de hand voor
-het fornuis en had niets geen plan om naar buiten te kijken. Anna,
-waarom kijk je niet naar de lucht?”
-
-„Och, wat scheelt mij die lucht, mijn fornuis is veel mooier.”
-
-„En wat heb jij toen gezegd Lili?” vraagt Grootmoeder, die juist met
-den heer en mevrouw Bantam bij haar is gekomen.
-
-„Toen heb ik haar fornuis bewonderd en gezegd, dat het de zon van de
-keuken was, omdat het zoo blonk en toen lachte ze en keek even naar
-mijn lieve zon.”
-
-„Komt kinderen,” zegt Grootmoeder, „laten we naar den Heidenschen kuil
-wandelen, dat is een prettig plekje om te zitten, daar zullen we kersen
-gaan eten.”
-
-Dadelijk nemen de jongens den wagen van Lili ter hand en duwen en
-trekken dien door het zware zand. Oom Bantam helpt ook, zelfs Pandoer
-moet trekken. Arthur geeft hem het eind van het touw in zijn bek,
-Marietje, Jeanne en Geertruid dansen en springen om den wagen heen en
-Lili zegt:
-
-„Het volgend jaar zal ik ook rondspringen.”
-
-„Daar is de Heidensche kuil,” zegt Grootmoeder, „daar kun je den wagen
-niet inrijden.”
-
-„Nu kan ik er zelf heen loopen,” juicht Lili, „wie helpt mij?”
-
-Allen verdringen zich om haar te helpen, maar Lili steekt de handen
-naar haar Vader uit, hij is de sterkste en bij hem voelt zij zich het
-veiligst.
-
-Wat is zij dankbaar, dat zij nu haar voeten op den grond kan zetten, op
-dat zachte, groene mos en dan weer op het krakende rendiermos, de
-knappende, dorre takjes en bladeren, de gladde dennenaalden en de fijne
-kiezelsteentjes, alles voelt zij onder haar teedere voeten, die nog
-niet gewend zijn aan loopen.
-
-„O Papa, ik ben zoo bang om op de mieren te trappen, voorzichtig, ik
-wil ze geen pijn doen.”
-
-„O, ze voelen het niet in het mulle zand, ze geven er niet veel om, ze
-loopen ongedeerd verder.”
-
-Ze komen nu in den Heidenschen kuil, heerlijk beschut tegen den wind en
-onder de schaduw der boomen. Grootmoeder en Mevrouw Bantam gaan op het
-aardige bankje zitten, dat de tuinbaas voor Lili heeft gemaakt onder
-een berkeboom, en de anderen laten zich neervallen op de heide en het
-mos. De jongens hebben de mand met kersen uit den wagen gehaald en
-zetten die bij Grootmoeder neer en elk krijgt een stuk papier op zijn
-schoot om voor bord te dienen; Arthur mag aan elk twee handen vol
-kersen geven en hij doet zijn best, groote porties te geven en er veel
-aan elkaar te laten hangen. Ze zoeken de tweelingen er uit en hangen ze
-als oorbellen over hun ooren en Lili maakt een theepot en een poppetje
-van een kers.
-
-„Zouden al die pitten hier een volgend jaar opkomen?” vraagt Jeanne.
-
-„Dat zou prettig zijn,” zegt Arthur, „dan gaan we hier later kersen
-plukken.”
-
-„Ik denk dat de grond hier te schraal zal zijn voor kerseboomen,” zegt
-Grootmoeder, „als ze hier willen groeien zijn ze toch wild, maar dat is
-ook wel lekker; je moet ze liever op een vruchtbaar plekje poten.”
-
-„Ja,” zegt Constant, „ik zal er in onzen tuin wat poten.”
-
-„Ik ook,” zegt Geertruid, „en als er kersen aan komen, zal ik een mand
-vol aan Lili zenden.”
-
-„Als je blieft,” zegt deze, „en kom je dan zelf mee?”
-
-„Ja, als ik mag.”
-
-„Zou je wel eens bij ons willen komen in de stad?” vraagt Mevrouw
-Bantam aan Jeanne en Geertruid.
-
-Beide meisjes krijgen een kleur van blijdschap en zeggen tegelijk:
-
-„Heel graag!”
-
-Ze kijken nu naar alles wat er in den Heidenschen kuil te zien is; de
-witte berkenstammetjes, den knoestigen eikenstronk, waarin zeker menig
-vogeltje genesteld heeft; de koningsvarens, de heidebloempjes, de
-leeuwenbekjes, de thym en dan al die torretjes en spinnetjes en mieren.
-Ze volgen die ijverige diertjes op hun tochten en zien, hoe ze een
-mierenei tusschen hun pootjes dragen en er mee in de zon loopen om het
-te warmen en te koesteren.
-
-„Waarom heet dit de Heidensche kuil?” vraagt Lili.
-
-„Misschien hebben hier vroeger Heidens gehuisd, ik denk dat ze hier hun
-vuurtje stookten en een legertje op den grond spreidden van varens en
-heidestruiken.”
-
-„En als het dan regende?”
-
-„O, dan kropen ze onder een zeil, of ze maakten een tent, ze wisten
-zich wel te redden.”
-
-„Ik wou zoo graag Heidens zien,” zegt Jeanne.
-
-„Vroeger kwamen ze hier dikwijls door het dorp,” zegt Grootmoeder,
-„maar ze worden nu over de grenzen gebracht en dat is goed, want het
-zijn erge dieven, ze stelen kippen en vruchten en alles wat ze vinden
-kunnen, maar zoo’n troepje is wel aardig om te zien.”
-
-Zoo zitten ze nog langen tijd te praten, maar eindelijk wordt het tijd
-om naar huis te gaan. Constant en zijn zusjes nemen hartelijk afscheid
-en als ze samen naar huis loopen, praten ze over niets anders dan over
-de lieve menschen en kinderen met wie ze kennis gemaakt hebben;
-Geertruid draagt haar lieve Lorre, die zoo erg ziek is geweest en
-Jeanne de medicijnen in de fleschjes en doosjes.
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-
-De vacantie is bijna om, als Geertruid op zekeren morgen bij hare
-Moeder staat toe te kijken, hoe deze de bretels voor Dries in orde
-maakt met knoopsgaten en gespen.
-
-Geertruid heeft tot het laatst toe met ijver en volharding gebreid en
-daarom wordt zij nu ook verder voortgeholpen. Haar oogen stralen van
-plezier bij het vooruitzicht de blijdschap van Dries te zien. Als
-Moeder den laatsten draad afhecht en afknipt, neemt ze de bretels
-voorzichtig in handen, bekijkt ze nog eens van alle kanten en gaat er
-dan mee naar buiten, naar het schuurtje waar Dries aan het hout kloven
-is.
-
-„Dries! kijk eens! die heb ik voor jou gemaakt!”
-
-Dries keert zich langzaam om, bekijkt de bretels zonder ze aan te raken
-en neemt dan nog een dik stuk hout ter hand om het met den bijl in
-stukken te hakken.
-
-„Dries,” zegt Geertruid teleurgesteld, „wil je ze niet hebben?”
-
-„Jawel, leg ze daar maar neer.”
-
-Geertruid is geheel ontdaan, ze laat de bretels op den grond vallen en
-loopt naar huis.
-
-„Moeder! die akelige Dries!” en daar barst zij in tranen uit.
-
-Met snikken vertelt zij hoe haar geschenk is aangenomen; Moeder neemt
-haar op schoot, hoewel ze daar eigenlijk te groot voor is en tracht
-haar te troosten.
-
-„Mijn klein, vlijtig meisje, trek het je niet aan, Dries weet niet
-beter.”
-
-„Ik wil nooit weer iets voor hem doen, zoo’n aap! zoo’n...”
-
-„Stil kindje, luister eens, hij kan zijn blijdschap niet toonen en ook
-geen dankbaarheid, maar hij is daarom wel blij. Wacht maar, ik denk dat
-hij nu hij alleen is, de bretels wel gauw zal aanpassen. Je hebt het
-toch voor zijn plezier gedaan en niet voor je zelf?”
-
-Geertruid ziet hare Moeder aan en zegt:
-
-„Ik zou het zoo prettig gevonden hebben, als hij blij was geweest en
-als hij mij vriendelijk bedankt had, ik wou hem vriendelijk maken, maar
-het helpt niets.”
-
-Daar komt Sientje binnen en als zij hoort wat er gebeurd is, zegt zij:
-
-„Zoo’n lilleke kerel, dat zal ik hem anders leeren! daar heeft dat
-lieve kind zoo hard voor zitten breien, en nu krijgt ze nog niet eens
-een bedankje, wel drommels!” en Sientje loopt de kamer uit naar Dries.
-
-„Jou lompe ezelskop!” wil zij zeggen, maar neen, zij zegt niets, ze
-kijkt alleen naar Dries, die bezig is de bretels over zijn schouders te
-werpen. Nu wil hij ze vast maken, maar o wee, er zitten geen knoopen
-aan zijn broek. Hij kijkt er naar over zijn afhangende onderlip, en hij
-zet zoo’n potsierlijk, leelijk gezicht, dat Sientje in lachen uitbarst.
-
-Verschrikt kijkt hij op en Sientje ziende, trekt hij de bretels af en
-gooit ze in een hoek.
-
-„Neen baasje dat gaat zóo niet,” zegt Sientje, „je moogt dat kostbare
-werk van het lieve kind niet zóo behandelen. Dat lieve ding, ze heeft
-er menig maal haar boterham en haar glas melk voor laten staan en menig
-pleziertje opgeofferd, allemaal om een pleziertje te doen aan zoo’n
-lompen ezel als jij bent en nu doe je zóo, je moest je schamen! Maar ze
-zal er toch plezier van hebben. Heb je geen knoopen aan je broek? Wacht
-maar, ik zal ze er aan zetten.”
-
-Sientje loopt naar huis en komt met haar werkdoosje terug. Ze heeft al
-een vingerhoed aan haar vinger; vlug bijt zij den draad van een klos.
-Mevrouw heeft al zoo dikwijls gezegd, dat ze dat niet doen moest, nu
-een naald van haar schelpenkussentje en terwijl ze een wit beenen knoop
-tusschen de lippen neemt, zegt ze lispelend: „Allo, kom hier, ik zal je
-helpen; sta stil, anders prik ik me.”
-
-Dries staat stil als een muur en Sientje naait handig en vlug de
-knoopen aan zijn broek. Nu de bretels, mooi zoo, stevig, en Dries kijkt
-er naar en zie, daar komt even een klein trekje om zijn mond en een
-klein plooitje aan zijn ooghoeken, dat aan een glimlach doet denken.
-
-„Ziezoo, zeg nu: wel bedankt.”
-
-„Hm,” zegt Dries.
-
-„Wel te drommel, kun je me niet bedanken? zeg als de weerga: wel
-bedankt, of ik snij je de knoopen er weer af.”
-
-Dries houdt er de handen op en zegt:
-
-„Wel bedankt.”
-
-Schaterend van lachen loopt Sientje naar huis en zegt binnenkomend:
-
-„Kom Geertruid, ga gauw mee, hij is zoo blij, hij zal je bedanken, ik
-heb het hem geleerd.”
-
-Met Geertruid aan de hand komt Sientje weer bij Dries en deze haar
-ziend, zegt dadelijk:
-
-„Wel bedankt.”
-
-„Nu Dries,” zegt Sientje, „ben je er mee in je schik?”
-
-„Ja, naor,” en dat wil zeggen: heel erg blij.
-
-Geertruid begrijpt het, ze loopt vroolijk naar huis en voelt zich heel
-gelukkig.
-
-En als ze den volgenden dag bij hem komt en vele volgende dagen, zegt
-hij, op zijn bretels wijzend:
-
-„Wel bedankt,” en Geertruid gaat voort hem vriendelijk te behandelen en
-Jeanne heeft van haar eigen geld een rooden zakdoek gekocht en dien
-zelf gezoomd en Sientje heeft er met wit katoen een D op gemerkt en den
-zakdoek in de jas van Dries gestoken, toen die jas op een struik hing.
-
-„Hij behoeft mij niet te bedanken,” zegt Jeanne, „als hij er maar blij
-mee is.”
-
-„Goed zoo,” zegt Moeder „je moet niet geven om bedankt te worden, maar
-ik hoop dat jij altijd vriendelijk zult bedanken, als iemand goed voor
-je is.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-
-Op den eersten Dinsdag van September, gaan Constant en Arthur te samen
-naar de stad, want de school zal beginnen. Ze dragen elk een heele
-vracht boeken en schrijfboeken in een zeiltje; met een stevigen riem er
-omheen.
-
-„Wat zijn die dingen zwaar,” zegt Arthur, „we zullen niet altijd
-zooveel te dragen hebben, dat is een geluk.”
-
-„Kijk,” zegt Constant, „daar komt Jacob Drieman juist uit zijn huis,
-hij gaat met zijn handkar naar de stad. Hei! Jacob!” en Constant holt
-vooruit, legt zijn pak boeken op de kar en zegt:
-
-„We zullen je helpen.”
-
-„Als je blieft jongeheer, dat tref ik, ik ben toch zóo kortademig, ’t
-is bedroefd.”
-
-Arthur legt er zijn boeken bij en helpt ook duwen.
-
-„Loop jij maar bedaard achter ons aan,” zegt hij, „we zullen de kar wel
-tot aan de poort brengen.”
-
-„Als je blieft,” zegt Jacob verheugd.
-
-Daar gaan de jongens, vroolijk pratend en lachend en als ze bij de
-poort komen, nemen ze hun boeken van de kar en loopen vlug naar de
-H. B. S.
-
-Marietje Geukestein gaat juist de stoep op en ze blijven samen praten
-tot de lessen beginnen. Er is veel op te merken; vooreerst de
-verschillende leeraren; de een is wat barsch en streng, maar hij legt
-alles zoo duidelijk uit; Arthur denkt: dat was vroeger zoo moeielijk en
-nu begrijp ik het in éenmaal. Een andere leeraar maakt allerlei grappen
-en een derde kijkt altijd rond, of er ook kattekwaad wordt uitgevoerd.
-Zij leeren dezen morgen nog niet veel; ze krijgen allerlei werk en
-lessen op en moeten een agenda koopen om het in op te schrijven; ook
-krijgen zij een rooster van de verschillende lesuren.
-
-De jongens vinden het prettig en Arthur vertelt er veel van bij Oom en
-Tante Bantam; hij vindt de wandeling heen en weer ook zoo prettig.
-
-„In den winter zal het wel anders worden,” zegt Lili.
-
-„Och, we zijn gezond en het is wel grappig om eens flink nat te
-regenen.”
-
-Dit is nu de eerste dag en als ze tegen etenstijd thuis komen,
-verlangen ze al om na het eten aan het werk te gaan, Constant in de
-pastorie en Arthur op Conifera. Wat doen ze hun best om netjes te
-schrijven en om hun lessen goed te kennen; als ze den volgenden morgen
-elkaar ontmoeten, beginnen ze dadelijk de lessen te overhooren en ze
-vinden het heerlijk om zoo samen te wandelen en hetzelfde werk te doen.
-
-Zoo gaat het heel prettig de heele Septembermaand en ook October. Ze
-zijn wel eens nat geregend of hadden met tegenwind te kampen, maar over
-het geheel hebben ze altijd prettig gewandeld.
-
-Arthur krijgt veel plezier in geschiedenis, nadat hij veel met dominé
-Kemper gewandeld heeft. Die kan er zoo prettig van vertellen; hoe de
-oude volken altijd onderling in oorlog waren en iedereen gewapend was
-en zich moest verdedigen tegen zijn naaste buren. Hoe de steden en
-kasteelen ommuurd en in staat van verdediging waren en hoe dit,
-langzamerhand veranderd is door de beschaving en de rechtbanken, waar
-de geschillen onderzocht en bijgelegd werden zonder bloedvergieten. Wat
-zijn er veel poorten en muren van vestingen gesloopt en veranderd in
-mooie wandelparken en welke Graaf of Baron denkt er aan, zijn kasteel
-te moeten verdedigen? De steden onderling, leven in vrede en
-vriendschap en de wetten van het land worden zonder bloedvergieten
-gemaakt en ten uitvoer gebracht. De heeren, die de wetten maken,
-kibbelen er wel eens over, maar ze gebruiken geen andere wapens dan de
-tong en de pen.
-
-Nu zijn er onder de beschaafde volken nog gruwelijke oorlogen tusschen
-verschillende landen, maar niet omdat de burgers boos op elkaar zijn of
-iets van elkaar willen hebben, neen, ze zouden veel liever rustig aan
-hun werk blijven dan andere menschen dood te schieten, maar die
-oorlogen ontstaan meestal door de hebzucht of eerzucht van enkele
-groote heeren, die niet naar de rechtbank willen gaan om hunne
-geschillen te laten vereffenen.
-
-„Waarom gaan ze niet naar de rechtbank?” vraagt Arthur.
-
-„Omdat er tot nu toe geen rechtbank was, hoog genoeg of geleerd genoeg
-voor die groote heeren. Maar nu is er eindelijk zulk een hoogste
-rechtbank tot stand gekomen en die heet: het Hof van Arbitrage, dat wil
-zeggen een rechtbank, waar geschillen vereffend kunnen worden. Er is
-veel wijsheid noodig, om geschillen tusschen zulke hooge en machtige
-heeren uit den weg te ruimen, en het is de vraag, of zij zich altijd
-aan de uitspraak zullen willen onderwerpen, maar eindelijk zal het toch
-wel in orde komen, zooals er reeds zooveel ten goede veranderd is.”
-
-„Hè,” zegt Arthur, „wat moet het heerlijk zijn om een oorlog te
-voorkomen, wat redt men dan veel menschenlevens.”
-
-„Dan moet je in de rechten gaan studeeren en leeren, je gedachten in
-woorden uit te drukken en welsprekend worden. Als je dan een goede zaak
-bepleit, kun je onnoemelijk veel goed doen.”
-
-„Dat zou ik ook wel willen,” zegt Constant, „moet ik daar veel voor
-leeren?”
-
-„Ja zeker, heel veel, maar daar ben je niet bang voor, niet waar? je
-kunt goed leeren en je hebt nog een langen tijd vóór je.”
-
-De jongens denken en praten veel over hetgeen de dominé hen vertelt en
-nemen zich voor, erg hun best te doen.
-
-Op zekeren dag loopen ze samen door de stad, met Marietje Geukestein en
-Amalia Keer, de lange blonde.
-
-„Wat is het een saaie, zoete boel in onze klas,” zegt Amalia, „in de
-derde is het veel leuker.”
-
-„Bij ons wordt beter gewerkt.”
-
-„Nu ja, dat is juist zoo flauw, niemand die eens wat uithaalt.”
-
-„Haal jij dan maar wat uit.”
-
-„Als ik maar wat wist, ik durf best, ik zal wat bedenken in die
-vervelende rekenles, pas maar op, maar je moet mee doen hoor!”
-
-Arthur en Constant lachen er om en als het rekenles is, kijken ze
-gedurig naar Amalia en letten niet zoo goed op als anders. Juist als
-Mijnheer een moeilijke som uitlegt, springt er een sprinkhaan op zijn
-boek, hij schudt hem er af en zie, daar springen er drie over de bank,
-en in de tweede bank schuiven de jongens plotseling uit elkaar en
-grijpen naar verscheidene sprinkhanen waarvan er een in den inktpot
-valt en er gauw druipnat weer uitspringt op het keurige schrift van
-Marietje Geukestein en er een zwart spoor op achterlaat.
-
-„Wie heeft dat gedaan?” buldert mijnheer met een harde stem.
-
-Niemand zegt iets, hoewel eenigen wel vermoeden, dat Amalia het gedaan
-heeft. David zit te proesten van lachen en Johannes Bredero begint ook
-te lachen en als mijnheer heel boos is en strafwerk belooft, als hij
-niet dadelijk ophoudt, begint de arme jongen hoe langer hoe meer te
-lachen, hij kan niet tot bedaren komen, mijnheer wordt woedend en
-stuurt hem de klasse uit.
-
-„Wie heeft die streek uitgehaald?” vraagt mijnheer nog eens.
-
-In plaats dat Amalia flink weg zegt: „ik,” zwijgt zij en de anderen
-willen natuurlijk niet klikken.
-
-„Jullie zult allemaal 20 vraagstukken maken, als ik niet vóor het eind
-van de les hoor, wie het gedaan heeft.”
-
-Ze gaan door met rekenen, nadat de sprinkhanen gevangen en naar buiten
-gebracht zijn, maar niemand heeft zijn gedachten bij de les, steeds
-zitten ze in afwachting dat Amalia bekennen zal.
-
-„’t Is tijd,” zegt mijnheer op zijn horloge ziend, „nog eens, wie heeft
-het gedaan?” Niemand spreekt.
-
-„Jullie brengt morgen 20 vraagstukken mee voor strafwerk en als je ze
-niet gemaakt hebt, krijg je er nog 10 bij.”
-
-Ze gaan naar een ander lokaal en zijn allen boos en Marietje Geukestein
-zegt tegen Amalia:
-
-„Ik dacht niet, dat je zoo flauw zoudt zijn; dat je een grap uithaalt
-kan mij niet schelen, maar je moet het durven bekennen.”
-
-Amalia wordt boos, maar ze heeft geen moed te bekennen.
-
-Als onze jongens ’s middags naar huis wandelen, zegt Constant:
-
-„Ik weet niet hoe ik die vraagstukken moet maken, ik heb er niets van
-begrepen.”
-
-„Ik ook niet,” zegt Arthur, „ik vind het een vervelende streek van
-Amalia en erg flauw, dat ze ons allemaal laat zuchten onder het
-strafwerk.”
-
-„Nu, voor haar zelf is het toch het vervelendste, ze zal er niet veel
-plezier van hebben.”
-
-Ze maken ’s avonds met moeite eenige vraagstukken, maar de meesten
-kunnen ze niet maken, omdat ze niet naar het uitleggen geluisterd
-hebben. Ze moeten haastig het schrijfwerk afroffelen en de lessen
-leeren en ze krijgen den volgenden morgen voor het eerst onvoldoende
-cijfers en al de heeren zijn min of meer ontevreden en uit hun humeur.
-„Je hebt eigenlijk niet veel plezier van zulke grappen onder de les,”
-zegt Arthur, „je krijgt er maar moeite door en de heeren zijn lang zoo
-aardig niet als anders.”
-
-„Als David een grap heeft, dat is leuk,” zegt Constant, „daar lachen de
-heeren zelf om.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-
-November is gekomen en daarmee regen en wind, zelfs storm. Constant en
-Arthur loopen door alle weer en wind en ze worden sterk en gezond en
-onvermoeid, en als Grootmoeder Mung en Moeder Kemper soms medelijden
-hebben, lachen de jongens en zeggen:
-
-„Dat is juist leuk.”
-
-Eens op een morgen in het laatst van November, ligt er ’s morgens een
-laagje sneeuw en de lucht is grijs en altijd door blijft de sneeuw
-vallen. Het is de eerste keer dat Arthur sneeuw ziet. Wat vindt hij dat
-aardig, hij loopt dadelijk met zijn bloote hoofd naar buiten, neemt wat
-sneeuw in de hand, steekt zijn armen ver uit en kijkt naar de lucht.
-Grootmoeder heeft intusschen een vergrootglas uit de kast gekregen en
-komt met een rood fluweelen kussen op de stoep staan.
-
-„Wat gaat u doen Grootmoeder?”
-
-„Zie eens hier mijn jongen, kijk eens naar die vlokken door het
-vergrootglas.”
-
-„Hé wat mooi, allemaal sterren en figuren, wat zou dat prachtig zijn in
-een microscoop. Oom Bantam heeft er een, dien zal ik het vragen, ik
-dacht niet dat sneeuw zoo mooi was.”
-
-Nu steekt Arthur zijn tong uit, totdat er een dikke vlok op valt.
-
-„Hè, lekker koud!”
-
-Hij gaat naar de buitenvensterbank en neemt van de zuivere sneeuw in
-zijn mond en dan maakt hij voor het eerst van zijn leven een sneeuwbal
-en gooit er mee naar Pandoer, die heen en weer holt en in de sneeuw
-rolt.
-
-„Ziezoo, nu ontbijten,” zegt Grootmoeder.
-
-„He,” zegt Arthur na het ontbijt, terwijl hij zijn boeken stevig
-inpakt, „wat zullen we heerlijk met sneeuwballen gooien, ik ga gauw op
-weg, dan kunnen we vóór schooltijd nog beginnen; ik zal Amalia
-inzeepen, dat hooren en zien haar vergaat.”
-
-„Foei Arthur,” zegt Grootmoeder, „geen meisjes, dat is niet
-ridderlijk.”
-
-„O, andere meisjes niet, maar Amalia heeft wat op haar kerfstok.”
-
-„Ja? wat dan?”
-
-„Och, ze is niet aardig geweest, maar ik zeg liever niet wat.”
-
-„Goed jongen, dat behoeft ook niet, maar maak het niet te erg.”
-
-„Neen Grootmoeder, alles met mate, zei de meester en hij sloeg den
-jongen met den meterstok. Dag Grootmoeder! Zou er vandaag een mailbrief
-komen?”
-
-„Ja, ik denk het wel.”
-
-„Legt u hem dan onder mijn servet?”
-
-„Ja jongen, denk je aan je overschoenen? anders zit je den heelen dag
-met natte voeten.”
-
-„Die vervelende dingen!” zegt Arthur, maar hij doet ze toch aan, neemt
-hartelijk afscheid van Grootmoeder en Pandoer, die het tegenwoordig
-vreeselijk saai vindt en gaat moedig op weg.
-
-De jongens verwelkomen elkaar met eenige sneeuwballen, als ze bij het
-huis van Jacob Drieman samen komen en loopen dan vroolijk pratend naar
-de stad. Het is niet de dag waarop Jacob boodschappen moet doen, maar
-morgen, dan moet de arme stakker door de sneeuw.
-
-„We zullen Jacob morgen goed moeten helpen,” zegt Arthur, „hij was
-gisteren zoo kortademig. Wat zou hij graag een ezel hebben, hij heeft
-er al zoo lang voor gespaard, maar hij heeft nog niet genoeg. Als er
-veel sneeuw komt, zal hij er in ’t geheel niet door kunnen met zijn
-kar.”
-
-„Neen, maar hij heeft een slede,” zegt Constant, „dat heeft hij me
-verteld. Overhoor mij nu eerst de geschiedenis, hier heb je mijn boek,
-dan zal ik jou overhooren.”
-
-Als ze de poort naderen, zien ze op de torenklok, dat het op slag van
-negen is.
-
-„Doossie! wat is het laat, ik dacht dat we zoo vroeg waren,” zegt
-Arthur.
-
-„Dat komt door de sneeuw, we hebben zeker niet zoo hard geloopen,
-vooruit! op een draf!”
-
-De concierge wil juist de deur sluiten als de jongens komen aanrennen.
-Om 12 uur haasten ze zich met koffiedrinken om zoo lang mogelijk
-sneeuwballen te kunnen gooien. Er is veel sneeuw bij gekomen en het
-sneeuwt nog altijd door met dikke vlokken. David en Johannes Bredero
-zijn bezig een sneeuwpop te maken op het plein, vóor de H. B. S.
-Johannes rolt handig een bal en daar de sneeuw goed pakt, wordt die
-spoedig heel groot.
-
-„Nu overeind,” zegt David, „zoo, dat is zijn éene been, rol nu nog
-zoo’n ding, ik zal het fatsoeneeren; het moet een groot standbeeld
-worden. Nu zijn andere been, mooi! maar je hebt het veel langer gemaakt
-en dikker, nu, dat hindert niet, we zetten hier nog een stuk bij. Nu de
-romp, wacht, ik zal je helpen rollen; hè, daar word je warm van; rol
-hem nu naar de plaats; nu overeind sapperloot, wat is dat ding zwaar;
-hei! Constant! help ons een handje,”
-
-Constant komt dadelijk en met hem Arthur en Gerard Bunte. Ze krijgen er
-allen plezier in. Met vereende krachten beuren ze het groote stuk boven
-op de twee beenen.
-
-David gaat op eenigen afstand staan om het te bekijken.
-
-„Er moet nog een stuk boven op,” zegt hij.
-
-„’t Is tijd,” zegt de concierge.
-
-„Hé wat saai; nu, morgen zullen we hem verder opbouwen.”
-
-Daar komt Amalia aan; nu hebben de jongens geen tijd om haar in te
-zeepen, maar ze krijgt in de gauwigheid toch nog twee sneeuwballen
-midden in haar gezicht.
-
-Na schooltijd is het al bijna donker en de jongens haasten zich om
-thuis te komen. Het sneeuwt nog altijd door, de lucht is effen grijs en
-er ligt een dik pak.
-
-Met moeite en heel warm komen de jongens thuis; Grootmoeder was al
-ongerust omdat het zoo vroeg donker was.
-
-„Is er geen brief?”
-
-„Neen jongen, misschien morgen. Ik hoop dat het nu gauw op zal houden
-met sneeuwen, hoe kun je er anders morgen door?”
-
-„O Grootmoeder, dat is juist prettig, we maken een prachtige sneeuwpop
-op het plein, morgen moeten we hem verder afmaken.”
-
-„Ja maar jongen, de weg zal zoo moeielijk te begaan zijn.”
-
-„O Grootmoeder, we zijn sterke jongens, daar zien we niet tegen op.”
-
-Den volgenden dag heeft de baas een pad gemaakt met een klein
-sneeuwploegje tot aan het hek. Er ligt veel sneeuw en het sneeuwt nog
-altijd door.
-
-Juist als Arthur bij het hek is, ziet hij den grooten sneeuwploeg
-komen. Vier paarden zijn er vóor gespannen. Verscheiden mannen en
-jongens zitten er op om den ploeg te verzwaren en Arthur krijgt ook
-permissie er op te gaan.
-
-Dat treft hij, als nu Constant ook maar op tijd is. Daar ziet hij hem
-aankomen, hij loopt zoo hard hij kan en dat is niet gauw door die dikke
-sneeuw en haalt gelukkig den ploeg in en gaat er bij op zitten. Juist
-als ze voorbij het huis van Jacob Drieman gaan, zien ze de vrouw en het
-oudste meisje met een slede tegen den hoogen weg opschuiven. Maar het
-gaat niet, de sneeuw is zoo dik, ze zwoegen en spannen zich in zoo veel
-zij kunnen, maar het is te zwaar.
-
-„We moeten helpen,” zegt Constant en hij en Arthur springen van den
-ploeg, waarop zij zoo prettig vooruit kwamen.
-
-„Waar is Jacob?” vraagt Arthur.
-
-„Mijn man is ziek,” zegt de vrouw, terwijl ze steeds voortgaat zich in
-te spannen.
-
-Nu komen de jongens te hulp en met vereende krachten trekken ze de
-slede op den weg, die nu gebaand is door den ploeg.
-
-„Wat scheelt Jacob?” vraagt Constant.
-
-„Ik ben bang dat ie longontsteking heeft,” zegt de vrouw, terwijl dikke
-tranen over haar wangen loopen.
-
-De jongens zien elkaar verschrikt aan en hebben diep medelijden met de
-arme vrouw.
-
-„Och jongeheeren, je weet niet wat mien man van nacht getobd heeft over
-de boodschappen in de stad; als ze niet gedaan worden zijn de menschen
-verlegen en dan gaan ze naar een ander, je weet wel, dien Jannes Trot,
-die doet toch al zoo’n moeite om er ons uut te dringen. Mien arme man,
-hie werkt zich dood en ie gaat nooit naar de herberg en ie heeft alles
-gespaard om een ezel te kunnen koopen en noe ie het geld haast bie
-mekaar heeft, noe zal hie dood gaan!”
-
-De vrouw snikt en kan niet voortgaan met spreken. De jongens weten niet
-wat ze zeggen zullen, maar ze duwen zoo hard ze kunnen en de slede
-rijdt flink over den weg.
-
-„Wie past nu op je man?” vraagt eindelijk Arthur.
-
-„De kleine Gerrit.”
-
-„Hoe oud is die?”
-
-„Vief jaar.”
-
-„Waarom niet een van de grooten?”
-
-„Die moeten naar school en Jentje moest met mie mee, omdat zie de
-boodschappen weet, zie is met Vader dikwijls met ewest.”
-
-Aan de poort nemen de jongens afscheid van vrouw Drieman, die hen
-vriendelijk bedankt en ze zijn beiden stil en denken over den zieken
-Jacob.
-
-Vóor de school zijn reeds eenige jongens bezig met sneeuwballen gooien
-en ze kijken uit of Amalia nog niet komt, maar die komt heel wijs op
-het laatste nippertje. De sneeuwpop is in den nacht gegroeid en
-prachtig, donzig wit geworden. Na de koffie gaan ze weer aan ’t werk,
-maar het is intusschen gaan waaien, de sneeuw waait aan hoopen tegen de
-hekken der verschillende tuintjes en in de deur- en raamkozijnen en
-overal zijn menschen aan het vegen.
-
-De sneeuwpop heeft nu een stevig bovenlijf gekregen en David heeft een
-bankje aan den concierge gevraagd om er bij te klimmen.
-
-„Geef me nu zijn hoofd, ik zal het er op zetten,” zegt hij.
-
-Johannes reikt hem een grooten, zwaren bal toe en als David dien wil
-aannemen, rolt de bal op den grond en breekt.
-
-Dadelijk zijn verscheiden jongens bereid een nieuw hoofd te rollen en
-te zamen tillen zij het op den romp.
-
-„Ziezoo,” zegt David, „nu ga ik aan het boetseeren.”
-
-Hij kneedt en slaat met de vlakke hand en strijkt de schouders van het
-standbeeld glad en maakt een stevigen hals en nek, en als hij het hoofd
-goed ovaal rond heeft gemaakt en vast in elkaar gekneed, neemt hij zijn
-mes en begint te krabben en af te snijden en zie, daar komt de neus te
-voorschijn en de oogen en de wangen en de kin.
-
-„Mooi!” roepen de jongens, „prachtig! precies de neus van den Dirrik.”
-
-„Die moet het ook worden,” zegt David, „ik wil een mooi standbeeld voor
-hem oprichten.”
-
-„Pas op, als hij het ziet,” zegt Gerard.
-
-„Waarom?” zegt David, „dat mag hij best, ik maak het niet bespottelijk,
-neen, het wordt echt mooi, dat heeft hij wel verdiend, is ’t waar of
-niet?”
-
-„Ja,” zegt Arthur, „’t is een kranige vent, hij kan goed orde houden,
-hij is wel streng maar rechtvaardig, ja, hij heeft een mooi standbeeld
-verdiend.”
-
-„Wie heeft een standbeeld verdiend?” vraagt de Directeur, die juist om
-den hoek is gekomen.
-
-Arthur krijgt een kleur als vuur en al de jongens staan verbluft te
-kijken.
-
-De directeur bekijkt het standbeeld: hij is een groote, breede man met
-een flinken kop; een groote neus en een hoog breed voorhoofd, een snor
-en sikje.
-
-„Te drommel,” zegt de directeur, „dat is knap gedaan, maar hij heeft
-nog geen ooren. Heb jij dat gedaan, kleine David?”
-
-„Ja mijnheer,” zegt deze een beetje verlegen, maar hij plakt toch gauw
-een paar ooren aan het hoofd.
-
-Daar komen de andere heeren aan en allen bekijken het beeld en allen
-beginnen te glimlachen en ze kijken naar den directeur en dan weer naar
-het beeld en eindelijk zegt de grappige leeraar:
-
-„Directeur, er krijgen niet veel menschen een standbeeld bij hun
-leven.”
-
-De directeur heeft ook zich zelf herkend en nu roept David en dan al de
-anderen:
-
-„Lang leve de directeur!”
-
-Als de jongens ’s middags uit school komen, zien ze naar de lucht.
-
-„Dat ziet er niet best uit,” zegt Arthur, „wat wordt het donker en het
-sneeuwt zoo dicht en het waait alles op hoopen. Laten we ons haasten om
-thuis te komen.”
-
-De jongens gaan in vluggen pas de poort uit. Op sommige plaatsen is de
-sneeuw hoog opgewaaid tegen huizen en hekken links van den weg.
-
-„We moeten rechts houden,” zegt Constant, „bij het boschje aan den
-rechterkant zal de sneeuw niet opgewaaid zijn.
-
-„Daar zal ze wel dik liggen, hier is het niet erg,” zegt Arthur, „hier
-is bijna alles weg gewaaid, maar hoe zal het bij het laatste boschje
-links zijn? daar komt al de sneeuw van de bouwlanden tegen aan waaien.”
-
-„Ja, dat zal een toer zijn; vooruit maar, hoe eerder we thuis zijn hoe
-beter.”
-
-De jongens loopen zoo hard ze kunnen en ze worden van top tot teen wit.
-
-„We lijken wel sneeuwpoppen; het was toch een mooi standbeeld, dat we
-gemaakt hebben, ik heb nog nooit zoo’n mooi gezien.”
-
-„Kijk, daar gaat vrouw Drieman, och die stumper, gauw helpen, een,
-twee, drie! Hola, hier! heb je een touw? we zullen je helpen,” roept
-Arthur.
