diff options
Diffstat (limited to 'old/64781-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/64781-0.txt | 7772 |
1 files changed, 0 insertions, 7772 deletions
diff --git a/old/64781-0.txt b/old/64781-0.txt deleted file mode 100644 index 30ae521..0000000 --- a/old/64781-0.txt +++ /dev/null @@ -1,7772 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of De Chineesche Filosofie, by Henry Borel - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: De Chineesche Filosofie - Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) - -Author: Henry Borel - -Release Date: March 10, 2021 [eBook #64781] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE CHINEESCHE FILOSOFIE *** - - - - DE - CHINEESCHE FILOSOFIE - TOEGELICHT VOOR NIET-SINOLOGEN - - I. - - KHʼOENG FOE TSZʼ - (CONFUCIUS) - - - DOOR - HENRI BOREL - - - AMSTERDAM - P. N. VAN KAMPEN & ZOON - - - - - - - DEZE ARBEID - IS - EERBIEDIG OPGEDRAGEN - AAN DEN - HoogEdelgestrengen Heer - - W. P. GROENEVELDT, - Gew. Vice-President van den Raad van Indië - - - - - - -INHOUD. - - Bladz. - VOORWOORD 1 - INLEIDING TOT DE FILOSOFIE VAN CONFUCIUS 7 - HISTORISCHE OPHELDERINGEN 25 - HET LEVEN VAN CONFUCIUS 34 - CHOENG YOENG 79 - TA HIŎH 144 - FRAGMENTEN UIT DE LOEN YÜ 178 - - - - - - -VOORWOORD. - - -Tot dusverre zijn in de nederlandsche taal slechts zeer weinig werken -over China en chineesche onderwerpen—literatuur, filosofie, ethnografie -enz.—geschreven. De voornaamste werken van onze sinologen, de heeren -Prof. Schlegel, Prof. de Groot, Groeneveldt enz. verschenen in de -fransche of engelsche taal. Het ligt dan ook in den aard der zaak en is -niet meer dan natuurlijk dat geleerden, die tientallen van jaren aan de -studie van een of anderen tak van wetenschap besteedden, er op uit -zijn, hun werk voor een zoo groot mogelijk publiek ter lezing open te -stellen en de nederlandsche taal zullen zij hiervoor het allerlaatst -kiezen. Alleen de groote nederlandsch-chineesche dictionnaire van Prof. -Schlegel maakt hierop eene uitzondering, en dat Zijn Hooggeleerde de -nederlandsche taal uitkoos voor een werk, waaraan hij een twintigtal -levensjaren besteedde, is een daad, waarvoor het nederlandsche volk hem -altijd dankbaar zal moeten blijven. - -Had ik eene studie gemaakt op een nog niet door anderen betreden -sinologisch gebied, dan zou ik die ook vermoedelijk in een vreemde taal -hebben geschreven. - -In het beginnen van dit werk echter ben ik juist van het voornemen -uitgegaan, iets in het nederlandsch te schrijven, dat door ieder -Nederlander kan worden gelezen, en overal in Nederland en -Nederlandsch-Indië gemakkelijk te verkrijgen is. Vooral had ik daarbij -op het oog de Nederlanders, en meer speciaal ook de nederlandsche -ambtenaren, in onze koloniën, die dagelijks met chineezen in aanraking -komen, en over hen te bevelen of recht te spreken hebben. Voor dezen, -hoopte ik, zou dit boek een niet onwelkom middel wezen om de filosofie -der oude chineezen, van welke een gedeelte ook wet is, van meer nabij -te leeren kennen dan uit de onzekere mededeelingen daaromtrent van -chineesche adviseurs en officieren. Wèl bestaat eene uitstekende -engelsche vertaling van de confucianistische en van alle heilige boeken -der chineezen, maar ik weet bij ondervinding, dat men er niet even -licht toe overgaat die te koopen en vooraf te bestellen, als men -eenzelfde nederlandsch werk, dadelijk bij den boekhandelaar -verkrijgbaar, zou aanschaffen. En ook zijn er altijd personen, die eene -vreemde taal niet zoo vlot lezen als hun eigen, daar drukke bezigheden -hen niet toelieten, zich speciaal op die taal toe te blijven leggen. - -De filosofie van Confucius is onafscheidelijk van het geheele -staatkundige systeem van China, en is de basis, op welke alle -instellingen en wetten eigenlijk gegrondvest zijn. Mocht dit werk, door -den heer van Kampen zoo bereidwillig uitgegeven, aan mijne verwachting -beantwoorden en de kosten dekken, dan zou dit mij eene aansporing zijn, -in aansluiting hieraan een ander, over de chineesche staatsinstellingen -en wetten te ondernemen. - -Dat een speciaal voor niet-sinologen geschreven werk over Confucius wel -in eene behoefte voorziet, bewees Prof. Legge’s speciaal voor -niet-sinologen uitgegeven bewerking [1] van zijn vertaling en -verklaring der confucianistische geschriften, die thans reeds een -zevenden druk heeft beleefd. Dat het wenschelijk is, zooveel mogelijk -te weten van de ideeën en de moraal van een volk als de chineezen, die -zulk een gewichtige—ál te gewichtige—rol spelen in onze koloniën, zal -verder wel niemand tegenspreken. - -Dit boek bevat eene korte inleiding tot de confucianistische filosofie, -eene opheldering tot goed begrip van historische feiten, eene -levensgeschiedenis van Confucius, de geheele vertaling der hoofdwerken -„Choeng Yoeng” en „Ta Hiŏh,” en eene gedeeltelijke van het werk „Loen -Yü,” een en ander zooveel mogelijk van besprekingen, verklaringen en -noten voorzien. - -Het gemakkelijkste ware natuurlijk voor mij geweest, eenvoudig eene -hollandsche vertaling te geven van het engelsche werk van Prof. Legge. -Ik heb gemeend, mij er niet zóó van af te mogen maken, vooral niet, -omdat ik, met al mijn eerbied voor den eminenten arbeid van dezen -Nestor der sinologen, het op sommige punten, waaronder wel eens -hoofdpunten, niet met dezen geleerde eens kan zijn. Ik heb Prof. -Legge’s vertaling, en andere vertalingen bestudeerd en geraadpleegd,—en -ook wel de versie daarin, waar ik zelf twijfelde, op vele plaatsen den -doorslag laten geven, maar ten slotte heb ik een eigen, onafhankelijke -vertaling en verklaring van den chineeschen tekst gegeven. Indien die -vertaling op vele plaatsen met de reeds bestaande verschilt is dit, -omdat ik vóór alles op mijn eigen voelen afging en dit, zonder -oneerlijk te worden in mijn werk, niet aan de autoriteit van anderen, -al zijn die over ’t algemeen verre mijn meerderen, kon opofferen. Van -géén vertalingen zijn ooit zulke veel verschillende versie’s gegeven -als van die uit het chineesch. Opmerkelijk is het b. v. hoe twee even -eminente en onbetwistbaar kundige geleerden als Prof. Legge en S. Wells -Williams somtijds van schijnbaar eenvoudige zinnetjes zulke -uiteenloopende vertalingen kunnen geven, en het is niet onmogelijk, dat -twintig sinologen van ééne bladzijde chineesch twintig, somtijds geheel -met elkaar in strijd zijnde interpretaties geven. - -Dat er ook in mijne vertaling dwalingen zullen zijn, en zij, evenals -die van wien ook, altijd bloot staat aan zooveel aanvallen, en te -goeder trouw gedane, als er andere sinologen zijn, is iets, waarop ik -vooruit voorbereid ben, en dat na het bovengezegde wel verklaarbaar zal -wezen. - -Dit boek wil echter volstrekt geen bizonder ingenieuze en gewild aparte -sinologische verdienste zijn; integendeel, het is voor niet-sinologen -geschreven en mijn eenvoudige bedoeling is, de leer van Confucius op -zoo eenvoudig mogelijke wijze in hoofdzaak bekend en begrijpelijk te -maken voor allen, die uit den aard der zaken geen gelegenheid hebben -het chineesche origineel te lezen. Is het mij gelukt, daardoor deze -leer in hoofdzaak bij het groote publiek in ruimen kring zóó bekend te -doen zijn, dat het goed kan begrijpen de moraal, de gewoonten en de -gebruiken van het chineesche element in onze koloniën, dan zal mijn -doel bereikt zijn.—De hoofdideeën van Confucius, de grondslag van de -geheele staats- en familie-instellingen der chineezen, indien ik déze -met dit werk duidelijk heb gemaakt, dan kan ik mij verder gerust de -aparte fouten vergeven, die ik zeker weet dat, ondanks ernstige studie, -mijne vertaling nog zullen aankleven, fouten in zinsconstructie zoowel -als in het kiezen van nederlandsche equivalenten voor chineesche -begrippen. - - - -Zijn de vertalingen en besprekingen, zoowel als de beschouwingen in de -„Inleiding” oorspronkelijk van eigen hand, in het „Leven van Confucius” -heb ik, wat de volgorde der feiten aangaat althans, mij geschikt naar -de methode van Prof. Legge en van Robert K. Douglas („Confucianism and -Taoïsm”), eene methode, welke deze geleerden hebben geput uit de -eveneens door mij geraadpleegde werken „Shʼ Ki” van den -geschiedschrijver Szʼ Ma Tsʼien, Kiang Yoengs „Leven van Confucius” en -eenige anderen.—Ik heb, dezelfde volgorde van gebeurtenissen daaruit -nemende, hier en daar iets bijgevoegd en uitgelaten, en eigen -beschouwingen er ingelascht.—Gaarne had ik van het werk „Loen Yü”, -evenals ik van de „Choeng Yoeng” en „Ta Hiŏh” deed, het geheel -vertaald, maar ik wilde dit boek niet van te grooten omvang maken. -Daarom heb ik voor de beknoptheid enkel de voor mij het meest -merkwaardige en tot goed begrip van Confucius hoogst noodige fragmenten -genomen uit deze „Loen Yü”. - -Ik voel mij vereerd, dit boek, waarin een ideale regeeringsvorm wordt -beschreven, te mogen opdragen aan een geleerde en een staatsman als de -heer Groeneveldt, aan wien onze koloniën zooveel te danken hebben, en -naar allen hopen, nog altijd meer te danken zúllen hebben in de -toekomst. - - 8 Maart 1896. - - - - - - -INLEIDING TOT DE FILOSOFIE VAN CONFUCIUS. [2] - - -De meeste vertalers van Confucius, ook de eminente professor Legge, -hebben zich beijverd om overal, waar dit maar eenigszins mogelijk is, -de confucianistische filosofie te vergelijken met het christendom, om -dan het laatste te verheffen, en de eerste als gebrekkig en inferieur -te doen uitkomen. Ik geloof dat het beter is, dit geheel na te laten, -en enkel de hoofdprincipes van Confucius’ filosofie op zich zelf aan te -geven. Uit de vertaling van het werk, dat ik overal met aparte noten -heb duidelijk gemaakt, vorme de ontwikkelde lezer zich dan zelf een -oordeel. Toen Confucius eens, omringd van zijne discipelen, aan ’t -oreeren was, zeide hij aan zijn leerling Tseng: „Mijn Leer is een -éénheid, die alles samenhoudt.” En hiermede gaf hij de essence aan van -zijn geheele filosofie. - -Die éénheid, van welke hij uitging, was de goddelijke natuur in den -mensch, die hij de Sing noemde. Dat, wat de Hemel als natuur aan den -mensch heeft verleend, was de Sing. Deze Sing was, hemelsch zijnde, -absoluut rein, en was in alle menschen. Het hoogste levens-bewegen, dat -den mensch in den oorspronkelijken, reinen staat kon behouden, was het -altijd volgzaam zijn aan de Sing, en dit levens-bewegen, dit Pad van -het goede leven, noemde Confucius Tao. Het begaan van Tao was dus ook -vanzelf het beoefenen van alle deugden, die uit den aard der Sing aan -den mensch eigen waren, als b. v. oprechtheid, rechtvaardigheid, -plichtmatigheid, menschlievendheid, enz. enz., die allen hun wortel -hadden in de hoofddeugd, die hij Hiao noemde, dat is de liefde, de -eerbied en de gehoorzaamheid van het kind voor de ouders, en vooral den -vader. Aan het hebben van al deze deugden te zamen gaf hij den naam -„Jên.” - -Dit woord „Jên”, in chineesch karakter voorgesteld door een teeken dat -„mensch” is, gecombineerd met een dat „twee” is (alzoo „twee menschen, -vereenigd in één”) beteekent meestal in ’t chineesch -„menschlievendheid”, vooral in boeddhistische werken, [3] maar in de -meeste gevallen beteekent het in Confucius, zooals de wijze commentator -Choe Hie dat zoo juist uitdrukte „de volmaakte deugd van het -oorspronkelijke hart.” Ik heb dit woord „Jên,” om het idee mensch er in -te behouden, dat grafisch in ’t chineesche karakter is uitgedrukt, -vertaald door „menschelijkheid,” [4] en waarschuw den lezer vooruit, -dit toch vooral in dezen chineeschen zin op te vatten, en niet als -humaniteit, of menschlievendheid. - -De toepassing van Confucius’ filosofie van het Éene, dat alles -samenhoudt, onderscheidde hij in twee deelen, die in ’t chineesch al -dadelijk uit de schrijfwijze der karakters kan gevoeld worden. - -Het eene n.l., „chung” wordt weergegeven door een samengesteld -karakter, dat bestaat uit het karakter „midden” met het karakter „hart” -er onder (dus het centrumhart, het eigen hart, ik zelf), het andere -„shoe” wordt uitgedrukt door een eveneens samengesteld karakter, n.l. -uit een, dat „evenals” beteekent, en hetzelfde „hart” er onder -(waarmede bedoeld wordt „ik in sympathie met anderen, die evenals ik -zijn”). Het eene „chung” duidt aan, dat de mensch zijn eigen karakter -moet verzorgen, zijn eigen Sing reinhouden, het andere „shoe” dat hij -steeds moet bedenken, dat anderen „evenals hij” zijn, en hij dus ook -die anderen in dat verzorgen moet helpen. In verband hiermede staat het -gezegde uit de „Choeng Yoeng”: „Wat gij niet wilt dat aan U zelven -gedaan wordt, doe dat aan anderen niet.” De mensch moet dus niet alleen -Tao begaan, maar ook anderen helpen om Tao te begaan. Het volgen van de -Sing, d. i. het gaan in den levensweg Tao, is voor het grootste -gedeelte der menschen niet te doen zonder eene bepaalde regeling, -zonder onderricht. Dit onderricht aan de menschen, dat hen in staat -stelt, Tao te begaan, noemde Confucius Kiao. - -Deze drie dingen, Sing, de hemelsche natuur,—Tao, het volgen van de -Sing,—en Kiao, het onderricht, het regelen van Tao, vormen de basis van -het werk Choeng Yoeng. - -Alle menschelijke zonde en misère volgt uit het afwijken van Tao, (dus -eveneens van de Sing), leert Confucius verder. De schitterende deugd, -die uit den aard van de Sing aan den mensch eigen is, wordt in het -leven verduisterd, en wel vooral door het egoïsme en de begeerten. De -regeling van Tao, of het Onderricht (de Kiao), brengt dus vanzelf mede, -dat die oorspronkelijke, schitterende deugd aan het volk wordt -duidelijk gemaakt en helder getoond, zoodat het haar kan beseffen, en -het, als oud geworden als het was, daardoor wordt opgewekt tot een -nieuw leven in Tao. Verder zou het resultaat hiervan zijn dat het niet -meer afweek, maar eeuwig bleef leven in het opperste Goede. - -Dit heldermaken van de schitterende deugd, deze hernieuwing van het -volk, en deze rust in het opperste Goede (d. i. in de goddelijke -natuur, de Sing) is de basis van het tweede, groote confucianistische -werk, de Ta Hiŏh (lett. vertaald: „De groote Leering”). - -Confucius geeft verder geen beschrijving van de Sing, en gaat niet -verder dan de bepaling, dat zij van „den Hemel” aan de menschen is -gegeven, zonder ook zijn idee „de Hemel” nader te omschrijven. - -Het komt mij heel waarschijnlijk voor, dat de wijsgeer hier wel veel -meer over had kunnen zeggen, maar dat hij het met opzet niet deed. Want -het karakteristieke van Confucius’ filosofie is, dat zij enkel -behandelt het leven der menschen, en hun voorschrijft hoe zij moeten -bewegen, en in welke orde zij zich moeten schikken, om gedurende hun -leven de Sing te volgen, d. i. Tao te begaan;—maar dat zij stelselmatig -blijft zwijgen over zulke dingen als den dood, en het leven na den -dood. Confucius leefde dus vooral voor zijn medemenschen, en wel om hen -te leeren, het leven in Tao door te gaan. [5] Maar over dingen buiten -het leven sprak hij niet, waaruit men, meen ik, nog niet de -gevolgtrekking mag maken, dat hij er niets van wist, of vermoedde. -Confucius’ werk verschilt hierin essentieel van dat van Lao Tszʼ, -Chuang Tszʼ, Lieh Tszʼ, en andere filosofen, die in mysteriën van -metaphysica doordringende, hoog boven het gewone leven uit, zich -wegdroomden in eindelooze meditaties. - -Het ligt voor de hand, dat Confucius, het leven van de menschen -beschouwende in den tijd tusschen geboorte en dood, zich vanzelf zou -wijden aan de studie der inrichting van het groote geheel, dat zij te -zamen vormden, den Staat. Zijne filosofie werd daardoor, behalve een -moreel, in de eerste plaats een politiek systeem, en zij werd de -verglorieïng van eene ideale regeering, gevoerd door een ideaal vorst. -Wie anders dan de vorst moest het volk leiden, moest hun verduisterde -deugd weer hernieuwen tot reinheid, moest hun leeren, Tao te begaan? -Van dit hoofdidee uitgaande, dat de vorst de Leeraar moest zijn, op -wien de plicht van Kiao,—leering rustte, verklaarde hij verder, dat de -vorst in de eerste plaats zelf zijn Sing, en dus ook zijn Jên—volmaakte -deugd—rein moest houden, en Tao begaan. Als voorbeelden van zulke -ideaal-vorsten beschouwde hij de oude keizers Yaou, Shoen, Yu en -Thʼang, de koningen Wên en Woe van Chow, en anderen, zoodat zijn werken -vol zijn van toespelingen op die gestorven souvereinen, die zijn ideaal -hadden belichaamd. Zijne verheerlijking van dit ideaal ging zóó ver, -dat hij bij deze gelegenheden dikwijls buiten zijn beperkte plan ging -om alleen van het gewone leven te leeren, en op de onsterfelijke natuur -van den mensch toespeelde door te zeggen, dat deze oude Wijzen één -waren met den Hemel, en met Hem deelnamen aan al Zijne acties en -operaties, zoodat zij op alles en allen een transformeerenden invloed -konden uitoefenen.—Ook verklaarde hij, dat zij het Al-Weten bezaten. - -Daar de regeling van den Tao, van de opwekking van het volk tot het -volgen van zijn goddelijke natuur dus, het allergewichtigste ding was -voor een vorst, was ook vanzelf het allergewichtigste, dat hij voor -zijne ministers en ambtenaren ook menschen uitkoos, die zelf hun Sing -volgden, en Tao begingen. De hoofdplicht was dus, volgens het oordeel -van Confucius, voor den vorst het kiezen van de goede ambtenaren, en -het ontslaan van de slechte. Een inbreuk hierop was een der grootste -fouten, die een vorst kon begaan, omdat hij dan de Leering aan het volk -onmogelijk maakte, en dus hun oorspronkelijke deugd verduisterd zou -blijven, iets waarmede hij zich tegelijk schuldig maakte aan het niet -betrachten van „shoe”, de plicht, om niet alleen de eigen natuur, maar -ook die van anderen te verzorgen. - -De vorst was, volgens Confucius, geen vorst om zijn enkelen rang, maar -om zijn volmaakte deugd, de reinhouding en het volgen van de hemelsche -Sing, het begaan van Tao. De regeering had dus haar basis in de Sing, -en daarom waren alle instellingen van eene goede regeering heilig, en -in overeenstemming met het principe van den Hemel. - -Zooals Confucius het ideaal beschreef van een vorst, zoo gaf hij ook in -al zijne leeringen het ideaal, van wat wij in europeesch begrip „een -goed mensch” zouden kunnen noemen, en hij gaf dezen de benaming van -Kiün Tszʼ (letterlijk verklaard: „de prinselijke mensch”). De mensch, -zooals hij wezen moest volgens Confucius, van den laagste tot den -hoogste, eenmaal Kiün Tszʼ genoemd zijnde, vond ik het beter, het -chineesche woord niet te vertalen, en het origineele Kiün Tszʼ te -behouden. - -De Kiün Tszʼ was wel het ideaal, maar niet het hoogste ideaal van een -mensch, dat Confucius zich voorstelde, want de allerhoogste mensch was -voor hem de „Shing Jen”, d. i. de Wijze, die de gelijke was van den -Hemel, en met den hemel gelijk ageerde en transformeerde. Zijne -conceptie van den Wijze is het vooral, die den aandachtigen lezer doet -vermoeden, dat Confucius van veel hooger dingen voorgevoelens had, dan -de inrichting van de regeering, en het regelen van het menschenleven en -de menschelijke betrekkingen in den korten tijd tusschen geboren worden -en sterven. Zijn Kiün Tszʼ was het model en het ideaal van den mensch -in het leven der maatschappij, Zijn Wijze, dunkt mij, was daarbij ook -nog het ideaal van den mensch met zijn hoogere leven in betrekking tot -wat hij „de Hemel” noemde. - -Iets lager nog dan de „Shing Jen” of Wijze, staat nog de „Hjen Jen”, -wat wij zouden kunnen vertalen door „Eerwaardige Mensch”. Tot deze -„Hjen Jen” behooren o. a. de discipelen Yen Youen (Hwoey), Tszʼ Loe, de -filosoof Choe Hie, e. a. - -De „Kiün Tszʼ”, de „Hjen Jen” en de „Shing Jen” zijn alzoo de drie -hoogste klassen van menschen. - -De mindere menschen duidde Confucius aan met den naam „Siao Jên”, d. -i., „kleine mensch”, waarin klein in den zin van gemeen, verachtelijk -is te nemen. Overal in Confucius’ werk vinden wij de contrasten -tusschen den „Kiün Tszʼ” en den „Siao Jên,” waarin hij den eerste als -ideaal, en den tweede als afschrikwekkend voorbeeld stelde. - - - -De grootste moeilijkheid, die eene vertaling van oude chineesche -klassieken oplevert, is de onmogelijkheid om sommige apart chineesche -begrippen in een europeesch equivalent weer te geven. Er zijn -chineesche begrippen in één karakter, die in één europeesch woord -absoluut onvertaalbaar zijn, en die met omschrijving wel dicht te -benaderen, maar nooit geheel te bereiken zijn. [6] De meeste vertalers -hebben voor zulke begrippen dan ook de woorden gegeven, die er het -dichtst bijkwamen. Ik heb gemeend, beter te doen, door die chineesche -woorden in ’t geheel niet te vertalen of zeldzaam, en dan telkens, door -het idee te omschrijven en te ontwikkelen, het zoodoende langzamerhand -den lezer te doen voelen, zooals de chinees het voelt. - -Onder deze begrippen zijn wel de moeilijkste Tao en Lí. Het karakter -Tao, in alle drie leeren op dezelfde wijze geschreven, heeft namelijk -in de confucianistische, taoïstische en boeddhistische werken een -geheel verschillende beteekenis. Door dit Tao met een europeesch woord -te vertalen gaat men deze vertaling allicht in de drie verschillende -filosofieën gebruiken, wat tot verwarring en verminking leidt. Ik -waarschuw er dus uitdrukkelijk voor, dat de lezer in dit werk het -begrip Tao alleen in den confucianistischen vorm moet opvatten, en -daarbij moet bedenken, dat het iets anders is dan in de werken van Lao -Tszʼ of van de boeddhistische scholen. - -Het karakter Lí dat minder gevaarlijk is, dan het vorige, daar zijn -beteekenis in de geheele litteratuur ongeveer dezelfde is, levert enkel -de moeilijkheid op, dat het onvertaalbaar is. Het woord „Decorum” komt -er het dichtste bij, maar sluit het begrip niet geheel in zich. Want -beteekent bij ons Decorum eenvoudig eene inachtneming van een zeker -ceremonieel, en van beleefdheidsvormen, zooals die in de maatschappij -met door den tijd telkens veranderende wetten is aangenomen, in het -chineesch beteekent de Lí iets veel heiligers, iets dat eigen is aan en -voortspruit uit het hemelsche principe in den mensch. Zooals Choe Hie -zegt „de Lí is de kuische beschaving van het principe van den Hemel.” -Aan de studie van deze Lí is een apart heilig boek gewijd, de „Lí Ki” -die tot de vijf groote Kings behoort. Van zóóveel gewicht is de Lí, dat -do Tao, de deugd, de menschlievendheid en de plichtmatigheid zonder Lí -niet volmaakt zijn, naar de Lí Ki verklaart; en dat het niet hebben van -Lí niets anders is dan „het egoïsme van het zelf.” Wel een bewijs, dat -de Lí iets veel hoogers is dan ons Decorum. Daar Choe Hie de Lí noemde -de „beschaving” (wen) van het hemelsche principe, bedoelde hij met dit -„beschaving” weer „het zichtbaar te voorschijn komen van den Tao”, -zoodat men, al deze dingen te zamen beschouwende, wel kan zeggen dat de -Lí haar oorsprong heeft in de Sing, de goddelijke natuur, en een soort -divine stijl is, waarin de Kiün Tszʼ leeft en beweegt, in welken men de -hemelsche Sing kan herkennen, als in een gothieke kerk de adoratie voor -God. Men zou Lí dus misschien wel kunnen vertalen met „de reverente -stijl van het levens-bewegen volgens de hemelsche natuur, inwendig in -den mensch zelf, en uitwendig naar buiten, in de gemeenschap.” - -Ook de titel van het werk „Choeng Yoeng” levert groote moeilijkheid op -voor eene vertaling. Het is door verschillende geleerden vertaald, b. -v. door „l’Invariable Milieu” (Rémusat), door „Golden Medium” (Collie), -door „Constant Medium” (Morrison), door „Medium constans vel -sempiternum” (Intorcetta), enz. enz. Ik heb den chineeschen titel -behouden, daar uit het werk genoegzaam blijkt, welke de beteekenis -daarvan is. Choeng Yoeng is n.l. een toestand van den mensch, ik zou -bijna zeggen van de menschenziel, waarin Choeng beteekent „zonder -(over)neiging zijn naar een of andere zijde” en Yoeng „zonder -verandering zijn.” De toestand van Choeng is natuurlijk de hoogste -staat, dien de mensch, die dan een Wijze is, kan bereiken, een staat, -waarin geen bewegen in hem is van pleizier, toorn, droefheid of -vreugde, en deze toestand is alleen te verkrijgen door het begaan van -Tao, het precies volgen van de Sing. Vandaar, dat Tao geen enkel -oogenblikje mag verlaten worden (wat overneiging, afwijking zou zijn), -anders, is er uitdrukkelijk bij gezegd, „zou het geen Tao zijn”. - - - -Als wij een filosofisch systeem willen beschouwen, om er dat van -Confucius, waar het een politiek is, mede te vergelijken, doen wij, -meen ik, het beste, de politieke ideeën in Plato’s filosofie daarvoor -te nemen. Dit niet om den vorm echter, die in Plato’s werken volmaakt -is, en in Confucius’ werken, althans zooals zij overgeleverd zijn, als -geheel vol hiaten. In Plato is een klare, heldere logica, die ons -geleidelijk stap voor stap van het eene punt naar het andere voert, in -Confucius gaat het dikwijls over groote leegten met sprongen vooruit, -en is de studie veelal een tasten en gissen naar wat hij met zijne -zinspelingen eigenlijk bedoelt. Ook is Plato harmonischer, en verheft -zijne filosofie zich op veel reiner ideeënvlucht in pure subliemheid -hooger en hooger naar Gods eigen wezen. - -Toch is er naast zeer groote verschillen op vele punten overeenkomst -tusschen Confucius en Plato. Zegt Confucius, dit alle menschen, van den -Hemel de Sing als natuur hebbende, oorspronkelijk goed zijn, en dat -deze, verduisterd zijnde, door Leering weer moet verreind worden; dus -dat deze Sing de bron is van alle menschelijke deugden, ook Plato -leerde dat „de menschelijke ziel bemint van nature die volmaakte vormen -van goedheid, waarheid en schoonheid, wanneer zij ze aanschouwt; maar -deze liefde kan door opvoeding hetzij ontwikkeld worden, hetzij -uitgebluscht.” [7] Zegt Confucius, dat dus de staat zóó moet ingericht -zijn, dat de vorst en zijne ministers vóór alles menschen moeten zijn, -wier Sing zelf rein is, Plato leerde eveneens dat het dan daarom ook -behoort dat „in een volmaakten staat de opvoeding van alle burgers moet -geregeld worden door hen, die reeds liefde koesteren voor de volmaakte -en hoogere vormen en moet daar alles uitgesloten worden, dat aan die -liefde afbreuk kan doen.”[7] Beiden, Confucius en Plato, hebben dan ook -niet alleen den goddelijken oorsprong van den mensch aangenomen, maar -óók een’ idealen staat verheerlijkt, op dien oorsprong gebaseerd. Een -der hoofdprincipes van Plato uitgedrukt in zijn „Wetten”: „Het is ook -de ziel op de meest reëele en complete manier onteeren door de -schoonheid te verkiezen boven de deugd,” uit zich eveneens in -Confucius’ klacht „Het is gedaan! Ik heb er nog niet een gezien, die de -deugd bemint zooals hij de schoonheid bemint!” [8] - -Evenals Confucius neemt Plato aan dat de ouderlijke liefde, de liefde -en eerbied voor de ouders, de Hiao dus, in ’t chineesch gezegd, een der -allereerste plichten is, en mét Confucius verklaart hij, dat het -allerrechtvaardigste recht van superioriteit over anderen is dat, -„hetwelk aan den onwetende beveelt om te gehoorzamen, en aan den Wijze -om te regeeren en te bevelen. [9] - -Dit hoofdprincipe voor de regeering en de inrichting van een staat is -dus bij Plato en Confucius hetzelfde, terwijl beiden bovendien dikwijls -de inrichting van eene familie met die van den staat vergelijken. En -het essentieele chineesche idee, dat van de geheele chineesche moraal -de basis is, kon niet zuiverder chineesch zijn uitgedrukt dan in -Plato’s „Vervolgens moeten wij de makers van onze dagen vereeren -gedurende hun leven; dit is de eerste, de grootste, de meest onmisbare -van alle schulden; men moet zich overtuigen, dat al de goederen, die -men bezit, behooren aan hen, van wie wij de geboorte en de opvoeding -hebben ontvangen, en dat het past die zonder voorbehoud te wijden aan -hún dienst, te beginnen met de goederen van het fortuin, vandaar komend -op die van het lichaam, en eindelijk op die van de ziel; hun met woeker -teruggevende de zorgen, de moeite, en de werken, die onze jeugd hun -eertijds heeft gekost, en onze attenties verdubbelende naarmate de -gebreken van den ouderdom die meer noodzakelijk maken.” [10] - -Ook omtrent het ware wezen der offeringen is veel analoogs in beide -wijsgeeren te vinden. En geloofde Confucius, dat eenmaal de -ideaal-staat, dien hij verheerlijkte, werkelijk had bestaan onder de -keizers Yaou en Shoen, die hij dan ook als Wijzen beschouwde, als -menschen, absoluut superieur aan alle anderen, menschen die ál-wetend -waren en gelijken van den Hemel, ook Plato nam aan, dat er ten tijde -van Saturnus, véél eeuwen vóór de bekende regeeringen, „een regeering -was, een volmaakte administratie, waarvan het beste gouvernement van -heden slechts een imitatie is,”[10] en die dan ook werd bestuurd, niet -door gewone menschen, „maar Intelligenties van een fijnere en diviener -natuur dan de onze,”[10] die hij demonen noemde. Zooals Yaou en Shoen -deden, gaven deze demonen dan ook aan het volk „vrede, kuischheid, -vrijheid en recht.” Precies in het systeem van Confucius passen dan ook -Plato’s verdere woorden „dat onze plicht is, om het dichtst mogelijk te -naderen tot de regeering van Saturnus (lees in ’t chineesch „Yaou en -Shoen”) en de leiding van ons publieke en private leven toe te -vertrouwen aan het onsterfelijke deel (lees: Sing) van ons wezen en den -naam „wetten” te geven aan de voorschriften uitgevloeid uit onze Rede, -en die voor gidsen te nemen in de regeling (regeering) van de families -en den staat.” - -Een der hoofdplichten van Confucius’ Kiün Tszʼ, een fermheid te -bewaren, maar tevens zachtheid, verdraagzaamheid, is ook bij Plato -terug te vinden, waar hij zegt „Men moet véél zachtheid verbinden met -een groote fermheid,” en eveneens beschouwden beiden een groot -medelijden voor de slechten noodzakelijk. - -Maar de vergelijking is het hechtste in het idee, dat hij, die aan het -hoofd van de regeering staat, allereerst aan de vereischte moet -voldoen, vanzelf rein en wijs te zijn, en dat, waar dit niet het geval -is, geen andere eigenschappen hem recht geven op den troon. Dat dit een -ultra-democratisch idee is, behoeft nauwelijks hieraan toegevoegd te -worden. - - - -Als men Confucius bestudeert, mag men vooral niet den naam van Choe -Tszʼ of Choe Hie vergeten. [11] Hij was het, die de verspreide -tabletten der confucianistische werken tot één geheel heeft -gerangschikt, en van commentaren voorzag, die de beste zijn gebleven -van allen, die vóór en ná hem zijn gemaakt. Choe Hie was tevens zelf -schrijver van een aantal filosofische werken. Choe Hie’s rangschikking -en commentaar was een voortzetting van het werk van zekeren Chʼing -Heuen. Zekere Chʼing Hau en Chʼing Ie hebben zich tevens verdienstelijk -gemaakt in het uitgeven van de confucianistische werken. Meermalen -spreekt Choe Hie dan ook van Chʼing Ie als „Mijn Meester, de filosoof -Chʼing.” Deze namen heeft men dus onafscheidelijk te verbinden aan den -naam van Confucius. De edities, die nu over geheel China gelezen -worden, zijn bijna allen het werk van Choe Hie, wat rangschikking en -commentaar betreft. - -Ik besluit dit korte overzicht van Confucius’ werk met nog eens op te -noemen, in westersche begrippen, de grondbeginselen, waarop zijne -filosofie gebaseerd is. - -„—„De mensch is oorspronkelijk goed, en heeft in zich eene natuur van -den Hemel.” - -„—„Alle menschen, deze natuur in zich hebbende, zijn dus oorspronkelijk -gelijk.” - -„—„De mensch moet niet alleen zijn eigen hemelsche natuur reinhouden, -maar ook zijne medemenschen, die zijne gelijken zijn, helpen, om hunne -hemelsche natuur rein te houden.” - -„—Alle menschen zijn broeders.” [12] - -„—De Staat moet gefondamenteerd zijn op de hemelsche natuur van den -mensch, en de vorst van een staat en zijne ministers moeten absoluut in -de allereerste plaats zelf menschen zijn, die hun hemelsche natuur -reinhouden, omdat het van hen afhangt, of het volk zich ook in dien -reinen staat zal kunnen behouden.” - -„—Het is niet zoozeer de bizondere sluwheid of knapheid, die geschikt -maakt voor den staatsdienst, maar vóór alles gaat de innerlijke waarde, -de reinheid van de Sing, zonder welke al het andere slecht en -verderfelijk ageert.” (In de „Loen Yü” meermalen uitgedrukt.) - -„—Er is een volmaakte ideaal-staat mogelijk, in welken een groote vrede -is over een volmaakt gelukkig volk, als de vorst en zijne ministers hun -regeering grondvesten in hun eigen hemelsche natuur, de Sing, die in -hare zuivere actie even zeker ageert als de Hemel.” - -Ik heb mij, een oordeel aan den lezer overlatende, onthouden van eene -critiek. Maar ik kan niet nalaten, ten slotte nog de vraag te stellen, -na de studie van dit boek te beantwoorden, of men Confucius’ filosofie, -zooals vele eminente en beschaafde menschen hebben gedaan, die van een -heiden mag noemen, [13] een dwaalleer, die, desnoods met geweld van -repeteergeweren en kanonnen moet worden uitgeroeid, of wel, of de -beschaafde europeesche volkeren misschien niet goed zouden doen, wat -van de voornaamste principes van Confucius aangaande de regeering en de -inrichting van den staat over te nemen? - - - - - - -HISTORISCHE OPHELDERINGEN. [14] - - -Daar in Confucius’ werken herhaaldelijk gewezen wordt op: „de Ouden” is -het absoluut noodzakelijk om, alvorens zijne filosofie te bestudeeren, -een kort overzicht te hebben van de geschiedenis van China vóór zijn -tijd. - -De eerste heerscher over China, zooals het toen was, van wien men kan -aannemen, dat hij niet gehéél tot de mythologische geschiedenis behoort -is Foeh Hie, die in 2852 v. C. op den troon kwam. Na hem zijn de -voornaamste keizers Shin Nung en Hwang Ti (de Gele Keizer); de eerste -onderscheidde zich bizonder op het gebied van agricultuur en van het -bereiden van geneesmiddelen uit kruiden, de laatste vormde de -chineesche kalender. Na Hwang Ti kwamen nog drie andere regeeringen, -waarna de beroemde keizer Yaou op den troon kwam. Van af Yaou (2356 v. -C.) begint de Shoe King, de Canon der Historie, begint de chineesche -geschiedenis een grooteren schijn van waarheid aan te nemen. - -In de vroegere tijden werden de keizers door het volk uit het volk -gekozen, en was het keizerschap niet erfelijk. Yaou was een gewone -landbouwer. Hij is het, die door Confucius als de ideaal-vorst werd -beschouwd. Onder zijne regeering schijnt het rijk een tijdperk van -bloei doorleefd te hebben, waar men zich eigenlijk in deze tijden geen -begrip meer van kan maken. Zoolang nog één zijner „kinderen” -(onderdanen) in nood verkeerde, was deze keizer niet gelukkig, zoo -luidt de legende. De „Shoe King” bevat het verhaal van Yaou’s groote -deugden, die altijd het ideaal van alle chineesche filosofen zijn -gebleven. Yaou, zegt de Shoe King, was „alwetend.” In de „Choeng Yoeng” -zal de lezer zien, wat dit ál-wetend zijn beteekent, en hoe de -ideaal-vorst de gelijke was van den Hemel. Een van de eerste zorgen van -Yaou was, om voor zijne ministers en ambtenaren waardige menschen uit -te kiezen, en de onwaardigen te ontslaan. Hij benoemde astronomen om de -bewegingen en verschijningen van de zon na te gaan, en van de -verschillende hemellichamen, en bepaalde de vier seizoenen en de lengte -van het jaar. Hij voerde de schrikkelmaanden in en regelde een nieuwen -kalender, die nu nog in China in gebruik is. In 2293 v. C. gebeurde -onder zijne regeering een groote overstrooming. Shoen, óók een gewoon -man uit het volk, onderscheidde zich bizonder in het bedwingen der -vloeden, door uitdiepen van rivieren en het aanleggen van kanalen, en -werd hierin krachtig bijgestaan door zekeren Yü. Yaou, de groote -verdiensten van Shoen ziende, deed hem de regeering met hem deelen, en -toen hij stierf gaf hij de regeering aan Shoen over, die met zijn -dochter was gehuwd. Niettegenstaande zijn voorganger reeds zooveel roem -had behaald door zijne deugden, deed Shoen in het geheel niet voor hem -onder, en werd zijn naam voor ’t nageslacht onafscheidelijk aan dien -van Yaou verbonden. Met Shoen begon de vereering voor Shang Ti, het -Suprême Wezen, de oudste godheid der chineezen, die zij veelal met „den -Hemel” verwarren. Shang Ti was één opperste God, [15] die over het lot -der menschen beschikte, die leven en dood bepaalde, de goeden zegende, -en de slechten strafte. - -Shoen verdeelde het rijk in twaalf provinciën, en benoemde ministers -voor agricultuur, justitie, openbare werken, woudontginning, eeredienst -en muziek. - -De moraliteit van het volk onder zijne regeering moet voorbeeldig zijn -geweest. Wij zullen uit Confucius’ leer zien, dat hij dan ook de deugd -van den vorst voor een transformeerende macht hield. - -Shoen nam Yü als zijn onderkoning aan, en na zijn’ dood volgde Yü hem -op. Ofschoon het voor dezen eveneens bijna onmogelijk was, zijn -voorgangers te overtreffen, wist hij zich tot hun gelijke te maken, en -de ideaal-staat bleef onder zijn regeering bestaan. Yaou, Shoen en Yü -zijn de drie ideaal-keizers der chineesche historie, als beschreven -staat in de Shoe King. - -Na Yü’s dood begon het verderf in den staat te komen. Yü, de stichter -der Hia dynastie, werd opgevolgd door zijn’ zoon Tai Kang, die in een -losbandig leven zijne plichten als vorst geheel verwaarloosde. Met Tai -Kang begon een tijdperk van verwarring, oorlog en ellende—met -tusschenpoozen afgewisseld door de regeering van eenige goede vorsten, -als b. v. Shau Kang en Ti Choe—dat een eind nam met den tyran Kjeh -Kwei, den laatsten heerscher der Hia dynastie. Deze Kjeh hield er o. a. -een vijver op na, waar een geheele boot in kon varen, en die gevuld was -met wijn. Drie duizend menschen konden er tegelijk uit drinken. Deze -vijver was omringd door geheele pyramiden van fijne vleeschspijzen, en -de walgelijkste orgiën hadden daar plaats. Ten laatste werd de -verdrukking van dezen tyran onhoudbaar, en het volk stond op onder -aanvoering van zekeren Ching Thʼang, een afstammeling van Hwang Ti. -Kjeh Kwei vluchtte, en Ching Thʼang besteeg den troon, en stichtte een -nieuwe dynastie, de Shang dynastie. Hij is de beroemde Thʼang, dien wij -in Confucius’ werken dikwijls vinden aangehaald. Thʼang zeide: „Niet -ik, het kleine kind, ben het, die durf te doen wat een onderneming van -rebellie lijkt, maar om de vele misdaden van den souverein van Hia -heeft de Hemel mij bevolen, hem te vernietigen.” - -Thʼang scheen een wedergeboorte te zijn van Yaou of Shoen, zóó gelukkig -was hij in de regeering van het rijk, dat weer tot zijn vorigen bloei -terugkeerde. Thʼang vereerde, evenals zijn groote voorgangers, Shang Ti -als oppersten God. Toen er eens een groote droogte heerschte, die den -oogst dreigde te doen mislukken en hongersnood te doen ontstaan, -schreef hij den toorn van Shang Ti aan zijn eigen gebrek aan deugd toe -en bad Hem, toch niet om de zonde van één mensch als hijzelf, een -geheel volk te dooden. Hij had zijn gebed nog niet geheel geëindigd, -toen de regen reeds overvloedig neerviel. [16] - -Het gulden tijdperk van Thʼang eindigde met zijn’ dood, want na hem -werden de vorsten al slechter en slechter, en werd het rijk op het -laatst ten prooi aan bloedige oorlogen van acht en twintig prinsen, die -elkaar achtereenvolgens met geweld verdreven en den troon usurpeerden. -Evenals Kjeh de Hia dynastie eindigde als een tyran, zoo eindigde de -Shang dynastie—die van af zekeren vorst Pʼan Keng Yin dynastie werd -geheeten, naar de nieuwe hoofdplaats Yin—met den tyran Cheu Sin, die om -zijn monsterachtige wreedheid de Nero van China wordt genoemd (1154 v. -C.