summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/64781-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/64781-0.txt')
-rw-r--r--old/64781-0.txt7772
1 files changed, 0 insertions, 7772 deletions
diff --git a/old/64781-0.txt b/old/64781-0.txt
deleted file mode 100644
index 30ae521..0000000
--- a/old/64781-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,7772 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of De Chineesche Filosofie, by Henry Borel
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: De Chineesche Filosofie
- Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)
-
-Author: Henry Borel
-
-Release Date: March 10, 2021 [eBook #64781]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE CHINEESCHE FILOSOFIE ***
-
-
-
- DE
- CHINEESCHE FILOSOFIE
- TOEGELICHT VOOR NIET-SINOLOGEN
-
- I.
-
- KHʼOENG FOE TSZʼ
- (CONFUCIUS)
-
-
- DOOR
- HENRI BOREL
-
-
- AMSTERDAM
- P. N. VAN KAMPEN & ZOON
-
-
-
-
-
-
- DEZE ARBEID
- IS
- EERBIEDIG OPGEDRAGEN
- AAN DEN
- HoogEdelgestrengen Heer
-
- W. P. GROENEVELDT,
- Gew. Vice-President van den Raad van Indië
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
- Bladz.
- VOORWOORD 1
- INLEIDING TOT DE FILOSOFIE VAN CONFUCIUS 7
- HISTORISCHE OPHELDERINGEN 25
- HET LEVEN VAN CONFUCIUS 34
- CHOENG YOENG 79
- TA HIŎH 144
- FRAGMENTEN UIT DE LOEN YÜ 178
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD.
-
-
-Tot dusverre zijn in de nederlandsche taal slechts zeer weinig werken
-over China en chineesche onderwerpen—literatuur, filosofie, ethnografie
-enz.—geschreven. De voornaamste werken van onze sinologen, de heeren
-Prof. Schlegel, Prof. de Groot, Groeneveldt enz. verschenen in de
-fransche of engelsche taal. Het ligt dan ook in den aard der zaak en is
-niet meer dan natuurlijk dat geleerden, die tientallen van jaren aan de
-studie van een of anderen tak van wetenschap besteedden, er op uit
-zijn, hun werk voor een zoo groot mogelijk publiek ter lezing open te
-stellen en de nederlandsche taal zullen zij hiervoor het allerlaatst
-kiezen. Alleen de groote nederlandsch-chineesche dictionnaire van Prof.
-Schlegel maakt hierop eene uitzondering, en dat Zijn Hooggeleerde de
-nederlandsche taal uitkoos voor een werk, waaraan hij een twintigtal
-levensjaren besteedde, is een daad, waarvoor het nederlandsche volk hem
-altijd dankbaar zal moeten blijven.
-
-Had ik eene studie gemaakt op een nog niet door anderen betreden
-sinologisch gebied, dan zou ik die ook vermoedelijk in een vreemde taal
-hebben geschreven.
-
-In het beginnen van dit werk echter ben ik juist van het voornemen
-uitgegaan, iets in het nederlandsch te schrijven, dat door ieder
-Nederlander kan worden gelezen, en overal in Nederland en
-Nederlandsch-Indië gemakkelijk te verkrijgen is. Vooral had ik daarbij
-op het oog de Nederlanders, en meer speciaal ook de nederlandsche
-ambtenaren, in onze koloniën, die dagelijks met chineezen in aanraking
-komen, en over hen te bevelen of recht te spreken hebben. Voor dezen,
-hoopte ik, zou dit boek een niet onwelkom middel wezen om de filosofie
-der oude chineezen, van welke een gedeelte ook wet is, van meer nabij
-te leeren kennen dan uit de onzekere mededeelingen daaromtrent van
-chineesche adviseurs en officieren. Wèl bestaat eene uitstekende
-engelsche vertaling van de confucianistische en van alle heilige boeken
-der chineezen, maar ik weet bij ondervinding, dat men er niet even
-licht toe overgaat die te koopen en vooraf te bestellen, als men
-eenzelfde nederlandsch werk, dadelijk bij den boekhandelaar
-verkrijgbaar, zou aanschaffen. En ook zijn er altijd personen, die eene
-vreemde taal niet zoo vlot lezen als hun eigen, daar drukke bezigheden
-hen niet toelieten, zich speciaal op die taal toe te blijven leggen.
-
-De filosofie van Confucius is onafscheidelijk van het geheele
-staatkundige systeem van China, en is de basis, op welke alle
-instellingen en wetten eigenlijk gegrondvest zijn. Mocht dit werk, door
-den heer van Kampen zoo bereidwillig uitgegeven, aan mijne verwachting
-beantwoorden en de kosten dekken, dan zou dit mij eene aansporing zijn,
-in aansluiting hieraan een ander, over de chineesche staatsinstellingen
-en wetten te ondernemen.
-
-Dat een speciaal voor niet-sinologen geschreven werk over Confucius wel
-in eene behoefte voorziet, bewees Prof. Legge’s speciaal voor
-niet-sinologen uitgegeven bewerking [1] van zijn vertaling en
-verklaring der confucianistische geschriften, die thans reeds een
-zevenden druk heeft beleefd. Dat het wenschelijk is, zooveel mogelijk
-te weten van de ideeën en de moraal van een volk als de chineezen, die
-zulk een gewichtige—ál te gewichtige—rol spelen in onze koloniën, zal
-verder wel niemand tegenspreken.
-
-Dit boek bevat eene korte inleiding tot de confucianistische filosofie,
-eene opheldering tot goed begrip van historische feiten, eene
-levensgeschiedenis van Confucius, de geheele vertaling der hoofdwerken
-„Choeng Yoeng” en „Ta Hiŏh,” en eene gedeeltelijke van het werk „Loen
-Yü,” een en ander zooveel mogelijk van besprekingen, verklaringen en
-noten voorzien.
-
-Het gemakkelijkste ware natuurlijk voor mij geweest, eenvoudig eene
-hollandsche vertaling te geven van het engelsche werk van Prof. Legge.
-Ik heb gemeend, mij er niet zóó van af te mogen maken, vooral niet,
-omdat ik, met al mijn eerbied voor den eminenten arbeid van dezen
-Nestor der sinologen, het op sommige punten, waaronder wel eens
-hoofdpunten, niet met dezen geleerde eens kan zijn. Ik heb Prof.
-Legge’s vertaling, en andere vertalingen bestudeerd en geraadpleegd,—en
-ook wel de versie daarin, waar ik zelf twijfelde, op vele plaatsen den
-doorslag laten geven, maar ten slotte heb ik een eigen, onafhankelijke
-vertaling en verklaring van den chineeschen tekst gegeven. Indien die
-vertaling op vele plaatsen met de reeds bestaande verschilt is dit,
-omdat ik vóór alles op mijn eigen voelen afging en dit, zonder
-oneerlijk te worden in mijn werk, niet aan de autoriteit van anderen,
-al zijn die over ’t algemeen verre mijn meerderen, kon opofferen. Van
-géén vertalingen zijn ooit zulke veel verschillende versie’s gegeven
-als van die uit het chineesch. Opmerkelijk is het b. v. hoe twee even
-eminente en onbetwistbaar kundige geleerden als Prof. Legge en S. Wells
-Williams somtijds van schijnbaar eenvoudige zinnetjes zulke
-uiteenloopende vertalingen kunnen geven, en het is niet onmogelijk, dat
-twintig sinologen van ééne bladzijde chineesch twintig, somtijds geheel
-met elkaar in strijd zijnde interpretaties geven.
-
-Dat er ook in mijne vertaling dwalingen zullen zijn, en zij, evenals
-die van wien ook, altijd bloot staat aan zooveel aanvallen, en te
-goeder trouw gedane, als er andere sinologen zijn, is iets, waarop ik
-vooruit voorbereid ben, en dat na het bovengezegde wel verklaarbaar zal
-wezen.
-
-Dit boek wil echter volstrekt geen bizonder ingenieuze en gewild aparte
-sinologische verdienste zijn; integendeel, het is voor niet-sinologen
-geschreven en mijn eenvoudige bedoeling is, de leer van Confucius op
-zoo eenvoudig mogelijke wijze in hoofdzaak bekend en begrijpelijk te
-maken voor allen, die uit den aard der zaken geen gelegenheid hebben
-het chineesche origineel te lezen. Is het mij gelukt, daardoor deze
-leer in hoofdzaak bij het groote publiek in ruimen kring zóó bekend te
-doen zijn, dat het goed kan begrijpen de moraal, de gewoonten en de
-gebruiken van het chineesche element in onze koloniën, dan zal mijn
-doel bereikt zijn.—De hoofdideeën van Confucius, de grondslag van de
-geheele staats- en familie-instellingen der chineezen, indien ik déze
-met dit werk duidelijk heb gemaakt, dan kan ik mij verder gerust de
-aparte fouten vergeven, die ik zeker weet dat, ondanks ernstige studie,
-mijne vertaling nog zullen aankleven, fouten in zinsconstructie zoowel
-als in het kiezen van nederlandsche equivalenten voor chineesche
-begrippen.
-
-
-
-Zijn de vertalingen en besprekingen, zoowel als de beschouwingen in de
-„Inleiding” oorspronkelijk van eigen hand, in het „Leven van Confucius”
-heb ik, wat de volgorde der feiten aangaat althans, mij geschikt naar
-de methode van Prof. Legge en van Robert K. Douglas („Confucianism and
-Taoïsm”), eene methode, welke deze geleerden hebben geput uit de
-eveneens door mij geraadpleegde werken „Shʼ Ki” van den
-geschiedschrijver Szʼ Ma Tsʼien, Kiang Yoengs „Leven van Confucius” en
-eenige anderen.—Ik heb, dezelfde volgorde van gebeurtenissen daaruit
-nemende, hier en daar iets bijgevoegd en uitgelaten, en eigen
-beschouwingen er ingelascht.—Gaarne had ik van het werk „Loen Yü”,
-evenals ik van de „Choeng Yoeng” en „Ta Hiŏh” deed, het geheel
-vertaald, maar ik wilde dit boek niet van te grooten omvang maken.
-Daarom heb ik voor de beknoptheid enkel de voor mij het meest
-merkwaardige en tot goed begrip van Confucius hoogst noodige fragmenten
-genomen uit deze „Loen Yü”.
-
-Ik voel mij vereerd, dit boek, waarin een ideale regeeringsvorm wordt
-beschreven, te mogen opdragen aan een geleerde en een staatsman als de
-heer Groeneveldt, aan wien onze koloniën zooveel te danken hebben, en
-naar allen hopen, nog altijd meer te danken zúllen hebben in de
-toekomst.
-
- 8 Maart 1896.
-
-
-
-
-
-
-INLEIDING TOT DE FILOSOFIE VAN CONFUCIUS. [2]
-
-
-De meeste vertalers van Confucius, ook de eminente professor Legge,
-hebben zich beijverd om overal, waar dit maar eenigszins mogelijk is,
-de confucianistische filosofie te vergelijken met het christendom, om
-dan het laatste te verheffen, en de eerste als gebrekkig en inferieur
-te doen uitkomen. Ik geloof dat het beter is, dit geheel na te laten,
-en enkel de hoofdprincipes van Confucius’ filosofie op zich zelf aan te
-geven. Uit de vertaling van het werk, dat ik overal met aparte noten
-heb duidelijk gemaakt, vorme de ontwikkelde lezer zich dan zelf een
-oordeel. Toen Confucius eens, omringd van zijne discipelen, aan ’t
-oreeren was, zeide hij aan zijn leerling Tseng: „Mijn Leer is een
-éénheid, die alles samenhoudt.” En hiermede gaf hij de essence aan van
-zijn geheele filosofie.
-
-Die éénheid, van welke hij uitging, was de goddelijke natuur in den
-mensch, die hij de Sing noemde. Dat, wat de Hemel als natuur aan den
-mensch heeft verleend, was de Sing. Deze Sing was, hemelsch zijnde,
-absoluut rein, en was in alle menschen. Het hoogste levens-bewegen, dat
-den mensch in den oorspronkelijken, reinen staat kon behouden, was het
-altijd volgzaam zijn aan de Sing, en dit levens-bewegen, dit Pad van
-het goede leven, noemde Confucius Tao. Het begaan van Tao was dus ook
-vanzelf het beoefenen van alle deugden, die uit den aard der Sing aan
-den mensch eigen waren, als b. v. oprechtheid, rechtvaardigheid,
-plichtmatigheid, menschlievendheid, enz. enz., die allen hun wortel
-hadden in de hoofddeugd, die hij Hiao noemde, dat is de liefde, de
-eerbied en de gehoorzaamheid van het kind voor de ouders, en vooral den
-vader. Aan het hebben van al deze deugden te zamen gaf hij den naam
-„Jên.”
-
-Dit woord „Jên”, in chineesch karakter voorgesteld door een teeken dat
-„mensch” is, gecombineerd met een dat „twee” is (alzoo „twee menschen,
-vereenigd in één”) beteekent meestal in ’t chineesch
-„menschlievendheid”, vooral in boeddhistische werken, [3] maar in de
-meeste gevallen beteekent het in Confucius, zooals de wijze commentator
-Choe Hie dat zoo juist uitdrukte „de volmaakte deugd van het
-oorspronkelijke hart.” Ik heb dit woord „Jên,” om het idee mensch er in
-te behouden, dat grafisch in ’t chineesche karakter is uitgedrukt,
-vertaald door „menschelijkheid,” [4] en waarschuw den lezer vooruit,
-dit toch vooral in dezen chineeschen zin op te vatten, en niet als
-humaniteit, of menschlievendheid.
-
-De toepassing van Confucius’ filosofie van het Éene, dat alles
-samenhoudt, onderscheidde hij in twee deelen, die in ’t chineesch al
-dadelijk uit de schrijfwijze der karakters kan gevoeld worden.
-
-Het eene n.l., „chung” wordt weergegeven door een samengesteld
-karakter, dat bestaat uit het karakter „midden” met het karakter „hart”
-er onder (dus het centrumhart, het eigen hart, ik zelf), het andere
-„shoe” wordt uitgedrukt door een eveneens samengesteld karakter, n.l.
-uit een, dat „evenals” beteekent, en hetzelfde „hart” er onder
-(waarmede bedoeld wordt „ik in sympathie met anderen, die evenals ik
-zijn”). Het eene „chung” duidt aan, dat de mensch zijn eigen karakter
-moet verzorgen, zijn eigen Sing reinhouden, het andere „shoe” dat hij
-steeds moet bedenken, dat anderen „evenals hij” zijn, en hij dus ook
-die anderen in dat verzorgen moet helpen. In verband hiermede staat het
-gezegde uit de „Choeng Yoeng”: „Wat gij niet wilt dat aan U zelven
-gedaan wordt, doe dat aan anderen niet.” De mensch moet dus niet alleen
-Tao begaan, maar ook anderen helpen om Tao te begaan. Het volgen van de
-Sing, d. i. het gaan in den levensweg Tao, is voor het grootste
-gedeelte der menschen niet te doen zonder eene bepaalde regeling,
-zonder onderricht. Dit onderricht aan de menschen, dat hen in staat
-stelt, Tao te begaan, noemde Confucius Kiao.
-
-Deze drie dingen, Sing, de hemelsche natuur,—Tao, het volgen van de
-Sing,—en Kiao, het onderricht, het regelen van Tao, vormen de basis van
-het werk Choeng Yoeng.
-
-Alle menschelijke zonde en misère volgt uit het afwijken van Tao, (dus
-eveneens van de Sing), leert Confucius verder. De schitterende deugd,
-die uit den aard van de Sing aan den mensch eigen is, wordt in het
-leven verduisterd, en wel vooral door het egoïsme en de begeerten. De
-regeling van Tao, of het Onderricht (de Kiao), brengt dus vanzelf mede,
-dat die oorspronkelijke, schitterende deugd aan het volk wordt
-duidelijk gemaakt en helder getoond, zoodat het haar kan beseffen, en
-het, als oud geworden als het was, daardoor wordt opgewekt tot een
-nieuw leven in Tao. Verder zou het resultaat hiervan zijn dat het niet
-meer afweek, maar eeuwig bleef leven in het opperste Goede.
-
-Dit heldermaken van de schitterende deugd, deze hernieuwing van het
-volk, en deze rust in het opperste Goede (d. i. in de goddelijke
-natuur, de Sing) is de basis van het tweede, groote confucianistische
-werk, de Ta Hiŏh (lett. vertaald: „De groote Leering”).
-
-Confucius geeft verder geen beschrijving van de Sing, en gaat niet
-verder dan de bepaling, dat zij van „den Hemel” aan de menschen is
-gegeven, zonder ook zijn idee „de Hemel” nader te omschrijven.
-
-Het komt mij heel waarschijnlijk voor, dat de wijsgeer hier wel veel
-meer over had kunnen zeggen, maar dat hij het met opzet niet deed. Want
-het karakteristieke van Confucius’ filosofie is, dat zij enkel
-behandelt het leven der menschen, en hun voorschrijft hoe zij moeten
-bewegen, en in welke orde zij zich moeten schikken, om gedurende hun
-leven de Sing te volgen, d. i. Tao te begaan;—maar dat zij stelselmatig
-blijft zwijgen over zulke dingen als den dood, en het leven na den
-dood. Confucius leefde dus vooral voor zijn medemenschen, en wel om hen
-te leeren, het leven in Tao door te gaan. [5] Maar over dingen buiten
-het leven sprak hij niet, waaruit men, meen ik, nog niet de
-gevolgtrekking mag maken, dat hij er niets van wist, of vermoedde.
-Confucius’ werk verschilt hierin essentieel van dat van Lao Tszʼ,
-Chuang Tszʼ, Lieh Tszʼ, en andere filosofen, die in mysteriën van
-metaphysica doordringende, hoog boven het gewone leven uit, zich
-wegdroomden in eindelooze meditaties.
-
-Het ligt voor de hand, dat Confucius, het leven van de menschen
-beschouwende in den tijd tusschen geboorte en dood, zich vanzelf zou
-wijden aan de studie der inrichting van het groote geheel, dat zij te
-zamen vormden, den Staat. Zijne filosofie werd daardoor, behalve een
-moreel, in de eerste plaats een politiek systeem, en zij werd de
-verglorieïng van eene ideale regeering, gevoerd door een ideaal vorst.
-Wie anders dan de vorst moest het volk leiden, moest hun verduisterde
-deugd weer hernieuwen tot reinheid, moest hun leeren, Tao te begaan?
-Van dit hoofdidee uitgaande, dat de vorst de Leeraar moest zijn, op
-wien de plicht van Kiao,—leering rustte, verklaarde hij verder, dat de
-vorst in de eerste plaats zelf zijn Sing, en dus ook zijn Jên—volmaakte
-deugd—rein moest houden, en Tao begaan. Als voorbeelden van zulke
-ideaal-vorsten beschouwde hij de oude keizers Yaou, Shoen, Yu en
-Thʼang, de koningen Wên en Woe van Chow, en anderen, zoodat zijn werken
-vol zijn van toespelingen op die gestorven souvereinen, die zijn ideaal
-hadden belichaamd. Zijne verheerlijking van dit ideaal ging zóó ver,
-dat hij bij deze gelegenheden dikwijls buiten zijn beperkte plan ging
-om alleen van het gewone leven te leeren, en op de onsterfelijke natuur
-van den mensch toespeelde door te zeggen, dat deze oude Wijzen één
-waren met den Hemel, en met Hem deelnamen aan al Zijne acties en
-operaties, zoodat zij op alles en allen een transformeerenden invloed
-konden uitoefenen.—Ook verklaarde hij, dat zij het Al-Weten bezaten.
-
-Daar de regeling van den Tao, van de opwekking van het volk tot het
-volgen van zijn goddelijke natuur dus, het allergewichtigste ding was
-voor een vorst, was ook vanzelf het allergewichtigste, dat hij voor
-zijne ministers en ambtenaren ook menschen uitkoos, die zelf hun Sing
-volgden, en Tao begingen. De hoofdplicht was dus, volgens het oordeel
-van Confucius, voor den vorst het kiezen van de goede ambtenaren, en
-het ontslaan van de slechte. Een inbreuk hierop was een der grootste
-fouten, die een vorst kon begaan, omdat hij dan de Leering aan het volk
-onmogelijk maakte, en dus hun oorspronkelijke deugd verduisterd zou
-blijven, iets waarmede hij zich tegelijk schuldig maakte aan het niet
-betrachten van „shoe”, de plicht, om niet alleen de eigen natuur, maar
-ook die van anderen te verzorgen.
-
-De vorst was, volgens Confucius, geen vorst om zijn enkelen rang, maar
-om zijn volmaakte deugd, de reinhouding en het volgen van de hemelsche
-Sing, het begaan van Tao. De regeering had dus haar basis in de Sing,
-en daarom waren alle instellingen van eene goede regeering heilig, en
-in overeenstemming met het principe van den Hemel.
-
-Zooals Confucius het ideaal beschreef van een vorst, zoo gaf hij ook in
-al zijne leeringen het ideaal, van wat wij in europeesch begrip „een
-goed mensch” zouden kunnen noemen, en hij gaf dezen de benaming van
-Kiün Tszʼ (letterlijk verklaard: „de prinselijke mensch”). De mensch,
-zooals hij wezen moest volgens Confucius, van den laagste tot den
-hoogste, eenmaal Kiün Tszʼ genoemd zijnde, vond ik het beter, het
-chineesche woord niet te vertalen, en het origineele Kiün Tszʼ te
-behouden.
-
-De Kiün Tszʼ was wel het ideaal, maar niet het hoogste ideaal van een
-mensch, dat Confucius zich voorstelde, want de allerhoogste mensch was
-voor hem de „Shing Jen”, d. i. de Wijze, die de gelijke was van den
-Hemel, en met den hemel gelijk ageerde en transformeerde. Zijne
-conceptie van den Wijze is het vooral, die den aandachtigen lezer doet
-vermoeden, dat Confucius van veel hooger dingen voorgevoelens had, dan
-de inrichting van de regeering, en het regelen van het menschenleven en
-de menschelijke betrekkingen in den korten tijd tusschen geboren worden
-en sterven. Zijn Kiün Tszʼ was het model en het ideaal van den mensch
-in het leven der maatschappij, Zijn Wijze, dunkt mij, was daarbij ook
-nog het ideaal van den mensch met zijn hoogere leven in betrekking tot
-wat hij „de Hemel” noemde.
-
-Iets lager nog dan de „Shing Jen” of Wijze, staat nog de „Hjen Jen”,
-wat wij zouden kunnen vertalen door „Eerwaardige Mensch”. Tot deze
-„Hjen Jen” behooren o. a. de discipelen Yen Youen (Hwoey), Tszʼ Loe, de
-filosoof Choe Hie, e. a.
-
-De „Kiün Tszʼ”, de „Hjen Jen” en de „Shing Jen” zijn alzoo de drie
-hoogste klassen van menschen.
-
-De mindere menschen duidde Confucius aan met den naam „Siao Jên”, d.
-i., „kleine mensch”, waarin klein in den zin van gemeen, verachtelijk
-is te nemen. Overal in Confucius’ werk vinden wij de contrasten
-tusschen den „Kiün Tszʼ” en den „Siao Jên,” waarin hij den eerste als
-ideaal, en den tweede als afschrikwekkend voorbeeld stelde.
-
-
-
-De grootste moeilijkheid, die eene vertaling van oude chineesche
-klassieken oplevert, is de onmogelijkheid om sommige apart chineesche
-begrippen in een europeesch equivalent weer te geven. Er zijn
-chineesche begrippen in één karakter, die in één europeesch woord
-absoluut onvertaalbaar zijn, en die met omschrijving wel dicht te
-benaderen, maar nooit geheel te bereiken zijn. [6] De meeste vertalers
-hebben voor zulke begrippen dan ook de woorden gegeven, die er het
-dichtst bijkwamen. Ik heb gemeend, beter te doen, door die chineesche
-woorden in ’t geheel niet te vertalen of zeldzaam, en dan telkens, door
-het idee te omschrijven en te ontwikkelen, het zoodoende langzamerhand
-den lezer te doen voelen, zooals de chinees het voelt.
-
-Onder deze begrippen zijn wel de moeilijkste Tao en Lí. Het karakter
-Tao, in alle drie leeren op dezelfde wijze geschreven, heeft namelijk
-in de confucianistische, taoïstische en boeddhistische werken een
-geheel verschillende beteekenis. Door dit Tao met een europeesch woord
-te vertalen gaat men deze vertaling allicht in de drie verschillende
-filosofieën gebruiken, wat tot verwarring en verminking leidt. Ik
-waarschuw er dus uitdrukkelijk voor, dat de lezer in dit werk het
-begrip Tao alleen in den confucianistischen vorm moet opvatten, en
-daarbij moet bedenken, dat het iets anders is dan in de werken van Lao
-Tszʼ of van de boeddhistische scholen.
-
-Het karakter Lí dat minder gevaarlijk is, dan het vorige, daar zijn
-beteekenis in de geheele litteratuur ongeveer dezelfde is, levert enkel
-de moeilijkheid op, dat het onvertaalbaar is. Het woord „Decorum” komt
-er het dichtste bij, maar sluit het begrip niet geheel in zich. Want
-beteekent bij ons Decorum eenvoudig eene inachtneming van een zeker
-ceremonieel, en van beleefdheidsvormen, zooals die in de maatschappij
-met door den tijd telkens veranderende wetten is aangenomen, in het
-chineesch beteekent de Lí iets veel heiligers, iets dat eigen is aan en
-voortspruit uit het hemelsche principe in den mensch. Zooals Choe Hie
-zegt „de Lí is de kuische beschaving van het principe van den Hemel.”
-Aan de studie van deze Lí is een apart heilig boek gewijd, de „Lí Ki”
-die tot de vijf groote Kings behoort. Van zóóveel gewicht is de Lí, dat
-do Tao, de deugd, de menschlievendheid en de plichtmatigheid zonder Lí
-niet volmaakt zijn, naar de Lí Ki verklaart; en dat het niet hebben van
-Lí niets anders is dan „het egoïsme van het zelf.” Wel een bewijs, dat
-de Lí iets veel hoogers is dan ons Decorum. Daar Choe Hie de Lí noemde
-de „beschaving” (wen) van het hemelsche principe, bedoelde hij met dit
-„beschaving” weer „het zichtbaar te voorschijn komen van den Tao”,
-zoodat men, al deze dingen te zamen beschouwende, wel kan zeggen dat de
-Lí haar oorsprong heeft in de Sing, de goddelijke natuur, en een soort
-divine stijl is, waarin de Kiün Tszʼ leeft en beweegt, in welken men de
-hemelsche Sing kan herkennen, als in een gothieke kerk de adoratie voor
-God. Men zou Lí dus misschien wel kunnen vertalen met „de reverente
-stijl van het levens-bewegen volgens de hemelsche natuur, inwendig in
-den mensch zelf, en uitwendig naar buiten, in de gemeenschap.”
-
-Ook de titel van het werk „Choeng Yoeng” levert groote moeilijkheid op
-voor eene vertaling. Het is door verschillende geleerden vertaald, b.
-v. door „l’Invariable Milieu” (Rémusat), door „Golden Medium” (Collie),
-door „Constant Medium” (Morrison), door „Medium constans vel
-sempiternum” (Intorcetta), enz. enz. Ik heb den chineeschen titel
-behouden, daar uit het werk genoegzaam blijkt, welke de beteekenis
-daarvan is. Choeng Yoeng is n.l. een toestand van den mensch, ik zou
-bijna zeggen van de menschenziel, waarin Choeng beteekent „zonder
-(over)neiging zijn naar een of andere zijde” en Yoeng „zonder
-verandering zijn.” De toestand van Choeng is natuurlijk de hoogste
-staat, dien de mensch, die dan een Wijze is, kan bereiken, een staat,
-waarin geen bewegen in hem is van pleizier, toorn, droefheid of
-vreugde, en deze toestand is alleen te verkrijgen door het begaan van
-Tao, het precies volgen van de Sing. Vandaar, dat Tao geen enkel
-oogenblikje mag verlaten worden (wat overneiging, afwijking zou zijn),
-anders, is er uitdrukkelijk bij gezegd, „zou het geen Tao zijn”.
-
-
-
-Als wij een filosofisch systeem willen beschouwen, om er dat van
-Confucius, waar het een politiek is, mede te vergelijken, doen wij,
-meen ik, het beste, de politieke ideeën in Plato’s filosofie daarvoor
-te nemen. Dit niet om den vorm echter, die in Plato’s werken volmaakt
-is, en in Confucius’ werken, althans zooals zij overgeleverd zijn, als
-geheel vol hiaten. In Plato is een klare, heldere logica, die ons
-geleidelijk stap voor stap van het eene punt naar het andere voert, in
-Confucius gaat het dikwijls over groote leegten met sprongen vooruit,
-en is de studie veelal een tasten en gissen naar wat hij met zijne
-zinspelingen eigenlijk bedoelt. Ook is Plato harmonischer, en verheft
-zijne filosofie zich op veel reiner ideeënvlucht in pure subliemheid
-hooger en hooger naar Gods eigen wezen.
-
-Toch is er naast zeer groote verschillen op vele punten overeenkomst
-tusschen Confucius en Plato. Zegt Confucius, dit alle menschen, van den
-Hemel de Sing als natuur hebbende, oorspronkelijk goed zijn, en dat
-deze, verduisterd zijnde, door Leering weer moet verreind worden; dus
-dat deze Sing de bron is van alle menschelijke deugden, ook Plato
-leerde dat „de menschelijke ziel bemint van nature die volmaakte vormen
-van goedheid, waarheid en schoonheid, wanneer zij ze aanschouwt; maar
-deze liefde kan door opvoeding hetzij ontwikkeld worden, hetzij
-uitgebluscht.” [7] Zegt Confucius, dat dus de staat zóó moet ingericht
-zijn, dat de vorst en zijne ministers vóór alles menschen moeten zijn,
-wier Sing zelf rein is, Plato leerde eveneens dat het dan daarom ook
-behoort dat „in een volmaakten staat de opvoeding van alle burgers moet
-geregeld worden door hen, die reeds liefde koesteren voor de volmaakte
-en hoogere vormen en moet daar alles uitgesloten worden, dat aan die
-liefde afbreuk kan doen.”[7] Beiden, Confucius en Plato, hebben dan ook
-niet alleen den goddelijken oorsprong van den mensch aangenomen, maar
-óók een’ idealen staat verheerlijkt, op dien oorsprong gebaseerd. Een
-der hoofdprincipes van Plato uitgedrukt in zijn „Wetten”: „Het is ook
-de ziel op de meest reëele en complete manier onteeren door de
-schoonheid te verkiezen boven de deugd,” uit zich eveneens in
-Confucius’ klacht „Het is gedaan! Ik heb er nog niet een gezien, die de
-deugd bemint zooals hij de schoonheid bemint!” [8]
-
-Evenals Confucius neemt Plato aan dat de ouderlijke liefde, de liefde
-en eerbied voor de ouders, de Hiao dus, in ’t chineesch gezegd, een der
-allereerste plichten is, en mét Confucius verklaart hij, dat het
-allerrechtvaardigste recht van superioriteit over anderen is dat,
-„hetwelk aan den onwetende beveelt om te gehoorzamen, en aan den Wijze
-om te regeeren en te bevelen. [9]
-
-Dit hoofdprincipe voor de regeering en de inrichting van een staat is
-dus bij Plato en Confucius hetzelfde, terwijl beiden bovendien dikwijls
-de inrichting van eene familie met die van den staat vergelijken. En
-het essentieele chineesche idee, dat van de geheele chineesche moraal
-de basis is, kon niet zuiverder chineesch zijn uitgedrukt dan in
-Plato’s „Vervolgens moeten wij de makers van onze dagen vereeren
-gedurende hun leven; dit is de eerste, de grootste, de meest onmisbare
-van alle schulden; men moet zich overtuigen, dat al de goederen, die
-men bezit, behooren aan hen, van wie wij de geboorte en de opvoeding
-hebben ontvangen, en dat het past die zonder voorbehoud te wijden aan
-hún dienst, te beginnen met de goederen van het fortuin, vandaar komend
-op die van het lichaam, en eindelijk op die van de ziel; hun met woeker
-teruggevende de zorgen, de moeite, en de werken, die onze jeugd hun
-eertijds heeft gekost, en onze attenties verdubbelende naarmate de
-gebreken van den ouderdom die meer noodzakelijk maken.” [10]
-
-Ook omtrent het ware wezen der offeringen is veel analoogs in beide
-wijsgeeren te vinden. En geloofde Confucius, dat eenmaal de
-ideaal-staat, dien hij verheerlijkte, werkelijk had bestaan onder de
-keizers Yaou en Shoen, die hij dan ook als Wijzen beschouwde, als
-menschen, absoluut superieur aan alle anderen, menschen die ál-wetend
-waren en gelijken van den Hemel, ook Plato nam aan, dat er ten tijde
-van Saturnus, véél eeuwen vóór de bekende regeeringen, „een regeering
-was, een volmaakte administratie, waarvan het beste gouvernement van
-heden slechts een imitatie is,”[10] en die dan ook werd bestuurd, niet
-door gewone menschen, „maar Intelligenties van een fijnere en diviener
-natuur dan de onze,”[10] die hij demonen noemde. Zooals Yaou en Shoen
-deden, gaven deze demonen dan ook aan het volk „vrede, kuischheid,
-vrijheid en recht.” Precies in het systeem van Confucius passen dan ook
-Plato’s verdere woorden „dat onze plicht is, om het dichtst mogelijk te
-naderen tot de regeering van Saturnus (lees in ’t chineesch „Yaou en
-Shoen”) en de leiding van ons publieke en private leven toe te
-vertrouwen aan het onsterfelijke deel (lees: Sing) van ons wezen en den
-naam „wetten” te geven aan de voorschriften uitgevloeid uit onze Rede,
-en die voor gidsen te nemen in de regeling (regeering) van de families
-en den staat.”
-
-Een der hoofdplichten van Confucius’ Kiün Tszʼ, een fermheid te
-bewaren, maar tevens zachtheid, verdraagzaamheid, is ook bij Plato
-terug te vinden, waar hij zegt „Men moet véél zachtheid verbinden met
-een groote fermheid,” en eveneens beschouwden beiden een groot
-medelijden voor de slechten noodzakelijk.
-
-Maar de vergelijking is het hechtste in het idee, dat hij, die aan het
-hoofd van de regeering staat, allereerst aan de vereischte moet
-voldoen, vanzelf rein en wijs te zijn, en dat, waar dit niet het geval
-is, geen andere eigenschappen hem recht geven op den troon. Dat dit een
-ultra-democratisch idee is, behoeft nauwelijks hieraan toegevoegd te
-worden.
-
-
-
-Als men Confucius bestudeert, mag men vooral niet den naam van Choe
-Tszʼ of Choe Hie vergeten. [11] Hij was het, die de verspreide
-tabletten der confucianistische werken tot één geheel heeft
-gerangschikt, en van commentaren voorzag, die de beste zijn gebleven
-van allen, die vóór en ná hem zijn gemaakt. Choe Hie was tevens zelf
-schrijver van een aantal filosofische werken. Choe Hie’s rangschikking
-en commentaar was een voortzetting van het werk van zekeren Chʼing
-Heuen. Zekere Chʼing Hau en Chʼing Ie hebben zich tevens verdienstelijk
-gemaakt in het uitgeven van de confucianistische werken. Meermalen
-spreekt Choe Hie dan ook van Chʼing Ie als „Mijn Meester, de filosoof
-Chʼing.” Deze namen heeft men dus onafscheidelijk te verbinden aan den
-naam van Confucius. De edities, die nu over geheel China gelezen
-worden, zijn bijna allen het werk van Choe Hie, wat rangschikking en
-commentaar betreft.
-
-Ik besluit dit korte overzicht van Confucius’ werk met nog eens op te
-noemen, in westersche begrippen, de grondbeginselen, waarop zijne
-filosofie gebaseerd is.
-
-„—„De mensch is oorspronkelijk goed, en heeft in zich eene natuur van
-den Hemel.”
-
-„—„Alle menschen, deze natuur in zich hebbende, zijn dus oorspronkelijk
-gelijk.”
-
-„—„De mensch moet niet alleen zijn eigen hemelsche natuur reinhouden,
-maar ook zijne medemenschen, die zijne gelijken zijn, helpen, om hunne
-hemelsche natuur rein te houden.”
-
-„—Alle menschen zijn broeders.” [12]
-
-„—De Staat moet gefondamenteerd zijn op de hemelsche natuur van den
-mensch, en de vorst van een staat en zijne ministers moeten absoluut in
-de allereerste plaats zelf menschen zijn, die hun hemelsche natuur
-reinhouden, omdat het van hen afhangt, of het volk zich ook in dien
-reinen staat zal kunnen behouden.”
-
-„—Het is niet zoozeer de bizondere sluwheid of knapheid, die geschikt
-maakt voor den staatsdienst, maar vóór alles gaat de innerlijke waarde,
-de reinheid van de Sing, zonder welke al het andere slecht en
-verderfelijk ageert.” (In de „Loen Yü” meermalen uitgedrukt.)
-
-„—Er is een volmaakte ideaal-staat mogelijk, in welken een groote vrede
-is over een volmaakt gelukkig volk, als de vorst en zijne ministers hun
-regeering grondvesten in hun eigen hemelsche natuur, de Sing, die in
-hare zuivere actie even zeker ageert als de Hemel.”
-
-Ik heb mij, een oordeel aan den lezer overlatende, onthouden van eene
-critiek. Maar ik kan niet nalaten, ten slotte nog de vraag te stellen,
-na de studie van dit boek te beantwoorden, of men Confucius’ filosofie,
-zooals vele eminente en beschaafde menschen hebben gedaan, die van een
-heiden mag noemen, [13] een dwaalleer, die, desnoods met geweld van
-repeteergeweren en kanonnen moet worden uitgeroeid, of wel, of de
-beschaafde europeesche volkeren misschien niet goed zouden doen, wat
-van de voornaamste principes van Confucius aangaande de regeering en de
-inrichting van den staat over te nemen?
-
-
-
-
-
-
-HISTORISCHE OPHELDERINGEN. [14]
-
-
-Daar in Confucius’ werken herhaaldelijk gewezen wordt op: „de Ouden” is
-het absoluut noodzakelijk om, alvorens zijne filosofie te bestudeeren,
-een kort overzicht te hebben van de geschiedenis van China vóór zijn
-tijd.
-
-De eerste heerscher over China, zooals het toen was, van wien men kan
-aannemen, dat hij niet gehéél tot de mythologische geschiedenis behoort
-is Foeh Hie, die in 2852 v. C. op den troon kwam. Na hem zijn de
-voornaamste keizers Shin Nung en Hwang Ti (de Gele Keizer); de eerste
-onderscheidde zich bizonder op het gebied van agricultuur en van het
-bereiden van geneesmiddelen uit kruiden, de laatste vormde de
-chineesche kalender. Na Hwang Ti kwamen nog drie andere regeeringen,
-waarna de beroemde keizer Yaou op den troon kwam. Van af Yaou (2356 v.
-C.) begint de Shoe King, de Canon der Historie, begint de chineesche
-geschiedenis een grooteren schijn van waarheid aan te nemen.
-
-In de vroegere tijden werden de keizers door het volk uit het volk
-gekozen, en was het keizerschap niet erfelijk. Yaou was een gewone
-landbouwer. Hij is het, die door Confucius als de ideaal-vorst werd
-beschouwd. Onder zijne regeering schijnt het rijk een tijdperk van
-bloei doorleefd te hebben, waar men zich eigenlijk in deze tijden geen
-begrip meer van kan maken. Zoolang nog één zijner „kinderen”
-(onderdanen) in nood verkeerde, was deze keizer niet gelukkig, zoo
-luidt de legende. De „Shoe King” bevat het verhaal van Yaou’s groote
-deugden, die altijd het ideaal van alle chineesche filosofen zijn
-gebleven. Yaou, zegt de Shoe King, was „alwetend.” In de „Choeng Yoeng”
-zal de lezer zien, wat dit ál-wetend zijn beteekent, en hoe de
-ideaal-vorst de gelijke was van den Hemel. Een van de eerste zorgen van
-Yaou was, om voor zijne ministers en ambtenaren waardige menschen uit
-te kiezen, en de onwaardigen te ontslaan. Hij benoemde astronomen om de
-bewegingen en verschijningen van de zon na te gaan, en van de
-verschillende hemellichamen, en bepaalde de vier seizoenen en de lengte
-van het jaar. Hij voerde de schrikkelmaanden in en regelde een nieuwen
-kalender, die nu nog in China in gebruik is. In 2293 v. C. gebeurde
-onder zijne regeering een groote overstrooming. Shoen, óók een gewoon
-man uit het volk, onderscheidde zich bizonder in het bedwingen der
-vloeden, door uitdiepen van rivieren en het aanleggen van kanalen, en
-werd hierin krachtig bijgestaan door zekeren Yü. Yaou, de groote
-verdiensten van Shoen ziende, deed hem de regeering met hem deelen, en
-toen hij stierf gaf hij de regeering aan Shoen over, die met zijn
-dochter was gehuwd. Niettegenstaande zijn voorganger reeds zooveel roem
-had behaald door zijne deugden, deed Shoen in het geheel niet voor hem
-onder, en werd zijn naam voor ’t nageslacht onafscheidelijk aan dien
-van Yaou verbonden. Met Shoen begon de vereering voor Shang Ti, het
-Suprême Wezen, de oudste godheid der chineezen, die zij veelal met „den
-Hemel” verwarren. Shang Ti was één opperste God, [15] die over het lot
-der menschen beschikte, die leven en dood bepaalde, de goeden zegende,
-en de slechten strafte.
-
-Shoen verdeelde het rijk in twaalf provinciën, en benoemde ministers
-voor agricultuur, justitie, openbare werken, woudontginning, eeredienst
-en muziek.
-
-De moraliteit van het volk onder zijne regeering moet voorbeeldig zijn
-geweest. Wij zullen uit Confucius’ leer zien, dat hij dan ook de deugd
-van den vorst voor een transformeerende macht hield.
-
-Shoen nam Yü als zijn onderkoning aan, en na zijn’ dood volgde Yü hem
-op. Ofschoon het voor dezen eveneens bijna onmogelijk was, zijn
-voorgangers te overtreffen, wist hij zich tot hun gelijke te maken, en
-de ideaal-staat bleef onder zijn regeering bestaan. Yaou, Shoen en Yü
-zijn de drie ideaal-keizers der chineesche historie, als beschreven
-staat in de Shoe King.
-
-Na Yü’s dood begon het verderf in den staat te komen. Yü, de stichter
-der Hia dynastie, werd opgevolgd door zijn’ zoon Tai Kang, die in een
-losbandig leven zijne plichten als vorst geheel verwaarloosde. Met Tai
-Kang begon een tijdperk van verwarring, oorlog en ellende—met
-tusschenpoozen afgewisseld door de regeering van eenige goede vorsten,
-als b. v. Shau Kang en Ti Choe—dat een eind nam met den tyran Kjeh
-Kwei, den laatsten heerscher der Hia dynastie. Deze Kjeh hield er o. a.
-een vijver op na, waar een geheele boot in kon varen, en die gevuld was
-met wijn. Drie duizend menschen konden er tegelijk uit drinken. Deze
-vijver was omringd door geheele pyramiden van fijne vleeschspijzen, en
-de walgelijkste orgiën hadden daar plaats. Ten laatste werd de
-verdrukking van dezen tyran onhoudbaar, en het volk stond op onder
-aanvoering van zekeren Ching Thʼang, een afstammeling van Hwang Ti.
-Kjeh Kwei vluchtte, en Ching Thʼang besteeg den troon, en stichtte een
-nieuwe dynastie, de Shang dynastie. Hij is de beroemde Thʼang, dien wij
-in Confucius’ werken dikwijls vinden aangehaald. Thʼang zeide: „Niet
-ik, het kleine kind, ben het, die durf te doen wat een onderneming van
-rebellie lijkt, maar om de vele misdaden van den souverein van Hia
-heeft de Hemel mij bevolen, hem te vernietigen.”
-
-Thʼang scheen een wedergeboorte te zijn van Yaou of Shoen, zóó gelukkig
-was hij in de regeering van het rijk, dat weer tot zijn vorigen bloei
-terugkeerde. Thʼang vereerde, evenals zijn groote voorgangers, Shang Ti
-als oppersten God. Toen er eens een groote droogte heerschte, die den
-oogst dreigde te doen mislukken en hongersnood te doen ontstaan,
-schreef hij den toorn van Shang Ti aan zijn eigen gebrek aan deugd toe
-en bad Hem, toch niet om de zonde van één mensch als hijzelf, een
-geheel volk te dooden. Hij had zijn gebed nog niet geheel geëindigd,
-toen de regen reeds overvloedig neerviel. [16]
-
-Het gulden tijdperk van Thʼang eindigde met zijn’ dood, want na hem
-werden de vorsten al slechter en slechter, en werd het rijk op het
-laatst ten prooi aan bloedige oorlogen van acht en twintig prinsen, die
-elkaar achtereenvolgens met geweld verdreven en den troon usurpeerden.
-Evenals Kjeh de Hia dynastie eindigde als een tyran, zoo eindigde de
-Shang dynastie—die van af zekeren vorst Pʼan Keng Yin dynastie werd
-geheeten, naar de nieuwe hoofdplaats Yin—met den tyran Cheu Sin, die om
-zijn monsterachtige wreedheid de Nero van China wordt genoemd (1154 v.
-C.–1112 v. C.). Met hem als Nero heeft zich zijn bijzit Tan Ki als de
-chineesche Messalina onsterfelijk gemaakt. De wandaden, door deze twee
-bedreven, zijn ongeloofelijk van verfijnde barbaarschheid. Toen Cheu
-Sin b. v. eens eenige vrouwen blootsvoets aan den oever van een rivier
-zag loopen, liet hij haar de beenen afsnijden, enkel om te zien, wat
-voor merg die menschen hadden, die de koude zoo goed konden weerstaan.
-Een zwangere vrouw liet hij eens openhakken, om te zien, hoe een
-ongeboren kind er wel uitzag. Hij had een rivier met bloed van gedoode
-onderdanen, omdat hij de roode kleur daarvan zoo mooi vond, enz. enz.
-
-Een zijner grillen zou zijn ondergang zijn. Hij had n.l. eens, enkel om
-zijn macht aan zijn bijzit te toonen, de buskruitseinen laten
-ontbranden, waarna zijn groot leger van mandarijnen in allerijl op zijn
-noodsignalen afkwam. Toen hij echter later werkelijk in nood was, en
-weer de seinen ontbrandde, daagde het leger niet op, dat het weer voor
-een aardigheid hield.
-
-Onderhoorig aan Shang bestond in die tijden een koninkrijk Chow. Aan
-het hoofd van dezen staat stond Wĕn Wang, koning Wĕn, een der groote,
-wijze mannen uit de chineesche geschiedenis, een ideaal-vorst van
-Confucius. Wĕn Wang trachtte Cheu Sin door eerbiedige raadgevingen te
-waarschuwen, maar werd daarvoor in de gevangenis geworpen, en niet dan
-met groote offers weer door zijn zonen bevrijd. Wĕn Wang was voor zijn
-rijk wat Yaou en Shoen voor het keizerrijk waren geweest, een toonbeeld
-van rechtvaardigheid en toewijding voor zijn volk. Hij werd daarin
-ondersteund door een Wijze, Kiang Tai Koeng, dien hij als een’
-tachtigjarigen, armen grijsaard, in een bosch had gevonden. Geen
-wonder, dat Wĕn Wang ten laatste de tyrannie van Cheu Sin niet langer
-kon aanzien, en besloot, tegen hem op te staan en het rijk te
-bevrijden. Vóór hij dit plan kon volvoeren stierf hij. Zijn oudste zoon
-Woe Wang (de Krijgshaftige Koning) volgde hem op. Woe Wang was het
-evenbeeld van zijn’ vader in vorstelijke deugden, en bovendien een
-groot veldheer. Evenals vroeger Thʼang, beschouwde Woe Wang het als een
-bevel van den hemel, dat hij het rijk van den tyran moest bevrijden.
-Niet alleen het volk van Chow, maar ook dat van de naburige staten viel
-hem bij. Met een groot leger trok hij tegen Cheu Sin op, en versloeg
-hem in een veldslag. Cheu Sin vluchtte in zijn eigen luxueuze paleis,
-dat hij in brand stak, en stierf den glorieuzen dood, dien driehonderd
-jaren later ook Sardanapalus zou sterven.
-
-Woe Wang nam nu bezit van den troon, en werd de eerste keizer der Chow
-dynastie (1122 v. C).
-
-Deze tijd van Cheu Sin, Wĕn Wang, Kiang Tai Koeng, en Woe Wang leverde
-de stof voor de mooiste romans en legenden der chineesche middeleeuwen,
-zooals de „Toeng Chow Ljeh Kwoh,” de „Fung Shen” enz. en hunne
-heldendaden en oorlogen worden dagelijks over geheel China op het
-chineesche tooneel voorgesteld. In de Shoe King vindt men er de
-getrouwe geschiedenis bovendien van opgeteekend. In de Shi King (de
-Canon der Odes) vinden wij Wĕn en Woe eveneens verheerlijkt. Deze
-eerste Chow vorsten werden het model voor het nageslacht in al hun
-daden en bewegingen. Het decorum, dat zij in acht namen in het
-dagelijksch leven werd in de Lí Ki (Annalen van het Decorum) vereeuwigd
-en als wet gesteld. Gelijk met Wĕn en Woe behoort Woe’s jongere broeder
-te worden genoemd, die den titel droeg van Chow Koeng, of de hertog van
-Chow. Deze hertog van Chow was zulk een ideaal voor Confucius, dat hij
-bezorgd en onrustig was, als hij in langen tijd niet van hem gedroomd
-had. Toen zijn oudere broeder Woe ernstig ziek werd, twee jaren na zijn
-overwinning op Cheu Sin, liet de hertog van Chow drie aarden altaren
-maken, één voor zijn vader, één voor zijn grootvader en één voor zijn
-overgrootvader, en smeekte hen om van den Hemel uit Woe te bewaren, en
-liever hem zelf in zijn plaats te doen sterven. Woe werd inderdaad
-genezen.
-
-De hertog van Chow diende zijn broeder als raadsman in alles, en het
-rijk kwam wederom in den bloeitijd, als in de tijden van Yaou en Shoen.
-Behalve om vele goede instellingen, is de hertog van Chow ook beroemd
-om het uitvinden van het kompas.
-
-Één maatregel nam Woe, die tot groot verderf van het rijk zou leiden.
-Hij verdeelde namelijk het rijk in een groot aantal kleine staatjes,
-met Chow als hoofdstaat. Aan het hoofd van deze staatjes stelde hij
-zijne eigen familieleden aan, zijne gunstelingen, en afstammelingen der
-oude koningen. Dit had later het noodlottige gevolg, dat de vorsten
-dier staatjes zich als geheel onafhankelijk beschouwden, zich niet meer
-om den koning van Chow bekommerden, en onderling onophoudelijk oorlog
-voerden. De feudale vorsten waren steeds begeerig op elkanders goed. In
-Confucius’ tijd (d. i. 66 jaar na de troonsbestijging van Woe), waren
-er twee en vijftig.