-
-Wat is vrouw Drieman blij! Ze kon ook al haast niet meer vooruit komen
-en ze is zoo bang, dat ze de boodschappen niet veilig thuis zal krijgen
-en daarbij is zij zoo ongerust over haar man.
-
-„Jongeheer,” zegt ze tegen Arthur, „zou je Grootmoeder erg verlegen
-zijn om de citroenen en de kaas? anders moet ik ze nu nog brengen.”
-
-„Geef ze mij maar mee, hier, onder mijn jas in mijn blouse, daar kan
-een heele vracht in. Grootmoeder zou niet willen, dat je daar van avond
-nog mee naar Conifera kwaamt door die dikke sneeuw. Ik hoop dat Jacob
-gauw beter wordt, groet hem.”
-
-„Van mij ook,” zegt Constant als ze de slede veilig voor de deur hebben
-gezet.
-
-„Kom Arthur, haast je, neen, ga niet naar binnen, het wordt veel te
-donker, je kunt toch den weg al haast niet meer onderscheiden en nu
-komt het boschje. Drommels! hoe komen we daar door? als de sneeuw
-hooger komt dan je knieën, kun je er niet door.”
-
-„Hier,” zegt Arthur, die zoo veel mogelijk rechts houdt.
-
-„Pas op, loop niet in de sloot, je zoudt diep in de sneeuw zakken; je
-kunt niet zien waar die vervelende droge sloot begint, alles is
-gelijk.”
-
-De jongens komen met moeite op het punt waar ze moeten scheiden en daar
-is de weg nog al duidelijk. Een boer, die hen tegen komt, zegt:
-
-„Haast je wat, het wordt gevaarlijk in het duister.”
-
-„Ja,” zegt Arthur, „we zijn gelukkig gauw thuis. Adi! tot morgen.”
-
-„Goeie reis! pas maar op!” zegt Constant, terwijl hij zoo snel mogelijk
-naar het dorp loopt.
-
-Arthur komt zonder al te veel hindernis tot aan het hek van Conifera,
-maar nu zal het eerst lastig worden. Links is veel laag struikgewas,
-rechts zijn hoog opgaande eiken, waaronder de wind de sneeuw in
-vliegende vaart opjaagt en ophoopt tegen de struiken.
-
-Moedig stapt Arthur voorwaarts en waadt door de sneeuw en hoe langer
-hoe dieper zakken zijn beenen er in. Wat is het vermoeiend, de voeten
-telkens zoo hoog op te tillen. Daar komt hij bij een bocht van den weg,
-als hij daar maar voorbij was, dan zou hij het licht van Conifera
-kunnen zien.
-
-Daar staat Arthur plotseling stil, hij kan niet verder; de sneeuw reikt
-boven zijn knieën, Wat nu te doen? Hij probeert vooruit te komen, maar
-daar is het nog dieper, achteruit gaat ook niet. Nu wordt hij een
-beetje bang, eventjes maar en dan kijkt hij naar boven, naar de donkere
-lucht en krijgt sneeuwvlokken in zijn oogen, maar hij ziet juist boven
-zijn hoofd een dikken tak van een eik. Hij grijpt dien en trekt zich
-wat naar boven. Dat helpt; hij slingert zich in de hoogte en laat zich
-neervallen meer naar rechts. Mooi, dat is minder diep; een paar passen
-kan hij voortgaan, maar o wee, nu wordt het nog erger en geen tak om
-zich aan op te trekken. Hij baant zich met de handen een weg, maar dat
-kan hij niet lang volhouden, ook weet hij niet goed de richting meer.
-
-„Hallo! Pandoer! Hallo!”
-
-Arthur fluit en roept uit alle macht. Daar hoort hij in de verte iets
-roepen en het blaffen van Pandoer, het komt nader bij.
-
-„Pandoer! Pandoer! hier ben ik! maar pas op, och wat ben ik dom
-geweest, dat arme dier, hij zal er nog minder door kunnen dan ik.”
-
-„Hier jongeheer! hier heen, ik zal een weg maken; hei! Jannes! help me
-gauw, heb je de schop? hier!”
-
-Nu gaat Arthur met nieuwen moed aan het werk, hij ziet het licht van
-een lantaren en hij heeft de stem van Hein herkend, gelukkig dat ze hem
-komen helpen, hij had er zonder hulp niet door kunnen komen.
-
-„Ziezoo, nu kun je er door,” zegt Hein, terwijl hij even de schop
-neerzet en Arthur bij het licht van de lantaren bekijkt; het is
-intusschen heel donker geworden.
-
-„Waar is Pandoer? Pandoertje waar ben je?” en Arthur tracht in de
-duisternis te ontdekken, waar zijn trouwe hond gebleven is. Hij hoort
-hem janken en spartelen en als Hein het licht van de lantaren rond laat
-gaan, zien ze het arme dier worstelen door de diepe sneeuw.
-
-Dadelijk banen ze met Jannes een weg er heen en daar komt de hond bij
-Arthur en schudt zich uit en springt luid keffend tegen zijn baas op.
-
-„Nu gauw naar je Grootmoeder,” zegt Hein, „gauw, ze is zoo ongerust.”
-
-Wat zijn Grootmoeder en Arthur beide blij, als ze elkaar in de
-vestibule omhelzen. De sneeuwvlokken zitten in Grootmoeders sneeuwwit
-haar en ook op haar lieve, zachte wangen. Arthur is zoo’n wilde,
-onstuimige jongen, bijna even wild als Pandoer, die zich terdege
-uitschudt, zoodat de sneeuw tegen den barometer en de wijzerplaat van
-de klok aankleeft.
-
-„Wat heb je daar voor dikte?” vraagt Grootmoeder, als Arthur zijn jas
-uittrekt.
-
-„O, dat zijn de citroenen en de kaas van vrouw Drieman; hè, wat ben ik
-blij dat ik ze meegenomen heb, anders was de stumper misschien in de
-sneeuw blijven steken.”
-
-Grootmoeder ziet hem liefdevol aan en zegt:
-
-„Kijk nu eens onder je servet.”
-
-„Ha! een brief!” juicht Arthur en terwijl Grootmoeder de soep opschept,
-kan hij niet laten gauw den brief te openen en te zien of ze in Indië
-allen gezond zijn. Grootmoeder laat het oogluikend toe, want zij is zoo
-erg verlangend iets te hooren over hare dierbaren, daar ginder, zoo
-heel ver weg over de zee.
-
-„Moeder schrijft, dat ze allen weer beter zijn, zus is het ergst
-geweest, maar nu allemaal goed, gelukkig!”
-
-„Gelukkig!” zegt Grootmoeder, „laten we nu eerst gaan eten en den brief
-voor het dessert bewaren.”
-
-Arthur vertelt, hoe hij tegen den sneeuwstorm geworsteld heeft en
-Grootmoeder zegt, dat zij niet geweten heeft dat het zoo erg was.
-
-„Daar ben ik blij om,” zegt Arthur, „u zou dan zeker erg ongerust zijn
-geweest. Maar Grootmoeder, Jacob Drieman is erg ziek, zijn vrouw en
-Jentje moesten de boodschappen doen, de kleine Gerrit was alleen bij
-Jacob thuis.”
-
-„We zullen er dadelijk morgen naar laten hooren en hulp verschaffen,
-dat kan zoo niet,” zegt Grootmoeder.
-
-Aan het dessert mag Arthur den brief lezen.
-
-
- „Beste Arthur,
-
- Gisteren ontvingen we je brief, waarin je ons schrijft over den
- eersten dag op school. Vader en ik zijn heel blij, dat je er
- plezier in hebt en ook, dat je een aardigen kameraad hebt gevonden
- om mee samen te loopen en te werken. Dat treft al heel gelukkig, nu
- heb je altijd gezelschap op je wandeling van en naar de school en
- je kunt elkaar zoo prettig de lessen overhooren. Ik hoop, dat je
- alle klassen samen door zult maken en goede vrienden zult blijven.
- Vader zal je een postwissel zenden voor den ezelpot; Constant
- Kemper zal het ook wel prettig vinden, als jij gauw een ezel kunt
- koopen. We hebben erg getobd met malaria en Carolientje heeft erg
- knokkelkoorts gehad, het arme kind voelde zich heel ziek en
- pijnlijk. De tuinen zijn prachtig en de kleintjes vinden het hier
- heerlijk; maar ik verlang erg naar Holland. We hebben met de vorige
- mail een kistje verzonden, dat kun je dus binnenkort ontvangen. Ben
- je lief en gehoorzaam voor Grootmoeder? ben je niet te wild en te
- druk? denk er om dat Grootmoeder al een beetje oud is. Omhels haar
- eens voor mij en zeg haar, dat ik zoo blij ben, dat mijn lieve
- jongen bij haar kan zijn. Vader en de zusjes zenden veel groetjes.
- Vader schrijft met de volgende mail aan Grootmoeder.
-
- In gedachten een omhelzing van
-
- je zoo liefhebbende
- Moessie.”
-
-
-Arthur leest den brief nog eens over en zegt:
-
-„Ik vind het zoo prettig in Indië, maar als Vader en Moeder hier komen,
-zal ik er niet zoo erg meer naar verlangen als den eersten tijd. Ik
-begin nu al veel van Holland te houden.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-
-Den volgenden morgen springt Arthur vroeg uit zijn bed; hij is zoo
-nieuwsgierig om te zien hoeveel sneeuw er bij gekomen is. De wind is
-bedaard en het heeft opgehouden met sneeuwen.
-
-„Hoe prachtig!” zegt Arthur hardop, als hij het gordijn opgehaald
-heeft. Hij staat een poos te kijken, nog nooit zag hij zoo iets moois;
-alles is smetteloos wit, de boomen, de struiken en de grond en de lucht
-daarboven is helderblauw en overal waar de zon haar stralen zendt,
-schitteren duizende diamanten.
-
-Haastig loopt Arthur naar den overloop en roept aan Grootmoeders deur:
-
-„Grootmoe! heeft u al naar buiten gekeken? het is prachtig! de zon
-schijnt zoo mooi op de sneeuw, ik ga me gauw aankleeden.”
-
-Hein is al bezig paadjes te graven van de keuken naar den stal en nu
-komt Arthur gauw helpen. Er ligt een manshoogte tegen de staldeur.
-
-„Ja jongeheer, je zult er van in de krant lezen, alles is versperd, de
-treinen zullen blijven steken; de bakker zal er niet door kunnen en je
-kunt ook niet naar school.”
-
-„Niet naar school?” zegt Arthur verbaasd.
-
-„Neen, zeker niet, we kunnen hier zoo gauw niet vandaan komen, kijk
-maar eens voor het huis.”
-
-Arthur loopt naar de voorkamer en nu ziet hij, hoe de sneeuw tot bergen
-is opgewaaid, op den oprit ligt de sneeuw wel een meter hoog.
-
-„Ik wil toch naar school,” zegt Arthur, „ik zal wel plekjes vinden waar
-ik door kan, ik neem een schop mee.”
-
-Hein lacht en zegt:
-
-„Probeer het maar, het is mij goed.”
-
-Arthur roept Pandoer, trekt zijn overjas aan en gooit zijn pet een eind
-van zich af.
-
-„Apporte!”
-
-Pandoer brengt dadelijk de pet bij hem en als Arthur zich bukt, zet
-Pandoer hem de pet achterste voor op het hoofd.
-
-„Mooi, knap gedaan. Nu een weg zoeken, vooruit!”
-
-Pandoer zakt diep in de sneeuw, maar hij komt er toch telkens weer uit.
-
-„Geef mij dan het kleine sneeuwploegje Hein.”
-
-Hiermee gewapend zoekt Arthur een weg, waar de Oostenwind de sneeuw
-niet heeft kunnen opwaaien.
-
-„Toe maar Pandoer, loop jij maar vooruit.”
-
-Die slimme hond, hij weet overal plekjes te vinden, waar de sneeuw niet
-zoo hoog ligt en met een omweg, komen zij bij den straatweg. Zoo nu en
-dan moet Hein met de schop te hulp komen, maar het is hem erg
-meegevallen.
-
-„Ja Hein, als je niet door den berg heen kunt komen, moet je er omheen
-loopen, want er boven overheen gaat ook niet.”
-
-„Zeg dat wel jongeheer. Als nu de sneeuwploeg maar kwam.”
-
-„Nu ga ik eerst ontbijten en als ik klaar ben, zal de ploeg er wel zijn
-en anders ga ik met dit kleine ding, ik wil er door.”
-
-Grootmoeder vindt goed dat hij het probeert; het is nu helder licht dag
-en zonder gevaar.
-
-„Als ik Pandoer eens meenam? dan breng ik hem bij oom Bantam.”
-
-„Goed mijn jongen, doe dat.”
-
-Arthur legt zijn boeken op het driehoekig sleedje, en met zijn dikke
-slobkousen en overschoenen, baggert hij door de sneeuw.
-
-Wat is Pandoer blij, dat hij mee mag; hij rolt zich door de sneeuw en
-proest en snuift als een walvisch.
-
-Op den straatweg gekomen, kijkt Arthur uit naar den sneeuwploeg, maar
-er is niets te zien. Daar hoort hij heel in de verte een spoorfluit,
-nog eens en nog eens, onophoudelijk door.
-
-„Hè, wat fluiten ze, misschien kunnen ze niet verder, ja, dat zal het
-zijn.”
-
-De straatweg is hier open en vrij; de wind van gisteren heeft de sneeuw
-voor zich uitgejaagd en Arthur kan er gemakkelijk door komen. Maar
-waarom zou de sneeuwploeg niet komen?
-
-Daar ziet hij van verre Constant; hij waadt met moeite door de sneeuw,
-want hij heeft geen ploegje bij zich. Arthur wacht op hem en gooit
-onderwijl met sneeuwballen. Hij geniet van het prachtige weer en het
-uitzicht over de zuiver witte velden, die schitteren in den
-zonneschijn.
-
-„Wat een leuk ding heb je daar,” zegt Constant nader komend, „laat mij
-ook eens duwen. Hoe ben je gisteren avond thuis gekomen Mung?”
-
-Arthur vertelt het en hoort van Constant, dat deze ook met moeite het
-hek van de Pastorie is doorgekomen.
-
-„Kom Pandoer, vooruit!” zegt Arthur, „hoe zou het met Jacob zijn? och
-lieve deugd, zijn huis zit heelemaal onder de sneeuw, er komt toch rook
-uit den schoorsteen. Wat is die sneeuw daar op gewaaid, maar daar
-achter is een opening, daar staat de vrouw.”
-
-„Dag vrouw Drieman, hoe is het met Jacob?”
-
-„Hie is zoo benauwd, Jentje is naor den dokter; hie wou geen doctor
-hebben, hie zegt, dat ie dan geen ezel kan koopen, al de spaorduuten
-zullen weg gaon aan apotheker en dokter, maor ik kan hem zoo niet in de
-benauwdheid laoten.”
-
-De jongens weten niet wat ze zeggen zullen en gaan erg onder den indruk
-verder den weg op. Eindelijk zegt Arthur:
-
-„Wat is het toch raar verdeeld; Jacob zou zoo graag een ezel hebben en
-hij kan hem niet krijgen en hij heeft hem toch zoo noodig en ik...”
-
-„Ja, als hij hem niet krijgt, kan hij het zeker niet volhouden om
-boodschappen te doen,” zegt Constant.
-
-„En wat dan?” vraagt Arthur.
-
-„Ja, dat weet ik niet, hij kan niet op een andere manier den kost
-verdienen en als zijn vrouw met de kar gaat, wie moet dan de
-huishouding doen, dat kan toch ook niet. Krijg jij gauw een ezel?”
-
-„Ja, ik denk het wel, Vader zal een postwissel zenden, ik weet niet
-hoeveel.”
-
-„Je zult in de week niet veel aan een ezel hebben, overdag ben je naar
-school en ’s avonds werken.”
-
-„Ja, alleen op Zondag en in de vacantie. Maar dat zal wel leuk zijn.”
-
-„Hoor de trein fluit nog altijd, wat beduidt dat toch?”
-
-„Zouden ze vast zitten? wat zou ik graag helpen graven. Kijk eens daar
-vooruit in de sneeuw, wat gek, allemaal zwarte dingen, zijn dat
-kraaien?”
-
-„Wel neen, dat zijn hoofden, die uit de sneeuw komen. Hoe kan dat?”
-
-„Ik zie het al, het zijn menschen die de sneeuw opruimen; wel doossie!
-ze ligt een manshoogte, hoe komen we daar door? voor dat ze dat weg
-hebben, kunnen we hier wel een paar uur wachten.”
-
-„Laten we over het bouwland gaan, Pandoer! zoek eens gauw een pad.”
-
-Ze loopen over het bouwland en zakken soms diep in de sneeuw. Ze worden
-erg warm en vermoeid en eindelijk blijven ze steken, ze kunnen niet
-verder.
-
-„Hoor! bellen gerinkel.”
-
-Ze kijken naar den weg en daar zien ze den sneeuwploeg. Verscheiden
-mannen met schoppen loopen er bij.
-
-„Laten wij er gauw heen gaan, hier komen we toch niet door.”
-
-De jongens gaan denzelfden weg terug en komen erg vermoeid bij den
-ploeg. Ze laten er zich op neervallen en blijven er hijgend en puffend
-op liggen. De menschen zijn druk aan het graven, de vier paarden staan
-te dampen en laten zoo nu en dan de bellen rinkelen. De jongens blijven
-niet lang werkeloos, ze willen mee helpen, ze nemen telkens de schop
-van iemand die uitrust en al kunnen ze nog niet veel, alle beetjes
-helpen.
-
-Eindelijk is de dam doorgegraven, maar niet breed genoeg voor den
-ploeg. De paarden worden afgespannen en éen voor éen door den nauwen
-weg gebracht en dan de ploeg op zijn kant gezet en er door getrokken.
-
-„Ziezoo, gaat er nu maar weer op zitten jongens, allo! huut! vooruut!”
-
-Wat zijn de jongens blij, dat ze met hun boeken en het kleine ploegje
-mee kunnen gaan en als ze eindelijk op school komen, is de deur dicht,
-want het is al kwart voor elf.
-
-„We kunnen het toch heusch niet helpen,” zeggen ze tot den concierge,
-die hen open doet. Ze vertellen hoeveel moeite ze gedaan hebben en ze
-hooren, dat Gerard Bunte in het geheel niet gekomen is.
-
-„Mag Pandoer hier bij jou blijven, als ’t je blieft?” vraagt Arthur,
-„ik moet hem anders nog bij Oom Bantam brengen.”
-
-„Is het een kwade?”
-
-„Neen, volstrekt niet.”
-
-„Nu, laat hem dan hier maar liggen, blijf jullie bij hem tot de 4de les
-begint.”
-
-Als de directeur hoort, hoe de jongens zich een weg gebaand hebben,
-zegt hij:
-
-„Flink gedaan! als je voortaan altijd zoo moedig voorwaarts gaat en een
-baan breekt door alle moeielijkheden heen, dan kun je het ver brengen.”
-
-Pang! daar vliegt de deur open, Pandoer springt het locaal binnen,
-recht naar Arthur toe. Algemeen gelach, maar mijnheer is gelukkig niet
-boos en Pandoer wordt opgesloten bij den concierge.
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-
-Jacob Drieman is erg ziek; de dokter komt elken dag en Mevrouw Mung
-doet wat ze kan om hulp te verschaffen. Eindelijk is het gevaar
-geweken; Jacob zit een poosje op en wordt met krachtige soepjes en
-andere dingen door Mevrouw Mung en Mevrouw Kemper opgekweekt. Arthur en
-Constant hebben dikwijls voor zijn bed gezeten en hebben zijn
-verzuchtingen aangehoord. Hij is zoo bang, dat hij niet sterk genoeg
-zal worden om de kar te duwen en wat moet er dan van zijne vrouw en
-kinderen worden, „dan ben ik niets dan een lastpost,” zegt hij.
-
-Als Arthur thuis komt, is hij stil en nadenkend en als Grootmoeder
-vraagt wat hem scheelt, zegt hij:
-
-„Grootmoeder, als ik een ezel krijg, mag ik er dan mee doen wat ik
-wil?”
-
-„Zeker mijn jongen; ik vertrouw je genoeg om te weten, dat je hem niet
-zult slaan of afbeulen.”
-
-Arthur zit weer na te denken en zegt dan:
-
-„Grootmoeder, ik zou toch niet veel aan een ezel hebben, alleen op
-Zondag en in de vacantie.”
-
-Grootmoeder kijkt verwonderd op en zegt:
-
-„En zou dit dan niet prettig zijn?”
-
-„Ja, dat wel, maar....”
-
-„Wat dan?”
-
-„Het zou niet noodig zijn, terwijl Jacob er niet buiten kan.”
-
-„Wat wou je dan?”
-
-„Mag ik den ezel aan Jacob geven? ik geloof dat ik er dan veel meer
-pleizier van zou hebben, ja, ik weet het wel zeker, Grootmoeder, ik zou
-het heerlijk vinden, mag ik het doen?”
-
-Grootmoeder kan niet laten hem te omhelzen en zegt niets dan:
-
-„Ga je gang, beste jongen.”
-
-„O Grootmoeder! wat ben ik blij! wat zal Jacob blij zijn en zijn vrouw
-en al de kinderen en Constant. Pandoer! Pandoertje! kom eens hier oude
-jongen, hop Marianneke! O Grootmoeder ik ben zoo blij. Hein weet een
-ezel, mag ik hem met Hein gaan koopen?”
-
-„Laat Hein maar eens bij mij komen.”
-
-Grootmoeder overlegt met Hein en op een Zaterdagmiddag gaat deze met
-Arthur naar een buurtschap, drie kwartier buiten het dorp en ze komen
-juist tegen etenstijd terug met een mooien, grijzen ezel. Het is een
-zachtzinnig dier, een beetje mager, maar goed gezond. Hij mag op
-Conifera blijven, totdat Jacob genoeg hersteld is om uit te gaan.
-Zondagmiddag gaat Arthur Constant af halen en samen zullen ze het
-groote nieuws aan Jacob gaan vertellen.
-
-De sneeuw is hard bevroren en de straatweg is heerlijk glad gebaand. De
-jongens loopen vroolijk over den weg en Pandoer loopt mee. Als ze het
-huis van Jacob binnen komen, zien ze dezen aan de tafel zitten met
-zijne vrouw en 5 kinderen. Er worden dadelijk twee stoelen voor de
-jongens leeg gemaakt door Jentje en Gerrit, die elk op een takkebos aan
-den haard gaan zitten.
-
-„Goeien morgen jongeheeren,” zegt Jacob, „zit ik hier noe niet mooi? ik
-bin toch zoo blied, dat ik hier weer zoo zitten mag bie mien vrouw en
-kinders. Ik bin noe niet meer zoo neerslachtig, foei, foei, wat heb ik
-gelamenteerd! ik bin dankbaor, dat ik weer beter word en ik verlang
-hard dat ik aan het wark zal kunnen gaon en dan maor weer met moed
-vooruut.”
-
-„De dokter hef ezegd dat je nog lange niet achter de kar meugt loopen,”
-zegt de vrouw, „de longen kunnen dat niet lieën.”
-
-„Dat zol wat moois wezen,” zegt Jacob, „ik mot toch aan ’t verdienen
-gaon?”
-
-De vrouw schudt het hoofd en ziet de jongens aan.
-
-Arthur heeft een kleur van opgewondenheid; Constant stoot hem aan en
-zegt:
-
-„Toe dan, zeg het.”
-
-„Jacob, wou je nog zoo graag een ezel hebben?”
-
-„Een ezel? nou, of ik; maor ik mot nog een winter door warken en den
-zomer ook, veur dat ik het geld er veur heb.”
-
-„Jao, en eerst weer ziek worden,” zegt de vrouw.
-
-„Kom, geen zorgen veur den tied,” zegt Jacob.
-
-„Jao, noe isse zoo moedig, maor och!” en de vrouw zucht.
-
-„Toe dan,” zegt Constant.
-
-„Jacob,” zegt Arthur, „hoe zou je het vinden als hier een ezel kwam
-binnen loopen?”
-
-„Dan zol ik zeggen: kom binnen lief diertjen, maor dan zolle wel gauw
-weer wegloopen.”
-
-„Heb je een stal?”
-
-„Jao, in ’t schuurtjen, een mooie, warme stal, jao, dat is geen
-bezwaor, maor ’t geld!”
-
-„Toe dan,” zegt Constant.
-
-„Jacob, ik heb een ezel voor je.”
-
-Jacob zet groote oogen op en zegt dan:
-
-„Och jongeheer, ik kan hem zuuver niet betaolen, ’t volgend jaar
-misschien wel, ak gezond blief.”
-
-„Jacob, ik geef je den ezel present, ik heb het geld er voor van Vader,
-Moeder en Grootmoeder gekregen.”
-
-Jacob wil wat zeggen, maar hij slikt en begint te hoesten.
-
-Constant staat vlug op en zegt:
-
-„Kom Mung, ga gauw mee, dan kan hij er eens over denken. ’t Is echt
-waar,” zegt hij in ’t voorbijgaan tegen vrouw Drieman, „de ezel staat
-al op Conifera op stal, ik heb hem gezien; kom Arthur, gauw!”
-
-Als de jongens buiten de deur zijn, zegt Constant:
-
-„De man was heelemaal van streek van blijdschap, het is beter, dat we
-nu weg gaan.”
-
-„Ja, dat geloof ik ook, kom, gauw naar huis, ga je mee?”
-
-„Graag; zullen we den ezel buiten laten loopen?”
-
-De jongens hebben den heelen middag pret met den ezel en Grootmoeder is
-een oogenblik bang, dat Arthur berouw zal krijgen, maar neen, hij is
-den heelen tijd zoo gelukkig, omdat hij dat heele gezin van Jacob voor
-armoede kan bewaren en Grootmoeder is weldra gerust gesteld.
-
-Dien avond, dadelijk na het eten, komt vrouw Drieman op Conifera, om
-Mevrouw Mung te spreken. Zij komt vragen of het werkelijk waar is van
-dien ezel, haar man kan het niet gelooven.
-
-„Ja, het is zeker waar, geloof het gerust. Zoo gauw Jacob den ezel
-hebben wil, kan hij hem krijgen.”
-
-„Maor Mevrouw, ik heb nooit van een kind eheurd, dat zoo iets zol doen
-en zoo goed is, als die jongeheer Arthur.”
-
-„’t Is een beste jongen, dat is waar, maar geloof mij, er zijn wel meer
-goede jongens die het graag zouden doen, maar ze kunnen niet altijd.”
-
-De vrouw kijkt ongeloovig en zegt:
-
-„Mien man wou den jongenheer graag zelf spreken, zou hie bie Jacob
-willen komen?”
-
-„Ja zeker, ik zal hem laten roepen.”
-
-Rika gaat Arthur uit den stal halen en als deze hoort, dat hij naar
-Jacob moet, zegt hij:
-
-„Mag ik Constant gaan halen?”
-
-„Zeker, blijf je niet te lang weg?”
-
-„Neen Grootmoeder, schenk u mijn kopje thee maar in, vóór dat het koud
-is, ben ik weer thuis.”
-
-De beide jongens komen weldra bij Jacob de deur in en ze zullen nooit
-dezen avond vergeten; Jacob is zoo door en door gelukkig, hij weet niet
-wat hij zeggen zal om het te toonen.
-
-„Nu zal ik vooruut komen, jongeheer, dat zul je eens zien! nu kan ik
-heele vrachtjes naar de stad brengen: nu kan Janus Trot er ons niet uut
-dringen; jongens! wat zal het noe een mooi zaakjen worden, noe kan ik
-onze appels naor de markt brengen, ze bint zoo duur, en vrouw, we
-zullen in de toekomende lente wat snieboonen en ander spul in den grond
-maken en als het dan een mooi gewas geeft, kan ik het in de stad
-verkoopen. Ik kon de kar niet meer vooruut kriegen.”
-
-„De jongeheeren,” zegt de vrouw, „hebben dikwijls geholpen, noe onlangs
-nog in de sneeuw.”
-
-„Jao, dat was mooi, ik kan oe niet dankbaor genoeg zijn, als ik het
-vergelden kan, later, noe, ik zal mien best doen.”
-
-De jongens nemen afscheid en als ze naar huis wandelen, zegt Arthur:
-
-„Wij zouden er toch niet zóó veel plezier van gehad hebben.”
-
-„Neen, dat geloof ik ook en je plezier zou toch bedorven zijn, als je
-dien armen stumper achter zijn kar hadt zien zwoegen. Nu zal het elken
-keer als we hem ’s morgens zien rijden, een plezier voor je zijn.”
-
-„Voor jou ook,” zegt Arthur.
-
-„Ja zeker, ik ben blij, dat je het gedaan hebt.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-
-Een kleine week vóór Kerstmis komt er een brief op Conifera voor
-Mevrouw Mung. Hij ligt naast haar bord als zij aan het ontbijt komt.
-
-„Een brief van tante Nina,” zegt Grootmoeder.
-
-„Van Beukenwoud?” vraagt Arthur, terwijl hij zijn boterham doorsnijdt.
-
-„Ja, van tante Colesberg; wat zou tante schrijven?”
-
-Grootmoeder zet den bril op en leest en zegt dan eensklaps:
-
-„Hoe aardig, ja, dat zou ik wel heel prettig vinden.”
-
-„Wat? Grootmoeder.”
-
-„Tante Nina vraagt, of wij met ons beidjes in de Kerstdagen bij haar
-willen komen logeeren.”
-
-„Op Beukenwoud? o Grootmoeder, is het heusch waar? heerlijk! nu zal ik
-Beukenwoud voor het eerst zien, Lili heeft er zoo veel van verteld.”
-
-„En weet je wat prettig is? Oom en Tante Bantam en Lili zijn ook
-gevraagd.”
-
-Nu springt Arthur op van zijn stoel en de stoel valt achterover op den
-grond, gelukkig niet kapot en Arthur danst door de kamer en juicht:
-
-„O Grootmoeder, wat is dat heerlijk! wat ben ik blij, u ook?”
-
-„Ja jongen, ik vind het heel prettig, maar ik kan niet meer zoo dansen
-en springen en stoelen omgooien om mijn plezier te toonen.”
-
-„O, Grootmoeder, neem mij niet kwalijk; wat zullen Vader en Moeder blij
-zijn als ze het hooren. Hé, ik wou dat Constant het ook zoo prettig
-had.”
-
-„Ik denk dat hij het wel heel prettig zal hebben met de zusjes; ze
-krijgen immers een kerstboom?”
-
-„Ja, dat is waar, Constant verheugt er zich erg op.”
-
-Arthur pakt zijn boeken in en zegt:
-
-„Ziezoo, dat is de laatste dag vóor de vacantie; van middag breng ik
-het rapport mee.”
-
-„Ik hoop dat het goed zal zijn,” zegt Grootmoeder.
-
-„Ja,” zegt Arthur, „ik zal na de vacantie nog beter mijn werk nazien,
-ik heb er nog wel eens stomme fouten in gelaten.”
-
-„Dat is jammer.”
-
-„Ja, Grootmoe, maar het zal u nog wel een beetje meevallen, hoop ik.”
-
-„Dat hoop ik ook, maar ik heb een heel goede verwachting van je.”
-
-„O doossie! dan zal het tegenvallen. Dag Grootmoe, tot van middag!”
-
-„Jongen, jongen! niet zoo wild! kijk nu mijn muts, heelemaal scheef.”
-
-En Grootmoeder zet haar muts weer recht en ziet Arthur lachend na.
-
-Het is al heelemaal donker als Arthur kwart voor vijf thuiskomt.
-Grootmoeder hoort hem al van verre het Transvaalsche volkslied fluiten.
-Pandoer springt uit zijn mand achter de kachel, rekt zich eens flink
-uit en vraagt aan Grootmoeder, of hij als ’t je blieft naar buiten mag.
-Grootmoeder kent zijn taaltje wel, legt de breikous op tafel en laat
-den hond de voordeur uit, kijkt hem na over de witte sneeuw en hoort
-weldra Arthur’s stem:
-
-„Pandoertje! ben je daar! beste hond, bedaar een beetje, kom, gauw naar
-Grootmoeder.” En daar komt hij aan, vroolijk en met schitterende oogen.
-
-Haastig knoopt hij zijn jas los, haalt een boekje uit zijn blouse en
-terwijl hij Grootmoeder omhelst, zegt hij:
-
-„Dat is voor u!”
-
-Grootmoeder gaat naar binnen, houdt het boekje bij de lamp en leest:
-
-„Negen, acht, negen, negen, zeven...”
-
-„Ja,” zegt Arthur, „daar zou ik ook wel een negen voor gehad hebben,
-als die vervelende Amalia.”
-
-„Wat Amalia?”
-
-„O ja, u weet het niet, we hebben op een keer heelemaal niet geluisterd
-op de rekenles en toen hebben we een onvoldoende gekregen. Constant
-heeft bijna dezelfde cijfers gekregen, sommige nog mooier, hij is zoo
-knap, als ik hem niet altijd bij me had, zou ik zeker niet zoo’n mooi
-rapport hebben.”
-
-„Nu mijn jongen, dat is een groot geluk, prettig om naar huis te
-schrijven. Wat zullen Vader en Moeder blij zijn.”
-
-’s Avonds schrijft Arthur een langen brief; hij weet zooveel te
-schrijven en hij doet er ook een briefje bij voor zijn zusjes.
-
-Op een Maandagmorgen gaat Arthur met Hein en Constant, den ezel
-wegbrengen naar Jacob Drieman. Grootmoeder kijkt hem na en denkt: „die
-goede jongen, zijn grootste plezier is om anderen gelukkig te zien.”
-
-Jentje staat voor het huis en als zij hem ziet aankomen, loopt zij
-haastig naar binnen en ze hooren haar roepen: „Vader! Moeder! kom es
-kieken!”
-
-Daar komen ze, en achter hen aan, al de kinderen; wat zien ze er blij
-uit, ze glimmen van plezier.
-
-„Daar kump ie!” juicht kleine Gerrit en in een oogwenk staan allen om
-den ezel heen en streelen hem over zijn neus, zijn nek en zijn rug. De
-ezel snuffelt aan het buisje van Gerrit en deze wordt een beetje bang,
-maar Jentje zegt:
-
-„Hie ruukt et, daj een stuk brood in oe zak hebt.”
-
-En Gerrit haalt het stuk roggebrood, dat hij voor den ezel bewaard
-heeft, voor den dag en Hein zegt, dat hij het aan kleine stukjes moet
-breken en van zijn vlakke hand moet laten eten, en zie, kleine
-Gerritman, is niets bang meer en zegt: „hie lust nog meer.”
-
-Nu wordt de ezel naar de schuur gebracht; er is een nette stal
-afgeschoten en op den grond liggen droge heideplaggen en in de krib is
-zuiver hooi; Jentje brengt een emmer water en zegt:
-
-„Zolle ook dorst hebben?”
-
-„Ik denk dat hij het hier wel goed zal hebben,” zegt Constant.
-
-Jacob staat in zijn handen te wrijven en als ze uit de schuur komen en
-om het huis heen loopen, zegt hij:
-
-„Warentig, ik kan me noe veurstellen da’k op een buutenplaats woon,
-jongens ik heb zoo’n schik.”
-
-„Dan moet je de buitenplaats ook een naam geven,” zegt Arthur, „wat zou
-je denken van Ezelsoord?”
-
-„Dat zou effectief mooi zijn,” en Jacob staat te grinniken van plezier
-en Hein zegt:
-
-„Menige rijke mijnheer is op zijn buitenplaats niet zóo tevreden als
-Jacob op zijn Ezelsoord.”
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-
-Twee dagen voor Kerstmis, komen Grootmoeder, Arthur, Oom en Tante
-Bantam en Lili tegelijk op Beukenwoud aan. Tante Colesberg komt hen in
-de vestibule tegemoet, en een prettige, geurige warmte komt hen tegen
-uit de huiskamer. Er staan overal groote potten en vazen met
-dennetakken en hulst met roode besjes. Ze doen hun mantels en jassen
-uit in het kleine spreekkamertje en als ze daarna binnen komen in de
-huiskamer, loopen ze allen naar de zijramen om in de menagerie te
-kijken.
-
-„Mijn lieve Lili,” zegt tante Colesberg, „ik ben een en al verbazing,
-wat loop je goed, je hebt niet veel steun meer noodig.”
-
-„O tante, het is zoo heerlijk; ik heb ook al even in de sneeuw geloopen
-bij ons in den tuin; het gaat hoe langer hoe beter. O kijk eens, wat
-zijn er veel duiven, zijn ze nog zoo mak?”
-
-„O ja, wil je het zien? Herman!” zegt tante tegen haar zoon, „wil je
-Jantje even halen?”
-
-Neef gaat dadelijk naar buiten, fluit en neemt wat maïs uit zijn
-vestjeszak en als hij de hand uitsteekt, komt er dadelijk een aardig
-wit duifje op zitten en pikt gretig de korrels op. Daar komen er nog
-twee en gaan op neefs arm zitten en nu komt neef met de drie duifjes de
-kamer in.
-
-„O wat aardig!”
-
-„Dit kleine makke diertje is Jantje en dat is Beb en dezen heb ik naar
-jou genoemd.”
-
-„Ja? naar mij? Arthur?”