–1112 v. C.). Met hem als Nero heeft zich zijn bijzit Tan Ki als de -chineesche Messalina onsterfelijk gemaakt. De wandaden, door deze twee -bedreven, zijn ongeloofelijk van verfijnde barbaarschheid. Toen Cheu -Sin b. v. eens eenige vrouwen blootsvoets aan den oever van een rivier -zag loopen, liet hij haar de beenen afsnijden, enkel om te zien, wat -voor merg die menschen hadden, die de koude zoo goed konden weerstaan. -Een zwangere vrouw liet hij eens openhakken, om te zien, hoe een -ongeboren kind er wel uitzag. Hij had een rivier met bloed van gedoode -onderdanen, omdat hij de roode kleur daarvan zoo mooi vond, enz. enz. - -Een zijner grillen zou zijn ondergang zijn. Hij had n.l. eens, enkel om -zijn macht aan zijn bijzit te toonen, de buskruitseinen laten -ontbranden, waarna zijn groot leger van mandarijnen in allerijl op zijn -noodsignalen afkwam. Toen hij echter later werkelijk in nood was, en -weer de seinen ontbrandde, daagde het leger niet op, dat het weer voor -een aardigheid hield. - -Onderhoorig aan Shang bestond in die tijden een koninkrijk Chow. Aan -het hoofd van dezen staat stond Wĕn Wang, koning Wĕn, een der groote, -wijze mannen uit de chineesche geschiedenis, een ideaal-vorst van -Confucius. Wĕn Wang trachtte Cheu Sin door eerbiedige raadgevingen te -waarschuwen, maar werd daarvoor in de gevangenis geworpen, en niet dan -met groote offers weer door zijn zonen bevrijd. Wĕn Wang was voor zijn -rijk wat Yaou en Shoen voor het keizerrijk waren geweest, een toonbeeld -van rechtvaardigheid en toewijding voor zijn volk. Hij werd daarin -ondersteund door een Wijze, Kiang Tai Koeng, dien hij als een’ -tachtigjarigen, armen grijsaard, in een bosch had gevonden. Geen -wonder, dat Wĕn Wang ten laatste de tyrannie van Cheu Sin niet langer -kon aanzien, en besloot, tegen hem op te staan en het rijk te -bevrijden. Vóór hij dit plan kon volvoeren stierf hij. Zijn oudste zoon -Woe Wang (de Krijgshaftige Koning) volgde hem op. Woe Wang was het -evenbeeld van zijn’ vader in vorstelijke deugden, en bovendien een -groot veldheer. Evenals vroeger Thʼang, beschouwde Woe Wang het als een -bevel van den hemel, dat hij het rijk van den tyran moest bevrijden. -Niet alleen het volk van Chow, maar ook dat van de naburige staten viel -hem bij. Met een groot leger trok hij tegen Cheu Sin op, en versloeg -hem in een veldslag. Cheu Sin vluchtte in zijn eigen luxueuze paleis, -dat hij in brand stak, en stierf den glorieuzen dood, dien driehonderd -jaren later ook Sardanapalus zou sterven. - -Woe Wang nam nu bezit van den troon, en werd de eerste keizer der Chow -dynastie (1122 v. C). - -Deze tijd van Cheu Sin, Wĕn Wang, Kiang Tai Koeng, en Woe Wang leverde -de stof voor de mooiste romans en legenden der chineesche middeleeuwen, -zooals de „Toeng Chow Ljeh Kwoh,” de „Fung Shen” enz. en hunne -heldendaden en oorlogen worden dagelijks over geheel China op het -chineesche tooneel voorgesteld. In de Shoe King vindt men er de -getrouwe geschiedenis bovendien van opgeteekend. In de Shi King (de -Canon der Odes) vinden wij Wĕn en Woe eveneens verheerlijkt. Deze -eerste Chow vorsten werden het model voor het nageslacht in al hun -daden en bewegingen. Het decorum, dat zij in acht namen in het -dagelijksch leven werd in de Lí Ki (Annalen van het Decorum) vereeuwigd -en als wet gesteld. Gelijk met Wĕn en Woe behoort Woe’s jongere broeder -te worden genoemd, die den titel droeg van Chow Koeng, of de hertog van -Chow. Deze hertog van Chow was zulk een ideaal voor Confucius, dat hij -bezorgd en onrustig was, als hij in langen tijd niet van hem gedroomd -had. Toen zijn oudere broeder Woe ernstig ziek werd, twee jaren na zijn -overwinning op Cheu Sin, liet de hertog van Chow drie aarden altaren -maken, één voor zijn vader, één voor zijn grootvader en één voor zijn -overgrootvader, en smeekte hen om van den Hemel uit Woe te bewaren, en -liever hem zelf in zijn plaats te doen sterven. Woe werd inderdaad -genezen. - -De hertog van Chow diende zijn broeder als raadsman in alles, en het -rijk kwam wederom in den bloeitijd, als in de tijden van Yaou en Shoen. -Behalve om vele goede instellingen, is de hertog van Chow ook beroemd -om het uitvinden van het kompas. - -Één maatregel nam Woe, die tot groot verderf van het rijk zou leiden. -Hij verdeelde namelijk het rijk in een groot aantal kleine staatjes, -met Chow als hoofdstaat. Aan het hoofd van deze staatjes stelde hij -zijne eigen familieleden aan, zijne gunstelingen, en afstammelingen der -oude koningen. Dit had later het noodlottige gevolg, dat de vorsten -dier staatjes zich als geheel onafhankelijk beschouwden, zich niet meer -om den koning van Chow bekommerden, en onderling onophoudelijk oorlog -voerden. De feudale vorsten waren steeds begeerig op elkanders goed. In -Confucius’ tijd (d. i. 66 jaar na de troonsbestijging van Woe), waren -er twee en vijftig. - -Zóó ging door dien maatregel van Woe ten laatste de oude, pure -monarchie verloren. - -Woe regeerde niet lang. Na zijn dood werd het rijk in twee groote -deelen verdeeld, waarvan de hertog van Chow er één kreeg. - -Na den hertog van Chow regeerden achtereenvolgens Kioe Chʼin en King -Ching, onder welken het rijk steeds in een periode van bloei bleef tot -1079 v. C. - -Met King Kʼang begon het rijk te vervallen, en de suprematie van Chow -verzwakte al meer en meer onder diens opvolgers Chaou en Muh Wang. In -den tijd van Confucius bestond het heerscherschap van Chow over de -andere staten feitelijk alleen nog maar in naam. De hoofdstad van Chow, -die door Woe in het tegenwoordige Sin An Toe was gevestigd (in de -tegenwoordige provincie Shen Si) was in Confucius’ tijd verplaatst naar -Lŏ (in de tegenwoordige provincie Ho Nan, en wel in het departement, -dat dienzelfden naam draagt). De vorst, die in Confucius’ tijd -regeerde, heette King, en het rijk bestond in zijn tijd, zooals ik -reeds zeide, uit twee en vijftig staten, onder welke dertien groote. -King was in naam heerscher over het geheele rijk, maar had bijna geen -macht meer buiten Chow. Confucius leefde dus in een tijd van uiterst -verval, toen de glorie van het huis Chow reeds lang voorbij was, en het -rijk geheel en al verwarring en degeneratie was. - - - - - - -HET LEVEN VAN CONFUCIUS. - - -In den tijd van Confucius was China niet, zooals nu, één groot -keizerrijk, verdeeld in door onderkoningen onmiddellijk aan den keizer -onderdanige provinciën, maar het bestond uit verschillende staten, -welker koningen en hertogen vrij wel oppermachtig waren in hun eigen -land. De voornaamste van deze staten was Chow, gelegen in een gedeelte -van de tegenwoordige provincie Honan. In ’t Noorden grensde het aan het -machtige Tsin, bestaande uit de tegenwoordige provincie Shan Si en een -gedeelte van Chihli; in ’t Zuiden aan Tʼsoe, en in ’t Oosten waren een -aantal kleinere staten, waaronder Tsʼi, Loe, Wei, Soeng en Ching; en -aan de Westzijde van de Gele Rivier was Tsʼin. Bij de stichting van de -Chow dynastie, had koning Woe al die verschillende staten weten te -brengen onder het beheer van zijne bloedverwanten, zijn aanhangers, en -de nakomelingen der oude koningen. Zoolang koning Woe regeerde ging -alles goed, en had Chow eene suprematie over de andere rijken, maar -toen onder zijne opvolgers Chow zelf verzwakte, ontstond er tusschen de -verschillende staten een eindelooze strijd. Toen Confucius werd -geboren, in 551 v. C., was China dan ook in een toestand van wanorde -zooals nooit te voren geheerscht had. Hij leefde in het zwartste, -ongelukkigste tijdperk van zijn land. Volgens oude schrijvers stamde -hij af van keizer Hwang Ti (2637 v. C.), maar volgens de nieuweren -leefde de stamvader van zijn geslacht in het begin van de Chow dynastie -(1121 v. C.). Zijn vader was Shoeh Liang Heih, een militair mandarijn, -om zijn dapperheid en kracht [17] in dien tijd zeer beroemd. De eerste -vrouw van Shoeh Liang Heih baarde hem geen zonen, waarom hij op -zeventigjarigen leeftijd een andere vrouw nam, uit de familie Yen, -genaamd Ching Tsai. Evenals bij de meeste geboorten van wijzen en -goden, b. v. bij die van Lao Tszʼ en Kwan Yin, heeft men de geboorte -van Confucius aan wonderen toegeschreven. Zoo wil men, dat Ching Tsai -in een droom vijf oude mannen zag naderen, die een dier leidden, -gelijkende op een kleine koe, met één hoorn, en bedekt met schubben, -als een draak. Dit beest, een Kʼi Lin—een der vele wonderdieren uit de -chineesche oudheid, als de draak, en de feniks—knielde voor Ching Tsai -neder, en liet een juweel uit den bek vallen met de inscriptie: „De -zoon van de essence van het Water zal de verdorrende Chowdynastie -opvolgen en een koning zijn zonder troon”. Ook werd Ching Tsai gezegd, -naar een grot te gaan, genaamd „De holle moerbezieboom”. In den nacht, -dat zij daar het kind baarde, hielden twee draken de wacht ter rechter- -en linkerzijde en twee vrouwelijke geesten besprenkelden het kind met -geurige wateren. Op den top van het hoofd had het kindje een bizondere -uitgroeiing in vorm gelijkend op den berg Kʼioe waarom het „Kʼioe” [18] -werd genoemd. De geheele naam was Kʼioe Choeng Ni. De geboortedag was -den 21en van de 10e maand van het 21e regeeringsjaar van den hertog -Siang van Loe, d. i. het 20ste jaar van keizer Ling, of 551 v. C. - -Confucius werd geboren in het district Tsow van den staat Loe, waar -zijn vader Heih gouverneur van was. Deze plaats correspondeert ongeveer -met het departement Yen Chow, in het tegenwoordige Shan Toeng. Van zijn -eerste jeugd is weinig bekend. Uit een van hem geciteerd gezegde in het -2e hoofdstuk van ’t werk „Loen Yü” weten wij, dat hij op zijn 15e jaar -met serieuze studie begon, en uit een ander, in het 9e hoofdstuk van -dat werk, dat hij, toen hij jong was, ook wel in veel dingen bekwaam -was, maar in ordinaire. - -Toen hij 19 jaar was trouwde hij met een meisje van de Kien Kwan -familie, uit den staat Soeng, die hem een jaar daarna een zoon schonk. -Hertog Chʼaou zond hem als felicitaties twee karpers. Daarom gaf hij -dit kind den naam Li Poh Yu (Karper Visch primus). Het huwelijk van -Confucius was zoo ongelukkig, dat hij ten laatste van zijne vrouw -scheidde. Dit is een zeer vreemd geval als men weet, hoe ideaal hij -zich in zijn geheele filosofie de betrekking tusschen man en vrouw -voorstelde. Ook blijkt nergens iets van eene meer dan gewone -gehechtheid aan zijn zoon. En toch was de Hiao—de ouderlijke en -kinderlijke liefde—de basis, waarop hij de regeering van het geheele -rijk wilde grondvesten. Door velen wordt de koelheid van Confucius -tegen zijn zoon echter aan een bizondere, gereserveerde waardigheid -toegeschreven. - -Op zijn 20e jaar ging Confucius in eene officieele betrekking, en wel -als bewaarder van de graanschuren, en één jaar daarna werd hij -bevorderd tot opzichter over de publieke landerijen. Hij achtte deze -ambten zelf niet bizonder hoog, en volgens Mencius zeide hij -hieromtrent: „De ossen en schapen moeten vet en sterk en uitstekend -zijn; dat is alles, waar ik voor heb te zorgen.” Op zijn 22e jaar ging -hij uit den dienst, en werd een publiek onderwijzer. Dadelijk kreeg hij -een groot aantal leerlingen. Hoe klein het salaris ook was, dat zijn -pupillen konden geven, nooit weigerde hij zijn onderwijs. Maar met -domme en onwillige leerlingen wilde hij niets te doen hebben, en hij -zeide: „Ik open de waarheid niet voor een, die geen begeerigen ijver -toont. Als ik één hoek van een onderwerp heb aangetoond en mijn -toehoorder kan daar de drie andere niet uit begrijpen, dan herhaal ik -mijn les niet.” [19] - -Dit laatste moet elke lezer van Confucius goed in het oog houden. Want -bij de studie van de confucianistische werken is het veel meer wat er -niet staat dan wat er staat, dat hij moet begrijpen. Confucius’ -gezegden waren in de hoogste mate laconiek. Hoewel niet zoo sterk als -bij Lao Tszʼ, vindt men in de gezegden van Confucius meer de -hoofdwaarheden van zijne filosofie,—die dan ook gedrukt zijn,—dan den -geheelen gecompliceerden gedachtengang van die filosofie zelve, dien -men zich er bij moet denken. De lectuur der oude chineesche klassieken -is niet, zooals b. v. die van Plato, een gewillig, oplettend volgen van -eene in letters duidelijk te volgen logica, maar een voortdurend voelen -naar de onzichtbare ideeën, achter de in de chineesche karakters -uitgedrukte volzinnen.—Zóó bestaat het eerste hoofdstuk van het werk -Choeng Yoeng slechts uit 109 chineesche karakters, waarin, of beter -waarachter de geheele filosofie van dat werk in essence moet gevoeld -worden. De andere hoofdstukken zijn slechts verduidelijkingen, maar het -„diepe” zooals de chinees het noemt, de essence van alles, ligt in het -eerste hoofdstuk. Zóó ligt ook de geheele filosofie van Lao Tszʼs „Tao -Teh King” in de 59 karakters van het eerste hoofdstuk. Het lezen van -chineesche klassieken is heel dikwijls daardoor een intuïtief voelen, -slechts geleid door enkele zekerheden en zichtbaarheden in de zoo -uiterst weinige karakters. En uren aan uren eenzame studie zijn meestal -noodig om de geheele portée te doorgronden van in weinige seconden op -te lezen karakterreeksen. Een groote moeilijkheid is daarbij nog -dikwijls, de zinnen behoorlijk af te ronden, die noch door komma’s, -noch door punten zijn aangegeven, en waarvan de juiste rythmus enkel -door het bewegen van de idee kan worden bepaald. - -Toen Confucius 28 jaar oud was, leerde hij boogschieten, een in die -tijden eervol bedrijf. Een jaar daarna kreeg hij lessen in muziek van -den beroemden musicus Siang. - -Daar hij altijd eene bizondere vereering had gehad voor de stichters -der Chow dynastie, was het een zijner liefste wenschen, een reis naar -den staat Chow te doen. Ten laatste kwam die wensch tot vervulling. De -roem van zijne wijsheid was toen blijkbaar ver verbreid, want toen de -hertog van Chow van zijn voorgenomen bezoek hoorde, zond hij hem een -wagen met paarden. Twee dingen waren het, die hem tot Lŏ, de hoofdstad -van Chow, zoo sterk aantrokken. Ten eerste, de studie van den -regeeringsvorm, de inrichting der paleizen en den aard der ceremoniën -van de oude keizers der Chow dynastie, en ten tweede de aanwezigheid in -die plaats van Lao Tan, meer bekend als Lao Tszʼ, die daar bewaarder -van het archief was. - -Een bizonder curieuze gebeurtenis, die ontmoeting van de twee grootste -mannen van de chineesche oudheid, die de hoofden zijn van twee groote -filosofische systemen, en zoo essentieel van elkaar verschilden! Zij -geeft dan ook in de gesprekken, die de wijzen met elkander hielden, -precies dat verschil aan. [20] Confucius was opgetogen over wat hij in -Chow zag, en na alles gezien te hebben riep hij uit: „Nú begrijp ik de -wijsheid van den hertog van Chow, en hoe zijn huis eens tot het -keizerschap kwam!” En aan zijn volgelingen zeide hij: „Zooals wij een -glas gebruiken om de vormen der dingen te onderzoeken, zóó moeten wij -de oudheid bestudeeren om het tegenwoordige te begrijpen.” In de zaal -van den voorvaderlijken tempel was een metalen beeld van een man met -drie krammen op den mond. Op de achterzijde daarvan was gegrift: „De -ouden waakten over hun spraak, en evenals zij moeten wij -praatzuchtigheid vermijden.” Toen keerde Confucius zich tot zijne -discipelen en zeide: „Merkt dit op, mijne kinderen! Deze woorden zijn -waar, en spreken tot onze rede”. Hij sprak ook veel over muziek met den -Chow’schen geleerde Chʼang Wang, en men wil dat deze van hem gezegd -heeft: „Ik heb bij Choeng-Ni menig kenteeken van een wijze opgemerkt. -Hij heeft rivier-oogen en een draken-voorhoofd—de echte kenteekenen van -Hwang Ti. Zijn armen zijn lang, zijn rug is als een schildpad, en hij -is negen voet zes duim hoog—de echte gelijkenis van Thʼang den -gelukvolle. [21] Als hij spreekt prijst hij de oude koningen. Hij gaat -het pad der nederigheid en hoffelijkheid. Hij heeft van ieder onderwerp -gehoord, en onthoudt met een sterk geheugen. Zijn kennis van dingen -lijkt onuitputtelijk. Hebben wij niet in hem de rijzenis van een -wijze?” - -Hetzelfde jaar keerde Confucius terug naar Loe, waar hij spoedig een -gevolg kreeg van drieduizend discipelen. Kort na zijn terugkomst brak -een opstand uit. De drie clans van Kie, Shoeh en Meng, die vroeger -onder elkaar gestreden hadden, vielen hertog Chaou van Loe aan (516 v. -C.), die genoodzaakt was, naar het naburige rijk Tsʼi te vluchten. -Confucius, die den hertog trouw was, en de wanorde in zijn land niet -kon aanzien, volgde hem. In het werk „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” staat het -volgende incident vermeld, dat voorviel op zijn reis naar Tsʼi: „Toen -hij langs den grooten weg ging, ontmoette hij eene vrouw, die weende -bij een graf, en, medelijden met haar gevoelende, zond hij zijn -discipel Tszʼ Loe om naar de oorzaak van haar verdriet te vragen. „Gij -weent of gij verdriet na verdriet hebt ondervonden.”—„Dat is ook zoo,” -antwoordde de vrouw. „Mijn schoonvader is hier gedood door een tijger, -en mijn man ook; en nu heeft mijn zoon hetzelfde lot getroffen.” Toen -vroeg Confucius: „Waarom gaat gij dan niet van deze plaats -heen?”—„Omdat hier geen tyrannieke regeering is,” antwoordde de vrouw. -Toen Confucius dat hoorde zeide hij tot zijne discipelen: „Mijne -kinderen, onthoudt dit. Een tyrannieke regeering is woester dan een -tijger.” In het boek Lí Ki, de Canon van het Decorum, wordt dit verhaal -bevestigd. - -In Tsʼi, waar een hertog, later koning regeerde, van wien Confucius -later zeide: „hij had duizend spannen, elk van vier paarden, maar op -den dag van zijn’ dood prees het volk hem om geen enkele deugd,” maar -waar een eerste minister was van uitstekende bekwaamheid Gan Ying, werd -aan het hof nog de muziek van den ouden, wijzen keizer Shoen [22] -gespeeld. Toen Confucius in Tsʼi aankwam, en die muziek hoorde, werd -hij er zoo door aangedaan, dat hij in drie maanden geen vleesch kon -eten. - -„Ik had niet gedacht,” zeide hij, „dat muziek ooit zoo uitstekend als -deze gemaakt kon worden.” De hertog King, die Confucius verscheidene -malen raadpleegde, was zóó met hem ingenomen, dat hij hem de stad -Lin-kjoe wilde geven, die rijke inkomsten opleverde. Confucius, die, -blijkens het boven aangehaalde gezegde uit de „Loen Yü”, weinig met den -hertog ophad, sloeg dit geschenk af, en zeide tot zijne discipelen: -„Een superieur mensch neemt alleen belooning aan voor door hem bewezen -diensten. Ik heb advies gegeven aan hertog King, maar hij heeft er niet -aan gehoorzaamd; en nu wil hij mij die stad geven! Hoe ver is hij er -van, mij te begrijpen!” - -Eens vroeg de hertog hem over regeering, en kreeg het merkwaardige -antwoord: „Er is regeering als de vorst vorst is, en de minister -minister; als de vader vader is, en de zoon zoon.” [23] De hertog werd -meer en meer met hem ingenomen, en wilde hem voorgoed aan zich -verbinden, maar de minister Gan Ying bracht hem hier van af, zeggende: -„Die geleerden zijn onhandelbaar en kunnen niet nagevolgd worden. Zij -zijn trotsch en lekker met hun eigen inzichten, zoodat zij niet -tevreden zijn met inferieure betrekkingen.” Hoewel de hertog in zijn -hart Confucius meestal gelijk moest geven, vond hij het—zooals dat ook -nú nog overal gaat—eigenlijk lastig, zulk een Mentor bij zich te -hebben, en zeide: „Ik ben oud; ik kan deze leer niet gebruiken.” [24] - -Toen keerde Confucius terug naar zijn vaderland Loe. Gedurende vijf -jaren bleef Loe ten prooi aan bloedige oorlogen. Hertog Chaou bleef in -Tsʼi, en na zijn’ dood kwam niet zijn rechtmatige erfgenaam, maar een -ander lid zijner familie, genaamd Ting, in zijne plaats. Zijne -regeering beteekende weinig, daar de drie clans Kie, Shoeh en Meng -doorgingen onder elkaar en met hunne onderhoorigen te vechten. -Confucius ging gedurende die vijftien jaren niet in staatsdienst, maar -wijdde zich geheel aan de studie van de „Shi King”, het Boek der Odes, -en de Shoe King „Het Boek der Historie”, en aan het vormen van -discipelen. - -In het jaar 501 v. C. werd de orde nagenoeg hersteld, en toen aan -Confucius de magistratuur van de stad Choeng-Toe werd aangeboden, nam -hij haar aan. Dit was de eerste gelegenheid, die hij had, om zijne -principes van eene ideale regeering in toepassing te brengen, en de -resultaten waren schitterend. Hij nam afdoende maatregelen tot -behoorlijke voeding van het volk, en voor de betrachting der ceremoniën -voor de dooden. Aan ouden en jongen werd verschillend voedsel -aangewezen, en de lasten voor oude en jonge koelies moesten -verschillend zijn. Mannen en vrouwen moesten gescheiden gaan op straat. -Iets, dat op straat was gevallen, werd niet opgeraapt. De binnenste -doodkisten moesten vier duim dik zijn, de buitenste vijf. Graven -moesten op hoogten gelegen zijn; er mochten geen wallen boven opgericht -worden, en geen boomen er om heen. Op de markten was geen loven en -bieden, maar één vaste prijs. Enz. Enz. - -Binnen een jaar tijds was zijn naam hierdoor zoo beroemd, dat alle -vorsten van de omliggende staten zijne maatregelen wilden overnemen. De -hertog Ting, zeer verrast over den buitengewonen bloei van Choeng Toe, -vroeg aan Confucius, of op die manier ook het geheele land kon -geregeerd worden. En Confucius antwoordde: „Wel zeker; en niet alleen -de staat Loe, maar het geheele keizerrijk.” Toen werd hij bevorderd tot -tweeden Superintendent van openbare werken, in welke betrekking hij -zich bizonder onderscheidde op het gebied van agricultuur. Ten laatste -werd hij minister van Justitie. Deze enkele benoeming was reeds -voldoende, om de misdaad te vernietigen. Het was als in de gelukkige -tijden van Yiau en Shoen. Er waren geen misdadigers, en de strafwet was -overbodig. Dat Confucius een buitengewoon moedig man was, die den dood -durfde trotseeren, toonde hij in 499. Er zou eene vriendschappelijke -samenkomst plaats hebben tusschen de hertogen van Loe en Tsʼi, in het -plaatsje Shih kʼi. Confucius was ceremoniemeester. Het doel van de -samenkomst was het sluiten van een verbond. Maar de hertog van Tsʼi had -een verraderlijken overval beraamd, en op een gegeven teeken viel een -bende der halfwilde bewoners van Shih kʼi den hertog van Loe aan. -Confucius had dit echter voorzien. Hij snelde toe, sprak den hertog van -Tsʼi aan met zulke waardige woorden, dat deze vol schaamte zijne -huurlingen terugriep, en slaagde er in, zijn’ vorst in veiligheid te -brengen. Ten laatste kwamen, door Confucius’ wijze bemiddeling, de twee -rijken toch nog tot een verdrag, waarbij Loe al de indertijd door Tsʼi -veroverde landen terugkreeg. - -Twee jaren bleef Confucius minister van Justitie. Hij was altijd zeer -bescheiden, en schaamde zich niet, in ernstige gevallen steeds de -adviezen van anderen te vragen. Steeds was de publieke opinie met hem -in al zijne uitspraken. Een beroemd geval, dat zich in die tijden -voordeed, was het volgende: „Een vader bracht een aanklacht in tegen -zijn’ zoon. Confucius liet daarop beiden in de gevangenis opsluiten. -Toen men hem hierover interpelleerde, en men hem vroeg, waarom hij, die -de Hiao (ouderlievendheid) als eerste deugd van den mensch noemde, den -ontaarden zoon niet strenger strafte, antwoordde hij: „Als de meerderen -(zelf) hun plicht niet doen en toch hunne minderen ter dood brengen, is -dat onrecht. Deze vader heeft zijn’ zoon niet geleerd, om Hiao te -hebben; als ik naar zijn aanklacht luisterde zou ik dus den onschuldige -dooden. Misdaad is niet eigen aan de menschelijke natuur, en daarom -zijn de vader van een gezin en de regeering van den staat -verantwoordelijk voor de misdaden tegen de Hiao en de openbare wetten. -Als een koning slordig is in het uitvaardigen van wetten, en dan -absoluut straft naar de letter, dan speelt hij de rol van een -zwendelaar; als hij de belasting willekeurig vergaart zonder -waarschuwing te geven, is hij schuldig aan verdrukking; en als hij het -volk ter dood brengt zonder het onderwezen te hebben, begaat hij een -wreedheid.” - -Het was dan ook Confucius’ hoofddoel, het volk te leeren en te -onderrichten door voorbeeld, wijze lessen en rechtvaardige wetten. Bij -het berechten van overtredingen bedacht hij altijd, dat de staat sedert -zoovele jaren in groote wanorde was geweest, en het volk dus geen -gelegenheid had gehad tot leeren. Hij handhaafde den in China thans nog -heerschenden regel: „In het maken der wetten kan men niet streng genoeg -zijn, in hare toepassing niet zacht genoeg”. Hij stelde bovendien zich -zelf altijd ten voorbeeld aan het geheele volk. Dit maakte hem bij -velen gehaat, die dit verwaand en trotsch vonden, en dit was een van de -redenen, waarom Lao Tszʼ hem niet bizonder hoog achtte, maar het had -toch stellig zijn goede zijde. In de tegenwoordigheid van zijn vorst -was hij vol eerbied en reverentie, ofschoon niet verlegen. Als hij -voorbij den troon ging, al was deze ledig, bogen zijn beenen onder hem, -en veranderde zijn gelaatskleur. Als hij den koninklijken schepter -moest dragen, boog zijn lichaam, alsof het zulk een kostbaren last -moeilijk kon dragen. Als hij ziek was, en de prins kwam hem bezoeken, -lag hij met het hoofd naar het Oosten, in zijne staatsiekleederen, met -den gordel. Als hem een gave in gekookt vleesch werd gegeven door zijn -vorst maakte hij eerst zijn mat netjes in orde, en proefde éven van het -eten; als het ongekookt was offerde hij het aan de geesten zijner -voorvaderen; als het geschenk bestond uit levende dieren hield hij ze -in leven. - -In alles, tot in de kleinste bizonderheden van zijn leven handhaafde -hij een statig decorum. Al zijne bewegingen waren om zoo te zeggen -gestyleerd. En dit alles deed hij zeer stellig, opdat het volk het -vooral zou zien. Een mensch, de drager van het principe van den hemel, -moest zich ook bewegen met waardige bewegingen en statige gebaren. Er -is dan ook op de geheele aarde geen volk, dat zoo volleerd is in -decorum als het chineesche. De studie van het chineesche decorum is -eene studie apart, waar jaren voor noodig zijn. - -De drie grootste oorzaken van de nog steeds niet geheel verbeterde -wanorde in het rijk, telkens uitbrekend, waren de drie hoofden van de -clans Kie, Meng en Shoeh. Eindelijk, door fijn beleid, en vooral -gesteund door de raadgevingen van een zijner discipelen, Tszʼ Loe, -slaagde Confucius er in, de steden Pe, van de clan Kie, en How, van de -clan Shoeh, tot onderwerping te brengen. Tot op dien tijd waren deze -steden als de onneembare kasteelen van roofridders geweest, waarin zij, -na gepleegde wandaden, altijd een veilig toevluchtsoord vonden. Alleen -Chʼing, de stad der Mĕngs, bleef zich verzetten. - -Het geheele volk werd, ten tijde van Confucius’ regeering, ten goede -veranderd. Trouw en vertrouwbaarheid werden de karaktertrekken der -mannen, kuischheid en zachtheid die der vrouwen. De staat Loe werd zoo -bloeiend en machtig, dat van heinde en ver vreemdelingen toestroomden -om onder zulk eene gelukkige regeering te leven. - -Ten laatste wekte de regeering van Loe de jaloezie en de bezorgdheid op -van den hertog van het naburige Tsʼi. „Met Confucius aan het hoofd van -het gouvernement,” zeide hij, „zal Loe de suprematie hebben over de -staten, en Tsʼi, dat het dichtste bij is, zal opgeslokt worden. Laten -wij het gunstig stemmen door een afstand van territorium.” Maar een -zijner ministers begreep, dat de hoofdzaak was, in Loe een breuk -tusschen Confucius en hertog Ting te veroorzaken. De wijze, waarop dit -werd beproefd, bewees, dat de Tsʼische minister een bizonder helderen -blik en heel wat menschenkennis bezat. Tachtig mooie meisjes, bedreven -in zang en dans, werden uitgekozen, en met honderd twintig van de beste -paarden, die in het rijk konden worden gevonden, als een geschenk aan -hertog Ting aangeboden. Zij werden eerst geschaard buiten de stad, en -het hoofd van de zoo invloedrijke Kie familie ging vermomd uit om hen -te zien. Bij het aanschouwen van zooveel schoonheid vergat Kie Hwan de -wijze lessen van Confucius, en haalde den hertog om naar die tractatie -te komen zien. Ook deze werd er door verbijsterd. - -De vrouwen werden in de stad geleid, en hiermede was de wijsheid -voorgoed verloren. In drie dagen gaf de hertog niet eens audiëntie aan -zijne ministers. [25] - -„Meester!” zeide Confucius’ discipel Tszʼ Loe, „het is uw tijd om te -gaan.” - -Maar Confucius kón het nog niet gelooven, dat zóó licht zijne wijsheid -door vrouwenlachen was verslagen, en hij hoopte, den hertog nog tot -inkeer te brengen. Binnenkort zou namelijk de groote ceremonie van de -offering aan den Hemel plaats hebben. Maar toen bij die plechtigheid -hertog Ting in zijn haast om er doorheen te wezen op allerlei wijzen -het decorum—de Lí—schond, zag Confucius in, dat het rijk was verloren. -En aarzelend, met kleine passen, alsof hij nog telkens een afgezant -wachtte om hem terug te roepen, ging hij heen. - -Dit moet het groote tragische moment in Confucius’ leven zijn geweest, -het moment, waarin de innigste, heiligste wijsheid van een mensch òf -voorgoed uit elkander breekt tot starren dood, òf zich boven de misère -van het leven eeuwiglichtend verheft, en gewijd wordt tot -onsterfelijkheid. - -En al ware de geheele filosofie van Confucius ééne absurde dwaling -geweest—wat zij niet was—of één systeem van diep-verdorven slechtheid, -dan zou hij nóg een groot man zijn geweest, een groote onder de grooten -der wereld, omdat hij in dien merkwaardigen tijd, toen het werk, -waaraan hij jaren en jaren had gearbeid, verloren ging, en hij eenzaam -en vreemd stond in de koude wereld, die hem verguisde, en die hij groot -had willen maken, tóch ook zelfs geen oogenblik aan zijn eigen -zielewijsheid twijfelde, en zeer wèl doorzag, dat het onsterfelijke -niet kon zijn verslagen door wereld en menschen. Dit sublieme geloof in -de wijsheid van eigen ziel is het geloof van martelaren en heiligen, en -in elken godsdienst, welke ook, gewijd en adorabel. - -Confucius bleef onwankelbaar in het geloof aan zijn leer. „Als eenigen -onder de vorsten mij wilden gebruiken,” zeide hij, „zou ik in den loop -van twaalf maanden iets belangrijks hebben kunnen doen, en in drie jaar -zou de regeering volmaakt zijn.” Zijn discipel Tszʼ Koeng had al eens -tegen hem gezegd: „Uw principes zijn uitstekend, maar zij zijn -onaannemelijk (onuitvoerbaar) in het keizerrijk; zou het daarom niet -goed zijn, ze wat te verminderen?” - -„Een goed landbouwer,” antwoordde Confucius, „kan zaaien, maar hij kan -geen oogst verzekeren. Een handwerksman kan uitstekend zijn in zijn -handwerk, maar hij kan geen markt voor zijn goederen bezorgen. En op -dezelfde wijze kan een Kiün Tszʼ zijne principes cultiveeren, maar hij -kan ze niet aannemelijk maken.” („Shʼ Ki”.) - -Toen Confucius Loe verliet ging hij naar den staat Wei (gelegen, waar -nu de provincies Chih-li en Honan samenkomen). Hij was toen zes en -vijftig jaar. Kiang Yoeng in zijn „Leven van Confucius” verhaalt, hoe -hij zijne melancholie en zijn droefheid uitte in de volgende verzen: - -„De wind huilt door de valleien; de motregen valt dik en snel. De -jeugdige bruid gaat huiswaarts door de velden, omringd door de menigte. -Hoe is het, o! azuren Hemel, dat ik aldus word voortgedreven, om door -het land een weg te vinden, zonder vaste woonplaats? Duister, duister -zijn de zielen der menschen! Woorden komen vergeefs tot hun geslacht! -Mijn leeftijd haast ten einde. Ouderdom verschijnt, troosteloos.” - -Toen Confucius, vergezeld van een aantal zijner discipelen, in de stad -Ie kwam, op de grenzen van Wei, kwam de grenswachter hun tegemoet en -zeide, als vermeld staat in de „Loen Yü”, op troostenden toon: „Mijne -vrienden, waarom zijt gij zoo bedroefd dat uw Meester zijn betrekking -verloren heeft? Het keizerrijk is lang zonder Tao geweest; de Hemel -gaat uw Meester gebruiken als een bel met houten tong.” - -Toen Confucius in Wei kwam, werd hij goed ontvangen, kreeg huisvesting -in de hoofdstad bij een’ mandarijn, en de regeerende hertog, die -evenwel een bandeloos vorst was, gaf hem een vast inkomen van 60000 -maten graan, hetzelfde dat hij in Loe had genoten. Hij bleef slechts 10 -maanden, en wilde toen naar de staat Chʼin gaan. Confucius leek -bizonder veel op den beruchten Yang Hoe, die indertijd rooftochten in -het land had ondernomen, en toen hij in de stad Kʼwang in Kʼee Foeng -kwam, werd hij voor dien vijand aangezien en door het verwoede volk -aangevallen. Zijne discipelen waren zeer ontsteld, maar Confucius -stelde hen gerust met de kalme woorden: „Was, na den dood van koning -Wĕn, de waarheid niet hier in mij gehuisvest? Als de hemel had gewild -dat deze zaak der waarheid zou te niet gaan, zou ik, een toekomstige -sterveling, niet in zulk eene betrekking tot haar zijn gekomen. Als de -Hemel de waarheid nog niet laat ondergaan, wat kan het volk van Kʼwang -mij dan doen?” Hij slaagde er dan ook in te ontvluchten. Dit incident -gaf hem echter aanleiding, zijn reis naar Chʼin op te geven en naar Wei -terug te keeren. Aldaar teruggekomen woonde hij bij den mandarijn Kioe -Pih Yuh. - -Hertog Ling had in dien tusschentijd een vrouw getrouwd uit het huis -van Soeng, genaamd Nan Tszʼ. Deze vrouw, berucht als zij was om haar -slechtheid en haar intrigues, was zoo verlangend Confucius te zien, dat -zij hem bij zich liet ontbieden. Confucius weigerde haar verzoek niet, -en bezocht haar. Volgens de regelen van het decorum was zij verborgen -achter een scherm. Zijn discipel Tszʼ Loe was hevig verontwaardigd, dat -Confucius zich met zulk een beruchte vrouw had afgegeven. In de „Loen -Yü” staat vermeld, dat hij den Meester hierover interpelleerde. En -Confucius antwoordde met den sedert beroemd geworden eed: „Indien ik -hierin iets slechts heb gedaan, moge de Hemel mij vernietigen! moge de -Hemel mij vernietigen!” - -Confucius kon op den duur aan een hof als dat van Wei niet lang met -behoud van zijn waardigheid blijven. Op zekeren dag reed de hertog met -de vrouw Nan Tszʼ in ’t openbaar door de straten van de hoofdstad, en -beval Confucius in een wagen achter hem te volgen. Het volk begreep -dadelijk, wat de vorst hiermede bedoelde, en welke positie hij aan den -wijze toekende, en het riep ontevreden uit: „Lust vóórop, en de deugd -achteraan!” Toen was Confucius beschaamd, en hij zeide smartelijk: „Ik -heb nog niemand gezien, die de deugd even liefheeft als de schoonheid.” -[26] - -Toen zag hij in, dat hij niet in Wei kon blijven, en ging op weg naar -Chʼin, een staat ten Zuiden van Wei. Op zijn gewone reizen vergat hij -nooit, ceremoniën te verrichten. Zóó verrichtte hij eene ceremonie -onder de schaduw van een pruimeboom op den weg in het staatje Soeng, -dat hij door moest trekken. In Soeng leefde toen een mandarijn, Hwan -Tʼoey, die reeds lang vijandig was aan Confucius en zijn leer. Deze -zond nu een bende op hem af, om den boom te vellen en den wijze te -dooden. De discipelen waren hevig verschrikt, maar Confucius bleef -kalm, en sprak de schoone, later in de „Loen Yü” vereeuwigde woorden: -„De Hemel heeft de deugd in mij voortgebracht; Hwan Tʼoey!—Wat kan hij -mij (dan) doen?” Toch was hij met zijn discipelen genoodzaakt te -vluchten naar den staat Chʼing, en in die vlucht werd hij van zijne -discipelen gescheiden. Zijn discipel Tszʼ Koeng kwam vóór hem in Chʼing -aan, en toen hij daar overal naar zijn’ Meester vroeg, antwoordde -iemand hem, met de voor Confucius’ persoonlijkheid karakteristieke -woorden: „Er was een man, staande bij de oostelijke poort, met een -voorhoofd als Yaou, een nek als Kaou Yaou, zijn schouders even hoog als -die van Tszʼ Chʼan, maar beneden het middel drie duim lager dan de -lengte van Yu, en met geheel en al het troostelooze voorkomen van een -verdwaalden hond.” Tszʼ Koeng vond daarna zijn Meester spoedig uit, en -toen Confucius hoorde, hoe hij was beschreven, had hij er veel pleizier -over, en zeide: „De lichamelijke gestalte is maar een ding van weinig -belang, maar te zeggen dat ik als een verdwaalde hond was—die is goed! -die is goed!” - -Ofschoon men hem in Chʼing niets in den weg legde, was de regeering -volstrekt niet van plan hem te onderscheiden en te gebruiken. Na -verloop van korten tijd, in 493 v. C., was Confucius weer in Chʼin. In -Chʼin was het echter niet rustig, daar de troepen van den staat Woe -daar gedurig invallen deden. Daarom besloot Confucius ten laatste maar -weer naar Wei terug te gaan. Er is in zijn geheele geschiedenis, en ook -aan sommige zijner gezegden in de „Loen Yü” te bemerken, dat hij een -onverklaarbare voorliefde voor hertog Ling en den staat Wei had, -niettegenstaande de vernedering, die hij daar had ondergaan. Hij had -een soort idée fixe dat Wei door den hemel was voorbestemd om zijn -modelstaat te worden, hoewel daar geen enkele reden voor bestond. Toch -heeft hij tot op het laatste dat voorgevoel behouden, en hij is -gestorven zonder er ook maar een schijn van verwezenlijking van te -hebben gezien. - -Wèl terecht zei hij dan ook eens van zich zelf: „Ik heb de getrouwheid -van een hond, en als een hond word ik behandeld. Maar wat doet de -ondankbaarheid der menschen er toe? Zij zal mij niet beletten, al het -goed te doen dat ik kan. Als mijne lessen onvruchtbaar blijven zal ik -ten minste in mij zelf den troost hebben, dat ik trouw mijn plicht heb -gedaan.” - -Op zijn tocht naar Wei werd Confucius in de plaats Pʼoe tegengehouden -en niet losgelaten, dan toen hij zijn woord gegeven had, nooit meer -naar Wei te gaan. Dat hij een andere opvatting van een eed had dan de -westersche bleek uit de woorden, die hij toen tot zijne discipelen -sprak: „Het was een gedwongen eed. De geesten hooren dien niet.” Hij -ging daarom toch door naar Wei. Hertog Ling ontving hem heel beleefd, -maar luisterde evenmin naar hem als te voren.—In den staat Tsin was in -dien tijd een opstand uitgebroken. De mandarijn Peih Heih had zich -meester gemaakt van de stad Choung Mow, en verdedigde die tegen zijn -wettigen heer. Peih Heih liet Confucius bij zich ontbieden, en hier -werd hij voor ’t eerst aan ’t wankelen gebracht. Daar hij in Wei toch -niet geapprecieerd werd, en geen verwezenlijking vond van zijn idealen, -wilde hij dan maar naar den oproerigen Peih Heih gaan, bij wien hij -zeker was, waardeering en voldoening te vinden. Had hij aan zijn plan -gevolg gegeven, dan zou hij zijn eigen principes verzaakt hebben. Maar -hij zelf had indertijd aan zijn discipelen geleerd, dat de leerling, -die vóór alles eerbied en gehoorzaamheid was verschuldigd, toch -verplicht was, hem, waar noodig, gepast op zijne fouten te wijzen, en -Tszʼ Loe redde hem. Hij zeide tot zijn Meester: „Meester, ik heb u -hooren zeggen, dat als een man in eigen persoon schuldig is aan kwaad -doen, de Kiün Tszʼ niet met hem kan samengaan. Peih Heih is in -rebellie; wat zal men er van zeggen, als gij tot hem gaat?” - -En in het antwoord van Confucius was al de opgekropte teleurstelling -van zijn leven: „Ja, die woorden gebruikte ik. Maar zegt men niet, dat -als een ding werkelijk hard is, het gemalen kan worden zonder fijn te -worden; en dat als het werkelijk wit is, het in een donkere vloeistof -kan gedompeld worden zonder zwart te worden gemaakt. Ben ik een bittere -pompoen? Moet ik ergens langs den weg worden opgehangen zonder gegeten -te worden?” („Loen Yü”.) - -Maar het eind er van was, dat hij zijn drogreden inzag, en niet naar -Peih Heih ging. - -In Wei ging het hem maar niet beter. Hertog Ling raadpleegde hem nooit -in zaken, waar hij zoo gaarne in wilde gekend worden, maar altijd over -krijgskunde. In de „Loen Yü” (Boek XV) wordt verhaald, hoe hij daarom -Wei weer verliet: - -„De hertog Ling van Wei vroeg Confucius over tactiek. Confucius -antwoordde: „Ik heb alles gehoord (ik weet alles) van offervazen, maar -militaire zaken heb ik niet geleerd.” Hierna aanvaardde hij den -volgenden dag zijn vertrek.” - -De staat waar hij nu weer heentrok was Chʼin. Confucius was toen zestig -jaar. Hij bleef niet lang in Chʼin, ziende dat men hem daar evenmin -waardeerde. - -In zijn vaderland Loe, waar hij sinds al die jaren niet was terug -geweest, was intusschen èn hertog Ting èn het machtige hoofd van de Kie -clan, Kie Hwan, gestorven. Kie Hwan, die indertijd Confucius -verloochend had, door de van Tsʼi gekomen vrouwen niet terug te zenden, -maar er den hertog mede had doen verleiden, voelde op zijn sterfbed -berouw, en droeg zijn opvolger Kie Kʼang op, om Confucius terug te -roepen. Ware dit gebeurd, dan zou Confucius zijn vaderland ten laatste -nog groot hebben gemaakt, maar Kie Kʼang, naar den raad van een zijner -mandarijnen luisterend, zond niet om Confucius zelf, maar om Yen Kʼioe, -een zijner discipelen. Confucius, verlangende naar zijn vaderland, en -wetende dat Yen Kʼioe nog niet ver genoeg was om eene goede regeering -te leiden, riep smartelijk uit: „Laat mij terugkeeren! Laat mij -terugkeeren! De kleine kinderen van mijn school zijn te wild en -onbezonnen. Zij zijn wèl volmaakt volleerd in de schoone kunsten, maar -zij weten zich niet te verbeteren en te vormen.” („Loen Yü”.) - -In 490 v. C. ging hij weer uit Chʼin naar Tsʼae, een klein staatje, -afhankelijk van het rijk Tsʼoe. Die reis is vol kommer en gebrek -geweest, en eens was zijn voorraad levensmiddelen geheel op. Zijn -discipelen waren geheel op van vermoeienis en Tszʼ Loe riep uit: „Moet -de Kiün Tszʼ werkelijk zóó (ellende) verduren?” Maar waardig antwoordde -Confucius: „De Kiün Tszʼ kan werkelijk gebrek te verduren hebben, maar -de kleine mensch, als hij in gebrek is, geeft zich over aan toomelooze -buitensporigheid („Loen Yü”). In de „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” staat vermeld, -dat deze ellende zeven dagen duurde, en Confucius al dien tijd even -waardig bleef, ja zelfs vroolijk was, op zijn luit speelde en zong. - -Hij bleef ongeveer een jaar in Tsʼae, en trok toen naar Shie, een ander -district van Tsʼoe, waar de district-mandarijn den titel van hertog had -aangenomen. Deze hertog, niet wetende wat hij van zijn’ vreemden -bezoeker moest denken, informeerde naar hem bij Tszʼ Loe. Toen -Confucius later hoorde, dat Tszʼ Loe niet had durven antwoorden, zeide -hij: „Waarom zeidet gij niet: hij is een man, die in zijn ijverig -zoeken (naar wijsheid) zijn voedsel vergeet, die in de vreugde (van het -verkrijgen) zijn smart vergeet, en niet bemerkt dat de ouderdom -naderende is?” („Loen Yü”.) De hertog vroeg Confucius over regeering, -en kreeg weer een zijner typische, kernachtige antwoorden: „(Er is een -goede regeering als) zij die nabij zijn gelukkig zijn en zij, die ver -zijn, komen (worden aangetrokken).” - -Van Shie ging hij weer terug naar Tsʼai. Op dien terugtocht had -Confucius twee ontmoetingen, die in de „Loen Yü” (Hoofdstuk 18. No 5) -zijn vereeuwigd, en waarin hij, niet voor den eersten keer, vermaand -werd om zijn hopelooze pogingen op te geven. Ik vertaal daarom deze -ontmoetingen hieronder: - -„De krankzinnige van Tsʼoe, Tsieh Yü, [27] ging zingende voorbij -Confucius: „O Feniks! O Feniks! Hoe is uw deugd zoo vergaan? Wat -verleden is kan u niet meer vermaand worden, maar voor de toekomst kan -gezorgd worden. Houdt op! Houdt op! Wie nu aan de regeering meedoen -loopen gevaar.” - -Confucius steeg uit en wilde met hem spreken. Maar (Tsieh Yü) ging -ijlings weg, zoodat hij niet met hem kon spreken. Onmiddellijk hierop -volgt in de „Loen Yü” de volgende ontmoeting, waarin hem ongeveer -hetzelfde werd gezegd: - -„Chʼang Tsü en Kieh ’Neih waren aan ’t werk op het veld. Confucius ging -voorbij en stuurde Tszʼ Loe op hen af om naar het veer te vragen. -Chʼang Tsü zeide: „Wie is het, die den wagen daar bestuurt?”—Tszʼ Loe -zeide: „Het is Kʼoeng Kʼioe.” [28]—„Kʼoeng Kʼioe van Loe?” (vroeg -Chʼang Tsü).—„Die is hij” (zeide Tszʼ Loe).—„Die weet het veer wel.” -(was het antwoord.) [29] - -„Toen vroeg (Tszʼ Loe) aan Kieh Neih. Kieh Neih zeide: „Wie zijt -gij?”—„Ik ben Choeng Yioe” [30] (was het antwoord).—„Zijt gij niet de -discipel van Kʼoeng Kʼioe van Loe?” (vroeg de andere).