-
-Zóó ging door dien maatregel van Woe ten laatste de oude, pure
-monarchie verloren.
-
-Woe regeerde niet lang. Na zijn dood werd het rijk in twee groote
-deelen verdeeld, waarvan de hertog van Chow er één kreeg.
-
-Na den hertog van Chow regeerden achtereenvolgens Kioe Chʼin en King
-Ching, onder welken het rijk steeds in een periode van bloei bleef tot
-1079 v. C.
-
-Met King Kʼang begon het rijk te vervallen, en de suprematie van Chow
-verzwakte al meer en meer onder diens opvolgers Chaou en Muh Wang. In
-den tijd van Confucius bestond het heerscherschap van Chow over de
-andere staten feitelijk alleen nog maar in naam. De hoofdstad van Chow,
-die door Woe in het tegenwoordige Sin An Toe was gevestigd (in de
-tegenwoordige provincie Shen Si) was in Confucius’ tijd verplaatst naar
-Lŏ (in de tegenwoordige provincie Ho Nan, en wel in het departement,
-dat dienzelfden naam draagt). De vorst, die in Confucius’ tijd
-regeerde, heette King, en het rijk bestond in zijn tijd, zooals ik
-reeds zeide, uit twee en vijftig staten, onder welke dertien groote.
-King was in naam heerscher over het geheele rijk, maar had bijna geen
-macht meer buiten Chow. Confucius leefde dus in een tijd van uiterst
-verval, toen de glorie van het huis Chow reeds lang voorbij was, en het
-rijk geheel en al verwarring en degeneratie was.
-
-
-
-
-
-
-HET LEVEN VAN CONFUCIUS.
-
-
-In den tijd van Confucius was China niet, zooals nu, één groot
-keizerrijk, verdeeld in door onderkoningen onmiddellijk aan den keizer
-onderdanige provinciën, maar het bestond uit verschillende staten,
-welker koningen en hertogen vrij wel oppermachtig waren in hun eigen
-land. De voornaamste van deze staten was Chow, gelegen in een gedeelte
-van de tegenwoordige provincie Honan. In ’t Noorden grensde het aan het
-machtige Tsin, bestaande uit de tegenwoordige provincie Shan Si en een
-gedeelte van Chihli; in ’t Zuiden aan Tʼsoe, en in ’t Oosten waren een
-aantal kleinere staten, waaronder Tsʼi, Loe, Wei, Soeng en Ching; en
-aan de Westzijde van de Gele Rivier was Tsʼin. Bij de stichting van de
-Chow dynastie, had koning Woe al die verschillende staten weten te
-brengen onder het beheer van zijne bloedverwanten, zijn aanhangers, en
-de nakomelingen der oude koningen. Zoolang koning Woe regeerde ging
-alles goed, en had Chow eene suprematie over de andere rijken, maar
-toen onder zijne opvolgers Chow zelf verzwakte, ontstond er tusschen de
-verschillende staten een eindelooze strijd. Toen Confucius werd
-geboren, in 551 v. C., was China dan ook in een toestand van wanorde
-zooals nooit te voren geheerscht had. Hij leefde in het zwartste,
-ongelukkigste tijdperk van zijn land. Volgens oude schrijvers stamde
-hij af van keizer Hwang Ti (2637 v. C.), maar volgens de nieuweren
-leefde de stamvader van zijn geslacht in het begin van de Chow dynastie
-(1121 v. C.). Zijn vader was Shoeh Liang Heih, een militair mandarijn,
-om zijn dapperheid en kracht [17] in dien tijd zeer beroemd. De eerste
-vrouw van Shoeh Liang Heih baarde hem geen zonen, waarom hij op
-zeventigjarigen leeftijd een andere vrouw nam, uit de familie Yen,
-genaamd Ching Tsai. Evenals bij de meeste geboorten van wijzen en
-goden, b. v. bij die van Lao Tszʼ en Kwan Yin, heeft men de geboorte
-van Confucius aan wonderen toegeschreven. Zoo wil men, dat Ching Tsai
-in een droom vijf oude mannen zag naderen, die een dier leidden,
-gelijkende op een kleine koe, met één hoorn, en bedekt met schubben,
-als een draak. Dit beest, een Kʼi Lin—een der vele wonderdieren uit de
-chineesche oudheid, als de draak, en de feniks—knielde voor Ching Tsai
-neder, en liet een juweel uit den bek vallen met de inscriptie: „De
-zoon van de essence van het Water zal de verdorrende Chowdynastie
-opvolgen en een koning zijn zonder troon”. Ook werd Ching Tsai gezegd,
-naar een grot te gaan, genaamd „De holle moerbezieboom”. In den nacht,
-dat zij daar het kind baarde, hielden twee draken de wacht ter rechter-
-en linkerzijde en twee vrouwelijke geesten besprenkelden het kind met
-geurige wateren. Op den top van het hoofd had het kindje een bizondere
-uitgroeiing in vorm gelijkend op den berg Kʼioe waarom het „Kʼioe” [18]
-werd genoemd. De geheele naam was Kʼioe Choeng Ni. De geboortedag was
-den 21en van de 10e maand van het 21e regeeringsjaar van den hertog
-Siang van Loe, d. i. het 20ste jaar van keizer Ling, of 551 v. C.
-
-Confucius werd geboren in het district Tsow van den staat Loe, waar
-zijn vader Heih gouverneur van was. Deze plaats correspondeert ongeveer
-met het departement Yen Chow, in het tegenwoordige Shan Toeng. Van zijn
-eerste jeugd is weinig bekend. Uit een van hem geciteerd gezegde in het
-2e hoofdstuk van ’t werk „Loen Yü” weten wij, dat hij op zijn 15e jaar
-met serieuze studie begon, en uit een ander, in het 9e hoofdstuk van
-dat werk, dat hij, toen hij jong was, ook wel in veel dingen bekwaam
-was, maar in ordinaire.
-
-Toen hij 19 jaar was trouwde hij met een meisje van de Kien Kwan
-familie, uit den staat Soeng, die hem een jaar daarna een zoon schonk.
-Hertog Chʼaou zond hem als felicitaties twee karpers. Daarom gaf hij
-dit kind den naam Li Poh Yu (Karper Visch primus). Het huwelijk van
-Confucius was zoo ongelukkig, dat hij ten laatste van zijne vrouw
-scheidde. Dit is een zeer vreemd geval als men weet, hoe ideaal hij
-zich in zijn geheele filosofie de betrekking tusschen man en vrouw
-voorstelde. Ook blijkt nergens iets van eene meer dan gewone
-gehechtheid aan zijn zoon. En toch was de Hiao—de ouderlijke en
-kinderlijke liefde—de basis, waarop hij de regeering van het geheele
-rijk wilde grondvesten. Door velen wordt de koelheid van Confucius
-tegen zijn zoon echter aan een bizondere, gereserveerde waardigheid
-toegeschreven.
-
-Op zijn 20e jaar ging Confucius in eene officieele betrekking, en wel
-als bewaarder van de graanschuren, en één jaar daarna werd hij
-bevorderd tot opzichter over de publieke landerijen. Hij achtte deze
-ambten zelf niet bizonder hoog, en volgens Mencius zeide hij
-hieromtrent: „De ossen en schapen moeten vet en sterk en uitstekend
-zijn; dat is alles, waar ik voor heb te zorgen.” Op zijn 22e jaar ging
-hij uit den dienst, en werd een publiek onderwijzer. Dadelijk kreeg hij
-een groot aantal leerlingen. Hoe klein het salaris ook was, dat zijn
-pupillen konden geven, nooit weigerde hij zijn onderwijs. Maar met
-domme en onwillige leerlingen wilde hij niets te doen hebben, en hij
-zeide: „Ik open de waarheid niet voor een, die geen begeerigen ijver
-toont. Als ik één hoek van een onderwerp heb aangetoond en mijn
-toehoorder kan daar de drie andere niet uit begrijpen, dan herhaal ik
-mijn les niet.” [19]
-
-Dit laatste moet elke lezer van Confucius goed in het oog houden. Want
-bij de studie van de confucianistische werken is het veel meer wat er
-niet staat dan wat er staat, dat hij moet begrijpen. Confucius’
-gezegden waren in de hoogste mate laconiek. Hoewel niet zoo sterk als
-bij Lao Tszʼ, vindt men in de gezegden van Confucius meer de
-hoofdwaarheden van zijne filosofie,—die dan ook gedrukt zijn,—dan den
-geheelen gecompliceerden gedachtengang van die filosofie zelve, dien
-men zich er bij moet denken. De lectuur der oude chineesche klassieken
-is niet, zooals b. v. die van Plato, een gewillig, oplettend volgen van
-eene in letters duidelijk te volgen logica, maar een voortdurend voelen
-naar de onzichtbare ideeën, achter de in de chineesche karakters
-uitgedrukte volzinnen.—Zóó bestaat het eerste hoofdstuk van het werk
-Choeng Yoeng slechts uit 109 chineesche karakters, waarin, of beter
-waarachter de geheele filosofie van dat werk in essence moet gevoeld
-worden. De andere hoofdstukken zijn slechts verduidelijkingen, maar het
-„diepe” zooals de chinees het noemt, de essence van alles, ligt in het
-eerste hoofdstuk. Zóó ligt ook de geheele filosofie van Lao Tszʼs „Tao
-Teh King” in de 59 karakters van het eerste hoofdstuk. Het lezen van
-chineesche klassieken is heel dikwijls daardoor een intuïtief voelen,
-slechts geleid door enkele zekerheden en zichtbaarheden in de zoo
-uiterst weinige karakters. En uren aan uren eenzame studie zijn meestal
-noodig om de geheele portée te doorgronden van in weinige seconden op
-te lezen karakterreeksen. Een groote moeilijkheid is daarbij nog
-dikwijls, de zinnen behoorlijk af te ronden, die noch door komma’s,
-noch door punten zijn aangegeven, en waarvan de juiste rythmus enkel
-door het bewegen van de idee kan worden bepaald.
-
-Toen Confucius 28 jaar oud was, leerde hij boogschieten, een in die
-tijden eervol bedrijf. Een jaar daarna kreeg hij lessen in muziek van
-den beroemden musicus Siang.
-
-Daar hij altijd eene bizondere vereering had gehad voor de stichters
-der Chow dynastie, was het een zijner liefste wenschen, een reis naar
-den staat Chow te doen. Ten laatste kwam die wensch tot vervulling. De
-roem van zijne wijsheid was toen blijkbaar ver verbreid, want toen de
-hertog van Chow van zijn voorgenomen bezoek hoorde, zond hij hem een
-wagen met paarden. Twee dingen waren het, die hem tot Lŏ, de hoofdstad
-van Chow, zoo sterk aantrokken. Ten eerste, de studie van den
-regeeringsvorm, de inrichting der paleizen en den aard der ceremoniën
-van de oude keizers der Chow dynastie, en ten tweede de aanwezigheid in
-die plaats van Lao Tan, meer bekend als Lao Tszʼ, die daar bewaarder
-van het archief was.
-
-Een bizonder curieuze gebeurtenis, die ontmoeting van de twee grootste
-mannen van de chineesche oudheid, die de hoofden zijn van twee groote
-filosofische systemen, en zoo essentieel van elkaar verschilden! Zij
-geeft dan ook in de gesprekken, die de wijzen met elkander hielden,
-precies dat verschil aan. [20] Confucius was opgetogen over wat hij in
-Chow zag, en na alles gezien te hebben riep hij uit: „Nú begrijp ik de
-wijsheid van den hertog van Chow, en hoe zijn huis eens tot het
-keizerschap kwam!” En aan zijn volgelingen zeide hij: „Zooals wij een
-glas gebruiken om de vormen der dingen te onderzoeken, zóó moeten wij
-de oudheid bestudeeren om het tegenwoordige te begrijpen.” In de zaal
-van den voorvaderlijken tempel was een metalen beeld van een man met
-drie krammen op den mond. Op de achterzijde daarvan was gegrift: „De
-ouden waakten over hun spraak, en evenals zij moeten wij
-praatzuchtigheid vermijden.” Toen keerde Confucius zich tot zijne
-discipelen en zeide: „Merkt dit op, mijne kinderen! Deze woorden zijn
-waar, en spreken tot onze rede”. Hij sprak ook veel over muziek met den
-Chow’schen geleerde Chʼang Wang, en men wil dat deze van hem gezegd
-heeft: „Ik heb bij Choeng-Ni menig kenteeken van een wijze opgemerkt.
-Hij heeft rivier-oogen en een draken-voorhoofd—de echte kenteekenen van
-Hwang Ti. Zijn armen zijn lang, zijn rug is als een schildpad, en hij
-is negen voet zes duim hoog—de echte gelijkenis van Thʼang den
-gelukvolle. [21] Als hij spreekt prijst hij de oude koningen. Hij gaat
-het pad der nederigheid en hoffelijkheid. Hij heeft van ieder onderwerp
-gehoord, en onthoudt met een sterk geheugen. Zijn kennis van dingen
-lijkt onuitputtelijk. Hebben wij niet in hem de rijzenis van een
-wijze?”
-
-Hetzelfde jaar keerde Confucius terug naar Loe, waar hij spoedig een
-gevolg kreeg van drieduizend discipelen. Kort na zijn terugkomst brak
-een opstand uit. De drie clans van Kie, Shoeh en Meng, die vroeger
-onder elkaar gestreden hadden, vielen hertog Chaou van Loe aan (516 v.
-C.), die genoodzaakt was, naar het naburige rijk Tsʼi te vluchten.
-Confucius, die den hertog trouw was, en de wanorde in zijn land niet
-kon aanzien, volgde hem. In het werk „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” staat het
-volgende incident vermeld, dat voorviel op zijn reis naar Tsʼi: „Toen
-hij langs den grooten weg ging, ontmoette hij eene vrouw, die weende
-bij een graf, en, medelijden met haar gevoelende, zond hij zijn
-discipel Tszʼ Loe om naar de oorzaak van haar verdriet te vragen. „Gij
-weent of gij verdriet na verdriet hebt ondervonden.”—„Dat is ook zoo,”
-antwoordde de vrouw. „Mijn schoonvader is hier gedood door een tijger,
-en mijn man ook; en nu heeft mijn zoon hetzelfde lot getroffen.” Toen
-vroeg Confucius: „Waarom gaat gij dan niet van deze plaats
-heen?”—„Omdat hier geen tyrannieke regeering is,” antwoordde de vrouw.
-Toen Confucius dat hoorde zeide hij tot zijne discipelen: „Mijne
-kinderen, onthoudt dit. Een tyrannieke regeering is woester dan een
-tijger.” In het boek Lí Ki, de Canon van het Decorum, wordt dit verhaal
-bevestigd.
-
-In Tsʼi, waar een hertog, later koning regeerde, van wien Confucius
-later zeide: „hij had duizend spannen, elk van vier paarden, maar op
-den dag van zijn’ dood prees het volk hem om geen enkele deugd,” maar
-waar een eerste minister was van uitstekende bekwaamheid Gan Ying, werd
-aan het hof nog de muziek van den ouden, wijzen keizer Shoen [22]
-gespeeld. Toen Confucius in Tsʼi aankwam, en die muziek hoorde, werd
-hij er zoo door aangedaan, dat hij in drie maanden geen vleesch kon
-eten.
-
-„Ik had niet gedacht,” zeide hij, „dat muziek ooit zoo uitstekend als
-deze gemaakt kon worden.” De hertog King, die Confucius verscheidene
-malen raadpleegde, was zóó met hem ingenomen, dat hij hem de stad
-Lin-kjoe wilde geven, die rijke inkomsten opleverde. Confucius, die,
-blijkens het boven aangehaalde gezegde uit de „Loen Yü”, weinig met den
-hertog ophad, sloeg dit geschenk af, en zeide tot zijne discipelen:
-„Een superieur mensch neemt alleen belooning aan voor door hem bewezen
-diensten. Ik heb advies gegeven aan hertog King, maar hij heeft er niet
-aan gehoorzaamd; en nu wil hij mij die stad geven! Hoe ver is hij er
-van, mij te begrijpen!”
-
-Eens vroeg de hertog hem over regeering, en kreeg het merkwaardige
-antwoord: „Er is regeering als de vorst vorst is, en de minister
-minister; als de vader vader is, en de zoon zoon.” [23] De hertog werd
-meer en meer met hem ingenomen, en wilde hem voorgoed aan zich
-verbinden, maar de minister Gan Ying bracht hem hier van af, zeggende:
-„Die geleerden zijn onhandelbaar en kunnen niet nagevolgd worden. Zij
-zijn trotsch en lekker met hun eigen inzichten, zoodat zij niet
-tevreden zijn met inferieure betrekkingen.” Hoewel de hertog in zijn
-hart Confucius meestal gelijk moest geven, vond hij het—zooals dat ook
-nú nog overal gaat—eigenlijk lastig, zulk een Mentor bij zich te
-hebben, en zeide: „Ik ben oud; ik kan deze leer niet gebruiken.” [24]
-
-Toen keerde Confucius terug naar zijn vaderland Loe. Gedurende vijf
-jaren bleef Loe ten prooi aan bloedige oorlogen. Hertog Chaou bleef in
-Tsʼi, en na zijn’ dood kwam niet zijn rechtmatige erfgenaam, maar een
-ander lid zijner familie, genaamd Ting, in zijne plaats. Zijne
-regeering beteekende weinig, daar de drie clans Kie, Shoeh en Meng
-doorgingen onder elkaar en met hunne onderhoorigen te vechten.
-Confucius ging gedurende die vijftien jaren niet in staatsdienst, maar
-wijdde zich geheel aan de studie van de „Shi King”, het Boek der Odes,
-en de Shoe King „Het Boek der Historie”, en aan het vormen van
-discipelen.
-
-In het jaar 501 v. C. werd de orde nagenoeg hersteld, en toen aan
-Confucius de magistratuur van de stad Choeng-Toe werd aangeboden, nam
-hij haar aan. Dit was de eerste gelegenheid, die hij had, om zijne
-principes van eene ideale regeering in toepassing te brengen, en de
-resultaten waren schitterend. Hij nam afdoende maatregelen tot
-behoorlijke voeding van het volk, en voor de betrachting der ceremoniën
-voor de dooden. Aan ouden en jongen werd verschillend voedsel
-aangewezen, en de lasten voor oude en jonge koelies moesten
-verschillend zijn. Mannen en vrouwen moesten gescheiden gaan op straat.
-Iets, dat op straat was gevallen, werd niet opgeraapt. De binnenste
-doodkisten moesten vier duim dik zijn, de buitenste vijf. Graven
-moesten op hoogten gelegen zijn; er mochten geen wallen boven opgericht
-worden, en geen boomen er om heen. Op de markten was geen loven en
-bieden, maar één vaste prijs. Enz. Enz.
-
-Binnen een jaar tijds was zijn naam hierdoor zoo beroemd, dat alle
-vorsten van de omliggende staten zijne maatregelen wilden overnemen. De
-hertog Ting, zeer verrast over den buitengewonen bloei van Choeng Toe,
-vroeg aan Confucius, of op die manier ook het geheele land kon
-geregeerd worden. En Confucius antwoordde: „Wel zeker; en niet alleen
-de staat Loe, maar het geheele keizerrijk.” Toen werd hij bevorderd tot
-tweeden Superintendent van openbare werken, in welke betrekking hij
-zich bizonder onderscheidde op het gebied van agricultuur. Ten laatste
-werd hij minister van Justitie. Deze enkele benoeming was reeds
-voldoende, om de misdaad te vernietigen. Het was als in de gelukkige
-tijden van Yiau en Shoen. Er waren geen misdadigers, en de strafwet was
-overbodig. Dat Confucius een buitengewoon moedig man was, die den dood
-durfde trotseeren, toonde hij in 499. Er zou eene vriendschappelijke
-samenkomst plaats hebben tusschen de hertogen van Loe en Tsʼi, in het
-plaatsje Shih kʼi. Confucius was ceremoniemeester. Het doel van de
-samenkomst was het sluiten van een verbond. Maar de hertog van Tsʼi had
-een verraderlijken overval beraamd, en op een gegeven teeken viel een
-bende der halfwilde bewoners van Shih kʼi den hertog van Loe aan.
-Confucius had dit echter voorzien. Hij snelde toe, sprak den hertog van
-Tsʼi aan met zulke waardige woorden, dat deze vol schaamte zijne
-huurlingen terugriep, en slaagde er in, zijn’ vorst in veiligheid te
-brengen. Ten laatste kwamen, door Confucius’ wijze bemiddeling, de twee
-rijken toch nog tot een verdrag, waarbij Loe al de indertijd door Tsʼi
-veroverde landen terugkreeg.
-
-Twee jaren bleef Confucius minister van Justitie. Hij was altijd zeer
-bescheiden, en schaamde zich niet, in ernstige gevallen steeds de
-adviezen van anderen te vragen. Steeds was de publieke opinie met hem
-in al zijne uitspraken. Een beroemd geval, dat zich in die tijden
-voordeed, was het volgende: „Een vader bracht een aanklacht in tegen
-zijn’ zoon. Confucius liet daarop beiden in de gevangenis opsluiten.
-Toen men hem hierover interpelleerde, en men hem vroeg, waarom hij, die
-de Hiao (ouderlievendheid) als eerste deugd van den mensch noemde, den
-ontaarden zoon niet strenger strafte, antwoordde hij: „Als de meerderen
-(zelf) hun plicht niet doen en toch hunne minderen ter dood brengen, is
-dat onrecht. Deze vader heeft zijn’ zoon niet geleerd, om Hiao te
-hebben; als ik naar zijn aanklacht luisterde zou ik dus den onschuldige
-dooden. Misdaad is niet eigen aan de menschelijke natuur, en daarom
-zijn de vader van een gezin en de regeering van den staat
-verantwoordelijk voor de misdaden tegen de Hiao en de openbare wetten.
-Als een koning slordig is in het uitvaardigen van wetten, en dan
-absoluut straft naar de letter, dan speelt hij de rol van een
-zwendelaar; als hij de belasting willekeurig vergaart zonder
-waarschuwing te geven, is hij schuldig aan verdrukking; en als hij het
-volk ter dood brengt zonder het onderwezen te hebben, begaat hij een
-wreedheid.”
-
-Het was dan ook Confucius’ hoofddoel, het volk te leeren en te
-onderrichten door voorbeeld, wijze lessen en rechtvaardige wetten. Bij
-het berechten van overtredingen bedacht hij altijd, dat de staat sedert
-zoovele jaren in groote wanorde was geweest, en het volk dus geen
-gelegenheid had gehad tot leeren. Hij handhaafde den in China thans nog
-heerschenden regel: „In het maken der wetten kan men niet streng genoeg
-zijn, in hare toepassing niet zacht genoeg”. Hij stelde bovendien zich
-zelf altijd ten voorbeeld aan het geheele volk. Dit maakte hem bij
-velen gehaat, die dit verwaand en trotsch vonden, en dit was een van de
-redenen, waarom Lao Tszʼ hem niet bizonder hoog achtte, maar het had
-toch stellig zijn goede zijde. In de tegenwoordigheid van zijn vorst
-was hij vol eerbied en reverentie, ofschoon niet verlegen. Als hij
-voorbij den troon ging, al was deze ledig, bogen zijn beenen onder hem,
-en veranderde zijn gelaatskleur. Als hij den koninklijken schepter
-moest dragen, boog zijn lichaam, alsof het zulk een kostbaren last
-moeilijk kon dragen. Als hij ziek was, en de prins kwam hem bezoeken,
-lag hij met het hoofd naar het Oosten, in zijne staatsiekleederen, met
-den gordel. Als hem een gave in gekookt vleesch werd gegeven door zijn
-vorst maakte hij eerst zijn mat netjes in orde, en proefde éven van het
-eten; als het ongekookt was offerde hij het aan de geesten zijner
-voorvaderen; als het geschenk bestond uit levende dieren hield hij ze
-in leven.
-
-In alles, tot in de kleinste bizonderheden van zijn leven handhaafde
-hij een statig decorum. Al zijne bewegingen waren om zoo te zeggen
-gestyleerd. En dit alles deed hij zeer stellig, opdat het volk het
-vooral zou zien. Een mensch, de drager van het principe van den hemel,
-moest zich ook bewegen met waardige bewegingen en statige gebaren. Er
-is dan ook op de geheele aarde geen volk, dat zoo volleerd is in
-decorum als het chineesche. De studie van het chineesche decorum is
-eene studie apart, waar jaren voor noodig zijn.
-
-De drie grootste oorzaken van de nog steeds niet geheel verbeterde
-wanorde in het rijk, telkens uitbrekend, waren de drie hoofden van de
-clans Kie, Meng en Shoeh. Eindelijk, door fijn beleid, en vooral
-gesteund door de raadgevingen van een zijner discipelen, Tszʼ Loe,
-slaagde Confucius er in, de steden Pe, van de clan Kie, en How, van de
-clan Shoeh, tot onderwerping te brengen. Tot op dien tijd waren deze
-steden als de onneembare kasteelen van roofridders geweest, waarin zij,
-na gepleegde wandaden, altijd een veilig toevluchtsoord vonden. Alleen
-Chʼing, de stad der Mĕngs, bleef zich verzetten.
-
-Het geheele volk werd, ten tijde van Confucius’ regeering, ten goede
-veranderd. Trouw en vertrouwbaarheid werden de karaktertrekken der
-mannen, kuischheid en zachtheid die der vrouwen. De staat Loe werd zoo
-bloeiend en machtig, dat van heinde en ver vreemdelingen toestroomden
-om onder zulk eene gelukkige regeering te leven.
-
-Ten laatste wekte de regeering van Loe de jaloezie en de bezorgdheid op
-van den hertog van het naburige Tsʼi. „Met Confucius aan het hoofd van
-het gouvernement,” zeide hij, „zal Loe de suprematie hebben over de
-staten, en Tsʼi, dat het dichtste bij is, zal opgeslokt worden. Laten
-wij het gunstig stemmen door een afstand van territorium.” Maar een
-zijner ministers begreep, dat de hoofdzaak was, in Loe een breuk
-tusschen Confucius en hertog Ting te veroorzaken. De wijze, waarop dit
-werd beproefd, bewees, dat de Tsʼische minister een bizonder helderen
-blik en heel wat menschenkennis bezat. Tachtig mooie meisjes, bedreven
-in zang en dans, werden uitgekozen, en met honderd twintig van de beste
-paarden, die in het rijk konden worden gevonden, als een geschenk aan
-hertog Ting aangeboden. Zij werden eerst geschaard buiten de stad, en
-het hoofd van de zoo invloedrijke Kie familie ging vermomd uit om hen
-te zien. Bij het aanschouwen van zooveel schoonheid vergat Kie Hwan de
-wijze lessen van Confucius, en haalde den hertog om naar die tractatie
-te komen zien. Ook deze werd er door verbijsterd.
-
-De vrouwen werden in de stad geleid, en hiermede was de wijsheid
-voorgoed verloren. In drie dagen gaf de hertog niet eens audiëntie aan
-zijne ministers. [25]
-
-„Meester!” zeide Confucius’ discipel Tszʼ Loe, „het is uw tijd om te
-gaan.”
-
-Maar Confucius kón het nog niet gelooven, dat zóó licht zijne wijsheid
-door vrouwenlachen was verslagen, en hij hoopte, den hertog nog tot
-inkeer te brengen. Binnenkort zou namelijk de groote ceremonie van de
-offering aan den Hemel plaats hebben. Maar toen bij die plechtigheid
-hertog Ting in zijn haast om er doorheen te wezen op allerlei wijzen
-het decorum—de Lí—schond, zag Confucius in, dat het rijk was verloren.
-En aarzelend, met kleine passen, alsof hij nog telkens een afgezant
-wachtte om hem terug te roepen, ging hij heen.
-
-Dit moet het groote tragische moment in Confucius’ leven zijn geweest,
-het moment, waarin de innigste, heiligste wijsheid van een mensch òf
-voorgoed uit elkander breekt tot starren dood, òf zich boven de misère
-van het leven eeuwiglichtend verheft, en gewijd wordt tot
-onsterfelijkheid.
-
-En al ware de geheele filosofie van Confucius ééne absurde dwaling
-geweest—wat zij niet was—of één systeem van diep-verdorven slechtheid,
-dan zou hij nóg een groot man zijn geweest, een groote onder de grooten
-der wereld, omdat hij in dien merkwaardigen tijd, toen het werk,
-waaraan hij jaren en jaren had gearbeid, verloren ging, en hij eenzaam
-en vreemd stond in de koude wereld, die hem verguisde, en die hij groot
-had willen maken, tóch ook zelfs geen oogenblik aan zijn eigen
-zielewijsheid twijfelde, en zeer wèl doorzag, dat het onsterfelijke
-niet kon zijn verslagen door wereld en menschen. Dit sublieme geloof in
-de wijsheid van eigen ziel is het geloof van martelaren en heiligen, en
-in elken godsdienst, welke ook, gewijd en adorabel.
-
-Confucius bleef onwankelbaar in het geloof aan zijn leer. „Als eenigen
-onder de vorsten mij wilden gebruiken,” zeide hij, „zou ik in den loop
-van twaalf maanden iets belangrijks hebben kunnen doen, en in drie jaar
-zou de regeering volmaakt zijn.” Zijn discipel Tszʼ Koeng had al eens
-tegen hem gezegd: „Uw principes zijn uitstekend, maar zij zijn
-onaannemelijk (onuitvoerbaar) in het keizerrijk; zou het daarom niet
-goed zijn, ze wat te verminderen?”
-
-„Een goed landbouwer,” antwoordde Confucius, „kan zaaien, maar hij kan
-geen oogst verzekeren. Een handwerksman kan uitstekend zijn in zijn
-handwerk, maar hij kan geen markt voor zijn goederen bezorgen. En op
-dezelfde wijze kan een Kiün Tszʼ zijne principes cultiveeren, maar hij
-kan ze niet aannemelijk maken.” („Shʼ Ki”.)
-
-Toen Confucius Loe verliet ging hij naar den staat Wei (gelegen, waar
-nu de provincies Chih-li en Honan samenkomen). Hij was toen zes en
-vijftig jaar. Kiang Yoeng in zijn „Leven van Confucius” verhaalt, hoe
-hij zijne melancholie en zijn droefheid uitte in de volgende verzen:
-
-„De wind huilt door de valleien; de motregen valt dik en snel. De
-jeugdige bruid gaat huiswaarts door de velden, omringd door de menigte.
-Hoe is het, o! azuren Hemel, dat ik aldus word voortgedreven, om door
-het land een weg te vinden, zonder vaste woonplaats? Duister, duister
-zijn de zielen der menschen! Woorden komen vergeefs tot hun geslacht!
-Mijn leeftijd haast ten einde. Ouderdom verschijnt, troosteloos.”
-
-Toen Confucius, vergezeld van een aantal zijner discipelen, in de stad
-Ie kwam, op de grenzen van Wei, kwam de grenswachter hun tegemoet en
-zeide, als vermeld staat in de „Loen Yü”, op troostenden toon: „Mijne
-vrienden, waarom zijt gij zoo bedroefd dat uw Meester zijn betrekking
-verloren heeft? Het keizerrijk is lang zonder Tao geweest; de Hemel
-gaat uw Meester gebruiken als een bel met houten tong.”
-
-Toen Confucius in Wei kwam, werd hij goed ontvangen, kreeg huisvesting
-in de hoofdstad bij een’ mandarijn, en de regeerende hertog, die
-evenwel een bandeloos vorst was, gaf hem een vast inkomen van 60000
-maten graan, hetzelfde dat hij in Loe had genoten. Hij bleef slechts 10
-maanden, en wilde toen naar de staat Chʼin gaan. Confucius leek
-bizonder veel op den beruchten Yang Hoe, die indertijd rooftochten in
-het land had ondernomen, en toen hij in de stad Kʼwang in Kʼee Foeng
-kwam, werd hij voor dien vijand aangezien en door het verwoede volk
-aangevallen. Zijne discipelen waren zeer ontsteld, maar Confucius
-stelde hen gerust met de kalme woorden: „Was, na den dood van koning
-Wĕn, de waarheid niet hier in mij gehuisvest? Als de hemel had gewild
-dat deze zaak der waarheid zou te niet gaan, zou ik, een toekomstige
-sterveling, niet in zulk eene betrekking tot haar zijn gekomen. Als de
-Hemel de waarheid nog niet laat ondergaan, wat kan het volk van Kʼwang
-mij dan doen?” Hij slaagde er dan ook in te ontvluchten. Dit incident
-gaf hem echter aanleiding, zijn reis naar Chʼin op te geven en naar Wei
-terug te keeren. Aldaar teruggekomen woonde hij bij den mandarijn Kioe
-Pih Yuh.
-
-Hertog Ling had in dien tusschentijd een vrouw getrouwd uit het huis
-van Soeng, genaamd Nan Tszʼ. Deze vrouw, berucht als zij was om haar
-slechtheid en haar intrigues, was zoo verlangend Confucius te zien, dat
-zij hem bij zich liet ontbieden. Confucius weigerde haar verzoek niet,
-en bezocht haar. Volgens de regelen van het decorum was zij verborgen
-achter een scherm. Zijn discipel Tszʼ Loe was hevig verontwaardigd, dat
-Confucius zich met zulk een beruchte vrouw had afgegeven. In de „Loen
-Yü” staat vermeld, dat hij den Meester hierover interpelleerde. En
-Confucius antwoordde met den sedert beroemd geworden eed: „Indien ik
-hierin iets slechts heb gedaan, moge de Hemel mij vernietigen! moge de
-Hemel mij vernietigen!”
-
-Confucius kon op den duur aan een hof als dat van Wei niet lang met
-behoud van zijn waardigheid blijven. Op zekeren dag reed de hertog met
-de vrouw Nan Tszʼ in ’t openbaar door de straten van de hoofdstad, en
-beval Confucius in een wagen achter hem te volgen. Het volk begreep
-dadelijk, wat de vorst hiermede bedoelde, en welke positie hij aan den
-wijze toekende, en het riep ontevreden uit: „Lust vóórop, en de deugd
-achteraan!” Toen was Confucius beschaamd, en hij zeide smartelijk: „Ik
-heb nog niemand gezien, die de deugd even liefheeft als de schoonheid.”
-[26]
-
-Toen zag hij in, dat hij niet in Wei kon blijven, en ging op weg naar
-Chʼin, een staat ten Zuiden van Wei. Op zijn gewone reizen vergat hij
-nooit, ceremoniën te verrichten. Zóó verrichtte hij eene ceremonie
-onder de schaduw van een pruimeboom op den weg in het staatje Soeng,
-dat hij door moest trekken. In Soeng leefde toen een mandarijn, Hwan
-Tʼoey, die reeds lang vijandig was aan Confucius en zijn leer. Deze
-zond nu een bende op hem af, om den boom te vellen en den wijze te
-dooden. De discipelen waren hevig verschrikt, maar Confucius bleef
-kalm, en sprak de schoone, later in de „Loen Yü” vereeuwigde woorden:
-„De Hemel heeft de deugd in mij voortgebracht; Hwan Tʼoey!—Wat kan hij
-mij (dan) doen?” Toch was hij met zijn discipelen genoodzaakt te
-vluchten naar den staat Chʼing, en in die vlucht werd hij van zijne
-discipelen gescheiden. Zijn discipel Tszʼ Koeng kwam vóór hem in Chʼing
-aan, en toen hij daar overal naar zijn’ Meester vroeg, antwoordde
-iemand hem, met de voor Confucius’ persoonlijkheid karakteristieke
-woorden: „Er was een man, staande bij de oostelijke poort, met een
-voorhoofd als Yaou, een nek als Kaou Yaou, zijn schouders even hoog als
-die van Tszʼ Chʼan, maar beneden het middel drie duim lager dan de
-lengte van Yu, en met geheel en al het troostelooze voorkomen van een
-verdwaalden hond.” Tszʼ Koeng vond daarna zijn Meester spoedig uit, en
-toen Confucius hoorde, hoe hij was beschreven, had hij er veel pleizier
-over, en zeide: „De lichamelijke gestalte is maar een ding van weinig
-belang, maar te zeggen dat ik als een verdwaalde hond was—die is goed!
-die is goed!”
-
-Ofschoon men hem in Chʼing niets in den weg legde, was de regeering
-volstrekt niet van plan hem te onderscheiden en te gebruiken. Na
-verloop van korten tijd, in 493 v. C., was Confucius weer in Chʼin. In
-Chʼin was het echter niet rustig, daar de troepen van den staat Woe
-daar gedurig invallen deden. Daarom besloot Confucius ten laatste maar
-weer naar Wei terug te gaan. Er is in zijn geheele geschiedenis, en ook
-aan sommige zijner gezegden in de „Loen Yü” te bemerken, dat hij een
-onverklaarbare voorliefde voor hertog Ling en den staat Wei had,
-niettegenstaande de vernedering, die hij daar had ondergaan. Hij had
-een soort idée fixe dat Wei door den hemel was voorbestemd om zijn
-modelstaat te worden, hoewel daar geen enkele reden voor bestond. Toch
-heeft hij tot op het laatste dat voorgevoel behouden, en hij is
-gestorven zonder er ook maar een schijn van verwezenlijking van te
-hebben gezien.
-
-Wèl terecht zei hij dan ook eens van zich zelf: „Ik heb de getrouwheid
-van een hond, en als een hond word ik behandeld. Maar wat doet de
-ondankbaarheid der menschen er toe? Zij zal mij niet beletten, al het
-goed te doen dat ik kan. Als mijne lessen onvruchtbaar blijven zal ik
-ten minste in mij zelf den troost hebben, dat ik trouw mijn plicht heb
-gedaan.”
-
-Op zijn tocht naar Wei werd Confucius in de plaats Pʼoe tegengehouden
-en niet losgelaten, dan toen hij zijn woord gegeven had, nooit meer
-naar Wei te gaan. Dat hij een andere opvatting van een eed had dan de
-westersche bleek uit de woorden, die hij toen tot zijne discipelen
-sprak: „Het was een gedwongen eed. De geesten hooren dien niet.” Hij
-ging daarom toch door naar Wei. Hertog Ling ontving hem heel beleefd,
-maar luisterde evenmin naar hem als te voren.—In den staat Tsin was in
-dien tijd een opstand uitgebroken. De mandarijn Peih Heih had zich
-meester gemaakt van de stad Choung Mow, en verdedigde die tegen zijn
-wettigen heer. Peih Heih liet Confucius bij zich ontbieden, en hier
-werd hij voor ’t eerst aan ’t wankelen gebracht. Daar hij in Wei toch
-niet geapprecieerd werd, en geen verwezenlijking vond van zijn idealen,
-wilde hij dan maar naar den oproerigen Peih Heih gaan, bij wien hij
-zeker was, waardeering en voldoening te vinden. Had hij aan zijn plan
-gevolg gegeven, dan zou hij zijn eigen principes verzaakt hebben. Maar
-hij zelf had indertijd aan zijn discipelen geleerd, dat de leerling,
-die vóór alles eerbied en gehoorzaamheid was verschuldigd, toch
-verplicht was, hem, waar noodig, gepast op zijne fouten te wijzen, en
-Tszʼ Loe redde hem. Hij zeide tot zijn Meester: „Meester, ik heb u
-hooren zeggen, dat als een man in eigen persoon schuldig is aan kwaad
-doen, de Kiün Tszʼ niet met hem kan samengaan. Peih Heih is in
-rebellie; wat zal men er van zeggen, als gij tot hem gaat?”
-
-En in het antwoord van Confucius was al de opgekropte teleurstelling
-van zijn leven: „Ja, die woorden gebruikte ik. Maar zegt men niet, dat
-als een ding werkelijk hard is, het gemalen kan worden zonder fijn te
-worden; en dat als het werkelijk wit is, het in een donkere vloeistof
-kan gedompeld worden zonder zwart te worden gemaakt. Ben ik een bittere
-pompoen? Moet ik ergens langs den weg worden opgehangen zonder gegeten
-te worden?” („Loen Yü”.)
-
-Maar het eind er van was, dat hij zijn drogreden inzag, en niet naar
-Peih Heih ging.
-
-In Wei ging het hem maar niet beter. Hertog Ling raadpleegde hem nooit
-in zaken, waar hij zoo gaarne in wilde gekend worden, maar altijd over
-krijgskunde. In de „Loen Yü” (Boek XV) wordt verhaald, hoe hij daarom
-Wei weer verliet:
-
-„De hertog Ling van Wei vroeg Confucius over tactiek. Confucius
-antwoordde: „Ik heb alles gehoord (ik weet alles) van offervazen, maar
-militaire zaken heb ik niet geleerd.” Hierna aanvaardde hij den
-volgenden dag zijn vertrek.”
-
-De staat waar hij nu weer heentrok was Chʼin. Confucius was toen zestig
-jaar. Hij bleef niet lang in Chʼin, ziende dat men hem daar evenmin
-waardeerde.
-
-In zijn vaderland Loe, waar hij sinds al die jaren niet was terug
-geweest, was intusschen èn hertog Ting èn het machtige hoofd van de Kie
-clan, Kie Hwan, gestorven. Kie Hwan, die indertijd Confucius
-verloochend had, door de van Tsʼi gekomen vrouwen niet terug te zenden,
-maar er den hertog mede had doen verleiden, voelde op zijn sterfbed
-berouw, en droeg zijn opvolger Kie Kʼang op, om Confucius terug te
-roepen. Ware dit gebeurd, dan zou Confucius zijn vaderland ten laatste
-nog groot hebben gemaakt, maar Kie Kʼang, naar den raad van een zijner
-mandarijnen luisterend, zond niet om Confucius zelf, maar om Yen Kʼioe,
-een zijner discipelen. Confucius, verlangende naar zijn vaderland, en
-wetende dat Yen Kʼioe nog niet ver genoeg was om eene goede regeering
-te leiden, riep smartelijk uit: „Laat mij terugkeeren! Laat mij
-terugkeeren! De kleine kinderen van mijn school zijn te wild en
-onbezonnen. Zij zijn wèl volmaakt volleerd in de schoone kunsten, maar
-zij weten zich niet te verbeteren en te vormen.” („Loen Yü”.)
-
-In 490 v. C. ging hij weer uit Chʼin naar Tsʼae, een klein staatje,
-afhankelijk van het rijk Tsʼoe. Die reis is vol kommer en gebrek
-geweest, en eens was zijn voorraad levensmiddelen geheel op. Zijn
-discipelen waren geheel op van vermoeienis en Tszʼ Loe riep uit: „Moet
-de Kiün Tszʼ werkelijk zóó (ellende) verduren?” Maar waardig antwoordde
-Confucius: „De Kiün Tszʼ kan werkelijk gebrek te verduren hebben, maar
-de kleine mensch, als hij in gebrek is, geeft zich over aan toomelooze
-buitensporigheid („Loen Yü”). In de „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” staat vermeld,
-dat deze ellende zeven dagen duurde, en Confucius al dien tijd even
-waardig bleef, ja zelfs vroolijk was, op zijn luit speelde en zong.
-
-Hij bleef ongeveer een jaar in Tsʼae, en trok toen naar Shie, een ander
-district van Tsʼoe, waar de district-mandarijn den titel van hertog had
-aangenomen. Deze hertog, niet wetende wat hij van zijn’ vreemden
-bezoeker moest denken, informeerde naar hem bij Tszʼ Loe. Toen
-Confucius later hoorde, dat Tszʼ Loe niet had durven antwoorden, zeide
-hij: „Waarom zeidet gij niet: hij is een man, die in zijn ijverig
-zoeken (naar wijsheid) zijn voedsel vergeet, die in de vreugde (van het
-verkrijgen) zijn smart vergeet, en niet bemerkt dat de ouderdom
-naderende is?” („Loen Yü”.) De hertog vroeg Confucius over regeering,
-en kreeg weer een zijner typische, kernachtige antwoorden: „(Er is een
-goede regeering als) zij die nabij zijn gelukkig zijn en zij, die ver
-zijn, komen (worden aangetrokken).”
-
-Van Shie ging hij weer terug naar Tsʼai. Op dien terugtocht had
-Confucius twee ontmoetingen, die in de „Loen Yü” (Hoofdstuk 18. No 5)
-zijn vereeuwigd, en waarin hij, niet voor den eersten keer, vermaand
-werd om zijn hopelooze pogingen op te geven. Ik vertaal daarom deze
-ontmoetingen hieronder:
-
-„De krankzinnige van Tsʼoe, Tsieh Yü, [27] ging zingende voorbij
-Confucius: „O Feniks! O Feniks! Hoe is uw deugd zoo vergaan? Wat
-verleden is kan u niet meer vermaand worden, maar voor de toekomst kan
-gezorgd worden. Houdt op! Houdt op! Wie nu aan de regeering meedoen
-loopen gevaar.”
-
-Confucius steeg uit en wilde met hem spreken. Maar (Tsieh Yü) ging
-ijlings weg, zoodat hij niet met hem kon spreken. Onmiddellijk hierop
-volgt in de „Loen Yü” de volgende ontmoeting, waarin hem ongeveer
-hetzelfde werd gezegd:
-
-„Chʼang Tsü en Kieh ’Neih waren aan ’t werk op het veld. Confucius ging
-voorbij en stuurde Tszʼ Loe op hen af om naar het veer te vragen.
-Chʼang Tsü zeide: „Wie is het, die den wagen daar bestuurt?”—Tszʼ Loe
-zeide: „Het is Kʼoeng Kʼioe.” [28]—„Kʼoeng Kʼioe van Loe?” (vroeg
-Chʼang Tsü).—„Die is hij” (zeide Tszʼ Loe).—„Die weet het veer wel.”
-(was het antwoord.) [29]
-
-„Toen vroeg (Tszʼ Loe) aan Kieh Neih. Kieh Neih zeide: „Wie zijt
-gij?”—„Ik ben Choeng Yioe” [30] (was het antwoord).—„Zijt gij niet de
-discipel van Kʼoeng Kʼioe van Loe?” (vroeg de andere).—„Dat ben ik”
-(antwoordde Tszʼ Loe). (Waarop Kieh Neih) zeide: „Het geheele rijk is
-(in wanorde als) een zwellende stroom en wie zal dat veranderen? En dan
-volgt gij nog wel een Meester, die (van de eene plaats naar de ander
-trekkend telkens verschillende) menschen ontwijkt! Deed gij niet beter
-met degenen na te volgen, die zich geheel hebben teruggetrokken van de
-wereld?” [31] (Daarna) bedekte hij het zaad en hield niet (weder) op.
-
-Tszʼ Loe ging het aan Confucius vertellen. Deze zeide, met een zucht:
-„Ik kan niet met vogels en beesten in eenzelfde kudde (of vlucht) zijn.
-Als ik niet samenga, met deze menschen (het volk), met wien dan? Als er
-recht in het rijk was zou ik het niet (behoeven te) veranderen.””
-
-De koning van Tsʼoe, die veel van Confucius gehoord had, liet hem ten
-laatste bij zich ontbieden. Het scheen wel, of nu eindelijk de
-uitvoering van Confucius’ plannen nabij was, want de koning, die hem
-eerst als raadsman had gebruikt, wilde hem zelfs een eigen grondgebied
-geven. Zijn eerste minister bracht den koning echter van dit voornemen
-af, door hem te doen gelooven, dat een staat in den staat met zulke
-uitstekende ministers en mandarijnen als Confucius’ discipelen en zulk
-een hoofd als Confucius gevaarlijk voor Tsʼoe zou worden. Hierdoor
-argwaan gekregen hebbend, hield nu de koning geheel op, den wijze om
-advies te vragen. Toen kort hierop de koning stierf wilde Confucius
-niet langer in Tsʼoe blijven, en ging weer naar Wei. Daar was sinds
-Confucius’ laatste verblijf veel veranderd. Hertog Ling was gestorven,
-en zijn kleinzoon Chʼoeh had de regeering geüsurpeerd en moest die
-verdedigen tegen zijn eigen vader, Ling’s zoon. Dit was wel het ergste,
-wat, volgens Confucius’ eigen leer, kon gebeurd zijn, want geen
-ouderlievendheid hebben was de grootste zonde die maar mogelijk was.
-Geen wonder dan ook dat Confucius, toen Chʼoeh hem als raadsman bij
-zich liet roepen, die betrekking weigerde, ofschoon Chʼoeh in dezen
-zijn grootmoeder Nan Tszʼ had geholpen, die door haar zoon, dus zijn
-vader, bijna vermoord was. Welk een toestand voor Confucius in zijn
-vaderland! Een zoon, die getracht had, zijn eigen moeder te vermoorden,
-en een zoon, die met zijn grootmoeder oorlog voerde tegen zijn’ vader
-en onrechtmatig den troon in bezit had genomen! En dat nadat hij
-zooveel jaren en jaren zijn leer had verkondigd!
-
-Hij bleef toen vijf jaren in Wei zonder betrekking. In het eerste jaar
-stierf zijn meest geliefde discipel Yen Hwoey.
-
-Toen hij stierf riep Confucius zuchtend uit: „De Hemel verlaat mij! De
-Hemel verlaat mij!” Hij had gedacht, dat na zijn’ dood Yen Hwoey zijn
-leer zou verspreiden, dien hij voor de beste zijner discipelen hield,
-en toen hij nu stierf, was hij bang, dat zijn principes niet zouden
-overgeleverd worden. Zijne discipelen wilden Yen een schitterende
-begrafenis geven, maar Confucius hechtte zóó aan de Lí (’t Decorum) dat
-hij dit verbood, omdat Yen, die uit eene arme familie was, daar geen
-recht op had. Confucius, oud als hij nu was, zou toch niet sterven,
-vóór zijn vaderland te hebben teruggezien. In 483 werd hij, op aanraden
-van zijn daar vertoevenden discipel Yen Yioe, teruggeroepen. Yen Yioe
-had zich namelijk zeer verdienstelijk gemaakt in een oorlog tegen Tsʼi
-en toen hij aan Kie Kʼang had verklaard, dat hij ook zijne militaire
-bekwaamheden aan Confucius had te danken, besloot Kie hem terug te doen
-roepen. De regeerende hertog zelf, toen Ngai, nam hiertoe het
-initiatief. Confucius was toen 69 jaar. Hoewel hij nu met de grootste
-voorkomendheid aan het hof werd ontvangen, nam hij toch geen deel aan
-de staatszaken. Hij hield zich verder uitsluitend bezig met literairen
-arbeid, het bestudeeren en bewerken der Shoe King (Canon der Historie)
-en de Shi King (Canon der Poëzie); voor de eerste schreef hij een
-voorrede. Maar zijn geliefkoosde studie was de Yih King. „Als nog
-eenige jaren bij mijn leven werden gevoegd, zou ik er vijftig wijden
-aan de studie van de Yih King en dan zou ik misschien zonder groote
-fouten komen te zijn.”
-
-Ook gaf hij aan den filosoof Tseng Sin de gegevens voor de Hiao King,
-het later klassiek geworden Boek der Ouderlievendheid.