-
-„Neen, Mung noem ik hem, is het goed?”
-
-„Ja neef, best, maar waarom heet die andere Beb? wie is dat?”
-
-„Beb Dolijn woonde hier vroeger, een heel lief meisje, zij hield zoo
-veel van haar duifjes en daarom heb ik er een naar haar genoemd.”
-
-„Waar is nu het kippekamertje?”
-
-„Wou je het graag zien? kom dan maar mee.”
-
-„Ik wou ook mee, daar mag ik immers logeeren,” zegt Lili en neef en
-Arthur helpen haar de trap op en ze komen op een aardig kamertje, dat
-in de ménagerie uitziet.
-
-„Hé, wat heb je hier een mooi uitzicht, wat aardig al die eenden en
-kippen; kijk, een ooievaarsnest, wat leuk, en daar aan den vijver zie
-ik een koepeltje.”
-
-„Ja, er is hier een heele boel te kijken,” zegt neef, „zie je wel de
-kippenbrug, daar naar het bosch toe? daar gaan de kippen zoo graag in
-het eikenblad krabben, maar nu kunnen ze er niet bij komen door de
-sneeuw. Nu naar Nova Zembla.”
-
-„Nova Zembla?”
-
-„Ja; dat is een kamertje op het Noorden, daar ben je toch niet bang
-voor? daar sliepen vroeger ook jongens van mijnheer Dolijn.”
-
-„O, neen neef,” zegt Arthur, „ik ben niets bang voor koû, dat is
-frisch.”
-
-Ze gaan over den overloop en daar ziet Arthur iets op den deurpost
-geschreven; hij leest:
-
-„Arthur is een muziekmannetje.”
-
-„Wat is dat? wie heeft dat gedaan, ik doe nooit aan muziek.”
-
-Neef lacht en zegt:
-
-„Dat is Arthur Dolijn, die hier vroeger woonde, er staat hier nog meer,
-kijk maar:
-
-„Jongeheer Arthur,
-
-„Eet 12 boterhammen in één uur.”
-
-„Kijk eens hier:
-
-
- „Pumpie is een soes
- En Meta is een snoes.”
-
-
-„Ga nu mee naar Nova Zembla, daar staat ook nog wat gekrabbeld.”
-
-Arthur en Lili zien op de vensterbank allerlei letters, E. D. en A. D.
-F. B. F. H. en W. H.
-
-„Wie zijn dat allemaal?” vraagt Arthur.
-
-„Ja, dat weet ik niet, maar kijk hier eens: „E. is een ezel, D. is een
-duivel en U. is een uilskuiken.”
-
-Lili en Arthur schateren van het lachen en Lili zegt:
-
-„E. D. U., dat is Edu, dat zal hij wel niet zelf gedaan hebben; o kijk
-eens:
-
-„E. is edel, D. is dapper, U. is ulevel.”
-
-„Die is prachtig, dat heeft Edu zeker wel zelf gedaan.”
-
-Ze zoeken nog meer, maar ze kunnen niets meer vinden.
-
-„Kom, het is hier koud, ik verlang naar de warme kamer, jullie ook?”
-
-Ze gaan samen naar beneden en ze vinden het erg gezellig in de
-huiskamer. Ze drinken thee met kattetongetjes en ze praten over alles
-en nog wat. Na het eten zitten ze om den knappenden haard; ze kraken
-noten en mogen de doppen in het vuur gooien, en neef doet er ook wat
-dennenappels op, het knapt en knettert zoo heerlijk. Tante Colesberg en
-neef vertellen allerlei dingen, die ze hier gehoord hebben over de
-familie Dolijn en dat vinden Lili en Arthur erg prettig om te hooren.
-
-Den volgenden morgen zegt tante Colesberg:
-
-„Ik zend een mand met appels en dennetakken naar Amsterdam aan de
-familie Dolijn, wil jullie helpen?”
-
-„Graag tante.”
-
-Arthur en Lili wrijven de appels en peren tot ze glimmen; er worden ook
-noten in gepakt; dennetakken en hulst gaan er boven op en Willem, de
-tuinman, komt met een stuk linnen, touw en een paknaald om het dicht te
-naaien.
-
-„Dat doe je geloof ik graag?” vraagt neef.
-
-„Ik doe niets liever dan vrachtjes zenden aan de familie Dolijn,” zegt
-Willem, „wat zullen de kinderen blij zijn, och, och, wat waren ze hier
-graag!”
-
-De dagen vliegen om, veel te gauw en als Arthur den laatsten avond in
-zijn bed ligt en door Grootmoeder wordt toegedekt, zegt hij:
-
-„Wat is het toch vreemd verdeeld; wij hebben het zoo vreeselijk goed en
-er zijn er zoo veel die het zoo ellendig hebben, dat is toch akelig.”
-
-„Ja beste jongen, dat is heel ongelukkig, vooral als de ellende tot
-slechtheid brengt!”
-
-„Grootmoeder, wat is het toch gelukkig om rijk te zijn.”
-
-„Neen mijn jongen, zeg dat niet, het geld brengt volstrekt niet altijd
-geluk aan, heel dikwijls het tegendeel. Voor menigeen zou het een geluk
-zijn, minder geld te hebben en gedwongen te zijn hard te werken.”
-
-„Maar Grootmoeder, als men rijk is, kan men er veel goed mee doen.”
-
-„Ja, als men dat altijd deed, zou het geld geluk aanbrengen, maar het
-geld brengt zoo veel menschen tot luiheid en zorgeloosheid. Men moet
-heel flink en verstandig zijn om een goed gebruik van het geld te
-maken, en als men dat niet kan, is het veel beter arm te zijn. En veel
-geld geeft veel zorgen; een man die met een kermiswagen door het land
-trekt, heeft het dikwijls gemakkelijker dan een schatrijk man.”
-
-„Hé Grootmoeder, hoe kan dat?”
-
-„Als men veel geld heeft en als men het goed wil besteden, moet men
-heel knap en verstandig zijn, men is dan verplicht heel veel voor de
-maatschappij te doen.”
-
-„Dus moet men heel knap en verstandig zijn als men rijk is?”
-
-„Ja beste jongen, heel knap en heel goed.”
-
-Arthur denkt hier veel over na; hij weet dat zijn vader heel rijk is en
-dat hij het waarschijnlijk ook zal worden. „Als ik dus knap word,”
-denkt hij, „zal ik een goed gebruik van het geld kunnen maken; gelukkig
-dat ik nog veel kan leeren.”
-
-Als Grootmoeder en Arthur terug komen op Conifera, worden ze verwelkomd
-door Constant, die blij is dat Arthur er weer is.
-
-„Hè, ik vond het saai, dat je weg waart, ik ben hier elken dag geweest
-om een eind met Pandoer te wandelen, we hebben geprobeerd om elkaar op
-te vroolijken. Maar we hebben toch prettige Kerstdagen gehad; de
-Kerstboom was prachtig.”
-
-„Ik vind het niets naar om weer naar school te gaan,” zegt Arthur.
-
-„Ik ook niet,” zegt Constant, „het is zoo prettig om samen te gaan.”
-
-„En het is ook zoo prettig om met een mooi rapport thuis te komen,”
-zegt Arthur.
-
-„Jongens,” zegt Grootmoeder, „ik ben blij, dat jullie er zoo over
-denkt, nu kun je het ver brengen en twee mannen van beteekenis worden.”
-
-„Maar ook altijd twee vrinden.”
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE VRINDEN ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/65946-0.zip b/old/65946-0.zip
deleted file mode 100644
index e08576d..0000000
--- a/old/65946-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h.zip b/old/65946-h.zip
deleted file mode 100644
index b128273..0000000
--- a/old/65946-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/65946-h.htm b/old/65946-h/65946-h.htm
deleted file mode 100644
index 8e0b7dc..0000000
--- a/old/65946-h/65946-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,5595 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-07-28T19:52:54Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Twee vrinden</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Bertha van Osselen van Delden (1847–1936)">
-<link rel="coverpage" href="images/front.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Bertha van Osselen van Delden (1847–1936)">
-<meta name="DC.Title" content="Twee vrinden">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC:Subject" content="#####">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-min-width: 1.0em;
-margin-left: -0.1em;
-padding-top: 0.9em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-tr, td, th {
-vertical-align: top;
-}
-tr.bottom, td.bottom, th.bottom {
-vertical-align: bottom;
-}
-td.label, tr.label td {
-font-weight: bold;
-}
-td.unit, tr.unit td {
-font-style: italic;
-}
-td.leftbrace, td.rightbrace {
-vertical-align: middle;
-}
-span.sum {
-padding-top: 2px;
-border-top: solid black 1px;
-}
-table.inlinetable {
-display: inline-table;
-}
-table.borderOutside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderOutside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-}
-table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.verticalBorderInside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border-left: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft {
-border-left: 0 solid black;
-}
-table.borderAll {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderAll td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop {
-border-top: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight {
-border-right: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft {
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom {
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal {
-border-top: 1px solid black !important;
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical {
-border-right: 1px solid black !important;
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll {
-border: 1px solid black !important;
-}
-tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop {
-border-top: none !important;
-}
-tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight {
-border-right: none !important;
-}
-tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft {
-border-left: none !important;
-}
-tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom {
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal {
-border-top: none !important;
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical {
-border-right: none !important;
-border-left: none !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll {
-border: none !important;
-}
-.cellDoubleUp {
-border: 0 solid black !important;
-width: 1em;
-}
-td.alignDecimalIntegerPart {
-text-align: right;
-border-right: none !important;
-padding-right: 0 !important;
-margin-right: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalFractionPart {
-text-align: left;
-border-left: none !important;
-padding-left: 0 !important;
-margin-left: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalNotNumber {
-text-align: center;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0 .5em 0;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0 0 0;
-}
-span.hemistich {
-visibility: hidden;
-}
-.verseNum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-span.ditto {
-display: inline-block;
-vertical-align: middle;
-text-align: center;
-}
-span.ditto span.s {
-height: 0;
-visibility: hidden;
-line-height: 0;
-}
-span.ditto span.d {
-display: block;
-text-align: center;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.ditto span.i {
-position: relative;
-top: -2px;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
-div.advertisement img {
-mix-blend-mode: darken;
-}
-.adLine {
-margin-bottom: 0;
-}
-.adPrice {
-text-align: right; margin-top: 0;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.xd30e111 {
-vertical-align:bottom;
-}
-.cover-imagewidth {
-width:560px;
-}
-.xd30e97 {
-text-align:center; font-size:large;
-}
-.xd30e101 {
-text-align:center;
-}
-.t1 {
-font-size:small;
-}
-.plate01width {
-width:576px;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:521px;
-}
-.xd30e473 {
-font-size:small;
-}
-.xd30e481 {
-font-weight:bold; border-top:1pt solid black; border-bottom:1pt solid black; line-height:4em;
-}
-.plate02width {
-width:577px;
-}
-.plate03width {
-width:576px;
-}
-.xd30e2402 {
-border:2pt solid black; padding:1em; margin:6em 20%; text-align:center;
-}
-.xd30e2404 {
-font-size:x-large;
-}
-.adtitlewidth {
-width:490px;
-}
-.spinewidth {
-width:720px;
-}
-.backwidth {
-width:566px;
-}
-@media handheld {
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-
-<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Twee Vrinden, by Bertha Elisabeth van Osselen-van Delden</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Twee Vrinden</p>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Bertha Elisabeth van Osselen-van Delden</div>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Illustrator: Anna Catharina Frederika Wijthoff</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: July 28, 2021 [eBook #65946]</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div>
-
-<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg</div>
-
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE VRINDEN ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="560" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd30e97">TWEE VRINDEN
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd30e101">Boek- en Kunstdrukkerij S.&nbsp;W. MELCHIOR — Amersfoort.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first">Bij den uitgever ALLERT DE LANGE te Amsterdam zijn mede verschenen en alom verkrijgbaar:
-</p>
-<p>Mevrouw van Osselen-van Delden.
-</p>
-<p>KINDERBOEKEN:
-</p>
-<div class="table">
-<table class="t1">
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop"> </td>
-<td class="xd30e111 cellTop"> </td>
-<td class="xd30e111 cellTop">Ingen. </td>
-<td class="xd30e111 cellRight cellTop">Geb.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Hansje Rozengaarde, 3e druk </td>
-<td class="xd30e111">6—12 <span class="seg">jaar</span> </td>
-<td class="xd30e111">f 1.25 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">f 1.75</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"> id. id. Bijzondere vierde druk, uitsluitend voor uitdeeling, bij getallen
-</td>
-<td class="xd30e111"> </td>
-<td class="xd30e111">- 0.60 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Baas Willem, 3e druk </td>
-<td class="xd30e111">6—12 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.25 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.75
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">De kleine Frits, 3e druk </td>
-<td class="xd30e111">6—12 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.25 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.75</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Arthur’s viool, 3e druk, vervolg op voorgaand </td>
-<td class="xd30e111">6—12 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.25 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.75</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">’s Winters op Beukenwoud, 2e dr., verv. op voorg. </td>
-<td class="xd30e111">7—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.50 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.75</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">De familie Dolijn, 2e dr., vervolg op voorgaand </td>
-<td class="xd30e111">7—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.50 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.90
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Corrie en de Kaboutertjes, 2e druk </td>
-<td class="xd30e111">7—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.25 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.75</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Twee vrinden, 2e druk, vervolg op voorgaand </td>
-<td class="xd30e111">8—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.25 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.75</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">De familie Godard, vervolg op voorgaand </td>
-<td class="xd30e111">8—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.25 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.75</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Grootmoeder en Kleinzoon, vervolg op voorgaand </td>
-<td class="xd30e111">8—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.50 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.90
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Frank en Paula, 2e druk </td>
-<td class="xd30e111">8—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.25 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.75</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Nijenheuvel, vervolg op voorgaand </td>
-<td class="xd30e111">8—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.50 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.90
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">’t Jodinnetje van Elspeet, 3e druk </td>
-<td class="xd30e111">8—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.50 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">De Schaapskooi op de Elspeeter heide, 2e druk, vervolg op voorgaand
-</td>
-<td class="xd30e111">8—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.50 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">De Moore’s, vervolg op voorgaand </td>
-<td class="xd30e111">8—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.50 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">De lastige ekster, vervolg op voorgaand </td>
-<td class="xd30e111">8—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.50 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Het meisje uit Amerika, vervolg op voorgaand </td>
-<td class="xd30e111">8—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111">- 1.50 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight">- 1.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Adam en Lili, vervolg op voorgaand </td>
-<td class="xd30e111 cellBottom">8—14 <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">jaar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="xd30e111 cellBottom">- 1.50 </td>
-<td class="xd30e111 cellRight cellBottom">- 1.90</td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p><b>De leeftijd op welke, en de volgorde waarin elk boekje gelezen moet worden, zijn bij
-elken titel opgegeven.</b>
-</p>
-<p>Compleet ingenaaid <b>f 25</b>.— Gebonden <b>f 33</b>.—
-</p>
-<p>Groot kwarto PRACHTPRENTENBOEKEN:
-</p>
-<div class="table">
-<table class="t1">
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">Vertellingen en Versjes. Tweede druk, gecartonneerd </td>
-<td class="cellRight cellTop">f 2.25</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Voor mijn Vriendjes en Vriendinnetjes, gecartonneerd </td>
-<td class="cellRight cellBottom">- 2.25</td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>Groot kwarto PRENTENBOEKEN:
-</p>
-<div class="table">
-<table class="t1">
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop"> </td>
-<td class="cellTop">Papier. </td>
-<td class="cellRight cellTop">Linnen.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Ik wil leeren het A.&nbsp;B.&nbsp;C. </td>
-<td>f 0.75 </td>
-<td class="cellRight">f 1.25</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Mijn liefste Sprookjes </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight">- 1.25</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Wie speelt er mee? </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight">- 1.25</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Lieve en stoute Dieren </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight">- 1.25</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Meê op reis </td>
-<td>- 0.60 </td>
-<td class="cellRight">- 0.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Broertjes en Zusjes </td>
-<td>- 0.60 </td>
-<td class="cellRight">- 0.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Asschepoetster </td>
-<td>- 0<span class="corr" id="xd30e433" title="Bron: ">.</span>60 </td>
-<td class="cellRight">- 0.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Zondagmorgen (<i>door Mevr. Loman-Uildriks</i>) </td>
-<td class="cellBottom">- 0.60 </td>
-<td class="cellRight cellBottom">- 0.90</td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure plate01width"><img src="images/plate01.jpg" alt="" width="576" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="521" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">TWEE VRINDEN</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR
-<br>
-<span class="docAuthor"><span class="sc">Mevrouw van Osselen-van Delden</span></span>
-<br>
-<span class="xd30e473">Schrijfster van „Hansje Rozengaarde”, „Baas Willem<span class="corr" id="xd30e475" title="Bron: ’">”</span>, „De Kleine Frits”, „Het Jodinnetje van Elspeet”, „Arthur’s Viool”, „Frank en Paula”,
-„Corrie en de Kaboutertjes”, <span class="corr" id="xd30e478" title="Niet in bron">„</span>’s Winters op Beukenwoud”, „De Familie Dolijn” enz.</span></div>
-<div class="docImprint"><span class="xd30e481">2e geïllustreerde druk</span><br>
-AMSTERDAM<br>
-ALLERT DE LANGE</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/h01.png" alt="Hoofdstuk I." width="620" height="202"></div>
-<h2 class="main">Hoofdstuk I.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Conifera is eene kleine, vriendelijke villa, omringd door een grooten tuin, en grenzend
-aan een bosch, dat zich uren ver uitstrekt tot aan eene groote heidevlakte.
-</p>
-<p>In dit bosch wandelt een 12jarige jongen, genaamd Arthur Mung, met zijn trouwen, zwarten
-poedel.
-</p>
-<p>Arthur kijkt op zijn horloge en zegt:
-</p>
-<p>„Sakkerloot! kwart vóor 12! waar blijft de tijd. Kom Pandoer, in een snellen pas naar
-huis! Grootmoeder mag niet wachten. Dit is de naaste weg, dwars door het dennenbosch.”
-</p>
-<p>Pandoer springt vroolijk vooruit, hapt naar een uitgetrokken plukje mos, schudt het
-heen en weer en gooit het spelend in de lucht; dan weer vervolgt hij een brommende
-groene vlieg en kijkt <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>telkens om naar zijn baas, die met groote passen over den ongebaanden weg loopt, recht
-op zijn doel af, naar den hollen zandweg die naar Conifera voert. Hij springt van
-den hoogen boschgrond, midden in het diepe wagenspoor en Pandoer rent luid blaffend
-vooruit en keert terug, springt om Arthur heen en dan weer vooruit, telkens takjes
-in den bek nemend en weer weg werpend.
-</p>
-<p>Met rood gekleurde, gezonde wangen komt Arthur weldra aan een hekje, achter in den
-moestuin van Conifera. Tusschen bessen, frambozen, aardbeien, doperwten en spinazie,
-loopt hij zoo snel mogelijk naar huis en daar ziet hij grootmoeder met het sleutelmandje
-aan den arm bij de gedekte koffietafel staan en dadelijk merkt hij, dat er meer bordjes
-klaar gezet zijn en dat er extra dingen op tafel staan.
-</p>
-<p>„Dag Grootmoeder, komt er iemand koffie drinken?”
-</p>
-<p>„Ja, Oom en Tante Bantam komen met Lili, ik heb een telegram gekregen; ga je gauw
-opknappen, ze kunnen dadelijk hier zijn. Hier Rika, hier zijn de vingerdoekjes en
-breng nu nog een karaf met frisch water; heb je niets vergeten?”
-<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span></p>
-<p>Arthur is intusschen naar boven gegaan en Pandoer staat uit zijn waterbakje te drinken.
-</p>
-<p>„O Mevrouw, kijk eens! dat is nu gek,” zegt Rika; zij neemt het afhangend tafellaken
-in de hand en laat aan Mevrouw Mung een scheurtje zien.
-</p>
-<p>Mevrouw schrikt, zet den bril op, bekijkt het van nabij en zegt:
-</p>
-<p>„Hoe is dat nu mogelijk, ik heb het zoo uit de linnenkast gekregen; dat komt er van,
-als men zelf niet meer de wasch kan vouwen. Wat nu te doen? ze kunnen dadelijk hier
-zijn, daar hoor ik al wat op den weg.”
-</p>
-<p>„Mevrouw,” zegt Rika, „als u hier jonge heer Arthur laat zitten, merkt niemand er
-iets van.”
-</p>
-<p>„Ja, dat zal het beste zijn, daar zijn ze ook al. Help eens gauw jonge juffrouw Lili
-naar binnen dragen.”
-</p>
-<p>„Och, dat arme kind,” zegt Rika medelijdend.
-</p>
-<p>„Dag Moeder,” zegt eene lange dame, die haastig naar Mevrouw Mung toekomt en deze
-hartelijk omhelst, „is het ook wat erg, dat we met ons drieën komen koffie drinken?”
-</p>
-<p>„Wel neen, lieve Dora, ik ben veel te blij jullie te zien; hoe is het met Lili?”
-<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p>
-<p>„Wel een beetje beter, de kuur doet haar bepaald goed, zie maar eens.”
-</p>
-<p>Daar komt een lief meisje binnen, gesteund door den heer Bantam en Rika. Haar gezicht
-straalt van plezier, als zij langzaam den eenen voet na den anderen verzet en recht
-naar hare Grootmoeder toegaat.
-</p>
-<p>Deze staat sprakeloos van verbazing; zonder iets te zeggen steekt zij de handen naar
-Lili uit en omhelst haar héel héel hartelijk.
-</p>
-<p>„Wat zegt u daar nu wel van?” vraagt de heer Bantam met een gelukkig gezicht, „is
-dat nu geen groote verrassing? we konden het bijna niet langer verzwijgen, maar Lili
-wilde u zoo graag verrassen.”
-</p>
-<p>Mevrouw Mung is op een stoel gaan zitten en droogt de tranen, die van blijdschap uit
-de oogen zijn gesprongen.
-</p>
-<p>„Ik had niet durven hopen, dat het lieve kind ooit zou kunnen loopen; welk een geluk!
-laat ze nu niet te veel doen, ga gauw zitten mijn schat.”
-</p>
-<p>„Dag Moeder,” zegt de heer Bantam lachend.
-</p>
-<p>„Och ja, ik heb je door de blijdschap niet eens goeden dag gezegd. Ik feliciteer je
-beste Paul, met <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>de beterschap van je lief kind; nu heb ik moed dat ze flink zal leeren loopen.”
-</p>
-<p>„En dansen en springen, Grootmoeder,” zegt Lili vroolijk, „dat heeft doctor Geukestein
-gezegd. Maar waar is <span class="corr" id="xd30e531" title="Bron: Athur">Arthur</span>?”
-</p>
-<p>„Daar komt hij.”
-</p>
-<p>Arthur ziet dadelijk, dat Lili op haar voeten staat. Dat heeft hij nog nooit gezien;
-altijd werd zij in een wagentje gereden en gedragen.
-</p>
-<p>Hij krijgt een kleur van plezier en zegt <span class="corr" id="xd30e538" title="Bron: iets">niets</span> dan: „Dat ’s leuk!” en hij kijkt naar Tante en naar Oom en Grootmoeder en dan weer
-naar Lili. Dan springt hij hoog in de lucht en roept: <span class="corr" id="xd30e541" title="Niet in bron">„</span>Hoezee!<span class="corr" id="xd30e543" title="Niet in bron">”</span> en gaat allen een hand geven.
-</p>
-<p>„Hoe komt dat? wie heeft je beter gemaakt?”
-</p>
-<p>„Die goede dokter Geukestein,” zegt Lili verheugd, „nu ben ik veel gelukkiger dan
-een kind, dat heel vroeg heeft leeren loopen.”
-</p>
-<p>„Ja, nu waardeer je het veel meer,” zegt haar Vader, terwijl hij haar naar den stoel
-brengt, die Grootmoeder voor haar bestemd heeft, naast dien van Arthur.
-</p>
-<p>„Kun je nu ook de trap oploopen naar mijn kamer?” vraagt Arthur.
-<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p>
-<p>„Neen nog niet, maar Papa wil mij misschien wel naar boven dragen na de koffie, wil
-u Papa? ’t behoeft misschien niet zoo dikwijls meer.”
-</p>
-<p>„Zeker mijn kindje, het zou mij nooit te veel zijn, maar ik ben toch wát blij dat
-het gauw niet meer noodig zal zijn.”
-</p>
-<p>Allen zitten in een gelukkige stemming aan de koffietafel en, als ze druk aan het
-vertellen zijn en onderwijl smakelijk eten en drinken, zegt Arthur eensklaps, terwijl
-hij het tafellaken in de hoogte houdt:
-</p>
-<p>„Grootmoeder, kijk eens!”
-</p>
-<p>„Och, jou vervelende jongen,” zegt Grootmoeder en allen beginnen hartelijk te lachen,
-Grootmoeder ook.
-</p>
-<p>„Zoo is hij nu altijd,” zegt Grootmoeder en doet haar best boos te kijken, maar och,
-daar is haar lief gezicht niet toe in staat. „Gelukkig dat jullie het maar bent, anders
-zou ik mij veel erger schamen voor zoo’n gescheurd tafellaken, maar de wasch komt
-gevouwen thuis en nu heb ik het wel nagekeken, maar je weet het, mijn oogen worden
-slecht.”
-</p>
-<p>Lili streelt Grootmoeders hand en zegt: „Lieve Grootmoe, mag ik u weer helpen als
-ik hier kom logeeren?”
-<span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span></p>
-<p>„Graag kindje, ik verlang al dat je komt.”
-</p>
-<p>Na de koffie wordt Lili naar boven gebracht op Arthur’s kamer; hij laat haar al zijn
-schatten zien, al de nieuwe boeken, zijn postzegel-album en prentbriefkaarten. Lili
-heeft ook een verzameling en ze krijgt al de briefkaarten die hij dubbel heeft.
-</p>
-<p>„Wat is dat?” vraagt ze.
-</p>
-<p>„Dat is de ezelpot.”
-</p>
-<p>„De ezelpot? het lijkt een spaarpot.”
-</p>
-<p>„Ja, dat is het ook; heb ik je nog niet verteld, dat ik in ’t volgend jaar misschien
-een ezelwagen krijg? Van Grootmoeder krijg ik den wagen en voor den ezel moet ik zelf
-opsparen. Vader en Moeder hebben er ƒ&nbsp;10 voor gezonden en van Grootmoeder krijg ik
-ook wat als ik door mijn examen kom.”
-</p>
-<p>Arthur is in gedachten verzonken.
-</p>
-<p>„<span class="corr" id="xd30e571" title="Bron: Vindt">Vind</span> je het prettig in Holland?” vraagt Lili.
-</p>
-<p>„In Indië is het veel prettiger en daar zijn Vader en Moeder.”
-</p>
-<p>„Ja, bij je ouders is het natuurlijk het prettigst, maar bij Grootmoeder is het toch
-heerlijk.”
-</p>
-<p>„O ja, als Vader en Moeder maar hier waren, <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>dan zou het hier bijna zoo prettig zijn als in Indië.”
-</p>
-<p>„Verlang je naar de Hoogere Burgerschool?”
-</p>
-<p>„Och, niet erg, ik ken er niemand.”
-</p>
-<p>„O, dat is niets, je maakt wel kennis op het examen. Marietje Geukestein komt ook
-in jou klasse, als ze er door komt.”
-</p>
-<p>„Dat is een meisje, wat kan me dat schelen.”
-</p>
-<p>„’t Is mijn grootste vriendin, ze is heel aardig.”
-</p>
-<p>„Ja, dat kan wel, maar ik wou dat ik een paar jongens kende; maar je moet niet denken
-dat ik er over tob.”
-</p>
-<p>„Waar zou je over tobben?” vraagt de heer Bantam, die binnen komt om Lili te halen.
-</p>
-<p>„Ik tob niet Oom, alleen vind ik het vervelend, dat ik niemand ken van de school.
-Maar er is hier een jongen op het dorp, die ook naar de <abbr title="Hoogere Burgerschool">H.&nbsp;B. S.</abbr> zal gaan, de tuinman vertelde het van morgen, maar ik ken dien jongen niet.”
-</p>
-<p>„Dan moet je eens gauw kennis met hem maken; wie is het?”
-</p>
-<p>„’t Is een zoon van den dominé.”
-</p>
-<p>„O, van den nieuwen dominé; dus die moet de volgende week ook examen doen? dan maak
-je van zelf kennis en je kunt altijd met hem heen en <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>weer loopen naar de stad, dat treft heel goed, en je weet het, je moogt altijd bij
-ons komen koffie drinken en als het een aardige jongen is, mag hij een enkele keer
-ook wel eens meekomen. Ga jullie nu mee naar den tuin?”
-</p>
-<p>„O graag!” zegt Lili en laat zich door haar Vader naar beneden dragen.
-</p>
-<p>„Kijk eens Lili, hier staat de oude bekende wagen al voor je klaar, je zult er nu
-tot afscheid nog eens in rijden. Waar wil je naar toe?”
-</p>
-<p>„Naar den tuinman, hij is zeker achter in den tuin.”
-</p>
-<p>„Kom dan maar; Arthur ga je ook mee?”
-</p>
-<p>„We gaan allemaal mee,” zegt Grootmoeder.
-</p>
-<p>Ze wandelen den geheelen tuin door, Lili voorop in den wagen en Arthur vraagt aan
-Grootmoeder of hij een roos mag plukken voor tante Dora en als hij merkt dat Lili
-de dubbele meizoentjes zoo mooi vindt, wil hij graag een plantje voor haar uitsteken
-en in een bloempotje meegeven, ze kan het dan thuis op haar kamer zetten voor het
-raam.
-</p>
-<p>„Maar lieve jongen,” zegt Grootmoeder, „zoo’n <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>plantje kan ze voor éen stuiver op de markt koopen.”
-</p>
-<p>„Ja maar Grootmoe, dan is het niet uit uw tuin.”
-</p>
-<p>„Neen, dat is waar, dat zal zij misschien liever hebben.”
-</p>
-<p>Lili lacht en zegt: „Ja, veel liever, ik denk mij hier den heelen tuin bij en Grootmoeder
-en Arthur, den baas en Pandoer.”
-</p>
-<p>„Komt de jongejuffrouw niet haast weer logeeren?” vraagt de tuinbaas, die met hen
-mee geloopen heeft. „Ik heb een bankje voor je getimmerd in het bosch.”
-</p>
-<p>„Ja? dat is prettig, maar baas, weet je al dat ik bijna loopen kan?”
-</p>
-<p>„Is het waar? och mijn lieve juffertje, dat kan ik haast niet gelooven.”
-</p>
-<p>„Niet? wil je het zien? toe Papa, wil u me laten loopen?”
-</p>
-<p>„Kom maar kleintje, de baas moet het ook zien, zachtjes aan, ziezoo, sta je stevig?
-kijk baas, daar gaat ze!”
-</p>
-<p>„Wel Heere mijn tijd, heb ik van mijn leven, wat wonder! wat ben ik daar mee in mijn
-schik, <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>wat zal moeder de vrouw daar van op hooren, mensch wat een geluk!”
-</p>
-<p>„Ja baas,” zegt de heer Bantam, „we zijn ook heel gelukkig en dankbaar.”
-</p>
-<p>Nu komt het rijtuig voor om hen weer naar de stad te brengen. Lili neemt het bloempotje
-op haar schoot en zegt:
-</p>
-<p>„Arthur, ga nu eens gauw kennis maken met den jongen van den dominé.”
-<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/h02.png" alt="Hoofdstuk II." width="624" height="199"></div>
-<h2 class="main">Hoofdstuk II.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De Pastorie van Dominé Kemper is in het dorp naast de kerk gelegen. Het huis is begroeid
-met roode en witte rozen; een mooie tuin vol bloemen en heesters ligt er vóor en achter
-het huis is een moestuin en een schuur. Groote dennen staan aan het hek bij de straat.
-</p>
-<p>In de huiskamer vóor aan den tuin, zit Mevrouw Kemper met eenig naaiwerk. Haar achtjarig
-dochtertje Jeanne staat bij de wieg van haar slapend broertje.
-</p>
-<p>„Moeder, is dat waar, is broertje nu al slecht?”
-</p>
-<p>„Kindje, hoe kom je er aan, hij weet nog niet wat goed en slecht is.”
-</p>
-<p>„Zijn wij dan allemaal slecht, Constant, Geertruid en ik, en u en Vader ook.”
-</p>
-<p>„Maar kind, waarom vraag je dat, wie zegt dat?”
-<span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span></p>
-<p>„Dat zegt Dries; hij zegt altijd zulke nare dingen, hij heeft Geertruid aan het huilen
-gemaakt.”
-</p>
-<p>Mevrouw legt haar naaiwerk op tafel en vraagt:
-</p>
-<p>„Waar is Geertruid?”
-</p>
-<p>„Ze is naar boven gegaan om haar kastje op te ruimen, ze had het gisteren niet gedaan,
-en ze wou zoo graag niet slecht zijn.”
-</p>
-<p>Mevrouw staat op, zeggende:
-</p>
-<p>„Pas even op broertje, ik kom dadelijk weer bij je.”
-</p>
-<p>Jeanne gaat weer bij het wiegje staan, ziet naar het lieve kindje, naar zijn kleine
-vuistjes, die uit de strookjes van zijn nachtponnetje te voorschijn komen.
-</p>
-<p>Wat zijn het kleine vingertjes, ze kunnen nog niets vasthouden, nog niet eens Jeanne’s
-vinger, want broertje is nog maar vier weken oud. Jeanne bekijkt haar eigen handen
-en dan weer die van broertje. „Hij kan nog niets,” denkt zij, „en ik kan al lezen
-en schrijven en den kruissteek, en ik kan een strik maken, en broertje kan alleen
-slapen, zuigen en huilen. Hij is nog een beetje dom, maar niet slecht, neen het is
-mijn lief broertje en Dries is een aap.”
-<span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span></p>
-<p>Daar komt Moeder weer binnen met Geertruid aan de hand.
-</p>
-<p>„Vertel me nu eens wat Dries gezegd heeft.”
-</p>
-<p>De zevenjarige Geertruid gaat op het pianostoeltje zitten.
-</p>
-<p>„Dries was boos; we hadden de zaag verstopt in den tijd toen hij naar huis was om
-te eten en toen zei hij, dat we ondeugende kinderen waren vol slechtheid, en dat broertje
-ook slecht was en wij allemaal en alle menschen en toen zei Jeanne dat u en Vader
-niet slecht waart en dat hij een leelijke aap was en toen begon hij zoo te brommen,
-dat ik er bang van werd. Vindt u ons zoo slecht Moeder?”
-</p>
-<p>„Neen lieve Geertruid, je bent niet slecht; maar ook niet goed, dat weet je wel.”
-</p>
-<p>Geertruid kijkt haar Moeder aan en dan naar buiten. Eensklaps springt zij van het
-pianostoeltje en zegt:
-</p>
-<p>„Zal ik mijn kastje heel netjes maken?”
-</p>
-<p>Mevrouw Kemper trekt Geertruid naar zich toe, slaat den arm om haar heen en zegt:
-</p>
-<p>„Je wilt graag een goed kind zijn, denk er nu <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>om, dat je Dries niet altijd moet plagen; doe je hem wel ooit een pleziertje?”
-</p>
-<p>Geertruid denkt na, maar ze kan niets bedenken.
-</p>
-<p>„Dries is ook altijd zoo brommerig en knorrig, hij is nooit aardig tegen ons.”
-</p>
-<p>„Hij is een aap!” zegt Jeanne.
-</p>
-<p>„Kindertjes,” zegt Moeder ernstig, „als de menschen onvriendelijk tegen je zijn, moet
-je eerst eens bedenken of je ook schuld hebt, en dat moet je weer goed maken, en als
-je geen schuld hebt, moet je op allerlei manieren probeeren om de menschen vriendelijk
-te maken; als je het heusch wilt, zal het wel lukken, probeer het maar eens.”
-</p>
-<p>„Moeten we Dries vriendelijk maken? Zoo’n knorrepot? hij kan niet lachen, ik heb het
-nog nooit gezien.”
-</p>
-<p>„Stel je nu maar eens in zijn plaats.”
-</p>
-<p>„Met een pruim in den mond,” zegt Jeanne lachend.
-</p>
-<p>„Neen Jeanne, zonder gekheid; als je nu even als Dries heel alleen waart en zelf je
-eten moest koken in zoo’n ongezellig kamertje, en als je niemand hadt, die verlangend
-naar je uitkeek; niemand <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>die van je hield. En als je niets geleerd hadt dan hout zagen en harken en spitten,
-en als je daarom maar heel weinig geld verdiendet; veel te weinig om zeep en schoone
-kleeren te koopen.”
-</p>
-<p>„Hè Moeder,” zegt Geertruid, „dat zou ik heel akelig vinden.”
-</p>
-<p>„En als er dan kinderen kwamen om je te plagen, zou je dan vriendelijk zijn?”
-</p>
-<p>Jeanne en Geertruid kijken elkaar aan en Jeanne zegt:
-</p>
-<p>„Misschien zou ik ze wel een klap geven.”