—„Dat ben ik” -(antwoordde Tszʼ Loe). (Waarop Kieh Neih) zeide: „Het geheele rijk is -(in wanorde als) een zwellende stroom en wie zal dat veranderen? En dan -volgt gij nog wel een Meester, die (van de eene plaats naar de ander -trekkend telkens verschillende) menschen ontwijkt! Deed gij niet beter -met degenen na te volgen, die zich geheel hebben teruggetrokken van de -wereld?” [31] (Daarna) bedekte hij het zaad en hield niet (weder) op. - -Tszʼ Loe ging het aan Confucius vertellen. Deze zeide, met een zucht: -„Ik kan niet met vogels en beesten in eenzelfde kudde (of vlucht) zijn. -Als ik niet samenga, met deze menschen (het volk), met wien dan? Als er -recht in het rijk was zou ik het niet (behoeven te) veranderen.”” - -De koning van Tsʼoe, die veel van Confucius gehoord had, liet hem ten -laatste bij zich ontbieden. Het scheen wel, of nu eindelijk de -uitvoering van Confucius’ plannen nabij was, want de koning, die hem -eerst als raadsman had gebruikt, wilde hem zelfs een eigen grondgebied -geven. Zijn eerste minister bracht den koning echter van dit voornemen -af, door hem te doen gelooven, dat een staat in den staat met zulke -uitstekende ministers en mandarijnen als Confucius’ discipelen en zulk -een hoofd als Confucius gevaarlijk voor Tsʼoe zou worden. Hierdoor -argwaan gekregen hebbend, hield nu de koning geheel op, den wijze om -advies te vragen. Toen kort hierop de koning stierf wilde Confucius -niet langer in Tsʼoe blijven, en ging weer naar Wei. Daar was sinds -Confucius’ laatste verblijf veel veranderd. Hertog Ling was gestorven, -en zijn kleinzoon Chʼoeh had de regeering geüsurpeerd en moest die -verdedigen tegen zijn eigen vader, Ling’s zoon. Dit was wel het ergste, -wat, volgens Confucius’ eigen leer, kon gebeurd zijn, want geen -ouderlievendheid hebben was de grootste zonde die maar mogelijk was. -Geen wonder dan ook dat Confucius, toen Chʼoeh hem als raadsman bij -zich liet roepen, die betrekking weigerde, ofschoon Chʼoeh in dezen -zijn grootmoeder Nan Tszʼ had geholpen, die door haar zoon, dus zijn -vader, bijna vermoord was. Welk een toestand voor Confucius in zijn -vaderland! Een zoon, die getracht had, zijn eigen moeder te vermoorden, -en een zoon, die met zijn grootmoeder oorlog voerde tegen zijn’ vader -en onrechtmatig den troon in bezit had genomen! En dat nadat hij -zooveel jaren en jaren zijn leer had verkondigd! - -Hij bleef toen vijf jaren in Wei zonder betrekking. In het eerste jaar -stierf zijn meest geliefde discipel Yen Hwoey. - -Toen hij stierf riep Confucius zuchtend uit: „De Hemel verlaat mij! De -Hemel verlaat mij!” Hij had gedacht, dat na zijn’ dood Yen Hwoey zijn -leer zou verspreiden, dien hij voor de beste zijner discipelen hield, -en toen hij nu stierf, was hij bang, dat zijn principes niet zouden -overgeleverd worden. Zijne discipelen wilden Yen een schitterende -begrafenis geven, maar Confucius hechtte zóó aan de Lí (’t Decorum) dat -hij dit verbood, omdat Yen, die uit eene arme familie was, daar geen -recht op had. Confucius, oud als hij nu was, zou toch niet sterven, -vóór zijn vaderland te hebben teruggezien. In 483 werd hij, op aanraden -van zijn daar vertoevenden discipel Yen Yioe, teruggeroepen. Yen Yioe -had zich namelijk zeer verdienstelijk gemaakt in een oorlog tegen Tsʼi -en toen hij aan Kie Kʼang had verklaard, dat hij ook zijne militaire -bekwaamheden aan Confucius had te danken, besloot Kie hem terug te doen -roepen. De regeerende hertog zelf, toen Ngai, nam hiertoe het -initiatief. Confucius was toen 69 jaar. Hoewel hij nu met de grootste -voorkomendheid aan het hof werd ontvangen, nam hij toch geen deel aan -de staatszaken. Hij hield zich verder uitsluitend bezig met literairen -arbeid, het bestudeeren en bewerken der Shoe King (Canon der Historie) -en de Shi King (Canon der Poëzie); voor de eerste schreef hij een -voorrede. Maar zijn geliefkoosde studie was de Yih King. „Als nog -eenige jaren bij mijn leven werden gevoegd, zou ik er vijftig wijden -aan de studie van de Yih King en dan zou ik misschien zonder groote -fouten komen te zijn.” - -Ook gaf hij aan den filosoof Tseng Sin de gegevens voor de Hiao King, -het later klassiek geworden Boek der Ouderlievendheid. - -In het voorjaar van 480 v. C. werd op een jacht een vreemd dier -gevangen, dat niemand nog ooit gezien had. Toen het voor Confucius -gebracht was, zag hij dat het een „kʼi lin” was, hetzelfde dier, dat -bij zijne geboorte aan zijne moeder was verschenen, en het droeg dan -ook op zijn hoorns het stuk lint, door zijn moeder indertijd daarop -gehecht. - -Toen wist hij, dat zijn einde nabij was en hij riep uit: - -„Dit is het einde van mijn Leer! [32] Dit is het einde van mijn Leer!” -Toch stierf hij niet onmiddellijk na de verschijning van de „kʼi lin” -maar bleef hij nog twee jaar in het leven. In dien tijd hield hij zich -druk bezig niet zijn werk „Chʼoen Chʼioe,” Lente en Herfst (annalen), -het eenige, dat hij zelf geheel en al heeft geschreven. Al de andere -confucianistische werken heeft hij wel gezegd, in gesprekken en -leeringen aan zijn discipelen, maar zijn niet door hem nedergeschreven. -Hij zeide van de „Chʼoen Chʼioe”: „Het is de Chʼoen Chʼioe, die zal -maken, dat de menschen mij kennen en het is de Chʼoen Chʼioe, die zal -maken, dat de menschen mij veroordeelen.” En Meng Tszʼ (Mencius) -getuigde later: „Confucius voltooide de Chʼoen Chʼioe, en oproerige -ministers en slechte zonen waren geslagen van angst.” - -De „Chʼoen Chʼioe” kan opgevat worden als een vervolg op de Shoe King, -en bevat de geschiedenis van Loe (Confucius’ geboortestaat) in verband -met die der andere staten onder Chow, van 722–484 v. C. Het moet wèl -hard voor hem zijn geweest, die geschiedenis van verval en verwarring -te schrijven, hij, die zelf zulke droomen van een ideaal-staat had. -Voor den liefhebber der historie is zijn werk zeer gewichtig, maar voor -het begrijpen zijner filosofie kan het evengoed gemist worden. Ook -durfde hij er niet de volle waarheid in zeggen. Nog slechts éénmaal -trachtte Confucius invloed op de regeering uit te oefenen, toen de -hertog van Tsʼi door een zijner ambtenaren was gedood, en hij den -hertog van Loe bezwoer, deze daad te wreken. Deze poging bleef echter -zonder gevolg. In 479 ontviel hem zijn trouwe discipel Yen Yioe, of -Tszʼ Loe. Toen Confucius uit Wei naar Loe was gegaan, had hij Tszʼ Loe -met een anderen discipel, Tszʼ Kaou, daar achtergelaten, waar dezen een -ambt hadden gekregen. Confucius had vroeger al voorspeld, dat Tszʼ Loe, -de dappere, nog eens zou worden gedood. „Yioe daar! Hij zal geen -natuurlijken dood sterven!” is een zijner gezegden uit de „Loen Yü”. -Toen er later in Wei een opstand uitbrak en de zaken hopeloos stonden, -wist Tszʼ Kaou te ontvluchten. Tszʼ Loe wilde den vorst niet in het -ongeluk verlaten, die hem zoo onderscheiden had, en kwam om in den -strijd. - -Op zekeren morgen voelde Confucius zich ziek, en ging voor zijn deur -zitten. Tszʼ Koeng kwam bij hem en hoorde hem zuchtend de sinds beroemd -geworden woorden spreken. „De groote berg valt in puin. De stutbalk -breekt. De wijze sterft weg als een plant.” - -Zooals te verwachten was van iemand als Confucius, die zijn geheele -leven lang het Decorum zoo hoog had gehouden, waren zijne laatste -beschikkingen over de „Li” die men bij zijn’ dood moest in acht nemen: -„Volgens de (regelen der) menschen van de Hia dynastie werd het lijk -gekist op de westelijke trappen, volgens die der Chow dynastie op de -oostelijke trappen, volgens die der Yin dynastie tusschen de twee -pilaren. Gisteren nacht droomde ik, dat ik met offeringen voor mij -tusschen de twee pilaren zat. Ik ben van ’t begin af een man van Yin -geweest. Zeven dagen daarna stierf hij” („Shʼ Ki”). - -Zijn dood was op den 11en dag van de 4e maand van 478 v. C. [33] acht -jaar vóór de geboorte van Socrates. Hij was toen 71 jaar. - - - -Uit dit verslag van zijn levensloop, zooals wij dien vooral uit Kiang -Yoeng’s Leven van Confucius en Szʼ Ma Tsʼien’s „Shʼ Ki” met -nauwkeurigheid kunnen nagaan, blijkt duidelijk, dat zijn leven ééne -teleurstelling is geweest, ook zijn huiselijk leven. Hij trok van land -tot land, en werd overal afgewezen. Wèl deed zijn treurig leven hem -dikwijls wanhopige uitroepen doen als: „Ik ben toch geen rhinoceros of -geen tijger, dat ik zoo in ’t wild moet leven. Mijn Leer is toch niet -ontaard, waarom moet het dan zóó met mij zijn!” („Shʼ Ki”), maar -meestal bleef hij sterk, en rees hij boven zijn smart op. En dan liet -zijn hooge berusting en wijze zekerheid hem grandioze woorden zeggen, -die zouden vereeuwigd worden, en meer dan tweeduizend jaren daarna nog -door een volk van honderd millioenen met eerbied aangehoord uit zijne -werken: „Ik murmureer niet tegen den Hemel. Ik toorn niet op de -menschen. Laag begint mijn studie en hoog doordringt zij den Hemel. Wie -mij kent, dat is de Hemel.” („Shʼ Ki” en „Loen Yü”.) - -Dat zijn Leer geen opgang maakte was omdat zij veel te hoog was voor -den ellendigen toestand van het rijk en zijne tijden eeuwen vooruit -was. Wèl voelde dit zijn discipel Yen Hwoey toen hij zeide: „Als de Tao -niet begaan wordt is dat mijn schande. Maar als de Tao eenmaal begaan -is en het niet wordt gebruikt (reeds dat voorbeeld hebbende) is dat de -schande van de wereld” („Shʼ Ki”). En dat zijne discipelen zulk een -onbegrensd geloof in hem hadden, dat zij het eene onmogelijkheid -achtten, dat Tao werd begaan zonder in Confucius het voorbeeld te -eeren, blijkt uit het gezegde van Tszʼ Koeng: „Lang kan Tao niet begaan -worden in het rijk, want men kan den Meester niet vereeren!” („Shʼ -Ki”.) - -Confucius werd begraven aan de oevers van de rivier Szi, ten Noorden -van Loe. Een zijner discipelen plantte op zijn graf den boom „kiai”. -Een tronk van dezen boom is nog blijven staan, en een teekening van -deze reliquie is onmisbaar geworden in de studeerkamer van literati. -Zijne discipelen droegen drie jaren rouw voor hem. Zooals het met alle -groote mannen is gegaan, ging het ook met Confucius. Men wacht slechts -op hunnen dood om hen te vereeren en te verafgoden. - -Hertog Ngai van Loe, die Confucius nooit de volle eer had bewezen die -hem toekwam, besefte na zijn dood op eens wat hij in hem had verloren, -en riep uit: „De Hemel heeft den ouden man niet aan mij gelaten! Nu is -er niemand om mij op den troon te steunen. Wee mij! Helaas! O -eerwaardige Ni!” - - - -Wat wij van Confucius’ wijsheid overhebben is, zoo als ik reeds zeide, -alleen wat de „Chʼoen Chʼioe” en de voorredes en bewerking der „Kings” -aangaat van zijne eigen hand. - -De drie voornaamste werken, waarin zijn leer zuiver is bewaard zijn 1o -de „Choeng Yoeng”, dat gewoonlijk, doch niet geheel correct met „De -Leer van het Midden”, „Het Gouden Midden”, „Het Onveranderlijke Midden” -enz. wordt vertaald, 2o de „Ta Hiŏh”, vertaald met „De Groote Leering”, -en 3o de „Loen Yü”, of „Confucianistische Fragmenten.” [34] - -De „Choeng Yoeng” is geschreven door Confucius’ kleinzoon, dus Li’s -zoon, genaamd Kʼoeng Keih, doch gewoonlijk bij zijn studienaam Tszʼ Szʼ -genoemd. Deze Tszʼ Szʼ had van jongs af aan veel van zijn’ grootvader -geleerd, en het volgende incident doet zien, dat Confucius veel hoop op -hem gevestigd had, en als een voorgevoel had, dat door hem zijn leer -zou worden vereeuwigd: - -Eens, toen Tszʼ Szʼ alleen met zijn’ grootvader was, en hem hoorde -zuchten, vroeg hij hem, na driemaal te hebben gebogen: „Is het omdat -gij denkt, dat uwe afstammelingen, door hun karakter niet te verzorgen, -u onwaardig zullen zijn? Of is het, dat gij in uwe bewondering voor de -wegen van Yaou en Shoen bedroefd zijt, dat gij er in te kort -komt?”—„Kind,” antwoordde Confucius, „hoe kent gij zoo mijne -gedachten?”—„Ik heb dikwijls van u de les gehoord,” zeide Tszʼ Szʼ, -„dat als de vader het brandhout heeft verzameld en bereid, en de zoon -den bundel niet kan dragen, die zoon ontaard en onwaardig wordt -verklaard. Die opmerking heb ik dikwijls in mijne gedachten, en vervult -mij met vrees.” Toen zeide Confucius verheugd, met een glimlach: „Nu -behoef ik voorwaar niet meer bezorgd te zijn. Mijn onderneming zal niet -op niets uitloopen. Zij zal worden voortgezet en bloeien.” - -De toekomst heeft geleerd, dat Tszʼ Szʼ inderdaad den bundel heeft -gedragen. - -Na Confucius’ dood werd Tszʼ Szʼ een leerling van Tseng. Hij leefde in -groote armoede. Alleen graan wilde hij aannemen als men hem wilde -helpen, maar wijn en andere weelderige spijzen weigerde hij. Er wordt -van hem verhaald, dat hij eens in dertig dagen slechts negen maaltijden -gebruikte. Hij droeg schamele kleeren, en toen men hem een pels -aanbood, wees hij dien af. Eigenaardig is het, dat ook hij, evenals -zijn grootvader, in zijn huiselijk leven zeer ongelukkig was, en zich -ten laatste van zijne vrouw liet scheiden. In tegenstelling met het -lot, dat zijn’ grootvader trof, was hij overal in hoog aanzien, en werd -hij in Loe, zoowel als in Wei, Soeng en Pie met groote eer ontvangen. -Zijn eenvoud en armoede behield hij echter trouw. Dat hij een democraat -was in den grond van zijn hart en tegen de vorsten rond voor zijne -meening uit durfde komen, blijkt uit het volgende geval, waaruit men -tevens kan zien, hoe hij de beginselen van zijn’ grootvader wist te -handhaven. - -Toen de hertog van Wei hem bedankte voor de eer, dat hij uit Loe naar -hem toe was gekomen en hem verzocht, hem met raad en daad van dienst te -zijn, sprak hij: - -„Als ik uw vorstelijke gunst zou willen winnen met geld en zijde, dan -zouden uwe schatkamers er toch reeds vol van zijn, en ik ben arm. Als -ik haar zou willen winnen met goede woorden, ben ik bang dat zij niet -met uwe ideeën zouden strooken, zoodat ik tevergeefs zou spreken en -niet aangehoord worden. De eenige wijze om haar te winnen is om -menschen van waarde onder uw’ aandacht te brengen.” De hertog zeide: -„Menschen van waarde is juist wat ik hebben moet.”—„Maar,” zeide Keih -(Tszʼ Szʼ) „gij kunt ze niet apprecieeren.”—„Ik zou toch wel willen -weten wien gij denkt dat dien naam (mannen van waarde) verdienen,” -zeide de hertog. Tszʼ Szʼ antwoordde: „Wilt gij uwe ambtenaren kiezen -om den naam dien zij hebben of om hun werkelijke waarde?”—„Natuurlijk -om hun werkelijke waarde,” antwoordde de hertog. Toen zeide zijn gast: -„Op de oostelijke grenzen van uw staat is een zekere Lie Yin, die een -man van werkelijke waarde is.”—„Wat waren zijn grootvader en zijn -vader?” vroeg de hertog. „Zij waren landbouwers,” was het antwoord; -waarop de hertog in luid lachen uitbarstte en zeide: „Ik houd niet van -het landbouwvak. De zoon van een’ landbouwer kan niet geschikt voor -eene betrekking zijn. Ik geef zelfs niet al de jongeren van families -wier ambten erfelijk zijn, eene betrekking.” Tszʼ Szʼ merkte op: „Ik -noem Lie Yin om zijne bekwaamheden; wat heeft het feit, dat zijne -voorvaderen landbouwers waren, te maken met dit geval? En bovendien was -de hertog van Chow een groote wijze en Kʼang Shoeh een waardig man. -Toch, als gij hun begin nagaat, zult gij zien, dat zij van het -landbouwvak afkomende stichters van den staat werden. Ik twijfel er nu -stellig aan, of gij in de keuze van uwe ambtenaren wel het oog hebt op -hun werkelijk karakter en hunne bekwaamheden.” Hiermede was het gesprek -uit. En de hertog zweeg. - -Tszʼ Szʼ bereisde vele landen, en sleet de laatste jaren van zijn leven -in Loe. Treffend is zijne uitlating omtrent de bekendwording van de -Leer van groote mannen. Toen de hertog van Loe hem eens vroeg, of hij -goed deed zonder daarvoor eenigen lof van menschen te willen ontvangen, -antwoordde hij: „Neen, dat is niet mijn sentiment. Als ik betracht wat -goed is wensch ik, dat de menschen dit weten, want als zij het weten en -mij prijzen voel ik mij aangemoedigd om nog ijveriger in die -betrachting te zijn. Dit is wat ik wil, en (maar) niet verkrijgen kan. -Als ik betracht wat goed is, en de menschen weten het niet, is het -waarschijnlijk, dat zij in hun onwetendheid kwaad van mij zullen -spreken. Zoo word ik door al mijn goed doen maar kwaad besproken. Dit -is, wat ik niet wil, maar niet kan vermijden. Als iemand opstaande met -het hanengekraai begint te betrachten wat goed is, en volhardend met -die poging doorgaat tot middernacht, en tegelijkertijd zegt dat hij -niet wil, dat de menschen het weten, zou ik van zoo iemand zeggen dat -hij zoo niet bedriegelijk dan toch dom is.” - -Tszʼ Szʼ gaf in de „Choeng Yoeng” een werk van een’ prachtigen, -statigen stijl, dat na meer dan twintig eeuwen nóg een der groote -standaardwerken van de chineesche litteratuur is. Kort en laconiek -geeft zijn stijl slechts de essence van de bedoeling, zonder noodelooze -uitweiding. De ideeën staan onsterfelijk in hun simpelste gedaante, met -het hart der divine waarheid bloot, zonder gewaden van daaromheen -zwevende en golvende woorden, in de naaktheid van het essentieele -Wezen. - -Van de „Ta Hiŏh” weet men den auteur niet met zooveel zekerheid als van -de „Choeng Yoeng.” Volgens eene oude traditie zou ook dít werk van Tszʼ -Szʼ zijn, maar door velen wordt dit betwist. Hoe het ook zij, dat het -een werk uit de school van Confucius is, en geheel en al in den geest -en volgens de leer van Confucius is, enkel opgebouwd uit zijne -principes, is zeker. - -De „Loen Yü”, „redeneeringen en gezegden” zijn niets dan aanhalingen -van Confucius’ eigen gezegden, van stukken van gesprekken, die hij met -zijne discipelen had, en gezegden van zijne discipelen onderling. Het -is niet één logisch geheel, maar een verzameling fragmenten. -Vermoedelijk is het niet door Confucius’ discipelen geschreven, -ofschoon velen dit gelooven, maar door de discipelen van zijne -discipelen, en wel op het einde van de vierde eeuw vóór Christus. De -authentiekheid staat vast, en niemand twijfelt er aan, of het bevat de -origineele gezegden van Confucius, door zijne discipelen trouw -overgeleverd. - -Van groote waarde is de uitgave en de commentaren en inleidingen van -den filosoof Choe Hie, die de „Choeng Yoeng” en de „Ta Hiŏh” -bestudeerde. De tegenwoordig overal in gebruik zijnde edities zijn -allen voorzien van Choe Hie’s aanteekeningen en door hem gerangschikt. -Deze filosoof leefde in de Soeng dynastie. [35] Zonder Choe Hie zou -wellicht alles verloren zijn gegaan of verkeerd opgevat. De klassieken -zijn in groot gevaar geweest in den tijd der eerste Tsien dynastie. -Toen de verzwakte Chow dynastie was gevallen voor de macht der Tsien -vorsten, brak onder de regeering van Chie Hwang Ti, (d. i. „de Eerste -Keizer”) voor de Confucianisten een tijd van vervolging aan. Deze -keizer, wiens eenige verdienste is, dat hij den grooten muur liet -bouwen, en die door geweld zijn macht had verkregen en moest handhaven, -vreesde terecht, dat de leer van Confucius een blijvende beschuldiging -tegen hem zou worden. Het was dan ook waar, dat zijne wetten en -verordeningen door de litterati werden getoetst aan de leer van -Confucius, en daardoor vanzelf veroordeeld. - -Toen eindelijk zijn eerste minister, om hem te vleien, verklaarde, dat -niet hém een nieuwe era zou beginnen, en dus al het oude moest worden -weggedaan, en het voorstel deed, aan allen, uitgezonderd het hoogste -litterarische College, het bezitten van de Confucianistische boeken, de -Shi King (Canon der Poëzie) en de Shoe King (Canon der Historie) te -verbieden, volvoerde Chie Hwang Ti dit plan met genoegen. Allen, die -zelfs maar over deze boeken durfden spreken, zouden met den dood worden -gestraft. Verder werd aan ieder, op straffe van brandmerking en vier -jaar dwangarbeid aan den grooten muur, bevolen, de in zijn bezit zijnde -boeken onmiddellijk te verbranden. Een jaar na dien brand vluchtten -twee geleerden van het keizerlijke hof. De keizer, voorziende, dat het -hun te doen was, om de verboden litteratuur weer te doen herleven, en -het volk tot opstand aan te zetten, liet hen vervolgen en door de -Censoren eene inquisitie instellen. Deze inquisitie had ten gevolge, -dat vierhonderd en zestig geleerden en studenten werden betrapt op -overtreding van het verbod, en als afschrikkend voorbeeld levend werden -verbrand. - -Tot overmaat van ramp werd in den strijd, die later ontstond toen de -Han’s de Tsien dynastie aanvielen, de hoofdstad (toen Hien Yang) door -Hiang Yu, den grootsten vijand der Han’s, verbrand. Drie maanden lang -duurde de brand van de paleizen en gebouwen. - -Lioe Ping, een beroemd veldheer der Han’s, slaagde er in, de Tsien -dynastie te verdrijven en verhief zich tot keizer, onder den naam Kao -Tsoe. Met de Han [36] dynastie begon een gouden tijdperk voor China, -waarin kunsten en wetenschappen een ongekenden bloei bereikten. Onder -de Han dynastie werd de oude litteratuur weer in eer hersteld. -Natuurlijk waren, niettegenstaande de felle maatregelen der Tsiens, -niet alle copieën van de boeken verloren gegaan, die niet op papier, -maar op bamboe-tabletten waren geschreven of gegraveerd. De -achtereenvolgende keizers der Han dynastie beijverden zich zeer voor de -herleving der litteratuur. Honderden verschillende edities der oude -werken werden nog gaaf gevonden, en door bekwame handen gerangschikt en -gecatalogiseerd. De thans in ons bezit zijnde boeken, zooals die door -geheel China worden gelezen, zijn zonder eenigen twijfel de -authentieke. Alleen aan de echtheid van de „Chʼoen Chʼioe” wordt wel -eens getwijfeld. - -Het is wel nagenoeg aan iedereen bekend, dat Confucius thans door -geheel China als zijn grootste wijze vereerd wordt. - -Van af 57 n. C. verspreidde zich de aanbidding van Confucius, die eerst -uitsluitend in Loe werd betracht, over het geheele rijk, en werd er -bepaald, dat in het keizerlijke college en alle colleges van het rijk -offeringen aan hem moesten worden gedaan. En op dezen tijd zijn in -China bijna twee duizend tempels voor hem opgericht. Vroeger werden in -deze tempels beelden van hem aangebeden, maar deze zijn thans bijna -overal vervangen door tabletten, zooals die nu ook voor de -afgestorvenen bij het geheele volk in gebruik zijn. In die tempels zijn -niet alleen de tabletten van Confucius, maar ook die van zijne -voorvaderen en al zijne discipelen, en wel in een zaal achter die, waar -de tablet van hemzelf is. Op den 1en dag van elke maand worden er -offeringen van vruchten en groenten aangeboden, en op den 15en van -wierook. Tweemaal in het jaar, in de middenste maanden van lente en -herfst, gebeurt de grootste, plechtigste ceremonie. In Peking wordt -deze door den keizer zelf geleid, die, na tweemaal geknield en zesmaal -het hoofd gebogen te hebben, den geest van Confucius aanroept met de -woorden: „Groot zijt Gij, o volmaakte Wijze! Uw deugd is volkomen, uw -leer is volmaakt. Alle koningen eeren U. Uwe statuten en wetten zijn in -glorie overgeleverd. Gij zijt het voorbeeld in deze keizerlijke school. -Eerbiediglijk zijn de offervazen uitgezet. Vol van eerbiedigen angst -slaan wij onze trommen en bellen!” - -In de plechtige aanspraak na het aanbieden der offeringen worden ook -zijne discipelen herdacht met de woorden: „Met U zijn saamverbonden de -filosoof Yen (Hwoey), voortzetter van U; de filosoof Tseng (Sin), -uitlegger van uwe fondamenteele principes; de filosoof Tszʼ Szʼ, uw -overleveraar; en de filosoof Meng, [37] de tweede na U!” - -Het graf van Confucius is thans nog te zien, en wordt door Dr. -Williamson die het in 1865 bezocht, aldus beschreven: „Een mooie avenue -van cypressen leidt noordelijk van de noordelijke poort (van de -vroegere hoofdstad van Loe) naar de begraafplaats. Het graf ligt in een -bosch van eiken, cypressen, en andere boomen, omringd door een hoogen -muur. Het kerkhof binnentredend, gingen wij door een mooi -geornamenteerde poort, en toen door een tweede laan, met leeuwen en -anderen beesten, in steen, aan elke hand, en de onvermijdelijke -cypresboomen [38] boven onze hoofden. Bij het graf staan twee steenen -beelden, grooter dan levensgroot tegenover elkaar, wijzen, met plechtig -gezicht. Voorbij het huis gaande, waar de offeringen worden bereid, en -de aanbidders komen rusten, werd ons een boom gewezen, indertijd -geplant door zijn discipel Tszʼ Koeng, en een paviljoen, opgericht door -keizer Kien Loeng. Het graf van Confucius is een kolossale wal, -overgroeid door boomen en struiken, met de gebruikelijke gelegenheden -voor offering in het front. Naast het graf staat een tablet, 25 voet -hoog bij 6 voet breed, waarop de namen van den wijze en zijne daden -zijn gegraveerd.—Ten Westen van het graf van den wijze is dat van zijn’ -zoon Lí, en overal in ’t rond de graven van de hoofden van zijn clan.” -[39] - - - -Behalve uit de Confucianistische werken, hebben wij vaste en -correspondeerende gegevens omtrent zijn levensloop in het werk „Shʼ Ki” -(Historische Annalen) van den beroemden historieschrijver Szʼ Ma -Tsʼien, [40] het leven van Confucius door Kiang Yoeng, de „Kʼoeng Tszʼ -Kia Yü” (Familiegezegden van Confucius), en de werken van Kʼoeng Toe, -„Kʼoeng Tsʼoeng Tszʼ”, een afstammeling van Confucius, die bij de -uitvaardiging van het gebod tot verbranding de werken van Confucius in -den muur van zijn huis verborg. Het zijn deze werken, vooral de „Shʼ -Ki” (in het hoofdstuk over Confucius „Koeng Tszʼ Shi Kia”), die door de -westersche geleerden, o. a. James Legge, als voorbeeld en bron voor -hunne beschrijving van Confucius’ leven zijn gebruikt. - - - - - - -CHOENG YOENG. - - -INLEIDING. - -Mijn Meester, de filosoof Chʼing zegt: „Zonder overneiging zijn is -Choeng; zonder verandering zijn is Yoeng.” Choeng is de rechte Tao van -alles onder den Hemel; Yoeng is het vaste principe van alles onder den -Hemel. Dit Boek is de overgeleverde wet van het hart [41] uit de school -van Confucius. Tszʼ Szʼ, vreezende dat zij op den duur verkeerd zou -(overgebracht) worden, schreef haar neer in een Boek, dat hij aan Meng -Tszʼ [42] overhandigde. Dit Boek spreekt eerst van het ééne principe; -dan spreidt het dit uit, en het omvat alle dingen; ten laatste keert -het terug en vereenigt ze (weer) tot één principe. Ontrol het, en het -vult het Heelal; rol het op, en het keert terug, en verbergt zich in -mysterie. Het genot er van is onuitputtelijk. Het is alles waarachtige -leering. Als de aandachtige leerling het met genot heeft gelezen en -begrepen, zal hij hebben, wat niet kan worden uitgeput. - - - - -HOOFDSTUK I. - -1. Wat de Hemel (als natuur) verleend heeft, wordt genoemd Sing. Het -volgen van de Sing wordt genoemd Tao. Het regelen van Tao wordt genoemd -Kiao (onderwijs). - -2. Tao mag geen oogenblikje verlaten worden; kon Tao verlaten worden, -dan zou het Tao niet zijn. Daarom is de Kiün Tszʼ [43] waakzaam al ziet -hij niet, en in vreeze al hoort hij niet. - -3. Er is niets zichtbaarders dan wat duister is, niets openbaarders dan -wat klein is. Daarom is de Kiün Tszʼ waakzaam over zijne eenzaamheid. - -4. Als pleizier, toorn, smart of geluk niet bewegen, noemt men dat -Evenwicht; als zij bewegen, maar in de juiste middenmaat, noemt men dat -Harmonie. Dit Evenwicht nu is de groote Oorsprong van alles onder den -Hemel. Deze Harmonie nu is de manifestatie van Tao. - -5. Als men de staten van Evenwicht en Harmonie tot het uiterste heeft -opgevoerd, zijn Hemel en Aarde gevestigd, en alle dingen zijn -(overvloediglijk) gevoed en bloeiend. - - - Dit ééne hoofdstuk bevat de essence van het geheele boek Choeng - Yoeng. Het is niet doenlijk, met europeesche woorden de - veelbeteekenende chineesche karakters precies met equivalenten weer - te geven. Men kan de begrippen wel naderen, en met vage omtrekken - weergeven, maar niet geheel met europeesche woorden omvatten. - Daarom is eene bespreking altijd noodzakelijk. - - Het komt mij voor, dat de meeste vertalers, die dit hoofdstuk - vertaalden, den inhoud te veel beperkt hebben, daar zij de - begrippen Sing en Tao exclusief op menschen toepasten, en dit toch - stellig op de geheele natuur, dieren en dingen moet gedaan worden. - Het is, of men bang geweest is voor een schijnbaar pantheïsme, dat - men er door krijgen zou. Toch verklaarde Choe Hie zeer stellig, dat - de Sing in alles en allen is. - - Wat ik uit dit hoofdstuk voel—in de meeste gevallen samenvoelende - met Choe Hie, is het volgende: - - Er bestaat in alles en allen als oorsprong en natuur een essence - van den Hemel. Deze noemde Confucius Sing. Het volgen van, het zich - volkomen richten naar die Sing, met andere woorden het ware, aan de - Sing aangepaste levensbewegen, noemde hij Tao. Dit Tao zou—(althans - in Confucius’ werken) met de Weg, het Pad kunnen vertaald worden. - Aan den mensch kan de regeling van dat pad geleerd worden door - Kiao, onderricht, leering, en diegenen, die dit kunnen doen, heette - Confucius Wijzen. Tao kan geen oogenblik verlaten worden, anders - zou het de ware Tao niet zijn. Immers Tao is aangepast aan de - eeuwige, eindelooze Sing, en kan dus evenmin als de Sing ooit - veranderen, of afwijking gedoogen. De ware Tao is dus een weg, - streng en recht als een rechte lijn, die geen kromming gedoogt, uit - den aard van haar rechtheid. Maar Tao is niet alleen het pad, dat - de mensch moet begaan; het is ook de natuurlijke (d. i. aan de Sing - aangepaste) gang van de geheele wereld, menschen, dieren en dingen, - zooals ook de Sing niet alleen aan de menschen, maar in de geheele - creatie is gegeven. - - Omdat Tao geen oogenblik kan verlaten worden, en niet gebonden is - aan met de zinnen waarneembare dingen, evenmin als de Sing zelve, - zal de Kiün Tszʼ niet wachten tot hij iets met de oogen ziet, om - steeds er voor te waken, dat hij Tao toch vooral volgt, noch zal - hij wachten met er voor in vreeze te zijn dat hij misschien zou - afwijken, tot hij met de ooren iets hoort. Want zijn Sing, zijn - natuur van den Hemel, is niet een uitwendige schijn, maar ligt - verborgen in mysterie, en do Tao doordringt toch alles; hij is in - het allerkleinste gemanifesteerd, en zijn Weg gaat in het - allerduisterste evengoed. Daarom is de Kiün Tszʼ steeds wakende als - hij eenzaam is, want, ofschoon schijnbaar alleen, heeft hij toch - als waarachtige wezen de Sing in zich, die hij aldoor moet blijven - volgen in Tao. - - Het zonder overneiging zijn naar eene of andere zijde, noemde - Confucius Choeng, met een hiëroglyphisch karakter, dat „het midden” - verbeeldt (n.l. een vierkant, dat precies in het midden door een - rechte lijn in twee gelijke deelen wordt gesneden). Dit Choeng - drukt uit de richting van Tao, het aan de Sing aangepaste - levensbewegen, dat alles onder den Hemel moet volgen, en dat - (evenmin als het juiste midden) nooit een oogenblik verlaten kan - worden, of afwijking gedoogt. Wat onveranderlijk is—, dus: in zich - zelf eeuwig bestaat, noemde Confucius Yoeng, en dit was het - principe, dat alles onder den Hemel regelt. - - Als géén emoties van pleizier, toorn, smart, of geluk bewegen, - noemde Confucius dit een toestand van Evenwicht. Dit Evenwicht was - de groote Oorsprong van alles onder den Hemel. Is het noodig te - zeggen, dat dit Evenwicht dus de toestand is, waarin de Sing - oorspronkelijk verkeert? - - Als deze emoties wél worden bewogen, maar in een juiste maat, - zonder bruuskheid of schokken, dan is er een toestand van Harmonie - in den mensch. Deze Harmonie is het bewijs, dat de mensch zich - inspant om de Sing te volgen, is dus de manifestatie van zijn Tao, - en het is alleen mogelijk Tao te begaan als er Harmonie is. - - En nu nog over die gewichtige woorden aan het eind van het vijfde - artikel: - - Als de mensch zich door groote inspanning weer kan brengen tot den - toestand van Choeng Yoeng,—zonder neiging naar eene of andere zijde - zijn, in stabiel evenwicht, en onveranderlijk, zooals de Sing - oorspronkelijk is—dan zou hij één zijn met Hemel en Aarde en met - álle dingen. Choe Hie voegt er in zijn commentaar bij: „(dan zijn) - Hemel en Aarde en alle dingen met mij één lichaam. Is mijn hart - (hier in den zin van ziel) recht, dan is dat van Hemel en Aarde ook - recht.” Als de mensch het tot Choeng heeft gebracht, zal hij Hemel - en Aarde en alle dingen zien zooals zij zijn, zullen zij dus, wat - de chineesche filosoof noemt, „gevestigd” zijn, en wel één met hem. - - - - De op dit eerste hoofdstuk volgende hoofdstukken zijn geen - voortgaan op het daarin vastgestelde, maar eerder eene - verduidelijking en omschrijving, meestal met voorbeelden uit de - geschiedenis. De volzinnen beginnende met „De Meester zeide” zijn - oorspronkelijke gezegden van Confucius, de andere zijn - waarschijnlijk van Tszʼ Szʼ. Velen gelooven, dat de Choeng Yoeng - oorspronkelijk van Tszʼ Szʼ is zonder dat hij de hoofdideeën alle - van Confucius had, en in dat geval zouden de ideeën als van de Sing - enz. niet van Confucius maar van Tszʼ Szʼ zijn. Wij zullen ons hier - niet in verdiepen. - - Op den hoofdtekst volgt nog het: - - - - -NAWOORD. - -In dit eerste hoofdstuk publiceert Tszʼ Szʼ de aan hem overgeleverde -bedoelingen, als basis van zijne woorden. Eerst maakt het duidelijk, -dat de Oorsprong van Tao in den Hemel is, dat Tao onveranderlijk is, en -belichaamd is in ons eigen lichaam, en geen oogenblik kan worden -verlaten. Dan spreekt het van het noodzakelijke om (het van den Hemel -gegevene) (goed) te bewaren en te onderhouden, en om steeds (waakzaam) -onderzoek (in ons zelven) te doen. Ten laatste spreekt het van de -verdiensten en den (ten goede) veranderenden invloed van de Wijzen en -spiritueele menschen, tot het uiterste opgevoerd. Die dit alzoo willen -leeren moeten het in zich zelf zoeken, en zullen het (dan) vanzelf (in -zich) verkrijgen. Dan zullen zij alle uitwendige verleiding, die op hun -egoïsme werkende is, van zich wegdoen, en hun natuurlijke Goedheid zal -vervuld zijn. Dit hoofdstuk is wat de schrijver Yang het noemde: „Het -lichaam (hier: Wezen) van het geheele Boek.” In de tien volgende -hoofdstukken haalt Tszʼ Szʼ des Meesters woorden aan, om de bedoeling -compleet te maken. - - - - -HOOFDSTUK II. - -1. Choeng Ni (Confucius) zeide: „De Kiün Tszʼ is Choeng Yoeng; de -kleine mensch is tegenovergesteld aan Choeng Yoeng. - -2. Dat de Kiün Tszʼ Choeng Yoeng is, is omdat hij een Kiün Tszʼ is, en -altijd in Choeng is. Dat de kleine mensch tegenovergesteld aan Choeng -Yoeng is, is omdat hij een klein mensch is, en niet in vreeze.” - - - - -HOOFDSTUK III. - -De Meester zeide: „Hoe uitstekend is Choeng Yoeng! (Maar) zeldzaam zijn -er onder het volk die het lang kunnen (handhaven).” - - - - -HOOFDSTUK IV. - -De Meester zeide: „Ik weet hoe het is, dat Tao niet wordt begaan! Die -weten overschrijden het, die dom zijn komen er niet aan toe! Ik weet -hoe het is, dat Tao niet helder is! Die waardig (en deugdzaam) zijn -overschrijden het, die onwaardig zijn komen er niet aan toe! - -2. Er zijn geen menschen, die niet drinken en eten. (Maar) weinigen -kennen den (waren) smaak!” - - - - -HOOFDSTUK V. - -De Meester zeide: „Helaas! Hoe is Tao onbegaan!” - - - - -HOOFDSTUK VI. - -De Meester zeide: „Shoen! Hij was een wijs mensch! Shoen hield er van -om anderen te vragen, en onderzocht (schijnbaar) oppervlakkige woorden. -Het kwade (er in) verborg hij, het goede spreidde hij uit. Hij greep de -twee uitersten, nam er het Midden (Choeng) van, en gebruikte dat (in de -regeering). Daardoor was hij (juist) Shoen!” - - - In bovenstaande hoofdstukken wordt gezinspeeld op het feit dat Tao, - en dus ook het bereiken van Choeng Yoeng, geen oogenblik uit het - oog moet worden verloren, en de mensch altijd door, in waakzaamheid - en vrees, op zijn gedrag moet passen. Alleen door niet-nadenken - overschrijdt de goede mensch Choeng, en de domme komt er niet eens - aan toe. Iedereen drinkt en eet, maar weinigen kennen den smaak, - zóó ligt Choeng eveneens in al de dingen en daden van het leven, - maar weinigen beseffen het, en denken niet om het gewicht van al - die schijnbaar gewone acties en dingen. - - Volgens gewoonte haalt Confucius hier een Wijze uit de Oudheid aan, - keizer Shoen, die in de meest gewone woorden, in de benèden hem - staande menschen toch door het bepalen van het Midden het goede - ontdekte, en dat ook aanwendde in de regeering. - - - - -HOOFDSTUK VII. - -De Meester zeide: „De menschen zeggen allen: „Wij weten,” maar -voortgedreven, en gevangen in een net, een val, of een kuil, weten zij -niet hoe er uit te komen. De menschen zeggen allen: „Wij weten,” maar -als zij Choeng Yoeng uitkiezen kunnen zij er zich niet voor den tijd -van een maand in handhaven.” - - - - -HOOFDSTUK VIII. - -De Meester zeide: „Het menschzijn van Hwoey [44] bestond daarin, dat -hij Choeng Yoeng uitkoos. Als hij iets goeds verkreeg hield hij het -stijf vast, als droeg hij het op zijn borst, en verloor het niet -(weer).” - - - - -HOOFDSTUK IX. - -De Meester zeide: „Het keizerrijk, de staten en de families kunnen goed -geregeerd worden; waardigheden en jaarwedden kunnen geweigerd worden; -blanke wapenen kunnen worden vertreden. Maar Choeng Yoeng kan niet -bereikt worden!” - - - Choe Hie zegt hiervan, dat de drie bovenbedoelde dingen, hoe - moeilijk ook, toch nog licht zijn in vergelijking met het - verkrijgen van Choeng Yoeng. Want om dit te bereiken mag de mensch - „geen greintje egoïsme en begeerten” (dus overneiging) hebben, en - dit is het allermoeilijkste, en schier onmogelijk. - - - - -HOOFDSTUK X. - -1. Tszʼ Loe [45] vroeg wat geweldigheid was. - -2. De Meester zeide: „Meent gij de geweldigheid van het Zuiden, die van -het Noorden, of die van U zelf?” - -3. Geduldigheid en zachtheid in ’t onderwijzen, geen onrecht met -onrecht beantwoorden; dit is de geweldigheid van het Zuiden, en hierin -woont de Kiün Tszʼ. - -4. Onder de wapenen zijn en den dood vinden zonder morren; dit is de -geweldigheid van het Noorden, en hierin woont de geweldige. - -5. Daarom betracht de Kiün Tszʼ Harmonie, zonder week te zijn. Hoe -recht is zijne geweldigheid! Hij staat rechtop in Choeng (het Midden) -en neigt niet over! Hoe recht is zijn geweldigheid! Als er recht is in -de regeering van het rijk verandert hij niet van wat hij was toen hij -nog particulier was. Hoe flink is zijn geweldigheid! Als er geen recht -is in de regeering van het rijk verandert hij niet, tot in den dood. -Hoe flink is zijn geweldigheid! - - - Beide soorten „geweldigheid”, die van ’t Zuiden en Noorden - (geïnfluenceerd door het klimaat), de ééne verkeerdelijk zacht- en - weekheid, de tweede woestheid gingen ver van het juiste Midden. - Daarom betracht de Kiün Tszʼ het Midden er van; hij betracht - harmonie, dus zoover het kon vriendschap met staten en menschen, - maar blijft tegelijkertijd vast op zijn stuk. Of er recht of niet - in het rijk is (lett. staat er, of het rijk Tao heeft of niet), dus - goede principes [aangepast aan de Sing] of niet, hij laat er - zichzelf niet door veranderen, en staat pal. Dit was volgens - Confucius de ware geweldigheid. - - - - -HOOFDSTUK XI. - -1. De Meester zeide: „In duisternis te leven, en wonderen te doen opdat -het nageslacht die zal vertellen, dit is, wat ik niet doe. - -2. De Kiün Tszʼ gaat volgens den gang van Tao, maar halverweg wijkt hij -er van af; dit is, wat ik niet doe. - -3. De Kiün Tszʼ voegt zich aan Choeng Yoeng. Ofschoon hij onbekend is, -en de wereld hem niet ziet, voelt hij geen verdriet. Alleen de Wijze is -hiertoe in staat.” - - - Hier is de toepassing van Kiün Tszʼ ietwat verward. Met den - eersten, in No 2, bedoelt hij meer den gewonen, goeden mensch, met - den tweeden den hoogeren Wijze. - - - - -HOOFDSTUK XII. - -1. De Tao van den Kiün Tszʼ is eindeloos, en (toch) verborgen. - -2. Gewone mannen en vrouwen, in hun domheid, kunnen met de kennis er -van iets te maken hebben; maar wat betreft het opperste er van, al is -iemand een Wijze is er iets in, wat hij niet weet. Gewone mannen en -vrouwen, in hun onwaardigheid, kunnen er iets van begaan; maar wat -betreft het opperste (van Tao), is er (altijd) iets, wat zelfs een -Wijze niet kan. (Zelfs) in de grootheid van Hemel en Aarde is iets wat -den menschen (nog) hatelijk is. - -Daarom, als de Kiün Tszʼ de grootheid (van Tao) wilde zeggen, zou er -niets onder den Hemel zijn, dat het kan omvatten; als hij de kleinheid -(er van) wilde zeggen, zou er niets onder den Hemel zijn, dat het kan -splijten. - - - De meeste vertalers zijn het eens, dat dit tweede artikel zeer - duister is. Legge o. a. is zoo eerlijk om ronduit te verklaren „I - confess to be all at sea in the study of this paragraph.” Ook met - de commentaar van Choe Hie kan ik in dezen niet meegaan. - - Mijn bescheiden meening—die ik gaarne voor een betere geef—is de - volgende: - - „De Tao (d. i. levensweg aangepast aan de Sing) van den Kiün Tszʼ - is eindeloos en toch verborgen,” begint Tszʼ Szʼ (want hier is het - niet meer Confucius’ die spreekt). De Tao n.l. gaat tot in het - oneindige (n.l. één zijn met Hemel en Aarde en alle dingen, zie - Bespreking Hfdst I No. 5). Maar Tao moet ook gevolgd worden in het - allerkleinste, verborgenste. Gewone menschen doen ook wel eens zoo - iets aan Tao, maar aan het opperste, oneindige er van komen zelfs - Wijzen wel eens niet toe. Want er is altijd nog iets, zelfs in de - grootheid van Hemel en Aarde, dat den mensch hatelijk is (omdat hij - ’t niet kan begrijpen), en ook dus in de grootheid van Tao. Daarom - wijken zij er dan weer van af, terwijl het geen oogenblik mag - verlaten worden. Wil iemand de oneindige grootheid van Tao zeggen, - de eindeloosheid waar Tao toe leidt, hij zou geen woorden vinden, - die het omvatten. Wilde hij de kleinheid zeggen—want de - allerkleinste dingen hebben een Tao, in het allerminiemste en - geringste en duisterste is altijd nog een Tao te volgen—hij zou het - zóó klein moeten vinden, dat het door niets nog te splijten (d. i. - nog kleiner gemaakt) zou kunnen zijn. - - -3. De Shi King [46] zegt: „De havik vliegt op in den Hemel; de visschen -springen in de diepte.” Dit zegt, hoe (Tao overal) boven en onder -(alles) doordringt. - -4. De Tao van den Kiün Tszʼ begint met (den gewonen omgang, het gewone -leven van) mannen en vrouwen. Maar, aan het opperste er van gekomen, -strekt Tao zich uit over Hemel en Aarde. - - - De twee artikelen schijnen mij juist aan te passen aan mijne - opvatting van het vorige. Zoo hoog als haviken vliegen, zóó reikt - ook Tao hoog, en het is eveneens diep en laag, zooals visschen - springen naar den bodem van het water. De Tao begint met het heel - gewone leven, het huiselijk leven, den gewonen omgang met menschen, - maar het opperste er van is eindeloos, en doordringt en omvat het - Heelal. Immers, zooals Choe Hie zeide, „wordt Tao ganschelijk - begaan, en is Choeng Yoeng geheel bereikt, dan zijn „Hemel en Aarde - in mij”.” Dit twaalfde hoofdstuk eindigt met het: - - - - -NAWOORD. - -Dit twaalfde Hoofdstuk bevat de woorden van Tszʼ Szʼ, dienende om het -eerste te doen uitkomen en duidelijk te maken, namelijk „dat Tao niet -mag verlaten worden.” - -In de acht hoofdstukken hieronder haalt hij door elkaar woorden van -Confucius aan, om het (verder) te illustreeren. - - - - -HOOFDSTUK XIII. - -1. De Meester zeide: „Tao is niet ver van de menschen.” - -Als menschen Tao (trachten te) begaan, en ver gaan van de menschen, kan -het (de ware) Tao niet zijn. - - - Confucius bedoelde, dat Tao begint met het instandhouden der vijf - menschelijke betrekkingen of z. g. „Loen” (die van vader tot zoon, - ouderen broeder tot jongeren broeder, vorst tot minister, man tot - vrouw, vriend tot vriend, en omgekeerd). Tao, is reeds gezegd, ligt - in het kleinste zoowel als in het grootste, en mag geen oogenblik - verlaten worden. In den gewonen omgang der menschen, in al het - menschelijke is Tao te betrachten. Wie Tao wil begaan buiten de - menschen en het menschelijke om, heeft den waren Tao reeds - verlaten. - - -2. De Shi King zegt: „In ’t hakken van een bijl-handvatsel, in het -hakken van een bijl-handvatsel is het model niet ver weg.” Wij grijpen -één handvatsel om het andere te hakken, en (toch) als wij terloops van -het eene naar het andere kijken is het of zij apart zijn. Daarom, de -Kiün Tszʼ regeert de menschen naar wat aan menschen eigen is, en zoodra -zij veranderen houdt hij op. - - - Heel duidelijk is mij dit bovenstaande niet. Legge teekent in zijne - vertaling aan (maar zegt er eveneens bij „the object of this - paragraph seems to be” enz.) dat Tszʼ Szʼ het volgende bedoelde: - „De regel, om menschen te behandelen, volgens de principes van het - Midden (Choeng) is nader tot ons dan de bijl in de hand tot - dengene, die er mede uitgehouwen moet worden, en naar háár - gemodelleerd. De tak is gehouwen en de vorm veranderd van den - natuurlijken vorm. Niet zoo met den mensch. De verandering brengt - hem slechts tot den gepasten staat. Men moet dadelijk met die - behandeling ophouden als hij verandert.” - - -3. Als iemand tot het uiterste zijn eigen principes van de Sing -verzorgt, en tegelijk beschouwt dat andere menschen zijn als hij, dan -is hij niet ver van Tao. Wat gij niet wilt dat aan U zelven gedaan -wordt, doe dat (ook) aan anderen niet. - - - Hier hebben wij de karakters „chung” en „shoe”, waarvan ik in ’t - begin van mijne „Inleiding tot de Filosofie van Confucius” heb - gesproken. Zooals ik daarin reeds zeide, waren deze woorden niet - met precies twéé equivalente hollandsche woorden te vertalen. Prof. - Legge noemt „shoe” zeer juist „het principe van reciprociteit,” het - beginsel van wederkeerigheid. Het eerste „chung” noemt hij „het - zijn plicht doen met het oog op zich zelven.” Ik zal deze vertaling - bijwijlen overnemen. - - -4. In Tao van den Kiün Tszʼ zijn vier dingen, die ik nog niet gekund -heb: „Mijn vader te dienen zooals ik zou willen, dat mijn zoon mij -diende, dat heb ik nog niet gekund. Mijn vorst te dienen, zooals ik zou -willen, dat mijn minister mij diende, dat heb ik nog niet gekund. Mijn -ouderen broeder te dienen, zooals ik zou willen, dat mijn jongere -broeder mij diende, dit heb ik nog niet gekund. Mijn’ vriend ten -voorbeeld zijn in behandeling, zooals ik zou willen, dat hij mij -behandelde, dat heb ik nog niet gekund.” Ernstig in ’t betrachten der -deugd, altijd er van sprekende met zorgzaamheid als hij in iets te kort -schiet, durft (de Kiün Tszʼ) niet nalaten, zich in te spannen, (en) als -hij in zijne woorden iets te veel heeft, durft hij ze niet allen uit te -putten (d. i. te spreken). Zoo correspondeeren zijne woorden met zijne -daden, en zijne daden met zijne woorden. Is de Kiün Tszʼ dus niet -geheel eerlijk en waarachtig? - - - - -HOOFDSTUK XIV. - -1. De Kiün Tszʼ doet