-
-In het voorjaar van 480 v. C. werd op een jacht een vreemd dier
-gevangen, dat niemand nog ooit gezien had. Toen het voor Confucius
-gebracht was, zag hij dat het een „kʼi lin” was, hetzelfde dier, dat
-bij zijne geboorte aan zijne moeder was verschenen, en het droeg dan
-ook op zijn hoorns het stuk lint, door zijn moeder indertijd daarop
-gehecht.
-
-Toen wist hij, dat zijn einde nabij was en hij riep uit:
-
-„Dit is het einde van mijn Leer! [32] Dit is het einde van mijn Leer!”
-Toch stierf hij niet onmiddellijk na de verschijning van de „kʼi lin”
-maar bleef hij nog twee jaar in het leven. In dien tijd hield hij zich
-druk bezig niet zijn werk „Chʼoen Chʼioe,” Lente en Herfst (annalen),
-het eenige, dat hij zelf geheel en al heeft geschreven. Al de andere
-confucianistische werken heeft hij wel gezegd, in gesprekken en
-leeringen aan zijn discipelen, maar zijn niet door hem nedergeschreven.
-Hij zeide van de „Chʼoen Chʼioe”: „Het is de Chʼoen Chʼioe, die zal
-maken, dat de menschen mij kennen en het is de Chʼoen Chʼioe, die zal
-maken, dat de menschen mij veroordeelen.” En Meng Tszʼ (Mencius)
-getuigde later: „Confucius voltooide de Chʼoen Chʼioe, en oproerige
-ministers en slechte zonen waren geslagen van angst.”
-
-De „Chʼoen Chʼioe” kan opgevat worden als een vervolg op de Shoe King,
-en bevat de geschiedenis van Loe (Confucius’ geboortestaat) in verband
-met die der andere staten onder Chow, van 722–484 v. C. Het moet wèl
-hard voor hem zijn geweest, die geschiedenis van verval en verwarring
-te schrijven, hij, die zelf zulke droomen van een ideaal-staat had.
-Voor den liefhebber der historie is zijn werk zeer gewichtig, maar voor
-het begrijpen zijner filosofie kan het evengoed gemist worden. Ook
-durfde hij er niet de volle waarheid in zeggen. Nog slechts éénmaal
-trachtte Confucius invloed op de regeering uit te oefenen, toen de
-hertog van Tsʼi door een zijner ambtenaren was gedood, en hij den
-hertog van Loe bezwoer, deze daad te wreken. Deze poging bleef echter
-zonder gevolg. In 479 ontviel hem zijn trouwe discipel Yen Yioe, of
-Tszʼ Loe. Toen Confucius uit Wei naar Loe was gegaan, had hij Tszʼ Loe
-met een anderen discipel, Tszʼ Kaou, daar achtergelaten, waar dezen een
-ambt hadden gekregen. Confucius had vroeger al voorspeld, dat Tszʼ Loe,
-de dappere, nog eens zou worden gedood. „Yioe daar! Hij zal geen
-natuurlijken dood sterven!” is een zijner gezegden uit de „Loen Yü”.
-Toen er later in Wei een opstand uitbrak en de zaken hopeloos stonden,
-wist Tszʼ Kaou te ontvluchten. Tszʼ Loe wilde den vorst niet in het
-ongeluk verlaten, die hem zoo onderscheiden had, en kwam om in den
-strijd.
-
-Op zekeren morgen voelde Confucius zich ziek, en ging voor zijn deur
-zitten. Tszʼ Koeng kwam bij hem en hoorde hem zuchtend de sinds beroemd
-geworden woorden spreken. „De groote berg valt in puin. De stutbalk
-breekt. De wijze sterft weg als een plant.”
-
-Zooals te verwachten was van iemand als Confucius, die zijn geheele
-leven lang het Decorum zoo hoog had gehouden, waren zijne laatste
-beschikkingen over de „Li” die men bij zijn’ dood moest in acht nemen:
-„Volgens de (regelen der) menschen van de Hia dynastie werd het lijk
-gekist op de westelijke trappen, volgens die der Chow dynastie op de
-oostelijke trappen, volgens die der Yin dynastie tusschen de twee
-pilaren. Gisteren nacht droomde ik, dat ik met offeringen voor mij
-tusschen de twee pilaren zat. Ik ben van ’t begin af een man van Yin
-geweest. Zeven dagen daarna stierf hij” („Shʼ Ki”).
-
-Zijn dood was op den 11en dag van de 4e maand van 478 v. C. [33] acht
-jaar vóór de geboorte van Socrates. Hij was toen 71 jaar.
-
-
-
-Uit dit verslag van zijn levensloop, zooals wij dien vooral uit Kiang
-Yoeng’s Leven van Confucius en Szʼ Ma Tsʼien’s „Shʼ Ki” met
-nauwkeurigheid kunnen nagaan, blijkt duidelijk, dat zijn leven ééne
-teleurstelling is geweest, ook zijn huiselijk leven. Hij trok van land
-tot land, en werd overal afgewezen. Wèl deed zijn treurig leven hem
-dikwijls wanhopige uitroepen doen als: „Ik ben toch geen rhinoceros of
-geen tijger, dat ik zoo in ’t wild moet leven. Mijn Leer is toch niet
-ontaard, waarom moet het dan zóó met mij zijn!” („Shʼ Ki”), maar
-meestal bleef hij sterk, en rees hij boven zijn smart op. En dan liet
-zijn hooge berusting en wijze zekerheid hem grandioze woorden zeggen,
-die zouden vereeuwigd worden, en meer dan tweeduizend jaren daarna nog
-door een volk van honderd millioenen met eerbied aangehoord uit zijne
-werken: „Ik murmureer niet tegen den Hemel. Ik toorn niet op de
-menschen. Laag begint mijn studie en hoog doordringt zij den Hemel. Wie
-mij kent, dat is de Hemel.” („Shʼ Ki” en „Loen Yü”.)
-
-Dat zijn Leer geen opgang maakte was omdat zij veel te hoog was voor
-den ellendigen toestand van het rijk en zijne tijden eeuwen vooruit
-was. Wèl voelde dit zijn discipel Yen Hwoey toen hij zeide: „Als de Tao
-niet begaan wordt is dat mijn schande. Maar als de Tao eenmaal begaan
-is en het niet wordt gebruikt (reeds dat voorbeeld hebbende) is dat de
-schande van de wereld” („Shʼ Ki”). En dat zijne discipelen zulk een
-onbegrensd geloof in hem hadden, dat zij het eene onmogelijkheid
-achtten, dat Tao werd begaan zonder in Confucius het voorbeeld te
-eeren, blijkt uit het gezegde van Tszʼ Koeng: „Lang kan Tao niet begaan
-worden in het rijk, want men kan den Meester niet vereeren!” („Shʼ
-Ki”.)
-
-Confucius werd begraven aan de oevers van de rivier Szi, ten Noorden
-van Loe. Een zijner discipelen plantte op zijn graf den boom „kiai”.
-Een tronk van dezen boom is nog blijven staan, en een teekening van
-deze reliquie is onmisbaar geworden in de studeerkamer van literati.
-Zijne discipelen droegen drie jaren rouw voor hem. Zooals het met alle
-groote mannen is gegaan, ging het ook met Confucius. Men wacht slechts
-op hunnen dood om hen te vereeren en te verafgoden.
-
-Hertog Ngai van Loe, die Confucius nooit de volle eer had bewezen die
-hem toekwam, besefte na zijn dood op eens wat hij in hem had verloren,
-en riep uit: „De Hemel heeft den ouden man niet aan mij gelaten! Nu is
-er niemand om mij op den troon te steunen. Wee mij! Helaas! O
-eerwaardige Ni!”
-
-
-
-Wat wij van Confucius’ wijsheid overhebben is, zoo als ik reeds zeide,
-alleen wat de „Chʼoen Chʼioe” en de voorredes en bewerking der „Kings”
-aangaat van zijne eigen hand.
-
-De drie voornaamste werken, waarin zijn leer zuiver is bewaard zijn 1o
-de „Choeng Yoeng”, dat gewoonlijk, doch niet geheel correct met „De
-Leer van het Midden”, „Het Gouden Midden”, „Het Onveranderlijke Midden”
-enz. wordt vertaald, 2o de „Ta Hiŏh”, vertaald met „De Groote Leering”,
-en 3o de „Loen Yü”, of „Confucianistische Fragmenten.” [34]
-
-De „Choeng Yoeng” is geschreven door Confucius’ kleinzoon, dus Li’s
-zoon, genaamd Kʼoeng Keih, doch gewoonlijk bij zijn studienaam Tszʼ Szʼ
-genoemd. Deze Tszʼ Szʼ had van jongs af aan veel van zijn’ grootvader
-geleerd, en het volgende incident doet zien, dat Confucius veel hoop op
-hem gevestigd had, en als een voorgevoel had, dat door hem zijn leer
-zou worden vereeuwigd:
-
-Eens, toen Tszʼ Szʼ alleen met zijn’ grootvader was, en hem hoorde
-zuchten, vroeg hij hem, na driemaal te hebben gebogen: „Is het omdat
-gij denkt, dat uwe afstammelingen, door hun karakter niet te verzorgen,
-u onwaardig zullen zijn? Of is het, dat gij in uwe bewondering voor de
-wegen van Yaou en Shoen bedroefd zijt, dat gij er in te kort
-komt?”—„Kind,” antwoordde Confucius, „hoe kent gij zoo mijne
-gedachten?”—„Ik heb dikwijls van u de les gehoord,” zeide Tszʼ Szʼ,
-„dat als de vader het brandhout heeft verzameld en bereid, en de zoon
-den bundel niet kan dragen, die zoon ontaard en onwaardig wordt
-verklaard. Die opmerking heb ik dikwijls in mijne gedachten, en vervult
-mij met vrees.” Toen zeide Confucius verheugd, met een glimlach: „Nu
-behoef ik voorwaar niet meer bezorgd te zijn. Mijn onderneming zal niet
-op niets uitloopen. Zij zal worden voortgezet en bloeien.”
-
-De toekomst heeft geleerd, dat Tszʼ Szʼ inderdaad den bundel heeft
-gedragen.
-
-Na Confucius’ dood werd Tszʼ Szʼ een leerling van Tseng. Hij leefde in
-groote armoede. Alleen graan wilde hij aannemen als men hem wilde
-helpen, maar wijn en andere weelderige spijzen weigerde hij. Er wordt
-van hem verhaald, dat hij eens in dertig dagen slechts negen maaltijden
-gebruikte. Hij droeg schamele kleeren, en toen men hem een pels
-aanbood, wees hij dien af. Eigenaardig is het, dat ook hij, evenals
-zijn grootvader, in zijn huiselijk leven zeer ongelukkig was, en zich
-ten laatste van zijne vrouw liet scheiden. In tegenstelling met het
-lot, dat zijn’ grootvader trof, was hij overal in hoog aanzien, en werd
-hij in Loe, zoowel als in Wei, Soeng en Pie met groote eer ontvangen.
-Zijn eenvoud en armoede behield hij echter trouw. Dat hij een democraat
-was in den grond van zijn hart en tegen de vorsten rond voor zijne
-meening uit durfde komen, blijkt uit het volgende geval, waaruit men
-tevens kan zien, hoe hij de beginselen van zijn’ grootvader wist te
-handhaven.
-
-Toen de hertog van Wei hem bedankte voor de eer, dat hij uit Loe naar
-hem toe was gekomen en hem verzocht, hem met raad en daad van dienst te
-zijn, sprak hij:
-
-„Als ik uw vorstelijke gunst zou willen winnen met geld en zijde, dan
-zouden uwe schatkamers er toch reeds vol van zijn, en ik ben arm. Als
-ik haar zou willen winnen met goede woorden, ben ik bang dat zij niet
-met uwe ideeën zouden strooken, zoodat ik tevergeefs zou spreken en
-niet aangehoord worden. De eenige wijze om haar te winnen is om
-menschen van waarde onder uw’ aandacht te brengen.” De hertog zeide:
-„Menschen van waarde is juist wat ik hebben moet.”—„Maar,” zeide Keih
-(Tszʼ Szʼ) „gij kunt ze niet apprecieeren.”—„Ik zou toch wel willen
-weten wien gij denkt dat dien naam (mannen van waarde) verdienen,”
-zeide de hertog. Tszʼ Szʼ antwoordde: „Wilt gij uwe ambtenaren kiezen
-om den naam dien zij hebben of om hun werkelijke waarde?”—„Natuurlijk
-om hun werkelijke waarde,” antwoordde de hertog. Toen zeide zijn gast:
-„Op de oostelijke grenzen van uw staat is een zekere Lie Yin, die een
-man van werkelijke waarde is.”—„Wat waren zijn grootvader en zijn
-vader?” vroeg de hertog. „Zij waren landbouwers,” was het antwoord;
-waarop de hertog in luid lachen uitbarstte en zeide: „Ik houd niet van
-het landbouwvak. De zoon van een’ landbouwer kan niet geschikt voor
-eene betrekking zijn. Ik geef zelfs niet al de jongeren van families
-wier ambten erfelijk zijn, eene betrekking.” Tszʼ Szʼ merkte op: „Ik
-noem Lie Yin om zijne bekwaamheden; wat heeft het feit, dat zijne
-voorvaderen landbouwers waren, te maken met dit geval? En bovendien was
-de hertog van Chow een groote wijze en Kʼang Shoeh een waardig man.
-Toch, als gij hun begin nagaat, zult gij zien, dat zij van het
-landbouwvak afkomende stichters van den staat werden. Ik twijfel er nu
-stellig aan, of gij in de keuze van uwe ambtenaren wel het oog hebt op
-hun werkelijk karakter en hunne bekwaamheden.” Hiermede was het gesprek
-uit. En de hertog zweeg.
-
-Tszʼ Szʼ bereisde vele landen, en sleet de laatste jaren van zijn leven
-in Loe. Treffend is zijne uitlating omtrent de bekendwording van de
-Leer van groote mannen. Toen de hertog van Loe hem eens vroeg, of hij
-goed deed zonder daarvoor eenigen lof van menschen te willen ontvangen,
-antwoordde hij: „Neen, dat is niet mijn sentiment. Als ik betracht wat
-goed is wensch ik, dat de menschen dit weten, want als zij het weten en
-mij prijzen voel ik mij aangemoedigd om nog ijveriger in die
-betrachting te zijn. Dit is wat ik wil, en (maar) niet verkrijgen kan.
-Als ik betracht wat goed is, en de menschen weten het niet, is het
-waarschijnlijk, dat zij in hun onwetendheid kwaad van mij zullen
-spreken. Zoo word ik door al mijn goed doen maar kwaad besproken. Dit
-is, wat ik niet wil, maar niet kan vermijden. Als iemand opstaande met
-het hanengekraai begint te betrachten wat goed is, en volhardend met
-die poging doorgaat tot middernacht, en tegelijkertijd zegt dat hij
-niet wil, dat de menschen het weten, zou ik van zoo iemand zeggen dat
-hij zoo niet bedriegelijk dan toch dom is.”
-
-Tszʼ Szʼ gaf in de „Choeng Yoeng” een werk van een’ prachtigen,
-statigen stijl, dat na meer dan twintig eeuwen nóg een der groote
-standaardwerken van de chineesche litteratuur is. Kort en laconiek
-geeft zijn stijl slechts de essence van de bedoeling, zonder noodelooze
-uitweiding. De ideeën staan onsterfelijk in hun simpelste gedaante, met
-het hart der divine waarheid bloot, zonder gewaden van daaromheen
-zwevende en golvende woorden, in de naaktheid van het essentieele
-Wezen.
-
-Van de „Ta Hiŏh” weet men den auteur niet met zooveel zekerheid als van
-de „Choeng Yoeng.” Volgens eene oude traditie zou ook dít werk van Tszʼ
-Szʼ zijn, maar door velen wordt dit betwist. Hoe het ook zij, dat het
-een werk uit de school van Confucius is, en geheel en al in den geest
-en volgens de leer van Confucius is, enkel opgebouwd uit zijne
-principes, is zeker.
-
-De „Loen Yü”, „redeneeringen en gezegden” zijn niets dan aanhalingen
-van Confucius’ eigen gezegden, van stukken van gesprekken, die hij met
-zijne discipelen had, en gezegden van zijne discipelen onderling. Het
-is niet één logisch geheel, maar een verzameling fragmenten.
-Vermoedelijk is het niet door Confucius’ discipelen geschreven,
-ofschoon velen dit gelooven, maar door de discipelen van zijne
-discipelen, en wel op het einde van de vierde eeuw vóór Christus. De
-authentiekheid staat vast, en niemand twijfelt er aan, of het bevat de
-origineele gezegden van Confucius, door zijne discipelen trouw
-overgeleverd.
-
-Van groote waarde is de uitgave en de commentaren en inleidingen van
-den filosoof Choe Hie, die de „Choeng Yoeng” en de „Ta Hiŏh”
-bestudeerde. De tegenwoordig overal in gebruik zijnde edities zijn
-allen voorzien van Choe Hie’s aanteekeningen en door hem gerangschikt.
-Deze filosoof leefde in de Soeng dynastie. [35] Zonder Choe Hie zou
-wellicht alles verloren zijn gegaan of verkeerd opgevat. De klassieken
-zijn in groot gevaar geweest in den tijd der eerste Tsien dynastie.
-Toen de verzwakte Chow dynastie was gevallen voor de macht der Tsien
-vorsten, brak onder de regeering van Chie Hwang Ti, (d. i. „de Eerste
-Keizer”) voor de Confucianisten een tijd van vervolging aan. Deze
-keizer, wiens eenige verdienste is, dat hij den grooten muur liet
-bouwen, en die door geweld zijn macht had verkregen en moest handhaven,
-vreesde terecht, dat de leer van Confucius een blijvende beschuldiging
-tegen hem zou worden. Het was dan ook waar, dat zijne wetten en
-verordeningen door de litterati werden getoetst aan de leer van
-Confucius, en daardoor vanzelf veroordeeld.
-
-Toen eindelijk zijn eerste minister, om hem te vleien, verklaarde, dat
-niet hém een nieuwe era zou beginnen, en dus al het oude moest worden
-weggedaan, en het voorstel deed, aan allen, uitgezonderd het hoogste
-litterarische College, het bezitten van de Confucianistische boeken, de
-Shi King (Canon der Poëzie) en de Shoe King (Canon der Historie) te
-verbieden, volvoerde Chie Hwang Ti dit plan met genoegen. Allen, die
-zelfs maar over deze boeken durfden spreken, zouden met den dood worden
-gestraft. Verder werd aan ieder, op straffe van brandmerking en vier
-jaar dwangarbeid aan den grooten muur, bevolen, de in zijn bezit zijnde
-boeken onmiddellijk te verbranden. Een jaar na dien brand vluchtten
-twee geleerden van het keizerlijke hof. De keizer, voorziende, dat het
-hun te doen was, om de verboden litteratuur weer te doen herleven, en
-het volk tot opstand aan te zetten, liet hen vervolgen en door de
-Censoren eene inquisitie instellen. Deze inquisitie had ten gevolge,
-dat vierhonderd en zestig geleerden en studenten werden betrapt op
-overtreding van het verbod, en als afschrikkend voorbeeld levend werden
-verbrand.
-
-Tot overmaat van ramp werd in den strijd, die later ontstond toen de
-Han’s de Tsien dynastie aanvielen, de hoofdstad (toen Hien Yang) door
-Hiang Yu, den grootsten vijand der Han’s, verbrand. Drie maanden lang
-duurde de brand van de paleizen en gebouwen.
-
-Lioe Ping, een beroemd veldheer der Han’s, slaagde er in, de Tsien
-dynastie te verdrijven en verhief zich tot keizer, onder den naam Kao
-Tsoe. Met de Han [36] dynastie begon een gouden tijdperk voor China,
-waarin kunsten en wetenschappen een ongekenden bloei bereikten. Onder
-de Han dynastie werd de oude litteratuur weer in eer hersteld.
-Natuurlijk waren, niettegenstaande de felle maatregelen der Tsiens,
-niet alle copieën van de boeken verloren gegaan, die niet op papier,
-maar op bamboe-tabletten waren geschreven of gegraveerd. De
-achtereenvolgende keizers der Han dynastie beijverden zich zeer voor de
-herleving der litteratuur. Honderden verschillende edities der oude
-werken werden nog gaaf gevonden, en door bekwame handen gerangschikt en
-gecatalogiseerd. De thans in ons bezit zijnde boeken, zooals die door
-geheel China worden gelezen, zijn zonder eenigen twijfel de
-authentieke. Alleen aan de echtheid van de „Chʼoen Chʼioe” wordt wel
-eens getwijfeld.
-
-Het is wel nagenoeg aan iedereen bekend, dat Confucius thans door
-geheel China als zijn grootste wijze vereerd wordt.
-
-Van af 57 n. C. verspreidde zich de aanbidding van Confucius, die eerst
-uitsluitend in Loe werd betracht, over het geheele rijk, en werd er
-bepaald, dat in het keizerlijke college en alle colleges van het rijk
-offeringen aan hem moesten worden gedaan. En op dezen tijd zijn in
-China bijna twee duizend tempels voor hem opgericht. Vroeger werden in
-deze tempels beelden van hem aangebeden, maar deze zijn thans bijna
-overal vervangen door tabletten, zooals die nu ook voor de
-afgestorvenen bij het geheele volk in gebruik zijn. In die tempels zijn
-niet alleen de tabletten van Confucius, maar ook die van zijne
-voorvaderen en al zijne discipelen, en wel in een zaal achter die, waar
-de tablet van hemzelf is. Op den 1en dag van elke maand worden er
-offeringen van vruchten en groenten aangeboden, en op den 15en van
-wierook. Tweemaal in het jaar, in de middenste maanden van lente en
-herfst, gebeurt de grootste, plechtigste ceremonie. In Peking wordt
-deze door den keizer zelf geleid, die, na tweemaal geknield en zesmaal
-het hoofd gebogen te hebben, den geest van Confucius aanroept met de
-woorden: „Groot zijt Gij, o volmaakte Wijze! Uw deugd is volkomen, uw
-leer is volmaakt. Alle koningen eeren U. Uwe statuten en wetten zijn in
-glorie overgeleverd. Gij zijt het voorbeeld in deze keizerlijke school.
-Eerbiediglijk zijn de offervazen uitgezet. Vol van eerbiedigen angst
-slaan wij onze trommen en bellen!”
-
-In de plechtige aanspraak na het aanbieden der offeringen worden ook
-zijne discipelen herdacht met de woorden: „Met U zijn saamverbonden de
-filosoof Yen (Hwoey), voortzetter van U; de filosoof Tseng (Sin),
-uitlegger van uwe fondamenteele principes; de filosoof Tszʼ Szʼ, uw
-overleveraar; en de filosoof Meng, [37] de tweede na U!”
-
-Het graf van Confucius is thans nog te zien, en wordt door Dr.
-Williamson die het in 1865 bezocht, aldus beschreven: „Een mooie avenue
-van cypressen leidt noordelijk van de noordelijke poort (van de
-vroegere hoofdstad van Loe) naar de begraafplaats. Het graf ligt in een
-bosch van eiken, cypressen, en andere boomen, omringd door een hoogen
-muur. Het kerkhof binnentredend, gingen wij door een mooi
-geornamenteerde poort, en toen door een tweede laan, met leeuwen en
-anderen beesten, in steen, aan elke hand, en de onvermijdelijke
-cypresboomen [38] boven onze hoofden. Bij het graf staan twee steenen
-beelden, grooter dan levensgroot tegenover elkaar, wijzen, met plechtig
-gezicht. Voorbij het huis gaande, waar de offeringen worden bereid, en
-de aanbidders komen rusten, werd ons een boom gewezen, indertijd
-geplant door zijn discipel Tszʼ Koeng, en een paviljoen, opgericht door
-keizer Kien Loeng. Het graf van Confucius is een kolossale wal,
-overgroeid door boomen en struiken, met de gebruikelijke gelegenheden
-voor offering in het front. Naast het graf staat een tablet, 25 voet
-hoog bij 6 voet breed, waarop de namen van den wijze en zijne daden
-zijn gegraveerd.—Ten Westen van het graf van den wijze is dat van zijn’
-zoon Lí, en overal in ’t rond de graven van de hoofden van zijn clan.”
-[39]
-
-
-
-Behalve uit de Confucianistische werken, hebben wij vaste en
-correspondeerende gegevens omtrent zijn levensloop in het werk „Shʼ Ki”
-(Historische Annalen) van den beroemden historieschrijver Szʼ Ma
-Tsʼien, [40] het leven van Confucius door Kiang Yoeng, de „Kʼoeng Tszʼ
-Kia Yü” (Familiegezegden van Confucius), en de werken van Kʼoeng Toe,
-„Kʼoeng Tsʼoeng Tszʼ”, een afstammeling van Confucius, die bij de
-uitvaardiging van het gebod tot verbranding de werken van Confucius in
-den muur van zijn huis verborg. Het zijn deze werken, vooral de „Shʼ
-Ki” (in het hoofdstuk over Confucius „Koeng Tszʼ Shi Kia”), die door de
-westersche geleerden, o. a. James Legge, als voorbeeld en bron voor
-hunne beschrijving van Confucius’ leven zijn gebruikt.
-
-
-
-
-
-
-CHOENG YOENG.
-
-
-INLEIDING.
-
-Mijn Meester, de filosoof Chʼing zegt: „Zonder overneiging zijn is
-Choeng; zonder verandering zijn is Yoeng.” Choeng is de rechte Tao van
-alles onder den Hemel; Yoeng is het vaste principe van alles onder den
-Hemel. Dit Boek is de overgeleverde wet van het hart [41] uit de school
-van Confucius. Tszʼ Szʼ, vreezende dat zij op den duur verkeerd zou
-(overgebracht) worden, schreef haar neer in een Boek, dat hij aan Meng
-Tszʼ [42] overhandigde. Dit Boek spreekt eerst van het ééne principe;
-dan spreidt het dit uit, en het omvat alle dingen; ten laatste keert
-het terug en vereenigt ze (weer) tot één principe. Ontrol het, en het
-vult het Heelal; rol het op, en het keert terug, en verbergt zich in
-mysterie. Het genot er van is onuitputtelijk. Het is alles waarachtige
-leering. Als de aandachtige leerling het met genot heeft gelezen en
-begrepen, zal hij hebben, wat niet kan worden uitgeput.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-1. Wat de Hemel (als natuur) verleend heeft, wordt genoemd Sing. Het
-volgen van de Sing wordt genoemd Tao. Het regelen van Tao wordt genoemd
-Kiao (onderwijs).
-
-2. Tao mag geen oogenblikje verlaten worden; kon Tao verlaten worden,
-dan zou het Tao niet zijn. Daarom is de Kiün Tszʼ [43] waakzaam al ziet
-hij niet, en in vreeze al hoort hij niet.
-
-3. Er is niets zichtbaarders dan wat duister is, niets openbaarders dan
-wat klein is. Daarom is de Kiün Tszʼ waakzaam over zijne eenzaamheid.
-
-4. Als pleizier, toorn, smart of geluk niet bewegen, noemt men dat
-Evenwicht; als zij bewegen, maar in de juiste middenmaat, noemt men dat
-Harmonie. Dit Evenwicht nu is de groote Oorsprong van alles onder den
-Hemel. Deze Harmonie nu is de manifestatie van Tao.
-
-5. Als men de staten van Evenwicht en Harmonie tot het uiterste heeft
-opgevoerd, zijn Hemel en Aarde gevestigd, en alle dingen zijn
-(overvloediglijk) gevoed en bloeiend.
-
-
- Dit ééne hoofdstuk bevat de essence van het geheele boek Choeng
- Yoeng. Het is niet doenlijk, met europeesche woorden de
- veelbeteekenende chineesche karakters precies met equivalenten weer
- te geven. Men kan de begrippen wel naderen, en met vage omtrekken
- weergeven, maar niet geheel met europeesche woorden omvatten.
- Daarom is eene bespreking altijd noodzakelijk.
-
- Het komt mij voor, dat de meeste vertalers, die dit hoofdstuk
- vertaalden, den inhoud te veel beperkt hebben, daar zij de
- begrippen Sing en Tao exclusief op menschen toepasten, en dit toch
- stellig op de geheele natuur, dieren en dingen moet gedaan worden.
- Het is, of men bang geweest is voor een schijnbaar pantheïsme, dat
- men er door krijgen zou. Toch verklaarde Choe Hie zeer stellig, dat
- de Sing in alles en allen is.
-
- Wat ik uit dit hoofdstuk voel—in de meeste gevallen samenvoelende
- met Choe Hie, is het volgende:
-
- Er bestaat in alles en allen als oorsprong en natuur een essence
- van den Hemel. Deze noemde Confucius Sing. Het volgen van, het zich
- volkomen richten naar die Sing, met andere woorden het ware, aan de
- Sing aangepaste levensbewegen, noemde hij Tao. Dit Tao zou—(althans
- in Confucius’ werken) met de Weg, het Pad kunnen vertaald worden.
- Aan den mensch kan de regeling van dat pad geleerd worden door
- Kiao, onderricht, leering, en diegenen, die dit kunnen doen, heette
- Confucius Wijzen. Tao kan geen oogenblik verlaten worden, anders
- zou het de ware Tao niet zijn. Immers Tao is aangepast aan de
- eeuwige, eindelooze Sing, en kan dus evenmin als de Sing ooit
- veranderen, of afwijking gedoogen. De ware Tao is dus een weg,
- streng en recht als een rechte lijn, die geen kromming gedoogt, uit
- den aard van haar rechtheid. Maar Tao is niet alleen het pad, dat
- de mensch moet begaan; het is ook de natuurlijke (d. i. aan de Sing
- aangepaste) gang van de geheele wereld, menschen, dieren en dingen,
- zooals ook de Sing niet alleen aan de menschen, maar in de geheele
- creatie is gegeven.
-
- Omdat Tao geen oogenblik kan verlaten worden, en niet gebonden is
- aan met de zinnen waarneembare dingen, evenmin als de Sing zelve,
- zal de Kiün Tszʼ niet wachten tot hij iets met de oogen ziet, om
- steeds er voor te waken, dat hij Tao toch vooral volgt, noch zal
- hij wachten met er voor in vreeze te zijn dat hij misschien zou
- afwijken, tot hij met de ooren iets hoort. Want zijn Sing, zijn
- natuur van den Hemel, is niet een uitwendige schijn, maar ligt
- verborgen in mysterie, en do Tao doordringt toch alles; hij is in
- het allerkleinste gemanifesteerd, en zijn Weg gaat in het
- allerduisterste evengoed. Daarom is de Kiün Tszʼ steeds wakende als
- hij eenzaam is, want, ofschoon schijnbaar alleen, heeft hij toch
- als waarachtige wezen de Sing in zich, die hij aldoor moet blijven
- volgen in Tao.
-
- Het zonder overneiging zijn naar eene of andere zijde, noemde
- Confucius Choeng, met een hiëroglyphisch karakter, dat „het midden”
- verbeeldt (n.l. een vierkant, dat precies in het midden door een
- rechte lijn in twee gelijke deelen wordt gesneden). Dit Choeng
- drukt uit de richting van Tao, het aan de Sing aangepaste
- levensbewegen, dat alles onder den Hemel moet volgen, en dat
- (evenmin als het juiste midden) nooit een oogenblik verlaten kan
- worden, of afwijking gedoogt. Wat onveranderlijk is—, dus: in zich
- zelf eeuwig bestaat, noemde Confucius Yoeng, en dit was het
- principe, dat alles onder den Hemel regelt.
-
- Als géén emoties van pleizier, toorn, smart, of geluk bewegen,
- noemde Confucius dit een toestand van Evenwicht. Dit Evenwicht was
- de groote Oorsprong van alles onder den Hemel. Is het noodig te
- zeggen, dat dit Evenwicht dus de toestand is, waarin de Sing
- oorspronkelijk verkeert?
-
- Als deze emoties wél worden bewogen, maar in een juiste maat,
- zonder bruuskheid of schokken, dan is er een toestand van Harmonie
- in den mensch. Deze Harmonie is het bewijs, dat de mensch zich
- inspant om de Sing te volgen, is dus de manifestatie van zijn Tao,
- en het is alleen mogelijk Tao te begaan als er Harmonie is.
-
- En nu nog over die gewichtige woorden aan het eind van het vijfde
- artikel:
-
- Als de mensch zich door groote inspanning weer kan brengen tot den
- toestand van Choeng Yoeng,—zonder neiging naar eene of andere zijde
- zijn, in stabiel evenwicht, en onveranderlijk, zooals de Sing
- oorspronkelijk is—dan zou hij één zijn met Hemel en Aarde en met
- álle dingen. Choe Hie voegt er in zijn commentaar bij: „(dan zijn)
- Hemel en Aarde en alle dingen met mij één lichaam. Is mijn hart
- (hier in den zin van ziel) recht, dan is dat van Hemel en Aarde ook
- recht.” Als de mensch het tot Choeng heeft gebracht, zal hij Hemel
- en Aarde en alle dingen zien zooals zij zijn, zullen zij dus, wat
- de chineesche filosoof noemt, „gevestigd” zijn, en wel één met hem.
-
-
-
- De op dit eerste hoofdstuk volgende hoofdstukken zijn geen
- voortgaan op het daarin vastgestelde, maar eerder eene
- verduidelijking en omschrijving, meestal met voorbeelden uit de
- geschiedenis. De volzinnen beginnende met „De Meester zeide” zijn
- oorspronkelijke gezegden van Confucius, de andere zijn
- waarschijnlijk van Tszʼ Szʼ. Velen gelooven, dat de Choeng Yoeng
- oorspronkelijk van Tszʼ Szʼ is zonder dat hij de hoofdideeën alle
- van Confucius had, en in dat geval zouden de ideeën als van de Sing
- enz. niet van Confucius maar van Tszʼ Szʼ zijn. Wij zullen ons hier
- niet in verdiepen.
-
- Op den hoofdtekst volgt nog het:
-
-
-
-
-NAWOORD.
-
-In dit eerste hoofdstuk publiceert Tszʼ Szʼ de aan hem overgeleverde
-bedoelingen, als basis van zijne woorden. Eerst maakt het duidelijk,
-dat de Oorsprong van Tao in den Hemel is, dat Tao onveranderlijk is, en
-belichaamd is in ons eigen lichaam, en geen oogenblik kan worden
-verlaten. Dan spreekt het van het noodzakelijke om (het van den Hemel
-gegevene) (goed) te bewaren en te onderhouden, en om steeds (waakzaam)
-onderzoek (in ons zelven) te doen. Ten laatste spreekt het van de
-verdiensten en den (ten goede) veranderenden invloed van de Wijzen en
-spiritueele menschen, tot het uiterste opgevoerd. Die dit alzoo willen
-leeren moeten het in zich zelf zoeken, en zullen het (dan) vanzelf (in
-zich) verkrijgen. Dan zullen zij alle uitwendige verleiding, die op hun
-egoïsme werkende is, van zich wegdoen, en hun natuurlijke Goedheid zal
-vervuld zijn. Dit hoofdstuk is wat de schrijver Yang het noemde: „Het
-lichaam (hier: Wezen) van het geheele Boek.” In de tien volgende
-hoofdstukken haalt Tszʼ Szʼ des Meesters woorden aan, om de bedoeling
-compleet te maken.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-1. Choeng Ni (Confucius) zeide: „De Kiün Tszʼ is Choeng Yoeng; de
-kleine mensch is tegenovergesteld aan Choeng Yoeng.
-
-2. Dat de Kiün Tszʼ Choeng Yoeng is, is omdat hij een Kiün Tszʼ is, en
-altijd in Choeng is. Dat de kleine mensch tegenovergesteld aan Choeng
-Yoeng is, is omdat hij een klein mensch is, en niet in vreeze.”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-De Meester zeide: „Hoe uitstekend is Choeng Yoeng! (Maar) zeldzaam zijn
-er onder het volk die het lang kunnen (handhaven).”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-De Meester zeide: „Ik weet hoe het is, dat Tao niet wordt begaan! Die
-weten overschrijden het, die dom zijn komen er niet aan toe! Ik weet
-hoe het is, dat Tao niet helder is! Die waardig (en deugdzaam) zijn
-overschrijden het, die onwaardig zijn komen er niet aan toe!
-
-2. Er zijn geen menschen, die niet drinken en eten. (Maar) weinigen
-kennen den (waren) smaak!”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-De Meester zeide: „Helaas! Hoe is Tao onbegaan!”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-De Meester zeide: „Shoen! Hij was een wijs mensch! Shoen hield er van
-om anderen te vragen, en onderzocht (schijnbaar) oppervlakkige woorden.
-Het kwade (er in) verborg hij, het goede spreidde hij uit. Hij greep de
-twee uitersten, nam er het Midden (Choeng) van, en gebruikte dat (in de
-regeering). Daardoor was hij (juist) Shoen!”
-
-
- In bovenstaande hoofdstukken wordt gezinspeeld op het feit dat Tao,
- en dus ook het bereiken van Choeng Yoeng, geen oogenblik uit het
- oog moet worden verloren, en de mensch altijd door, in waakzaamheid
- en vrees, op zijn gedrag moet passen. Alleen door niet-nadenken
- overschrijdt de goede mensch Choeng, en de domme komt er niet eens
- aan toe. Iedereen drinkt en eet, maar weinigen kennen den smaak,
- zóó ligt Choeng eveneens in al de dingen en daden van het leven,
- maar weinigen beseffen het, en denken niet om het gewicht van al
- die schijnbaar gewone acties en dingen.
-
- Volgens gewoonte haalt Confucius hier een Wijze uit de Oudheid aan,
- keizer Shoen, die in de meest gewone woorden, in de benèden hem
- staande menschen toch door het bepalen van het Midden het goede
- ontdekte, en dat ook aanwendde in de regeering.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-De Meester zeide: „De menschen zeggen allen: „Wij weten,” maar
-voortgedreven, en gevangen in een net, een val, of een kuil, weten zij
-niet hoe er uit te komen. De menschen zeggen allen: „Wij weten,” maar
-als zij Choeng Yoeng uitkiezen kunnen zij er zich niet voor den tijd
-van een maand in handhaven.”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-De Meester zeide: „Het menschzijn van Hwoey [44] bestond daarin, dat
-hij Choeng Yoeng uitkoos. Als hij iets goeds verkreeg hield hij het
-stijf vast, als droeg hij het op zijn borst, en verloor het niet
-(weer).”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-De Meester zeide: „Het keizerrijk, de staten en de families kunnen goed
-geregeerd worden; waardigheden en jaarwedden kunnen geweigerd worden;
-blanke wapenen kunnen worden vertreden. Maar Choeng Yoeng kan niet
-bereikt worden!”
-
-
- Choe Hie zegt hiervan, dat de drie bovenbedoelde dingen, hoe
- moeilijk ook, toch nog licht zijn in vergelijking met het
- verkrijgen van Choeng Yoeng. Want om dit te bereiken mag de mensch
- „geen greintje egoïsme en begeerten” (dus overneiging) hebben, en
- dit is het allermoeilijkste, en schier onmogelijk.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-1. Tszʼ Loe [45] vroeg wat geweldigheid was.
-
-2. De Meester zeide: „Meent gij de geweldigheid van het Zuiden, die van
-het Noorden, of die van U zelf?”
-
-3. Geduldigheid en zachtheid in ’t onderwijzen, geen onrecht met
-onrecht beantwoorden; dit is de geweldigheid van het Zuiden, en hierin
-woont de Kiün Tszʼ.
-
-4. Onder de wapenen zijn en den dood vinden zonder morren; dit is de
-geweldigheid van het Noorden, en hierin woont de geweldige.
-
-5. Daarom betracht de Kiün Tszʼ Harmonie, zonder week te zijn. Hoe
-recht is zijne geweldigheid! Hij staat rechtop in Choeng (het Midden)
-en neigt niet over! Hoe recht is zijn geweldigheid! Als er recht is in
-de regeering van het rijk verandert hij niet van wat hij was toen hij
-nog particulier was. Hoe flink is zijn geweldigheid! Als er geen recht
-is in de regeering van het rijk verandert hij niet, tot in den dood.
-Hoe flink is zijn geweldigheid!
-
-
- Beide soorten „geweldigheid”, die van ’t Zuiden en Noorden
- (geïnfluenceerd door het klimaat), de ééne verkeerdelijk zacht- en
- weekheid, de tweede woestheid gingen ver van het juiste Midden.
- Daarom betracht de Kiün Tszʼ het Midden er van; hij betracht
- harmonie, dus zoover het kon vriendschap met staten en menschen,
- maar blijft tegelijkertijd vast op zijn stuk. Of er recht of niet
- in het rijk is (lett. staat er, of het rijk Tao heeft of niet), dus
- goede principes [aangepast aan de Sing] of niet, hij laat er
- zichzelf niet door veranderen, en staat pal. Dit was volgens
- Confucius de ware geweldigheid.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-1. De Meester zeide: „In duisternis te leven, en wonderen te doen opdat
-het nageslacht die zal vertellen, dit is, wat ik niet doe.
-
-2. De Kiün Tszʼ gaat volgens den gang van Tao, maar halverweg wijkt hij
-er van af; dit is, wat ik niet doe.
-
-3. De Kiün Tszʼ voegt zich aan Choeng Yoeng. Ofschoon hij onbekend is,
-en de wereld hem niet ziet, voelt hij geen verdriet. Alleen de Wijze is
-hiertoe in staat.”
-
-
- Hier is de toepassing van Kiün Tszʼ ietwat verward. Met den
- eersten, in No 2, bedoelt hij meer den gewonen, goeden mensch, met
- den tweeden den hoogeren Wijze.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-1. De Tao van den Kiün Tszʼ is eindeloos, en (toch) verborgen.
-
-2. Gewone mannen en vrouwen, in hun domheid, kunnen met de kennis er
-van iets te maken hebben; maar wat betreft het opperste er van, al is
-iemand een Wijze is er iets in, wat hij niet weet. Gewone mannen en
-vrouwen, in hun onwaardigheid, kunnen er iets van begaan; maar wat
-betreft het opperste (van Tao), is er (altijd) iets, wat zelfs een
-Wijze niet kan. (Zelfs) in de grootheid van Hemel en Aarde is iets wat
-den menschen (nog) hatelijk is.
-
-Daarom, als de Kiün Tszʼ de grootheid (van Tao) wilde zeggen, zou er
-niets onder den Hemel zijn, dat het kan omvatten; als hij de kleinheid
-(er van) wilde zeggen, zou er niets onder den Hemel zijn, dat het kan
-splijten.
-
-
- De meeste vertalers zijn het eens, dat dit tweede artikel zeer
- duister is. Legge o. a. is zoo eerlijk om ronduit te verklaren „I
- confess to be all at sea in the study of this paragraph.” Ook met
- de commentaar van Choe Hie kan ik in dezen niet meegaan.
-
- Mijn bescheiden meening—die ik gaarne voor een betere geef—is de
- volgende:
-
- „De Tao (d. i. levensweg aangepast aan de Sing) van den Kiün Tszʼ
- is eindeloos en toch verborgen,” begint Tszʼ Szʼ (want hier is het
- niet meer Confucius’ die spreekt). De Tao n.l. gaat tot in het
- oneindige (n.l. één zijn met Hemel en Aarde en alle dingen, zie
- Bespreking Hfdst I No. 5). Maar Tao moet ook gevolgd worden in het
- allerkleinste, verborgenste. Gewone menschen doen ook wel eens zoo
- iets aan Tao, maar aan het opperste, oneindige er van komen zelfs
- Wijzen wel eens niet toe. Want er is altijd nog iets, zelfs in de
- grootheid van Hemel en Aarde, dat den mensch hatelijk is (omdat hij
- ’t niet kan begrijpen), en ook dus in de grootheid van Tao. Daarom
- wijken zij er dan weer van af, terwijl het geen oogenblik mag
- verlaten worden. Wil iemand de oneindige grootheid van Tao zeggen,
- de eindeloosheid waar Tao toe leidt, hij zou geen woorden vinden,
- die het omvatten. Wilde hij de kleinheid zeggen—want de
- allerkleinste dingen hebben een Tao, in het allerminiemste en
- geringste en duisterste is altijd nog een Tao te volgen—hij zou het
- zóó klein moeten vinden, dat het door niets nog te splijten (d. i.
- nog kleiner gemaakt) zou kunnen zijn.
-
-
-3. De Shi King [46] zegt: „De havik vliegt op in den Hemel; de visschen
-springen in de diepte.” Dit zegt, hoe (Tao overal) boven en onder
-(alles) doordringt.
-
-4. De Tao van den Kiün Tszʼ begint met (den gewonen omgang, het gewone
-leven van) mannen en vrouwen. Maar, aan het opperste er van gekomen,
-strekt Tao zich uit over Hemel en Aarde.
-
-
- De twee artikelen schijnen mij juist aan te passen aan mijne
- opvatting van het vorige. Zoo hoog als haviken vliegen, zóó reikt
- ook Tao hoog, en het is eveneens diep en laag, zooals visschen
- springen naar den bodem van het water. De Tao begint met het heel
- gewone leven, het huiselijk leven, den gewonen omgang met menschen,
- maar het opperste er van is eindeloos, en doordringt en omvat het
- Heelal. Immers, zooals Choe Hie zeide, „wordt Tao ganschelijk
- begaan, en is Choeng Yoeng geheel bereikt, dan zijn „Hemel en Aarde
- in mij”.” Dit twaalfde hoofdstuk eindigt met het:
-
-
-
-
-NAWOORD.
-
-Dit twaalfde Hoofdstuk bevat de woorden van Tszʼ Szʼ, dienende om het
-eerste te doen uitkomen en duidelijk te maken, namelijk „dat Tao niet
-mag verlaten worden.”
-
-In de acht hoofdstukken hieronder haalt hij door elkaar woorden van
-Confucius aan, om het (verder) te illustreeren.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-1. De Meester zeide: „Tao is niet ver van de menschen.”
-
-Als menschen Tao (trachten te) begaan, en ver gaan van de menschen, kan
-het (de ware) Tao niet zijn.
-
-
- Confucius bedoelde, dat Tao begint met het instandhouden der vijf
- menschelijke betrekkingen of z. g. „Loen” (die van vader tot zoon,
- ouderen broeder tot jongeren broeder, vorst tot minister, man tot
- vrouw, vriend tot vriend, en omgekeerd). Tao, is reeds gezegd, ligt
- in het kleinste zoowel als in het grootste, en mag geen oogenblik
- verlaten worden. In den gewonen omgang der menschen, in al het
- menschelijke is Tao te betrachten. Wie Tao wil begaan buiten de
- menschen en het menschelijke om, heeft den waren Tao reeds
- verlaten.
-
-
-2. De Shi King zegt: „In ’t hakken van een bijl-handvatsel, in het
-hakken van een bijl-handvatsel is het model niet ver weg.” Wij grijpen
-één handvatsel om het andere te hakken, en (toch) als wij terloops van
-het eene naar het andere kijken is het of zij apart zijn. Daarom, de
-Kiün Tszʼ regeert de menschen naar wat aan menschen eigen is, en zoodra
-zij veranderen houdt hij op.
-
-
- Heel duidelijk is mij dit bovenstaande niet. Legge teekent in zijne
- vertaling aan (maar zegt er eveneens bij „the object of this
- paragraph seems to be” enz.) dat Tszʼ Szʼ het volgende bedoelde:
- „De regel, om menschen te behandelen, volgens de principes van het
- Midden (Choeng) is nader tot ons dan de bijl in de hand tot
- dengene, die er mede uitgehouwen moet worden, en naar háár
- gemodelleerd. De tak is gehouwen en de vorm veranderd van den
- natuurlijken vorm. Niet zoo met den mensch. De verandering brengt
- hem slechts tot den gepasten staat. Men moet dadelijk met die
- behandeling ophouden als hij verandert.”
-
-
-3. Als iemand tot het uiterste zijn eigen principes van de Sing
-verzorgt, en tegelijk beschouwt dat andere menschen zijn als hij, dan
-is hij niet ver van Tao. Wat gij niet wilt dat aan U zelven gedaan
-wordt, doe dat (ook) aan anderen niet.
-
-
- Hier hebben wij de karakters „chung” en „shoe”, waarvan ik in ’t
- begin van mijne „Inleiding tot de Filosofie van Confucius” heb
- gesproken. Zooals ik daarin reeds zeide, waren deze woorden niet
- met precies twéé equivalente hollandsche woorden te vertalen. Prof.
- Legge noemt „shoe” zeer juist „het principe van reciprociteit,” het
- beginsel van wederkeerigheid. Het eerste „chung” noemt hij „het
- zijn plicht doen met het oog op zich zelven.” Ik zal deze vertaling
- bijwijlen overnemen.
-
-
-4. In Tao van den Kiün Tszʼ zijn vier dingen, die ik nog niet gekund
-heb: „Mijn vader te dienen zooals ik zou willen, dat mijn zoon mij
-diende, dat heb ik nog niet gekund. Mijn vorst te dienen, zooals ik zou
-willen, dat mijn minister mij diende, dat heb ik nog niet gekund. Mijn
-ouderen broeder te dienen, zooals ik zou willen, dat mijn jongere
-broeder mij diende, dit heb ik nog niet gekund. Mijn’ vriend ten
-voorbeeld zijn in behandeling, zooals ik zou willen, dat hij mij
-behandelde, dat heb ik nog niet gekund.” Ernstig in ’t betrachten der
-deugd, altijd er van sprekende met zorgzaamheid als hij in iets te kort
-schiet, durft (de Kiün Tszʼ) niet nalaten, zich in te spannen, (en) als
-hij in zijne woorden iets te veel heeft, durft hij ze niet allen uit te
-putten (d. i. te spreken). Zoo correspondeeren zijne woorden met zijne
-daden, en zijne daden met zijne woorden. Is de Kiün Tszʼ dus niet
-geheel eerlijk en waarachtig?
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-1. De Kiün Tszʼ doet wat gepast is aan zijne positie, en wenscht daar
-niet buiten te gaan.
-
-2. In een positie van weelde en aanzien doet hij wat gepast is aan een
-positie van weelde en aanzien. In een positie van armoede en lagen
-stand doet hij wat gepast is aan eene positie van armoede en lagen
-stand. Onder barbaarsche stammen doet hij wat gepast is aan barbaarsche
-stammen. In een toestand van droefheid en moeilijkheden doet hij wat
-gepast is aan droefheid en moeilijkheden. De Kiün Tszʼ kan nooit in een
-toestand komen, waarin hij niet zelf (het weten van hoe te moeten doen)
-verkrijgt.
-
-3. Is hij in een hooge positie, dan verguist hij niet zijne
-inferieuren. Is hij in een lage positie, dan vleit hij niet zijne
-superieuren. Hij maakt zich zelf recht, en zoekt het niet bij anderen,
-zoodat hij geen teleurstellingen heeft. Hij murmureert niet tegen den
-Hemel en mort niet op de menschen.
-
-4. Daarom woont [47] de Kiün Tszʼ in de rust, wachtende op wat (de
-Hemel) beschikken zal, en de kleine mensch gaat op gevaarlijke paden,
-en hoopt op de fortuin.