-</p>
-<p>„Heeft Dries dat ooit gedaan?”
-</p>
-<p>„Neen, hij bromt alleen.”
-</p>
-<p>„Probeer dan nu eens om vriendelijk tegen hem te zijn, maak hem eens een enkele keer
-in zijn leven blij met iets. Misschien bedenk je wel iets.”
-</p>
-<p>Jeanne en Geertruid vinden nu zelf, dat ze niets aardig tegen dien armen Dries zijn
-geweest en kunnen nu best begrijpen, dat hij ook niet aardig tegen haar is.
-</p>
-<p>„Moeder,” zegt Geertruid, „ik heb den vreemden jongen weergezien.”
-</p>
-<p>„Welken jongen?”
-<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p>
-<p>„Ik geloof, dat hij op Conifera woont; hij liep door het dorp met een zwarten poedel.”
-</p>
-<p>„Is hij van Constant’s leeftijd?”
-</p>
-<p>„Ja, hij zal ook zoowat twaalf jaar zijn.
-</p>
-<p>„Het zou prettig zijn voor Broer als het een aardige jongen is.”
-</p>
-<p>„Hij ziet er aardig uit,” zegt Jeanne, „ik hoop dat we hem nog eens tegen komen.”
-</p>
-<p>Daar gaat de deur open en wat komt daar binnen? een zwarte poedel.
-</p>
-<p>„Hé moeder, dat is de poedel,” roept Jeanne en ze loopt naar den hond, die even rond
-kijkt en dan wegloopt.
-</p>
-<p>„Hier! Fidel! Bruno! Hector! kom dan mijn hondje!” roept Geertruid.
-</p>
-<p>De hond loopt de openstaande voordeur uit en rent over het grind naar den weg en verdwijnt
-achter de dennen.
-</p>
-<p>Jeanne schatert van het lachen en zegt eindelijk:
-</p>
-<p>„Hoe kun je hem ook zulke gekke namen geven, Bruno, een zwarten hond Bruno en Fidel!
-o kind!”
-</p>
-<p>„Bedenk jij dan eens een naam,” zegt Geertruid, „roep hem eens, ik wed dat hij bij
-jou ook niet komt.”
-<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p>
-<p>Jeanne gaat op de stoep staan en fluit.
-</p>
-<p>„Dacht je dat hij nu komen zou?”
-</p>
-<p>„Ja, kijk maar.”
-</p>
-<p>En werkelijk, daar springt de hond weer te voorschijn van achter de dennen, kijkt
-even naar de meisjes en keert dan terug.
-</p>
-<p>Zonder zich een oogenblik te bedenken, hollen de meisjes den tuin door naar de straat
-en staan plotseling voor den vreemden jongen.
-</p>
-<p>Heel verlegen staan ze elkaar aan te kijken, totdat ze alle drie beginnen te lachen
-en de jongen zegt:
-</p>
-<p>„Ik wou zoo graag kennis met jullie maken, ik ken hier niemand, ik ben alleen bij
-Grootmoeder op Conifera.”
-</p>
-<p>„Kom dan maar mee,” zegt Jeanne, „ga mee naar Moeder.”
-</p>
-<p>„Hoe heet je?” vraagt Geertruid.
-</p>
-<p>„Arthur Mung, en hoe heet jullie.”
-</p>
-<p>„Ik heet Geertruid Kemper en zij heet Jeanne en mijn groote broer heet Constant en
-het kleine broertje heet Jantje. Heb je den poedel naar ons toegezonden?”
-<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p>
-<p>„Ja, was dat niet goed bedacht? Nu hebben we in eens kennis gemaakt.”
-</p>
-<p>„Hoe heet de hond?” vraagt Jeanne.
-</p>
-<p>„Raad eens.”
-</p>
-<p>„Pollux of Nero.”
-</p>
-<p>„Neen, je kunt het toch niet raden, hij heet Pandoer.”
-</p>
-<p>„Pandoer? wat een gekke naam.”
-</p>
-<p>„Neen, niets gek, zoo heette mijn oudtante ook; och neen, ik meen, de hond van mijn
-oudtante. Hij is zoo slim, kijk, nu kwispelt hij met zijn klein staartje, hij verstaat
-me wel, niet waar Pandoer?”
-</p>
-<p>De hond springt tegen hem op en tracht hem in ’t gezicht te likken.<span id="xd30e726"></span>
-</p>
-<p>„Neen Pandoer, dat mag volstrekt niet, dat weet je wel. Nu moet je dansen, kom, hop
-Marianneke!”
-</p>
-<p>Pandoer gaat op zijn achterste pooten staan en draait éenmaal in ’t rond.
-</p>
-<p>„Goed zoo, nu is het genoeg.”
-</p>
-<p>De kinderen gaan de voordeur in en komen binnen bij Mevrouw Kemper.
-</p>
-<p>„Moeder,” zegt Jeanne, „dit is Arthur Mung van <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>Conifera. Pandoer heeft gevraagd of hij binnen mocht komen.”
-</p>
-<p>Mevrouw Kemper ziet lachend naar Arthur en den hond en zegt:
-</p>
-<p>„Kom binnen Arthur, ik vind het aardig dat we je nu leeren kennen, we hebben juist
-over je gesproken.”
-</p>
-<p>Pandoer loopt door de kamer, snuffelt overal, komt bij de wieg, gaat met de voorpooten
-op den rand staan en kijkt kwispelstaartend naar het kindje.
-</p>
-<p>„Pas op!” roept Geertruid angstig, „hij zal Jantje kwaad doen.”
-</p>
-<p>„Neen,” zegt Arthur, „hij is dol op kleine kinderen; bij zijn vorigen baas moest hij
-altijd op het kind passen, hij denkt misschien dat het dat is.”
-</p>
-<p>Nu hooren ze iets in de wieg; klein broertje wordt wakker en beweegt zijn armen en
-hoofdje. Arthur kijkt er naar en zegt:
-</p>
-<p>„Hé, zoo’n klein kind heb ik nog nooit gezien, zoo ben ik toch niet geweest?”
-</p>
-<p>„Ja zeker, Jantje is niet zoo heel klein, Jeanne was veel kleiner.”
-</p>
-<p>Arthur bekijkt Jeanne en dan weer het kindje, <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>dat erge rimpels trekt en in zijn oogen gaat wrijven, voorteekens van een huilbui.
-Arthur en Pandoer kijken met de grootste belangstelling en als Jantje hard begint
-te huilen, vraagt Arthur:
-</p>
-<p>„Wat scheelt hem?”
-</p>
-<p>„Hij heeft honger, ik zal de flesch klaar maken, wil je zien hoe hij drinkt?”
-</p>
-<p>„O ja, graag,” zegt Arthur en als Mevrouw het kindje uit de wieg neemt en op haar
-schoot de flesch geeft, staat hij met alle aandacht te kijken.
-</p>
-<p>„Wat leuk, dat is nog aardiger dan een jong hondje; je kunt haast niet begrijpen dat
-dit nu een groote man kan worden, misschien wel een groot man.”
-</p>
-<p>„Een groote man en een groot man,” zegt Geertruid, „waarom zeg je dat? dat is tweemaal
-het zelfde.”
-</p>
-<p>„Neen,” zegt Arthur, „lang niet hetzelfde. Een groot man kan wel heel klein zijn.
-Napoleon was een groot man en toch heel klein.”
-</p>
-<p>„Dat begrijpen ze nog niet,” zegt Moeder, „Constant zou het wel vatten.”
-</p>
-<p>„Ik begrijp het wel,” zegt Jeanne, „tante Cor <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>heeft gezegd, dat Jantje een groot man moest worden en toen heeft tante mij verteld,
-dat een groot man allemaal goede dingen doet, altijd en altijd door bedenkt hij dingen,
-die goed zijn voor alle menschen. Deed Napoleon dat?”
-</p>
-<p>„Neen; maar ze noemen Napoleon een groot man, omdat hij een groot veldheerstalent
-bezat en door zijn buitengewoon vasten wil zooveel bezwaren kon overwinnen. Jammer
-dat iemand met zoo’n krachtigen wil niet iets anders en beters wilde dan landen veroveren.
-Hij had een groot en een goed man kunnen zijn.”
-</p>
-<p>Arthur staat in gedachten verzonken en zegt dan:
-</p>
-<p>„Eerst goed en dan groot.”
-</p>
-<p>„Juist, dat heb je goed gedacht.”
-</p>
-<p>„Moeder,” zegt Jeanne, „ik wou dat Jantje een groot man werd en een goed man.”
-</p>
-<p>„Hè ja,” zegt Arthur, „dat wou ik ook en dat ik hem dan zien kon.”
-</p>
-<p>Moeder glimlacht en zegt: „Geef jullie allemaal dan een goed voorbeeld aan dit kleine
-ventje, hij kan veel van jullie leeren; hij kent nu nog geen goed en geen kwaad.”
-<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p>
-<p>Daar komt Constant binnen, zeer verwonderd een vreemden jongen te zien.
-</p>
-<p>„Dag!” zegt hij. „Zeg, Geertruid, Lorre ligt in de beek.”
-</p>
-<p>Geertruid kijkt verschikt en vraagt:
-</p>
-<p>„Waar? hoe komt dat? wie heeft dat gedaan?”
-</p>
-<p>„Ik, bij ongeluk en ik kan haar er niet weer uit krijgen.”
-</p>
-<p>De tranen springen Geertruid in de oogen.
-</p>
-<p>„Mijn lieve Lorre, nare jongen, waarom heb je dat gedaan? waar is het? ik wil er haar
-uit halen, hi, hi, hi, nare jongen!”
-</p>
-<p>Huilend loopt ze de kamer uit.
-</p>
-<p>„Constant,” zegt moeder, „ga mee, zorg dat ze niet in de beek valt en vraag of Dries
-helpen wil.”
-</p>
-<p>„Mag ik mee?” vraagt Arthur.
-</p>
-<p>„Zeker, loop maar mee.”
-</p>
-<p>De kinderen loopen om het huis heen en Arthur ziet al gauw een aardig brugje en dan
-een stroomende beek.
-</p>
-<p>„Kijk, daar ligt ze,” zegt Constant, „het is daar een beetje diep, ik kan er niet
-bij komen.”
-</p>
-<p>„Wat is het eigenlijk?” vraagt Arthur.
-<span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span></p>
-<p>„Mijn lieve poppetje,” zegt Geertruid huilend.
-</p>
-<p>„Wacht maar,” zegt Arthur, „Pandoer kom hier! zoek!”
-</p>
-<p>Pandoer snuffelt aan Arthur’s hand.
-</p>
-<p>„Daar! in het water!”
-</p>
-<p>Pandoer loopt heen en weer langs de beek en kijkt Arthur altijd aan en springt tegen
-hem op, maar begrijpt niet wat hij doen moet.
-</p>
-<p>„Apporte!” roept Arthur en doet alsof hij wat in het water werpt.
-</p>
-<p>De hond jankt van plezier en is op het punt in de beek te springen, maar hij ziet
-geen rimpelje in het water, hij weet niet wat hij apporteeren moet.
-</p>
-<p>„Domme hond,” zegt Constant.
-</p>
-<p>„Neen, slimme hond,” zegt Arthur, „hij laat zich niet voor den gek houden. Kom hier,
-Pandoer, luister goed, je moet een pop uit het water halen<span class="corr" id="xd30e799" title="Bron: .">,</span> kijk daar is ze.”
-</p>
-<p>Pandoer ziet zijn baas aan en kwispelt met zijn staart.
-</p>
-<p>„Neen Pandoer, kijk in het water, daar!”
-</p>
-<p>Pandoer springt heen en weer en begint te janken.
-<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p>
-<p>„Heb je nog een pop?” vraagt Arthur.
-</p>
-<p>„Ik heb er negen,” zegt Geertruid.
-</p>
-<p>„Haal er dan een.”
-</p>
-<p>„Ja, maar je moogt haar niet in het water gooien.”
-</p>
-<p>„Neen, zeker niet, haal maar gerust.”
-</p>
-<p>Geertruid loopt op een draf weg en komt terug met een groote pop. Arthur neemt haar
-in de hand, laat er den hond aan ruiken en doet dan alsof hij haar in het water wil
-werpen. „Apporte!” roept hij en verstopt haastig de pop op zijn rug. De hond springt
-rond, kijkt naar het water en naar de lucht en dan <span class="corr" id="xd30e815" title="Bron: eenklaps">eensklaps</span> achter Arthur en hapt in de pop.
-</p>
-<p>„Neen! neen, neen!” gilt Geertruid, „mijn mooie Emma, pas op!”
-</p>
-<p>„Wat een domme hond,” zegt Constant.
-</p>
-<p>„Neen,” zegt Arthur, „ik ben dom, dat ik het hem niet zeggen kan. Daar! apporte!”
-Hij gooit zijn hoed in ’t water; dadelijk springt Pandoer hem na en komt er mee terug
-bij Arthur.
-</p>
-<p>„Mooi!” roept Constant, „maar nu is je hoed nat.”
-</p>
-<p>„Ja, ik kon niet verdragen, dat je mijn hond dom vindt. Kom hier Pandoer, ruik nu
-eens goed.”
-</p>
-<p>Hij houdt hem een grooten steen en dan de pop <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>onder den neus. Als Pandoer genoeg gesnuffeld heeft, gooit Arthur den steen in ’t
-water, dicht bij de verdronken pop. Nu springt de hond in de beek, duikt en hapt naar
-den steen, maar hij kan hem niet vast houden, de steen is te groot en hij komt onverrichter
-zake terug. Hij schudt zich uit vóor Arthur’s voeten en kijkt hem jankend aan.
-</p>
-<p>„Allons! zoek! apporte!” zegt Arthur weer met een gebiedende stem.
-</p>
-<p>De hond springt weer in het water en nu ziet hij de pop naast den steen. Gelukkig!
-denkt Pandoer, hij hapt in de jurk en is in een oogenblik uit het water met de druipnatte
-pop in den bek en legt haar kwispelstaartend voor <span class="corr" id="xd30e830" title="Bron: Arhur’s">Arthur’s</span> voeten.
-</p>
-<p>„Hoezee!” juichen de kinderen, „hoezee! beste Pandoer, knap gedaan!”
-</p>
-<p>„Hè,” zegt Arthur, „dat heeft geduld gekost. Mijn arme hoed, wat zal Grootmoeder wel
-zeggen!”
-</p>
-<p>Eensklaps keert hij zich naar Constant en zegt:
-</p>
-<p>„Ga je examen doen voor de <abbr title="Hoogere Burgerschool">H.&nbsp;B. S.</abbr>?”
-</p>
-<p>„Ja,” zegt Constant, „de volgende week.”
-</p>
-<p>„Ik ook,” zegt Arthur.
-</p>
-<p>„Hè, dat is leuk,” roept Constant verheugd<span class="corr" id="xd30e845" title="Niet in bron">,</span> <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span><span class="corr" id="xd30e848" title="Niet in bron">„</span>dan gaan we samen, gauw aan Moeder vertellen, ga je mee?”
-</p>
-<p>Ze gaan samen naar huis, Geertruid is al vooruit geloopen en vertelt hoe Pandoer Lorre
-gered heeft.
-</p>
-<p>„Is het nu een slimme hond of niet?” vraagt Arthur binnenkomend.
-</p>
-<p>„Een heel slimme,” zegt Mevrouw, „maar ik geloof dat jij ook slim bent.”
-</p>
-<p>Arthur lacht en naar de wieg gaande, kijkt hij naar Jantje en aait heel zacht over
-het handje, dat op het laken ligt.
-</p>
-<p>„Aardig diertje,” zegt hij, „ik ben nieuwsgierig hoe je worden zult. Maar ik moet
-naar huis.”
-</p>
-<p>„Moeder,” zegt Constant, „hij gaat ook examen doen, we kunnen samen gaan, is dat niet
-leuk? mag ik hem nu wegbrengen tot Conifera? dan kunnen we er over praten.”
-</p>
-<p>„Goed jongen, ga maar mee Constant, tot Conifera en dan terug komen.”
-</p>
-<p>Arthur neemt afscheid en druk pratend gaan de de jongens samen den weg op.
-<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/h03.png" alt="Hoofdstuk III." width="623" height="204"></div>
-<h2 class="main">Hoofdstuk III.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In een schuur achter de pastorie van Dominé Kemper, is Dries bezig hout te zagen en
-klein te hakken. Het is een man van bijna 60 jaar; zijn gezicht is bruinachtig geel,
-vol rimpels en zwarte baardstoppels, want het is Vrijdag en Dries laat zich alleen
-des Zaterdags scheren. Hij heeft een dikke wang; Jeanne dacht eerst dat hij kiespijn
-had, maar nu weet zij al lang dat het een pruim tabak is.
-</p>
-<p>Geertruid staat voor de open deur naar hem te kijken. Hij heeft haar wel gezien, maar
-hij neemt niets geen notitie van haar. Hij heeft het laatste blokje van een berkeboom
-met den bijl doorgekloofd en begint nu al de houtjes netjes op te stapelen. Hij moet
-zich gedurig bukken en als hij dan weer recht staat, trekt hij telkens zijn <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>broek op en steunt met de hand in den rug, als of hij pijn heeft.
-</p>
-<p>Geertruid blijft staan kijken en denkt onderwijl het volgende:
-</p>
-<p>„Zou hij het prettig vinden om die houtjes op te stapelen? ’t Ziet er wel prettig
-uit, precies een blokkendoos. Wat heeft hij vuile handen, ik zou hem niet graag een
-hand geven, waarom wascht hij ze niet. Hoe moet ik hem nu vriendelijk maken? hij ziet
-er alweer knorrig uit. Nu heeft hij de pruim in de andere wang, vies!”
-</p>
-<p>„Dag Dries.”
-</p>
-<p>„Hm.”
-</p>
-<p>„Dries, ik zeg je goeden dag.”
-</p>
-<p>„Kom je mij weer plagen?”
-</p>
-<p>„Neen, ik plaag je niet, ik wil je wel een handje helpen.”
-</p>
-<p>„Dat kun je net denken, ik heb je hier niet noodig.”
-</p>
-<p>Geertruid krijgt een kleur en zegt in zich zelf: „zie je nu wel, hij kan niet vriendelijk
-worden.”
-</p>
-<p>Zij loopt op een draf naar huis en zoekt Moeder, die bezig is bij broertjes wieg kousen
-te mazen.
-</p>
-<p>„Moeder, nu heb ik geprobeerd om Dries vriendelijk <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>te maken, maar hij is knorrig tegen mij, ’t helpt niet.”
-</p>
-<p>„Wat heb je dan gedaan?”
-</p>
-<p>Geertruid vertelt alles en Moeder zegt:
-</p>
-<p>„Nu kan ik wel nagaan, dat jullie hem dikwijls geplaagd hebt, hij verwacht niets geen
-goed van je, hij vertrouwt je niet.”
-</p>
-<p>Geertruid kijkt hare Moeder verschrikt aan, krijgt een kleur en zegt:
-</p>
-<p>„’t Is een vervelende brompot.”
-</p>
-<p>„Ja, en dien moet jullie nu veranderen in een vriendelijken man.”
-</p>
-<p>„Och Moeder, dat kan immers niet?”
-</p>
-<p>„Geef je nu den moed al op? je hebt nog niets gedaan dan hem goeden dag zeggen. Denk
-je dat hij dat zoo prettig vindt? Wat kan hem dat schelen of zoo’n kind, dat hem altijd
-plaagt, hem goeden dag zegt? Als hij veel van je hield, zou hij het wel prettig vinden.
-Toen ik een klein meisje was, liep ik zoo graag langs het huis van een oude dame,
-alleen om een groetje van haar te krijgen.”
-</p>
-<p>„Ik weet niet hoe ik het doen moet,” zegt Geertruid klagend.
-<span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span></p>
-<p>„Stel je nu maar eens in de plaats van Dries en bedenk dan wat je graag zoudt willen.
-Ga nu maar weer naar buiten.”
-</p>
-<p>Geertruid gaat langzaam de deur uit, drentelt naar het schuurtje en gaat op eenigen
-afstand op een kruiwagen zitten met de hand onder de kin en peinst en peinst.…
-</p>
-<p>Dries heeft intusschen de houtjes netjes opgestapeld en een ander stuk van een boom
-onder de zaag gelegd; hij veegt den mond af met den rug van zijn hand en begint weer
-te zagen.
-</p>
-<p>Daar komt Mina met een kommetje koffie voor Dries.
-</p>
-<p>„Mina, Mina!” zegt Geertruid haastig opspringend, „toe laat mij het aan Dries geven,
-toe maar, ik zal niet morsen.”
-</p>
-<p>„Voorzichtig dan,” zegt Mina, „pas op, zachtjes loopen.”
-</p>
-<p>Geertruid loopt voetje voor voetje met het kommetje naar Dries; dat gaat gelukkig
-goed.
-</p>
-<p>„Dries, daar is een kopje koffie voor je.”
-</p>
-<p>„Zet daar maar neer,” zegt Dries terwijl hij doorgaat met zagen.
-<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span></p>
-<p>Geertruid is teleurgesteld; ze had gedacht dat hij haar vriendelijk of niet vriendelijk
-zou bedanken, maar toch in elk geval bedanken.
-</p>
-<p>Ze loopt weer naar huis en vertelt aan Moeder wat ze gedaan heeft. Deze lacht en strijkt
-Geertruid liefkozend over haar gladharig bolletje.
-</p>
-<p>„Houd maar vol, doe je best maar, de man kan niet zoo gauw veranderen, het is hem
-nooit geleerd en hij heeft nooit veel vriendelijkheid ondervonden, hij kent het nog
-niet. Als je nu altijd vriendelijk tegen hem bent, zal hij misschien van je gaan houden
-en naar je verlangen. Kijk, loopt daar de poedel van Arthur?”
-</p>
-<p>„Ja!” juicht Geertruid en ze loopt naar den weg.
-</p>
-<p>„Pandoer! kom eens hier!”
-</p>
-<p>Daar komt Pandoer aangesprongen en ook Arthur loopt naar het hek van de Pastorie.
-</p>
-<p>„Dag Geertruid, is Lorre weer droog?”
-</p>
-<p>„Ja, maar ze is zoo leelijk opgedroogd, de wangetjes zijn heelemaal wit geworden.”
-</p>
-<p>„Zal ik ze opverven? ik heb een kleurdoos.”
-</p>
-<p>„Kun je het mooi?”
-</p>
-<p>„Ja zeker, geef maar mee.”
-<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>
-</p>
-<div class="figure plate02width"><img src="images/plate02.jpg" alt="" width="577" height="720"></div><p>
-<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p>
-<p>„Ja maar, ze is heelemaal zoo leelijk, het haar is losgeweekt en het lijf is zoo raar
-met bultjes.”
-</p>
-<p>„O, dat is niets, Grootmoeder weet er misschien wel raad voor, geef maar hier.”
-</p>
-<p>Geertruid loopt het huis in en Arthur staat naar Pandoer te kijken die een kapelletje
-naloopt. De dorpsklok slaat 12 uur en even daarna komt Dries langs het huis en gaat
-het hek uit. Op den weg blijft hij stil staan, haalt een pijp uit den vestzak en een
-papieren zak uit zijn jas. Hij neemt er voorzichtig een beetje tabak uit en stopt
-dat in de pijp. Het kleine restje bergt hij voorzichtig weer weg en terwijl hij de
-pijp in den mond houdt, trekt hij zijn broek op en haalt een luciferdoosje te voorschijn.
-Hij steekt de pijp op met den laatsten lucifer uit het doosje, dat hij met een knorrig
-gezicht weggooit en loopt dan naar het dorp toe.
-</p>
-<p>Arthur heeft hem goed bekeken en zegt in zich zelf: „Arme drommel.”
-</p>
-<p>„Hier is Lorre,” zegt Geertruid terug komend, „wanneer breng je haar terug?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet, als ze klaar is, denk ik. <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>Hoe is het met dat kleine diertje in de wieg? Kan het al haast loopen?”
-</p>
-<p>„Loopen? nog lang niet, jij hebt ook geen verstand van kleine kinderen; je moet niet
-zeggen diertje.”
-</p>
-<p>„Dat is juist een lief naampje, ik vind een jong hondje ook lief en een poesje.”
-</p>
-<p>„En jonge biggetjes,” zegt Geertruid, „en kuikentjes en eendjes; mijn broertje is
-toch het liefst van allemaal.”
-</p>
-<p>„Die man, die hier zoo even het hek uitkwam, was dat jullie tuinman?” vraagt Arthur.
-</p>
-<p>„Ik weet niet welke man.”
-</p>
-<p>„Ik dacht er over, of hij ook een aardig kindje zou zijn geweest met zulke kleine
-rose vingertjes en zachte wangetjes.”
-</p>
-<p>„Wat deed die man dan?” vraagt Geertruid.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e944" title="Niet in bron">„</span>Hij stak zijn pijpje op; hij had zulke zwarte barsterige handen en hij liep met een
-afgezakte broek.”
-</p>
-<p>„O, dat is Dries!” en Geertruid schatert van het lachen, „hij een lief kindje! o,
-hoe bedenk je het!”
-</p>
-<p>„Ja,” zegt Arthur, „als jouw broertje nu aan arme menschen werd gegeven en precies
-zoo opgevoed <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>als Dries, dan kreeg hij later ook zulke handen en dan ging hij misschien ook tabak
-kauwen en dan kreeg hij ook zoo’n vies gezicht.”
-</p>
-<p>„Hè neen, dat moet je niet zeggen van mijn lief broertje, dan vind ik je niets aardig.”
-</p>
-<p>Arthur begint te lachen en zegt:
-</p>
-<p>„Jantje is nu een heel lief kindje, gelukkig dat hij bij jullie is en niet bij Dries.
-Maar het is daarom toch waar wat ik zeg, en Dries is een arme stumper en ik denk dat
-niemand van hem houdt. Wat zou ik het naar vinden als niemand van mij hield.”
-</p>
-<p>„Dan moest hij maar wat vriendelijker zijn en zich goed wasschen. Zal ik je eens wat
-zeggen? Moeder heeft gezegd dat ik hem vriendelijk moest maken, maar ik weet niets
-te bedenken om hem een pleziertje mee te doen; zou jij wat weten? wat zou hij graag
-willen hebben?”
-</p>
-<p>„Tabak,” zegt Arthur.
-</p>
-<p>„Ja? o, gelukkig, ik zal wat aan Vader vragen.”
-</p>
-<p>„Weet je wat Dries ook wel graag zou willen hebben?”
-</p>
-<p>„Neen, wat dan?”
-<span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span></p>
-<p>„Een paar bretels.”
-</p>
-<p>Geertruid kijkt hem nadenkend aan en vraagt: „Bretels? waarvoor?”
-</p>
-<p>„Wel, om zijn broek mee vast te houden.”
-</p>
-<p>„O ja, ja! dat zal ik aan Moeder zeggen, gelukkig! nu weet ik wat.”
-</p>
-<p>„Ik moet gauw naar huis,” zegt Arthur, „dag Geertruid, bonjour!” en met Lorre vóor
-in zijn blouse, rent Arthur naar Conifera.
-</p>
-<p>„Moeder,” zegt Geertruid binnenkomend, „ik weet wat! bretels!”
-</p>
-<p>Mevrouw Kemper kijkt verwonderd en vraagt:
-</p>
-<p>„Wat wou je daarmee?”
-</p>
-<p>„Voor Dries, toe Moesje, mag ik bretels hebben?”
-</p>
-<p>„Moet Moeder ze koopen en Geertruid ze aan Dries geven?”
-</p>
-<p>Geertruid zegt aarzelend:
-</p>
-<p>„Ja, toe Moesje, als ’t u blieft?”
-</p>
-<p>„Moeder moet zoo veel koopen, je moet iets bedenken dat geen geld kost.”
-</p>
-<p>„Hè Moeder, Arthur zei dat Dries zoo blij zou zijn met bretels, is zeven cent genoeg?
-die heb ik nog.”
-<span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span></p>
-<p>Mevrouw Kemper lacht en zegt:
-</p>
-<p>„Ik weet wat, <span class="corr" id="xd30e982" title="Bron: vindt">vind</span> je het prettig als het een presentje is heelemaal alleen van jou?”
-</p>
-<p>„Ja, dan zou hij misschien wel van mij houden, is zeven cent genoeg?”
-</p>
-<p>„Ja, maar dan moet je ze zelf breien van geel katoen.”
-</p>
-<p>„Breien? ikke?”
-</p>
-<p>„Ja, je kunt immers al recht breien en dan zal ik je wel helpen, je zult eens zien
-hoe goed het gaat en telkens als je een flink stuk gebreid hebt, zal ik je een cent
-geven om het breikatoen mee te betalen.”
-</p>
-<p>Geertruid kijkt haar moeder nog weifelend aan, dan komt er plotseling een glans over
-haar gezicht en vroolijk juicht zij:
-</p>
-<p>„Ik zal zelf de bretels maken en ze zelf betalen! wat zal Dries blij zijn!”
-<span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/h04.png" alt="Hoofdstuk IV." width="624" height="197"></div>
-<h2 class="main">Hoofdstuk IV.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het is Dinsdag morgen, de dag waarop Arthur en Constant examen moeten doen. Arthur
-is vroeg opgestaan en na een hartelijk afscheid van Grootmoeder en van Pandoer, wandelt
-hij naar den straatweg en ziet Constant Kemper ook aan komen. Ze hadden afgesproken
-op denzelfden tijd de deur uit te gaan en uitgerekend samen te komen bij het huis
-van Jacob Drieman, den bode en dat komt precies uit.
-</p>
-<p>„Zeg, Arthur,” roept Constant als hij dicht bij dezen is, „weet je dat Pandoer daar
-achter je in die droge sloot loopt?”
-</p>
-<p>„Pandoer?” zegt Arthur verschrikt, „en ik heb hem thuis opgesloten en gezegd, dat
-hij niet mee mocht. Allons Pandoer, gauw naar huis!” Pandoer blijft stil staan.
-<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p>
-<p>„Allons! naar huis!” zegt Arthur.
-</p>
-<p>Pandoer gaat op den grond liggen en kwispelt met zijn kort staartje.
-</p>
-<p>„Hij zal wel terug gaan,” zegt Arthur, „hij is gehoorzaam, kom, laten we maar gaan.”
-</p>
-<p>De jongens stappen door en kijken nog eens om en Pandoer blijft stil liggen.
-</p>
-<p>Een eind verder kijkt Arthur nog eens om en Pandoer is weg.
-</p>
-<p>„Gelukkig, ik dacht het wel, het is een gehoorzame hond.”
-</p>
-<p>Druk pratend loopen de jongens verder. Het is heerlijk weer, niet al te warm, juist
-prettig zomerweer.
-</p>
-<p>„Voor het rekenen ben ik niet bang,” zegt Constant, „maar voor geschiedenis en Fransch.”
-</p>
-<p>„Ik juist andersom,” zegt Arthur, „en dat is veel erger, ze letten het meest op goed
-rekenen. Ik heb geen rekenhoofd. Wel sapperloot!”
-</p>
-<p>„Wat is het?” vraagt Constant.
-</p>
-<p>„Die ondeugende hond!” en Arthur wijst vooruit, waar Pandoer midden op den weg staat
-met den staart tusschen de pooten.
-<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p>
-<p>„Hij weet het best, die rakker, wat moet ik nu doen? hij mag niet mee, ik weet niet
-waar ik hem laten moet; verbeeld je, dat hij op het examen binnen kwam, ’t zou een
-reden zijn om te zakken.”
-</p>
-<p>„Je zult hem naar huis moeten brengen, laten we maar gauw omkeeren, ’t is vroeg genoeg.”
-</p>
-<p>Arthur is blij met dien voorslag en op een holletje loopen ze terug, Pandoer achter
-hen aan.
-</p>
-<p>„Nu zullen we je beter opsluiten,” zegt Arthur, terwijl hij met den hond de voordeur
-van Conifera binnenkomt.
-</p>
-<p>„Pas op, laat hij het niet hooren,” zegt Constant lachend „hij is zoo slim.”
-</p>
-<p>„Kom hier Pandoer!” en Arthur laat hem de spreekkamer in. O jé, het raam staat open
-en dat ziet Pandoer ook; floeps! er uit, en in dolle sprongen rent hij over het gazon.
-</p>
-<p>„Jongens,” roept Grootmoeder uit de eetkamer, „wat is dat? waarom ben je terug gekomen?”
-</p>
-<p>„Och Grootmoeder, ik had Pandoer opgesloten en nu is hij ons nageloopen, hij mag niet
-mee, wie heeft hem losgelaten?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet, maar daar moet beter voor <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>gezorgd worden. Rika! kom eens gauw hier!”
-</p>
-<p>Arthur heeft intusschen met veel moeite den hond te pakken gekregen en brengt hem
-weer in de spreekkamer. Constant heeft het raam dicht gedaan.
-</p>
-<p>„Ziezoo, zoet zijn! pas op als je me weer na loopt.”
-</p>
-<p>Hij draait den sleutel om en vraagt aan Grootmoeder en aan Rika of ze er alsjeblieft
-goed op willen passen en hem niet loslaten voor 12 uur.
-</p>
-<p>„Wil je hem als wij weg zijn, zijn waterbakje geven, Rika?”
-</p>
-<p>„Ja, ik zal wel voor hem zorgen.”
-</p>
-<p>Terwijl Pandoer een deuntje huilt, loopen de jongens op een draf naar de stad.
-</p>
-<p>Ze komen gelukkig nog bijtijds aan het gebouw der Hoogere Burgerschool, waar reeds
-verscheiden jongens en vier meisjes heen en weer drentelen.
-</p>
-<p>„Weet jij wie Marietje Geukestein is?” vraagt Arthur.
-</p>
-<p>„Neen, ik ken hier niemand, we wonen nog zoo kort in Adorp.”
-</p>
-<p>„Wie zou het zijn, die kleine dikkert, met die lange zwarte haren?”
-<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span></p>
-<p>„Neen, ik denk eerder die lange blonde met die blauwe jurk.”
-</p>
-<p>„Hè neen, ik denk de zwarte,” zegt Arthur.
-</p>
-<p>„Die met de groene jurk kan het ook wel zijn.” zegt Constant.
-</p>
-<p>„Och jongen, die heeft al opgestoken haar, die is zeker voor de 4<sup>de</sup> klasse.”
-</p>
-<p>„En die andere dan met de donkerblauwe jurk en het blonde haar?”
-</p>
-<p>„Die is nog zoo klein, veel kleiner dan Lili, neen, die is het zeker niet.”
-</p>
-<p>„Nu, we zullen het wel gauw merken.”
-</p>
-<p>De deur van de school wordt geopend; er klinkt een schel, de concierge komt op de
-stoep en verzoekt de jongens en meisjes binnen te gaan.
-</p>
-<p>„Die voor de 1<sup>ste</sup> klasse hier links,” zegt hij, „de anderen de trap op naar boven.”
-</p>
-<p>Arthur en Constant gaan met verscheiden anderen, waaronder ook drie van de vier meisjes,
-in een groot lokaal links en dadelijk daarna komt een heer binnen.
-</p>
-<p>„Goeden morgen jongelui, examen doen? vooruit dan maar.”
-<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p>
-<p>Hij haalt een aanteekenboek uit zijn zak en leest op:
-</p>
-<p>„Johannes Bredero.”
-</p>
-<p>Een lange jongen met voorovergebogen hoofd en slappe knieën komt verlegen naar voren.
-</p>
-<p>„N<sup>o</sup>. éen, ga daar zitten.”
-</p>
-<p>Hij wijst op een bank, dicht bij het bord.
-</p>
-<p>„N<sup>o</sup>. twee, Gerard Bunte.”
-</p>
-<p>„Het gaat alphabetisch<span class="corr" id="xd30e1080" title="Bron: .">,</span>” fluistert Constant Kemper Arthur in het oor, „nu komen wij hoop ik bij elkaar, eerst
-de K en dan de M.”
-</p>
-<p>„Als er geen met een L zijn,” zegt Arthur.
-</p>
-<p>„N<sup>o</sup>. drie, Anna Fladder.”
-</p>
-<p>Het meisje met het zwarte haar komt naar voren.
-</p>
-<p>„Dat is dus Marietje niet,” fluistert Arthur.
-</p>
-<p>„N<sup>o</sup>. vier, David Godard.”
-</p>
-<p>Een dreumes, met vroolijke, guitige oogjes, stapt haastig uit de rij en gaat met opgeheven
-hoofd voor den heer staan. Deze ziet hem lachend aan en zegt:
-</p>
-<p>„Op die bank daar! en geen gekheid maken.”
-</p>
-<p>David trekt een gezicht en springt in de bank.
-<span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span></p>
-<p>„Pas op, nu zal Geukestein komen,” fluistert Arthur.
-</p>
-<p>„N<sup>o</sup>. vijf, Anthonie Gaarland.”
-</p>
-<p>„N<sup>o</sup>. zes, Marie Geukestein.”
-</p>
-<p>Het kleine meisje met de donkerblauwe jurk en het blonde haar, wordt door de lange
-blonde vooruit geduwd, zoodat ze bijna struikelt en met een kleur voor mijnheer komt
-te staan.