wat gepast is aan zijne positie, en wenscht daar -niet buiten te gaan. - -2. In een positie van weelde en aanzien doet hij wat gepast is aan een -positie van weelde en aanzien. In een positie van armoede en lagen -stand doet hij wat gepast is aan eene positie van armoede en lagen -stand. Onder barbaarsche stammen doet hij wat gepast is aan barbaarsche -stammen. In een toestand van droefheid en moeilijkheden doet hij wat -gepast is aan droefheid en moeilijkheden. De Kiün Tszʼ kan nooit in een -toestand komen, waarin hij niet zelf (het weten van hoe te moeten doen) -verkrijgt. - -3. Is hij in een hooge positie, dan verguist hij niet zijne -inferieuren. Is hij in een lage positie, dan vleit hij niet zijne -superieuren. Hij maakt zich zelf recht, en zoekt het niet bij anderen, -zoodat hij geen teleurstellingen heeft. Hij murmureert niet tegen den -Hemel en mort niet op de menschen. - -4. Daarom woont [47] de Kiün Tszʼ in de rust, wachtende op wat (de -Hemel) beschikken zal, en de kleine mensch gaat op gevaarlijke paden, -en hoopt op de fortuin. - -5. De Meester zeide: „Met boogschieten hebben wij iets als met (de -handelwijze van) den Kiün Tszʼ. Als de schutter de schijf mist keert -hij zich om en zoekt de fout in zich zelf.” - - - - -HOOFDSTUK XV. - -1. De Tao van den Kiün Tszʼ kan vergeleken worden met reizen. Men moet -stellig eerst het nabijë bereiken om tot het vèrafgelegene te komen. -Ook is het er mede als met het bestijgen van een hoogte. Men moet -stellig eerst het lage begaan om tot het hooge te komen. - -2. De Shi King zegt: „De goede vereeniging met vrouw en kinderen is als -de muziek van harpen en luiten. Als er eendracht is onder broeders, is -de harmonie gelukkig en langdurig. Zóó behoort gij uwe familie te -regelen en te genieten van uwe vrouw en kinderen. - -3. De Meester zeide: „En wat zullen uwe ouders dan rustig en gelukkig -zijn!” - - - In bovenstaande hoofdstukken ziet men, dat Confucius Tao aanwees in - de gewone verhoudingen der menschen. De Kiün Tszʼ, wetende dat de - Sing in hem is, zal, waar hij ook is, steeds Tao begaan, in - armoede, of rijkdom, of onder barbaren. Hij maakt zich zelf - „recht”. Dit recht, lett. vertaald, is hier het engelsche „right”, - goed, zooals het behoort, puur en rein als een rechtopgaande lijn. - Ook in de familie moet Tao begaan worden, en moet er dus Harmonie - zijn. - - - - -HOOFDSTUK XVI. - -1. De Meester zeide: „Hoe overvloedig is de deugd, die de geesten ten -toon spreiden!” - -2. Wij zien naar hen uit, maar zien hen niet; wij luisteren naar hen, -maar hooren hen niet. Zij zijn in alle dingen belichaamd. Er is niets -zonder hen. - -3. Zij maken, dat de menschen onder den Hemel eerbiedig zijn, zich rein -maken, zich volmaken, aan hen onderworpen zijn, ten einde hun -offeringen te brengen. Zij zijn overal in overvloed, en het is, of zij -overal boven, en links en rechts zijn! - -4. De Shi King zegt: „Gij kunt niet zeker zijn (in ’t denken over) het -komen der geesten; des te meer moogt gij er niet lichtvaardig over -denken!” - -5. Het waarachtige wezen van de manifestatie van het kleine, kunt gij -maar zóó niet verbergen! - - - Confucius hield zich niet veel op met beschouwingen over geesten, - dit blijkt uit al zijne gezegden. In de „Loen Yü” zegt hij o. a., - dat men de geesten moet eeren, maar altijd op een afstand van hen - blijven. Toen hij verder eens door zekeren Kie Loe (Zie „Loen Yü” - Boek XI) werd gevraagd, hoe men de geesten moet dienen, antwoordde - hij: „Terwijl gij niet in staat zijt menschen te dienen, hoe kunt - gij dan hunne geesten dienen?” - - Ik schaam mij niet,—waar zoo vele vertalers hier in twijfel waren, - en o. a. Legge eerlijk verklaarde (van No. 2) dat de juiste - bedoeling hier niet te bepalen is—te zeggen, dat ik van mijne - vertaling niet zeker ben, noch van mijne uitlegging. Vooral weet ik - niet zeker of hij de geesten van afgestorvenen bedoelt dan wel - anderen. Geesten is in ’t chineesch „kwei shin”. Kwei is de geest, - correspondeerende met het principe „Yin” (duister), „shin” is de - geest, correspondeerende met het principe „Yang” (licht). Deze twee - principes, Yin het vrouwelijke en Yang het mannelijke, zijn - ontstaan uit het openscheuren van den Chaos, en alle menschen en - wezens en dingen, alle leven, is ontstaan door het samenkomen van - Yin en Yang. Als het leven sterft gaan Yin en Yang weer uit elkaar. - Daarom, ook kwei en shin zijn in alles wat leeft. De chineezen - hebben een verbazende vrees voor „kwei shin,” maar weten eigenlijk - zelf niet wat daarmede bedoeld wordt. Volgens dit hoofdstuk zouden - zij in alles en allen zijn, altijd vlak bij en om en in de - menschen, onzichtbaar. Men is nooit zeker, wanneer die van om ons - heen bij ons zullen komen. Een oude chineesche literator, met wien - ik over dit onduidelijke hoofdstuk—dat mij voorkomt te onpas in - „Choeng Yoeng” te zijn opgenomen—sprak, gaf mij als zijne meening, - dat het een voorzichtige twijfel en een fijne ironie uitdrukte. - Confucius zou zelf wel eens aan het bestaan van „kwei shin” - getwijfeld hebben, daar hij het voor zich zelf hierover nog niet - eens was, geraden hebben, in elk geval respect voor hen te hebben - „omdat men nooit kan weten”. En dan zouden No. 1 en 2 dien twijfel - zeer fijn uitdrukken. Dit klopt ook wel met de boven aangehaalde - gezegden uit de „Loen Yü”. Ook een der chineesche commentators in - mijne editie zegt dat Confucius „lichtvaardig” van de „kwei shin” - sprak. - - Op dit hoofdstuk volgen weer eenige over oude vorsten en wijzen, en - over familie en regeering. - - - - -HOOFDSTUK XVII [48]. - -1. De Meester zeide: „Hoe groot was de Hiao van Shoen! Zijn deugd was -die van den wijze. Zijn eerwaardigheid was die van den keizer. Zijn -rijkdom die (welke bevat was binnen al) de vier zeeën. Hij deed zijne -offeringen in den voorvaderlijken tempel, en zijne kinderen en -kleinkinderen zorgden steeds voor de offeringen aan hem. - -2. Daarom, de groote deugd krijgt stellig haar (verdiende) positie, -stellig haar jaarwedde, stellig haar roem, stellig een lang leven. - -3. Aldus is het, dat de Hemel in het voortbrengen der dingen mild is -volgens hun natuur (hoedanigheden). De (gezaaide) bloeiende (boomen) -ondersteunt Hij. De ten val neigenden werpt Hij om. - -4. De Shi King zegt: „De eerbiedwaardige, gelukwaardige prins! Hij deed -eerwaardiglijk zijn groote deugd zien, hij regelde het volk en regelde -zijne ambtenaren, hij kreeg zijne jaarwedde van den Hemel. De Hemel -beschermde hem, stond hem bij en beschikte dat hij den troon zou -krijgen; zendende herhaaldelijk deze gunsten van den Hemel.” - -5. Daarom, zij die de groote deugd hebben, krijgen stellig de belooning -van den Hemel. - - - Het „jaarwedde” dat in dit hoofdstuk in ’t hollandsch eenigszins - vreemd klinkt is in ’t chineesch „loeh” en dit woord is een der - drie heilige en gelukaanbrengende karakters „foeh” (geluk), „loeh” - (jaarwedde van mandarijnen), en „sjoe” (lang leven). Dit „loeh” - wordt eveneens uitgesproken als „loeh” hert, en vandaar, dat men in - chineesche decoraties op zijde, in bouwstijl enz. veel een hert - ziet gebezigd, wat dan jaarwedde beteekent. Zoo ziet men voor - „foeh” dikwijls een reiger, daar deze eveneens een gelijkluidenden - naam draagt. - - Met den „prins” in No. 4 wordt koning Wĕn, van Chow bedoeld. - - Het is curieus, Confucius, wiens deugd nooit beloond werd, zulke - optimistische woorden als hierboven te hooren uitspreken. Shoen - werd 100 jaar oud, vandaar ook de toespeling op het lange leven. - - - - -HOOFDSTUK XVIII [49]. - -1. De Meester zeide: „Het is alleen koning Wĕn, die geen verdriet had. -Zijn vader was koning Kie en zijn zoon was koning Woe. Zijn vader -maakte (zijne waardigheid), zijn zoon leverde (haar) over.” - -2. Koning Woe zette het werk van de koningen Ta, Kie en Wĕn voort. Hij -gordde (slechts) ééns zijne wapenrusting aan, en verkreeg het -keizerrijk. Hij verloor zijn uitstekenden naam in het keizerrijk niet. -Zijne eerwaardigheid was die van den keizer. Zijn rijkdom was die -(welke bevat is binnen) de vier zeeën. Hij deed zijne offeringen in den -voorvaderlijken tempel, en zijne kinderen en kleinkinderen zorgden -steeds voor de offering aan hem. - -3. Het was aan het eind van zijn leven dat koning Woe de beschikking -(van den Hemel) kreeg (over den troon), en de hertog van Chow volmaakte -de deugd van Wĕn en Woe. Hij voerde het koningschap op tot Ta en Kie, -en offerde aan alle hertogen boven hen met de keizerlijke ceremonieën. -En dezen regel verbreidde hij over alle vorsten van het rijk, de hooge -ambtenaren, de geleerden, en het gewone volk. Was de vader een hoog -mandarijn en de zoon een geleerde, dan was de begrafenis die van een -hoog mandarijn, de offering die van een geleerde. Was de vader een -geleerde en de zoon een hoog mandarijn, dan was de begrafenis die van -een geleerde, en de offering die van een hoog mandarijn. De rouwtijd -van één jaar werd uitgebreid (tot gebruik) enkel bij hooge mandarijnen. - -De rouwtijd van drie jaren werd alleen uitgestrekt tot den keizer. In -den rouw om vader en moeder werd geen verschil gemaakt tusschen -aanzienlijken en minderen. - - - Het verband tusschen deze oude vorsten en het in vorige - hoofdstukken behandelde is niet heel duidelijk. De chineesche - filosoof gaat niet van één punt uit, dat hij dan streng logisch - beschouwt en ontwikkelt, zooals b. v. Plato deed. Zóó hebben wij - hier een verheerlijking van eenige instellingen over Lí (Decorum) - die eigenlijk met Choeng Yoeng niet in logisch verband staan. Het - bizondere geluk van koning Wĕn was, dat hij èn een goeden vader had - èn een goeden zoon (iets wat b. v. met Yau en Shoen, die zeer - slechte zoons hadden en een’ ordinairen vader, en met Yu, niet het - geval was geweest). Deze omstandigheid verhoogt in chineesche oogen - de glorie van koning Wĕn. - - Een groote verdienste van den hertog van Chow was, dat hij ook - zijne voorvaderen in de glorie van Chow deed deelen, en hen met - keizerlijke ceremonieën vereerde, alsof ook zij keizerlijke vorsten - waren geweest. Kie, of Kie Leih, de hertog van Chow destijds (niet - te verwarren met den hertog van Chow, Woe’s broeder, die Tan heette - van zich zelf) was Wĕn’s vader, en Kie Leih’s vader was Ta. - - Toen Woe Wang keizer werd, was hij 87 jaar. - - - - -HOOFDSTUK XIX. - -1. De Meester zeide: „Hoe vèr reikte de Hiao [50] van koning Woe en den -hertog van Chow!” - -2. Nu, de Hiao is het goed voortzetten van de wenschen der voorvaderen, -het goed voortzetten van de zaken der voorvaderen. - -3. In de lente en in den herfst herstelden zij de voorvaderlijke -tempels, rangschikten zij de voorvaderlijke offervazen, maakten zij de -gebruikelijke gewaden in orde, en offerden de offeringen der seizoenen. - -4. Door de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel onderscheidden zij -de (keizerlijke) bloedverwanten volgens hun afstamming. Door het -regelen volgens den adellijken rang onderscheidden zij aanzienlijken en -minderen. Bij het regelen der diensten onderscheidden zij talent en -bekwaamheid. Bij de ceremonie van het drinken boden de lageren den -beker aan de hoogeren en kregen (dus) óók iets (in die ceremonie) te -doen. Bij het (tot besluit aangerichte) feest werden de plaatsen -geregeld volgens het haar, en zoo werden de jaren (van leeftijd) -onderscheiden. - -5. Zij namen de plaats in van hun voorvaderen, verrichtten hunne -ceremoniën, speelden hun muziek. Zij vereerden diegenen, die hun -voorvaderen hadden vereerd, hadden diegenen lief, die hun voorvaderen -hadden liefgehad. Zóó dienden zij de dooden, zooals zij de levenden -zouden gediend hebben; zij dienden de verschenenen, zooals zij hen -zouden gediend hebben indien zij bij hen waren gebleven. Dit is de -opperste Hiao. - -6. Met de ceremoniën aan den Hemel en de Aarde dienden zij Shang Ti, en -met de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel dienden zij hun -voorvaderen. Hij, die de ceremoniën van de offeringen aan Hemel en -Aarde, en de bedoeling van de verschillende offeringen aan de -voorvaderen begreep, zou de regeering van een koninkrijk even -gemakkelijk vinden als het kijken in zijn handpalm. - - - Wij zien uit een en ander dat de Hiao niet enkel bestaat uit het - liefhebben en eerbiedigen van de ouders, maar ook uit het navolgen - van hun leven, het treden in hun voetspoor. Zóó staat in de „Loen - Yü” dat men eerst van iemand zeggen kan dat hij Hiao heeft als hij - drie jaren na zijn’s vaders dood niet afgeweken is van diens - gedragslijn. Het buitengewoon gewicht, dat Confucius aan ceremoniën - van de Lí hechtte, schijnt wel wat overdreven, maar men vergete - hierbij vooral niet, dat hij het begaan van Tao daarvan - onafscheidelijk achtte, en het hem niet om den uiterlijken schijn - te doen was, maar om het ware wezen er van, de reverentie, die er - mede werd uitgedrukt. Zoo zegt hij („Loen Yü,” Boek XVII) zeer - terecht: „Zijn edelsteenen en zijde (die bij ceremoniën worden - gedragen) dan alles wat bedoeld wordt met de Lí?” Zóó opgevat, als - symboliek van de reverentie voor het diviene, wordt Confucius’ - hooge opvatting van de Lí begrijpelijker. Het eerbiedigen der - familiebetrekkingen en der rangen en standen was eveneens voor hem - niet zoozeer bekrompenheid als wel eerbied voor de „hemelsche orde - der dingen.” - - - - -HOOFDSTUK XX. - -1. De hertog N-gai (van Loe) vroeg over regeering. - -2. De Meester zeide: „De regeering van Wĕn en Woe is (te vinden) in de -tabletten van hout en bamboe (de annalen). Als er (ware) menschen zijn -zal de regeering bloeien; als er geen (ware) menschen zijn zal de -regeering vergaan en ophouden.” - -3. Met de ware menschen gaat de regeering vlug, zooals met de ware -aarde de boomen bloeien, ja, hun regeering mag genoemd worden een -overvloedig groeiend riet. - -4. Daarom, de regeering bestaat uit (het weten te krijgen) van de -(ware, geschikte) menschen. Het kiezen van de (ware, geschikte) -menschen ligt in het zelf (karakter van den regeerder). Het verzorgen -van het zelf (karakter) bestaat uit het doen van plicht en recht. Het -betrachten van plicht en recht ligt in (het betrachten van) -menschlievendheid. - -5. Menschlievendheid is (eigen aan) den mensch. Het voornaamste daarvan -is, zijn bloedverwanten lief te hebben. Rechtmatigheid is doen wat -behoort gedaan te worden. Het voornaamste daarvan is het eeren van de -eerwaardigen. Steeds meer en meer zijn bloedverwanten lief te hebben en -de graden van het eeren van de eerwaardigen, is wat uit de Lí geboren -wordt. - -6. Als de lageren (in positie) het vertrouwen (van hun Heer) niet -verkrijgen kunnen zij er niet in slagen, het volk (goed) te regeeren. - - - Deze tekst No. 6, neemt men algemeen aan, is hier abusievelijk - ingelascht en behoort bij No. 17. - - -7. Daarom mag (de Vorst die) een Kiün Tszʼ (is) niet verzuimen, zijn -eigen karakter te verzorgen. Wil hij zijn eigen karakter verzorgen, dan -mag hij niet verzuimen, zijn ouders te dienen. Wil hij zijn ouders -dienen, dan mag hij niet verzuimen, de menschen te kennen. Wil hij de -menschen kennen, dan mag hij niet verzuimen, den Hemel te kennen. - - - Het directe, logische verband tusschen deze graden van kennen is - niet heel duidelijk, ook bij de commentators niet. - - -8. De Wegen, te begaan door allen onder den Hemel (zijn) vijf; de -(deugden), waarmede ze begaan worden, (zijn) drie. (Het betrachten van -de plichten tusschen) Vorst en minister, vader en zoon, man en vrouw, -ouderen broeder en jongeren broeder en die (van den) omgang van -vrienden, dit zijn de vijf wegen, door allen onder den Hemel te begaan. -Kennis, menschelijkheid [51] en energie, dit zijn de drie deugden van -allen onder den Hemel. Dat, waardoor ze worden toegepast, is éénheid. - - - Men herinnere, dat aan dit „menschelijkheid” eigen is, het gehéél - zonder egoïsme zijn. Wat dat eene is, zal nader uit dit werk - blijken, waar over „Chʼing” wordt gesproken. Wij zouden den eersten - zin ook vrijer kunnen vertalen door „De universeele plichten zijn - vijf (in getal) enz.” In No. 3 heb ik met de vertaling: „met de - ware menschen” niet letterlijk vertaald, omdat ik in twijfel was. - Ik heb daarom de door anderen o. a. Legge genomen versie genomen, - die vrij en niet letterlijk is vertaald. - - -9. Sommigen worden met de kennis (dier plichten en deugden) geboren; -sommigen leeren haar later; sommigen kennen haar (eerst) na een -smartelijk besef van hun onwetendheid. Maar als ze haar (eenmaal) weten -is het ’t zelfde. Sommigen betrachten haar gemakkelijk (uit den aard -hunner natuur); sommigen om het voordeel (van het goede, er mede te -doen); sommigen door krachtdadige pogingen. Maar als het (werk eenmaal) -volmaakt is, is het (resultaat) ’t zelfde.” - - - Hierin wordt No. 8 nader toegelicht. Men lette hier op het verband - tusschen de kennis—correspondeerende met het met die kennis geboren - worden en het (uit den aard der natuur) gemakkelijk betrachten—de - menschelijkheid, correspondeerende met het voordeel (van het goede, - er mede te doen)—en de energie—correspondeerende met het - krachtdadig pogen. Het resultaat is één. Het volgende nummer gaat - hierop logisch door: - - -10. De Meester zeide: „Houden van de studie is dicht bij kennis zijn. -Krachtdadig beoefenen is dicht bij menschelijkheid zijn. Schaamte -kennen is dicht bij energie zijn. - -11. Wie deze drie kent weet hoe hij zijn karakter heeft te verzorgen. -Wie weet, hoe zijn karakter te verzorgen, weet hoe hij (andere) -menschen kan regeeren. Wie weet, hoe (andere) menschen te regeeren, -weet hoe de staten en families van het geheele rijk te regeeren. - -12. Allen, die het rijk regeeren, hebben (zich te houden aan) negen -fondamentale regels; „de verzorging van het (eigen) karakter, het eeren -van de eerwaardigen, liefhebben (en nabijkomen) van bloedverwanten, -eerbied hebben voor hooge ambtenaren, beleefde welwillendheid tegenover -alle andere ambtenaren, het geheele volk beschouwen als kinderen, het -aanmoedigen van de verschillende ambachten, (vriendelijk en) zacht zijn -tegen verafwonenden, liefderijk zijn tegen de vorsten der -(onderhoorige) staten.” - -13. Verzorgt (de opperheer, de regeerder) het eigen karakter, dan zijn -de universeele plichten gegrondvest. Eert hij de eerwaardigen, dan -wordt vergissing (in ’t beoordeelen en benoemen) voorkomen. Heeft hij -zijne bloedverwanten lief, dan is er geen onaangenaamheid tusschen -zijne ooms en broeders over en weer. Eerbiedigt hij de hooge -ambtenaren, dan is er geen verwarring. Is hij beleefd en welwillend -tegenover alle (andere) ambtenaren, dan beantwoorden zij dit met -dankbaarheid. Beschouwt hij het geheele volk als kinderen, dan zal het -zich onderling vermanen (tot het goede). Moedigt hij de ambachten aan, -dan heeft hij nut van zijne uitgaven. Is hij (vriendelijk en) zacht -tegen verafwonenden, dan komen zij van alle vier windstreken (in zijn -rijk). Is hij liefderijk tegen de vorsten der staten, dan wordt hij -vereerd in het geheele rijk. - -14. Zelfbeheersching en helder doorzicht, het verzorgen van zijn -kleeding, en geen beweging maken, die niet gepast aan de Lí is,—dat is -de manier (voor den Regeerder) om zijn eigen karakter te verzorgen. -Laster van zich afstooten, zich verwijderd houden van de schoonheid, -rijkdom gering schatten, de deugd hoogachten,—dat is, hoe hij de -eerwaardigen moet aanmoedigen. Hun een eervolle positie te geven en hun -traktement vast te stellen, met hen gelijk op lief te hebben en te -haten,—dat is de manier om tot liefhebben van bloedverwanten aan te -moedigen. Hun volop ambtenaren te geven om hunne bevelen en opdrachten -te volvoeren,—dat is de manier, om groote ministers aan te moedigen. -Hun een loyaal vertrouwen te schenken, en hun traktement solide te -maken,—dat is de manier om alle (andere) ambtenaren aan te moedigen. -Het slechts op (gepaste) tijden (voor diensten) te gebruiken, en lichte -belastingen heffen,—dat is de manier om het volk aan te moedigen. -Dagelijks hun werk te onderzoeken en maandelijksche proefwerken te doen -houden, en hunne rantsoenen in overeenstemming met hun arbeid te -maken,—dat is de manier, om de honderd (verschillende soorten van) -ambachtslieden aan te moedigen. Hen bij hun vertrek een uitgeleide te -geven, en hen bij hun aankomst tegemoet te gaan, de goeden (onder hen) -geluk te wenschen, en de onbekwamen te bemedelijden,—dat is de manier -om de verafwonenden (vriendelijk en) zacht te behandelen. Families, -welker lijn van afstamming verbroken is, (weer) te herstellen, de orde -te handhaven in staten, waar verwarring is, en te helpen, wie in gevaar -zijn, op vaste tijden audiënties te geven en hen te ontvangen, ruime -geschenken te geven bij hun vertrek, en (slechts) geringe aan te nemen -bij hun komst,—dat is de manier om de vorsten van de staten liefderijk -te behandelen. - - - Met die ambachtslieden, die proefwerken doen, zullen wel bedoeld - zijn, die welke door het gouvernement worden gebruikt. Het - weer-herstellen der families wordt gedaan, door z. g. „stamhouders” - te benoemen. - - -15. Allen, die de regeering over het rijk voeren met zijn staten en -families, hebben deze negen fondamenteele regels. Dat, waardoor ze -worden toegepast, is éénheid. - - - Men ziet hier, evenals in No. 9, dat telkens na de opsomming van - plichten, deugden of dergelijken wordt gezegd, dat hetgene, - waardoor ze worden toegepast, één is. In de voorrede heeft de - filosoof Chʼing al gezegd, dat het boek spreekt van het ééne - principe dat uitgespreid tien duizend (d. i. in ’t chineesch: alle) - dingen omvat. De geheele „Choeng Yoeng” is de verheerlijking van - die eenheid. - - De bovenbedoelde eenheid, waar alles door wordt toegepast, gaf - Confucius (of misschien Tszʼ Szʼ) den naam „Chʼing”, alweer een - absoluut onvertaalbaar woord, van zóó mystieke beteekenis, dat - geheele scholen van chineesche geleerden er de meest verschillende - uitleggingen van gaven. Ik meen, dat de drie begrippen te zamen: - „absolute waarheid, absolute puurheid, absolute oprechtheid” het - ongeveer omvatten. Ik zal echter het chineesche woord behouden. - Samuel Johnson (Oriental Religions: China) zegt er van: „And the - chinese Chʼing is confessedly no less than the ideal of personal - wholeness or integrity as the motive of conduct or steadfast - culture of the shoots of goodness in one’s own being.” Prof. Legge, - ook verklarend, dat het eigenlijk onvertaalbaar is, vertaalt het - door „sincerity,” en geeft de volgende hoofddefinities op: „Men - zegt ons, dat „de geleerden der Han dynastie geheel onwetend waren - van zijn (Chʼing’s) bedoeling.” Onder de Soeng dynastie kwam eerst - Lie Pang Chih, die het definieerde „Vrij zijn van alle bedrog”. Na - hem zeide Sioe Choeng Kioe dat het beteekende „altijddurendheid”. - Toen noemde een der Chʼings het „vrij zijn van alle moreele - dwaling”, en eindelijk voegde Choe Hie hier het positieve element - bij van „waarheid en realiteit”, waarmede de definitie van den term - compleet was. Eenvoud of éénheid van ziel schijnt te zijn wat - voornamelijk met den term bedoeld wordt; de dispositie tot en - capaciteit voor wat goed is, zonder eenig bedervend element, met - geen gebrek van verstand, of invoeging van zelfzuchtige gedachten. - Dit („Chʼing”) hoort bij den Hemel, bij Hemel en Aarde, en bij den - Wijze.” - - Ik zou bij deze beschrijvingen van Prof. Legge nog dit willen - voegen, dat ik dus geloof dat Chʼing beteekent „de oorspronkelijke - toestand van de Sing”, zooals die volmaakt puur en rein is, de - zuivere, diviene staat der natuur. Dit dan verwant aan „Yoeng”. Uit - een en ander volgt tevens nog deze hoofdidee van de - confucianistische leer, die men toch vooral onthoude: „dat alle - deugden natuurlijk voortvloeien uit de Sing, en dus geen toevallige - door de menschen gemaakte begrippen zijn, maar in de natuurlijke - orde der dingen liggen.” - - -16. Over ’t algemeen, als dingen vooraf voorbereid zijn, zijn zij -(vast) gegrondvest; als ze niet voorbereid zijn gaan ze te niet. Als -woorden vooraf vastgesteld zijn, heeft er geen struikelen plaats; als -zaken vooraf gesteld zijn, is er geen moeilijkheid. Als daden vooraf -vastgesteld zijn, is er geen ellende. Is de Tao vooraf vastgesteld, dan -is het nut daarvan onuitputtelijk. - -17. Als lageren (in positie) (het vertrouwen van hun Heer) niet -verkrijgen, kunnen zij er niet in slagen, het volk (goed) te regeeren. -Er is een weg om het vertrouwen van zijn’ Heer te verkrijgen: als men -het vertrouwen van zijn vrienden niet verkrijgt, zal men het ook niet -verkrijgen van zijn’ Heer. Er is een weg, om het vertrouwen van zijn’ -vrienden te verkrijgen: als men niet gehoorzaam is aan zijn ouders zal -men (ook) niet (loyaal en) oprecht zijn tegen zijn vrienden. Er is een -weg, om gehoorzaam te zijn aan zijn ouders: als, zich in zich zelf -keerende, men gebrek aan „Chʼing” (ziet), zal men ook niet gehoorzaam -zijn aan zijn ouders. Er is een weg om „Chʼing” te hebben: als men niet -helder weet wat Goed is, zal men zijn zelf ook niet tot „Chʼing” kunnen -brengen. - - - Men leze toch vooral goed, wat in het No. 15 van dit hoofdstuk bij - de bespreking over „Chʼing” gezegd is, daar dit chineesche woord - verder herhaaldelijk voorkomt. Ik heb de oorspronkelijke - constructie „er is een weg” behouden, hoewel die niet positief maar - negatief wordt aangeduid, wat in westersche logica in dezen niet - heel mooi is. - - Blijkbaar is dit lange hoofdstuk XX als ’t ware een genesis van - plichten en deugden, allen nauw verwant, en uit éénen Oorsprong, de - Sing, en allen in den weg liggende van Tao, die evenmin één - oogenblikje verlaten kan worden, als de volmaakte toestand - „Chʼing”, absoluut puur zijnde, één vlekje toelaat. - - -18. „Chʼing” is de Tao van den Hemel. Het bereiken van „Chʼing” is de -Tao van de menschen. Zij, die „Chʼing” hebben treffen precies (het -ware) zonder zich (te behoeven) in te spannen, en verkrijgen (het -weten) zonder (te behoeven) te denken; die natuurlijkerwijze vanzelf de -Tao (precies) treft, is de Wijze. Zij, die „Chʼing” bereiken, zijn zij, -die het Goede kiezen, en het stevig vasthouden. - - - Hier vindt men dus het idee van een ideaal mensch, den Wijze, die - geheel vanzelf, zonder dat hij zich behoeft in te spannen, den - waren Tao weet en precies treft. Hoe gevaarlijk het is, Tao per se - met Weg te vertalen blijkt uit den eersten zin hier, waarin het een - toestand is, die van absolute reinheid en puurheid. - - -19. Zij, die ver (door) studeeren, nauwkeurig onderzoeken (wat goed is) -en er navragen, met zorgzaamheid er over nadenken en helder -onderscheiden, betrachten ernstig (het bereiken van „Chʼing”). - -20. Als er iets is, wat hij niet bestudeerd heeft, of er is iets, wat -hij niet kan begrijpen, zal (de Kiün Tszʼ die „Chʼing” wil verkrijgen) -niet zijn arbeid staken. Als er iets is, waarover hij niet gevraagd -heeft, of er iets is, waarover hij gevraagd heeft, dat hij niet weet, -zal hij zijn arbeid niet staken. Als er iets is, waarover hij niet -heeft nagedacht, of er iets is, waarover hij heeft nagedacht, (maar) -dat hij niet te weten is gekomen, zal hij zijn arbeid niet staken. Als -er iets is, wat hij niet onderscheiden heeft, of er iets is in wat hij -onderscheiden heeft (en) dat hem niet helder is, zal hij zijn arbeid -niet staken. Als er iets is, wat hij niet betracht heeft, of er iets -is, wat hij betracht heeft, (maar) waarin hij te kort komt aan ernst, -zal hij zijn arbeid niet staken. Als een ander het in één (poging) kan -(doen), doet hij het in tien. Als een ander het in honderd kan (doen), -doet hij het in duizend. - - - Een commentator wijst er op, dat wij hierboven een illustratie - hebben van het begrip „energie” in No. 8 van dit hoofdstuk. - - -21. Kan men dus dezen weg begaan, dan zal men, ofschoon (eerst) traag -van begrip (zijnde), helderwetend worden, ofschoon (eerst) zwak -(zijnde), energiek worden. - - - - -HOOFDSTUK XXI. - -Als er helderheid (van weten) is als gevolg van „Chʼing” is dat (uit de -natuur van) de Sing. Als er „Chʼing” is als gevolg van helderheid (van -weten) is dat (door de) Kiao, Leering. Als er „Chʼing” is, is er -helderheid (van weten). Als er helderheid (van weten) is, is er -„Chʼing”. - - - Hier vinden wij dus nog eens bevestigd, dat het resultaat hetzelfde - is, of men, als de Wijze, al met Chʼing geboren is en het altijd - van toen af heeft behouden, of wel, of men door studie en onderwijs - de helderheid van weten verkrijgt, en daardoor „Chʼing.” - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande is het een en twintigste hoofdstuk. Tszʼ Szʼ noemt er -de onderwerpen van Confucius „de Tao van den Hemel” en „de Tao van de -menschen” in, in het vorige hoofdstuk opgenoemd, en grondvest daarop -zijne woorden. De twaalf volgende hoofdstukken zijn allen van Tszʼ Szʼ, -en herhalen, verduidelijken en breiden uit de bedoeling van dit (een en -twintigste). - - - - -HOOFDSTUK XXII. - -Slechts hij, die de opperste „Chʼing” heeft, kan zijn Sing tot den -reinen staat volmaken. Kan hij zijn Sing tot den reinen staat volmaken, -dan kan hij ook de Sing van andere menschen tot den reinen staat -volmaken. Kan hij de Sing van andere menschen tot den reinen staat -volmaken, dan kan hij ook de Sing van (alle) dingen tot den reinen -staat volmaken. Kan hij de Sing van (alle) dingen tot den reinen staat -volmaken, dan kan hij Hemel en Aarde helpen in ’t vervormen en voeden; -dan is hij met Hemel en Aarde één orde van drieën. - - - Letterlijk staat er „kan zijn Sing uitputten (tsin).” De bedoeling - is als in de vertaling. (Legge geeft „to give the full development - to his nature” wat in den grond op hetzelfde neerkomt.) - - Wij komen met dit hoofdstuk in de mystiek van de „Choeng Yoeng”, en - het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat wij hier met filosofie - enkel van Tszʼ Szʼ te doen hebben, die hier verder ging dan zijn - meester Confucius. - - Uit Hoofdstuk I van dit werk hebben wij gezien, dat de Sing is dat - „wat de Hemel (als natuur) verleend heeft.” Goed leven is „volgen - aan de Sing”, dus leven in Tao. Alle zonde en ongeluk ontstaat door - bevlekking, verduistering van de Sing. Ik heb dus gemeend, hier - „tsin” te moeten vertalen door „de Sing tot den reinen - (oorspronkelijken) staat volmaken.” - - Choe Hie zegt er bij „Het „tsin” van de Sing is, als de deugd reëel - is.” En de deugd kan natuurlijk alleen reëel zijn, als de Sing - volmaakt rein is. Hij, wiens Sing rein is, en die dus Tao begaat, - is vanzelf helder-wetend en begaafd met de hoogste deugden. Zoo - iemand zal door zijn voorbeeld en zijn moreelen invloed ook andere - menschen kunnen verreinen. Niet alleen door de pogingen van zijne - door menschenliefde gedreven wil, maar omdat—en hier hebben wij een - ook in ’t boeddhisme voorkomend idee—omdat de macht van zijn deugd - als een natuurlijke kracht is, van hem uitgaande, die - transformeerend werkt. En nu komt het idee—ook reeds in de oude - filosofie der Vedanta’s te vinden—dat alle dingen (dus niet alleen - de menschen) in de creatie een Sing hebben. Choe Hie zegt er - duidelijk bij, dat, ofschoon de vorm en het animale leven niet - hetzelfde zijn „de Sing van (andere) menschen en dingen is ook mijn - Sing.” De filosofie van de „Choeng Yoeng”, die tot nu toe - angstvallig bij de meer enkel menschelijke dingen bleef, rijst hier - op tot de beschouwing van de allerhoogste orde der natuur. - - Niet alleen verklaart Tszʼ Szʼ, dat menschen èn dingen de Sing - hebben, maar ook, dat de volmaakte mensch—d. i. de mensch die zijn - Sing onbevlekt puur in zich heeft—de gelijke is van den Hemel. In - westersch begrip overgebracht, hij bevestigt „de goddelijkheid van - den mensch en een mogelijke vereeniging met het goddelijke.” - - Jammer alleen, dat hij de begrippen Hemel en Aarde niet nader - omschrijft. (Wie omtrent de vereering van Hemel en Aarde meer wil - weten, leze het Hoofdstuk „Eerste Maand, Negende Dag” in Prof. de - Groot’s „Jaarlijksche Feesten en Gebruiken van de Emoy-Chineezen”.) - - Verder zegt Tszʼ Szʼ, dat de mensch, wiens Sing in den reinen staat - is, niet alleen andere menschen, maar ook alle dingen kan verreinen - en tot hun hoogste volkomenheid brengen, aldus ageerende en - influenceerende als de Hemel en de Aarde (de Natuur). En deze - mensch is dan ook één met Hemel en Aarde. Deze chineesche - drieëenheid heet „Saan Tsʼai”, de drie Schatten: „Hemel, Aarde, - Mensch.” (Th’ien Ti Jen.) - - - - -HOOFDSTUK XXIII. - -Hierop (n.l. op hem, die reeds de opperste „Chʼing” bezit) volgt hij, -die het kromme cultiveert (d. i. het onvolmaakte in hem volmaakt). Van -kromheid kan „Chʼing” komen. Deze „Chʼing” wordt (als in vorm) -zichtbaar. Van (als in vorm) zichtbaar wordt zij gemanifesteerd. Van -gemanifesteerd wordt zij schitterend. Schitterend zijnde beweegt zij -(andere menschen en dingen). Bewegende doet zij veranderen. Doende -veranderen transformeert zij. - -Alleen hij, die de opperste Chʼing heeft onder den Hemel, kan (andere -menschen en dingen) transformeeren. - - - Heeft Tszʼ Szʼ het in Hoofdstuk XXII gehad over degenen, die reeds - van nature de opperste „Chʼing” hadden (Vergelijk ook Hfdst. XX. No - 9), in dit hoofdstuk behandelt hij degenen, die eerst het kromme - (onvolmaakte) in zich nog recht (volmaakt) moeten maken. Is dat - kromme eenmaal recht gemaakt, dan is eveneens de „Chʼing” bereikt, - die de Wijze al had (Zie Hfdst. XX. No 9: „Maar als het werk - volmaakt is, is het resultaat ’t zelfde”). - - - - -HOOFDSTUK XXIV. - -Het is de natuurlijke eigenschap van de opperste „Chʼing” om (de -toekomst) vooruit te weten. Zal een staat of eene familie bloeien, dan -zijn er stellig goede voorteekenen. Zal een staat of eene familie -ondergaan, dan zijn er stellig kwade voorteekenen. Een en ander is te -zien aan het duizendblad en de schildpad, en het beweegt de vier -ledematen. Als geluk of ramp naderbij komt zal (hij, die „Chʼing” -heeft) het goede stellig vooruit weten, en het kwade ook. Daarom, hij, -die de opperste Chʼing heeft, is als een geest. - - - Dat de volmaakte mensch alwetend is, en de toekomst vooruit kan - weten is een idee, dat men in oud-indische systemen van filosofie - kan terugvinden, en niet zoo absurd is, als het oppervlakkig wel - schijnt. Maar de wijze, waarop dit idee hier in de practijk wordt - voorgesteld, n.l. door middel van wichelarij, is belachelijk, en - geheel uit den toon van deze serie hoofdstukken. - - Het duizendblad (volgens Wells Williams zou „Shʼ”, hier een - chineesche, in Europa onbekende plant zijn, gelijkende op Anthemis - of Ptormica Sibirica), en de schildpad worden gebruikt in de - chineesche wichelarij. Met „de vier ledematen” worden bedoeld de - vier pooten van de schildpad, die elk in een ander seizoen voor het - wichelen dienen. - - - - -HOOFDSTUK XXV. - -1. „Chʼing” wordt voortgebracht door zelfvolmaking. Tao is dat, -waarnaar men zich moet richten. - -2. „Chʼing” is het einde en het begin der dingen. Als er geen „Chʼing” -was, zou er niets bestaan. Daarom beschouwt de Kiün Tszʼ „Chʼing” als -zijn grootsten schat. - - - De oorsprong, de Sing der dingen is natuurlijk absoluut waar - (reëel) en puur. Het eenige, ware leven is dat van de Sing. Ware - deze niet „Chʼing,” niet absoluut reëel en puur, dan zou er ook - niets reëel kunnen bestaan. - - -3. Hij, die „Chʼing” heeft, volmaakt niet enkel zichzelf, (maar) hij -volmaakt er (ook andere) dingen (en menschen) mede. Het volmaken van -zichzelf (is te danken aan) zijn Menschelijkheid. [52] Het volmaken van -(andere) dingen (en menschen) (is te danken aan) zijn Weten. Deze -(Menschelijkheid en Weten) zijn de deugden, (eigen) aan de Sing, en dit -is de wijze, waarop het uitwendige en inwendige wordt vereenigd. -Daarom, wannéér ook (degene, die „Chʼing” heeft) haar aanwendt, werken -zij zooals ’t behoort. - - - Men herinnere zich dat met menschelijkheid geen humaniteit maar „de - volmaakte deugd van het menschelijk hart” bedoeld wordt. - - Door menschelijkheid en weten (ál-weten, kennen) is er géén - verschil meer tusschen inwendige dingen (van ons zelven) en - uitwendige (van anderen). Zie in de Bespreking onder Hfdst. XXII - het gezegde van Choe Hie: „de Sing van (andere) menschen en dingen - is ook míjn Sing.” - - - - -HOOFDSTUK XXVI. - -1. Daarom, de opperste „Chʼing” houdt niet op. - - - Choe Hie legt dit op de volgende wijze uit: „daar Chʼing geen - leêgheid of schijn heeft, heeft het vanzelf geen ophouding of - afbreking.” - - -2. Niet ophoudende, duurt het lang. Langdurende geeft het bewijs van -zijn bestaan. - -3. Bewijs gevend van zijn bestaan reikt het ver. Ver-reikende wordt het -groot en (als stoffelijk) substantieel. Groot en substantieel, wordt -het hoog en schitterend. - -4. Groot en substantieel, aldus bevat het alle dingen. Hoog en -schitterend, aldus overwelft het alle dingen. Ver-reikende en -langdurig, aldus volmaakt het alle dingen. - -5. (Chʼing aldus) groot en substantieel (zijnde) is hij (die het -bereikt heeft) de gelijke van de Aarde; (Chʼing aldus) hoog en -schitterend (zijnde) is hij (die het bereikt heeft) de gelijke van den -Hemel; (Chʼing aldus) ver-reikende en langdurig (zijnde) is hij (die -het bereikt heeft) eindeloos. - - - Hier gaat de filosoof verloren in mystiek bij zijne apothéose van - den idealen mensch. Niet alleen, dat de mensch, die „Chʼing” heeft - bereikt, ál-wetend is, maar ook álomtegenwoordig, en in allen en - alles. Dit heeft veel van eene absorptie in de universeele Natuur, - zou ik bijna zeggen. - - -6. Aldus is de Chʼing zonder zich (zichtbaar) te vertoonen (vanzelf) -helder gemanifesteerd; zonder te bewegen veroorzaakt het (vanzelf) -veranderingen; vanzelf, uit den aard zijner natuur, volmaakt het. - -7. De Tao van Hemel en Aarde kan met één zin uitgezegd worden: hij is -één-in-zich-zelf, en baart de dingen op een ondoorgrondelijke wijze. - - - Hier ziet men weer, dat Tao in sommige gevallen méér dan Weg moet - beteekenen, en meer in den zin „het principe van actie,” indien het - niet volkomen onvertaalbaar was. Choe Hie merkt hierbij op dat - „Ching” vanzelf dat „één-in-zich-zelf zijn” van Tao medebrengt. - Letterlijk staat er niet één-in-zich-zelf, maar „zonder tweede”, - „zonder dubbel”. - - -8. De Tao van Hemel en Aarde is groot en substantieel, hoog en -schitterend, ver-reikend en langdurend. - - - Dezelfde eigenschappen dus als van „Chʼing”. Dat het hier niet - zóómaar „Weg” kan beteekenen is duidelijk. Het is ondoenlijk, - precies die ìn-chineesche begrippen als „Chʼing” en „Tao” te - doorvoelen en dan uit te drukken in een europeesch woord. - - -9. De Hemel van nu (boven ons) is maar wat schittering; maar in al Zijn -eindeloosheid beschouwd, zijn zon, maan, sterren en sterrenbeelden er -in opgehangen, en overdekt Hij alle dingen. De Aarde van nu (vóór ons) -is slechts een handvol aarde, maar in al Hare uitgebreidheid en dikte -beschouwd, steunt Zij bergen als de Hwa Yoh, zonder hun zwaarte te -voelen, beweegt rivieren en zeeën, zonder te lekken, en bevat -tienduizend (alle) dingen. De berg nu (vóór ons) is slechts een stuk -steen; maar in al de uitgestrektheid van zijn grootte beschouwd, brengt -hij gras en boomen voort, vogels en beesten wonen er op, en -kostbaarheden zijn er in verborgen. Het water nu (vóór ons) is slechts -een lepel vol, maar in zijn onpeilbare diepten worden er de grootste -schildpadden, krokodillen, draken, visschen en zeeschildpadden in -voortgebracht, en bevat het koopwaren en dingen van waarde in -overvloed. - - - Het verband tusschen dit nummer en de vorige is niet heel direct. - Het komt mij voor, een symbool te geven van de tallooze dingen, die - door de „Chʼing” van Hemel en Aarde worden voortgebracht, de - immense verscheidenheid, geproduceerd door het Ééne. Maar dan zou - hier die zuiver stoffelijke werking als symbool moeten dienen ook - voor de spiritueele, en het is lang niet met zekerheid te bepalen, - of Tszʼ Szʼ dit wel bedoelde. - - -10. De Shi King zegt: „Hoe majestueus en eindeloos zijn de -beschikkingen des Hemels!” De bedoeling is, dat dáárom (juist) de Hemel -de Hemel is. (En ook zegt de Shi King:) „O! hoe doorluchtig was de -puurheid van koning Wĕn’s deugd!” De bedoeling is, dat dáárom (juist) -koning Wĕn Wĕn was. Puurheid is eveneens zonder ophouden (eindeloos). - - - Men ziet hier, hoe opzettelijk een der oude Wijzen, koning Wĕn van - Chow, met den Hemel vergeleken wordt. Hier komt in den tekst een - karakter „shoen” voor, dat eigenlijk beteekent „rein, puur als - witte zijde.” Met die „puurheid” is vanzelf ook bedoeld - „volmaaktheid” van de Sing, den éénen, reinen staat van oorsprong - der Sing. - - - - -HOOFDSTUK XXVII. - -1. Hoe groot is de Tao van den Wijze! - -2. Eindeloos als een oceaan (zijnde) doet het [53] alle dingen ópkomen -en voedt het hen, en het rijst óp tot de opperste hoogte van den Hemel! - -3. Volmaakt is zijn grootheid. Het omvat de driehonderd regels van de -Lí en de drieduizend regels van gedrag. - -4. Het wacht op den (rechten) mensch, en daarna wordt het begaan. - -5. Daarom zegt men: „Als het niet door de opperste deugd is, kan de -opperste Tao niet verwezenlijkt worden.” - -6. Daarom eert de Kiün Tszʼ zijn deugd en zijn Sing, en zal hij steeds -onderzoek doen en studeeren, totdat hij het in al zijn uitgebreidheid -en grootheid kent, van het grofste tot het fijnste, het doende oprijzen -tot die hoogte en die helderheid, totdat hij in „Choeng Yoeng” gaat. -Hij oefent (door herhaling) het oude, en (maakt dat hij) het nieuwe -weet. Hij betracht een (absoluten) ernst om de Lí hoog te houden. - - - Men lette er op, hoe in No 2 het begrip van Tao nog mystiek is, en - in No 3 weer terugkeert tot de gewone dingen en verrichtingen der - menschen, als b. v. de Lí. Ook blijkt hier weer uit, welke diviene - waarde aan de Lí wordt gehecht, daar zij onafscheidelijk van Tao - is. - - -7. Daarom, in een hooge positie is de Kiün Tszʼ niet trotsch, en in een -lage positie niet oneerbiedig. Als het rijk wordt geregeerd volgens -recht zullen zijn woorden voldoende zijn om hem hoog te doen rijzen; -als het rijk wordt geregeerd niet volgens recht zal zijn stilzwijgen -voldoende zijn het hem te doen verdragen. De Shi King zingt: -„Verstandig is hij en schrander, en zoo behoedt hij zijn persoon.” Is -dit niet zoo? - - - - -HOOFDSTUK XXVIII. - -1. De Meester zeide: „Een domme, die gaarne zijn eigen zin volgt; -iemand van inferieuren rang, die zichzelf gaarne bestuurt; iemand van -tegenwoordig, die strijdig doet aan de wegen der Ouden; over dezulken, -die aldus doen, zullen stellig rampen komen.” - - - In dit hoofdstuk daalt Tszʼ Szʼ weder neer uit zijn mystische - bespiegelingen, om weer eenvoudig de woorden van Confucius aan te - halen. - - -2. Alleen de Keizer mag de Lí regelen, de afmetingen vaststellen, en de -karakters bepalen. - -3. Tegenwoordig hebben over het geheele rijk de wagens dezelfde wielen, -het schrift dezelfde karakters, het gedrag dezelfde regels. - -4. Men moge (al) den (vorstelijken) rang bezitten, als men de deugd -(daartoe behoorende) niet heeft, mag men het niet wagen, Lí of Muziek -te maken. Men moge al de deugd bezitten, als men den vorstelijken rang -niet (daarbij) heeft, mag men het niet wagen, Lí of Muziek te maken. - -5. De Meester zeide: „Ik vertel van de Lí der Hia dynastie, maar Kie -kan daar niet genoeg getuigenis van geven. Ik heb de Lí van de Yin -dynastie geleerd, die in Soeng overgebleven is. Ik heb de Lí van Chow -geleerd, die nu in gebruik is, en ik volg Chow.” - - - Legge merkt hier zeer juist bij aan, dat uit dit hoofdstuk blijkt, - hoe drie dingen noodig zijn om de wet aan het keizerrijk te geven: - „de deugd, de rang, en de geschikte tijd.” In No 2 wordt met de Lí - bedoeld: „de ceremoniën in godsdienstige bijeenkomsten en in - gezelschap”, met afmetingen: „de voorschriften omtrent het bouwen - van huizen, den vorm van wagens, van kleederen” enz. enz. Bij No 5 - zij aangeteekend, dat Kie een klein staatje was, waar de Hia’sche - ceremoniën nog in gebruik waren. Zoowel in Kie als in Soeng waren - de schoone kunsten en beschaafde vormen en gebruiken niet meer - geëerd, en voor een groot deel verloren gegaan, en er leefden geen - wijze mannen, zoodat Confucius niemand had kunnen vinden om - voldoende voor de waarheid zijner beschrijving van de ceremoniën - der oude Hia dynastie te kunnen getuigen. Daarom gebruikte hij - gewillig de nieuwere Lí van Chow. - - - - -HOOFDSTUK XXIX. - -1. Hij, die tot het opperheerschap over het rijk komt, en deze drie -gewichtige dingen heeft, zal weinig fouten maken. - - - De chineesche geleerden zijn het niet eens, wat met „deze drie - gewichtige dingen” wordt bedoeld. Ik meen dat Legge, (die deze - uitlegging overnam van den commentator Loeh, uit de Thʼang - dynastie) de juiste verklaring geeft als te zijn „de deugd, de rang - en de geschikte tijd.” - - -2. De Lí van vroegere tijden, ofschoon (nóg zoo) goed, kan niet door -getuigenis bevestigd worden. Niet bevestigd, wordt er niet in geloofd, -en niet geloofd, volgt het volk haar niet. De Lí van iemand van lageren -rang, ofschoon (nóg zoo) goed, wordt niet geëerbiedigd (door dien lagen -rang). Niet geëerbiedigd, wordt er niet in geloofd, en niet geloofd, -volgt het volk haar niet. - -3. Daarom, de instellingen en wetten van den (Vorst die een) Kiün Tszʼ -(is), hebben hun Oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er -van gebeurt door de groote massa van het volk. Hij toetst ze aan die -der drie Koningen, en bevindt (dan) dat ze vlekkeloos zijn. Hij stelt -ze op voor (het gezicht van) Hemel en Aarde, en vindt er (dan) niets in -tegen de natuur. Hij houdt ze den geesten voor, zonder er aan te -twijfelen. Hij (is voorbereid te wachten) honderd eeuwen daarna tot (de -oprijzing van) een Wijze, en weet dat er geen dwalingen in zijn. - -4. Dat hij ze den geesten voorhoudt, zonder er aan te twijfelen, -bewijst, dat hij den Hemel kent. Dat hij (voorbereid is te) wachten, -honderd eeuwen daarna, tot de oprijzing van een Wijze, en weet dat er -geen dwalingen in zijn, bewijst, dat hij de menschen kent. - - - Dit is een der hoofdideeën van Confucius, dat de regeering van den - vorst haar Oorsprong heeft in zijn eigen karakter. De Sing van den - Vorst de oorsprong van de geheele regeering. Is die rein, dan - zullen zijne wetten niets bevatten wat strijdig is tegen den Hemel. - De drie bedoelde koningen zijn Yü, Thʼang en Wĕn (met Woe). - - -5. Dit aldus zijnde, zijn de bewegingen van den Vorst van invloed op -het geheele rijk, voor eeuwen. Zijn daden zijn wet voor het geheele -rijk, voor eeuwen. Zijn woorden zijn regel voor het geheele rijk, voor -eeuwen. Die ver van hem zijn, zien bewonderend naar hem op, die dicht -bij hem zijn, zijn hem nooit moede. - -6. De Shi King zegt: „Hier niet gehaat, dáár niet benijd, zal men zijn -lof dag en nacht roemen.” Er is nog nooit een Vorst geweest, die niet -hieraan beantwoordde, en vroeg door het geheele rijk beroemd was. - - - - -HOOFDSTUK XXX. - -1. Choeng Ni (Confucius) leverde de leer van Yaou en Shoen over, als -waren zij zijne voorvaderen, en handhaafde de wetten van Wĕn en Woe als -zijn model. Hij harmonieerde met de tijden des Hemels bóven, en was -aangepast aan de (natuur) van het water en het land beneden. - - - „De tijden des Hemels” is „de onophoudelijke, regelmatige beweging - van den Hemel”, en „het water en het land” hier in tegenstelling - met den Hemel, is gebruikt, omdat die massief en onbewegelijk zijn. - Aldus Choe Hie, en op diens gezag Legge. Heel helder is het voor - europeesch begrip niet. - - -2. Hij was als de Hemel en de Aarde in hun steunen en omvatten, hun -overschaduwen en overhuiven van alle dingen. Hij was als de vier -seizoenen, in hun afwisselenden gang, als de zon en de maan, in hun -successievelijk schijnen. - - - De hoogste verglorieïng van den Wijze, hier Confucius, is dus het - gelijk zijn in wezen en actie aan de natuur, daar deze dan ook - precies in Tao is. - - -3. Alle dingen worden te zamen gevoed, zonder elkaar te kwetsen. De Tao -van alle dingen gaat denzelfden weg, zonder botsing onderling. De -kleinere deugden zijn als stroomen van een rivier, de grootere zijn -machtig transformeerend. Dit is (juist) wat Hemel en Aarde zoo groot -maakt. - - - Werd dus de Sing maar rein bewaard, zoodat alles in Tao ging, dan - zou alles naast elkaar vredig kunnen bestaan, zonder kwetsing en - botsing onderling. Als men diep doordenkt, zal men zien dat Tao, - het precies volgen van de Sing, de hemelsche natuur, ook zeer - gerust zou kunnen genoemd worden „De natuurlijke gang der dingen”! - In het begin is het volgen van Tao eenvoudig als het stroomen van - rivierstroompjes, later wordt het een hooger leven van machtige - transformaties. (Zie ook Hfdst. XXII en XXIII.) - - - - -HOOFDSTUK XXXI. - -1. Alleen hij, die de opperste wijsheid heeft onder den Hemel, kan -voldoende vlug van bevatting, helder van doorzicht, van vér-reikende -intelligentie, àlomvattend van kennis zijn, om de regeering uit te -oefenen; voldoende grootmoedig, edelaardig, vriendelijk en zacht om -verdraagzaam te zijn; voldoende impulsief, krachtig, ferm en resoluut -om zich te handhaven; genoeg zelfbeheersching hebben, ernstig zijn, in -„Choeng” blijven en correct zijn, om reverentie af te dwingen; genoeg -algemeen ontwikkeld zijn, oordeel hebben, doordringen in (het wezen -der) dingen, om te kunnen onderscheiden (wat recht en onrecht, goed en -slecht is). - -2. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, en diep als een -springbron, en zendt zijne deugden voort in de juiste seizoenen. - -3. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, als de Hemel. Onpeilbaar -als een springbron, is hij als een afgrond. Hij wordt gezien, en het -geheele volk vereert hem; hij spreekt, en het geheele volk gelooft hem; -hij handelt, en het geheele volk verblijdt in hem. - - - Zou daarom een bron en een afgrond als symbool zijn genomen als - vergelijking met de Sing? - - „Hij wordt gezien” als hij zich in staatsiegewaad en muts vertoont, - „hij spreekt” als hij zijne wetten, bepalingen, bevelen enz. - uitvaardigt, „hij handelt” in de ceremoniën, de muziek, de - bestraffingen, en regeeringsdaden. (Legge.) - - -4. Daarom, zijn roem overvloeit het geheele Rijk van het Midden, en -strekt zich uit tot alle barbaarsche stammen. Wáár schepen en wagenen -komen, wáár de menschelijke kracht doordringt, wáár de Hemel overwelft -en de Aarde draagt, wáár zon en maan schijnen, wáár rijp en dauw -vallen, eerbiedigen hem allen, die bloed en levensprincipe hebben, en -volgen allen hem na. Daarom zegt men „Hij is de gelijke van den Hemel.” - - - - -HOOFDSTUK XXXII. - -1. Alleen hij, die de opperste „Chʼing” heeft onder den Hemel, kan de -hoogste, natuurlijke betrekkingen der menschen onder den Hemel regelen, -kan de groote, oorspronkelijke deugden van den Hemel grondvesten, kan -de transformeerende en voedende acties van den Hemel weten. Hoe zou hij -iets buiten zich zelf kunnen hebben, om op te steunen? - - - Hieruit blijkt alweer duidelijk, dat de Vorst in zich zelf alles - moet hebben, wat voor een goede regeering noodig is. Onder die - „betrekkingen” wordt hier voornamelijk verstaan de te voren in dit - werk reeds besproken „vijf Loen”. - - -2. Ontwijfelbaar is zijn menschelijkheid! Onpeilbaar is hij, als een -afgrond! Hoe eindeloos, als de Hemel! - -3. Niemand kan hem kennen dan hij, die werkelijk vlug is van bevatting, -helder van doorzicht, wijs en allesomvattend (van verstand), en die de -deugden van den Hemel heeft. - - - „Alleen de Wijze kan den Wijze kennen,” merkt de commentator Ching - Su hierbij op. - - - - -HOOFDSTUK XXXIII. - -1. De Shi King zegt: „Om haar beborduurden pels doet zij een eenvoudig -kleed aan,” om aan te duiden een afkeer van vertoon van het mooie. -Daarom is het de Tao van den Kiün Tszʼ om (zijn deugd) te verbergen, -die dan met den dag (juist) mooier uitkomt; de Tao van den kleinen -mensch is vertoon, en hij wordt met den dag minder. De Tao van den Kiün -Tszʼ (gelijkt) smakeloos, maar men wordt hem nooit moede; hij lijkt -kortaf, maar is volkomen beschaafd; hij is eenvoudig, maar volgens de -rede. Hij weet dat wat veraf is geworteld is in ’t nabijë. Hij weet van -waar de wind komt. Hij weet het (groot-) gemanifesteerde van het -(schijnbaar) kleine. Hiermede zal hij de deugd kunnen binnentreden, -naar ik meen. - -2. De Shi King zegt: „Ofschoon de visch zinkt en ligt op den bodem, -wordt zij toch duidelijk gezien.” Daarom onderzoekt de Kiün Tszʼ zijn -binnenste, opdat er daar niets verkeerds zij, en hij niets hatelijks -zie in zijne neigingen. Dit is het onbereikbare (voor ons) in den Kiün -Tszʼ: „dat, wat andere menschen niet kunnen zien.” - -3. De Shi King zegt: „Weest vrij van (dingen van) schaamte in uw kamer, -waar licht doorkomt. Daarom, (zelfs) al beweegt hij niet, is de Kiün -Tszʼ (toch) in reverentie, al spreekt hij niet, is hij (toch) vol -oprechtheid.” - - - Vergelijk voor No 2 hierboven Hfdst. I. No 3. De bedoeling van No 3 - is, dat de Kiün Tszʼ vooral in het private leven, al is hij alleen - in zijn kamer, waar het licht (van den Hemel) hem toch altijd ziet, - het gevoel van reverentie moet hebben, en volkomen oprechtheid. - - -4. De Shi King zegt: „In eerbiedige stilte wordt geofferd, en wordt -(den geest) genaderd; er is geen oogenblikje wanklank (strijd).” - -Daarom, de Kiün Tszʼ geeft geen belooningen en (toch) is het volk (tot -de deugd) vermaand. Hij toont geen toorn, en het volk vreest voor hem -als voor bijlen en strijdaksten. - -5. De Shi King zegt: „Wat geen vertoon behoeft, is de deugd.” Alle -vorsten maken er hun voorbeeld van. Daarom, als de Kiün Tszʼ (die Vorst -is) ernstig en reverent is, is er rust en vrede over het geheele rijk. - -6. De Shi King zegt: „Ik zie met blijdschap uw heldere deugd, die geen -vertoon maakt met klanken en kleuren.” De Meester zeide: „Klanken en -kleuren zijn maar kleinigheden voor de hervorming van het volk.” De Shi -King zegt (ook): „De deugd is licht als een haar.” Maar haren zijn nog -te vergelijken met elkaar (naar de grootte). De verrichtingen van den -Hemel hebben geen geluid en geen reuk. Dít is de opperste deugd. - - - - -BESLUIT. - -Het bovenstaande is het drie en dertigste hoofdstuk. Tszʼ Szʼ, na zijne -beschrijvingen tot het opperste gebracht te hebben in de vorige -hoofdstukken, keert in dit hoofdstuk weer terug en beschouwt (het punt -van) oorsprong (van zijn onderwerp); dan weer, van het lagere werk (van -de studie) af, vrij van alle egoïsme, en wakende over zijn eenzaamheid, -zet hij zijne woorden (zijn rede) voort, tot het (verkrijgen van) den -strengen ernst en de reverentie, waarmede het geheele rijk tot de -volmaking van rust en vrede komt. Hij roemt verder de mystiek er van, -tot hij er op het laatst (van spreekt) als (te zijn) zonder geluid of -reuk. Hierna neemt hij den totalen (inhoud) van het geheele Werk, en -behandelt dat in het kort. In dit telkens herhalen, terechtwijzen en -onderrichten van de menschen was zijne bedoeling allerdiepst en -ernstig. Zal hij, die dit studeert, niet zijn uiterste best moeten -doen? - - - - - - -TA HIŎH. - - -INLEIDING. - -Mijn Meester, de filosoof Chʼing zegt: „De Ta Hiŏh is een nagelaten -boek van Confucius, en is de poort der deugd van de eerste leerlingen. -[54] Het is enkel te danken aan de bewaring van dit werk, dat wij nu de -orde kunnen zien in welke de Ouden studeerden; de Loen (Yü) en Mencius -komen hierná. Leerlingen moeten van hieruit hunne studie beginnen, en -dan is het te verwezenlijken, dat zij geen dwalingen maken. - - - - -DE TEKST VAN CONFUCIUS. - -1. De Leer van Ta Hiŏh is: de schitterende deugd helder te maken, het -volk te hernieuwen, en te rusten in het opperste Goede. - - - Met „de schitterende deugd” wordt bedoeld, datgene, die deugdelijke - natuur, die de mensch oorspronkelijk van den Hemel heeft verkregen. - (Vergelijk „Choeng Yoeng”). Door de slechte lusten en begeerten van - den mensch wordt die schitterende deugd dikwijls verduisterd. De - wijze mensch, die zijn eigen oorspronkelijke schitterende deugd - helder maakt en houdt, maakt ook door zijn Leer, zijne wijze - lessen, en zijn voorbeeld, de deugd van andere menschen weer - helder, weer nieuw. Nieuw is hier te verstaan in den zin van „rein, - na verduisterd te zijn, dus weer helder, weer nieuw geworden.” - Steeds zal het volk zijn oorspronkelijke deugd door lust en - begeerte weer verduisterd zien, maar door de Leer van de wijzen - wordt zij vernieuwd, herreind. - - Met het „rusten in het opperste Goede” wordt bedoeld èn te blijven - volgen het uitmuntendste gedrag, èn het opvoeren van de twee - hierboven bedoelde zaken (n.l. het verhelderen van zichzelven en - hernieuwen van ’t volk) tot den hoogsten graad van volkomenheid. - Deze drie dingen worden genoemd „de drie hoofden” van de Ta Hiŏh. - - -2. Weet men, wáár te moeten rusten (in het opperste Goede) dan is (het -doel van ons levensstreven) vastgesteld. Is dit eenmaal vastgesteld, -dan kan er kalmte zijn. Is er kalmte, dan kan er (stabiele) rust zijn. -Is er (stabiele) rust dan kan er (ernstige) meditatie zijn. Is er -(ernstige) meditatie, dan zal (het einddoel) worden verkregen. - - - Het hoofdidee van dezen tekst is dus: „uit het weten wáár te moeten - rusten in het opperste Goede volgt ook het verkrijgen van die rust - in het opperste Goede.” - - Weet men het eenmaal, dan is het levensdoel vastgesteld, en is men - dus zeker van het feit, dat het leven niet nutteloos is, maar naar - een hoog doel leidt. Dit zal den mensch kalmte geven, d. w. z. dat - de gedachten op het innerlijk leven zullen gericht zijn en niet - langer naar dingen van buiten, naar dingen van begeerte. Is die - kalmte verkregen, dan is er ook rust, dus geen weifeling en - verwarring; is die rust in ons, dan is het ook mogelijk, zuiver na - te denken zonder afdwaling; en in die zuivere, reine overpeinzing - wordt gevonden de rust in, het blijven in het opperste Goede. - - -3. Dingen hebben een oorsprong en een einde. Zaken hebben een einde en -een begin. Weten wát eerst en wát laatst is, is dicht bij Tao zijn. -[55] - - - Het helder maken van de deugd is de oorsprong, het hernieuwen van - het volk is het einde. Te weten wáár te rusten in het opperste - Goede is het begin, het verkrijgen daarvan is het einde. - - -4. De ouden, die de schitterende deugd door het geheele keizerrijk -wilden heldermaken, regeerden eerst hun rijk (goed). - -Wilden zij hun rijk regeeren, dan regelden zij eerst hunne families. -Wilden zij hunne families regelen, dan verzorgden zij eerst zichzelven -(hun eigen karakter). Wilden zij zichzelf (hun eigen karakter) -verzorgen, dan maakten zij eerst hunne bedoelingen en gedachten ernstig -en oprecht; wilden zij hunne bedoelingen en gedachten ernstig en -oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot het allerhoogste op. De -kennis tot het hoogste opvoeren bestaat in het doorgronden van de -dingen. - - - Deze acht dingen heeten „De acht détails.” - - Voor „bedoelingen en gedachten” staat in den tekst één woord, „i”; - voor ernstig en oprecht ook één, „Chʼing”. Ik vreesde met één enkel - begrip te weinig van de ware beteekenis te geven. Het laatste „het - doorgronden der dingen”, dat ik meen te kunnen doen equivaleeren - met „het doorgronden van het ware Wezen van alle dingen en - verschijningen” lijkt mij toe, eene geheele, mystieke filosofie - apart te wezen. Dit sluit zich aan met de mystiek van de „Choeng - Yoeng” waarin de Wijze één met Hemel en Aarde wordt genoemd en - zelfs verondersteld met dezen in hare operaties en acties samen te - werken. - - Evenals in de „Choeng Yoeng” zien we dus hier het regeeren van een - staat en transformeeren van het volk slechts als een uitvloeisel - van en onvermijdelijk verbonden aan de cultivatie van het Zelf. - - -5. Werden de dingen doorgrond, dan werd de kennis tot het hoogste -opgevoerd. Werd de kennis tot het hoogste opgevoerd, dan werden de -bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig. Werden de bedoelingen en -gedachten oprecht en ernstig dan werden de menschen zelven (hun -karakter) verzorgd. Werd hun karakter verzorgd, dan werden hunne -families geregeld. Werden de families geregeld, dan werden de staten -(goed) geregeerd. Werden de staten (goed) geregeerd, dan was er vrede -en rust over het geheele rijk. - -6. Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het -verzorgen van zichzelf (zijn eigen karakter) als de Oorsprong (van al -het andere) beschouwen. - -7. Wordt de Oorsprong verward, dan kan er niets wat daaruit voortkomt -tot goede orde worden gebracht. Het is nog nooit gebeurd, dat wat van -groot gewicht was, licht werd geacht en tegelijkertijd dat wat van geen -belang was, van groot gewicht werd geacht. - - - - -NAWOORD (VAN CHOE HIE). - -Het voorgaande hoofdstuk bestaat uit de woorden van Confucius, -overgeleverd door den filosoof Tsĕng. De volgende tien hoofdstukken, -die het verduidelijken, zijn de opvatting van Tsĕng, zooals die -neergeschreven is door zijne discipelen. In oude exemplaren van dit -werk zijn nogal eens de tabletten verward. [56] (en is dus verwarring -in de hoofdstukken. Vert.) Nu heb ik, volgens wat de filosoof Chʼing -heeft vastgesteld, en na nog eens den klassieken tekst te hebben -bestudeerd, het werk als volgt gerangschikt: - - - Evenals bij „Choeng Yoeng” zien wij ook hier weder, dat het eerste - hoofdstuk eigenlijk reeds de geheele Leer in essentieelen vorm is. - Eene geheele filosofie in 204 chineesche karakters! De volgende - hoofdstukken, niet ééne aaneengeschakelde logica vormende, zijn - slechts fragmenten en toespelingen ter verduidelijking. - - - - -COMMENTAAR VAN DEN FILOSOOF TSĔNG. - -HOOFDSTUK I. - -1. In de Kʼang Kao wordt gezegd: „Hij kon zijn deugd helder maken.” - -2. In de Tʼai Kiă wordt gezegd: „Hij beschouwde en bestudeerde de -heldere decreten van den Hemel.” - -3. In de Canon van keizer Yaou wordt gezegd: „Hij kon zijne verheven -deugd helder maken.” - -4. Al deze (artikelen) loopen over het heldermaken van zichzelf. - - - - -NAWOORD. - -Dit boven geschreven hoofdstuk van commentaar legt de heldermaking uit -der schitterende deugd. - - - Ik ben het niet met de verklaring in dit Nawoord eens. In stede van - eene uitlegging hebben wij hier enkel een aanhaling van een paar - oude teksten, die men zou kunnen toepassen op het vorige hoofdstuk - van Confucius. De Kʼang Kao of „Aankondiging” aan Kʼang is. een - boek uit de Chow dynastie. De aangehaalde woorden werden door - koning Woe gesproken over zijn’ vader Wĕn en gericht tegen zijn - broeder Foeng. De Tʼai Kia is een boek uit de Shang dynastie, en in - de aangehaalde woorden is de „hij” de beroemde koning Thʼang. De - „hij” in No 3 is keizer Yaou zelf. Veel van een commentaar, d. i. - eene uitlegging, heeft dit hoofdstuk nu juist niet. - - - - -HOOFDSTUK II. - -Op de badkuip van Thʼang staat gegraveerd: „Als gij u zelf werkelijk -iederen dag kunt hernieuwen, hernieuw u dan dag aan dag, en nóg weer -eens hernieuw u élken dag.” - -2. In de Kʼang Kao wordt gezegd: „Wek het volk op tot hernieuwing.” - -3. De Shi King zegt: „Ofschoon Chow een oude staat was, waren toch zijn -verordeningen nieuw.” - -4. Daarom, er is niets, waarin de Kiün Tszʼ niet zijne uiterste kracht -inspant. - - - - -NAWOORD. - -Bovenstaand tweede hoofdstuk van commentaar legt de hernieuwing van het -volk uit. - - - Over die „uitlegging” kan hetzelfde gezegd worden als in de - bespreking van het vorige hoofdstuk. Eigenaardig is in No 1, dat - die regels op een badkuip gegrift werden, want hierbij vergeleek - men het wasschen van het lichaam met het wasschen, dus verreinen, - hernieuwen van de ziel. - - - - -HOOFDSTUK III. - -1. De Shi King zegt: „Het koninklijke domein van duizend lí [57] is -daar waar het volk rust.” - - - Hiermede wordt bedoeld: „Ieder mensch en ding heeft een eigen - plaats waar hij moet rusten.” - - -2. De Shi King zegt: „Het zingende gele vogeltje rust op den hoek van -den heuvel.” De Meester zeide: „Als het rust weet het wáár te te -rusten. Kan het zijn, dat men een mensch is en niet gelijk aan het -vogeltje?” - -3. De diepe en onbereikbare koning Wĕn! Hoe altijddurend en schitterend -vereerde hij zijne rustplaatsen! Als vorst rustte hij in -menschelijkheid. Als onderdaan rustte hij in reverentie. Als zoon -rustte hij in de Hiao (ouderlievendheid). Als vader rustte hij in -liefde. In den omgang met zijn onderdanen rustte hij in -waarheidlievendheid. - -4. De Shi King zegt: „Ziet naar den kronkelenden loop van de Kʼie! O! -Hoe schoon en frisch zijn de groene bamboes! Hier is onze elegante en -welopgevoede prins! Zooals wij snijden, zooals wij (daarna) vijlen, -zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) slijpen! Hoe waardig, hoe -streng! Hoe majestueus, hoe gedistingeerd! Onze elegante en -welopgevoede prins, wij zullen hem nooit vergeten!”—„Zooals wij -snijden, zooals wij (daarna) vijlen” beteekent het werk van leeren. -„Zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) slijpen” beteekent het -verzorgen van zijn Zelf (zijn eigen karakter). - -„Hoe waardig en streng!” beteekent indrukwekkend en imponeerend. „Hoe -majestueus! hoe gedistingeerd!” beteekent een met (eerbiedige) -ontzetting slaand gedrag. „Onze elegante en welopgevoede prins, wij -zullen hem nooit vergeten!” beteekent, dat als de Tao volmaakt is, en -de deugd tot haar uiterste volmaakt, het volk die niet kan vergeten. - - - De vergelijking van de rivier Kʼie (een zijtak van de rivier Wei in - N.-O. Honan) met een’ vorst, dunkt mij niet bizonder zuiver, al is - de bedoeling dat een koning, wiens gedrag in de goede richting - loopt, het rijk om zich heen vruchtbaar maakt, zooals de rivier dat - het land doet. De in dit nummer verheerlijkte vorst was hertog Woe - van Wei. - - -5. De Shi King zegt: „O! De vroegere koningen zijn niet vergeten!” (De -latere) vorsten en wijzen vereerden wat zij vereerden, volgden na en -hadden lief wat zij liefhadden. En het gewone volk verheugde zich in -datgene, waarin zij zich verheugden, en vaarden wel in dat, wat zij tot -hun welvaart hadden gedaan. Dit is, hoe de vroegere koningen na hunnen -dood niet werden vergeten. - - - Met de vroegere koningen, hierin verheerlijkt, worden bedoeld - koning Wĕn en zijn zoon, koning Woe, van Chow. - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande derde hoofdstuk van commentaar legt uit het rusten in -het opperste Goede. - - - Ook voor deze verklaring geldt wat ik voor de nawoorden der vorige - hoofdstukken zeide. In stede van uitleggingen, d. i. breed - omschrijven van het idee in den hoofdtekst, zijn het eerder - toepassingen en toespelingen. Ik zal deze aanteekening voor de - hoofdstukken, die nog volgen, niet telkens weer maken, en nu - voortaan als bekend beschouwen. - - - - -HOOFDSTUK IV. - -De Meester zeide: „In het hooren van processen ben ik als alle -menschen. Moet niet (de Wijze) stellig maken dat er geen processen -zijn? Dan zullen de menschen zonder principes hun redeneeringen niet -kunnen ten einde brengen, en een groote vreeze zijn in de neigingen van -het volk. Dit is het weten van den Oorsprong. - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande vierde hoofdstuk legt uit den Oorsprong en het einde. -(Zie No. 3 van den hoofdtekst.) - - - Hier wordt dus terecht gezegd, dat het beter is, het volk zelf - beter te maken (te hernieuwen) dan recht te spreken in de - geschillen en processen. Als de heldere deugd van het volk niet - langer verduisterd is, zal het vanzelf goed zijn, en geen processen - voeren. Is de oorsprong, het volk hier dus, zélf goed, dan is het - einde, het resultaat ook goed. De oorsprong der processen zit niet - in de processen zelve, maar in het volk dat ze voert en dat door - den Wijze verbeterd, hernieuwd moet worden. - - - - -HOOFDSTUK V. - -1. Dit noemt men het weten van den Oorsprong. - -2. Dit noemt men het opperste van het Weten (de kennis). - - - - -NAWOORD (VAN CHOE HIE). - -Het bovenstaande vijfde hoofdstuk van commentaar legt uit „het -doorgronden van de dingen en de kennis tot het hoogste opvoeren” (Zie -Hoofdtekst No. 4 en 5), maar is nu verloren. Ik heb gewaagd, de -bedoeling van den filosoof Chʼing te nemen om dit aan te vullen als -volgt: „Wat men noemt de kennis tot het hoogste opvoeren bestaat uit -het doorgronden van de dingen,” beteekent: Als wij onze kennis tot het -hoogste willen opvoeren, moeten wij de dingen doorgronden tot wij aan -hunne principes komen; want de geest van den mensch is stellig (van -eene natuur) om te (kunnen) weten, en er is geen ding onder den Hemel, -dat geen principe heeft. Maar als de principes niet doorgrond zijn, is -de kennis niet volmaakt. Daarom begint de Ta Hiŏh zijn leer met den -leerling, met betrekking op alle dingen onder den Hemel, te leeren om -van de kennis hunner principes uit te gaan, en ze dán verder te -doorgronden, tot hij het hoogste (weten) bereikt heeft. Als hij zóólang -zijne krachten inspant zal hij op eens een reëele, alles doordringende -kennis hebben. Dan zal hij aan het uitwendige en inwendige, aan het -fijne en grove van alle dingen toe komen, en zal zijn geest in zijn -geheele wezen en zijne betrekkingen tot de dingen dan niet helder -wezen? Dit noemt men het doorgronden van de dingen. Dit noemt men de -kennis tot het hoogste opvoeren. - - - De uitlegging, in dit Nawoord door Choe Hie gegeven, wordt door - anderen betwist, die hunne eigen verklaring er van geven. Ik heb - Choe Hie hier gevolgd, omdat de zijne mij het beste toeschijnt. Ik - kan niet nalaten, dit hoofdstuk in verband te brengen met de - „Choeng Yoeng” (Bespr. Hfdst. XXII), waarin gezegd wordt, dat alle - dingen onder den Hemel een Sing hebben. Niet den uitwendigen - schijn, den vorm, de gedaante der dingen moeten wij als basis nemen - voor onze doorgronding, leert dus de Confucianistische filosofie, - maar hun Oorsprong, hun fondamenteele principes, die voortvloeien - uit de Sing, en over deze Sing wordt in de „Choeng Yoeng” geleerd. - - - - -HOOFDSTUK VI. - -1. „Wat wordt genoemd de bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig -maken” is het weren van zelfbedrog, zooals wij haten een slechten geur -en liefhebben een schoone kleur. Dit noemt men zelf-voldoening. Daarom -moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijn eenzaamheid. - -2. Voor den in ledigheid wonenden kleinen mensch is er niets slechts, -waar hij niet toe zal komen. Als hij een Kiün Tszʼ ziet, zal hij -dadelijk daarna, van schaamte zich vermommende, zijn slecht verstoppen, -en zijn goed ten toon spreiden. De andere mensch ziet hem, alsof hij -zijn long en lever zag, en waar diende (dat verbergen) dan voor? Dit -noemt men: „Wat werkelijk van binnen is manifesteert zich naar buiten.” -Daarom moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijne eenzaamheid. - - - De laatste regels van No.’s 1 en 2 hierboven vindt men terug in - „Choeng Yoeng” Hfdst. I, No. 3. Vergelijk ook voor No. 2 de „Loen - Yü” fragmenten, onder Boek II („Kijk naar iemands daden” enz.). - - -3. De filosoof Tsĕng zeide: „Wat tien oogen zien, waar tien handen naar -wijzen, moet in hooge majesteit worden gehouden.” - - - Wat de filosoof hier bedoelt is eene illustratie van No. 2. Het - binnenste van den mensch, dat hij toch niet kan verbergen, en waar - de wijzen en de geesten om hem heen in kunnen zien, en naar wijzen, - moet in hooge eere worden gehouden en altijd vol majesteit zijn. - Altijd moet hij er over waken. - - -4. Rijkdom siert een huis, de deugd siert een persoon (een karakter). -Het hart is verruimd en het lichaam is in rust. Daarom maakt de Kiün -Tszʼ stellig zijn bedoelingen en gedachten ernstig en oprecht. - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande zesde hoofdstuk van commentaar legt uit „het ernstig -en oprecht maken der bedoelingen en gedachten.” - - - - -HOOFDSTUK VII. - -1. Wat bedoeld wordt met: „Het verzorgen van het zelf (het karakter) -bestaat uit het rechtmaken van het hart,” (beteekent het volgende:) Als -iemand in woede is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als iemand -in vreeze is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als iemand onder -den invloed van liefde is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als -iemand onder den invloed van smart is, zal hij het rechtzijn niet -verkrijgen. - - - Met recht bedoel ik hier meer ’t engelsche „right”, het absoluut - rein en zuiver zijn als een rechte lijn, zonder afwijking of - buigen, absoluut rechtvaardig, absoluut puur. - - -2. Als het hart er niet bij is kijken wij, en zien niets, luisteren wij -en hooren niets, eten wij, en proeven den smaak niet. - -3. Dit is de bedoeling van: „Het verzorgen van het zelf bestaat uit het -rechtmaken van het hart.” - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande zevende hoofdstuk van commentaar legt uit het -rechtmaken van het hart en verzorgen van het zelf. - - - - -HOOFDSTUK VIII. - -1. Wat bedoeld wordt met: „Het regelen van de familie bestaat in het -verzorgen van zijn karakter,” (beteekent het volgende:) Als menschen -genegenheid en liefde voelen, zijn zij partijdig; als zij verachten en -haten, zijn zij partijdig; als zij in vreeze en in eerbied zijn, zijn -zij partijdig; als zij in droefheid en medelijden zijn, zijn zij -partijdig; als zij hooghartig en onverschillig zijn, zijn zij -partijdig. Zij, die liefhebben en (toch) het slechte (van wat zij -liefhebben) kennen, en zij, die haten en (toch) het goede (van wat zij -haten) kennen zijn weinigen onder den Hemel! - -2. Daarom luidt een zegswijze: „Een mensch kent niet de slechtheid van -zijn zoon, en kent niet de rijpheid van zijn groeiend graan.” - -3. Dit wordt bedoeld met: „Als het zelf (karakter) niet wordt verzorgd, -kan men er de familie niet mede regelen.” - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande achtste hoofdstuk van commentaar legt uit het -verzorgen van het zelf en het regelen der familie. - - - - -HOOFDSTUK IX. - -1. Wat bedoeld wordt met: „Om het rijk te regeeren moet men stellig -eerst zijne familie regelen,” beteekent: „Als men zijne familie niet -kan leeren, kan men (ook) andere menschen niet leeren. Daarom behoeft -de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is, niet buiten zijne familie te gaan om -zijn leer voor den staat te volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn’ -vorst dienen. De Ti (liefde en eerbied voor den ouderen broeder), -daarmede moet men zijne superieuren dienen. De Tszʼ (compassie), -daarmede moet men de menigte behandelen. - -2. In de Kʼang Kao staat: „Als wakende over een kind”. Als het hart er -ernstig en oprecht naar streeft, ofschoon het niet altijd het precies -juiste zal doen, zal het er toch niet ver van af zijn. Er is nog geen -(meisje) geweest, die (eerst) opvoeden leerde, om later te huwen. - - - Dit artikel wil uitdrukken, dat Hiao, Ti, en Tszʼ (Compassie), zie - No. 1 hierboven, geen dingen zijn, die men met geweld expresselijk - moet krijgen, maar dat zij ingeboren en natuurlijk zijn en in het - menschelijk hart hun oorsprong hebben. De vorst moet over het volk - waken als een moeder „wakende over haar kind.” Het kind kan niet - spreken en zeggen wat het noodig heeft, maar als de moeder ernstig - streeft naar zijn welzijn, zal zij wel niet altijd precies alles - doen wat het noodig heeft, maar er toch ook niet ver van af zijn. - Dit is de grootheid van een liefhebbend hart, dat het vanzelf doet - wat voor het voorwerp dier liefde goed is. Zóó wordt een meisje - niet vooraf geleerd, hoe een kind op te voeden, en toch weet zij - het na haar huwelijk vanzelf. Zóó ook met den vorst. De Hiao, de Ti - en de Tszʼ, waarmede hij het volk bewaken en regeeren moet, zijn - eigen aan zijne natuur en in zijn hart geworteld. - - -3. Heeft ééne familie menschelijkheid, dan wordt de geheele staat -menschelijk, heeft ééne familie wellevendheid, dan wordt de geheele -staat wellevend. Is één mensch eerzuchtig en verdorven, dan wordt de -geheele staat verward en oproerig. Zóó is het met (den invloed) der -omstandigheden. Dit is waarom men zegt: „Eén woord kan een zaak -bederven, één mensch kan het rijk vestigen (in goed of kwaad).” - - - Met die ééne familie wordt hier stellig de familie van den vorst, - met dien éénen mensch de vorst zelf bedoeld. De vorst heeft den - voorspoed of het verderf van den staat in zijne hand. - - -4. Yaou en Shoen leidden het keizerrijk met menschelijkheid, en het -volk volgde hen. Kjeh en Cheu leidden het keizerrijk met geweld en het -volk volgde hen. Wat zij bevalen (van wetten) was tegenovergesteld aan -waar zij van hielden (van begeerten) en het volk volgde (hunne bevelen) -niet. Daarom moet de (Vorst die een Kiün Tszʼ) is, alles (eerst) zelf -hebben en dáárna van het volk verlangen dat het zelf (ook) heeft, en -moet alles (eerst) zelf niet hebben en dáárna van het volk verlangen, -dat het dit zelf óók niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert en -(alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk -vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan. - - - Kjeh was de laatste keizer der Hia dynastie, die door zijn - wangedrag de dynastie ten val bracht (1818 v. C). Cheu, of Cheu Sin - was de chineesche Nero, de laatste keizer der Yin dynastie, [58] - die, door koning Wĕns zoon Woe, van den troon verjaagd, zichzelf - met zijn paleis verbrandde (1122 v. C.).—De vorst, wordt in dit - artikel bedoeld, moet alles wat hij als wet of leer uitvaardigt, - allereerst op zichzelf doen slaan, en mag zichzelf daarin niet - wegcijferen als daarbuiten staande. Want van hém gaat juist alles - uit. Met het eerste „alles” wordt natuurlijk bedoeld „alle goede - dingen” en niet het tweede „alle slechte dingen.” - - -5. Daarom, het regeeren van den staat bestaat in het regelen van zijne -familie. - -6. De Shi King zegt: Hoe teeder is die perzikboom! Hoe overvloedig is -zijn gebladerte! Het meisje gaat naar het huis van haar echtgenoot! Zij -zal haar familie (huishouden) behoorlijk regelen. Is de familie -geregeld zooals het behoort, dan kan men de menschen van den staat -leeren. - -7. De Shi King zegt: „Zij dienen hun oudere broeders zooals het -behoort, zij doen hun plicht tegenover hun jongere broeders zooals het -behoort.” Dient (de Vorst) zijn oudere broeders en doet hij zijn plicht -tegenover zijn jongere broeders zooals het behoort, dan kan hij later -daarmede de menschen van den staat leeren. - -8. De Shi King zegt: „Er is niets verkeerds in zijn houding.” Hij maakt -het volk der staten alom recht.—Als (de Vorst) als vader, als kind, als -oudere broeder, als jongere broeder geheel aan de wetten (van die -kwaliteiten) voldoet, dan maakt later het volk daar hun wet van. - - - De laatste zin zou, minder getrouw aan den origineelen tekst, maar - duidelijker uitgedrukt, ook kunnen vertaald worden: „Als (de vorst) - als vader, als zoon, als oudere broeder, als jongere broeder in al - die kwaliteiten volmaakt is, dan maakt het volk hem later tot hun - voorbeeld.” - - -9. Dit is de bedoeling van „Het regeeren van den staat bestaat in het -regelen van zijne familie.” - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande negende hoofdstuk van commentaar legt uit: „Het -regelen van de familie en het regeeren van den staat.” - - - - -HOOFDSTUK X. - -1. Wat men noemt: „Het keizerrijk tot vrede brengen bestaat uit het -regeeren van zijn’ staat” beteekent: Als (de Vorst) den Ouden (den -eerbied) geeft die den Ouden toekomt, dan zal het volk Hiao krijgen. -Als (de Vorst) zijn’ superieuren geeft wat den superieuren toekomt, dan -zal het volk Ti (broederliefde) hebben. Als (de Vorst) medelijdend -weezen en hulpeloozen behandelt, zal het volk hetzelfde doen. Daarom, -de Kiün Tszʼ heeft een principe van beperking, waarnaar hij zijn gedrag -kan afmeten. - - - Ik heb mij (evenals Wells Williams in zijn dictionnaire deed onder - „kieh”) een vrijheid veroorloofd met den tekst, ter - verduidelijking. Letterlijk staat er, dat de Kiün Tszʼ een principe - heeft in den vorm van een vierkant, waarmede hij kan meten. De - bedoeling is: „een principe, waarnaar hij zich moet richten.” Onder - „Ouden” is hier te verstaan ouders en ouden van dagen, onder - superieuren oudere broeders en oude verwanten. - - -2. Wat men haat in zijn superieuren mag men niet doen aan zijn -inferieuren; wat men haat in zijn inferieuren mag men niet gebruiken in -’t dienen van zijn superieuren. Wat men haat in diegenen, die voor ons -zijn, daarmede mag men niet diegenen, die ná ons komen, voorgaan; wat -men haat in diegenen, die ná ons komen, daarmede mag men niet volgen -diegenen, die vóór ons zijn. Wat men haat, van rechts te ontvangen, mag -men niet naar links uitdeelen; wat men haat, van links te ontvangen, -mag men niet naar rechts uitdeelen. Dit is wat men noemt het principe -van beperking, naar welk (de Vorst) zijn gedrag kan afmeten. - -3. De Shi King zegt: „Hoe blij zijn wij met deze prinsen, de ouders van -het volk.” Als (de Vorsten) liefhebben, wat het volk liefheeft, en -haten, wat het volk haat, dan worden zij de ouders van het volk -genoemd. - - - Ook dit, evenals No. 1 en 2, geeft dus aan, waaruit het principe - van beperking bestaat. - - -4. De Shi King zegt: „Hoe verheven is die zuidelijke berg met zijn -ruige rotsen! Hoe majestueus zijt gij, onze Meester Yin; het geheele -volk ziet tegen u op!” Zij, die den staat regeeren, mogen niet -zorgeloos zijn. Als zij afwijken (van het vaste principe) komen zij in -het geheele rijk tot schande. - -5. De Shi King zegt: „Toen de keizers der Yin dynastie nog niet (de -liefde van) het volk hadden verloren, waren zij de gelijken van Shang -Ti. Ziet in uw houding naar Yin als (afschrikwekkend) voorbeeld! Het -groote Lot (van den Hemel) is niet gemakkelijk (te behouden). Hieruit -blijkt als regel, dat als (de Vorst) de liefde der massa verkrijgt, hij -ook den staat verkrijgt, en als hij de liefde der massa verliest, hij -ook den staat verliest. - - - Shang Ti is een der alleroudste godheden der chineezen, van lang - vóór Confucianisme, Boeddhisme, en Taoïsme, een suprême heerscher - in den Hemel. Sommigen personifieeren hem met den Hemel. Dit werk, - enkel een werk over Confucianisme zijnde, kan ik hier niet - uitvoerig over Shang Ti uitweiden, waarvoor een geheel nieuw werk - zou noodig zijn. De protestantsche zendelingen hebben de - onvoorzichtigheid begaan, ons God in Shang Ti te vertalen, wat tot - groote verwarring aanleiding geeft. - - Met „ming”, door mij vertaald het Lot, en dat ook het Noodlot kan - beteekenen, wordt hier bedoeld „Het goede Lot, door den Hemel tot - geluk aan het rijk beschoren.” Omtrent het uiteinde van den - laatsten keizer der Yin dynastie zie men No. 4. (Bespreking.) - - Ik wil deze gelegenheid gebruiken om dus nog even te resumeeren, - wat wordt bedoeld met het principe van beperking, waarnaar de vorst - zijn gedrag moet afmeten. Ten eerste dus, hij moet zijne ouders en - de ouden van dagen, en ook zijne superieuren den gepasten eerbied - betuigen, ten tweede moet hij niet doen aan inferieuren wat hij - haat in inferieuren en omgekeerd, enz. (zie No. 2), ten derde moet - hij liefhebben en haten wat het volk liefheeft en haat, dus met het - volk één hart hebben, ten vierde moet hij er om denken, dat hij - altijd door te zorgen heeft voor zijn eigen gedrag, niet enkel voor - dat van het volk, ten vijfde moet hij begrijpen, dat met de liefde - van zijn volk het rijk voor hem staat of valt. - - -6. Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als -hij de deugd heeft, heeft hij (ook) de (liefde der) menschen. Als hij -de (liefde der) menschen heeft, heeft hij (ook) het grondgebied. Als -hij het grondgebied heeft, heeft hij (ook) bezittingen. Heeft hij -bezittingen, dan heeft hij (ook) middelen voor zijne uitgaven. - -7. De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde (het -gevolg). - - - Hier heeft men de toepassing van den Hoofdtekst No. 3. - - -8. De Vorst, die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak, -zal met het volk in strijd komen, en maken dat overal roof gebeurt. - -9. Daarom, als de bezittingen zich verzamelen (bij den Vorst), dan zal -het volk zich verspreiden; als de bezittingen zich verspreiden, dan zal -het volk zich verzamelen. - -10. Daarom, als de woorden (van den Vorst) uitgaan tegen recht in, dan -zullen zij ook tegen recht in weer tot hem inkomen. Als de bezittingen -(van den Vorst) tegen recht in bij hem inkomen, dan zullen zij ook -tegen recht in (weer) van hem uitgaan. - -11. De Kʼang Kao zegt: „Waarlijk, het Lot kan niet altijddurend -(blijven)”, dat wil zeggen, goedheid verkrijgt het, slechtheid verliest -het. - - - „Lot” hier weer als Besluit des Hemels omtrent het heil des lands, - welks besluit door goedheid voor zich gewonnen, door slechtheid - voor zich verloren gaat. - - -12. In het Boek van Tsʼoe staat: „De staat van Tsʼoe beschouwt dit niet -als een kostbaarheid. Het beschouwt alleen het Goede als een -kostbaarheid.” - - - Toen een afgezant van Tsʼoe in den staat Tsin was, vroeg een - Tsinsch mandarijn hem, wat de kostbare gordel waard was, dien hij - droeg, en de afgezant uit Tsʼoe antwoordde met deze beroemd - geworden woorden. Dit No. evenals het volgende illustreert het - gezegde in No. 7. „Deugd is de Oorsprong, bezitting is het einde - (het gevolg). - - -13. Faan, (hertog Wĕn’s) oom, zeide: „Deze waardelooze mensch beschouwt -dat niet als een kostbaarheid; hij beschouwt liefde voor zijne ouders -als een kostbaarheid.” - - - Met dit „dát” wordt bedoeld „het verkrijgen van den staat.” Faan - was een neef van hertog Chow Wĕn Koung van Tsʼin, die uit zijn rijk - was verjaagd. Toen er sprake van was, om dat rijk weer te - heroveren, gaf Faan deze woorden vermanend aan zijn’ oom ten beste, - zichzelf nederig „waardeloos mensch” noemend. - - -14. In de Tsʼin Shiʼ. staat: „Als ik kon hebben één minister, die puur -en oprecht was, zonder (pretentie op) andere talenten, sober en sereen, -en als hebbende verdraagzaamheid; als anderen talenten hebben, dat het -voor hem was, alsof hij ze zélf had; die als hij uitstekende en -welopgevoede menschen (ontmoet), van hen meer houdt in zijn hart dan -zijn mond het uitspreekt, en hen kan verdragen; zúlk een minister zou -mijn kinderen en kleinkinderen kunnen behoeden en het zwartharige volk, -en bovendien van voordeel zijn voor het rijk. Maar (als de minister er -een is die), als hij (andere) menschen van talent ziet, jaloersch op -hen is, en hen haat, en als hij uitstekende en welopgevoede menschen -(ontmoet) zich tegen hen keert en niet toelaat, dat zij bevorderd -worden, en hen dus wezenlijk niet kan verdragen; zulk een minister zou -mijne kinderen en kleinkinderen en het zwartharige volk niet kunnen -behoeden, en ook gevaarlijk (voor den staat) worden genoemd. - - - De Tsʼin Shiʼ of Declaratie van Tsʼin is het laatste boek van de - Shoe King. Ik zie hierin de bedoeling, dat een minister, die een - simpel en oprecht mensch was vóór alles, al had hij niet allerlei - bizondere, uitstekende talenten, de man was, waaraan men behoefte - had. Iemand zonder jaloerschheid, die het verheugd kon aanzien als - er bizonder talentvolle mannen in het rijk waren. „Het zwartharige - volk” is een veel voorkomende uitdrukking voor „het chineesche - volk.” Het volgende No. gaat hierop door. - - -15. Alleen de (werkelijk) menschelijke mensch kan zóó eenen wegzenden -en hem verbannen naar de barbaren in de vier windstreken, hem niet met -zich samen latende wonen in het Rijk van het Midden. Dit wordt bedoeld -met het gezegde: „Alleen de menschelijke mensch kan (andere) menschen -liefhebben, of kan (andere) menschen haten.” - -16. Menschen van talent en waardigheid zien en ze niet kunnen -bevorderen; ze wel bevorderen, maar dit niet spoedig (genoeg) kunnen -doen, dit is impertinent; slechte menschen zien en ze niet kunnen -wegzenden; ze wegzenden, maar dit niet spoedig genoeg kunnen doen, dit -is een fout. - - - Met „bevorderen” bedoel ik hier, hun een ambt geven, of, als ze er - al een hebben, hen promotie te doen maken. Confucius beschouwde het - als een hoogsten plicht, menschen van waardigheid en talent - onmiddellijk in de regeering te gebruiken. (Zie ook b. v. Choeng - Yoeng XX. No. 4), en dit nalaten stond gelijk met een - misdaad.