-
-5. De Meester zeide: „Met boogschieten hebben wij iets als met (de
-handelwijze van) den Kiün Tszʼ. Als de schutter de schijf mist keert
-hij zich om en zoekt de fout in zich zelf.”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XV.
-
-1. De Tao van den Kiün Tszʼ kan vergeleken worden met reizen. Men moet
-stellig eerst het nabijë bereiken om tot het vèrafgelegene te komen.
-Ook is het er mede als met het bestijgen van een hoogte. Men moet
-stellig eerst het lage begaan om tot het hooge te komen.
-
-2. De Shi King zegt: „De goede vereeniging met vrouw en kinderen is als
-de muziek van harpen en luiten. Als er eendracht is onder broeders, is
-de harmonie gelukkig en langdurig. Zóó behoort gij uwe familie te
-regelen en te genieten van uwe vrouw en kinderen.
-
-3. De Meester zeide: „En wat zullen uwe ouders dan rustig en gelukkig
-zijn!”
-
-
- In bovenstaande hoofdstukken ziet men, dat Confucius Tao aanwees in
- de gewone verhoudingen der menschen. De Kiün Tszʼ, wetende dat de
- Sing in hem is, zal, waar hij ook is, steeds Tao begaan, in
- armoede, of rijkdom, of onder barbaren. Hij maakt zich zelf
- „recht”. Dit recht, lett. vertaald, is hier het engelsche „right”,
- goed, zooals het behoort, puur en rein als een rechtopgaande lijn.
- Ook in de familie moet Tao begaan worden, en moet er dus Harmonie
- zijn.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVI.
-
-1. De Meester zeide: „Hoe overvloedig is de deugd, die de geesten ten
-toon spreiden!”
-
-2. Wij zien naar hen uit, maar zien hen niet; wij luisteren naar hen,
-maar hooren hen niet. Zij zijn in alle dingen belichaamd. Er is niets
-zonder hen.
-
-3. Zij maken, dat de menschen onder den Hemel eerbiedig zijn, zich rein
-maken, zich volmaken, aan hen onderworpen zijn, ten einde hun
-offeringen te brengen. Zij zijn overal in overvloed, en het is, of zij
-overal boven, en links en rechts zijn!
-
-4. De Shi King zegt: „Gij kunt niet zeker zijn (in ’t denken over) het
-komen der geesten; des te meer moogt gij er niet lichtvaardig over
-denken!”
-
-5. Het waarachtige wezen van de manifestatie van het kleine, kunt gij
-maar zóó niet verbergen!
-
-
- Confucius hield zich niet veel op met beschouwingen over geesten,
- dit blijkt uit al zijne gezegden. In de „Loen Yü” zegt hij o. a.,
- dat men de geesten moet eeren, maar altijd op een afstand van hen
- blijven. Toen hij verder eens door zekeren Kie Loe (Zie „Loen Yü”
- Boek XI) werd gevraagd, hoe men de geesten moet dienen, antwoordde
- hij: „Terwijl gij niet in staat zijt menschen te dienen, hoe kunt
- gij dan hunne geesten dienen?”
-
- Ik schaam mij niet,—waar zoo vele vertalers hier in twijfel waren,
- en o. a. Legge eerlijk verklaarde (van No. 2) dat de juiste
- bedoeling hier niet te bepalen is—te zeggen, dat ik van mijne
- vertaling niet zeker ben, noch van mijne uitlegging. Vooral weet ik
- niet zeker of hij de geesten van afgestorvenen bedoelt dan wel
- anderen. Geesten is in ’t chineesch „kwei shin”. Kwei is de geest,
- correspondeerende met het principe „Yin” (duister), „shin” is de
- geest, correspondeerende met het principe „Yang” (licht). Deze twee
- principes, Yin het vrouwelijke en Yang het mannelijke, zijn
- ontstaan uit het openscheuren van den Chaos, en alle menschen en
- wezens en dingen, alle leven, is ontstaan door het samenkomen van
- Yin en Yang. Als het leven sterft gaan Yin en Yang weer uit elkaar.
- Daarom, ook kwei en shin zijn in alles wat leeft. De chineezen
- hebben een verbazende vrees voor „kwei shin,” maar weten eigenlijk
- zelf niet wat daarmede bedoeld wordt. Volgens dit hoofdstuk zouden
- zij in alles en allen zijn, altijd vlak bij en om en in de
- menschen, onzichtbaar. Men is nooit zeker, wanneer die van om ons
- heen bij ons zullen komen. Een oude chineesche literator, met wien
- ik over dit onduidelijke hoofdstuk—dat mij voorkomt te onpas in
- „Choeng Yoeng” te zijn opgenomen—sprak, gaf mij als zijne meening,
- dat het een voorzichtige twijfel en een fijne ironie uitdrukte.
- Confucius zou zelf wel eens aan het bestaan van „kwei shin”
- getwijfeld hebben, daar hij het voor zich zelf hierover nog niet
- eens was, geraden hebben, in elk geval respect voor hen te hebben
- „omdat men nooit kan weten”. En dan zouden No. 1 en 2 dien twijfel
- zeer fijn uitdrukken. Dit klopt ook wel met de boven aangehaalde
- gezegden uit de „Loen Yü”. Ook een der chineesche commentators in
- mijne editie zegt dat Confucius „lichtvaardig” van de „kwei shin”
- sprak.
-
- Op dit hoofdstuk volgen weer eenige over oude vorsten en wijzen, en
- over familie en regeering.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVII [48].
-
-1. De Meester zeide: „Hoe groot was de Hiao van Shoen! Zijn deugd was
-die van den wijze. Zijn eerwaardigheid was die van den keizer. Zijn
-rijkdom die (welke bevat was binnen al) de vier zeeën. Hij deed zijne
-offeringen in den voorvaderlijken tempel, en zijne kinderen en
-kleinkinderen zorgden steeds voor de offeringen aan hem.
-
-2. Daarom, de groote deugd krijgt stellig haar (verdiende) positie,
-stellig haar jaarwedde, stellig haar roem, stellig een lang leven.
-
-3. Aldus is het, dat de Hemel in het voortbrengen der dingen mild is
-volgens hun natuur (hoedanigheden). De (gezaaide) bloeiende (boomen)
-ondersteunt Hij. De ten val neigenden werpt Hij om.
-
-4. De Shi King zegt: „De eerbiedwaardige, gelukwaardige prins! Hij deed
-eerwaardiglijk zijn groote deugd zien, hij regelde het volk en regelde
-zijne ambtenaren, hij kreeg zijne jaarwedde van den Hemel. De Hemel
-beschermde hem, stond hem bij en beschikte dat hij den troon zou
-krijgen; zendende herhaaldelijk deze gunsten van den Hemel.”
-
-5. Daarom, zij die de groote deugd hebben, krijgen stellig de belooning
-van den Hemel.
-
-
- Het „jaarwedde” dat in dit hoofdstuk in ’t hollandsch eenigszins
- vreemd klinkt is in ’t chineesch „loeh” en dit woord is een der
- drie heilige en gelukaanbrengende karakters „foeh” (geluk), „loeh”
- (jaarwedde van mandarijnen), en „sjoe” (lang leven). Dit „loeh”
- wordt eveneens uitgesproken als „loeh” hert, en vandaar, dat men in
- chineesche decoraties op zijde, in bouwstijl enz. veel een hert
- ziet gebezigd, wat dan jaarwedde beteekent. Zoo ziet men voor
- „foeh” dikwijls een reiger, daar deze eveneens een gelijkluidenden
- naam draagt.
-
- Met den „prins” in No. 4 wordt koning Wĕn, van Chow bedoeld.
-
- Het is curieus, Confucius, wiens deugd nooit beloond werd, zulke
- optimistische woorden als hierboven te hooren uitspreken. Shoen
- werd 100 jaar oud, vandaar ook de toespeling op het lange leven.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVIII [49].
-
-1. De Meester zeide: „Het is alleen koning Wĕn, die geen verdriet had.
-Zijn vader was koning Kie en zijn zoon was koning Woe. Zijn vader
-maakte (zijne waardigheid), zijn zoon leverde (haar) over.”
-
-2. Koning Woe zette het werk van de koningen Ta, Kie en Wĕn voort. Hij
-gordde (slechts) ééns zijne wapenrusting aan, en verkreeg het
-keizerrijk. Hij verloor zijn uitstekenden naam in het keizerrijk niet.
-Zijne eerwaardigheid was die van den keizer. Zijn rijkdom was die
-(welke bevat is binnen) de vier zeeën. Hij deed zijne offeringen in den
-voorvaderlijken tempel, en zijne kinderen en kleinkinderen zorgden
-steeds voor de offering aan hem.
-
-3. Het was aan het eind van zijn leven dat koning Woe de beschikking
-(van den Hemel) kreeg (over den troon), en de hertog van Chow volmaakte
-de deugd van Wĕn en Woe. Hij voerde het koningschap op tot Ta en Kie,
-en offerde aan alle hertogen boven hen met de keizerlijke ceremonieën.
-En dezen regel verbreidde hij over alle vorsten van het rijk, de hooge
-ambtenaren, de geleerden, en het gewone volk. Was de vader een hoog
-mandarijn en de zoon een geleerde, dan was de begrafenis die van een
-hoog mandarijn, de offering die van een geleerde. Was de vader een
-geleerde en de zoon een hoog mandarijn, dan was de begrafenis die van
-een geleerde, en de offering die van een hoog mandarijn. De rouwtijd
-van één jaar werd uitgebreid (tot gebruik) enkel bij hooge mandarijnen.
-
-De rouwtijd van drie jaren werd alleen uitgestrekt tot den keizer. In
-den rouw om vader en moeder werd geen verschil gemaakt tusschen
-aanzienlijken en minderen.
-
-
- Het verband tusschen deze oude vorsten en het in vorige
- hoofdstukken behandelde is niet heel duidelijk. De chineesche
- filosoof gaat niet van één punt uit, dat hij dan streng logisch
- beschouwt en ontwikkelt, zooals b. v. Plato deed. Zóó hebben wij
- hier een verheerlijking van eenige instellingen over Lí (Decorum)
- die eigenlijk met Choeng Yoeng niet in logisch verband staan. Het
- bizondere geluk van koning Wĕn was, dat hij èn een goeden vader had
- èn een goeden zoon (iets wat b. v. met Yau en Shoen, die zeer
- slechte zoons hadden en een’ ordinairen vader, en met Yu, niet het
- geval was geweest). Deze omstandigheid verhoogt in chineesche oogen
- de glorie van koning Wĕn.
-
- Een groote verdienste van den hertog van Chow was, dat hij ook
- zijne voorvaderen in de glorie van Chow deed deelen, en hen met
- keizerlijke ceremonieën vereerde, alsof ook zij keizerlijke vorsten
- waren geweest. Kie, of Kie Leih, de hertog van Chow destijds (niet
- te verwarren met den hertog van Chow, Woe’s broeder, die Tan heette
- van zich zelf) was Wĕn’s vader, en Kie Leih’s vader was Ta.
-
- Toen Woe Wang keizer werd, was hij 87 jaar.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIX.
-
-1. De Meester zeide: „Hoe vèr reikte de Hiao [50] van koning Woe en den
-hertog van Chow!”
-
-2. Nu, de Hiao is het goed voortzetten van de wenschen der voorvaderen,
-het goed voortzetten van de zaken der voorvaderen.
-
-3. In de lente en in den herfst herstelden zij de voorvaderlijke
-tempels, rangschikten zij de voorvaderlijke offervazen, maakten zij de
-gebruikelijke gewaden in orde, en offerden de offeringen der seizoenen.
-
-4. Door de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel onderscheidden zij
-de (keizerlijke) bloedverwanten volgens hun afstamming. Door het
-regelen volgens den adellijken rang onderscheidden zij aanzienlijken en
-minderen. Bij het regelen der diensten onderscheidden zij talent en
-bekwaamheid. Bij de ceremonie van het drinken boden de lageren den
-beker aan de hoogeren en kregen (dus) óók iets (in die ceremonie) te
-doen. Bij het (tot besluit aangerichte) feest werden de plaatsen
-geregeld volgens het haar, en zoo werden de jaren (van leeftijd)
-onderscheiden.
-
-5. Zij namen de plaats in van hun voorvaderen, verrichtten hunne
-ceremoniën, speelden hun muziek. Zij vereerden diegenen, die hun
-voorvaderen hadden vereerd, hadden diegenen lief, die hun voorvaderen
-hadden liefgehad. Zóó dienden zij de dooden, zooals zij de levenden
-zouden gediend hebben; zij dienden de verschenenen, zooals zij hen
-zouden gediend hebben indien zij bij hen waren gebleven. Dit is de
-opperste Hiao.
-
-6. Met de ceremoniën aan den Hemel en de Aarde dienden zij Shang Ti, en
-met de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel dienden zij hun
-voorvaderen. Hij, die de ceremoniën van de offeringen aan Hemel en
-Aarde, en de bedoeling van de verschillende offeringen aan de
-voorvaderen begreep, zou de regeering van een koninkrijk even
-gemakkelijk vinden als het kijken in zijn handpalm.
-
-
- Wij zien uit een en ander dat de Hiao niet enkel bestaat uit het
- liefhebben en eerbiedigen van de ouders, maar ook uit het navolgen
- van hun leven, het treden in hun voetspoor. Zóó staat in de „Loen
- Yü” dat men eerst van iemand zeggen kan dat hij Hiao heeft als hij
- drie jaren na zijn’s vaders dood niet afgeweken is van diens
- gedragslijn. Het buitengewoon gewicht, dat Confucius aan ceremoniën
- van de Lí hechtte, schijnt wel wat overdreven, maar men vergete
- hierbij vooral niet, dat hij het begaan van Tao daarvan
- onafscheidelijk achtte, en het hem niet om den uiterlijken schijn
- te doen was, maar om het ware wezen er van, de reverentie, die er
- mede werd uitgedrukt. Zoo zegt hij („Loen Yü,” Boek XVII) zeer
- terecht: „Zijn edelsteenen en zijde (die bij ceremoniën worden
- gedragen) dan alles wat bedoeld wordt met de Lí?” Zóó opgevat, als
- symboliek van de reverentie voor het diviene, wordt Confucius’
- hooge opvatting van de Lí begrijpelijker. Het eerbiedigen der
- familiebetrekkingen en der rangen en standen was eveneens voor hem
- niet zoozeer bekrompenheid als wel eerbied voor de „hemelsche orde
- der dingen.”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XX.
-
-1. De hertog N-gai (van Loe) vroeg over regeering.
-
-2. De Meester zeide: „De regeering van Wĕn en Woe is (te vinden) in de
-tabletten van hout en bamboe (de annalen). Als er (ware) menschen zijn
-zal de regeering bloeien; als er geen (ware) menschen zijn zal de
-regeering vergaan en ophouden.”
-
-3. Met de ware menschen gaat de regeering vlug, zooals met de ware
-aarde de boomen bloeien, ja, hun regeering mag genoemd worden een
-overvloedig groeiend riet.
-
-4. Daarom, de regeering bestaat uit (het weten te krijgen) van de
-(ware, geschikte) menschen. Het kiezen van de (ware, geschikte)
-menschen ligt in het zelf (karakter van den regeerder). Het verzorgen
-van het zelf (karakter) bestaat uit het doen van plicht en recht. Het
-betrachten van plicht en recht ligt in (het betrachten van)
-menschlievendheid.
-
-5. Menschlievendheid is (eigen aan) den mensch. Het voornaamste daarvan
-is, zijn bloedverwanten lief te hebben. Rechtmatigheid is doen wat
-behoort gedaan te worden. Het voornaamste daarvan is het eeren van de
-eerwaardigen. Steeds meer en meer zijn bloedverwanten lief te hebben en
-de graden van het eeren van de eerwaardigen, is wat uit de Lí geboren
-wordt.
-
-6. Als de lageren (in positie) het vertrouwen (van hun Heer) niet
-verkrijgen kunnen zij er niet in slagen, het volk (goed) te regeeren.
-
-
- Deze tekst No. 6, neemt men algemeen aan, is hier abusievelijk
- ingelascht en behoort bij No. 17.
-
-
-7. Daarom mag (de Vorst die) een Kiün Tszʼ (is) niet verzuimen, zijn
-eigen karakter te verzorgen. Wil hij zijn eigen karakter verzorgen, dan
-mag hij niet verzuimen, zijn ouders te dienen. Wil hij zijn ouders
-dienen, dan mag hij niet verzuimen, de menschen te kennen. Wil hij de
-menschen kennen, dan mag hij niet verzuimen, den Hemel te kennen.
-
-
- Het directe, logische verband tusschen deze graden van kennen is
- niet heel duidelijk, ook bij de commentators niet.
-
-
-8. De Wegen, te begaan door allen onder den Hemel (zijn) vijf; de
-(deugden), waarmede ze begaan worden, (zijn) drie. (Het betrachten van
-de plichten tusschen) Vorst en minister, vader en zoon, man en vrouw,
-ouderen broeder en jongeren broeder en die (van den) omgang van
-vrienden, dit zijn de vijf wegen, door allen onder den Hemel te begaan.
-Kennis, menschelijkheid [51] en energie, dit zijn de drie deugden van
-allen onder den Hemel. Dat, waardoor ze worden toegepast, is éénheid.
-
-
- Men herinnere, dat aan dit „menschelijkheid” eigen is, het gehéél
- zonder egoïsme zijn. Wat dat eene is, zal nader uit dit werk
- blijken, waar over „Chʼing” wordt gesproken. Wij zouden den eersten
- zin ook vrijer kunnen vertalen door „De universeele plichten zijn
- vijf (in getal) enz.” In No. 3 heb ik met de vertaling: „met de
- ware menschen” niet letterlijk vertaald, omdat ik in twijfel was.
- Ik heb daarom de door anderen o. a. Legge genomen versie genomen,
- die vrij en niet letterlijk is vertaald.
-
-
-9. Sommigen worden met de kennis (dier plichten en deugden) geboren;
-sommigen leeren haar later; sommigen kennen haar (eerst) na een
-smartelijk besef van hun onwetendheid. Maar als ze haar (eenmaal) weten
-is het ’t zelfde. Sommigen betrachten haar gemakkelijk (uit den aard
-hunner natuur); sommigen om het voordeel (van het goede, er mede te
-doen); sommigen door krachtdadige pogingen. Maar als het (werk eenmaal)
-volmaakt is, is het (resultaat) ’t zelfde.”
-
-
- Hierin wordt No. 8 nader toegelicht. Men lette hier op het verband
- tusschen de kennis—correspondeerende met het met die kennis geboren
- worden en het (uit den aard der natuur) gemakkelijk betrachten—de
- menschelijkheid, correspondeerende met het voordeel (van het goede,
- er mede te doen)—en de energie—correspondeerende met het
- krachtdadig pogen. Het resultaat is één. Het volgende nummer gaat
- hierop logisch door:
-
-
-10. De Meester zeide: „Houden van de studie is dicht bij kennis zijn.
-Krachtdadig beoefenen is dicht bij menschelijkheid zijn. Schaamte
-kennen is dicht bij energie zijn.
-
-11. Wie deze drie kent weet hoe hij zijn karakter heeft te verzorgen.
-Wie weet, hoe zijn karakter te verzorgen, weet hoe hij (andere)
-menschen kan regeeren. Wie weet, hoe (andere) menschen te regeeren,
-weet hoe de staten en families van het geheele rijk te regeeren.
-
-12. Allen, die het rijk regeeren, hebben (zich te houden aan) negen
-fondamentale regels; „de verzorging van het (eigen) karakter, het eeren
-van de eerwaardigen, liefhebben (en nabijkomen) van bloedverwanten,
-eerbied hebben voor hooge ambtenaren, beleefde welwillendheid tegenover
-alle andere ambtenaren, het geheele volk beschouwen als kinderen, het
-aanmoedigen van de verschillende ambachten, (vriendelijk en) zacht zijn
-tegen verafwonenden, liefderijk zijn tegen de vorsten der
-(onderhoorige) staten.”
-
-13. Verzorgt (de opperheer, de regeerder) het eigen karakter, dan zijn
-de universeele plichten gegrondvest. Eert hij de eerwaardigen, dan
-wordt vergissing (in ’t beoordeelen en benoemen) voorkomen. Heeft hij
-zijne bloedverwanten lief, dan is er geen onaangenaamheid tusschen
-zijne ooms en broeders over en weer. Eerbiedigt hij de hooge
-ambtenaren, dan is er geen verwarring. Is hij beleefd en welwillend
-tegenover alle (andere) ambtenaren, dan beantwoorden zij dit met
-dankbaarheid. Beschouwt hij het geheele volk als kinderen, dan zal het
-zich onderling vermanen (tot het goede). Moedigt hij de ambachten aan,
-dan heeft hij nut van zijne uitgaven. Is hij (vriendelijk en) zacht
-tegen verafwonenden, dan komen zij van alle vier windstreken (in zijn
-rijk). Is hij liefderijk tegen de vorsten der staten, dan wordt hij
-vereerd in het geheele rijk.
-
-14. Zelfbeheersching en helder doorzicht, het verzorgen van zijn
-kleeding, en geen beweging maken, die niet gepast aan de Lí is,—dat is
-de manier (voor den Regeerder) om zijn eigen karakter te verzorgen.
-Laster van zich afstooten, zich verwijderd houden van de schoonheid,
-rijkdom gering schatten, de deugd hoogachten,—dat is, hoe hij de
-eerwaardigen moet aanmoedigen. Hun een eervolle positie te geven en hun
-traktement vast te stellen, met hen gelijk op lief te hebben en te
-haten,—dat is de manier om tot liefhebben van bloedverwanten aan te
-moedigen. Hun volop ambtenaren te geven om hunne bevelen en opdrachten
-te volvoeren,—dat is de manier, om groote ministers aan te moedigen.
-Hun een loyaal vertrouwen te schenken, en hun traktement solide te
-maken,—dat is de manier om alle (andere) ambtenaren aan te moedigen.
-Het slechts op (gepaste) tijden (voor diensten) te gebruiken, en lichte
-belastingen heffen,—dat is de manier om het volk aan te moedigen.
-Dagelijks hun werk te onderzoeken en maandelijksche proefwerken te doen
-houden, en hunne rantsoenen in overeenstemming met hun arbeid te
-maken,—dat is de manier, om de honderd (verschillende soorten van)
-ambachtslieden aan te moedigen. Hen bij hun vertrek een uitgeleide te
-geven, en hen bij hun aankomst tegemoet te gaan, de goeden (onder hen)
-geluk te wenschen, en de onbekwamen te bemedelijden,—dat is de manier
-om de verafwonenden (vriendelijk en) zacht te behandelen. Families,
-welker lijn van afstamming verbroken is, (weer) te herstellen, de orde
-te handhaven in staten, waar verwarring is, en te helpen, wie in gevaar
-zijn, op vaste tijden audiënties te geven en hen te ontvangen, ruime
-geschenken te geven bij hun vertrek, en (slechts) geringe aan te nemen
-bij hun komst,—dat is de manier om de vorsten van de staten liefderijk
-te behandelen.
-
-
- Met die ambachtslieden, die proefwerken doen, zullen wel bedoeld
- zijn, die welke door het gouvernement worden gebruikt. Het
- weer-herstellen der families wordt gedaan, door z. g. „stamhouders”
- te benoemen.
-
-
-15. Allen, die de regeering over het rijk voeren met zijn staten en
-families, hebben deze negen fondamenteele regels. Dat, waardoor ze
-worden toegepast, is éénheid.
-
-
- Men ziet hier, evenals in No. 9, dat telkens na de opsomming van
- plichten, deugden of dergelijken wordt gezegd, dat hetgene,
- waardoor ze worden toegepast, één is. In de voorrede heeft de
- filosoof Chʼing al gezegd, dat het boek spreekt van het ééne
- principe dat uitgespreid tien duizend (d. i. in ’t chineesch: alle)
- dingen omvat. De geheele „Choeng Yoeng” is de verheerlijking van
- die eenheid.
-
- De bovenbedoelde eenheid, waar alles door wordt toegepast, gaf
- Confucius (of misschien Tszʼ Szʼ) den naam „Chʼing”, alweer een
- absoluut onvertaalbaar woord, van zóó mystieke beteekenis, dat
- geheele scholen van chineesche geleerden er de meest verschillende
- uitleggingen van gaven. Ik meen, dat de drie begrippen te zamen:
- „absolute waarheid, absolute puurheid, absolute oprechtheid” het
- ongeveer omvatten. Ik zal echter het chineesche woord behouden.
- Samuel Johnson (Oriental Religions: China) zegt er van: „And the
- chinese Chʼing is confessedly no less than the ideal of personal
- wholeness or integrity as the motive of conduct or steadfast
- culture of the shoots of goodness in one’s own being.” Prof. Legge,
- ook verklarend, dat het eigenlijk onvertaalbaar is, vertaalt het
- door „sincerity,” en geeft de volgende hoofddefinities op: „Men
- zegt ons, dat „de geleerden der Han dynastie geheel onwetend waren
- van zijn (Chʼing’s) bedoeling.” Onder de Soeng dynastie kwam eerst
- Lie Pang Chih, die het definieerde „Vrij zijn van alle bedrog”. Na
- hem zeide Sioe Choeng Kioe dat het beteekende „altijddurendheid”.
- Toen noemde een der Chʼings het „vrij zijn van alle moreele
- dwaling”, en eindelijk voegde Choe Hie hier het positieve element
- bij van „waarheid en realiteit”, waarmede de definitie van den term
- compleet was. Eenvoud of éénheid van ziel schijnt te zijn wat
- voornamelijk met den term bedoeld wordt; de dispositie tot en
- capaciteit voor wat goed is, zonder eenig bedervend element, met
- geen gebrek van verstand, of invoeging van zelfzuchtige gedachten.
- Dit („Chʼing”) hoort bij den Hemel, bij Hemel en Aarde, en bij den
- Wijze.”
-
- Ik zou bij deze beschrijvingen van Prof. Legge nog dit willen
- voegen, dat ik dus geloof dat Chʼing beteekent „de oorspronkelijke
- toestand van de Sing”, zooals die volmaakt puur en rein is, de
- zuivere, diviene staat der natuur. Dit dan verwant aan „Yoeng”. Uit
- een en ander volgt tevens nog deze hoofdidee van de
- confucianistische leer, die men toch vooral onthoude: „dat alle
- deugden natuurlijk voortvloeien uit de Sing, en dus geen toevallige
- door de menschen gemaakte begrippen zijn, maar in de natuurlijke
- orde der dingen liggen.”
-
-
-16. Over ’t algemeen, als dingen vooraf voorbereid zijn, zijn zij
-(vast) gegrondvest; als ze niet voorbereid zijn gaan ze te niet. Als
-woorden vooraf vastgesteld zijn, heeft er geen struikelen plaats; als
-zaken vooraf gesteld zijn, is er geen moeilijkheid. Als daden vooraf
-vastgesteld zijn, is er geen ellende. Is de Tao vooraf vastgesteld, dan
-is het nut daarvan onuitputtelijk.
-
-17. Als lageren (in positie) (het vertrouwen van hun Heer) niet
-verkrijgen, kunnen zij er niet in slagen, het volk (goed) te regeeren.
-Er is een weg om het vertrouwen van zijn’ Heer te verkrijgen: als men
-het vertrouwen van zijn vrienden niet verkrijgt, zal men het ook niet
-verkrijgen van zijn’ Heer. Er is een weg, om het vertrouwen van zijn’
-vrienden te verkrijgen: als men niet gehoorzaam is aan zijn ouders zal
-men (ook) niet (loyaal en) oprecht zijn tegen zijn vrienden. Er is een
-weg, om gehoorzaam te zijn aan zijn ouders: als, zich in zich zelf
-keerende, men gebrek aan „Chʼing” (ziet), zal men ook niet gehoorzaam
-zijn aan zijn ouders. Er is een weg om „Chʼing” te hebben: als men niet
-helder weet wat Goed is, zal men zijn zelf ook niet tot „Chʼing” kunnen
-brengen.
-
-
- Men leze toch vooral goed, wat in het No. 15 van dit hoofdstuk bij
- de bespreking over „Chʼing” gezegd is, daar dit chineesche woord
- verder herhaaldelijk voorkomt. Ik heb de oorspronkelijke
- constructie „er is een weg” behouden, hoewel die niet positief maar
- negatief wordt aangeduid, wat in westersche logica in dezen niet
- heel mooi is.
-
- Blijkbaar is dit lange hoofdstuk XX als ’t ware een genesis van
- plichten en deugden, allen nauw verwant, en uit éénen Oorsprong, de
- Sing, en allen in den weg liggende van Tao, die evenmin één
- oogenblikje verlaten kan worden, als de volmaakte toestand
- „Chʼing”, absoluut puur zijnde, één vlekje toelaat.
-
-
-18. „Chʼing” is de Tao van den Hemel. Het bereiken van „Chʼing” is de
-Tao van de menschen. Zij, die „Chʼing” hebben treffen precies (het
-ware) zonder zich (te behoeven) in te spannen, en verkrijgen (het
-weten) zonder (te behoeven) te denken; die natuurlijkerwijze vanzelf de
-Tao (precies) treft, is de Wijze. Zij, die „Chʼing” bereiken, zijn zij,
-die het Goede kiezen, en het stevig vasthouden.
-
-
- Hier vindt men dus het idee van een ideaal mensch, den Wijze, die
- geheel vanzelf, zonder dat hij zich behoeft in te spannen, den
- waren Tao weet en precies treft. Hoe gevaarlijk het is, Tao per se
- met Weg te vertalen blijkt uit den eersten zin hier, waarin het een
- toestand is, die van absolute reinheid en puurheid.
-
-
-19. Zij, die ver (door) studeeren, nauwkeurig onderzoeken (wat goed is)
-en er navragen, met zorgzaamheid er over nadenken en helder
-onderscheiden, betrachten ernstig (het bereiken van „Chʼing”).
-
-20. Als er iets is, wat hij niet bestudeerd heeft, of er is iets, wat
-hij niet kan begrijpen, zal (de Kiün Tszʼ die „Chʼing” wil verkrijgen)
-niet zijn arbeid staken. Als er iets is, waarover hij niet gevraagd
-heeft, of er iets is, waarover hij gevraagd heeft, dat hij niet weet,
-zal hij zijn arbeid niet staken. Als er iets is, waarover hij niet
-heeft nagedacht, of er iets is, waarover hij heeft nagedacht, (maar)
-dat hij niet te weten is gekomen, zal hij zijn arbeid niet staken. Als
-er iets is, wat hij niet onderscheiden heeft, of er iets is in wat hij
-onderscheiden heeft (en) dat hem niet helder is, zal hij zijn arbeid
-niet staken. Als er iets is, wat hij niet betracht heeft, of er iets
-is, wat hij betracht heeft, (maar) waarin hij te kort komt aan ernst,
-zal hij zijn arbeid niet staken. Als een ander het in één (poging) kan
-(doen), doet hij het in tien. Als een ander het in honderd kan (doen),
-doet hij het in duizend.
-
-
- Een commentator wijst er op, dat wij hierboven een illustratie
- hebben van het begrip „energie” in No. 8 van dit hoofdstuk.
-
-
-21. Kan men dus dezen weg begaan, dan zal men, ofschoon (eerst) traag
-van begrip (zijnde), helderwetend worden, ofschoon (eerst) zwak
-(zijnde), energiek worden.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXI.
-
-Als er helderheid (van weten) is als gevolg van „Chʼing” is dat (uit de
-natuur van) de Sing. Als er „Chʼing” is als gevolg van helderheid (van
-weten) is dat (door de) Kiao, Leering. Als er „Chʼing” is, is er
-helderheid (van weten). Als er helderheid (van weten) is, is er
-„Chʼing”.
-
-
- Hier vinden wij dus nog eens bevestigd, dat het resultaat hetzelfde
- is, of men, als de Wijze, al met Chʼing geboren is en het altijd
- van toen af heeft behouden, of wel, of men door studie en onderwijs
- de helderheid van weten verkrijgt, en daardoor „Chʼing.”
-
-
-
-
-NAWOORD.
-
-Het bovenstaande is het een en twintigste hoofdstuk. Tszʼ Szʼ noemt er
-de onderwerpen van Confucius „de Tao van den Hemel” en „de Tao van de
-menschen” in, in het vorige hoofdstuk opgenoemd, en grondvest daarop
-zijne woorden. De twaalf volgende hoofdstukken zijn allen van Tszʼ Szʼ,
-en herhalen, verduidelijken en breiden uit de bedoeling van dit (een en
-twintigste).
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXII.
-
-Slechts hij, die de opperste „Chʼing” heeft, kan zijn Sing tot den
-reinen staat volmaken. Kan hij zijn Sing tot den reinen staat volmaken,
-dan kan hij ook de Sing van andere menschen tot den reinen staat
-volmaken. Kan hij de Sing van andere menschen tot den reinen staat
-volmaken, dan kan hij ook de Sing van (alle) dingen tot den reinen
-staat volmaken. Kan hij de Sing van (alle) dingen tot den reinen staat
-volmaken, dan kan hij Hemel en Aarde helpen in ’t vervormen en voeden;
-dan is hij met Hemel en Aarde één orde van drieën.
-
-
- Letterlijk staat er „kan zijn Sing uitputten (tsin).” De bedoeling
- is als in de vertaling. (Legge geeft „to give the full development
- to his nature” wat in den grond op hetzelfde neerkomt.)
-
- Wij komen met dit hoofdstuk in de mystiek van de „Choeng Yoeng”, en
- het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat wij hier met filosofie
- enkel van Tszʼ Szʼ te doen hebben, die hier verder ging dan zijn
- meester Confucius.
-
- Uit Hoofdstuk I van dit werk hebben wij gezien, dat de Sing is dat
- „wat de Hemel (als natuur) verleend heeft.” Goed leven is „volgen
- aan de Sing”, dus leven in Tao. Alle zonde en ongeluk ontstaat door
- bevlekking, verduistering van de Sing. Ik heb dus gemeend, hier
- „tsin” te moeten vertalen door „de Sing tot den reinen
- (oorspronkelijken) staat volmaken.”
-
- Choe Hie zegt er bij „Het „tsin” van de Sing is, als de deugd reëel
- is.” En de deugd kan natuurlijk alleen reëel zijn, als de Sing
- volmaakt rein is. Hij, wiens Sing rein is, en die dus Tao begaat,
- is vanzelf helder-wetend en begaafd met de hoogste deugden. Zoo
- iemand zal door zijn voorbeeld en zijn moreelen invloed ook andere
- menschen kunnen verreinen. Niet alleen door de pogingen van zijne
- door menschenliefde gedreven wil, maar omdat—en hier hebben wij een
- ook in ’t boeddhisme voorkomend idee—omdat de macht van zijn deugd
- als een natuurlijke kracht is, van hem uitgaande, die
- transformeerend werkt. En nu komt het idee—ook reeds in de oude
- filosofie der Vedanta’s te vinden—dat alle dingen (dus niet alleen
- de menschen) in de creatie een Sing hebben. Choe Hie zegt er
- duidelijk bij, dat, ofschoon de vorm en het animale leven niet
- hetzelfde zijn „de Sing van (andere) menschen en dingen is ook mijn
- Sing.” De filosofie van de „Choeng Yoeng”, die tot nu toe
- angstvallig bij de meer enkel menschelijke dingen bleef, rijst hier
- op tot de beschouwing van de allerhoogste orde der natuur.
-
- Niet alleen verklaart Tszʼ Szʼ, dat menschen èn dingen de Sing
- hebben, maar ook, dat de volmaakte mensch—d. i. de mensch die zijn
- Sing onbevlekt puur in zich heeft—de gelijke is van den Hemel. In
- westersch begrip overgebracht, hij bevestigt „de goddelijkheid van
- den mensch en een mogelijke vereeniging met het goddelijke.”
-
- Jammer alleen, dat hij de begrippen Hemel en Aarde niet nader
- omschrijft. (Wie omtrent de vereering van Hemel en Aarde meer wil
- weten, leze het Hoofdstuk „Eerste Maand, Negende Dag” in Prof. de
- Groot’s „Jaarlijksche Feesten en Gebruiken van de Emoy-Chineezen”.)
-
- Verder zegt Tszʼ Szʼ, dat de mensch, wiens Sing in den reinen staat
- is, niet alleen andere menschen, maar ook alle dingen kan verreinen
- en tot hun hoogste volkomenheid brengen, aldus ageerende en
- influenceerende als de Hemel en de Aarde (de Natuur). En deze
- mensch is dan ook één met Hemel en Aarde. Deze chineesche
- drieëenheid heet „Saan Tsʼai”, de drie Schatten: „Hemel, Aarde,
- Mensch.” (Th’ien Ti Jen.)
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIII.
-
-Hierop (n.l. op hem, die reeds de opperste „Chʼing” bezit) volgt hij,
-die het kromme cultiveert (d. i. het onvolmaakte in hem volmaakt). Van
-kromheid kan „Chʼing” komen. Deze „Chʼing” wordt (als in vorm)
-zichtbaar. Van (als in vorm) zichtbaar wordt zij gemanifesteerd. Van
-gemanifesteerd wordt zij schitterend. Schitterend zijnde beweegt zij
-(andere menschen en dingen). Bewegende doet zij veranderen. Doende
-veranderen transformeert zij.
-
-Alleen hij, die de opperste Chʼing heeft onder den Hemel, kan (andere
-menschen en dingen) transformeeren.
-
-
- Heeft Tszʼ Szʼ het in Hoofdstuk XXII gehad over degenen, die reeds
- van nature de opperste „Chʼing” hadden (Vergelijk ook Hfdst. XX. No
- 9), in dit hoofdstuk behandelt hij degenen, die eerst het kromme
- (onvolmaakte) in zich nog recht (volmaakt) moeten maken. Is dat
- kromme eenmaal recht gemaakt, dan is eveneens de „Chʼing” bereikt,
- die de Wijze al had (Zie Hfdst. XX. No 9: „Maar als het werk
- volmaakt is, is het resultaat ’t zelfde”).
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIV.
-
-Het is de natuurlijke eigenschap van de opperste „Chʼing” om (de
-toekomst) vooruit te weten. Zal een staat of eene familie bloeien, dan
-zijn er stellig goede voorteekenen. Zal een staat of eene familie
-ondergaan, dan zijn er stellig kwade voorteekenen. Een en ander is te
-zien aan het duizendblad en de schildpad, en het beweegt de vier
-ledematen. Als geluk of ramp naderbij komt zal (hij, die „Chʼing”
-heeft) het goede stellig vooruit weten, en het kwade ook. Daarom, hij,
-die de opperste Chʼing heeft, is als een geest.
-
-
- Dat de volmaakte mensch alwetend is, en de toekomst vooruit kan
- weten is een idee, dat men in oud-indische systemen van filosofie
- kan terugvinden, en niet zoo absurd is, als het oppervlakkig wel
- schijnt. Maar de wijze, waarop dit idee hier in de practijk wordt
- voorgesteld, n.l. door middel van wichelarij, is belachelijk, en
- geheel uit den toon van deze serie hoofdstukken.
-
- Het duizendblad (volgens Wells Williams zou „Shʼ”, hier een
- chineesche, in Europa onbekende plant zijn, gelijkende op Anthemis
- of Ptormica Sibirica), en de schildpad worden gebruikt in de
- chineesche wichelarij. Met „de vier ledematen” worden bedoeld de
- vier pooten van de schildpad, die elk in een ander seizoen voor het
- wichelen dienen.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXV.
-
-1. „Chʼing” wordt voortgebracht door zelfvolmaking. Tao is dat,
-waarnaar men zich moet richten.
-
-2. „Chʼing” is het einde en het begin der dingen. Als er geen „Chʼing”
-was, zou er niets bestaan. Daarom beschouwt de Kiün Tszʼ „Chʼing” als
-zijn grootsten schat.
-
-
- De oorsprong, de Sing der dingen is natuurlijk absoluut waar
- (reëel) en puur. Het eenige, ware leven is dat van de Sing. Ware
- deze niet „Chʼing,” niet absoluut reëel en puur, dan zou er ook
- niets reëel kunnen bestaan.
-
-
-3. Hij, die „Chʼing” heeft, volmaakt niet enkel zichzelf, (maar) hij
-volmaakt er (ook andere) dingen (en menschen) mede. Het volmaken van
-zichzelf (is te danken aan) zijn Menschelijkheid. [52] Het volmaken van
-(andere) dingen (en menschen) (is te danken aan) zijn Weten. Deze
-(Menschelijkheid en Weten) zijn de deugden, (eigen) aan de Sing, en dit
-is de wijze, waarop het uitwendige en inwendige wordt vereenigd.
-Daarom, wannéér ook (degene, die „Chʼing” heeft) haar aanwendt, werken
-zij zooals ’t behoort.
-
-
- Men herinnere zich dat met menschelijkheid geen humaniteit maar „de
- volmaakte deugd van het menschelijk hart” bedoeld wordt.
-
- Door menschelijkheid en weten (ál-weten, kennen) is er géén
- verschil meer tusschen inwendige dingen (van ons zelven) en
- uitwendige (van anderen). Zie in de Bespreking onder Hfdst. XXII
- het gezegde van Choe Hie: „de Sing van (andere) menschen en dingen
- is ook míjn Sing.”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVI.
-
-1. Daarom, de opperste „Chʼing” houdt niet op.
-
-
- Choe Hie legt dit op de volgende wijze uit: „daar Chʼing geen
- leêgheid of schijn heeft, heeft het vanzelf geen ophouding of
- afbreking.”
-
-
-2. Niet ophoudende, duurt het lang. Langdurende geeft het bewijs van
-zijn bestaan.
-
-3. Bewijs gevend van zijn bestaan reikt het ver. Ver-reikende wordt het
-groot en (als stoffelijk) substantieel. Groot en substantieel, wordt
-het hoog en schitterend.
-
-4. Groot en substantieel, aldus bevat het alle dingen. Hoog en
-schitterend, aldus overwelft het alle dingen. Ver-reikende en
-langdurig, aldus volmaakt het alle dingen.
-
-5. (Chʼing aldus) groot en substantieel (zijnde) is hij (die het
-bereikt heeft) de gelijke van de Aarde; (Chʼing aldus) hoog en
-schitterend (zijnde) is hij (die het bereikt heeft) de gelijke van den
-Hemel; (Chʼing aldus) ver-reikende en langdurig (zijnde) is hij (die
-het bereikt heeft) eindeloos.
-
-
- Hier gaat de filosoof verloren in mystiek bij zijne apothéose van
- den idealen mensch. Niet alleen, dat de mensch, die „Chʼing” heeft
- bereikt, ál-wetend is, maar ook álomtegenwoordig, en in allen en
- alles. Dit heeft veel van eene absorptie in de universeele Natuur,
- zou ik bijna zeggen.
-
-
-6. Aldus is de Chʼing zonder zich (zichtbaar) te vertoonen (vanzelf)
-helder gemanifesteerd; zonder te bewegen veroorzaakt het (vanzelf)
-veranderingen; vanzelf, uit den aard zijner natuur, volmaakt het.
-
-7. De Tao van Hemel en Aarde kan met één zin uitgezegd worden: hij is
-één-in-zich-zelf, en baart de dingen op een ondoorgrondelijke wijze.
-
-
- Hier ziet men weer, dat Tao in sommige gevallen méér dan Weg moet
- beteekenen, en meer in den zin „het principe van actie,” indien het
- niet volkomen onvertaalbaar was. Choe Hie merkt hierbij op dat
- „Ching” vanzelf dat „één-in-zich-zelf zijn” van Tao medebrengt.
- Letterlijk staat er niet één-in-zich-zelf, maar „zonder tweede”,
- „zonder dubbel”.
-
-
-8. De Tao van Hemel en Aarde is groot en substantieel, hoog en
-schitterend, ver-reikend en langdurend.
-
-
- Dezelfde eigenschappen dus als van „Chʼing”. Dat het hier niet
- zóómaar „Weg” kan beteekenen is duidelijk. Het is ondoenlijk,
- precies die ìn-chineesche begrippen als „Chʼing” en „Tao” te
- doorvoelen en dan uit te drukken in een europeesch woord.
-
-
-9. De Hemel van nu (boven ons) is maar wat schittering; maar in al Zijn
-eindeloosheid beschouwd, zijn zon, maan, sterren en sterrenbeelden er
-in opgehangen, en overdekt Hij alle dingen. De Aarde van nu (vóór ons)
-is slechts een handvol aarde, maar in al Hare uitgebreidheid en dikte
-beschouwd, steunt Zij bergen als de Hwa Yoh, zonder hun zwaarte te
-voelen, beweegt rivieren en zeeën, zonder te lekken, en bevat
-tienduizend (alle) dingen. De berg nu (vóór ons) is slechts een stuk
-steen; maar in al de uitgestrektheid van zijn grootte beschouwd, brengt
-hij gras en boomen voort, vogels en beesten wonen er op, en
-kostbaarheden zijn er in verborgen. Het water nu (vóór ons) is slechts
-een lepel vol, maar in zijn onpeilbare diepten worden er de grootste
-schildpadden, krokodillen, draken, visschen en zeeschildpadden in
-voortgebracht, en bevat het koopwaren en dingen van waarde in
-overvloed.
-
-
- Het verband tusschen dit nummer en de vorige is niet heel direct.
- Het komt mij voor, een symbool te geven van de tallooze dingen, die
- door de „Chʼing” van Hemel en Aarde worden voortgebracht, de
- immense verscheidenheid, geproduceerd door het Ééne. Maar dan zou
- hier die zuiver stoffelijke werking als symbool moeten dienen ook
- voor de spiritueele, en het is lang niet met zekerheid te bepalen,
- of Tszʼ Szʼ dit wel bedoelde.
-
-
-10. De Shi King zegt: „Hoe majestueus en eindeloos zijn de
-beschikkingen des Hemels!” De bedoeling is, dat dáárom (juist) de Hemel
-de Hemel is. (En ook zegt de Shi King:) „O! hoe doorluchtig was de
-puurheid van koning Wĕn’s deugd!” De bedoeling is, dat dáárom (juist)
-koning Wĕn Wĕn was. Puurheid is eveneens zonder ophouden (eindeloos).
-
-
- Men ziet hier, hoe opzettelijk een der oude Wijzen, koning Wĕn van
- Chow, met den Hemel vergeleken wordt. Hier komt in den tekst een
- karakter „shoen” voor, dat eigenlijk beteekent „rein, puur als
- witte zijde.” Met die „puurheid” is vanzelf ook bedoeld
- „volmaaktheid” van de Sing, den éénen, reinen staat van oorsprong
- der Sing.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVII.
-
-1. Hoe groot is de Tao van den Wijze!
-
-2. Eindeloos als een oceaan (zijnde) doet het [53] alle dingen ópkomen
-en voedt het hen, en het rijst óp tot de opperste hoogte van den Hemel!
-
-3. Volmaakt is zijn grootheid. Het omvat de driehonderd regels van de
-Lí en de drieduizend regels van gedrag.
-
-4. Het wacht op den (rechten) mensch, en daarna wordt het begaan.
-
-5. Daarom zegt men: „Als het niet door de opperste deugd is, kan de
-opperste Tao niet verwezenlijkt worden.”
-
-6. Daarom eert de Kiün Tszʼ zijn deugd en zijn Sing, en zal hij steeds
-onderzoek doen en studeeren, totdat hij het in al zijn uitgebreidheid
-en grootheid kent, van het grofste tot het fijnste, het doende oprijzen
-tot die hoogte en die helderheid, totdat hij in „Choeng Yoeng” gaat.
-Hij oefent (door herhaling) het oude, en (maakt dat hij) het nieuwe
-weet. Hij betracht een (absoluten) ernst om de Lí hoog te houden.
-
-
- Men lette er op, hoe in No 2 het begrip van Tao nog mystiek is, en
- in No 3 weer terugkeert tot de gewone dingen en verrichtingen der
- menschen, als b. v. de Lí. Ook blijkt hier weer uit, welke diviene
- waarde aan de Lí wordt gehecht, daar zij onafscheidelijk van Tao
- is.
-
-
-7. Daarom, in een hooge positie is de Kiün Tszʼ niet trotsch, en in een
-lage positie niet oneerbiedig. Als het rijk wordt geregeerd volgens
-recht zullen zijn woorden voldoende zijn om hem hoog te doen rijzen;
-als het rijk wordt geregeerd niet volgens recht zal zijn stilzwijgen
-voldoende zijn het hem te doen verdragen. De Shi King zingt:
-„Verstandig is hij en schrander, en zoo behoedt hij zijn persoon.” Is
-dit niet zoo?
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVIII.
-
-1. De Meester zeide: „Een domme, die gaarne zijn eigen zin volgt;
-iemand van inferieuren rang, die zichzelf gaarne bestuurt; iemand van
-tegenwoordig, die strijdig doet aan de wegen der Ouden; over dezulken,
-die aldus doen, zullen stellig rampen komen.”
-
-
- In dit hoofdstuk daalt Tszʼ Szʼ weder neer uit zijn mystische
- bespiegelingen, om weer eenvoudig de woorden van Confucius aan te
- halen.
-
-
-2. Alleen de Keizer mag de Lí regelen, de afmetingen vaststellen, en de
-karakters bepalen.
-
-3. Tegenwoordig hebben over het geheele rijk de wagens dezelfde wielen,
-het schrift dezelfde karakters, het gedrag dezelfde regels.
-
-4. Men moge (al) den (vorstelijken) rang bezitten, als men de deugd
-(daartoe behoorende) niet heeft, mag men het niet wagen, Lí of Muziek
-te maken. Men moge al de deugd bezitten, als men den vorstelijken rang
-niet (daarbij) heeft, mag men het niet wagen, Lí of Muziek te maken.
-
-5. De Meester zeide: „Ik vertel van de Lí der Hia dynastie, maar Kie
-kan daar niet genoeg getuigenis van geven. Ik heb de Lí van de Yin
-dynastie geleerd, die in Soeng overgebleven is. Ik heb de Lí van Chow
-geleerd, die nu in gebruik is, en ik volg Chow.”
-
-
- Legge merkt hier zeer juist bij aan, dat uit dit hoofdstuk blijkt,
- hoe drie dingen noodig zijn om de wet aan het keizerrijk te geven:
- „de deugd, de rang, en de geschikte tijd.” In No 2 wordt met de Lí
- bedoeld: „de ceremoniën in godsdienstige bijeenkomsten en in
- gezelschap”, met afmetingen: „de voorschriften omtrent het bouwen
- van huizen, den vorm van wagens, van kleederen” enz. enz. Bij No 5
- zij aangeteekend, dat Kie een klein staatje was, waar de Hia’sche
- ceremoniën nog in gebruik waren. Zoowel in Kie als in Soeng waren
- de schoone kunsten en beschaafde vormen en gebruiken niet meer
- geëerd, en voor een groot deel verloren gegaan, en er leefden geen
- wijze mannen, zoodat Confucius niemand had kunnen vinden om
- voldoende voor de waarheid zijner beschrijving van de ceremoniën
- der oude Hia dynastie te kunnen getuigen. Daarom gebruikte hij
- gewillig de nieuwere Lí van Chow.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIX.
-
-1. Hij, die tot het opperheerschap over het rijk komt, en deze drie
-gewichtige dingen heeft, zal weinig fouten maken.