-</p>
-<p>Deze ziet met een misnoegden blik naar de lange blonde en zegt dan vriendelijk:
-</p>
-<p>„Zoo Marietje? ben jij daar ook? flink, kleine meid, jij op die bank.”
-</p>
-<p>Zoo gaat het door tot n<sup>o</sup>. tien, dat is Amalia Keer en dan:
-</p>
-<p>„N<sup>o</sup>. elf, Constant Kemper.”
-</p>
-<p>Arthur ziet de overblijvenden rond en denkt „wie nu?”
-</p>
-<p>„N<sup>o</sup>. twaalf, Karel Kever.”
-</p>
-<p>„N<sup>o</sup>. dertien, Arthur Mung.”
-</p>
-<p>„Een er tusschen, dat is jammer,” denkt Arthur, terwijl hij naar de hem toegewezen
-plaats gaat, juist achter Marietje Geukestein. Deze kijkt aandachtig naar hem en Arthur
-kan niet laten haar <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>toe te knikken. Vriendelijk lachend knikt ze terug en kijkt gauw vóór zich.
-</p>
-<p>Nu komen er nog verscheiden jongens tot n<sup>o</sup>. 25 toe en dan begint het examen. Eerst schriftelijk werk, rekenkunde en Nederlandsch
-en er is altijd iemand om toezicht te houden, ze mogen elkaar volstrekt niet helpen.
-Wie het werk af heeft, mag heen gaan en om half twee moeten ze terug komen voor het
-mondeling examen.
-</p>
-<p>Constant is iets vroeger klaar dan Arthur en blijft buiten op hem wachten. Als hij
-hem eindelijk de stoep ziet afkomen, vraagt hij:
-</p>
-<p>„Heb je moed?”
-</p>
-<p>„Neen, heelemaal niet, ’t is mis hoor.”
-</p>
-<p>„Kom, je moet niet zoo gauw den moed verliezen, waarom zou het mis zijn?”
-</p>
-<p>„Ik kon die derde som niet goed krijgen.”
-</p>
-<p>„Heb je de anderen goed?”
-</p>
-<p>„Ja, dat geloof ik wel.”
-</p>
-<p>„Nu, dan behoef je niet zoo bang te zijn, als je het andere werk ook goed hebt.”
-</p>
-<p>„O, dat andere, dat was zoo gemakkelijk, dat kan een klein kind wel.”
-<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p>
-<p>„Nou,” zegt Constant, terwijl hij zich achter het oor krabt, „<span class="corr" id="xd30e1161" title="Bron: vondt">vond</span> jij dat dictée zoo gemakkelijk?”
-</p>
-<p>„Ja, jij niet?”
-</p>
-<p>„Neen, ik verstond het niet altijd.”
-</p>
-<p>„O, dat hindert niet, als je maar geen taalfouten hebt gemaakt. Waar is nu de melkinrichting?”
-</p>
-<p>„Het moet dien kant uit zijn,” zegt Constant en omziend, bemerkt hij dat Gerard Bunte
-achter hen loopt.
-</p>
-<p>„Weet jij soms waar de melkinrichting is?” vraagt Constant.
-</p>
-<p>„Jawel, ik ga er ook heen, laten we samen gaan<span class="corr" id="xd30e1172" title="Bron: ”.">.”</span>
-</p>
-<p>Arthur loopt een eind mee en vraagt aan Gerard:
-</p>
-<p>„Woon je hier niet?”
-</p>
-<p>„Neen, ik woon buiten de stad, drie kwartier hier vandaan, dicht bij Bdorp.
-</p>
-<p>„Dat is juist den anderen kant op,” zegt Constant, „wij wonen in Adorp.”
-</p>
-<p>Ze praten over het examen en over verschillende jongens en meisjes en Gerard zegt
-lachend: „zou n<sup>o</sup>. éen een bolleboos zijn?”
-</p>
-<p>„Die stakker,” zegt Arthur, „hij zal wel n<sup>o</sup>. laatst <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>worden en hij lijkt al zoo oud; wat zat hij suf te kijken.”
-</p>
-<p>„Ongelukkig toch, als je zoo bent,” zegt Constant. „Die kleine David is een kranig
-kereltje, welk een verschil, die heeft vrij wat prettiger leven dan die slappe jongen,
-daar kun je zeker van zijn.”
-</p>
-<p>„Die slappe kan het toch zeker niet helpen en voor David is het geen verdienste,”
-zegt Arthur nadenkend, „maar nu moet ik die straat in, daar woont Oom Bantam, bonjour!”
-</p>
-<p>Constant en Gerard gaan samen verder, om in de <span class="corr" id="xd30e1195" title="Bron: melkinrichtig">melkinrichting</span> hun boterhammen op te eten.
-</p>
-<p>Als Arthur bij Oom en Tante Bantam binnen komt, wordt hij dadelijk begroet met de
-vraag:
-</p>
-<p>„En hoe is het gegaan?”
-</p>
-<p>Hij vertelt alles en Lili vindt het grappig, dat hij juist achter Marietje Geukestein
-heeft gezeten.
-</p>
-<p>„Had zij moeite met haar werk?”
-</p>
-<p>„Neen, ik geloof het niet, ze zat heel vlug te schrijven, ik geloof dat ze al de zinnen
-af had.
-</p>
-<p>„O dat dacht ik wel, maar het rekenen?”
-</p>
-<p>„Toen zat ze lang met de handen onder het hoofd en ze zuchtte.”
-<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p>
-<p>„O jé! ik hoop toch zoo dat ze er door komt.”
-</p>
-<p>Arthur vertelt van den slappen Johannes Bredero en Oom Bantam zegt:
-</p>
-<p>„O, dat is een jongen, die geen ouders meer heeft en bij een getrouwde zuster aan
-huis woont; met dien jongen moet je medelijden hebben, hij bezit geen cent en is geheel
-afhankelijk van zijn zwager en zuster.”
-</p>
-<p>„Die arme jongen.”
-</p>
-<p>„Ja, zeg dat wel en help hem voort als je kunt. Maar vertel eens wat van den jongen
-Kemper.”
-</p>
-<p>„O, dat is een leuke jongen, en hij is knap, hij zal er wel komen.”
-</p>
-<p>„Nu, ik hoop, dat jullie er allebei komt. Maar hoe is die familie van hem?”
-</p>
-<p>„Aardige menschen; ik heb gisteren voor het eerst den dominé gezien, hij leert Constant
-zoo veel, hij vertelt zooveel, vooral op de wandeling. Ik wou dat Papa en Mama ook
-hier waren.”
-</p>
-<p>„Ja, beste jongen,” zegt tante hartelijk, „dat wou ik ook; maar als je iets hebt dat
-je hindert, dan kun je het hun schrijven en je weet, dat ze altijd in de verte aan
-je denken en prettige brieven aan je schrijven, dat heeft die Johannes niet.”
-<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p>
-<p>Arthur ziet Tante aan en zegt:
-</p>
-<p>„Ik heb het veel beter dan die jongen en dan bij die lieve Grootmoe te zijn: als ik
-nu maar door mijn examen kom.”
-</p>
-<p>„Heeft Constant Kemper ook zusjes?” vraagt Lili.
-</p>
-<p>„Ja, Jeanne en Geertruid en nog een klein broertje. O ja, ik heb een pop van Geertruid
-thuis, die moet ik opverven en opknappen, maar Grootmoeder zegt, dat het geen jongenswerk
-is.”
-</p>
-<p>„Neen, dat denk ik ook,” zegt Lili, „dat zou juist een werkje voor mij zijn. Breng
-haar morgen maar mee.”
-</p>
-<p>„O graag, ik ben al bezig geweest met verven, maar het ging niet.”
-</p>
-<p>Arthur vertelt, hoe Pandoer de pop uit de beek heeft gehaald en dan op de klok ziend:
-</p>
-<p>„Doossie! ik moet weg, kijk, daar staan Constant en Gerard Bunte op mij te wachten.
-Dag Oom, dag Tante, dag Li! tot morgen!”
-</p>
-<p>„Denk aan de pop!” roept Lili.
-</p>
-<p>„Ja!”
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Dien middag hebben de jongens nog angstige <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>oogenblikken als hun veel over geschiedenis en aardrijkskunde wordt gevraagd, maar
-ze boffen nog al, Arthur krijgt zelfs een heerlijke beurt over Karel den Grooten en
-daardoor wordt hij zoo moedig, dat hij verder ook met veel zelfvertrouwen antwoordt.
-Constant maakt het ook goed en denkt: „gelukkig dat ik den laatsten tijd zoo hard
-gewerkt heb.”
-</p>
-<p>Ze moeten den volgenden dag om 9 uur terug komen.
-</p>
-<p>„Hè,” zegt Constant op de terugwandeling, „het valt me nu nog al mee, maar ik wou
-dat ik mijn Nederlandsch nog even mocht verbeteren, ik heb me leelijk vergist.”
-</p>
-<p>„Kijk,” zegt Arthur, „is dat onze bode met zijn karretje?”
-</p>
-<p>„Ja, Jacob Drieman, wat heeft hij het warm, ’t is ook een heel vrachtje. Dag Jacob!
-druk gehad?”
-</p>
-<p>„Ja jongeheer, ik zal blij zijn als ik thuis ben, ik heb den mond vol stof.”
-</p>
-<p>„Ja, dat komt omdat je achter je wagen loopt.”
-</p>
-<p>„Als ik een ezel was, liep ik er voor; had ik er maar een.”
-<span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span></p>
-<p>„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Arthur, en de jongens loopen verder en laten Jacob
-gauw een eind achter zich.
-</p>
-<p>„Kijk! kijk! dacht ik het niet? Grootmoeder heeft hem los gelaten. Pandoertje! ben
-je daar? ja, nu mag je wel, beste hond! van morgen was je een rakker, och, eigenlijk
-toch niet, ho, ho, gooi me niet om, bedaar een beetje, zoo, nu is ’t genoeg.”
-</p>
-<p>Vroolijk stoeiend met den hond, loopen de jongens naar huis, Arthur naar Conifera
-en Constant naar de Pastorie.
-</p>
-<p>Jeanne en Geertruid staan <span class="corr" id="xd30e1253" title="Bron: hij">bij</span> het hekje uit te kijken en roepen al van verre:
-</p>
-<p>„Kom je er door?”
-</p>
-<p>Constant lacht en roept terug:
-</p>
-<p>„Ja, door het hek, heel graag!”
-</p>
-<p>„Och neen, door het examen!”
-</p>
-<p>„O, dat weet ik niet. Wat heb je daar in je schort?”
-</p>
-<p>Geertruid heeft haar schort opgenomen en achter vast geknoopt.
-</p>
-<p>„Daar zit mijn kluwen in, ik brei.”
-<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span></p>
-<p>„Och dat kind,” zegt Jeanne, „nu loopt ze den heelen dag te breien, in den tuin en
-thuis en op de trap, overal.”
-</p>
-<p>„Ja, het moet ook gauw af, kijk eens, zoo’n eind heb ik al!”
-</p>
-<p>Ze laat een band zien, gebreid van geel breikatoen.
-</p>
-<p>„O, dat worden bretels voor Dries, mooi!” zegt Constant en hij loopt gauw naar zijn
-vader, die op de stoep naar hem uitkijkt.
-</p>
-<p>„Dag Vader, ik had al de sommen af en het andere gaat nog al.”
-</p>
-<p>Ze gaan samen naar binnen en Constant moet alles vertellen en zijn Moeder vraagt hem
-of hij de melkinrichting wel gevonden heeft en hij vertelt van Gerard Bunte, die met
-hem meeging en wel een aardige jongen lijkt te zijn.
-</p>
-<p>„Hè,” zegt Constant, „’t is toch wel leuk om naar de Hoogere Burgerschool te gaan,
-ik hoop maar dat ik altijd over zal gaan en Arthur ook.”
-</p>
-<p>„Waardeer het nu vooral, dat je goed kunt leeren en de dingen gauw kunt begrijpen.
-Er zijn er zoo veel, die heel graag willen maar niet kunnen.”
-<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/h05.png" alt="Hoofdstuk V." width="631" height="205"></div>
-<h2 class="main">Hoofdstuk V.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden morgen gaan de jongens wederom naar de stad; Arthur neemt Lorre mee
-in zijn blouse en brengt haar bij Lili, waarna hij zich met Constant naar de <abbr title="Hoogere Burgerschool">H.&nbsp;B. S.</abbr> begeeft. Ze maken nader kennis met de jongens en meisjes en hebben veel plezier met
-David Godard, die al de heeren precies kan nadoen. Arthur praat met Marietje Geukestein
-en zij vertelt hem, dat zij dien avond bij Lili gevraagd is.
-</p>
-<p>„<span class="corr" id="xd30e1285" title="Bron: Vindt">Vind</span> je het niet heerlijk dat Lili bijna alleen kan loopen?” vraagt zij.
-</p>
-<p>„Ja, daar ben ik verbazend blij om.”
-</p>
-<p>„Mijn Papa<span id="xd30e1291"></span> heeft haar beter gemaakt!” zegt zij met een gelukkig gezicht.
-</p>
-<p>Nu worden ze opgeroepen en als ze tegen half 12 klaar zijn, hebben Arthur en Constant
-nog al moed. Ze gaan samen koffie drinken bij Lili’s <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>ouders en deze vinden Constant een aardige, flinke jongen.
-</p>
-<p>„Wanneer kun je den uitslag hooren?” vraagt de heer Bantam,
-</p>
-<p>„Zaterdag om drie uur.”
-</p>
-<p>„Komt dan samen hier koffie drinken.”
-</p>
-<p>„O, graag!” zeggen beide jongens.
-</p>
-<p>Na de koffie gaan ze Lili’s boeken en verzamelingen <span class="corr" id="xd30e1303" title="Bron: kijken">bekijken</span> en Lili zegt:
-</p>
-<p>„Wat ziet Lorre er ongelukkig uit; ik denk dat ik er een ziek kind van zal maken,
-van avond met Marietje, we zullen wel iets bedenken.”
-</p>
-<p>De jongens nemen afscheid en Oom zegt:
-</p>
-<p>„Arthur, als je er door bent, zullen we Zondag op Conifera komen koffie drinken, vraag
-maar aan Grootmoeder of dat goed is.”
-</p>
-<p>„Heerlijk!” roept Arthur en de jongens wandelen vroolijk de stad uit.
-</p>
-<p>„Heb je nu ooit!” roept Arthur, „daar komt Pandoer aan.”
-</p>
-<p>„Je zult zien,” zegt Constant, „dat hij een goeden dag de school komt binnen stuiven,
-dat zou een mooie mop zijn!”
-<span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span></p>
-<p>De hond is uitgelaten blij als hij Arthur ziet en het wordt weer een dolle stoeipartij.
-</p>
-<p>„Hè, wat lucht het op, dat het examen achter den rug is! als we er nu maar door zijn.”
-</p>
-<p>„Ja,” zegt Constant, „voor het Fransch ben ik het meest bang.”
-</p>
-<p>„O, dat komt er niet zóó erg op aan; jij hebt je sommen goed en ik niet, dat is erger
-voor mij.”
-</p>
-<p>Ze gaan nu alles nog eens na en nemen zich voor, in het vervolg extra best te leeren,
-dan behoeven ze niet zoo bang te zijn voor de volgende examens.
-</p>
-<p>Thuis komende, ziet Constant de beide zusjes bij Moeder in het prieel en de wagen
-met broertje er in, wordt door Sientje, het kindermeisje, heen en weer gereden.
-</p>
-<p>„Kijk eens Constant!” roept Geertruid, en zij houdt een langen, gebreiden band in
-de hoogte.
-</p>
-<p>„Dag Moeder, dag zussen! wel kind, heb je dat allemaal gebreid?”
-</p>
-<p>„Ja, ik begrijp het zelf niet,” zegt Geertruid, „gisteren avond was het nog maar zóó
-’n stukje en van morgen was het zóó lang!”
-<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p>
-<p>„Dat is wonderlijk, waar heb je het neergelegd?”
-</p>
-<p>„Vóór mijn bed.”
-</p>
-<p>„En heb je niets gehoord van nacht? geen gekletter van breinaalden?”
-</p>
-<p>„Neen,” zegt Geertruid verbaasd, „ik heb geslapen.”
-</p>
-<p>Moeder lacht en vraagt:
-</p>
-<p>„Is het examen nog al goed geweest van morgen?”
-</p>
-<p>„Ja, redelijk, het was Fransch en mijnheer vond mijn uitspraak slecht, maar dat hindert
-niet voor het examen, maar de werkwoorden!”
-</p>
-<p>„Jammer, dat je die niet meer gemaakt hebt met Vader.”
-</p>
-<p>„Ja Moeder, dat heb ik ook al gedacht; Arthur en ik zijn Zaterdag alweer op de koffie
-gevraagd bij mijnheer Bantam, om daarna den uitslag van ’t examen te hooren en Lili
-zal Lorre opknappen.”
-</p>
-<p>„Lili?” vraagt Geertruid, „ik dacht dat Arthur het zou doen.”
-</p>
-<p>„Neen, hij kan het niet, Lili zal het veel mooier doen met Marietje Geukestein. Lili
-komt Zondag op Conifera, als Arthur er door is.”
-</p>
-<p>„Ja?” roepen Jeanne en Geertruid te gelijk.
-<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span></p>
-<p>„Ze wil graag kennis met jullie maken,” zegt Constant.
-</p>
-<p>Jeanne krijgt een kleur van plezier en Geertruid zegt:
-</p>
-<p>„Zullen we er Zondag voorbij wandelen als ze er is?”
-</p>
-<p>„Wacht maar eens af,” zegt Moeder, „misschien komt zij Lorre terug brengen.”
-</p>
-<p>„Hè ja,” juicht Jeanne, „en dan mag ze al onze poppen zien, ik ga ze gauw netjes maken;
-ga je mee Geertruid?”
-</p>
-<p>Geertruid springt op en laat haar breiwerk bij Moeder liggen.
-</p>
-<p>Als de meisjes weg zijn, vraagt Constant.
-</p>
-<p>„Heeft u er aan gebreid, Moeder?”
-</p>
-<p>„Neen, Sientje deed het.”
-</p>
-<p>„Zoo zal het wel gauw afkomen.”
-</p>
-<p>„Ja, ze breit met zoo’n ijver, ze mag wel een beetje geholpen worden, het duurt anders
-zoo lang.”
-</p>
-<p>Constant neemt het breiwerk op en zegt:
-</p>
-<p>„Zou ik het niet kunnen?”
-</p>
-<p>„O, ja wel, insteken, omslaan, doorhalen, maar dat is nu geen jongenswerk.”
-<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span></p>
-<p>„Ik wil het toch probeeren.”
-</p>
-<p>Constant doet zijn uiterste best, maar hij laat de steken vallen en als Sientje lachend
-blijft staan kijken, wordt hij ongeduldig en gooit het breiwerk van zich af.
-</p>
-<p>„Neen Constant, nu je gebroddeld hebt, moet je het ook weer in orde maken,” zegt Moeder.
-</p>
-<p>„Hè, ik kan het niet.”
-</p>
-<p>„Je moet in het vervolg niet weer aan een ander man’s werk komen; maar kom hier, steek
-de naald daar in, zoo, en nu dien steek en nu dien.”
-</p>
-<p>Constant is met een kleur van warmte en inspanning bezig, tot het weer in orde is
-en dan neemt hij zich voor, nooit weer een breiwerk in handen te nemen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>„Hoezée! we zijn er allebei door!”
-</p>
-<p>Zoo juichend, komt Arthur het huis van Oom Bantam binnen vliegen en Constant blijft
-aan de voordeur staan.
-</p>
-<p>„Ik feliciteer je!” zegt Tante vroolijk en Oom en Lili wenschen hem ook hartelijk
-geluk, ze vragen <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>dadelijk naar Constant en roepen hem binnen.
-</p>
-<p>„Is Marietje er ook door?” vraagt Lili.
-</p>
-<p>„Ja, met glans, maar Anna Fladder is gezakt, vreeselijk jammer, het arme kind, ze
-is huilend weggeloopen en Marietje liep met haar mee om haar te troosten.”
-</p>
-<p>„En Amalia Keer?”
-</p>
-<p>„O, die is er door, zij en Marietje zijn nu de eenige meisjes. Er zijn 5 jongens gezakt.”
-</p>
-<p>„Bredero zeker ook?”
-</p>
-<p>„Neen, hij is er door, ik was toch zoo blij voor hem, ik ben hem dadelijk gaan feliciteeren,
-hij kon geen woord zeggen van vreugde. Hij was verleden jaar gezakt. Kom Constant,
-gauw naar huis.”
-</p>
-<p>„Morgen komen we!” zegt Oom, „we brengen een taart mee, laat Grootmoeder daar maar
-op rekenen.”
-</p>
-<p>De jongens loopen op een draf naar huis; ze springen over verscheiden mijlpaaltjes,
-ze nemen voor iedereen de pet af, zelfs voor koeien en schapen en honden en als Arthur
-Conifera ziet, gaat hij van verre wuiven, want Grootmoeder en Rika zullen wel uitkijken.
-<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p>
-<p>Ja, daar gaat de voordeur open en Pandoer, met een vuurrooden strik aan den staart,
-wordt door Grootmoeder uitgelaten en holt Arthur te gemoet. Welk een dolle vreugde!
-Als Pandoer herhaalde malen tegen Arthur is opgesprongen, begint hij in ’t rond te
-loopen om den strik van zijn staart te trekken. Arthur staat te schudden van het lachen;
-Pandoer draait als een dolleman in ’t rond en hij kan den strik niet krijgen, maar
-hij is slim, hij staat een oogenblik stil, bedenkt zich en rent in volle vaart door
-het struikrozen perk en daar blijft de strik aan een doorn hangen.
-</p>
-<p>„Slimmert!” zegt Arthur en haast zich naar Grootmoeder toe en omhelst haar onstuimig
-en laat zich ook door Rika en den tuinman geluk wenschen.
-</p>
-<p>„Hè,” zegt Arthur eindelijk, „nu kan ik begrijpen hoe akelig het is om te zakken.
-Wat zal ik mijn best doen om het volgend jaar over te gaan; is u dan weer zoo blij,
-Grootmoeder?”
-</p>
-<p>„Zeker! of ik!”
-<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/h06.png" alt="Hoofdstuk VI." width="630" height="204"></div>
-<h2 class="main">Hoofdstuk VI.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„Arthur,” zegt Grootmoeder Zondag morgen, „hoe zou je het vinden, als we Constant
-Kemper op de koffie vroegen?”
-</p>
-<p>„Hè, prettig Grootmoeder.”
-</p>
-<p>„Nu, ga hem dan maar halen, maar dadelijk terug komen, want Oom en Tante kunnen al
-gauw hier zijn.”
-</p>
-<p>„Hé, leuk,” zegt Arthur, „dan kunnen we samen na de koffie Lili in den wagen naar
-het bosch rijden. Kom Pandoer! ga je mee?” Ze loopen om het hardst, maar Pandoer wint
-het, hij loopt wel drie maal den weg vooruit, terug en om Arthur heen, en keffend
-loopt hij een troep musschen na, die voor hem uitvliegen en hem uitlachen, want hij
-kan hen toch niet krijgen.
-</p>
-<p>Arthur komt al de kerkgangers tegen, want de kerk is juist uit.
-<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p>
-<p>„Nu kan ik dominé Kemper misschien ook zien,” denkt Arthur, „ik zie hem bijna nooit,
-hij heeft het altijd zoo druk. Constant zal vragen of ik eens mee mag gaan op een
-wandeling, het is zoo’n aardige man, hij vertelt zoo prettig.”
-</p>
-<p>Bij de Pastorie komend, ziet hij Jeanne voor het huis.
-</p>
-<p>„Is Lili er al?” vraagt zij.
-</p>
-<p>„Neen nog niet; waar is Constant?”
-</p>
-<p>„Hier! boven!” roept deze uit een raam, „kom maar hier.”
-</p>
-<p>Arthur kent al goed den weg in huis en als hij op den overloop komt, ziet Geertruid
-hem en roept hem op de kinderkamer.
-</p>
-<p>„Kijk, hier zijn ze allemaal, behalve Lorre; zijn ze nu niet netjes aangekleed? en
-nu mag ik broertje op schoot hebben.”
-</p>
-<p>Arthur gaat naar Mevrouw Kemper, die juist uit de kerk gekomen, bezig is Jantje de
-flesch te geven.
-</p>
-<p>„Dag Mevrouw, dag Geertruid en och, wat is het toch een aardig ding, zoo’n klein kind.
-Mag Constant bij ons komen koffie drinken?”
-<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span></p>
-<p>„Dat zal hij prettig vinden.”
-</p>
-<p>Daar komt Constant binnen en Geertruid roept dadelijk:
-</p>
-<p>„Constant, jij bent gevraagd op Conifera en wij niet.”
-</p>
-<p>„Maar Geertruid!” zegt Mevrouw, „wat dacht je wel, zoo’n klein meisje bij een grooten
-jongen?”
-</p>
-<p>Geertruid laat het hoofd hangen en zegt heel zacht:
-</p>
-<p>„Bij Lili.”
-</p>
-<p>Arthur lacht en zegt:
-</p>
-<p>„Ik kan er niets aan doen, Grootmoeder heeft alleen Constant gevraagd. Ga je mee Constant!”
-</p>
-<p>„Graag,” zegt deze en na afscheid genomen te hebben, gaan ze de deur uit naar beneden.
-</p>
-<p>„Even Vader goedendag zeggen,” zegt Constant en hij gaat naar zijn vader’s kamer.
-</p>
-<p>„Vader, Arthur komt mij halen, Mevrouw Mung heeft mij op de koffie gevraagd.”
-</p>
-<p>„Wel jongen, dat tref je, dat is zeker ter eere van het examen; dag Arthur, ik wensch
-je geluk, prettig, hè? om door ’t examen te komen, doe jullie maar je best, je moet
-nog zoo veel examens doen, dat kunnen dus nog veel prettige oogenblikken <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>zijn bij welslagen, maar o wee! als je niet slaagt, dat is heel ellendig, dat begrijp
-je nu wel, niet waar? je kunt er nu nog veel aan doen, maar als je eerst een jaar
-luiert en je tijd verknoeit, dan is het heel moeielijk, soms onmogelijk om het weer
-in te halen.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e1431" title="Niet in bron">„</span>Prettig dat je nu nog zoo’n mooien tijd vóor je hebt. Ga je eens mee wandelen Arthur?
-morgen avond na het eten ga ik een zieke bezoeken, een klein uurtje hier van daan.
-Constant zei, dat je wel eens mee zoudt willen.”
-</p>
-<p>„O, heel graag dominé, morgen avond? ik zal het aan Grootmoeder vragen.”
-</p>
-<p>„Best, ga jullie nu maar gauw naar Conifera en groet Mevrouw Mung.”
-</p>
-<p>De jongens haasten zich de deur uit en Jeanne roept hen na: „de groeten aan Lili!”
-</p>
-<p>Pandoer is blij dat ze weer op weg gaan, hij houdt niets van visites maken, vooral
-als hij op de stoep moet blijven zitten. Jeanne heeft hem wel een beetje gestreeld
-en tegen hem gepraat, maar zoo’n vreemde jonge juffer, och neen, daar geeft hij geen
-zier om.
-<span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span></p>
-<p>„Dat treft, dat jij bij je Grootmoeder bent gekomen, ik was hier tot nu toe zoo alleen,”
-zegt Constant<span class="corr" id="xd30e1441" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>„Nu, ik tref het ook, dat jij hier woont, anders was ik hier alleen. En dat we in
-dezelfde klasse komen en hetzelfde werk moeten maken, dat is prettig. We kunnen elkaar
-’s morgens op de wandeling de lessen over hooren.”
-</p>
-<p>„Jongens ja, dat is leuk.”
-</p>
-<p>„Kijk nu toch zoo’n malle hond, wat rent hij over den akker, hij speelt krijgertje
-met de leeuweriken; wat zou er gezaaid zijn?”
-</p>
-<p>„Dat is boekweit,” zegt Constant, „ik denk niet dat de eigenaar het prettig zal vinden,
-dat Pandoer daar zoo doorheen ravot.”
-</p>
-<p>„Neen, dat is waar; Pandoer! kom hier!”
-</p>
-<p>Dadelijk staat de hond stil, kwispelt met zijn kort staartje en rent dan regelrecht
-naar Arthur toe en blijft bedaard, maar hijgend en met den tong uit den bek achter
-hem loopen.
-</p>
-<p>„We zullen na de koffie met Lili naar het bosch gaan,” zegt Arthur, „wil je me helpen
-om Lili’s wagen te duwen?”
-<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span></p>
-<p>„Zeker,” zegt Constant, „een er voor en een er achter.”
-</p>
-<p>„Ja, dan vragen we een touw aan den baas. Zeg, houdt je van kersen?”
-</p>
-<p>„Nou, of ik! heb jullie die?”
-</p>
-<p>„Ja, Grootmoeder heeft gisteren avond een mand vol gekregen.”
-</p>
-<p>„Hoor! een rijtuig!” zegt Constant en omziende, bemerken ze in de verte een stofwolk
-boven het eikenhakhout, bij de kromming van den weg.
-</p>
-<p>„Gauw! ieder op een paal van het hek, we zijn standbeelden.”
-</p>
-<p>Ze klauteren er boven op en als het open rijtuig nadert, zien ze mijnheer en mevrouw
-Bantam met twee meisjes.
-</p>
-<p>„Wie is dat meisje?” vraagt Arthur, „o ik zie het al, het is Marietje Geukestein,
-dat is grappig, ook al ter eere van het examen. Hoezee!” roept hij wuivend, als het
-rijtuig door het hek gaat en dan springen de jongens op den grond en draven achter
-het rijtuig aan, en de meisjes lachen en zeggen allerlei dingen waarvan de jongens
-niets verstaan, door het ratelen over het nieuw gestrooide grind.
-<span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span></p>
-<p>Welk een vroolijk troepje aan de koffietafel bij Mevrouw Mung. Midden op de tafel
-staat de mooie taart, die Oom en Tante hebben meegebracht en op de taart is een jongetje
-van suiker met een vlag in de hand en met witte suikerletters is er op geschreven:
-</p>
-<p>„Lang leve Arthur Mung!”
-</p>
-<p>„Grootmoeder,” zegt Arthur, „voor wie is dat poppetje?”
-</p>
-<p>„Voor jou.”
-</p>
-<p>„Dan geef ik het aan Geertruid. Ze was bedroefd, omdat zij niet mee was gevraagd.”
-</p>
-<p>„Ja? dat lieve kleine ding; wil je haar na de koffie gaan halen om kersen mee te eten?”
-</p>
-<p>„Hé ja,” zegt Arthur verheugd, „maar …”
-</p>
-<p>„Wat is het?”
-</p>
-<p>„Het zal zoo naar zijn voor Jeanne.”
-</p>
-<p>„O natuurlijk, die moet meekomen.”
-</p>
-<p>Nu gaat er een gejuich op; Lili en Marietje vinden het ook zoo prettig, want ze hebben
-samen Lorre in orde gemaakt en meegebracht en willen graag hooren, wat Jeanne en Geertruid
-er van zullen zeggen.
-<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p>
-<p>Zoo gauw ze dan ook klaar zijn en van tafel mogen opstaan, gaan de jongens naar de
-pastorie en komen heel gauw terug met Jeanne en Geertruid. Lili en Marietje hebben
-op de canapé een bedje gemaakt voor Lorre en haar toegedekt met een theedoek.
-</p>
-<p>De beide kleine meisjes komen een beetje verlegen binnen en kijken met verwonderde
-oogen naar Lili, die haar op Marietje geleund, tegemoet loopt. Maar ze zijn gauw op
-dreef, vooral als Lili vraagt, of ze niet nieuwsgierig zijn naar Lorre.
-</p>
-<p>„Ja,” zegt Geertruid, „is ze weer goedgeworden?”
-</p>
-<p>„Ga haar maar zoeken, ze is hier in de kamer, maar ze is nog een beetje zwak, praat
-niet te hard, de stumper is zoo ziek geweest.”
-</p>
-<p>Jeanne loopt de heele kamer rond en kijkt in alle hoekjes en achter alle gordijnen,
-maar Geertruid blijft stil staan, kijkt in het rond en loopt dan regelrecht naar de
-canapé.
-</p>
-<p>„Ik heb haar!” juicht ze, „mijn lieve Lorre! maar wat heeft ze? een doek om het hoofd?”
-</p>
-<p>„Ja,” zegt Marietje, „dat is een koudwaterverband voor de hoofdpijn en kijk, hier
-zijn de medicijnen, die ze moet innemen.”
-<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span></p>
-<p>Geertruid ziet haar verwonderd aan en Jeanne bekijkt een klein fleschje, waar suikererwtjes
-in zijn; er staat op: elken avond twee pillen. Op een poederdoosje staat: om de twee
-uur een poeder met een weinig water. Ze vouwt een papiertje open en ziet dat het witte
-suiker is. Op een fleschje staat: goed schudden, elken morgen een eetlepel en dan
-is er een potje met zalf en een rolletje windsel.
-</p>
-<p>„Hier heb je ook een recept,” zegt Marietje, „akwa pompa, sucria en stroopia, dat
-is voor het hoesten; Lorre heeft een hoestkwaal gekregen toen ze in de beek lag en
-haar hoofd is een beetje raar, ze droomt zoo gek en ze heeft een droom aan Lili verteld.”
-</p>
-<p>Jeanne schatert van het lachen, maar Geertruid luistert zoo ernstig en een beetje
-angstig. Lili zegt:
-</p>
-<p>„<span class="corr" id="xd30e1494" title="Bron: Vindt">Vind</span> je het niet grappig, Geertruid? zal ik je den droom vertellen?”
-</p>
-<p>„Als je blieft,” zegt Geertruid verlegen.
-</p>
-<p>„Komt meisjes, ga jullie nu mee?” roept Arthur, „de wagen is klaar, kom Lili, ik zal
-je wel helpen.”
-<span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span></p>
-<p>„Mag Lorre mee?” vraagt Geertruid.
-</p>
-<p>„Zeker,” zegt Lili.
-</p>
-<p>Geertruid neemt de pop heel voorzichtig in haar armen, alsof het haar kleine broertje
-was en als ze buiten komen, staat Grootmoeder met den heer en mevrouw Bantam bij den
-wagen en helpen er Lili in. Pandoer staat er ook bij. Daar komt Rika met een mand.
-</p>
-<p>„Ha! de kersen!” juicht Arthur.
-</p>
-<p>„Kan de mand in den wagen staan?” vraagt Rika.
-</p>
-<p>„O ja,” zegt Lili, „hier naast mijn voeten, ik zal haar wel vast houden.
-</p>
-<p>„Nu kinderen,” zegt Grootmoeder, „ga jullie nu maar vooruit, wij komen ook.”
-</p>
-<p>Daar gaan ze heen, Constant duwt den wagen, Arthur loopt er voor en trekt met een
-stevig touw. Ze gaan door den moestuin, de wagen kan juist door het hekje en dan zijn
-ze in den dikken zandweg.
-</p>
-<p>De jongens hebben een zware vracht, de wielen zakken zoo diep in het zand, maar ze
-zijn sterk en vol ijver.
-<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>
-</p>
-<div class="figure plate03width"><img src="images/plate03.jpg" alt="" width="576" height="720"></div><p>
-<span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span></p>
-<p>Geertruid loopt met Marietje rechts en Jeanne links van den wagen. Het is heerlijk
-in het bosch, zoo’n prettige frissche warmte. Aan beide zijden van den weg zijn hooge
-walletjes, begroeid met mos, varens en boschbessen. Dikke boomwortels komen er tusschen
-uit en onder die wortels zijn allerlei holletjes van veldmuizen, wezeltjes, konijntjes
-en torren.
-</p>
-<p>„Geertruid,” zegt Lili, „laat Lorre goed naar al die holletjes kijken, dan droomt
-ze er van.”
-</p>
-<p>„Lorre slaapt, ze is zoo blij dat ze weer bij mij is,” zegt Geertruid.
-</p>
-<p>„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Lili lachend, „ik denk dat ze nu wel gauw beter zal
-zijn.”
-</p>
-<p>„Hè,” zegt Arthur hijgend, „laten we eens even stil staan, buu! wat heb ik het warm.”
-</p>
-<p>Hij gooit het touw op den grond en gaat op het walletje zitten. Daar neemt Pandoer
-het touw in zijn bek en begint te trekken, Marietje en Jeanne gaan dadelijk duwen
-en zie, daar gaan ze, onder luid gejuich van allen. Maar Pandoer heeft er gauw genoeg
-van, hij schudt het touw heen en weer en gooit het in de lucht en daar staan ze, midden
-<span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>in het dikke zand. De jongens komen bij haar, en allen gaan rondom den wagen op de
-walletjes zitten.
-</p>
-<p>„We behoeven ook niet zoo ver te gaan,” zegt Lili, „het is overal mooi om te zitten.
-Is Lorre wakker? moet je nu niet zien wat we er aan gedaan hebben?”
-</p>
-<p>Geertruid komt bij haar staan en Lili neemt Lorre op haar schoot en doet haar voorzichtig
-den doek van het hoofd.
-</p>
-<p>„O Jeanne, kijk eens,” zegt Geertruid, „dat is een nieuwe pruik, o wat een mooie!