—Eveneens was het een hoofdplicht, op staanden voet slechte - ambtenaren in stede van ze à tout prix te handhaven, onmiddellijk - te verwijderen. Want de regeerende ambtenaren moesten zijn de - „vaders van het volk”, die het, ook door voorbeeld, moesten leeren - hernieuwen, en het bewaken en verzorgen „als een moeder, wakende - over haar kind.”—Confucius’ leer was, dat de regeering niet - allereerst moest straffen, maar dat misdaden van het volk vooral - dáárdoor voorkwamen, dat het niet werd geleerd en voorgegaan in het - goede. Niet de officieel gegeven rang maakte den bestuursambtenaar - uitsluitend, maar zijn eigen handel en wandel waren de hoofdzaak, - de oorsprong. Van in hem te handhaven prestige was geen sprake, - want de bestuursambtenaar maakte zijn prestige zelf met zijn eigen - deugd, zijn eigen menschelijkheid. - - -17. Lief te hebben wat de menschen haten, te haten wat de menschen -liefhebben, dit noem ik tegen de menschelijke natuur ingaan. Stellig -zullen over het hoofd (lett. het lichaam) van dezulken (die zoo doen) -rampen komen. - -18. Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is een grooten Weg (van -bedrag) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij -het (rechte daarvan). Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij -het. - -19. Het voortbrengen van schatten heeft (ook) een grooten Tao. [59] -Zijn zij, die produceeren, velen en zij die eten weinigen, zijn zij, -die maken, actief en zij die gebruiken zuinig, dan zal de weelde altijd -voldoende zijn. - - - Dit schatten, „ts’oi” te verstaan door „alles wat van nut is, dus - zoowel bezitting, weelde, als alle voedingsmiddelen.” - - -20. Hij, die menschelijk is, komt vooruit door (de manier waarop hij) -zijne schatten (krijgt en door wat hij er mede doet); hij, die niet -menschelijk is, verkrijgt schatten door (het verwaarloozen van) zijn -zelf-karakter (lett. zijn lichaam). - - - De tekst zou licht aanleiding geven tot misverstand, want daar - staat letterlijk: „Hij, die menschelijk is, bevordert zichzelf door - zijne schatten (wat zou beteekenen: heeft zijn rang gekocht met - zijn geld) en hij, die niet menschelijk is, verkrijgt schatten door - zijn zelf.” Choe Hie legt het in zijn commentaar uit in den zin, - dien ik hier geef. - - -21. Het is nog niet voorgekomen, dat als de Vorst menschlievendheid -liefhad, het volk plichtmatigheid niet liefhad; het is nog niet -voorgekomen, dat (het volk) plichtmatigheid liefhad en de zaken (van -den Vorst) niet tot het (goede) eind kwamen. En het is nog niet -voorgekomen (in een staat als deze) dat de schatten in de dépots en -schatkamers niet de schatten (van dien Vorst) bléven. - - - Voortdurend ziet men aldus in de Ta Hiŏh geleerd, dat als de Vorst - maar zelf vóórgaat in deugd en menschelijkheid, hij niet alleen - maakt dat het volk zijn plicht doet, maar ook zijn eigen geluk en - welzijn daarmede bevordert. - - -22. „Meng Hien zeide: „Die paarden en rijtuigen houdt gaat niet na of -hij wel kippen en varkens heeft. Een familie, die ijsmagazijnen houdt -fokt geen koeien en schapen. Een familie van honderd wagens houdt er -geen minister op na, die begeerig is op belasting opleggen. Beter dan -zulk een minister te hebben, die begeerig is op belasting opleggen, zou -het voor die familie zijn om dieven te hebben (die haar zelve -berooven). Dit wordt bedoeld met het gezegde: „Een staat moet geen -winst als voordeel beschouwen, maar moet plichtmatigheid als voordeel -beschouwen.” - - - Mĕng Hien was een beroemd minister van den staat Loe, die regeerde - vóór Confucius leefde. Legge teekent bij dezen tekst aan, dat als - een ambtenaar zijn post voor het eerst ging bekleeden, hij vroeger, - in Mĕng Hiens tijd, van den vorst een wagen met vier paarden kreeg - om te beletten, dat hij op andere, oneerlijke manieren zich zou - verrijken. IJs werd door hooge mandarijnen in magazijnen gehouden - om in rouwceremoniën te gebruiken. Een chineesch commentator geeft - als bedoeling—die ik voor zeer juist houd—„dat de staat moet - zorgen, dat de ambtenaren genoeg traktement hebben, zoodat zij niet - gedwongen worden het volk te bestelen tot in hun kippen en runderen - toe. Maar als zij van den staat voldoende traktement kregen, waren - zij ook gehouden, naar plicht en recht te handelen.” - - -23. Als hij, die aan het hoofd van een’ staat is, zijn schatten -(weelde) tot zijn hoofdzaak maakt, dan komt dat stellig door een’ -gemeenen (kleinen) mensch (die hem influenceert), naar ik meen. Híj -beschouwt hem dan als een goed mensch. Als (deze) gemeene mensch -gebruikt wordt in de actie (van regeeren) van een staat, dan zullen er -tegelijkertijd rampen en gevaren neêrkomen. Al is (er dan later) een -goed mensch (voor in de plaats gekomen) dan zal het niet meer zóó als -behoort kunnen worden, naar ik meen. Dit wordt bedoeld met „Een Staat -moet geen winst als voordeel beschouwen maar plichtmatigheid als -voordeel beschouwen.” - - - Een commentaar wijst er op, dat het dus de plicht is van den Vorst - niet zóó maar argeloos zijn ministers (al zijne ambtenaren) als - goede menschen te beschouwen, maar dat hij wel degelijk voortdurend - moet onderzoeken. Zulk een gemeen mensch, in de regeering gebruikt, - zal èn den toorn van den Hemel opwekken, die dan rampen doet - gebeuren, èn het hart van het volk verliezen, wat dan gevaar van - opstand geeft. Wordt dan later in zijn plaats een goed mensch tot - zijn’ rang bevorderd, die alles wil trachten te redden, dan zal hij - toch niet meer redden kúnnen. - - - - -NAWOORD. - -Het bovenste tiende hoofdstuk van commentaar legt uit, het regeeren van -den staat en het tot (rust en) vrede brengen van het geheele rijk. Er -zijn alzoo tien hoofdstukken van commentaar. De eerste vier -hoofdstukken bespreken in ’t algemeen de (drie) Hoofden (van het werk) -en geven er de essence (lett.: de geur) van aan; de (overige) zes -hoofdstukken bespreken nauwkeurig de acht détails en hun werking. Het -vijfde hoofdstuk bevat de noodzakelijkheid van de heldermaking van het -goede, en het zesde hoofdstuk bevat den oorsprong van het komen tot -Chʼing. Deze vorige hoofdstukken moeten door den leerling van het -grootste gewicht worden beschouwd. Laat de lezer ze niet minachten om -hun (schijnbare) eenvoudigheid. - - - - - - -FRAGMENTEN UIT DE LOEN YÜ. - - -UIT BOEK I. - -De Meester zeide: „Mooie woorden en een mooi (gemaakt) gezicht gaan -zelden samen met menschelijkheid.” - -De filosoof Tsʼeng zeide: „Ik doe dagelijks drie onderzoekingen in mijn -karakter: of ik in mijn handel voor andere menschen wel loyaal ben -geweest; of ik in mijn’ omgang met vrienden wel oprecht ben geweest; of -ik de lessen (van mijn’ Meester) wel heb opgevolgd.” - -De Meester zeide: „Om over een rijk van duizend wagens te regeeren, -moet men eerbiedige toewijding aan den dienst hebben, en getrouw zijn; -moet men zuinig zijn in de uitgaven; moet men het volk liefhebben en op -(gepaste) tijden gebruiken.” - -De Meester zeide: „Een jongeling moet thuis ouderlievend zijn en -buitenshuis eerbied hebben voor zijn meerderen; hij moet ernstig zijn -en de waarheid spreken; hij moet alle menschen overvloedig liefhebben, -en met de menschlievenden omgaan. Als hij daarna nog kracht over heeft -moet hij die gebruiken voor de studie van de litteratuur.” - -Tszʼ Hia zeide: „Als een mensch de deugd eert en zijn gedachten van de -schoonheid aftrekt; als hij zijne ouders dient met uiterste inspanning -van krachten; als hij zijn vorst dient met opoffering van zijn eigen -leven; als hij in zijne woorden waar is in den omgang met zijne -vrienden; ofschoon men van dezen zegt, dat hij niet geleerd heeft, noem -ik dat toch stellig geleerd hebben.” - -De Meester zeide: „Als de Kiün Tszʼ niet ernstig is, zal hij geen -eerbied inboezemen, en is zijne studie niet degelijk.” - -Beschouw loyauteit en oprechtheid als uw hoofdplicht. - -Hebt geen vrienden die uwe gelijken niet zijn. - -Hebt gij fouten, wees dan niet bang ze te veranderen. - -Tszʼ Kin vroeg aan Tszʼ Koeng: „Als onze Meester ergens in een staat -komt, dan hoort hij stellig alles over de regeering daar. Is het -doordat hij er naar vraagt, of geeft men hem (vanzelf) die -inlichtingen?” - -Tszʼ Koeng zeide: „Onze Meester is zacht, oprecht, reverent, gematigd -en bescheiden, en daarmede verkrijgt hij het. De manier waarop onze -Meester inlichting vraagt, is dat niet iets geheel anders dan als -andere menschen inlichtingen vragen?” - -De Meester zeide: „Als iemands vader in leven is, kijk dan naar zijn -neigingen; als zijn vader gestorven is, kijk dan naar zijn gedrag. Als -hij na drie jaren niet afwijkt van den weg zijns vaders kan men zeggen, -dat hij Hiao heeft.” - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ zoekt met eten geen verzadiging (van -zijn eetlust), en zoekt in zijne woning niet naar gemak. Hij is actief -in zijn zaken, en voorzichtig in zijn spreken. Hij zoekt het gezelschap -van menschen van rechte principes om er door verbeterd te worden. Dit -mag met recht liefde voor de studie worden genoemd.” - -Tszʼ Koeng zeide: „Wat denkt gij wel van iemand, die arm is en (toch) -niet vleit; van iemand, die rijk is en toch niet trotsch?” - -De Meester zeide: „Die mogen er wezen; maar dat is tóch nog niet (zoo -mooi) als iemand die arm is, en (toch) gelukkig; als iemand, die rijk -is en van het Decorum houdt.” - -De Meester zeide: „Het bedroeft mij niet, dat de menschen mij niet -kennen; het bedroeft mij, dat ik de menschen niet ken.” - - - - -UIT BOEK II. - -De Meester zeide: „Hij die de regeering uitoefent met zijn deugd is te -vergelijken met de noordelijke poolster, [60] die haar (vaste) plaats -houdt, en alle sterren draaien er om heen”. - - - Deze vergelijking is dáárom vooral zoo mooi, omdat er in ligt - opgesloten—evenals ik in de bespreking van Hoofdstuk XXII der - „Choeng Yoeng” heb gezegd—dat de deugd een macht is, die vanzelf - influenceert en transformeert. - - -De Meester zeide: „De Shi King heeft driehonderd stukken, maar alles -kan worden vervat in één woord: „Hebt geen lage gedachten.” [61] - -De Meester zeide: „Als men het volk leidt met wetten, en tot eenheid -brengt met strafwetten zal het (schending daarvan en dus straf) -vermijden, maar geen schaamte (kennen). - -Als men het volk leidt met deugd en tot eenheid brengt met de Lí (’t -Decorum) zal het schaamte (kennen) en tot het uiterste goede komen.” - -De Meester zeide: „Toen ik vijftien jaar was kreeg ik neiging tot de -studie. - -Toen ik dertig was, was (mijn doel) gevestigd (wist ik, waarheen mij te -richten). - -Toen ik veertig was, had ik geen twijfel. - -Toen ik vijftig was, wist ik de besluiten des Hemels. - -Toen ik zestig was, had ik een gewillig oor (voor het goede). - -Toen ik zeventig was, kon ik mijne neigingen volgen zonder de wetten -(des Hemels) te overschrijden.” - - - Hiermede gaf Confucius een bewijs, hoe een geheel leven noodig is, - om zich te volmaken in die volkomenheid, dat ten laatste onze - neigingen zóó rein zijn, dat we ze gerust mogen volgen, omdat zij - de goede zijn. Toen hij vijftien jaar was kreeg hij lust in leeren; - toen hij dertig was wist hij, wat zijn levensdoel was, en waar hij - zich dus aan te houden had; toen hij veertig was twijfelde en - dwaalde hij niet; toen hij vijftig was wist hij wat de Hemel - vastgesteld had; toen hij zestig was luisterde hij volgzaam naar - het goede, zonder dat zich trots of twijfel daartegen verzetten; - toen hij zeventig was waren al zijne neigingen beweging in Tao, - volgen van den Sing dus, dus lagen zij in de goddelijke beweging - der natuur. - - -Meng Ie [62] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „niet ongehoorzaam -zijn.” - -Toen Faan Chʼi [63] zijn wagen mende vertelde de Meester hem: „Meng -Soen vroeg mij, wat Hiao was, en ik antwoordde hem: „niet ongehoorzaam -zijn”.” - -Faan Chʼi zeide: „Hoe bedoeldet gij dat?” De Meester zeide: „Hen (de -ouders) in hun leven te dienen volgens het Decorum; hen na hun dood te -begraven volgens het Decorum; hun te offeren volgens het Decorum.” - -Meng Woe [64] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „De ouders zijn -toch zoo bezorgd, dat hunne kinderen eens ziek zouden worden.” - -Tszʼ Yioe [65] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „De tegenwoordige -Hiao noemt men het kunnen onderhouden van zijne ouders. Maar honden en -paarden kunnen ook wel zoo iets doen. Zonder reverentie is tusschen die -beide soorten geen verschil.” - -De Meester zeide: „Ik heb den geheelen dag met Hwoey gesproken, en hij -heeft mij niet tegengesproken, alsof hij dom was. Hij is heengegaan, en -ik heb zijn eigen handel en wandel nagegaan en voldoende bevonden om -mijn leer te belichamen. Hwoey! Hij is niet dom!” [66] - -De Meester zeide: „Kijk naar iemands daden!” - -Kijk nu (nauwkeuriger) naar waar zijn daden uit voortkomen! Onderzoek -of hij er in te vertrouwen is! (lett. of hij er in woont, of hij niet -weer veranderen zal dus.) - -Hoe kan iemand (zijn karakter) verbergen! Hoe kan iemand (zijn -karakter) verbergen! - - - Hiermede bedoelt Confucius, dat de Wijze de menschen moet kennen, - al hun motieven en daden onderzoeken. Voor den Wijze slaagt niemand - er ooit in, zijn karakter te verbergen, daar hij toch alles ziet. - - -De Meester zeide: „Als iemand het oude oefent en het nieuwe weet kan -men zeggen dat hij een Meester is van anderen.” - -De Meester zeide: „Een Kiün Tszʼ is geen stuk gereedschap” (dat -iedereen maar gebruiken kan). - -Tszʼ Koeng vroeg: „Wat is een Kiün Tszʼ?” De Meester zeide: „Hij -handelt vóór hij spreekt en spreekt dan later volgens die handelingen.” - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is katholiek en niet partijdig; de -kleine mensch is partijdig en niet katholiek.” - -De Meester zeide: „Zich toeleggen op een vreemde leer is werkelijk -gevaarlijk!” - -De Meester zeide: „Yioe, [67] ik zal U leeren, wat weten is. Als gij -iets weet ook vol te houden dat gij het weet, en als gij iets niet weet -ook te bekennen dat gij het niet weet. Dát is weten.” - -De hertog Ngai [68] vroeg: „Wat moet gedaan worden om het volk te -onderwerpen?” De Meester zeide: „Bevorder de oprechten, en zet de -heimelijken aan den wal, dan zal het volk zich onderwerpen. Bevorder de -heimelijken en zet de oprechten aan den wal, dan zal het volk zich niet -onderwerpen.” - -Kie Kʼang vroeg: „Wat moet er gedaan worden om te maken dat het volk -(zijn Vorst) eert, hem getrouw is, en elkaar vermaant (tot de deugd)?” -De Meester zeide: „Laat hem over hen regeeren met waardigheid (ernst), -dan zullen zij hem vereeren; laat hij Hiao hebben en menschenliefde, -dan zullen zij hem getrouw zijn; laat hem de goeden bevorderen en de -onbekwamen leeren, dan zullen zij elkaar (tot de deugd) vermanen.” - - - Hier zegt Confucius weer, evenals in de „Choeng Yoeng” dat de - regeering in het eigen karakter van den vorst moet zijn geworteld. - - -De Meester zeide: „Ik weet niet hoe een mensch zonder -waarheidlievendheid kan voortkomen. Een groote wagen zonder dwarshout -(om de ossen aan te spannen), of een kleine wagen zonder koppel (voor -de paarden), hoe moeten die (ooit) vooruitkomen?” - -De Meester zeide: „Aan een geest te offeren die niet van ons is, is -vleierij.” - - - Hierbij bedoelde Confucius, dat men alleen aan de geesten zijner - voorvaderen mocht offeren. Hij zou dus het tegenwoordige offeren - aan alle mogelijk geesten streng afgekeurd hebben. - - -(De Meester zeide:) „Te zien wat recht (goed) is, en het niet te doen, -is geen moed hebben.” - - - - -UIT BOEK III. - -De Meester zeide: „Als een mensch geen menschelijkheid heeft, wat heeft -hij dan met het Decorum te maken? Als een mensch geen menschelijkheid -heeft, wat heeft hij dan met muziek te maken?” - -Lin Fang vroeg, wat het gewichtigste van het Decorum (de Lí) was. - -De Meester zeide: „Dat is inderdaad een groote vraag! - -In (feestelijke) ceremoniën is het beter zuinig te zijn dan -verkwistend. - -In ceremonies van rouw is het beter (ware) smart te gevoelen dan -precies (accuraat) te zijn in de ceremonie.” - -De Meester zeide: „Zijn’ vorst te dienen met de volle Lí (het volle -Decorum) wordt door het volk voor vleierij gehouden.” - -De Meester zeide: „De Kwan Tsʼioe is vreugdevol en (toch niet) -buitensporig, en smartvol zonder te kwetsen (door overmaat).” - - - De Kwan Tsʼioe is de naam van de eerste ode in de Shi King. - Confucius wilde hiermede zeggen, dat èn in vreugde èn in smart - harmonie—Hô—moet zijn, en men in geen van beide losbandig mag - wezen, en in uitersten mocht vervallen. - - -De grenswachter van Ie verzocht den (Meester) te mogen zien, zeggende: -„Als Kiün Tszʼs hier gekomen zijn werd mij nog nooit het genot -geweigerd hen te zien.” Zijne volgelingen leidden hem binnen, en toen -hij (weer) buitenkwam zeide hij tot hen: „Mijne vrienden, waarom zijt -gij zoo bedroefd dat (uw Meester) zijne betrekking heeft verloren? Het -keizerrijk is lang zonder Tao geweest. De Hemel gaat uw Meester -gebruiken als een bel met houten tong.” - - - De „toh” is een ijzeren bel met houten tong. De bedoeling van den - grenswachter was, dat de Hemel Confucius gebruikte om overal in het - rijk Tao te verkondigen. - - -De Meester noemde de Shau volmaakt mooi en volmaakt goed, en noemde de -Woe volmaakt mooi, maar nog niet volmaakt goed. - - - De Shau was de muziek van keizer Shoen, de Woe de muziek van koning - Woe. Wat klank en melodie aangaat waren beide volmaakt. Maar, - zooals Choe Hie dat zeer schoon zegt in zijn commentaar: „Het Goede - is het ware Wezen van het Schoone.” De muziek van Shoen was schoon, - omdat hij de regeering verkreeg door de kracht der deugden van zijn - Sing. Koning Woe, [69] de zoon van koning Wĕn, moest om op den - keizerlijken troon te komen eerst den tyran Cheu Sin der Shang - dynastie verslaan met geweld van wapenen. Dit geweldige was ook in - zijn muziek, terwijl in Shoen’s muziek alles rust en vrede was. - - Dit hoofdstuk is een zeer gewichtig punt voor de kennis der - chineesche principes van aesthetiek. - - -De Meester zeide: „Een hooge positie zonder vergevingsgezindheid; -Decorum zonder reverentie; rouw in acht genomen zonder smart, hoe moet -ik deze dingen beschouwen?” - - - - -BOEK IV. - -I. Het schoone van een dorp (buurt) is de menschelijkheid. Als iemand -er een om te wonen uitkiest, waar geen menschelijkheid is, hoe kan hij -dan wijsheid verkrijgen? - - - Ik wijs er nog eens uitdrukkelijk op dat „jen”, in boeddhistische - werken enkel genade, liefde en medelijden beteekenend, in Confucius - niet alleen die liefde uitdrukt, maar ook alle deugden, die aan een - mensch eigen, die menschelijk zijn. - - -II. De Meester zeide: „Menschen zonder menschelijkheid kunnen niet lang -in een toestand van ellende zijn, en niet in een toestand van pleizier. -De menschelijken rusten in menschelijkheid. De wijzen begeeren -menschelijkheid.” - - - De bedoeling is, dat menschen zonder menschelijkheid in armoede - overslaan tot onwettige dingen, als diefstal enz. en in pleizier - tot losbandigheid.—Vergelijk voor de rest dit artikel met de - „Choeng Yoeng”, Hfdst. XIV, Nos. 1 en 2. - - -III. De Meester zeide: „Alleen zij, die menschelijk zijn, kunnen -anderen liefhebben, of anderen haten.” - -IV. De Meester zeide: „Als de wil ernstig gericht is op -menschelijkheid, is er geen slechts (in ons).” - -V. 1. De Meester zeide: „Rijkdom en aanzien zijn wat de menschen -begeeren. Als zij niet in Tao verkregen kunnen worden moet men niet (in -dat verlangen) wonen (rusten). Armoede en lage stand is wat de menschen -haten. Als het niet in Tao kan verkregen worden (dat men daarvan -bevrijd blijft) moet men er niet van weggaan. - -2. Als de Kiün Tszʼ van menschelijkheid weggaat, hoe kan hij dan dien -naam (van Kiün Tszʼ) volmaakt verdienen? - -3. De Kiün Tszʼ gaat niet voor den tijd van één maaltijd tegen -menschelijkheid in. In haast zijnde blijft hij er in, in gevaar blijft -hij er in.” - - - Vergelijk hiermede „Choeng Yoeng” Hfdst. I. No. 2. Menschelijkheid - ligt natuurlijk in Tao, d. i. in het volgen van de Sing, en kan dus - óók nooit worden verlaten. - - -VI. 1. De Meester zeide: „Ik heb nog niet iemand gezien, die -menschelijkheid liefhad, en niet-menschelijkheid haatte. Voor iemand -die menschelijkheid liefheeft, gaat niets daar boven. Iemand, die -niet-menschelijkheid haat, zou wat niet-menschelijk is nooit tot zich -laten naderen. - -2. Is er iemand, die één dag lang zijne krachten inspant tot (het -verkrijgen van) menschelijkheid? Ik heb nog niet gezien, dat die kracht -niet toereikend zou zijn. - -3. Als er al eens zoo’n geval geweest ware, ik heb het nog niet -gezien.” - -VII. De Meester zeide: „De fouten van de menschen zijn eigen aan hun -soort (klasse). Ziende naar iemands fouten kan men zijn menschelijkheid -weten.” - - - Een commentator zegt o. a. „Om iemands fouten kan men zijn hart - doorgronden, en dan kan men ook zijn menschelijkheid zien. Hoe zou - het aangaan te zeggen, dat iemand geen menschelijkheid heeft omdat - hij fouten heeft?” - - Juist aan de fouten, die iemand heeft, en die eigen zijn aan zijn - klasse, en als zoodanig dikwijls vergefelijk, kan men dus zijn - menschelijkheid veelal zien. - - -VIII. De Meester zeide: „Als men ’s morgens den rechten Weg (Tao) hoort -kan men ’s avonds wel sterven.” - -IX. Een geleerde, wiens wil gericht is op Tao, maar die zich schaamt -voor slechte kleeren en slecht voedsel, die is niet geschikt om mede te -redeneeren. - -X. De Kiün Tszʼ onder den Hemel heeft geen vooringenomenheid vóór, of -vooroordeel tegen dingen. Hij doet wat recht is. - - - Het chineesche woord „iʼ”, een der hoofddeugden, in dezen zin waar - het te pas komt door „recht” vertaald en elders door - „plichtmatigheid” beteekent juister omschreven „het volgen van de - rede van den Hemel.” - - -XI. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ denkt aan de deugd, de kleine -mensch aan zijn gemak. De Kiün Tszʼ denkt aan de wetten, de kleine -mensch aan gunst.” - -XII. De Meester zeide: „Tegen hem, die (in alles) zijn voordeel volgt -zal over zijn gedrag veel gemurmureerd worden.” - -XIII. De Meester zeide: „Als (een Vorst) met het ware wezen van het -Decorum zijn staat kan regeeren, wat zal er dan moeilijk voor hem -(kunnen) zijn? Als hij den staat niet met het ware wezen van het -Decorum kan regeeren, wat heeft hij dan met het Decorum te maken?” - - - In den tekst staat het woord „shang” dat weer heel moeilijk door - één hollandsch equivalent te vertalen is. Het beteekent zoowel - welwillendheid, bescheidenheid, nederigheid, kieschheid als - beleefdheid.—Choe Hie zegt in zijn commentaar: „„shang” is het ware - wezen van de Lí (het Decorum)” en dit heb ik dan ook in mijne - vertaling gebruikt.—Lí mag dus niet alleen in ijdelen uitwendigen - vorm bestaan, maar moet haar ware wezen, de „shang” in zich hebben. - - -XIV. De Meester zeide: „Men moet niet bezorgd zijn dat men geen plaats -(rang, betrekking) heeft, (maar) men moet bezorgd zijn of men er wel -een kan vervullen. Men moet niet bezorgd zijn, dat men niet bekend is, -(maar) men moet er voor zorgen, dat men bekend kán wezen.” - -XV. 1. De Meester zeide: „Tsʼan, [70] mijn Leer is eene eenheid, die -alles samenhoudt.” De filosoof Tseng zeide: „Ja.” - - - Men zegt, dat toen Confucius deze woorden uitte, hij een waaier in - dicht gevouwen vorm aan zijne leerlingen voorhield, en dien toen - uitspreidde, en daarna weer dicht vouwde, zeggende: „begrijpt gij - wat ik hiermede bedoel, Tsʼan?” Dit vergelijke men met de „Choeng - Yoeng” en wel de Inleiding daarvan, waarin gesproken wordt van het - ééne principe, dat uitgespreid wordt en dan weer terugkeert, dat - wordt ontrold en weer opgevouwen. Dat ééne principe is hier - natuurlijk niets anders dan de Sing, de bron en oorsprong van - alles, „dat, wat de Hemel als natuur heeft verleend.” (Choeng - Yoeng, Hfdst. I. No. 1.) Ik heb het chineesche „kwan” vertaald door - „samenhoudt.” Letterlijk beteekent het het rijgen van vele paarlen - aan één draad, hier dus te vergelijken met één principe, dat door - alles en allen heen gaat. - - -2. De Meester ging de deur uit, en de andere (discipelen) vroegen: „Hoe -bedoelt hij dat?” De filosoof Tseng zeide: „De Leer van mijn’ Meester -is: „De principes van zijn eigen Sing (natuur, zie Choeng Yoeng) te -cultiveeren en den plicht van wederkeerigheid te betrachten”; dit is -het, en niets anders.” - - - Dit „wederkeerigheid” (uitgedrukt door een „hart” met „gelijk als”, - er boven, dus: „evenals mijn hart”) te begrijpen als „anderen te - helpen, op te wekken, om ook de Sing te ontwikkelen, en hun niet te - doen wat wij zelven niet wenschen gedaan te worden.” Het Eéne is - dus de Sing, de goddelijke natuur, die in allen dezelfde is. - - -XVI. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ houdt zich aan plichtmatigheid, de -kleine mensch houdt zich aan winst.” - - - Met plichtmatigheid wordt hier bedoeld „dat wat behoorlijk is - volgens de rede van den Hemel,” met winst „dat wat de hartstochten - begeeren” dus rijkdom, lust, aanzien enz. Er staat in den tekst - niet „zich houden aan” maar „in gesprek zijn met, spreken met.” - - -XVII. De Meester zeide: „Als men een eerwaardig mensch ziet, moet men -hem (trachten te) evenaren; als men een niet eerwaardig mensch ziet, -moet men zichzelven van binnen onderzoeken (of wij ook niet als hij -zijn misschien).” - -XVIII. De Meester zeide: „In het dienen van onze ouders moeten wij hen, -als de gelegenheid dat vereischt, vermanen; als wij zien, dat het hun -neiging niet is om (onzen raad) te volgen, moeten wij hun reverentie -(blijven) betoonen, maar het (toch) niet opgeven; als het ons groote -moeite geeft moeten wij er niet over murmureeren.” - - - Hieruit ziet men, dat de Hiao niet enkel bestaat in het liefhebben - en vereeren van de ouders, maar dat het ook de plicht der kinderen - is, om hen, als ze dwalen, te vermanen. Luisteren de ouders er niet - naar, dan moeten zij juist hun liefde en reverentie verdubbelen, om - hen in hen te doen gelooven en zoo invloed op hen te krijgen. „De - vermaning,” zegt een chineesch commentator, „moet gebeuren met een - in harmonie rustig gezicht, een verheugde gelaatskleur, een zachte - stem, en een nederig humeur.” Al kost het nóg zooveel moeite en - verdriet, toch mogen de kinderen daarover niet murmureeren. - Hetzelfde geldt voor jongeren broeder tegenover ouderen broeder, - voor vriend tegenover vriend, voor leerling tegenover leermeester - en, in uitgebreiden zin, voor onderdaan tegenover vorst of - gouvernement. De hooge ambtenaren heeten n.l. in ’t chineesch - „ouders-mandarijnen.” - - -XIX. De Meester zeide: „Als de vader en de moeder nog in leven zijn mag -(het kind) niet veraf (in den vreemde) zwerven. (Als hij gaat) moet hij -naar een (bepaalde) vaste plaats gaan.” - -XX. De Meester zeide: „Als (de zoon) in drie jaren niet afwijkt van den -weg zijns vaders, dan kan men dat Hiao noemen.” - - - Dit punt is door latere geleerden en filosofen druk betwist en - bestreden. Immers de vraag doet zich voor. „Als de vader zelf nu - eens níet den goeden, maar den verkeerden weg beging?” - - -XXI. De Meester zeide: „De ouderdom van vader en moeder mag niet -vergeten worden, èn niet (als reden) voor vreugde, èn niet (als reden) -voor vrees. - - - Als reden voor vreugde, omdat bij de Chineezen hooge ouderdom een - eerwaardig ding is, een gunst van den Hemel, en als reden voor - vrees, omdat de kinderen altijd moeten vreezen, hunne ouders te - verliezen. - - -XXII. De Meester zeide: „Dat de Ouden geen (beter: zoo weinig) woorden -uitten, was omdat zij zich schaamden dat hunne daden er niet aan toe -zouden komen.” - -XXIII. De Meester zeide: „De standvastigen verliezen zelden iets.” - - - Het chineesche woord „yoh” in den tekst beteekent feitelijk - samenbinden, en ook bij contract iets aannemen, maar kan hier - alleen beteekenen „vastbesloten zijn, standvastig zijn.” De - commentaar van Choe Hie zegt dan ook „yoh is niet buitensporig - (losbandig) zijn en niet loslaten.”—Verliezen hier ook in den zin - van „dwalen” te nemen. - - -XXIV. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ wil langzaam-voorzichtig zijn in -zijne woorden en vlug-prompt in zijne daden.” - -XXV. De Meester zeide: „De deugd is niet alleen, maar heeft stellig -buren.” - - - De bedoeling is: „de deugd trekt de deugd aan, en een deugdzaam - mensch zal spoedig andere deugdzamen tot vrienden hebben.” - - -XXVI. Tszʼ Yoe zeide: „In het dienen van een Vorst leiden veel -vermaningen tot ongenade; onder vrienden leiden veel vermaningen tot -verwijdering.” - - - Tenzij dit als eene verzuchting en niet als een les bedoeld is, - komt dit hoofdstuk mij voor, niet best te correspondeeren met - XVIII. - - Ik heb dit Boek IV in zijn geheel vertaald, om den lezer een idee - te geven, hoe zulk een boek in elkaar zit. In ’t vervolg bepaal ik - mij weder tot fragmenten. - - - - -UIT BOEK V. - -Iemand zeide: „Young heeft menschelijkheid, maar is niet vaardig met -den mond.” - -De Meester zeide: „Wat voor nut heeft vaardigheid met den mond? Zij, -die de menschen weerstaan met den mond, zullen voortdurend den haat van -de menschen opwekken. Ik weet niet of hij menschelijk is. (Maar) wat is -het nut van vaardigheid met den mond?” - -De Meester zeide: „Mijn Leer wordt niet begaan. Ik zal op een vlot over -de zee gaan drijven. Die mij vergezellen zal, zal Tszʼ Loe zijn, durf -ik zeggen.” Toen Tszʼ Loe dit hoorde was hij verheugd. De Meester -zeide: „Yioe houdt van dapperheid en overtreft mij (daarin), hij heeft -(echter) geen talent (van doorzicht in zaken).” - - - Tszʼ Loe, of Yioe, was bekend om zijn dapperheid en zijn trouw. Hij - viel dan ook in den strijd, toen hij later zijn vorst, van Wei, - niet wilde verlaten. Confucius wist dan ook, dat hij op hem - vertrouwen kon, maar vond het noodig, hem toch de waarheid te - zeggen, toen hij zoo blij was met dien lof. - - -Woe vroeg over Tszʼ Loe, of hij menschelijk was. De Meester zeide: „Ik -weet het niet.” - -Toen vroeg hij het nog eens. En de Meester zeide: „In een staat van -duizend wagens, zou Yioe kunnen gebruikt worden om het belastingstelsel -te beheeren. (Maar) ik weet niet of hij menschelijk is.” - -„En hoe is het met Kʼioe?” (werd weer gevraagd). De Meester zeide: „In -een stad van duizend families, of een Huis van honderd wagens, zou -Kʼioe kunnen gebruikt worden als gouverneur. (Maar) ik weet niet of hij -menschelijk is.” - -„En hoe is het met Chʼih?” (werd weer gevraagd.) De Meester zeide: -„Chʼih met zijn gordel om en staande aan het hof zou gebruikt kunnen -worden om het gesprek te voeren met bezoekers en gasten. (Maar) ik weet -niet of hij menschelijk is.” - - - Hieruit blijkt, welk een groote waarde Confucius toekende aan zijn - begrip „menschelijkheid” d. i. het bezitten van alle deugden, aan - den mensch uit den aard van zijn Sing eigen. Al was iemand om zijne - deugden reeds geschikt om hooge posten te bekleeden, dan nóg was - het niet zeker, dat hij de volmaakte menschelijkheid bezat. En - menschen als Yioe (Tszʼ Loe), Chʼih enz. waren nog wel de besten - uit het land, zijn eigen discipelen! Een staat van honderd wagens - was het tweederangsleengoed (Legge), behoorende tot de hoogste - edelen van den staat, en bevattende duizend families. Een staat van - duizend wagens was het eersterangsleengoed. - - Chʼih, met den familienaam Koeng Si, en den titel Tszʼ Hwa, was een - van Confucius’ discipelen, die bizonder uitmuntte door zijn kennis - van de ceremoniën. Kʼioe was eveneens een leerling van Confucius. - - -De Meester vroeg aan Tszʼ Koeng: „Wie denkt gij dat meer is, gij of -Hwoey?” - -(Tszʼ Koeng) antwoordde: „Hoe zou ik mij durven vergelijken met Hwoey? -Hwoey hoort één (punt) en weet er dan (reeds) tien. Ik hoor er één, en -weet er dan (slechts) twee.” - -De Meester zeide: „Gij zijt niet als hij, ik geef het u toe, gij zijt -niet als hij.” - - - Uit deze, zoowel als uit nog meer episodes uit de „Loen Yü” blijkt, - dat Yen Hwoey de meest geliefde leerling van Confucius was. - - -De Meester zeide: „Eerst was mijn methode (in den omgang) met menschen -om hunne woorden aan te hooren en dan in hun gedrag te gelooven. Nu is -het mijn methode (in den omgang) met menschen om hun woorden aan te -hooren en naar hun gedrag te zien. Door Yu heb ik dat (leeren) -veranderen.” - - - Yü of Tsae Yu was een van Confucius’ leerlingen, wel oprecht en van - goeden wil, maar buitengewoon bot van verstand. - - -De Meester zeide: „Ik heb nog nooit een standvastig, onbuigbaar mensch -gezien.” Men antwoordde: „Shin Chʼang (dan)?” - -De Meester zeide: „Chʼang!! Met zijn begeerten en lusten!! Hoe wou die -standvastigheid verkrijgen!” - - - Het ééne karakter „kang”, samengesteld uit twee deelen, waarvan het - een „heuvel”, het andere „mes” beteekent, is zoowel metaalsterk en - massief, als standvastig en onbuigbaar, solide en sterk, zooals die - deelen aanduiden. - - -Tszʼ Koeng zeide: „Wat ik niet wil dat de menschen míj doen, dat doe ik -ook niet aan de menschen.” De Meester zeide: „Tszʼ, daar zijt gíj nog -niet aan toe.” - - - Iets van dien aard vindt men ook in de „Choeng Yoeng” (Hfdst. XIII. - No. 3.) Confucius zag in, dat al wist men de waarheid van dezen - gulden regel, het daarom nog zéér moeilijk was, hem altijd toe te - passen, en er geheel aan toe te zijn. - - -Toen de Meester in Chʼin was, zeide hij: „Laat mij teruggaan! Laat mij -teruggaan! De kleine kinderen (discipelen) van mijn school zijn te wild -en onbezonnen. Zij zijn wel volmaakt volleerd in de schoone kunsten -[71] maar zij weten zich niet te verbeteren (en te vormen).” - -Toen Yen Yoeën en Kie Loe aan zijne zijde stonden, zeide de Meester: -„Wel, laat elk van u eens zijne wenschen zeggen!” Tszʼ Loe zeide: „Ik -zou wenschen wagens en paarden en fijne bontkleederen om met mijne -vrienden samen te deelen, en ik zou niet boos zijn als zij die -bedierven.” - -Yen Yoeën zeide: „Ik wensch niet te roemen over mijn goedheid, en geen -vertoon te maken van mijne daden.” - -Tszʼ Loe zeide: „Ik wensch te hooren de wenschen van mijn’ Meester.” - -(En) de Meester zeide: „(Die zijn:) Aan de ouden van dagen rust te -geven, aan vrienden oprechtheid te toonen, en de jeugdigen te -koesteren.” - - - - -BOEK VI. - -De Hertog Ngai vroeg (aan Confucius) welke zijner discipelen hield van -de studie. Confucius antwoordde: „Yen Hwoey! Hij hield van leeren. Hij -was geen tweemaal vertoornd over hetzelfde, hij herhaalde geen fout. -Ongelukkigerwijze was zijn (voorbestemde) levenstijd kort, en hij -stierf; en nú is er géén meer als hij. Ik heb nog niet gehoord van -een’, die (zóó als hij) van de studie hield.” - -De Meester, sprekende over Choeng Koeng, zeide: „Als het jong van een -bonte koe rood is en met wijde hoorns,—ofschoon de menschen het niet -van nut zouden vinden, zouden (de geesten van) de bergen en de stroomen -het weigeren (als offer)?” - - - Een bonte koe werd beschouwd als ongeschikt voor de offering. - Confucius bedoelt hier blijkbaar, dat de fouten van den - vader—Choeng Koeng was n.l. een berucht slecht mensch—niet aan het - kind mochten verweten worden. - - -De Meester zeide: „Het hart van Hwoey was zoo, dat er drie maanden lang -niets in hem was dat tegen menschelijkheid inging. Anderen mogen dat al -eens eenmaal per dag of per maand hebben, maar daarmede is het dan ook -uit.” - - - Choe Hie teekent hierbij aan, dat als er niets tegen menschelijk in - is, er geen enkel haartje of greintje „heimelijke begeerte” mag - zijn. - - -De Meester zeide: „De eerwaardige Hwoey! Met één bamboe-korfje rijst, -één kalebas water, wonende in een ellendige buurt, waar anderen de -misère niet zouden uithouden, liet Hwoey zijn geluk (daardoor toch) -niet veranderen. De eerwaardige Hwoey!” - -De Meester zeide: „Mĕng Chi Fan roemt niet (op zijn deugd). Op een -vlucht, in de achterhoede zijnde, toen men aan ’t binnengaan van de -poort was, zweepte hij zijn paard aan, en zeide: „Niet dat ik de -laatste durf zijn, (maar) mijn paard wilde niet vooruit.” - - - Het is hinderlijk te zien, hoe Prof. Legge, uitstekend geleerde als - hij is, in zijne vertaling overal à tort et à travers Confucius - tracht af te breken, om op deze vreemde wijze het Christendom te - verheffen. Zóó zegt hij, ook naar aanleiding hiervan: „But where - was his virtue in deviating from the truth? (maar waar was (hier) - zijn deugd in het afwijken van de waarheid?)” Op die manier zou - natuurlijk alle bescheidenheid onmogelijk kunnen worden gemaakt. - - -De Meester zeide: „Aan hen, die boven het gemiddelde peil zijn, mogen -de hoog(ere) dingen verkondigd worden. Aan hen, die beneden het -gemiddelde peil zijn, mogen de hoog(ere) dingen niet verkondigd -worden.” - -Fan Chʼi vroeg wat wijsheid was. De Meester zeide: „Zich ernstig -toeleggen op de plichten van de menschen (het volk) en, de kwei-shin -(geesten) eerbiedigende, zich op een afstand van hen houden, dat mag -wijsheid genoemd worden.” (Toen) vroeg (hij) wat menschelijkheid was. -(En de Meester) zeide: „(Het overkomen van) de moeilijkheid als de -hoofdzaak te beschouwen, en het verkrijgen (van het succes) als het -later komende (de bijzaak), dat mag menschelijk genoemd worden.” - - - Hier hebben wij er weder een voorbeeld van, hoe bevreesd Confucius - was, over geesten te spreken. Zie voor vergelijking ook de - Choeng-Yoeng, Hfdst. XVI over „kwei-shin.” - - -De Meester zeide: „Een hoekige kelk zonder hoeken! Wat een (rare) -hoekige kelk! Wat een (rare) hoekige kelk!” - - - Volgens het karakter „ku” waarin een hoorn (hoekig, puntig dus) - voorkomt, was de gebruikelijke wijnkelk van een hoekigen vorm, wat - in de grafische beteekening van het karakter ligt opgesloten. - Later, in Confucius’ tijd, maakte men ze zonder hoeken, maar - behield toch het karakter „ku” er voor, waarin het begrip hoekig - was opgesloten. Confucius bedoelde er mede, dat de regeering en - hare wetten de namen van het vroegere goede behielden, maar de - hoofdeigenschap, het ware wezen er van misten. - - -De meester bezocht Nan Tszʼ. Tszʼ Loe was hierover niet verheugd. De -Meester zwoer, en zeide: „Als ik hierin iets slechts heb gedaan, moge -de Hemel mij vernietigen! moge de Hemel mij vernietigen!” - - - Zie hierover in het „Leven van Confucius” de door mij verhaalde - omstandigheden, n.l. het bezoek van Confucius aan Nan Tszʼ, de - vrouw van den hertog Ling van Wei. - - -De Meester zeide: „De deugd, die van Choeng Yoeng, is (aan Choeng Yoeng -eigen), hoe uitstekend is zij! Zelden betracht het volk haar lang!” - - - Vergelijk „Choeng Yoeng”, Hfdst. II. No. 3. - - - - -BOEK VII. - -De Meester zeide: „Een overleveraar, en geen maker, geloof hebbende in -de Ouden en hen liefhebbende, vergelijk ik mij nederig met den ouden -Pʼang.” - - - Dit is een gewichtig punt, want hieruit zien wij, dat Confucius - zelf heel goed wist, dat hij geen geheel nieuwe dingen verkondigde, - maar die der Ouden—waaronder vooral Yaou, Shoen, koning Wĕn en de - hertog van Chow—weder overleverde en hernieuwde. Pʼang was, volgens - Choe Hie, een talentvol mandarijn uit de Shang dynastie. - - -De Meester zeide: „Het stilzwijgend kennis (verzamelen); het studeeren -zonder (het) moe te worden; de menschen onderrichten zonder luiheid; -wát daarvan is aan mij?” - - - Hier bewondert de chineesche lezer Confucius’ nederigheid. - - -De Meester zeide: „Erg is mijn verzwakking. In lang heb ik niet weder -gedroomd dat ik Chow Koeng zag.” - - - Hier vindt men een der bijgeloovige zwakheden van Confucius. Als - hij niet meer van Chow Koeng, den hertog van Chow droomde, - beschouwde hij dat als een slecht voorteeken. - - -De Meester zeide: „Van af hem, die mij zijn bundeltje gedroogd vleesch -bracht tot diegenen, die hooger (gaven schonken) heb ik nooit iemand -mijn onderricht geweigerd.” - - - Het was de gewoonte, om bij een bezoek voor den Meester iets mede - te brengen ten geschenke. Confucius was met wat gedroogd vleesch - tevreden, als hij ernstigen wil tot leeren zag. - - -De Meester zeide: „Aan diegenen, die geen begeerigen ijver (toonen) -open ik (de waarheid) niet; diegenen, bij wie de goede wil niet is, -help ik er niet uit. Als ik één hoek (punt van een zaak) heb -aangetoond, en men er dan niet de (andere) drie uit grijpt, herhaal ik -mijn les niet.” - -Als de Meester at aan de zijde van een rouwende, at hij zich niet -verzadigd. Als de Meester op een’ dag geweend had, zong hij (dien dag) -niet. - -De Meester zeide tot Yen Yoeën: „Als men gebruikt wordt (in den -staatsdienst) de plichten (daaraan verbonden) doen; als men (daarvan) -uitgestooten is, verborgen (onbekend) (te leven)—, dit is, wat alleen -ik en gij kunnen zijn.” - - - Dit correspondeert met Boek IV. Hfdst. XIV. - - Meermalen doet Confucius voelen, dat de Staat het zelve moet weten, - of hij hem dienst laat doen of niet, maar dat híj zich altijd - tevreden zal voelen. - - -Tszʼ Loe zeide: „Als gij drie „kiün” troepen te leiden hadt, wien zoudt -gij dan met u samen doen ageeren (als veldheer)?” - -De Meester zeide: „Hem, die als een wilde tijger is, die een rivier -oversteekt en dan sterft zonder dat hij er spijt over heeft, dien zou -ik stellig niet nemen, maar (wèl) hem, die vol zorgzame vrees is bij -het aanvaarden der zaken, die goed zijn plannen verzint en ze volvoert. - - - Men ziet hieruit, evenals men zal zien uit mijn laatste fragment - uit Boek XIII, dat het het chineesche volk niet ontbroken heeft aan - goede lessen uit de oudheid, om het te waarschuwen vóór den oorlog - met Japan. Een „kiün” troepen is 12500 man. Een groote staat had er - drie.