-
-
- De chineesche geleerden zijn het niet eens, wat met „deze drie
- gewichtige dingen” wordt bedoeld. Ik meen dat Legge, (die deze
- uitlegging overnam van den commentator Loeh, uit de Thʼang
- dynastie) de juiste verklaring geeft als te zijn „de deugd, de rang
- en de geschikte tijd.”
-
-
-2. De Lí van vroegere tijden, ofschoon (nóg zoo) goed, kan niet door
-getuigenis bevestigd worden. Niet bevestigd, wordt er niet in geloofd,
-en niet geloofd, volgt het volk haar niet. De Lí van iemand van lageren
-rang, ofschoon (nóg zoo) goed, wordt niet geëerbiedigd (door dien lagen
-rang). Niet geëerbiedigd, wordt er niet in geloofd, en niet geloofd,
-volgt het volk haar niet.
-
-3. Daarom, de instellingen en wetten van den (Vorst die een) Kiün Tszʼ
-(is), hebben hun Oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er
-van gebeurt door de groote massa van het volk. Hij toetst ze aan die
-der drie Koningen, en bevindt (dan) dat ze vlekkeloos zijn. Hij stelt
-ze op voor (het gezicht van) Hemel en Aarde, en vindt er (dan) niets in
-tegen de natuur. Hij houdt ze den geesten voor, zonder er aan te
-twijfelen. Hij (is voorbereid te wachten) honderd eeuwen daarna tot (de
-oprijzing van) een Wijze, en weet dat er geen dwalingen in zijn.
-
-4. Dat hij ze den geesten voorhoudt, zonder er aan te twijfelen,
-bewijst, dat hij den Hemel kent. Dat hij (voorbereid is te) wachten,
-honderd eeuwen daarna, tot de oprijzing van een Wijze, en weet dat er
-geen dwalingen in zijn, bewijst, dat hij de menschen kent.
-
-
- Dit is een der hoofdideeën van Confucius, dat de regeering van den
- vorst haar Oorsprong heeft in zijn eigen karakter. De Sing van den
- Vorst de oorsprong van de geheele regeering. Is die rein, dan
- zullen zijne wetten niets bevatten wat strijdig is tegen den Hemel.
- De drie bedoelde koningen zijn Yü, Thʼang en Wĕn (met Woe).
-
-
-5. Dit aldus zijnde, zijn de bewegingen van den Vorst van invloed op
-het geheele rijk, voor eeuwen. Zijn daden zijn wet voor het geheele
-rijk, voor eeuwen. Zijn woorden zijn regel voor het geheele rijk, voor
-eeuwen. Die ver van hem zijn, zien bewonderend naar hem op, die dicht
-bij hem zijn, zijn hem nooit moede.
-
-6. De Shi King zegt: „Hier niet gehaat, dáár niet benijd, zal men zijn
-lof dag en nacht roemen.” Er is nog nooit een Vorst geweest, die niet
-hieraan beantwoordde, en vroeg door het geheele rijk beroemd was.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXX.
-
-1. Choeng Ni (Confucius) leverde de leer van Yaou en Shoen over, als
-waren zij zijne voorvaderen, en handhaafde de wetten van Wĕn en Woe als
-zijn model. Hij harmonieerde met de tijden des Hemels bóven, en was
-aangepast aan de (natuur) van het water en het land beneden.
-
-
- „De tijden des Hemels” is „de onophoudelijke, regelmatige beweging
- van den Hemel”, en „het water en het land” hier in tegenstelling
- met den Hemel, is gebruikt, omdat die massief en onbewegelijk zijn.
- Aldus Choe Hie, en op diens gezag Legge. Heel helder is het voor
- europeesch begrip niet.
-
-
-2. Hij was als de Hemel en de Aarde in hun steunen en omvatten, hun
-overschaduwen en overhuiven van alle dingen. Hij was als de vier
-seizoenen, in hun afwisselenden gang, als de zon en de maan, in hun
-successievelijk schijnen.
-
-
- De hoogste verglorieïng van den Wijze, hier Confucius, is dus het
- gelijk zijn in wezen en actie aan de natuur, daar deze dan ook
- precies in Tao is.
-
-
-3. Alle dingen worden te zamen gevoed, zonder elkaar te kwetsen. De Tao
-van alle dingen gaat denzelfden weg, zonder botsing onderling. De
-kleinere deugden zijn als stroomen van een rivier, de grootere zijn
-machtig transformeerend. Dit is (juist) wat Hemel en Aarde zoo groot
-maakt.
-
-
- Werd dus de Sing maar rein bewaard, zoodat alles in Tao ging, dan
- zou alles naast elkaar vredig kunnen bestaan, zonder kwetsing en
- botsing onderling. Als men diep doordenkt, zal men zien dat Tao,
- het precies volgen van de Sing, de hemelsche natuur, ook zeer
- gerust zou kunnen genoemd worden „De natuurlijke gang der dingen”!
- In het begin is het volgen van Tao eenvoudig als het stroomen van
- rivierstroompjes, later wordt het een hooger leven van machtige
- transformaties. (Zie ook Hfdst. XXII en XXIII.)
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXI.
-
-1. Alleen hij, die de opperste wijsheid heeft onder den Hemel, kan
-voldoende vlug van bevatting, helder van doorzicht, van vér-reikende
-intelligentie, àlomvattend van kennis zijn, om de regeering uit te
-oefenen; voldoende grootmoedig, edelaardig, vriendelijk en zacht om
-verdraagzaam te zijn; voldoende impulsief, krachtig, ferm en resoluut
-om zich te handhaven; genoeg zelfbeheersching hebben, ernstig zijn, in
-„Choeng” blijven en correct zijn, om reverentie af te dwingen; genoeg
-algemeen ontwikkeld zijn, oordeel hebben, doordringen in (het wezen
-der) dingen, om te kunnen onderscheiden (wat recht en onrecht, goed en
-slecht is).
-
-2. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, en diep als een
-springbron, en zendt zijne deugden voort in de juiste seizoenen.
-
-3. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, als de Hemel. Onpeilbaar
-als een springbron, is hij als een afgrond. Hij wordt gezien, en het
-geheele volk vereert hem; hij spreekt, en het geheele volk gelooft hem;
-hij handelt, en het geheele volk verblijdt in hem.
-
-
- Zou daarom een bron en een afgrond als symbool zijn genomen als
- vergelijking met de Sing?
-
- „Hij wordt gezien” als hij zich in staatsiegewaad en muts vertoont,
- „hij spreekt” als hij zijne wetten, bepalingen, bevelen enz.
- uitvaardigt, „hij handelt” in de ceremoniën, de muziek, de
- bestraffingen, en regeeringsdaden. (Legge.)
-
-
-4. Daarom, zijn roem overvloeit het geheele Rijk van het Midden, en
-strekt zich uit tot alle barbaarsche stammen. Wáár schepen en wagenen
-komen, wáár de menschelijke kracht doordringt, wáár de Hemel overwelft
-en de Aarde draagt, wáár zon en maan schijnen, wáár rijp en dauw
-vallen, eerbiedigen hem allen, die bloed en levensprincipe hebben, en
-volgen allen hem na. Daarom zegt men „Hij is de gelijke van den Hemel.”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXII.
-
-1. Alleen hij, die de opperste „Chʼing” heeft onder den Hemel, kan de
-hoogste, natuurlijke betrekkingen der menschen onder den Hemel regelen,
-kan de groote, oorspronkelijke deugden van den Hemel grondvesten, kan
-de transformeerende en voedende acties van den Hemel weten. Hoe zou hij
-iets buiten zich zelf kunnen hebben, om op te steunen?
-
-
- Hieruit blijkt alweer duidelijk, dat de Vorst in zich zelf alles
- moet hebben, wat voor een goede regeering noodig is. Onder die
- „betrekkingen” wordt hier voornamelijk verstaan de te voren in dit
- werk reeds besproken „vijf Loen”.
-
-
-2. Ontwijfelbaar is zijn menschelijkheid! Onpeilbaar is hij, als een
-afgrond! Hoe eindeloos, als de Hemel!
-
-3. Niemand kan hem kennen dan hij, die werkelijk vlug is van bevatting,
-helder van doorzicht, wijs en allesomvattend (van verstand), en die de
-deugden van den Hemel heeft.
-
-
- „Alleen de Wijze kan den Wijze kennen,” merkt de commentator Ching
- Su hierbij op.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXIII.
-
-1. De Shi King zegt: „Om haar beborduurden pels doet zij een eenvoudig
-kleed aan,” om aan te duiden een afkeer van vertoon van het mooie.
-Daarom is het de Tao van den Kiün Tszʼ om (zijn deugd) te verbergen,
-die dan met den dag (juist) mooier uitkomt; de Tao van den kleinen
-mensch is vertoon, en hij wordt met den dag minder. De Tao van den Kiün
-Tszʼ (gelijkt) smakeloos, maar men wordt hem nooit moede; hij lijkt
-kortaf, maar is volkomen beschaafd; hij is eenvoudig, maar volgens de
-rede. Hij weet dat wat veraf is geworteld is in ’t nabijë. Hij weet van
-waar de wind komt. Hij weet het (groot-) gemanifesteerde van het
-(schijnbaar) kleine. Hiermede zal hij de deugd kunnen binnentreden,
-naar ik meen.
-
-2. De Shi King zegt: „Ofschoon de visch zinkt en ligt op den bodem,
-wordt zij toch duidelijk gezien.” Daarom onderzoekt de Kiün Tszʼ zijn
-binnenste, opdat er daar niets verkeerds zij, en hij niets hatelijks
-zie in zijne neigingen. Dit is het onbereikbare (voor ons) in den Kiün
-Tszʼ: „dat, wat andere menschen niet kunnen zien.”
-
-3. De Shi King zegt: „Weest vrij van (dingen van) schaamte in uw kamer,
-waar licht doorkomt. Daarom, (zelfs) al beweegt hij niet, is de Kiün
-Tszʼ (toch) in reverentie, al spreekt hij niet, is hij (toch) vol
-oprechtheid.”
-
-
- Vergelijk voor No 2 hierboven Hfdst. I. No 3. De bedoeling van No 3
- is, dat de Kiün Tszʼ vooral in het private leven, al is hij alleen
- in zijn kamer, waar het licht (van den Hemel) hem toch altijd ziet,
- het gevoel van reverentie moet hebben, en volkomen oprechtheid.
-
-
-4. De Shi King zegt: „In eerbiedige stilte wordt geofferd, en wordt
-(den geest) genaderd; er is geen oogenblikje wanklank (strijd).”
-
-Daarom, de Kiün Tszʼ geeft geen belooningen en (toch) is het volk (tot
-de deugd) vermaand. Hij toont geen toorn, en het volk vreest voor hem
-als voor bijlen en strijdaksten.
-
-5. De Shi King zegt: „Wat geen vertoon behoeft, is de deugd.” Alle
-vorsten maken er hun voorbeeld van. Daarom, als de Kiün Tszʼ (die Vorst
-is) ernstig en reverent is, is er rust en vrede over het geheele rijk.
-
-6. De Shi King zegt: „Ik zie met blijdschap uw heldere deugd, die geen
-vertoon maakt met klanken en kleuren.” De Meester zeide: „Klanken en
-kleuren zijn maar kleinigheden voor de hervorming van het volk.” De Shi
-King zegt (ook): „De deugd is licht als een haar.” Maar haren zijn nog
-te vergelijken met elkaar (naar de grootte). De verrichtingen van den
-Hemel hebben geen geluid en geen reuk. Dít is de opperste deugd.
-
-
-
-
-BESLUIT.
-
-Het bovenstaande is het drie en dertigste hoofdstuk. Tszʼ Szʼ, na zijne
-beschrijvingen tot het opperste gebracht te hebben in de vorige
-hoofdstukken, keert in dit hoofdstuk weer terug en beschouwt (het punt
-van) oorsprong (van zijn onderwerp); dan weer, van het lagere werk (van
-de studie) af, vrij van alle egoïsme, en wakende over zijn eenzaamheid,
-zet hij zijne woorden (zijn rede) voort, tot het (verkrijgen van) den
-strengen ernst en de reverentie, waarmede het geheele rijk tot de
-volmaking van rust en vrede komt. Hij roemt verder de mystiek er van,
-tot hij er op het laatst (van spreekt) als (te zijn) zonder geluid of
-reuk. Hierna neemt hij den totalen (inhoud) van het geheele Werk, en
-behandelt dat in het kort. In dit telkens herhalen, terechtwijzen en
-onderrichten van de menschen was zijne bedoeling allerdiepst en
-ernstig. Zal hij, die dit studeert, niet zijn uiterste best moeten
-doen?
-
-
-
-
-
-
-TA HIŎH.
-
-
-INLEIDING.
-
-Mijn Meester, de filosoof Chʼing zegt: „De Ta Hiŏh is een nagelaten
-boek van Confucius, en is de poort der deugd van de eerste leerlingen.
-[54] Het is enkel te danken aan de bewaring van dit werk, dat wij nu de
-orde kunnen zien in welke de Ouden studeerden; de Loen (Yü) en Mencius
-komen hierná. Leerlingen moeten van hieruit hunne studie beginnen, en
-dan is het te verwezenlijken, dat zij geen dwalingen maken.
-
-
-
-
-DE TEKST VAN CONFUCIUS.
-
-1. De Leer van Ta Hiŏh is: de schitterende deugd helder te maken, het
-volk te hernieuwen, en te rusten in het opperste Goede.
-
-
- Met „de schitterende deugd” wordt bedoeld, datgene, die deugdelijke
- natuur, die de mensch oorspronkelijk van den Hemel heeft verkregen.
- (Vergelijk „Choeng Yoeng”). Door de slechte lusten en begeerten van
- den mensch wordt die schitterende deugd dikwijls verduisterd. De
- wijze mensch, die zijn eigen oorspronkelijke schitterende deugd
- helder maakt en houdt, maakt ook door zijn Leer, zijne wijze
- lessen, en zijn voorbeeld, de deugd van andere menschen weer
- helder, weer nieuw. Nieuw is hier te verstaan in den zin van „rein,
- na verduisterd te zijn, dus weer helder, weer nieuw geworden.”
- Steeds zal het volk zijn oorspronkelijke deugd door lust en
- begeerte weer verduisterd zien, maar door de Leer van de wijzen
- wordt zij vernieuwd, herreind.
-
- Met het „rusten in het opperste Goede” wordt bedoeld èn te blijven
- volgen het uitmuntendste gedrag, èn het opvoeren van de twee
- hierboven bedoelde zaken (n.l. het verhelderen van zichzelven en
- hernieuwen van ’t volk) tot den hoogsten graad van volkomenheid.
- Deze drie dingen worden genoemd „de drie hoofden” van de Ta Hiŏh.
-
-
-2. Weet men, wáár te moeten rusten (in het opperste Goede) dan is (het
-doel van ons levensstreven) vastgesteld. Is dit eenmaal vastgesteld,
-dan kan er kalmte zijn. Is er kalmte, dan kan er (stabiele) rust zijn.
-Is er (stabiele) rust dan kan er (ernstige) meditatie zijn. Is er
-(ernstige) meditatie, dan zal (het einddoel) worden verkregen.
-
-
- Het hoofdidee van dezen tekst is dus: „uit het weten wáár te moeten
- rusten in het opperste Goede volgt ook het verkrijgen van die rust
- in het opperste Goede.”
-
- Weet men het eenmaal, dan is het levensdoel vastgesteld, en is men
- dus zeker van het feit, dat het leven niet nutteloos is, maar naar
- een hoog doel leidt. Dit zal den mensch kalmte geven, d. w. z. dat
- de gedachten op het innerlijk leven zullen gericht zijn en niet
- langer naar dingen van buiten, naar dingen van begeerte. Is die
- kalmte verkregen, dan is er ook rust, dus geen weifeling en
- verwarring; is die rust in ons, dan is het ook mogelijk, zuiver na
- te denken zonder afdwaling; en in die zuivere, reine overpeinzing
- wordt gevonden de rust in, het blijven in het opperste Goede.
-
-
-3. Dingen hebben een oorsprong en een einde. Zaken hebben een einde en
-een begin. Weten wát eerst en wát laatst is, is dicht bij Tao zijn.
-[55]
-
-
- Het helder maken van de deugd is de oorsprong, het hernieuwen van
- het volk is het einde. Te weten wáár te rusten in het opperste
- Goede is het begin, het verkrijgen daarvan is het einde.
-
-
-4. De ouden, die de schitterende deugd door het geheele keizerrijk
-wilden heldermaken, regeerden eerst hun rijk (goed).
-
-Wilden zij hun rijk regeeren, dan regelden zij eerst hunne families.
-Wilden zij hunne families regelen, dan verzorgden zij eerst zichzelven
-(hun eigen karakter). Wilden zij zichzelf (hun eigen karakter)
-verzorgen, dan maakten zij eerst hunne bedoelingen en gedachten ernstig
-en oprecht; wilden zij hunne bedoelingen en gedachten ernstig en
-oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot het allerhoogste op. De
-kennis tot het hoogste opvoeren bestaat in het doorgronden van de
-dingen.
-
-
- Deze acht dingen heeten „De acht détails.”
-
- Voor „bedoelingen en gedachten” staat in den tekst één woord, „i”;
- voor ernstig en oprecht ook één, „Chʼing”. Ik vreesde met één enkel
- begrip te weinig van de ware beteekenis te geven. Het laatste „het
- doorgronden der dingen”, dat ik meen te kunnen doen equivaleeren
- met „het doorgronden van het ware Wezen van alle dingen en
- verschijningen” lijkt mij toe, eene geheele, mystieke filosofie
- apart te wezen. Dit sluit zich aan met de mystiek van de „Choeng
- Yoeng” waarin de Wijze één met Hemel en Aarde wordt genoemd en
- zelfs verondersteld met dezen in hare operaties en acties samen te
- werken.
-
- Evenals in de „Choeng Yoeng” zien we dus hier het regeeren van een
- staat en transformeeren van het volk slechts als een uitvloeisel
- van en onvermijdelijk verbonden aan de cultivatie van het Zelf.
-
-
-5. Werden de dingen doorgrond, dan werd de kennis tot het hoogste
-opgevoerd. Werd de kennis tot het hoogste opgevoerd, dan werden de
-bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig. Werden de bedoelingen en
-gedachten oprecht en ernstig dan werden de menschen zelven (hun
-karakter) verzorgd. Werd hun karakter verzorgd, dan werden hunne
-families geregeld. Werden de families geregeld, dan werden de staten
-(goed) geregeerd. Werden de staten (goed) geregeerd, dan was er vrede
-en rust over het geheele rijk.
-
-6. Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het
-verzorgen van zichzelf (zijn eigen karakter) als de Oorsprong (van al
-het andere) beschouwen.
-
-7. Wordt de Oorsprong verward, dan kan er niets wat daaruit voortkomt
-tot goede orde worden gebracht. Het is nog nooit gebeurd, dat wat van
-groot gewicht was, licht werd geacht en tegelijkertijd dat wat van geen
-belang was, van groot gewicht werd geacht.
-
-
-
-
-NAWOORD (VAN CHOE HIE).
-
-Het voorgaande hoofdstuk bestaat uit de woorden van Confucius,
-overgeleverd door den filosoof Tsĕng. De volgende tien hoofdstukken,
-die het verduidelijken, zijn de opvatting van Tsĕng, zooals die
-neergeschreven is door zijne discipelen. In oude exemplaren van dit
-werk zijn nogal eens de tabletten verward. [56] (en is dus verwarring
-in de hoofdstukken. Vert.) Nu heb ik, volgens wat de filosoof Chʼing
-heeft vastgesteld, en na nog eens den klassieken tekst te hebben
-bestudeerd, het werk als volgt gerangschikt:
-
-
- Evenals bij „Choeng Yoeng” zien wij ook hier weder, dat het eerste
- hoofdstuk eigenlijk reeds de geheele Leer in essentieelen vorm is.
- Eene geheele filosofie in 204 chineesche karakters! De volgende
- hoofdstukken, niet ééne aaneengeschakelde logica vormende, zijn
- slechts fragmenten en toespelingen ter verduidelijking.
-
-
-
-
-COMMENTAAR VAN DEN FILOSOOF TSĔNG.
-
-HOOFDSTUK I.
-
-1. In de Kʼang Kao wordt gezegd: „Hij kon zijn deugd helder maken.”
-
-2. In de Tʼai Kiă wordt gezegd: „Hij beschouwde en bestudeerde de
-heldere decreten van den Hemel.”
-
-3. In de Canon van keizer Yaou wordt gezegd: „Hij kon zijne verheven
-deugd helder maken.”
-
-4. Al deze (artikelen) loopen over het heldermaken van zichzelf.
-
-
-
-
-NAWOORD.
-
-Dit boven geschreven hoofdstuk van commentaar legt de heldermaking uit
-der schitterende deugd.
-
-
- Ik ben het niet met de verklaring in dit Nawoord eens. In stede van
- eene uitlegging hebben wij hier enkel een aanhaling van een paar
- oude teksten, die men zou kunnen toepassen op het vorige hoofdstuk
- van Confucius. De Kʼang Kao of „Aankondiging” aan Kʼang is. een
- boek uit de Chow dynastie. De aangehaalde woorden werden door
- koning Woe gesproken over zijn’ vader Wĕn en gericht tegen zijn
- broeder Foeng. De Tʼai Kia is een boek uit de Shang dynastie, en in
- de aangehaalde woorden is de „hij” de beroemde koning Thʼang. De
- „hij” in No 3 is keizer Yaou zelf. Veel van een commentaar, d. i.
- eene uitlegging, heeft dit hoofdstuk nu juist niet.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-Op de badkuip van Thʼang staat gegraveerd: „Als gij u zelf werkelijk
-iederen dag kunt hernieuwen, hernieuw u dan dag aan dag, en nóg weer
-eens hernieuw u élken dag.”
-
-2. In de Kʼang Kao wordt gezegd: „Wek het volk op tot hernieuwing.”
-
-3. De Shi King zegt: „Ofschoon Chow een oude staat was, waren toch zijn
-verordeningen nieuw.”
-
-4. Daarom, er is niets, waarin de Kiün Tszʼ niet zijne uiterste kracht
-inspant.
-
-
-
-
-NAWOORD.
-
-Bovenstaand tweede hoofdstuk van commentaar legt de hernieuwing van het
-volk uit.
-
-
- Over die „uitlegging” kan hetzelfde gezegd worden als in de
- bespreking van het vorige hoofdstuk. Eigenaardig is in No 1, dat
- die regels op een badkuip gegrift werden, want hierbij vergeleek
- men het wasschen van het lichaam met het wasschen, dus verreinen,
- hernieuwen van de ziel.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-1. De Shi King zegt: „Het koninklijke domein van duizend lí [57] is
-daar waar het volk rust.”
-
-
- Hiermede wordt bedoeld: „Ieder mensch en ding heeft een eigen
- plaats waar hij moet rusten.”
-
-
-2. De Shi King zegt: „Het zingende gele vogeltje rust op den hoek van
-den heuvel.” De Meester zeide: „Als het rust weet het wáár te te
-rusten. Kan het zijn, dat men een mensch is en niet gelijk aan het
-vogeltje?”
-
-3. De diepe en onbereikbare koning Wĕn! Hoe altijddurend en schitterend
-vereerde hij zijne rustplaatsen! Als vorst rustte hij in
-menschelijkheid. Als onderdaan rustte hij in reverentie. Als zoon
-rustte hij in de Hiao (ouderlievendheid). Als vader rustte hij in
-liefde. In den omgang met zijn onderdanen rustte hij in
-waarheidlievendheid.
-
-4. De Shi King zegt: „Ziet naar den kronkelenden loop van de Kʼie! O!
-Hoe schoon en frisch zijn de groene bamboes! Hier is onze elegante en
-welopgevoede prins! Zooals wij snijden, zooals wij (daarna) vijlen,
-zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) slijpen! Hoe waardig, hoe
-streng! Hoe majestueus, hoe gedistingeerd! Onze elegante en
-welopgevoede prins, wij zullen hem nooit vergeten!”—„Zooals wij
-snijden, zooals wij (daarna) vijlen” beteekent het werk van leeren.
-„Zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) slijpen” beteekent het
-verzorgen van zijn Zelf (zijn eigen karakter).
-
-„Hoe waardig en streng!” beteekent indrukwekkend en imponeerend. „Hoe
-majestueus! hoe gedistingeerd!” beteekent een met (eerbiedige)
-ontzetting slaand gedrag. „Onze elegante en welopgevoede prins, wij
-zullen hem nooit vergeten!” beteekent, dat als de Tao volmaakt is, en
-de deugd tot haar uiterste volmaakt, het volk die niet kan vergeten.
-
-
- De vergelijking van de rivier Kʼie (een zijtak van de rivier Wei in
- N.-O. Honan) met een’ vorst, dunkt mij niet bizonder zuiver, al is
- de bedoeling dat een koning, wiens gedrag in de goede richting
- loopt, het rijk om zich heen vruchtbaar maakt, zooals de rivier dat
- het land doet. De in dit nummer verheerlijkte vorst was hertog Woe
- van Wei.
-
-
-5. De Shi King zegt: „O! De vroegere koningen zijn niet vergeten!” (De
-latere) vorsten en wijzen vereerden wat zij vereerden, volgden na en
-hadden lief wat zij liefhadden. En het gewone volk verheugde zich in
-datgene, waarin zij zich verheugden, en vaarden wel in dat, wat zij tot
-hun welvaart hadden gedaan. Dit is, hoe de vroegere koningen na hunnen
-dood niet werden vergeten.
-
-
- Met de vroegere koningen, hierin verheerlijkt, worden bedoeld
- koning Wĕn en zijn zoon, koning Woe, van Chow.
-
-
-
-
-NAWOORD.
-
-Het bovenstaande derde hoofdstuk van commentaar legt uit het rusten in
-het opperste Goede.
-
-
- Ook voor deze verklaring geldt wat ik voor de nawoorden der vorige
- hoofdstukken zeide. In stede van uitleggingen, d. i. breed
- omschrijven van het idee in den hoofdtekst, zijn het eerder
- toepassingen en toespelingen. Ik zal deze aanteekening voor de
- hoofdstukken, die nog volgen, niet telkens weer maken, en nu
- voortaan als bekend beschouwen.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-De Meester zeide: „In het hooren van processen ben ik als alle
-menschen. Moet niet (de Wijze) stellig maken dat er geen processen
-zijn? Dan zullen de menschen zonder principes hun redeneeringen niet
-kunnen ten einde brengen, en een groote vreeze zijn in de neigingen van
-het volk. Dit is het weten van den Oorsprong.
-
-
-
-
-NAWOORD.
-
-Het bovenstaande vierde hoofdstuk legt uit den Oorsprong en het einde.
-(Zie No. 3 van den hoofdtekst.)
-
-
- Hier wordt dus terecht gezegd, dat het beter is, het volk zelf
- beter te maken (te hernieuwen) dan recht te spreken in de
- geschillen en processen. Als de heldere deugd van het volk niet
- langer verduisterd is, zal het vanzelf goed zijn, en geen processen
- voeren. Is de oorsprong, het volk hier dus, zélf goed, dan is het
- einde, het resultaat ook goed. De oorsprong der processen zit niet
- in de processen zelve, maar in het volk dat ze voert en dat door
- den Wijze verbeterd, hernieuwd moet worden.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-1. Dit noemt men het weten van den Oorsprong.
-
-2. Dit noemt men het opperste van het Weten (de kennis).
-
-
-
-
-NAWOORD (VAN CHOE HIE).
-
-Het bovenstaande vijfde hoofdstuk van commentaar legt uit „het
-doorgronden van de dingen en de kennis tot het hoogste opvoeren” (Zie
-Hoofdtekst No. 4 en 5), maar is nu verloren. Ik heb gewaagd, de
-bedoeling van den filosoof Chʼing te nemen om dit aan te vullen als
-volgt: „Wat men noemt de kennis tot het hoogste opvoeren bestaat uit
-het doorgronden van de dingen,” beteekent: Als wij onze kennis tot het
-hoogste willen opvoeren, moeten wij de dingen doorgronden tot wij aan
-hunne principes komen; want de geest van den mensch is stellig (van
-eene natuur) om te (kunnen) weten, en er is geen ding onder den Hemel,
-dat geen principe heeft. Maar als de principes niet doorgrond zijn, is
-de kennis niet volmaakt. Daarom begint de Ta Hiŏh zijn leer met den
-leerling, met betrekking op alle dingen onder den Hemel, te leeren om
-van de kennis hunner principes uit te gaan, en ze dán verder te
-doorgronden, tot hij het hoogste (weten) bereikt heeft. Als hij zóólang
-zijne krachten inspant zal hij op eens een reëele, alles doordringende
-kennis hebben. Dan zal hij aan het uitwendige en inwendige, aan het
-fijne en grove van alle dingen toe komen, en zal zijn geest in zijn
-geheele wezen en zijne betrekkingen tot de dingen dan niet helder
-wezen? Dit noemt men het doorgronden van de dingen. Dit noemt men de
-kennis tot het hoogste opvoeren.
-
-
- De uitlegging, in dit Nawoord door Choe Hie gegeven, wordt door
- anderen betwist, die hunne eigen verklaring er van geven. Ik heb
- Choe Hie hier gevolgd, omdat de zijne mij het beste toeschijnt. Ik
- kan niet nalaten, dit hoofdstuk in verband te brengen met de
- „Choeng Yoeng” (Bespr. Hfdst. XXII), waarin gezegd wordt, dat alle
- dingen onder den Hemel een Sing hebben. Niet den uitwendigen
- schijn, den vorm, de gedaante der dingen moeten wij als basis nemen
- voor onze doorgronding, leert dus de Confucianistische filosofie,
- maar hun Oorsprong, hun fondamenteele principes, die voortvloeien
- uit de Sing, en over deze Sing wordt in de „Choeng Yoeng” geleerd.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-1. „Wat wordt genoemd de bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig
-maken” is het weren van zelfbedrog, zooals wij haten een slechten geur
-en liefhebben een schoone kleur. Dit noemt men zelf-voldoening. Daarom
-moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijn eenzaamheid.
-
-2. Voor den in ledigheid wonenden kleinen mensch is er niets slechts,
-waar hij niet toe zal komen. Als hij een Kiün Tszʼ ziet, zal hij
-dadelijk daarna, van schaamte zich vermommende, zijn slecht verstoppen,
-en zijn goed ten toon spreiden. De andere mensch ziet hem, alsof hij
-zijn long en lever zag, en waar diende (dat verbergen) dan voor? Dit
-noemt men: „Wat werkelijk van binnen is manifesteert zich naar buiten.”
-Daarom moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijne eenzaamheid.
-
-
- De laatste regels van No.’s 1 en 2 hierboven vindt men terug in
- „Choeng Yoeng” Hfdst. I, No. 3. Vergelijk ook voor No. 2 de „Loen
- Yü” fragmenten, onder Boek II („Kijk naar iemands daden” enz.).
-
-
-3. De filosoof Tsĕng zeide: „Wat tien oogen zien, waar tien handen naar
-wijzen, moet in hooge majesteit worden gehouden.”
-
-
- Wat de filosoof hier bedoelt is eene illustratie van No. 2. Het
- binnenste van den mensch, dat hij toch niet kan verbergen, en waar
- de wijzen en de geesten om hem heen in kunnen zien, en naar wijzen,
- moet in hooge eere worden gehouden en altijd vol majesteit zijn.
- Altijd moet hij er over waken.
-
-
-4. Rijkdom siert een huis, de deugd siert een persoon (een karakter).
-Het hart is verruimd en het lichaam is in rust. Daarom maakt de Kiün
-Tszʼ stellig zijn bedoelingen en gedachten ernstig en oprecht.
-
-
-
-
-NAWOORD.
-
-Het bovenstaande zesde hoofdstuk van commentaar legt uit „het ernstig
-en oprecht maken der bedoelingen en gedachten.”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-1. Wat bedoeld wordt met: „Het verzorgen van het zelf (het karakter)
-bestaat uit het rechtmaken van het hart,” (beteekent het volgende:) Als
-iemand in woede is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als iemand
-in vreeze is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als iemand onder
-den invloed van liefde is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als
-iemand onder den invloed van smart is, zal hij het rechtzijn niet
-verkrijgen.
-
-
- Met recht bedoel ik hier meer ’t engelsche „right”, het absoluut
- rein en zuiver zijn als een rechte lijn, zonder afwijking of
- buigen, absoluut rechtvaardig, absoluut puur.
-
-
-2. Als het hart er niet bij is kijken wij, en zien niets, luisteren wij
-en hooren niets, eten wij, en proeven den smaak niet.
-
-3. Dit is de bedoeling van: „Het verzorgen van het zelf bestaat uit het
-rechtmaken van het hart.”
-
-
-
-
-NAWOORD.
-
-Het bovenstaande zevende hoofdstuk van commentaar legt uit het
-rechtmaken van het hart en verzorgen van het zelf.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-1. Wat bedoeld wordt met: „Het regelen van de familie bestaat in het
-verzorgen van zijn karakter,” (beteekent het volgende:) Als menschen
-genegenheid en liefde voelen, zijn zij partijdig; als zij verachten en
-haten, zijn zij partijdig; als zij in vreeze en in eerbied zijn, zijn
-zij partijdig; als zij in droefheid en medelijden zijn, zijn zij
-partijdig; als zij hooghartig en onverschillig zijn, zijn zij
-partijdig. Zij, die liefhebben en (toch) het slechte (van wat zij
-liefhebben) kennen, en zij, die haten en (toch) het goede (van wat zij
-haten) kennen zijn weinigen onder den Hemel!
-
-2. Daarom luidt een zegswijze: „Een mensch kent niet de slechtheid van
-zijn zoon, en kent niet de rijpheid van zijn groeiend graan.”
-
-3. Dit wordt bedoeld met: „Als het zelf (karakter) niet wordt verzorgd,
-kan men er de familie niet mede regelen.”
-
-
-
-
-NAWOORD.
-
-Het bovenstaande achtste hoofdstuk van commentaar legt uit het
-verzorgen van het zelf en het regelen der familie.
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-1. Wat bedoeld wordt met: „Om het rijk te regeeren moet men stellig
-eerst zijne familie regelen,” beteekent: „Als men zijne familie niet
-kan leeren, kan men (ook) andere menschen niet leeren. Daarom behoeft
-de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is, niet buiten zijne familie te gaan om
-zijn leer voor den staat te volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn’
-vorst dienen. De Ti (liefde en eerbied voor den ouderen broeder),
-daarmede moet men zijne superieuren dienen. De Tszʼ (compassie),
-daarmede moet men de menigte behandelen.
-
-2. In de Kʼang Kao staat: „Als wakende over een kind”. Als het hart er
-ernstig en oprecht naar streeft, ofschoon het niet altijd het precies
-juiste zal doen, zal het er toch niet ver van af zijn. Er is nog geen
-(meisje) geweest, die (eerst) opvoeden leerde, om later te huwen.
-
-
- Dit artikel wil uitdrukken, dat Hiao, Ti, en Tszʼ (Compassie), zie
- No. 1 hierboven, geen dingen zijn, die men met geweld expresselijk
- moet krijgen, maar dat zij ingeboren en natuurlijk zijn en in het
- menschelijk hart hun oorsprong hebben. De vorst moet over het volk
- waken als een moeder „wakende over haar kind.” Het kind kan niet
- spreken en zeggen wat het noodig heeft, maar als de moeder ernstig
- streeft naar zijn welzijn, zal zij wel niet altijd precies alles
- doen wat het noodig heeft, maar er toch ook niet ver van af zijn.
- Dit is de grootheid van een liefhebbend hart, dat het vanzelf doet
- wat voor het voorwerp dier liefde goed is. Zóó wordt een meisje
- niet vooraf geleerd, hoe een kind op te voeden, en toch weet zij
- het na haar huwelijk vanzelf. Zóó ook met den vorst. De Hiao, de Ti
- en de Tszʼ, waarmede hij het volk bewaken en regeeren moet, zijn
- eigen aan zijne natuur en in zijn hart geworteld.
-
-
-3. Heeft ééne familie menschelijkheid, dan wordt de geheele staat
-menschelijk, heeft ééne familie wellevendheid, dan wordt de geheele
-staat wellevend. Is één mensch eerzuchtig en verdorven, dan wordt de
-geheele staat verward en oproerig. Zóó is het met (den invloed) der
-omstandigheden. Dit is waarom men zegt: „Eén woord kan een zaak
-bederven, één mensch kan het rijk vestigen (in goed of kwaad).”
-
-
- Met die ééne familie wordt hier stellig de familie van den vorst,
- met dien éénen mensch de vorst zelf bedoeld. De vorst heeft den
- voorspoed of het verderf van den staat in zijne hand.
-
-
-4. Yaou en Shoen leidden het keizerrijk met menschelijkheid, en het
-volk volgde hen. Kjeh en Cheu leidden het keizerrijk met geweld en het
-volk volgde hen. Wat zij bevalen (van wetten) was tegenovergesteld aan
-waar zij van hielden (van begeerten) en het volk volgde (hunne bevelen)
-niet. Daarom moet de (Vorst die een Kiün Tszʼ) is, alles (eerst) zelf
-hebben en dáárna van het volk verlangen dat het zelf (ook) heeft, en
-moet alles (eerst) zelf niet hebben en dáárna van het volk verlangen,
-dat het dit zelf óók niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert en
-(alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk
-vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan.
-
-
- Kjeh was de laatste keizer der Hia dynastie, die door zijn
- wangedrag de dynastie ten val bracht (1818 v. C). Cheu, of Cheu Sin
- was de chineesche Nero, de laatste keizer der Yin dynastie, [58]
- die, door koning Wĕns zoon Woe, van den troon verjaagd, zichzelf
- met zijn paleis verbrandde (1122 v. C.).—De vorst, wordt in dit
- artikel bedoeld, moet alles wat hij als wet of leer uitvaardigt,
- allereerst op zichzelf doen slaan, en mag zichzelf daarin niet
- wegcijferen als daarbuiten staande. Want van hém gaat juist alles
- uit. Met het eerste „alles” wordt natuurlijk bedoeld „alle goede
- dingen” en niet het tweede „alle slechte dingen.”
-
-
-5. Daarom, het regeeren van den staat bestaat in het regelen van zijne
-familie.
-
-6. De Shi King zegt: Hoe teeder is die perzikboom! Hoe overvloedig is
-zijn gebladerte! Het meisje gaat naar het huis van haar echtgenoot! Zij
-zal haar familie (huishouden) behoorlijk regelen. Is de familie
-geregeld zooals het behoort, dan kan men de menschen van den staat
-leeren.
-
-7. De Shi King zegt: „Zij dienen hun oudere broeders zooals het
-behoort, zij doen hun plicht tegenover hun jongere broeders zooals het
-behoort.” Dient (de Vorst) zijn oudere broeders en doet hij zijn plicht
-tegenover zijn jongere broeders zooals het behoort, dan kan hij later
-daarmede de menschen van den staat leeren.
-
-8. De Shi King zegt: „Er is niets verkeerds in zijn houding.” Hij maakt
-het volk der staten alom recht.—Als (de Vorst) als vader, als kind, als
-oudere broeder, als jongere broeder geheel aan de wetten (van die
-kwaliteiten) voldoet, dan maakt later het volk daar hun wet van.
-
-
- De laatste zin zou, minder getrouw aan den origineelen tekst, maar
- duidelijker uitgedrukt, ook kunnen vertaald worden: „Als (de vorst)
- als vader, als zoon, als oudere broeder, als jongere broeder in al
- die kwaliteiten volmaakt is, dan maakt het volk hem later tot hun
- voorbeeld.”
-
-
-9. Dit is de bedoeling van „Het regeeren van den staat bestaat in het
-regelen van zijne familie.”
-
-
-
-
-NAWOORD.
-
-Het bovenstaande negende hoofdstuk van commentaar legt uit: „Het
-regelen van de familie en het regeeren van den staat.”
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-1. Wat men noemt: „Het keizerrijk tot vrede brengen bestaat uit het
-regeeren van zijn’ staat” beteekent: Als (de Vorst) den Ouden (den
-eerbied) geeft die den Ouden toekomt, dan zal het volk Hiao krijgen.
-Als (de Vorst) zijn’ superieuren geeft wat den superieuren toekomt, dan
-zal het volk Ti (broederliefde) hebben. Als (de Vorst) medelijdend
-weezen en hulpeloozen behandelt, zal het volk hetzelfde doen. Daarom,
-de Kiün Tszʼ heeft een principe van beperking, waarnaar hij zijn gedrag
-kan afmeten.
-
-
- Ik heb mij (evenals Wells Williams in zijn dictionnaire deed onder
- „kieh”) een vrijheid veroorloofd met den tekst, ter
- verduidelijking. Letterlijk staat er, dat de Kiün Tszʼ een principe
- heeft in den vorm van een vierkant, waarmede hij kan meten. De
- bedoeling is: „een principe, waarnaar hij zich moet richten.” Onder
- „Ouden” is hier te verstaan ouders en ouden van dagen, onder
- superieuren oudere broeders en oude verwanten.
-
-
-2. Wat men haat in zijn superieuren mag men niet doen aan zijn
-inferieuren; wat men haat in zijn inferieuren mag men niet gebruiken in
-’t dienen van zijn superieuren. Wat men haat in diegenen, die voor ons
-zijn, daarmede mag men niet diegenen, die ná ons komen, voorgaan; wat
-men haat in diegenen, die ná ons komen, daarmede mag men niet volgen
-diegenen, die vóór ons zijn. Wat men haat, van rechts te ontvangen, mag
-men niet naar links uitdeelen; wat men haat, van links te ontvangen,
-mag men niet naar rechts uitdeelen. Dit is wat men noemt het principe
-van beperking, naar welk (de Vorst) zijn gedrag kan afmeten.
-
-3. De Shi King zegt: „Hoe blij zijn wij met deze prinsen, de ouders van
-het volk.” Als (de Vorsten) liefhebben, wat het volk liefheeft, en
-haten, wat het volk haat, dan worden zij de ouders van het volk
-genoemd.
-
-
- Ook dit, evenals No. 1 en 2, geeft dus aan, waaruit het principe
- van beperking bestaat.
-
-
-4. De Shi King zegt: „Hoe verheven is die zuidelijke berg met zijn
-ruige rotsen! Hoe majestueus zijt gij, onze Meester Yin; het geheele
-volk ziet tegen u op!” Zij, die den staat regeeren, mogen niet
-zorgeloos zijn. Als zij afwijken (van het vaste principe) komen zij in
-het geheele rijk tot schande.
-
-5. De Shi King zegt: „Toen de keizers der Yin dynastie nog niet (de
-liefde van) het volk hadden verloren, waren zij de gelijken van Shang
-Ti. Ziet in uw houding naar Yin als (afschrikwekkend) voorbeeld! Het
-groote Lot (van den Hemel) is niet gemakkelijk (te behouden). Hieruit
-blijkt als regel, dat als (de Vorst) de liefde der massa verkrijgt, hij
-ook den staat verkrijgt, en als hij de liefde der massa verliest, hij
-ook den staat verliest.
-
-
- Shang Ti is een der alleroudste godheden der chineezen, van lang
- vóór Confucianisme, Boeddhisme, en Taoïsme, een suprême heerscher
- in den Hemel. Sommigen personifieeren hem met den Hemel. Dit werk,
- enkel een werk over Confucianisme zijnde, kan ik hier niet
- uitvoerig over Shang Ti uitweiden, waarvoor een geheel nieuw werk
- zou noodig zijn. De protestantsche zendelingen hebben de
- onvoorzichtigheid begaan, ons God in Shang Ti te vertalen, wat tot
- groote verwarring aanleiding geeft.
-
- Met „ming”, door mij vertaald het Lot, en dat ook het Noodlot kan
- beteekenen, wordt hier bedoeld „Het goede Lot, door den Hemel tot
- geluk aan het rijk beschoren.” Omtrent het uiteinde van den
- laatsten keizer der Yin dynastie zie men No. 4. (Bespreking.)
-
- Ik wil deze gelegenheid gebruiken om dus nog even te resumeeren,
- wat wordt bedoeld met het principe van beperking, waarnaar de vorst
- zijn gedrag moet afmeten. Ten eerste dus, hij moet zijne ouders en
- de ouden van dagen, en ook zijne superieuren den gepasten eerbied
- betuigen, ten tweede moet hij niet doen aan inferieuren wat hij
- haat in inferieuren en omgekeerd, enz. (zie No. 2), ten derde moet
- hij liefhebben en haten wat het volk liefheeft en haat, dus met het
- volk één hart hebben, ten vierde moet hij er om denken, dat hij
- altijd door te zorgen heeft voor zijn eigen gedrag, niet enkel voor
- dat van het volk, ten vijfde moet hij begrijpen, dat met de liefde
- van zijn volk het rijk voor hem staat of valt.
-
-
-6. Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als
-hij de deugd heeft, heeft hij (ook) de (liefde der) menschen. Als hij
-de (liefde der) menschen heeft, heeft hij (ook) het grondgebied. Als
-hij het grondgebied heeft, heeft hij (ook) bezittingen. Heeft hij
-bezittingen, dan heeft hij (ook) middelen voor zijne uitgaven.
-
-7. De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde (het
-gevolg).
-
-
- Hier heeft men de toepassing van den Hoofdtekst No. 3.
-
-
-8. De Vorst, die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak,
-zal met het volk in strijd komen, en maken dat overal roof gebeurt.
-
-9. Daarom, als de bezittingen zich verzamelen (bij den Vorst), dan zal
-het volk zich verspreiden; als de bezittingen zich verspreiden, dan zal
-het volk zich verzamelen.
-
-10. Daarom, als de woorden (van den Vorst) uitgaan tegen recht in, dan
-zullen zij ook tegen recht in weer tot hem inkomen. Als de bezittingen
-(van den Vorst) tegen recht in bij hem inkomen, dan zullen zij ook
-tegen recht in (weer) van hem uitgaan.
-
-11. De Kʼang Kao zegt: „Waarlijk, het Lot kan niet altijddurend
-(blijven)”, dat wil zeggen, goedheid verkrijgt het, slechtheid verliest
-het.
-
-
- „Lot” hier weer als Besluit des Hemels omtrent het heil des lands,
- welks besluit door goedheid voor zich gewonnen, door slechtheid
- voor zich verloren gaat.
-
-
-12. In het Boek van Tsʼoe staat: „De staat van Tsʼoe beschouwt dit niet
-als een kostbaarheid. Het beschouwt alleen het Goede als een
-kostbaarheid.”
-
-
- Toen een afgezant van Tsʼoe in den staat Tsin was, vroeg een
- Tsinsch mandarijn hem, wat de kostbare gordel waard was, dien hij
- droeg, en de afgezant uit Tsʼoe antwoordde met deze beroemd
- geworden woorden. Dit No. evenals het volgende illustreert het
- gezegde in No. 7. „Deugd is de Oorsprong, bezitting is het einde
- (het gevolg).
-
-
-13. Faan, (hertog Wĕn’s) oom, zeide: „Deze waardelooze mensch beschouwt
-dat niet als een kostbaarheid; hij beschouwt liefde voor zijne ouders
-als een kostbaarheid.”
-
-
- Met dit „dát” wordt bedoeld „het verkrijgen van den staat.” Faan
- was een neef van hertog Chow Wĕn Koung van Tsʼin, die uit zijn rijk
- was verjaagd. Toen er sprake van was, om dat rijk weer te
- heroveren, gaf Faan deze woorden vermanend aan zijn’ oom ten beste,
- zichzelf nederig „waardeloos mensch” noemend.
-
-
-14. In de Tsʼin Shiʼ. staat: „Als ik kon hebben één minister, die puur
-en oprecht was, zonder (pretentie op) andere talenten, sober en sereen,
-en als hebbende verdraagzaamheid; als anderen talenten hebben, dat het
-voor hem was, alsof hij ze zélf had; die als hij uitstekende en
-welopgevoede menschen (ontmoet), van hen meer houdt in zijn hart dan
-zijn mond het uitspreekt, en hen kan verdragen; zúlk een minister zou
-mijn kinderen en kleinkinderen kunnen behoeden en het zwartharige volk,
-en bovendien van voordeel zijn voor het rijk. Maar (als de minister er
-een is die), als hij (andere) menschen van talent ziet, jaloersch op
-hen is, en hen haat, en als hij uitstekende en welopgevoede menschen
-(ontmoet) zich tegen hen keert en niet toelaat, dat zij bevorderd
-worden, en hen dus wezenlijk niet kan verdragen; zulk een minister zou
-mijne kinderen en kleinkinderen en het zwartharige volk niet kunnen
-behoeden, en ook gevaarlijk (voor den staat) worden genoemd.
-
-
- De Tsʼin Shiʼ of Declaratie van Tsʼin is het laatste boek van de
- Shoe King. Ik zie hierin de bedoeling, dat een minister, die een
- simpel en oprecht mensch was vóór alles, al had hij niet allerlei
- bizondere, uitstekende talenten, de man was, waaraan men behoefte
- had. Iemand zonder jaloerschheid, die het verheugd kon aanzien als
- er bizonder talentvolle mannen in het rijk waren. „Het zwartharige
- volk” is een veel voorkomende uitdrukking voor „het chineesche
- volk.” Het volgende No. gaat hierop door.
-
-
-15. Alleen de (werkelijk) menschelijke mensch kan zóó eenen wegzenden
-en hem verbannen naar de barbaren in de vier windstreken, hem niet met
-zich samen latende wonen in het Rijk van het Midden. Dit wordt bedoeld
-met het gezegde: „Alleen de menschelijke mensch kan (andere) menschen
-liefhebben, of kan (andere) menschen haten.”
-
-16. Menschen van talent en waardigheid zien en ze niet kunnen
-bevorderen; ze wel bevorderen, maar dit niet spoedig (genoeg) kunnen
-doen, dit is impertinent; slechte menschen zien en ze niet kunnen
-wegzenden; ze wegzenden, maar dit niet spoedig genoeg kunnen doen, dit
-is een fout.
-
-
- Met „bevorderen” bedoel ik hier, hun een ambt geven, of, als ze er
- al een hebben, hen promotie te doen maken. Confucius beschouwde het
- als een hoogsten plicht, menschen van waardigheid en talent
- onmiddellijk in de regeering te gebruiken. (Zie ook b. v. Choeng
- Yoeng XX. No. 4), en dit nalaten stond gelijk met een
- misdaad.—Eveneens was het een hoofdplicht, op staanden voet slechte
- ambtenaren in stede van ze à tout prix te handhaven, onmiddellijk
- te verwijderen. Want de regeerende ambtenaren moesten zijn de
- „vaders van het volk”, die het, ook door voorbeeld, moesten leeren
- hernieuwen, en het bewaken en verzorgen „als een moeder, wakende
- over haar kind.”—Confucius’ leer was, dat de regeering niet
- allereerst moest straffen, maar dat misdaden van het volk vooral
- dáárdoor voorkwamen, dat het niet werd geleerd en voorgegaan in het
- goede. Niet de officieel gegeven rang maakte den bestuursambtenaar
- uitsluitend, maar zijn eigen handel en wandel waren de hoofdzaak,
- de oorsprong. Van in hem te handhaven prestige was geen sprake,
- want de bestuursambtenaar maakte zijn prestige zelf met zijn eigen
- deugd, zijn eigen menschelijkheid.