-die andere was al zoo leelijk vóor ze in de beek viel, toen hebben de muizen er aan
-geknabbeld.”
-</p>
-<p>„Die pruik heeft Mama gekocht en kijk eens, dit nachtponnetje hebben Marietje en ik
-samen gemaakt, zij heeft dat zoompje en die naadjes gedaan en ik de mouwtjes.”
-</p>
-<p>„Daar had ik geen geduld voor,” zegt Marietje, „hè, zoo’n gepeuter. Maar het ergste
-was toch, dat we alles uit haar lijf hebben genomen, dat waren allemaal harde kluiten,
-en toen hebben we er nieuwe zemels ingestopt, voel eens hoe zacht!”
-<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span></p>
-<p>Geertruid kneedt de pop en Lili zegt:
-</p>
-<p>„We hebben de wangen niet geverfd, het is veel natuurlijker dat ze bleek zijn na zoo’n
-operatie.”
-</p>
-<p>„Heeft Lorre wezenlijk gedroomd? wat droomde ze?”
-</p>
-<p>„Zal ik het vertellen?”
-</p>
-<p>„Hé ja Li, vertel op, we luisteren,” zegt Arthur.
-</p>
-<p>„Nu dan; Lorre zat op een stoel voor mijn bed en werd beschenen door de maan en toen
-verbeeldde ik mij, dat zij hardop droomde. Wat was het mooi in het water, de golfjes
-schitterden in de zon boven mijn hoofd, en heel in de verte, heel hoog, zag ik de
-blauwe lucht. Zoo’n blauwe jurk zou ik willen hebben. En tegen de blauwe lucht zag
-ik de groene blaadjes van de boomen, ze trilden en knikten tegen mij. En kleine vischjes
-zwommen over me heen en watertorren en spinnen, o zoo aardig, en toen hoorde ik muziek,
-dat deden de kikkers, die een eindje van mij af zaten, ze keken mij aan en ik deed
-de oogen dicht en toen werd het eerst heel mooi. Ik zag een groot kasteel onder in
-het water en daar zwommen zilveren en <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>gouden visschen in en uit. Ik wou het kasteel binnen gaan, om te zien wie toch die
-mooie muziek maakte, maar o, wat schrikte ik! een zwart monster pakte mij beet, trok
-mij aan mijn jurk naar boven en legde mij neer op het gras, en toen was ik nat, druipnat.”
-</p>
-<p>„Dat monster was zeker Pandoer,” zegt Constant.
-</p>
-<p>„Pandoer is nooit een monster,” zegt Arthur, „hij was de redder van Lorre, het is
-heel ondankbaar van Lorre om zoo over hem te spreken.”
-</p>
-<p>„Neem het niet kwalijk,” zegt Lili, „het was door den schrik en ze had zoo graag dat
-kasteel willen zien.”
-</p>
-<p>„Is er een kasteel onder het water?” vraagt Geertruid.
-</p>
-<p>„Wel neen,” zegt Constant, „alleen als je droomt zie je zulke dingen.”
-</p>
-<p>„Lili bedenkt altijd zulke wonderlijke dingen<span class="corr" id="xd30e1551" title="Bron: .">,</span>” zegt Marietje, „ze heeft al verscheiden sprookjes bedacht.”
-</p>
-<p>„Wat zijn eigenlijk sprookjes?” vraagt Geertruid.
-</p>
-<p>„Sprookjes zijn leugens,” zegt Constant.
-</p>
-<p>„Hè, wat klinkt dat leelijk,” zegt Arthur, „ik <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>houd veel van sprookjes en niet van leugens.”
-</p>
-<p>„Zijn het dan geen leugens?”
-</p>
-<p>„Het zijn vertelseltjes van droomen of van dingen, die je in de verbeelding ziet,”
-zegt Lili, „en als je een rijke verbeeldingskracht hebt, kun je je allerlei aardige,
-grappige en mooie dingen voorstellen.”
-</p>
-<p>„Ook griezelige en leelijke dingen,” zegt Arthur.
-</p>
-<p>„O ja, maar die zie ik liever niet, ik houd meer van mooie dingen.”
-</p>
-<p>„Ik begrijp niet waar je toch altijd die mooie dingen ziet,” zegt Arthur, „ik vind
-het ook wel mooi in het bosch en in den tuin, maar als je dat een poosje gezien hebt,
-wen je er aan en dan zie je er niets geen bijzonders aan.”
-</p>
-<p>„Hè Arthur, hoe kun je dat zeggen, nu praat je bijna als onze keukenmeid.”
-</p>
-<p>„Hoe dan? wat zegt die?”
-</p>
-<p>„Ik riep haar verleden week om de prachtige lucht te komen zien bij het ondergaan
-van de zon, ze stond juist met een poetslap in de hand voor het fornuis en had niets
-geen plan om naar buiten te kijken. Anna, waarom kijk je niet naar de lucht?”
-<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span></p>
-<p>„Och, wat scheelt <span class="corr" id="xd30e1573" title="Bron: mijn">mij</span> die lucht, mijn fornuis is veel mooier.”
-</p>
-<p>„En wat heb jij toen gezegd Lili?” vraagt Grootmoeder, die juist met den heer en mevrouw
-Bantam bij haar is gekomen.<span id="xd30e1578"></span>
-</p>
-<p>„Toen heb ik haar fornuis bewonderd en gezegd, dat het de zon van de keuken was, omdat
-het zoo blonk en toen lachte ze en keek even naar mijn lieve zon.”
-</p>
-<p>„Komt kinderen,” zegt Grootmoeder, „laten we naar den Heidenschen kuil wandelen, dat
-is een prettig plekje om te zitten, daar zullen we kersen gaan eten.”
-</p>
-<p>Dadelijk nemen de jongens den wagen van Lili ter hand en duwen en trekken dien door
-het zware zand. Oom Bantam helpt ook, zelfs Pandoer moet trekken. Arthur geeft hem
-het eind van het touw in zijn bek, Marietje, Jeanne en Geertruid dansen en springen
-om den wagen heen en Lili zegt:
-</p>
-<p>„Het volgend jaar zal ik ook rondspringen.”
-</p>
-<p>„Daar is de Heidensche kuil,” zegt Grootmoeder, „daar kun je den wagen niet inrijden.”
-<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p>
-<p>„Nu kan ik er zelf heen loopen,” juicht Lili, „wie helpt mij?”
-</p>
-<p>Allen verdringen zich om haar te helpen, maar Lili steekt de handen naar haar Vader
-uit, hij is de sterkste en bij hem voelt zij zich het veiligst.
-</p>
-<p>Wat is zij dankbaar, dat zij nu haar voeten op den grond kan zetten, op dat zachte,
-groene mos en dan weer op het krakende rendiermos, de knappende, dorre takjes en bladeren,
-de gladde dennenaalden en de fijne kiezelsteentjes, alles voelt zij onder haar teedere
-voeten, die nog niet gewend zijn aan loopen.
-</p>
-<p>„O Papa, ik ben zoo bang om op de mieren te trappen, voorzichtig, ik wil ze geen pijn
-doen.”
-</p>
-<p>„O, ze voelen het niet in het mulle zand, ze geven er niet veel om, ze loopen ongedeerd
-verder.”
-</p>
-<p>Ze komen nu in den Heidenschen kuil, heerlijk beschut tegen den wind en onder de schaduw
-der boomen. Grootmoeder en Mevrouw Bantam gaan op het aardige bankje zitten, dat de
-tuinbaas voor Lili heeft gemaakt onder een berkeboom, en de anderen laten zich neervallen
-op de heide en het <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>mos. De jongens hebben de mand met kersen uit den wagen gehaald en zetten die bij
-Grootmoeder neer en elk krijgt een stuk papier op zijn schoot om voor bord te dienen;
-Arthur mag aan elk twee handen vol kersen geven en hij doet zijn best, groote porties
-te geven en er veel aan elkaar te laten hangen. Ze zoeken de tweelingen er uit en
-hangen ze als oorbellen over hun ooren en Lili maakt een theepot en een poppetje van
-een kers.
-</p>
-<p>„Zouden al die pitten hier een volgend jaar opkomen?” vraagt Jeanne.
-</p>
-<p>„Dat zou prettig zijn,” zegt Arthur, „dan gaan we hier later kersen plukken.”
-</p>
-<p>„Ik denk dat de grond hier te schraal zal zijn voor kerseboomen,” zegt Grootmoeder,
-„als ze hier willen groeien zijn ze toch wild, maar dat is ook wel lekker; je moet
-ze liever op een vruchtbaar plekje poten.”
-</p>
-<p>„Ja,” zegt Constant, „ik zal er in onzen tuin wat poten.”
-</p>
-<p>„Ik ook,” zegt Geertruid, „en als er kersen aan komen, zal ik een mand vol aan Lili
-zenden.”
-<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span></p>
-<p>„Als je blieft,” zegt deze, „en kom je dan zelf mee?”
-</p>
-<p>„Ja, als ik mag.”
-</p>
-<p>„Zou je wel eens bij ons willen komen in de stad?” vraagt Mevrouw Bantam aan Jeanne
-en Geertruid.
-</p>
-<p>Beide meisjes krijgen een kleur van blijdschap en zeggen tegelijk:
-</p>
-<p>„Heel graag!”
-</p>
-<p>Ze kijken nu naar alles wat er in den Heidenschen kuil te zien is; de witte berkenstammetjes,
-den knoestigen eikenstronk, waarin zeker menig vogeltje genesteld heeft; de koningsvarens,
-de heidebloempjes, de leeuwenbekjes, de thym en dan al die torretjes en spinnetjes
-en mieren<span class="corr" id="xd30e1612" title="Bron: ,">.</span> Ze volgen die ijverige diertjes op hun tochten en zien, hoe ze een mierenei tusschen
-hun pootjes dragen en er mee in de zon loopen om het te warmen en te koesteren<span class="corr" id="xd30e1615" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>„Waarom heet dit de Heidensche kuil?” vraagt Lili.
-</p>
-<p>„Misschien hebben hier vroeger Heidens gehuisd, ik denk dat ze hier hun vuurtje stookten
-en een <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>legertje op den grond spreidden van varens en heidestruiken.”
-</p>
-<p>„En als het dan regende?”
-</p>
-<p>„O, dan kropen ze onder een zeil, of ze maakten een tent, ze wisten zich wel te redden.”
-</p>
-<p>„Ik wou zoo graag Heidens zien,” zegt Jeanne.
-</p>
-<p>„Vroeger kwamen ze hier dikwijls door het dorp,” zegt Grootmoeder, „maar ze worden
-nu over de grenzen gebracht en dat is goed, want het zijn erge dieven, ze stelen kippen
-en vruchten en alles wat ze vinden kunnen, maar zoo’n troepje is wel aardig om te
-zien.”
-</p>
-<p>Zoo zitten ze nog langen tijd te praten, maar eindelijk wordt het tijd om naar huis
-te gaan. Constant en zijn zusjes nemen hartelijk afscheid en als ze samen naar huis
-loopen, praten ze over niets anders dan over de lieve menschen en kinderen met wie
-ze kennis gemaakt hebben; Geertruid draagt haar lieve Lorre, die zoo erg ziek is geweest
-en Jeanne de medicijnen in de fleschjes en doosjes.
-<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/h07.png" alt="Hoofdstuk VII." width="633" height="207"></div>
-<h2 class="main">Hoofdstuk VII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De vacantie is bijna om, als Geertruid op zekeren morgen bij hare Moeder staat toe
-te kijken, hoe deze de bretels voor Dries in orde maakt met knoopsgaten en gespen.
-</p>
-<p>Geertruid heeft tot het laatst toe met ijver en volharding gebreid en daarom wordt
-zij nu ook verder voortgeholpen. Haar oogen stralen van plezier bij het vooruitzicht
-de blijdschap van Dries te zien. Als Moeder den laatsten draad afhecht en afknipt,
-neemt ze de bretels voorzichtig in handen, bekijkt ze nog eens van alle kanten en
-gaat er dan mee naar buiten, naar het schuurtje waar Dries aan het hout kloven is.
-</p>
-<p>„Dries! kijk eens! die heb ik voor jou gemaakt!”
-</p>
-<p>Dries keert zich langzaam om, bekijkt de bretels zonder ze aan te raken en neemt dan
-nog een dik <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>stuk hout ter hand om het met den bijl in stukken te hakken.
-</p>
-<p>„Dries,” zegt Geertruid teleurgesteld, „wil je ze niet hebben?”
-</p>
-<p>„Jawel, leg ze daar maar neer.”
-</p>
-<p>Geertruid is geheel ontdaan, ze laat de bretels op den grond vallen en loopt naar
-huis.
-</p>
-<p>„Moeder! die akelige Dries!” en daar barst zij in tranen uit.
-</p>
-<p>Met snikken vertelt zij hoe haar geschenk is aangenomen; Moeder neemt haar op schoot,
-hoewel ze daar eigenlijk te groot voor is en tracht haar te troosten.
-</p>
-<p>„Mijn klein, vlijtig meisje, trek het je niet aan, Dries weet niet beter.”
-</p>
-<p>„Ik wil nooit weer iets voor hem doen, zoo’n aap! zoo’n …”
-</p>
-<p>„Stil kindje, luister eens, hij kan zijn blijdschap niet toonen en ook geen dankbaarheid,
-maar hij is daarom wel blij. Wacht maar, ik denk dat hij nu hij alleen is, de bretels
-wel gauw zal aanpassen. Je hebt het toch voor zijn plezier gedaan en niet voor je
-zelf?”
-<span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span></p>
-<p>Geertruid ziet hare Moeder aan en zegt:
-</p>
-<p>„Ik zou het zoo prettig gevonden hebben, als hij blij was geweest en als hij mij vriendelijk
-bedankt had, ik wou hem vriendelijk maken, maar het helpt niets.”
-</p>
-<p>Daar komt Sientje binnen en als zij hoort wat er gebeurd is, zegt zij:
-</p>
-<p>„Zoo’n lilleke kerel, dat zal ik hem anders leeren! daar heeft dat lieve kind zoo
-hard voor zitten breien, en nu krijgt ze nog niet eens een bedankje, wel drommels!”
-en Sientje loopt de kamer uit naar Dries.
-</p>
-<p>„Jou lompe ezelskop!” wil zij zeggen, maar neen, zij zegt niets, ze kijkt alleen naar
-Dries, die bezig is de bretels over zijn schouders te werpen. Nu wil hij ze vast maken,
-maar o wee, er zitten geen knoopen aan zijn broek. Hij kijkt er naar over zijn afhangende
-onderlip, en hij zet zoo’n potsierlijk, leelijk gezicht, dat Sientje in lachen uitbarst.
-</p>
-<p>Verschrikt kijkt hij op en Sientje ziende, trekt hij de bretels af en gooit ze in
-een hoek.
-</p>
-<p>„Neen baasje dat gaat zóo niet,” zegt Sientje, <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>„je moogt dat kostbare werk van het lieve kind niet zóo behandelen. Dat lieve ding,
-ze heeft er menig maal haar boterham en haar glas melk voor laten staan en menig pleziertje
-opgeofferd, allemaal om een pleziertje te doen aan zoo’n lompen ezel als jij bent
-en nu doe je zóo, je moest je schamen! Maar ze zal er toch plezier van hebben. Heb
-je geen knoopen aan je broek? Wacht maar, ik zal ze er aan zetten.”
-</p>
-<p>Sientje loopt naar huis en komt met haar werkdoosje terug. Ze heeft al een vingerhoed
-aan haar vinger; vlug bijt zij den draad van een klos<span class="corr" id="xd30e1663" title="Bron: ,">.</span> Mevrouw heeft al zoo dikwijls gezegd, dat ze dat niet doen moest, nu een naald van
-haar schelpenkussentje en terwijl ze een wit beenen knoop tusschen de lippen neemt,
-zegt ze lispelend: „Allo, kom hier, ik zal je helpen; sta stil, anders prik ik me.”
-</p>
-<p>Dries staat stil als een muur en Sientje naait handig en vlug de knoopen aan zijn
-broek. Nu de bretels, mooi zoo, stevig, en Dries kijkt er naar en zie, daar komt even
-een klein trekje om zijn mond en een klein plooitje aan zijn <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>ooghoeken, dat aan een glimlach doet denken.
-</p>
-<p>„Ziezoo, zeg nu: wel bedankt.”
-</p>
-<p>„Hm,” zegt Dries.
-</p>
-<p>„Wel te drommel, kun je me niet bedanken? zeg als de weerga: wel bedankt, of ik snij
-je de knoopen er weer af.”
-</p>
-<p>Dries houdt er de handen op en zegt:
-</p>
-<p>„Wel bedankt.”
-</p>
-<p>Schaterend van lachen loopt Sientje naar huis en zegt binnenkomend:
-</p>
-<p>„Kom Geertruid, ga gauw mee, hij is zoo blij, hij zal je bedanken, ik heb het hem
-geleerd.”
-</p>
-<p>Met Geertruid aan de hand komt Sientje weer bij Dries en deze haar ziend, zegt dadelijk:
-</p>
-<p>„Wel bedankt.”
-</p>
-<p>„Nu Dries,” zegt Sientje, „ben je er mee in je schik?”
-</p>
-<p>„Ja, naor,” en dat wil zeggen: heel erg blij.
-</p>
-<p>Geertruid begrijpt het, ze loopt vroolijk naar huis en voelt zich heel gelukkig.
-</p>
-<p>En als ze den volgenden dag bij hem komt en vele volgende dagen, zegt hij<span class="corr" id="xd30e1686" title="Niet in bron">,</span> op zijn bretels wijzend:
-<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p>
-<p>„Wel bedankt,” en Geertruid gaat voort hem vriendelijk te behandelen en Jeanne heeft
-van haar eigen geld een rooden zakdoek gekocht en dien zelf gezoomd en Sientje heeft
-er met wit katoen een D op gemerkt en den zakdoek in de jas van Dries gestoken, toen
-die jas op een struik hing.
-</p>
-<p>„Hij behoeft mij niet te bedanken,” zegt Jeanne, „als hij er maar blij mee is.”
-</p>
-<p>„Goed zoo,” zegt Moeder „je moet niet geven om bedankt te worden, maar ik hoop dat
-jij altijd vriendelijk zult bedanken, als iemand goed voor je is.”
-<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/h08.png" alt="Hoofdstuk VIII." width="626" height="205"></div>
-<h2 class="main">Hoofdstuk VIII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op den eersten Dinsdag van September, gaan Constant en Arthur te samen naar de stad,
-want de school zal beginnen. Ze dragen elk een heele vracht boeken en schrijfboeken
-in een zeiltje; met een stevigen riem er omheen.
-</p>
-<p>„Wat zijn die dingen zwaar,” zegt Arthur, „we zullen niet altijd zooveel te dragen
-hebben, dat is een geluk.”
-</p>
-<p>„Kijk,” zegt Constant, „daar komt Jacob Drieman juist uit zijn huis, hij gaat met
-zijn handkar naar de stad. Hei! Jacob!” en Constant holt vooruit, legt zijn pak boeken
-op de kar en zegt:
-</p>
-<p>„We zullen je helpen.”
-</p>
-<p>„Als je blieft jongeheer, dat tref ik, ik ben toch zóo kortademig, ’t is bedroefd.”
-</p>
-<p>Arthur legt er zijn boeken bij en helpt ook duwen.
-<span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span></p>
-<p>„Loop jij maar bedaard achter ons aan,” zegt hij, „we zullen de kar wel tot aan de
-poort brengen.”
-</p>
-<p>„Als je blieft,” zegt Jacob verheugd.
-</p>
-<p>Daar gaan de jongens, vroolijk pratend en lachend en als ze bij de poort komen, nemen
-ze hun boeken van de kar en loopen vlug naar de <abbr title="Hoogere Burgerschool">H.&nbsp;B. S.</abbr>
-</p>
-<p>Marietje <span class="corr" id="xd30e1713" title="Bron: Geukenstein">Geukestein</span> gaat juist de stoep op en ze blijven samen praten tot de lessen beginnen. Er is veel
-op te merken; vooreerst de verschillende leeraren; de een is wat barsch en streng,
-maar hij legt alles zoo duidelijk uit; Arthur denkt: dat was vroeger zoo moeielijk
-en nu begrijp ik het in éenmaal. Een andere leeraar maakt allerlei grappen en een
-derde kijkt altijd rond, of er ook kattekwaad wordt uitgevoerd. Zij leeren dezen morgen
-nog niet veel; ze krijgen allerlei werk en lessen op en moeten een agenda koopen om
-het in op te schrijven; ook krijgen zij een rooster van de verschillende lesuren.
-</p>
-<p>De jongens vinden het prettig en Arthur vertelt er veel van bij Oom en Tante Bantam;
-hij vindt de wandeling heen en weer ook zoo prettig.
-</p>
-<p>„In den winter zal het wel anders worden,” zegt Lili.
-<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p>
-<p>„Och, we zijn gezond en het is wel grappig om eens flink nat te regenen.”
-</p>
-<p>Dit is nu de eerste dag en als ze tegen etenstijd thuis komen, verlangen ze al om
-na het eten aan het werk te gaan, Constant in de pastorie en Arthur op Conifera. Wat
-doen ze hun best om netjes te schrijven en om hun lessen goed te kennen; als ze den
-volgenden morgen elkaar ontmoeten, beginnen ze dadelijk de lessen te overhooren en
-ze vinden het heerlijk om zoo samen te wandelen en hetzelfde werk te doen.
-</p>
-<p>Zoo gaat het heel prettig de heele Septembermaand en ook October. Ze zijn wel eens
-nat geregend of hadden met tegenwind te kampen, maar over het geheel hebben ze altijd
-prettig gewandeld.
-</p>
-<p>Arthur krijgt veel plezier in geschiedenis, nadat hij veel met dominé Kemper gewandeld
-heeft. Die kan er zoo prettig van vertellen; hoe de oude volken altijd onderling in
-oorlog waren en iedereen gewapend was en zich moest verdedigen tegen zijn naaste buren.
-Hoe de steden en kasteelen ommuurd en in staat van verdediging waren en hoe dit, langzamerhand
-veranderd is door de beschaving <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>en de rechtbanken, waar de geschillen onderzocht en bijgelegd werden zonder bloedvergieten.
-Wat zijn er veel poorten en muren van vestingen gesloopt en veranderd in mooie wandelparken
-en welke Graaf of Baron denkt er aan, zijn kasteel te moeten verdedigen? De steden
-onderling, leven in vrede en vriendschap en de wetten van het land worden zonder bloedvergieten
-gemaakt en ten uitvoer gebracht. De heeren, die de wetten maken, kibbelen er wel eens
-over, maar ze gebruiken geen andere wapens dan de tong en de pen.
-</p>
-<p>Nu zijn er onder de beschaafde volken nog gruwelijke oorlogen tusschen verschillende
-landen, maar niet omdat de burgers boos op elkaar zijn of iets van elkaar willen hebben,
-neen, ze zouden veel liever rustig aan hun werk blijven dan andere menschen dood te
-schieten, maar die oorlogen ontstaan meestal door de hebzucht of eerzucht van enkele
-groote heeren, die niet naar de rechtbank willen gaan om hunne geschillen te laten
-vereffenen.<span id="xd30e1730"></span>
-</p>
-<p>„Waarom gaan ze niet naar de rechtbank?” vraagt Arthur.
-<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p>
-<p>„Omdat er tot nu toe geen rechtbank was, hoog genoeg of geleerd genoeg voor die groote
-heeren. Maar nu is er eindelijk zulk een hoogste rechtbank tot stand gekomen en die
-heet: het Hof van Arbitrage, dat wil zeggen een rechtbank, waar geschillen vereffend
-kunnen worden. Er is veel wijsheid noodig, om geschillen tusschen zulke hooge en machtige
-heeren uit den weg te ruimen, en het is de vraag, of zij zich altijd aan de uitspraak
-zullen willen onderwerpen, maar eindelijk zal het toch wel in orde komen, zooals er
-reeds zooveel ten goede veranderd is.”
-</p>
-<p>„Hè,” zegt Arthur, „wat moet het heerlijk zijn om een oorlog te voorkomen, wat redt
-men dan veel menschenlevens.”
-</p>
-<p>„Dan moet je in de rechten gaan studeeren en leeren, je gedachten in woorden uit te
-drukken en welsprekend worden. Als je dan een goede zaak bepleit, kun je onnoemelijk
-veel goed doen.”
-</p>
-<p>„Dat zou ik ook wel willen,” zegt Constant, <span class="corr" id="xd30e1741" title="Niet in bron">„</span>moet ik daar veel voor leeren?”
-</p>
-<p>„Ja zeker, heel veel, maar daar ben je niet bang <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>voor, niet waar? je kunt goed leeren en je hebt nog een langen tijd vóór je.”
-</p>
-<p>De jongens denken en praten veel over hetgeen de dominé hen vertelt en nemen zich
-voor, erg hun best te doen.
-</p>
-<p>Op zekeren dag loopen ze samen door de stad, met Marietje Geukestein en Amalia Keer,
-de lange blonde.
-</p>
-<p>„Wat is het een saaie, zoete boel in onze klas,” zegt Amalia, „in de derde is het
-veel leuker.”
-</p>
-<p>„Bij ons wordt beter gewerkt.”
-</p>
-<p>„Nu ja, dat is juist zoo flauw, niemand die eens wat uithaalt.”
-</p>
-<p>„Haal jij dan maar wat uit.”
-</p>
-<p>„Als ik maar wat wist, ik durf best, ik zal wat bedenken in die vervelende rekenles,
-pas maar op, maar je moet mee doen hoor!”
-</p>
-<p>Arthur en Constant lachen er om en als het rekenles is, kijken ze gedurig naar Amalia
-en letten niet zoo goed op als anders. Juist als Mijnheer een moeilijke som uitlegt,
-springt er een sprinkhaan op zijn boek, hij schudt hem er af en zie, daar springen
-er drie over de bank, en in de <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>tweede bank schuiven de jongens plotseling uit elkaar en grijpen naar <span class="corr" id="xd30e1758" title="Bron: verscheiden">verscheidene</span> sprinkhanen waarvan er een in den inktpot valt en er gauw druipnat weer uitspringt
-op het keurige schrift van Marietje Geukestein en er een zwart spoor op achterlaat.
-</p>
-<p>„Wie heeft dat gedaan?” buldert mijnheer met een harde stem.
-</p>
-<p>Niemand zegt iets, hoewel eenigen wel vermoeden, dat Amalia het gedaan heeft. David
-zit te proesten van lachen en Johannes Bredero begint ook te lachen en als mijnheer
-heel boos is en strafwerk belooft, als hij niet dadelijk ophoudt, begint de arme jongen
-hoe langer hoe meer te lachen, hij kan niet tot bedaren komen, mijnheer wordt woedend
-en stuurt hem de klasse uit.
-</p>
-<p>„Wie heeft die streek uitgehaald?” vraagt mijnheer nog eens.
-</p>
-<p>In plaats dat Amalia flink weg zegt: „ik,” zwijgt zij en de anderen willen natuurlijk
-niet klikken.
-</p>
-<p>„Jullie zult allemaal 20 vraagstukken maken, als ik niet vóor het eind van de les
-hoor, wie het gedaan heeft.”
-<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p>
-<p>Ze gaan door met rekenen, nadat de sprinkhanen gevangen en naar buiten gebracht zijn,
-maar niemand heeft zijn gedachten bij de les, steeds zitten ze in afwachting dat Amalia
-bekennen zal.
-</p>
-<p>„’t Is tijd,” zegt mijnheer op zijn horloge ziend, „nog eens, wie heeft het gedaan?”
-Niemand spreekt.
-</p>
-<p>„Jullie brengt morgen 20 vraagstukken mee voor strafwerk en als je ze niet gemaakt
-hebt, krijg je er nog 10 bij.”
-</p>
-<p>Ze gaan naar een ander lokaal en zijn allen boos en Marietje Geukestein zegt tegen
-Amalia:
-</p>
-<p>„Ik dacht niet, dat je zoo flauw zoudt zijn; dat je een grap uithaalt kan mij niet
-schelen, maar je moet het durven bekennen.”
-</p>
-<p>Amalia wordt boos, maar ze heeft geen moed te bekennen.
-</p>
-<p>Als onze jongens ’s middags naar huis wandelen, zegt Constant:
-</p>
-<p>„Ik weet niet hoe ik die vraagstukken moet maken, ik heb er niets van begrepen.”
-</p>
-<p>„Ik ook niet,” zegt Arthur, „ik vind het een vervelende streek van Amalia en erg flauw,
-dat ze ons allemaal laat zuchten onder het strafwerk.”
-<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p>
-<p>„Nu, voor haar zelf is het toch het vervelendste, ze zal er niet veel plezier van
-hebben.”
-</p>
-<p>Ze maken ’s avonds met moeite eenige vraagstukken, maar de meesten kunnen ze niet
-maken, omdat ze niet naar het uitleggen geluisterd hebben. Ze moeten haastig het schrijfwerk
-afroffelen en de lessen leeren en ze krijgen den volgenden morgen voor het eerst onvoldoende
-cijfers en al de heeren zijn min of meer ontevreden en uit hun humeur. „Je hebt eigenlijk
-niet veel plezier van zulke grappen onder de les,” zegt Arthur, „je krijgt er maar
-moeite door en de heeren zijn lang zoo aardig niet als anders.”
-</p>
-<p>„Als David een grap heeft, dat is leuk,” zegt Constant, „daar lachen de heeren zelf
-om.”
-<span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/h09.png" alt="Hoofdstuk IX." width="622" height="195"></div>
-<h2 class="main">Hoofdstuk IX.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">November is gekomen en daarmee regen en wind, zelfs storm. Constant en Arthur loopen
-door alle weer en wind en ze worden sterk en gezond en onvermoeid, en als Grootmoeder
-Mung en Moeder Kemper soms medelijden hebben, lachen de jongens en zeggen:
-</p>
-<p>„Dat is juist leuk.”
-</p>
-<p>Eens op een morgen in het laatst van November, ligt er ’s morgens een laagje sneeuw
-en de lucht is grijs en altijd door blijft de sneeuw vallen. Het is de eerste keer
-dat Arthur sneeuw ziet. Wat vindt hij dat aardig, hij loopt dadelijk met zijn bloote
-hoofd naar buiten, neemt wat sneeuw in de hand, steekt zijn armen ver uit en kijkt
-naar de lucht. Grootmoeder heeft intusschen een vergrootglas uit de kast gekregen
-en komt met een rood fluweelen kussen op de stoep staan.
-<span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span></p>
-<p>„Wat gaat u doen Grootmoeder?”
-</p>
-<p>„Zie eens hier mijn jongen, kijk eens naar die vlokken door het vergrootglas.”
-</p>
-<p>„Hé wat mooi, allemaal sterren en figuren, wat zou dat prachtig zijn in een microscoop.
-Oom Bantam heeft er een, dien zal ik het vragen, ik dacht niet dat sneeuw zoo mooi
-was.”
-</p>
-<p>Nu steekt Arthur zijn tong uit, totdat er een dikke vlok op valt.
-</p>
-<p>„Hè, lekker koud!”
-</p>
-<p>Hij gaat naar de buitenvensterbank en neemt van de zuivere sneeuw in zijn mond en
-dan maakt hij voor het eerst van zijn leven een sneeuwbal en gooit er mee naar Pandoer,
-die heen en weer holt en in de sneeuw rolt.
-</p>
-<p>„Ziezoo, nu ontbijten,” zegt Grootmoeder<span class="corr" id="xd30e1802" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>„He,” zegt Arthur na het ontbijt, terwijl hij zijn boeken stevig inpakt, „wat zullen
-we heerlijk met sneeuwballen gooien, ik ga gauw op weg, dan kunnen we vóór schooltijd
-nog beginnen; ik zal Amalia inzeepen, dat hooren en zien haar vergaat.”
-</p>
-<p>„Foei Arthur,” zegt Grootmoeder, „geen meisjes, dat is niet ridderlijk.”
-<span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span></p>
-<p>„O, andere meisjes niet, maar Amalia heeft wat op haar kerfstok.”
-</p>
-<p>„Ja? wat dan?”
-</p>
-<p>„Och, ze is niet <span class="corr" id="xd30e1814" title="Bron: aardlg">aardig</span> geweest, maar ik zeg liever niet wat.”
-</p>
-<p>„Goed jongen, dat behoeft ook niet, maar maak het niet te erg.”
-</p>
-<p>„Neen Grootmoeder, alles met mate, zei de meester en hij sloeg den jongen met den
-meterstok. Dag Grootmoeder! Zou er vandaag een mailbrief komen?”
-</p>
-<p>„Ja, ik denk het wel.”
-</p>
-<p>„Legt u hem dan onder mijn servet?”
-</p>
-<p>„Ja jongen, denk je aan je overschoenen? anders zit je den heelen dag met natte voeten.”
-</p>
-<p>„Die vervelende dingen!” zegt Arthur, maar hij doet ze toch aan, neemt hartelijk afscheid
-van Grootmoeder en Pandoer, die het tegenwoordig vreeselijk saai vindt en gaat moedig
-op weg.
-</p>
-<p>De jongens verwelkomen elkaar met eenige sneeuwballen, als ze bij het huis van Jacob
-Drieman samen komen en loopen dan vroolijk pratend naar de stad. Het is niet de dag
-waarop Jacob <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>boodschappen moet doen, maar morgen, dan moet de arme stakker door de sneeuw.
-</p>
-<p>„We zullen Jacob morgen goed moeten helpen,” zegt Arthur, „hij was gisteren zoo kortademig.
-Wat zou hij graag een ezel hebben, hij heeft er al zoo lang voor gespaard, maar hij
-heeft nog niet genoeg. Als er veel sneeuw komt, zal hij er in ’t geheel niet door
-kunnen met zijn kar.”
-</p>
-<p>„Neen, maar hij heeft een slede,” zegt Constant, „dat heeft hij me verteld. Overhoor
-mij nu eerst de geschiedenis, hier heb je mijn boek, dan zal ik jou overhooren.”
-</p>
-<p>Als ze de poort naderen, zien ze op de torenklok, dat het op slag van negen is.
-</p>
-<p>„Doossie! wat is het laat, ik dacht dat we zoo vroeg waren,” zegt Arthur.
-</p>
-<p>„Dat komt door de sneeuw, we hebben zeker niet zoo hard geloopen, vooruit! op een
-draf!”
-</p>
-<p>De concierge wil juist de deur sluiten als de jongens komen aanrennen. Om 12 uur haasten
-ze zich met koffiedrinken om zoo lang mogelijk sneeuwballen te kunnen gooien. Er is
-veel sneeuw bij gekomen en het sneeuwt nog altijd door met <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>dikke vlokken. David en Johannes Bredero zijn bezig een sneeuwpop te maken op het
-plein, vóor de <abbr title="Hoogere Burgerschool">H.&nbsp;B. S.</abbr> Johannes rolt handig een bal en daar de sneeuw goed pakt, wordt die spoedig heel
-groot.
-</p>
-<p>„Nu overeind,” zegt David, „zoo, dat is zijn éene been, rol nu nog zoo’n ding, ik
-zal het fatsoeneeren; het moet een groot standbeeld worden. Nu zijn andere been, mooi!
-maar je hebt het veel langer gemaakt en dikker, nu, dat hindert niet, we zetten hier
-nog een stuk bij. Nu de romp, wacht, ik zal je helpen rollen; hè, daar <span class="corr" id="xd30e1841" title="Bron: wordt">word</span> je warm van; rol hem nu naar de plaats; nu overeind sapperloot, wat is dat ding zwaar;
-hei! Constant! help ons een handje,”
-</p>
-<p>Constant komt dadelijk en met hem Arthur en Gerard Bunte. Ze krijgen er allen plezier
-in. Met vereende krachten beuren ze het groote stuk boven op de twee beenen.
-</p>
-<p>David gaat op eenigen afstand staan om het te bekijken.
-</p>
-<p>„Er moet nog een stuk boven op,” zegt hij.
-</p>
-<p>„’t Is tijd,” zegt de concierge.
-<span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span></p>
-<p>„Hé wat saai; nu, morgen zullen we hem verder opbouwen.”
-</p>
-<p>Daar komt Amalia aan; nu hebben de jongens geen tijd om haar in te zeepen, maar ze
-krijgt in de gauwigheid toch nog twee sneeuwballen midden in haar gezicht.
-</p>
-<p>Na schooltijd is het al bijna donker en de jongens haasten zich om thuis te komen.
-Het sneeuwt nog altijd door, de lucht is effen grijs en er ligt een dik pak.
-</p>
-<p>Met moeite en heel warm komen de jongens thuis; Grootmoeder was al ongerust omdat
-het zoo vroeg donker was.
-</p>
-<p>„Is er geen brief?”
-</p>
-<p>„Neen jongen, misschien morgen. Ik hoop dat het nu gauw op zal houden met sneeuwen,
-hoe kun je er anders morgen door?”
-</p>
-<p>„O Grootmoeder, dat is juist prettig, we maken een prachtige sneeuwpop op het plein,
-morgen moeten we hem verder afmaken.”
-</p>
-<p>„Ja maar jongen, de weg zal zoo moeielijk te begaan zijn.”
-</p>
-<p>„O Grootmoeder, we zijn sterke jongens, daar zien we niet tegen op.”