—De vergelijking van den enkel woesten, maar niet verstandigen - man met den tijger, die, niet kunnende zwemmen, zijn vijand in het - water aanvalt of vervolgt, lijkt mij zeer juist. - - -Toen de Meester in Tsʼi was, hoorde hij de Shau, en in drie maanden -kende hij niet den smaak van vleesch. Hij zeide: „Ik had niet gedacht, -dat muziek zóó uitstekend kon worden gemaakt.” - - - Reeds in „Het Leven van Confucius” aangehaald. Zie ook het - voorlaatste door mij aangehaalde fragment uit Boek II. - - -De Meester zeide: „Grove rijst om te eten, water drinken, mijn gebogen -arm als kussen—te midden van deze dingen is óók geluk. Op -onplichtmatige wijze verkregen rijkdom en aanzien is voor mij als -drijvende wolken.” - -De hertog van Shie vroeg Tszʼ Loe over Confucius. Tszʼ Loe antwoordde -niet. - -De Meester zeide (toen hij dit later hoorde): „Waarom zeidet gij niet, -hij is een man die in zijn ijverig zoeken (naar wijsheid) zijn voedsel -vergeet, die in de vreugde (van het verkrijgen) zijn smart vergeet, en -niet weet (en bemerkt) dat de ouderdom naderende is?” - -De Meester zeide: „Ik ben niet een, die bij zijne geboorte het weten -(reeds) had; ik ben er een die (enkel) de Ouden liefheeft en het daar -ernstig zoekt.” - - - Zie over de Wijzen, die reeds bij de geboorte het àlweten bezitten, - de Choeng Yoeng. Confucius was te nederig om zich daar zelf onder - te rekenen. - - -De Meester zeide: „De Hemel heeft de deugd in mij voortgebracht. Hwan -Tʼoey,—wat kan híj mij (dan) doen?” - - - In het „Leven van Confucius” heb ik dit reeds besproken. - - -Het volk van Hoe Hiang was moeilijk om mede te spreken. Toen een -jongentje (daarvan) den Meester kreeg te zien in een onderhoud -twijfelde men (of hij daaraan wel goed deed). - -De Meester zeide: „Ik heb te doen met zijne nadering tot mij, ik heb -niet te maken met zijn alleen zijn (en wat hij dan doet); waarom zóó -erg (streng) zijn? Als iemand zich verreint om bij mij te komen, heb ik -(enkel) met zijn verreind zijn te maken, zonder te waarborgen wat zijn -verleden (geweest is).” - - - Het volk Hoe Hiang was berucht om zijn slechtheid. Dit fragment - geeft een schoon blijk van Confucius’ grootmoedigheid en zijn - liberaal oordeel. - - -De Meester zeide: „In de literatuur ben ik niet minder en wel gelijk -aan andere menschen; maar zélf mij gedragen als een Kiün Tszʼ, dát heb -ik nog niet verkregen.” - - - Men ziet hieruit, hoe Confucius den superieuren mensch, den - oppersten goeden mensch, dien hij Kiün Tszʼ noemde, boven den - literator stelde. - - -De Meester was zacht en (toch) streng, majestueus en (toch) niet woest; -vol eerbied, en (toch) rustig. - - - - -BOEK VIII. - -Toen de filosoof Tsĕng ziek was, riep hij de discipelen van zijn -school, en zeide: „Ontbloot mijne voeten; ontbloot mijne handen. De Shi -King zegt: „Vreezende, vreezende, bezorgd, bezorgd, als aan den rand -van een afgrond, als gaande over dun ijs (moeten wij zijn).” - -„Nu en hiernamaals weet ik, hoe te ontkomen (aan wonden) o! mijn kleine -kinderen!” - - - De Hiao brengt mede, dat het lichaam, dat men van de ouders - gekregen heeft, ook in gaven staat, zonder wonden, wordt behouden - tot den dood. Daarom deed Tseng handen en voeten ontblooten om te - laten zien, dat zij nog gaaf waren. Om dit lichaam zoo te kunnen - behouden behoort het leven in eerbiedige vrees en met groote - bezorgdheid te worden doorgegaan, alsof het langs afgronden ging, - of over broos ijs. - - -Toen de filosoof Tsĕng ziek was vroeg de filosoof Meng King (hoe het -met hem ging). De filosoof Tsĕng zeide: „Als de vogel zal gaan sterven -is zijn gezang droef. Als de mensch zal gaan sterven zijn zijne woorden -goed.” - -De filosoof Tsĕng zeide: „Met zelf-kúnnen (toch) vragen aan wie niet -kunnen; met zelf véél bezitten vragen aan wie weinig bezitten; hebbende -alsof hij niet had; vol zijnde en toch zijn alsof hij ledig was; -beleedigd, en er zich niet mede bemoeien; ik had vroeger een vriend, -die dit alles volgde.” - -De Meester zeide: „Een mensch, die houdt van dapperheid en moedeloos -wordt door armoede zal oproerig worden. Een mensch zonder -menschelijkheid, als gij uw afkeer van hem intens doet zijn, zal -oproerig worden.” - -De Meester zeide: „Al heeft iemand het schoone van de talenten van den -hertog van Chow; als hij trotsch en gierig is, zullen de andere dingen -niet genoeg waard zijn om naar te zien.” - -(De Meester zeide:) „Als de staat Tao heeft, zijn armoede en een lage -positie dingen van schaamte. Als de staat geen Tao heeft zijn rijkdom -en aanzien dingen van schaamte!” - - - Ik vertaal tusschenbeide Tao expres niet, om het begrip goed te - doen voelen. Er staat ook letterlijk „Yiu Tao”, Tao heeft. Bedoeld - is natuurlijk als de staat een regeering heeft volgende aan, in - overeenstemming met de goddelijke natuur, dat wat volgens den Hemel - is, dus „als de staat goed, rechtvaardig geregeerd wordt.” - - -De Meester zeide: „Leer (altijd) alsof gij het (weten) toch niet kondt -bereiken, alsof gij (altijd) vreesdet het te zullen verliezen.” - -De Meester zeide: „Verheven was het, hoe Shoen en Yü het keizerrijk -bezaten, alsof het niets voor hen was!” - -De Meester zeide: „Groot inderdaad was Yiao als Vorst! Hoe verheven! -Alleen de Hemel is groot, alleen Yaou was zijn gelijke. Hoe eindeloos! -Het volk kon het niet met een naam (noemen).” - - - Zie de „Choeng Yoeng,” Hfdst. XXII. - - - - -BOEK IX. - -De Meester was in vrees (voor zijn leven) in Kwang. - -En hij zeide: „Was na den dood van koning Wĕn de waarheid niet in mij -gehuisvest? - -Als de Hemel had gewild, dat de waarheid zou te niet gaan, zou ik, -latere sterveling, niet in zulk eene betrekking tot haar zijn gekomen. -Als de Hemel de waarheid nog niet laat ondergaan, wat kan het volk van -Kʼwang mij dan doen?” - - - Het woord „wen” dat eigenlijk letteren, literatuur enz. beteekent, - heb ik hier, evenals andere vertalers, door „waarheid” vertaald, - omdat dit nog het dichtste bij komt aan Choe Hie’s verklaring - daarvan: „Het zichtbaar (te voorschijn) komende van den Tao is - wĕn,” dus „de manifestatie van den Tao.” - - -Yen Yoeën zuchtte klagend en zeide: „Ik zag tegen (de Leer van mijn’ -Meester) op en des te hooger (scheen zij); ik trachtte er door héén te -dringen en des te massiever (werd zij); ik keek er naar vóór mij, en -plotseling was zij achter mij.” - -De Meester wilde gaan wonen onder de negen barbaren (stammen) in het -Oosten. - -Iemand zeide: „Zij zijn ruw (en onwetend). Hoe kunt gij dat doen?” - -(De Meester) zeide: „Als er een Kiün Tszʼ (onder hen) woont, wat voor -ruwheid kan er dan zijn?” - -De Meester, bij een stroom staande, zeide: „Het gaat voorbij juist als -dit, het houdt niet op, dag noch nacht!” - - - Choe Hie zegt, en ik geloof dat hij het juist heeft gezien, dat - hier bedoeld wordt „de loop der Natuur.” - - -De Meester zeide: „Ik heb nog niemand gezien, die de deugd even lief -heeft als de schoonheid.” - -De Meester zeide: „Het gebeurt, dat er spruitjes zijn, maar dat zij -niet in bloei komen; het gebeurt, dat er bloesems zijn, maar er geen -vruchten komen.” - -De Meester zeide: „De aanvoerder van drie „kiün’s” troepen kan -weggerukt worden. De Wil (zelfs) van den gemeenen man kan niet -weggerukt worden.” - - - Choe Hie voegt hieraan in zijn commentaar terecht toe: „Als de wil - kon weggerukt worden, dan was het geen voldoende wil.” - - -De Meester zeide: „Zelf gekleed in een ontrafeld, lang gewaad, bij -menschen, die in bonten zijn gekleed, en zich (toch) niet -schamende,—dit is zooals Yioe is.” - - - Men ziet, dat Confucius, die den dapperen, onstuimigen Tszʼ Loe zoo - dikwijls berispte om zijn gebrek aan kalm doorzicht, ook wel - degelijk zijne andere goede eigenschappen, b. v. hier zijne - waardigheid in de armoede, erkende. - - -De Meester zeide: „Als het jaar koud wordt, dan weten wij dat de -pijnboom en de cypres het laatst hunne blaren verliezen.” - - - „In den nood leert men zijne vrienden kennen,” zou hier wel - eenigszins op gelijken. De pijnboom en de cypres zijn, daar zij zoo - lang goed blijven, de symbolen in China van langdurigheid, trouw, - ouderdom. - - - - -BOEK X. - - -VOORWOORD. - - Dit Boek handelt geheel over de karakteristiek van Confucius. Yang - Shi zegt hierover o. a.: „Wat de Wijzen Tao noemen is niet iets - buiten wat elken dag noodig is. Daarom hebben de leerlingen van - Confucius’ school nauwkeurig onderzocht en gezien naar zijn bewegen - en rusten van elken dag, en het opgeteekend.” Iets verder zegt Yang - Shi: „Als het nageslacht nu hun boek leest zal het vanzelf zijn, of - zij den Wijze voor hunne oogen zien.” (Vert.) - - -Confucius zag er in zijn dorp oprecht en ernstig uit, en als iemand, -die niet kan spreken (zoo eenvoudig). - -Als hij in den voorvaderlijken tempel was, of aan het hof, sprak hij -gemakkelijk, maar zorgzaam. - -Als hij aan het hof was, sprak hij met de mandarijnen van minderen rang -eenvoudig, en sprak hij met de mandarijnen van hoogeren rang eerbiedig. - - - Ik heb in dezen de chineesche karakters „k’an” en „yin” met één - woord elk vertaald, maar dan ook niet de preciese bedoeling - gekregen. Onder het eerste „k’an” met „eenvoudig” vertaald, behoort - tegelijk „oprecht, ronduit” te worden verstaan. In het chineesch is - dit aan ’t karakter zélve te zien, dat samengesteld is uit twee - andere, waarvan het een „waarheid” beteekent, het andere „vloeien” - (eenvoudig als een stroom). Zóó is ook „yin” niet alleen eerbiedig, - maar ook „zacht, nederig”, hetgeen ’t karakter eveneens uitdrukt, - dat bestaat uit twee andere, waarvan het ééne, dat „spreken” - beteekent, is geplaatst in een ander, dat „deur” is, dus spreken - „als iemand die aan de deur iets vraagt.” Zulke uit zich zelf - sprekende karakters zijn natuurlijk niet precies weer te geven in - één hollandsch woord. - - -Als de Vorst aanwezig was drukte zijn gezicht de grootst mogelijke -reverente zorg uit, en was hij van eerbied geslagen. - - - Dit heb ik vrij moeten vertalen. De woorden „tik tsih” achter - elkaar beteekenen „het heel voorzichtig stappen, als bang op iets - te trappen, en met gelijkmatigen stap.” Dit, vergeleken met de - uitdrukking van een gezicht, bracht mij tot mijne vertaling. Choe - Hie geeft óók als synoniem „vereeren en vrees” dus „eerbied.” Voor - het andere „ü ü” geeft de geleerde Chang Tszʼ „niet vergeten dat de - Vorst voor u is” en Choe Hie „eerbiedige vrees”, waaruit ik mijne - vertaling putte. Een en ander kan den lezer een idee geven van de - moeilijkheid om héél enkele chineesche karakters weer te geven. - Legge geeft voor het eerste „respectful uneasiness” en voor het - tweede „grave, but self-possessed.” - - -Als de Vorst hem riep om een’ hoogen edele te ontvangen veranderde zijn -gelaatskleur en bogen zijne beenen (als om te knielen). - - - Confucius’ eerbied voor een bevel wordt hierin beschreven. - - -Hij boog (dan) tegen de (andere mandarijnen) onder welke hij stond, -daarbij zijn rechter- of linkerarm bewegende (al naar gelang zij -stonden), maar maakte dat de panden van zijn gewaad voor en achter -recht bleven. - - - Het wordt als onopgevoed beschouwd als bij het buigen het gewaad - scheef gaat zitten. - - -(Dan) ijlde hij vooruit als op wieken van een vogel vliegend. - - - Dit drukt de eerbied uit, om haastig aan het bevel te voldoen. - Statig ijlde hij vooruit, als een vogel die zijn vlucht neemt (den - gast tegemoet). - - -Als de gast (weder) weg was, gaf hij het bericht terug (aan den Vorst): -„De gast ziet niet meer om (en ik zie hém niet meer).” - -Als hij de groote (paleis)deur binnenkwam, boog hij zijn lichaam, alsof -hij er eigenlijk niet door mocht. - - - Dit drukte zijn eerbied voor den Vorst uit. Zelfs voor de - paleisdeur moest hij buigen, alsof hij eigenlijk niet waard was, er - binnen te komen. - - Ik moet hierbij aanteekenen, dat het chineesche „küh kung” door de - meeste vertalers door „het lichaam buigen” vertaald, en ook door - Choe Hie als zoodanig aangegeven, tegenwoordig veel wordt gebruikt - voor: „de armen bij elkaar brengen”, hetzij met de handen in de - mouwen (als wíj doen bij koud weer, voor de warmte), hetzij met de - handen over elkaar, ter hoogte van de borst, zoodat velen beweren, - dat van „buigen” in dezen zin bij Confucius geen sprake was. - - -Als hij stond, stond hij niet in het midden van de poort; als hij liep -trapte hij niet op den drempel. - - - Alleen de Vorst mocht in het midden staan en op den drempel treden. - - -Als hij voorbij de (ledige) plaats (van den Vorst) ging, verschoot hij -van kleur, en bogen zijne beenen onder hem; en de woorden (die hij -sprak) waren als die van een’ die nauwelijks genoeg kon spreken. - - - Zelfs voor de ledige plaats van den Vorst moest groote eerbied - worden betuigd. - - -Hij hield zijn gewaad op, bij het naderen tot den vorstelijken zetel, -zijn lichaam boog, en hij hield zijn adem in, alsof hij geen adem -(durfde) halen. - -Als hij van de audiëntie terugkwam, ontspande zich zijn gezicht op den -eersten stap (achterwaarts) [72] en zag tevreden en verheugd. Als hij -op de benedenste plaats was gekomen, ijlde hij vooruit als op wieken -van een vogel vliegend en als hij op zijn plaats was gekomen, drukte -zijn gezicht de grootst mogelijke reverente zorg uit. - - - Bij het naderen tot den Vorst moest de grootst mogelijke eerbied - worden betuigd, en als in vrees, met buigende knieën, nauwelijks - ademhalende, ging Confucius tot hem. Maar bij het verlaten,—wat ook - de antwoorden of gezegden van den Vorst mochten geweest zijn—moest - een gezicht worden vertoond, blij in de vreugde van den Vorst te - hebben aanschouwd. Men moet hierbij altijd goed onthouden, hoe hoog - Confucius over het vorst-zijn dacht, anders zou dit alles - slaafschheid zijn. - - -Als hij den staf (van den Vorst gekregen) droeg, boog zijn lichaam, -alsof hij het gewicht niet meester was. Hooggehouden hield hij hem (ter -hoogte van de borst) als bij het buigen, laaggehouden hield hij hem -(niet lager dan) alsof hij iemand iets gaf. Zijn gelaat verschoot, als -van vrees, en hij liep schuifelend, en nog nauwkeurig onderzoekend naar -iederen stap dien hij deed. - - - In dien ouden tijd kregen de hooge edelen van den Vorst een’ - korten, kleinen staf of scepter ten geschenke als teeken van hun - waardigheid, dien zij in de beide handen omhoog droegen, ter hoogte - van de borst. Hij was van kostbaren steen, b. v. jaspis. - - Ook tegenwoordig dragen de hooge mandarijnen dien staf aan het hof, - maar schaffen zich dien zelf aan. Behalve van jaspis zijn ze ook - van andere stoffen, b. v. ivoor, stukken olifantsslagtand. Deze - staf wordt eveneens ter hoogte van de borst gehouden, en bij - groetenis met de handen mede op en neder bewogen. - - -De Kiün Tszʼ (Confucius) droeg geen violet of donkerpurper, en geen -roodbruin als versiering van zijn gewaad. Ook als hij ongekleed [73] -(alleen) was, droeg hij geen purperachtige kleur. - - - Deze kleuren waren n.l. alleen goed voor vrouwen of meisjes, die - zich op moeten schikken. - - -Over schaapsbont droeg hij een zwart zijden kleed; over hertenbont een -van wit; over vossenbont een van geel. - -Het bonte gewaad van zijn huisdracht was lang, met de rechtermouw kort -(voor het gemak in het schrijven en zaken behandelen). - -Zijn slaapgewaad moest stellig een halve lengte langer zijn dan zijn -lichaam. - - - Sommigen zeggen, dat dit alleen gold voor als hij vastte. - - -Hij droeg geen schapenbont, of een zwarte muts, als hij op rouwbezoek -ging. - - - Omdat bruin-geelachtig wit de kleur der rouwenden is, die hier dus - alleen paste. - - -Op den eersten dag van de maand trok hij zijne staatsiekleederen aan en -presenteerde zich aan het hof. - - - Toen hij geen officieel ambt meer bekleedde, bleef dit zijne - gewoonte. Men ontving hem altijd met groote eer, al liet men hem - niet in den staatsdienst toe. - - -Hij vond het niet onaangenaam als zijn rijst nauwkeurig schoongemaakt -was, en vond het niet onaangenaam als zijn gehakt vleesch (heel) fijn -was. - -Rijst, die dampig was geworden en zuur, en visch of vleesch, die -bedorven waren, at hij niet. Wat verkleurd was, at hij niet. Wat een -slechten reuk had, at hij niet. Wat slecht gekookt was, at hij niet. -Dat wat niet tot het seizoen behoorde, at hij niet. - -Wat niet goed afgesneden was, at hij niet, wat niet zijn (daarbij -behoorende) saus kreeg, at hij niet. - -Ofschoon er veel vleesch mocht zijn, liet hij, wat hij er van nam, niet -meer zijn dan in de juiste verhouding met de rijst. Alleen voor wijn -had hij geen maat, maar nam nooit tot hij er verward van was. - -Wijn of gedroogd vleesch van de markt at hij niet. - -Hij at nooit zonder gember. - - - „Van gember wordt de ziel helder,” zegt Choe Hie hierbij. De - chineezen zeggen, dat zij alleen vóór 12 uur ’s middags mag gegeten - worden. - - -Hij at niet veel. - -Als hij at converseerde hij niet, als hij te bed lag sprak hij niet. - -Als zijn mat niet recht was ging hij niet zitten. - -Als de dorpelingen aan het wijn drinken waren en zij, die lange staven -droegen uitgingen, ging hij er achter. - - - Vanaf den leeftijd van zestig jaren droegen de ouden van dagen - lange houten of bamboestaven om op te steunen, wat nú ook nog veel - wordt gedaan. Confucius ging nooit, uit respect voor den ouderdom, - vóór de ouden, altijd achter hen. - - -Als hij om informaties zond naar een’ anderen staat, boog hij tweemalen -als hij den (boodschapper) uitgeleide deed. - - - Dit buigen was niet tegen den boodschapper, maar tegen den staat. - - -Als hij ziek was en de Vorst kwam naar hem zien, lag hij met het hoofd -naar het Oosten, had hij zijne staatsiekleederen aan, en trok den -gordel er over heen. - - - Hoe ongemakkelijk dit ook voor een’ zieke mocht zijn, het Decorum - ging bij Confucius vóór alles. - - -Als een bevel van den Vorst hem ontbood, wachtte hij niet tot zijn -wagen klaar was, maar ging (dadelijk). - -Als een vriend stierf, zonder betrekkingen te hebben (die voor de -begrafenis konden zorgen) zeide hij: „Het is aan mij, hem te begraven.” - -Als een vriend hem een cadeau zond, al was het paard of wagen, als het -geen vleesch voor offering was, boog hij er niet voor. - -Als hij sliep lag hij niet als een lijk. - -Voor iemand in rouwkleederen boog hij tot het dwarshout van zijn wagen; -hij boog (eveneens) tot het dwarshout van zijn wagen tegen een’, die de -tafels der bevolking droeg. - -Als het op eens donderde, of er een hevige wind was, verschoot hij van -gelaatskleur. - - - Dit drukte zijn vrees en zijn eerbied uit voor wat hij „de toorn - des hemels” dacht te zijn. - - -Als hij zijn wagen besteeg stond hij recht, het koord vasthoudende. - -Als hij in zijn wagen stond, draaide hij zijn hoofd niet om, praatte -hij niet gejaagd, en wees niet met zijne handen. - - - Kortheidshalve heb ik wel een groot deel, maar niet het geheele - hoofdstuk dezer karakteristiek van Confucius vertaald. Het - bovenstaande zal, hoop ik, genoeg zijn. - - De wagens in dien tijd waren meer karren op twee wielen, wel - eenigszins gelijkende op die der grieken, waarin men stond naast - een menner. - - - - -BOEK XI. - -De Meester zeide: „De menschen van vroeger waren in Decorum en Muziek -„landelijke menschen”; die van latere tijden zijn in Decorum en Muziek -Kiün Tszʼ. - -Als ik deze dingen gebruik volg ik die van vroeger.” - - - Met „landelijk” wordt hier eenvoudig, primitief (in den goeden zin) - bedoeld. Met Kiün Tszʼ niet zoozeer de overal door Confucius - verheerlijkte ideaal-mensch, maar meer de „accomplished gentleman”, - waarmede o. a. Legge het hier heeft vertaald. De bedoeling is, dat - muziek en decorum vroeger meer simpel van groote, eenvoudige - waarheid waren, en de latere menschen, door deze ál te beschaafd en - gepolijst te willen maken, het ware wezen er van te veel opofferden - aan mooien schijn. - - -Om hun deugdzaam gedrag waren onderscheiden Yen Yuen, Min Tszʼ Kʼien, -Yen Pih Nioe, en Choeng Koeng; om hun talent van spreken Tsae Woe en -Tszʼ Koeng; om hunne vaardigheid in het beheeren van zaken Yen Yioe en -Kie Loe; om hunne studie van literatuur Tszʼ Yioe en Tszʼ Tszʼ Hia. - - - Deze vier soorten—deugdzaam gedrag, talent van spreken, vaardigheid - in beheeren, en studie van literatuur worden genoemd „de vier - klassen” van discipelen en die tien bovengenoemde volgelingen „de - tien wijzen.” - - -Toen Yen Yuen gestorven was, riep de Meester uit: „Helaas! De Hemel -vernietigt mij! De Hemel vernietigt mij!” - -Toen Yen Yuen (Yen Hwoey) gestorven was, weende hij van smart. Zijne -volgelingen vroegen: „Is uw smart zoo bovenmatig?” - -(En de Meester zeide:) „Is mijn smart bovenmatig? (Ik weet dat niet -eens!) Als ik om dezen mensch niet ontroerd ware van smart, om wien zou -ik het dán zijn?” - -Kie Loe vroeg (den Meester) over het dienen van de kwei-shin (geesten -der dooden). De Meester zeide: „Als gij de menschen nog niet kunt -dienen, hoe kunt gij dan de geesten (van menschen) dienen?” - -(Toen) vroeg (Kie Loe) over den dood. (En de Meester) zeide: „Gij kent -nog niet het leven; hoe zoudt gij dan den dood kennen?” - - - Dit gezegde is zeer karakteristiek voor de filosofie van Confucius, - die van den dood en een „hiernamaals” bijna nooit sprak, en enkel - over het leven en de levenden filosofeerde. Vergelijk ook Boek VI - „Pan Chi vroeg enz.” en vergelijk Bespreking van „Choeng Yoeng”, - XVI. Men ziet hieruit, dat de overmatige, belachelijke vereering - der dooden—zooals wij die in de kleinste bizonderheden in Prof. de - Groots standaardwerk „The religious system of China” hebben leeren - kennen—absoluut in strijd is met de Confucianistische leer, en deze - misbruiken dus allerminst aan háár moeten worden toegeschreven. - - -Min Tszʼ stond aan zijne zijde, zacht en hoffelijk; Tszʼ Loe stout en -energiek; Yen Yioe en Tszʼ Koeng oprecht en open. De Meester was -verheugd. - - - Dit is als een schilderijtje, voorstellende Confucius met zijne - vier discipelen, die allen in simpele trekken hun karakteristiek - vertoonen. In het chineesch is het nog simpeler, daar voor de door - mij gebruikte twee verschillende woorden in het origineel één - chineesch karakter voldoet. Zie de Bespreking bij het 1e fragment - in Boek X. - - -Tszʼ Koeng vroeg: „Szi of Shang, wie is de waardigste?” De Meester -zeide: „Szi gaat er naast, Shang komt er niet aan toe.” (Tszʼ Koeng) -zeide: „Dan is Szi de beste, denk ik.” De Meester zeide: „Er naast gaan -is (even verkeerd) als er niet aan toe komen.” - - - Hier wordt het afwijken of niet bereiken van „Choeng Yoeng” - bedoeld. Vergelijk ook „Choeng Yoeng”, Hfdst. IV. - - -De Meester zeide: „Hwoey! Hij was er bíjna! (En) hij was voortdurend in -armoede.” - - - Bedoeld is: Hwoey was bijna geheel toe aan Tao, het volgen van de - Sing. En dan kon hij in armoede ook best rust hebben. - - -Tszʼ Loe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?” -De Meester zeide: „Uw vader en uwe oudere broeders zijn er bijvoorbeeld -nog (wie gij kunt raadplegen). Waarom wat gij hoort dadelijk -uitvoeren?” - -Yen Yioe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?” -De Meester zeide: „Voer het dadelijk uit.” - -Koeng Si Hwa zeide: „Yioe vroeg, of hij dadelijk moest uitvoeren wat -hij gehoord had en gij zeidet: „Uw vader en uw oudere broeders zijn er -(wie gij kunt raadplegen)”.—„Kʼioe vroeg, of hij dadelijk moest -uitvoeren wat hij gehoord had, en gij zeidet: „Voer het dadelijk -uit!”—Chʼih is verward, en durft u vragen (hoe het hiermede is).” De -Meester zeide: „Kʼioe is dralerig, daarom laat ik hem vooruit gaan. -Yioe is meer dan anderen, daarom laat ik hem achteruit gaan.” - - - Men vergete niet dat Tszʼ Loe = Yioe, Yen Yioe = Kʼioe, en Koeng Si - Hwa = Chʼih is. - - Tszʼ, die in energie en dapperheid méér was dan andere menschen, - had gebrek aan doorzicht en correctheid, Kʼioe was te verlegen om - te ageeren. Confucius lette dus bij zijn antwoord op hun beider - karakters, en gaf hierdoor blijk van zijn menschenkennis. - - - - -BOEK XII. - -Yen Yuen vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Zichzelf -onderwerpen, en terugkeeren tot de Lí, is menschelijkheid. Als iemand -zichzelf voor één dag onderwerpt, zullen allen onder den Hemel zijne -menschelijkheid roemen. Komt menschelijkheid uit het zelf of uit andere -menschen?” - - - Choe Hie geeft in zijn commentaar ter verduidelijking nog eens de - definitie: „Jen (menschelijkheid) is de volmaakte deugd van het - oorspronkelijke hart” en „Lí (decorum) is de kuische beschaving van - het principe van den Hemel.” Men ziet ook aan dit fragment weer, - dat het Decorum niet beschouwd werd als enkel beleefdheidsvormen, - maar als iets diviens, een beschaving van zeden, die alleen door de - goddelijke deugd werd verkregen. „Zichzelf onderwerpen” is volgens - Choe Hie „al zijne heimelijke lusten en begeerten bedwingen” en - volgens anderen ook nog „alle egoïsme.” - - -Yen Yuen zeide: „Ik verzoek U, mij daar de (verschillende) stappen -(artikelen) toe te zeggen.” - -De Meester zeide: „Wat geen Lí is, zie daar niet naar. Wat geen Lí is, -luister daar niet naar; wat geen Lí is, spreek daar niet over; wat geen -Lí is, maak daar geen (enkele) beweging van.” Yen Yoen zeide: „Ofschoon -ik niet actief en knap ben, zal ik trachten mijne zaak van deze woorden -(lessen) te maken.” - - - Alweer een bewijs, dat Lí volstrekt niet enkel een uitwendig - beleefdheidsvertoon was, maar ook een reine staat van inwendige - zedelijkheid, geeft Choe Hie weer, door o. a. in zijn commentaar te - zeggen: „Geen Lí is het egoïsme van het zelf (met de heimelijke - begeerten).” - - -Choeng Koeng vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Als gij in -den vreemde gaat, (te doen) alsof gij in alle (vreemden) hooge gasten -ziet; het volk te gebruiken, alsof gij deelnaamt aan een groote -offering; wat gij zelf niet wenscht gedaan te worden, dat niet aan -anderen doen, in den staat geen gemurmureer tegen u te hebben; in uwe -familie geen gemurmureer tegen u te hebben.” - -Choeng Koeng zeide: „Ofschoon ik niet actief en knap ben, zal ik -trachten mijne zaak van deze woorden (lessen) te maken.” - -Szi Ma Nioe zeide bezorgd: „De (andere) menschen hebben allen broeders, -(maar) ik alleen heb er geen.” - -Tszʼ Hia zeide: „Ik heb het volgende hooren zeggen: De dood en het -leven hebben hun vast lot (van den Hemel); rijkdom en aanzien zijn in -den Hemel (vastgesteld). Laat een Kiün Tszʼ reverent zijn en niet -falen, laat hem tegenover de menschen eerbiedig zijn, en Lí hebben, dan -zullen allen tusschen de vier zeeën zijne broeders zijn. Waarom zou de -Kiün Tszʼ bedroefd zijn, omdat hij geen broeders heeft?” - - - Zoowel in dit fragment als in „Choeng Yoeng” zal men eene analogie - met gouden spreuken uit den bijbel zien. Choe Hie geeft aan, dat - Tszʼ Hia dit weer van Confucius heeft gehoord, die dus de - eigenlijke zegsman is. - - -Tszʼ Koeng vroeg over regeering. De Meester zeide: „(Die bestaat -dáaruit dat zij moet zorgen dat er) genoeg eten (is), genoeg uitrusting -voor soldaten, en dat het volk vertrouwen heeft (in den Vorst).” - -Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan te doen is of één moet er -weg, welke van deze drie dingen zou men dan het eerst weg moeten doen?” - -(De Meester) zeide: „De uitrusting van soldaten (moet dan eerst) weg.” - -Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan te doen is of één moet er -weg, welke van de twee (overige) dingen zou men dan het eerst weg -moeten doen?” - -(De Meester) zeide: „Het eten (moet dan eerst) weg. (Want) van ouds -moeten allen tóch dood. Maar als het volk geen vertrouwen heeft (in den -Vorst) is (de Staat) niet gevestigd.” - -De hertog King van Tsʼi vroeg aan Confucius over regeering. Confucius -antwoordde: „Als de Vorst Vorst is, de minister minister is, de vader -vader is en de zoon zoon is, (dan is er eene goede regeering).” - - - Choe Hie zegt er bij: „Dit is de wortel (oorsprong) van regeering.” - Toen ter tijde was er in Tsʼi groote wanorde, daar King zich liet - overheerschen door zijn ministers, en er over dacht, zijn’ oudsten - zoon van het erfschap uit te sluiten. Confucius was beroemd om - zijne treffende, laconieke antwoorden, die altijd den spijker op - den kop troffen. - - -De Meester zeide: „Wie met een half woord processen kan beslechten, dat -is Yioe!” - -„Tszʼ Loe draalde niet na een belofte.” - - - Hier wordt Yioe wederom geprezen om zijne vaardigheid in het - bemiddelen, en het beslechten van gedingen, en om de trouw aan zijn - woord. Letterlijk staat in den tweeden zin „Tszʼ Loe sliep niet - over een belofte” maar Choe Hie geeft „dralen.” - - -Kie Kʼang vroeg over regeering aan Confucius. Confucius antwoordde: -„Regeeren, is recht maken. Als de Leermeester (de Vorst) het volk -voorgaat in het rechte, wie zal dan niet recht durven zijn?” - - - Ik heb expresselijk het chineesche woord, dat „recht” beteekent, - ook met „recht” vertaald, het engelsche „right.” Recht, dat is - correct, zuiver als een rechte lijn in het goede. Onmiddellijk - hiermede in verband staat het volgende. - - -Kie Kʼang was bezorgd over de (vele) dieven en ondervroeg daarover -Confucius. Confucius antwoordde: „Als gij zelf, Heer, niet zoo begeerig -waart, al werden zij er voor beloond, zij zouden niet stelen.” - - - Alweer een voorbeeld van Confucius’ treffende, onbewimpelde wijze - van antwoorden. Kie Kang, het hoofd van den machtigen Kie clan in - Loe, was zelf een usurpator, die het wettige stamhoofd, een jongen - neef, had verjaagd, en vol begeerten was. Want Confucius’ - grondbeginsel was nu eenmaal, dat de vorsten en hoofden zélf - moesten voorgaan in het goede, dat hun deugd het volk tot de deugd - bracht, even zeker als hun ondeugd het tot zonde leidde. - - -Kie Kʼang, over regeering aan Confucius vragende, zeide: „Zij, die geen -Tao hebben te dooden voor het goed van diegenen, die wèl Tao hebben, -hoe is het daarmede (denkt gij)?” - -De Meester zeide: „Wat voor nut is er om te dooden, als gíj, Heer, de -regeering uitoefent? Begeert gij, Heer, naar het Goede, dan is het volk -(vanzelf ook) goed. De deugden van den Kiün Tszʼ (de superieuren) zijn -als de wind, de deugden van de kleine menschen (de inferieuren) als het -gras. Het gras moet stellig buigen als de wind er over heen gaat.” - - - Ik heb expresselijk weer het woord Tao behouden. „Geen Tao hebben” - is dus „niet de Sing volgen”, dus ook vanzelf niet „het principe - van den Hemel volgen.” Legge vertaalt het met „the unprincipled” - wat daar eveneens uit volgt. Ik houd gaarne het woord Tao in zijne - beteekenissen, die in het Boeddhisme en Taoïsme weer zoo geheel - anders zijn. - - -Fan Chʼi vroeg over menschlievendheid. De Meester zeide: „(dat is) de -menschen liefhebben.” (Fan Chʼi) vroeg over weten. De Meester zeide: -„(dat is) de menschen kennen.” - - - Hier is een voorbeeld dat „Jên” elders in dit werk - „menschelijkheid” (in den zin van de menschelijke deugden hebbend) - beteekenend, thans „de menschen liefhebben” beteekent, zooals in - boeddhistische werken. - - -Fan Chʼi begreep het nog niet. - -(Toen) zeide de Meester: „Gebruik de rechten, en zet de krommen aan den -kant; dan kunnen de krommen recht worden.” - -Fan Chʼi trok zich terug, zag Tszʼ Hia, en zeide: „Heer, (zooeven) had -ik een onderhoud met den Meester, en vroeg hem over weten, en de -Meester zeide: „Gebruik de rechten en zet de krommen aan den kant, dan -kunnen de krommen recht worden.” Wat kan hij daarmede bedoeld hebben?” -Tszʼ Hia zeide: „Hoe rijk zijn deze woorden! Toen Shoen het rijk bezat -koos hij uit allen, en gebruikte Kaou Yan, en zij, die geen -menschelijkheid hadden waren ver (te zoeken). Toen Tʼang het keizerrijk -bezat koos hij uit allen, en gebruikte Ie Yin en zij, die geen -menschelijkheid hadden, waren ver (te zoeken).” - - - De ware menschelijkheid van een’ vorst, zoowel als zijn ware - kennis, bestaat dus, volgens Confucius, uit het kiezen van de - geschikte ministers en ambtenaren. De rechten, d. i. de oprechten - moeten gebruikt worden (lett. staat er „opgeheven worden”) in den - staatsdienst, en de krommen, d. i. de heimelijken, valschen, aan - wal gezet. Want dan alleen bestaat er gelegenheid, dat de krommen - onder het volk door het voorbeeld der regeeringsambtenaren, en den - van hen uitgaanden transformeerenden invloed, ook recht worden. - - -Tszʼ Hia vroeg over vriendschap. De Meester zeide: „Vermaan (uw vriend) -trouwelijk en leid hem goed. Als (gij ziet) dat het niet kan, schei dán -uit. Breng uzelf niet tot schande.” - - - Als voorbeeld van de veelvuldig verschillende beteekenis van het - karakter Tao diene, dat het hier voorkomt in den zin van „leiden”. - Niet alleen kan het dus beteekenen „weg” maar zelfs „leiden” (op - een weg). - - - - -BOEK XIII. - -Fan Chʼi vroeg (den Meester) om hem landbouwkunde te leeren. (De -Meester) zeide: „Ik ben niet zoo goed daarvoor als een oude -landbouwer.” - -(Fan Chʼi) vroeg (den Meester) om hem tuinieren te leeren. (De Meester) -zeide: „Ik ben niet zoo goed daarvoor als een oude tuinman.” - -Toen Fan Chʼi uitgegaan was, zeide de Meester: „Wat een klein mensch, -die Fan Sü! [74] Als die van boven de Lí (het Decorum) liefheeft, dan -zal het volk niet oneerbiedig durven zijn. Als die van boven de -plichtmatigheid liefheeft, dan zal het volk het niet durven, zich niet -(aan hem) te onderwerpen. Als die van boven de oprechtheid en trouw -liefheeft zal het volk niet durven, niet oprecht te zijn. Welnu, als -het zóó is, zal het volk uit alle vier windstreken naar hem toe komen, -hunne kinderen op den rug dragend. Van wat voor nut zou dan -landbouwkunde (voor hem) zijn?” - - - Confucius vond dus, dat dingen als landbouwkunde, tuinieren enz. - voor het volk waren, maar dat „die van boven”, d. i. de Kiün Tszʼ, - de minister en de vorst de hoogere dingen hadden te kennen. Choe - Hie zegt dan ook „Lí, Iʼ en Sin zijn de zaken van den grooten - mensch.” Ik wijs er nog eens op dat men Lí vertalende door Decorum, - Iʼ door plichtmatigheid (of, zooals Legge geeft, righteousness), en - Sin door oprechtheid en trouw, wel heel dicht bij het chineesche - begrip is, maar het niet gehéél omvat. Lí heb ik reeds omschreven - door Choe Hie’s gezegde: „De kuische beschaving van het principe - van den Hemel,” voor Iʼ geeft Wells Williams „dat, wat het hart in - staat stelt, zichzelf te regeeren, en de dingen om op hun juiste - plaats te zijn,” en ook „dat wat per se gepast en juist is.” Sin is - zoowel oprechtheid, waarheid, integriteit en trouw, volgens Wells - Williams. - - -De Meester zeide: „Als iemand (al) driehonderd Odes kan opzeggen, -(maar) als hij in de regeering met iets belast wordt, niet bedreven is, -(of) als hij naar een der vier windstreken met een opdracht wordt -gezonden, niet (zelf) alleen kan antwoorden, al (leerde hij) ook nóg -zooveel, wat presteert hij er mede?” - - - De Odes van de Shi King zijn van dien aard, dat, als men ze goed - bestudeerd en gevoeld had, men vanzelf van regeeringszaken en - opdrachten af moest weten, zóóveel staat er van in. Het opzeggen - van de Odes zonder ze practisch te kunnen toepassen vond Confucius - echter van geen nut. - - -De Meester zeide: „Als zijn eigen karakter recht is, zal de regeering -(van den Vorst) goed gaan zonder (het uitvaardigen van) bevelen. Als -zijn eigen karakter niet recht is, al (vaardigt de Vorst) bevelen uit, -men zal ze niet opvolgen.” - -De Meester zeide: „Als eenigen onder de Vorsten mij wilden gebruiken, -zou ik in twaalf maanden iets (belangrijks) hebben kunnen doen. In drie -jaren (zou de regeering) volmaakt zijn.” - -De Meester zeide: „Als goede menschen een’ staat honderd jaren -achtereen regeerden, zouden zij ook de allerslechtsten kunnen vervormen -(tot goeden) en de doodstraf afschaffen. Hoe volmaakt waar zijn deze -woorden!” - -De Meester zeide: „Als er eens een (echte) koning was, zouden er -stellig dertig jaar verloopen en daarna zou er menschelijkheid zijn.” - - - Choe Hie wijst er op, dat deze koning een heilige wijze zou moeten - zijn. Chʼing Tsoe wijst hierbij op het feit, hoe onder de regeering - van koning Woe (de eerste regeerder der Chow dynastie) de Lí en de - Muziek gingen bloeien. - - -De Meester zeide: „Als een minister zijn eigen karakter recht maakt, -wat zal er dan (moeilijks) voor hem zijn in het deelnemen aan de -regeering? Als hij zijn eigen karakter niet recht maakt, wat heeft hij -dan (andere) menschen recht te maken?” - -De hertog Ngai vroeg over regeering. De Meester zeide: „(Eene goede -regeering bestaat) als zij die nabij zijn gelukkig zijn, en zij die -veraf zijn (naderbij) komen.” - -Fan Chʼi vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „(Dat is) thuis -zijnde bedaard en ernstig zijn, in het behandelen van zaken een -eerbiedige nauwgezetheid hebben, en in den omgang met anderen loyaal -zijn. Al mocht gij onder barbaarsche stammen zijn, mocht gij deze -dingen niet veronachtzamen.” - -Tszʼ Koeng zeide, vragend: „Hoe moet iemand zijn, om ambtenaar te mogen -genoemd worden?” De Meester zeide: „Hij, die in zijn eigen gedrag -(gevoel voor) schaamte heeft en ergens in de vier windstreken gezonden, -den last van zijn’ Vorst geen oneer aandoet, mag een ambtenaar worden -genoemd.” - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is waardig en niet trotsch. De kleine -mensch is trotsch en niet waardig.” - -De Meester zeide: „Als een goed mensch het volk zeven jaren onderwijst, -dan kan men het ook in den oorlog gebruiken.” - - - Het volk, om moreel geschikt te zijn, zijn vaderland te verdedigen, - moet eerst onderwezen zijn in de deugden die zijn land groot maken. - „Ouderlijke liefde, broederlijke liefde, loyauteit en trouw” noemt - Choe Hie onder dezen op. - - -De Meester zeide: „Een niet-onderwezen volk voor den oorlog gebruiken -is het weggooien.” - - - De laatste chineesch-japansche oorlog heeft de waarheid dezer - woorden nog eens bewezen. Men ziet, dat het den chineezen niet aan - goeden raad heeft ontbroken. - - - - -BOEK XIV. - -Hjen vroeg, wat schaamte was. - -De Meester zeide: „Als er goede regeering in den staat is (alleen om) -traktement te denken, en als er geen goede regeering in den staat is -(ook alleen om) traktement te denken, dat is om schaamte over te -hebben.” - - - Er staat weer letterlijk „Als de staat Tao heeft” enz. Een goede - regeering is n.l. óók volgen van de hemelsche natuur. Hjen of Yuen - Szi was een der discipelen van Confucius, die zich bizonder - onderscheidde door zijn onverschilligheid voor rijkdom en - wereldsche dingen, en in groote armoede leefde. Hij bekleedde eerst - het ambt van gouverneur eener stad, maar na Confucius’ dood trok - hij zich geheel terug. - - -De Meester zeide: „Een geleerde, die veel van gemak houdt, is niet -genoeg waard om een geleerde te zijn.” - -De Meester zeide: „Als er een goede regeering in den staat is (mogen) -de woorden hoog-verheven en de daden hoog-verheven zijn; als er geen -goede regeering in den staat is (mogen) de daden hoog-verheven zijn, -maar de woorden bescheiden.” - -De Meester zeide: „Kiün Tszʼs, die toch niet (altijd) menschelijkheid -hadden, zijn er geweest, maar er zijn nog geen kleine menschen geweest, -die menschelijkheid hadden.” - -De Meester sprak er over dat hertog Ling van Wei geen Tao had. Kie -Kʼang zeide: „Als het zóó met hem was, hoe komt het dan, dat hij het -rijk niet verloor?” Confucius zeide: „Yü, de Choeng Choeh, was de -superintendent voor (de ontvangst van) gasten en vreemden; Tʼo, de -litanist, had het beheer over den voorvaderlijken tempel, en Wang Soen -Kia had het beheer over het leger; welnu, dit aldus zijnde, hoe zou hij -het rijk verliezen?” - - - De goede, hooge staatsdienaren behielden het rijk, waar de vorst - alleen het zoude verliezen. „Choeng Choeh” is een naam voor zekeren - familiegraad. - - -De Meester zeide: „Als iemands woorden niet bescheiden zijn, zal het -uitvoeren (daarvan) moeilijk zijn.” - -Kü Pih Yuh zond een bode naar Confucius. Confucius zat met hem, en -vroeg: „Wat doet uw Meester (alzoo)?” (De bode) antwoordde: „Mijn -Meester begeert zijne fouten weinigen te maken, maar heeft het nog niet -gekund.” De bode ging uit, en de Meester zeide: „Wat een bode! Wat een -bode!” - - - Dit bewijst, dat Confucius ook kernachtige antwoorden in anderen - apprecieerde. Kü Pih Yuh was een mandarijn van den staat Wei, en - een van Confucius’ discipelen. - - -Iemand zeide: „Hoe denkt gij over het met vriendelijkheid beantwoorden -van beleediging?” - -De Meester zeide: „Waarmede moet men dan vriendelijkheid beantwoorden? -Beantwoordt beleediging met recht, beantwoordt vriendelijkheid met -vriendelijkheid.” - - - Het „met vriendelijkheid beleediging beantwoorden” is een der - teksten uit de Tao Teh King van Lao Tszʼ. Uit dit enkele fragmentje - kan men reeds zien, hoe véél verder en hooger Lao Tszʼ ging dan - Confucius. - - -De Meester zeide: „Helaas, er is niemand, die mij kent!” - -Tszʼ Koeng zeide: „Wat bedoelt gij met dat men u niet kent?” De Meester -antwoordde: „Ik murmureer niet tegen den Hemel. Ik toorn niet op de -menschen. Laag (begint) mijne studie en hoog doordringt zij den Hemel. -Wie míj kent, dat is de Hemel!” - - - Confucius’ studie begon dus laag, bij de eenvoudigste dingen, om - daarna den Hemel te doordringen, te omvatten. - - -Tszʼ Loe vroeg over den Kiün Tszʼ. De Meester zeide: „(De Kiün Tszʼ -betracht) cultivatie van zijn Zelf, in reverentie.” (Tszʼ Loe) zeide: -„En is het hiermede uit?” (De Meester) zeide: „(De Kiün Tszʼ) betracht -de cultivatie van zijn Zelf om anderen tot rust te brengen.” (Tszʼ Loe) -zeide: „En is het hiermede uit?” (De Meester) zeide: „(Hij) cultiveert -zijn Zelf om het geheele volk tot rust te brengen. (Hij) cultiveert -zijn Zelf om het geheele volk tot rust te brengen. (Zelfs) Yaou en -Shoen waren hier nog begeerig naar.” - - - - -BOEK XV. - -De hertog Ling van Wei vroeg Confucius over tactiek. Confucius -antwoordde: „Ik heb alles gehoord van offervazen, maar militaire zaken -heb ik niet geleerd.” Den volgenden dag aanvaardde hij zijn vertrek. - -De Meester zeide: „Tsʼze, gij ziet mij meen ik aan voor iemand, die -veel leert en dat onthoudt?” - -Tszʼ Koeng antwoordde: „Ja, of is het niet zoo?” - -De Meester zeide: „Neen,—ik breng het (alles) tot Één (terug).” - - - Zie Boek IV. No. XV met de Bespreking. Letterlijk staat er „ik rijg - het (alles) met één aan elkaar.” - - -Tszʼ Chang vroeg over het gedrag (van den Kiün Tszʼ zoodat hij overal -geapprecieerd zou worden). De Meester zeide: „Zijn woorden (moeten) -oprecht en waar (zijn), zijn daden eerlijk en reverent; al is men onder -de wilde barbarenstammen van ’t Zuiden of Noorden, moet men zich zoo -gedragen. Zijn zijne woorden niet oprecht en waar, en zijne daden niet -eerlijk en reverent, al is hij in (zijn eigen) „cheu”, hoe zal zulk een -gedrag geapprecieerd worden?” - -„Als hij staat, laat hem (dan) die twee dingen zien, alsof ze vóór hem -waren. Als hij in zijn wagen is, laat hem ze dan zien (als) aan zijn -juk gehecht. Dan zal hij ze later ook in practijk kunnen brengen.” - -Tszʼ Chang schreef deze raadgevingen op zijn gordel. - - - Een „cheu” is een streek van 2500 