-
-
-17. Lief te hebben wat de menschen haten, te haten wat de menschen
-liefhebben, dit noem ik tegen de menschelijke natuur ingaan. Stellig
-zullen over het hoofd (lett. het lichaam) van dezulken (die zoo doen)
-rampen komen.
-
-18. Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is een grooten Weg (van
-bedrag) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij
-het (rechte daarvan). Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij
-het.
-
-19. Het voortbrengen van schatten heeft (ook) een grooten Tao. [59]
-Zijn zij, die produceeren, velen en zij die eten weinigen, zijn zij,
-die maken, actief en zij die gebruiken zuinig, dan zal de weelde altijd
-voldoende zijn.
-
-
- Dit schatten, „ts’oi” te verstaan door „alles wat van nut is, dus
- zoowel bezitting, weelde, als alle voedingsmiddelen.”
-
-
-20. Hij, die menschelijk is, komt vooruit door (de manier waarop hij)
-zijne schatten (krijgt en door wat hij er mede doet); hij, die niet
-menschelijk is, verkrijgt schatten door (het verwaarloozen van) zijn
-zelf-karakter (lett. zijn lichaam).
-
-
- De tekst zou licht aanleiding geven tot misverstand, want daar
- staat letterlijk: „Hij, die menschelijk is, bevordert zichzelf door
- zijne schatten (wat zou beteekenen: heeft zijn rang gekocht met
- zijn geld) en hij, die niet menschelijk is, verkrijgt schatten door
- zijn zelf.” Choe Hie legt het in zijn commentaar uit in den zin,
- dien ik hier geef.
-
-
-21. Het is nog niet voorgekomen, dat als de Vorst menschlievendheid
-liefhad, het volk plichtmatigheid niet liefhad; het is nog niet
-voorgekomen, dat (het volk) plichtmatigheid liefhad en de zaken (van
-den Vorst) niet tot het (goede) eind kwamen. En het is nog niet
-voorgekomen (in een staat als deze) dat de schatten in de dépots en
-schatkamers niet de schatten (van dien Vorst) bléven.
-
-
- Voortdurend ziet men aldus in de Ta Hiŏh geleerd, dat als de Vorst
- maar zelf vóórgaat in deugd en menschelijkheid, hij niet alleen
- maakt dat het volk zijn plicht doet, maar ook zijn eigen geluk en
- welzijn daarmede bevordert.
-
-
-22. „Meng Hien zeide: „Die paarden en rijtuigen houdt gaat niet na of
-hij wel kippen en varkens heeft. Een familie, die ijsmagazijnen houdt
-fokt geen koeien en schapen. Een familie van honderd wagens houdt er
-geen minister op na, die begeerig is op belasting opleggen. Beter dan
-zulk een minister te hebben, die begeerig is op belasting opleggen, zou
-het voor die familie zijn om dieven te hebben (die haar zelve
-berooven). Dit wordt bedoeld met het gezegde: „Een staat moet geen
-winst als voordeel beschouwen, maar moet plichtmatigheid als voordeel
-beschouwen.”
-
-
- Mĕng Hien was een beroemd minister van den staat Loe, die regeerde
- vóór Confucius leefde. Legge teekent bij dezen tekst aan, dat als
- een ambtenaar zijn post voor het eerst ging bekleeden, hij vroeger,
- in Mĕng Hiens tijd, van den vorst een wagen met vier paarden kreeg
- om te beletten, dat hij op andere, oneerlijke manieren zich zou
- verrijken. IJs werd door hooge mandarijnen in magazijnen gehouden
- om in rouwceremoniën te gebruiken. Een chineesch commentator geeft
- als bedoeling—die ik voor zeer juist houd—„dat de staat moet
- zorgen, dat de ambtenaren genoeg traktement hebben, zoodat zij niet
- gedwongen worden het volk te bestelen tot in hun kippen en runderen
- toe. Maar als zij van den staat voldoende traktement kregen, waren
- zij ook gehouden, naar plicht en recht te handelen.”
-
-
-23. Als hij, die aan het hoofd van een’ staat is, zijn schatten
-(weelde) tot zijn hoofdzaak maakt, dan komt dat stellig door een’
-gemeenen (kleinen) mensch (die hem influenceert), naar ik meen. Híj
-beschouwt hem dan als een goed mensch. Als (deze) gemeene mensch
-gebruikt wordt in de actie (van regeeren) van een staat, dan zullen er
-tegelijkertijd rampen en gevaren neêrkomen. Al is (er dan later) een
-goed mensch (voor in de plaats gekomen) dan zal het niet meer zóó als
-behoort kunnen worden, naar ik meen. Dit wordt bedoeld met „Een Staat
-moet geen winst als voordeel beschouwen maar plichtmatigheid als
-voordeel beschouwen.”
-
-
- Een commentaar wijst er op, dat het dus de plicht is van den Vorst
- niet zóó maar argeloos zijn ministers (al zijne ambtenaren) als
- goede menschen te beschouwen, maar dat hij wel degelijk voortdurend
- moet onderzoeken. Zulk een gemeen mensch, in de regeering gebruikt,
- zal èn den toorn van den Hemel opwekken, die dan rampen doet
- gebeuren, èn het hart van het volk verliezen, wat dan gevaar van
- opstand geeft. Wordt dan later in zijn plaats een goed mensch tot
- zijn’ rang bevorderd, die alles wil trachten te redden, dan zal hij
- toch niet meer redden kúnnen.
-
-
-
-
-NAWOORD.
-
-Het bovenste tiende hoofdstuk van commentaar legt uit, het regeeren van
-den staat en het tot (rust en) vrede brengen van het geheele rijk. Er
-zijn alzoo tien hoofdstukken van commentaar. De eerste vier
-hoofdstukken bespreken in ’t algemeen de (drie) Hoofden (van het werk)
-en geven er de essence (lett.: de geur) van aan; de (overige) zes
-hoofdstukken bespreken nauwkeurig de acht détails en hun werking. Het
-vijfde hoofdstuk bevat de noodzakelijkheid van de heldermaking van het
-goede, en het zesde hoofdstuk bevat den oorsprong van het komen tot
-Chʼing. Deze vorige hoofdstukken moeten door den leerling van het
-grootste gewicht worden beschouwd. Laat de lezer ze niet minachten om
-hun (schijnbare) eenvoudigheid.
-
-
-
-
-
-
-FRAGMENTEN UIT DE LOEN YÜ.
-
-
-UIT BOEK I.
-
-De Meester zeide: „Mooie woorden en een mooi (gemaakt) gezicht gaan
-zelden samen met menschelijkheid.”
-
-De filosoof Tsʼeng zeide: „Ik doe dagelijks drie onderzoekingen in mijn
-karakter: of ik in mijn handel voor andere menschen wel loyaal ben
-geweest; of ik in mijn’ omgang met vrienden wel oprecht ben geweest; of
-ik de lessen (van mijn’ Meester) wel heb opgevolgd.”
-
-De Meester zeide: „Om over een rijk van duizend wagens te regeeren,
-moet men eerbiedige toewijding aan den dienst hebben, en getrouw zijn;
-moet men zuinig zijn in de uitgaven; moet men het volk liefhebben en op
-(gepaste) tijden gebruiken.”
-
-De Meester zeide: „Een jongeling moet thuis ouderlievend zijn en
-buitenshuis eerbied hebben voor zijn meerderen; hij moet ernstig zijn
-en de waarheid spreken; hij moet alle menschen overvloedig liefhebben,
-en met de menschlievenden omgaan. Als hij daarna nog kracht over heeft
-moet hij die gebruiken voor de studie van de litteratuur.”
-
-Tszʼ Hia zeide: „Als een mensch de deugd eert en zijn gedachten van de
-schoonheid aftrekt; als hij zijne ouders dient met uiterste inspanning
-van krachten; als hij zijn vorst dient met opoffering van zijn eigen
-leven; als hij in zijne woorden waar is in den omgang met zijne
-vrienden; ofschoon men van dezen zegt, dat hij niet geleerd heeft, noem
-ik dat toch stellig geleerd hebben.”
-
-De Meester zeide: „Als de Kiün Tszʼ niet ernstig is, zal hij geen
-eerbied inboezemen, en is zijne studie niet degelijk.”
-
-Beschouw loyauteit en oprechtheid als uw hoofdplicht.
-
-Hebt geen vrienden die uwe gelijken niet zijn.
-
-Hebt gij fouten, wees dan niet bang ze te veranderen.
-
-Tszʼ Kin vroeg aan Tszʼ Koeng: „Als onze Meester ergens in een staat
-komt, dan hoort hij stellig alles over de regeering daar. Is het
-doordat hij er naar vraagt, of geeft men hem (vanzelf) die
-inlichtingen?”
-
-Tszʼ Koeng zeide: „Onze Meester is zacht, oprecht, reverent, gematigd
-en bescheiden, en daarmede verkrijgt hij het. De manier waarop onze
-Meester inlichting vraagt, is dat niet iets geheel anders dan als
-andere menschen inlichtingen vragen?”
-
-De Meester zeide: „Als iemands vader in leven is, kijk dan naar zijn
-neigingen; als zijn vader gestorven is, kijk dan naar zijn gedrag. Als
-hij na drie jaren niet afwijkt van den weg zijns vaders kan men zeggen,
-dat hij Hiao heeft.”
-
-De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ zoekt met eten geen verzadiging (van
-zijn eetlust), en zoekt in zijne woning niet naar gemak. Hij is actief
-in zijn zaken, en voorzichtig in zijn spreken. Hij zoekt het gezelschap
-van menschen van rechte principes om er door verbeterd te worden. Dit
-mag met recht liefde voor de studie worden genoemd.”
-
-Tszʼ Koeng zeide: „Wat denkt gij wel van iemand, die arm is en (toch)
-niet vleit; van iemand, die rijk is en toch niet trotsch?”
-
-De Meester zeide: „Die mogen er wezen; maar dat is tóch nog niet (zoo
-mooi) als iemand die arm is, en (toch) gelukkig; als iemand, die rijk
-is en van het Decorum houdt.”
-
-De Meester zeide: „Het bedroeft mij niet, dat de menschen mij niet
-kennen; het bedroeft mij, dat ik de menschen niet ken.”
-
-
-
-
-UIT BOEK II.
-
-De Meester zeide: „Hij die de regeering uitoefent met zijn deugd is te
-vergelijken met de noordelijke poolster, [60] die haar (vaste) plaats
-houdt, en alle sterren draaien er om heen”.
-
-
- Deze vergelijking is dáárom vooral zoo mooi, omdat er in ligt
- opgesloten—evenals ik in de bespreking van Hoofdstuk XXII der
- „Choeng Yoeng” heb gezegd—dat de deugd een macht is, die vanzelf
- influenceert en transformeert.
-
-
-De Meester zeide: „De Shi King heeft driehonderd stukken, maar alles
-kan worden vervat in één woord: „Hebt geen lage gedachten.” [61]
-
-De Meester zeide: „Als men het volk leidt met wetten, en tot eenheid
-brengt met strafwetten zal het (schending daarvan en dus straf)
-vermijden, maar geen schaamte (kennen).
-
-Als men het volk leidt met deugd en tot eenheid brengt met de Lí (’t
-Decorum) zal het schaamte (kennen) en tot het uiterste goede komen.”
-
-De Meester zeide: „Toen ik vijftien jaar was kreeg ik neiging tot de
-studie.
-
-Toen ik dertig was, was (mijn doel) gevestigd (wist ik, waarheen mij te
-richten).
-
-Toen ik veertig was, had ik geen twijfel.
-
-Toen ik vijftig was, wist ik de besluiten des Hemels.
-
-Toen ik zestig was, had ik een gewillig oor (voor het goede).
-
-Toen ik zeventig was, kon ik mijne neigingen volgen zonder de wetten
-(des Hemels) te overschrijden.”
-
-
- Hiermede gaf Confucius een bewijs, hoe een geheel leven noodig is,
- om zich te volmaken in die volkomenheid, dat ten laatste onze
- neigingen zóó rein zijn, dat we ze gerust mogen volgen, omdat zij
- de goede zijn. Toen hij vijftien jaar was kreeg hij lust in leeren;
- toen hij dertig was wist hij, wat zijn levensdoel was, en waar hij
- zich dus aan te houden had; toen hij veertig was twijfelde en
- dwaalde hij niet; toen hij vijftig was wist hij wat de Hemel
- vastgesteld had; toen hij zestig was luisterde hij volgzaam naar
- het goede, zonder dat zich trots of twijfel daartegen verzetten;
- toen hij zeventig was waren al zijne neigingen beweging in Tao,
- volgen van den Sing dus, dus lagen zij in de goddelijke beweging
- der natuur.
-
-
-Meng Ie [62] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „niet ongehoorzaam
-zijn.”
-
-Toen Faan Chʼi [63] zijn wagen mende vertelde de Meester hem: „Meng
-Soen vroeg mij, wat Hiao was, en ik antwoordde hem: „niet ongehoorzaam
-zijn”.”
-
-Faan Chʼi zeide: „Hoe bedoeldet gij dat?” De Meester zeide: „Hen (de
-ouders) in hun leven te dienen volgens het Decorum; hen na hun dood te
-begraven volgens het Decorum; hun te offeren volgens het Decorum.”
-
-Meng Woe [64] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „De ouders zijn
-toch zoo bezorgd, dat hunne kinderen eens ziek zouden worden.”
-
-Tszʼ Yioe [65] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „De tegenwoordige
-Hiao noemt men het kunnen onderhouden van zijne ouders. Maar honden en
-paarden kunnen ook wel zoo iets doen. Zonder reverentie is tusschen die
-beide soorten geen verschil.”
-
-De Meester zeide: „Ik heb den geheelen dag met Hwoey gesproken, en hij
-heeft mij niet tegengesproken, alsof hij dom was. Hij is heengegaan, en
-ik heb zijn eigen handel en wandel nagegaan en voldoende bevonden om
-mijn leer te belichamen. Hwoey! Hij is niet dom!” [66]
-
-De Meester zeide: „Kijk naar iemands daden!”
-
-Kijk nu (nauwkeuriger) naar waar zijn daden uit voortkomen! Onderzoek
-of hij er in te vertrouwen is! (lett. of hij er in woont, of hij niet
-weer veranderen zal dus.)
-
-Hoe kan iemand (zijn karakter) verbergen! Hoe kan iemand (zijn
-karakter) verbergen!
-
-
- Hiermede bedoelt Confucius, dat de Wijze de menschen moet kennen,
- al hun motieven en daden onderzoeken. Voor den Wijze slaagt niemand
- er ooit in, zijn karakter te verbergen, daar hij toch alles ziet.
-
-
-De Meester zeide: „Als iemand het oude oefent en het nieuwe weet kan
-men zeggen dat hij een Meester is van anderen.”
-
-De Meester zeide: „Een Kiün Tszʼ is geen stuk gereedschap” (dat
-iedereen maar gebruiken kan).
-
-Tszʼ Koeng vroeg: „Wat is een Kiün Tszʼ?” De Meester zeide: „Hij
-handelt vóór hij spreekt en spreekt dan later volgens die handelingen.”
-
-De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is katholiek en niet partijdig; de
-kleine mensch is partijdig en niet katholiek.”
-
-De Meester zeide: „Zich toeleggen op een vreemde leer is werkelijk
-gevaarlijk!”
-
-De Meester zeide: „Yioe, [67] ik zal U leeren, wat weten is. Als gij
-iets weet ook vol te houden dat gij het weet, en als gij iets niet weet
-ook te bekennen dat gij het niet weet. Dát is weten.”
-
-De hertog Ngai [68] vroeg: „Wat moet gedaan worden om het volk te
-onderwerpen?” De Meester zeide: „Bevorder de oprechten, en zet de
-heimelijken aan den wal, dan zal het volk zich onderwerpen. Bevorder de
-heimelijken en zet de oprechten aan den wal, dan zal het volk zich niet
-onderwerpen.”
-
-Kie Kʼang vroeg: „Wat moet er gedaan worden om te maken dat het volk
-(zijn Vorst) eert, hem getrouw is, en elkaar vermaant (tot de deugd)?”
-De Meester zeide: „Laat hem over hen regeeren met waardigheid (ernst),
-dan zullen zij hem vereeren; laat hij Hiao hebben en menschenliefde,
-dan zullen zij hem getrouw zijn; laat hem de goeden bevorderen en de
-onbekwamen leeren, dan zullen zij elkaar (tot de deugd) vermanen.”
-
-
- Hier zegt Confucius weer, evenals in de „Choeng Yoeng” dat de
- regeering in het eigen karakter van den vorst moet zijn geworteld.
-
-
-De Meester zeide: „Ik weet niet hoe een mensch zonder
-waarheidlievendheid kan voortkomen. Een groote wagen zonder dwarshout
-(om de ossen aan te spannen), of een kleine wagen zonder koppel (voor
-de paarden), hoe moeten die (ooit) vooruitkomen?”
-
-De Meester zeide: „Aan een geest te offeren die niet van ons is, is
-vleierij.”
-
-
- Hierbij bedoelde Confucius, dat men alleen aan de geesten zijner
- voorvaderen mocht offeren. Hij zou dus het tegenwoordige offeren
- aan alle mogelijk geesten streng afgekeurd hebben.
-
-
-(De Meester zeide:) „Te zien wat recht (goed) is, en het niet te doen,
-is geen moed hebben.”
-
-
-
-
-UIT BOEK III.
-
-De Meester zeide: „Als een mensch geen menschelijkheid heeft, wat heeft
-hij dan met het Decorum te maken? Als een mensch geen menschelijkheid
-heeft, wat heeft hij dan met muziek te maken?”
-
-Lin Fang vroeg, wat het gewichtigste van het Decorum (de Lí) was.
-
-De Meester zeide: „Dat is inderdaad een groote vraag!
-
-In (feestelijke) ceremoniën is het beter zuinig te zijn dan
-verkwistend.
-
-In ceremonies van rouw is het beter (ware) smart te gevoelen dan
-precies (accuraat) te zijn in de ceremonie.”
-
-De Meester zeide: „Zijn’ vorst te dienen met de volle Lí (het volle
-Decorum) wordt door het volk voor vleierij gehouden.”
-
-De Meester zeide: „De Kwan Tsʼioe is vreugdevol en (toch niet)
-buitensporig, en smartvol zonder te kwetsen (door overmaat).”
-
-
- De Kwan Tsʼioe is de naam van de eerste ode in de Shi King.
- Confucius wilde hiermede zeggen, dat èn in vreugde èn in smart
- harmonie—Hô—moet zijn, en men in geen van beide losbandig mag
- wezen, en in uitersten mocht vervallen.
-
-
-De grenswachter van Ie verzocht den (Meester) te mogen zien, zeggende:
-„Als Kiün Tszʼs hier gekomen zijn werd mij nog nooit het genot
-geweigerd hen te zien.” Zijne volgelingen leidden hem binnen, en toen
-hij (weer) buitenkwam zeide hij tot hen: „Mijne vrienden, waarom zijt
-gij zoo bedroefd dat (uw Meester) zijne betrekking heeft verloren? Het
-keizerrijk is lang zonder Tao geweest. De Hemel gaat uw Meester
-gebruiken als een bel met houten tong.”
-
-
- De „toh” is een ijzeren bel met houten tong. De bedoeling van den
- grenswachter was, dat de Hemel Confucius gebruikte om overal in het
- rijk Tao te verkondigen.
-
-
-De Meester noemde de Shau volmaakt mooi en volmaakt goed, en noemde de
-Woe volmaakt mooi, maar nog niet volmaakt goed.
-
-
- De Shau was de muziek van keizer Shoen, de Woe de muziek van koning
- Woe. Wat klank en melodie aangaat waren beide volmaakt. Maar,
- zooals Choe Hie dat zeer schoon zegt in zijn commentaar: „Het Goede
- is het ware Wezen van het Schoone.” De muziek van Shoen was schoon,
- omdat hij de regeering verkreeg door de kracht der deugden van zijn
- Sing. Koning Woe, [69] de zoon van koning Wĕn, moest om op den
- keizerlijken troon te komen eerst den tyran Cheu Sin der Shang
- dynastie verslaan met geweld van wapenen. Dit geweldige was ook in
- zijn muziek, terwijl in Shoen’s muziek alles rust en vrede was.
-
- Dit hoofdstuk is een zeer gewichtig punt voor de kennis der
- chineesche principes van aesthetiek.
-
-
-De Meester zeide: „Een hooge positie zonder vergevingsgezindheid;
-Decorum zonder reverentie; rouw in acht genomen zonder smart, hoe moet
-ik deze dingen beschouwen?”
-
-
-
-
-BOEK IV.
-
-I. Het schoone van een dorp (buurt) is de menschelijkheid. Als iemand
-er een om te wonen uitkiest, waar geen menschelijkheid is, hoe kan hij
-dan wijsheid verkrijgen?
-
-
- Ik wijs er nog eens uitdrukkelijk op dat „jen”, in boeddhistische
- werken enkel genade, liefde en medelijden beteekenend, in Confucius
- niet alleen die liefde uitdrukt, maar ook alle deugden, die aan een
- mensch eigen, die menschelijk zijn.
-
-
-II. De Meester zeide: „Menschen zonder menschelijkheid kunnen niet lang
-in een toestand van ellende zijn, en niet in een toestand van pleizier.
-De menschelijken rusten in menschelijkheid. De wijzen begeeren
-menschelijkheid.”
-
-
- De bedoeling is, dat menschen zonder menschelijkheid in armoede
- overslaan tot onwettige dingen, als diefstal enz. en in pleizier
- tot losbandigheid.—Vergelijk voor de rest dit artikel met de
- „Choeng Yoeng”, Hfdst. XIV, Nos. 1 en 2.
-
-
-III. De Meester zeide: „Alleen zij, die menschelijk zijn, kunnen
-anderen liefhebben, of anderen haten.”
-
-IV. De Meester zeide: „Als de wil ernstig gericht is op
-menschelijkheid, is er geen slechts (in ons).”
-
-V. 1. De Meester zeide: „Rijkdom en aanzien zijn wat de menschen
-begeeren. Als zij niet in Tao verkregen kunnen worden moet men niet (in
-dat verlangen) wonen (rusten). Armoede en lage stand is wat de menschen
-haten. Als het niet in Tao kan verkregen worden (dat men daarvan
-bevrijd blijft) moet men er niet van weggaan.
-
-2. Als de Kiün Tszʼ van menschelijkheid weggaat, hoe kan hij dan dien
-naam (van Kiün Tszʼ) volmaakt verdienen?
-
-3. De Kiün Tszʼ gaat niet voor den tijd van één maaltijd tegen
-menschelijkheid in. In haast zijnde blijft hij er in, in gevaar blijft
-hij er in.”
-
-
- Vergelijk hiermede „Choeng Yoeng” Hfdst. I. No. 2. Menschelijkheid
- ligt natuurlijk in Tao, d. i. in het volgen van de Sing, en kan dus
- óók nooit worden verlaten.
-
-
-VI. 1. De Meester zeide: „Ik heb nog niet iemand gezien, die
-menschelijkheid liefhad, en niet-menschelijkheid haatte. Voor iemand
-die menschelijkheid liefheeft, gaat niets daar boven. Iemand, die
-niet-menschelijkheid haat, zou wat niet-menschelijk is nooit tot zich
-laten naderen.
-
-2. Is er iemand, die één dag lang zijne krachten inspant tot (het
-verkrijgen van) menschelijkheid? Ik heb nog niet gezien, dat die kracht
-niet toereikend zou zijn.
-
-3. Als er al eens zoo’n geval geweest ware, ik heb het nog niet
-gezien.”
-
-VII. De Meester zeide: „De fouten van de menschen zijn eigen aan hun
-soort (klasse). Ziende naar iemands fouten kan men zijn menschelijkheid
-weten.”
-
-
- Een commentator zegt o. a. „Om iemands fouten kan men zijn hart
- doorgronden, en dan kan men ook zijn menschelijkheid zien. Hoe zou
- het aangaan te zeggen, dat iemand geen menschelijkheid heeft omdat
- hij fouten heeft?”
-
- Juist aan de fouten, die iemand heeft, en die eigen zijn aan zijn
- klasse, en als zoodanig dikwijls vergefelijk, kan men dus zijn
- menschelijkheid veelal zien.
-
-
-VIII. De Meester zeide: „Als men ’s morgens den rechten Weg (Tao) hoort
-kan men ’s avonds wel sterven.”
-
-IX. Een geleerde, wiens wil gericht is op Tao, maar die zich schaamt
-voor slechte kleeren en slecht voedsel, die is niet geschikt om mede te
-redeneeren.
-
-X. De Kiün Tszʼ onder den Hemel heeft geen vooringenomenheid vóór, of
-vooroordeel tegen dingen. Hij doet wat recht is.
-
-
- Het chineesche woord „iʼ”, een der hoofddeugden, in dezen zin waar
- het te pas komt door „recht” vertaald en elders door
- „plichtmatigheid” beteekent juister omschreven „het volgen van de
- rede van den Hemel.”
-
-
-XI. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ denkt aan de deugd, de kleine
-mensch aan zijn gemak. De Kiün Tszʼ denkt aan de wetten, de kleine
-mensch aan gunst.”
-
-XII. De Meester zeide: „Tegen hem, die (in alles) zijn voordeel volgt
-zal over zijn gedrag veel gemurmureerd worden.”
-
-XIII. De Meester zeide: „Als (een Vorst) met het ware wezen van het
-Decorum zijn staat kan regeeren, wat zal er dan moeilijk voor hem
-(kunnen) zijn? Als hij den staat niet met het ware wezen van het
-Decorum kan regeeren, wat heeft hij dan met het Decorum te maken?”
-
-
- In den tekst staat het woord „shang” dat weer heel moeilijk door
- één hollandsch equivalent te vertalen is. Het beteekent zoowel
- welwillendheid, bescheidenheid, nederigheid, kieschheid als
- beleefdheid.—Choe Hie zegt in zijn commentaar: „„shang” is het ware
- wezen van de Lí (het Decorum)” en dit heb ik dan ook in mijne
- vertaling gebruikt.—Lí mag dus niet alleen in ijdelen uitwendigen
- vorm bestaan, maar moet haar ware wezen, de „shang” in zich hebben.
-
-
-XIV. De Meester zeide: „Men moet niet bezorgd zijn dat men geen plaats
-(rang, betrekking) heeft, (maar) men moet bezorgd zijn of men er wel
-een kan vervullen. Men moet niet bezorgd zijn, dat men niet bekend is,
-(maar) men moet er voor zorgen, dat men bekend kán wezen.”
-
-XV. 1. De Meester zeide: „Tsʼan, [70] mijn Leer is eene eenheid, die
-alles samenhoudt.” De filosoof Tseng zeide: „Ja.”
-
-
- Men zegt, dat toen Confucius deze woorden uitte, hij een waaier in
- dicht gevouwen vorm aan zijne leerlingen voorhield, en dien toen
- uitspreidde, en daarna weer dicht vouwde, zeggende: „begrijpt gij
- wat ik hiermede bedoel, Tsʼan?” Dit vergelijke men met de „Choeng
- Yoeng” en wel de Inleiding daarvan, waarin gesproken wordt van het
- ééne principe, dat uitgespreid wordt en dan weer terugkeert, dat
- wordt ontrold en weer opgevouwen. Dat ééne principe is hier
- natuurlijk niets anders dan de Sing, de bron en oorsprong van
- alles, „dat, wat de Hemel als natuur heeft verleend.” (Choeng
- Yoeng, Hfdst. I. No. 1.) Ik heb het chineesche „kwan” vertaald door
- „samenhoudt.” Letterlijk beteekent het het rijgen van vele paarlen
- aan één draad, hier dus te vergelijken met één principe, dat door
- alles en allen heen gaat.
-
-
-2. De Meester ging de deur uit, en de andere (discipelen) vroegen: „Hoe
-bedoelt hij dat?” De filosoof Tseng zeide: „De Leer van mijn’ Meester
-is: „De principes van zijn eigen Sing (natuur, zie Choeng Yoeng) te
-cultiveeren en den plicht van wederkeerigheid te betrachten”; dit is
-het, en niets anders.”
-
-
- Dit „wederkeerigheid” (uitgedrukt door een „hart” met „gelijk als”,
- er boven, dus: „evenals mijn hart”) te begrijpen als „anderen te
- helpen, op te wekken, om ook de Sing te ontwikkelen, en hun niet te
- doen wat wij zelven niet wenschen gedaan te worden.” Het Eéne is
- dus de Sing, de goddelijke natuur, die in allen dezelfde is.
-
-
-XVI. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ houdt zich aan plichtmatigheid, de
-kleine mensch houdt zich aan winst.”
-
-
- Met plichtmatigheid wordt hier bedoeld „dat wat behoorlijk is
- volgens de rede van den Hemel,” met winst „dat wat de hartstochten
- begeeren” dus rijkdom, lust, aanzien enz. Er staat in den tekst
- niet „zich houden aan” maar „in gesprek zijn met, spreken met.”
-
-
-XVII. De Meester zeide: „Als men een eerwaardig mensch ziet, moet men
-hem (trachten te) evenaren; als men een niet eerwaardig mensch ziet,
-moet men zichzelven van binnen onderzoeken (of wij ook niet als hij
-zijn misschien).”
-
-XVIII. De Meester zeide: „In het dienen van onze ouders moeten wij hen,
-als de gelegenheid dat vereischt, vermanen; als wij zien, dat het hun
-neiging niet is om (onzen raad) te volgen, moeten wij hun reverentie
-(blijven) betoonen, maar het (toch) niet opgeven; als het ons groote
-moeite geeft moeten wij er niet over murmureeren.”
-
-
- Hieruit ziet men, dat de Hiao niet enkel bestaat in het liefhebben
- en vereeren van de ouders, maar dat het ook de plicht der kinderen
- is, om hen, als ze dwalen, te vermanen. Luisteren de ouders er niet
- naar, dan moeten zij juist hun liefde en reverentie verdubbelen, om
- hen in hen te doen gelooven en zoo invloed op hen te krijgen. „De
- vermaning,” zegt een chineesch commentator, „moet gebeuren met een
- in harmonie rustig gezicht, een verheugde gelaatskleur, een zachte
- stem, en een nederig humeur.” Al kost het nóg zooveel moeite en
- verdriet, toch mogen de kinderen daarover niet murmureeren.
- Hetzelfde geldt voor jongeren broeder tegenover ouderen broeder,
- voor vriend tegenover vriend, voor leerling tegenover leermeester
- en, in uitgebreiden zin, voor onderdaan tegenover vorst of
- gouvernement. De hooge ambtenaren heeten n.l. in ’t chineesch
- „ouders-mandarijnen.”
-
-
-XIX. De Meester zeide: „Als de vader en de moeder nog in leven zijn mag
-(het kind) niet veraf (in den vreemde) zwerven. (Als hij gaat) moet hij
-naar een (bepaalde) vaste plaats gaan.”
-
-XX. De Meester zeide: „Als (de zoon) in drie jaren niet afwijkt van den
-weg zijns vaders, dan kan men dat Hiao noemen.”
-
-
- Dit punt is door latere geleerden en filosofen druk betwist en
- bestreden. Immers de vraag doet zich voor. „Als de vader zelf nu
- eens níet den goeden, maar den verkeerden weg beging?”
-
-
-XXI. De Meester zeide: „De ouderdom van vader en moeder mag niet
-vergeten worden, èn niet (als reden) voor vreugde, èn niet (als reden)
-voor vrees.
-
-
- Als reden voor vreugde, omdat bij de Chineezen hooge ouderdom een
- eerwaardig ding is, een gunst van den Hemel, en als reden voor
- vrees, omdat de kinderen altijd moeten vreezen, hunne ouders te
- verliezen.
-
-
-XXII. De Meester zeide: „Dat de Ouden geen (beter: zoo weinig) woorden
-uitten, was omdat zij zich schaamden dat hunne daden er niet aan toe
-zouden komen.”
-
-XXIII. De Meester zeide: „De standvastigen verliezen zelden iets.”
-
-
- Het chineesche woord „yoh” in den tekst beteekent feitelijk
- samenbinden, en ook bij contract iets aannemen, maar kan hier
- alleen beteekenen „vastbesloten zijn, standvastig zijn.” De
- commentaar van Choe Hie zegt dan ook „yoh is niet buitensporig
- (losbandig) zijn en niet loslaten.”—Verliezen hier ook in den zin
- van „dwalen” te nemen.
-
-
-XXIV. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ wil langzaam-voorzichtig zijn in
-zijne woorden en vlug-prompt in zijne daden.”
-
-XXV. De Meester zeide: „De deugd is niet alleen, maar heeft stellig
-buren.”
-
-
- De bedoeling is: „de deugd trekt de deugd aan, en een deugdzaam
- mensch zal spoedig andere deugdzamen tot vrienden hebben.”
-
-
-XXVI. Tszʼ Yoe zeide: „In het dienen van een Vorst leiden veel
-vermaningen tot ongenade; onder vrienden leiden veel vermaningen tot
-verwijdering.”
-
-
- Tenzij dit als eene verzuchting en niet als een les bedoeld is,
- komt dit hoofdstuk mij voor, niet best te correspondeeren met
- XVIII.
-
- Ik heb dit Boek IV in zijn geheel vertaald, om den lezer een idee
- te geven, hoe zulk een boek in elkaar zit. In ’t vervolg bepaal ik
- mij weder tot fragmenten.
-
-
-
-
-UIT BOEK V.
-
-Iemand zeide: „Young heeft menschelijkheid, maar is niet vaardig met
-den mond.”
-
-De Meester zeide: „Wat voor nut heeft vaardigheid met den mond? Zij,
-die de menschen weerstaan met den mond, zullen voortdurend den haat van
-de menschen opwekken. Ik weet niet of hij menschelijk is. (Maar) wat is
-het nut van vaardigheid met den mond?”
-
-De Meester zeide: „Mijn Leer wordt niet begaan. Ik zal op een vlot over
-de zee gaan drijven. Die mij vergezellen zal, zal Tszʼ Loe zijn, durf
-ik zeggen.” Toen Tszʼ Loe dit hoorde was hij verheugd. De Meester
-zeide: „Yioe houdt van dapperheid en overtreft mij (daarin), hij heeft
-(echter) geen talent (van doorzicht in zaken).”
-
-
- Tszʼ Loe, of Yioe, was bekend om zijn dapperheid en zijn trouw. Hij
- viel dan ook in den strijd, toen hij later zijn vorst, van Wei,
- niet wilde verlaten. Confucius wist dan ook, dat hij op hem
- vertrouwen kon, maar vond het noodig, hem toch de waarheid te
- zeggen, toen hij zoo blij was met dien lof.
-
-
-Woe vroeg over Tszʼ Loe, of hij menschelijk was. De Meester zeide: „Ik
-weet het niet.”
-
-Toen vroeg hij het nog eens. En de Meester zeide: „In een staat van
-duizend wagens, zou Yioe kunnen gebruikt worden om het belastingstelsel
-te beheeren. (Maar) ik weet niet of hij menschelijk is.”
-
-„En hoe is het met Kʼioe?” (werd weer gevraagd). De Meester zeide: „In
-een stad van duizend families, of een Huis van honderd wagens, zou
-Kʼioe kunnen gebruikt worden als gouverneur. (Maar) ik weet niet of hij
-menschelijk is.”
-
-„En hoe is het met Chʼih?” (werd weer gevraagd.) De Meester zeide:
-„Chʼih met zijn gordel om en staande aan het hof zou gebruikt kunnen
-worden om het gesprek te voeren met bezoekers en gasten. (Maar) ik weet
-niet of hij menschelijk is.”
-
-
- Hieruit blijkt, welk een groote waarde Confucius toekende aan zijn
- begrip „menschelijkheid” d. i. het bezitten van alle deugden, aan
- den mensch uit den aard van zijn Sing eigen. Al was iemand om zijne
- deugden reeds geschikt om hooge posten te bekleeden, dan nóg was
- het niet zeker, dat hij de volmaakte menschelijkheid bezat. En
- menschen als Yioe (Tszʼ Loe), Chʼih enz. waren nog wel de besten
- uit het land, zijn eigen discipelen! Een staat van honderd wagens
- was het tweederangsleengoed (Legge), behoorende tot de hoogste
- edelen van den staat, en bevattende duizend families. Een staat van
- duizend wagens was het eersterangsleengoed.
-
- Chʼih, met den familienaam Koeng Si, en den titel Tszʼ Hwa, was een
- van Confucius’ discipelen, die bizonder uitmuntte door zijn kennis
- van de ceremoniën. Kʼioe was eveneens een leerling van Confucius.
-
-
-De Meester vroeg aan Tszʼ Koeng: „Wie denkt gij dat meer is, gij of
-Hwoey?”
-
-(Tszʼ Koeng) antwoordde: „Hoe zou ik mij durven vergelijken met Hwoey?
-Hwoey hoort één (punt) en weet er dan (reeds) tien. Ik hoor er één, en
-weet er dan (slechts) twee.”
-
-De Meester zeide: „Gij zijt niet als hij, ik geef het u toe, gij zijt
-niet als hij.”
-
-
- Uit deze, zoowel als uit nog meer episodes uit de „Loen Yü” blijkt,
- dat Yen Hwoey de meest geliefde leerling van Confucius was.
-
-
-De Meester zeide: „Eerst was mijn methode (in den omgang) met menschen
-om hunne woorden aan te hooren en dan in hun gedrag te gelooven. Nu is
-het mijn methode (in den omgang) met menschen om hun woorden aan te
-hooren en naar hun gedrag te zien. Door Yu heb ik dat (leeren)
-veranderen.”
-
-
- Yü of Tsae Yu was een van Confucius’ leerlingen, wel oprecht en van
- goeden wil, maar buitengewoon bot van verstand.
-
-
-De Meester zeide: „Ik heb nog nooit een standvastig, onbuigbaar mensch
-gezien.” Men antwoordde: „Shin Chʼang (dan)?”
-
-De Meester zeide: „Chʼang!! Met zijn begeerten en lusten!! Hoe wou die
-standvastigheid verkrijgen!”
-
-
- Het ééne karakter „kang”, samengesteld uit twee deelen, waarvan het
- een „heuvel”, het andere „mes” beteekent, is zoowel metaalsterk en
- massief, als standvastig en onbuigbaar, solide en sterk, zooals die
- deelen aanduiden.
-
-
-Tszʼ Koeng zeide: „Wat ik niet wil dat de menschen míj doen, dat doe ik
-ook niet aan de menschen.” De Meester zeide: „Tszʼ, daar zijt gíj nog
-niet aan toe.”
-
-
- Iets van dien aard vindt men ook in de „Choeng Yoeng” (Hfdst. XIII.
- No. 3.) Confucius zag in, dat al wist men de waarheid van dezen
- gulden regel, het daarom nog zéér moeilijk was, hem altijd toe te
- passen, en er geheel aan toe te zijn.
-
-
-Toen de Meester in Chʼin was, zeide hij: „Laat mij teruggaan! Laat mij
-teruggaan! De kleine kinderen (discipelen) van mijn school zijn te wild
-en onbezonnen. Zij zijn wel volmaakt volleerd in de schoone kunsten
-[71] maar zij weten zich niet te verbeteren (en te vormen).”
-
-Toen Yen Yoeën en Kie Loe aan zijne zijde stonden, zeide de Meester:
-„Wel, laat elk van u eens zijne wenschen zeggen!” Tszʼ Loe zeide: „Ik
-zou wenschen wagens en paarden en fijne bontkleederen om met mijne
-vrienden samen te deelen, en ik zou niet boos zijn als zij die
-bedierven.”
-
-Yen Yoeën zeide: „Ik wensch niet te roemen over mijn goedheid, en geen
-vertoon te maken van mijne daden.”
-
-Tszʼ Loe zeide: „Ik wensch te hooren de wenschen van mijn’ Meester.”
-
-(En) de Meester zeide: „(Die zijn:) Aan de ouden van dagen rust te
-geven, aan vrienden oprechtheid te toonen, en de jeugdigen te
-koesteren.”
-
-
-
-
-BOEK VI.
-
-De Hertog Ngai vroeg (aan Confucius) welke zijner discipelen hield van
-de studie. Confucius antwoordde: „Yen Hwoey! Hij hield van leeren. Hij
-was geen tweemaal vertoornd over hetzelfde, hij herhaalde geen fout.
-Ongelukkigerwijze was zijn (voorbestemde) levenstijd kort, en hij
-stierf; en nú is er géén meer als hij. Ik heb nog niet gehoord van
-een’, die (zóó als hij) van de studie hield.”
-
-De Meester, sprekende over Choeng Koeng, zeide: „Als het jong van een
-bonte koe rood is en met wijde hoorns,—ofschoon de menschen het niet
-van nut zouden vinden, zouden (de geesten van) de bergen en de stroomen
-het weigeren (als offer)?”
-
-
- Een bonte koe werd beschouwd als ongeschikt voor de offering.
- Confucius bedoelt hier blijkbaar, dat de fouten van den
- vader—Choeng Koeng was n.l. een berucht slecht mensch—niet aan het
- kind mochten verweten worden.
-
-
-De Meester zeide: „Het hart van Hwoey was zoo, dat er drie maanden lang
-niets in hem was dat tegen menschelijkheid inging. Anderen mogen dat al
-eens eenmaal per dag of per maand hebben, maar daarmede is het dan ook
-uit.”
-
-
- Choe Hie teekent hierbij aan, dat als er niets tegen menschelijk in
- is, er geen enkel haartje of greintje „heimelijke begeerte” mag
- zijn.
-
-
-De Meester zeide: „De eerwaardige Hwoey! Met één bamboe-korfje rijst,
-één kalebas water, wonende in een ellendige buurt, waar anderen de
-misère niet zouden uithouden, liet Hwoey zijn geluk (daardoor toch)
-niet veranderen. De eerwaardige Hwoey!”
-
-De Meester zeide: „Mĕng Chi Fan roemt niet (op zijn deugd). Op een
-vlucht, in de achterhoede zijnde, toen men aan ’t binnengaan van de
-poort was, zweepte hij zijn paard aan, en zeide: „Niet dat ik de
-laatste durf zijn, (maar) mijn paard wilde niet vooruit.”
-
-
- Het is hinderlijk te zien, hoe Prof. Legge, uitstekend geleerde als
- hij is, in zijne vertaling overal à tort et à travers Confucius
- tracht af te breken, om op deze vreemde wijze het Christendom te
- verheffen. Zóó zegt hij, ook naar aanleiding hiervan: „But where
- was his virtue in deviating from the truth? (maar waar was (hier)
- zijn deugd in het afwijken van de waarheid?)” Op die manier zou
- natuurlijk alle bescheidenheid onmogelijk kunnen worden gemaakt.
-
-
-De Meester zeide: „Aan hen, die boven het gemiddelde peil zijn, mogen
-de hoog(ere) dingen verkondigd worden. Aan hen, die beneden het
-gemiddelde peil zijn, mogen de hoog(ere) dingen niet verkondigd
-worden.”
-
-Fan Chʼi vroeg wat wijsheid was. De Meester zeide: „Zich ernstig
-toeleggen op de plichten van de menschen (het volk) en, de kwei-shin
-(geesten) eerbiedigende, zich op een afstand van hen houden, dat mag
-wijsheid genoemd worden.” (Toen) vroeg (hij) wat menschelijkheid was.
-(En de Meester) zeide: „(Het overkomen van) de moeilijkheid als de
-hoofdzaak te beschouwen, en het verkrijgen (van het succes) als het
-later komende (de bijzaak), dat mag menschelijk genoemd worden.”
-
-
- Hier hebben wij er weder een voorbeeld van, hoe bevreesd Confucius
- was, over geesten te spreken. Zie voor vergelijking ook de
- Choeng-Yoeng, Hfdst. XVI over „kwei-shin.”
-
-
-De Meester zeide: „Een hoekige kelk zonder hoeken! Wat een (rare)
-hoekige kelk! Wat een (rare) hoekige kelk!”
-
-
- Volgens het karakter „ku” waarin een hoorn (hoekig, puntig dus)
- voorkomt, was de gebruikelijke wijnkelk van een hoekigen vorm, wat
- in de grafische beteekening van het karakter ligt opgesloten.
- Later, in Confucius’ tijd, maakte men ze zonder hoeken, maar
- behield toch het karakter „ku” er voor, waarin het begrip hoekig
- was opgesloten. Confucius bedoelde er mede, dat de regeering en
- hare wetten de namen van het vroegere goede behielden, maar de
- hoofdeigenschap, het ware wezen er van misten.
-
-
-De meester bezocht Nan Tszʼ. Tszʼ Loe was hierover niet verheugd. De
-Meester zwoer, en zeide: „Als ik hierin iets slechts heb gedaan, moge
-de Hemel mij vernietigen! moge de Hemel mij vernietigen!”
-
-
- Zie hierover in het „Leven van Confucius” de door mij verhaalde
- omstandigheden, n.l. het bezoek van Confucius aan Nan Tszʼ, de
- vrouw van den hertog Ling van Wei.
-
-
-De Meester zeide: „De deugd, die van Choeng Yoeng, is (aan Choeng Yoeng
-eigen), hoe uitstekend is zij! Zelden betracht het volk haar lang!”
-
-
- Vergelijk „Choeng Yoeng”, Hfdst. II. No. 3.
-
-
-
-
-BOEK VII.
-
-De Meester zeide: „Een overleveraar, en geen maker, geloof hebbende in
-de Ouden en hen liefhebbende, vergelijk ik mij nederig met den ouden
-Pʼang.”
-
-
- Dit is een gewichtig punt, want hieruit zien wij, dat Confucius
- zelf heel goed wist, dat hij geen geheel nieuwe dingen verkondigde,
- maar die der Ouden—waaronder vooral Yaou, Shoen, koning Wĕn en de
- hertog van Chow—weder overleverde en hernieuwde. Pʼang was, volgens
- Choe Hie, een talentvol mandarijn uit de Shang dynastie.
-
-
-De Meester zeide: „Het stilzwijgend kennis (verzamelen); het studeeren
-zonder (het) moe te worden; de menschen onderrichten zonder luiheid;
-wát daarvan is aan mij?”
-
-
- Hier bewondert de chineesche lezer Confucius’ nederigheid.
-
-
-De Meester zeide: „Erg is mijn verzwakking. In lang heb ik niet weder
-gedroomd dat ik Chow Koeng zag.”
-
-
- Hier vindt men een der bijgeloovige zwakheden van Confucius. Als
- hij niet meer van Chow Koeng, den hertog van Chow droomde,
- beschouwde hij dat als een slecht voorteeken.
-
-
-De Meester zeide: „Van af hem, die mij zijn bundeltje gedroogd vleesch
-bracht tot diegenen, die hooger (gaven schonken) heb ik nooit iemand
-mijn onderricht geweigerd.”
-
-
- Het was de gewoonte, om bij een bezoek voor den Meester iets mede
- te brengen ten geschenke. Confucius was met wat gedroogd vleesch
- tevreden, als hij ernstigen wil tot leeren zag.
-
-
-De Meester zeide: „Aan diegenen, die geen begeerigen ijver (toonen)
-open ik (de waarheid) niet; diegenen, bij wie de goede wil niet is,
-help ik er niet uit. Als ik één hoek (punt van een zaak) heb
-aangetoond, en men er dan niet de (andere) drie uit grijpt, herhaal ik
-mijn les niet.”
-
-Als de Meester at aan de zijde van een rouwende, at hij zich niet
-verzadigd. Als de Meester op een’ dag geweend had, zong hij (dien dag)
-niet.
-
-De Meester zeide tot Yen Yoeën: „Als men gebruikt wordt (in den
-staatsdienst) de plichten (daaraan verbonden) doen; als men (daarvan)
-uitgestooten is, verborgen (onbekend) (te leven)—, dit is, wat alleen
-ik en gij kunnen zijn.”
-
-
- Dit correspondeert met Boek IV. Hfdst. XIV.
-
- Meermalen doet Confucius voelen, dat de Staat het zelve moet weten,
- of hij hem dienst laat doen of niet, maar dat híj zich altijd
- tevreden zal voelen.
-
-
-Tszʼ Loe zeide: „Als gij drie „kiün” troepen te leiden hadt, wien zoudt
-gij dan met u samen doen ageeren (als veldheer)?”
-
-De Meester zeide: „Hem, die als een wilde tijger is, die een rivier
-oversteekt en dan sterft zonder dat hij er spijt over heeft, dien zou
-ik stellig niet nemen, maar (wèl) hem, die vol zorgzame vrees is bij
-het aanvaarden der zaken, die goed zijn plannen verzint en ze volvoert.
-
-
- Men ziet hieruit, evenals men zal zien uit mijn laatste fragment
- uit Boek XIII, dat het het chineesche volk niet ontbroken heeft aan
- goede lessen uit de oudheid, om het te waarschuwen vóór den oorlog
- met Japan. Een „kiün” troepen is 12500 man. Een groote staat had er
- drie.—De vergelijking van den enkel woesten, maar niet verstandigen
- man met den tijger, die, niet kunnende zwemmen, zijn vijand in het
- water aanvalt of vervolgt, lijkt mij zeer juist.
-
-
-Toen de Meester in Tsʼi was, hoorde hij de Shau, en in drie maanden
-kende hij niet den smaak van vleesch. Hij zeide: „Ik had niet gedacht,
-dat muziek zóó uitstekend kon worden gemaakt.”
-
-
- Reeds in „Het Leven van Confucius” aangehaald. Zie ook het
- voorlaatste door mij aangehaalde fragment uit Boek II.
-
-
-De Meester zeide: „Grove rijst om te eten, water drinken, mijn gebogen
-arm als kussen—te midden van deze dingen is óók geluk. Op
-onplichtmatige wijze verkregen rijkdom en aanzien is voor mij als
-drijvende wolken.”
-
-De hertog van Shie vroeg Tszʼ Loe over Confucius. Tszʼ Loe antwoordde
-niet.
-
-De Meester zeide (toen hij dit later hoorde): „Waarom zeidet gij niet,
-hij is een man die in zijn ijverig zoeken (naar wijsheid) zijn voedsel
-vergeet, die in de vreugde (van het verkrijgen) zijn smart vergeet, en
-niet weet (en bemerkt) dat de ouderdom naderende is?”
-
-De Meester zeide: „Ik ben niet een, die bij zijne geboorte het weten
-(reeds) had; ik ben er een die (enkel) de Ouden liefheeft en het daar
-ernstig zoekt.”
-
-
- Zie over de Wijzen, die reeds bij de geboorte het àlweten bezitten,
- de Choeng Yoeng. Confucius was te nederig om zich daar zelf onder
- te rekenen.
-
-
-De Meester zeide: „De Hemel heeft de deugd in mij voortgebracht. Hwan
-Tʼoey,—wat kan híj mij (dan) doen?”
-
-
- In het „Leven van Confucius” heb ik dit reeds besproken.