-<span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span></p>
-<p>Den volgenden dag heeft de baas een pad gemaakt met een klein sneeuwploegje tot aan
-het hek. Er ligt veel sneeuw en het sneeuwt nog altijd door.
-</p>
-<p>Juist als Arthur bij het hek is, ziet hij den grooten sneeuwploeg komen. Vier paarden
-zijn er vóor gespannen. Verscheiden mannen en jongens zitten er op om den ploeg te
-verzwaren en Arthur krijgt ook permissie er op te gaan.
-</p>
-<p>Dat treft hij, als nu Constant ook maar op tijd is. Daar ziet hij hem aankomen, hij
-loopt zoo hard hij kan en dat is niet gauw door die dikke sneeuw en haalt gelukkig
-den ploeg in en gaat er bij op zitten. Juist als ze voorbij het huis van Jacob Drieman
-gaan, zien ze de vrouw en het oudste meisje met een slede tegen den hoogen weg opschuiven.
-Maar het gaat niet, de sneeuw is zoo dik, ze zwoegen en spannen zich in zoo veel zij
-kunnen, maar het is te zwaar.
-</p>
-<p>„We moeten helpen,” zegt Constant en hij en Arthur springen van den ploeg, waarop
-zij zoo prettig vooruit kwamen.
-</p>
-<p>„Waar is Jacob?” vraagt Arthur.
-<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p>
-<p>„Mijn man is ziek,” zegt de vrouw, terwijl ze steeds voortgaat zich in te spannen.
-</p>
-<p>Nu komen de jongens te hulp en met vereende krachten trekken ze de slede op den weg,
-die nu gebaand is door den ploeg.
-</p>
-<p>„Wat scheelt Jacob?” vraagt Constant.
-</p>
-<p>„Ik ben bang dat ie longontsteking heeft,” zegt de vrouw, terwijl dikke tranen over
-haar wangen loopen.
-</p>
-<p>De jongens zien elkaar verschrikt aan en hebben diep medelijden met de arme vrouw.
-</p>
-<p>„Och jongeheeren, je weet niet wat mien man van nacht getobd heeft over de boodschappen
-in de stad; als ze niet gedaan worden zijn de menschen verlegen en dan gaan ze naar
-een ander, je weet wel, dien Jannes Trot, die doet toch al zoo’n moeite om er ons
-uut te dringen. Mien arme man, hie werkt zich dood en ie gaat nooit naar de herberg
-en ie heeft alles gespaard om een ezel te kunnen koopen en noe ie het geld haast bie
-mekaar heeft, noe zal hie dood gaan!”
-</p>
-<p>De vrouw snikt en kan niet voortgaan met spreken. De jongens weten niet wat ze zeggen
-<span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>zullen, maar ze duwen zoo hard ze kunnen en de slede rijdt flink over den weg.
-</p>
-<p>„Wie past nu op je man?” vraagt eindelijk Arthur.
-</p>
-<p>„De kleine Gerrit.”
-</p>
-<p>„Hoe oud is die?”
-</p>
-<p>„Vief jaar.”
-</p>
-<p>„Waarom niet een van de grooten?”
-</p>
-<p>„Die moeten naar school en Jentje moest met mie mee, omdat zie de boodschappen weet,
-zie is met Vader dikwijls met ewest.”
-</p>
-<p>Aan de poort nemen de jongens afscheid van vrouw Drieman, die hen vriendelijk bedankt
-en ze zijn beiden stil en denken over den zieken Jacob.
-</p>
-<p>Vóor de school zijn reeds eenige jongens bezig met sneeuwballen gooien en ze kijken
-uit of Amalia nog niet komt, maar die komt heel wijs<span id="xd30e1890"></span> op het laatste nippertje. De sneeuwpop is in den nacht gegroeid en prachtig, donzig
-wit geworden. Na de koffie gaan ze weer aan ’t werk, maar het is intusschen gaan waaien,
-de sneeuw waait aan hoopen tegen de hekken der verschillende tuintjes en in de deur-
-en raamkozijnen en overal zijn menschen aan het vegen.
-<span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span></p>
-<p>De sneeuwpop heeft nu een stevig bovenlijf gekregen en David heeft een bankje aan
-den concierge gevraagd om er bij te klimmen.
-</p>
-<p>„Geef me nu zijn hoofd, ik zal het er op zetten,” zegt hij.
-</p>
-<p>Johannes reikt hem een grooten, zwaren bal toe en als David dien wil aannemen, rolt
-de bal op den grond en breekt.
-</p>
-<p>Dadelijk zijn verscheiden jongens bereid een nieuw hoofd te rollen en te zamen tillen
-zij het op den romp.
-</p>
-<p>„Ziezoo,” zegt David, „nu ga ik aan het boetseeren.”
-</p>
-<p>Hij kneedt en slaat met de vlakke hand en strijkt de schouders van het standbeeld
-glad en maakt een stevigen hals en nek, en als hij het hoofd goed ovaal rond heeft
-gemaakt en vast in elkaar gekneed, neemt hij zijn mes en begint te krabben en af te
-snijden en zie, daar komt de neus te voorschijn en de oogen en de wangen en de kin.
-</p>
-<p>„Mooi!” roepen de jongens, „prachtig! precies de neus van den Dirrik.”
-<span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span></p>
-<p>„Die moet het ook worden,” zegt David, „ik wil een mooi standbeeld voor hem oprichten.<span class="corr" id="xd30e1905" title="Bron: ’">”</span>
-</p>
-<p>„Pas op, als hij het ziet,” zegt Gerard.
-</p>
-<p>„Waarom?” zegt David, „dat mag hij best, ik maak het niet bespottelijk, neen, het
-wordt echt mooi, dat heeft hij wel verdiend, is ’t waar of niet?”
-</p>
-<p>„Ja,” zegt Arthur, „’t is een kranige vent, hij kan goed orde houden, hij is wel streng
-maar rechtvaardig, ja, hij heeft een mooi standbeeld verdiend.”
-</p>
-<p>„Wie heeft een standbeeld verdiend?” vraagt de Directeur, die juist om den hoek is
-gekomen.
-</p>
-<p>Arthur krijgt een kleur als vuur en al de jongens staan verbluft te kijken.
-</p>
-<p>De directeur bekijkt het standbeeld: hij is een groote, breede man met een flinken
-kop; een groote neus en een hoog breed voorhoofd, een snor en sikje.
-</p>
-<p>„Te drommel,” zegt de directeur, „dat is knap gedaan, maar hij heeft nog geen ooren.
-Heb jij dat gedaan, kleine David?”
-</p>
-<p>„Ja mijnheer,” zegt deze een beetje verlegen, maar hij plakt toch gauw een paar ooren
-aan het hoofd.
-<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p>
-<p>Daar komen de andere heeren aan en allen bekijken het beeld en allen beginnen te glimlachen
-en ze kijken naar den directeur en dan weer naar het beeld en eindelijk zegt de grappige
-leeraar:
-</p>
-<p>„Directeur, er krijgen niet veel menschen een standbeeld bij hun leven.”
-</p>
-<p>De directeur heeft ook zich zelf herkend en nu roept David en dan al de anderen:
-</p>
-<p>„Lang leve de directeur!”
-</p>
-<p>Als de jongens ’s middags uit school komen, zien ze naar de lucht.
-</p>
-<p>„Dat ziet er niet best uit,” zegt Arthur, „wat wordt het donker en het sneeuwt zoo
-dicht en het waait alles op hoopen. Laten we ons haasten om thuis te komen.”
-</p>
-<p>De jongens gaan in vluggen pas de poort uit. Op sommige plaatsen is de sneeuw hoog
-opgewaaid tegen huizen en hekken links van den weg.
-</p>
-<p>„We moeten rechts houden,” zegt Constant, „bij het boschje aan den rechterkant zal
-de sneeuw niet opgewaaid zijn.
-</p>
-<p>„Daar zal ze wel dik liggen, hier is het niet erg,” zegt Arthur, „hier is bijna alles
-weg gewaaid, <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>maar hoe zal het bij het laatste boschje links zijn? daar komt al de sneeuw van de
-bouwlanden tegen aan waaien.”
-</p>
-<p>„Ja, dat zal een toer zijn; vooruit maar, hoe eerder we thuis zijn hoe beter.”
-</p>
-<p>De jongens loopen zoo hard ze kunnen en ze worden van top tot teen wit.
-</p>
-<p>„We lijken wel sneeuwpoppen; het was toch een mooi standbeeld, dat we gemaakt hebben,
-ik heb nog nooit zoo’n mooi gezien.”
-</p>
-<p>„Kijk, daar gaat vrouw Drieman, och die stumper, gauw helpen, een, twee, drie! Hola,
-hier! heb je een touw? we zullen je helpen,” roept Arthur.
-</p>
-<p>Wat is vrouw Drieman blij! Ze kon ook al haast niet meer vooruit komen en ze is zoo
-bang, dat ze de boodschappen niet veilig thuis zal krijgen en daarbij is zij zoo ongerust
-over haar man.
-</p>
-<p>„Jongeheer,” zegt ze tegen Arthur, „zou je Grootmoeder erg verlegen zijn om de citroenen
-en de kaas? anders moet ik ze nu nog brengen.”
-</p>
-<p>„Geef ze mij maar mee, hier, onder mijn jas in mijn blouse, daar kan een heele vracht
-in. Grootmoeder zou niet willen, dat je daar van avond <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>nog mee naar Conifera kwaamt door die dikke sneeuw. Ik hoop dat Jacob gauw beter wordt,
-groet hem.”
-</p>
-<p>„Van mij ook,” zegt Constant als ze de slede veilig voor de deur hebben gezet.
-</p>
-<p>„Kom Arthur, haast je, neen, ga niet naar binnen, het wordt veel te donker, je kunt
-toch den weg al haast niet meer onderscheiden en nu komt het boschje. Drommels! hoe
-komen we daar door? als de sneeuw hooger komt dan je knieën, kun je er niet door.”
-</p>
-<p>„Hier,” zegt Arthur, die zoo veel mogelijk rechts houdt.
-</p>
-<p>„Pas op, loop niet in de sloot, je zoudt diep in de sneeuw zakken; je kunt niet zien
-waar die vervelende droge sloot begint, alles is gelijk.”
-</p>
-<p>De jongens komen met moeite op het punt waar ze moeten scheiden en daar is de weg
-nog al duidelijk. Een boer, die hen tegen komt, zegt:
-</p>
-<p>„Haast je wat, het wordt gevaarlijk in het duister.”
-</p>
-<p>„Ja,” zegt Arthur, „we zijn gelukkig gauw thuis. Adi! tot morgen.”
-<span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span></p>
-<p>„Goeie reis! pas maar op!” zegt Constant, terwijl hij zoo snel mogelijk naar het dorp
-loopt.
-</p>
-<p>Arthur komt zonder al te veel hindernis tot aan het hek van Conifera, maar nu zal
-het eerst lastig worden. Links is veel laag struikgewas, rechts zijn hoog opgaande
-eiken, waaronder de wind de sneeuw in vliegende vaart opjaagt en ophoopt tegen de
-struiken.
-</p>
-<p>Moedig stapt Arthur voorwaarts en waadt door de sneeuw en hoe langer hoe dieper zakken
-zijn beenen er in. Wat is het vermoeiend, de voeten telkens zoo hoog op te tillen.
-Daar komt hij bij een bocht van den weg, als hij daar maar voorbij was, dan zou hij
-het licht van Conifera kunnen zien.
-</p>
-<p>Daar staat Arthur plotseling stil, hij kan niet verder; de sneeuw reikt boven zijn
-knieën, Wat nu te doen? Hij probeert vooruit te komen, maar daar is het nog dieper,
-achteruit gaat ook niet. Nu wordt hij een beetje bang, eventjes maar en dan kijkt
-hij naar boven, naar de donkere lucht en krijgt sneeuwvlokken in zijn oogen, maar
-hij ziet juist boven zijn hoofd een dikken tak van een eik. Hij grijpt dien en trekt
-zich wat naar <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>boven. Dat helpt; hij slingert zich in de hoogte en laat zich neervallen meer naar
-rechts. Mooi, dat is minder diep; een paar passen kan hij voortgaan, maar o wee, nu
-wordt het nog erger en geen tak om zich aan op te trekken. Hij baant zich met de handen
-een weg, maar dat kan hij niet lang volhouden, ook weet hij niet goed de richting
-meer.
-</p>
-<p>„Hallo! Pandoer! Hallo!”
-</p>
-<p>Arthur fluit en roept uit alle macht. Daar hoort hij in de verte iets roepen en het
-blaffen van Pandoer, het komt nader bij.
-</p>
-<p>„Pandoer! Pandoer! hier ben ik! maar pas op, och wat ben ik dom geweest, dat arme
-dier, hij zal er nog minder door kunnen dan ik.”
-</p>
-<p>„Hier jongeheer! hier heen, ik zal een weg maken; hei! Jannes! help me gauw, heb je
-de schop? hier!”
-</p>
-<p>Nu gaat Arthur met nieuwen moed aan het werk, hij ziet het licht van een lantaren
-en hij heeft de stem van Hein herkend, gelukkig dat ze hem komen helpen, hij had er
-zonder hulp niet door kunnen komen.
-<span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span></p>
-<p>„Ziezoo, nu kun je er door,” zegt Hein, terwijl hij even de schop neerzet en Arthur
-bij het licht van de lantaren bekijkt; het is intusschen heel donker geworden.
-</p>
-<p>„Waar is Pandoer? Pandoertje waar ben je?” en Arthur tracht in de duisternis te ontdekken,
-waar zijn trouwe hond gebleven is. Hij hoort hem janken en spartelen en als Hein het
-licht van de lantaren rond laat gaan, zien ze het arme dier worstelen door de diepe
-sneeuw.
-</p>
-<p>Dadelijk banen ze met Jannes een weg er heen en daar komt de hond bij Arthur en schudt
-zich uit en springt luid keffend tegen zijn baas op.
-</p>
-<p>„Nu gauw naar je Grootmoeder,” zegt Hein, „gauw, ze is zoo ongerust.”
-</p>
-<p>Wat zijn Grootmoeder en Arthur beide blij, als ze elkaar in de vestibule omhelzen.
-De sneeuwvlokken zitten in Grootmoeders sneeuwwit haar en ook op haar lieve, zachte
-wangen. Arthur is zoo’n wilde, onstuimige jongen, bijna even wild als Pandoer, die
-zich terdege uitschudt, zoodat de sneeuw tegen den barometer en de wijzerplaat van
-de klok aankleeft.
-<span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span></p>
-<p>„Wat heb je daar voor dikte?” vraagt Grootmoeder, als Arthur zijn jas uittrekt.
-</p>
-<p>„O, dat zijn de citroenen en de kaas van vrouw Drieman; hè, wat ben ik blij dat ik
-ze meegenomen heb, anders was de stumper misschien in de sneeuw blijven steken.”
-</p>
-<p>Grootmoeder ziet hem liefdevol aan en zegt:
-</p>
-<p>„Kijk nu eens onder je servet.”
-</p>
-<p>„Ha! een brief!” juicht Arthur en terwijl Grootmoeder de soep opschept, kan hij niet
-laten gauw den brief te openen en te zien of ze in Indië allen gezond zijn. Grootmoeder
-laat het oogluikend toe, want zij is zoo erg verlangend iets te hooren over hare dierbaren,
-daar ginder, zoo heel ver weg over de zee.
-</p>
-<p>„Moeder schrijft, dat ze allen weer beter zijn, zus is het ergst geweest, maar nu
-allemaal goed, gelukkig!”
-</p>
-<p>„Gelukkig!” zegt Grootmoeder, „laten we nu eerst gaan eten en den brief voor het dessert
-bewaren.”
-</p>
-<p>Arthur vertelt, hoe hij tegen den sneeuwstorm geworsteld heeft en Grootmoeder zegt,
-dat zij niet geweten heeft dat het zoo erg was.
-<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span></p>
-<p>„Daar ben ik blij om,” zegt Arthur, „u zou dan zeker erg ongerust zijn geweest. Maar
-Grootmoeder, Jacob Drieman is erg ziek, zijn vrouw en Jentje moesten de boodschappen
-doen, de kleine Gerrit was alleen bij Jacob thuis.”
-</p>
-<p>„We zullen er dadelijk morgen naar laten hooren en hulp verschaffen, dat kan zoo niet,”
-zegt Grootmoeder.
-</p>
-<p>Aan het dessert mag <span class="corr" id="xd30e1989" title="Bron: Athur">Arthur</span> den brief lezen.
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first salute">„Beste Arthur,
-</p>
-<p>Gisteren ontvingen we je brief, waarin je ons schrijft over den eersten dag op school.
-Vader en ik zijn heel blij, dat je er plezier in hebt en ook, dat je een aardigen
-kameraad hebt gevonden om mee samen te loopen en te werken. Dat treft al heel gelukkig,
-nu heb je altijd gezelschap op je wandeling van en naar de school en je kunt elkaar
-zoo prettig de lessen overhooren. Ik hoop, dat je alle klassen samen door zult maken
-en goede vrienden zult blijven. Vader zal je een postwissel zenden voor den ezelpot;
-Constant Kemper zal het ook wel prettig vinden, als jij gauw een ezel kunt koopen.
-We hebben erg getobd met malaria <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>en Carolientje heeft erg knokkelkoorts gehad, het arme kind voelde zich heel ziek
-en pijnlijk. De tuinen zijn prachtig en de kleintjes vinden het hier heerlijk; maar
-ik verlang erg naar Holland. We hebben met de vorige mail een kistje verzonden, dat
-kun je dus binnenkort ontvangen. Ben je lief en gehoorzaam voor Grootmoeder? ben je
-niet te wild en te druk? denk er om dat Grootmoeder al een beetje oud is. Omhels haar
-eens voor mij en zeg haar, dat ik zoo blij ben, dat mijn lieve jongen bij haar kan
-zijn. Vader en de zusjes zenden veel groetjes. Vader schrijft met de volgende mail
-aan Grootmoeder.
-</p>
-<p>In gedachten een omhelzing van
-</p>
-<p class="signed">je zoo liefhebbende
-<br>Moessie.”</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Arthur leest den brief nog eens over en zegt:
-</p>
-<p>„Ik vind het zoo prettig in Indië, maar als Vader en Moeder hier komen, zal ik er
-niet zoo erg meer naar verlangen als den eersten tijd. Ik begin nu al veel van Holland
-te houden.”
-<span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/h10.png" alt="Hoofdstuk X." width="623" height="197"></div>
-<h2 class="main">Hoofdstuk X.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Den volgenden morgen springt Arthur vroeg uit zijn bed; hij is zoo nieuwsgierig om
-te zien hoeveel sneeuw er bij gekomen is. De wind is bedaard en het heeft opgehouden
-met sneeuwen.
-</p>
-<p>„Hoe prachtig!” zegt Arthur hardop, als hij het gordijn opgehaald heeft. Hij staat
-een poos te kijken, nog nooit zag hij zoo iets moois; alles is smetteloos wit, de
-boomen, de struiken en de grond en de lucht daarboven is helderblauw en overal waar
-de zon haar stralen zendt, schitteren duizende diamanten.
-</p>
-<p>Haastig loopt Arthur naar den overloop en roept aan Grootmoeders deur:
-</p>
-<p>„Grootmoe! heeft u al naar buiten gekeken? het is prachtig! de zon schijnt zoo mooi
-op de sneeuw, ik ga me gauw aankleeden.”
-</p>
-<p>Hein is al bezig paadjes te graven van de <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>keuken naar den stal en nu komt Arthur gauw helpen. Er ligt een manshoogte tegen de
-staldeur.
-</p>
-<p>„Ja jongeheer, je zult er van in de krant lezen, alles is versperd, de treinen zullen
-blijven steken; de bakker zal er niet door kunnen en je kunt ook niet naar school<span class="corr" id="xd30e2022" title="Bron: ,">.</span>”
-</p>
-<p>„Niet naar school?” zegt Arthur verbaasd.
-</p>
-<p>„Neen, zeker niet, we kunnen hier zoo gauw niet vandaan komen, kijk maar eens voor
-het huis.”
-</p>
-<p>Arthur loopt naar de voorkamer en nu ziet hij, hoe de sneeuw tot bergen is opgewaaid,
-op den oprit ligt de sneeuw wel een meter hoog.
-</p>
-<p>„Ik wil toch naar school,” zegt Arthur, „ik zal wel plekjes vinden waar ik door kan,
-ik neem een schop mee.”
-</p>
-<p>Hein lacht en zegt:
-</p>
-<p>„Probeer het maar, het is mij goed.”
-</p>
-<p>Arthur roept Pandoer, trekt zijn overjas aan en gooit zijn pet een eind van zich af.
-</p>
-<p>„Apporte!”
-</p>
-<p>Pandoer brengt dadelijk de pet bij hem en als Arthur zich bukt, zet Pandoer hem de
-pet achterste voor op het hoofd.
-<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p>
-<p>„Mooi, knap gedaan. Nu een weg zoeken, vooruit!”
-</p>
-<p>Pandoer zakt diep in de sneeuw, maar hij komt er toch telkens weer uit.
-</p>
-<p>„Geef mij dan het kleine sneeuwploegje Hein.”
-</p>
-<p>Hiermee gewapend zoekt Arthur een weg, waar de Oostenwind de sneeuw niet heeft kunnen
-opwaaien.
-</p>
-<p>„Toe maar Pandoer, loop jij maar vooruit.”
-</p>
-<p>Die slimme hond, hij weet overal plekjes te vinden, waar de sneeuw niet zoo hoog ligt
-en met een omweg, komen zij bij den straatweg. Zoo nu en dan moet Hein met de schop
-te hulp komen, maar het is hem erg meegevallen.
-</p>
-<p>„Ja Hein, als je niet door den berg heen kunt komen, moet je er omheen loopen, want
-er boven overheen gaat ook niet.”
-</p>
-<p>„Zeg dat wel jongeheer. Als nu de sneeuwploeg maar kwam.”
-</p>
-<p>„Nu ga ik eerst ontbijten en als ik klaar ben, zal de ploeg er wel zijn en anders
-ga ik met dit kleine ding, ik wil er door.”
-</p>
-<p>Grootmoeder vindt goed dat hij het probeert; het is nu helder licht dag en zonder
-gevaar.
-<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p>
-<p>„Als ik Pandoer eens meenam? dan breng ik hem bij oom Bantam.”
-</p>
-<p>„Goed mijn jongen, doe dat.”
-</p>
-<p>Arthur legt zijn boeken op het driehoekig sleedje, en met zijn dikke slobkousen en
-overschoenen, baggert hij door de sneeuw.
-</p>
-<p>Wat is Pandoer blij, dat hij mee mag; hij rolt zich door de sneeuw en proest en snuift
-als een walvisch.
-</p>
-<p>Op den straatweg gekomen, kijkt Arthur uit naar den sneeuwploeg, maar er is niets
-te zien. Daar hoort hij heel in de verte een spoorfluit, nog eens en nog eens, onophoudelijk
-door.
-</p>
-<p>„Hè, wat fluiten ze, misschien kunnen ze niet verder, ja, dat zal het zijn.”
-</p>
-<p>De straatweg is hier open en vrij; de wind van gisteren heeft de sneeuw voor zich
-uitgejaagd en Arthur kan er gemakkelijk door komen. Maar waarom zou de sneeuwploeg
-niet komen?
-</p>
-<p>Daar ziet hij van verre Constant; hij waadt met moeite door de sneeuw, want hij heeft
-geen ploegje bij zich. Arthur wacht op hem en gooit onderwijl met sneeuwballen. Hij
-geniet van het <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>prachtige weer en het uitzicht over de zuiver witte velden, die schitteren in den
-zonneschijn.
-</p>
-<p>„Wat een leuk ding heb je daar,” zegt Constant nader komend, „laat mij ook eens duwen.
-Hoe ben je gisteren avond thuis gekomen Mung?”
-</p>
-<p>Arthur vertelt het en hoort van Constant, dat deze ook met moeite het hek van de Pastorie
-is doorgekomen.
-</p>
-<p>„Kom Pandoer, vooruit!” zegt Arthur, „hoe zou het met Jacob zijn? och lieve deugd,
-zijn huis zit heelemaal onder de sneeuw, er komt toch rook uit den schoorsteen. Wat
-is die sneeuw daar op gewaaid, maar daar achter is een opening, daar staat de vrouw.”
-</p>
-<p>„Dag vrouw Drieman, hoe is het met Jacob?”
-</p>
-<p>„Hie is zoo benauwd, Jentje is naor den dokter; hie wou geen doctor hebben, hie zegt,
-dat ie dan geen ezel kan koopen, al de spaorduuten zullen weg gaon aan apotheker en
-dokter, maor ik kan hem zoo niet in de benauwdheid laoten.”
-</p>
-<p>De jongens weten niet wat ze zeggen zullen en gaan erg onder den indruk verder den
-weg op. Eindelijk zegt Arthur:
-<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p>
-<p>„Wat is het toch raar verdeeld; Jacob zou zoo graag een ezel hebben en hij kan hem
-niet krijgen en hij heeft hem toch zoo noodig en ik …”
-</p>
-<p>„Ja, als hij hem niet krijgt, kan hij het zeker niet volhouden om boodschappen te
-doen,” zegt Constant.
-</p>
-<p>„En wat dan?” vraagt Arthur.
-</p>
-<p>„Ja, dat weet ik niet, hij kan niet op een andere manier den kost verdienen en als
-zijn vrouw met de kar gaat, wie moet dan de huishouding doen, dat kan toch ook niet.
-Krijg jij gauw een ezel?”
-</p>
-<p>„Ja, ik denk het wel, Vader zal een postwissel zenden, ik weet niet hoeveel.”
-</p>
-<p>„Je zult in de week niet veel aan een ezel hebben, overdag ben je naar school en ’s
-avonds werken.”
-</p>
-<p>„Ja, alleen op Zondag en in de vacantie. Maar dat zal wel leuk zijn.”
-</p>
-<p>„Hoor de trein fluit nog altijd, wat beduidt dat toch?”
-</p>
-<p>„Zouden ze vast zitten? wat zou ik graag helpen graven. Kijk eens daar vooruit in
-de sneeuw, wat gek, allemaal zwarte dingen, zijn dat kraaien?”
-<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span></p>
-<p>„Wel neen, dat zijn hoofden, die uit de sneeuw komen. Hoe kan dat?”
-</p>
-<p>„Ik zie het al, het zijn menschen die de sneeuw opruimen; wel doossie! ze ligt een
-manshoogte, hoe komen we daar door? voor dat ze dat weg hebben, kunnen we hier wel
-een paar uur wachten.”
-</p>
-<p>„Laten we over het bouwland gaan, Pandoer! zoek eens gauw een pad.”
-</p>
-<p>Ze loopen over het bouwland en zakken soms diep in de sneeuw. Ze worden erg warm en
-vermoeid en eindelijk blijven ze steken, ze kunnen niet verder.
-</p>
-<p>„Hoor! bellen gerinkel.”
-</p>
-<p>Ze kijken naar den weg en daar zien ze den sneeuwploeg. Verscheiden mannen met schoppen
-loopen er bij.
-</p>
-<p>„Laten wij er gauw heen gaan, hier komen we toch niet door.”
-</p>
-<p>De jongens gaan denzelfden weg terug en komen erg vermoeid bij den ploeg. Ze laten
-er zich op neervallen en blijven er hijgend en puffend op liggen. De menschen zijn
-druk aan het graven, de vier paarden staan te dampen en <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>laten zoo nu en dan de bellen rinkelen. De jongens blijven niet lang werkeloos, ze
-willen mee helpen, ze nemen telkens de schop van iemand die uitrust en al kunnen ze
-nog niet veel, alle beetjes helpen.
-</p>
-<p>Eindelijk is de dam doorgegraven, maar niet breed genoeg voor den ploeg. De paarden
-worden afgespannen en éen voor éen door den nauwen weg gebracht en dan de ploeg op
-zijn kant gezet en er door getrokken.
-</p>
-<p>„Ziezoo, gaat er nu maar weer op zitten jongens, allo! huut! vooruut!”
-</p>
-<p>Wat zijn de jongens blij, dat ze met hun boeken en het kleine ploegje mee kunnen gaan
-en als ze eindelijk op school komen, is de deur dicht, want het is al kwart voor elf.
-</p>
-<p>„We kunnen het toch heusch niet helpen,” zeggen ze tot den concierge, die hen open
-doet. Ze vertellen hoeveel moeite ze gedaan hebben en ze hooren, dat Gerard Bunte
-in het geheel niet gekomen is.
-</p>
-<p>„Mag Pandoer hier bij jou blijven, als ’t je blieft?” vraagt Arthur, „ik moet hem
-anders nog bij Oom Bantam brengen.”
-<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span></p>
-<p>„Is het een kwade?”
-</p>
-<p>„Neen, volstrekt niet.”
-</p>
-<p>„Nu, laat hem dan hier maar liggen, blijf jullie bij hem tot de 4de les begint.”
-</p>
-<p>Als de directeur hoort, hoe de jongens zich een weg gebaand hebben, zegt hij:
-</p>
-<p>„Flink gedaan! als je voortaan altijd zoo moedig voorwaarts gaat en een baan breekt
-door alle moeielijkheden heen, dan kun je het ver brengen.”
-</p>
-<p>Pang! daar vliegt de deur open, Pandoer springt het locaal binnen, recht naar Arthur
-toe. Algemeen gelach, maar mijnheer is gelukkig niet boos en Pandoer wordt opgesloten
-bij den concierge.
-<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch11.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/h11.png" alt="Hoofdstuk XI." width="622" height="204"></div>
-<h2 class="main">Hoofdstuk XI.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Jacob Drieman is erg ziek; de dokter komt elken dag en Mevrouw Mung doet wat ze kan
-om hulp te verschaffen. Eindelijk is het gevaar geweken; Jacob zit een poosje op en
-wordt met krachtige soepjes en andere dingen door Mevrouw Mung en Mevrouw Kemper opgekweekt.
-Arthur en Constant hebben dikwijls voor zijn bed gezeten en hebben zijn verzuchtingen
-aangehoord. Hij is zoo bang, dat hij niet sterk genoeg zal worden om de kar te duwen
-en wat moet er dan van zijne vrouw en kinderen worden, „dan ben ik niets dan een lastpost,”
-zegt hij.
-</p>
-<p>Als Arthur thuis komt, is hij stil en nadenkend en als Grootmoeder vraagt wat hem
-scheelt, zegt hij:
-</p>
-<p>„Grootmoeder, als ik een ezel krijg, mag ik er dan mee doen wat ik wil?”
-<span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span></p>
-<p>„Zeker mijn jongen; ik vertrouw je genoeg om te weten, dat je hem niet zult slaan
-of afbeulen.”
-</p>
-<p>Arthur zit weer na te denken en zegt dan:
-</p>
-<p>„Grootmoeder, ik zou toch niet veel aan een ezel hebben, alleen op Zondag en in de
-vacantie.”
-</p>
-<p>Grootmoeder kijkt verwonderd op en zegt:
-</p>
-<p>„En zou dit dan niet prettig zijn?”
-</p>
-<p>„Ja, dat wel, maar.…”
-</p>
-<p>„Wat dan?”
-</p>
-<p>„Het zou niet noodig zijn, terwijl Jacob er niet buiten kan.”
-</p>
-<p>„Wat wou je dan?”
-</p>
-<p>„Mag ik den ezel aan Jacob geven? ik geloof dat ik er dan veel meer pleizier van zou
-hebben, ja, ik weet het wel zeker, Grootmoeder, ik zou het heerlijk vinden, mag ik
-het doen?”
-</p>
-<p>Grootmoeder kan niet laten hem te omhelzen en zegt niets dan:
-</p>
-<p>„Ga je gang, beste jongen.”
-</p>
-<p>„O Grootmoeder! wat ben ik blij! wat zal Jacob blij zijn en zijn vrouw en al de kinderen
-en Constant. Pandoer! Pandoertje! kom eens hier oude jongen, hop Marianneke! O Grootmoeder
-ik ben <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>zoo blij. Hein weet een ezel, mag ik hem met Hein gaan koopen?”
-</p>
-<p>„Laat Hein maar eens bij mij komen.”
-</p>
-<p>Grootmoeder overlegt met Hein en op een Zaterdagmiddag gaat deze met Arthur naar een
-buurtschap, drie kwartier buiten het dorp en ze komen juist tegen etenstijd terug
-met een mooien, grijzen ezel. Het is een zachtzinnig dier, een beetje mager, maar
-goed gezond. Hij mag op <span class="corr" id="xd30e2138" title="Bron: Connifera">Conifera</span> blijven, totdat Jacob genoeg hersteld is om uit te gaan. Zondagmiddag gaat Arthur
-Constant af halen en samen zullen ze het groote nieuws aan Jacob gaan vertellen.
-</p>
-<p>De sneeuw is hard bevroren en de straatweg is heerlijk glad gebaand. De jongens loopen
-vroolijk over den weg en Pandoer loopt mee. Als ze het huis van Jacob binnen komen,
-zien ze dezen aan de tafel zitten met zijne vrouw en 5 kinderen. Er worden dadelijk
-twee stoelen voor de jongens leeg gemaakt door Jentje en Gerrit, die elk op een takkebos
-aan den haard gaan zitten.
-</p>
-<p>„Goeien morgen jongeheeren,” zegt Jacob, „zit ik hier noe niet mooi? ik bin toch zoo
-blied, dat <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>ik hier weer zoo zitten mag bie mien vrouw en kinders. Ik bin noe niet meer zoo neerslachtig,
-foei, foei, wat heb ik gelamenteerd! ik bin dankbaor, dat ik weer beter word en ik
-verlang hard dat ik aan het wark zal kunnen gaon en dan maor weer met moed vooruut.”
-</p>
-<p>„De dokter hef ezegd dat je nog lange niet achter de kar meugt loopen,” zegt de vrouw,
-„de longen kunnen dat niet lieën.”
-</p>
-<p>„Dat zol wat moois wezen,” zegt Jacob, „ik mot toch aan ’t verdienen gaon?”
-</p>
-<p>De vrouw schudt het hoofd en ziet de jongens aan.
-</p>
-<p>Arthur heeft een kleur van opgewondenheid; Constant stoot hem aan en zegt:
-</p>
-<p>„Toe dan, zeg het.”
-</p>
-<p>„Jacob, wou je nog zoo graag een ezel hebben?”
-</p>
-<p>„Een ezel? nou, of ik; maor ik mot nog een winter door warken en den zomer ook, veur
-dat ik het geld er veur heb.”
-</p>
-<p>„Jao, en eerst weer ziek worden,” zegt de vrouw.
-</p>
-<p>„Kom, geen zorgen veur den tied,” zegt Jacob.
-</p>
-<p>„Jao, noe isse zoo moedig, maor och!” en de vrouw zucht.
-<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p>
-<p>„Toe dan,” zegt Constant.
-</p>
-<p>„Jacob,” zegt Arthur, „hoe zou je het vinden als hier een ezel kwam binnen loopen?”
-</p>
-<p>„Dan zol ik zeggen: kom binnen lief diertjen, maor dan zolle wel gauw weer wegloopen.”
-</p>
-<p>„Heb je een stal?”
-</p>
-<p>„Jao, in ’t schuurtjen, een mooie, warme stal, jao, dat is geen bezwaor, maor ’t geld!”
-</p>
-<p>„Toe dan,” zegt Constant.
-</p>
-<p>„Jacob, ik heb een ezel voor je.”
-</p>
-<p>Jacob zet groote oogen op en zegt dan:
-</p>
-<p>„Och jongeheer, ik kan hem zuuver niet betaolen, ’t volgend jaar misschien wel, ak
-gezond blief.”
-</p>
-<p>„Jacob, ik geef je den ezel present, ik heb het geld er voor van Vader, Moeder en
-Grootmoeder gekregen.”
-</p>
-<p>Jacob wil wat zeggen, maar hij slikt en begint te hoesten.
-</p>
-<p>Constant staat vlug op en zegt:
-</p>
-<p>„Kom Mung, ga gauw mee, dan kan hij er eens over denken. ’t Is echt waar,” zegt hij
-in ’t voorbijgaan tegen vrouw Drieman, „de ezel staat al op Conifera op stal, ik heb
-hem gezien; kom Arthur, gauw!”
-<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p>
-<p>Als de jongens buiten de deur zijn, zegt Constant:
-</p>
-<p>„De man was heelemaal van streek van blijdschap, het is beter, dat we nu weg gaan.”
-</p>
-<p>„Ja, dat geloof ik ook, kom, gauw naar huis, ga je mee?”
-</p>
-<p>„Graag; zullen we den ezel buiten laten loopen?”
-</p>
-<p>De jongens hebben den heelen middag pret met den ezel en Grootmoeder is een oogenblik
-bang, dat Arthur berouw zal krijgen, maar neen, hij is den heelen tijd zoo gelukkig,
-omdat hij dat heele gezin van Jacob voor armoede kan bewaren en Grootmoeder is weldra
-gerust gesteld.
-</p>
-<p>Dien avond, dadelijk na het eten, komt vrouw Drieman op Conifera, om Mevrouw Mung
-te spreken. Zij komt vragen of het werkelijk waar is van dien ezel, haar man kan het
-niet gelooven.