families. - - -De Meester zeide: „De vastbesloten geleerde en de mensch van volmaakte -deugd willen niet leven als zij hun menschelijkheid er door benadeelen. -Zij willen hun lichaam dooden om hun menschelijkheid te volmaken.” - - - Confucius leerde dus, dat, liever dan te leven ten koste zijner - menschelijkheid, de geleerde (of de deugdzame) zijn leven opofferde - om zijn menschelijkheid te redden. - - -De Meester zeide: „Als een mensch niet bezorgd denkt om wat veraf is, -zal het verdriet nabij zijn.” - -De Meester zeide: „Het is gedaan! Ik heb nog géén gezien, die de deugd -liefheeft als de schoonheid.” - -De Meester zeide: „Hij, die van zichzelf véél vergt, en van anderen -weinig, zal wrok vér van zich hebben.” - -De Meester zeide: „Als een mensch niet (gewoon is) te zeggen: „Wat moet -ik hier van denken? Wat moet ik hier van denken?” zou ik niet weten wat -ik van hem moest denken.” - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is in nood over zijn (eigen) onkunde; -hij is niet in nood omdat de menschen hem niet kennen.” - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ heeft er een afkeer van dat na zijn’ -dood zijn naam niet (meer) genoemd zal worden.” - - - Hierin verschilt Confucius geheel van Lao Tszʼ die leerde, dat als - het werk maar overbleef, de naam van den mensch er niets meer toe - deed. - - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ zoekt (het) in zich zelven. De kleine -mensch zoekt (het) in anderen.” - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ steekt geen mensch in de hoogte (enkel) -om zijn woorden, (maar) verwerpt (ook) geen woorden om den mensch (die -ze uitspreekt).” - -De Meester zeide: „Als alle menschen iemand haten, moet men daar -stellig onderzoek in doen. Als alle menschen iemand liefhebben, moet -men daar stellig onderzoek in doen.” - -Tszʼ Koeng vroeg over deugd. De Meester zeide: „De handwerksman, die -zijn zaken goed wil doen, moet stellig eerst zijne gereedschappen -scherpen. Als gij in een staat leeft, neem dan dienst met de meest -eerwaardigen onder de hooge ambtenaren, en wees vrienden met de -menschelijken onder de geleerden.” - -De meester zeide: „Fouten hebben en ze niet verbeteren, dit is (eerst -recht) fouten hebben te noemen.” - -De Meester zeide: „Voor het volk is menschelijkheid méér dan water of -vuur. Ik heb gezien, dat wie op water of vuur traden stierven, (maar) -ik heb nooit gezien, dat wie in (het pad van) de menschelijkheid traden -stierven.” - -De Meester zeide: „(Ieder) moet de menschelijkheid op zichzelf nemen. -Men mag haar niet aan zijn’ Meester overlaten.” - -De Meester zeide: „In ’t dienen van zijn’ Vorst doet (de Kiün Tszʼ) -zijn dienstzaken in reverentie, en zijn eten beschouwt hij als een -latere zaak.” - - - Dit sloeg op de begeerigheid der ambtenaren, die hun traktement als - de hoofdzaak beschouwen. - - -De Meester zeide: „Is er onderricht dan zijn er geen klassen (van -menschen).” - - - Confucius was alzoo het liberale en democratische beginsel - toegedaan, dat door goed onderricht alle menschen, van welken rang - of stand ook, gelijken konden worden. - - -De Meester zeide: „Zijn hunne principes niet gelijk, dan kunnen -menschen niet samen plannen maken.” - - - Letterlijk staat er „Is de Tao niet gelijk,” wat ik meen hier met - „principes” te mogen vertalen. Confucius bedoelde, dat als de - grondbeginselen, de fundamenteele ideeën „van wat goed of slecht - is,” zooals Choe Hie in zijn commentaar zegt, niet gelijk zijn, er - ook verder geen redeneering of samenwerking mogelijk is. Twee - menschen kunnen elk van hun standpunt gelijk hebben, maar de - kwestie is, welke die principieele standpunten zijn. Wij zouden - deze gelijkheid van principes gerustelijke eene „sympathie” kunnen - noemen. Waar die tusschen menschen ontbreekt is samenwerken en - begrijpen onmogelijk. - - -De Meester zeide: „De taal moet (de bedoeling) overbrengen, daarmede -houdt het op.” - - - Eenvoud, leerde Confucius dus, moet het kenmerk van de taal zijn, - die simpel de meening moet uitdrukken, anders niets. Choe Hie voegt - er in zijn commentaar aan toe: „Men moet geen werk maken van - rijkheid of mooiïgheid (van taal).” - - - - -BOEK XVI. - -(De Meester zeide:) „Ik heb gehoord, dat zij, die het hoofd van een -rijk of eene familie zijn, er niet bezorgd over zijn, dat hun volk -weinig in getal zoude zijn, maar wel, dat elk niet zijn deel zoude -krijgen; dat zij er niet bezorgd over zijn, dat (hun volk) arm zoude -zijn, maar wel, dat (het) geen rust zoude hebben. (Want) als elk zijn -deel heeft, is er geen armoede, als (het volk) rust heeft, is er geen -rebellie.” - - - Het „elk zijn deel hebben,” of, zooals het meer voorkomt, „elk zijn - oorspronkelijk deel hebben” is een typisch chineesche uitdrukking. - De chineezen gelooven dat elk, van arm tot rijk, een hem - voorbeschikt „deel” heeft, dat hij niet overschrijden kan. Vandaar - misschien die tevredenheid en gelatenheid van chineezen in de - grootste misère. Choe Hie geeft voor rust hebben „dat hoogen en - lagen met elkaar in rust zijn.” Onmiddellijk hierop volgt: - - -„Ja, zóó is het. Daarom, als het volk van véraf zich niet onderwerpt, -dan moet de cultivatie van de beschaving en de deugd het (tot ons) doen -komen. En als het tot komen is aangetrokken, dan is het (ook) tot rust -gebracht.” - - - Deze woorden zeide Confucius tot Yen Yioe en Kie Loe, toen zij hem - berichtten, dat hun vorst, het hoofd der Kie clan, tegen het - staatje Choeën Yu wilde te velde trekken. Niet door geweld van - wapenen, zeide dus Confucius, maar door de aantrekkingskracht van - beschaving en deugd, moeten vreemde volken onderworpen worden. - Merkwaardig is te weten dat het karakter „wen”, dat meestal - „literatuur” beteekent, ook wordt gebruikt voor „beschaving”. - - -(De Meester zeide:) „Als er Tao is (in de regeering) van het rijk -zullen er geen (heimelijke) redeneeringen zijn onder het gewone volk.” - -Confucius zeide: „Er zijn drie dingen, waar de Kiün Tszʼ zich voor -hoedt: In den tijd der jeugd, als zijn fysieke natuur nog niet -vastgesteld is, hoedt hij zich voor schoonheid. Als hij zijne -(volledige) sterkte bereikt heeft en zijne fysieke natuur in volle -kracht is, hoedt hij zich voor vechtlustigheid. Als hij den hoogen -ouderdom heeft bereikt, en zijne fysieke natuur verkwijnd is, hoedt hij -zich voor begeerigheid.” - - - Met „fysieke natuur” is het chineesche „hüeh kʼi” onvolledig - vertaald. „Hüeh” is lett. vertaald „het bloed” en „kʼi” is, wat - Wells Williams terecht noemt „nervous matter or the stamina of a - being”, een soort „vital fluid” dat de chineesche filosoof in den - mensch onderstelt. „Hüeh” is van „Yin”, het vrouwelijke of duistere - principe, „kʼi” is van „Yang”, het mannelijke of lichte principe. - Onder „schoonheid” heeft men natuurlijk weer te verstaan - „schoonheid van vrouwen”, die lust opwekt, niet de ideale - schoonheid. - - -Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft drie (eerbiedige) vreezen. Hij -vreest de besluiten van den Hemel. Hij vreest groote mannen. Hij vreest -de woorden der heiligen.” - -„De kleine mensch weet de besluiten van den Hemel niet, en vreest ze -(dus) niet. Hij is oneerbiedig tegen groote mannen. Hij vermaakt zich -over de woorden der Wijzen.” - - - De geleerde Yin Shi teekent hierbij aan, dat deze „drie vreezen” - zijn de volmaking der cultivatie van het eigen karakter. - - -Confucius zeide: „Zij, die geboren zijn met het (ál) weten zijn de -hoogsten (onder de menschen). Zij, die (eerst) leeren, en dan weten -volgen hierop. Zij, die ellendig zijn, en het (toch) leeren volgen hier -weder op. Zij, die ellendig zijn, en (toch) niet leeren, zijn de -laagsten (onder de menschen).” - - - Met „ellendig” wordt hier natuurlijk bedoeld bot en dom. Het - chineesche karakter, voorstellende een boom, opgesloten in een - omringend vierkant, geeft symbolisch de beteekenis „kwijnend, uit - gebrek aan ruimte.” Vergelijk met dit hoofdstuk ook de „Choeng - Yoeng”, Hfdst. XX. No. 3. - - -Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft negen dingen, waarin hij -(aandachtig) nadenkt. In ’t zien denkt hij er om, dat hij helder moet -zien. In ’t hooren denkt hij er om, dat hij duidelijk moet hooren. (Met -betrekking op) zijn gelaatsuitdrukking denkt hij er om, dat zij -vriendelijk moet zijn. (Met betrekking op) zijne houding denkt hij er -om, dat zij eerbiedig moet zijn. (In het spreken van) zijne woorden -denkt hij er om, dat zij oprecht moeten zijn. In (het doen van) zijne -zaken denkt hij er om, dat hij reverent moet zijn. In zijn twijfelen -denkt hij er om, dat hij (anderen) moet vragen. In zijn toorn denkt hij -om de moeilijkheden (die er door kunnen ontstaan). Als hij ziet dat er -winst te behalen is, denkt hij om rechtmatigheid.” - - - Het „reverent” zijn in zaken doen is het eerbied hebben voor de - principes van eerlijkheid en plicht, en die met vreeze in het oog - houden. - - -De hertog King van Tsʼi had duizend span van vier paarden, maar op den -dag van zijn’ dood prees het volk hem voor geen enkele deugd. Poh Ie en -Shoe Tsʼi stierven van honger aan den voet van den Shau Yang berg, en -het volk prees hen tot den huidigen dag. - - - Poh Ie en Shoeh Tsʼi waren twee broeders, en zonen van den koning - Koe Choeh, ergens gelegen in de tegenwoordige provincie Pechili. - Zij leefden in de laatste periode der Shangdynastie. Daar de oude - koning den jongsten zoon, met voorbijgang van den oudsten tot - opvolger benoemde, weigerde deze uit broederliefde, en verlieten - beiden het rijk, om in afzondering te leven. Toen koning Woe van - Chow tegen den tyran Cheu Sin optrok en hem overwon, wilden zij - niet onder de nieuwe dynastie dienen, en stierven liever van honger - onder een boom. Sedert werden zij vereerd om hun broederliefde en - hun trouw. - - -Chʼin Kang vroeg aan Poh Yü: „Hebt gij ook iets anders gehoord (van uw’ -vader) dan wat hij tot ons heeft gesproken?” (Poh Yü) antwoordde: „Nog -niet! Hij stond eens alleen toen ik haastig beneden de zaal doorging, -en zeide: „Hebt gij de Odes bestudeerd?” Ik antwoordde: „Nog niet.” -(Toen zeide hij:) „Als gij de Odes niet hebt bestudeerd valt er met u -niet te converseeren.” Toen ging ik heen en bestudeerde de Odes. Op -een’ anderen dag stond hij (weder) alleen. Ik ging door de zaal voorbij -en hij zeide: „Hebt gij de Lí bestudeerd?” Ik antwoordde: „Nog niet.” -„Als gij de Lí niet hebt bestudeerd” (zeide hij) „is uw deugd nog niet -gevestigd.” Toen ging ik heen en bestudeerde de Lí. Deze twee dingen -heb ik (alleen) gehoord.” - -Chʼin Kʼang ging heen en zeide verheugd: „Ik vroeg één ding en kreeg er -drie. Ik heb gehoord van de Odes. Ik heb gehoord van de Lí. Ik heb -bovendien gehoord, dat de Kiün Tszʼ zijn’ zoon ver van zich houdt.” - - - Men herinnere zich, dat Poh Yü Confucius’ zoon was. Chʼin Kʼang of - Tszʼ Kʼin, o. a. ook voorkomende in het 7e. door mij aangehaalde - fragment uit Boek I, was een der mindere discipelen van Confucius. - - Het „ver van zich houden” is door velen beschouwd, alsof Confucius - niet bizonder van zijn’ zoon hield. Maar Choe Hie neemt in zijn - commentaar de uitlegging op van den geleerde Yin Shih, die - verklaarde, dat dit niet anders beteekende dan „dat Confucius aan - zijn’ zoon niet anders leerde, dan wat hij zijn discipelen leerde.” - Dus ook, dat Confucius zijne discipelen beschouwde als zijne - kinderen. In dit licht gezien wordt het schijnbaar onsympathieke - van dit geval juist sympathiek. - - - - -BOEK XVII. - -De Meester zeide: „Door hunne natuur zijn de menschen elkaar nabij. In -de practijk gaan zij ver van elkaar.” - - - Choe Hie teekent hierbij aan, dat hier niet de „Sing” wordt bedoeld - (uit de „Choeng Yoeng”) maar de complexe, actueele natuur, „met - haar elementen van het materieele, het animale, en het - intellectueele.” - - -De Meester zeide: „Alleen de opperste wijzen en de laagste dommen -(kunnen niet) veranderd (worden).” - -De Meester zeide tot Poh Yü: „Maak werk van de Chow Nan en de Shaou -Nan. De mensch, die geen werk maakt van de Chow Nan en de Shaou Nan is -als iemand die recht tegenover een muur staat. Is dat niet zoo?” - - - De Chow Nan en Shaou Nan zijn de eerste twee boeken in de Shi King. - Hij, die deze boeken, waarin zooveel over deugd en regeering staat, - niet had gelezen, kon volgens Confucius evenmin vooruit als iemand, - die tegenover een muur staat. - - -De Meester zeide: „(Het is volgens) de Lí, zeggen zij. Zijn edelsteenen -en zijde (alles) wat zij bedoelen met de Lí? Muziek, zeggen zij. Zijn -bellen en trommen (alles) wat zij bedoelen met muziek?” - - - Ziehier dus een klacht van Confucius, dat in zijn’ tijd de menschen - alleen het uitwendige, den schijn van Decorum en Muziek hoog - achtten, maar het waarachtige wezen daarvan verwaarloosden. - - -De Meester zeide: „Hij, die een uiterlijk vertoont van ernstige -strengheid, en van binnen zwak is, is als een klein mensch; is hij -zelfs niet als een dief, die zich door een muur heendringt, of er -overheen klimt?” (en ieder oogenblik bang is, betrapt te worden?) - -De Meester zeide: „Het volk van de oudheid had drie fouten, die -tegenwoordig misschien verloren zijn gegaan.” - -„Het hoogvliegen van de oudheid was een niet achtslaan op kleine -dingen; het hoogvliegen van heden is losbandigheid. De strenge -waardigheid van de oudheid was een ernstige teruggetrokkenheid; de -strenge waardigheid van heden is twistzieke gemeenheid. De domheid van -de oudheid was oprechtheid; de domheid van tegenwoordig is enkel -bedrog.” - - - Eigenaardig is deze wijze, om uit het falen van de oudheid hare - deugd te bewijzen. - - -De Meester zeide: „Ik zou wenschen, niet te spreken.” - -Tszʼ Koeng zeide: „Als de Meester niet spreekt, hoe moeten uwe kleine -kinderen (discipelen) dan overleveren?” - -De Meester zeide: „Spreekt de Hemel dan? De vier jaargetijden gaan -(hunnen loopgang). Alle dingen worden geboren. Maar spreekt de Hemel?” - - - Ziehier een episode, die eerder in een werk van Lao Tszʼ of Chuang - Tszʼ te verwachten ware dan in een van Kʼoeng Tszʼ (Confucius). - Ching Tszʼ geeft van dezen tekst de dichterlijke verklaring: „De - Leer van Confucius had de helderheid van de zon en de sterren.” - Zijn leer behoefde dus geen woorden om duidelijk te zijn, maar - straalde uit van zijn persoon en al zijne daden. Om in Lao Tszʼs - zin te spreken, zijn Leer was „Wu Wei,” behoefde geen actie van - woorden, maar werkte vanzelf, zooals ook de natuur doet. - - -De Meester zeide: „Hard (is het geval van) iemand, die zich den -geheelen dag zat eet, zonder zijn geest ergens voor te gebruiken. Zijn -er (dan) geen spelers en schakers? Daar één van te zijn is (nog) -waardiger dan niets te doen.” - -Tszʼ Loe vroeg: „Waardeert de Kiün Tszʼ dapperheid?” De Meester zeide: -„De Kiün Tszʼ houdt rechtmatigheid voor het hoogste. De Kiün Tszʼ, die -dapperheid heeft en geen rechtmatigheid, zal insubordinent worden; de -kleine mensch, die dapperheid heeft en geen rechtmatigheid zal gaan -stelen.” - -De Meester zeide: „Alleen meisjes en dienstknechten zijn moeilijk te -onderhouden. Komt gij dicht bij hen (dus: wordt gij familiaar met hen) -dan zijn zij niet eerbiedig. Houdt gij u ver van hen dan zijn zij -boos.” - - - Door sommige vertalers is dit „meisjes” ook voor „vrouwen” in ’t - algemeen genomen. Dit „meisjes” beteekent hier, zooals ook Legge - zegt, meer het engelsche „girls”, dus concubinen. Dienstknechten in - den chineeschen zin van slaven hier te nemen. - - -De Meester zeide: „Yioe, hebt gij gehoord van de zes woorden en de zes -overschaduwingen?” (Tszʼ Loe) antwoordde: „Neen.” - -„Ga zitten, ik zal het U zeggen” (zeide Confucius). „Houden van -menschelijkheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing -(veroorzaakt domme) naïeveteit. Houden van wijsheid en niet houden van -de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) losbandigheid (van den -geest.) Houden van oprechtheid en niet houden van de studie, deze -overschaduwing (veroorzaakt) kwetsing (of benadeeling). Houden van -openheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing -(veroorzaakt) grofheid. Houden van dapperheid en niet houden van de -studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) insubordinatie. Houden van -onwankelbaarheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing -(veroorzaakt) dolzinnigheid.” - -De Meester zeide: „Als iemand, als hij veertig jaar is, met haat wordt -aangezien, zal hij zijn geheele leven blijven zooals hij is.” - - - Choe Hie merkt hierbij aan, dat „veertig jaar is de tijd van de - volmaking der deugd,” de tijd „om te verhuizen naar het goede en de - fouten te verbeteren.” De stelling dat iemand, die bij de menigte - gehaat is, slecht moet zijn, en dus ook, dat iemand, die bij de - menigte geliefd is, goed, komt mij zeer gewaagd voor, en is - lijnrecht in strijd met andere principieele uitingen van Confucius. - Had hij er, zooals elders bijgezegd „Als er Tao is in het rijk” dan - ware het iets anders geweest. - - - - -BOEK XVIII. - -Hwoey van Lioe Hia was strafrechter, en werd driemaal ontslagen. Iemand -vroeg hem: „Zoudt gij, Heer, nog niet kunnen weggaan (naar elders)?” -(Hwoey) zeide: „Als ik op oprechte wijze de menschen dien, wáár zou ik -heen moeten gaan om niet driemaal ontslagen te worden? Als ik de -menschen op een kromme wijze dien, waarom zou ik dan absoluut uit het -land van mijne ouders gaan?” - - - Hwoey hier was een rechterlijk hoofdambtenaar in Loe. Hij was een - opperste strafrechter, boven magistraten staande, maar onder den - minister van Justitie. Zijn antwoord getuigt van de verdorvenheid - zijner tijden. Ik heb hier opzettelijk „krom” vertaald om de - tegenstelling met recht, zooals in ’t chineesch staat, waar - „oneerlijk” of „onoprecht” beter zou zijn in het hollandsch. - - -Hertog King van Tsʼi zeide omtrent zijne behandeling ten opzichte van -Confucius: „Ik kan hem niet behandelen als het hoofd der clan Kie. Ik -zal hem behandelen als tusschen deze en het hoofd der Meng clan in.” -(En hij) zeide: „Ik ben oud. Ik kan (zijn leer) niet gebruiken.” En -Confucius ging (heen). - -Het volk van Tsʼi zond meisjes-muzikanten (naar Loe); Kie Hwan ontving -haar en in drie dagen werd geen audiëntie gehouden. En Confucius ging -(heen). - - - (In „Het Leven van Confucius” reeds besproken.) - - -Tszʼ Loe, den Meester volgende, bleef (eens) achter en ontmoette een -oud man, die een mandje voor onkruid op zijn’ schouder droeg aan een -staf. Tszʼ Loe zeide vragend: „Heer, hebt gij mijn’ Meester gezien?” De -oude zeide: „Uwe vier leden (zijn) niet (gewoon om te) bewegen. Gij -kunt de vijf soorten graan niet onderscheiden. Wie is uw Meester?” Hij -stak zijn staf in den grond, en wiedde. - -Tszʼ Loe bracht zijne handen samen voor de borst en bleef voor hem -staan. - -De oude hield Tszʼ Loe bij zich om bij hem te overnachten, slachtte een -kip, bereidde gierst, gaf hem te eten, en deed hem kennismaken met zijn -twee zonen. Den volgenden dag ging Tszʼ Loe (verder) en deelde het (aan -Confucius) mede. - -De Meester zeide: „Het is een, die zich teruggetrokken heeft” en zond -Tszʼ Loe terug om hem weer te ontmoeten, maar toen deze (aan zijn -woning) aangekomen was, was hij heengegaan. - -Tszʼ Loe zeide: „Geen ambt aanvaarden is geen plichtmatigheid. De -betrekking tusschen oud en jong mag niet veronachtzaamd worden, hoe zou -dan de betrekking tusschen Vorst en onderdaan veronachtzaamd kunnen -worden? Zich zelven rein wenschende te houden, laat (deze oude) die -groote betrekking in verwarring komen. De Kiün Tszʼ aanvaardt een ambt -en oefent het uit met (de plichten volgens) zijn plichtmatigheid. Dat -zijn Leer niet begaan wordt, dát weet hij al (vooruit).” - - - Dit geval sluit zich aan bij de in „Het Leven van Confucius” door - mij geciteerde van de ontmoeting met den krankzinnige Tsieh Yü en - die met de twee landbouwers op het veld, Chʼang Tsü en Kieh Neih, - die in hetzelfde Boek XVIII hier onmiddellijk aan vooraf gaan. De - oude man, hier bedoeld, was oorspronkelijk geen landbouwer, maar - een geleerde of wijze, die, de slechtheid der tijden inziende, zich - wijselijk in de eenzaamheid had teruggetrokken. De oude man verweet - als ’t ware Tszʼ Loe met zijn antwoord, dat hij, in stede van zich - ook als gewoon landbouwer terug te trekken en zich met handenarbeid - bezig te houden, maar steeds overal met Confucius mede rondzwierf - om toch maar ergens diens Leer als hoog gezagbekleeder ingang te - doen vinden. Confucius begreep dit, en zond Tszʼ Loe terug, om hem - te halen. Tot wien Tszʼ Loe later sprak, toen de Oude er niet was, - wordt niet vermeld, vermoedelijk tegen zijn zonen. Confucius, die - de vijf Loen, of betrekkingen (vader-zoon, vorst-onderdaan, [75] - man-vrouw, oudere broeder-jongere broeder, vriend-vriend) als de - door den Hemel ingestelde orde der dingen beschouwde, vond het een - zonde tegen den Hemel, om niet zijn’ vorst te dienen, ook al wist - men vooruit, dat zijn Leer geen ingang zou vinden (of, zooals er - letterlijk staat „dat de Tao niet begaan wordt”) en dat niets dan - teleurstelling het loon zou zijn. Hierin verschilde hij in principe - met Lao Tszʼ die, eenmaal archiefbewaarder geweest zijnde, toen de - tijden slecht waren, verdween, en nooit meer iets van zich liet - hooren. - -Het samenbrengen van de handen op de borst en dan stilstaan, wat Tszʼ -Loe deed, is een betuiging van eerbied volgens de Lí. - -De hertog van Chow zeide tegen den hertog van Loe: „De Kiün Tszʼ -verwaarloost zijn bloedverwanten niet. Hij maakt, dat de hooge -ministers niet op hem toornen, doordat hij hen niet (in den dienst) zou -gebruiken. Als er geen groote oorzaak voor is, ontslaat hij niet de -ambtenaren uit oude families. Hij zoekt niet naar vaardigheid (voor -alle ambten) in één mensch.” - - - De hertog van Loe was de zoon van den hertog van Chow, en werd door - zijn vader, die zelf recht had op de regeering, maar daartoe geen - tijd had, naar Loe als regeerder gezonden met deze wijze les. De - geleerde Koei Shi zegt hierover: „Deze vier dingen zijn de zaken - van den Kiün Tszʼ en het opperste van de trouw en de eerlijkheid.” - - - - -BOEK XIX. - -De geleerde (die in staatsdienst is) is, als hij gevaar ziet, gereed -zijn leven te geven. Als hij (winst) te verkrijgen ziet denkt hij om -rechtmatigheid. In de offering denkt hij om reverentie. In het rouwen -denkt hij om de smart. Deze is, zooals hij wezen moet. - -Tszʼ Hia zeide: „Elken dag erkennen, wat ons (nog) ontbreekt, en elke -maand niet vergeten, wat men (reeds) kan, kan met recht liefde voor de -studie heeten, naar ik meen.” - -Tszʼ Hia zeide: „Handwerkslieden wonen in hun winkels om hun werk te -volmaken. De Kiün Tszʼ studeert om zijne principes tot het hoogste op -te voeren.” - -Tszʼ Hia zeide: „De Kiün Tszʼ heeft drie gedaanteverwisselingen. Van -ver af gezien is hij streng; naderbij gekomen is hij zacht; als zijne -woorden worden gehoord is hij beslist en ernstig.” - -Tszʼ Hia zeide: „Als de Kiün Tszʼ (eerst) het vertrouwen van zijn volk -heeft, kan hij het later werk opleggen. Als hij dat vertrouwen niet -heeft, zal het voor hem zijn of hij het verdrukt. Als hij eerst het -vertrouwen (van zijn’ Vorst) heeft, kan hij hem later vermanen. Als hij -dat vertrouwen niet heeft, zal (de Vorst) van hem denken, dat hij hem -belastert.” - - - Met „de Kiün Tszʼ” wordt hier blijkbaar bedoeld „de Kiün Tszʼ, die - een minister of hoog ambtenaar is.” Als voorbeeld van de - uitgebreide en dikwijls geheel met elkaar in contrast zijnde - beteekenissen, die één chineesch karakter kan hebben, diene, dat - het woord „Lī” dat in het vorige fragment „majestueus”, „ernstig” - en „beslist” kon beteekenen, hier „verdrukken” is. - - -Tszʼ Hia zeide: „De ambtenaar (als zijn dienst is afgedaan) moet zijn -overige krachten besteden aan de studie; de (geleerde) als zijne -studies (afgedaan zijn) moet zijn overige krachten besteden aan (de -studie van) regeeren.” - -Tszʼ Hia zeide: „De rouw moet tot het hoogste opgevoerd worden van de -smart, en daarmede uit.” - - - Ook hier, evenals in vele vorige gevallen, zien wij, dat - buitensporig uiterlijk rouwvertoon volstrekt niet werd vereischt, - maar het ware wezen van den rouw, de smart, het eenige was dat hare - waarde bepaalde. - - -De filosoof Tseng zeide: „Ik heb onzen Meester hooren zeggen: „Iemand -kan nog niet het alleruiterste waartoe hij in staat is getoond hebben, -en het dan (later) toonen in den rouw voor zijne ouders.” - - - M. a. w. het beste wat in den mensch is komt dikwijls eerst te - voorschijn als een groote smart over hem is gekomen. - - -De filosoof Tseng zeide: „Ik heb onzen Meester hooren zeggen: De Hiao -(ouderlievendheid) van Meng Choeang was iets, wat andere menschen ook -(wel) kunnen, maar zijn niet veranderen van de ministers zijns vaders -en van de regeering zijns vaders, dat was iets moeilijks om te kunnen -(doen).” - - - Meng Choeang was het hoofd van de groote clan Meng, en leefde kort - voor Confucius. - - -Tszʼ Koeng zeide: „De fouten van den Kiün Tszʼ zijn als de zon- en -maaneclipsen. Hij faalt, en alle menschen zien het; hij verandert -(weer) en alle menschen zien er tegen op.” - -Shoeh Soen Woe Shoeh zeide tot de hooge ambtenaren aan het hof: „Tszʼ -Koeng is eerwaardiger (mensch) dan Choeng Ni (Confucius).” - -Tszʼ Foeh King Poh deelde dit mede aan Tszʼ Koeng. Tszʼ Koeng zeide: -„Laat mij dit vergelijken met een huis en zijn ommuring. Mijn muur komt -(slechts) tot de schouders. Als men er (overheen) gluurt ziet men wat -er voor goeds in moge zijn. - -„De muur van mijn’ Meester is vele vademen hoog. Als men de deur niet -(te vinden) krijgt om binnen te komen, ziet men niet de schoonheid van -den voorvaderlijken tempel en de rijke glorie van de vele mandarijnen. -Maar er zijn er misschien weinigen, die de deur vinden. - -„Was (dus) het gezegde van uwen Meester (die immers die deur niet wist) -niet, wat hij wel móest zeggen?” - - - Shoe Soen Woeh Shoeh was het hoofd der groote clan Shoeh Soen. Tszʼ - Koeng, die beroemd was om zijn vaardigheid in ’t spreken, geeft - hier in een zeer dichterlijk beeld een goed bewijs van zijne - welsprekendheid. Het volgende sluit hierbij aan: - - -Toen Shoeh Soen Woe Shoeh (eens) beleedigend van Choeng Ni (Confucius) -sprak, zeide Tszʼ Koeng: „Doe maar geen moeite. Choeng Ni kán niet -besmet worden. De deugden en talenten van andere menschen zijn (als) -heuveltjes en walletjes waar men overheen kan stappen. Choeng Ni is -(als) de zon of de maan, waar men niet overheen kan stappen. Al wil -iemand zich geheel afsnijden (van zijn omgang) hoe kan hij (ooit) de -zon of de maan kwetsen?” - -Chan Tszʼ Kʼin sprak Tszʼ Koeng aan, en zeide: „Gij zijt (te) nederig. -Hoe kan Choeng Ni eerwaardiger zijn dan gij, Heer?” - -Tszʼ Koeng zeide: „Om één woord wordt iemand (veelal) voor wijs -gehouden, en om één woord wordt iemand (veelal) voor dom gehouden. Wij -moeten stellig voorzichtig zijn met onze woorden. - -„Men kan niet aan den Meester toe komen, evenals men den Hemel niet -langs trappen op kan stijgen. - -„Als onze Meester eens (de regeering over) een staat of eene familie -verkreeg, zou hij wat hij deed precies doen zooals het wezen moest. - -„Hij zou het volk planten, en het zou dadelijk gevestigd zijn. Hij zou -het leiden en het zou dadelijk (achter hem aan) gaan. Hij zou het tot -rust brengen, en (uit verre streken) zou het dadelijk aankomen (naar -zijn staat). Hij zou het opwekken en het zou dadelijk in harmonie zijn. -In zijn leven zou hij beroemd zijn. Bij zijn’ dood zou hij diep -betreurd zijn. Het aldus zijnde, hoe zou hij (ooit) te bereiken zijn?” - - - Met het „planten” zal wel bedoeld zijn het volk in een goede - omgeving plaatsen, elke klasse en soort in die voor haar eigen - positie. - - - - -BOEK XX. - -Yaou zeide: „O Shoen, de orde van successie van den Hemel rust (nu) op -úw lichaam. Houdt ernstig het Midden (Choeng) vast! Als er ellende is -binnen de vier zeeën zal uw traktement van den Hemel tot een eeuwig -einde komen.” - - - Met „de hemelsche orde van successie”, waar letterlijk staat: „de - voorgestelde en berekende getallen van den hemel” wordt bedoeld de - nalatenschap van vorige keizers en koningen, die elkaar telkens - opvolgden „als de seizoenen van den hemel.” Het „traktement” van - den Hemel, welk woord hier eenigszins vreemd klinkt, is in het - chineesch niet zoo leelijk, omdat verondersteld wordt, dat het - „loeh” van hooge mandarijnen hun door den Hemel beschoren is, en - het woord „loeh” eenigszins een heilig woord is. - - -Dezen last gaf ook Shoen aan Yü. - -(Thʼang) zeide: „Ik, het kleine kind Lí, durf gebruiken een donker -gekleurd offerdier, en durf u aankondigen, alleropperste Shang Ti, dat -ik den zondaar niet durf vergeven, en ik uw ministers niet in het -duister zal laten. Het onderzoek van hen is in uw hart! Als ik zelf -fouten bega, ligt dat niet aan (het volk) der tienduizenden streken. -Als (het volk) in de tienduizenden streken fouten begaat, rust dat op -míjn lichaam.” - - - Vertaler moet bekennen, dat hij hier niet voor zijne versie - instaat, daar de tekst hem nog lang niet helder is. Thʼang uitte - deze woorden—een mannelijk rund tot offering daarbij - gebruikende—tegen het volk en de verschillende edelen, toen hij hen - opriep tegen Kjeh Wang, den tyran der Hia dynastie. Met den zondaar - wordt bedoeld Kjeh. Ik vermoed, dat zijne aanroeping tot Shang Ti - geschiedde (Legge vertaalt het door „God” wat geen chineesch idee - is), maar ik ben er niet geheel zeker van. Wat mij wèl duidelijk - is, is, dat hij beloofde, de waardige ministers niet in duisternis, - d. i. ongebruikt te laten; dat als hij zelf misdaden of fouten - beging, dit niet aan het volk lag, maar als het volk fouten beging, - dit aan hem, den vorst lag, omdat hij het dan niet goed genoeg - geleerd had. Dit laatste werd ook later een der hoofdstellingen van - Confucius. De „ministers van Shang Ti” zijn de waardigen en goeden, - die dus in staatsdienst moeten zijn. - - -Chow gaf groote gaven, en de goeden werden verrijkt. - -Hij droeg nauwlettend zorg voor maten en gewichten, onderzocht de -wetten, herstelde de ten onrechte afgedankte ambtenaren (in dienst) en -de regeering ging haar (goeden) weg. - -Hij deed uiteengevallen staten weer opbloeien, herstelde families, -welker afstammingslinie was afgebroken, hief in den staatsdienst -ambtenaren weder op, die zich teruggetrokken hadden, en de harten van -het volk in het geheele rijk keerden zich tot hem. Wat hij van gewicht -beschouwde was het voedsel van het volk, de rouw, en de offering. Met -zijn edelmoedigheid verkreeg hij (de liefde van) allen. Door zijn -oprechtheid vertrouwde het volk in hem. Door zijn activiteit verkreeg -hij (groote) werken. Door zijn gerechtigheid waren allen verheugd. - - - Met Chow wordt hier bedoeld Woe Wang. - - -Tszʼ Chang vroeg aan Confucius, en zeide: „Hoe moet iemand doen, zóó -dat hij de regeering (goed) kan leiden?” - -De Meester antwoordde: „Laat hem de vijf schoone dingen eerbiedigen, en -de vier slechte dingen verbannen; dan zal hij de regeeringen (goed) -kunnen leiden.” Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vijf schoone -dingen noemt?” De Meester zeide: „Weldadig zijn en niet verkwistend -zijn; het opleggen van werk (aan het volk) zonder dat het mort; -verlangen zonder begeerigheid; waardig zijn zonder trotsch te wezen; -majestueus zijn en niet woest.” - -Tszʼ Chang zeide: „Wat noemt gij weldadig zijn en niet verkwistend?” De -Meester zeide: „De dingen, waar het volk (natuurlijk) voordeel van -heeft nog voordeeliger te maken, is dit niet weldadig zijn en niet -verkwistend? Uit te kiezen de werken die kúnnen gedaan worden, en die -als werk opleggen, wie zal (daarover) morren? Zijn verlangen zetten op -menschlievende (regeering), en die menschlievendheid (dan ook) -verkrijgen, wie zal dat begeerigheid noemen? Zonder er op te letten of -hij met allen of met weinigen te doen heeft, met groote of kleine -zaken, geen oneerbiedigheid te toonen, is dit ook niet waardig zijn en -niet trotsch? Hij zet zijne kleederen en zijn muts recht, en maakt dat -hij waardigheid heeft in zijne blikken, zoodat hij, aldus in zijne -gestrengheid, met ontzag wordt aangezien; is dit niet majestueus zijn -en niet woest?” - - - Hier zij even tusschengevoegd, dat met de „iemand” in de beginvraag - van Tszʼ Chang natuurlijk wordt bedoeld „iemand die een hoogen - regeeringspost bekleedt, b. v. die van minister.” - - -Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vier slechte dingen noemt?” -De Meester zeide: „Het niet geleerd hebben en (toch) het volk ter dood -brengen,—dit wordt genoemd wreedheid. Niet (eerst) gewaarschuwd hebben -en (direct) het volmaakte werk eischen (van het volk),—dit wordt -genoemd verdrukking. Zonder aandrang bevelen uitvaardigen en, als de -tijd aangebroken is (met de uiterste gestrengheid onmiddellijke -opvolging eischen),—dit wordt genoemd mishandeling. Over ’t algemeen, -(belooningen of salarissen) geven, en dat op een gierige manier doen, -dit is als enkel maar „ambtenaar” handelen (zonder menschelijkheid).” - -De Meester zeide: „Zonder de decreten van den Hemel te kennen kan men -geen Kiün Tszʼ zijn. - -Zonder de Lí (het Decorum) te kennen is het karakter nog niet -gevestigd. - -Zonder te weten (wat) woorden (zijn) kan men de menschen niet kennen.” - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] „The Life and Teachings of Confucius,” 7th edition, London. Kegan -Paul, Trench, Trübner & Co. - -[2] De in dit werk voorkomende chineesche woorden heb ik in ’t -zoogenaamde „mandarijn-chineesch” gegeven. - -[3] In deze meer het sanskriet „dana”. - -[4] Dus „wat den mensch eigen is, zooals een mensch (oorspronkelijk) -is.” - -[5] De mystiek hier en daar in de „Choeng Yoeng” is n.l. -hoogstwaarschijnlijk van Tszʼ Szʼ en niet van Confucius zelf. - -[6] Zoo bekent eveneens Prof. Legge, die van het in de „Choeng Yoeng” -voorkomende „Chʼing” terecht zegt „The ideal of humanity,—the perfect -character belonging to the sage—is indicated by a single character, and -we have no single term in English which can be considered as the -complete equivalent of it.” - -[7] Dr. H. C. Muller. Schets der Helleensche of Grieksche letterkunde, -blz. 166. De cursiveeringen zijn van mij. - -[8] Uit Plato’s „Wetten”, 5e boek, en Confucius’ „Loen Yü”, 11e boek. -Schoonheid hier in den zin van lichamelijke schoonheid natuurlijk, niet -in den allerhoogsten zin. - -[9] Wetten. Boek 3, naar de fransche vertaling van de Grou en Becker. - -[10] Wetten. Boek 4. - -[11] Choe Hie leefde van 1130 na C. tot 1200 n. C. - -[12] Letterlijk staat er „alle menschen binnen de vier zeeën” enz. (In -de „Loen Yü”.) - -[13] Prof. Legge zegt o. a.: „The answer to Confucianism is China!” -Maar kan men dan niet even goed in China zeggen: „Het antwoord op -Christendom is Europa?”—Opium en christendom zijn in China met geweld -van ironclads ingevoerd, en het christendom handhaaft in China de leer -van oog om oog, tand om tand. Men kan onmogelijk eene filosofie of een -godsdienst beoordeelen naar den toestand van het land, waarin zij -ontstonden. Evenmin als Confucianisme China heeft het Christendom -Europa rein gemaakt. Maar niet naar den uitslag, naar de innerlijke -waarde moet hier gezien worden. - -[14] Ik behandel hier de chineesche geschiedenis tot Confucius zoo -beknopt en kort mogelijk, alleen juist genoeg om te doen uitkomen, wie -de vorsten waren, die Confucius verheerlijkt. - -[15] De zendelingen der protestante missies hebben God met Shang Ti -vertaald. Maar ofschoon deze naam nog de beste was, hebben de chineezen -daardoor meestal hun chineeschen Shang Ti voor den christelijken God -gehouden. - -[16] Dat gebed om regen is ook nog tegenwoordig in gebruik. - -[17] De familienaam van dezen Shoeh Liang Heih (dat zijn aparte -mandarijnennaam is) was Khʼoeng, dien dus later ook zijn zoon droeg, -dien men „Khʼoeng Foe Tsoe” ging noemen. Foe Tsoe is een titel, die -ongeveer ons „Meester” beteekent en aan vele geleerden werd gegeven. - -[18] De naam „Kʼioe” is heilig geworden, en mag niet uitgesproken -worden met dien klank maar als „moh”. Moet de chineesche geleerde of -student het karakter schrijven, dan zet hij het eerbiedig in een -vierkantje □, om het te onderscheiden. - -[19] „Loen Yü.” - -[20] In een volgend deel van dit werk hoopt de schrijver meer speciaal -de taoïstische filosofie te beschouwen, en zal hij bij die gelegenheid -ook de gesprekken tusschen Confucius en Lao Tszʼ behandelen. - -[21] Hwang Ti (de Gele Keizer), een keizer uit de oudheid, die van af -2697 v. C. 100 jaar regeerde. Thʼang of King Thʼang bevrijdde het rijk -van den tyran Kjeh Wang (1765 v. C.) of Kjeh Kwei en werd zelf keizer. -Hij is een der beroemde „Ouden”, de eerste van de Shang dynastie. - -[22] Yiau en Shoen (2356 v. C. en later) zijn twee keizers, onder wier -regeering een tijd van volmaakten bloei moet hebben geheerscht. Zij -zijn dan ook het ideaal gebleven van keizers, die zich beschouwden als -de vaders van het volk. - -[23] „Loen Yü” XII. - -[24] „Loen Yü” XVIII. - -[25] Eigenaardig is dat de eerwaarde abbé Grosier hiervan zegt: „Quel -système de philosophie aurait pu tenir contre un essaim aussi -redoutable de jeunes beautés folâtres, empressées de plaire, et armées -de tous les moyens de séduction?” En dat nog wel een abbé! (Zie zijn -„De la Chine, ou Description Générale de cet Empire.” Paris, Pillet. -1820.) - -[26] Waar ik in vertalingen in dit werk „schoonheid” gebruik, lett. -„kleur”, is dit volgens de chineesche beteekenis van dat woord altijd -in slechten zin b. v. schoonheid van vrouwen als verleiding tot lust en -slechte hartstochten. - -[27] Tsieh Yü was niet werkelijk krankzinnig; hij hield zich maar zoo, -om niet geroepen te worden tot een publiek ambt. Zijne woorden -zinspelen er op, dat Confucius verkeerd deed, zijne principes in zulk -een’ tijd van wanorde aldoor maar tevergeefs, zonder de minste kans op -succes, te verkondigen en als weg te werpen. Tsieh Yü’s echte naam was -Loeh Tʼoeng. - -[28] Zooals in ’t begin van dit hoofdstuk reeds door mij is vermeld -heette Confucius ook „Kʼoeng Kʼioe.” - -[29] De bedoeling was ironisch „dat hij (Confucius), die zoo -voortdurend van land naar land trok, en zoo overal een betrekking bij -de regeeringen zocht, dan ook dat veer diende te weten.” - -[30] Andere naam van Tszʼ Loe. - -[31] Den zin heb ik tot goed begrip niet letterlijk van den tekst naar -de letter vertaald, maar naar de bedoeling, verduidelijkt in den -commentaar. - -[32] Lett.: „mijn Leer is uitgeput.” - -[33] Volgens anderen was Confucius’ dood in 479 v. C. - -[34] Met de werken van Meng Tszʼ (Mencius) samen vat men deze werken -samen onder den naam „Szʼ Shoe”, „De vier Boeken.” - -[35] Deze heerschte van 960–1127 n. C. - -[36] De chineezen noemen zich dan ook volgaarne „Han Jen” d. i. -Han-menschen. - -[37] Mencius. - -[38] Symbool van trouw en onvergankelijkheid. - -[39] Een verre afstammeling van Confucius leeft nog, en wordt met -groote onderscheiding behandeld en aan het hof toegelaten. - -[40] Szʼ Ma Tsʼien is een der beroemdste geschiedschrijvers van China, -wien europeesche geleerden den naam van „de Herodotus van China” hebben -gegeven. In zijn werk „Shʼ Ki” wordt de geschiedenis van China gegeven -van af keizer Hwang Ti tot den tijd van Woe Wang van Chow. - -[41] Men versta hier meer onder „geest.” Het chineesche hiëroglyphische -karakter voor hart drukt èn hart èn geest uit. Ook wordt het hart -beschouwd als de zetel der ziel. - -[42] Dit is gelatiniseerd in „Mencius,” zooals Khʼoeng Foe Tszʼ in -Confucius. - -[43] Zie „Inleiding” blz. 13 over „Kiün Tszʼ.”— - -[44] Yen Hwoey was de lievelingsdiscipel van Confucius. - -[45] Tszʼ Loe, of Yioe, was een der beste en trouwste discipelen van -Confucius, die echter een groote neiging tot strijden had en beroemd -was meer om zijn groote dapperheid dan om zijn helder doorzicht. In de -„Loen Yü” hooren wij meer van deze discipelen. - -[46] D. i. Het heilige Boek der Odes, één der vijf „Kings.” - -[47] Dit „wonen” (lett. vertaald) heb ik behouden, daar ik deze -chineesche uitdrukking zeer juist vind voor „altijd iets blijven -betrachten zonder verandering.” - -[48] Men zie vooral tot goed begrip van dit hoofdstuk eerst de -„Historische Ophelderingen,” vóór in dit boek. - -[49] Zie „Historische Ophelderingen.” - -[50] Ouderlievendheid. - -[51] Zie vooral Inleiding blz. 8 over „menschelijkheid, Jên”. - -[52] Let op blz. 8 (Inleiding) over wat hier met „menschelijkheid” -bedoeld wordt. n.l. „de volmaakte deugd van het hart.”— - -[53] Ik heb hier Tao onzijdig genomen, waar elders mannelijk, om -verwarring met „den Wijze” te voorkomen. Strikt genomen kan het -geenerlei geslacht hebben natuurlijk. - -[54] Zooals ik reeds in „Het Leven van Confucius” zeide, wordt het -betwijfeld, of Confucius wel dezen tekst ooit uitsprak en of Tsĕng Sin -wel de uitlegger en schrijver der volgende hoofdstukken was, en bestaat -hieromtrent geen zekerheid. Vertaler geeft echter Choe Hie’s opinie er -bij, omdat die nu eenmaal in bijna alle chineesche edities aan den -tekst is toegevoegd. - -[55] Dit zou óók volgens de chineesche constructie kunnen beteekenen: -„is dicht bij den Tao (dan hier „Leer”) (van den Ta Hiŏh) zijn” en is -ook door velen zoo opgevat. - -[56] Vroeger werd met penseelen op tabletten van bamboe of zijde -geschreven, nog niet op papier. - -[57] Een geografische lí is 1458,53 voet, waarvan tien een fransche -„lieu” uitmaken (Wells Williams). - -[58] Het einde der Shang dynastie wordt ook Yin dynastie genoemd. - -[59] Men zou kunnen lezen „een grooten Weg” maar dit is het juiste toch -niet. Tao is in Confucius „het volgen van de Sing” dus „het volgen van -zooals goddelijk is,” „the doing of what is right.” - -[60] Wells Williams geeft: „De ster Dubhe α in Ursus Major.” - -[61] Dit is werkelijk het geval met de hooge chineesche poëzie die niet -alleen aan aesthetische, maar vooral aan ethische vereischten moet -voldoen. - -[62] Meng Ie was een hoog mandarijn in Loe. Zijn eigen naam was Ho Kie. - -[63] Faan Chʼi was een der mindere discipelen van Confucius. - -[64] Meng Woe was de zoon van Meng Ie. - -[65] Tszʼ Yioe was een van Confucius’ voornaamste discipelen, beroemd -om zijn kennis van Lí. Zijn naam was Yen Yang. - -[66] Deze Hwoey is de beroemde Yen Hwoey, Confucius’ liefste discipel, -die in de „Loen Yü” herhaaldelijk wordt geprezen. - -[67] Yioe was de familienaam van Tszʼ Loe. - -[68] De hertog van Loe. - -[69] Koning Woe verjoeg de Shang dynastie en werd onder den naam Kie Fa -de eerste keizer der Chow dynastie. - -[70] Familienaam van Tseng Sin. - -[71] Vooral hiermede bedoeld „de literatuur” wat echter in chineeschen -zin vanzelf ook godsdienst, ethica en moraliteit medebrengt. - -[72] De afstand van de vorstelijke plaats wordt gerekend met graden of -stappen, naar gelang het aantal hooge staatsdienaren, die volgens rang -daar op zijde van staan. - -[73] In den zin van „niet in gala gekleed”, „huisdracht.” - -[74] Anderen naam van Fan Chʼi. - -[75] somtijds meer als „vorst en minister” op te vatten. - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE CHINEESCHE FILOSOFIE *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