-
-
-Het volk van Hoe Hiang was moeilijk om mede te spreken. Toen een
-jongentje (daarvan) den Meester kreeg te zien in een onderhoud
-twijfelde men (of hij daaraan wel goed deed).
-
-De Meester zeide: „Ik heb te doen met zijne nadering tot mij, ik heb
-niet te maken met zijn alleen zijn (en wat hij dan doet); waarom zóó
-erg (streng) zijn? Als iemand zich verreint om bij mij te komen, heb ik
-(enkel) met zijn verreind zijn te maken, zonder te waarborgen wat zijn
-verleden (geweest is).”
-
-
- Het volk Hoe Hiang was berucht om zijn slechtheid. Dit fragment
- geeft een schoon blijk van Confucius’ grootmoedigheid en zijn
- liberaal oordeel.
-
-
-De Meester zeide: „In de literatuur ben ik niet minder en wel gelijk
-aan andere menschen; maar zélf mij gedragen als een Kiün Tszʼ, dát heb
-ik nog niet verkregen.”
-
-
- Men ziet hieruit, hoe Confucius den superieuren mensch, den
- oppersten goeden mensch, dien hij Kiün Tszʼ noemde, boven den
- literator stelde.
-
-
-De Meester was zacht en (toch) streng, majestueus en (toch) niet woest;
-vol eerbied, en (toch) rustig.
-
-
-
-
-BOEK VIII.
-
-Toen de filosoof Tsĕng ziek was, riep hij de discipelen van zijn
-school, en zeide: „Ontbloot mijne voeten; ontbloot mijne handen. De Shi
-King zegt: „Vreezende, vreezende, bezorgd, bezorgd, als aan den rand
-van een afgrond, als gaande over dun ijs (moeten wij zijn).”
-
-„Nu en hiernamaals weet ik, hoe te ontkomen (aan wonden) o! mijn kleine
-kinderen!”
-
-
- De Hiao brengt mede, dat het lichaam, dat men van de ouders
- gekregen heeft, ook in gaven staat, zonder wonden, wordt behouden
- tot den dood. Daarom deed Tseng handen en voeten ontblooten om te
- laten zien, dat zij nog gaaf waren. Om dit lichaam zoo te kunnen
- behouden behoort het leven in eerbiedige vrees en met groote
- bezorgdheid te worden doorgegaan, alsof het langs afgronden ging,
- of over broos ijs.
-
-
-Toen de filosoof Tsĕng ziek was vroeg de filosoof Meng King (hoe het
-met hem ging). De filosoof Tsĕng zeide: „Als de vogel zal gaan sterven
-is zijn gezang droef. Als de mensch zal gaan sterven zijn zijne woorden
-goed.”
-
-De filosoof Tsĕng zeide: „Met zelf-kúnnen (toch) vragen aan wie niet
-kunnen; met zelf véél bezitten vragen aan wie weinig bezitten; hebbende
-alsof hij niet had; vol zijnde en toch zijn alsof hij ledig was;
-beleedigd, en er zich niet mede bemoeien; ik had vroeger een vriend,
-die dit alles volgde.”
-
-De Meester zeide: „Een mensch, die houdt van dapperheid en moedeloos
-wordt door armoede zal oproerig worden. Een mensch zonder
-menschelijkheid, als gij uw afkeer van hem intens doet zijn, zal
-oproerig worden.”
-
-De Meester zeide: „Al heeft iemand het schoone van de talenten van den
-hertog van Chow; als hij trotsch en gierig is, zullen de andere dingen
-niet genoeg waard zijn om naar te zien.”
-
-(De Meester zeide:) „Als de staat Tao heeft, zijn armoede en een lage
-positie dingen van schaamte. Als de staat geen Tao heeft zijn rijkdom
-en aanzien dingen van schaamte!”
-
-
- Ik vertaal tusschenbeide Tao expres niet, om het begrip goed te
- doen voelen. Er staat ook letterlijk „Yiu Tao”, Tao heeft. Bedoeld
- is natuurlijk als de staat een regeering heeft volgende aan, in
- overeenstemming met de goddelijke natuur, dat wat volgens den Hemel
- is, dus „als de staat goed, rechtvaardig geregeerd wordt.”
-
-
-De Meester zeide: „Leer (altijd) alsof gij het (weten) toch niet kondt
-bereiken, alsof gij (altijd) vreesdet het te zullen verliezen.”
-
-De Meester zeide: „Verheven was het, hoe Shoen en Yü het keizerrijk
-bezaten, alsof het niets voor hen was!”
-
-De Meester zeide: „Groot inderdaad was Yiao als Vorst! Hoe verheven!
-Alleen de Hemel is groot, alleen Yaou was zijn gelijke. Hoe eindeloos!
-Het volk kon het niet met een naam (noemen).”
-
-
- Zie de „Choeng Yoeng,” Hfdst. XXII.
-
-
-
-
-BOEK IX.
-
-De Meester was in vrees (voor zijn leven) in Kwang.
-
-En hij zeide: „Was na den dood van koning Wĕn de waarheid niet in mij
-gehuisvest?
-
-Als de Hemel had gewild, dat de waarheid zou te niet gaan, zou ik,
-latere sterveling, niet in zulk eene betrekking tot haar zijn gekomen.
-Als de Hemel de waarheid nog niet laat ondergaan, wat kan het volk van
-Kʼwang mij dan doen?”
-
-
- Het woord „wen” dat eigenlijk letteren, literatuur enz. beteekent,
- heb ik hier, evenals andere vertalers, door „waarheid” vertaald,
- omdat dit nog het dichtste bij komt aan Choe Hie’s verklaring
- daarvan: „Het zichtbaar (te voorschijn) komende van den Tao is
- wĕn,” dus „de manifestatie van den Tao.”
-
-
-Yen Yoeën zuchtte klagend en zeide: „Ik zag tegen (de Leer van mijn’
-Meester) op en des te hooger (scheen zij); ik trachtte er door héén te
-dringen en des te massiever (werd zij); ik keek er naar vóór mij, en
-plotseling was zij achter mij.”
-
-De Meester wilde gaan wonen onder de negen barbaren (stammen) in het
-Oosten.
-
-Iemand zeide: „Zij zijn ruw (en onwetend). Hoe kunt gij dat doen?”
-
-(De Meester) zeide: „Als er een Kiün Tszʼ (onder hen) woont, wat voor
-ruwheid kan er dan zijn?”
-
-De Meester, bij een stroom staande, zeide: „Het gaat voorbij juist als
-dit, het houdt niet op, dag noch nacht!”
-
-
- Choe Hie zegt, en ik geloof dat hij het juist heeft gezien, dat
- hier bedoeld wordt „de loop der Natuur.”
-
-
-De Meester zeide: „Ik heb nog niemand gezien, die de deugd even lief
-heeft als de schoonheid.”
-
-De Meester zeide: „Het gebeurt, dat er spruitjes zijn, maar dat zij
-niet in bloei komen; het gebeurt, dat er bloesems zijn, maar er geen
-vruchten komen.”
-
-De Meester zeide: „De aanvoerder van drie „kiün’s” troepen kan
-weggerukt worden. De Wil (zelfs) van den gemeenen man kan niet
-weggerukt worden.”
-
-
- Choe Hie voegt hieraan in zijn commentaar terecht toe: „Als de wil
- kon weggerukt worden, dan was het geen voldoende wil.”
-
-
-De Meester zeide: „Zelf gekleed in een ontrafeld, lang gewaad, bij
-menschen, die in bonten zijn gekleed, en zich (toch) niet
-schamende,—dit is zooals Yioe is.”
-
-
- Men ziet, dat Confucius, die den dapperen, onstuimigen Tszʼ Loe zoo
- dikwijls berispte om zijn gebrek aan kalm doorzicht, ook wel
- degelijk zijne andere goede eigenschappen, b. v. hier zijne
- waardigheid in de armoede, erkende.
-
-
-De Meester zeide: „Als het jaar koud wordt, dan weten wij dat de
-pijnboom en de cypres het laatst hunne blaren verliezen.”
-
-
- „In den nood leert men zijne vrienden kennen,” zou hier wel
- eenigszins op gelijken. De pijnboom en de cypres zijn, daar zij zoo
- lang goed blijven, de symbolen in China van langdurigheid, trouw,
- ouderdom.
-
-
-
-
-BOEK X.
-
-
-VOORWOORD.
-
- Dit Boek handelt geheel over de karakteristiek van Confucius. Yang
- Shi zegt hierover o. a.: „Wat de Wijzen Tao noemen is niet iets
- buiten wat elken dag noodig is. Daarom hebben de leerlingen van
- Confucius’ school nauwkeurig onderzocht en gezien naar zijn bewegen
- en rusten van elken dag, en het opgeteekend.” Iets verder zegt Yang
- Shi: „Als het nageslacht nu hun boek leest zal het vanzelf zijn, of
- zij den Wijze voor hunne oogen zien.” (Vert.)
-
-
-Confucius zag er in zijn dorp oprecht en ernstig uit, en als iemand,
-die niet kan spreken (zoo eenvoudig).
-
-Als hij in den voorvaderlijken tempel was, of aan het hof, sprak hij
-gemakkelijk, maar zorgzaam.
-
-Als hij aan het hof was, sprak hij met de mandarijnen van minderen rang
-eenvoudig, en sprak hij met de mandarijnen van hoogeren rang eerbiedig.
-
-
- Ik heb in dezen de chineesche karakters „k’an” en „yin” met één
- woord elk vertaald, maar dan ook niet de preciese bedoeling
- gekregen. Onder het eerste „k’an” met „eenvoudig” vertaald, behoort
- tegelijk „oprecht, ronduit” te worden verstaan. In het chineesch is
- dit aan ’t karakter zélve te zien, dat samengesteld is uit twee
- andere, waarvan het een „waarheid” beteekent, het andere „vloeien”
- (eenvoudig als een stroom). Zóó is ook „yin” niet alleen eerbiedig,
- maar ook „zacht, nederig”, hetgeen ’t karakter eveneens uitdrukt,
- dat bestaat uit twee andere, waarvan het ééne, dat „spreken”
- beteekent, is geplaatst in een ander, dat „deur” is, dus spreken
- „als iemand die aan de deur iets vraagt.” Zulke uit zich zelf
- sprekende karakters zijn natuurlijk niet precies weer te geven in
- één hollandsch woord.
-
-
-Als de Vorst aanwezig was drukte zijn gezicht de grootst mogelijke
-reverente zorg uit, en was hij van eerbied geslagen.
-
-
- Dit heb ik vrij moeten vertalen. De woorden „tik tsih” achter
- elkaar beteekenen „het heel voorzichtig stappen, als bang op iets
- te trappen, en met gelijkmatigen stap.” Dit, vergeleken met de
- uitdrukking van een gezicht, bracht mij tot mijne vertaling. Choe
- Hie geeft óók als synoniem „vereeren en vrees” dus „eerbied.” Voor
- het andere „ü ü” geeft de geleerde Chang Tszʼ „niet vergeten dat de
- Vorst voor u is” en Choe Hie „eerbiedige vrees”, waaruit ik mijne
- vertaling putte. Een en ander kan den lezer een idee geven van de
- moeilijkheid om héél enkele chineesche karakters weer te geven.
- Legge geeft voor het eerste „respectful uneasiness” en voor het
- tweede „grave, but self-possessed.”
-
-
-Als de Vorst hem riep om een’ hoogen edele te ontvangen veranderde zijn
-gelaatskleur en bogen zijne beenen (als om te knielen).
-
-
- Confucius’ eerbied voor een bevel wordt hierin beschreven.
-
-
-Hij boog (dan) tegen de (andere mandarijnen) onder welke hij stond,
-daarbij zijn rechter- of linkerarm bewegende (al naar gelang zij
-stonden), maar maakte dat de panden van zijn gewaad voor en achter
-recht bleven.
-
-
- Het wordt als onopgevoed beschouwd als bij het buigen het gewaad
- scheef gaat zitten.
-
-
-(Dan) ijlde hij vooruit als op wieken van een vogel vliegend.
-
-
- Dit drukt de eerbied uit, om haastig aan het bevel te voldoen.
- Statig ijlde hij vooruit, als een vogel die zijn vlucht neemt (den
- gast tegemoet).
-
-
-Als de gast (weder) weg was, gaf hij het bericht terug (aan den Vorst):
-„De gast ziet niet meer om (en ik zie hém niet meer).”
-
-Als hij de groote (paleis)deur binnenkwam, boog hij zijn lichaam, alsof
-hij er eigenlijk niet door mocht.
-
-
- Dit drukte zijn eerbied voor den Vorst uit. Zelfs voor de
- paleisdeur moest hij buigen, alsof hij eigenlijk niet waard was, er
- binnen te komen.
-
- Ik moet hierbij aanteekenen, dat het chineesche „küh kung” door de
- meeste vertalers door „het lichaam buigen” vertaald, en ook door
- Choe Hie als zoodanig aangegeven, tegenwoordig veel wordt gebruikt
- voor: „de armen bij elkaar brengen”, hetzij met de handen in de
- mouwen (als wíj doen bij koud weer, voor de warmte), hetzij met de
- handen over elkaar, ter hoogte van de borst, zoodat velen beweren,
- dat van „buigen” in dezen zin bij Confucius geen sprake was.
-
-
-Als hij stond, stond hij niet in het midden van de poort; als hij liep
-trapte hij niet op den drempel.
-
-
- Alleen de Vorst mocht in het midden staan en op den drempel treden.
-
-
-Als hij voorbij de (ledige) plaats (van den Vorst) ging, verschoot hij
-van kleur, en bogen zijne beenen onder hem; en de woorden (die hij
-sprak) waren als die van een’ die nauwelijks genoeg kon spreken.
-
-
- Zelfs voor de ledige plaats van den Vorst moest groote eerbied
- worden betuigd.
-
-
-Hij hield zijn gewaad op, bij het naderen tot den vorstelijken zetel,
-zijn lichaam boog, en hij hield zijn adem in, alsof hij geen adem
-(durfde) halen.
-
-Als hij van de audiëntie terugkwam, ontspande zich zijn gezicht op den
-eersten stap (achterwaarts) [72] en zag tevreden en verheugd. Als hij
-op de benedenste plaats was gekomen, ijlde hij vooruit als op wieken
-van een vogel vliegend en als hij op zijn plaats was gekomen, drukte
-zijn gezicht de grootst mogelijke reverente zorg uit.
-
-
- Bij het naderen tot den Vorst moest de grootst mogelijke eerbied
- worden betuigd, en als in vrees, met buigende knieën, nauwelijks
- ademhalende, ging Confucius tot hem. Maar bij het verlaten,—wat ook
- de antwoorden of gezegden van den Vorst mochten geweest zijn—moest
- een gezicht worden vertoond, blij in de vreugde van den Vorst te
- hebben aanschouwd. Men moet hierbij altijd goed onthouden, hoe hoog
- Confucius over het vorst-zijn dacht, anders zou dit alles
- slaafschheid zijn.
-
-
-Als hij den staf (van den Vorst gekregen) droeg, boog zijn lichaam,
-alsof hij het gewicht niet meester was. Hooggehouden hield hij hem (ter
-hoogte van de borst) als bij het buigen, laaggehouden hield hij hem
-(niet lager dan) alsof hij iemand iets gaf. Zijn gelaat verschoot, als
-van vrees, en hij liep schuifelend, en nog nauwkeurig onderzoekend naar
-iederen stap dien hij deed.
-
-
- In dien ouden tijd kregen de hooge edelen van den Vorst een’
- korten, kleinen staf of scepter ten geschenke als teeken van hun
- waardigheid, dien zij in de beide handen omhoog droegen, ter hoogte
- van de borst. Hij was van kostbaren steen, b. v. jaspis.
-
- Ook tegenwoordig dragen de hooge mandarijnen dien staf aan het hof,
- maar schaffen zich dien zelf aan. Behalve van jaspis zijn ze ook
- van andere stoffen, b. v. ivoor, stukken olifantsslagtand. Deze
- staf wordt eveneens ter hoogte van de borst gehouden, en bij
- groetenis met de handen mede op en neder bewogen.
-
-
-De Kiün Tszʼ (Confucius) droeg geen violet of donkerpurper, en geen
-roodbruin als versiering van zijn gewaad. Ook als hij ongekleed [73]
-(alleen) was, droeg hij geen purperachtige kleur.
-
-
- Deze kleuren waren n.l. alleen goed voor vrouwen of meisjes, die
- zich op moeten schikken.
-
-
-Over schaapsbont droeg hij een zwart zijden kleed; over hertenbont een
-van wit; over vossenbont een van geel.
-
-Het bonte gewaad van zijn huisdracht was lang, met de rechtermouw kort
-(voor het gemak in het schrijven en zaken behandelen).
-
-Zijn slaapgewaad moest stellig een halve lengte langer zijn dan zijn
-lichaam.
-
-
- Sommigen zeggen, dat dit alleen gold voor als hij vastte.
-
-
-Hij droeg geen schapenbont, of een zwarte muts, als hij op rouwbezoek
-ging.
-
-
- Omdat bruin-geelachtig wit de kleur der rouwenden is, die hier dus
- alleen paste.
-
-
-Op den eersten dag van de maand trok hij zijne staatsiekleederen aan en
-presenteerde zich aan het hof.
-
-
- Toen hij geen officieel ambt meer bekleedde, bleef dit zijne
- gewoonte. Men ontving hem altijd met groote eer, al liet men hem
- niet in den staatsdienst toe.
-
-
-Hij vond het niet onaangenaam als zijn rijst nauwkeurig schoongemaakt
-was, en vond het niet onaangenaam als zijn gehakt vleesch (heel) fijn
-was.
-
-Rijst, die dampig was geworden en zuur, en visch of vleesch, die
-bedorven waren, at hij niet. Wat verkleurd was, at hij niet. Wat een
-slechten reuk had, at hij niet. Wat slecht gekookt was, at hij niet.
-Dat wat niet tot het seizoen behoorde, at hij niet.
-
-Wat niet goed afgesneden was, at hij niet, wat niet zijn (daarbij
-behoorende) saus kreeg, at hij niet.
-
-Ofschoon er veel vleesch mocht zijn, liet hij, wat hij er van nam, niet
-meer zijn dan in de juiste verhouding met de rijst. Alleen voor wijn
-had hij geen maat, maar nam nooit tot hij er verward van was.
-
-Wijn of gedroogd vleesch van de markt at hij niet.
-
-Hij at nooit zonder gember.
-
-
- „Van gember wordt de ziel helder,” zegt Choe Hie hierbij. De
- chineezen zeggen, dat zij alleen vóór 12 uur ’s middags mag gegeten
- worden.
-
-
-Hij at niet veel.
-
-Als hij at converseerde hij niet, als hij te bed lag sprak hij niet.
-
-Als zijn mat niet recht was ging hij niet zitten.
-
-Als de dorpelingen aan het wijn drinken waren en zij, die lange staven
-droegen uitgingen, ging hij er achter.
-
-
- Vanaf den leeftijd van zestig jaren droegen de ouden van dagen
- lange houten of bamboestaven om op te steunen, wat nú ook nog veel
- wordt gedaan. Confucius ging nooit, uit respect voor den ouderdom,
- vóór de ouden, altijd achter hen.
-
-
-Als hij om informaties zond naar een’ anderen staat, boog hij tweemalen
-als hij den (boodschapper) uitgeleide deed.
-
-
- Dit buigen was niet tegen den boodschapper, maar tegen den staat.
-
-
-Als hij ziek was en de Vorst kwam naar hem zien, lag hij met het hoofd
-naar het Oosten, had hij zijne staatsiekleederen aan, en trok den
-gordel er over heen.
-
-
- Hoe ongemakkelijk dit ook voor een’ zieke mocht zijn, het Decorum
- ging bij Confucius vóór alles.
-
-
-Als een bevel van den Vorst hem ontbood, wachtte hij niet tot zijn
-wagen klaar was, maar ging (dadelijk).
-
-Als een vriend stierf, zonder betrekkingen te hebben (die voor de
-begrafenis konden zorgen) zeide hij: „Het is aan mij, hem te begraven.”
-
-Als een vriend hem een cadeau zond, al was het paard of wagen, als het
-geen vleesch voor offering was, boog hij er niet voor.
-
-Als hij sliep lag hij niet als een lijk.
-
-Voor iemand in rouwkleederen boog hij tot het dwarshout van zijn wagen;
-hij boog (eveneens) tot het dwarshout van zijn wagen tegen een’, die de
-tafels der bevolking droeg.
-
-Als het op eens donderde, of er een hevige wind was, verschoot hij van
-gelaatskleur.
-
-
- Dit drukte zijn vrees en zijn eerbied uit voor wat hij „de toorn
- des hemels” dacht te zijn.
-
-
-Als hij zijn wagen besteeg stond hij recht, het koord vasthoudende.
-
-Als hij in zijn wagen stond, draaide hij zijn hoofd niet om, praatte
-hij niet gejaagd, en wees niet met zijne handen.
-
-
- Kortheidshalve heb ik wel een groot deel, maar niet het geheele
- hoofdstuk dezer karakteristiek van Confucius vertaald. Het
- bovenstaande zal, hoop ik, genoeg zijn.
-
- De wagens in dien tijd waren meer karren op twee wielen, wel
- eenigszins gelijkende op die der grieken, waarin men stond naast
- een menner.
-
-
-
-
-BOEK XI.
-
-De Meester zeide: „De menschen van vroeger waren in Decorum en Muziek
-„landelijke menschen”; die van latere tijden zijn in Decorum en Muziek
-Kiün Tszʼ.
-
-Als ik deze dingen gebruik volg ik die van vroeger.”
-
-
- Met „landelijk” wordt hier eenvoudig, primitief (in den goeden zin)
- bedoeld. Met Kiün Tszʼ niet zoozeer de overal door Confucius
- verheerlijkte ideaal-mensch, maar meer de „accomplished gentleman”,
- waarmede o. a. Legge het hier heeft vertaald. De bedoeling is, dat
- muziek en decorum vroeger meer simpel van groote, eenvoudige
- waarheid waren, en de latere menschen, door deze ál te beschaafd en
- gepolijst te willen maken, het ware wezen er van te veel opofferden
- aan mooien schijn.
-
-
-Om hun deugdzaam gedrag waren onderscheiden Yen Yuen, Min Tszʼ Kʼien,
-Yen Pih Nioe, en Choeng Koeng; om hun talent van spreken Tsae Woe en
-Tszʼ Koeng; om hunne vaardigheid in het beheeren van zaken Yen Yioe en
-Kie Loe; om hunne studie van literatuur Tszʼ Yioe en Tszʼ Tszʼ Hia.
-
-
- Deze vier soorten—deugdzaam gedrag, talent van spreken, vaardigheid
- in beheeren, en studie van literatuur worden genoemd „de vier
- klassen” van discipelen en die tien bovengenoemde volgelingen „de
- tien wijzen.”
-
-
-Toen Yen Yuen gestorven was, riep de Meester uit: „Helaas! De Hemel
-vernietigt mij! De Hemel vernietigt mij!”
-
-Toen Yen Yuen (Yen Hwoey) gestorven was, weende hij van smart. Zijne
-volgelingen vroegen: „Is uw smart zoo bovenmatig?”
-
-(En de Meester zeide:) „Is mijn smart bovenmatig? (Ik weet dat niet
-eens!) Als ik om dezen mensch niet ontroerd ware van smart, om wien zou
-ik het dán zijn?”
-
-Kie Loe vroeg (den Meester) over het dienen van de kwei-shin (geesten
-der dooden). De Meester zeide: „Als gij de menschen nog niet kunt
-dienen, hoe kunt gij dan de geesten (van menschen) dienen?”
-
-(Toen) vroeg (Kie Loe) over den dood. (En de Meester) zeide: „Gij kent
-nog niet het leven; hoe zoudt gij dan den dood kennen?”
-
-
- Dit gezegde is zeer karakteristiek voor de filosofie van Confucius,
- die van den dood en een „hiernamaals” bijna nooit sprak, en enkel
- over het leven en de levenden filosofeerde. Vergelijk ook Boek VI
- „Pan Chi vroeg enz.” en vergelijk Bespreking van „Choeng Yoeng”,
- XVI. Men ziet hieruit, dat de overmatige, belachelijke vereering
- der dooden—zooals wij die in de kleinste bizonderheden in Prof. de
- Groots standaardwerk „The religious system of China” hebben leeren
- kennen—absoluut in strijd is met de Confucianistische leer, en deze
- misbruiken dus allerminst aan háár moeten worden toegeschreven.
-
-
-Min Tszʼ stond aan zijne zijde, zacht en hoffelijk; Tszʼ Loe stout en
-energiek; Yen Yioe en Tszʼ Koeng oprecht en open. De Meester was
-verheugd.
-
-
- Dit is als een schilderijtje, voorstellende Confucius met zijne
- vier discipelen, die allen in simpele trekken hun karakteristiek
- vertoonen. In het chineesch is het nog simpeler, daar voor de door
- mij gebruikte twee verschillende woorden in het origineel één
- chineesch karakter voldoet. Zie de Bespreking bij het 1e fragment
- in Boek X.
-
-
-Tszʼ Koeng vroeg: „Szi of Shang, wie is de waardigste?” De Meester
-zeide: „Szi gaat er naast, Shang komt er niet aan toe.” (Tszʼ Koeng)
-zeide: „Dan is Szi de beste, denk ik.” De Meester zeide: „Er naast gaan
-is (even verkeerd) als er niet aan toe komen.”
-
-
- Hier wordt het afwijken of niet bereiken van „Choeng Yoeng”
- bedoeld. Vergelijk ook „Choeng Yoeng”, Hfdst. IV.
-
-
-De Meester zeide: „Hwoey! Hij was er bíjna! (En) hij was voortdurend in
-armoede.”
-
-
- Bedoeld is: Hwoey was bijna geheel toe aan Tao, het volgen van de
- Sing. En dan kon hij in armoede ook best rust hebben.
-
-
-Tszʼ Loe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?”
-De Meester zeide: „Uw vader en uwe oudere broeders zijn er bijvoorbeeld
-nog (wie gij kunt raadplegen). Waarom wat gij hoort dadelijk
-uitvoeren?”
-
-Yen Yioe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?”
-De Meester zeide: „Voer het dadelijk uit.”
-
-Koeng Si Hwa zeide: „Yioe vroeg, of hij dadelijk moest uitvoeren wat
-hij gehoord had en gij zeidet: „Uw vader en uw oudere broeders zijn er
-(wie gij kunt raadplegen)”.—„Kʼioe vroeg, of hij dadelijk moest
-uitvoeren wat hij gehoord had, en gij zeidet: „Voer het dadelijk
-uit!”—Chʼih is verward, en durft u vragen (hoe het hiermede is).” De
-Meester zeide: „Kʼioe is dralerig, daarom laat ik hem vooruit gaan.
-Yioe is meer dan anderen, daarom laat ik hem achteruit gaan.”
-
-
- Men vergete niet dat Tszʼ Loe = Yioe, Yen Yioe = Kʼioe, en Koeng Si
- Hwa = Chʼih is.
-
- Tszʼ, die in energie en dapperheid méér was dan andere menschen,
- had gebrek aan doorzicht en correctheid, Kʼioe was te verlegen om
- te ageeren. Confucius lette dus bij zijn antwoord op hun beider
- karakters, en gaf hierdoor blijk van zijn menschenkennis.
-
-
-
-
-BOEK XII.
-
-Yen Yuen vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Zichzelf
-onderwerpen, en terugkeeren tot de Lí, is menschelijkheid. Als iemand
-zichzelf voor één dag onderwerpt, zullen allen onder den Hemel zijne
-menschelijkheid roemen. Komt menschelijkheid uit het zelf of uit andere
-menschen?”
-
-
- Choe Hie geeft in zijn commentaar ter verduidelijking nog eens de
- definitie: „Jen (menschelijkheid) is de volmaakte deugd van het
- oorspronkelijke hart” en „Lí (decorum) is de kuische beschaving van
- het principe van den Hemel.” Men ziet ook aan dit fragment weer,
- dat het Decorum niet beschouwd werd als enkel beleefdheidsvormen,
- maar als iets diviens, een beschaving van zeden, die alleen door de
- goddelijke deugd werd verkregen. „Zichzelf onderwerpen” is volgens
- Choe Hie „al zijne heimelijke lusten en begeerten bedwingen” en
- volgens anderen ook nog „alle egoïsme.”
-
-
-Yen Yuen zeide: „Ik verzoek U, mij daar de (verschillende) stappen
-(artikelen) toe te zeggen.”
-
-De Meester zeide: „Wat geen Lí is, zie daar niet naar. Wat geen Lí is,
-luister daar niet naar; wat geen Lí is, spreek daar niet over; wat geen
-Lí is, maak daar geen (enkele) beweging van.” Yen Yoen zeide: „Ofschoon
-ik niet actief en knap ben, zal ik trachten mijne zaak van deze woorden
-(lessen) te maken.”
-
-
- Alweer een bewijs, dat Lí volstrekt niet enkel een uitwendig
- beleefdheidsvertoon was, maar ook een reine staat van inwendige
- zedelijkheid, geeft Choe Hie weer, door o. a. in zijn commentaar te
- zeggen: „Geen Lí is het egoïsme van het zelf (met de heimelijke
- begeerten).”
-
-
-Choeng Koeng vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Als gij in
-den vreemde gaat, (te doen) alsof gij in alle (vreemden) hooge gasten
-ziet; het volk te gebruiken, alsof gij deelnaamt aan een groote
-offering; wat gij zelf niet wenscht gedaan te worden, dat niet aan
-anderen doen, in den staat geen gemurmureer tegen u te hebben; in uwe
-familie geen gemurmureer tegen u te hebben.”
-
-Choeng Koeng zeide: „Ofschoon ik niet actief en knap ben, zal ik
-trachten mijne zaak van deze woorden (lessen) te maken.”
-
-Szi Ma Nioe zeide bezorgd: „De (andere) menschen hebben allen broeders,
-(maar) ik alleen heb er geen.”
-
-Tszʼ Hia zeide: „Ik heb het volgende hooren zeggen: De dood en het
-leven hebben hun vast lot (van den Hemel); rijkdom en aanzien zijn in
-den Hemel (vastgesteld). Laat een Kiün Tszʼ reverent zijn en niet
-falen, laat hem tegenover de menschen eerbiedig zijn, en Lí hebben, dan
-zullen allen tusschen de vier zeeën zijne broeders zijn. Waarom zou de
-Kiün Tszʼ bedroefd zijn, omdat hij geen broeders heeft?”
-
-
- Zoowel in dit fragment als in „Choeng Yoeng” zal men eene analogie
- met gouden spreuken uit den bijbel zien. Choe Hie geeft aan, dat
- Tszʼ Hia dit weer van Confucius heeft gehoord, die dus de
- eigenlijke zegsman is.
-
-
-Tszʼ Koeng vroeg over regeering. De Meester zeide: „(Die bestaat
-dáaruit dat zij moet zorgen dat er) genoeg eten (is), genoeg uitrusting
-voor soldaten, en dat het volk vertrouwen heeft (in den Vorst).”
-
-Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan te doen is of één moet er
-weg, welke van deze drie dingen zou men dan het eerst weg moeten doen?”
-
-(De Meester) zeide: „De uitrusting van soldaten (moet dan eerst) weg.”
-
-Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan te doen is of één moet er
-weg, welke van de twee (overige) dingen zou men dan het eerst weg
-moeten doen?”
-
-(De Meester) zeide: „Het eten (moet dan eerst) weg. (Want) van ouds
-moeten allen tóch dood. Maar als het volk geen vertrouwen heeft (in den
-Vorst) is (de Staat) niet gevestigd.”
-
-De hertog King van Tsʼi vroeg aan Confucius over regeering. Confucius
-antwoordde: „Als de Vorst Vorst is, de minister minister is, de vader
-vader is en de zoon zoon is, (dan is er eene goede regeering).”
-
-
- Choe Hie zegt er bij: „Dit is de wortel (oorsprong) van regeering.”
- Toen ter tijde was er in Tsʼi groote wanorde, daar King zich liet
- overheerschen door zijn ministers, en er over dacht, zijn’ oudsten
- zoon van het erfschap uit te sluiten. Confucius was beroemd om
- zijne treffende, laconieke antwoorden, die altijd den spijker op
- den kop troffen.
-
-
-De Meester zeide: „Wie met een half woord processen kan beslechten, dat
-is Yioe!”
-
-„Tszʼ Loe draalde niet na een belofte.”
-
-
- Hier wordt Yioe wederom geprezen om zijne vaardigheid in het
- bemiddelen, en het beslechten van gedingen, en om de trouw aan zijn
- woord. Letterlijk staat in den tweeden zin „Tszʼ Loe sliep niet
- over een belofte” maar Choe Hie geeft „dralen.”
-
-
-Kie Kʼang vroeg over regeering aan Confucius. Confucius antwoordde:
-„Regeeren, is recht maken. Als de Leermeester (de Vorst) het volk
-voorgaat in het rechte, wie zal dan niet recht durven zijn?”
-
-
- Ik heb expresselijk het chineesche woord, dat „recht” beteekent,
- ook met „recht” vertaald, het engelsche „right.” Recht, dat is
- correct, zuiver als een rechte lijn in het goede. Onmiddellijk
- hiermede in verband staat het volgende.
-
-
-Kie Kʼang was bezorgd over de (vele) dieven en ondervroeg daarover
-Confucius. Confucius antwoordde: „Als gij zelf, Heer, niet zoo begeerig
-waart, al werden zij er voor beloond, zij zouden niet stelen.”
-
-
- Alweer een voorbeeld van Confucius’ treffende, onbewimpelde wijze
- van antwoorden. Kie Kang, het hoofd van den machtigen Kie clan in
- Loe, was zelf een usurpator, die het wettige stamhoofd, een jongen
- neef, had verjaagd, en vol begeerten was. Want Confucius’
- grondbeginsel was nu eenmaal, dat de vorsten en hoofden zélf
- moesten voorgaan in het goede, dat hun deugd het volk tot de deugd
- bracht, even zeker als hun ondeugd het tot zonde leidde.
-
-
-Kie Kʼang, over regeering aan Confucius vragende, zeide: „Zij, die geen
-Tao hebben te dooden voor het goed van diegenen, die wèl Tao hebben,
-hoe is het daarmede (denkt gij)?”
-
-De Meester zeide: „Wat voor nut is er om te dooden, als gíj, Heer, de
-regeering uitoefent? Begeert gij, Heer, naar het Goede, dan is het volk
-(vanzelf ook) goed. De deugden van den Kiün Tszʼ (de superieuren) zijn
-als de wind, de deugden van de kleine menschen (de inferieuren) als het
-gras. Het gras moet stellig buigen als de wind er over heen gaat.”
-
-
- Ik heb expresselijk weer het woord Tao behouden. „Geen Tao hebben”
- is dus „niet de Sing volgen”, dus ook vanzelf niet „het principe
- van den Hemel volgen.” Legge vertaalt het met „the unprincipled”
- wat daar eveneens uit volgt. Ik houd gaarne het woord Tao in zijne
- beteekenissen, die in het Boeddhisme en Taoïsme weer zoo geheel
- anders zijn.
-
-
-Fan Chʼi vroeg over menschlievendheid. De Meester zeide: „(dat is) de
-menschen liefhebben.” (Fan Chʼi) vroeg over weten. De Meester zeide:
-„(dat is) de menschen kennen.”
-
-
- Hier is een voorbeeld dat „Jên” elders in dit werk
- „menschelijkheid” (in den zin van de menschelijke deugden hebbend)
- beteekenend, thans „de menschen liefhebben” beteekent, zooals in
- boeddhistische werken.
-
-
-Fan Chʼi begreep het nog niet.
-
-(Toen) zeide de Meester: „Gebruik de rechten, en zet de krommen aan den
-kant; dan kunnen de krommen recht worden.”
-
-Fan Chʼi trok zich terug, zag Tszʼ Hia, en zeide: „Heer, (zooeven) had
-ik een onderhoud met den Meester, en vroeg hem over weten, en de
-Meester zeide: „Gebruik de rechten en zet de krommen aan den kant, dan
-kunnen de krommen recht worden.” Wat kan hij daarmede bedoeld hebben?”
-Tszʼ Hia zeide: „Hoe rijk zijn deze woorden! Toen Shoen het rijk bezat
-koos hij uit allen, en gebruikte Kaou Yan, en zij, die geen
-menschelijkheid hadden waren ver (te zoeken). Toen Tʼang het keizerrijk
-bezat koos hij uit allen, en gebruikte Ie Yin en zij, die geen
-menschelijkheid hadden, waren ver (te zoeken).”
-
-
- De ware menschelijkheid van een’ vorst, zoowel als zijn ware
- kennis, bestaat dus, volgens Confucius, uit het kiezen van de
- geschikte ministers en ambtenaren. De rechten, d. i. de oprechten
- moeten gebruikt worden (lett. staat er „opgeheven worden”) in den
- staatsdienst, en de krommen, d. i. de heimelijken, valschen, aan
- wal gezet. Want dan alleen bestaat er gelegenheid, dat de krommen
- onder het volk door het voorbeeld der regeeringsambtenaren, en den
- van hen uitgaanden transformeerenden invloed, ook recht worden.
-
-
-Tszʼ Hia vroeg over vriendschap. De Meester zeide: „Vermaan (uw vriend)
-trouwelijk en leid hem goed. Als (gij ziet) dat het niet kan, schei dán
-uit. Breng uzelf niet tot schande.”
-
-
- Als voorbeeld van de veelvuldig verschillende beteekenis van het
- karakter Tao diene, dat het hier voorkomt in den zin van „leiden”.
- Niet alleen kan het dus beteekenen „weg” maar zelfs „leiden” (op
- een weg).
-
-
-
-
-BOEK XIII.
-
-Fan Chʼi vroeg (den Meester) om hem landbouwkunde te leeren. (De
-Meester) zeide: „Ik ben niet zoo goed daarvoor als een oude
-landbouwer.”
-
-(Fan Chʼi) vroeg (den Meester) om hem tuinieren te leeren. (De Meester)
-zeide: „Ik ben niet zoo goed daarvoor als een oude tuinman.”
-
-Toen Fan Chʼi uitgegaan was, zeide de Meester: „Wat een klein mensch,
-die Fan Sü! [74] Als die van boven de Lí (het Decorum) liefheeft, dan
-zal het volk niet oneerbiedig durven zijn. Als die van boven de
-plichtmatigheid liefheeft, dan zal het volk het niet durven, zich niet
-(aan hem) te onderwerpen. Als die van boven de oprechtheid en trouw
-liefheeft zal het volk niet durven, niet oprecht te zijn. Welnu, als
-het zóó is, zal het volk uit alle vier windstreken naar hem toe komen,
-hunne kinderen op den rug dragend. Van wat voor nut zou dan
-landbouwkunde (voor hem) zijn?”
-
-
- Confucius vond dus, dat dingen als landbouwkunde, tuinieren enz.
- voor het volk waren, maar dat „die van boven”, d. i. de Kiün Tszʼ,
- de minister en de vorst de hoogere dingen hadden te kennen. Choe
- Hie zegt dan ook „Lí, Iʼ en Sin zijn de zaken van den grooten
- mensch.” Ik wijs er nog eens op dat men Lí vertalende door Decorum,
- Iʼ door plichtmatigheid (of, zooals Legge geeft, righteousness), en
- Sin door oprechtheid en trouw, wel heel dicht bij het chineesche
- begrip is, maar het niet gehéél omvat. Lí heb ik reeds omschreven
- door Choe Hie’s gezegde: „De kuische beschaving van het principe
- van den Hemel,” voor Iʼ geeft Wells Williams „dat, wat het hart in
- staat stelt, zichzelf te regeeren, en de dingen om op hun juiste
- plaats te zijn,” en ook „dat wat per se gepast en juist is.” Sin is
- zoowel oprechtheid, waarheid, integriteit en trouw, volgens Wells
- Williams.
-
-
-De Meester zeide: „Als iemand (al) driehonderd Odes kan opzeggen,
-(maar) als hij in de regeering met iets belast wordt, niet bedreven is,
-(of) als hij naar een der vier windstreken met een opdracht wordt
-gezonden, niet (zelf) alleen kan antwoorden, al (leerde hij) ook nóg
-zooveel, wat presteert hij er mede?”
-
-
- De Odes van de Shi King zijn van dien aard, dat, als men ze goed
- bestudeerd en gevoeld had, men vanzelf van regeeringszaken en
- opdrachten af moest weten, zóóveel staat er van in. Het opzeggen
- van de Odes zonder ze practisch te kunnen toepassen vond Confucius
- echter van geen nut.
-
-
-De Meester zeide: „Als zijn eigen karakter recht is, zal de regeering
-(van den Vorst) goed gaan zonder (het uitvaardigen van) bevelen. Als
-zijn eigen karakter niet recht is, al (vaardigt de Vorst) bevelen uit,
-men zal ze niet opvolgen.”
-
-De Meester zeide: „Als eenigen onder de Vorsten mij wilden gebruiken,
-zou ik in twaalf maanden iets (belangrijks) hebben kunnen doen. In drie
-jaren (zou de regeering) volmaakt zijn.”
-
-De Meester zeide: „Als goede menschen een’ staat honderd jaren
-achtereen regeerden, zouden zij ook de allerslechtsten kunnen vervormen
-(tot goeden) en de doodstraf afschaffen. Hoe volmaakt waar zijn deze
-woorden!”
-
-De Meester zeide: „Als er eens een (echte) koning was, zouden er
-stellig dertig jaar verloopen en daarna zou er menschelijkheid zijn.”
-
-
- Choe Hie wijst er op, dat deze koning een heilige wijze zou moeten
- zijn. Chʼing Tsoe wijst hierbij op het feit, hoe onder de regeering
- van koning Woe (de eerste regeerder der Chow dynastie) de Lí en de
- Muziek gingen bloeien.
-
-
-De Meester zeide: „Als een minister zijn eigen karakter recht maakt,
-wat zal er dan (moeilijks) voor hem zijn in het deelnemen aan de
-regeering? Als hij zijn eigen karakter niet recht maakt, wat heeft hij
-dan (andere) menschen recht te maken?”
-
-De hertog Ngai vroeg over regeering. De Meester zeide: „(Eene goede
-regeering bestaat) als zij die nabij zijn gelukkig zijn, en zij die
-veraf zijn (naderbij) komen.”
-
-Fan Chʼi vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „(Dat is) thuis
-zijnde bedaard en ernstig zijn, in het behandelen van zaken een
-eerbiedige nauwgezetheid hebben, en in den omgang met anderen loyaal
-zijn. Al mocht gij onder barbaarsche stammen zijn, mocht gij deze
-dingen niet veronachtzamen.”
-
-Tszʼ Koeng zeide, vragend: „Hoe moet iemand zijn, om ambtenaar te mogen
-genoemd worden?” De Meester zeide: „Hij, die in zijn eigen gedrag
-(gevoel voor) schaamte heeft en ergens in de vier windstreken gezonden,
-den last van zijn’ Vorst geen oneer aandoet, mag een ambtenaar worden
-genoemd.”
-
-De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is waardig en niet trotsch. De kleine
-mensch is trotsch en niet waardig.”
-
-De Meester zeide: „Als een goed mensch het volk zeven jaren onderwijst,
-dan kan men het ook in den oorlog gebruiken.”
-
-
- Het volk, om moreel geschikt te zijn, zijn vaderland te verdedigen,
- moet eerst onderwezen zijn in de deugden die zijn land groot maken.
- „Ouderlijke liefde, broederlijke liefde, loyauteit en trouw” noemt
- Choe Hie onder dezen op.
-
-
-De Meester zeide: „Een niet-onderwezen volk voor den oorlog gebruiken
-is het weggooien.”
-
-
- De laatste chineesch-japansche oorlog heeft de waarheid dezer
- woorden nog eens bewezen. Men ziet, dat het den chineezen niet aan
- goeden raad heeft ontbroken.
-
-
-
-
-BOEK XIV.
-
-Hjen vroeg, wat schaamte was.
-
-De Meester zeide: „Als er goede regeering in den staat is (alleen om)
-traktement te denken, en als er geen goede regeering in den staat is
-(ook alleen om) traktement te denken, dat is om schaamte over te
-hebben.”
-
-
- Er staat weer letterlijk „Als de staat Tao heeft” enz. Een goede
- regeering is n.l. óók volgen van de hemelsche natuur. Hjen of Yuen
- Szi was een der discipelen van Confucius, die zich bizonder
- onderscheidde door zijn onverschilligheid voor rijkdom en
- wereldsche dingen, en in groote armoede leefde. Hij bekleedde eerst
- het ambt van gouverneur eener stad, maar na Confucius’ dood trok
- hij zich geheel terug.
-
-
-De Meester zeide: „Een geleerde, die veel van gemak houdt, is niet
-genoeg waard om een geleerde te zijn.”
-
-De Meester zeide: „Als er een goede regeering in den staat is (mogen)
-de woorden hoog-verheven en de daden hoog-verheven zijn; als er geen
-goede regeering in den staat is (mogen) de daden hoog-verheven zijn,
-maar de woorden bescheiden.”
-
-De Meester zeide: „Kiün Tszʼs, die toch niet (altijd) menschelijkheid
-hadden, zijn er geweest, maar er zijn nog geen kleine menschen geweest,
-die menschelijkheid hadden.”
-
-De Meester sprak er over dat hertog Ling van Wei geen Tao had. Kie
-Kʼang zeide: „Als het zóó met hem was, hoe komt het dan, dat hij het
-rijk niet verloor?” Confucius zeide: „Yü, de Choeng Choeh, was de
-superintendent voor (de ontvangst van) gasten en vreemden; Tʼo, de
-litanist, had het beheer over den voorvaderlijken tempel, en Wang Soen
-Kia had het beheer over het leger; welnu, dit aldus zijnde, hoe zou hij
-het rijk verliezen?”
-
-
- De goede, hooge staatsdienaren behielden het rijk, waar de vorst
- alleen het zoude verliezen. „Choeng Choeh” is een naam voor zekeren
- familiegraad.
-
-
-De Meester zeide: „Als iemands woorden niet bescheiden zijn, zal het
-uitvoeren (daarvan) moeilijk zijn.”
-
-Kü Pih Yuh zond een bode naar Confucius. Confucius zat met hem, en
-vroeg: „Wat doet uw Meester (alzoo)?” (De bode) antwoordde: „Mijn
-Meester begeert zijne fouten weinigen te maken, maar heeft het nog niet
-gekund.” De bode ging uit, en de Meester zeide: „Wat een bode! Wat een
-bode!”
-
-
- Dit bewijst, dat Confucius ook kernachtige antwoorden in anderen
- apprecieerde. Kü Pih Yuh was een mandarijn van den staat Wei, en
- een van Confucius’ discipelen.
-
-
-Iemand zeide: „Hoe denkt gij over het met vriendelijkheid beantwoorden
-van beleediging?”
-
-De Meester zeide: „Waarmede moet men dan vriendelijkheid beantwoorden?
-Beantwoordt beleediging met recht, beantwoordt vriendelijkheid met
-vriendelijkheid.”
-
-
- Het „met vriendelijkheid beleediging beantwoorden” is een der
- teksten uit de Tao Teh King van Lao Tszʼ. Uit dit enkele fragmentje
- kan men reeds zien, hoe véél verder en hooger Lao Tszʼ ging dan
- Confucius.
-
-
-De Meester zeide: „Helaas, er is niemand, die mij kent!”
-
-Tszʼ Koeng zeide: „Wat bedoelt gij met dat men u niet kent?” De Meester
-antwoordde: „Ik murmureer niet tegen den Hemel. Ik toorn niet op de
-menschen. Laag (begint) mijne studie en hoog doordringt zij den Hemel.
-Wie míj kent, dat is de Hemel!”
-
-
- Confucius’ studie begon dus laag, bij de eenvoudigste dingen, om
- daarna den Hemel te doordringen, te omvatten.
-
-
-Tszʼ Loe vroeg over den Kiün Tszʼ. De Meester zeide: „(De Kiün Tszʼ
-betracht) cultivatie van zijn Zelf, in reverentie.” (Tszʼ Loe) zeide:
-„En is het hiermede uit?” (De Meester) zeide: „(De Kiün Tszʼ) betracht
-de cultivatie van zijn Zelf om anderen tot rust te brengen.” (Tszʼ Loe)
-zeide: „En is het hiermede uit?” (De Meester) zeide: „(Hij) cultiveert
-zijn Zelf om het geheele volk tot rust te brengen. (Hij) cultiveert
-zijn Zelf om het geheele volk tot rust te brengen. (Zelfs) Yaou en
-Shoen waren hier nog begeerig naar.”
-
-
-
-
-BOEK XV.
-
-De hertog Ling van Wei vroeg Confucius over tactiek. Confucius
-antwoordde: „Ik heb alles gehoord van offervazen, maar militaire zaken
-heb ik niet geleerd.” Den volgenden dag aanvaardde hij zijn vertrek.
-
-De Meester zeide: „Tsʼze, gij ziet mij meen ik aan voor iemand, die
-veel leert en dat onthoudt?”
-
-Tszʼ Koeng antwoordde: „Ja, of is het niet zoo?”
-
-De Meester zeide: „Neen,—ik breng het (alles) tot Één (terug).”
-
-
- Zie Boek IV. No. XV met de Bespreking. Letterlijk staat er „ik rijg
- het (alles) met één aan elkaar.”
-
-
-Tszʼ Chang vroeg over het gedrag (van den Kiün Tszʼ zoodat hij overal
-geapprecieerd zou worden). De Meester zeide: „Zijn woorden (moeten)
-oprecht en waar (zijn), zijn daden eerlijk en reverent; al is men onder
-de wilde barbarenstammen van ’t Zuiden of Noorden, moet men zich zoo
-gedragen. Zijn zijne woorden niet oprecht en waar, en zijne daden niet
-eerlijk en reverent, al is hij in (zijn eigen) „cheu”, hoe zal zulk een
-gedrag geapprecieerd worden?”
-
-„Als hij staat, laat hem (dan) die twee dingen zien, alsof ze vóór hem
-waren. Als hij in zijn wagen is, laat hem ze dan zien (als) aan zijn
-juk gehecht. Dan zal hij ze later ook in practijk kunnen brengen.”
-
-Tszʼ Chang schreef deze raadgevingen op zijn gordel.
-
-
- Een „cheu” is een streek van 2500 families.
-
-
-De Meester zeide: „De vastbesloten geleerde en de mensch van volmaakte
-deugd willen niet leven als zij hun menschelijkheid er door benadeelen.
-Zij willen hun lichaam dooden om hun menschelijkheid te volmaken.”
-
-
- Confucius leerde dus, dat, liever dan te leven ten koste zijner
- menschelijkheid, de geleerde (of de deugdzame) zijn leven opofferde
- om zijn menschelijkheid te redden.
-
-
-De Meester zeide: „Als een mensch niet bezorgd denkt om wat veraf is,
-zal het verdriet nabij zijn.”
-
-De Meester zeide: „Het is gedaan! Ik heb nog géén gezien, die de deugd
-liefheeft als de schoonheid.”
-
-De Meester zeide: „Hij, die van zichzelf véél vergt, en van anderen
-weinig, zal wrok vér van zich hebben.”