-</p>
-<p>„Ja, het is zeker waar, geloof het gerust. Zoo gauw Jacob den ezel hebben wil, kan
-hij hem krijgen.”
-</p>
-<p>„Maor Mevrouw, ik heb nooit van een kind eheurd, dat zoo iets zol doen en zoo goed
-is, als die jongeheer Arthur.”
-</p>
-<p>„’t Is een beste jongen, dat is waar, maar geloof <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>mij, er zijn wel meer goede jongens die het graag zouden doen, maar ze kunnen niet
-altijd.”
-</p>
-<p>De vrouw kijkt ongeloovig en zegt:
-</p>
-<p>„Mien man wou den jongenheer graag zelf spreken, zou hie bie Jacob willen komen?<span id="xd30e2191"></span>”
-</p>
-<p>„Ja zeker, ik zal hem laten roepen.”
-</p>
-<p>Rika gaat Arthur uit den stal halen en als deze hoort, dat hij naar Jacob moet, zegt
-hij:
-</p>
-<p>„Mag ik Constant gaan halen?”
-</p>
-<p>„Zeker, blijf je niet te lang weg?”
-</p>
-<p>„Neen Grootmoeder, schenk u mijn kopje thee maar in, vóór dat het koud is, ben ik
-weer thuis.”
-</p>
-<p>De beide jongens komen weldra bij Jacob de deur in en ze zullen nooit dezen avond
-vergeten; Jacob is zoo door en door gelukkig, hij weet niet wat hij zeggen zal om
-het te toonen.
-</p>
-<p>„Nu zal ik vooruut komen, jongeheer, dat zul je eens zien! nu kan ik heele vrachtjes
-naar de stad brengen: nu kan Janus Trot er ons niet uut dringen; jongens! wat zal
-het noe een mooi zaakjen worden, noe kan ik onze appels naor de markt brengen, ze
-bint zoo duur, en vrouw, we zullen in de toekomende lente wat snieboonen <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>en ander spul in den grond maken en als het dan een mooi gewas geeft, kan ik het in
-de stad verkoopen. Ik kon de kar niet meer vooruut kriegen.”
-</p>
-<p>„De jongeheeren,” zegt de vrouw, „hebben dikwijls geholpen, noe onlangs nog in de
-sneeuw.”
-</p>
-<p>„Jao, dat was mooi, ik kan oe niet dankbaor genoeg zijn, als ik het vergelden kan,
-later, noe, ik zal mien best doen.”
-</p>
-<p>De jongens nemen afscheid en als ze naar huis wandelen, zegt Arthur:
-</p>
-<p>„Wij zouden er toch niet zóó veel plezier van gehad hebben.”
-</p>
-<p>„Neen, dat geloof ik ook en je plezier zou toch bedorven zijn, als je dien armen stumper
-achter zijn kar hadt zien zwoegen. Nu zal het elken keer als we hem ’s morgens zien
-rijden, een plezier voor je zijn.”
-</p>
-<p>„Voor jou ook,” zegt Arthur.
-</p>
-<p>„Ja zeker, ik ben blij, dat je het gedaan hebt.”
-<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch12.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/h12.png" alt="Hoofdstuk XII." width="630" height="207"></div>
-<h2 class="main">Hoofdstuk XII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een kleine week vóór Kerstmis komt er een brief op Conifera voor Mevrouw Mung. Hij
-ligt naast haar bord als zij aan het ontbijt komt.
-</p>
-<p>„Een brief van tante Nina,” zegt Grootmoeder.
-</p>
-<p>„Van Beukenwoud?” vraagt Arthur, terwijl hij zijn boterham doorsnijdt.
-</p>
-<p>„Ja, van tante Colesberg; wat zou tante schrijven?”
-</p>
-<p>Grootmoeder zet den bril op en leest en zegt dan eensklaps:
-</p>
-<p>„Hoe aardig, ja, dat zou ik wel heel prettig vinden.”
-</p>
-<p>„Wat? Grootmoeder.”
-</p>
-<p>„Tante Nina vraagt, of wij met ons beidjes in de Kerstdagen bij haar willen komen
-logeeren.”
-</p>
-<p>„Op Beukenwoud? o Grootmoeder, is het heusch waar? heerlijk! nu zal ik Beukenwoud
-voor het <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>eerst zien, Lili heeft er zoo veel van verteld.”
-</p>
-<p>„En weet je wat prettig is? Oom en Tante Bantam en Lili zijn ook gevraagd.”
-</p>
-<p>Nu springt Arthur op van zijn stoel en de stoel valt achterover op den grond, gelukkig
-niet kapot en Arthur danst door de kamer en juicht:
-</p>
-<p>„O Grootmoeder, wat is dat heerlijk! wat ben ik blij, u ook?”
-</p>
-<p>„Ja jongen, ik vind het heel prettig, maar ik kan niet meer zoo dansen en springen
-en stoelen omgooien om mijn plezier te toonen.”
-</p>
-<p>„O, Grootmoeder, neem mij niet kwalijk; wat zullen Vader en Moeder blij zijn als ze
-het hooren. Hé, ik wou dat Constant het ook zoo prettig had.”
-</p>
-<p>„Ik denk dat hij het wel heel prettig zal hebben met de zusjes; ze krijgen immers
-een kerstboom?”
-</p>
-<p>„Ja, dat is waar, Constant verheugt er zich erg op.”
-</p>
-<p>Arthur pakt zijn boeken in en zegt:
-</p>
-<p>„Ziezoo, dat is de laatste dag vóor de vacantie; van middag breng ik het rapport mee.”
-<span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span></p>
-<p>„Ik hoop dat het goed zal zijn,” zegt Grootmoeder.
-</p>
-<p>„Ja,” zegt Arthur, „ik zal na de vacantie nog beter mijn werk nazien, ik heb er nog
-wel eens stomme fouten in gelaten.”
-</p>
-<p>„Dat is jammer.”
-</p>
-<p>„Ja, Grootmoe, maar het zal u nog wel een beetje meevallen, hoop ik.”
-</p>
-<p>„Dat hoop ik ook, maar ik heb een heel goede verwachting van je.”
-</p>
-<p>„O doossie! dan zal het tegenvallen. Dag Grootmoe, tot van middag!”
-</p>
-<p>„Jongen, jongen! niet zoo wild! kijk nu mijn muts, heelemaal scheef.”
-</p>
-<p>En Grootmoeder zet haar muts weer recht en ziet Arthur lachend na.
-</p>
-<p>Het is al heelemaal donker als Arthur kwart voor vijf thuiskomt. Grootmoeder hoort
-hem al van verre het Transvaalsche volkslied fluiten. Pandoer springt uit zijn mand
-achter de kachel, rekt zich eens flink uit en vraagt aan Grootmoeder, of hij als ’t
-je blieft naar buiten mag. Grootmoeder kent zijn taaltje wel, legt de breikous op
-<span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>tafel en laat den hond de voordeur uit, kijkt hem na over de witte sneeuw en hoort
-weldra Arthur’s stem:
-</p>
-<p>„Pandoertje! ben je daar! beste hond, bedaar een beetje, kom, gauw naar Grootmoeder.”
-En daar komt hij aan, vroolijk en met schitterende oogen.
-</p>
-<p>Haastig knoopt hij zijn jas los, haalt een boekje uit zijn blouse en terwijl hij Grootmoeder
-omhelst, zegt hij:
-</p>
-<p>„Dat is voor u!”
-</p>
-<p>Grootmoeder gaat naar binnen, houdt het boekje bij de lamp en leest:
-</p>
-<p>„Negen, acht, negen, negen, zeven …”
-</p>
-<p>„Ja,” zegt Arthur, „daar zou ik ook wel een negen voor gehad hebben, als die vervelende
-Amalia.”
-</p>
-<p>„Wat Amalia?”
-</p>
-<p>„O ja, u weet het niet, we hebben op een keer heelemaal niet geluisterd op de rekenles
-en toen hebben we een onvoldoende gekregen. Constant heeft bijna dezelfde cijfers
-gekregen, sommige nog mooier, hij is zoo knap, als ik hem niet altijd bij me had,
-zou ik zeker niet zoo’n mooi rapport hebben.”
-<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p>
-<p>„Nu mijn jongen, dat is een groot geluk, prettig om naar huis te schrijven. Wat zullen
-Vader en Moeder blij zijn.”
-</p>
-<p>’s Avonds schrijft Arthur een langen brief; hij weet zooveel te schrijven en hij doet
-er ook een briefje bij voor zijn zusjes.
-</p>
-<p>Op een Maandagmorgen gaat Arthur met Hein en Constant, den ezel wegbrengen naar Jacob
-Drieman. Grootmoeder kijkt hem na en denkt: „die goede jongen, zijn grootste plezier
-is om anderen gelukkig te zien.”
-</p>
-<p>Jentje staat voor het huis en als zij hem ziet aankomen, loopt zij haastig naar binnen
-en ze hooren haar roepen: „Vader! Moeder! kom es kieken!”
-</p>
-<p>Daar komen ze, en achter hen aan, al de kinderen; wat zien ze er blij uit, ze glimmen
-van plezier.
-</p>
-<p>„Daar kump ie!” juicht kleine Gerrit en in een oogwenk staan allen om den ezel heen
-en streelen hem over zijn neus, zijn nek en zijn rug. De ezel snuffelt aan het buisje
-van Gerrit en deze wordt een beetje bang, maar Jentje zegt:
-</p>
-<p>„Hie ruukt et, daj een stuk brood in oe zak hebt.”
-</p>
-<p>En Gerrit haalt het stuk roggebrood, dat hij <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>voor den ezel bewaard heeft, voor den dag en Hein zegt, dat hij het aan kleine stukjes
-moet breken en van zijn vlakke hand moet laten eten, en zie, kleine Gerritman, is
-niets bang meer en zegt: „hie lust nog meer.”
-</p>
-<p>Nu wordt de ezel naar de schuur gebracht; er is een nette stal afgeschoten en op den
-grond liggen droge heideplaggen en in de krib is zuiver hooi; Jentje brengt een emmer
-water en zegt:
-</p>
-<p>„Zolle ook dorst hebben?”
-</p>
-<p>„Ik denk dat hij het hier wel goed zal hebben,” zegt Constant.
-</p>
-<p>Jacob staat in zijn handen te wrijven en als ze uit de schuur komen en om het huis
-heen loopen, zegt hij:
-</p>
-<p>„Warentig, ik kan me noe veurstellen da’k op een buutenplaats woon, jongens ik heb
-zoo’n schik.”
-</p>
-<p>„Dan moet je de buitenplaats ook een naam geven,” zegt Arthur, „wat zou je denken
-van Ezelsoord?”
-</p>
-<p>„Dat zou effectief mooi zijn,” en Jacob staat te grinniken <span class="corr" id="xd30e2286" title="Bron: vau">van</span> plezier en Hein zegt:
-</p>
-<p>„Menige rijke mijnheer is op zijn buitenplaats niet zóo tevreden als Jacob op zijn
-Ezelsoord.”
-<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch13.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<div class="figure"><img src="images/h13.png" alt="Hoofdstuk XIII." width="623" height="196"></div>
-<h2 class="main">Hoofdstuk XIII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Twee dagen voor Kerstmis, komen Grootmoeder, Arthur, Oom en Tante Bantam en Lili tegelijk
-op Beukenwoud aan. Tante Colesberg komt hen in de vestibule tegemoet, en een prettige,
-geurige warmte komt hen tegen uit de huiskamer. Er staan overal groote potten en vazen
-met dennetakken en hulst met roode besjes. Ze doen hun mantels en jassen uit in het
-kleine spreekkamertje en als ze daarna binnen komen in de huiskamer, loopen ze allen
-naar de zijramen om in de menagerie te kijken.
-</p>
-<p>„Mijn lieve Lili,” zegt tante Colesberg, „ik ben een en al verbazing, wat loop je
-goed, je hebt niet veel steun meer noodig.”
-</p>
-<p>„O tante, het is zoo heerlijk; ik heb ook al even in de sneeuw geloopen bij ons in
-den tuin; <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>het gaat hoe langer hoe beter. O kijk eens, wat zijn er veel duiven, zijn ze nog zoo
-mak?”
-</p>
-<p>„O ja, wil je het zien? Herman!” zegt tante tegen haar zoon, „wil je Jantje even halen?”
-</p>
-<p>Neef gaat dadelijk naar buiten, fluit en neemt wat maïs uit zijn vestjeszak en als
-hij de hand uitsteekt, komt er dadelijk een aardig wit duifje op zitten en pikt gretig
-de korrels op. Daar komen er nog twee en gaan op neefs arm zitten en nu komt neef
-met de drie duifjes de kamer in.
-</p>
-<p>„O wat aardig!”
-</p>
-<p>„Dit kleine makke diertje is Jantje en dat is Beb en dezen heb ik naar jou genoemd.”
-</p>
-<p>„Ja? naar mij? Arthur?”
-</p>
-<p>„Neen, Mung noem ik hem, is het goed?”
-</p>
-<p>„Ja neef, best, maar waarom heet die andere Beb? wie is dat?”
-</p>
-<p>„Beb Dolijn woonde hier vroeger, een heel lief meisje, zij hield zoo veel van haar
-duifjes en daarom heb ik er een naar haar genoemd.”
-</p>
-<p>„Waar is nu het kippekamertje?”
-</p>
-<p>„Wou je het graag zien? kom dan maar mee.”
-</p>
-<p>„Ik wou ook mee, daar mag ik immers logeeren,” <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>zegt Lili en neef en Arthur helpen haar de trap op en ze komen op een aardig kamertje,
-dat in de ménagerie uitziet.
-</p>
-<p>„Hé, wat heb je hier een mooi uitzicht, wat aardig al die eenden en kippen; kijk,
-een ooievaarsnest, wat leuk, en daar aan den vijver zie ik een koepeltje.”
-</p>
-<p>„Ja, er is hier een heele boel te kijken,” zegt neef, „zie je wel de kippenbrug, daar
-naar het bosch toe? daar gaan de kippen zoo graag in het eikenblad krabben, maar nu
-kunnen ze er niet bij komen door de sneeuw. Nu naar Nova Zembla.”
-</p>
-<p>„Nova Zembla?”
-</p>
-<p>„Ja; dat is een kamertje op het Noorden, daar ben je toch niet bang voor? daar sliepen
-vroeger ook jongens van mijnheer Dolijn.”
-</p>
-<p>„O, neen neef,” zegt Arthur, „ik ben niets bang voor koû, dat is frisch.”
-</p>
-<p>Ze gaan over den overloop en daar ziet Arthur iets op den deurpost geschreven; hij
-leest:
-</p>
-<p>„Arthur is een muziekmannetje.”
-</p>
-<p>„Wat is dat? wie heeft dat gedaan, ik doe nooit aan muziek.”
-<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p>
-<p>Neef lacht en zegt:
-</p>
-<p>„Dat is Arthur Dolijn, die hier vroeger woonde, er staat hier nog meer, kijk maar:
-</p>
-<p>„Jongeheer Arthur,
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd30e2331" title="Niet in bron">„</span>Eet 12 boterhammen in één uur.”
-</p>
-<p>„Kijk eens hier:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">„Pumpie is een soes
-</p>
-<p class="line">En Meta is een snoes.”</p>
-</div>
-<p class="first"><span class="corr" id="xd30e2338" title="Niet in bron">„</span>Ga nu mee naar Nova Zembla, daar staat ook nog wat gekrabbeld.”
-</p>
-<p>Arthur en Lili zien op de vensterbank allerlei letters, E.&nbsp;D. en A.&nbsp;D.&nbsp;F.&nbsp;B.&nbsp;F.&nbsp;H.
-en W. H.
-</p>
-<p>„Wie zijn dat allemaal?” vraagt Arthur.
-</p>
-<p>„Ja, dat weet ik niet, maar kijk hier eens: „E. is een ezel, D. is een duivel en U<span class="corr" id="xd30e2344" title="Bron: ,">.</span> is een uilskuiken.”
-</p>
-<p>Lili en Arthur schateren van het lachen en Lili zegt:
-</p>
-<p>„E.&nbsp;D. U<span class="corr" id="xd30e2351" title="Niet in bron">.</span>, dat is Edu, dat zal hij wel niet zelf gedaan hebben; o kijk eens:
-</p>
-<p>„E. is edel, D. is dapper, U<span class="corr" id="xd30e2355" title="Niet in bron">.</span> is ulevel.”
-</p>
-<p>„Die is prachtig, dat heeft Edu zeker wel zelf gedaan.”
-<span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span></p>
-<p>Ze zoeken nog meer, maar ze kunnen niets meer vinden.
-</p>
-<p>„Kom, het is hier koud, ik verlang naar de warme kamer, jullie ook?”
-</p>
-<p>Ze gaan samen naar beneden en ze vinden het erg gezellig in de huiskamer. Ze drinken
-thee met kattetongetjes en ze praten over alles en nog wat. Na het eten zitten ze
-om den knappenden haard; ze kraken noten en mogen de doppen in het vuur gooien, en
-neef doet er ook wat dennenappels op, het knapt en knettert zoo heerlijk. Tante Colesberg
-en neef vertellen allerlei dingen, die ze hier gehoord hebben over de familie Dolijn
-en dat vinden Lili en Arthur erg prettig om te hooren.
-</p>
-<p>Den volgenden morgen zegt tante Colesberg:
-</p>
-<p>„Ik zend een mand met appels en dennetakken naar Amsterdam aan de familie Dolijn,
-wil jullie helpen?”
-</p>
-<p>„Graag tante.”
-</p>
-<p>Arthur en Lili wrijven de appels en peren tot ze glimmen; er worden ook noten in gepakt;
-dennetakken en hulst gaan er boven op en Willem, <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>de tuinman, komt met een stuk linnen, touw en een paknaald om het dicht te naaien.
-</p>
-<p>„Dat doe je geloof ik graag?” vraagt neef.
-</p>
-<p>„Ik doe niets liever dan vrachtjes zenden aan de familie Dolijn,” zegt Willem, „wat
-zullen de kinderen blij zijn, och, och, wat waren ze hier graag!”
-</p>
-<p>De dagen vliegen om, veel te gauw en als Arthur den laatsten avond in zijn bed ligt
-en door Grootmoeder wordt toegedekt, zegt hij:
-</p>
-<p>„Wat is het toch vreemd verdeeld; wij hebben het zoo vreeselijk goed en er zijn er
-zoo veel die het zoo ellendig hebben, dat is toch akelig.”
-</p>
-<p>„Ja beste jongen, dat is heel ongelukkig, vooral als de ellende tot slechtheid brengt!”
-</p>
-<p>„Grootmoeder, wat is het toch gelukkig om rijk te zijn.”
-</p>
-<p>„Neen mijn jongen, zeg dat niet, het geld brengt volstrekt niet altijd geluk aan,
-heel dikwijls het tegendeel. Voor menigeen zou het een geluk zijn, minder geld te
-hebben en gedwongen te zijn hard te werken.”
-</p>
-<p>„Maar Grootmoeder, als men rijk is, kan men er veel goed <span class="corr" id="xd30e2380" title="Bron: meedoen">mee doen</span>.”
-<span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span></p>
-<p>„Ja, als men dat altijd deed, zou het geld geluk aanbrengen, maar het geld brengt
-zoo veel menschen tot luiheid en zorgeloosheid. Men moet heel flink en verstandig
-zijn om een goed gebruik van het geld te maken, en als men dat niet kan, is het veel
-beter arm te zijn. En veel geld geeft veel zorgen; een man die met een kermiswagen
-door het land trekt, heeft het dikwijls gemakkelijker dan een schatrijk man.”
-</p>
-<p>„Hé Grootmoeder, hoe kan dat?”
-</p>
-<p>„Als men veel geld heeft en als men het goed wil besteden, moet men heel knap en verstandig
-zijn, men is dan verplicht heel veel voor de maatschappij te doen.”
-</p>
-<p>„Dus moet men heel knap en verstandig zijn als men rijk is?”
-</p>
-<p>„Ja beste jongen, heel knap en heel goed.”
-</p>
-<p>Arthur denkt hier veel over na; hij weet dat zijn vader heel rijk is en dat hij het
-waarschijnlijk ook zal worden. „Als ik dus knap word,” denkt hij, „zal ik een goed
-gebruik van het geld kunnen maken; gelukkig dat ik nog veel kan leeren.”
-</p>
-<p>Als Grootmoeder en Arthur terug komen op <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>Conifera, worden ze verwelkomd door Constant, die blij is dat Arthur er weer is.
-</p>
-<p>„Hè, ik vond het saai, dat je weg waart, ik ben hier elken dag geweest om een eind
-met Pandoer te wandelen, we hebben geprobeerd om elkaar op te vroolijken. Maar we
-hebben toch prettige Kerstdagen gehad; de Kerstboom was prachtig.”
-</p>
-<p>„Ik vind het niets naar om weer naar school te gaan,” zegt Arthur.
-</p>
-<p>„Ik ook niet,” zegt Constant, „het is zoo prettig om samen te gaan.”
-</p>
-<p>„En het is ook zoo prettig om met een mooi rapport thuis te komen,” zegt Arthur.
-</p>
-<p>„Jongens,” zegt Grootmoeder, „ik ben blij, dat jullie er zoo over denkt, nu kun je
-het ver brengen en twee mannen van beteekenis worden.”
-</p>
-<p>„Maar ook altijd twee vrinden.”
-</p>
-<div class="q block xd30e2402">
-<p class="first"><span class="xd30e2404">DE FAMILIE GODARD</span><br>
-<b>van dezelfde schrijfster, is het vervolg op dit werkje.</b></p>
-</div><p>
-<span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure adtitlewidth"><img src="images/adtitle.png" alt="De volgende&#xA;KINDERWERKJES&#xA;zijn verschenen bij&#xA;ALLERT DE LANGE&#xA;Uitgever&#xA;TE&#xA;AMSTERDAM&#xA;en zijn alom verkrijgbaar." width="490" height="720"></div><p>
-<span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>
-</p>
-<p>ALLERT DE LANGE, Uitgever, Amsterdam.
-</p>
-<p>KINDERWERKJES:
-</p>
-<p class="adLine"><b>Andriesse (K.)</b>, In het armhuis. Een vertelling. post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.60; geb. f 0.90.
-</p>
-<p class="adLine"><b>Bruyn (A. J.)</b>, De Zoon van den Rentmeester. groot 8<sup>o</sup>. <span class="corr" id="xd30e2454" title="Bron: Geillustreerd">Geïllustreerd</span>
-</p>
-<p class="adPrice">f 1.50<span class="corr" id="xd30e2459" title="Bron: :">;</span> geb. f 1.90.
-</p>
-<p class="adLine"><b>Fabius-Cremer Eindhoven (M.<sup>w</sup>.)</b>, Jongens lief en leed. Een boek voor jongens. Geïllustreerd met 4 gekl. platen van
-Jacoba. post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 1.50; geb. f 1.90.
-</p>
-<p class="adLine">——, Pension „Van Hagen”. Een verhaal voor jongens en meisjes van 10–14 jaar. post
-8<sup>o</sup>. met 2 gekleurde platen.
-</p>
-<p class="adPrice">f 1.50; geb. f 1.90.
-</p>
-<p class="adLine">——, Het geheim van de Pastorie. Een vertelling voor de jeugd. post 8<sup>o</sup>. met 4 platen.
-</p>
-<p class="adPrice">f 1.50; geb. f 1.90.
-</p>
-<p class="adLine">——, De Verheidens. post 8<sup>o</sup>. met 4 pl.
-</p>
-<p class="adPrice">f 1.50; geb. f 1.90.
-</p>
-<p class="adLine">——, Op avontuur. Een verhaal voor jongens. post 8<sup>o</sup>. met 4 platen.
-</p>
-<p class="adPrice">f 1.50; geb. f 1.90.
-</p>
-<p class="adLine"><b>Langermans (Mej. W.)</b>, Vriendjes, die ik gekend heb. Zeven vertellingen voor kinderen van 8–11 jaar. post
-8<sup>o</sup>. geïllustreerd.
-</p>
-<p class="adPrice">f 1.25; geb. f 1.75.
-</p>
-<p class="adLine">——, Naar Zee.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.27<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, Gekke Jan.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.27<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine"><b>Rye (A.&nbsp;J. van)</b> en <b>E.&nbsp;C. Houbolt</b>, Herman’s eerste Zeereis. post 8<sup>o</sup>. geïllustreerd
-</p>
-<p class="adPrice">f 1.50; geb. f 1.90.
-<span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span></p>
-<p class="adLine"><b>Rye (A.&nbsp;J. van) en E.&nbsp;C. Houbolt</b>, De Spion. Een verhaal uit het jaar 1672. post 8<sup>o</sup>. geïllustr.
-</p>
-<p class="adPrice">f 1.50; geb. f 1.90.
-</p>
-<p class="adLine">——, De jonge gijzelaar. Een verhaal uit het begin van den tachtigjarigen oorlog. post
-8<sup>o</sup><span class="corr" id="xd30e2553" title="Niet in bron">.</span> geïllustr.
-</p>
-<p class="adPrice">f 1.50; geb. f 1.90.
-</p>
-<p class="adLine">——, Odo, De Batavenknaap. gr. 8<sup>o</sup>. Geïllustreerd.
-</p>
-<p class="adPrice">f 1.50; geb. f 1.90.
-</p>
-<p class="adLine"><b>Traynel (O. de)</b>, Het gestolen geheim. Kinderboek. post 8<sup>o</sup>. Geïllustreerd.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.90<span class="corr" id="xd30e2573" title="Bron: :">;</span> geb. f 1.20.
-</p>
-<p class="adLine"><b>Vries (J.&nbsp;H. de)</b>, Uw Levensweg.
-</p>
-<p class="adPrice">f 2.50; geb. f 2.90.
-</p>
-<p class="adLine">——, Teunis de Boer.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.50; geb. f 0.80.
-</p>
-<p class="adLine">——, De verdwaalde reiziger.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.50; geb. f 0.80.
-</p>
-<p class="adLine">——, Het huisje van Jeanne d’Arc.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.50; geb. f 0.80.
-</p>
-<p class="adLine">——, De uitgehongerde wolf<span class="corr" id="xd30e2597" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.50; geb. f 0.80.
-</p>
-<p class="adLine">——, De onbekende redder.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.50; geb. f 0.80.
-</p>
-<p>(Deze vijf werkjes vormen Uw levensweg.)
-</p>
-<p class="adLine"><b>Wijk (C. van)</b>, De geschiedenis van drie dappere Indianen<span class="corr" id="xd30e2611" title="Niet in bron">.</span> post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.35; geb. f 0.60.
-</p>
-<p class="adLine">——, De strijd om de schatten van oom Tom. post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.35; geb. f 0.60.
-</p>
-<p class="adLine">——, Prins zwartrok. post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.35; geb. f 0.60.
-</p>
-<p class="adLine">——, Wildbrugge, bevattende de drie bovenstaande werkjes in één deeltje.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.90; geb. f 1.35.
-</p>
-<p class="adLine"><b>Wijthoff (Henriette)</b>, Ook een held. Vertelling. 2e druk. post 8<sup>o</sup>. Geïllustreerd.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, Schoorsteenvegertje. 2e druk<span class="corr" id="xd30e2651" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span></p>
-<p class="adLine"><b>Wijthoff (Henriette)</b>, Achter de tralies. (Met plaat). post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, De bovenste sport. (Met plaat). post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, Het ezeltje van den zandman. post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, Vriendjes. Vertelling. post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, Kleine helden. post 8<sup>o</sup>. (Dit werkje bevat de bovenstaande zes vertellingen in één deeltje)
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.90<span class="corr" id="xd30e2709" title="Niet in bron">;</span> geb. f 1.25.
-</p>
-<p class="adLine">——, Aries Zusje. Kerstvertelling. 2e druk<span class="corr" id="xd30e2713" title="Bron: .">,</span> post 8<sup>o</sup>. (Met een plaatje).
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, Lindenbloesempje. 2e druk, post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, Uit Glanskopjes leven. Paaschsprookje. 2e druk. post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, Grootmoeder. Paaschsprookje. 2e druk, post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, Op de heide. 2e druk, post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, Zangvogeltje. Pinkstervertelling. 2e druk, post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, Piet en Pietertje. 2e druk, post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, In den mist. 2e druk, post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, Oude jaar buiten het nestje. 2e druk, post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.12<sup>5</sup>.
-</p>
-<p class="adLine">——, Kinderen als wij. Vertellingen voor jongens en meisjes. Met een plaatje van Anna
-Wijthoff. 2e druk<span class="corr" id="xd30e2807" title="Niet in bron">,</span> post 8<sup>o</sup>.
-</p>
-<p class="adPrice">f 0.90; geb. f 1.25.
-</p>
-<p>(Dit werkje bevat bovenstaande 9 verhalen).
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="720" height="87"></div><p>
-</p>
-<p>&nbsp;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure backwidth"><img src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="566" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1" id="toc">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table summary="Inhoudsopgave">
-<tr id="ch1.toc">
-<td class="tocDivNum">I. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch1">Hoofdstuk I.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">7</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch2.toc">
-<td class="tocDivNum">II. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch2">Hoofdstuk II.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">18</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch3.toc">
-<td class="tocDivNum">III. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch3">Hoofdstuk III.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">34</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch4.toc">
-<td class="tocDivNum">IV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch4">Hoofdstuk IV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">46</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch5.toc">
-<td class="tocDivNum">V. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch5">Hoofdstuk V.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">61</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch6.toc">
-<td class="tocDivNum">VI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch6">Hoofdstuk VI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">69</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch7.toc">
-<td class="tocDivNum">VII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch7">Hoofdstuk VII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">91</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch8.toc">
-<td class="tocDivNum">VIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch8">Hoofdstuk VIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">97</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch9.toc">
-<td class="tocDivNum">IX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch9">Hoofdstuk IX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">106</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch10.toc">
-<td class="tocDivNum">X. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch10">Hoofdstuk X.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">126</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch11.toc">
-<td class="tocDivNum">XI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch11">Hoofdstuk XI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">135</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch12.toc">
-<td class="tocDivNum">XII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch12">Hoofdstuk XII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">143</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch13.toc">
-<td class="tocDivNum">XIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch13">Hoofdstuk XIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">149</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd30e44" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd30e44" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Twee vrinden</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Bertha van Osselen van Delden (1847–1936)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/31746310/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Illustrator:</b></td>
-<td>Anna Catharina Frederika Wijthoff (1863–1944)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/282285893/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>[1914]</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2021-07-25 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e433">n.v.t.</a></td>
-<td class="width40 bottom"> </td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e475">n.v.t.</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1905">116</a></td>
-<td class="width40 bottom">’</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e478">n.v.t.</a>, <a class="pageref" href="#xd30e541">11</a>, <a class="pageref" href="#xd30e848">33</a>, <a class="pageref" href="#xd30e944">42</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1431">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1741">101</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2331">152</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2338">152</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e531">11</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1989">124</a></td>
-<td class="width40 bottom">Athur</td>
-<td class="width40 bottom">Arthur</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e538">11</a></td>
-<td class="width40 bottom">iets</td>
-<td class="width40 bottom">niets</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e543">11</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e571">13</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1285">61</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1494">77</a></td>
-<td class="width40 bottom">Vindt</td>
-<td class="width40 bottom">Vind</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e726">25</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1578">86</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1730">100</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e799">30</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1080">51</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1551">84</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2713">160</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e815">31</a></td>
-<td class="width40 bottom">eenklaps</td>
-<td class="width40 bottom">eensklaps</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e830">32</a></td>
-<td class="width40 bottom">Arhur’s</td>
-<td class="width40 bottom">Arthur’s</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e845">32</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1686">95</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2807">160</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e982">45</a></td>
-<td class="width40 bottom">vindt</td>
-<td class="width40 bottom">vind</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1161">54</a></td>
-<td class="width40 bottom">vondt</td>
-<td class="width40 bottom">vond</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1172">54</a></td>
-<td class="width40 bottom">”.</td>
-<td class="width40 bottom">.”</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1195">55</a></td>
-<td class="width40 bottom">melkinrichtig</td>
-<td class="width40 bottom">melkinrichting</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1253">59</a></td>
-<td class="width40 bottom">hij</td>
-<td class="width40 bottom">bij</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1291">61</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1890">114</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1303">62</a></td>
-<td class="width40 bottom">kijken</td>
-<td class="width40 bottom">bekijken</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1441">73</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1612">89</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1663">94</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1802">107</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2022">127</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2344">152</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1573">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">mijn</td>
-<td class="width40 bottom">mij</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1615">89</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2351">152</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2355">152</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2553">159</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2597">159</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2611">159</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2651">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1713">98</a></td>
-<td class="width40 bottom">Geukenstein</td>
-<td class="width40 bottom">Geukestein</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1758">103</a></td>
-<td class="width40 bottom">verscheiden</td>
-<td class="width40 bottom">verscheidene</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1814">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">aardlg</td>
-<td class="width40 bottom">aardig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1841">110</a></td>
-<td class="width40 bottom">wordt</td>
-<td class="width40 bottom">word</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2138">137</a></td>
-<td class="width40 bottom">Connifera</td>
-<td class="width40 bottom">Conifera</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2191">141</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2286">148</a></td>
-<td class="width40 bottom">vau</td>
-<td class="width40 bottom">van</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2380">154</a></td>
-<td class="width40 bottom">meedoen</td>
-<td class="width40 bottom">mee doen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2454">158</a></td>
-<td class="width40 bottom">Geillustreerd</td>
-<td class="width40 bottom">Geïllustreerd</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2459">158</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2573">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2709">160</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Afkortingen</h3>
-<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p>
-<table class="abbreviationtable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen.">
-<tr>
-<th>Afkorting</th>
-<th>Uitgeschreven</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">H.&nbsp;B. S.</td>
-<td class="bottom">Hoogere Burgerschool</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK TWEE VRINDEN ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br>
-<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br>
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/65946-h/images/adtitle.png b/old/65946-h/images/adtitle.png
deleted file mode 100644
index b8f7ae6..0000000
--- a/old/65946-h/images/adtitle.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/back.jpg b/old/65946-h/images/back.jpg
deleted file mode 100644
index b541ace..0000000
--- a/old/65946-h/images/back.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/bookplate.png b/old/65946-h/images/bookplate.png
deleted file mode 100644
index 4555ed1..0000000
--- a/old/65946-h/images/bookplate.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/front.jpg b/old/65946-h/images/front.jpg
deleted file mode 100644
index 8eec8ca..0000000
--- a/old/65946-h/images/front.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/h01.png b/old/65946-h/images/h01.png
deleted file mode 100644
index a8c2b52..0000000
--- a/old/65946-h/images/h01.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/h02.png b/old/65946-h/images/h02.png
deleted file mode 100644
index caedf44..0000000
--- a/old/65946-h/images/h02.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/h03.png b/old/65946-h/images/h03.png
deleted file mode 100644
index 252c9ac..0000000
--- a/old/65946-h/images/h03.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/h04.png b/old/65946-h/images/h04.png
deleted file mode 100644
index 0b6d459..0000000
--- a/old/65946-h/images/h04.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/h05.png b/old/65946-h/images/h05.png
deleted file mode 100644
index 11b8539..0000000
--- a/old/65946-h/images/h05.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/h06.png b/old/65946-h/images/h06.png
deleted file mode 100644
index 9f6a417..0000000
--- a/old/65946-h/images/h06.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/h07.png b/old/65946-h/images/h07.png
deleted file mode 100644
index a7af004..0000000
--- a/old/65946-h/images/h07.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/h08.png b/old/65946-h/images/h08.png
deleted file mode 100644
index 7eedd14..0000000
--- a/old/65946-h/images/h08.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/h09.png b/old/65946-h/images/h09.png
deleted file mode 100644
index 4b67d23..0000000
--- a/old/65946-h/images/h09.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/h10.png b/old/65946-h/images/h10.png
deleted file mode 100644
index 93f960e..0000000
--- a/old/65946-h/images/h10.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/h11.png b/old/65946-h/images/h11.png
deleted file mode 100644
index 17f8f33..0000000
--- a/old/65946-h/images/h11.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/h12.png b/old/65946-h/images/h12.png
deleted file mode 100644
index c6d9a7b..0000000
--- a/old/65946-h/images/h12.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/h13.png b/old/65946-h/images/h13.png
deleted file mode 100644
index 4a5fd61..0000000
--- a/old/65946-h/images/h13.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/plate01.jpg b/old/65946-h/images/plate01.jpg
deleted file mode 100644
index 9319fe9..0000000
--- a/old/65946-h/images/plate01.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/plate02.jpg b/old/65946-h/images/plate02.jpg
deleted file mode 100644
index 86fa083..0000000
--- a/old/65946-h/images/plate02.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/plate03.jpg b/old/65946-h/images/plate03.jpg
deleted file mode 100644
index dadeefc..0000000
--- a/old/65946-h/images/plate03.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/spine.jpg b/old/65946-h/images/spine.jpg
deleted file mode 100644
index da00189..0000000
--- a/old/65946-h/images/spine.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65946-h/images/titlepage.png b/old/65946-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 43ebf06..0000000
--- a/old/65946-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