-
-De Meester zeide: „Als een mensch niet (gewoon is) te zeggen: „Wat moet
-ik hier van denken? Wat moet ik hier van denken?” zou ik niet weten wat
-ik van hem moest denken.”
-
-De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is in nood over zijn (eigen) onkunde;
-hij is niet in nood omdat de menschen hem niet kennen.”
-
-De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ heeft er een afkeer van dat na zijn’
-dood zijn naam niet (meer) genoemd zal worden.”
-
-
- Hierin verschilt Confucius geheel van Lao Tszʼ die leerde, dat als
- het werk maar overbleef, de naam van den mensch er niets meer toe
- deed.
-
-
-De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ zoekt (het) in zich zelven. De kleine
-mensch zoekt (het) in anderen.”
-
-De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ steekt geen mensch in de hoogte (enkel)
-om zijn woorden, (maar) verwerpt (ook) geen woorden om den mensch (die
-ze uitspreekt).”
-
-De Meester zeide: „Als alle menschen iemand haten, moet men daar
-stellig onderzoek in doen. Als alle menschen iemand liefhebben, moet
-men daar stellig onderzoek in doen.”
-
-Tszʼ Koeng vroeg over deugd. De Meester zeide: „De handwerksman, die
-zijn zaken goed wil doen, moet stellig eerst zijne gereedschappen
-scherpen. Als gij in een staat leeft, neem dan dienst met de meest
-eerwaardigen onder de hooge ambtenaren, en wees vrienden met de
-menschelijken onder de geleerden.”
-
-De meester zeide: „Fouten hebben en ze niet verbeteren, dit is (eerst
-recht) fouten hebben te noemen.”
-
-De Meester zeide: „Voor het volk is menschelijkheid méér dan water of
-vuur. Ik heb gezien, dat wie op water of vuur traden stierven, (maar)
-ik heb nooit gezien, dat wie in (het pad van) de menschelijkheid traden
-stierven.”
-
-De Meester zeide: „(Ieder) moet de menschelijkheid op zichzelf nemen.
-Men mag haar niet aan zijn’ Meester overlaten.”
-
-De Meester zeide: „In ’t dienen van zijn’ Vorst doet (de Kiün Tszʼ)
-zijn dienstzaken in reverentie, en zijn eten beschouwt hij als een
-latere zaak.”
-
-
- Dit sloeg op de begeerigheid der ambtenaren, die hun traktement als
- de hoofdzaak beschouwen.
-
-
-De Meester zeide: „Is er onderricht dan zijn er geen klassen (van
-menschen).”
-
-
- Confucius was alzoo het liberale en democratische beginsel
- toegedaan, dat door goed onderricht alle menschen, van welken rang
- of stand ook, gelijken konden worden.
-
-
-De Meester zeide: „Zijn hunne principes niet gelijk, dan kunnen
-menschen niet samen plannen maken.”
-
-
- Letterlijk staat er „Is de Tao niet gelijk,” wat ik meen hier met
- „principes” te mogen vertalen. Confucius bedoelde, dat als de
- grondbeginselen, de fundamenteele ideeën „van wat goed of slecht
- is,” zooals Choe Hie in zijn commentaar zegt, niet gelijk zijn, er
- ook verder geen redeneering of samenwerking mogelijk is. Twee
- menschen kunnen elk van hun standpunt gelijk hebben, maar de
- kwestie is, welke die principieele standpunten zijn. Wij zouden
- deze gelijkheid van principes gerustelijke eene „sympathie” kunnen
- noemen. Waar die tusschen menschen ontbreekt is samenwerken en
- begrijpen onmogelijk.
-
-
-De Meester zeide: „De taal moet (de bedoeling) overbrengen, daarmede
-houdt het op.”
-
-
- Eenvoud, leerde Confucius dus, moet het kenmerk van de taal zijn,
- die simpel de meening moet uitdrukken, anders niets. Choe Hie voegt
- er in zijn commentaar aan toe: „Men moet geen werk maken van
- rijkheid of mooiïgheid (van taal).”
-
-
-
-
-BOEK XVI.
-
-(De Meester zeide:) „Ik heb gehoord, dat zij, die het hoofd van een
-rijk of eene familie zijn, er niet bezorgd over zijn, dat hun volk
-weinig in getal zoude zijn, maar wel, dat elk niet zijn deel zoude
-krijgen; dat zij er niet bezorgd over zijn, dat (hun volk) arm zoude
-zijn, maar wel, dat (het) geen rust zoude hebben. (Want) als elk zijn
-deel heeft, is er geen armoede, als (het volk) rust heeft, is er geen
-rebellie.”
-
-
- Het „elk zijn deel hebben,” of, zooals het meer voorkomt, „elk zijn
- oorspronkelijk deel hebben” is een typisch chineesche uitdrukking.
- De chineezen gelooven dat elk, van arm tot rijk, een hem
- voorbeschikt „deel” heeft, dat hij niet overschrijden kan. Vandaar
- misschien die tevredenheid en gelatenheid van chineezen in de
- grootste misère. Choe Hie geeft voor rust hebben „dat hoogen en
- lagen met elkaar in rust zijn.” Onmiddellijk hierop volgt:
-
-
-„Ja, zóó is het. Daarom, als het volk van véraf zich niet onderwerpt,
-dan moet de cultivatie van de beschaving en de deugd het (tot ons) doen
-komen. En als het tot komen is aangetrokken, dan is het (ook) tot rust
-gebracht.”
-
-
- Deze woorden zeide Confucius tot Yen Yioe en Kie Loe, toen zij hem
- berichtten, dat hun vorst, het hoofd der Kie clan, tegen het
- staatje Choeën Yu wilde te velde trekken. Niet door geweld van
- wapenen, zeide dus Confucius, maar door de aantrekkingskracht van
- beschaving en deugd, moeten vreemde volken onderworpen worden.
- Merkwaardig is te weten dat het karakter „wen”, dat meestal
- „literatuur” beteekent, ook wordt gebruikt voor „beschaving”.
-
-
-(De Meester zeide:) „Als er Tao is (in de regeering) van het rijk
-zullen er geen (heimelijke) redeneeringen zijn onder het gewone volk.”
-
-Confucius zeide: „Er zijn drie dingen, waar de Kiün Tszʼ zich voor
-hoedt: In den tijd der jeugd, als zijn fysieke natuur nog niet
-vastgesteld is, hoedt hij zich voor schoonheid. Als hij zijne
-(volledige) sterkte bereikt heeft en zijne fysieke natuur in volle
-kracht is, hoedt hij zich voor vechtlustigheid. Als hij den hoogen
-ouderdom heeft bereikt, en zijne fysieke natuur verkwijnd is, hoedt hij
-zich voor begeerigheid.”
-
-
- Met „fysieke natuur” is het chineesche „hüeh kʼi” onvolledig
- vertaald. „Hüeh” is lett. vertaald „het bloed” en „kʼi” is, wat
- Wells Williams terecht noemt „nervous matter or the stamina of a
- being”, een soort „vital fluid” dat de chineesche filosoof in den
- mensch onderstelt. „Hüeh” is van „Yin”, het vrouwelijke of duistere
- principe, „kʼi” is van „Yang”, het mannelijke of lichte principe.
- Onder „schoonheid” heeft men natuurlijk weer te verstaan
- „schoonheid van vrouwen”, die lust opwekt, niet de ideale
- schoonheid.
-
-
-Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft drie (eerbiedige) vreezen. Hij
-vreest de besluiten van den Hemel. Hij vreest groote mannen. Hij vreest
-de woorden der heiligen.”
-
-„De kleine mensch weet de besluiten van den Hemel niet, en vreest ze
-(dus) niet. Hij is oneerbiedig tegen groote mannen. Hij vermaakt zich
-over de woorden der Wijzen.”
-
-
- De geleerde Yin Shi teekent hierbij aan, dat deze „drie vreezen”
- zijn de volmaking der cultivatie van het eigen karakter.
-
-
-Confucius zeide: „Zij, die geboren zijn met het (ál) weten zijn de
-hoogsten (onder de menschen). Zij, die (eerst) leeren, en dan weten
-volgen hierop. Zij, die ellendig zijn, en het (toch) leeren volgen hier
-weder op. Zij, die ellendig zijn, en (toch) niet leeren, zijn de
-laagsten (onder de menschen).”
-
-
- Met „ellendig” wordt hier natuurlijk bedoeld bot en dom. Het
- chineesche karakter, voorstellende een boom, opgesloten in een
- omringend vierkant, geeft symbolisch de beteekenis „kwijnend, uit
- gebrek aan ruimte.” Vergelijk met dit hoofdstuk ook de „Choeng
- Yoeng”, Hfdst. XX. No. 3.
-
-
-Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft negen dingen, waarin hij
-(aandachtig) nadenkt. In ’t zien denkt hij er om, dat hij helder moet
-zien. In ’t hooren denkt hij er om, dat hij duidelijk moet hooren. (Met
-betrekking op) zijn gelaatsuitdrukking denkt hij er om, dat zij
-vriendelijk moet zijn. (Met betrekking op) zijne houding denkt hij er
-om, dat zij eerbiedig moet zijn. (In het spreken van) zijne woorden
-denkt hij er om, dat zij oprecht moeten zijn. In (het doen van) zijne
-zaken denkt hij er om, dat hij reverent moet zijn. In zijn twijfelen
-denkt hij er om, dat hij (anderen) moet vragen. In zijn toorn denkt hij
-om de moeilijkheden (die er door kunnen ontstaan). Als hij ziet dat er
-winst te behalen is, denkt hij om rechtmatigheid.”
-
-
- Het „reverent” zijn in zaken doen is het eerbied hebben voor de
- principes van eerlijkheid en plicht, en die met vreeze in het oog
- houden.
-
-
-De hertog King van Tsʼi had duizend span van vier paarden, maar op den
-dag van zijn’ dood prees het volk hem voor geen enkele deugd. Poh Ie en
-Shoe Tsʼi stierven van honger aan den voet van den Shau Yang berg, en
-het volk prees hen tot den huidigen dag.
-
-
- Poh Ie en Shoeh Tsʼi waren twee broeders, en zonen van den koning
- Koe Choeh, ergens gelegen in de tegenwoordige provincie Pechili.
- Zij leefden in de laatste periode der Shangdynastie. Daar de oude
- koning den jongsten zoon, met voorbijgang van den oudsten tot
- opvolger benoemde, weigerde deze uit broederliefde, en verlieten
- beiden het rijk, om in afzondering te leven. Toen koning Woe van
- Chow tegen den tyran Cheu Sin optrok en hem overwon, wilden zij
- niet onder de nieuwe dynastie dienen, en stierven liever van honger
- onder een boom. Sedert werden zij vereerd om hun broederliefde en
- hun trouw.
-
-
-Chʼin Kang vroeg aan Poh Yü: „Hebt gij ook iets anders gehoord (van uw’
-vader) dan wat hij tot ons heeft gesproken?” (Poh Yü) antwoordde: „Nog
-niet! Hij stond eens alleen toen ik haastig beneden de zaal doorging,
-en zeide: „Hebt gij de Odes bestudeerd?” Ik antwoordde: „Nog niet.”
-(Toen zeide hij:) „Als gij de Odes niet hebt bestudeerd valt er met u
-niet te converseeren.” Toen ging ik heen en bestudeerde de Odes. Op
-een’ anderen dag stond hij (weder) alleen. Ik ging door de zaal voorbij
-en hij zeide: „Hebt gij de Lí bestudeerd?” Ik antwoordde: „Nog niet.”
-„Als gij de Lí niet hebt bestudeerd” (zeide hij) „is uw deugd nog niet
-gevestigd.” Toen ging ik heen en bestudeerde de Lí. Deze twee dingen
-heb ik (alleen) gehoord.”
-
-Chʼin Kʼang ging heen en zeide verheugd: „Ik vroeg één ding en kreeg er
-drie. Ik heb gehoord van de Odes. Ik heb gehoord van de Lí. Ik heb
-bovendien gehoord, dat de Kiün Tszʼ zijn’ zoon ver van zich houdt.”
-
-
- Men herinnere zich, dat Poh Yü Confucius’ zoon was. Chʼin Kʼang of
- Tszʼ Kʼin, o. a. ook voorkomende in het 7e. door mij aangehaalde
- fragment uit Boek I, was een der mindere discipelen van Confucius.
-
- Het „ver van zich houden” is door velen beschouwd, alsof Confucius
- niet bizonder van zijn’ zoon hield. Maar Choe Hie neemt in zijn
- commentaar de uitlegging op van den geleerde Yin Shih, die
- verklaarde, dat dit niet anders beteekende dan „dat Confucius aan
- zijn’ zoon niet anders leerde, dan wat hij zijn discipelen leerde.”
- Dus ook, dat Confucius zijne discipelen beschouwde als zijne
- kinderen. In dit licht gezien wordt het schijnbaar onsympathieke
- van dit geval juist sympathiek.
-
-
-
-
-BOEK XVII.
-
-De Meester zeide: „Door hunne natuur zijn de menschen elkaar nabij. In
-de practijk gaan zij ver van elkaar.”
-
-
- Choe Hie teekent hierbij aan, dat hier niet de „Sing” wordt bedoeld
- (uit de „Choeng Yoeng”) maar de complexe, actueele natuur, „met
- haar elementen van het materieele, het animale, en het
- intellectueele.”
-
-
-De Meester zeide: „Alleen de opperste wijzen en de laagste dommen
-(kunnen niet) veranderd (worden).”
-
-De Meester zeide tot Poh Yü: „Maak werk van de Chow Nan en de Shaou
-Nan. De mensch, die geen werk maakt van de Chow Nan en de Shaou Nan is
-als iemand die recht tegenover een muur staat. Is dat niet zoo?”
-
-
- De Chow Nan en Shaou Nan zijn de eerste twee boeken in de Shi King.
- Hij, die deze boeken, waarin zooveel over deugd en regeering staat,
- niet had gelezen, kon volgens Confucius evenmin vooruit als iemand,
- die tegenover een muur staat.
-
-
-De Meester zeide: „(Het is volgens) de Lí, zeggen zij. Zijn edelsteenen
-en zijde (alles) wat zij bedoelen met de Lí? Muziek, zeggen zij. Zijn
-bellen en trommen (alles) wat zij bedoelen met muziek?”
-
-
- Ziehier dus een klacht van Confucius, dat in zijn’ tijd de menschen
- alleen het uitwendige, den schijn van Decorum en Muziek hoog
- achtten, maar het waarachtige wezen daarvan verwaarloosden.
-
-
-De Meester zeide: „Hij, die een uiterlijk vertoont van ernstige
-strengheid, en van binnen zwak is, is als een klein mensch; is hij
-zelfs niet als een dief, die zich door een muur heendringt, of er
-overheen klimt?” (en ieder oogenblik bang is, betrapt te worden?)
-
-De Meester zeide: „Het volk van de oudheid had drie fouten, die
-tegenwoordig misschien verloren zijn gegaan.”
-
-„Het hoogvliegen van de oudheid was een niet achtslaan op kleine
-dingen; het hoogvliegen van heden is losbandigheid. De strenge
-waardigheid van de oudheid was een ernstige teruggetrokkenheid; de
-strenge waardigheid van heden is twistzieke gemeenheid. De domheid van
-de oudheid was oprechtheid; de domheid van tegenwoordig is enkel
-bedrog.”
-
-
- Eigenaardig is deze wijze, om uit het falen van de oudheid hare
- deugd te bewijzen.
-
-
-De Meester zeide: „Ik zou wenschen, niet te spreken.”
-
-Tszʼ Koeng zeide: „Als de Meester niet spreekt, hoe moeten uwe kleine
-kinderen (discipelen) dan overleveren?”
-
-De Meester zeide: „Spreekt de Hemel dan? De vier jaargetijden gaan
-(hunnen loopgang). Alle dingen worden geboren. Maar spreekt de Hemel?”
-
-
- Ziehier een episode, die eerder in een werk van Lao Tszʼ of Chuang
- Tszʼ te verwachten ware dan in een van Kʼoeng Tszʼ (Confucius).
- Ching Tszʼ geeft van dezen tekst de dichterlijke verklaring: „De
- Leer van Confucius had de helderheid van de zon en de sterren.”
- Zijn leer behoefde dus geen woorden om duidelijk te zijn, maar
- straalde uit van zijn persoon en al zijne daden. Om in Lao Tszʼs
- zin te spreken, zijn Leer was „Wu Wei,” behoefde geen actie van
- woorden, maar werkte vanzelf, zooals ook de natuur doet.
-
-
-De Meester zeide: „Hard (is het geval van) iemand, die zich den
-geheelen dag zat eet, zonder zijn geest ergens voor te gebruiken. Zijn
-er (dan) geen spelers en schakers? Daar één van te zijn is (nog)
-waardiger dan niets te doen.”
-
-Tszʼ Loe vroeg: „Waardeert de Kiün Tszʼ dapperheid?” De Meester zeide:
-„De Kiün Tszʼ houdt rechtmatigheid voor het hoogste. De Kiün Tszʼ, die
-dapperheid heeft en geen rechtmatigheid, zal insubordinent worden; de
-kleine mensch, die dapperheid heeft en geen rechtmatigheid zal gaan
-stelen.”
-
-De Meester zeide: „Alleen meisjes en dienstknechten zijn moeilijk te
-onderhouden. Komt gij dicht bij hen (dus: wordt gij familiaar met hen)
-dan zijn zij niet eerbiedig. Houdt gij u ver van hen dan zijn zij
-boos.”
-
-
- Door sommige vertalers is dit „meisjes” ook voor „vrouwen” in ’t
- algemeen genomen. Dit „meisjes” beteekent hier, zooals ook Legge
- zegt, meer het engelsche „girls”, dus concubinen. Dienstknechten in
- den chineeschen zin van slaven hier te nemen.
-
-
-De Meester zeide: „Yioe, hebt gij gehoord van de zes woorden en de zes
-overschaduwingen?” (Tszʼ Loe) antwoordde: „Neen.”
-
-„Ga zitten, ik zal het U zeggen” (zeide Confucius). „Houden van
-menschelijkheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing
-(veroorzaakt domme) naïeveteit. Houden van wijsheid en niet houden van
-de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) losbandigheid (van den
-geest.) Houden van oprechtheid en niet houden van de studie, deze
-overschaduwing (veroorzaakt) kwetsing (of benadeeling). Houden van
-openheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing
-(veroorzaakt) grofheid. Houden van dapperheid en niet houden van de
-studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) insubordinatie. Houden van
-onwankelbaarheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing
-(veroorzaakt) dolzinnigheid.”
-
-De Meester zeide: „Als iemand, als hij veertig jaar is, met haat wordt
-aangezien, zal hij zijn geheele leven blijven zooals hij is.”
-
-
- Choe Hie merkt hierbij aan, dat „veertig jaar is de tijd van de
- volmaking der deugd,” de tijd „om te verhuizen naar het goede en de
- fouten te verbeteren.” De stelling dat iemand, die bij de menigte
- gehaat is, slecht moet zijn, en dus ook, dat iemand, die bij de
- menigte geliefd is, goed, komt mij zeer gewaagd voor, en is
- lijnrecht in strijd met andere principieele uitingen van Confucius.
- Had hij er, zooals elders bijgezegd „Als er Tao is in het rijk” dan
- ware het iets anders geweest.
-
-
-
-
-BOEK XVIII.
-
-Hwoey van Lioe Hia was strafrechter, en werd driemaal ontslagen. Iemand
-vroeg hem: „Zoudt gij, Heer, nog niet kunnen weggaan (naar elders)?”
-(Hwoey) zeide: „Als ik op oprechte wijze de menschen dien, wáár zou ik
-heen moeten gaan om niet driemaal ontslagen te worden? Als ik de
-menschen op een kromme wijze dien, waarom zou ik dan absoluut uit het
-land van mijne ouders gaan?”
-
-
- Hwoey hier was een rechterlijk hoofdambtenaar in Loe. Hij was een
- opperste strafrechter, boven magistraten staande, maar onder den
- minister van Justitie. Zijn antwoord getuigt van de verdorvenheid
- zijner tijden. Ik heb hier opzettelijk „krom” vertaald om de
- tegenstelling met recht, zooals in ’t chineesch staat, waar
- „oneerlijk” of „onoprecht” beter zou zijn in het hollandsch.
-
-
-Hertog King van Tsʼi zeide omtrent zijne behandeling ten opzichte van
-Confucius: „Ik kan hem niet behandelen als het hoofd der clan Kie. Ik
-zal hem behandelen als tusschen deze en het hoofd der Meng clan in.”
-(En hij) zeide: „Ik ben oud. Ik kan (zijn leer) niet gebruiken.” En
-Confucius ging (heen).
-
-Het volk van Tsʼi zond meisjes-muzikanten (naar Loe); Kie Hwan ontving
-haar en in drie dagen werd geen audiëntie gehouden. En Confucius ging
-(heen).
-
-
- (In „Het Leven van Confucius” reeds besproken.)
-
-
-Tszʼ Loe, den Meester volgende, bleef (eens) achter en ontmoette een
-oud man, die een mandje voor onkruid op zijn’ schouder droeg aan een
-staf. Tszʼ Loe zeide vragend: „Heer, hebt gij mijn’ Meester gezien?” De
-oude zeide: „Uwe vier leden (zijn) niet (gewoon om te) bewegen. Gij
-kunt de vijf soorten graan niet onderscheiden. Wie is uw Meester?” Hij
-stak zijn staf in den grond, en wiedde.
-
-Tszʼ Loe bracht zijne handen samen voor de borst en bleef voor hem
-staan.
-
-De oude hield Tszʼ Loe bij zich om bij hem te overnachten, slachtte een
-kip, bereidde gierst, gaf hem te eten, en deed hem kennismaken met zijn
-twee zonen. Den volgenden dag ging Tszʼ Loe (verder) en deelde het (aan
-Confucius) mede.
-
-De Meester zeide: „Het is een, die zich teruggetrokken heeft” en zond
-Tszʼ Loe terug om hem weer te ontmoeten, maar toen deze (aan zijn
-woning) aangekomen was, was hij heengegaan.
-
-Tszʼ Loe zeide: „Geen ambt aanvaarden is geen plichtmatigheid. De
-betrekking tusschen oud en jong mag niet veronachtzaamd worden, hoe zou
-dan de betrekking tusschen Vorst en onderdaan veronachtzaamd kunnen
-worden? Zich zelven rein wenschende te houden, laat (deze oude) die
-groote betrekking in verwarring komen. De Kiün Tszʼ aanvaardt een ambt
-en oefent het uit met (de plichten volgens) zijn plichtmatigheid. Dat
-zijn Leer niet begaan wordt, dát weet hij al (vooruit).”
-
-
- Dit geval sluit zich aan bij de in „Het Leven van Confucius” door
- mij geciteerde van de ontmoeting met den krankzinnige Tsieh Yü en
- die met de twee landbouwers op het veld, Chʼang Tsü en Kieh Neih,
- die in hetzelfde Boek XVIII hier onmiddellijk aan vooraf gaan. De
- oude man, hier bedoeld, was oorspronkelijk geen landbouwer, maar
- een geleerde of wijze, die, de slechtheid der tijden inziende, zich
- wijselijk in de eenzaamheid had teruggetrokken. De oude man verweet
- als ’t ware Tszʼ Loe met zijn antwoord, dat hij, in stede van zich
- ook als gewoon landbouwer terug te trekken en zich met handenarbeid
- bezig te houden, maar steeds overal met Confucius mede rondzwierf
- om toch maar ergens diens Leer als hoog gezagbekleeder ingang te
- doen vinden. Confucius begreep dit, en zond Tszʼ Loe terug, om hem
- te halen. Tot wien Tszʼ Loe later sprak, toen de Oude er niet was,
- wordt niet vermeld, vermoedelijk tegen zijn zonen. Confucius, die
- de vijf Loen, of betrekkingen (vader-zoon, vorst-onderdaan, [75]
- man-vrouw, oudere broeder-jongere broeder, vriend-vriend) als de
- door den Hemel ingestelde orde der dingen beschouwde, vond het een
- zonde tegen den Hemel, om niet zijn’ vorst te dienen, ook al wist
- men vooruit, dat zijn Leer geen ingang zou vinden (of, zooals er
- letterlijk staat „dat de Tao niet begaan wordt”) en dat niets dan
- teleurstelling het loon zou zijn. Hierin verschilde hij in principe
- met Lao Tszʼ die, eenmaal archiefbewaarder geweest zijnde, toen de
- tijden slecht waren, verdween, en nooit meer iets van zich liet
- hooren.
-
-Het samenbrengen van de handen op de borst en dan stilstaan, wat Tszʼ
-Loe deed, is een betuiging van eerbied volgens de Lí.
-
-De hertog van Chow zeide tegen den hertog van Loe: „De Kiün Tszʼ
-verwaarloost zijn bloedverwanten niet. Hij maakt, dat de hooge
-ministers niet op hem toornen, doordat hij hen niet (in den dienst) zou
-gebruiken. Als er geen groote oorzaak voor is, ontslaat hij niet de
-ambtenaren uit oude families. Hij zoekt niet naar vaardigheid (voor
-alle ambten) in één mensch.”
-
-
- De hertog van Loe was de zoon van den hertog van Chow, en werd door
- zijn vader, die zelf recht had op de regeering, maar daartoe geen
- tijd had, naar Loe als regeerder gezonden met deze wijze les. De
- geleerde Koei Shi zegt hierover: „Deze vier dingen zijn de zaken
- van den Kiün Tszʼ en het opperste van de trouw en de eerlijkheid.”
-
-
-
-
-BOEK XIX.
-
-De geleerde (die in staatsdienst is) is, als hij gevaar ziet, gereed
-zijn leven te geven. Als hij (winst) te verkrijgen ziet denkt hij om
-rechtmatigheid. In de offering denkt hij om reverentie. In het rouwen
-denkt hij om de smart. Deze is, zooals hij wezen moet.
-
-Tszʼ Hia zeide: „Elken dag erkennen, wat ons (nog) ontbreekt, en elke
-maand niet vergeten, wat men (reeds) kan, kan met recht liefde voor de
-studie heeten, naar ik meen.”
-
-Tszʼ Hia zeide: „Handwerkslieden wonen in hun winkels om hun werk te
-volmaken. De Kiün Tszʼ studeert om zijne principes tot het hoogste op
-te voeren.”
-
-Tszʼ Hia zeide: „De Kiün Tszʼ heeft drie gedaanteverwisselingen. Van
-ver af gezien is hij streng; naderbij gekomen is hij zacht; als zijne
-woorden worden gehoord is hij beslist en ernstig.”
-
-Tszʼ Hia zeide: „Als de Kiün Tszʼ (eerst) het vertrouwen van zijn volk
-heeft, kan hij het later werk opleggen. Als hij dat vertrouwen niet
-heeft, zal het voor hem zijn of hij het verdrukt. Als hij eerst het
-vertrouwen (van zijn’ Vorst) heeft, kan hij hem later vermanen. Als hij
-dat vertrouwen niet heeft, zal (de Vorst) van hem denken, dat hij hem
-belastert.”
-
-
- Met „de Kiün Tszʼ” wordt hier blijkbaar bedoeld „de Kiün Tszʼ, die
- een minister of hoog ambtenaar is.” Als voorbeeld van de
- uitgebreide en dikwijls geheel met elkaar in contrast zijnde
- beteekenissen, die één chineesch karakter kan hebben, diene, dat
- het woord „Lī” dat in het vorige fragment „majestueus”, „ernstig”
- en „beslist” kon beteekenen, hier „verdrukken” is.
-
-
-Tszʼ Hia zeide: „De ambtenaar (als zijn dienst is afgedaan) moet zijn
-overige krachten besteden aan de studie; de (geleerde) als zijne
-studies (afgedaan zijn) moet zijn overige krachten besteden aan (de
-studie van) regeeren.”
-
-Tszʼ Hia zeide: „De rouw moet tot het hoogste opgevoerd worden van de
-smart, en daarmede uit.”
-
-
- Ook hier, evenals in vele vorige gevallen, zien wij, dat
- buitensporig uiterlijk rouwvertoon volstrekt niet werd vereischt,
- maar het ware wezen van den rouw, de smart, het eenige was dat hare
- waarde bepaalde.
-
-
-De filosoof Tseng zeide: „Ik heb onzen Meester hooren zeggen: „Iemand
-kan nog niet het alleruiterste waartoe hij in staat is getoond hebben,
-en het dan (later) toonen in den rouw voor zijne ouders.”
-
-
- M. a. w. het beste wat in den mensch is komt dikwijls eerst te
- voorschijn als een groote smart over hem is gekomen.
-
-
-De filosoof Tseng zeide: „Ik heb onzen Meester hooren zeggen: De Hiao
-(ouderlievendheid) van Meng Choeang was iets, wat andere menschen ook
-(wel) kunnen, maar zijn niet veranderen van de ministers zijns vaders
-en van de regeering zijns vaders, dat was iets moeilijks om te kunnen
-(doen).”
-
-
- Meng Choeang was het hoofd van de groote clan Meng, en leefde kort
- voor Confucius.
-
-
-Tszʼ Koeng zeide: „De fouten van den Kiün Tszʼ zijn als de zon- en
-maaneclipsen. Hij faalt, en alle menschen zien het; hij verandert
-(weer) en alle menschen zien er tegen op.”
-
-Shoeh Soen Woe Shoeh zeide tot de hooge ambtenaren aan het hof: „Tszʼ
-Koeng is eerwaardiger (mensch) dan Choeng Ni (Confucius).”
-
-Tszʼ Foeh King Poh deelde dit mede aan Tszʼ Koeng. Tszʼ Koeng zeide:
-„Laat mij dit vergelijken met een huis en zijn ommuring. Mijn muur komt
-(slechts) tot de schouders. Als men er (overheen) gluurt ziet men wat
-er voor goeds in moge zijn.
-
-„De muur van mijn’ Meester is vele vademen hoog. Als men de deur niet
-(te vinden) krijgt om binnen te komen, ziet men niet de schoonheid van
-den voorvaderlijken tempel en de rijke glorie van de vele mandarijnen.
-Maar er zijn er misschien weinigen, die de deur vinden.
-
-„Was (dus) het gezegde van uwen Meester (die immers die deur niet wist)
-niet, wat hij wel móest zeggen?”
-
-
- Shoe Soen Woeh Shoeh was het hoofd der groote clan Shoeh Soen. Tszʼ
- Koeng, die beroemd was om zijn vaardigheid in ’t spreken, geeft
- hier in een zeer dichterlijk beeld een goed bewijs van zijne
- welsprekendheid. Het volgende sluit hierbij aan:
-
-
-Toen Shoeh Soen Woe Shoeh (eens) beleedigend van Choeng Ni (Confucius)
-sprak, zeide Tszʼ Koeng: „Doe maar geen moeite. Choeng Ni kán niet
-besmet worden. De deugden en talenten van andere menschen zijn (als)
-heuveltjes en walletjes waar men overheen kan stappen. Choeng Ni is
-(als) de zon of de maan, waar men niet overheen kan stappen. Al wil
-iemand zich geheel afsnijden (van zijn omgang) hoe kan hij (ooit) de
-zon of de maan kwetsen?”
-
-Chan Tszʼ Kʼin sprak Tszʼ Koeng aan, en zeide: „Gij zijt (te) nederig.
-Hoe kan Choeng Ni eerwaardiger zijn dan gij, Heer?”
-
-Tszʼ Koeng zeide: „Om één woord wordt iemand (veelal) voor wijs
-gehouden, en om één woord wordt iemand (veelal) voor dom gehouden. Wij
-moeten stellig voorzichtig zijn met onze woorden.
-
-„Men kan niet aan den Meester toe komen, evenals men den Hemel niet
-langs trappen op kan stijgen.
-
-„Als onze Meester eens (de regeering over) een staat of eene familie
-verkreeg, zou hij wat hij deed precies doen zooals het wezen moest.
-
-„Hij zou het volk planten, en het zou dadelijk gevestigd zijn. Hij zou
-het leiden en het zou dadelijk (achter hem aan) gaan. Hij zou het tot
-rust brengen, en (uit verre streken) zou het dadelijk aankomen (naar
-zijn staat). Hij zou het opwekken en het zou dadelijk in harmonie zijn.
-In zijn leven zou hij beroemd zijn. Bij zijn’ dood zou hij diep
-betreurd zijn. Het aldus zijnde, hoe zou hij (ooit) te bereiken zijn?”
-
-
- Met het „planten” zal wel bedoeld zijn het volk in een goede
- omgeving plaatsen, elke klasse en soort in die voor haar eigen
- positie.
-
-
-
-
-BOEK XX.
-
-Yaou zeide: „O Shoen, de orde van successie van den Hemel rust (nu) op
-úw lichaam. Houdt ernstig het Midden (Choeng) vast! Als er ellende is
-binnen de vier zeeën zal uw traktement van den Hemel tot een eeuwig
-einde komen.”
-
-
- Met „de hemelsche orde van successie”, waar letterlijk staat: „de
- voorgestelde en berekende getallen van den hemel” wordt bedoeld de
- nalatenschap van vorige keizers en koningen, die elkaar telkens
- opvolgden „als de seizoenen van den hemel.” Het „traktement” van
- den Hemel, welk woord hier eenigszins vreemd klinkt, is in het
- chineesch niet zoo leelijk, omdat verondersteld wordt, dat het
- „loeh” van hooge mandarijnen hun door den Hemel beschoren is, en
- het woord „loeh” eenigszins een heilig woord is.
-
-
-Dezen last gaf ook Shoen aan Yü.
-
-(Thʼang) zeide: „Ik, het kleine kind Lí, durf gebruiken een donker
-gekleurd offerdier, en durf u aankondigen, alleropperste Shang Ti, dat
-ik den zondaar niet durf vergeven, en ik uw ministers niet in het
-duister zal laten. Het onderzoek van hen is in uw hart! Als ik zelf
-fouten bega, ligt dat niet aan (het volk) der tienduizenden streken.
-Als (het volk) in de tienduizenden streken fouten begaat, rust dat op
-míjn lichaam.”
-
-
- Vertaler moet bekennen, dat hij hier niet voor zijne versie
- instaat, daar de tekst hem nog lang niet helder is. Thʼang uitte
- deze woorden—een mannelijk rund tot offering daarbij
- gebruikende—tegen het volk en de verschillende edelen, toen hij hen
- opriep tegen Kjeh Wang, den tyran der Hia dynastie. Met den zondaar
- wordt bedoeld Kjeh. Ik vermoed, dat zijne aanroeping tot Shang Ti
- geschiedde (Legge vertaalt het door „God” wat geen chineesch idee
- is), maar ik ben er niet geheel zeker van. Wat mij wèl duidelijk
- is, is, dat hij beloofde, de waardige ministers niet in duisternis,
- d. i. ongebruikt te laten; dat als hij zelf misdaden of fouten
- beging, dit niet aan het volk lag, maar als het volk fouten beging,
- dit aan hem, den vorst lag, omdat hij het dan niet goed genoeg
- geleerd had. Dit laatste werd ook later een der hoofdstellingen van
- Confucius. De „ministers van Shang Ti” zijn de waardigen en goeden,
- die dus in staatsdienst moeten zijn.
-
-
-Chow gaf groote gaven, en de goeden werden verrijkt.
-
-Hij droeg nauwlettend zorg voor maten en gewichten, onderzocht de
-wetten, herstelde de ten onrechte afgedankte ambtenaren (in dienst) en
-de regeering ging haar (goeden) weg.
-
-Hij deed uiteengevallen staten weer opbloeien, herstelde families,
-welker afstammingslinie was afgebroken, hief in den staatsdienst
-ambtenaren weder op, die zich teruggetrokken hadden, en de harten van
-het volk in het geheele rijk keerden zich tot hem. Wat hij van gewicht
-beschouwde was het voedsel van het volk, de rouw, en de offering. Met
-zijn edelmoedigheid verkreeg hij (de liefde van) allen. Door zijn
-oprechtheid vertrouwde het volk in hem. Door zijn activiteit verkreeg
-hij (groote) werken. Door zijn gerechtigheid waren allen verheugd.
-
-
- Met Chow wordt hier bedoeld Woe Wang.
-
-
-Tszʼ Chang vroeg aan Confucius, en zeide: „Hoe moet iemand doen, zóó
-dat hij de regeering (goed) kan leiden?”
-
-De Meester antwoordde: „Laat hem de vijf schoone dingen eerbiedigen, en
-de vier slechte dingen verbannen; dan zal hij de regeeringen (goed)
-kunnen leiden.” Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vijf schoone
-dingen noemt?” De Meester zeide: „Weldadig zijn en niet verkwistend
-zijn; het opleggen van werk (aan het volk) zonder dat het mort;
-verlangen zonder begeerigheid; waardig zijn zonder trotsch te wezen;
-majestueus zijn en niet woest.”
-
-Tszʼ Chang zeide: „Wat noemt gij weldadig zijn en niet verkwistend?” De
-Meester zeide: „De dingen, waar het volk (natuurlijk) voordeel van
-heeft nog voordeeliger te maken, is dit niet weldadig zijn en niet
-verkwistend? Uit te kiezen de werken die kúnnen gedaan worden, en die
-als werk opleggen, wie zal (daarover) morren? Zijn verlangen zetten op
-menschlievende (regeering), en die menschlievendheid (dan ook)
-verkrijgen, wie zal dat begeerigheid noemen? Zonder er op te letten of
-hij met allen of met weinigen te doen heeft, met groote of kleine
-zaken, geen oneerbiedigheid te toonen, is dit ook niet waardig zijn en
-niet trotsch? Hij zet zijne kleederen en zijn muts recht, en maakt dat
-hij waardigheid heeft in zijne blikken, zoodat hij, aldus in zijne
-gestrengheid, met ontzag wordt aangezien; is dit niet majestueus zijn
-en niet woest?”
-
-
- Hier zij even tusschengevoegd, dat met de „iemand” in de beginvraag
- van Tszʼ Chang natuurlijk wordt bedoeld „iemand die een hoogen
- regeeringspost bekleedt, b. v. die van minister.”
-
-
-Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vier slechte dingen noemt?”
-De Meester zeide: „Het niet geleerd hebben en (toch) het volk ter dood
-brengen,—dit wordt genoemd wreedheid. Niet (eerst) gewaarschuwd hebben
-en (direct) het volmaakte werk eischen (van het volk),—dit wordt
-genoemd verdrukking. Zonder aandrang bevelen uitvaardigen en, als de
-tijd aangebroken is (met de uiterste gestrengheid onmiddellijke
-opvolging eischen),—dit wordt genoemd mishandeling. Over ’t algemeen,
-(belooningen of salarissen) geven, en dat op een gierige manier doen,
-dit is als enkel maar „ambtenaar” handelen (zonder menschelijkheid).”
-
-De Meester zeide: „Zonder de decreten van den Hemel te kennen kan men
-geen Kiün Tszʼ zijn.
-
-Zonder de Lí (het Decorum) te kennen is het karakter nog niet
-gevestigd.
-
-Zonder te weten (wat) woorden (zijn) kan men de menschen niet kennen.”
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] „The Life and Teachings of Confucius,” 7th edition, London. Kegan
-Paul, Trench, Trübner & Co.
-
-[2] De in dit werk voorkomende chineesche woorden heb ik in ’t
-zoogenaamde „mandarijn-chineesch” gegeven.
-
-[3] In deze meer het sanskriet „dana”.
-
-[4] Dus „wat den mensch eigen is, zooals een mensch (oorspronkelijk)
-is.”
-
-[5] De mystiek hier en daar in de „Choeng Yoeng” is n.l.
-hoogstwaarschijnlijk van Tszʼ Szʼ en niet van Confucius zelf.
-
-[6] Zoo bekent eveneens Prof. Legge, die van het in de „Choeng Yoeng”
-voorkomende „Chʼing” terecht zegt „The ideal of humanity,—the perfect
-character belonging to the sage—is indicated by a single character, and
-we have no single term in English which can be considered as the
-complete equivalent of it.”
-
-[7] Dr. H. C. Muller. Schets der Helleensche of Grieksche letterkunde,
-blz. 166. De cursiveeringen zijn van mij.
-
-[8] Uit Plato’s „Wetten”, 5e boek, en Confucius’ „Loen Yü”, 11e boek.
-Schoonheid hier in den zin van lichamelijke schoonheid natuurlijk, niet
-in den allerhoogsten zin.
-
-[9] Wetten. Boek 3, naar de fransche vertaling van de Grou en Becker.
-
-[10] Wetten. Boek 4.
-
-[11] Choe Hie leefde van 1130 na C. tot 1200 n. C.
-
-[12] Letterlijk staat er „alle menschen binnen de vier zeeën” enz. (In
-de „Loen Yü”.)
-
-[13] Prof. Legge zegt o. a.: „The answer to Confucianism is China!”
-Maar kan men dan niet even goed in China zeggen: „Het antwoord op
-Christendom is Europa?”—Opium en christendom zijn in China met geweld
-van ironclads ingevoerd, en het christendom handhaaft in China de leer
-van oog om oog, tand om tand. Men kan onmogelijk eene filosofie of een
-godsdienst beoordeelen naar den toestand van het land, waarin zij
-ontstonden. Evenmin als Confucianisme China heeft het Christendom
-Europa rein gemaakt. Maar niet naar den uitslag, naar de innerlijke
-waarde moet hier gezien worden.
-
-[14] Ik behandel hier de chineesche geschiedenis tot Confucius zoo
-beknopt en kort mogelijk, alleen juist genoeg om te doen uitkomen, wie
-de vorsten waren, die Confucius verheerlijkt.
-
-[15] De zendelingen der protestante missies hebben God met Shang Ti
-vertaald. Maar ofschoon deze naam nog de beste was, hebben de chineezen
-daardoor meestal hun chineeschen Shang Ti voor den christelijken God
-gehouden.
-
-[16] Dat gebed om regen is ook nog tegenwoordig in gebruik.
-
-[17] De familienaam van dezen Shoeh Liang Heih (dat zijn aparte
-mandarijnennaam is) was Khʼoeng, dien dus later ook zijn zoon droeg,
-dien men „Khʼoeng Foe Tsoe” ging noemen. Foe Tsoe is een titel, die
-ongeveer ons „Meester” beteekent en aan vele geleerden werd gegeven.
-
-[18] De naam „Kʼioe” is heilig geworden, en mag niet uitgesproken
-worden met dien klank maar als „moh”. Moet de chineesche geleerde of
-student het karakter schrijven, dan zet hij het eerbiedig in een
-vierkantje □, om het te onderscheiden.
-
-[19] „Loen Yü.”
-
-[20] In een volgend deel van dit werk hoopt de schrijver meer speciaal
-de taoïstische filosofie te beschouwen, en zal hij bij die gelegenheid
-ook de gesprekken tusschen Confucius en Lao Tszʼ behandelen.
-
-[21] Hwang Ti (de Gele Keizer), een keizer uit de oudheid, die van af
-2697 v. C. 100 jaar regeerde. Thʼang of King Thʼang bevrijdde het rijk
-van den tyran Kjeh Wang (1765 v. C.) of Kjeh Kwei en werd zelf keizer.
-Hij is een der beroemde „Ouden”, de eerste van de Shang dynastie.
-
-[22] Yiau en Shoen (2356 v. C. en later) zijn twee keizers, onder wier
-regeering een tijd van volmaakten bloei moet hebben geheerscht. Zij
-zijn dan ook het ideaal gebleven van keizers, die zich beschouwden als
-de vaders van het volk.
-
-[23] „Loen Yü” XII.
-
-[24] „Loen Yü” XVIII.
-
-[25] Eigenaardig is dat de eerwaarde abbé Grosier hiervan zegt: „Quel
-système de philosophie aurait pu tenir contre un essaim aussi
-redoutable de jeunes beautés folâtres, empressées de plaire, et armées
-de tous les moyens de séduction?” En dat nog wel een abbé! (Zie zijn
-„De la Chine, ou Description Générale de cet Empire.” Paris, Pillet.
-1820.)
-
-[26] Waar ik in vertalingen in dit werk „schoonheid” gebruik, lett.
-„kleur”, is dit volgens de chineesche beteekenis van dat woord altijd
-in slechten zin b. v. schoonheid van vrouwen als verleiding tot lust en
-slechte hartstochten.
-
-[27] Tsieh Yü was niet werkelijk krankzinnig; hij hield zich maar zoo,
-om niet geroepen te worden tot een publiek ambt. Zijne woorden
-zinspelen er op, dat Confucius verkeerd deed, zijne principes in zulk
-een’ tijd van wanorde aldoor maar tevergeefs, zonder de minste kans op
-succes, te verkondigen en als weg te werpen. Tsieh Yü’s echte naam was
-Loeh Tʼoeng.
-
-[28] Zooals in ’t begin van dit hoofdstuk reeds door mij is vermeld
-heette Confucius ook „Kʼoeng Kʼioe.”
-
-[29] De bedoeling was ironisch „dat hij (Confucius), die zoo
-voortdurend van land naar land trok, en zoo overal een betrekking bij
-de regeeringen zocht, dan ook dat veer diende te weten.”
-
-[30] Andere naam van Tszʼ Loe.
-
-[31] Den zin heb ik tot goed begrip niet letterlijk van den tekst naar
-de letter vertaald, maar naar de bedoeling, verduidelijkt in den
-commentaar.
-
-[32] Lett.: „mijn Leer is uitgeput.”
-
-[33] Volgens anderen was Confucius’ dood in 479 v. C.
-
-[34] Met de werken van Meng Tszʼ (Mencius) samen vat men deze werken
-samen onder den naam „Szʼ Shoe”, „De vier Boeken.”
-
-[35] Deze heerschte van 960–1127 n. C.
-
-[36] De chineezen noemen zich dan ook volgaarne „Han Jen” d. i.
-Han-menschen.
-
-[37] Mencius.
-
-[38] Symbool van trouw en onvergankelijkheid.
-
-[39] Een verre afstammeling van Confucius leeft nog, en wordt met
-groote onderscheiding behandeld en aan het hof toegelaten.
-
-[40] Szʼ Ma Tsʼien is een der beroemdste geschiedschrijvers van China,
-wien europeesche geleerden den naam van „de Herodotus van China” hebben
-gegeven. In zijn werk „Shʼ Ki” wordt de geschiedenis van China gegeven
-van af keizer Hwang Ti tot den tijd van Woe Wang van Chow.
-
-[41] Men versta hier meer onder „geest.” Het chineesche hiëroglyphische
-karakter voor hart drukt èn hart èn geest uit. Ook wordt het hart
-beschouwd als de zetel der ziel.
-
-[42] Dit is gelatiniseerd in „Mencius,” zooals Khʼoeng Foe Tszʼ in
-Confucius.
-
-[43] Zie „Inleiding” blz. 13 over „Kiün Tszʼ.”—
-
-[44] Yen Hwoey was de lievelingsdiscipel van Confucius.
-
-[45] Tszʼ Loe, of Yioe, was een der beste en trouwste discipelen van
-Confucius, die echter een groote neiging tot strijden had en beroemd
-was meer om zijn groote dapperheid dan om zijn helder doorzicht. In de
-„Loen Yü” hooren wij meer van deze discipelen.
-
-[46] D. i. Het heilige Boek der Odes, één der vijf „Kings.”
-
-[47] Dit „wonen” (lett. vertaald) heb ik behouden, daar ik deze
-chineesche uitdrukking zeer juist vind voor „altijd iets blijven
-betrachten zonder verandering.”
-
-[48] Men zie vooral tot goed begrip van dit hoofdstuk eerst de
-„Historische Ophelderingen,” vóór in dit boek.
-
-[49] Zie „Historische Ophelderingen.”
-
-[50] Ouderlievendheid.
-
-[51] Zie vooral Inleiding blz. 8 over „menschelijkheid, Jên”.
-
-[52] Let op blz. 8 (Inleiding) over wat hier met „menschelijkheid”
-bedoeld wordt. n.l. „de volmaakte deugd van het hart.”—
-
-[53] Ik heb hier Tao onzijdig genomen, waar elders mannelijk, om
-verwarring met „den Wijze” te voorkomen. Strikt genomen kan het
-geenerlei geslacht hebben natuurlijk.
-
-[54] Zooals ik reeds in „Het Leven van Confucius” zeide, wordt het
-betwijfeld, of Confucius wel dezen tekst ooit uitsprak en of Tsĕng Sin
-wel de uitlegger en schrijver der volgende hoofdstukken was, en bestaat
-hieromtrent geen zekerheid. Vertaler geeft echter Choe Hie’s opinie er
-bij, omdat die nu eenmaal in bijna alle chineesche edities aan den
-tekst is toegevoegd.
-
-[55] Dit zou óók volgens de chineesche constructie kunnen beteekenen:
-„is dicht bij den Tao (dan hier „Leer”) (van den Ta Hiŏh) zijn” en is
-ook door velen zoo opgevat.
-
-[56] Vroeger werd met penseelen op tabletten van bamboe of zijde
-geschreven, nog niet op papier.
-
-[57] Een geografische lí is 1458,53 voet, waarvan tien een fransche
-„lieu” uitmaken (Wells Williams).
-
-[58] Het einde der Shang dynastie wordt ook Yin dynastie genoemd.
-
-[59] Men zou kunnen lezen „een grooten Weg” maar dit is het juiste toch
-niet. Tao is in Confucius „het volgen van de Sing” dus „het volgen van
-zooals goddelijk is,” „the doing of what is right.”
-
-[60] Wells Williams geeft: „De ster Dubhe α in Ursus Major.”
-
-[61] Dit is werkelijk het geval met de hooge chineesche poëzie die niet
-alleen aan aesthetische, maar vooral aan ethische vereischten moet
-voldoen.
-
-[62] Meng Ie was een hoog mandarijn in Loe. Zijn eigen naam was Ho Kie.
-
-[63] Faan Chʼi was een der mindere discipelen van Confucius.
-
-[64] Meng Woe was de zoon van Meng Ie.
-
-[65] Tszʼ Yioe was een van Confucius’ voornaamste discipelen, beroemd
-om zijn kennis van Lí. Zijn naam was Yen Yang.
-
-[66] Deze Hwoey is de beroemde Yen Hwoey, Confucius’ liefste discipel,
-die in de „Loen Yü” herhaaldelijk wordt geprezen.
-
-[67] Yioe was de familienaam van Tszʼ Loe.
-
-[68] De hertog van Loe.
-
-[69] Koning Woe verjoeg de Shang dynastie en werd onder den naam Kie Fa
-de eerste keizer der Chow dynastie.
-
-[70] Familienaam van Tseng Sin.
-
-[71] Vooral hiermede bedoeld „de literatuur” wat echter in chineeschen
-zin vanzelf ook godsdienst, ethica en moraliteit medebrengt.
-
-[72] De afstand van de vorstelijke plaats wordt gerekend met graden of
-stappen, naar gelang het aantal hooge staatsdienaren, die volgens rang
-daar op zijde van staan.
-
-[73] In den zin van „niet in gala gekleed”, „huisdracht.”
-
-[74] Anderen naam van Fan Chʼi.
-
-[75] somtijds meer als „vorst en minister” op te vatten.
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE CHINEESCHE FILOSOFIE ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.